P. 1
Wetenschapsleer C01221

Wetenschapsleer C01221

|Views: 1|Likes:
Published by Stuvia.com
Wat wordt verstaan onder wetenschap? Hoe komt wetenschap tot stand? Belangrijke wetenschappers en stromingen.
Wat wordt verstaan onder wetenschap? Hoe komt wetenschap tot stand? Belangrijke wetenschappers en stromingen.

More info:

Published by: Stuvia.com on Jul 17, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $8.55 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

08/15/2014

$8.55

USD

pdf

Wetenschapsleer C01221

door
brakenbi
De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en
nog veel meer..
www.stuvia.com
C01221: Wetenschapsleer
Introductie tot de cursus
Leereenheid 1 Relevantie en pretenties van de wetenschapsleer blz. 2
Blok 1 Wat is wetenschap
Leereenheid 2 Geschiedenis van de vroeg-moderne wetenschappen blz. 4
Leereenheid 3 De ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie blz. 8
Leereenheid 4 Wetenschapsfilosofie en –sociologie blz. 13
Leereenheid 5 Het probleem van het wetenschappelijk realisme blz. 17
Leereenheid 6 De wetenschapsantropologie van Bruno Latour blz. 22
Blok 2 Wetenschap en techniek
Leereenheid 7 Natuurwetenschap en techniek: hiërarchie en analogie blz. 28
Leereenheid 8 Menswetenschappen en sociale controle blz. 32
Leereenheid 9 Twintig jaar denken over seks en wetenschap blz. 37
Leereenheid 10 De maatschappij als laboratorium van de wetenschap blz. 40
Blok 3 Eenheid en Verscheidenheid
Leereenheid 11 Wetenschap: eenheid en verscheidenheid blz. 43
Leereenheid 12 Causaliteit in de empirisch-analytische wetenschappen blz. 47
Leereenheid 13 Teleologie in de levenswetenschappen blz. 50
Leereenheid 14 Narrativiteit in de mens- en cultuurwetenschappen blz. 53
Overzichten
Overzicht wetenschappers blz. 57
Overzicht stromingen blz. 58
Mindmaps
Bacon en Descartes blz. 59
Wiener Kreis en Wittgenstein blz. 60
Popper en Kuhn blz. 61
Lakatos en Realisme/Realivisme blz. 62
Collins en Latour blz. 63
Natuurwetenschap en techniek / functionalisme en interactionalsime blz. 64
Disciplineringtheorie en socialisatietheorie en Sekse en wetenschap blz. 65
Continentale en Angelsaksische filosofie blz. 66
Wetenschapsleer HK blz. 1 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Introductie Leereenheid 1Relevantie en pretenties van de wetenschapsleer
Hoofdstuk 1: Introductie
A) De rol van de moderne wetenschappen in onze omgeving en onszelf:
1) Wetenschappelijk technische producten: elektriciteit etc.
2) Wetenschappelijk technische richtlijnen: schooladviezen, gezondheidsadviezen etc.
3) Wetenschap biedt kennis en bepaalt hoe deze kennis tot ons komt
I) Wetenschappers zijn vaak belangrijker dan politici
II) De media geven ons aanwijzingen hoe met de experts om te gaan
1. De wetenschappen in de media
A) De media selecteren de eigen onderwerpen en geven hun (niet eenduidige en variërende) opvatting over
wetenschap en de wetenschappers aan, de belangrijke rol van de media wordt onderstreept:
1) Jaren 50 en 60: wetenschappers: C verstrooid, alles wetende en betrouwbare wetenschapper t.o.v. koel,
op macht belust
2) Heden ten dage: wetenschappers: C politiek onnozel C gewiekst C domme formele bureaucraat C
aarzelende adviseur
C held © expert van actiegroep C weet het altijd beter dan politici ® verkoper van zijn product
B) Wetenschapsleer opent de black box; de wetenschapper laat zelf niet zien hoe de hij werkt of hoe de kennis
tot stand komt:
1) C de lange discussies C de onenigheid C de machtstrijd C de invloed van externe opdrachtgevers
2. De filosofische bestudering van de wetenschappen in historisch perspectief
A) Kentheoretische rechtvaardiging van de geldigheid van kennis
1) Onderwerp van studie : de wetenschappen van > 1600: voornamelijk wiskunde en natuurwetenschappen
(mechanica)
I) Deze werden vanuit een specifieke kentheoretische of wetenschapsfilosofische vraagstelling
onderzocht.
II) Normatief: zij wilden hun methode ten voorbeeld stellen aan andere wetenschappen
B) Vraagstellingen:
1) C wat voor type kennis wordt verworven C wat is de relatie tussen de kennis en de werkelijkheid
I) centrale noties bij filosofische analysen: C geldigheid, C waarheid, C zekerheid en C
wetenschappelijke methode
C) kentheoretische vraagstelling: met kennis wordt aanspraak gemaakt op geldigheid, dit is echter niet
genoeg om het geldig te maken
1) quaestio facti= feitelijkheid: empirische onderzoeksvraag
2) quaestio juris = rechtmatigheid (filosofie) de rechtvaardiging betreft niet of het ethisch juist is, maar:
I) Fundament van kennis: het m.b.v. een wetenschappelijk methode funderen van kennis op absoluut
zekere grondslagen
II) De aard van de fundamenten was strijdpunt o.b.v.:
(i) empiristen: empirische zintuiglijke informatie = het tot stand brengen van de noodzakelijke
verbindingen tussen onbetwijfelbare empirische gegevens en abstractere begrippen of wetten
(ii) rationalisten: menselijk (goddelijk) bewustzijn = het tot stand brengen van de noodzakelijke
verbindingen tussen ware ideeën en empirische gegevens
(a) Descartes 1596-1650: Discours de la Methode 1637: Descartes ervoer onvrede over
wetenschappen (m.u.v. wiskunde). De wetenschap moet zich ontdoen van schijnkennis en
uitgaan van onbetwijfelbare, heldere en welonderscheiden ideeën. Het verstand verschaft
deze op deductieve wijze
3) Kennis is waar als ze op de juiste manier is verworven. Algemeen geldende feitelijke kennis (schijnkennis)
hoeft niet waar te zijn
4) Modelwetenschappen : wiskunde en natuurwetenschappen (mechanica); normatief: de
modelwetenschappen werden ten voorbeeld gesteld aan de andere wetenschappen
D) Sociaal filosofische legitimatie/rechtvaardiging van de wetenschappen: het belang van wetenschap
voor de maatschappij
1) Progressieve rol van de wetenschap 1600-1850: (Bacon 1651-1626) wetenschap brengt het paradijs op
aarde. Deze vanzelfsprekendheid was kenmerkend voor de Verlichting.
2) Wetenschapskritiek 19
e
eeuw: een wetenschapskritische periode: hebben de wetenschappen een
positieve betekenis voor het maatschappelijk leven (Marx: misbruik van de wetenschap door de
heersende klasse)
3) Misbruik en onderdrukking : 20
ste
eeuw: een verder ontwikkelde kritische houding, niet alleen gericht op
misbruik van de wetenschap, maar ook op de wetenschap an sich. Wetenschap zou een onderdrukkend
karakter hebben (Schule).
3. Wetenschappelijke benaderingen van het verschijnsel wetenschap
A) De filosofie heeft bijgedragen aan de grote vlucht van de wetenschappen in de westerse wereld
B) Voorbeeld: wetenschappelijk onderzoek naar het morele oordeel
1) Moreel dilemma : een onontkoombaar conflict tussen twee mogelijkheden die niet tegelijk gekozen
kunnen worden.
I) De ontwikkelingspsychologie bestudeert of en zo ja welke stadia in het morele oordelen kunnen
worden onderscheiden
(i) Wat te doen bij een morele kwestie en waarom kiest men daarvoor: het morele oordeel.
blz. 2 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
II) Kohlberg: morele oordelen kunnen hiërarchisch worden geordend in stadia al naar gelang het
ontwikkelingsniveau van het individu
(i) Het individu bereikt steeds hogere en betere stadia:
(a) het ideaal van een onpartijdig, universeel en reciproque concept van rechtvaardigheid
(ii) Het laatste stadium: iedere individu is gelijk en wordt gelijkwaardig beschouwd.
(a) De oplossing van problemen wordt -aan de hand van universele ethische normen- op het
ultieme niveau gezocht
(b) in geval van conflict met wetten overheerst het eigen morele inzicht.
2) Invalshoeken van studie van de ontwikkelingspsychologie (o.b.v. het voorbeeld van Kohlberg )
I) Waarom wordt een bepaald onderwerp bestudeerd:
(i) Interne factoren: de onderzoeksvraag vloeit voort uit eerder wetenschappelijk werk
(ii) Externe factoren: maatschappelijke omstandigheden
(iii) Cultuurhistorische benadering: waarom is er zoveel interesse voor een bepaald onderwerp in een
bepaald land
blz. 3 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Introductie Leereenheid 1Relevantie en pretenties van de wetenschapsleer
C) Wetenschapsgeschiedenis
1) Historische benadering: geschiedenis an sich van de wetenschap (zowel intern als extern): geeft reliëf
aan de stand van zaken op een bepaald moment
2) Wetenschapssociologie en wetenschapsantropologie: Sociale factoren: C wat is de sociale structuur van
wetenschappers, C wat zijn de processen, C wat is de interactie met de omgeving C een bredere sociale
context: wat is de sociale structuur van de organisaties die de kennis gebruiken
3) Wetenschapseconomie : Economische en financiële aspecten: wat zijn de kosten en baten van een
onderzoek
4) Wetenschapspsychologie: Psychische aspecten: Cwat is in het geding bij het onderzoek C over welke
kwaliteiten moet iemand beschikken om het onderzoek uit te voeren (de psychische processen die
meespelen) C de rol van waarneming, creativiteit, denkprocessen en andere cognitieve functies in het
onderzoek

4. Wetenschappelijke benaderingen van de wetenschap en de rol van de filosofie
A) Redenen waarom de wetenschappelijke bestudering van de wetenschappen in de belangstelling
staan
1) De politiek en maatschappelijke groeperingen roepen de hulp van de wetenschappen in
2) De traditionele wetenschapsfilosofie is zich gaan interesseren voor andere benaderingen van de
wetenschappen:
I) traditionele wetenschapfilosofische kwesties kunnen nooit door logische argumentaties alleen
opgelost worden
B) De relatie tussen filosofie en wetenschap: Twee algemene opmerkingen:
1) De kentheoretische problematiek blijft; zie hieronder het Droste Effect:
I) De wetenschappelijke benadering van wetenschap heeft een wetenschappelijke pretentie en kan dus
zelf ook onderzocht worden: de kentheoretische analyse is niet overbodig geworden door de opkomst
van andere benaderingen
2) De sociaal filosofische analyse blijft
I) De wetenschappen kunnen de kwestie van de maatschappelijke waarde van de wetenschap niet
volledig beantwoorden, deze sociaal filosofische vraag wordt daardoor zelfs nog klemmender
3) De taak van de filosofie
I) Filosofie is dus niet de uiteindelijke scheidsrechter, ook de publieke meningsvorming en de
wetenschappen zelf dragen bij
4) filosofie is de poging om systematisch maatstaven te rechtvaardigen in dialoog met anderen
C) Voldoet de wetenschappelijke benadering van de kentheoretische en sociaal filosofische problemen rond
wetenschappelijke kennis?
1) Nee, deze benaderingen roepen onmiddellijk dezelfde problemen weer op
2) De wetenschappelijke verklaringen voor deze vragen pretenderen waar te zijn
3) Maar de rechtvaardiging kan niet alleen op wetenschappelijke wijze worden afgedaan, dan komen de
vragen voor de derde keer op.
I) Het Droste Effect: een visueel effect, waarbij een afbeelding een verkleinde versie van zichzelf bevat.
Voor de verkleinde afbeelding geldt weer hetzelfde, enzovoort. Dit proces van zelfverwijzing heet
recursie.
A) De voornaamste benaderingen in de wetenschapsleer
1) Filosofie van de wetenschappen
2) Geschiedenis van de wetenschappen
3) Wetenschapssociologie en –antropologie
4) Wetenschap en maatschappij
blz. 4 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 2 Geschiedenis van de vroeg-moderne
wetenschappen
Hoofdstuk 2: Introductie
A) 1500-1700: Wetenschappelijke revolutie: de belangrijkste effecten
1) Het ontstaan van de moderne natuurwetenschap vanuit de klassieke wetenschappen: sterrenkunde,
hydrostatica, mechanica, optica, geometrie. Een nieuwe ontwikkeling was de analytische meetkunde
2) Het leggen van de grondslag voor de moderne natuurwetenschap in het algemeen en de moderne
techniek
3) Het belang van de wetenschappelijke revolutie voor de cultuur van de maatschappij:
I) Het Manifest wereldbeeld: De ervaring van alledag: common sense staat veraf van het
Wetenschappelijk wereldbeeld de fysica
II) Het mensbeeld veranderde: men zag de mens steeds meer als een machine; een fysiek apparaat
(i) C Descartes: mens = machine met geest C De La Mettrie: mens = slechts machine
4) Het effect op levens- en menswetenschappen: de fysica stond model voor de toekomstige vorm van
kennis en wetenschap
1. Verschillende visies op de wetenschappelijke revolutie
A) Geen overeenstemming over de belangrijkste kenmerken dan wel periodisering van de
wetenschappelijke revolutie;
1) Samenwerking dan wel onderscheiding tussen ambachtslui en academici
I) Marxisten Toenemende samenwerking tussen ambachtslui en academici
II) Verklaring van het werk van Galilei: zijn poging zich te onderscheiden van intellectuele ambachtslui
(artsen/mathematici)
2) Levensbeschouwelijke verschillen
I) Bagatellisering van gevolgen van de revolutie voor de filosofie en voor het wereldbeeld = geen strijd
met christelijke waarden
(i) Katholieke Frankrijk: benadrukking van wiskunde en speculatie (kansberekening)
(ii) Protestante gebieden: benadrukking van de ervaring en het experiment
II) Historici die afstand nemen van religie: beide factoren: wiskunde én experiment maken onderdeel uit
van de revolutie
(i) In de astronomie en mechanica speelde het experiment aanvankelijk geen rol van betekenis
3) De wetenschap biedt een kritische houding t.a.v. godsdienst, politiek t/m wetenschap/ of wetenschap is
juist dogmatisch bezig
4) De wetenschap leidt tot economische en/of sociologische veranderingen
5) Nieuwe communicatiemiddelen zijn de belangrijkste oorzaak van vooruitgang
B) Would be revolutionairen benadrukken altijd het verschil met hun voorgangers en overdrijven het verschil
met hun tegenstanders
1) De woordvoerders kunnen niet altijd op hun woord geloofd worden
I) Newton gaf een heel andere officiële versie van zijn bevindingen dan die in zijn persoonlijke mening.
II) De remmende invloed van de Royal Society (protestants) en de invloed van de officiële Newton heeft
bv een remmende werking gehad op de ontwikkeling van theoretische fysica in GB.
2.+ 3. Het middeleeuwse wereldbeeld wordt verlaten; en het mensbeeld van de wetenschappelijke
revolutie
A) De wetenschappelijke revolutie betekent een einde van het middeleeuwse wereldbeeld dat beïnvloed werd
door Aristoteles
(384-322 V.C.), Ptolemaeus (100-170 NC): de Almagest (150 NC) en de Joods-christelijke traditie.
1) Dit oude wereldbeeld staat dicht bij common sense: de directe ervaring.
Stelling van het middeleeuwse wereldbeeld: aristotelisch-christelijke kosmologie weerlegging
1 Het hemelgewelf draait rond de aarde: zintuiglijke ervaring Copernicus
2 De zon komt op en gaat onder: zintuiglijke ervaring Copernicus
3 In het bovenmaanse is eeuwige regelmaat, in het ondermaanse is verval, bederf en chaos:
geen zintuiglijke ervaring.
Met onze kennis van nu, stellen we vast dat de hedendaagse westerse mens vol zit met
regelmatigheden, dit zijn echter gecreëerde regelmatigheden die pas manifest worden door
menselijk handelen
Galilei
Newton
4 Het heelal is een eindige ronde koepel
A) De Grieken hielden langdurig lijsten bij om de verschijnselen aan de hemel te
beschrijven: een hemelkoepel (de zon, de planeten en de maan), met vaste sterren die
een dagelijkse gang rond de aarde maakt
B) De banen zijn constant en hebben een vaste snelheid
C) Het regelmatige = goddelijk; De cirkel en de homogene (eenparige) cirkelbeweging zijn
de meest volmaakte uitdrukkingen van het goddelijke en eeuwige
D) Hemelverschijnselen konden beschreven worden in termen van deze volmaakte figuren:
cirkels
1) discrepantie: de retrograde beweging, het terugkeren van planeten in hun baan aan
de hemelkoepel.
2) meetkundige trucs om dit verschijnsel uit te leggen: een verplaatsing als in een lus
(bijcirkel of epicyclus)
Descartes
Copernicus
5 Alle beweging is eindig, behalve de beweging van de planeten en van de hemelkoepel Galilei ;
blz. 5 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Newton
6 Kleuren, geuren, geluiden en tactiele zintuigervaringen hebben een reëel fysisch bestaan Galilei;
Descartes
7 De kosmos, planeten, aarde, planten en dieren hebben een eigen plaats, functie en waarde.
Ze staan in dienst van de mens, zowel de aarde (geocentrisme) als de mens
(anthropocentrisme) staat in het middenpunt van de kosmos
Descartes
E) Copernicus 1473-1543: De revolutionibus orbium coelestium (1543)
1) Een verklaring voor de retrograde beweging m.b.v. een mathematische beschrijving
F) Galilei 1564-1642: de eerste en belangrijkste van fysici/wiskundigen die zich verzette tegen de
common sense.
1) Hij heeft grote lof voor Aristarchus (310-230 V.C.) die de zon in het middenpunt plaatste en Copernicus
1473-1543: die een mathematische vorm aan deze stelling gaf
2) C Hij ontwierp de telescoop C hij ontdekte de manen van Jupiter C hij bestreed de ideeën van Aristoteles
over hydrostatica (drijven, zinken en zweven) en het vacuüm.
3) Hij vangt aan het ondermaanse op dezelfde manier te zien als het bovenmaanse: ondermaanse =
bovenmaanse; ook op de aarde bestaat de cirkelbeweging
I) Galilei’s valwet: drie soorten bewegingen: 2 natuurlijke C cirkelbeweging (hemel) C rechtlijnige
valbewegingen (aarde)
en 1 onnatuurlijke: C gedwongen bewegingen
II) De rechtlijnige valbeweging (op aarde) is in principe dezelfde als de cirkelvormige beweging (in de
hemel): De natuur maakt geen sprongen: natura non facit saltus. Galilei komt later op deze stelling
terug, maar de cirkelbeweging blijft fundamenteel .
III) Galilei maakt gebruik van een continuïteitsprincipe: als een voorwerp -vanuit rust- een bepaalde
snelheid bereikt, moet het alle tussenliggende snelheden doorlopen
(i) De algemene stelling tot 1900: voordat de kwantummechanica deze weerlegde (natuur =
discontinu)
blz. 6 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 2 Geschiedenis van de vroeg-moderne
wetenschappen

4) Galilei’s belangrijkste bijdrage : het mathematisch vormideaal: de werkelijke wereld wordt gereduceerd tot
mathematische relaties tussen mathematisch gedefinieerde entiteiten
5) Galilei maakte net als Descartes, Locke en Hobbes* -op basis van mathematisch vormideaal- onderscheid
tussen
I) Objectieve eigenschappen: grootte, beweging en getal
II) Subjectieve waarneming van objectieve oorzaken: Kleur, geur, smaak, geluid en zintuiglijke
ervaringen (warmte en pijn)
(i) * Locke: (primair en secondair) en Hobbes o.b.v. atomisme
6) Galilei’s visie op functie en waarde kosmos: geordend huis in dienst van mens en ter meerdere glorie van
god; verlaten van geocentrisme (de aarde is het middelpunt van het bestaan), maar niet van
anthropocentrisme (mens is het middelpunt)
7) Galilei werd beïnvloed door Pyhtaforas en Plato en het atomisme van Democrites (het atomisme
gekoppeld aan de mathematische traditie of de mechanistische filosofie)
I) Atomisme = geurloze, smaakloze, geluidloze materiedeeltjes die gekenmerkt worden door grootte,
getal, beweging en rust.
G) Descartes 1596-1650: kritiek op de stelling van Galilei
1) Verwierp alle 7 principes van de aristotelisch-christelijke kosmologie, het heelal is oneindig (stelling van
Newton)
2) Hij zag de wereld als een onherbergzame draaikolk vol botsende turbulente deeltjes
3) Meditationes de prima philosophia: zes meditaties over de natuur, god en het verschil tussen ziel en
lichaam
I) angst voor vervolging: enerzijds uitwerken van fysica en wereldbeeld en anderzijds het zoeken van
filosofische argumenten
4) in latere werken tast hij de mechanische filosofie verder af: C ontstaan zonnestelsel en planeetbanen C
verklaring lichtverschijnselen C werking van het hart, zenuwstelsel en hersenen C reikwijdte van de
mechanistische verklaringen in de psychologie van cognitieve vaardigheden
5) sommige fenomenen zijn subjectief en andere objectief; een vergelijking met de stelling van Galilei
I) subjectieve ervaringen aan te vullen met herinneren en verbeelden (pendant in werkelijke wereld =
verandering zenuwstelsel), én denken (creatieve processen kunnen niet door een materiaal systeem
tot stand gebracht worden) en willen (materiële processen zijn strikt deterministisch van aard: een
vrije beslissing vereist een niet deterministisch proces).
II) Het is onduidelijk hoe het proces verloopt: veronderstelling was dat dit geschiedde middels de
pijnappelklier
Het moment van de splitsing van lichaam en geest is het geboortemoment van de psychologie
Fysisch (lichaam) Psychisch (geest)
Materieel = objectief Geestelijk en bewust = subjectief
Vorm, grootte, beweging en rust heeft
correspondentie in de fysische wereld
Waarneming van vorm, grootte, beweging en rust
Kleur, geur, geluid en tactiele eigenschappen
Verbeelden en herinneren heeft een correspondentie:
zenuwstelsel
Verbeelden en herinneren
Denken en willen heeft geen correspondentie Denken en willen
H) Newton 1643-1727: Philosophaie naturalis principia mathematica 1687;
1) Newton reduceerde de hemelverschijnselen tot aardse verschijnselen bovenmaanse = ondermaanse:
I) de cirkelbeweging is niet fundamenteel op basis van hetzelfde mathematisch vormideaal als Galilei;
2) Newtons bouwsteen was de eenparige rechtlijnige beweging (de meest fundamentele stelling van de
moderne mechanica):
3) De drie wetten van Newton
I) Wet van traagheid (traagheids- inertieprincipe): Een object dat zich in een rechte lijn beweegt, waar
geen krachten op uitgeoefend worden, zal dezelfde snelheid en baan houden
(i) Krachten zijn niet verantwoordelijk voor de snelheid, maar voor snelheidsverandering
II) Wet van zwaartekracht (gravitatiewet): krachten werken in op de planeten zodat deze een
ellipsvormige baan beschrijven (Kepler)
(a) F (aantrekkingskracht) = g (constante) * m1*m2 (massa van 2 objecten)
r2 (kwadraat van de afstand tussen beide
voorwerpen
(ii) Perpetuum mobile is een alleen denkbare, geen bestaande constructie
III) Wet actie is reactie.
Newton Galilei Descartes
De hemelverschijnselen worden
gereduceerd tot aardse
verschijnselen
Het ondermaanse heeft dezelfde
principes/patronen als het
bovenmaanse
De eenparige rechtlijnige
beweging (aarde) is
fundamenteel
Cirkelbeweging (hemel) is
fundamenteel
Galilei’s valwet aangevuld met Galilei’s valwet: Een voorwerp in
blz. 7 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
de algemene gravitatiewet;
rekening houdend met de wet
van traagheid en de wet actie is
reactie
vrije val maakt een eenparige
versnelde beweging naar het
middelpunt van de aarde
Objectief ≠ subjectief
Mathematisch vormmateriaal
grootte, vorm, beweging en rust
aangevuld met krachten
Objectief ≠ subjectief
Mathematisch vormmateriaal:
grootte, vorm, beweging en rust
Objectief ≠ subjectief
Mathematisch vormmateriaal
grootte, vorm, beweging en rust
aangevuld met verbeelden en
herinneren; denken en willen en
krachten
Wet van traagheid: oneindig
heelal
Eindig heelal Oneindig heelal
Visie op functie en waarde
kosmos: verlaten van
geocentrisme, maar niet van
anthropocentrisme
Visie op functie en waarde
kosmos:
Een onherbergzame draaikolk vol
botsende turbulente deeltjes
blz. 8 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 2 Geschiedenis van de vroeg-moderne
wetenschappen

4. Problemen ten gevolge van de wetenschappelijke revolutie; een viertal vragen over de
kolomindeling:
A) Hoe steekt de fysische wereld in elkaar (natuurwetenschappen)?
1) De linkerkolom van Descartes is later door anderen aangevuld met massa, krachten en
veldeigenschappen.
I) Deze begrippen kwamen vaak uit stromingen die als vijand van de natuurwetenschap golden
(i) Kracht (Newton) alchimistisch werk
B) Wat is de aard van de elementen en welke relaties bestaan tussen de fysieke en psychische
krachten?
1) Antwoorden komen van psychologen, filosofen en natuurwetenschappers
C) Wat is de aard van werking van de psychische en fysieke krachten?
1) Antwoorden komen van wetenschaps- en kennistheoretici.
D) Is in het natuurwetenschappelijk wereldbeeld geen plaats voor de menselijke geest?
1) Men houdt zich bezig met objectieve fenomenen, subjectieve ervaringen zijn irrelevant
2) Het is echter onmogelijk om bewustzijn en subjectieve fenomenen te negeren
I) De wetenschappen zijn gebaseerd op het contact tussen subject en wereld
II) Gevoelens en ervaringen staan niet op zich, de mens is beide, er zijn onmiskenbare relaties
5. De consequenties van de mechanicistische filosofie voor de andere wetenschappen
A) Klassieke wetenschappen boekten de grootste vooruitgang
1) astronomie, mechanica, optica en hydrostatica hadden al in de oudheid een wiskundig niveau
2) Men kan o.b.v. relatief eenvoudige waarnemingen komen tot de formulering van eenvoudige
regelmatigheden
3) De verdere ontplooiing van mechanica vereiste een nieuwe tak van wiskunde (differentiaalrekening)
Newton en Leibniz.
B) Beconiaanse wetenschappen Bacon: ook andere zaken moeten op de pijnbank van het experiment worden
gelegd.
1) elektriciteit en magnetisme : deze verschijnselen kunnen we aan enkele heel specifieke stoffen en onder
heel bijzondere omstandigheden constateren.
2) Scheikundige verschijnselen, luchtdruk en werking van pompen (pneumatiek)
C) De integratie van de klassieke en baconiaanse wetenschappen
1) Beconiaanse wetenschappen stonden los van de klassieke wetenschappen
I) Het atomisme werd overgenomen, maar de mathematische oriëntatie kreeg veel minder aandacht
2) De pneumatiek werd als enige al snel binnen de klassieke wetenschap geïntegreerd
I) Pascal (daarvoor Torricelli) zag de atmosfeer als een soort zee van lucht en paste de theorie van
hydrostatica en de daarbij behorende wiskunde toe
3) De integratie rond de 19
e
eeuw droeg een tweezijdig karakter
I) De baconiaanse wetenschappen werden volledig gemathematiseerd
II) In de klassieke theoretische wetenschappen werd het experiment belangrijker (diepere, niet meer
aan het oppervlakte liggende problemen werden onderzocht)
D) Mechanisme en biologie
1) De biologie viel niet binnen deze tweedeling, in de 17
e
en 18
e
eeuw hield het zich met name bezig met
het beschrijven van bestaande soorten, biologische vragen waren nog sterk met theologische thema’s
verbonden.
2) Pas in de 19
e
en 20
ste
eeuw werd de biologie omgevormd tot een mechanische natuurwetenschap
E) Mechanisme en psychologie
1) Het geboortemoment van de psychologie : de afbakening door Descartes van het mentale van de fysische
natuur
2) Rationalistische psychologie : een radicaal verschil tussen bewustzijn en natuur, hetgeen implicaties heeft
voor de wetenschap
I) De psychologie kon de fysica kon niet als model nemen
II) Descartes: verschil tussen fysica en het bewustzijn:
(i) De rationele psychologen zagen het bewustzijn als vrij, actief en creatief i.t.t. materie die passief
is.
(ii) Het bewustzijn kan op alle situaties nieuwe antwoorden vinden, er bestaat aangeboren kennis
3) Empiristische psychologie : de studie van de menselijke geest en de menselijke kennis gemodelleerd naar
het onderzoek van de natuur
I) Het empirisme heeft (onder invloed van Newton) de grootste invloed op psychologie, middels
natuurwetenschappelijke modellering. De mechanische filosofie wordt uitgebreid naar het gebied van
bewustzijn
II) Locke is de voornaamste spreekbuis van het empirisme, hij handhaafde ook een
tweekolommenbeleid, maar meende niet dat de twee entiteiten totaal verschillend waren, ideeën zijn
atomen van de geest
(i) Ideeën zijn afgeleid van sensorische elementen
(ii) Ideeën zijn bouwstenen van het bewustzijn (ze worden aan elkaar gekoppeld: gentle force =
associatiekracht
(iii) Ideeën zijn niet aangeboren: Tabula Rasa; de ervaring is de bron van alle kennis
(a) Het bewustzijn is niet actief (i.t.t. Descartes), het reageert door associaties tussen
blz. 9 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
verschillende ideeën
(i) De gebeurtenissen moeten in tijd en ruimte dicht bij elkaar liggen of op elkaar lijken
F) Waarschijnlijkheidsleer:
1) Pascal 1623-1662: ook wiskundige, fysicus, experimentator en uitvinder van rekenmachine
I) Psychologie kan niet op dezelfde wijze worden benaderd als fysica: het hart kent redenen die het
verstand niet kent v.v.
(i) Op basis van theologische overtuigingen
2) De verzekeringswiskunde (sterftecijfers) en de latere sociale geografie werden van de
waarschijnlijkheidsleer afgeleid
3) De grilligheden van het lot konden in kaart gebracht worden en vervangen worden door wetten en
statistische data
4) Men ving aan met het aanleggen van databanken op het terrein van de sociale geografie.
G) Sociologie:
1) Durkheim ontwikkelde theorieën over aantallen zelfmoorden o.b.v. de waarschijnlijkheidsleer
2) Condorcet: benadrukt dat de samenleving m.b.v. wiskunde beter begrepen kan worden
3) Marx (dialectische methode) en Weber (verstehende methode): hanteren een wetenschapsopvatting die
sterk afwijkt van de standaardopvatting en verzetten zich tegen de natuurwetenschappelijke aanpak
H) Economie: in de 18
e
eeuw: Smith: de economie werd vergeleken met de astronomie
blz. 10 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 2 Geschiedenis van de vroeg-moderne
wetenschappen

6. De contrarevolutie
A) Vico 1668-1744 cultuurwetenschappen: Princippi di una scienza nuova d’intorno alla commune nature
delle nazione 1725:
1) Zijn stelling was: we hebben geen kennis van de natuur, wel kennis van de mens
2) Vico is een van de belangrijkste contrarevolutionairen : hij viel Descartes en de Cartesianen aan.
I) Zij zouden een verkeerd inzicht hebben in het kennisproces en gebrek aan historische relativering
3) Motivatie:
I) De rede is niet in staat om de werkelijkheid te leren kennen
(i) Het is fout om de natuur te willen bestuderen: deze is gecreëerd door god en dus niet
toegankelijk
II) Op terreinen die niet toegankelijk worden geacht, zou wel degelijk kennis mogelijk zijn
(i) Verum factum: Het menselijke is door onszelf gecreëerd en dus wel toegankelijk
(ii) Een vooronderstelling dat men slechts kan begrijpen, wat men zelf heeft gemaakt
(a) Daarmee bedrijft Vico zelf geschiedenis: wetenschapsgeschiedenis
(b) Zijn aanvalsstrategie is die van de historische relativering
4) Onderwerpen van onderzoek
I) C volkenkundig onderzoek naar zeden en gewoonten C studie der mythen C historische
taalwetenschap C politieke geschiedenis C geschiedenis van de maatschappijen in het verleden
(oudheid) © geschiedenis van recht en filosofie
5) Doel:
I) antimodernist bestrijding van de moderne tijd (die haar autoritair en theocratisch karakter verliest) en
van secularisering
II) Hij vormt de verbindingsschakel tussen de humanistische traditie van de renaissance en de
geesteswetenschappen (19
e
eeuw)
III) het antimodernisme van Vito en Pascal is gebaseerd op theologie maar behoudt zijn waarde als
voorbeeld van verzet tegen het imperialisme van de natuurwetenschappen.
IV) Zijn methode is vaak gebruikt door anderen: bestudeer wetenschap als een cultuuruiting en verklaar
deze vanuit de cultuur of periode waarin zij is ontstaan, zo wordt wetenschap een voorbijgaande
periode
6) De geschiedenis is een driecyclisch proces:
I) Alle perioden zijn gelijkwaardig; de geschiedenis is een continu proces, waarin de drie stadia steeds
worden doorlopen
(i) ze gaat over in het volgende stadium omdat ze aan haar gebreken ten onder gaat
(ii) ook de wetenschappelijke periode zal dus eindigen
(a) er ontstaat verstedelijking en de beschavingsziekte individualisering dat tot egoïsme leidt
(b) de wetenschap treedt in de plaats van autoriteit en vroomheid
1. De periode van de goden 2. De periode van de helden 3. De periode van de mensen
wetten zijn van goddelijke
oorsprong
wetten zijn nog van goddelijke
oorsprong maar moeten met
geweld gehandhaafd worden
de mensen maken de wetten
de mens is trots en wreed; de
zeden en gewoonten zijn religieus
mensen zijn agressief mensen hebben plichtsgevoel, ze
zijn vriendelijk, bescheiden en
redelijk
de politiek is theocratisch het goddelijk recht legitimeert het
regeren der machtigen
principes van rechtvaardigheid en
redelijkheid
veranderingen worden door goden
tot stand gebracht
de gemeenschap neemt
democratische beslissingen
sociale banden: familie de staat overvleugelt de
familiebanden
individualisering = egoïsme
taal is poëtisch en op metaforen
gebaseerd
de taal is militair de taal is logisch, de concepten zijn
rationeel
de dichters zijn opvoeder en
vormen de menselijke geest
veranderingen worden tot stand
gebracht door halfgoddelijke
helden die steden stichten en als
wetgever optreden
de periode van de wetenschap, die
in de volktaal wordt geschreven
B) De verschillen tussen de tegenstanders en de voorstanders van de wetenschappelijke revolutue
1) de historische relativering van de tegenstanders van de wetenschappelijke revolutie:
I) Geesteswetenschappelijke tegenstanders gebruiken altijd dezelfde aanvalsstrategie, namelijk de
historische relativering
II) Ze stellen dat wetenschappen op dezelfde manier moeten worden bestudeerd als mythen, zeden en
gewoonten
2) de voorstanders van het gedachtegoed van de wetenschappelijke revolutie
I) beschouwen deze periode als een unieke periode in de geschiedenis van de mens. Het zou de enige
hoop op vooruitgang zijn.
3) de tegenstrijdigheid tussen beide stellingen doet ook nu nog opgeld (postmodernen en modernen)
blz. 11 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
blz. 12 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 3 De ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie
Hoofdstuk 3 Introductie
A) Centrale vraag: hoe valt wetenschappelijke kennis te rechtvaardigen? Uitwerking:
1) De vraag kan gesteld worden naar aanleiding van de producten van wetenschappelijk onderzoek
I) Hoe kunnen deze producten worden gerechtvaardigd?
II) Waarop zijn de theorieën gebaseerd?
III) In hoeverre zijn theorieën te rechtvaardigen aan de hand van zintuiglijke ervaringen?
2) De vraag kan worden gesteld naar aanleiding van de keuzes die de wetenschappers maken
I) Er zijn verschillende theorieën, hoe valt de keuze voor een theorie te rechtvaardigen?
II) Welke criteria worden gehanteerd bij de keuzes tussen de theorieën?
B) De antwoorden komen meestal van het Logisch empirisme
1) Het logisch empirisme (logisch positivisme): is de stroming waarmee de wetenschapsfilosofie is geboren
Leerkern
1. de opkomst van de wetenschapsfilosofische problematiek
A) Rechtvaardigingsbehoefte vloeit voort uit afstand van alledaagse ervaring
1) De problemen van de wetenschapsfilosofen hebben hun oorsprong in de wetenschappelijke revolutie,
vooral t.a.v. de vraag naar de rechtvaardiging (rechtmatigheid) van de wetenschappelijke kennis; een
probleem dat ontstond nadat afscheid was genomen van de common sense.
B) Voorbeeld 1:
1) Aristoteles’ fysica : C alle beweging is natuurlijk, hetzij gedwongen C alle beweging is beweging naar een
natuurlijke plaats (de eigen aard van het voorwerp bepaalt het doen en laten, zware lichamen vallen op
aarde, lichte lichamen stijgen op).
I) Het is een triviale, alledaagse bemerking, iedereen ervaart dit, de wetten zijn dus plausibel, maar
hebben ook weinig diepgang
2) De klassieke fysica is niet alledaags, dat blijkt uit de wet van traagheid/eenparige beweging (Galilei /
Newton): alle lichamen -waarop geen krachten worden uitgeoefend- bewegen tot in het oneindige voort.
I) De gedachtegang kan alleen met een gedachte-experiment worden uitgevoerd (op aarde is immers
weerstand en zwaartekracht): de wet is dus op meer dan ervaringen gebaseerd, het is een product
van het verstand.
C) De oorsprong van de behoefte aan rechtvaardiging:
1) als wetten zijn niet direct af te leiden uit dagelijkse eraringen
2. Empirisme en rationalisme
A) Het antwoord op de rechtmatigheidvraag werd beantwoord door zich te beroepen op de geldigheid van een
kennisbron.
B) Er zijn twee vormen van bronnen: de ervaring en het verstand
1) Het empirisme : de empirie : de ervaring, de zintuiglijke waarneming
I) Ware kennis is primair gefundeerd op zintuiglijke ervaring
(i) kennis wordt ontwikkeld nadat de concrete feiten zijn waargenomen
II) Inductivisme: generalisatie: het afleiden van zo algemeen mogelijke regels uit een verzameling
specifieke gevallen
(i) Van waarneembare specifieke gevallen = algemene wetten
III) Piramide van Bacon: de weg naar het verzamelen van kennis:
(i) C voet van de piramide: het waarnemen en verzamelen van instances (feiten) C constante
combinaties van instances
C meer omvattende correlaties C m.b.v. wiskundige principes worden algemene wetten/kennis
afgeleid
2) Het rationalisme : de ratio : het verstand
I) Ware kennis is primair af te leiden uit door het verstand voortgebrachte principes
II) Deductivisme: deductie betreft het toepassen van een algemene regel/wet op een specifieke situatie
(i) Van algemeen aangenomen wetten = toepassing op specifieke situaties
III) Piramide van Descartes: de weg naar het verzamelen van kennis:
(i) C de punt van de piramide: de aangeboren, ware, heldere en distincte ideeën in de geest
(verstand) C leiden tot algemene fysische wetten C deze leiden tot hypothesen C waaraan
ervaringsgegevens en feiten worden getoetst en de hypothese kan eventueel worden bijgesteld.
3. Filosofie en psychologie
A) Het empirisme en rationalisme verschilt niet alleen in filosofische positie, maar ook in psychologische, ze
geven een verschillend antwoord op de vraag hoe kennis psychologisch wordt geproduceerd
B) Empirisme (Tabula rasa):
1) Associaties van zintuiglijke ervaringen : C De geest wordt langzamerhand gevuld met informatie van de
zintuigen, C waaruit kennis van de wereld -door accumulatie van ervaringen- wordt opgebouwd C
algemene inzichten komen tot stand via associaties van deze bouwstenen
2) Problemen : C hoe komen de associaties tot stand C hoe en C met welke mechanismen worden via
associaties abstractere ideeën gevormd: op deze vragen is nimmer een bevredigend antwoord gekomen
I) Voorbeeld vuur: waar en hoe wordt vanuit de gewaarwording licht en warmte het begrip vuur
gevormd?
C) Rationalisme:
1) Aangeboren vermogen: C De geest bezit reeds aangeboren vermogens (of zelfs ideeën) C uit deze
blz. 13 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
vermogens worden andere vermogens afgeleid
I) De aangeboren vermogens zijn constitutief voor de psychologische processen
II) met redeneervermogen wordt O het redeneerproces aangeduid O de oorzaak van de processen
beschreven
2) Problemen : C wat is het verband tussen de aangeboren vermogens en zintuiglijke ervaringen C hoe
kunnen de aangeboren ervaringen worden onderzocht
blz. 14 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 3 De ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie
4. De Wiener Kreis
A) Het ontstaan van de Wiener Kreis
1) Herbert Feigl : in 1923 was een bijeenkomst; geleid door Schlick, bijgewoond door Waismann en Feigl; In
1925 werd een avonddiscussiegroep gevormd.
2) De belangrijkste ontwikkeling van ideeën startte in 1926 met C de komst van Carnap en zijn theorie van
constitutie van empirische concepten (Aufbau der Welt) en C de uitgave van Tractatus Logico-
Philosophicus van Wittgenstein.
I) In beide boeken staat de analyse van de taal centraal.
B) De analyse van de taal staat centraal
1) Filosofische problemen kunnen worden verhelderd als men meer oog krijgt voor de betekenis van
woorden en de logische structuur van zinnen
2) Twee doelen van het verificatiecriterium (zie hieronder) op basis van de empiristische filosofie van Ernst
Mach:
I) Negatief doel: het elimineren van metafysische, speculatieve beweringen uit het kennisdomein van
de filosofie/wetenschap
II) Positief doel: de ontwikkeling van filosofie die moet laten zien hoe begrippen en zinnen empirische
inhoud krijgen
C) Verschil tussen Mach en de Wiener Kreis
1) Mach probeerde de wetenschappelijke begrippen (wetten) te herleiden tot psychologische
gewaarwordingen van mensen. Voorbeeld: een stoel is een economische ordening waarin ervaring (kleur
en hardheid) wordt samengevat.
I) Problemen: C waar C en hoe worden deze algemene uitspraken (wetten) geconstrueerd: geen
antwoord
2) Wiener Kreis : het uitgangspunt was de analyse van taal en niet het herleiden van kennis tot
gewaarwordingen
I) Analyse van taal kon uitwijzen hoe betekenisvolle zinnen corresponderen met de werkelijkheid
(i) het logisch empirisme na de talige analyse volgt een beroep op de empirische psychologie
(ii) het verificatiecriterium: het belangrijkste resultaat: alleen die zinnen hebben empirische inhoud
waarvan aan de hand van ervaring na is te gaan of zij waar zijn
D) De logisch empirische visie op wetenschappelijke theorieën
1) doel : Naast het formuleren van het verificatiecriterium, wilde men de geldigheid van wetenschappelijke
theorieën funderen d.m.v. de analyse van de structuur van de theorieën
2) Uitgangspunten : empirische natuurwetenschappen behoren empirische verschijnselen te verklaren
I) Theorieën (empirische wetten) spelen een belangrijke rol.
(i) Men moet dus de plaats van de theorieën binnen de wetenschappelijke verklaringen onderzoeken
E) Redeneringen met premissen en conclusies; explanans en explanandum
1) Natuurwetenschappelijke verklaringen hebben de vorm van een redenering, met premissen en een
conclusie
I) De conclusie beschrijft het te verklaren feit
II) De premissen beschrijven datgene dat ter verklaring aangevoerd wordt
2) Explanans zijn alle premissen tezamen:
I) Explananszinnen: de afzonderlijke premissen, die datgene beschrijven wat ter verklaring aangevoerd
wordt
II) Het explanans bevat een universele verklaring die een regelmatigheid uitdrukt
III) Het explanans bevat één of meer bijzondere of singuliere uitspraken die de initiële condities of
randvoorwaarden uitdrukken:
(i) Uitspraken die een concrete, aan plaats en tijd gebonden gebeurtenis beschrijven, óf
(ii) Uitspraken die aan een concreet object een bepaalde eigenschap toekent
3) Explanandum van de verklaring : causale of deductieve verklaringen ( ≠ theorie):
I) Het explanandum is de conclusie van een verklaring die deductief (deductieve of causale verklaring)
uit het explanans volgt. Het is onmogelijk dat de explanandum onwaar is als de explananszinnen
waar zijn.
4) Voorbeeld 1: De voordeur van het huis klemt in het najaar: de veronderstelling is dat de deur is uitgezet
I) Explanans: C de voordeur is van hout C alle houten voorwerpen zetten uit bij toenemende
vochtigheid C de vochtigheid was in het najaar toegenomen
II) Explanandum = de voordeur van het huis was in het najaar uitgezet
5) Eisen:
(i) Het explanandum volgt deductief uit het explanans
(ii) Alle explananszinnen moeten waar zijn
6) Deductieve verklaringen van individuele gebeurtenissen én van empirische regelmatigheden
I) Singuliere uitspraak: een deductieve verklaring van individuele gebeurtenissen
II) Empirische/experimentele wetten: een waargenomen regelmatigheid in de vorm van een
algemene/universele uitspraak
(i) Een belangrijke functie van theorieën: het verklaren van empirische wetten; men zoekt een
diepere verklaring voor algemene wetten als: ‘hout zet bij toenemende vochtigheid uit’
(ii) Ook bij het ontwikkelen van een nieuwe theorie wordt vaak gebruik gemaakt van reeds bestaande
empirische wetten, die d.m.v. empirische generalisatie tot stand zijn gekomen
(a) Ze brengen ordening in de betreffende verschijnselen aan
(b) Ze kunnen deductieve verklaringen geven van individuele gebeurtenissen
blz. 15 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
F) Methode van diepere verklaring van de theorie:
1) Carnap : Empirische wetten kunnen bevestigd worden door empirische observaties, maar men behoeft
een diepere verklaring van de wetten zelf d.m.v. een diepere theorie (een verzameling uitspraken)
I) Bepaalde onderliggende processen die tot de te verklaren regelmatigheden leiden, worden zo
aangetoond
2) De methode zelf:
I) de interne principes = het postuleren van een onderliggende structuur of theoretisch scenario
(i) vocht gaat tussen de moleculen van het hout zitten
II) brugprincipes = het leggen verbanden tussen
(i) de onderliggende structuur en de processen die zich daar afspelen en
(ii) de verschijnselen in de theorie waarin de empirische regelmatigheden beschreven worden in
observables (zie hieronder)
(a) het hout is in dikte toegenomen
III) de empirische wetten komen tot stand d.m.v. deductieve verklaringen m.b.v. de interne principes en
de brugprincipes
(i) hout zet bij toenemende vochtigheid uit
blz. 16 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 3 De ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie
G) Termen in de wetten Carnap:
1) Observables (of observatietermen of vooraf begrepen termen)
I) De formulering van empirische wetten m.b.v. terminologie met een relatieve onproblematische
betekenis.
II) Deze termen berusten op: C observatie C simpele algemeen geaccepteerde technieken
2) Theoretische termen: de theorie die ter verklaring van de wetten wordt aangedragen, introduceert
nieuwe termen
I) Ze verwijzen niet direct naar observaties en zijn vooraf niet begrepen. Het is de theorie die de
betekenis specificeert.
H) Voorbeeld 2: Dalton’s atoomtheorie en de verklaring van chemische wetten
1) Twee wetten : C Wet van behoud van massa: de totale massa’s voor en na de reactie gelijk (Lavoisier) en
C wet der constante verhoudingen: wanneer chemisch zuivere stoffen na een chemische reactie in andere
stoffen uiteenvallen, blijft de massaverhoudingen van de ontstane stoffen gelijk (Proust)
I) Oservables: Over de woorden massa, chemische reactie en zuivere stoffen was overeenstemming
bereikt
2) Theorie van Dalton :
I) C alle chemische stoffen zijn opgebouwd uit ondeelbare en onvernietigbare atomen, die zich kunnen
hergroeperen tot moleculen, C iedere chemische zuivere stof bestaat uit slechts één specifieke soort
moleculen C chemische reacties zijn het gevolg van hergroeperingen van atomen tot nieuwe
moleculen
II) Twee hypothesen middels interne principes en brugprincipes
(i) de interne principes: een onderliggende structuur voor de chemische processen: de termen
atomen = moleculen
(ii) brugprincipes: de verbanden tussen de interne principes (atoom) en de term de chemische
reacties
3) verklaring van de twee geformuleerde chemische wetten in de theorie van Dalton
I) explanandum: bij alle chemische reacties blijft de totale massa gelijk
II) explanans: C de moleculen zijn opgebouwd uit atomen C moleculen kunnen zich hergroeperen tot
andere moleculen
C atomen zijn onveranderbaar: het gepostuleerde (zonder bewijs aangenomen) principe
I) Axiomatische structuur van wetenschappelijke theorieën
1) Carnap : een theorie is een verzameling uitspraken
I) Van de axiomatische (gepostuleerde) structuur/presentatiewijze: (een basisbegrip dat zonder bewijs
moet worden aangenomen) worden -m.b.v. logische en wiskundige afleidingsregels- alle andere
uitspraken afgeleid.
J) Vraag 1 De rol van theorieën in de verklaring van empirische wetten;
1) Uitgangssituatie: empirische wetten beschrijven verschijnselen uit een domein (met relatief
onproblematische terminologie)
I) De wetten en de terminologie zijn producten van voorafgaande ontwikkelingen in de wetenschap
2) Vervolgens worden ter verklaring en systematisering van de wetten theorieën geïntroduceerd
I) Deze postuleren een bepaalde onderliggende structuur m.b.v. interne principes (explanans en
explanandum)
3) De brugprincipes tonen de verbanden aan tussen de onderliggende structuur / processen en de
verschijnselen van de wetten
4) Met de interne en brugprincipes kunnen deductieve verklaringen worden opgesteld.
5 Het logisch empirisme en Wittgensteins vroege filosofie
A) De filosofieën van Wittgenstein (Tractatus) en de Wiener Kreis sloten niet op elkaar aan
1) De Wiener Kreis heeft een aantal cruciale elementen nooit begrepen
I) C het verificatieprincipe is i.t.t. hun bewering niet ontleend aan de Tractatus C ook het empirisme
mist daarin
(i) Deze twee doctrines moeten worden gezocht in het werk van Mach en Russel (empirische traditie)
B) De overeenkomsten tussen Wittgenstein en de Wiener Kreis
1) De Tractatus : de metafysica werd geëlimineerd uit de filosofie d.m.v. analyse van de taal = Wiener Kreis
leidde 3 doctrines af:
I) Centrale doelstelling: onderscheid tussen betekenisvolle en betekenisloze zinnen; (geen probleem)
(i) Er zijn 3 soorten zinnen
(a) Analytische zinnen: die zijn waar (logisch) o.b.v. talige conventies: (geen enkele vrijgezel is
getrouwd)
(i) Niet analytische zinnen worden onderscheiden met het verificatiecriterium
(b) betekenisvolle empirische zinnen
(c) betekenisloze zinnen
II) Volzinnen zijn te ontleden in elementaire proposities; (geen probleem)
(i) atomaire / primaire proposities alle betekenisvolle én niet analytische zinnen zijn te ontleden tot
elementaire beweringen
III) Elementaire proposities representeren standen van zaken in de werkelijkheid; (wel een probleem)
(i) a.d.h.v. het verificatieprincipe representeren atomaire proposities standen van zaken (niet nader
uitgewerkt in de Tractatus)
C) De interpretatie van de drie doctrines door de Wiener Kreis;
blz. 17 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
1) De elementaire propositie moet worden vergeleken met de werkelijkheid (de stoel is rood); het probleem
voor de Wiener Kreis
D) De bepaling van ‘wat het geval is’
1) Welke objecten correleren met de namen in de elementaire propositie?
I) Een zin bevat namen, die niet nader te analyseren zijn (bv stoel): nagaan welke objecten met deze
naam correleren
2) De volgende vraag: hoe correleren de namen met de objecten?
I) Ostensieve definities ((toonbare definities) zijn logische analyses: ze verbinden de namen met een
object uit de werkelijkheid (dit is de rode stoel)
3) De volgende vraag: hoe is de relatie tussen de ervaring van een rood voorwerp en de uitspraak dit is
rood?
I) De logische analyse werd aangevuld met een psychologische analyse:
(i) herkenning (herinnering, vergelijking en associatie): Herkenning werd zo het fundament van alle
empirische kennis
II) Een naam (stoel) werd psychologisch aangeduid in termen van gelijkheid met eerder geleerde
voorwerpen
4) De methode is volstrekt onhoudbaar gebleken
blz. 18 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 3 De ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie
6. Wittgensteins kritiek op het empirisme
A) Kritiek van Wittgenstein: logisch empiristen hebben een verkeerde opvatting van de ostensieve
definitie
1) het uitgangspunt van de Wiener Kreis dat namen worden gecorreleerd met entiteiten in de wereld is niet
juist
2) het begrip ostensief is verkeerd begrepen, ook is verkeerd begrepen hoe ostensief functioneert binnen de
taal
I) een ostensieve definitie op zichzelf zou wel juist geweest zijn, maar het vervult niet de functie die
men dacht
II) er is geen correlatie van een naam met een object en het brengt geen verbinding tot stand
B) Ostensieve definitie levert een standaard (de stoel is rood)
1) Ostensieve definitie is volgens Wittgenstein een grammaticale regel waarmee de betekenis van een
woord wordt vastgelegd
2) Ostensieve definities zijn regels die linguïstisch gedrag in banen leiden, die standaarden verschaffen voor
wat correcte toepassingen zijn, d.m.v. van het uitsluiten van andere betekenissen
I) groen en rood sluiten elkaar uit
C) Ostensieve definities zijn substitutieregels binnen een taal
1) Ostensieve definities zijn regels; definities zijn regels binnen de grammatica van een taal, maar de
ostensieve regel lijkt buiten de taal te treden.
I) Dat doet de ostensieve definitie echter volgens Wittgenschtein niet ze blijft binnen de taal want het is
een substitutieregel
2) Een ostensieve definitie maakt de substitutie mogelijk van een aanwijzend voornaamwoord (dit) samen
met een gebaar die een standaard uitdrukt, naar een verbale uitdrukking (is rood); Gebarentaal wordt
vertaald in woordtaal
3) Empirische kennis is niet via ostensieve definities te funderen in de werkelijkheid (Wittgenstein)
D) De correlatieproblemen van de Wiener Kreis zijn door het begrip substitutieregel opgelost
1) Namen worden niet met entiteiten in de werkelijkheid gecorreleerd
I) Het voorwerp waarop wordt gewezen, wordt via de ostensieve definitie in de grammatica van de taal
getrokken en krijgt een normatieve rol in de grammatica: een standaard van vergelijking
2) Men hoeft geen empirische rechtvaardiging te geven om een uitspraak te doen als een ostensieve
definitie een regel is
3) Ostensieve definities zijn geen beschrijvingen van zaken in de werkelijkheid , het zijn immers regels, geen
beschrijvingen,
I) het is niet de stoel die rood is, maar de kleur is rood
7. het inductieprobleem
A) De problematische relatie tussen theoretische termen t.o.v. de ervaring en het inductieprobleem
1) Vraag: zijn de theoretische termen betekenisvol als zij niet aan het verificatieprincipe voldoen en niet
empirisch te toetsen zijn?
B) Voorbeeld 3: de wetten van Mendel:
1) De wet van de vrije combinatie van factoren (overdracht van genetische factor van ouder o.b.v. toeval)
2) De wet van dominantie : (één van de twee factoren komt tot uitdrukking: dominant en recessief)
3) Uitwerking t.a.v. het krijgen van blauwe of bruine ogen;
I) Genetische factoren zijn theoretische termen, blauwe of bruine ogen zijn observatietermen
4) Kan de wet gestaafd worden aan waarneembare zaken? 100 kinderen: 47 bruine ogen, 53 blauwe ogen:
toeval
I) De wet is waarschijnlijk, maar is niet te funderen in waarneembare zaken en dus niet waar
C) Het inductieprobleem: het eerste onoplosbare probleem van de logische empiristische analyses (een
logisch probleem)
1) De waarheid van theorieën, wetten of universele uitspraken kunnen niet ondubbelzinnig m.b.v. een
experiment worden bewezen
I) De waarheid kan niet op grond van een eindig aantal waarnemingen worden vastgesteld, de gevallen
in de toekomst zijn onbekend.
2) Redenen dat het niet bewezen kan worden dat bv alle zwanen wit zijn:
I) Er is geen rechtvaardiging van inductie door de logica: er is geen logische waarborg dat de volgende
zwaan ook wit is
II) Er is geen rechtvaardiging van inductie door de ervaring: cirkelredenering: het inductieprincipe is
door ervaring niet mogelijk: men zou dan inductie middels inductie rechtvaardigen
D) Oplossing Wiener Kreis: (Carnap)
1) Als correspondentieregels gespecificeerd kunnen worden, kan een empirische betekenis aan theoretische
termen worden gegeven
I) De theoretische termen worden geherdefinieerd aan de hand van andere termen die wel in verband
te brengen zijn met waarneembare zaken: observationele- of waarnemingstermen
E) Oplossing Popper 1902-1994:
1) De waarheid van universele uitspraken kan nimmer worden bepaald, maar dat is niet erg, ze zijn
voorlopig waar
2) Falsificatie van een universele uitspraak: een logisch alternatief: We kunnen wel de onwaarheid bepalen
I) Één zwarte zwaan weerlegt de stelling; kennisgroei komt zo tot stand
II) Een theorie is falsificeerbaar als de verzameling van potentiële falsificatoren niet leeg is:
basisuitspraken zijn aanwezig
blz. 19 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
blz. 20 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 3 De ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie
8. Poppers kritisch rationalisme
A) Het kritisch rationalisme is de oplossing voor het inductieprobleem als een onderdeel van de algemene
wetenschapsfilosofie
B) De kern van die filosofie: over wetenschappelijke kennis is nooit zekerheid te krijgen: status van een
vermoeden
1) De poging van de Wiener Kreis is dus mislukt
C) Drie verschillen van mening tussen Popper en de Wiener Kreis
1) Alle uitspraken zijn theoretisch
I) Het kennistheoretisch probleem: Het tweede onoplosbare probleem van de Wiener Kreis:
II) er is geen kennistheoretisch verschil tussen waarnemingsuitspraken en theoretische uitspraken
(i) Alle uitspraken zijn theoretisch en bevatten zowel algemene als universele begrippen
(ii) De zwaan is wit: zowel zwaan als wit zijn algemene begrippen, maar niet te herleiden tot alleen
een waarnemingsuitspraak (ervaring): het begrip zwaan is verbonden met allerlei theoretische
verwachtingen en niet alleen de waarneming
2) Kennisontwikkeling begint bij het verstand
I) Inductieve generalisaties mogen o.b.v. ervaringen geen rol spelen in de ontwikkeling van kennis
II) Kennisontwikkeling begint niet bij ervaring maar bij het verstand
(i) De nadruk ligt op theorieën die moeten worden getoetst, de rol van ervaring wordt
geminimaliseerd
III) Het toetsen van een uitspraak is ook een theoretisch gebeuren;
(i) Er vindt toetsing plaats van de universele uitspraak via de confrontatie met de basisuitspraak
(a) Basisuitspraak: een singuliere, existentiële uitspraak die ontkent wat de universele uitspraak
stelt (deze zwaan is niet wit) als deze uitspraak waar is, is de universele uitspraak onwaar.
(b) De waarheid van de basisuitspraak moet worden onderzocht: niet a.d.h.v. ervaringen, maar
een vermoeden.
IV) De waarheid is dus een besluit
(i) Aan de hand van ervaringen kunnen wel besluiten worden genomen over de waarheid, we
aanvaarden of verwerpen de theorie, maar nimmer kan de stelling worden gerechtvaardigd.
3) Bestuiten kan men rechtvaardigen aan de hand van regels
I) Kennis kan dus niet worden gerechtvaardigd; de ervaring motiveert het besluit
II) Door systematische verbetering benadert men de waarheid
(i) M.b.v. methodologische regels vindt aanvaarding of rechtvaardiging plaats
D) Voorbeeld: microbiologie: bacteriën worden resistent voor virussen (penicilline)
1) Twee tegenstrijdige theorieën: C door contact met de bacteriofaag C door spontane mutatie (evolutie)
2) Experiment Luria: resistente bacteriën kunnen worden herleid tot één voorouder: C is niet aanvaard, C
wordt aanvaard
9. Methodologische regels
A) Drie regels volgens Popper om dichter bij de waarheid te komen
1) Als een basisuitspraak wordt aanvaard, verwerpen we de theorie (falsificeren)
I) Ad hoc modificatie: Basisuitspraken zouden zo kunnen worden geïnterpreteerd dat de theorie
behouden blijft (de zwarte vogel is geen zwaan) deze stelling wordt door Popper afgekeurd; het
domein van de theorie wordt zo steeds kleiner
2) De nieuwe theorie moet onafhankelijk toetsbaar zijn t.o.v. de verworpen theorie :
I) deze moet ten minste één universele uitspraak bevatten
3) Twee noties om theorieën te vergelijken
I) Hoge corroboratiegraad: Theorieën die veel en strenge toetsen hebben doorstaan (en niet zijn
gefalsificeerd) verkiezen de voorkeur. Dit is niet hetzelfde als een confirmatie of verificatiegraad
(empiristen)
II) Empirische inhoud (verzameling van basisuitspraken die tot falsificatie zullen leiden): theorieën met
grote empirisch inhoud, dus universeler, zijn te prefereren
B) Radicale verschillen met het logisch empirisme
1) Logisch empirist : in hoeverre is de ontwikkelde kennis te rechtvaardigen a.d.h.v. zintuiglijke ervaring
I) vragen die niet behoren tot dit werkterrein als C hoe is de kennis ontwikkeld? C welke keuzen zijn
gemaakt?
2) kritisch rationalisten : vragen: C hoe is de keuze te rechtvaardigen? C hoe is de keuze tot stand
gekomen?
I) Belangstelling gericht op de feitelijke ontwikkeling van wetenschappelijke kennis
3) Lakatos (leerling Popper): wetenschapsfilosofie moet op het vlak van methodologische regels worden
bijgesteld
4) Kuhn : kritiek op Popper: methodologische regels spelen geen cruciale rol
C) Vraag 2
1) Eisen t.a.v. falsificeerbaarheid van een theorie: als de verzameling (klasse) potentiële falsificatoren niet
leeg is: zijn er basisuitspraken te formuleren waaraan de theorie kan worden getoetst
2) Popper’s definitie empirische inhoud: verzameling van potentiële falsificatoren: de basisuitspraken die bij
aanvaarding tot falsificatie leiden
3) Relatie empirische inhoud en falsificeerbaarheid: de inhoud neemt toe als de falsificeerbaarheid toeneemt
= empirische toetsing
4) Nut van begrip empirische inhoud: als maatstaf bij het onderling vergelijken van theorieën
blz. 21 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 4 Wetenschapsfilosofie en –sociologie
Hoofdstuk 4 Introductie
A) De ontwikkeling van de wetenschapsfilosofie
1) Empirisme: uitspraken zijn alleen wetenschappelijk als ze aan het verificatiecriterium voldoen
2) Popper: wetenschappelijke uitspraken moeten falsificeerbaar zijn;
I) verificatiecriterium is niet zinvol: wetenschappelijke uitspraken zijn universeel en kunnen dus niet
worden bevestigd (het inductieprobleem)
II) wetenschappelijke uitspraken zijn wel toetsbaar en kunnen verworpen worden
B) wetenschappelijke vooruitgang
1) Empirisme: groei van kennis = vergroten van empirische inhoud van de theorieën; er zijn meer zinnen
die waar zijn
2) Popper: groei van kennis = kritiek en dus het verwerpen van verkeerde theorieën én wanneer theorieën
met een grotere toetsbaarheid kunnen worden opgesteld en deze de toetsen blijken te doorstaan. Dit heet
een hoge corroboratiegraad; de empirische inhoud (de klasse van potentiële weerleggingen) neemt toe,
niet een toename van bevestigingen (empiristen)
C) Overeenkomsten tussen de empiristen en Popper
1) Via filosofische argumenten aangeven wat wetenschap is
2) Via filosofische argumenten aangeven hoe wetenschappers zich moeten gedragen
3) Niet relevant is wat wetenschappers werkelijk doen
D) Twee theorieën in dit hoofdstuk
1) Paradigmatheorie van Kuhn
I) Men moet niet uitgaan van filosofische principes, maar moet zich richten op bestudering van
feitelijke praktijk
II) Het historisch onderzoek naar wetenschap is een sociaal proces
(i) De wetenschapssociologische beschouwing leidt tot conclusies tegendraads aan Popper
2) Theorie over de ontwikkeling van wetenschappelijk onderzoeksprogramma’s van Lakatos
I) Feitelijk gedrag van wetenschappers is relevant
(i) Wetenschappers houden zich niet aan de Popperiaanse regels
3) Verschil tussen Lakatos en Kuhn:
I) Kuhn: het heeft geen zin om algemene voorschriften te formuleren
II) Lakatos: streeft naar methodologische richtlijnen (leerling van Popper)
Leerkern
1. Kuhns paradigmatheorie
A) Kuhn was van oorsprong natuurkundige en raakte geïnteresseerd in de geschiedenis van
natuurkunde
1) De voornaamste vraag die hij zich stelde: Waarom treedt stagnatie in de wetenschap op?
I) Waarom stelde men pas in de tijd van Galilei (traagheidsbeginsel) de wetten van mechanica op?
Waarom hadden de wetenschappers van de aristotelische traditie niet kritisch onderzocht of
voorwerpen uit zichzelf streven naar rust?
II) De blindheid was niet te wijten aan het sluiten van de ogen voor feiten, zoals de empirist zou kunnen
denken
III) Men had ook niet verzuimd de leerstellingen van Aristoteles te bekritiseren
2) Zij konden echter de fundamentele uitgangspunten van Aristoteles niet toetsen vanuit het geldende
uitgangspunt :
I) Natuurlijke beweging werd gezien worden als biologische groei en menselijk handelen, vanuit een
streven naar een doel. Dit uitgangspunt structureert de mogelijke vragen,. Men stelde dus andere
vragen dan Galilei en kreeg dus andere antwoorden.
II) Dit was de essentie van zijn later ontwikkelde paradigmatheorie: wetenschappers treden de
werkelijkheid niet onbevooroordeeld tegemoet, zoals de empiristen stellen, noch trekken zij alle
vooroordelen in twijfel, zoals Popper stelde.
3) Wetenschapsbeoefening vergt een kader
I) Wetenschappers bezien de werkelijkheid vanuit een kader van vooronderstellingen, binnen dit kader
is onderzoek mogelijk
(i) Het kader kan zelf niet getoetst worden, het bepaalt wat als toetsing kan gelden.
B) Paradigma: het kader van vooronderstellingen, dit heeft niet de status van een feit, maar van
een wereldbeeld
1) Het is geen theorie in Popperiaanse zin: het bevat metafysische vooronderstellingen betreffende de aard
van de wereld
2) Paradigma’s (wereldbeelden) maken essentieel onderdeel uit van de wetenschappelijke kennis
I) Noch falsificatie, noch verificatie is mogelijk
3) Het begrip paradigma houdt ook in dat een perspectiefwijziging plaatsvindt: het gaat niet om de individu,
maar de wetenschappelijke gemeenschap.
I) Een paradigma is een door een groep wetenschappers gedeeld wereldbeeld, er is geen onafhankelijke
criterium voor kennis.
II) Men wordt geen wetenschapper door te leren kijken (empiristen) of door kritisch te zijn (Popper),
maar door gesocialiseerd te worden in de wetenschappelijke gemeenschap door het volgen van
voorbeelden van voorgangers.
4) Paradigma betekende in eerste instantie voorbeeld en daarna wereldbeeld, later legde Kuhn de nadruk op
wereldbeeld:
I) Disciplinaire matrix: het gaat om een geheel van gedeelde vooronderstellingen betreffende de aard
blz. 22 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
van de werkelijkheid
2. Normale en revolutionaire wetenschap
A) De wetenschappelijke ontwikkeling voltrekt zich niet steeds op dezelfde wijze:
1) Perioden van normale wetenschap: tijdperken van relatieve stabiliteit
I) Perioden van grote overeenstemming over het kader waarbinnen gewerkt moet worden: de
disciplinaire matrix.
II) De wetenschap ontwikkelt zich door gezamenlijk te werken aan het oplossen van een puzzel, de grote
lijnen zijn gegeven door het kader van het heersende wereldbeeld. Binnen de puzzel worden stukjes
gelegd, de rand van de puzzel is het uitgangspunt. Stukjes die niet goed passen: anomalieën worden
terzijde gelegd.
III) Als de stapel anomalieën te groot is, neemt de twijfel over de juistheid toe, het paradigma staat onder
druk
IV) Deze periode eindigt in crisis en revolutie
blz. 23 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 4 Wetenschapsfilosofie en –sociologie
2) Perioden van onrust / revolutionaire wetenschap: concurrerende wereldbeelden
I) alom twijfel aan het wereldbeeld, zonder eenstemmigheid over alternatieven
II) Grote onzekerheid over fundamentele uitgangspunten; men zoekt naar nieuwe wereldbeelden
III) De erkende toponderzoekers spelen een hoofdrol: zij formuleren voorstellen voor nieuwe wegen in
het onderzoek en storen zich niet aan de oude wijze, zij trachten elkaar ervan te overtuigen dat hun
visie de beste garantie geeft de anomalieën te integreren.
IV) Concurrerende voorstellen leven naast elkaar
V) Eindigt: als een wetenschappelijke gemeenschap zich verzamelt rond een nieuw paradigma
3. Wetenschappelijke vooruitgang
A) De visie van Kuhn maakt het moeilijk te spreken van wetenschappelijke vooruitgang; de
vooruitgang is relatief
1) Vooruitgang = C de toename van stukjes die binnen de puzzel vallen, tegelijkertijd nemen echter ook de
anomalieën toe
I) Er is geen absolute maatstaf voor de toename van kennis, het is descriptief (niet normatief), het gaat
niet om de beoordeling
2) Vooruitgang = C de overgang van het ene naar het andere paradigma, echter nog moeilijker vast te
stellen:
I) Incommensurabele paradigma’s (incommensurabiliteitsthese):
(i) Een gemeenschappelijk begrippenapparaat ontbreekt, ze laten zich niet in elkaar vertalen
3) Het is dus onmogelijk op grond van externe criteria vast te stellen of de wetenschap vooruitgaat,
vooruitgang is relatief: afhankelijk van de wetenschappelijke gemeenschap
B) Om ontwikkelingen in de wetenschap te begrijpen
1) Moet men zich verdiepen in de beweegredenen; men moet niet zoeken naar onafhankelijke filosofische
maatstaven, die het mogelijk maken om de winst van de nieuwe theorieën eenduidig vast te stellen
I) Deze beweegredenen zijn niet altijd contextueel bepaald, maar kunnen slechts door historisch-
sociologisch onderzoek worden opgehelderd; a-historische, onafhankelijke, overkoepelende
rationaliteitconcepten zijn achterhaald
C) Opgave 4.2: Dogma’s zijn niet funest voor het wetenschapsbedrijf:
1) C Ze geven wetenschappers een referentiekader C Ze zijn opgenomen binnen paradigma’s en
disciplinaire matrices
C Ze kunnen definiëren wat de problemen zijn C Ze geven houvast bij welk type resultaat als oplossing
geldt
C Ze geven aan wat de regels zijn van het wetenschappelijk spel
2) Dogma’s moeten op een zeker moment wel worden verlaten : bij revoluties in de wetenschap
4. Van wetenschapsfilosofie naar wetenschapssociologie
A) Kritiek van Kuhn op de wetenschapsfilosofie van de empiristen en op Popper
1) De empiristen en Popper gaan voorbij aan wat wetenschappers doen: ze verzamelen geen feiten, noch
toetsen ze kritisch
B) Repliek Popper:
1) het maakt me niet uit of ze zich aan mijn regels houden , dit doet slechts afbreuk aan de kwaliteit van de
wetenschappers: historisch-sociologische feiten kunnen niet ingebracht worden tegen filosofisch-
methodologische principes
C) Deze repliek is te fundamenteel onjuist:
1) de grondslagen van wetenschappelijke kennis zijn te bestuderen door uit te gaan van wat de
wetenschappers in de praktijk doen
2) Kuhn neemt wel degelijk een filosofische positie in; twee filosofische stellingen:
I) Alle wetenschappelijke kennis is gebaseerd op metafysische vooronderstellingen die principieel
ontoetsbaar zijn
(i) Filosofische verdediging: kennis is belichaamd in uitspraken als een geheel van regels (taaltheorie
van latere Wittgenstein)
(a) Regels kunnen niet getoetst worden, zij bepalen wat als waar of niet waar geldt
(b) Regels zijn gefundeerd in een gedeelde levensvorm en zijn niet op externe gronden te
rechtvaardigen
(i) Maar slechts te verdedigen door een beroep te doen op het belang van de gedeelde
levensvorm
II) Men moet afzien van het ontwikkelen van externe, onafhankelijke criteria voor vooruitgang van
kennis (latere Wittgenstein),
men moet zich richten op wat in de praktijk als vooruitgang geldt.
5. Lakatos’ theorie van de onderzoeksprogramma’s: Harde kernen en veranderlijke
beschermende gordels
A) Veranderingen sinds Popper: van wetenschapsfilosofie naar wetenschapstheorie
1) Het wetenschapsonderzoek heeft een uitbreiding gekregen van de wetenschapsfilosofie naar
wetenschapstheorie
I) Ze is afgestapt van de zuiver oordelende rol en ingewisseld voor wetenschapsgeschiedenis en –
sociologie
2) De strijdvraag is of onderzoeksprogramma’s of paradigma’s objectief beoordeeld kunnen worden
blz. 24 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
I) Kuhn: nee: de wetenschappelijke gemeenschap moet dat oordeel zelf vellen: het zijn sociale
processen
II) Lakatos: ja: de methodologische criteria kunnen achteraf als maatstaf voor rationaliteit dienen en zo
achteraf verklaard en gekwalificeerd worden
3) Men bestudeert specifieke patronen van zich in tijd ontwikkelende theorieën
I) in termen van paradigma’s en revoluties (Kuhn) of in termen van onderzoekstradities (anderen)
II) Lakatos 1922-1974: spreekt van wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s
B) Verwerpen van een wetenschappelijke theorie:
1) Popper : een modificatie van de harde kern vindt plaats zodra een basisuitspraak juist is
2) Kuhn : nee, de theorie wordt vaak niet verworpen
I) logische redeneerregels kunnen nooit dwingend voorschrijven dat een theorie moet worden
verworpen:
II) Één of enkele anomalieën zijn acceptabel (Kuhn): de wetenschappelijke gemeenschap oordeelt
III) Alternatieven voor modificatie van de harde kern:
(i) Bij een tegenvoorbeeld wordt de harde kern (de essentiële veronderstellingen)vaak niet
geïmpliceerd
(a) daarnaast is er een schil van hulphypothesen die veel veranderlijker zijn en ter discussie
kunnen worden gesteld
(ii) Het tegenvoorbeeld kan ter discussie worden gesteld: in diskrediet worden gebracht
3) De ad hocmodificatie van Popper is wat anders. Hierbij moet het tegenvoorbeeld onvoorwaardelijk serieus
genomen worden en tast de harde kern van de theorie aan. Dan moet ook verwerping volgen.
blz. 25 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 4 Wetenschapsfilosofie en –sociologie
C) Lakatos: onderzoeksprogramma’s
1) we kunnen een adequaat begrip van de ontwikkelingen in de wetenschap krijgen door de ketens van
specifieke theorieën te onderzoeken, dus niet de theorieën, maar de programma’s die niet gebonden zijn
aan één persoon
I) onderzoeksprogramma’s zijn zich ontwikkelende theorieën van een gemeenschappelijke kern met
wisselende aanvullende hulphypothesen
II) voorbeeld : de concrete consequenties uit de drie bewegingswetten van Newton tezamen met de
gravitatiewet konden alleen getrokken worden m.b.v. hulphypothesen. Bij Newton hadden die tot doel
om te vereenvoudigen en benaderingen te introduceren om zijn vergelijkingen op te kunnen lossen
D) het genereren van nieuwe hulpmiddelen
1) het genereren van hulphypothesen kan van binnenuit gestuurd worden: een welbewust idee hoe de
theorie vorm moet krijgen.
I) Heuristieken Aan onderzoeksprogramma’s ligt vaak een plan ten grondslag dat richting geeft aan de
uitwerking daarvan
2) cetiris paribus veronderstellingen (de overige omstandigheden gelijk blijvend): het analyseren van
tegenvoorbeelden:
I) het aan het licht brengen dat de onuitgesproken verwachting dat de omstandigheden gelijk blijven of
er niet toe doen, niet klopt, meestal blijkt één factor wel van belang te zijn
6. Vooruitgang en succesvolle wetenschap
A) theorieën (en harde kernen) komen tot stand door te gissen (Popper), deze gissing kan minder geslaagd zijn,
de harde kern is dan fout
1) de ptolemaeïsche astronomie (epicycli) is een voorbeeld van steeds maar doorgaan de hulphypotheses te
wijzigen
B) Centrale vraag van Lakatos: onder welke omstandigheden is het zinvol, of gerechtvaardigd, om aan een
onderzoeksprogramma te blijven werken, wanneer zou het moeten worden ingewisseld?:
1) Kuhn gaf een sociaal wetenschappelijk antwoord: dat bepaalt de wetenschap zelf
2) Lakatos : rationaliteit van handhaven of verwerpen van harde kernen ; 2 deelproblemen:
I) Succes binnen een onderzoeksprogramma
(i) als het meer theorieovergangen weet te genereren (niet gefalsificeerde inhoud)
(ii) drie eisen van normatieve pretentie: zowel empirisch en theoretisch progressiviteit:
(a) De nieuwe theorie moet alles van de oude theorie verklaren, bij een tegenvoorbeeld, zelfs
meer
(b) De nieuwe theorie moet nieuwe feiten (gebeurtenissen die niet tot de probleemsituatie
behoorden) voorspellen, als een soort bijproduct van de nieuwe theorie
(c) De nieuwe feiten moeten via de empirische weg worden bevestigd
(iii) Een succesvol onderzoeksprogramma voldoet tenminste aan a) en soms aan b)
(a) Theoretisch progressieve theorieovergang: als voldaan wordt aan de eerste 2 eisen,
(b) Empirisch progressieve theorieovergang: als voldaan wordt aan alle 3 de eisen
(i) Dit kan vaak niet onmiddellijk en zal via experimenten worden vastgesteld
II) Succesvolle onderzoeksprogramma’s als geheel
(i) Concurrentie / competitie: Soms zijn er meerdere programma’s tegelijkertijd, met een sterk
verschillende harde kern
(ii) De meest succesvolle theorie is diegene die de meeste theorieovergangen weet te genereren (zie
hierboven)
7. Normativiteit en descriptie
A) Het normatieve aspect
1) Met bovenstaande criteria kan (achteraf) een beoordeling van vooruitgang plaatsvinden
2) het doel van de wetenschap volgens Lakatos: een empirisch progressief onderzoeksprogramma dat de
garantie biedt dat de theorie steeds dichter bij de waarheid komt.
I) Er zijn dus rationele criteria om wetenschappelijke ontwikkelingen te beoordelen (niet gefalsificeerde
inhoud)
3) Dit sluit aan op de stelling van Popper: niet falsificeerbare inhoud is het criterium voor vooruitgang
B) Het descriptieve (historische) aspect:
1) Het feitelijk handelen van de onderzoekers is doorgaans in overeenstemming met Lakatos’ criteria
2) Voorbeeld van de theoretische en empirische theorieovergang:
I) Het chemische atoomprogramma:
(i) Beginfase: Dalton introduceert dit rond 1810 = veel waardering van collega’s, was dit empirisch
progressief?
(ii) T1: de harde kern: de verklaring van Dalton voor de wetten van Lavoisier en Proust
(a) Deed geen voorspellingen van nog niet geregistreerde verschijnselen
(b) Kon echter ook een chemische regelmatigheid voorspellen die nog niet langs experimentele
weg was ontdekt:
(iii) T2: De wet der veelvouden, deze samenvoeging maakte de wet empirisch progressief en werd
dan ook aanvaard
(iv) T3: Dalton voegt een wet toe over de structuur van gassen
(v) De wet van Gay-Lussac was in strijd met T3, die door Avogrado (1811) nog weer verder werd
gemodificeerd
blz. 26 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
(a) Dalton, noch anderen in zijn tijd accepteren deze wet, er was geen empirische progressie
(vi) In 1860 pleit Cannizzaro voor de aanpassing door onduidelijkheden uit te leggen en door
onafhankelijk empirisch materiaal te leveren: empirisch progressieve theorieovergang. Deze werd
dan ook door iedereen omarmd.
II) De analyse is echter onvolledig (relevantie ontwikkelingen zijn onvermeld) en voorlopig: de stelling
hoeft niet de ultieme waarheid te bevatten, er zijn dan ook amendementen op het criterium gekomen.
blz. 27 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 4 Wetenschapsfilosofie en –sociologie
8. zijn er onafhankelijke criteria voor wetenschappelijke vooruitgang?
A) De vraag of de wetenschap vooruitgang boekt, kan slechts voorzichtig worden beantwoord
Men boekt vooruitgang door:
1) Empirisme : meer geverifieerde feiten en sterkere theoretische verbanden
2) Popper : toename van niet-gefalsificeerde theorieën met een steeds grotere empirische inhoud
3) Kuhn : wetenschappelijke verandering in de normale wetenschap: puzzelstukjes en wetenschappelijke
revolutie
4) Lakatos : onderzoeksprogramma’s met theoretische en empirische progressieve theorieovergangen: de
hulptheorieën
B) Bestaan objectieve criteria om te bepalen of wetenschap vooruitgang boekt?
1) Lakatos : ja, de theoretische en empirische progressieve theorieovergangen en alle hulphypotheses
2) Kuhn : nee, de mening van de wetenschappers zelf
C) Overeenstemming en tegenstelling tussen Kuhn en Lakatos
1) Overeenstemming tussen Kuhn en Lakatos : Vooruitgang vindt plaats
2) Tegenstelling tussen Kuhn en Lakatos: als er verschillende met elkaar concurrerende harde kernen zijn,
wat dan?
3) Lakatos: C één van de twee programma’s is progressiever en C alle verschijnselen moeten worden
verklaard door het progressievere programma
4) Kuhn: twee kritiekpunten op Lakatos: een dergelijke situatie van progressiviteit doet zich als regel voor
I) Kuhn-loss of Kuhn verlies: de verbeterde nieuwe theorie verliest tevens goede aspecten van de oude
theorie
II) paradigma’s zijn Incommensurabel, een stelling door onderzoek dan weer wel dan weer niet gesteund
wordt
(i) Empirische incommensurabiliteit: Er is geen neutrale taal waarin de verschijnselen beschreven
kunnen worden
(ii) Theoretische incommensurabiliteit De theoretische termen kunnen zijn niet in elkaar vertaalbaar
D) Voetnoot
1) zowel Kuhn als Lakatos vatten wetenschapsgeschiedenis te zeer op als een proces waarin paradigma’s
elkaar afwisselen
2) Ze blijken echter vaak naast elkaar te blijven bestaan
3) De ontwikkeling komt voort uit interne motieven en externe (maatschappijbehoeften) motieven
blz. 28 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 5 Het probleem van het wetenschappelijk realisme
Hoofdstuk 5 Introductie
A) De relatie tussen wetenschap en werkelijkheid is een belangrijk thema; drie aspecten
1) Empirisme (via de zintuigen); rationalisme (via het verstand) leidt tot kennisverwerving
2) Rechtmatigheidtoetsing: hoe wordt de kennis doorgrond zodat dit leidt tot objectieve kennis?
3) Heeft natuurwetenschappelijke kennis betrekking op een mens onafhankelijke werkelijkheid?
I) Belang: de mate van overeenstemming tussen kennis en werkelijkheid is lang het criterium geweest
om de geldigheid (waarheid) aan te tonen. Kennis die niet langer gelegitimeerd wordt door een
externe onafhankelijke factor dreigt haar vaste basis te verliezen = relativisme t.o.v. kennisclaims
Leerkern
1. Achtergronden van het wetenschappelijk realisme
A) Wetenschappelijke (empirisch ontoetsbare) termen spelen een belangrijke rol in wetenschappelijke theorieën:
ze geven een verklaring van bepaalde verschijnselen
1) De vraag is of de met die termen corresponderende entiteiten wel bestaan of dat het louter hulpmiddelen
zijn voor het systematiseren van experimentele bevindingen.
B) Voorstanders van het wetenschappelijk realisme
1) stellen zich tot taak om aan te tonen dat wetenschappelijke kennis inderdaad is betrokken op een
onafhankelijke werkelijkheid
C) Speciaal en algemeen wetenschappelijk realisme
1) Speciaal realisme: houdt zich bezig met de vraag of één afzonderlijke theorie naar een werkelijkheid
verwijst (bv kwantummechanica)
2) Algemeen wetenschappelijk realisme: de centrale claim bestaat uit twee delen:
I) Het bestaan van de werkelijkheid (natuur) en de algemene structuren daarvan, zijn onafhankelijk van
het bestaan en het proces van kennisverwerving van mensen
II) Concrete natuurwetenschappelijke uitspraken zijn betrokken op deze mensonafhankelijke
werkelijkheid (waarmee punt 1) reeds wordt voorondersteld)
D) Wetenschappelijk realisme in historisch perspectief
1) Waarom wordt wetenschappelijk realisme problematisch geacht?
I) Geen eenduidig antwoord, de beantwoording is afhankelijk van de filosofische uitgangspunten
2) Het realisme probleem werd door de empiristen geplaatst als een tegenstelling van realisme versus
instrumentalisme; de stelling:
I) Theorieën zijn gebaseerd op C waarnemingsuitspraken en C theoretische uitspraken
II) Punt C is geen probleem: ze geven de werkelijkheid weer
III) Punt C betreft de tegenstelling: O instrumentalisme (handige instrumenten/constructie) óf O realisme
(mensonafhankelijk)?
IV) Voorbeeld 1 : C kinetisch C thermodynamisch onderzoeksprogramma: verklaring over de
warmteverschijnselen van gassen: de algemene gaswet (ideale gaswet)
(i) Kinetisch programma: de kleinste eenheid: moleculen zijn steeds in beweging en botsen tegen de
vatwand = druk
(a) Hoe hoger de moleculebewegingen, des te hoger de temperatuur
(b) Begrip van de algemene gaswet is kwalitatief, het kwantitatieve aspect (hoeveel neemt het
toe) kon niet worden aangetoond
(c) Aanvulling m.b.v. hulphypothese: aannames over de aard en gedrag van moleculen
(d) Eigenschappen moleculen werden verfijnd: het zijn kleine bolletjes met een eindige diameter
die elkaar aantrekken en afstoten op een specifieke manier: bij hoge drukken zouden
afwijkingen ontstaan
(ii) Thermodynamica: geen geloof in moleculen; dit betreft een hypothetische idee over de
microscopische structuur
(a) Men richtte zich dan ook macroscopische begrippen:
(i) de wet van energie: de totale hoeveelheid energie in een afgesloten systeem kan niet
veranderen
(ii) en entropiewet: de mate van ongeordendheid van een afgesloten systeem kan slechts
toenemen
(iii) beide programma’s waren tot 1880 empirisch progressief, waarna beide programma’s
stagneerden
(a) de stagnatie kwam tot einde toen Einstein o.b.v. de principes van het kinetisch programma
aantoonde dat kleine, in vloeistof zwevende deeltjes volgens een bepaald patroon bewegen
door duwtjes van moleculen
V) voorbeeld 2 : controverse ten tijde van Galilei over de status van Copernicus’ astronomie
(i) is het heliocentrische wereldbeeld een realiteit of een elegante wiskundige constructie
3) huidige wetenschapsfilosofie : het scherpe empiristische onderscheid is verlaten: alle waarnemingen zijn
theoretisch beladen
I) de realisme-instrumentalisme tegenstelling is daardoor niet langer relevant
II) men hecht nu meer belang aan de historische-sociologische adequaatheid van de filosofische
beschouwing; hetgeen leidt tot nieuwe problemen
(i) hoe kan realisme worden gerijmd met radicale wetenschappelijke revoluties?
(ii) hoe werkt het sociale onderhandelingsproces (i.p.v. correspondentie met de werkelijkheid) binnen
de wetenschapssociologie?
(a) Het realisme lijkt het onderspit te delven, wetenschapsgeschiedenis en –sociologie leidt tot
blz. 29 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
relativisme (EPOR)
(iii) Meer aandacht voor de experimenten en de wetenschappelijke praktijk
Het convergent realisme
A) Het naïef realisme (het op letterlijke manier corresponderen met de stand van zaken in een
mensonafhankelijke werkelijkheid) is niet houdbaar: het probleem is:
1) Wetenschappelijke theorieën zijn steeds aan verandering onderhevig geweest, de nieuwe theorie maakt
dat de oude niet meer als corresponderend met de werkelijkheid beschouwd kan worden, dit gebeurt ook
weer met de nieuwe bij weer een andere theorie
B) Het convergent realisme: Men heeft pogingen ondernomen om te stellen dat men de werkelijkheid steeds
dichter benaderde: theorieën waren bij benadering waar.
blz. 30 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 5 Het probleem van het wetenschappelijk realisme
C) Convergent realisme: de werkelijkheid bij benadering
1) Het convergent realisme convergeert in de richting van de waarheid (Pierce, Popper, Lakatos, Sellars.
Putnam):
I) het is een historisch proces waarin de werkelijkheid steeds nauwkeuriger wordt weergegeven
2) Bv klassieke mechanica: Newton; relativistische mechanica: Einstein; erfelijkheidstheorie: Mendel;
moleculaire genetica
3) Stelling : De oude stelling: ‘levert de wetenschap steeds betere verklaringen’ is vervangen door
I) ‘er is vooruitgang in de wetenschap als de werkelijkheid steeds accurater wordt beschreven’
II) Dit laatste gaat verder dan het leveren van verklaringen door de eisen die aan convergent realisme
gesteld worden:
(i) het verschil ligt in de eis van coreferentie en de eis dat een deel van de concepten van
opvolgende theorieën elkaar moeten overlappen
4) Eisen :
I) Coreferentie er is sprake van convergentie in de richting van de waarheid als de centrale termen uit
de theorieën corefereren (met behulp van andere woorden naar dezelfde entiteiten verwijzen)
II) Er moet sprake zijn van benadering van de waarheid; twee soorten vooruitgang
(i) Conceptuele vooruitgang: De concepten van twee theorieën hebben (gedeeltelijk) betrekking op
dezelfde eigenschappen, maar T2 heeft een langere lijst en omvat die voor T1
(ii) Pragmatische vooruitgang: Alle verschijnselen van T1 worden door T2 even goed verklaard (in
kwantitatieve zin) én er zijn bij T2 nieuwe verschijnselen
5) Kritiek :
I) Termen corefereren niet altijd met elkaar Laudans: (flogistontheorie, warmtetheorie, ethertheorie); de
verschijnselen binnen deze theorieën verwijzen niet naar bestaande entiteiten, er is dus geen
coreferentie tussen deze theorieën en hun opvolgers
II) Er is sprake van conceptuele discontinuïteit:
(i) Bv . de theorie van Lorentz: elektroden hebben centrale eigenschappen: het zijn C discrete
deeltjes van een C eindig grote afmeting die C rond evenwichtsposities in atomen oscilleren en C
ze bezitten een welbepaalde massa en lading
(a) radicale conceptuele verandering: alle eigenschappen zijn vervangen door andere in de
kwantummechanica
(b) klassieke atoom- en moleculemodellen zijn vervangen door beschrijvingen van
waarschijnlijkheidsdichtheden
(i) C de massa is niet constant maar snelheidsafhankelijk C de werkelijke lading en massa
van het elektron is oneindig groot
(ii) Kanttekeningen : C de conceptuele discontinuïteit is geleidelijk ontstaan C Met dit voorbeeld is
nog niet aangetoond dat het optreden van conceptuele discontinuïteiten een wezenlijk kenmerk is
van de ontwikkeling van natuurwetenschappen
(a) De repercussies van dit voorbeeld zijn echter verstrekkend: ze betreffen de gehele moderne
natuurkunde
(b) Er zijn ook andere voorbeelden van conceptuele breuken (Hanson, Kuhn, Feyerabend)
(iii) Tegenwerping van de kant van het convergent realisme : wat let ons om de geavanceerde
theorieën op te vatten als corresponderend met de werkelijkheid of ze nu conceptueel discontinu
zijn of niet (dus als een filosofische positie die geen bevestigende of ontkennende uitspraken
doet)
(a) Gezien het verleden, kunnen de huidige theorieën in de toekomst radicale conceptuele
veranderingen ondergaan
III) Pragmatische vooruitgang: is vaak alleen in principe mogelijk; twee aspecten
(i) Alle macroscopische verschijnselen (het gevolg van microscopische entiteiten) moeten met de
kwantummechanica beschreven kunnen worden, dit is echter onmogelijk
(a) Bv een verklaring van de planeetbewegingen in termen van samenstellende atomen is
onmogelijk: klassieke fysica
(ii) Als de pragmatische vooruitgang wel voorkomt, biedt dat onvoldoende steun aan het convergent
realisme, zolang de concepten radicaal kunnen veranderen, kunnen de verschijnselen niet op
dezelfde manier verklaard worden.
D) Eindconclusie
1) Het is moeilijk om harde bewijzen te vinden voor die vormen van realisme die claimen dat wetenschap
ons een juist beeld geeft van de werkelijkheid, of dat de conceptuele beelden van elkaar opvolgende
theorieën met de werkelijkheid corresponderen.
3. De sociale constructie van feiten
A) Kritiek op alle realistische interpretaties van filosofen door de sociologie van wetenschappelijke
kennis
1) uitgangspunt : de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke kennis kan volledig worden verklaard in
sociale termen;
I) de natuur beperkt ons niet in onze visie op de wereld.
B) De traditionele wetenschapssociologie verkaart de onderstaande punten in sociologische termen
1) Men zocht naar sociale determinanten van de ontwikkeling van wetenschappen
2) Men hield zich bezig met de structuur en ontwikkeling van wetenschappelijke gemeenschappen
3) Men onderzocht de sociale structuur binnen een bepaalde groep van wetenschappers of organisaties die
blz. 31 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
daar gebruik van maken
4) Men legde relaties tussen de structuren en productie van kennis
C) De recente sociologie van wetenschappelijke kennis: (>1970 UK) (Collins)
1) stelt dat de volgende punten ook in sociologische termen verklaard moeten worden:
I) de inhoud van de wetenschappelijke kennis zelf
II) de evaluatie van een theorie
III) de aanvaarding of verwerping van de kennis
2) Aparte filosofische (realistische) interpretaties zijn niet ter zake doend en dus overbodig
I) Men neemt t.o.v. de werkelijkheid een agnostische houding (filosofische positie die geen
bevestigende of ontkennende uitspraken doet) aan
II) de gedachte dat de feiten de grondslag of mogelijkheid van kennis zou vormen wordt verlaten
III) feiten zijn het resultaat van onderhandelingen tussen wetenschappers en dus niets meer dan een
sociale constructie
3) de sociologie van de wetenschappelijke kennis is sterk empirisch gericht:
I) ter ondersteuning van haar theoretische claims beroept men zich op een snel toenemende
hoeveelheid empirische studies
(i) participerend onderzoek in laboratoria
(ii) interviews met onderzoekers
(iii) historisch wetenschapsonderzoek
blz. 32 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 5 Het probleem van het wetenschappelijk realisme
D) Verschillende stromingen binnen de sociologie van wetenschappelijke kennis
1) centrale claims : feiten vormen niet de grondslag of mogelijkheid van kennis, maar zijn het resultaat van
onderhandelingen
2) Collins : het empirisch programma van het relativisme (EPOR): drie fasen in de sociologische verklaring
van de productie en evaluatie van wetenschappelijke kennis. Het onderzoeken van:
I) Eerste fase: interpretatieve flexibiliteit (controverse)
(i) Dit betreft de theoretische beschrijving van de experimentele gegevens zelf én
(ii) De betekenis die aan deze gegevens wordt toegekend voor aanvaarding/verwerping van
theorieën
(iii) Voorbeeld : het al dan niet bestaan van vrije quarks (de kleinste bouwsteen van de materie) jaren
70.
(a) Onderzoekers uit Stanford en Genua: het geloof in quarks bij de interpretatie van de
experimenten (die tot doel hadden om de quarks aan te tonen) gaf de doorslag
(iv) Controversen worden echter na betrekkelijke korte tijd opgelost; het sluiten van de controverse is
een sociaal proces
II) Tweede fase: het sluiten van de discussie (voorlopige) consensus
(i) De bereikte consensus wordt niet (zoals in het realisme) verbonden met een bepaalde structuur
van de werkelijkheid
(ii) Dit relativisme impliceert geen anarchisme of voluntarisme; het is geen product van toeval of
willekeur
(a) Er is een verklaring voor te vinden: sociale mechanismen
(iii) Voorbeeld : Harvey 1981: controverse tussen de kwantumtheorie en de lokale verborgen
variabelentheorieën
(a) Twee experimenten tot aan 1976 voor de kwantumtheorie; één positief één negatief (Holt)
(b) Sociale argumenten ten voordele van de kwantumtheorie leidden tot een voorlopig einde van
de controverse:
(i) inductieve argumenten (het is al heel succesvol, dus het zal ook wel voor deze
controverse gelijk hebben
(ii) ad hominem (“op de man”) argumenten: (de supervisor van Holt heeft een fout verleden)
1. het falsificerende experiment werd terzijde geschoven als een onverklaarbaar
incident
(iii) deskundigheidsargumenten (veel deskundigen zijn het met de kwantumtheorie eens)
III) Derde fase: de invloed van de sociaal culturele context
(i) Historisch voorbeeld : Forman 1971: introductie en aanvaardig van a-causale natuurkundige
theorieën over atomen door Duitse natuurkundigen tussen 1918-1927. Deze aanvaarding was niet
het gevolg van intern wetenschappelijke ontwikkelingen, maar van de druk van het sociaal
culturele milieu: de poging om de status van de natuurkunde te verhogen door de inhoud ervan
aan te passen aan dit wetenschapvijandige milieu t.a.v. de notie van causaliteit.
3) De natuur beperkt ons niet in onze visie op de wereld :
I) Collins: de ontwikkeling van natuurwetenschappelijke kennis kan volledig in sociale termen worden
verklaard.
E) Kritiek op de relativistische wetenschapssociologie
1) Het sociaal constructivisme zou inconsistent of paradoxaal zijn, de eigen uitgangspunten (sociale
constructies) zouden alleen kunnen waargemaakt worden door zelf te claimen dat haar studies een
realistisch beeld geven
I) Deze claim is echter niet noodzakelijk: de case studies kunnen zelf opgevat worden als sociale
constructies, maar daardoor worden de resultaten niet triviaal of willekeurig, men kan wel degelijk
met argumenten discussiëren
2) Een meer genuanceerde evaluatie
I) Deze sociologie heeft het wetenschapsonderzoek verrijkt met een grote hoeveelheid studies
II) Ondanks het feit dat op een consistente manier geformuleerd wordt, wordt de wetenschap niet op
een bevredigende en uitputtende manier beschreven, ook andere (filosofische) benaderingen zijn
nodig
4. Referentieel realisme
A) De wetenschapsfilosofie heeft zich gericht op C de rol van theorieën C de structuur van theorieën C de
ontwikkeling van theorieën
B) Wetenschapsfilosofie ziet wetenschap te veel als theorie en te weinig als praktijk: het
experiment
1) Het experiment vormt een centrale schakel tussen natuurwetenschappen en techniek
2) Het daadwerkelijk verrichten van onderzoek is systematisch buiten beschouwing gelaten, de schakel van
de praktijk ontbreekt. De eenzijdige visie op theorie georiënteerde opvattingen leidt tot eenzijdigheid en
dus problemen:
I) Wetenschap zou naar waarheid streven
II) Techniek zou dienen om de toepassing van wetenschap mogelijk te maken teneinde
maatschappelijke doelen te realiseren
3) Het referentieel en instrumenteel realisme poogt o.b.v. de wetenschappelijke praktijk te komen tot een
realistische interpretatie van de natuurwetenschappen
C) Referentieel realisme Hacking
blz. 33 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
1) Onderscheid tussen realisme t.o.v. theorieën en realisme t.o.v. entiteiten
I) Representationeel realisme: Realisme t.a.v. theorieën
(i) Waar of onwaar wordt bepaald door de werkelijkheid, onze beste theorieën zijn bij benadering
een ware representatie van de werkelijkheid: claims die moeilijk te verdedigen zijn (zie de
stellingen van het convergent realisme)
II) Referentieel realisme: Realisme t.a.v. entiteiten:
(i) De door de natuurwetenschappelijke theorieën gepostuleerde entiteiten bestaan werkelijk
2) Doel en criterium van het experimenteren
I) Het produceren van C stabiele en C reproduceerbare verschijnselen in laboratoriumsituaties, niet
door passieve waarneming (stelling empiristische filosofie), maar door actief en kunstmatig in de
natuur in te grijpen
3) Realiteitscriterium van Hacking :
I) Aan gestandaardiseerd experimenteel succes kunnen realistische consequenties worden verbonden
D) Kritiek op Hacking:
1) De houding van Hacking t.a.v. entiteiten, waarvan we op grond van huidige criteria vinden dat ze niet
bestaan, is niet consequent
I) Bv warmtestof: Hacking postuleert dat ze niet bestaat,
(i) men kon het wel gebruiken in experimenten: dat voldoet aan het realiteitscriterium
(ii) omdat het nu bekend is dat het niet bestaat, wil dat niet zeggen dat het binnen zijn theorie niet
bestaat
2) de inhoud van Hacking’s realisme: C claimt hij alleen dat entiteiten bestaan of C ook wat hun
eigenschappen zijn?
I) bij C rijst het probleem van coreferentie: hoe weten we dat de entiteiten in 2 theorieën naar dezelfde
klasse verwijzen
II) bij C komt hij toch weer uit bij het representationeel realisme
blz. 34 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 5 Het probleem van het wetenschappelijk realisme
E) Het referentiecriterium van Radder
1) via het referentiecriterium van Radder :
I) het referentiecriterium verwijst een theoretische term -die voorkomt in de theoretische beschrijving
van een experiment-
naar een element in de werkelijkheid
als materiële realisering van dit experiment bij herhaling steeds in dezelfde dagelijkse termen
beschreven kan worden.
II) Ook onware theorieën kunnen refererende termen bevatten
2) referentieel realisme en de materiële realisering van het experiment
I) Men moet niet alleen kijken naar de theoretische beschrijving van het experiment maar ook naar het
handelingsaspect
II) Het materieel realiseren van het experiment kan in de dagelijkse taal beschreven worden: ook de
meest esoterische natuurwetenschap (alleen bestemd voor ingewijden, occult) blijft ingebed in
dagelijkse, materiële en sociale praktijken
3) M.b.v. de materiële realisering in dagelijkse taal kan:
I) Een criterium voor succes bij het produceren van stabiele en reproduceerbare experimenten worden
opgesteld =
II) daar kunnen realistische gevolgen aan worden verbonden (zoals Hacking wilde) =
4) Zo worden de problemen (van punt 4.D.2) bij Hacking voorkomen :
I) Het referentieel realisme impliceert geen representationeel realisme, we weten dat het bestaat, niet
wat het is
II) Er is coreferentie tussen twee theoretische termen als beide termen gebruikt kunnen worden in
theoretische beschrijvingen van dezelfde materiële realisering van een experiment
F) Pareren van de aanval van het relativisme door het referentieel realisme
1) Het referentieel realisme poogt het relativisme te overwinnen door theoretische termen een relatief
stabiele achtergrond te verschaffen
I) door te verwijzen naar aspecten van materieel gerealiseerde experimenten en niet naar
mensonafhankelijke werkelijkheid
II) Zo worden de door het realisme ondergravende fenomenen als conceptuele discontinuïteit en
interpretatieve flexibiliteit (bij de controverse) vermeden
2) I.t.t. de incommensurabiliteitsthese (Kuhn) stelt het referentieel realisme dat er op het niveau van
experimenten wel commensurabilitiet tussen de verschillende theorieën is; in de natuurwetenschap
heerst een veel grotere stabiliteit op het niveau van materiële realiseringen dan op het gebied van de
theorieën
G) Referentieel realisme t.o.v. andere standpunten
1) Verschillen tussen materiële realisering en de in dagelijkse taal gestelde observatie-uitspraken logisch
positivisme (empirisme)
I) In het referentieel realisme verwijzen theoretische termen direct naar aspecten van materieel
gerealiseerde experimenten
(i) De beschrijving van materiële realisering is in de dagelijkse taal slechts een methode om kennis
te verkrijgen van het refereren van de desbetreffende termen
II) In de logisch positivistische visie is dat omgekeerd:
(i) de beschrijvingen verwijzen naar de werkelijkheid en theoretische termen verwijzen niet naar
bestaande entiteiten.
2) Referentieel realisme t.o.v. het sociaal constructivisme (EPOR)
I) In het referentieel realisme worden experimenten beschreven in een relatief constante vocabulaire
van dagelijkse termen
(i) De interpretatieve flexibiliteit (moderne wetenschapssociologen) heeft betrekking op de
theoretische beschrijving van de experimenten
II) De onderscheiding tussen de theoretische en dagelijkse beschrijving van experimenten maakt het
mogelijk te spreken over de identiteit van experimenten en van entiteiten onder verschillende
theoretische beschrijvingen
III) De realisme kritiek van deze sociologen is niet van toepassing op dit referentieel realisme
(i) Ook al zij de theoretische beschrijvingen conceptueel discontinu en is de keuze voor een theorie
mede bepaald door sociale factoren, het identiteitsbehoud is een vorm van realisme
3) Referentieel realisme en incommensurabiliteit
I) Het referentieel realisme neemt een tussenpositie in tussen voor- en tegenstanders van de door Kuhn
geformuleerde incommensurabiliteitsthese
(i) De historische inzichten over het optreden van conceptuele discontinuïteiten zijn in het
referentieel realisme verwerkt
(ii) Er is coreferentie tussen theorieën uit verschillende paradigma’s mogelijk
5. instrumenteel realisme
A) Instrumenten vormen de belichaming van de wetenschap
1) Het instrumenteel realisme Ihde (net als het referentieel realisme) legt het accent op het experimenteren
als praktische activiteit
2) De praktijk is interveniërend tussen theorie en onderzoek middels instrumenten die in de werkelijkheid
ingrijpen
3) De wetenschappelijke kennis is gebaseerd op de instrumentele omgang met en verandering van de
blz. 35 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
natuur.
B) Uitgangspunten:
1) De wetenschap wordt bepaald door gerichtheid op de techniek
I) Heidegger Wetenschap wordt bepaald door haar gerichtheid op techniek , kennis is gebaseerd op
praktische omgang met dingen in de wereld
(i) De techniek is de basis van natuurwetenschap, natuurwetenschap is dus niet de voorwaarde voor
techniek
II) Habermans : natuurwetenschap wordt gekenmerkt door een technisch kennisbelang en is gericht op
technische beheersing van de natuur
2) De natuur wordt ontsloten aan de hand van het instrument
I) Merleau-Ponty : onze kennis van de wereld is primair lichamelijk, hetgeen gestalte krijgt in het
gebruiken van instrumenten
II) Voorbeeld de blinde, met de blindenstok, net zo is het instrument de toegang tot de natuur (de natuur
ontsloten)
III) Het instrument garandeert praktische kennis van de wereld (niet theoretisch)
3) Gedeelde praktijken: praktijkbegrip
I) De instrumentele omgang met de natuur is ingebed in gedeelde praktijken, omgang met de
instrumenten
II) Instrumenten zijn in de wetenschap onderdeel van een institutionele context (stelling van Kuhn;
paradigma) en derhalve onderdeel van een institutionele praxis; een gedeelde praktijk die bestaat uit
een gedeelde zienswijze van handelen (niet de werkelijkheid)
blz. 36 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 5 Het probleem van het wetenschappelijk realisme
C) Tegenstelling van het instrumenteel realisme met het objectivisme en relativisme
1) Door de introductie van het praktijkbegrip vindt afwijzing van objectivisme en relativisme plaats Bernstein
2) T.o.v. empirist: kennis is geen afbeelding van een onafhankelijke werkelijkheid, want de werkelijkheid is
slechts toegankelijk in praktijken, die de vorm van kennis mede bepalen
3) T.o.v. relativist : Niet elke visie op de werkelijkheid is even goed
I) Alleen die benadering die zich als praktijk weet te organiseren is goed
II) Ze moet belichaamd zijn in gedeelde instrumentenwijzen van omgaan met de werkelijkheid
D) Tegenstelling van het instrumenteel realisme met het referentieel realisme (Hacking)
en het referentiecriterium (Radder)
1) Het instrumenteel realisme is niet representationeel
I) De kennis die het instrumenteel realisme stelt, is niet theoretisch, maar praktisch
II) Deze kennis is geen vorm van representatie van, maar kunnen omgaan met de wereld (niet know
that, maar know how)
2) Het instrumenteel realisme is ook niet referentieel naar entiteiten
I) Het gaat er niet om of bepaalde entiteiten bestaan, instrumenten verwijzen niet naar entiteiten, maar
maken de wereld toegankelijk en hanteerbaar
II) Het is van belang of praktische wijzen van omgang met de werkelijkheid op stabiele intersubjectief
gedeelde wijze gestalte krijgen
3) Geen stabilisering door de alledaagse taal
I) De stabiliteit van het gebruik van instrumenten (net als Radder) is terdege van belang
II) Deze stabiliteit wordt echter niet gegarandeerd door een beschrijving in de omgangstaal (Radder)
(i) maar door belichaming in een gedeelde praktijk van experimenteren
III) Het zijn de wetenschapsbeoefenaars die weten wat ze doen, de visie van leken is onbelangrijk
E) Afwijzing van objectivisme en relativisme
1) Kennis is gericht op de werkelijkheid, maar is niet gebaseerd op de werkelijkheid
2) Werkelijkheid is afhankelijk van de manier waarop de werkelijkheid gehanteerd wordt
3) Men kan niet willekeurig welke betekenis hechten aan de werkelijkheid (sociaal constructivisme)
4) Instrumenten veronderstellen stabiele, gedeelde praktijken die kunnen veranderen als nieuwe
instrumenten ontwikkeld worden
F) Wetenschappelijke vooruitgang: de werkelijkheid is beter hanteerbaar
1) Omdat nieuwe praktijken de werkelijkheid beter hanteerbaar maken (niet omdat ze deze beter
beschrijven)
G) De overgang naar een nieuwe praktijk is een praktische aangelegenheid
1) Het gezamenlijk incorporeren van nieuwe instrumenten
2) Verschillende praktijken zijn niet herleidbaar, maar de overgang naar een nieuwe praktijk is verdedigbaar
H) Incommensurabiliteit is niet hetzelfde als onvergelijkbaarheid
1) Bestaande praktijken kunnen vergeleken worden tegen historische voorgangers
2) Er is niet één werkelijkheid (klassieke realist)
3) Het is niet zo dat de één de entiteit wel beschrijft en de ander niet (referentieel realist)
4) De één belichaamt echter wel een werkelijkheid die meer technische mogelijkheden opent dan de ander
6. Realisme en rechtvaardiging
A) Kenmerkend voor (sommige) filosofieën is dat niet alleen filosofische interpretaties worden ontwikkeld,
maar ook nagedacht wordt over de status en de functie (bedoeling) van dergelijke interpretaties
B) De bedoeling van veel realisten is een rechtvaardiging van wetenschappelijke kennis
1) Er zijn veel soorten rechtvaardiging: C kennistheoretisch (objectief en rationeel, refererend naar een
mensonafhankelijke werkelijkheid), C maatschappelijk, C ethisch (als het maatschappelijk/ethisch goed is,
zou het te prefereren zijn)
C) De meeste filosofisch rechtvaardigingen zijn globaal,
1) de vraag is of dat in deze tijd nog te rechtvaardigen is
D) Is de materiële realisering van wetenschappelijke kennis op te vatten als eindpunt van
filosofische analyse?
1) Als men niet antiwetenschappelijk is: wellicht wel voor laboratoriumsituaties wel
2) Voor grootschalige technische projecten, echter niet
I) Het is dan verstandiger globale claims achterwege te laten en de kosten en baten tegen elkaar op te
wegen
E) Het referentieel realisme is geen globale filosofische rechtvaardiging van natuurwetenschappen
1) Het is niet het eindpunt van een filosofische analyse, maar dient als vertrekpunt bij een verdergaand
onderzoek
2) Als aanknopingspunt voor het maken van gedifferentieerde normatieve keuzen t.a.v. experimenten die
wel of niet gerealiseerd moeten worden
3) Zo zal de relevantie van de wetenschapsfilosofie m.b.v. concrete maatschappelijke problemen veel
duidelijker tot uiting komen.
Zelftoets
1b. de convergent realisten menen dat de vooruitgang in de wetenschap richting de waarheid gaat
Epor laat zich niet uit m.b.t. de waarheid: feiten zijn sociale constructies
blz. 37 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
blz. 38 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 6 De wetenschapsantropologie van Bruno Latour
Hoofdstuk 6 Introductie
A) Het sociaal constructivisme (EPOR) meet de inhoud van wetenschappelijke kennis met sociale factoren
B) Vergeleken met de wetenschapsfilosofische stromingen die ervan uitgaan dat ware kennis verwijst naar de
werkelijkheid, behoort het sociaal constructivisme tot een concurrerende tak, die ervan uitgaat dat speciale
eigenschappen van het kennend subject (een gemeenschappelijke taal, de universele ratio)
kennisverwerving mogelijk maken. .
1) De subjectzijde wordt bezet door de sociale gemeenschap
2) Feiten (werkelijkheid) vormen niet het object van wetenschappelijk onderzoek, maar het product daarvan
in overeenstemming binnen de sociale gemeenschap
C) Beide stromingen benadrukken een tweestelling: objecten (werkelijkheid; niet mensen) en subjecten
(wetenschappers; mensen)
D) Bruno Latour stelt dat er geen vanzelfsprekende scheiding tussen de wereld van het subject en het object is
Leerkern
1. Wetenschapsantropologie: object, doel en methode
A) Verstrengeling van wetenschap en maatschappij
1) De agenda van een wetenschapper maakt geen verschil tussen wetenschap en politiek antropologische
aangelegenheden
I) In de officiële geschiedschrijving echter is een duidelijk onderscheid tussen
wetenschappelijke/technische activiteiten en relaties die een maatschappelijk karakter vertonen;
wetenschap zou zijn afgeschermd van de politiek-economisch gestuurde maatschappij
2) Kuhn stelde deze opvatting begin jaren 70 bij
I) naast de randverschijnselen van de wetenschap zijn ook de cognitief inhoudelijke kanten van
wetenschap voor wetenschappelijk en sociologisch onderzoek opengesteld
B) Doelstelling van de wetenschapsantropologie van Latour
1) De wetenschapsantropologie van Latour neemt een bijzondere plaats in, haar doel is:
I) Het ontrafelen van de talloze verbindingslijnen tussen wetenschap en politiek
II) Het analyseren van de maatschappelijke machtspositie van het laboratorium
III) M.a.w.: het onderzoeken van de ontwikkeling van de wetenschap vanuit het besef dat wetenschap en
maatschappij zijn verweven
C) Twee lessen uit de wetenschapshistorische en –sociologische studies
1) Het onderscheid tussen sociale en inhoudelijke aspecten van de beoefening van wetenschap vergt
verklaring
I) wetenschappers houden zich ook bezig met de officiële normen voor goede wetenschapsbeoefening
II) wetenschappers maken gebruik van labels ‘(niet) wetenschappelijk’ om (eigen) werk als
(on)betrouwbaar te bestempelen
III) Latour: dit onderscheid dient geen uitgangspunt te zijn van analyses van het werk,
(i) een notie als bv economisch belang mag niet in de verklarende vocabulaire van de
wetenschapsantropoloog voorkomen
(ii) Deze noties dienen juist verklaard te worden
2) Tegenstrijdige verklaringen moeten worden onderkend
I) Als de controversen zijn beëindigd, verdwijnt dit gedrag achter de façade van de wetenschappelijke
methode en rationaliteit
II) Wetenschapsantropologen dienen onderscheid te maken tussen de verklaringen van vóór en na de
beëindiging van controverse; een goede timing en de juiste positionering in het veld zijn van belang
D) Een tweevoudige onderzoeksstrategie: cultureel antropologisch veldwerk en controverse
onderzoek
1) Het observeren van de wetenschapper in het laboratorium (klassieke antropologische studies)
I) M.b.v. agnosticisme t.a.v. de inhoud van de wetenschap
2) Controverse onderzoek: Het volgen van het verloop van de controversen
I) Voordeel: men komt binnen op het moment dat nog niet vaststaat wat de waarheid is
II) Men kan zo voldoen aan de post Kuhn’s eisen: bij de verklaring van het verloop van de controversen
doet men geen beroep op de latere uitkomst daarvan.
E) Methodologische voorschriften van Latour
1) Vertrouwd raken met de wetenschappelijke praktijken of controversen
2) Vooroordelen thuis laten
3) Sceptisch zijn tegenover verklaringen voor wetenschappelijk succes of falen, die uit de context los zijn
gemaakt
4) Wetenschap in wording bestuderen, deze fase mag niet verward worden met haar resultaat
2. De associologie van teksten en actornetwerken
Wetenschap houdt ook in: publiceren en eigen werk sterker maken dan dat van anderen
1) Dat doen de wetenschappers door elementen met elkaar te verbinden, zodanig dat ze moeilijk van elkaar
los te koppelen zijn
2) Wetenschap onderscheidt zich niet van andere menselijke bezigheden door haar logica, maar door
associolologica
I) Associologica: het vermogen de bestaande orde (logos) te transformeren door nieuwe verbanden te
leggen, op het werk van anderen doorbouwend
A) Teksten (klassieke semiotische analyse)
1) Semiotische benadering: betekenis opgevat als relationeel effect
blz. 39 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
I) Latour maakt, om de wetenschappelijke controverse te volgen, gebruik van semiotische
onderzoeksinstrumenten om de onoverzichtelijke massa tekst te reduceren
2) Karakteristiek van deze benadering : de wijze waarop de betekenis van een uitspraak tot stand komt,
wordt tot onderwerp van de studie gemaakt
I) Als uitkomst van, en in wisselwerking met de context waarin die uitspraak zich beweegt
3) Betekenis is relationeel : iedere bijdrage aan het wetenschappelijk debat wijzigt de status van de
oorspronkelijke uitspraak
I) Het is dus geen intrinsiek en tijdloos gegeven
(i) Pas achteraf stelt men vast of iets een feit of fictie is, de uitspraak beweegt zich langs een
continuüm
blz. 40 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 6 De wetenschapsantropologie van Bruno Latour
4) Het lot van de uitspraak ligt in de handen van degenen die hem doorgeven , de uitspraak wijzigt door dit
doorgeven
I) Door het lot van een claim aan een oudere uitspraak te verbinden, moet deze uit haar oorspronkelijke
context worden losgeweekt
II) Favoriete bondgenoten zijn beweringen die een lange maar onzichtbaar geworden geschiedenis van
positieve modificatie achter de rug hebben
III) De stelling wordt onderbouwd met afbeeldingen, grafieken en legenda
5) Een uitspraak dwingt instemming af door te leunen op de overtuigingskracht van anderen
I) Gelaagde structuur: Op het uiteinde van een waaier van versterkingen wordt een nieuwe nog niet
gestabiliseerde bewering geplaatst: Als iemand de stelling betwijfelt, moet deze alles ontrafelen: een
ware overmacht
(i) de tekst moet zich zonder verdere hulp van de auteur in zijn eentje redden
II) alliantie: de auteur stelt zich als plaatsvervanger en woordvoerder van de anderen op
(i) het is belangrijk de stem van de woordvoerder samen te laten vallen met die van de massa van
anderen daarvoor
(ii) de auteur blijft een bescheiden en actief waarnemer, de geconstrueerde alliantie moet voor
zichzelf spreken
(a) het blijkt uit de observaties van…….
6) Centraal begrip: translatie: verplaatsing én vertaling
I) De teksten van een wetenschapsonderzoeker kunnen worden voorgesteld als een netwerk dat het
niveau van individuele teksten doorsnijdt:
(i) Het is opgebouwd uit uitspraken die in een semiotische relatie tot elkaar staan
II) Semiotische benadering: Marie werkt (als bedrijfsleider: toevoegen element) in de supermarkt =
betekenisverandering
III) Translatie: Een andere positionering van een element (Marie) gaat gepaard met een verschuiving in
betekenis
(i) Een tweeledige betekenis: C van meetkundige verplaatsing en C linguïstische vertaling
7) Positieve en negatieve modaliteiten
I) Positieve modaliteiten: zinnen die een andere uitspraak opnemen en haar wegvoeren van de
oorspronkelijke omstandigheden
(i) Het maakt de uitspraak feitelijker door stroomafwaarts van uitspraak naar consequenties te gaan
(a) Black box: de ontstaansgeschiedenis is verdwenen (bv de toename anorexia patiënten door
Theander)
(ii) Leidt tot het gevoel dat het feit objectief is: er lijkt geen enkele discussie te zijn dat de uitspraak
bestaat
II) Negatieve modaliteiten: zinnen die de uitspraak terugvoeren naar de oorsprong en de aandacht
vestigen op het geconstrueerde karakter van wat wordt beweerd
(i) het realistisch effect van een tekst wordt zo ondergraven als de wordt gevestigd op de
subjectieve oorsprong
8) Feiten en artefacten
I) Een stroomopwaartse beweging leidt tot het gevoel dat de uitspraak een artefact is en geen
onomstotelijk bewijs
9) Paradox : hoe meer teksten de voorgestelde associatie opleveren, en deze in een streven om eigen claims
te funderen, positief bekrachtigen, des te vanzelfsprekender wordt de associatie
I) Dit is het gevolg van de twee gestalten van wetenschap (vóór en na het sluiten van de controverse)
II) Deze paradox begrijpen is de macht van het laboratorium begrijpen
10) 6.1: de semiotische benadering biedt een kader waarbinnen de sprekers, door middel van translatie, zelf
orde kunnen scheppen. Dit doen ze zonder dat specifieke invullen bij voorbaat als ruis wordt uitgesloten,
of als betekenisvol wordt geprivilegieerd
I) Een feit of artefact (objectief of subjectief) wordt als relationeel effect geanalyseerd
B) Actornetwerken (wetenschapsantropologische benadering)
1) Wetenschappelijke uitspraken zijn deel van een heterogeen gezelschap
I) Wetenschappers zijn vaardige retorici (het genereren van uitspraken met een realistische effect en
het verkrijgen van acceptatie)
II) De teksten staan niet los van autoriteiten, substanties, organisaties en instrumenten, noch van
eerdere uitspraken
III) Elke uitspraak ligt ingebed in een netwerk van heterogene elementen, die elkaar versterken en ieder
een specifieke rol hebben
2) Actornetwerktheorie (Callon, Law&Grip, Latour): Naast het klassieke semiotische kader, moet de studie
van wetenschap worden uitgebreid met niet-talige substanties (klos aan hotelsleutel)
I) Verschil met het linguïstische voorbeeld is het materiaal waaruit orde of betekenis wordt opgebouwd
II) Betekenis is: het resultaat van de onderlinge wisselwerking tussen tekens of krachten van
uiteenlopende aard
III) Neemt geen a priori-standpunt in t.a.v. de betekenis van actanten
3) Actant : alles en iedereen die kracht uitoefent of weerstand biedt
I) (actor, entiteit, kracht): het materiaal waaruit deze heterogene wereld is opgetrokken
II) Dit kunnen mensen, dingen, woorden, chemicaliën, belangenorganisaties, micro-organismen enz. zijn
4) De bepaling of iets informatie of ruis is, is een resultaat van netwerkbouw
I) Het translatiebegrip speelt een belangrijke rol: het plaatsvervangend woordvoerderschap beperkt zich
blz. 41 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
nu niet langer tot mensen: de netwerkbouwer maakt geen onderscheid tussen mensen en dingen
5) Dubbelresultaat van netwerkbouw : zowel de oorspronkelijke uitspraak als de context zijn volledig met
elkaar verweven
= na afloop zijn deze dan ook veranderd doordat het in de nieuwe semiotische context worden gebracht
6) Dilemma voor de netwerkbouwer:
I) Enerzijds is de steun van velen nodig om de uitspraak te verspreiden en een alternatieve orde te
creëren
II) Het is echter ook onvermijdelijk dat de uitspraak tijdens transport wordt getransformeerd
(i) Hoe groter het netwerk, des te groter het risico
blz. 42 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 6 De wetenschapsantropologie van Bruno Latour
7) Onderhandelen: Interesseren en stabiliseren; de evenwichtsuitoefening van geven en nemen
I) Waarbij potentiële bondgenoten worden geïnteresseerd (omdat zo hun eigen belangen gerealiseerd
kunnen worden)
(i) Én het gedrag van de bondgenoten gestabiliseerd (zodat het project inderdaad wordt
ondersteund)
8) Herordening van relaties tussen mensen en niet-mensen
I) Bij onderhandelen zijn menselijke en niet-menselijke actanten in het spel: hiermee onderscheid de
wetenschap zich van andere menselijke activiteiten
(i) Het heeft het vermogen op grote schaal heterogene zaken met elkaar te verbinden op een manier
die andere actanten tot instemming dwingt
(ii) Van te voren kan niet worden voorspeld welke associaties succesvol en duurzaam zijn
(a) Dit is een gemeenschappelijk resultaat van veel op elkaar inwerkende krachten
II) Onderhandelen is het antwoord dat de wetenschapper formuleert op het dilemma dat hij als
netwerkbouwer ondervindt op het moment dat hij zijn netwerk van heterogene, semiotische relaties
wil uitbouwen en stabiliseren
9) De overtuigingskracht van wetenschappers ligt erin dat zij in staat zijn om:
I) C Uiteenlopende bondgenootschappen te sluiten C Het een voor de ander in plaats laten treden C
Een technische oplossing te vinden waar mensen onvoorspelbaar blijken C Een sociale oplossing te
vinden waar dingen tekort schieten
10) Tijdens het proces van netwerkbouw worden zowel de sociale, als de natuurlijke orde geherdefinieerd
(mensen en niet-mensen)
I) Latour: zonder de niet mensen die in de intermenselijke aangelegenheden bemiddelen, worden de
relaties tussen mensen en tijd en ruimte radicaal ingeperkt
II) (door niet mensen geherdefinieerde) sociale factoren spelen een rol in de natuur, zoals door
wetenschappers gedefinieerd
11) Feiten en machines zijn cruciaal voor het begrip van mens zijn
I) Wetenschap en samenleving, natuur en maatschappij zijn zozeer verweven dat het doorgronden van
feiten en machines neerkomt op het doorgronden van wat mensen zijn
12) Het paradoxale resultaat van succesvolle onderhandelingen is dat zij nooit lijkt te hebben plaatsgevonden
I) Het creatieve werk waarmee de wereld wordt geordend, en mensen en niet mensen worden
verweven, verdwijnt achter de coulissen op het moment dat de controverse sluit
3. Geef me een laboratorium en ik zal de wereld verheffen
Het laboratorium
1) is een werkplaats waar wetenschappers de bestaande verhoudingen tussen menselijke en niet-menselijke
actanten herdefiniëren
2) Binnen de muren wordt lokale unanimiteit gecreëerd
I) Een stabilisatie van krachten op kleine schaal die als hefboom kan worden gebruikt om elders op
grote schaal de krachtsverhoudingen om te keren
A) Het interesseren van onverschillige krachten: voorbeeld: Louis Pasteur 1822-1895 (the pasteurization of
France; Latour 1984)
1) Miltvuur en andere ziekten vormen een groot risico voor de veeteelt eind 19
e
eeuw
I) Spontane morbiditeit: Alles correleert met de wijze waarop de ziekte zich manifesteert
II) Pasteur kweekt in zijn laboratorium micro-organismen en zoekt een alliantie met de boeren en
veeartsen
(i) Hij bevindt zich echter in het nadeel, de boer en dierenarts weten meer dan hij
(ii) Een alliantie tussen de oude (stal) en nieuwe actant (laboratorium) moet zich vormen
III) Pasteur brengt het laboratorium naar de stal en leert daar de mensen vaardigheden: op locatie
vertrouwd raken met de wisselende omstandigheden en hun invloed op het verloop en omvang van
de ziekte
IV) een aantal van de elementen brengt hij vervolgens naar het laboratorium m.b.v. selectie en
simplificatie
2) Krediet of geleende kracht biedt onderhandelingsruimte
I) Onderhandelingsruimte: boeren en veeartsen moeten hun krediet (geloof én geld) verlenen voordat
er kant en klare resultaten zijn o.b.v. verwachting van succes, o.g.v. kredietwaardigheid verworven
door eerder werk
3) Kredietwaardigheidcyclus (cycle of credit) een cyclus van steun voor de wetenschappers én
meeprofiteren van de eindgebruiker bij succes, dat laatste wordt direct weer in het productieproces
geïnvesteerd
4) Translatie-transport-transformatie: De sporenfase van de microbe is de laboratoriumvertaling van het
geïnfecteerde (boeren)veld
I) Pasteur creëert een verbindingsroute: het laboratorium is een verplicht uitgangspunt voor de
onvoorspelbare krachten daarbuiten
B) Terugkeer naar het laboratorium
1) Krachtmetingen
I) Van de opgedane kennis in het veld verplaatst men zich naar het laboratorium waar de complexe
heterogeniteit verdere translatie ondergaat;
(i) zonder een magische grens te passeren tussen de alledaagse buitenwereld en de intellectuele
binnenwereld
blz. 43 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
(ii) het cruciale verschil tussen wetenschapper en boer is het laboratorium en de versterking
II) de reactieve definitie van de actant: de betekenis van een actant is een relationeel effect, men weet
niet wat het in essentie is
(i) via krachtmetingen wordt de onbekende actant (microbe) zichtbaar: onder grote druk in het
laboratorium worden vaardigheden afgeleid die als intrinsieke eigenschappen aan de actant
worden toegekend.
(ii) Latour: de leesbare vorm van de microbe bestaat niet voor deze unieke gebeurtenis, of buiten de
setting
2) Registraties
I) Latour: een groot deel van de inspanningen van de wetenschappers is erop gericht om zwart op wit
gestelde uitspraken de wereld in te sturen:
(i) het winnen van de controverse = daarna staat de wetenschapper voor het eerst sterker dan
andere krachten
(ii) de gegevens in de registratie geven echter niet een onbemiddeld inzicht in de werkelijkheid
(iii) De microben eindigen in een curve, tabel, of grafiek: een gedaanteverwisseling van organisch =
leesbaar materiaal m.b.v. de registratieapparatuur
blz. 44 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 6 De wetenschapsantropologie van Bruno Latour
II) Registreren : alle activiteiten waar een materiële substantie wordt omgezet in een geschreven of
getekende weergave van die substantie
III) Een registratie-instrument : reduceert een onoverzichtelijke hoeveelheid materiaal tot een inscriptie
die hanteerbaar en overzichtelijk is. Dit levert een drietal nuttige eigenschappen:
IV) Mobiele stolsels (immutable mobiles) C stabiel C mobiel C combineerbaar
(i) Mobiele stolsels lijken werking op afstand mogelijk te maken omdat zij tijdens het transport door
ruimte en tijd intact blijven waarna ze ingezet worden in verdere onderzoeken. Ze kunnen worden
vermenigvuldigd, gepresenteerd, vergeleken en gecombineerd
V) Registratie van stapeling : aanvankelijk ongelijksoortige elementen kunnen aan elkaar worden
gekoppeld, als kaarten over elkaar heen worden gelegd
(i) De registratie instrumenten staan aan de basis van wat als beslissende laag in een
wetenschappelijke tekst kan worden opgenomen, zodat het lijkt dat er een onmiddellijke relatie
met de beschreven substantie is (via bv een grafiek overtuigen)
VI) Inscripties hebben een relatie met de substantie : De inscripties zijn het resultaat van langdurig
handwerk gericht op de productie van zichtbare dingen (mobiele stolsels)
VII) Radicale schaalverandering en omkering van krachten: rechtvaardiging van de reeks van translaties
(i) Essentieel is de complete wijziging van de schaal waarop de fenomeen plaatsvinden: een paar
mensen domineren (de buiten het laboratorium) fatale en onzichtbare krachten
(ii) Daarnaast vindt een omkering van krachten plaats: onoverzichtelijke en onbeheersbare
gebeurtenissen (buiten het laboratorium) zijn te manipuleren en multipliceren; de effecten zijn te
overzien
(a) M.b.v. multiplicatie kan men ervaringen accumuleren en met nader omschreven antwoorden
terug naar het veld
VIII)Nu verkeert de wetenschapper wel in het voordeel: hij heeft de kenmerken van de stal op kleine
schaal gezien
IX) Variabele virulentie en spontane morbiditeit : De micro-organismen kunnen in het laboratorium aan
allerlei krachtproeven worden onderworpen: de basis voor vaccinatie is het product van ambachtelijk
en geduldig handwerk (Latour)
(i) De translatie van spontane morbiditeit naar variabele virulentie verbindt een vooraf losse
associatie en creëert een equivalentie tussen twee sferen die eerst ver van elkaar stonden en
bundelt hun krachten
3) Terug naar het veld
I) Translatie naar het veld : veel werk om de prestatie van het laboratorium naar de stal te vertalen
(i) Veldexperiment: Het hoogtepunt van de translatie: gevaccineerde schapen worden niet ziek
II) Achteraf onderscheid tussen ontdekking en verificatie
(i) De indruk van een wonder gecreëerd door een genie.
(a) Dit komt voort uit de radicale breuk (binnenwereld en buitenwereld)
(ii) Feiten ontdekken en in de praktijk waarmaken; waarheid en macht; niet menselijke en menselijke
aangelegenheden zijn nauw met elkaar verweven
III) De wereld als buitenpost van het laboratorium
(i) Om zijn ontdekking in het laboratorium uit te breiden naar de boeren, gaat Pasteur niet naar
buiten, hij breidt zijn laboratorium uit tot in de wereld van de boer om deze op cruciale
onderdelen in een laboratorium te veranderen
(a) Niet te veel of te weinig, het moet realiteitswaarde behouden, maar het mag niet falen
(b) De balans blijft in het voordeel van de netbouwwerker
(ii) Het vermogen om gebeurtenis te voorspellen, hangt zo nauw samen met het vermogen om
netwerken uit te breiden
(a) Een netwerk is zo sterk als de zwakste schakel
(i) Voordurende begeleiding en bijstelling, instructies en gebruiksvoorschriften maken het
geheel labiel
(ii) Men heeft weer onderhandeling nodig om de balans te behouden
IV) Metrologie : van de buitenwereld de binnenwereld maken waarin feiten kunnen reizen
(i) De buitenwereld wordt in dezelfde overzichtelijke vorm gegoten
(ii) Vanuit de centra van wetenschappers kunnen de effecten van hun interventies gevolgd worden =
registratie
(iii) De meetgegevens worden gemobiliseerd, gecombineerd en geherinvesteerd in vervolgonderzoek
(iv) Nieuwe actanten(op grotere afstand) kunnen worden geïnteresseerd, zodanig dat zij zich aan het
laboratoriumregime onderwerpen
V) Hefboomwerking van het laboratorium : de wereld kan als door een hefboom vanuit een
wetenschappelijk centrum worden bewogen:
(i) een paar zwakke mensen slagen erin bepaalde gebeurtenissen te domineren vanuit een
laboratorium met weinig energie
(ii) zodat ze met gezag kunnen spreken
(iii) de krachtsverhoudingen op grotere afstand in beweging zetten = melkproductie, ziekenhuizen
etc
VI) Herordening van relaties tussen mensen en niet-mensen: coproductie van natuur en maatschappij
(i) Pasteur maakt ruimte binnen de Franse maatschappij voor een nieuwe actant: de microbe en
transformeert de Franse maatschappij vanuit zijn laboratorium
C) Translatie en diffusiemodel
blz. 45 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
1) Alom aanwezige/heterogene netwerken belemmeren ons overzicht
I) door de dichtheid en uitgestrektheid is hun constituerende rol in het voortbestaan van feiten,
onzichtbaar geworden
II) Paradox: hoe verder de netwerken reiken, des te ongrijpbaarder wordt de inhoud
blz. 46 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 1: Wat is wetenschap Leereenheid 6 De wetenschapsantropologie van Bruno Latour
2) Twee modellen voor wetenschapsontwikkeling: toeschrijving van het verworven krediet:
I) Het eerste model het translatiemodel van de ontwikkeling van de wetenschap Latour:
(i) Inspanning om C het netwerk te construeren C de investeerders te interesseren C de
onderhandelingsruimte te creëren C de energie om de geworven actanten in het semiotisch
gareel te krijgen om op laboratoriumschaal een buitenwereld te creëren C van de buitenwereld de
binnenwereld te maken © onderhoud te plegen
(ii) Het translatiemodel beschrijft:
(a) hoe het aanklampen bij de translatie van het voortbouwen op bestaande krachten en
interesses een essentieel onderdeel is van wetenschap in wording
(b) de afwikkeling van het proces van netwerkopbouw
(c) Dat het van cruciaal belang is dat de indruk wordt gewekt dat het succes van de hele
onderneming aan de inspanningen en het genie van de netwerkbouwer te danken is.
(iii) Toeschrijvingprocessen
(a) Ontkenning van de roerige eigen geschiedenis: het uitwissen van de sporen van het
translatiewerk
(iv) Splitsing en omkering
(a) Een splitsing vindt plaats tussen C binnen en buiten, C ontdekking en verificatie C tussen
wat iemand beweert en waar in de wereld de uitspraak naar verwijst
(b) De splitsing wordt gevolgd door een omkering: het lijkt alsof binnen de translaties en elkaar
definiërende actanten eenrichtingsverkeer is ontstaan.
(i) Het onveranderlijke object lijkt de motor te zijn geweest achter alles wat erover is
beweerd
(ii) Wat vragen oproept, is dat soms van het rechte pad wordt afgeweken, de schijn wordt
opgewekt dat irrationele krachten de voortgang van de wetenschap blokkeren.
(v) Subject en object
(a) Wat rest is uiteengedreven in een subject (uitspraken) en een object (de dingen) of
wetenschap en wereld
II) Het tweede model: het diffussiemodel beschrijft de toestand bij kant en klare wetenschap
(i) Het is het standaardmodel van de wetenschap dat aansluit bij het beeld dat achteraf bestaat: in
dit model lijken feiten onafhankelijk van hun constituerende netwerk verspreid te kunnen worden
4. Een symmetrische wetenschapsantropologie
Paradox: C een feit is de gezamenlijke constructie van velen C als de controversen worden beëindigd, zijn de
sporen van het constructieproces uitgewist
1) Het paradoxale resultaat is dat de feiten door niemand lijken te zijn gemaakt en van nature te zijn
gegeven (zie blz. 177)
A) Relativisme en realisme debat:
1) Relativisme : vele actanten ordenen de wereld, feiten zijn nooit natuurlijk, maar resultaat van moeizame
constructiearbeid
I) De ambiguïteit van de feiten (Latour) zijn van belang, de natuur is nog niet ‘bewezen’, deze is het
gevolg van het sluiten van controversen en kan dus niet gebruikt worden om het verloop van de
controversen te verklaren
II) Relativisme gaat vaak gepaard met de introductie van de universele ratio; de maatschappelijke
context; onze gemeenschappelijke taal; om de onbepaaldheid van de feiten te ondervangen
2) Realisme/relativisme
I) Een realist zou zich tot het kennisobject wenden
(i) de natuur geeft een doorslaggevende stem in de afloop van controversen
II) De relativist neemt zijn toevlucht tot speciale kenmerken van het kennend subject om
overeenstemming over de status van kennisclaims te verklaren
(i) Latour stelt dat dit ook verworpen moet worden: de maatschappelijke omstandigheden worden
immers tijdens het proces van netwerkbouw ook diepgaand geherdefinieerd
(ii) De definitie van de maatschappij (die verandert als bv microben worden geïntroduceerd) ligt net
zo min vast als die van de natuur
III) Latour stelt dat beide posities waar zijn, maar niet tegelijkertijd
B) Wetenschap in wording: relativisme
1) Latour : feiten worden geconstrueerd: laboratoria zijn de meest kunstmatige plaatsen op aarde
I) Dat producten van wetenschappelijke arbeid ook buiten het laboratorium werken, is het resultaat van
transformatie van de buitenwereld in een laboratorium.
2) Correspondentie-effect van netwerkbouw
I) Verificatie van de feiten is alleen mogelijk dankzij de uitgestrektheid van het netwerk dat het bestaan
van zulke feiten definieert
II) Het bewijs dat specifieke eigenschappen van een bv microbe bestaan, kan alleen in het laboratorium
geleverd worden
3) Probleem van de onderbepaaldheid van feiten is het effect van netwerkbouw
I) De zorg om de onderbepaaldheid van feiten, berust op het geloof dat buiten de fragiele netwerken
een buitengewone kracht van sociale of natuurlijke oorsprong huist die de sluiting van controversen
kan verklaren, volgens Latour is dat een misverstand
4) Natuur en maatschappij kunnen geen verklarende bronnen zijn
I) Latour: wetenschap in wording is een product van de aanwezige netwerken en de daarbinnen
blz. 47 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
circulerende vruchten van eerder wetenschappelijk ordeningswerk: noch natuurlijke, noch sociale
categorieën kunnen worden gebruikt om het verloop van controversen te verklaren, ambiguïteit
verschaft de wetenschap onderhandelingsruimte
(i) Wetenschap is van nature gebonden doordat het de resultaten van de ene wetenschap verbindt
met een andere
(ii) Een stabiele toestand van de maatschappij is het resultaat van het sluiten van controversen
II) Wetenschapsantropologen moeten even relativistisch zijn als de wetenschappers zelf; t.a.v. én
natuur, én maatschappij
5) Gegeneraliseerd symmetriebeginsel : er mag geen a priori onderscheid worden gemaakt tussen de
pogingen om menselijke en niet menselijke elementen met elkaar te associëren.
I) Het enige dat telt is of een verbinding stand houdt
blz. 48 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
C) Grenzen aan het relativisme: de productie van asymmetrie
1) Relativisten hebben gelijk zolang controversen duren: feiten worden gemaakt en bezitten geen
uitzonderlijke status
2) Aansturen op asymmetrie: de realisten:
I) wetenschappers sturen aan op asymmetrie tussen de beweringen: hun eigen beweringen moeten
geloofwaardiger zijn
II) Men wil de ambiguïteit van de linkerkolom transformeren naar de dichitome wereld van de
rechterkolom
III) Men tracht vele kleine verschillen te reduceren om enkele grote verschillen te produceren
3) De kracht van het laboratorium: het verplaatsten en vertalen:
I) Het omslagpunt van die transformatie ligt op het moment dat de onderzoeker erin slaagt om van een
onbekende plaats iets mee te nemen, zodat hij een verandering in schaal kan bewerkstelligen. De
vermenigvuldiging van krachtproeven stelt de wetenschapper in staat terug te keren naar het veld, in
het voordeel. Nu kan hij op ware schaal allianties smeden.
4) Accumilatiecyclus :
I) Door steeds heen en weer te bewegen, worden steeds meer mensen met elkaar verbonden; de groei
van wetenschap door een steeds wijder uitwaaierende spiraal, waarbij gestolde ervaringen (mobiele
stolsels) van een onbekende plaats naar het laboratorium worden gebracht. Ze worden opnieuw
geïnvesteerd.
II) Dit pendelen tussen twee plaatsen verspreidt de invloed van het laboratorium en verkaart waarom er
zoveel tijd en moeite wordt geïnvesteerd in aanleg en onderhoud van de verbindingslijnen
III) Binnenwereld (laboratorium) en buitenwereld (stal) krijgen een gezamenlijke geschiedenis, ze lijken
steeds meer op elkaar, ze herdefiniëren elkaar constant
IV) Feitenproductie vindt plaats in een naadloos weefsel
5) Productie van asymmetrie :
I) Naast een intieme relatie wordt ook asymmetrie tussen beide plaatsen gecreëerd:
(i) het laboratorium gaat steeds meer domineren
(ii) het laboratorium is een rekencentrum dat andere plaatsen in de periferie dwingt.
(iii) Vanuit de werkplaats kan (hefboom) de buitenwereld in een geordende binnenwereld worden
geherdefinieerd.
II) Het resultaat van netwerkbouw is een stabiele, functionele overeenstemming tussen sociale en
natuurlijke fenomenen
(i) Er is voortdurend onderhoud nodig
III) De asymmetrische breuk wordt vervolmaakt als de controverse is beëindigd
(i) Black box: Het verbergen van de constructiearbeid is de laatste cruciale stap in de feitenproductie
IV) Netwerkbouw eindigt met asymmetrie: de gedefinieerde feiten definiëren ons
6) De antropoloog zal zich –zolang de controversen lopen- relativistisch opstellen, maar kan ook het
omslagpunt beschrijven
D) 6.8: Kritiek van Latour op het realisme en het sociaal constructivistisch relativisme:
1) Beide posities maken zich zorgen over de onderbepaaldheid van feiten (a.g.v. netwerken en introductie
van sociale factoren)
2) Latour stelt: er is niets buiten de netwerken van (niet) menselijke activiteiten
I) Men moet geen beroep doen op de uitkomsten van het proces
II) Men moet de stabilisatie met het zelfde semiotische begrippenkader beschrijven (niet terugvallen op
natuur of maatschappij)
III) Relativisten hebben gelijk zolang de controverse duurt
(i) Een cruciaal kenmerk wordt echter genegeerd: wetenschappers zijn bezig om asymmetrie te
creëren
IV) Als de controversen sluiten, moeten we realistisch zijn en erkennen dat de geconstrueerde orde iets
onomkeerbaars heeft gekregen
E) Tot slot: Kritiek op Latour’s wetenschapsantropologie
1) Wat is de pointe van Latour : C deconstrueren van wetenschap? C mogelijk maken van opportunistische
wetenschapsbeoefening?
2) Ethische filosofische kritiek : zorgen over de gelijke behandeling van menselijke en niet menselijke
actanten = onmogelijk zinvol te spreken over politieke en morele verantwoordelijkheid (een microbe is
niet verantwoordelijk voor de interventie in maatschappij)
3) sociaal constructivistische kritiek : het zijn mensen die beslissen over de scheidslijn tussen waar en niet
waar; doordat Latour daadkracht verleent aan de niet menselijke actanten biedt hij ruimte aan de
autonomie van wetenschap en techniek. het post-Kuhniaanse onderzoek heeft hier juist mee gebroken
I) Latour: ook morele en politieke normen zijn het resultaat van netwerkbouw
4) Feministische kritiek : er is slechts aandacht voor winnaars, de kosten van het ordeningswerk van
degenen die vertaald worden, worden te makkelijk uit het oog verloren
5) Latours interesse heeft primair een antropologische inzet
I) De huidige samenleving onderscheidt zich niet zozeer in haar rationaliteit, maar in de uitgebreidheid
van netwerken
II) Vooruitgang is een creatief proces van wederzijdse beïnvloeding, het verloop van deze geschiedenis
is onzeker
F) 6.3. het relativisme is te beperkt om de ontwikkeling van wetenschap te begrijpen omdat:
blz. 49 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
1) De aanwezigheid van netwerken steeds minder op valt = de eindproducten van netwerken (feiten) lijken
er los van te staan, het lijkt een onafhankelijke realiteit.
2) Na splitsing en omkering treedt correspondentie op tussen binnen en buiten: de dichitome orde
(asymmetrisch)
3) Het subject accumuleert krachten buiten, die door een hefboom worden geherdefinieerd = onaantastbare
orde
blz. 50 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 7 Natuurwetenschap en techniek:
hiërarchie en analogie
Hoofdstuk 7 Leerkern
A) De verstrengeling van natuurwetenschap en techniek in de loop van de geschiedenis
1) Natuurwetenschap en techniek zijn sterk met elkaar verweven
I) In natuurwetenschappelijk onderzoek wordt steeds meer gebruik gemaakt van technische apparatuur
II) Voor de constructie van apparatuur is natuurwetenschappelijke kennis vereist
2) Sociologisch gezien is het onderscheid tussen techniek en wetenschap vervaagd
I) Fundamenteel onderzoek vindt plaats in wetenschappelijke instellingen
II) Maar ook in laboratoria van multinationals
3) Kleinere schaal: bv in biologie vervagen de grenzen: DNA experts participeren in kleine
briotechnologische bedrijven
4) Saillant gegeven: een groot percentage van de natuurwetenschappers werkt voor militaire projecten
B) Vijf historische fasen
1) Oudheid en vroege middeleeuwen: geen relatie
I) Klassieke wetenschappen (astronomie, harmonieleer, wiskunde, optica en statica): sterk
contemplatief
II) Techniek: (watermolens, militaire apparaten, landmeting): ambachtelijk handwerk; praktische
bruikbaarheid
III) Waardering: Plato: positieve waardering voor wetenschap, negatieve waardering voor handarbeid
2) Late middeleeuwen en renaissance: nieuwe combinaties tussen wetenschap en techniek
I) Er ontstaan nieuwe combinaties van wiskundige of natuurwetenschappelijke inzichten met
ambachtelijke technieken
(i) Tartaglia 1499-1577: verhandeling over ballistiek: theoretische kennis over zwaartekracht
gecombineerd met praktische kennis over de banen van projectielen (wiskunde en artillerie)
II) Nieuwe natuurfilosofie (Bacon en Descartes): het verklaren, beheersen, kennen van en ingrijpen in de
natuur
(i) Aanbeveling om gebruik te maken van de experimentele methode
III) Cumuleert in de 16
e
en 17
e
eeuw in de wetenschappelijke revolutie
3) Achttiende eeuw: Baconiaanse en klassieke wetenschappen
I) De nieuwe natuurfilosofie is van invloed op de Baconiaanse wetenschappen:
(i) gedrag van gassen, chemische stoffen, warmte, elektriciteit en magnetisme.
(ii) De wiskunde speelde een beperkte rol
(iii) Veel experimenten met apparaten als telescopen, microscopen, thermometers, barometers,
luchtpompen etc.
II) Een incidentele relatie met techniek tussen scheikunde en metallurgie, maar geen systematische
verstrengeling
(i) Er is een kloof tussen het laboratorium en de problemen daarbuiten (vervoer, bruggen, mijnbouw,
zeevaart, artillerie)
(ii) De invloed van de Baconiaanse wetenschappen is gering t.a.v. de klassieke wetenschappen, waar
wiskunde en zuivere theoretische beschouwingen overheersen
(iii) Het experiment speelt een beperkte rol: men neemt vaak genoegen met gedachte-experimenten
4) Negentiende eeuw: industriële revolutie
I) De klassieke en Baconiaanse wetenschappen groeien naar elkaar toe a.g.v. de mathematisering van
de Baconiaanse wetenschappen
II) De industriële revolutie met haar stoommachines (theoretische warmteleer), weefgetouwen, gietijzer,
telegraaf (magnetische effecten op elektrische stromen) en de hydraulische machines leidt tot een
toename van de relatie tussen natuurwetenschap en techniek, en:
(i) Op grond van economische motieven ontstaat vraag naar natuurkundige inbreng in de technische
productie
(a) Men kan beter dan vroeger op deze vraag inspelen door de gemathematiseerde Baconiaanse
wetenschappen
5) Twintigste eeuw: systematische verstrengeling
I) Wetenschap en techniek zijn systematisch met elkaar verbonden:
(i) institutionele aspecten (zie leerkern 7A)
(ii) inhoudelijke verschillen tussen werken aan de universiteit of bv een laboratorium van Philips zijn
klein
6) een andere indeling in fasen zou kunnen zijn
I) C antieke ervaringstechniek C klassieke techniek C modern theoretische techniek
2. theoretische modellen voor de relatie tussen natuurwetenschap en techniek
A) Hiërarchische modellen
1) In de hiërarchische modellen wordt óf aan de wetenschap óf aan de techniek prioriteit toegekend,
I) gehanteerd door empirische onderzoekers (historici, sociologen) en filosofen, maar ook
wetenschappers, politici en beleidsmakers en in de publieke opinie
II) er is een hogere waardering voor wetenschap (creatief) dan voor techniek (routinematig uitwerken en
toepassen)
2) historici : discussie over de aard van de relatie tussen natuurwetenschap en techniek in de
wetenschappelijke revoluties
I) ontstond de revolutie als antwoord op de technische ontwikkelingen (a.g.v. veranderde
blz. 51 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
sociaaleconomische omstandigheden)
II) óf leidde de wetenschappelijke revolutie juist tot de ontwikkeling van de techniek
III) een onbeslisbare discussie: C wetenschap is niet altijd de drijvende kracht achter
technologieontwikkeling C moderne techniek is onmogelijk zonder wetenschappelijke methoden en
inzichten
3) filosofen : hanteren vaak hiërarchische modellen.
I) De opvattingen van Bunge zijn epistemologisch van aard: wetenschap levert ware kennis van de
werkelijkheid, de techniek kan deze kennis gebruiken voor het realiseren van maatschappelijke
doelen of waarden
B) Analoge modellen
1) Bij analoge modellen geeft men bepaalde analogieën tussen beide aan en toets men deze op
vruchtbaarheid a.d.h.v. case studies
I) Constants toepassing van Kuhns wetenschapsopvatting op de techniek
II) Pinch: het sociaal constructivistische model
III) Bijker: het doortrekken van lijnen vanuit de sociologie van wetenschappelijke kennis naar de techniek
C) Techniek is de algemene term C het technische product C het technisch handelen C de technische kennis
1) Technologie: gebruikt in losse zin: de gesystematiseerde en/of verwetenschappelijkte techniek
2) Een oogstmachine is een technologische techniek
3) Een ploeg is een techniek sec
blz. 52 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 7 Natuurwetenschap en techniek:
hiërarchie en analogie
Hiërarchisch model
3. Bunges visie op techniek als toegepaste wetenschap
A) Mario Bunge (1919) verwoordt de verhouding tussen natuurwetenschap en techniek in de formule techniek =
toegepaste wetenschap;
1) het verschil tussen de doelstellingen van wetenschap: motivatie en invalshoek wetenschapper
I) Pure cognitieve doelen worden bereikt door pure wetenschap; praktische doelen door toegepaste
wetenschap
II) Niet zozeer de expliciete motivatie en invalshoek van de wetenschapper zijn van belang, maar de
veronderstelde verschillen
2) Wetenschappelijke wetten en technische regels
I) De wetenschapper streeft naar toetsbare, ware wetten die de werkelijkheid beschrijven en
voorspellingen mogelijk maken
II) De technicus gebruikt wetenschappelijke wetten als grondslag voor regels die de loop der
gebeurtenissen beïnvloeden met het oog op het oplossen van praktische problemen en het realiseren
van maatschappelijke doelstellingen
3) Wetenschap en praktisch handelen
I) Er moet onderscheid gemaakt worden tussen wetenschap en techniek (toegepaste wetenschap) en
praktische vaardigheden of praktisch handelen (activiteiten die niet berusten op wetenschappelijke
theorieën)
4) Epistemologisch onderscheid
I) De hiërarchie van Bunge is epistemologisch van aard (ook wel kentheorie of kennisleer genaamd)
(i) Kennistheorie of epistemologie is de tak van de filosofie die de aard, oorsprong en reikwijdte van
kennis en het weten onderzoekt.
(a) Centraal bij epistemologie staat de vraag die de mens zich stelt: "Wat kan ik weten?"
II) wetenschappelijke wetten kunnen op grond van hun waarheid technische regels funderen, maar
omgekeerd kan een praktisch werkzame regel nooit een wetenschappelijke wet rechtvaardigen
III) Voorbeeld: de productie van een telescoop op basis van de (onware) geometrische optica i.p.v. de
adequate golfoptica
(i) De telescoop werkt, maar het vormt geen toetssteen voor de waarheid van optische theorieën
B) Kritiek: er is een groter verschil tussen wetenschap en techniek
1) Historische kritiek
I) De hiërarchie van Bunge zou geen goede weergave van de feiten bieden
II) Veel belangrijke technische uitvindingen zijn onafhankelijk van wetenschappelijk onderzoek/theorieën
tot stand gekomen
(i) Stoommachines, waterkrachtmeters, uurwerken, metallurgische technieken
III) Verdediging : deze voorbeelden kunnen worden gerangschikt onder de oude techniek, niet onder de
echte toegepaste techniek
(i) Door de techniek als toegepaste techniek te definiëren, is de definitie immuun voor
tegenvoorbeelden
(ii) De erkenning van deze voorbeelden leidt hoogstens tot een beperking van geldigheid van de
definitie
2) Sociologische kritiek
I) De verschillen tussen wetenschap en techniek zijn groter dan Bunge doet veronderstellen
(i) Het gaat niet zozeer om verschillende doelstellingen als wel om de sociale organisatie: de
cognitieve autonomie
(ii) Deze is bij de wetenschap veel groter dan in gemeenschappen van technologen:
(a) maatschappelijke belangen grijpen veel directer in op techniek dan op wetenschap
(b) Het criterium voor ‘goed’ is afhankelijk van de maatschappelijke criteria van efficiënt, veilig of
milieuvriendelijk
II) Verdediging : dit raakt niet de kern van Bunges opvattingen: hij stelt niet dat het enige verschil het
verschil van doelstellingen is;
(i) hij veronderstelt een eenrichtingsverkeer van wetenschap naar techniek
C) alternatieve kritiek: er zijn juist kleinere verschillen tussen wetenschap en techniek,
1) de verschillen zijn gradueel, niet principieel of eenduidig:
I) Bunge: wetenschappers streven naar waarheid, technici naar praktische bruikbaarheid
(i) Lang niet alle wetenschappers streven naar waarheid
(a) Er is niet altijd directe toetsing van theorieën d.m.v. experimenten (kwantummechanica)
2) Er zijn drie soorten activiteiten:
I) Bunge stelt dat er slechts twee soorten activiteiten in de wetenschap zijn: C theorievorming en C
experimentele toetsen
II) Er zijn echter 3 activiteiten
(i) Theorievorming: Het opstellen van fundamentele theorieën of theoretische vergelijkingen
(ii) Modelvorming (Cartwright) Het nader uitwerken en specificeren daarvan om concrete toetsing
mogelijk te maken
(a) Andere term: het articuleren van een theorie of paradigma (Kuhn)
(b) Twee aspecten zijn van belang in vergelijking tussen natuurwetenschap en techniek:
(i) Binnen 1 subterrein bestaan vaak veel verschillende specifieke modellen en theorieën
met klein bereik
blz. 53 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
(ii) Het doel van modelvorming is de afstand tussen de theorie en het experiment te
overbruggen
1. deze overbrugging lukt niet als alleen van fundamentele theorieën gebruik gemaakt
wordt, ook theoretisch te verantwoorden methoden: benaderingen o.g.v. intuïtieve
modellen worden toegepast
(c) de toetsing is afhankelijk van andere experimenten, via de invoering in het model van
experimenteel bepaalde parameters, waarvan de waarden zijn bepaald door ze aan te passen
aan specifieke experimentele gegevens: een onmisbare rol:
(iii) Experimentele test: Het doen van experimenten om de toetsing uit te voeren
III) Zoals bij modelvorming blijkt is het verschil is dus niet zo groot: C werken met een veelheid van
modellen C maken van benaderingen gebaseerd op intuïtieve inzichten C het beheersbaar maken
van een systeem via aanpassing aan experimenteel bepaalde parameters; dit zijn die procedures die
volgens Bunge karakteristiek zijn voor de ontwikkeling van moderne technologische kennis.
D) versterkte kritiek: praktische vaardigheden en het experimenteren
1) Bunge : natuurwetenschap en techniek moeten onderscheiden worden van praktische vaardigheden
I) Hij wekt de indruk dat deze vaardigheden geen of een ondergeschikte rol spelen in de wetenschap
II) Als we experimenteren betrekken (wat Bunge nalaat) gaat deze suggestie niet op
(i) Vaardigheden zijn een essentieel aspect van natuurwetenschap en techniek: de
reproduceerbaarheid en stabiliteit van experimenten is nooit van nature gegeven, maar is middels
een moeizaam proces door mensen gerealiseerd
blz. 54 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 7 Natuurwetenschap en techniek:
hiërarchie en analogie
E) Doel van Bunge (en anderen)
1) het expliciteren van een definiërend en demarkerend wezen van natuurwetenschap/techniek
I) Een lijst met kenmerken die exclusief gelden voor natuurwetenschap; de kenmerken van moderne
techniek, overlappen echter op belangrijke punten met natuurwetenschap; de verschillen zijn
gradueel van aard; ze zijn steeds meer verstrengeld
II) Epistemologische waarheid van de wetenschap is moeilijk hard te maken
III) Omgekeerd is het wel mogelijk om een realistische interpretatie aan wetenschap te geven via
herwaardering in de wetenschappelijke praktijk: dit hebben natuurwetenschap en techniek (indien
succesvol) gemeen
2) Conclusie : wetenschap kan zich geen bevoorrechte status toekennen o.b.v. epistemologische/evaluatieve
zin
4. Analoge modellen: C wetenschappelijke en technologische paradigma's C sociale constructie v.d.
techniek
Analogieën
1) Tussen natuurwetenschap en techniek kunnen bepaalde analogieën in termen van overeenkomsten en
verschillen bestaan
2) Meestal voorgesteld door wetenschapshistorici en –sociologen
Primaire bedoeling van analogische modellen
1) Leidraad voor verder empirisch onderzoek
2) Handvat voor meer normatieve kwesties: bv t.a.v. sturing of maatschappelijke beoordeling van
wetenschap en techniek
Wetenschappelijke en technologische paradigma's
A) Het Kuhniaanse analoge model van Constant & Cutting
1) o.b.v. de centrale begrippen van Kuhn (wetenschappelijke gemeenschap, wetenschappelijke
traditie/paradigma, normale en revolutionaire wetenschap, puzzels en anomalieën)
2) Drie structurele overeenkomsten tussen natuurwetenschap en techniek en de evaluatie
I) De notie van gemeenschap van beoefenaren (belangrijkste)
(i) De praktijk (wetenschap en techniek) is gestructureerd o.b.v. identificeerbare gemeenschappen
met tradities
(ii) Technologische gemeenschappen worden gedefinieerd o.g.v. specialistische kennis van
technische producten en bestaan uit individuele technici die specialistische kennis bezitten,
gelokaliseerd in een klein aantal firma's
II) Er bestaan normale (kleine verbeteringen) en revolutionaire (fundamentele problemen/anomalieën)
techniek
III) Techniekontwikkelingen worden geleid door normen (toetsing, verslaggeving, herhaalbaarheid)
(i) Evaluatie: De theorie is te sterk toegesneden op de moderne twintigste eeuw techniek
(beroepsgroepen van ingenieurs)
3) Drie fundamentele verschillen tussen natuurwetenschap en techniek en de evaluatie
I) Bij techniek is de kwaliteit van het gehele artefact doorslaggevend: de techneuten moeten onderling
op elkaar afstemmen: communicatie tussen verschillende disciplines
(i) Evaluatie: Het experiment wordt buiten beschouwing gelaten: als we daar wel naar kijken is het
verschil kleiner: design en een continue samenwerking tussen verschillende specialisten bij
kennisverwerving is van cruciaal belang
II) Een technisch artefact moet werken: harde eis die voor de wetenschap niet geldt; een zwart-witte
objectieve kwestie (het werkt wel of het werkt niet, een vliegtuig mag niet neerstorten)
(i) Evaluatie: Het werken of falen van een technisch systeem is minder objectief
(a) Hoeveel vliegtuigen mogen wel neerstorten? Dat hangt af van de maatschappelijke
aanvaardbaarheid
III) Bij techniek, moet naast de cognitieve kant ook rekening gehouden worden met de economische en
sociale factoren, de sociale functie is gelokaliseerd in de afzonderlijke bedrijven (niet in de
technologische gemeenschappen).
(i) De cognitieve en sociaal-organisatorische aspecten zijn relatief onafhankelijk van elkaar (als de
black boxes van General Motors worden verwijderd en vervangen door andere ontstaat General
Electrics).
(ii) Evaluatie: De theorie bevat een zekere spanning: de scheiding tussen intern-cognitief en extern-
sociaal is te rigide
(a) nieuwe kennis wordt ook geproduceerd in technologische gemeenschappen (los van
bedrijven)
(b) de integratieproblematiek van deze kennis binnen een werkend technisch systeem is een
bron van innovaties
(i) De integratie speelt zich af op bedrijfsniveau, waarbij ook (naast technici) managers,
marktdeskundigen etc. betrokken zijn
4) Voordelen: juist door de beklemtoning van de overeenkomsten
I) Het historische techniekonderzoek is gebaat bij de erkenning van het bestaan van technologische
gemeenschappen
II) Het onderscheid tussen normale en revolutionaire techniek brengt lijn in het onderzoek naar de
ontwikkelingen
blz. 55 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
5) Belangrijk punt van Constant m.b.t. de mogelijkheden van bewuste sturing van techniekontwikkeling
I) Als we de ontwikkeling willen sturen, moeten we weten waar ze plaatsvindt (technische
gemeenschappen en/of bedrijven)
B) SCOT (Social construction of technology) Pinch en Bijker 1987
1) Dit model zoekt aansluiting bij het empirische programma van Collins (EPOR)
2) Doel : het succes en het falen van technische artefacten op een sociologische manier verklaren
(i) Het product wordt verklaard als een contingent resultaat van maatschappelijke processen
3) Kernbegrip: de (ontwikkeling van) technische artefacten te beschrijven door de ogen van de relevante
sociale groep
I) Technische artefacten zijn niet het resultaat van autonome ontwikkelingen, maar worden
geconstrueerd ter oplossing van een probleem.
II) Wat een probleem of oplossing is, is geen objectief gegeven, maar is afhankelijke van de sociale
betekenis.
III) De sociale betekenis is niet voor alle sociale groepen identiek
4) Dynamiek : is afhankelijk van krachtsverhoudingen in het netwerk van de betrokken sociale groepen
5) Succes : wordt verklaard als een contingent resultaat van maatschappelijke processen: alternatieve
ontwikkelingen zijn altijd mogelijk
6) Voorbeeld : de hoogwieler fiets (Penny farthing) al sportief vervoermiddel of gevaar
I) De overgang van de hoge bi naar veiligheidsfiets is geen quasi lineair proces, de sociale groepen
hechtten er een betekenis aan
blz. 56 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 7 Natuurwetenschap en techniek:
hiërarchie en analogie
7) Overeenkomst tussen wetenschaps- (EPOR) en techniekonderzoek (SCOT): dezelfde 3 fases
I) Het aantonen van interpretatieve flexibiliteit tussen verschillende machines/identiteiten
(controverse):
(i) Betekenis flexibiliteit van het artefact: er zijn evenveel artefacten (sportfiets t/m gevaar) als
sociale groepen
II) Het sluiten van het debat (wetenschap) / het stabiliseren van de technische artefacten (techniek)
(consensus)
(i) Het ontstaan van geaccepteerde technische producten met een stabiele
maatschappelijke/economische betekenis
(a) Wat een probleem/oplossing is, is niet een objectief feit: herdefiniëring en verschuiving m.b.v.
retorische middelen
III) Het relateren van de sluiting- en stabiliseringmechanismen aan factoren in ruimere sociaal culturele
context
(i) Deze laatste fase heeft binnen EPOR minder aandacht gekregen
(ii) Technologische cultuur: Bijker; techniek en samenleving ontwikkelen zich in de vorm van co-
evolutie
(a) De sluiting- en stabiliseringmechanismen worden gerelateerd aan factoren in ruimere sociaal-
culturele context
(b) De sociaal constructivistische benadering van de ontwikkeling van de techniek wordt
gesitueerd binnen de context van de democratisering van de technologische cultuur
8) Evaluatie van het SCOT model:
I) Dit model biedt de meest systematische rekenschap van betrokkenheid tussen techniek en
maatschappij en het biedt nieuwe verklaringsmogelijkheden t.a.v. de ontwikkeling van de techniek
9) Kanttekeningen
I) Het model lijkt erg gemakkelijk en snel verklaringen te geven van technische ontwikkelingen
(i) Achteraf zijn deze makkelijk te identificeren
II) De kleinschaligheid van het onderzoek en het ontbreken van een perspectief op sturing
III) M.b.t. de stabilisatie van artefacten: soms komen meerdere oplossingen voor de ervaren problemen
naast elkaar tot stand
(i) Én damesfiets, én racefiets
IV) Problemen kunnen ook worden ontwikkeld door een nieuw overwicht te creëren
V) De analogie tussen wetenschap en techniek (EPOR EN SCOT):
(i) SCOT zegt EPOR te volgen,maar doet dat slechts ten dele; de analogie tussen wetenschap en
techniek wordt zo verzwakt
(ii) In SCOT kunnen alle sociale groepen onderwerp van studie zijn: deze meeromvattendheid leidt
ertoe dat de relatie tussen ontwikkeling en sociale betekenis onduidelijk blijft. Door de nadruk op
economische/sociale flexibiliteit en stabilisatie van alle groepen te leggen is het aspect van
technologische kennis wat in de verdrukking gekomen
(a) Bij EPOR geldt dat niet: men beperkt zich hierbij tot de cognitieve aspecten van de
wetenschappers
VI) Er is dus ook inhoudelijk een groot verschil tussen SCOT en EPOR:
(i) EPOR wil juist de sociale constructie van wetenschappelijke kennis zichtbaar maken.
blz. 57 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 8 Menswetenschappen en sociale
controle
Hoofdstuk 8 Introductie
A) De centrale invloed van wetenschap op maatschappij
1) Geneeskunde, psychiatrie, psychologie, pedagogie, andragologie (Andragogie is een specialisme binnen
de sociale wetenschappen en stelt zich tot doel de volwassen mens bij te staan in de ontwikkeling tot
mondigheid, autonomie, humaniteit en verantwoordelijkheid) en criminologie hebben de geestelijke en
lichamelijke gezondheid van de mens tot object
2) De menswetenschappen oefenen een grote invloed uit op professies als arts, psychotherapeut en
pedagoog
3) Het heeft heilzame effecten maar ook psychische en sociale kosten
4) De wetenschappen en professies benaderen C het probleem geworden gedrag en C ze hebben een
uitstraling naar de maatschappij (normaal gedrag)
Leerkern
1. Het functionalisme en afwijkend gedrag
A) Parsons Functionalisme
1) Parsons ( Merton ) functionalisme bestudeert in hoeverre menselijk handelen (dys)functioneel is voor de
instandhouding van het maatschappelijk systeem
I) De aandacht is gericht op onopzettelijke en onopgemerkte bedoelingen en neveneffecten (niet op
bewuste) van het handelen
2) Het functionalisme maakt onderscheid tussen interne en externe aspecten
I) Interne aspecten: sociale integratie
II) Externe aspecten: mate van aanpassing van het maatschappelijk systeem aan zijn sociale en
natuurlijke omgeving
3) De maatschappij als organisme
I) Parson (Merton) heeft een uitgesproken organistische kijk op de maatschappij
(i) Menselijke samenlevingen zijn levende organismen die homeostase handhaven (homeostatische
mechanismen)
II) Twee verstoringtendensen op de homeostase:
(i) Nieuwe leden moeten worden ingelijfd (volgende generatie)
(a) De potentiële evenwichtsverstoring wordt opgevangen door het homeostatische mechanisme
van socialisatie
(ii) Het sociale organisme heeft te kampen met afwijkende leden
(a) De evenwichtsverstoring wordt opgevangen door het homeostatische mechanisme van
sociale controle
B) Medicalisering en ziekenrol
1) Medicalisering van de samenleving en de ziekenrol een toename van de effectiviteit van de sociale
controle
I) Medicalisering (Parson 1951): het plaatsmaken voor medische definities i.p.v. religieuze en juridische
definities van afwijkend of afkeurenswaardig gedrag
(i) Devianten worden minder beschouwd als zondig of misdadig, maar als ziek of gestoord
(ii) I.p.v. boetedoening volgt behandeling = een verschuiving van harde naar zachte technieken
2) Ziekenrol een samenspel tussen vrijstellingen en verplichtingen: 2 vrijstellingen en 2 verplichtingen
I) Vrijstellingen
(i) Ziekte is een legitieme grond (recht en plicht) voor vrijstelling van normale taakverrichting of
rolvervulling
(ii) Het onvermogen om de taak te vervullen, kan niet opgeheven worden door een wilsbesluit van de
zieke
II) Verplichtingen
(i) De zieke moet erkennen dat hij in een ongewenste toestand is en moet beter willen worden
(ii) De zieke mag het beter worden niet overlaten aan vis medicatrix naturae, maar dient experts in
te schakelen
(a) Complementaire rolstructuur: de ziekenrol verandert in een patiëntenrol en wordt met de
therapeutenrol samengevoegd
3) Het onderscheid tussen zieke en misdadiger : de zieke wordt niet verantwoordelijk geacht voor het
afwijkend gedrag
I) De zieke kan aanspraak doen op beperkte legitimiteit met vrijstellingen en verplichtingen
II) Zo voorkomt men dat
(i) De zieken in elkaars armen worden gedreven (net als misdadigers)
(ii) De ziekte zich op grote schaal verspreidt
C) De arts als psychotherapeut
1) Er is een wisselwerking tussen psychische en somatische klachten er is geen strikte scheidslijn
I) Parson: ziektegedrag staat in verband met maatschappelijke frustraties; ziektegedrag is in zekere
mate gemotiveerd
II) De psychische aspecten zijn het aangrijpingspunt voor de arts in zijn hoedanigheid van agent van
sociale controle
(i) unconscious psychotherapy De arts bedient zich van psychotherapeutische methoden en
technieken
(ii) bewuste psychotherapie is het topje van de ijsberg
blz. 58 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
2) Therapeutenrol tegenover zieken-/patiëntenrol; een complementair samenspel van vrijstellingen en
verplichtingen
I) Ondersteunend karakter van de handelingen van de arts
(i) het wegnemen van angst d.m.v. hulpvaardigheid en begrip
(ii) het uiting laten geven van onderdrukte gevoelens van frustratie en agressie
II) disciplinerend karakter van de handelingen van de arts
(i) vijandigheid mag niet met vijandigheid worden beantwoord, noch mag verleiding van de patiënt
plaatsvinden
(ii) de arts dient zijn goedkeuring kenbaar te maken bij actieve en volledige medewerking van de
patiënt
3) de ziekenrol heeft de functie de zieke te isoleren; de therapeutenrol heeft de functie de zieke te
herintegreren
I) doel: C de groepsvorming wordt tegengegaan, C de zieke wordt niet door de maatschappij
afgeschreven
II) dankzij de combinatie van isolatie en integratie zijn de artsen effectief m.b.t. sociale controle van
afwijkend gedrag
4) Parsons verdienste : Medicalisering is een vorm van humanisering
I) als eerste socioloog heeft hij de arts als agent van sociale controle beschreven
II) Hij geeft echter geen antwoord op de historische en sociale omstandigheden waarbij dit mogelijk was
blz. 59 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 8 Menswetenschappen en sociale
controle
2. Het interactionisme en afwijkend gedrag
A) Role taking en role making
1) Interactie symbolisch bemiddeld
I) De interactionistische deviantiesociologen (of etiketteringtheoretici)
(i) vatten de maatschappij op als een uitgebreid netwerk van sociale interacties, waarbinnen steeds
onderhandeld moet worden over de definitie van de situatie waarin de betrokkenen verkeren
II) De sociale werkelijkheid is product en prestatie van de individuele deelnemers aan de interactie
III) Het menselijke interactieproces wordt symbolisch bemiddeld; het verloopt niet automatisch zoals
Parson stelt
(i) Mensen reageren niet direct, maar via betekenissen en bedoelingen (taal): het proces van
interactie
2) Menselijk gedrag wordt gestuurd door role taking en rolmaking:
I) role-taking Andermans verwachtingen: het vermogen om aan interacties deel te nemen
(i) Het overnemen van rollen, doordat men zich bekijkt als door de ogen van de ander, kan eigen
gedrag afgestemd worden
II) role making Eigen behoeften: kritisch opstellen tegenover regels en rollen, deze ter discussie
stellen/interpreteren/vervangen:
3) verschil tussen inter-actionisten en Parson :
I) role making ontbreekt in Parsons stelling; mensen zouden automatisch gemotiveerd zijn om de regels
op te volgen
(i) Parson kan de kosten van socialisatie en sociale controle niet opvatten als processen van
aanpassing van het individu aan de maatschappij
4) Kosten staan centraal in de interactionistische deviantiesociologie
B) De etiketteringtheorie
1) Primaire en secondaire deviantie
I) Inter-actionisten maken onderscheid tussen primaire en secondaire deviantie:
(i) gedrag dat niet conform is aan een bepaalde norm of geheel van normen die door een significant
aantal individuen van een gemeenschap of maatschappij wordt geaccepteerd
II) Primaire deviantie: het gevolg van biologische, psychische of sociale factoren; gedrag dat niet
conform sociale normen is
(i) Het is incidenteel en wordt niet opgemerkt of binnen de vertrouwde kring genegeerd of
vergoelijkt
III) Secondaire deviantie: gedrag dat als negatief wordt beoordeeld met ingrijpende gevolgen van dien
(i) Het wordt veroorzaakt door de reactie van de sociale omgeving op bepaald gedrag met
verregaande consequenties voor de rolvervulling en zelfopvatting
(ii) Men gaat aan het stereotype beeld (als gezien door de ogen van anderen) voldoen
(a) Het etiket bewerkstelligt de reorganisatie van gedrag en het zelfbeeld
(iii) Secondaire deviantie is de enige uitweg uit de problemen die ontstaan door de maatschappelijke
reactie op primaire deviantie
(a) De bewegingsvrijheid wordt beperkt en het sociale verkeer wordt belemmerd
(b) Hij krijgt pas hulp als hij toegeeft dat hij gek of ziek is en de ziekenrol vervult
IV) Professioneel deviant: diegene die zich in zijn ziekenrol heeft geschikt, met haar voor- en nadelen
2) De ongelijke machtspositie
I) De etiketteringtheoretici leggen de nadruk op de interacties van devianten met formele organisaties
die betrokken zijn met het etiketteren, opsporen en behandelen
(i) Er is een groei van deze groep mensen, waardoor de deviant in een nadelige positie komt te
staan
II) De deviant ziet zich niet oog in oog met zijn gelijken, maar met experts =
(i) de marges voor role making zijn verdwenen en het zelfbeeld raakt verwrongen
C) de schaduwzijde van medicalisering
1) Humanisering of individualisering en ontpolitisering?
I) Functionalisten beschouwen medicalisering als humanisering
II) De etiketteringstheoretici stellen dat medicalisering kan leiden tot een versluiering van de morele
aard en sociale herkomst van levensproblemen
(i) het ziektelabel werkt individualiserend en ontpolitiserend
2) Deviantie als resultaat van sociale controle
I) de etiketteringtheoretici plaatsen een vraagteken bij de stelling van Parson dat zieken weer
integreren
(i) sociale controle heeft een causaal verband met deviantie: het leidt juist tot deviantie en niet
andersom (Parson)
(ii) primair deviant gedrag krijgt pas een stabiel karakter als het secondair wordt gemaakt =
afkeuring van sociale omgeving
(a) stereotypen gaan deel uitmaken van het referentiekader
(b) men krijgt ‘hulp’ van professionele organisaties of lotgenoten
(c) de terugkeer naar conventionele rollen wordt onmogelijk gemaakt.
(d) Het systeem van beloningen en bestraffingen draagt erbij toe dat afwijkend gedrag een
chronisch karakter krijgt
3) De (il)legitimiteit van acute en chronische ziekten
blz. 60 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
I) Tekortkomingen van Parsons analyse komen aan het licht: er zou slechts sprake zijn van tijdelijke
legitimiteit
(i) Parsons stelling is slechts van toepassing op acute ziektegevallen; chronisch zieken hebben een
onbeperkte legitimiteit
(a) Ze moeten wel harder voor hun voorrechten vechten
4) De (il)legitimiteit van de gestigmatiseerde ziekten
I) Ziekten waarop een stigma drukt wordt juist als illegitiem beschouwd en behandeld
(i) Het lijkt haast een misdaad te zijn, men moet andere verplichtingen op zich nemen en geniet
geen privileges
5) Tekortkoming van de etiketteringtheoretici
I) Door zich blind te staren op de macht van de medische maffia, verliezen ze de bredere historische en
maatschappelijke context uit het oog.
blz. 61 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 8 Menswetenschappen en sociale
controle
3 Civilisering van de maatschappij
A) De civilisatietheorie van Norbert Elias
1) Figuratieanalyse van de interdependentienetwerker
I) Civilisatietheorie met als methode de figuratieanalyse:
(i) Figuraties zijn functionele samenhangen die mensen met elkaar vormen o.g.v. hun wederzijdse
afhankelijkheid
(a) Een voortschrijding van differentiatie in de menselijke functies maakt mensen meer van
elkaar afhankelijk
II) De interdependentienetwerken worden groter en dichter qua aantal en lengte
(i) C Men kan de figuratie waar men deel vanuit maakt niet meer overzien C men kan de
ontwikkeling van de figuratie niet langer verklaren uit bedoelingen/plannen van afzonderlijke
individuen/groepen C de handelingen kunnen pas begrepen worden in het kader van de
ontwikkeling van de figuratie
2) Staatsvorming en civilisatie
I) Über den Prozeß der Zivilisation 1939; Elias: de invloed van de vestiging van de moderne staat op de
verbreiding van beschaafde omgangsvormen en verfijnd gevoelsleven
II) 1200-1750 ontstaan twee sleutelmonopolies: C geweldsuitoefening C belastingheffing
(i) Deze komen voort uit de concurrentiestrijd van de vrije ridders
(ii) Absolutistische hofsamenleving: constante accumulatie in kleinere kring: één persoon/partij blijft
over als winnaar
3) Van Fremdzwänge tot Selbstzwänge
I) Absolutistische hofsamenleving leidt tot een verandering in omgangshuishouding die tot uiting komt
in omvorming van Fremdzwänge (dwang van buiten) tot Selbstzwänge (zelfbeheersing).
II) De interdependentiestructuren verdichten zich steeds verder = > dwang om het gedrag op elkaar af
te stemmen
(i) Dat kan niet meer m.b.v. fysieke bedreiging (Fremdzwänge) doordat de strijd naar binnen wordt
verlegd = stoornissen
4) Het civilisatieproces verloopt van boven naar beneden
I) Eerst zijn het de topgroepen (hof) die zich d.m.v. aangepast gedrag wil onderscheiden
II) de interdependentie schrijdt voort, de onderlaag neemt d.m.v. imitatiegedrag het aangepaste gedrag
over
(i) Diffusie (het verspreiden en algemeen toepassen van innovaties) en expansie, van boven naar
beneden
(ii) Boven ervaart men dit als bedreiging; er is geen onderscheid meer; men ontwikkelt zich nog
verfijnder dit leidt tot Selbstzwänge; de schaamte- en pijnlijkheidgrens schuift steeds verder op
5) Functionele democratisering en verstatelijking
I) De ontwikkelingen > 1750 zijn niet zo systematisch bestudeerd
II) Op de fase van monopolisering volgt een fase van functionele democratisering en verstatelijking
(i) De beschikkingsmacht gaat van één hand naar (steeds) bredere lagen in de maatschappij
(ii) Persoonlijke monopolies worden publieke monopolies
(iii) Dit leidt tot vernietiging van C adellijke privileges en C uitbreiding van het kiesrecht
B) Onderhandelingshuishouding en menswetenschappen (De Swaan)
1) De Swaan gaat door waar Elias stopt: van bewaking en dwang naar onderhandeling en overreding
I) Onderhandelingshuishouden: De sociale onderlagen hebben zoveel macht gewonnen dat de
arbeidsdwang/bevelstructuur aan effectiviteit heeft ingeboet, in plaats daarvan komt onderhandeling
en overreding.
(i) De top van de ondernemingen zijn afhankelijker geworden van de basis
(ii) De macht en hinderkracht van de werker is toegenomen = grotere schade door moderne
apparatuur
= moeilijker vervangbaar door C schaarse kennis C toename rol van eigen oordeel en
persoonlijke inzet
2) De overgang van bevelshuishouding naar onderhandelingshuishouding
I) Gaat gepaard met een verdere omvorming van dwang = zelfdwang
II) Er is een zekere verruiming van omgangsvormen, maar in plaats daarvan zijn er regels gekomen hoe
de verhoudingen ingericht moeten worden: met wederzijds goedvinden
(i) Meer rekening met elkaars verlangens (< dwang en < zelfverheffing)
(ii) Eigen verlangens mogen niet zomaar onderdrukt worden (> uitspreken > bemiddelen)
3) De rol van de menswetenschappen
I) De verschuiving is mede dankzij menswetenschappen tot stand gekomen
(i) De dienstverleners boden als eerste werkverhoudingen aan conform het
onderhandelingshuishouden
(ii) én oefende haar clientèle in beheersing van gewelddadigheid
4) Verschillen met de etiketteringtheoretici:
I) De medicalisering is niet het werk van samenzwerende experts, maar het resultaat van
maatschappelijke ontwikkelingen
II) Deze processen hebben op iedereen betrekking en niet alleen op degenen met afwijkend gedrag
III) Etikettering is in principe geen slechte zaak: professionals vertalen de reeds bestaande moeilijkheden
naar hulp
blz. 62 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
5) Weerlegging van de etiketteringtheoretici
I) Deze stelt niet dat de problemen er niet al waren, ze stellen dat de mensen van de regen in de drup
worden geholpen
C) Het proces van protoprofessionalisering voltrekt zich ongelijkmatig
1) Protoprofessionalisering
I) de diffusie of expansie van gedrags- en gevoelsreguleringen binnen de onderhandelingshuishouding
door het overnemen van grondhoudingen en basisbegrippen van de beroepskringen
II) Men bekijkt en beoordeelt de eigen situatie door een professionele bril
III) Men onderscheidt beter tussen problemen voor huisarts- psycholoog etc.
IV) Men wordt deskundige in kwesties van deskundigheid
V) Men zoekt eerder naar beroepsmatige hulp
2) Het proces van protoprofessionalisering voltrekt zich ongelijkmatig : de houdingen van professionals
worden het eerst overgenomen door de aan deze beroepsgroepen gelieerde functionarissen en mensen
met een langdurige opleiding
I) Ze verspreiden zich vervolgens via uitdijende kringen van leken
D) Kritiek: C mensen (leken) worden afhankelijker van experts; hun problemen worden diffuser C
afhankelijkheid kan leiden tot verlies van geestelijke/lichamelijke weerbaarheid C de civilisatietheorie biedt
een te beperkt perspectief op historische/maatschappelijke context: wel de vrijwillige verspreiding van top
down, maar niet de dwang waarmee gedragsmodellen worden opgelegd
blz. 63 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 8 Menswetenschappen en sociale
controle
4. De filosofie van Foucault
Dwang en dressuur staan centraal in de theorie van Foucault in drie verschillende perioden van zijn werk
A) Over de samenhang van rede en waanzin in de westerse cultuur: Folie et Déraison a l’age classique
1) Renaissance: waanzin als de horizon van de rede
I) mensen zijn geboeid door waanzin (Cervantes: Don Quichote 1605: kan romantaal en werkelijkheid
niet uit elkaar halen; Shakespeare; Calvijn en Montaigne; ziet waanzin als risico dat iedereen loopt en
is geen belediging voor rede
II) De mening van sommigen: Waanzin is de horizon van rede en de incarnatie van haar grenzen
III) De mening van anderen: waanzin is een geheime kracht waarmee de mens op de proef wordt gesteld
2) Eind 17
e
eeuw: de ontkoppeling van rede en waanzin: internering
I) tussen Montaigne en Descartes is een abrupt einde gekomen aan deze waarderingswijze: de
aanwijzingen hiervoor zijn:
(i) De redelijke mens distantieert zich van waanzin: Descartes: de waan ligt buiten de rede; in
samenhang met:
(ii) Internering: men richt gestichten op; de waanzinnige moet zwijgen; deze samenhang werd niet
opgemerkt
3) Foucault’s visie op de waanzin: geschiedschrijving en discontinuïteit
I) het motto in Folie et Déraison a l’age classique: door de buurman op te sluiten bewijst men het eigen
gezond verstand niet
II) Foucault beschrijft de maatschappelijke verandering t.o.v. waanzin in de tijd van de rationaliteit van
Descartes opkomt
(i) Rationaliteit en deze verandering hangen intrinsiek samen
III) Foucault stelt zich in zijn onderzoek niet op het standpunt van de medische wetenschappen (zelf
product van rationaliteit)
(i) Hij bepleit ook geen verheerlijking van waanzin, maar wijst de superiore miskenning af; hij heeft
voorkeur voor de Renaissance patronen
(ii) Hij werd geïnspireerd door Nietzsche
4) Discontinuïteit
I) de zoektocht naar onbekende en verwaarloosde gegevens binnen de geschiedschrijving:
II) Geschiedenis is geen rechtlijnige en opklimmende beweging (bruuske omslag 17
e
eeuw); beide
patronen (voor en na 1750) zijn niet als fasen in één ontwikkeling op te vatten/dan wel vooruitgang
5) De dubbele werking van denkpatronen van historici :
I) De dubbele aanpak; historici dienen:
(i) De innerlijke samenhang van de betekeniskaders waarbinnen mensen denken duidelijk te maken
(ii) Ook moet worden nagegaan welke verborgen uitwerkingen het patroon heeft op de gehele
samenleving
II) Denkpatronen: behoren geconstrueerd te worden naar hun dubbele werking
(i) Als constructies van betekenistoekenning
(ii) Als producenten van maatschappelijke nevenverschijnselen
III) Historici: dienen de ware positie te kiezen aan de grenzen van een denkpatroon
(i) Het ontwikkelen van een subtiel gevoel voor de censurerende bijwerkingen
(ii) Men moet aandacht geven aan de interne rationaliteit
(iii) Men moet aandacht hebben voor symptomen van verzet en revolte
B) Een wetenschapstheoretisch intermezzo: Les mots et les choses; une archéologie des sciences
humaines
1) In les mots et les choses van Foucault
I) worden drie wetenschappen (kenmerkend voor het ontstaan van hedendaags denken) met elkaar
vergeleken:
(i) C biologie C taalkunde (grammatica) C politieke economie
(ii) Alle drie vertonen een vergelijkbare transformatie na 1800; een discontinue omslag
2) Paradigma en episteme; een nieuwe term
I) gemeenschappelijk episteur: Foucault komt in de buurt van Kuhns paradigma theorie (benoemt dit
niet, want hij kent het niet):
II) episteme: een per tijdvak te dateren geheel van bewuste en onbewuste vooronderstellingen die een
breed proces van denken en handelen leiden en omspannen
III) het is C niet onmiddellijk waarneembaar en C blijft niet beperkt tot één wetenschapsgebied (verschil
met Kuhn)
(i) het brengt verschillende wetenschappen, waar eerst geen verband zichtbaar was, onder één
noemer samen
IV) het wordt niet beperkt tot wetenschap alleen; het raakt ook de wetenschappelijke praktijken
3) discursieve formatie voor de afbakening van één wetenschapsgebied; een andere nieuwe term
I) discours: C inhoud van wetenschappelijke theorieën C procedures C ermee verbonden praktijken van
gezagstoekenning,
-uitsluiting; het accent ligt erop dat ook in het wetenschappelijk discours kennis en macht een
eenheid vormen:
(i) ontstaat een nieuw discours dan vestigt zich een nieuw samenspel van kennis en macht
4) Wetenschap en macht
I) met episteme en discursieve formatie richt Foucault zich op het onderzoek op het blootleggen van de
blz. 64 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
samenhang tussen verschillende wetenschappen, dit aspect was hiervoor onvoldoende aan bod
gekomen.
II) Zijn kracht ligt in het leggen van verbanden binnen één tijdperk
(i) Aan de methodische problemen daarbij wijdt hij een boek: Archeologie du savoir 1969
III) Deze twee boeken tezamen bezorgen hem een wereldnaam, hij typeert ze zelf echter achteraf als een
formele exercitie, waardoor zijn oorspronkelijke vragen op de achtergrond zijn geraakt:
(i) De vraag van de uitwerking van de wetenschap op de maatschappij
(ii) De vraag welke groepen of bewegingen de dupe zijn geworden van de nieuwe loten van
wetenschap
(iii) Dientengevolge ontbraken de verzwegen gebeurtenissen en verhalen, de dubbele aanpak was
gehalveerd
C) Het epistime van de maatschappelijke disciplinering: een samenspel van sociale wetenschappen
en politieke controle: Surveiller et Punir 1975 en Histoire de la Sexualité 1984
1) Na 1970 keert de vraag naar de maatschappelijke effecten van wetenschappelijke kennis terug: de
kernvraag van het nieuwe onderzoek: vormen van gedrag die als abnormaal worden bestempeld t.o.v.
maatschappelijke instellingen: tuchthuizen, gevangenis
2) De wetenschappen komen ter sprake als deze een eigen bijdrage leveren aan de normalisering
3) Omslag in sociaal beheer na 1800 : het verschijnsel van de moderne onaangepastheid wordt in een
bredere context geplaatst
I) De politieke macht probeert in toenemende mate vanaf 1800 greep te krijgen op de productie van
menselijke leven
(i) C Numerieke groei en C vorming van de leden; het belang van efficiënte controle
blz. 65 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 8 Menswetenschappen en sociale
controle
4) De staat beoogt economisch nut en politieke volgzaamheid van de burgers
I) Biopouvoir: beheer en beheersing van leven: de vorming van de burger tot een economisch nuttig en
politiek volgzaam lid
(i) Een staatsbelang dat nimmer expliciet is genoemd, men noemt C de democratisch verworven
soevereiniteit en C de wet
5) Biopouvoir kan gezien worden als de vorm die de moderne maatschappelijke zorg voor de productie van
het menselijk leven aanneemt; een vorm van sociaal epitisme
I) Het ontstaan van biopouvoir langs twee lijnen:
(i) C controle rond de bevolkingsaanwas C discipline: moderne regulering van het menselijk gedrag
6) Disciplinaire macht : alle machtspraktijken/technieken die de individuele lichamen aan een gedetailleerde
en permanente dwang onderwerpen en daarbij tegelijkertijd hun economisch nut en hun politieke
volgzaamheid vergroten
I) Hij doet geen onderzoek naar de soeverein, maar op de veelheid van machtspraktijken op de laagste
niveaus
(i) Hoe worden de machtsmechanismen gebruikt door steeds algemenere machtsmechanismen
7) Methoden van disciplinaire macht , ontworpen in kloosters, kazernes en werkplaatsen: C het verdelen van
de lichamen op efficiënte wijze over tijd en ruimte C de krachten via herhaalde oefeningen op te voeren C
de krachten te combineren
8) Ontstaan disciplinaire maatschappij : a.g.v. het verband tussen deze ontwikkeling en de democratisering
van het staatsbestel
I) Fabriek tegenover de werkplaats: disciplinaire opzet: C arbeidstijd, C arbeidsruimte C
arbeidshandeling
II) Marx schreef hier al over, maar eigen aan Foucault is dat hij het proces als disciplinering benoemt en
in verband brengt met gelijksoortige hervormingen op vele andere gebieden
III) De biopouvoir vervangt het Marxistische beginsel waarbij alle maatschappelijke verschijnselen
worden begrepen vanuit de economische machtsverhoudingen:
(i) Foucault wijst arbeid als fundament van het menselijke bestaan af
(a) er moet een bepaalde efficiënte regulering van plaats, tijd en handeling op uiteenlopende
gebieden doorzetten
IV) Surveiller et punir behandelt vooral praktijken die met sociale technologie in verband gebracht
kunnen worden
(i) Er ontstaat een nieuw type rationalisering van het menselijk gedrag die zijn invloed uitoefent op
vele levensterreinen
(a) C opvoeding C schoolsysteem C fabrieken C kazernes C gevangenissysteem (laatste schakel
in de keten van disciplinaire behandelingspraktijken: de testcase van de sociale technologie
9) De techniek van het hiërarchisch toezicht
I) Bij disciplinering spelen de menswetenschappen een centrale rol; twee belangrijke technieken worden
verbonden
II) C Het hiërarchisch toezicht (Panopticon: Bentham: indeling gebouwen, met glas) C de
normaliserende sanctie
(i) Door het Panopticon wordt de macht onpersoonlijk en automatisch en kan zonder
machtsmiddelen worden uitgeoefend
(ii) De blik van de bewaker wordt geïnternaliseerd: externe controle = zelfcontrole
10) De techniek van de normaliserende sanctie
I) Gaat om een sanctie als gevolg van inbreuk op de norm; het gaat niet om de sanctie die het gevolg is
van inbreuk op de wet
II) Disciplinaire straffen hebben tot doel het gedrag van mensen te normaliseren
(i) M.b.v. straf en beloning, dwang en verleiding in een systeem van rangen (overgaan of blijven
zitten)
11) Hiërarchisch toezicht en de normaliserende sanctie wordt gecombineerd in de techniek van het
onderzoek
I) Niet alleen wordt het individu aan permanente zichtbaarheid onderworpen maar ook gedocumenteerd
(i) Identificatie, dossiers etc. zorgen ervoor dat de mens op dwingende wijze wordt geobjectiveerd
II) Kennisproductie en machtsuitoefening worden verbonden
12) Wetenschap en biopouvoir : de wetenschap wordt de beslissende bijdrage aan het normaliseren van
afwijkend gedrag
I) Hun ontstaan en ontwikkeling worden vanuit dit episteme begrepen en dus niet onverdeeld positief
bezien
(i) Onderzoek heeft een belangrijke rol gespeeld in het ontstaan van menswetenschappen, pas toen
de procedure van onderzoek werd ingevoerd in de instituten (school, gevangenis e.d.), kon de
epistomologsiche blokkade voor de geboorte van geneeskunde, psychiatrie, criminologie en
pedagogie worden opgeheven
(ii) Het door de menswetenschappen geëntameerde onderzoek droeg bij tot de verhoging van
effectiviteit van sociale controle op normafwijkend gedrag
13) Het eerder gepostuleerde humane beeld van menswetenschappen:
I) Foucault hekelde dit nogal: C zij hebben de taak om de scheidslijnen vast te stellen tussen
aanvaardbare en verboden gedragingen C ze vinden hun bestaansrecht in het normaal maken van
onaangepast gedrag
blz. 66 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
II) Zo ontstond een complex samenspel tussen de eisen van sociaal beheer en de diensten van
menswetenschappen
(i) De menswetenschappen maakten de gevolgen onzichtbaar van de biopouvoir
(ii) De biopouvoir vormt het complement van de liberale ideologie
14) De ontwikkeling in Foucaults denken : vanuit de biopouvoir verschoof de aandacht van Foucault van het
object: de wetenschappen zelf naar de maatschappelijke context waarin de wetenschappen hun invloed
uitoefenen, de methode bleef hetzelfde:
I) C disciplinering en biopouvoir zijn socialee epistemes C De fabriek, tuchthuis etc. zijn discursieve
formaties
II) Foucault waarschuwt om klakkeloos de verschijnselen van de moderne tijd onder de noemer van
disciplinering te brengen
(i) Maar de strekking van zijn betoog strekt verder dan de vorige eeuw en alleen Frankrijk
15) Donzelot en Castel hebben onderzoek gericht op verdere verbreiding van het type macht beschreven
door Foucault
I) Bedoelt als tegengif voor de geschiedenis van menswetenschappen die in het teken van vooruitgang
en emancipatie staat
II) Door te stellen dat ze juist gericht zijn op controle en correctie van gedrag, belichten zij de achterkant
van het gelijk
III) Ze dreigen echter de voorkant van het gelijk uit het oog te verliezen
(i) Zelfbepaling en zelfverwerkelijking, autonomie en zelfontplooiing behoren tot de kern van het
democratiebegrip
16) relatie tussen disciplinering en biopouvoir :
I) biopouvoir is ontstaan vanuit het verschijnsel van de moderne regulering van het menselijk gedrag
disciplinering:
(i) een nieuw modern, type van rationalisering, gekoppeld met praktijken uit de sociale technologie.
II) Disciplinering op de arbeidsplaats (scholen etc.) strakkere ordening in tijd, een functioneler gebruik
van ruimte en een efficiëntere opdeling van de arbeidshandeling = meer nuttige en gewenste
arbeidskrachten
III) Kenmerk : Er is een samenspel van machten en wetten ontstaan (sociaal beheer en diensten die de
wetenschap kan leveren)
blz. 67 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 9 Twintig jaar denken over seks en
wetenschap
Hoofdstuk 9 Introductie
A) Feministische golven
1) In de eerste feministische golf (eind van de 19
e
eeuw) hebben vrouwen toegang tot de academie
bevochten
2) In de tweede feministische golf (vanaf 1960) hebben de vrouwen de relatie tussen sekse en wetenschap
bevraagd
I) De wetenschap vertelt onwaarheden
II) De wetenschap verzwijgt vrouwen
III) Men moet vrouwelijke methoden toepassen binnen de wetenschap
IV) Het belang van de sekse van de wetenschapper
V) Wetenschappelijke kennis wordt niet langer begrepen als het resultaat van waarnemen, maar als een
praktijk van waarmaken
VI) Voorstellingen van sekseverschil worden gebruikt bij de productie van kennis over alle mogelijke
andere objecten
1. Leerkern
A) Van maatschappijkritiek naar wetenschapskritiek
1) Eind jaren 60:
I) in meerdere landen ontstond een beweging van vrouwen die zich verzetten tegen C de arbeidsdeling
tussen seksen en
C de dagelijkse omgangsvormen die daarmee samenhingen.
2) Al snel werd de kritiek uitgebreid en keerde men zich tegen C de verdeling van politieke macht C de
vormgeving van seksualiteit
C de stereotypering van vrouwen in films etc.
B) De kritiek op de maatschappij leidde tot kritiek op de wetenschap (niet uniek voor feministen)
1) De natuurwetenschappen werden toegepast in oorlogsvoering en industrie = vernietiging van mens en
natuur
2) De psychiatrie oefende sociale controle uit
3) De sociale wetenschappen werden ontmaskert als dragers van burgerlijke ideologie
C) Vooroordelen door de wetenschap gelegitimeerd
1) Wetenschappen bestendigen en legitimeren ook de onrechtvaardige verhoudingen tussen seksen
2) Strakke arbeidsdeling : gelegitimeerd door biologische en psychologische uitspraken over de ‘zorgende
natuur van de vrouw’
3) De vormgeving van seksualiteit : medische theorieën die stellen dat vrouwen geen plezier in vrijen
hebben: C vaginisme wordt behandeld met het mes C vrouwen zijn masochisten er is dus altijd een
element van verkrachting
D) O Pseudo kennis ontmaskert; remedie: remedie het toepassen van de juiste wetenschappelijke
methode
1) Deze uitspraken en theorieën waren leugens; banale voorstellingen over vrouwen verpakt in een
beschaafd jasje
2) Er werd een vorm van pseudo kennis toegepast: de wetenschappers verloren de regels uit het oog bij
vrouwenstudies
3) Als de juiste methode toegepast zou worden, zou wetenschappelijke kennis valide zijn
2. Vrouwen verwaarloosd
A) Wetenschappen bevatten vooroordelen en legitimeren sociale ongelijkheid
1) Wat waren de oorzaken van sociale ongelijkheid? C Socialisatie van baby's? C de jagers-verzamelaars
erfenis?
B) O Vrouwen waren zelden het onderzoeksobject: remedie de objectafbakening moet anders
1) Wetenschappen die een verheldering moesten bieden, gingen niet over vrouwen; vrouwen werden
verzwegen
I) Sociale wetenschappen: het woord de mens = de man (zie ook men, l’homme)
II) Economie: slechts betaalde arbeid telde mee
III) Geschiedenis: de heldendaden van ‘Grote Mannen’
IV) Sociale wetenschappen: weinig lessen over sekse verhoudingen, onderzoek was op 1 sekse gericht
2) De afbakening van het object van onderzoek was niet goed
I) Definitie arbeid: betaalde arbeid = huishoudelijke arbeid
(i) In Arbeid in verandering: intentionele activiteit met de bedoeling nut te hebben: eigen
bevrediging/ruil
(ii) arbeid voltrekt zich binnen een organiserend en regulerend maatschappelijk kader: het
arbeidsbestel;
(a) hier heeft de vrouw een ongelijke positie
3) Niet alleen een goede methode maar ook aandacht voor de vergeten vragen en nieuwe thema's
I) Geschiedschrijving: men ging zich eerst richten op ‘Grote Vrouwen’,
II) Later meende men dat de manier waarop onderwerpen werden opgepakt de uitkomst bepaalden; de
waardeschaal klopte niet:
(i) Oorlogsvoeren: gericht op strategisch manoeuvreren: keizers en generaals, niet de vrouwen die
meetrokken
blz. 68 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
(ii) Geneeskunde vertelt niets over vroedvrouwen
3. de sekse van de methode
A) de methode en de afbakening gingen ervan uit dat wetenschappelijke methodes valide kennis opleveren: niet
volledig, maar wel waar
B) O Wetenschappelijke methode is mannelijk remedie aanvullen van methode met vrouwelijke
benaderingswijzen
1) De derde benadering betwijfelde dit: de methode kwam ter discussie te staan; zijn de wetenschappelijke
methoden sekse neutraal?
I) In de 19
e
eeuw moest de persoon van de wetenschapper garant staan voor de validiteit van de kennis
II) In de 20
ste
eeuw werd dit vervangen door de wetenschappelijke methode
(i) C De wetenschap is geen methode maar een man die C trekjes vertoond van heren van stand,
rationeel, zakelijk, koel, objectief, afgewogen, beheerst. C ze vraagt niet om betrokkenheid, maar
precisie.
(ii) C Nadelen:
(a) slechts mannen voelden zich tot deze aanpak aangetrokken; juridische uitsluiting van
vrouwen aan universiteiten werd een subtiele psychologische uitsluiting
(b) door het verplichte objectiveren werd de werkelijkheid vertekend waargenomen. Dit sloot in
de sociale wetenschappen aan bij de gedachtegang of de juiste methode voor het kennen van
de mens overeenkomt met dat van de dode natuur
blz. 69 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 9 Twintig jaar denken over seks en
wetenschap
2) De tegenstelling tussen de methodes van natuurwetenschappen en sociale wetenschappen werd
aangevuld met:
I) De hard –zacht aanpak, vrouwelijke werkelijkheid kan niet teruggebracht worden tot enkele statistisch
bewerkte parameters
(i) men moest groepsgesprekken organiseren: de kennis daaruit verkregen moest dienen C niet om
vrouwen te beheersen C maar om vrouwen grip om het eigen leven te bieden
(ii) de verandering in inzicht t.a.v. de sociale wetenschappen werd later uitgebreid naar de
natuurwetenschappen
(iii) B. McClintock (had een hekel aan hiërarchisch denken) ontdekte springende genen; niet alles ligt
in de genen verankerd
3) De remedie tegen het mannelijk denken: afstand en betrokkenheid
I) afstand van het object nemen maar ook betrokkenheid op zijn waarde schatten:
(i) een verrijking tot een androgene, sekse neutrale methode
4. Invloeden van buiten
A) O De wetenschappelijke waarnemingen zijn door buitenwetenschappelijke ervaringen gekleurd:
remedie vrouwelijke onderzoekers en vrouwvriendelijke omgeving.
1) De methode an sich werd ter sprake gesteld én
2) elementen buiten de wetenschap (persoonlijke omstandigheden; sociale omstandigheden) kunnen een
waarneming beïnvloeden
I) Ethologen en biologen zagen een groep leeuwen als een harem: psychologische verklaring: de
fantasie van mannen; de sociale verklaring: de zichtbare machtsverhouding: de leeuw is meester
II) De feministische verklaring: vrouwtjes leven in een harmonieuze groep en tolereren enkele mannetjes
voor de voortplanting
III) De methode moest niet langer sekse neutraal worden of beter gehandhaafd, maar men moet de
wereld vanuit een ander standpunt bekijken: dat van vrouwen; deze moesten naar universiteiten niet
alleen omdat het recht er was, maar ten goede van de wetenschap
5. Waarnemen of waarmaken
A) De methode als waarheid werd verworpen; andere premissen bleven tot dan overeind
1) De wetenschap van waarnemen (weliswaar gekleurd, maar het blijft kijken naar de waarheid) werd
doorbroken:
B) O Van realisme naar constructivisme remedie sekse specifieke processen
1) De wetenschapsantropologie werd toegepast wetenschap is waarmaken (nieuwe metafoor)
I) De activiteiten van het waarmaken zoals deze zijn gesteld door de wetenschapper (Latour) moeten
beter ontrafeld worden
2) Verdrongen vrouwenwerk: De feministen gingen op zoek naar sekse-specifieke processen
I) Vrouwen hadden slechts ondersteunend werk in de wetenschap
II) Mannelijke studenten nemen meer plaats in aan de tafels van het laboratorium
3) Krediet en onderhandelingspositie
I) Degene die bij het conclusie trekken gelijk krijgt, is degene met het meeste krediet (mannen)
II) Bij de onderhandeling: wanneer vrouwen wat zeggen, wordt het eerst genegeerd en later (met veel
onthaal) door een man herhaald, deze krijgt de credits
III) Bij een experiment: het opsturen van een artikel onder mannen- dan wel vrouwennamen: de mannen
werden meer gepubliceerd
6. Vrouwen als product
A) O Sekseverschil als product van de wetenschap remedie vrouwen met een andere beeldvorming
afbeelden
1) In de feministische kringen stond echter een ander uitleg op de voorgrond: de verhouding tussen de
seksen was juist de variabele die verklaring behoefde. De verhouding is een product van de wetenschap
2) Wetenschappers grepen in de werkelijkheid in, ze zochten niet naar de waarheid van de vrouw, maar
maakten haar
B) Beeldvorming: hoe bakent de wetenschap haar object af?
1) Niet zozeer hoe men binnen of buiten het beeld bleef zoals bij O, maar met welke verbeelding werden
vrouwen afgebeeld
I) Als toegewijde echtgenote, moeder, onevenwichtig
II) Deze verbeelding was verankerd in technieken en praktijken (echtgenote: huwelijksbureaus die
vrouwen zochten die mannen ter wille zouden zijn, van de man werd gevraagd wat geduld met haar
te hebben; onevenwichtig: voorschrijven hormonen
C) Een diversiteit aan beelden: C hoer C madonna
1) In de 19
e
eeuw was de vrouw rond de baarmoeder gecentreerd, in de 20
ste
rond hormonen
2) Er waren variaties tussen de disciplines onderling: de pedagoog maakte van de vrouw een moeder
(vervulling én verstikking)
3) Culler: Feministische literatuurkritiek in drie fasen
I) Als reactie op de dominante literaire kritiek = maar aandacht aan de analyse van vrouwelijke
hoofdpersonen in boeken
II) Waarom hebben mannen en vrouwen zich vanzelfsprekend op mannelijke personages/standpunten
blz. 70 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
gericht
III) Welke denkcategorieën worden aan de orde gesteld
7. Vrouwelijkheid als grondstof
A) O Geseksueerde modellen en metaforen remedie de grondstoffen binnen de wetenschap op
waarheden samenstellen
1) beelden van het sekseverschil fungeren als grondstof voor producten van de wetenschap
I) ook naast aspecten die puur vrouwelijk zijn (Van het geladen elektron: heeft een quasi seksuele
lading (aantrekken en afstoten); tot staat: vadertje staat)
2) Het onderzoek richtte zich
I) eerst op de bestaande dichotomieën (man/vrouw was geassocieerd met cultuur/natuur;
verstand/gevoel
II) later legde men de betekenisrelaties complexer: als men lette op de dierlijk voorgestelde mannelijke
natuur dan moest men een associatie signaleren van man/natuur en vrouw/cultuur
3) buiten: de context van de wetenschap heeft invloed op binnen de wetenschapsbeoefening
I) het gaat hier niet zozeer om de kleuring van de waarnemingen, maar om de grondstoffen waaruit de
waarheden worden samengesteld; de vele verbeeldingen van het sekseverschil
blz. 71 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 9 Twintig jaar denken over seks en
wetenschap
8. wetenschap en sekse: de opvattingen met als grootheden: wetenschap en sekse nog eens op
een rijtje
A) de principiële tweedeling tussen waarnemen en waarmaken
1) waarnemen:
I) O De methode: wanneer vrouwen bestudeerd worden geschiedt dat onzorgvuldig
II) O De afbakening van het object is onvoldoende
III) O De huidige methode vertoont mannelijke trekken en moeten met vrouwelijke methoden worden
aangevuld
IV) O De methode is niet toerijkend: ze biedt geen bescherming tegen invloeden van buiten
2) Waarmaken:
I) O Wetenschappen worden in een sociaal proces gemaakt; de sociale verhoudingen zijn
medebepalend
II) O Wetenschap is juist de producent van de verhoudingen tussen de seksen
III) O de manier waarop het sekseverschil verbeeld is, vormt de grondstof voor de productie van
wetenschappelijke kennis
B) Vaak hanteert men combinaties van argumenten of allen tezamen: een omvattende feministische
wetenschapstheorie
1) Dit is een hopeloze onderneming, er is niet één theorie
C) De volgorde is niet willekeurig: als men een punt accepteert, kunnen de voorgaande punten niet meer
worden gehonoreerd
1) C Als methoden geen barrière vormen voor invloeden van buiten op de inhoud van wetenschap, kan niet
meer stellen dat de methoden sekse neutraal moeten zijn; C als sekseverschil een variabele is waaraan
door de wetenschap gestalte wordt gegeven kan niet meer vragen wat de vrouw is (die is immers door de
wetenschap gedefinieerd)
D) Niet terug kunnen gaan levert problemen op:
1) Wat te doen met de oude vragen: wat is dan wel een goede manier om wetenschap te bedrijven?
E) Erkenning van de relativiteit van kennis
9. Zelftoets
A) De Nederlandse Onderzoeksschool Vrouwenstudies (1-1-1995)
1) Doelstelling : C het bevorderen en doen verrichten van geavanceerd onderzoek op het terrein van
vrouwenstudies
C en het verzorgen van postdoctorale onderzoeksopleidingen ter zake in een internationale context.
B) Wetenschappelijke missie
1) Theorievorming over gender
I) Vrouwenstudies betreffen een relatief nieuw gebied van wetenschappelijk onderzoek, dat kwantitatief
en kwalitatief een grote groei heeft doorgemaakt; ze wordt disciplinewijs en interdisciplinair
toegepast
II) Het doel is: inzicht verschaffen in de wijze waarop gender vorm krijgt en geeft aan maatschappelijke
processen en de machtsprocessen die daarbij werkzaam zijn.
III) Gender: de wijze waarop in samenlevingen het sekse verschil betekenis krijgt toegediend
(i) Een cultureel en historisch product, dat een structureel bepalende rol vervult in de
maatschappelijke verhoudingen en cultuurproducten en dat constant geherformuleerd wordt
(ii) Een gelaagd begrip: men doet onderzoek op drie samenhangende niveaus
(a) Gender als dimensie van persoonlijke identiteit: zelfbeleving en overdracht van zelfbeelden
(b) Gender als maatschappelijke ordeningsprincipe: fundament van maatschappelijke instituties
(c) Gender als basis voor normatieve dichotomieën: een systeem van culturele betekenissen van
gender
IV) Vrouwenstudies werken vanuit de hypothese van pluriforme werkelijkheid en hebben een
multicultureel karakter
C) Interdisciplinariteit
1) De kritiek van de feministen begon op de gebieden van de alfa en gammawetenschappen; zij strekte zich
later uit tot kritiek op de ontoereikendheid van vele gangbare methodes en theorieën van deze en andere
disciplines
I) Wetenschappelijke disciplines vervulden zelf een actieve rol in de constructie en reproductie van
sekseverschillen
2) Vrouwenstudies onderzoek heeft de gender dimensie aangetoond van
I) arbeid C bijdragen van vrouwen aan de economie C verborgen werkeloosheid C sekse specifieke
beroepssegregatie
II) ontwikkelingspsychologie: het begrip morele rijpheid is van de eenzijdig mannelijke connotatie
ontdaan, het begrip moraal is ook aan het verschuiven geraakt
III) in de sociologie en psychologie: het huwelijk wordt niet langer bezien als een machtvrije ruimte: het
begrip wordt vanuit een machtsperspectief onderzocht, hetgeen leidde tot nieuwe inzichten in
mishandeling en seksueel misbruik van kinderen
IV) sociologisch onderzoek: de complexiteit van gender en macht komt steeds duidelijker naar voren
V) historisch onderzoek: de bijdrage van vrouwen aan de maatschappelijke transformatieprocessen
worden duidelijker erkend en de afbakening tussen privé en openbare sfeer wordt als een historische
constructie gezien
blz. 72 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
VI) literatuur en kunstwetenschap: processen van canonvorming (lijst boeken die voor een gegeven taal
als klassiek en cultureel belangrijk voor dat taalgebied wordt gezien) hebben de bijdragen van
vrouwen gemarginaliseerd
D) Vraag en doelstelling van het programma
1) Overkoepelende onderzoeksvragen
I) Via welke processen werkt gender en hoe zijn deze processen te verklaren?
II) Tot welke bijstelling en veranderingen geeft deze gender analyse aanleiding?
2) Doelstelling: aan de hand van deze vragen te komen tot gefundeerde theorievorming over de werking
van gender in maatschappelijke en wetenschappelijke praktijken
I) Gekoppeld aan een streven naar maatschappelijke relevantie
II) Het beïnvloeden van maatschappelijke en beleidsmatige ideeënvorming over de vormgeving van het
sekseverschil
E) Zelftoets
1) Vrouwenstudies sluiten zich aan bij de opvatting dat wetenschap waarmaken is. Gender is een product,
het sekseverschil is geconstrueerd en wordt gebruikt als grondstof bij dualistische/hiërarchische
dichotomieën.
2) Er is geen volstrekt cynisme t.a.v. wetenschap; aan de hand van twee onderzoeksvragen (zie D) wil men
komen tot gefundeerde theorievorming over de werking van gender in maatschappelijke en
wetenschappelijke praktijken.
blz. 73 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 10De maatschappij als laboratorium van
de wetenschap
Hoofdstuk 10 Introductie
A) In het midden van de 19
e
eeuw was het laboratorium in universiteiten een normaal verschijnsel;
1) Het had het rariteitenkabinet vervangen
2) De universiteiten zijn veranderd van een losse verzameling geleerden, naar teams in grootschalige
laboratoria
B) Laboratorium:
1) het scheppen van voorwaarden van ruimte en tijd teneinde:
I) Toetsing plaats te laten vinden d.m.v. herhaalbaarheid
II) Wetenschappelijke artefacten te genereren
III) De geslaagde validaties van wetenschappelijke theorieën tot nuttige maatschappelijke toepassingen
om te vormen
2) Het voertuig van verreikende wetenschappelijke en maatschappelijke veranderingen
C) Stelling: het laboratorium verliest haar vaste ruimtelijke en temporele grenzen t.o.v. de maatschappij;
1) De maatschappij zelf is het laboratorium
I) Het is niet lange passief de spiegel van maatschappelijke en economische interesses
II) Evenmin is het actief de onbetwistbare hefboom van de wetenschap om de maatschappij te verheffen
(Latour)
2) Het laboratorium verliest de betekenis voor het toetsen van theorieën
I) De maatschappelijke toepassing wordt de toetsing
3) Deze ontwikkeling vereist nieuwe hermeneutische (verklarende) en politieke competenties van de
wetenschappers
I) Speciaal in verband met het optreden van onzekerheden en risico’s inherent aan wetenschappelijke
projecten
Leerkern
1. Ontwikkeling van het laboratorium
A) Rariteitenkabinetten: (ook vaak tuinen) in de 17
e
en 18
e
eeuw ter verzameling, observatie en classificatie van
objecten
1) De gebruikte instrumenten: slechts simpele werktuigen en kleine machines: telescoop en
elektriseermachine
2) Men bestudeerde biologische verschijnselen of magnetische elektriciteit
3) Vaak gebruikte de wetenschapper zijn eigen lichaam
B) Het klassieke laboratorium: begin 19
e
eeuw , binnen de universiteit als Duits of Humboldt model.
1) De universiteit ontwikkeldt zich van onderwijsinstelling tot onderzoeksuniversiteit
2) Wetenschap werd bedreven in aparte ruimten, afgesloten voor niet wetenschappers t.b.v. het toetsen van
theorieën
C) Drie centrale postulaten van het klassieke laboratorium:
1) Wetenschap (theoretiseren) binnen het laboratorium heeft daarbuiten geen gevolgen, dit is pas na
toetsing zo
2) Wetenschap behoeft bescherming van het laboratorium: temporele en ruimtelijke condities vormen de
grenzen tussen wetenschap en maatschappij; de waarheid van de theorie kan uitgezocht worden
(bescherming tegen ‘buiten-interventies’)
3) Het laboratorium verandert dingen (van buiten) en processen
I) Deze zaken worden het product van de instrumenten in het laboratorium
D) Het laboratorium na WOII; De fundamentele kenmerken blijven gelijk, maar het laboratorium verandert van
karakter:
1) Groepen van wetenschappers werken nu samen: teamwork en management
2) De laboratoria worden steeds groter en de instrumenten en apparaten steeds omvangrijker
(deeltjesversnellers)
I) Big instrument science (Ihde)
2. Laboratoriumwetenschappen en hun toepassingen
A) Het nut van wetenschap
1) Utiliteitsargument: dominante rechtvaardigingen van de moderne wetenschap: wetenschap is nuttig en
draagt bij aan de welvaart van de samenleving (dateert vanaf Bacon 1561-1626 en heeft sindsdien aan
kracht gewonnen)
B) Toepassing niet zonder problemen; de kloof tussen theorie en toepassing en onvoorzienbare
gevolgen
1) De resultaten van het laboratorium dienen dan wel toegepast te kunnen worden, dat is echter niet zonder
meer mogelijk
I) er is een kloof tussen het laboratorium en de maatschappij
2) Dit heeft geleid tot nieuwe toegepaste wetenschappen en theorieën; de kloof is echter niet gedicht:
I) de uitleg daarvan is: de praktijk is koppiger dan voorspeld.
II) De remedie: C wetenschappers moeten duidelijker zijn over de voorschriften C de practici en leken
moeten minder weerstand bieden tegen veranderingen.
III) Toepassingen hebben echter vaak ook onvoorspelde gevolgen (dam in een rivier) doordat men
uniedisciplinair werkt = interdisciplinariteit is gewenst
blz. 74 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
3.+ 4. De wereld beheerst het laboratorium: twee modellen van de interactie tussen laboratorium en
maatschappij
A) Knorr-Cetina 1988: het laboratorium en de wetenschap zijn resultanten van sociale verhoudingen
1) De visie op het laboratorium als resultante van sociale verhoudingen: infiltratie van de maatschappij in
het laboratorium
I) de overdracht van laboratoriumproducten naar de normale wereld is problematisch;
C Men kan de normale wereld aanpassen of C de laboratoriumproducten normaliseren; dat laatste
gebeurt:
(i) Het laboratorium wordt een neerslag van de maatschappelijke verhoudingen; het condenseert
sociale processen
2) Maatschappelijke belangen weerspiegeld in de laboratoriumwetenschap
I) De externe wereld functioneert als een geheel van bronnen die wetenschappers kunnen gebruiken
naar eigen behoeften
II) De producten van de wetenschap worden door de maatschappelijke belangengroepen gebruikt om
naar eigen inzicht maatschappelijke veranderingen teweeg te brengen
III) De maatschappij verschaft het draaipunt van waaruit de objecten van het laboratorium worden
veranderd; het laboratorium bestiert niet de maatschappij
IV) Het laboratorium is geen actieve instantie, die haar eigen bijdrage levert aan de verandering van de
maatschappij
(i) Het laboratorium is een passieve plek waar zich de strijd tussen de sociale belangen afspeelt
blz. 75 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 10De maatschappij als laboratorium van
de wetenschap
B) Latour: Het laboratorium produceert de maatschappij
1) Het laboratorium produceert de wereld
I) Er is autonomie van wetenschap en techniek. Het laboratorium vervult een spilfunctie bij de
verandering van de wereld
(i) De maatschappij vindt na uitvoerig aanpassingsproces aansluiting bij de eisen van het
laboratorium
(ii) Adagium: geef mij een laboratorium en ik zal de wereld verheffen
(iii) Onderhandelingsprocessen zijn van groot belang voor het ontstaan van netwerken
(iv) De omslag van de ambiguïteit van wetenschap in wording naar de dichotome wetenschap is via
het laboratorium
2) In het laboratorium zijn manipulatie, herhaling en effectmetingen wel mogelijk, in de maatschappij niet
I) De kracht van het laboratorium is van de chaos van de wereld een ordelijke wereld te creëren en
deze orde te gebruiken om de wereld buiten het laboratorium te domineren
II) De groei van wetenschap: een accumulatiecyclus met het laboratorium als centrum
3) De wetenschappers creëren asymmetrie
I) Door de gecreëerde asymmetrie kan de natuur en maatschappij worden geherdefinieerd
4) Kritiek op Latour :
I) De macht van het laboratorium wordt overschat: C er zijn structuren die het laboratorium te boven
gaan (militaire belangen; seksisme) C het vertaalproces wordt onderschat; er is een langdurig proces
van afstemming nodig
II) De hefboom wordt niet alleen in werking gesteld door de wetenschapper; ook de maatschappij draagt
bij
III) De wetenschapper is niet objectief, hij is immers niet vrij van vooroordelen
5) Verweer op kritiek:
I) ook buitenwetenschappelijke factoren zijn van belang, maar de bezwaren blijven toch gelden
6) Modelbouw, schaalverkleining en vertaling
I) Het terugbrengen van alle factoren op schaal, zoals dat in vele typen wetenschap wordt gedaan (bv
het deltaplan) is niet altijd mogelijk, wetenschappers hebben in het laboratorium dus ook niet alles
meegemaakt dat buiten gebeuren kan
II) De resultaten van een model kunnen niet altijd in een één op één verhouding naar de werkelijkheid
kunnen worden vertaald
III) De resultaten bieden dus geen ondubbelzinnig antwoord op de stand van zaken van de natuur
5. De maatschappij als het permanente laboratorium van de wetenschap
A) De overeenkomsten tussen Knorr-Cetina en Latour: het laboratorium is een afgezonderde plek
1) In de hedendaagse laboratoria is dat problematisch, ze is op essentiële punten veranderd
B) Kritiek op Knorr-Cetina en Latour: de scheidslijn tussen laboratorium en maatschappij vervaagt.
1) De wetenschap is nauw verbonden met andere moderne instituties; de demarcatie is minder duidelijk
2) Dit proces startte met de ruimtelijke uitbreiding van gebieden waarop werd geëxperimenteerd, men kan
niet langer een afgezonderde ruimte creëren
C) Ulrich Beck: de eerste en tweede verwetenschappelijking van de maatschappij
1) Het proces van de vervaging van de grenzen tussen wetenschap en maatschappij schrijdt voort:
I) de maatschappij wordt een laboratorium, waar permanent experimenten worden uitgevoerd en
mensen dienen als proefdieren
2) We zijn in de tweede fase van verwetenschappelijking beland
I) De eerste fase dient om de producten van wetenschap toe te passen op maatschappelijke problemen
II) In de tweede fase bestudeert men niet alleen de problemen, maar ook de gevolgen van de
wetenschappelijke interventies
(i) Deze bestudering kan niet alleen in het laboratorium plaatsvinden: men moet in het echt toetsen
3) Wetenschap en techniek zijn door en door gesocialiseerd
I) C ze is afhankelijk van grote geldgevers en C de noodzaak om buiten te moeten toetsen
D) Experimenten op ware grootte
1) Men heeft een grotere ruimte nodig en een langere tijdsspanne: de gehele maatschappij gedurende
langere tijd
I) Voorbeelden: C de toetsing van vaccinatie (poliopioniers); C het Nederlands Deltaplan (ecologische
discipline) C theorieën over bioremediatie (het afbreken van olie d.m.v. koolstofmoleculen bij een
ramp)
6. Wetenschap en de positie van de leek
A) Toetsing onder gecontroleerde condities verliest betekenis
1) Met toetsen onder ongecontroleerde condities in de samenleving, verdwijnt het concept van toetsen en
experimenteren onder bepaalde condities van tijd en plaats
B) Identificatie van risico's: de effecten en risico’s zijn minder duidelijk
1) De catastrofes toetsen de grootschalige experimenten
C) De invloed van leken: leken worden betrokken bij het bepalen van de uitkomsten
1) De leken vervullen verschillende rollen: evaluatie van wetenschap door de betrokken (ook door burgers)
I) van passieve verzamelaar van data tot het bepalen van de data en uitkomsten van een toetsing
2) De culturele achtergrond is van belang
blz. 76 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
3) Bij de evaluatie is niet alleen de lekenkennis van belang, maar spelen ook de lekenpraktijken mee
I) C Betrokkenheid en mondigheid van burgers C manieren van organisatie van klachten C de reactie
van wetenschappelijke en ambtelijke organisaties
4) Bij de moderne ecologische wetenschappen -gericht op duurzaamheid- stelt men vast dat niet één
optimale strategie bestaat
I) De keuze wordt gemaakt door wetenschappers, ambtenaren, politici en soms andere participanten
D) Grootschaligheid en controversen
1) Door de grootschalige structuur blijven de resultaten controversieel
blz. 77 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 2: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 10De maatschappij als laboratorium van
de wetenschap
7. nieuwe structuren voor verantwoordelijkheden
A) Lekeninterpretaties
1) Hermeneutische processen van interpretatie en onderhandeling over data en de grenzen tussen
laboratorium en maatschappij bepalen de uitkomst van het onderzoek
I) De data worden gedeeltelijk geconstitueerd door de leken
II) Grote instituten (ziekenhuizen, ondernemingen etc.) lijken steeds meer op laboratoria, maar niet
a.g.v. een hefboomwerking
2) De traditie waarbij gesteund wordt op de verslagen van clinici en leken is vastgelegd
I) Biologie en medische wetenschappen: combinatie van arts en patiënt
II) Vogelaars en botanisten: betrokken bij diagnosticeren van ecosystemen
III) Leken zijn betrokken bij het verzamelen van data over straling
3) Mogelijkheden om leken te betrekken
I) Het aanpassen van de lekeninterpretaties aan de dominante theorie
(i) dit is echter moeilijk (leken zijn niet te sturen)
II) Testresultaten zijn cultureel bepaald
(i) culturele verschillen (aidstesten in Amsterdam of Kinshasa)
(a) De dynamiek van de cultuur bepaalt dus mede welke effecten een bepaald wetenschappelijk
project heeft
(b) Men kan slechts achteraf rekening houden met die culturele effecten, vooraf zijn ze niet te
bepalen
4) Onvoorziene (schadelijke) effecten van projecten en verbetering situatie van leken zelf
I) Leken hebben niet alleen een passieve rol, maar kunnen de wetenschap zelf naar hun hand zetten
5) Controle van de omgeving (met leken) door wetenschappers: Het instrueren en het sturen van leken is
niet altijd mogelijk
6) Verminderde beheersing leidt tot gedeelde verantwoordelijkheid :
I) Deze stelling verschilt met de mening van Beck, die stelt dat de wetenschapper altijd overkoepelend
verantwoordelijk blijft
II) Nieuwe structuren zullen ontstaan waarin alle betrokkenen zorg dienen te dragen tegen risico's
8. Het ontstaan van de dubbele hermeneutiek in de natuurwetenschappen
A) Werner Heisenberg 1955: de wetenschap bestudeert de manipulatie van objecten en processen
1) Natuurwetenschap: onderzoek van geproduceerde objecten en processen
I) Het gaat bij het onderzoek niet naar de natuur op zich, maar op de natuur die openstaat voor
menselijk onderzoek
II) Instrumenten zijn onontbeerlijk voor de moderne wetenschappen en de moderne mens
B) Natuurwetenschappen zijn ook betrokken bij het proces van interpretatie
1) Een nieuw aspect aan de gangbare hermeneutische opvatting over interpretatie die alleen teksten zou
interpreteren
I) Het begrip tekst wordt zo uitgebreid dat het ook sociale en ander betekenisvolle handelingen omvat
II) Natuurlijke gebeurtenissen zijn echter geen teksten en kunnen dus niet geïnterpreteerd worden
2) Heisenberg: natuurwetenschappers worden niet geconfronteerd met natuurlijke gebeurtenissen,
I) maar met geproduceerde gebeurtenissen die niet buiten het laboratorium kunnen bestaan
II) wetenschappers interpreteren het proces van de productie van gebeurtenissen in het laboratorium;
(i) m.a.w. ze interpreteren hun eigen handelingen, ofwel analyseren interventies in de natuur
C) de dubbele hermeneutiek: de meest gekoesterde verschillen tussen natuurwetenschappen en sociale
wetenschappen is verdwenen
I) in het dagelijks leven interpreteren actoren hun communicatieve handelingen (eerste hermeneutiek)
en sociale wetenschappers interpreteren deze interpretaties (tweede hermeneutiek)
2) Interpretaties t.a.v. input en output
I) bij de input kant geldt dat sociaal wetenschappelijke concepten niet geïntroduceerd kunnen worden
door de wetenschapper; zij moeten zich voegen naar het object dat zij bestuderen
(i) interpretatieve schemata van het object (eerste hermeneutisch niveau) spelen een constitutieve
rol, ze worden vervolgens geïnterpreteerd door de wetenschapper (tweede hermeneutisch niveau)
II) bij de output kant: vanuit de context van het dagelijks leven (eerste hermeneutisch niveau) worden
de resultaten geïnterpreteerd (tweede hermeneutisch niveau)
(i) de conclusies zijn niet direct (zonder communicatie) toepasbaar
3) dubbele hermeneutiek in de natuurwetenschappen
I) input: in toenemende mate rekening houden met de culturele impregnatie, door leken verzameld
(eerste hermeneutisch niveau) die vervolgens geïnterpreteerd moeten worden door de
wetenschapper (tweede hermeneutisch niveau)
II) output: het probleem van de Supra-lokale toepassing van wetenschappelijke en technologische
producten (eerste hermeneutisch niveau) waarbij interpretatie (tweede hermeneutisch niveau) steeds
belangrijker wordt
9. conclusie
A) de toenemende invloed van leken, zal moeten leiden tot toenemende erkenning van hun rol door het
vergroten van de participatie in besluitvormingsprocessen over de prioriteiten in wetenschappelijk en
technologisch onderzoek
B) democratisering van wetenschappen is een vanzelfsprekende vereiste voor de wetenschappelijke vooruitgang
blz. 78 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
C) alleen wanneer de moderne democratie functioneert m.b.t. de wetenschappen kan de maatschappij de
wetenschappelijke risico’s overleven.
10. zelftoets
A) In hoeverre is het EPOR (Collins) van toepassing op de kritiek van Knorr-Cetina?
1) Deze stellingen zijn vergelijkbaar
I) Knorr-Cetina: Laboratoria zijn geen afgeschermde plaatsen
II) Collins: wetenschappelijke resultaten zijn sociale producten
blz. 79 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 11 Wetenschap: eenheid en
verscheidenheid
Hoofdstuk 11 Introductie
A) De eenheid en verscheidenheid is een veelbesproken thema binnen de wetenschapsfilosofie
1) Claim : de natuurwetenschappen vormen het ideaal waartegen de andere wetenschappen zich moeten
spiegelen
I) Anderen betwisten deze claim
II) Het is ondoenlijk om alle argumenten te bespreken
(i) Het object van de wetenschap is steeds anders beschreven (afhankelijk van de historisch-
culturele context)
(ii) De definitie van wetenschap is in de loop van de tijd veranderd
leerkern
1. De historische achtergrond van het debat over de eenheid of verscheidenheid van
wetenschap.
De eenheid van wetenschap
A) Inleidende cursussen openen vaak met een korte beschouwing over wat een specifieke tak van wetenschap
inhoudt:
1) C algemene begrippen en uitgangspunten C gebruikelijke methoden en onderzoeksstrategieën C
historisch kader
B) Het klassiek natuurwetenschappelijke wetenschapsideaal
1) De zekerheid van haar redeneringen en de verklarende en voorspellende kracht maakt dit tot rolmodel
van de wetenschap
2) Vooronderstellingen over object en methode worden overgenomen:
I) Uitgangspunten:
(i) Verschijnselen worden geplaatst in een kader van ruimte en tijd
(ii) Er worden causale verbanden tussen de verschijnselen voorondersteld, die in universele wetten
vastliggen
(iii) De onderzochte (natuur)verschijnselen zijn materiële fenomenen, deze wordt m.b.v. fysische en
chemische wetmatigheden verklaard
II) Kenmerken
(i) Het onderzoek wordt gekenmerkt door een combinatie van wiskunde en experimentele
methoden
(ii) De natuur wordt aan proeven onderworpen die:
(a) Via toetsing van bepaalde hypothesen dienen als rechtvaardiging van aan de natuur ten
grondslag liggende mathematische structuur
(b) Leiden tot wetenschappelijke ontdekkingen
3) De klassieke wetenschap kent dus een visie t.a.v. het object: de natuur; die leidt tot de norm en ideaal
van de wetenschap
I) Het is een C te exploreren materie C die wordt geregeerd door O mathematisch te beschrijven, O
universeel geldende,
O oorzakelijke verbanden.
II) Onderzoeksmethoden zijn kwantitatief van aard: ze moeten aansluiten bij een mathematische
verwerking:
4) De vooronderstellingen omtrent object en methode werden in de 17
e
eeuw algemeen geldig verklaard
C) De eenheid van wetenschappen
1) Descartes (1596-1650) : zet zich in ‘ over de methode (1637) ’ af tegen de stellingen van Aristoteles : de
pluralistische wetenschapsopvatting; die aanhang vindt onder katholieken en protestanten
I) Wetenschappen dienen onafhankelijk van het object dezelfde methoden te gebruiken
(i) Descartes stelt: er is 1 type kennis: wiskunde dat als voorbeeld dient: de universele methode
2) Wijsgerig dualisme
I) Methodologische opvatting van universele regels: C Uit onbetwijfelbare intuïties gevonden in de
filosofie C bouwt het verstand (zoals in de wiskunde) C langs deductieve weg de wetenschappelijke
kennis op C steeds met dezelfde procedure: er is maar één weg naar kennis.
II) Inhoudelijke ondersteuning: de eenheid van de methode wordt gefundeerd in de eenheid van het
object
(i) Mensen, dieren en fysieke objecten kennen geen principiële verschillen (m.u.v. de ziel van de
mens; niet te bestuderen)
(a) Alle objecten zijn vormen van uitgebreidheid: materie
III) Dualisme: res extansa: het lichaam; res cogitans: de ziel; de wetenschap kan slechts het lichaam
bestuderen:
(i) De te bestuderen delen zijn als een ingewikkelde machine te beschouwen
IV) Kentheoretisch oogpunt: vanuit een materialistisch perspectief
V) Mechanistische fysica C Alle kenobjecten zijn gecompliceerde stoffelijke lichamen C
natuurverschijnselen kunnen worden verklaard uit mechanische bewegingen van stoffelijke deeltjes
VI) Tekortkomingen: C materie wordt geïdentificeerd met uitgebreidheid (breedte, lengte en diepte) dit is
een identificatie van natuurkunde met wiskunde; daardoor stijgt de natuurkunde in waarde (wiskunde
is immers de enige echte wetenschap), maar het verliest ook haar empirische en experimentele
karakter
3) Wijsgerig (kentheoretisch) materialisme
blz. 80 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
I) materialistisch monistische visie op de mens; het idee van de eenheid van wetenschappen radicaler
uitgewerkt:
II) De maatschappij en de mens (sociale menswetenschappen) zijn niets anders dan natuurlijke
organismen/machines
(i) Hobbes (1588-1679): de maatschappij is een ingewikkelde machine
(ii) De La Mettrie (1709-1751): de mens is niets anders dan een machine en dient ook zo te worden
bestudeerd (blz.4)
D) toename van de betekenis van de maatschappelijke rol van wetenschap en techniek in de 19
e

eeuw:
1) De natuurwetenschappen boeken successen, de gedachte dat natuurwetenschappelijke methoden
universeel toepasbaar zijn, neemt toe; men verwacht in toenemende mate dat de mens en maatschappij
wetenschappen vergelijkbare wetten zal ontwikkelen
E) Naturalisme:
1) gaat uit van de eenheid van wetenschappen o.b.v. het model van natuurwetenschappen; dit is het
dominante denkbeeld; de veronderstelling dat er ook andere manieren zouden zijn, raakt op de
achtergrond
I) Mulder 1802-1880: C een pleidooi voor de erkenning van de waarde van natuurwetenschappen voor
geneeskunde C de geest woont in het menselijk lichaam, niet voor geneeskunde toegankelijk
blz. 81 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 11 Wetenschap: eenheid en
verscheidenheid
F) De driestadiawet van De Comte 1798-1857 (naturalist)
1) positivisme ; het verbinden van naturalisme met een positivistisch vooruitgangsgeloof
2) Driestadiawet :
I) Theologische stadium: de denkbeelden over de omgeving en over de mens hebben een louter
speculatief karakter, men doet beroep op bovennatuurlijke mechanismen
II) Metafysische stadium: men zoekt naar absolute en dogmatische antwoorden
(i) abstracte begrippen (de rede of de geest) worden als verklaringsprincipes gebruikt (werk van
Kant/Hegel)
III) positieve stadium: religie en metafysica worden vervangen door logische denken en empirische
waarneming
(i) men zoekt naar wetten ter verklaring en voorspelling
(ii) de natuurwetenschappen zijn reeds op dit stadium, de menswetenschappen zullen spoedig
volgen
3) Comte ontwerpt zelf de fysica van het sociale leven (stap in de richting van stadium 3) en gebruikt zijn
stelling voor geschiedfilosofie (onderverdeling van de geschiedenis van de mens in stadia (Vico (blz. 7)
heeft dat ook gedaan)
I) Als men stelt dat men menselijk handelen niet causaal kan verklaren, bevindt men zich nog vóór
stadium 3.
G) De eenheid van wetenschap: Stuart Mill 1806-1873
1) Mill schrijft het eerste methodologische handboek in de naturalistische tradities
2) overeenkomsten met Comte (ook al staat hij sceptisch tegenover zijn ideeën): causaliteit en inductieve
generalisaties
I) Beiden bouwen voort op de ideeën van Hume over causaliteit (A is de oorzaak van B)
II) Uitspraken over causale verbanden zijn inductieve generalisaties (empirische wetten), geen
mysterieus verband
3) Verschillen met Comte: Mill beseft meer dat deze empirische wetten t.a.v. het menselijk handelen
onbekend zijn, dat wil niet zeggen dat ze daaraan niet onderworpen kunnen worden, er zijn immers
praktische beperkingen bij het onderzoek
I) Hij vergelijkt de meteorologie met de sociale wetenschappen: C groot aantal variabelen C complexe
relatie
C gecontroleerde experimenten zijn niet uitvoerbaar = de kennis van meteorologische wetten is
minimaal
H) Het gebouw van de wetenschappen (19
e
eeuw)
1) Wetenschappers en filosofen stellen systematische schemata op
I) waarin m.b.v. ordeningsprincipes de onderlinge relaties van de wetenschappen worden
gespecificeerd
II) Ordening (die tot Hobbes teruggaat): de bepalingen (kwantitatief, wiskundig) van ruimte en tijd
kunnen we aan de natuur aflezen als de voorwaarden voor de kwaliteiten (hoedanigheden) van de
beweging die in de mechanica bestudeerd wordt
(i) Beweging is de voorwaarde voor de verplaatsing van deeltjes of de trilling van lucht
(ii) De wiskunde is voorwaarde voor de fysica en de chemie
(a) Elke volgende wetenschap heeft in de stapsgewijze bouw het voorgaande tot fundament, elke
voorafgaande trede wordt op een nieuw terrein van feitelijkheden toegepast, waardoor weer
een nieuwe trede wordt bereikt
(iii) Na fysica en chemie volgt het onderzoek naar het levend mechanisme: de biologie
2) De cruciale vraag: hoe hoog reikt dit bouwwerk?
I) Ook nieuwe feiten: C psychologie, antropologie, of C sociologie of C geschiedwetenschappen?
II) Naturalisten: ja: de wetenschap is één bouwwerk en er is slechts één trappenhuis
I) De eenheid van de methode in de 20
ste
eeuw
1) Wiener Kreis : een nieuwe impuls voor de naturalisten. Het ideaal beeld is de eenheid van wetenschappen
met universele methode
I) Men verzet zich tegen de obscurantistische filosofie (metafysica) die een eigen methode voor de
menswetenschappen voorstellen
2) De neopositivistische filosofen als Hempel en Nagel ontwikkelen dit concept verder uit
3) Popper gaat ook uit van de eenheid van methode in de empirische wetenschappen, maar niet met een
naturalistische of positivistische fundering.
2. De historische achtergrond van het debat over de eenheid of verscheidenheid van
wetenschap.
De verscheidenheid van wetenschap
A) De Duitse reactie op het naturalisme: wetenschappelijke pluralisme en de romantiek
1) Het leven in Duitsland, meer dan in Engeland of Frankrijk stond in het teken van de Romantiek .
I) Centraal kenmerk van de Romantiek: men ziet de breuk met vroegere, traditionele opvattingen niet
als voorwaarde voor het verkrijgen van inzicht in de mens en maatschappij, maar als belemmering.
(i) Individuen en gemeenschappen zijn geworteld in historische tradities, dit te kennen, maakt dat
we onszelf kennen
2) Twee redenen ten gunste van het verschil in de studie van mens en cultuur t.o.v. van die van de natuur
I) Als men causale verklaringen verwacht van historici, gaat men uit van het idee dat het veranderlijke
blz. 82 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
teruggevoerd moet worden tot het onveranderlijke: algemene wetten. Deze zouden dan ook op
menswetenschappen toepasbaar zijn.
(i) Er zou dus een onveranderlijke, algemeen-menselijke natuur bestaan; Deze stelling is onjuist
volgens de Romantici
(a) Geschiedenis moet worden beschouwd als een uniek en eenmalig proces
II) Iedere cultuurperiode heeft zijn eigen individuele karakter; dit is voor de Romantici van groot belang.
Niet alleen kent de westerse beschaving een lange traditie, deze wil men ook voortzetten. (zie de
breuk hierboven)
B) Principieel verschil tussen natuur en cultuur (geen breuk, geen onveranderlijke natuur) Dilthey
(1833-1911)
1) m.b.v. zijn filosofisch werk doet hij recht aan de mens als historisch wezen
I) Hij biedt een fundering van de eigen aard van de menswetenschappen en geschiedenis en cultuur
(i) De natuurwetenschappelijke benadering wordt afgewezen voor de Geisteswissenschaften, ze is
ontoereikend.
2) Het fysische en geestelijke object: Het onderscheid tussen natuur- en menswetenschappen betreft de
verschillen tussen de objecten van onderzoek: geestelijke en fysieke objecten.
I) Sociaal culturele onderzoeksobjecten worden opgevat als het product van intenties, idealen en
waarden; de innerlijke betekenis; betekenis wordt achterhaald via de verstehende methode.
3) Dilthley is voorstander van een wetenschappelijk plurisme gebaseerd op onderscheid in
benaderingswijzen
I) Dilthley is dan ook tegenstander van het beeld van één gebouw der wetenschappen.
(i) Wetenschappelijk plurisme is volgens hem niet gebaseerd op een tweedeling in de werkelijkheid,
maar het is de mens die iets als natuur of geschiedenis opvat; het is dus gebaseerd op de
benaderingswijze.
(ii) De vraag naar de eigen aard van natuur of cultuur kan niet beantwoord worden
blz. 83 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 11 Wetenschap: eenheid en
verscheidenheid
4) Inductie, experiment en wiskundige constructie in de natuurwetenschappen
I) De kernbegrippen van de natuurwetenschappen: de karakterisering daarvan in drie elementen
(i) Inductie: de logische redeneervorm van bijzondere gevallen naar algemene uitspraken d.m.v.
abstractie.
(a) Verlies: Van het speciale karakter van het object, en de specifieke omstandigheden wordt
afgezien om de formuleerbaarheid van een algemene wet met wiskundige symbolen mogelijk
te maken
(b) Winst: op grond van een wet is te voorspellen hoe objecten zich zullen gedragen
(ii) Experiment: een belangrijke rol
(a) De wending naar inductie en experiment betekent een revolutionaire breuk met de traditie
van deductie
(iii) De wiskundige constructie
II) De kentheorie van Kant heeft een beperkte reikwijdte: slechts van toepassing op
natuurwetenschappen
5) Kentheoretische achtergrond van natuurwetenschappen
I) Hoe is wetenschappelijke kennis mogelijk, los van het feit dat de mens een enorm potentieel heeft
waarmee we kunnen verklaren, voorspellen en beheersen?
II) In de 17
e
en 18
e
eeuw is dat op drie manieren aangepakt: C rationalisme C empirisme C
transcedentie
C) De kentheorie van Kant
1) de transcendentale (overstijgende) vraag naar de voorwaarden voor de mogelijkheid van onze ervaring
en kennis
I) hoe is het mogelijk dat we in staat zijn oordelen over de werkelijkheid uit te spreken die algemeen en
noodzakelijk zijn?
2) Het antwoord : we beschikken over een kenvermogen waarin een aantal vormen en begrippen a priori
onze ervaring aanwezig zijn.
I) vormen van ruimte en tijd, die onze zintuiglijke waarneming mogelijk maken
II) categorieën als causaliteit die onderdeel zijn van onze verstandelijke activiteiten
3) De werkelijkheid op zich en de werkelijkheid voor ons
I) We kunnen met onze aangeboren kenvermogen echter geen inzicht verkrijgen van de werkelijkheid
zoals deze op zichzelf is (an sich), deze zullen we nooit kennen, slechts haar fenomenaliteit kennen
we
II) Ons kennen is dus subjectief in de betekenis op de mens als subject betrekking hebbend.
III) De fenomenaliteit van de wereld komt niet zomaar op ons af; wij zijn niet alleen receptief
(ontvangend), maar ook spontaan (actief), we maken, constitueren en laten fenomenen verschijnen
d.m.v. ons kenvermogen
IV) De natuur blijft ons vreemd, ze is t.o.v. ons kenvermogen transcendent, we beschikken slechts over
onze kennis van de regelmatigheden in de opeenvolging van de gebeurtenissen
4) De natuurwetenschap
I) Een belangrijk houvast bij het verbinden van fenomenen tot wetmatige samenhangen wordt gevormd
door de mathematische constructie; de fysische werkelijkheid speelt zich af in de tijd en vult ruimte
en deze verschijnselen kunnen gemeten worden
II) Wat we waarnemen, herleiden we tot hypothesen omtrent bewegingen, die plaatsvinden volgens
onveranderlijke wetten
D) Verklaren tegenover begrijpen
1) Dilthey ( Ricker en Windelband ) stellen dat de theorie van Kant te beperkt is doordat zij is bepaald door
haar uitgangspunt:
I) de vraag naar de mogelijkheid van de natuurwetenschappelijke kennis;
2) Dilthey stelt:
I) Het kennend object staat tegenover een vreemde natuur die hij alleen naar haar fenomenaliteit kan
benaderen
II) Fenomenale representaties zijn de door onze zintuigen waarneembare kwaliteiten van de
werkelijkheid en van onszelf
III) De werkelijke voorstelling gaat ons vermogen te boven
IV) De natuurwetenschappelijke werkelijkheid kunnen we verklaren (erklären) maar niet begrijpen
(verstehen)
V) We kunnen alleen begrijpen wat voor ons betekenis heeft, de wereld van de menselijke cultuur, die
door de geesteswetenschappen wordt bestudeerd, we hebben meer nodig dan de
natuurwetenschappen
3) De algemene kentheorie moet dan ook het soort weten omvatten dat voor de geesteswetenschappen
karakteristiek is
I) De inductieve redeneervorm is vruchtbaarder dan de deductieve:
(i) omdat de wet ook voorspellingen doet ten aanzien van niet onderzochte gevallen
(ii) deductieve redenering levert enkel verbijzonderingen van algemene stellingen: geen uitbreiding
van kennis
4) Driesch 1867-1941 : neovitalisme bestrijdt ook de eenheid van wetenschap
I) Biologie en geneeskunde worden tot een apart type wetenschap bestempeld
II) Een teleologische (doelgerichte) beschouwingswijze is noodzakelijk
blz. 84 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
III) Als doorslaggevend argument geldt dat de essentiële verschillen tussen de objecten van deze
wetenschap tot een ander wetenschapstype leidt (dus niet hetgeen Diltkey stelt)
3. Samenwerking en samensmelting. Multi en interdisciplinariteit in de wetenschappen; eind
van de 20
ste
eeuw.
A) Hoe is daadwerkelijke samenwerking tussen wetenschappen mogelijk?
1) De eerder genoemde standpunten hebben ook consequenties t.a.v. deze problematiek
2) De wens tot samenwerking tussen wetenschappen sluit aan bij de aard van de vragen die aan de
wetenschap worden gesteld
B) Maatschappelijke problemen en de samenwerking tussen de wetenschappen
1) Men verwacht steeds meer dat de wetenschap een bijdrage levert aan maatschappelijke problemen (in
een buitenwetenschappelijke context gecreëerd): gezondheidsproblemen, energieproductie;
milieuverontreiniging, jeugdcriminaliteit, discriminatie etc.
2) Wetenschap moet multidisciplinair of interdisciplinair zijn: de problemen overschrijden het bereik van een
enkele wetenschap
C) Samenwerking en reductie
1) rapport van de Nederlandse Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid 1985: moeten bestaande grote
maatschappelijke vragen zo lang op antwoord wachten omdat het interdisciplinair/multidisciplinair kader
ontbreekt?
2) Integratie, Multidisciplinariteit en interdisciplinariteit van de disciplines
I) Interdisciplinair: nieuwe probleemconcepties komen voort uit de integratie van verschillende
disciplines
(i) Integratie m.b.t. de vraagstelling
II) Nog een stap verder: integratie van de begrippenkaders, methoden en theorieën
(i) Kan een gemeenschappelijke taal ontstaan? Zijn er aparte onderzoekseenheden? Leidt men eigen
onderzoekers op?
III) Multidisciplinair: de gelijktijdige toepassing van verschillende wetenschappen op reeds bestaande
problemen
(i) Integratie van meerdere disciplines die zich richten op één bepaald probleem zonder duidelijke
interactie
blz. 85 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 11 Wetenschap: eenheid en
verscheidenheid
D) Voorbeeld milieukunde: Een interdisciplinaire wetenschap
1) Wetenschapstheoretische overwegingen:
I) Hoe krijgt de samenwerking tussen de verschillende typen wetenschap ter oplossing van
maatschappelijke problemen gestalte?
II) Wat is de legitimering van de bestaande vormen van samenwerking?
2) Finaliseringsmodel : Starnbergers (voorbouwend op Kuhn en Lakatos ) van het Max Planck Institut
I) Hoe richt de wetenschap zich op maatschappelijke doelen?
II) Een rijpe basistheorie; de postparadigmatische fase:
(i) De kern van het finaliseringsmodel: de harde kern die aan het paradigma ten grondslag ligt,
wordt na verloop van tijd algemeen aanvaard; de paradigmatische fase is voltooid
III) De ontwikkeling van het onderzoeksprogramma berust op verschillende motieven
(i) Als de theorie rijp is, wordt de wetenschapsinterne motivering door een wetenschapsexterne
theorie vervangen
IV) Finalisering: Daarna vangt men aan met het oplossen van maatschappelijke problemen, men is niet
meer bezig de juistheid van de theorie aan te tonen
3) Één basiswetenschap
I) Binnen de milieukunde is men bezig met het zoeken naar één bepaalde basistheorie; de verschillende
milieudisciplines zijn concretiseringen van de basistheorie
II) Problemen: de natuurwetenschappen kunnen niet als basis dienen voor alle milieuspecialismen: ze
zijn te beperkt
III) Ook juridische en sociale aspecten doen mee
IV) Reductie van milieukunde tot natuurkunde is niet mogelijk
4) Alternatieve strategie van finalisering leidt ook tot problemen : als de gevestigde wetenschappen te
beperkt zijn, kan men de nieuwe basistheorie onder één noemer brengen: een geïntegreerde basistheorie
I) Dat is echter niet reëel (een illusie); de acceptatie van een alomvattend paradigma is een langdurig
proces
E) Reductie en reductionisten
1) Aanhangers van de eenheid van wetenschap stellen dat de verschillende vormen wetenschap met elkaar
in verband gebracht moeten kunnen worden, middels een hiërarchische relatie:
2) reductie : hogere wetenschap wordt door lagere (meer fundamentele) verklaard.
3) Reductionisten : alle wetten en theorieën van hogere wetenschappen kunnen worden gereduceerd tot
theorieën van lagere wetenschappen
4) Uitgangspunten :
I) er is een continuïteit tussen de objecten uit hogere en lagere wetenschap
(i) ze verschillen in complexiteit, niet in kwaliteit
II) De wetenschap dient causale verklaringen te verschaffen voor de onderzochte verschijnselen
5) Descartes : mechanistische fysica: de eenheid van de methode is het object: vormen van uitgebreidheid:
I) theorie, de bewegingen zijn onderworpen aan de wetten van fysica
II) Kentheoretisch materialisme brengt een kentheoretisch reductionisme met zich mee
6) De La Mettrie: wijsgerig materialisme: de kenobjecten én de gehele werkelijkheid zijn eenvormig:
reductionisme dat niet aan grenzen is gebonden
I) Monistisch materialisme brengt ontologisch reductionisme met zich mee
F) Samenwerking in de praktijk
1) Naast fundamentalistische redenen zijn er ook pragmatische redenen t.a.v. samenwerking
2) Samenwerking in de praktijk: verschillende instituten leggen hun eigen accent en hebben hun eigen
paradigma, men heeft geen behoefte aan een overkoepelende visie meer
3) Systeem: het onderwerp van wetenschappelijk onderzoek: een verzameling natuurlijke systemen, die
samen weer een systeem van hogere orde vormen
I) Het product van wetenschappelijk onderzoek is een beschrijving van een natuurlijk systeem
(i) Daarmee wordt geen nieuw systeem gecreëerd, het bestaat slechts in ons brein
G) Geen hiërarchie meer, maar interactie
1) Er is consensus over de waarde van de bijdragen van de verschillende disciplines
I) Er is een pragmatische aanpak gekozen, gekenmerkt door wederzijdse erkenning i.p.v. integratie
II) De kwaliteit van de bijdragen wordt afgemeten aan de standaarden uit het betreffende vakgebied
2) Men werkt samen in gids-toeleveringsrelaties
I) Gidsprogramma’s leveren problemen en onderzoeksrichtingen aan
II) Toeleveringsprogramma’s ontvangen die richtingen en lossen de problemen op
(i) Onderzoeksprogramma’s laten zich leiden door andere programma's
3) het inter-actiemodel biedt een goede beschrijving bij bv het netwerk van milieuspecialismen:
I) De participerende onderzoeksprogramma’s oriënteren zich niet aan specifiek wetenschapsexterne
doeleinden
II) De vragen en oplossingen stammen uit verschillende onderzoeksprogramma's, maar zijn niet extern
ten opzichte van de wetenschap als geheel
H) Toekomst
1) pluralisme en normativiteit
I) moet het ideaal van het hiërarchisch model worden opgeheven?
II) Waarschijnlijk wel, men zal een pluralistisch karakter behouden. Voordelen:
(i) Wetenschappelijke theorieën hebben, naast een empirisch aspect, ook een normatief aspect
(waardeoordeel)
blz. 86 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
(ii) Wetenschap heeft dus niet alleen een instrumentele taak, maar ook een kritische taak
blz. 87 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 12Causaliteit in de empirisch-analytische
wetenschappen
Hoofdstuk 12 Introductie
A) De natuurwetenschappen vormen het ideaal
1) Dit concept is een constante factor in de geschiedenis van de wetenschapsbeoefening
2) Het is een nastrevenswaardig ideaal: C De hegemonie (opperheerschappij) over de natuur, die zich
gewillig experimenteel laat onderzoeken; C de zekere redeneringen; C het maatschappelijk nut
3) Voorstanders van de eenheid van wetenschap hebben de wetenschap van de dode natuur verklaard op
de mens en de maatschappij
I) C ontzag voor de macht van de methoden C men hoopte dat op andere domeinen dergelijke
positieve resultaten behaald konden worden C de opvattingen over de aard van het wetenschappelijk
object
II) Mens en maatschappij werden gereduceerd tot materie (machines) en onderworpen aan
wetmatigheden
B) Naturalisme: (voorstanders van de eenheid) geleid door Comte en Mill werd in de 19
e
eeuw steeds
belangrijker
1) De modellen van de wetenschappelijke, causale verklaringen en theorieën van de Wiener Kreis hebben
een universele pretentie: ze claimen te gelden voor alle vormen van wetenschap
2) Hempel en Nagel: de 2
e
generatie Wiener Kreis: hebben deze stelling verder verdedigd.
3) Binnen de empiristische wetenschapsleer streeft men ernaar om de geldigheid van de wetenschappelijke
verklaringen en theorieën te funderen; Men moet m.b.v. deductieve verklaringen hypothesen opstellen.
1. Het standaardbeeld van de wetenschap
A) Het naturalisme treedt in de 19
e
eeuw sterk op de voorgrond
1) Comte benadrukt dat de natuurwetenschappen zich in het positieve stadium bevinden, hetgeen voor alle
wetenschappen nastrevenswaardig is (blz. 44)
I) M.b.v. empirisch waarnemen en logisch denken formuleert men wetten, die verschijnselen verklaren
en voorspellen
2) Mill: inductieve generalisaties (empirische wetten) zijn noodzakelijk voor elke vorm van
wetenschapsbeoefening
3) Dilthey (geen naturalist) 3 kenmerken van natuurwetenschappen: C inductie C experiment C
wetenschappelijke constructie
B) Wiener Kreis in de 20
ste
eeuw: het naturalisme raakt sterk verbreid: gezamenlijke kenmerken
1) Nagel en Hempel: invloedrijke verdedigers van de eenheid van wetenschap: de universele methode kan
ook op de menswetenschappen worden toegepast, er zijn immers slechts praktische verschillen
C) Empirisch-analytische wetenschappen
1) wetenschappen die te werk gaan volgens de methoden van natuurwetenschappen
I) Empirisch: gericht op kennis van de werkelijkheid
II) Analytisch: men wil in de verschijnselen bepaalde aspecten onderscheiden die later in de verklaring
systematisch aan elkaar gekoppeld worden
2) De taak : het bestuderen van empirische aan de natuur ontleende verschijnselen
3) Verschillende domeinen, één methode
I) Het domein onderscheidt de verschillende takken: het definieert het wetenschapstype, maar met
dezelfde methoden
II) C Empirische psychologie: gedrag C bedrijfskunde: bedrijf C astronomie: fenomenen aan de
sterrenhemel
4) Het doel : het verklaren, voorspellen en manipuleren
I) De Groot: Methodologie: grondslagen van onderzoek en denken in de gedragswetenschappen sinds
1961:
(i) Doel: het verwerven van kennis in een sector van de werkelijkheid of de wereld
(ii) De verschijnselen zijn systematisch te beschrijven, ordenen, registreren, begrijpen , verklaren en
nieuwe verschijnselen te voorspellen om de kwestie te kunnen beheersen, en de verschijnselen te
beïnvloeden
2. De structuur van wetenschappelijke verklaringen: logische eisen
A) Wetenschappelijke theorieën worden ontworpen om verschijnselen in de werkelijkheid te verklaren,
voorspellen en beheersen via eenzelfde type, logisch geldende afleidingen uit algemene wetten: deductie
(empirisch-analytische wetenschappen)
B) Doel van de Wiener Kreis
1) het rechtvaardigen van wetenschappelijke kennis d.m.v.
I) Het formuleren van verificatiecriteria
II) Het standaardmodel van wetenschappelijke verklaringen: deductieve (causale) verklaring gebaseerd
op
(i) C geldige ware wetten en theorieën C correcte afleidingen
C) De deductieve, causale verklaring vormt het standaardmodel
1) Deductieve (causale) verklaring : het explanandum (conclusie) volgt deductief uit het explanans
(premissen/explenanszinnen)
I) Explanans: C één universele uitspraak die een regelmatigheid uitdrukt C één of meer
bijzondere/singuliere uitspraken die initiële condities uitdrukken: uitspraken die een concrete, aan
plaats en tijd gebonden gebeurtenis beschrijven of een concreet object een bepaalde eigenschap
blz. 88 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
toekent C randvoorwaarden/aannames
II) Explanandum: C een singuliere uitspraak (deductieve verklaring van individuele gebeurtenissen of C
een empirische wet
D) Hempel en Nagel
1) na WO2 : De betekenis van het verklaren binnen de traditie van het naturalisme
2) Doel van de wetenschap : het verschaffen van systematische en redelijk beargumenteerde verklaringen
3) De empirische wetenschappen (alle, behalve wiskunde) proberen de gebeurtenissen in de wereld te
onderzoeken = voorspellen
E) Deductief-nomologisch verklaringsmodel
1) De causale verklaring is de meest geschikte (Standaardmodel van de Wiener Kreis)
I) C Deductief: de verklaring berust op deductieC Nomologisch: bij deductie wordt gebruik gemaakt van
wetten (nomos = wet)
2) De deductief nomologisch verklaring bevat: C oorzaak (beginwaarde/initiële conditie) C algemene
uitspraken (wetten)
C randvoorwaarden (ceteris-paribus-clausule: de overige omstandigheden gelijk blijvend) C gevolg (het te
verklaren verschijnsel)
3) De initiële condities worden toegepast in een algemene wetmatige samenhang : alle gebeurtenissen bij de
beginwaarden veroorzaken de gebeurtenis (onder gelijkblijvende omstandigheden), ze zijn de
voorwaarden voor het te verklaren verschijnsel
4) Verklaren en voorspellen
I) Deductief-nomologische verklaring: de uitspraak die het verschijnsel beschrijft, is de logische
conclusie uit andere uitspraken
II) Het schema van de wetenschappelijke verklaring is hetzelfde als het schema van de voorspelling.
blz. 89 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 12Causaliteit in de empirisch-analytische
wetenschappen
3. De structuur van wetenschappelijke verklaringen: empirische eisen
A) Empirische ondersteuning (naast een logisch verantwoorde redenering)
1) De universele regelmatigheid in het explanans moet kloppen, mythen hebben geen waarde
B) Eisen aan wetenschappelijke verklaringen; eis tot verklaring leidende relevantie en eis tot
toetsbaarheid
1) De eis van tot verklaringleidende relevantie
I) De aangevoerde verklarende informatie moet het aannemelijk maken dat het te verklaren
verschijnsel zich voordoet
2) De eis van toetsbaarheid
I) De uitspraken moeten empirisch getoetst kunnen worden
II) Dat is bij deductief-nomologische verklaringen geen probleem (Hempel), wetenschappelijk onderzoek
levert wetten
4. Empirische cyclus
A) Cyclus van de bestudering van een probleem: hypothesen
1) Het ontwerpen van een hypothese: veronderstelling omtrent een causaal verband tussen verschillende
variabelen
2) Het afleiden van testimplicaties uit de hypothese
B) Experimentele toetsing
1) D.m.v. controle stelt men vast of de nieuwe waarnemingen overeenstemmen met de afgeleide implicaties
2) M.b.v. experimenten: het variëren van de voor de wet belangrijke variabelen, het constant houden van de
randvariabelen
3) Trekken van conclusies m.b.t. de hypothese: verwerpen of aanvaarden
C) De Groot: empirische cyclus
1) Vijf fasen van de empirische cyclus
I) Observatie: verzamelen en groeperen van empirisch feiten materiaal
II) Inductie: formulering van hypothesen
III) Deductie: afleiding van specials consequenties uit de hypothesen (toetsbare voorspellingen)
IV) Toetsing: van de hypothese
V) Evaluatie: van de uitkomsten van de toetsing.
2) De cyclus is universeel toepasbaar : ook bij interpretatief-theoretische studies (niet empirisch omdat geen
nieuw materiaal wordt verzameld, deze studies worden vaak als tegenvoorbeeld tegen de eenheid van
wetenschap gebruikt)
5. Methodologische eisen
A) Eisen aan hypothesen correcte hypothesen: een verondersteld causaal verband tussen empirische
verschijnselen
1) De hypothese:
I) moet methodisch toetsbaar zijn: de ervaringsgegevens moeten kunnen worden weerlegd of bevestigd
II) dient een relatie te specificeren die niet reeds door begripsanalyse is vast te stellen
(i) Iedere vrijgezel is ongehuwd is dus geen goede hypothese, wel is het een analytisch ware zin (blz.
10)
(ii) Er moet worden aangegeven op welk terrein van empirische verschijnselen de hypothese
betrekking heeft
III) dient consistent te zijn
B) Vergelijkbare eisen aan de theorie de theorie moet consistent zijn
1) Het domein waarop de theorie betrekking heeft, moet worden omlijnd
2) Theorieën moeten zo worden opgesteld dat er empirisch toetsbare uitspraken uit kunnen worden afgeleid
3) Variabelen : theoretische begrippen in hypothesen en theorieën
I) Variabelen worden gedefinieerd door een aantal operaties om vast te stellen of de variabele aanwezig
is of niet
II) Een variabele is een empirisch hanteerbaar concept
4) Operationaliseren : het kiezen van meettechnieken of tests waardoor variabelen empirisch kunnen worden
onderzocht
6. Confirmatie en falsificatie
A) Hempel: Inductivist
1) toetsing kan steun bieden aan hypothesen (veronderstelde causale samenhangen)
I) die vervolgens de status krijgen van empirische wetten (geldige causale samenhangen)
2) Hempel verwerpt de eng-inductivistische opvatting dat inductie zonder meer een legitimatie kan vormen
voor de formulering van universele uitspraken op grond van waargenomen feiten
B) Confirmatie en falsificatie
1) Hempel presenteert een conceptie van inductief wetenschappelijk onderzoek in ruimere zin:
I) de toetsresultaten fungeren wel als steun voor de hypothese, maar kunnen geen sluitend bewijs
leveren,
(i) slechts een empirische steun/bevestiging
II) Wetenschappers (net als de Wiener Kreis) moeten zich richten op conformatie van hypothesen
(i) Volledige verifieerbaarheid in onmogelijk
C) Popper en De Groot: falsificationisten:
blz. 90 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
1) Men moet zich richten op weerlegging : falsificatie van de (alternatieve) hypothese
2) Falsificeren is van belang voor C voorspellingen C deterministische hypothesen en theorieën
3) Filosofische ideeën over causaliteit, net als metafysische bespiegelingen kunnen gemist worden
I) Dit soort ideeën onderzoekt niet de werkelijkheid zoals ze ons gegeven wordt middels zintuiglijke
ervaring (fysica), maar gaat op zoek naar het wezen van die werkelijkheid en wat haar constitueert
II) Methodologische regels zijn voldoende
D) Deductief nomologische verklaring; hypothetisch deductieve verklaring
1) Popper is geen deductief-nomologsche theoreticus, maar hangt de hypothetisch deductieve verklaringen
aan.
I) Empirische wetten vormen niet de sleutel van de verklaring, maar de causale samenhang
II) Een verklaring als vanuit de paradigmatheorie (Kuhn): het zoeken naar puzzelstukjes binnen de rand
van de puzzel
E) Inductivisten en falsificationisten zijn het met elkaar eens over de opzet en methode van
wetenschappelijk onderzoek
1) Het zoeken naar systematische causale verbanden m.b.v. hypothesevorming en experimentele toetsing
blz. 91 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 12Causaliteit in de empirisch-analytische
wetenschappen
7. Grondslagen van empirisch-analytische wetenschappen
A) De filosofische vooronderstellingen van de empirisch-analytische wetenschappen
1) De methoden bepalen het beeld van het object, ook als men geen standpunt in wil nemen
2) De impliciete vooronderstellingen zijn voor diegenen die kritiek uitoefenen op de empirisch analytische
wetenschap een probleem
B) De Boer: Grondslagen van een kritische psychologie 1980
1) Kritiek op de empirische psychologie:
I) Verzet tegen de verabsolutering van de natuurwetenschappelijke benaderingswijze
II) Verzet tegen de gedachte dat het impliciete mens- en wereldbeeld van de natuurwetenschap zou
samenvallen met de objectieve werkelijkheid
III) Bestrijdt dat alleen natuurwetenschappelijke kennis aanspraak kan maken op objectiviteit en
waarheid
2) Voorstander van
I) De Boer bepleit een combinatie van empirisch analytische kennis en dialoog binnen de
menswetenschappen
C) Grondslagen zijn geen methoden
1) Grondslagen van de wetenschap zijn constituerende regels of principes
I) De grondslagen moeten niet worden verward met methoden: het gaat niet om voorgeschreven
procedures.
II) Grondslagen liggen dieper dan methoden: het zijn uitgangspunten die aan de wetenschap ten
grondslag liggen
III) In de causaal-verkarende wetenschappelijke activiteit worden de grondslagen niet aan de orde
gesteld, wel door de filosofie
2) Grondslagen institueren en constitueren de wetenschap
I) Ze maken de praktijk tot een instituut, stichten en maken mogelijk
II) Ze bakenen het algemene kader van wetenschap af, wat daarbuiten valt is niet langer wetenschap
3) Grondslagen bepalen hoe dat object van kennis verschijnt : het beeld van de mens etc.
4) Impliciet mens- en wereldbeeld
I) Mens en wereldbeelden -die het fundament vormen van het theoretisch bouwsel- zijn voorondersteld
II) dat impliciete beeld kan niet wetenschappelijk worden bewezen, maar is als vooronderstelling
noodzakelijk,
(i) het zijn postulaten die wel met argumenten kunnen worden geschraagd en tegen elkaar worden
afgewogen.
8. Postulaat van de analyseerbaarheid
A) Causale samenhang vergt analyseren (uit de context losmaken)
1) Uit de context losmaken: door het bewerken van het objectgebied om samenhangen aan te tonen
2) Causale samenhang vergt analyseren :
I) Het analyseren is gerelateerd aan de logische vereisten waaraan een causale samenhang dient te
voldoen
3) Oorzaak en gevolg worden onafhankelijk van elkaar gedefinieerd in een conditionele relatie omdat:
I) De relatie ten grondslag ligt aan een causale verklaring,
II) Als de beschrijving van de oorzaak het gevolg al besloten ligt, is het een cirkelredenering.
B) Objectivering en distantie
1) Afstandelijke instelling: de wereld van ervaring ontleedt in losstaande, van elkaar onafhankelijke delen.
I) Afstandelijk: ze is betrokken op een werkelijkheid die tegenover ons staat: wij zijn toeschouwers
II) Een feit is een verschijnsel dat eerst wordt losgemaakt of voor iedereen herkenbaar te zijn. Ze is
objectief.
2) Objectiverend: de wetenschappelijke attitude als subject-object denken
C) Nagel: voorstander van de methode van natuurwetenschap: een verdediger van universeel analyseren: het
losmaken van elementen
D) Kritiek op de universele methode:
1) is er onbeperkte analyseerbaarheid?; Is het geheel van de som meer dan de afzonderlijke delen?
I) Repliek: wat is het begrip som: C een groep ongeordende uit zijn verband getrokken eenheden of C
elementen die op een bepaalde manier met elkaar verbonden zijn. bij C is er geen obstakel
2) Analyse van de leefwereld:
I) Leefwereld: het geheel van betrekkingen, dat als een net van betekenissen door ons bewustzijn over
de werkelijkheid wordt gespannen
II) Onze alledaagse ervaringswereld is een netwerk van intern met elkaar samenhangende relaties met
als centrum de mens. Als men zomaar elementen uit de context losmaakt, vernietigt met de
betekenisverbanden die de leefwereld doen begrijpen
9. Postulaat van de wetmatigheid
A) Het principe van de menselijke kennis: niets gebeurt zomaar, iets kennen is de grond ervan weten
1) De oorzaken staan centraal in de empirisch-analytische wetenschap
B) Causaliteitsprincipe is geen inzicht dat aan ervaring is ontleend, of aangeboren is
1) Het is een principe dat voorafgaat aan de ervaring en vastlegt hoe die ervaring gestructureerd zal zijn;
het bepaalt wat werkelijk is
blz. 92 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
2) het formuleert het objectkarakter: iets is alleen een object als het zich laat inpassen in een oorzaak-
gevolg verband
C) postulaten van de empirische wetenschap
1) het postulaat van de analyseerbaarheid: causale verbanden
2) het postulaat van de wetmatigheid: oftewel het causaliteitsprincipe. Men moet de causale verbanden
(analyseerbaarheid) van elkaar losmaken (om cirkelredenering te voorkomen). Men kan tussen de losse
objectief vast te stellen feiten causale verbanden vaststellen
D) Wetten formuleren noodzakelijke verbanden tussen de te vinden oorzaak en het te verklaren
gevolg.
1) een wetenschappelijke verklaring van een verschijnsel: als we hebben aangetoond dat de uitspraak, die
dat verschijnsel beschrijft, logisch volgt uit een andere uitspraak (de beginvoorwaarde) en één of meer
wetbeweringen.
2) Marx: een historische wet: na kapitalisme volgt altijd socialisme a.g.v. economisch politieke
tegenstellingen en de klassenstrijd
10. Besluit
A) Twijfels aan de universele natuurkundige methode
1) Zijn de samenhangen in menswetenschappen ook causale samenhangen?
2) Klopt het mensbeeld van de empirisch-analytische wetenschap?
blz. 93 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 13Teleologie in de levenswetenschappen
Hoofdstuk 13 Introductie
A) Andere vocabulaire voor natuurwetenschappen en menswetenschappen: het teleologievraagstuk
1) Teleologie is in de filosofie de zoektocht naar het doeleinde achter dingen
2) Twee meningen
I) De levenswetenschappen kunnen niet zonder een aparte teleologische vocabulaire; levende
organismen zijn méér dan het product van botsende moleculen
II) Er zijn geen principiële verschillen, dus hetzelfde verklarende vocabulaire kan gebruikt worden
3) Belangrijke momenten in de geschiedenis
I) De mechanisering van het wereldbeeld (Dijksterhuis): de opkomst van de natuurwetenschappen (16
e

en 17
e
eeuw)
(i) Er was geen ruimte meer binnen de nieuwe natuurwetenschap voor teleologische oorzaken (telos
= doel Aristoteles)
(a) en voor verklaringen die van dit type oorzaken gebruik maken
(ii) De teleologische verklaringen verdwenen echter niet
II) De evolutietheorie van Charles Darwin in de 19
e
eeuw: de teleologische verklaringen kregen een
nieuwe plek
Leerkern
1. De gevolgen van wetenschappelijke revolutie voor het begrip oorzaak
A) Pleidooi ten gunste van een aparte status van de levenswetenschappen
1) Er zijn verschillen in objecten tussen de wetenschappen van dode en levende natuur; ze vergen een
ander teleologische vocabulaire
B) Wetenschappelijke revolutie: de oorsprong van het teleologisch probleem
1) De kijk op het traditionele aristotelische wereldbeeld, met centrale doeloorzaken, veranderde drastisch
C) Aristotelisch oorzaakbegrip
1) Wetenschap is het zoeken naar oorzaken: verklaringen voor waarneembare verschijnselen.
2) De levende natuur staat model voor de verklaring van andere verschijnselen: de levenloze natuur
I) De natuur kent een doelgericht (teleologisch) karakter
3) Vier oorzaken die het kader vormden waarbinnen verklaringen werden gezocht
I) De materiële oorzaak: de materie of het potentieel waaruit het object wordt gemaakt (steen)
II) De formele oorzaak: de vorm of structuur van het object (de vorm van de steen)
III) De effectieve oorzaak: de opgelegde vorm (de beeldhouwer die de steen heeft bewerkt tot een
object)
IV) De finale oorzaak: het doel waarvoor het object is gemaakt
(i) De finale oorzaak is noodzakelijk omdat de eerste 3 oorzaken geen richting aan verschijnselen
geeft
(ii) De verwezenlijking van de vorm is tevens de realisering van het doel
D) De wetenschappelijke revolutie maakte korte metten met de stellingen van Aristoteles
1) Na de wetenschappelijke revolutie bleven slechts de effectieve oorzaken over echter in gewijzigde vorm
2) De eerste twee oorzaken werden niet langer gezien als verklaringen, maar als beschrijvingen
I) De wereld bestaat uit materiële objecten, samengesteld uit atomen; de vorm is te beschrijven in de
meetkunde
E) Klassieke mechanica
1) Oorzaken (krachten) brengen veranderingen in bewegingen in stand
I) ze werken onafhankelijk van het menselijk handelen of andere (metafysische) krachten
2) De effectieve oorzaak verliest antropomorfe (menselijke) connotatie (gevoelswaarde)
I) De antropomorfe connotatie van Aristoteles’ effectieve oorzaak is verdwenen
(i) De effectieve oorzaak verwijst (na de mechanisering) naar oorzaken voor veranderingen in
bewegingen
3) De consequenties van deze visieverandering:
I) Natuurlijke processen kunnen worden verklaard uit de relaties, botsingen en krachten tussen
atomaire deeltjes
II) De finale oorzaak verdwijnt: bewegingen of gedragingen zijn er niet op gericht de natuurlijke
bestemming of doel te bereiken
4) Niet waarom maar hoe
I) De waarom vraag van Aristoteles werd geëlimineerd; men stelde slechts de hoe vraag
2. Levenswetenschappen
A) Karakteristieke kenmerken van levende organismen
1) De opvatting dat alles in termen van het mechanicistisch wereldbeeld te verklaren zou zijn, ging op voor
de natuurwetenschappen
I) In de levenswetenschappen en de psychologie ontstonden problemen
(i) Levende organismen vertonen wel verschijnselen die doelmatig (teleologisch) van aard lijken te
zijn, bv:
(ii) regeneratie: het vermogen om verloren ledematen aan te laten groeien
(a) de processen verlopen zeer gecoördineerd (gemeenschappelijk plan)
B) Vitalisme
1) Vitalisme ( Entelechieën/vitale krachten ): de levenskracht die in organismen zou huizen
I) Regeneratie is bijvoorbeeld een manifestatie van dieper gelegen teleologische krachten van niet
fysische aard
blz. 94 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
(i) deze krachten geven richting aan verschijnselen in de levende natuur.
2) Vitalisme levert geen wetenschappelijke verklaringen
I) De status van het vitalisme is binnen de natuurwetenschappen altijd erg laag geweest: bezwaar: men
is nooit verder gekomen dat intuïtie,
II) Men leverde geen wetenschappelijke verklaring: zijn de gecoördineerde groeiprocessen het resultaat
van vitale krachten?
III) De bezwaren komen niet voort uit het gegeven dat er een onzichtbare vitale kracht wordt
gepostuleerd
(i) zwaartekracht is immers ook onzichtbaar
IV) Als dieper liggende krachten worden gepostuleerd, moeten over de verschijnselen specifieke
gevolgen of verklaringen en voorspellingen af te leiden zijn: er worden geen uitspraken gedaan over
de condities waaronder de krachten werkzaam zijn
V) het vitalisme kan dat niet, slechts achteraf kan men vaststellen dat krachten in werking zijn getreden
(post-factum uitspraken)
C) natuurlijke theologie: teleologisch denken vanuit het geloof in een schepper
1) dat het geen natuurwetenschappelijk denken was, vond men binnen deze stroming geen probleem
blz. 95 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 13Teleologie in de levenswetenschappen
3. Natuurlijke theologie en het creationisme
A) Voorgeschiedenis van de biologie
1) de biologie (zoals wij die kennen) ontstaat in de 19
e
eeuw.
I) In de tijd van Descartes was anatomie en fysiologie onderdeel van geneeskunde.
II) Botanie werd verricht met het oog op het verkrijgen van medicinale kruiden, net als het classificeren
van dieren en planten
B) de natuurlijke theologen
1) voor het teleologieprobleem is het werk van anatomen, fysiologen enz. niet van belang, maar dat van
natuurlijke theologen
I) de natuurlijke theologen bestudeerden de levende natuur en vonden doel- en planmatigheid: creatie
door de schepper.
2) Paley 1802 : Natural Theology, or evidence of the existence and attributes of the deity collected from the
appearances of nature.
I) Uitleg van het verschil tussen fysische objecten en geconstrueerde (ontworpen) objecten door een
maker
II) God bestaat en levende organismen in de natuur zijn naar plan ingericht, ze hebben een doel (oog =
doel = zien)
III) Bij iedere manifestatie van het ontwerp (design) valt op hoe precies, vernuftig en economisch het in
elkaar zit (bv het oog)
C) Drie kenmerken van het creationisme
1) Soorten zijn op een bepaald moment geschapen en niet meer veranderd; de diversiteit is gevolg van de
scheppingsdaad
2) De schepper heeft zijn werk goed gedaan: dieren zijn perfect aangepast aan hun omgeving
3) De mens neemt een bijzondere plaats in: ze heeft een ziel en kan denken; mensen stonden aan de top
van de kroon der schepping
4. De evolutietheorie van Darwin
A) Het einde van het creationisme in de wetenschappelijke wereld; aanpassing aan de omgeving
1) Soorten zijn uit elkaar voortgekomen: diversiteit komt vanuit een gemeenschappelijke voorouder
2) De aanpassingen van de dieren aan de natuur komt door een geleidelijke evolutie
3) De mens en mensaap hebben gemeenschappelijke voorouders
B) Darwins verklaring van evolutie: variatie en selectie
1) Het evolutieproces is te verklaren door het bestaan van verschillende variaties in een populatie
I) op deze variaties wordt geselecteerd
2) Natuurlijke selectie : niet alle organismen hebben dezelfde kans om te overleven omdat de
bestaansbronnen beperkt zijn (Maltus)
3) Er is competitie tussen organismen: beter aangepaste organismen worden uitgeselecteerd
C) De evolutietheorie schematisch samengevat in drie beweringen
1) Variaties : er zijn erfelijk bepaalde verschillen tussen organismen
2) Strijd : binnen en tussen soorten om het bestaan
3) Natuurlijke selectie : de meest voordelige variaties overleven (i.t.t. Lamarck: aanpassingen gedurende het
leven)
5. Het vocabulaire van de evolutietheorie
A) De centrale gedachte van de evolutietheorie; drie vooronderstellingen over organismen
1) C ze planten zich voort C ze verschillen C ze dragen hun genetisch materiaal over
B) Erfelijkheidsleer: informatie die is vastgelegd in het DNA (RNA bij virussen) wordt gerepliceerd
1) Onderscheid tussen fenotype en genotype; voordelige eigenschappen hebben een hogere fitheid
C) Hogere fitheid: het reproductief succes van de genen van het individu
D) Individueel welzijn versus het behoud van de genen
1) Selectie kan zelfs het organisme zelf ten gronde brengen (bidsprinkhaan)
2) Het doel is het erfelijk materiaal (genen) te handhaven
E) Competitie: Niet alle sociale verschijnselen kunnen aan competitie worden toegeschreven (bijen, wespen en
mieren t.o.v. koningin)
6. Proximaat en ultimaat causale verklaringen
A) Inzicht in de historische dimensie van verschijnselen in de levende natuur; waarom en hoe?
1) Een antwoord op de waarom vraag van verschijnselen: het is een uitgeselecteerde aanpassing
B) Evolutietheorie en de natuurwetenschap
1) Binnen de natuurwetenschappen staat de hoe vraag centraal. Hoe verhoudt de waarom vraag zich tot de
hoe vraag?
2) Er is geen finale oorzaak, maar een natuurlijke selectie
C) De moderne biologie kan een hoe vraag (proximaat causaal) en een waaromvraag (ultimaat
causaal) bieden
1) De proximaat causale verklaring beschouwt het fenotype als het product van het genotype
2) De ultimaat causale verklaring beschouwt het genotype het product van het fenotype
D) Taalverschillen bij ultimaat-causale en proximaat-causale verklaringen
1) Proximaat causale verklaringen bezigen een mechanistische taal; ultimaat causale verklaringen een
teleologische taal
blz. 96 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
7. Teleonomie versus natuurlijke theologie
A) Teleonomie steunt in tegenstelling tot teleologie niet op doeloorzaken
1) Teleonomie : het wetenschapsgebied dat -aan de hand van het evolutiemodel- het ontstaan van de
aanpassingen bestudeert
I) Onderzoeksvraag van teleonomie;: wat is de functie van een bepaald fenomeen?
II) Teleonomie bestudeert de functionele organisatie van levende organismen, net als teleologie
2) Het verschil : er wordt binnen de teleonomie geen beroep gedaan op finale oorzaken, dit geschiedt o.b.v.
natuurlijke selectie
B) Onderscheid tussen de functionele ontwerpen van Paley en Darwin
1) Formele onderscheid : in de theologie spelen vooronderstellingen zoals geformuleerd binnen de
evolutietheorie geen rol:
I) Een bepaald kenmerk veroorzaakt een grotere fitheid en dus is de overlevingskans een relatieve
maat
II) Er zijn andere kenmerken die niet tot een hogere fitheid leiden
III) Het fitheid criterium van een bepaald kenmerk moet worden gespecificeerd (eigen fitheid;
groepsfitheid)
C) Drie verschillen tussen de evolutionaire verklaringen en die van de natuurlijke theologie
1) Verschil tussen creatie en evolutie bij het begrip design
2) Paley dacht aan aanpassingen van soorten; evolutietheologen spreken over aanpassingen van (groepen
van) individuen
3) Perfectieargument: de schepper heeft een volmaakte aanpassing gemaakt t.o.v. individuen zijn nimmer
volmaakt aangepast
blz. 97 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 13Teleologie in de levenswetenschappen
8. Voorbeelden van teleonomische verklaringen
A) Biologen richten zich op de functionele organisatie van organismen
1) Williams : om aan te tonen of een verschijnsel een aanpassing is, moet men eerst het probleem
ontdekken, dan de effectiviteit van de aanpassing analyseren en het toeval uitsluiten
I) Het probleem vinden waarvoor het verschijnsel een oplossing is
II) Het design van de aanpassing analyseren: is het een adaptieve oplossing?
(i) Analyse van de precisie, economie en efficiëntie van de oplossing: toeval als verklarende factor
moet worden uitgesloten
III) Vergelijking maken met het menselijk handelen: hoe kan vruchtbaar gebruik worden onderscheiden
van onvruchtbaar gebruik?
(i) Deze vragen betreffen de heuristiek ( de leer of de kunst van het vinden) van het
wetenschappelijk onderzoek
B) Voorbeelden
1) Parelvissen : leven overdag binnen het ademhalingssysteem van zeekomkommers
I) Primair: verdedigingsmechanisme: secondair: a.g.v. degeneratie van pigment; bescherming tegen
straling
2) Regeneratie : Darwin:
I) C delen van hogere dieren die de meeste kans hebben om verloren te gaan, komen in aanmerking
C regeneratievermogen is groter tijdens vroege stadia (ontologie) C regeneratievermogen is groter
op de lagere posities van de fylogenetische schaal (fylogenie) (bij de mens worden de organen
aangemaakt tussen de 8
e
/14
e
week)
3) Veroudering : is geen aanpassing, maar is er omdat de kosten van optimaal functioneren na de
reproductieve fase te groot zijn
I) Extrinsieke oorzaken van sterven (ziekten, moord etc.) en intrinsieke oorzaken (slijtage)
II) De intrinsieke veroudering treedt op zodra de kans op reproductie a.g.v. extrinsieke oorzaken heel
klein is geworden
9. conclusie
A) De waartoe vragen binnen de biologie leiden niet tot een aparte status voor levenswetenschappen
B) De evolutietheorie geldt als onomstreden grondslag voor de biologie
C) De ultimate causale verklaringen stimuleren tot verklaringen in termen van proximate mechanismen,
waarmee de biologie zich aan de natuurwetenschappen conformeert.
blz. 98 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 14 Narrativiteit in de mens- en
cultuurwetenschappen
Hoofdstuk 14 Introductie
A) Verschil in toegankelijkheid tussen natuurwetenschappelijke publicaties en mens- en
cultuurwetenschappen:
1) Leesbaarheid en toegankelijkheid publicaties
I) Natuurwetenschappelijke publicaties zijn voor niet vakgenoten bijna ontoegankelijk, voor leken een
soort geheimtaal
II) Mens- en cultuurwetenschappen zijn goed leesbaar
III) Dit verschil ving aan in de 17
e
eeuw toen de opkomende moderne natuurwetenschap afscheid nam
van alledaagse voorstellingen
B) Stellingen t.a.v. cultuur en menswetenschappen
1) Ook de mens- en cultuurwetenschappen zouden radicaal afscheid moeten nemen van alledaagse en
traditionele opvattingen
I) ze zijn verwant aan natuurwetenschappen
2) Anderen wijzen deze eis af: het boek der cultuur is geschreven in omgangstaal, niet met wiskundige
symbolen en dus zijn ze verwant aan letterkundige principes
Leerkern
1 Hempels reconstructie van de historische verklaring
A) Hempel: the function of general laws in history 1942; Historische verklaringen onbevredigend
1) De introductie van het deductief-nomologisch verklaringsmodel (zie blz. 47)
I) Dit model moest de standaard zijn voor mens en cultuur wetenschappen
II) Als dit model toegepast wordt, blijkt dat binnen de historische of sociologische studies nauwelijks iets
wordt verklaard
2) Noodzakelijke aanvullingen
I) Als het explanandum deductief uit de explanans kan worden afgeleid, leidt dat tot een volwaardige
causale verklaring die de empirische toets kan doorstaan: de gebeurtenis moet noodzakelijkerwijs
optreden.
II) Voorbeeld: Durkheim en zijn critici; de ideeën van Durkheim stuiten in literaire kringen op kritiek:er is
een belangenconflict.
(i) Men verkaart zonder te verwijzen naar een universele wetmatigheid, de redenering is dus niet
logisch geldig
(a) Durkheim wordt niet altijd door de critici met bepaalde groepsbelangen bekritiseerd
III) Het is uiterst lastig om een onvolwaardige verklaring te verbeteren
3) Het repareren van onvolwaardige verklaringen
I) Redding ten koste van informatie
(i) De universele wetmatigheid (waarvan blijkt dat ze niet altijd voorkomt) kan worden vervangen
door een meer nauwkeurige uitspraak; echter dat leidt tot slechts een gering informatiegehalte
(a) Voorbeeld: leden van de groep die inzien dat de belangen niet stroken….
II) Redding ten koste van zekerheid: een statistische regelmatigheid i.p.v. universele regelmatigheid
(i) Een probabilistische verklaring: De universele wetmatigheid kan worden ingeruild voor een
statistische regelmatigheid; dit leidt tot een minder triviale waarschijnlijkheidsuitspraak dan bij 1),
echter het explanandum laat zich niet meer deductief afleiden uit het explanans
(a) Voorbeeld: 80% van de leden van de groep….
4) Geen pseudo verklaringen, maar verklaringschetsen
I) Men mag nimmer toevlucht nemen tot pseudoverklaringen Voorbeeld: de tijdsgeest verklaart dat…
II) Men moet soms genoegen nemen met verklaringsschetsen die zijn wel empirisch toetsbaar:
III) Bij verklaringsschetsen kleurt men langzaam in, op basis van toekomstig onderzoek, tot een
volwaardige deductief-nomologische verklaring. Dit is mogelijk is door:
(i) Meer kennis te vergaren over de relatie tussen denkbeelden en groepsbelangen
(ii) Een intentionele verklaring/doelgerichte handeling te verrichten:
(a) Het verwijzen naar de doeleinden van de betrokkenen leidt ook tot een causale verklaring
(b) Voorbeeld: de bedoeling hebben om Durkheim in diskrediet te brengen
2. 3x Kritiek op Hempel (vanuit de Angelsaksische filosofie die de eigen aard van de
menswetenschappen verdedigt)
A) C De rol van universele wetten in de geschiedwetenschap (stelling Hempel); waarom noodzakelijk;
hoe mogelijk?
1) Er bestaat asymmetrie van verklaren en voorspellen : behorend bij de hoe mogelijk vraag
I) B impliceert A, maar A impliceert B niet
II) Dit kwam in de theorie van Hempel niet voor.
2) Er zijn twee soorten waarom/hoe vragen
I) De ‘waarom noodzakelijkheid’ vraagt naar voldoende voorwaarden
(i) Algemene wetmatigheden die aan het gebeuren ten grondslag liggen
(ii) Het uitgangspunt van natuurwetenschappelijk onderzoek:
(a) A leidt altijd tot B; A is een voldoende verklaring voor B
II) De ‘hoe mogelijk’ vraagt naar noodzakelijke voorwaarden
(i) Factoren die tot het gebeuren hebben bijgedragen; het verloop van bijvoorbeeld geschiedenis
staat immers niet vast
blz. 99 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
(ii) Het uitgangspunt van menswetenschappen:
(a) zonder A was B niet mogelijk geweest is een noodzakelijke voorwaarde voor B
III) verklaren maar niet voorspellen
(i) Hempel stelde de asymmetrie van verklaren en voorspellen niet aan de orde
(a) Een logisch volwaardige verklaring in het deductief-nomologisch model is structureel verwant
aan een voorspelling
(b) Deze eis (logisch volwaardige verklaring) wordt ook aan historische verklaringen gesteld;
(i) de waarom vraag die niet goed bij historici past, wordt zo als vereiste gesteld
blz. 100 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 14 Narrativiteit in de mens- en
cultuurwetenschappen
B) C Historische verklaringen zouden moeten worden opgevat als verklaringsschetsen (stelling
Hempel)
1) Een verklaringsschets is volgens Hempel de eerste stap in de richting van een volledig ingekleurde
verklaring
2) Rickert : Vullen van verklaringschetsen is niet interessant: niet afbeelden, maar uitbeelden
I) Niet alle feiten worden ter tafel gebracht (=afbeelden), men brengt patronen aan (=uitbeelden)
(i) Het verleden wordt geïnterpreteerd vanuit een contemporaine interesse
(ii) In het licht van een impliciete of expliciete theorie als een historische (theoretische)
vooronderstelling
3) Contra Hempel : theoretische vooronderstellingen zijn bij historisch onderzoek geen constitutieve, maar
heuristische factor.
I) De vooronderstellingen hebben niet hetzelfde karakter als universele wetmatigheden
II) In het deductief-nomologisch model vervullen theoretische uitspraken over wetmatigheden een
constitutieve functie
(i) Ze kunnen in de logische opbouw van een verklaring niet worden gemist
III) Binnen sociologische of psychologische theorieën vervullen ze geen constitutieve functie, maar een
heuristische functie
(i) Het onderzoek heeft niet als eerste doel de theoretische premissen te toetsen, maar worden
gebruikt als aanwijzingen die suggereren in welke richting men de oorzaken moet zoeken
4) Analogie met de tegenstelling tussen Popper/Kuhn en Hempel
I) Hempel: een uiteindelijke verklaring geeft alle feiten objectief weer: empiristische visie
II) Popper: de wetenschap vertrekt vanuit een probleem/interesse; waarnemingen zijn op theorieën
gebaseerd
III) Kuhn: wetenschap werkt vanuit interesse: het paradigma, hetgeen niet wordt getoetst
(i) De stelling van Rickert komt hier het meest mee overeen.
C) C Het logical connection argument: De reconstructie van intentionele verklaringen (stelling
Hempel)
1) Intentionele verklaringen geven geen causale verbanden weer, maar conceptuele relaties
I) Intentionele verklaringen voldoen aan de standaard van het deductief-nomologisch model (stelling
Hempel)
2) Bezwaar tegen deze stelling door filosofen die zijn beïnvloed door de latere Wittgenstein
I) Intentionele verklaringen voldoen niet aan maatstaven van het deductief-nomologisch model:
(i) ze geven geen causale verbanden weer, maar conceptuele of betekenisrelaties tussen intentie en
handeling
3) Een geldige causale verklaring voldoet aan twee voorwaarden: aan beide voorwaarden wordt niet voldaan
I) de intentie is niet los te maken van de geïntendeerde handeling; uitspraken over een relatie moeten
empirisch toetsbaar zijn
(i) als de geïntendeerde handeling (Voorbeeld: het polemiseren tegen Durkheim) niet optreedt,
stellen we de intentie ter discussie
(ii) de intentionele verklaring is geen empirische hypothese die waar of onwaar kan zijn; ze is op
grond van de betekenis van het begrip ‘intentie’ altijd waar.
(iii) Als hij immers niet doet wat zijn intentie was, had hij blijkbaar die intentie niet; het is dus een
logische gevolgtrekking
II) conceptuele relatie tussen intentie en handeling de omschrijving van het gevolg moet logisch
onafhankelijk zijn van de omschrijving van de oorzaak;
(i) de intentie (Voorbeeld: het in diskrediet brengen van Durkheim) en de handeling (Voorbeeld: het
polemiseren tegen Durkheim) kunnen niet los van elkaar worden omschreven:
(a) er is sprake van een conceptuele relatie en de mogelijkheid van een causaal verband vervalt
(ii) Geen causale verklaring, maar een ontsluiting van betekenis:
(a) dit soort verklaringen expliciteren de betekenis van de handelingen:
(i) intentioneel verklaren is een vorm van identificeren
(b) verklaringen in termen van intenties leveren dus een antwoord op de vraag: wat is dat voor
handeling:
(i) de ontsluiting van de betekenis, het is een identificatieprobleem.
4) De term logical connection argument slaat op de relatie tussen intentie en handeling, die hierbij niet
empirisch is, maar conceptueel of logisch
3. De intentionele verklaring als rationele verklaring
A) De culturele betekenis van verklaringen; rationaliteit wordt verondersteld
1) De intentionele verklaring wijst erop dat de causale betekenis in de menswetenschappen niet primair van
belang is.
2) Het ontsluiten van betekenissen houdt in dat de handeling geduid wordt als rationeel: als redelijk in het
licht van het doel;
I) ze zijn met goede argumenten omkleed.
II) Rationele verklaringen worden veelvuldig in de menswetenschappen toegepast.
B) De status van rationele verklaringen: Hempels deductieve reconstructie van een rationele
verklaring
1) Hempel : een rationele verklaring is logisch te reconstrueren tot een deductief-nomologische verklaring
blz. 101 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
I) de gebeurtenis moet noodzakelijkerwijs optreden
2) Dray 1957 : in een rationele verklaring gaat het om redenen, niet om noodzakelijke gevolgen
I) rationeel verklaren voldoet niet aan het deductief-nomologisch model, het is wel een acceptabele
verklaringsvorm
II) volgens Dray beschouwt Hempel de historische verklaring ten onrechte als een antwoord op de vraag
waarom noodzakelijk (voldoende voorwaarde)
(i) Het is een antwoord op de vraag hoe mogelijk (noodzakelijke voorwaarde)
3) Rationaliteit is geen dispositie; geen gegeven, maar een verklaring
I) Volgens Dray is de karakterisering van rationaliteit als dispositie (Hempel) niet correct.
II) Hempel maakt een categoriefout
(i) Rationaliteit is geen empirische (toevallige) eigenschap, maar een vooronderstelling in de
verklaring
(a) de mens is rationeel ≠ het glas is breekbaar
(ii) rationaliteit is een Standing Presumption (Dray)
blz. 102 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

4. Verstehen in de hermeneutiek
A) de Angelsaksische filosofie (Rickert; Dray, MacIntyre; volgelingen van de late Wittgenstein)
1) verdedigt de eigen aard van de menswetenschappen op de volgende manieren:
I) het specifieke karakter van de waarom vraag in de menswetenschappen
II) de conceptuele relatie tussen intentie en handeling
III) de vooronderstelling van redelijkheid die ten grondslag ligt aan rationele verklaringen
2) heeft pas recent (na WO2) de gedachte dat mens en cultuurwetenschappen een eigen verklaringsmodel
behoeven
B) de continentale filosofie (Dilthey, Gadamer, Ricoeur)
1) Dilthey
I) er is van oudsher aandacht geweest voor het specifieke karakter van mens en cultuurwetenschappen
(19
e
eeuw)
II) de methode van verstehen (Dilthey; blz. 44): de natuurwetenschappelijke methode is geschikt voor
natuurverschijnselen; de verstehende methode is geschikt voor cultuurverschijnselen.
2) Psychologisch en hermeneutisch verstehen
I) In eerste instantie werd verstehen psychologisch geïnterpreteerd: het inleven in de ander: het
invoelen.
II) De latere Dilthey stelde dat invoelen een hermeneutische interpretatie is, dus niet op subjectief
vermogen.
(i) Hermeneutiek: de kunst van het uitleggen van teksten m.b.v. een filosofische methode
(Hermeneus = tolk)
(ii) Primaire voorwaarde: de beheersing van de door de ander gebruikte taal
III) Voordelen van hermeneutische interpretatie:
(i) De intersubjectieve toegankelijkheid van een taal/cultuur is de basis van het verstehen.
3) Hermeneutische cirkel : wijst op een belangrijke overeenkomst met het begrijpen van teksten (men
begrijpt het geheel (van de tekst) als men de delen begrijpt en men begrijpt de delen als men het geheel
begrijpt)
I) Centraal staat: deel en geheel zijn intern met elkaar verbonden
II) Tussen deel en geheel bestaan geen empirische relaties, maar betekenisrelaties.
III) De verklaring is conceptueel, net als gesteld bij het logical connection argument.
4) Gadamer 1900-2002 : verstehen is niet objectief, niet subjectief, maar intersubjectief
I) Verstehen is gebaseerd op de deelname aan een gemeenschappelijke taal (net als Dilthey)
II) Verstehen berust altijd op een voorbegrip: een voor-verstaan
III) Verstehen is gebaseerd op een betrokkenheid van de interpreet die tot uitdrukking komt in diens
voorbegrip
(i) Er is sprake van een vorm van horizonversmelting (tussen de beide horizonnen van iterpreet en
interpretandum)
IV) Historisch verklaren is een dialoog waarbij men op grond van eigen vragen met het verleden in
gesprek treedt.
C) De parallel tussen de positie van de interpreet (continentaal) en de positie van de onderzoeker
(Angelsaksisch)
1) Gademer : Historisch verklaren is een dialoog
I) verstehen wordt gedragen door het voorbegrip van de interpreet, middels een dialogisch proces
2) Angelsaksische filosofie: de rationele verklaring gaat om de redelijkheid van de handeling,
I) Deze kan niet in abstracto vastgesteld worden.
II) Er is sprake van een proces waarbij de intenties en overwegingen van de betrokkenen geduid wordt
vanuit een visie op rationaliteit.
III) Als de redelijkheid niet zichtbaar is, zal de onderzoeker zich afvragen of hij redenen over het hoofd
heeft gezien of zijn eigen conceptie van redelijkheid ter discussie moeten stellen
5. Narrativiteit in de mens en cultuurwetenschappen
A) De Angelsaksiche en de Continentale filosofie wijzen beiden op het belang van verhalen in de
menswetenschappen
1) De Angelsaksische filosofen:
I) de verklaring is een vorm van herbeschrijving/narrativiteit
(i) Het aangeven van methoden en intenties die aan een handeling ten grondslag liggen
(ii) Het expliciteren van de rationaliteit daarvan, vindt plaats in verhalen
(iii) De verklarende vorm van historische verklaringen is geen teken van onrijpheid (deductief-
historische verklaringsmodel), maar het is essentieel voor verklaringen
II) MacIntyre: verhalen zijn fundamenteel voor het karakteriseren van menselijke handelingen;
(i) Het perspectief van deelnemers en buitenstaanders wordt in het verhaal aaneengesmeed
(ii) Ze worden door betrokkenen zelf en door buitenstaanders uitgevoerd
(iii) De betrokkenen laten zien dat ze rationeel geopereerd hebben
(a) De buitenstaanders pogen de rationaliteit van de handelingen vast te stellen
(iv) De betrokken anticiperen op de wijze waarop anderen hun handelingen zien
(a) De buitenstaanders integreren het perspectief van de betrokken in hun beschouwing.
(v) Narratieve herbeschrijvingen berusten op een mogelijke confrontatie van het
deelnemersperspectief met het buitenstaanderperspectief
2) De Continentale hermeneutici:
I) Elke interpretatie is een duiding van een uiting als onderdeel van een zinvolle eenheid
(i) De hermeneutische cirkel veronderstelt dat afzonderlijke uitingen beschouwd moeten worden als
blz. 103 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
onderdeel van een wijdere betekeniscontext: het verhaal.
II) Ricoeur: mensen ordenen hun leven door het vertellen van verhalen
(i) Het leven kent een zinvolle structuur, die pre-narratief is: een impliciet verhaal
(ii) Door de verhalen te vertellen maken de mensen het verhaal expliciet en vormen deze om tot een
narratieve structuur met het karakter van een plot.
(a) De plot van een verhaal transformeert de onheldere ervaring tot een literaire configuratie
(iii) Er bestaat een hermeneutische cirkel tussen leven en verhaal
(iv) Narratieve herbeschrijvingen zijn intersubjectief
(a) De betekenis van het verhaal is afhankelijk van de interpretatie van anderen
(v) De menswetenschappen leveren substantiële bijdragen aan de narratieve structurering van het
menselijk leven
blz. 104 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Blok 3: Wetenschap, techniek en maatschappijLeereenheid 14 Narrativiteit in de mens- en
cultuurwetenschappen
6. Het voorbeeld van een autobiografie
A) Centraal-stelling van narrativiteit; het leven als zinvolle eenheid
1) De verhalen zijn wetenschappelijk relevant als men narrativiteit centraal stelt.
B) De autobiografie geeft richting
1) Autobiografieën geven ons inzicht in de wijze waarop mensen hun leven als een zinvolle eenheid
presenteren aan anderen
2) Mannelijk tegenover vrouwelijk
I) De Gergens benadrukken het belang van autobiografieën voor de sociale psychologie
II) Autobiografieën beelden niet alleen het leven uit, maar functioneren als scripts die het leven richting
geven.
(i) De betekenis van het leven ligt niet vast. Ze wordt geconstrueerd in de verhalen
III) De autobiografische verhalen belichamen een cultureel gedeelde visie op datgene wat belangrijk is in
het leven: zinvolle eenheid
IV) Vrouwen ordenen hun levensverhaal anders in dan mannen
(i) Mannen: rechtlijnig project, met een wel omschreven doel (carrière)
(a) Dominante variant; een feministisch voorbegrip
(ii) Vrouwen: complexer: maatschappelijk succes is verweven met persoonlijke zeken en emotionele
aspecten
3) Verhalen over verhalen
I) Mary Gergen beschrijft zelf een verhaal:
(i) een verhaal dat handelt over de culturele waardering van verschillende vormen van autobiografie
in de westerse cultuur
(ii) Een verhaal dat de heersende waarderingspatronen ter discussie wil stellen en veranderen
II) Ze vraagt aandacht voor de verhalen van mensen, als een narratieve herbeschrijving en interpretatie
van die verhalen als onderdeel van bredere culturele processen.
7. Causaliteit, teleologie en narrativiteit
A) Verklaringen zijn niet zonder meer te herleiden tot causale of teleologische verklaringen
1) Narrativiteit tegenover causaliteit
I) Verklaringen in termen van intenties en redenen zijn niet zonder meer te herleiden tot causale
verklaringen
II) Hempels pogingen lopen spaak: hij miskent het specifieke narratieve karakter van intentionele en
rationele verklaringen
(i) De dialoog tussen interpreet en interpretandum is juist een wezenlijk aspect van het verklaren in
de menswetenschappen
2) Narrativiteit tegenover teleologie
I) De doelgerichtheid van een handeling is echter anders van aard dan de Darwiniaanse teleologie
(a) Handelen is gepast, niet aangepast
II) Causale, teleologische en narratieve verklaringen zijn niet tot elkaar te herleiden
(i) Ze gaan uit van verschillende vooronderstellingen betreffende de aard van het object
(a) C causale bepaaldheid C ecologische adaptiviteit C narratieve rationaliteit
(ii) Is een combinatie van de drie vooronderstellingen mogelijk?
(a) We kunnen naar oorzaken zoeken als we geen goede reden kunnen vinden: we zoeken naar
een andere verklaring, hetzij teleologisch (aanpassingsprobleem), hetzij causaal
(wetmatigheden).
B) Het afdalen van de ladder van het verstaan
1) Als een narratieve verklaring niet meer lijkt te werken, zoeken we onze toevlucht tot andere fenomenen
2) Het normatieve karakter: bovenaan staat de narratieve verklaring, de andere mogelijkheden zijn minder
waard
I) We give reasons if we can, and turn to laws if we must (Dray)
Tot besluit
A) De leidende gedachte van deze cursus: we geven redenen als we dat kunnen en wenden ons tot causale
verklaringen als het niet mogelijk is
1) We geven redenen waarom wetenschappers doen wat ze doen
2) Hempel/Popper: pogen algemeen geldige criteria voor redelijkheid op te stellen
3) Kuhn/Latour: beklemtonen de redelijkheid van de wetenschapsbeoefening als praktijk
B) Wetenschapsleer is een integrale benadering van de wetenschappen
blz. 105 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Overzicht wetenschappers
Hfd naam Stelling
1 Kohlberg Hiërarchie moreel oordelen
1 Bacon Wetenschap = paradijs; Baconiaanse wetenschappen; wetenschappelijke piramide (start
onderaan)
2 De la Mettrie Mens = machine
2 Locke Onderscheid tussen primaire en secondaire eigenschappen; subjectief; empirist
2 Hobbes Atomen van de geest (11) maatschappij = ingewikkelde machine
2 Newton Wet van traagheid; wet van zwaartekracht; wet van actie = reactie
2 Pascal Theologie: pneumatiek = klassieke wetenschap; verzekeringswiskunde
2 Durkheim Zelfmoordgegevens o.b.v. Pascal
2 Condorcet Samenleving m.b.v. wiskunde
2 Weber Verstehende methode
2 Marx Dialectische methode
2 Smith Economie vergeleken met astronomie
2 Vico Theologie: contrarevolutionist; driecyclische wetenschap: goden; helden; mensen
3 Carnap Wiener Kreis: logisch empirisme; positivisme; verificatiecriterium; wetenschapsfilosofie
3 Popper Kritisch rationalist: falsificeerbaarheid
4 Kuhn Paradigmatheorie; wetenschappelijke gemeenschappen; disciplinaire matrix;
wetenschapssociologie; relativisme
5 Collins EPOR; empirical program of relativism
5 Hacking Referentieel realisme: experiment
5 Radder Referentieel realisme: Referentiecriterium; experiment in dagelijkse taal
5 Ihde Instrumenteel realisme: experiment; instrument en techniek
6 Latour Wetenschapsantropologie: geen verschil tussen object/subject; actornetwerk; translatie en
diffusie
7 Bunge Hiërarchisch model van wetenschap t.o.v. techniek; techniek = toegepaste wetenschap
7 Constant &
Cutting
Analoog model van wetenschap t.o.v. techniek: o.b.v. gemeenschappen (Kuhn)
technologische paradigma's
7 Pich &
Bijker
Analoog model van wetenschap t.o.v. techniek: o.b.v. EPOR: social Construction of
technologie (SCOT)
8 Parson Functionalisme t.a.v. sociale controle: homeostase in samenleving; medicalisering;
ziekenrol/therapeutenrol
8 ……. Interactionalisme t.a.v. sociale controle: etikettering; primaire/secondaire deviantie; role
taking/making; kosten
8 Elias Civilisatietheorie t.a.v. sociale controle: Figuratieanalyse; fremdzwänge/selbstzwänge; top-
down regulatie
8 De Swaan Onderhandelingshuishouding t.a.v. sociale controle: protoprofessionalisering
8 Foucault Dwang+dressuur t.a.v. sociale controle: rede/internering; discontinuïteit; episteme;
discursieve formatie; biopouvoir
10 Knorr Cetina Laboratorium = resultaat van de sociale verhoudingen
10 Latour Laboratorium produceert de maatschappij
10 Beck 1
e
/2
e
verwetenschappelijking van de maatschappij; wetenschapper blijft verantwoordelijk
10 Heisenberg Dubbele hermeneutiek: externe input en de interpretatie daarvan
11 De Comte Positivisme; driestadiawet: theologie; metafysica; positivisme; ontwerper van fysica van het
sociale leven
11 Ditlhey Verschil cultuur/natuur; het verschil is het object; natuur = erklären; cultuur = verstehen
11 Kant De kentheorie; transcendentie
11 Driesch Neovitalime; biologie + geneeskunde aparte soort wetenschap (dus niet ander object) dus
aparte teleologie
12 Hempel &
Nagel
2
e
generatie Wiener Kreis; deductief nomologisch verklaringsmodel o.b.v. bevestiging (niet
eng deductief)
12 De Groot Empirisch analytisch o.b.v. falsificatie; 5 fasen: observatie; inductie; deductie; toetsing;
evaluatie
14 Dilthey &
Gademer &
Ricour
De continentale filosofie: hermeneutische cirkel; verstehen is intersubjectief; historisch
verklaren is een dialoog; ordening van leven door het vertellen van verhalen (Gergens)
14 Rickert &
Dray &
MacIntyre
(latere
Wittgenstein
)
De Angelsaksische filosofie: verklaren is herbeschrijven; verhalen zijn fundamenteel voor
menselijke handelingen
blz. 106 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Overzicht stromingen
Kernbegrip naam Definitie
Klassieke
wetenschappen
astronomie, mechanica, optica en hydrostatica, harmonieleer,
wiskunde
Beconiaanse
wetenschappen
Elektriciteit, magnetisme en scheikundige verschijnselen,
luchtdruk en pneumatiek, warmte
Logisch empirisme de stroming waarmee de wetenschapsfilosofie is geboren
Verificatiecriterium Wiener Kreis alleen die zinnen hebben empirische inhoud waarvan aan de
hand van ervaring na is te gaan of zij waar zijn
Het kritisch
rationalisme
Popper over wetenschappelijke kennis is nooit zekerheid te krijgen:
status van een vermoeden
Paradigmatheorie Kuhn Wetenschap is het kader van vooronderstellingen, dit heeft
niet de status van een feit, maar van een wereldbeeld
Theorie van de
onderzoeksprogramma’
s
Lakatos Onderzoeksprogramma's zijn zich ontwikkelende theorieën van
een gemeenschappelijke kern met wisselende aanvullende
hulphypothesen
Het naïef realisme het op letterlijke manier corresponderen met de stand van
zaken in een mensonafhankelijke werkelijkheid
Het convergent
realisme
Pierce, Popper,
Lakatos, Sellars.
Putnam
Wetenschap is een historisch proces waarin de werkelijkheid
steeds nauwkeuriger wordt weergegeven
Relativistische
wetenschapssociologi
e
Sociaal
constructivisme
EPOR
Collins feiten vormen niet de grondslag of mogelijkheid van kennis,
maar zijn het resultaat van onderhandelingen; de ontwikkeling
van natuurwetenschappelijke kennis kan volledig worden
verklaard in sociale termen
Referentieel realisme Hacking Het experiment vormt een centrale schakel tussen
natuurwetenschappen en techniek; Aan gestandaardiseerd
experimenteel succes kunnen realistische consequenties
worden verbonden
Referentiecriterium Radder Men moet niet alleen kijken naar de theoretische beschrijving
van het experiment maar ook naar het handelingsaspect: het
uitvoeren van het experiment; Stabiliteit wordt verkregen door
beschrijving van het experiment in omgangstaal
Instrumenteel realisme Ihde
Heidegger
Habermans
Bernstein
De wetenschappelijke kennis is gebaseerd op de instrumentele
omgang met en verandering van de natuur en wordt bepaald
door haar gerichtheid op de techniek; Stabiliteit wordt
verkregen door belichaming in een gedeelde praktijk van
experimenteren
Wetenschapsantropolo
gie
Latour Wetenschap en maatschappij zijn verweven; er is geen
tweestelling tussen objecten (werkelijkheid) en subjecten
(mensen) zoals bij het realisme of de EPOR wel het geval is
Semiotische analyse; actornetwerktheorie; translatie en
diffusiemodel
Hiërarchisch model Bunge Techniek = toegepaste wetenschap; De hiërarchie van Bunge
is epistemologisch van aard (ook wel kentheorie of kennisleer
genaamd), het doel is het expliciteren van een definiërend en
demarquerend wezen van natuurwetenschap/techniek
Analoge modellen:
Kuhniaanse analoge
model
Constant &
Cutting
Wetenschap t.o.v. techniek: Wetenschappelijke en
technologische paradigma's; drie structurele overeenkomsten
en drie fundamentele verschillen (Kuhn)
SCOT (Social
construction of
technology)
Pinch en Bijker Wetenschap t.o.v. techniek: Dit model zoekt aansluiting bij de
drie fases van het empirische programma van Collins (EPOR);
doel: het succes en het falen van technische artefacten op een
sociologische manier verklaren
Functionalisme Parson bestudeert in hoeverre menselijk handelen (dys)functioneel is
voor de instandhouding van het maatschappelijk systeem;
interne en externe aspecten; ziekenrol en therapeutenrol; de
zieke wordt gere-integreerd
Interactionisme of
Etiketteringtheorie
role taking en role making; Primaire en secondaire deviantie;
de zieke wordt niet gere-integreerd
Civilisatietheorie Norbert Elias
De Swaan
Figuraties; interdependentienetwerken; Fremdzwänge en
Selbstzwänge.
Onderhandelingshuishouden; protoprofesstionalisering
De filosofie van
Foucault
Foucault Dwang en dressuur; discontinuïteit, episteme, discours;
biopouvoir
Positivisme De Comte Driestadiawet
blz. 107 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Kentheorie
(epistemologie)
Kant Transcedentie
Neovitalisme Driesch Biologie en geneeskunde : aparte wetenschappelijke teleologie
Deductief nomologisch
verkaringsmodel
Hempel & Nagel Deductie o.b.v. bevestiging; 2e generatie Wiener Kreis
blz. 108 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Mindmaps
Bacon
Descartes
blz. 109 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Wiener Kreis
Wittgenstein
blz. 110 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Popper
Kuhn
blz. 111 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Lakatos
Realisme en Relativisme
blz. 112 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Collins
Latour
blz. 113 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Natuurwetenschap en Techniek
Functionalisme en interactionisme
blz. 114 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Disciplineringtheorie en civilisatie theorie: Elias (De Swaan) en Foucault
Sekse en wetenschap
blz. 115 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Continentale en Angelsaksische filosofie
blz. 116 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
blz. 117 van 117
Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->