P. 1
Bijzondere Farmacologie

Bijzondere Farmacologie

|Views: 152|Likes:
Published by Stuvia.com

More info:

Published by: Stuvia.com on Jul 18, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $3.95 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

11/21/2013

$3.95

USD

pdf

Bijzondere Farmacologie

door

lvdsteen

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en nog veel meer..

www.stuvia.com

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Bijzondere Farmacologie

Hoofdstuk 1: Farmaca ivm autonoom zenuwstelsel
Gm ivm cholinerge transmissie a) Muscarine-agonisten (parasympaticomimethica): Selectieve stimulatie van muscarinereceptoren 1. Acetylcholine → Niet bruikbaar door snelle afbraak door acetylcholine-esterase 2. Carbachol, Metacholine, Betanechol → blaasatonie 3. Pilocarpine → Glaucoom b) Muscarine-antagonisten (parasympaticolytica): competitief antagonisme thv muscarinereceptoren. 1. Atropine → hart, GI-kanaal, bronchiaalspieren 2. Scopolamine → oog en klieren 3. Glycopyrrolaat → Minder tachycardie dan atropine, in lage dosis effectiever en langere werkingsduur dan atropine en minder neveneffecten thv CZS 4. Butylscopolamine samen met Dipyrone → tegen GI-, galweg-, en tractus urogenitalisspasmen c) Cholinesterase-inhibitoren: doen endogene AcCh concentratie stijgen door vertraagde afbraak → bezetten acetyl- en butyryl-choninesterase. Myestenia gravis. 1. Neostigmine → Glaucoom, wel kans op lensvertroebeling 2. Pyridostigmine 3. Fysostigmine → kan door BHB d) Neuromusculaire blokkers: competitief antagonisme met AcCh voor nicotinereceptoren thv neuromusculaire eindplaat 1. Niet-depolariserende blokkers (antagonisten): stabilisatie van porien waardoor geen Na uitvloei en geen depolarisatie – Gallamine – Pancuronium – Tubocurarine – Antracurium 2. Depolariserende blokkers: eerst spiercontractie, gevolgd door verslapping en paralyse – Succinylcholine – Decamethonium 3. Klinische interacties neuromusculaire blokkers – Niet-depolariserende en depolariserende NOOIT samen gebruiken – Met cholinesterase inhibitoren: * Niet-depolariserend → antagonisme * Fase I depolariserend → Synergisme * Fase II depolariserend → antagonisme – Met algemene anesthetica → lagere dosis blokker nodig – Met antibiotica → lagere dosis blokker nodig – Met lokale anesthetica → synergisme – Adrenaline en efedrine → AcCh werking versterkt. Meer blokker nodig Agonisten van de adrenoreceptoren a) Niet selectieve a en B agonisten: stimulatie van beide types receptoren maar in verschillende mate – Noradrenaline → vnl a-receptor → VC – Adrenaline → vnl B-receptor → lage dosis (B) geeft VD, hoge dosis (a) geeft VC behalve in

Nu niet meer gebruikt.com . Benzodiazepines → sedatief Barbituraten → versterken GABA systeem .Stuvia. korte termijn geheugen e) inhiberende aminozuren – Glycine → Dominant inhiberend effect gestreepte spier. Bij paard met laminitis en hoefkatrol. Neus-decongestivum en mydriaticum → fenylefrine. beweging). na myocard infarct. leerprocessen. Bronchiaal bij paard.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal coronairen. Voornaamste rol = coordinatie (houding. NIET bij spastische bronchitis en astma. Hypotensie: etylferine → BD stijgt 3. Urinaire incontinentie: fenylpropanolamine en efedrine 5. Lokaalanesthesie: anestheticum + ADR + NOR als VC e) B-antagonisten (B-blokkers): negatief op hartritme. angina pectoris. Hoofdstuk 2: GM met invloed op CZS a) Noradrenerg systeem: a2 = belangrijkste receptor in CZS b) Dopaminerg systeem – Apomorfine = agonist – Wekamines = indirecte agonist – Neuroleptica = antagonist – Dopamine = PRIF c) Serotoninerg systeem – Buspirone = agonist – Fluoxetine = anti-depressiva – Paroxetine = anti-depressiva d) Cholinerg systeem → ontwaken. d) Indicaties sympaticomimetica: 1. Ook voor relaxatie myometrium rund en schaap. – Propanolol – Atenolol – Oxprenolol – Pindolol – Carazolol → preventie tachycardie varken maar uit de handel nu. efedrine 4. – Isoxsuprine → zowel agonist als antagonist. niet meer toegelaten bij rund. AH. hartaritmieen. Aangrijpingsplaats voor strychnine – GABA → grote verspreiding in CZS: inhiberende functie centrale coordinatie van de prikkelbaarheid. angsttoestanden en essentiele tremor. b) Niet-selectieve B-agonisten: stimulatie B1 en B2 receptoren – Isoprenaline → + inotroop en + chronotroop met daling van perifere weerstand. Shock: uitsluitend nor → a1 en a2 → VC 2. hartinsufficientie of geleidingsblok. motorische functies en autonome functies. – Dobutamine → + inotroop en + chronotroop met geringe daling van perifere weerstand (minder op B2) c) B2-selectieve agonisten: selectieve stimulatie B2-receptoren – Clenbuterol = illegaal vetmestproduct. bij hypertensie.

Antidoot = Yohimbine en tolazoline 2. anti-pruritisch. Atipamezole 3. 1. anti-noradrenergisch * Chloorpromazine → sedatie en anti-emetisch. Xylazine → sedatie en analgesie. Bij varken sedatief. 2. * Haloperidol → anti-emeticum bij hond en bij verwardheid. analgesie.Stuvia. verminderde GI-motiliteit. Rund zeer gevoelig. Fentolamine 2.com . Major Tranquilizers → Sedatie. Verhoogt vrijstelling NOR. bradycardie. Antidoot = atipamezol 5. Meer actief dan chloorpromazine. spierrelaxerend. analgesie. Terazosine e) a2-selectieve antagonisten → krachtige antidoot. Dopamine agonisten → bij hyperprolactinemie * Bromocriptine → schijndracht en hypofyse afhankelijke hyperadrenocorticisme * Cabergoline → verlengde activiteit * Metergoline → stimuleert secretie dopamine door serotonine inhibitie b) a2-adrenerge sedativa of agonisten → sedatief en analgetisch 1. Tolazoline → bij Xylazine-sedatie d) a1-selectieve antagonisten → niet in DGK 1. spierrelaxerend. emeticum kat. onverschillig makend – Buterofenonen → antipsychotisch. Medetomidine → zeer selectieve a2-agonist. goede viscerale analgesie 3. anti-tussief en antihistamine activiteit. 1. Romifidine → zie detomidine maar minder analgesie en ataxie 4. Idazoxan . – Benzodiazepines * Chloordiazepine * Diazepam → sedatie. Uitsluitend KHD. – Fenothiazines → Sedatief. * Droperidol → samen met fentanyl in neuroleptanalgesie * Fluanisone → neuroleptanalgesie (met fentanyl) * Azoperone → sedativum met sterke psycho-motorische onderdrukking. anti-dopaminergisch. Paard: gevaar voor ataxie en penisrelaxatie * Trimeprazine → Licht sedatief. Verboden bij landbouwhuisdieren * Promazine → minder neveneffecten dan chloorpromazine * Acetylpromazine → enige nog beschikbaar bij KHD. angsttoestanden * Midazolam → Inductie anesthesie * Zolazepam → Anestheticum varken * Clonazepam → langdurige behandeling epileptie 3. Yohimbine 2. Geen deprimerende invloed op ademhalingscentrum en hart. Detomidine → sedatie. braken.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Psychrotrope farmaca Psycholeptica a) Neuroleptica 1. Prazosine 2. Minor tranquilizers of ataractica of anxiolytica → potentialisatie van het effect van GABA thv GABA-receptor. Dexmedetomidine → zeer hoge affiniteit a2-receptor en minder neveneffecten c) Niet-selectieve a-agonisten → om cardiovasculaire gevolgen van agonisten tegen te gaan. Sedatief.

e) Lokale anesthetica → membraanstabilisatie waardoor permeabiliteit daalt.com . Ravocaine 5. Thiopental: 0-1 uur 2. Tiletamine → werkt langer en krachtiger dan ketamine. Mepivacaine → minder necrose → geleidingsanesthesie 4. N2O → NOOIT als enig anestheticum! Korte inductietijd. Fenobarbital → potentialisatie van het effect van GABA ( → hyperpolarisatie). Tegenaangewezen om met andere IV anesthetica toe te dienen. geen AH-depressie. Centraal werkzame spierrelaxantia → werken op post-synaptische banen. – Caffeine: + chronotroop en + inotroop. Spierrelaxans. Verhogen gehalte vrij Ca in spier → spiercontractie. anesthesie 1. Lichte BD stijging – Theofylline: enige in DGK. Pentobarbital: 4-7 uur 3. Primidone → niet aan te raden. matige analgesie Anti-epileptica 1. Gajacolglycerine-ether → sedatie.Stuvia. Nadeel: weinig selectief 1. Strychnine → antagonist van glycine 2. 1. + chronotroop en + inotroop.en korte anesthesie 2. Betere werking icm kaliumbromide 2. Oxybuprocaine → oog 7. geen sedatief effect 3. Als onderhoudsanesthesie 3. Procaine: 1 uur 2. Halothaan → zeer lipofiel. Niet als long-term bij de hond! Wel bij kat. Na kan niet meer naar binnen en AP wordt stopgezet. 1. snelle eliminatie en hepatotoxisch 4. Bij spierspasmen 2. Fenytoine → blokkade Na-kanalen. Icm zolazepam c) Propofol → inductie-anesthesie d) Neuro-actieve stoffen: Alfaxalone → inductie en bij korte ingrepen. analgetisch en anti-pyrretisch Stimulerende middelen a) Centrale analeptica → functies AHS en circulatie verbeteren. Hepatotoxische metaboliet 3. Diazepam → Via GABA-systeem. Tetrazepam → Spiercontracties. Fenobarbital: 8-12 uur b) Dissociatieve anesthetica 1. matig diuretisch – Theobromide b) Anti-depressiva . Paard en KHD. Isofluraan → NIET bij konijn. Catecholamine potentialisatie. Voor inductie. lichte BD daling. Interactie met GABAreceptoren. Lidocaine 3. leverbeschadiging en maligne hyperthermie! Voor onderhoudsanesthesie. Bupivacaine → langere werkingsduur dan lidocaine 6. Verminderen spiertonus en relaxatie. Ketamine → Blokkering excitatorische aminozuur-receptor. Tetracaine → oog f) Inhalatie anesthetica 1. Benzodiazepines → Diazepam + Clonazepam: bij status epilepticus en petit mal. hypnose.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Anesthetica a) Barbituraten → sedatie. Snellere recovery. Premedicatie: atropine/glycopyrrolaat. Methylxantines → inhibitie fosfo-diesterase + stimulatie glycogenolyse. Antidoot = Dantrolene 2.

staartbijten. Volle agonisten → hoge affiniteit m-receptor – Morfine – Heroine – Methadone – Pethidine – Fentanyl . –rheumatisch. * Meloxicam → minder neveneffecten – Cox-2 remmers * Firocoxib → osteo-arthritis * Mavacoxib → continue behandeling >1 mnd hond * Robenacoxib → kat: musculo-skeletale aandoening. antipyrretisch bij varken.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 1. -flogistisch. Tricyclische antidepressiva: verhinderen NOR en serotonine uptake – Clomipramide → hond: abnormaal gedrag.com . likgranuloma. Hond: chronische osteo-arthritis * Cimicoxib → Pijn weke delen en orthopedische chirurgie + osteoarthrose. -flogistisch. Ook viscerale pijn onderdrukt. Hond maximaal 6 mnd b) Narcotische analgetica of morfine-analgetica 1.Stuvia. Altijd icm anti-ulcertherapie. * Ibuprofen → Bij hond enge therapeutische breedte * Naproxen * Carprofen → hond. ook visceraal * Antiflogistische pyrazolonen: monofenylbutazone + difenylbutazone – Fenamaten * Flunixine meglumine → analgeticum en antiflogisticum. lange termijn therapie – Oxicams * Piroxicam → sterk analgetisch en antiflogistisch. – Propionzuurderivaten * Ketoprofen → zwak antiflogistisch. * Tolfenamzuur → antipyrretisch bij kat * Meclofenaminezuur → Paard in VS – Indolazijnzuurderivaten * Indomethacine → paard antiflogisticum. NOOIT bij hond. Postoperatieve pijnbestrijding hond. analgetisch * Antipyrretische-analgetische pyrazolonen: Noramidopyrine of Metamizol → vnl analgetisch. Dopamine-antagonisten: vertragen afbraak dopamine. – Selegiline → Hond: gedragsstoornissen Andere centraal werkzame farmaca a) Ontstekingsremmers: NSAID's – Para-aminofenolderivaten → enkel centrale remming cox → louter antipyrretisch * Paracetamol → NOOIT bij kat * Fenacetine – Salicylaten → anti-pyrretisch. 2. analgesie * Salicylzuur → te irriterend voor inwendig gebruik * Methylsalicylaat → alleen uitwendig gebruik * Natriumsalicylaat * Acetylsalicylzuur NIET icm andere NSAID's voor gebaar voor interacties! – Pyrazolonderivaten → antipyrretisch. Vertragen ook heropname dopamine en NOR.

Partiele agonisten → werking morfine voorkomen of af te breken. Agonisten – Sumatripan → migraine – Metoclopramide 2. hydrocodon. Codeine → zwakke AH-depressie 2. c) Prostaglandines 1. Morfine en half-synthetische – Hydromorfine. Echte antagonisten – Naloxone e) Anti-tussiva 1. Buprenorfine → langdurig. Dextromethorfan en Noscapine → geen analgesie Hoofdstuk 3: Autacoiden a) Farmaca die ingrijpen op de Histamine-receptoren 1. H1-antihistaminica: beletten niet de uitstorting noch synthese – Hydroxyzine – Chloorfenaminemaleaat 2. Pentazocine → permedicatie en koliek 6. bloedplaatjes.com . Oestrusindicatie → varken ongevoelig . Partiele agonisten → antagonist op m-receptor. minder granulatieweefsel door remming fibroblasten. – Nalofine – Diprenorfine → enkel bij etorfine intoxicatie 2. heroine → niet meer als geneesmiddel 2. Vnl in premedicatie 3. Uitgesproken ADH-depressie. – Pentazocine → dysforie. Wanneer samen met morfine. Antagonist – Ketanserin → bij paard voor wondeheling. respiratoire depressie 8.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 2. Fentanyl → zeer krachtig maar kortwerkend. H2-antihistaminica: competitief antagonisme thv maag → inhibitie maagzuursecretie – Cimetidine → enzyminhibitie lever → verminderde afbraak andere geneesmiddelen b) Serotonine/5-hydroxytryptamine: GI. Methadone → substituut morfine want minder verslavend – L-methadone → analgesie – D-methadone → anti-tussivum 5. Tegen dieren uit dierentuin + wilde dieren.Stuvia. oxycodon. Butorfanol → geen ADH-depressie. wel goede analgesie d) Morfine-antagonisten 1. partiele agonist op d en k. vermindert het analgetisch effect van morfine. Antagonisten → geen intrinsieke activiteit – Naloxon c) Opioide-agonisten 1. Antidoot = Diprenorfine (altijd bij hebben) 7. Meperidine → sedativum en analgeticum – Loperaminde → Derivaat van meperidine. Etofine → zeer krachtig. anti-diarree 4. NT 1. 3.

Stuvia. Maagerosies en ulcera Hoofdstuk 4: Hormonen a) ACTH of corticotropine 1. Suboestrusbehandeling 3. Dracht en partus: schaap + paard → oxytocinewerking rund + varken + geit → luteolytisch effect 4. Schildklierhormoon → hypotheroidie – Levothyroxine – Levothyroxine natrium 6. Gonadotropinen – FSH – LH – PMSG – HCG 3. – Androgenen en anabole steroiden * Androgenen: Testosteron → niet als geneesmiddel 17-a-methyltestosteron * Anabolica: Nortestosteron – Anti-androgenen * Osateron → prostaathypertrofie en -kanker 4. Groeihormoon en stomatostatine – Somatostatine – Somatotropine → groeihormoondeficientie hond 5. Verlengde werking door koppeling aan zinkfosfaat en door de viscositeit van het oplosmiddel te verhogen dmv carboxymethylcellulose. eiwit en vetmetabolisme. 2. – Bijwerkingen: onderdrukken afweer en endogene corticoidsynthese c) Hormonen met invloed op geslachtsorganen 1.en eiwit-metabolisme → daling perifere glucoseverbranding. stijging leverenzymes en spierzwakte – lipidenmetabolisme → lipolytisch – Hematopoeiese – Vasculair → BD stijging – CZS → euforie – Ontstekingsremmend → inhibitie synthese PG. Releasinghormoon – GnRH → Busereline + Gonadoreline 2. Glucocorticoiden → ontstekingsremmer en beinvloeden KHD. Cortico's best toedienen in voormiddag om interferentie met ACTH secretie in nacht te vermijden b) Corticosteroiden 1. Mineralocorticoiden → Na en waterhuishouding – 11-desoxycorticosteron – Aldosteron 2.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 2. – Electrolietenevenwicht → oedeem + hypertensie – KHD.com . Thyreostatica – Thioureumderivaten . stijging productie antiontstekingsmediatoren en inhibitie van inductie cox. Geslachtshormonen – Oestrogenen – Gestagenen → progesteron – Anti-prostageen → Aglepriston → verhinderen nidatie en onderbreking dracht teef.

Ijzer → bij hypochrome anemie – Oraal → Fe2+-ascorbinezuurcomplex – Parenteraal → ijzerdextraan 2. Pimobendan → chronische congestieve HI. kinidine → ventriculaire aritmien – Lidocaine → ventriculaire en atriale ritmestoornissen – Amiodarone → atriumfibrillatie en ventrikelaritmien Hoofdstuk 6: GM die bloed en -elementen beinvloeden a) Algemene Hemostatica 1.en tricuspidalisklepstenose. Calcium-antagonisten → inhibitie Ca-influx – Verapamil – Diltiazem → geen invloed op CO – Nifedipine → geen invloed op AV-geleiding – Amlodipine 4. leucopenie.Stuvia. ACE-inhibitoren → hypertensie en HI – Captopril – Enalapril → enalaprilaat – Benazepril → benazeprilaat – Ramipril → ramiprilaat – Imidapril → imidaprilaat 5. Koper → ceruloplasmine = depot bloed 3. Oxytocine Hoofdstuk 5: Cardiovasculaire geneesmiddelen Farmaca tegen hartinsufficientie 1. Vitamine K → antidoot bij coumarinevergiftiging en sulfonamidetherapie (kip).com .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal * Methylthiouracil * Propylthiouracil * Tapazol – Methimazole → hyperthyroidie kat 7. 2. cardiomyopathie 3. thrombopenie Hoofdstuk 7: GM met invloed op renaal systeem Diuretica a) Koolzuuranhydraseremmers → blokkeren CA thv proximale tubulus . Foliumzuur 4. Anti-aritmica → bij ernstige ritmestoornissen – Procainamide. Protamine → antidoot heparine b) Lokale hemostatica 1. Digitalisglycosiden – Digoxine → enkel KHD 2. Gelatine spons 4. Heparine 2. Vit B12: bij deficientie → anemie. mitralis. Coumarinederivaten d) Hemoglobinevorming 1. Microcristallijn collageen → lever + milt 3. Thrombine 2. tekort aan prothrombine. leveraantasting. Geoxideerde cellulose c) Anti-coagulantia 1.

e) Osmotische diuretica 1. fluoroquinolones. anti-allergica (Ciclosporine. Acetylcholine 2. Demecarine 4. Bromhexine → sputumvervloeier 3.Stuvia. niet-steroidale antiflogistica. Fluostigmine Mydriatica a) Parasympaticolytica 1. Furosemide → hypertensie. Antiflogistica → Glucocortico's. Triamterene 2. Pilocarpine 3. aminoglycosiden 2. Doxapam b) Mucolytica → taaisecreet verminderen en verdunnen 1. . Scopolamine 3. Efedrine c) Anti-glaucoom middelen 1. Amiloride 3. Hydrochlorothiazide → blok Na/Cl cotransporter c) Lisdiuretica → blok Na. Fysostigmine 2. intoxicaties d) K-sparende diuretica 1. Thv stijgende buis lis van Henle 1. Homatropine 4. Mannitol → acute NI met oligurie en anurie + hersenoedeem Hoofdstuk 8: GM met invloed op ADH a) Analeptica 1. chloramfenicol. Spironolactone → blok intracellulaire cytoplasmatische aldosteron-receptor → Na resorptie tegengaan. K. acetazolamide → glaucoom b) Thiaziden 1. Tropicamide b) a-sympaticomimetica 1. Koolzuuranhydraseremmers: Acetazolamide 2. Bij HI door klepinsufficientie en hypokaliemie door andere diuretica. Expectorantie bv Eucalyptus Hoofdstuk 9: GM met invloed op het oog Miotica a) Parasympaticomimetica 1. Atropine 2. sulfonamiden → Tetracyclines. Neostigmine 3. macroliden. Osmotische diuretica: Mannitol + Glycerine d) Diversen 1. ab. longoedeem.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 1. 2Cl cotransportsysteem. HI. Ecthiopaat 5. antiseptica.com . ADR 2. Fenylefrine 3. rifampicine. Cyclopentolaat 5. Carbachol en metacholine b) Cholinesterase-remmers 1. Acetylcysteine en 5-carboxymethylcysteine → sputum verweken 2.

Kunsttranen → methylcellulose.Stuvia. Bij nausea en braken + vertraagde maaglediging – Cisapride → Refluxoesophagitis + constipatie door subobstructie – 5-HT3-antagisten * Ondansetron → braken door radio.en chemotherapie – H/K-ATP-ase inhibitoren → refluxoesophagitis en GI-ulcera * Omeprazole * Lansoprazole 6. polyacrylzuur 4. Na-chromoglicaat) 3.en aluminiumverbindingen → refluxoesofagitis en gastritis b) Mucosabeschermers 1.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal levocabastine. Varia → vit A-D oogzalf. Sucralfaat → maag. Purgetiva → bevorderen darmlediging – Osmotisch actieve stoffen → obstipatie. Neurokinine-1 antagonisten – Maropitant → niet bij hartaandoeningen 5. Anti-cholinergica – Scopolamine → reisziekte 2.en duodenumulcus c) Anti-emetica 1. carbomeren. Mg. Neuroleptica – Fenothiazines – Buterofenonen 4. Bismuthverbindingen → Niet icm inhibitoren van zuursecretie of antacida 2. Tapides → obesitas hond – Mitratapide – Dirlotapide 7. H1-antihistaminica – Dimenhydrinaat – Cinnarizine 3. hepatische encephalopathie * Natirumsulfaat * Magnesiumsulfaat * Lactulose – Zwelmiddelen * Lijnzaad * Psylliumzaden * Methylcellulose * Zemelen – Glijmiddelen * Vloeibare paraffine * Minerale olien – Contactlaxativa * Ricinusolie * Anthrachinonderivaten – Laxativa voor rectaal gebruik → KHD . Domperidone → Blokkade dopamine receptoren in receptor-trigger zone + stimulatie GI-motiliteit door verhoogde vrijstelling ACTH + blokkade GI dopaminereceptoren.com . Gastroprokinetica – Betanechol – Metoclopramide. virostatica Hoofdstuk 11: GM met invloed op maag-darmkanaal a) Antacida 1.

schimmels en virussen. Gr-. ontvlambaar en corrosief b) Halogenen → antibacterieel. Hyaluronzuur → acute. Gr+. Werkt tegen fungi. ziekte van Crohn Hoofstuk 12: GM met invloed op locomotorisch stelsel 1. Topicaal gebruik – Sulfanilamide – Sulfathiazol 2. sporen. Chloor en anorganische verbindingen: – Calciumhypochloriet – Natriumhypochloriet → = javelwater. Gr+ en Gr-. fungi en virussen – Niet tegen bacteriele sporen – soms lichte irritatie. lost necrotisch weefsel op 2. Vormen HOCl en vrij Cl* Tosylchloramide – Chloorhexidine → Inactivering precipitatie van eiwitten + verstoring permeabiliteit membranen. – Joodtinctuur – Jodoforen: povidone-jood Hoofdstuk 14: Anti-infectieuze chemotherapeutica a) Sulfonamiden → Interferentie met foliumzuursynthese. protozoa. – Spectrum: Gr+. Gr-. tegen protozoa 1. Potentie tegenover E. Werkt tegen Gr+. tuberkelbacil. Penosan polysulfaat → niet-infectieuze osteoarthritis hond Hoofdstuk 13: Detergenten. Darmantiseptica – Sulfasalazine → colitis ulcera. Niet-resorbeerbare sulfa's → als darmantiseptica – Sulfaguanidine . Anti0diarretica – Absorbantia – Adstringentia → tannine – Opioidderivaten * Defenoxylaat * Loperamide 9. antiseptica en desinfectantia Factoren die de werking beinvloeden: – T – Concentratie en contacttijd – pH milieu – aanwezigheid van organisch materiaal – waterhardheid – aard micro-organisme – te ontsmetten oppervlak a) Alcoholen → lossen lipide celmembraan op en denatureren cellulaire proteinen – Spectrum: Gr-.com . Glucosamineglycaan 3. nodig voor DNA.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 8. Niet tegen virussen 3. virusdodend. multocida: Sulfamethoxazole > sulfadimethoxine > sulfadimidine 1. Organische chloorverbindingen – Chlooramines → Minder irriterend en minder toxisch. coli en P. niet infectieuze peesletsels + osteo-articulaire aandoeningen 2. coccidia. Jodium en derivaten → diffusie in cel en openbreken proteinestructuren.Stuvia. fungicied.

Gr. Niet tegen Pseudomonas en Proteus. Pseudomonas. GI en CZS bijwerkingen. Gr + en Gr1. Fluoroquinolones → interferentie met nucleinezuursynthese. Vaak icm sulfadimethoxine c) Nitrofuranen → Splitsing DNA-ketens.coli. NIET bij voedselproducerende dieren d) Quinolones 1. Trimethoprim → hoge bio beschikbaarheid.> Gr+. Baquiloprim en Aditoprim → langzame resorptie bij ruminerende dieren 3. – Nalidixinezuur – Norfloxacine – Ciprofloxacine 2. Ormethoprim → anti-coccidiose. Hydroxymethylnitrofunatoine → minder toxisch. Haemophilus Hoofdstuk 15: Antibiotica Ab met vnl Gr+ spectrum a) B-lactam ab → interferentie met synthese peptidoglycaan 1. hoge mate resistentie.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal – Sulfathiazol – Sulfasalazine 3. snelle eliminatie 2. Gr. Resistentie bij E. Penicillines – Natuurlijke penicillines * Peni G → zuur labiel. Anti-coccidiale sulfa's – Sulfadimethoxine – Sulfadimidine en sulfamerzine – Sulfachlorpyrazine – Sulfaclozine b) Pyrimidinen → Interferentie foliumzuursynthese. parenteraal – Breedspectrum * Ampicilline → zuurstabiel * Amoxicilline → Hogere orale absorptie * Pivampicilline → Pro-drug – Uitgebreid breedspectrum → Proteus en Pseudomonas * Carbenicilline .Stuvia. Salmonella. Kan icm middellangwerkende sulfa's 2. Uitzondering: Hk. bacteriostatisch.com .> Gr+. Nitrofunatoine → goede resorptie. Uitsluitend bij urineweginfecties 1. mycoplasmen. Nalidixinezuur en oxolinezuur → Gr-.en systemische infecties – Pyrimidinesulfonamide – Sulfachlorpyrazine – Sulfamethoxazole – Sulfadimethoxine 4. Niet tegen anaeroben. Gr+. Staphylococcen. Middellangwerkende sulfa's → urineweg. B-lactamase gevoelig * Peni V → Oraal – B-lactamase resistente * Cloxacilline → oraal * Oxacilline → Oraal * Nafcilline → Oraal/IV * Methicilline → zuurlabiel.

anaeroben en Pseudomonas 1. campylobacter. mastitis. Erythromycine → bacteriostatisch + -cied. pleuropneumonie. Renale excretie kan geinhibeerd worden door probenicid c) Carbapenems → Gr. pleuropneumoniae. Spectrum zoals penicillines + mycoplasma + chlamydia + pasteurella – Lactobionaat IV 2. Tulathromycine → enkel bij jongvee door lange wachttijden. – Adipaat → oraal – bij khd icm metronidazole tegen stomatitis en gingivitis – NIET bij paard 4. Cephalosporines → niet met aminoglycosiden want nierbeschadiging.Stuvia. Wachttijd 64 dg. Kruisresistentie met andere macroliden. – Rund: M. Meropenem → humaan. Imipenem icm Cilastatine 2. H. niet gevoelig sommige B-lactamasen * Cefovecin * Cefthiofur * Cefquinome * Cefalexine * Cefachlor – Groep 3 → Ook tegen Pseudomonas. NOOIT bij paard. Minder B-lactamase stabiel dan groep 2 * Cefoperazone * Cefpirone – Groep 4 → Stabiel voor B-lactamasen en anaeroben * Moxalactam – Uitsluitend in mastitispreparaten * Cefalorine * Cefaperazone * Cefacetril * Cefuroxine b) B-lactamase-inhibitoren 1. Aan vrij lage dosis 6. M. P. Gamithromycine → actie vnl in fagolysosomen. chlamydia. . varkensdysenterie. Spiramycine → remming ew-synthese. Clavulaanzuur → zelf geen ab activiteit dus toedienen met B-lactam ab. Haemolytica. somni 8. mycoplasma. Tildipirosin → zie 7. Voor luchtweginfecties. multocida. Ook hond en paard → Mycoplasmen. somnus – Varken: A. Haemolytica. 3. B-lactamase gevoelig * Cephalotin * Cefazolin – Groep 2 → Gr+.com . Clarithromycine + Azithromycine → vnl humaan. Tylosine → Vnl tegen mycoplasma. – Acetylisovaleryltylosine → varkensdysenterie. Gr-. Tilmicosin → Pasteurella. multocida. hyopneumoniae 7.aeroben. Bactericied – Groep 1 → Gr+. Gr+ – Rundvee → propyleenglycoloplossing – NOOIT IV en parenteraal bij paard en varken wegens hoge kans op toxiciteit 5. stomatitis. luchtweginfecties. multocida en H. P. mastitis. soms khd d) Macroliden → Inhibitie bacteriele proteinesynthese thv 50S subunit → remming translocatie 1. Zou minder resistent zijn. → M. Werkt 2 weken na SC injectie. → toxoplasma. Zeer langdurige en hoge weefselspiegels. P.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal * Piperacilline * Ticarcilline 2.

mycoplasmen.→ bactericied . – synergisme met macroliden. Pseudomonas en S. Lincomycine → synergisme met spectinomycine.com . – Mastitis. anaeroben.coccen. Goede penetratie in lever. → Mycoplasma. hogere activiteit tegen anaeroben. M. – Icm andere om resistentievorming tegen te gaan. leptospiren. enkel parenteraal – Neurotoxisch. M. Gr. Nefro. aureus meestal ook gevoelig. niet parenteraal want toxisch. Neomycine – Oraal. mastitis. parenteraal. Clindamycin → enkel khd. Amikacine – Pseudomonas en Klebsiella – Weinig resistentie – Hond. Tegen Gr+ coccen. Interferentie met Ca-uitstorting. oor. Zoals 1.Stuvia. Pirlimycine → Gr+. GI – Gr+ en Gr. Valnemulin → zie 1 maar actiever tegen mycoplasmata. chlamydia. gallisepticum 2. f) Lincosamides → kruisresistentie met macroliden 1. Hogere toxiciteit bij varken. Bacteriostatisch. gentamycine. 2. wonde en huidinfecties 6. vnl kat gevoelig – Vaak resistentie 2. hyodyseneriae. 1. B-lactam ab. – Nefrotoxisch vnl bij veulen en kalf 3.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal e) Pleuromutilins 1. Tiamulin → remming ew-synthese. Niet tegen Gr-. Gedeeltelijke kruisresistentie met tylosine. → Gr+. Gentamycine – Zeer goed tegen Gr. Uitstekende penetratie in neutrofiel en macrofaag. M hyopneumoniae. anaeroben. R. nier en skelet. kat en paard – Paard: intra-uterien bij Pseudomonas 5. hyopneumoniae. Blactamase producerende staphylococcen maar vnl voor Mycobacterium tuberculosis.spectrum a) Aminoglycosiden → binden op ribosomen waardoor codon verandert → vorming defect eiwit. Apramycine – Varken en rund: B. lokaal – Hoge kans op toxiciteit – GI infecties. eliminatie vnl via gal. Uitsluitend intramammair → subclinische mastitis lacterend rund g) Rifampicine → inhibitie DNA/RNA polymerase. 3. Kanamycine – Ook tegen Gr+ coccen – Ook hoge synoviale concentraties – Vaak in oor en mastitispreparaten → icm B-lactam – Resistentie door enzymatische afbraak 4. Gr+. Streptomycine-dihydrostreptomycine – Meestal icm peniG.en orotoxisch. Tegen enterocolitis bij het konijn – Geen resistentie Ab met vnl Gr. equi en pyodermitis bij de hond h) Bacitracine → blokkering peptidoglycaansynthese. Geen orale absorptie.→ bactericied. Bij va en pa maar NOOIT IV – Tiamulinbase – Tiamulinhydrofumaat – Brachyspira hyodysenteriae. – Topicaal: huid. oog.

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal – Oraal lage biologische beschikbaarheid – NOOIT aan kat of katachtigen 7. Proteus en Pseudomonas.en renaal weefsel → Corynebacterium equi. * Doxycycline → Hoog distributievolume. – Tegen Mycoplasmen. hyodysenteriae b) Polymyxines → aantasting fosfolipide bacteriele celwand → lyse. Kan bij langdurig gebruik kalveren cardiale myopathie geven → sterfte. bacteriele infecties GI-kanaal – Parenteraal: enkel colistine – Mastitis – Synergisme met sulfonamide/trimethoprim combinatie. Mutageen en cancerogeen. coli. pluimvee * Oxytetracycline → hoge concentratie in long. Carnidazole → enkel trichomonas sportduif 3. Paramomycine – Parenteraal kans op nefrotoxiciteit – Streptococcen. coli. Rickettsia. Florfenicol → soms bactericied. Ook capteren en inactiveren van vrijgekomen endotoxinen. B-lactam. Redelijk tegen Gr+. VERBODEN bij voedselproducerende dieren! Bacterostatisch 2. brucella (khd). – Spectrum uitgebreider dan bij 1. Streptococcus. lincosamiden en B-lactam. Vaak resistentie tegen S. Coli → bacteriostatisch. 2. Grey-syndroom. E. bacteriostatisch. gallisepticum. Actinobacillus.com . Necrose na IM bij papegaai en siervogels. varken. Pseudomonas. rickettsia. – Niet tegen Mycobacterium. sommige protozoa. aureus. oog. E. Ronidazole → enkel trichomonas sportduif b) Coccidiostatica 1. Spectinomycine – Rund. Sulfonamiden → schizonten 2e cyclus → mgl immuniteitsopbouw. – Minder resistentie bij enterobacteriaceae – Erytheem in peri-anaalstreek varken 3. interactie met andere farmaca. 1. Hoofdstuk 16: Anti-protozoaire middelen a) Nitro-imidazolverbindingen → VERBODEN bij voedselproducerende dieren. Hoge concentraties: bactericied – Ook protozoair tegen trichomonas en Histomonas 9. Metronidazole → Trichomonas duif en Bacteroides paard. Chlamydia. – Synergisme met Tylosine – NOOIT oraal aan herkauwer en paard → Bacteriele luchtweginfecties. GI. pluimvee – vnl icm Lincomycine – ADH: M. huidaandoeningen * Chloortetracycline → varken. Listeria.gevoeliger dan Gr+. chlamydia. pasteurella. Chloramfenicol → Gr. Onveranderd via gal uitgescheiden. Biologische beschikbaarheid afhankelijk van aanwezigheid ijzer in voeding.en neurotoxisch. – Lokaal: huidzalven. Tetracyclines → weinig stabiel. Toxiciteit thv beenmerg. Enkel tegen intestinale . Salmonella. Inhibitie ew-synthese. Pseudomonas – Oraal: Bowelsterilisatie voor ingreep. Neomycine en bacitracine Ab met breedspectrumactiviteit 1.Stuvia. Tobramycine – Enkel hond en kat 8. kalf.en oorpreparaten. E. Nefro. Antagonisme met macroliden. Pasteurella – B.

– NIET bij paard. Sporotrichose en Aspergillose. Vnl pluimvee en varken. aspergillus. * weinig neveneffecten. Kruisresistentie met toltrazuril Toltrazuril → breedspectrum. toxisch voor vissen. candida. Fungicied. b) Antimycotica voor lokaal gebruik 1. 2. Cryptomycose. Vnl IV → oraal zeer lage biologische beschikbaarheid. – Clazuril → coccidiose duif. enkel curatief. Monosulfiram → enkel lokaal tegen Malassezia en Otodectes cynotis. paardachtigen en konijn. Ecotoxisch → max 6x/jr Hoofdstuk 17: Antimycotica a) Systemische antimycotica 1. Ook tegen Cryptosporidium bij het kalf Polyether ionofore ab → lipofiele complexen met alkali-ionen → dringen in parasiet → trekt water aan → barst. 6. Ook Gr+ coccen 3. Hoge weefseldistributie en goede huidpenetratie → nasale cryptococcosis en gegeneraliseerde dermatofytosis. cryptococcosus. Tegen Candida. Tegen Candida en dermatofyten. . candida. Maakt kerndeling onmogelijk. 4. – Kans op interactie met oa Tyamulin * Monensin → NIET bij leghen en kalf. Hepatotoxisch en beenmergdepressie. Clotrimazol → candida en aspergillus. matig tegen dermatofyten. Tegen extracellulaire sporo-. wel varken en pluimvee * Lasalocid → minder toxisch. – Itraconazole → 50-100x actiever dan Ketoconazole.com . Amfotericine B → extreme toxiciteit → enkel bij levensbedreigende systemische mycosen. deels aspergillus. Geen interferentie met immuniteitsopbouw. – Ketoconazole → Candida + dermatofyten. Enkel lokaal khd. Verhindert opbouw chitine in celwand. Tegen schizonten 2e cyclus. Candidiose. mallesezia.Stuvia. histoplasmata. NIET bij kat → oplikken → toxisch 3. merozoieten en gametocyten. Residuvorming in eieren. Ook bij nasale aspergillose hond. Goede weefseldiffusie → Histoplasmose. 3. Enkel profylactisch.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 2. Enkel profylactisch bij pluimvee. Enkel khd – Fluconazole → Blastomycose. – Miconazole → Enkel topicaal en parenteraal. Nystatine → Fungistatisch en -cied. Enkel dermatofyten. Azolderivaten → zorgt voor defecte opbouw cytoplasmatische membraan. Enilconazole → blokkering ergosterolsynthese. enkel lokaal. * Tegen Microsporum. Niet tegen C. 4. 2. Enkel oraal en lokaal. – Weinig resistentie. coccidia. neoformans en Aspergillus. trichofyton. Enkel therapeutisch. blastomycose. Halofuginone → asexuele cyclus. krachtiger en minder resistentie Benzeen-acetronitriles → veilig. Weinig resistentie. Fungistatisch bij langdurige orale toediening. 5. NOOIT aan volwassen schapen. Remt synthese ergosterol. Enkel oraal. meningeale cryptococcosis * niet tegen nasale aspergillosis. snelle resistentie → max 6 mnd gebruiken. Griseofulvine → Uitsluitend dermatomycosis. coccidiomycosis. – Sulfamethazine → intermitterend – Sulfadimethoxine – Sulfachlorpyrazine – Sulfaclozine Nicarbazine → NIET aan leghennen. 2E generatie schizonten. Tegen beide asexuele stadia. Enkel startperiode vetmesting. Tegen 2e generatie schizonten – Diclazuril → profylactisch.

Emodepside → vnl kat topicaal icm praziquantel 8. * Moxidectine → NIET bij lacterend dier. Ook larvicied en ovicied. Soms kruisresistentie met levamisole. Benzimidazolen → Oraal. Enkel tegen volwassenen 2. Monepantel → schaap tegen resistente nematoden. – Niet tegen longworm en larvale stadia * Pyrantel 4. WT = 35 dagen * Doramectine → enkel rund parenteraal. zweep. spoel-. 2. WT 45 dg. 5. – Bij schaap resistentie bij Haemonchus en Trichostrongylus * Levamisole 3. Dipylidium en Echinococcus 3. hartworm * Milbemycine oxime → khd. Monieza. – tegen volwassen maagdarmnematoden. Tetrahydropyrimidinen → blijvende depolarisatie. binding aan tubuline. Volwassen + L4 + ovicied. Endectociden of Macrocyclische lactonen → stimuleren presynaptische uitstorting GABA en glutamaat → verlamming parasiet. cestoden en trematoden. Enkel tegen Ascariden en Oxyuren. Rund en paard. Piperazine → Anticholinerge werking → paralyse parasiet. Voor Taenia. Minder kans op resistentie. Niet ovicied. Praziquantel → Interactie tegument. Deels tegen cestoden * Netobimine → enige wateroplosbaar. NOOIT bij schapen in dracht. – ± tegen Capillaria en Trichuris. 6. Raillietina. tekort ATP → biocied. Niclosamide → zorgt voor ATP-tekort en lactaatopstapeling. Orale preparaten 28 dg wachttijd. Rund en schaap: nematoden. – Vederbeschadiging duif bij fenbendazole * Flubendazole → va: maagdarm en longworm.Stuvia. Benzimidazolen met (gedeeltelijke) activiteit tegen cestoden * Febendazole: monieza schaap * Oxfendazole: monieza schaap . Anoplocephala.com . lintworm. Pro-benzimidazolen * Febantel → maagdarm en longworm. haak-. haak-. schurft. Lange werking * Eprinomectine → veilig. Veilig. Vaak multipele resistentie + partiele kruisresistentie * Ivermectine → NIET parenteraal bij paard. Niet tegen Dipylidium en Echinococcus. Pluimvee: maagdarm-. Ook larvicied en ovicied. Wachttijd = 6 mnd. Actieve metaboliet = fenbendalzole-sulfoxide. trematoden en cestoden. – Tegen volwassen stadia en sommige larven van maagdarm en longnematoden. mag bij lacterend dier. Ook invloed op reproductieproces.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Hoofdstuk 18: Anthelmintica Anthelmintica met werking tegen nematoden 1. * Albendazole → nematoden.en lintworm * Fenbendazole → maagdarm en longworm. Hymenolepis. Werkt tegen Taenia. Embryotoxisch bij schaap. Slow release: 150 dg * Oxfenbendazole → Rund en schaap. icm praziquantel/imidacloprid 7. Khd: spoel-. – Teratogene werking bij herkauwer → NOOIT bij 1e maand dracht schaap. vacuolisatie en verhoogt aantal eosino's en neutro's in worm. Tegen volwassen en larvaire stadia. Contactovergevoeligheid bij gebruiker. Imidazolthiazolen → Verlamming parasiet + daling ATP productie door parasiet. * Selamectine → spot-on khd → vlooien. 2e/3e lijns Anthelmintica met werking tegen cestoden 1. gaap-.

Benzimidazolen * Albendazole + Luxabendazole → volwassen worm * Triclabendazole → volwassen en larven. Pyrethrines → zeer instabiel – Als contactgift. Geen bijwerkingen . Kan icm andere benzimidazolen. NIET tegen Dicrocoelium dendriticum. Fosfaatesters remmen cholinesterase op irreversiebele manier → blijvende depolarisatie → paralyse. spot-on 7. Metaflumizon → vlooien hond en kat. Endectociden → ook actief tegen arthropoden 2. Amitraz → insecticide. Groei-inhibitoren → Lufenuron → remming chitine synthese en remt bij vlo onwikkeling van eieren. Enkel tegen volwassen worm. demodex en oorschurft 5. Interferentie glycolyse. Minder tegen jongere wormen. kan icm methopreen * Pyriprole 3. Oraal werkingsduur 6 mnd. WT 30 dg. * Closantel → trematoden. schaap.Stuvia. NIET aan lacterend dier. enkel oraal. Enkel icm ivermectine Hoofdstuk 19: Anti-ectoparasitica a) Cholinesterase-remmers 1. Carbamaten → eerder reversiebel 3.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal * Albendazole: Taenia saginata schaap en rund * Pyrantel: paard Anthelmintica met werking tegen trematoden 1. 2. * Methopreen * Fenoxycarb → ook ovicied. Rund. Ook tegen demodex hond. Enkel hond en kat 6. Spectrumverbreding met levamisole * Netobimine → volwassen leverbot 4. Salicylanilides → zorgen voor daling ATP vorming * Oxyclozanide → schaap. 11 wk voor rund 2. Pyrethroiden → stabieler. WT 28 dg voor schaap. minder toxisch en niet schadelijk voor het milieu c) Diversen 1. Veilig. Imidaclopride → nicotinereceptoren insecten. nematoden en arthropoden. – blokkeert prikkelgeleiding → paralyse – Knock-down effect: kortdurende snelle acute paralyse – verlengde werking mbv piperonyl-butoxide 2. Wtmv 60 uur. Antidoot = Atropine b) Ionkanaalbeinvloeders 1. 3. acaricide en repellent effect. Kan icm benzimidazolen. langere werking. Fenylpyrazolen → enkel hond en kat. Volwassen stadia. rund. Parenteraal. Benzeensulfonamiden * Clorsulon → parenteraal. Vaak icm adulticiden * Cyromazine → myasis schaap en vliegenlarven rund 8. Wtvv 14 dg. geit. Spot-on en spray * Fipronyl. Insect Growth Regulator → verhinderen verpopping en ontwikkeling tot volwassen parasiet. Benzylbenzoaat → NIET bij kat. TOXISCH voor kat en paard. SC. Snelle absorptie en eliminatie. Kan icm metaflumizon 4. Sarcoptes. Ook bij distomatose schaap en geit. – ook repellent effect. Dinitrofenolen * Nitroxynil → rund en schaap.com .

lincosamiden en B-lactam Tetracycline synergisme met tylosine Milbemycine oxime icm praziquantel Emodepside icm praziquantel B-mimetica icm glucocortico's → asthma Oestrogenen icm prostagenen bij rund Droperidol icm Fentanyl in neuroleptanalgesie Xylazine icm lokaal anesthetica/narcotica/ketamine voor korte operatieve ingreep Tiletamine icm zolazepam Enkel oraal 1. Tilmicosin enkel SC 5. Nortestosteron Bacteriostatisch 1. Methicilline 3. Griseofulvine 3. Clorsulon 11. Bacitracine (+ topicaal) 2. neomycine en bacitracine Detomidine icm ketamine voor anesthesie Chloramfenicol ANTAgonisme met: macroliden. Benzimidazolen 5. Sulfonamiden .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Combinaties – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – Pimobendan kan icm: diuretica. B-lactam en novobiocine. Cefovecin (enkel SC) 4. anti-aritmica en ACE-inhibitoren Procaine kan in competitie gaan met sulfa's Antacida's remmen sulfaresorptie oraal Vaak combinatietherapie sulfa's en pyrimidinen Fluoroquinolones vertonen synergisme met: aminoglycosiden. B-lactam en gentamycine Streptomycine icm PeniG Spectinomycine icm Lincomycine Polymyxines synergistisch met: Amoxi. Tulathromycine SC/IM 6.com . Gamithromycine SC 7.Stuvia. Oxyclozanide Enkel parenteraal 1. Cefalosporines NIET icm aminoglycosiden → nierbeschadiging Spiramicine kan icm metronidazole bij stomatitis en gingivitis Clarithromycine vaak icm rifampicine Lincomycine synergistisch met spectinomycine Rifampicine synergistisch met: Macroliden. Streptomycine 8. Nitroxynil 10. sulfo/thrimethoprim combi. PeniG 2. ACTH 12. Nystatine (+ topicaal) 4. Closantel SC 9.

Fluoroquinolones 2. – Alfaxalone: NIET icm andere IV anesthetica – N2O: NOOIT als enig anestheticum – Para-aminofenolderivaten: NOOIT bij kat – Salicylaten: NIET bij kat en niet icm andere NSAID's – Stimulatie H1 receptor → bronchoconstrictie UITGEZONDERD bij kat. Erythromycine 5. – Amitraz: toxisch paard en kat – Benzylbenzoaat: NIET bij kat.Stuvia. Vnl bij chloorpromazine. 3. Cefalosporines 4.en nierbeschadiging – Nitrofuranen en furazolidone: geen MRL → NIET bij VPD – Tylosine: NOOIT bij paard – Tilmicosin: NOOIT IV en NOOIT parenteraal bij varken en paard. Apramycine Let op! – Clenbuterol: VERBODEN bij rund – Neuroleptica: NOOIT bij dieren met hypovolemische shock. . 6. paardachtigen en konijn – Monensin: NOOIT bij leghennen en kalveren – Toltrazuril: NOOIT bij volwassen schaap – Enilconazole: NOOIT bij kat – Oxfendazole: NIET bij drachtig schaap – Netobimine: embryotoxisch schaap – Ivermectine: NIET parenteraal bij paard – Moxidectine: NIET bij lacterend dier – Nitroxynil: NIET bij lacterend dier. Aminoglycosiden (3x MIC) 6. 4.com . – Bij glaucoom NOOIT thiaziden gebruiken – Trimethoprim: NIET bij leverparenchym. – Fenothiazines: geen MRL → VERBOD voedselproducerende dieren (VPD). – Fluoroquinolones: niet bij opgroeiende dieren. – Tiamulin: NOOIT IV – Bacitracine: parenteraal zeer toxisch – Apramycine: NOOIT aan kat of katachtigen – Chloramfenicol: NIET bij VPD – Tetracyclines: NOOIT oraal herkauwer en paard – Nitro-imidazolverbindingen: NIET bij VPD – Nicarbazine: NIET bij leghennen – Polyether ionofore ab: toxisch voor paard. 5. Gentamycine 7. Erythromycine Lincomycine Aminoglycosiden Chloramfenicol Tetracyclines Bacteriocied 1.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 2. Penicillines 3.

stijgt door B-blokkers – ADR zorgt normaal voor VC behalve in coronairen: VD – Neuroleptica antagonist van D2 receptor → sedatief en verminderen centraal braken. onderdrukken viscerale pijn → koliek.Stuvia. In fase II juist antagonisme – Neuromusculaire blokkers vertonen synergisme met lokale anesthetica – Nor heeft vnl a-effect → VC → BD stijgt → vagus stimulatie → bradycardie en vertraagde AV-geleiding. anesthesie. geen anesthesie. a-lytisch. * ADR versterkt het a-lytisch effect via B2 effect – Acetylpromazine soms met etorfine in neuroleptanalgesie – Haloperidol: anti-emeticum en neurolepticum hond – Benzodiazepines faciliteren GABA werking – a2-agonisten: sedatie. analgesie. * Kleinste dosis: anti-dopaminergisch * Middelmatig: anti-noradrenerg → sedatie + slaperig/kataleptische immobiliteit * hoger: anti-noradrenerg → hypothermie. – Nuteffect daalt door ADR.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Fluoroquinolones: – Enrofloxacine – Cipro– Nor– O– Per– Marbo– Dano– Di– Spar– ThemaGlucocorticoiden: – Cortisone – Hydrocortisone – Prednisone – Prednisolone – Fluoroprednisolone – Dexamethasone – Betamethasone – Triamcinolone – Methylprednisolone Specificaties Hoofdstuk 1 – Antagonisten niet-depolariserende blokkers: * Acetylcholine * Cholinesterase remmers * Depolariserende blokkers – Depolariserende blokkers synergisme in Fase I met AcCh en cholinesteraseremmers. – Xylazine: spierrelaxerend en emeticum kat .com . Partiele agonist enkel sedatie.

analgetisch.com .en korte anesthesie Alfaxalone NIET icm andere anesthetica Lokale anesthetica: korte inductietijd en herstelperiode * Oppervlakte anesthesie * infiltratie* Geleidingsanesthesie → mepivacaine * IV regionale anesthesie Halothaan na IV barbituraten of ketamine. Potentialiseert werking barbituraten. Diazepam + clonazepam vnl bij status epilepticus en petit mal. Kan zorgen voor leverbeschadiging of maligne hyperthermie Fenobarbital potentialiseert het effect van GABA. anti-cholinerg – H2 antihistaminica: tegen gastro-duodenale ulcera door inhibitie maagzuursecretie – Cimetidine is inhibitor van CytP450 – PGF2a is luteolytisch → regressie CL → follikelgroei → ovulatie. Voor inductie. anti-emetisch. Bij toxische dosis ontstaat metabole acidose. Piroxicam bij hond voor postoperatieve pijnbestrijding Mavacoxib: pijn en ontsteking tgv degeneratieve gewrichtsaandoening → > 1mnd gebruiken.en orthopedische chrirurgie Opioiden zorgen bij hond en kat voor braken na centrale of perifere prikkel. Cimicoxib → pijn bij osteoarthrose of weke delen. + fenytoine beinvloeden elkaars biotransformatie.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal – – – – – – – – – – – – – – – – – – – Detomidine zorgt bij paard voor cardio-vasculaire collaps Ketamine: toename intracraniale druk. Progesteron daalt. Vaak icm ab Tolfenamzuur vnl bij kat → antipyrretisch Naproxen → remmend op leucocytenmigratie. Bij kip en varken alleen na perifere prikkels Pentazocine als premedicatie anesthesie en kolieken Hoofdstuk 2 – Bezetting H1 receptor → stimulatie IP3 en DAG systeem → bronchoconstrictie behalve bij kat! Wordt geantagoniseerd met B-mimetica en methylxantines – H1 antihistaminica: Bronchodilatatie. Verhogen gehalte vrij Ca → spiercontractie Door salicyllaten kan respiratoire alkalose ontstaan bij therapeutische dosis. Verlengde werking door zinkfosfaat of carboxymethylcellulose – Cortisone is lokaal niet werkzaam → niet omgezet tot actieve cortisol – Cortico's * Remming fosfolipase A2 → geen PG en LT * verhoogde productie anti-ontstekingsmediatoren → lipocortine * inhibitie cyclo-oxygenase * stabilisatie lysosomenmembraan * niet op oog bij beschadiging of infectie hoornvlies . analgetische en antipyrrethische eigenschappen.Stuvia. Gajacolglycine-ether heeft sedatieve. Mag niet bij kat! Flunixine meglumine wordt vnl bij rund gebruikt → anti-flogistisch. Hond: chronische osteoarthritis. Robenacoxib: kat: pijn en ontsteking musculo-skeletale aandoening. Bij hond maagirritatie. daling viscerale pijn. Methylxantines potentialiseren catecholamines. oestrogenen stijgen → oestrus en ovulatie – Misoprastol (PGE derivaat) tegen maagerosies en ulcera – ACTH: stimuleert afgifte cortisol en synthese pregnenolon.

Stuvia. Osateron = anti-androgeen. atriale ritmestoornissen .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal – – – – – – * anti-astmatisch → synergisme met B2 agonist * partusinductie → cortisonreactie foetus nabootsen → PG dalen Altrenogest = androgeen met progesteronactiviteit.com . Kan icm diuretica. Ca blokkers: tegen hypertensie. hypocalcemie Pimobendan: toename bindingsaffiniteit Ca voor troponine C → CO stijgt zonder verhoogde E behoefte en inhibitie fosfodiesterase III. hypercalcemie * mindere werking: hyperkaliemie. ACEinhibitoren. Paard en varken uit anoestrus halen. Bij prostaathypertrofie hond Methimazole → hyperthyroidie kat Digitalisglycosiden → hogere spiegels vrij Ca bekomen * Remming ATP-ase → Na stijgt IC → Na-Ca uitwisseling stijgt → Ca stijgt IC * bevorderen elektrogene Ca-influx * Prikkeling sarcoplasmatisch reticulum * Nuteffect stijgt * betere werking: hypokaliemie. anti-aritmica. angina pectoris.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->