P. 1
Biologie 6 VWO Thema 3 Biologie voor jou

Biologie 6 VWO Thema 3 Biologie voor jou

|Views: 6|Likes:
Published by Stuvia.com

More info:

Published by: Stuvia.com on Jul 18, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $6.55 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

07/01/2014

$6.55

USD

pdf

Biologie 6 VWO Thema 3 Biologie voor jou

door

tessawijlens

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en nog veel meer..

www.stuvia.com

onder invloed van het hormoon EPO uit de nieren.com . – Het bloedplasma vervoert zuurstof.Stuvia.a. – Cellen met kern. – Bij insecten: hart – aorta – vrij door het lichaam – hart. – Het bloed stroomt voor een deel vrij door het lichaam.a. • Bloedplaatjes. • Bloedstolling. regelende stoffen (o. fibrinogeen). in de milt en in de lever. afweer tegen ziekteverwekkers (antistoffen). antistoffen). – Het bloed stroomt in bloedvaten door heel het lichaam. – Grote bloedsomloop: zuurstof wordt aan de weefsels afgegeven en koolstofdioxide in het bloed opgenomen. – Delen (zonder kern) van uiteengevallen cellen. die in het midden dunner zijn dan aan de rand. – Cellen zonder kern (daardoor betrekkelijk korte levensduur). gevormd door plasma-cellen).a. – Bloedplaatjes kleven aan de beschadigde bloedvatwand en vormen een bloedpropje. – Functie: transport van zuurstof en koolstofdioxide. – Functie: bloedstolling. glucose). in de weefsels buiten de bloedvaten). – Bij vissen: hart – kieuwen – rest van het lichaam – hart. . – Functie albuminen: stoffentransport. Ca -ionen) een keten van reacties op gang. – Het bloedplasma houdt het interne milieu constant. – Uit het beschadigde weefsel en uit de bloedplaatjes komen stoffen vrij. voedingsstoffen (o. Deze stoffen brengen 2+ met behulp van stollingsfactoren in het bloedplasma (o. antistoffen.a.a. – Bloedserum is bloedplasma zonder fibrinogeen. – Worden afgebroken in het rode beenmerg. – Functie granulocyten: vernietigen van ziekteverwekkers door fagocytose. hormonen) en beschermende stoffen (o. Uiteindelijk leidt dit ertoe dat fibrinogeen wordt omgezet in fibrine. • Rode bloedcellen. DOELSTELLING 2 Je moet de bestanddelen van bloed kunnen noemen met hun kenmerken en functies. – Bij vogels en zoogdieren: hart – longen – hart – rest van het lichaam – hart. koolstofdioxide). • Open bloedsomloop. • Witte bloedcellen (garnulocyten.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Samenvatting 6 VWO Thema 3 Transport DOELSTELLING 1 Je moet bij dieren open.a. – Bevatten hemoglobine die zuurstof en koolstofdioxide kan binden. – Worden gevormd in het rode beenmerg.a. – Functie fibrinogeen: bloedstolling. – Functie monocyten: vernietigen van ziekteverwekkers door fagocytose en opruimen van dode celresten (door macrofagen. – Worden gevormd in het rode beenmerg uit stamcellen. lymfeknopen en de milt). lymfocyten en monocyten). handhaven van de colloïd-osmotische druk en de bloeddruk. – Per omloop stroomt het bloed één keer door het hart. – Kleine ronde schijfjes. – Functie lymfocyten: afweer tegen ziekteverwekkers (door o. • Gesloten bloedsomloop. • Enkelvoudige bloedsomloop. – Functie globulinen: stoffentransport. enkelvoudige en dubbele bloedsomlopen kunnen onderscheiden. – Per omloop stroomt het bloed twee keer door het hart. • Dubbele bloedsomloop. gesloten. – Worden vooral gevormd in het rode beenmerg uit stamcellen (lymfocyten ontwikkelen zich verder in lymfatisch weefsel: o. • Bloedplasma: water met opgeloste stoffen en plasma-eiwitten (albuminen. globulinen. afvalstoffen (o. – Kleine bloedsomloop: zuurstof wordt in het bloed opgenomen en koolstofdioxide aan de lucht afgegeven.

de halvemaanvormige kleppen dicht.weinig gespierde wand . – De hartkleppen zijn open. – Bloed stroomt van de kamers naar de longslagader(s) en de aorta.verhinderen het terugstromen van bloed van longslagader(s) en aorta naar de kamers .gespierde wand .hierdoor stroomt zuurstofarm bloed weg uit de hartspier . • Systole van de kamers. In de kamers vindt diastole (ontspanning) plaats.pompt zuurstofarm bloed in de longslagader(s) . • Systole (samentrekking) van de boezems. • Minutenvolume: de hoeveelheid bloed die per minuut door de linkerkamer in de aorta wordt gepompt. DOELSTELLING 3 Je moet de delen van een hart kunnen noemen met hun functies en kenmerken. – Het slagvolume is afhankelijk van de hoeveelheid bloed die vanuit de holle aders de rechterboezem in stroomt. adrenaline). – De slagvolume van de linkerkamer is ongeveer gelijk aan dat van de rechterkamer. – Zowel in de boezems als in de kamers vindt diastole plaats. – Minutenvolume = hartritme x slagvolume.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal – Fibrine vormt een netwerk van draden dat de wond afsluit (bloedstolsel).ontvangt zuurstofrijk bloed uit de longaders en voert dit door naar de linkerkamer . – Bloed stroomt van de boezems naar de kamers. – De hartkleppen zijn open.weinig gespierde wand . Delen • Rechterboezem • • • • • • • • • Rechterkamer Linkerboezem Linkerkamer Harttussenwand Hartkleppen Halvemaanvormige kleppen (slagaderkleppen) Kransslagaders Kransaders Hartzakje Kenmerken en functies .pompt zuurstofrijk bloed in de aorta . – Het sluiten van de hartkleppen is te horen als de eerste harttoon.verhinderen het terugstromen van bloed van kamers naar boezems .ontvangt zuurstofarm bloed uit de onderste en bovenste holle ader en voert dit door naar de rechterkamer . – De hartkleppen zijn dicht. – De sinusknoop in de wand van de rechterboezem geeft impulsen af. – Het hartritme wordt beïnvloed door de bloeddruk (beïnvloeding via de hersenstam).hierdoor stroomt zuurstofrijk bloed naar de hartspier . . In de boezems vindt diastole plaats.zeer gespierde wand . • Slagvolume: de hoeveelheid bloed die per hartslag door de linkerkamer in de aorta wordt gepompt. • Hartpauze. – Spieren in de wand van de boezems trekken zich samen.en rechterharthelft . – Bloed stroomt van de holle aders en longaders naar de boezems en kamers. – Spieren in de wand van de kamers trekken zich samen. door hormonen (o. de halvemaanvormige kleppen dicht. – Het sluiten van de halvemaanvormige kleppen is te horen als de tweede harttoon.a.vlies om het hart (met een laagje vloeistof tussen het vlies en het hart) DOELSTELLING 4 Je moet de werking van het hart kunnen beschrijven. – Via de atriumventrikelknoop en de bundel van His worden impulsen geleid naar de punt van de hartkamers. • Hartritme (hartslagfrequentie): aantal hartslagen per minuut. – Papillairspieren trekken zich samen en verhinderen dat de hartkleppen doorslaan.com . – Het hartritme is afhankelijk van de lichaamsgrootte.Stuvia.scheidt de linker. door zintuiglijke waarnemingen en door emoties. de halvemaanvormige kleppen open.

– dunne wand. DOELSTELLING 7 Je moet in delen van het bloedvatenstelsel het zuurstofgehalte.a. – Door de slagaders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofarm bloed.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal DOELSTELLING 5 Je moet de verschillende typen bloedvaten kunnen noemen met hun functies en kenmerken. • Venulen: – fijne bloedvaatjes waar de haarvaten zich herenigen. • Kleine bloedsomloop: rechterkamer – longslagaders – longaders – linkerboezem. • Stroomsnelheid van het bloed. • Arteriolen: – fijne vertakkingen van slagaders in de organen. – kunnen via shuntbloedvaten het bloed direct vanuit de arteriolen ontvangen (bijv. – kleppen verhinderen dat het bloed terugstroomt (vooral in de ledematen). – door vasoconstrictie (vernauwing) of vasodilatatie (verwijding) kan de hoeveelheid bloed worden geregeld die door een bepaald weefsel stroomt. – ‘slag’ merkbaar. • Zuurstofgehalte van het bloed. DOELSTELLING 6 Je moet de delen van het bloedvatenstelsel kunnen noemen en de stroomrichting van het bloed erin kunnen aangeven. – Per type bloedvat is de stroomsnelheid van het bloed omgekeerd evenredig met de totale diameter van de bloedvaten. – dikke. – meestal ondiep in het lichaam gelegen. – In haarvaten is de stroomsnelheid van het bloed het kleinst. – hoge bloeddruk. – alleen halvemaanvormige kleppen (aan het begin van longslagader en aorta). in de huid bij lage milieutemperaturen). o. – vocht met opgeloste stoffen en witte bloedcellen kunnen door de wand heen de haarvaten verlaten. • Grote bloedsomloop: linkerkamer – aorta – armslagaders – armaders – halsslagaders – halsaders – leverslagader – leverader – darmslagader – poortader – nierslagaders – nieraders – beenslagaders – beenaders – onderste holle ader – bovenste holle ader – rechterboezem. • Aders (venen): – hierdoor stroomt bloed naar het hart toe. . – In de poortader treden de grootste schommelingen op. – wand van één cellaag endotheel en glad spierweefsel. – lage bloeddruk. – Van de overige bloedvaten is het glucosegehalte van het bloed in de leverader het hoogst. die het haarvat afsluiten als het weefsel in rust is. – geen ‘slag’ merkbaar. stevige en elastische wand. • Glucosegehalte van het bloed. daalt het glucosegehalte van het bloed. in de polsen. het glucose-gehalte en de stroomsnelheid van het bloed kunnen aangeven. – Door de aders van de kleine bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed. – In de slagaders is de stroomsnelheid van het bloed groter dan in de aders.com . – Waar het bloed uit de leverader wordt gemengd met bloed afkomstig van andere organen. • Slagaders (arteriën): – hierdoor stroomt bloed van het hart weg.Stuvia. – Door de slagaders van de grote bloedsomloop stroomt zuurstofrijk bloed. – aan het begin van veel haarvaten zitten kringspiertjes. • Haarvaten (capillairen): – wand van één cellaag endotheel. – meestal diep in het lichaam gelegen. – Door de aders van de grote bloedsomloop (waaronder de poortader) stroomt zuurstofarm bloed.

Je hebt in de basisstof ook geleerd hoe je een bloeduitstrijkje maakt en hoe je een nomogram en een elektrocardiogram afleest. • Een deel van de weefselvloeistof keert aan het eind van de haarvaten terug in het bloed (absorptie). – Plasma-eiwitten met relatief grote moleculen kunnen de haarvaten niet verlaten en veroorzaken een colloïd-osmotische druk. In de lymfevaten komen kleppen voor. voedingsstoffen. – Als de bloeddruk stijgt boven de normwaarde. ziekteverwekkers. – Lymfeknopen (lymfeklieren) zuiveren de lymfe van o.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal DOELSTELLING 8 Je moet het verloop van de bloeddruk in verschillende typen bloedvaten kunnen beschrijven. zodat filtratie optreedt. koolstofdioxide en andere afvalstoffen. • Een deel van de weefselvloeistof wordt opgenomen in fijne lymfevaten. • In de aders helpen andere krachten mee om de bloedstroom op gang te houden: – de pulserende druk van slagaders die naast de aders liggen. zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme daalt. Weefselvloeistof kan witte bloedcellen bevatten. tot de druk in de manchet gelijk is aan de systolische bloeddruk (de bovendruk). doordat het bloed weer continu door de armslagader stroomt. – de arts hoort geen vaatgeruis meer. – de arts hoort vaatgeruis. – De bloeddruk is het hoogst in de linkerkamer en de aorta tijdens de systole van de kamers. – In de slagaders fluctueert de bloeddruk sterk. – de samentrekking van skeletspieren. – Het lymfevatenstelsel voert de lymfe weer terug naar het bloedvatenstelsel. – Weefselvloeistof bevat o. – In de aders is de bloeddruk vaak te laag om de bloedstroom op gang te houden. – de arts laat lucht uit de manchet ontsnappen. • De bloeddruk wordt min of meer constant gehouden door aanpassing van het hartritme (negatieve terugkoppeling). zodat absorptie optreedt. – Lymfevaten verenigen zich tot grotere lymfevaten. tot de druk in de manchet gelijk is aan de diastolische bloeddruk (de onderdruk). – Als de bloeddruk daalt onder de normwaarde. • Bloeddrukmeting: – de arts pompt een manchet om de arm op. – Aan het eind van de haarvaten is de bloeddruk lager dan de colloïd-osmotische druk. – de arts laat lucht uit de manchet ontsnappen. het maken van . • Weefselvloeistof ontstaat doordat aan het begin van de haarvaten vocht uittreedt (filtratie). DOELSTELLING 9 Je moet de kenmerken en functies van weefselvloeistof en lymfe kunnen noemen. • Van slagaders naar aders neemt de bloeddruk voortdurend af. doordat na elke kamersystole de armslagader heel even wordt opengedrukt en een klein beetje bloed doorlaat. hormonen en plasma-eiwitten met kleine moleculen. zuurstof.a. tot de armslagader geheel is dichtgedrukt. – Functie weefselvloeistof: zuurstof en voedingsstoffen naar de cellen toevoeren en koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen wegvoeren.a.Stuvia. zorgt de hersenstam ervoor dat het hartritme stijgt. Verder heb je geoefend in het werken met de microscoop.com . Hierdoor daalt de bloeddruk. – de ademhalingsbewegingen (lage druk in de borstholte en hoge druk in de buikholte tijdens een inademing). – Aan het begin van de haarvaten is de bloeddruk hoger dan de colloïd-osmotische druk. Hierdoor stijgt de bloeddruk. – De bloeddruk kan verhoogd zijn doordat aan de binnenwand van bloedvaten cholesterol is afgezet (atherosclerose).

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal tekeningen. In de diagnostische toets zijn hierover geen vragen opgenomen.com . het halen van informatie uit artikelen en het weergeven van gegevens in een tabel. een grafiek en een staafdiagram.Stuvia. .

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->