P. 1
Alexanders Geesten Franck 1882

Alexanders Geesten Franck 1882

|Views: 96|Likes:
Published by Sc56bd

More info:

Published by: Sc56bd on Jan 04, 2013
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

07/15/2015

pdf

text

original

Alexanders geesten

Jacob van Maerlant

editie Johannes Franck

bron
Jacob van Maerlant, Alexanders geesten (ed. Johannes Franck). J.B. Wolters, Groningen 1882

Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/maer002jfra01_01/colofon.htm

© 2009 dbnl

π5 AAN WILHELM SCHERER ALS BLIJK VAN DANKBAARHEID EN VEREERING OPGEDRAGEN.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

π7

Voorrede.
Het plan dezer uitgave ontstond gedurende mijn verblijf te Leiden in 1878. Toen werd de tekst vastgesteld en kort daarna ook de inleiding en de aanteekeningen voor het grootste deel bewerkt. De druk is reeds in het voorjaar van 1880 begonnen, maar ging zeer langzaam vooruit, veel langzamer dan ik wenschte en verwachten kon. Men zal begrijpen, dat ik in dien tijd bij uitbreiding van mijne studien dikwijls zelf inzag dat iets, wat ik geschreven had, verbetering behoefde. Het is geen aangenaam werk aan dezelfde stof gedurende zoo langen tijd telkens met tusschenpoozen te arbeiden, en nu eens hier, dan eens daar iets te verbeteren of te vernieuwen. Wel heb ik gepoogd zoo doende alles op de hoogte van mijne eigene kennis te brengen, maar ik ben er niet overal zoo geheel in geslaagd, als wanneer ik het werk nu voor 't eerst ondernomen had. Men moge daarom bij de beoordeeling somtijds zich herinneren dat het meeste, wat er in het boek staat, drie jaren of langer geleden is geschreven. Mijne eigene schuld is het, als in de orthographie en vooral in de interpunctie inconsequenties zijn ingeslopen. Ook voor iets anders moet ik verschooning vragen. Wel heb ik de nl. taal leeren kennen en waardeeren, maar ik mag mij niet vleien, er zelf in te kunnen schrijven. De Redacteurs van deze ‘Bibliotheek’, die ik vóór den druk daarop opmerkzaam maakte, hadden te dezen opzichte eene te goede meening van mij, zij lieten de kleine noten onder den tekst zonder revisie. Ten gevolge daarvan bevat de eerste aflevering grove fouten tegen de taal. Van het 7
de

vel van den

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

π8 tekst af is het Nederlandsch door mijne vrienden Prof. VERDAM en J.W. MULLER te Haarlem met de meeste welwillendheid verbeterd. Het is een aangename plicht hun daarvoor te dezer plaatse te danken. Ik richt mijnen dank ook tot het bestuur van de ‘Hof- und Staatsbibliothek’ te Munchen, die mij het Hs. toezond en aan den Heer Graaf VAN LOË te Wissen bij Weeze, die mij vergunde de geographische uitweiding in het Hs. der Historie van Troyen in zijn gastvrij huis over te schrijven. Voorts ben ik dank verschuldigd aan Prof. DE VRIES, wiens hulpvaardigheid, getuigen eenige geestige verbeteringen en verklaringen, ook aan deze uitgave niet ontbrak, en wiens woordverzamelingen mij altijd gedurende mijn verblijf te Leiden open stonden' en aan wijlen Dr. VERWIJS en Prof. VERDAM, die steeds bereid waren hunne voor het Mnl. Woordenb. bijeengebrachte schatten voor mij te raadplegen. Helaas, dat mijn dank den eerste niet meer onder de levenden treft! Ik vermeld ook met erkentelijkheid dat Prof. VERDAM van zijn plan, zelf den Alexander op nieuw uit te geven, te mijnen gerieve afstand deed. Ten slotte eindig ik met den wensch, dat dit boek moge bijdragen tot de kennis der taal en der letteren van het land, hetwelk mij gedurende een jaar, waaraan de herinnering mij steeds aangenaam zal blijven, gastvrij geherbergd heeft. BONN, 20 November 1882. J.F.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

π9

Corrigenda et addenda.
Bl. 2 reg. 1 v.o. lees 66 in pl. van 62. - bl. 5 vs. 150 l. Nabatiene - bl. 9 vs. 330 l. was, - bl. 39 vs. 56 l. an. - bl. 43 vs. 187 l. Die Narvel - bl. 52 vs. 519 l. stille. - bl. 71 reg. 2 v.o. voeg bij 1253 in o god - bl. 82 reg. 4 v.o. lees wagen - bl. 86 vs. 488 l. Hecsele en voeg in de var. hechsele bij - bl. 98 vs. 969 l. hoghe - bl. 114 vs. 203 en bl. 115 vs. 260 l. Narvelsee en voeg bij de varr. navelsee - bl. 117 vs. 316 schrap niet en plaats het in de var. - bl. 118 vs. 352 l. moochdijt. Dezelfde fout komt misschien nog meer voor. - bl. 138 vs. 119 l. sterten en voeg in de var. stroten bij bl. 146 vs. 1437 l. dats Ghedoochsamhede - bl. 156 reg. 14 v.o. lees seiden G seiden diene kinden H - bl. 158 vs. 120 l. roest - bl. 176 reg. 5 v.o. schrap de var. 764 - bl. 187 reg. 4 v.o. lees dat helc - bl. 211 reg 5 v.o.l. principis arma - bl. 213 vs. 919 vg. l. Dat ghi so eerl. vecht: cnecht en schrap de var. van 919 - bl. 214 vs. 946 l. volghede - bl. 214 vs. 963 l. sant, - bl. 214 reg. 11 v.o.l. Narbasanesque - bl. 215 reg. 6 v.o.l. compelluntur - bl. 217 vs. 1084 l. peerde - bl. 222 vs. 1242 l. liede - bl. 223 vs. 9 1. sonne - vs. 24 l. Nu - bl. 254 reg. 11 v.o.l. 1645 - reg. 10 v.o.l. 1003 in pl. van 1903 - bl. 283 vs. 112 l. Amadas en schrap in de var. Amadis S] amadas - vs. 114 en 129 l. hare - bl. 346 vs. 1174 l. niet en - r. 1 v.o. voeg in datmene hielt - bl. 393 vs. 1529 l. Dattie - bl. 426 in de aant. op 446 vg. voeg er aan toe ‘De zin moet die van het spreekwoord bij Wander Sprichwörterlexicon II 683 vgg. wezen: alst den herde misgaet, misgaet den vee; wann es dem hirten ubel geht, so sterben die schaf; des hirten not ist der schaf tod’ - bl. 436 reg. 21 v.o.l. fout in pl. van out bl. 456 reg. 2 v.o. de aanteekening behoort bij 5, 146 - bl. 474 reg. 3 v.b.l. 184 - bl. 478 r. 20 v.o. schrap (vgl. b.v. vs. 612 vgg.) - bl. 492 reg. 1 v.b.l. [ghe]wouden:

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

I

Inleiding.
I. Handschrift en fragmenten. - Eerste uitgave.
Het hier uitgegeven gedicht van Jacob van Maerlant is ons volledig slechts in een enkel handschrift bewaard, hetwelk op de Hof- en Staatsbibliotheek te Munchen berust. Het eerste bericht er over heeft Docen gegeven in Aretins Beiträgen zur Geschichte und Litteratur 9, 1087-96. Hij beschrijft het uit de voormalige bibliotheek te Mannheim voortkomende hs., hetwelk 24 cM. hoog en 17 cM. breed is, aldus: ‘Sie ist auf Pergament in Quart, 108 Blätter, auf 2 Columnen egal und deutlich geschrieben (nur dass wer die Sprache nicht kennt, durch die Gleichheit des c und t, e und v oft verlegen gemacht wird); an der Stelle der Custoden zu Ende jeder Lage ist allemal der nächste Vers völlig ausgeschrieben; die Zahl der Verse in jeder Columne ist 35; übrigens ist die Hs. vollständig und vollkommen gut erhalten, nur dass manche Blätter verschimmelte Stellen zeigen. Die Schrift selbst, der Form nach ein Mittelding zwischen damaliger französischer und deutscher, deutet auf das letzte Drittel des 13. oder des 1. des vierzehnten; der Text überhaupt genommen sehr correct. Die vielen Überschriften sind mit Zinnober geschrieben. Der 1. Buchstabe der sämmtlichen Verse mit einem rothen Strich bezeichnet. - Der alten Foliiring gemäss enthält das Gedicht selbst 105 Blätter 1 Spalte. Eine allgemeine Überschrift fehlt.’ Ik voeg er bij dat achter de opschriften eene grootere beginletter volgt, en eene soortgelijke ook daar staat, waar in mijn tekst de lijn inspringt. De bewering dat de tekst ‘überhaupt genommen sehr correct sei’ moge de schrijver zelf verantwoorden. Ook in de tijdsbepaling van het Hs. vergist hij zich. De taal is voorzeker niet van het begin der veertiende eeuw, laat staan nog van de dertiende; zij bewijst stellig dat het Hs. later geschreven is, eerder aan het eind van de veertiende eeuw, dan in het midden, als het niet nog jonger is. Behalve dit hebben wij alleen nog fragmenten van twee andere hss. bevattende in 't geheel 475 gedeeltelijk verminkte verzen. 1 . 2 fragmenten bevattende V 11-165 en 1067-1215, gedrukt bij Blommaert Oudvl. Ged. II 69 vgg. en bij Snellaert onder den tekst als
o

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

II ‘Gentsche fragmenten.’ De lezingen zijn door mij met G aangeduid. 2 . een getal van fragmenten bevattende enkele verzen van VIII 1212 - IX 282 en van X 109 - X 453 het eerst gepubliceerd door De Vries in Nieuwe Reeks van Werken van de Maatsch. der Nederl. Letterk. deel VII 191-197, door Snellaert onder den tekst opgegeven als ‘Amsterdamsche fragmenten.’ De lezingen bij mij met A 1) aangegeven . Als verder hulpmiddel voor een enkel gedeelte komt er nog bij het te Wissen-Weeze berustende hs. van de Historie van Troyen, t.w. voor de geographische uitweiding VII 837-1775. Als namelijk Maerlant in zijne vertaling van Bénoit tot het geographisch overzicht gekomen is, hetwelk de fransche dichter in zijn werk inlascht (23055-23282), zegt hij.
hier laet blyven benoyt alt doen van priame ende aghamemnoen ende maect ons condt een deelkyn des hoe die werelt ghescapen es ende som die lude ende die rivieren die syn van menegherande manieren mer om dat ic heb dat ghedicht in alexander ende bet verlicht ende oec meer daer af gheseecht dan in benoyts rime leecht wil iks ontberen te deser stede te maken want ic hebt lede (l. leden) ende ghedicht jn alexandre daer om en wil ic gheen andre reden maken noch oec dichten mer ic wil saen berichten dat selve ghedicht die selve woerde die alexander noyt en hoerde men mach hier merken ende verstaen een deel hoe eertryck es ghedaen
o

en dan volgt woordelijk op f . 197 v 1 - f . 204 r 2 het geographisch overzicht uit den Alexander met enkele afwijkingen, zoo als ze uit den aard der zaak zelve 2) voortvloeien . De twee regels uit den Alex. 1051 vg., die op Persepolis slaan, die Alexander brac te sticken genoemt hebbic se ooc dicken ontbreken b.v. in T (ik duid daarmede de lezingen uit het hs. van Troyen aan); evenzoo ontbreken b.v. 1290-97, waarin van Bessus en Narbesines wordt gewaagd. Zelfs de twee verzen 1491 vg., waar van Theben wordt gezegd die Alexander destrueerde, bedi dat soene verweerde zijn overgeslagen. Maar dadelijk daarna zijn bij Macedonie en bij Corinthe de toespelingen op Alexanders geschiedenis gebleven, de eerste in de woorden iets afwijkend, maar zonder dat deze afwijking uit den aard der zaak gerechtvaardigd is. Van den anderen kant zijn in T enkele toespelingen op den Trojaanschen oorlog ingevoegd, die in den Alex. gemist worden. 1350 luiden in den Alex. [die was Jupiters sone.] daer is Troyen, daer die gone van
1) De door Mone Anzeiger f. Kunde d. deutsch. Vorzeit IV (Jahrgang 1835) 468-85 gepubliceerde fragmenten ‘aus Maerlants Alexander’ behooren, zooals nu bekend is, niet tot dit werk, maar tot den Spiegel historiaal. Vgl. Verdam Epis. uit Maerlants Historie van Troyen bl. 3 vg.

o

o

2)

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

III

Grieken tien jaer vore laghen, eer sise ghewonnen saghen, in T daarentegen daer na staet Troyen die stat scoen, daer die Grieken laghen voren, als ghi hebt ghehoert ende noch sult horen. - 1480 wordt van Caonia gezegd die Hectors broeder Helenus na Caoene hiet aldus, dan gaat het voort daer na soo staat ene stede. In T is ingevoegd als ghy horen sult hiernaer en dan luidt het met eene noodig gewordene verandering daer na staet dat weet voerwaer een goede grote rycke stede. De verandering is zóó onhandig dat men een oogenblik zou kunnen aarzelen, haar aan M. zelf toe te schrijven. De reden echter dezer aarzeling is niet voldoende. - 1690 is bij Colchos in T ingelascht
Daer Jasoen voer om tgulden vlies dies dien von Troyen sint verwies.

Buitendien heeft T twee grootere toevoegsels, waarover ik in de aanteekeningen op 1262 en 1318 zal spreken. Wij zien dus dat de tekst van den Alex. door M. in zijn ander werk is overgenomen, maar dat opzettelijk een en ander daarin is veranderd. Ik heb uit T dit stuk in Wissen overgeschreven en, alhoewel de meeste verbeteringen al gemaakt waren, vooral met hulp van den origineelen latijnschen tekst, werd uit de vergelijking toch nog menige winst opgedaan voor dit deerlijk bedorven gedeelte van den Alexander. Merkwaardig echter, de beide teksten schijnen dikwijls in fouten overeen te stemmen. Vs. 873 hebben beide dor (doer) in pl. van in - 911 vermoedt men rauwe beesten; het adjektief ontbreekt in beide teksten, toch heeft H (Hs. van den Alex) daarvoor in de plaats oec - 935 beide siene in pl. van onsiene. - 949 beide vleesch (vleys) in pl. van vische - 1045 beide dar (daer) in pl. van dat - 1056 H perides, T pieredes voor pyrites - 1150 beide dor (doer) in pl. van vor - 1164 hebben beide een overbodig en zinverwarrend hi - 1187 beide onder overbodig - 1222 beide wart (wert) in pl. van wat - 1243 ontbreekt in beide de tweede naam van Cambyses - 1266 hebben beide het adjektief misschien op de verkeerde plaats - 1325 anticipeeren beide waarschijnlijk verkeerdelijk die wijf uit 1327 - 1393 H Ysidia T Iridia voor Pisidia - 1422 beide noortwest voor noortoost - 1424 beide an (aen) in pl. van in - 1426 beide misschien XL voor LX - 1451 beide voert in pl. van noert - 1505 beide albestoen in pl. van asbestoen - 1513 H Ysturia, T hesturea voor Istria - 1544 beide misschien gaet voor staet - 1545 H bacteren, T bracten in pl. van bartanien - 1591 H aveiou, T auenioen in pl. van aniou - 1592 H pontu, T poutoen voor poitu - 1600 ontbreekt bij beide dede - 1684 hebben beide eylande in pl. van eylanden - 1689 beide auidos (T amdos) in pl. van abidos - 1695 hebben beide eene lacune, waarin Rhodos was genoemd, of meeste bij beiden is verkeerd voor middelste - 1697 beide pictagoras - 1709 beide dat in pl. van die - 1773 beide het zinverwarrende haer (eer) in pl. van sijn. Vgl. ook vs. 1103a en 1273.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

IV Het zou zeker voor de hand liggen, hieruit tot eene onmiddellijke nauwe betrekking tusschen de twee teksten te besluiten en te veronderstellen dat een afschrijver van het eene gedicht het bewuste stuk heeft overgeslagen en naar de handschriften van het andere heeft verwezen, en dat het stuk uit eene van deze later in een nieuw hs. van het eerste werk is gekomen. Maar ons Alexanderhs. heeft het geographisch overzicht zóó als het voor den Alex. gedicht is, het hs. von Troyen daartegen zóó als het voor dit werk, op enkele plaatsen althans, veranderd is. Er blijft nog de mogelijkheid dat de kopiïst van het eene gedicht ook een hs. van het andere had en bij het geographisch overzicht naar beide werkte, zoo dat fouten van den eenen tekst ook in den anderen zijn ingeslopen. Ik wil echter toegeven dat enkele plaatsen, die ik voor fout houd, misschien niet bedorven zijn. Verder kan wellicht de bron, die de dichter bezigde, reeds enkele van de fouten, verkeerde namen en cijfers b.v. en leemten, bevat hebben. En bij de rest is het misschien niet te stout toevallige overeenstemming te veronderstellen. De meeste fouten laten zich ook werkelijk verklaren als misvattingen, die niet ver afliggen. Toch is het groote aantal, hetwelk in elk geval overblijft opmerkelijk; en de voorgestelde mogelijkheid, dat nevens een hs. van het eene werk ook een van het andere gebezigd werd, schijnt mij niet uitgesloten. Ik durf deze vraag niet afdoende beslissen. Zij is niet zonder beteekenis voor den graad der kritiek, dien wij gelooven ons te mogen veroorloven bij den tekst der uitweiding. Ik hoop in de praktijk niet al te ver te zijn gegaan. Het Hs. van Munchen naar een door Schmeller genomen kopie bezigde Jonckbloet bij zijne Geschiedenis der Middelnederl. Dichtkunst. Bij de inhoudsopgave van den Alex. zijn aldaar (2, 401-33) eenige stukken meêgedeeld. Buitendien is - afgezien van enkele verzen 2, 210 vg. - als bijlage tot dit deel het geographisch overzicht uit het werk van M. overgedrukt. Het afschrift van Schmeller bezigde ook F.A. Snellaert voor zijne uitgave van het gedicht: Alexanders Geesten van Jacob van Maerlant met inleiding, varianten van hss., aanteekeningen en glossarium op gezag van het staatsbestuur enz. voor de eerste maal uitgegeven. Brussel 1860 en 1861; twee deelen. De beloofde ‘nalezingen en verbeteringen, namenen woordenlijst, zoo als de inleiding’ zijn niet meer verschenen. Ik heb het Hs. op nieuw voor mijne uitgave mogen vergelijken. De lezingen zijn daar, waar andere hss. er bij komen, door H gekenmerkt. De editie van Snellaert is zoodanig dat ik geene rechtvaardiging er voor noodig heb, als ik reeds nu eene nieuwe laat verschijnen. De uitgever, geneesheer van beroep, was dilettant in onze wetenschap, en zijne uitgave laat dan ook de kenmerken van het dilettantisme bespeuren, en dat wel op de ergste wijze. Ik wil voorzeker de verdiensten niet ontkennen van deze mannen, die, aangespoord door eene oprechte geest-

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

V drift, nevens hunne beroepsbezigheden den tijd vinden om ook op een ander gebied werken tot stand te brengen, die alle waardeering verdienen. Juist onze wetenschap, de germaansche philologie, heeft hun veel te danken. Maar juist wij hebben ons ook dikwijls er over te beklagen dat zij, verleid door enkele verdiensten op een beperkt gebied, ook over dingen gaan mede spreken, en wel met het grootste zelfbehagen en de grootste zekerheid, waarin zij geheel vreemdelingen zijn. Ook in de nederlandsche philologie hebben de dilettanten veel goeds en veel kwaads uitgericht. Maar terwijl zij in de Noordnederlanden hun erfenis voor goed hebben moeten overlaten aan eene nieuwe en strengere school, heeft men in de Zuidnederlanden hun het bezit nog veel minder betwist, en dus is het mogelijk geworden dat eene door het Staatsbestuur en de Akademie ondersteunde uitgave van jonge dagteekening reeds nu eene vernieuwing ten zeerste behoeft. De tekst van Snell. geeft ons getrouw het Hs. weder, hetwelk van haast ongeloofelijke fouten krioelt, en wiens taal een ruw mengelmoes van Nederlandsch en Duitsch is. De langgerekte aanteekeningen brengen emendaties en verklaringen. Maar de pogingen om te verbeteren hebben slechts betrekking op een klein gedeelte van hetgeen verbetering behoeft, van methodische critiek vindt men hier geen spoor, zelfs de latijnsche hoofdbron van den dichter is alleen in de zeldzaamste gevallen geraadpleegd om den onzin van de afschrijvers te verwijderen, en men ziet dus dat het niet gebrekkige kennis en gebrekkige methode alleen zijn, waaraan wij zulke voortbrengselen verschuldigd zijn, maar ook eene zekere gemakzucht in het werken, zoo als ze, God dank, niet meer mogelijk zal zijn bij ons, die niet hebben geleerd, met zoo geringe moeite groote philologen te wezen. Ik zou menige proeve uit deze aanmerkingen kunnen aanvoeren tot het vermaak van mijne lezers; ik wil echter deze verzoekingen wederstaan en - met uitzondering van eenige weinige plaatsen, die dienstig schijnen om het boek te kenmerken - alleen het goede en bruikbare vermelden. Verwijs heeft later een deel van hetgeen de uitgever verzuimd heeft ingehaald en TLB IV 90-132 een aantal van de grofste fouten door vergelijking van het Latijn gelukkig verbeterd. Ook elders bevatten dit tijdschrift en de Taalk. Bijdragen nog enkele emendaties op ons gedicht.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

VI

II. Tijd en plaats van vervaardiging. - Gheile.
In A l e x a n d e r s G e e s t e n noemt zich de schrijver zelf op twee plaatsen Jacob (7, 694 en 10, 1526), en Jacob van Maerlant verwijst in zijn latere gedichten herhaalde malen op dit werk als op het zijne. Men vindt de bewuste plaatsen bij Jonckbl. t.a. pl. 2 blz. 400, bij Verdam, Episodes uit Maerl. hist. van Troyen, inleiding bl. 4 vgg. en bij te Winkel, Torec bl. XXXI. Uit deze latere verwijzingen, inzonderheid uit die in de Hist. van Troyen blijkt dat Alexanders Geesten het eerste bekende werk van den dichter was; vgl. De Vries in TLB III 155 vgg. Eenige bedenkingen, die zich aangaande de prioriteit van de twee werken Alexander en Troyen voordoen, heeft Verdam t.a. pl. vernuftig en overtuigend wederlegd. Of hij wel met die op bl. 9 beproefde verklaring van de corruptie in het vers uit den Alex. als men int dietsch van Troien las het juiste heeft getroffen, of niet, is voor zoover deze kwestie betreft 1) onverschillig . Zonder twijfel heeft hij bewezen dat hier in geen geval Maerlants werk over deze stof kan bedoeld zijn, en de andere plaatsen, die voor de prioriteit 2) van den Alex. pleiten, spreken zoo duidelijk (vlg. ook boven bl. II) dat over dit feit stellig geen twijfel meer mogelijk is. Dus zal het dan ook wel de algemeene overtuiging wezen dat M. met het hier uitgegeven werk het eerst als dichter voor het groote publiek is opgetreden. In welken tijd dit geschiedde, heeft Jonckbloet Gesch. d. Nederl. Letterk. I 2 bl. 188 vgg. nauwkeurig onderzocht en als resultaat - te recht in tegenstelling tot zijne tijdsbepaling Gesch. d. Mnl. Dichtk. II bl. 436 vgg. - de jaren tusschen 1257 en 1260 gevonden. Ik veroorloof mij de hoofdtrekken van zijne redeneering hier over te nemen. Aan den dood van Darius wordt reeds in het Latijnsche gedicht van Gautier, hetwelk Maerlants hoofdbron was, een uitvoerige bespiegeling vastgeknoopt, wier voornaamste inhoud deze is, dat wij beter zouden leven, als wij altoos de straffen voor onze werken voor oogen hadden. M. volgt deze moralisatie en voegt er, zonder aanleiding bij Gautier, de opmerking aan toe (7, 657 vgg.)

1) 2)

Vgl. hierover de aanteek. op 7, 1610. Jonckbloet zal wel bij eene oplettende lectuur van de bij Verdam bl. 3 aangehaalde verzen uit Troyen zijne woorden Geschied. der Nederl. Letterk. 2 willen staande houden.
de

uitgave I bl. 182 noot 2) niet

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

VII
Vrederic en hadde alse ic wane den paeus niet verdreven dane die gheheten was Innocent, hadde hi vorsien dien torment dien hi doghet altehant.

Met den torment kan naar den geheelen samenhang alleen bedoeld zijn de straf in de hel, zooals Jonckbl. te recht opmerkt tegenover zijn vroegere opvatting. De gevolgtrekking is dus juist, dat die woorden zijn geschreven na den dood van Frederik II en Innocentius, en wel niet lang na de laatste gebeurtenis ‘daar 's Pausen dood nog versch in het geheugen moest liggen als aanleiding om hier van zijn strijd met den Hohenstaufer te gewagen.’ De Paus overleed den 7 December 1254; de vertaling valt dus niet vroeger dan in het jaar 1255 of 1256. Tot dezelfde uitkomst leidt Jonckbl. het slot van het vijfde boek. De voortreffelijkheid van Alexander wordt hoog verheven, hij staat boven de grootste helden, die in de poëzie geprezen zijn en
ware sulc een coninc te Parijs, hi soude bejaghen groten prijs; al heidenesse soude hi dwinghen, men soude van siere doghet singhen al van daer die sonne up staet, tote daer soe weder neder gaet. Ware ooc die hertoghe van Brabant sulc een riddere becant dien roveren te Rippelmonde soude dunken grote sonde, tol te nemene met ghewelt den ghenen die varen op de Scelt.

Ook Gaut. noemt te dezer gelegenheid den Francorum regem, terwijl de vermelding van den hertog van Brabant door M. er aan toegevoegd is. Met den Francorum regem bedoelt Gaut. Philips August, M. echter kan niet van dezen spreken, maar alleen van zijn eigenen tijdgenoot Lodewijk IX. In 1254 keerde deze uit het Oosten naar Frankrijk terug en dacht sedert dezen tijd altoos aan een nieuwen kruistocht. ‘Dat de dichter, die een zoo vurig voorstander der kruistochten was, met den aandrang, velerzijds op den koning uitgeoefend, instemde, is niet vreemd.’ Als terminus a quo krijgen wij ook hier het jaar 1255. Met den hertog van Brabant is klaarblijkelijk Hendrik III bedoeld, die in 1260 overleed. Langen tijd was de tolheffing op de Schelde eene oorzaak tot twist tusschen Vlaanderen en Holland. In September 1256 werd te Peronne tusschen de twee staten een verdrag gesloten, waarin deze kwestie beslist werd. De twee belanghebbende landen beloofden zich in deze zaak aan de uitspraak van den hertog van Brabant te onderwerpen. Zoo wordt het mogelijk dat deze souverein genoemd wordt in eene zaak, die zijn eigen land niet aangaat, en dat men hem verantwoordelijk maakt, wanneer de bepalingen van het te Peronne gesloten verdrag niet worden vervuld. Misschien ook wilde M. door zijne woorden den hertog alleen aansporen, zijn gezag te doen gelden, of de roovers op de Schelde waarschuwen, dat zij op hun tellen te passen hadden. In elk geval wordt door deze overwegingen de tijd van vervaar-

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

VIII diging van den Alex. tusschen het einde van 1256 en 1260, het sterfjaar van den hertog Hendrik bepaald. Zoo ver de redeneering van Jonckbloet. Om te zien, of wij ons bij het laatste gedeelte daarvan kunnen neerleggen, moeten wij de hierop betrekking hebbende omstandigheden iets nader leeren kennen. De uitkomst zal weliswaar voor de kwestie, die ons op het oogenblik bezig houdt van geen beslissend belang zijn, wel echter voor eene andere, t.w. die aangaande de plaats van vervaardiging van het gedicht. In het vredesverdrag van Peronne worden de aangelegenheden van den tol tusschen Vlaanderen en Holland geregeld in dien zin, dat de oude bepalingen van 1168 behouden zouden blijven (Jonckbl. t.a. pl. 171). Deze bepalingen zijn ‘fast nichts anders, als ein handelsvertrag, der den Flamändern die schiffahrt auf der Schelde vermittels eines billigen zolles zusichern sollte’ (Warnkönig Flandr. Staats - und Rechtsgesch. I bl. 326. Als datum van deze bepalingen wordt hier het jaar 1167 opgegeven). De hertog van Brabant als scheidrechter bepaalt dan: si predictus Dominus Florantius, tutor Hollandiae et Florentius nepos ejus et eorum heredes in Hollandia et Zelandia in locis illis ubi hactenus thelonea recipi convenerunt a mercatoribus et hominibus Flandriae, thelonea receperint et recipi fecerint et permiserint prout ab eis hactenus sunt recepta, dicta Domina Comitissa et ejus heredes Comites Flandriae pro eo quod a mercatoribus Flandrensibus hujusmodi recipiuntur thelonea non movebunt nec moveri facient nec permittent guerram dictis Domino Florentio et Florentio nepoti suo seu eorum heredibus aut hominibus, et dictos Dominum Florentium et Florentium nepotem aut eorum heredes vel homines eorumdem in eorum personis aut bonis non arrestabunt nec arrestari facient nec permittent, nec super hoc trahent eos in caussam sive judicium in suam curiam nec in aliam nec coram judice ecclesiastico nec etiam seculari (Kluit historia critica comitatus Hollandíae etc. II, 696 vg.). Van andere tolaangelegenheden is in de documenten geen sprake. Wij zien dus zeer duidelijk dat de betwiste tollen die waren, welke de Vlamingen van rechtswege in Holland en Zeeland te betalen hadden. Wij leeren echter ook uit de geschriften dat de Vlamingen zich tegen hunne verplichting hadden aangekant en dat zij weerwraak geoefend hadden tegen Hollanders en Zeelanders wegens de tollen, welke deze eischten. Daarom wordt ook bij de paragraaf over den tol in het verdrag van Peronne bijgevoegd si quis mercatorum in Flandria de Hollandia sive Zelandia fuerit spoliatus Dominus terrae illius, in qua depraedatio hujusmodi facta est, habitatores terrae illius, unde spoliator extiterit, ad solvendam praedam compellat. alioquin ipse solvet (Kluit 682), en onder de zaken, waarover zij zich eenigen tijd vóór dezen vrede op eene konferentie tusschen Margaretha van Vlaanderen en Willem van Holland wederzijds beklaagd hadden, verklaart Willem van Holland dat herhaalde malen onderdanen van hem in Vlaanderen

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

t. dat de Vlamingen bij Rupelmonde aan de Hollanders. die alleen in zijne hoedanigheid van scheidrechter de Vlaamsche roovers had kunnen bestraffen? Zou hij dan niet zijn grieven aan het adres van de Vlaamsche regeering hebben gericht. Is het echter waarschijnlijk dat M. aant.a. het misbruik zou stuiten. qui fuerunt capti Dominica qua cantatur invocavit me en tenentur duo captivi de Harlem. en dat de hertog van Brabant.a. Het zijn veeleer beroovingen in optima forma. Reeds daardoor wordt het zeer twijfelachtig. die de Vlamingen tegen hunnen wil moesten betalen. dien de Vlamingen met geweld hebben afgeperst. waar Vlaanderen en Brabant aan de Schelde samenkomen. in dit geval en op deze manier den hertog van Brabant zou hebben aansprakelijk gesteld. indien hij een flink man ware.. 581). I beilage bl. dat met de roveren brabantsche onderdanen zijn bedoeld. waar wij hem later feitelijk aantreffen (Snell. of gelijksoortige feiten in diegene. van de schepen op de rivier met geweld tol geheven wordt. een aanhanger van de Avennen geweest zou zijn en om die reden zich destijds buiten Vlaanderen en reeds in Holland bevonden hebben. die klaarblijkelijk alleen eene weerwraak waren voor de tollen. nescimus utrum fuit intra treugas.zoo als men veronderstelt . bedoelde tolafpersingen door de roveren van Rippelmonde. Hoe komt het dat M. Buitendien gebeurden deze zaken gedurende den oorlogstoestand. op Alex. 5. dan zou zich dus M. uit vijandschap tegen welke hij zich . vel extra (Warnkönig t. pl. Wij willen zelfs eens toegeven dat het toch aldus ware. pl. b. M. van welke wij gewaagd hebben. tenentur tres homines captivi de Reimarsval apud Rupelmonde. die dezen tol wederrechtelijk en vermoedelijk tot schade van Vlaanderen hieven. terugvinden. Deze veronderstelling komt overeen met die ons Jacob van Maerlant. of wij de door M. wederrechtelijk tol hadden afgeperst. om het in overweging te nemen en niet aanstonds bij de redeneering van Jonckbl. te volharden.op het oogenblik buiten 's lands bevond en openlijk partij voor de Hollanders tegen haar en hare onderdanen trok? Dit schijnt mij overwaardig toe. in eene Vlaanderen en Holland aangaande zaak zeer beslist op de zijde van het laatste plaatsen. die op de Schelde voeren. en van daar ook bij het laatste punt van beklag het uitdrukkelijke bijvoegsel nescimus utrum fuit intra treugas vel extra. op deze manier tegenover zijne landgenooten staat? Men heeft deze vraag beantwoord met het vermoeden dat M.v. 172). Maar er wordt nergens gewaagd van een tol. een geboren Vlaming. en de hollandsche graaf klaagt alleen daarover dat men ook gedurende de wapenschorsing er meê voortging. De meest natuurlijke opvatting van deze woorden is die.IX waren beroofd en gevangen gehouden. Alexanders geesten . dus op een terrein. Wij hebben dus onder deze feiten werkelijk eene berooving die te Rupelmonde schijnt te hebben plaats gehad. klaagt alleen dat bij Rupelmonde. Ook dit punt willen wij voor een oogenblik toegeven. aan dezelfde. 1219 en Jonckbl.

pl. die onder den indruk van Lodewijks ongelukkigen kruistocht. In plaats van de woorden van Gaut. reeds in Holland vertoefde. aan het eerste land toebehoorde met uitzondering van de onmiddellijke nabijheid van Antwerpen. Terwijl wij bij de verklaring. hadden vastgezet. van Antw. wellicht geheel ongegrond wezen. zoo wordt toch daardoor zijne bepaling van den tijd van vervaardiging in den grond der zaak niet veranderd. zou ten gevolge daarvan. zal het wel niet mogelijk zijn de vraag te beslissen. opvat. wanneer men de plaats zooals Jonckbl. 323 zien wij dat het toltarief op Schelde en Lijs van Rupelmonde tot aan Valenciennes en Douai een van de meest uitgebreide en gewichtige van Vlaanderen was. op zich zelf bepaald onmogelijk is. t. maar men zal toegeven dat de bedenkingen. is het naar onze opvatting waarschijnlijker dat hij toen zijn geboorteland Vlaanderen nog niet had verlaten. Daarentegen zou hij gelijk hebben. dichtte. dat zij zich van hunne zijde bij Rupelmonde. dus tot 1256 of 1255. 7. Het is te betreuren dat de afschrijver de verzen 5. die Jonckbl. indien wij slechts feiten kenden. anders hadden wij daaruit de kwestie wellicht kunnen beslissen. waar hij Vlaanderen toebehoorde hadden aangematigd. Ik moet echter toegeven dat ik werkelijke historische berichten van dergelijke twisten tusschen Vlaanderen en Brabant niet heb kunnen opsporen uit dien tijd. wijzen op het tijdstip niet lang na den dood van Innocentius. en de klacht van M. 1223 vgg. zeer wel kunnen hebben bewogen van hen op zulk eene plaats te gewagen. opgeeft uit Mertens en Torfs Geschied. niet ongegrond zijn. daar waar zij het grondgebied van Vlaanderen en Brabant scheidt. II 65. die ik meende te moeten opperen. het eind van 1254. en dat mijne opvatting natuurlijker zou wezen. die er mede strookten. Kunnen wij dus op dit punt niet zonder voorbehoud met Jonckbl. zooals wij zien. 861 vgg. belangrijk tolstation. Zoo lang wij niet betere kennis hebben van de geschiedenis van dien tijd. heeft verknoeid. een. dus vermoedelijk kort na zijne terugkeer in September 1254 schijnen te zijn geschreven Twee of drie jaren moeten wij misschien terug gaan.. Het zou althans zeer goed denkbaar wezen.a. overeenstemmen. Feiten van dezen aard zouden den Vlaming M. Ik wil niet stellig beweren dat de opvatting en verklaring van Jonckbl. van de Rupelmonder gebeurtenissen geeft. den afstand van eene zekere plaats van de zee Jacob van Maerlant. Vlaanderen had dus feitelijk het recht bij Rupelmonde tol te heffen. als wij veronderstellen dat de Brabanders zich den tol op de Schelde daar.X bekende omstandigheden. moeten aannemen dat M. maar zij kunnen daarom toch hebben bestaan. hetwelk Snell. Alexanders geesten . qantum Seqaniis distat Dionusius undis gaf M. toen hij den Alex. overeenkomstig waarmede het recht van tolverheffing op de Schelde. Zóó ten minste geeft hertog Jan III van Brabant het in 1336 toe in een stuk. en tot dezelfde uitkomst leiden 5. waarin het gedicht vervaardigd is. 65 vgg. en uit Warnkönig I bl..

.. Buitendien is het mogelijk dat M.. zuidwestelijk van Gent. Jacob van Maerlant. eerder al uit de vermelding van Donse (5. Men zou zich geneigd kunnen gevoelen in de schoone woorden over de liefde tot het vaderland (1. Het onzinnige Westfalen van den afschrijver wordt eerder verklaarbaar. Tortaque confregit Ludovico vindice membra.) de ontboezeming van eenen man te herkennen. 1615 vgg. waar van een Vlaamschen Vorst verhaald wordt Hoc habitu quondam Burchardum Flandria vidit Solventem meritas occiso consule poenas. waar aan Alex. heeft hij de verzen onbruikbaar gemaakt. hetwelk kort geleden door den daar geleverden slag bijzonder vermaard geworden was. toch dit Westcapelle bedoeld had. 174) kunnen wij niets opmaken. De staken. Denis van de Seine. staan de verzen 4. zoo dat de overeenstemming toevallig kan wezen. V 168-171 overgeslagen heeft. zoo vinden wij Westcapelle Het zou kunnen wezen het plaatsje van dien naam noordelijk van Damme. maar toch niet zoo sterk dat 1) Men lette er ook op dat M. Het kan echter ook Westcapelle op het eiland Walcheren wezen. Wanneer wij omzien onder de namen.) fraxinus. leest men op de beantwoordende plaats (IV 520 vg. die iemand uit het Brugsche ambacht had kunnen noemen. Maar zijn afstand van de zee is aanmerkelijk grooter dan de afstand van het klooster te St.. 50).. die van zijn vaderland verwijderd is. als men veronderstelt dat M. en ik denk zelfs dat in dit geval de dichter niet zou verzuimd hebben duidelijker op zijn eigene verwijdering te zinspelen. als Gent is. waarvan er daar zoo veel waren. De woorden van M. Dit weegt mijns inziens niet zwaar. Dit zou het echter niet eens onmogelijk maken dat M.. zijn weliswaar juist weer op deze plaats door de afschrijvers veranderd. de kleine vlaamsche stad Deinze aan de Leye.. Van deze woorden is het niet ver tot de iets nauwkeurigere opgave van M. al in zijn geboorteland met de hollandsche graven in betrekking heeft gestaan of getracht in betrekking te komen. zullen althans niet 1) zoo zeer ver bekend geweest zijn .XI op. Quem rota poenalis tanto pro crimine torsit. de plaats Gaut. als wij veronderstellen dat er eene naam heeft gestaan. die in de met zekerheid niet te beslissen zaak de grootere waarschijnlijkheid op de zijde van Vlaanderen leggen. (6. Maar deze opvatting is niet noodig. een gouden schild met een rooden leeuw wordt toegekend. Tegenover deze gegevens.cuius flagrante corruscat vexillo cuspis et verberat astra leone. Uit de vermelding van het kastel van eene zoo bekende stad. deze woorden nog in Vlaanderen geschreven heeft. Alexanders geesten . die eer te begrijpen is. Wij mogen echter niet zonder waarschijnlijkheid eene gissing opperen. 1081 vgg. overeenstemmende met het wapen der hollandsche graven. die daarop gelijkt.. Bij Gaut. Doordien de kopiïst schreef het zinnelooze alse verre alst es van der see tote Westfalen ofte mee.

daar de later toegevoegde regels ook bij G. Waarschijnlijk heeft hij de regels 1705-22 aan het 4 boek eerst toegevoegd.XII wij mogen aannemen dat er oorspronkelijk iets dergelijks heeft gestaan. 1 is stellig een goed begin van het boek. om ook in dit opzicht zijne plaats in de geschiedenis der letterkunde nader vast te stellen. Jonckbl. Snellaert was eerst van meening (aanteekening op 2. 1253 begon. Vs. ook daargelaten alle andere overwegingen. zegt van den Alex. na dat zij haar oordeel over het voltooide had uitgesproken. Deze reden doet Sn. Haren naam geeft ons M.i. of deze naam is de juiste. 1246) dat het 3 boek oorspronkelijk met 2. 1253 vgg. Met de verbetering van 3. Maar deze indeeling is niet juist. De letteren naar het Hs. mijne aanteekening op 2. of nog waarschijnlijker in eer veranderen. nog tot het 2 boek behooren. . In Vlaanderen zal dus ook de vrouw te zoeken zijn.) willen verklaren. aan het slot van het gedicht te raden uit de beginletters van zes boeken. overeenkomstig Maerlants taalgebruik in eerst. Plaats van het gedicht in de letterkunde. De grootere waarschijnlijkheid blijft dus m. Hij gewaagt van haar aan het begin en aan het slot van zijn gedicht en verklaart uitdrukkelijk dat zij hem tot de vertaling heeft aangespoord. de de de III. Denkelijk was zij geheel in des dichters nabijheid en volgde met belangstelling den voortgang van zijn werk. Het eerste woord tiersten moeten wij echter. De dichter zegt. 3. zoo mogen wij ook niet twijfelen. Ook aan het eind van het 4de boek spreekt hij van die vrouw en besluit het 5de met eene beleefdheid aan haar adres. hetwelk oorspronkelijk met vs. 1704 eindigde. hoe wij ook het merkwaardige slot van het tweede boek (vgl. zijn G H T J L E. op 10. en daar wij zoo eenen goed germaanschen naam Gheile krijgen (vgl. 1541). Graff IV 182 en Förstemann I 958). dat hij nog zes boeken er bij wilde dichten. mogen wij ook de gevolgtrekking opmaken dat die scone voor de voltooiing van het geheel kennis nam van enkele deelen van het werk.1 lezen wij uit de zes eerste boeken voor dezen naam Gheile. zijn werk heeft ondernomen. Uit de slotregelen van boek 4. in welk geval wij den naam Ghoile (het Hs.en ik ben het met zijn gevoelen Jacob van Maerlant. heeft 1253 O god here) zouden krijgen. voor Vlaanderen. uit liefde tot welke M. Nadat wij den tijd en de plaats van het ontstaan hebben trachten te bepalen. moeten wij nog de innerlijke waarde van het gedicht beschouwen. Alexanders geesten . later ook twijfelen (aant. indien zijne geliefde het goed keurde.

welke voortvloeien uit de belangstelling van een kunstenaar. Maar hij beperkt zich niet tot de stof. II 440 en op mijne volgende onder- Jacob van Maerlant. welke hij 6. aardrijkskunde. Hij vertaalt het latijnsche gedicht van Gautier de Chatillon ten einde zijne landgenooten bekend te maken met de groote daden van Alex. het praktisch-didaktische. om den dwang van vers en rijm te ondergaan. vond. als ik juist uit deze episode opmaak dat M. Het voert ons dus uit de periode. beproeft zelfs in zijn werk eenen kleinen aanloop tot zelfstandige kritiek. welke het romantisch-dichterlijk element op den voorgrond plaatste. zoologie. Gesch. is deze richting zoo blijkbaar mogelijk. aan welke zij vastgeknoopt is Ik meen echter niet te dwalen. waarvan hij echter bij zijne vertaling geen gebruik heeft gemaakt.dat hij ons in beginsels al den lateren M. dat zij eene zeer onhandige kritiek toonen is niet te verwonderen bij eenen man. en hij neemt gaarne eene gelegenheid te baat tot moralische bespiegelingen. over in die. ook gaarne verhaalde. Daarentegen treffen wij slechts zeldzame sporen van eigene toevoegsels. waar hij iets te verhalen wist. de geheele samenstelling strekt tot getuigenis daarvoor. wien de geschiedenis en iedere andere wetenschap nog geschikt toescheen. en hij kenmerkt het gedicht geheel als de schakel tusschen de ridderpoëzie en de burgerlijke letterkunde. is ook bij M. Nog duidelijker openbaart zich de richting van M..XIII eens . Dat echter dergelijke pogingen zeer zwak blijven. om het verhaal. En dit. sterrenkunde. moet hoofdzakelijk slechts eene illustratie wezen voor de ethische stelling. wanneer hij tegenstrijdigheid vindt in de gegevens der verscheidene bronnen. pl. zouden wij duidelijk zien dat hij niet iedere bron van deze stof voor geloofwaardig hield. aanleiding. hetwelk nauwelijks begonnen was een onderscheid te ontdekken tusschen waarheid en verdichting. ook uit andere bronnen voegt hij feiten uit de geschiedenis van Alex. ja van alle wetenschappen. deelt hij allerlei uit zijne kennis van historie. doet zien. mede. Als men deze veronderstelling bewijzen kon. Dichtk. Waar hij gelegenheid er toe vindt. Alexanders geesten . dat hij met genoegen in de situatie eene aanleiding zag.a. die hij in zijn werk heeft ingelascht. Ik verwijs ten opzichte van deze toevoegsels ook op Jonckbl. Reeds in den Alex. die in zijn bereik waren. er aan toe. die hij bij Gaut. II 400) dat hem toen reeds het werk van Lambert li Tors en Alexandre de Bernay bekend geweest zou zijn. hij wil die waerheit meer no min verhalen (1. met hetwelk hij misschien kort geleden had kennis gemaakt te pas te brengen. en in een tijdperk. t. welke voornamelijk het praktisch-didaktische in de letteren zoekt. M. der Mnl. 63). in de talrijke grootere en kleinere uitweidingen. 613 invoegt. Ook die in de middeleeuwen zeer bekende vriendschapssage. het voorname gezichtspunt geweest bij zijne dichterlijke werkzaamheid. om hem te verwijten dat hij met zijne kennis wil pronken. Men heeft verondersteld (Jonckbl. Al moge men zekere zucht tot verhalen daaruit besluiten: nooit echter geeft ons M.

maar zijne didaktische richting liet gedurende zijne geheele werkzaamheid dezen aanleg niet tot volkomen ontwikkeling geraken. Aan het slot van het eerste boek zegt hij 1) Het aanstootelijkst is de inlassching van de stukken uit de Epistola ad Aristotelem 10. die hij beslist insloeg. als hij er zich van voorstelde. waarmede wij de dichters meten.. Hier is ook de uiterlijke verbinding in den hoogsten graad slordig. Wel vindt men in den Alex. 354. Naar het schijnt was M. zich bewust met zijn eerste werk ook in een ander opzicht een nieuwen weg te zijn ingeslagen. welke de nieuwe richting niet zoo rechtstreeks volgen. als de Alex. komt de leering in den regel nuchter en onverbloemd voor den dag. Ook voor de compositie van het werk is deze richting schadelijk geweest. of zelfs zich plat en overduidelijk uit. moet men niet denzelfden maatstaf aanleggen. M. maar eene soortgelijke poging tot hoogere vlucht wordt al aanstonds weêr door eene koude en nuchtere hand gestuit. Elke ‘tendenz’ in de poëzie. niet weinige plaatsen. Bij deze eenzijdige door hem zelf niet ontveinsde richting moet de poëzie noodzakelijk te kort schieten. wanneer men niet op de compositie in het geheel let. Het schijnt dat M. Zoodra zij zich onbewimpeld op den voorgrond dringt. En M. niet zoo veel geluk had. Bij hem. of men zal hem altijd te kort doen. zoodat de bloemen slechts zelden tusschen de ‘nutzpflanzen’ groeien. hunne bedoeling in poëzie te verbergen verstaan. had weinig van die genieën. Men mag gerust zeggen dat zij bijna uitsluitend aan de zucht om te onderrichten hun bestaan hebben te danken. totdat dan nog later de laatste zich voor goed den weg baant. evenals bij zijne tijdgenooten.XIV zoekingen over de bronnen van den Alexander. Jacob van Maerlant. die ons M. Als men den man juist wil waardeeren. Zonder de vereischten van de kunst zeer in acht te nemen 1) worden de enkele stukken aan elkaâr geregen zoo goed het in der haast ging . die de fijne kunst. met deze nieuwe richting. die een werk als De Naturis Rerum in een gewaad kleedde. hetwelk alleen de poëzie mag dragen. Ten minste zien wij hem later weêr een stap terug doen naar het romantisch-poëtische gebied in eenige werken. zij mag alleen bespeurd worden als de geur uit een bloembed. elke leerstelling moet zeer voorzichtig verborgen zijn. de stukken vallen nu nog volkomen uit elkaâr. verdrijft zij de kunst uit hare nabijheid. als niet onbekwaam tot levendige schildering en dichterlijk gevoel doen kennen. terwijl elders de verbindingen. maar hield hem meestal laag bij den grond. nog met meer of minder vaardigheid tot stand gebracht zijn. Alexanders geesten . heeft op andere plaatsen duidelijker getoond dat ook het ware dichterlijke gevoel en de dichterlijke uitdrukking hem niet onbekend waren.

Nog eens aan het slot van het geheele werk laat de dichter zich aldus hooren die materie es haerde swaer. Alexanders geesten . vooral wanneer. èn aan het publiek. ‘Dit boek en het derde zijn gedeeltelijk moeielijk’ luidt het dan aanstonds. so sal hi die materie prisen. Zij kan mede in aanmerking komen. ware die materie licht. de ten opzichte der stof nieuwe zaken. Helaas werd hij in deze verwachting te leur gesteld.) een soortgelijk onderwerp. de gekruiste rijmen het eerst heeft ingevoerd. so waert te lachterene mere haddicker in mesgrepen sere. welke in dezen omvang zeker nog nooit in de poëzie waren ingevoerd. Op deze alleen doet te Winkel (Maerlants werken beschouwd als spiegel v. dese bouc ende die derde mede die sijn swaer in somegher stede. en van welke de eerste verwachtte. hi mesdoet. dat gheen riese sullen verstaen.XV dus nemet inde deerste bouc so wiere an naide enen douc van valscher rimen. M. Niet alleen echter in deze dingen. gedeeltelijk in subtile allegorien gehuld. Het laatste oordeel over de moeielijkheid van de stof wordt voldoende verklaard door de talrijke wetenschappelijke uitweidingen en aanmerkingen evenals ook door de philosophisch-moralische bespiegelingen. 13de eeuw bl. waarom menigeen het vierde boek alleen niet kon begrijpen. maar gedeeltelijk ook zelf uitvond.d. In de reeds genoemde slotregels van het vierde boek. Alléén dit stuk bedoelt echter M. die M. toen hij het oordeel zijner geliefde had vernomen. dat hebbe ic bedi ghedaen. het vierde de groote allegorie van het bezoek van den Slaaps bij de godin Victoria. was over dien bouc ghedicht. welke deze boeken nog moeielijker deden voorkomen èn aan den dichter zelf. want die rime es al goet. voorkomt!) niet stellig zeggen. mogen wij ten gevolge van de verminking (die ook hier weer gelijk zoo dikwijls op gewichtige plaatsen. welke M. dat zij de rijmelaars onder de kopiïsten zouden kunnen terughouden. en wel voornamelijk. naar het schijnt. 399) de slotregels van het 4e boek slaan. ende ooc om een half jaer. maar het zijn ook. Of de reden nog duidelijker aangegeven was. luidt het die vierde bouc neemt hier ende some jeesten diere in staen * ic rade dat hi ten ghenen ga diet can ende hem mach wisen. alsi in die rime mesraken. voor het grootste gedeelte vertaalde. Buitendien bevat dit boek de uitweiding over de joodsche geschiedenis. Het derde boek bevat de uitweiding over de zons. om zijne verzen te verknoeien. die goede bouke onweert maken. Ook hetgeen ten opzichte van het derde en vierde boek uitdrukkelijk gezegd is. voorzeker niet. in overslaghende rimen dichtte. zal wel op iets dergelijks uitloopen. die hij er aan toevoegde. maar ook ten opzichte van den Jacob van Maerlant.en maansverduistering en al vroeger (271 vgg.

Wanneer hij vreest.en dan moeten wij enkele plaatsen in zijne werken. behalve de plaatsen. welke wij nu nog niet met volkomen zekerheid kunnen beantwoorden. is buitendien zoo bedorven. Maar waarin bestonden zijne nieuwigheden? Of hij aangaande den versbouw zich aan strenger eischen heeft onderworpen moeten wij vooreerst daarlaten. zijn dit vragen. dat wij daaruit ook nooit iets zouden kunnen opmaken.op den stijl kunnen slaan. of pinetse anders also vele. om deze vraag te beslissen. welke Amelung (Zeitschr. toch misschien hier of daar te hebben misgrepen en bidt te verbeteren. wanneer hij zegt (5. al twijfel ik ook niet of ze zijn oorspronkelijk dezelfde geweest. Directe bewijzen voor de bekendheid van het gedicht hebben wij weliswaar niet. zoo als wij vermoedden. Anders zou ik mij de zorg voor zijne rimen. Melis Stoke heeft zelfs stellig een ander werk voor oogen. wat het eenvoudigste en gemakkelijkste is. als men ghescreven noch mach sien. philol. wat verbetering behoeft. en waar geknoeid is. ende sprac: dit mochte mi ghescien. versbouw voldoende te kennen. ende dede hem so groot onnere dat hise slepen dede met scanden. Ik durf niet beweren. die zeker niet uit ijdel grootspraak zijne rijmen voor goed verklaarde. niet kunnen verklaren. de wetten voor de détails van den mnl.) voor een gedeelte van 1) de nederrijnsche en middelduitsche werken heeft gevonden . Alexanders geesten . III 278 vgg. dien ic alre beste betrouwe mach mi best beraden rouwe. het aan den man te wijten. niet. maar ook . f. Jacob van Maerlant. CXVIII aant. insgelijks voor bedorven houden .XVI vorm zal M. die nieuwe richting niet aanstonds volkomen het veld mogen winnen. slechts de eigenlijke rijmen? In dit geval zou hij of als een van de eerste geheel zuivere rijmen hebben ingevoerd . voeten binden ende handen ende deetse hanghen bi der kele. ten opzichte van den vorm strenge wetten heeft opgevolgd. al heeft ook misschien. Of bedoelt M. Behaghel Eneide bl.d.óf als een van de eersten de onzuivere rijmen verminderd en op bepaalde gevallen beperkt hebben.). die later als dichter hoog geprezen werd. waar M. 425 vgg. op wier deugdelijkheid hij trotsch is.en dat is mij waarschijnlijker . Alexander wilde niet ghedoghen dat si quamen voor sinen oghen. de Darius doden haren here. Wij mogen onderstellen dat de bewerking van de zoo geliefde stof in de volkstaal uit de pen van eenen man. waar bij onze latere onderzoekingen nog onzuivere rijmen overblijven. Maar hiertoe althans geven zij ons het recht en de verplichting: a priori aan te nemen dat M. zoo zou dat op versbouw en rijmen. wel gevoeld hebben dat hij nieuwigheden invoerde. door de tijdgenooten goed is opgenomen. Zoo als wij zien. welken dezelfde schrijver aan Jan van Renesse 1) Vgl. Eerder is de toenaam. zelf in zijn latere werken er over spreekt. De tekst van den Alex.

mag men niet stellig beweren. Dinghen is eigenlijk iets voor het gerecht verhandelen. de invloed van Willems werk Van den vos Reinaerde. Met iets meer waarschijnlijkheid mogen wij bij Dirc Potter en bij den onbekenden schrijver van een gedicht. bij alle mogelijke geesten. zeer gaarne in soortgelijke situaties. 4. verhaalt M. (vs. het pleit werd gemakkelijk beslist. 689 vgg. omdat wij over de chronologie van de mnl. uit hetwelk ons een fragment bewaard is. 247). van Samson die Philisteen hadden beringht tere tijt in een woestine. wat raedi hem nochtan te doene? en van den in den boom vastgeklemden beer luidt het (Rein. 183 en 1. bevat. De door dezen dichter zoo levendig geschilderde tafereelen moeten M. Dat eene plaats uit de veel jongere klucht ‘Nu noch’ (bij Moltzer Dram. het is mogelijk. De pape zweert aldaar. de bekendheid met het werk van M. Op onze plaats is bedoeld. 1089.w.XVII geeft. Slechts één feit is gemakkelijk te constateeren. aan zijne voorgangers in de kunst heeft te danken. Alexanders geesten . verheffen het boven twijfel dat M. indien Samson aanstonds tot de daad overging en de Philistijnen met eene eselskake doodsloeg. wat M. de hovesche viant (10. De tijd zal wel een en ander zekerder bewijs voor den opgang van Maerlants gedicht vernietigd hebben. waarin Alexander met dezen naam wordt genoemd. Poëzie) eene onnauwkeurige herinnering aan Maerlants Alex. duidelijk voor oogen hebben gestaan. Ik heb er over gesproken in de aanteekeningen op 1. dichtwerken eigenlijk vooralsnog weinig zekers weten. welke vooral daarom moeielijk is.) wat raeddi Brunen te doene? dat hi was sterc ende coene sal hem niet ghehelpen moghen. aan den Rein. 691 vgg. gemeenzame Jacob van Maerlant. 395 vg. maar ook algemeen voor ‘niet dralen’. uit Maerlants gedicht afkomstig. die Alexander verfierde in wane. 220). Volledigheidshalve zou ik te dezer plaatse ook rekenschap er over moeten geven. (3. Vs. De beantwoording van deze vraag zou eene uitgebreide studie vereischen. want de herinneringen daaraan doen zich in zijn werk niet zelden voor. De adjectieven staerc ende coene.) al es Daris staerc ende coene. Toen Darius in den slag in 't nauw is gebracht zegt M. veronderstellen. Bij ons aan den Rijn zegt men in de gemeenzame taal nicht lang (of lange) dinger machen. t. Zeer duidelijk is de volgende. dacht. Wat heeft er toch van de ons bewaarde met zekerheid vóór M. daer was lichtelike ghedinght. Te vergelijken is ook het hd. welke bij Darius niet bijzonder te pas komen. bestaan? Ik beken dat ik eene soortgelijke onderzoeking niet ondernomen heb en daarom op deze vraag geen beslissend antwoord kan geven. meer mogen wij niet zeggen. dan ook bij der zonnen boom en bij der manen.

w. 212 Philotas peinsde om sijn ghewin. dan waarin het in den Rein. 186 dese drie hadden luttel ghemaex. weliswaar in eene andere beteekenis. heet het Alex. die de doode hen brengen. waarom M. 61 nu gaet hier up eene claghe. 1258 alse Tibeert dat ghesach dat hi emmer sterven soude met Alex. Misschien mag men ook vergelijken Rein. Er is echter eene bijzonderheid. 85. ook mhd. daarnaast echter ook nog plaatsen uit andere schrijvers. vgl. waar van de hanen. gezegd wordt men mocht harde verre horen haerre tweer caerminghe. Bij het naderen van het Perzische leger luidt het men mochte harde verre horen van dien hoornen die donringhe.z. 3. Martin plaatst verder naast elkaâr Rein. t. 3.w. 676 Bruun peinsde om sijn ghewin en Alex.XVIII kurzen process machen of verzwakt wenig worte verlieren. Even als van den bedreigden Brune al hadde Brune lettel ghemaex (Rein. 312 vgg. in het rijm heeft. 612 nu gaet hier up enen strijt. Op te merken is ook het overeenstemmende rijm beringhet: ghedinghet. Vgl. 736). van verren hoordemen tghedinghe. Weliswaar de overeenstemming is niet bijzonder karakteristiek. 3. In alle drie gevallen staat aex in het rijm. ghedinghe. dus sijn si comen int ghedinghe. Deze verzen herinneren aan Rein. waar men dezelfde spreekwijze terugvindt. Eene gelijke uitdrukking vinden wij Rein. ook Veldeke zegt Eneide 562 ich wold en gerne gnoech geven met lichten gedinge âne penninge. dâ wart ein kurzez dingen (Gregorius 3116). Weliswaar is het zeer mogelijk dat daer was lettel (of lichtelike) ghedinghet eene gebruikelijke spreekwijze was. die mij toch de plaatsen doet vergelijken. hetwelk ook M. juist dit woord hier in eene minder gewone beteekenis heeft gekozen. 875 van den gewonden beer ende sloech met beden sinen lanken. Alex. het subst. Maar wij zouden op deze wijze kunnen verklaren. doe was daer lettel ghedinghet d. op 5. Alexanders geesten . 269 van de in den strijd gewonden die een slouch met al den leden en zie ook de aant. 780 dit was beneden ere riviere dat Brune. van menighen dorper was beringhet. Rein. Jacob van Maerlant. er werd weinig gepleit. onsalichst alre diere. Reeds Martin heeft deze plaatsen vergeleken. 203 van den gewonden Negusar Negusar hadde luttel ghemaex en 3. 3. Alex. men ging terstond tot dadelijkheden over. verder Rein. Misschien bevatten ook eene herinnering de verzen 2. 25 Soroas hadde versien dat hem soude ghescien dat hi emmer soude sterven. 9. 256 vgg. staat.

toen hij deze partie dichtte. klagende over de schatplichtigheid van zijn vaderland. welke Pseudokallisthenes in het Westen bekend maakten. spreekt eerst echter nog over de afkomst van Alexander 1. behalve het daar genoemde twee opstellen in de Zeitschr. Het grootste gedeelte van deze stof gaat oorspronkelijk op een der werken terug. als noodig is. Maar in het laatste zijn ook een aantal détails uit de Alexandersage opgenomen.Deze was koning van 1) Aangaande de litteratuur over deze en de jongere bewerkingen z. Alexanders geesten . 1238. Wij willen de toevoegsels naar het vervolg opgeven en in zoo verre kenmerken. hetwelk hij bij zijne vertaling (1.XIX Deze plaatsen te zamen genomen rechtvaardigen stellig het uitgegesproken vermoeden.) vinden wij dan ook werkelijk in het dietsche werk woordelijk vertaald. van twijfelachtige trouw. 4 vgg. vgl. 1) Gautier brengt dadelijk den reeds opgroeienden Alexander op het tooneel. 5. Rb. Filips had eene schoone vrouw. M. Zacher Pseudokallisthenes. 69.helaas zonder varianten . De Alexandreis van Gautier de Chatillon of de Lille (het laatst . Teubner 1863) geschreven in de jaren 1176-81.uitgegeven door Müldener: M. IV. 18440 vg. 696. dientengevolge weet men niet zeker. Jacob van Maerlant. deutsche Philologie X en het boven genoemde boekje van Toischer. Aristoteles zegt. wie de vader van Alexander was. om het verschil van andere bewerkingen in het oog te doen vallen. uit de Sitzungsberichte van de Akademie te Weenen Jaar 1880 (Deel 97) bl. Men lette er ook op dat de verzen uit den Rein. tot het verhaal van den slag bij Issus in het begin van het derde boek. 71-410. maar een en ander er van ligt ook buiten de aan Ps(eudokallisthenes) zich aansluitende groep. Olympias. want Xerxes had het geheele land onderworpen. het gedicht van Wouter van Chastelioen 5. . Philippi Gualtheri ab Insulis dicti de Castellione Alexandreis. Maerlants bronnen. maar eerst na 1180 in 't licht gegeven (z. dat het Neptanabus is geweest. deze ‘aventure’ op nieuw gelezen of gehoord. die wij in het latijnsche gedicht niet aantreffen.. Toischer Über die Alexandrëis Ulrichs von Eschenbach. 921 en 7. voor het grootste gedeelte tot de ‘aventure’ van Brune behooren en die uit den Alex. maar hij was aan de Perzen schatplichtig. en de bronnen daarvoor moeten elders gezocht worden. dus op Julius Valerius of op 1) de Historia de Praeliis .) voor zich had. f. Wellicht had M. Een machtig koning woonde in Griekenland. of wellicht reeds 1170-75. De dichter noemt zelf als het werk.

In Atervaen is nog duidelijk het verkeerd gelezen Acarnania van Jul. 822-904. brengt den misdadiger tot zijnen stervenden vader. Het uitvoeriger verhaal van M. Daarentegen wijst Encines er op dat zij altoos aan Macedonie waren onderdanig geweest.. auro creditur a Dario furtim corruptus. twee arenden vechten boven de kamer. hetwelk Alexander gebeurd was ten tijde dat hij den koning Claes van Atervaen overwon.Eene hen legt een ei op het kleed van Filips. Opmerkelijk is hier voornamelijk dat Kallisthenes de verschijning verklaart. . gewaagt van dit feit eerst X 322 vlgg. die hij onmogelijk uit de woorden van Gaut. Neptanabus in liefde ontstoken voorspelt haar dat zij een door de goden gezonden kind zal ontvangen.Maar eens zag hij dat hij sterven zou en vlood naar Macedonie. 1. kortelijk interea senibus in Palladis arce receptis Aeschines eloquitur. Van de teekenen bij de geboorte van Alexander gewaagt ook Gaut. 2. Alex. verhalen in den eersten nacht de wachters onderling een geval. non ignorante tyranno. . 1. G. verhaalt G. 1. Later doet de koning in spijt daarvan verwijten aan Olympias. ook tegen dit kind zouden zij op kunnen. M. Hij verschijnt haar in de gedaante van eenen draak. 1041-48. 11-15. 1139-86. . . Alexanders geesten . . dat dit meisje met slangen en venijn was opgevoed. De overwinning van koning Nicolaus. Alexander stoot dezen van eene rots af enz.Beangst wegens hare zwangerschap verzoekt Olympias hulp aan den toovenaar. Maar Aristoteles doorzag. Niet lang na deze gebeurtenis zond de koningin van Indie aan Alexander eene boodschap bij monde van eene uitnemend schoone jonkvrouw. na haar te hebben voorgespiegeld dat Ammon in deze gedaante tot haar zou komen. waaruit een draak voortkomt enz. die hem doodsteekt. De koning werd door hare schoonheid zoo ingenomen dat hij door zijnen knaap haar een aanzoek liet doen. maar eerst X 342 vlgg.XX Egypte. vgl. regen en steenen vallen van den hemel. Olympias doet Neptanabus tot haar komen om hem over het lot van haren echtgenoot te ondervragen. is hier zóó onverstaanbaar duister dat zich 2) 3) 4) 5) 6) Jacob van Maerlant. zijnen vader en zijn vaderland te wreken. Deze doet Filips den droom verschijnen.Filips was afwezig. spreekt meer uitvoerig. Nadat Alexander Thebe verwoest had.Bij de geboorte van Alexander beeft de aarde. kon putten. (Gaut. tacite quia rem suppresserat. . 615-36. Domestoen herinnert aan den wel gelukten tegenstand van Athene tegen Xerxes. hier zinspeelt. die door nigromantie de aanvallen van zijne vijanden te niet deed. op welke M. een groot sterrekundige en toovenaar. verhaalt hij echter evenmin als G. Neptanabus vertoont zich aan hem als een draak en een arend. Als Alexander tegen Athene optrekt. Gaut. Kallisthenes verklaart deze verschijning. hetwelk bestemd is. en dat hare vleeschelijke aanraking oogenblikkelijk den dood zou brengen. Neptanabus onderwijst het in de sterrekunde. Pausanias dede Olympiase lachter en verwondde Filips. veronderstelt eene kennis van deze gebeurtenis. Toen de Macedoniers in Azie geland waren. coeptaeque Demosthena litis arguit et pace ostendit nil tutius esse. eumque mors iniusta ferit. 1. waardoor hij gerust wordt gesteld.Het kind krijgt tot maechtoghe Leonides. Dus ontsnapte Alexander door de wijsheid van Aristoteles aan dit ongeluk. in Egypte spreekt een lam. heeft slechts 269-71 At Sisenes. zonden de Romeinen door Emulius hem de Romeinsche kroon. tot meester Aristoteles. donder en bliksem. Curtius III 7. Valerius te herkennen. 743-66.

paarden. ik ben zijn bode’ antwoordt hij. Daarvoor biedt hij hem Perzie en Medie aan. maar ook dat over tien ridder een conincstavel zal geplaatst worden. en hij rustte op een latwerk van ivoor en ebbenhout. Met Emenidus. 819-834. Na Tyrus vernield te hebben trekt Alexander tegen Jeruzalem op. hij stopt de drinknappen weg enz. de takken van zilver. De patriarch met de geheele priesterschap gaat hem te gemoet. 15) 6. Darius meent dat hij zelf Alexander is. 13) 6. Hier heeft hij er niets van. betoont eerbied aan de priesters. die hij passeeren moet. welke ten gevolge van het stof meenen een geweldig heir voor zich te hebben. Darius stuurt na den slag bij Arbela eenen brief aan Alex. die Salmanassar tusschen de Kaspische bergen gedreven had. Op zijne bede wordt het gat door God gesloten. Alex. bij het bezoek in het Ammonium in Lybie. besluit hij de eenige nog overige opening in het gebergte toe te metselen. dit hoorden. 137-48. 373-400. 719-846. wat voor lieden zij waren. 772-92. hij kust het en begroet hem als zijnen vader.) 7) 2. ezels en geiten en bindt hun heesters aan de staarten. dien hij bij de ondiepte van de rivier beveelt te wachten. Dus zijn de 10½ geslachten tot heden toe gevangen. die in 't Grieksch decurioen heette. zinspeelt aan het eind van het eerste boek op den tocht naar Jeruzalem. Voor denzelfden slag wenscht Alexander zelf met Darius te spreken. Pasarges herkent hem. Alexander vindt in Egypte een beeld van Neptanabus van bruin marmer. 8) 3. treffen wij nog enkele trekken aan. koeien. Alexanders geesten . Darius noodigt hem uit bij hem te eten. 1271-1396. 12) 5. 1109-32. Als Alexander voor den slag bij Arbela het Perzisch leger genaderd is. Zijn volk belooft hij groote soldij. varkens. neemt hij alle dieren zooveel hij er vindt. is zeer snel. niet alleen dat duizend baroene eenen chiliaerk zullen hebben. 10) 4. 11) 5. en daar hij het meest ongunstige verneemt. Geen meester was nog zoo bekwaam. Darius schrijft aan Porus dat hij hem te hulp zal komen. trekt alleen de stad in en offert naar het daar geldende gebruik. 911-928. het hoofd en de ooren. Hij wil wraak oefenen tegen de stad. dat hij er eene brug over Jacob van Maerlant. Alexander krijgt de tijding. Ook straks daarna. die hij vroeger eens had. hetwelk op marmeren pilaren stond.XXI toch het vermoeden opdringt dat zijn tekst eene leemte heeft. 9) 4. Gallensche van 1693 (excudebat Jacob Müller) overeen. Tusschen de schatten in Susa vindt Alexander ook den gouden wijngaard van Ahasverus. zonden zij naar Alexander om hulp tot hunne bevrijding. wil het niet doen. ‘Neen. Bij de nieuwe verdeeling van het leger vermeldt M. hij zou hem zijne familie teruggeven. 14) 6. De koning doet zich inlichten. maar Alex. De rivier Araxes. herkent in hem de verschijning. de bladeren van goud. G. Hij sticht Alexandria. zij vliegt als eene pluim voor den storm. schapen. Hij begroet Darius in caldeuscher tale en vraagt hem. Zoo nadert hij de Perzen. Maar met de uitgave van Müldener komt de St. hem zelven Bucefal. De druiven waren van edelgesteenten. Toen de Joden. die hiertoe behooren. dat Parmenio overwonnen en zijn volk in Persepolis gevangen was. 85-88. maakt hij zich op weg en komt in het Perzische leger. hij ontsapt en toont aan de zijnen tot kenteeken de nappen. wanneer de slag plaats zou hebben.

zegt alleen (6) vitam. Terwijl Gaut. 8-13. Oorlog tegen de Scythen. ‘hang hem op aan de hoogste galg!’ 23) 8. alweer enkele détails meer dan Gaut. nec destitit.. Gaut.XXII kon maken. ‘Ik heb mijnen eed niet verbroken’ zegt hij. wordt dit feit ook verondersteld. In het verdere verhaal van Gaut. In Hyrcanie vindt Alexander vele dieren. die de zaak slechts met deze woorden inleidt (83 vgg. Op de vraag van Nicomachus verraadt hij zijne deelneming aan eene samenzwering. Bessus vlucht in een kasteel. 337 volgg. Gaut. die een vriend van Narbesines was. Gaut. Bij het verhaal van de samenzwering heeft M. no. De afloop wordt bij M. Het verdere verhaal veronderstelt dan echter wel dat er Macedoniers in de stad werden gevangen gehouden. en een ander. Na de begrafenis van Darius laat Alexander Parmenio als stadhouder van Medie te Ecbatana achter. quos ubi perdomuit etc. 17) 8. 1077-1239. 1104 vg. M. Alexander had eenen camerline met naam Bogoa. 4 vgg. later een andere (vgl.) (Philotas) grande nefas Cebalino indice perlatum certis rationibus ad se suppressit biduo donec Metrone cruentum comperiente scelus proprio cadit ense ligatis complicibus Dimnus. 281-310. Alexander zoekt de plaats waar de rotsen het dichtst te zamen komen en doet daarover eene brug slaan. van Patron alleen zegt (190) Graeci dux agminis en later (150) liquimus Europam (bij Curtius 5. 802-910. Nicomachus (deze wordt later ook bij Gautier genoemd) spraken samen. 22) 8. no. 16) 6. Toen Cebalijn dit merkte. Alexander geeft niet alleen hem. Gautier spreekt over den strijd en de onderwerping slechts zeer in het algemeen in drie regels. Nicomachus vertelt de zaak aan Cebalijn. waar zijne eigene vrienden hem vangen en aan Alexander overgeven. slechts in cuncta pericula praeceps Hyrcanos subiit armato milite fines. Alexanders geesten . 18) 8. 22). er bij hi hadde sijn lant verloren.. verhaalt: een schildknaap van Philotas met name Dimus. Dimus trok het zwaard en doodde zich zelf. zijn voorspraak: ‘deze was door Bessus misleid’. drie dagen moet hij tegen hen vechten. verhaalt het Jacob van Maerlant. 20) 8. zoo als bij Gautier. maar het is nergens uitdrukkelijk opgegeven. 11 amisimus Graeciam) voegt M. Bij het aanbreken van den dag verrast hij de stad en verovert ze. 829 vgg. Op verzoek van dezen laatsten is Bogoa bij Alex. Persepolin festinus adit captamque etc.. maar ook Narbesines (vgl. heeft daarvoor slechts (161 vlgg. 27-62.) vix bene purgato noctis caligine coelo traiiciens Macedo molimine pontis Araxen. Aldus kreeg hij hem en zijnen geheelen aanhang in zijne macht. 8. G.cruentus ab ipso Narbazanes molli Bogoa supplicante recepit. 19) aan den broeder van Darius. die de verraders deed gevangen nemen. Alexander belooft listig Narbesines tot den hoogsten te maken.. Het volk in Bactrie durft Alexander niet tegenstaan. doe Alexander Athenen wan. deze aan Philotas met de opdracht het aan den koning mede te deelen. Maar Philotas zweeg ter wille van Dimus drie dagen. verried hij het komplot aan Metroen en deze aan Alexander.. 19) 8.. toen zuchtte Dimus. 17-26. M. 21) 8. eenen neef van Philotas.donec ab Eoo monstrum implacabile tractu attrahitur vinctus praesentaturque furenti Bessus Alexandro.

Alexander verdeelt zijn leger in drie afdeelingen. Op de vervolging wordt Alex. Alexanders geesten .de aanvoerders worden genoemd .en gaat over den Tanaïs. door tien mannen Jacob van Maerlant. Alexander vecht tegen dezen. De Scythen vluchten. en Baradach sneuvelt.uitvoerig. De koning Baradach verschijnt aan het hoofd van de Scythen. .

De koningin Candacis van Ethiopie stuurt aan Alex. de snelle. . Porus spreekt hem toe. lieden zonder hoofd met varkensborstels. die aan Alexander eeuwig leven vragen. 26) 9. 575-729. onderworpen. zoodat hij nederstort. aan Alex. Porus schrijft aan Alexander en verwijt hem zijne vermetelheid. 28) 9. Hij vlucht bij de verwoesting van de stad.’ ‘Kent men mij hier?’ vraagt hij. die nauwkeurig worden opgesomd.Macrobienen. 24) 9. Na de vlucht van Porus uit den slag (bij Gaut. Porus slaat hem op den helm en zijn zwaard gaat stuk door de diamanten daarop. Zij komen aan het Paradijs. Alexander ontvalt het zwaard. maar hij herstelt zich weder. terug. hij zou met schande omkeeren. maar het was hun te arm. 27) 9. Alexander zegt aan zijne lieden. dat alles wat men er in wascht glimt als olie. raakt hij reeds hier in handen van Alexander) komt Alexander met hem eene wapenschorsing van 20 dagen overeen. en de stem raadt Jacob van Maerlant. . Alexanders geesten . twaalf ellen groot. rijke geschenken.Eiland Crisa. Eene stem van boven roept ‘Alexander. keert het verhaal tot G. hij moest terug keeren. 984-86. 25) 9. Bij het gewagmaken van den dood van Clitus. Ook deze sneuvelt en de Scythen onderwerpen zich. van voren als arenden. en dat dit slechts grootspraak evenals bij Darius was. . Nu komt hem Dromoen te gemoet. vorst) wordt hier als gebieder van Subdraca voorgesteld.Porus wordt gewond. Alex. door zich onhandig voor te doen. 508-36. Ook geeft M. waar zilveren bergen zijn.XXIII omringd. De lieden van Porus beginnen eenen zang. en het gevecht wordt voortgezet. . dat zij niet moesten vreezen. dien gij in den droom hebt gezien. onafhankelijk van G. Porus geeft hij tot antwoord: de Grieken zouden Indie des te liever veroveren. Op zijne tochten in Indie komt Alex. dien niemand kon achterhalen. . Alexander beproeft de kunst van Porus in het schermen. 1193-1348. . indien het door zijne schatten hun land zoozeer overtrof. gouden bergen. 81-120. . dat hun eene schitterende burg schijnt. krokodillen en draken.Gymnosophisten. ‘aan wien behoort dit land?’ ‘Aan denzelfden Heer. omdat hij zich beroemde den koning van den dood gered te hebben. als van ijzer en staal geschapen. 789-822. De dag van het tweegevecht nadert. maar Clitus bevrijdt hem. . Met de waarneming dat Porus maar schijndood was. daarop tien steden en veel edelgesteenten. De wapenrusting van beiden wordt geschilderd. .Ichthyophagen. en toen hij zich naar hen omdraait steekt hem Alexander in zijn fondament. Zij hadden Griekenland al lang kunnen veroveren. Hermolaus en Kallisthenes wordt er bij gevoegd dat Alexander ze ten onrechte doodde en uit berouw er over drie dagen niets at. 29) 9.Vogels van achteren als leeuwen.’ Men werpt hem eenen steen van boven toe. 6-10 en 14-17. ‘Waarom zullen arme lieden onzen twist ontgelden?’ Porus willigt in. Alexander geeft een trotsch antwoord.Eiland Tamprobana. 30) 9. naar Argira. de reden voor de vermoording van Clitus op.Lemnes. brengt de Indiers door overreding tot onderwerping. Abisari (welke later ook bij Gautier wordt genoemd als een Indisch. . Hij stelt Porus een tweegevecht voor.Bron met zoo helder water.Zeetocht.

noemt Jacob van Maerlant. Alexander volgt de vermaning op.hem de terugkeer aan. 31) 10. Uitlegging. maar een stofje aarde trekt hem neer. hij weegt zwaarder dan alle schatten. Alexanders geesten . Gaut. De steen heeft de vorm van een menschenoog. 160-85 worden de daden van Alexander opgesomd.

Alexanders geesten . 183-85). vind ik nergens terug. II samenhangt Vgl. Ik voeg hier eenige opmerkingen over deze verhalen aan toe.en Letterk.XXIV alleen wat uit den inhoud van zijn werk volgt. . . Parmenions zoon. Ad 1). Jacob van Maerlant. Ad 7). 617 wordt Narbesines genoemd groot here van Oscanie. wat zijne toevoegsels bevatten en bovendien nog: overwinning van Claus van Atervaen. hem Nebtanabus of Neptanabus.7. Deze vorm was dus ook niet zelden gebruikelijk en. De vorm met p staat ook in den engelschen Kyng-Alisaunder. 2. moeten ook den anderen vorm gekend hebben. 1003 Sulcus medeplichtige van Antipater. (3). 885 wordt Hector. 2. Rixcolie de dochter en Daris het zoontje van Darius. De onder 1. M. Taal. noemt M. alleen regum generosa propago). Dime de zuster.9.Aangaande de voorzegging over Alexander. 106 aant. de persoon zelf echter veel later bij eene andere gelegenheid op het tooneel komt . 1055 heet Taxiles koning van Alobodine. en hij is ook in enkele uitgaven overgegaan.10. Als naam van den uitlegger vind ik slechts Antiphon in Ps (Zacher (Pseudokalliothenes) bl. z. 31 genoemde stof gaat oorspronkelijk op Ps. geen naam. . mijne aanteekening op 1. die wij bij Gaut. echter De Vries in het Tijdschr. onderwerping van Thracie. II 80. De meeste uitgaven van Vincentius hebben Nectanabus. vlg. . (ontvangst van de Romeinsche kroon). niet terugvinden.4. 7 (?). uit welke Favre bl. die van de bekende bewerkingen afwijkt. 8-12. voor Ndl. 10. 28. 2. ook Favre bl. 4. 32) Onder dit nommer vermeld ik een tal van namen uit het gedicht van M. 539 vlgg. terug. op 1. . 98 citeert. 16). vooral in het Noorden van Frankrijk. 197 Andromachus is de zoon des konings van Agriane (bij Gaut. zoo als het schijnt. Den tocht tegen Jerusalem en de ontmoeting met den hoogepriester verhaalt o 1) Ter loops merk ik op dat met dezen Abyron misschien de toovenaer meester Abrioen von Trier in Rein. niets zegt. althans in die Lugduni 1558 in 4 . er niets van staat. Neptanabus ook bij Dirc Potter (vgl. misschien geheel niet op den bodem van Ps. 2.7. De naam van den egyptischen toovenaar luidt hier Neptanabus. 22 (met het slot van 19) 25. buitendien. bij Gaut. .. maar de hss. verder in het werk van Adam Davie The life of Alexander (Favre bl. 140). Ook in den Spiegel hist. bl. terwijl bij Gaut. waaraan Darius sterft heet Albene. 183.9. 134 Semberis desgelijks. Marone. overwinning van Luca en Pisa. waarvan Gaut. Eene andere groep van toevoegsels blijft nog later te bespreken. Met de onder dit nommer genoemde feiten staan wij misschien slechts gedeeltelijk. 26. 483 het riviertje. 375 en 7. mijne aant. 114) 1) die in den King Alisaunder tot Abyron is geworden .Dat Kallisthenes de verschijning met de hen en haar ei uitlegt. terwijl de oorspronkelijke vorm Nectanabus is. 593 Telico de gade van Darius. onder de aanvoerders genoemd. de Nederlanden en Engeland. . in het prozaverhaal van Jehan Wauquelin Neptanebus (ibid.

gewaagt de kroniek nog van Alexanders tocht naar Pamphylië en gaat dan onmiddellijk voort: Post haec Alexander cum venisset ad montes Caspios miserunt ad eum filii captivitatis X tribuum etc. (22) te zamen met dezen. de insluiting van de onzuivere volkeren tusschen de bergen (Zacher bl. ook Gaut. 165 volg.) met den tocht naar Jeruzalem terug gevonden. en even merkwaardig als de overeenstemming in den inhoud is hier nog iets anders. te kunnen laten sterven. 903-12 naar de bron. in dezen samenhang waren geplaatst. als is zij ook niet zóó nauw. nog eens in de aardrijkskundigen uitweiding 7.w. Dus ook hier eene nauwe vereeniging tusschen de twee gebeurtenissen. 30 nog eens 1) hierop terugkomen (z. het wijkt er toch ook aanmerkelijk van af. die hij bij de geheele passage voor zich had. nadat ook Bessus in handen van Alex. Zoo als ik zeide. zoo hebben wij klaarblijkelijk eene poging om tegenstrijdige voorstellingen van de gebeurtenis te vereenigen. In de groep van Ps. zoo als blijken zal. als wij ter gelegenheid van no. 22.) . Toch kent al het fransche gedicht van Lambert li Tors en Alexandre de Bernay het verhaal op de juiste plaats. XXVI vg. Het is echter niet te betwijfelen. zooals bij Ps. Zoo ver als ik de geschiedenis van de sage overzie. kent het. die uit Ps. Pantaleonis (Annales Colonienses Maximi) (Favre bl. Alexanders geesten . Opmerkelijk is het verhaal onder no. Ook in de Historia scholastica van Petrus Commestor lib. na de verovering van Tyrus (Weismann 2. Maar met de Annales Colonienses gaat de overeenstemming nog iets verder. dat M. gesproken te hebben van de ontmoeting bij Jeruzalem. maar er wordt dadelijk de listige belofte bijgevoegd. het verhaal nog van elders heeft gekend. Jacob van Maerlant. 322). t. In 19 komt Narbesines op eene met de geschiedschrijvers strookende wijze in de macht van Alexander. na nl. verschijnt hij als eene van de stellig jongste interpolaties in de recensie C' (Zacher bl. Narbesines blijft dan geheel ongemotiveerd in het leven. De 1) Dezelfde sage vertelt M. Nergens heb ik het nauwe verband van de andere gebeurtenissen in 7. afkomstig is. IV en V volgen de beide verhalen op elkaâr. Vergelijken wij daarmede no. staan de twee feiten in 't geheel niet in samenhang met elkaar. Maar al is Maerlants verhaal met dat van Gog en Magog nauw verwant. 135).XXV Flavius Josephus uitvoerig. Hij spreekt er niet van op de juiste chronologische plaats. Esther cap. 19. Meer overeenkomst heeft eene bewerking in de Chronica regia St. dat zij eerst door M. 137). maar aan het slot van het 1ste boek dadelijk na den droom van Alexander zinspeelt hij er op met de opmerking dat het feit na de verovering van Tyrus plaats had. beneden bl. geraakt is. als bij M. slechts om hem. maar in een geheel anderen samenhang en heeft geenszins van hier uit verderen invloed uitgeoefend. Wij zouden niets onwaarschijnlijks aannemen met te veronderstellen.

De geschenken toonen tot zelfs in de cijfers eene in het oog loopende overeenstemming met het oude verhaal. 15. Jacob van Maerlant. 273 en 196). dat het moeielijk valt ze na te gaan. Zacher Zeitschr. (Zacher bl. In 31 is Maroen stellig bedorven uit Methone bij Ps. Ik kon deze zelf wel niet vergelijken. 135). 262 tegen 104). Het zelfde verhaal vindt men ook in de bij 7. hetwelk desgelijks uit de joodsche traditie afkomstig is en door eene latijnsche bewerking Alexander Magni iter ad Paradisum (uitgeg. en er uitdrukkelijk wordt 1) De Historia de Praeliis mag niet in aanmerking komen. bl. 117 no. Ook bij 26 zien wij grooter overeenstemming met V(alerius) in het sluiten van eene wapenschorsing van 20 dagen (Zacher bl. genoemd (Zacher bl. door Zacher Regiomonti Pr. 117 no. 135 zegt 8519). zij worden tot zoo vluchtige substantiën. Zelf in Maerlants gedicht zal men een en ander tweemaal verteld vinden. Ook de onder 30 opgesomde avonturen vinden gedeeltelijk hun voorbeeld in de verhalen van de Pseudokallisthenische groep. Zacher Halle 1867) komt aangaande de bij 22. 23). 1859) in het Westen verspreid werd. 1. van quatuor heeft . Weismann 2. en in het oude fr. daar Alex. Van waar is Luka afkomstig? Ik vermoed daarin een overblijfsel van Lykaonië (Lucanië) (Zacher bl. Weismann 2. X 109).d. Pise is eene herinnering aan den wedloop te Pisa. Deze ongerijmde verdichtsels doen zich overal zóó voor. Weismann 2. 116 no. zij hellen weêr meer naar V over (vgl. maar zij veronderstellen gedeeltelijk ook andere bronnen. gedicht. Valerius volgt (vgl. pl. Favre bl. (codex latinus no. Opmerkelijk bij M. 26). eerst door Alberich van Besançon in de Pseudokallisthenische Alexandersage is opgenomen (Weism. No. Het volgt ook op het uittreksel uit Jul. 548. 264 en 151). 26).Ph. komt meer overeen met de redactie. Men vermoedt dat dit verhaal. Maar evengoed kan deze het al in de Historia de praeliis als interpolatie of als aanhangsel hebben aangetroffen. 5819 volgens Zacher t. Den tocht naar het Paradijs vinden wij bij Lamprecht 6692 vgg. behalve dat zij (pantheras) quatuor milia 1) in pl. genoemde Keulsche Anales (Favre bl. 26 en 28 besproken gegevens nog met V overeen. Alexanders geesten .XXVI belofte van Alex. waar Alexander den koning Nicolaus ontmoette. Motena Epit. maar de daaruit afgeleide werken (ik gebruik het Alexanderlied van Lamprecht en Ekkehard Uraugïensis) toonen dat zij op de besproken punten afweek. Valerius in een Parijsch hs. in het Paradijs terstond herkend wordt.a. die Jul. Ook de Julii Valerii Epitome (edid. Daarmede wil ik echter geenszins beweren dat men aan eene onmiddellijke afleiding uit V moet denken. is eene afwijking in het begin. 28 bevat schrale overblijfsels van de in de andere bewerkingen zoo uitvoerig behandelde episode van Candace. Thracië wordt bijkans in denzelfden samenhang bij Ps. f. 144. Mothana bij V Methona.

uit de fantazie zijn uitgebreid. 20. eene eigenschap. 7 genoemd. waar Gaut. met de geschiedenis strooken. Ook in 3 staan wij denkelijk nog op den bodem van Ps (Zacher bl. want Justinus is meestal op die plaatsen niet toereikend. om daarop voort te bouwen. welke aldaar aan Demades is toegeschreven. kon hij gemakkelijk op die gedachte komen. Er is geen enkel werk bekend. Daarmede wordt ook deze tocht in eene nauwe betrekking gebracht tot de gebeurtenissen onder no. 17. Alexanders geesten . eene i n n e r l i j k e vereeniging is er echter niet op te merken. bij de geschiedenis van de samenzwering (lib. alleen niet voldoende was. en de tekst van Gaut. en andere zijn geheel overgeslagen. b. van menig gedeelte zijn maar schaarsche overblijfsels voorhanden. wordt deze weder op zijne historische plaats gesteld. Wij zien aanstonds de uit Ps. Ook zou alleen Curtius in aanmerking kunnen komen. Hij zou dan den tocht naar het Paradijs naar eigen verkiezing op eene hem gepast voorkomende plaats gezet hebben. hier in den mond van Demosthenes wordt gelegd. dat de aanvullingen wel het werk der fantazie zijn. 15. Zij behooren op plaatsen. dan het origineel was. er in is gebracht. Hetgeen over het geheel overeenstemt. Men zou dus licht op de gedachte komen dat de woorden van Gaut.v. waar wij de stof in eenen hierop gelijkenden toestand aantreffen. 7) zien wij aanstonds dat zijn tekst bij de bewerking niet gebruikt is. die al meer bij dit werk gewraakt is. wijkt in bijzonderheden nog al af. Maar wij mogen ook niet aannemen dat de uitbreider werkelijk eene historische bron onder de oogen had.XXVII gezegd dat daar dezelfde heer regeert. maar dat zij zich aansluiten aan de kennis die de schrijver zich vroeger van Alexanders geschiedenis had verworven. De sage zal dus wel naar de geschiedenis gecorrigeerd zijn. ophitsende redevoering. indien wij veronderstellen dat deze eerst door M. zich door eene haast onverstaanbare beknoptheid onderscheidt. welke uitgebreid of duidelijker gemaakt werden. afkomstige stof in eenen opmerkelijken toestand. die hem in den droom verschenen was en de wereld aan hem heeft onderworpen. Er blijft dus alleen ééne veronderstelling over. zelfs niet onder de jongste bewerkingen. Jacob van Maerlant. 126). Een aanknoopingspunt is immers door het begin van het latijnsche verhaal gegeven. 21 en 24 opgesomde gegevens. Als hij de verhalen zóó te zamen vond. en de uitbreidingen in de vertaling zijn dan ook zonder twijfel aan het doel toe te schrijven. Voorshands mogen wij echter nog niets beslissen. Daartegen pleit echter de omstandigheid dat enkele van de punten. daarvoor zijn de toevoegsels te gering en te onnauwkeurig. Maar indien de tegen Alex. 6. en als wij den eerste vergelijken. zoo vooral van de episode van Candace. Op het gebied der geschiedenis komen wij met de onder 6. Wij nemen niets onwaarschijnlijks aan. 19. zooals zij in de Annales staan. eenigszins duidelijker te worden. Ook in de Annales Colonienses volgt dit verhaal onmiddellijk op die gebeurtenissen.

De koning Baradach en de snellooper Dromoen zijn dus naar alle waarschijnlijkheid onhistorische personen.’ Van waar is dit bericht afkomstig? Het is voorzeker willekeurig uitgedacht. zijn saam- Jacob van Maerlant. Bij deze episode wordt nu. die kort te voren uit Griekenland waren gekomen. Het feit is zeer begrijpelijk: de schrijver heeft de personen uit Gaut. had uit te staan in de bosschen van Hyrcanie en van de Mardiers. bijeengezocht. hetgeen toch met de bewering van hunne verwantschap slecht strookt. Alexanders geesten . zelf gedaan. Op de eerste zijde zijn behalve Alex. maar zij worden alle zonder uitzondering door Gaut. wat nauwkeurig aan het onder 18 gegevene beantwoordt. De derde afdeeling wordt door Perzische edelen aangevoerd. dat eerst de uitvinder van de geheele episode ook hem heeft verzonnen. zou dan licht eene fout van het geheugen kunnen zijn. Wij komen nu tot het merkwaardige verhaal in 23. Volgens de historici is Cebalinus de broeder van Nicomachus. Het verdere. in den loop van zijn 9de boek genoemd. was verzonnen. Ik zou het er voor houden dat dit door M. en welke chronologisch op dezelfde plaats behooren. terwijl hij in onzen tekst een neef van Philotas wordt genoemd. De naam Dromoen is kennelijk gevormd naar het grieksche δρόμος.XXVIII Ik vind niets. welke klaarblijkelijk niets anders is. maar zij kan ook berusten op eene duistere herinnering aan de moeilijkheden. of dit althans heeft M. Ad 19. Van elders is hij mij niet bekend. dat men zou kunnen vergelijken. zeide hij dat zij eerst kortelings uit Griekenland waren aangekomen. en dit zou zelfs ons boven uitgesproken vermoeden bevestigen. en omdat zij nog niet in het verhaal waren voorgekomen. hetgeen de laatste immers al vrij zeker door zijnen naam doet kennen. en Hephaestio nog negen mannen genoemd. Ik vermoed dat er oorspronkelijk stond sinen (d.i. des Nicomachus) neve en dat sinen door een afschrijver met een verkeerden persoon werd in betrekking gebracht. De voorstelling zou wel willekeurig kunnen zijn uitgevonden. de verdeeling van het leger geschilderd. en wij moeten dus de mogelijkheid in het oog houden. Eene bevestiging voor dit vermoeden mogen wij ook vinden in de redding van den koning door Clitus. 639 Philotas Cebalinus eenen knecht noemde. dat Cebalinus in plaats van een broeder een neef van Nicomachus is geworden. geven de berichten van de geschiedschrijvers van Alexanders tocht over den Tanaïs tegen de Skythen eene aanleiding voor het verhaal van M. En daarmede wordt het duidelijk dat het geheele verhaal slechts eene romantische optooiing is. en aan het slot van de opsomming wordt gezegd ‘dit waren ridders van hoogen prijs en van hoogen naam. dan eene copie van het bekende feit uit den slag aan den Granicus. zoo als reeds opgemerkt is. De negen ridders waren tot nog toe feitelijk niet opgetreden. die Alex. Men kan niet twijfelen. als niet in 8. Even weinig als ik in de Pseudokallisthenische bronnen iets heb gevonden. Daardoor wordt de bewering verdacht. die ook uit het werk van Gaut.

dat het niet waarschijnlijk is. afkomstige trek. dat Porus zich op een gedruisch bij zijne lieden omdraait en bij deze gelegenheid de beslissende wonde verkrijgt. 714 vg. 11. 27. dat M. Alleen Mascus is willekeurig verzonnen. onafhankelijk van Gaut. Alexanders geesten . Bij Gaut. Daargelaten de uit Ps. Maar men zal mij tegenwerpen. Ik heb het alleen genoemd. Maar wij zullen later zien dat deze redeneering geen steek houdt. 1037 vgg. 46. Voor de onder 14. is het denkelijk niet anders. de aanvoerders bij de verschillende ondernemingen uitdrukkelijk te noemen. die ik nergens elders vind. Ook met de tijdsbepaling. en M. De twee dingen zouden wij aan M. 175 genoemd. Maar wij zullen beter doen deze vraag eerst iets later te beantwoorden. zelf kunnen toeschrijven. Eene gelijksoortige uitbreiding als deze episode vertoont no. heim. het werk Secretum secretorum. 1) De andere bekende bewerkingen wijken meer af. Ook elders is M. Het verhaal in den Alex. Van de onder 5 genoemde sage gewaagt M. ook de uitvinder van de geheele episode over den tocht tegen de Skythen met de namen Baradach. als deze naam niet eene fout is voor Mazeus. zonder het ergens werkelijk te verhalen. De inkleeding. In dit geval zou hij deze sage al met de tijdsbepaling moeten gevonden hebben. van een gelijksoortig werk. er bij te voegen is nog Vrouwenlop no. rept. Hetgeen onder 13 staat had ik misschien beter geheel weggelaten: het is hetzeltde wonderwerk. zij zijn onbeteekenend en maken den indruk. Jacob van Maerlant. Maar ook Curtius noemt hem niet op de overeenkomstige plaats. heeft hem stellig 1) Gesta Romanorum cap. het tweegevecht met Porus. behalve de inkleeding en de opgaaf dat het feit gebeurde na Alexanders ontmoeting met Claus van Atervaen. in de uitgave van de Gest. Men zou zelfs kunnen beweren dat M. dat de wachters de geschiedenis verhalen werd er voorzeker eerst ingebracht. maar in eenen anderen samenhang gewaagt. omdat ook Lamprecht 5299 vgg. er op uit. ook Rb. ook H. 160 vgg. Parmenios zoon. naar zijne bron. wien wij reeds meer op willekeurigheden hebben betrapt. door Oesterley bl. 761 vgg. de verdere litteratuur z. bevat niets dat niet uit deze bewerking zou kunnen voortgekomen zijn. Van de onder 32 opgegeven namen is historisch Hector. van de ontmoeting met Nicolaus niet eens iets zekers geweten heeft. hoewel met enkele individueele trekken. heb ik nergens eene aanleiding gevonden. spreekt.XXIX gezocht. alsof zij willekeurige of op misvatting berustende verzinsels waren. wordt de held eerst 8.d. omdat hij er niet uitvoerig over spreekt. is het geheel slechts eene schildering van een gevecht. waarvan M. 16 en 29 genoemde punten. zelf de geschiedenis met een feit in samenhang zou gebracht hebben. toen het verhaal in de grootere Alexandersage werd opgenomen. Dromoen en alle gegevens is. Rom. van hetwelk hij slechts te dezer plaatse en in de korte opsomming van Alexanders daden 10.. Men zou nu allicht gissen dat M.

Het lag voor de hand. Taxilles in den slag tegen Porus gesneuveld (vs. den naam uitgedacht heeft. dat dit een andere Taxilles was. Oscanie kan ik niet thuis brengen. Epit. Weismann II 356 (vgl. 280). Val. òf van elders (Curtius) kende. welke tengevolge van eene kluchtige misvatting van Gaut. Cilito Cylito of Clyto heet (Val. Nepotis. 1197. en daar de laatste satraap van Bactrië was. en iets dergelijks is misschien ook het geval met Senberis (z. X 86. 282. Epit. bl. Misschien is het verkeerd geschreven voor Hyrcanie. Roboas Favre bl.) Jacob van Maerlant. niet lang na deze plaats (Gaut. 170.v. waar deze naam is genoemd. tekst is ontstaan. zelf zijn gevormd uit de equites Agriani. en het Epitome. daar hij hem òf uit de latere plaats van Gaut. II 20). Narbesines vlucht na den moord naar Hyrcanië en Bessus naar Bactrië. Rixcolie. Als M. Het land Alobodine zullen wij ook wel te vergeefs in de bronnen zoeken. een geheel anderen naam Statira heeft (Weism.. z. om aan de personen een naam en een bepaald vaderland of rijk te ǵeven. Darius dochter.. 73) en Divinus Pater Favre bl. 103. 11 vg. 496) en hij voelde de behoefte. zou het mogelijk wezen dat M. over Divinus Pater Zacher Pseudok. De naam van Darius echtgenoote brengt ons weder meer bepaald op V. Over de rivier Albene. de aanteekening op 3. Jubal Zs.ph. om door een bijzonder land te noemen te doen uitkomen. waar zij Colito. f. II 105). Met grooter zekerheid dan voor de tot nu besprokene gegevens herkennen wij de bron voor eene andere groep van toevoegsels in het werkje: A l e x a n d r i M a g n i E p i s t o l a de situ Indiae et itinerum in ea vastitate ad Aristotelem praeceptorem suum perscripta ex interpretatione Corn. dat hij zich in een verkeerd opgevat sulc of sulke moet transformeeren.d. IX 239) wordt gewaagd.XXX op de vroegere plaats uit zich zelf mede opgesomd. moet op de Roxane van Ps. teruggebracht worden. had hij hier behalve de meer opgemerkte poging. is het wellicht niet overbodig op te merken dat in de nabijheid van de plaats. Alexanders geesten . De namen van de zuster en den zoon van Darius vind ik weder nergens. Van Sulcus heb ik een sterk vermoeden. IX. van welke b. Nunc denuo recensuit etc. Bij hem is in overeenstemming met Gaut. Gissae 1) Als metgezellen van Antipater worden elders genoemd: Cassander en Jollas bij Curtius (Jobas Favre bl. Daardoor wordt hetgeen wij onder 23 hebben verondersteld nog meer bevestigd. Ook Agriane kan door M. Andreas Paulini. terwijl Ps. II 20). den eerste ook als satraap van Hyrcanië heeft beschouwd. de aanteekeningen 1) op de plaatsen . In de Pseudokallisthenische overlevering wordt Ariobarzanes ook als satraap genoemd. van den samenzweerder Dimus wordt gesproken (8. (z. zoo als mij waarschijnlijk voorkomt. den zoon naar den vader te noemen. ook nog een bijzonderen grond. denkelijk in Arbele te veranderen. en wat Dime betreft.

gedicht en Kyng Alisaundre) laten hem wel bij deze gelegenheid in het leven blijven. Van 574-778 volgt M.XXXI 1) 1706. ontbreekt het. (Vgl. om de meest onmiddellijke verwantschap te veronderstellen. Ik althans had zijne woorden aldus opgevat. terwijl die van de andere 2) bronnen er aanmerkelijk van verschillen . gesneuveld. 37). waarvan Berger de Xivrey Traditions Tératologiques bl. Het zal ons echter beneden niet aan een duidelijker en onbetwistbaar bewijs ontbreken.. Alexanders geesten . als deze. weder eene andere bron. begint de overeenstemming. zou hebben uitgesloten. De woordelijke overeenstemming tusschen M. niet gebruikt. over dit werk Zacher Ps. onmiddellijk of middellijk uit hetzelfde geschrift heeft geput. Weism.) . Daarentegen heb ik den juisten brief gevonden in twee Bazelsche uitgaven van Curtius. 151 vgg. zijne verborgen schatten laat zien bevat geene andere bewerking van de Alexandersage behalve E (bl. die de stof van overal heeft bijeengezocht. te verwijzen. Maar hetgeen dan wordt verhaald tot vs. dus niet de juiste. II 144. in den slag tegen Alex. 3) en ook in de Epit. V. bl. mogen wij dit bewijs niet voor voldoende houden. Te gelijk zal daar blijken dat M. om het zijnen lezers als historie op te disschen. zal wel dezelfde zijn. op. Maar daar wij later waarschijnlijk zullen moeten toegeven dat hij ook andere stof kende. De E(pistola) zelf heeft echter M. 373-400 Z. kunnen het doen voorkomen. maar toch later sneuvelen. als in latere gedeelten en noodzaakt niet zoo onvoorwaardelijk. V 49). de eene er van is gedateerd Basileae ex officina Henrich Petrina MDLXXV. den griekschen tekst heeft uitgegeven. 537-74) vertoont in de details de nauwkeurigste overeenstemming met E. die hij niet opnam. Die in het Septisegm.a. als de schrijver of compilator van E. Jacob van Maerlant. de brief staat er bl. Met het verhaal van E (bl. 784 brengt ons weder en met nog grooter zekerheid tot E. zelf als bespieder tot Porus gaat. Maar wel kent Vincentius Bellovacensis het (Spec. pl. die toch het laatste werk zal uitgeschreven hebben. Enkele latere bewerkingen (het tweede fr. waarom M. Maerlants schildering van deze expeditie (9. 144 no. Porus is bij Ps. Dezen trek. behalve in hss. heeft het verhaal niet (Zacher bl. 36). alsof het werkje. de stukken. van welke eene in het werk Septisegmentatum opus. hist. en E is echter niet zóó groot. slechts in de uitgave van Paulini toegangelijk was. 106 vg. Met tamelijk veel zekerheid zouden wij dit al mogen besluiten uit de omstandigheid dat in het dietsche werk niet de geheele inhoud is opgenomen. 80 noot 4 van verscheidene uitgaven spreekt. In Maerlants hoofdbron zien wij naar Curtius de zaak zoo 1) 2) Zachers woorden t. 331 vgg. hoe Alex. want er is geen reden te vinden. Ik doe daarom opmerken dat Favre bl. Daarmede in samenhang staat eene andere gewichtige overeenstemming. Maar het is mogelijk dat Favre verschillende brieven verwart. welke ontbreken. Ik behoef den inhoud niet te kenschetsen en kan volstaan met naar de mededeelingen van Zacher bl. en wien op dit gebied niets te wonderbaar of ongerijmd toescheen. dat Porus aan Alex.

doch mogen wij dit niet stellig beweren. 1) vs. voldoende wordt bevestigd. maar in anderen vorm aangetroffen heeft. hoofdzakelijk aan het lat. sylvasque ac montes inhabitare elephantos (C (tekst in de uitg. dit vinden wij buitendien slechts in E. weder bijkomt. IX 508) dat hij Alex. woordelijke navolging van deze woorden met uitzondering van het slot. Quam quoniam tenebrosum vadosumque) mihi locorum incolae affirmabant. niet op dezelfde plaats. 38) ultra deinde procedens ut memorabile cernerem aliquid. hetwelk hij vermoedelijk niet verkeerd begrepen. dit verhaal uit eene andere bron.. Ook hier is de overeenstemming niet geheel woordelijk .. zich aan Alex. Wij hebben bij M. volens si possem orbem terrarum circumnavigare. sterk op den voorgrond treedt. dat Porus bij de latere tochten onder de begeleiders van Alex. die hem raet gaf sonder waen dat hi Inden bescouwe om dat men hem niet en wantrouwe dat hi hadde enech lant. dass sie ihren inhalt nicht aus dem Pseudokallisthenes allein geschöpft hat. Alexanders geesten . opgeeft die waren vijftien voete lanc. (bl. maar de allernauwste betrekking blijkt aanstonds weder uit eene vergelijking met de volgende verzen 1175-88 met de woorden van E. zijn het 15 ellen). nihil praeter desertos ad Oceanum campos. tot dat hij met 10. Maar hetgeen hij nog verder heeft. kan echter uit 10. Later wordt gezegd (Gaut.Poro rege non detrectante) ne abdita tegere videatur sui regni bona vinden wij daar terug: dit heeft hi met Poruse bestaen. weder aan andere voorbeelden aan. Zacher zegt hierover (bl. of althans o o k uit eene andere bron heeft gekend (bij Iul. Jacob van Maerlant.XXXII voorgesteld dat Porus ter aarde stort. M. zou men zelfs kunnen denken dat M. maar eerst na weder een heel eind het latijnsche gedicht gevolgd te hebben. ut possem orbe terrarum circumfluum navigare Oceanum. et quod Herculi Liberoque non esset ultra excedere concessum.. 345 weder tot de vroeger verlatene plaats van E terugkeert. Van daar af sluit zich M. De geheel eigenaardige woorden van E (sinistram partem Indiae scrutari institui. omdat het Latijn van E op deze plaats deerlijk bedorven is. laat E hem Alex. Val. et en ware dien Grieken al bekant. onderwerpt en in vriendschap wordt opgenomen. gebruikte. gedicht.’ Onmiddellijk na dat Porus in vriendschap is opgenomen. 160) ‘damit aber setzt sich die Epistola in den entschiedensten widerspruch mit der erzählung des Pseudokallisthenes und offenbart. tot de zuilen van Hercules en Bacchus geleiden. Deze episode heeft M. de maat afgeleid hebben. Et ecce amnis quem tenebrosum vadosumque (C Pergebam tamen ad mare. 1555 vgg. Deze redactie volgt M. praestantissimos deos hac in re maiores me videri potius volui quam patientia immortalium sacra vestigia praeterirem. behulpzaam is bij zijne toebereidselen tot een verderen tocht in het Oosten.. maar. 1) Aangezien E van de hoogte der zuilen hier niets zegt. 160). die behalve den druk ook nog verscheidene hss. slechts schijndood. van Curtius) elephantes) ac serpentes intellexi. doch M. zoo als wel door het uittreksel van Zacher (bl. 969 vgg. Pergebam tunc ad mare.

duos milites uno ictu occidit repentino. De naam van Philotas is denkelijk opzettelijk gewijzigd. omdat Philotas bij M.XXXIII En verder komt M. en die in E steeds Fasiace wordt genoemd. nog eens. bij M. Jacob van Maerlant. waar zij zich aan Ps. staat) te vermijden. geleidt Alexander bij M. alterum lunae simile. Philotine.dieren Scyritae. bij M. rivier Clujas met bewoners. al vroeger om het leven is gekomen (vgl. mag men daaruit niet besluiten dat ook de overlevering van Ps. Dan komen zij aan de rivier Buemar. die kort te voren uit Griekenland was gekomen. dat de Indische stad. 350-974 nauwkeurig met den tekst van E tot aan het slot overeen. 957 en heet Aloen. Zacher noemt uit de hss. Mogelijk dat eene van de hss. De in dit gedeelte vervatte stof is in vergelijking met Ps. 1) Als E ook daar Fasiace heeft. Buemer. Overigens zou het mogelijk zijn dat M. met uitzondering van een enkel klein invoegsel. welke 1) vorm of hij of een afschrijver verkeerd voor Fasiace heeft gelezen . Vs. waar de druk van E heeft legato meo Antigone. E. wat er boven bl. 351-370: Palus erat sicca et canna abundans. te dezer plaatse eenen satraap Alticon. voorkomt als Faciaten. op de eerste plaats ook den naam van Clyto opzettelijk heeft veranderd. in vs. 736 vgg. De nauwe verwantschap wordt ook daardoor bewezen. aansluit. in het heiligdom van de zon en de maan: Perdicas. en zoo gaat het voort in de meest woordelijke overeenstemming. van E daarover betere inlichtingen geeft. weet ik niet. en zijnen neef. zonder hem weder te verlaten. Van wezenlijk belang voor onze vraag is dit echter niet. welke elders Prasiaca heet. Bij M. denkelijk verkeerd geschreven Phatraten. den neef of de neven heeft. verschijnt dezelfde neef. Van waar echter M. sterker van E af. XXX is gezegd over Taxilles van Alobodine). De compilator van E vond waarschijnlijk twee namen en moest daaruit eene keus doen. of een andere. Hanc ferreis vix unquam comminuimus malleis. Aangaande afwijkingen is niet veel op te merken. dezen vorm van den naam heeft gehad. hippopotami pectore: crocodili alterum simillimum: duris munitum dentibus. wiens naam dus al meer gelijkheid heeft met den misschien verkeerd geschreven Aloen van M. eenmaal. 10. In de laatste worden nog verscheidene avonturen verhaald . per quam dum transitum tentaremus belua novi generis serrato tergo. om de gedachte aan Clitus (misschien las hij werkelijk Clitus zoo als ook in C. die insgelijks al om het leven is gekomen. en de naaste verwanten slechts aan E eigen. Admirati satis diuque novitatem etc. Om de overeenstemming aanschouwelijk te maken geef ik als voorbeeld de eerste ‘aventure’ uit E tot vergelijking met M. noemt te dezer plaatse Perdiccam et Clytonem (C Clytum) et Philotam. Na de avonturen in het dal Jordia wijkt echter de tekst van M. grijpen. quam hastis non valebamus transfigere. duo capita habens. Alexanders geesten . Den neef van Alexander heb ik in geen enkele andere bewerking teruggevonden.

XXXIV die in vischhuiden en dierhuiden zijn gekleed en zich vreedzaam voordoen. althans genoemd. weder met de eersten overeenkomt. waarin zij stellig met de groep van Ps.. de terugkeer tot het kasteel. 152 vgg. dat aan M. maar toch in de details van het verhaal de kenmerkenste verschillen blijven bestaan. maar die niet geheel overeenkomen. weder nabij komt. bl. De genoemde afwijkingen. maar in de hss. sluit zich M. die ik gedeeltelijk in de aanteekeningen op den tekst zal aanwijzen. hetwelk Zacher volgt (Zacher bl. 41. In enkele gedeelten. . Er blijft dus alleen de mogelijkheid. Vs. waar zij zich beslist van deze groep verwijdert. 160). of uit diens naaste verwanten. welke Zacher gebruikt. dat zij bij de nadering van de Macedoniërs vicinis se maris immersere gurgitibus (bl. maar zegt. Voorts heerscht er weder tot aan het slot volkomen overeenstemming. die wij bij Ps. tot voorbeeld kan hebben gestrekt. bl. Daarentegen gewaagt de laatste op deze plaats van een bezoek bij de Brahmanen en bij de Seren (899-929). van den druk. waar ook M. niet de Epistola zelf heeft gebezigd.. 161.van welke M. zoo scherp mogelijk onderscheiden vertoont. vluchten zij in de rivier Ebimaridis (Z. Nu vinden wij juist van deze gedeelten. E en M. aldus b. C stemt overeen). welke uit eene andere bron afkomstig zijn. 162).. te dezer plaatse in gelijken zin als bij M. Want onmogelijk zou bij toeval eene zoo scherpe scheiding tusschen de twee gedeelten hebben kunnen ontstaan. de gedeelten van E. niet eene bewerking. bij welke Zacher had moeten zeggen. en die. daarentegen juist daar. die ons wat betreft het gebruik dat M. begint de volkomen overeenstemming met M. gedeeltelijk echter ook uit eene vreemde bron (Z. de druk noemt geen naam. kunnen in verhouding tot de doorloopende en treffende overeenstemming. boomen van zon en maan).) gemerkte afdeeling (bl. bij M. Want bij deze veronderstelling zou het straks gezegde eveneens en in nog hoogeren graad te pas komen. niets heeft. welke met Ps. in de door Zacher met l. 419 zegt hij dat de vischmenschen in de rivier Ebigmaris leven.). in de details stellig weder aan E aan. waarin de Epistola was uitgeschreven. 159). dat E hier wel den inhoud van Ps. Wij moeten er bij blijven de allernauwste aan te nemen. bl. De Seren zijn echter ook in het hs. De Epistola put gedeeltelijk uit Ps. van waar de tocht naar de boomen van zon en maan was ondernomen. er van heeft gemaakt. Der vermelding waardig is nog eene afwijking der hss. hand aan hand gaat (Z. vooral met het oog op de menigvuldige veranderingen waaraan de stof van de Alexandersage over het geheel was blootgesteld. overeenstemmen.v. Ten tweede blijkt er uit. dat het werk. den graad van verwantschap nauwelijks verminderen. Alexanders geesten . vinden. hetwelk Jacob van Maerlant. volgt ten eerste dat M. Uit deze verhouding. geen spoor. en enkele nog minder beteekenende.

een afzonderlijk werk te maken door de stof tot dit doel met nieuwe bijzonderheden te vermeerderen en alle monsters. 5. òf van eene gepaste aanleiding gebruik maakt. voorts noem ik 2. stukken uit de Babylonisch-Perzische geschiedenis van den torenbouw te Babel tot den dood van Cyrus. 493-96 slechts door enkele vluchtige trekken aangeduid. òf zooals bij de grootere. ergens de grieksch-latijnsche namen van de rivieren in de hel uit zich zelven heeft bijgevoegd. vermeerdert en verder uitwerkt. Zeer uitvoerig wordt de joodsche geschiedenis behandeld 4. die in den Ps. 389-93). doen denken. bij Gaut. Jacob van Maerlant. in andere gevallen. was. t. daarbij het gebied van de geschiedenis. maar waarschijnlijk is. heeft hij zeker boeken geraadpleegd. 229-33). aan Aristoteles werd aangevuld.v. 1) Voor de geschiedenis van de Alexandersage is de boven verkregen uitkomst niet geheel zonder beteekenis. zoo b. Wij 1) noemen het E* . om zelfstandig eene dergelijke opmerking aan het verhaal vast te knoopen. van Gaut. 547-614 wordt ons de strijd om de wapenen van Achilles verhaald (Gaut. Zoo ver ik weet. 84 over het ontstaan van onze Epistola vermoedt. 699-738 spreken over Croesus. 8. dat deze eerst uit den Pseudokallisthenischen brief ontleend werd. 1005-1247. 181-274. dat iemand zou beproefd hebben uit den brief van Alex.. Voorts hebben wij te noemen eene verklaring van de zons. die sterk aan de latere behandeling in de Nat. willen wij even blijven staan bij de al meer genoemde excursen. 1053-1169 verhaalt ons de geschiedenis van Julius Caesar. of uit den daarin ingelaschten brief van Alex.XXXV de compilator van E voor bron nevens Ps. Wij moeten nu integendeel aannemen. daar wij nu met volle zekerheid het bestaan mogen besluiten van een geschrift. de gegevens van Gaut. Cyrus en Xerxes (Gaut. welke zijne verbeelding en lectuur hem mochten aanbieden. 499-533). niet aanbood. is zoodanig een werk tot nu toe niet bekend. 1073 vgg. 5. dat de Epistola is ontstaan op den grondslag van een afzonderlijk klein werk. Buitendien vinden wij tal van kleinere historische excursen. V. terwijl dit uit Ps.. bl. aan Aristoteles. Den vorm van een brief kan dit werk al vroeger hebben gehad. Als merkwaardigheid wil ik opmerken dat M.. 3. 954-97. Alvorens wij de vraag over Maerlants bronnen voor de overige stof uit de Alexandersage weder opnemen. herkennen. doch het kan nog uit een schuilhoek te voorschijn komen. Daardoor vervalt ook hetgeen Favre bl. 5. waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan Nebukadnezar (Gaut. IV. vooral bij de grootere uitweidingen. 2. 848 vgg. gebruikte.en maansverduistering 3. 175-78. 1. Daar. die Ps.w. waaruit alleen de Epistola de stof heeft geput. 1257-1298 en eenige trekken uit de dierkunde 5. waartoe wij naar zijne opvatting ook de mythologie der ouden moeten rekenen. welks spoor wij zoo duidelijk bij M. doordat M. 5. II. is ingelascht. 391-1078 in pl. ook de bron van M. 15 vgg. Het meest betreedt M. 1025 vg. Alexanders geesten . Zonder twijfel heeft hij een groot deel er van enkel uit het geheugen geschreven. enz. daaraan toe te voegen. VIII.

zal het wel onmogelijk zijn te bewijzen.. zelf op te sporen. Alexanders geesten . zooals boven zal blijken. ‘wie vorsichtig man bei solchen viel verbreiteten stoffen des mittelalters zu werke gehen muss.a. waar Gaut. Ems in het Zeitschr.a. De metamorphosen van Ovidius zijn gemakkelijk als een der bronnen te herkennen. Dat ik alle détails opsom zal men niet van mij vergen. uit den inhoud van 4.. maar ik heb tegen zijne uitkomsten eenige bedenkingen. 387 vgg. f. 656-62 (Josua 9. Dadelijk in het begin ontbreekt bij Honorius de opmerking dat Azie 1) 2) Over Honorius en eene reeks daaruit geputte aardrijksbeschrijvingen spreekt Doberentz t. um sichere urteile über verwantschafts.und abstammungsverhätlnisse erreichen zu können’ tot deze opmerking hebben ook mij de onderzoekingen over de bronnen van Maerlants geographische uitweiding geleid. toont toch een nader onderzoek aan dat de dietsche dichter dit werk zelf niet onder de 1) oogen heeft gehad . 1037. 257 vgg. terwijl ik daarbij de gewichtigste afwijkingen zal doen uitkomen. t. Voorts verdient het opmerking dat de uitweidingen uit de bijbelsche geschiedenis niet zijn geput uit de Historia Scholastica. Dit blijkt b. 13. welke de dichter later heeft vertaald. zal ik eene doorloopende vergelijking van de beide teksten geven. terugvinden. Hierbij is het der moeite waard ons iets nauwkeuriger met de vraag naar de bron bezig te houden. 29 vgg. geheel juist waren. Indien de redeneeringen van Doberentz over het ontstaan van Honorius Imago Mundi t. Jacob van Maerlant. De overeenstemming is zoo nauwkeurig dat men zonder meer den tekst van Honorius tot herstel van de erg bedorvene vertaling mag bezigen. Daar ik in weerwil van mijne nasporingen er niet in geslaagd ben de bron van M. deutsche Philologie 12. Juist nu heeft Doberentz onderzoekingen het licht doen zien over de geographie in de Weltchronik von Rudolf v. pl. maar dat zij vermoedelijk op den tekst van de Vulgata zelf teruggebracht moeten worden. Het uitgebreidst is de aardrijkskundige excurs 7.w. 13. Ik zal haar aanschouwelijk maken door enkele plaatsen tegenover elkander te stellen.v. dat men zich moet hoeden in middeleeuwsche werken bij woordelijke overeenstemmingen dadelijk aan onmiddellijke overneming te denken. welke boeken dit zijn geweest. of met dezen eene gemeenschappelijke 2) bron heeft . 122-133) met weinige uitlatingen woordelijk bij M. die of uit Honorius is geput. en 165 vgg. zou alleen het eerste mogelijk zijn. Tot eene algemeene opmerking.XXXVI waar slechts kort de hoofdtrekken zijn opgenomen. Want alhoewel wij de hoofdstukken 7-36 von Honorius Augustodunensis geschrift De Imagine Mundi (Migne Patrologiae Tom. 29 vgg. (397-402) slechts enkele zeer algemeene trekken geeft. die rijk zijn aan uitkomsten ook voor andere middeleeuwsche aardrijksbeschrijvingen. 837-1776. 1) en uit 4. CLXXII column. pl.

v. Dat alre eerste conincrike Dat es dat Huius prima regio in oriente e paradiso. Maerl. is over het geheel overal de verhouding van M. Honor. per quam occulto meatu currens. Die ghi moghet horen visieren: Phison. Geon. 16. semper in uno statu immortalis permanebit. Im. Alexanders geesten . 1. Die vierde Eufrates. enz. Nam Physon. Quae quidem flumina infra paradisum terra conduntur. videlicet arbor. In hoc lignum vitae. claer vierijn. 59 vgg. Allen lieden onbekent. Dit es van houte wonder groot. Dat es meneghen man becant. Hrabanus Maurus De Universo 12. 2. b. qui sloot onse here god Met eenen mure igneo muro usque ad coelum est cinctus. hist. maar uit zijne woorden alleen heeft M. in septem ostia divisus magnum mare juxta Alexandriam ingreditur. theleghe lant. Tigris heet die derde riviere. 14 cap. die heet ooc Ganges. Ook Gaut. Tigris autem et Euphrates in Armenia de monte Barchoatro funduntur. in India de monte Orcobares nascitur. lib. VII 399 vg. heeft deze opmerking. een riviere scone. de cuius fructu qui comederit. dus esser viere. Hi bleve altoos in eenre mate Sonder evel ende sonder doot. 844-882. Ende Nilus so heet soe mede. Coomt van enen berghe. mox a terra absorbetur. Soe es ghedeelt in seven sticken. Daer saleghe sielen in sijn. Sp.Het begin van de beschrijving van Azie uit de beide teksten wordt hier naast elkander geplaatst. heet Cocobaces. tot Honorius. de kennis niet geput. Daerin staat dat selve locus videlicet omni amoenitate rijs Daer Adam bi brac tghebot. In hoc etiam fons oritur. Aanstonds daarna hebben wij eene zeer opmerkelijke plaats. I cap. Dat hebbic gelesen vele dicken. eertsce paradijs. qui in quatuor flumina dividitur. Mundi Lib. In Ermenien springhen dese twee. in littore Rubri maris denuo funditur. qui et Ganges. Aethiopiam circumiens per Aegyptum labitur. Asia a regina ejusdem nominis appellata. 7. Honorius begint de beschrijving van Indie aldus Deinde est India ab Indo flumine Jacob van Maerlant. Wij vinden haar echter in de meeste toenmalige geographiën. et contra orientem fluens Oceano excipitur. Ende loopt door dlant van India. Daer af so vintmen wonders mee: Wie so van dier vrucht ate. Ende dore doude Babylone Eufrates. Bi Alexandrien min no mee So valt soe in die grote see. et contra meridiem vergentes Mediterraneo mari junguntur. Aldus segghen ons die geesten. Want daer es menich serpent Ende vreselike beesten. inadibilis hominibus.XXXVII alleen de helft van de aarde uitmaakt. VIII-X. Die ene loopt al dor Caldee. ferarumque genera. Daer comen uut vier rivieren. Daerbi conspicuus. 2. Post paradisum sunt multa loca deserta Naest dien paradyse so es Menech lant. juxta montem Athlantem surgens. Daer es een boom heet lignum vite. Geon heet dander daerna. Etym. Zoo als hierin. Isidor. Soe loopt door meneghe goede stede Ende door Egypten. sed in aliis longe regionibus funduntur. et invia. . ob diversa serpentum des sijt ghewes. qui et Nilus.

hebben wij eene misvatting. M. 1695. van de uitgave van Doberentz t. 1398. en dat wij in den latijnschen tekst niet met afschrijversfouten hebben te doen.) Nu lezen wij elders feitelijk hetzelfde dat M. die volgens Doberentz uit Honorius geput heeft (vs. welken wij in de drukken van H o n o r i u s b e z i t t e n . Daarvoor lezen wij bij M.v. an die noortside min no mee staet een berch.. Maar ook Isid.XXXVIII dicta qui ad Septentrionem de monte Caucaso nascitur et ad meridiem cursum suum dirigens..) des lantmarke vâhet an ze dem gebirge an Caucasas. 21 Post decursam Asiam transeamus ad Europam. heeft op de beantwoordende plaats Post Asiam ad Europam stylum vertimus.westerhalben ist daz lant mit einem mer beflozzen. M. v. spreekt van menschen die vive kinder draghen te samen. Honor. 116 vgg.. want wat bij M. n o c h v a n R u d . de woorden zijn wel bijna nog dezelfde. Asien hebben wij doorlopen. nu willic transmigremus. Voor verdere overeenstemmingen wil ik slechts enkele overgangsformulen aanhalen Honor. Bij Isid. Hoc India ab Occidente clauditur et ab hoc Indicus Oceanus dicitur.a Septentrione usque ad montem Caucasum pervenit (het overige echter afwijkend). India). Affrike laten wi nu staen ende willen ten eilanden gaen. an die westside Occeanus. heet Caucasus. 14.. geldt bij Honorius gedeeltelijk van de rivier Indus. 1625. komt overeen Rudolf van Ems. maar de zin is een andere. Meer willen wij voorloopig niet zeggen. Daaruit blijkt overtuigend d a t n o c h d e t e k s t v a n M. blijkt ten stelligste uit den laatsten zin (hoc India etc.a. nu willen wi segghen van Europen. M.. heet het uitdrukkelijk h a e c (sc. 3 b. pl.. Alexanders geesten . 31 M. Talre eerste conincrike daerna dat eest dlant van India ende gaet suut toter roder see. terwijl het bij Honorius heet sunt aliae (matres) Jacob van Maerlant. dâ mit ist ez beslozzen: daz mer ist noch genant alsus: Oceanus Indicus. van het land zelf wordt gezegd. die ander sundermarke was daz rôte mer. in geen geval mogen wij uit de overeenstemming tot onmiddellijke ontleening besluiten. E m s op dien tekst terug gaan. Ik doe echter opmerken dat ook zulke formulen zich licht door langen tijd woordelijk kunnen hebben voortgeplant. en geheel met M. zegt. 33 Peragratis Affricae finibus ad insulas maris accedamus.In 975 vgg. a Rubro Mari excipitur. voorts in Affriken lopen.. De tekst wijkt dus geheel van Honorius af.. Honor. . Europam perambulavimus ad Affricam Hier ent die tale van Europen.

in met te zeggen dat dit werelddeel is genoemd naar eene dochter van Agenor. 43 ‘unwahrscheinlich aber bleibt dass er. Van de fabelachtige dieren welke deze cap. dan bij Honorius.w. Van Indië mogen wij dadelijk naar Syrië overgaan. 1679 vgg.a. terwijl M. en eene twijfelachtige plaats (vs. zu vermuten dagegen ist dass er partae geschrieben habe. dien van Zozimas. Als ook de bron van M.) daer een flume dore geet. 512). hetzij het een werk van Honorius. die Farfar geheten is. in het begin van cap. 27. worden de groote slangen uit den eersten zin opgegeven. IV terugvinden. . 1 . Maerlants woorden zijn dubbelzinnig. terwijl de woorden van Honorius a Damasco Abra liberto constructa et dicta. las ook al zoo blijkens zijnen tekst 305 vgg. Ems vs. dan ontbreekt alles tot tegen het slot van het 3) hoofdstuk In Gange quoque sunt anguille . zouden het alleen nog zijn de vermelding van Constantinopel. maar bij Honorius niet wordt gevonden. welke ons konden leiden tot eene 1) 2) 3) Eene soortgelijke misvatting deelt Doberentz mede t. 1 Jacob van Maerlant. toch is het subject eerder juist liede. dan 2) kinder .).XXXIX quae quinquennes pariunt. Behalve deze plaats. 1240) onder de kluizenaars in de Thebaïs met name wordt genoemd.Achter vs. weet ik niet. hetgeen van de moeders zelf zou gezegd zijn. Jupiter die grote tyrant heeft ze aan haren vader ontschaakt. hetwelk Rudolf van Ems bezigde. (z. waarop wij straks zullen komen. wie die ausgaben darbieten partus. 1003 hebben wij eenen veel korteren tekst. die bij Honorius ontbreken. die (vs. vgl. XXXVIII) en eene afwijking van Honorius in de volgorde. olim Reblata vocata niet worden gevonden. 12. XXX voet heeft. van Corinthe en van den naam der rivier Fasis bij den Caucasus. XI. XIII beschrijft.’ Waarop dit gevoelen steunt. uit een duitschen Lucidarius. 409 vg. eene fout wijten. Isid. In samenhang met deze rivier Farfar zullen wij eenen tweeden naam moeten beschouwen. met name Europa. waar de uitgevers misschien ten onrechte aan M. den zin van de regels 883 vgg. pl. Sp. In den tekst bij Migne zijn de palingen trecentorum pedum longae (zóó ook bij Rud. De beschrijving van Europa leidt M. 75 zijn zij echter desgelijks CCC voete lanc. Bij de vermelding van Damascus treffen wij. 18. boven bl. of van een ander was. den stichter van Tyrus. In den tekst van Honorius heet het voorts foutief sed partus octavum annum non excedunt. terwijl wij de iets meer uitvoerige vermelding bij Isid. is het een merkwaardig toeval dat hij juist op deze plaats bijvoegt dits also waer alse 1) amen . werkelijk quinquennes las. 3. Aangaande deze plaats in den Honorius zegt Doberentz 13. waar ook van den koning Europs niet wordt gewaagd. het opmerkelijke toevoegsel (1120 vg. t. v. Alexanders geesten . en ik denk wel dat wij deze fout moeten aannemen. waar die vrouwen zelfs gewinnend zů einem mal finfzehn kind. Honorius zegt alleen Europa ab Europe rege et ab Europa filia Agenoris est nominata. Althans het Hs.

beantwoordende aan Maerlants opgaven 1560-66. In Europa wordt de beschrijving over het geheel meer onafhankelijk van Honorius. Chryse en Argyre. welke deze eilanden eerst later met de andere te zamen noemt. XXXII tot op Deinde est Heusis en weder het slot van dit hoofdstuk. maar het toppunt bereikt het verschil bij Gallië. Volgens het algemeen gebruikelijke stelsel worden eerst de drie werelddeelen en daarop de eilanden te zamen beschreven. In het volgende hoofdstuk somt Honorius de noordeuropeesche eilanden op. XXX vrij onafhankelijk. Maerlants beschrijving van vs. De berichten over de uitbreiding van Africa wijken van die bij Honorius af. Alexanders geesten . dan het toevoegsel Jacob van Maerlant. De beschrijving van Spanje bij M. dat denkelijk uit Gallia Braccata (verbasterd Gallia Barbata) als bijnaam van Narbonensis G. volgt.. Behalve dit punt stemt de volgorde zeer nauwkeurig overeen. dien anders ook de tekst van M. Over Duitschland worden eenige nieuwe opmerkingen gevonden. dat het land rijk is aan schoone vrouwen. Alleen de indische eilanden Taprobana. Voorts ontbreken bij M. Daar ook van het volgende hoofdstuk een deel bij M. Wij hebben daarin de eenige afwijking in de volgorde tusschen hem en M. Maerlants berichten over Scythia inferior zijn gedeeltelijk afwijkend. welke wij bij Honorius niet aantreffen. Bij het algemeene verschil in dit gedeelte verdient te worden vermeld dat ook Honorius als deelen van Gallië Gallia Comaga met de verklaring ob longas comas en Gallia Togata noemt. die wij daar niet vinden. Over het geheel is. 1541-1595 is veel uitvoeriger dan hoofdstuk XXIX van Honorius.XL nauwere betrekking van M. Ik stip slechts de opmerking van M. in verhouding tot den algemeenen trant van beschrijving. is insgelijks van Honorius cap. niet wordt teruggevonden. de nauwkeurige mededeelingen over Libia en de geheele inhoud van cap. daarover Doberentz 13. of eene aan dezen nog nader staande bron. Daarentegen heeft hij geen naam voor het Ghebaerde Gallia (1579-82). Gallie er bijzonder goed afgekomen. Bij Italië wijkt hij dan weder meer af. het laatste wat er genoemd wordt is Hippo. Van dit algemeene stelsel wijkt dus de tekst van Honorius en met hem ook die van Rudolf van Ems af (vgl. dat de bijrivieren van den Donau meestal bevaarbaar zijn. Andere afwijkingen ga ik voorbij. dan tot Honorius. worden meestal dadelijk bij Indië behandeld. 37). Aan het slot heeft M. en bevat veel geographische en andere gegevens. welke bij Isidorus ook onder de anderen staan. aan. tot Isid. is ontstaan. gedeeltelijk uitvoeriger. als men de toenmalige cosmografien en kaarten beschouwt. blijkt dat Africa vrij stiefmoederlijk is bedeeld. dat men het water van den Donau nog 40 mijlen voorbij de uitmonding in de zee kan herkennen. dat Jupiter in Arcadië is geboren. Bij de beschrijving van de Donaulanden en van Griekenland is de overeenstemming weder grooter.

Indien wij ons bij de uitkomsten van Doberentz nederlegden. meer met Jacob van Maerlant. 5. geographische gegevens. zoo ook de namen van hunne stichters. mogen wij wellicht aannemen dat deze feiten opzettelijk zijn weggelaten of door M. 1707 verkeerd voor middelste is geschreven (de twee hss. Colchos en in het Hs..Aan het slot zegt M. XIV. en aangezien dit zich vaak herhaalt. Onder deze staat ook Maroch. dus vooral bij Frankrijk. die ik zal opzommen’. is gemaakt. deze alle op te sommen. dat in Saba Sibilla was geboren. moet zijn voorbeeld te dezer plaatse zeer gebrekkig zijn geweest. die nu sijn. Maar zij zal toch denkelijk op een bepaald bericht betrekking hebben. Het is alleen de vraag.Zeer schaarsch zijn de mededeelingen van M. hetwelk dus verkeerd tot een eiland is gemaakt. Maar wij zeiden reeds dat er eenige bedenkingen tegen zijne uitkomsten bestaan. de gewone naam voor Marokko. Er ontbreken buitendien eene reeks van namen van landschappen van steden enz. In zijne natuur lag althans niet bepaald deze spaarzaamheid. quarta trans Oceanum interior est in Meridie.. dikwijls oudere namen van landschappen en steden.v. In spijt van deze afwijkingen is het duidelijk dat de bron van M. ‘buiten Europa zijn zeer veel onbekende eilanden en andere. . Dit zijn de hoofdzakelijke afwijkingen van den tekst van Honorius. Dit is wel slechts eene gelijksoortige opmerking. hij houdt anders juist van eene ophooping van allerlei berichten. Honorius daarentegen Nicomedia opgeeft (vgl. althans als wij afzien van de gedeelten. Het vervangt nauwkeurig de plaats van Coos in andere beschrijvingen en is klaarblijkelijk daaruit door eene misvatting ontstaan. Ik noem alleen de stad Nicaea in vs.XLI Affrike es een groot lant. van Troyen wordt er uitdrukkelijk aan toegevoegd daer Jasoen voer omt gulden vlies. Onvermeld laat M. 17 eene plaats. de aant. Als zijn tekst niet zelf eene leemte bevat en meeste in vs. waarvan de grootere uitvoerigheid reeds is opgemerkt. om dat heete sonnescijn. hetwelk denkelijk van hem zelf is afkomstig. Alexanders geesten . waarmede de opmerking schijnt verwant te zijn extra tres autem partes orbis. quae solis ardore nobis incognita est in cuius finibus Antipodes fabulosae inhabitare produntur. zouden dan in de fout overeenstemmen). 1338. op deze plaats van onzen tekst). of zij v ó ó r Honorius dan wel a c h t e r hem ligt. 809 Nicêâ unde Nicke (!). zoude alleen het laatste mogelijk wezen. Zeer zelden heeft M. over de Cycladen. En wij vinden bij Isid. en ook hier heeft zijn tekst niet zelden toevoegsels. Wij zagen dat op enkele punten M. omdat ook Rudolf vs. . zoo b. welke tot koning Salomo kwam. als welke reeds 1657 vgg. maar het zou nutteloos wezen. of reeds door zijne bron. zeer nauw verwant was met den tekst van Honorius. dat op den berg Sinai de heilige Katharina is begraven en veel dergelijks. tmeeste deel es onbecant al dien lieden. Onder de eilanden ontmoeten wij bij M. die niet reeds bij Honorius staan.

Deze. Ik moet mij beperken eenige wenken te geven. Daarentegen m o e t de overeenkomst bij Indie op eene gemeenschappelijke bron berusten. dat door een lateren bewerker de Imago mundi van Honorius op verscheidene plaatsen weder meer zoude zijn teruggevoerd. waarvoor hij hem wil doen doorgaan? Onbetwistbaar is niet eens de veronderstelling. dit schijnt mij althans zeker dat de bron van M. Er is buitendien nog slechts ééne plaats. en dat hij moet hebben uitgeschreven. Beide vinden wij terug in de vermaarde kaart van Hereford. van Nicaea in plaats van Nicomedia. dat dit in eene redactie van Honorius op gezag van eene andere bron was veranderd. Maar als wij dit ook toegeven. Alexanders geesten . Voorloopig zal het moeielijk zijn dit te vinden op het nog weinig bewerkte gebied van de middeleeuwsche geographie. Maar de tekst van M. dan met Honorius zelf. toegevoegd is eene rivier Farfar.hetwelk ook de tekst van Rudolf en M. Nog minder zouden wij dit besluit mogen trekken. mochten wij desnoods denken. maar of v ó ó r of althans t e r z i j d e van Honorius ligt. tekst had echter eene verdere bewerking ondergaan. In het eerste punt stemt zelfs Rudolf met M. als wij vinden dat Rudolf en M. dat dus Honorius niet de geschikte en oordeelkundige compilator is geweest. overeen. eer hij in Maerlants handen kwam. dat hij te vroeg uit woordelijke overeenstemming tot onmiddellijke ontleening heeft besloten. tegenover Honorius schijnt overeen te stemmen. in den Sp. en de kluizenaar Zozimas. somtijds in de uitlating van namen en bijzonderheden overeenstemmen. de vermelding nl. Ik heb doen opmerken dat bij M. voor welke hij waarschuwt. dat Doberentz zelf de fout heeft begaan. welke niet de ons bekende tekst van Honorius kan wezen. welke volgens Santarem Jacob van Maerlant. die tusschen dezen en Honorius schijnt te staan. Wij zouden moeten veronderstellen. uitdrukkelijk betuigen . met dien van Honorius over het geheel overeenstemmende. tot de bronnen waaruit Honorius zelf had geput. . vooral wat de opgave over de uitbreiding van Indië en de volgorde van de eilanden aangaat. Indien wij slechts met dit eene feit te doen hadden. Zullen wij dit gelooven. hetwelk van zijne Imago niet ver afstond. want over het geheel heerscht in dit opzicht geene overeenstemming. dat deze omstandigheid eene gemeenschappelijke bron veronderstelt.XLII Isidorus of liever met eene bron. die door Damaskus vloeit. Op eene plaats zou dit dan zelfs door twee bewerkers op dezelfde wijze zijn gedaan. En daaruit moeten wij dan verder besluiten dat vóór Honorius reeds een werk heeft bestaan.wil ik hieruit niet afleiden. waar hij met M. in het andere staat hij echter op de zijde van Honorius. maakt dit zeer onwaarschijnlijk. Daar echter deze stad uit de geschiedenis van dien tijd bijzonder bekend was. en niet liever aannemen. overeenkomt. niet a c h t e r . dat Rudolf op eene redactie van Honorius terugwijst. die ons later misschien op het juiste spoor kunnen helpen.

als men uit het opstel van Doberentz ziet dat tot nu toe de onderzoekingen over de bronnen van de meest bekende middeleeuwsche geographiën nog waren nagelaten. waarin M. Müllenhoff-Scherer Denkmäler 23 vgg. 1555 en 1575.. Ook bij de beschrijving van Frankrijk vinden wij het een en ander. De rivier gaat daar wel niet d o o r Damaskus. den Chrysorhoas van de ouden. De naam komt in de berichten over de kruistochten voor (z. hetwelk bij stellig onder de oogen had. De monnik Zozimas is mij van elders niet bekend. regelmatig voor de ligging der gewesten en steden gebruikt: daer bi staet en dgl. denkelijk nauw in verband daarmede staande kaart. en zij is uitgegeven in zijn atlas en in de verzameling van Jomard Monuments de la géographie Paris 1862. volgt. werd overdragen op de rivier Barada. de kaart nabijkomt. 185 vgg. Grimm Zeitschr. Als wij het feit dat M. Zozimas uitdrukkelijk noemt als bewoner van de Thebaïs. en de kaart van Hereford enkele trekken uit eene gemeenschappelijke bron hebben geput met het andere combineeren. Behalve dit werk. Kausler Denkmäler 3. is de uit Petri Alfonsi Disciplina de de 1) Voor de litteratuur z. geene bijzondere overeenstemmingen met de kaart zijn te zien. en vermoedelijk in de noordoostelijke gewesten.’ maar ik heb in zijn werk niets gevonden. mogen wij het besluit wagen dat dit voorbeeld eene in Frankrijk. pleit zeer voor deze veronderstelling. vooral aan Frankrijk aandacht wordt gewijd. pl. zijn de opgegeven punten opmerkelijk genoeg. Parpar). die uit den Bijbel is afkomstig. Wilken I 249) en de vermelding er van is dus wellicht met die van Nicaea op eene lijn te stellen. Alexanders geesten . misschien eene. Dit zal wel een gebrek van de kaart wezen. die in vele armen door Damaskus loopt (z. mijne aanteekeningen op 7.a. Niet minder opmerkelijk is de tweede overeenstemming dat juist evenals M.XLIII Essai sur la histoire de la cosmographie et de la cartographie pendant le moyen-âge Paris 1848-52 aan het eind van de 13 of het begin van de 14 eeuw door Richard van Haldingham is geteekend. deutsch. en het is mij niet bekend dat elders iets daarvoor is gedaan. welke M.. 740. De uitdrukking staen.v. dat in het voorbeeld van M. van Honorius afwijkt.. Santarem verwijst in de aanteekening II 393 op zijne ‘additions. Winer Biblisches Realwörterbuch i.. Afgezien van de doorloopende vergelijking met Solinus zegt Santarem niets over de bronnen van Richard van Haldingham. gebruikte M. II 296-434. Alterth. z. 2 Jacob van Maerlant. waar M. 12. f. welke M. Men heeft ook reden om daaraan te twijfelen. Alhoewel elders daar. de kaart van Hereford denzelfden persoon in deze streek teekent. maar langs de stad voorbij. want de naam Farfar. misschien zelfs in Vlaanderen. Oesterley Gesta Romanorum bl. 491 vgg. ontstane bewerking van de hoofdbron van Honorius Imago is geweest. De redactie van de in de middeleeuwsche letteren zoo ver verspreide 1) vriendschapssage . Santarem heeft haar uitvoerig beschreven t.

aan welke laatste in de Disciplina slechts beantwoordt at illi rei veritatem ei exposuerunt. en zelf eerst uit hen gecompileerd. 689 vg. daarnaast vertoonde zij de kennis.v. Althans vinden wij het verhaal van Petrus woordelijk bij M. in de overlevering mag bedorven wezen. die het eerst in aanmerking zouden komen. Heeft nu M. Daarbij zien wij nog af van de grootere en kleinere toevoegsels van historischen en natuurkundigen inhoud. slechts op deze woorden afgaande. Onze onderzoekingen over de bronnen hebben ons tot werken van den meest verschillenden aard geleid. of beter uit Julius Valerius. 755-65. niet die van Thomas Cantimpratenis. die uit een geschiedschrijver is geput. deze werken van verschillenden aard al gebruikt. De ± 15 000 verzen werden dus in minder dan een half jaar voltooid. eene aanleiding te vinden. b. mogen wij toch het oordeel uitspreken. hetwelk ons voert tot de Disciplina Clericalis van Petrus Alfonsus. III bekende. hoe weinig wij er in geslaagd zijn het zoo te herstellen. welke ons aan den eenen kant tot de Imago mundi van Honorius Augustodunensis. terug. en ten slotte het verhaal van de twee vrienden. vertoont grootere overeenstemming. De details zijn menigmaal iets meer uitgewerkt. dat de dichter. of vond hij zijne stof. die tot heden geheel onbekend is. in de woorden sed quum ibi anxius multa rerum diu volveret niet het geval is. en dit werk zelf schijnt ook zijne bron geweest te zijn. aan de andere zijde tot de kaart van Hereford heeft geleid. of de door Leyser uitgegevene. of de fransche in de verzameling van Barbazan et Méon. hetwelk de compilator van de door Paulini (en elders) uitgegeven Epistola Alexandri heeft gebezigd. evenzoo is de wijze waarop de sage van het slangenmeisje is ingevoegd iets nieuws. De geschiedenis van Alexander zelf bracht ons tot eene gedeeltelijke ontleening uit Pseudokallisthenes. of deelen er van reeds in eene compilatie? De dichter zegt aan het eind van het 10de boek ooc om een half jaer was over dien bouc ghedicht. zich geene Jacob van Maerlant. maar geen van de bewerkingen. Hoe erg ook het werk van M. schoon hem de materie bijzonder swaer toescheen. dit even goed op het 10de boek alleen. die ik kon inzien. waarvan het twijfelachtig is of de dichter er boeken bij onder het oog had. zoo b. Met stelligheid leidde ons dezelfde stof dan nog tot een werk. voorts vs. Alhoewel men. Voor de merkwaardige uitdrukking vs. als op het geheele werk kan doen slaan. is toch stellig het laatste de bedoeling van den dichter. in het begin. de oorlog tegen de Skythen geeft eene stof aan de hand. Het is dus niet geheel onmogelijk dat de bron van M. Daarbij komt voorts de geographische uitweiding. Alexanders geesten . als het uit zijne pen is gevloeid. vele rouweliker swerke liepen over sine ghedochte verwacht men wel in het Lat.XLIV clericalis cap.v. hetgeen in de Discipl. naar het verhaal van Petrus eenigszins verwerkt was. of beter tot diens hoofdbron.

vergat geheel dat hem het orakel van de zon en de maan zijn naderenden ondergang hadden voorspeld. nu wille hi besien die woestine van Endi met groter pine die ingelascht zijn in de opsomming van de plannen. Aan dergelijke verzekeringen bij middeleeuwsche dichters mogen wij niet al te veel geloof hechten. waarvoor hij misschien ook geen bijzonderen aanleg heeft gehad: maar had hij deze paden al in het begin van zijne loopbaan ingeslagen? Wat wij tot nu toe hebben gezien en hetgeen wij van elders van M. terug met de woorden: Alex. maar wij moeten toch in aanmerking nemen dat hem niet zeer veel tijd zal zijn overgeschoten om de stof te verzamelen en aan een te voegen. Alexanders geesten . 975 keert het verhaal tot dezelfde plaats van Gaut. Een meesterstuk is het dus niet. bij alse hi besocht heeft dlant van Inden. welke Gaut. voegt er M. in zijne werkzaamheid als ijveraar voor de waarheid. dat zij tegen andere gewichtige gronden zou mogen opkomen. wille hi hem dies onderwinden. Het is echter de vraag. werd geinterpoleerd.XLV bijzondere moeite heeft gegeven om eenen doorwrochten en gepolijsten arbeid te leveren. althans waar andere uitkomsten niet daartegen spreken. waar zijne bron hem in den steek liet. of hij niet ook verder is gegaan. of een bepaald getal opgaf. wettigt ons m. maer hi haeste hem gereet te winne also menich lant alse hier voren es ghenant. opgeeft. 68 dat hij de waarheid min no mee wil verhalen. Deze onbeholpene aanknooping verraadt dat dit stuk eerst op het oogenblik zelf in den tekst van Gaut. welke M. reeds in zijn 9de boek Jacob van Maerlant. verhaalt: toen Alex. Hij zegt 1. was hij van plan naar Babylon te gaan en van daar naar Africa en Europa te trekken om het westen te onderwerpen.i. Met deze verhalen in onmiddellijken of middellijken samenhang moeten de stukken van E* hebben gestaan. 343 doen opmerken. naar den Indischen oceaan teruggekeerd was. Ik heb reeds de losse aanknooping in 10. aan zijne verzekering niet zóó veel geloof te hechten. gemeen heeft. als een vijand tegen de boerderes (schoon men moet toegeven dat ook in de latere tijden zijne kritiek niet bijzonder gelukkig is. welke hij met E. Gaut. en daarop volgt de hoofdinhoud van de stof. hetgeen men door het gebrek aan kritischen zin van zijnen tijd wil verontschuldigen). Na hetzelfde te hebben verhaald. Zooveel hebben wij nu al gezien dat M. even weinig als anderen tegen de waarheid en zijn plicht jegens het publiek meende te zondigen door kleine willekeurigheden toe te laten. daer hi die scepe toe dede maken. Wij moeten een oogenblik ook bij eene andere uiting van den schrijver stil staan. wat hij in een half jaar heeft tot stand gebracht. en zijnen tijd kennen. De praetoren van Syrië zouden eene vloot voor dezen tocht uitrusten. Over het geheel vertoont zich M. Met vs. van zijn tocht. Wij moeten beproeven uit de stof en hare behandeling zelf de bovenstaande vragen te beantwoorden. Buitendien is de interpolatie slechts voorbereid door de verzen 321 vg. terwijl hij bij voorbeeld een naam zelf uitdacht. hij wil geen zelfstandig verdichter wezen.

En zij bevatten feitelijk niets. 92) ‘denn er kannte in der That Alexander von Angesicht. Maar no. er blijft dus van de bekende redacties slechts het uittreksel daaruit over. De laatste toevoegsels vóór deze stukken. En het is denkbaar dat de genoemde overeenstemming toevallig is ontstaan. Want hi dicke was ghesint om dien cheins in Griekenlant. zooals het in het Epit. In het Epitome II. of door willekeur licht konden insluipen. Deze overeenkomst noodzaakt echter m. om bij M.i. von daher also kannte er den Alexander genau’ en de Archipresbyter Leo spreekt desgelijks van den cijns. want nog bij Lamprecht lezen wij (2993 vgg. Iets verder 4. Den geheelen inhoud vinden wij in het Epitome terug behalve zeer onbeduidende bijzonderheden. stemt hij echter ook niet meer met eene andere redactie overeen. spreken ook over Porus en aan 26 sluit zich. overeenkomstig den chronologischen samenhang. niet op die van den Archipresbyter Leo. Jacob van Maerlant. dan tot die van de andere bronnen komen. 25 en 26 behooren reeds tot de trekken. niet. en dat de woorden van den eerste in spijt van de overeenstemming op deze eene plaats nader bij die van het Epit. um den Tribut einzufordern. bij de kennis van het verhaal. welke ons tot de Pseudokallisthenische overlevering hebben geleid. de kennis van eene verwante bron te veronderstellen. in détails van het Epit. boven onder no. die Alex. 1388 vgg. door toeval. zich er rekenschap van wilde geven. om den cijns te innen op grond van hetgeen hij zelf verhaald heeft in 1. und von Alexander daran gehindert worden war. staat. De plaats waar dit nog het meest het geval schijnt te zijn is 4. hetwelk opmerkelijke overeenstemming met E vertoont (het bezoek van Alex. Ook Pseudokall. hadde ghesien ten tiden dat hi was een kint. die tot Darius in het leger is gekomen. zegt (vertaling van Weissmnan II bl. en 411 vgg. Pasarges nomine. 15 heet het unus quippe ex convicantibus. m o e s t hij bijna tot het besluit komen dat het was.v. Alexanders geesten . 1363 vg.. zooals b. Pasarges herkent Alex. zien wij dat M. dan op deze zou wijzen. en Leo. Want als M. olim a Philippo hospitio susceptus. bij Porus). afwijkingen die door eene voortgezette overlevering. Zooals wij reeds zagen wijzen zij onder de op Ps. dat Kallisthenes den droom van Philippus uitlegt. 71 vgg. von Darius als Gesandter geschickt. Als wij aandachtig opletten. Uraug. toch eigenlijk iets anders zegt dan Ps. Julius Valerius zelf werd over het geheel weinig gebruikt. wat de feiten betreft.) er hêtin wîlin bekant. nachdem er zuerst nach Pella in Macedonien gekommen war. vidit tunc Alexandrum. quondam missus ad Philippum exigens ab eo censum. afwijkt. Waar M. wijzende bewerkingen. hunc ipsum Alexandrum se ibi puerulum vidisse. zegt M. dat eerder op eene andere redactie. in mentem sibi redisse profitebatur. 25 en 26. daarentegen bij M.XLVI heeft ingelascht. dô in Darius hête gesant nâh deme zinse zô Philippô en bij Ekkeh. Wij moeten deze nu eens gezamenlijk beschouwen. onmiddellijk het eerste stuk aan. wat dan een Pers in Griekenland kon gedaan hebben.

Hist. (Mon. qui fluvius plerumque ex vehementia nivium adeo stringitur. II 13 vg. 1 . maar gewaagt ook van de gebeurtenissen. recapituleert kortelijk de daden van Alex. dat hi hem sinen nap ontdrouch. 16. Cui revertenti obvius factus Alexander ait: ‘En tibi adsum internuntius quidem Alexandri. vinden. In het Epit. waar juist ruimte was. volgt zijn voorbeeld.’ En daarmede vergelijke men het aanmerkelijk afwijkende verhaal van Ekkeh. 1271 vgg. met het Epit. Men zou zich misschien willen voorstellen dat in een exemplaar van Gautiers Alexandreïs daar. Script. Ibidem ergo Eumedum subsistere atque se exspectare iubens. Eumedo satellite) ad Stragam fluvium devenit. De overeenstemming van vocans in dezen tekst met M. rechtstreeks op ons doel af te gaan. hetgeen zij ook best kunnen zijn. waren ingevoegd. en ook nog van eenige Jacob van Maerlant. unde et tunc gradibilis Alexandro fuit. 59 ende seghet hem dat. in Epit. ut ipse pro sese internuntius ad Darium iret. dan dat van Gaut. Wij hebben reeds de vele lacunes en leemten in deze stof opgemerkt. Alexanders geesten . inquit. stukken uit het Epit. 1332 de scinkers. quod tempus agitandi proelium dederis nobis. Quapropter respondeto. ipse une usus equo coeptum iter agit tentoriaque Darii adiit. zijn. slechts duces primatesque suos laetos facto 4 participat. toegevoegd uit eene bron. arbitror eum regem. Uraug. die meer bevatte dan hij er uit putte.v. zal dus wel de bron voor deze stof bij M. voorts hebben wij geen de minste aanleiding om aan te nemen dat reeds een ander werk. werkelijk eene overeenstemming met den Alex. Daarentegen staat ook in den Sp. op deze gebrekkige wijze geinterpoleerd was. ipsum sui ignaviae et diffidentiae testem esse”. Sed forte Darius tunc praevidendi exercitus sui causa processerat. Dus heeft iemand de verhalen uit Ps. 4. hoe dat hi met Dariuse at ende togedem lijctekijn ghenouch. VI bl. Dus als wij in den Sp. Men vergelijke b. In een zelfstandig werk kon de stof onmogelijk zóó staan. dit moeten toevalligheden wezen. hoe dat hi met Darise at ende toochde hem litekine dat die goede nappe. behoeven wij ons niet met eene indirecte redeneering op te houden. 1274 hi riep tote hem en evenzoo als bij Ekkeh. M. bij M. berust deze alleen op eene reminiscentie uit het vroegere werk. Maar Vincentius stemt niet overeen (IV 35 alleen) et eodem narratu principes suos laetificat. His ergo ferme diebus Alexandro bonum visum est. M. al sterk ingekrompen. hebben. dan wij bij M. qui minus festinanter contendit ad proelium. ut etiam carris onustissimis viabilem sese praebeat. die tot de interpolaties behooren. 66 vg. daarentegen niet. het begin van de episode van het bezoek bij Darius.) Vocans autem fidellissimum suum satrapem. want de interpolatie no.XLVII doe teldi hem van desen dinghen. eerst aan het werk van Gaut. Het Epit. is de inhoud van Ps. Gaut. in het Epit. Comitatus ergo Eumedo atque alio uno satellite (var. cuius mandata sunt talia: “Ego. Germ. in het vervolg uitdrukkelijk de pincernae worden genoemd. 31 stelt ons in staat. maar het bevat toch nog vrij wat meer. cui nomen Eumile etc. Maar daargelaten dat men positieve gronden tegen deze veronderstelling zoude kunnen aanvoeren.

4. zoo als de episode van Candace. werk tusschen de regels zulke inlapsels heeft gevoegd. de gebeurtenis met Pausanias. dat hij niet meer heeft overgenomen. vg. De toevoegsels op deze plaats zijn dus van M. voor welke hij misschien geen punt van aanknooping zag. of niet altijd tot zijne beschikking. Luke en Pisa. 1. 208 vg. I 3 se vincendum atque ab hostibus capiendum. Of mogen wij hem zelfs verwijten dat hij zich den tijd niet heeft gegund. doet hij het van zelf. M.. om deze bron meer dan vluchtig en zelfs slordig te gebruiken? Buitendien was wellicht nog eene andere overweging van invloed hierop. was niet duidelijk genoeg in zijn geheugen. Epit. want wie lat. dat M. welke positief kunnen bevestigen dat hij de bron niet onder de oogen had. ook in de stukken uit E*. Als hij van de laatste toch eene kleine rest behoudt. Als wij de toevoegsels met Epit. verhaalt. de aanteekeningen op 9. Wij mogen ook niet veronderstellen dat iemand in het lat. welke ook wordt genoemd.v. 5. afkomstig. iets waarin men desnoods eenen kritischen trek mag zien. vergelijken. 263 vgg. kan niet op deze wijze geinterpoleerd zijn geweest. zinspeelt M. gewoon zijn. die zich hiertegen schijnen te verklaren. Misschien had M. Maar op de overwinning van koning Claus van Atervaen. dat Neptanabus op het verzoek van Olympias aan Philippus verschijnt. beweert M. maar wij mogen wellicht aannemen dat hij menige plaats uit zijne vroegere lektuur woordelijk had onthouden. die zich nauw aan de laatste aansluit. maar wij vinden de feiten in Epit. zoo als wij ze elders bij M. staat niet in Epit. De gele- Jacob van Maerlant. M. en bij dit besluit moeten wij ons in elk geval nederleggen. zelf kende dus meer uit de Alexandersage.v. b.XLVIII meer. en een deel van hetgeen hij had gelezen. is het voldoende ter verklaring te wijzen op zijne ingenomenheid met het bijeenverzamelen van eenige berichten. 1385 ontbreekt een trek van het verhaal van Epit. over te nemen. kon al wat hij heeft opgenomen zich onmiddellijk aan feiten aansluiten. Afgezien van het verhaal van Neptanabus. M. 159 zegt M. dat hij dlijf verliesen soude. Het werk van Gaut. uit het geheugen vertaalde. om het terug te geven. van de geschiedenis van Alexanders jeugd. en ik besluit daaruit. slechts geheel ter loops bij de interpolatie no. Het kan hem bedenkelijk hebben toegeschenen geheel nieuwe verhalen. in Epit. hexameters maakt. Weliswaar komen er ook plaatsen. al zouden wij ook zijne zelfbeperking niet voldoende kunnen verklaren. de opsomming van de geschenken. Althans zijn er ook andere plaatsen. In 't geheel niets vinden wij in zijn gedicht behalve op deze plaats van de onderwerping van Thracië. deze bron niet meer. dan hij in zijn werk heeft opgenomen. en het overblijfsel van de Candaceepisode. van Methone. b. welke ook Gaut. hij verhaalt de gebeurtenis zelve niet. 617-718. Alexanders geesten . maar over het geheel geene woordelijke vertaling. Dit zijn dingen die zich het best laten begrijpen door eene onnauwkeurige herinnering te veronderstellen. vinden wij wel de feiten overeenstemmend terug. 1. werkt niet op deze gedachtelooze wijze.

De nauwe samenhang der feiten van de laatste toevoegsels uit het Epit. daar. Wij herkennen daarin een stelsel. waar hij iets uit zijne bron weglaat. zich aansluit. waar Gaut. welke M. dan hebben wij eenigszins de verklaring van den merkwaardigen toestand. die ze in het werk van Gaut. de geschiedenis van Nicolaus van Acarnania kende. In dit geval is het ook voldoende het Secretum Secretorum als zijne bron te beschouwen. Wij komen nu nog eens terug op de drie verhalen van de ontmoeting bij Jerusalem. waar zij staat. is. dat hij het althans nog niet had verhaald. deze stukken al bijeen vond. misschien had hij deze in zijn exemplaar van Gaut. om als het ware het opnemen van het verhaal te rechtvaardigen. en ook de laatste stukken. die met Epit. die hem zelfs op feiten deed zinspelen. zelf is. bijgevoegd. eene korte beschrijving van Azië (1. zelf ingelascht. terug vinden. Wij mogen nu ook besluiten dat het M. vertoonen dezelfde kenmerken. 1109. met het begin van de stof uit E* zou kunnen leiden tot het vermoeden dat M. hebben wij bij Gaut. de reminiscentien uit zijne lectuur. Valerius. Op eene plaats althans. om ze over te slaan. De juiste cijfers zal hij wel niet uit het hoofd hebben gekend. en dat hij het doet. hetwelk wij meer bij den vertaler ontmoeten. zelf. Indien hij dit beroep reeds in zijn bron aantrof. denkelijk uit Curtius. herkennen wij ook nog vrij duidelijk dat de aansluiting eerst op het oogenblik tot stand komt. Maar het is niet onmogelijk dat dit beroep eerst van hem zelf afkomstig is. zooals de gewone manier van M. Het eene gedeelte is woordelijk vertaald. 4. en het is M. in het werk van M. invoegt. Ook de episode van het slangenmeisje heeft M. die op eenige plaatsen. Hij had deze stof uit het Epitome. 396-426). t. wilde hij niet laten voorbijgaan. het andere niet. of uit een soortgelijk uittreksel uit Jul. te berde gebracht heeft. waarin wij de stof uit Ps. De geschiedenis van Neptanabus zal hij zich vooral in het geheugen hebben geprent. overslaat. vermoedelijk omdat hij toen reeds voorhad. al te kort en te duister was. er eene of andere vergoeding voor te geven. welke hij niet eens verhaald had. Alexanders geesten . Maar dit vermoeden wordt weerlegd door het verschil in de wijze van vertaling. was het hem zeker eene reden te meer. schoon het vreemd blijft dat hij juist een feit uitkoos. Nemen wij nog de vluchtigheid van den vertaler in aanmerking.w. overeenkomen. Hij beroept er zich bij op het gezag van Aristoteles. van hetwelk hij toch zeker moest weten. buitendien zal zij hem toch te gewichtig toegeschenen hebben. om de sage te behouden. zoo zal ook hij zelf dit hebben gedaan. Daar M. aan welke de episode.XLIX genheid om met eene zoo schoone verzameling van zeldzame dieren en andere voortbrengselen van het fabelland te pronken. de insluiting van de onreine volkeren en den tocht Jacob van Maerlant. in de aardrijkskundige uitweiding de beschrijving meer uitvoerig te geven. en misschien alleen uit het geheugen verhaald. wat den tijd betreft. Op de plaats.

L naar het Paradijs. wanneer hij een gedicht onder handen krijgt. kortelijk aangeduiden kamp. 30 opgesomde verhalen midden in de stof.). voor Ned. slechts reminiscenties uit de vaak herhaalde verhalen van de wonderen van Indie is het nog meer waarschijnlijk.. Wij worden dus hier tot eene verdere bron geleid. als zij in de Chronica St. hierbij worden de namen der aanvoerders herhaald. acht hij het zijn eerste werk. Reeds hebben wij het vermoeden geuit.i. als eene van dezen onafhankelijke schildering zoo nauwkeurig hierbij zou hebben gepast. en in vereeniging met no. Jacob van Maerlant. 7. het te verbeteren door weg te laten wat z. èn in E*. Het is niet mogelijk te gelooven dat een ander de geheele episode zou hebben uitgedacht. XXVIII vg. hetgeen zonder twijfel denkbaar is. dus het onder 30 gegevene als interpolatie van E*. De samenvoeging van no. deze stukken reeds bijeen vond. en daaraan sluit zich weder onmiddellijk de vertaling van den lat. en. dan komt de (boven bl. in zóó verre vereenigd. dat M. dan die. 30. en eerst uit den laatste de met name genoemde helden in het verhaal van den strijd zou hebben ingevoegd. Zonder twijfel moeten wij het laatste aannemen in spijt van Maerlants uitdrukkelijke verzekering dat hij die waerheit min no mee wil verhalen. M.’ Ik geloof dat de aanhaling leerrijk is ook zonder dat ik er iets aan toevoeg. of laten wij liever zeggen. welke hij met E. de vertaler kan ook deze uit zijn geheugen zijn gevolgd. Het verhaal van den tocht naar het Paradijs zou M.en Letterk. veronderstelt. deze heeft gekend. tekst aan.) besproken schildering van het leger. Pantaleonis voorkomen. ‘Doordrongen van historischen zin. Wij hebben nu nog over 23 en 27 te spreken. dat M. zeker is het dat het geheel is te beschouwen als één bijeenbehoorend verzinsel. is 1) (boven bl. hebben ingelascht. van E* hebben gestaan. en bij te voegen wat hij meent dat de geschiedenis kan verduidelijken. onwaar is. Taal. Veel waarschijnlijker. waartoe wij meenden uit de onhandige vereeniging van andere stukken te mogen besluiten. als hij het vertaalt. hebben wij dus in de geheele episode zijn eigen werk . in dit geval dubbel hebben gekend. dat hij ook dit al zóó heeft aangetroffen. XXVIII vg. Men zal niet twijfelen dat het verhaal van den oorlog tegen de Skythen den tekst van Gaut. I 333. gemeen heeft. De verdichter van deze episode moet ze dus in het werk van Gaut. maar het is niet onmogelijk. dat zij al in Maerlants hs. en al mogen wij daaruit op zich zelf alleen niet het omgekeerde gevolg trekken. las ik de deftige woorden van Te Winkel in het Tijdschr. Het geheel is slechts eene omstandige uitwerking van den door G. Het innerlijke verband zou immers aan hem zelf toegeschreven kunnen worden. 30 met deze stof is niet onhandig. volgt diens woorden. zelf heeft haar uitgedacht. welke is samengesteld uit gegevens van het werk van Gaut. 1) Juist toen ik tot deze uitkomst was geraakt. daarop het uitvoerige verhaal van den strijd. en daar de indeeling van M. het te critiseeren. Feitelijk vinden wij den tocht naar het Paradijs in vereeniging met de andere onder no. zoo is toch het vermoeden geoorloofd. waarheidlievend in merg en been. of M. Alexanders geesten . van wien de indeeling van het leger afkomstig is. Van de andere stof onder no. en het zou toch vreemd zijn.

LI Misschien scheen het hem geen vergrijp tegen de waarheid het verhaal van een strijd, die feitelijk plaats had, maar waarover zijne bronnen niets uitvoerigs bevatten, naar zijne eigene verbeelding in bijzonderheden uit te werken. De naam van den koning Baradach kan door M. zelf gemaakt zijn, misschien naar aanleiding van Baradam, welke in het 5de boek, vs. 480 voorkomt. Bij den snellooper Dromoen zou men eerder denken dat hij deze figuur met den naam van elders heeft gekend. Maar het is mij niet bekend dat de persoon ergens voorkomt, en ook hier is eigen uitvinding niet uitgesloten. Het is niet noodig dat iemand daarvoor grieksch verstond. Men denke dat dromo, fr. dromon, de naam van eene soort van lange, snelle schepen was, en de etymologie van het woord kan M. gekend hebben uit een werk, als de Etymologiae van Isid., waar het heet (XIX 1) longae naves sunt, quas dromones vocamus; dicta eo quod longiores sunt caeteris, quibus contrarius musculus, curtum navigium. Dromo autem a decurrendo dicitur. Cursum enim Graeci δρόμον vocant. Bij het tweegevecht tegen Porus hebben wij behalve de gegevens uit Epit. zeker ook niets anders, dan willekeurige opsiering door M. zelf. Wanneer onder de wapen van Alex. ook een spiets wordt genoemd, welke hem de koningin Talrestis als bewijs harer genegenheid had gegeven, worden wij ook daardoor weder uitdrukkelijk gewezen op de in het werk van Gaut. verhaalde gebeurtenissen. Voor de eigenaardige beschrijving van het gevecht zelf hebben wij denkelijk de aanleiding ook in Epit. ‘fieretque pugna regalis diu anceps, Alexandro scilicet locum vulneris rimante, et Poro id ipsum declinante. Gaut. zelf heeft dit tweegevecht niet; hier zou men dus niet aan de mogelijkheid kunnen denken dat de uitwerking al in zijne Alexandreïs zou geïnterpoleerd zijn geweest. M. zelf moeten wij voor den uitvinder houden. Hetgeen hij zich veroorlooft zijn naar ons gevoelen vervalschingen van de geschiedenis; eene gelijksoortige hebben wij hem ook waarschijnlijk nog eens in den Alex. te wijten, waarover men zie de aant. op 3, 591. De uitkomsten van ons onderzoek nog eens kort samengevat zijn dus deze. Naast zijne hoofdbron had hij zeker nog een werk onder de oogen, hetwelk in de door Paulini en elders uitgegeven Epistola is opgenomen, en het hs. van M. was op eene plaats vermoedelijk geïnterpoleerd met brokken van een verhaal over de wonderen van Indië, misschien ook met het verhaal van Alexanders tocht naar het Paradijs. M. had echter ook andere werken over Alexanders geschiedenis leeren kennen, waar-

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LII schijnlijk Curtius en het Epitome uit Julius Valerius. Buitendien kende hij de sage van het slangenmeisje, denkelijk uit het Secretum Secretorum, en een bericht hetwelk, zoo als de Chronica regia S. Pantaleonis de drie verhalen over Alex. van joodschen oorsprong, de ontmoeting bij Jerusalem, de insluiting van de onreine volkeren en den tocht naar het Paradijs vereenigde. Dat M. de werken, waaruit hij stof heeft opgenomen, behalve Gaut. en E* feitelijk bij zijn werk onder het oog had, is niet waarschijnlijk. Ook allerlei andere toevoegsels behalve uit de Alexandersage heeft hij ingelascht, gedeeltelijk naar geschrevene bronnen, waaronder wij noemen mogen den Bijbel, de Metamorphosen van Ovidius, de Disciplina Clericalis en vooral de Cosmographie welke hij volgde. Wel dachten wij er een oogenblik aan dat M. een deel van deze bronnen in een compendium verzameld kon hebben gevonden, doch wij zagen ons gedwongen deze gedachte op te geven.

V. Maerlants verhouding tot zijne bronnen.
Men zal het niet ongepast vinden, als ik eenigszins nauwkeuriger de aandacht vestig op de wijze, waarop M. zijne hoofdbron, het latijnsche gedicht, heeft gebruikt, daar waar hij geene aanleiding vond, om uit de ons nu bekende redenen er van af te wijken. Waar dit niet het geval is houdt hij zich angstvallig aan zijne bron. Men kan duidelijk zijn toeleg herkennen, om haar van woord tot woord te volgen. En wanneer hij zich eens vrijer beweegt, is dit over het algemeen niet geschied, om het origineel te veranderen en te verbeteren, maar eerder veroorzaakt door de onhandelbaarheid van de taal en het metrum, waarvan hij zich bediende. Het schijnt echter dat de angstige eerbied voor de bron zelfs zijn streven naar eene zuivere en vloeiende taal op den achtergrond heeft gedrongen. Weliswaar mogen wij ons niet verbeelden den geest van de taal zijns tijds zóó in ons te hebben opgenomen, dat wij te dezen opzichte overal M. billijk zouden kunnen beoordeelen, maar wij treffen toch de een en andere plaats aan, welke er sterk voor pleiten, dat het niet al te harde verwijt niet zonder reden is gedaan. Zoo b.v. 6, 1199 vgg., waar het latijnsche (535 vg.) distulit ergo nefas in idonea tempora noctis, noctis quando solent patrari turpia, noctis quando impune placent, quae sunt in luce pudori wordt terug gegeven door hierbi verste hi dese moort toter nacht....nacht es recht der quader doen die ghere doghet nie en ploen, dies nachts alsemen die quaetheit doet, diemen dies daghes niet sien en moet. Dit kan geen goede mnl. constructie

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LIII wezen, zij is ontstaan door slaafsche vertaling van het niet eens juist opgevatte noctis quando. Eéne omstandigheid, welke bij de verhouding van M. tot zijn origineel in het oog springt, mogen wij hem eerder als eene verdienste toerekenen. De al te bloemrijke en hoogdravende taal van Gaut. is meestal vereenvoudigd. Al moet men ook toegeven dat zijn eigene taal het den nabootser niet zou veroorloofd hebben, de hooge vlucht van zijn voorbeeld te volgen, zoo heeft hem toch zeker niet alleen deze moeielijkheid, maar ook zijn goede smaak in lagere sferen gehouden. Dus zegt M. b.v. eenvoudig 3, 1163 vg. recht doe dach ende nacht versciet, alsemen die mane opgaen siet i. pl. van den bombast van Gaut. (III 463 vgg.) tempus erat dubiam cogens pallescere lucem, cui neque nox neque lux imponit nomen, utrumque et neutrum tenui discrimine: verius ergo, ambiguum cum sit, dixere crepuscula Graeci. Hesperus irriguum iam maturaverat ortum iamque minante oculis caligine sidera solis supplere officium luna mediante parabant. Juist waar de tijden van den dag worden opgegeven vinden wij meer eene sterke vereenvoudiging. Hetgeen wij te berispen hebben is niet van dien aard dat wij niet zouden mogen beweren dat M. de woordelijke vertaling gemakkelijk van de hand gaat. Wel deinst ook hij, zoo als men weet, niet geheel voor de uit het Mnl. zoo beruchte stoplappen terug, maar toch mogen wij zeggen dat hij, wat het vers en het rijm aangaat, eene vrij groote kunstvaardigheid bezit. Bij zijne vertaling ontstaan in den regel uit een hexameter twee rijmregels. Niet zonder belang is het, eene kunstgreep op te merken, die hij dikwijls daarbij bezigt. Hij voegt namelijk niet zelden geheele regels of deelen er van bij, waarvan het doel is het verkrijgen van rijm. Het spreekt van zelf dat deze invoegsels geen nieuwe zaken van eenig gewicht in het verhaal brengen; ook is bij een man, als M. niet te verwachten dat er bijzonder poëtische elementen door worden aangewonnen; integendeel zijn het dikwijls zeer onbeduidende toevoegsels, zonder dat men ze echter over het geheel hinderlijk zou kunnen noemen. Een en ander maal voegen zij ook een meer of minder gelukkigen kleinen trek aan het verhaal toe. Zoo wordt b.v. 4, 1161 het lat. se rapit ad tumulum quo totum cominus hostem......oculis potuit revocare (IV 306) vertaald door hi liep op enen berch sciere ende met hem menich ridder fiere, daer hi den Percen was so bi enz. Iets stouter is 4, 40, waar in het rijm met vianden de regel hi wranc bloet uut sinen handen door den vertaler is toegevoegd als eene uiting van Alexanders rouw over den dood van de Perzische koningin. Somwijlen wordt ook, zooals 2, 763 eene mededeeling uit de historie tot dit doel gebezigd. Soortgelijke verzen zijn b.v. nog 2, 59. 3, 504. 506. 1134. 4, 308. 1491. 1540. 1544. 1616. 5, 48. 90. 234. 240. 274. 282. 284. 292. 656. 758. 6, 77. 220. 228. 354. 540. 546. 562. 878 vg.; 1200. 7, 19. 117. 128. 184. 234 vg. 430. 584. 8, 422. 8, 857 vg. 1039 enz. Uit den

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LIV aard der zaak is het meestal de tweede regel van een door het rijm gebonden paar, die door M. is toegevoegd; hij heeft echter ook somwijlen op deze manier den eersten rijmregel verkregen. Enkele malen ontstaan op deze wijze ook, zoo als men ziet, twee regels; maar het spreekt van zelf dat deze niet met hunne rijmen samen behooren, maar zij zijn de middelste regels van twee rijmparen. Uit de lijst, al is zij ook niet volledig, blijkt, dat deze manier in het begin van het werk veel zeldzamer wordt aangetroffen dan later. Wij leeren daaruit dat de vertaler in den aanvang meer er naar streefde, om geheel woordelijk het origineel te volgen, en dat hij zich allengs meer veroorloofde, van dit handzame middel ruimer gebruik te maken. Hoewel door het gezegde in hoofdzaak de grenzen aangeduid zijn, waar binnen M. zich tegenover zijne bron bewoog, was hij toch niet zoo kleingeestig en onzelfstandig, om zich hier geheel binnen te laten houden. Hier en daar veroorlooft hij zich ook sterkere afwijkingen. In de eerste plaats gewaag ik van toevoegsels, welke aan het streven naar duidelijkheid hun ontstaan hebben te danken. Daar, waar den vertaler de samenhang niet helder genoeg toescheen, komt hij met dit middel te hulp. Dus voegt hij korte recapitulaties in, ten einde grootere duidelijkheid of beter samenhang te bereiken 6, 801 vgg. en 3, 383 vgg. In 't bijzonder vermeld ik nog 8, 217 vgg., waar in plaats van het lat. interea desgelijks de bedoelde feiten nog eens kort worden samengevat, om te dezer gelegenheid te doen opmerken, dat men in de vertalingen van M. dikwijls zulke omschrijvingen van interea of andere voegwoorden van tijd aantreft. 4, 1449. 1454 en in het volgende tot 1500 meent de vertaler de allegorieën van zijne bron duidelijker te moeten verklaren. Soortgelijke toevoegsels hebben wij nog 1, 1398 vgg. 2, 62 vgg. 365 vg. 529 vgg. 4, 1633 vgg. 7, 709 vgg. Maar ook zonder dat de duidelijkheid het vergt, neemt M. de vrijheid iets toe te voegen, waar hij meent eenen bij het tafereel passenden trek te kunnen aanbrengen, of waar Gaut. hem leidt op een gebied, waar hij zich te huis gevoelt; zoo 4, 1618. 5, 114 vg. 5, 935 vgg. 7, 156 vgg. 10,273, gedeeltelijk tevens door het rijm veroorzaakt. M. noemt gaarne namen, waar de bron algemeen van ridders of van het leger spreekt, zoo b.v. 7, 433 vgg. 9, 307 vgg. en, zoo als ons vroeger is gebleken, in nog grooter mate bij den oorlog tegen de Skythen. Van hem is ook de vermelding van den hertog van Brabant op eene plaats, welke reeds in een anderen samenhang is besproken. Eene gepaste vergelijking brengt hij aan 3, 446 vg. 3, 1038 vg.; een gepast spreekwoord lascht hij in 8, 261; hij voegt scherpere trekken toe aan de schildering van zijne bron 5, 441 vgg. 1215 vgg.; hij drukt, om de koenheid van Alex. te meer te doen uitkomen, zijne eigene verwondering uit 1, 1066-71. Kleine psychologische trekken vindt men aangebracht 1, 87 vgg. 5, 683-88 en 6, 563 vgg. bij het schilderen van het vrouwelijk karakter.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LV Hiertoe behoort ook de uitbreiding van 7, 605 vgg. De laatste plaats weidt uit over het thema dat wij ons voor de zonden meer zouden hoeden, als wij de gevolgen er van voor oogen hadden, en bevat de vermelding van keizer Frederik en paus Innocentius, waarover wij boven bl. VI vg. hebben gesproken. Aan Gaut. VII 306-40 beantwoorden M. 7, 605-684. Op hetzelfde gebied brengt ons ook eene groep van plaatsen, welke wij te zamen willen bespreken. Men weet hoe gaarne in de middeleeuwen het thema van de onbestendigheid van het geluk behandeld werd. Geen wonder dat het ook bij Gautier, in een gedicht, welks onderwerp juist als eene sterksprekende illustratie op die fatalistische beschouwing werd opgevat, dikwijls wordt aangevoerd. Maar dit voldeed M. nog niet. Niet alleen dat hij 2, 447 vgg. nog eens van de gelegenheid gebruik maakt, om de aventure met haar rad te schilderen, maar hij poogt dit thema nog meer te doen uitkomen, hoe veel variaties de bron ook hiervan reeds oplevert. Daaruit blijkt, hoe scherp hij zijne stof heeft opgevat in denzelfden zin, dien ook de pfaffe Lamprecht aan zijn werk tot motto heeft gegeven: vanitas vanitatum et omnia vanitas en waarop vermoedelijk ook nog door eene van zijne bronnen, t.w. in het verhaal van den tocht naar het paradijs in het bijzonder zijne aandacht was gevestigd (aant. op 9, 1316). Niet alleen aan Alex. blijkt het dat geene macht noch heerlijkheid op aarde kan blijven bestaan, dat geen enkel van alle aardsche goederen beschermt tegen de beschikkingen van het noodlot, neen ook zoo veel andere voortreffelijke helden, die schitteren in den bloei van jeugd en schoonheid bevestigen deze waarheid, doordat al hunne heerlijkheid op eene rampzalige wijze vernietigd wordt door de sombere macht van een vroegen dood. Het is niet noodig alle bewijzen op te geven, welke het gedicht daarvoor oplevert; het komt er hier slechts op aan, de aandacht op die gevallen te vestigen, waar M. dit thema zonder uitdrukkelijke aanleiding in zijne bron doet uitkomen, zoodat het wezenlijk als een thema in een muziekstuk door het geheele gedicht heen te lezen is. Den held Lisias beschermt zijne macht niet voor den dood al was hi van seven conincriken here (5, 470 vgg.); Fiadas een schoon jongeling, die van Cyrus zelf afstamt, en aan wien de zuster van Darius was beloofd, ontmoet in den strijd Hephaestio, en deze doet hem sneuvelen, hi en liets niet dor die bruut, die Fiadase was beheten (5, 350 vg.). Ook in de woorden 3, 417-21 mag men dezen zin vinden, al bevatten zij ook een verwijt tegen Darius. Hij had immers reden gehad voor zoo stoute woorden, zijne hooge positie had hem daartoe het recht gegeven. En in spijt daarvan vlucht hij nu, onedelike, zoo als het aan geen koning betaamt. Het meest gepast is het, als M. deze gedachte bij den dood van Darius nog eens laat doorschemeren (7, 503 vgg.). Een Griek vindt den rampzalig verraden en verwonden koning

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LVI
Int einde van sinen live Ende ghelijc enen keitive. Onghelijc was hi dien groten here, Die wilen met groter ere Jeghen Alexandere quam te wighe, Ende die here met groten prighe Was van Percen ende van Meden Ende van vele goeder steden.

Wij mogen zeggen, dat M. in de meeste van zijne veranderingen niet onhandig is geweest. Stellig moeten wij het ook als verbeteringen beschouwen, wanneer hij 9, 243 vgg. en 414 vgg. de oratio indirecta in directa veranderd en daardoor integenstelling met het origineel eene levendigheid in het verhaal brengt, die geheel en al met de situatie strookt. Eenige kleine veranderingen zijn gemaakt, om het verhaal te modernizeeren. Daartoe moet men denkelijk rekenen, wanneer 6, 191 vgg. bij de belegering eener stad in plaats van schutdaken houten torens op wielen worden opgericht. Als een invloed van het bekende gebruik in middeleeuwsche romans beschouw ik het, wanneer de stervende Darius 7, 595 vgg. aan Alex. eenen ring stuurt in plaats van een handdruk in het Latijn. 8, 1031 vgg. wordt eene antieke beschrijving van Fortuna in eene middeleeuwsche van de Aventure veranderd; 5, 1210 vgg. worden in plaats van latijnsche gedichten middeleeuwsche romans genoemd; 5, 239 vgg. de Parcen door den Dood vervangen. In dit opzicht is M. niet consequent; de sporen van de antieke mythologie, ook waar M. deze niet voor geschiedenis neemt, zijn niet geheel uitgewischt; zelfs Atropos vinden wij nog ergens in het dietsche gedicht. Meestal echter zijn de mythologische toespelingen zoo goed mogelijk gemodernizeerd, het ongelukkigst 5, 374 vgg., waar uit Mars een prophete van der heiden wet is geworden, en Bellona diens zuster blijft, zonder dat men weet hoe eene zuster van den profeet tot deze rol is gerechtigd. Zeer gepast wordt daarentegen 5, 549 vg. in plaats van het bekende vers van Gautier (IV 301) incidis in Scyllam cupiens vitare Charybdim gesteld hi vliet den hoveschen lybaert ende vliet ten serpente waert. Er zijn nog twee grootere plaatsen te noemen, welke wij ook voor eigen vinding van M. moeten houden. De eerste is de uitvoerige schildering van de Skythische koningin en hare vergelijking met de vermaardste schoonheden uit oude en nieuwe romans (8, 77-134). Voorts beantwoorden aan de nauwkeurige schildering van de tweede ontvangst te Babylon (10, 1104-35) bij Gaut. slechts de verzen X 260-64. Met de uitweiding wordt zonder twijfel bedoeld, Alex. kort voor zijn einde nog eens in allen luister te laten zien. Wij moeten den bewerker daarom prijzen. Reeds Gaut. was er op bedacht deze treffende tegenstelling uit te laten komen, zoo dat men zou kunnen meenen dat de voorstelling

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LVII overladen was, maar de ophooping is volstrekt niet zoo groot dat zij eene onaangename werking doet. Tegenover deze uitbreidingen van het origineel hebben wij ook enkele verkortingen op te geven. Reeds is opgemerkt dat M. zijne bron met hare bloemrijke en dikwijls bombastische taal niet wil en niet kan volgen. Zoo laat b.v. Gaut. een bode uit naam van Darius aan Alex. zeggen (IV 88 vgg). clypeum iam laeva teneret, iam stares in acie, iam te vibraret in hostes fulmineus Bucephal, iam te sentiret in armis horrificum Darius, nisi coniugis eius humandae cura moraretur. Daarvoor schrijft M. eenvoudig (4, 196 vgg.) ghi waert ghewapent altehant jeghen ons, dat weet ic wel, en daet dit leet ende niet el. Mythologische en historische toespelingen kunnen den vertaler somtijds het begrijpen moeielijk, zijne betrekkelijk ongevormde taal kan hem het navolgen van zijn origineel onmogelijk hebben gemaakt, of de bombast van Gaut. hem tegen de borst hebben gestuit: kortom op dergelijke plaatsen verlaat hij dikwijls zijn origineel. Tot de merkwaardigste gevallen behooren 3, 1140. 1328. 4, 1144. 1614. 5, 770. 10, 340. Stelselmatig laat M. de bij Gaut. zeer geliefde vergelijkingen in den trant van Homerus weg, b.v. achter 9, 1039. 10, 1100. Een en ander maal stelt hij er eene eenvoudige vergelijking voor in de plaats, b.v. 7, 264 vgg.; elders slaat hij ze eenvoudig over. Ook hier zal het onvermogen gepaard zijn gegaan met den afkeer van eene wijze van uitdrukking, welke ver van de vaderlandsche verwijderd was. Twee passages van de bron zijn om geheel uitwendige redenen overgeslagen. De eerste is het slot van het 1ste boek, waar Gaut. op den tocht tegen Jerusalem wijst, dien M. in het 3de boek naar eene andere bron verhaalt. Om eene nog meer uitwendige reden heeft M. het slot van het 7de boek zeer sterk verkort; aan de verzen 442-538 bij Gaut. beantwoorden slechts M. 1846-80. De vertaler heeft de hoofdgedachten behouden, maar het geheel lijkt toch zeer ingekrompen, vooral in vergelijking met de gewone uitvoerigheid. De reden hebben wij alleen daarin te zoeken, dat M. naar het einde van dit boek verlangde, hetwelk door de inlasching van den geographischen excurs van meer dan 900 regels reeds bovenmate was uitgedijd. Nog meer van de afwijkingen, dan ik daaronder heb gebracht, zal misschien ten slotte op rekening van het rijm te stellen zijn. Ook aan eene andere oorzaak kan een en ander zijn ontstaan te danken hebben, waarover wij nog iets moeten zeggen. Het schijnt namelijk dat M. daar, waar hij zijn origineel verkort, moeite doet, om hetgeen aan de verkorte plaats voorafgaat en er op volgt uit te breiden en op deze wijze als het ware eene vergoeding te geven voor de uitlatingen. Zulk eene plaats zal wel 5, 359-70 wezen. Voor deze regels vindt men in het Lat. weinig aanleiding, daarentegen is op dezelfde plaats Bellona, die door Gaut. uitvoerig wordt beschreven, verdwenen. Ik heb op deze verschijning reeds in het vorige hoofdstuk de aandacht gevestigd en zal

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LVIII het in de aanteekeningen nog een en ander maal moeten doen. Tot soortgelijke uiterlijke oorzaken zullen niet weinige van de kleine afwijkingen moeten worden teruggebracht. Deze verhouding tot de bron komt overeen met de voorstelling, welke wij ons in 't algemeen van M. moeten maken. Hij was geen geniaal dichter; het doel van zijne werken was vooral leering, maar hij is er in geslaagd deze te geven met een niet alledaagsch talent ook voor de dachcortinghe. Er blijft ons nog eene vraag te doen over, t.w. deze: heeft M. het Latijn volkomen begrepen, of vinden wij afwijkingen, welke door eene gebrekkige kennis van de vreemde taal veroorzaakt zijn? Ik moet deze vraag des te eer stellen, omdat ik M. tegen soortgelijke verwijten vroeger, Zs. f.d. Alterth. 24, 35 vgg., heb verdedigd. Hetgeen ik toen zeide behoef ik ook thans niet terug te trekken, maar ik zou het nu toch eenigszins anders uitdrukken. Wij vinden niet weinige plaatsen, waar de gedachte van den lat. dichter in de vertaling niet duidelijk uitkomt. In zulke gevallen is het de vraag, of M. den zin niet goed gevat had, dan wel of hij er niet in slaagde hem in zijne taal terug te geven. Een van de sterkste voorbeelden daarvoor is 5, 749 vgg., waar de eigenlijke bedoeling der lange periode bij Gaut. V 398 vgg. geheel verloren gaat. Dikwijls geschiedt het dat M. de woorden eener uitdrukking wel juist vertaald, maar toch anders dan zij naar den zin der plaats moet worden opgevat, of dat hij de bedoeling van eene plaats ergens anders zoekt, dan waar die is te vinden. Zoo op de volgende: Utile propositum zegt Gaut. V 326 vicit respectus honesti, praeposuitque suos Darius sibi. Het leger van Darius is namelijk nog aan de overzijde van de rivier. Waarom het plan utile wordt genoemd, is zeer duidelijk. Maar M zoekt den zin veel dieper; hij meent, dat als Darius het plan had uitgevoerd, met de anderen ook diegenen zouden zijn gesneuveld, die hem zelf later het leven namen (5, 587 vgg.). In de woorden van Gaut. (VI 551) non parere suis et eis se credere velle schijnt M. (6, 1243) credere in plaats van ‘toevertrouwen’ voor ‘gelooven’ te hebben opgevat. Gaut. VIII 280 vg. klaagt Philotas, als hij zal sterven quid mihi, rex, toties pro te sudasse sub armis profuit et tecum pro te consumpta iuventus. M. vat iuventus verkeerd op en vertaald 8, 695 vgg. wat vromet mi, coninc here, dat ic hebbe dor dine ere verslaghen die liede mine? wat mach mi vromen mine pine? Als Gaut. de olifanten terribiles oculis noemt en M. daarvoor zegt met wreden (?) oghen met langhen oren, zal hem wel het Latijn duister zijn gebleven. Sterker is de volgende misvatting. Gaut. schildert hoe Alex. stoutmoedig op de vijanden los dringt (V 366 vg.). pericula martis dissimulans potius quam spernens, illud ab hoste concussum toties sed inexpugnabile castrum pectoris opposuit Persis. De zin van het inexpugnabile castrum pectoris ontsnapt volkomen aan M., hij schrijft 5, 649 vg. dedel

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LIX

coninc entie milde decte hem met sinen scilde. Het sterkste is echter dat ten gevolge van eene verkeerde verbinding van de lat. woorden M. eene rivier Arbele doet ontstaan, waarbij Darius sterft, zooals in de aanteekening op 3, 1157 is aangetoond. Somtijds is het twijfelachtig of wij eene misvatting hebben aan te nemen. Wanneer wij in plaats van de lat. woorden (II 439) praecedens igitur hilaris vexilla Quiritum in de vertaling (2, 909 vg.) lezen vore tfolc voer Alexander die fiere blakende met siere baniere denkt men dat M. in den accus. vexilla een ablatief heeft gezien. Maar dit wordt weder twijfelachtig door eene andere plaats, Gaut. V 365 rex ante Quiritum more suo gradiens vexilla, welke althans juister vertaald is (5, 645 vg.) die coninc voer na sijn maniere blidelike vor sijn baniere, alhoewel ook hier vexillum onnauwkeurig woordelijk is verstaan. Gaut. spreekt van het paleis van Victoria (IV 403 vg.) quadris ubi firma columnis stat regia reginae; bij M. lezen wij (4, 1427) dat huus stoet up vier pilare. Misschien heeft M. quatuor gelezen, misschien echter heeft hij vier eenvoudig toegevoegd, zooals wij ook de geheele volgende allegorie over de vier pilaren als van hem afkomstig moeten beschouwen. Merkwaardig is het echter dat 10, 1116, waar Gaut. (261) leest agmina quadrato stipatus, M. ook een getal heeft opgegeven. Het Hs. heeft met .iij. scaren, waarvoor echter wel met .iiij. scaren zal te lezen zijn. Voorts als M. 4, 1448 van de Rijcheit zegt soe maect werringhe tallen stonden, waar het bij Gaut. heet genitrix luxus, heeft hij stellig iets anders in zijn Hs. gelezen. Menigmaal, zoo schijnt het, heeft M. niet de moeite genomen om den zin der woorden nauwkeurig te doorgronden, maar stelde hij zich tevreden, als hij slechts de hoofdgedachte van eene eenigszins langere zinsnede begreep. Of ten gevolge van deze vluchtigheid twee plaatsen, welke wij nu opgeven, mislukt zijn, blijft echter twijfelachtig. Als Alex. zwaar gekwetst in de stad Subdraca op den grond ligt, doodt hij eenen Indiër, die hem wil aangrijpen, en hij zegt tot hem in het lat. gedicht (IX 417) talem decet ire sub umbras......talis mihi nuntius esto. Gaut. gaat dan voort dixit, et ut moriens invictus dimicet ante quam sacer in tenues erumpat spiritus auras se...attollere tentat. Hetgeen de vertaling (9, 932 vgg.) daarvoor geeft bewijst vooral dat nuntius esto verkeerd is opgevat. Maar of de woorden dat icker vechten come hier naer, eer ic sterve op eene misvatting van den lat. tekst berusten, zou ik niet durven beweren; zij kunnen ook door M. juist ten gevolge van de verkeerde opvatting van nuntius esto zijn toegevoegd. Geheel onjuist vertaald is eene plaats in het 3de boek. Gaut. verhaalt dat bij het beleg van Gaza een inwoner van de stad Alexander verraderlijk wil dooden. Een slag, welken hij wil toebrengen, mislukt. (359 vgg.) hic Arabis dextram quia sic erravit eodem, quem male vibrarat rex imperat ense recidi. Quique prius sopitus erat, iam fraude recenti martius evigilat furor et sub corde calenti ira recandescit: dumque instat turbidus hosti ausa nefas laevum

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LX

perstringit fraxinus armum et medium cruris elisit saxea moles. In de vertaling van M. (891 vgg.) slaat Alex. zelf den moordenaar de rechter hand af; met de linker kwetst deze daarop den koning in den schouder! en te gelijker tijd wordt de laatste (van de stad uit?) aan de scheen door een steen geraakt. Ik geloof dat wij gerust mogen veronderstellen, dat hier de bron niet in orde was; ik zou mij anders deze vertaling niet kunnen voorstellen. Evenzoo is het gesteld met de plaats 4, 1465 vgg. Nadat bij Gaut. de godin Victoria in haar paleis zittende is ten tooneele gebracht, heet het voorts (IV 413 vgg.) cinguntque sorores eius utrumque latus et regia recta coronant perpetuae comites: lyrico modulamine carmen immortale canens et in aevum Gloria vivax. Daarop volgen verscheidene andere allegorische figuren als de andere zusters van Victoria. M. schrijft ende hare susteren saten ooc daer ende songhen sere al openbaer lof ende prijs ende wereltere ende si en sweghen nemmermere. Bij menigeen zal de gedachte opkomen lof ende prijs ende wereltere als subject op te vatten en daarin personificaties te zien, beantwoordende aan Gloria. Maar dan zouden wij ook vs. 1471 en 1479 moeten veranderen en buitendien zou het aan sorores beantwoordende susteren in eene verkeerde betrekking komen. M. moet werkelijk verkeerd vertaald hebben. Dit was echter alleen mogelijk, òf als hij het Lat. maar zeer vluchtig las, òf als hem het begrijpen door een gebrekkigen tekst moeielijk was gemaakt. Er zijn echter nog vele plaatsen, welke onjuist zijn vertaald, en waar wij M. niet tegen het verwijt kunnen vrijwaren, zijne bron slechts met één oog te hebben beschouwd en niet voldoende tegen verkeerde opvattingen te hebben gewaakt. Ik verwijs daarvoor naar de aanteekeningen vooral op 1, 628 vgg. 2, 185. 845. 936. 3, 1157. 4, 749 vgg. 5, 243 vgg. 7, 765. 9, 32. 9, 392-97. 9, 1008. 10, 28 vgg. 448 vgg. 520 vgg. 724. 1301 vgg. 1383 vg. Dat M. werkelijk menigmaal gedachteloos te werk ging, kunnen wij het best zien 8, 543 vgg. Er is eene samenzwering tegen Alex. ontdekt; Philotas wordt wegens deelneming aangeklaagd. In zijne verdediging beroept hij er zich op, dat geen van de samenzweerders hem heeft beschuldigd, zelfs Dimnus niet, die zich zelf heeft gedood. Deze zou het zeker gedaan hebben ten einde zich achter een beroemden naam te kunnen verschuilen. Voorts verhaalt Philotas (Gaut. VIII 229 vgg.) hoe zich Ulyxes tegen het verwijt van Aiax ten opzichte van den roof van het Palladium met Diomedes en ten opzichte van het zich onttrekken aan den krijgsdienst met Achilles heeft verontschuldigd. Zoo zou ook Dimnus, om zich zelf te redden, hem genoemd hebben. M. volgt het lat. verhaal, hij zegt zelfs ook dat Dimnus niets heeft uitgebracht (v. 381 vg.); desniettemin vinden wij 543 vg. eenige verzen ingelascht, volgens welke de koning beweert dat Dimnus Philotas w e l heeft beschuldigd. Later wordt weêr met Gaut. gezegd dat niemand Philotas heeft genoemd (v. 625 en 635). Deze tegenstrijdigheden komen eenvoudig door eene gedachteloosheid van

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LXI M., die de toepassing van het door Gaut. aangehaalde historische voorbeeld niet juist begreep, en om het verstaanbaar te maken in de situatie geheele gelijkheid meende te moeten brengen. Daarom doet hij Dimnus eene bekentenis afleggen, zonder er zich om te bekommeren dat hij zich zelven tegenspreekt. De komiekste misgreep ontsnapte M. bij de beschrijving van het Perzische leger. Gaut. noemt ook (II 110) de ‘Onsterfelijken’ quos immortales mentitur opinio vulgi. M. kende blijkbaar deze lijfwacht van de Perzische koningen niet, hij maakt (2, 276) uit de immortales tfolc van dien lande van Triballe, van hetwelk hij eene sage kent, volgens welke zij zoo lang leven, dat de nood het daar tot eene wet maakt de ouders dood te slaan. Het is dus onbekendheid met de zaak, niet met de taal, die M. hier zoo erg misleidt. Hiermede overeenkomstig zijn de uitkomsten van eene vergelijking met E⋆. Hoe voorzichtig men zijn moet met misvattingen aan te nemen blijkt uit hetgeen wij boven bl. XXXII en bl. XXXIV over de rivier Ebigmaris hebben gezegd. Als wij slechts de drukken kenden, zou men allicht aan M. fouten willen verwijten. Er zijn in deze passage andere plaatsen, waar men niet kan beslissen of de afwijking van de bron op vluchtigheid, of onwetendheid, of op werkelijke onverstaanbaarheid, of wel op opzettelijke verandering berust, vgl. b.v. de aanteekeningen op 10, 448 en 10, 724. Men gaat het zekerst, als men aanneemt dat fouten of leemten in het gebezigde hs. de schuld er van zijn. In 10, 503 vinden wij .L. ridders voor quingenti milites (E. bl. 44). Ik zal er mij niet te zeer tegen verzetten, als men hier bij M. de fout wil zoeken; doch bewezen is het ook hier niet. Op eenige andere plaatsen wordt de vergelijking door de bedorvenheid van den lat. tekst in de drukken onmogelijk gemaakt. Wie nog meer in bijzonderheden wil nagaan, hoe M. heeft vertaald, die vindt de gewichtigste plaatsen opgegeven in de lijst aan het slot van mijn boek onder ‘Vertaling.’ Over het geheel zien wij dat M. met de vreemde taal vrij goed te recht kon. Althans hij bezat eene goede grammatische en lexicalische kennis; maar de talrijke misvattingen der woorden in hun samenhang toonen toch dat hij nog geen voldoende oefening in de taal had. Doch zoo grove misgrepen, als aan andere vertalers, b.v. aan zijne opvolgers in den Sp., moeten worden geweten, dwaasheden, die zich alleen uit eene zeer gebrekkige kennis van de vreemde taal laten verklaren, kunnen wij hem niet te laste leggen. Nemen wij daarbij in aanmerking dat hij nog jong was, toen hij zijn Alexander dichtte, en dat hij een werk koos, hetwelk voor het juist begrijpen geen geringe moeielijkheden oplevert, dan mogen wij ons oordeel over M. volhouden, dat hij deugdelijke werken tot stand gebracht heeft, zonder hem evenwel het verwijt te kunnen besparen, dat hij bij meer ingespannen arbeid nog menige

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LXII door vluchtigheid ontstane fout had kunnen vermijden en menige plaats had kunnen verbeteren.

VI. Hulpmiddelen bij de tekstcritiek.
Ons gedicht is slecht overgeleverd. Het is dikwijls gezegd dat de mnl. hss. naar weinig nauwgezette beginselen zijn vervaardigd. Hier hebben wij buitendien te doen met een hs., waarin het gedicht in een anderen tongval is overgeschreven en dat van bewijzen wemelt dat de vervaardiger, behalve alleen wat het schrift zelf betreft, 1) alle hoedanigheden van een slecht copiïst bezat . De varianten geven ook niet veel; zij bestaan slechts voor enkele honderd regels. Er moesten dus van elders zoo veel mogelijk hulpmiddlen worden bijeengezocht. Ik heb beproefd deze te verkrijgen ten eerste uit de verhouding tot de lat. bronnen. De in het Zs. f.d. alterth. t.a. pl. uiteengezette gezichtspunten voor de vertalingskunst van M. zijn natuurlijk ook hier in toepassing gebracht. Ten tweede poogde ik hulpmiddelen te verkrijgen door eene oplettende beschouwing van Maerlants taalgebruik en rijmkunst. Uit het zeer omvangrijke materiaal zijn in spijt van de dikwijls onzekere overlevering door eene voorzichtige methode genoeg zekere gegevens te putten, welke men bij de critiek van zijne teksten tot leidende beginselen moet nemen. Verscheidene van de hiertoe behoorende zaken heb ik reeds in het Zs. für d. alterth. behandeld, andere zullen hier volgen. Er komen enkele in aanmerking, welke bij de gewone

1)

Het kenmerkt hem dat hij het volstrekt niet schijnt te kunnen vatten, als de constructie eenige regels, al zijn er het ook maar twee, doorloopt. Hij lascht in dit geval het een of ander in en bijna altoos naar goeddunken, zonder zelfs naar de omringende verzen te vragen, zoo dat de grofste onzin ontstaat. B.v. 10, 1330 maer, weet god, dat ongeval ende die wile soe was bi schrijft hij dat es ongeval! of 6, 311 vgg. die goedertierenheit.....en mochte te vollen niet bescriven al dat gheboren es van wiven, waar hij stelt en mochtic! Vgl. verder 1, 165. 412. 484. 972. 2, 43. 857. 3, 788. 6, 30. 7, 742. 792. 1164. 1187 (?). 1325 (?). 10, 67. 142. 1190. Uit deze domheid ontstond een groot aantal ende's vooral in het begin van de regels. Hij bemint dit ende zeer, hetwelk ook de plaats van andere woorden moet vervangen. Zoo 1, 708. 1324. 1325. 2, 57. 273 (?). 442. 494. 496. 3, 269. 278. 317. enz. enz. In een geval 7, 1776, waar het op zich zelf niet aanstootelijk is, ontbreekt het in de variant. Zoo als ende worden ook andere kleine woorden gebezigd, om zinsneden zonder voegwoord te vermijden. Van deze opmerking zou de critiek nog meer gebruik kunnen maken, dan ik mij heb veroorloofd te doen.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

LXIII grammatica toch niet worden behandeld, en welke ook daarom van bijzonder gewicht zijn, omdat zij dikwijls geheel worden over het hoofd gezien. Daarom beschouw ik het als des te noodzakelijker er eens uitvoeriger over te spreken en zal dit, zoover het nog niet is geschied in de genoemde opstellen in het Zs. f.d. alterth., doen op deze m.i. daarvoor niet ongeschikte plaats. Vgl. ook Anz. f.d. alterth. enz. V 77 vgg. Door het rijke materiaal en zijn slechten toestand wordt de bespreking iets wijdloopiger. Ik zal echter niet alle gevallen opzettelijk aanroeren: met diegene, welke met toepassing van hetgeen ik al meer heb gezegd en hier zal herhalen, zich 1) als van zelf verbeteren, zal ik het boek niet nog meer doen uitdijen .

A. Onzuivere rijmen.
Zoo als de meeste uitgaven van mnl. dichtwerken vertoonen ook de teksten van M. onzuivere rijmen in een aanzienlijk getal. Men heeft daaraan meestal niet veel aandacht geschonken, maar dikwijls herhaald ‘op het rijm zagen deze dichters zoo nauw niet.’ Als men bij deze en andere dingen wel iets langer had stil gestaan, zouden er zeker al vele onzuiverheden zijn verdwenen. Met groot genoegen kan ik nu ook eene uiting aanhalen, waaruit blijkt dat ook anderen den juisten weg hebben ingeslagen. In zijne nieuwe uitgave van den Theophilus zegt Dr. Verdam, Inleid. bl. 29: ‘Men begint hoe langer hoe meer in te zien, dat van de zoogenaamde assonance door goede dichters slechts hoogst zelden wordt gebruik gemaakt, en dat, wat men vroeger voor eene assonance hield, in werkelijkheid eene corruptie is’, en verwijdert dan ook langs critischen weg de meeste onzuivere rijmen uit den Theophilus. Wij willen ook hier eens ernstig nagaan, hoe veel van de voorkomende rijmen van deze soort met waarschijnlijkheid werkelijk van M. afkomstig zijn. Dat hij in beginsel zuiver rijmt behoeft niet meer gezegd te worden; ik zou dit alleen daarom hier willen doen om mijn standpunt te rechtvaardigen, wanneer ik er zoo veel mogelijk op uit ben, onzuiverheden te verwijderen. Men heeft bij gelijksoortige dingen menigmaal het beginsel over het hoofd gezien, dat men bij een schrijver de meest mogelijke strengheid moet veronderstellen, zoo lang niet een voldoend bewijs voor het tegendeel is bijgebracht, althans wanneer de ondervinding leert dat in den tijd, waarin hij schreef, strenge regels

1)

Men zal opmerken dat ik in de volgende opmerkingen den T o r e c buiten rekening heb gelaten. Er is geen twijfel aan, of dit werk is zooals wij het hebben niet uit de pen van M. gevloeid. Ik ben zelfs overtuigd dat het zulke veranderingen heeft ondergaan, dat deze het voor de doeleinden van de volgende onderzoekingen geheel onbruikbaar maken. Misschien heb ik elders gelegenheid deze bewering met bewijzen te staven.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

Zonder dit stelsel. dat de vereeniging van v en g in het rijm somtijds aan M. zelfs schrijvers. 850. Weder alleen B op de tweede plaats leghet. dichtkunst van den goeden tijd het over het geheel tot dezelfde kunstvaardigheid had gebracht. deze rijmen toegelaten.Sp. en hunne vereeniging in het rijm ook in het md. Deze vraag vereischt nog eene afzonderlijke beschouwing. de rijmen v: g blijven langen tijd in zwang. En in de middeleeuwen werd het zuivere rijm streng gehandhaafd. welke met deze veronderstellingen in strijd zijn. . De nauwe verwantschap van de twee letters is bekend (vgl.4 . . En waartoe had hij anders moeten bekennen ook de taal van andere gewesten te hebben gezocht om vray te houdene rijm (ende zin)? Verder heeft mijn onderzoek in Zs. 1. toen men zich eens tot die hoogte had opgewerkt. 4 . Lees gaf. Troy. Wij willen de voorkomende rijmen.. dat B dikwijls tegenover alle andere hss. 73 maer hine mochte niet van desen ❘ wesen vroet wien mense visierde: riviere. dit hs. 5. Bij M. gr. 7 levene: te jegene. 5488 t'onghemake: ghelate. alleen B heeft op de tweede plaats levet. I 53). 8. aangetoond dat hij zelf twee zoo op elkaâr gelijkende klanken als ê en ē slechts ongaarne in het rijm vereenigt. 3 . Of de mnl. Maar van den anderen kant moet ook worden erkend. 33 verclaren: vader is reeds door de uitgevers in de nalezing op de geheele uitgave van den Sp. omdat hij verscheidene malen op de zuiverheid van zijne rijmen wijst. 63. maar daaruit mogen wij noch voor. gewoon (Weinhold mhd. die noch staet upten outhaer. des indog. rijmkunst heeft men ruimschoots gelegenheid dezelfde opmerking te maken.LXIV golden. Alexanders geesten . Wij hebben hier maar één en nog wel een weinig betrouwbaar hs. 261 seghet: levet. zou men nooit de tekstcritiek behoorlijk kunnen vooruitbrengen.tafle daer. alterth. Op grond van deze plaatsen moeten wij wel voorloopig de mogelijkheid erkennen. Nat. 27. 43. laten ze toe. Schmidt zur gesch. 41 gaf die 2 7 2 diere tafle waert.. I n d e c o n s o n a n t e n . f. dan bewijst dat op zich zelf nog niet dat hij ook andere verschillende consonanten in het rijm heeft gebonden. Ook in de mnl. En dit kan ons ook niet verwonderen. visiere verzet zich niet tegen de grammatica. die andere onnauwkeurigheden vermijden. vocalism. achtereenvolgens af beschouwen. De conjunctief praes. 25. ontwijfelbaar de ware lezing heeft bewaard. is een andere vraag. als de mhd. bl. schijnt echter opzettelijk te hebben veranderd. achter de 2 Jacob van Maerlant. 5. men ziet somwijlen duidelijk hoe onbeschroomd zij worden gebezigd.v. Stellig echter werden ook hier geheel zuivere rijmen nagestreefd. men leze t'onmate (adjectief). Troyen 7510 plegen: bleven.. De gewone uitdrukking is leghet in scellen b. . . 26. § 206). noch tegen de lezing iets beslissen. 30 vgg. in 't bijzonder mogen wij dit a priori veronderstellen. Al heeft dus ook M. is ontsnapt.d. zal men ook slechts zeer zelden het recht hebben iets te veranderen. 563 clevet: leghet..4 .Sp. want als men alles alles geoorloofd beschouwt. Joh.

en omgekeerd du winds (=winnes). b. Beide uitdrukkingen berusten waarschijnlijk op eene gemeenschappelijke bron. verwijderd. 56). heb ik niet kunnen gissen. . Het goede woord is hier. 10. Daarna zal een regel ontbreken. heeft.Troy. Alexanders geesten . 4520 doerryden: curiën. 8. in tende (= tentoria) heb aangetroffen. . het is afkomstig van eenen copiïst.Rb. Wij zouden echter in dit geval toch niet een rijm tusschen nd en nt hebben aan te nemen. van cant opvatten. 4 . god: ghebot. 19 is pelegrijn (: sijn) te schrijven. 61 ende wart versteken van den lande ❘ buter havene buten alle cande juist is. die al maecte aantrof en het tweede ww. var. lans enz. Jacob van Maerlant. Welke dit is. maar ook saecte is fout. in den volgenden regel verkeerdelijk voor parallel met winnet opvatte (vgl. maar toch bij anderen. cap. natuurlijk tot den volgenden zin behoorende. als b. De verzen zullen denkelijk beantwoorden aan Bénoit 13982 vg. en sc aan het slot en ‘inlautend’ was reeds toen niet meer van de scherpe s verschillend: rasc: das.v. de plaats moet bedorven wezen. 9183 kints (infantis): du mins en Alex. beneden onder E). waar de onoorspronkelijkheid minder klaarblijkelijk is.Een rijm zooals otroye: Sent Jore Sp. 10. De geheele plaats schijnt in de war geraakt. heeft er meer. saken in Lksp. van den Merlijn bevat drie 1) consonantisch onzuivere rijmen . nog naast die met m gebruikelijk. . doghet: droge te lezen. . hetwelk zóó zeer gepast is..Als Sp. 6049 veronderstelt eenen vorm Balaan (: an). maar ik neem hier en in het vervolg slechts die gevallen in aanmerking. 32 moet vrij zeker achter zich hebben dat R. harnasche: tasse behooren tot de stellig zuivere rijmen. moet men cande wel als eenen plur. 37 zal reeds naar hetgeen wij tot dusverre gezien hebben niemand als mogelijk beschouwen. De plaats schijnt echter ook nog in een ander opzicht verbetering te behoeven. . Men zal toegeven dat nog doorriden nog doorliden hier goed gezegd is. 33. 537 vg. . vandaar ook de vaak voorkomende schrijfwijzen: kins (infantis).Sp. Hoe wij ook veranderen: een onzuiver rijm.v. Gloss. . welke bij eenen eigennaam volstrekt geen verwondering baart (z. getrockents swerds en derg. 85. vgl. ❘ die winnet hi ende saecte ❘ wanen die raet quame int lant.. 11 vgg.). 85 voer Aquileren de vaste port. . die men al noch noemen hort ❘ in ouden bouken Julius maecte. 4 . 65. maerct (van merken). want de vorm met n was in het Mnl. doer liden: curien. mogen wij er niet in brengen. bl. Insgelijks slechts schijnbaar onzuiver zijn de rijmen Troy. du weends (wenes). Wij behoeven op dit gedicht bij 3 2 2 3 8 1) Het Hs. 38. zooals ik ze wel niet bij M. met de geheele plaats nog 4 . was sijn vader (z. dat geen van de hss. Daarop vs. Vs. vooral bij Brabanders.Voorts is het niet geoorloofd met Verwijs Nat. 519. welke zelf reeds de goede haar onverstaanbare uitdrukking verwijderd had.3 .Het Hs. en voorts volgens de verbetering van de uitgevers.Rb.W. nts werd niet anders uitgesproken dan ns. 7231 herscap: Moab is even weinig onzuiver. De uitgevers verbeteren reeds Julius maerct (forum Julii).LXV tweede partie bl. maar eene verweeking van de vreemde tenuis. 619 intsc: du kins. 4 . 3. verheescht: gheest. .

De beslissing daarover moet zich richten naar de algemeene waarschijnlijkheid. 1202 staat in eene passage. 9797 bekint: coninc. . dat wij er toe zouden overhellen. en wij zijn nooit geheel zeker. en in Troyen. schrijft overeenkomstig een gemakkelijker uitspraak onmach. bl. maar wij mogen er toch niet zoo maar in berusten. naar verhouding zoo vaak voor. welke ik in den tekst voor geinterpoleerd heb beschouwd. althans wanneer wij ons tot enkele gevallen bepalen.10. 947 sach: onmach(t). z. Verdam Theoph. . zijn. Wat de overige betreft. echter de noot onder den tekst. heb ik in den tekst reeds verwijderd. nt gaat immers in enkele tongvallen in nc over. dan een riden: curien of otroye: St. Gaut. Op de eerste plaats zou men kunnen gissen die ginder waren mede: felhede. Om dezelfde reden is het dikwijls ook moeielijk te verbeteren. Alexanders geesten . en niet een samenhangend en methodisch onderzoek voorafgaat over den aard van de omwerking.Nog enkele andere onzuivere rijmen. Z. of een rijm werkelijk van M. waarvan de vertaling niet volledig is. Op zich zelf is op de plaats te weinig aan te merken. zij het ook niet bijzonder sterk. 207 jeghen: doot bleven zou de voorbeelden van v: g met een vermeerderen.i. 3. en met veronderstelling van deze uitspraak zou het rijm niet onzuiver zijn. ik onthoud mij echter van eene gissing.Achter 7. . Als de verzen wel van M. vgl. op de tweede is plegen verdacht. den tekst. zelf ontmoeten wij eenige onzuivere consonantische rijmverbindingen. spreekt zij er tegen. 985 staet daet: vaert. Het Hs. maar zeer waarschijnlijk hebben wij hier in den tekst weder eene leemte. en het eerste vers is omgewerkt. en ik geloof met zooveel waarschijnlijkheid dat wij de gevallen hier buiten aanmerking mogen laten. Ook in den Alex. die eenige grootere waarschijnlijkheid hebben. 1407 ghesant: lanc voegt twee zeer nauw verwante consonantverbindingen te zamen. vgl. het rijm plaghe: quade. dan toch sterker dan in den Alex. geloof ik dat dit rijm moet worden verwijderd. maar onse god gestaan. welke het geoorloofd zijn van onzuivere rijmen voor of tegen zich heeft. Vgl. Jore. en de tweede regel sterk veranderd is. om het rijm te betwijfelen. of ook zij slechts Jacob van Maerlant.LXVI deze en bij de volgende kwesties niet veel te letten. staan. 1253. 34. de aanteekening op deze plaats en op 2. 9475 leven: plegen. en het rijm tusschen nt en nc komt in het Mnl. De drie rijmen zijn 6551 ginder: kinde. want de oorspronkelijke tekst is er in omgewerkt. daar. zoo mogen wij niet met volkomen zekerheid beslissen.2. 9798 heeft denkelijk niet onse coninc. ook in de uitspraak van nl. die in het Hs. 429 tremulo quem lumine postquam intuitus Macedo iam non solatia vitae sed mortis socium ratus advenisse tepenti excepit clypeo corpus. maar waarschijnlijker is het dat gonder in het rijm stond. .9. . althans k a n het op eene waarschijnlijke wijze worden gedaan. dialecten dezen overgang te veronderstellen. In geen geval mag men uit den Merlijn een bewijs tegen mijne stelling putten. waar wij twijfelen. En m. versleghen voor doot bleven zou echter zeer goed zijn. is.

het laatste klaarblijkelijk slechts een behulp van eenen afschrijver. . (8. 351 staat in den tekst can: ghedaen. blyder volc en sachmen nie. met uitzondering misschien van dat tusschen v en g. Troiïene): bordine is alleen door eene niet goed te keuren combinatie van den uitgever uit de lezingen van de beide hss. maar misschien ook ‘ijverig. of met een ww. Ghedan is waarschijnlijk het juiste woord. ende mense (t. juist in het rijm. Wörterb.d. 1 . Ontlien te segghene beschouw ik als onmogelijk. gedon. lezen leidese up Tabor die ❘ upten berch. 3 ende leidese up Taborie. 10. 6253 buuc: stuc.Franc. 136. 67) zegt non possumus. een adv. Vincent. die oghen) wide ontdoe dan die H. Zooals het mhd. gereedelijk. vgl. althans in de uitgave is de plaats opengelaten.LXVII aan de overlevering zijn te wijten. Misschien is ontien te lezen. 1 . Troy. Bijzondere opmerkzaamheid eischen de rijmverbindingen van den tweeklank ie: îe en î. .Sp.’ Troy. Alexanders geesten . 7. Ontlien. Het woord zou misschien te vergelijken zijn met mhd. 95. ontstaan. B nochtan. zou als tegenstelling van lijen denkbaar zijn.Nat. bl.. en andere schrijvers. 3331 onthoude: armoede. dat het subjekt of objekt nog eens door het pronomen. 1307. dan wel of zij een gebrek in de kunst van den nog jeugdigen dichter bewijzen. Alex. Het tweede rijmwoord geeft volstrekt geen zin. dan sijn luden 6 7 waren die Hildeg.6803 ghebaren (= gheboren): te waren. . 60. al beteekende het ook niet juist faciliter. t. Want in de andere werken moeten wij de consonantisch onzuivere rijmen als onbewezen beschouwen. en van o: oe.i. hetwelk hij later overwon. . 1. Daar het ook zeer weinig in den zin past. schleunig’ schijnt te hebben. 25 Getulienen: metten sinen. 5 inquiunt. vs. heim. maar wordt door de toevoeging van te seggene verdacht. 1168 liede: west blyde. hetwelk elders niet voorkomt. Mhd. welke het mogelijk maakte het woord hier in plaats van faciliter van de bron te gebruiken. (bij Blommaert). dine = ik span. vindt men meer bij M. que vidimus non dicere. 781 thuus: aldus heb ik in den tekst verwijderd. De variant leest evenzoo. hetwelk faciliter van de bron zal teruggeven. zal het wel door eenen afschrijver geschreven zijn in plaats van iets dat hij niet verstond. Livius ende Marcelinus coesmen die Sp.Sp. die enghel die antwoerde hem die 25. . b. misschien te lezen hem verbaert. 41. dine (vgl. . te segghene dat wi hebben ghesien.H.1 . en hoofdzakelijk zeker ook o m te rijmen.w. 756 met de aanteekening aan den voet van de bl. gedon de beteekenis ‘eifrig. 6. men moet gheboren: te voren lezen. I n d e v o c a l e n . Heimel 7 Jacob van Maerlant. kan ook ghedan in spijt van zijne afleiding van het ww. 87 wine conent niet ontlien. in een zin gebruikelijk zijn geweest. uptie berghe alle drie. west blyde staat niet in het andere Hs. wordt herhaald. . 381a en 380b). 14. 1.d. 2. Er is hier sprake van den berg Tabor en men moet naar de var.5256 Troyene (d. 1 . .v. Deze eigenaardigheid van constructie.w. 63. V A hebben ghedan. Merlijn 9961 zwaert: quam voert.

de organische vorm zonder apocope uit ana is ane met verlengde a. Nat. Rb. te veronderstellen. Jacob van Maerlant. dat wij hier met iets anders hebben te doen. an en ane. meer en mere. welke vormen met en zonder e naast elkander hebben: met en mede. 337 ontvlien: sien (sunt). . daer en dare. waar vormen van het ww. dan mogen wij de alleen staande uitzondering Getulienen: sinen niet dulden. Eene gelijksoortige anorganische vorming is denkelijk het in het rijm niet zelden gebruikte anne naast an. bl.De Merlijn levert twee voorbeelden gescien: zijn 5067 en tyden: ontbieden. Bulgerije: bî prope). Het is niet gemakkelijk te zeggen. Ook in de genoemde vormen van zijn mogen wij stellig niet het rijm î: ie veronderstellen. maar voorzeker niet als Bulgerie: bî.LXVIII 865 die Persine: die Latine. en zij wordt daardoor eenigszins bevestigd als van M. 1459 Bulgerie: bie (d. Alexanders geesten . men zou kunnen gissen spraken onder hemlieden. Zij schijnen niet aan het dialect van M. hetgeen zich hier vertoont. de naam Latine schijnt tot dezen vorm aanleiding gegeven te hebben. vooral als zij door de hss. maar nooit ie: î. Licht mogelijk dat hij de vormen eerst in vreemde gewesten had gehoord. 9077. Hij is te verklaren uit de analogie van verscheidene andere partikels. vgl. zelf afkomstig. Nemen wij alles te zamen. welke om het rijm wordt toegelaten. want zóó zouden twee lettergrepen met eene zijn samen verbonden en dat is ongehoord. Dit bîe moet men opvatten als een onjuisten vorm. 5. wij zijn niet gerechtigd eene zoodanige apocope bij M. . 3053 ghi siet (estis): ghi ghebiet. De plaats uit den Merlijn 5067 gescien: zijn mogen wij niet hierbij rekenen. 1310 sijn (sunt): in drien. van Troyen heeft dezelfde lezing. Er blijven nog verscheidene gevallen. 27 sien (sunt): die hien (mares). 2. zijn echter na elkaâr gedicht. 1155 sien (sunt): (si) plien. aangezien hij de vormen in zijne andere werken niet gebruikt. De drie. waarin feitelijk de tweeklank werd gesproken. Het voorbeeld uit den Merlijn tyden: ontbieden kan niets bewijzen. maar wij moeten hier op gezag van de twee hss. dan en danne. Het hs. eerder moeten wij de plaats voor bedorven houden. 7. Troy. 35. Er is ook overal met uitzondering van de plaats uit Troyen ie (en niet ij) geschreven.i. overeenkomstig met het algemeene gebruik het rijm van den tweeklank ie: î i n d e n u i t g a n g van de woorden toe. Wel laat M. daarnevens Persine als mogelijk aannemen. eer en ere. cap. Er blijft dus niets over dan aan te nemen dat tweelettergrepig bîe op Bulgerîe rijmt. hoe dit rijm is op te vatten. Ook met apocope Bulgerî: bî is niet waarschijnlijk.Anders is Alex. sijn op ie rijmen. te behooren. 62. uut en ute en anderen. Een vorm Getulienen veronderstellen mogen wij niet in spijt van het besproken Persine naast Persiene. en er moeten bijvormen bestaan hebben. reeds de beperking op het bepaalde geval bewijst. waarin zij verschijnen. Misschien is in het tweede vers eenvoudig metten Numidienen te lezen. De gewone vorm van den naam is Persiene. ieder zal zien dat hij bedorven is. niet eens wordt aangegeven.

Blijven wij bij diet. Dat de tweeklank ie als eenlettergrepig streng van de tweelettergrepige groep îe af te scheiden is. waarin de ‘gedeckte nasalis’ eenen svarabhaktivocaal doet ontstaan. 149 wezen. zoo als de taal ook ieu heeft. In plaats van verdere analogien noem ik slechts nog die hien (mares). Niwi heeft zich in het Vlaamsch op twee wijzen ontwikkeld. in het germ. zooals de naklank der tweeklanken. Wij hebben voor dezen overgang van îe tot ie verscheidene analogien. maar het is toch denkbaar dat ten gevolge van den ‘systemzwang’. Aan het eind van de woorden en vóór j en vóór klinkers komen bij de uitspraak de verschillen tusschen de tweeklanken en de verwante lange klinkers. schrijft zoo. Het verkrijgt of uw of iew. spreekt reeds voldoende van zelf. van hetwelk wij toch straks moeten gewagen. ook eens een vernie-et werd gebruikt. en hi-en wordt tot eenlettergrepig hien hetwelk meestal. Is dit juist. bl. Deze kunnen in vroegeren tijd hebben bestaan. maar geen van de hss. Een analogon van het rijm vernie et: dî-et kan ny (novus): vry Hildeg. of althans mocht vereischen. met den tweeklank rijmt. Op zich zelf moet eene groep van klinkers iee mogelijk zijn geweest.LXIX hij bezigt immers in het rijm ook taalvormen uit andere tongvallen. dan is ook het rijm vernie-et: dî-et niet zonder analogien. waarin op de stam si (onverschillig met korten of met langen klinker) met eenen klinker beginnende uitgangen volgden. dan moet verniet = vernie-et zijn. vooral daar het immers uit verniewet is ontstaan. en zelf dat van M. zooals hij zelf erkent. Het rijm van Hildeg. Ik heb slechts de klinkers genoemd. 3. voorts als doe: so. niwi vertoont. siere uit sînre. en uit sîere dan siere wordt. maar zij kunnen ook in eene jongere periode zijn opgekomen. . terwijl sîn naar analogie zijnen uitgang n in den gewonen en veranderde en sîen. Maar verniet hetwelk slechts eene lettergreep in het rijm heeft kan niet op het tweelettergrepige dîet rijmen. siet werden. en zooals wij ook feitelijk kunnen bewijzen. Alexanders geesten . en vandaar dat in deze gevallen de elders verbodene rijmen worden toegelaten. zooals uit verscheidene dialekten blijkt.Nog eene plaats hebben wij te noemen. sîet tot sien. niet alleen in nieuw maar ook elders somwijlen. waar ook het rijm van ie: î schijnt te schuilen: Nat. dîhet). ieuw. De tweeklank is echter niet onverklaarbaar. of altijd. Dus zou verniet van verniewen den tweeklank hebben. vernîet: dîet wezen. als dit is op te vatten als nie: vrî naar de analogie van die: mi. Maar daar ook dit niet altijd is in acht genomen.v. hij moet berusten op vormen. kan dus ook werkelijk nî: vrî. 1299 verniet (vernieuwd): diet (= dîet. van welke wij beneden iets meer zullen zeggen. wil ik het hier nog even aan- Jacob van Maerlant. welke het gewone Mnl. Ook dit ontstaat uit hi (met nog korten of al met langen klinker) + den meervouduitgang en. en als ie. De toonlooze e wordt wel achter eene ie anders altijd verwijderd. 91. minder uit. welke als uitgang et vereischte. Onmogelijk is ook niet het ontstaan van eene lange î. Wij hebben deze in rijmen zoo als bloeien: vernoien. men zou verniet: dijt moeten lezen. sie: hi. b.

messcien̊. 8582. Wij vinden echter ook 3 Jacob van Maerlant. bîe. drie. 1 2 dien: ontsien. of alleen deze pronomina. 1143. geldende uitspraak en met ags. mi. 3.) nie enz. Kil. en b. di. paertien. 16627. De uitdrukking is wel ongewoon. 419. 61. 379. 2280. omdat de klinkers er in andere zijn. payen (d. Ook viere (festivitas) stemt in den tweeklank overeen met het Mnl. zooals reeds gezegd voor hien (mares): hien: dien (iis) Nat. Ghier vultur heeft. Troy. Kil. 4 . Ook bie (apis) wijkt van hd.: viere: sciere Rb. die (pron.v. beie en nnl. geeft ook bij dit woord bie en bije naast elkaâr op. 14. heresien. Marien. die: hi Alex. ghieren: manieren Rb. 1499. 423 Tisiphoene: ghewone. M. 42. gescie. waar zonder twijfel de klinker nog eenigszins onbepaald kon wezen. 2. De gewone klinker in soortgelijke eigennamen is oe. giere: sciere Alex. 80. gier: ongier Sp. Het eenige geval waarin het rijm tusschen ie en î zeker geoorloofd is. wi. 2. Enkele woorden kunnen tot misvattingen aanleiding geven. sien. 4 . den tweeklank: ghiere: diere (animalia) Nat. vindt men overal. Alexanders geesten . ghiere: maniere 3599. 41 enz. 2. 1. vieren: manieren Sp. bl. beo heeft het zonder uitzondering den tweeklank: bie: mi Nat. maar zooals wij beneden zullen zien is ook ô mogelijk. zoo worden gebruikt. welke over het geheel de beste zijn. waarin al langer eene lange i vast was. Nat. Maar naast die hien is echter ook een meervoud die hîen althans niet ondenkbaar. bie: nie H. Wij komen voorts tot de rijmen van o: oe. 379. 3. 3189 staat die sien leven langher dan die hien. Ik voor mij zou aan de laatste lezing de voorkeur geven. pai-ïen) de vrouwelijke lien. 13 enz. Wap.LXX stippen en verwijzen naar Taalk. 8015. maar V A B lezen segghen ende sien. maar afwijkende van nnl. 2. de voorbeelden als ic sie.i. 31. 1 . maar juist daarom misschien te verkiezen. in plaats van hi of hij enz. ghien. bien: sien 8 1 . 3545. 4. dien: knien Rb. 3797 enz. dien: vlien Sp. Troy. overeenkomstig met de nog heden in het Vl. bij af. bl. en te meer omdat zij wordt aangetroffen in de hss. is dan dikwijls ook hie geschreven. of in het Nnl. benedien. bl. is dus in den ‘auslaut’.: hi. 23299. deel 2 bl.d. 159 vgg. heimel. zie: bie Sp. tien (ducere) vlien. 2. op het 21ste couplet van den 1. Hier staan tegenover de staande rijmen grammarien. Sp. 27 enz. 1898. De tweeklank geldt ook. bl. bien: sien 7. 8 bien: mettien Rb. 27. wilmen segghen ende lien. 13 Leoene: sone (daarentegen onmiddellijk er vóór Leoen: doen en Leo: also) misschien ook Alex. 1 . deze vorm kon altijd uit een enkelvoud die hî nieuw ontstaan. dan in het Hd. heeft althans die (diege) nog naast dije.. 16325. 37. 97 Cyeroene: soene (filium). dien: plien 3. of ook andere woorden. dij: dien: ghesien. 2. Ik heb er niet genoeg op gelet. 53 enz. zooals ook in het Nnl. Deze kwestie zou een opzettelijk onderzoek verdienen. Bijdr. 7. Die (femur) heeft desgelijks den tweeklank overeenkomstig met zijne etymologie. plien. die hien: plien 2. gier: fier 3. desgelijks 1742 Cyeroene: sone (daarentegen Cyeroen: te doen 1788). 3. 7.

75 magus hietse dystorie scone: van edelen doene. 1 . noet: doet (facit).d. . dijn paert ende hoede ❘ hi antworde: nu vaert met Goede. (Wij hebben eene soortgelijke verhouding van de hss. van den tekst en het is een stoplap. Kil. tere groete. Maar zeker is in plaats van Eudoene te lezen Eudoens of Euden sone. wil ik niet uitmaken en er met minder beslistheid over spreken. Het Lat. fusura. en daarom kunnen wij in de genoemde eigennamen ook het gewone oe aannemen. 3 . Zeitschr. 14. I.3 . f.. omdat het rijm ö: oe bij enkele andere schrijvers misschien meer. en buitendien ook anders altijd voor eene n. gote en geute = fusio. maar de varianten there groter gote. bij M. dan ik in de aanteekening op Flandr. Welken klinker wij in vermoene str. dan wel of deze door den copiïst zelven zijn vervaardigd. Hiertoe zou ook nog behooren Sp.Nat. maar oe gerijmd met de gewijzigde o-klank die. 138 vgg). vs. alterth. Welk ander dan. blijft twijfelachtig. welke niet geheel zonder verdenking is (vgl. nnl. voor Nederl.In den Merlijn staan twee voorbeelden: 9307 8 7 3 8 Jacob van Maerlant. het juiste woord voor den tweeden regel staat in A en B vervoert. teere boete wijzen er niet bepaald op dat goete hier het oorspronkelijke woord is. Maar wij hebben hier vermoedelijk niet oe: o. in welke de klank ô niet mogelijk is. Zóó staat in den tekst. Wij moeten voorzichtig zijn. 74 Spenyole: sat dicken up sinen stoele. maar er is te schrijven met goede (vgl. Alterth.). heb besproken). 21 Eudoene: de ghone. Ook Rh. 941 ghewone: soene. geeft geen licht. 20379 zouden wij hetzelfde rijm hebben. Ystorie scone zegt hier niets en kan onmogelijk juist wezen. 24. . . 218 ongewoene: coene enz. Taal en Letterk. 7 religioene: doene: coene: zoene (filios) enz. hetwelk ook uit het verneert van V met de hoogste waarschijnlijkheid is op te maken. . geut (uit guti). zooals uit den samenhang en uit het Latijn blijkt. Als dit juist is. bl. seiti. 38 vg. 67-70 zijn in den tekst gebonden doet (facit): doet (mors). geute (De Bo). het schijnt mij echter groete te wezen. 2. 24. hetgeen misschien ook in aanmerking te nemen is. waar het niet eens noodig is dit rijm te veronderstellen. . er staat god die wel doet ❘ moete gheven dat ik mijn bloet ❘ alleenscine niet offren moete ❘ maer al te male tere goete. 68 rijmde oorspronkelijk met 69 en 67 met zijn rijmregel is verminkt doordat een geheele regel is verloren geraakt.3 . Of de twee verzen luidden. 25 vgg. kan ik wel niet met volle zekerheid zeggen. Vs.d. als op de plaats welke ik Zs.LXXI voorbeelden van soortgelijke rijmen met woorden. teenre vloet. 29 nem hier.. 70 heeft alleen het Hs. Verdam Tijdschr.6. en vs. 66. Alexanders geesten . de aanteekening) slechts voorkomt in een van de strophische gedichten en enkele malen bij vreemde eigennamen. zooals B ze heeft. Goete is nog heden in het Vl. 919 verroert: verboert. 7 en 10 hebben. III 6 heb gedaan.Sp. later althans. 5. . 87. ö (eu) is (z. Dezelfde klanken hebben wij Alex. 21. voorts in de rijmen van Oversee str. echter behalve op deze plaats en de eene in den Alex. f. wordt het eenigszins daardoor gerechtvaardigd dat Speniole een vreemde eigennaam is.

t. Voor hem. is ook in hedendaagsche dialekten de germ. Een derde geval waarin algemeen oe: ô wordt gerijmd is voor i: vernoie: ic moie Alex.v. somen. somwijlen commen naast comen. behoeft niet door voorbeelden te worden bevestigd. hetgeen desgelijks algemeen wordt teruggevonden. Ook deze vrijheid moet in de uitspraak hare verklaring vinden. en voor alle mnl. welke rijmen zooals noemen: comen hebben vermeden. of konden die althans hebben. De uitspraak met dezelfde oe als in andere gevallen. afkomstig. Rb.w. Noemen. ook in het mnl. 85. Ik geloof niet dat wij hier gheboer mogen schrijven. korte klinkers in eene opene lettergreep staan. sommer. bij welke het rijm met oorspronkelijke ŏ mogelijk was. De laatste veronderstelling is niet zoo onwaarschijnlijk naar de opmerking van den uitgever op vs. verdommen. 675. door welke ook het Nhd. dezelfde die ook oorspr. zooals blijkt uit de schrijfwijzen van de hss. heeft. men kan ze overal vinden. Hetgeen Anz.v. geldt ook volkomen voor M. of . vromen hadden dus dezelfde uitspraak. bloemen enz. 4844 een fel ghebuer: ontfoer. ŏ (vóór m) had. 4824. bl. Meer daarover z. prol. Maar deze schijnt in het Mnl. dichters met zeer weinig uitzonderingen. Ook aan het einde van woorden is het rijm van oe: o zooals doe (tunc): so. Men begrijpt bij deze omstandigheden. misschien stond in den tweeden regel oorspronkelijk int vertooch. gold echter in deze woorden geenszins dezelfde uitspraak. ōm: ôm wordt vermeden. niet eens de gewone te zijn geweest.Ik voeg hierbij Troy. dat terwijl over het algemeen de rijmen van mnl. vloyt: vernoyt Rb. V 78 van de woorden op oem is gezegd. vernoien: vermoien 6. 6. horen: geboren zijn toegelaten. 407. welke oe elders had. II 167 staat. zooals voor de meeste anderen. waar oorspr. somme meervoud van som. dan in andere gevallen. Wederropen (= wederroepen) schijnt mij verkeerd. d. 5688. Wij hebben Jacob van Maerlant. heim. Dat M. 5937. ic doe: vro. au) en verlengde ŏ zooals doden: goden. ô volstrekt kort geworden b.zij is niet van M. de gewone moet die zijn. b. en uit de hedendaagsche taal. maar door den invloed van de m had zich de oorspronkelijke klinker veranderd en was deze dus geschikt geworden voor het rijm met eene oorspronkelijke ŏ. zooals Flandr. . De plaats zou dus bedorven zijn. en 9719 wederroepen: bisscopen. beneden in D. deze heeft gebezigd. Nat. jammer en dgl. komt. 6 enz. 8. en comen. Wij vinden hier dezelfde uitwerking van de m. Alexanders geesten . blommen. 305. Ook hier zijn de voorbeelden overbodig. Deze uitspraak was misschien nog dichter bij de kortheid. verdoemen. ic vlo: toe een gewoon verschijnsel. vloyde: vernoyde H. Maar ook de kwaliteit van de o is misschien door de m veranderd geworden. kommen.LXXII doech (valet): ghenoech. En gelijk in zulke woorden de oorspronkelijke korte klinker tot heden kan behouden zijn. De kwestie over het rijm oe: o vereischt nog eenige algemeene opmerkingen. De dichter van den 1en Reinaert is een van de weinigen. was echter niet geheel verdwenen. ô (= germ. misschien wederloopen. vroe (mane): also.

schijnt het zelfs dat M. 1 . gedaen: ontdaen. welke als epitheta dik wijls beide in hetzelfde geval zouden te pas komen. maar dat wij ze als fouten in de overlevering moeten beschouwen. Jacob van Maerlant. is hij het natuurlijk ook in andere gevallen geweest. niet een bewijs zijn van nog grootere vrijheid of minder oefening. zijn ons geene vokalisch onzuivere rijmen overgebleven met uitzondering wellicht van een ö: oe. 2.scap: . waar het verschil tusschen de klinkers grooter is. bepaalde kategorien. 80. ten opzichte van oe: o. hemelrike: eertrike ontwijkt hij niet. om het voorkomen ervan niet voor toeval te mogen houden. pleit juist ten sterkste tegen deze veronderstelling. Het aantal is groot genoeg. misschien ook wel door het fransche voorbeeld. 5 dat Amelis sine kinder 2 dode ❘ ende hi met dien bloede rode ❘ sinen gheselle bestrike.v. althans toegevendheid tegen de ‘rührende’ rijmen bij de mnl. moeten uit de vroegere uitspraak worden verklaard. alleen in Troyen en Nat. 8 B. Maar ook voorbeelden van anderen aard: b. dichters gebruik is geworden. Ook buitendien kan men zich. Wanneer zij zich in twee woorden of lettergrepen van gelijken vorm maar van verschillenden oorsprong. bl. 80 die sinen stoel maecte so root ❘ met so menechs menscen doot. of althans van sterk verschillende beteekenis. Alexanders geesten . ze gaarne gebezigd heeft. zoo nauwkeurig was. door M. Uit deze feiten te willen afleiden dat algemeen o op oe kon rijmen. waarbij ik ook het samenrijmen van gelijke uitgangen als . 45 deerste was dat reinde bloet root ❘ daer af hadde tfolc pine groet ❘ ende 2 alt water in Nylus der vloet ❘ dat was altemale bloet. van î: ie. buuc: stuc in Troyen en armoede: onthoude Franc. door het gebruik van groot en goet. de ‘rimes riches’ op te hoopen.v. rijmt ook vokalisch zuiver. Wanneer M. is nagebootst.scap enz. 50. voordeden. kunnen dus nauwelijks als oorspronkelijke lezingen worden beschouwd. Dus wordt het ook waarschijnlijk dat de weinige konsonantisch onzuivere welke zijn blijven staan.like: . ‘Ruhrende’ rijmen. kan men toch zien dat. raet: baraet woude (voluit): woude (silvae). M. ongeveer 1 ten honderd. reken vertoonen zich bij M. b. blijven zij beneden dit getal. van het gezegde gemakkelijk overtuigen b. 4 . zou zeer onmethodisch wezen. 3 . welke schijnbare uitzonderingen maken. . of antwoorden: woorden. De omstandigheid dat het verschijnsel geheel vast door bepaalde voorwaarden beperkt is.LXXIII reeds boven eene gissing in dit opzicht geuit en de rijmen tusschen ie en î aan het einde daarmede vergeleken. ‘Rührende’ rijmen. Al mag men ook niet beweren dat de manier van de fransche dichters. elders het rijm vermeed. daarvan getuigen zeer duidelijk verzen als Sp. Hoe angstig M.v.like. Ook in den Alex. het rijm tusschen het adverbiale al te hant: hant.

hetwelk 14maal hetzelfde rijm herhaalt. 29.. buitendien kan ook de lezing van C haerre een in aanmerking komen. 227. dat hi leghet ❘ in een bedde met goude beleghet.om eene door Rödiger (Anz. 29. 45. IV 265) bij eene soortgelijke aanleiding gebruikte uitdrukking te bezigen . ware hier geheel als eene formule staat in den zin ‘in elk geval’. 1 . bl. Het verschil tusschen de gerijmde woorden kan somtijds zeer gering schijnen. 6 17. te volgen. 4. menecheen: al in een Sp 8 2 1 . streng te hebben vermeden. 18757 en die ghone: omme tghone Sp. schijnt M. 6. hiet (nominatus est): hiet (iussit) 1 . Tweemalen hetzelfde woord in bepaald denzelfden vorm en dezelfde beteekenis te rijmen. Nat. van boven neder: hoge ende neder (adjekt. teser 7 avontstonden: tien stonden (adverbiaal) 3 . Alexanders geesten . 3 . 43. haer negheen: lachter gheen Rb. Twee paren vinden wij meer achter elkaar.nog eens ‘scharf ins verhör nehmen’.s. Het 4de hoofdstuk van Sp. 17. zin. 3 . 53. Verschil in de beteekenis is er ook stellig in ic ans die wel: blijft wel (gezond) Troy. als althans of het metrum of iets anders geene aanleiding geeft. maar het moet in elk geval bestaan. 19. Zeer goed te verontschuldigen zijn gevallen als onteren: 1 onneren (beide verba) Rb.v.. keerden weder: die lande voort 7 5 ende weder (= in alle richtingen) 1 . ten keyseren waert: nederwaert 3 . . heb ik niet kunnen vinden. 18. 63 vgg.9032 ghinghen 2 5 Jacob van Maerlant. maar men vraagt onwillekeurig. 10. t'eeren: eeren (infin. 39. Een aantal andere gevallen moet men .LXXIV Somwijlen kan men weifelen. den here: hoe hi wart enech here 1 . b. 99. De tweede regel geeft zóó geenen zin. Het meest bedenkelijk zijn nog in sine lieve ontfaen 7 (recipere): heeft ontfaen (obtinuit) Rb. voorts alle weghe (adverbiaal): ghetredene weghe Nat. Nog 8 eer kan men aan een opzettelijk gebruiken er van denken bij Sp. siet hier of eene gelike: ❘ een man es ziec sere swaerlike ❘ wat helpt hem meer. haghel: baghel (= 6 behaghel) 3 . 59. 56. 87. van 6 Tyberiuse. 4 . ❘ oft in een ander houtijn bet? ❘ noch te wers noch te bet.. 3435. om er van af te wijken. negheen staat hier in indefin. ende waert moenc bi deser dinc (oorzaak): ende meneghe andere 4 2 onscone dinc ❘ ghesciede Sp. alt. 111. di hi dede 1 . 43. in doghen (oculos): gedoghen Sp. Wij treffen er onder wel scoude (culpae): scoude (vituperarem).. 44. 1 . of wij een ‘rührend’ rijm hebben.d.) 3 . het Hs. 65. scone vrouwen 3 ende jonge. bescoude (cremet) en behoude (salus): houde (gratia). Troy 7196 dat can hy wael: het is hem van geslechte wael. ❘ sone doet hem dit no dat. hoe hij moet zijn. 39.om die lust van haren live: laten souden doch te live 4 . 65. 5002. waarom niet hoe soot vare is geschreven. f. 21. 55. In zulke gevallen doet men het best. 1 begint met een couplet. 41. bl. 2. 30. 7. Iets voor of tegen de voorliefde voor die rijmen mag men er niet uit opmaken. 341. 30. aldurenture: aventure 3 . hoe soet ware: oft sijn lijf ware kan men misschien rechtvaardigen met de opmerking dat h. 22. 37. maar geen enkel woord herhaald. alsemen enen ontliven dede: omme misdaet. 33117.) Sp.

379 dat si besochten die erde neder . 87 daer bekeret Thadeus al. Het tweede weder is niet gerechtvaardigd. . 25 ende hietense varen daer si mochten daer si hem gheneren mochten. Sed et Boëtium consularem virum summae prudentiae. 29 quam hi echt 8 doe: doe. 3 . Alex. Anz. Sp. VIII 153 vg. 19.onder daerde ❘ husekine na siere waerde ❘ some op ende some neder. 157 Cestius VII jaer daernaer ❘ Innocentius XI daernaer.LXXV ghemeenlicke derwert: ter stede wert.d. 59 spreekt Jezus tot den palmboom nu wes staerc ende rechti weder ❘ ondoe uut dine wortele weder ❘ dine bedecte scone fonteine. zooals niet onwaarschijnlijk is. Zelfs wanneer wij in dit laatste. 57 in Spaengen aldaer 1) Merlijn 6405 waarschijnlijk te lezen die beste divijn so es hi ❘ die nu in der werelt si.1 . b. Jacob van Maerlant. 2. 72. . 92. zou het rijm niet aan bedenking onderhevig zijn. 815 en Lorr. . 39 dits ongheloeflike sake: maer et liet deser sake.6. Zonder twijfel is te lezen daer si dochten. heeft meer alleen onder alle de juiste lezing. Overeenkomstig met hetgeen wij tot nu toe hebben gezien. qui dialecticam et arithmeticam atque musicam suo sermone nobilitaverat et alios libellos elegantissime composuerat idem tyrannus 6 exilii pena damnavit et in territorio Mediolanensi iugulari fecit. zoo b. Alexanders geesten .. mogen wij ook het kleine restje van bedenkelijke gevallen. De lezing van V A B dat es die doot in den tweeden regel is in den tekst op te nemen. 17. niet zonder meer 1 aannemen. . dochten dat si hem onthouden mochten en voor daer in de in de plaats uit Sp. 1 . 2.3 . Alhoewel slechts B derre sprake heeft. nidere.3 . 71 (Constantijn versette trike) te Constantinoble van Rome ❘ dus coemt alle hoocheit te Rome. omdat het 7 eerste al substantievisch. is dit toch onvoorwaardelijk aan te nemen. tegenover dat in de plaats uit Alex. 19. ❘ nu keric voort meer weder al ❘ ter ewangelien ystorie. eens in ‘uneigentliche’ compositie met dalen staat. Misschien echter is ook te lezen dalet weder. 6 .1 . De variant leest weder ende sal u tellen der e.. . 533 men vintse beide cleene ende groet ❘ sijn venijn dats harde groet. te oordeelen ontbreken er regels (Vinc. alterth. 413 vloen harentare. Naar het Lat. Het gemis van eene gezonde constructie doet aanstonds zien dat de plaats bedorven is.Sp. In den eersten regel is toe te lezen. 47.3 . bl. de verandering van een afschrijver hadden.Nat. 22.5. omdat het eens als zelfstandig bijwoord van plaats. in den eersten regel komt zeer goed ter vaert te pas. . 2. er moet denkelijk neder staan (mhd. 7. .v. . z. y.. nider). bl. 957 7 en dikwijls. ❘ Boëtiuse dedi vermorden. ❘ wasset twater of dalet neder ❘ dat hi dale ofte clive. . daer si. Symmachus die vander stede ❘ van Rome patricius was ❘ ontlivedi die goet ooc was.. 815 maect. daer si hem gheneren mochten. het tweede adverbiaal staat. 17. de boven aangehaalde plaats 1) Nat. Het herhaalde neder zou men desnoods kunnen door de vingers zien. 8 f.1 . 5. De tweede regel is mij onverstaanbaar. Dit Hs. 23) Symmachum patricium interfecit. Hier voldoet de verplaatsing Cestius daer naer seven 1 jaer. 22. vgl. vgl.v. dat er nog overblijft. 24.

Maar dit is het verhaal van Maskaroen. dan komen wij in den volgenden regel tot so gerade in pl. in een niet zoo heel klein getal voor . waar echter gereden (partic. de zin is tusschenzin. In stede komt niet te pas. dus 1) ēr: êr en 2) ēx: êx (x = de overige consonanten behalve r).LXXVI hi was here. De fout kan echter ook in den voorgaanden regel schuilen waar aldaer hi was here een overbodig toevoegsel is. is het getal toch beperkt. enz. Weliswaar komen zulke 1) rijmen in de gezamenlijke werken van M. en het wordt nog minder doordat een deel van de overgeleverde rijmen ē: ê door gemakkelijke en gedeeltelijk ook uit andere overwegingen noodige veranderingen kan worden verwijderd. f. 30. Als het luidde wat sal sijn (of wesen) dan van desen zou ook het noodige accent van den zin meer uitkomen. den tekst. 86 en 96 van hetzelfde hoofdstuk. Terwijl het rijm tusschen de verlengde en oorspronkelijk lange a. Wij hebben er een gedeelte in. (17. 10. Alexanders geesten . hetwelk niet door M. door eene splitsing der e vóór r en voor andere consonanten aan te nemen. z. niet.Sp.v. Troy.) (meer bepaald over ō: ô beneden onder D) onvoorwaardelijk is toegelaten. en veroorloof mij de uitkomsten van mijn onderzoek hier nog eens kort te herhalen. van mede en 8073 gerede: stede. is gedicht. 413 hetwelk in het aangehaalde opstel nog mede is gerekend. misschien aldaer hi wan d'ere. Het Lat. misschien te lezen bede in pl. o en ö (ā: â. 2075 hy docht haer een joffrouwe sijn.i. mede: gerede 2083. 25. so scier gerede. C. ❘ doe sprac die moeder dit sal sijn is 1 met tamelijke zekerheid joncfrouwe fijn aan te nemen. waar ē: ê dikwijls rijmt: teken spreken 2071. . de woorden van Peter beginnen eerst met 1675. vs. De uitgever heeft hier verkeerdelijk geinterpungeerd. vgl. 2117 enz. kunnen wij stellig zien dat het rijm van ē: ê gaarne wordt vermeden. b. Over deze kwestie heb ik afzonderlijk gesproken Zs. alterth. De tegenstelling tusschen ē en ê is echter nog nader te bepalen. 3 . het slechte rijm zeer goed hebben kunnen vermijden door te schrijven coren in die ere.Den Merlijn kon ik nog niet raadplegen. hetwelk hier voor den zin zeer goed zou zijn. Behandeling van de E. Elders hebben wij stede: gerede 1673. is te verwijderen. en mach niet wesen blijft dan nog alleen over. Voorts 5974 mede: gherede. 2099. Daar 1) Heten si: weten si Alex. Gemakkelijk te verbeteren is de plaats m.d. om tot bewijs te strekken.3) heeft alleen a Childeberto fratre Clotildis in Hispania peremptus est. Jacob van Maerlant. ik vermoed dat er voor in rade is te lezen. desniettemin moet de juistheid worden betwijfeld. Er komen dan nog andere gegevens bij. 2075. maar in verhouding tot de groote uitgebreidheid van de werken en in aanmerking genomen dat de hiertoe behoorende woorden een zeer groot gedeelte van de rijmen uitmaken. ❘ die Goten coren teenen here zou M. 59 oft ic leve tote morghen ❘ wat sal dan daeraf wesen? ❘ here.) moet staan. sprac hi. v. 30 vgg. .

drossete: êx. die ēr: êr niet vermijdt. die hun etymologisch toekomt. Iets meer vrijheid laat men voor vreemde woorden toe. maar ēx: êx volstrekt niet toelaat . Ook het omgekeerde dat door eenigen eerder ēx: êx. Op de zijde van ē staat ook de e in den uitgang . Maar dit schijnt slechts toevallig te zijn. Ēr: êr wordt eerder toegelaten dan ēx: êx.eren staat op de zijde van ēr.v. Daarnaast zullen ē en ê ook in 1) 2) 3) Ik moet echter opmerken dat het niet zoo geheel zeker is of sweer in den klank volkomen met meer enz. maar ēx: êx slechts in één geval. waar zooveel gelijke rijmklanken noodig waren. waar de lange e het produkt is van eene contractie met de basis van ĕ 1) op de zijde van êr . .hêde. valt de indeeling samen met de onderscheiding tusschen oudere en jongere ‘monophthongierung’ (ê = hd. Maar waarom dan ā: â. hetgeen op zich zelf als bijvorm van . bijvorm van . b. de oorzaak der verandering van den klank der e in dezen uitgang is feitelijk toch zonder twijfel de ‘nebentonigkeit’ van den uitgang. Zoo is het b. b.a. Zeer gaarne zou ik aannemen dat ook de aard van het accent in aanmerking komt.a. daarvoor. welke door svarabhakti zijn ‘gedehnt’. waar de e voor h of w staat. nooit voor. De geheele regel wordt door enkele bijzondere gevallen gestaafd.v. De groepen ĕrd en ĕrt. heb gedaan. tot welks verdediging nog bijzondere omstandigheden zijn aan te voeren. het rijmt misschien slechts daarom er mede. al is ook de ‘dehnung’ van de korte klinkers voorzeker al lang 3) begonnen . die in den Merlijn ingelascht is. dan ēr: êr wordt gerijmd is staande te houden tegen mijne opmerking t. Alexanders geesten . Op de zijde van êx staat ook bleten (balare). Denen met ē. bl. pl. Feitelijk schijnt het verschil veroorzaakt te wezen door de op den klinker volgende r. Althans staat sweer (= swehur). maar ook hier zijn de toestanden over het geheel vast: de uitgang van werkwoorden .hede. niet met êr. weert (dignus) met geneert en niet met gekeert. De oude lange klinkers hadden waarschijnlijk ‘circumflectierenden accent’. zooals ik het t. De oorzaak van deze feiten vind ik in een nog voortdurend bemerkbaar verschil in de kwantiteit. rijmen met ēr. verlengde tot lange ö? Jacob van Maerlant. ê en ê = hd.v. Bremen. komt bij M. en de zeldzame voorbeelden van de â. dus b. pl. overeenstemt. omdat eene andere rijmverbinding onmogelijk is.heide. ō: ô.v. Al is deze ook mogelijk. Het is niet noodig. in den Maskeroen. dus mere (uit mâri): êr. ei). eene verwarring met de afleiding op ida te veronderstellen.heide zou zijn te verwachten. 49. De onderscheiding wordt door het gebruik van andere dichters bevestigd. neest. woodt ēr: êr dikwijls gevonden. Door de vaste ē in de verborgen vormen wordt de nominatief ministrĕl bewezen. maar de nieuwe ‘dehnungen’ zullen dezen niet hebben verkregen. dat 2) van Utenbroeke. verdeelen zich naar de volgende consonant.LXXVII geene gevallen in aanmerking komen. Germaansche eigennamen behouden den klank. In zijne strophische gedichten. wier klank gewijzigd (umgelautet) is.

24. Merlijn 517 vromen: Romen en Sp. 93. Alexanders geesten . Dat ook noemen: Romen. Terwijl wij bij de e het verschil tusschen scherp. Wij zien daar dat 8 Jacob van Maerlant. Meer heb ik niet in mijne aanteekeningen. die wel strenge regelen volgt. 121 4 ghenomen: Romen. terwijl zulke als Rome: gome of drome en dgl. maar strekte zich niet uit tot de ô uit germ.en zachtlang.ik heb slechts aangeteekend Alex. in de rijmen van M. De inwerking van de m bepaalde zich dus tot de ŏ en de germ. (en van anderen) levendig zien. maar toch niet de volharding bezit. hetwelk de hedendaagsche nl. zoodat de ŏ tot het rijm met ô niet geschikt werd. 25 vgg. die wij reeds meer maakten. 1463 lauwerbloemen: drome . treffen wij. dat wij volstrekt niets van een verschil tusschen de klinkers kunnen merken. 5. 8. 59 van Romen: comen. kan gewijzigd worden. Van uitzonderingen herinner ik mij slechts enkele rijmen met Rome. waar wij slechts ééne afwijking bij de e vinden. zooals goden: doden. De uitzonderingen welke hij toelaat. spreekt na het hier en boven gezegde van zelf.d. dat het weder een vreemde naam is. waar de o vóór r + dentalis staat (zooals ghehoort: woort) bijkans 12maal het rijm van ō: ô. Over het geheel is het zoo veelvuldig. alterth. ô. heb ik over eenige andere punten gesproken. zoo vaak rijmen. De m schijnt vertragend op de verlenging ingewerkt te hebben. en 355 vgg. en het rijm ōm: ôm moet op zijn minst zeer zeldzaam wezen. 1117 vrome: Rome. gheboren: horen enz. dat wij met een man hebben te doen. Wij hebben boven van den invloed van deze consonant op de oe gewaagd. Deze zorgvuldigheid missen wij in menig opzicht in Maerlants werken. welke bijna alleen eene uitzondering toelaat. maar Alex.LXXVIII de kwaliteit verschillend geweest zijn. zooals in commen. is een nieuw getuigenis voor de onwettigheid van de rijmverbinding oe: o en van ōm: ôm. Op de laatste plaats is van Romen wel slechts conjectuur. hetwelk over het algemeen op de zijde van ô staat. In Sp. hist. f. voorkomen. In spijt van de uitzonderingen welke in de rijmen van M. D. De ê schijnt de uitspraak van ä te hebben gehad. au. zeer vaak voorkomen.terwijl noemen enz. bloemen: dromen rijmen zijn welke vermeden worden. Alleen misschien vóór de m. zelfs als wij van de voorbeelden afzien. om alle sporen van onregelmatigheid te vermijden. Ik wil er niet eens op drukken. is dit bij de o niet het geval. Ongelijksoortige op elkander rijmende O's. 3 . 4. en ook al ter loops opgemerkt dat de oorspronkelijk korte o insgelijks. In Zs. bevestigen weder de opmerking.: comen en dgl. De schaarschheid ervan . welke bij de o zijn op te merken. laten zich deze feiten toch zeer duidelijk uit zijn gebruik herkennen. Vóór de r waren door den invloed van de liquida de tusschen ē en ê nog bestaande verschillen in Maerlants dialekt minder geworden. maar eene zoo zekere dat wij aan de juistheid niet kunnen twijfelen. spelling nog maakt. 1 .

2387. 7. welke hij er zich bij veroorlooft. 4 . huus: Josephuus 16873. De uitgang us wordt lang en kort gebezigd: Priamus: huus Troy. vooral bij de eigennamen. 1. hebben gehad. in alle opzichten recht te doen. uitgang o. 7. 9. Vrijheden bij vreemde woorden. ook altijd op dien vorm worden gelet. terwijl elders lat. De laatste voorbeelden geven zeker de eigenlijke uitspraak van het Lat. aan het hedendaagsche Westvlaamsch. 122. voorts nog Sp. 24. 11. 7289. 23. zoo ver hij niet de uitspraak van andere gewesten in zijne rijmen toelaat. voorts 2 . voorts Rb. cubitus: huus 11485. cubitus: dus Rb. Sp. 55. zonder dat het gebied van de twee scherp is afgescheiden. 20. waar o blijft. Palestin: daerin Alex. ûr is. De lat. Ganeloene: doene Sp. E. Er was in de middeleeuwen nauwelijks iets. 4. 4841. waar o wordt geschreven de uitspraak ö is aan te nemen. 9. 891. Danieel: gheheel Rb. Alex. onia. om de vrijheden te leeren kennen. is te verklaren. 41. dikwijls zijn zij daarnaar gevormd. Aldus: Encinus Alex. Agenor: tor. 6873. 949. zal wel alleen daarvan komen. Cetijn: sijn Rb. bij namen naast den lat. beantwoordt de klank aan het gewone Nl. 1147. on.v. de û vóór r. wat meer onzeker was dan zulke vreemde namen: zij zijn dikwijls tot onkenbaar wordens toe verbasterd. or als kort wordt gebezigd. 75. In deze uitgangen hebben wij echter geen geheel vasten klinker. Op soortgelijke wijze worden ook andere uitgangen behandeld. Niets was stellig meer geschikt om kleine willekeurigheden in den vorm en de uitspraak toe te laten. 1. Met deze uitgangen treft samen fr. Daniel: fel 16985. 1167. 30. ook ŏn. hetwelk meestal tot one wordt. 1015. 1 . 11607 enz. maar Pantaleone: scone 4 . 69. een altijd nog matig gebruik van deze vrijheid heeft gemaakt. 16847. 3 . onis en grieksch ôn. Cetin: daerin 7. 24. wij vinden èn den tweeklank oe èn ô. Dat wij in de verbogen vormen nooit usse aantreffen. 367. 21. 1 . Imperator: choor Sp. waar het gelijk oorspr. op enkele gevallen na. door oen teruggegeven. Lazaruse: huse Sp. 3. daarentegen cetin: ic bin 4751. Cherubin: in 11483. dat er nauwelijks rijmwoorden voor ter beschikking stonden. 1469. 1. moeten wij ook een oogenblik stil staan bij de vreemde woorden. terwijl het gebruik als û denkelijk door middel van het Fr. welke later tot ö wordt. 253. Cerberus: thus Rb. Alexanders geesten . 291. 5. b.. 131. Om aan de rijmkunst van M. of althans een klank. 7. weder. en somtijds in de casus obliqui ook lat. Wij zullen zien dat M. Over het algemeen moet in het Mnl. Alex. welken zij in het Fr. Waar ur gelijk is aan een vroeger ŭr. Zelfs denzelfden naam treft men 1 1 3 4 2 7 1 Jacob van Maerlant. wordt. Dezelfde uitspraak heeft altijd bij M. 7679. 4 .LXXIX in veel gevallen. Troy.

t. 3 . inh.: hone Sp. als men uit het over den uitgang -us gezegde tot de wettigheid van het rijmen van korte en lange u zou mogen besluiten. 3. Aschaloene: coene Rb. 52. 9. 1. daarentegen 344 3 Demetrioen (: doen). maar Macedone: crone 1 . 7. 4. inhoud 1 . 12389. Moysese: lese 4415. en fr. Aschalone: scone 20879.onia is terug te brengen. 8. 1068. 28327.: honen 14832 enz. doene: Platoene 1 . Maar zij bewijst er even weinig voor. van Babylonen: lonen Rb. 8. Moises. 1 . 4. 3. 131 vgg. 10913. 17. Abrahame: name Rb. Salomoene: doene 10905.v. Ook dit verschil berust op de keuze tusschen lat. inh. Ten slotte teeken ik nog eenige op zich zelf staande bijzonderheden op. maar ik meen te mogen beweren dat zij voorkomen. 14. Evenzoo Aurelioen voor Aurelius Sp. Somtijds neemt M. is dit slechts in aansluiting aan de namen van landen op . 3 . Doene: 1 1 Machedoene Sp. want van een der namen zou de overgang tot woorden met oe zeer geleidelijk zijn geweest. 1 . 4 . enz. wanneer wij b. dus met dubbelen consonant. 3 4 4 1 . maar 3 3 Pharaone: lone 3871. Babilone. Claus. 447 en dikwijls: 4 doen. De vormen van den nominatief als Abrahame.w. o en oe zonder aarzeling samen zou laten rijmen. 1 . Alex. oen gelijk noordoostfransch oun. 23. 3 en evenzoo Sp. 276 en vrijer Permenius (: aldus) Sp. Nerboene: doene Sp. Dit gebruik van de vreemde namen heeft zeker veel bijgedragen tot de meer dan eens geuite bewering dat M. 2 Jacob van Maerlant. uitspraak: ôn is gelijk lat.LXXX 3 afwisselend met oe en met ô: Platoene: doene Sp. In tegendeel. de rijmen vinden scone: Faraone: trone: Gedeone: Salomoene (lees Salomone): lone: bone: crone zien wij al weder dat M. 861 enz. als van nominatieven met korten klinker verbogen vormen in twee zinnen voorkomen. en dgl. de vrijheid.: crone 2. zich van het rijm o: oe heeft onthouden in spijt van de hier zeer voor de hand liggende verleiding.ia. Demetrius heet Alex. 3935. Pharoene: tien doene Rb. 1006. laten naar het taaleigen beide verbuigingen toe. Salomoen: doen Rb. maar Platone: scone 1 . nu eens met ‘dehnung’ en dan weder met behoud van de kortheid. Over het geheel overweegt de tweeklank. 32. 5. Bewijzen voor vormen als Abrahamme. 1961. 29. Nerbone: scone echter 3 . daarentegen niet ver vandaar Salomone: crone 10937 2 en Sp. 27. 26. ôn. Kalistonesse heb ik op het oogenblik niet tot mijne beschikking. 31. 9. maar ook Parmenio (: Macedo) 4. 773. 15. noene (hora nona) wijken niet af van de uitspraak oe. 2. 14739. 45. als de naam tot . de vaak gebezigde als baroen. 1130. Ook een naam heeft altoos een en zelfden klinker ô. Alexanders geesten . Kalistonese: dese Alex.v. 289 juist Demetrius (: Lycolaus). Wanneer Latium gebruikt wordt als van Latien: den vrien Rb.: scone 1 Alex. Andere woorden vertoonen echter grooter consequentie. 38. 1 . b. Uitzonderingen zijn mij niet bekend. 39. 17. Parmenio heet in den regel Parmenioen b. 19. 24. 13.v. in plaats van den juisten uitgang een anderen te stellen. ô is het meest vast. 25. scone: Pharaone Sp. 1184. Niet te verwonderen is het.

65. 50. 16. Aan het zoo straks over de vreemde woorden gezegde sluit zich dadelijk aan de om het rijm gemaakte versterking van den klemtoon: tangere (lat. 55. op eene dergelijke wijze wordt in den Alex. droghenaren: loghenaren 1 . 1. 3 . Jacob van Maerlant.Yppocras (= Hippocrates) H. 28. 4. levene: gevene. terwijl zij in den regel in den nom. Pilate 1 . om M.: ic late Rb. Alexanders geesten . althans moet men ook in dit opzicht voorzichtig wezen. b. 53. b. Maar ik geloof toch dat M. 3. leríngen enz. Philote (Philotas) gebezigd. 27.Het rijm meermalen herhaald. .Clodovee: mee Sp. . 560. 13 . Maar wij zien dat M. dat hij. 7. platearis: is Nat. Verplaatsing van den klemtoon in het rijm. waar feitelijk volstrekt geene gelijke klinkers zijn. te lezen in pl. levende: gevende afzien. 7.îe geven. vorm ien (met den tweeklank) wordt teruggegeven. 1 . Menigmaal heeft men M. waar het zonder moeite kon. infin. . bl. 99. heim. bl. van tangere: mere) en enkele verplaatsingen van den klemtoon. welke men bij Boendale zeer dikwijls vinden kan. 3 . Als wij van het dikwijls voorkomende daktylische rijm. de nom. misschien nog enkele meer. Sarre heet.v. in viánt conínc. 47.Rijmen van drie en meer lettergrepen.Nomin. eene barbaarschheid. in andere gevallen verdwijnt het bezwaar door de opmerking dat de klinkers verschillende uitspraak. Maar er blijven nog voorbeelden 4 1) Ik doe hier opmerken dat de lat. 5 7 F. 32143.d. Vandaar de namen van volkeren als Troiïene. 1003 (aldus is met 3 hss. 56. 3 . Saren: te waren Rb. . 923. bl. 1 . Bij inheemsche woorden is deze verplaatsing van het accent zeer gewoon bij verscheidene uitgangen. Alex.LXXXI 1 welke altijd .): mee Nat. geen moeite deed voor soortgelijke rijmkunstenarijen. 49. deze fout vermeed. uitgang ianus bijna altoos in den fr.v. hiervan een verwijt gemaakt.Daret: geset (Dares) Sp.Valentien = Valentinianus Sp. 34063. Marianné: nemmermee Rb. 10. Mart. vinden wij slechts weinig voorbeelden van de rijmverbinding van meer dan twee lettergrepen: selve al: selve 8 2 sal Sp. lune (lunae): mee Nat. ook paiïene. Daarboven heeft M. onderlinghe: sonderlinghe 5 1 . 1 . intende: mee Sp. Numidiene enz. Abélle b. adere: te gadere. slechts éénmaal duvél Wap. 3. . 43. I 128. 34253. 26323. De herhaling van denzelfden rijmklank onmiddellijk achter elkander komt vaak genoeg voor. . zooals Abél. of de woorden verschillenden vorm kunnen hebben. 12.v. Boudene: houdene. . terecht te verwijten dat hij zulke misslagen tegen de welluidendheid niet zorgvuldig genoeg heeft vermeden. 443. 68. buiten het rijm heet hij dicht bij de genoemde plaats Dares en Darius. niet geheel en al achteloos in dit opzicht is geweest.int 2 6 1) Capitole Sp. 8.

die zoo bezorgd was voor de verbastering van zijne werken door onbekwame handen en den bijstand van de verstandigen inroept tegen neuswijze domheid. Door te waren te lezen krijgt men althans 3 rijmparen.. Sp. De afschrijvers hebben ons ruim van geapokopeerde vormen voorzien. A. ‘met een flauw streepje doorgeschrapt. waar dit vers ontbrak. bl. er toe gekomen is om het te schrappen. Iets anders is het echter. dus eist bekent ❘ hondert ende XX voete mede. gelijk V en A (eenigszins ook B) aanduiden. Ik verwijs naar hetgeen ik er over heb gezegd Anz. Hiermede nemen wij afscheid van deze technische kwesties. Maar uit eene aandachtige beschouwing van de varianten en eene vergelijking van de verschillende hss.LXXXII 1 genoeg. waarschijnlijk achter 463. en dat het dus geinterpoleerd is. Apocope. of drie plaatsen in den Alex. 463 vgg. waar 3maal oren en 3maal aren achter elkaâr staan. 20. Er blijven nog slechts twee.V. Inl. maar nooit door de rijmen worden bewezen. 14 malen het gelijke rijm o p z e t t e l i j k wordt herhaald. wanneer 1 . Een grooter gebrek aan kunstvaardigheid. is de samenvoeging van 3 regels te midden van gewone rijmparen. en deze verwijzing alleen zal volstaan.. zonder dat anders iets tegen de plaats zou in te brengen zijn. 25 is zelf zes malen het rijm aen herhaald. De tweede regel is echter. althans. die wel altoos weer voorkomen. met wier nauwkeurige beantwoording ik een goed werk hoop gedaan te hebben jegens M. XXV zegt. 961-66. LXXI) blijkt dat weder. 49. hebben wij dit geval. om iedereen. zal ik niet beslissen. 47. heeft ook slechts coriam eius Romam deductum CXX pedes habuisse dicitur. Het eenige voorbeeld 4. Of ik de juiste lezing heb gevonden. zooals de uitgevers opmerken. 5 7 G. 1 . Nat. wien het niet slechts te doen is om eene oppervlakkige kennis van de oude taal en hare geschiedenis. Het derde rijmwoord te voren is echter ook op andere gronden te veranderen.d. 35) hetgeen Jonckbl. Maar deze erken ik bij M. niet. 21 rijmen drie regels sijn vel was te Rome ghesent ❘ over een selsiene prosent ❘ ende was lanc. denkelijk om het drietal rijmregels tot een tweetal terug te brengen. Alexanders geesten .: 3. en wij moeten daarom veranderen. 79 ff. wanneer men de plaats leest als de uitgever. 1317 kan ons niet overtuigen. dan de herhaling van hetzelfde rijm. wier verhouding wij reeds uit verscheidene plaats hebben leeren kennen (boven bl. 1 vgg. bl. Rein.. ik onderschrijf met Verdam (Theoph. op de onwettigheid van een tal van geapokopeerde vormen opmerkzaam te maken. 7. een regel is verloren geraakt. 1 . en juist in deze consequentie Jacob van Maerlant.’ Maar evengoed kan men veronderstellen dat een verbeterend copiïst door de vergelijking van een tweede hs. Ook Sp. f. alhoewel 4 aren achter elkander blijven. Vinc.

net. maar niet met den hoofdtoon staat. in den comparatief enz. 26. Het zou te ver leiden. veel. weit. rijk. Vormen zooals zeer. maar wij hebben daar overal wettige vormen zonder e aan te nemen. met mede. riddere plur. ik moet mij daarom bepalen tot het verwijzen naar mijn opstel t. greep. sing. dat de gewoonlijk in het woord nog voorkomende e door M. en neutr. die zich op het eerste gezicht hiertegen schijnen te verklaren. de dichter op de bekende plaats (vs. pl. haer haer. tale. gehandeld Zs. door welke b. zooals ommaer uit ommare. putte. en wij moeten toegeven. Over eenige wisselvormen. nog meer de onverkorte vormen. als wij ook maar terloops alle punten afzonderlijk hier wilden herhalen. en zal slechts zeer in het algemeen hier zeggen.) zegt: Jacob van Maerlant. uitgang ere bij de verbuiging der adjektieven. Misschien hebben wij slechts één geval. wortele. redene. hetwelk in de g e s p r o k e n e taal reeds mogelijk was geworden. hope. waar echter het ontbreken van de e geenszins op eene lijn mag gesteld worden met de jongere apokope. waar aan de laatste lettergreep reeds eene andere met toonlooze e voorafgaat. geapokopeerde infinitieven met te en dgl. Verder komt apokope voor. coene. Ik heb uitvoeriger over deze kwestie bij M. Mannel. dat de taal van M. zal iedereen stilzwijgend verbeteren. ook toekomstige uitgevers. 332 ff. de apokope van eene toonlooze e onmiddellijk achter eene lettergreep met den hoofdtoon. leeraer uit leerare (maar zeer zelden). mocht zijn geworden. f.LXXXIII het duidelijke bewijs der onwettigheid in zich dragen. daaronder ghenoot en misschien ook knecht. grepe. an ane. meestal naast zulke met e. masc. niet toelaat. rughhe. ic mochte nnl. stic. zoo als mettene.a. eer. 131 vgg. nette. rike. taal. openbaer (uit openbare?). ik geef. mnl. zooals ik hoop. weite. coen. bij woorden. waar de e wel achter eene lettergreep met vollen klinker. heer. hoop. denkelijk in aansluiting aan een gebruik. stucke. (honor) coen.d. die oorspronkelijk naar de consonantische declinatie werden verbogen. adere. vgg. El is alleen in den verkorten vorm bekend. H. ambocht uit ambochte. dor dore. A. Steeds staat de e in den infinit. In den dat. bet. maar ook hier gebruikt M. Nog meer gewoon is de apokope. hem heme en andere. Vele gevallen zijn er. zijn van oudsher vormen zonder e mogelijk. Wanneer in den Franc. naghele. ic geve. eer. willekeurig werd weggelaten. Van verscheidene masc. af of ave.v. met te. en neutr. eere. waarop weinig klemtoon viel.: wel wele. op ja hebben wij de twee vormen: ric. selsien uit selsiene. en. bedde. meervouden zonder e zijn geoorloofd bij vreemde woorden als baroen. dat hierop eene uitzondering maakt. Alexanders geesten . Bij een aantal vormwoorden kon ten gevolge van hunne plaatsing in een gedeelte van den zin. en zij hebben meestal twee vormen in het Mnl. pit. reeds vroeger de slot-e wegvallen.

de beperkingen bij deze vrijheden te leeren kennen. Of hij. 4 8 3 1) Al is ook voor de scheiding van de dialecten nog weinig gedaan. elders een gewone vorm naast vrome (commodum). welke door Kil. om niet bij enkele dingen te kunnen beweren dat een zeker schrijver daarin de grenzen van zijn eigen dialect te buiten gaat. heb ik slechts éénmaal bij M. heeft echter diere: maniere zonder dat ik bepaald tot deze lezing kan overhellen. ook in den Sp. 4 . rijmt het slechts een enkele maal 33840. 23. 14. De vormen orbore en orboren staan bij M. Tot zoo lang heeft het voor ons. wij zijn toch niet zoo geheel onkundig. de grenzen van zijn dialect overschrijdt. vlaemsch. Vrame. A. gebruikt ze vaak. 9. dan blijkt daaruit. mijne aanteekeningen geven mij slechts 1 . 23023. is niet te zeggen. hoe voor M. f. dietsch. figure. Ik teeken in het volgende aan 1) wat mij bij M. maar alleen orbare en orbaren. 20964 (slechts F orbaer) en 25146. zelfs voor vlaamsch wordt opgegeven en ook feitelijk bij Utenbroeke b. bl. Jacob van Maerlant. de var. dat niet hij alleen van deze vrijheid heeft gebruik gemaakt. van den Rb. V 78 heb gezegd. Dure naast diere vinden wij enkele malen in Troyen: 5469 dure. b. meer belang. 10413: mure en misschien nog enkele malen meer.d. dichters een aanzienlijk aantal dubbele vormen vertoonen. zooals ik reeds Anz. bl. Nat. de vormen met û. 2. Midden in het vers staat echter orbore zelfs in de hss. dan anderen. zooals hij zelf erkent.v. 3 . Vgl. 48. niet ongewoon is. Om vray thoudene rijm ende zin wanneer hij dus. toch niet de gewone waren. te dezen opzichte in het oog is gevallen . 627. vermoedelijk omdat zij niet in zijn dialect behoorden. 852 vrame: name. Sp. om woorden en vormen van woorden uit andere tongvallen over te nemen. zeeus. 2096. aangeteekend Nat. Ook M.v. Bij eenige woorden met den tweeklank ie en bij heden (hodie) is het duidelijk waar te nemen. zoo lang wij niet bepaald weten. 7. waar de varianten alle overeenstemmen en niets tegen de lezing is in te brengen. latijn. wat aan de verschillende dialecten toebehoort.LXXXIV Men moet om de rime souken Misselike tonghe in bouken. 1703. Duuts. nooit in het rijm. als hij deze ook somwijlen bezigt. dan de uitbreiding ervan. Toch heeft voorzeker reeds de taal van het eigene gewest in menig geval verschillende uitspraak en verschillende vormen bij een en zelfde woord toegelaten. 8. In den Rb. 75 enz. komt het niet vaak voor. 7737: aventure. brabants. het boven over û voor ie gezegde. Rb. of iemand anders dit meer doet. Vandaar komt het dat de rijmen van de mnl. Alexanders geesten . zonder dat wij aan zijne rijmen iets bijzonders in vergelijking met die van andere schrijvers kunnen bemerken. griex ende hebreus. Walsch.

is het in het rijm geheel anders. 6. dezen vorm in het rijm te plaatsen. zijn 4. Franc. dat op de tallooze plaatsen. In de strophische gedichten b. dat hij ze slechts uit andere tongvallen kende en om vray thoudene rijm ende zin heeft gebezigd. alle drie de vormen vaak worden gevonden. 25. dat hij minstens zeer zeldzaam is. 8372 (de laatste plaats is niet zonder verdenking). 3 . 3 . rijmt het 1878 en 25431. welke ür anders in het Vl. Terwijl in het midden van de verzen bij M. Sp.Beduden is weder zeldzamer. 4 . . 93 enz. In den Rb.Huden verschijnt het eerst in het rijm Sp. en als mijne aanteekeningen somtijds uitdrukkelijk bewijzen dat ik op den vorm heb gelet. maar in stukken welke uit het werk van Segher zijn overgenomen. praet. 4 .Lude voor liede rijmt niet zelden in den Rb. en in den Merl. Opmerkelijk is in dit opzicht het part. Met naast mede. Franc. 484. zonder twijfel juist ghevloen ❘ hadde hi iet ghemoghen doen. 9938. beweren. Gheweest lees ik slechts Troyen 6150 die gherne danen hadde ghewest ❘ ist als men in boeken lest en hier heeft de var. het meer 3 . A. niet had. 551. 67. wat men in het midden van het 2 5 6 4 6 Jacob van Maerlant. 23. mag ik. Na dien tijd bezigt M. De vorm welken M. hetwelk als een zeer gemakkelijk rijmwoord dikwijls tot vervelens tóe wordt gebruikt. afkomstig is. 24. Ik vrees ook hier bijna dat mij de eene en andere plaats is ontsnapt. rijmt is ghewesen. Met woorden met ü voor vl. van het verbum subst. kent drie vormen ghewesen.d. Het rijmt eenige malen in Troyen. vermoedelijk ook niet in Nat. maar niet in den Alex.LXXXV 2 16. dunkt mij. De plaatsen uit Alex. 31. waar ghesijn en gheweest in het midden der verzen voorkomen deze in ghewesen moeten worden veranderd... 61. 46.v. uit Merlijn 4498.ik moet zeggen tot mijn eigene verbazing . 43. 89. . in den Merlijn en Franciscus. de vorm blijft toch zeer zeldzaam. Ik weet er geen andere verklaring voor. Maar al is dit ook zoo. 41. 360. z. ik heb alleen opgeteekend 1 Mart. maar als ik aan den anderen kant zie. dat in het rijm zelfs niet alles was geoorloofd. zelf. Troyen enz. is hij nooit gebezigd. dat hij nooit wordt gevonden. dat zelfs in de strophische gedichten de dichter zich niet heeft laten verleiden. 59. 10. en Sp. 567 en Sp. hetwelk ook nauwelijks vl.slechts in 3 werken voorbeelden: in den Alex. Alexanders geesten . eerder nog van gheweest. . is. f. dan aan te nemen. 2680. 98. hebben veranderd? Ook het metrum zou de verandering niet overal toelaten. 3 . 756. indien niet.. ie vóór r heeft hij waarschijnlijk ook eene uitspraak overgenomen. bl. 674. 35. dat het niet van M. Het Mnl. 4. gheweest (gheweset) en ghesijn. 7. dat de vormen niet in zijn dialect te huis behoorden. dat er niet op aan kwam. bl. Reeds deze statistiek bewijst. niet het gewone woord te zijn geweest. Zs. Althans van ghesijn durf ik niet beweren. 97. Waarom zouden de afschrijvers zoo vaak het woord. Ik heb misschien enkele gevallen over het hoofd gezien. schijnt desgelijks bij M. Van ghesijn vind ik . Hoe hebben wij dit feit te verklaren? Er kan immers niet aan gedacht worden.

waarvan wij ook elders in den loop van ons onderzoek zwakke sporen kunnen waarnemen. Het andere hs. afkomstig is. blijkt nog duidelijk uit de hss. si en soe. terwijl het als meervoud vaak door het rijm wordt bewezen. doen in het Mnl. welke doe (tunc. werd deze formule dede doen ook op gevallen overgedragen. leest evenzoo.v. (vgl. van willen is door M. praes. Rb. v. niet maecte. De eenige plaats. 11172. Salomon dede den tempel maken. verklaren. dat het gebruik ervan bij vele schrijvers uit den goeden tijd zeer kwestieus is. Dat van de twee vormen van het ‘geschlechtige’ pron. 132. waar men zich van de tusschenpersonen bij de handeling geen re kenschap kon geven. welke van hunnen kant het werk lieten doen. indic. De afschrijvers hebben hem overal onbeschroomd geplaatst. tot haar recht moest komen. p. Het spoor van dit gebruik zullen wij in eenige van de volgende plaatsen vinden. 1749. maar bij eenige oplettendheid ziet men. niet dat zij het zelf deden. zooals het schijnt. Het onderzoek daarover wordt moeielijk gemaakt door een eigenaardig gebruik van het ww.. Taal. Opmerkelijker is het. Voor soe als eigenlijk pronomen heb ik wel ook slechts één rijm opgeteekend Rb. dezen vorm uitsluitend gebezigd.v. 4. Wanneer 8. b. Maar wellicht heeft M. 10139 Ermiona ende sy ❘ waren ghevee. waarschijnlijk ook niet in het midden van het vers. 1723 omdat God behiet dat doen.LXXXVI vers mocht zeggen. maar meer voor die soe in de beteekenis ‘het wijfje’: Nat. waar nog meer dan in het midden van de verzen. nog eens terugkomt. In deze ceremonieele wijze van spreken ging men zoo ver. bl. dede den tempel maken doen. Ik herinner mij slechts ééne plaats. 641 staat dese boem heeft hie ende sie (:) zullen wij zonder schromen met V A B schrijven soe (suwe) ende hie. den vorm. dat men zelfs het doen nog eens herhaalde.en Letterk. Zoo ook bij M. waarbij men oorspronkelijk werkelijk aan tusschenpersonen zal hebben gedacht. Ik wil er niet aan herinneren dat het niet altijd boven allen twijfel verheven is geweest. in het rijm staat. 6. de boven het dialect staande en tegenover den taalschat vaak eigenzinnige schrijftaal. dat het rijm in het bewustzijn van de schrijvers eene bijzondere plaats was. het zou gemakkelijk gaan te veranderen soe: ic segghu hoe. b. bij het volgende Tijdschr. ic seg u twy. sing. de laatste de bij M. Dat in de beide eerstelingswerken die vorm nog toegelaten wordt. is best te begrijpen. wel de vervaardiger van dit werk is. of M. Dat is echter geen afdoend bewijs dat het van M. Van hooggeplaatste personen zeide men namelijk gaarne dat zij iets doen deden. Alexanders geesten .). wij moeten ons het feit denkelijk uit een weifelen in het taalgebruik van M. des derden persoons.s. waar ik si in het rijm heb aangeteekend is Troy. cum) later langzamerhand geheel heeft verdrongen. waar si als fem.. Maar. Ndl. 2. niet gebruikt. gewone is. de beste er van schrijven gewoonlijk soe. Zijn vorm is wille. dat hij in den Franc. 28 vgg. Wij hebben nu nog over doen te spreken. Wilt als 3. so Jacob van Maerlant. 2. 1509. 630.

. waarom M.. maar ook doordat wij hier overal de formule dede doen (eens ook het synonieme hiet doen) hebben en nooit een eenvoudig maecte doen of dgl... doen doen en de var. Zóó leest de uitgave.. niet.. maar hier drukt dede doen slechts de middellijke handeling uit.castra metari. waar men eenvoudig dede verwacht. Maar in spijt van de overeenstemming der hss. waar door de ophooping van werkwoorden de logische zin kon verduisterd zijn. òf dede . Het eerste gebruik is bij M. Aan hetzelfde doen .. 223 vgg. geschiedt. 942 daer toe dede bringhen doen. aantreffen. maerberstene zou men wel op zich zelf doen voor tunc kunnen verstaan. En als dede doen zou op te vatten zijn gelijk ic doe scriven voor ic scrive moest men evengoed ook dede eten.. Men begrijpt echter niet.doen. de Jacob van Maerlant. Ik word in deze opvatting van dede. 4 . Arnold door den legaat Hugo wijden’) voorts desnoods ook Merlijn 5752 dus dede die coninck Pandragoen ❘ Merlyne nu zoecken doen ❘ in dat lant daer men hem vinden mochte. 74.. bl.doen op de genoemde plaatsen feitelijk in dezen zin opvatten. Tunc heeft hier geenen zin. dede enen hoop houts opclemmen doen.i. Indien de hss. dat die goede sinte Hilarioen. hier het leelijke doen doen zou hebben geschreven. maar Nat. Alexanders geesten . evenzoo 2 Sp.doen ook voorkomt. 7. daar niet fecit is bedoeld. van doen).. Tijdschr. .. Gregorius dedene wijen doen den legaet Hughe (d.LXXXVII heetet tlant van Promissioen is doen niet. 932 met desen (woorme) dede Salomoen ❘ wilen een groot wonder doen kan doen onmogelijk = tunc wezen. ic doe opclemmen = ic clemme op. de handeling door den persoon zelf wordt gedaan.scrivet ons sente Jeronimus. zooals het boven is aangewezen.a.).doen zou men ook kunnen denken Troyen 10579 ommedat hy en had doen ❘ binden in een vast prisoen. waar nl. Maar als men dede doen kon zeggen. toevallig of niet toevallig. er zou dus slechts de andere opvatting overblijven. van enen serpente.doen te verstaan als dede. 29653 ende hi hem verboot dat doen. als men het indirecte van de uitdrukking altijd levendig had gevoeld. hetwelk noch voor den zin. maar het Hs. 6. dede roepen of dgl.. pl.doen bevestigd niet alleen door de omstandigheid dat dede. op de laatste plaats te meer..v. waar tunc onmogelijk is. als tunc op te vatten. zooals in het gloss. kan de plaats bedorven zijn. t. .7. Ik zou de plaats niet anders weten te verklaren..Rb. dan òf door opclemmen doen op te vatten = opclemmen ten gevolge van het gebruik van doen tot omschrijving van het ww. maar fecerat. maar als facere. ook hier hebben wij weder hetzelfde dede . niet waarschijnlijk (z. ‘hij deed St. evenzoo 34116 die dede hi ontbinden doen = vinctos. . 44. Doen doen zou voor ghedaen doen staan. Wij zullen dus dede . mocht men ook zeker dede maken doen gebruiken voor dede maken.solvit en 31318 dien Herodes hiet maken doen (met heten in pl. Men zal toegeven dat hier het gebruik van doen = facere. daen doen. iubere zeer stuitend zou wezen. 30909 dien dede hi veste maken doen ❘ up enen berch vertaald his praeceptum erat. noch voor het metrum noodig is.Nat. van verren landen Salomoen. soortgelijk als b. bl.

ook zeer vaak daarvoor wordt gebruikt. als wij het woord bij M. Maar men moet bedenken dat het een eigennaam is. Op zijn hoogst mag men er uit besluiten. te huis behoort. als tonen. in het eene werk strenger is geweest. of het woord wel in de taal van M. welke wij daaruit zouden willen trekken. Maar M. 3485. De eenige plaats. is Sp. waarin een zoo gemakkelijk rijmwoord. Wij kunnen wel zien dat verscheidene dingen zeldzaam zijn. hist. Jacob van Maerlant. maar of enkele gevallen. die over toonen zegt (bl. zoo zelden in het rijm aantreffen: toen reeds werd het in het Westvl. Weliswaar kunnen wij niet overal met volkomen zekerheid over deze dingen oordeelen. Wij hebben immers reeds meer gezien dat M. bij M.. kunnen wij niet altijd beslissen. kan men den twijfel niet onderdrukken. 34372 (vertonen). heb ontmoet. en m. 26. Deze twijfel wordt door De Bo volkomen gerechtvaardigd. zal hier denkelijk een geheel ander woord schuilen. Sp. ‘om het rijm’ toe. Wij betrappen dus M. Maar de tweede er van god.i. of aan de kopiïsten. 48. Het staat niet zelden in zijne werken. 20 heet het cunctatus multum diuque respondit septem dormientes in monte Celyon requiescunt. 1167) ‘het ww. Rb.die. 33 Langhe sweech hi ende sprac doen ❘ in den berch van Celyoen ❘ die seven slapers rusten daer. Waarom zou hij met enkele woorden niet evenzoo hebben gedaan? Zulk een woord is ook tonen. Spec. dat M. doen als goed Maerlantsch te beschouwen.. 34 en H. 5. zijn Troy. toonen wordt bij ons verstaan. die tegen de regels zijn. werkelijk aan M. welke de uitgever veronderstelt. 1290. dan in het andere. en waar ik ook geen bezwaar tegen de opvatting als tum kan inbrengen. toghen dikwijls in het rijm staat.. voorzeker niet zoo geschreven. mag men door deze plaats er niet toe worden gebracht.’ Het is dus geen toeval.. of M.menege scone miracule tones. zijn toe te schrijven. in een of in eenige werken vormen toelaat. 5704. weinig. Daarom mogen wij ook niet met volkomen zekerheid zeggen. maar wier ontbreken geen toeval kan zijn.. Maar wanneer men tot enkele gedichten van andere schrijvers komt. Alexanders geesten . Tegen de vertaling is dus niets in te brengen. heim. maar weinig gesproken. waar ik doen met een eenvoudig praeteritum bij M. die in andere niet voorkomen. echter zulke rijmen zeer zeldzaam zijn. lees vertoghes: verhoghes. een enkele maal een woord toeliet. welke ik er voor heb. Het schijnt echter dat in 4 2 1) Nu vind ik doen ook Merlijn 4643. die met doen rijmt.. kende het uit de taal van andere gewesten en liet het een en ander maal in het rijm en. De plaatsen. weder op kleine inconsequenties aangaande zijn taalgebruik. d. dat hij elders 1) vermeed . Vinc. De uitgave van den Merlijn brengt er nog drie bij 1185. of denkelijk in het geheel niet gehoord. 369 (vertonen) en 391. 4 . terwijl het synon. wij worden door den gebrekkigen toestand der overlevering daarin te zeer belemmerd. daer du dijn volck mede verscones heeft M. 1 .LXXXVIII gemeenschappelijke fout hebben.

vereischt nog eenige toelichting. zeil (1. s. zale. en die met afwijkingen nog eens achter den tekst gezamenlijk herhaald. van tijd tot tijd heeft. 1097. bl. Daar de fragmenten van veel betere hss. om nog de eene en andere eigenaardigheid van Maerlant's. Ik heb H ook gevolgd. sing. Alexanders geesten . dat hij daarna strenger werd. en in de latere werken weder iets vrijer zich bewoog. afkomstig zijn. zijn stellig niet van M. ons waarborgt. 1119). Te gelijk maak ik van de gelegenheid gebruik. meende ik mij de mededeeling er van te mogen besparen. Z heeft het Hs. moesten die op de weinige plaatsen. De lezingen van het Hs. voor op altijd up (zooals fragm. deze vragen bij hem zoo nauwkeurig mogelijk te behandelen. VII. zo (1. behalve in het rijm (ook 4. waar de lezingen mij even goed toeschenen. van het pronomen personale des 3. waar Snellaerts tekst doe geeft). het meest nauwkeurig op de regelen is gelet. dichters. in zee. De uitkomsten van de in dit hoofdstuk gemaakte onderzoekingen gelden niet alleen voor M.. natuurlijk met enkele wijzigingen en dikwijls zonder de betrekkelijke zekerheid. Daar zij ook niets van belang voor de taal bevatten. Immers hij staat. fem. Mijne wijze van handelen ten opzichte van het Hs. persoons is altijd soe in plaats van si gesteld. geenszins zoo hoog boven vele andere mnl. welke het Hs. of zelfs geregeld terugkomen. zou daaruit blijken dat M. welke zeer dikwijls.i. tegen eene eclectische wijze van handelen is hier niets in te brengen. zele. Voor het voegwoord en bijwoord doen is overal doe geschreven. waar zij ons ten dienste staan menigmaal gevolgd worden. Jacob van Maerlant. Slechts enkele dingen. de westvl. wat den vorm betreft. en in den Rijmb. Verhouding van de uitgave tot het Hs. d. Juist daarom is het ook geraden. Nat. zijn niet altijd herhaald.LXXXIX Troyen. welke het uitgebreide materiaal bij M. taal uit den goeden tijd te doen uitkomen en enkele verbeteringen door parallellen te staven. afkomstig. meest vrij vaste grondslagen zal men te gemakkelijker kunnen voortbouwen. en indien de schijn niet bedriegt. voor z. De opschriften. Ook bij anderen zullen soortgelijke onderzoekingen gelijke uitkomsten geven. In den nom. waar het ‘tönende’ s beteekent. in het begin van zijne werkzaamheid nog iets meer toegevend was ten opzichte van deze dingen. doen is de regelmatige schrijfwijze van het Hs. G schrijft). Een en ander is echter in de varianten nooit opgegeven en zal hier eens vooral worden medegedeeld. en de fragmenten zijn volledig opgegeven. Maar bij eene afwijking kan ook H het juiste hebben. Op de daardoor gelegde.

Naar hetzelfde stelsel is sch en sc gebezigd. tangere met lange e aan het slot gebruikt. zonder de afwijkingen van de hss. vinden). als zij uitgangen zijn. De verkortingen zijn voluit geschreven. bij a door achterplaatsing van de e. in geslotene bij e. vooral dat van St. waar het Hs. beteekent dit dat mijne collatie eene afwijking van Snellaerts tekst heeft opgeleverd. ů voor u. veil. oe. verkeisen. ue en u (vóór r) er voor staan. zeghe. sein. seirre.. Ik weet niet of een levende vlaamsche tongval tot bevestiging van dit verschijnsel mag aangehaald worden.ij geschreven. Am. op te geven. 1019 staat bleif voor bleef. wanneer M. niet aangeduid. gedeint enz. De lengte der klinker wordt ook. te varne. omdat anders verwarring met de toonlooze e mogelijk is. weire (= wier = wie dare) ontbeit. o voor den tweeklank oe. gesein. om verwarring met den tweeklank ie te voorkomen. mettein. eene gewoonte. Voor de ö heb ik de schrijfwijzen van het Hs. De lengte van de klinkers is dus in opene lettergrepen niet aangeduid. heire. Ei voor ê in meir. zeghe (victoria). Voorts heeft het Hs. moeten wij erkennen. o.v. Het meest vinden wij de schrijfwijze in zee. zale. De tweeklank is met oe geschreven en daardoor van oo(o) = ô gescheiden. verseirt. Gh staat vóór heldere klinkers. u en i door verdubbeling. dus kunnen o. hetwelk elders niet wordt vermeld. gadeslaan. heirscap. hetwelk anders te beoordeelen is. Jozias. ie in heir. ghesceide. Alleen waar onmiddellijk eene e volgt is ook in eene opene lettergreep . In vreemde woorden heb ik echter overal g geschreven.. Ik heb buitendien de verlenging der klinkers voor r + andere konsonanten veel verder doorgezet dan het Hs. dat de taal feitelijk bijna in alle gevallen de verlenging had ingevoerd. ontflein. heilden. waar om andere reden de klinker lang moet wezen b. Wanneer wij de rijmen der dichters en het gebruik van enkele hss. zut (= suut). of dat althans de vormen met langen klinker mogelijk waren.v. greix. 251) nemmermeir.XC 1339. die wij ook in zuiver nederl. Daardoor vallen weliswaar nu ook de ē en de ê voor het oog te zamen. of niet overal aangemerkt. 2. heit. emmermeire. garzoen (8. Alexanders geesten . misschien bedoelde de afschrijver zo = te). uy voor û heeft. omdat het in de varianten is vergeten. vreemde woorden als Marianne. (= verchiert). hss. ik noem het hier. voor Alex' heb ik of Alexander. ook vóór ö. In de orthographie heb ik mij aan Grimm en Martin aangesloten. behouden. hetwelk te dezen opzichte spaarzaam is (het heeft ook voorbeelden. ghescein. maar reeds met 2. in enkele van de genoemde woorden staat z echter slechts eenmaal. verweit (? 1. 664). Jacob van Maerlant. Voorts is niet. Slechts ee meende ik toch te moeten schrijven. neit (ontkenning) messceit. heilt. dikwijls ei in plaats van nl. Waar eens iets opgegeven is. 311 houden deze vormen geheel op. ontheir.. zielen. sceip.tot mijn spijt echter zonder consequentie . zere. elders g. b. de cijfers zijn in letters weergegeven. ghescart. of Alexandere doen drukken. welke feitelijk nog van elkaâr verschillen.

welke M. is zeer kwistig met dit al. e of ee (meestal) voor ei. tlicht voor dat licht. niet gaarne worden geschreven. . siere enz. van e vóór de r. sulc. 923 Aman hi was al drossete. voor selc. pl. gebruikt. Maar dat hindert ook niet. 308.. Daarnaast had ik ook de bedoeling dat men uit het gedicht zooveel mogelijk de taal zou kunnen leeren. hadsi voor hadden si enz. vooral voor de partic. Ik houd echter al op deze plaats voor hetzelfde. In de aanteekening verklaart Sn. 1222. . wordt gebruikt. onder ooc. van de verbogene geschreven.ich ighe. vooral die van den accus. 2. zooals wiene voor wie hem. Maar dit is zeker dat het Hs. dus vooral van die des Rijmbijbels. of verschillende uitspraak mogelijk zijn. afwisselende in stont en stoet opgelost.XCI Daarenboven zijn. Alexanders geesten . en zijn meer of minder vaak de volgende veranderingen gemaakt: brochte. maar ook alle claer voor Jacob van Maerlant. Buitendien heb ik de inclinatie in uitgebreider omvang volgehouden. ere voor eenre. 526. waar zij regel is. Gelijk met al heeft het Hs. doch die door het Hs. zonder de beteekenis werkelijk te wijzigen. waarin in de taal van M. brocht en dgl. a i. haddi voor hadde hi. in al drossete in al ghenesen 4. en ik heb het zeker te vaak laten staan. 1. 1659 voerde hi there al een ander strate. al daer. wanneer het pron. Het komt er alleen op aan in het algemeen het gebruik van de beste hss. hem. no voor noch. praes. dubbele vormen. versleghen voor verslagen. 1659. eene reeks veranderingen gemaakt. de zwakste vorm van het lidwoord de voor die. praes. Ons Hs. en in uitdrukkingen zooals al sulc. het schrijft niet alleen allegader en alle gemene (vgl. al bij het partic. Ten slotte nog eenige bijzonderheden. staet en gaet voor steet en geet. 3. op 4. hem voor hen. de aanteek. daerde voor die eerde. Al wordt in de latere taal vóór alle mogelijke woorden geplaatst. Zoo ook 4.. Het werd in dit geval niet alleen aaneengeschreven met verba. maar ook met andere woorden. Ik bedoel de gevallen. van zijne werken te bereiken. als in al selc. de onverbogene vaak heeft verwijderd. vgl. 1099.. om vormen. ook met andere woordjes de verzen aangevuld. meestal stilzwijgend. .en evenzoo hebben anderen gedaan . 4. voor sijnre enz. conde voor conste. 1362).v. of wel de andere vorm er heeft gestaan. en de wettigheid van de onverbogen vormen bij M.Een afzonderlijk onderzoek zou nog de flexie van al vereischen. voor brachte. zooals het heden in het Vl. Het is in ieder bijzonder geval niet mogelijk te zeggen.ech eghe voor . ou i. Ik heb deze misschien menigmaal zonder reden in pl. niet een bijzonder accent heeft. pl. Het is echter stellig ook op andere plaatsen te schrappen b.het voor het voorzetsel al = langs. ghone (meestal) voor gene. Voorts in voorbeelden als tien tiden voor te dien tiden. hare voor haer. vgl. of oorspronkelijk de eene. Menigmaal is het tot aanvulling van het metrum geplaatst. 1. van oe vóór de labialen en gutturalen. tot hun recht te doen komen. Om deze reden is de gewone schrijfwijze stoent van het Hs. 526.v. bracht enz. b.

5. 6. en op de eerste zou reeds de vorm werdet voor wert voldoen om dicke te mogen schrijven. 1175. 1155. 1430 ontbreekt het eerste noch in het andere hs. 1090 staat het metrum de verandering in dicke in den weg. 574. 1351. van het Maerlantsche bijwoord dicke of dicken schrijft het dicwile 2. 774 (de lezing is onder den tekst vergeten op te geven).In pl. 7. 313. 516. van ende staat 6. . noch meer noch min b. waar de var. 350 zal wel ende zijn te schrijven. 1054. 9. 253. 57 (de opgave in de var.In pl. Ook de vorm van het neutr. Desgelijks staat ooc in vele andere gevallen en meestal zeer stuitend 2. 1151. 958.v. 1. 4 behoort aan den afschrijver. 170. 6. 1. Ende ooc in pl. 378. 213 heeft het alle in overeenstemming met de varianten. mogelijk is. 10. 515. 1. Ook 1. is verzuimd).v. alle omme voor al omme 2. 117 (var. 8. 3. 496 heeft noch min noch mere zelfs de plaats vervangen van min ende mere. 1019. 1259. 867.Daertoe wordt aan ende toegevoegd 3. hetzelfde moet misschien ook 1. 774. speelt ooc eene hoofdrol. 5. allet 2. 105. heb ik niet geschrapt. 5.De eigennaam wordt in pl. 3. 9. 7. 1336 en denkelijk ook nog elders. 21 worden gedaan. 9.v. b. geschreven 1. 1253. waar de dubbele ontkenning niet en staat. 3. 884.Onder de woordjes. 1174. 187. 2. maar op de twee laatste plaatsen kan dicke wilen zijn bedoeld. vgl. 1325. 1289. 4. 548. 4. . vgl. 283. vgl. 5. 4. 531.In pl. 208. 360. 1166. 375. Hetzelfde moet misschien ook op andere plaatsen gedaan worden. 5. 656 noch oec in noch te vereenvoudigen.v. 6. 860. 258. Anders of ander heeft het Hs. Alexanders geesten . 571. 780. van de onverbogene heeft gesteld.v. welke veelvuldig tot aanvulling worden gebruikt. . 7. 82. op de twee laatste plaatsen ontbreekt het in T. 1734. de verbogene geeft. b. 1. 896. 742. 442. 3. Het moet nog worden onderzocht of dicwile zelfs wel bij M. van het pron. 4. Voor ooc mede zal wel menigmaal mede te schrijven zijn. 1304. 973. . van hierbinnen wordt geschreven hierenbinnen 2. 3. 3.2. 705. 1207 en 10. 1176 (?). 937. terwijl het Hs. 6. . 508. Behouden vervangt het door behoudelike 1. Ook 7. 1571. 272 en elders. 1181. 204 vg. 528. waar de var. Het is denkelijk ook nog op andere plaatsen te verwijderen. 61. Het is daarom niet onwaarschijnlijk dat het Hs. waar op zich zelf beide mogelijk zijn. Op soortgelijke wijze worden andere substantieven herhaald in pl. 295 is denkelijk ook eenvoudig mede in pl. 3. 378. 5. z. 1. De vereenvoudiging wordt beves- Jacob van Maerlant. 796. 7.XCII al claer 2. b. 1410 heb ik de twee woordjes achter elkaâr geschreven. 1059. 10. alle sijn here 5. ic wille dat alle ghemene si 6. b. de voorkeur aan noch min noch mere. 4. van de voornaamwoorden. ze scheidt. el). 428 zal het eerste no geschrapt moeten worden. 4. . 103. van oec daer mede te lezen. 1684. van min no mere of meer no min geeft het Hs. 8. voor els of el 3. zooals 4. Doch ook heeft het omgekeerd de onverbogene 5. 156. het betere al heeft. 10. 42. . Op zich zelf is tegen niet en natuurlijk niets in te brengen. ook de verbogen vormen in pl. 2. 1374. 136 en 788. of iets anders bedorven zijn. 7. 779 is gedaan.

v.Wanneer demonstr. 10. 1. waar het overtollig. voegt er nog een tweede aan toe 1. 1337. 706. 1131. ook 4. 507. 679. maar toch is dit so denkelijk dikwijls verloren geraakt.) en meer. waardoor een naamwoord nog ons wordt aangeduid (die coninc die quam. 177. 4. 66. voor dat wij de regelen van den mnl. Op andere plaatsen verzet zich het metrum eenigszins tegen eene verandering. 3. 4. waar het oorspronkelijk stond: 1. wapens enz. ook enkele woorden. na dien so quam hi. 5. 1053. 1289. dat hooft legghen. 586.v. . diet hadde ane. ook ontbreekt het echter 7. zich met één pron.XCIII tigd door T 7. teksten bezigen daarentegen het demonstr. 962. dat swert trecken. 97. onmiddellijk achter elkaâr volgen.. 226 hoe dat in pl. versbouw nauwkeurig kennen. . 983. . 1242. dus so dede hi).v.v. 1119 vg. 201 so wie voor so wie so. 455. 213. 1324. 428. 257 en elders hebben de varianten so. ghesijn). 994. 463.Een onmiddellijk op een znw. 218 (mijn ere). 10. èn het lidwoord gebruiken. dan 6. 1135. 1351 en meer. 92 enz. 7. 3. 327 enz. 70 en op andere plaatsen. Het Hs. Ook ons Hs. niet onmogelijk. stelt de taal van M.Bij lijf. Het possess. 1129. Het lidwoord is geschreven tegen het Hs. 1. 2. waar het minder in het oog valt. 10. 552 staat dat leven mijn in het rijm (: partic. 329. denkelijk ook 3. die. overeenstemmend sine huut. 1240. niet vreemd. Waarschijnlijk is het op zeer veel plaatsen in te voegen. Alexanders geesten . 10. 2. is echter bij M. 137 en elders. of zelfs stuitend is. 1. 273. 1678. Dit had dus wel de plaats van het personale in onzen tekst moeten vervangen. . voor den zin nog eens te herhalen (b. 4. 1217. geeft de voorkeur aan het eerste. . Alexander die quam) is aan de taal van M. terwijl in de betere hss. 998.v. 270. 568. tevreden. van hoe so dat. leven. 7. 7. 963. 377. 476. 8. meer gezegd wordt dat lijf verliesen dan sijn l. 1. wel 9. deelen van het lichaam. om voorafgaande begrippen. ontbreekt. 1106 (in overeenstemming met de var. b. 1011 (in den tekst niet verbeterd). 5. terwijl het in het Hs.So wordt in alle mnl. 1133. en relat. 544. Enkele malen blijkt de willekeurige verandering uit eene misvatting van den zin 2. ziet niet op tegen dit gebruik. Het is echter niet mogelijk met eenige zekerheid critiek te oefenen op dit punt (en ook op andere van de bovengenoemde). wordt hi seide of hi sprac toegevoegd. kan de taal èn het posses. volgend vnw. . maar stellig hebben ook te dezen opzichte de hss.. bij sturten sijn (= suum) bloet 3. 92 waer voor waer so. volkomen willekeurig gehandeld. 1148.. Met gelijk recht zou het gedaan zijn 1. 4. 790. 1199. zegt Alexander hi. de betere mnl.Wanneer iemands woorden worden aangehaald. Maar volle zekerheid zal men wel nergens hebben. Ons Hs. geschriften tallooze malen gebruikt. 1005.Daarentegen Jacob van Maerlant. 7. 2. in andere gevallen b. 1169. Evenzoo worden nog andere woorden gebruikt b. 2. het Hs. 1098. 1016 en elders omgekeerd in T en staat in H. 240 moet men sijn toch wel niet veranderen. 1663 is seide hi zonder twijfel te schrappen. tenzij het metrum eene leemte vertoont. 358 hebben de twee hss. 1069. 985.

781. 668 komt er eene erge misvatting bij: er staat van dien seghe in pl. 6. 46. 1308. Ook aan M. 8. 3. var. echter herde menich) 9. Ik heb so verwijderd of door eene andere versterking vervangen 6. 591 (vgl. 585. 1107. heeft hier (297) his ubi consulte providit Martius heros. 4. 616. ‘op voorwaarde dat. Iets soortgelijks zou het zijn. Ik heb den gen. 154. 1140 en elders 1) Zeer licht mogelijk is het echter ook dat coninc in dezen regel verkeerd voor scinke is geschreven en de plaats luidde mettien alse die scinke soude ❘ scinken enen nap van goude ❘ ende dien boot hi dien gaste. gaat zonder twijfel daarin verder. 991. Medorum ingreditur reparato milite fines) en 7. 4. 10. Met meer of minder waarschijnlijkheid mag men de uitdrukking gissen 2. 9. zijn getreden. 7.So dat bezigt M. Ook bij het ww. 1126 so dat die heren met groten love ❘ so na quamen uptien dach ❘ daer Daris ende sijn here lach. Het wordt intusschen ook elders niet zelden op deze wijze gebezigd. echter 665). bl. dan het oorspronkelijke. geheel. 683. mits. 1646. 1210. of het is opzettelijk verwijderd. 7. waar het ten gevolge van eene misvatting schijnt bewaard te zijn. 418 en de aant. maar ik heb het niet overal in den tekst durven opnemen. 6. . 351. Dat en omdat waren voor hem gelijk en hij plaatst daarom ook verkeerdelijk het laatste voor eenvoudig dat 7. van die Percen. 467. 1207. 9. vóór adjektieven. 1583. wanneer die van Percen werd geschreven in pl. 997 bi dien roke van enen appel. 3. 975 (so menech. var. 139. 599.De domheid van den afschrijver blijkt ook uit eenige verwarringen bij up dat.De genitief wordt door van omschreven: 7. 110. 1524 kan het voor sere in de pl. Alexanders geesten . 7. 64. 1337 so dat die scinke den 1) coninc soude . 284 (Gaut. Uit de misvattingen 6. 765. 467 mag men misschien besluiten dat dit so dat reeds vóór het laatste afschrift was verwijderd. en er kan geen twijfel wezen. scieten) van het Hs. 806. weinig bezorgd voor den zin. vgl. 7. Op de eerste plaats is het vrij waarschijnlijk onecht. 1877. 806 (Gaut. van dies si seghen (seghen = dicunt). 1134. 527. 10. misschien ontbrak si reeds in zijn voorbeeld. Maar het Hs. 208. Dit gebruik ontbreekt in het Hs.XCIV schijnt in een ander geval so van den afschrijver afkomstig te zijn. 1190. zonder dat een consecutieve zin volgt. Jacob van Maerlant. 487. 7. kan dit gebruik niet worden ontzegd. 538. 951. behalve 10. 89. 836 en 4. 4. Dit beteekent bij M. 4. . 639 en elders.w. met voorliefde. Het is geschied 2. Niet zelden meen ik een spoor er van te herkennen. nog geschreven 2. 2. t. Verdam Theoph.w. 1423 (als indien niet kan beteekenen ‘in die mate’). het staat nog 4. . zooals ik 4. 314. z. 924. heb ik te doot of doot geschreven 1. meestal zonder dat een duidelijk gevolg moet worden uitgedrukt. enkel ter versterking van het adjektief. om een nieuw punt in het verhaal te beginnen. . bi eens appels roke. t.’ De afschrijver schijnt het niet in deze beteekenis te hebben gekend en schrijft dat of omdat. 378. 221.Voor ter doot (slaen. 10. 134 incedens ergo quadrato agmine). 238.

Alexanders geesten . waarbij zoo veel te doen is. 4. Ik betreur het dus niet mij te hebben beperkt. waar mijne verandering slechts een behulp is en bij mij de overtuiging bleef. laten ons in M. geheel in tegenstelling met den afschrijver van den Alex. Ook bij grootere veranderingen is niet altijd met consequentie gehandeld. De werken. Desniettemin meen ik dat ik er in geslaagd ben. aan wier inwerking men zich niet geheel kan onttrekken. Vele van de hier opgesomde fouten zijn nog gebleven. waarvan betere hss. welke al te zeer bedorven waren. Gemakkelijk zou ik nog op tallooze plaatsen gissingen hebben kunnen uiten. Ik vlei mij echter niet te dezen opzichte veel te hebben bereikt. doordat hetgeen op de eene plaats is gedaan. dan ik heb gedaan. op de andere achterwege is gebleven. dat men tot onbeperkten willekeur zou moeten vervallen. Over het algemeen zou men verder kunnen gaan. wel eene fout verbeterd. Men moge eene zoodanige ongelijkheid verontschuldigen door te bedenken dat bij een werk. en dat niet op een dag ontstaat. op den grondslag van de uiteengezette bijzonderheden den tekst van de grove fouten te zuiveren en hem eenigszins nader te brengen tot die gedaante. over zijn. Waar geene andere overweging in aanmerking kwam. dan hij in den Alex. aangetroffen. een ander maal echter in den tekst zelf is opgenomen. en hoeveel andere zijn buitendien in dezen tekst! Bijna alles wat hier is genoemd wordt ook in andere hss. wiens werk bijna ons eenige richtsnoer is. Een en ander maal heb ik stukken van den overgeleverden tekst naar den voet der bladzijde moeten verwijzen. afkomstig zijn. 1573. Menigmaal heb ik mij in den toestand verplaatst van eenen afschrijver.XCV vermoed. maar niet het juiste te hebben gevonden. om ze ook maar bij benadering te mogen Jacob van Maerlant. voor wien het er op aankomt met eerbied voor zijn auteur en zijn publiek het beste te geven wat hij bij de slechte hulpmiddelen vermag. welke bij de eenvoudigste verandering een draaglijken zin gaf. ik betreur het alleen dat inconsequenties zijn ingeslopen. men aan stemmingen van zeer verschillenden aard onderworpen is. Want waar zoude eene kritiek van deze soort ophouden? Er is een zoo groot getal verzen.. heb ik die verbetering gekozen. wanneer men zijne meening overal wilde uiten. daar het minder zekere nu eens slechts in margine is medegedeeld. een veel beteren stilist zien. zelfs daar.v. dan in mijne uitgave. zou mijn werk niet vruchteloos zijn. Maar de noodzakelijkheid om zich te beperken doet zich met aandrang gevoelen. Maar overal is die van Percen wel niet te veranderen. ook na mijne kritiek zou schijnen. Wanneer het daar met meer consequentie wordt verbeterd. ik zou daarmede gedeeltelijk ook zonder twijfel het juiste hebben gevonden. van welke men de overtuiging heeft dat zij niet in dezen vorm van M. z. Ik heb gepoogd overal te verbeteren. b. welke hij van den dichter zelf had gekregen. waar fouten zijn.

te laste leggen dat hij zich zou uitgedrukt hebben met eene onbeholpenheid en eene onbeschaafdheid. als men thans nauwelijks aan de minst ontwikkelden zou durven toeschrijven. die uit gemakzucht en om hunne eigene onwetendheid te bedekken hunnen auteur. Jacob van Maerlant. over wiens voortreffelijkheid ze geheele boeken vol van verhevene phrases schrijven.XCVI verbeteren. Alexanders geesten . Vooral heb ik het stelsel van de dilettanten vermeden.

28 wil ic. Ia 1. Al hebben sijs nijt. Wat eest dan. 27 lachterent] lachteren sijt. Al lachterent. diet niet en verstaen. 15 machte. die mij heeft ghevaen. Groot wonder hebbic daer of. Jacob van Maerlant. Dat ghijt alle merken moget. Dat willic al te winde slaen. Some sijn si also verdoort. Dat sijt lachteren. ic saelt volleesten. Die hovesch sijn ende wel gheraect. 30 die] dat ierste. + 5 10 15 20 25 30 Het es costume ende sede. al eest goet. dat den mensche doet So sere vergheten alle doghet. Ic wane wel dat nidechede doet. Want ons die scrifture leert. 16 menschen. Alse hijt niet te rechte en verstaet? Sere ontsie ic dusdaen baraet. Ofte dat sijt niet en verstaen. Dat God alle dinc maecte goet. * 2 neuwes. mine rouc. 25 scriven allexanders. Hoe die werelt es so verkeert. Nochtan so willics bestaen Dore hare. Hoort.1 [Tekst] *Die + eerste bouc. 29 niet. 19 Als men. Segghen dat es wel ghemaect Ende gheven hem prijs ende lof. Dat hijt emmer ten archsten keert. Alexanders geesten . Alse men iet nieuwes in ene stede Eerstwerf vertellen hoort. Some die liede sonder waen. Ans mi god. dus beghint die eerste bouc. Alse men hem eneghe doghet leert. 7 oft en S(nellaert)] en̄. Te scrivene Alexanders geesten.

Hi hadde ghedaen dat noit ghesciede. Want soe es te hoorne soete. evenzoo 44. Dat hi al di werelt dwanc Bede over breet ende over lanc. die nu leven Ende nie ontfingen lijf. 52 Karls. + Maer boven alle. vgl. Mijn sin heeft mi bracht daer toe. 62 bides hen alle.2 * Goede geesten ende saghen Vint men vele nu bi daghen. meer no min. Dat van Troyen dats maer een wint Jeghen dat men van desen vint. 37 gemaecht: geracht. XXII. Die men leest van Arture Ende van dien riddere Waleweine. Want Alexander dede te waren So groot binnen twalef jaren. 857. Jacob van Maerlant. + In dietsce wel bescriven moete. Alexanders geesten . 60 beide breit. 63. 58 groet dat b. Alse daden andere orloges liede. Alle hystorien waren ghedwas. * 31 gode. 50 leist. Hadde Alexander also langhe ghelevet. 70 horen. 36 en 37 ierste. 46 gescede. Sider dat dat eerste wijf Ende die eerste man was ghemaect. Karles wijch dats maer een spel Jeghen dat desen man ghevel. Alle die grote avonture. Ende biddens hem ooc al diet horen. Daer men af bescreven hevet. hoe Alexander al dat bestoet. 40 45 50 55 60 65 70 + Ib 1. Die hystorie soe es goet. Hoe ic die waerheit. 69 mote. 38 noet. Daeromme biddix gode te voren. 41 all. Noch so hovesch man van orloghen Dat salic wel hier achter toghen Alse Alexander die grote was. 1. 57. Sijn hier jeghen harde cleine. Sone was noit so wel gheraect. Dat hi mi geve selken sin. Ettels orloghe van den Hunen En mochte hier jeghen niet ghestunen. 61 sijn dar thoe. Daer vele wonders staet in bescreven. 35 + Ia 2. Dat ic u wille segghen.

a. Doe dede hi voort met siere welt Die see met scepen overslaen. Verwijs (Taal en Letterbode 4. Hier af laet ic u al bliven. bij samenstellingen zijn dikwijls beide deelen uit elkaâr geschreven. Dat was een here van groten prise Ende hovetman van eertrike. Ende gheweldich ooc van machte Was een coninc hier te voren. pl. Die sijn rike in siere ghewelt Menech scone jaer behelt.v. 105 * 71 ho geslachten. Dus stoet te gavele die grave Philip Ende al Grieken menich jaer Dien van Percen. of soe hem trouwe Hielt. Mer niet en weetic. Hi hadde aldus menich scip. 83 heir. 72 machten. Die ute Grieken was gheboren.3 * Van goeden seden. Die al Europen dorevacht. 91 lants. Jacob van Maerlant. Die vrouwe hiet Olimpias. 90 her. 102 es vele te onconder V(erwijs t. in vs. 94 stoůt. + Wie Alexanders vader was. 88 vort. Aristotiles die seghet. van hoghen gheslachte. ook ic vaak aan het voorafgaande. 75 80 85 90 95 100 + Ib 2. 82 stout chens. 98. 81 hoet man. Ander dinc moet ic bescriven. Dat ons es vele te onconder. b. 92 Athene te hant] Athens. wat door mij niet altijd gevolgd is. Soe was scone ende vroet van seden Ende gheraect van hovescheden. Want Cerces. de negatie en is meest aan het volgende woord aangeschreven. 100 enwetic.)] vele te orconder. Hi stont te chense ende al sijn rike Dien groten here van Persi. Nochtan was hi onderdaen Dien van Persen ende hadde ontfaen Sijn lant te lene van Darise. Philip hadde ene scone vrouwe. dat es waer. Alexanders geesten . bedi en eest gheen wonder. 80 heer. seins S] siene. 90-132) emendeert deze plaats anders en behoudt den naamvorm Athens. die coninc vri. maar ik zie niet hoe men dezen vorm zou kunnen verdedigen. Daer over hiet hi there gaen Ende bedwanc Grieken lant Sonder die stat van Athene te hant. Hi hadde die see met siere cracht Harde na doen vullen die helt.

Ende water vor hem staende In een becken. Hi ghinc allene tien selven tiden In sine heimelike kemenade. Dat menne met scepen soude souken. Tfolc van dien lande van Endi Ende ander liede. Nu hoort. Stappans in die selve stonde So verdronken sine viande. Experiment ende toverie. 110 115 120 125 130 135 + IIa 1. Dat si ghinghen al te gronde. 140 145 * 110 gheschede allegader. Tenen tide quam hem mare. Die soeken wilden sine lande. 137 ghincgen altgronde. Aldus so sat hi langhen tijt Sonder werringhe ende strijt. So ghinc hi lesen ende vlouken Ende hadde een reede van ebene. Weltijt dat also ghesciede. dat hi waende Dat altoos niemen en wiste. Jacob van Maerlant. Dat het al versament ware.4 * Daer vele wijsheiden an leghet. 136 scepelkin. Daer sat hi allene te rade. Conjurament ende nigromancie. Die gheheten sijn Alane. diere wonen bi. Derre conste hi utermaten vele. 131 soken. Die beste die noit was ghesien. Die was wel te maten clene. 142 en. Daer hadde hi ghemaect met liste Wassine scepe. Alse iemen jeghen hem woude strijden. Neptanabus hielt sekerlike Van Egypten dat conincrike Sonder orloghe ende strijt Menech jaer ende meneghen tijt. 132 vloken. 129 wessine beide malen. 141 hi ontbreekt. Dat Neptanabus was sijn vader. 117 nigromancie. hoe dat ghesciede algader. wassine liede. Alexanders geesten . Hi was een groot astronomien. 118 exprement 127 wisten: listen. Bedi verdroech hijt al te spele. Daer hi dat water mede roerde + Ende die scepelkijn vervoerde. 130 geschede.

desgelijks 184 voor desen en 185 voor kint. Hoet metten coninc was vergaen. 175 totter. 182 wreken] wesen. Ende ghijt met wondere sult ontfaen. ‘Vrouwe’ seithi ‘ic hebbe verstaen. Percen ende Mediene Agarene ende Nabaciene Ende al dat volc van Orienten Quamen met wapen ende met tenten Algader op Egypten lant. Jacob van Maerlant. 181 selt. 150 155 160 165 170 + IIa 2. Alse hi dicke hadde ghedaen. 151 folc. Vlo hi enweghe in corter stont Ende quam ane Macedonie. die vrie.5 * Ende Seres ooc. loech hi te hant Ende ghinc in sine kemenade Allene ten heimeliken rade. Doe ontboot die vrouwe sciere Neptanabus. diet kint sal winnen. 175 180 185 * 149 eerder Perten. Alexanders geesten . 179 selt. Die ghedaen es desen lande. Suldi sien ende ooc bekinnen In die ghelike van enen drake. Coninghinne ter selver stont. Daer wart Neptanabus namecont Over al in Grieken in elke stede Ende vor die coninghinne mede. Tehant hadde hi verstaen Dat hi dlijf verliesen soude. Wart hi met haerre minnen bevaen. om dat hiere Die waerheit soude doen verstaen. Hine vloe enweghe boude. 156 ten] tenen. alsic wane. Daer was Olimpias. Dat ghi draghen sult een kint. 186 seldi. Dat van dien goden u sal sijn ghesint. Dien ghonen. Het sal wreken sonder waen Sinen vader ende die scande. Alse die coninc dat verstont. 180 u vóor van. Doe hijt hoorde. 177 harre. 183 voor ende is plaats gelaten. + Philip was ten selven tiden Verre enwech varen striden. de woorden zijn bij gissing ingevuld. Doe hi toter vrouwen quam Ende hi hare scoonheit vernam. 165 Die con.

Doe die vrouwe dat vernam. ‘Meester’ sprac soe ‘na dien dat staet. Neptanabus was al hare raet. Daer die vrouwe harde wale Ende diere waren hem mochten scouwen. als een drake was ghedaen. 226 so ontbreekt. mocht ghescien!’ + ‘Vrouwe’. 203 macte. 219. 192 goede. haren here. ‘ghi sulten sien.’ 190 195 200 + IIb 1. 240. Alexanders geesten .’ ‘Vrient’ seide soe ‘hoe gherne ic sprake Dien groten here. Ghelovede soe den toverare Ende waende wel dat Amon ware. Ende doe soe des wart gheware.’ Mettien ghinc Neptanabus Uter coninghinnen huus Te siere herberghen ende maecte hem saen Rechte. So moeti mi raet gheven. 213 deze en de volgende regel staan in het hs. Jacob van Maerlant. die here van Libia. Mettien so neech hi dier vrouwen Ende voer weder danen hi quam. Te draghene al selc een kint?’ ‘Vrouwe’ seit hi ‘u heeft ghemint Amon.’ Doe andwoorde die coninghinne Met ghestadeliken sinne: ‘Vrient. 223 moti. seithi. Hoe so dat met mi steet. 219 coning. eerst achter 232.6 * Dit segghic u in waerre sake. 220 neman. 217 gewar. Teerst dat hi die wareit weet. 201 huys. 224 mijn here] men. 214 dwanckene. 205 210 215 220 225 * 188 warre. hi comt hier na In die ghelike van enen drake. vgl. 204 lees: rechte alse enen drake? 206 wael. Dus was hi metter coninghinnen. 189 andworde. Mijn here sal mi nemen dleven. Mettien wart die vrouwe saen Met Alexandere bevaen. Ende quam ghecropen in die sale. Daer toe dwankene die minne. zij zijn de laatsten op eene kolom en klaarblijkelijk heeft een afschrijver de verplaatsingsteekens over het hoofd gezien. Ic ben sijn bode. Was soe harde sere in vare Van dien coninc. hoe wetti dat te voren Dat mi die gode hebben vercoren. Dat hi hare nemen soude hare ere.

‘Vrouwe’ seithi ‘en scaemt u niet. ‘sijt te ghemake. Ic weet wel dat in uwen sinne Noit en quam anders mans minne Dan die mine. Doe wart hi drouve van desen doene. In die ghelike van enen drake. Dat een kint soude sijn gheboren + Van sinen wive ende van Amoene. al draechdi kint. de gewone verkorting in het hs. 258 tafelen. Doe claeghesoet Neptanabuse Ende bat hem dat hi in haren huse Amoene. Die vlooch al daer die coninc was Ende brochte hem in drome te voren. 264 waree. 253 claech sijt. Vor dien coninc comen dade.’ Enen voghel hi belas. Ic segght u in waerre sake Dat hi was utermaten scone. Die coninghinne wart vervaert. Alse ocht Amon selve ware. die here. Ic sal u quiten van deser sake. Al es u een deel messciet. Alse hem sijn droom wart ghespelt. Die gode hebbent u ghesint. Doe troostese Philip. 235 240 245 250 255 260 265 + IIIa 1. 248 goede. 247 drachdi.7 * ‘Vrouwe’ seithi. Alsoe hoorde die niemare Dat hare here comen ware. Alexanders geesten . 233 wijf Amone.’ Dies trooste hare Olimpias. Tenen tide sat die here Te siere taflen met groter ere Ende die coninghinne ooc mede. er zijn echter de sporen eener verbetering in warre bemerkbaar. komen. 251 verwiet zou nader aan het hs. Verweet hi hare in sinen sproken Dat soe hem trouwe hadde te broken. Mer weltijt dat Philip gram was. Doe quam daer ter selver stede Neptanabus in diere ghebare. Want soe scaemde hare harde sere. 241 haer. is co 231 droom. Jacob van Maerlant. 244 deil. waar verweit staat. of hijs hadde stade. + Een cam stont alse eene crone 230 + IIb 2. * 230 coni. 234 drove. 255 Amone. Hi brac up al sijn ghetelt Ende voer te lande waert.

Doe quam ghevloghen al te hant Ene hinne up sijn cleet. 283 terre.8 * Ghewassen boven up sijn hooft. 303 vrůwe. Dies hadde hem allen wonder groot. Want ic weet wel dat dit kint Ons van dien goden es ghesint. Dat dier werelt ommeganc Sal hebben noch in sijn bedwanc. 304 dien. 289 en̄ scael en twee. 277 wil. Daer ghesciede wonders mee: Een drake quam uut ghenen doppe Ende draide ghelike enen doppe Al omme ende omme ghene eiscale. Alexanders geesten . Soe leider up een ei ghereet. 299 oppenbare. Hi leide sijn hooft sonder sparen In dier coninghinnen scoot. Dat di van den goden es ghesint. 307 ey. Ic seghe u wat al waer es: Dine vrouwe draghet een kint. 305 * 272 hen aller.’ Hier na gheviel tenen tiden Dat die coninc soude riden Teerre stede in sijn lant. Dat ei viel neder up die eerde. Die coninc sat ende sach al toe. Ente scale brac ontwee. Calistonese dien riep hi doe + Ende vraechde hem al openbare. Jacob van Maerlant. Want dat ei bediet sekerlike 270 275 280 285 290 295 300 + IIIa 2. daer hi uut quam. Wat daer bi betekent ware. Doe sciep hi hem te waren In die ghelike van enen aren Ende vlooch ter veinsteren uut. Doe sprac die coninc overluut: ‘Vrouwe ic wille u vorweert mere Gherne doen goet ende ere. 297 sag. Hi waende weder keren wale In dien dop. 293 geen. ‘Coninc’. Te hant vlooch soe haerre veerde. sprac doe Calistones. Maer dat hem die doot benam. Met sinen wispelne haddi verdooft Alle die in die sale waren.

Daer hi omme was ghevaren. het es bekint. 328 groete. Ooc leestment in die heilege kerke. 327 der. dat hi sterven sal. die men vint. Jacob van Maerlant. Ooc vielen van dien hemele stene - 310 315 320 325 330 + IIIb 1. Die drake bediet dat kint. alse hi hem pijnde das. Dat hoordi wel hier te voren. 347 hiemele. Dat hi was conincs Philippus kint. Alse Philip hadde al ghedaen. Aldus ende hi sine tale. Voer hi thuus met siere scaren Ende vant die vrouwe. Het donderde ende blixinde mede. Noch hebben wi vernomen wale. Te keerne danen hi comen was. daer ic af seide. waar in Snellaerts tekst hen in den eenvoud staat hē. Nochtan bewanic mi al das + Dat Philip sijn vader was. Solinus seghet ende ander clerke. hoe hi was gheboren. Want men in Machabeus vint. 337 wie hem. 346 vele. Dat hi die waerheit dede verstaen. Het vel ooc reghen ter selver stede. 332 was S] dies. Alse hi dlant heeft bedwonghen al Ende weder wanet keren Te sinen lande weert met eren. hadde ghesint Onse here tekene vele groot: Die eerde bevede ende verscoot. 312 alst] al. Emmer was hi conincs kint. 319 waent. alst worden es coninc. het hs heeft te dezer plaatse en aan alle anderen. Dat die drake ten selven tiden Bleef doot. 334 leistmen heilge. Dat die werelt sal dorriden. Bediet. dat dat kint Wart gheboren. 322 lees: Ooc? 325 was omme. Dattene Neptanabus wan. Ic segghe u. Dats dedelste beeste. 335 340 345 * 310 diedelste die] dat vrint. Dat hi den dop al omme ghinc Bediet. Gaende in groten arbeide.9 * Die figure van al eertrike. So wiene wan. Des selven daghes. Aristoteles hi seghet nochtan. Alexanders geesten .

10 * Dat en es loghene enghene Ende in Egypten sprac een lam. En vorsaghes du niet dijn ongheval. jahi harde wel. 366 ghesien S] gestien. Het ghinc ter scolen. 371 dedemen dar lieren. Ooc was hi goet clerc ter curen Vanden seven arten ende van naturen. 381 iai. Dit was upten selven tijt Ende ooc up dien selven dach. Alexander sprac mettien: ‘Du connes der liede gheluc vorsien. dat hi vel Vander rotsen. 369 ware. dat es waer. dien hoghen man. Si stonden. 370 dat hi. 379 ochte. Up die camere. 353 aerne S] arme. die danen quam. Dat hi nemmermeer en wart ghesont. Datter scolen mochte gaen. Dattie coninc Neptanabus Sijn meester daeraf soude wesen. Doe dedemenne daer na leren Der sterren ganc ende hare keren. Sijn meester Aristotiles. daer die vrouwe Doochde haren groten rouwe. Tote dien dat out was twalef jaer. Noit en was beter logicien In die werelt noch ghesien. 350 355 360 + IIIb 2. Hielden twee aerne enen strijt. Deet die vader leeren saen. Seide een bode. Alexander vraechdem daer. daer hi stont. Alexanders geesten . Ende hem van astronomien lesen. Die de werelt al verwan. 378 vraechdem] vraechde neptabuse. 362 lieren. Jacob van Maerlant. + Sijn maghetoghe was Leonides. 384 nummermeir. daer die lucht was claer. 377 locht. Ochti wel conste voren sien. Wat dien lieden soude ghescien? Hi seide. Ende die ystorie seghet aldus. Dat Olimpias ghelach Van Alexandere. Doe tkint boven vijf jaren quam Ende het wijsheit so vele vernam. Doe stac hine. 365 370 375 380 385 * 352 dochde.

Tien tiden was in ertrike Engheen coninc sijns ghelike. Die sterren dadent mi verstaen Nochtan en constics niet ontgaen Wilen. dat es waer. 404 raede. Wie sijn rechte vader ware. Dat dies conincs Daris boden quamen Ende si tsins van Grieken namen. Alse Alexander dat versach. 403 moder. Arsamus so hiet sijn vader. 392 en] in. In siere moeder kemenade Droech hi den man ende riep te rade Siere moeder ende vraechde hare. 396 ware. Die jonghelinc hads rouwe groot. 394 mochtan. Mochstu dan sijn mijn vader?’ + Neptanabus hi seide al gader. Dies en mach hi niet ontflien. ‘dit es mijn vader. zóo het hs. Hoe hi die coninghinne bedrooch. ‘Moeder. Want hine hadde an sinen kin 390 395 + IVa 1. Dus seghet die geeste. Ende mettien so bleef hi doot. dit es die selve man’ Sprac dat kint. 405 haer: waer. Tien tiden dat al dese dinc Ghesciede. 412 die coninc. dies es menech jaer.’ Dus ghesciet al tenen gader. Want al Europen onder hem lach. Jacob van Maerlant. 400 ofte. in den regel.’ Alexander sprac: ‘Eest waer. 400 405 410 415 420 425 * 390 andwerde. 408 moder. Doe seide soe dattene Amon wan. Van dier werelt wel die helt Hadde hi in siere ghewelt. Alexanders geesten .11 * Dattu souds vallen in den dal?’ Mettien liep hi te hem daer neder. Neptanabus andwoorde weder: ‘Wat soe den mensce sal ghescien. 402 rouwen. Hine was out maer twalef jaer. 423 boeden. 427 aen. Niet en wetic of hi looch. was Daris coninc Van Percen ende van Meden algader. Grieken was hem onderdaen Ende gaf hem tsins sonder waen.

misdade ic iet. 430 + IVa 2. Dit sprac hi met groten misbare Allene jeghen sinen sin + Als dese woorde. 452 wegen. Wach onghevallich kintschede! Hoe langhe sal ic up ene stede Leiden aldus traghen lijf? Weltijt salic den keytijf. + Sprac hi derre talen ghelike. no meer no min. 433 V wach 434 ich. 449 Ercules. Men soude mi niet betien mede Dat ic Neptanabus kint ware. 451 bem ic] bin.12 * Baert no dunst. Bedi wetic wel over waer. 455 En S] en̄· 458 mins. 462 misbaere. Ghelijc alst ware eens liebarts jonc. Die ghi moocht horen cortelike. meer no min. 463 alliene. 464 alse no meir. Daer die liebaert in staet. 448 leestmen S] leestinen. Die mi slaet. Want ic bem out doch twalef jaer. Ic soude doen also grote daet Dat segghet mi mijns selves raet Alse Hercules dede. 435 440 445 450 455 460 465 + IVb 1. dan een kint. 435 traegen desgelijks 441. Twee draken dode ende ooc bant? Doch bem ic staerker. die starke gygant. Dat sit up sinen eersten spronc Ende starke beesten dan siet gaen. 465 libarts. Alse hi sach dat Daris helt Sijns vader rike in siere ghewelt. Jacob van Maerlant. Den here van Percen ende sine ghewelt Beriden moghen up een velt? Weltijt salic met minen swerde Ende met minen snellen perde Den bloden Darise ende den traghen Ende sijn volc doch versaghen? Weltijt salic met minen banieren Mijn volc verbliden ende verfieren. Ende toghen mine kintsce daet Ende up mine viande vlieghen? Ja en leestmen dat in siere wieghen Hercules. 453 bin. Alexanders geesten . En ontsaghe ic minen meester niet. * 430 vaders. Dat men in siere wieghen bint.

Sijn oghen liet hi nedergaen Ende ghinc voor sinen meester staen Ende boghede over sine knien Ende antwoorde hem mettien Ende seide: ‘Het es al tenen gader. 497 vaders. 500 505 * 469 cone. 498 drouen. Om dat coninc Philip. 501 tranen. Daer hi in hadde ghestudeert Ende sijn vleesch al verteert. Aristotiles die vroede. So ghedaecht es ende so out. die bi nachte waken Om wijsheit ende goede saken. Nochtan es hem therte so coene.13 * Die het niet en dar bestaen. Het begheret die dinc te doene Al uren ende allen dach. 472 wast. Aldus waest hem. meestal de woorden van elkâar. Alexander was vervaert Ende sach te sinen meester waert. 476 cameren. Dat hi was magher ende bleec Ende hi harde wel gheleec Dien gonen. cone. Jacob van Maerlant. Nu hoort. misschien is ook booch te lezen. 474 vaders. doe hi sach Dat Daris in sine ghewelt Sijns vader rike al gader helt. 484 was] sach. 491 boge. mijn vader. wat sijn meester riet. 478 vlees. ook in dit geval scheidt het hs. wat hem up therte lach. Alexanders geesten . Mettien so quam harde saen Sijn meester uter camren ghegaen. 489 neder gaen. Doe hine sach in desen moede! ‘Alexander nu wes coene 470 475 480 485 490 495 + IVb 2.’ Dit sprac hi ende van groten sere En mochti hem ghesegghen mere. Hine mochts hem onthouden niet. 505 vrode: mode. Doe Alexander Macedo In doghen was ontsteken so. 507 Sprac hi A. Ende Daris in sijnre ghewout + Algader heeft mijns vader goet. Die trane liepen hem sciere Over beide sine liere. 481 genen nacht. Ende Aristotiles dat versach Vraechde hi. Dit es dat mi drouven doet.

14 * Ende gheradich in allen doene! Wes man ende bescerme dijn lant. Tote dattie werelt indet al. 539 beide. Want al es die beke cleine. 531 bede S] beide. die emmermere Ghelopen hevet ende lopen sal. Aldus eest biden cnecht. 522 met S] niet. 537 werpert. 516 dicwijl. Soe es wreet ende loopt driewerf seerre Dan die riviere. 545 en gein.’ Hoort. 532 weit gein hoeuscede. Jacob van Maerlant. Oorscalke hebbe onwert altoos. dat serpent: Alset horet al omtrent Vedelen. 517 Orsc. 533 dat aspis. 538 dander ore. 513 vort ierst. 524 rivire 526 inden sal. toveren. So werpet dene ore nederwaert Ende in dander steket sinen staert: Also stoppet bede sine oren. 512 beiaghen ontbreekt (S moghes beiaghen). Om dat ment niet en sal verdoren. no min no mere. Hi es jeghen sinen here fel. hine dade niet wel. Nochtan sal men elken man Ere doen na dat hi can. men is meestal aan het voorafgaande woord vastgehecht. merct dat sere. 534 alst hoert. So dat si di iet moghen deren. 511 lieren. + Bade mens hem. Also doet aspis. Want hine weet gheen hoveschede. 519 kn. Biden cnechte. 515 als raede. blasen. 510 515 520 525 530 + Va 1. Alshi ghewint heerscaps recht. wat ic di eerst bediede: Altoos nem raet an vroede liede! Want alse men dinc bi rade doet. baraet (Want ment met selken spele vaet). 544 dien dat hire. Alexanders geesten . Want si sijn quaet ende loos! Quade cnechte en maect gheen heren. So wert soe dicwile goet. 542 als hi. Aldus eest. Want du heves meneghen viant! Ic sal di leren in welker wijs Du bejaghen moghes lof ende prijs. Die ghewassen es met reine. Al en hadde hi engheen groot goet. 543 salmen. ontbreekt. 535 540 545 * 508 geraedich. 521 bieke. desgelijks 541 en S] en̄. Hi stopt sine oren jeghen bede. 528 S cnechte.

+ Oftu scependoem souts wisen. niet van goede. 554 alse S] also. noch dor minne Oftuut bekinnes in dinen sinne Dijn vonnisse en makes niet onrecht. 570 oftu. 566 geinre. soe verdomt Met ghierecheiden sine joghet 580 Ende verdonkert sine doghet. Want. 573 dats rechts. 585 do. No dor vrientscap. dattu in gheenre wisen. 578 S sin. Alse groot goet ende miede. Sijn sin es beter dan gout. Ende die met dogheden es verheven. Dat ghemene es alre liede. no dor miede Noch dor gherande liede Noch dor heerscap. Al en ware sijn gheslachte niet vri. Ende niet bedrieghet so vele liede. Want het ghesciet nu ende echt. Alle loosheit doet soe weten.15 * Es hi hovesch ende vroet. 564 reine. Men souden eren tallen steden. 580 iogt. Ware hi gheheten van goeden seden. Al en mach hi niet vele gheven. 557 dogden. 585 Armen lieden doe ghenaden! * 552 herllen. Jacob van Maerlant. 556 vierseirt mode. 553 bedrieget. sal ic u die waereit tellen: Tgoet bringht meneghen ter hellen. 550 555 560 + Va 2. 565 570 575 Dat si om ene cleine miede Verdomen onnosele liede. 558 veil. Die van seden. Want die ghone es edel allene. Dan grote have ende edelheit. Hier om es beter menechfout Goede seden ende wijsheit. Alexanders geesten . 567 het eerste no ontbreekt. So sie. ontbreekt verdoemt. Van rechte leert soe nemen miede. Van wat lande dat hi si. Soe doet enen rechts vergheten. 576 onnosel. Es versiert in sinen moede. 575 si om ene] siene. 579 ghierecheiden S] gerechtegeiden docht. Die hovesch van seden es ende rene. Weltijt so die vrecheit comt In smenschen sin. 571 make. Dat srechts vele blivet achter.

in vers 631 komt dezelfde fout terug. 602 en 603 dijn. 610 die S] di. en zoo dikwijls te aan het woord geschreven vaert S] wart. Gautier 1.16 * Alsmen di bit. Sien si haren coninc leven Ende hise troost met scoonre tale. 600 605 610 615 620 * 593 groet wil. bistu coene. Ende die herte ende hande beven. Si sullen hem scamen dat si vlien. So wes dachterste diere vliet! Want alse di die blode sien. Nochtan wes blide ende coene. 509. Als dijn volc es wel ghescaert. Die eerste joeste daer te doene. wes beraden Ende doet geerne. Dwinghet den overdadeghen cnecht! Doe tfolc uten tenten varen Ende dan besette dine scaren Ende wes fel iegen dinen viant! So machstu bescermen dlant. Hevestu iet groots wille te doene. 621 als di de bluiden (S bloden). Dunct di dat du best te jonc.117: grande aliquid si velle tenes done: cone. Want als een volc es vervaert Ende die scaren onghescaert. Dan bidden ende vermanen Ende scaren dine vanen: Het heeft dicke gevromt den here Dat hi vacht met beden sere. Ende hem wasset haren moet. 596 spronc] ionc. + Ende dijn volc es te spronc. Ende wes int herte man Ende doe dine wapen an Ende trooste dine liede wel! Al en mochstu doen niet el. Vore hem allen wes hem bi! Of dat selve di ghesciet. 617 ochte. 600 coen. Si vechten of si waren verwoet. 596 testride. oft es recht. Ende men dan te stride vaert. Alexanders geesten . 620 wese. 616 ofte. 619 ochte. 613 hi si scoenner. 599 te doene] tdoen. Sijn si saen ghenesen wale. vgl. Jacob van Maerlant. Du salst volbringhen. 622 sullen S] sulen hen. Of dine viande vlien van di. 618 hen beide malen. Si ne sullen van onneren 590 595 + Vb 1. 609 as vervart. 608 beiden. 601 een man.

652 lude. 630 do ersten. 650 machs maken ontbreekt. Meltheit maect vele maghe. + Emmer doe den eersten stoot Ende doe eerst dine wapen an. Daer sal sijn swart jeghen swaert. wie die mint. oftu best man. Dan merc hoe vele viande Voor di staen up den lande! Ende als duse heves ghemerket al. Die di holpen selker eren. Dan soustu merken. 625 630 + Vb 2. 651 machs.17 * Sonder di niet moghen keren. Den anderen sege laten bieden. Es dattu behouds dijn leven. 642 bedieden. Ende oftu best ten wapen goet Ende heves enen heten moet. 658 heifsture. Ende alse du moghes. Nem den scat ende ghif den heren. 635 640 645 650 655 660 * 625 merke. Dan sal men sien. doe dbelof. Deen scilt sal den anderen breken. 653 gebrect. Ganst die wonden met goede Ende maect blide die drouve moede! Na dien wonden ghif dat gout! Du maechs dien bloeden maken bout. Of di dunct dat si sijn bloot. of met diere bede. Cume salmen verwonnen lieden. Gautier I. Ende soe drivet den viant achter. Oftu dan winnes eneghe stede Met crachte. 648 droue. 641 verwinnen. Daer sal men met dien speren steken. Dus maechs du dien vrecken saden Ende ooc aerme liede beraden. Alexanders geesten . 634 oftu heues. 644 vf. Emmer wes blide in dinen moet! Wat du gheloofs. Alsmen dien starken strijt beghint. En vervaert u niet om tghetal. dat saltu gheven. Want miltheit maect die seden goet. Jacob van Maerlant. Ende dors sal lopen jeghen tpaert. 629 oft. Soe bedect meneghen lachter. Ofti ooc ghebreect dat goet. 143 vix liceat victis victori offerre triumphum. Soe maect den vrecken wel ghemoet. So en heefsture ghenen lachter of.

Jacob van Maerlant. 700 * 664 plechter vele nu. so vrede Waer so du best begrepen mede. Sone heefstu ghere vesten noot Weder dat es orloghe. 688 bedrongen. Dat sceen den coninc Crassus wele. 672 S gheven. 701 scamdi van dien quaden. evenzoo 693. 670 675 680 685 690 695 + VIa 2. Daer alle doghet in nemet af. 699 doen. Dronkenscap ende dulle minne Doen fallieren coene sinne. Luttel weelden selen si begheren. Du en salt ghere orloghe pleghen. Dien men tgout goot in die kele. 687 machstu. Wes gherecht in allen doene Ende ghenendich ende coene! Scaemdi ooc van quaden saken! Dus moochstu goeden name maken. 168 sub iuga venisti. Oftu dit heves wel ghehoort? Vlie onsuverheit van live Ende wachti van den quaden wiven. 670 een. I. Wachti van wereliker minnen! Wertstu ghevaen in dinen sinnen. 669 ofte onsiestu. Gaut. Oftu ontsiest dinen viant. misschien te lezen van die quade wive. ontbreekt. Dat sijn de alre beste mure. Wat mach ic di segghen voort. Hevestu ene milde hant. 691 dronkescap. 680 wive. Die die mach gheven daventure. 696 lieren.18 * (Men pleechter clene nu bi daghe). 673 en gene. 666 hefstu. Pleechstu minne ende dronkenscap. Wat sal di dan enich heerscap? Hoe machtu die werelt winnen? Du best bedwongen in allen sinnen. Want altoos enghene dinc En mach bevreden den vrecken coninc. Die de werelt willen leren. 702 mochstu. 671 dalre. Ende dronkenscap dat es een graf. Dijns selves sin hi discordeert. 685 pleegstu. Als di de minne binnen verteert. Alexanders geesten . + Bestu melde over dijn broot. 679 dinen live. Ende die werelt willen dwinghen + Ende rechts pleghen in allen dinghen. 665 + VIa 1. Soe sal di wel sere tregen.

Hem dochte.19 * Hout de wet ende scelt de quade Ende wes vroet in allen rade! Laet sinken dinen grammen sin Ende verst die wrake. Ende hoe hi dlant behouden mochte. Mettien hi dien meester liet. Al en was hi niet out van jaren. 708 en̄ wes. Int herte was hi een gygant. 704 weest raede. 735 740 * 703 sceldet. Wart hi ridder in corter tijt. alse Achilles dede. 715 raede. dats ghewin! Peinse niet langhe om een quaetheit. Noch wanic dat niemen en es. Alexander onthielt ooc wel Ende peinsde dat hi niwet el En dade. Om ere hi algader dochte. Ende dijn name sal emmermere In die werelt hebben ere. Die volghen woude desen rade. 705 710 715 720 725 730 + VIb 1. 737 als. 716 ave. 726 wan ontbreekt (S crege). Want hi swoer ter selver stede Dat hi up Percen wilde striden Ende daerna in corten tiden Jeghen die werelt al ghemene. dan dat hi hem riet. + Doe hi wart so out van daghen. Hem dochte die werelt alomme ende omme Bescreven staen in sinen somme. no meer no min. Hi hads int herte groot delijt Dat hi bescermen soude sijn lant. Jacob van Maerlant. Dat was loghene enghene. hi wan altoos den seghe. 711 emmermeir. 709 leifstu dusdanen. Wes te verghevene ghereit! Leefstu al dusdane wijs. Int herte vacht hi alle weghe. Alexanders geesten . Hine was vervaert. Hi begheerde also vele te waren Te doene. Aldus sprac Aristoteles. 740 daerna] daer in S] en. Dat hie iet daer ane mesdade. Dat hi wapene mochte draghen. 723 was hi. So saltu hebben lof ende prijs. Wijch was altoos in sinen sin. 706 dats dijn gew.

Dat was een waerleke dinc. 761 Pausomase. 773 hoe] wo out was hi. Die daer also versleghen was. 776 oft. Lettel meer of min. des ghelooft. 772 waerlec. 765 Pausomas. Alexanders geesten . 768 corienten. Eer hi crone hevet ghedraghen: Hi was out achtiene jaer. Die doot en mach mi niet vervaren. volchde hi nare Ende brachte dien verrader ghevaen. Dat hi ghenesen niet en conde. Die vader sprac: ‘in wille nemmeer Drouven nu om mijn seer. + Dat was hem ene ere groot. misschien is aan Snellaerts ander voorstel de voorkeur te geven en brochtene dien vader te lezen. 751 vraegde. wat ware? Doe hijt wiste. Sp. Quam Alexander ende hoorde die liede Mesbaren ende vraechde. Nu hoort. 771 hier V] hi ioncgelinc. 752 volgde. Ende hi ooc mede ter selver stede Dien coninc Philip sere wonde. Dat sal wreken mine smerte. Soe was van al Grieken thooft Ende die beste stat. achter 744. 745 750 755 760 + VIb 2. dat hi bleef doot.20 * Sine ierste vromecheit was: Doe die coninc Pausanias Olimpiase lachter dede. Hier spien crone die jonghelinc. 765 770 775 * 743 deze regel in het hs. Daer na in wel corten stonden Starf die coninc van dien wonden. Ene stat es in Griekenlant. 744 Pausomas. Ic laete een kint na mi te waren. Ter selver tijt. 756 nu drouen sere. 769 al van grieken. 758 laet. 767 griekin.’ Mettien stac hi dor die herte Pausaniase. Die hem gaf Pausanias. Die Corinten es ghenant. Ende vinc dien Pausanias So dat hi vernomen hevet Dat Philipp sijn vader noch levet Ende brochtene voer hem te hant. de omzetting is van S aangewezen. Jacob van Maerlant. 753 en verrader S] vader. Dit was waerheit sonder waen. hoe out hi was van daghen. dat es waer. hist. doe dat ghesciede.

Dus wanic dat bescreven steet. 787 die S] di. zie hier achter de aanteekening. Dat sijn herte was binnen fier: Hem waren root beide sine lier. II. 804 al] als. + Aristotiles. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . 801 coning. 810 toende hi buten sine gedachte. Ende bi hem sine scolieren. 809 mode sachte. Alexander die jonghe coninc Sat ende mercte alle dese dinc Ende voedder sine herte mede. Entie daghen van dien jare Waren lanc ende heet. 783 ene ontbreekt. 807 En̄ om. stout ende onvervaert.21 * Het was ooc in dien wedemaent. 785 rechte. 780 entie] in die. Sat daer na met siere roede. Al was hi cranc in sine lede. Dat toochdi buten. Coene. 791 ioncge barone. Om dat si hem waren hout. 798 godert. Daer na stonden die jonghe baroene. dat eens alsmi dochte in plaats van al siin dochte gelezen werd. 790 oft daede. er stond echter waent. vgl. Die staerc waren ende coene Ende milde van haren slagen Ende wel wapen conden draghen. Die een sceptre es ghenant. Want dat coren stont in sine are. de emendatie berust op de veronderstelling. Dan met cracht of met dade. maar de eerste streep van de w is uitgeschrapt. 802 alle] alse. 391. die vroede. Dies was hem sine herte stout Ende te moede harde sochte. 805 lybart. alse mi dochte. Alle die vroeden van dien lande Stonden bi hem al te hande. 784 yvoriene. 792 strac cone. 799 gecleet waren. Ghecleet recht alse papelaerde. 808 sijn. Tesen tiden drouch hi ene crone. Also alsmen die waereit waent. 800 805 810 * 778 waent] vaent. Die bat consten vechten met rade. Ende sine oghen ende mont 780 785 790 795 + VIIa 1. Int herte was hi een liebaert. Maer onnutte waren ten swaerde. Die scone waren ende goedertieren. 786 sceptere. 797 ende S] en saten sine. Ene yvorine roede scone Hadde hi in sine rechter hant.

Dat int orloghe es goede have. 821 si. 841 beide. 838 egene. 816 mocte. Hadden si ane ende ooc porpointe. Vijfentachtich hondert heren Coos hi uut met groter eren. 843 waren ghewapent S] waepent. die alle goet Waren ten scilde enten swaerde. Hi coos daer ute jonc ende oude. Twee ende dertich dusent. 833 conincstavels. Bede met slingheren ende met boghen Conden si hare macht wel toghen. wet voor waer Dat hi was out sestich jaer. God here. Al haddi sine diere ghewaden Ende sine crone doen bestaden. 830 iersten. 832 we. Helme hadden si ende beckenele Ende selfscotte ende quarele. 823. 836 dier was XXII M. Die hen stonden wel te pointe. Alexanders geesten . Men mochte bi diere ghebare Merken. Nu es dit here wel ghescaert Ende van wapen wel bewaert. 848 quorele.: sexagenarius. 822 meede. Some wel te maten jonc. Al en hadden si enghene paerde. 829 moeten. ontbreekt. 817 hadde. Ende alle hadden si enen moet. Die ridders waren van prise goet. Daer na coos hi there te voet. hoe mi des wondert 815 820 825 + VIIa 2. de aanteekening op 1. Te vechtene ende wapene dragen. Daer hi mede orloghen woude.22 * Stoeden te lachene talre stont. 840 gode. 828 som. + Mer some waren si wel van daghen. Si waren ghewapent wel te maten: Dat men heet westfeelsce platen. wie de coninc ware. 830 835 840 845 850 * 814 stoenden te lachgene tarle. 839 drogen. 845 parpoente: poente. 825 S van. 849 dit] die. 819 dier gebaere. vgl. Some up haren eersten spronc. Bi aldus ghedaenre dinc Mochte men kinnen den coninc. Dies dar ic wel der waereit lien: So wie so daer van ere paertien Conincstavel was. 834 ·LXXX· Gaut. Gysarmen droeghen si ende stave. de rubricator plaatste eene kleine h daarvoor. 844 westfeilsce. Jacob van Maerlant.

Ende binnen hoe corten tijt hi dwanc Al dier werelt ommeganc. I. hare dorste Setten jeghen den edelen vorste. 874 tho Attenen. 886 wi S] wie. 884 Attenen. aeque miror Alexandrum. 263 quos licet armarit telo praestantior omni virtus. 857 alle. zie 4. enwetti dat.23 * Dat si met viertich dusent ende vijfhondert Al die werelt willen winnen. 871 verhoorde S] vehoerde. 865 870 875 880 885 * 854 welt men. ofte vlien. Ende hi was haerde blide ende vro. 880 hoesche. 872 lees waes? bliede. wilmen die waerheit kinnen. tam voluisse tamen supponere mundum quam potuisse sibi tam paucis milibus. 859 weltmen. 867 Attenen. Jacob van Maerlant. Dat Cerces voor Athenen sat. de r is overgeschreven hare] hiere. Die allegader Europen dwanc? Nochtan hielden wi an sinen danc 855 860 + VIIb 1. Domestoen hi riep te rade Die hoochste. Dat so lettel volcs ende een coninc Binnen twalef jaren al die lande Bedwongen hadden ende hare viande. Hi sprac di tale in Pallas kerke: ‘Ghi heren. of is te lezen even wonderlike? Gaut. die edel stede Die Cycrops eerst maken dede Bi den rade van Domestoene. 865 dierste. Dit verhoorde Macedo. 882 sprak Pallas S] Panas. Die eerste stede die. diemen vint. Nochtan. 860 volc ende S] v. Die beide fier was ende coene. Was Alexander voor die stede Ende ooc sijn here mede. 881 beide. 878 heren. Dat was Athenen. Alexanders geesten . en. Ende eer si hem mochten versien Ofte verweren. wetti. + Wilmen dan merken dies conincs doghet Ende sijn volc ende sine joghet. 868 ierst. 875 heen. 873 theere. 877 die S] di. En sijn hierjeghen niet een twint. Hi porret there metter vaert Ende voer tote Athenen waert. 861 tijden. doe hijs hadde stade. 883 ghi heren S] gi hi h. 856 lettel] veil. 1204. 864 heeriegen dwint. So waest een wonderliker dinc. Alle die orlogen. 855 wast ene wondelike. Bede poorters ende clerke.

893 domestoen. Noch so sullen wijt ane vaen. 910 hen. Die jonghelinghe quamen voort.’ Hier binnen onderseinden si boden. 917 Attenen. 927 sconre. sprac hi. + Had sine willen ontfaen met minnen Ende over haren here bekinnen Sonder wapen met scoonre tale. alset sinen vader Philip te voren hadde ghedaen. Doe porredi danen harde saen Te Teben vore die oude poort. 916 haer. Sijn doen dats rechte maer een wint. 898 geweist. Ende si anderen here niene hilden. 890 + VIIb 2. Wi hebben ghesijn nu ende echt Sinen voorders onderdaen.’ Alse Domestoen dit seide aldus. Orloghe ende strijt es emmer quaet. Alexander was goedertieren Ende vergaf hem allen sciere Sinen groten tornen moet. 889 selen. 904 als. 888 seldi. 926 en.24 * Jeghen hem die vaste poort. Alexanders geesten . 895 900 905 910 915 920 925 + VIIIa 1. Hi liet die clerke ter scolen gaen Ende die stat al onghevaen Ende die scepe varen uut ende in Ende souken hare ghewin. Hi scout Domestoene sere. Jacob van Maerlant. Wi sullen wederstaen dit kint. 890 recht mer. 896 sprac. Twi verliesen wi dese stede? En es niet so goet alse vrede. ‘En. 915 voren. Salmen doen minen raet. Suldi werken na mine woort. 900 selen. Die poorten sloten si jeghen den here. Alse Athenen hem algader Diende. Dat scade hem sint harde sere. 921 voere. Dat hi jeghen sinen here Wilde houden eneghen strijt. 913 die S] di. Ende si sworen bi haren goden Dat si altoos hem dienen wilden. * 887 Igen. + Doe andwoorde hem Encinus. ‘enghenen tijt Goet orloghen jeghen recht. 891 als. es’. Want hi was te biddene goet.

941 hier. S vanden sonen Polimites. 930 qwijt. hine const ghedoghen Ende stac uut beide sine oghen. 959 vanden. Doe hijt wiste. 961 S in. 944 wonden. dat sine smaecten Ende sine wapene ende cracht.25 * Alse hem hadde betemet wale. Ende om dat sine onweert maecten. Jacob van Maerlant. + Ende dander hiet Etiocles. 965 romans. Ende hare orloghe moesten becopen Al die lande van Europen’. Mettien quamen die baroene Van den lande ende seiden dat. diemen weet. Nochtan was dat niet quaets ghenoech: Siere moeder nam hi te wive Ende wan bi haren live Twee twillinge. eer hi staerf. 932 wast. Die coninc hi was saen beraden. 964 alle. Ende dicke hebben sise versleghen Ende hare stat ghehouden der jeghen. Men vint bescreven aldus: ‘Het was een coninc. Alexanders geesten . Men street daer beide dach ende nacht. Die sinen vader te doot sloech. Waest goet recht. Men leest in romansc noch heden Dat si onderlinghe streden. Deen van dien hiet Polinices. 934 nacht en̄ dach. Dat daer woonden in die stat. Nochtan baedsi ghene ghenaden. 951 ter. Dese dinc ende dese moort 930 935 940 945 950 955 960 + VIIIa 2. Bi aventuren si waren tien stonden Van orloghen quite vonden. ontbrėekt. Die quaetste scalke. Ooc hadden si die Grieken leet. Die van Theben waren mesmaect Ende so ghewont ende so gheraect. Si daden hem in dese poort Onderlinghe meneghe moort. hiet Ydipus. 958 sijn. 957 wiste S] wijste const] en̄ conste. 937 behoudelike. 965 * 928 als. 945 quaeste. Dat si behouden haren leven Gherne hadden die stat upgheven. Wat hiere mede hadde te doene. Maer nochtan tere waerf. 938 die S] di op gegeven.

1006 vier. 975 mochtense. 980 quarelen vyt. Si scuulden daer in haghedochten. 995 1000 1005 * 970 dat sijt. ‘Gheweldech here Alexander. + Het was alleens. 979 brachtmen. 999 tieben. Jacob van Maerlant. Doe die coninc aldus scaerpe Alle die van Teben dwanc. out. Die van Grieken braken die mure Ende quamenre ghelopen dure. engheen ander. Hiet Cleades. 970 975 980 985 990 + VIIIb 1. 982 hoeft. Ende dede ten assaute varen Ene scare van dertienhondert up orsse. clene ende groot. daer dure. 978 taertschen. Doe quamen die voetganghers fel Met taertscen overdect wel. Sanc hi den coninc desen sanc. Doe dit die baroene telden. Want sine mochtse niet verdriven. Alexanders geesten . 981 some. Die van Teben verloren die beste. Daer vant menech quade aventure.26 * Es ghesciet in dese poort. Si doen ons al dat verstaen. Dien die sterren sijn onderdaen. die binnen Teben waren. Dattu sals hebben haestelike Die viere houke van ertrike. 988 daer in S] in daer. Peinsde Alexander dat ontghelden Souden. Si sloeghen algader doot Jonc. Doe brachtemen die evenhoghen Daer vele quarele ute vloghen. Som was tfolc verdect met scilden. Nochtan deden sire vele bliven. 994 volchde. Aldus ghinc men ten mure. 991 ter doet. Die si boven hare hovet hilden. Ende daden der stede grote porsse. 995 neuwe. 1002 best S] beest. Die van wonden ontflien mochten. 993 quamen gel. 972 dede tfolc. Du best alleene. wijf ende man. Mettien volghede daeran Die nieuwe coninc Alexander Ende met hem noch een ander. met ere haerpe. Met piken braken si die veste.

1027 doet. Die boeke doen ooc ghewach. Datti dijn meester leerde weten. Senden die van Rome saen Emulium haren bode 1010 1015 1020 1025 + VIIIb 2. Dien men in Europen sach. 1022 meiste. Ende oftu emmer tfolc wils doden. ende al die stede + Leestmen dat Cadmus maken dede. Anfioen maecte sekerlike Desen mure. Jacob van Maerlant. rex. 334 tune hanc. Dien eersten wijngart plantte hi. 1025 en. Dat Hercules hier was gheboren. Dat rike mach niet sijn ghestade. 1038 slecten. Maer die coninc hi gheboot Dat ment al sloughe te doot. Alexanders geesten . Verwonnen lieden doe ghenaden. Daer na gheboot hi den knechten Dat si die mure souden slechten. Wes genadech doch dien goden Ende dien kerken van dier poort!’ Dus ende Cleades sine woort. Die dlant dwanc van Endi. 1021 ercules heir oec. die vroede. funditus urbem exitio delere paras? 1018 wijngart S] wigart. Gautier I.27 * Hevestu nu al dat vergheten. Dienmen vant in ertrike. 1045 boede. Daer men vecht sonder ghenade. 1044 romen. Ende hi dlant hadde in sine ghewelt. Die was die meeste vele te voren. 1015 misschien ontbreekt er een bijwoord. 1042 in S] en. Dattu souts met sachten moede Dine gramscap laten sinken? En woutu niet daeromme dinken? Peinse doch om dijns meesters woort! Waer omme woutu dese poort Testoren aldus? Hier was gheboren Liberbacus. 1024 anfloen. 1014 woltu. 1030 1035 1040 1045 * 1012 en̄ wouldu. 1034 sinen. Ende hem ooc was al onderdaen. Doe dede hi verbernen sciere Al die stat met griexen viere Doe hi Teben hadde ghevelt. Aristotiles. 1013 omme meisters. Ende onverwonnen saltu scaden.

+ Selve dede hi scepe laden Met wapen ende met dieren ghewaden. 1057 heit si. Gaut. Dat wonderlike te hoorne was. Owi. Die hoorne maecten selke gheblas. segregat. dien ertscen gode. Hoe dat hi noit was so coene. 1065 ·XVI· Gautier I. 352 minus ergo peritos armorum. Die bloot waren ende van cranker were. Met so cranker herecracht Jeghen algader Daris macht. 1053 bedie S van sijn here. Beide met dranke ende met spisen. Alexanders geesten . nisi ter senarius obstet. Daer riep menech: ‘owi! owach!’ Ende daer na was groot hantgheslach. In het volgende vers zou was het metrum vloeiender maken. Doe si die havene begonden rumen. 1080 daer. hoe macht sijn.. Vloghen si ghelike ere plumen. 1055 namen. Dan tweehondert. 1069 her cracht. Bedi sciet hi sijn here. beter zou ik misschien cleenre namen geschreven hebben.. 1081 lees god here? Jacob van Maerlant. Diere wildi al ontbaren Ende hietse in Grieken bliven. Te vaerne te Darise waert. navigii numerum quinquagenarius aequat.28 * An Alexander. 1048 een scoen. Ende gaven hem die roomsce crone. Hi besette Grieken lant Ende ghereide al te hant Tote Asien sine vaert.. I. 1049 hie. Siere scepe en waren nemmee. achttiene min. Wonder hebbic in minen sin. misschien is weder in te lasschen. 357: namque quater ductus. Misschien echter is eene verandering overbodig. 1071 hauen begonsten te rumen. Ende die van cleinen name waren. 1050 1055 1060 + IXa 1. Dit was ene ghifte scone. Dat si helpen souden den wiven. 1072 gelijc. 1068 prouetshe. Hare herte seide hem te waren Datter lettel soude ontfaren Ende van allen groten heren Dare lettel souden keren. Dat hi provetsce stont te doene. 1065 1070 1075 1080 * 1046 aen erntschen. Dat altoos in ghere wisen Hem en ghebrake up die see. 1051 Asien S] ansien. here god. uut sinen here zou de voorkeur verdienen. 1074 horen.

1114 die stauen. sonder waen. Der moeder sorghe leide hi neder. Al dademene in een waerme mute. Jacob van Maerlant. Nochtan stoeden si upt boort Ende saghen weder te lande. Hem dochte de seil te lettel doen Ende dede sine liede roen. die Asien sach. Die Tsampanoise Tsampanien. Maer Alexander. I. 1112 allegader. Daer hi in hevet grote ghewout. Ic waens hem daerbi heeft ghedocht. 1109 en ontbreekt. Ende die berghe van Cilicia. 1096 der gedacht. 1095 groet bruxambacht. Bedi prijst hijt te voren. 1100 niet sagen bliken. 1105 hare. hi vlieghet ute. Die blijscap ghinc hem so na. 1108 niet S] met sinen. alse Bruxambocht. + Mach hi. Die hadde so groten sin torloghen. 1092 vleget. 377 solus ab Inachits declinat lumina terris effrenus Macedo. Dat hi altoos niet sine oghen Te lande en wilde keren weder. Maerlant seide dat hi noit en vant Also goet lant. Die hi algader achter hem liet. Also mint die voghel dwout. Dat hi cume spreken mochte. Gaut. Alsi niet meer en saghen vlieken Dien rooc van haers selfs poort. 1097 bedi S] beidi lees als te voren? 1099 wast. Aldus so waest bi den Grieken. 1113 ansien. Up sine twee suster en achte hi niet. 1095 1100 1105 1110 1115 1120 * 1088 tsampadise. Ende hem was te moede so sochte. Dus priset elkerlijc sijn lant.29 * Dat elken minsce int herte sijn So soete dunct sijns selves lant? Die Brabantsoen prijst Brabant Ende die Fransois Vrankerike. 1116 bliscap. Die Baertoene prisen Baertanien. Daer hi up dien stevene lach. Die Duutsce dat keyserrike. Om dat hiere in was gheboren. 1110 hi ontbreekt. 1094 Maerlant] maer z. Dor al dat si met ghenen viande Haers ondanx en waren ghevaen. 1085 1090 + IXa 2. Alexanders geesten . 1090 groet. de inleiding. Hi was die ierste.

daer si waren. Jacob van Maerlant. dat hi dede toren Dien coninc Clause van Atervaen. 1129 scote anker. + Doe riepen sine ghesellen alle Dat wel gheleke goeden ghevalle. Hi seide dat onder dien dach Enghene ware so volmaect. 1138 wer. 1152 maghet] ionfer. Men sloech te hant die pauwelioene Up ene plaetse. 1156 scoen. Alexanders geesten . Die wachteren spraken onderlinghe Omme menegherande dinghe Ende corten haren langhen nacht. Ende men warp die bote voort. Cortelike daer na te waren Sende die vrouwe van Endi Ene maghet hovesch ende vri. Ende hi hadden verwonnen saen In een prijchspel. 1140 om. 1122 slinger. die was groene. 1125 + IXb 1. 1132 groen. Ende daer na wilden si slapen gaen. So wie diese met oghen sach. Daer na ghingen si eten saen. Dat men in dien daghe heden Niet en vonde hare ghelike. 1139 wechter. 1147 dien S] die. 1146 toren S] coren. dat het stac Int sant. Si maecten een groot gheluut Ende daden hare wapen uut. 1133 geluyt: uyt. 1125 geen sper. 1143 van einre av. Doe was een ridder daer bedacht Ere avonturen. So scone was soe sekerlike. 1159 waer. So volmaect van allen leden. 1155 haer. 1137 dat heer.30 * Doe hem dlant so na sceen. Die hem ghesciet was te voren. Nam hi een spere in sine hant Ende scoot ghoont spere. 1145 hiem ghesciet en was moeten misschien van plaats veranderen. 1130 1135 1140 1145 1150 1155 * 1121 scein. ende dattie eerde brac. 1130 boten. Tien tiden. Dat een slinghere enen steen Ghewerpen mochte upt lant. Doe hiet die coninc wachten there Met ridders van groter were. 1131 paulione. die hi vertelde Van Alexandere daer upten velde. 1124 he sper. Men scoot die ankere buten die boort.

hem al openbare. aene. 1182 her wandelen. 1177 haer. Mercte hi wat an hare ghelach Ende ondervant met siere liste 1170 Want hi vele wijsheiden wiste Dat soe oit was upghehouden Van haerre joncheit tot haerre ouden Met serpenten ende met venine. + IXb 2. Alse Aristotiles dit ane sach. 1168 haer. Doe die sonne begonde risen. 1185 haer. 1175 Ende toghet. + Xa 1. misschien beteekent dit omzetting van dezen en den volgenden regel. 1179 waer. * 1160 tho. Die leewerke. een †. 1195 Hi ghinc uut dien pauwelioene Ende met hem menech ridder coene. 1162 conste si s. 1195 uyt pauleione. 1166 cnapen. 1194 begonste te. 1188 vogel. 1190 Als Alexander dat verstaet. 1165 tiere. 1178 hine en. 1183 begonste te. 1169 vóor dit vers heeft het hs. Hi deedse sinen cnape vrien. So dat hi up was ghestaen + Ende ghecleet na conincs wisen. Dat soe hare botscap wale Conde segghen in griexer tale. Ende ooc menich coene serjant. 1197 coen sariant. Tote dat begonde daghen. 1180 en S] en̄ hadde. 1175 oppenbare. 1191 veert. 1180 En hadt sijn meester niet ondervonden. Doe die ridders dat versaghen 1185 Ghincsi in hare tenten slapen Ende hieten wachten hare knapen. Ende ghinghen om dat here wanderen. Hadde hi met hare te doene. Hine ware steendoot eer noene. Dit sprac deen toten anderen. Alexanders geesten . Jacob van Maerlant. Dus ware die coninc doot tien stonden. Het zou ook best gaan. Dat niemen so staerc en ware. die nachtegale Ende ander voghele songhen wale. Vaert hi up ende cleede hem saen. Hi deet dien coninc wel in scine. Alexander wart bevaen Met haerre minnen ende soudse saen 1165 Hebben ontfaen tere amien. 1167 als dit ar. Doe si saghen die dagheraet. 1163 Alex' hi.31 * 1160 +Daer toe was soe so welgheraect.

32 * Hi clam up enen berch tehant. Doe sprac hi ter selver stede: ‘Lieve ghesellen. Jacob van Maerlant. Dies was te meerre sijn jolijt. Dat ghevic u up algader. Ende Macedo. Daer leghet dat oude Troien na. 1216 logen. 1237 troien was daer so bi. 1232 sine. Daer si Asien mochten sien. Alse Alexander die Ciliciene Hadde bedwonghen. 1230 1235 * 1203 praiorie. Brachte dlant in sulken sorghen. Asia es wel mijn ghevouch. + Ende die hem niene woude ontfaen. Ic later mi ghepait mede. Dat si hem steden ende borghen Al up gaven sonder strijt. 1228 wouden. 1219 ane. Europen ende mijn erflijchede Ende dlant. 1210 europin.’ Dit sprac hi ende met milder hant Gaf hijt dien heren al te hant. het es ghenouch. Dat en was loghene enghene. Doe brac men up die pauwelioene. Dat hi gherne nam die vaerde. Dede hi there vorweert telden In dat lant van Frigia. Hi keerde hem omme ende sach mettien Dat coren up die campanien Ende die bossce up die montanien Ende ooc meneghe praierie Ende meneghe stede vrie Ende meneghen wingaert mede. Ende Troien so was bi 1200 1205 1210 1215 1220 1225 + Xa 2. 1226 dies S] dijs. so dat siene Over haren here helden. dat mi liet mijn vader. 1234 dat her. Alexanders geesten . Dat hi waende sijn ghewin Hebben an dlant. Dus onvervaert was sijn sin. 1208 mijn S] min. Ende si ontfinghent daer te lene. Hi hiet dat ment niet roven en soude. 1221 paulione. 1223 selken. dat hi woude. Dan hise met crachte hadde bestaen. 1231 cilicuine. 1233 heren heilden. Die sloech hi ende dwanc so haerde. die deghen coene.

Daer at quam ghint groot ongheval. I. of ik het juiste gevonden heb. Daer waren wilen die parlemente Tusscen die Grieken ende die Troiiene. 1250 sijn lijf. ghinc hi mettien Daer die ridderen van groten prise Laghen begraven in hare wise. 453 volgg. Aldaer vant Alexander. Het is onzeker. Jacob van Maerlant. Men mocht merken vele te bat Dat wilen was een grote stat.33 * Ene riviere. Doch sach wel die coninc Dat wilen niene was clene. Staende enen ouden popeliere Daer Paris in hadde bescreven Die minne. Hoe dat si waren bleven. Parijs. die hi hadde bedreven Met Ennones. 1257 schoenster. Die heet in fransois Clarente. Alexanders geesten . Die talre eerst was sine amie. 1241 troine: sine. Daeromme was sider al dat lant + Ende Troien ghestoort ooc al. 1262 ghint] oyth. die fiere. 1240 1245 1250 1255 1260 + Xb 1. die vrie. Daer menich tlijf om verloos. 1263 cleen. 1274 misschien hoedane wijs si of welke wijs si. 1253 thuyssen. 1275 dat haer. 1254 iuno die scoen was. noemt alleen Ilion en Idaeos saltus. 1265 1270 1275 * 1238 op een riuere. 1265 lees so clene? 1266 vůele steen. Want daer inne bescreven stoet. Dit was om enen appel goet. Gaf Venus dien appel in die hant. 1248 eersten. hiet Santi. Daer die werringhe in was al Tusscen Venus ende Pallas Ende Juno. wie die scoonste was. 1251 ein. Hier beneden was een dal. 1259 misschien gaffene in plaats van gaf dien appel. 1246 de. Ende hoe hare namen waren. die dat sceiden woude. Want daer laghen so vele stene. Daer waren wilen ridders siene. Gaut. Nu es Troien een clene dinc. 1240 parlimente. Up dat graf stont bescreven. Doe Alexander hadde besien Troien. Eer hi Elenam vercoos. Dat menne der scoonster gheven soude.

Ende alse ic bem in eertrike Enich prince gheweldelike. Die hi ant graf hevet vonden. 1311 as mer. Aldaer die werelt mijn es worden. Dat dunct mi die alre meeste. . Daer hi Achilles graf sach staen. 1298 omereus die selc. Gautier I. 1293 omereus die. den staercsten van dien rike. daer hi was bloot. 1309 als ic bin. Woude mi god also beraden. sulc werc Makede van dinen daden.. 1297 selc. 1310 einnich geweldeclike. Bi den litteren kinde hijt saen.. 1306 daer dat si. diere stonden: ‘Achilles. 1279 aen tgraf. 1303 alse. edel man. 1302 sulge.34 * Mettien so quam hi ghevaren. 1282 edel. S als alle] alle. Dat welctijt so ic doot bleve. scotene. Al van daer die sonne up staet Tote daer soe neder gaet Ende van dien suden totien norden. Doe so sprac hi dese tale. Alexanders geesten . 1295 1300 1305 1310 * 1276 qwam. Al verwonstu ooc sekerlike Hectore. Hi begoot met melke deerde Ende wirokede haerde weerde. Jacob van Maerlant. 1304 geit ende] inde. 1286 behaegde. Also alse maer een sonne en es: Nochtan ontsie ic mi al des Dat mi na dit grote gheval.doot Onder den voet. Dat Omerus screef dine geeste. 1280 diere] die daer. Dus spraken die littren. 1283 en̄ men schotene weder doot. 1305 op gaet. 1290 seghen. 1300 wuolde... 1289 doen sprac.’ Doe dat sach die jonghelinc. 1294 meiste. Die ic mach gheseghen wale: Ey. incantus inermis occubui Paridis traiectus arundine plantas.. Alse Omerus was. 473: clam.. 1280 1285 1290 + Xb 2. Leghet hier. Hets meerre ere dat sulc een clerc. men mach wel prisen + Dine aventure in elker wisen... die edele man. Wel behaghede hem dese dinc. die Hector verwan.. Sulc een cleerc mine daet bescreve! Alse de werelt durenture Mine wet gheet ende mine cure.

1345 en̄ daer tho. + Waer bij mijn troost es so goet.35 * Een scrivere ghebreken sal. 1328 mich sus verhugen. sonder waen. Alexanders geesten . Na pine comet goet gheval. Ende Grieken was in groter noot Ende ic die crone hadde ontfaen. Siet dat soe u niet en verdrivet! Die niet besuert. Enwistic doe wat vanghen an. In wiste wat eerste ane vaen. Jacob van Maerlant. Ende wat mi dus verhoghen doet. Al es soe fel die aventure. 1324 die] en̄. 1331 ich croen. 1344 camer. Hoort wat ic u seghen sal. 1315 1320 1325 + XIa 1. So bescermen mine lande. niet besoet. Die altoos niet ghestade en blivet. 1325 en̄ na. 1342 een. 1330 1335 1340 1345 1350 * 1314 scriuer. Een hemelsch man dochter mi comen Mochtic hem man bi orlove nomen Die vremde cleder hadde an. Van anxene swetic sekerlike. 1348 angste. 1316 warne. Omtrent midnacht. niet en boet. Weder so volghen mine viande. Daer ic in die camere was Ende ic selve toe ghesach. 516: hominem si dicere fas est. Maer ic was in sulker sorghe: Om dat ic was een nuwe man. Mine ridders sliepen achter borghe. Die niet mesdoet. Die nacht teghinc alse een ghedwas. Edele Grieken. Gautier I. Dat u dit wert te sure. 1334 meingen. Lach ic in mine kemenade Ende was in meneghen rade. nu hoort na mi! Siet dat u niet leet en si. 1319 werdet. 1315 ich were leuer. Ic wane tlicht was van hemelrike. 1335 slepen. 1332 midnacht S] middach. 1336 mer ich. Dan te vaerne int paradijs. 1350 man ontbreekt. So dochte mi worden dach. Die ic ghenomen niet en can. Ic ware mi des liever wijs. 1349 dochmi daer. 1341 ierste an. Doe mijn vader was onlanghe doot. Mettien quam ene claerheit saen.

1366 geen schaem. Ende vare uut dinen lande dan. z. Dat hi ghecleet was. 1379 mer ierst. 1370 tforhoeft. 1367 S die ontbreekt nien en. Ene goutspanghe vor tforhovet. Ende wat hi woude. 1382 dijne. Te middewaerde in sijn voorhooft Stoet bescreven. 1377 wolde en̄ wan hi qwaeme. en doe hem niet!’ Ende mettien hi van mi sciet. noch m. Maert dochte mi sonder waen. Alexanders geesten . Die sere lichten al ghemene. 1375 actinghe oppenbaere. 1359 golde důre. 1364 een naem. 1357 scone golde. Sine scoen waren beleit met goude. Vor die borst haddi twalef stene. 1354 maert] mer. Dat es mijn volc. + Een soom van goude diere ende goet Beneden omme sijn cleder stoet. Maer hi sprac eerst te mi waert Ende seide: ‘ghereide dine vaert. Ende hi was grau van scoonre oude. dies ghelooft. Ene crone stont up sijn hovet. Jacob van Maerlant. dedi die sale 1355 1360 + XIa 2. dat die werelt hout.36 * So menegherande waren si ghedaen. 1389 alle die wege vor die sale.. 1363 middewerden vorhoft. 1369 croen.. 1362 sier lichten alle gemeinne. Te vraghene. min no mere. Alse ic u seghe.. 1380 dijn. Omt haer ghinc hem een soom van goude. Bedi dat gheen griex en was. Aldus was die grote here. 1374 noch m. Alse hi en weghe voer. machtich man. 1383 dijn. Also alse hijt selve woude. ende wanen hi quame. Ic hadde achtinghe openbare. 1372 scoender. Dac ic die litteren niene ghelas. Ic sal di gheven in dine ghewout Al tfolc. 1365 1370 1375 1380 1385 * 1353 mengerhande. So waer dattu in eertrike Enen sies in mine ghelike. 1386 mijn. 1361 vůr die borste hadde XII steen. 1358 als seluen wolde. Ende hoe dat ware sine name. Alexander. Met vier litteren ene name. wie dat hi ware. 1355 dat hi gecleet was al gaere. Mer en was mi ghene scame. de aant. 1356 waer.ghegare Alse ocht eens jodenbisscop ware. 1378 we dat were sijn.

1400 gewalt. Alexanders geesten . 536: discedensque domum miro perfudit odore. Gautier I. Dit es die sake die mi doet So blide sijn in minen moet. 1394 gelogieirt.37 * 1390 Rieken utermaten wale. Jacob van Maerlant. Dat sprac hi met groter joien. Want die rime es al goet. + Daer hi ghelogiert lach bi Troien. 1397 prinse. So wiere an naide enen douc Van valscher rimen. + XIb 1. 1399 ocht S bode. Dus nemet inde deerste bouc. 1401 dierste. ontbreekt. die daer quam. Want hi waest selve sekerlike Ofte sijn bode. hi mesdoet. 1400 Daer hi de ghewelt af nam. 1398 wast. 1395 Dus machmen merken wel te voren Dat hi van gode was vercoren. * 1390 rikende uyterm. Prince te sine van al eertrike.

Dat ieman sijn sceren hilde. Daris was gheweldich ende rike. 18 plags. * 1 hier enbinnen. Hi dochtes mi luttel hebben te voren. omdat hi niet en wilde. 16 endochs. wilmen die waerheit horen. 2 oppenbare. Ende sprac haerde hoghe tale. + XIb 2. 30 hervart. Ende langhe haddi sekerlike In groter weelden ende met vreden Sijn lant ghehouden ende sijn steden. Al was sine name hoghe. 15 tho. 5 10 15 20 25 30 Hier binnen quam die niemare Vor Darise al openbare Dat Alexander ware int lant Ende hijt al dwonghe metter hant. Want hi mocht volbringhen wale. 29 ghebeden. 26 vaer. 7 welden. 13 coninc was. So en dochtes hem niet wel belaghen Dat hi te stride moeste riden. 21 sijn. Ende hi ooc meer prijs hadde ontfaen Ende daer toe ouder was van daghen. Bedi. 3 waer. Nochtan. Om dat hi wesen soude in vare. 4 allet. Jacob van Maerlant. 20 dochts. Alexanders geesten . Ende dede int lant ghebieden Herevaert al sinen lieden. Sijn herte en wilde gheen orloghe. 19 bedie. 24 scheren. Al was meerre sijn conincrike Ende bat ghewapent sekerlike Ende ooc riker van groten goude Ende ooc bat met ghewoude Menech coninc onderdaen. wilt men. 25 dreigde hi oppenbare.38 *Dander bouc. Dreighedi den coninc openbare. + Want hine plaechs in langhen tiden.

Die beste die tien tiden saten Tusschen der see ende Eufraten. du enbes gheen man. 50 ensprinc S] en̄ spr. du bes een kint. 61 breidelkin. dollen. Hi ontbiet met sinen bode Alexandere. Enen bigordel sindic di mede. 53 vrocht. Dats te dinen behouf een breidelkijn. Hi gaf hem selven groten prijs. Laet dine wapen. 69 moegs. Ic sende di. 67 sinde ich dir. Jacob van Maerlant. Die te diere kintsceit es goet. Want hi sprac in derre wijs: ‘Daris die draeghet die hoochste crone Boven allen coninghen te lone. 33 besten. Ende die ooc maech es alre gode. vgl. 49 bistu. Die selden gherne suver was. Al bestu dapper ende jonc. die hem niet en scaemt. die noch niet es ripe. Dattu teringhe te derre stede Hebben moghes ende broot. 163. Of ic sal di als een paert driven.39 * Ses hondert dusentich baroene Wel ghewapent ende coene. Hi es dul. 43 daris dreget die hoegste croen. Ic sinde di mede ooc enen stoet. 62 onderdanech. Dattu mi onderdaen salt sijn Ende in minen dienste bliven. 2. 35 40 45 50 + XIIa 1. Die vrucht. 65 ich. 45 aller. Sende Daris een saluut Tote Alexander. Die es quaet ghepluct van siere pipe. om dat hi wilde. Ensprinc niet enen dullen spronc + Ende wes te pijnlec niet een twint! Du wasses noch. 57 en̄ ganc. Met dulheiden daetstuse an Ganc tot dijnre moeder Olimpias. datti bat betaemt. 66 dienre kintsheit. 34 tuyssen. 54 sinre. sinen cnechte. Dede hi met Mennone varen Jeghen Alexanders scaren. Dat menne over machtich hilde. 55 en bist. Dat hi verdient heeft te rechte. Alse dit volc aldus trac uut. 51 ein. 63 in S] en. 55 60 65 * 31 seven důsentich. 32 coen. 39 totte. Alexanders geesten . 64 ich sal dich. 47 knechte. 68 tote dierre.

88 vytter m. si. + Daer du en salt sonne sien no mane. Dattu liever heefs dinen viant. 80 mer mer verwůeden.’ 85 Dus nam ende sijn saluut. 76 heifs. naar Snellaerts uitgave juist zoo verbeterd als ik het bij de collatie in het hs. Ende men laest al over luut. Doe Alexander dat vernam. 94 begonst te s. 72 dit vers had Verwijs t. 90 Doe peisde hi dat dat ghedreech Luttel goet hem mochte scaden. Doe antworde hi met staden Den heren. 100 Die mijn sal sijn in corter stont. 95 Aldus sprac hi totien lieden: ‘Hoort! ic sal u bet bedieden. 78 hůere ich. 105 Wat dit bigordel bediet. 96 hůert uch bas bedůden. Ende du liever heefs den strijt Ende orloghe. 104 gelijch oft w. Ghelike of si waren peerde. wat ic di segghe mede: Jeghen di en sal gheen goet man vechten. 99 de] di rvnt: stvnt. 103 dw. 80 Maer quaden verwoeden knechten Sal ic di so sere doen blouwen. pl. 101 bedůyt ich. Wat betekent uwes heren present: Die bal es ront al ommetrent: Dat bediet de werelt ront. 75 Dan dinen vrient in alre tijt. Jacob van Maerlant.a. Datti sal dijn leven rouwen. 90 pijsde. z. Want hem sijn moet begonde sochten. 98 runt al omtrent. * 70 sone en bl. Ende werpen di na minen wane. So hore. 86 last. die dat saluut brochten. de aanteekening. 97 vyrs present. Alexanders geesten . 89 en luttelken. Wart hi utermaten gram Ende een luttelkijn hi doe sweech. deze en de voorgaande regel zijn denkelijk om te zetten.40 * 70 So enblijfstu niet van hongher doot. danne vrede. 83 waen: maen. 93 die] de. 102 zijden. 92 antwerde. + XIIa 2. 77 dan. Die breidel bediet. aantrof. Bestu so keytijf ende dul Enter riesheit so vul Ende int herte so premant. 95 sprach he zo dien luden. 84 sonne sien] sein sonne noch. dat ic sal riden Up die Persen in corten tiden Ende dwinghense met minen sweerde. 105 bigurdel bediet. 91 goeds.

139 we here. vgl. Hier en mochtment niet volbringhen. nochtan hi dede Alstie ghene. 132 ter] zo. 128 woulde durrent. Jacob van Maerlant. 136 ich en soůdese al niet bi.’ Doe dedi weder scriven dat Ende hingher sinen seghel an Ende sandet weder den hoghen man. 117 een riueir heit grannike.41 * Dat en sal achterbliven niet: Ic sal hebben allen Daris scat. Si quamen daer met groten prighe. 127 als de gein die auent. 142 en̄ hi met zo sein. 110 115 + XIIb 1. Al en seidic anders niet dit jaer. 109 heincker. achter 136 ich soults come. Doe Daris ter Eufraten quam Endi met toesiene vernam. 118 bleef dat gemeinneclike. zijt. 124 leide mere dede eim. Cortelike na deser tijt Was een die bitterlijkste strijt + Tusscen Alexander ende Mennoene. die die aventure Prouven woude durenture. 111 silver en̄ golt. 141 ter] zo. 114 een ontbreekt bitterlichste. hiet Granike. Ende ghereide sine vaert Met haesten ter Eufraten waert. Daer bleef dat volc ghemenelike Met Mennoene. dien edelen here. Ende Darise quam die niemare Dat Mennoen versleghen ware Ende al dat hi met hem brachte. Die mare dede hem onsachte Van hem ende van den ridders mede. Al was hi droeve. Alexander hadde daer die ere. Den boden gaf hi selver ende gout Ende dede hem ere menichfout. 121 qwam niemere: were. Ic soudes cume te voren comen. Hoe hare aventuren ghinghen. 118 met ontbreekt die edel lantsheirre. Dit was up dien velde groene Up ene riviere. So menich edel man was daer. 130 strijde. 129 lůde. Alexanders geesten . Die men in den strijt sal nomen. 112 hen menich volt. 135 deze regel in het hs. Hi dede sine liede comen. Die men sal nomen in dien wighe. 113 kort. In soudese al bi namen nomen. 126 nochtan S] nottan he. 120 125 130 135 140 * 107 ich hauen alle schat. 169 volgg.

163 VI M volcs. dat Daris helt. lees te eerst? 150 he meinge. Doe hi verwan meneghe stede. 166 dat was] al wast. 150 155 160 165 170 175 * 145 verheif sere sijn. daer Midas Wilen eer coninc up was. 153 bleef hoer so veel. Dat hi ontsach herde sere. 169 cleen. 2. Gaut. Ooc wan hi ter selver stede Die rike borch. Ik zag geen beter middel om eenen goeden zin te herstellen. Ende daer so menich scare hilt. Jeghen die Grieken.fudit Al. 174 eer ontbreekt. Midas was so dorerike. 66 milia nobilium sexcenta virorum. 157 her. 151 hieren. 67: quos licet inferior numero. 160 eerst] tiersten. dan door de twee eerste woorden van de twee regels 166 en 168 te ruilen. Verhief hi sere sinen moet. 167 geschede. 147 zalte. Gautier 2. Dat was wonderlike dinc. 161 griexen. Alse wilen Cerces dede. 152 da gezalt. Nochtan so blevere so vele. 177 wat dat. 2. de aanteekening van Snellaert op deze plaats. vgl.42 * Dat daer was so menich scilt. So wat hi hadde in de hant. 145 + XIIb 2. c Jacob van Maerlant. 148 tiersten. Vijvendertich hondert dusent heren Waren daer ghetelt met eren.. 168 dat was wer hi hadde. dat sise borghen Moesten jeghen dat griexe here. 146 ich waen nien. cleene ende groot Slouch hi al te gader doot Ende Mennoene den here mede. Edele ridders ende coene. Alse ic u eerst hebbe ghetelt. 52 elatus animo. Alexanders geesten . 155 beualsi.. 175 dor rike. Ic wane. Dat was doe hi dede varen Seshondert dusent met Mennoene. 164 edel. 159 dat ierste orlog heilt. Dat men seide sekerlike. Jonc ende out. 171 en heren. Teersten dat die dach upvaert.. die coene waren. Misschien is ook hem in te lasschen en sijn te behouden. 173 rike S] rieke. hem dochte Dat mense niet ghetellen mochte. Teerste orloghe. hi anders niene doet. + Dan hi tfolc telde metter vaert. Dat daer tien tiden ghesciede: Al waest dat hi hadde min liede. Gaut. Hi bevalse met groter sorghen Sinen goden. Up Alexander den jonghelinc.

Die vele last mochte draghen. 204 here (S heer) wesen S] heir. Datmen niemene en mochte vinden. z.’ Dit sprac hi ende trac uut sijn swaert + Ende sneet ontwee ter vaert 180 + XIIIa 1. Die men heet bi rechter namen Narvel ende Oceanus. Sprac hi ‘in can niet ghemicken. Daer comen twee seen te samen. Hoe ic dit soude ontstricken. Binder salen steet Jupiters kerke Groot ende van starken ghewerke. Was hi in den wille bevaen. het es al om niet’. Gordia hiet wilen de sale + Dat vint men bescreven wale Ende nu te tiden heet soe Sardis. w. Hine soude wel saen daerna Here wesen van al Asia. ‘Ghesellen. Alexanders geesten . So menegherande was sijn loop. Een fluvie. So dat hiere an begonde trecken. daer si worden een. 207 hi kn. Doe hi sach dat niet en diet. de aant. hadde? 206 wil. Het was over menech jaer In die stede voreseit aldaer. Doe Alexander dat hadde verstaen. 196 meingerh. * 179 di. ontstricken. So wie so den knoop ontcnochte. 185 zee. Dat hi den knoop woude ontstrecken. 199 meinich 200 vorseit. Dit vint men wel dat waer is. 182 es. 215 entwe veert: swert. 195 aen heinc die vreimde knop. Jacob van Maerlant. 208 mer hi begonder aen te tr. 205 lees doet A. 201 so we den enknochte. 194 veil. 180 wael. 191 binnen der steit kirke: ghewirke. 202 niene S] mene. 181 hiet. In enen hoec van Asia Staet soe ende Europen na. 213 vyt. 186 deze regel ontbreekt. 203 hine en. 188 sagnarius. Die den knoop mochte ontbinden. heet Sangarius Vallet daer in beide die seen Ten hoeke. 187 die naruel occeanus. An dat joc hinc die vreemde knoop. Daer binnen so staet Midas waghen. 185 190 195 200 205 210 + XIIIa 2. Dat hem altoos niene ontfochte.43 * Dat gulden waert alte hant.

252 daer was tgelůyt groet en̄ tgeblas. of dies in plaats van bedi te lezen.44 * 215 Ende ontcnochte al durenture. Alexanders geesten . 218 mijn. Dattie rochen nauwe waren. Dat men porrede metter vaert Tien lande van Cilicien waert. 244 merghens tydelike. Al dat volc verre ende na 225 Ghinghen ghewillike in hant Ende gaven up al hare lant. Dat hem Daris daer mochte weren 240 Ende sinen volke sere deren. Want hi woude dien bloden tyrant Scoffieren ende winnen dlant. + XIIIb 1. Daer hi dor soude moeten varen. 226 hare] eire. 241 misschien is hem te schrappen. Want hi wiste harde wele. 232 Gaut. lees ontcnocht? 216 hi di. 221 porten. Daris hi was upghestaen Eens moorghens tilike. ‘van desen? Asia sal noch mine wesen. Hi voer binnen eens daghes wilen Eenendertich groter milen. Dat was een poorte utevercoren. Rb. also saen 245 +Hi gheboot ter selver stonde. 2. 219 als. sprac hi. 220 eerder Atirien. Jacob van Maerlant. Bedi haesti hem ten slechten lande Daer Daris was ende sine viande. Alsi dien dach bekinnen conde. 2. 227 alle. glossarium. Dus bedrooch hi de aventure.’ Alse hi al dat hadde ghedaen. Hi sende sine boden voren Int lant van Capadocia. 250 Doe si voeren van der Eufraten. 230 hine] hi naeste. 251 riuere. Dat een scone riviere was. 222 sijn. 291 Ancyram. Gaut. 248 Cilicien S] cicilien. 94 stadia quingenta. Doe si al bedwonghen waren. 235 Hi haeste hem ooc te seerre vele. 220 Voer hi tote Acirien saen. ‘Wat dunct u’. dorentůre. 247 met den. z. Dat gheluut ende dat gheblas. 239 dat hi darise. 249 was tgelůyt. * 215 enkn. 224 ende S] in. 225 willenclich. Woude die coninc henen varen Jeghen Darise mettier haest 230 Daer hine wiste alre naest. Daer was groot uter maten.

Dien traken twee witte peerde...45 * Die berghe dochten hem van pinen Te stucken breken ende dwinen. niet vertaald. 262 sijn (S ene) ontbreekt. + Dat si van groter oude sneven. 280 dat dat k. verandert in carenen = wagens. 259 alle gader herwart. Hoe dat volc was ghescaert! Vor alt here voer een waghen. Daer Jupiters beelde up stoet. Die so dore langhe leven. 272 quamen hare corenen. Hine mach ander doot ontfaen. twee is denkelijk bedorven. Hi was ghemaect met groter weerde Van goude ende van dieren stenen. zooals het schijnt. Ende twalef manieren volcs ghevaren Eerlijc met haren scaren. het es daer noot. Die in sijn casse brachte ghedraghen Van finen selvere enen outaer. Nu hoort algader harewaert. 266 groet gotlicheide. Tien dusent man so quamer sciere 255 260 265 270 275 + XIIIb 2. die hier in het verste niet te pas komt. 256 hueren. Daerna quamen. 277 dor. Daerna quam een waghen goet. 270 met] van. In dit geval zal vers 272 vermoedelijk tot het volgende behooren en ende in 274 te schrappen zijn. Het es daer wet. 271 dijren. Dat volc van Persen anebede Over een grote gotlichede. met die ik geen weg weet. Ik heb de woorden. 106 alba series equorum. 263 siluer een. Men mochte haerde verre horen Van dien hoornen die donringhe. Gaut. Verwijs t. op den wagen van Jupiter betrokken en de ‘quadrigas’. De geheele plaats luidt bij Gaut.. 261 her.: alba Jovis currus series ducebat equorum. 278 van ontbreekt streuen.. Dat tkint sla den vader doot. Van verre hoordemen tghedinghe. buitendien toonen de aangevoerde bewijsplaatsen aan. caelatasque decem gemmis auroque quadrigas tam cultu variae quam lingua et moribus uno agmine bissenae comitantur in ordine gentes. Ende een vier lach up aldaer. Ende die stene dochten hem scoren.a. 267 een S] en 268 iupeters beilde. 106 volgg.. dat het de beteekenis heeft van ‘bagagewagen’. de aanteekening. 283 quamen der sceir. 269 trocken. 281 entfaen. 2. buiten den tekst gelaten. 280 * 255 steen docten hem schueren. 8. pl. Alexanders geesten . Jacob van Maerlant. Men moetene te doot met wapen slaen. Maar dit woord luidt carîne en niet carêne.. 276 die triualle. vgl. Maerlant heeft gemmis enz. Daer quamen vor die ander alle Tfolc van dien lande van Triballe.

Daerna quam dies conincs waghen. Die cleder brochten ane ghedraghen. 302 gemaecht. Alsulke alse vrouwen nu plien. Die sproten scemerden van goude. Hare scachte waren selverijn Ende hare yseren fijn goudijn. Alexanders geesten . Beide met groten ende met clenen. 492. te waren. Die de sonne van hem weerde. some minder. 307 haer schachte siluerin. Jacob van Maerlant. 318 sijn ionc wijf. 315 voetghengers. 320 * 287 mans van des. Nochtan ghinker daer alomme + Dertich dusent teenre somme Van voetganghers teenre scaren. So dat soe hem niet en deerde. vo lijkt echter op eene w theinre van denkelijk te schrappen. Was die waghen versiert van binnen Ende van buten in allen sinnen. Was ghemaect van goude een aren. 305. die vergult waren. Tien dusent man in waerre dinc Voeren vore dien coninc. 129 pellicibus totidem. vgl. 319 alle. Die Darise brochte ghedraghen. Ende vijftich vrouwen van groten love 285 290 295 300 305 310 315 + XIVa 1. 314 theinre. ook 3.. 317 kint. 2. Dat mense daer bi mochte sien. 292 daris. Die alle waren conincs kinder Some meerre. Daer hi hem an hielt al sijn leven. Boven dien waghene. Daer na so quamen ghevaren Vijftien dusent van sconincs maghen. Nochtan dede di coninc riden Twee hondert man bi siere siden. 296 aen. 313 alle omme. Gaut. 306 Xm man voren vor dien coninc. 128 nati.46 * Ghevaren van dusdaenre maniere Up waghene. 311 somme beide malen. 289 als sůlke nu is denkelijk te schrappen. Met goude ende met dieren stenen. 308 ere gůlden.. Gaut. 301 wagen zo waren. 294 als. Ik stel twijfel in den meervoud kint. Also alse hijt selve woude. Daerna so quamen ghevaren Dies conincs kinder ende sijn wijf Ende siere moeder ende sine joncwijf Ende al die allame van dien hove. dat was een ware dinc. 309 sijnre. Bi hem stoeden gode bescreven. 320 vijftich S] V.quinquaginta fere suspirant plaustra vehendis. 2.

333 schat. 350 * 322 darijs. 336 schat eer. 137 ultima procedit levis armatura virorum excedens numerum. Ende driehondert kemele mede Brochten scat up hare lede. 328 welctijt S] wetijt. cnechte. Welctijt so die coninc dede Van Percen roupen herevaert. 348 verwaer. 340 al ghemeen. Die scoten ende worpen stene. Tien tiden so waest ooc sede. 349 voere. quenen ende kinder Cnapen. 325 330 335 340 345 + XIVa 2. de aanteekening dar. Daer na quam die scat ghevaren Up seshondert mulen te waren. Ene scare quam dwers daer an Meer dan hondert dusent man. 351 verergert doe] soe. Waren der vrouwen camerieren. 324 S hiet ontbreekt. 332 knapen knechte. Hi voer te eenre stede ghereet. 330 volchde.47 * Quamen up vijftich waghen ghevaren. 342 ic nieman. 350 Cilicia S] cecilia. Doe voer Alexander na Ende vant dat lant van Cilicia Verbernt ende verherghet doe Van den volke datter vlo. meer ende minder. 337 dwers] te wers. Alse ocht die nevel hadde ghedaen. 353 voere tho ghereit. 2. Man. + Dat die sonne waert verdonkert of. 343 veelna. 338 dan S] da dusentich. 329 heruart. Het virorum van het Latijn kan toch nauwelijks M. 325 camereren. Want men plach doe diere manieren. 326 diere] deir. 335 ·cc· Gautier 2. Diemen tien tide hiet spadoene. Daer af en was gheen ghetal. 327 tijden wast. 341 een S] en misliken. z. tot eene zoo dwaze opmerking verleid hebben. 331 quenen S] quamen. Daerna so quamen alghemene Een trop van misseliken lieden. wijf. Dat doetmen ons vorwaer verstaen. 345 heer selc. Dat here maecte sulc ghestof. Die Cyrus Pauwelioen heet. Wellicht stond er eens wanen so si waren al. Alexanders geesten . 354 dat pauleioen. 346 waert ontbreekt. Dat al volghede ter vaert. 134 ter centum. Gaut. Manne warent wel na al. Die Daris amien waren. Ghevuerde cnapen alse capoene. of verdonkerde daer of? 347 ochte. Die nieman al en can bedieden. Jacob van Maerlant.

391 en̄ en was mer half. Hier waert Macedo gheware. Door die stat loopt ene riviere 370 Claer ende van goeder maniere. 359 hiet ontbreekt Percen. 364 rijc. 386 daer omme. Hier was sinte Pauwels gheboren. Door hare witheit. Ende et was half wedemaent. wanic wel. Van dare soe comt al gadere.g. 361 heer seinte. Alse ghi nu hier moghet horen. 375 sect ne meer] mūmer.48 * 355 Hi seinde voren Permenioene Ende gheboot hem te doene. die goede stede. 385 Ongheval ghesciede hem daer. Quam Alexander na ghevaren Te Tarchen in die goede stede Ende alle sine ridders mede. 381 gewaer: waer. 360 heet verb. + XIVb 1. Daerom hi hadde groten vaer Ende alle die van Grieken toren. tarchen. 367 in S] en. Heet soe Swane end niewer om el. 373 hare] eer. 375 Men secht dat soe ne meer en bringt Waters. 385 ghesceit.i. st. 390 Ende dat coren stont in sine are. 357 en 358 dat hi tarchen d. 374 heit swaen niewer] nygerins. Want Daris hiet die Parcen 360 Verbernen die poort van Tarcen. 380 eer. ❘ soude h. Die Signus heet na minen wane. porte v. 372 bedijt dietse suaen. 377 hare] eere. Het was int heetste van den jare. 390 sinen. Die goods apostel was vercoren. Dat hi soude houden in vrede Tarcen. * 356 the doen. 365 Doe die viande verjaghet waren. Die sonder lettinghe aventure Hebben mochte altoos ter cure. 382 nimen. Also alsemen die waerheit waent. 378 daer di riueire comt. 379 fonteinen. van al daer soe springt. 369 een. Dat bediet in dietsce een swane. vr. Die rike was van groter haven. Ende hier was sijn vader gegraven. Dan hare gheeft die eerste adere. Jacob van Maerlant. Dat niemen so gheluckech en ware. Alexanders geesten . + Ander fonteine noch ander beke 380 So en vallet in hare streke.

Ende hi was verhit menichfout.49 * Recht omtrent middaghe. waeromme dodestu dan Ere tijt desen man? Tote nu so waerstu alse moeder. Du bes tienwerf also sture. Alse du. Alexander was sere verhit Endi sach die Swane wit Ende ooc wel te maten diep. Daer hi toe mochte liden. glossar. 417 sůnder nacgt. Bedi dat die gheest niene vant Eneghe adere in dien tiden. 423 tesipoen. 421 datmen. S doedstu] doestu. Die riddere si trakene uut + Ende weenden sere over luut. 429 weerstů. 415 420 425 430 * 395 deem veilde. Gautier II. 178 ante diem. Daer en es gheen duvel also fel. Waer bi so bestu alse stiefmoeder? 395 400 405 410 + XIVb 2. Si ghinghen carmen ende dinghen. Twater was uter maten cout. 428 ere] te deser. Sech. Dus vercoude hi te hant. Snellaert heeft al de gissing geopperd dat het hevet u wezen moet. dat machmen merken wel. 416 te S] tie. vgl. Ooc segghe ic u al sonder saghe: Dat sant van den velde stoof Entie aerde van heeten cloof. 415 heefste dů. 399 deep. 406 beide dat geest. Alexanders geesten . 427 segge dodestu. Waer heefstu dese doot verdient Te stervene onder dine vrient Sonder wapen aldus naect? Wat onghevalle heefti ghestaect? Owi! verbannen aventure. 411 trocken eem. Met haesten hi daerinne liep Ende spranc int water saen. diemen vint. 418 ongeval hevestů ghestact. dan een wint. 420 bis. Jacob van Maerlant. Ende wandelre. Die in der hellen es ghewon. Ende eiseliker dan Tisiphon. Alse eneghe tyghere. 424 ghewoen. 397 seer. Om dat hi hem wilde dwaen. Si riepen: ‘bloeme van jonghelinghen. Dus verloos hi since cracht Ende seech neder in onmacht. Rb.

wie hi was die onder lach.50 * Want du hads beheten desen. want soe en sach Niet. 442 ens] en̄ werdich. Alexanders geesten . Dat hi meester soude wesen Vander werelt tenen gader. Dat hi na di coninc weerde. 447 heilt. Ende een ander man waert here. Hoe sullen wi ons setten ter were Ende sonder di den strijt bestaen? Ens nieman werdech sonder waen. een man viel. 458 di claegden eren seken. Die derde rike ie lanc so mere. Soe was blint. 446 soe] hi. Sonder allene die aventure. 450 455 460 465 * 432 meister. Alset keerde. Noch en ware ooc up al die eerde. Die liede ontseghen mi mijn recht. Die sere claegheden haren sieken. Dat si mi dus sere moeien. Dat elc moet volghen siere nature. Soe helt in die hant een wiel. Mi maechs te rechte vernoien. Soe stont up ende bespotte die Grieken. Want si testoort sijn met brande Ende algader sonder lijfnere. Soe scoutse dat si waren vervaert Ende sprac aldus ten Grieken waert: ‘Der liede gheclach es wel dul Ende groter onweticheiden vul. 440 solen.’ + Die aventure hoorde dat. Owi! coninc. 465 moien. 469 lijde onsegen. Die vierde was al uut keytijf Ende bleef onsalich al sijn lijf. 468 alliene. 439 alle gader. 453 want S] wan. 454 we. Daer soe up die eerde sat. 466 vernoien S] wern. No wien soe maecte here. 463 lide geclachte. 435 die ontbreekt. Jacob van Maerlant. Ende soe green met haren monde Soetelike ter selver stonde. Dat es hare doen emmermere. 435 440 445 + XVa 1. Di metti es comen hare? Wi en moghen keren niet te lande. 456 eer emmermeer. lieve vader! Waer sal varen die griexe scare. 455 noch wein heirre. 461 schout si verveert: wert.

500 mer wet. Ic secht ooc ridders ende clerken + XVa 2. So en ware mijn name niet aventure. Als ickene werpe weder of Van der eren. * 470 knecht. 480 vroem. 502 ligghen S] ligen. 474 scheilden si mi oft als ic. 488 ende] en. 490 Dat mi die coninc Daris sal Sonder were moghen slaen Die hier bi es. 505 Nochtan mocht also wesen Dat mi fisiciene mochten ghenesen. Bedi ic moet sijn onghestade 480 +Ende nu doen vrome ende nu doen scade Ende nu doen riden. 491 wer. sonder waen. Jacob van Maerlant.’ Doe sweech soe ter selver stont. 507 wirken. Mochte ic altoos ghestade bliven. 499 mijn. Dan gheven si mi groten lof. 487 sijn oygen. 496 En̄ mijn. 501 eer. 489 bedie grote ongeval. 506 fisicine. alse of ic mochte 475 Sijn ghestade bi miere nature. Hi slouch up sine oghen beide Ende sprac met groter serecheide: Bedi hebbic dit ongheval. dare icken brochte. Maer evel hadde hi binnen noch. 500 Maer weet god! ic sal sonder lof Ende sonder ere verslaghen werden Ende ooc ligghen up der erden Onbegraven ende bloot Ende bliven in ellenden doot. ende nu doen beten. 493 steet onsein. Het es onrecht dat si driven. 476 lees En ware mine name aventure? 479 bedi S] beide. 494 En̄ en fisisein. Ende et staet mi harde onsiene.51 * 470 Alsic make here den cnecht. Dan sceldsi mi. En moghen niet fisiciene 495 Mi ghehelpen in corten tiden: Mijn viant en sal niet biden. Sal ic aventure heten. Alexanders geesten . 508 segt. So woudic gheerne bi rade werken. 486 mer van binnen. Entie coninc roerde sinen mont 485 Ende begonde ademen doch. 472 ic eem werpe S] werpen. 473 ic een. Hi en sal om mijn ongheval Blide sijn ende vanghent al Ende slaen mi mine ridders of.

Alexanders geesten . 522 meeren. Bedi hem gaffene up trouwe groot Philip. 521 en̄ dat. Misschien is daarom lieden in plaats van live te lezen. Philip hiet sijn fisicien. + Mochtic bi minen live doch Ene corte wile ghestaen. Daris mochte sonder waen Met sinen lieden vlien ander weghen. dat hi wille Ende hi ooc int herte dochte. giste ik volghen sonder v. Want hine vergheven soude. Jacob van Maerlant. Ghelovede hi dat hi soude wesen Binnen drien daghen al ghenesen. Hem ware ghelooft met groten goude Dat hi soude hebben sekerlike Daris suster in huwelike. 537 di. zooals Snellaert vermoedt had. 539 bedi S] beide trůwe. 528 ridder. Danaique sequentur ovantes. Hi screef dat hi hem soude vorsien Van Pilippe. Mettien sweech die coninc stille Die heren ontsaghen. eer hi bleef doot. Want al bem ic siec al noch. Dan ic nu doe te desen stonden Van minen live die ghesonde. Ende Grieken souder vechten jeghen. 527 seinde. 510 heer. sinen fisicien. 518 souder staat in het hs. Dat sijn evel meeren mochte. Het latijn is zóó echter slecht teruggegeven. 541 poison. 520 525 530 535 540 * 509 beger. 519 sueech. Tien derden daghe brachti poisoen. Hem sende een paer letteren doe Sijn riddere Parmenio. Hi was ghevaren een deel bat voort Tote Yssoen. 514 al doch. II. gezien had. Alse hi dorine hadde besien. 540 Philip zal men wel schrappen moeten. 512 ghesonden. Gaut. sijn vader.v. 515 een korte. Daer hi hem met waende doen 510 515 + XVb 1. der vaster poort. Eer ik het hs. maar de voorgenomen verandering schijnt mij het eenvoudigste. 531 versein: fisicein. 513 bin. 533 tot het volgende en in 534 ware hem). 533 want] dat..52 * Dat ic vechten meer beghere Jeghen Darise ende sijn here. Hier af hadde de coninc vaer Ende twivelde oft ware waer. De geheele plaats kan ook op andere manier in wanorde geraakt zijn (b. 215 zegt: nam licet aeger adhuc si saltem stare meorum ante aciem potero cursu fugitiva rapaci terga dabunl Persae.

Dattu moghes bi mi ghesen. Ende talre eerst dat hijt besach. Dat poisoen ghinc nederwaert mettien. 545 vyt: saluyt. 580 teersten dat binnen den. So machet di in staden staen. Die heeft u liever. 563 ofte waer dijn. en wes niet vervaert. 577 hem] he ontsein. 551 twijnt.53 * Ghenesen ende dat evel vlien. 545 + XVb 2. + Te voren was hi onghedaen. Laet hier af dijn sorghen sinken Ende wille dit poisoen uut drinken. Of hi en ghetrouwet mi niet van desen. Teerst dat binden aderen was. Want wie so gherne quaetheit doet. Aldus vallet dat hi snevet. Hi waent dat nieman en si goet. Gheboot hi mede den coninc Dat hi hem niet en soude ontsien. her Alexander. 544 vyt drinken.’ Doe hi seide dese dinc. Of hem ware lief dine scade. Jacob van Maerlant. Ende hiet hem drinken uut mettien. 553 antwerde. Alexanders geesten . 556 wils pusoen. + Maer teerst toochdi hem tsaluut Min no meer dan recht also. Die mi belooch. 557 dijn. 547 noch. 578 poison gheinc. Des sijt seker ende ghewes. So dattu gheneses spade. Wat daer inne bescreven lach. dan een ander. Hi antwoorde hem metter vaert: ‘Coninc. 565 want so wie enen onschuldigen. 549 talder eerste. Dat hi een verrader es. En achte hi een twint niet das. Alst dine aderen hebben ontfaen. Blodelike dranc hijt uut. Die gheens quaets verdient en hevet. Alse die onsculdech was. 558 macht. Ende die coninc hi ghenas. Alst hem seinde Permenio. Want wie so onsculdeghen man Verradenesse tijet an. 550 555 560 565 570 575 580 + XVIa 1. 566 ene verraedenisse. Ende die quaet hevet ghedaen Laet men dicke quite gaen. 546 mer tierst toende hi. 575 dicwile quijt. 561 oft hine en getrůwt. 552 onschuldich. 568 verreder. * 543 van den conic vlein.

Daerna dedi die borghe slechten. want si seiden Het ware al eens daer van hem beiden. Dies si blide mochten wesen. Die sijns was harde vro. 592 alle sijne lůde. Hi maecte al sine liede blide Ende dankes sinen goden saen Dat hi cracht hadde ontfaen. Alexanders geesten . 609 roetschin. 603 tien] teinen. Gaut. Dat wel met ketenen was bewaert. 598 wale bewart. diene hadde ghenesen. Weder hi woude daer ontbiden Darise ende sine ghewelt. der bester een. Daer quam hem jeghen Permenio. die openbare In allen doene was moordenare Ende groot here van Oscanie Seinde onder Alexanders paertie Een paer litteren tote Cicines. 591 eengen tyde. 616 doen mordenaer. Die jeghen hem wilden vechten. Ende gheledene in die poort. Doe die nacht was ontronnen. Permenio sprac dat hem dochte. 597 tot ysson. Sat hi up sijn snelle wreen. 262: quaeritur hic. 610 were alleins. 608 keel. So voorder soeken up dat velt. * 584 besin the. Die heren vraechden hem tien tiden. Narbasines. 601 geleidene. 613 sijn. Ende quamen besien te stride Philip. Ende voer van Tarchen te Yssoen waert. 604 wer ontbieden. Hiet Bucifal. 619 en̄ par. 590 bucifael. Die van den poorters was ghestoort. Die heren waren alle blide. + Dan buten up dat breede velt.54 * Sine varwe quam hem weder saen. Doe seidi. 599 iegen hem. Des anderen daghes metter sonnen. 607 het were beter veil. 606 s̊ueken. Datmen daer bat belopen mochte Darise ende sine ghewelt. Jacob van Maerlant. tware beter vele Striden in die nauwe kele Tusschen die roetsen. Dat men wiste in eneghen tide. 614 dan] daer breide. 615 openbaer. 588 doen hi den nacht was ontrunnen. 595 burge. 585 590 595 600 605 610 615 + XVIa 2.

643 si] te of] dat.. Alexanders geesten . Hi ontboot hem Daris vrede. 654 Grieken ontbreekt. of hi woude. 635 dar gedoet. 627 eeren. Woudi Alexander nemen dleven Ofte enechsins vergheven. Dat si deen helt verloren al Of god wille. 645 her te. Ende oft hem dochte wesen scande. lees soude hi . Cicenes liet ligghen stille Dat paer litteren. 646 en̄ eem důchte. 648 sijne. ocht also ghesiede. 284: non mediocris enim furor est. Tote Darise omme sout Ende ooc mede om behout. 626 silver. 640 uyten. lees ries? 657 the. 641 om tsout. 640 Die uten lande waren verdreven. Dat hi weder keren soude 645 +Met sinen here ten pleinen lande. 625 Waert dat hijt volbringhen woude Beide van selver ende van goude Souden si hebben haren wille. Dat was onrecht haerde groot. Gaut. 630 So dat die coninc vernam. Jacob van Maerlant.al durenture Eens conincs goet ende aventure Te settene algader up enen dach. Nochtan so was in den stonden Dat paer litteren over hem vonden 635 Ende was daer omme doot. Al te Yssoen in de stede..55 * 620 Die Alexanders ridder es. 651 den. dat niet sijn en sal! Dat Darise volcs te vullen bleve. 655 Want het es. Daer hi di Grieken mede verdreve. Timodes ende sine neven. Dat hi soude half sinen scat Weder senden ende half sine liede. 632 doene. Al en hadde hi ghenen ghere. 650 Bedi. * 621 alto. 622 enboet. Te dodene sinen gherechten here. dat hem quam.sinen? 628 lighen. 652 oft wilt.. dan volgt een y met stipjes daaronder. 634 par eem. Si raden Darise. 623 nema. 629 par een. 638 ridders. So rieden hem die Grieken dat. 655 vrese al dorenture. + XVIb 1. Mettien quamen al te hant Ridderen uut Griekenlant. maar niets dat ·II· voorstellen zal.

Dat men te wighe soude gaen. Dat ic wille dat men verslaet Goede riddere ende coene Die te minen pauwelioene Comen ghevaren omme sout. 685 heilt kinder: minder. Maer niet en woudi weder keren.’ + Dus bleven si quite daer ter stat.56 * Dit es die raet. Doch sendi weder dat meeste goet Van sinen scatte metter spoet Tote Damas in die stede. Alexanders geesten . 692 ter middelt. 690 tiersten sege. Teerst datmen saghe die sonne up staen. Het ware lachter dedic dat. 679 woude. Maer Daris was een soete man. Dat ware die loon van sulken rade. Waert sijn win ofte verlies. 664 scat ontbreekt. 660 heer. Want hi scaemde hem der onneren. Maer na sijnre voorders sede Helt hi daer wijf ende kindere Beide meerre ende mindere. 671 bin die gheen des. die sere wach Den ridders. 676 bin. 680 een onneren. 684 voorder Verwijs] vroeder. S oneeren] onheeren. die daer hoorden toe. Hi clam up enen beerch groene Te midden onder die pauwelioene. 660 665 670 675 + XVIb 2. 669 dies si seghen] van den seghe. 688 wert oft verles. Daer een lauwerboom up stont Wel ghewassen ende ront. Jacob van Maerlant. Hi antwoorde den heren dan: (Sijn herte twivelde dies si seghen) ‘Neen. 687 des. Ooc so es ghedaen sijn nature. den coenen. 668 er antwerde. 670 neen sprac hi. Seker so was Daris dies. 662 wee selken. Want si wouden dat gheloven. Si rieden haren here doe Dat hi die Grieken doden dade. 681 seinde hi. 674 tho paulioene. 675 om. doet enweghe! Ic bem die ghone. Dat si den scat wouden roven Ende met penninghen versoenen Jeghen Alexandere. 693 stoent. 677 were. ghi heren. 691 berch. 680 685 690 695 * 659 tho. dies niet enbestaet. Ic bem van daghen nu so out.

701 een riveir. Dat die here sinen cnecht Blouwet ende voeret na sijn recht Ende sijns selfs lant bescermt. 722 was S] wat. Dat es noch wale cont u somen. 713 uytverc. 715 720 725 730 * 696 vrore S (of vorse)] voerre sij. 730 gevelt. maer het es wrake. Dat hi eerst van eertrike Was ghevoert te hemelrike. dat ie ghewas. Dit orloghe en es niet waert. 723 verveert: wert. 726 knecht Verwijs] knechte wille V] willen. Al en haddijs anders niet verdient. Want die cnecht die wille prijch Houden jeghen sinen here. 718 ierste. 721 ierst. Enter luchter siden sijn Liep ene riviere over tsant. So goetlijc was hi ghedaen. dat onder hem lach. 706 eem. Het was die scoonste diemen vant. 732 bluwet voert. Et en es gheen strijt. Ghi heren en sijt niet vervaert. 725 heit enech. 731 knecht. Dat na hem dat eerste beelde Was ghemaect. Hi verdiende in die eertsce weelde. Dat hi altoos sine lover behout. 712 wigante die sytdij. Ooc stont daer menich blomekijn. 705 goedlijc. Gheerne soude wesen vrient. Ghi sijt van den goden gheboren Ende van den ouden Beluse comen. Ic wane die keytijf niene ghehermt.57 * Al vrore deerde durenture. Dat men hem sonder waen. Mi dunct dat hi verwoet es sere. Datment heet eneghen wijch. Weder dat es heet of cout. 716 wael. 719 ye. 699 stoende. Hi hiet dat volc sceden te voren Ende sine tale horen. + ‘Edele heren van Perci. Daerbi so verdiendi das. Hier stont Daris ende besach Al dat volc. Alexanders geesten . 711 edel. Jacob van Maerlant. 729 mer. 704 eem. Die beste wigande sijdi Van der werelt uutvercoren. 700 705 710 + XVIIa 1. Also als ghevalt die sake. 734 niene V] mene gehermet. 717 ertsche welde.

Die die rijcste was te voren. 743 eem weer lieuer weer. 755 woe. Al es hi te hemele ghevaren. Dat riet hem die jonghe joghet. 747 grannike. 766 hemel. Wach arme! dat quade cnechte 750 Houden wanen hare ghevechte.. Daer menech man bleef jammerlike. Hi waent werden sekerlike Here van al eertrike. Gaut. Die tlant van Lidien verwan. 749 knechte.58 * 735 Die quade bastaert. 755 Alexander. 764 daer tho alder. die al hare lijf Hebben ghehat wensche ghewout Ende dient selver ende gout. ware hi doot. Jacob van Maerlant. Dat hi onversien ende sonder raet Alrande dinc dicke bestaet. Misschien is ook het voorafgaande vers te lezen bi wat duv. 742 alre hande dinche dicwile. Ende Baltasar van Babilone Ende daertoe alre heren crone. 745 Ende al es hi (S essi)] eest hoeffen loes. 750 eer gerechte. 756 duvel oft listen. 741 hi ontbreekt. Dat hi worden es coninc. 769 segic een. Noch hebbic sine aventure Ende sijn gheluc al durenture. 765 Die tien tiden coninc waren. 746 menigen. Jeghen heren. 753 winschen. Dat hi so meneghen man verloos Jeghen Mennoene up die Granike. 757 du winnen waens S] winnen weens coincrike S] coninr. of bi wat liste Du winnen waens dat conincrike. 740 Ic wane ghi wel merken moghet. Die noch ie was gheboren. Gaut. Gaut. om die dinc. hoe gheerne ic wiste Bi wat duvele. Dan hi hem up gheve door di noot. 341: in dominos. Die alleweghe aerm waren ende keytijf. du of liste en deze naar het hs. 754 ende mi dient. 765 tho dein tijden. 343: Cyri imperio. 325: et casus ruit improvisus in omnes. lees was? 760 ende ontbreekt. * 736 es worden.. 739 reet.audent. 740 wane] waen dat. Alexanders geesten . 758 geweildenclike. 752 alle eer. + XVIIa 2. 744 eem. 745 +Al nu so es hi hopeloos. Noch segghic ene ander sake.. 760 Ende Cresus den riken man. Hem ware liever. Dat Cyrus wan gheweldelike.

Jacob van Maerlant. 784 Oec sůltgier al om. 787 ymen knechten. 785 gevelt. Doe verghinc mijn droom wel saen.: si mihi. 799 babylonsche.59 * 770 Dies ghij moghet sijn te ghemake: Wi sijn van dier giganten gheslachte. 794 solen. 778 u vorders en̄ uwen. si civibus arma negatis. 790 kinden ende om sijn lijf. Daer ic up minen bedde lach. * 771 wi S] wie gyganten. 773 toern. si patriae. 804 swert bi gotligheide. een incomelinc Ooc verdriven uwen coninc Ende houden uwer voorders erven. 795 Want ic in minen drome sach. Die alle waren van groter crachte Entie dien toren van Babilone. 772 cracht. Gaut. 360 volgg. 775 Eerstwerf van teghelen wrochten. Entie jeghen die gode vochten. Wat hulpt dat ic u vele seide? Ic sweert u bi die gotlicheide 805 Vander sonnen. 775 ierst werf van tijgelen. dat ghi doet Uwe voorders in uwen moet + Ende dat ghi doet al sulke were. ende tlijf Verliesen sullen in den strijt. 797 paulione. Bedi bidde ic u. Alexanders geesten . Sal een keytijf. 786 wilt. 783 vorder. Die noch es hoghe ende scone. Ende dan so eest vechtens tijt. quos hostica clades obteret in castris moveant in bella reverti. 788 oft niet en. Of god wille ende goet gheval Dat iemen vlie den griexen cnechten Of ghi dor mi en willet vechten Hi peise doch om sijn wijf 790 Ende om sine kinde. Al sult ghiere ooc om sterven? 785 Alst so ghevalt . 776 goeden. 780 Dat ghijs lof hebt ende ere. 800 Hi voer in die poort van prise. Die wi bi orlove laten risen + XVIIb 1. 780 lof hebt] hebt lof. 800 vore. uxores saltem ac nati. Daerna brochtmenne mi ghevaen. di wi u wisen. Bernen die griexe pauwelioene Ende den keytijf dulcoene Ghecleet na babiloonsce wise.dat niet en sal. 803 veil. 801 brachtmen. 791 Dat hi veliesen (S verliesen) sal in den strijt. Nochtan weet ic wale alleweghe Dat wi sullen hebben den seghe. 789 piese.

Entie stuvinghe van der moude Verdonkerde dier sonnen ganc.. 829 had. 835 ommermeer.60 * Int einde van onsen conincrike: Die vlien. Ghelijc dat waren onse viande. 817 en̄ hij ter zewert weer. de aanteekening.proditur excubiis. 826 seer solen. Hi en soude wat weten kiesen. 843 verdunkerde opganc. 825 si solen. Weder hi liever hadde dat hi vlo Ende hi verwonne in sulker wijs. 815 820 825 830 835 840 + XVIIIa 1. 388: iam chaldaea cohors. Dies waren si qualijc bedacht Om dat sien sullen achter lopen. 813 messelgier. Over berch ende over dale Ende over bosch ende over stene Ghinc dat volc vlien al ghemene Algader dien dach ende die nacht. 816 buschalen. hine wiste wat doen Van vrouden. Alexanders geesten . 836 van der oneer. Men mochte si bekennen wale + Bi dien blikene van den goude. 814 waer. 839 waren] varen. 841 bliken. 821 bosch] berch. z. 831 hi] hine. doe hi hoorde die tale. Gaut. Also na waren si nu comen. Jacob van Maerlant. Al hadde hi den core also. 833 eer lijf. Dat si sere sullen becopen. * 808 ewenklike. 838 vernomen S] vernamen. sullen ewelike Verdreven wesen van den lande. So dat hi soude hebben den prijs Ende al werende tlijf verliesen. 824 qualec. 822 folc.. Hi was so blide. Daris scaren. Ende seide dat Alexander ware Ghevloen ende there ghinge faelgen Over berch ende buscaelgen Ende ter seewaert ware ghevloen. 811 stoent. Dan om dies conincs Daris vlucht. al moet men denkelijk schrappen..’ + Doe hi stoet in dese tale. 827 geen vrucht. Want Alexander en hadde vrucht. dat si vernomen Waren in die diepe dale. Quam ghelopen in den dale Een messenghier met eenre mare. 819 vreuden. 815 gevluwen en̄ ghinc dalen. 818 wist. 834 hine en. Want hi soude hem emmermere Daerna scamen der onnere. 810 + XVIIb 2.

Dies blider was dan een ander Ende sere langhde na den wighe. 881 her in twe geschart. Daris scaerde anderwaert dat here Ende sette tfolc ter were. 875 stoenden. Sijn here was in tween ghescaert. + Maer daventure. 879 een schare luden. 878 alle gader. Jacob van Maerlant. 864 mochts. Nu laet sien. 865 her: wer. 859 daer. Hadde hijt ghedaen. 856 hoet scacht S] schat. 853 uyt. Men mochtes niet verstaen wale.61 * Dat avont sceen sonder wanc. Up enen toren liep een seriant. Dus stoeden die Grieken wel ghescaert Up enen berch al onvervaert: Alexander sette hem ter were Vore algader tander here Ene scare van lieden te voet. die emmer doet Den starken breken. Men riep daer helpe! in menegher tale. Hem volchde menech scone serjant. 855 menich schoen. 868 mocht. Doe wisten si wel. 849 gelůfde. 846 ysson. Hi hadde in sinen sin ghedacht Ooc mochte hijt hebben volbracht Dat hi die Grieken voren ende bachten Soude hebben beringht met crachten. den cranken staen. 858 dat ontbreekt. 872 ummer. Doe tfolc sach dat si dare waren. Die en liets hem niet anegaen. 848 veinc te. 860 ende] in die. Cume gheloofdet Alexander. 862 wael. 871 hedde weer eem. 857 wat si solen. Die ten wapen waren goet. scacht in die hant. 845 850 855 860 865 870 + XVIIIa 2. Die men seide dat si waren ghevloen. 874 ontgaen. het ware hem goet. lees of hijt mochte hebben? 869 vor en achten. Hi riep: ‘wapent u te prighe!’ Hi was die eerste die uut trac Ende ooc die den eersten stac. Hi riep in Yssoen al te hant Dat Daris quame ende al sijn here Ende men vaste vinghe ter were. 847 queme her:wer. si waren bedroghen. Alexander ende sine scaren. wat sullen doen. 863 meinger. 877 satte eem ter wer: her. 875 880 * 844 auent. Wel ghewapent vor sijn oghen. 850 des. 861 wale. Helm up hovet. Alexanders geesten .

Deze en de volgende regel wellicht Al. Hi was in die ander side Met enen helm van goude root. 897 cratherus.62 * Die rechter side die bewaert Nichanor. 889 riddere al] alle ridder. Den hoghen lieden bat hi sere Te vechtene door der werelt ere. Permenions sone. Ende an die selve side so was Sijn sone. die coene was ende blide. 905 aen. Die traghe wincti metten vingheren Ende hietse werpen met den slingheren. Dit waren riddere al van prise. 894 wael. En Tholomeus. 899 en̄ al. 912 dorch. de aanteekening. 915 eigen. 903 wael. mijnher Philotas. Die alre eren was ghewone. z. Ende hi sat up sijn Bucifal. 916 hi si. 896 soen mij her. Elc na conincstavels wise Van ere paertien leitsman. 909 vur fiier. 917 tragen. Cenus ende Eumenius. 907 schoenste. 919 an nu] na mi. 895 aen. An di side hielt bi hem doe Alre naest Eufestio. 891 eirre partien elc. 887 meleagar. 905 910 915 * 882 rechte bewart. 902 sper was starc. Craterus ende Antigonus. was in dander side. die wonder dede. 918 hiet si. Sijn spere staerc ende groot + Ende wel ghewapent over al. 884 gewoen. Ane die luchter side daeran Was leitsman Permenio. 908 gesellen. Hi makede sinen lieden moet. 898 cenos. Die der orloghen was wel vro. Jacob van Maerlant. Hi sprac: hoort an nu dese tale 885 890 895 900 + XVIIIb 1. Alexander. die coene was ende blide. 906 alder naest eufecioe. Meleager ende Perdicas Clitus ende ooc Amictas. Vore tfolc voer Alexander die fiere Blakende met sijnre baniere. Die die scoonste was als te voren Ende sijn gheselle uut vercoren. Alexanders geesten . Den vrecken man gheloofdi goet Eighinen lieden gheloofde hi Dat hise soude maken vri. Hector sijn broeder was daer mede.

a. 945 ruche.. Over busch ende over struuc Sullen si vlien met alre cracht. Verwint tfolc. Si sijn der weelden so ghewone. het es verwonnen! + XVIIIb 2. bl. 939 swert wael entwe. Noopt mense enewerf metter gaerde 945 In den rugghe of in den buuc. dien si u behiet. 947 solen alder. 451: totus orbis. 928 en̄ twifelt. 923 alt] dat. Daermen scoort die buckelaren.. Siedi nu dese liede staen? Sij sijn als wive al ghedaen. 950 Daermen breect die plompe swaerde. Gi sult alt volc van eertrike Dwinghen saen wel cortelike. maar er is eene kleine e over geschreven. 934 sijn S] sijnt alle. 925 Siet hier den dach. 83] buysch en̄ ouer ruc. ontbreekt. Men salt hem wale doen bekinnen Dat onse sweert gout biten ontwee. Dit goet es uwe. 930 Doe soe u Teben liet te storen. 935 Si blicken van goude so sere. 927 dien S] den.] veigen. 2 volg. 940 kunen nummee. Jacob van Maerlant. + Si hebben hope vele mere Omme roof. 926 vergelden. Tekstcritiek. bl. 950 brict. Dat si en durren ghene soene Houden jeghen di scaerpe swaerde. 937 om roef.63 * 920 Eer ghi gaet vanden berge te dale: ‘Edele heren. Daer sal men merken uwe macht. nu sijt coene! Heden hebdijs wel te doene. en twivelt niet. Alexanders geesten . 946 busch ende over struuc Verd. pl. 929 toochde] tonet wael. 922 wael.a. Die mi van herten goedes onnen. Daer sal ic wel besien die scaren. Dat toochde soe u wale te voren. bl. 938 hun doen bekennen. Feitelijk staat er eene groote roode O. * 921 edel. 925 heer daer S] der. 83 nopt)] nopte. daer u up sal Die aventure ghelden al Den seghe. 952 wael scharen. 935 so te schrappen? 936 hoep veil meer. 931 hadt. dan om verwinnen. 924 wael. 944 noopt (Verdam t. 954 goeds. Ende ghi Athenen haddet so vervaert. 932 u eigen Verdam. Gaut. pl. 951 schoert bokelaren. t. 940 Si connen dreighen ende nemmee. Dat het al u eighen waert. Ende of ghi mint mi haerde. 949 S of.

Maer eer ic telle van iemans cracht Wie daer vlo. Entie scaren begonden naken. 978 solen wreken wi steden. Als hi niet en mach ontvlien. Dat sullen wi wreken hier ter stede Up meer volcs. 964 te stucken.64 * 955 Di sijns viants leven spaert. die hier staet. Het lichte hem achter ende voren. Hi heeft sijns selves lijf onwaert. 574 lees dicke wilen? 975 modes.’ Dit sprac hi. Dunket u wesen ghenoech Neent. 985 Dan den name van dier daet. * 957 lees stride? 958 oft. Sullent becopen. Dan sal den coenen niet ghescien. 960 als een gygant. 989 en̄ di scharen en zoo dikwijls begonsten. het es groot onghevoech + Dattie kindere dat becopen. 991 emans. Godsat hebbe die traghe hant! 960 Die blode vecht alse een wigant. 975 Media ende Daris. 966 beide. Bede vercocht ende ghevaen. 981 om. In striden salmen nieman sparen. 970 eere. die hier staen. 977 toren (S lachter) ontbreekt deden. 990 So dat si hem onderstaken. 970 Dat hare voorders hebben belopen? Al die liede sonder waen. Die van Percen hebben dicken Die Grieken gheslaghen tsticken 965 Ende ooc menich onrecht ghedaen. + XIXa 1. Die Grieken groten toren dede. ocht wie daer vacht. 972 solent. 961 entvlien. Vecht alse ic doe omme prijch. Alexanders geesten . Deelt met mi den starken wijch! Ic lat u tgoet bliven allene. 987 metten. En si of si verwonnen waren. dan ghi hier siet. 481: Media cum Dario. Gaut. 980 Want dus vele en ghenoeghet mi niet. Sal ic u wijs maken das. Jacob van Maerlant. Dat onrecht dat up Europen Dicwile es belopen. 963 percien ducken. 971 alle. Sullen becopen Cerces daet. 984 dinche. ende metter vaert Noopti Bucifalle met sporen. Want ic en wille dinc enghene.

1022 schoen. Hi was goudijn goet ter curen. 1010 totden. Om dat die luvie daer naer Nemmermeer en dede vaer. 1014 We dat daer den hogen wrachte. vgl. Jacob van Maerlant. Boven stonden in haerre manieren Daris voorders haerde scone Die gygante van Babilone. Gedeelt was hi in drien quartieren. Sijn scilt hinc an enen waghen. hebbe danc. 999 schilt heinc. 1023 schilde. 1001 gulden. 1013 daer cayms. 1017 eer. Alexanders geesten . Dat was een hystorie lanc. 1005 schoen. 1012 nummermeer. 1026 hoe] we. 1003 gedeilt drie. 1005 1010 1015 1020 1025 1030 * 994 schilt getiekent. 995 1000 + XIXa 2. 1028 her geweldenl. 1020 so comt] stont. 996 mer. Also alst die here wilde. 1011 om die diluvie. Want gheen man en mochten draghen. Daris wapen waren goet.65 * Hoe Daris scilt ghetekent was. Also stont dare Chams gheslachte. 1004 stoenden eerre. In dat ander so stont mee. Al dit stont bescreven scone Int overste quartier van den scilde. 1030 we meingen. Om aldusghedane sake Bleef di toren te makene voort. 1371 volgg. Hoe die coninc van Caldee Nabugodonosor die rike Met groten here gheweldelike Te Jherusalem weert voer voren. 1025 int ander stoent. Datmen enen toren soude maken. + Hi hadde seven coverturen. de uitgaven van de Alexandreis hebben gedeeltelijk Memrot. 1019 maken. Diet horen wille. Maer dat an den scilde stoet. 1029 voer ontbreekt. Daeraf so comt nu die poort. lees twerc? aen den schilde. Doe en wout god niet ghedoghen Ende quam sine cracht daer toghen Ende verkeerde hare sprake. Die es gheheten Babilone. 1007 Memfroet. Ende hoe hi daer brac meneghen toren. Hoet daer den hoghen toren wrachte. Rb. Ende hoe Memroet die gygant Dat in sinen rade vant. Die toten hemel soude gheraken.

Van eerden waren die voete sijn Ende ghemanc ooc yserijn. 1064 silverijn. 1054 droem. 1037 geblijnt. 1051 scriven. 16328: du saeghs..van enen berghe enen steen ghehouwen. Jacob van Maerlant. dat metter vaert 1035 + XIXb 1.66 * Ende hoe die coninc vacht den seghe Jeghen die Joden alleweghe. dats waer. Dus sach die coninc al te hant.. + Entie coninc ooc gheblint Ende in den kerkere ghesint. Dat wonderlike was ghedaen: Sijn hovet was goudijn root. 1059 silveren alle. 1047 cedicias. 1045 sijn. 1060 coperen. 1046 aen. vgl. 1034 cedicias. 1042 gheslicht S] gesticht. hoe dat was Ghevanghen die coninc Cedecias Ende ooc mede daer met hem Al tfolc van Jherusalem.z. Sijn twee kinder waren met lede Vor sijn oghen onthovet bede. evenzoo 1033. 1053 hoe] we e. 1040 enthovet. 1040 1045 1050 1055 1060 1065 * 1031 we. 1061 yseren bein: engein. 1067 keysselken gehouden. Rb. Ende ooc nam hi ons heren vate Ende voerde se siere strate Ende diender sine afgode mede. 1041 entie S] intie. dikw. Hoedane wijs dat sonder hant Een keselkijn ghehouwen waert Ute enen berghe. 1055 beilde vor eem. Hoe Nabugodonosor lach In sinen drome ende sach Een beelde groot vore hem staen. Alexanders geesten . 1058 in die arme. Entie scouderen entie aerme groot Waren selverijn al claer. die ic sal scriven. 1057 gulden. Cedecias verloos die crone Ende bleef ghevaen in Babilone Ende die Joeden mede aldaer Al durenture seventich jaer.. Rb. Daer hi groot quaet ane dede. Yserijn waren sine been Dat en es loghene engheen.. Nochtan liet hi te scrivene bliven Een hystorie. Die buuc was coperijn. 1038 kerker. 1039 twe. Ende goods kerke entie mure Ende al die huus gheslicht aldure. 16327. Daer stont bescreven.

1105 * 1069 beilde aen. So sal verwinnen troomsce rike Al dat volc van eertrike. 1097 waren varen van. Also vele alst selver es beneden goude. dat du saghes. Het sullen hebben die Persiene Ende ooc mede die Mediene. Gheliker wijs dat yser verwint Alle spise die men vint. ik denk dat dit woord wegblijven moet. 1075 1080 1085 1090 1095 1100 + XXa 1. Jacob van Maerlant. 1076 bist. Danieel hi spreect hier of. dat du saghes In dinen droom. Want hi bediede desen droom: ‘Coninc’. 1101 entfaen. 1082 veel. 1092 roemsche rijc. Dat bediet sonder waen + Dat keselkijn.’ Ooc liet hi achter enen droom. Ooc salt sijn ghedeelt in tween. Die selverin scouderen metten aermen Bediet dat dijn rike sal aermen Ende cranken van ghewoude. sprac hi. ‘nu nemet goom! Dat beelde betekent di. 1103 keyselkin.67 * Gheent beelde an sinen voet smeet. 1073 bediede. Dat es dat in Grieken sal Een coninc werden ende sal verslaen Percen ende Meden ent rike ontfaen. Alexanders geesten . 1079 silveren. lees waert? 1072 daneel sprect heer. Het vel ter neder al ghereet + Ende vaert te nieute alse ghestof. die coperijn was al. Nabugodonosor die rike. Daer du in dinen drome laghes. 1086 Mediene] medeen. 1090 en̄ sal dat rike. 1077 gulden. 1091 yseren. Dat guldijn beelde. coninc vri. Die buuc. Daerna sal ene vrouwe Sonder man een kint ontfaen. 1083 entween. Hoe dat hi sach enen boom. 1070 + XIXb 2. daer du laghes. 1087 coperen. 1093 geliicher. 1071 E En̄ vert. Du bes selve. 1085 solen partien. Die been van ysere bediet Dat roomsce rike ende anders niet. Dat en es loghene engheen. Dat die voete waren van eerden Betekent dat daerna sal weerden Die werelt quaet ende onghetrouwe.

Alexanders geesten . Ende men die wortele niene soude sniden. * 1108 horde. Die overal heeft sijn ghebot. dattijs ware gheleert Dat doch ware een ander god. vlegen. 1121 al uut] daer uyt. 1124 tiden is overbodig dat hi des were. Totien tiden. 1135 de verandering Die tien tiden was quaet int rike maakt het verhaal ook niet helder genoeg. 1116 hi gode] gode hi. Hi dede sinen sone vaen 1110 1115 1120 1125 1130 1135 Te dien tiden was int rike Dat hi was beesten ghelike. ik veronderstel daarom eene leemte van twee verzen. Totien daghe dat seven tiden Verkeert waren up den boom. Bedi so seidi over waer Dat hi soude seven jaer Alse een beeste eten al uut Beide gars ende cruut Ende in enen osse sijn verkeert. 1140 in twe. 16600 vlgg. 1143 gyre. Nochtan waest daer bescreven niet. Doe dede hi in corten tiden 1140 Sinen vader ontwee sniden In clenen stucken al te gader. 1109 vyte. Rb. Waert sijn sone daer verheven. Dat hi selve waende wesen god. 1145 Om dat hi ontsach dat hi verresen + XXa 2. 1142 begade. Sint droech hi weder crone Ende was coninc in Babilone. 1114 bedide eem. Om dat hi gode hadde ommare Ende hi ware so sot. Dit was dien coninc al ghesciet. Aldus begaedde hi sinen vader Ende gaf elc stucke enen giere Ende lietse enweghe vlieghen sciere. 1144 leit si enw. Jacob van Maerlant. 1110 eenne stimme. 1117 hi selve. 1118 selve ontbreekt. dat hi die boom ware. 1111 niene S] mene.68 * Ende hoorde van hemelrike Dat men dien soude houwen uut Ere stemme roupen over luut. Hi seide. + Daerna doe hi doot was bleven. Alsi te voren hadde ghedaen. Daniel bediede hem den droom. vgl. 1128 en wast.

ende mettien En mochte mense meer ghesien. 1182 westu. 834. Hi maecte tenen tide feeste Aldus leest ment in die geeste Mettien vaten diende men hem. ‘Coninc’. Alexanders geesten . den riken man. 1175 mer. Nabugodonosorre.. 1168 dar omme eem. 1171 hemelrijc. Nemmeer en sach men sekerlike.Fares. vgl. 841. 4.. Jacob van Maerlant. 1181 seide ooc. 1147 eem. + Daer hi sat met sinen wiven Ende sine feeste soude driven.. Quam een hant van hemelrike. 1152 quartieren. 1174 mochtmense. 1165 heem. 1176 en] en̄ bediden. algader 1150 1155 1160 1165 1170 + XXb 1. Daerom was god up hem gram. In dien voet ooc van den scilde Stont bescreven. Die Nabugodonosor te Jherusalem In die heleghe kerke nam. Maer het was om sconincs lachter. 1151 manieren. 1153 mer het was des. Die luttel up gode achte.. dikw. ‘Ja en weetstu dat selve wel.. 1149 einde.69 * Van dode te live soude wesen. Ende hem dat rike soude ontgaen. Also nam Nabugodonosor ende. 1183 en 84 dat dat rike algader ❘ Nabugodonosor dinen oudervader. 1160 lees verheven? 1163 to enen. Dat was waerheit sonder waen. Die prophete. Balthasar sat daer ghescreven. Soe screef drie woort.. alse men wilde. 1178 last.Tegel. 1156 stoent e. Dit waren die woort. Aldus ende in deser maniere Waren ghemaect die overste quaertiere.z. Dat dat rike dinen oudervader. Doe was ghehaelt Daniel.. Dat dit was ghelaten achter. Om dat hi gode niet en kende. seide Daniel. ende laest wel.. 1177 gehalt. Hoe Daris trike van Meden wan Met Cyrus. 1167 heilge. Die tien tieden coninc was bleven Van Nabugodonosors gheslachte. sijts ghewes: Mene. Maer niemen van sinen lieden En mocht ghelesen no bedieden. 1175 1180 * 1146 soude weder wesen. als men.

1200 Du sals verliesen dattu houts. 1214 daden hun rieuiere. die goede stede. + Tegel dat bediet ghewichte: Du salt dijn goet verliesen lichte. Daeromme es god up di gram 1195 Ende hevet di al dit ghesent. Ende Baltasar versleghen mede. 1223 denkelijk dat in plaats van god. Ooc en woutu niet laten. dan soe plach Te voren over meneghen dach. Ende dor die gate van den mure. Ende het hevet te vele gouts. Jacob van Maerlant. 1195 geseint: gescheint. Fares bediet besceet: Di sal saen ghescien groot leet: 1205 Lijf ende rike dat sal bede Van di sceden met groten lede. 1219 in] en̄. Daerom waert hi ghelijc den rinde Seven jaer al ommetrent. Nochtan en scuwestu ghene sonden 1190 Dore eneghe dinc in allen stonden. 1213 twe coningen scheir. 1208 solen die stat winnen noch. 1203 bescheit: leit. * 1186 gelyc. Du en does di dienen metten vaten. Dit en was Daris niet. 1206 leide. Quam ghelopen in met crachte 1220 Tfolc ende wan die poort bi nachte. 1188 hefstu wale. Si daden ontleiden die riviere. ende hijs niet en kinde. 1209 binnen der. Alexanders geesten . 1192 metten] met. 1187 omtrent. ende binder nacht 1210 Waert ghevaen met groter cracht Babylonie. 1215 Ende nam anderen loop. Dit heefstu selve wel bekent.70 * 1185 God gaf. Cyrus van Percen ende Daris van Meden Sullen winnen die stat noch heden. 1220 wan S] van porte.’ Dit sprac hi. 1216 meingen. Daermede du saen sals sijn ghescent. + XXb 2. Die twee coninghe verwonnense sciere. Die dijn oudervader nam. 1207 percien. god weet. Mane dat bediet ghetal: Dijn rike es ghetellet al. Daer twater plach te lopene dure. 1198 dyn. Ende Cyrus liet in Babylone Daris van Meden draghen crone. 1218 lopen.

Dat Alexander daer ghesciede Vore sconincs Daris liede. Soe seide ‘du begheres strijt. meer. Nu hoort van den groten ghenende. die een groot here was. Al omtrent den scildes rant Stont bescreven. 1253 wi ontbreekt. 1252 vor des. 1258 dagiliken. Als ghi moocht horen ende verstaen. 1239 magden. 1247 geen. Hi wan Lidien met siere cracht Ende al die grote rijcheit mede. Also men dagheliken siet? Cyrus. hoe moghen wi blide Altoos wesen of teneghen tide? Waerbi moghen wi die werelt minnen. Die Cresus hadde in meneghe stede. dikw. Die ander boec neemt hier ende. 1238 en̄ was messag. het es wel tijt. 1246 bestues wael. 1244 een.’ Aldus was ghene scilt ghedaen. Die coninghinne Thamaris Soe en achte niet al dis. Also men hier te voren las. den edelen deghen. Jacob van Maerlant. hoe di wigant Cyrus meneghen seghe vacht. 1249 dat ander nemt einde. 1228 wan] van. so meneghen man. 1242 heet eem dat huet. 1260 heer. Al bestuus sat. + Nochtan dore al dat hi verwan So menich lant. Daer wi luttel ane moghen winnen. Enten lesten vinden niet. 1248 moegt. 1225 1230 + XXIa 1. 1229 rycheit e. 1259 Cyrus S] clerus heer. 1237 een] en̄. Ende vrouwe van den Massageten Ende ooc van der magheden lant. 1227 meingen. 1240 Amasonien S] amasomen. Die noch nooit was gheboren. Een moghende wijf ende vermeten. 1235 1240 1245 1250 1255 1260 * 1225 scildes ontbreekt. 1257 ende] en. 1231 aller.71 * Die jeghen Alexandere street. 1236 oec niet. Alexanders geesten . Die die alre rijcste was te voren.z. Dat Amasonien es ghenant. Ende heeft hem thovet af ghesleghen Ende waerpt met groten overmoede In ene cupe vol van bloede. 1230 meinge e. God here. 1226 hoe] wie. Soe vinc Cyrus.z.

Jacob van Maerlant.sine name. dikw. Die dlijf ons leent bi sinen ghebode. Alexanders geesten . de aanteekening.. 1266 wael. Ende alsi wille.. 1264 groten schaem. 1263 al oncherlecht sine naem.72 * Die so menighen prijs ghewan . Nochtan bleef hi met groter scame 1265 +Van enen cranken wive doot. 1274 wer vacht en̄ wer vloe.] on dlijf. 1269 wilt. 1272 dien derden S] dierden boeke. Wie so vacht ende wie so vlo. Waerom mesdoen wi jeghen gode. 1271 eem e. 1268 dlijf ons. S ons dl. + XXIa 2.. * 1262 zo bosch lant en̄ man. Die bi naturen es wel bloot.z. z. 1267 war om. so eest ghedaen 1270 Met ons allen sonder waen? Elc hoede hem vor der sonden val! In dien derden bouc staet al Van Darise ende Macedo.

Doe quam een van Daris vriende. 10 quorele. 14 enege selue dede. Alexanders geesten . Daerwaert keerde hi ter vaert Mettien breidele sijn paert. 21 brachtmen. 26 ierste. Om dat hi woude sonder waen Talre eerst Darise verslaen. die ter selver stede Ane eneghen joeste dede. 19 men] eenen dor roet. Datmen cume ghesach die lucht. Dat al niet en dochte schinen. 13 eerste ioeste die. * eer] tiersten. Dat die crakinghe van den slaghen Ende tstriden ende tjaghen Verdreef tgheluut van den businen. Gaut. 16 die noit vrese en vlo. Daer was an beiden siden vrucht. Die eerste. Den standaert brochte ghedraghen Voor Darise up enen waghen. Daer vloghen so vele scichte Ende quarele so ghedichte. Daer men te stride soude gaen. 9 daer veel schechte. 15 coen. 20 draec. 8: qua formidabile visu aurivomis patulas absorbens faucibus auras igniti Dario praefertur forma draconis. Entie scaren hem onderstaken. over deze verandering is in de inleiding gesproken. III. Dat was die coene Macedo. 5 10 15 20 25 Eer liet ic die geeste staen.73 *Die derde boec. Jacob van Maerlant. Nu seghic u in waren saken. + Ende men van goude doreroot. 24 breidel. Daerinne een drake van kele groot. 3 en die hem] sich. Hem dochte dat hijs bat verdiende. Die van vrese noit en vlo. Daer hi sach dat menich scilt Wel verdect met goude hilt. + XXXIb 1. 2 tho.

64 so dat] dat. III. Hi es die eerste man. Gaut. Hem quam Ardofilon te ghemoete. 65 beden. Ateras brac sinen scaht. 44 gheinc. Tholomeus reet te waren Dodone van Parten van boven neder. So dat si vielen up der eerden. Die scacht ghinc in over waer Dor die wapine ter herten toe. 56 openstont. 34 dire. 46 stort. 42 noch min no. 50 ewege. 55 60 65 * 31 aen. 60 stag den anderen. Datti niet meer upstont weder. Die een stac anderen onsoete. 41 heem. Clitus was deerste die ontspranc. Een karbonkel diere ende goet Was up sinen helm gheset. 38 satte. Die Grieken riepen menichwaerf: ‘Onse es die seghe. Die van goude was wel claer. 61 ontwe. die let Alexandere mettien spere. Die coninc sette hem ter were. Clitus dede met sinen spere Utermaten grote were. 55 van percen. Dat was die ierste. In onmacht waren si alle bede. 66 verscheiden. 30 35 40 45 50 + XXIb 2. Dattie scachte ontwee spronghen. 47 daer] da. Ende hi hadde an sinen scacht Enen witten vane. 45 waepene. So sere si te gader dronghen. 33 leon. Dat si tsockeerden metten peerden. Aretas storte neder doe. die daer staerf. 32 vaen. 43 wael. 40 mer metter. daerin ghewracht Een lyoen van goude stoet. vliet enweghe!’ + Clitus en Tholomeus bede Daden utermaten lede Die van Percen ende haren scaren. Alexanders geesten . 67 die ierste. Jacob van Maerlant. onse es die seghe! Ghi sijt verwonnen. Maer Alexander reet met cracht Hem den bokelare ontwee Up die bulle min no mee. 52 vytterm. 33: Parthum Dodonta.74 * Die van Surien soudaen was Ende was gheheten Arethas. Men waende dat si waren versceden.

de aanteekening. z. Die here Macheus. 71 dat hoet. Dat was Philotas haerde leet. Jacob van Maerlant. 89 hi] philotas. men zou kunnen aan stoenen nnl. Metter haest quam hi ghestreken Ende woude Iolase wreken. 91 antygonus. III. 73 doen quamen die scharen van Babyloen. Hi sloech Ardofilone wel onsoete Thooft van den buke. Doe quam die here van Babilone. Ochum). vgl. 88 veil. 86 ierconie. Othim slouch hi ontwee die siden. maar staen over sine voete is de geijkte spreekwijze. ontbreekt. 83 mar alle. 92 oech createrus. 85 90 95 100 Craterus dede grote were. 51 Othim (var. + Maer al en mochten si niet ontriden. 94 her allegader. steunen denken. sijn vader. Dat was in die luchter paertie. 101 lude. Alexanders geesten . en stont of stoet wordt bij den afschrijver stoende. Cenos ende ooc Craterus Ende Permenio. * 69 stoende. Dat versach daer Philotas. Daer vele hogher liede toe saghen Sat een ridder up enen waghen.75 * Met nide hi dat sweert uut swanc Ende stont over sine voete. 84 Othim] enen. 70 aridofolone wel is vermoedelijk te schrappen. 74 die here behoort misschien in dezen regel geschrapt te worden S die. Maer wel na was hiere selve bleven. die hiet Jolas. 90 veel hi daer. Maer Macheus hi ontreet. Doe quamen die van Hircanie Ende souden Philoten vervaren Met vele ridders up hem ghevaren. 100 createrus. Si braken die Yrconoise scaren. Daer hi hem rechten soude. Ende dat luchter here algader. Hi nam den meneghen dat leven. alse die boude. 81 mar ontreit. 102 sat De Vries] dat. de aanteekening entwe. 75 wale. Antigonus versloech te waren Feax met sinen scaerpen sweerde. 70 75 80 + XXIIa 1. Hi sloech doot ter selver stont Enen Griec. Gaut. Hem quam te helpene Antigonus. de aanteekening op vers 84. 77 die te schrappen? 79 haeste. z. die herde scone Ende wel gheraect was in den mont. van is door den rubricator met een † op den kant bijgevoegd. 80 iolas.

Permenio die in ghenen tiden Die van Percen ne woude vermiden. 132 te veert. Craterus slouch ter selver stede Sinen waghenman te doot mede. Trac hi hem van den waghen neder. Dimuse slouchi ter vaert Sinen aerm af. Hi was gheheten Anfilocus. 110 ter. Jacob van Maerlant. 114 twe beidemalen. of ghecleven? 129 ewech gevloen verbeterd uit gevluwen. Ysamnes was deen gheheten. Een ander ridder was ghevloen Van den Grieken. 130 aen. III. en zóo dikw. Nemeer en richte hi hem weder. Maer en mochte hem niet scaden. 138 hi was van den l. 107 heer. Alexanders geesten . Orestes. Agilone verslouch hi mede Ende Elame ter selver stede. 105 110 115 120 + XXIIa 2. 72: Arabemque Cherippum. 109 createrus. die wech was ghevloen. Die hier versleghen bleef aldus. 118 soen. 124 roke gevluwen. Dus vachtmen an die luchter side. Ende reetene al te stucken daer. Cirifon ooc mede daerna Van den lande van Arabia. hiet Orestes. Dedi die wapen ane doen Ende mettien trac hi sijn swaert. III. 134 reitten. Maer hi en achtes niet een brame. 112 ne woude (S nie en wilde)] niene en̄. Die up een roche gheclommen es. So wat si hem moghen doen. 125 130 135 140 * 130 createrus hem dor sloech hůet.76 * Hi doreslouch hem helm ende hooft. Gaut. Ende alse hijt hem hadde gheclooft. Hi dorreet dat here met crachten. Die voer hi troosten. Die beide joesten up hem daden. 106 nummermeer en S] en̄. ende mettien Heeft hi Ysamnesse versien. 67: qui pedes exesae tendebat in ardua rupis. 116 mar. dat was waer. Dat hi viel neder in dat sant. + Dimus was des anders name. Ende eens conincs sone vermeten. 119 naem: braem. Dor die borste stac hi hem te hant. Ende die strijt was herde stide. 104 geclůeft. 113 her. Gaut. Twee ridders quamen met twee scachten.

Metten sweerde so slouch hi Dyaspen. 170 voren S] vor en. 165 stackene doen veil schere. enen ridder hi Eudochiun hi mede scoot Met enen spiete steendoot. Nichanor dede wonder groot. dat (hi) een in plaats van eenen naam geschreven is. Dien hi up die side hilt. Hi sloech * met sinen sweerde. 155 160 165 170 175 * 143 Gaut. 155 platse bloet. Gaut. III. Mettien dede Eclimus hem ghemoet. Alexanders geesten . 81: obviat Eclimus (var. 162 S hi ontbreekt. 145 en speten. Want hi was van Cyrus gheboren. Daer hi den meneghen mede deerde. hier mag men uit vers 168 met groote waarschijnlijkheid besluiten. 73: Persasque lacessit nunc gladio nunc missilibus. 154 ter. Echinus). 167 beide. 171 niniue. 161 stackene. III. Hi en viel neder van den paerde Voren. Maer hi en mochte hem niet ghederen. 78: sanguine spargit agros. Hi reet up Nichanor van voren Ende hi stakene up dien scilt. Scone ende edel van gheslachte. Hi vacht harde an Daris side Ende maecte vele Grieken onblide. Nichanor sette hem ter weren Ende stakene doe vele sciere Mettien spere dor die visiere Dor den nese in bede doghen. hi en condes ghenieten. Hi scoet meneghen scaerpen spiet. 166 visere. 145 150 + XXIIb 1. Dien hi gheraecte. 146 hie en cons. Die prince van Ninivee Hi dede vele Grieken wee. 172 veil. Eclimus en const niet ghedogen. Negusar seit men dat hi hiet. Jacob van Maerlant. Een bacheleer met enen scachte. + Hi slouch meneghen ter neder Ende reet dore ende quam weder.77 * Maer an die rechter siden vacht Emenidus met groter cracht. Ende stac ooc met spieten. Ooc consti vechten metten swaerde. 156 dede hi een hem. 173 vachte aen. 174 veil. 152 doer. Gaut. 168 Eclimus] en̄ dymas. Hi sloech meneghen te doot Ende maecte die plaetse root van bloet. al blint up die aerde.

195 slogen. Negusar hadde luttel ghemaex. die hadde dat hueft. ghelijc den Scotte. Philotas sloughene van boven. Alse nu vachti metten ghescotte. Dat een pyrop diere ende goet Up Negusars helme stoet. ook de aanteekening. 206 het] hi. 185 190 195 200 205 210 215 + XXIIIa 1. 181 Verwijs Helim. Daren Amictus voor hem hilt. 180 + XXIIb 2. Want die aex voer in den scilt. 190 dies hi iegen die grieken was gespaer. Doch becochte hi sere den smete Dat sweert was van goeder bete Die luchter hant verloos hi saen. 183 met deem. + Dorilas haddes quade hure. Si en dorften hare wonden wieken. Slouch hi Negusare. Maer Amictus het versach Ende boot sinen scilt daerjeghen. Armogenes hadde thovet root.78 * Mettier gysaermen sloech hi haerde. Els ware Philotas doot bleven. Die jeghen die Grieken was ghespar. * 180 ax. Philotas sach daer Negusar. Ic sal u segghen over waer. voór den volgenden. Hi trac sijn sweert ende voer bat naer. 185 ax. hs. vgl. Doe hi den slach waende ontfaen. Nochtan verhief hi sine aex Ende soude wreken den slach. Jacob van Maerlant. Gaut. deze regel in het hs. Hi was gheslaghen mettier aex. Dien haddi metten sweerde doot. 215 al zo hans. stricto celer advolat ense Philotas. 214 als. 184 arm. 188 eer. 98: hunc ubi multimoda vastantem caede Pelasgos intuitur. 208 els] anders. Helm ende steen heeft hi ghecloven. 203 gemax. 211 daer in. Helime hadde hi ghescoten dure. alse die boude. helme. Philotas peinsde om sijn ghewin: Daer hi die aex uuttrecken soude. Dese drie hadden luttel ghemaex Ende alle drie so warent Grieken. 199 becochte S] becohte. 186 gemax. + Althans af die rechter hant. bedi soe was so goet. Alexanders geesten . 194 helm. 200 dat sijn swert. Nu metter aex. Nochtan die coyfie wederstoet Dien slach. Tote der middewerde in. 182 hads.

247 achte. So dat des stridens hem vernoit. 232 med. 234 hadden. Entie van Percen sijn vermoit. Jacob van Maerlant. + Alexander heeft dat versien Ende slouch achter alstie coene. 238 so dat ontbreekt loch. Ende si waren som wel moede. de aanteekening. 224 op mochte comen. Van rouwen comt dicke cracht. 240 him dies stridens vern. Iolas voer up hem ter neder. 243 eer beide malen. Die Percen begonden vlien. Dat vele liede becochten. Was dorscoten met * spieten. So dat die lucht begonde rieken. 241 nochtan was eere schare. In beiden siden hadde met sweerde Menech man die doot vercoren. 225 en. 250 wael. 250 * 218 heeft. 227 lees vele spieten? Gaut. Hi stont up enen waghen hoghe Ende waerp hem te ghemoete Rechte vor Iolas voete. Beide dor ridders ende dor paerde Ende dor scutte ende dor swaerde Sochti des conincs Daris waghen. Die alle dinc bestont te doene. Dus moeste hi der doot ghenieten. Dat gras was bedect met bloede. 118: missilium nimbus. Was hi dorscoten ende sijn wreen. Die dode bedecten deerde. Negusar ooc. 229 daer. Nochtan so was die scare clene Van dien Grieken al ghemene. 231 wael. 220 225 230 235 240 245 + XXIIIa 2. dan die Grieken. z.79 * Dat soe neder viel upt sant. Alexanders geesten . Met ere scare van lieden te voet. 245 begonsten te vl. Maer die Percen hadden verloren Vele meer liede. alst hem wel sceen. Maer hare coenheit ende hare were Was beter vele dan Daris here. 236 mer. Die hem wel in staden stoet. Ende eer hi mochte upcomen weder. Negusar hevet hem bedacht Dat hi onnutte es in orloghe. de rubricator heeft er t overgeschreven begonst te riken. 249 eenre. 226 wael. 233 doden. Alnu was dare so ghevochten. 237 lude. 228 moest.

Hi sette ene scare ter were Vor sinen broeder jeghen sijn here. 276 segt. 278 en̄ dien men in den tiden. Som met colven ghesleghen doot. storte ontwee Verdam. Hi wiste wale in waren saken. Taalkundige Bijdragen 2. Het riep daer ‘owi! owach!’ Ane beden siden menech man. Die dauwes nature wisti ghereet. Daer was rouwe ende hantgheslach. 265 strote entwee Verwijs. Men secht datti die vroetste was Van sterren in Egypten lant. 260 Men reep. 269 en̄ die een. Ende waerbi die somer es so heet. Bi wat naturen die wijngaert 255 260 265 270 275 + XXIIIb 1. Of welctijt diere soude sijn. So wat dinghe soude ghescien. 261 beiden siden reep menech. Ende wat nature die lentijn Doet groene ende soete sijn. 258 iegen alex heer. 280 285 290 * 254 hi eem. Die ic al ghenomen niet en can. 285 hi wiste wael wan die snee. 266 dor scoten. 281 wist wael. Dien men in dien tiden vant. Ende wat den wint maect so gram. Maer die Percen hadden al Van den stride tongheval. Daris broeder Oxateus Sach Alexander comen aldus. Die een slouch met al den leden. Van Damiette was die man. 283 oftte welken tijt dat dure. 234] scoete en twe. 288 groen. 282 welke tijt. Wanen so die snee quam. Dat consti in die sterren sien. Ende selc hadde die pine leden. Welctijt dat coren soude gheraken. 257 satte schaer ter wer. Som hadden si die storte ontwee. 263 mar. Ende dorscoten wasser mee. 280 conste. Die bekennet was haerde wide Ende hadde witte wapen an.80 * Want hiene gheerne hadde verslaghen. Hi sach ooc in der sterren scijn. Alexanders geesten . Een ridder stoet an Daris side. s Jacob van Maerlant. 259 ruwe. 279 wat dinge dat. Si laghen van den bloede root. + Sijn name was Soroas.

Hoe die heerfst heeft droghe nature. 294 heeft S] heet. 304 doetse] doet die see. dan iemen el. vgl. Die zodiaken kendi wel + Ende wiste bat dan iemen el. goet ende quaet. Cort ende lanc. 319 alle conste. Ende die ooc onder ons staen. Noch wiste hi wonderlike * Hi kende die hemelsce * Ende ooc die viere elemente Ende al die sterren van dien firmamente. Bi wat naturen ende bi wat dinghen Dat si jeghen den achtenden dringhen: Die hemel. hoe meneghen graet Die hemel van der eerden staet. Nochtan wille hare vaert Alle wege ten oosten waert. 300 wiste veel bat. Die sterren die hier boven liden. Die wi sien te haren tiden. 305 wilt eer. 295 wonderlike dingen. 311 ooc te schrappen? teken. Soroas hadde versien Dat hem soude ghescien.81 * In dien heerfste sijne rijpheit baert. Doetse met hem westwaert gaen. 315 320 325 * 293 wael. Al die uren consti sien. 298 sterren ontbreekt. Hi wiste wel. 317 en̄ allen eren ganc en̄ eer. 296 hemelsche dingen. Die sevene hemele kendi wel Ende wiste bat. Die noit man en sach sonder waen. Jacob van Maerlant. Maer hi kendet al ghemene. 323 den hen hemel. 322 kendet] tellet gemein. bitter S] beter. 321 cleen. Ende watter in soude ghescien. 328 die] een better. 314 die wi sein hier heir boven liden. So wat so an den hemel staet. 310 wist iemant. Dat hi emmer soude sterven Ende die better doot verwerven 295 300 305 310 + XXIIIb 2. 325 soras. 307 wist. Daer die planeten onder gaen. dat is clene. hierachter. en dan o van den rubricator overgeschreven. 324 qwaet. daer die sterren in staen. Waerbi ooc twalef tekine staen. z. Ooc wiste hi wel ter cure. Dat ic u telle. 306 allege. Alexanders geesten . Al haren ganc ende hare nature Wisti herde wel ter cure. de aanteekening.

336 hi als van sulken. 333 dat eem. 345 verspracken. misschien echter zijn zij ook een inlapsel. 361 sulke. Gaut. 334 doen engheen. Storve hi van alsulken here. 158 zegt: hic ergo in stellis mortem sibi fata minari contemplatus erat: sed enim qui vertere fati non poterat seriem etc. 353 her ofstu so ontbreekt. Daer hi vor den waghen hilt. Des was hi haerde wel bedacht. 339 quam hi gereden neven enen wageu. 338 en̄ daer. 350 bist. Ic bem die beste astronomien. Hi en verspraken ooc aldus: ‘Ja en was Neptanabus Dijn vader ende niemen el. Hi en toornede hem niet om dese woort. 330 wael. Ic bem een ridder coene ende goet Ic bem van seven aerten vroet. 354 dattuut] dat. de aanteekening. Hi begheerde dattene Alexander Soude doden ende gheen ander. oftu bes so coene. Want die sterren sonder waen Dadent hem haerde wel verstaen. Want het dochtem wesen ere. Ende dat en ghenoechdem niet. 347 niement. 345 350 355 360 * 329 den men. 358 int. 332 wael. Hi begheerde sere die doot. De twee verzen 331 en 32 zijn niet buiten verdenking. curruque premebat ab alto etc. Gaut. Hi scoot dien coninc up dien scilt. Du bes een bastaert sekerlike.’ Alse Alexander dat heeft ghehoort. z. dien men daer vacht. Die noit in lant was ghesien.82 * In dien strijt. 164: occurebat ei. Wat slaestu aldus sonder were Dat crancste volc van den here? Com hare. en 333 sloot oorspronkelijk met ende begheerde onmiddelijk aan 330. 355 bin coen en. 357 bin astronomien S] astromijn. Maer hem wonderde. Alexanders geesten . Jacob van Maerlant. De verdachte verzen mogen eene meer woordelijke vertaling bevat hebben. Ende hi wan di lachterlike. 330 335 340 + XXIVa 1. Dat weetmen vor waereit wel. Entaer die strijt was haerde groot Quam hi hem neven up enen waghen Ende brochte meneghen spiet ghedraghen. 356 bijn arten. dat sulc een here Die doot begheerde also sere. + Hi scoot up hem meneghen spiet. 348 vor] ter. Dattuut dars bestaen te doene.

380 luttelkin hie. Jacob van Maerlant. 398 die ontbr. 387 die te schrappen? 390 coen. 395 coen: doen.83 * Goetlike so antwoorde hi: ‘Owi aerme. 385 beide sijn bein: ein. 380 385 390 395 400 * 363 goedlike hie. Een luttelkijn vergramde hi. 375 hi] alexs mar. 381 mar leet. 365 dijn. Dat haerde grote scade was. Maer Meleager. 364 men moet denkelijk wach aerme lezen. Doe Soroas dus was versleghen. maer Soroas. Slouch hem af bede sine been. Entie scaren woorden testoort. Ende al die vrese van den stride Quam an des conincs Daris side. Du bes in die werelt goet. Wat raedi hem nochtan te doene? Hi en mach niet sonder waen Sonder hulpe die pine bestaen. Want hien niet en woude slaen. Twi wiltu breken dedele sale. Daer die wijsheit binnen es? Des wes seker ende ghewes. 376 ummer willen. 373 hebben dus] dus haen. 401 wael. Ende hi en sach van al den heren Totem niemen weder keren. Ooc sachi wale. Vlo daer menich coene deghen. 372 leet est. Al es Daris staerc ende coene. wat eest dat ic sie? Soete vrient. Wat grooter lede eest. Dus bedwanc hi sinen moet. Daer alle wijsheit in es verloren?’ Dus sprac hi. 366 die edel. Doe viel daer der bester een Onder die voete in dat gras. die bi hem stoet. Alexanders geesten . daer so vele toe tijt. datti doet Die helle hebben dus vercoren. wat die Grieken daden: 365 370 375 + XXIVa 2. Die Grieken voeren voort. S herssen] hirnen. Maer hi liet den ridder staen. Dat mijn sweert nemmermeer en snijt Dine hersene. 368 wes] bes en. + Die emmer in den wille was Dat hi van hem sterven woude Spranc van den waghen alstie boude Ende sloech den coninc in sijn die. laet dine tale. 370 hersene. 371 bist en zóo meer.

om aan te toonen. Die te voren sonder waen Meneghe coenheit hadde ghedaen 405 410 + XXIVb 1. dat in onzen tekst misschien ook eene leemte is. Alexanders geesten . aldaer hi lach Sinen waghenare sonder hooft. Ter vlucht begonste hi hem doen. die hiet Ausoen. so die vlucht bestaen. sach. se circa videt exanimata iacere corpora tot procerum. Doe waert hi also verdovet. 410 scoot een enen speit heit perdicas. 417 mocht. des ghelooft. Hi maecte hem vaste uten here. Hi vlo met al siere ghewout Al te voete metter vaert. inter equos auriga iacet cervice recisa. 415 mummeer ter wer: her. Jacob van Maerlant. Hi was in twivel. So sterven. De bekende held mag hier niet op deze manier geïntroduceerd worden. Daer mochte men enen coninc sien Haerde onedelike vlien. 408 die ontbr. 190: quid agat? videt arva cruore suorum pinguia. + Doe hi dus in twivel was. 422 met al] al met. 427 die van eufr. 426 te doen. sonder ander cracht Ende maecte hem so bout. 425 ridder. 404 al ontbr. fugiuntque quibus super ante fidebat potius. Weder hi hem woude laten vaen. Dat hi ter aerden neder tumede Entien riken waghen rumede. Hi voer henen siere strate Te Babilonien in die stede. ja hi sach Tusschen die peerde. Die te voren wale sere vacht Met woorden. 405 wagennare. 434 gedaen altohans. Totien dat hem sende een paert Een riddere. Hem volchde menich prince mede. Ik schrijf de geheele plaats over. 424 seinde. 413 tumede S] tumelde. Hi en sette hem nemeer ter were.84 * Berch ende dal al overbaden Metten bloede. 411 geraecten. 415 420 425 430 435 * 403 ja hi sach] aldaer hi lach. quin viscera rupta trahentes. Gaut. 433 ghedaen ontbr. Scoot enen spiet Perdicas Ende gheraectene int hovet. Althans hadde hi grote vrucht. Daer hi wiste die Eufrate. Macheus hoorde die niemare Dat Daris ontreden ware Ende hi hem hadde ghedaen ter vlucht. 430 volgde.

Datmen niemen en sla te doot. Men loet peerde ende waghen. Hi ghinc vlien al dat hi mochte. Het was in enen donkeren woude. Men vult die sacke ende dat men can. Alexanders geesten . Si en mochtens hem niet ghewachten. 445 al denkelijk te schappen. Si vaechden haer swaert van den bloede. Daer waert sat die vrecke man. 473 daer] dat vrecke S] ureke. Nu sijn die Grieken alle moede. 444 hůeft heuet. 469 aldaer. 474 en̄ allet dat. Dat al die lede sijn tongemake. Ridderen knapen ende baroene + En scaemden hem niet ter vlucht te doene. 448 wael. Ende al dat here. 440 + XXIVb 2. 472 ueel. 451 achten. 447 scaepe. 455 moesten eer lijf. Jacob van Maerlant. Hierbi machmen wel verstaen. 442 en̄ schaemden en niet. Ende Alexander hi gheboot. Die moeste al vliende tlijf verliesen Ende een scandelike doot verkiesen. Daer die kemele metten bulen Ende daertoe haerde vele mulen Stoeden gheladen metten scatte. 449 eer here. 461 hietsi. 441 baroen. Moesten sijt ooc mede doen. Die niet en woude dor sijn lant Hem weren jeghen sinen viant. 470 deilde. 466 daer tho. 458 vechden. dat hi brochte. Alse die herde es onder die brake. 453 wouden. Als hare here was ghevloen.85 * Ende ooc noch met siere cracht Jeghen die Grieken sere vacht. 465 mettien. Alst hooft heeft quade aventure. So sijn die scaep verbeten saen. Doe sloechmense doot van bachten. Hi hietse toten rove vaen Ende ooc ten scatte gaen Ende laden hem met goude. 450 si. 445 450 455 460 465 470 * 440 her. Ende et es recht ende nature. Also vele alsi mochten draghen. Alexander hi wiste al datte Ende voer aldare metter spoet Ende deelde ghelijc dat goet.

Hechsele ende alrande dinghe. 501 eer. So en weetic in mine ghedochte + XXVa 1. 478 en S] ende. 509 hůesch iocht. 500 pauleioen. 492 meiseniede. So vele hadden sijs gheladen. So vol waersi. 497 wagen. 495 in ere eer. Daris moeder dedi sulke ere. 240: septennum puerum in natum sibi mitis adoptat. Alexanders geesten . Daerna ghinghen die keytive Ende vercrachten die scone wive. Al dat goet. 485 her: wer. 490 Al hebben sijt te hem ghesaect. 496 min ende mere] no min no meer. Gaut. + XXVa 2. 510 waer docht. Vergulde waghene ende cierheit Bleef hem al. Nochtan dor al dat dit ghesciede. Dattie vrouwen scone maect. 505 hiet hi al soene. Jacob van Maerlant. 511 wetic. 487 nuchsscen gulden. 481 ueel. Si en vulden haer cousen ende haer broeke 480 Hare boesemspleten entie doeke.86 * 475 +Si werper in al dat si vinden. 502 oft en of] ofte meer. 479 eer in plaats van haer beide malen. Moeder suster ende wijf Kinder. of mere. + Dies was hi altoos ghewone. Als oft sijn moeder ware. Ik denk dat in dit en in het volg. knapen ende joncwijf 495 Bleven algader in hare ere. So goedertieren was hi te waren Ende so hovesch in siere joocht. en lidw te schrappen zijn. 485 Die comen waren metten here. 505 Daris kint hilt hi alse sone. vs. alle voornaamw. En mochten sijs niet ontbaren. min ende mere. 506 des gewoen. Dat kint was van seven jaren. Suster hiet hi Daris vrouwe Ende siere suster hiet hi joncvrouwe. Algader Daris maisniede. 482 noch. * 476 mochtsi. 488 alderhande. Si en constent ghedraghen no bestaden. Nuscen ende goudine ringhe. Nochtan dat si so moede waren. ende so ghereit Waren si ghevoert in prisoene 500 In die griexe pauwelioene. 510 Ware hi bleven in der doocht. men en mochtse binden. 504 ioffrouwe. 480 Eere boesamspleten. 490 gesact. 499 int prisoen. Si mochtent wel doen sonder were.

Daer noit man af in boeke las. 523 tierst. 529 ware. Nochtan dat hi die hoochste was. Jacob van Maerlant. 546 der mede. + Hier binnen riep hi Permenioene Ende gheboot hem te doene Dat hi te Damasch soude varen Om den scat met sinen scaren. 513 ane. 248: corrupit fortuna physim. 530 in S] en. Dat dede rijcheit van den goude. So wreet dat hise slouch te doot. Maer die soudaen hadde ghedocht Daer te voren dat hi die stede Ende ooc al den scat daermede Alexandere up gheven soude. Die alre dogheden verdienden. 520 huescheit. Gaut. 537 hueschste. 256: seque hominem fastidit homo. 521 richeit en̄ die hůesche auent. Die weeldecheit ent groote ghewin Daden hem dorperheit verkiesen Ende sijn hovescheit verliesen. 531 seegde hi oppenbaer: waer. Alexanders geesten . Hi hadde cure van den wensche. Dat was ene mesdaet groot. 518 ent] en̄ te. 527 hi si sloech ter. 526 doechden. Gaut. Bedi die eer sine viande So hoveschlec hadde in sine hande. Maer doe hi die rijcheit ghewan Beide van Percen ende van Meden Ende van al den riken steden.87 * Saken diemen hem lachteren mochte. 524 hueslich. 515 520 525 530 535 540 + XXVb 1. 528 dat S] das een. Die daer Daris hadde brocht. Alse an enen heidenen man. Hi waende dat al ware goet Wat so hem stont in sinen moet. 517 hůesech. Hi waert daerna sinen vrienden. 544 ghedocht S] gecocht. minimumque videtur esse sibi cum sit inter mortalia summus. 535 kůr uan wiinschen. 545 * 512 lasteren. 538 noet. 514 rycheit. 539 permenioen: doen. Hem verdroot dat hi was mensche. Rijcheit ende die aventure Daden verkeren sijn nature. 519 uerkesen. Doe verkeerde sijn hoofsce sin. Bedi seidi al openbare Dat Jupiter sijn vader ware Ende hiet dat mens gheloven sonde.

561 schatte den. Om dat hi waende daermede Alexander succurreren Ende sijns heren cracht verweren.) Bin achte daghen brochtmense ter eerden. Dattie verrader doot ware Ende versleghen in die eerste scare. Aldus vergat hi sinen rouwe Om des soudaens onghetrouwe. 583 feinse. 575 doe alexs. de aant. + Ens niet so quaet. Dat noit man tghetal bescreef. 574 en̄ es. graven. daar dit woord in den regel vrouwelijk is. 568 hi seide dat si. Jacob van Maerlant. Alexander hadde begraven Die heren met groter haven. et en dooch iet. 580 * 555. Dat hise groef na haerre weerden. * Daerre so menech dusent bleef. ter ouder poort. 558 wer. 556 was hi daer verslagen mede ❘ en̄ hi hem noit bekinnen dede. (Dies woudi tallen stonden pleghen. Doe hem die niemare quam. 577 uerslagen. 580 binnen brachtmen si. Al was hem sulke scade ghesciet. Voorwaert meer so waert hi rasch Ende prijsde sere daventure Dat soe somwile ter cure Den quaden sine quaetheit loont Ende dat soe nieman en bescoont. Fenise hieten die lantsliede. 584 dwanc si sondse.88 * Bedi trac hi alstie boude Met sinen volc uter stede. 563 waer: schaer. Die in den strijt waren versleghen. Dit es allene die troost Die Daris drouve herte verloost Van al den scade dien hi nam. Dus was ghehaelt in die stat Al sonder were al die scat. Eer hi hem noit bekinnen dede. 576 die grote heren metter hauen. Beter zou ik wellicht ook dier schade die geschreven hebben. 582 denkelijk der. misschien ook te lezen doe dede A. Die valsche soudan van Damasch. Hi dwancse al sonder miede 550 555 560 565 570 575 + XXVb 2. z. Ende hi voerde dat here voort Tote Saiet. Was hi daer verslaghen mede. Alexanders geesten . 581 voerde] vort her.

Met slingheren street men vele daer + XXVIa 1. Alse Saiet was ghegaen in hant Entie Fenise ende al dat lant. 617 verhort S] veerhort canteel. So dat verhoort Macedo. 586 hire. 602 si peinsden. 599 Dat uerhoert te hant m. tieren. 588 feinse. Onweert hadden si die boden. 600 Hi was der orloghen wel vro. 597 unwert. 600 wael. 622 ontheilden. Die die woorpe wel onthilden. 609 tinnen: sinnen. Maer sere rouwen hem die liede. 591 appollinis heer: eer. 603 him en moechten. 615 wael en zóo dikw. Alexanders geesten . 594 hi eem ber. 610 Blide was hi in sinen sinne. Verhort waren die cantele Jeghen tribuke ende magnele. Daer stelde men meneghen pederiere.89 * 585 Dat si hem waren onderdaen. Daer Appollonis in was here Gheweldich ende met groter ere. Dies was hi seker alle weghe. Daer stont menich deghen vri 615 Wel ghewapent na hare maniere. 593 ofte hi woude. eer. Bedi daden sise doden. 605 voer ontbr. Dat si hem beraden souden. * 585 hem ontbreekt. dat si om ghene miede Jeghen hem en mochten versoenen. of si wouden. Hi peinsde. Die poorters vant hi onvervaert Ende ghevest met enen mure Ghetornet ende begraven ter cure Ende meneghen man staende ten tinne. Dat hi daer vechten soude seghe. soude. Hi ontboot hem. 595 hi woude. Jacob van Maerlant. Hi liet die poort van Cydoenen 605 +Ende voer voort te Tyren waert. So met stride wederstaen. Dus en woude hiere ghenen slaen. 620 Die van binnen behinghen sciere Die mure met planken ende met scilden. 595 Weder si hem wouden ontfaen. Hi besach die poorte van bi. Doe seinde die coninc boden voort 590 Tote Tyren in die goede poort. Ende menich toren staerc ende diere.

Datmen daer meneghen steerven dede. 646 en S] en̄ denkelijk engheen te lezen. Jacob van Maerlant. 643 en̄ geenre woudeme. 631 ze: we. Dat si dusent heren sloeghen doot. Het verbrande al groot ende clene. clene ende groot. Som si ooc dat vier ontsaghen Ende lieten hem met sweerden slaen. Ende men brac den muur met crachte. 656 som. 633 uachte: crachte. 645 die die in kirken. 661 him. 638 en muur. Doe men die edel stede ontstac Onder wint met griexen viere. 637. So grote were was van binnen. Sonder die in kerken vloen En woude hi gheen quaet doen. dat was waer. 634 porte. Enghere ghenaden en woudemen pleghen. Ende te lande vachtmen mede Te paerde ende te voete up die stede. Daer was haerde groot ghecrac. S můer] viuer. So langhe vachtmen vor die stede. Al dat volc slouch men te doot. 654 ontfeinc. Die vrouwen riepen lude met wene. Bede bi daghe ende bi nachte. 637 beide en. 659 him. Maer Appolonis hi ontghinc Doe tfolc al die doot ontfinc.90 * Ende met boghen. 653 appolinis. daer men mede vacht Up die poort met groter cracht. 536 tho perde. 649 uier. 638 in omgekeerde volgorde. 639 man ter. de aant. 625 630 635 640 + XXVIa 2. 630 dusent] drie. Die brant was groot ende onghehiere. 651 wenen. 645 650 655 660 * 628 groet. Daer dedemen den lieden wee Met scepen. + Jonc ende out. 657 alse hi woude. Want si daden die were so groot. Die dit ooc bede wouden ontgaen Si lieten hem vallen in die see. Alexanders geesten . Want si die boden hadden versleghen. z. Daer was die doot menegherande: Some liepen si in die brande. 655 meinger hande. Die stede stont bi der see. Hier omme dede die coninc verslaen Al dat men daer mochte begaen. 660 beide woude. Alsi wouden ontflien den slaghen. 652 uerbrant grote. Nochtan en mochtmense niet winnen.

684 eerste litteren. 681 tieren den naem. Wildi een paert. 697 liiden. Die wilen maecte Agenor Ende Tyren ierst die name gaf. Hiet Cadmus. Alexanders geesten . Jacob van Maerlant. 667 den. Wi vinden wel ghescreven daeraf. Dat te Tyren. 680 685 690 695 * 665 ueel. Dit weetmen wel dat waer es. Ende so luttel van vroeden lieden: Woude ieman anderen iet ontbieden. ende si sloughen. 679 torn. ❘ woudsi werende tlijf verl. Die griexe letteren eerst visierde. in die goede poort. 686 Cadmus S] catus goen. 698 ontbeden. 676 bedi S] beide ueil. Want het dochte hem wesen scande. 694 ierst en zóo dikw. Vant eerst letteren in latijn. 688 deze regel staat na 690 met een †. 674 alder. So was tfolc al ongheraect. Si wouden dor die ere van den lande Werender hant haer lijf verliesen Ende een eerlec inde kiesen.l. Entie prophete Moyses Hi vant ebreusce litteren teerst. Die hem ooc met stricken hinghen. 670.d. hi screef een paert 665 670 675 + XXVIb 1. Ooc wasser vele in waren dinghen. 71 misschien Dor die ere v. 669 him. Dus es gheslicht menich tor. Dus waren die dode van manieren.? 673 sloech si. Dus was die wijsheit ghemeerst. Daer hi die werelt met versierde. 685 soen. 696 tfloc. 687 litteren. 678 Tieren. Sulke waren ooc van dien Die altoos niet en wouden vlien. ene maghet fijn. Bedi Agenor hadde enen sone. Bedi si haddens ere vele groot. Som bleven si onder der maisieren. Aldus was die edel poort Tyren algader ghestoort. eer Tyren was ghemaect. Te voren. Carmentis. dat was die gone. Dit dochte hem alre beste ghevoughen. + Het dochte mi sijn die scoonste doot. dit woord moet denkelijk uit den tekst.91 * Dus was daer meneghen vele wee. 668 niet altoos. 683 tijren. 692 dye. Eerst griexe letteren waren ghehoort. Men slouchse doot.

Al was soe heidijn doe te tiden. * 701 woude hi anders iet. Woudi iet el. 720 Doe voer Alexander voort Haestelike te Jherusalem. Dat eerstwerf hiet Salem. Soe es kerstijn woorden siden. 730 alle. tgoet verteert. Dat se god ghebenedie! Si scoffeerden ooc Saladine Ende ooc die ghesellen sine. Alexanders geesten . 711 heiden.721 to. 735 alex al daer br. 727 hise] si. 730 Ende al die coninghe vander stede Hieten langhe wile na hem. Noes sone. hi screef des ghelike. Leestmen datse eerst maken dede. Daer dede sider wel groten staet Die edel markijs van Monfraet 715 Entie here van Tabarie. 714 markijs S] marcus. Dus was die sede in eertrike. 735 Nu heeft Alexander bracht Groot here al daer ende heeft ghedacht. 717 ooc denkelijk te schrappen. 736 her en̄. 710 Dat en es altoos enghene saghe. 724 Was die ierste ertrike. Salem hiet hise ende woonde daer Meneghen dach ende menech jaer. Al was soe ghewoorpen neder. s Jacob van Maerlant. 705 Te voren en const noit man ghewinnen. Dat hi die poort sal ontsteken Ende dan ons heren kerke breken.. Nu es Tyren ghedestrueert Tfolc verslaghen. misschien ook hiet hi sider mede. Melchisedech hiet hi ooc mede. Sem die rike. Doe Tyren dus was testoort. 715 heren van tabrie. + Nu doe ic u die waerheit kinnen. 712 kersten. doe hijt wan Up dat volc van Chanaan. 709 hiet heden in den. Die eerste coninc van eerderike 725 Ende ooc die eerste pape mede. Ende soe heet Surs heden den daghe. Dat soe es ghevest weder. 729 melsicedech hiet sieder oec mede.92 * 700 Ende sendet ooc dan ter vaert. + XXVIb 2. 710 geen. 716 dat si. Ende sider hiet Jherusalem Die coninc David.

740 + XXVIIa 1. Hi mercte al wat daer behoort Ende hoemen dare diende gode. 743 gedachte. 751 busscop. Hi en moeste ooc also doen. Jacob van Maerlant. Wanti was van hoghen sede.93 * + Daer die Joden sesse ende viertich jaer Over wrachten. was hi haerde vro Ende bete neder up die aerde Ootmoedelike van sinen paerde. 750 noch min noch meer. Dat Alexander. ontbr. Dit lesemen in waren saken. 767 S hi. -762 hoede. Die mi ooc mede gheven sal + Onder mi die werelt al. daer hi lach. Quam die patriarke voort. 775 * 739 LXVI. Eer hi Teben dede te storen. 745 qwam patriarche. in diere ghebaren. Eer sise mochten vol maken. Dat hi hem woude so ghematen. Daer en was ridder noch baroen. 745 750 755 760 765 770 + XXVIIa 2. no min no mere. 755 heer. 757 Teersten. Ten eersten dattien Macedo Sach. Dat Alexander onsen here Ghecleet sach. 746 heilge. Ons heren figure sach Over twee jaer hier te voren. In diere ghelike. vgl. Die woonde in die heileghe poort. waerom hijt dede? Hi seide ‘dese hevet mi ghegheven Al mine macht ende mijn leven. dat es waer. Alexanders geesten . Si vraechden hem. 742 leestmen.’ Hi liet al tfolc buten die stede Sonder al luttel. 770 mijn. Doe hi was in dit ghedochte Enti die poort met crachten sochte. Dan als een bisscop es ghecleet. Rb. 752 ast ersten. Dien ridders wonderde uter maten. die daer waren. Over sine knie hi neder seech Ende mettien hoofde hi hem neech. 17868 volg. die hi dede Met hem varen in die poort. 744 porte. 765 vytteer. Also alst in dien eersten boeke steet. 777 daer. Met al den papen.

805 ute mer. Jacob van Maerlant. Alexander hi dede doe vraghen. 799 Asiria S] asina. 788 dede hi. Daer waren si met haren roten. Die ooc Epiphanes hiet. + Die Alexander den Joden dede. 811 hi si uter den prisoen: doen. 793 lees die berghe. Die coninc was al sijn leven Int lant van Asiria. Alexanders geesten . vermoedelijk doghet dede. 783 dor heer. 784 gode zou men kunnen missen eer. 790 wael dit es. 792 men doe sagte. 789 hondart. 795 isrls vers 801 isrhels. Dat diende gode wilen wel Van Salmanassare verdreven. Doe si hoorden van derre bate. Die leghen int lant van Endi. gout ende chierheide Ende gafse van allen chense vri. Doe seidemen weder ghereit. Den Joden dede groot verdriet. Hi hadde verre ende na Tfolc van Israhel ghevaen Ende hadt in dit lant ghedaen. 782 dogt. dat die here Antiocus. Doe sinden si ooc boden mede Tote Alexandere. Si en mochten uut maer tenen gate. Want si hoorden ten joetscen doene. 814 weren en̄ wes. Dese doocht die dede hi Den Joden dore onsen here. 815 gereet. Daeran dedi gode grote ere. Dat es bi anderhalf hondert jaer. 781 alle cense. 810 815 * 779 patriarche. 810 him. Si bleven ooc ghevrijet aldus Toter tijt. Daer was dat volc van Israhel. 780 785 790 795 800 805 + XXVIIb 1. zooals het anders luidt? de constructie χατὰ σύνεσιν heeft echter niets bedenkelijks.94 * Hi offerde na die ghebode Dat hem die patriaerke seide Selver. Wie si waren ende wies si plaghen. 806 baten. 780 chierheiden. Dat met beerghen was besloten. Doe ghinc verre die niemare Dat ment doe seide al openbare Int gheberchte van Caspi. die bem baden Dat hi hem dede ghenaden Ende hise dade uten prisoene. 797 salmanassar. Dit weet men wale dat es waer.

Dat hi die beerghe bi siere ghenade Tegader beide comen dade. 819 diesi. Want si up gode en achten niet. 845 850 * 816 dat si dorch hůer. Het was een vercoren stede. Eer Jhesus Christus waert gheboren. Hi bat gode ter selver tijt. 817 here dar om pl. Jacob van Maerlant. 845 est. 837 heidenen. 832 uerheilen. Drouch Alexander crone te voren. 1. Want dat gat was haerde wijt. 843 croen. Ocht onse here so vele dede Door enen heidinen man. 838 seg ic. 828 daer in. Ic segghe u dat al over waer. Daer sijn si binnen noch ghevaen. Daeromme eest also ghesciet Dat hi gode en kende niet. ❘ onse here hem pl. 824 dochte. Diese ute alre pinen brochte. Dat en es loghene engheen. Bedi voer Alexander al daer. Tiene gheslachten sonder waen Ende een half ooc daer mede. 840 veel. Of hi die israhelsce roten Daerinne woude hebben besloten. 847 lees die vaert? 850 philiste. 839 dor kerstens. 822 sage u dit. Drie hondert jaer dertich ende een. 851 porte. Alexanders geesten . Deze en de voorafgaande regel misschien dat dor hare grote qu. Doe docht hem grote pijnlichede. Want hi dat gat verhelen dede. Daer wilen Samson was beseten Van meneghen Philistee vermeten. Bedi becochten sijt dus onsochte. Dat hi dat gat vermuren dede. 853 was op een. Men leest dat hi die poorten nam Ende up enen berch ooc clam. God ghehoorde sijn ghebede. So ghetrouwe was soe mede 820 825 830 835 840 + XXVIIb 2. 834 geslechten. So segghic dat hi soude dan Doen dore eens Kerstijns bede + Vele meer wonderlichede. Van Jherusalem ghereide sine vaert Alexander te Gazen waert.95 * Dat se dor haer grote quaetheit Onse here plaghen liet.

hiet Becus. 856 noch om meer. 862 eerre harder. Alexander sloech te hant Becuse af die rechter hant. 886 scouder. Hi quam rechte of hi ghevaen. 885 Metter ander stac hi den here In die luchter scoudere sere. 875 Met crachte sloech hi hem upt hooft. 865 Mettien dat men street aldus Quam een van binnen. Ende waende den coninc doot slaen. Hi hadden doot. Die hem dicke badde ghehoet. Hem den coninc woude gheven 870 Ende uter poort ware verdreven. 868 ofte. Ende doe waert die coninc ghewont Met enen steen ter selver stont In die scene van den bene. 880 Datti den slach hadde volbracht. 887 doe S] doe die. Becuse sloechi sonder waen Ende dede dat hi hadde bestaen: Hi dorbrac die staerke scaren. 876 hedden. 880 hedde. 860 eer. des ghelooft.96 * 855 Darise. haren eersten here. 877 mer di au. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . Dat si om min no om mere Enwouden Alexander ontfaen Ende gheloveden sonder waen. Men sloegher vele an elke side. Dat si dore hare ghetrouwechede 860 Behouden souden hare stede. Alse hi die hant hadde verloren. Bedi en haddi niet die macht. Maer daventure weder stoet. 870 waer. 864 ueel. Des hadde Becus groten toren. 890 Daeromme gaf hi haerde clene. + XXVIIIa 1. 873 binnen dien. Doe hi den coninc bi was comen Woudi hem tlijf hebben ghenomen. 893 die S] di. * 855 heer. Hi beleide die poorte al omme Met ere haerde groter somme Ende street daer met groten nide. 889 been: cleen. 866 heet. + Bindien scilde hilt hi tswaert Ende reet ten coninc waert. 858 dor eer. 882 rechte. 872 woudi S] woudi hi. 861 die S] di.

Doe voer hi te Egypten waert. 926 serpente. 911 scone. Sider dat hine graven dede. vgl. 910 915 920 925 930 * 896 behoudelic. wies beelde twas. 928 coem. 923 hi] men. die blide man. Sulke alsi vant in sinen sin. Want hi seide het was. 899 sette darin. Ende hi besetter in sine cure. Hi cusset ende hi helset mede. 917 ende ontbr. + Doe deet di coninc cortelike Na sinen wille besetten algader. mede] bede.97 * Die ghene. 16193 volgg. 901 weert: uerueert. Dat nieman cume en conste ghenesen. Bedi waert sijn van rechter ure. Al dat lant was so vervaert Van den staerken griexen here. Doe hi wiste. 910 besettet. Doe Alexander.’ Daer dedi maken ene stede. du bes mi willecome. Die hi Alexandrien heten dede. 903 her. 922 heite. die in die stede waren. propheet. 909 bedi] tebie. Jeremien met groter eren. Alexanders geesten . 913 neptabuse. Gaven up die goede stede Behouden lijf ende lede. 906 dede. Dat een wonderlijc lant es. 916 verhoechde. 915 wes dat was. En quam serpent engheen in die stede. Ooc sprac hi ter selver stede: ‘Vader. Jacob van Maerlant. Daer groef hi den prophete ons heren. Mettien reet hi sine vaert Met haesten te Lybien waert. 920 uroem. Dat si up gaven sonder were Altenen gader haer conincrike. 925 en Rb. Wient si scade ofte vrome. 908 sachte. 919 bist willecoem. 930 te] ten lande uan. Van brunen maerbersteen algader. 904 al sonder wer. 921 dede. Verhoghede hi sere das. Setti sine cure daerin. Sijt des seker ende ghewes: 895 900 905 + XXVIIIa 2. Daer hadder te voren so vele ghewesen. sijns vader. Die stat van Gazen aldus wan. 925 hi eem. sinen vader. Daer vant hi een scone beelde Ghemaect na den edelen heelde Neptanabuse.

967 tiersten dat si waren binnen den lande. g. 948 Noch maer.98 * Het es so heet bi naturen. Sonder een fonteine. Braken die baren also hoghe. 935 et liget. lees bidden dat hi hem weten dede? 957 wie S] we waer: oppenbaer. gr. Alexanders geesten . 951 een. 935 940 + XXVIIIb 1. Welctijt dat es een stoorm. Rijm no snee altoos engheen. 966 lees der staercster? her. Daer en vallet dau no reen. So vlieghet tlant in die ghebare. 944 snee] dau. Die coninc vant in sinen raet Dat hire woude doen sine ghebede Ende bidden hem dat hi hem sede. Jacob van Maerlant. Ander boom. die int here waren. dat es waer. Selve quam hi na ghevaren Met ere mateliker scaren. 945 950 955 960 965 * 933 heet oec. noch riviere. In den bosch es ene kerke Van haerde dieren ghewerke. 938 noch west. Enten pape groot goet te waren. 946 in geinre manier. Ne maer een bosch es aldaer. 968 buyten den. Gras no coren wast int sant. Wie sijn gherechte vader ware. 956 en seide. Teerst dat si voeren binden sande Ende si waren buten eylande. Datter niemen en mach gheduren. So en es int lant van Libia. 950 Libia S] bibia. Die staercste. Noch water in neghere maniere. 961 te moet denkelijk weg. Hi seinde sine boden te voren. Ooc woudi weten sonder waen. 963 en̄ seinde den p. verre no na. Die hi uut hadde vercoren. 952 diren gewirke. Lybien dat es een arem lant. 943 uelt noch regen. 960 hoet] weit. Ocht in die wilde see ware. 949 Noch ander. 934 nieman duren. Hoet hem in stride soude vergaen. 937 arem] ander. 940 weelctijt. 374: fortibus et paucis. Gaut. te uoren. 945 riuere. Want hi en wistes niet openbare. Daer en es beke. Ende het leghet in Affrike Int westeinde van eertrike. + Daer es menich staerk woorm. Daer Jupiters beelde in staet. 965 eenre matheliker.

Soe es lau ter sonnen upganghe. Ghinc hi in den monster staen 1000 Voor Jupiters ghebeelde saen. 1001 afgot sachte oppenbare. Noch gras. * 970 wast. 980 kirke. Eer hi Amons busch vernam. 998 herte. So es soe lau woorden weder. noch enich lant. + Alse ocht ware in die gherume see. So welken tijt die sonne es neder. Dit es een wonderlike nature. 971 als ocht were. S si] hi middenacht. dan es soe so cout. 986 so dat come. So soe meer coelheit ontfaet. 1002 waer. 996 en. Jacob van Maerlant. Ende sijn hette was ghesonken. 1005 Hi seide dat hi in ghenen strijt Sterven soude in eneghen tijt. 1007 hier om. 995 fonteinen.99 * 970 Vanden sande. Dat ghijs cume gheloven sout. 1006 tijde. 990 wallet S] uallet. S si] hi. Hieromme was die coninc blide + XXVIIIb 2. al waest droghe. 987 weelken. So heet es soe up die minnacht. 989 soe. 983 sonner. Viere daghe ende viere nachte Reet die coninc dus onsachte. Die afgod seide al openbare Dat Jupiter sijn vader ware. S si] hi meerre. 985 es si kout. Die claer was ende haerde reine. 995 Eer si dronken vander fonteine. Si en vonden in den lande 975 Noch voetspor. Maer die duvel can wel lieghen. Alse hi den minsche wille bedrieghen. Als Alexander hade ghedronken. 990 Dat wallet van groter cracht. denkelijk soe wallet. 1005 sachte strijde. 1003 die S] der. Daer af te tellene es haerde lanc. 992 soe. So et naerre den daghe gaet. Alexanders geesten . els niet dan sant. 980 Ende in Jupiters kerke quam. Het waert den Grieken sere te sure. Daer hi van der fonteinen dranc. 977 vier uier. Dat duurt daer also langhe 985 Toten middaghe. 1004 minschen wilt bedregen. Daer hadde menich vele wee. 988 soe. noch beemt. Die versmoorden inden sande.

1025 hieren binnen. Te Damiette quam hi an. Waren te tellene also goet. Gaut. 1015 moer. 415: praeteriti pudor et spes incentiva rursus in arma vocant. 1031 her: wer. Hi hadde ghere van Libia Te vaerne in Etiopia.100 * Ende keerde weder over side Mettien selven. doorpers ende baroene. Ende danen woudi altehant Varen in Mennoens conincrike. + Dat ghetal en canic niet ghenomen. Ooc hadden si achtinghe das. dat secht mi mijn waen. 1014 uaren en̄ in eutopia. Dattie coninc Daris ware Anderwerf ghereet te wighe Met groten ghere ende met prighe. Dat es der swarter more lant. Dat es toostinde van eertrike. 1041 ere ontbreekt. 1040 1045 * 1012 damiete. 1021 groten en met. Ridders. Alle de liede vloen enweghe. 1044 ulouwen ewege. Dat si souden vechten seghe. 1019 mer. Eist dat hi prijs bejaghen sal. 1035 dochten here. Jacob van Maerlant. Want daer versmoorde menich man. Knapen ende serianten coene. Tiren ende al haer man. Si scaemdens hem in haren moet Dat there ere verwonnen was. die an dien hemel staen. 1045 baroen: coen. Bedi. Hondert dusent bi ghetale. Ghevest uter maten wale. Hier binnen dat Alexander wan Saiette. Die sterren. Jherusalem ende Gasa mede Ende in Egypten meneghe stede. Doe ghereide Daris echt sijn here. Dus moet sijn wille bliven al. 1033 coningrike. 1038 aen. 1010 1015 1020 1025 1030 1035 + XXIXa 2. die ontfaren Uten heten lande waren. Al dat volc van eertrike Dochte ten here te gader comen. 1013 ger in libia. Maer hem quam een niemare. Alexanders geesten . Want hi hem woude doen ter were Al durenture sijn conincrike. 1037 segt. 1018 dat oesten inde. 1040 hen.

Alexanders geesten . Menelaus ooc van Grieken. 1080 en̄ alle die. 1076 coen. 1054 quamen die in sariantte. 1059 en̄ die ridders waren. 1072 meer. 40 volg. Alsi ten scepen souden varen. 1082 scepe. Ende ridders waerre binnen Wel ghewapent toten tinnen. 1056 Ridders stoenden op die canteel. Up buffele quam tfolc ghevaren Ende ooc up kemele te waren. Ende tote hem quamen ghelopen Al die liede van Europen So vele volx hadden si te waren. 1075 agamemnon. Dat Aulis hetet nu bi daghen. Si ghinghen in dier ghebare. 1077 him. Doe si in een eylant laghen. 1075 1080 * 1047 woest. Daerna dedi haerde saen Met scepen dander helt overslaen: + Dore al dat hem dit ghesciede. 1064 ter. Aiax ende menich coene baroen. Cerces. Alse ocht een maisiere ware. Dat sijt ghescepen niet en mochten. Die die wapen souden draghen. Ende sijn broeder Agamemnoen. Nochtan hadde Daris meere liede. 1070 dat ander helt. Die der see was haerde na. Nochtan leestmen dat si brochten 1050 1055 1060 1065 1070 + XXIXb 1. 1079 tot. Beide van knapen ende van wiven.101 * Men liet die lande woeste bliven. Die olifante droeghen castele. Slichten dede in die see. Die wilen tlant van Grieken wan Enten berch van Cisia. Die wilen Troien dede smieken. Ende noch dedi wonders mee: Doe hi van der see die helt Ghevult hadde met ghewelt. 1053 dromidaris en̄ op. het substantief zou men hier kunnen missen. 1057 si ghinghen] singende. die machtighe man. 1081 ueel. Jacob van Maerlant. vgl. 1055 casteel. Zeitschrift für deutsches Alterthum und deutsche Litteratur 24. Men spien die ossen in die waghen. Up dromedaers ende olifante Quamen die ridders ende seriante. Ende daer stoeden up cantele.

1100 hijt dlijf. 1092 twe. Hi waende dat dat volc ware Uter eerden al weder comen. * 1085 ueel. Al dat volc. Hier moetstu die doot verwerven. Alexanders geesten . Dies hadde wonder Hercules. Doe Hercules dat wiste wel. Doe verbernedi met griexen viere Bede serpent ende maras. 1090 Dies mochte dien meneghen vernoien. Was vergadert. Dat Daris anderwerf sulc here Jeghen hem brachte ter were. Alse wilen hadde Hercules. 1100 Dien hi dlijf hadde ghenomen In dien strijt die leden was. 1116 hi si. 1117 eelgen ueir. dese twee. 1105 Doe hi Antheus hadde ter neder. Also groot wonder haddi des. 1104 also. 1118 verbernedi] uerbornen si. 1112 herweruen. 1088 hoerdom. 1113 enen. eer hi neder vel. Also hadde Alexander des. 1120 Daer die grote beeste in was. Dan hi was. 1109 heef hi en locht: ulocht. Alse hise af houwen waende. 1093 uor genoemt. 1119 beide serpente.102 * 1085 So vele scepe. 1105 Antheus S] atheus.’ Hercules slouch een serpent. Dat menich hoot al omtrent 1115 Hadde up sinen buke staende. Nochtan hadde Daris liede mee Dan si daden. Die hier vore ghenoemet waren. Hief hine boven in die lucht 1110 Ende sprac ‘di en helpt gheen vlucht. dat dat mere Te nauwe was dien sciphere. 1095 Doe wonderes uter maten sere Alexander. 1124 bracht ter wer. Jacob van Maerlant. om een hoerdoem Te wrekene up Parise van Troien. Alsi hoorde die niemare. En moetstu niet up daerde sterven. + XXIXb 2. Dies moghen die Grieken hem vervaren. dats groot roem. Quamer up elken struke viere. Ende meerre ende staerker up stont weder. den groten here. + Alsmen hier te voren las. 1123 andewerf sulke.

Alexanders geesten . Hi sochte Darise sonder waen. 1160 Diene qualike verrieden. 1139 her. 1128 die ontbr. 1152 en̄ dit waren. Bedi voer hi siere strate. Dat Alexander keren soude Ende met hem tgriexe here. Was sint versleghen doorperlike. Dat upt tlant stoet scone te voren. Want Maceus van Babylone. Daer Daris van sinen lieden. Ende hi voer over die Eufrate Ende tgriexe here mede. * 1125 mar. + XXXa 1. Dit en waren ghene saghen. Die comt ghevloghen metter vlaghen. 1145 Hi vlooch rechte alse Tygris. 1140 en Gaut. 1133 babyloen: scoen. Die wale gheraect was ende scone. 1130 Hi vant doorp ende stede Al verbrant ende tcoren. Dat een riviere was te waren. 1159 sine. of is een substantief hurre denkelijk? vgl. 1143 edel beide malen. + Dit dedi doen. hurren = zich rasch bewegen. Dat hi hem niet en soude ontgaen 1155 Int einde van sinen rike. vgl. die edele here. Die edele man. 1156 genendenclike. 1135 Hadt al verbrant clene ende groot. 1146 scoen riueir. 1136 daris dat eem onboet. dat soe die stene Beide groet ende clene Met hare drivet in die see. Soe es so snel. om dat hi woude. mhd. Dies sneldi hem ghenendelike. 1149 huere. 452: qui gurgite saxa volutans. Dat een scone riviere is. 1150 Hi vlooch ghelijc alse die snee. 1131 tcoren] testoren. 1135 hadde. 1140 alsi] alse hi lijfner. Gaut. 1140 Alsi die lande sonder lijfnere Algader vonden ende sonder broot. Want Daris hem ontboot. 1147 steen: cleen. 439: fumantesque invenit agros. Dat wrac Alexander. Maer hi en ontsach ghene doot. 1158 riueir. Up die Albene quam hi ghevaren. Hi peinsde altoos om die ere.103 * 1125 Maer hi hadde onweert tghetal Ende alle vrese ende ongheval. die rike. Jacob van Maerlant.

of hier? 1179 eer. de aant. bosch ende riviere Hadden onweert dat si wouden Die werelt met crachte houden Ende alre liede heren wesen. Lant. den here. ter selver stont So verloos soe hare lecht. 1170 dat eer dat stoet.] het. Want die herte hem verscoot. 1181 herte hem] eerde si. datti lande waren Al verarmet mettien viere. van waren misschien was of eer was. Alexander wouden si slaen. 1180 wapenen. 1178 bet Verw. Si riepen alle even sere Jeghen Alexandere. Dat men ten stride varen soude. Het was den daghe bi te waren. 1173 die. S de] den maen. Hem verkeerde hare moet. 1195 alder. Alexanders liede al Ontsaghen hem van ongheval. Si claechden. Alexanders geesten . Si seiden dat sijn die scoude waren. + Lelic dat dat hare stoet. Dattie mane woude vervaren. 1198 dat si dar om vertornet waren ❘ om dattie maen was vervaren. Ooc seiden si dat soe hem woude Vertoghen tgrote ongheval. Die ten wapinen waren goet. 1165 wael. in pl. Daer was die vrese haerde groot. Hem vernoies sonder waen Dat si met hem moesten varen. Jacob van Maerlant. Ende ooc was soe wale ront. 1197. Doe soe up quam. Anderwaerf so waert soe echt Also root alse een bloet. Dat bet achter comen sal. 1188 uernois. 1165 1170 + XXXa 2. Alsmen die mane up gaen siet. Ende dat hem die sterren bolghen. 1176 seiden si S] seide hi soe] hi. 1192 riueire. 480: armisque paratas dormitare manus. Gaut. S de] dien maen. 1199 Si sachten dat sijch die sterren.104 * Recht doe dach ende nacht versciet. wellicht stond er ook dattie mane was vervaren ❘ daerom (of om) dat soe vertornet ware. 1175 1180 1185 1190 1195 * 1164 die. 1187 woude. Doe si die mane saghen vervaren. 1177 vertonen. 1167 eer. 1191 alle uerarmt. Si bewijstent ooc in desen: Om dattie mane vertoornet ware Dat soe daerom was vervaren. z.

1215 maen. 490: praescriptos homini regem transcendere fines. Haren wech ende hare stede Ende al dat si bedieden mede. Die sterren moeten dien ganc gaen. 1225 Dien si van beghinsele ghinghen. 1225 den si uan beginsel ghinchen. Die alre beste astronomien 1220 Die beste in sterren conde ghesien. vgl. Si houdent alse hijt gheboot. 1207 volc S] vol. 1228 allet bedieden S] bediede. 1230 cleen. 1226 ic gegge. 1227 eer stede. 1222 antwerde deem volc. 1221 die alde. clene ende groot. Hi antwoorde den volke al des: ‘Ghi liede. 1205 hadden besuert S] harde beswert. * 1200 hi. Ende hem so dicke gheaventuert. Dat sijt seiden al den lieden. Ende wat ooc mochte bedieden. 1230 Diet al gheboot. 1217 bediden. 8. 1216 goede wouden daer. Hi en haddes altoos ghenen vaer. 1234 heer. Hi riep die wijste meesters daer. Dien hi hem gaf. Alexanders geesten . 1213 astronomine. 1235 Diet al hevet in sijn ghebot. ook Alex. 1218 sechten. Ende si en gaen niet uten kere. 1203 menich. 1206 ducke geantuurt. 1210 mar. Ende wat die gode wouder mede. Diemen hiet astronomiene Ende gheboot hem te besiene. Dat was doude Aristaldes. + XXXb 1.105 * 1200 Dat hi cume woude volghen Nature ende minschlichede Ende hi hem anbeden dede. 1204 reise. Gaut. Hem rouwet dat si so meneghe vrese Ende so meneghe staerke rese. 1212 meester daere. 1205 +Dor sinen wille hadden besuert. Ic segghe u in waren dinghen. die grote here. Jacob van Maerlant. Hoe die grote here heet. 1224 dien] eren. Maer niet en segghic dat ic weet. 1215 Wat die mane vervaren dede. 399 menschlijcheit ende nature. 1232 den hi en. 1219 alder astrononien. 1201 mijslicheide. 1210 Maer Alexander sonder waen. Mettien ghinc dat volc al uut Ende riep al over luut. 1211 hads geen uare. laet u claghen staen. 1233 mar en zóo meer. Dat si den coninc wouden slaen. S hij] eer coem wolde.

Ende elc boven den anderen gaet. 1267 maen lichts S] lichs. 1259 staen] gaen.. 1242 ofte blixene. Al dat wetic wel te waren Dat al doet die grote here Ende daertoe wonders vele mere: Dau. alse hijt ghebiet. Met rechte es hi der naturen god. 1260 gaen] staen. onse god. So die mane meer lichts hevet.. 1263 maen. 1251 dat ertbeefinghe. Plaghen van sterren ende groten wint. Daer die planeten binnen gaen. 1258 seg ic u hort herwart. Wat so in die lucht ghesciet. 1255 dingen. 1249 locht. Eest dat wi iet merken connen. In den nedersten so staet Die mane. Al segghic dat onse here sint. So die sonne meer beghevet. haghel ende snee Reghen. 1250 gheuelt alst. 1253 en̄ dar tho. So die eerde beven bestaen. Vier hemele bat up te waren Steet die sonne. eertbevinghe ende vloet Die cracht ons heren algader doet. Of blixeme achter velde jaghen. de aant. + XXXb 2.sal gaen. 1240 1245 1250 1255 1260 1265 1270 + XXXIa 1. die nu es vervaren. Dat ghevalt. 1248 dar tho. Wat so die here van beghinne + Hevet versien in sinen sinne So weder die see. 1273 thuscen ons inder. z. die den dach Int eertrike gheven mach. 1257 en̄ waer bi die sonne uergaet. Ende so weltijt dat soe ontfanghet. hoort harewaert: Men leest dat seven hemele staen. dat van der sonnen slaet. Jacob van Maerlant. So die sterren hem verdraghen. vorst ende daertoe mee. Al dinghe volghen na sijn ghebot. 1269 weeltijt. 1239 S die see sal] die sal.106 * Ens Jupiter niet. 1274 merken S] merker. So machmen merken dat soe hanghet Vor die sonne ende soe ontfaet. + Alsoe tusscen ons staet enter sonnen. Dat seghic u. 1246 dar tho ueel. * 1236 en es. rijm. Ane tlicht.. Waerbi so de sonne vervaert. Alexanders geesten . Ic segghe. 1254 seg ic. Ochte die donre ons vervaren.

1295 daer thuyscen. + XXXIa 2. Alexanders geesten . Die sonne hoort den Grieken toe. Sonder dat soe es al ront. 1300 Dat dus donker es die mane. daarna nog si. 1289 hort. 1303 wild. 1290 ‘Waerbi die mane verliest haer lecht. 1307 hort grieke. 1280 Dit machmen bi naturen sien. 1299 maen: waen. in minen wane. Bedi wildes hem onse here onnen Dat si betekent sijn bider sonnen. Ende dat ghesciet na minen wane Altoes in die nuwe mane. Ende alse dier manen dat ghesciet. No min no me. sprac Aristaldes echt. 1297 weelctijt. 1281 ghesciet S] gescein. Welctijt dat also ghesciet. 1285 Want si heten sekerlike Sonne van al eertrike. So welctijt dat al dus ghesciet. no anders niet. Nochtan so en seghic niet.’ ‘Nu hoort’. * 1277 waen: maen. Alse die sonne onder gaet Entie mane risen bestaet. Ic wilt u prouwen bi clergien. Die Percen en sullen onder gaen. 1290 maen uerleest. 1296 uerleest die maen. So en eest sonder sake niet. 1285 heten S] heetten. 1295 So es deerde daertusscen recht. Jacob van Maerlant. 1294 maen.107 * 1275 Wi moghen merken dat soe doet. Hier bi eest. Coninghe ende ander hoghe liede Hebbent becocht. + Ende ic sal u segghen hoe: Welctijt so die sonne vervaert. Dattie sonne vervaren moet. So en salt achter bliven niet. desgelijks 1313. Dus verliest die mane haer lecht. 1304 solen. 1284 hebben geşchede. Dat sonder redene ghesciet. alst ghesciede. Want en mach anders niet ghescien. 1310 Dat Grieken dan verwonnen waert. 1291 ueruert te geenre. 1298 no] noch. 1302 reden. Dien die sterren sijn becant. Soe en vervaert te ghere stont. Ooc so sullen met mi lien 1305 Die meesters van Egypten lant.

Des avonts sachmen in dat here Die mane vervaren. 1315 1320 1325 1330 1335 1340 * 1314 doe ic. Gheloofden Aristaldes woorden Ende lieten doe haer belghen staen. Thamaris. 1340 Dit. want ook crachte is uit nachte verbeterd. Die fier was in haren sinne. 1329 alle. Ende Alexander dede bi nachte Die tenten up breken met crachte. Ooc voer hi blidelike voren Ende sanc dat ment mochte horen Bi eenre halver milen lanc. die dat hoorden.’ Al die liede. bi is door het voorafgaande vers veroorzaakt. deze tautologie schijnt mij dan toch te slecht voor M. alsoe nu doet. Hier bi laet u claghen staen! Die seghe es onse sonder waen. 1334 met] bi.108 * Bi reden doe ict u verstaen: Alse Cyrus van Percen dwanc Menich conincrike lanc Ende hi woude der maechde lant Al bedwinghen metter hant. 1325 ooc denkelijk te schrappen. Hi bleef daer ter selver stede. 1317 maegde. Van joien sanc hi nuwen sanc. 1330 geluefden. 1318 mettier. 1316 coningrike. Ende sijn ten tenten weder ghegaen. Quam doe jeghen hem ter were. 1339 segt. nog de twee regels en̄ vrouwe van amasonien lant was ❘ alsmen heer tevoren las. 1331 leeten. Alexanders geesten . 1323 maen. Jacob van Maerlant. 1332 ten] to den. Ende Cyrus van Percen ooc mede. 1322 dies auents. Des moorghens storte menich sijn bloet. 1320 hierna heeft het hs. die coninghinne. Ic secht u allen over luut: Die derde bouc gaet hier uut.

Dattie bloeme van allen wiven. busch ende heide. 14 om dat] dat. Dat men dorsloech meneghe malie. 7 dor en dor. 16 en S] hen haers S] eers. XXXIb 1. Als ic hier achter sal bescriven. Ende vanden stride ooc die pine. 3.109 *Die + vierde boec. Gaut. Alse die mane was vergaen. Die comt uten paradise. Die coninghinne. * 4 maen. 451: (Tigris) qui celeri sortitur ab impetu nomen. 20 aen den bomen. 15 croen uan francr. 26 ruwen. Alexanders geesten . 6 datmen. die daer onder liden Hem dunken si ten wolken slaen Entie bome diere up staen. Doorp ende poort. Dat in die crone van Vrancrike En es gheen water haers ghelike. + 5 10 15 20 25 In dien derden boec so stoet. 19 slaen. 17 roschen aen beiden. Het was vier daghe vor die batalie. Up ene riviere voer hi van prise. datment mochte horen Al dorentore int griexe here. Jacob van Maerlant. 22 vermoedelijk daer in plaats van dat. 10 ende S] en beide malen. Daris wijf. als ic eer seide. Van rouwen verloos haer lijf. Tlant was al sonder lijfnere. Ende verbrant. Hoe die coninc ende there te voet Bi nachte waren up ghestaen. Dat soe sach haer lant te storen Ende haren man hadde verloren. Die rochen sijn an beden siden So hoghe. Die Tygris heet. 24 bloem. Hi voer met eenen vane voren Ende sanc. Om dat soe es so dore snel. dat weet ic wel.

Die ghi an hem merken moghet. wanic. 64 hare als wast. 60 mer vijf. + XXXIIa 1. Haddi die ere. 45 iongelinc S] iongelin baer: swaer. Doe men hem die mare brochte. Nu hoort Alexanders claghe! + Alexander Macedo Was also drouve ende also onvro. 40 Hi wranc bloet uut sinen handen Ende liet also hete trane Dat seghic u na minen wane Alse Daris laten mochte. Alexanders geesten . hi hadde ghenouch. Dat sijn lieve suster bede Ende sijn moeder met groten lede Waren doot van sinen vianden. Hi trac sijn haer. En sach hise maer ene waerf. Die grote here. 41 leet traen: waen. 65 Ende scoorde sine cleder mede. So goedertieren was sijn lijf. 47 al S] als. 45 Die jonghelinc sat bi der bare Ende versuchte heerde sware. Al was hi wreet. Jacob van Maerlant. 54 en S] en̄ hi si mer eenwarf. 36 ofte. * 31 cortic eere pine. Hi liet meneghen heten traen. Dat hi hare minnen en ghewouch. Die corte. 34 onvro S] uro. 40 uter. Doe liep een vanden spadoenen Uutten griexen pauwelioenen. die grote doghet. alst ware vlas. hare daghe.110 * 30 Daer haer altoos stont in te sine. 57 eer geinre minnen. 44 meere. diet al dwanc 60 Die maer vive voete was lanc. Die Tyrioot gheheten was. 35 Doe die vrouwe versceden was. vers 81 en 88. Hi weende ende riep ghedichte + XXXIb 2. Alse of hi seker ware das. 48 aen. Ende sine grote edelheit 50 Leerde hem ontfaermicheit. 52 hi si. 63 typren. vgl. 51 leet. + Met sinen naghelen hi bloeden dede Haerde sere sijn ansichte. 55 scoen. Van dien dat hise hadde ghevaen Toter wilen dat soe staerf. 62 paulionen. 50 ontfarmherticheit. 55 Al was soe een scone wijf.

111
* Haerde lude ‘o wi, o wach!’ Doene Daris versach Riep hi lude ‘nu segghe mi, Twi du weens ende wat es di? Wetstu iet wat meeren mach Minen rouwe, secht mi dach! Ic can wel wesen keytijf Ende rouwich al mijn lijf. Die liede weten geerne te voren Haren rouwe ende haren toren. Du salt mi dinghe te voren legghen, Die ic selve niet en dar segghen.’ Tyrioot antwoorde te hant ‘Alexander, dijn viant, Doet dien dinen also grote ere Alse of du wares sijn gherechte here. Maer wach arme, keytijf! Die vrouwe, dijn edel wijf, Die coninghinne soe es doot.’ Dus antwoorde Tyrioot. Mettien so was so groten gheclach. Si riepen sere ‘o wi, o wach!’ Daris verloos al sine cracht Ende viel neder in onmacht. Hi waerp up sijn haer dat mul Ende riep, of hi ware dul. Hi waende dat soe ware versleghen, Om dat soe niet en woude pleghen Dies conincs Alexanders minne. Tyriote riep hi inne. Die ridders hi doe buten sloot + Ende vraechde, hoe soe ware doot. Die knape swoer dat hi nie en dede Der vrouwen eneghe lelichede, Al was soe met hem ghevaen; Ende dat hi hare hadde ghedaen Also grote ere al sijn lijf, Of soe hadde gheweest sijn wijf. Doe was Daris in groten vare,

70

75

80

85

90

95

100

+

XXXIIa 2.

105

*

70 doe. 71 reep. 72 twi] we. 73 meerren; misschien is te lezen wat mach meren noch en in den volg. reg. doch te herstellen. 74 minen rouwe S] dinen ruwen seg. 76 rouwich wesen. 79 dingen. 81 Tijriot antwerde. 84 ofte du weers. 85 mer en zóo meer. 86 die] dijn. 88 andwerde. 89 grote geslach. 94 ocht hi waer. 95 were. 98 Trijote. 100 weer. 101 datmen nie. 104 eer. 105 alse denkel. hare lijf. 106 ofte. 107 in S] en vaer: waer.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

112
* Ende seide dat van minnen ware, Dat hi hare ere hadde ghedaen, Ende soen ooc minde, sonder waen. Ooc seide hi ‘hets des heren sede, Waer dat hi comt tenegher stede, Dat hi daer emmer hevet amien. Soe was die scoonste van al Percien, Hi es een here, een jonghelinc; Men maecht prouven bi ere dinc: Dat hi haer dede, hi mocht wel doen.’ Doe swoer sere die spadoen Bi al den goden van der see Ende vanden hemelen, dat es mee, Dat Alexander sinen wive Noit lachter en dede van den live. Doe swoer die knape dat waer is Doe gheloofdes die here Daris, Ende het was hem haerde lief. Al wenende hi die hant up hief, Aldus dedi sine bede: ‘Vader, ende here mede Van den goden al te voren, Daer ic ooc af bem gheboren Ende uwe maech van rechter ure, Al die werelt durenture Ende alle dinc die staen bi u. Eerstwerf so biddic u nu, + Ocht wesen mach, dat ghi mijn rike Mi behout ghestadelike; Ende ocht also es in uwen moet Dat ics emmer derven moet, Ende ansien moet dat verliesen, So biddic u dat ic moet kiesen Enen coninc doch na mi. Ic bidde dat Alexander si Na mi coninc, ghehoort mi das, Die hovescste viant die nooit was.’ Dit waren sconincs Daris woort. Ende sine bede was ghehoort.

110

115

120

125

130

135

+

XXXIIb 1.

140

145

*

109 eer ere. 112 to eneger. 113 dat hi daer] daer hi. 116 mach, of men mach pr. bi derre dinc? Gaut. 53: haec captiva fuit, et forma et sanguine clara: hic dominus fuit et iuvenis: voluisse probatur, quod potuisse patet. 124 geluefdes. 128 vader sprac hi. 130 bin. 133 bi S] b. 134 ierstwerf en zóo vaak biddic S] bidden ic. 139 ansien S] aen sein. 144 hoveste.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

113
* Die trane, die van hem liepen, Ic wane si vor gode riepen. Daris hadde tweewerf ghesint Tote Alexander om paerlemint Ende omme maken vasten vrede. Maer twas om niet, dat hi dede. Dore die doocht van sinen viant Hevet hi derdewerf ghesant Sine boden, om dat hi woude Datmen vrede maken soude. Het was tien tiden sede, Wie so hebben woude vrede, Dat hi voerde enen tac, Die men van ere oliven brac. Om den vrede voersi tiene, Vroede ridders ende siene, Entie vroetste diere was, Dat was die oude Achillas, Ende was van rade gheraect wale, Ende daertoe condi sine tale Utermaten scone toghen. + Dus sprac hi vor Alexanders oghen: Hovesce coninc, verstaet wel, Uwe hovescheit ende niet el Dat doet Darise, onsen here, Om vrede bidden also sere. Ende dat hi hier tote u seint echt, Dat en doet hi niet dor recht, Maer om dattu sine kinder Moeder, suster, meerre ende minder, So hoveschlike heves ghevaen. Al hebben wier breke, sonder waen Si en dunken ons niet ghevanghen sijn. Dies danct u sere die here mijn, Want du hare suverheit bewaers, Ghelijc dattu haer vader waers. Altoos hetise coninghinnen, Ende ghi en doet hem niet bekinnen Dat ghise haet in enegher wijs.

150

155

160

165

+

XXXIIb 2.

170

175

180

185

*

147 tranen. 148 waene dat si. 149 geseint. 150 parlement. 151 om te. 152 mer et was. 153 dor die docht. 155 sinen bode; vgl. vers 161. 157 ten. 161 ureden tien. 163 die daer. 164 alde. 165 gemaect. 166 dar toe en zóo dikw. conste. 169 hovesch. 172 also] so. 173 tot. 174 dor. 175 om ontbreekt. 178 wie (S wi) eer brec. 181 eer bewars. 185 in S] ni eenger.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

114
* Dies gheve u god ere ende prijs! U drouve ghelaet, u drouve oghen Dunkent mi van buten toghen Dat ghi sijt een hovesch viant. Daris, die ons hare heeft ghesant, Dochte mi cume so drouve sijn, Alse nu toghet dijn anscijn. Nochtan weent hi om sijn wijf, Die hi minde alse sijn lijf, Ende ghi weent om uwen viant. Ghi waert ghewapent al te hant Jeghen ons, dat weet ic wel, En daet dit leet, ende niet el. Daris doet u bidden haerde Om ghetrouwelike vaerde, Ende siere dochter biet hi di Ende alt lant quite ende vri, + Dat leghet van der navelsee Toter Eufraten, ende daertoe mee: Diere stene ende daertoe gout Ende ander chierheit menichfout. Hout sinen sone hier te waren Te ghisele ende laet met ons varen Siere moeder ende sine twee suster mede. Dies biddewi u up hovescede. Ende neemt van hem drien te lone Dertich dusent besanten scone Ende algader goudijn root; Dat es ene chiereit groot. En hadden u niet die gode ghegheven Goede aventure in u leven, Het ware tijt dat ghi om vrede Haddet ghedaen dus grote bede. Nu eist so comen datmen u bit. En moochdi niet merken dit, Hoe groten here Daris hevet? Met hem es alt tfolc dat levet, Hi hevet die see bedect met scepen Ende dlant met tenten al begrepen. Nochtan es te nauwe dat mere

190

195

200

+

XXXIIa 1.

205

210

215

220

225

*

190 heer. 191 docht so] asso. 192 dijn (S uw)] sijn. 200 getruewelike. 202 qwijt. 205 daertoe zou men ten minste in eenen van die regels best kunnen missen. 206 menichvout. 207 soen hie. 208 Tie. 211 nemt him. 212 bosanten. 213 gulden. 214 een. 215 en S] en̄ hadden niet u. 217 were. 218 heddet. 219 eest. 220 En̄. 221 her.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

115
* Ende dlant te sinen here; Die rivieren sijn so besloten, Si en moghen niet ter see wert vloten. Ic wane hi meer volcs heeft allene, Dan die werelt al ghemene. Alse Alexander hadde ghehoort Achillas tale ende sine woort, Riep hi in ene kemenade Al sine hoochste liede te rade Ende vraghede, wat si hem rieden. + Twivel was van sinen lieden, Wat si hiermede wouden doen. Doe sprac die here Permenioen, Die bat doen conde grote daet, Dan ghegheven nauwen raet. ‘Tevoren’ sprac hi ‘waest mijn raet Ic waent niemen en ware quaet Datmen die ghevangen weder gave Omme scat ende omme have. Men hadder vele om ghegheven. Nu sijn si doot som hier bleven, Ende som sijn si ontgaen, Daer wi af hebben scade ontfaen. Noch raedic datmen die joncfrouwen Varen late mettier vrouwen. Bedi wat soude ons een quene? Men salse laten varen hene; Si quellet ons in menegher stat. Nu laetse varen om den scat. Ic raede ooc wel ten huwelike, Dattu hebben moges sulc een rike Sonder slach ende sonder stoot. Ic wane gheen lant en es so groot, Dat enen here heeft ende nemee, Alse vander navelsee Al dat lant totier Eufraten. Dus mochti al u vechten laten.

230

235

+

XXXIIIa 2.

240

245

250

255

260

*

226 ende] en. 229 wane hi] ween datti. 230 gemein. 234 alle sijn hoegste. 235 uraechde. 237 wat hi heer mede woude. 238 hiere Permenioen S] pernioen. 239 conste doen. 240 geuen. 241 weest. 242 weent nieman en weer. 244 om beide malen. 245 ueel en zóo dikw. 249 ioffrouwen. 250 laet. 251 bedie queen: heen. 253 Gaut. 121: quae Graecorum agmen iterque impediunt potius; het is te vermoeden, dat ook in de vertaling het meervoud stond. 254 laet si. 256 sulke. 258 waen. 259 heuet eın nemmee. 260 als. 261 totter. 262 mochtti.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

116
* Merct, hoe ghi met uwer hant Moghet bedwinghen al die lant, Die ghi begheert na uwen wille! Bacteren lant laet ligghen stille Ende ooc Inden ende Meden! Peinst, hoe vele goeder steden Ghi moghet winnen met ghemake! Hets een sekerliker sake, + Na groten prijs, na groten seghe Te landewaert te vaerne enweghe, Dan nacht ende dach te sine In wapen ende in grote pine.’ Swaerlijc verdroech dat Macedo, Doe dat sprac Permenio. Ende hi antwoorde alstie coene: ‘Slachtic dien here Permenioene, So haddic liever alle weghe Groten scat, dan goeden seghe. Maer, bi trouwen, neenic niet. Mi es vele bat ghesciet. Ic bem quite van groten goede Ende seker in die aermoede, Die mi niet en laet an ghene side. Des bem ic uter maten blide, Dat ic bem coninc, niet coopman. Soude ic tgoet vercopen dan, Dat mi aventure gaf? Neen ic, twaren, dat doe ic af. In hebbe te cope enghene dinc, Noch van den volke, dat ic vinc. Sal icker iemen af laten keren, Dien salic gheven dor miere eren. In woude niet dat mi ghesciede Dat icker af hadde eneghe miede. Gave icse om goet, so ware die danc Entie ere mede wel cranc.’ Doe hi dit hadde gheantwoort, so riep hi Daris boden voort: ‘Verstaet dat ic u segghe wale’

265

270

+

XXXIIIb 1.

275

280

285

290

295

300

*

263 ure. 264 dit. 270 sekerliker S] sekerlike; eerder is sekerre te lezen. Gaut. 130: tutius est. 272 ewege. 273 en. 277 antwerde en zóo vaak. 279 hedde ic. 283 bin. 284 sieker. 285 aen geen. 286 bin. 287 bin. 296 hedde. 297 geue ic si weer. 299 geandwort. 300 riepe van den rubricator is bij hi bijgevoegd alexs.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

117
* Sprac hi ‘ende segghet dese tale Uwen here, dien ghi dient: Dat ic aldus sine vrient Hoveschleke hebbe ghevaen, + Dat en hebbe ic dor hem niet ghedaen; Ic deet dor mijns selves doocht, Het wijsde mi die hovesce voocht. Tfi! soude ic ooc eneghen wive Anxt of vrese doen vanden live! Alexanders rechter hant En es dien vrouwen gheen viant. Die ghone en willic niet jaghen, Die ghene wapen moghen draghen, Die so cranc sijn van naturen, Datsi in wapen niet en moghen duren. Tfi! soude ic jeghen hem orloghen! Hi moet hem ghewapent toghen, Daer ic jeghen wille striden. Dies willic pleghen tallen tiden. Waer dat sake dat u here Om vrede bade also sere, Alse ghi mi nu doet verstaen, Ende woude hi uter werelt gaen Ende gheven lant ende have, In weet, of ics hem orlof gave. Bedi hi taent minen lieden Met scatte ende met mieden Dat si mi nemen sullen dleven, Of met fenine mi vergheven. Dies bem ic dus sere verbolghen: Ic sal hem toter doot na volghen. Hi en vaert niet als een recht viant, Die bescermen wille sijn lant, Hi vaert, oft een verrader ware; Ja als een recht mordenare, Sal ic u die waerheit tellen, Doet hi mieden mine ghesellen. Mi en becomt wale niet

305

+

XXXIIIb 2.

310

315

320

325

330

335

*

303 here (S heer) dien S] hier den. 304 sijn. 305 hoveschlec. 307 docht: uocht. 309 eengen. 311 oft. 316 in] en. 317 orloghen S] ologen. 327 bedie taent, zooals Verwijs uit het caent van Snellaerts uitgave gegist had, staat in het hs. Ook nog andere van zijne verbeteringen blijken door het hs. te worden gestaafd. Zoo staat er vers 335 niet oert maar vert. 329 nemen mijn leuen. 330 ofte mi ontbreekt. 331 bin. 334 wil. 335 ofti. 336 mordennaere. 338 mijn.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

118
* 340 Die vorwaerde, die ghi mi biet. + Bedi gavic hem die vaerde, So lachterdic mi selven haerde, Men mochte segghen dat ic ware versaghet, Ende dat hi mi hadde verjaghet. 345 Ghi biet mi goet utermaten, Dat es tlant over die Eufraten. Mi dunct, ghi sijt des mesraect. Want ic hebt te mi ghesaect Ende ghewonnen met miere doghet. 350 Drijft mi uut, of ghi moghet, Dat doch dat lant uwe si; Dan moochtijt wale gheven mi. Grote ere eist dat mi Daris sint Dat hi mi gheven wille sijn kint. 355 Hi hadt Macheuse belovet. Heeft hise hem nu berovet? Secht uwen here, al dat hi hevet Ende al tfolc, dat onder hem levet, Ende so wat hi hevet verloren 360 Ende hi selve ooc te voren, Al staet in miere ghewout Ende al eest dier Grieken sout Ende loon van hare pine.’ Dus was die antwoorde sine. 365 Achillas hi nam orlof Ende rumede Alexanders hof Ende tellede Darise al die woort, Die ghi te voren hebt ghehoort. Daris seinde mettier vaert 370 Macheuse al darewaert, Die de weghe beligghen soude, Daer Alexander varen woude. Mettien dede Alexander graven + Met chierhede ende met groter haven 375 Darijs wijf, Telico, die vrouwe, Daerom hi hadde groten rouwe. Hi dede maken een graf van prise Up enen berch an een falise.

+

XXXIVa 1.

+

XXXIVa 2.

*

341 bedie geve (S gave) ic. 343 mocht weer. 344 hedde. 348 gesact. 352 mochdijt. 353 groet eest; Gaut. 168: multum mihi praestat honoris. 354 wilt. 355 hadde. 356 hi si. 357 segt. 363 eerre pinen. 364 andwerde. 370 darwart. 371 belighen. 374 cierheden. 373 falise S] salise.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

119
* Daer was Apelles meester af, Die Jode was ende screef ant graf Die griexe coninghe alle twaren, Die Alexanders voorders waren, Ende haren name screet hi mede Boven hem ter selver stede; Ende dystorie, hoe hemelrike Was ghemaect ende eertrike, Screefi an den grave besiden Al tote Alexanders tiden, Die ic u vertellen sal Met overslaghender rimen al. Apelles screef goods ghelike, Die alle dinc volbringhen mach, Hoe hi hemel ende eertrike Ende dinghele maecte up den sondach. Des maendaechs maecte hi tfirmament Int water te middewaerde Ende ront al omtrent. Noch doe was overdect die aerde. Dies maecti up dien dijsdach Die see, ende daerde quam uut. Dat was teerst dat mense sach. Hi sciep ooc bome ende cruut. Des godensdaechs maecti die sterren Entie sonne ende ooc die mane, Die ons lichten noch van verren; Hi settese in haren stane. + Hi maecte up dien donredach Al dat in die rivieren levet Ende so wat dat vlieghen mach, Ende so wat die see in hevet. Die beesten maecti vander eerden Entien minsce up dien vridach. Van siere ribben maecti weerde Yeven, daer hi in slape lach. Hi ruste uptien saterdach

380

385

390

395

400

405

+

XXXIVb 1.

410

415

*

383 naem. 387 screef. 391 gods. 394 die eingele. 395 mandags; zeer onduidelijk uit sondags verbeterd. 398 onbedect; wellicht is enkel bedect te lezen, hetgeen de afschrijver misschien

niet begreep; Sp. hist. 1 ,5,5 dus heeft hi deerde voort getrect, die te voren was verdect. 399 maecte. 401 dierste mensi. 402 sceep oec boem en. 403 godesdags. 404 maen. 406 staen. 407 donnersdach. 409 wat uogel dat. 410 maecti, S maecte hi] bi. 412 minschen. 413 werden; vgl. Rb. 508 daer hine (den mensce) hadde ghemaect werde. 414 Euen. 415 satersdach.

1

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

120
* Van allen werken, die hi dede. Hi benedide al, dat hi mach. Dus was daer bescreven mede. Appelles screef dien hemel blau, Entie eerde was ghescreven scier, Die see hadde die vaerwe grau, Van kelen was ghemaect dat vier. Die lucht hadde die vaerwe groene, Sterren ende sonne waren van goude, Elkerlijc na haren doene, Die mane van selver, alsmen woude. Die minsce hadde meest weerdechede Van al dien, dat god gheboot. Daer stoet dat serpent ooc mede, Dat ons brochte in grote noot. Daer stoet bescreven, hoe dat Yeve Den appel hadde in haren mont, Ende Adam dor hare lieve Mede beet ter selver stont. Dinghel dreefse met baren swerde Al bernende uuten paradise. Yeve sat en span up derde, Adam pijnde om die spise. Si en waren langher in dien paradise, Dan omtrent enen halven dach. Daer stont oec, in welker wise + Yeve van Caym ghelach. Daerna lach soe van Abelle, Hi wachte de scaep ende was goet man; Maer Caym, die quade gheselle, Pijnde, hoe hi coren wan. Caym slouch Abelle doot End god vermalediden al daer. Des dreef Adam rouwe groot, Hi weender omme hondert jaer. Een tekijn gaf god Caime, Om dat men niet en soude verslaen, Dat steet ghesat in desen rime:

420

425

430

435

440

+

XXXIVb 2.

445

450

*

419 blae. 421 grae. 422 kelen] elken. 423 locht groen. 425 uan eren doen. 426 maen seluer. 427 meer; Rb. 327 want hi es van der meester werden. 428 alden. 431 stoet S] bestoent eue. 435 die eingel dreef si. 437 Eue. 439 niet langher; lees dit en het volgende vers si en waren in dien p. ❘ maer omtrent enen h. dach? 442 Eue. 443 abele. 444 wacht. 447 abel. 451 teken. 452 men eem. 453 dese.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

121
* Thooft haddi juchtech sonder waen. Caym vlo ten oostenwaert Ende wan een kint, dat Enoch hiet, Daeraf leestmen dat seder waert Lamech gheboren ende ander diet. Lamech was een quaet keytijf. Hi was die alre eerste man, Die te gader hadde twee wijf. Recht waest dat hijt bestan. Van oude verloos hi tsien. Hi scoot nochtan al dat hi woude. Caym scoot hi doot mettien, Daer hine hoorde in enen woude. Sijn leidere seide ‘hets een man, Dattu heves ghescoten, here.’ ‘Hets Caym’ sprac Lamech dan; ‘Du moets ooc becopen sere.’ Sinen leidere nam hijt tleven. Dus ghesciet altenen gader. Caym es daermede bleven, Lamechs vijfte oudervader. Noch enen sone wan Adam; Sijn name was gheheten Set, + Daer een groot gheslachte af quam, Die some hilden ons heren wet. Ant graf stont ooc Enoch bescreven, Die ons here wech varen dede; Tote Antkerst tiden sal hi leven Ende jeghen hem ooc striden mede. Onse here stonter in diere ghelike, Alse ocht hem leet hadde ghesijn Dat hi den man gaf sijn ghelike, Ende hi liet die ghebode sijn. Daer stont Noë ende maecte daerke, Also alse hem onse here gheboot. Die diluvie ghinc so staerke, Dat al die liede bleven doot. Maer si achte en behielden dlijf, Dat was Noë ende sijn drie kinder

455

460

465

470

475

+

XXXVa 1.

480

485

490

*

454 dat huet hadde hi iucatech; vgl. Rb. 904. 455 oestenwert an. 457 sider quam. 461 twee ontbr.; vgl. Rb. 962. 462 bestan] bescoude; vgl. de aanteekening. 463 ouder verloes hi sijn sein. 465 doot] nochtan. 467 sachte ee. 471 liedere. 472 altenen S] altonen. 474 uifte. 475 son wan S] van. 476 naem. 477 geslechte. 482 heilden. 483 dire. 488 also als. 490 alle. 491 beheilden. 492 kindere.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

122
* Ende met hem hare viere wijf. Aldus waest bescreven ghinder. Drie hondert ellen was die aerke lanc, Ende vijftich ellen was soe hooch, Ende dertich wijt. des hebbe danc, Die dit screef ende niet en looch. Een elle hiet in dien tiden Van den ellenboghe voort. Menech jaer so plachmens siden, Also alse ic hebbe ghehoort. Twee ende twintich hondert jaer Ende twee ende vijftich ooc daer mede Stont die werelt, dat es waer, Eer god die diluvie comen dede. Voghele noch dier mochten ontfaren, Si en verdronken mettier see, Sonder die in daerke waren Elkerhande twee ende twee. Doe die diluvie was vergaen, + Plante Noë enen wingaert. Daer was ghescreven dat hi saen Vanden wine dronken waert. Noë lach ende sliep Ende was onttect tusscen die been, Cham sijn sone stont ende riep Ende bespottene ende green. Sijn andere broeders riep hier toe - Die een hiet Sem, dander Japhet Si keerden daeraf haer oghen doe Ende dectene. dies deden si bet. Doe Noë twiste, was hi gram Ende benedide doudste twee ‘Vermaledijt so wese Cham’ Sprac hi ‘nu ende emmermee.’ Daerna stoet die patriaerken Ghescreven an die ander side.

495

500

505

510

+

XXXVa 2.

515

520

525

*

493 viere] drie. 494 wast. 496 hoge. 499 dien S] den. 502 also als. 503 twe. 504 aangezien de opgaven in de verscheidene bronnen sterk onder elkaar verschillen, wil ik het cijfer niet veranderen; Sp. hist. 2242 (Vincentius 1256) Rb. (vers 1073 volgg.) 2244, (Hist. scholast. 2244, varr. 2264). 506 misschien die lovie, en desgelijks 511. 507 entfaren. 510 twe on twe. 511 ontgaen. 514 vanden S] vande. 515 en. 516 was ontbreekt thuyssen. 517 sijne soen stoende. 519 ander broeders; lees broeder? 523 twiste] dit wiste. 524 die alste twe. 526 emmermeer. 527 patriarchen.
s

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

123
* Met goude, datmense soude maerken. Abraham hadde doghen blide, Sara, sijn wijf, stont ende loech, Want soe tharen neghentich jaren Ysaac, haren sone, droech; Hare man hadde hondert jaer te waren. Daer stoet Rebecca, Ysaacs wijf, Die twee kinder droech te gader. Die een was Esau, die keytijf, Die ander Jacop, Joseps vader. Esau was ru als een rint. Ysaac was daer ooc bescreven, Hoe hi was van oude blint, Ende niet langher en mochte leven. Daer stont ghescreven Esau Hoedane wijs hi jaghen liep Ende hoe soe Jacop maecte ru, Doene sijn moeder tote haer riep. + Jacop was ghebenedijet Van den vader, eer hi staerf, Esau die bleef ontfrijet, Des weendi lude menechwaerf. Jacop vlo wech, dat was waer In Mesopotamia, Sinen ome diendi seven jaer. Hi gaf hem siere dochter Lya; Nochtan gheloofde hi hem daer Siere dochter Rachel. Daer diendi om noch seven jaer Ghetrouwelike ende wel. Alse Joseph was gheboren Woudi te lande weder keren. Dat quam Esau te voren, Ende hi wouden danen weren. Jacop hi quam met twee scaren, Te Lusa lach hi enen nacht, Daer sach hi die goods cracht te waren, Daer hi jeghen den ingel vacht.

530

535

540

545

+

XXXVb 1.

550

555

560

565

*

529 datmen si s. merken. 531 stoent. 532 tho hueren LXXX. 535 ysacs. 536 twe en zóo meer. 538 iacob evenzoo later. 539 rient. 541 ouder. 542 en S] en̄. 545, 46 zijn stellig in de war geraakt; misschien ende hoe sijn moeder J. maecte ru ❘ doene sijn vader tote hem riep? of ende hoe soe J.m.r. ❘ sijn moeder doe hien tote hem riep? 546 toter. 547 gebenedijt. 549 ontfrijt. 551 en wech. 552 mesopotania. 553 oem. 557 omme. 558 getruwelike.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

3 . vant. Daer hi Joseph. vgl. 20. Bede meerre ende minder. 579 stoent. In dander side so stont Moyses 600 Ende Aaron sijn broeder mede. 591 ueirre hande. Die Joseppe daertoe dwinghen woude. Daer stont ooc hoe Jacop sende Sine kindere omme coren. 72. Ende hoe dat hi hem bekende Dat Joseph niet en was verloren. 585 590 595 Hi was vor gode vercoren Te tiden bat dan iemen el. 585 bliende of bkende. Jacop hadde tweerande namen. 597 vur. Daer hi om was vercocht. Jacop nam al sine kinder Ende voer in Egyptenlant. Daer stont ooc die aventure. Alexanders geesten . 601 pharaoen. 589 beide ende S] in. 606 woulttu. hist. 587 sijn. Dat hi haerde node dede. Om dat hijs niet en woude doen. 605 Hi sal wesen haerde fel En wiltu niet doen sijn ghebot. Die vrouwe soe was daer ghemaect. Dat hi bi hare laghe al naect Ende haerre minnen pleghen soude.’ * 573 lege nact. 598 z. Van gode si hem bede quamen. Dat vint men bescreven wel. 8 Jacob van Maerlant. Om dat hij spelde al durenture + Des conincs droom met groten love. Was hi langhen tijt ghevaen. Biden coninc Pharaoen Was hi sider ute ghedaen. Sp. ‘Laet gaen tfolc van Israhel’ Sprac Moyses ‘dat heet di god. 570 575 580 + XXXVb 2.124 * Josephs droom stont daer bescreven. sijn kint. de aanteekening. Hoe hi weder quam te hove. 593 beide. Want hi hiet ooc Israhel. Hoe si Pharaoene baden des. Ende in Egyptenlant verdreven Ende tes conincs hove brocht.

bijkans van de grootte van wee. 2. bleyne pustula. Zooals boven luidt het ook Rb. Die neghende was deemsterhede. maar men slaagt beter met de rijmen te regelen. 2 hss. Die hem deden groten pant. Wellicht zou ook dede hi wee voldoen. Sp. hist. hist. Die vijfte plaghe slouch al doot 620 Die beesten van Egypten lant. 64 bladeren ende sweren. 2. lees quamen pude groot? zóo Sp. 635 Moyses met siere roede Leide tfolc dor die see. crabro. na hi staat echter nog een onleesbaar woord. 633 alte. die verteerde * Tgroene al vanden conincrike. onse here. 632 mochte ontbr. 1 . Also alsmen ghescreven siet 610 Met tiene plaghen haerde sere. tegen eene. 631 duysterhede. 54 en Rb. en Sp. hist. 615 +Hurselen waren die derde plaghe Die de liede staken sere. 50 2 en Rb. 3975 en 3990 wordt van het groene ook bij de 8e plaag (de crekelen) gewaagd. 1 . 1 . Ter eerster plaghen wert twater root Beide in reghen ende in rivieren. Kil. 628 dat groen coningrike. * 607 in. die vorsschen heeft). mesien. misschien ook dor die rode see. 622 him. 2. 638 hier] hi mede wee ontbreekt. 618 mere] sere. 2 andere ook urselen. en in den Sp. 2 2 2 Jacob van Maerlant. horsel. Die de liede quelden metten dieren.125 * Pharao en achte hier up niet. als men het tot het volgende betrekt. 3815 (5 hss. Dit vers zou ook wel tot den hagel kunnen behooren. Doe quam een hagel. Kil. hist. Bedi plaechden god. Pharao volchde na met moede. Dus so waren si ghescant. Die tiende sloech al doot mede Die outste van Egyptenlande. 615 dirde. 608 bedie. Die men tasten mochte metten handen. Alexanders geesten . 3925 puusten ende roven (rove). 630 verveerde. 2. 3827. Vlieghen in dien vierden daghe Plaechden die liede vele mere. hist. evenzoo Rb. 636 dor die see] met siere. 621 Sp. Ter andere quam meneghe padde groot. hursel. Hem selven dede hier mede wee. 611 water. 630 Ende tfolc vervaerde hem vreselike. Die seste waren bleinen groot. 1 . + XXXVIa 1. 73. Rb. 613 pedde.

Daer stont ghescreven.. Hi leide tfolc van Israhel Droochs voets over die Jordane. 648 berch. Also alsic bescreven las.126 * Pharao verdranc aldaer Met al sijnre compagnie. weet ic wel. Vleesch hadden si al sonder pine. 2 Jacob van Maerlant. 640 645 650 655 + XXXVIa 2. 663 uerscieden. 661 feresoen. Moyses was daer ghescreven Up dien beerch van Sinay. Rb. Twater sciet hem. Dat was een mirakel groot. Elken gaf hi sijn rechte wel. Josuë hi deelde die lande Den twalef gheslachten van Israhel. 668 jordaen. Alse hi verjaghet hadde die viande. Als si quamen in die woestine. 655 wael. Die hem waters gaf ghenouch. 658 S van ontbr. Ende onghescaet ghingen si dane. amorreen. 654 logen engene. + Dat en was loghene engheen. 653 gaf waters. Moyses bleef al sonder vaer. 676 deilet. 660 665 670 675 * 639 aldaer] algader. 669 sciet hem ontbr. 670 daen. Alexanders geesten . 643 hi quam. 1 . Ende elken gaf hi sine stede Ende deelet hem met pinen. Reghende up hem themelsce broot. 656 echeen. Selve staerf hi ooc daer mede. 672 geslechten. 659 van gesusoen. Doe Moyses versceden was. Si sloughen den coninc van Basan Entien coninc van Amorree. hist. 640 compagien. 7. Daer hem die wet was ghegeven. hoe hi slouch Uptien haerden maerbersteen. Ende vochten jeghen die Gebuseen Ende jeghen meneghen coenen man Ende jeghen die Fereseen Ende jeghen dlant van Chanaan. vgl. Si versloughen wel meneghen man Up die liede van Echee. gheloves mi. 5989 Amoree (:). Hi dede den heiden vele wee. Ende al ons heren paertie. 11. Dit was waer. Doe waert haer leider Josuë. 649 was S] war. Sp.

Aldus bescreef Apelles al. 691 philesteen. 695 een esels kinnebac. Ic dar mi vermeten das. Ander wapen. Die Philisteen hadden beringht Tere tijt in een woestine. 701 geuloit. Te Gaza. 699 vermoit. Doe Dalida sijn cracht wiste. 709 uerueert. + Daer stoet ghescreven. Alexanders geesten . Hi nam Dalidam te wive. 712 haddene. Daer was lichtelike ghedinght: Si waendem hem doen grote pine. 684 samson. S hadden hem] hadde hi. 711 gazes. 716 sijn. z. die haer rechter was. 707 vos misschien behoort vier in den volgenden regel. no ander sake Sone hadde hi ter selver noot.. Hi slouch doot met siere cracht Ende verwanre menich een. Doe hi van dorste was vermoeit. Die staercste. Moyses ende Josuë Waren hertoghen van Israhel. Jacob van Maerlant. Daer quam water uut ghevloeit. die staerke man. hoe hi vacht Jeghen die Philisteen.127 * Dede hi wel. Dus hadde hi meneghe man vervaert. Bant soe sine hande te samen. 690 695 700 705 710 715 * 678 wael. 697 wapene noch. de aanteekening gedinct. 693 was ontbr. Hi brac die poorte ende clammer mede Up enen hoghen berch gereit. in die goede stede. Rechteren hadden si voort mee. Haddene sijn viande beleit. Die sinen wive deden toren. Hi bant dien vossen tfier in den staert Ende onstac dier liede coren. het sal hem scinen. de aanteekening. Dat was hem groot ongheval. Waerp hi enwech dat droghe been. Dat hem noit man verwan. 692 teere. 710 daden. Dat en was loghene engheen. z. Hi sloech met eens esels kake Meneghen staerken man te doot. Dat vint men bescreven wel. 680 685 + XXXVIb 1. 694 pijn. Dien liebaert rovede hi van den live. Dat was Samsoen. 702 engene.

Entie aerke ghevanghen ware. hoe die Philisteen Ons heren aerke hadden ghevaen. Ons heren pape so was hi Ende prophete. Nemmermeer verrees hi weder. Si riepen al te Samsoene ‘Tooch ons een deel van dinen spele!’ Ende doe dedi alstie coene: Hi brac die colummen bede. 727 mede ontbreekt. 743 eer. 738 weetman. Na Samsoene stont Eli. Die rechter was in Israhel. Mettien sijn viande quamen. Het bleef daer al. misschien velt = velde het. dat weetmen wel. 753 nummermeer. 744 onthuet. Dat sine kinder waren doot. Dus speelde hi met groten lede. 726 waren daer. Dat up twee colummen lach. 752 ontwe. Entie sale viel al te doot. 735 na met groote roode beginletter zooals na opschriften. 724 twe. 739 stoent wie. 747 hoert die nimare. 755 stoent en zóo dikw.128 * Ende scoer hem af sijn haer met liste. Dat was dat den papen dede Sere hebben haren onwille. 741 becogte. Hadde hi den rouwe also groot: Vanden stoele viel hi neder Ende brac den hals ontwee. 751 stoel. 734 cleen. Jacob van Maerlant. Na Elyen stont Samuel. 732 zael ueil. 723 heilden. Doe Eli hoorde die niemare. 746 haren] sinen. Dagon. hare afgod mede Was onthovet up die sille. In een huus hilden si feeste. Alle die hoochste entie meeste Waerre up den selven dach. Daer stont. cleene ende groot. 720 + XXXVIb 2. Dat becochten si met lede + Over een wel corte wile. 725 730 735 740 745 750 755 * 720 mettien haer. Alexanders geesten . Si staken uut sine oghen bede Ende maecten mettem hare ghile. 729 toen deil. Dalida was mede in die sele. Dat becochte menich een Mettien live sonder waen. 731 biede. Ic waenre menich omme scree.

790 ree. 24. 9873 Asael. Hoedane wijs dat so ghevel. 925. 785 saul oec. sijn vader. Abner. en 4.129 * Die rechtere was ende prophete Over tfolc van Israhel. Die sesse slachellen was lanc Ende ene palme daertoe mee. 792 dien. Bijdr. Dat hi die ree achter liep. 761 tonen nu] wel. Doe was Saul coninc ghemaect. Alexanders geesten . Die te voren was so snel. 784 S die ontbr. Ende Saul. 773 dat] daer. diet bescreef. Dien slouch hi doot. mede Vanden heidinen waren versleghen. Golyase. Die liede quamen in Ramata Ende eischeden enen coninc. 758 uochten wael sinen behede (of volchden w. 762 woedanen. Dat sal ic u hier toghen nu. deutsches Alterth. Zeits. des hebbe danc. Hi was die achterste baliu Vanden lande van Israhel. + Si voechden wale te sinen behete. sinen behete? Verdam) z. 780 van] dan. 236 reen] zee. sing. 2. Davit vermaledide die stede. vgl. 760 765 770 775 780 785 790 * 756 rechter. Doe coos Samuel Davite. Was die ghene diene slouch. 776 slecht ellen.die was snel ghelijc der ree. 763 Ramata S] amata. 768 ioeght. Jacob van Maerlant. ree. Doe hi verhoorde dese dinc.. scre. Dat Davit doe haerde sere scree. Verloos hi al sine doghet. 782 davit en zóo altoos doe ontbr. Daer stoet ghescreven Asaël. Die goet was in siere joghet. 40. 786 heiden versleghen S] verslagen. Verdam Taalk. Rb.. Dat seide die ghone. f. Daer stont hoe dat Saul bleef Uptien berch van Gelboë. Alse hi ter outheit was gheraect. den Philistee. Sauls conincstavel. de aant. Daer Jonatas. Naar aanleiding van deze plaats verkies ik het fem. Men leset dat in sine vite Dat hi hem dicke wel verweerde. 781 sachte die geen. Hoe hi doot bleef ende helpe riep. + XXXVIIa 1. die coene deghen. 770 sijn docht. Die in dien tiden was heerde. Des droevede Samuel daerna. 774 dicwile..

Hierachter volgen nog de vier verzen elc was coninc ·XL· iaer ❘ ouer al dat israhelsche doen ❘ dit weetmen wel dat dit es waer ❘ hier lat ic uan salomon. Want hi verrieden als een fel. 815 altaer. S des] die rouwen. Om sijn kint dreef hi rouwe groot Ende riep o wi! o wach! Doe Davit. Dies hadde Davit rouwe groot. Ende hoe hi hi hinc verwerret hoghe Nebor an ene eke groene. 807 ter doet. hier het dikwijls met gavel in het rijm verbondene cavel ‘lot. huur in figuurlijke beteekenis geeft hier een goeden zin. 824-831 Joroboam dat weet men wel ❘ joroboam dat es ware dinc ❘ leefde utermaten wel ❘ hi hiet uan israhel coninc ❘ hi en was quaet noch oec fel. noodlot’ te lezen. Roboam hadde onder hem * + XXXVIIb 1. de coninc. 820 croen. hoet Urias mede Becopen moeste metten live. was begraven. alstie coene. Alexanders geesten . 806 eike groen. 802 mettien. Deze schrijffout maakt het niet geraden. Joab sloech Abner te doot Ende wrac den broeder Asaël. Immers ook gavel = cijns. met S. Ende ooc. Jacob van Maerlant. 18 dar om diende hi menech iaer ❘ dese dinc geueil salomone. regel en 815. 797 dies. Want Joab qualic dat verdrouch. Werringhe ende orloghe groot + Stont daer. + XXXVIIa 2. Dies weende Davit meneghen dach. * 793 hadde dar om quaet geuel. 819 salomon. die cortelike quam. hoe Davit dede Hoerdoem met Urias wive. Joab scotene daer te doot. Hi maecte met wel groter haven Dat alre eerste goodshuus scone. Ontfinc Salomoen die crone. de aant. desgelijks in den vólg. 795 800 805 810 815 Alse Salomoen was doot. Hi sloech Joab up enen outaer Ende wrac den broeder.130 * + Hi hadder omme quaden gavel. 794 Ioab S] iacob. 805 verwerret hinc. 820 Ontfinc die crone Roboam. 817. Daer stont ooc. 812 ontfeinc salmoen die croen. 814 goeds huys scoen. z. 804 thuysscen absoloen. Daer stont bescreven dat orloghe Tusscen Davite ende Absaloene.

Diemen tellen mach van hem. misschien. maar ook het daar bovenstaande woude kan de fout veroorzaakt hebben. 867 we en. 865 * 831 heilge. 852 uerheef. 841 ernsce. Hi tebrac te stucken die afgode Ende verhief die wet up weder. Apelles liet achter bliven Die sonden van Samaria. 1153. dat een voor hem duister woord op de plaats van wonder stond. Die en woude hi niet bescriven Om den lachter. Bi siere siden stoet Josias.131 * Jherusalem. Die een heilich coninc was Ende die wet sere visierde. Alexanders geesten . Maer hi screef. zóó altoos. Was dier Joden hovetstat. 845 en 2. De afschrijver begreep dezen regel verkeerd en verbond hem met het volgende vers. vgl. Daer stont bescreven. 832 hoetstat. Hi lach siec ende soude sijn bleven. hoedane wijs Elyas was upghedraghen In dat eerdsce paradijs Up enen viereghen waghen. Hieruit mag men. Alle quaetheit leidi neder. Om dat hi twivelen niet en soude Ende om die doot niet sijn vervaert. alst god woude. afleiden. diere volghet na. 854 lachte hi. Alse ghi hier wale horen moghet. 855 S soude ontbr. Die waren in Jherusalem. Die de Paesscen sere vierde. 838 Omt wonder datter. Jacob van Maerlant. Men leset van Jeroboam mede Dat hi coninc in Samarien sat. die heleghe stede. 833 roboam. Van den westen ten oosten waert. 858 dogt. Dat een heilich coninc was. Dat dedi om den groten lachter. Die quade coninghe liet hi achter. 853 stoenden. 843 co. hoene sloech 835 840 845 850 855 860 + XXXVIIb 2. Mer dien goeden Ezechias Dien screef hi omme sine doghet. 848 om sijn doecht.. 862 uerueert. Maer ic segghe u over waer: God hi linghde hem sijn leven Dore sine doocht vijftiene jaer. + Die sonne keerde. zóó vaak geboden. Daer in stoeden goods ghebode.

873 algemeen. Sonder dese twee allene En hadden die Joden noit coninc. Met goude beleide lichte. 870 875 880 885 890 895 + XXXVIIIa 1. Om dat Josias was doot. 2 Jacob van Maerlant. Dat een kint soude sijn gheboren Van ere maghet in waerre dinc. Dat es Jeremien wel bekant. Doe die Joden waren ghevaen Hi seide hi saghe over waer + Een poorte. Hi vorseide dat onse here Soude maken wonder groot. 893 sachte hi sege. 1069 scoen. 874 dit onseinde. 884 akas den coninc] dat was waer. Ende in wat einde dat si bleven Ende hare namen ooc daernaer. zooals Sp. dat stoet daer. Daer na stont die scone jeeste Van Asswerus. Jezechiel stont al daer.. wellicht te lezen den quaden coninc. Daniel seide over waer Dat Christus soude sijn versleghen Over seshondert jaer daernaer Vive min. 895 sachte. Die propheten stonden daeran Elkerlijc met sinen sichte. 886 eenre. Dat menech man qualec verdroech. den coninc.132 * Die coninc Sesac van Egypten lant. 900 905 * 868 zesac. Hoe hi maecte sine feeste Ende sine baroene wel ontfinc. 902 weder ontbr. Si en lieten die wet alghemene. 897 seshoudart dar naer. 1 . 872 en S] en̄. daer stont jeghen. zóó meer. dien coninc. 876 elkerlike richte. Alexanders geesten . vgl. 24. Ysaias sprac te voren Tote Achase. hist. Dat was een onsiene dinc. 882 eer naem oec daer stoent. die noit was onttaen. 903 stoende. Die Apelles. 39. 889 uorsachte. 869 menich. Hoe die Joden weder quamen Uten lande van Babilone Ende hoe si maecten al te samen Ons heren kerke weder scone. Jeremias weende sere. die vroede man. In wat tiden dat si screven Hare bouke. 871 twe.

Hare coenheit dedese hem verleden. 921 ontbreekt. Ik geloof niet. 930 dat was oec een waere dinc. Maect blijscap van onsen rouwen!’ Ende hi ontboot ooc cortelike Dier coninghinnen. Bedi hadsoet onweert te doene. Woudise toghen sinen lieden. Sconincs wijf was een jodinne. Die Mardocheus nichte was. 935 940 * 908 diede hi ontbeden. 923 was al. Ten Joden droech hi haetscap groot. Hi makede ene galghe groot. Ende hi bejaechde an den coninc Dat mense al sloughe te doot. 917 dor schoen. 925 sijn. 911 seinde darom twe spadoen. Hi nam hare die conincs crone. des neemt goom! Hi riep ‘here van hemelrike. 922 noit uele aue. Als was soe so dorescone. 926 nieman. dat men hier den indicatief zou kunnen verdedigen. Den coninc. 934 nemt. 910 wolde hi si tonen. 918 eer dede si eem uerleiden. Daeran soudi bi siere sterte 910 915 920 925 930 + XXXVIIIa 2. Vasti moeste van hem sceden. 936 blijtscap. Doet Mardocheus wiste. + Dat was eene sware dinc. 933 in S] en. Men dede al na sinen behete. Hi nam Ester tenen wive. De scoonste eene van haren live. Hi seinder om twee spadoene. Int hof was niemen sijn ghelike. 932 her ome. 927 hi S] si. hare oom. Dies balch hi hem. 929 sloech. Om haer scoenheit. 913 bedie had sijt doen. Alexanders geesten . Dedi die coninghinne ontbieden. Hi weende sere. 928 bejaegde. Soe verbat an haren man. 914 heer. 931 jodinne S] godinne. Dies was drouve sere Aman. die grote here. 943 daer ane. der Joden doot.133 * Doe dat hof vergadert was. 916 scheiden. Daer ic noit ave las. Aman hi was drossete In Asswerus conincrike. 919 Ester] tierst. Jacob van Maerlant. 915 croen. sijt seker das. siere vrouwen. Was hi drouve in sinen sinne. Vasti balcher omme sere. 920 mardocheus S] marchodeus.

134
* Hanghen Mardocheus, den Jode. Dit visierde in sinen herte Aman, die quade valsce rode. Hi was selve verhanghen daer, Ende Mardocheus waert ontfaen Dies conincs neve, dat was waer. Aldus so eist hem vergaen. An dander side sat Tobias, Die sere gheprijst was in sijn leven. Om dat hi goet ende heilich was, Was hi met gode daer verheven. Salmanassar haddene ghevaen Ende ooc gheleit in dat prisoen; Nochtan was hi onderdaen Gode altoos in sijn doen. Hi gaf sijn goet ooc mildelike Armen lieden dore gode, Altoos helt hi ghetrouwelike Ons heren wet ende sine ghebode. Een swaluwe smalt hem in die oghen, Also was blent Tobyas. + Hi woudet gheerne om gode doghen Ende dankede hem al das. Daer stoet mede sijn goede kint, Ende dat hiet ooc Tobyas, Hoe hijt in Meden heeft ghesint Ende goods inghel met hem was. Daer stoet ooc hoe Raguël Siere dochter gaf desen kinde. Dat maecte dinghel Raphaël, Dien god met hem dare sinde. Daer stont ghescreven ooc die dinc, Daer die vader bi ghenas, Van enen visce, dien hi vinc, Sijn sone, die jonghe Tobias. Mettier gallen streec hi den vader Over beide sine oghen, Hi ontfinc sijn sien al gader; Daer mochtmen sien blijscap toghen. Hi was out sesenvijftich jaer,

945

950

955

960

965

+

XXXVIIIb 1.

970

975

980

*

945 uisierde hi. 946 valsce S] ualscen roede. 950 eest. 952 sinen. 960 dor. 961 heilt hi getruwelike. 963 swaelwe die] sijn. 965 woult. 967 stoende sine. 972 gaf hi. 974 dar. 979 bestreec. 980 sijn. 981 ontfienc allegader. 982 sine blijtscap.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

135
* Alse hi eerst verloos sijn lecht, Ende over viere jaer daernaer Waert hi weder siende echt. Hondert jaer so was hi out Ende ooc twee, die goede man, Alsi voer in die goods ghewout. God die maker ons delachtich an! Die jonge Tobias, sijn sone, Levede hondert jaer, een min, Die alre doghet was ghewone Ende minde gode in sinen sin. Een ander jeeste stont daerbi Van Apellese bescreven, Hoe Olifernes, dien riddere vri, Een vrouwe coene nam dat leven. Olifernes was die leitsman + Van Nabugodonosors here. Daer stont ghescreven, hoe hi verwan Menich lant met groter were. Hi quam ghevaren an een lant, Daer die Joden woonden in. Hi woude storen al, dat hi vant, Dus fel was hi in sinen sin. Hi beleide ene scone stede, Die men hiet Betulia. Wijf ende man ende kinder mede Waren vervaert verre ende na. Ene weduwe was in die stede, Die gheheten was Judit, Van heileghen live ende hovesch mede, Dat den vrouwen wale sit. Soe ghinc toten wreden tyrant Ende bat ootmoedelike Dat hi die poort ende dat lant Niet en stoorde, noch dat rike. Alse hi dat wijf sach so scone, Bernde hi ghelijc den viere. Hi hietse vrien sinen spadone, Dat soet hem gheloofde sciere.

985

990

995

1000

+

XXXVIIIb 2.

1005

1010

1015

1020

*

989 gods. 991 soen. 993 gewoen. 996 van nabugodonoso. 997 die ridder. 998 Dien uan melon nam eer leuen. 1000 nabugodonosor. 1004 wonden. 1007 belachte. 1008 Betulia S] berulia. 1010 verueert en. 1011 wedewe. 1013 heiligen. 1016 oedm. 1019 alse olifernes dat wijf sach comen; misschien vrouwe te lezen in plaats van wijf, z. de aant. 1021 hietse S] heise sine spadoenen; vgl. 1, 1166. 1022 lees soe?

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

136
* So dat soe dede alstie coene: Soe sprac, hare en stonts niet tonbeerne, In allen tiden dat te doene, Dat Olifernes woude gheerne. Hi was blide in sinen sin, Ende hi hiet ter selver stede Dat soe mochte uut ende in Wandelen doen hare ghebede. Savonts waert hi al dronkijn Ende soude met hare slapen gaen. Hi sliep, alset ware een swijn, Ende Judit ghinc vore hem staen, + Ende soe bat gode dat hi hare Gheve cracht den man te slane. Mettien nam soene metten hare Ende sloech hem thooft af ende ghinc dane. Soe ghinc ter poorten ende riep in, Soe toghet Olifernes hovet; Doe si saghen dat ghewin, Waren si blide, des ghelovet. Si staken thovet upten mure Ende ghinghen doe uut te wighe. Doe dandre wisten hare aventure, Begonden si al vlien te prighe. Dus was Betulia die stede Ende alt lant, dat daerbi lach, Bider daet, die dat wijf dede, Al verloost up enen dach. Dus bleef doot Olifernes. Dus hadt ghescreven an dat graf Die vroede Jode Apelles, Daer ic eerstweerf telde af. Teinde van al der scrifturen, Die bescreven was an den grave, Was van Esdra daventure, Daer ic een deel sal tellen ave. Alse Nabugodonosor hadde te stoort,

1025

1030

1035

+

XXXIXa 1.

1040

1045

1050

1055

*

1023 so dat soe] en̄ dat sijt coen. 1024 eer tonberene. 1025 en̄ in doen. 1030 en̄ doen. 1031 dies auents dronken. 1032 eer. 1033 alst were, lees alse hi? 1034 voer. 1036 slaen. 1037 soene metten hare (S si sijn swert met vare)] si sijn met vare. Jud. cap. 13: cumque evaginasset illum (pugionem) apprehendit comam capitis eius etc. 1038 thuet daen. 1040 tonet. 1043 dat huet. 1044 ghincen. 1045 die ander eer. 1046 begonsten. 1047 Betulia S] berulia. 1049 lees die vrouwe? vgl. de aant. op 1019. 1052 hadde. 1054 ierstwerf.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

137
* 1060 Also als dander bouc vertelt, Jherusalem die heleghe poort, Kerke, huus ende mure ghevelt, Sijn maerscalc Nabusardan Verbrande ons heren bouke. 1065 Het was een eveldadich man, Dies haddi vele swaerre vlouke. Doe die Joden weder quamen + Uter vanghenesse van Babilone, Maecten si weder al tesamen 1070 Poort ende kerke haerde scone. Also stont daer al bescreven, Hoe men makede die scone torre, Die ter neder waren ghedreven Van den coninc Nabugodonosorre. 1075 Esdras screef algader weder Bider herten ons heren wet, Die langhe lach gheworpen neder; Dies heeft sine siele te bet. Dus so was teinde der scrifturen, 1080 Die ant graf bescreven stoet. Nu hoort voort die aventuren, Wat dat Alexander doet. Doe Alexander hadde begraven Die coninghinne met groter haven, 1085 Dedi up breken die pauwelioene Ende voer enwech alstie coene Jeghen Darise, sinen viant. Hi seinde enwech altehant Emeneduse met ere scare, 1090 Dat hi soude nemen ware, Waer Daris laghe ende sine macht. Doe quam hi met groter cracht, Daer Maceus hadde beleit, Alsic te voren hebbe gheseit, 1095 Met sinen here al die straten. Maceus vlo utermaten, Doe hi Emeneduse sach. Hi haeste hem al dat hi mach,

+

XXXIXa 2.

*

1060 alst dat ander. 1061 heilge. 1063 Nabusardan S] nabusar dan. 1065 eveldadich S] eueldich. 1068 geuenkenisse uan babyloen. 1070 kirke scoen. 1079 uan der. 1085 paulione. 1088 ewech. 1089 eenre. 1091 lege en̄ sijn cracht. 1092 macht. 1093 beleicht: geseicht. 1095 her.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

138
* Ende vlo met allen sinen here, Daer Daris lach wel ter were. + Alse Daris wiste die niemare Dat tgriexe here comen ware, Trac hi up een slechte velt Met algader siere ghewelt, Ende hi scaerde sine liede Ende ghelovede hem grote miede, Up dat si niet en waren vervaert. Dus troostise te stride waert. Maer doe Emenedus vertelde, Waer Daris lage upten velde Ende met hoe groter herecracht, Waert Alexander also bedacht, Dat hi dede in al dat lant Vaen die beesten, die hi vant, Scaep ende coen, swijn ende paerde, Esele, geite, ende hi scaerde Vor sijn here ghone diere. Nu hoort wonderlike maniere! Ane hare stroten ende ooc voren Ane hare hooft ende an hare oren Dede hi hem binden rise. Dus so quamen si in derre wise, Als ocht een mekel here ware. Si verdonkerden openbare Tsonnenscijn metten ghestove. Dus quamen die heren met groten love So na dien Percen up dien dach, Daer Daris ende sijn here lach, Dat deen anderen roupen mochte. Dus waende Daris dat hi brochte Met hem liede vele mee, Dan si beide hadden, dese twee. + Alexander es so na comen Dien van Percen, dat hi vernomen Hevet hare pauwelioene,

1100

+

XXXIXb 1.

1105

1110

1115

1120

1125

1130

+

XXXIXb 2.

1135

*

1099 her: wer. 1101 nimare. 1107 weren. 1108 hi si testride. 1110 lege. 1111 hercracht. 1113 dede S] dede hi. 1115 coye. 1117 her geen. 1118 wonderlic. 1119 eer, hetzelfde tweemaal in het volgende vers. 1120 hueft. 1121 hem] en. 1123 mekel] groet miggel her. 1124 oppenbare, zóo meer. 1127 den. 1128 daer] dat her sach; de drie regels luidden misschien aldus: so dat die heren met groten love ❘ so na quamen up dien dach ❘ daer daris ende sijn here lach. 1131 me: twe. 1135 eer pauwelioen.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

139
* Some root, some groene, Some bernende van goude. Nu es Macedo, die boude, So na, dat men die banieren An beiden siden mach visieren, Wat tekene die heren draghen. Doe die Grieken dat versaghen, Wouden si te stride gaen, Ende hadden wapen an ghedaen. Die van Percen an die ander side Waren ooc ghereet ten stride. Cume so mochti verbieden, Alexander, sinen lieden, Si en wouden onghescaert Ende sonder leitsman onbewaert Jegen Darise vechten gaen. Maer die sonne sonder waen Snelde hare te hove waert. Ic wane dat soe was vervaert, Tansiene also vele like, Alse dare worden cortelike. Alexander hiet doe ghereit Den Grieken graven een fosseit Al om dat here haestelike Ende deerde werpen tenen dike. Hi liep up enen berch sciere, Ende met hem menich ridder fiere, Daer hi den Percen was so bi, Dat Alexander, die deghen vri, + Bescouwen mochte die scaren, Hoe dat si ghewapent waren. Daer sach hi menegherande liede, Die ic u al niet en bediede, Die hem algader goudijn dochten Vander cierheit, die si brochten. Daer hoorden si misselike tonghen Ende orsse van groten spronghen. Si maecten so groot ghescal Dit volc ende dese wapen al:

1140

1145

1150

1155

1160

1165

+

XLa 1.

1170

*

1136 som roet som groen. 1137 som. 1142 doen dat die gr. uers. 1147 mochte uerbeiden. 1149 ongescart: onbewart. 1153 eer. 1154 wene ueruart: wart; zóo vaak. 1155 te sien an. 1156 daer. 1157 heet. 1159 her. 1167 menegerhande. 1168 bedide. 1169 gulden. 1173 so ontbreekt.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

140
* 1175 Dorste ict segghen wel te waren, Ic wane si deder om vervaren Die edele herte van dien man, Daer meneghe doghet leghet an. Hi riep tote hem sine baroene, 1180 Alse of hem twivelde van den doene. Bat wanic nochtan dat hijt dede, Om te kenne haren sede. Hi vraechde, wat men soude doen. Doe sprac die here Permenioen 1185 Dat mense bi nachte soude bestaen Ende stillekine te doot slaen, Want hi seide datmen bi nachte Scoffieren soude met clener crachte There, ofte algader vaen; 1190 Si souden algader sijn ontaen Bede van vare ende van slape, Men mochtse daer binden alse scape. ‘Wille mense ooc bestaen bi daghe, Dit segghic u al sonder saghe, 1195 Daer sijn die eiselike Siten, Alse of si de liede souden verbiten, Entie wonderlike Inden, Die hare haer niet up en binden, Ende ooc menich groot gigant, 1200 +Die wonende es in Bacteren lant. Aldus vreseleke scaren Moghen ons’ sprac hi ‘vervaren, Ende ooc mede sonder waen, Hoe mochte dus lettel volx bestaen 1205 Al dat volc dat ghinder es. Sijt des seker ende ghewes Dat Daris up dat grote velt Bedi leghet met siere ghewelt

+

XLa 2.

*

1175 ict] ic u. 1176 sijt deden. 1177 die edele herte] dier lieden herten; Gaut. 313: quae cuncta viro, si credere fas est, incussere metum, facilemque ad nobile pectus corque giganteum reor adscendisse pavorem. 1179 sijn. 1180 ofte. 1182 kennen. 1186 stilleken ter. 1188 cracht. 1189 her. 1190 oft. 1192 mocht si. 1193 wilt. 1194 u al Verdam, Tekstcritiek s. 2] val. 1195 daer] dat. 1196 oft. 1198 eer. 1199 gigant] sariant; G. 339: et quos Bactra creant, immensa statura gigantum. 1201 ureselike. 1204 lettel] ueele; Gaut. 342: addit et a paucis hominum tot milia gentis nec circumfundi nec bello posse moveri; 1, 856 hadden wij evenwel ook so vele, waar in het latijn tam pauci staat; zouden wij daaruit mogen afleiden dat het mnl. so vele evenals het lat. tantus eene mediale bet. had, en zoowel zoo veel als zoo weinig kon beteekenen (vgl. lat. tantum = slechts)? 1208 bidi.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

141
* Ende up dese brede campanie, Om dat hi tusscen de nauwe montanie Van Cilicien was besloten Hier te voren met siere roten.’ Alre meest, die dit hoorden, Wouden volghen desen woorden. Polipercoen hi seide ooc mede Vor den coninc daer ter stede Dat men vechten soude seghe, Voere dat volc bi nachte enweghe. Doe sprac die conine altehant, Die int herte was gygant, Al en was hi maer vijf voete lanc. ‘Ja, vrient, groten ondanc So moet hi hebben, diet mi riet. Her Polipercoen, dit en diet niet, Dit es der moordenaren sede, Dat ghi mi raet nu ter stede, Di emmer spien na dorperheit; Bedi minnen si demsterheit. Die ere entie aventure, Die ons worden es te sure, En willic niet dat enich lachter Haren name besmette hier achter. + Die nauwe rochen entie falisen En willic altoos niet prisen, Noch dat Daris voor mi vliet Dat en willic altoos loven niet, Ende ooc en willic, sonder waen, Bi nachte enghene dinc bestaen. Ic sal dit volc bi daghe nopen. Die seghe, daer wi omme hopen, Die si eerlike, ofte niet. Ic hebbe liever dat ghesciet Dat wi alle bliven versleghen, Dan wi bi nachte souden seghen. Mi en es die seghe niet so lief, Dat ic wille, datmen in eneghen brief

1210

1215

1220

1225

1230

+

XLb 1.

1235

1240

1245

*

1211 cilicies. 1212 hier te voren] dar to was; Gaut. 345: ut contigit ante. 1213 al. 1215 Polipercen. 1217 souden. 1221 uoet. 1222 hi sprac ia. 1224 polipercen. 1225 mordeneren. 1229 entie] en̄. 1234 en S] en wil ic. 1238 enege. 1240 omme] op. 1243 bleuen. 1245 es niet so leef die zege. 1246 enege stede zie de aant.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

142
* Van mi lase, daer mijn prijs Bi minderen mochte in enegher wijs. Ja en sieti dat die Percen mede Ghewapent hebben hare lede Ende ghemaect haer sciltwachte, Dat mense niet en sla bi nachte? Doet die heren wachten saen, Ende wi sullen rusten gaen. Peinst om den dach van morghen Ende laet bliven nu u sorghen, Ende en peinst niet alle weghe, Dan wi sullen vechten seghe!’ Doe hi aldus dese tale seide, Ghingen si binnen den fosseide. Daris gheboot sinen here Wapenen hem ende doen ter were. Hi ontsach sere den raet Ende Permenioens baraet, Want hi waende sonder waen Dat mense bi nachte soude bestaen. Hi dede die ridderen varen wachten + Up orsse van groter crachte. Selve voer die here mede, Daer men die sciltwachte dede. In dien tiden begherde sere Alexander, die grote here, Darise te sprekene, sinen viant. Hi riep tote hem altehant Emeneduse heimelike. Hi sprac tote hem cortelike ‘Gescie al dat mach gescien, Ic moet emmer Darise sien, Ende spreken mont jeghen mont.’ Hi ghereide hem in corter stont, Ende voeren wech si twee; Met hem en voeren liede nemee, Dan allene Emenidus. Ghereden quamen si aldus Tenen ghewade up ene riviere.

1250

1255

1260

1265

+

XLb 2.

1270

1275

1280

1285

*

1247 daer] dat. 1248 Mi mochte minderen in eenger. 1249 seidi. 1250 eer. 1254 en wi suelen. 1258 solen. 1259 Doen met groote roode beginletter. 1261 en̄ daris. 1262 wapenen hem] wapennen. 1264 permenions; deze regel zou beter luiden Permenioens ende dat baraet; vgl. de aant. 1268 crachten. 1273 vor darise. 1281 Si uoren enwech allene si twe. 1282 hen nemmee. 1284 al dus.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

143
* Daer hiet Alexander, die fiere, Emeniduse sijns ontbiden. Hi voer selve in corten tiden Allene onder tfolc van Perci. Alse hi quam den here bi, Sach hi den coninc Darise riden Om sijn here ten selven tiden Ende besette die sciltwachten Ende hietse wale wachten. Stappans doet sach Alexander, Die hovescer was, dan enech ander, Groetine in caldeuscer tale. Daris hi antwoorde wale Ende hietene willecome sijn. ‘Here’ sprac hi ‘die here mijn, + Alexander, hi vraghet u bi mi, Weltijt dat u wille si Datmen te stride sulle varen?’ Doe antwoordi ‘ic wane te waren Dattu selve bes Alexander, Die hier dus spreecs ende gheen ander.’ ‘Ic bem sijn bode’, sprac hi ‘te waren, Ende hiet mi tote di varen.’ ‘Willecome bestu mi dan’ Sprac Daris, die edele man, ‘Du salt tavont met mi eten, Ende dan salict di doen weten, Want het es nacht altehant.’ Mettien nam hine bi der hant Ende leidene int pauwelioen Ende hiet die tafele ghereiden doen. Enen knape houden hi beval Sijn Bucifal, want hi seit, hi sal Na den etene weder varen Tote Alexandere te waren. Doe die tafele was gherecht, Nam die coninc Daris echt

1290

1295

1300

+

XLIa 1.

1305

1310

1315

1320

*

1287 ontbeiden. 1292 her. 1293 scilde wachten. 1294 hiet si wachten wel in diere nachten. 1295 doe dat. 1297 grote hi en. 1299 willecoem. 1303 sulle] wille. 1304 andwerde daris. 1305 bes. 1306 sprecs. 1307 ben. 1309 willecoem. 1310 edel. 1311 tauent. 1312 salic. 1314 hien. 1315 leiden; dit vers en het volgende misschien te lezen int pauwelioen hine leide ❘ ende hiet die tafele ghereiden. 1317 houden ontbr. 1318 als twee verzen in het hs. te houdene sijn bucifal ❘ want hi seget dat hi sal. 1319 eten. 1322 echte.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

144
* Alexandere, daer hine vant, Ende hietene sitten altehant Ter tafelen recht jeghen hem Ende seide ‘vrient nu nem Dit voordeel ende dese ere Dore Alexandere, dinen here, Want hi es die hovescste te voren, Die noit ter werelt was gheboren.’ Aldus aten si te samen. Mettien dies conincs scinkers quamen, + Die scincten den coelen wijn. Alexander, die deghen fijn, Nam elken nap, dien hi hem gaf, Ende dranc den wijn daer af Ende staken in den boesem dan. Dit mercte een hoghe man, Die vore sconincs tafele stont, Ende maket sinen here cont, Mettien alse de coninc soude Scinken enen nap van goude; Ende dien boot hi sinen gaste. Hi dranc den wijn ende hilt vaste Sconincx cop in sinen scoot. Des hadde Daris wonder groot Ende seide ‘vrient houdstu dijn scop? Gef hare weder minen cop! Twi wiltu minen cop roven?’ ‘Here, ghi moghes mi gheloven’ Sprac hi ‘dat ict niene dede Door ghene sake in dorperhede; Hets sede in mijns heren hof, Dien ghi ghevet groten lof, So wie te sijnre tafelen et Eist dat hijs niet en verghet Dat al die nappe sijn eighen sijn, Daer hi uut drinct dien wijn.’ Doe sprac Daris ter selver stede Trouwen, dats ene hovescede, Ende dies en pleghet niemen el.

1325

1330

+

XLIa 2.

1335

1340

1345

1350

1355

1360

*

1323 lees Al. mettier hant? 1327 uoerdel. 1329 houeste. 1335 hem ontbr. 1336 Die coninc en̄ dranc den wijn af. 1337 stacken in sinen b. 1339 uoer des. 1341 deze plaats is vermoedelijk niet in orde; het eenvoudigst zou zijn, scinken in het volgende vers te veranderen in drinken. 1347 dinen; vgl. de aant. 1348 her. 1349 woultu. 1351 hi] alex . 1352 dorpereiden. 1355 te S] die tafellen. 1356 eest.
s

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

145
* Hout di dien cop, ic ans di wel. Parsarges quam daer mettien, Die Alexander hadde ghesien Ten tiden dat hi was een kint. + Want hi dicke was ghesint Om dien cheins in Griekenlant. Ende teerst dat hine hadde becant, Seidijt enen, die bi hem stont. Doet Alexandere was cont, Spranc hi up ende nam sijn swaert Ende liep ter doren waert, Daermen hilt sijn Bucifal. Die knape moest becopen al, Die tors biden breidel helt. Dien slouch hi doot ende met ghewelt Ontreet hi aldus sinen waert. Dies halp hem sijn goede paert, Want niemen en mochte hem volghen. Dies was Daris sere verbolgen Dat hine dus hadde verloren, Dien hi ghevaen hadde te voren. Maer Alexander ontvoer aldus Ende quam aldaer Emenidus Sijns ontbeet, toten ghewade. Het was te diere tijt so spade, Dat sine riddere slapen ghinghen. Doe teldi hem van desen dinghen, Hoe dat hi met Darise at Ende toochde hem litekine dat Die goede nappe die Daris waren, Ende hoe dat hi was ontvaren Teldi vore die baroene. Si waren blide van desen doene Ende ghinghen slapen met ghemake, Onthier ende si worden in wake. Ane Daris side was grote vrese, So waest an Alexanders rese. Macedo ghinc, alse hi woude, Slapen up een bedde van goude. + Hi en mochte niet gherusten

1365

+

XLIb 1.

1370

1375

1380

1385

1390

1395

1400

+

XLIb 2.

*

1365 to den tijden. 1366 ghesint S] gsint. 1368 en hien. 1370 doen dat. 1373 hielt. 1375 briedel hielt. 1377 wirt: peert. 1378 des. 1381 hien. 1383 ontvoer] voer. 1385 ontbeit. 1386 dier. 1387 sijn ridder. 1390 toende eem litekene. 1393 voer. 1398 wast.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

146
* In sijn bede met enegher lusten. Alse nu peinsdi dat hi wilde Beide met spere ende met scilde Varen jeghen die rechter scare, Doe peinsde hi dat beter ware An die slinke side te jaghene, Om Daris here te versaghene. Dus menichfout was sijn ghedochte, Dat hi slapen niet en mochte. Doe Alexander was in sorghen Om dien wreden dach van morghen, Sach hi een wonderlike dinc. Die grote here, die coninc, Sach Tyberis die riviere staen Daer nu Rome es sonder waen. In een eylant sachi ene sale, Die Tyberis hadde altemale Ommelopen met haren strome. Dit sach hi alse in enen drome. Die sale was hoghe al toter mane. Daer up sat na minen wane Die godinne van den seghe, Die hi minde alleweghe; Victoria was hare name. Soe dochte hem scone ende bequame. Dat huus stoet up viere pylare Groot ende scone openbare. Deerste pylaer hiet Wijsheit; Die moet den ghonen sijn ghereit, Die sege willen sekerlike Ghewinnen in dit eertrike. Gherechtecheide was dander. + Die hadde over hem Alexander, Bedi so wan hi altoos seghe, So waer hi quam alleweghe. Die deerde das Ghedoochsamhede Dat haddi ooc in sinen sede:

1405

1410

1415

1420

1425

1430

1435

+

XLIIa 1.

*

1402 eenger. 1403 peinsde. 1404 sper. 1406 in plaats van doe is wellicht alse nu te lezen in overeenstemming met vers 1403 (en peinsde hi zou men in dit geval kunnen missen), ook het lat. heeft nunc - nunc. 1407 aen. 1408 her. 1410 niet slapen. 1413 wonderliche. 1415 Hi sach. 1416 roem. 1417 sael. 1418 dye altemael. 1419 stroem: droem. 1422 waen. 1425 eer naem. 1426 scoen en̄ bequaem. 1429 dye eerste. 1430 den ghonen sijn] sijn den genen. 1433 gerechtecheit was dat ander. 1435 beidi.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

Welctijt men porrede die herre. Dese here. Up hare hooft stont alsoet wilde. Die es in der ghoonre sede Die strijt ende orloghe bestaen. 1459 sitten es S] sijden sijn yvorien. 1453 sulle. Ende hare sustere saten ooc daer Ende songhen sere al openbaer Lof ende prijs ende werelt ere Ende si en sweghen nemmermere.147 * Blidelike ghedoochde hi tsure Om die goede aventure. Hien dorstene harde wel ghemoeten? Dusent doren waren an die sale Met dieren stenen haerde wale. Alexanders geesten . Een hoedekijn van lauwerblomen. 1464 dromen. 1447 weelctijt datmen herre S] here. Ontsienlichede sat daer naer. Jacob van Maerlant. 1463 hoedekin. 1471 eer. Ende die sege willen ontfaen. 1440 1445 1450 1455 1460 1465 1470 + XLIIa 2. Up enen solre in dien paleise Sit Victoria met peise. Wat dat bediet moochdi kinnen: Alse die liede seghe ghewinnen. 1472 verweendelike eer. 406: mille patet foribus. 1475 * 1439 gedoegde. Naest hare sat die Mogenthede Verwaendelike up hare stede. Wie hadde noit so grote macht. 1455 orloche. dese man van vive voeten. of dese man is wellicht te schrappen. 1443 van ontbreekt of dese here. 1456 dien. 1470 sprect. 1452 steden. 1466 oppenbaer. Haer sitten es yvorijn al. Noch heeft soe in haer bedwanc Al der werelt ommeganc. 1468 nummermere. 1465 daer. Spreectmen verre van haren daden Ende singhter af in meneghen staden. 1462 eer huet. Up die sille sit Ghierechede. Mochtment horen haerde verre. + So wie dat hevet prijs ende seghe Van hem spreect men alleweghe. Dus sach hijt al in sinen drome. 1474 omganc. 1445 dusent De Vries] drie (III in plaats van M) Gaut. Soe ghevet mildelike over al Met bliden handen alstie milde. 1451 sprectmen. 1458 mit. Die vierde pylaer dat es Cracht.

Die de gave en wille lechten. Kil. Ende Smekinge ende Wale onnen Singhen scone na haer connen Vore die vrouwe Victoria Liedekine. hoe men zonder de overlevering geweld aan te doen eene woordelijke vertaling zou kunnen krijgen. Dese ystorien. lichten tollere asportare. allevare. zooals ik hem lees. * 1476 den] dier. Justitia in neutram declinans munere partem. 1480 narechdechede. 1477 rechten. cogere nummos. 1481 goderteirrenheit. Cortelike soe versach. maar ik zie niet. 420 heeft: assidet his stabilitque deae clementia regnum. lichten. De tekst. 1485 richeit. Gaut.148 * Die den maten doet groten vaer. Die alleweghe singhet soete. Alexanders geesten . oplichten levare. 1497 voer. 418: et dea quae leges armat. vr. Jacob van Maerlant. 1480 1485 1490 1495 1500 1505 + XLIIb 1. Soe sit up enen setele hoghe Ende soe es teinde van orloghe. accipere. Soe maect een conincrike vri Ende soe doet bliven ghestade Ewelike met haren rade. Daerna die vrouwe van allen rechte. die hier na Nemmermeer en werden verleet. 1504 so wie die wille minnen. Soe es moeder van allen sonden Ende maect werringhe tallen stonden. 1486 duechden. opl. 1493 blijtscap. licht. zie de aanteekening. 1478 die de gene willen. 1491 setel. Hoe dat Alexander lach Ende sorchde om die ere. Also langhe als die werelt steet. Rijcheit es daerbi gheseten. 1506 in plaats van het eerste sach wellicht sat. zou de vertaling zijn van in neutram etc. Goedertierenheit es daer bi. Blijscap sit vor der vrouwen voete. 1509 sorgde. Daer sit die vrouwe Eenradichede. 1489 dat sit d. van reden. Sittet in die derde stede Ende soe hetet Gherechtechede. Moet hi hebhen sonder waen In sijn herte alleweghe. Dese vrouwe Victoria Sach ende sach verre ende na. + So wie so wille winnen seghe. die hier staen. 1492 dat eende. 1507 cortelijc. Die vrede maect in allen steden. 1496 scoen. het gheld sumere. quae iura tuetur. Die luttel dogheden leert weten. Gaut. 1482 een] den. 1499 uerliet.

Ende soe voer weder thaerre sale. Vare. 1533 geen latine. Die ghene diet screef in latijn Si lieten haren ganc al sijn 1535 Ende bleven slapen van der cracht. 1513 bedi S] beide. lieve vader. Bedi ontsach soe dattie vrese Van der vreseliker rese 1515 Dien edelen vorste quetscen mochte. Om dat hire vele om dochte. Soe rumede stappans hare sale Met enen gheswerke ghedect wale. 1530 Hi vlooch enweghe sonder waen. 1534 sijne. + Up dies conincs bedde hi seech 1540 Tusscen hem entier weech. Mettien lieti die sorghen varen Ende sliep soetelijc te waren Al tote dat die sonne up stont. Jacob van Maerlant. 1512 behielde. 1548 sleep. de afschrijver verwarde misschien dochte met duchte. Soe dochte ooc mede dat soe wilde Dat hi den seghe altoos behilde.149 * 1510 Hare begonst ontfaermen sere. 1514 ureesliker. 1517 eer. 1523 vaer. Traechlike quam hi ghevaren In dat griexe here te waren. 1540 in dier. Dat hi niet en roerde dan den mont..]de in plaats van hē lezen. Alexanders geesten . 1528 toe eerre. Die hi hevet met hem bracht. So waer hi biden sterren vlooch En si dat sake dat hi looch. 1545 Mettien quamen die baroen In dies conincs pauwelioen.. * 1511 dachte. Si haddens wonder dat haer here So vaste sliep ende so sere. daer Alexander leghet. 1538 her. S. wil h[. 1543 dat ontbreekt. 1519 en̄ doe. 1525 Ende doe hem met dinen lusten Al dat vergheten ende rusten!’ Victoria sprac dese tale. Dien de sorghe so verweghet. 1521 eer. 1529 coem. 1516 hire hē. Aldus was hare tale algader: ‘Stant up. 1515 uorsten. Cume mochte die Slaep upstaen. daer soe den Slaep vant. hoorstuut. Entoe ghinc soe altehant 1520 Ten huse. + XLIIb 2.

1551 alder. 1555 weenden. Noch die ridders noch die knapen En dorsten hem nochtan niet wapen. Up dijn ghebot beiden si alle. 1552 die hieren. 1575 1580 1585 * 1549 eer ontbr. 1560 hem. 1583 hefstu die sn. 458: alias solebat. Hi riep ende conden niet ghewecken. Eer men ten wapen soude vaen. Bi wat groter onghevalle Heefstu die snelheit diere joghet Ende dine cracht ende dine doghet Altegader dus verloren? 1550 1555 1560 1565 1570 + XLIIIa 1. Doe ghinc hien nopen ende trecken. 1586). Gaut.150 * Hi was ghewone eer te treckene Trage volc ende up te weckene. 1578 herweert. ‘Coninc’. 1567 en. 1566 gewaepend were. Doe quam hem ene mare Dat Daris ghewapent ware Ende hi te stride soude varen. Permenio quam doe voort Ende hiet die liede eten gaen. te voren bedoeld is (vgl. Permenio ghenende hem ter dinc. 1565 quam een meere. 1569 weer. (S en̄ en). Dijn volc es onghewapent noch. + Te gane daer sliep die coninc. 1576 slaep. van dier docht. riep hi ‘het es dach. datti houden mach? Die van Percen ende van Meden Comen harewaert ghereden. Die conincstavel seide te waren Dat ware vele meer dan tijt Dat men uut te stride rijt. Jacob van Maerlant. Si waenden som dat hi van vare Ende niet van slape so stille ware. Laet dijn slapen wesen doch. 1557 dorst. Ook het metrum vereischt eene aanvulling. Ende beide de heren sijn ghevreest Leghet hi ende slaept al sachte. Nochtan en dorste sonder waen Niemen in sine camer gaen. 1573 en̄ consten gew. Nu als die sorgen sijn alre meest. Si en hadden sconincs woort. Alexanders geesten . Ocht hijs een twint niet en achte. 1582 groten. dat een soortgelijk woord als eer. de tegenstelling nu maakt waarschijnlijk. anders ware ook mogelijk ende (= alhoewel) hi was. 1584 ioecht. Wat slape eest.

No ghenen strijt en dorste bestaen.’ Permenio hadde wonder das. Alexanders geesten . 1623 die en. 1613 rijkelijc. Eer ic die sorghe van mi brochte. Dat rijkelike ors Bucifal. Maer hi en dorste hem vraghen niet. Hi besette sine scaren 1590 1595 1600 1605 + XLIIIa 2. Dien ghenen dochte diene saghen Dat hi seghe brochte ghedraghen. Anders was die scilt van goude. alst ware een brant. Alexander seide te hant ‘Alse Daris hadde verbrant Dorp ende poort. Dat hi sonder sorghe was. Die coninc reet henen alstie boude. Bede ridders ende knapen!’ Doe die coninc aldus hiet. 1621 Doen. Maer nu es hi hier vore mi. Daer hi doe vor die tente hilt. bosch ende stede Ende hi hem niet ter were en dede. Ende al sijn volc so toghet hi. 1599 noch dorst. 1617 lyon rampant S] rapant. Jacob van Maerlant.’ ‘Gheloves mi’ sprac die deghen goet ‘Dat ic gheslapen niet en mochte. 1601 uor. Doene saghen die baroene So blide wesen ende so coene. Men blies een busine saen Dat men ten wapen soude vaen. 1602 tonet. 1606 beide. En wouden si langher letten niet.151 * Du waers ghewone hier te voren Deerste te sine. 1624 bracht. 1622 coen. 1611 bewart. 1615 aen. Daer stont in een lyoen rampant Van kelen root. Sijns selfs lichame heeft hi bewaert. 1598 wer in (S en). 1616 hi uor die tente doe. Mettien sat hi up sijn paert. Het was weert der werelt al. Doe hinc hi an hem sinen scilt. 1610 1615 1620 1625 * 1586 weers. 1618 were. Noch hi en mach niet ontvlien: Wat dinghe soude ic dan ontsien? + Gaet. So mochtic sorghen sonder waen. doet onse ghesellen wapen. diere up stoet. 1594 was ontbreekt. Bi wat saken dat was ghesciet.

Alst Alexander hadde verstaen. 1637 sijt. 1647 mit. ‘Ghesellen’ seidi ‘desen aerbeit 1630 1635 1640 + XLIIIb 1. Die dat volc souden vervaren. Vore ene poorte waerp hise te Troien.152 * Ende beval hem te waren Dat si hem wachten van den waghen.. + Mettien quam ter selver steden Een man ghevloen van den Meden. Ende si van viere poente waren. Hi hiet hem dat si niene vermiden Dier wagenaers entier peerden. 1645 1650 1655 1660 * 1626 hen. Aldus haddi ooc ghedaen. 1655 voer. Eer die staerke strijt ghesciede. Welke wijs dat mense waerpe. Gaut. 1648 luste. Hi seide dat Daris in waren saken Yserkine hadde doen maken. ontbreekt. 1627 hem] en. 1640 S den.non possit. 1646 vermoedelijk te lezen op dat. Si en dadense vallen toter eerden. Die eerst Ulixes maken dede. Om dat si souden ontwee sniden Al dat ware an haren siden. Men spieder om ende het was waer. 1628 sekelin. Die coninc dede den ghonen vaen. 1629 ontwe en zoo meer. Voerde hi there al een ander strate Ende liet die stede van barate. 1631 dies waganers. 1656 menigen. Daer scaerpe sekelen ane waren. Daris hadde ghesait aldaer Yserkine ter selver stede. 1638 were aen.. Want Daris hadde vor sijn here Waghene gheset ter were. 1633 her: wer. Alexanders geesten . Dat hi gheen loosheit en dede verstaen. Dat emmer up quame tscaerpe. Aldus troosti sine liede. 1651 speder. Dat dede dien meneghen vernoien. 1657 hadde. 1644 quam. So woude hise met liste versaghen. te schrappen? Jacob van Maerlant. Dat si se niet ontwee en sniden. 1650 en S] in. Om dat hi niet en mochte te waren Die Grieken met crachte verjaghen. 1659 dat her strate S] staete 1663 seide hi. Daer si die sekelen ane saghen. 536: si. 1630 en dat si niet en.

Ende deerde. Soe en ware so coene niet dat soet dade. 1684 were en zoo meermalen coen. Nemeer en vechti hier na. vgl. quam sub se gaudet alios regnare potentes. Hoe soe mi mach teenre somme * 1665 1670 + XLIIIb 2. Ic vare voren. 1678 princen. God entie goede aventure Make ons einde goet ter cure! + Want daventure ende haer ghewout Hevet mere blijscap menechfout Dat ic bem here boven hare Dat wetic wale al openbare Dan dat soe vrouwe wesen moet Over meneghen prince goet. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . de aanteek. 1676 wael al oppenbare. Hevet soe ghevoordert mine liede. Als of die hemel te stucken scuerde. 554: (fortuna) tam sub me sceptra tenere. 1679 sider. 1691 diese. 1698 oft. 1675 bin en zoo meermalen. Dit volc van deser groter scare Dat en es maer porringhe van vare. daer si quamen Ende een na anderen niet en duerde. 1674 mere S] mine. 1697 die een na den anderen. 1695 dat her. 1699 en die locht. 1672 onse. entie lucht 1700 Te stucken braken mettier vlucht. Al waret sake dat ghesciede Dat soe mi deren woude in rade. water. 1696 sulke. god weit. 1669 niewerinc. Dit goet ende dese diere stene Es algader uwe ghemene. nu volghet mi!’ Mettien reet die deghen vri 1695 Ende there wel te samen. 1700 vlocht.153 * Sal dat inde sijn. 1682 were dat. En si dat goede inde doet. Seder dat soe ghesach Dat Grieken an mi ghelach. 1667 den Granike S] grammike. Den strijt van Cilicia Ende dien ghi vocht uptie Granike Jeghen Mennoene wel eerlike Sine sijn niewer toe goet. 1675 1680 1685 Dat ic vlie eneghen man. 1690 In toorne mi niet al vliedi dan. 1689 Wat. 1693 vaer. Die aventure pijnt daeromme. * 1665 nemmermeer. Gaut. Sulc ghecrac was.

1712 ties solen. dat hi ten ghenen ga. Dese bouc entie derde mede 1710 Die sijn swaer in somegher stede. 1702 beest en beide malen. Man ende beeste. de lezing van het hs. Diet can ende hem mach wisen. 1706 dat si t. gaen. Aldus beghint die vijfte bouc. Daer men in sal moghen lesen Wijsheit ende dachcortinghe Van Alexander.154 * Ende al werden soude te niete. Dat gheen riese sullen verstaen. 1720 Die scone. kan behouden blijven. Up dat soe secht dat es goet. 1704 niemt hier einde. 1720 peisen S] pisen. velt ende vliete. 1705 Some jeesten diere in staen * Ic rade. 1705. Die goede bouke onweert maken. Dat hebbe ic bedi ghedaen. * 1701 nieute. 1710 sommeger. Al lachterent dander. + XLIVa 1. die mi peisen doet. 1711 bede. Alsi in die rime mesraken. Dus vacht men ghinder met ghenende. Jacob van Maerlant. 1715 Der bouke sullen noch sesse wesen. 1719 segt. den coninghe.g. 1722 dat. Die vierde bouc neemt hier ende. mi en rouc. Alexanders geesten . 1705 iesten. 1715 solen. + So sal hi die materie prisen. indien men aanneemt dat er eene lacune is vóór vs.

13 profete G. weet ic wel. 14 vorsegde H hadde vorseit G. Die onwaenliker was dan een ander. Jacob van Maerlant. 17 tue G. 15 Hi seide dat H G boc H. 12 des G. 16 uten G en soude H verdoumen G. 26 aldor reeden H. Dat die prophete Daniel Vorseide te voren wel. 5 10 15 20 25 Laet bliven uwe dulle woort Ende hoort die tale voort. 21 Daris die G. Dat was Percen ende ooc Meden. Nochtoe lach die dau up daerde. + XLIVa 2. 11 wenic H dat et G. Sine twee hoorne sekerlike Bedieden sine twee conincrike. Die den groten scade nam. 9 noch doe douwe. Hoe dat die strijt verghinc. 8 tijdlich wast. 18 al ter G. * 1 uwe S] we. Ic segghe u dat in ware dinc. Dit was goods wrake. 22 scaden H die groet was ende scade G. 28 ontbreken G. Also alsic in latine las. Dat dit in dien meye was Dat men te stride was ghegaen. 10 domen. Daer waenic wel dat ghesciede Up dies conincs Daris liede. 27 gods. Daris hi bediet den ram. 27.155 *Die vijfte boec. 23 tue G desgelijks 24. Die de Grieken al dorereden. Dat een buc soude comen + Ute noordoosten ende verdomen Die twee hoorne van den weder. 20 onwaenlike dan H en G. Tijlic waest ooc sonder waen. 25 persen G oec ontbr. 19 boc H buc bediet G. Die buc dat es Alexander. Alexanders geesten . Doe men treckede die swaerde. Di sal hi breken ter neder. G.

G. 25108 wordt flagellum door swepekijn vertaald... 36 hi gene beste G sijn cnape die beeste H. Maer hi en mochtene niet ghewonden. Rb. Hi ghinc smeden alse met anghe.. en de handschriften komen overeen. 55 anghe De Vries] an. 41 hine G mochten H. 55. Dits deerste diere dlijf verloos. 44 doen begonsten cem die been te miden H. H. 55 * 28 segde. 38 stack G vor al dat G her A. 34 olifante G. Daer was met hem daventure. vers 286. 39 het ontbr. geeft sweepe flagellum op zonder beperking. 13: medicata cuspide. 8.vgl. Met enen ghevenijnden spere Stac hi den coninc vor dat here. vgl. 30 seiden H G diene kinden H. Aristomines die Inde. Die Alexander vore hem hilt. Dat het voer al dor den scilt. Alexanders geesten . 56 ontbreken in H. 47 makedene G huefdeloes H hofdeloes G. Seide de ghene diene kinde. Aristomines becocht al: Die coninc maectene hoofdeloos. 42 stacken H. Jacob van Maerlant.156 * Want het seide Daniel. Hi doorstac ooc Elifas. Hi slouch nochtan al durenture. 1130 staat swepe in het rijm. 29 Aristonimes H Aristomies G van inden H. 40 Den H die den koninc G hielt H. 57 elysas H. Ende het ghinc daer haerde banghe. Doe faelgierden hem die scranken Ende gaf enen groten val. Kil. Hi was een riddere vermeten. 43 olifant dor die sijden H Dien G.G. 33 en G ridder H G. 31 die ierste H derste G. 51 schigte H So dicke als daer die spiete en̄ die schich. 32 liede H. 53 doere en doere G. Gaut. 54 halpem sere die anatin. 12: Indus Aristomenes.. 49 grieken die H den zege G. 45 en̄ hi H. de aant. Was die deerste joeste dede Jeghen Alexanders lede. Met ere swepen van tiene cnopen Dede hi ghone beeste loopen.. Up enen olifant gheseten. 35 eenre swepen met ·XX· H geselen van ·X· G.. Die coninc stac weder tien stonden Sinen olifante al dore die lanken. 46 Aristonimes hi becochtet H. 37 geuenijnde H genendegen G. Gaut.56 banghe De Vries] ban. 12 denis elephanta flagellis prodigus excutiens. 30 35 40 45 50 + XLIVb1. Gaut. Die Grieken riepen ‘die sege es onse!’ + En es so menich stake te Donse Alse daer spiete ende scichte Na den coninc vloghen ghedichte. 50 enne vloech noint soe te genen stonden G.

H en G. 72 al toter H. 85 thusscen hir enter solanen G. 82 al te hant G. 61 soen Pharoes H Fara. 75 Caman H Cainam G zóo ook 80 lamedoen H lavoemedoene G. 65 sant H lange was verdr. 77 lamedon H lavoemedoene G. 79. Ic wane Faros van Surien was. 89 gelic G.. 71 Enon H suerden G. 69 Die G twee ontbr. 30: Pharos Orchanides. Doe stonden daer twee Daris man. 78 filiocas dar der j. Jacob van Maerlant. 83 Een van G. Dat lant dat langhe lach verdroghet. 76 eenre handax H hantacx (denkelijk hantaex) G coen H. Enen anderen slouch hi metten sweerde Ende overreeten metten peerde. 60 ouerrieten H reed over hem G metteem H.G. Dat hi ghinder bleef aldus. 66 met H. Enos ende Caynan. 64 wene dat Phoras H Cirien G. Mettien so quam een gigant Jeghen Alexandere te hant. 62 macte hi oec huedeloes H hofde. 84 En̄ H Hen sin so lanc G. 81 so ontbreekt H daer een gyg. Enos slouch met sinen swaerde Enen Griec toter aerden. G.157 * Die sconincs Pharoens sone was. ene slore Ende soe wannen bi enen more. 67 aen beiden H lach menech G. 60 65 70 75 80 85 + XLIVb 2.. 86 sin G wain H. Entie hiet Ecifilus. Cainan ende ooc Enos Makedi van den live los. Die ic ghenomen niet en can. Waert metten roden bloede ghesoghet. 59 anderen ontbreekt H. Gaut. En sijn so leelic niet si twee Tusscen hier entie Losane. Dat was Orcanis sone Pharos. 80 Enon en̄ oec Cayman ❘ sloech hi te doet die edel man H. An beden siden bleef menich man. 63 elyphas H. ne G. H. 68 hic niet gen.. Alexanders geesten .G. 74 en̄ hi G. Sijn moeder was na minen wane + Een gygantinne. Hi was groot ghelijc der moeder. 70 Enon H cainam G. Van Egypten was Elifas. 88 sone wan G moer G. 87 Ene wule slore G flore H. Cainan slouch Laoemedoene Met ere hantaex alstie coene. * 58 faraos G soen H. Geon van der roder see. Doe Laoemedoen was versleghen Quam Philotas daer jeghen. Dien makedi van den hoofde los.G.

Die colve hief hi up mettien.colve G vgl. 100 quam Alexander G. 100 Doe quam hem die coninc jeghen.. 109 gyg. 108 weerstu verwuet H. Jupiter hi ontvlo cume. 112 wilde winnen G. 120 comen souts H. 118 mettien sper H. Jacob van Maerlant.’ Dit sprac hi. 121. 91 suart G. H.. 105 ·III· H G. 113.. Groot wonder hadde Alexander das.. 115 sijn lippen H. 93 honts. + Die coninc stietene met cracht Metter borst van sinen paerde + XLVa 1..en G hevet hire mede G heeft hier nu H. Geon riep met groten moede ‘Alexander edele here..selue (?) G. die es dijn viant? Du heves ghelesen dat mijn gheslachte Den hemel winnen woude met crachte. 101 hadde die coninc G. ende hem liep die scume 115 Over sine leppen bede. 120 Sinen roest ter selver tonde G. 95 Dese hadde Alexander doot.158 * 90 Al en was hijs niet te vroeder. 121 stoet G.... Hoe waerstu verwoet so sere... 22 in omgekeerde volgorde in G. 105 Ende soe was root van den bloede. 104 hadde gesien G. en̄ geslegen G. 96 Maer dat die au. Some ontsaghen si sine ghedane Some die cracht van sinen slane.er hontvlo hem c. Ne ware dat daventure verboot. Alse hi den coninc heeft versien. Van hude was hi swart algader. * 90 hi en tuint niet G. Alexanders geesten . Die coninc lonet hem met lede.. Vijftiene heeft hiere mede belopen Van den Grieken ende versleghen. 99 grieken nu versl. Hi stakene ter selver stont Metten spere in den mont Ende naghelde hem die tonghe 120 An sinen roost ten selven spronghe. 122 stetene metter H hortene met G.riep geon G. G gedaen H. Ene colve hadde hi van drien cnopen. H gr.. 116 eem H.G..dat dav.comen G din G deze schrijfwijze dikw. 107 edel H grote G heer H.. 117 stacken soe H roctene G. H. Dattu jeghen enen gigant 110 Souts comen..hi dit seide liep hem G. 106. Dus gheleec hi sinen vader. 94 sinen lichgaem H. 103. Geoen stont ende beet den scacht.. G. 114... Dat die viant so groot was. 97 enen colven H. 92 gelijct H. 98 vijftien H.

Jacob van Maerlant. 142 vaders G in sijnre H en̄ sire G. 792 om enen cloete. 140 Hi G clitus comen H. 129 dorstackene menichfout H. 127 telgeren H. 137 persen sluch G. 380 pinen omme den scatte. 146 pijnde hi H pinedi G omme] me H met G. Alexanders geesten . An de luchtere vacht Clitus. Dus moeste hi sterven met ghewout. 131 de G rechter scaer H. 145 Scoti G clitus H clitise G. om der wille.159 * Dat hi viel neder up die aerde. Die was Clituse so na. 138 Die van Darise heelden leen H. Hi scoot up Clituse drie spiete. 36 sijn scoen suster alacrine ❘ soegde alexs met pine H. 125 130 135 140 145 150 * 124 ueel H. So groten slach gaf hi te waren Alse een eke van hondert jaren. 150 maer ontbr. 130 en̄ doedene met g. De derde naamval bij omme komt meer voor. Sijns vader kint ende siere moeder Ende hi suchte sere driewaerf. z. 144 als hi H. Die met haren telghen vallet. 139 aen die slinke H. 69: dat fragorem. Doe hi sach dat sijn broeder staerf. 151 weer H hi daer bl. 147 stoent een opten w. Ic wane hijs quaden loon ontfinc. vgl. 143 versuchte G. H scoet hi up den w. 148 met deme H hevetene metten suerde dorslagen G. Wp. Anders ware hi doot bleven.G. 149 So dat die helm G gecloeft H. 125 groten ual uiel H. Mettien scoot hi van den waghen Ende heeftene mettien sweerde gheslaghen. Een de beste van sinen live Die noint gheboren was van wive. hiet Sanga. G. 126 (en)e G eike H. 154 voer G. Gautier 84: cum explere nequiret pectoris affectum. Ook in het volgende vers stemmen de twee hss. in eene fout overeen. 1. 153 metten suerde G. Die Grieken quamen toe ghewallet Ende dorstakene hondertfout. Dat hem de helm was gheclovet. om den broode. met niete versta ik niet. Der Percen slouch hi menech een Ende gaf hem een quaet leen. Nochtan pijndi al omme niete. Clitus hevet hem ghegheven Mettien sweerde enen slach. Mart. Die rechtere scare vacht aldus. Gaut. Dat hi vor sine voete lach. Maer die coyfie bescermet thovet. G. Sijn suster soghede den coninc. Dat hi hem sach slaen sinen broeder. de aant. 85: micanti emicuit curru. Rein. G. 133 en G dier bester H. Een van Damasch. 135. 134 hoint G Di nu H wart G. nndl. Gaut.

185 dijn. 188 moca. 161 Den G menschen H mainsce G. 180 Datti nemeer quaets en ghescie. 165 Hi hadde den rouwe so dore groot. 90 omgekeerd in het hs. So heefsture ghenomen drie. 108: ferro eodem. com hare Ende nem mi met hem mijn leven. Die oude man versuchte sere Ende waert bleec ie lanc so mere. vgl. + XLVa 2.d. Grammelike up sijn ansichte. 170 Ja en hevet hier dijn swaert Twee scone kinder tenen gader Te doot ghesleghen bi haren vader. hetgeen M. 96: dolor intus obortas sorbuerat lacrimas. Die rouwe die den mensce deert Dat hi de trane al verteert. Doch dat hi te hem selven quam Ende sprac alstie was gram ‘Wreet keytijf ende wreet liebaert. de aanteekening. 112: si qua tamen coniux. 158 sine G. Dat hi wel na was bleven doot. Dat hi verloos al sijn ghewout. 160 Dicke eist also ghesciet. 189. 185 Noch moeten si om dine doot Rouwe driven also groot!’ Clitus en achte siere vloeke niet Ende Meta scoot enen spiet. als boven staat. 168 sprac ofte hi were.160 * 155 +Meta haerre beder vader Die sach dit al tenen gader. Daeromme biddic di. So mach die weduwe wenen dan Om twee kinder ende enen man. 157 out G. Hi waert van rouwen so cout. Gaut. 172 geslagen. 160 eest H. 166 ueel na. Jacob van Maerlant. 156 Di H Hi G sach die G. 183 oft. 186 ruwe aldus. denkelijk niet zóo vertaald heeft. 159 noch hien H. 177 Gaut. 184 Gaut. 170 en S] en̄. Ende di ontfaermet niet miere oude? Du wistes dat die moeder soude 175 Wenen sere om die niemare. Heefstu kinder ofte moeder Ofte enech wijf ochte broeder. 169 lybart. Daer mine kinder mede sijn bleven. 165 rouwe dor groet H. * 155 Maer eerre beider H Meta harre tuier G. 173 die ontfarmet S] ontfamet. 175 Sere wenen nimare. Alexanders geesten . 164 so lanc H. 180 nemmer goet en gscie. 162 dat hi al die traene H. No hine mochte wenen niet. so de tranen al G verwert G. Misschien met dien isere tleven. 176 bidic haer.

Ende recht daer hem sijn grauwe haer 195 Up die scouderen neder hinc Stac hi den ouden erminc Dore den hals met sinen swaerde. 210 hielt rechter S] luchter. 197 doer. Zij dankt haar ontstaan aan het voorgaande vers. 200 Hi helsese met groten lede Ende voer enweghe metter vaert Hem derder ter hellen waert. * 190 ontfinc. Dit vers wordt aan het begin van de volgende kolom nog eens herhaald.161 * 190 +Maer Clitus ontfinghen lichte Up sinen scilt te middewaerde Ende hi slouchene af metten swaerde. 214 minscen bedreget. 206 uit het latijn is onmogelijk op te maken. 191 middenwerde. 194 grouwe haere. 216 diet voer. maar alleen: iamque propinquabat regali prodita luxu. 205 Bider cracht vanden stenen Ende bi de * vanden wrenen Mochtmen weten dat Daris was. 218 her. Dat hi wel na sonder were + Darise selven hadde ghevaen + XLVb 1. 222 ueel na. vergeten is. 123 heeft niets wat daaraan beantwoordt. + XLVb 2. 193 naerre. 201 ewege met groter uaert. Doe viel hi neder uptie aerde Onder sine kinder bede. die ook in vers 600 en 622 voorkomt. Misschien rikelike. 211 darwert her: wer. 223 selue. vgl. 215 Gaf hem eerst goet gheval. 221 menich. 192 sloecht. 220 come. 220 Cume mochter een ghenesen. Er is hier geene aanleiding voor deze uitdrukking. 195 nieder. Hi dede vore hem vallen al So wat so quam in sijn ghemoet. Mettien quam Daris ghevaren Vreselike met sinen scaren. Gaut. Die aventure. Gaut. 215 tierst. So menighe sloech daer sijn here. Clitus ghinc hem bat naer. die gheerne lieghet Enten mensce dicke bedrieghet. Hi dorreet dat here te voet. 204 vreselike is verdacht. vers 307. Nichanor hadde wonder das. Alse ocht scape hadden ghewesen. Die di conincstavelie 210 Helt an die rechter paertie. welk woord in het hs. Jacob van Maerlant. Ende keerde darewaert sijn here Ende sette hem ter were. Alexanders geesten . 126: in dextero cornu.

Men vacht met colven ende met sweerden. Soude hem dus die here ontgaen. zóo meestal alt. 244 cleen. die vore hem helt Quam Nicanore te ghemoete. 235 men S] met. Die trensoene vielen int gors. Altoos volchde hi Remnoene Dore al dat folc. Men sloech die liede van den peerden. 235 Renon. 256 renon. 231 ueel en zóo dikw. 225 230 235 240 245 250 255 + XLVIa 1. Die ketele woorden vol van sielen. Die metten helscen peke wielen. Het bleef in beide siden doot Jonc ende out. so dat si staen. 261 liete. + Die een stac anderen onsoete. Die stene vloghen wel ghedichte. Die men mettien slingheren waerp. 249 coen. Gaut. Ende Remnoen. 230 wer sijn gev. 240 pauwelioen. 255 rumden. Mettien ruumden si hem tfelt. 258 den anderen. 237 zelen. 245 die edel.. 229 maecte hem S] maecten hen. 241 come. Dat hi den prijs heeft ontfaen Van beiden siden sonder waen Alse een ridder fier ende coene. 238 wielen] velen. 239 doen. 259 trensione gors S] gras. Maer Nichanor dedele deghen Heefter so vele versleghen. 148: perque tot obiectos vestigat Rhemnona Persas. cleene ende groot. dat vor hem stoet. Daer was die strijt wrede ende scaerp. Da te stervene was ghereet. 260 tors S] chars of thars. 158: mansit eques. 250 dit vers ontbreekt in het hs. Si lieten te gader gaen die peerde. Hi trooste die Percen diere vloen Ende maecte hem moet. 260 * 227 eer. Ende hem volchden mede na Ridderen goet in hare doen.162 * Doe quam hem tontmoete saen Remnoen van Arabia. 242 sterven. Jacob van Maerlant. Men scoot vele scaerper scichte. Die doot hadde so vele te doene In Daris pauwelioene. Ende si bleven beide tors. Gaut. Sijn doen dochten bore goet. Enter were hebben ghevaen. Al mochti al die liede slaen. Alexanders geesten . Dat soe cume al tfolc verbeet.

290 wat. Si beringden harentare Nichanore met haren lieden. 268 wellicht moet men over die knien lezen. 266 renons.waarschijnlijk 4 . Dat hi ghelijc enen bossce sceen. Jacob van Maerlant. 295 edel. + Sijn been en mochten hem niet draghen. So dat hi al te stucken brac. Men leest dat in den scilde stac Der quarelen menich een. Hi was ghescoten dor die daerme. Sine cracht en mochte niet dieden Jeghen al die grote somme. Daer dat bloet liep uut ter cure. Mettien quam tfolc van Yrcanie Datse god vermaledie! Wale ghewapent met ere scaren. Up sinen helm so vellen stene Beide groot ende clene. Eerst was hi ghevelt met spieten. Dies en mochti niet ghenieten. Na dezen regel zijn in het hs. 289 fallierden. Nichanor slouch so dicken. Alexanders geesten . het hs.163 * Ende si vinghen bede ten sweerde. Men slouch die staerke helme dure. 295 * 262 biede. 283 velen. 275 Snellaert's tekst heeft eere scaren. in plaats waarvan ik hare zou hebben geschreven. Dat Remnoens scilt voer te sticken. heeft echter eenre en dat durf ik niet in hare te veranderen. 162 volgg. 264 misschien dat in plaats van daer leep. 293 en. So dat hem woet al dor die milte.: [genibus cecidere remissis vectores] vectique simul. 292 seegden die geen. Hi was beringt al om ende omme. Doe vloe tfolc van Arabia. eenige . Doe faelierden hem die aerme. die beantwoorden aan Gaut. Hare paerde storten mettien Dat si vielen uptie knien *** Hi stac sijn sweert in toter hilte. Het laatste dezer verzen eindigde denkelijk ook op knien. Nochtan was sijn edele moet 265 270 275 280 285 290 + XLVIa 2. Entie Grieken liepen na. 269 hielten. 276 bringden her ende dare.verzen overgeslagen. Dat seiden die gone die dat saghen Dat ghemanc bloet ende sweet Van sinen live liep ghereet. Prior ense retecto surgit Parmenides et pectora Rhemnonis acer arcet utroque genu. 274 dat sie. 278 mocht niet diden.

ik aarzel niet deze stoute verandering te maken. 311 ons ontbreekt. Doe dat volc vlo al ghemene. hoe sinen marscalc in den tekst gekomen is. 328 verweent. 326 scoen gedaen. eer hi doot bleef. Hi viel neder ende bleef doot. Die sine jonghen hadden doot. vgl. vers. ic wane. Ic segghu dat in waerre sake. Dat seide die gone diet screef. 306 gewoen. Dan te vechtene om die seghe. 330 * 296 en. Mennoen. 299 edel. Tfolc vlo al dor die noot. 323 dat ander boec vertellet allegader. 303 van percen. 315 sinen marscalc hadden. Alexander quam daernaer Verbolghen als ons heren wrake. Nochtan dedi scade groot Dien Percen. Nicanor Permenioens sone. (Dander bouc vertelt algader) Was des ridders oudervader. 324 Die was. Dat menne niet en mochte vaen. Verwaent was hi in sijn ghedachte. Ooc was hi van Cyrus gheslachte. Entie edele Nicanor. Jacob van Maerlant. Die alre doghet was ghewone Ende maerscalc van der rechter side. hadt so vergaen. Die Grieken dreven groot mesbaer. Dies conincs Alexanders tor. die up die Granike Was versleghen jammerlike. 320 vlo (S vloe) ontbreekt. + Scone was hi van ghedane. Si hadden liever vlien enweghe. dat M. 184) bewijst. Alexanders geesten . 321 mennon granike S] grammike. 300 305 310 315 320 325 + XLVIb 1. Ende hem waren die gone ontvloen. Es verslaghen in desen stride. alhoewel ik niet voldoende weet te verklaren. Want hi soude sekerlike Hebben ghehadt in huwelike Daris suster. Een bacheleer bleef daer allene. 334. 317 te vlien. hier niets anders kan hebben geschreven.164 * So onvervaert ende so goet. Hi quam verbolghen als een lyoen. 331 hedt. dan sine jongen of sine welpe. Doe ghinghen si hem met colven slaen. Fiadas hiet hi. Maar deze woorden zijn geheel onjuist en het: advolat orbata catulis truculentior ursa van Gautier (vs.

Hem was gheleert al sulken spel. Hien liets niet dor sine bruut. 342 twifelijc auenturen. + Dus vacht men in dat rechter here. Ende Bessus hare here mede. 353 ende ontbreekt. claer alstie dach. vgl. 364 parse. 345 rapant. 338 as die. 340 sijn. Ende hi sliep den langen slaep. Efestio reetene al dore Ende gheraecten wel ter core Door die borst ten scouderen uut. Een bacheleer. noch rijcheit. Maecte sine herte onvro. 341 scoen curen. Sconincs ghespele Efestio. Enen scilt hadde Fiadas. 350 misschien die in plaats van sine. Hem quamen mede te ghemoete Die van Bacteren haerde onsoete. 339 eufecio. 359 her: wer. Permenio dede ooc grote were Entie int slinke here waren. 346 staen. Dat si die Grieken al ontsaghen. 360 ooc ontbreekt. Si vloen ende lieten hem jaghen. Hi storte neder sonder beten. 365 * 332 heddi. 349 borste. Die jeghen hem vacht met prighe. de aanteekening. Daer was die parsse van den wighe. Maer en es ghene scoonheit. Al waren si scone bede ter curen Si hadden twiselike aventure. Die de doot verdriven mach. Die groot verdriet den Grieken dede. Daer ane ghescreven was Een tygher rampant van goude In kelen staende. Narbesines die moordenare 335 340 345 350 355 360 + XLVIb 2. 358 vluwen.165 * Dat hi den seghe hadde ontfaen. Jacob van Maerlant. Macheus quam daer ghevaren. Noch edeldom. 347 eufecio reten. De verzen 363 en 64 behooren wellicht in omgekeerde volgorde te staan. Die Fiadase was beheten. Alexanders geesten . alsmen woude. Dor dat beheet van deser eren Quam hi jeghen die wrake ons heren. Nicanor was ghewroken wel. 367 eer heerre. Die Yrcanoise vloen alse scaep.

374 ierste. Daris sal sterven andersins Over enen corten tijt bat ghins.’ Alse die here hadde gheseit. Het zou zeker beter zijn. Men slouch daer meneghen slach. 376 besmet Verwijs] beset. Du best so edel een baroen. Sijn suster voer enwech ghereit 405 Ter rechter siden. 379 rechte her: wer. dat Maerlant niet tweemaal quaetheit heeft geschreven. 395 segt. God en willes niet ghehinghen. Talre eerst dat een prophete sach. 389 erven Verw. gelijk het mij nu reeds voorkomt. 381 segt. hi en can gheslaen Die Percen al die vor hem staen. 85. 385 Die quaetheit en saltu niet doen. 400 permenis. als de regels elkaar opvolgden in de orde 386. 372 meingerhande. Hi neemt hem lijf ende goet. 390 Dattu souts slaen enen ouden man. Bedi Macheus van Babylone Begaet die Grieken haerde onscone. + Des en sal hi niet ontgaen. Ende secht hem al dese woort: ‘Alexander heefstu ghehoort. dattu dus loops Ende om Daris doot dus hoops. 375 Een vroet man van der heiden wet. 380 Daer hi vecht met groter were. Die sere met bloede was besmet. maar óf in 388 óf in 85 een ander woord. Alexanders geesten . Sprac hi te siere suster saen: ‘Suster’ sprac hi ‘ghi sult gaen Tote Alexandere int rechter here. No die quaetheit volbringhen. 395 Secht hem dat hi succurere Met groter haest tgriexe here.166 * 370 Quam dare ooc met siere scare. in dit geval ware het nog waarschijnlijker. Want die dese werelt sal erven an. 377 S suster ontbreekt. 88. Het es om niet. 400 Al eest dat Permenio doet Grote were. 386 beest. 390 souds. Hantgheslach ende jammer groot Was daer ende menegherande doot. + XLVIIa 1. misschien in 85 eenvoudig dies en saltu. Dan sullene sine liede slaen. 399 nemt hen. Jacob van Maerlant. 388 noch.] ernen di staat in het hs. * 370 daer. 87. daer soe vant Alexandere al te hant. 393 solen eem.

410 415 420 425 + XLVIIa 2. 428 bueten. solus perdita restituet. Beide hier ende overal. die haer was gheheten. Gaut. vanum spernimus omen. Ende sweret u in rechter trouwe: Al ware Daris in enen casteel Van maerbersteen al gheheel Ende seven mure van claren stale Daer omme waren ghemaect wale Ende Acheron. Sla ickene doot. Noch segghe ic u meer. 429 lieue urouwe. Ende van ridderen in alre wisen Ende ghewapent ooc ter cure. Gaut. 423 hebbe dat misschien ook wel te verdedigen is. 412 ghi (of beter misschien hi) ontbreekt. 413 en. wane so ghi comt’ Sprac hi ‘ghi moet sijn verdoemt. Die tale was den coninc leet. 242: quocumque venis dea cardine. Seidesoe saen. + Dat verlies achtic dan clene. Mochtic Darise allene verslaen. 439 eer oever. parvi mihi cetera. Die hoopt omme sulc gheval. Die altoos bornen sonder sparen. ‘Vrouwe. al sonder beten Keerde hare de vrouwe ghereet. 411 wan. 417 suster. 440 bsnen. Dat hi mi boetet al mijn verlies. 441 vol were. 426 buetet verles. 420 alleen. 427 verluys. Daris en sal mi niet ontgaen. 438 liepe S] liepen. Alexanders geesten . 248 volg. 416 queme. In die graven sevenvout Alomme liepe met ghewout. Ende hare oevere van sulfur waren. Entie casteel vol van spisen. parvi perdita momenti: solum si vicero. Die altoos bernet ghelijc den viere. 414 loept om sulke. Jacob van Maerlant. vrouwe. die helsce riviere.167 * Die bootscap. So dedic haerde clene claghe Omme dat ic hadde verloren. Dat hi mi boeten mach allene. 425 des.: quem si perdidero. Al quame mi bootscap sonder waen Dat mine lieve sustere bede Ende mijn moeder ooc met lede Vanden Percen waren ghevaen. sijt seker dies. 430 435 440 * 409 hare de ontbreekt. Daer ic minen hope toe draghe. Nemmermeer en haddics toren. 424 nummerm.

Doe reet hi met groter cracht Onder meneghen viant. Daer was hi ghereden te sticken Ende tetreden herde dicken. Alexanders geesten . Daer waert sulc ghestof int sant.’ Dit was Alexanders tale. Dat ickene liete dan gheheermen. Amictas. Jacob van Maerlant. Alexander sloucher vele: Amilone stac hi dor die kele. Hi moestet daer becopen sere. 466 tetreden (of vertreden?)] dorreden. Antigonus was haerde gram. Dat becochte Baradam. 458 niement. Voor die borst hinc hi den scilt Ende nam enen staerken scacht. 456 sulke. 475 sloeger. Hevet Lisiase te doot ghesleghen Met sinen sweerde deghenlike.168 * Nochtan en mochten daventure Van mi altoos niet besceermen. 471 en̄ van wellicht vier in plaats van seven. 459 heer. Amictas sweert mochten wel biten. Gaut. 465 470 475 480 * 446 dan leet. 453 hi nam. Alexanders deghen. 470 die ontbreekt. Tholomeus sette tors te lope Ende dorreet die grote hope 445 450 455 460 + XLVIIb 1. 477 dare ontbreekt. Affer een here van Libia + Was Alexandere alte na Ende vacht up enen waghen. Craterus stac hem met crachte Den waghen omme mettien scachte. 464 En̄ den wagen om. 452 borste. 261: fertur temone supino Afer Aristomenes. So dat hi dare moeste bliven Ende sinen rouwe driven. Hi spranker up al daer ment hilt. Men mochte merken daerbi wel Dat hijt was ende niemen el. Gaut. 463 stakene. Ende hi herwapende hem wale Ende hi hiet sijn ors vergoorden Haestelike met corten woorden. Alsmen doe plach in dien daghen. 476 dor sijn. Al was hi here van den Siten. 264: tetrarcha. Al was Lisias die rike Van seven conincriken here.

502 geweest hebben.] mechtich. 485 490 495 + XLVIIb 2. Dat mettien ridders ende dander Was so menich Alexander. 500 505 510 515 520 * 484 Eenmenidus. Hoe mach iemen ter nauwer noot. 519 En̄ alse falliert. Alexanders geesten . 501 Hedde hijt. Perdica sette hem ter were Jeghen die Percen. 504 menich Verw. Hi souts hebben ghesijn wel vro. Eumenidus heeft ooc versleghen Meneghen man met sinen sweerde. Die wreder was. Alse hi vore hem siet die doot Nutteliken raet visieren Ende eerlike in alre manieren. Alse sijns selfs sin faliert? Daris peiset ende visiert.169 * Van den Percen als een deghen. Haddijt ghesien ooc. 493 Polipercen die tiersten. Daer si quamen vochten si so sere: Elc was ghelijc sinen here. alstie gone. Meliagar slouch wel dicken Mettien sweerde up Daris here. Daer men dorslouch meneghe malien. 495 wer. + Dede selke were bi daghe. Qualike mocht Daris behaghen. Dat si dlijf hebben ghenomen Den ridders die in allen tiden Hilden neven Daris siden. Polipercoen die eerst woude Datmen bi nachte vechten soude. 516 siet S] sijt. diet saghe. Dat men prisen soude. 503 en̄ mettien ander. 508 Die horne. Bi hoorne hevet hi verstaen Dat ghecrac van der battalien. Gaut. 280: jam victoris fragor aures pulsabat Darii. dan hi was ghewone. Die Grieken sijn so na ooc comen. Jacob van Maerlant. Macedo. Cenos reet met sinen peerde Die van Percen al te sticken. Dus ghinghen die Grieken jaghen Ende quamen recht voor Daris waghen. 511 griekin sijn oec so na. 497 ghinge. 514 hielden. 491 al die goen. Alsi die Grieken hoorde jaghen Ende sine liede tonder gaen. 507 onder. 515 nouwer. Wat hi best mach anevaen. 489 her: wer.

Alexanders geesten .v. Misschien heeft de afschrijver een paar regels overgeslagen. 550 En. Jacob van Maerlant. dat de dietsche verzen niet in orde zijn. Uit de vergelijking van Gautier (290): pudor et reverentia famae ne fugiat prohibent. 539 rumde hi. 544 verdoemet. Bessus ende Narbesines Die wilen aerm waren ende naect Ende nu heren sijn ghemaect Ende hi goet hadde ghegheven. Gaut. zóo of coeme meestal voor cume. 530 oneere. Si sullen nemen hem dleven. 530 535 540 545 550 555 * 522 wil vlocht. Ooc so haddi grote vruchte. 523 S es. nec si velit ipse morari inveniet socios. + Cume stonter daer ter were Dusent jeghen die viande. Ende hi sal comen altehant Onder die quaetste viande. 531 dicwile.170 * Al wille hi die vlucht bestaen. Immers is er nauwelijks aan te twijfelen. Ende hi bejaghede doch een paert. ontbr. 530-32 blijkt duidelijk. 528 come. Die sijn binnen sinen lande. versuchten uit vluchten of uit vlucht. 556 solen hem ontbr. 532 so ontbreekt. Ook aan 522 schijnt iets te haperen. of vers 531 is verknoeid. die dit heeft versien Dat si lopen haerre straten Ende si hem in dier vresen laten Rumede sinen waghen. Hi vliet den hovescen lybaert Ende vliet ten serpente waert. Hien sal hem niet wachten des. Diene brochte daer ghedraghen. Alsi was in deser vrese Braken die Percen hare rese Ende ghinghen alle vlien. So menich dusent alsi te voren Ridders hadde uut vercoren Ende seriante in sijn here. Doe ghinc hi vlien mettier vaert. b. 524 dien. contra timor anxius urget met vs. die en. Hi vliet enen hovescen viant. 525 + XLVIIIa 1. Die groote onnere entie scande Daden hem dicke swaer versuchten. Daris. 540 dar bracht. 555 en̄ dien hi. Die verdoemt es haerde sere. Daer en es niemen diene troost Noch diene uter vresen loost. 287: cui nec tuta fuga est. Nu vliet die coninc sonder ere. 552 en.

Cume hielt hem iemen voet. Alexanders geesten . + Ende Alexander heeft ghehoort. 564 groen. hi ontsach Dat Alexaeder up den dach Altoos niemene liete ontfaren Van die an dander side waren. Jacob van Maerlant.verendi perdere canitiem.capitis. 562 heiwe. Gaut. Dat hi vlooch in dier maniere. 583 wetgod. 576 Ik ben het met S.171 * Ooc segghic u over waer. 567 volgde. 565 570 575 580 585 590 * 557 sege ic. die op dit vers aanteekent: ‘haestelike met haeste zal Maerlant zeker niet geschreven hebben. 304: non veriti. Daer hi volchde den coninc. Doe hi peinsde dat hi woude Die brugghe breken. Die achter hem quam so verbolghen. Hi hadde hem selven wel ghewroken. 319: sed iam praecipiti per saxa. saltu transierat Lycum paucis comitantibus amnem. so en soude Alexander hem niet volghen. 563 edel. Hadde hi die brugghe tebroken. Maer Daris was haestelike Ghevloen met haeste over die Like. Hi was over comen cume. Mettien quam die niemare Dat Daris ontreden ware. 570 eenre pederieren. Dus hadde liever die keytijf Sine liede dan sijns selves lijf. 586 van dien di ane. 585 liet. Dat was ene scone flume. 558 si solen kimmen.. 572 een. Ic segghe u in waerre dinc. 592 begonsten te vlien... Si en sullen scuwen sijn grauwe haer. Die Percen begonden vlien 560 + XLVIIIa 2. Ende hieuw mettien sporen voort Over die edele baroene.’ Gaut. weet god. Maer. Als een steen uut ere pederiere. 580 brughe. Hoe dat ene sterre sciet Jeghen storm in die lucht. 565 eer.. per invia. Gheliker wijs alsmen siet. 561 heeft dat. Bedi so waren dander bleven Die hem sider namen dleven. Die daer upten velde groene Laghen doot in hare bloet.. 569 diere manieren. Also voer hi met groter vlucht. eens.

Want hem dwater den gheest versloot. Some dronken sijs so vele. 607 some entwe. 611 brughe. Endi sach sine liede moede Ende bespringt mettien bloede. 603 gulsecheit (S gulsecheden)] gulscecheiden. 602 lichende. 621 auende. Some borsten si ooc ontwee. Sechdemen u daer af tghetal. Die waren an die luchter side. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . die deghen vri. Dat ic u segghe sekerlike. Stappans saghen si openbare 595 + XLVIIIb 1. 596 hen. Permenioen. Die grote hitte ende tsweet + Dede hem utermaten leet. * 594 brughen. Dies hadden si groot onghevoech. Hi seinde enen bode enweghe Die seide mare vanden seghe Dattie Percen vluchtich waren Ende datter luttel ware ontfaren. Ende het ghinc ten avonde waert. Si dronken twater vuul ende claer. Ghi en soudes cume gheloven al. 620 besprenct met deem. Alexander sach wel te waren Dat hem Daris was ontfaren. 631 ter vaert. 615 segtdemen. Dat hem keerde uter kele. Doe hi comen was daerbi. 628 mere. + Doe voeren die Grieken metter vaert Blidelike ten tenten waert.172 * Toter brugghen weert mettien. 600 605 610 615 620 625 630 + XLVIIIb 2. Nochtan wouden si dies waters mee. 610 ridder en zooals dikw. So vele vielre in die Like. Menech bleef ligghende daer Van groter gulsecheit steendoot. 614 seghe. Daer bleef menich doot van dorste. Doe voer hi met groter vaert Te sinen ridderen haerde blide. 630 dattier weer. Daer viel ooc in die riviere Menech riddere goet ende diere. 598 borst. Die brugghe en was niet wijt ghenoech. Omdat hi waters hadde borste. Si liepen ten fonteinen waert Enten beken met groter vaert.

672 vlouwen. Helm ende scilt. Dus haddi den besten cavel. Entie sonne die was onder. Doe begonste hem wanhaghen. 637 dochtem hem. Si daden stuven ooc die moude. Over die brugghe vander Like Vloen si al ghemeenlike. wapen ende swaert Dochtem bernen van goude. Nemmeer en streden si om dien seghe. So langhe wile hadden si ghevochten.173 * Comen ene ander scare Uten dale ten berghe waert. 655 volchde lisōnatus. Hi reet stappans met ghewout Ende doorstac dien conincstavel. Alse ofte hi om die battalie Niet en gave ene malie. Jacob van Maerlant. 668 eer scachte. Teerst dat si die Grieken vernamen. Daer was menich sweert tebroken. Het was haerde na middernacht. 670 * 634 een. 641 begonsten. Permenio ende ooc Clitus Ende alle dandere ridders mede. 378: ordine rupto consuluere fugae. Het bleef daer beide staerc ende cranc. Doe docht den Percen wesen wonder. 670 die. 663 wile misschien te schrappen. Die coninc voer na sijn maniere Blidelike vor sijn baniere. diemen ghinder dede. Dedel coninc entie milde Decte hem met sinen scilde. + Dat si den dach ten avont brochten. Daventure was hem hout. Maer doe sier so luttel saghen. Dat ware te telne al te lanc. Doe ghinghen si hare scare breken Ende ghinghen vlien enweghe. Die coenheit. 643 hen wer: her. Hem volghede Lysimachus. 657 die ander. Alexanders geesten . Setten si hem al ter were Jeghen Alexanders here. 635 640 645 650 655 660 665 + XLIXa 1. Gaut. Niemen en staerf daer onghewroken. Het waren Percen datter quamen. 654 Alexander hadde den. Dat die Grieken niet en weken.

Dat hijs soude hebben toren. Die grote here. alse nu verliesen. Daer saten si ende spraken alle Van den groten onghevalle. 676 op sinen stoele. Daer vonden si up siere sele Dien drouven Darise. Alse nu welvaren. + En was die coninc Cresus niet so rike. 675 denkelijk so dat in plaats van tote dat Arboele. 704 goed. Alse nu qualec. alse nu riesen. dedele man. Alexanders geesten . Alse nu verwinnen. Dat hi verloos goet ende lijf. Jacob van Maerlant. Gaut. 707 cyris. Bi Darise so waest also. 680 ontreeden. 709 heerre die edel. Tote dat si quamen tote Arbele. Die de werelt al verwan? Ja en nam hem ooc sijn lijf Een coninghinne. 683 oppenb. Al eest dier aventuren spel. 700 nieweren. Kenlijc eest ende openbare. Ja en was Cyrus daer na Verwonnen in Amasonia. 697 als. 705 Cyris oec die edel. Datmen nieware sine ghelike En wiste. 696 als. Cyrus die edele lantshere Nam selve lijf hem ende ere. Die met hem ontreden waren Endi sprac met drouven moede: ‘Het behoort ten wereliken goede Alse nu te wesene groot here Ende te levene met groter ere. verre noch na. 693 werenlike. Entie ghene die met hem waren Ontreden der griexer scaren. 703 wart (of was) S] wat. alse nu wel. 711 en S] en̄. haren here. Drouflike besach hi die scaren. So wie tweewaerf verwonnen ware Ende so vele hadde verloren. zie de aanteekening. 687 wast. een cranc wijf? 675 680 685 690 695 700 + XLIXa 2. Hi sat int herte wel onvro. 677 heer.174 * Eer si ontvloen der Grieken cracht. 388: sortis humanae est. Wenende utermaten sere. 699 die coninc misschien te schrappen. 705 710 * 674 ontvlouwen. Die here was van Lydia? Ende sider wart hi so keytijf. 706 nam sijn lijf hem seluē.

Wat helpt anders ghevisiert. Al sijn wi nu ghescoffiert. Dat ghi niet en sult wanhopen. Doe baden si raet an haren afgod. 724 degen. heeft tyvant. 3 3 Jacob van Maerlant. 750 verles. Al hevet u daventure belopen. Aldus ontfloe die tyrant. 733 her. 725 aen. Alexanders geesten . 1 . 749 des. 740 u te voren. 20. 736 entgaen. 715 720 725 730 735 + XLIXb 1. Dat si met houtinen paerden Vechten souden ende met swaerden. 1 . Ook Sp.175 * Thamaris was soe ghenant Ende vrouwe vander maechden lant. 721 ·X·M verbeterd naar Sp. 727 houtenen. Daer omme hebbic dit gheseit Ende te voren u gheleit. Men maecht bi Cercese merken. Doe verstonden die heren wel Dat scepe diede ende niet el. 717 decken over. 740 745 750 * 714 Ene maegden. Dan te peisene alle weghe Dat wi noch sullen vechten seghe. Doe voer dat volc van Mofilee Met haren scepen up die see Ende verslouch Cerses here + Uptien lande ende uptien mere. 735 moechte hi. 719 vgl. Die met cogghen ende met berken Al de see overdecken dede. Et si ghewin ocht verlies. Die te voren dwanc al dlant. Hist. 747 peisene S] pisene. Ende hi gaf hem dit ghebot. int ende van der Mofilee. Selve mochti sonder waen Met enen scepe cume ontgaen. 715 macht. 20. 748 solen.. Hi hadde met twaelfhondert scepen Ter see waert die stat begrepen Ende te lande waert beseten Met meneghen deghene vermeten. 14 heeft het hs. 731 dat volc van Mofilee. Die alleweghe es onghestade Ende nu doet vrome ende nu scade. staet up die see. 737 tyrant S. Hist. maar het hs. 720 die staet. Daer hi Europen dwanc mede. Dats ene stat. niet tynant. Nochtan en twifelic niet dies. Doe quam hi voort te Mofilee.

773 aen. Dat ghi moecht horen overluut. Ende hise hem late te dienste staen. 766 stride. 775 780 785 * 755 richeit in dat. 781 auenturen. 404 volg. 764 den ontbreekt. heeft dor. 769 derde werf. 787 mijn.’ Aldus liet Daris sine tale. 757 en 759 solen. Hi en vint ghenen wederstoot. Daer toe dat rike lant van haven. Want die liede sijn al doot. Dan sullen giereghe Grieken Hare wonden met goude wieken. Ic hope wi seghe sullen ontfaen. 780 behoudeliken. amien. 775 enboet.176 * Alexander hi en sal morghen Dit lant bringhen in groter sorghen. meerre ende minder. Ic sal di gheven al den scat. Nu dunket mi die beste raet. 765 stride. 778 doe] het hs. 758 Eer. Die mine voorders hebben begraven. zoodat men ook e kan lezen. 763 hen. 755 760 765 770 + XLIXb 2. Dan sullen si hem allen laden Ende haer giereghe herte saden. ‘Daris ontbiet sinen here. aan die r is echter iets veranderd. Jacob van Maerlant. Ende van den strijt niet en vernamen. Dat hi doe door wel doen Ende hi ontfaerme dier keytive. Sindet mi weder mine kinder Moeder.: interea fines intactaque bellis regna petiturus Medorumque ultima. Alexandere. Nochtan seinde hi ghedicht wale An Alexandere een saluut. vgl. Alexanders geesten . Die behouden haren live Dier avonturen sijn ontgaen. Die noch ten wighe niet en quamen. Dat wi hem laten winnen die steden Ende varen int lant van Meden. Na dien dat aldus staet. 788 to. 759 hen. Hi sal die rijcheit ende dat gout Algader nemen met siere ghewout. 770 solen zege. Ic sal versamen cortelike Die wonen int inde van den rike + Ende derdewaerf den strijt bestaen. de aanteekening. Gaut. 762 deen. saluut ende ere Ende bit dien edelen baroen.

misschien te lezen al dat. 805 810 815 820 825 * 789 bedi. 796 hi darise soude. 793 geport. hi en wouts niet doen.177 * Bede Percen ende ooc Meden Met allen minen riken steden. 799 rumde. Seide. 815 lees Haddi? 817 alle. Hi en achte up ander rijcheit mere. 805 alle dat. Ende alse Daris dat verstoet. wat die here dede! Hi gaf mildelike tgout Ende ander rijcheit menichfout. Porredi met groter spoet. Doe sende Daris. 791 die edel. lieve vrient. So mildelike gaf hi den scat. Nu hoort. Doe ruumde hi Arbele bi nachte. Gheporret es hi mettier vaert Ende voer te Arbele waert. Com mi te helpen met diere cracht Over dach ende over nacht! Elken riddere willic in soude Gheven vijf besante van goude 790 795 800 + La 1. Quam Alexander al dat hi conste Ende alle die hi met hem brochte Tote Arbele ende sochte Daris. Tote Poruse van Endi Ende seide ‘Porus. Want hem was ghesecht voorwaer Dat hiene soude vinden daer. Al die steden die hi vant Ghinghen willike in hant. desgelijks 801. + Teerst dat te daghene begonste.’ Maer Alexander. dedele baroen. die hem was ontfaren. Die vrecke herten maecti sat. 820 tote S] tote aen porus. Groten scat wan hi te waren In dien strijt ende in die stede. 818 willeclich. 810 hort. Hi hadde prijs ende wereltere. 794 toe arbole evenzoo 799 en 806. 803 teersten. Alexanders geesten . 828 ridder en. Jacob van Maerlant. Dicke hevestu mi ghedient Ghetrouwelike van minen lene. Want dijn macht en es niet clene. die coninc vri. Ende voer int lant van Meden. Hem was te moede haerde onsachte Dat hi ruumde sine steden. 795 gesegt.

ochti mochte. 857 tornhi. Die hoghe toren staet daer mede. Die stat te Babylone winnen Entie tegheline mure. 839 alle die portere. 434: transcurrit Syriam. 854 lees met in pl. alst es vander see Tote * ofte mee. Daer gaf god tweeendseventich spraken Den gonen diene wouden maken. Ic wane. 842 blisscap. daer al die maisiere In waren ghewracht goet ende diere. + Lettel liede quamer mee. Soe dede temperen met bloede Dien morter. Daertoe willic gheven die Alexanders goede Bucifal Het es weert der werelt al Met al de chierheit diet hevet. 840 845 850 855 860 865 + Lb 1.178 * Ende elken voetgangher drie.’ Dus dedem Daris echt ter were + Jeghen Alexanders here. 847 tigelinen. 863 Alse. Jacob van Maerlant. Die coninc quam van Babylone Ghevaren utermaten scone Also verre. Alexanders geesten . 836 alexs den here. Also alst bescreven is. 838 Gaut. Sconincs Ninus wijf. Doe quam ghegaen alse een bruut Die soudaen Macheus uut. Ende noch staet daer hare sale Hoghe ende scone ghemaket wale. Mettien haddi int ghedochte Dat hi woude. 858 menfroet. * 834 ween. Des was sine blijscap groot. 830 835 + La 2. 845 weert. Dan met hem siere kinder twee. Die wilen maecte bi aventure Die coninghinne Semiramis. Waert met stride oft met minnen. 860 genen dien. Die wilen Nemroet maken dede. 864 tote westphalen. 846 babylonen. Al die poorten deden hem ere Ende ontfinghen over here Sonder slach ende sonder stoot. van in? 856 en gemaect. Alexander voer metter vaert Ten lande van Surien waert. 850 ast. 848 bi] die. so goet gheen en levet. 853 alle. 835 echter ter. die vroede.

Ende ooc en sciet hi niet dane Sonder prijs na minen wane. Wat wonder waest. 903 enen. Doe quam Macheus bat voort Ende gaf up die poort Den coninc ende al sine kinder Ende al dat volc meerre ende minder. 902 steene (S steen)] een. Die in die bede stride te voren Vele volx hadde verloren. Daer so menich coninc rike In hadde gheweest gheweldelike! Bedi het ware grote aerbeit Te winne al sulke citeit. 905 * 873 danen. Hi dedene riden ter selver stont. 870 875 880 885 890 895 900 + Lb 2. 901 perdieriere. Alexanders geesten .j. Daermen in dien stride te voren Groten prijs af mochte horen: Ander heren mochten vele. Daer moeste meneghe pederiere + Werpen steene up die maisiere. dat hi woort Cume mochte bringhen voort. dat hi was vro. 900 die] dat becorde zooals Verwijs verbeterd heeft staat in het hs. Dat Macheus quam also Ende hem ghenade bat Ende hem upgaf die goede stat. Alexander ontfinc dien here Blidelike met groter ere Ende custene ane sinen mont. dezelfde fout komt in dit boek vs. wort. Te voet quam dedele baroen. 885 hi . 879 ontfeinc dien heerre. 874 wanen. Hi en woude niet openbaren Sine grote joie te waren. 1025 terug. 897 sere S] se. Ende een man van sulker cracht.179 * Hi was van Darise ghevloen. 898 tigelinen. Jacob van Maerlant. Daer so menich edel deghen Van binnen woude striden jeghen. Eer men die tegheline mure Ende den roden morter scoorde. 893 weer groet. 894 cierheit. Die menegher beesten bloet becoorde. 877 alle sijn. Gaut. Alse Macheus was gheacht. Hi was so blide. 447: tot populis et tot munitam turribus urbem. 887 wast. Het soude werden sere te sure.

Ende samijt met goude besleghen Brochtemen aldaer ghedreghen. Doe dede hi sijn here scaren Entie Percen achter varen. Ende hi maecte scaren viere Ende quam in die edele poort. Soe soudict haerde gheerne doen. Alexanders geesten . + Som waren si silverijn Som van goude. som yserijn. 937 metael. 942 alle. 910 915 920 925 930 935 + LIa 1. Met ghimmen ende met diere ware Waren verciert die outare. 944 bedi. Die reden onder sine baniere.] spele. Daer waren dantse vele gheleit. Daer ghi eer af hebt ghehoort. 941 ik lees in het hs. Also alsict vant bescreven Van meester Wouteren Castelioen. 940 945 * 908 hen. 939 eelc. Gaut. 912 waren. Die de hoochste entie meeste Binnen Babilonien dreven. ook 909 bispele Verw. die hier te voren Menich coninc uutvercoren Hadde ghewonnen ende ghecocht Ende met crachte dare brocht. Bede scaerlaken ende ooc groene. 918 hoegsten en̄ die meesten. 926 uytverk. 934 maecten.180 * Hem castijen van den bispele Dat si hem nemmermere En setten jeghen den edelen here. Die straten waren al bespreit Met pelne ende met singlatoene. 913 banieren. 915 edel. Elc na dien dat hi was rike Hadde hi ghemaect sijns vader ghelike. 914 vier. Som van houte. Mochtic ghetellen al die feesten. 454: retrocedere. 928 dar gebrocht. som van metale Ghescepen utermaten wale. 923 vreuden. Vor die huse up die pleine Stonden beelden groot ende cleine. Daer was van vrouden groot gheluut. Alse die liede allegader Makeden na haren vader. Men hinc daer die pellen uut Entie rijcheit. eerder dancse (of zelfs dansse) dan dantse. 946 brachtmen. Jacob van Maerlant. 940 vaders.

966 sijn. De verbetering is van De Vries. 972 eerre naturen. 958 lybart. 948 memge guldene. Alexanders geesten . 974 solen. die biden viere Levet sonder ander spise. 954 salamandren. Dan so comt daertoe die vader Ende belecket sine jonghen Al omme ende omme mettier tonghen. Dan comt stappans dat wijf Ende ontoet den mont wel rijf. 963 alle sijn. Die rike poorteren van der stede Entie hoghe vrouwen mede Hadden cleder uut ghehanghen. Ende soe blijft van twee jonghen groot. 970 serpent hiet vipra. Si en hebben thertebloet 950 955 960 965 970 + LIa 2. Taal.54. Dit stont in die pelne bescreven. Entie man steect sijn hooft daerinne.en Letterb. Die es wonderlike groot. Daer stont ooc durenture Van den liebaert die aventure. Ende hi gaet roupen ende grongieren Eiselike na siere manieren. Want die leuwinne weerpt al doot Hare jonghen. heet vipera: Men vintere niewer mee Van haerre manieren dan twee. alles drie te gader. splijt soe ontwee. 957 doer enture. Ende soe bitet hem af van groter minne. 1. Die stont daer na hare wise. Ende alsoe gheneest. 979 daer die man. 975 980 985 * 947 diere manieren. Jacob van Maerlant. 965 gronieren. 960 lewinne werpet. 971 vinter. Aldus blijft die man daer doot. Die salamandre. Mettien lude ontfaen si dleven. Haer nature es dus ghedaen: Alsi sullen ghenoten gaen. Die pellicaen stont daer bescreven: Sine jonghe en moghen niet leven. 961 alle. Elkerlijc na sijn maniere. Die nature stont daerna + Van enen serpente.181 * In die mamerie van Babilone Hinc menighe guldine crone. daer thoe. 980 blivet van den twe iongen doet. Daer draken in stonden ende slanghen. 956 eer. 981 ende] want. 962 so ontbr. 977 stict hoet. Aldus en blijfter maer twee.

hoe soe hiete. 1000 hedde ic waen: gedaen. 1010 1015 1020 * 986 die si.182 * Vander moeder. na minen wane. Al dien wech dien Alexander Quam ghereden ende menich ander. Ander beesten ende ander woorme Van so wonderliker voorme Stonden ghinder angheweven. 987 pickede. 998 wonderlike. Fenix stont daer in dien viere. 1005 de doen: garsoen. Dus werden si hare te sure. diere bleven. Hier bi eest dat ict achter liet + Ende segghe u van den hoghen doene. Daer stont hoe die moeder peckede Ende haers selfs herte uut treckede. 1004 acht'e. 1022 dierre. Soe seide ver Imme of Margriete. iussit inter honoratos fulgere precaria vestis. Nochtan en haddic volscreven niet. So wast een ander altehant Van den asscen. Van boven waest met sconen risen Al verdect in diere wisen. Gaut. Was gheciert met sconen blomen. Dat hi hem cleden mochte eerlike Die hadde gheleende cleder an. 990 geens] eens. Dat es ooc sijn maniere. 990 995 1000 1005 + LIb 1. Alse hi te pulvere es verbrant. 1021 wast. 999 stont. Die selve niet en was so rike. Daer was menich wempelwite Ende menich dulle warmoesdierne. Die ic niet wel en can ghenomen. 1012 seiden Ymme. diese broet. Dat hem van den sonnenscine En mochte comen eneghe pine. Dan haer nature ende haer ghedane. Alexanders geesten . 1010 ongewoen. 468: hosque quibus deerat fallax opulentia. Jacob van Maerlant. Dus en magher maer een leven. 994 weest. Die diernen ende die garsoene Waren ghecleet met samite. 993 pulver. 1014 dat si eere mochte cl. 1003 en S] en̄ heddic. Die onghewone was te vierne: Vraechde men. Al en haddic el niet bescreven Binnen achte daghen. was hi man. 1011 vraechmen. Dit es geens voghels nature. Was hi wijf.

1027. Men speelder met sweerden ende met kniven. 1050 Die in die sterren conste sien. Stakten. Die menestrele quamer mede Vor dien coninc in die stede Ende loofdene met haren sanghe. 1050 sterne. Die ooc Augustus hiet. * 1025 cierheit. Die ghevoet es in Yrcane. Dat deden si dor sine ere Ende haerde vele mere. loncen ende lupaerde Tooghde men hem ende liebaerde 1035 Ende meneghe beeste na minen wane. mirre ende sinamoma. dat es mijn waen. 1040 Die nie wille en hadde te vliene. Alexanders geesten . 1041 monestrevele. 1030 Galanga. 1055 Noit ontfinc dat volc van Rome Met so eerliken gome Haren keyser Octaviane. Salterien. 1034 toende lybarde. 1026 gereet. Daer was menich astronomien. + Vrouwen ghinghen ten veinsteren gapen Om dien edelen man te siene. vgl. cassea ende aroma. 28 in het hs. in omgekeerde volgorde. Noit en was so wel ontfaen 1060 Julius. ic wane. Up die huse saten knapen. 1029 staken mure. 1043 loefden. orghelen ende sciven. Doe hi dien hertoghe van Swaven Scoffierde ende alle sine graven Tote Lyons up die Rone. Daer was menich trompe langhe. de aanteekening. Hi quam achter haerde scone + LIb 2. Noit en was in eertrike Man ontfaen so eerlike. Was daer menech cruut ghereit. Cytolen die wel leren vrien. Jacob van Maerlant. Tygren. 1027 utermate. 1030 gargana casea. 1049 astronomijn. 1055 van S] ontbr. 1059 misschien no ooc in plaats van noit. Wat ghescien soude daernaer Over menich hondert jaer. Dat utermaten wale rooc.183 * 1025 Als hi was binnen dier chiteit. Timiane ende wirooc. 1031 sijn. 1045 Vedelen haerpen ende sijmphonien.

Daer hadde Julius den prijs. 1097 Ponpenis G. Doe vacht hi te Dole in Loreine. Dus hadde Julius die ere. 1070 doe torneden hem r. 1080 No jeghen hem ter were riden Ende vlo tote Brandijs. 1098 Fortunus H een onwert cn. 1073 dien jare G. 1084 P. Pompeius die was vervaert. G. 1093 spengen G spanien H. 1079 ombeiden G. 1085 epiron H egipten in die rom. + LIIa 1. 1088 romenie G vóór dezen regel heeft het fragment nog en̄ al dat lant van normenie. Doe keredi te Rome waert. Dat noint tghetal ne was ghescreven. daer hi vacht Echt jeghen Pompeius cracht. 1091 die G in rome H. Tholomeus cnecht. 1070 Doe bolghen ridder ende knecht + Ende versloughen haren here. Hine dorste niet ombiden. Daer hadde hi den seghe alleine. 1071 verslogen den hertoge H. 1096 dat ict getal noit en sach bescr. 1079 en 1080 ontbreken in H. 1067 Tolette G loriene H. 1081 Brandis: pris G. G. 1083 want hi volchde eem H. 1086 dat ontbreekt G. 1092 en̄ voer en weech H. * 1065 battangijs. Jacob van Maerlant. 1089 Hi k. 1068 dar hi den pris bejagede all. 1078 hi H. H het volgen ridders G. Doe vlo Pompeius bi nachte 1085 In Epiros entie Romeine. Daerna voer hi sire straten In tlant van Spanjen. Alexanders geesten . H. 1095 Daer verloos so menech tleven. 1072 dies was i. 1095 menich H. H. Pompeius was verwonnen echt. Ende keerde weder in die stat 1090 Ende nam al Pompeius scat Dien hi binnen Rome hadde ghelaten. Dus hadde Julius dien prijs Ende volghede met crachte. Julius wan binnen tiene jaren Dat hi van Rome was ghevaren 1075 Al tlant dat leghet nu Benoorden berghe van Moniu. 1087 ebben G. 1077 weder te G te romen H. 1069 En̄ verw. 1082 den G. Hi verwan den hertoghe echt. verheven hoge H. Fontinus.184 * 1065 Ende wan Burgondien ende Batrangijs. G. 1076 bi norden H brugge mongu G. G. vloe echt met nachte H. Julius sach dat hi alleine Mochte hebben Rome ende Lombaerdien Ende al dat lant van Romanien.

1132 waren hem gegeven G stonde G. 1102 keiserike G. 1126 dar men onthalde in so scone G vrieheit H. Daeromme balch tsenatuerscap sere. 1104 Hi makede vroue alteant G. die keyser. Dit was deerste keiser van Rome. oec tlif G dleven H. 1125 h. 1118 Dat G. 1100 1105 + LIIa 2. makedine keitif G. 1107 en̄ int H. dorgaende H groter G. 1119 doe dat i. 1117 dor H. eem die cenaet H b. Dat si alle sere becochten. 1113 in spanien H. Daerna nam hi meneghen dlijf In dat lant van Affrike.b. 28. 1105 cleopatrem G. 1108 sloeg hi menegen degenlike H tjegen G adde G. 1123 Si H. Julius. 1121 ontalt G. 1122 ne waer G.185 * Nam Pompeius sijn leven Ende hi hevet sijn hovet ghegheven Juliuse. 1116 d. rome G. Sp. G.m. 1103 groten G. afrike G. Doe voer hi te Spangen weder. 1110 1115 1120 1125 1130 * 1099 sin levem G. Dus makedi meneghen keitijf Ende al dore sijns selves vrome. 1124 hoe dat G. Ende den coninc Juba Volghedi langhe wile na. Vierentwintich doregaender wonden Gaf men hem ten selven stonden. senatuerscap bezigt M. 1127 b. 1129 romen H. 1106 daer n. esser menich bi eem doet bleven H d. Nu hoort hoe die keyser staerf! Hi dede Rome groten lachter. dat heerscap G. 1130 wart H gesl. Pompeius swagher nam hi dlijf. 1114 ter ontbreekt H. 1 . 1109 want si pompeius vochten H ponpeiuse G.H. 1112 harde verre na G.G. den groten man. + Die jeghen hem hadde crachtelike Met Pompeiuse ghevochten. wan Met groter cracht Egyptenlant Ende maecter vrouwe inne altehant Cleopatren dat scone wijf. Daer slouch hi meneghen ter neder. 1111 en̄ oec H. l. 1131 XXXIIII H. sijn l.h.v. Keerde hi weder te Rome saen Ende was ontfaen haerde scone. gr. Alexanders geesten .d. 1115 Ponpenis n. 1100 hi ontbreekt H sin G en zóo meer hoet H. hist. 6 Jacob van Maerlant. Maer die feeste van Babilone Die was scoonre hondertwaerf. 1101 Julius den hogen H.h. Was hi jammerlike versleghen. Want hi dreef die vriheit achter. Doe hi twee jaer ende nemmere Hadde in Rome stille gheleghen. 13. Doe Julius dit hadde ghedaen. 1128 oft meere H.

Ende was van herten ooc so gram. 1136 Anth. Dat si Antonise souden verdriven. 1153 w. Dat becochti metten live. Doe lieten sijt te Rome weten. 1145 1150 1155 1160 1165 * 1133 Calterus deet G. 1157 Cleopatrem G. Irtus moeste ghinder bliven Ende Pansa waert so ghewont. 1144 Yrc. 1138 Dit l. 1142 porten H. 1141 yrcuse H ircus G panise H pamsa G. Alexanders geesten . 1140 dat grote H. Hadder omme so groten rouwe. 1166 alle G. 1163 Dat hi eem dode H doede G. Jacob van Maerlant. eem alle H. Cleopatra. Dat soe twe serpente nam Ende dedese hare sughen doot. 1154 G achter dezen regel nog dit gesciede menech jar ir achter. 1143 Dar G ambonise H. H oactavane G. 1155 scoff. Augustus suster Octavia. Sie vloen en wech in Mutina. Aldus corte hi sine pine.G. Doe coosmen Octaviane Dat keiserike tontfane + Ende men seinde Irtuse ende Pansa Toter poort te Mutina. Want Augustus voolchdem achter Ende dedem groten lachter. Hi dode hem selven met venine. 1162 roue G.186 * Brutus deet ende Cassius. Antonis voer in Egyptenlant Ende liet sijns selves wijf te hant. Antonis die volghede na Ende haddese daer beseten. si eer H hare selven suelgen G te doet H. Dat hi staerf in corter stont. 1164 aldus ende sine G. 1135 want die senaet H Die hoge heren wildent G. 1156 en̄ al dat hi brochte ter were G. si H. hi voelchde H. H Irc. 1148 sin G. 1139 daer oct. Doe keerde hi te Rome weder Ende leide al orloghe neder 1135 1140 + LIIb 1. Antonijs hadde den rouwe so groot. 1146 Daer G. Dat senatuerscap wout aldus. 1147 Antonijs H. 1150 Die H cortelike G. 1161 Die d. Hi nam cortelijc daerna Cleopatren tenen wive. 1135 vlouwen en weech H Mettien vloen si in G. Hi sconfierde al sijn here Bede bi lande ende bi mere. 1145 panisa H pamsa vaert dar g. 1165 Augustus voer te H. 1137 si H ontbreekt G. 1151 Cleopatrem G. die keyser volgedem na G en naar dit vers al toter port Mutina. die scone vrouwe. G.

1187 nes G eens kinds spel H. Jacob van Maerlant. Doe hi striden eerst bestoet Jeghen die heren van eertrike Ende hise dwanc gheweldelike. Bedi te sinen twalef jaren Begheerde hi orloghe te waren. t. 1186 moechte H. 1199 hine was out G. binnen H. 68 en̄ was van al der werelt heerre ❘ LV jaer ocht mere H. Ochte iewer binnen al eertrike. 1189 beide H bede G. 1171 die H. Het dochte mi ooc recht wesen: Wilmen alle bouke lesen Ende den genen meest prijs gheven. Hi en was here maer twaelf jaer: Bedi segghic u over waer. 1180 1185 1190 1195 1200 * 1167. 1193 elken H helc G. 1169 doen hi qu. 1181 H begint met dit vers een nieuw hoofdstuk. Alexanders geesten . 1196 vechten G ierst H. Orloghedi met siere ghewout. 1200 bedi wetic wael vor w.H. Het es recht dats elc man wondert: Viertich dusent ende vijf hondert Hadde hi volcs toors ente voet. 1185 hogen coninc G geeste H. En sach nie man die feeste driven. 1197 erderike G. 95 Dat Alexander niet hondert Man en hadde tors no te voet G. 1188 geviel G. + Die noit binnen Rome quamen. 1176 oint G. Alse die feeste van Babilone. 1184 sinen H. 1190 begonsti orlogen G. Die meest dede in sijn leven. Sonder tote Babilone Daer ic u eerst af liet bliven. 1170 selker minnen H eren G. Ende alsi was achtien jaer out. Al waren die feesten al te samen. 1180 feste G. 1182 wilt men H. Was hi ontfaen met sulker ere Ende de stat ghemaect so scone. 1170 1175 + LIIb 2. 1173 tierst H Daer hie (hic?) tersten G. 1192 Vachti met groter g. ooc ontbreekt G. 1177 ieweren H of hiewer erderike G. 1174 noint feste G. 1191 XII jar G.187 * Ende was here viertich jaer Sonder orloghe. 1175 festen alle G.G. die here. 1194. 1179 also H. Doe hi te Rome quam. 1183 niet pris G. 1198 duanc G. Si en waren sekerlike Algader niet so scone.R. Alder hogher coninghe geesten Ende al dat si mochten gheleesten Dat en es maer een spel Jeghen dat desen man ghevel. dat was waer. 1178 sine G.

1216 octauiane. Jacob van Maerlant. Ware sulc een coninc te Parijs. Tote daer soe weder neder gaet. 1205 den H. romen H. 1206 edel H. 1211 maecten H. Ware ooc die hertoghe van Brabant Sulc een riddere becant. staet. 1208 dromen H. 1238 diedsche.188 * Wille men merken sine joghet Entie hovesceit van siere doghet Ende met hoe cleenre herecracht Hi de werelt al vervacht: Al de prijs die Julius wan Ende Augustus die edele man Ende alle die keisere van Rome. 1225 heidenisse. dats mijn waen.G. alse dede Octaviaen. God gheve haer also menich saluut Alse woort in dien bouke staen. Lucifere ende sine ghesellen Entien fellen Modicac Ghedaen so groten onghemac. 1210 Daer bi H ebben sis crancke G. 1233 niemene. Bedi hebben sijs cranke ere. 1220 ridder wael bec. 1207 keys. Die mi dit te dietsce dede anvaen. 1212 En̄ van den coninc S. Also langhe. 1227 gaet. van Sornagure. Die bouke makeden van Arture Van Partonopeuse. Tol te nemene met ghewelt Den ghenen die varen up die Scelt. + Si en hadden des mans daet ghescreven Ende groten prijs ghegheven. 1215 1220 1225 1230 1235 * 1201-4 ontbreken in H. Hi hadde den duvel uter hellen. 1205 1210 + LIIIa 1. dien jonghen deghen. Alexanders geesten . 1214 een̄ H en̄ hem G. Dien roveren te Rippelmonde Soude dunken grote sonde. 1202 sire G. 1228 weder misschien te schrappen. Hadde hi ghelevet. 1218 Lucifiere. Al heidenesse soude hi dwinghen. Hi soude bejaghen groten prijs. Dat si souden hebben gheneghen Alexandere. 1215 na minen wane G. Men soude van siere doghet singhen Al van daer die sonne up staet. Die vijfte bouc geet hier uut. 1209 noemt H. 1213 bescreven H. Dat es ghelijc enen drome Daer men nomet desen here. 1220 grote. 1234 wellicht Van die varen.

9 verveert: swert. Dit es die boc van Macedonije. Dien die werelt binnen hevet. Ware bleven ooc in desen So groot sine hovescede. 18 een̄. Te rechte es hi alles prijs waert.189 *Die seste bouc. in. Alsi desen here horen nomen. Alexanders geesten . 14 prince S] princen. 8 lees binnen? rike. Alle die lantsheren beven Ende si wanen laten dleven. Ter groter eren ente vromen Sal hi der werelt coninc wesen. Nu es besloten die aller beste Te Babilonien binnen der veste. Van desen prince mach men lesen In Daniels prophecije. Dits hi die noit en was vervaert.. Hi dwinghet al dat volc dat levet. Dat es die jonghe Macedo. 30 were oec hi bl. Die die twee hoorne van dien wedere Breken sal ende slaen ter nedere. Dit es hi die dorriden sal Dat lant van Asien overal Entie werelt sal sijn wesen. 17 Die twe. + Nu es Babilonien vro. * 2 daer. 31 groet es. Jacob van Maerlant. Daer alle coninghe af sijn vervaert Ende ontsien sijn scaerpe swaert. 3 altoe daer. 26 wenen. 16 boec. + LIIIa 2. Dat soe die plaghe van eertrike Hevet in haren wike. 5 10 15 20 25 30 Emmer eest recht datmen priset Van dare die sonne riset Al tote daer soe gaet te hove Den edelen man van groten love.

Alse dronkenscap ende ledechede. 61 hebben oec om. In die grote weeldechede Drie weken no min no mere. in die stede. 41 hietse S] hiese. 45 50 55 60 65 70 * 35 hantiert. Die hi in dien strijt vlien dede. 35 40 + LIIIb 1.190 * Hen es sake daer hi mede Eneghen lachter hebben mochte. 53 geen. Ende dat lantvolc hantiert gheerne Ledecheit ende ooc taveerne. Die rijcheit van Babilone Ende so meneghe vrouwe scone Crankeden sere sine lede Ende verkeerden sinen sede. 51 sijn. Die lede waren hem so sere Ende so traghe van groter weelden. Nu merct dat hi niet en verkeert Dor eneghe gramscap sinen moet! Hi es so hovesch ende so goet. 43 satte. Want neghene dinc en doet So verkeren des menschen moet Ende begheren onsuverhede. Die hem sijn meester leerde. 68 hun of him. Hadden dedele griexe heelden Tien tiden enen strijt bestaen. Si verhuren ooc ghereet. 67 beide malen noch denkelijk meer: seer. + Hi hietse poorters in die stede. Nu merct hoe eerlike ende hoe sochte Hi verwonnen volc hanteert. 70 hadde die edel. Want het sijn ghiereghe liede: Aldus so was Alexander Entier Grieken menech ander Te Babilonie. 38 dor S] dorge 36 verkeert S] verkoert. Ende si sijn bi naturen heet. Jacob van Maerlant. Die hi hadde in siere joghet. Die in den stride viant was. Hi en wille hem niet verwiten das. 60 verhuren S] verhinen. Al dat si hebben omme miede. Cortelike sette hi sine cure Te babilonien al durenture. 40 wilt. Daer verloos hi sine doghet. Alexanders geesten . Want sijn goede sin verkeerde.

97 geven S] gerne. In griexe heet een decurioen. Nochtan en mochti porren cume. 103 eenre businen. + Hier bi dede hi visieren Dat men met ere banieren Dies daghes soude doen verstaen Dat men ten wapen soude vaen. 102 ene. 75 + LIIIb 2. Elkerlijc na sijn maniere. Bedi rumet Alexander + Ende met hem menech ander. 92 hiet in griexen cyliaerken (S cyliarken)] cybarken. om dat hi woude weten. 91 eer dinc bemarken. Doe Philip levede. 87 hiet dencurion of deuc. 106 her daer. Te voren waest die sede algader. 115. 96 giere. Dit was. 101 alsme pauwelone. 80 85 90 95 100 105 + LIVa 1. Hi logierde buten de stede Verre ende al sijn here mede. 99 wast. sijn vader: Alsmen up brac die pauwelioene. Dat heet in griexe een cyliaerke. 95 die een des anders. Hi visierde met ghewout Dat tiene ridders ooc te samen Enen conincstavel namen. Alexanders geesten . Wie milde was van sinen smeten. 83 eer. Doe verkeerdi die costume. dat hi ware bout. 88 hiet. Alsmen ten wapen soude vaen. In fransois heet een baroen. Dan woude hi dat dusent baroene Enen conincstavel coene Hadden die hare dinc bemaerke. Wisten hare seker sout. Dat een deghen staerc ende coene Met ere busine dede verstaen. Jacob van Maerlant. 110 * 82 elkerlike. Maer men mochte niet den horen Over al int here horen. vgl. Ende een ridder anders prijs Hem ane en trecke in ghere wijs.191 * Daer en ware gheen ontgaen. Die sine voorders langhe plaghen Daer te voren in haren daghen: Hi woude dat die soudeniere. 89 baroen S wil hondert lezen in plaats van dusent. Hi woude ooc elken gheven tsout Na dien. 94 sinen ontbreekt.

140 bedi. 135 aldaer. Jacob van Maerlant. Daer Asswerus wilen coninc was. Ende dat hem elc met siere daet Ghenoeghen liete sonder baraet. 121 vrieheit. 137 gulden. Daer die tralie up was gherecht Waren van maerbere scone ende slecht. 120 meer. Daer gaf hi meldelike tsout. Alse ic hier te voren las.192 * Snachts soudemen een vier ontsteken. Dien groten heren bat hi sere. 145 150 * 115 noch. Alexanders geesten . Den doorpers belovedi vriheit. Bede van groten ende van clenen. Hi gheboot dien coenen recken Dat hem niemen soude antrecken Anders lof no anders prijs Dore eneghe dinc in ghere wijs. Alst here hadde ontfaen die cure Ghewillechlike al durenture. 118 leet. Entien guldinen wingaert mede. Die van Susen hadden vrede Ende gaven up die goede stede. daer hi was up gheleet Was van yvore ende van ebene. Die tralie. die blader van goude. Die druven waren van dieren stenen. + Hi was ghelijc enen woude. Alsmen de tenten up soude breken. 132 geweest. Aldare in die selve stat Vant Alexander groten scat. 144 daer hi S] diere up was. 130 Assw. 138 den. Die telgher van selver. Ende Hester hadde ooc daerinne Vrouwe ghesijn ende coninghinne. Hi swoer bi siere sekerheit. Dien Asswerus maken dede. Dien soudenieren boot hi mere. als ic. 116 eenge in eenger w. 141 telgere silver. So wie dat vloe. hi soude sijn Ewelike ghemaect eigijn. 129 Daer wilen een coninc. Die columnen al ghemene. 119 here. 127 porreden S] porrende. So lanc was hi ende so breet. Porreden si mettier vaert Ter groter poort te Susen waert. Diere stene ende gout 115 120 125 130 135 140 + LIVa 2.

Alexanders geesten . Ander gherande pat En mochte men varen toter stat No met crachte no met liste. Die die provetse souden doen. Vast ende staerc alse die van Gent. 159 grade noch ander pat. die wiste Den rechten wech te Uxien waert. 177 woude si. 160 mochtme. 155 160 165 170 175 + LIVb 1. 173 roke. vermoedt dat men eenvoudig strate in plaats van grade moet lezen. 170 Ander geen. Gautier Madates. Jacob van Maerlant. men zou in het volgende vers kunnen schrijven: Men en mochtese. 181 prouetse. Cume was iemen daer. 183 ridder. S. Ghetrouwech ende machtech sere. Ic wane ghi selden hebt ghehoort Van enegher so vaster stede. * + En mochtense binnen enen jare Ergheren breet van enen hare.193 * Ende hi ghereede sine vaert Haestelike te Uxien waert. 166 Medaces. 180 185 * 151 hi S] si. 185 dagerate. daert al an staet. 162 come. 174 na dit vers schijnen een paar regels te ontbreken. Dat een man van cranker were Daer letten mochte een conincs here. Selve porredi metter dagheraet. Els neghene veste van muren So en was al om die stede. Darise was hi so hout. 154 wene zooals gewoonlijk. Ridders ute sinen here Coos hi van der meester were. maar denkelijk stond er een meer bepaald subject. Daer was een soudaen onvervaert. Medates hiet die here. Ende verwan ten selven stonden. Dat hi ende al sine ghewout Dor hem die doot wouden besuren. Die grote here. Dan die nature wassen dede Ene roche al omtrent. Die wech was ooc so nauwe mede. Uxien dat es ene ene poort. 165 machtich. Nochtan woudese Alexander winnen Ende sine cracht daer doen kinnen. 161 noch beide malen. Maerscalc was daer af Tauroen Een riddere van groten prise Ende goet man na sine wise.

225 toren wat na. Ende hi dede de meeste were. So dat hi den wech ontede. noch dorch. Alexanders geesten . Sijn volc ende mochten niet te waren No dor soete no dor sure Ghebreken van den vasten mure. Nochtan dat so menich steen Entier quarele menich een Up sinen scilt ghescoten waren. 203 quaet tho gaen. Aldus en waest jeghen volc allene. Maer daer was een quaet toegaen. Jacob van Maerlant. Alse nu ghinc hi die poorte steken. Die torment van Asia 190 195 200 205 210 + LIVb 2.91: sed gravis accessus. 223 mure] porte. daer hi jeghen). 5. 215 noch dor s. 215 220 225 * 188 roke. 222 perderen. 220 dat hoet. Alse nu dreef hi den tor bat na. ende hi dede visieren Tribuke ende pederieren Ende daertoe menech magneel. Gaut. Van houte staerc ende goet. Alse nu ghinc hi die mure breken. Alse nu ghinc hi minieren. Daer up dedi ridders cliven. Alse nu waerp hi grote kesele Alse thovet van dien esele. Want daer en was ander mure gheen. 195 mangneel. 217 vorste. 209 rochgen. So datmen voort mochte driven. Hi was die voorste van den here. Woude mense jeghen hem houden. 204 yser. Alse nu waerp hi met pederieren. Die up vele rader stoet. Die de mure breken souden. 194 pardieren. 208 hi ontbreekt (S. Daermen mede soude quellen Die poort. + Die wilt waren van groten bochen. Hi dede grote bome vellen. Daer jeghen hi strijt hadde ghemene. 212 En̄ die. 207 wast. Daermen voer ter vaster stede.194 * Die si voor die nouwe roche vonden. 210 va bochgen. 214 mochte. Maer hi hadt jeghen die rochen. Hi dede maken enen casteel. Daer men met ysere soude slaen Jeghen enen selfwassenen steen.

. 5. Ende Tauroen stont up die cantele Van den hultinen castele. Entie binnen Uxien waren En waenden niet der doot ontfaren. Soe begans hem wel behaghen. 259 balch eem wale siere. Gaut. st.’ 230 235 240 245 + LVa 1. 243 canteel. Hi soude vallen vore mi. Ende hi up name die goede stede. Suldi slapen vore desen casteel.g. 246 begons. 228 murken mocht. Dien hi met crachte woude ghecrighen? Al ware hi hoghe toten trone Ende daertoe staerc ende scone. 231 soeldi. 237 niegen. 1688. 241 vor. + Teerst dat hem die Grieken saghen. Dan alse ic u segghen mach: ‘Morghen’. Al es die mure vaste ende gheheel? Wat steden ofte wat muren Soude enichsins gheduren. up ghenade Rein. Daer die Grieken vore staen? Wat castele soude ontgaen. 239 were. om lijf ende lede. Hi en antwoorde min no mere. 236 casteels. Gheerne souden si den Grieken wiken Ende uut haren lande striken. Jacob van Maerlant. ghesellen. 234 enichsens. 263 soeldi. 110 heeft: ut liceat salva victos abscedere vita. Misschien zijn deze en de voorafgaande regel aldus te lezen: dien coninc. die baden des Dien coninc. Alexanders geesten . 245 tierst. 261 als. Ende een en salre niet ontgaen. 258 nam. 244 hultenen casteel. 260 En̄ hi noch min noch.’ Dese tale so sprac hi. 264 salder. Hi en soude Alexandere nighen. 257 en̄ om. 250 255 260 * 227 scamt. Dat ghi dit muurkijn niet en moghet vellen! Ghi hebt verwonnen Asya Ende meneghe poort verre ende na. Alexander balch hem sere. vgl. ‘an dien dach Suldi al die doot ontfaen. up lijf ende lede ❘ hi up name d. Die sere quelden die stede. Sciere sende Medates Dertich ridderen. Up dien toren ghinghen staen Scuttere ende steenweerpers mede. Maer si en mochten niet ontgaen.195 * Ende riep ‘scaemt u. sprac hi.

ofte coopt. sonder waen.196 * 265 Doe men dit in Uxien hoorde. Alexanders geesten . 285 Dat sijn wijf ware hare nichte. Ic was wilen coninghinne. 287 knecht. 291 doen selc. dan om sijn lijf. 300 beteemt. Waren si sere ghescoffeert Ende van herten tebarenteert. 300 Het betaemt mi vele bet Te peisene dat ic bem ghevaen. die niet en acht 275 Om ander dinc. 275 dan sijn. 274 Medaces. Dat hi orloghe so vele hevet. + Die Alexanders ghevanghen is. 285 were eer. 290 besure S] besuren. + LVa 2. 277 cisigambris. Sende boden. doet. 268 te bar. 273 coertelike. de aanteekening. Tote Daris moeder Cisigambis. 299 wit. alstie keytijf. Wat die coninc hem antwoorde. 292 Alse mijn. dan hi verdient. die coninc. Cisigambis en dede niet lichte Die bootscap. Dat soe hem om ghenade bade 280 Hi wiste wale dat die coninc dade Haren wille al openbare. 267 gescoffiert. Ende soe soude ghedinken das. ‘En es’. Dat hem rouwe dat hi levet. die bat die cnecht. Dat ic hem ghewoeghe van desen? 295 Met recht verwerct hi den vrient. die niet en wille 270 Met goeden paise ligghen stille. Al si dat mijn here. sprac soe ‘gheen goet recht. zoo ook 286. 282 ofte sijn. 269 heds die niet. Dan hi verdient. 283 maech oec. 307. Medates. Hoe soude ic so coene wesen. Noch behoort niet ter aventure. Cortelike waert doe nacht. 281 oppenbaere. * 266 hen. 301 bin. Die mer bit. Ende hets recht. Alse of soe sine moeder ware Om dat hi Daris maech was. Te doene selken overmoet. 289 aventure S] aventuren. Hi es ongheraect in alle wet. Die meer ghenaden hoopt. Jacob van Maerlant. z. 290 Die ic ter wilen nu besure. Dan te peisene.

334 deilde here S] lere gerede. Hi seinde met Permenioene Meneghen ridder fier ende coene. 326 de ontbreekt. 315 320 325 330 335 340 * 309 ofte. als daer stoet Te voren. 305 310 + LVb 1. 333 vrihede. 335 permenioen: coen. Dat hi den soudaen liete gaen. Stappans doe dit was ghedaen. 338 plene. Al dat gheboren es van wiven. 328 S en. + Die goedertierenheit. 323 cavel S] gavel. 322 him. Souken soude int pleine lant Heimelike ende met liste. Of hi dat volc al woude slaen. Dies hadden si den besten cavel. Al hadde de wandel aventure Ghegheven Darise die stede. Want hi en vergaeft allene niet Den soudaen. 342 her en tare. Ende Medates hadde ontfaen Van Alexandere die vriheide. 317 alle luden. Al sulke vriheit. 313 mochtic. Want ickene so dicke moie. ontbreekt. 311 godertiereneit. haer gavel Liet hi dlant al durenture. Die beste. 310 lete. 332 medaces. Alexanders geesten . 315 vergaft. 343 casteel.197 * Ooc vruchtic in minen sinne Dats den coninc iet vernoie. 324 hun gavel S] cavel. Maer allen lieden vander stede Ende vanden conincrike mede Vergaf hi sinen evelen moet. Helt hi nochtan in sine scare.’ Dit sprac die goede Cisigambis. die soe vant An den hovescen viant. eer hi wan die stede. Alse Alexander dede Uxien. Dat hi Darise. En mochte te vollen niet bescriven. dat hem es ghesciet. Deelde hi sijn here ghereide. Dat hem dus gheviel. Hi voeren souken harentare Up die casteele van den montanien. sinen viant. 441 heelt. Nochtan so bat soe den coninc dis. Jacob van Maerlant. 312 aen. Sijn moeder en hadde met haerre bede Die poorte also ghedaen vrien. die hi int here wiste. Die liet men hem hebben mede.

* 345 hoch ende breet] bosch en̄ heet. Alsi hadde in ghone rese. Ende al dat volc verre ende bi Die wonen up die montanien. Daer noit man te voren no siden Comen en dorste noch liden. Nochtan moeste hi overliden Eer hi ter stat in mochte riden 345 + LVb 2. So waert te sure hem die seghe. 372 Hen lieten si. Eer hi verwan die van Perci. Hoe onghestadich ende hoe fel Daventuse es alleweghe. Stappans haddi ghevisiert. 148: ardua. 369 motanien. 376 van Daris volke gevangen is. Alexanders geesten . Meneghen deghen so verloos hi. Dat sijn volc ghevanghen ware In die stat van Percepolis Van den volke van Daris Ende Permenio ghescoffiert. 360 en̄ oec. Nochtan en woude hi niet weder gaen. 364 op een. 350 355 360 365 370 375 380 + LVIa 1. 354 hem te sure. 352 ongestedich. Mettien so quam hem niemare. Hi voer meneghen nouwen pat Ende croop door menich nouwe gat. Ende dicke moeste hi keren weder.198 * Permenio voer in die campanien. Alsmen van boven up hem waerp neder. 350 geen. 368 dat tfolc. 348 die ontbreekt. quorum perpetuum excurrit vergens in Persida dorsum. 358 misschien te lezen Cume en dorste doreliden. Jacob van Maerlant. Gaut. Die berghe waren hooch ende breet. + Dat hijt coenlike sal wreken Entie stat te stucken breken. Ende meest leven bi castanien Ende also wilt alse beesten Hem lieten dwinghen ende dweesten. Noit en hadde die deghen vri So menech leet so meneghe vrese. Dicke was hi ooc verdreven Ende ghevreest an sijn leven Vanden volke van Perci. + Daer Alexander over reet. Die int lant sijn van Perci. Daer ondervant die deghen wel. Grote scade was hem ghedaen. 349 menich leet soe menich.

Jacob van Maerlant. 385 390 395 400 405 410 415 + LVIa 2. 393 mactmen eenre. staat alleen co. Die rike waren ende scone. Si en deden niet een glas Jeghen dat in Percepolis was. Die een stoorm vlieghen doet. Alexanders geesten . 409 noch beide malen Babyloen: scoen. Ende waer die roche nauste was. 392 rogge. Percepolis was sonder were. Want di coninghe. die hier te voren + In Percen waren uutvercoren. Wat wondere waest dat hi dochte. 384 eenre. 421 die stede. Gaut. Die up beide de rochen lach. 392 hen. Die solre entie kemenaden Waren met goude so gheladen Met selvere ende met dieren waren! En was allene niet te waren Om nutscap ghedaen in tstede.199 * Araxes. Diere brugghe maken mochte. 420 En̄. Over waer segghic u dat Dat Alexander noit enghene stat En wan. Hi merkede om den besten pas. Hadden al den dieren scat Bracht in die grote stat. Ende onsteken met griexen viere Die edele poorte entie diere. Daer so menich hier te voren Coninc in was uutvercoren. 413 in het hs. Voer hi over ende sijn here. Talre eerst dat was dach. ene staerke flume. 420 * 383 een. Hoe hi daer over comen soude? Want hi die poorte winnen woude. 419 silvere. Soe vlieghet ghelike ere plume. daer hi binnen vant So meneghen dieren bisant. 396 talder eerste. Heeft Macedo die stat ghewonnen. 164: celebrem tot priscis regibus urbem. Ende eer si hem ghecleden connen. Daer maectemen binnen ere nacht Ene brugghe met groter cracht. 404 was en̄ ute verkoren. 387 diere S] die. 414 perceli. 388 wast. 442 edel. No Susen no Babilone. En was meester noit so vroet.

Ende al ghedestrueert Percepolis. die edele stede. hi woonde in Babilone Ocht in een ander goede poort. Daer af te tellene es wonder groot. die dorevacht Al Europen met siere cracht Entie de berghe slichten dede Entie see vullen daer mede. Elkerlijc namer een deel. Die Perceus maken dede. 450 he. 439 guldene. 437 er stond manier. Al die scone goudine vate Woorpen si up die strate. Om dat hijs so vele loet. ten teeken dat het moet vervallen. Men leest dat hi hier crone drouch. 425 430 435 440 445 450 + LVIb 1. 431 cinglatoen: groen. Daer en bleef gheen gheheel. Ende Meducen slouch te doot. 455 460 * 428 conste. Nemmermeer en woonder man. Jacob van Maerlant. Die vriende vochten onderlinghe Om die grote diere dinghe Hier hads selc so vele gheladen. Aldus waert dat goet verteert. IIi en condt ghedraghen noch bestaden Ende verloos lijf ende goet. 435 hen hende. 445 en̄ die. Sider dat Alexander wan. Dat was Cerces. 432 van] en̄. In dese stat so was gheboren Die grote here. Wie daer na drouch die crone Van Percen. Die Grieken liepen om den roof Ende vochter omme. onder het eerste been van de m staan echter puntjes. 455 nummemeer en̄ wonder.200 * Maer om grote wonderlichede. Diere cleder van cinglatoene. Alexanders geesten . Van purper. 460 wietmen. die hier te voren + Die see met scepen overslouch. root ende groene Ghinc men daer te stucken scuren. 458 hi S] hi en. 443 edel. Men slouch hem af hande ende voete Ende bereidese haerde onsoete. Van deser en weet men niet een woort. 448 grote hier die hijr te. Die afgode moestent besuren. 451 Cerces ontbreekt. so dat stoof. 442 En̄ die stat al.

de aanteekening. Doe berieden hem die keytive. Doe hise kinde. die goedertieren. 490 Hier omme wranc die edel. Hi hiet dat si hem troosten souden. 484 getekent. 465 over. Nu besich wale. bij Gaut. 465 470 475 480 + LVIb 2. 497 bereden. Weende hi utermaten sere. 468 Percipolis. des ghelooft. Wat so si van hem hebben wouden. Haer ouvere sijn van maerberstene Ghepaveit scone ende rene Ane die side. 208: et in subitum versa est victoria luctum. Of dese stat hadde verdient Desen torment ende dit verlies? Ja soe wel. Volchden hem driedusent mede Van sinen volke. 486 si geleet. Jacob van Maerlant. lieve vrient. twaren. 470 ofte. vers 549 en Gaut. daer wilen stoet Percepolis die stede goet. Hi gaf hem sinen orlof ghinder. Some waren si in haer voorhooft Ghetekijnt. Want Cerces was gheboren daer.201 * Ende cume weetmen. Die Grieken dede groten vaer. die daer bi noch is. some de hande. Die rouwe dwanc dien edelen here. waer soe stoet. 475 die stede. Some doghen. Eer se Alexander sach ghereet. 492 En̄ wat si. Waende hi dat waren diere. 463 Alaxes. vgl. 491 En̄ hi. 485 geloit. 476 ·IIIJ· m. En si bider meester vloet Araxes. vgl. sonder waen. het eene is in het andere verbeterd. 485 490 495 * 461 wietmen staet. 496 hen. 487 dieren. 482 som. Die van hem waren ghevaen. Met enen slotele gloiende heet. + Ende somen bleken ooc die tande. Some waren si sonder oren. 492 En̄ wester. Dat woude hi hem gheven. Daer wilen stont Percepolis. 478 gevaen of gegaen. 466 reine. sijt seker dies. 472 dese. 474 dede] hadden. Ende alse die coninc quam in tstede. Ende som hadden si de voete verloren. Alexanders geesten . 199: tria milia. 467 aen. Wouden si in Grieken varen Ende besien wijf ende kinder.

Die hi hadde in sine jonchede. 525 vergeet eem met die weldegede. Als te leidene sijns selfs lijf In die stat. 504 rouwen. 511 come vore onsen heren. daer men niet en weet. Eutiton staat in de uitgave der Alexandreïs van 1693 (Monasterii S. dat ons betaemt Ende elken minsche. Alendecheit so wel betaemt Dien keytijf. Die te verre sinen vrient betrout. Met tranen smeect men vrienden gheerne. 500 505 510 515 + LVIIa 1. Alexanders geesten . 507 sijn. 505 enthesioen. Jacob van Maerlant. die hem scaemt! Daer vergheet hi met de weeldechede. 500 ontbreekt in het hs. die hem scaemt. 509 scanden. 522 dat hi ti ersten. Wat live hi eerst hadde geleet. Gaut. Die wilen was een groot baroen Ende wel gheraect in sine tale. 230: quando beatarum subeunt oblivia rerum. Die trane comen haerde saen Ende si sijn sciere vergaen. Ic segghet u in ware sake. Ic waent dicke hem berout. 499 varen en besien eer. Tmeeste gheluc. 513 om beide malen. Mettien quam Eutecioen. 514 segt. So si wouden bliven ghinder. 526 S hadde ontbreekt ionghede. 512 hier van oneren. Some wouden si varen in Grieken Ende haers selfs lucht berieken Ende some binnen Asien bliven Ende daer haren rouwe driven. Anders hebben si luttel te onbeerne. 528 meent eem dicwile.202 * Weder si wouden hare wive Varen besien ende hare kinder. Dats te sine in sulke lant. + Daen wi sijn al onbecant. met is wellicht ook niet van Maerlant. Galli). Si en weten niet dat die minne Entie vrienscap es wel dinne. Niet en es also goet den keytijf. 520 525 530 * 498 wer teren wive. en is bij gissing ingevuld. ‘Ghi heren’ sprac hi ‘nu merct wale. Hoe sullen wi van groter scande Moghen weder comen te lande? Wi dorsten cume van onnere Comen hier vore onsen here Omme hulpe ende omme wrake.

Hoe fel soe es ende hoe sure? Si sijn wandelre. 560 Bedi sullen si ons node sien. 569 sonder S] sonde. 551 namen V] nemen. * 535 vergaen S] gedaen. 537 in ontbreekt. 565 Ende wreder. 549 niet ontbreekt. 552 en die iocht. zooals S voorstelt. Dien en mint men altoos niet. Die onweert hevet enen ghesonden. 572 allen. Waendi hem en sal verdrieten. 570 Bedi het es der wive sede. Elkerlijc soect sijn ghelike. dan een kint. misschien moet men lezen En ware. 565 daen. dan die wint. Ende nieloper. Alexanders geesten . Ende haerder dan een adamant. Keytive claghen in allen tide. 555 Ende si en souden sere bronken. 558 orbert. 547 wale. Ja en hebdi de werelt verloren? Bedi biddic u alles te voren + LVIIa 2. 544 sale geet. Die saleghe gaet onder die rike 545 Ende heeft den keytijf saen vergheten. Dit mach elc bi hem selven weten: Elc mochte sanders wel vernoien Ende sijn gheselscap vermoien. dan enich tirant. ofte es hi wijf. Ware niet dat wi drie dusent te samen 550 Ene aventure hier namen. Die wijf. En kendi niet der wive nature.203 * 535 Ende alstie trane sijn vergaen. Soe soude wesen haerde ontbonden Up enen keytijf sonder lede. die wi namen dor minne Entie joocht van onsen sinne + Ende wise dore dorloghe lieten. Wat manne datmen node besiet. Jacob van Maerlant. 559 solen. Ocht si laghen met desen stronken. 548 sine. Dat men orbaert up dat bet? Si sullen willen ghenotens plien. 540 Es hi man. So es die vrientscap al ghedaen. 556 si lagen V] wi legen. Entie saleghe man es emmer blide Ende hevet onweert dien keytijf. 563 solen si ons noede willen sien. Die verloren hebben dat let. 538 ommer.

quos diffidentia patrum uxorumque potest avellere dulcibus arvis. 630 toende seirhede. Entie lichame rust te bet. 284: in Persis maneant Medorumque aera spirent felices alii. 614 baldac. 590 auentu'e. 596 want die niemen. Gaut. 643 en S] en̄. Dattie vriende ons moghen begaen. Alexanders geesten . Die hem scaemt sijnre aventure. Die es onghetrouwe overal.’ Eutecioen die seide aldus. 590 595 600 605 * 573 eenge. Die was gheboren van Athenen: ‘Die niet en ghelovet van enen clenen Sinen maech ofte sinen vrient. sonder waen. 579 athenen. Gaut. 609 andere ontbreekt. 605 lichaem. Misschien ook is alleen 608 bedorven. Ic wane hi luttel goeds heeft verdient.204 * Dat wi souken eneghe stede. Hoe mochti scoonre dinc begaren? Ja en moochti te lande varen Besien maghe. Waent dat niemen en es goedertieren. Doe antwoorde Theseus. 636 Des. Jacob van Maerlant. sonder waen. Hi en betrouwet niemen wel. 612 vrienden die. er zouden er dus op zijn minst 4 ontbreken. kinder ende wijf? En waren wi niet haerde keytijf. 637 onseen. 582 wene. Bliven andere in Percen ofte in Meden. Die man. 635 eenre. 576 luden wandelen (S wanderen). + Wi en waren aldus niet gheboren. die es van herten fel Ende van onreinre manieren. die is echter op den kant bijgevoegd. hetgeen niet bepaald onmogelijk is. 631 dirnen. 611 tiersten. rara quod humanae sedeat clementia menti. 593 niement. 642 oppenbaer noch. Die sijns vrients niet en soude ontfaermen. 638 onboet die fisiseen. Maer viande hebbent ons ghedaen. 577 Euthecion. 591 vriens. Daer wi onse serechede Leiden moghen elc bi anderen Ende buten al dien lieden wanderen. dat 4 verzen achter elkâar op -eden rijmden. 588 wael werdich. 592 ofte. Die na haerre voorders wet Bi haren vrienden sijn begraven. S. Of hi hem hoorde vore hem caermen. 585 dus zou men best kunnen missen. 618 eerre beider. was van meening. dat er een paar regels uitgevallen zijn. 604 siele S] sieke. Theseus. 645 were. 634 sere bevaen. doch het is niet waarschijnlijk. Wi souden rumen dit ellende Ende varen Grieken bat ghehende. Ic wille te lande weder scaven. 598 mochti. Want die siele. 644 lichaem. 578 tecius. 620 amandren. 594 man es. 600 en S] en̄. 632 alderhande. Gaut. 575 580 585 + LVIIb 1. Die allene int gheval Sinen vrient dus heeft vercoren. 616 Eer. Hi es wel weert. Alles onghevals ter cure. 273: inclementis homo mentis male coniicit ex se. 597 sconder.

Een deel waren si becant te samen. 615 Dander was van Egypten lant.205 610 Ic wille te lande weert noch heden: Maer ic wille u eerst tellen Van twee vrienden. Alexanders geesten . + LVIIb 2. Jacob van Maerlant. Daer hi wale was ontfaen In dies anders coopmans sale. Dus gheneerden si hem onderlinghe. 630 Ende toochde hem sine chierhede. Diene mochten ghenesen. want doe was die sede. waren ghesellen. Want haerre beder cnapen quamen + Van den enen toten anderen 620 Om groot goet ende om amanderen Ende ooc om andere copinghe. 645 Si seiden dat het ware van minnen Ende dedent sinen weert bekinnen. Hi ontboot die phisiciene. Daer na gheviel die dach Dattie coopman van Baldach 625 In Egypten quam ghegaen. Dat dien lichame deren mochte. Hi sach dat hem stont onsiene. Twee coopman waren hier te voren. Openbare no stillekine En vonden si evel. dat hem dochte. Waert die van Baldach bevaen 635 Met ere siecheit haerde sere. Die een was van Baldach gheboren. Hare namen sijn mi onbecant. Knapen. Ende hi diende hem haerde wale Acht daghe. diernen ende amien Ende alrehande melodien. Doe die acht daghe waren ghedaen. Dies was drouve dander here. 640 Si tasten sinen puls mettesen Ende si besaghen sijn orine.

678 van] te. die wel songhen + Ende dansten ende spronghen. 672 eer in houwelike. 670 dede si. 676 ochte weer. Die Egyptien waert daernaer. 675 eer. Waersoe te haren jaren comen. 755. Die hi hare soude hebben ghegheven. Die toochde hi den sieken man. Derre en woude hi enghene. Keerde die here van Baldach saen Te lande weert met groter spoede Mettien wive ende mettien goede. 657 En̄ van. Ooc gaf hi hare al die dinc. die hi minde. In weet over hoe menech jaer. 651 him lieden. 673 hi si. Sal ic enechsins ghenesen.’ Die waert gaf hem die joncfrouwe Ende deedse hem ooc ondertrouwe. 659 ioffrouwe. Hi toochdem groot ende clene Van sinen dochteren tghetal. 683 Soe arm en̄ so k.’ Hi toochdem vrouwen. Die sieke hi ontseide al. Alexanders geesten . Ende al dat goet ooc sekerlike. 681 Die van Egypte. 665 toende. Of in sijn huus wijf ofte man Enich ware. Toochse mi. lichte ic vinde Onder hemlieden enech wijf. 779 groten. Dat hem met hare in huwelike Belovet was. Die hi minde up rechte trouwe Ende hadde ghevoet menech jaer Ende soude cortelic daer naer Dat kint te wive hebben ghenomen. Doe sprac hi ‘ic sal sonder blijf Te minen vrient gaen te Baldach 650 655 + LVIIIa 1. doe hise ontfinc. 662 soude si. Aerm ende keytijf. 653 toende eem desgelijks 656. Ende alse die feeste was ghedaen.206 * Doe vraechde die weert den coopman. 669 ioffrouwe. 649 were. Die mi behouden mach mijn lijf. Jacob van Maerlant. 664 weer si tho eren. 660 665 670 675 680 685 * 648 Ofte huys were. 674 eer alle. Doe hadde hi een joncfrouwe. Hi seide ‘hier leghet mijn leven an. Dat sal bi deser maghet wesen. Of soe sijn wijf ware bleven. 685 Tho. 650 toene si licht. vgl.

714 misschien te lezen dan leven. Dit es hi van Egypten lant. Hi ontsach hem ere dinc: Dat hi was al onbecant. 697 En̄ liep liggen kirke. Mettien een man den anderen brachte Daer ghejaghet ende sloughene doot. Mijn vrient die mi so groot goet dede + LVIIIa 2. 690 695 700 705 710 715 720 + LVIIIb 1. 689 wast nagt. In die kerke quamen si saen Ende sochten dien moordenare. Si waenden dat hijs hadde verdient. Hi lijede stappans dat hijt ware. 716 Dies mergens. Alexanders geesten . Den doden minsche vonden si. 707 mordennare. Die scande deerde hem alre meest. Ende het was een groot tempeest. Si en wisten. 720 dander. Vele rouweliker swerke Liepen over sine ghedachte. + Hi saghene onder die galghe staen Ende hi peinsde al te hant. Jacob van Maerlant. Ende eer ment wiste hi ontscoot. Van hongher was hi sonder cracht. 711 vraegden mordennare. Die liede hoorden dat ghecri. 694 eenre. Om dat hi liever hadde die doot. Serech was hi. Dat hi ten huse niet en ghinc. wiet hadde ghedaen. waest nacht. 686 magscien. 725 * 686 mergen. + Machscien hi doet mi enech goet. 702 S hi. Int prisoen waert hi gheleit. Smoorghens leide menne ghereit Te hanghene bi der kele.’ Al naect liep hi ente voet. Mettien vonden si aldare Dien aermen Egyptien Ende vinghene mettien Ende vraechden om dien moordenare. al te hant Liep hi ligghen in een kerke. Dan te levene in aermoede groot. 701 Daer in slogen. Onder dandere liep sijn vrient. Dien hi groot goet hadde ghedaen.207 * Noch moorghen eer middach. 706 kirke. ontbreekt onscoet. Ende alsi daer quam. Uutwaert liepen liede vele. 703 dat] daer.

: voce ergo magna clamavit. cleric.’ Doe riep hi ‘laet dien man gaen! Ic hebbe die moort allene ghedaen. wats recht ware. 728 misschien is lude na hi uitgevallen. Egyptien. hoe hi quam te dien. 733 die] d'. 759 als. 739 beter dat duyt. hetgeen goed Maerlantsch zou zijn. 748 leitsij. Doe die coninc dat ghesach Doe en wisti.208 * Ende mijn lijf behilt ooc mede. Ic sal door sinen wille sterven. 755 Doen sprac die egypten man. 740 helsche. 752 hietsi. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . Mettien was daer die moordenare Ende ghinc onder der scare. anders staat altoos die van Egypten of die Egyptenman.’ Die rechter hadde dies wonder groot Ende quite dien anderen van der doot. nu vaet mi an!’ Doe lieten si den eersten gaen Ende hebben dien anderen ghevaen. hieruit af te leiden. Ende vinc dien moordenare. Wouden si die waerheit bringhen voort. Hets beter. 751 dat] bat. 756 Al die waerheit daer hi om quam. In plaats van hoe hi quam zou men ook kunnen lezen hoe het quam. is alleen in vers 709 bewaard. Doe so sprac die Egyptien Die waerheit. Maer hi hietse voor hem comen Ende vergaf hem drien die moort. 730 735 740 745 750 755 + LVIIIb 2. Hi sprac te hem selven ‘dese twee En mesdaden min noch mee. Du weets wel. Discipl. dat de kopiïst den vorm Egyptien op één geval na verwijderd heeft. alse ghi hebt ghehoort. duut becopes hier. Het schijnt mij niet te stout. Het rijm is onzuiver. wien dat domen. 738 got wrect. desgelijks vers 781/82 en in beide gevallen staat die Egyptenman of die van Egypten in het vers. 758 sachte. tallen stonden Dat god wreect alle sonden. terwijl het in het Latijn Aegyptiacus luidt. Dan ghinder int helsce vier. Doe riep hi menichwerven: ‘Och! wildi doden desen man? Ic dede die moort. Hine wiste. + Entie coopman van Baldach Seide dat hem ooc verwach Also. Die here was binnen Baldach. * 726 beheelt. 743 richter. Hi keerde weder met allen drien Ende lietse den coninc besien.

783 thecius. 790 Luttel ieman was ghereit. So delen wi dan met eren Mijn goet. Hi leidene thuuswaert met hem 770 Ende hi seide ‘vrient.209 * 760 Die moordenare seide voort Die waerheit vor al die liede Also. 781 Die van Egypten voer thuys. 787 en willi] en̄ ic wille. Hets onwijs. ‘Dit hebbe ic ghesecht bidien’. 792 hen. * 760 sachte. Die noch hilde gherechte trouwe Nemmermeer lieten god in rouwe. eest van kinden. 788 blijfdi. Dien sijn herte te lande drouch. 775 Ende wildi ooc te lande keren. 780 Ende si deelden tgoet te hande. ende nem deen helt Ende doet in uwer ghewelt!’ Die Egyptien begheerde te lande. Dien gaf hi gheerne orlof + LIXa 1. 776 deilen. Eest van wiven. 785 machschien. Die coopman. Alexander dede haren wille Gheerne. nu nem! Dat wi hebben. 795 Die in Asien bliven woude Hi maectene rike van goude Ende gaf hem goets ghenouch. 785 Machscien aldusdaneghen vrient. 765 Aldus sijn si quite bleven. Blijft hi hier. dats ghemene Jonc ende out. 763 hielde. + Wants hem liever stont tontbeerne. 779 Die van egypten. groot ende clene. Ic wille dat al ghemene si. 765 qwijt. Sinen raet te doene gheerne. wies heeft verdient. die daer sijn leven Aventuerde om sinen vrient. En willi te lande weder keeren. 789 Thesius. Alexanders geesten . dat si met eren!’ Theseus hi hadde gheseit. 777 den. Dies te voren hadde verdient. Sprac Theseus ‘wi moghen vinden. So dat te huus voer die Egyptien. alsoe hem ghesciede. Wildi bliven hier met mi. lude ende stille. Jacob van Maerlant. 782 gesacht aldus.

So dat hi voer int lant van Meden Darise souken mettier vaert. Strijt was al sijn toeverlaet. (301) pardis instantior instat. Te varene saen in Bacteren lant. 809 overende De Vries] hopende. 811 Hi voer snelliker. Daris was t' Ebractana. lieve heren. Dane haddi achtinghe das. + LIXa 2. Snelliker. Ende ontboot Permenioene 805 Haestelike ter selver steden. 397: mutato pectore mutans consilium. waert met eren. de aanteekening. 826 sijn. Maer hi hoorde al te hant Dat Alexander ware daerbi. 825 Hi hadde liever in den strijt Te blivene. 820 Nemmermeer en waende hi Van hem wesen verre ghenouch. 815 Die hovetstat van Meden was. Nauwelike dat hijt verdrouch Ende verwandelde sinen raet. Ende u en rochte. Die loopt te sinen jonghen waert. Jacob van Maerlant. 303: decreverat inde subire Bactrorum fines. Maer dat ghi die doot verwoorvet 835 Waert met scanden. hebben. Dede hi sijn here versamen saen Anderweerf. 814 baractena. 828 edel. Alexanders geesten . 815 een hoet stat. aan deze geheele zinsnede beantwoordt bij Gaut. 830 en̄ dan.210 * 800 Ende sendene in siere moeder hof. 833 woe. Gaut. So quam hem Alexander na. alstie coene. 829 te ontbreekt. Alse dit Alexander hadde ghedaen. 813 so] dus hem ontbreekt. 824 thoverlaet. hoe ghi stoorvet. Bedi gheboot die edele here Sinen lieden een stuc te stane 830 Ende sine tale te verstane: ‘Waret sake dat ghi waert Traghe ende blode ende vervaert. Want Daris was overende alleweghe 810 Jeghen Alexanders vullen seghe. dan een liebaert. + Dan te levene sonder ere. 816 Daer. So sweghic gheerne. waert sine tijt. 831 ware dat. Datti hem gheensins ontfaert. Gaut. z. 823 verwandelde] vergaderde. * 800 sijnre. 806 so dat] dat. 810 alexanders vullen De Vries] alex.

211 * Maer neen ghi. die ic vant ane u. Daer menich man bedaerf. Die ghi daet uwen gherechten here? Alse ghi doot sijt langhe stont Suldi leven in dier liede mont. 863 sales. Bedi so willic segghen dan. Of so verdult. ut me Persis adhuc ausit regnare fateri. 845 ievalerie. 323: bis profugum. 857 bin. Hine sal spreken vander ere. 851 was ontbreekt driewarf. Wilen was mijn Babilone. ghi sijt sekerlike Gereet u te weerne deghenlike. vgl. So dar ic wel lien nu. onzen tekst vs. er zou echter ook geheel iets anders gestaan kunnen hebben. 840 845 850 855 860 + LIXb 1. Ik heb mij zoo na mogelijk aan de overlevering aangesloten. 854 lien ane u. Van dien Percen. 853 trouwen van u. 321: de tot castrensibus ante unica Persarum superestis gloria. Ooc hebbe ic te waren vonden Trouwe an u tallen stonden Meere dan ic hebbe verdient. of so verdomt. 844 beens. Het eenvoudigst ware sidi allene overbleven. Wie sal wesen ooc soo fel. 852 denkelijk te lezen daer so. 853-57 beantwoorden aan Gaut. vooral daar emmer met mi uit den volgenden regel kan gekomen zijn. vs. Gaut. Alexanders geesten . Sidi ende nemeer mi bleven. Jacob van Maerlant. Hier bi weetic dat een vrient Es te prisene haerde sere. Dan dien gonen. Of ic u dit niet en lone. 861 ocht ic u niet dit. Al bem ic aldus verwonnen Nochtan hebdi mi bat gheonnen. ut non verear me credere regem. Ende emmer sidi met mi comen. die hadden leven. + Die grote here van dien trone Sals u danken. Ic bens blide ie lanc so mere Dat dus ghetrouwe chevalerie Behoort te miere companie. Die na ons in die werelt comt. 870 soeldi.: vestra fides stabilemque probans constantia mentem efficiunt. 324 vlg. Bider trouwen. 847 hadden ontbreekt. 865 Oft ofte. 865 870 * 841 meer heb. 848 sidi emmer met mi bleven. weetic wel. 860 bedie willic oec. die mi verwan. 884. Daer ic hebbe scade ghenomen Ende ghescoffiert was twee waerf. waar sidi misschien ook te schrappen is. victi bis principes ama secuti. Dat ic in Percen draghe crone. Gaut.

904 ben. 879 mijn. 900 905 * 871 alderhande. Eer ic dien lachter soude kiesen. Eest dat ghi sijt so coene Alse ic bem dese daet te doene. Die Grieken noch haer coninc mede En toghen haer hoveerdechede Nemmermeer na dese batalie. Hoe langhe suldi dit ghedoghen. ontbreekt. al woudic vlien Dat ic node late ghescien Ic hebbe al selken toeverlaet. 900 S ic. 875 selc. Wi spelen een spel ter falien. 906 tonen. Soude mi ghescien sulke scande. 880 Woe sůeldi. die men verwervet. 893 soelke. Soudic volghen uwen raet. Ic soude ontmoeten minen viant. Dat mi een incomelinc heeft verdreven? Ofte ic eerlijc doch mijn leven Verliesen moeste.212 * Alrehande dinc verstervet Sonder ere. ofte ghecrighen. Dat ic verloos in bede dien wighen! Al benic tonweert verwonnen. Jacob van Maerlant. Hier bi segghic. 884 beide. 341: quod patrio rex imperat advena regno. Alexanders geesten . 882 ofte] en̄. 883 verlesen. Ende hi quame voor mine oghen. 889 een stede. 874 laet. Daer icken vonde in mijn lant. alsi Macheus dede? Onlanghe was ic here Van Asien ende daertoe mere. de aanteekening eerlic. 886 al selker. 881 ioncgelinc. 895 beroumen. 907 batalien. z. Dat ic ga in mijns viants hande. 896 mote. Soudi mi selker scanden onnen Dat ic dan bade minen viant Dat hi mi gave in mijn lant Ene clene macht in ene stede Also. 892 dar thoe. 872 man. Ende hijs hem soude beromen Dat ic tote hem moeste comen + Ende hi mi hadde ghenade ghegeven? Ic sal mijn lant ende mijn leven Eer up enen dach verliesen. Dus sal een doot te gader scone Mijn leven nemen ende mijn crone. 908 spelen hen. 875 880 885 890 895 + LIXb 2. Gaut.

915 mine. Alse wi onse lant verweren. En bequam niet enen wale Van al den heren van dien hove. Gaut. 938 gemeinlike. 930 Artabatas. Gaut. Ende aventuren onse leven. Bedi si waren al vervaert. Gaut. z. Daer en was gheen ghecri van love. 910 in het hs. Entie Grieken dwonghen so. 375: in arma sequemur. Dat wi eerliken inde ontfaen. Dat es ons ere vele groot. fortesque licebit honesto mortis amore mori. (Met hem quam menich man. Bessus ende Narbesines. 933 soelen. Jeghen die waren onse cnechte Ende nu willen sijn onse heren. si facinus reputant iustos defendere. Of ons die gode willen deren. 932 volgde. 942 si eem. Artabacus sprac mettier vaert. 944 hen. Die wale mettien coninc was + Hi volchde Darise das ‘Wi sullent gheerne met di Bestaen. de aanteekening. saltem finis honestus erit. 911 ofte. Die alre valscheit sijn ghetes. 919 elc] ghi vecht. Artabazus. 928 gekrie. Alexanders geesten . Ergo si superi pia bella moventibus obsunt. 920 knechte.213 * Ofte wi slaen se alle doot.’ Al dat volc. U en willen wi niet begheven. 921 willen S] wilen ons. Dat wi so dien strijt bestaen. Dat ghijs hebt lof ende eren Voor die gode van hemelrike Ende ooc mede up eertrike. edel here vri. Dat elc so eerliken vechte. misschien ook sullen gerne strijt met di. 929 bedi S] beide. Ic bidde u door miere voorders ere.’ Dus inde Daris sine tale. in omgekeerde volgorde. Die wilen ontsien waren sere. aerm ende rike Gheloofdent al ghemeenlike. Quamen voor Darise saen. Om te doene sulken lachter) 910 915 920 925 930 + LXa 1. 935 940 945 * 909. Om dat sine wouden vaen Ende Alexandere seinden dan. Dat sijs alle waren onvro. 338: sua dextera cuique aut modo finis erit aut ultio digna malorum. 940 alder gewes. Jacob van Maerlant.

977 berichten. (Aldus waenden si best versoenen Jeghen Alexandere dien coenen) Ofte dat sine wouden ontliven Ende dat si heren wouden bliven. + Ende met ere groter scade Behout men dlijf in menegher stade. er zal dus wel weêr een paar regels uitgevallen zijn. Quod si praeceleres evadere principis alas sors daret. 973 nu. 949 en 950 zijn dan denkelijk ook verknoeid. De vertaling van het latijn: quod si . 949 in ofte krijgt men althans een draaglijken zin. 958 diepe. 968 weetstus tvi. De eerste woorden van vs. up een sant Men weerpt ute dat ghewant. de aanteekening. numeroso milite fultï.214 * Voolghede die coninc achter. De geheele plaats luidt bij Gaut. Nu hoort. 965 eenre. 964 dat] menich. (384 vlagg. 962 dan es. Door de verandering van om vs. Dit segghic u. 959 ersat'e. Menech evel gheneest men wel Met betteren dranke diemen maect. Narbesines sach dat hi mochte. 966 meenger. mine tale En sal di niet dunken goet. 969 weens. coninc. dat radic. et vires reparare novumque lacessere Martem. ‘Coninc’. Alse een scip es gheraect Up ene roche. dat si in het laatste zou men kunnen uitwerpen. Somwile diepen. 961 bettren (S bitteren)] beteren. Segghen dat sijn herte dochte. Alexanders geesten . ic segghe twi Ik waens die gode sijn verbolghen Dattu der orloghe wils volghen. ik geloof echter niet.): At Bessus facinus iam praemeditatus acerbum Narbacanesqne suus. z. Jacob van Maerlant. auderent Dario regnare perempto.sors daret ontbreekt. Men sals anders prouven wel Ende pinen om een nuwe gheval. dat Maerlant zoo heeft geschreven. sprac hi. somwile widen. wat ic u segghen sal! Doet die crone van u een stic Ende gheeftse enen anderen. 952 mochte. munere tanto commodius possent victoris inire favorem. 949 ofte] om. Die ersatre es dicke fel. jam definierant Darium comprendere vivum. ut si Magnus eos sequeretur. 970 975 * 946 volchden si dien. Want daventure es ons fel. Maer du weets wel datmen doet Dicke ene wonde sniden. Die dijn rike mach berechten 950 955 960 965 + LXa 2. bedi: En weetstuus niet. Want hi mocht volbringhen wale.

nu woutu dinen here Doden ofte doen onnere. 1006 slachs. Scalc.. 1005 1010 * 979 dat orloge. 989 man misschien te schrappen. Jacob van Maerlant. dat men sal slaen? Een coene man sal dier doot ontflien Ende mińnen dlijf. 426: iam. de aanteekening.. 1001 hise S] si. Onthier ende dorloghe es bleven Ende dine viande sijn verdreven. 415: degeneres et quos constat taedere laboris compellunter ad hoc. 995 leet niet ongespart. 407: hostibus expulsis. waaraan in de vertaling vs. dan de voorgestelde. die goedertieren Sprac ‘du slachts dien fellen dieren Dat hebbic nu wel vernomen. Bi mi so bestu up comen. Alse hi hevet ghesneven. Alexanders geesten . Dien erminc vernoit sijn leven. 987 solen. Stappans sal dit sijn ghedaen. 990-994 beantwoorden. men siet ghescien Dattie blode begheert die doot. 980 verdreven] verslegen. Hier es Bessus... Die sachte man. Gaut. 1007 nu ontbreekt. Quid mirum? ignavo vivere mors est. 1002 hi] hise. Dan volx was int eerste here. Dat hise di weder gheven sal. 993 erminc] ·co· Gaut. Gaut. 996 wat eem tho behart. alsi niet voorder mach. Dus es die doot dachterste slach. Ik weet geen andere verbetering. Och! sullen wi ter doot weert gaen Alse een scaep. Hi stervet. Die coene en laet niet ongheprouft. nu doe! + Ghef hem die crone! ic seghdi hoe. coninc.215 * Ende gheluc hevet in vechten. Hi siet. 983 Int inde van bacteren lant. 986 ierste. ut vitam ducere vile quid reputent. Gaut. Inden ende Bacteren lant Hebben so meneghen wigant Si mogher meer bringhen ter were.’ Dit antwoorde Daris doe Ende trac tswaert uten scoe 980 985 990 995 1000 + LXb 1. 985 Hi magger. dabit India gentes. hi merct. 1010 oneere. Alse hi hevet vrese groot. Doe dit sprac Narbesines Balch hem sere Daris des. 998 slach] dach: z. 409: tot Bactra dabunt. wat hem behouft. Alse hi hevet bedwonghen al.comperio. Dan saltuse weder ontfaen.

Bessus ende Narbesines Visierden. so sijn wi ghescant. Si wisten wel. In die tenten was groot ghescal. Hi hadde rouwe ende groten toren. Met rouwen was hi bevaen Ende met wanhope. 1040 keitiven. dese twee Sijn mettien keytive emmermee. + Verliesen wi tfolc van Bacterenlant. Artabacus bat sinen here Dat hijt dede dor sijn ere Dat hijt verdroughe met ghemake. 1036 barade. 1015 1020 1025 1030 + LXb 2. Verdrach van den dinen wel! Alexander hi es fel Ende hi comt na ons ghereet. Hi hielt al over baraet. 1042 het S] hi omberecht. Alexanders geesten . Hine sal ons niet en sparen. Want het was onberecht al. Here.216 * Ende woudene hebben ghesleghen doot. Ende gheen here en was hi. 1032 en ontbreekt. 1024 weer dat. misschien ook te lezen doe ghevaen. Maer Bessus dede onsculde groot. Si hieten hare tenten saen Buten sconincs tente slaen. Hi hadde Darise doen vaen. 1021 Arcabatus. ‘Here’ sprac hi ‘dese dulle woort.’ Daris volchde sinen raet. 1045 Alse hadde. Dat hi dier cronen niet en woude Ende bat dat hijs ontberen soude. En haddi tswaert niet wech ghedaen. 1050 hedden. Die ghi nu hier hebt ghehoort. Es dat sake dat hijt weet Dat si willen van ons varen. Al waret een pijnlike sake. Ende liet sine tenten slaen. Dat ment met vresen soude bestaen. Alsi hadde gheweest te voren. 1035 volgde rade. soudemen vaen. Daris sterfdach die was bi. hoe si des Beste te voren mochten comen Dat si hem dlijf hadden ghenomen. 1018 En̄ hadde hijt tswert. 1044 ende] en hre. Jacob van Maerlant. 1035 1040 1045 1050 * 1017 gevaen.

Eest gheval goet ochte quaet. Maer int herte hadsine verraden. Si twee quamen toe ghestreken Met lieden van haerre hulde Ende boden hare onsculde Ende baden hem groot ghenaden. Nochtan dat sine siden bonden. 1077 boden groot is misschien te schrappen. 1061 het eene dat ontbreekt. 1071 anderen. 1066 onghedout] onscout. Daris sat up enen waghen Noch doe eerlike ende scone. 1054 vordel en̄ oec. Sine name ontsietmen dach ende nacht. Si ghenighen hem int ongheval. Ende si ontsiene int gheval. 1070 1075 1080 1085 * 1053 Perce doen eren here. ontbreekt. Gaut. 1083 die ander. Want si die crone wouden draghen. Si weenden. No met crachte doot slaen. de aanteekening. 1057 si ghingen met eem. Dandere laghen up die eerde Ootmoedelike voor sine poerde. 1086 siden] selven. Gaut. 1069 bede S] bedi. Verchiert met eens conincs crone. Jacob van Maerlant. So en dorsten sine niet vaen. Want hi es van groter macht. 1064 noch. si souden toghen Grote onghedout voor sine oghen Ende grote onscout bieden + Ende segghen dat si met haren lieden Bede lief ende leet Met hem willen doghen ghereet. 465: decreverunt het eene si ontbreekt. Alexanders geesten . 1055 1060 1065 + LXIa 1. Dus eren sine. z. hoe dat gaet. entie oude man Ghelovets ende weende dan.217 * Want die van Percen haren here Gheerne vordeel doen ende ere. Gaut. Bedi viseerden si. Des ander daghes ter sonnen upganghe Bliesmen ene busine langhe. quem post in vincula servus detrusurus erat. 1060 ocht. Si boden hem ere ten selven stonden. Ende om dat dat volc haren here Alleweghe doet goet ende ere. 1065 viseerden] si seiden. Daris hiet die tenten upbreken. 1055 S es. veneratur numine pressos. 456: etiam gens barbara nomen regis inhorrescit: et quos in sorte secunda barbaries metuit. 479: sustinuit venerari tunc parricida ducem. 1056 sinen naem ontsachmen.

444: fandique ut copia facta est. Dat si di emmer willen slaen. 1112 was onblide S] blide. 1105 1110 1115 1120 1125 * 1089 beroude dies hem] baerden sijs eem. Also alsic hebbe vernomen. Dor al dat si wale saghen. Doe Alexander Athenen wan. 1110 sinen. 1114 sprac met. Die gheheten was Patroen Ende ute Grieken gheboren. Gaut. Alexanders geesten . Hi hadde sijn lant verloren. Hi hadde bi dien * jaren. Dattie coninc was verraden. Gaut. Nochtan wiste hi wel ter cure Dat si twee entie aventure In allen doene jeghen hem waren. Doe hi mochte met staden. Hi wiste wale. 1120 benic. 1111 dat hi] die. hetgeen M. 1123 tavent. 1102 patrone. Gaut. Met hem en canstu niet ghehermen. 482: sed nec tunc fraudis amicos poenituit sceleris. Ghetrouwe was hi ooc te waren Ende Daris vrient. 1107 bi dien ·e· iaren. maar stellig niet door hondert heeft vertaald. Onder hem was menech man. dats wel ghedaen. iet.218 * Nochtan en beroude dies hem niet Dat si om die moordaet peinsden. Jacob van Maerlant. 1116 hen. 1122 hen. 1115 segt hi narbasines. misschien door een bepaald getal. + Met Darise was een baroen. Si sullent heden noch bestaen. Dat hi voer bi Daris side. 1118 solent noch hude. Grieken ende Europen lant 1090 1095 1100 + LXIa 2. 1109 scien. Dattie oude man van daghen Hovesch was ende goedertiere Ende hijt hem vergaf sciere. ‘Coninc’ seidi ‘Narbesines Ende Bessus si vermeten hem des. Hier omme bem ic tot u comen. 1090 pinsden. 1101 barone. alst wale sceen. Dattu mi laets dijn lijf bescermen. Hi peinsde dat hi soude ontfaren Alexandere al dat hi mach. 490: integer aevo. Want hi hem allene ontsach. 1124 dat es wale. ende waes onblide. Tavont doe dine tenten slaen Onder donse. 1094 hen. menech een. Met sine vrient.

ook dat si uit te werpen. Jacob van Maerlant. Die de hemelsce coninc Hevet ghemaect met siere cracht. waarvan in de vertaling niets gevonden wordt.219 * Hebben wi verloren. 1140 1145 1150 1155 1160 * 1128 weestu. ik had misschien beter gedaan. dat zij er eens in gestaan hebben en dat de vertaling begon met Nu willic wale all. Dat hem riet sijn ridder Patroen. Hi ontghinghe terre stat Mettien. Dattu dedes dese dinc Want ic bem een incomelinc Saghic dat iemen vanden here + Voor di woude staen ter were. 1137 nu will ic wale. alsi ghebiet.’ Nu weetic wel dat alle dinc. 1129 noch beide malen. woude hijt doen. Bedi so wat nu ghesciet. Het is niet onmogelijk. 1146 tho eenre. 1154 ende S] ende u. Men maechs altoos niet volbringhen. 1130 1135 + LXIb 1. Daarvóór heeft het latijnsche gedicht nog vijf regels. Bi Darise segghic u dat. 1130 wine en. Gaut. Ic bade di nemmer. 1139 sijnre. Noch in Bacteren noch in Inden Wetstu wel. Ic hebbe liever dat si mi bedrieghen. 1155 woe wocht ic van hen. 1140 dat hi si beide. dats u becant. 1132 bidde di emmer. 1142 bedi S] beidi nu S] mi. dat wi en vinden Lant no huus. coninc vri. Dan wi hopen tote di. 1144 machs. 1156 hen. 1134 ben. Want ic hebbe hem sonder waen Meneghe hoveschede ghedaen Ende up ghehouden van der wieghen. 1135 saghic V] seg ic woude V] woude ic. Dat si bede dach ende nacht Also gaen. En wils god niet ghehinghen. 1150 antwoorde] aventure. wijf no kint. Hoe mochte ic van hem sceden? Ic wille met hem mijn lijf leden. Hi liet ghescien tghebot ons heren. 1157 hen. 1151 dicwile. Alexanders geesten . Nochtan en willic niet laten Mine liede ende verhaten. Wine hebben anders niet een twint. Sine antwoorde willic u leren: ‘Al hebbic dicke ondervonden Uwe trouwe in allen stonden. 511: jam reor.

Hi keerde onder die griexe scaren. 1175 hen dat si weren gereit. Wat so daventure ghebiet. Hi peinsde hi soudene vaen Ende Alexandere prosenteren. Eer ic van hem wille vlien. Bessus die quade cnecht. Doe hi hoorde dese sake. 1171 hope S] hepe. 1175 1180 1185 1190 1195 1200 * 1161 hen gescieit. Die hem selven sculdich kinde Dat hi Daris doot sere minde Griex en condi niet verstaen Hi ontsach hem sonder waen Dat Patroen sijns ghewouch. 1195 presenteren. 1181 conste hi. Sone soude hi hem niet deren. Soudi Darise hebben versleghen.’ Patroen waert so tonghemake. Hierbi verste hi dese moort Toter nacht ende voer bat voort. Dus waende hi alre best ghewinnen Alexanders hulde ende minne. Doe hijt wiste wel ghereit. 1197 alder beste. 1199 Hier. 1165 hen. Jacob van Maerlant. Willic eer laten ghescien. + Hi verloos dien hope al Om Daris groot ongheval. Di onder sine banieren waren. Ic hebbe ghelevet alte vele. 1165 1170 + LXIb 2. 1184 oppenbaer. 1178 knegt. 1198 met minnen. Ende hets openbaer ghenouch. Es hem mine doot bequame Ende mijn leven onghename. Hi en betrouwet niemen wel. Ende hiet hem dat si waren ghereet Te doghene lief ende leet Om dies conincs Daris recht. Wie so valsch es ende fel. ic biede de kele. Maer hi ontsach hem datter jeghen Patroen soude hebben ghestaen. Hi vraechde enen taelman. Ic sterve gheerne. 1179 kende.220 * Dan hem van mi quaet ghesciet. 1176 leef en̄ leit. Alexanders geesten . Wat die Griec hadde gheseit. 1189 grieke. 1200 nach vor. 1180 mende. Die griex ende sarrasinois can.

221 * Nacht es recht der quader doen. Ende nu es hier. Ens gheen wonder sekerlike Dat sijt al te cope gheven. 1232 Die. 1223 sleet.’ Bessus inde sine tale. 1238 in plaats van want is denkelijk ne ware te lezen. hi soude di gheven Alexandere die dijn leven Nemen soude jammerlike. 1236 waer ontbreekt. 1210 1215 1220 1225 1230 1235 + LXIIa 2. Want dan es die blode coene + Een onscamel dinc te doene. Mochte hi di vaen. Hi seide ‘here. Die ghere doghet nie en ploen. Alexanders geesten . Want het was so comen voort + Dat hi en mochte niet ontgaen. 448: certus tamen omnia vera deferri a Graecis. Die niet en achten up haer leven. Snachts alsemen die quaetheit doet Diemen sdaghes niet sien en moet. Dat hi van Patroene hoort. Daris lovet haerde wale. 1204 dies dages. 1205 + LXIIa 1. Ja en slaet hi in die aventure Sijn lijf om ene clene hure? Een man die es een incomelinc. Hadde hi di. * 1202 geenre. Jacob van Maerlant. hine woude nemere. Patroen es valsch ende fel. Ende ooc anders niet en hevet. Nochtan wisti haerde wel Dat het waer was ende niet el. Die hem te voren was gheleit. Die es onghestader dan een riet. Een keytijf ende een aerminc Sonder wijf ende sonder kinder. 1224 ene ontbreekt. Gaut. 1221 alle. nu merct wel. 1203 dies nachts. 1210 hoveschelike. nu ghinder. 1215 nummere. Dan hi bi sinen soude levet. Dat dien winde volghet ende vliet. 1220 en es. Hi soude di leveren sinen here. 1225 ma. in het latijn staat sed. Doe quam Bessus ten coninc Ende dancte hem derre dinc Valscelike met scoonre tale Dat hi so hoofscelike ende so wale Patroens raet hadde ontseit.

1248 nemt. Het was siere doot gheheinde. 1245 Welctijt dat si hem wouden slaen. 550: (res) plena timoris et exspes.222 * 1240 Sonder hope in vrese was hi bevaen. 1241 et] en̄. Gaut. In desen wille was hi bevaen. 1242 latene dan. * 1240 in vrese ontbreekt. Misschien is er meer in den regel bedorven. 1244 thooft S] thoefte. ook hope is op den kant bijgevoegd. 1247 gehende. Alexanders geesten . 1243 ghelooft S] gelochte. Et dochte hem wesen haerde quaet Te latene siere liete raet. Jacob van Maerlant. Nochtan dat hi hem niet en ghelooft. Die seste bouc neemt hier einde. Hi was ghereet te biedene thooft.

Dor hem te linghene sijn lijf. Die sone begonde onder gaen. + Dus vortekende soe sine doot. Selve weende hi haerde sere + LXIIb 1. soe ghinc te hove. Ende het ghinc tavonde waert. wat soe meent. Jacob van Maerlant. Ghelijc of soe hadde gheweent. 11 oft. Nn hoort voort vander sonnen: Al waest haer leet. 22 voldriven. 30 garsoen. 19 vertekende. dat daer soude ghescien. Die mane merrede sonder blijf. 25 wast. Sine ridders ghinghen slapen Ende garsoene ende knapen. Drouvelike was soe ghedaen. Rouwe haddi ende jammer groot. Also alsi hadden begonnen. 12 wale. Sijn selfs gheest was vervaert Ende verdrouvet toter doot.223 *Die sevende bouc. Entie coninc van groten love. 5 10 15 20 25 30 Hier ga ic weder ane die geeste. 10 droeffelike. Men mach wel weten. Die wilen was Asien onderdaen. Daris levede sonder feeste. 20 so wat ontbreekt. Maer so wat so god gheboot. Want soe node woude sien Dat leet. Om dat hi wiste sonder waen Dat hi niet en mochte ontgaen. 15 lengene. Dede sine tente slaen. Alexanders geesten . Dat en mochte noit bliven: Sine moesten haren ganc vuldriven. * 5 ginge te avende. Soe bleef langhe staende stille Om dies conincs Daris wille.

. Alse hi waent hebben verloren Sijn lijf. Gaut. 42 het tweede ende ontbreekt. 46 ic. desgelijks 65. Och. 67 gerengnert. 61 ofte onrechte.tyrannide pressit. Noch sekerlike leven en mach. 65 wille. Die mine voorders hebben gheset. 55 60 65 * 32 Want daris die edel. Nu staen si na dat leven mijn. Ende of ic breken wilde die wet. 48 helpstu S] hepstu mi niet in dere noden. Dat dien minsce coomt te voren. en helpstu mi in derre node? Wat doestu mi leets besuren! Waer hebbic dese aventuren Verdient ende dit ongheval? + Owi.224 * Daris. Alexanders geesten . Of ic met onrecht hebbe ghedraghen Die crone van Asien in minen daghen. Wat sal hi doen? Hi sloot dien pauwelioen. meer no min. 36 pauleioen. ‘Owi. felle Jupiter! Ofte ict wale segghen der Vader ende here vanden goden.29: si. 14: clauserat infelix tentoria.. 63 oft.. Ende of ic hebbe gheregneert dlant Entie steden alse een tirant 35 40 45 50 + LXIIb 2. 44 noch.. ghi gode. 68 viant. 7. Misschien moeten vs.. besiet dit al! Waer verdiende ic dese pine. 37 en 38 omgezet worden en stond er Dore drouve of Drove sere of iets dergelijks. 37 quat. want die edele here Waende wale al sonder saghe Dat hi emmer vor dien daghe Sterven moeste. Gaut. Hi sprac jeghen sijns selfs sin Dese tale. Maer et es gheerne quaet * dat verstaet. solus apud se de se consilians. Daer ic hebbe meneghen dach Conic ende here ghesijn. VII.populum. Ende of ic qualike hebbe berecht Die lande beide nu ende echt. 75. 56 minen. 49 lets. van tide te tide Ende hi allene es ende onblide. 67. 73. 38 Scone droem dat verstaet. Jacob van Maerlant. Daer mi nu in staet te sine? Ja en hebbic ooc niet dies verdient Dat ic steerve onder mine vrient. 40 weent.

73 minne en̄ oft miede S] mede. 93 ofte. 86 will. 81 heb gegeven. 82 in S] en̄. 107 ghijt hen allen. Ende oft ic vonnesse hebbe vercocht Dor prosent. Ende of ic dor minne. salict begheven. hebbic mesdaen. 90 95 100 105 * 69 ofte.225 * Ende of ic ooc valscelike Te enegher stede in mijn rike Dien aermen hebbe ontwijst sijn erve Dor des rijcs mans bederve. Ofte dat van minen lieden een Hem beclaghet dat ic sijn leen Ontwiset hebbe enech waerf. Bessus come ende sla mi dan. 75 vonnisse heb. Alse ghi wilt. Alexanders geesten . 83 eest. Narbesines. Siet. 80 eem van rechte. 71 hebbe ontbreekt. bedinct u des Dat ghi hem allene doet becopen Die moordaet. dat mi es brocht. ghi gode. Also alst bescreven staet En si dat ic enech quaet Met minen live hebbe ghedaen Dat mi nature dede bestaen So bidde ic al den goden. die felle man. 100 dat] die. Come ende storte mijn bloet Ende coelre mede sinen moet. Ende ic redene ende recht Hebbe ghedaen nu ende echt. So wille ict becopen saen. 70 75 80 85 + LXIIIa 1. Jacob van Maerlant. + Ghenouch hebbic gheleit dit leven. 76 present. Dat van rechte hem verstaerf. ofte dor miede Hebbe ontervet mine liede. Maer of ic up eertrike Hebbe ghelevet redenlike. Ende ic recht hebbe begheven Ende trouwe in al mijn leven: So eist recht dat ict ontghelde Mettier doot up desen velde. Die mi maecten ende gheboden. Dat si mi besceermen moeten Voor die ghone die mi mesgroeten. daer si om lopen. Ghi gode. Dats Bessus ende Narbesines.

Doe trac hijt te hem waert. diet al verslaet. ende an enen balke Van der tenten hinc een swaert. die coninc ware doot. 136 pawlione. Alexanders geesten . Jacob van Maerlant. 110 moet. So en doden mi niet die scalke. Want si doe alle waenden des Dat Bessus ende Narbesines Hadden versleghen haren here. Dan ic selve? ic segghe u twi: Waer omme sal mi Bessus slaen. Gaut. 145 gheerne ontbreekt aen. Bede ridders ende knapen En dorsten hem niet wapen. 112 hebben in eer. Doe si die niemare vernamen. 117 ane. Ende ocht also es vorseit Dat mijn leven u es leit. Ende of dat sake es dat die gode Dat hebben vast in hare ghebode. Die Percen hadden dor haer ere Gheerne wapen an ghedaen. 137 eer.226 * Ende ic met rechte moete leven. Ic sal mi doden mettier vaert. 143 verslagen. Ende Atropos.’ Dit sprac hi. Maer sine dorstens niet bestaen. Doe sacht een spadoen ende liep Uter tenten ende riep. 125 130 135 140 145 * 109 moet. Doe waert daer die jammer groot. Al die edele baroene Quamen ten pauwelioene Ende sloughen hare hande te samen. Want si waren alle in vare 110 115 120 + LXIIIb 2. 138 niemeer. 135 alle die edel. + Ende ic den Grieken ben ontgaen? Ja en hebbic noch mijn leven? Ende mijn hande sijn mi bleven. Dies verdient. 121 om. 144 hadden gerne. 115 atropos S] antropos. 51: quod si fixa deum manet imperiosa voluntas. 128 aen. Daer mijn leven an staet al: Waer om eist dat een ander sal Meerre macht hebben up mi. Men seide. hi moete sneven. 118 eest. Ende ic hebbe noch een swaert. 140 en S] en̄ hen. 139 beide. Breken wille minen draet. 111 ofte. 134 were.

174 Leiden sine dine te. 181 al were. Dede Bessus dien here sijn Beslaen in guldene vingherlijn. 183 beide karren. diene te voren ontsaghen. 175 Nochtan dor dat si haren here Souden doen eneghe ere. wat suldi doien? Hoe onghestade es dat gheval Dat tesen levene behoret al! Hoe wandel es die aventure! Die wilen hadde sine cure Van den oosten toten westen 150 155 + LXIIIb 1. Si loeden in corten tide Bede waghen ende kerren. want si ontsaghen * 152 wale huerre. 177 Bessus dede. 178 besl. God weet. 163 ongestede es dit. Ende hebben hem dat sweert ghenomen. Als ocht ware in enen stride. 170 Entien so vele liede ontsaghen. een gulden.227 * Vander quader scalker scare. Stappans deden sine binden Ende slaen in vaste boien. 185 Doe si die quaetheit hadden ghedaen. Si roveden met groter scame 180 Sconincs scat ende sijn allame. 169 gulden. die bi haren here Staen ende troostene vanden sere. Si hilden haren here ghevaen Ende si ontfloen. Alexanders geesten . 176 enech. 165 wandele. Si en dorsten niet merren. 155 En̄ die here S] herre. 160 165 Ende voer up enen guldenen waghen. 175 dor ontbreekt. 186 heilden. 187 ontfluwen. Mettier vaert so sijn si comen Ende waendene doot vinden. Ai keytive. Jacob van Maerlant. 179 roefden. Ende dor die vrese vander doot Lietsi dien here in dier noot Mettien quamen die moordenaren Wel ghewapent met haerre scaren Ende met haren baren sweerden Ende doorreden met haren peerden + Die Percen. al nu te desen stonden Hebben sine cnechte ghebonden Ende up enen nouwen waghen Gheleit.

ook de aanteekening. 222 Doer. 220 weer. Doe dese dinc ghesciede. Jacob van Maerlant. et Persidis arva relinquens insequitur profugos. 208 meer. Hi waende Daris vinden daer. te lezen met sinen lieden en vers 206 volghede. 211 meere. Tote Ebractana was hi comen. Onrene knechte. 221 En̄ die van Percen.) is de constructie anders: cum tamen audisset Darium movisse fugaeque intentum celeri liquisse Ecbatana. 215 slectene. Die met u sal durren leven? Ja en hebdi uwen here verdreven? Ende ooc. 206 volgden. Alexanders geesten . (96 vlgg. 213 wende darise. Sult ghine dorperlike verslaen. 203 diese. Gaut. Doe seiden hem die vander poort Dat Daris ware ghevloen bat voort Ende gaven die sluetele van der steden Ende seiden dat hi ware in Meden Ende hi Percen hadde ghelaten. Want hi die mare hadde vernomen Dat Daris ware in die stede. vgl. 207 ebactrina. Nu hoort. Waer vliedi? wat volghedi na. wat Alexander dede! Alse hi die mare hadde ghehoort. coeptum haud mora flectit iter. 218 weer gevlouwen. 204 denkel.228 * Dattene Alexander soude jaghen. Beleide hi al om die poort. Doe voer die coninc siere straten 190 + LXIIIb 2. Scande van al Asia. heeft ghelaten ❘ Die conine ende voer of iets dergelijks. Ende volgheden Darise na. Bij Gaut. quaet ghepaers. meer woordelijk vertaald: So dat hi P. Vondelinghe van nieute comen? God moete u verdomen! Wat lande sal u onthouden? Waer suldi sculen? in wat wouden? Ghi hebt ghevaen uwen here. eer hi u sal ontgaen. 202 soelt wellicht te lezen slaen. Denkelijk heeft dan ook M. Quam Alexander ende sine liede. quade moordenaers. 209 were. 195 200 205 210 215 220 * 189 Want vliet hi wi volgen na. Wi sal so coene sijn emmermere. 192 onreine gepars: mordenars. 196 soeldi. + Scalke. 214 actinge. Die torment van Asia. Hi hadde achtinghe over waer Die poort te slechtene neven deerde Ende al te slane mettien sweerde. 198 wie S] wi. 86: quo tenditis agmine facto.

Daris es hier bi ghevaen Van sinen lieden. Al es hi onse viant. Of hi es jammerlike doot. dan alst ghesciede. Hadde hi wonder van den woorde Ende riep bat na sine baroene Clituse ende Permenioene Ende ander vele diere waren. Ons esser groot lof af ghereit. vgl. 244 oft hi blijft. 232 Gaut. Ic wille dat wi haestelike Na volghen den coninc rike. Gaut. de aanteek. Alse te nemene sijn lijf Ende alse te vane in enen wighe. 230 noch.229 * Ten lande van Meden waert + Darise souken mettier vaert. 257 ghesele S] gesellen ertrike. Min no meer. 255 doot] noet.s. Ende hoene vinghen sine liede. 246 coninc rike S] coninrike. Alse Alexander dat verhoorde. Doe quam een bode te hem te waren. 228 woet. Dan hoet verghinc met sinen here. 259 sonder ontbreekt. Of hi leeft in groter noot. * 225 denkelijk danen in plaats van daer na. Gaut. Jacob van Maerlant. 245 wi ontbreekt. 243 oft. + Die ghesele van eerderike Scaerde sijn volc ghenendelike Ende ghinc sonder logieren bi nachte 225 + LXIVa 1. sonder waen. Daerna woudi in Bacteren varen. ‘Ghesellen’ sprac hi ‘laet ons varen Doen enen clenen aerbeit. Die hem seide min no mere. 229 woene.l. Alse hi woorden es keytijf. 230 235 240 245 250 255 + LXIVa 2. Het es ere ooc also groot Dien viant te helpene uter noot. Alexanders geesten . 241 en 42 wellicht Die h. 111: aut munere vitae invitus fruitur. doen te sure ❘ Ende hebben. zegt (106): horruit auditis Macedo.’ Die heren riepen al te prighe Dat si dor vrese no dor doot Hem en lieten in enegher noot. Die hem sijn leven maken te sure Ende doen hem hebben quade aventure. Laet ons volghen al te hant. 256 en ontbreekt eenger. 227 noch min noch. dientengevolge wonder niet onverdacht is. 247 ons. dehinc. 234 Clitus.

hoe ghi vaert darewaert! + LXIVb 1. Doe quamen jeghen dien coninc 275 Twee van Daris lieden gheraect. 266 her en dare.230 * 260 Achter Darise met groter crachte Dat si altoos niet en sliepen. 299 daerwart. 270 volgden. Ende hi sochte harentare. Want si dier verraders scare Haten ende hadden onmare. Het was so na an dien avont. * 261 slepen. Dus voer hi met groter cracht 290 Tote dien dat was minnacht. 265 ofte. 284 scarde. Die met hem hebben vrede ghemaect. 295 een. 298 lege. Di orsse haesten ende liepen Snellike met groten ghere. als hem rochte. Nu es Alexander so na comen. Alexanders geesten . 294 een. 288 hen. Dus so voer hi haerde gram Ende peinsde. Daer Bessus die moordenare Laghe met siere scare. ‘Wacht. 290 middernacht. Ende seide al openbare Dat maer ene mile en ware 295 Ende ene halve ooc daermede Al toter selver stede. Want hem waren die straten cont. Selve voer hi min no mere. 265 Dan of hi een tigher ware. 283 die] in. Dat hi die stat heeft vernomen. Daer Bessus dien here vinc. Dat men die sterren mochte sien. 286 dierre. 264 noch. Jacob van Maerlant. wat daer ghesciede. Met desen tween hevet Alexander 280 Dien wech bestaen ende menech ander. + Een ridder ute Daris huus. 270 Hem volchden alle sine liede. Alexander hi scaerde mettien 285 Al sijn volc in vieren Ende voer in dier manieren. 293 openbare. Die hem sine jonghen nam. Mettien quam Brocubelus. 281 hen strate. Dat deen scare spreken mochte Toter ander.

318 dier. maiorque sequendi crevit Alexandri servilia castra cupido. * 300 ghewapent S] gewapen. 315 En̄ wagen. 330 voetgangher S] voetgenher. 308 doet S] doe. 329 blickende. Alexanders geesten . Hi sach comen sine viande Blikende ende ghewapent wel 330 Ende meneghen voetgangher fel. dat vs. Met groter haest voeren si dane Van midnacht toter dagheraet. daer hi ghestaen Was hoghe boven allen lande. Ne ware die stuvinghe vander mouden 320 Heeft die claerheit al onthouden. Dan te doene een goede daet. want elc moordenare Es coenre te doene een moordaet. Het rijm van ē: ĕ̅. is geen afdoend bezwaar. Gaut. Hets recht. doch het kan ook zijn. Om dat tghestof soude vergaen. 314 So. 333 een in dit en het volgende vers misschien te schrappen Jacob van Maerlant. 301 mordedege. 300 Wacht dat ghi ghewapent vaert! Dat u dat moordadeghe diet En moghe ghescaden niet. 310 luidde: hadsi gare vele te mere. Want die ghere ghenaden en hoopt Hem en roect. Gaut. Van diere volghen ende vlien. 145: his super accensi proceres. wat dode hi beloopt. 311 mordaren. 305 van] met. + 325 Bessus liet doghen omme gaen Van enen berghe. 310 Hadden si te meerren ghere Die moordenaren te bestane. 316 carmen. Ende elc mochte anderen wale sien. Doe mochtmen horen dat baraet 315 Entie waghen horen kerren Ende Bessus carinen van verren. Alexander hiet dat here staen. 319 ne ware ontbreekt. die here. nisi pulveris horrida nubes intuitum eriperet.231 *. 321 Verdonkerde die claerheit altehouden. 317 mocht dien anderen. + LXIVb 2. 305 Hier bi sijn si van groter were Die moordenare ende sijn here. 303 geenre.’ Dit waren Brocubelus woorde. Stappans was hi in vare. 310 meerre. Doet die griexe scare hoorde Ende Alexander. 309 alexanders her. 324 mordenare. dat door mijne verandering ontstaat. die hi sochte. Ende hi daerbi bekinnen mochte Die moordenaren. 151: et pars adversa videri posset ab adversis. 313 vander middernacht.

Alse hi te verradene was: Ic dar mi wel vermeten das Hi hadde so meneghen coenen deghen Hi hadde al die Grieken wel versleghen 345 Ende ghewroken Asienlant. 358 bluede. 351 so groet. 362 vlouwen. 342 waele. 368 S spraken. ontbreekt daris. Ghelijc ocht waren onedele liede. 372 vaer saldi. 339 geweest. Gaut. 363 weren onedel. Maecte so blode meneghen man. 359 eenger. * 336 begons hen wale. 344 hedde wale. Jacob van Maerlant. Liepen si te Daris waghen Narbesines ende Bessus Ende spraken te Darise aldus: ‘Of dijn herte vlien begheert. + LXVa 1. Si scoten hare wapen of Ende vloen al dor dat ghestof. dan een ander. Die meneghen coninc dede scame. Si sochtene met groter macht. het sal di vromen. Nu hoort een deel. die Grieken comen! Vare met ons. Want hi hadde in sijn bewant Vele meer volx dan Alexander Ende duchtegher. Entie meneghen strijt verwan. Begonds hem haerde wel behaghen. 347 veel meer dan. 163: fusoque per ardua cursu aestuat (gens Macetum) imparibus concurrere viribus hosti. wat daer ghesciede 365 Doe dat die verradere saghen. 360 +Dat si waenden sijn verwonnen. Hadde Bessus ghewesen also coene 340 Eneghe hoghe daet te doene. Sijn volc hadde meerre cracht. 369 ofte. Dat dien Grieken al ghebrac. Maer die anxt entie vrese Van der edeler griexe rese 355 Ende ooc Alexanders name. 337 sochten met cleenre. 361 eer. 338 ongedeilde. 350 Want het sliep ooc al die nacht Ende hadde ghehat groot ghemac. Alexanders geesten . Die Bessus enegher eren onnen. Al hadsi onghedeelde cracht. 353 entie (S en̄ die)] in die. 365 verreder.232 * 335 Alse die Grieken Bessuse saghen. 370 So sitte stappans up een peert Ende vlie.

398 hen. 381 Ic bidde om. Al es mi daventure verbolghen. Bessus ende Narbesines Bolghen hem sere.233 * So machstu behouden dlijf. Dat sine int herte niet en rochten. Hem twee slouch Bessus. die se hebben ghehoort. Ghi sijt moordadich ende fel. 403 om ontbreekt. Gaut. ‘Ic bidde noch minen goden. 379 scande in plaats van rouwe geschreven had. die dief.’ Daris hadde onweert haer bedrijf. Meneghen spiet ende meneghen ghere. 379 solen wreken mine scande. haren here. ic bidde minen goden ❘ of ghi mi willet doden ❘ dat si wreken. nog En̄ minen rouwen alte hande ❘ Si solen wreken minen rouwe. In volghe u dor ghene sake. des sijt ghewes. Si sullen wreken minen rouwe. Alexanders geesten . 186: ultoresque deos testatur adesse. na dit vers volgen in het hs. Zou de wartaal ook ontstaan zijn. 400 gemisten. Up dat ghi mi wilt doden. 200: et fugitiva sequi ne longius agmina possint. 383 mordedich. hine dedes niet. Ende soe en sal mi niet vervaren. Si gaven hem meneghe diepe wonde. om dat si dochten Dat si hem volghen niet en mochten. Des edels Alexanders trouwe Biddic al wenende omme wrake. 378 up ontbreekt. Hi seide. 384 haerde ontbreekt. geknoei van een kopiïst. Wat so hem daerna ghesciet. door dat of en dat op eene verkeerde plaats geraakt waren tengevolge van een gat in het perkament? Men zou dan kunnen verbeteren hi seide. Gaut. fidemque acris Alexandri lacrimis implorat obortis. 405 hen. 375 380 385 390 + LXVa 2. die den waghen brochten. Soene mach mi deren nemee. 395 400 405 * 373 behalden dijn lijf. Die doot ghenoucht mi haerde wel. 377 Hi seide ic bidde u ocht minen.’ + Qualike bequamen dese woort Dien ghonen. Jacob van Maerlant. Die Darise hadden haerde lief. die in vs. 389 mi niet deren nemme. Si ghemistene doch ter selver stonde. Al dodi mi nu. Maer die paerde. Sloughsi doot. Ende scoten up Darise. ghi twee. Engheen mesval sal mi te waren Quaden knechten doen volghen. Dats mi dat leste ongheval Dat mi daventure gheven sal. 401 Dant raechten: brachten. 399 die sie.

Daer bleven vijfhondert amirale Ghewapent uter maten wale. Dat hise prijsde. Up die berghe. + Mettien so quamen heerde saen Uten dale dedele Grieken. 410 415 420 425 + LXVb 1. Begonden si die vlucht bestaen. Narbesines vlo ooc te hant In dat lant van Yrcanie. diet sach. daer si sien Meneghen edelen ridder vlien.234 * Stappans doe dit was ghedaen. 414 hem] een. 433 Dat wonder. 445 noch beide malen. 422 eer ere were. Hare tweer companie Vloen harentare. daer si dochten Dat si hem onthouden mochten. Wonder dat die coninc dede. 437 polipercen. Jacob van Maerlant. 421 behalden. here is al door S verbeterd. Dat si behouden souden dleven Ende hare here ware doot bleven. 412 twe. Nochtoe dat si in twivel waren. 430 435 440 445 * 409 vloe. 211: pro iustitia patriaeque iacentis honore. 427 die edel. So haer viande weder staen. 413 vlouwen her in ter. Die dien nacht al over wieken. no ontvlien. 444 mochten. Tholomeus ende Efestio Dadent rechte bede also. 410 vloe. Die door recht ende dere van den lande Wouden vechten jeghen die viande. Men ghinc daer houwen ende slaen. Permenio ende Philotas mede Clitus ende Antigonus Cenus ende Craterus Polistratus ende Polipercoen Mochtmen sien wonder doen. Ooc scaemden si hem der oneren. 439 effesio. Die Grieken waren van groten prighe Ende hadden al den sin te wighe. Bessus vlo in Bacteren lant. No ontcrupen. 430 edel. Alexanders geesten . Gaut. 417 ende dere ontbreekt. Weder si henen wouden varen. Die blode mochte niet ontgaen. Want sine waenden verweren. 440 rech beide. 433 ende S] en. 421 wieken S] waecten. Daer bleef menech uptien dach.

in omgekeerde volgorde. dien si sochten. daer si mochten Vinden dien coninc. 230: donec Alexandro gladii revocante furorem caedibus abstinuit caedi devota iuventus. Gaut. sijn lijf wel diere. 471 mere] ·III·m. wil lezen Dat men cume geloven mach ❘ Hen screef enz. Ende men sochten harentare 475 Up al die waghene. in valle remota constiterant. 451 en 52 in het hs. Die strijt was staerc ende groot Tote dattie coninc gheboot 465 Datmen vechten soude laten Ende pleghen voort dier maten. ook die in plaats van dat te lezen. hetgeen er ook oorspronkelijk kan gestaan hebben. die vercochte. + LXVb 2. 450 Nu hoort wonderlike maniere! Het screef die gone diet al sach. Daer was ghenouch der keytive! So menech man wasser ghevaen. 470 Dat si tropmale alse beesten gaen. Want dorsse. 472 noch. eer si dlijf verloren. Gaut. 235: singula scrutantur Persarum plaustra. de aanteekening. 477 ween. 474 her in tere. z. 237: regis enim trito deserto calle iugales. V. Nochtan bleefer mere doot. die ghone dieve wonden. Menech was daer. Nochtan so bleefer ooc doot 460 Drie dusent. Daer waren vele meer baroene 455 Ghevaen. Maar dan zou het beter zijn. Maer ic wane. Datmen cume gheloven mach: Men vinc die blode ende slouch die coene. Eer hi staerf. 473 were. 475 wege die si. 453 men V] en̄. 468 waren keytiven.235 * En mochte dien coenen niet ghescien Dat hi hem verweren mochte. pectora confossi iaculis. sijs niet en vonden. 467 En̄ men dat striden laete bliven. * 446 En̄. 447 S hem ontbreekt. Haddene ghevoert in een dal. Dus wasser volx gevangen meer ❘ Dan es alexander hadde eer. 460 drie M̊. Gaut. waer Daris ware. dan in dien wighe te waren Als ende als dier Grieken waren. Alexanders geesten . Of stond er Want die perde diene menden (: venden)? Jacob van Maerlant. 457 en 58 luiden in het hs. So dat men liet dat striden bliven. Daer en was ridder no ghenoot. Die wiste. 478 Want die gene die eem bonden. die were groot + Deden. Het waren princen uutvercoren.

onzen tekst 10. vgl. * 480 dart. 598 vlgg. Ende die paerde sach hi ghewont. 484 tuscen enten Swene V] en̄ nele. Polistratus conste wale Beide indsce ende griexe tale. 253: cumque rogaretur (sc. 495 Maer gwont. 514 here. Nu hebbic gheen gheluc mere. Jacob van Maerlant. 500 dar wert. Die wilen met groter ere Jeghen Alexandere quam te wighe. Darise vant hi daer ter stede Sere ghewont ende ooc mede Int einde van sinen live Ende ghelijc enen keytive. Tusscen Brandijs enten Swene 485 En sijn niet drie so soete beken. zooals S al vermoedt] iodchs: Gaut. wie dat hi ware. 505 Onghelijc was hi dien groten here. 505 groten misschien te schrappen. 490 harden. 513 vraegde we were. ‘Ay vrient’ sprac hi ‘com bat hare! 515 Bestu een Griec?’ ‘“Ja ic. wie du?”’ ‘Hoor na mi. Entie here met groten prighe Was van Percen ende van Meden 510 Ende van vele goeder steden. Der Albene heeft hi gheacht. Want het was te stucken ghescuert. Ic was Daris wilen ere. Hi vraghede. 500 Daerwaert voer hi in corter stont. een griex man. 515 greec we. Alexanders geesten . + LXVIa 1. 512 indsce. diemen daer vacht. 495 Ne ware hi doch versach + Dien waghen. ic segghe u nu. 490 Die harde groten dorst ghewan In dien stride. Die flume heet Albene.236 * 480 Daert eenlijc was overal Bi eenre straten up ene flume. Staende al onghecovertuert. Hi was cranc hi levede cume. Daer quam ghelopen al te hant Polistratus. Ute eenre rochen comt soe ghestreken Ende loopt over een soete sant. Darius) Indo sermone quis esset (in de uitgave van Müldener: Graeco sermone). 494 veel na. Mettier haest quam hi ghereden Ende wel na was hi leden. daer Daris up lach.

552 nemmeer. Want hi hevet dien minen ghegheven Groot goet ende ooc hare leven. Hoe gheerne soudic sien Alexandere. hierbi te lezen? 539 miere] sijnre. 532 wilt. Daventure heeft mi wale Gheholpen ende ic dancs haer sere. Sine vrientscap es vele sochter. 540 mijnre minen. Die mi dus qualike verrieden. 553 mijn. oft mochte ghescien. Ende dien ic gaf lant ende goet. 534 hier toe saltu. 250: hoc unum Daris et solum solamen habetur. Alexanders geesten . 541 mijnre. ende ganc Ende segghe hem van mi groten danc. Dus loonden mi mine vriende Daer ic doechden jeghen verdiende. ocht also ware. Daer omme biddic uwen here 520 525 530 + LXVIa 2. Dien ic dede ere groot. 555 om. Hiertoe saltu wesen bode Tote Alexandere. behalve het aangehaalde vinden wij bij hem slechts in 't algemeen gesproken van victis. Gaut. Jacob van Maerlant.237 * Dan du verstaes mine tale. Dan die vrientscap van minen lieden. Met rechte soude ic onbehoet Hebben onder hem ghesijn. Die mi namen dleven mijn. Want hi was so groot een vrient Mijns kinds Daris ende miere moeder Miere suster Dymen ende mijns broeder Ende Rixcolien miere dochter. Ende dat hijt met rechte heeft verdient. quod tecum mihi non opus est interprete lingua. Hoor mi. O wi. Van Daris' vrouw wordt niet gewaagd. hi mijn inde saghe Ende hi hoorde mine claghe! + Wi souden so te gader spreken. Ende die ghene hebben mi doot. Ende segghen hem dat ic begare! Ic woude. 525 were. maar ook de zuster en broeder noet Gautier niet. 267: matrem Darii prolemque. Dat wi dien nijt al souden breken Ende pais maken van orloghen. 531 peys. Maer dit en willen niet ghedoghen Daventure ende onse gode. 526 begere. 535 540 545 550 555 * 519 Dat. ende ic en bidde nemere. 551 hen. 546 eer. Gaut.

dien coninc rike. mihi si fortuna triumphum concessisset. Merke mine doot ende wreke dan Minen lachter als gherecht man. 565 alle. 287 luidt het: quam (ultionem) si distulerit vel forte remissius aequo egerit. Moghen wachten hem bi mi. 586 nemmer. zonder dat er iets dergelijks in de bron stond? Ik beweer evenwel niet. Ic bidde dien goden van hier boven. Ende dien ghonen doe selke recht. “Alexander wrac scandelike Darise. Alse hi woude dat ic dade Ende mi ware ghevallen stade. Is het denkelijk. Dat hi scuwe dusdane dinc.” Dit ware ooc grote scande. dat Maerlant hier Darius van Alexander als van zijnen vijand heeft doen spreken. die nu leven. 571 geen. quamque repensurus. Ende hem so lone hare quaet. Dat men niet en segghe hier achter. misschien sumelike? 575 were. Daer ic wesen sal gheselle Up dat si mi dese bede dan gheven In bidde nemeer in al mijn leven Ic bidde dat die ommeganc 560 565 + LXVIb 1. en veranderde hij toen den volgenden regel willekeurig om het rijm. 583 hellen. 570 hen so loen eer. 573 zou Maerlant werkelijk scandelijke geschreven hebben? Bij Gaut. de ware lezing te hebben gevonden. die sinen here verslaet Valscelike met ere moordaet. dien hovescen coninc. 562 valschelike met eenre. Sie dat hi sulc rechter si. Alsmen sculdich es dien knecht Te doene. 580 gereecht. Het latijn (290) adde quod a simili debet sibi peste cavere rex pius. Die dien lieden ghebot uut gheven. Ende al die coninghe. Alexander. Daer wi alle an gheloven. Ende dien goden van der helle. 563 mijnre. Alexanders geesten . Wellicht stelde de afschrijver scande in plaats van scende of een geheel ander woord met gelijke beteekenis. eram. Die grote here. Want hi mach bi miere doot + Exempel nemen haerde groot. Gaut. et subiti vitare pericula casus geeft geen licht. 567 hem wachten bi. Dat hijs en hebbe ghenen lachter. 558 were scade. Segghe hem minen ande. Jacob van Maerlant. 570 575 580 585 * 557 ic hem. qualem parricida meretur. 579 Hi merke ende S] en. 585 up ontbreekt dan misschien te schrappen.238 * Dat hi mi wreke also sere. van deser daet. 279: talis talio pro meritis. 576 seche hē mijn viande. 587 omgane.

615 Anders goet. clareit ende bruscaert En souden niet sijn so waert. Gaut. Wat tormente dat wi vonden. Segghe hem dat hi mi begrave Eerlike met groter have. So en souden wi niet begaren Aerdersc goet ende verkiesen. in dieren wijn. in die sonden. Onsuverheit van lichame En soude ons niet sijn bequame. Daer die goliase gheerne in sijn. 613 selege selen. 12. 41. 623 brufcart. 312: sed nec praedivite mensa patrum sorberet obscoenus iugera venter. is de tekst schromelijk bedorven. mijn wijf.239 * Over breet ende over lanc Vander werelt wesen moete Onder Alexanders voete. jaspen in plaats van jaspise of jaspis (datief). Daer men die sonden in becoopt. 605 610 615 620 625 * 594 ecnterste. + Ende dat coude vander doot Quam te sijnre herten so groot. Zeitschrift für deutsches alterthum und deutsche litteratur 24. Dit es Daris achterste bede. 616 sele. Bl. Jacob van Maerlant.’ Mettien trac hi een vingherlijn Men enen jaspise guldin fijn. maar in dat hs. Hoe groot es die claerhede. Nat. 621 dieren] beide malen dien. 614 begeren. Die men in dit lijf beloopt. eer wi vielen In die quaetheit. Alsi Telico. Die gheest voer henen ende liet Dien aermen lichame doot ende cout Ende voer in die goods ghewout. Wine souden niet overjaghen Lant ende paert. dede. Dat men so vele soude in ghieten 590 595 600 + LXVIb 2. 597 presente. 598 coninc alex'. huus ende waghen In dieren mede. Salech waren alle sielen Wisten wi. Dat hijt droughe tenen prosente Dien coninc in sine tente. Daer die saleghe sullen varen. 605 weren. Dat hem siele ende lijf versciet. 697 staat in een hs. 596 jaspe. Daer wi die siele bi verliesen. Wisten wi in dit leven mede. de aanteekening. Alexanders geesten . 604 in dies goeds. 618 ons ontbreekt. z. vgl. Wijn.

Hevet provende ende personaet. twaren. noch verhuren Gheloofden si wale dier scrifturen. Hierbi weert clergie onwaert. Hevet cume. Wisten si den loon van der daet Si souden scuwen dit baraet. Goods erve dats kerkelic goet. 630 en 31 ontbreken in het hs. Dien hi doghet altehant. Biscoppe ende heren van der kerke Dien rouwe vander helscer pine. 656 oec denkelijk te schrappen. 658 niet ontbreekt daen. Si souden scuwen symonie. die cume can beden Sinen pater noster ende sinen crede. 653 hedde gelove. + Men soude niet vercopen. dat hi verteert. Die gheheten was Innocent. Vrederic en hadde. Den paues niet verdreven dane. z. 662 ocht were. Wisten papen ende clerke. Hadde hi vorsien den torment. 654 dat groten sonden weren (S wat grote sonde ware). 649 onwert. Alexanders geesten . of ons ware bekant 635 + LXVIIa 1. 657 alse ic wane] dats mijn waen. Si souden node haren neven Die grote. Hadde theerscap ooc gheloof Wat groter sonden ware roof. Hi storter omme sijn bloet. alse ic wane. de aanteekening. Ons heren erve. Eer sijs te rechte weerdich waren. 642 dor miede. Een aerme clerc. 652 scouwen. Owi. Dies de meneghe heeft beghaert. Die ter cure es wel fondeert. Sine souden niet so vele striden. 660 versien. 640 645 650 655 660 * 626 dat hen queme te verdrete. vette provende gheven. 650 begert. Dat souden hebben sine liede.. 631 zou geluid kunnen hebben wie so volghet sduvels paertie. Dor vrientscap ende dore miede Een rike man. 639 goeds. 632 scouwen symonine. noch oec beriden. die bi hem staet. Noch orloghen. 630 Daer hem inne staet te sine.240 * Dat het quame te verdriete. 640 om. 644 n'r in sinen creden (S crede). 628 biscop. Jacob van Maerlant.

689 noch. 675 Hine. die quade cnecht. 668 menschen. Alsoe vanden lichame sceet. dat ons deert alremeest. daer hi in wallet Die quade die in de helle vallet! Maer dit onsaleghe aertsce goet Verblent so dies menscen moet. 685 est. 671 bedreget dies menschen vlesch en̄ geest. 666 vellet. 667 onselech ernstsce. 686 knechte. No ooc die helsce viande. Alexanders geesten . Niet en ontsach der werelt scande. 688 noch. Hen laet ons niet ghedinken das Wie onse sceppere was. 695 diedsce ende S] inde. 677 noch sele. 675 680 685 690 695 700 * 663 suare val. Also als sinte Jeronimus Eerstweerf bescreef met groter pine Uten griexen in latine: 665 670 + LXVIIa 2. 670 richeit. No waerwaert die siele geet. Gaut.241 * Die sware val. 684 wattier S] wattieir selen. 683 hi raect. 696 zastelioen. + Bedrieghet smenschen vleesch den gheest. Dits. Hoe saen die lichame sal stinken. Meester Wouter van Tsastelioen Hi vorseide in latine aldus. Jacob van Maerlant. 672 alder meeste. Dattie nature wederstaet. No die gode van siere wet. Wattier sielen ghesciet. Alswi volghen dien ghewinne Entier rijcheit werden in inne. Daerane dedi quaetheit groot. Nochtan Daris. 682 mensche. 665 wellet. Hine hevet sine siele besmet Met sijns selfs heren doot. Bi deser talen eist ooc recht Dat Bessus. Jacob hevet een deel bescreven In dietsch dijn orloghe ende dijn doen. 693 noctan. Hierbi vergheten wi der doghet. al bestu bleven. 673 Hine en selen. Ende hi en roect altoos niet. 694 een S] eel. dat sware sneven Daer menech bose in es bleven Entie ketel. Hierbi doet die mensce quaet. 699 ierstwerf. Hierbi begheert die dulle joghet. Hen laettier sielen niet ghedinken. 334: allicit illecebris animam caro.

725 sijn. + Dat sal di grote ere sijn. zegt alleen (vs. 740 percen. 724 thuyssen him. Bede in walsch ende in ebreus Ende in griex ende in caldeus Ende in dietsch ende in latijn. Sonder dattie grote ere Ende die name emmermere Ende die daet die men van hem seit. 738 daer ane. Alse Alexander hadde ghehoort Al dies conincs Daris woort. 722 begonste. Ende seide hem die tale sijn. Alexanders geesten . 360): rex Persidis. Weende hi sere ter selver stont. Met drouver herten sprac hi ditte: ‘Anderen troost in dit lijf So en hevet die keytijf. Voer hi met haesten altehant Daer hi dien doden coninc vant. Dat daeran gheen inde en leit. * 703 beide. 732 dicke. men sal di ere Ende lof spreken emmermere. 705 diedsche latine. Daer hi te voren pine groot Dicke hadde om ghedaen. Hoe dat hine mochte verslaen. Dine name sal emmer leven Al es dijn lichame doot bleven. Die tusscen hem was langhe tijt. Dat hem Daris hadde ghesent. 730 pellen. Gaut. Dat was dat guldin vingherlijn. 710 met eenre.242 * Al bestu doot. 707 dijn. + Edel coninc Daris van Meden. 710 715 720 725 730 735 740 + LXVIIb 2. Hi ghinc sitten uptien waghene Ende begonde sere te claghene. Hi hadde vergheten al den nijt. Jacob van Maerlant. 706 saldi sine. Hi weende om sine doot. Sine oghen droochde hi mettier slitte. Polistratus quam ghevaren Haestelike mettiere maren Ende gaf Alexandere tprosent. 723 alden. Van Parten. 731 droegde slippe. Mettien nam hi wel ghereet Mettier hant sijn pellijn cleet. 711 dat present. Doe hine sach also ghewont. van menegher steden 705 + LXVIIb 1. inclite Dari. 717 voer met haesten hi.

763 weer. Du souts wesen sonder waen Boven alle coninghe here. 765 Maer om dat die schelke beide. dat was grote ere. 752 dors groet. Jacob van Maerlant. Ende die eylande vander see 745 750 755 760 765 770 775 + LXVIIIa 1. 778 mere] werelt. 771 tierst. echter de aanteekening. Dien du moghes hebben in enegher wijs. 766 slogen wert hen. Men sal verre ende ooc bi Van dinen groten daden spreken. Dijn ghelike en ware gheen ander. Du souts hebben gheprouvet wel. Omme dattu waers so coene. z. Ne ware dat die scalke bede Di sloughen . Sonder allene Alexander. de aanteek. 749 om dattu waers S] dat weers.243 * Ende van den lande van Perci. Mi te sine onderdaen. 779 dye. Sonder van mi ende nemere. 773 solen. 745 en dure ontbreekt. 762 nemmeere. 767 grau. Ende dies en sal di niet ghebreken. Also waerlijc moetic dorvaren Al die werelt met miere scaren Van orient tote occident Ende die mere al omtrent. Hadde dat moghen ghescien Dat ic di levende hadde ghesien. Du salt sere ghelovet wesen. Dattu jeghen die griexe baroene Ende jeghen dien coninc haren here Striden dorsts. Om dat men segghen sal na mi Dat ic een hovesch verwinre si. 753 alder. Dine geeste en dure ende dine daet Also langhe alstie werelt staet. 754 eenger. Alexanders geesten . * 742 sal di. 772 rechte. 755 hedde. Dat sochter es dan iewet el. Al was ic teerst dijn viant. Men sal van dinen daden lesen. Dat es die alre meeste prijs. 751 En. 758 iewent. Mijn swaert ende mine rechter hant Sullen doen wrake groot + Up dine viande dor dine doot.het wert hem te lede Ende dijn grauwe haer ute sleten: Dies en sal ic niet vergheten. z. 776 S met ontbreekt mijnre.

Die makede dier vrouwen graf. 801 ware die een boven den andere. 783 werlijc. 795 niet riken en. 805 Doverste steen hi was blanc. 815 Daerup stonden columnen viere Selverijn. 813 vier. Hi dede teerst maken een graf. 790 Alsic dine doot sal wreken. Alexanders geesten . Jacob van Maerlant. Dicke ende groot. 796 groeffene. Waren gheleit een boven anderen. 807 meester S] meeste. Hi maecte an dien ondersten steen Dat en was loghene engheen Viere platen van latoene Wel ghemaect na haren doene. Also waerlijc moetic liden Moniu den berch in dien tiden 785 Ende dwinghen tfolc van Spanien Ende twrede volc van Almanien. 804 als. 800 ane. 792 hine. Daer hi groot goet om gaf. 789 romen. 784 Moniou. 817 versiert. Daer die vierde bouc af seghet. 797 tiersten. Poelien ende Lombaerdien Ende dat lant van Romanien Ende die cracht van Rome breken. 799 twe maber stene. oec.244 * 780 Ende Vrancrike doen so wee. 786 misschien alleen dat wrede Almanien. 814 wael. de plaats uit Gautier in de aanteekening. 806 breit. Donderste was root alse een vier. Dat si moeten gaen in hant Met al dien van Overlant. 810 Wat daer ghescreven ane leghet. groet ende diere. Daerane stonden salamandere Ende ooc menegherande dier. Dat dede die here om die dinc. breit ende lanc. 802 daer an salemandere. Apelles wasser meester af. Doe dede hi balsamen wale Met dieren crude dien coninc. 803 oec meneger hande S] m. vgl. 787 Polien. 810 watter gescr. Want men groufene niet so houde. 795 Dat hi rieken niet en soude. 800 Daer vele an ghescreven stoet. Twee maerberstene diere ende goet. Die capitele met goude visiert * 782 alden.h.’ Dit was Alexanders tale. 790 dijn. 808 maecte.

825 wael. 845 850 * 818 gepurgert. Also alse Alexander woude. 830 geliken si. Ende deylande diet hevet mede Salmen nomen hier ter stede. 843 die een helfte H deen helft T. Hoe soe was ghedeelt in drien. 845 is dat eerdsche T. 839 dat een H hetet] hiet II heit men T. 846 staet in T. 837 is T (varianten uit het te Wissen berustende hs. Effene ghepast met metale Ende ghefoormeert haerde wale Lach daerup een witte serc. 820 En geformert. heet lignum vite. 822 an dat komt mij ver lacht voor: misschien stond er daeran stont durdiere of alleen daerane stont diere. Ane Asia so es gheheel Deene helft van eertrike. 842 Al Asia dat is T. Die werelt es ghedeelt in drien Alsmen wale hier mach sien. Affrica heet dat derde deel. 852 daer leest men af T. Alexanders geesten . vs. + Dander deel Europia. 838 wael hier H hier wel T. vgl. Daerin steet dat selve rijs Daer Adam bi brac tghebot. 841 heit T. Daer af so vintmen wonders mee: 820 825 830 835 840 + LXVIIIb 1. Dat alre eerste conincrike Dat es dat eertsce paradijs. 848 By dien T sloeten H scloet T ons T. 840 dander heit men T. Deen deel hetet Asia. der Historie van Troyen).. Alse men wale hier mach sien. Daer es een boom. 850 selege selen H salighe sielen T bynnen T. 849 mit T muer T. 844 al der ierste H alre yerst T. Daerup ghegoten al met goude. Apelles was wel gheraect. Daerbi sloot onse here god Met enen mure claer vierijn. 838. Scemerende ghelijc kerstale. Ende suverre. dan noit water was. 833 we si. 851 is T en zóo altoos heit T zóo altoos. Die ronde voorme van eertrike Wasser an ghemaect properlike. 821 wit sarc. 847 bi H aen T tegebot H.245 * Ende twewaerf ghepurgiert. Daer ane stont dat diere werc. Jacob van Maerlant. dan een glas. Dier sonnen ghelikende wale. 834 hier ontbr. Daer saleghe sielen in sijn. Hi hade dien sarc boven ghemaect Claerre vele.

Soe es gedeelt in seven sticken. heet Cocobaces. 870 Dat is waer na dat ic can ghemicken T dat is wellicht te schrappen. 877 so] si H Na dattet p. 10 per mediam Babyloniam influit. Tigris heet die derde riviere.246 * Wie so van dier vrucht ate. Wellicht is de lezing van T de juiste. 867 noch min noch H. Isidorus Etymolog. lib. 871 die ontbreekt T ryvier T. 873 Doer ermenien H Doer germaengen T. 875 dor H doer en doer doer babilone T. Dit es van houte wonder groot. Hi bleve altoos in eenre mate Sonder evel ende sonder doot. In Ermenien springhen dese twee. 862 Ghion T dat ander H. 10: magnum mare juxta Alexandriam ingreditur. 878 Daer bi menich H mennich T. Jacob van Maerlant. Want daer es menich serpent Ende vreselike beesten. Die ghi moghet horen visieren: Phison. Ende Nilus so heet soe mede. Alexanders geesten . 865 en 866 Doer tlant loept sy van eigpten al ❘ Dat beloept sy groot en̄ smal T. 881 en̄ daer toe T. 876 es een H Dit is eufrates een flume T. 21. des sijt ghewes. Daer comen uut vier rivieren. indien de lezing van H de oorspronkelijke is. die heet ooc Ganges. Allen lieden onbekent. 874 al ontbreekt T. alsoe T. 859 Physon heit deen en̄ oec H. 869 Ghedeilt is sy jn VIII stucken T. Soe loopt dor meneghe goede stede Ende dor Egypten. 864 doer menghe T goet H. Dat hebbic ghelesen vele dicken. Honorius cap. Bi Alexandrien min no mee So valt soe in die grote see. Die vierde Eufrates. + Ende dore doude Babylone Eufrates. 854 bleef T maten T. Naest dien paradyse so es Menech lant. 860 vyt een berch T tetobares T bij Honorius De imagine mundi cap. 13. theleghe lant. vgl. 868 so ontbreekt T velt H roede zee H. dus esser viere. 865 dat heilge T. 858 mocht T. 880 * 853 vroecht H wie van synre vrocht yet T. 857 uut ontbreekt H. 856 Dat T hout T. Ende loopt dor dlant van India. een riviere scone. 861 en H leghet doer T. Honorius: Tigris autem et Euphrates in Armenia de monte Barchoatro funduntur. 855 860 865 870 875 + LXVIIIb 2. 863 nylus heit sy oec T. 10 Occobares. Geon heet dander daerna. 879 luden zooals overal T onbecant H. 872 nv sinder vier T. Dat es meneghen man becant. Coomt van enen berghe. Die eene loopt al dor Caldee.

895 dat ontbreekt T alre T. 3. dander Crisa. * resen ende dwerghe Van Gochs ende Magochs gheslachte. Die voghele hebber groot delijt. 37. 901 die vogele grijp H vogelgrypen T. 906 joden T coninc H bynnen vinc T. 1 . 902 teghen en zóo overal T mit hare T. 14 als ons orconden die vraye geesten. hist. die vraye geesten. 931 en Honorius cap. 891 steden T. heet Caucasus. Ende daertoe menich drake groot Ende voghele gripe. 889 jndia T. die daer wachten Jeghen alle man met crachten. An die noortside min no mee Staet een berch. vgl. 885 het gaet zuyt werd totter T. Es een eylant. 12 Argyra). 909 goch H T van magoch T. Die berghe van Caspia Sijn int lant van India. die coninc. 1 1 4 2 3 1 Jacob van Maerlant. Talre eerste conincrike daerna Dat eest dlant van India Ende gaet suut toter roder see. Sp. 898 argette H. 883 dat alder H ierste H yerste T coninrike H conincryc T daer naer T. 886 aen H T noch min noch H. 893 twe somer en̄ twe winter H T. Deen heet Argere. Meneghen joden in bevinc Tusscen die see ende die berghe. en̄ T. 48 vraye geesten jeesten T. ook 9. Ende daer in die selve stede Groit dat cruut in allen tijt. 1231. 884 is dat lant T. 10. Alexanders geesten . 1 . 888 aen H T weste sijde H occranus T. 910 in weet wat duvel dar H ic en weet duvel se daer T. Daer Alexander. 1 . Elcs jaers sijn daer sonder waen Twee somere ende twee wintere mede. Honorius cap. 1 . 41. hist. Daer tiene stade binnen staen. 7. 794. vgl. * 882 Det seggen H. 904 ant (S int) H. 1 . 11: inter quem (montem Caspium) et mare Gog et Magog ferocissimae gentes a magno Alexandro inclusae feruntur.247 * Aldus segghen ons die geesten. heet Tamprobane. 18 als ons vraye geesten orconden.o. 907 der see en̄ dien H. 10. vgl. An die westside Occeanus. 908 Van resen en̄ van H Wonen r. 890 approbane (S Taprobane) H te tunprobaen T. 899 die berge gulden H daer is menich berch jnne gulden T. Daer sijn berghe guldijn root. wat duvele se daer brachte. Sp. Twee eylande sijn daerna. misschien schreef M wel Dat s. 18. 18. 11. In Endi. 897 twe ander T. 55. 1. na minen wane. 9. 896 De vogele hebben daer H Daer is van vogelen T. + In weet. 1200 staat Argere (Sp. + 885 890 895 900 905 910 LXIXa 1. hist. 1 .

Int gheberchte wonen Pigmene. Honorius: Garmanos. Na dezen regel zou men allicht eene leemte vermoeden. 913 syn ghewaerlicke T. 915 lieden H lude T. 932 Werden si T. 928 daer jnt lant T weest H ooc ontbreekt T. Dus weerdet van bruunre maniere. Si draghen kindere te drie jaren. Orestes sijn daer ende Germane Ende Coacren ooc. 936 (en) sine H siene T. 939 oec menghen T. segghen de geesten. 934 eer H al haer T. 9. 930 Dan iagen si ute H. Honorius: sylvae. Denkelijk stond er Weerdet van en 930 Maer alsi. vgl. 884 vlgg. 917 Ten iersten sijn daer g. 919 Al selke boem oec daer H Dat daer so hoghe berghe T. Dat si boven dien wolken slaen. Alexanders geesten . Honorius Coatras as H ontbreekt T. 483 vlgg. Binnen achte jaren weerden si out. en Nat.H. Dat si verliesen hare ghewout. 927 tot H kynder te haren T. 925 eer H haer T. misschien is (roe) rauwe te lezen. Daer es luttel ieman so cranc. 1245 vlgg. Daer wonen ooc Macrobiene. bl. Die ic u een deel can bedieden.248 * Dese eten liede ende ooc beesten Ende drinken bloet. Die sijn twalef ellen lanc. 926 eer lant alte (S al) H alle haer lande T. Orestas. Honorius: quadraginta quatuor. Al sulke bome daer staen. Nemen willen hare coren Ende hare lant al testoren. Grote liede ende onsiene. Liedekine haerde clene. 935 wonen inne acrobiene H. nigrum colorem trahit de incendio. 920 die swercken gaen T. alse ic wane. 915 920 925 930 935 940 * 911 Sy T oec ontbreekt T. Maer si jaghen haerre vaerde Die serpente al met viere. 10. 912 Sy T dat seit die jeeste T. 9. 914 XLVIII H. Si en houden meneghen strijt Jeghen svoghels grijps ghebijt. 924 sy hem T oegste tijt H oest tyt T. Daer wast peper ooc te waren. 918 carratriten T. 940 vogelgryps T. Die jeghen die cranen houden strijt. vgl. 931 serpenten wech mit vier T. Honorius: vel crudis bestiis. 916 sal T. In India ligghen waerlike Vier ende viertich conincrike Ende daertoe menegherande liede. 922 liedekin H luydekyn T. 933 bynden T. 929 Dit volc T rechter erden T. Het es wit van rechten aerde. Jacob van Maerlant. Ook bij Honorius echter: apud hos crescit piper colore quidem albo: sed cum ipsi serpentes qui ibi abundant flamma fugantur. Want si in den oochstetijt.

Ander liede woner jeghen. de aanteekening.249 * Achter liebaerde. 964 logen H T. synt T lybarde H T. 957 en 58 ontbreken T. 966 hoede H Gehoeft als oft weer T. Die hovede hebben alse een hont Ende lede met langhen clauwen. Want hets sede in dien lande. Daer elc man sinen vader et. 962 XXVI T. Diere niet en et. Die ander huus negheen en maken. Dus eest bescreven te waren. Dan si up heffen met vlaken Ende bescermen hem jeghen dien reghen. 947 Die se T hy heues T. Ghecleet sijn si met huden grauwen. Ende alsi spreken tenegher stont. 957 geen. Ende si drinken die soute see. Daer es volc van Buricolet. T 969 talre H tengher T. 950 stout T. 967 lieden H. 953 ende T en V] dat H sout H ghesoutten T. Honorius: sunt alii qui pisces ita crudos edunt et salsum mare bibunt. + Ofte siere moeder. 973 en̄ in T. wel H. Daerna so es wonder mee: Daer sijn liede met breden voeten. 956 gescapen T alst weren H. Alexanders geesten . An elken voet sestiene teen. 970 weer H waer T. dats becant. 960 wonen daer H T. 972 somme H T. 965 wael H oec T. 943 val van burcolet T. Dat si verwinnen enen walvisch wel Ende achterswemmen: si sijn so snel. So staerc sijn si ende so vermeten. Die hebben an elke hant Sestiene vinghere. Ghescepen. Bassen si. Daer sijn liede. 952 achter svymmen T sijn ontbreekt T. 951 si enen verw. die rauwe vische eten. 944 Dat H. Jacob van Maerlant. ocht ware een hont. Ofte van oude bederven. En̄ mit herde langhe T. alsi sterven. 949 Dat H rauwe vische. als oft waren loeten. 950 955 960 965 970 * 941 achter sijn si H a. 945 En̄ syne T sinre H. van T. 946 ofte alsi H en̄ T ouder H ouden T. Dat en es loghene engheen. z. 948 die s. ik vermoed dat in deze naam schuilt sulker wet en in den volgenden regel met H dat gelezen moet worden. voren aren. Ooc hooric in bouken saghen Dat daer some vrouwen draghen Grauwe kinder. 959 hen dien H. 968 En̄ syn ghecl. Honorius geeft ook geen naam op. 954 wonders T. dats wel cont. in hare ouden 945 + LIXa 2. heves scande. Daer sijn liede. V roe visch] roe vleesch H ro vleys T.

Ghelijc alse een voghel vloghe. 1000 sterven daer af H sterven of T so ontbreekt T. Honorius cap. 983 Die steet hun int forhoet H Dat staet hem recht jnt hoeft T. 996 ooc ontbreekt T. daerbi) gheboren. dies ghelovet. ende si behouden Hare lijf so menech jaer. Si sterver af. 991 syn oec T hoeft: gheloeft T. 980 wonen daer n. Rieken si ooc enen stanc. Ander volc es daer na gheboren. Ander liede daerbi ooc sijn. 1001 serpent H serpenten T oec daer T. 12: sunt alii absque capite quibus sunt oculi in humeris. 988 harder H. 999 riken H ruken T. 993 in eer H in haer T ere mont H. Daer sijn liede sonder hovet. Alexanders geesten . Serpente machmen daer ooc vinden So staerc. 978 als waer H. 995 als H als een T. 997 roke van enen appel H. 1002 dien herte H den heerst T verslynnen T. Dits also waer alse Amen. 986 ende ontbreekt H enen T hun H. Die bi eens appels roke leven. 987 middenwerde H. 990 En̄ een man T. Jacob van Maerlant. 1005 so ontbreekt T. 976 daer naer T. 994 eer H haer T. Maer achte jaer en moghen si leven. Diemen heet Arimaspi. 984 daer by is a. Die staet hem int vorhooft voren. Ende hem staen doghen. si werden so cranc.H syn daer beneven T. 1. Ende een aerm es hem ghestaen In hare borst te middewerde.v. haer mont es In hare borst. 1003 dat sy T aver. 981 arismaspi H. bl. In haere scouderen. Nat. Ander liede wonen daer Die kinder draghen vive tsamen. T. Nochtan vintmen wonders mee: In Ganges so vintmen ale 975 980 + LIXb 1. Si lopen seerre dan perde. Ganghes die flume loopt hem beneven. 982 een H T. 979 sy niet T. Die up enen voete gaen. 314 ander volc es daer (var.T.g. Gheborstelt sijn si alse swijn. Maer ene oghe en hebben si. 1004 noch vintmen daer T. dat si den hert verslinden Ende si swemmen over die see. 992 en̄ hen staet oec H hem staet een oghe T. + Ander liede woner neven. 985 voet oec H voet T.250 * Werden si swert. 985 990 995 1000 1005 * 975 eer H haer T herde menich T. zóo altoos T. des sijt ghewes. 989 En̄ gh. 977 V vóór kynder T. Ofte alsmen scote met enen boghe.

1010 verdrinken H verdrincken hem T. Sine verdrinkene altehant. 1010 1015 + LXIXb 2. 1009 starken H. 1022 leet H leghet T lant geheten es ys T. Deen rike heet Aracusia Dor een poorte. 1017 adamanten T. 1020 1025 1030 1035 * 1007 ·ij· H twe T. Ende van den Siten waren gheboren. in sinen wike Sijn drieendertich conincrike. die sijn so staerc. Assuria. dit sijn saken + Waer ende loghene enghene. Misschien te lezen Daer vintmen ooc den seilsteen (: engheen). 1032 dien ontbreekt T. 1027 Van de citen waren si H tyden T. In die see ooc van Endi Vintmen slecken. Daer sijn woorme met tween aermen. 1030 Van eenre poert daert yerst T het ontbreekt H. 1016 so ontbreekt T selken steen H oec seil steen T. Honorius cap. dats ware dinc. dat gheheten is Partia. En machse breken gheen waerc. 1028 percen H parchien heiten T. Tusscen Inden ende Tygris Leit een lant. 1019 dies bocs H bocs T. is denkelijk de juiste. 1015 E En̄ en es logene engeen H logen en gheen T. 1027 en 28 in omgekeerde volgorde in H. Dats wonder van enen stene. Partia hetet bi rechter namen Om liede.251 * Dertich voet lanc bi ghetale. Sonder sbox bloet allene. 1023 Parcia H Parthia T evenzoo 1025 sine H. Also alsic in dien bouke las. 1035 en 36 ontbreken in T. 1011 oec ontbreekt T. de lezing van dit hs. werck T. daer het na Wilen eer gheheten was. Dattie liede huse maken Van haren scellen. so groot sijn si. 1008 niet sy en stormen T. 1033 Assaria T waer H T. 1034 assur den name ontfinc T. 1026 Van luden T ierst H tierst T. qui ferrum rapit. Die Parten hieten te voren. 1031 by wylen geheiten T. 1025 rechter ontbreekt T. Alexanders geesten . 1018 Die en mach br. 1029 aercusia H. 1037 talder ierst H tierste T. 13: India quoque magnetem lapidem gignit. gh. diere eerst in quamen. 1014 in waren saken H. Jacob van Maerlant. Daer so vintmen seilstene Ende adamante. Dat van Assur dien coninc Ontfinc sine rechte name Ende bleef hem ooc sint bequame Om dat was talre eerst sijn lant. sine laten niet ghehaermen Enen groten olifant. So staerc.

dies sijt ghewes. 1061 wast T beide H T. Honorius: synelites. Honor. Daerna leestmen dat Percen steet. 1040 die rode H der diluvien T. Daerna so staet dat lant van Meden Met menegher goeder vaster steden. Honorius: in hac primum orta est ars magica. 1055 1060 1065 * 1038 is T. 1057 een minsce besc. 1058 alsmen iewent H als men hem alte T. 1053 Persipolis T. Dat na dien coninc Medus heet. Dat some liede heten Perci. Die eens minscen hant bescout Alsmene iewet vaste hout. bl. 1049 perseuse T. 1 . Dat heet na den coninc vri Perceuse. 1 Jacob van Maerlant. 1054 men ontbreekt T tiersten H yerst T. Jupiters sone. 1059 smeliten H ghesmelt T. Die voer over der lovien see. Sijn oudervader was Noe. hist. + Hi maecte ene stat wel scone. 1045 dat na dien S] daer na die H daer na meduse heit ghereet. Nat. 14: a Medo rege. quod in medio duorum fluminum sit constituta. Honorius cap. es een eylant tusschen twee rivieren. Alexanders geesten . De juiste lezing zal wel verloren zijn. Dien Sineliten vintmen daer mede. vint dien daer T. 1065 men ontbreekt T mesopotania H. Daer men teerst binnen vant Toverie. 1364 legt H leecht T groot lant H. 43: Mesopotamia. H eens menscen hant verscout T. 1044 mit starcken en̄ mit rycken T. Honor. Van Tygris toter Eufraten Leghet een lant groot utermaten. 1047 somme liede H som die luden T persy T. 1043 staet] ontbreekt H is T. Ende sijn vader dat was Sem Die eerste coninc van Salem. Sine grote crachtechede Die wasset bede ende waent Metter mane in elker maent. 1063 totter T. 1039 dat was H. Die Alexander brac te sticken. Selonides enz. cap.252 * Dat leghet daerna altehant. 15: Mesopotamia a duobus fluviis Graece ita dicta. daer het na 1040 1045 1050 + LXXa 1. Daer es een steen heet Pirites. Ghenoemt hebbicse ooc dicken: Percepolis es soe ghenant. 1056 perides H pieredes T. Dat heet men Mesopotamia Van twee rivieren. 1062 mettier maen H en H. 1050 maecten een stede scoen (: soen uit soene verbeterd!) T. 1055 Die yvorie H. 1060 crachtegede H crachtichede T. Sp.: pyrrhites. 1051 en 52 ontbreken T. horic visieren. 12. 19. 1105. 1066 Dore een lant dar na H daert oec na T.

1077 makede ninus H funtamis T. Dit es waerheit sekerlike. 1068 der T des T. 1071 maecten munis T. 1075 es H van ontbreekt T. dan in enich lant Dat nu ter werelt es becant. Daer staet dat rike van Babylone. 1070 1075 1080 1085 + LXXa 2. 1095 iersten H yerst T. 1076 Dat H menfroet H nemfroch T maecten T ontbreekt H herde T. Die ute Grieken was gheboren Deerste orloochs man van eerderike. Ic dar mi wel vermeten das.253 * Eerstwerf gheheten was. 1078 makede H maecten T die muer T. 1069 daer inne staet H. Semiramis. 1072 vyt T. 1079 ellen H slechte ellen T es hi hoge H. Drie dachvaert lanc ende mee. Also als ons die bouke orconden. Die maecte Ninus hier tevoren. 1084 En̄ hondert T Met hondart H. 1090 Hondert T hoege H T sinen ontbreekt T. Daerbi so es Arabia. 1087 doer H T. Jacob van Maerlant. Daerbi eest dlant van Calde. Doude tor. Dor die stat loopt die Eufrate. Tweehondert slachellen hooch Dat seide die ghone die niet en looch Ende vijftich ellen es hi dicke. 1091 ist tlant T caldeen T. Ninus wijf. l. Maecte dien mure die daer is. 1097 daer na T daer bi dat lant was arabia H. Daer vroede liede wonen mee Van sterren. 1085 ghegaten alle T. 1088 daer an steet H daer staet jn T. Alexanders geesten . 1089 die grote toerne den T menfroet H memfroch T. 1070 dachvaert ofte T. Astronomie was daer eerste vonden. 1074 is die T. syn vr. 1073 die eerste H d. 1092 d. 1090 1095 * 1067 ierstwerf H yerstwerven T es T. 1082 van sconen stenen H tiegelen T. Ende viertich milen es domganc Met hondert poorten sonder wanc + Ghegoten al van metale Staerc ende groot. Die Nemfroet maecte haerde scone. 1083 L· mylen omganc T. yerste T orlogs H orloghes T van ontbreekt H ertrike H eertrycke T. slachellen dicke. Van roden teghelen wel ghemicke. 1086 (en̄ H) ghemaect H T. die Nemfroet wrachte Vier milen hooch met sinen gheslachte. ghemeen T. wellicht oorspronkelijk ende v. 1080 screef T dies T loge H. Dat daerin steet Ninive. 1081 en̄ hy is T es hi] es H ontbreekt T. gheraect wale. Daerinne staet dat oude ghesate.

1102 Om dat hy const wysheit T. 1100 versochste T.254 * Daerbi die goede stat Sabba. 1098 woordelijk vertaald dat men ooc heet Saba. die Damasch heet. Zooals ik vermoed is de eerste der uitgeworpen regels eene glosse. heeft alle vijf de volken genoemd: maar er zijn er te veel voor twee regels. 1112 Barrasinen en̄ moabiten T. Daer ene flume dore gheet. M. 1107 Katherine T. Honorius cap. 1103 iemant conste H yemant T oft H. 1117 daer T. quae etiam Saba dicitur. Die Farfar gheheten es. Na dezen regel Die stat steet jn Etyopia Nu hoert allegader hierna H Die stat steet jn Ethiopia In een lant niet verre daerna T. Sarraceni. 1122 steet H jn T. + Daer staet in dat selve lant Ene stat. heet Sinay. vgl. Daer staet inne. Jacob van Maerlant. Anders zou men de regel 1903 a. Er hebben er dus denkelijk vier gestaan. Idumaei. Ende es gheheten Surien Van enen edelen coninc vrien. Dan heeft misschien M. den here. 1118 steet H. a Saba filio Chus. Daer ontfinc Moyses die wet. des sijt ghewes Anthiocien. in hac est mons Sina etc. Daert wilen na was ghenant. Want hi conste wijsheiden mere. 1120 1125 * 1098 daer na T van sabba H saba T.T vor H voer T. Mesopotamia) est Arabia. die uit de verzen 1662 vlgg. Tusscen dier see ende Eufraten Es een goet lant utermaten. die wel rike stat Daer tkerstenheide vore sat Ende dien coninc Corobrant 1100 1105 1110 1115 + LXXb 1. Dan iemen verre ofte na. b moeten lezen als in T. 1108 die ingel H denghelen T. 1125 Daer sy den T die H corbrant H.H k. 1099 sab. T. In hac thus colligitur. Honorius: In ea sunt gentes multae. 1123 anthioca T wel ontbreekt T. Int lant van Arabia Leghet een berch. 1119 Damas die stede na dat ic weet T. Dies moet ons allen sijn te bet. 1111 armoniten T. Ammonitae. de aanteekening onder den tekst op vers 1103. 1124 dat k. ook in vs. 1120 fluvie T dor H doer T. genomen is en in den tekst raakte. 1104 Dat men heit Ethiopia T. Daer leghet een maghet vri Begraven. Sente Kateline Die dinghele grouven sonder pine. Daer wonen die Moabiten Amoniten. Daer Sibilla was gheboren. Ydumeen ende Madianiten. Madianitae et aliae multae. 1115 surie H. Die versochte hier tevoren Salomoene. 15: In ea (sc. 1101 dien conine here H den wysen heer T. Moabitae. 1116 Na den T edelen ontbreekt H vrie H. 1109 ontfenc T. Alexanders geesten .

16: ad cujus radicem. Daer menech mensche bleef verloren. Palestin. Leghet in Fenicen. heet Lybanus. die daer loopt. 1146 dat na S] darna H daer aen T. 1150 Dor H Doer T die hert. 1152 moegdy T. Ende nu heet soe Ascaloen. was T. Dat van Fenix es ghenant. secht men dus. 1130 1135 1140 1145 1150 + LXXb 2. Die Agenors sone was. 1156 daer na T steet dat hoet H staet thoeft T kerchen H. 1138 een T edel H T jaset H. 1136 diedsce H duytscen T. gr. 1131 in dierden H. 1135 Markaris (zonder die) v. Daer brachte wilen groot succurs Die markijs van Monferaet. 1145 Palestina T es oec daer H. 1141 datter H ceder boem H cedar boem T up ontbreekt T. 1139 borch T. daermen af las In dien derden bouc te voren. Honorius cap. Dat na ene goede stede Was gheheten. Daer staet dat hooft van allen kerken. Die Tyren maecte. 1130 makede H. aen T.255 * Verdreven met vechtender hant. 1143 iodaen H jordaen T daer doer T. Dat in dietsce bescreven staet. Daer die cederbome up staen. spatrierken. 1128 Daer na dat f. 1144 was in H. 1134 brocht w. Alexanders geesten . 1155 * 1127 dats oec H. 1130-32 also als ic bescreven las T. Die noch gheleghen es daerin. 1147 Die was T palestijn H palatyn T. Palestine staet daer mede. monfraet H monseraet T. v. 1129 soen oec H. Daer bi so es ooc gheset Ene edele stat. + Daerna es Joden lant. H steet H furus T. Honorius: a civitate Palestin dicta een H T. Daer es ooc der Fenicen lant. 1133 fenisien H so ontbreekt. In Fenicen so staet Surs. Vor dat dhertoghe van Bulioen Dode meneghen Sarrasijn. Dies moete hi ghelovet sijn. 1149 en̄ noch T ascalion H. H. 1155 dies patriarchen H des patriaerken T. 1142 daer in H d. 1151 daer doden T menegin saras. 1153 is der T. Dat na Judas es ghenant. Jacobs sone. bolion H govart v. Daer onse here in was ghedoopt. Jacob van Maerlant. 1148 leget oec H. bulioen T. 1140 gaet jn T fenisien H men leest ons T. Daeran springhet sonder waen Die Jordane. Een berch. sorcors T. heet Sajet.

Daerbi ant tfelt storte sijn bloet Menech edel kerstijn deghen. Dat die edele coninc Wijt Jeghen Salladine hilt strijt. Want daer en mach min no mee In vloten. 1169 daer na so T oec sod. 1183 en 84 in omgekeerde volgorde H. H daer by aen tfelt storten hy T. 1185 En̄ s. 1168 saladyn T hielt H T den str.256 * Jherusalem. Die tien tiden waren versleghen. 1179 fluuie T jordaen H T. Agarene ende Nabatiene Ende andere gheslachte tiene. 1180 als ic T waen H T. 1183 dat T crachten T.H ander ·XII· gheslachte siene T. 1187 onder zou men best kunnen missen. H. 1166 is versl. 1162 montabor ist gh. Daer vijf goede stede stonden. 1164 En̄ daer hi (J (= Jonckbloet.T. alsoe T. 1160 got seluen gh. (J zonder god) H en̄ haer s. T. 1182 ander geslechten t. 1174 en̄ god soe eer s. Dichtkunst 2. Al die werelt sal onder hem staen 1160 1165 1170 1175 1180 1185 * 1157 ten T. 1170 dar tho H oec mede T. der Middennederl. Daeran leghet Sodoma Ende daertoe Gomorra. 1175 Want daer es die rode H. Die sijn van Hismahels gheslachte. al T geet H. T. Daer na es ghestaen Galilee.T werlt noch T. 1173 sulphur H vuer T. 1184 hismaele H gheslachten T. 1167 dat J] en̄ dat H doe T. Soe ontfaet in haren monde Algader die flume Jordane. Alexanders geesten . T. 1158 vyt en̄ jnne T. 1178 ontfeet H. dat ic wane. Die sullen die werelt winnen Met crachte ende sonder minnen. Die God selve dor hare sonden Met sulfur ende met viere ontstac Ende so hare sonden wrac. 1163 daer was gh. Die dit lant houden met crachte. 451 vlgg. 1177 jn comen ten g. Ende daerna so es Nasaret Bi Montabur es soe gheset Daer onse here was ghevoet. 1181 Agriene en̄ naboriene H. 1159 so ist tlant van g. 1171 stoenden H. 1176 want ontbreekt H. 1161 so ontbreekt T. Jacob van Maerlant. en gaet te gronde. 1165 kersten H T. Daer es nu die dode see. Geschied. Daer god ghinc up die see. daer nu te tiden Die heidene ute ende in riden. ons heer got T. 1172 eer H.) zonder hi) oec st. jn T. 1186 mit crachten mit stryden en̄ mit onmynnen T. Daer bi wonen.

257 * + Te cheinse ende ooc in dienste gaen. Dese Tatre. Nu segghen papen ende clerke. Al dien eylanden vander see Sullen si doen haerde wee Ende hebbent al in hare ghewout. 1189 allen H T den eylande T. die nu so bout Asien dwinghen met ghewout. 8. 1206 aver T zoo altoos. + LXXIa 1. k. 4 Tot vs. 1205 ierste H T heet H. Die god selve sinde metter hant Om die quaetheit die hi vant: Aldus sullen dese comen Die wi Tateren horen nomen. 1207 Soe wan T agistus H Egi T. die T achter 1318 heeft. Rechte suut van desen lande Es Egypten al te hande. 1203 recht H T sut H. 1202 hem niemen en mach ontgaen H niemant teghen hem sal moghen staen T. 3 en 4 vgl. Ende prouvent met vlite: Dat sijt al dwinghen sonder waen Ende niemen jeghen hem mach gestaen. zijn.T. Om die quaetheit diemen wille vulbringhen Sullen si die werelt dwinghen Ende sullen gods gheselen wesen Alsemen hier af vindet lesen. 1197 en 98 ontbreken T. Dat si sijn Ismaëlite. 1195 clercken T. 1191 al T een deel H. 37: dus sijn die heidine Gods roede ❘ beede uptie quade ende uptie goede. 1190 solen si H sullen wy T. Ik beschouw naar aanleiding van T deze regels als geïnterpoleerd. 1193 en 94 dus eest vorsacht in waren dingen ❘ Dat Ism. 1194 dat dit T. 3 . Over ene wile daerna Wan Egiptus al dat lant Ende hiet Egypten al te hant. Dier werelt rijcheit ende haer gout. Jacob van Maerlant. zou allereerst het ouzvivere rijm verbetering vereischen. 1199 si ontbreekt H sy heiten T ismaeliten H hismalite T. ook al schijnt niet de oorspronkelijke lezing te zijn. Zie de regels. Ik zou ze dus herstellen: Men leest ooc in dier selver stede: Also alse Alexander dede. Sp. Dat dese liede ende haer ghewerke. in den volgenden regel is misschien want in plaats van dat te lezen. solen volbringen H. 1196 diese H wercken T. Immers indien zij van M. 1197 nu es H. 1200 proeven dat wel T provent bi abiten H. Na dezen regel alleen in H: Also alse Alexander dede Men leest oec in dier selver stede Dat Alexander was een plage Over gode en̄ over quade Die god selve sinde mettier hant Om die quaetheit die hi vant Aldus sulen dese comen Die wi tateren horen nomen Om die quaetheit diemen volbringhen Wille solen si die werelt dwingen En̄ solen gods gesellen wesen Alsmen hier af vindet lesen. 1190 1195 1200 1205 * 1188 Te manscap en̄ te d. Alexanders geesten . Die een plaghe was ende roede Over quade ende over goede. Dat alre eerst hiet Epla. 1192 dier werelt J] dier waerheit H siluer T richeit H haer ontbreekt T. Dus is die waerheit voerseit al Dat Ismaëls kinder gevallen sal. hist.

Want Pharao aldaer verdranc Ende gaet west tote Affrike. de aanteekening. Agenors sone. 1231 maecten en altoos n in de 3de pers. Die Alexander. No van reghene wat en weet. H tierant T. van het praet. 1210 aver ghinc mit ghenynde T. 1229 Cadmus S] catinus H caldmus T. die in beide teksten is ingeslopen. ook Honorius cap. 1232 coene wig. 1211 En̄ aver leiden des hebn sy T hebbi hi H. die Teben heet. Men vint gheen lant sijn ghelike. die clare riviere. 18: Haec fluvio Nylo undique cincta in mo lum Deltae litterae est formata. der zwakke vervoeging T agenors lant T. Dat soe wast ende maket nat Algader Egyptenlant. Die hi maecte in Griekenlant. 1226 Tlant van Egipten H. Alexanders geesten . 1225 weest H valt T maect H. Men leest dat daer binnen steet Hondert dusent goeder stede. 1219 Mer dan XX T steden H. 1227 Dat men coern vint T. 1217 die Ganges heit al sonder waen T.258 * Die rode see es ant oostende Daer Moyses met ghenende + Tfolc over leide. 862. vgl. Lees Geon? vgl. Want ook vs. vs. Daer es een stat. Die Cadmus maecte. Wellicht echter is de geheele regel niets dan eene glosse. Nilus hevet al om bevaen. 1210 + LXXIa 2. Men leest dat tote an den daghe heden Daer noit gheswerc over en leet. 1230 ende ontbreekt T na die stat scoen T dat gone H. 1221 Datteir H Dat daer T swere T. 1234 Mit vromicheden ende mit ghewelt T. 1223 claer H suete T. 1218 oec dat daer jnne staen T. 1216 om ontbreekt H. Al verbernde ende velde. misschien zijn beide woorden een toevoegsel. 1215 da H jn staen T. Men leest dat daer binnen staen. Alse u die eerste bouc vertelde. maar in verschillenden vorm. 1222 noch H noch noyt T reghen T wat en weet] en wart weec H en wert wreet T. 1215 1220 1225 1230 * 1209 jnt oest eynde T. Ende hietse Teben na die gone. 1213 Het T geet H west wert tot T oestrike H. 1214 en vint T lant ontbreekt H syns T. omdat Machmen coren winnen ghereet. z. 1220 oec vinden wy bescreven mede T leest an die dage van H. dies hebbi danc. Maer Nilus. die wigant. 1228 is oec theben got weet T de H. Die bat up ooc Ganges heet. centum millibus villarum inclyta. 1233 Had verbrant en̄ oec ghevelt T in dien velde H. Jacob van Maerlant. Hevet al sulke maniere. 1215 zou men liefst missen en lezen Nilus hevet al bevaen. 1224 heuet sulcke een T. Noch daer so goede stede staen.

1240 jozimas H mitten gheselle T. 1236 En̄ maximeaen T. sinder T deghentlicke T. 1239 ligghen aen T ane es H. 1237 ontlijft T sine H. Rb. is ingevoegd naar aanleiding von Bénoit Le Roman de Troie 23228-23282. heet Caucasus. in de Historie van Troyen. 1258 telle daer ave T. superans. Die verwan Egyptendiet. Dat es Babilone-Kaer. De fransche verzen zijn woordelijk vertaald. 1245 Hy m. T.259 * 1235 Daer was sente Mauricius gheboren. 1250 Daer maecte sider deghenlike Alexander. Z. 19: et per Aquilonem vergens pene usque ad Europam porrigitur. 1256 oesten ten westen H west md totten oeste T. T. 1259 es een deel H. 1257 totten en zóo overal T heet ontbreekt T cancasus H. 1255 grote vaert T. Bindien berghe. * 1235 Vandaer T maricimus H maurys T. Daer ligghet ane grote woestine. eene episode over de Amazonen. 1245 +Ende maecte ene stede scone. 1253 synt jn wert T in ontbreekt H. 1260 Vander oest zee T. 1248 Dat T thoet H thoeft T. de aanteekening. Jacob van Maerlant. 1252 een T en̄ heitse T. Ende telle u daeraf aldus: Sijn oostende es verheven 1260 Jeghen die see. die vrie. 1242 Die gade T groten vl. 1255 Nu nemic weder mine vaert Van dien westen ten oosten waert Toten berghe. denkelijk stond er nog een andere naam van Cambyses: vgl. Die hi hiet Babylone. H. 1240 Daer Zozimas entie ghesellen sine Ende daertoe menich eremite Gode dienden met vlite. Die nu thovet es. daer hi es open. en die door Maerlant hier. 1243 dese hiet H die alsoe h. 17436 vlgg. 1247 Daer H babilonien H. Alexanders geesten . + LXXIb 1. Na dezen regel heeft dit hs. Ene stat. Honorius cap. Die Maximianus hier te voren Ontlivede ende die ghesellen sijn. Daer hi in es begraven Nu ter stont met groter haven. 1246 die heit die heer T.T. 1262 is hy T. 1249 alle desen T. 1251 stoutte vrie T. Bij Honorius alleen: Camb. 1254 Mit herde veel gr. dats waer. Van algader dien conincrike. 1238 kerstine H. die in H geheel ontbreekt. 1244 Dat hy ghewan dat egipsche d. 1250 maecten si H m. heet Alexandrie. Honorius: Huic maxima adjacet solitudo die grote J. rex Aeg. T. 1261 recht over tote H recht voert al bi T. Omdat si waren kerstijn.T een H T. 1241 goet herem. ende comt ghedreven Rechte over noort tote Europen. Cambices die * hiet.

Dat daer in den lande gheet. die wigant. 1285 Die heuet T Hevet H hirtanie T den name (naem T) H T. Honorius: Colchi. 1265 En̄ die tolken H Dat is waer T. 1288 daer na T woent H T van groter T. Haer vederen scemeren met nachte. Die met Ettelen. Die Massageten sijn daerna Entie Colken ende die Sarmaten. die moordenare. Alexanders geesten . 1273 een ryviere daer al te hant is bijna niet te dulden. die felle man. die iets meer over de Amazonen verhalen. Heeft Yrcanie de name ontfaen. 1275 Die H. Dat es gheheten Yrcanie.v. Dat na een water Bacteren heet. His cohabitant Massagetae et Colchi et Sarmatae. Ene scone riviere. 1285 1290 * 1264 Massa geheten (J Masageten) H. + Doe hi Darise hadde versleghen Een ander lant es daer jeghen. 1272 ane H aen T fastis H phisis T. Daerbi wonet volc van crachte. 1289 beide H T eiten T en̄ oec H. Alle die lande. 1266 Dat is T wreet] wers H vroet T. Was ghevloen met siere scare. leit daeran. Bij Honorius beantwoordt aan 1262-72: Hunc inhabitant Amazones feminae videlicet ut viri praeliantes. Daer vlo met siere companie Narbesines. dien brunen. Daer Bessus. Misschien zijn deze verzen in H. 1281 Daer aen leghet hirtanie T. Bede Siten ende Hunen. 1278 gevlouwen. Vaste daeran licht Bacterenlant. Het begin van 1267 is stellig corrupt: 1269 en 70 behooren denkelijk in omgekeerde volgorde te staan. An die noortside loopt Fasis. Dat es dier maechden lant. al te hant. by T. een inlapsel. 1290 hettelen den T. 1275-80 ontbreken T.260 * Es dlant van Amasonia. echter b. Versleghen vander coninghinnen. Om dat hi dlant waende winnen. Dits wreet volc utermaten. Die was gheheten Thamaris. Anders zou men hier kunnen gissen een riviere achemant of iets dergelijks. Daer was Cyrus. 1302 (als dit vers niet ook bedorven is) 1204 en 1438. 1287 vlogel sc. Van enen bosce. lees dat is volc wreet? 1267-71 Na dien dat ons bescreven is. Jacob van Maerlant. die nu sijn 1265 1270 1275 1280 + LXXIb 2. 1284 liegt H leghet T.T ligt H. 1286 voghel T. 1282 en 83 alsoe als ic bescreven sie En̄ ic oec ghemercken can. 1274 vaste aen leghet vratten l. en behoort alleen die eene regel van T in den tekst. vgl. Daer voghele in sijn sonder waen.

1321 Is belopen T. Ik vermoed. 201d). of ghenant. heet Ararat. die daer ligghen bi. dat hij ze later op een los blad heeft bijgevoegd en dat zij op eene verkeerde bladzijde werden ingelascht. 1318 leestmen H T. 1302 Hier by T. tfolc van H. Daer Noe selve binnen sat Ende voer up. Honorius: mari cingitur. 1295 1300 1305 1310 1315 + LXXa 1. 1316 volne H vollen T. 1320 omtrent H T. in een vroeger denkelijk juist een blad. 1309 Doe die diluvie aver gh. 1311 soe is T. Dorevoeren met orloghen. Over die berghe an die noortside So waiet emmer in allen tide Die noorden of die noortoostenwint Hier an liegic niet een twint Ende dit heet dier Taters lant. 1300 leget H lieghe ic T. belopen zal wel het juiste zijn. 1312 Daer na capadosia T. 1308 hy seluen T. Dit es ghewaerlike dinc.T. Die heten Yperbori. 1303 tfolc ontbreekt T. o Jacob van Maerlant. Die die namen souden ontfaen. Honorius: ibi sunt Hyperborei montes. Daer an es minder Asia. 1296 En̄ heiten T Die h. Zij beslaan in het hs. 1294 mochtmen sien van hogen H. Daer sijn merien sonder waen. Daerna es Yberia Ende daerna Capadocia. Alexanders geesten . om de verzen als niet van M. doe die lovie ghinc. 1319 daer es dat H. Men mist bij het volgende dat heet. 1305 Armenie T ligt H is T. 1306 Noees a. 1310 is is T. afkomstig te beschouwen. T. Dit lesemen al over waer. 1313 namen hebn ontf. 1304 Volc wort ghebaeren T. Hierna heeft T nog 38 regels over de Tartaren. Die mettien winde voolne ontfaen. 1317 En̄ sine H mer ·iij· T. die op vs. Er is geen reden. Danen machmen sien met oghen Berghe. Armenia dat ligghet daernaer.261 * Tusscen Spanien ende dien Rijn. Sine leven maer altoos drie jaer. 1293 dor v. 1298 tyden T. 1320 * 1292 spaengen en̄ den T. is T. Noch so es die arke aldaer Up enen berch. 1301 der terteres T. om dat tfolc aldare Gheboren weert met witten hare. T. komen zij een blad en 9 regels te laat. Daerbi leghet al tehant Albania. Dat al ommetrent wel na Beloken es mettier see. + Van steden. juist een kolom (f . De verzen volgen in de aanteekening. 1297 dien berch. 1202 behooren te volgen. 1295 bergen H.H al doer v. in ons hs. en dit stond wellicht in dezen regel in het rijm. diere binnen staen.

1339 Dat 1. 1352 dardanose H dardanus T. daer het na Was gheheten. 1335 wat (J was) H. Doe si dlant ende daertoe meer Hadden ghewonnen verre ende na. 1338 nijt H ofte T nictena H biocna T. Dat gheheten es Dardane. 1350 Daer na is oec alte hant T. 1341 Smirna S] smircia H smirna of siturna T. Die Teseus maken dede. En nu hetet Bitinia. 1334 daer het] dar H daert T. 1323 in J] die H daer is een p. Die heet Nich ochte Nicea. Die gods verholenhede wiste. Honorius Berica. is d. denkelijk stond er dit lant dar tho H. Ene stat es ooc daerna. 1333 Bitinia J] betinia H buuia T. Na Dardanuse na minen wane. Jacob van Maerlant.. Honorius cap. Die wijf van Amasonia. die stede. 1325 1330 1335 1340 1345 1350 + LXIIa 2. 1336 heter J] hter H heitet T. Gallacia dat es daerbi. Die maecten die wijf wileneer. Van enen coninc. Ene dochter hadde Europa. Phrygia) et Dardania. 1337 ander st. T. Daer leit sinte Jan ewangeliste. Die Effesus es ghenant. Dat na den Gallen heet bedi.. 1344 Daer T den ontbreekt H hetet H hiet T. Ene poort es in dat lant. 1343 Caloes T. Daer staet Smirna. 1347 so ontbreekt 1348 europia T. Daer na es Migdonia. jnt 1. Daerna so es tminder Frigia.. 1326 die lande T. 1327 veer T. + Daert eerst was na ghenant. 1349 yerst warf na was T. 1331 micdonia H. Dit lant van Bitinia Heet ooc dat meerre Frigia.. Alexanders geesten . 1353 des groten Jup. Want si mettien coninc Bitine Dat lant wonnen met groter pine. Die was Jupiters sone. 1345 hi (S si) H. 1332 alre yerst T beona T. 1325 wilneer T die wijf zou men in dezen regel gaarne missen.T. 1351 Een ander lant dat heit T. 1329 ligt H leghet T sente Johan H T. Bitinus. T. Daerbi so es een ander lant. Dat te voren hiet Berica.dicta. 1330 ons heren T verholenheit H T. Ooc heeter ene stat aldus.262 * Daer ic u af sal tellen mee. btinia T. * 1322 u ontbreekt T. 21: Haec (sc.

Jacob van Maerlant.3 (uitgave Venetiis 1483) Herinus. daer die gone Van Grieken tien jaer vore laghen. 1355 tien jaer ontbreekt H vor H. Die in latine taurus heet. Daerna so es Ysauria. Dat van der lucht ontfaet die name. Honorius cap. 1370 Dat (J daer) H die edel H die coen T. qui et Taurus. lees in dat ghone? Honorius: In hac es mons Amana. 1361 L. 1354 daer es H. 1372 van ontbreekt H dien H den T. 1356 X iaer eer H. 14. Want soe es daer so bequame. Daer na so es Licia. Alexanders geesten . Die wilen eer Hermus hiet. of moet men riken lezen? 1374 berch groet en̄ scoen T. 1369 Glicia dat is d. 1378 sente H T. 1365 clariena H chietra T. Pamfilia Ende Ponten dat grote lant. 1364 Om des wille een poert ghemaect es T. 21: Lydia a Lydo rege. Daerna so es Licaone. 1373 Dat was des rycken T agenors H T. Daer Alexander. 1368 Om dat haer soet was en̄ bequaem T. 1360 Daert sant T goult H. Dat van Liduse die name wan. alstie ghone. Die Perceus maecte hier te voren. 1380 Pisidia S] Ysidia H Iridia T pausilia H. 1371 darius den T. Etymolog.263 * Daer in es Troien. Cilicia so es ooc daeran. Honorius zegt dus niets van hetgeen in beide hss.T. Daer sinte Pauwels was gheboren. Eer sise ghewonnen saghen. Daer lesemen dat Tarcen steet. 1359 wilen eer] wilen H bi wilen T Erimis H. 1376 daer J] dat H men leest dat daer T tecen H. Lidia so staet daeran. dat is T. Isid. Daer een poorte na gheheten is. Dat van Cilixe die name ontfinc. Daer loopt een riviere scone. Die gheheten es Tiatira. de uitgave van Honorius (in de Patrologiae van Migne) heeft Hirnus. dedele man. In hae etiam Thyatira. Sijn broeder hiet Tirrenis. 1382 is T. 1357 lichaone T. Dies rijks Agenorres sone. 1377 to v. Haer sant was gout ende el niet. 1379 so ontbreekt T. 1362 Die H lidus T dien namen H den naem T ghewan T. 1367 doecht ontfinc T ontfeet dien H. Scoffierde Darise dien coninc. 1363 was T nerinisis H sierenus T. fratre Tyrrheni appellata. staat. Daers een berch. Pisidia. Daer Ovidius was versant 1355 1360 1365 1370 1375 1380 * 1354-56 Daerna staet troyen die stat scoen Daer die Grieken laghen voren Als ghy ghehoert hebt en̄ noch sult horen T.T. 1366 nae is isamia T.

Hi ontfoerdese haren vader. Gotlant. Dat hetet te minen trouwen Dat nederste Citia. oec T. 1384 Daer op rechte H recht op d. daer bi H. 1390 1395 1400 1405 1410 * 1383 sente H sent T. Daer Kiewen es die goede stede. 1390 thieren H te tieron T. 1386 Nv seg ic voert T solen wi H. Het was gheheten sekerlike Na eens dochter. + Dat rechte up die see ent. heten Rifeï.s. 1385 heb ic cort T. heit T meodocia H. heet Tanaïs. Entie mersce Meotides. Die Tyren hadde meneghen tor. Ende was Europa ghenant. 1404 deilden H deilen T. An die noortside der see bi Ligghen berghe. 1395 nort s. dat es al uut Ghedeelt mettier Donouwen. Asien hebben wi dorlopen.264 * Ende ooc mede sinte Clement. 1405 vanden lande recht T recht H. Dats terdendeel van eerderike. Daert bi ghesceden es Van dien lande van Asia. in mersce veranderd werd. Dus delen si die lande ontwee. 1403 marchen H T totter T. 1394 d. 1400 daer tlant bi versceiden T. hiet Agenor. heit dit lant T. Van Tanaïs rechte suut Leit een lant. Bi eere stat Theodosia Gaen die merscen toter see. 1411 Godlant H Scotlant T. 1406 liet H leecht T. Jupiter. 1413 jn is T. Alexanders geesten . 1391 was ontbreekt T. die grote tyrant. 1397 tancis H cannus T. mercht mechiodes T. hetwelk reeds door Jonckbl. 1393 ontfoerdse H ontfuerde se T. 1402 eenre H T stat van H st. ene dochter had[de] T.n. Honorius Riphaei. 1389 een H. Lijflant ende Prusen Hongerien ende Rusen. 1399 mersce] niet geheel duidelijk in H. Schmeller las vierde. 1412 Ongheren T. 1387 en 88 ontbreken T. 1410 lecht H leghet T alenia H arania T. 1385 + LXXVIIb 1. Nu sulwi segghen van Europen. 1407 gedeilt H T wanic mitter T. 1398 Dat H Die een T. 1396 die heiten T resei H aphei T. 1408 heet H Daer heitet na by mynre T. Jacob van Maerlant. Daerna so heet dit algader. Daerna leecht Alania. 1409 cecya H tichia T. of te lezen met het ander hs. Die na enen coninc gheheten is. Ende een riviere.

1415 Vngherien T pollane H. 1416 Tlant van b. in haer begrepe T. 1439 westvalen T. heet die Elve. in die Dunouwe. Honorius cap. Germania hetet in latijn. des grote T. Jacob van Maerlant. 1427 Vallen alle T don. 1423 en̄ heit T. Beieren al te hant. Bulgerie ende Polane. Viertich rivieren valler in. si al H al meest alle dr. Vander Elven al nederwaert Leghet Vrieslant an die vaert. An die noortoostside sine Loopt een riviere. Van danen over viertich milen Machmen beseffen sonder ghilen Haren stroom al in die see. 1422 aen die nort west s. 1432 ghedeilt T dan H. Min no meer. dr. 1442 dar tho H lande T. Sassen ende Westfalen mede. H. Dueringen. 1428 water H. T.T. Het gaet west al toten Rine. + Tusscen Monju entier Dunouwen Leecht een lant. si T. Swaven leghet in dat selve. daer scone vrouwen Haerde vele binnen sijn. 1431 (noch H) min noch H T.H aent noertwest ende T. 1430 Die v. 1433-35 ontbreken T. kerstenheyde H. 1419 veel H Daer scoen vrouwen b. 1443 al ontbreekt T. Daerna esser Vrankenlant. H. 1438 Beyeren en̄ vrancrycks lant T. 1421 geet al west H. Alre meeste draghen si scepe Van die vallen in haren grepe. 1436 verch dr. 1444 legt H ane H aen T. 24 heeft: versus aquilonem Albia fluvio terminatur. Honorius: in hac est regio Suevia. Hassia staat niet bij Honorius.b. en̄ c. 1420 Garm. 1417 moniou H monuj (onduidelijk) T don. dat es mee. veel v. 1420 1425 1430 1435 1440 * 1414 en̄ d. 1433 denen. H. een niet min T. 1429 al m. 1437 daer na hessen en̄ doringhe lant. Algader dese goede stede Hiet Almanien wilen eer Ende daertoe lants vele meer. T. 1418 legt H groet lant jn trouwen T. 1441 heiten T. 1415 + LXXIIb 2.265 * Een die beste van kerstenhede. maar T zal toch wel gelijk hebben. Ende versch ooc drinken. Dies es soe alre watere vrouwe. Alexanders geesten . Daer die Dunouwe springhet in. 1440 alle g. 1424 in] an H aen T. In seven stucken min no mee Valt soe ghedeelt in die see.T. 1425 don. Behem ende ooc Comane. 1426 Honorius en Isidorus: sexaginta fallen daer in H ryv.

1463 Constantinopele H. Nu keric weder ten oosten waert. T. Daer es een fonteine. Staet daer in dat selve lant.. 1447 aen H T noert syde is deenm. + LXXIIIa 1. 1460 Tracen H Trachie T. maar bij Honorius Tras. 1446 Soe heit wilen vr. 1474 heet H heitse T.266 * 1445 Tusscen der Elven ende Sincfal Hiet wilen eer Vrieslant al. An die noordoostside es Denemaerke. 1475 Die selve Pirrus hiet. Dat ander heet Messia. Constantenoble. Etym. 1454 Van der don. 1462 ierstwerf H yerstwerve T. 1450 Een lant met vele goeder steden. 26 en Isid. 1 Jacob van Maerlant. Algader hetet Grieken entrouwen Tusscen dien Braes ende dier Dunouwen. die goede stede. Alexanders geesten . Die Constantijn maken dede 1465 Ende na hem es ghenant. T. 1476 fontein H T. 1456 So 1. 1457 neder ontbreekt H. 1460 Tracien dat es daer bie. Achilles sone hietse aldus. 24. 4. Dat na Jafets sone Tyras Eerstwerf gheheten was. Daeran so es Bulgerie. Dat men heet Dalmatia. 1473 Epierius T. 1469 wilen soe heitet T tetijn H. 1468 t. 1461 sieras T. Die es gheheten Epyrrus. 1 . bares T. Tyras ook Sp. + Men en vint gheen lant bat voort. 1448 wilen waren T helde H. 1472 goede s. 14. usque ad mare Mediterraneum est Messias. 1450 Tlant T. Honorius cap.. en liege u niet.deinde Pannonia inferior. Ende bat oost so leghet Sweden. T conincriken H. 1471 heet men H heit T dalmachia T. Ene stat steet daerna. T. Daer waren wilen heelde staerke. 1451 Noerweghen is vyt bet T vort H T. 1459 daer na is bulcherie T. 1452 en ontbreekt H bet T. 1475 epirrus H pierus T. imo circa Danubium versus orientem. ter see wart H jn die zee T. 1455 die noerwegher zee T. 1470 een ander T. 1470 Een lantscap es daerin.. 1467 jn tr. Dat een heet Neder-Pannonia. Daer de Dunouwe ter see in vaert 1455 Ende tusscen dier Narvelsee Ligghen conincrike twee. Wilen eer doe hiet Cetin. * 1445 der ontbreekt H en H ontbreekt T Sincfal S] sinen val H swyt val T. staet T. Noortwegen es bat noort. 25: A Danubio. hist.

Na dezen regel Als ghy horen sult hier naer Daer na steet dat weet vorwaer T. T. 1482 na caonie heit T nacoen hiet menne H. Sijn vier en mach niemen breken. 1500 bauen die swercke gaet T. 1503 archadia dat T stat d. Pirrus sone. 1496 die stoutte vr. 1480 1485 + LXXIIIa 2. ende daerna Heet die poort Molosia. 1508 Eens vuer en m. Dat van Tessaluse es ghenant. Tessalien. 1479 een H T. T. Daer es Corinten. Bedi dat soene verweerde. quam Helenus frater Hectoris aedificavit et ob amorem fratris sui Chaonis Chaoniam appellavit. Die Cycrops. Daer Jupiter in was gheboren. 1498 In daer lecht H En̄ daer hy oec was jn ghevoet T. te v. 1495 d. na mach. Daerbi Theben die goede stede. 1480 die heit T. 1478 w. a civitate ejusdem nominis appellata. 1487 die staet T. Daer Alexander. Alexanders geesten . een stede scone. 1499 Daer leestmen dat alimphus T. T. 1505 Asbestoen S] albestoen H T.T. Die Molosus maken dede. 1483 steet H Een goede grote rycke stede T. 1494 tessalus T. heet Asbestoen. Arcadia die staet daer voren. Eerstwert maken dede. 1481 hect. 1507 wert hy eenwerf T. So wonderlike es sijn doen: Woort hi enewerf ontsteken. Die Ectors broeder Helenus Na Caoene hiet aldus. 1490 1495 1500 1505 * 1477 lescht H. Daer Alexander in spien crone. . 1491 en 92 ontbreken T. ontstect H ontstict weder T. niet ontbr. 1489 ierstw. 1493 Tassalia H. dat goede lant. H een werue T. Een berch die boven dien wolken slaet. 1497 ghebaeren en̄ ghegoet T. Ene poort es daerna. Daer so staet ene stede. 1504 verloren H. Die Alexander destrueerde. Een steen es daer. T.H. 1490 ontbreekt H. + Athenen staet daerbi. 1488 Etrops die c.267 * Daer men in blusscet enen brant Ende weder ontsteect al te hant. 1486 hiet H heit T stat T melocia H. een coninc vri. 1485 Pierus T dar na H. Jacob van Maerlant. Honorius: Est et Chaonia. Men leest dat daer Olympus staet. Ende daer leecht sijns vader goet. Die es gheheten Caonia. In was gheboren ende ghevoet. die vrie. Ende daertoe Macedonie.

1519 der T moniou H. Roma. 1532 steet H na T edel H T. Daerbi so es Ystria Bi enen watere. 1525 Aen T. Daer in steet meneghe stede vrie. Italiane heten in latijn Alle die liede die nu sijn Tusscen die Suutsee ende Moniu. Alexanders geesten . dat Yster heet. In die noortside es Lombaerdie.T ytalis H. Die met gode es vercoren. 1530 Daer vaste T daer binnen H. 1540 eest ende H is teynde T. die vrie. Dat uter Dunouwen gheet. 1513 so ontbreekt T ytruria H hesturea T. 1514 Van H een T water H T. 1525 1530 1535 1540 * 1509 Dat h. Dat es tende van Italia. 1537 so ontbreekt T polien H. Daerbi so es Latie. Die Romulus wilen stichte. Die daer coninc was een wile. Campanien dat es daerane. 1527 Dat zuyt daer an is T bart (S bat) H. 1531 so ontbreekt H Daer bet voert so staet lathie H lacie T. 1534 menich man toe heft T. 1511 Dat sente Martijn T ghebaeren: verlaeren T. 1512 was T. Daer menech hevet toe ghelopen. Jacob van Maerlant. 1516 ghiet T. 1517 Italiaen H Ytalia T heiten syt T. 1520 En̄ hoe T.T. dat segghic u: Een coninc was in Cicile. Daer men vint dien goeden wijn Ende vaste borghe binnen sijn. Over waer leestmen dat daer Sente Mertijn was gheboren. Daerom hetet dlant aldus.268 * Hoghe Pannonia es daernaer. 1533 thoet H thoeft T van al T. Voort bat suden es Tuscane. 1522 was daer c.T. daert na Was ghenant. Waerbi dat es. Venigen de stat es daerna. 1521 cicilie H cecile T.) H Compaengen T. 1535 wilen eer H. 1529 daer vintmen H. 1523 En̄ w. Daer Ovidius vele af dichte. 1538 calaberen T. + Die was gheheten Ytalus. thovet van Europen. Daerna so es Poelien gheleghen Ende Calabren daerjeghen. Daer staet die edele stat. 1510 Daer men leest aver waer T. 1526 staet menghe stat T. 1510 1515 1520 + LXXIIIb 1. 1518 lande T sine (S sijn) H. 1515 ysur hiet T. 1528 Spanien (S Camp. 1539 Cueninghen H Venigien T die H T.

Een ander Gallen es daerna.T. Al dat lantscap dat nu gaet Tusscen dien Rijn ende Bartanienlantsee Hiet wilen Gallen ende daertoe mee. 1564 dat harde H gaflia T. Alexanders geesten . 1539 eene nieuwe afdeeling. Dat nu heet Santen: al woort sijn. 1568 bat suut H doer lore T. gallen T meer (J. al totter T. jn alle w. Daer in staet meneghe stede scone. st.H g. 1552 heit T ontbreekt H hyt T van vr. 1557 Vlaendren T. Jacob van Maerlant. jn menghe T. Besuut der Loren met allen So gaet vort toter Rone. Vlaenderen ende Vermendoos. Dat en es niet cont hem allen. Tiraten ende Henegouwen. Waren altoos met langhen haren. ghy te voren niet en wist alle T. 1558 franke H vranckrycke T. 1570 steet H d. Die met Eneas van Troien ontghinc. som Ardeine. 1563 galle T. 1562 d. Ende maecte Troien upten Rijn. Doe hiet hi dlant Vrancrike. die coninc. geschrapt) hiet gallien H Heit w. 1553 Nv so hetet s.269 * Die Rijn sprinct onder Moniu Ende loopt recht noort. Dat heet gehaerde Gallia. 1544 alle die lantscape die H lees staet? 1545 Bertanienlants see S] bacteren lantse H bracten zee T. Dat lach algader in desen wike. die daer waren. 1550 d. Bertaengen es in dit Gallen. Dattene die noortsee ontfaet. Doe quam Vranke. heit nv xanten doe wert al T. 1541 springhet T moniou H. 1559 Normandien T spanien H compaengen T. Want die liede. + Rechte Vranken ende Artoos. 1542 loep noert T dat ontbreekt H. mee) H. 1545 1550 1555 + LXXIIIb 2. Normandie ende Champaengen. T van ertrike H. 1551 Het H daer l. 1554 ardenie H ardene T. 1560 tot T carcangen H cartanien T. 1547 franke T. 1569 En̄ g. misschien Bartanien see. 1546 En̄ (door J. 1561 heit dat T wale H galle T. Ende nu hetet som Loreine. larene T. dat segghic u. 1567 Bortanien H galle: alle T. Dat heet wel gheclede Gallen. 1560 1565 1570 * 1541 H begint reeds met vs. Brabant ende Haspegouwen. 1543 datse die zee dan H. 1571 in ontbreekt T berien H en̄ oec T. Daer in es Berry ende Averne. Galle gaet tote Carcaengen. 1555 Tierache en̄ henegouwe: haspegouwe T. Som Elsaten.

H T hier na T. H borgonien T menge H T. 1594 dattier H dat daer T veer T. 1584 massage H colone H T. Daer staet die stat van Nerbone Bede Marsaelgen ende Tolone Harleblanke ende Mompelier Ende Provence. 1578 Es dat wilde lant H Leghet derde galle T berbone T. 1577 T begint eene nieuwe afdeeling den berghe T. 1595 1600 * 1572 ende borg. 1580 u seg. Dus eist ghedeelt na minen wane. 1587 provensael der binnen H provinchael jn wonende T. 1592 en̄ oec T Poutoen S] pontu H puton T. de verbetering van deze twee regels is reeds door De Vries aangewezen. zoo ook 1605. Tusschen dien berch enter Rone Es derde Gallen. 1618. + Dat heet Aquitania. 1595 doerlopen T. Sine columnen heeft ghesat. van Nerbone. 1585 Alebanche T monplier H. Leghet in dat Gallen mede Ende daertoe meneghe goede stede. ende meneghe taverne Binnen es van goeden wine.270 * Borgondien. 1593 heit al T. 1574 En̄ daer H Daer is oec tlant van limolliine (niet wel te lezen) T. 1575 weelde ricordaen H. 1583 achter 1584 in H Daer jn staet te berbone T. West daerna leghet Aniou Ende dlant van Poitou. die wigant. 1576 eest H ist T ghedeilt T waen H. Om dattaer verre ende na So vele rivieren lopen. Alexanders geesten . 1581 toe voren T. Aerbelose. Dat heet ghebaerde Gallia. 1579 gebaerda T. daer menech fier Provensale binnen es. 1588 Abemoes T. des sijt ghewes. 1597 Dat H spanien H spaengien T. 1590 menghe T. Daer Herculus. Dat dede die deghen omme dat. 1573 Es daer binnen H. 1600 dede ontbreekt H T. 1582 eer H haer T daer niet T. Dat willic segghen u waerna: Om dat die liede hier te voren Hare baerde niet en scoren. Want hi woude gheweldelike Tusscen European ende Affrike 1575 1580 1585 1590 + LXXIVa 1. Jacob van Maerlant. 1589 galle T. S dede om dieghen T. tgoede lant. 1599 colummen H colōme T. 1586 prouuinchien T daer T en̄ H. Talre west van Europen Daer es Spaengen. 1596 Ten west eynde T. Daer binnen es Limosine Entie wilde Recordane. 1601 geweldeliche H. 1591 daer aen T Aniou S] aveiou H aveniou T. 1598 fier gygant T.

T haer H T. 1615 Was comen H. T altemael H T. die van Abrahame Comen was. Dat noit man in die werelt vant. heet Ceucis. Daer noch sine columnen staen. harde is wellicht te schrappen. T.271 * Ene brugghe over die see slaen. + Die maecte gheweldelike Ene vrouwe. Dat was scade haerde groot. Alsmen int bouc van Troien las. Alexanders geesten . 1605 1610 1615 1620 1625 + LXXIVa 2. 1 Jacob van Maerlant. 1635 dat w. 1626 cartaengen T. maar Vincentius Zeugis. 1634 alte gr. Daer Karthago binnen is. z. 14. Dat meeste lant van Affrika. T lissib. Hier ent die tale van Europen. Want soe dor Eneas minne So sere waert uten sinne. Dat soe haer selven slouch te doot. Agenor was hare vader. 1624 der werlt T. die Affer hiet. Nu willic voort in Affriken lopen. H Also als ic bescreven T. 1630 d. 1611 eynt T. dat h. hiet Dido. Isid. 1608 Cib. 1604 syn T columben H calōmen T. hist. 1629 een edel vr. 1609 groet heer H heer T. int dietsch v. 5 Ceugis. heet Libia. ertdrycke T. 1613 dien H den T. Sebilien ende Lisiboene. Ende es dat beste corenlant. 32 Heusis. 1616 Het is recht en 1. Daer Ulixes here was. Jeghen Egypten an dat sant Ende gaet noort an Spaengenlant. 1619 gaen syn T. T. libia) H. Ende gaet oost. noort) iegen H het gaet aen T. 1618 en̄ geet voort (J. 1614 enen man van albana T. Sp. 1625 concis H tentes T Honorius cap. H Sib. 1607 gallissie arrogoene T agaroene H. 1610 A. 1606 portigael T. Affrike ontfinc die name Van enen. Die beste stat van Affrike.m. Castele. in liege u niet. West om gaet sine strike Toten westende van eertrike. wilen T. Daer es een lant. 28. 1620 totten eynde v. 1631-33 Want sy haer seluen sloech doot T. In Spaengen leghet altemale Tconincrike van Portigale. 1621 eest 1. T. 1628 m. Gallisien ende Aragoene. Daerna es een lant. 1612 moeten wy van aff. tr. 1605 so legh. 43 Engi. lika (J. T. 1623 daer es H dat is T. de aanteekening. Die waert sider haerde onvro. l . 1630 1635 * 1603 aver sclaen T. synt daer na wert onvr T. heit T.

1652 af las (J las) H. 1657. Dat na Etham gheheten waert. Dat soe wallet also ghereet. 1646 das en (J dat een) H segmen H seitmen T. 1661 menech H mengherh.272 * Dies Tyren was al tenen gader. st. dat segghemen mie. 1651 af ontbreekt T. 1654 elcke T. Daer Jugurta here in was. Dander staet bat Inden na. bynnen T. 1643 Etyopien H Eyperen T daer T. H T maket also T. 1649 die (J dat) ander H. Boven Egypten dat Etyopen. Alsmen hier te voren las. 1644 Dar (J dat) H Echani T. Daerin vintmen wonders mee: Dat sonnescijn maectse so heet. In elc vintmen sekerlike Swarter more menech een. Suutwaert van desen Etyopen Ligghen grote woestine open Allen lieden onbekent. Die heet Ypone in latijn. Daer Nilus uut comt ghelopen. 1647 bauen T. st. Dus vintmen Etyopen drie: Dat een es. 1665 * 1636 des cyron T. 1640 1645 1650 1655 1660 + LXXIVb 1. Daerna so leit Getulia Ende daerna Numidia. 1656 dit T logen H T. 1641 Vanden goeden sentte T Die (J Die goede) sente H. 1639 margurra was heer inne T. 1637 darna so liet H daer na is T. 1645 etyopien H Ethiopien T. 1663 hette T. al doer ghel. 1638 numedia H jn jndia T. Daer staet die stat. 1648 Coemt n. bet naer T. T. 1655 swarte H T. Allen lieden onghehier. jnd. + Ende dor die hitte vander sonnen Es dat lant al ongewonnen. T. Alexanders geesten . 1660 En̄ d. heet Sabba. 1658 woestinen H. jn d. Daer Sibilla vrouwe af was. 1667 sonnensc. woent T. Jacob van Maerlant. 1640 Daer staet die st. 1666 wornders H. daer in las Die goede sinte Augustijn. zoo ook 1647. 1650 hiet H D. Alse dwater doet over tfier. 1665 so ontbreekt T. Dat en es loghene engheen. van sabaer T. Etyopen es danen suutwaert. Want daer es menech serpent Ende daertoe menegherande dier. 1668 valt T. Daerna so es die grote see. st. Dat derde es in Affrike. Daer stoet die stat. 1659 alle luden T onbekant: serpant H. 1669 duater H.

Honorius zegt: Harum prima Rhodus. 1688 Dat na H creten H corte T es gen. 1678 beelde oec H. 14. Om dat heete sonnescijn. 1695 darna H. 1671 leghet e. 1689 soe legt H leghet T auidos H amdos T.: metropolis earum Rhodus. Die ligghen jeghen Asien lant. dies sijt ghewes. 1694 En̄ 1. 1685 legt en̄ (J in) die H. 1675 Up dien berch sat die coninc vrie Ende screef astronomie. 1690 na so ontbreekt T legt colcos H. Die een beelde spreken dede. 34 Abydos. Honorius cap. 1697 pictagoras H T. 1696 legt H. en dan onmiddellijk: Delos insula in medio Cycladum sita. 50. Na dezen regel Daer jason voer om tgulden vlies Dies dien van troyen synt verwies T. Overeenkomstig bij Isid.6 geeft 53 op. verder de inleiding. hist. * 1670 menich vis jn ghier T.H. Jacob van Maerlant. Bat oost so leghet Abidos. Daer was gheboren Pittagoras. H T. H. Prometheus was sijn broeder mede. 1677 Protheus H Promocheus T vader H. Als deze verzen van Maerlant zijn. 1'. Isid. dan noemt hij eenige andere en gaat voort: Delos in medio Cycladum sita. Adlas hiet hi sonder waen. Affrike was hem onderdaen. 1674 Achlas T heet H heit T. Alexanders geesten . Ende daerna leghet Samos. Na dien coninc Crete ghenant. 1691 En daer na legt H Daer ligghen T. T. Bat oosten leghet Cretenlant. Ende daerna. 1683 dat laten T. Die na enen coninc gheheten was. Honorius en Isidorus spreken echter hier van Coos. 1690 Ende daerna so leghet Colchos. 1685 Cypren leghet in die Suutsee Jeghen Surien min no mee. Vierenvijftich Cyclades: Eylande sijn also ghenant. heeft hij in zijne bron wezenlijk Colchos gelezen. z. en̄ heit achlas T adalas H. die nu sijn. doch daarboven om T heet H heite T sonnensc. heet Adlas. Daer lecht een berch.273 * 1670 Daer es menech vesch onghehier. 1693 die syn T. Affrike laten wi nu staen Ende willen ten eylanden gaen. 1687 oest T legt grieken lant H leghet cryt eylant T. Affrike es een groot lant. 1682 Doer. 1695 Dat meeste daer af heet Delos. 1675 op enen T. 32. 1692 XLIII H. 1672 daer na een c. evenzoo Sp. 1684 en̄ ten wilden eylande (S ende willen ten eylanden) H eylande vaen T.b. 1680 Tmeeste deel es onbecant Al dien lieden. Honorius heeft: quinquaginta quatuor. 1681 Vele lude T.

d. In dien somere so en es daer Enghene scaduwe. Ligghen eylande. dat daer sat. 1708 dier H die daer T. Plato bescreef ons al dat. 1702 bi ontbreekt T. 1716 verderf T gemeinlike H ghemenentlicken T. 1729 so es een put (J pit) H staet een pit T. Alexanders geesten . alsic wane. Dan Europen of Affrike. Daers nu de see ghestoormt van hitten. Eerdine potte waren daer Eerst ghemaect. 1705 wilde ontbreekt T. 1725 als T staet T. Bi Cicilien in die wilde see Ligghen eilande. Daer es die berch van Vulcane. 1714 Het had T merren H meerre T. 1707 ooc ontbreekt T. 1726 d. 1703 berghe T vlcane H. diere bi liden. 1719 Dat nv is verstort T. Daer in staet. heet Sienee. 1700 ierst H T dat weet voer waer T. Dat Meroë es ghenant. Overwaer segghic u mee: Bat ute in die hete see Lach dat grote eylant. Jacob van Maerlant. 1701 Cicilie herde na T. diere bi sitten. so st. 1710 gorgores T. 1713 een groet een wyt T. dats ghene saghe. 1722 Meerre so ist T meroc (J Meroe) H. 1727 een st. In Nilus so es een eylant. 1715 of affrycken T. 1718 die bescryft ons das T. Die altoos bernet. Die bernen ooc in allen tiden. jn was T. dat en is gheen T. Dat verdreef ghemenelike. Daer in es noch wonders mee: In die stede so es een pit. die heit Cinee T. heten Eolee. 1730 ter (J ten) H oesten T. 1723 somer H T. Alse die sonne es te middaghe. Cycilien dat leghet daerna Bi den lande van Italia. 1717 volc d. Ene stat. Dat segghen si. 1712 bet voert T. 1720 die daer H T. 1721 so ontbreekt T. dat es waer. heten Gorgades. 1724 gheen scade T. misschien een grote. Bi Atlase.274 * + Die vinder van musiken was. Dat segghen si. 1706 lande (J eylande) H olee H coloe T. Met al dien volke. dat was waer. 1704 bernt na mynen wane T. Alse die sonne ten hoochsten sit + LXXIVb 2. 1709 anase H achlas T dat H T. Dat hadde enen meerren rant. 1700 1705 1710 1715 1720 1725 1730 * 1699 erdene H eerden T potten T. die in Affriken es.

275 * Scijnt soe tote up dien gront Rechte neder ter selver stont. 1763 noerweghes is cilee T. Scotlant ende Irlant Ende een eylant. Buten Noortweghen es Tyle. 1741 heit hier verlaeren T. wanic. 1756 XXIIII H XXXIIII T. En conde ment ghevinden niet. 1733 die ph. + Dien put maecten philosofiene Dertich ellen diep ende tiene. daer meneghe stede Wel gheaisiert binnen es. Ende drieendertich Orcades. Ende alsemen daerave sciet. evenzoo Isid. 1739 gheen l.l. 1746 was ontbreekt H. 1742 oec dat T men (J ment) H. Men vindet. 1758 Wals T yerl. Honorius cap. 1752 som beide malen H T. 1757 bortaengen T. 1735 is verlaeren l. 1732 recht H T. Ende leghet west van Affrike. 1759 lant T tanatos H tanathos T.T. Ende heet om dat tverloren lant: Het es ghesciet dat ment vant. 1750 kande T. + LXXVa 1. Noch daert so goet in wesen doet. Alexanders geesten . 1743 alsemen daer ave J] alsement dar ane H als men der weder aver T. some smal: Maiorke ende Minorke mede Ende Maroch. Jacob van Maerlant. Waloos. Het maecte dier serpente los Waer dat men die eerde hevet. Wi lesen dat sinte Brandaen In dat lant was sonder waen. 1760 maect daer serpenten T. 36 heeft die put sexaginta cubitus. Ende andere.H. die noit man en becande. Buten Europen ligghen eylande Vele. misschien hier om. Buten Bartanien es Inghelant. 1735 1740 1745 1750 1755 1760 * 1731 recht tote H daer T. es H. 1748 des w. 1738 vint T wanic ontbreekt H ertdrycke T. 1737 leecht w. T. 1761 So waer men T heeft: cleeft T. 1755 ghevisiert T. aen T. Some breet. 1744 en J] en̄ H so en T constmens T. 31: triginta tres. 1736 Dat a. Bij Honorius cap. in eertrike Lant so scone noch so goet.T. heet Tanados. die ic nomen sal. Die an dien eylande clevet. 1734 en̄ oec tien (J tene) H. orchades T. Allen lieden onbecant. Die bi der see ende upt lant Wonders vele ondervant. 1751 ic ontbreekt H. Daerna es dat verloorne lant.T.

Dats tallen tiden sonder reghen. Zou het volgende vers niet geluid hebben: Dier lande ende dier chiteide? 1784 dalrebeste] dat argste. Al dit wonder vander see. Noortoostwaert van desen lande Leghet die grote see te hande. 1770 screeft d. Gaut. 1776 En̄ si doit H d. Gaut. Die so hevet in sijn ghewout Die winter . Athenen stont daernaer. 1770 1775 1780 1785 1790 * 1764 En̄ een eylant heit ysoloee T. ist T. Alexanders geesten . ende daer beneven Bescreef hi die properheide Van dien landen ende die chierheiden. Gaut. 1786 Amonts. 1765 dat ontbreekt T lovere bynnen v. 404: frugifera est Libye. Die salic nomen u ghereet. 1774 Den T eest daer H d. 403 zegt: indigeat quae terra.T. 1793 ertrike.276 * Dat segghic u al sonder ghile. 1794 hoverdechlike. 7. Aan poverheide in plaats van properheide zal men wel niet behoeven te denken. 1767 eest H ist T al ontbreekt T. 407: Africa praetendit magnae Carthaginis arces. 1772 leecht T. 1771 noordoostwaert] norden suut H voert hier af T. dat men weet. Honorius: Ultra hanc versus aquilonem est mare congelatum et frigus perpetuum. gheen tyt T. Dat Nilus doet wesen rike. Van dien lande daertoe mee Hadde Apelles bescreven Up Daris graf. Dat es dat hete Libia. 1768 jndes w. 1792 Atthenen. 1779 apelles al. Roma stont daer hoverdelike. Jacob van Maerlant. 1781 hi daer. 1773 die see hevet (heft T) in eer (haer T) H T. 1791 stoenden coren. 1769 en H ontbreekt T. Egyptenlant dat es daerjeghen. Soe es vervroren verre ende wide. Amons lant dat es daerna. Twijste volc van eerderike. 1789 J doet ontbreekt. quibus quae rebus abundet. gheen d. 1775 En̄ si H vervrosen en̄ wyt T. Daer eist dach al dien somer lanc + Ende nacht swinters bedwanc: Ses maent nacht ende ses maent dach. Dat daer die lover niet en vallen Van dien bomen al met allen. Dus screef die ghone diet sach. Soe en doiet in ghenen tide. Dalrebeste corenlant. 1765 + LXXVa 2. Cartago thovet van Affrike Stont met groten torren daer. 1766 vanden lande T. al T.T. 1790 thovet ontbreekt. 1782 landen J] lande ende die chierheide J] en van dier chierhide.daer eist altoos cout.

Dien Alexander ghenendelike 1820 Afwan sijn conincrike. 1815 beide. Hadde die werelt ghestaen. Dese coninc was die gone. Saba die stont daer ooc. Dat was wijsheiden ghenouch. 1143. ook vers 1529. Gaut. Eer hi crone hadde ontfaen. 1820 afwan S] af van. 1803 het es tgelove J] te gelovene. Alre vrecste sijn de Lombaerde. Hoe langhe die werelt hadde ghestaen Eer Alexander crone drouch. 1831 wilen. 1800 es] en̄. Die lnghelsce wel smeken can. * 1796 versiert. Apelles screef up Daris graf Met guldinen litteren. Dul sijn si van Baertanien. 1819 genendichlike. Gaut. t. 10. 1825 XLVIII . 1818 diese. vgl. Want hets tghelove van hem somen Dattie coninc Artur sal weder comen. Gaut. Dat ridderscep van Vrancrike 1800 Es die blome van al eertrike. Dies conincs Arsamus sone.: celebri Campania Baccho. 1824 was ontbreekt. dan ic weet.’ Ooc screef hi mede sonder waen. c Jacob van Maerlant. Binnen dien dat Apelles screef 1830 Dat wonder. 1797 misschien die stat stont. 1807 alder.a. pl. 1808 sijn wreet. daer hi af Meneghe marc hadde te lone: ‘Daris die wilen drouch die crone 1815 Bede van Percen ende van Meden Es begraven teser steden. 1799 Dat ridderscep] doverste. 411: Francia militibus (superbit). 1810 Dat si sijn van loien wijs. 1826 XXX. Die van Bolonien hebben den prijs. vgl. Die Duutsce wreet metten swaerde.277 * 1795 Spanien was daer ghevisiert Met Ercules palen verchiert. 429: in summa annorum bis milia bina leguntur bisque quadringenti decies sex bisque quaterni dat es. 1805 Condich so es die Noorman. dats waer. daer hi over dreef Langher wile. Goet wijn so es in Campanien. Daermen vint dien wirooc. 1812 gulden. 1801 spanien. Alexanders geesten . 1825 Neghenenviertich hondert iaer Tweeendertich min.

die hem namen dleven. Doe gherede tfolc sine vaert. 1860 wir. 1843 nimeere herre. 1866 en dar toe.278 * Ontboot Alexander ghereet Tote hem die soudeniere Ende hi gaf na siere maniere Bede selver ende gout Ende rijcheit menechfout + Ende hiet dien lieden dat si plaghen Haers ghemaex. want hi daghen Woude aldaer met siere scare. Entie coninc. Jacob van Maerlant. Doe hi wiste die niemare. 1850 nimare. 1834 manieren. die hier af al Niet en wiste. Tote dat Daris begraven ware. 1958 knechten. Ghi hebt dorcropen menech gat Ende ghewonnen meneghe stat Ende meneghen berch overgheclommen Ende menech water overgheswommen. Ende hi vraechde. wat daer ware. Hi sprac ‘hier es menech deghen coene. 1837 liden. hoorde tghescal. Alexanders geesten . Dien rechten here hebdi verdreven: Cnechte. Dies hem te rechte scamen soude Dat hi te lande keren woude. 1838 eers gemax. 1863 medea. 1846 gereide. 1861 ermenien. 1862 furien. 1853 entie] en̄. Was hi drouve ende riep sciere Tote hem die soudeniere Entie ridders ende die baroene. Dattie coninc hadde ghere Te kerene te lande waert. 1852 soudenere. 1835 beide siluer. Doe die liede ledich laghen Ende haers ghemaex plaghen Quam niemare in dat here. 1859 solen wi se. 1842 gemacs. Gi hebt Percen ende Ermenije Ghedwonghen ende ooc Surije Fenicen ende ooc Media Capadocien ende ooc Lidia Parten ende Ciliciene Ende daertoe meneghe borch siene. 1835 + LXXVb 2. 1865 en ceciliene. 1840 1845 1850 1855 1860 1865 1870 * 1832 geboet. 1833 soudinieren. Sulwise heren laten bliven? So slachten wi dien keytiven.

1877 Soe. 1880 Die sevende bouc gaet hier uut. 1879 riepent sijt. 1876 denkelijk te lezen verjaghet. + LXXVIa 1. Ende ghi Darise hebt versaghet.’ Doe waren sijs saen beraden Dat si sinen wille daden Ende ooc riepsijt al overluut. 1873 noch beide malen. * 1872 ontvaren. Alexanders geesten .279 * Wi moghen in vier daghen varen Daer Bessus niet en mach ontfaren + No ontcrupen. no ontvlien. 1880 geet hier wt. 1874 en S] en̄. 1878 willen. En laet u de scande niet ghescien 1875 Dat Bessus nu crone draghet. Jacob van Maerlant.

Eer hi quam dor die woestine Van Yrcanien met groter pine. 27 kemerlinc. 17 daer. * 4 en̄ we. 5 10 15 20 25 In dien sevenden bouc so stoet. 15 denkelijk alleen jeghen tfolc. Liet hi dien here Permenioene. Ende beval hem dlant van Meden. 13 berichten. 25 edel. Alexanders geesten . Drie daghe vacht die edele man. Selve voer die here vechten Jeghen alt volc van Yrcanie Met al siere companie. in die poort. Bede lant ende steden. 12 dlant. Die al sijn hemelike dinc Wiste bat. 9 dien hier. 28 alle sine heimelike. Met groter eren was begraven. 23 misschien te lezen daer in plaats van en̄ her en dare. dan iemen el. Te Ebractana. Nu segghic u die redene voort. 5 soudenere.280 *Die achte bouc. 8 tote ebractene. Ende Alexander met groter haven Ghichte sine soudeniere Mildelike na sijn maniere. Dare vant hi menech dier So staerc ende so onghehier. Om dat hijt soude berechten. Enen deghen fier ende coene. 14 hier. of te lezen die sine hemelike? Jacob van Maerlant. Hoe Daris. Dat hi jeghen die beesten vacht Langhe wile met groter cracht. die coninc goet. Die coninc hadde enen camerlinc. Eer hi die beesten verwan. Ende hi sochte harentare Narbesines dien moordenare.

Die vrient heeft. + LXXVIb 1. 65 nimare. Alse Macedo. het scijnt hem wel. die coninghinne. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . So dat hi was sijn taleman. Want hijs hadde verdient. Die in al sijn here ware. 59 her. 60 Dus wan hi dien moordenare In sine ghewelt met cleenre pine Ende alle die ghesellen sine. 65 Ghinc van hem die niemare Verre ende wide. 54 bden. alse hijs hadde stade Ende bat hem dat hine verbade Jeghen dien coninc. man. 57 hoesten.281 * 30 Narbesines hi wiste dat wel. 50 Lietmenne quite van der doot. 67 megde. die vrie. dien fellen man. 50 lietmen quijt. 51 schijnt. 56 eiden. Was int lant van Yrcanie. Narbesines hi sende hem na 35 Boden. Hi was gheheten Bogoa. Dat hine den hoochsten soude maken + Sekerlike in waren saken. Al tote in der maghede lant. Bogoa Lach hem so met bidden na. 55 Dat hi belovede den camerlinc Met dieren eden in waere dinc. Ende hiere ooc toe waert verdreven 45 Van Bessuse. * 32 misschien is achter hadde in te lasschen wel. harentare. Doe begheerde al te hant Talrestis. Entie ghone was sijn vrient. 46 so dat] dat tae ]. Al was Alexander fel Sinen viant. 61 sijn clenre pinen. Bogoa bads haerde sere Alexandere dor sine goede 40 Dat hi van dien evelen moede Narbesines liete verdinghen. 66 her int dare. sinen here. 42 genen. Ende hi borghe ende staden Woude setten in siere ghenaden Sonder slach ende sonder stoot. Want hi in neghenen dinghen Darise en scade an sijn leven.

89 dat voerhoet breet die. Dat soe dien wech woude bestaen. Selve was soe so scone een wijf. nese recht. Die aerme te maten grouf Alsten wapen was behouf. Hare mont te maten clene. 88 wale. 75 Want soe dien woude souken. 95 writte al. Entie lippen bloetroot. 83 scoen. Ghemaect van witten maerberstene. Gaut. 92 vinger en̄ eer. 103 dant. + Langhe vinghere an hare hande. Rode lier ende witte tande. cetera vestis occupat et celat celanda. vers 140 volgg. die vrouwe van Spanien. Van den cnien nedere was soe naect zou woordelijk aan het latijn beantwoorden. want die minne Hadde haren sin also bevaen. 96 columne. 100 en̄ van. Daer men vele af vint in bouken. Tweehondert maechde van haren lieden Dede die vrouwe ontbieden. Dat Blancefloer. 80 Daertoe machtech ende rike. maar ik durf het niet in den tekst op te nemen. + LXXVIb 2. 86 Maer van den cleederen was si naect. 97 marbersteen. Ic bem dies haerde wel bedocht. Van clederen was soe een deel naect. Daer up drouch soe ene crone 85 Van finen goude wel ghemaect. * 73 maegden. VIII 16 zegt: vestis Amazonibus non totum corpus obumbrat: pectoris a laeva nudatur. wintbrauwen slecht. Dat men tien tiden anders lijf Noit en sach hare ghelike. Soe hadde wel ghemaecte lede. 102 bin wael. Dat sat utermaten scone. Voorhooft breet. 85 wale. Haer haer was kersp ende blont Ende onghevlochten talre stont.282 * 70 Hem te siene. vgl. 100 Van anderen leden was soe groot Ende ridderlike ghewrocht. 95 Haer hals wit ende alomme Ront alse een colomme. 93 die arme hadde si grof. 81 En̄ eer haer S kersp ontbreekt. Alexanders geesten . 90 die ogen die nese. 98 eer cleen. 79 lees niet? eer. 84 dar op een. 80 dar toe mechtich. 75 misschien is coninc vergeten wouden. nihil tamen infra iuncturam genuum descendit mollis amictus. Jacob van Maerlant. Want het was haers lants sede. 90 Oghen blide.

130 135 140 * 104 noch. 123 noch suster ontbreekt. No Absalons suster Thamar. die in Baertanien Met Tilenrise was ontfaren. Deanira. Alexanders geesten . No Blancefloer van Beauraparen Van scoonheden haer niet en gheleken. 136 Caucasus S] canasus. Vander scoonster was ghemint. 112 noch Amadis S] amadas. Dido. 105 110 115 120 125 + LXXVIIa 1. 110 noch. 115 waelwine heelt. Alt volc was in haer bedwanc. No Melioer van Ciefdore. Daer ic wel af segghen dar. + Sonder die vrouwe. No ooc Lanceloots amie. 129 Eerre gene. 107 geliken. 111 noch melior van S] noch cyfore. die noit en dede Sonde no ooc dorperhede: Haere en was enghene ghelike. No die metter witter hant. no Briseis. ic af.283 * No Blancefloer. 113 wael. Die utermaten scone was. Die Achilles was ghenomen. 119 Deanira S] Diamira noch. 117 no. die haere ghile Met Waleweine hilt ghereet. 126 noch noit vr. Dattie hoochste vele te voren. Jacob van Maerlant. No die scone Ampholie. Europa. d. Dat Caucasus die berch lanc An die noortoostside heeft bevaen Al toter flumen sonder waen. 128 noch. 108 so ontbreekt. 118 noch. Doe men hem sijn ors ontreet. no Phillis. Hoort! ic make u dies ghewes. No Octaviana van Romen. 120 Dido noch noch brisis. 106 noch. Ooc so dar ic wale spreken Dat Ysaude van Yrlant. 132 toe dien. Die Phacis gheheten es. Ende dat was recht sekerlike. Die tien tiden was gheboren. 137 aen. 131 hoeste. No vrouwe daer ic noit af las. No die gone. 127 misschien schreef Maerlant in plaats van die vrouwe alleen soe. 114 noch eer. Die in dien tiden was bekint. 122 noch. No daer Amadis was dore So dul wel langhe wile.

171 cleen. Hoe dat so clene een lichame Hebben mochte so groten name. dats ware dinc. 174 iocht. Soe spranc vanden oorsse ghereet. Die luchter mamme laet men bliven. 148 horren boge waer. Jacob van Maerlant. 152 gescapen. Dat pleecht die hevemoeder sijn. 175 sijn. Dat soe hem ter selver tijt + Die rechter mamme afsnijt. waer die grote doghet Entie cracht van siere joghet Ligghen mochte in sine lede. 164 beide. 163 Omdat. 145 eer. 157 eest. Talrestis besach dien here. 144 eer. Dat sat haer utermaten wale. 158 als. 165 170 175 * 141 ghecleet] geheten. 178 nieman. 142 vanden S] vaden. In hare rechter hant soe drouch Twee spiete. So simpel was hare sede. Dat soe peinsde in haren raet Dat niemen en dede grote daet. Alexanders geesten . 146 eer. Hare wonderets haerde sere. 169 besach S] bsach. Dien luchteren aerm ende scoudere mede Onghecleet ende naect. al dat soe mach.284 * Hoe die vrouwe was ghecleet. An hare luchter side hinc Een horenboge. 166 geveil. misschien luidde het vers ook die luchter laet soe hem bliven. Also was dat cleet ghemaect. 154 scouderen. 176 eer. Een bliaut hadsoe ane Ghescepen na minen wane Wonderlike na haers lants sede. Dat si se gheneren souden. 143 tierst. 159 wirt. Ende haeste hare. 170 eer. waren scaerp ghenouch. 173 ware doecht. Soe peinsde. Ende een coker al vol strale. Ooc so eist haers lants sede: Alse daer in eneghe stede Gheboren weert een maechdekijn. 160 dat (lees dan?) plegt die heuelmoder. Ocht gheviele oec dien wiven Dat si kinder winnen wouden. 145 150 155 160 + LXXVIIa 2. 151 hadde si. Teerst dat soe den coninc sach. 165 laet men] leet him. Dat si te bat souden scieten Bede met boghen ende met spieten.

206 ofte. Aldus hadsoe hare bede. 203 sinnen. 196 haer. 180 nature] maniere. 195 seide si werdich. of hevet in den volgenden regel? lelech minsce. Alsoe dien coninc dus besach. Jacob van Maerlant. 199 were conincrike. Sonder dien die nature maect Van lichame groot. Doe antwoorde soe daerjeghen Dat hare lant ware onberecht. dat soe hem bade. Maerlant heeft het woord denkelijk zonder artikel gebruikt. 208 antwerde. Die van wijsheiden hadde wensce. 210 antwerde. Misschien ontbreken hier een paar regels: bij Gaut. Dattie coninc wonne an hare. Doe seidsoe dat soe comen ware Toten coninc ende hare scare. Vraechde hi. 40 staat: de qua rex gignere regni debeat heredes 197 ware] wa. 209 eer lant weer.285 * Ende niemen en ware wel gheraect. 198 oppenbare. 188 hi eer wat eer. Ende soe keerde te haerre stede 180 185 190 195 + LXXVIIb 1. Ghesciet ooc sekerlike Dat ware een maechdekijn. Doe dede Alexander vraghen. 201 were. Want het was menich lelec mensce. Gaut. wat hare wach. 181 grote. 205 doe S] dode. 189 ofte. 185 het was] hets. Of soe eneghe grote bede Hebben woude up hovescede. 213 hadde si eer. Dit bat soe up gherechte minne. Ende siere orloghen pleghen. Om dat soene hadde ghemint. 191 seide si. Dat ware here van sinen rike. 200 205 210 * 179 were wael. Ware dat een knapelijn ware So sceent recht al openbare. + Ooc seidsoe dat soes weerdech ware. Alexanders geesten . Die leleken maect soe vroet. Maer die nature gheeft te lone Dien clenen minsce groten moet. So sout coninghinne sijn Van haren lande in waren sinne. specieque beare venusta. 31: conferre quibus natura decorum dignata est corpus. Doe antwoorde Alexander echt Dat hijt haerde gheerne dade Up hovesceit. Ende te draghene bi hem een kint. 194 ende] om. Of soe wapen woude draghen. hoghe ende scone. wellicht ook te schrappen.

Dat menne coninc heten soude. Eer hijt uptie viande wan. Daer die heren toe ghesaghen. Ende Talrestis die coninghinne 220 Loon hadde van haerre minne.286 * 215 Ende te haren coincrike Met haren maechden blidelike. 243 ceren. 220 loon S] leen. 233 porreden. Al. 216 mechden. Bindien dat Alexander dwanc Yrcanie al over lanc. Daer al tfolc toe sach met oghen. 244 siden werke. Het stont hem so. groot ende clene. Jacob van Maerlant. Ooc gheboot hi alstie boude 225 Herevaert al sinen lieden. 237 groet goet en̄. * 215 en tote. Doe hiet hijt verbernen al 250 Diere ende ondiere. 225 hervart. Die hem met sidenwerke gheneren. 235 edel. Maer dat volc was so gheladen Met goede. si moestent doghen. 242 cleedere. groot ende smal. Die Siten dedi ooc ontbieden. 238 wapen. Die diere cleder. Nu hoort. die wilen span Dat behendeghe volc van Seren. 226 citen ontbeden. Spien Bessus crone in Bacterenlant. dattie coninc dede Up enen pleine te gader draghen. 251 alt. Dat si met hem souden striden. 230 dar wart. 223 datmene. sien constent bestaden Ende cume porren vander stede. 241 eer] en̄. 235 dierheide. Ende hi gheboot al te hant. 245 Ende daertoe meneghe dierhede. Sonder die wapine allene. 239 bringgen. 247 plein. Al hadden siere dicke te voren + LXXVIIb 2. 240 om sturte. 240 Daer menech sturte om sijn bloet. + Dit verhoorde in corten tiden Alexander ende mettier vaert 230 Hiet hi porren darewaert. 250 en. 253 dicwile. segghic. 217 binnen dien. Alexanders geesten . Hi hiet te gader bringhen tgoet. wat die coninc dede! 235 Die edele here entie milde Peinsde dat hi verbernen wilde Al dat goet.

verberdemen. Die grote moort drie daghe hal. Stoeden ende spraken onderlinghe Omme menegherande dinghe. Nochtan en dorsten sijt niet claghen Wat si vor hare oghen saghen.: Philotas.287 * Meneghen vrient om verloren Ende meneghen brant om ontfaen Ende meneghe wonde sonder waen. 288 oppenbare. 287 versuchten. 260 wast hen. 266 him. Dus moestsi idel danen varen. Sconincs goet verberndemen mede. Gaut. Doe seide hijt hem openbare. Alexanders geesten . andere uitgave Lycolaus. 271 noch. Hoe hi ende Demetrius Ende een ander. Ende een. Nicomacus vraechde dien here. Wat hem te versuchtene ware. 258 eer. Alse ic u voort vertellen sal.. Al docht hem wesen scade.qui grande nefas Cebalino indice perlatum certis rationibus ad se (suppressit biduo. dat hem verdraghen dede. 279 hal] al. 267 quijt. Daer ghesciede jammer groot. Dat waest. Seiden die heren menechwaerf. 289 dimiterius. hiet Dimus. Jacob van Maerlant. 283 stoenden. 259 dies con. 275 daer was een.. Gaut. var. Dat si bi des conincs rade. Permenioens sone Philotas. Philoten sciltknecht een.. Ghemene plaghe ghedoocht men wel. Sident dat also ghevel + Van den goede dat daer bedaerf. hiet Nicomacus.) tres siluit luces. 269 wellicht doe rede A. Nochtan was hi ter selver tijt Van sinen volke wel na doot. 278 Permenis. 276 ende] een. Want daer een van sconincs vriende Ende die hem langhe diende. 290 heet bij Müldener Peucolaus. 75: iamque legebat iter. Die dies conincs raet al was. 255 260 + LXXVIIIa 1. Die noit ontsach wijch no strijt. 284 om. iam Bactra subire parabat. 261 gemeen. Van groten soorghen quite waren. Doe reet Alexander mettier vaert Met grooter haest te Bacteren waert. Mettien versuchte Dimus sere. hiet Lecolaus. die vaert. 265 270 275 280 285 290 * 255 om misschien te schrappen. 81 volgg.

Jacob van Maerlant. Doe die coninc wiste die moort. Dat si dare ontboden waren.288 * Hadden ghesworen sonder waen Dat si dien coninc souden verslaen. nu eist hier toe comen. Die hande uptien rugghe ghebonden. 300 305 310 315 320 325 * 291 gesuoren. Hem wonderde wat si souden doen. 305 Matron. Mettien bleef dese sprake. 327 veel na.. 298 sinen. 325 brachtmen. Hiet hi die verraders vaen.. 323 daer. 299 souden. Curt. Metroen seit Alexandere voort. 296 sebalijn seit. Die coninc dede te hant ghebieden Die ghemeente van sinen lieden Met wapen in sijn pauwelioen. 315 S men ontbreekt sijn ogen.et sine cunctatione nunciari regi iubet. Dat Dimus met siere roten Alexandere soude verslaen. 300 dade het (of doe het?)] deet.. 322 hen. 318 leidemene. Dede hijs Metroene ghewach. 317 sine hande op sinen rugge.. Trac hi uut sijns selves swaert Ende dode hem selven mettier vaert.aperit. Bedi verbant men hem die oghen. 295 sinen] Philoten. 307 verreders. Mettien brochtemen Dimus voort. Nicomacus seide dese sake Sinen neve Cebaline. 304 matrone. + Cebalijn seide stillekine Dese moordaet al Philoten.. Dus ledemene vor die orconden. 313 bereit.. Ghi heren. Alse dat Dimus hadde verstaen. 319 gebeden. Si vraechden om die niemaren. 321 pauweleion. Want men teech hem sonder waen Dat hijt algader beriet. 328 eest. Alexanders geesten . Die coninc sprac dese woort: ‘Wel na was ic u ghenomen. Doe Cebalijn dat ghesach. Maer drie daghe sweech hijs stille. 316 moestit. Philotas dade het voort verstaen. Want hijt wiste ende seides niet. 295 + LXXVIIIa 2. echter vers 639 en de inleiding sebaline. VI 7: huic (Philotae) Ceballinus. hi moestet doghen. 301 swech. Het stont hem so. vgl. Philotas waert ooc ghevaen. Dat dede hi dor Dimus wille.

Si souden hem nemen dleven. 343 ierst. Dien ic boven mine baroen Oit hief ende boven sine ghenote. Woudi mijn leven hebben ghestolen.289 * Dat ic leven mach een ure. + Om dat sijn vader es so rike. Om dat ic hem dat conincrike Van Meden hebbe bevolen. Hine heeldet niet ene wile. 339 permenione. Permenioens sone hilt sijn ghile. Do seide die coninc ‘ghi moghet horen Hoe ghetrouwelike ende hoe sere Dat hi minde sinen here! Na dien dat hi die waerheit wiste. 349 dat orc. Dat ic u seide hier te voren. Si rieden eerst om dit doen Ende met hem Demetrioen Lecolaus ende Dimus mede. 353 Wie sulke. 340 barone. * 331 als al dit. brechte.’ + Alse die coninc dit ghesprac. Ende die mi langhe heeft ghedient. 361 een.’ Doe riep daer menech van den lieden Dat men torconde brochte voort. 364 warene. 350 Matron. Of hise daertoe niet en tiste. 346 legt. 358 ofte ciste. Ende sijn sone. 362 Permenis hielt sine. 360 tierst. Was daer van roupen groot ghecrac: Woudemen hem die verraders gheven. 233 him die verreders. die here Philote. 341 sijn. diet al berieden. 335 340 345 350 355 360 365 + LXXVIIIb 2. Alexanders geesten . Hoe soude hi sulken heelre sijn? Teerst dat wiste Cebalijn. Mijn grote vrient Permenioen. Doe seide die coninc ‘wat wildi? Ic secht u gheerne. 344 hen. 336 segt. 330 + LXXVIIIb 1. Dit waren si. Die hier doot lecht ter stede. z. Jacob van Maerlant. Metroen sprac daer sine woort. 363 noch. Nicomacus ende Cebalijn. Dies halp mi die aventure. Hine achtes min no mere Te waerne sinen rechten here. 334 him nememen eer leven. wie hi si. Het was mijns vaders grote vrient. de aanteekening. Elc sprac die orconde sijn.

ic hadde ommare Menschlijcheit ende nature. 387 hen selven. 403 willickene. Ic sie hier vor mine oghen So meneghen Griec nu te tiden Staende neven miere siden. nochtan wistict ter cure. 371 wane dat. 380 ben. Ic wane. 401 ere ontbreekt. 370 375 380 385 390 395 400 + LXXXIXa 1. 383 min] meer. Sine dorren van hem niet ghewaghen. Philotas bedi. 378 mijnre. Die cnapen sijn van haren here Dicke bedwonghen also sere. Te min en es hi sculdech niet Van allen dat hier es ghesciet. Maer keitiven mochte vernoien das. 391 hi daer bi. Dicke was Permenioens sone Met mi te spottene ghewone. ook onzen tekst vers 671 volgg. Dat hi mijn rechte vader was. Hi seide dat hijs blide ware. 402 hadde ere. quod Dimus eum non nominat inter participes sociosque doli. Al es dat Philotas wille. 374 mijn. Dat Jupiter seide openbare. 396 maer ontbreekt. Alexanders geesten . Vgl. Ic sweech. Dat ic so onghemate ware. 129: quod celat. 394 oppenbare. Wattan! al swighet Dimus stille. mochten. genitum quem Juppiter a se affirmabat. Dat ic sonder kinder si Ende sonder vader ende sonder maghe Corten wille mine daghe. Onder meerre ende minder: Ic en bem niet sonder kinder. Jacob van Maerlant. 381 al stille. Maer nu verkeert hi dese saken. 372 Dede dat. 398 hedde. 385 knapen. Gaut. 377 greec. 395 recht. Dat si selven hem bedraghen. minus esse nocentem non facit. Gaut.290 * Hi waende na dat leven mijn Here vander werelt sijn. 136: se gaudere mihi. 388 hen. Want hi seide. * 369 na S] dat. + Om dat ic ere hem te voren Hadde ghedaen ende uutvercoren. Daer men spotte met mi. Ende gheerne was hiere bi. Twaren! hi es bedroghen. 400 wistic. ait: miseris tamen esse dolendum vivendum quibus est tanti sub principe fastus. 389 permenis. En wildickene niet onwaert maken.

416 biedic mi u] biddic u. 432 ende S] en. Here boven al den minen. Hi doet. 409 Enen here. 413 mijn. ook de aant. Gaut. mei cives. 159: iubet proferre. 426 ofte. 435 Alse men dien moordenaren plach. 435 morderen. eist nu. De leemte kan evenwel ook zijn na 419 (zooals ik in den tekst aangenomen heb) b. 410 wilt hi. Want ic en wille noch en mach Niet gheleven enen dach. vgl.v. of gijt houdet over recht ❘ ende uwe hulde mi ghebreekt en dan 420 niet recht maar wreekt naar aanleiding van het latijn. b. 408 maecte enen] maectene. Al daert hoorde menech vroede. vestra ad munimina civis armaque confugio: liceat vos esse salutis auctores: salvus vobis nolentibus esse nec volo nec valeo: si me salvare velitis. 412 danmen mijn.v. Prof. Gaut. Ende hi hiet bringhen voort met stade 425 Philoten. kunnen lezen 419 eest dat u wille niet en si ❘ ende daeromme so rechtet mi ❘ ic moet sterven. Dat hi sonder scepentale 430 Hadde verdaen uut siere sale Also enen edelen man. 431 alse. Men zou. dat er in den nl. die hi heeft ghedacht. 411 weer weer ic. schrijft hij. of hi woude. om dat mens hier achter Spreken en soude ghenen lachter. 423 enwege. 433 te desen] ten. 145: praefeci pluribus unum. In moet sterven. * 405 toent na sijnre. eest nu eest echt. dan mijn leven Mine ghesellen nemen souden Die mi souden dlijf behouden. Die hande waren hem ghebonden. Ende hi ghinc enweghe uten rade. Alexanders geesten . Jacob van Maerlant. 415 Lieve vriende. 430 ute sijnre. waeric bleven In enen strijt. 424 heet hi is misschien in dezen en den voorgaanden regel te schrappen voort ontbreekt. ende hi talen soude Voor hem allen. De Vries is van gevoelen. 410 Nu willi om mijn leven pinen. dit claghic nu. 419 eest nu eest Gaut. 434 Sine.’ Dit sprac hi met grammen moede. Up ghenade so biedic mi u. cui vitae et capitis commisi iura. tekst iets ontbreekt. vindicis officium praetendite vindice poena. 414 mijn lijf. Wien mach ic mijn lijf betrouwen! Ic maecte enen. 415 nu] u. Mi ware beter.291 * 405 Ende hi toocht na siere macht Die quaetheit. eist echt * 420 Dies biddic u dat ghi mi recht. dat mach mi rouwen. 153: ergo. Philotas stoet ende hadde an Een quaet cleet te desen stonden.

No hine hief up sijn hooft. Dat hi was sijn enech kint. 447 dien S] die. 468 heft gegeven. Ende ooc mede was haer waen Dat hi tonrechte was ghevaen In vreemden lande wel verre. Ende hi ooc daer niet en was. 450 edel. Jacob van Maerlant. 458 gadachten si. * 436 droeflec. Die dat here so dicke scaerde Ende vor die viande verwaerde. 462 te onrecht. Gaut. Dien d'Yrcanoise hebben versleghen. Ende daertoe so was hi nu Int lant van Meden ghemaect baliu. Alse hi conde segghen wale. Doe was Philotas sere in vare. 469 dier soelker. Alexanders geesten . 440 445 450 455 460 465 470 + LXXIXb 1. 441 alder. + LXXIXa 2. 463 wael. 183: sopitamque ducum dicendo resuscitat iram. Ooc ghedochtsi mede das. 187: nec cqput erexit. dies ghelooft. Hi deet bedi. Ende Nichanor. So dat hi weder up heeft gheheven + Der liede moet met sulker tale. Daer men vellede meneghen tor.292 * + Hoe drouveleke dat hi sach! Onghelijc was hi dien here. al waersi erre. 456 beliou. 472 Noch hine keerde her noch. Dus twifeldsi. 465 baliou. 439 her: sper. Gaut. Sconincs manne twifelden sere. 443 her scarde: verwarde. Die wilen met groter ere Maerscalc was van al dien here Entie met scilde ende met spere Alre naeste dien coninc was. Ende daermen hier tevoren af las. Misschien sehreef Maerlant heeft upheven. 452 meengen. dien edelen deghen. Dattie vader sere mint. Ende hi sprac om Philotas leven. nex flexit luminis orbem. Want Permenioen hadde verloren Twee edele kinder daer te voren: Voor Tyren dien jonghen Hector. Dit versach die baliu Amictas Dittie gramscap ghesonken was. Doghen en keerdi hare no dare. Si peinsden om dien groten here Dien edelen Permenioen Ende om des goets Philotas doen. 454 den die.

Dat hi verloos al sine cracht 480 Ende hi viel neder in onmacht Up dien ghonen diene helt. 480 Dat hi veel. Ende daventure es mi quaet 495 Ende fel an dander side. lieve heren. Jacob van Maerlant. 497 werwert. + Dus hebbe ic die vrese groot. Mettien cleede. 502 aen ben. 500 wint] ·co· Bij Gautier luidt de geheele. Maer mine herte weet haer ghereet Onsculdich van deser daet. Vindet saen.): Cumque sit in portu mens hinc mea. die onsculdich es. 492 mijn herte weet eem. utriusque locatus in arto. 477 in S] en. in omgekeerde volgorde. Forti fortunae pereo si pareo: mentem non sinit insontem fortuna potentior esse: haec secura manet. Hoe hi ontladen mach sijn lijf. 479 Ende verloes alle. 490 Maer dat en doet niet die keytijf.293 * 475 Dat hi hem kende sculdich das. Alexanders geesten . eweech. 506 al es die c. 476 oft. 481 hielt. Ofte dat hi in vare was Ende in vresen vander doot. Diet te rechte horen soude. 505 Bedi moetic over mi spreken. Die hem selven sculdich weet. turbidus illinc me tumido fluctu fortunae verberet Auster. 499 troest. Troostet mi wel ter cure. 498 mijn. 482 al sine. inde metus: hinc salvus naufragus illinc. * 475 hi een. 500 Die wint vander aventure En laet mi niet sijn verloost. Aldus stae ic onblide Ende en weet mi waerwaert keren. Want mine herte. 505 mot ic. 491 schuldich. Doe quam hem weder sine ghewelt. Doe quam hem een wederstoot. An dander side bem ic doot. dies sijt ghewes. An dene side bem ic ghetroost. + LXXIXb 2. 478 hem ontbreekt. vgl. 479 en 480 in het hs. vs. Gaut. dat hi hadde ane. 485 ooc dese. in me parat ille securim: hinc spes. non video qua lege queam parere vel huius temporis articulo vel mundae a crimine menti. inter utrumque situs. criminis expers huius et in nullo sibi conscia. 741. onhandig vertaalde plaats (195 volgg. Droochde hi af sine trane 485 Ende hi seide dese tale Ghestadelike ende wale: Een man. 486 gestedelike. hare behoort misschien in den volgenden regel. Als die coninc es wech ghestreken. 205: praeterea causam ingredior sine iudice. 593 aen ben.

Wie es so vroet dan. diet weet Dat hi mijns vermiden soude. 543 oft. 533 die.’ Ghi heren. die mi dede vaen. hoe suldi gheven Enech vonnesse jeghen mijn leven? Want niemen mi betijet das Dat ic vanden ghenen was. 545 * 508 mijn onscolt oft. Ende hi hem selven doden woude? Of die coninc mi ooc tijet Dat Dimus des heeft ghelijet Dat ic daer af sculdich was. 546 onsculdighen. Dat men niet en segghe als ende als Na mine jammerlike doot: ‘Philotas hi hads scande groot. Die jeghen sconincs leven rieden. non video soeldi. 515 eest. of hi woude Domen mi na mine tale. Diet van Nicomacuse verhoorde. 509 Mi domen. Ghelijc dat ics sculdich ware. Wi lesen in die Troiaensce geeste. Hine hadder jeghen ghetalet iet. 529 beriet. 537 ben. Dat hi hem verdelen liet. 525 verdielen. Hien liete mi selve gaen. 547 geesten. 518 weet wel oppenb. Nicomacus liet mi wel quite Die coninc seit nochtan met vlite. + Een die sijns selfs lijfs niene vermeet. 516 stae. 216: sed quo me crimine damnet curia. Gaut. Dat ic hier af sculdich bem Ende Dimus hi dode hem. Die here. 527 hoe] soe. Alexanders geesten . 511 qwijt. 535 wael. Want hi mach allene wale Mi quite laten ende domen.294 * Mine onscout. Ende ic wel weet al openbare Dat ic niet en mach ontbreken: Nochtan willic mine tale spreken Ende ontladen minen hals. 513 liet mi selven. 539 En̄ die sijn selven lives. Al eist dat ic ooc ghebonden Voor u sta in desen stonden. Ende ic en mach niet henen comen. Ic wille mi onsculdeghen das. 526 hedder getaelt. Cebalijn met sinen lieden. 528 vonnisse. 510 515 520 525 530 535 540 + LXXXa 1. Jacob van Maerlant. Ende wroeghet mi niet van enen woorde.

295
* Doe Achilles dalre meeste, Die alre beste int griexe here, Doot was bleven sonder were, Doene Paris haerde onsoete Hadde ghescoten onder die voete Met enen ghevenijnden spere, Doe was in dat griexe here Om die wapine vele talen. Ulixes, die dien here halp halen In sconincx Licomedes sale, Ende die dinghen conste wale Heescede die wapen over recht. Aiax wildese hebben echt, Want sijn vader Telamoen Ende Achilles vader Pelioen Dese waren ghebroeder bede, Alset wisten die Grieken gherede; Ende om dat hi die staercste was, Woudi hem vermeten das, Dat hi die wapen hebben woude. Ulixes antwoorde alstie boude, Daert hoorden Achilles vrient, Dat hi die wapen hadde verdient. Aiax hi verweetem mede Dat hi noit coenheit en dede, Ende dat ooc en ware verholen, + Hine hadde bi nacht ghestolen Binnen Troien Pallas beelde: Ulixes antwoorde voor die heelde: ‘Men daerf mi verwiten niet, Al es mi die dinc ghesciet, Want beter man, dan ic si, Dyomedes was met mi Ende ic was daer af sijn cnecht.’ Doe verweet hem Aiax echt Ende seide dese tale: ‘Her Ulixes, men weet dat wale, Doe men voer up Troien striden, Ghi waert vervaert so tien tiden,

550

555

560

565

570

575

+

LXXXa 2.

580

585

*

548 meesten. 549 beste] meeste her. 550 wer. 551 En̄ doe parijs. 553 gefenijnden sper. 555 wapen. 559 heiscede. 560 Aiax wildese S] Aiaxse wise icse. 562 polioen. 563 Dit beide. 564 Alset] doen gereide. 565 hi] Aiax starc. 566 woude. 568 antwerde. 571 verwetem. 573 ooc] noit were. 576 andwerde. 581 knecht. 584 Hier wael. 585 voer S] vore. 586 vervaert S] vervaer.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

296
* Dat ghi u selven maket verwoet Ende wanet hebben behoet Dat ghi niet waert comen te stride. Palamedes wist betide; Alse ghi eriedet up die see Settedi u kint, min no mee, Vore uwe paerde in die vore; Want hi wiste wel ter core, Haddi verloren uwen sin, Dat ghijt vermeet meer no min. Maer doe ghijt niet woudet doden, Waerdi bracht in desen noden Ende ghevoert in desen strijt, Daer ghi af ontaen sijt.’ Ulixes hi andwoorde weder: ‘Her Aiax, lecht die tale neder, Want men sals mi ghenen lachter Met rechte spreken hier achter, Dat mi die dinc es ghesciet. Achilles en scames hem niet, Hi en was ghevloen, dat weetmen wale, In sconinx Licomedes sale + Die grote here dedele man, Ende hadde wijs cleder an. Dien lachter draghic wel ghemene Met hem, want ic bem haerde clene Jeghen Achillese van crachte Ende van goede ende van gheslachte.’ ‘Dus ontsculdechde hem’ sprac Philote, ‘Ulixes voor die griexe rote Met beteren mannen, dan hi was. Ooc dar ic mi vermeten das, Dat Dimus mi die moort teech an, Om dat ic was een beter man. Merct ghi heren, die wet ende recht Hebt bekent nu ende echt, Bi wat rechte men sal verdoen Enen edelen man, enen baroen, Die onghewroucht es van orconden

590

595

600

605

610

+

LXXXb 1.

615

620

625

*

590 Palamedes S] Dalmedes wiste. 591 eriet. 592 settet di u k. noch min noch mee. 593 voer u perde. 596 noch. 597 wůudet. 601 andwerde. 602 Hier legt. 603 saels. 607 hine was gevlouwen. 609 die edel. 611 wael. 612 ben. 613 van] met. 615 onsculdechde. 617 beteren S] beten. 618 ds.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

297
* Bede nu ende tallen stonden Ende onbemaert ende onbeseit Van alre moordadecheit, Entie selve niet en lijet? Ic bem sere vermaledijet. Men en hadde mi de moort beteghen, Daer ic mede bem bedreghen, Maer dat mi die mare brochte Cebalijn diet al besochte; Want mine name niemen en wrouchde. Maer dat mi noit en ghenouchde Oorscalke, no niemare, Moet ic becopen sware. Wat soudic gheloven enen cnecht, Of sine claghe ooc was recht? Al seit een aerm mensche waer, Sine tale en acht men niet een haer. Dus sijn dies aerms menschen woort, + Al sijn si goet, luttel ghehoort. Of ic Dimus gheselle ware, Hoe so soudic openbare Laten werden dese moort? Ic hadde tstucken eer ghescoort Sonder wanconst Cebaline Openbaer of stillekine, Eer hijt dien coninc hadde gheseit. Nochtan sident, god weit, Dat mi dese moort was ontect Quam ic met swaerde uutghetrect In dies conics kemenade Tenen hemeliken rade; Want het es die derde dach Dat ics eerst hoorde ghewach Twaren, woudickene hebben gheslaen Ic hadt doe wale moghen bestaen.

630

635

640

645

+

LXXXb 2.

650

655

660

*

626 bedi. 627 onbemeert. 628 aller mordedecheit. 630 ben. 631 en ontbreekt mort niet. 632 bin. 633 mere brachte. 635 minen naem. 636 dat mi] want. Gaut. zegt (247): sed quod suppresseris ad te delatum facinus, quodque his rumoribus aures clauseris, obiicitur. De zin van deze woorden is niet nauwkeurig teruggegeven. 640 Wat soudic ofte sine cl. was recht. 642 hare. 643 armen. 645 oftic. 646 Wi soudic laten oppenbaer. 647 laten ontbreekt. 648 hedden te st. 650 oppenbaer noch st. Gaut. 256: clam sive palam poteram Ceballinum tollere de medio. 652 noctan. 653 onttect. 654 swerden uyt getrecht; misschien te lezen dat swaert. 658 ierste. 660 hedt wael.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

298
* Hoe so soudic hebben ghevorst? En soudic niet hebben ghedorst Sonder Dimus hulpe doen? Was ic dan sijn garsoen? Soudic met Dimuse dat bestaen Ende minen gherechten here slaen, Om dat ic coninc wesen soude? Wien so hebbic met goude Ofte met enegher dinc ghemiet? Dat secht, ende en swighets niet! Mi tijet die coninc met ghewelt, Dat ic met hem mijn sceren helt, Om dat hi hem beromde das, Dat Jupiter sijn vader was; Maer aermen lieden mochte vernoien, Die hem tallen tiden moien Dor sine hoveerdecheit. Te waren mine ghetrouwecheit + Entie vrientscap entie minne Entie vroetscap van minen sinne, Die some liede sere beniden, Ende dat ic ooc tallen tiden Dien coninc seide dat hem messat, Dat maecte mi met hem ghehat. Dies lije ic wale dat ic seide. Dan dedic dor gheen nidecheide, Want mi des wale ghedachte Dat hi si van der gode gheslachte; Maer ic hadde dien coninc lief, Ende dat hi hem so verhief, Ontsaghic mi dats hem vererren Die herren mochten van den sterren, Ende dats die princen mochten beniden, Die altoos sijn neven siere siden. Wat vromet mi, coninc here, Dat ic hebbe dor dine ere Versleghen die liede mine? Wat mach mi vromen mine pine? Ic hebbe twee broeders uutvercoren

665

670

675

680

+

LXXXIa 1.

685

690

695

*

661 Wi soudic. 662 En̄. 663 dymus hulpen. 665 dymuse. 668 so ontbreekt. Gaut. 266: quem tamen e vobis corrupi munere: misschien schreef dus M. wien van u. 670 segt en ontbreekt. 675 mochte] mach; vgl. 396. 681 som. 686 dat en dede ic dor gene; of te lezen dat en dede ic dor nidecheide? 688 si ontbreekt. 690 lees omdat? 691 mi zou beter ontbreken. 694 sijnre. 696 dine S] din. 699 ute vercoren.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

299
* 700 Dore sconincs wille verloren; Mijn vader en es ooc hier niet, No hine weet niet ons verdriet, No inne dar ontbieden niet. Twi tijetmen hem dat hi verriet 705 Den coninc? en es niet ghenouch Dat hi hevet groot onghevouch Van tween kinderen, die hi verloos, Hine werde al kindeloos Ende verliese dien derden mede? 710 Hi sal met groter onsculdechede Dore minen wille mede sterven. O wach, vader, du moets bederven Dor mine scout ende met mi! + Mijn leven es mi comen van di, 715 Ende van mi coomt di de doot Met onscoude haerde groot. Ic corte di dijn oude lijf. Twi wonstu noit dien keytijf, Die nemen sal di dijn leven? 720 Met rechte souts dune hebben vergheven Ochte versleghen hier te voren, So en waerstu noit dor mi verloren. Ic was di een quaet ghewin. In can ghemerken in minen sin, 725 Welc onser heeft meer onghevals, Of mine joghet als ende als, Of dine oude, lieve vader. Mine cracht wast algader Ende aldus moet ic sterven! 730 Mijns vader oude moet bederven! Mochtwi noch een stucke duren, Onthier ende wi bi naturen Die doot souden anegaen, Wi souden meneghen prijs ontfaen.’ 735 Dit sprac hi, entie coninc quam Sere ontsteken ende gram Met ere scare ghewapent wale,

+

LXXXIa 2.

*

700 dor des. 702 noch. 703 noch inne dar ontbieden V] hine d. ontbeiden z. de aanteekening. 707 ·ij· 710 onsculdechede V] onsculdechde. 713 schout me S] dor; Gaut. 290: mecum. 718 wonstu S] vonstu. 720 du eem. 721 ocht. 722 sone en weerstu. 726 ofte iogt. 727 ofte dijn ouder. 728 weest. 730 vaders ouder, 733 angaen. 737 eenre.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

300
* Alse hi sprac dese tale. Doe quam hem die vaer so groot Door die vrese vander doot, Dat hi verloos al sine cracht Ende seech neder in ommacht. Selc was daer, die spreken woude Dat menne leven laten soude; Maer dat was al onghehoort. Andere heren brachten voort, Dat men Philoten stenen soude; Selc was, die visieren woude + Dat menne met gheselen soude slaen. Doe dede die coninc maken saen Tormente voor Philotas oghen; Het stont hem so, hi moest ghedoghen. Mettien sprac hi stillekine, Woudemen corten sine pine, Al die waerheit vander moort Woude hi gheerne bringhen voort. Men seide ‘jaet.’ doe sprac Philote, Hi hadde ghemaect ene rote, Dat men dien coninc soude slaen. Doe ghinghen die cnechte saen Philoten stenen, dien keytijf. Maer doemen niewer an al sijn lijf Niet sien en mochte dan al wonden, Lijedi in corter stonden Bede teinde ende tbeghin Van der moort, meer no min. Maer die bouc en lijet niet das, Dat hi dier daet sculdich was, Maer hi twifelet harde sere, Of hijs lijede, dedele here, Om te cortene sine pine Daer hem in stont te sine. O wach, aerme! daventure Hoe quaet, hoe scale ende hoe sure Es soe dien steerfliken lieden!

740

745

750

+

LXXXIb 2.

755

760

765

770

775

*

739 vaer] vrese. 745 ongehort: vort. 746 ander. 747 steinen. 748 geiselen. 752 also. 758 hedde een. 759 S soude, ontbreekt. 760 knechte. 761 steinen. 762 nigerins. 763 dan S] dat. 764 liede. 765 beide en. 766 noch meer noch. 767 liet. 768 daet (of dinc?) ontbreekt. 769 hi] si. 770 ochte liede die edel. 774 ende ontbreekt. 775 sterfliken S] steerliken.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

301
* Hoe luttel hare helpen dieden! Dien soe hoghe climmen doet, Hoe sciere gheeft soe hem onspoet, Ende werpten van den eren neder In groten aermoeden weder! Nu was hi ghemaket here, Philotas vader, met groter ere Over tlantscap van Meden, + Ende met groter werdecheden Here boven sine ghesellen Permenioens sone, daer ghi af tellen Hoort so meneghe grote daet: Nu es hi sonder enech toeverlaet Ghevallen, alsi waende cliven Ende verdeelt mettien keytiven In ellende ende ghesteent, Die menichwerven es beweent. Al die liede woorpen steene Up dien edelen man ghemene, Die tevoren al den lieden Menechwerf dede ghebieden Dat men ten wapen soude gaen. * Ses daghe na Philotas doot Dat was jammer haerde groot Porrede Alexander mettier vaert Jeghen Bessuse te Bacteren waert. Hi brochte tfolc in Bacteren lant In sulker vresen al te hant, Dat si die Grieken sonder waen Niet en dorsten bestaen.

780

785

+

LXXXIb 2.

790

795

800

805

*

776 luttel eer dieden; er kan ook eeren of iets dergelijks gestaan hebben. Bij Gaut. (323) begint deze ἀναστροϕὴ aan Fortuna: o quam difficili nisu sors provehit actus lubrica mortales. 779 worpen den ontbreekt. 781 was philotas gemaect. 782 En sijn vader; Gaut. (325) gewaagt niet van den vader: magno fortuna labore fecerat excelsum media de gente Philotam: princeps militiae factus ductorque cohortis Parmenione satus. 786 Permenio S ghi, ontbreekt. 788 enech behoort wellicht den afschrijver. 789 weende becliven; Gaut. 329 scandere dum quaerit 791 elende. 793 steen: gemeen. 797 Na dezen regel zijn elf lijnen onbeschreven gelaten; zooveel ontbreken er echter waarschijnlijk niet blijkens het latijn, waar wij alleen nog lezen (332): quam frivola gloria rerum, quam mundi fugitivus honor, quam nomen inane! Praelatus, qui praeesse cupit, prodesse recusat. 798 het hs. beint het nieuwe hoofdstuk eerst met 800. Buitendien vermoedt S dat 798 en 799 onderling van plaats verwisseld zijn. Gaut.: sex ubi consumpti post tristia fata Philotae praeteriere dies propero rapit agmina cursu etc. 800 doen porrede.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

302
* + Ende Bessus vlo in enen casteel, Die staerc was ende gheheel. Daer vinghene sijn selves vrient, Om dat hijs wale hadde verdient, Ende sendene Alexandere ghevaen, Die hande ghebonden sonder waen, Al moedernaect, haerde onsoete Om dien hals ende om die voete Ghespannen utermaten vaste. Doe sprac hi ten leden gaste, Dien hi felliken anesach: Sech, wat verwoetheiden lach In dinen sin, verwoet man, Of wat dulheiden brochter di an, Dattu dien coninc, die di dede Also meneghe hoveschede Souts dorren binden ende vaen Ende daertoe doorperlike slaen, Om dattu draghen wouts crone? Di comter af groot leet te lone. Mettien riep hi Exateuse, Dien broeder van Dariuse, Ende gaf hem Bessuse ghevaen. So dedi mede sonder waen Narbesines dien fellen man. Hi sprac ‘inne hebbe daeran Niet tebroken minen eet, Want het was in mijn beheet, Dat ickene soude den hoochsten maken Van den minen in waren saken: Nu hankene an die hoochste galghe.’ Daer hinc hi die twee valsce balghe Daris broeder Exateus Ende wrac sinen broeder dus. Aldus nam Bessus conincrike + Cort einde doorperlike. Alexander hadde menech jaer Ere begheert, dat es waer,

+

LXXXIIa 1.

810

815

820

825

830

835

840

+

LXXXIIa 2.

*

806 aan den voet der voorgaande bladzijde (waar altoos de eerste regel der volgenden staat) een. 807 geheheel. 808 sine. 811 die] sine. 812 moder nact. 813 ende] in. 816 an sach. 817 segge. 819 ofte. 821 menich. 823 dar toe. 825 di S] die. 827 Enen dien vorsten van dien huse; Gaut. 348: fratrem Darii, quem corporis inter custodes pridem terrarum eversor habebat, accivit. 831 in hebbe niet. 832 niet ontbreekt. 834 hoesten. 836 haencene. 837 valsche. 842 menich.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

303
* Te winne dier Siten lant. Bedi voer hi al te hant Darewaert met sinen scaren Ende quam up een riviere ghevaren, Die es gheheten Tanais, Die int besceden gheleghen is Tusscen Bacteren ende Siten lant. Dat es in bouken wel becant Dat soe met crachte comt ghelopen Tusscen Asien ende Europen, Ende sceet dese lande ontwee Daer soe vallet in die see. Enghene huse en hebben die Siten; Si sijn ghedaen alse of si biten Souden die liede, die si sien. Men seghet ooc dat si plien Te wone in die haghedochten Ende si ander goet en sochten Dan hem nature woude gheven Broot, dare si bi leven; No sine willen selver no gout No anders hebben in hare ghewout. Up die riviere slouch Alexander Sine tenten ende menich ander. Hi dede scepe maken te waren, Daer hi mede soude over varen Ende doen die griexe swaerde biten Up dat wreede volc van Siten. Mettien quamen tweewaerf tiene Groter manne ende onsiene + In dat griexe here te waren, Up eislike paerde ghevaren, Met ere wonderliker manieren.

845

850

855

860

865

870

875

+

LXXXIIb 1.

Doe sprac die outste vanden lieden, 880 Doe hi dien coninc sach so clene

*

844 winnen. 845 bedie. 846 daer wert. 851 wael. 857 al oft. 860 wonen aechdochten. 862 die nature. 863 Eñ broot daer; Gaut. 366: contentique cibis quos dat natura. 864 noch siluer noch 865 noch anders in eer. 872 tien. 873 siene. 874 her. 876 einre. De regels, welke door den afschrijver hier vermoedelijk achterwege gelaten zijn, luidden misschien Si quamen van over die riviere ❘ den coninc bootscap ontbieden. Bij Gaut. 371 lezen wij: ecce peregrino Macetum tentoria cultu horrida cornipedum bis deni terga prementes intravere viri, regi mandata ferentes. 880 cleen.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

304
* ‘Waerstu also groot allene Van lichame, alse van ghierecheden, Of waerstu also groot van leden Alse du groot van moede sijs, Die werelt ware in alre wijs Al te clene te dinen behouf, Want du wesen souts so grouf, Dat dijn ene hant soude slaen, Daer wi sien die sonne up gaen, Dander hant, dat es groot wonder, Daer die sonne gaet onder. Nochtan en sout di ghenoughen niet. So wat dinghe so ghesciet, Dat soutstu willen besien. Waer soude de drouve sonne vlien, Du en soutster here af willen wesen? Bedi meerkic wale in desen, Dattu vele dinghe begheers, Die du dijns ondanx ontbeers. Alstu die werelt heves verwonnen Soutstu dorvechten ende dorronnen Beesten, beerghe, stene, wout; Ja die snee, die es so cout Ende leit in die diepe valleien Soutstu met dinen swaerde heien; Die wondere die in woude luuscen Soutstu met dinen volke uut buuscen. Diere oorsse macht ende diere ghesellen Sal noch die elemente quellen. Neemstu daer an enghenen goom: + Hoe hooch ghewassen es een boom, Hoe staerc ende hoe out van jaren, Up ene corte wile te waren Weert hi uter aerden ghehouwen. Die up dien sconen appel scouwen, Die staet up den hoghen boom,

885

890

895

900

905

910

+

LXXXIIb 2.

915

*

881 werstu. 882 lichamen. 883 ofte weers du. 884 sijs] bis. 885 w'relt were in dier alre. 886 cleen. 887 souts wesen so grof. 891 slaen daer. 896 en ontbreekt. 897 bedie. 899 ondanx S] ondax onbeers. 900 als du die w'relt heves dorronnen; Gaut. 385: orbe subacto cum genus humanum superaveris. 901 soustu dorronnen] dor winnen; z. de aanteekening. 904 valleien S] vallien. 905 soustu. 906 luschen. 907 soustu uten busscen; z. de aanteekening. 908 dijnre beide malen. 910 genen. 911 We gewassen; Gaut. 391: longo quod provocat aethera ramo arboreum robur. 912 we starc out van dan dagen. 914 ute der. 916 stat.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

305
* Ende die dan niet en nemen goom, Hoe hem met ghemake winnen, Ic wane, si luttel wijsheit kinnen. Maerc, alstu wout dien appel plocken, Dattu mettien droghen stocken Te dier eerden niet en vals. Al es die leuwe staerc ende ghemals Ende coninc boven alle beesten, Men vint noch lesende in geesten Dattene die clene vlieghen aten; Waerbi so laet di ghematen. Iser ende stael es haerde hart: Ene rostevlecke clene ende swart Bedeervet, al es soe cranc. Ens niemen onder dien hemels ganc, Hine mach dien cranken ontsien. Wie sijn si die der werelt plien, Of so rike of so groot, Sine moghen ontsien die doot? Wat hebben wi metti ghemene? Wi en mesdeden groot no clene Jeghen dijn lant no jeghen di. Wie so dijn gheslachte si, Of twi du hare best ghesent, Of wie du best, dats onbekent Al dien Siten ende verholen, Want hets volc dat woont in holen; Si vlien wapine ende liede Ende wonen, daert es onghediede. + Oit waren die Siten vri, Ende ic sal di segghen twi: Want sine begheren anders niet, Dan die nature ghebiet. Daeraf en moghen si sonder waen Enghenen man te dienste staen, No sine willen nemmermere

920

925

930

935

940

945

+

LXXXa 1.

950

*

917 neemt. 918 we hine met gemake mach winnen. 919 wene wijsheiden. 920 Maer; Gautier 395: videas alse du plucken. 922 Tier eden (S erden). 923 liewe gemals. 926 vlege. 928 ise. 929 cleen. 931 en es nimen die. 933 w'relt. 934 oft beide malen. 936 wi metti S] metti wi gemeen: cleen. 937 noch. 938 noch. 939 lees wat? 940 ofte her bist geseint. 941 ofte we du bis. 942 verholen S] onverholen. 944 wapen. 946 Dit. 949 Gaut. (409) zegt: libera gens Scythiae nil appetit ulterius, quam prima parens natura dedit. Het is dus de vraag, of M. niet schreef geven pliet, of wel danne die nature biet. 952 noch nemmermeer.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

306
* Van eneghen volke wesen here. Drie dinghe maken salech den man: Die lijf ende goet bescermen can Ende mettien sinen hem bedraghet Ende om andere goet niet en jaghet; Dit sijn die dinghe die ons salech maken. Woutu iet boven desen saken, So woutu meer, dan salichede. Wachti hierbi van quader sede! Ic wille dattu kinnes mede Een deel van der Siten sede. Sine hebben anders niet dan beesten Ende ploeghe daer si dlant met dweesten Si hebben ghescotte ende speren, Daer si dlant mede verweren, Ende * daer wi onsen goden Dienen mede na onsen gheboden. Dien vrienden die wi hebben vercoren Delen wi mede onse coren. Wat lande sal di beste voughen? Ofte wat goede sal di ghenoughen Cappadocien ende Lidia Surien, Percen ende Media Bacteren es di onderdaen; Nu woutu Inden winnen saen. Scaemdi, hets scande groot: Wat soudi onse quekenoot, Vrec man, wat sullen di onse beesten? + So wat die werelt mach gheleesten Dat es algader dijn; Nochtan duncstu di arem sijn. Wat sal di tgoet, dat emmer doet Becommert wesen dinen moet?

955

960

965

970

975

980

+

LXXXIIIa 2.

985

*

953 heer. 954 salech] heilich; Gaut. 414: beatum efficiunt. Er valt niet aan te denken dat M. ‘beatum’ naar aanleiding van den kerkelijken zin van het woord met heilech zou hebben vertaald; vgl. ook vers 960, de vertaling van: excedunt sua vota modum finemque beati; z. ook de aanteekening. 956 hem (hē) hetgeen V giste, staat in het hs. 957 ander liede. 958 die dinghe ontbreekt heilich. 968 Eñ daer wi mede; Gaut. 419: diis vinum in sacris patera libamus. 969 mede ontbreekt lees haren geboden? 970 die vriende. 971 deilen wi weder; Gaut. 419: amicis parta labore boum largimur farra. Dan volgt: sagitta eminus obruimus inimicos, cominus hasta - waarvan de vertaling wellicht door een afschrijver overgeslagen is. 972 voughen] bogen; Gaut. 422, quae te terra capit. 974 Capadocien en̄ libia; Gaut. Lydos. 976 en 977 in omgekeerde volgorde; de omzetting is door S aangewezen. 976 Bracten. 979 quekenoet S] quke uoet. 980 solen di S] die. 981 w'relt. 983 arm. 985 bekummert.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

307
* So du meer heves in dijn ghewout, So du mee begheers dat gout. Aldus comt di ghebrec van den goede. En meercstu niet in dinen moede, Hoe langhe du waers in Bacteren lant? Alse du dwinghs na diere hant Deen lant, so comt di dander jeghen. Aldus comt van orloghe seghe, Ende vanden seghe so comt strijt. Nu woutu varen in corter tijt Over die Tanais om viande Ende wout dwinghen tiere hande Sitenlant, dat noit man en dwanc; Maer onse aermoede, gode danc! Maect ons dapper ende snel; Maer dijn volc, dat weetmen wel, Dats so drachtich van groten goede: Dat segghic di met waren moede: Sine sullen ons ghevolghen niet, Wat so hem daerna ghesciet. Wine hebben niet, wi wesen snel, Dus moghen wi vlien ende volghen wel. Als du souts wanen dat wi sijn Verre van den volke dijn, Sullen wi sijn onder dijn here; Alse du souts wanen staen ter were Ende ons vaen ende slaen Sullen wi ontlopen saen. Die Siten en achten niet up goet; Noit en quam in haren moet + Enegherande ghiericheide. Sine hebben borghe no chiteide No casteel; maer in woestinen Gheneren si hem met groter pinen.

990

995

1000

1005

1010

1015

+

LXXXb 1.

*

986 me begeres. 988 comtti den misschien te schrappen; Gaut. 431: sicque famen saties, (var. faciens) defectum copia nutrit. 990 weers. 991 Doe duse dwongs; Gaut. 433: populum hunc dum subiicis, ille rebbellat. 993 comt orloge van den segen; Gaut..nascitur ex bello victoria: rursus ab illa surgunt bella tibi. 994 segen die strijt. 996 tane. 997 tiere hande, V tinen handen] tyren lande. 999 en 1001 mar. 1002 trachtich; Gaut. 438: totius opes exercitus orbis et praedam vehit iste tuus. 1003 di] dat. 1004 solen. 1005 wat hen dar na. 1006 en 7 in het hs. in omgekeerde volgorde. 1006 wine en maer wi 1007 S wi ontbreekt. 1008 wenen. 1010 solen. 1011 wenen. 1013 solen. 1016 eeng. gierichede. 1017 noch cithede; Gaut. 446: hoc hominum genus oppida spernit et urbes. 1018 noch. 1019 hen.

Jacob van Maerlant, Alexanders geesten

Gaut. 1050 Daer du niet up en heves ghestreden. En si haer lief. 1038 die en onvliet. 1045 dinen V (den S)] enen. Gaut. 464: stultum est horum meminisse ex quibus ipse tui es oblitus. * 1020 bedie. wellicht ook te lezen ander volc en leeft. 1049 sint wouttu yt. Houtse vaste. 1040 Bestu god. + LXXXb 2. Du en salt niet corten hare leven No nemen hare goet. 1026 nutten] mittien. Dine vrient sijn. 1021 eer. 1044 noch eer (S en V hem sijn). Dan die sonder hoverde sijn. Gaut. 1036 ofte. 1039 bedrieghet] verdriet. wiltuut weten. 1028 mac] maer ane. dat soe niet.308 * 1020 Bedi pijndi te houdene vaste Daventure. 1040 god V] goet. Gaut. Want soe nieman en verscoont. En meercstu niet int herte dine. Want soe gheerne dien man bedrieghet. wattu sijs. 451: consilium ergo salubre sequens. 1054 di S] die solen. + El gheen volc en leeft met vreden. 1041 genade behoort denkelijk te staan achter saltu in den voorgaanden regel. 1048 dijns selves V] steruens. 1043 hare] sijn. of het lidwoord vóór steerfl. Mac een einde an dijn striden. daer soe drivet Dien enen up. Het seghet mi die herte mijn Dat si di spade sullen gheonnen. 1029 dattu niet. 1051 Anders. Alexanders geesten . 459: ne avole alis. die hare gaste Utermaten sere hoont. dien anderen neder? 1035 Daeromme kere te lande weder! Ende of soe di de hande biet. Hier omme volghe nutten rade! Die wile dat soe es ghestade. Jacob van Maerlant. 460: si deus es salttu. set dinen moet Te peinsene. 1037 halt si si di. 1033 daer] dat. 1034 Dien S] Die. 1035 dar om. 1045 Bestu mensce. is te schrappen. so saltu dan Ghenade doen den steerfliken man Ende hem sijn noottorft gheven. 1025 Diese met hem behouden can. en es gheen man. Het es doorheit in alre wijs Dattu dijns selves heves vergheten. di ne ontvlieghet. Dattu in corten tiden 1030 Niet en verlies al dine pine. Alsoe wille. Hoemen daventure bescrivet Met enen rade.

1090 Dicwile hadde. Binnen haetsi di alse enen dief. Gaut. Jacob van Maerlant. Alexander gherede hem te hant Ende dede ten wapinen vaen Die sine ende te scepe gaen. Binnen draghen si dien nijt. 1061 eer. die coene was. De voorste scare woude hi besien. + Ende Nicanor van Traci.309 * 1055 Die du in stride heves verwonnen. Vóór of achter dicke stond denkelijk een adverbiale bepaling. 1065 Al toghen si di scone anscijn. 1076 die tane. + LXXXIVa 1. Ere dat mach ghescien. om de hoedanigheid uit te drukken. 1063 eest. 1058 solen. Glaucus ende Polidamas Ende Aristoen. van groter namen. Daer was met hem Eufetio Ende Armolaus. 1065 tonen scoen. 1074 eer. Die Siten saten up hare paerde 1075 Ende voeren haerre vaerde Over dien Tanais in haer lant. Entie leidesterre entie waghen Sullen eer te hove gaen Dat segghic di al sonder waen 1060 Eer sullen vissche water vlien. * 1055 Dattu in. 1080 Sijn here deelde hi in drien. Want eer sal aerde sterren draghen. 1078 dede sine her ten wapen gaen. 1068 ofte hedde. Tusscen di ende die du heves verwonnen Eist dat wijt ghemeerken connen En mach ghene minne sijn. 1077 gereide. Buten tooghsi di in allen tijt. 1079 Eñ alle souden si te scepe vaen. Dit waren ridders sonder waen Van groten prise. die meneghe daet 1090 Dicke * hadde ghedaen. 1060 solen alle water. (472) zegt: et siccum piscis amabit. 1080 her deilde. Alexander sweech al stille Ende liet hem segghen sinen wille. 1092 groten namen. Pencestes ende Lavernaet Ende Cymeus. die deghen vri. 1070 sijnre. 1085 Ende Simacus. 1067 tonen si.’ 1070 Dus sprac die Site in siere tale Voor dien coninc in die sale. 1085 zooals steeds sinacus. die node vlo. Alse of si di hadden lief. Alexanders geesten .

Daris broeder. 1128 darwert. hist. 1111 helt. 4 . 1099 metroen uit matroen veranderd. Ende was gheheten Baradach. 1125 * 1093 nieuwinghe (nuwelinge S)] nouwelinge uyt. Ende die ghetrouwe Artabatus Ende die rike Mascus Ende Pasarges.310 * Die nieuwinghe uut Grieken quamen. 1095 1100 1105 1110 1115 1120 + LXXXIVa 2. 1113 mi bi namen sijn. Die mi sijn bi namen onbecant. 1108 tafel. 1100 dirde. 1120 beide 1125 coen. 1126 En. 1110 in plaats van die coninc is misschien enkel hi te schrijven. Exateus. Daer af was een ridder mare. 1101 dar af een ridder maer. Bede ridders ende seriant. Doe si quamen an dander lant Sloughen si die tenten al te hant. 1112 beide sariant. of het ware een wout. 1095 were S] wer. niet out van jaren. 1094 here S] her. Dien de Siten hadden verheven Coninc om sijn coene leven. 1104 arebatus. ghemaket here. 1119 helt. vgl. 1102 Draris broder was gemact. De Percen waren in de derde scare. Tholomeus was in dander here Ende ander ridders van groter were: Perdiccas ende Antigonus Clitus ende Emenidus Meleager ende Tauroen Cenus. 1097 eminidus. Teerst dattene Alexander sach. + Daer was menech heelt bout Bede te paerde ente voet. Sp. 1 Jacob van Maerlant. met groter ere. Alexanders geesten . 1096 Perdicas. Die Siten quamen daer ter were Ghegaen met enen groten here Ghespeert. Keerdi darewaert sijn paert. Voor die Siten quam ghevaren Een deghen. 1118 gespreit ocht were. Amictas ende Matroen. Doe die coninc met ghenende Tote Daris tafele sat Ende met hem uter scotelen at. Dus voer die coninc over die riviere Ende met hem menech heelt fiere. 1127 tierst. 32: daert alre dicst was ghespeert in den wijch dorbrac hi dat. Dies wies Alexanders moet. 18. 1106 pannarges die iersten. diene eerst bekende.

Baradach sat haerde hoghe. Doe sprac die coninc te hant: ‘Vrient. Doe die coninc dat vernam. Alexanders geesten . 1151 thuet. Bede Siten ende Grieken Die nemmermeer daerna ne wieken. 1167 sagen. Elc stac up anderen met nide. Ende een trensoen hem int rechter oghe. 1130 1135 1140 1145 1150 1155 + LXXXIVb1 1160 1165 * 1129 onverveert. dat hi met allen Ter eerden neder quam ghevallen. Sijn scilt was ghevaerwet root. 1137 het] hi twe. 1138 En̄ trensoen eem uyt siner rechter. Sijn spere dede enen groten crac. 1136 sper. + .’ Doe cloofdi hem thovet toten tanden. Die coninc stakene up die side. Jacob van Maerlant. Ende Baradach bleef ghinder doot. Dien sal ic losen tinen scanden. 1132 Die beide. Nicanor ende Simacus Saghene te voet staen aldus. Volchdi na met groter porsse. Ende si vinghen bede ten swaerde. Dat bede staerc was ende groot. 1130 eenre. Hi vlo weder danen hi quam.311 * Baradach was onvervaert. Armolaus verloos sijn paert Ende vacht te voet als een liebaert. Dat sconincs sadelstelle brac. Baradach hi slouch so haerde Up Alexanders scilt. 1163 nieven. peert. of is te lezen slouch daer ontween ❘ meneghen die knien of die been? 1165 vote. du heefs mijns enen pant. 1144 beide. Dat hem dat spere dede wee. Daer bleven doot man ende orsse. Ende het spranc in stucken twee. 1135 stackene. 1160 beide. 1150 tho dinen. Eufecio slouch daer hem tween Neven die knien af die been. 1162 hem] en. 1133 geverwet. Die strijt was staerc ende groot.Maer wie dat van den Siten sach Dat versleghen was Baradach. Een spere nam hi in sinen grepe. Hi stac dien coninc up den scilt. Hi slouch sijn paert met ere swepe. Dien hi voor die joeste hilt.

1190 Doen die souden. 1206 huren. Maer Clitus wrac dies conincs smerte. 1182 mocht. Ende Cymeus ende Aristoen Ende Glaucus. Doe quamen die twee andere scaren: Tholomeus metter siere Ende Exateus. + Want Clitus boot dien scilt derjeghen. Jacob van Maerlant. 1177 twe ander. Doene diere een soude slaen. 1178 mettier sierre. Si doden meneghen an die vaert. Ende Polidamas die deghen Hebben haerre so vele versleghen. Maer die coninc sonder waen Was beringht van hem tienen. 1197 noch. Alexanders geesten . 1169 mengen vert. 1188 verslagen. 1201 dorredenen. Ne ware Clitus. So dattier luttel mochte ontgaen. Si dorredense voort ende weder. Daer en was niemen. dan si tween. 1193 Woude oft. die fiere. die daer stoeden ter were. Dat sweert ghinc in sonder waen Over die helt van den scilde. Bindien vacht Tholomeus sere Ende Exateus die here Met haren volc uptie Siten. 1195 mettier bloesser. 1181 stoenden. 1191 gincker in. 1203 ende] en. Doe slouch hi metter bloter hant Uptien coninc sulken slach. Pencestes ende Lavernaet Deden meneghe grote daet. Wilde die Site of en wilde. Hi liet ghinder sinen brant. 1204 binnen dien. 1185 slegen. die node vloen. Dat hi en hoorde no en sach. 1180 eren her: wer. 1186 Mar clitus die dat. Si en sloughen hem af hande ende been. Die hem van groten slaghen dienen. 1183 mar. Die coninc ware up dien dach Van den Siten daer versleghen.312 * Si gaven hem een staerke paert. 1195 1200 1205 * 1168 starc pert. Si beringhden met haren here Die Siten. 1198 mar. 1192 hilt. 1170 1175 1180 1185 1190 + LXXXIVb 2. 1175 huerre so vuel. Hi stac hem tswaert in toter herte. Dattie Site viel ter neder. 1187 were. diet versach. Dattie Siten vluchtich waren.

Si vloen al sonder keren. 1230 1235 1240 * 1207 eer. hiet Dromoen. Ende Dromoen liep up dien coninc. 1220 en sloech H en̄ sloeg. die coene deghen. Van verren up hem metten spere. 1210 hun. 1221 vlo ontbreekt H coes A. Woorden hem al onderdaen. als de regel niet meer bedorven is. Want hi stakene dor die kele. 1232 weenden. Ende dandere. Nicanor sette hem ter were. 1210 1215 1220 1225 + LXXXVa 1. 1234 stackene dor sine. Alexander quam tien tiden Ende Clitus. 1233 dar weder. Percen ende Meden Ende Affrike met allen steden. Hem volchden die jonghelinghe Maer en mochtene achterriden. 1211 heet. Die snelste vander Siten lant. Ic segghe u in waerre dinc. dat hijt tsweert verloos. 1235 ware. die hem waren ontgaen. 1216 sinacus II. Nochtan verloren si vele liede. Alexanders geesten . Si dwonghense al sonder miede. Dromoen vlo ende vercoos Emeniduse onder die porsse Ende hi liepene van den orsse. 1237 grieke heren. 1214 eene A harde H A. 1209 dwongen si mide. 1236 vlouen. beter misschien ende diere waren. 1215 starc en H. 1229 van daer] om dat. 1226 mar. Van daer siere tiene hebben versleghen. Hi waendene lopen ter neder.313 * Si deden hare scilde spliten. Die mochten. Ende slouchene. Tauroen ende Simacus si staken. dat si hem ontvloen. Jacob van Maerlant. Die coninc sette hem daerweder. lees maer si? mochte. Want hi was staerc ende wreet. Dus wonnent die Griekeheren. 1218 met ij speren: weren H. Al waerre der Siten vele. Hi maecte met siere hant Ene plaetse haerde breet. Doe was daer een.ne A tsuert A. 1208 veel lide. Te voren hadden de Siten verwonnen Menech lant onder der sonnen: Assirien. Doe hem niemen en dorste ghenaken. + So dat hi quam uten ringhe. 1238 die ander. 1217 Soe dat hun niemen H Doen hē niemen A.

. 1248 oeste en̄.. * 1245 mere. Alexanders geesten . Dat hem vrecheit niet en dede.nc te lezen) eer H. Begonste hem dat volc versaghen Al toten oostende van eertrike. 1252 weenden ieman. Dus waert dien Grieken onderdaen 1255 Menich coninc sonder waen Dor sconincx goedertierheit mede. 1273 nemt.. Alsi liede hadde ghevaen. 1270 Dat hi eerst orloghe bestoet. + Hi was hem mede ooc so sachte. 1261 hun. 1262 doechden. Maer sijn onvervaerde moet.re A (vermoedelijk echter. 1266 alse H alse hi A.. 1263 edel H A.. 1265 oec so H wael H. de vertaling bevattende van Gaut. 506: nec magis arma ducis homines movere suoque subiecere iugo. Want het was Alexanders sede: 1260 Alsi verwan een volc met crachte. 1258 goderterenheit. des hebben danc! Sine waenden niet dat iemen ware So staerc alse Alexanders scare. Daerbi mochtemen merken mede. 1270 ierstwerf H. Die achte bouc neemt hier ende.. 1268 mochtmen H. 1271 mar onverveerde. 1259 co·alex'. 1255 na dezen ontbreken eenige regels. Hi was van groten ghenende. denkelijk twee. hi lietse gaen. Want si wisten sekerlike 1250 Dat noit volc die Siten en dwanc Sonder die Grieken. quam etc.314 * Nu sijn si dien Grieken onderdaen. Jacob van Maerlant. 1267 lietsi H. Bat mens hem... 1265 Ooc was hi so wel ghemoet. Dies plach altoos die edele man: Hine ontdwanc niet hare goet.. Dat hise met dogheden verwan. 1264 ontdwanc] ontd. 1245 Sint dat die mare was verstaen In die lande diere bi laghen. + LXXXVa 2.

16 noch. 25 zut side. Dat bi siere hulpen was Die coninc der doot ontgaen. Hi verhoorde ende vernam Dat hi hem beromde das. Bedi secht men ons over waer: + Elc man sie om sijn bederve. An de noortside hout sijn stede Een berch. 18 segt. 11 vermoedelijk te lezen dies in plaats van daerbi. 28 vyt. 24 aen. wellicht ook te lezen hevet sijn. 23 berge S] borge. Conincs hulde en es gheen erve. Het berou hem so sere. Jacob van Maerlant. min no mere Binnen drien daghen daernaer. Dat hi en at. 9: India tota fere nascsnti subdita Phoebo. 26 aen die hout sijn] sijn hoet. Ende dode Armelause mede Ende ooc ter selver stede Dien vroeden Calistonese. * 6 Daer verhoerde hi. Nu salic tellen van Endi. Ende hi sette sine vaert Ten lande van Indien waert. Daerbi slouch hi hem. dat was mesdaen.315 *Die neghende bouc. 9 en 10 Dattie coninc was ❘ bi siere hulpen der doot ontgaen. Die sonne rijst den lande bi. Gaut. 5 10 15 20 25 Dus sijn die Siten al bedwonghen Met Alexandere. Alexanders geesten . 20 S en ontbreekt. Met onrechte slouch hi dese. 22 rijst] tijt. dien jonghen. IX. es Caucasus ghenomt. 19 Een elech man. Daer waert hi up Clituse gram. 21 indi. + LXXXVb 1. Hoghe berghe hebbent bevaen An die oostside sonder waen Ende ane de suutside mede. Daer menich water ute comt.

51 boem. Hondert dusent. 36 acht hondert passen. tellusque fluentum insula facta bibit. (20) verhaalt van de rivieren: (uterque) robora multa solo radicitus eruta magna absorbet cum parte soli: si fortibus undis molle solum reperit stagnat. Vierdusent voete. Dat Ganges. 18. 45 eer water water. si storen tlant. Acesis valt in Ganges. in elke stat. Daer in sijn vijfdusent steden Ende menich dusent liede mede Sijn. Si vellen bome. 44 bescrivet H. z. ende aldus Scrivet Junius Solinus. 53 coment grote. Overwaer segghic u dat. leit in die suutside. Hare water es haerde soete. dat es waer. Sij sijn die meeste rivieren twaren. Daer soe alre naust es. 1 . Dat een grote riviere es. Alexanders geesten . des sijt ghewes. 60 dire steen. + Waer so iet an haren cant Comet. 58 eer. Hets na een flume ghenant.316 * In die middel eist slecht lant. Si vallen in die Rode see. ontbreekt H. Ende soe es diep hondert voete. 55 60 * 29 middelt eest slech. 54 voersi S] voert si en wech. Jun. ghimmen ende diere stene. Si maken haerde groot baraet. groot ende clene. 31 liet zut side. vgl.7: octo milia passuum ware H. 41 vi. Die dor al die werelt varen. 37 dat S] dan Phison A.ch hondert A. Solinus 52. Ganghes ende Indus dese twee. Hoghe berghe delent wale wide. Dan si oit waren siden Dat Adam ghescapen was.. * grote stene. hist. de aanteek.. 30 35 40 45 50 + LXXXVb 2. Sp. Daer soe wijtst es daer naer. Es soe wijt. Ende weerder sijn bi onsen tiden. Heet Indus. Sol. onghehoont. 35 ouehoet. 32 deilent. 47 uellet. In die riviere vintmen ghemene Gout. Daer hare stroom te gader gaet. 1 Jacob van Maerlant. Gaut. Gaut. die ooc Phisoen heet. 39 alder nauste H. 59 gemeen. 42 wijtste H nare H. 49 si ontbreekt. IX. 55 Atesis vellet. Dat voersi wech. 52 weer hueren. Dor dat lant van Inden gheet. 18: uterque turbidus extensis rubrum mare verberat undis.

Teerst dat verhoort Macedo. 75 mar. 92 ben. 79 hopte. Ic hadt ghewonnen wilen eer. 88 hoochheiden A. Want hi hoopte om dien seghe Des was hi seker alle weghe. Om dattu sijn lant vervaers: Peins wat hoocheiden du begaers! Jane bestu een steerflijc man. Twi strides du jeghen die gode dan? Ic wille du ooc weets. Woorden die princen al vervaert Ende gaven hem grote ghichten: Diere stene. wie ic si: Ic bem Porus.Porus obvius ire parat. Vintmen int lant van India. Maer Porus sonder waen Woudene allene wederstaen. Maer daer en es min no meer Vander rijcheit niet een twint. Die men in mijn rike vint. 76 wouden weder staen. Bede borghe ende steden Vul van lieden ende rijcheden. 85 indi H A. 74 vol. 91 wille dattu H wildu A wets A. 87 dat du A. geloof ik. sijt seker das. sonder waen. Bedi ghebiedic di. 69 qweem dar wart. Alexander. 97 hedde. 96 hedde ic. die sere lichten. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . Alse Alexander quam bat na Ende cont waert int conincrike Dattie ghesele van erderike Met haesten quame darewaert. Kere te Grieken met onneren! Haddic mi willen daertoe keren. 72 siere. maar niet. 77 tierst dat verhort. in vlaamsche geschriften). die ontbiedet di. Gaut.. die here van Endi. 89 Ja H sterflic H sterflijc A. maar eene 1 is geschrapt erterike (zooals men ook elders vindt. die hebben ghedreghen Letteren. 90 twi woutu striden H waer omme strides du A.. 71 giften. 85 90 95 100 * 68 geselle.317 * Dese rijcheit. 40: sed in illis maximus oris solus Alexandro. jeghen mi En mach niemen ghestaen. Ende Porus seinde hem jeghen Boden. 73 beide. die aldus spraken Tote Alexandere in waren saken: + ‘Porus. 86 ontbiet H. 98 noch. 65 70 75 80 + LXXXVIa1. Was hi der orloghen vro.

Ghi secht dat Grieken van rijcheden Niet en ghelijct uwen steden: Bedi mach ons bat hoghen U lant te winne. Dat Porus sprake dusdane woort. Daer hoghe torre up waren ghestaen. + Wilwi di dijn goet afwinnen. H hellen A. Ende Alexander quam hem jeghen. 114 winne S] winnene. Maer die hoochste sonder waen Was daer die coninc selve up sat. ten onrechte ons. Over waer segghic u dat.’ Doe Porus hoorde dit saluut. ende ic hebt ommare. Doe screef hi dit ‘coninc rike. Men en vint in Grieken alsulc goet. Alexanders geesten . 118 u] er stond oorspronkelijk in het Hs. 128 ane menich.v. te waren. Voer hi met sinen lieden uut. Dat hi was vijf ellen lanc. Ende om dat wi dat wale kinnen. 131 toren op waren H torre waren omme A. 125 dye. 116 want S] wants wale lie ware. ghi waent ons vervaren Met woorden.. 105 spreke susteenge. 119 wael. 135 . Die liep dore Porus lant. neen ghi niet. 129 wale bewart: gescart. ende hets waer.318 * Bedi eist dat ic niene begare Grieken. 126 dor. Up een riviere sijn si ghesleghen Die Ydaspes was ghenant. Here Porus. 127 ane. 136 wapenen A. Porus here was wel bewaert Met oliphanten al om ghescaert.c (= 500). 105 110 115 120 + LXXXVIa 2. 102 ommere. Sine wapene waren ghemanc Bede van selvere ende van goude. dat men vint daer. Jacob van Maerlant. 137 beide H A siluer H. Als men in u lantscap doet. 115 opt. want wi moghen Hopen omt goet. 132 hoeste H. 125 130 135 * 101 eest niet en begere.’ Die coninc bat sinen lieden Dat si hem niet en ontrieden. Want ics wel lije. 117 en ontbreekt niet al sel. Want hi dicke hadde ghehoort Van Darise dies ghelike. 111 segt. 104 dit niet en ontbreekt. An deen side lach Alexander An dander Porus ende menech ander. wellicht ende liep dor.

Dat int lant van India Noch niewer verre ofte na En was gheen man siere ghelike Van grote ende cracht sekerlike.. 154 teenre. Ende also vele alse hi meerre was. 167 ere (S eenre) gedane S] enen gedaen. Het was utermaten diep Ende tvierendeel breet van ere milen.. Jacob van Maerlant. Die Grieken ontsaghen niet allene Poruse. 171 wast beide malen. Waest in scaden. Alexandere onderdaen Ende hadde sijn lant van hem ontfaen.ibat ab utraque cohorte iuventus. Si moesten met scepen over liden. 160 165 170 * 138 die beste A sinre oude in het Hs. 64: instar erat maris undisoni speciesque profundi quatuor in latum stadiis diffusus Hydaspes eenre. 169 beide. 140 145 150 155 + LXXXVIb 1. 153 ende tvierendeel breet. 163 entie] iegen die. 150 maer ooc] mar. sijt seker das. 168 wane S] waen.. somwile mee. Ooc waren si na minen wane Up enen dach bede gheboren.. waest in vromen. 157 mar. maer ooc ghemene Tgrote water. In die riviere laghen eylande. 164 beiden. 161 rieuiere. 158 aen eerre.319 * Hi was ten besten van siere oude. Somwile min. Maer die viande waren An dander side met haerre scaren Diese met crachte weren mochten Wel lichte. 144 van siere groteit van cracht. Was hi coenre. 139 meerre S] meer. Gaut. 170 dien anderen uyt verc. Nochtan was sijn outste broeder Taxillis. 142 nigerens ocht. Gaul. dies was hi vroeder. Die waren van ere ghedane. Waer so si te stride waren comen. Wouden die Grieken tere wilen + Jeghen Poruse varen striden. Nu waren met Alexandere si twee. Alexanders geesten . 160 wael ofte. S ende breet dat vierendeel] een dat verendeel. 73: quo. Daer quamen dicke die viande Entie Grieken omme striden Ende prijs ontfaen an beden siden. datter liep. 172 so si S] si soe. of sise sochten. veranderd uit het foutieve finen goude H. Elc hadde anderen vercoren. 165 meer.

184 wat doen ontbreekt H ma. Hoe nauwen water dat verbiet Den onverwonnen Macedo. Simacus was over eer. Sende meneghen ter helle. Daer si vonden meneghen viant. Jacob van Maerlant. 192 varen wi sin. Ende Nicanor. 206 sijn hoet sere. Dat hi niet en dar over varen? Wi willen doch wat doen te waren! Weten varen in dit eylant. Si traken hare sweerde uut.concepi. Gaut. 175 sinacus. 96: audendum est aliquid. Die noit dor ghenen man en vlo. 185 weten varen H waren A. Daer in es menech viant! Wi moghen daer ghewinnen ere... 189 doen.. 178 Sinacus H Symacus A. Bliven wi doot. Si hebber so vele versleghen. 100: et ipse hoc ego mente.’ + Nicanor sprac alstie coene: ‘“Te waren ic peinset ooc aldus”’ ‘Nu varewi sprac Simacus Met lichten wapen up die viande!’ Ende si voeren te gonen eylande Ende met hem si vijftiene Ende Andromacus. 195 200 205 210 * 173 dies anders. die siene. Wat hare herte binnen drouch. Nicanor hiet deen. sijn gheselle. Teerst dat die Inden vernamen Dattie Grieken ghinder quamen. 201 tierst. 176 toendent. 210 hebbenre. dander Simacus. Gaut. 195 hen. Des conincs sone van Agriane.A. 175 180 185 190 + LXXXVIb 2. 191 ooc ontbreekt.. Alexanders geesten . Van buten toochden si aldus.320 * Elc was neven anders side. Hi maecte meneghen thovet seer. emmermere Salmen tellen van onsen doene. Waert daer een groot gheluut. 205 En̄ sinacus eere. 186 menich. Symmachus. 180 nau een H. Ende si en scieden te ghenen tide. 179 en ontbreekt H. Dus voeren die heren dane Ende quamen in dat eylant. Simacus sprac ende louch: ‘Nicanor en siestu niet. So dede Andromacus die deghen. Gaut.... 204 trocken eer.

Ib 2 = 139-185 = 47 regels.r (e?) mee A. 218 geenre. Want daer en pijnde niemen te vliene. 240 sine en geenre. Sine mochten te gherre stont Met swaerden ghenen lof verwerven. 234 quarele nemmee H. Dat Grieken langhe hevet gheclaghet. Daer bleef Andromacus. 241 genen] lees eneghen? Jacob van Maerlant. 215 220 225 + LXXXVIIa 1. Het hs. Ia 1 = vers x-44. Ib 1 = 92-138 = 47 regels. Maer die dulheit soe toocht Dat soe hare niet en wille laten Met ghere redene ghematen.. occumbunt clari titulus ter quinque quirites.321 * Dat si waren doot alle Die van Inden bi ghevalle. Dan siere te voren hadden verdreven. IIa 1 = 186-235 = 50 regels: IIa 2 = 236-282 = 47 regels: dat is niet waarschijnlijk. misschien enkel moeste te lezen. Onze tekst beantwoordt echter aan het latijn (behalve vers 223. Ende si en hadden quarele mee.. A heeft er tusschen 186 en 235 twee of drie minder dan de tekst (bl. Die daer waren int eylant.. 219 al hadden.. 226 Ik dacht er aan of niet twee van de verzen 223-26 een toevoegsel waren. Quam daer noch menich meer jeghen. 228 ander versaegt H. Het hs. 233 eer entwe. die siene. 216 mar. 230 235 240 * 212 getalle of gecalle. 238 mar. Die sere ghewont sijn met ghescote.. No ander wapen. waarvan bij Gaut. 217 Die eer niet en willen.sget (aget?) A. Ia2 = 45-91 = 47 regels. misschien is niet te schrappen. 220 meer ontbreekt. Ende sine weten wat best doen Want si haerde node vloen Want hare speren waren ontwee. Nu staen die andere twee versaghet Ende vochten jeghen meneghe rote. 239 quorelen. Doe sijt hadden al versleghen. danne swaert. 222 moeste daer. regum generosa propago... Si liepen ten vianden waert Ende ghinghen houwen ende slaen. 231 beste. 227 hevet S] huet geclaegt. 221 meer dan. A heeft dus wel enkele regels overgeslagen. Maer si waren sonder waen Met quarelen so ghewont. 214 mochten si weder keren. + Ende met hem si vijftiene Staerke ridders ende siene. Nu mochtsi keren altehant Met groter eren ende verhoocht. Alexanders geesten . 235 no] en̄ dan swert H suaert A. Dat moester gaen an hare leven. niets staat 121: sternitur Andromachus.

Nu es daer eens conincs kint. 261 hads grote. 253 een pieke. Alexander dede hem doen ane Sine wapine. 251 lees elkerlije? dien anderen. 255 beide doet scoet.’ Simacus sprac ‘in does niet. 257 dies anders. 156: ripam teneat. S want hi sacht] want hi sach.A. 273 sijn wapen. So dat hise bede dorescoot. Want nemmermeer en mochte mi Leder ghescien in ghenen daghe. 249 genen] lees eneghen? 250 ofte. 275 ofte H of A dede H. Hiet Ettel. 265 270 275 * 243 dien anderen tierst. Ende verhief sere sinen sin. Gaut. Alse of hijt selve ware. Of Porus om hem dade spien. Een groot gygant. 271 lingden. 141: abies.advolat et mediis conatibus artat utrumque offigitque solo. Ic sal sterven vor di.322 * Si saghen dat si moesten sterven. 263 hi verheef. Dus bleven si te samen doot Elkerlijc in anders aerme. Wat hi sach ter selver tijt. 276 men H mē. 245 Sinacus. Daerom peinst hi alle weghe. Elc bat anderen ‘laet mi teerst gaen! Ic wille vor di die doot ontfaen. 272 doen ontbreekt. Doe scoot een van den coenen recken. in diere ghebare. Dat menne ghinder mochte sien. + Dit was int upgaen vander sonnen Dattie Grieke waren verwonnen. Alexanders geesten . ene pike Ende gheraecte ghenendelike.. Ende hiet dat hi dien ouver hilde. Dat was grote ontfaerme. Dan of ic di sterven saghe. ende was also Ghedaen. Ende hine hoopte niet te min. 254 genendeclike... alse Macedo Van linghen ende van ghedane. ook bij Gaut. Jacob van Maerlant. Gaut. 148: erexit Pori victoria visa suorum indomitum pectus.. (155): ornari imperat. om den seghe. Ende Porus haddes groot delijt. 274 ocht. Hoe hi tander lant ghewint..”’ Elc woude anderen decken. 262 wat hi sach. Gaut. Alexander. 245 250 255 260 + LXXXVIIa 2. 277 dien over hielde H optien hoever hilde A.’ Nicanor sprac ‘“wats mi ghesciet.

Jacob van Maerlant. 281 sijn H. Wie hem sat alre naest. 292 come. Selve voer hi wech te waren Ende nam in siere were Die staercste vanden here. 280 tuaren A. Craterus ende Amictas Exateus ende Perdicas Peusestes ende Meleager mede Ende Lavernaet. Ende hi voer voren. die daer over waren. Dattet ware sijn gheval. Verre en wech stoeden sine scepe. 301 voren ontbreekt. Maer die coninc van dier scare Hi peinsede daeromme al. 282 starcsten H stareste A. 311 Pensestes.323 * Alse of hi recht niet en wilde Poghen omme overvaren. 285 eenre geselscape. Alexanders geesten . Polidamas ende Tauroen Clitus. 288 hi] god. 299 peinsde darom. 300 datter were. 173: turba ducem sequitur ent. 289 scepe. Mettien quam een met ere maren Ende telde dat al over ware 280 285 290 295 + LXXXVIIb 1. 290 verdonkerde. 279 om H. Teerst dat si quamen an dander lant Slouchsi die paerde al te hant Ende Alexander hi voer voren. 300 305 310 315 * 278 ofte H. 302 groter ger (S gere) 303 tierst. Ic wane dat hem god was mede. 286 waen. 297 weren si. Want hi ter selver wilen dede. 287 got te. 295 mist] neuel. Doe si tscepe wouden gaen Die lucht verdonkeren saen Met enen so donkeren miste: Cume was iemen die wiste. ent ander here Volchde hem met groten ghere. Dit waersi. + Si voeren enwech met groter haest. die wonder dede. 314 eenre. Omdat hi recht alstie boude Poruse bedrieghen woude Met ere cleenre gheselscepe. Gaut. Waersi daert hem oncont ware. Hem volchden ridders uutvercoren Tholomeus ende Aristoen. 293 alder. S en̄ dat] in̄ dat. Dese mist soude te waren Ander volc sere vervaren. 298 vander.

340 daer.spectabat ripam. 331 wast neuele. weer. 349 en ontbreekt. Dat si cume porren mochten. Met houte wale ghevisiert. Gaut. Dare was ten selven male Van businen groot ghescal. Ende hi sat up enen olifant. 332 weghe.. Alexanders geesten . Men vant niewer haers ghenoot. 328 houte en̄ wael. 334 we si. 347 enocus. 338 haers] eer. Huilcon. Die Grieken volchden hem ghereet. 354 indien.. Men riep daer helpe! in menegher tale. Alexander was die gone Die noit joeste en vercoos. diere was versleghen. Doe waende hi dat men hem loghe. Deerste. 345 vilcoen. Die hi alle dorereet. hoe se die Grieken sochten! Alexander quam ghesleghen Haerde lichtelike daerjeghen. Die quam Alexandere jeghen.324 * Alexander ende ware dare. 352 hielden. Gaut. 330 335 340 345 350 * 316 alexander ende ware] dat al. Men sloech daer meneghen int dal. Nu hoort. een gygant. 339 da.. Ende dat weder waert al blide. Hi maecte Wilcoen liveloos Ende stac die beeste dor de kele. Vore hem hilden ridders vele. Dies conincs Enacus sone. Jacob van Maerlant. S wegen] wagen gelat. Al en was sijn scare niet groot. Maer alst quam uptien dach Waest van dien miste luttel nat. Daer menich scutter in lach. 175: aliam. Hi sach van enen berghe hoghe Blikende comen al te hant Alexandere sinen viant. 318 andier asijde. 353 dor reet. 327 gebattieliert. 343 die ierste. 320 325 + LXXXVIIb 2. Dat was Wilcon. Stappans satte hi ter were + Vierdusent ridders vore there Ende hondert waghene ghebattalgiert. Porus sach an dander side Ettel staen in die ghebare Alse oft Alexander ware. Die maecte die weghe glat.

377 sper. 391 ontsagen si eer. 360 oppenbare.. Nu moetic vechten jeghen die diere Ende ooc jeghen die ridders fiere. 220: ergo levis Macetum manus occurrebat. 390 alse die. refugis ictus vitabat habenis.. 360 Doe sprac hi al openbare: + ‘Ic sie nu . Jacob van Maerlant. + LXXXVIIIa 1. vgl. 385 Maer dat sijn traghe diere. Alexanders geesten . * 358 indien. 387 noch. Hem volchde Polidamas 370 Ende Aristoen. 362 dinc] dier. Ende hi maecte daerde root. 371 rubricoen. Entie Grieken hebben dorvaren 380 Teerste here met haerre scaren. Gaut.325 * 355 Hi sochte Porus sonder waen. 365 een. 385 mar.equorum. 219: volucres cursus aequare. Die Grieken wachten hem daerjeghen. alstie coene. 361 nu ontbreekt. 203: inveni tandem dignumque stupore meoque par animo discrimen. et hoste percusso. 381 hem S] him te. Candaceus waende enen stoot 375 Doen jeghen Polidamase. Gaut. die sijn so snel. 368 darwert. Aristoen slouch Rubicoene Mettien swaerde. Doe reet hi darewaert met pinen. Diemen noit in Inden vant. 378 wer. So dat hem twivelen begonde. Alse een peert. ik veronderstel dat een afschrijver ontreden als perfectum van ontraden verstond. Gaut. 388 als des sijn si snel. 386 geenre. Ghelijc oft ene borch ware. Dien hi sach van verren staen Up enen dien meesten oliphant. 359 een. die coene was. 390 Alsi de Inden hadden gheslegen. Sine moghen in gere maniere Vlien no volghen also wel. Glaucus stackene jeghen de blase Met enen wel staerken spere. Porus hiet ter selver stonde Die olifante mettien torren Jeghen dat griexe here porren. 376 Claucus stacken. 374 Candateus. Dus bleven de Inden sonder were.. 380 dat ierste her. z.’ 365 Mettien quam hem ene mare Dat sijn volc beringhet ware Van Poruse ende van den sinen. Ontreden si haren slaghen. 379 en die. 384 her. de aanteekening.dat si met goede! Een dinc ghelijc minen moede.

Dan si hoorden dat ghescal. Dit hevet Alexander versien Ende riep. wat duvele doet u vlien? Sidi moede nu van slane? Waer sidi van Agriane Ende ghi heren van Tracia? Ghi Percen comt bat na! En saechdi dusdaen dier noit eer? Gaet! maect hem die been so seer. Want sine wisten wat doen. Die Inden scoten grote scichte Ende worpen grote stene gedichte. 415 slaen. Maer die Grieken. 395 mar. schreef voorzeker niet groten.326 * Dus ghinghen de Grieken jaghen. 414 duvel. Dus vloen die Grieken welna al. Die Grieken volchden ende si vloen. Ende hare briescen hevet ghejaghet Der Grieken peerde. Nochtan versamese Porus echt Ende ghebiet dat men vecht. 232 zegt: terribiles oculis. 409 vloen. met langhen oren. 400 eer. 406 wreden] groten. maar M. Datse die beesten traden doot. So dat die Grieken waren versaghet. Dat si braken hare scare. + Hilden targen over thooft. Dat si ter eerden neder vallen!’ Die Grieken keerden weder met allen Ende vergaten alle de doot. 395 + LXXXVIIIa 2. Doe was die strijt staerc ende groot. Gaut. So dat sijs bleven sonder scade. Jacob van Maerlant. 396 heilden ouer eer hoeft. dat si vlien. 408 eer geiaegt. 416 denkelijk te lezen ridders van Agriane. Hi sette dolifante voren Met wreden oghen. Nochtan dat si niet en sien. 403 versamese] versament. 394 steen en ducke. Gaut. 412 vlouwen veel na. de emendatie voldoet mij niet. Ic wane men daer meneghen scoot. Alexanders geesten . So eernstelike ghinghen si an. 400 405 410 415 420 425 * 392 misschien ghinghense te lezen. de aanteekening. 428 en. 410 si el niet en sien doen. Si wonden beesten ende man. Die Inden woordens te rade. dies ghelooft. 393 groet gescutte. 420 him sere. 419 en ontbreekt. 239: equites Agrianos et Thracas in monstra jubet convertere gressus. 407 versaegt. z. Om dat si waren in vare.

recht in diere ghebare Alse oft een scip in dier see ware. 444 leten. Alexanders geesten . 433 axen. 452 sijn menre] Sidentee. stelt voor en es so groot en in den volgenden regel sine riepen. 263: sed dum fugat naeste. 435 440 445 450 455 460 465 + LXXXVIIIb 2. 445 in] met. So dat hi bloede als een rent. 464 dat edel. 458 doe] want. Dattie beeste sere vlo. Dier Inden bleven vele doot. 443 van wonden] met wouden. Jacob van Maerlant. Gaut. Scoot Porus up hem enen spiet. 460 hem] een. 440 het veil olifante. 248: anceps pugna diu Macetum fuit. Volchde hi hem met groter haest. Hen vel al. Daer af quam hem groot verdriet. Met rechte moghen sijs prijs ontfaen. haud sine multa sanguinis impensa.327 * + Twivel was daer menichfoude. Doe dat versach Macedo. Hi stont up enen tor allene Ende hi waerp vele stene. 447 torn. Sijn menre sach ten selven stonden Sere ghewont sinen here. 260: inspiciens auriga tyrannum languentem membris. 451 dorgaende. Boghet sine knien met groter weerde 430 + LXXXVIIIb 1. Dier Grieken scade ooc es groot Si riepen om aexen ende baerden Ende si spronghen vanden paerden Ende si ginghen dolifante houwen In hare been. 436 eer. Hi hadde neghen doregaende wonden. si en constens ghenieten. 437 degelike. Gaut. de aanteekening. 465 kneen. Dus woorden si ghewont met spieten Ende met bilen. + Doe sterven soude dedele paert. * 432 ooc] en. Gaut. 457 haeste. V. man ende olifant. Wie dien seghe hebben soude. Tander volc vlo al te hant. 461 geraect. z. Die van wonden mochten ontvlien. Hi slouch den olifant so sere. doe mochtmen scouwen Die ridderen deghenlike slaen. Doe hi Poruse was naest. 463 dor. Want hi gheraecte sijn Bucifal Het was weert die werelt al Ende scoot dore mettier vaert. Men scoot na hem al omtrent. Ende lieten haren here mettien Allene.

270: sed frater Taxilis. 495 goet. 489 broeders. 484 kent. 470 Allexander die edel. Om dattene quetsen niet en soude. Die coninc was ende Porus broeder. Doe waerp hi met groter spoet Sijn tekijn af ende vlo. 473 groten behoort wellicht uit den tekst. Jacob van Maerlant.328 * Ende sette dien coninc uptie eerde. 474 dede si. Sine herte waes onvro. Alexandro). 503 teken. 500 * 467 quetscen niet ontbreekt. rex ipse quidem sed deditus illis (sc. Dat hi viel in corter stont Ende waerp sinen here te voet. Daer dede hi sijn oors begraven Eerlike met groter haven. Nochtan kendi ter selver stont Sijns broeder stemme ende seide: ‘Bestu Taxilles? met leide! Du heves mijn lant ende mi ooc doot. Sonder allene dien coninc. 470 475 480 485 490 495 + LXXXIXa 1. Alexanders geesten . 488 seluen. 481 volchde na p. Gaut. Dat paert was weert boven allen goude. dat ander her. 498 ne ware] maer. Indis qui praerat. Sijns vader kint ende siere moeder Ende riep ‘broeder gif up dijn rike Dien edelsten van eertrike!’ Al was Porus sere ghewont. Ne ware sijn olifant Was so menichfout ghewont. 494 hielt in sijn. Volchde Poruse in tander here Taxilles mede na met gere. 482 met na hem met ger. 504 sijn was dies. Entie beste dinc. die ie ghewan Alexander.’ Ende hi hilt in sine hant Enen spiet staerc ende groot Ende scoot sinen broeder doot. Dattu sonder wederstoot Dijn goet up gaves ende dijn lant. 487 sere] soe. Want en woude in sinen tiden Noit anderen man laten riden. dedele man. Doe ghesciede dese dinc. Die coninc dede maken waerde Dor die ere van sinen paerde Daerna ene stat van groten prise Ende dedese heten Bucifallise. + Ende hi vlo enwech al te hant. 468 paert ontbreekt.

vgl. 519 stolt. Want hi gheerne hadde ghesien Alexandere dien here. 530 Ic wille dat sonder wederstoot Sijn volc blive anderen onderdaen. 524 beide. vermoedt dat er een paar verzen zijn uitgevallen. ‘Di ontbiet Alexander Dat hi allene. Tenen campe beroupen soude Dien coninc Poruse alstie boude. Doe ghinc hi maken hem met liste Tote Poruse. edel man Porus’ 520 Dit sprac hi in sine letteren dus. 512 oft. dien edelen man.’ + Dit woude Porus gheerne bestaen. 714 volgg. 535 Dan Alexander. So dat Alexander wiste. ende gheen ander. 523 hem. In dien tiden dede Porus spien. Doe waert hi te rade te waren Dat men twintich daghe vrede 510 Houden soude up sekerhede Ende men daerbinnen graven soude Die doot waren. 525 ofte. S. ende hi waes blide. 520 wellicht stond er spraken sine litteren aldus. Daert die aerme liede becopen? Welc onser dat daer blivet doot. 515 Hierbinnen peinsde Alexander Dat hi allene. of men woude. Ende men gansde die ghewonde. ‘Here stout. ende gheen ander. Jeghen hem enen camp vechten wilde. 514 beide. Bede met spere ende met scilde. Ende Porus was ontfaren. 540 Hedde. + LXXXIXa 2. Want hi meercte wel das. Dit sweren si bede terre stonde. Jacob van Maerlant. 540 Bedi so dedijs meerken sere. * 508 hi] alexander. 515 hier in binnen. 525 Want wat prise of wat eren Moghen princen ende heren In eneghen stride belopen. S u] eem. Dat hi twee ellen langher was. 535 allexander desgelijks 541 was. 510 halden. 531 blive anderen] eem blive. Ende si sworen dit in elke side. 533 veel wel. 539 hadde ontbreekt.329 * 505 Doe hadde die coninc een ander paert Ende quam ghevloen mettier vaert. 542 maken hem ontbreekt. Alexanders geesten . 513 gansde] heilde.

569 veel. die regel is zeker corrupt. daar de zin niet sluit. er stond misschien dat een Griec was. ic sal di ere Daeromme haerde vele doen. 577 vóór dezen regel moet iets uitgevallen zijn. quid faceret Alexander. 548 wale. 561 mijn iogt. * Si waren coninclike versiert. Die coninc sit na sine maniere In siere tenten bi enen viere.) bladz. 552 ofte ouder. Want hi was blide derre tale: ‘Twi en merket hi dan wale Mine joghet ende sine oude? Hoe wanet hi met ghewoude Mine slaghe wederstaen?’ Here. non respicit aetatem suam? vgl. here. u? 558 antwerde. 562 weent. Mettien heefti orlof ghenomen Ende es te sinen lieden comen. Alexanders geesten . hist 1 . wat doet hi? Of van wat ouden dat hi si?’ Doe antwoordi in corter stont: ‘Dat willic u doen cont. 574 tho. t.’ Porus antwoorde mettien. 570 edel. 554 willic ic lees dat willic. ic seggu sonder waen Dat sijn doen mi es oncont. cum essem gregarius ex Macedonio exercitu miles.a. Wat so hem daerna soude ghescien. Hi ghinc in dier Inden scare Alse of hi een wijncoper ware. 36: quid ergo. inquit. Epistola (Alexandri Magni de situ Indiae etc. 30. Hierbinnen es die dach comen. Ende Porus hi meercte das.: ignorare me. 572 so hem ontbreekt. 560 en merket] merct. 546 ofte. Daer die camp up es ghenomen. Epist. ook Sp. Alse de oude liede plien. 565 mi sijn doen es cont. 577 coninlike. 570 575 * 544 ander. 4 Jacob van Maerlant. 553 antwerde hi. Dicke hebben * visiert. Hi sach wel dat een wijncoper was.330 * Ende dede andere cleder an. Doe groete Porus dien coninc Ende hi seide dese dinc: ‘Waer es dijn here. 39. 576 daer die S] dattie.’ Porus seide ter selver stont: + ‘Woutu draghen dinen here Dit saluut. 545 550 555 560 565 + LXXXIXb 1. pl.’ Doe swoer die edele baroen Dat Alexander soude sien.

+ Si quamen ghewaerneret wale Ter stat. 588 en geen. dare sijt bespraken Te vechtene om die hoghe saken Up oorsse van prise ghereden. Dat men te voete vochte int crijt. Porus jeghen hem * liep. 610 alder ierst. cousen van stale Ende al dat coninc sit wale. Jacob van Maerlant. 607 voete. die hem up minne Talrestis gaf. 585 hem ontbreekt. curie. Een swaert hadde die deghen coene. 611 vochte int crijt] hedde den strijt. 617 coninlike. Die alre eerst dien strijt vant. Nu gaet hier up enen strijt. Porus die grote staerke man Hi hadde drie halsberghe an. die coninghinne. Ende enen knijf. 581 curien. 592 twe par. 599 wael. 603 daer. 593 yvorien. Alexanders geesten . 587 van S] dan. 613 allexander. 605 610 615 * 579 tekene. Hi hadde in sine rechter hant Ene colve van latoene. Daer stont in van sabel een wilt Dier ende heet een olifant. Dat was wel sesse voete lanc. Ende een sweert van goeder snede. die was ghemanc Van goude te samen ende van stale. 586 Eem talrestis. Want in dien ghebode stoet Van Ercules. 598 diegen. Ende een curie van metale Ende twee paer cousen van stale Ende van yvore enen witten scilt.331 * Wat tekine Alexander drouch. Teerst dat si quamen tiere steden Beten die heren te voet. 601 te samen zal wel bedorven zijn. 580 585 590 595 600 + LXXXIXb 2. 602 hi quam gewarnieert. 584 heer. Ende enen knijf van Andene. 616 eem liep. 595 Een dier ende ontbreekt. 591 metael. Ander wapen en woudi enghene. 606 tierst tiere] ter. Ooc hadde die here mede Enen spiet. Om dat hi dien camp beriep. 612 op enen tijt. Alexander trac sijn swaert Ende ghinc te Poruse waert. 596 rechte. dien wigant. Ander wapen haddi ghenouch: Halsberch.

Want dies slaghes hi hem scaemt Ende slouch Poruse. 620 625 630 635 + XCa 1. 626 wenet. Daer up gaf Porus enen slach. Dede tswaert breken ontwee. Si waenden dat hi ware doot. Maer die derde bleef gheheel. 653 ute. Ic segghe u dat al sonder saghe Dat Alexander hem gheliet. 641 porus. 637 tswaert. S tswert] swert. Porus versaechde hem een deel. alstie vrie. Dat hi booch up sine knien. 631 tswaert. 619 allexander.332 * Si sloughen coninclike slaghe. 648 verheef. Wat Porus an scermen conde. Alexander hi verhief Anderwerven sinen brant Ende slouch met willegher hant Ter selver stede. 639 vergramt. Want hi gheerne ondervonde. 640 slags. Die steen. Een adamant diere ende goet Up Alexanders helm stoet. Dat hi niet en decte thooft. alse hi wilde. Daer twifelde menich man An dies conincs Porus side. Hi wanet hem hebben gheclooft. 636 weer. Waren si in soorghen groot. Jacob van Maerlant. S tswert] swert ontwe. die daer up lach. Alexander waert vergraemt. 620 ofte. Alse hi dien slach besief. 622 aen. Dor den halsberch entie curie. Alse die Grieken dat versien. 651 steede als die. + Ende Porus liet ligghen tswaert Ende vinc ter colven waert. Alexanders geesten . Dat hem trode bloet uut ran. 640 645 650 655 * 617 coninlike. Ooc was daer menich Griec blide. Die coninc Porus mercte das. 618 dat al] al dat. Dies hi selve meester was. Alse of hi scermen en conde niet. Doch was dien coninc so wee. 643 twe. Den enen oort van sinen scilde Ende sine twee halsberghe dore Ende maecte ene wide score.

Want hi slouch node. es dat dijn waen Dat ic can wesen onderdaen Iemene. Hi slouch up dies scildes rande. Doe twifelden die Grieken alle. Daer Porus vore hem stoet. + Doe verscaemdi hem tien stonden. Ende kere weder diere straten Met dinen lieden te lande!’ Hi antwoorde: het ware scande! Groot wigant. Die ghemaect was van ebene. Ens houts maniere el neghene. ic sal di leven laten. 670 slagen. 660 665 670 + XCa 2. 694 siere S] sere.] dicke. Nochtan. Het en ware ghespleten tsticken. So dat hem sijn swaert ontwant.333 * Ende alse Porus sach sijn bloet. Die Porus slouch in dien daghe. 680 trat. 667 het en (V hine)] hi. Porus was siere slaghe milde. Hi sprac: ‘vrient. of is soe en te lezen? wer tsticken V. hi en waenden wonden. wellicht is alse dien te lezen en lieden te schrappen. nu bestu doot. die noit was gheboren? Wat bestu boven mi te voren? In gheve om dijn dreghen niet. Quam hem weder saen sijn moet. Hi dreef Alexandere dicken Om dien rinc in ghenen daghe. 662 scildes. 681 kan. 683 woutu. 664 en es maniere ontbreekt. S scilts] schils. 676 S swert ontbreekt. 690 lees heefstu? 691 ic en dreigen. Jacob van Maerlant. Die binnen stac in sinen scilde. Porus vinc te Alexanders sweerde Ende tart ontwee in die eerde. Alexanders geesten . Alstien coenen lieden pliet. Die ghedoghen mochte die slaghe. 675 680 685 690 * 659 als dien. 671 sloegen noede hine. 668 harde dicke. Mettien trac hi enen spiet. 672 ten. 669 dagen. Hi dede bughen alse een riet Alexander vor sine hande. dine doocht es so groot: Wiltu. 693 S stac ontbreekt. Hi slouch up enen steen tehant. Hi waenden wonden in dien voet. Ende verloost bi onghevalle. 686 antwoorde] sprac were. Hi ruste onder ghone slaghe. 687 wygant.

Jacob van Maerlant. 730 Dat Porus versceden es. 704 dreigen.334 * 695 Ende Alexander was ghestade. 715 twe. 712 tote hem ontbreekt. * 698 miltste S] milste. Hi seide tote hem dese woorde: ‘Waerbi vochtwi desen camp. ende also saen Woorden si hem onderdaen. Gheliker wijs dat ic verwan Poruse. die noit was. Bi avonturen ende bi ghevalle. 700 Porus soude hem ommekeren Ende sach al omtrent Ende hoorde na hare parlement. 709 S Alexander ontbreekt. 702 eer. Sciere verghinc dien edelen baroen Al die gramscap ende nijt. 711 Hoge en̄ bat datmen. dien groten man. 717 die. Waren die Inden drouve das. 731 die] sijn. Mettien verhief Alexander den spiet Ende en liets om sijn dreghen niet. Doe sach hi hem die oghen ontoen. 713 vochten wi. Sijn volc soude alleweghe Dien anderen sijn onderdaen? Dit was om uwe ghesonde ghedaen. Die miltste coninc. Doe sprac Porus ‘dit es scade Dat hier bliven sal upt gras. Doe sprac hi ter selver tijt: + XCb 1. Nu waende Alexander des. So weerdi verwonnen alle. 728 sworen si trouwe ontbreekt emmermeer. Si wouden Alexandere slaen. Ghelijc haren gherechten here Swoersi hem trouwe emmermere. Hi sturte neder als een rent. 710 Doe ghinc Macedo hoghe staen Ende bat datmenne hoorde. + Doe Porus ghevellet was. 705 Hi en scoot Poruse int fondament. 703 den] sinen. 705 hi en] en̄. Dan bedi: wie dien ramp 715 Van ons twee daer in ghecreghe. Begheerdi ooc terre tijt 720 Jeghen mi te hebbene strijt. Alexanders geesten .’ 725 Dit seide hi. 710 hoghe ontbreekt.’ Doe songhen die Indenheren.

754 bin. Doe ic was staerc ende ghesont. Na dien dat Porus verwonnen was. S en wil di] een wiet. 748 was mi. Alexanders geesten . vor desen scamp So ne ontsach ic niemens camp. 751 En̄ bouen. * 735 weerstu. Nu weetic dattu staerker sijs. Gaut. 309: ne dixeris esse beatum qui quo crescat habet. Eist dattu mi gheves orlof.censerem. 757 te staden] staden steet. 742 eest. Vor desen strijt. 752 en wille di. staerker ic vant. Gaut. 317: miratur Macedo fortunae turbine regem infractum. 745 Ic waende niemen in eertrike Gheweest en hadde mine ghelike. Ende dijn gheluc mi was oncont. 746 gheweest (gewest S)] gewijst en ontbreekt. Dan si ghenoechte hebben van goede. 758 verleet.. nisi quo decrescere possit non habeat. Ic bem di gheset tenen bispele: 755 Al was ic staerc. 765 Ghemate di bi minen rade! Daventure es onghestade.335 * 735 Hoe waerstu oit so verwoet. 761 dan. 769 dat hi] en̄. Die heeft. dat hem te staden staet. 744 sone sagic niemens scamp. 306: ne tamen isto attolas animum casu niet misschien te schrappen.’ Macedo hadde wonder das. 750 Maer na di hebbic den prijs Boven alle die nu leven. Gaut. Al hebbic verloren vele. Bedi en wille di niet verheven. Jacob van Maerlant. 738 dattie mere. Hine hebbe daerup hi hem verlaet Dat hem niet en mach ontgaen? 760 Ooc es beter sonder waen Niet clemmen.. 300: ante malum certaminis huius nemo erat in terris quem posse resistere. 756 Wie salich. 743 scamp] camp. victumque animum victoris habentem. Gaut. 740 antwerde. Hoe mochti salech sijn becant. Vrecke liede die ghedoghen Van verliesene meer aermoede. Porus. Dat hi alse een verwinre sprac. 745 dat niemen. 759 dat] die. Sint dat die mare quam te di Van minen conincliken daden? 740 Porus antwoorde met staden: ‘Ic sal antwoorden hier of. danne vallen van hoghen. dattu dinen moet Dorstes verheven jeghen mi.. 755 was ic S] was.

Jacob van Maerlant. 805 helpendiere. 801 croen. Alexanders geesten . 807 perducen en̄ van den lybart. 788 die] sine. 795 stucke. 780 Was hi sere verhoghet das. 800 der. dat sijn was eer. 779 hovesc. beesten fiere. Dien sine voorders hadden ghehat. 785 Al die coninghe van Orienten Quamen in dier Grieken tenten. 783 her uit here gecorrigeerd! 784 wart hi wellicht ontstaan uit wortsi? gestedelike. Dus waert hi vrient ghestadelike. 805 Ende vierdalfhondert elpendiere Ende ses paerduse. die beter was Dan noit enghene. Daer menech swart moor in is. 790 Was een coninghinne daerbi In Etyopen. Ende tiene malen vol van stenen Dat men en vant beter enghene. Ooc sinde soe hem ghereet Vijfhondert more sonder baert. 799 moer. + Ende hi waert Alexanders man. Si gaven borghe ende lant Alexandere in die hant. 782 sijn. Ende maecte al dat here rike. 791 etyopien. Doe Porus merken began Dat Alexander so hovesch was. hiet Candacis. 802 enege. 800 Ooc sinde soe an derre vaert Amons crone. 806 perducen. Ende daertoe vele meer 775 Gaf hi hem van hem te lene Bede borghe ende stene. daer ic af las. 789 In zonder de grootere beginletter. Die sinde up minne ende up houde Van utermaten finen goude 795 Alexandere hondert sticke Voets lanc ende voets dicke Ende enen halven voet breet. In dien dat hi was in Indi. * 772 tien stonden. 774 veel.) + XCIa 1. 792 in is] es. 776 beide. Hi gaf hem weder tiere stonde Al dat lant. 785 En̄ al. (Van den paerduse ende den liebaert Es ghewonnen die lupaert.336 * 770 Hi dede hem doen groot ghemac Ende gansen sine wonden. Hi gaf hem den verborghen scat.

twintich honde. 818 selfs. Maer die stede van Subdraken Woude hare ter were maken. Men ghinc ghinder striden herde.337 * Soe seinde hem tachtich espentine 810 Ende daertoe dor den wille sine Seinde soe hem panteren viere + Ende daertoe van wreder maniere.die waren in bande. goet te stride. + + XCIa 2. 840 hort S] harde. 822 eer met. 816 en 817 ·CCC· vriesliker stier die waren in bande. 834 ane die ander. 826 enwech. * 810 dien willen. Hi hiet lederen draghen ten mure Ende was die eerste diere up clam.. 830 eer ter wer. Nu es Alexander blide Dat hi binnen so corten tide Porus conincrike wan. 833 Die een. Een edel coninc ende een vri. 838 lees ende vri? 839 woude si. + Men scoot up hem menech quareel. Die Grieken laghen an dene side An dandere Porus. Men deder meneghen hort onsachte. z. de aanteekening. Ende hout van haers selves lande. Vijftien hondert edelre roeden. Binnen was Abysari. Hi maecte hem enweghe al dat hi can. Alexander woudese winnen met crachte. 821 diese. 820 aen ebeense. 820 825 830 835 840 845 XCIb 1. 811 vier. Haerde groot. Sere verbolghen ende gram Ghinc hi up dien mure staen. Jacob van Maerlant. 847 menech ontbreekt koreel. Nochtan wassoe vast ter cure.. 843 ierste. Die an ebeensche bome stoeden. Ende Alexander hi beleide Die stat al omme uptie fosseide. 815. Ooc seinde soe hem tiere stonde 815 Driehondert vreseliker stiere . 835 En̄ exateus. Dese ghichten ontfinc die here Ende dankes hare met groter ere. Exateus lach an die derde. Alexanders geesten . Die hoghe was sonder waen. Om te besiene cortelike Dat oosteinde van eertrike.

dan scande. 880 mere ontbreekt. 858 spel S] spele. 876 wesen up] op wesen. 862 En gescoten met korelen (menech enen ontbreekt). Gaut. de i niet geheel duidelijk. Hi was ghescoten so met stenen Ende met quarele menech enen. 881 nam nu. ofte doot. 851 hadden sijs scande alle. Doe dat sine liede saghen.338 * Men waerp daer meneghen steen gheheel Van den toren nederwaert. Want hi na ghevaen was. Daer ghevel quade aventure. 350: [cum. Alexanders geesten . Nam mora subsidii poterat compellere lenti. Gaut. 875 soccors. sprinct achter saen! Wi sullen u sachte ontfaen!’ Hi seide ‘en mach ghescien. Die halp hem nu ter wilen mere. 852 ontbreekt. Doe hadsijs alle scande groot. Die allene stoet uptien mure. 850 maer niemen] daer men eem. 863 vermoit. 872 die doot.ipse mille citaretur iaculis] nec Macetum quisquam gradibus succedere posset ane. Dit was dien coninc een quaet spel. Dat hi vermoeit was van slaghen. Want soe nam sijns goeden goom.. Jacob van Maerlant. Maer niemen volchde an die vaert. Die van hoghen neder vel. die hem dicken Hadde ghedaen menech ere.. 857 vel S] vele. Gaut. 861 geworpen. Daer hadde menech prince wee. 352: tandem discrimina vimque telorum vicit pudor et confusio frontis. Gaut. Daer stont een groot lauwerboom 850 855 860 865 870 875 880 * 849 torne. 866 solen u sagte. Daer hem sijn leven waert te sure. Soudic minen viant vlien?’ Doe hi hadde gheseit dat woort. Maer daventure. Mochti wesen up ghenomen Ofte ghesleghen al te sticken. Spranc hi neder in die poort Onder al sine viande. Riepsi ‘here. 865 achter ontbreekt. 365: ut resiliret. 854 geveel. Want die lederen braken ontwee. Ende liepen al ten mure. ex turribus. Dit was een wonderlike daet: Eer hem enech toeverlaet Ofte soccours mochte comen. dederet ut sese vel morti forte vel hosti. Hi hadde liever doot.

Daer vacht over dien edelen vorste Sijn hoghe name ende daventure. Vs. 911 sijn. Dattie coninc cranken began. Maer dat yser blever binnen. Men mochten niet van achter slaen. 904 mier. 909 lees een wigant? Gaut. 898 alsen. 907 harentare S] her ni dare. Ende sijn helm ghescoort te sticken. 930 zou dan gygant ook van den afschrijver zijn. Die sinen swaerde ghenaken dorste. Dat hi vor sine voete lach. 884 S hi ontbreekt. 392: fractaque plangebat saxorum turbine cassis. + Dies nam die man goeden goom. gewaagt niet van een reus. 888 negene. Alexanders geesten . 379: a tergo ne posset ab hoste necari. Dat voer in sine rechter side Ende maecte ene wonde wide. Hi weerde hem up sine knien Ende slouch harentare Ghelijc oft een tyger ware. Aldus blever uptien dach Die staercste twee van al Subdraken. Hi waende wale tspere uutwinnen. Daer bloets so vele ute ran. Niemen en woude hem meer ghenaken. Daer en was so coene engheen. 915 weende. Jacob van Maerlant. 885 lees dat menne van achter en mochte slaen? Gaut. 908 en. Hi rustem onder dien lauwerboom. 910 sper. Dien slouch hi so mettien sweerde. 897 qualijc. Daerane ghinc hi staen al stille. 895 ghequetst was S] gequtst.339 * + Ghelijc ocht ware dore sinen wille. Die edele coninc entie jonghe Mochte qualike ghestaen. Sijn scilt waert ghescoten dure. Gaut. 889 geneken. Mettien scilde heefti ontfaen Meneghen slach ende meneghen steen. Die jeghen hem strijts begheerde. Want hi ghequetst was van dien spronghe. Diene metten spere scoot. Alsene iemen woude slaen. 885 890 895 900 905 910 915 + XCIIa 1. 896 edel coninc in die. Die ghene dinc saghen ghescien. Over sine knien booch hi dicke. * 883 were wille S] wile. + XCIb 2. Mettien scoot een groot gygant Up hem een spere al te hant. 903 starcste S] starste. 893 ghescoort te sticken] wart dor scoten dicke.

fodit. de inleiding. Ic wane dat hi niene let. Die coninc sprac met staden. + XCIIa 2. Ic wane noit man en kinde 955 So lettel liede. z. 935 Eer ic sterve!’ doe hi dit sprac. dat hi mettien Neder seech up sine knien Ende vraechde of ieman ware 940 Die vechten woude. die so sere Vochten over haren here. 931 hi vel S] veil. 947 tierst. 939 ochte. * 920 were. 930 denkelijk dor die side (: tien tide). Gaut. 418: corporis artus applicuit lauro moribundus et arma remisit. Teerst dattene die coninc sach. 928 siet. Seech hi neder in onmacht In sinen scilt sere ghewont. 945 Hine liep met baren swaerde Tote daer die coninc lach up daerde. 941 binnen dien. maer hem stac Dat yser so. 925 tierst. Dit waren ridders van hogher daet. 954 waen in. Woude hi staen. 949 on mach vóór dit vers ontbreken waarschijnlijk eenige regels. Gaut. 950 Timeus quam ooc ter stont + Ende Aristoen ende Lavernaet. 943 pencestes.. Alexanders geesten .340 * 920 Hi waende dat hi ware doot.. Hi waende hebben groot bejach An sconincs diere ghewaden. 415: latus. 934 sech dat icker coem. Want sijn swaert daer bi hem lach. 944 lees wane hi niene heeft ghelet? niene en. 945 swerde S] swerden. Si wederstonden meneghen Inde. onreine dief! En kinstu Alexandere niet?’ Dit sprac hi ende mettien hi tiet Sijn sweert ende stac tien tiden 930 Dien gygant dor sine siden. So dat hi vel up die aerde. 940 hi quaem daer. quame dare! Bindien dattie coninc vacht Hadde tebroken met siere cracht Die here Peucestes een wiket. 946 op dier erden (S erde). 921 S swert ontbreekt. 926 enwech onrein. Jacob van Maerlant. Die coninc sprac ‘vare diere vaerde Ter hellen! wes mijn bode daer Dat icker come vechten hier naer. 925 Teerst dat hine tasten besief: ‘Vlie enweghe.

984 te ontgaen. 978 wat si so vonden te diere. Si tebraken met groten ghere Bede met haken ende met barden Dien staerken mure entien harden. Gaut. 974 Die siten braken met groter. fregisset sed eos animavit fama. 970 dit] het. 989 drogenen. Grieken. Die waren Alexanders toeverlaet. 981 wreken. Wat so si vonden terre tijt. Aristoen doet vele ghemoete. Si sloughent al doot met ghewout. Jacob van Maerlant. 986 tvolc S] volc. 990 * 958 Pensestes gewelt S] gevelt. Doe was daer een sijn baroen. Maer hi was so sere ghewont. 983 also slaen. 969 mere hadt tfolc verveert. Want men hem te sere versochte. Peucestes waert ooc met ghewelt Int hooft ghewont ende Lavernaet. Si maecten ene strate wijt. Daer en ontsach niemen die doot. Nu ligghen si vor sine voete. 966 seer. 443: alios tam dira timore. jonc of out. Het liep al. 967 een. alsi vonden te slane. 964 ter deser. Percen. + Die wile dat men tfolc al slouch.341 * Tote dat Timeus waert ghevelt. 980 al demkelijk te schrappen. 968 verslagen. Sijn ersatre Cristobolus. 960 die] dese. Si droughene in sijn pauwelioen. Om te wrekene haren here. Waest man of wijf. 979 wast man wijf iong oft. Die crone in Subdraken drouch. 259 int thoet. Doe quam buten ene mare Dat Alexander versleghen ware. 988 leechden eem scitls. Alexanders geesten . 982 noch. Die ridderen namen Alexandere thant Ende leidene up dies scildes rant. Hi sach sinen here ghewont aldus Met enen wederhaecten strale. Abysari pijnde hem tontgane. cleene ende groot. Porus here. 975 beide haken ende met barden S] barden en̄ me haken. 963 so ontbreekt. 972 cleen. Si ne spaerden min no mere Alse langhe. Die mare hadde ander volc vervaert. 960 965 970 975 980 985 + XCIIb 1. 991 ersater. Ende dit liep al ten mure waert. Dat hi qualike teser stont Dien coninc bescermen mochte.

Ooc ontsach hi hem tien tiden Dat hi te vele soude bloeden. 1013 wonden. Ofte houden met ghewoude. amictu siccantem lacrimas et captum mente. Want men moet dine wonde widen. Hi sprac ‘Cristobole. Alexanders geesten . 1008 En siestu. 1006 laetstu S] leestu. 1000 ne ontbreekt. Noch hine wiscede noch en green. 1009 mags leit. 1002 dat] en̄. Hi ne verlore lijf ende ere.342 * Ende dat ment niet en mochte wale Ute bringhen sonder sniden.’ Cristobolus sprac ghereet: ‘Coninc here. 1001 mercte S] merte. 1007 wonden. Het mochte an dijn leven gaen. Enen coninc binden soude. 471: supplex oravit ut ipse tenendum praeberet corpus. Gaut. Oftu dijn leven wilt behouden. 469: an metuis. vgl. Doe dattu wilt. 1023 wout. Doe riepen de heren met groter cracht 995 1000 1005 1010 1015 1020 + XCIIb 2. Maer doe hi ghenesen sceen. 1017 cristebele dat were. laetti houden. + Een coninc sal sijn tallen stonden Quite ende vri ende onghebonden. 1025 het eerste noch is misschien van den afschrijver.’ Cristobolus dede sinen wille. Twi laetstu mi so lange leven In die smerte van der wonde? En ontsiestu niet die sonde? Du moghes corten doch mijn leet. 1004 cristobile here.’ Alexander antwoorde saen: ‘Cristobole. Alse of hi in twivel ware. 1011 houwen. 1025 1030 * 999 genese. 464: quem rex trepidum ut percepit. 1018 vgg. Verporrestu iet an dinen sniden. 1003 ofte were. Jacob van Maerlant. vs. Ende hijs hem niet en mochte hoeden Ghenase hi qualic sinen here. tware recht onnere Dat men enen edelen here. 1020 och. Ende dyser was ute ghewonnen. Dat die here viel in onmacht. Dit mercte wale Macedo Dat hi was int herte haerde onvro. 1005 oft. 1012 wout getrouwen. vgl. ne sis fati reus huius. com hare! Of ic niet en mach ontsneven. Gaut. Gaut. Quam dat bloet so na gheronnen. ic swighe al stille. 1022 qwijt en vrie.

1060 Gaut. 1056 gereide. 1050 woent S] waent. Du en weets mate enghene. Doe hi versoent was jeghen hem. 1064 doegde. Die coninc van Alabodine. Gaut. 1059 tierst. Vor dat Cristobolus een cruut Ter wonden dede. Ende cume was beloken Die wonde. Abisari gherede sine spise. Mettien men in die tente riep: ‘Alexander es an die bate. 1063 hoochste] hi seide.’ Tfolc was blide utermaten Ende ghinghen eten ende drinken Ende lieten haren rouwe sinken. Dat wonet in dien eylanden. Ende die coninc hi ghenas. 1035 1040 1045 1050 1055 + XCIIIa 1. Ende Porus van Endi Was hem tallen tiden bi. Daer was rouwe ende jammer groot. Ende hi stelpte dat bloet. dat was goet. 1052 bereide. Doe ruste de coninc ende sliep. 1040 utermate. Lees die heren in pl. Teerst dat die Grieken vernamen. van si? 1062 hoere S] hoerde. 1033 en ontbreekt. Wat inde saller af comende sijn? Al ware al die werelt dijn. Nochtan ware soe di al te clene. 512: cuncti velut agmine facto convenere duces. Jacob van Maerlant. Taxilles quam tote hem. Teerst dat hi ghenesen was. Die ligghen bi den paradise. 514: regum maxime. al es soe goet. Hoochste coninc! dijn overmoet Ende dine doghet. 1038 riep S] liep. 1045 was die wonde belocen. so hevet hi ghesproken Te vaerne int inde van eertrike. Alexanders geesten . Niet eer en ende dat gheluut.343 * Dat Alexander ware doot. Ghinghen si alle te samen Toten coninc in die sale. 1066 were. + Die gherede hem die scepe sine. Want hi woude haestelike Dwinghen tfolc te sinen handen. 1047 vaerne S] vare. Craterus sprac ‘hore onse tale. 1046 die wonde ontbreekt. 1067 weer si al te cleen. 1065 sal daer. 1060 1065 * 1031 were. 1042 rouwen.

1078 En̄ gene. 1080 goede bemachten De Vries] benachten. 1095 1100 1105 * 1069 niet op dijns S] dijne. 1070 lees die di sijn beneven? 1071 hare] oere.’ Craterus sprac in diere wijs. die sijn lijf verslit Sonder ere ende sonder prijs. Enghene vrese willen wi sparen. 1085 enen geweest. Ende Tholomeus ende al dandere Baden hier omme Alexandere. de aanteekening. Alexanders geesten . 1077 doer S] doen. Hevet hi na pine groot goet? Wacht di selven entie dine! Laet ons vor di doen die pine! Scuwe vrese sonder ere! Wat eren mach hebben een here Dat hi enen knecht verbit? Hi es ries. Dine vriende sijn di beneven. dat es mee. 1079 woutu. Twi weerpstu di selven altoos + In grote vrese om clene ghewin? En mercstu niet in dinen sin Dat enen man sacht sijn moet. z. Craterus woort ende sine tale Bequamen Alexandere wale. 1090 in S] en cleen. Jacob van Maerlant. 1081 solen. Daer wi souken talre stont Nieuwe vrese ende nieuwen anxt? Alse daventure alre lanxt Met enen man ghewesen hevet. Woutstu doch di selven wachten. Dor dinen wille willen wi liden Over die vreselike see. 1083 nie vrese en̄ nien. 1076 dats mee. 1074 S wille ontbreekt. Ende alle diere. Peins om hare leven doch! Dor dinen wille willen wi noch Jeghen al die werelt striden. Willen wi dore di dorvaren.344 * Al en achtstu up dijns selves leven. 1070 1075 1080 1085 1090 + XCIIIa 2. 1073 alle. Wat gode sal ons bemachten? Hoe langhe sullen wi sijn ghesont. 1093 saecht. 1100 ries die sijn lijf verslijt S] reus die sijn verslit. Hoe saen dat soene beghevet! Hoe mochstu ghedurech sijn? Wie mach bescermen dleven dijn In dese werelt? want soe es loos.

1140 oest S] west gaet S] steet. 1115 niet en. Die staerke man maecht al verwinnen. Ontsechdi mi ooc uwe cracht. 1119 groten naem. + Dies en achtics min no mere. lieve heren! Ic weet u groten danc der eren.345 * Ende sprac ‘danc hebbet dies. Tellic tgoet al van minen leven. eest daer nacht. So hebbic ghelevet langhe. alse ic leve. 1138 Antipedes. Onedel volc set sinen moet Om langhe leven ende om goet. Dan sal ic u daerna toghen Een ander werelt vor uwe oghen. Dan uwes selfs. vgl. Dat ghi meer vreest mijn verlies. Alst hier es dach. Volcs en mach mi niet ghebreken. Ende soe es mi vele te clene. of al te schrappen? 1131 wel met. 1128 tgoet van al. 199. 1139 west op staet S] oest op geet. die mi tote hare Daventure heeft ghegheven. 1134 heb. Sijt des seker ende ghewes Dat ic orloghen niene begheve. 1124 acht ic noch. Ic telle de seghen ende niet de jare Entie ghichte. maer grote name. 1117 ben iong. Want sint dat ic eerst crone drouch. 1118 En̄ ic in begere. Jacob van Maerlant. Europen es in minen bedwanghe. 1109 dan van u selve. Alsicse bedwonghen hebbe allene. 1108 verles. Hebdi mi ghedient ghenouch. Die es allene mi bequame. Daer de sonne west up staet Ende oost ooc te hove gaet. 10. 1133 veel te] te veel (veel op den kant). 1132 bin ic einde. Antipodes suldi bekinnen. 1120 es mi allene bequaem. 1130 1135 1140 * 1107 hebbe des. 1110 1115 1120 1125 + XCIIIb 1. 1111 sider ierst. Asien ic wan met ghenende. Nu bem ic bi der werelt ende. dan u es. Ende ic bem noch jonc van jaren. Also langhe. 1137 macht. Ic en beghere niet te waren Langhe lijf. Alexanders geesten . 1142 onsegdi u. Maer ic bem der werelt here. 1123 ben. 1136 u. Maer mi es anders. 1126 tot.

Eist dat ghi minen wille doet: Datti nature hevet verholen Ende bedect in nauwen holen Suldi sien. 1173 weren hol ofte. 578: dixit et ad naves socios invitat. Om te soukene selsiene dinc. Si seiden dat sijt gheerne daden. Onedel volc. 1171 twier degen. Na dien dat hijt hem dorste raden. 1152 voldoen. Dedise boren dore tien stonden. 1151 coen. Alexanders geesten . 1163 bacus. 1165 twier.’ Dus indi sine tale ter vaert Ende bat die heren te scepe waert. Sal ic maken edel ende vroet. Porus gherede hem die vaert Al tote daert wilen dorevacht Ercules met siere cracht Ende Liber Baccus mede. Derre tweer deghene vermeten. Dit begheric te voldoene Ende in desen enden mijn leven. 1145 alt fole eigen. Wilt mi daventure gheven. Porus). 1160 En̄ porus gereide eem an die vaert. 1155 inde mettier vaert. Vondsi haerre tweer pale Van goude ghemaket wale. Weder si waren hol of vul. dul alse swijn. Datmenne en hilde over dul. Doe en vant die jonghelinc 1145 1150 1155 1160 + XCIIIb 2. Dedi die gate vullen met goude Ende voer voort met ghewoude. 1170 eende eerre beider. 1165 1170 1175 1180 * 1144 doe S] doen teken. Want elkerlijc van desen heelden Hadde ghegoten na hem twee beelden Die waren vijftien voete lanc Daer einde haerre beder bedwanc. 1168 gegoten S] gegote him. Jacob van Maerlant. + Nu varen si ter see waert. 1179 selsene. Alexander hi woude weten. sidi so coene. Lees gheledese an die vaert? 1161 dor vacht. Gaut. Ende doe hise vul hadde vonden. Epistola Alexandri magni: ad Herculis Liberique trophaea deduxit (sc. Alsi quamen terre stede. 1175 dor.346 * Waer ic doe mijn tekijn up steken. 1167 heilden. 1148 eest wille S] wilen. 1156 ontbreekt. Alt volc sal mijn eghin sijn. 1166 gemaect. 1176 vol.

Teerst dattie wint was west Ent hem dochte wesen best. Daer vonden si volc. 1206 voghele ontbreekt. Alexanders geesten . Doch quamen si na der selver stont Bi drie weken an een lant. Want hi hoort ghewagen des Dat noit Liber Baccus noch Ercules Die see en prouveden aldaer. 1189 proefden. 1208 voer. 1190 es vorwaer] waer Epistola: quem (oceanum) quoniam tenebrosum vadosumque mihi locorum incolae affirmabant etc. 1204 hoet. 1198 na der] ter. 1188 bacus. heet Lemnes. Die achter alse leuwen waren Ende voren ghedaen alstie aren. Dat algader sonder hovet es. Derre si meneghen dorstaken. 1194 En̄ dat. 1185 1190 + XCIVa 1. Daer vant ooc voghele die deghen fijn. Voeren de heren vanden lande Harentare souken viande. 1186 sien. 1202 algader. Daerna quaemsi in een lant. die met ghewelde Daer waren. 1196 harentare S] her en dar. Si dwonghen de Ichthiofagiten. Om te siene wonders mee. 1207 vogele die lewen. Want soe so donker es vorwaer.347 * El niet. 1212 gulden. Daerna vant hi een eylant groot. Derre sloughen si vele doot. Dat Crisa nu es ghenant. Daer vondsi guldene berghe int lant Ende coatricen ende ooc draken. Van danen voer hi ter Oostersee. Liede die wel vessce verbiten. dan berghe. 1215 Ichthyofagiten S] ·X· xiofagiten. Daer die berghe noch in sijn Allegader selverijn. bossce ende velde Ende olifante. Lees want soe so ondiep ende donker ware (: aldare)? 1191 die edel. Ende het was hem allen oncont. ende wrede serpente. 1214 deire. 1193 S wint ontbreekt. 1195 1200 1205 1210 1215 * 1182 geweelde. aan den voet der voorgaande bladzijde staat echter Teerst dat wint was west. Jacob van Maerlant. Dat Argere es ghenant. Gheborstelt sijn si alse swijn. Aldus woude dedele vorste + Doen dat noit man doen en dorste. Die men vint in Oriente.

1236 conincrike.’ Teerst dat se Macedo. Carbonkele met crisoprassen.’ Dander sprac ‘twi doestu dan Dus vele quaets? du heves scande. Daer was in een coninc rike. In dat lant es een fonteine. sprac hi ghelijc den milden Dat si baden. Dats in dietsce ‘nakede vroede. Talre beste van eertrike.. Jacob van Maerlant. Sach. 1234 na minen wane S] van minen wana. 1251 lees so sere? 1252 dat weer. bl. 1221 nakede vroede S] makede die vroede. Wat jaghestu dus achter lande?’ Van daer voer hi in Tambrobane. margariten. 1225 geve hi him. Want si sijn twalef ellen lanc. die sere biten. Die vele wijsheiden wisten. 1232 iaegstu. 1248 gigant S] wigant. 1233 van S] dan tambrobana.348 * Daer die liede in sijn ghenant In griexer tale Gymnosofisten. Dat si waenden. 935. Diere stene. vgl. Die in ghenen lande en wassen. 309 volgg. 1220 1225 + XCIVa 2. 1230 twi] war om. Alexanders geesten . 7. 1247 macabenen. Ende beesten. 1242 steen. dat si wilden. Doe si danen ghesceden waren. + ‘Ghef ons ewelec leven!’ Hi seide ‘hoe mochtic dat ghegheven? Ic bem selve een steerflec man. vgl. 1224 beden. 1228 sachte. 1230 1235 1240 1245 1250 1255 * 1219 Gymnosofisten S] gignofeesten. tware ghemaect Tfolc van ysere ende van stale. 1243 crisepassen. Quamen die Grieken ghevaren In der Macrobienen lant. Si waren so mesraect. 1238 geweldelike in sijne. Nat. die goede. 12. Dats een eylant na minen wane. Dat gave hi hem sonder wedertale. Die Alexandere gaf sijn lant Ghewillike in die hant. Die hadde hi saen in sijn bedwanc. Daer vonden si meneghen gigant. 1222 tierst dat si. Daerin sijn tiene edele stede Ende meneghe rijcheit mede. Dus waren si bedroghen wale. 1244 lees in el ghenen? 1245 gesceiden. 1239 edel. 1237 dien alex'.

Die hem algader guldin dochte. 1290 Iet dat. Ten jonxten gaf die aventure das. Daer grote deemsterheide was. Dat volmaect es in alre wijs. Dat ic Alexander si? Wie es daer? wes es dit lant?’ Dander seide al te hant: ‘Dit lant es des selves heren. Na dien dat ict gheweten mochte. 1265 1270 1275 1280 1285 1290 1295 * 1257 datt'. 1265 war: dar. Dat si van verren saghen staen Ghelijc alse ene borch ghedaen. Dattet scemert also clare. 1278 het ontbreekt. ende si en wisten waer. Alexanders geesten . 1282 gaen. Riep een man van boven neder: ‘Alexander!’ hi antwoorde weder: ‘Weetmen daer boven iet van mi. Si voeren. 1270 een. 1291 ees. Alexander hilt stille ene stonde Ghinder met sinen dragmonde. So waest dat eertsce paradijs. Die di met so groter eren Al die werelt heeft ghegheven - 1260 + XCIVb 1. Die het winnen wouden met pine. 1261 weche te varen. Alse oft van olie ware. 1259 so men S] men so. Want si quamen dicke daer. Hi peinsde wat hi beste dade. 1289 iet ontbreekt. So dunket hem al sonder waen Tote boven up die wolken slaen. En weghe te varene al te hant + Om te soukene ander lant. Na dien dat sijt hebben vernomen. Nu sijn si an die roche comen. Wat so men daer mede dwaet. Om te soukene lants mee. Jacob van Maerlant. 1271 gulden. Die vierine mure dochtem van goude. Nu sijn die Grieken up die see. Hi voer daerwaert alstie boude. 1267 demsterheit.349 * So claer es soe ende so reine. 1281 wellicht Soe dunket. Alexander entie sine. Doe hi was in desen rade. 1283 hielt. 1273 wast. Nu es Alexanders raet.

1297 en̄ dien. Hoe sine voorme was ghedaen Dat willic u doen verstaen: Hi was ghevoormet alse eens menscen oghe. Recht na dese aventure Keerde Alexander te lande. 1335 * 1296 sijne gewalt. Doe hi di gaf in dijn bedwanc Al dier werelt ommeganc. Die clare alstie sonne sceen. 1320 claer. 1307 eertterike. 1324 verwogen. Alexanders geesten . 1327 forme. Hoe dijn leven sal vergaen.’ Alexander antwoorde weder: ‘Wat wildi mi werpen neder Tenen lijteken dat ic hier was? So machmen mi gheloven das. + Ecclesiastes cant wel toghen Dat hi die rijcheit neder wouch. Wat so menre jeghen drouch. Ende also luttel eerden alse een siere (Dit was een wonderlike maniere) Hem neder wouch. alse ic hore segghen. V mans ontbreekt. de aanteekening. Dit was een vremde maniere. 1330 caent. Jacob van Maerlant. 1315 thoet binnen dien. Hi wouch meer.350 * In sijn ghewout es ooc dijn leven + Entien du wilen comen saghes Up dijn bedde. Dan alt ghewichte datmen legghen Mochte daerjeghen in ene scale. 1310 wale ontbreekt. Nu doe wale alstie wise Ende lech al dijn souken neder Ende vare ten ghemenen lande weder! Daer saltu ondervinden saen.’ Doe trac hi thovet bindien mure. 1300 1305 1310 1315 1320 1325 1330 + XCVa 1. Nochtan verwouchene wale Also groot eerden als een siere. 1335 weder.’ Hi seinde hem hare enen steen Men vint siere ghelike en gheen In algader eerderike: ‘Dit es dijn tseins sekerlike Van den eertscen paradise. dat es bedi: + XCIVb 2. z. 1329 gevormet V] geverwet menscen. 1323 een. 1305 hare] hier. Ende hi hadde in sine hande Ghonen wonderliken steen. daer du laghes.

hier te voren 1350 So en was noit man gheboren. Alexanders geesten . Ooc es dit waerlike bekint zou voor den zin en voor het rijm beide voldoen. 1349 misschien daer te voren. Een clene stucke eerden es so goet. So en es die rijcheit niet so goet. 1341 got dat si. Hier es deinde vanden neghenden bouke. 1351 dorst. Niemen en versta dit in spele! Dit was betekekent bi den stene.351 * Also langhe alse Alexander si An den vleesce ende leven moet. Die die oosteylande dorste besouken. Dattie mensce steerven moet. 1340 Also god wille dat ghesciet Entie aventure ghebiet. Jacob van Maerlant. * 1336 lees alse die mensce si? 1339 demen vinc. 1352 ·IX· boken. Eer dese tijt quam. 1346 en S] in. 1344 cleen. 1345 Alse die mensce ende beter vele. 1347 steen. Van alder werelt diemen vint. Dit en was loghene enghene. 1340 Dit sijn waerlike dinc.

5 10 15 20 25 Alexander heeft ghesproken Overdaet. Gaut. Groete soese mettien blomen. 28 perse. 21 groetse. * 5 eest. 17 lees was? haer S] hen. Want hi hem vermat van desen. die onghewroken Altoos niet en mach wesen. Elkerlijc. 9 were eertrike. Die lucht eerst jeghen hare liep Ende groetese met soeten winde. want soese sciep. Dat hi sal. Alexanders geesten . 20 locht ierst eer. 16 so ontbreekt. 27 eer scepperssen (S scepperse). Waer so soe quam an die vaert. 18 hebben si. X. 25 Op dat vier. Die elemente hebse ontfaen. Soe liet alrehande werc End nam up hare een gheswerc. Hier om was die Nature gram. 10 cleen. Sinen lieden openbaren. Teerst datse die aerde kinde. Alle dinc waren hare onderdaen. 9: aperire gentibus armatis. eist dat hi levet. Dattie nature verholen hevet. Ooc so seidi mede te waren + Dat hem ware al eerderike Te clene tenen conincrike. 15 eer. 22 tierst dat si.352 *Die tiende bouc. Jacob van Maerlant. Alrande figuren beten Ende eren hare sceppersse Ende bidden dat soe niet en persse + XCVa 2. 7 boden oppenbaren. Soe maecte hare ter hellen waert. Twater es mettien visscen comen Ende tfier metten planeten. 14 eer. 23 groete S] groten bloemen. 13 alderhande. 26 alderhande. Alsoe die overdaet vernam.

Sat daerna met erren sinne In ene borch groot ende rike Ende bespotte hare ghelike. 32 noch. Gulsecheit sat up hare stede Ende verteerde hare lede. Dat soe te vele hadde in ghedaen. Al en conde soes hare niet ghesaden. 38: flagrante vultu. 44 dier S] die. Want soe suverheit testoort. 34 Nu vaere enwech. Luxurie. Gramscap sat daer verbolghen. Dit was die tale der Naturen: ‘Danc hebt dat ghi mi doet ere! Nu en souct min no mere Die dinc. 54 eren. 58 Sat daer op eer. Jacob van Maerlant. Dat soe ghesmoutens gouts so vele Goot in dier vrecker kele. 30 35 40 45 + XCVb 1. Dat sal Alexandere scinen. Want het sal sijn hooft becopen. 47 hadde. 38 ende S] en. Soe sach vor der helle dure Rechte onder die helsce mure Seven vrouwen in seven borghen. die coninghinne. dats Onsuverhede. Soe huudde dien groten scat. niet is misschien te schrappen. Gaut. Over waer segghic u dat. 56 eer. 50 55 60 65 * 29 honger eer. 43 in] en̄. Gaut. Dat soeser mede hevet verladen. 51 soeser mede] sise daer. Soe liet weder dor den hals gaen. 49 si gesmoltens gouts S] gesmoltens golts. 55 een. 41 vor der helle] verre. 35 dien. die daer was tien stonden.353 * Met honghere hare creaturen. die ic hebbe verholen! Ic vare enweghe ter helscer scolen Dor uwen wille ende dor den minen. + Dier elc man wel mach sorghen. lees up ene? 59 moder lach si versmort. 30 vander naturen. 37 hoet. Nu hoort! ic sal u hier af tellen. 32: inter quas antris aliarum mater opacis abscondit loculos. 31: ante fores Erebi Stygiae sub moenibus urbis. 45 ene. Alexanders geesten . Die een was moeder van den sonden. Vrecheit. 52 hare] hier.’ Dit sprac soe ende dede open Die aerde ende ghinc ter hellen. 61 eer desgelijks 62. Lach dare up hare stede In bernender modre versmoort. Hoverdechede. Gaut.

Nidecheit ende hare kinder Hadden hare sale ghinder: Verradenesse ende Loosheit. 101 in midden. Hare hande onder hare liere Ende bernende in dien swarten viere. Waer so si sijn. In allen tiden sijn verwoet. 74. 71 tweemaal eer. Ende Smekinge was ooc mede.354 * Soe doet die ghone. 75 verradenesse S] verredenisse of vorr. Dese sonden hevet besien Die nature ende mettien Ghinc soe bindien helscen muren. 98 eer. die haer volghen. Al en moghen si niet ghereit Bedecken der liede weldade. Die nu hevet hare stede Met hoghen lieden in die sale. 97 licht. + Met desen seven hovetvrouwen Woonde mede ooc en trouwen Ypocrisie. 92 so ontbreekt. Daer sach soe die sielen gheduren Int vier dat bernet sonder lecht Elke siele na hare recht. Want soe de liede maect onvroet. Boven inghe ende binnen wijt. 83 smekelinge linge lees wasser? 89 miede S] mede. Ic segghe u de stat vander hellen Na dien dat ons die bouke tellen. Jacob van Maerlant. Daer pinet vier in elken tijt 70 75 80 + XCVb 2. 84. Si verkerense met haren rade. zóó ook 73. 72 swarten S] swarte of swarre. 69 girecheit. die quaet sijn ghedaen. detractio) cum bene facta negare non possit. Want soe can met scoonre tale Hoghen lieden doen verstaen Saken. Alexanders geesten . Gaut. So grote cracht hevet die miede Ende smekinghe onder hoghe liede. 46: quae (sc. 104 pijnt. 85 90 95 100 * 67 sijn si. Ghierecheit sat daer allene Beloken in haren stene. lude ende stille. Soe staet midden in die aerde Ende bernet altoos even haerde. die haer can maken Buten goet in allen saken. 79 hoetvrouwen. 77 mesdade. Dat si bejaghen haren wille.

Al sijn si in een vier bevaen. 117 anders niet H. 122 hun tween H hen tueen A tegader H. Jacob van Maerlant. 120 als H. + Daer sijn ooc vele sielen in 115 Welna al sonder mesquame. 134 was. 131 tierst. Dese weten lettel van verdriete. Na dien dat si hebben mesdaen: Some meer. 107 hebben sijt (S si). 133 to eer. Teerst dat hi die Nature sach. die hebben mesdaen. 142 was hi. dat hi versmacht Ende verliest al sine cracht. some min. Want dat vier es so gherecht. Die hi hadde. Om dat soe niet en ware vervaert. 112 Alse hi te voren hevet A. Bi redenen prouvict u al. 113 en̄ some A. 135 gedaen. 118 weten luttel H wisten lettel A verdriet H. 130 Die bedrooch dien eersten man. 136 toe ontfaen. Nochtan hebsi niet even groot Die pine van dier langher doot. daer hi in lach.355 * 105 Sielen. Die een loopt met cleenre pine Die ander es vander sonnen scine 125 So verhit. Sonder dat si van Adame Sijn besmet ende el niete. 114 sijn H waren A. 137 scoenheit. 110 dat het den A datten H. 128 drut of eerder drnc. Alexanders geesten . Liet hie tfier. In die middel van dier vlamme So stoet die felle druut. 120 Te somere alse berch ende dal Es verciert metter sonnen. 115 Al welna sonder A. eer hi neder Van den hemele was verscroven. + XCVIa 1. 135 Liet hi sijn duvelike ghedane Ende snelde hem te ontfane Die grote sconhede weder. * 105 selen. die gramme Lucifer Leviathan. 121 versiert mettier H. 140 Doe hi inghel was hier boven Ende dor sine hoverdechede Was gheworpen vander stede. 127 middelt. Men siet hem tween te gadere ronnen. Ende ghinc te hare waert. 110 Dat het den here ende den knecht Also met pinen hevet bevaen. 123 loept S] loep.

146 ierster. 168 ridders. z. 151 heves. 147 weerstu claer. de stat van prise. 161 atracervaen. Ic bringhe ene niemare ghedragen: Alle creaturen claghen Over Alexanders overmoet. 177 Babylonie. Dus heeft hi Asien bevaen. Waerstu sonder stede bleven. Maer dor die hovaerde dijn + So verloorstu hemelrike. al was soe groot. 169 Mennoen. 165 maroene. 171 dat hem] dies hi. dat es so heet. Babylone heeftene ontfaen. 144 eer. Hi drouch ooc roomsce crone. Coninc Clause van Atervaen. 176 es] was. 153 weerstu sonder S] weerstu sonder sonde. Hi dwanc Luken ende Pise. 157 een nimeere H. Het es recht du gheves loon: Want alstu verloors dien troon. Ende verwan dien here driewaerf. 145 150 + XCVIa 2. beter misschien te lezen ic heves. Hi slouch Pausaniase doot. 166 croen. Hi dwanc Athenen ende Matone. dat hem verstaerf. Alexanders geesten . Hi dwanc enen coninc goet. 150 om hulpe droefelike. Hi heeft die israelsce roten Binnen Caspi besloten. Die Siten sijn hem onderdaen. de aanteekening. Hi dorreet ooc te waren Daris lant. 158 alle S] allen H A. Tracien es hem onderdaen. 155 160 165 170 175 180 * 143 doen. Hi slouch ridderen van prise: Mennoene entie met hem waren.356 * Doene die Nature sach Begonste soe hare gheclach: ‘Vader ende wreker vanden sonden! Wilen in dier eerster stonden Waerstu clare alstier sonnen scijn. Hi brac Teben. Hi wan Egypten ende dorreet Libien. 163 Pausaniase S] pansamase. Hi verdreef dien here Apolonise Ende brac Tyren. Ic bidde di hulpe drouffelike. En haddic di niet ghegheven Ene sonderlinghe stede In dese grote demsterhede. Jacob van Maerlant.

Subdraken heeft hi ghevelt + Abisari staet in siere ghewelt. Gaut. 93: nec eo contentus Eoas vestigat latebras. Ende ic en sals niet ave staen. Hi sal di de helle af winnen. 185 Taxillis. Ende dat es meer: hem en can Ghenoughen al dese ere. Nu wrec ons over dit verlies! Wat eren soutstu hebben dies. Hi wille de sonne sien west upstaen Ende oost te hove gaen.. 196 wilt hi H wilhi A. Eer ickene hebbe in der hellen Met anderen sinen ghesellen. Gaut. 194 wachsti H wachtdi A. 190 geluc.. 105: ille. 192 beroemt A. dats mere. vgl. Gaut. Want hi hem al nu beromt Dat hi sal winnen tparadijs. 186 Dat es meer en̄ eem in can. 210 Nochtan sal hijs niet af st. 206 ofte A.promittit.nec se desistere saels A. 190 195 200 205 210 215 * 184 steet. 205 in A. 211 icne A. 209 sal A.. Hi sochte deylande. 101: ergo age communem nobis ulciscere pestem. 195 die A ontbreekt H. 199 wilt H die sonne sien west op gaen H die s.. Jacob van Maerlant. wanen Nilus comt. 213 so ontbreekt H. 207 waenden (S waende) H woude A. west sien opstaen A. 188 dye eylande mere S] mee.357 * Ende Porus es hem onderdaen. Die sijn in die Donker see. 198 die antipedes H antipedes A. Du en wachtsti in alre wijs. Alexanders geesten . Of wat lone. Hi sal sien. Taxilles es ooc sijn man. 200 weder te hove staen H. Up een plein quamen die keitive. Daertoe willi ooc bekinnen Die werelt die hier onder es Ende dwinghen Antipodes. Heeft hi ghelucke goet voort mee. H. 185 + XCVIb 1.’ Stappans so riep hi te rade In dier hellen alle die quade. 201 Wrec ons sinen overmoet A. 212 andren A. 214 Inder A. Of di Alexander winnen sal?’ Soe waende wech varen na dese woort. of wat prise Dattu uten paradyse Adame dreves int drouve dal.. 202 des. 215 deze regel in H achter 216 enen H plain A keytive H kaitive A.. 204 paradise A. Lucifer sprac ‘vrouwe hoort! Ic sals uwen wille doen sonder waen.

Gaut. Dese bernen ende stinken. 228 eer. 241 wene. Nu hebben si heet ende nu cout.. die altoos vasten. 219 Chochitus en̄ flegiton. 220 225 230 235 240 245 250 * 216 darom H. 252 dats ons al H dat sal A. 227 onghehoorde] eer. Want dat es hare meeste noot. Ende hi moet sonder ende sterven. Dats al niet. maer hi sal steken Dor die dicke aerde een gat. Die moeten altoos ghinder sterven. 218 Liete. Die rivieren heten aldus: + Lete ende Avernus Cocitus ende Flegeton Ende die wrede Acheron. 222 En̄. 131: sed id taceo. 235 sijt. Dat si sterven sonder blijf. diet al verslaet Ende die alle dinc ontsien? Laetmen sinen wille ghescien. Gaut.: rupto. mine ghesellen. 113: mortis inauditae torquentur agone. 253 dicke ontbreekt A. 246 segt.. die helpen mach. Gaut. + XCVIb 2. die vielen. Ende hi seide meer daertoe: ‘Secht. 111: nec sol indomitum nec mitigat aura rigorem. Die hier leiden sondich lijf Ende altoos om sonden werven. 233 diemsterheit. 242 hene. Dien de helle doet bederven. 247 solen wi hē lees die in plaats van dese? 250 leetmen.358 * Daeromme lopen rivieren vive.obiice terrae. ende al die ween Wart ghestilt. Die drouve sielen. doe hijt hoorde. Doe thelsce volc versament was. Si moghen de deemsterhede tasten. Alexanders geesten . En mach niemen ghedinken Dat hiere nie sonne sach. Gaut. hoe Sullen wi ghedoghen dese overdaet. 224 enege dinc. Ofte eneghen wint. Van desen man. Jacob van Maerlant. Doe sprac hi der Naturen woorde. Ende doghen onghehoorde doot. daer ne was gheen Die roupen dorste. Die oude viant Sathanas Wispelde drie waerf. Hi sal al die werelt breken. Daer ligghen die drouve sielen Mettien duvelen. Daer es rouwe menechfout.

261 miraclen H mieraklen A en̄ in H en̄ ic ne A. No in goude. Dat salmen gheven hem ghemene Mettien claren wine ghemanc. Dien hebbic. no in stale. Gaut. 260 265 270 275 280 285 290 + XCVIIa 2. * 256 Dan moete A wesen A.359 * + Ende maken tote ons enen pat. 267 Gaut.quo. laet wesen sochter Vorwaert meer dine maniere.. dat segghic u. En mach in gheen vat gheduren.. 291 wiegen S] wegen. 284 eem geuen.nescio quis nascetur homo. 257 so ontbreekt H.. Hi sal sterven eer iet lanc. Dat Verranesse sprac ghereit: (Die was dier Nidecheiden dochter) ‘Lucifer. 281 en 282 noch. no in metale. Vander wieghen up gheleert Dat hi van buten enen eert 255 + XCVIIa 1. in weet wie. Want Antypater. Dus moeten wi hem sijn onderdaen. lees dat het? 272 verraedenesse geriet. Dan in een coeclauwe allene. Ooc so segghen die propheten Dat god der werelt hevet beheten Menech jaer hier te voren Dat een man soude sijn gheboren Met mieraclen. Jacob van Maerlant. Ic salt di volbringhen sciere. 140: mortis nascenti occurrite morbo. No in ysere. 276 sal. 281 yser. mijn vrient. Met sinen houte so sal hie Breken onse vaste prisoen Ende onse sielen daerute doen. Dat hi niet die ghone en si Die de helle sal hebben vri.’ Cume hadde hi dit gheseit. 258 got H heeft vergeten H. Helpt ons gheraden terre noot. 264 ons H. Men vint gheen van dierre naturen. Die wile dat men ons mach helpen! Laet ons dies mans daet stelpen. ghi heren vander doot. Ic hebbe een cracht van venine... Daertoe sal hi onse sielen vaen. Nu siet. Die Alexandere heeft ghedient + Ende over Grieken es baliu. Want het es mi clene pine. Alexanders geesten . 277 ene clene. 136: adfore tempus.

310 dien H. Was soe saen ter hellen ghekeert. 299 man hulpen H. Ende soe comt noch dicke uut Te radene dusdaen saluut. 322 pinen. 325 * 293 draget hi die. 296 willen S] wille. Dat drouve volc priset wale. 315 noch ontbreekt ute. haren gheselle. Nu es comen uter see Alexander ende heeft mee Wonders vonden. 308 harde H ontbreekt A. 295 na] om gerengiert. 325 besitten. Doe riet soe der herten sijn Te makene dat staerke venijn. Hoe hi behouden sal sijn ere Jeghen den coninc. Dat hi sine oude vertere. Ende doe hijs wale was gheleert.’ Verranesse sprac dese tale. heeft hijs gheval. Nu wille hi besien de woestine + Van Endi met groter pine Ende daerna so willi scone Varen tote Babylone Ende besetten Asienlant. 316 om te dusdane salute. 301 verradenesse H. Spanien winnen ende in dien 295 300 305 310 315 320 + XCVIIb 1. Na dat hi hevet gheregniert dat lant. Alexanders geesten . Gaut.360 * Ende int herte draghet de moort. 154: ut sub eo senium consumat et aspera rursus perferat emeritus castrensis taedia vitae. dies hi sach. Jacob van Maerlant. Die een quaet verrader was Ende haerde sere in soorghen das. 306 horen A gesellen H. Daerna wille hi te hant Affriken winnen al Ende daerna. 305 hellen H. 172: dispositis rebus Asiae. Bi des mans helpe sal ic saen Alexandere verslaen. 304 in so H. 303 soe so] die so H si A. 302 prisese A. Dan ic u wel besceden mach. 319 dies] dan. sinen here. Willene de coninc al te hant Met hem hebben in sijn here. Gaut. Nu es hi ghedaghet voort. 321 die woestinen. lees dat? 320 dan] dies wael besceiden. 324 te. 323 wil hi scoen. Dat soe so sciere hadde vonden Goeden raet in corten stonden. Stappans voer soe uter helle Tote Antypater. 312 starc.

356 hoede H. Si quamen bi groten brouken. 352 passagen. Alexanders geesten . 364 mochten nummermee. Dat hi hadde enech lant 350 En ware den Grieken al becant. diet hadde ane. 365 sper dor steken. 360 hoet oppenbarde. 343 heft. 360 Doe dander hovet openbaerde. Om dat men hem niet en wantrouwe. 335 Aquitaengen S] quintagen. Twee hovede hadt up sinen craghe. 336 Germaengen S] Grammagen almanien 337 moniou ouer lieden. Doe ghincsi sine been breken Ende met groten hameren slaen. Was ghelijc enen seepaerde. 354 vreeslic H vreselike A ongehuyr. * 334 gemeinlike. 345 Dit heeft hi met Porus bestaen. Jacob van Maerlant.361 * 330 Ercules colummen sien Ent westeinde van eertrike winnen. 349 hedde H. Daer souden si passage souken. Alsi besocht heeft dlant van Inden Willi hem dies onderwinden. Mettien rees daer een dier Vreselijc ende onghehier. + XCVIIb 2. Ende daerna willi doen bekinnen Sine cracht in Vrancrike Ende Gallen dwinghen ghemenelike 335 Ende Aquitaengen ende Bertanien Germaengen ende Allemanien. dies ghelooft. 361 cockendruls. Sine mochtent nemmermee 365 Met ghenen spere doresteken. E: palus erat sicca et canna abundans. 351 brouken] hopen. 345 hevet A. Dat hi Inden bescouwe. Gheleect eens cocodrilles hooft Ende verbeet ooc. 357 dat een H deene A gescapen H maen. Sine huut. Met enen bete ridders twee. Dan willi Moniu overliden Ende Lombaerdien doreriden Ende dor Rome in Grieken varen. 350 et en were dien H. + Deen was ghescepen alstie mane. 340 Bedi ontboot hi te waren Dien van Surien in waren saken Dat si scepe daertoe maken. 338 dor riden. 355 Sijn rugghe was scaerp alse een saghe. Die hem raet gaf sonder waen.

ses milen breet Bi enen watere. 374 water. Some van ludene van businen. Dat si ten tenten waren gejaghet Ende si riepen ‘wapent u! Hier comen olifante nu. Some vanden swinen verjaghet. 46. 399 van lieden some van. 372 gewoude S] goude. 395 400 405 * 368 naerre] verre. Daer sloughen si tenten met ghewoude Ses milen lanc. dat was wonder groot. dien edelen deghen. Some swart some bont. Alexanders geesten . 404 pauweleoene H. 398 veriaecht S] verragt. 381 solen dit her. Doe waren met groter cracht Die voorste cnapen sere versaghet. 392 mact. 377 versacht. ic come na.’ Selve quam hi na te waren Met Poruse.’ Alexander hi riep voren Die ridders van Tesalia: ‘Varet voren. 384 vart coem. Die olifante quamen hem jeghen. 385 vor. Doe woorden die beesten versaghet. E: buccinis hominum et grunnitibus suum attoniti. E 980.362 * Doe ghinghen si naerre staen. ghi sult moghen Die olifante so vervaren. Sp. Ende keerden in die pauwelioene. 369 wonders. Si sullen dit here storen. 378 geiaegt. 1 . Die coninc hiet sciltwachte sciere 370 375 380 385 390 + XCVIIa1. Hem wonderes dat dier was so groot. De tande naemsi tharen doene. Daerna quaemsi tenen woude. 4 Jacob van Maerlant. 405 hielt. 394 wanense. 403 doen H. 401 neghenhondert] CM. 400 volgde. Dat daer lach ghesleghen doot. 396 hen. dat Buemer heet. 44: 880. Daer slouchen siere neghenhondert doot Ende tachtich. Alexander volghede met pinen. Si wouden bliven daer dien nacht. + Porus makede hem cont Dat si goet te stride waren.Si wanese vaen ende vervarenMen soude de soghe so doen gorren. 370 geslagen. Drivet voren swijn ende soghen Doetse gorren. 386 doetsi soelt. hist. Sine souden hem niet weren dorren. 375 daer bliuen.

427 vlouwen. Doe dochte den coninc wesen best. 410 Daer sach hi volc naect als die diere. dat es wonder. ne quid iniuriae elephantorum molestia aliarumque ferarum adferret. E: jussique tunc clypeis et loricis vallum praecingi. 420 Daer si wonen dese diere. 410 tfolc. 412 water eest soete. De eerste regel is klaarblijkelijk niets dan eene bedorven herhaling van den tweeden. + XCVIIIa 2. Si drinken water. Die men heet Cynokephaline. Rauwe vische eten si 415 Buten water ende daer onder Moghen si duren. Alexanders geesten . Een ander vers is verloren geraakt. 4 Jacob van Maerlant. 434 beste. + Si scoten ende vloen mettien. Si quamen al daer si sien Woestinen utermaten breet. Nat. 430 Alexander hoort ende versteet Dat daer en was wonders nemee. 413-414 Raumoen heten si ❘ Rou visch eten si. Daer vonden si alre meest. Daer dedi tenten slaen tier wilen. 953. Dat si niet en scieden altoos Vanden watere. Alsi wouden tote hem tiden. Ane enen meersch up een riviere. 411 XI. 287. eist sout. hetgeen wellicht luidde si heten Ichthyophagi. Dukeden si in de riviere besiden. Des ander daghes quam hi te waren Ane een jeghenode ghevaren. 409 rieviere. Ebigmaris heet die riviere. 407 anders te waren S] gevaren. 10 acht). 1. hist. * 406 doen ontbreekt. 416 duren ontbreekt. E: hos Indi Ichthyophagos appellant. 47. Tote datmen quame ter Oostersee. 439 geslagen. 425 Si quamen jeghen hem ghelopen Te samen met groten hopen. 431 nummee. lees mee? 432 queme. bl. eist soete. vgl. dan twalef milen. 435 Om dat dlant was waterloos. Misschien is de tekst nog meer bedorven. vgl. Doe quamen si in een foreest. 424 gehoet. 420 diese. 7. Si sijn ghehovet als hondekine. 423 hiet cenophaline. 418 dukeden S] dukenden. E: pedum altos novenorum (Sp. 438 ter wilen S] ten tijden.363 * Bi nachte doen jeghen die diere. 1 . Die tenten sijn daer saen ghesleghen. 428 daer daer. Si waren lanc neghen voete. Ende si voeren weder west.

En̄ men hevet hout gedregen A. Doet dach was bonden si te samen Hare haernasch ende quamen Daert was ghelie in enen dal. 465 Hi en wiste ander boete. 457 avons. 458 hun. 472 wast. die boude. 441 en̄ maecte daer A. Hi waende dat al versmoren soude. Doe quam hem up een ander noot: Die snee viel up hem in den dale 460 Also breet. Jacob van Maerlant. Swart oft die helle ware. Doe saghen si ten selven male Groot vier vallen uter lucht. Doe waert die wint so onghehier. 447 verbrande A. 455 pauwelioen. Des avonts waert daer coude groot. Daeraf hadsi grote vrucht. want et was bi nachte 450 Ende in dien heerfst dat waeit onsachte. Die smelten dede al dien snee. + XCVIIIb 1. Alse haddent ghewesen vliese. Maer een reghen quam daermede. dat lesemen wale. * 440 gedragen H. 454 si ontbreekt. 459 him. de aanteekening. Dat was een weder dat vervaerde Dat volc. 470 Te hans quam daer wonders mee: Een gheswerc quam daerna ghegaen. 460 leestmen. 475 Daer si laghen in dien dale. Vreselec so waest ghedaen. Alexanders geesten . z. Ende bedecte alle die scare. 450 wait A w't H. Sonder dat hi onder de voete Dien snee dien volke treden dede. 448 Dit A. 445 alle A d'neder H. 445 Hi stac die tenten al ter neder. Want die stoorm was gheseten. Dat vier vlooch voort ende weder Ende verbernde man ende paerde. 477 locht: vrocht. 452 eer harnasch H hare hernasch A.364 * 440 Ende hout daertoe ghedregen Ende daer ghemaect groot vier. 453 lien in een. die milde. + Doe ontsach hem van verliese Alexander. Dat sijs alle woorden gram. 461 al heddent geweest. 451 doen H doent A. Die up hen van oosten quam. Dies avonts ghinghen si over al 455 In die pauwelioene eten. 444 waren A.

Daer si saghen Oost-Etyopen Ende die montanien open. daer in ghevoet Liber Bacus was. Want swarte gheswerc hadse bedect. Si vonden thol. 486 met ouden doken. ad Dionysios quoque montes et antrum Liberi. Ende no Liber Bacus. Ende die coninc gheboot in 't dal + Dat men groot vier ontsteken soude. 500 505 510 515 * 480 begonste doen te spr.365 * Want dat velt waert al ontsteken. Dat een man begonde de sake Die van gode verholen es. 480 485 490 495 + XCVIIIb 2. 501 geswe'rc hadse S] hadde. Eer Alexander wech ghetrect. Alexanders geesten . Want het wasser jeghen goet. lees douke? 491 aller.’ Stappans bleef staen dat vier. Die Hennos heten in dat lant. 493 wi hier in sterven niet. Ende daerna voersi voort. 484 noch noch. Drie daghe waren si achter een Dat nie sonne up hem en sceen. 492 bidden ic. no Hercules So verre dlant en dorsten souken. wie dat woude. Ende die nacht verscoonde al. Jacob van Maerlant. Dien biddic dat hi ons besiet Dat wi niet en sterven hier. Dat volc begonde doe spreken Ende seiden het ware ons heren wrake. Die al dlant verwan met wiven. Cortelike quamen si te waren Bi der groter see ghevaren. 485 en] in. Ende dat hi ate. Die coninc sprac ‘god die doet Met alre dinc. Dedi vijftich ridderen graven Eerlike met groter haven. Daerwaert voer hi al te hant. Die in dien snee waren versmoort. E: nox serena reddita est. 502 lees es wech? 509 etyopien. dat hi ghebiet. Dus hoort men Solinus scriven. 511 lees Dionysos gheheten int lant? E: nam ad aedita coelo promontoria et ad Oceanum in Aethiopiam venimus. 500 hun. die deghen goet. Doe hiet die coninc oude douken Die te stucken ghescoert laghen Dien ridders jeghen tfier draghen. 481 were. 482 begonste die. 495 verscoende V] verstonde.

Want die rochen nouwe sijn. Dat hier tusscen luttel waters si. Hi hads rouwe. 541 man misschien te schrappen. 538 phatrateen. Dat hi soude cortelinghe Sterven bindien derden daghe. 549 thuyscen. 550 dar om seg ic. 533 om. Maer ic segghe u bi trouwen. wiere in ghinghe.’ hi hiet te hant Al sijn here varen hene In een poort. 542 segt. Alexanders geesten . Si voeren bi siere baniere. heren. Die verbuert hadde dlijf. Alsi vraechde ofmen iet Wonders meer vonde int lant. 554 here S] her. doe sprac die coninc: ‘Secht mi. Wellicht stond er ook een ander woord.366 * Ooc scrivet hi al over waer Dat Liber Bacus was vierhondert jaer Ende sesse. 528 hi] Alexander hoerdic. 559. Doe sinde hiere in someghen keytijf. Jacob van Maerlant. 520 525 530 + XCIXa 1. 526 hadden eer lijf. 545 eest begert. Doe quamen hem tontmoete sciere Twee oude man. ene dinc: Weti iet wonders in dit lant?’ Die een seide al te hant: ‘Here. Dat bat hi al omme niet. vgl. eer Alexander quam. 548 seg. Si bleven doot bin drien daghen. 537 her heen. 525 hijre in so menegen. 529 ane. In E leest men: aliquid incredibile. Men seide ‘neent. 547 mochdi groot ontbreekt. 524 over] vuer. Daeromme segghic di: bedi Nem metti viertich dusent man Ende bewisse di van water dan. 534 oftmen. Dit hielt die coninc al over saghe. eist dat ghijt beghaert Henen over tien dachvaert Moochdi wonder groot bescouwen. Daer liden moet dat here dijn. Seidemen. heet Fasiatene. An Liber Bacus dedi sine bede Ende bat dat hi ende sijn volc mede Te lande weder moeste keren + Te siere moeder met groter eren. 535 540 545 550 * 523 binnen dien dierden. hooric ghewaghen. Doe Alexander thol vernam.

dat si begheren. 556 wech liet. Of wi u valsch doen verstaen. Daer coos hi uutten here mettien Viertech dusent. Jacob van Maerlant. 574 weten oft valsce.367 * 555 Daer moechdi vele beesten sien. Man ende wijf vonden si In dat lant. 570 Dat ghi mi sout bespotten heden? Te waren. 583 phatrateen. 561 merct. 565 wout. 585 Int droghe lant sonder water Vant hi vele ommater Serpente ende menegherande diere Van so misseliker maniere Gheheten na die intsce tale. Ende hi voer metten ouden hene.’ 560 Die een sprac ‘wes seker des Ende merc des wale ende gome. * 555 veel. Hine voere dat wonder besien. ‘Eer ghi mi enweghe leet. 573 mocht saen. 592 en. 557 segt wat gi. 577 voer. Wi sullen toghen di twee bome.’ 575 Die ridders baden hem utermaten. 586 ommater] utermaten. Secht wat dat ghi mi beheet Te toghene dat selc wonder es. 560 sijt. 562 solen di tonen. 566 solen. 578 uter dien her. dat weert ut te scanden. + XCIXa 2.’ Alexander was blide van dien. ende ghi moecht weten saen. dander der sonnen. Deen es der manen. 564 Ints. Dat hijt niet en soude laten. 580 Dander hiet hi henen varen Ridders ende ooc olifante Knapen ooc ende seriante Met Poruse te Fasiatene. 572 sijt beide te handen. 565 Waer af dattu ooc wilt horen. 584 heen.’ Dae sworen si bede te hande: ‘Hets waer. 590 Dat niemen can ghedietscen wale Tote dat si quamen dien bomen bi. die best waren. Alexanders geesten . Die griex ende intsch spreken connen. 590 gediedscen.’ + Hieromme waert Alexander erre Ende hi sprac ‘ben ic so verre Van westen tote oosten ghereden. 588 mesliker manier. 582 sariante. Sullen si di bringhen te voren. 556 misschien te lezen sprac in plaats van was.

. 595 600 + XCIXb 1. De coninc vrachde ‘van wat manieren. 7. Jacob van Maerlant.’ Die pape sprac ‘bestu rene Van wive ende van manvolc ghemene. 621 reine. Swart. Alexander mercte das. 599 wees. 637. Vierhondert. luttel meer of min. Die der sonnen enter manen Heilech sijn na minen wane. Alexanders geesten . Van ghedane haerde onsoete. Die pape seide ‘wildi hier in Ghi sijt clene liedekine So doet af die vingherline Ende uwe cleder ende uwe scoen. vgl. 600 balsame. ghi moetet doen. Mettien so quam hi ghevaren. al daer die mamerie stoet. 616 iaegde. An sijn oren hinghen margariten. 620 En̄ heilech na minen wanen. Hi seide ‘ic quam hier in dien. 613 ofte. ghetant als een hont. Du moghes gaen in die heleghe stede. Het es sede. 947. 619 sonnen sijn in der manen. Hi stont ghelijc ter selver stont Alse of hine soude verbiten. E: deponere annulos vestesque cunctas cum calceamentis imperavit.’ Daer stonden Alexanders ridderen mede.’ In dat lantscap so wies ooc Edele balseme ende wirooc. Dat hi was langher dan tien voete. Hi groete dien coninc ende vraghede Wat hi woude ende wat hi jaghede. 601 balsaem. 615 en vraechde. S maisiere. 605 610 615 620 625 630 * 597 lieden.. 627 cleen. 624 wellicht sine te lezen in plaats van Alexanders. die si daer saghen Si leveder bi al te waren. vgl. Ofte wat liede so sidi?’ Si seiden ‘Inden so sijn wi. 625 lees driehondert? E: circiter trecenis. 605 mamerie vgl. 629 diere cleeder cn̄ u scone. 622 manvolc V] volc gemeine. Dat ic die bome woude sien. Die pape van dien bomen was. lees enten mane? vgl. Want de bome balseme draghen. Die pape hi quam ute te voet.esse dicebant. E: Indos se. 623 heilge.368 * Ghecleet met huden van panteren Van tygren ende van anderen dieren. 5. + Ende die liede. 598 joden.. 642] maniere 610 gedaen. 512.

daer het al an lach. Ne ware die bome bede Waren ghewassen uter hede 635 + XCIXb 2. de aanteekening. So deden sine ridders ooc. 647 balsame dier copt. Dien ghinc die coninc selve dure Met anderen sinen ghesellen.369 * Der sonnen boom sal spreken saen.were. Jacob van Maerlant. 643 binnen dien. Ende alse de sonne riset mede. 664 noch egein. 640 645 650 655 660 665 * 632 als. Alexanders geesten . 633 moet denkelijk volgen op 634 en luidde ende alse soe riset mede. Dies nam Alexander goom Ende naems vele. 667 mar die bome biede. z.waren S] hi . Ende een bosch stont bindien mure. 649 hanct kersboem. 635 sprect. 641 beide. Want hets sijn recht ende sijn sede. 663 noit en. In midden van den foreeste Stonden twee die alre meeste Bome. No beeste no voghel enghein No ooc geenrehande serpent Waert ghesien al omtrent. 655 boem. Die bede stonden in een paerc. 662 antwerde. Alse die mane sal up staen + Ende alse soe te hove gaet. 660 lees plaghe? 661 si . Dier manen boom spreect also saen. Ghelijker wijs dat hars loopt Ende hanghet uten kerseboom. Alse die sonne sal onder gaen. die noit die coninc sach. Si saghen uten bomen wellen Balseme. 665 noch. Dat waest. Si waren hoghe der voete hondert. ende seide dat noit rein. diemen diere coopt. In enen mure en bore staerc. Hi waende wale al over waer Dat vele te reghene pleghe daer.’ Dit hilt al over baraet Alexander. ende mettien So ghinc hi die bome besien. 656 wast dart al. 651 en nams wael. 637 soe] hi. 636 op gaen. 638 heilt. Ende si so lanc waren daerbi. omdat wel rooc. 648 dat hie lopt. 646 bome vellen. Mettien so antwoorde hi. Hoe sere dat Alexandere wondert. Die pape. 654 alder.

703 andwerden. Dier manen boom beghint gherede In griex. 670 + Ca 1. No selve ontsteken wirooc’ Ende hiet hem allen na dien Dat si vielen up hare knien Ende cusseden dat hout Ende baden met ghewout Bede der manen ende der sonnen. in intsch int hi di spraken. 683 beide. Hoet met hem soude vergaen. Die pape seide ‘ic wilduut kins: Der sonnen boom hi can wel bede. 678 noch. 681 cosseden. Dat dede gheerne Alexander.’ Tien tiden dat dit ghesciede Sach die coninc ende sine liede Die sonne te hove gaen Ende dat sonnenscijn ooc slaen Boven an dier sonnen boom. die pape verboot Ende seide ‘hier en mach niemen doot Beeste slaen.370 * Ende ghewijt wilen ere Inder manen ende der sonnen ere. te lezen onder die bome indier haghen. Doe vraghede dien pape een ander. Die grote Inden settense daer + Ende woonden hier menech jaer. Dat si die waerheit doen verstaen. Doe woude die coninc daer ter stede Offeren doen. no voghel ooc. * 671 joden. 706 dien boem. 688 vraechde. Waer af ghi wilt die waerheit horen! Dan salmen u saen antwoorden. de o schijnt echter in v veranderd te zijn. 704 segt met. 682 beden. 673 heilecheiden. ne inter nemorum densitatem aliqua more hominum nos falsitas illuderet. Niemen en segghe het met woorden!’ + De coninc ende sine liede saghen Onder die bome. 680 eer. well. 677 beesten noch. 674 steden. E: accuratius intuiti sumus. 685 waerheit S] v'heit. Die pape seide ‘nemet goom! Siet upwaert ende peinst te voren. 701 en 702 in omgek. Dat sijs hem souden onnen. Ende si sijn lanc van helechede. Jacob van Maerlant. Weder si spraken griex so intsch. E: ut veridica mihi darent responsa. 689 greex indsc S] indsce. 690 wildu. Dit sijn waerlike saken. onder dier haghen. Alexanders geesten . 693 indtsch. 691 wale. 675 680 685 690 695 700 705 + Ca 2. volgorde.

Anderwerf so woude hi beiden. 733 middernacht. Hier om woude Alexander biden Ende nam neven siere siden Perdicas ende Philotine + Ende daertoe dien neve sine. Upwaert saghen si doe alle. 731 Om d. Want hi vele wel vernam Dat niemen anderen slouch daerin. Die cortelinghe uut Grieken quam. 744 him. 721 clener.371 * Si wachten hem jeghen baraet. het was hem leet Dat hiere so vele hadde gheleet. du sout ghecrighen Dat heerscap van eertrike. 738 dien S] die. Die woort bequamen hem niet wale Alexandere. 726 dreichde. Maer du en comes sekerlike Te dinen lande nemmermere. 734 lees hare upganc? enen lichtekin. Alexander dreechde dien enen. Dies ontsach hi hem te min. Van dier manen boom te hoorne tale. 740 745 * 707 hen. hoe hi met ghevalle Ende met seghe ende met eren Te lande weder soude keren Moeder ende suster sien. Die sonnenboom antwoorde mettien: ‘Onverwonnen met wighen Alexander. Sijn volc begonde wenen.b. Jacob van Maerlant. 719 dine.m. Den anderen stilde hi met mieden Ende bat al sinen lieden Dat sijt niemenne en seiden. 729 niemen. 725 begonste er ontbreekt iets in dezen regel.’ Dit sprac die boom toten here Met cleenre stemmen in intscer tale. Alexanders geesten . 745 heilegen. 714 antwerde. Die pape hi seide hem wale Dat te midnacht soude sijn Dier manen upganc bi een lictekijn. Al die andere hiet hi vlien Ende ghinc inwaert met hem drien Vore dien heleghen boom staen 710 715 720 725 730 735 + Cb 1. Hi peinsde. 741 nieman dien anderen. Doe vernamen si gheen quaet. te tale. 740 veel wael.

Ter neghender maent. Sine vriende baden hem dat. 750 755 760 765 770 + Cb 2. Hi at een deel. 757 dar du op moeds S] dar op moeds tu noch. Die noch sliep ende was bedect Met dierhuden onverdect. deghen vri. Een kouke. 780 balsamen. Te Babilonien in die stat. 773 horen.372 * Ende anebedene saen Ende peinsde dat hi weten woude Die stat. ook de aanteekening. Ende dat berou hem haerde sere Dat hijs en peinsde min no mere. Si ghinghen danen ende wouden eten. Daer up du moedes min no mere. 766 woudit. daer hi in steerven soude. Also deden dander drie. 749 maen begonst te. lach hem beneven. 770 diel. Drouvede. 760 so ontbreekt. Der dagheraet so nam hi goom. Al nochtan so twifelde hie. 753 ·IX· 755 denkelijk te lezen Babilone.’ Alexander weende sere. Tote dien pape sijn si gegaen. Dat hi daerna ter eerster ure + Echt hore dier sonnen boom. Up ene tafele die vor hem es. 772 ierster ure S] uren. Ende doe die mane begonste risen. Jacob van Maerlant. 761 were. Want daer en es yser no loot. 775 780 * 746 aenbedene S] aenbede. al dede hijt node Ende daerna ghinc hi biden mure. 779 avons. int naeste jaer Saltu sterven. Dijn steerfdach es hierbi. Het sal di een doen dat. Hi wecte sine vriende saen. Maer Alexander. Ende daerup een yvorijn mes. Dat hi hem selven niet en dode. Alexanders geesten . Sprac die boom in griexer wisen: ‘Alexander. dat es waer. was dies avonts bleven Van balseme. dat hi niet en at. E: verum adhuc ipse sacerdos pellibus velatus ferinis quiescebat. 762 mocht. 782 yvorien. 771 mure S] muren. woudijt weten. z. 778 En̄ mettien huden overdect. Ocht enech ware vanden drien Daert hem af mochte ghescien. 783 noch. 764 noch.

Van vellen maken si leitieren Ghecleet met huden vanden dieren. Te Babylonien in die poort. Si en hebben bedde no lilaken. 811 noch . Ombegraven ende bloot Salsoe ligghen vor de beesten. Al sal dijn leven niet sijn lanc. 791 leutieren. Claren boorne drinken si ooc. 800 siere suster. 785 790 795 800 805 + CIa 1. Die niet achter en moghen bliven. 808 saltu. Dus soutstu die dinc verdriven. 809 lees Babilone? 810 Thi (S ghi) en wert.noch desgelijks 812. Die werelt sal sijn in dijn bedwanc. Olimpias. Du salt sterven met venine. No met selvere. die moeder dine. 813 fenine. no met metale. Si eten balseme ende wirooc. 790 noch. Vore der sonnen boom si ghien. 818 vanden meesten. no met stale. dat es waer. Alexanders geesten . Die pape ghinc met hem daer. Die solen sijn bin menegher mile. 789 scoetlaken. Sal doorperleke bliven doot. 810 815 820 * 784 vollen. Doe sprac die boom in griexe woort: ‘Brochtic di den verrader voort.373 * Maer gout hebben si te vullen groot. 819 salichste. Ende twee die salechste langhe wile. Alexander peinsde in dien. Die daer springhet in een dal. 802 brechtic. 804 heds. Dine sustere selen sijn de meeste. No met goude. Ende die liede pleghen al Tetene sonder scolaken. 785 balsame. 793 lees driehondert? E: vivunt itaque annis fere trecentis. Du haddes hem saen sijn lijf ghenomen. Wie dattene doden soude. 815 dorperlec. Du en weerts van ysere niet vermoort. Bina leven si tweehondert jaer. Jacob van Maerlant. Hi peinsde dat hijt weten woude. Over neghen maent hier naer + Saltu doot bliven. Wat siere moeder Olimpias Ende sinen susteren ghehouden was. Daer di de doot af sal comen. 820 binnen. 797 dattene S] dattien.

827 hanc geslach. Ander liede waenden das. 832 andwerde. 847 soe ontbreekt andwerde. quod nobis faustum felixque esset futurum illic accepturi. Rume die borch. Die Faciatene heet. Maer dese stemme en dede El niet dan waer verstaen. Wie hem daer antwoorde gaf. 859 Van eem en̄ eem begeven. 841 wat so] dat mensche. Dattie bome niet en spraken Weetmen wale in waren saken. 833 boem. Ofte segghen waer ongheveinset + Sonder loghene daermede. 825 faciaten nu. 856 sacht. 843 sonder S] ander. Wat so enech mensce peinset. Quod idcirco commentabar. Want het dochte hem wesen goet. Die duvel en mach niet verstaen. 853 heetse heen. Tote Poruse ghereet!’ Die pape sprac ‘u hantgheslach Ende u wenen al dien dach Doet de bome belghen sere. 845 850 855 * 824 ons. volghe mi das! Alexander hiet te hant Sinen lieden rumen dlant Ende hietse varen hene Te Poruse te Faciatene. 825 830 835 840 + CIa 2. Na dien dat soe gaf antwoorde Dien ghepeinse ende niet dien woorde.374 * En vraech ons en twint niet voort! Rume onse borch ende vare ter poort. 838 duvel. 846 Hier seget. Some segghen sekerlike Dat dinghel was van hemelrike. 842 seget ongeveinset S] ongeweinset. Dat het van den duvele was. Hi saecht an dier liede moet Dat si in wanhope waren. juist te hebben hersteld. In E leest men te dezer plaatse: dixi ut Porum et Phasiacen ex responso peteremus. Alexanders geesten . Hi sach wel dat hi moeste varen Danen. Maer daertoe secht mi mijn waen. Hierbi so seghet mi mijn waen. ne a commilitonibus meis in desperationem redactis in alienis desererer locis. 854 faciateen. coninc here!’ Nu twivelt meneghen man hier af. Dat soe van goods halven was. 858 si moesten. Dient waer dunct. 851 heet. en soudsi hem begheven. Jacob van Maerlant. 839 segt. Ik geloof niet de zonder twijfel bedorven verzen van het Hs.

Noit en was man becant. 892 eest lees es tpeper? brunre. Die liden mochte dor dat dal. Alexanders geesten . + Ende hi voer te Poruse ghereit. 875 Die hem die bome hadden gheseit. 870 Om dat hi dat lant besochte. 890 Daer met jaghen si haerre veerden Die serpente met viere. Si hebben daer ghemaect forneise. dat? 874 logen. * 860 misschien te lezen die waren beneven en den volgenden regel Daer men d. 872 lees doe A.375 * 860 Hi bat dien drien. Daer sijn serpente menech een.g. 861 andwerde. Jacob van Maerlant. 871 vremt. 883 dat al. 875 boem hadde. Wiste hijs hem danc ende dochte Dat het loghene wesen mochte. 866 joden. Seiden si dat nemmermee Alexander sterven en mochte. die daer beneven Waren daer men die antwoorde gaf. Die serpente die daer sijn. Dertich voete vander eerden. denkelijk stond er tal. 890 eere. Die serpente leven al 885 Met witten peper. 884 En̄ die. Dat es dien Inden wel becant. Dus eist van bruunre maniere. Daer noit vremde man en quam. 897 lees so meneghen?] menech. Aldus sijn si enwech ghevaren. Die balseme ende wirooc te waren 865 Roken so langhe stont. Doe dat dien Inden waert cont. 886 joden wael. Daer si up ligghen met peise. Hieraf hadde meneghen steen + CIb 1. dat wast int lant. 895 So hebben si orloghe groot Ende dan blijfter vele doot. Alse beghinnet die lentijn. 885 weest in dal. Die woonden bi der groter see. 868 S si ontbreekt. 862 sire S] si.a. Hiet Jordia over al. 880 An haren hals hebben si dien steen. Die smaragdus es ghenant. Dat siere niet en seiden af. Doe dat Alexander vernam. Daerna quam hi in een dal.

men verwacht overate. Si delen haer goet ghemeenlike Ende si en hebben gheen afgode. 907 en geen. Ende daer so scieden si. Si en doen niet buten goods ghebode. Daer men manslacht om dede. Daer sijt weten. 908 wael gemeine. die daer was here Ontfinkene met groter ere. Si maecten een ghelede sterke Ende leden dien coninc uptie vaert Ten coninghe Poruse waert Al toten berghen van Caspi. Dats een lant. Jacob van Maerlant. 903 geen. Si drinken borne. 915 ertrike. 925 tho coekelkin. + Ende Dyndimus. Van danen voer hi tote Ceres. maar wat stond dan in het rijm? dat dede niet de ware lezing is. Daerna quamen si te hant Varende in der Bragmannen lant. is niet onwaarschijnlijk (ook ede: onvrede komt mij verdacht voor). 934 eenrehande. In dien lande noch in dier see En souken si neringhe enghene. 915 920 925 930 * 900 bragamannen. Dat men weet in eerderike. die Axis heet. 928 maken geleide. 911 dyendymus. Alexanders geesten . 914 gerechste. Dats heilechste volc van eerderike. 913 tote (S tote die) ontbreekt. nemmermee. Daer en was noit so groot onvrede. Dronkenscap no * En kent men daer clene no groot. Tusscen dese twee conincrike Loopt een riviere. daer men niet en weet Van hoerdom no van valscen ede. In 922 zou gulshede mogelijk zijn. Si ontfinghen wel ghemene Alexandere ende ooc die sine. 901 dats is misschien te schrappen ertrike.376 * Alexander. Die daer quam met groter pine. Voort quam Alexander die fiere Daer hi vant erehande diere: 900 905 910 + CIb 2. Si en eten anders niet dan broot Ende daertoe somech coukelkijn. Dat alre gherechteste volc es. dat wonder sceen. 912 ontfinckene. ende dit sijn Die behendechste van sijtwerke. 902 deilen gemeinlike. 919 hoerdem noch. 922 noch onvrede. 923 cleen noch.

961 Of maken. 954 geweeld. 970 moete S] maete. 49. 939 gelijc getant eenre. Quaemsi ghelijc verwoeden wilde Ende staken de ridders dor die scilde. Daerin hiet hi scriven scone Altenen gader sine geesten. Ofte Ercules. Sp. Si slougher doot ter selver tijt 945 Achtdusent ende vierdehalf hondert. Alst ware een selfwassen been. Die soudemen setten met groter feesten 965 Int al einde van Endi. 964 setten] tellen. 950 Daer Porus lach met siere scaren. 945 slogen. E: faceretque in ultima India. Alse de achtende bouc vertelt. Tien voete hogher dan Ercules pale + CIIa 1. 938 Die. Voorder dan die deghen vri Liber Bacus noit comen dorste. 970 Daer an bescreven met grooter moete Sine geesten utermaten wale. 960 maken ·v· gulden pile. 945 lees vijftehalf? E: occisis admodum octo millibus quadringentis quinquaginta.. 940 Teerst dat si die liede saghen. Na dien dat Permenio Was versleghen rechte also. 4 Jacob van Maerlant.statui. 1 . 49 desgelijks 8450 hondart. + Hoe sere dies Alexandere wondert Dat si so sere jeghen hem striden! Doch dat sijt met pinen liden Ende quamen aldaer ghevaren. 957 baliou alone.. Si waren lanc vijfentwintech voete. die edele vorste.377 * 935 Voren rechte tusscen haer oren Stont ghewassen een groot horen. 950 sijnre. hist. 968 edel. 965 In al einden. 937 were. * 935 voer recht. Makede Alexander met ghewelt 955 Over Percen ende over Meden Ende alle die goede steden Baliu sinen neve Aloene Ende gheboot hem te doene Dat hi soude in corter wile 960 Vive guldine pile Maken doen te Babilone. 940 tierst.. Dat ghelijc enen swaerde sceen Ende ghetant ghelijc ere saghen. Alexanders geesten . 952 verslagen recht. Daer hadden si enen staerken strijt.

Hoe saen sal hi sijn bedroghen! Nu wille hi sine macht toghen Al dien lieden. 1000 lees sal al? 1003 sulcus. Alexanders geesten . 993 hi S] die. + Daer hi de scepe toe dede maken. Hem en ghenoughet te dien dat hi hevet. 1009 lees Babilone? Jacob van Maerlant. Ende sulc sijn gheselle. of eerder nog behoort waer in den volgenden regel. de aanteekening. 991 En es so rike. Sonder in een coeclauwe allene. Die sijn comen al ghemene Te Babilonien in die poort Ende visieren om die moort. 985 990 995 1000 1005 1010 * 974 dat lant besette bet. Dien die vrouwe van der helle Leerde maken dat venijn. Die hem dies ghenenden der. Te waren dat sal een venijn Hem benemen haerde saen. 1007 coe clau. Dat hem die bome hadden gheseit. Ende of ooc waer waren die saken. wel lieve here. 987 af. 1005 leerden fen. Dat niewer in en mochte sijn. Maer hi haeste hem ghereit Te winne also menich lant. Ende al dat dat sonnescijn besiet. So woude hi hem ghereiden. 1009 en 1010 in omgekeerde volgorde in het Hs. 979 winnen verandert uit winnene 982 oft wellicht te lezen waren waer. 992 genoget. 998 weent. Hi sal verliesen met ere toghen: Want die verrader Antipater. Nochtan soudt hem al dunken niet. die nu sijn.378 * Ende daertoe voorder oc gheset. Hi waent die werelt al verslaen Ende al tfolc verwinnen moghen. Wat inde sal hier ave wesen? Al waert al sijn daer wi af lesen. 975 980 + CIIa 2. 996 fenijn. z. 984 S hi ontbreekt. Want hi dlant besochte voorder bet. 989 daer sonnescijn. Alexander vergat dies al Dat hem dat ghevallen sal. Alse hier voren es ghenant. 983 boem. Ens niemen rike die nu levet. Te stervene met groter ere. Die hem die bome seiden. 988 weert. 977 boem hadde. 1008 gemeine. 1004 vrouwen. God here.

1044 doent oppenbaer. 1040 gemeine. maakt hier geen afdeeling. Of dat die saken niet en ghescien: En mach soe niet openbaren Die ghone. 207: si fati mutare nequis decreta volentis ut pereat Macedo. 1034 nummermeer. 1037 het Hs. Nochtan dat de Aventure sach Dat hem naecte die steerfdach. Want soe waende na sijn leven Enen hoghen man nemen daerna. Jacob van Maerlant. 1024 te doen. 1038 wilt. Also sere waert tfolc vervaert. 1023 Of en. Diene mochte met wapen winnen. So waest hem dan meerre ere. Gaut. Dat menne mochte nemmermere Doden. 1032 wiltmen. dan met venine. God here. Willemen dan die waerheit kinnen. Doe dat openbare waert Dat hi bedwonghen hadde Asien lant. Ende hi woude al te hant Dwinghen dlant van Affrike Ende al de werelt ghemenelike - 1015 + CIIb 1. Och. Alexanders geesten . hoe valsch es die aventure! Nu hevet soe te menegher ure Desen man behouden dleven. 1025 dedene. + Aldus seghet Scolastica. 1045 S hadde ontbreekt. Dus quam hem ere vander pine. saltem secreta revela carnificum: potes auctores convertere leti et mortis mutare genus oppenbaren. die dat doen begaren.379 * Men leest in een ander stede Dat Alexanders suster dede Met haren rade den broeder vergheven. Ende doene anders sins doch bliven. Maer nu seghet mi mijn waen Dat hi was so seghevri. 1031 dine. Waert met sweerden of met kniven? Want daermet heeft hi meest ghedaen. sal soe hem laten vergheven? En mach soen nu niet doen ontvlien. 1647 alle gemeinlike. Soe maecte cont dien coninc Also verre als die werelt ghinc. Dat niemen in die werelt en si. Wille soene prince maken allene Over de werelt al ghemene. 1020 1025 1030 1035 1040 1045 * 1021 si en nu.

Cartago waert so vervaert Ende algader Affrike Dat si meenden ghemeenlike Si wouden hem sijn onderdaen Spanien. + Gheen eylant en was so vast. 1074 stein. 1062 weenden gemeinlike. 1054 hen gemeinlike. 1066 S hem ontbreekt. Gaut. 1084 babilonien. dat es ere. 1353 alle die eylande. 1052 en S] en̄. 1078 vaste Cecile S] vast cecilie. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . 1055 gaen. 1069 guldene. Om te sachtene sinen moet. 1055 1060 1065 1070 1075 1080 1085 * 1049 en 1050 zijn misschien in omgekeerde volgorde te lezen. 1059 eer. So menech bode quam al daer. 1050 + CIIb 2. Screef dat hem wilde alleweghe Dienen alse sinen here. Almanien quam hem scone Ende Germanien te ghenaden. 232: totaque terrificum misso diademate. 1051 en ontbreekt vaste. 1072 lees Lombarden? 1073 Ytalien alle gemein. Si quamen ter see waert metter spoet Ende snelden hare vaert. Sardanien waert hem onderdaen Ende ooc die vaste Cecile Ende Cypre. 1075 moiou. dat hadde ontfaen Daer te voren meneghen seghe. dan was ghene ghile.380 * Hoe verre dat si van hem waren Dat si niet en waenden ontfaren. Gallen seinde hem. Maer ic maect u te lanc: Wat so die aerde in hare bedwanc Hevet dat waert hem onderdaen Ende quamen te Babilone saen. Al die lande van eertrike Ghereden hem ghemenelike Alexandere te gane in hant Ende up te ghevene al hare lant. Lombardien es beraden Ende Italen alghemene: Al sijn si mettien staerken stene Van Moniu ghevest ende metter see. 1057 sachten. En ontsach dien wreden gast. 1068 Gallen seinde] si senden. 1082 aerde ontbreekt eer. 1056 eer. Sine waenden nemmermee Alexandere wederstaen. quod vix credere sustineam veneratur Gallia regem. Een fine guldine crone.

1095 wille S] willen. Ontsceepte die deghen vri Ende voer toors metter vaert. * 1087 dierheiden. 1090 1095 1100 1105 1110 1115 1120 + CIIIa 2. Hi quam in dier Eufraten Nederwaert met siere scaren Al bi dien watere ghevaren. 1107 vercierde. Daermen hem groot ere dede. Doet in die stat cont waert Dat Alexander quame aldaer. 1114 him. dat was waer. + Teerst dat hi was ghebeet. 1088 steden. Was hem een sitten ghereet Van yvore ende van goude. 1117 uut S] ute. Selve was hi. Aldus quamen si in die stede. Teerst dat Macedo vernam Dat eertrike al gader quam Te Babilonen hem te ghenaden. Dan si ghedaen hadden te voren. Ende Alexander quam ghevaren Moghentlike met drien scaren. 1106 waer S] ware.381 * + Scepe geladen. Hoe men daer die mare brochte. 1116 mogenlike. Ic segghu dat in waren ghedochte Dat si maecten meerre feeste Bede die minste entie meeste. 1112 minsten in die. Hoe hi hem scoonste maken mochte. Met so menegher dierhede Ende daertoe van so menegher stede. Elc man pijnde ende visierde. Waert hi haerde saen beraden Ende hadde dien wille groot Te varene te siere doot Ende snelde hem sere utermaten. 1100 water. 1090 mere. 1124 as. Dats cume ieman gheloven mochte. 1097 seer. Alexanders geesten . Ende doe hi quam dier stat bi. 1093 babilonien. alse hi woude + CIIIa 1. Jacob van Maerlant. Dat segghic u al over waer Dat men al die stat verchierde. 1105 queem. 1120 eer. 1091 tierst. Daer was van feesten groot gheluut. 1102 onsceepte. Die poorters quamen jeghen hem uut. Doe si hem coninc vercoren.

1145 es heer van der stede. 1151 dien. Almanien brochte al naect Te prosente een swaert van stale. 1147 besten. Italien seinde dor sine houde Van siden een groot pauwelioen. Spanien seinde dien coninc doe Een oors van prise appelgrau. 1162 tellende. Want daer es van ridderscap die blome. 1139 tierst. wellicht behoort was hi niet in den tekst. 1126 so ontbreekt die scone. 1159 par. Die ic bi namen u sal nomen. 1150 Dat men daer can smeden wale. cronen. 1138 u bi namen sal. Alexanders geesten . Dat siere ghenote engheen Scoonre man ghinder en sceen: Sijn haer was kersp ende blont. 1131 dat van siere groete. Die dies conincs Daris broeder was. * 1125 eenre c. 1130 wael. (Want het was tien tiden een) + CIIb 1. 1145 Die van Affrike es hovetstede. 1157 pauweleoen. 1148 bracht. 1132 scoender en ontbreekt. An dander side Exateus. Cartago met groten rome. Noorweghen ende Denemaerke Seinden teldende peerde staerke. 1135 S was ontbreekt. Blosende lier ooc talre stont. + Ghereide ende breidel van siden blau 1155 Ende die steghereep van goude.382 * 1125 Versiert met ere conincscrone. 1135 In die oghen was hi goedertieren. 1149 presente. 1128 ane. Versiert met stenen menechfoude. Want men daer die beste maect. die daer waren comen. Teerst quam die bode van Gallen 1140 Ende brachte vor hem allen Enen scilt ghesmeet van goude. Jacob van Maerlant. Van goude die appel ende scoe. Hi hiet in laten sciere Die boden. 1161 deenmarke. Brochte enen helm van goude mede. Daer besiden so sat scone Die grote coninc Porus. Cecilien seinde na sijn doen Halsberch ende cousen een paer 1160 Ende een coverture van selvere claer. 1130 Ic dar mi wel vermeten das.

1166 gemein. 1173 purpur en. die ganse drouch. Over here mi bekent Sonder slach ende sonder stoot. tot illi tradita designant regum diademata regem. 1195 hedde. 1192 moetijs weten heeft geschreven. indien hij niet vs. 1176 en̄ daer toe. dats al niet. 1184 eest. dat wonder sceen.. Alexanders geesten . + Dat ghi. Dus sprac hi ten ghonen. gout ende bliaude Ende meneghe diere miraude Ende wat die mensce gheerne siet. Danc ooc moetijs hebben groot. 1171 coninc seide (S seinde). 1174 alderhande. Gaut.. 1167 vol. 285: nec minor a vobis debetur gratia coelo. Hadde Daris aldus ghedaen Ende over here mi ontfaen. Het was Scollant doe ghemene.. 1197 dienen. die hier nu comen sijt Ende van verren sijt ghesent. Maer ic segghe u cortelike. hedde ontfaen. Dat ic u nome. diere quamen: ‘Danc hebbes god ende daventure Al eist mi worden te sure Dat mi ghesciet al dese ere Dat ic bem een enech here Van eertrike nu tier tijt. Nochtan en waest niet ghenouch: Elc conincrike seinde scone Van goude ene diere crone Ende daertoe purper ende scarlaken Ende alrehande diere saken: Selver. misschien ook in zijn handschrift. 1190 En̄ over. 275: quot mundi regna. 1196 wart eem worden. Yrlant seinde een scip vul scachte. 1188 ben. 1172 een. Jacob van Maerlant. 1189 sijt ontbreekt. Gaut. Voor a vobis leest men elders a nobis en dit vond M. 1180 ertrike..383 * Inghelant. 1193 hedde. 1182 ten genen S] tengen. 1170 wast.nostrae cessistis habenae. Hi hadde weder ontfaen sijn lant. Al dat goet van eerderike Was hem gheseint daer te samen. Dus waert woorden hem becant Dat mi te dienne es groot ere. 1194 Dat hi mi o. quod sine conflictu bėllorum. Men zou ook kunnen denken aan Elc lant dien coninc seinde. misschien is niet daer toe maar meneghe te schrappen. 1185 en 1186 in omgekeerde volgorde. 1192 ooc ontbreekt. Seinde enen cop vol diere stene. 1190 1195 * 1165 steen. 1165 1170 1175 1180 1185 + CIIIb 2. Baertanien seinde daer met crachte Enen boom.h. 1183 hebs got en̄ die aventuere.

die groot onghemac Ende menech lant hebt dorronnen. 1222 ben. Met wier cracht ic hebbe ghecreghen Dat mi die werelt heeft gheneghen. 1220 want S] wart alleen. 1217 wier cracht ic hebbe V] wer (en daarvóor ver doorgeschrapt. Want ghi weerdich sijt allene Mi te hebbene tenen here. Gaut. * 1200 ben. 1208 vreede. 1214 misschien ontbreekt er in dezen regel een deelwoord. Mettien so keerde hi hem ghereit Te sinen ridderen ende sprac: ‘Ghi. Die grote hitte ende tgrote sant Van Libien ende van Persi En versciet u niet van mi. 1229 intser. 1209 Mi en es te wesen. 301: quorum labor arduus egit. Al verwan ickene met stride * Dan mi te dienne in allen tide. 1201 misschien te lezen ic enen. + Want u die coude niet van mi En verdreef in Siten lant. 1200 1205 1210 1215 1220 1225 + CIVa 1. Jacob van Maerlant. Alexanders geesten . 295: subiectos mihi mortales ita vivere salva libertate volo. vgl. 292: Porus in exemplo est qua mansuetudine victis praesidiam victor. 1219 loen sal niet sijn cleen. 1210 Om dat. Ende ic bem weerdech wel der ere Dat ic ooc u coninc si. 1207 Om dat. Eer die werelt wi verwonnen. 1202 dienne S] diene.’ Dit hevet hi ten boden gheseit. quosque iugum nostrum vis nulla subire coegit. Uwe loen en sal niet wesen clene. Mach dat weten haerde wel Dat ic sachte bem ende niet fel. Gaut. Dat men segghe in elke stede Dat el niet dan vrihede En es mi te wesene onderdaen. misschien stond er ook eer wi d. Up dat si willen te paise staen.384 * Porus. 1211 heeft.w. 1206 eigendome quijt. Want ic wille dat mijn vrient Ende wat menscen dat mi dient Dat hi wese also vri Ende eighendomes quite si. hebben verwonnen. 1212 so ontbreekt. òf wel met uwer cracht hebbic V. die rike here. echter Gaut. nedum parentibus ultro. immo libertas servire mihi: distinctio nulla libertatis erit inter quos nemo rebellis. Dat wonder van der intscer see. 1216 wi die werelt. Denkelijk ontbreken achter dezen twee regels. ut iam non sit servitus.) craht hebbic.

1253 gebrect an uwen here. 1240 Dese coninghe verwonnedi. * 1230 swart geswerc groet snee. in doorgaet. 1250 noch geen. 1262 en S] en̄. De bedorven verzen 1259 en 1260 schijnen dus de vertaling van vincit cuncta labor te bevatten. En es gheen lant dat * staet. Bij Gaut. 1242 genenen. Daer tfolc heet Antypodes. 315: ne gloria nostra relinquat vel virtus quid inexpertum quo crescere possit. 1245 Laet ons een ander werelt souken! Men vindet lesende in bouken Dat een ander werelt es. Darise bebdi tweewerf verwonnen Ende Mennoene hebdi doot. 1259 In allen lande es hi coen. 1248 antypedes. Ik weet ze echter niet met waarschijnlijkheid te herstellen. die grote snee. lezen wij (318): me duce nulla meis tellus erit invia: vincit cuncta labor. nihil est investigabile forti. 1261 macht. Alexanders geesten . 1255 beide. Die leuwe van Yrcani Ende dat wonder van Endi. 1264 blisscap cleen. So en mach gheen sake sijn. al was hi groot. Die ghebreect an uwer ere. Maer om dat ic niet en wille Dat onse wapen ligghen stille. Willics mi pinen. Nu en wetic hier ter tijt In die werelt enghenen strijt. Taxillis ende Abysari. Hier af sal ic u leetsman wesen. 1260 En twivelt hi niet doen. Die serpente ende die olifante Ende ooc die leleke gygante. 1246 vint. Ja en segghen onser voorders bouken Dat mee werelde sijn dan ene? Mine bliscap soe es clene + CIVa 2. si en sijn algader mijn. Jacob van Maerlant. 1257 dat staet. 1240 verwonnedi S] verwonnet di. 1263 een.385 * 1230 Dat swarte gheswerc. 1235 Al hebdijt met mi dorronnen. Laet ons dat winnen mede! 1250 Dat gheen lant no ghene stede En si. Gaut. Porus weec. 1260 + Die staerke maecht al besouken. Dus salmen van ons emmermere 1255 Bede singhen ende lesen.

1296 waer verloes. 1271 willen si mi dit b.. 1294 beweenden. Datse niemen en mochte sien. Jacob van Maerlant. vgl. + Waerbi verloos hi emmermere Tgheluc. breken. de aanteekening. 1293 drovende. Gaut. Dien eertrike was onderdaen. Gaut. 1285 Waer so die scepeliede waren. 1269 scoen. 1270 een croen. No bi naelden no bi stene Die leidesterre niet ghevinden. + CIVb 1.in medio iacuit prora fluitante profundo. * 1265 dat ic die nieue heb. 1300 gevogen. Ende die lucht waert onghedaen. ende daerna saen Begonste de sonne sinken gaen. Si en consten bi sake neghene. 1299 hedde. 1295 God here.. Nu wilsi dit belof mi breken. Het weten doude metten jonghen Dat mi Rome hier te voren Tenen here hadde vercoren Ende si mi seinden haerde scone 1270 Bi Emulium ene crone. 1282 maen. Stappans ghinc de sonne te hove. Entie coninc van groten love. 1272 ierste. Die bider see souden varen. clene ende groot. Gaut. wel lieve here. 339: nauta. 349: quo crimine vestrum demeruit. Dat willic talre eerste wreken Ende Rome neven daerde slechten.. 1291 noch.. 1284 en mochte S] entmochte se. 321: vae mihi! qui nondum domui de pluribus unum..favorem? 1298 ben.. Alexanders geesten . So dat si nemmermeer en vechten. al. 1287 saken. 1283 suarten geswerc. 1288 noch noch. Beweende Alexanders doot.386 * 1265 Dat ic dene niene hebbe bedwonghen.’ 1275 Dit sprac hi. dat hem mede was? Maer ic bem in wane das: Hadde hi hem laten ghenoughen 1300 Met redene ende met ghevoughe. Misschien echter is de plaats nog meer bedorven cleen en. 1277 stappans zonder grootere beginletter. 1290 Om dat si hem niet en bekinden Bi sterren no bi steens cracht. 1280 At ende ghinc slapen saen. Bleven si al dien nacht Drivende. Sterren ende mane woorden bevaen Met enen swarten gheswerke in dien.

Het eerste vers is vrij zeker. 1312 nachtegael. 1320 oft si weer. Nu eest comen ter dagheraet. Die sonne sceen hoge up den dach 1305 1310 1315 1320 1325 1330 1335 + CIVb 2. Soe snelde haer met groter spoet Voor den daghe te hove waert. 1315 en 16 ontbreken in het Hs. 1332 edel. Verw. 1311 van eren sange. Maer goods ghebot wasser weder. 1334 mocht. dat ongheval Ende die wile soe was bi Dat die edele deghen vri Dat venijn moeste ontfaen. Doe die dagheraet up stoet. Dat haerde selden es ghesciet Na dien tijt van haren eersten sanghe. Die sonne rees aen haren danc. vermoedt Sonder dattie dou te vallen bestaet. Dat de daghesterre eerst verscoot Ende dandere lichten noch al bloot. god here. 1331 so was S] was so. 1310 seilden. 1305 weer. Die voghele en songhen niet. 1313 rouwen. Woude soe wederkeren saen.387 * Hadde hi so ootmoedelike Gheluc ghedraghen. * 1304 weer. 1324 keren weder. weet god. en zijn door mij ingevuld naar aanleiding van Gaut. Ay. Teerst dat soe was up ghestaen. Alse hi sijn aermoede dede. Die dagheraet was haerde lanc. 1314 merctden. Gaut. als hi was rike. 1330 wet dat es. 1333 moest. Ghelijc of soe ware vervaert. vgl. Vele liede mercten das. Maer. De nachtegale sweech van bedwanghe Ende van rouwe. Alexanders geesten . 1308 te vallen bestaet. + Dies hi niet en mochte ontgaen. 363: Luciferumque ferunt primum cessise diei venturae et reliquis nondum cedentibus astris. doe keren weder Die sonne. het tweede minder. Jacob van Maerlant. de aanteekening. dat hem was ghegheven. 1319 En̄ voer dage. Dat hi niet en ware bleven Van den venine. 1325 gods gebod. 1323 tierst. die nakende was. of een wile staen! Want soe sal bederven saen Die sonne van der werelt al. Hi ware ontfaren terre stede. 358: sed nec tunc lucis in ortu roscidus aurorae super herbam decidit humor. So dattie dou te vallene en bestaet.

1359 oppenbaer. z. de aanteekening. Alsoe dicke hadde ghedaen.388 * Ter cameren. 1369 baroene S] baroen. Daer quamen al sine baroene + Ende menich seriant coene Wenende ende waren onvro. Senberis ende Antypater. Maer teerst dat dat venijn Quam binnen dien aderen sijn. Alexanders geesten . Meer dan ic u can berichten. misschien Hem soude nn? 1363 tierst. Dier ic cume ghewaghen der. Dede hi maken in die sale Sijn bedde scone ende wale. Menech man snelde ende liep Te comene in dies conincs sale. 1346 denkelijk te lezen sijn. vgl. Selve gaf hi grote ghichten. Misschien schuilt er ook het woord riveel. 1349 brachten. 679. Hem quam coude ende grote pine. Daertoe snelden de ridders fijn. Dat hi vel ende beswalt onder de sine. Brochten ghemanc in dien wijn Dat onverwinleke venijn. Si waenden der aventuren ware Soude hem te staden staen. 1348 come dar. 1370 sariant. 1372 tierst. Die coninc achemeerde hem wale Ende quam sitten uptier sele. 1368 scoen. 1354 vel S] veel. 1342 feeste en̄ boele. Mettien so brochtemen dien wijn. 1350 onverwinlec. Doch halpmen hem te bedde waert. Ende dien god dies onste Dat hem noit man verwinnen en conste. 1355 halp men S] halpemen. 1360 dat die aventure waer. 1345 mettien brachtmen. Jacob van Maerlant. 1371 weenden. Sine vriende bleven beswaert Ende weenden haerde sere. 5. 1341 optien stole. 1361 Eem souden. denkelijk is warcn te schrappen. Ende hem die puls dede verstaen Dat hi niet en mochte ontgaen. daer hi in lach Haerde sachte ende sliep. 1351 En dien dien. Teerst dat dit sach Macedo 1340 1345 1350 1355 1360 1365 1370 + CVa 1. * 1336 hi] alex'. Maer daer en dorste vor dien here Niemen wenen openbare. Daer was feeste overvele.

ic benre sat. Men roupt mi te meerren loon. Astreus ende Tifoëus Egeon ende Enceladus Ende si dien hemel willen winnen. 415: sed quia Mars sine me belli discrimen abhorret. 1385 en. Ic hebbe verteert lijf ende stonde In dier werelt met menegher sonde.389 * Dat menech sine cleder scoorde. * 1376 van] na. cum terris excessero. 1399 oftie S] ofte lees niet en sijn? Gaut. 1395 denkelijk te lezen moetic. 1401 titofaus. Gaut. Gaut. 1384 de sele V] dese. Teerst dat ic uter werelt vare? Langhe ghenouch hebbic ghehadt Die werelt al. 1389 nu ontbreekt. + Si willen weten ende bekinnen Dat Jupiter van groter ouden Dien hemel niet en can behouden. Daer moetict berechten al. 1398 sekerlijc. licet ipse relucter. dat gherechte algader Met Jupiter. In weet ooc niet sekerlike Oftie gygante sijn verresen. 402: iam taedere potest membris mortalibus istam circumscribi animam. Mi es ghenouch ooc aventure In stride vergaen wel ter cure. 1407 en 1408 wellicht luidden deze regels Omdat si sonder mi niet striden ❘ En dorren hebsi nu tien tiden. Sprac hi dusdaneghe woorde: ‘Wie sal na mi werdech wesen Dat hi here si van desen Ende coninc van diere scare. 1383 leden V] lieden vernoit dies. invitus trahor ad regnum. Gaut. minen hemelscen vader. (411) zegt: forsitan Aetnaeos armat praesumptio fratres. 1388 wael. dat segghic u. 1396 eertrike. dixit. Daer wi vele ave lesen. Ic hebbe ghenouch tote nu Die werelt berecht. Jacob van Maerlant. 1387 tot. 1402 encelaus. Ic moet berechten nu dien troon. Om dat ic daer soude betalen Dat rike. Want die hemel wille mi halen. Minen leden vernoiet des. consilio Jovis et superum. Alexanders geesten . 398: quis. talibus inveniiet dignum? 1378 tierst. Dat dese siele daerinne es. Van eerderike dat gheval Ende al dat doen van hemelrike. 1391 wilt S mi ontbreekt. Om dat si niet en dorren striden Hebben si nu te desen tiden 1375 1380 1385 1390 1395 1400 1405 + CVa 2.

Hi sprac ‘het sal die beste sijn Coninc na dat leven mijn Entie es dies riken werdich wale. Alexanders geesten . Dat hem sine memorie bleef. Gaut. Ende some hiet hise Alexandrine. 1442 die dagen. 1433 volgg. 1425 gaft ane syne hant. 1441 een croen. 1428 hare ontbreekt. is. 1419 entie] en̄. Jacob van Maerlant. Gaut. 9. Die heren peinsden al te hant. vgl. 1429 seget. 1415 natten. 1417 het] dat. 1427 al altehant.’ Mettien ontvel hem die tale. Sonder ene stede vrie. Sine ridders vraechden hem voort. Ooc maecte hi twalef stede scone. Die hiet hi Bucifaline. et imperio dignissimus esto rex vester lees waerdest? 1420 ontviel. Alle hiet hise Alexandrie. langer niet en spare. inquit. Ic moet dare. Met naten oghen. 1421 consten S] conste.390 * Boden al na mi ghesant Dat ic mijn comen niet en make lanc. wien hi wilde Dat eertrike na hem behilde. ❘ Alexandrie hiet hise ❘ sonder ene Bucifalise. de verzen 1433-1438 luidden misschien twalef jaer drouch hi crone ❘ ende makede twalef stede scone.c. 1412 daer. 423: unde praesumpsere duces regem voluisse supremum in regni sibi Perdiccam succedere summam.’ Aldus inde hi sine woort. misschien heeft hij geschreven gesint: dat ic mijn comen verste langer twint of wel boden na mi ghesant hare ❘ dat ic m. Ende Jupiter hevet gheseit. Maer in dien es hi becomen. Hi bescreef in elke stede + Enen coninc ende dede Elken ene crone draghen Van dien ridders in dien daghe 1410 1415 1420 1425 1430 1435 1440 + CVb 1. Ende hi en constene niet ghenomen. 474. al eest mi leit. Dat hi nam een vingherlijn Van den luchter vingher sijn Ende gaeft Perdicas an die hant. 420: optimus. Deze plaats is zeker bedorven. 1432 sijn. Dat hi woude dat na sijn leven Perdicas hare here bleve. beter misschien overhere. Scolastica seit dese dinc: Doe hem sine tale ontghinc. Ende alle sine dine bescreef. * 1410 het is niet waarschijnlijk dat dit onzuivere rijm van M. Ende dat hi twalef jaer drouch crone. 1413 sijn.

Leide hi sinen sin daer an. 1444 Mar. Het lidw. + Die werelt ere. 1471 eest arm eest. Dat saghen si openbare. Ne ware na sine doot Vochten die viere jeghen die achte Ende verwonnense met crachte. Dats der sielen een groot vaer Daer men volcht den goede naer. hoe salech ware die man. Doet vergheten ons der doot. misschien is ook de leemte grooter. es het rike. Daer soe verdiende ende god gheboot. Dat hem dAventure niet en halp. die gheerne lieghet. Hoe hi de salechede mochte erven. si. Dander was Anthiocus. * 1443 en̄ sine. 1460 ewech. 428: tunc vero in luctum dolor est couversus amarum. Dies maecten si groot ghestalp. 1445 1450 1455 1460 1465 1470 1475 + CVb 2. Doe Alexander elken coninc Bescreven hadde sine dinc Drouch hem tfenijn ter herten saen. Ende dat coude vander doot Brachte hem selken wederstoot.391 * Die met hem waren sine ghenoot. nec ultra mobilis horrendos suppressit turba tumultus. 1446 verw. de is misschien te schrappen. 1470 ontsege.. Sine oghen ghinghen te stare staen. 1463 donner. Tunc vires habuere suas lamenta. Ende hi dan ontsaghe sterven. 1475 bedreget. Dese viere behelden trike Na Alexandere gheweldelike. Jacob van Maerlant. Dattie siele sciet uten vate Ende voer enweghe haerre strate. 433: si semper haberet aeternum prae mente bonum. 1472 gemeinlike. 1447 vanden S] vaden misschien te lezen dier viere cholomeus. 1467 zonder grootere beginletter wie salich were. 1462 ontbreekt in het hs. Al moet sterven ghemenelike. In dier see doochtmen vrese groot. O wi. Doe waert van claghen gheluut so groot Alse ocht die donre ware. Deen vanden vieren was Tholomeus. 1774 volgt. Dat dien aermen man bedrieghet. 1464 oppenbare. Emenidus ende Perdicas: Dus wanic datter viere was. Gaut. Want es het aerm. 1473 selen. 1476 ons vergeten der. Alexanders geesten . Gaut. 1469 we hi die sele. 1459 sele. 1451 beheilden. 1450 dattier.

1486 gevelt. Tote dat Tholomeus sach. Hi maecte. die hi hem gaf. Want soe es edel ende bequame. Want si willen impetreren Provende met groter eren. Daer si ooc groot goet om verteren. 1510 heb volbracht. Dien Alexander Egypten liet. Die geeste seghet ons daer af: Hem was groot ghenouch een graf Van vijf voeten maerberijn. 1501 stichte S] sochte. Bi Alexandere prouvent wi allene: Dien de werelt was te clene. Te waren. 1513 groet. 1515 * 1479 oft tfolc were. Gaut. So comt een coorts ende nemet saen Al dat si hebben begaen. 1496 suelken. 1495 een S] eein. 1497 in ondiere] onder die. die mi die cracht Gaf. 1500 in egypten. Die wille weten hare name. Misschien is so langhe niet van M. en luidde de regel In (of Onder) ondiere aerde lach. 1484 inpetreren. 1493 marberijn S] en̄ marberijn. Ghevalt dat si te lande keren. Jacob van Maerlant. dat dunct mi jammer sijn Dat so edel een lichame Ende een man van sulker name So langhe in ondiere aerde lach. 1482 vreeslike. 1487 corts S] cort niemet. Want hets worden mi te sure. 451: exigua requievit humo. Die ooc mede Soter hiet. seghet dat ghedichte. God gheve haer ere ende prijs goet Die dede dat ict bestoet.392 * Ghelijc oft volc ware verwoet Ende al om dier werelt goet. Clerke varen te Rome waert. Nu dankic gode. Dat was die gone die Achers stichte. Alexanders geesten . 1502 macte ghedichte S] gedochte. 1480 1485 1490 1495 1500 1505 1510 + CVIa 1. dat ic hebbe vulbracht + Alexanders aventure. Dats in Egypten Alexandrie. Dat es een vreselike vaert. Alexandere een diere graf In die stat. Hier makic ende vander geesten. Daer was met groter sengerie De here begraven ende met feesten. 1516 eren.

* 1518 ierste. 1528 die dat macht. Die meneghe siele heeft verloost. Die in desen bouke lesen. Want soet noit manne en ontseide. Met hare moetwi sijn vercoren. waer hise mach souken: Die eerste littere van ses bouken Segghen hare name. So waert te lachterene mere. Alexanders geesten . 1526 Jacob. Dat sijt beteren. 1520 ierster.393 * Ic segghe hem. Ende ooc om een half jaer Was over dien bouc ghedicht. 1532 were. Dat ic hare dienen moete. + Amen segghet alle diet horen! + 1520 1525 1530 1535 1540 1545 CVIa 2. Haddicker in mesgrepen sere. Want diet wille maecht verstaen Datti materie es haerde swaer. Dat soe noch mijn leven al Tenen goeden inde bringhen sal. Al es mi die werelt soete. 1519 eren noch. 1537 icker. 1525 beteren S] bteren. 1545 eer. Jacob van Maerlant. Ic hope noch an haren troost. Dat soe mi moete daertoe keren. 1527 wale. hets wel ghedaen. Nu biddic dier moeder ons heren. Waer so si sijn in elke stede. Ware die materie licht. Jacop bidt hem allen des. Beghinnet hi ter eerster G. 1540 sele. Sien siere in iet bescreven wesen Daer iet an te beterne es. 1544 eer hope S] hopen. Ic bidde ooc al dien ghonen mede. 1522 so si S] si so. Die an hare sinen hope leide. min no mee. 1533 weert te lachteren.

Jacob van Maerlant. Alexanders geesten .395 Aanteekeningen.

nietig en substantivum = droombeeld. 1.v. even weinig bewijst b. Wap. vgl. 3 . 4 . anders zou het Mnl. 1. Nat. 42. 69. die dwaes: was Minn. laussan schijnt loozen en loosen te worden. Stûnen om den voorrang dringen. daar wij in dit gedicht meer onzuivere rijmen aantreffen. looze een nieuw enkelv. in bessem naast bezem aan een soortgelijken invloed der s mogen toeschrijven. die aan het einde van de lettergreep scherp is: ghedwas: was 1. stonen of steunen luiden. könnte d a g e g e n nicht a n k o m m e n ). 25. bl. D. 2. 3 . 71 Bonefas: dwas bewijst niets. is twijfelachtig. daar de korte klinker dan ook alleen door de verbinding der consonanten kan veroorzaakt zijn. Of wij ook het kort blijven der vocaal b. 1-22. 8 59 Bonefaes: dwaes en 3 . Het werkw. II 803. die oorspronkelijk vóór de m staande scherp kon blijven. 7 : das Nat. 56. vgl. Sp. 1. Torec 1323. op Torec. bl. Lekensp. 1343. 43.v. Als het woord met dwaes samenhangt moet het oorspronkelijk een langen klinker gehad hebben. De Vries Gloss. 251. 2768. 108. loos. 47. 1780. hersenschim. maar eene vertaling van het begin van Gualtheri Prolugus in Alexandreida (bij Müldener bl. zooals dwaas nog in het Holl.397 Aanteekeningen. Sp. eig. 8 Jacob van Maerlant. op den Lekenspieghel en Te Winkel Gloss. Het moet aan den invloed der verbogen casus toegeschreven worden dat de nominatief zelf niet is verkort. 53: was Troy. 38. 25 gaat geheel mank): was Alex.B. uit los wordt echter ook een nieuw lossen afgeleid. 59. Deze verzen zijn niet van Maerlants eigene vinding. 1072. losse. Ghedwas adjectivum = ijdel. De verkorting is dan veroorzaakt door de s. Van 2 8 1 dwaes zelf heb ik geen voorbeeld. 3 . loop 4. 1). en omgekeerd ontstaat uit het mv. zich verzetten. 1. vgl. 2. Nhd. vaststaan tegen iets. 3. lôs wordt tot los met een meerv. waar het met een korten klinker rijmt. spooksel. hier zouden wij vertalen ‘kon daarbij vergeleken niet in aanmerking komen’ (Hd. staunen. Sp. Mart. 998 en Weig. 98. Door denzelfden invloed van de s wordt gheblaas tot gheblas (de verklaring gegeven door Van Helten Vondels Taal I. Alexanders geesten . overal elders heeft het woord eene lange a. Gloss. 5598. Het woord moet een lange u hebben.W. 3 . 96. 29.

88. 21554. 190. 13. scien Hildeg. 255. 879. Dat ghi biddet dat hi volleesten Moete dat hi hevet begonnen. even bekend. 35392. 57. Bijdr. als in het Mhd. en Verwijs Taalk. 1020 (denkelijk zoo op te vatten). 150. 322. creghen Ruusbr. Mart. Taalk.) en e. bald is in het Mnl. bl. 688. 4. Bijdr. 179. 121. 25395. 561. 40. 85 en passim. 57. 19. 597. want 28. 92. vangen Stoke 10. 953. bevat deze uitdrukking een anachronisme. . 496 enz. 13. 2. heeten Troy. 24 en Zs. vgl. Ende nu biddic. en zijne tijdgenooten hunne geschriften werkelijk in afzonderlijke stukken het licht laten zien? Ook als wij veronderstellen dat de prologen eerst na de voltooiing van het geheele werk werden geschreven. 2. 223. litteratur) 23. 1 . vastelegte Torec 2877. scuerde Nat. of is zij afkomstig uit een tijd. 11494. loven 57.. Bij substantieven: win Alex. Denkelijk evenzoo op te vatten zijn bort v. 1. Hantvingh. Dien ghi te voren hebbet becant In des coninx Alexanders geesten. De Vries.Eindelijk bij het verleden deelwoord: bonden Stoke 9. 116. 2. met siner wapender hant Merl. In gedichten. ware Lancel. dochte Stoke 8. luc 184. 48. II 5480 enz. 2 Jacob van Maerlant. wonnen Hildeg. 6. bl.Bij werkwoorden: baren Hildeg. slacht Hildeg. 251. 53. 85. 88. 397. met on. Over vormingen zooals crombect en zonder bijwoord. Waarschijnlijk is het praefix hier verdwenen. 144 en passim. 37712. 1. noeghen Hildeg. Jacop die coster van Maerlant. 1279 (waarin Huydecoper ten onrechte ducht = timor ziet). bl. 46. 2590. 27. waghen Hildeg. Ruusbr. zooals houct. 2. bl. 1. 3. die eerst als een voltooid boek voor de oogen van het publiek kwamen. 35. lach Hildeg.d. is de uitdrukking onnauwkeurig. onghescaet) Nat. 48 aant. Nat. meenen v. Alexanders geesten . 8. II 818. III 4. sijn 2. Grimb. De Vries Taal. 177. II 4579.onscaet (var. Rein. scil Hildeg. . Schwarzenberg 1. die van oudsher zonder het voorzetsel gebruikt worden.en Ltb. meente Nat. en Nd. 183. 4. 160. maar improviseerende zijne voordracht aan een bekend onderwerp vastknoopte? Of hebben M. lijken 81. und d. 440. 2. bl. 8. Waar het voorzetsel werkelijk verdwenen is. 40368. 32. bot Hildeg. 779. sien Lancel. 497. 3973. 36.v. heimel. Stoke 7. loefs lien Lancel. 7. beddenoot Hildeg. bieden 8. dat is waer. Dogheden 91. Voorbeelden van welt = geweld hebben wij Velth. 11. meente Stoke 8. Stoke 2. 6. 1. maar men vindt het toch meermalen b. verder niebernet 6. 134. 7 vgg. want dit verschijnsel is in het Mnl. Ik spreek niet van die deelwoorden. 2216. Moet men daarin alleen een uitvloeisel van eene overgroote vroomheid erkennen. balde. Bij de met een bijwoord gecomponeerde deelwoorden of adjectieven in den vorm van het participium schijnt de vorm zonder ge de regelmatige te zijn. noot (var. 2. waarin de dichter nog niet met een voltooid werk voor zijn toehoorders optrad. 2. Zooals blijkt.. 22 enz. 57. 313 en passim. gaen Torec 3577. slaghen Hildeg. 9. 47. 157. Heim. Rein. Bij adjectieven: hat Rein. 92 en 93. (= Zeitschrift für deutsches Alterth. dicht (?) Wap. waar het verschijnsel zich voordoet. Zoo staat ook zonder praefix het eenvoudige houcte Sp.398 66. 17. ghenoot) Nat. 20. niet zoo heel gewoon. Boude in de beteekenis van hd.d. Lanc. is de tusschentrap i (vgl. 36 vgg. 12. troude 10. Bergh Oorkondenb. 137. d. Vloten) vs. Mijne verbetering van dezen regel steunt op Merlijn (uitgegeven door v. wout Hildeg. Bergh 2. crenct 17.. is het voornamelijk de latere taal der brabantsche en hollandsche gewesten. 1.

trochus. middel. deutsche philologie X 3. bl. Parten.. in Minnen 1. is Leonidas de paedagogus. = patella. Zacher) ultorem omnium. heeft top. z. dan Maerlant. = lamella extrinsecus libris adhibita. 8. vgl. mijne aanvullingen zijn stellig niet te betwisten. Misschien heeft hij het werk van M. 408. 363 vg. bij het andere aan doppe gedacht zijn. Kil. heet het dat ghi draghen sult een kint.w. Merkwaardig is het dat in deze beteekenis dop en top samentreffen.’ Buitendien wordt in de profeties over Alexander gezegd dat hij de wereld zal veroveren. Bij M. hd. Het verhaal van Neptanabus en Olimpias vindt men ook bij Dirc Potter II. 912) valt er tegen het ‘rührende’ rijm niets aan te merken. = bulla. top. 1 . bij den droom van Philippus heet het dan ook: ‘Und da er aufstand. Iets verder in den Pseudok. en het is zeer de vraag. doppe. 4091. 291 vg. of niet ook M.. Weigand 2. Verder is dop bekend in de beteekenis van turbo. 9 enz. 863. 3063 vgg. II. 5 vgg. Esopet 9. Buitendien kan bij het eene doppe aan den nominatief dop. en onder de magistri in de verschillende kunsten is Aristoteles philosophie magister. doppe = bast. du hast einen sohn empfangen. Alexanders geesten . die met de wetenschappelijke leiding belast is. 2. Ofschoon de beide woorden dop oorspronkelijk wel een en hetzelfde woord zijn (vgl. voor oogen gehad heeft en gemind schreef. Fransch toupin (Diez I 417). 2.en nederrijnisch dop. Eng. Het eerste dop (of doppe) beteekent ovi testa. 248 en 280. olla. kon zeer goed datgene ontstaan. ende winnen an u een kint. 1303 var. 3. Woordelijke overeenkomst vinden wij niet meer. want hij heeft sommige dingen meer en sommige anders. der gedeihen und den tod seines vaters rächen wird. In den Pseudokallisthenes en de daaruit voortgevloeide bronnen luidt de profetie anders: ‘einen rächer alles desssn. Miller Zeitschr. hist. dat van dien goden u sal sijn ghesint (u is wellicht te schrappen). gekend. Maar men zou kunnen denken dat Potter de plaats van M. doppe = ovi testa en verder doppe van de not = putamen. een god) sal comen bij uwer zijde ende winnen. Doch dit kan op deze plaats niet gestaan hebben. op de tweede plaats toppe geschreven heeft.. zooals nog in het Holl. vgl. geeft op dop.. 1. die de lichaamsoefeningen leidt. Doch de overeenstemming kan ook toevallig wezen. si qua in te Philippus audebit. 183-85. Ghesint in onzen tekst is niet bedorven. dan bij het verhalen van dezelfde stof bijna noodzakelijk is. verder de in de aanteekening op de laatstgenoemde plaats gegeven voorbeelden. De Bo kent hiervoor alleen top. Zacher Pseudokallisth. In de latijnsche bewerkingen van Pseudok. toppe naast dop. Kil. meester als dengene. f. 114. Kil. 394. topf. doppe. omdat hij begonnen had hi (t. Snellaert (in de aanteekening op dit vers) is van gevoelen dat hier 3 4 Jacob van Maerlant.. Overeenkomstig met hetgeen Pseudokallisthenes verhaalt moet men maghetoghe opvatten als dengene. vgl.was Philippus dir zu leide thut’ Weissmann Alex.. gebruikt het ook Nat. daar de beteekenis volstrekt niet meer dezelfde is. Julii Valerii Epitome (ed. M.399 orl. dop. Sp. wat wij in onzen tekst vinden. maar stellig verhaalt hij niet naar hem alleen. sagte er zu ihr: Weib. en met het oog op deze gegevens en op hetgeen later werkelijk gebeurde. dat van dien goden sal sijn ghemint. bl.

’ Ik ben het met hem eens dat hoogstwaarschijnlijk deze twee verzen uitgevallen zijn. (ontleend uit het Nd. 173 vg. 428. dunst en tunst naast elkaâr. dat vertooghden mi die gode. vers 629 tot het volgende te brengen. Nec te terruerit numerus: si molliter illos Videris instantes. waar de woorden van Alexander (396 vg. 155 promissaque tempore solve. agls. dus worden aangevuld dat mi mijn sone soude doden.) op passen.) puerumque leonis Vexillo insignem galeato vertice saltem In bello simulare ducem? 628 vgg.’ Alexander vragede omme tgone Oft hi dan sijn vader ware 4 vgl.. twee woorden dunst en thunst zijn samengevallen. Dat mi doden soude mijn sone. Kil. Het schijnt dus dat M. me a filio interfectum iri.v.B. of M. 1 . 657 = Gaut. en Weigand i. Met dunst = vapor zal dit woord wel niet buiten verwantschap zijn. 1. pollen. De regels kunnen ook achter 392 hebben gestaan. rue primus in arma sequentum. maar wij kunnen niet weten. vandaar in het Ohd. en Mhd. Alexanders geesten . pl.. maar ook aan dune. dons en (denkelijk uit de noordoostelijke tongvallen) duist. nnl.a. 14. 5.W.. De constructie van de vertaling gedoogt niet wel. = Gaut. = Gaut.v. Et Alexander ait: ‘Num ego sum filius tuus?’ Verdam schrijft mij: ‘de lacune kan b. 443 vgg.. dunst en donst = lanugo plumarum. hd.instantes met het voorafgaande verbond. Ik kende nilen. ook Pseudok. nu weetict bet. In den Sp.. lanugo lintei en = scobs. si . dust. I 136 vg.. 26-31 heet het ‘Ay’ sprac hi ‘niemen can verweren Dat hem die gode hebben geset. simila. (nunquamne licebit.) bij Göthe dust. in de Epitome Respondit magus: Olim quippe per hanc scientiam cognovi. hist. Het komt mij waarschijnlijk voor dat in enkele tongvallen van het Germ. of Md. De geheele vertaling wijst niet op eene nauwkeurige opvatting van de latijnsche woorden. hetwelk door Grimm t. 695 vgg. Parca voluptates sit eis explere voluntas Jacob van Maerlant. omdat de zin er van ook in het Epitome voorkomt. = Gautier I 37 vgg. daune = lanugo moet men denken. zie Grimm D.400 twee regels verdwenen zijn.. I 583 met dünn wordt in verband gebracht. ze niet beter verstond.

was hem aangewezen als tot hem behoorende. Jacob van Maerlant. Hij schrijft mij: ‘Ik vat somme op als summa in den zin van summarium. 696. 433).v dat en staat niet in miere somme. Vs. Daaruit kon een spreekwoordelijk gebruik voortvloeien. breviarium (Du Cange 6. is niet buiten verdenking. daar weet ik niets van. b. De Vries eene zeer vernuftige verklaring.Qui leges hominum et mundi moderantur habenas. Summa noemde men een boek. Alexanders geesten . En zoo “de geheele wereld stond in sinen somme bescreven” stond in zijn boek. dat staat niet in mijn boek. daar heb ik niets mede te doen. een kort begrip van 't wetenswaardigste. 728. waarin men 't voornaamste van eenig vak aanteekende. waar ook ê op e rijmt. Van dezen regel geeft Prof.

hd. mnl.v. qui passim in plateis et ubique orat Georgius Colvenerius’.’ Het Lat. hun boekje met gebeden en aanteekeningen hadden. Gaut.v.Dat somme hier masc. Wij vinden het in gelijken zin ook in het Mnl. 210 sacrum diadema verendo suscipiens capiti sceptro radiavit eburno. meestal masc.i. Van Renesse. parabolare) vooral gebruikt wordt. papeln niet onbekend is (Weigand 2. 1293 die van vare te voren en mochte Die verboude hem. die zonder twijfel aan M. ital. Daarvan is met den bekenden uitgang gevormd papelardus enz. staat. Stoke 9. 799. Ende ghinc vechten en 10. staat. waarvoor ook hd. 783. imbecillus en Zs.v. vulgo papellardus . en dan geeft hij op ‘popeler = movens labra. ontstaan in de kloosters. lat. Jam fruitur voto. simulator. popelen en van het ndl. Ik kan uit Maerlants werken de spreekwijze alse mi dochte niet bewijzen (ik heb althans geen voorbeelden uit hem opgeteekend). popelen popelaert. ook Kil. 468. vs. (Vgl. dat de jonge Alexander eene kroon op het hoofd droeg en met de overige attributen eens konings versierd was. 675 dit dochte mi zijn de beste doot. papelaerd en ook door bijgedachte aan het ww. De gewone opvatting van papelaert werd echter die. Hier moet echter uitdrukkelijk gezegd worden. die al in zijne uiterlijke verschijning. 3. hypocrita.v. deelt ons Kiliaan mede en hij geeft tegelijk opheldering voor onze plaats. Eene etymologie. waarvan prevelen (v. welke Colvenerius uitdrukt door qui passim in plateis et ubique orat. pepelinck = homuncio tenellus. De beteekenis van schijnheilige komt echter op onze plaats niet te pas. die niet te verwerpen is. vatum grege cinctus inermi sedit Aristoteles molli velatus amictu. moet ghecleet recht alse papelaerde ongeveer beantwoorden aan molli velatus amictu. die zeggen dat summe in 't Mnd. iam servit ei quadrangulus orbis. Alex. Dan mijn her Jan. 810. Gaut. z. Crone draghen zonder artikel. maar wij vinden ze b. Het sijn liede diet in quade merken Ende segghen ic ben een popelaert. aanleiding gaven tot zijne uitweiding. 1181 het dochte mi 3 Jacob van Maerlant. regeeren’. zooals in het Hs. 304) weet voor het woord geen voldoende etymologie. beteekent ‘koning zijn. 5. een woord papelare (ontbreekt echter bij Du Cange en bij Diefenbach) in de beteekenis van het mnl. Dochte kan een potentialis zijn.. wörterb. is geen bezwaar. Dietsche Warande 1855 bl.. bij popelen = murmur edere. Volgens de woorden van Gaut. Diez (Etymol. 245 dat els niemen toe en brochte. Schiller-Lübben 4. prevelt b. metuens audiri. ofschoon anders fem.401 Nog zeggen wij dat staat niet in mijn boekje = dat ligt buiten mij. verba tacite submisseque fundere voegt hij vulgo papellare. iemand die veel en zachtjes tusschen de tanden mompelt. Jam regnat. 7 want ga ic ghestadechlijc ter kerken. in de wijze van zich te kleeden zijn karakter vertoonde. b. iam mente protervit in hostem. waar de broeders hun summa. is op deze plaats tamelijk vrij terug gegeven. Volgens onze plaats kon het woord ook gezegd worden van een verwijfd mensch. Alexanders geesten . 134. babbelen. iam spes praeiudicat annis. gebeden. daar heb ik niet mede te maken. b. als mi dochte. 24. vgl. 't Zal dus eene spreekwoordelijke zegswijze zijn. 191 vgg. 299). 419). I 222 vg. Jam timor omnis abest. als mi dochte. Papelaerde] Fransch papelard. gebruikt wordt. . Dus kende het Mlat. 1 . pappalardo beteekenen ‘schijnheilige’.

doch hier worden wij door vs. 256) peditum quater octo milia lezen 32000 in plaats van 22000' zooals het Hs. 61 . Porren komt ook transitief voor doen porde Roeland die doot Ronceval L 302.) heeft bis milia bina quingentique equitum. zoo ook ongevaen bliven ‘niet gevangen worden’ b. so sullen nochtant die dragers dit selve bier nerghent no porren noch voeren Keuren van Brielle bl. 4.. als in het Mhd. bl. 823. Rb. zooals in het Mhd. en Mnd.liet hi bliven ongerovet Rb. 873. Wellicht was dus ook op deze plaats het woord oorspronkelijk niet anders gebruikt. z. ook ‘te gronde richten. Ende voegt hier twee gecoordineerde zinsneden samen. Als wij in vs. lezen7760 dat die keyser onghevaen bleef = bevrijd werd. Ik heb elders de cijfers naar de bronnen verbeterd . ook van steden gezegd = innemen.eene handelwijze die volstrekt niet zeker is.Het meest gewoon is porren absoluut gebruikt = proficisci. vgl. die in adversatieve verhouding tot elkander staan. evenzoo 1187. Seghel. 7. Gaut. zoo ook 4. Verdam Tekstkritiek bl. . te volgen.). onbescaven laten Rein. Verliesen beteekent. 20. vgl. is zij niet zeldzaam dat hi ongevangen late al vri gaen haerre strate Patroclen ende Barnabas Sp. Gaut. bl. (vs. in welke beteekenis wij het ook in den Seghel. 4945 ich spreech desgelijks met indic. ook Kil. ongestolen laten Hildeg. Vaen wordt. 8.v. 2 .v. ook bij Bruder Hans Marienlieder (ed. 49. 126 vg. Reinke 2909.. 486. dan wordt er doen of heten bijgevoegd. 7. Ook in het Mnl. pessumdare’. onghedaen laten 19. Alex. 836 naar Gaut. 49.402 ooc recht wesen. 74 § 5. op Hildeg. mi dinke. Maar there porren is niet ondenkbaar en mag dus niet verwijderd worden. tendere. Partonop. en 859 aanteek. verlies heeft de beteekenis van ‘verderf’. dan blijven er juist 8500 ridders over. zooals wij eene dergelijke ook beneden zullen vinden in de aanteekening op 1216. 65. de aant. her nut en lachten. zin. 2475. zeer gewoon is de conjunctief praes. Doch het is ook denkbaar dat wij in alse mi dochte eene attractie van den tijdvorm hebben. (245 vg. b. 903. 155 .. Gloss. 230. hi poerde niet een twint.. Aldaar wordt als het getal van het geheele leger 40500 opgegeven. Zal castra movere worden uitgedrukt. 1573. Doch de tautologie in den volgenden regel is een bezwaar om hier there als dare op te vatten. 852 genoodzaakt.maer die chierheid. het Hs.. Vgl. mi dunke. Alexanders geesten . 32823. 402. 17 enz.deze uitdrukking kan ook beteekenen ‘vrij laten iemand 1 die gevangen is’ so dat hise ongevangen liet Sp. 931. 32213 dat men soude die stede vaen. z. Ook het znw. Maar van een leger gezegd herinner ik mij niet het woord alleen in intransitieven zin te hebben gelezen. 2 . 2482 en 4925. no hant no voet no ghene lede Theoph. 1576 (vgl. maar die in den regel weinig nadeel zal doen . Het passivum van deze constructie is bliven met het met on samengestelde verleden deelwoord. zelf met de ontkenning (onghedaen laten = niet doen) spreekt Grimm Gr. heeft. litenne onbevaen Lev. 10. 9387 Germein sal bliven ongevaen en ‘weder vrij worden gelaten’. 234 castra movere iubet. 914. Over deze constructie van een verleden deelwoord met on na laten in plaats van het ww. 503. 4. en evenals ongevaen laten beteekent ‘niet vangen’ en ‘weder vrij laten’. Jez. 1634. Minzloff) 742 ich meynd. 111 (ende 1 Jacob van Maerlant.

Alhoewel vlieken = volitare nog nergens is gevonden. 9187. geeft op vleke Sax. maar op een andere situatie toegepast. 1100. 61. 92 4000 ysers ten gescutte van den voetbogen ende 700 dene voets ysers. Alex. een door voorbeelden niet gestaafd woord in den tekst voegen. vgl. de plaats van den Alexander kende. dat reeds wegens den tweeklank in Grieken hier niet voor bliken kan staan. 973. Rb. Bij Kiliaan is de beteekenis ‘kooi’ de eerste. ibid. muta. mhd. in de vertaling met ende begint. ook Sp. Het subst. in dezen lyrischen zang van Cleades (Gaut. die. Sp. waar ende in de beteekenis van ‘toen’ schijnt te staan. bl. vgl. Maar de beteekenis cavea is eerst uit de andere voortgesproten ‘vogelkooi. dan eerst ‘muite’. eer icken gekreech. uitgegeven door Clarisse in De Jager's Taalk. Diez 2. het opstel van Verdam Taalk. 1089 vgg. 1876. flukhi = sagitta Graff 3. vgl. 1015.v. 21. van grote ghewout.v. hebben muta en mue de twee beteekenissen (Du Cange i. waar de zinsnede in het Latijn met at. doch waarschijnlijk is dit niet. zonder mijn gissing te kennen mij volkomen dezelfde emendatie aan de hand deed. 547. ohd. 51). over dat woord de aanteek. 241. Gaut. reikhalst naar het bosch. 7. papilio. niet geschreven heeft sijns (of sijns selfs) ghewout in pl. 123 vgg. waarin de vogels ruijen’. Sicambr. van Clarisse op bl. Het is niet onmogelijk dat de dichter of vertaler van het werk. 383). vgl. vlieke in de beteekenis van sagitta staat bij Velth. Meer gewoon is het gebruik van ende bij gesubordineerde zinsneden in de betcekenis van ‘terwijl’: Alex. en Oudfr. ook dit kan = vlieke zijn en bij Jacob van Maerlant. waer toe dat men de vlieken adde. 23. Kil. 4 . 205. 43. 7. lyricisque subintulit ista) opzettelijk een korter vers gebruikte. Magazijn 3. relatief ook 9. verander ik het in eer. 2 .403 1 4 of = quod si bij Gaut. Verwijs) 12037 var. Bijdr. 103. 763. 344 en Schiller-Lübben 1. waartoe dat fragment behoort. Ook het woord mute is tweemalen in het fragment op deze plaats gebruikt. mag men het bestaan van het woord vrij gerust uit verwante woorden opmaken. 26708 hi es mi suer worden seer. Alexanders geesten . 422.. 1100. 16. treffen wij aan in een fragment. in een kooi gesloten. De Vries. dat M. vlücke Mhd. Eenen voorwaardelijken zin begint ende 7. 558. 48. Merl. 172 vs. Ende soect tgat te vliegene ute Weder in dat groote wout Daert sijns selfs mach hebben gewout aan onzen tekst Also mint die voghel dwout Daer hi in hevet grote ghewout en selfs doet de overeenkomst denken. Ook in het Lat. wiens gevoelen ik vroeg. 7. 7. b. 8. Ik zou onder den tekst stelliger gezegd hebben dat er in dezen regel iets door den afschrijver overgeslagen is. als het niet denkbaar ware. Rose (ed. van Gent I. Ik durf zooveel te eer in plaats van blieken. 3. ook wel Rek. 122. I 854 Lievine den vliecsnidere. of M. daar Prof. Vgl. cecinitque regi dulce melos. 1. waar hij thuis hoort. Dezelfde vergelijking van den vogel. 310 heeft parato mille equitum cuneo. Althans herinneren de verzen 107 vgg. 92-110. voor een relatief ‘waar’ staat het 8. wörterb. 4.

dezelfde familie behooren. als Jacob van Maerlant. Verder mag men hiertoe brengen hd. Alexanders geesten . flocken volitare: flocken oder fladern.

orl. doen ghinghen die papen. Roen remigare komt voor neven roejen: Rb. hine wille els niet dan ghi hem dient Rb. Het meest wordt dat in zijn verschillende beteekenissen verzwegen (vgl. 9. 2267. dat was waer.W. dat was waerheit. Dan absorbeert er op volgende voegwoorden. wordt bevestigt door De Bo 1092. Vs. 8660. 1178. Agls. Alexanders geesten . wat voor het Westvl. dat ic niet blidere mochte sijn dan ic den lieven neve mijn Reinoude heden wreken sal Lorr. vgl. 1809). oudn. 1830. daarmede niet overeenstemmen. 137. 3605. 4. en werkt anders niet een twint dan hi sinen sceppere mint D. 1595. Wij hebben in deze spreekwijze en desgelijks in andere van dezelfde beteekenis b. bl. Ren. 133.v. 1837. 272 vg.C. 1216.. Niet overal schijnt deze attractie zoo gewoon te zijn als in den Alexander. 650. ags. Het mhd. vgl. ged. on. 7. maar: het is geen leugen dat gene dingen gebeurden. vom Niederhein bl. agls flyccerjan = alas motare Ettmüller Lex. nl. god en eyscht u ander goet dan ghi sinen volke recht doet Wrake 1910. Mart. Ik voeg er bij Eilh. die joncste. Hans Marienl. 1227. 10.v. Franc. dats waer Ystor. Steendoot ook 3. is het gebruik wellicht aan den afschrijver te wijten. 18. Doctrin. dat es waer b. 218.. 32292. 1482 (D. Stricker Karl 3. 1148. ruoan en ruojan. ohd. 812. 4 want en wille niet anders winnen dan ic den hertoge hebbe gevaen (= dat ik 2 2 Jacob van Maerlant. 3.404 das feuer hin und her zittern Vocal. Deze bijzonderheid der mnl.W. bl. David ne dede hem els gheen leet dan hi hem van sinen mantle sneet ene scorde Rb.. 702. 700.. 740. Schade Geistl. den mir die hande mîne den tôt selbin têtin en nog een uit Berth. doo endaden si niet el dan si hem wapenen Torec 1661. het Glossarium.beloofde hi hem omme anders niet dan hi sloghe . rûin bij Jerorchin. Snellaert zegt in de aanteekening op onze plaats dat het woord nog dagelijks in gebruik is. L 493 (dat was waerlike dinc). 1. 603. 2763. Roncev. Grimb. 362. 90 der tôt ist samftir harte vil. Alex. Leksp. Schmeller Bair Wörterb. ghevoelt zij daerna coude.B. Verder Ystor. flôki = lanugo (vgl. taal is zeer gewoon: 2. Het spreekt van zelf dat ook de regelmatige uitdrukking in dezelfde teksten niet ontbreekt. 370 (door Matthes onnoodig in dat es waer veranderd).. 2. Lanc. bl. vlok. Sprach . 9311. Vgl. wat lone wane wijs ontfaen? niet dan men ons doot sal slaen Verk. dat was waer. en Mahlow Die langen Vocale 136 vg. Z. 407) hi en deed niet anders dan hi vlo Rein. 2. 9505. als de andere werken van M. rôven.d. 5. flocke.. 1092. 798. rôa. 3. 6689. 2965 entie bi watre waenden ontvoen (: si vloen). 551.. Philisteen Rb. vs. Predigten 64. 3. 654. 702. woordenboek van Müller en Zarncke geeft maar twee voorbeelden van dit gebruik: Ath. md. 1845. 8535. 4. alse een wijf heeft gheweest met enen man. dat en was ghene ghile (misschien ook in alse mi dochte. 949. Rein. 1119.dat en coemt no min no mee dan zij een kint ontfanghen heeft Vrouw heim.. dat ik wellicht ten onrechte in sware dinc veranderd heb. 4. Clignett Bijdr. op 810) zonder twijfel eene attractie van den tijdvorm. Grimm D. 3.B. 1080 enz. 930 staat dat was ene ware dinc. 1811). 4183. hd. 3. II 763 en I 1422. A. Dat en was loghene enghene beteekent niet: hetgeen Alexander sprak was geen leugen. Zeer gewoon is dit verschijnsel in het Mnl. 150. In ene stat niet verre van daer. Scherer Zur Geschichte d. 1152 (dit en waren ghene saghen).

8 Sp. entrouwen dit wert geaventuert. 23. 1677. Men ziet. Walew. vs. Limb. 2 . 958. 1257. 127. 3 . 1 . 7. evenzoo hets mere wonder . men salse some doden bet.d. Testeye 2855 enz. 60. dan dat ghi verneemt al nu Grimb. Limb. 47. De Bo bl.’ deze beteekenis wordt mogelijk door het verzwijgen van een voegwoord en daardoor dat. 29. 2 . heim. 4. 147. die daer anders niet en rochte dan hi den grave van Artogs mochte sien Heelu 1123. wert dat orloghe dat hi liet noch felre dan hire af sciet Heelu 2737. hoe ver de losse wijze van constructie in het Mnl. 1 .Ook achter alse vinden wij dezelfde uitlating ende pensde in sinen moet. 1 . L. 615 vgg. 863. 25. Want niet en zoet niet en surt.o. hens die niet [liever] en wille met goden paise ligghen stille. 29104. 139. Tondalus bl. II 5383 niet dan ment bestreec daer mede beteekent niet dan ‘dummodo. hem ware gene dinc so goet alse hi den riddere late gaen Moriaan 2007. over rike te 6 sine here dan hi selve scat soude winnen sp. 54. ook de boven opgegeven plaats uit den 8 Tondalus. 2. . loop 2. dant deen mensche den anderen name D. 10. 4. 1 . 53. sprac mijn heer Arnout. dan si hem wise de kerke (dat zij hem de kerk zou wijzen) Sp. 4. 5 6 7 7 8 1 . somwijlen gaat. dan hi ene juffrou waer Minn.Veel zeldzamer zijn de gevallen dat dat wel wordt uitgedrukt die liever hadden dat si hem selven tleven namen. dan ic quame ouder uwe hande (de beteekenis is ‘ik zal mij voorzien in uwe geweld te komen. 17. 1262 aanteek. 16.Op onze plaats is of verzwegen. 7. dan ic se simpelicke sie (ik zie alleen deze pijn. Wrake 3. 1 . 11. want gij zoudt mij gaarne dood slaan’) Walew. De zin wordt duidelijk. 2. dan ghi welvaren moet Grimb. 44. 9. 9. . antwerdt niet. 67. Theoph. 269. dat hi meest orboren doet die den quaden maket goet ende hem doet zine zonden vergeven. 28. 41. ic weet niet wat te raden u. 1 . 37. 13 vgg. 55. 15 (vs. . dan hi orloghe so vele hevet dat hem rouwe dat hi levet Alex. 39. 2068. ende men leidene bet met minnen. ghi hadt mi vele lievere scande. dan oft). 1323.dan die hemel nederviele Velth. ende oec es mere blame. 9203.een voegwoord van tijd dat hem was meerre verdriet als menne te tormentene liet dan 6 hi was in den torment Sp. vgl. . gheerdi iet el? Neine. 2411. 519. dan dattie Romeyne quamen ende met hem spelen souden Rb. 1 . 125 ‘bezoeten de zoete vrucht smaken. 1 . 2 Alex. zelfs zonder dat eene negatie voorafgaat in de beteekenis van ‘buiten dat’ staat. ende nyemant en wist anders dair. 67. 87.op mine ziele . 494. als men achter dan in gedachten die aanvult is qui (en in plaats van den superlatief den comparatief denkt). 6. dan menne met pinen 8 moet verwinnen Sp. 26. Vgl. I 2355. 2. 701. Marcus Curius minnet mere. 34. Sp. 1 . Alexanders geesten . dan liede goet in haer leven leert ende wijst ende trekt voort. 48 nochtan dat ic dese pine niet en lide. Volgens de aanteekening van Snellaert zijn dit en die in de volgende regels vervatte spreekwoorden nog dagelijks bij het volk in gebruik. . 8. maar ik heb er geen plaag van). 44. 5 Jacob van Maerlant. I 1048. 19 daarentegen eenvoudig dan). ende dit en mach els ghevallen niet dan hem een lants here dus vorsiet H. 4360.Een causaal voegwoord is aan te vullen 7 omme gheen ander dinc dan hise gerne name te wive Ferg. 2 . Rein. 4661. Sp. 43. Doctrin.Ik vermeld nog Sp. Op de vermelde plaats zou men volledig moeten vertalen ‘indien men anders niet deed dan alleen dat men daarmede streek’. Ic salt emmer aventuren. 1 .405 hem in mijn macht krijg) Heelu 4292.H. 1 dan sy ter doget werden geset Sp. 3423 (var. doe die hertoge van Brabant weder comen was int lant. Alex. 7. 2863. 53. zooals niet anders dan ook eenvoudig niet dan en verder dan alleen.

Prosa bl. zooals het uit het Got. bl. wörterb. 68.. Wel kent het Mnl. 3. invloed moeten worden toegeschreven. 4.. i. kleeding. die haren evenkerstijn dor gode vergeven sine misdaden. gemeenzame taal heeft de uitdrukking behouden. en Nhd. Somwijlen kan sijn in een constructio ad sensum gekozen zijn: onse zustre. Het wordt maar gebruikt in tegenstelling met bezuren. bekend is: seins slaat reflexief gebruikt op alle genera en numeri. bl. is het wel niet waarschijnlijk dat M. juist om de dubbelzinnigheid te vermijden het niet gebruikt zal hebben. echter alsi en als si. 59. 229 sine vrucht es lanc als hi es ripe. dus twijfelachtig. Ook bij Kiliaan verraadt ten minste de tweede vorm gar met korten klinker stellig hd. geheel onbekend. zoo gewone adverb. misschien schreef M. In het Mnl. 40. god spreekt dat si sijn salich. IV 340 vgg. 8. Grimm spreekt er over Gr. dat men den kerstinen niet en dede Ystor.. 2. ook de hd. 276. Maar het pron. bl.. Deze elliptische spreekwijze komt in het Mnl. invloed. 1387. sijn zoo heeft gebruikt. 3761. ook 4. ged.. var. In den Alex. En doe hem niet].ende Jhesum 7 Cristum sinen (var. 38. gheghare. en geeft ook uit het Mhd. elc die looft den sceppere zine Franc. 1 . Tien Plagen.v. meer voor Pontiuse en hebben si niet gedaen Sp. Nat. eenige meer vindt men in het Mhd. Verwijs Gloss. evenzoo als het adj. Wij hebben dus nog het oude gebruik van dit pron. en de gissing ligt voor de hand dat dit woord in den tekst stond. en Ged. Lied. 29. 2 . sijn kan ook slaan op een fem. In Noorden Zuid-Nederland spreekt men nog dagelijks zoo. gewaad z. in siere ere (van Maria) 1 . bij Hildeg. Over ghegare uitrusting. 834. 54. gone vogelkine. gar.. Het in het Hd.’ 1355. onser Vrouwen. wörterb. Merlijn zal het wel aan hd. Alexanders geesten . 5. 9. zooals men weet.) Nat. en die van zijnen tijd is de hd. Waar het voorkomt b. en op het meervoud van alle geslachten. 35. zoover ik weet in het Mnl. hi vint. elke bataelge coes die sine Velth. op Maerlants Stroph. In de taal van Hildeg. 293. 134). 3. voorts Merlijn 4968. daer si (de Carthagers) verloren al reine dat meeste deel van sinen 2 here Sp. wel in het Mhd.. omdat denkelijk de gedachtelooze afschrijver bedoelde ‘des afgods onwille’ en M. (vgl. Mhd. Wat men niet bezuurt bezoet men niet. en Minne. invloed.406 het voordeel genieten van iets dat men gedaan heeft. gelijk in het Ouds. onse here sal sijns hebben genade Lucid. 32. possess.v. zooals in den Aiol. dus stond deen 3 7 Jacob van Maerlant. De uitdrukking al gare behoort dus te dezer plaatse den duitschen afschrijver. 2 . of het behoort tot de gewestelijke taal. zijn zij talrijk. Vr. kan men in het Mnl. 3. twee voorbeelden. Vrucht kan mannelijk zijn.therte sijn dorboort die maget (Maria) in tranen baden Disput.. gar is. 453 vgg. de uitdrukking zonder de ontkenning gebruiken. het van denzelfden stam afgeleide subst. 746 heb ik sinen verwijderd. haren) sone 1 .. 571.. Maar zie tusscen sine voete (van een masc. 567 var. Ovl. plur. 4501. ghecleet was met enen ghegare. Maar evenmin als in het Mnl. sterk waar te nemen. 3 II. (misschien echter heeft de copiïst de plaats niet begrepen).

. het Hd. ontleend was. alle creaturen yegewelke in sine ordine Ruusbr. 71-73 beantwoorden aan Gaut. opgeblazen. als het niet reflexieven zin heeft: si prijsden oec mede harde sere sine scoenhede (de sc. Elders heet het lettel goed en wordt zoowel als substantief. stutzweck bij Weigand) heeft Kil. 628. waaraan de vrucht vastzit. 1. Md. 1. 21. Ook 6. Het schijnt dat men zich ook wel veroorloofde sijn op deze wijze te gebruiken. of luttel goeds (zooals het Hs. voor elk cylindervormig. gebruikt rohr en röhre. 1312. Begh. niet stuyten = nihil valere. 9. heeft. Ook in stuyte. van Vorau van Lamprechts Alexander heeft in het overeenkomstige verhaal stuzel.. elc creature in sijn pine Lucid.” Kil. so dede hi sinen (ejus) vader mede Sp. Mijn vriend Verdam is van gevoelen dat het hetzelfde is ‘als parmant. Pipe is in het Hd.en meer dan viertich in ene pipe schijnt echter iets anders bedoeld te zijn. van Irene) Lorr. vertaalt het met compositus. 1641. vultuosus. doch het voorbeeld uit den Alex... op goet en op Theoph. van binnen hol voorwerp. elke (femin. Vroeger meende men dat het woord aan het Sp. van Helten. Fris. Stoet (met den tweeklank oe) = pila. 83. 70. bullatus. 2 . 142. gravis et serius homo. si selen met bliden moede weder keren toten goede dat sijn ofte sijns vader was Wrake 2. Luttel goet. waar het Strassb. 40. daar zou het echter wezenlijk ‘weinig goedes’ kunnen beteekenen. Is ook te vergelijken stüzel = zusammengebundener haarzopf Spiess Beiträge zu einem Henneberger Idioticon. Het hs. Ook op onze plaats komt de reflexieve beteekenis niet zeer duidelijk uit. 1349. caritate en soect nerghen sijn ghewin D. Van een woord premant is elders nog geen voorbeeld gevonden. Mnl. plur. Over de verwisseling van deze beide klinkers z. 51. bl. dat nog heden in gebruik is in de beteekenis van “verwaand. wörterb. bal leest (z. 22. 59. parmantigh. Doctr. de aanteekening aldaar).’ 91. Nat.. si (Jesus en Maria) mi bringen moeten.) swaerlikere afbreekt sijn gelt 3 . al hebbesijs luttel goet verdient Lorr. II 29 ac si tanta tuam vexat insania mentem. 485 en Mhd. 2 . 35. wederlegt dit. 14. ik schrijf goet naar de andere voorbeelden) beteekent enkel ‘weinig’ (z. ook in het Spaansch aldus gebruikt. 15 stoet: goet (vgl. 1. 57. resilire. niet zoo bekend als in het Nl. 8981. 822. 33 met enen stoete: zoete. 2759. klinkers en medeklinkers. Verdam. Pipe heet ook de steel of stengel. dicitur proprie de pila non resultante. 1 . als adverbiaal gebruikt: ic wille bliven haer goede vrient. ende gaven stappans sinen geest Walew.) van u drien heeft sijn behoer Mask. hoe sine ghebrochten te sijnder hant St.. sine vrucht es lanc. 628 (daartegen caritate niet en soect haer bate 625). 47. 770. Weissman Alex. parmentier kleedermaker. Wien 1881? Kil. die hem (masc. Sp. 2.407 7 (una) af siere sonde 1 . 580 staat lettel goeds. Seghelijn gloss. stoete = panis triticus quadratus etc. 72. Hs. 22. 229 vgg. 11. heeft stuyten Holl. ic hebs 2 6 4 8 Jacob van Maerlant. û en oe naast elkaar. Alexanders geesten .. bl. Amand 1. Zonder twijfel zijn deze woorden verwant.na dat corte leven mijn ter 6 eweliker bliscap sijn 4 . 17. 2 . 65. resultare instar pilae. 718). bellus. soe datse ghene wuwe vant ende hiefse op te hant ende sloechse in sinen tant Esop. Een groote knikker wordt ook nu nog een stuiter genoemd. voorts Anzeiger VII. die genas de joncfrouwe altemale ende brachtse ten 4 kerstenhede. parement = ornamentum. stute (vgl.

Magaz. ende dat hi gheens goets ontbeet Theoph. om dat si niet wel conden bedwingen trike Velth. Walew. voorts Limb. van hem afkomstig is. 26057 in dezelfde beteekenis met luttel hoep liede. 156. 2 . gode nochtan van hemelrijke en coste haer ziele niet so luttel goet. den hertoghe ontsie ic alsoe lettel goet 2. goets?) ontbeten 2. denkelijk te lezen l. bl.a u l a m Gordium veteres. die knape die bi der maget sat ende lettel goet dranc of at Limb. 3. 976. goet. M. vgl. 4. 9. de geheele stede. 191 het geheel der tot de borch (173) behoorende gebouwen. der sorghen daer ne God uut moete borghen Rb.). De Jager. 2. 96. 7747 en elders. 5.Stoke bezigt eens lettel lief op dezelfde manier als anderen lettel goet: so dat si luttel lief gheroen.B. luttel) op telde Grimb. al) achtijs cleine dat si verloren bleven euwelike. lettel goed so doe (l. en uit deze gevallen blijkt. sine hadden in langen goets ontbeten Lanc. 630. elders wel heeft. 189 vs. 32. dat ons god borge ute dezer groter zorghe Franc. doet) gewach die ieeste van desen ·II· coningen. of luttel sliepen binnen der nacht 6. dat ic niet geve omme sijn doen alse goet als ·I· bottoen Renout 1245. 3. 1542. . 7090. 2. 1. beteekenen. bij Gaut. dat gi doet (mijn kamp is gemakkelijk tegenover den uwen) 2. 7. bl. 25. het Glossar. . In Maerlants geschriften vinden wij de uitdrukking elders niet. 1116. 56.). 14095. 83 (latijn hos vero quibus timeo ipse custodias. 6. 5. Taalk. neve. 97.. en het is werkelijk des te eer mogelijk dat in het Mnl. die plaats. 2. Vergi 627. Merlijn 10953. Alexanders geesten . enkel lettel schreef. Merl. hine hadde gedronken no geten no en geens goet (l. 18015. Sardim dixere moderni. 179. 14. bernen tot bornen enz. 44910. Kil. 42711. 32.. als (l. en op de tweede is het ook buitendien vrij zeker dat M.W. 5. In dit geval staat ook lettel goets: mi mochte lettel goets ontgaen (zegt een roover) Lancel.. die Vlaminge stoeden vol haers moet (l. 14175 staat so luttel goeder liede. 2. 44145. Troyen 4330 is van Segher. 4796. 2. de vertaling in de aanteekening gegeven is niet nauwkeurig). 3 . daar berghen door klankverwisseling tot borghen kan worden. 1. 31. De beteekenis tueri is in het Mnl. Lanc. hadt hem groet goet moghen vromen Stoke 9. daer waser lettel goet gesont Lanc. 162..Somtijds heeft goet nog iets van zijn eigenlijke beteekenis overgehouden. D. Ik betwijfel het of sale deze ruimere beteekenis in het Mnl. Op de eerste zou men goeds zonder nadeel voor de maat kunnen verwijderen. nog in volle kracht: verborghe die ghene daer ic voren sorghe Sp. plaatst borghen en berghen onmiddellijk naast elkaâr. 42. 1800. Velth.. 36. Borghen. 9345 (vgl. 69 intravit. het is dus niet zeer waarschijnlijk dat zij op de twee plaatsen in den Alex. ic ben. 1349 (met aanteek. werpen tot worden. .. 3650. moets) ende getrouden hem lettel goeds Velth.. Sale moet hier en in vs. 44173. 24101. menich ors. darom dat hi woud sturten sijn bloed Kerstine 1018. Ystor.Van het meer algemeen worden der beteekenis van goet getuigen ook deze voorbeelden: si gingen eten.met u ghemint wel luttel goet Partonop. zooals werden tot worden. 9. 241. hoe die spreekwijze langzamerhand geworden is tot eene zoodanige. 2. 153. vertaalt misschien al te woordelijk. 1031. 346. 4. 3189. 6. 752. waarin de beteekenis van goet geheel op den achtergrond gedrongen is en lettel goet niets meer zegt dan lettel. 2. 3.408 te doene luttel goet jegen.. de beide woorden in elkander overgaan. 65. 2745. Vooral wordt het gebruikt met uut: uut allen anxte verborghen Sp. lettel goet heeft hijs ghelaten Limb.daer men lettel goet (var. 9. 7 2 Jacob van Maerlant. 5. vgl..

ende doet haer te doene ontsacht. Sp.) moet dus eene oudgerm.. gesp. zeer gewoon.Geheel miskend is het woord door den uitgever van Van den derden Eduwaerde: wie sach ye des gelike. die Stelle wo verengt is.409 185 vgg. Ferguut es sijn rechte name Ferg. Ferg. schijnt het Lat. verklaren het laaste voor juist: Navelsee ‘als stroomende in het midden der bekende aarde (in umbilico terrae). 16. Alexanders geesten . voorts Sp.) en Mhd. knopf zegt. M. worden rike ende ooc so weeldech sekerlike. Narvel (mannel. natuurlijk is op beide plaatsen ontfacht te lezen en desgelijks vs. bedorven waren. daartoe behoort narwa cicatrix (eigentlich Verengung. 72. D. Partia heet bi rechter namen Alex. 9. noch heten die keysere alle te samen Augustus na hare rechter namen Rb. de eerste de overhand verkregen. Welke zeeën M. niet kon zien en voorzeker het ook niet uit zich zelf wist (Curtius III. 203 en 250 is dus in Narvelsee te verbeteren. niet moeten schrappen) of samengesteld Narvelsee (Nervelsee) is vermoedelijk eene afleiding van narw. 89. 466. nerwen = eng maken. waar het Hd.’ Maar hoe verklaart men dan dat de afschrijvers zoo dikwijls Narvelsee schrijven? Dit laatste moet de juiste benaming wezen.B. Maar ook Ulrich von Eschenbach vertaalt in zijne Alexandreïs deze plaats verkeerd (von einem mer in daz ander Flôz ein wasser) en het is niet onmogelijk dat de latijnsche hss. vervolgens 1) ontgaan. Ook vs. es sijn gherechte name 4918. Schade Altd. De hss. gloss. 3 . 3 . Die Narvel (ik had in den tekst het lidw. vgl. 2 . verbindende zee. 86. die Juden wilden 4 2 1 ontvechten dien van Rome Sp. Weig. Nl. 1 . Partonop. 15. 7 4 6 mi en ontfechten ghene dinghe Troy. wörterb. hebben èn Narvelsee (Nervelsee) èn Navelsee. naar = eng. ook 596. Men ziet dat voor ‘onuitvoerlijk zijn’ zoowel 1 Jacob van Maerlant. . 22. het Nl. Eng. z. 7. en de uitgevers van den Sp. 99.Gaufrijt Maerteel bi rechter namen Sp.) gebruikt echter in verschillende beteekenissen de laatste. 66. 1. iemand te zwaar vallen. toe: of icket wille ic saelt vulbringhen. 2) afvallig worden. Hic ab utroque mari distans Sangarius aeque littoribus tamen alterius communicat undas.. 7177. 540. dat keiser Juliuse ontsacht. knop en knoop. 1 . 3 . de eng gemaakte zee? of de eng makende. en ook Alex. Maar Narvel is zeker de Middellandsche zee. bijzonder in de derde beteekenis: ghi selt met rechte der doot ontvechten Floris 3540. 4. 4 . ende des ooc noyt en hadden macht coninge van Vrancryke 168. niet goed te hebben begrepen. Lekensp. 13. 7. narrow. narwo. voorbeelden voor de beteekenis 3) z. bedoeld heeft is moeielijk te zeggen. dat ere vrouwe haer kint tconincrike van Ingelant wint. (en reeds het Mnl. 3) onuitvoerlijk worden voor iemand. 20849. knopf en knauf heeft in het Hd. 78. Van de twee oorspronkelijk gelijkbeteekenende vormen. houvast. (ohd.W. desen hemel heet de scrifture Empyrus bi rechter namen 100. 71 hic Asiam refluis undarum cursibus artant faucibus angustis gemini confinia ponti.