P. 1
VWO Samenvatting Natuurkunde Newton: Ioniserende straling + Deeltjestheorie en straling

VWO Samenvatting Natuurkunde Newton: Ioniserende straling + Deeltjestheorie en straling

|Views: 9|Likes:
Published by Stuvia.com

More info:

Published by: Stuvia.com on Jul 18, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $1.80 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

07/15/2014

$1.80

USD

pdf

VWO Samenvatting Natuurkunde Newton: Ioniserende straling + Deeltjestheorie en straling

by

daniel95

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material
Buy and sell all your summaries, notes, theses, essays, papers, cases, manuals, researches, and many more..

www.stuvia.com

Het doordringend vermogen is groter dan bij bètastralen. Deze grote stralingsenergie van röntgenstraling verklaart het ioniserend vermogen (kracht om atomen te ioniseren) ervan. Elektromagnetische straling: röntgenstraling en licht. Het ioniserend vermogen is kleiner dan bij bètastraling. Meestal is een deel van die isotopen radioactief.  Gammastraling (-straling): deze straling is een vorm van elektromagnetische straling.Radioactieve stoffen: dit is de bron van kernstraling. Eigenschappen röntgenstraling:  Het beweegt zich rechtlijnig voort.  Verschillende materialen laten dit in verschillende mate door.Röntgenbuis: dit is de bron van röntgenstraling. Bij gebruik van ioniserende straling heb je dus te maken met een bron die de straling uitzendt en een ontvanger die de uitgezonden straling absorbeert.  Het kan een gas elektrisch geladen maken. Dan botsen die elektronen tegen een metalen plaat. Sommige stoffen zijn radioactief. Radioactieve bron: een stralingsbron die kernstraling uitzendt. De absorptie van stralingsenergie door een materiaal hangt af van:  Materiaalsoort: het ene materiaal absorbeert meer van de invallende stralingsenergie dan het andere materiaal. Deze radioactieve stoffen wijken af van het normale molecuul. Het doordringend vermogen van de straling is groter dan bij alfastraling. des te groter is de absorptie van röntgenstraling en des te kleiner is de doorgelaten hoeveelheid straling.  Bètastralen (-straling): deze straling bestaat uit kleine deeltjes: elektronen. Kernstraling heeft ook een doordringend en een ioniserend vermogen. Bij röntgenstraling is deze stralingsbron een röntgenbuis. Bij kernstraling is de stralingsbron een radioactieve stof. Ook raakt röntgenstraling een deel van zijn energie kwijt. Dit verklaart het doordringend vermogen van röntgenstraling. de energie wordt geabsorbeerd door het voorwerp. tot ze een grote snelheid hebben. Het doordringend vermogen is heel klein en het ioniserend vermogen is heel groot. Röntgenstraling kan dwars door materialen doordringen.2 Ioniserende straling bestaat uit röntgenstraling en kernstraling en wordt uitgezonden door een bron. Zij zenden voortdurend kernstraling uit. 11. Het ioniserend vermogen is kleiner dan alfastraling: matig. maar nog steeds matig. waarna ze röntgenstraling uitzenden. Hoe groter de absorptie van röntgenstraling door een materiaal is.  Een lichtgevoelige film is er gevoelig voor. . des te kleiner is de doorgelaten hoeveelheid straling. In zo’n buis worden elektronen met behulp van een elektrische spanning versneld. Radioactief verval: de instabiele kernen van een radioactieve stof veranderen in atoomkernen van een andere stof onder uitzending van kernstraling. . Van bijna alle stoffen bestaan isotopen(stof die afwijken van de normale stof.com . Een loden plaat laat bijvoorbeeld minder door dan een even dikke aluminiumplaat. De drie belangrijkste soorten kernstraling zijn:  Alfastraling (-straling): deze straling bestaat uit kernen van heliumatomen.  Materiaaldikte: hoe groter de dikte van het materiaal is.Stuvia. 25). De stralingsenergie van gammastraling is groter dan bij röntgenstraling. Het belangrijkste verschil tussen röntgenstraling en licht is dat röntgenstraling een veel hogere stralingsenergie heeft dan licht.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Samenvatting Natuurkunde Newton: Ioniserende straling + Deeltjestheorie en straling Par. In een radioactieve stof zijn de kernen van de atomen instabiel. . omdat de kern te veel kerndeeltjes (protonen/neutronen) bevat. zie Binas tb.

Het voorwerp absorbeert de stralingsenergie. Par. Atomen in levende cellen kunnen door absorptie van stralingsenergie veranderen in ionen.3 Absorptie van straling door een ijzeren plaat heeft weinig gevolgen. waardoor het voorwerp in temperatuur zal stijgen.  = ln2 / t½  = vervalconstante (s-1) t½ = halveringstijd van een stof (s).The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Activiteit A van een bron: het aantal instabiele kernen dat per seconde vervalt. t = tijd (s). . t½ = halveringstijd van een stof (s). De activiteit hangt af van de tijd. De eenheid van activiteit is becquerel (Bq). beginhoeveelheid en de instabiliteit van het betreffende isotoop. Halveringstijd t½ van een radioactieve stof: de tijd waarin het aantal instabiele kernen en daarmee de activiteit tot de helft afneemt. De rechtevenredigheid tussen de activiteit en het aantal instabiele kernen = vervalconstante. N(t) = N(0) * ½t/t½ N(t) = het aantal instabiele kernen op tijdstip t. t½ = halveringstijd van een stof (s). t = de tijdsduur waarin dat aantal vervalt (s). N(0) = het aantal instabiele kernen op tijdstip 0. -N(t) = het aantal instabiele kernen dat vervalt. Dosis: de hoeveelheid straling die 1kg van het bestraalde voorwerp heeft geabsorbeerd. 11. De mate van blootstelling van het lichaam aan ioniserende straling wordt bepaald door de dosis en het dosisequivalent. A(0) = activiteit op tijdstip 0. -1  = vervalconstante (s ) N(t) = aantal instabiele kernen. t = tijd (s).com .Stuvia. Er wordt geen straling opgeslagen. De aangerichte schade hangt ook af van de soort straling. A(t) =  * N(t) A(t) = activiteit (Bq). A(t) = -N(t) / t A(t) = activiteit (Bq). A(t) = A(0) * ½t/t½ A(t) = activiteit op tijdstip t. Daardoor kunnen in de cel chemische reacties plaatsvinden die de cel kunnen beschadigen of doden. De hoeveelheid geabsorbeerde straling hangt af van de stralingsintensiteit en de tijdsduur. Absorptie van straling door levende wezens kan wel schade opleveren. Die geabsorbeerde energie wordt omgezet in warmte.

 Geiger-müllerteller: wordt meestal gebruikt om te controleren of apparaten niet te veel ioniserende straling uitzenden. Afstand houden. Besmetting: radioactieve bron is in of op je lichaam.  Uitwendige bestraling: hierbij is -straling ongevaarlijk. Tijdsduur zo kort mogelijk houden. Hoe groot de absorptie is.en bètastralen: hierbij kan de stralingsabsorptie volledig zijn. Twee voorbeelden van stralingsdetectie:  Dosismeter: wordt meestal gebruikt door personeel dat veel met straling werkt. De veiligheidsmaatregelen bij een gesloten stralingsbron zijn anders dan bij een open stralingsbron. H=Q*D H = dosisequivalent (Sv) Q = weegfactor (=20. In laboratoria kan men zien hoeveel straling er is geweest. Je straalt dus zelf ook uit. ook af van de soort straling.en röntgenstraling: . Achter een tweemaal zo dikke plaat is de stralingsintensiteit nog maar de helft van de helft. wordt gegeven door de halveringsdikte d½.Stuvia. 2. Een elektronische teller laat zien hoe groot de activiteit is. Mogelijkheden tot stralingsbescherming zijn: 1. -straling is gevaarlijker. maar alleen -straling dringt diep in het lichaam door en veroorzaakt ionisaties. naast de dosis.com .Alfa. van buitenaf. De absorptie van straling door stoffen is bij . rest=1) D = dosis (Gy) Bestraling: ioniserende straling op je.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material D = Estr / m D = dosis (J/kg of Gy) Estr = geabsorbeerde stralingsenergie (J) m = massa van het voorwerp (kg) De aangerichte schade in het lichaam hangt. De dracht R hangt af van de soort straling en de soortstof waar het doorheen gaat. van binnen af. . Dit komt doordat de straling je lichaam niet meer hoeft door te dringen.  Inwendige bestraling: hierbij is -straling juist veel gevaarlijker dan -straling.en gammastraling: hierbij is de absorptie door een stof nooit volledig.Röntgen. Er wordt hierbij gekeken naar hoeveel de stof verandert nadat er ioniserende straling op valt. Je straalt zelf niet uit. . Afscherming van de bron. Een betere mate voor blootstelling van het lichaam aan ioniserende straling is dosisequivalent. 3.en -straling anders dan bij . als de straling een bepaalde afstand (dracht) in de stof heeft doorlopen. In een gesloten stralingsbron is de radioactieve stof in een omhulsel opgesloten.

Drukwet: bij temperatuurstijging neemt de gemiddelde snelheid van de moleculen toe. het aantal botsingen per 2 seconden per m neemt toe en de druk neemt daardoor toe. x = afstand x (m) d½ = halveringsdikte van het materiaal (m) Open stralingsbron: wanneer een gesloten stralingsbron kapot gaat en radioactieve stoffen vrijkomen. Volumewet: bij temperatuurstijging neemt de gemiddelde snelheid van de moleculen toe. ze botsen vaker en heviger zodat de druk toeneemt.16 + T(in °C) 2. . p=F/A p = druk (in N/m2 of Pa) F = kracht (N) A = oppervlakte (m2) De druk van het gas wordt tweemaal zo groot. (hiermee zijn de drie gaswetten te verklaren) 1. Par. Gasdruk: de kracht die het gas op een oppervlakte van 1m2 uitoefent. 3. 2.31 J/(mol∙K) (BiNaS) Kinetische gastheorie: hoe hoger de temperatuur. ze kunnen alleen dezelfde druk uitoefenen als het volume toeneemt. des te groter is de gemiddelde snelheid van de moleculen. Boyle: in een kleine volume zijn meer moleculen per m3. Wet van Boyle (gelden alleen voor ideaal gassen): p*V=c p = druk (Pa) 3 V = volume (m ) c = constante (hangt af van de temperatuur en de hoeveelheid gas) T (in K) = 273.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material I(x) = I(0)*½x/d½ I(x) = stralingsintensiteit (m) I(0) = stralingsintensiteit van invallende straling. wanneer je het volume tweemaal zo klein maakt. Er is dan sprake van besmettingsgevaar. Volumewet van Gay-Lussac(gelden alleen voor ideaal gassen): V/T=c V = volume (in m3) T = absolute temperatuur (in K) C = constante (hangt af van de druk en de hoeveelheid gas) Algemene gaswet: (p*V) / T = n * R p = druk (Pa) 3 V = volume (m ) T = absolute temperatuur (in K) n= aantal deeltjes R = gasconstante (8. 1. Drukwet van Gay-Lussac (gelden alleen voor ideaal gassen): p/T=c p = druk (Pa) T = absolute temperatuur (in K) C= constante (hangt af van het volume en de hoeveelheid gas) 3.2 Hoe kleiner de afstand tussen de moleculen hoe groter de vanderwaalskracht.Stuvia.com . 15.

noem je ideaal gassen. (later wordt dit verder uitgelegd) Par. geven door middel van botsingen die grotere gemiddelde snelheid (kinetische energie) aan elkaar door. De onderlinge afstand is zo groot. De hoeveelheid lading Q die per seconde door een dwarsdoorsnede van de draad stroomt.Straling: hierbij zijn geen moleculen nodig.Geleiding: moleculen met een hogere temperatuur.6·10-19 C Par. Als de temperatuur wordt verhoogd. Vloeistoffase: hier bewegen de moleculen chaotisch door elkaar met een grotere gemiddelde snelheid. Dit gebeurt wanneer je nog meer energie toevoegt (temperatuur verhoogd) Er zijn drie vormen van warmtetransport: .4 Continu spectrum: een ononderbroken band van kleuren. Bij gelijksoortige ladingen is de elektrische kracht afstotend.Stuvia.81 m/s2) h = hoogte (m) <<< Pg = Pb +  * g * h (overdruk) Pg = Pb . De vloeistof verandert in een gas.     Vaste fase: hier zitten de moleculen netjes gerangschikt dicht bij elkaar. (gloeilamp) Lijnenspectrum: een verzameling gekleurde lijnen.com . ze brengen dus de hogere kinetische energie met zich mee.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Pk =  * g * h Pk = druk (Pa)  = dichtheid (kg/m3) g = valversnelling (9. en dus een grotere snelheid. dat de aantrekkende kracht verwaarloosbaar klein is. wordt de stroomsterkte I genoemd: I=Q/t I = stroomsterkte (in A) Q = lading (in C) t = tijd (in s) Een elektron is een negatief geladen deeltje met de (eenheids)lading: -e = -1. noem je een reëel gas.Stroming: hierbij geven moleculen niet de kinetische energie door aan naburige moleculen. * g * h (onderdruk) Moleculen van een gas die bepaalde grootte hebben en een onderlinge aantrekkingskracht op elkaar uitoefenen. (gasontladingsbuis) (Zie ook Binas Tb. Plasmafase: hier zitten de elektronen en de kern los van elkaar. Dat betekent dat op die plaats de temperatuur ook stijgt. . en bij ongelijksoortige lading is de elektrische kracht aantrekkend. 20) . Er is nog wel een aantrekkingskracht. maar deze is niet meer zo groot. maar de moleculen bewegen naar een andere plaats. Moleculen van gassen die dit niet doen.3 Er bestaan twee soorten elektrische lading: positief en negatief. 15. Gasfase: hier bewegen de moleculen met een grote gemiddelde snelheid chaotisch langs elkaar. dan wordt deze vanderwaalskracht volledig verbroken. Wanneer de temperatuur nog hoger wordt. 15. dan is de aantrekkende kracht (vanderwaalskracht) te klein om de moleculen netjes gerangschikt bij elkaar te houden (= faseovergang van vast naar vloeibaar). .

De energie van het absorbeerde foton is dus gelijk aan de energie van de uitgezonden foton. De elektronen die uit de kathode vrijkomen.com . A=Z*N A = massagetal (aantal kerndeeltjes) Z = atoomnummer (aantal protonen) N = aantal neutronen Isotopen: de kernen van hetzelfde element maar met een verschillend aantal neutronen. 2. -straling. Hierdoor een elektron uit de buitenste schil een sprong naar een baan met een grotere straal maakt. Een atoom kan de energie van de invallende foton absorberen. 3. Ef = h * f Ef = (h*c) /  Ef = fotonenergie (in J) h = constante van Planck (6. De aard van de drie soorten kernstraling: 1. -straling. Deze bestaat uit positief geladen deeltjes: heliumkernen. Uit invallend wit licht absorbeert het atoom alleen het licht met de frequenties van de lijn in het emissiespectrum van het atoom. De samenstelling van de atoomkern uit protonen en neutronen wordt beschreven in twee getallen:  Atoomnummer Z: het aantal protonen in de kern. Dit is een vorm van elektromagnetische straling en bestaat dus uit fotonen. De atoomkernen van radioactieve stoffen zijn instabiel.  Massagetal A: het aantal kerndeeltjes (protonen + neutronen) in de kern. des te groter is de elektrische energie van het elektron. Bij terugval van dit elektron naar de oude baan zendt het atoom weet een foton uit. -straling. . Een grotere fotonenergie betekent licht met een grotere frequentie en daarmee een andere kleur. Het massagetal is dus steeds verschillend.Stuvia. Over de kathode en de anode staat een hoge spanning. In een röntgenbuis komt door verhitting elektronen uit de kathode vrij.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Foton: pakketjes stralingsenergie. Hoe groter de afstand tussen het elektron en de kern is.998*108 m/s)  = golflengte (in m) c=*f c = lichtsnelheid (m/s)  = golflengte (m) f = frequentie (Hz) Een elektron heeft elektrische energie. botsen daardoor met een zeer groter snelheid tegen de anode. Een stof is radioactief als de atoomkernen van die stof kernstraling uitzenden. Fotonenergie: bepaalde hoeveel stralingsenergie. Dit verklaart het absorptiespectrum. Deze bestaat uit negatief geladen deeltjes elektronen.63*10-34 Js) f = frequentie van de straling (in Hz) c = lichtsnelheid (2. Röntgenstraling bestaat uit fotonen met een veel grotere fotonenergie dan bij licht.

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Radioactief verval: instabiele atoomkernen zenden kernstraling uit. ) uit.en -straling of een combinatie van . -straling: bij radioactief verval stoot een atoomkern een -deeltje (heliumdeeltje Van bijvoorbeeld een (radiumdeeltje) gaan er twee protonen weg en vier kerndeeltjes. ) uit.com . . --> De reactievergelijking van dit radioactief verval is: --> + -straling: bij radioactief verval stoot een atoomkern een -deeltje (een elektron De reactievergelijking van dit radioactief verval is: --> + -straling: bij radioactief verval van een instabiele atoomkern wordt dus meestal een combinatie van .en -straling uitgezonden.Stuvia. Wat overblijft is: massagetal A = 222 en atoomnummer Z = 86.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->