P. 1
samenvatting Psychologie van de levensloop.

samenvatting Psychologie van de levensloop.

|Views: 20|Likes:
Published by Stuvia.com

More info:

Published by: Stuvia.com on Jul 19, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $2.65 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

08/14/2014

$2.65

USD

pdf

samenvatting Psychologie van de levensloop.

door

Llianne

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en nog veel meer..

www.stuvia.com

 Cohort: Groep mensen die tot eenzelfde generatie behoren.  Gestalt: Onderdeel van een groter geheel. en de gevoelens en ervaringen die iemand daarbij heeft.  Longitudinale onderzoeksmethode: Onderzoek naar het gedrag in de lengte van jaren. tot in de hoge ouderdom en de dood.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Psychologie van de levensloop H1. Dwarsdoorsnede van de ontwikkeling. Genetische psychologie: Theorievorming en een begin van systematische observaties.  Genese: Het ontstaan van de (volwassen) mens.  Cohorteffecten: Vertekeningen die te wijten zijn aan de generatie. proefpersonen raken geoefend in het maken van de test en het aantal proefpersonen dat naar verloop van jaren nog komt opdagen dunt uit. Levenslooppsychologie: De studie van het gedrag doorheen de verschillende levensfasen. Terreinverkenning. van bij het prille ontstaan in de moederschoot. Ook wel crossectionele methode.  Babybiografieën: Aantekeningen over de zichtbare vorderingen in het gedrag van kinderen. naar aanzien van de invloed van gebeurtenissen op de ontwikkeling.  Ontwikkeling: Levenslang veranderingsproces.  Bestimmung: Levensdoel.Stuvia. Levenslooppsychologie: Een psychologie waarin de mens bestudeerd wordt in heel zijn ontwikkelingsgang.  Psychogerontologie: Wetenschap naar de ontwikkeling van ouderen. .  Behaviorisme: Invloed van ervaringen bij het ontstaan van gedragsveranderingen. Erfelijk gestuurd rijpingsproces. over de verschillende fasen van kindsheid en volwassenheid.  Concretisme en Privativisme: Een desinteresse voor de abstracte verre idealen van vroeger en een toenemende gerichtheid op de concrete alledaagse werkelijkheid en de eigen persoonlijke belangen.  Nadelen: Zeer tijdsintensief.  Transversale onderzoeksmethode: Onderzoek op 1 moment naar verschillende proefpersonen uit verschillende groeperingen die ieder een aparte steekproef zijn uit de verschillende jaren van het te bestuderen leeftijdsbereik. Trapmodel: Iedere trap/ fase is onderdeel van een groter geheel (per 10 jaar). vallen weg. Intuïtieve/ voorwetenschappelijke ontwikkelingspsychologie: Hoe het leven van iedere mens evolueert van de geboorte tot aan de dood.  Discontinuïteit: Periodes met een vrij stabiele verschijningswijze worden afgewisseld door relatief korte overgangsfasen die soms zelfs het uitzicht hebben van een crisis waar men doorheen moet. denken en fantaseren.  Nadelen: Reekseffecten.  Empiristen: De rol van de ervaring en opvoeding heeft de nadruk. Gedrag: Het zichtbare handelen.  Nativisten: Wij als mens worden wat de natuur ons heeft meegegeven.com .  Tijdseffecten: Vertekeningen die te wijten zijn aan gebeurtenissen die zich voordeden in de periode waarin de meting plaatsvond. Nadenken én observeren!  Pedagogische interesse: De nadruk op de rol van opvoeding in de ontwikkeling.  Continuïteit: Voortdurende ontwikkeling/ verandering. Er ligt nog maar weinig vast bij de geboorte en een kind kan in principe nog alle kanten uit. De ontwikkeling wordt gestuurd door een reeks inwendige krachten die we meekrijgen van bij de geboorte en waar niet tegenin te gaan is.

 Levensdrift: De drift om naar het leven toe te leven. Freudiaanse 4.  Sigmund Freud. Golfmodel: Zekere regelmaat in de wijze waarop bepaalde eigenschappen of gedragswijzen verdwijnen en weer terugkeren in de elkaar opeenvolgende fasen (zij het in een andere context/ niveau). etc. lief kind te wezen.  Leni Verhofstadt-Dèneve: ‘Het is door tegenstrijdigheden onmogelijk om op grond van enkel emprirische gegevens te kiezen tussen deze alternatieven. Het ontdekken van het verschil tussen de seksen. als <.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Gelaagde model: De verschillende levensfasen zijn het resultaat van een reeks toevallige gebeurtenissen die elkaar in het verleden zijn opgevolgd. Lijnmodel: Ontwikkeling is een proces van continue verandering. gevoelens uit de fallische fase in preutsheid en de wens om een net.  Eigenlijke lustbeleving: zuigen.  Behaviorisme.  Sublimatie: Het oppoetsen van de als negatief ervaren seksuele nieuwsgierigheid tot een meer positief gewaardeerde drang naar kennis. oedipusproblematiek. Openstelling voor schoolse kennis. maar dat er ontwikkeld. Klassieke psychoanalyse: Het realiseren van een levensdoel. Het kind wordt gevoelig voor de aangename gewaarwordingen die gepaart gaan met de ontlasting. maar nooit precies op dezelfde manier. Poging tot synthese: Poging tot een oplossing/ begrip.  Exogeen: Van buitenuit gestuurd rijpingsproces.  Destructiedrift: bijten. maar dat ontwikkeld.  Zowel --. 2.  Superego/ Oedipuscomplex: Het ‘ik’ dat is geperfectioneerd door zichzelf door tot het te behalen gestelde levensdoel te komen.  Es. als ~.  Cultuurantropologie.  Watson: Erfelijkheid bepaald niet wat. De seksualiteit breekt los en manifesteerd zich tot haar volwassen vorm. Anale fase: 1e tot 3e levensjaar. 3.  Erogene zone: Ieder lichaamsdeel dat op een bepaald moment lust (levensdrift) kan verschaffen. Psychoseksuele fase: Het individu komt door de erogene zone steeds in een nieuwe fase terecht.  Driftfragmenten: Kussen en zachtjes bijten.  Adolf Busemann: Opwindingsfasen <-------------------------- Langere rustperiodes.’ Biologisch georiënteerde theorieën: Ontwikkeling is endogeen.com . De omgeving bepaald niet wat er ontwikkeld. Fallische fase: Vanaf 3 jaar. Depressiviteit. Genitale fase: Vanaf de puberteit. De mond staat centraal in de beleving van het kind. Al zijn gewaarwordingen concentreren zich rond die erogene zone. Latentiefase: Vanaf 5 jaar.  Doodsdrift: De drift om naar de dood toe te leven.  Reactievorming: Omzetten van de seksuele verlangens en de negatieve 5.  Sociobiologie.Stuvia. . Gedrag wordt gestuurd door de actueel inwerkende prikkels en de vroegere leerervaringen. Optimisme.  Herhaling. ich.  Endogeen: Van binnenuit gestuurd rijpingsproces. 1. Orale fase: 1e levensjaar. Milieutheorieën: Ontwikkeling is exogeen. ego: Het ‘ik’.

com . Anaal-musculair stadium. 8 ontwikkelingsfasen volgens Eriksson.  Ego is de meest invloedrijke instantie binnen de persoonlijkheid. voel.  Kritische periode: Betreffende eigenschap ontwikkeld zich het best/ alleen in een specifieke rijpingsperiode.  Voortdurend syntheses bewerken tussen tegenstellingen. Wilskracht.Stuvia. schuldgevoel. als het gewaarworden van een harmonie tussen de eigen persoon en de sociale omgeving. Autonomie tegenover schaamte en twijfel.  8 levensfases. Hoop. Zich goed voelen in zijn eigen huid en zich ook in zijn omgeving voelen als een vis in het water.  Alleen de concrete invulling wordt beïnvloed door de sociale en culturele context waarin het individu opgroeid. Egosterkte. Enkele ontwikkelingsstrategieën. die in een moeilijk ontwarrende strengeling zitten.  Het voorwerp hoe ik (subject) mezelf (object) waarneem.  Slechts 5 bepalende ontwikkelingsfases. Freud: Intrapsychisch: Innerlijke eisen en behoeften staan tegenover elkaar. door bijvoorbeeld op het juiste moment een van de vele afweermechanismen te mobiliseren. Kernconflict. Volgens Erikson krijgt het ego voornamelijk een positieve taak toegewezen. zodat er geleidelijk een steeds sterker wordende eenheid ontstaat binnen de persoonlijkheid.  Epigenetisch: Het leven ontvouwt zich volgens een vast basisschema. Harmonieuze gezinssituatie. Dynamiek van het gedrag. kindertijd. Het oplossen van de vele conflicten waar het individu in de loop van zijn leven mee te maken krijgt.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Interactietheorieën: De ontwikkeling wordt door omgeving en erfelijkheid. gestuurd.  Psychoseksueel.  Le moi-sujet: De instantie die aan de basis ligt van het bewuste waarnemen. Geborgenheid vanwege de verzorgers. Fundamenteel vertrouwen tegenover fundamenteel wantrouwen.  Levenslang ontwikkelingsproces. Erikson: Interpsychisch: De veelzijdige spanningen tussen het individu en zijn sociale omgeving. tot daden aanzet of probeer te presenteren aan anderen.  Ik: Het bewust observerende deel van de persoonlijkheid. Het stelt zich teweer tegen de dreiging van het es (zijn) en het über-ich. en dan is het de taak van het ego om die te verzoenen en de harmonie te herstellen. psychologische eenheid (het gevoel perfect samen te vallen met zichzelf). Omgevingsaspect. Psychosociale identiteitstheorie: Omhelzen van zowel het ervaren van een innerlijke.  Psychoscociale crisis: Het begin van een nieuwe fase.  Ego: Zowel binnen het Zelf als tussen het Zelf en de sociale omgeving kunnen er geregeld tegenstellingen ontstaan. Het voorwerp van mijn ervaringen voor zover die betrekking hebben op mijn eigen persoon. Locomotorisch-genitaal Initiatief tegenover stadium. Gezagsvolle en oordeelkundige ouders.  Psychosociaal.  Ontwikkeling is epigenetisch. denken en handelen. H2.  Zelf: Le moi-objet. Levensfase. Doelgerichtheid. Volgens Freud is het ego alleen defensief. .  Erikson. Oraal-sensorisch stadium. Zelfbepaling als 3e factor: Een mens kan ook zelf mee richting geven aan zijn ontwikkeling.

Het uittekenen van een universeel kader betreffende de ontwikkeling van de cognitieve structuren waarmee we werken. De prenatale ontwikkeling. De adolescent krijgt geleidelijk de beschikking over abstracte denkschema’s. Inhoud: De vele concrete inzichten en vaardigheden die iemand op een bepaald moment bezit (weten en kunnen) -> Niet universeel.  Entoderm: De binnenste huid. 2. onveranderlijk. Middenvolwassenheid. Belangstellende leraren en bereidwillige klasgenoten. waardoor een trosje aaneengeklitte cellen ontstaat die lijkt op een moerbes. De aangeboren tendens tot adaptatie doorheen de wisselwerking van de processen assimilatie en accommodatie.  Ectoderm: De buitenste huid. Identiteit tegenover Trouw. tenminste wanneer het zich die concreet of aanschouwelijk kan voorstellen.com . maar het kind kan er nog geen echte operaties (logische bewerkingen) op doorvoeren. Ego-integriteit tegenover De bredere Wijsheid. Er zijn al voorstellingen (denkinhouden) 3. Cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget. Een leetijdsgroep en identificatiefiguren. H3.  Embryonale knop: Apart gescheiden troepje cellen dat zich ophoopt in een holte. aanwezig. Het embryonale stadium: Het stadium waarin de grondstructuur van het organisme wordt ontwikkeld (structurele uitbouw van verschillende organen). Vlijt tegenover minderwaardigheid. Sensomotorische periode: 0 – 2 jaar. stagnatie. Periode van het preoperationele denken: tot 6-7 jaar. waardoor hij nu ook problemen op een hoger denkniveau kan oplossen. Generativiteit tegenover Een eigen gezin en Zorgzaamheid. Belangrijke dynamiek in de ontwikkeling volgens Piaget. Accomodatie: De aanpassing van het individu aan de omgeving. Periode van het formeel-operationele denken: tot 15-16 jaar.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Latentiestadium. 1. Een partner en een job. Inhoud en functie van de intelligentie. 4. zinvol werk. . Jeugdperiode. Bekwaamheid.  Morula/Moerbeistadium: Iedere cel (bevruchting) deelt zich telkens opnieuw op. Kernconflict: Conflict in iedere levensfase waar het individu zondermeer mee geconfronteerd wordt. rolverwarring. Intimiteit tegenover Liefde. Ouderdom. veranderlijk. isolement. Functie: Het doel is steeds het bewerken van een betere adaptatie of aanpassing tussen het individu en zijn omgeving -> Universeel. die is ontstaan doordat sommige cellen bij het scheiden naar de buitenkant worden geduwd (vormen uiteindelijk het trofablast dat zich vormt tot de moederkoek en navelstreng). wanhoop. Geleidelijk worden aangepaste schema’s verworven. samenleving. waardoor het kind logisch leert omgaan met allerlei gedachte-inhouden.Stuvia. Periode van het concreet-operationele denken: tot 11-12 jaar.  Organogenese: De vorming van de verschillende organen. Het kind gaat steeds vaardiger motorisch om met een steeds nauwkeuriger waargenomen zintuiglijke omgeving. Het germinale of kiemstadium: Het ontkiemen van de vrucht (Ook wel blastulastadium). Assimilatie: Het afstemmen van de omgeving op de eigenschappen van het individu. en zich vervolgens ontwikkeld tot het eigenlijke embryo. Jongvolwassenheid.

Prematuur/ Preterm-baby: Voortijdig geboren kind (eerder dan 35 weken). Het kind als afbeelding van het eigen zelf: Ouders proberen hun eigen identiteit te vinden aan de hand van het kind. 2. dat is een isolerende vetlaag die ervoor zorgt dat de onderlinge communicatie tussen de neuronen snel en efficiënt kan verlopen. 3 Fasen van geboorte: 1. maar cortex is nog niet volledig uitgebouwd. 3. Uitdrijvings-/verlossingsfase: Krachtige weeën door het samentrekken van de buikspieren.of steuncellen. adem. Nageboorte: Zwakkere weeën zorgen dat de placenta en de vruchtzak uit het lichaam van de moeder komen. Voorweeën: Onregelmatige baarmoedercontracties die de voorbode zijn voor de echte weeën. Dismaturiteit: Baby weegt bij geboorte minder dan 2.).  In hoeverre kan er sprake zijn van psychische gewaarwordingen en gedragingen van de foetus in de moederschoot?: De belangrijkste toename van de hoeveelheid hersenweefsel tijdens de laatste maanden van de zwangerschap komt van de glia. etc. nog zeer onregelmatige. Het kind ervaart de geboorte volgens hem als een trauma.  Na 8 weken: Organogenese is voltooid en het embryo vormt zich tot een jongen of meisje (geslachtsdelen/organen). vertoont regelmatige adembewegingen. Het kind als substituut: Het kind als plaatsvervanger of surrogaat voor de huwelijkspartner. de ontsluitingsweeën (ritmische contracties van de baarmoeder). en projecteren die daarom op het kind om ze daarop te bekritiseren. Invloeden op ontwikkeling: 2 belangrijke soorten invloeden: 1. te voorzien van myeline.  Ontstaan van.  Groeien van zenuwen vanuit lagere hersenregionen en ruggenmerg naar spieren. de persweeën.en gewrichtsgroei. Psychologische factoren: Het kind kan zichzelf niet zijn.  5 maanden: Kind reageerd al op plotselinge geluiden en fel licht (lamp van gynaecoloog) en het zuig. Otto Rank: Geboortetrauma. deel achter de pijl). zintuigen en inwendige organen.5 kilo (light for date). Het kind als substituut voor het ideale zelf: Ouders rekenen erop dat het kind wel bereikt wat zij nooit hebben bereikt.Stuvia. maar wel hadden gewild. .com . Eindigt als ontsluiting van 10cm bereikt is. sommige organen beginnen al te functioneren. 2. (Voor meer info hierover zie pagina 81. Eindigt met het afbinden en doorknippen van de navelstreng.  8 maanden: Kind is in principe klaar voor buitenwereld. Fysische omgevingsfactoren: Zware belasting voor het kind.  Ontstaan van toenaderingsreflex en voetzoolreflex.  4 maanden: Toenemende spontane activiteit (vuistvorming. Het foetale stadium: Functieontwikkeling.  6 maanden: Flinke lengte. Terme-baby: Voldragen kind (binnen normaal tijdsbestek geboren).De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal  2-8 weken: Hartvorming en vorming van menselijke trekken zoals armen en benen en ontstaan van enkele motorische reacties op prikkelingen in de omgeving van de mond (afweringsreflex). Die hebben onder meer als functie de zenuwvezels waarlangs de neuronen met elkaar in contact staan.en slikbewegingen. Dismature prematuur: Prematuur met abnormaal laag gewicht (light for date). arm en been strekking. Het kind als substituut voor de negatieve identiteit: Ouders erkennen bepaalde eigenschappen van zichzelf niet.en grijpreflex is goed ontwikkeld. Ontsluitings-/arbeidsfase: Beginnen van de eerste echte weeën. Fontanellen: Zachte plekken in het schedeloppervlak die gedurende het eerste half jaar geleidelijk dicht zullen groeien. Overdragen/ Postterm-baby: Te laat geboren kind (later dan 40 weken).

en zou het eigenlijk pas een jaar later geboren moeten worden. Voorbijgaande reflexen: Reactiepatronen die enkel gedurende de eerste weken of maanden na de geboorte zichtbaar zijn. Reflex: Een erfelijk voorgeprogrammeerde reactie die uitgelokt wordt door een specifieke prikkel. de pols en de vingers. kan het kind de gewrichten en ledematen bewegen naar een object toe.  Klassieke conditionering: Terugkerende prikkels aan elkaar koppelen. die het kind meer dan nodig bruuskeert en pijn doet.  Bezit over een aantal aanpassingsmechanismen die de nieuwe prikkels enigzins weten te ordenen en er zo doeltreffend op kan reageren. maar een stroom van steeds wisselende impressies -> Piaget.  Handgreep: Grijpen met de volle hand. H4.com .en zuigreflex (vitale functies).en loopreflex (motorische reflexen).en kniepeesreflex (motorische reflexen).  Pincetgreep: Duim tegenover wijsvinger. Vanaf 3 maanden kunnen bewegende voorwerpen gevolgd worden over de gehele breedte van het gezichtsveld. De babytijd.  De hersenen maken in het eerste levensjaar een geweldige ontwikkeling door. Habituatie: Het geleidelijk wennen aan herhaaldelijk terugkerende prikkels. braken. Cefalo-caudale ontwikkelingslijn: Van boven naar onder.  Drijfgreep: Naar binnen drijven van een object zonder vast te pakken. Proximo-distale ontwikkelingslijn: Van dichtbij de lichaamsas naar de extremiteiten toe.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Frederik Leboyer: De overgang van de baarmoeder naar de buitenwereld ziet hij als een overweldigende gebeurtenis. De voortschreidende myelinisering maakt eerst een doelgericht gebruik mogelijk van de spieren van het hoofd. bijvoorbeeld de drang om dicht in de buurt van de moeder te blijven (nestvlieder). 2. daarna van de romp en zo verder naar beneden tot aan de onderste ledematen. hoesten.  Er wordt basis gelegd voor taalontwikkeling. Subject-objectsplitsing: Het kind ervaard geen objecten. Motorische evolutiestadia: 1. waardoor enkele belangrijke psychologische functies tot ontwikkeling komen.  Het kind leert de mensen die voor hem zorgen kennen en gaat er een intense band mee aan. Gerichte besturing van de oogspieren en de halsspieren maakt het mogelijk de blik steeds beter te richten op dingen en mensen in de omgeving. . slikken (vitale functies).  Operante conditionering: Gedrag dat wordt gevolgd door beloning.  Tanggreep: Alle vingers omsluiten het object. Adolf Portmann. grijp. pupil. Kijkstadium: 0-3 maanden. Grijpstadium: 3-6 maanden. Zoek. Wanneer de gewrichten onder controle zijn van de cortex. Theorie van de fysiologische vroeggeboorte: Volgens hem wordt de mens te vroeg geboren. Pas dan bereikt een mens het ontwikkelingsniveau dat analoog is met wat vergelijkbare zoogdieren al meteen na de geboorte aankunnen. Het kind kan in het begin geen onderscheid maken tussen de eigen subjectieve gewaarwordingen en de dingen in de buitenwereld die daar aan de basis van liggen -> Piaget. Blijvende reflexen: Niezen.Stuvia. zodat het signalen gaan vormen voor elkaar. wordt gekoppeld en een signaal voor elkaar. Neonantus: Pasgeborene. Eerst komt het schoudergewricht onder de controle van de cortex en vervolgens de ellbogen. Archaïsche reflexen: Reflexen als restanten uit de verre voorgeschiedenis van de mens. Adualisme: Het ontbreken van een dubbelheid. Nabootsend leren: Een kind leert door het gedrag van de ouders/ omgeving na te bootsen/ over te nemen.

maar wel herkenbare klanken. Vanaf 10 maanden tot 1.de zuig. dat hem er als kind toe aanzet om zich te hechten aan een volwassen soortgenoot. 4. Brabbelen. 0-6 weken. 4.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 3. 6. rechtop gaan staan door het doelgericht gebruik van de onderste ledematen.5 maand. 5.com . zelfstandig kan gaan zitten. Primaire circulaire reacties: 1-4 maanden. Tertiare circulaire reacties: 12-18 maanden. Het eerste echte woordje.Stuvia. het onderbreken van het brabbelen wanneer de volwassene zich tot hem richt. 2. Rechtopstaand stadium: 9-12 maanden.5 jaar. Er is eerst een doel beoogd en daarna wordt er een gedrag bijgehaald om dat doel te bereiken (bijvoorbeeld het laten bewegen van een object. Scheidingsangst: Heftige reactie wanneer de volwassene waaraan het kind het meest gehecht is zich verwijdert. 5. een uitvoerder van schema’s.  Verlaten van de sensomotorische periode en overgang op het pre-operationele denken. Objectpermanentie: Het besef dat objecten niet zomaar in het niets verdwijnen. Bowlby: Een mens krijgt van bij de geboorte een erfelijk programma mee. 6 maanden. 5. om opnieuw van start te gaan zodra die ermee ophoudt. Het. Sociale/contactglimlach: Glimlach die ontstaat door het zien van een expressief gelaat en versterkt door het beantwoorden van de volwassene met passende geluiden en gelaatsexpressies. Loopstadium: 12-15 maanden. -> Polygot/ universeel brabbelen. geen betekenisvolle woorden. 2. 8 maanden. het samenvoegen van klanken tot klankgroepjes die nonsenswoordjes vormen. semiintentionaliteit.p. Geïnterioriseerde tertiare circulaire reacties: 18-24 maanden. Sensomotorische ontwikkelingsperiode (Piaget): Het kind is enkel in staat om motorisch te reageren op de zintuiglijke indrukken van het moment.v. Vocaliseren. Het inwendig oproepen van diverse gedragsvarianten om vooraf aan de weet te komen wat hun mogelijke effecten kunnen zijn. Secundaire circulaire reacties: 4-8 maanden. het maken van geluiden in een toestand van welbehagen. Taalontwikkeling volgens Annemarie Schaerlaekens: Prelinguale periode: 1e levensjaar: 1. een natuurlijke reactie op onlustprikkels. Niet het herhalen van de handeling zelf is het doel. Herhalingsreacties waarbij de handeling zelf voldoende plezier verschaft (intrinsiek motiverend is) om ze opnieuw te doen stellen. 3. Eerst met behulp van volwassene leren van stappen zetten. Huilen. . Ongecoördineerde reflexhandelingen: 0-1 maand. Het kind wordt hierdoor een objectverkenner i. door het gedrag op een gevarieerde manier te herhalen. dan met behulp van vasthouden aan meubels vooruit bewegen. 3. 4 maanden. Monoglot/aangepast/sociaal brabbelen. Het samenvoegen van de zoek. Intentioneel handelen: 8-12 maanden. praktische intelligentie en beginnende objectpermanentie. 2. 6 stadia: 1. Controle over de romp en het heupgewricht zorgt dat het kind 4. Zitstadium: 6-9 maanden. maar het opnieuw te voorschijn roepen van de afgeleide effecten die ermee gepaard gaan. Beurt-nemen. Experimenteergedrag: Het systematisch variëren van een handeling om te ontdekken wat de gevolgen daarvan zullen zijn. en vervolgens zelfstandig voortbewegen. Het doelgericht uitproberen van nieuwe effecten. dus ertegenaan trappelen). Het gedrag kan nu zelf door het kind worden opgeroepen zonder dat daar een prikkel voor nodig is. 6. Vreemdenangst: Negatieve reacties als gevolg van het zien van een onbekend persoon/ een vreemde.en de slikreflex tot een globaal voedingsgedrag die worden uitgelokt door een specifieke prikkel. via optrekken aan meubels.

Het opnemen van nieuwe inhouden binnen de bestaande structuren zonder de structuren er zelf op aan te passen aan de nieuwe werkelijkheid. Orthoscopisch waarnemen: De mogelijkheid om alles gewoon rechtop te zien. In de hiërarchie staat degene die het meest blijk geeft van een sensitieve responsiviteit (degene die de signalen van het kind het best aanvoeld en er op een adequate manier op inspeeld) bovenaan.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 1. Het kind gaat geleidelijk anders reageren op bekenden dan op vreemden en er begint zich een voorkeur af te tekenen voor een of enkele vertrouwde personen. Het individu is in staat om de schema’s waarover het op dat moment beschikt. rond 3-4 jaar s’nachts zindelijk. Beginnende gehechtheid: 2-6/8 maanden. Fijne motoriek: De kleinere bewegingen die je met je handen en vingers maakt. maar vertekend door zijn eigen fantasie. Grove motoriek: De bewegingen die betrekking hebben op de algemene lichaamshouding. 3. H5. Veilige gehechtheid: Het kind is van slag wanneer moeder de kamer verlaat.  Kind neemt zijn fantasie soms aan voor de werkelijkheid.en vormconstantie.  Kind ervaart dingen niet zoals ze zijn.Stuvia. Toenemende ooghandcoördinatie biedt nieuwe mogelijkheden tot exploratie en experimenteergedrag. Voorhechtingsfase: 2-3 maanden.  Kenmerkend voor peutertijd is het vlot leren lopen. Gevestigde objectpermanentie: Het kind zoekt het object waar het het laatst gezien heeft. maar een bewegend individu in een stabiele omgeving.  Leidt tot grootte. Relatief equilibrium: 1. middels de zintuigen.  Ontstaan van logica van het handelen. het terechtkomen in een totaal onbekende omgeving (de wereld na de baarmoeder) roept wantrouwen op en de uitdaging is deze. op een aangepaste manier te gebruiken in de situaties waarmee het te maken krijgt (evenwicht tussen assimilatie en accommodatie). Zindelijkheidstraining: Rond 2-3 jaar overdag zindelijk. . Gedesorganiseerde en gedesoriënteerde gehechtheid: Het kind is verwaarloosd.com . Relatief disequilibrium: Het assimileren zonder te accommoderen. ongeacht de positie van waaruit je de dingen bekijkt. Het gevoel van geborgenheid kan het wantrouwen omzetten naar vertrouwen.5 jaar. Egocentrisme: Beperking tot het toeschrijven van verkeerde betekenissen aan de werkelijkheid vanuit de eigen subjectieve wensen en voorstellingen. Primaire hechtingsstrategieën. Feitelijke gehechtheid: 6 maanden tot eind van peutertijd. Babytijd volgens Eriksson: Oraal-sensorische fase. Het kind ontwikkeld een zeer hechte band met een of een paar personen uit zijn omgeving. te leren kennen en accepteren. De peuterjaren.  Gedecentraliseerde kijk op de werkelijkheid. Het kind is vooral geïnterresseerd in de prikkels die rechtstreeks zijn lichaam beroeren en heeft maar weinig belangstelling voor de dingen en mensen om zich heen (asociaal wezen).  Gevaren zijn dat het kind de gevaren van bepaalde situaties/ voorwerpen nog niet kan inschatten. Vertrouwenscrisis. maar is snel getroost wanneer ze weer terug komt. 2. Vermijdende gehechtheid: Het kind vertoont nauwelijks emoties bij het verlaten en terugkomen van de moeder. Afwerende gehechtheid: Het kind is van slag wanneer moeder de kamer verlaat en blijft dit ook wanneer ze alweer terug is. Piaget. Bezit wel al instinctieve gevoeligheden en reactiepatronen. Copernicaanse revolutie: De peuter heeft tot ontdekking dat hijzelf niet het centrale gegeven is waaromheen mensen en dingen verschijnen en verdwijnen.

Consolidatie van de individualiteit: Het kind is in staat om bij het bepalen van zijn eigen doelstellingen rekening te houden met de prioriteiten van de volwassene (Doelgecorrigeerde partnerschap van Bowlby). Vormdiscriminatie: Het opmerken van de verschillen tussen zelfs eenvoudige geometrische figuren. vaak met een heel emotionele geladenheid. 2-4 jaar. Concepten: Denkinhouden die niet verwijzen naar specifieke dingen of gebeurtenissen. Separatie-/individuatiefase (Mahler): Het kind dient hoe dan ook los te komen uit de symbiotische relatie die het heeft na de geboorte met de vaste verzorger. Eriksson.v. 1 (moeder en kind als onlosmakelijk geheel). Meerwoordenzin: Vanaf 2/2.Stuvia.5 jaar.  Preconceptueel stadium. gebaar. Preconceptuele denken: 2-6/7 jaar.com . Animisme: Levenloze objecten lijken bezield en behept met gevoelens en intenties (‘stoute deur’). ook zonder dat ze onmiddelijk omgezet dienen te worden in nabootsingsgedrag. Tekenen: De krabbels roepen in de voorstelling een belevingsinhoud op die veel verder reikt dan dat wat er staat. Taal: Een symboolsysteem waarmee afwezige objecten of situaties op ieder willekeurig moment opgeroepen kunnen worden in het bewustzijn en bovendien ook naar andere mensen gecommuniceerd kunnen worden. maar altijd voor iets of iemand.5 jaar. Symboolfunctie/semiotische functie: Het vermogen om door middel van eeen symbool of teken (woord. Eenwoordzin: Met 1 woord wordt een hele zin/boodschap uitgedrukt.p. maar wel in dezelfde ruimte met leeftijdsgenoten (territoriaal gedrag). Bij peuters is er in het denken nog geen sprake van concepten of begrippen. Fenomenistische causaliteit: Het kind brengt een oorzakelijk/causaal verband aan tussen gebeurtenissen die alleen in hun uiterlijke verschijning (fenomenaal) samen voorkomen. maar naar eigenschappen of combinaties van eigenschappen die gemeenschappelijk zijn aan een reeks uiteenlopende objecten of situaties. dan komt Sinterklaas). Mentale beelden: De mogelijkheid om gedurende een zekere tijd actief vast te houden aan een beeld of ze na verloop van tijd terug op te roepen in de voorstelling. Preconcepten: Een soort voorafschaduwingen van de echte begrippen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Subject-objectsplitsing: Het kind heeft onderscheid leren maken tussen de subjectieve gewaarwordingen die de prikkels hem verschaffen en de feitelijke objecten in de werkelijkheid die daarvan aan de basis liggen.  Om tot concepten te omen moet het kind tegelijk kunnen generaliseren en discrimineren. Parallelspel: Apart spelen. Fysiognomisch waarnemen: Levenloze objecten lijken gezichten te hebben. etc. Magisch denken: Het kind gaat ervan uit dat zij de loop der dingen kunnen veranderen door iets te doen wat er nochtans helemaal geen vat op heeft (Liedje goed zingen. Bodemloosheid: Een kind heeft niemand om zich aan te hechten.). Dingen zijn er niet zomaar. . Fantasiespel: Via de voorstelling is het kind in staat om zeer uiteenlopende betekenissen toe te kennen aan objecten die daar op zich niets mee te maken hebben. lijkt door mensen gemaakt (kabouters hebben paddestoelen gebouwd. Tweewoordenzin: Vanaf 1.  Het komen tot 2 losse individuen (moeder en kind). object of mentaal beeld) te verwijzen naar iets dat actueel niet aanwezig is. Alleen dan is het in staat om te abstraheren en begrippen te vormen. Met een substantief en een werkwoord een zin/boodschap uitdrukken. Meerdere woorden aan elkaar koppelen tot een zin/boodschap. i. Intersensorische integratie: De manier waarop informatie uit de verschillende zintuigen op elkaar betrokken wordt.  Intuïtief stadium. maar slechts van preconcepten. Finalisme: Alles heeft een bedoeling. 4-6/7 jaar. Artificialisme: Alles wat is.

De kleuterjaren. etc. ‘Een hoofd van de zijkant getekend. maar wel met wederzijdse uitwisseling van materiaal en commentaren. want een mens heeft 2 ogen). het verstand/ de herinnering. Kenmerken van het intuïtieve denken. Symbolisch spel: Fantasiespel dat kenmerkend is voor de preoperationele periode. heeft nog steeds 2 ogen. Visuele realisme: Het kind tekend dingen zoals ze er werkelijk uit zien. Spelvormen van Mildred Parten.en eindtoestand van een gebeurtenis. Egocentrisme: Onvermogen om andermans standpunt te onderscheiden van de eigen kijk op de zaak. d. maar is evenveel). Gecentreerd denken: Bij het beoordelen van een situatie spitst het kind zich toe op één enkel aspect van de werkelijkheid. . zonder zich het tussenliggende proces goed te kunnen voorstellen (statisch denken). Schaerlaekens. maar concentreerd zich volledig op het papier. de werkelijkheid op papier te zetten (kind kijkt nooit op of het goed zit met de tekening. H6. tikkertje. Spelvormen van Kohnstamm. voorafgaand aan het tekenen van de krabbels. Vloeistof lijkt minder. Verstandelijk realisme: Het kind probeerd. Coöperatief spel: Samen naar een gemeenschappelijk doel toewerken. Solitair spel (Parallelspel): Naast elkaar spelen met eenzelfde soort activiteit bezig zijn. Regelspel: Typisch voor de periode van het concreet-operationele denken. wat het gaat worden. Oefenspel/Functiespel: Plezier beleven aan het gebruik van de sensomotorische functies. Bewegingsspel: Leren bewegen. Spel met regels: Verstoppertje. etc. Onomkeerbaarheid: Kleuters kunnen een gebeurtenis niet terugdenken in de tijd. De primitieve zinnetjes van peuters worden geleidelijk uitgebouwd tot grammaticaal keurige constructies. pas na het tekenen van de krabbels.5-5 jaar. etc. Spelen met taal: Leren van taal middels brabbelen en liedjes/ versjes. dus met perspectieven en diepte.Stuvia. Conservatietaken: In hoeverre wordt beseft dat een verandering in de uiterlijke vorm van een object of van een reeks objecten helemaal geen invloed hoeft te hebben op het volume of de hoeveelheid ervan (Overgieten van een vloeistof van een klein naar een groot glas.m.  Een van de belangrijkste kenmerken van het intuïtieve denken (Driebergentest: Pop aan de overkant ziet volgens het kind hetzelfde als hijzelf.v. ook al zijn de bergen niet allemaal even groot). Differentiatiefase: 2. Toevallige realisme: Het kind zegt. Spelen met objecten: Objecten leren kennen. Associatief spel: Ieder zijn eigen ding.com . wat het is.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Koppigheidsfase/ Protestfase: Ontluikende zelfbewustzijn in de vorm van een negatieve uitspatting (‘Ikke doen!’). Oog voor toestand: Een kleuter ziet enkel de begin.  Gevoelens als twijfel en schaamte spelen grote rol in deze fase. Fantasiespel: Vader-moedertje. Mislukte realisme: Het kind zegt. Vrij vormen: Vormloze objecten leren kennen (water). Spelvormen van Piaget. maar slaagt er niet in de afzonderlijke elementen tot een synthese te vormen. Klasseninclusie: Het kind begrijpt nog niet dat een overkoepelende klasse elk van de deelverzamelingen insluit. Geslachts-/Genderidentiteit: Jongens en meisjes gaan zich steeds duidelijker verschillend gedragen en er ontstaat geleidelijk aan het doorleefde gevoel een jongen of meisje te zijn.

zolang het om concreet materiaal gaat.Stuvia. Taakbewustzijn: Kleuters gaan zich doelen stellen en leven daarnaartoe. het visueel kunnen differentiëren van verschillende letters en het aan elkaar kunnen associëren van letters en klanken. David Elkind.of aflopende reeks. voldoende taalkennis en voldoende mogelijkheid tot aandachtsconcentratie. Taakrijpheid/ Werkhouding: Wanneer de kleuter de taak heeft opgenomen. De schoolperiode. zowel het geheel als de afzonderlijke delen te herkennen. verschuiving van de aandacht van toestand naar transformatie en omkeerbaarheid/reversibilteit van het denken. Perceptuele reorganisatie: De mogelijkheid om de zintuiglijke input in gedachten zodanig te herschikken. • Leesvoorwaarden: Het besef dat een geschreven tekst een boodschap weergeeft. dat er heel nieuwe structuren uit naaar voren komen (lauwb=blauw).  Conservatie: Gedecentraliseerd denken. Concreet-operationeel denken (Piaget): Het schoolkind is steeds beter in staat tot logisch denken.en weetgierigheid.com . . Perceptuele schematisering: Het vermogen om in een tekening die opgebouwd is uit diverse aparte figuurtjes. Kernconflict van de kleuterperiode: Initiatief v. • Rekenvoorwaarden: Het begrijpen van hoeveelheids. • Sociale voorwaarden: Het kind moet in staat zijn zich open te stellen voor nieuwe contacten. ongeacht het soort activiteiten die er aan bod komen. Hiermee bereiken van de klassen. wil hij deze hoe dan ook tot een goed einde brengen.  Specifieke schoolvoorwaarden: Afgeleid uit een nauwkeurige analyse van de manier waarop de verschillende vaardigheden verworven worden. • Lichamelijke voorwaarden: Het kind is gezond en beschikt over een goede sensomotorische uitrusting. leergeschiktheid of schoolgereedheid).en relatielogica. • Schrijfvoorwaarden: Het aannemen van een goede penhouding. het kunnen analyseren van een woord in zijn samengestellende vormen en de mogelijkheid om de aparte klanken om te zetten in de ermee overeenstemmende lettertekens. • Cognitieve voorwaarden: Er is een minimaal intelligentieniveau aanwezig. Schoolrijpheid: Een veelheid van zeer uiteenlopende gedragsaspecten die de interactie met school op de een of andere manier kunnen vergemakkelijken of bemoeilijken (Ook wel: school-/ leerbekwaamheid. schuldgevoelens.s. • Dynamisch-affectieve voorwaarden: Het kind beschikt over een spontane leer.en verhoudingsbegrippen. het heeft een zekere werkhouding ontwikkeld en is in staat eventuele mislukkingen te boven te komen.  Mentale operaties: Innerlijke bewerkingen.  Algemene schoolvoorwaarden: De vereisten waaraan het kind moet voldoen om het schoolse leven als zodanig aan te kunnen.  Classificatie: Verschillende objecten dienen gesorteerd te worden volgens één of meerdere ordeningsprincipes.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Spiegelgeweten: De kleuter heeft nog geen eigen persoonlijke normen. maar het spiegeld zich af naar de ouderlijke gedragsregels. Voorafgaand aan het uitspreken van een oordeel. het snel kunnen inschatten van een verspreid aangeboden hoeveelheid elementen en de mogelijkheid om eenvoudige bewerkingen uit te voeren. H7.  Seriatie: Een verzameling objecten moet volgens een bepaald criterium gerangschikt worden in een op.  Heterome moraal (Piaget): Het gaat om normen die integraal van anderen overgenomen zijn.

Symbolen voor symbolen: Adolescenten zijn in toenemende mate in staat om woorden en symbolen te begrijpen en zelf ook te hanteren die niet meteen verwijzen naar concreet aanschouwelijke objecten of eigenschappen. Postconventionele niveau: Je plicht doen en je houden aan de wetten van de samenleving. Androgynie: Het tot expressie laten komen van zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen. systematisch te scannen en daarbij geen enkel detail over het hoofd te zien. maar een puur abstracte betekenis hebben. 3. en vrouwen zich meer assertief en ondernemend kunnen opstellen. Formeel-operationele denken: Er is een denken mogelijk dat geheel los staat van concrete inhouden (wetenschappelijk denken). . Het gedrag wordt niet meer louter afgestemd op het eigenbelang.  Groeispurt. minderwaardigheid. H8. Perspectiefneming: De mogelijkheid om een situatie te beoordelen vanuit het standpunt van iemand anders en dus af te stappen van een louter egocentrische kijk op die dingen. Zelfconcept: Het geheel van eigenschappen die iemand zichzelf toekent. Vroege adolescentie: Periode waarin de lichamelijke rijping. Conventionele niveau: Eind schoolperiode.s. David Elkind. Late adolescentie: Men begint verplichtingen aan te gaan met betrekking tot maatschappelijke positie en persoonlijke relaties. strekkingsfase (lengtegroei) en vullingfase (breedtegroei). Redeneringen: Afzonderlijke beweringen (proposities) zodanig op elkaar betrekken dat er nieuwe inzichten (conclusies) uit ontstaan. Wordt gekenmerkt door de lichamelijke kenmerken die samenhangen met de seksuele rijping (negatieve inkleuring). Het als goed beschouwen wat zichzelf uiteindelijk de meeste baten brengt. waardoor jongens ook hun emoties kunnen tonen. Eerste menstruatie.  Zelfwaardering.  1e en 2e stadium.  Menarche. Adolescentie: 16-22 jaar. de psychoseksuele ontwikkeling en het proces van losmaking van de ouders op gang komen.com .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Perceptuele exploratie: Het vermogen om een ingewikkeld figuur.Stuvia.  3e stadium. of een afbeelding die verschillende afzonderlijke figuurtjes bevat. Autisme: Gerichtheid op zichzelf. maar af en toe ook al rekening kunnen houden met het groepsbelang. Piaget. Hypothesen: Louter veronderstelde beweringen (kunnen totaal onwerkelijk of onzinnig zijn). Innerlijke problemen zijn min of meer achter de rug en de jongere is bezig met het zoeken naar een eigen positie binnen de samenleving.  4e stadium. Evolutie van het morele denken. De adolescentie. Kernconflict van de schoolperiode: Vlijt v. Preconventionele niveau: Schoolperiode. Puberteit: 12-16 jaar. 1. 2. Middenadolescentie: Het experimenteren met diverse keuzemogelijkheden staat centraal.

Terreinhypothese: Er hoeft niet gekozen te worden. 5. Conflicthypothese: Jongeren moeten continu kiezen tussen 2 tegenovergestelde verwachtingspatronen. Persoonlijke legende: Het gevoel zo uniek.  Identiteitsverwarring: Niet meer weten wie of wat men is na het opgeven van de kinderlijke status. Hypothetisch-deductief: Hypothesen worden steeds meer logisch ingeschakeld bij het oplossen van problemen of het zoeken naar een verklaring voor bepaalde gebeurtenissen (wetenschappelijke benadering). De mogelijkheid om op basis van een genuanceerd afwegen van de verschillende subjectieve gegevens uit de vorige periode. zo geheel anders te zijn dan de anderen dat niemand kan begrijpen of voelen wat zij meemaken. de verwachtingen die ze in hem stellen en de druk of de controle die ze daarbij soms uitoefenen om hem op het rechte pad te houden. Tentatieve periode: 11-17 jaar. Metacognitie: De kennis die men heeft over de eigen kennis en over de manier waarop men ermee pleegt om te gaan. maar tonen weinig begrip voor de gevoeligheden of de noden van het kind.com .s. Kernconflict van de adolescentie: Identiteitsverwarring v. Autoritair: De ouders stellen zich zeer eisend en controlerend op. . De wensen en bevelen van de ouders worden zoveel mogelijk verantwoord en er wordt ook rekening gehouden met de gevoelens en de argumenten van het kind zelf. Ongeïnteresseerd/ verwaarlozend: Er worden noch verwachtingen noch responsiviteit getoond en er is vrijwel geen sprake meer van opvoeding.Stuvia. 1. capaciteiten die het kind zichzelf toemeet. maar de onderlinge contacten zijn warm en hartelijk. 6. 4. 3. maar nu ook rekening houdend met de praktische mogelijkheden en hindernissen in de realiteit. omdat de verwachtingen van beide partijen betrekking hebben op totaal verschillende levensdomeinen.  Volwassen identiteit: Het verwerven van een volwassen identiteit. Toegeeflijk: Het kind wordt alles toegelaten en het ontbreekt aan grenzen en controle. Empirisch-inductief: Het rechtstreeks vaststellen van de verklaring afgeleidt uit de vaststellingen zelf. Gezaghebbend: De ouders stellen zich controlerend op en stellen hoge verwachtingen. of dat wat anderen gebeurd hen nooit kan overkomen. bij het doorvoeren van de eigenlijke toetsingsarbeid. Uniciteit: Een gevoel boven al het andere verheven te zijn. volwassen identiteit. en de oordelen die hij opvangt vanwege anderen. die van de leeftijdsgenoten en die van de ouders. tot een evenwichtige keuze te komen. Realistische periode: Vanaf 17 jaar. Responsiviteit: De mate waarin ze gevoelig zijn voor zijn noden en behoeften en daar in hun verwachtingen en hun feitelijke omgang voldoende rekening mee te houden. zonder af te vragen of dat de enig mogelijke uitleg is en of die ook nog klopt. Het kind laat de voorkeuren bepalen door identificaties met de volwassene of op basis van toevallige ervaringen. Demandingness: De mate waarin de ouders de jongere aanspreken op zijn competenties. Beginnende confrontatie tussen eigen interesses. Opvoedingsstijlen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Fantasieperiode: Tot 11 jaar. 2. geen enkele mogelijkheid over het hoofd wordt gezien. • Continuïteit en erkenning: De adolescent moet er na verloop van tijd toe komen om. doorheen de wisselende rollen en omstandigheden die het leven met zich mee brengt. om er zeker van te zijn dat nadien. Combinatorische analyse: Er wordt vooraf nagegaan welke diverse combinaties van factoren er zoal in aanmerking komen. Kohnstamm: Conflict is basis voor groei.

H10. zowel relationeel als professioneel. Postformeel denken: Het denken wordt realistischer en efficiënter. Kernconflict van de jongvolwassenheid: Het verlangen naar intimiteit. Middenouderdom: 70/75-80/85 jaar. en zich als zodanig ook als erkend en herkend te weten door de mensen die voor hem belangrijk zijn. Hoge ouderdom: Vanaf 80/85 jaar tot de dood. Triangulaire/ driehoekstheorie van de liefde (Sternberg): Een complete liefdesrelatie bevat 3 belangrijke componenten. Multifactorieel: Niet alleen biologische. passie en inzet. Postmenopauze: Periode na afloop van de menopauze.com . Jongvolwassenheid: 20/25-30/35 jaar.nest syndroom: Sommige vrouwen voelen zich functieloos en overbodig wanneer de kinderen het huis uit zijn. Laatvolwassenheid: 50/55-60/65 jaar.Stuvia.  Stagnatie: Negatieve pook waarbij het individu zichzelf gaat vertroetelen alsof het zijn eigen. vanuit een nieuw verworven vrijheid. De fase waarin er wat meer routine komt in de engagementen en waarin de activiteiten in werk en gezin stilaan naar hun einde toe lopen. Kernconflict van de middenvolwassenheid: Generativiteit. • Communicatie: Samensmelten.  Vapeurs: Opvliegingen/ warmteaanvallen. Lege. Premenopauze: Periode voorafgaand aan de menopauze met zeer onregelmatige bloedingen. H9. Menopauze: Het moment van de laatste menstruatie. enige en geliefde kind was. zijn leven helemaal opnieuw in te richten.  Leidt tot identiteitsvoltooiing. . • Distantie: Tegenover elkaar stellen.  Penopauze: Stress bij mannen na de andropauze.  Andropauze: Menopauze voor mannen. Climacterium: Overgang. Oudere volwassenheid: Tijd waarin men de mogelijkheid krijgt om. Moratoriumfase/ laboratoriumfase: Wachtperiode/ uitstel voor het maken van belangrijke toekomstkeuzes.  Isolement: Distantie zonder communicatie.  Generativiteit: Het scheppen of teweegbrengen van iets dat de eigen persoon overstijgt en dat er hopelijk nog zal zijn wanneer men er zelf niet meer is.  Intimiteit: Het uitbouwen van een warme en duurzame relatie met een vaste partner. Vroege ouderdom: 60/65-70/75 jaar.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal zich toch nog steeds als dezelfde persoon te ervaren. vaste bindingen aan te gaan. door het toepassen van nieuwe denkvormen in de complexe situaties waarin volwassenen terechtkomen en de toenemende deskundigheid die ze daarbij ontwikkelen. De fase waarin met volledig geëngageerd is in de keuzes die men gemaakt heeft. Middenvolwassenheid: 30/35-50/55 jaar.  Toenemende kans op Osteoporose: Brozer worden van de beenderen. De volwassenheid. Deficitmodel: Model waarbij slechts gefocust wordt op de tekortkomingen van ouderen. Intimiteit. maar ook psychologische en sociale factoren spelen een actieve rol in de manier waarop ouderen evolueren. De fase waarin jongeren er na enige tijd toe komen om. De oudere volwassenheid.

Terminale daling: De vaststelling dat mensen de laatste jaren voor hun dood cognitief minder presteren. Impliciete geheugen: Niet-bewuste/ automatische leerprocessen. Rust-roest-model: Optimistisch beeld over de ouderdom.Stuvia. die ontstaan doordat de kraakbeenkussens dunner worden. Optimaliseren: Het zo verstandig mogelijk inzetten van de mogelijkheden die men heeft. zoveel en zolang mogelijk zelfstandig hun eigen keuzes kunnen maken. waarna het slachtoffer op een wreedaardige manier aftakelt. Analytische intelligentiestijl: Zoals bij het maken van een snelheidsberekening. mede aan de hand van de mechaniek. Contextuele theorie van de intelligentie (Sternbergs): De relatie tussen de intelligentie en de context waarin iemand zich bevindt.  Fysiologisch geprogrammeerde Hardware. Ziekte van Huntington: Pas in de middenvolwassenheid worden de symptomen zichtbaar. 2.  Cultureel bepaalde Software. Tijdsgerelateerde opdrachten: Men moet er helemaal zelf toe komen om een bepaalde herinnering op te roepen op het juiste moment. wordt naar andere mogelijkheden gezocht om het beoogde doel toch te bereiken. 1. Retrospectief geheugen: Stelt ons in staat terug te kijken naar voorbije gebeurtenissen. Vrije radicalen: Chemische stoffen die vrijkomen bij de verbranding van suikers in de cellen. waarbij bejaarden met de nodige oefening en stimulans hun volle psychische mogelijkheden kunnen behouden tot in lengte van jaren (Use it or lose it). Autonomiemodel: Aangeboden hulp beperkt zich voornamelijk tot het presenteren van een waaier van mogelijkheden waaruit de senioren zelf. 3. zelfs wanneer op het moment zelf nog niets laat vermoeden dat ze niet lang meer te leven hebben. Sinusknoop: Groepje cellen in de rechterboezem dat dienstdoet als gangmaker voor de harslag (Hiervoor wordt de hartspier minder gevoelig). Trainingsmodel: Passend bij Rust-roest-opvatting. Creatief-synthetische intelligentiestijl: Ontdekken van nieuwe samenhangen en nieuwe problemen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Artrose: Pijnlijke vervormingen ter hoogte van de gewrichten. Selecteren: Men beperkt zijn doelstellingen en streeft enkel nog na wat men echt belangrijk vindt. Praktische intelligentiestijl: Het oordelen met gezond verstand. Verzorgingsmodel: Passend bij Deficitopvatting. Senescentie: Veroudering. Progeria: Zeldzame ziekte waarbij de drager een razendsnelle veroudering ondergaat. Prospectief geheugen: Stelt ons in staat vooruit te kijken naar komende gebeurtenissen. Pragmatiek: Het geheel van kennis en vaardigheden die we. en oud en versleten sterft nog vóór hij 15 jaar is. Gebeurtenisgerelateerde opdrachten: Een externe prikkel dient als aanzet om een bepaalde herinnering op te roepen op het juiste moment.com . in de loop der jaren verworven hebben.  Antioxidanten bestrijden deze om zo uitschakeling van de organen tegen te gaan. Mechaniek: De manier waarop de hersenen in het algemeen met informatie omgaan. Compenseren: Bij het tekortschieten op één termijn. niet als (hulpbehoevende) patiënt maar als cliënt. . Paul Baltes.

Ouderen doen er goed aan om zich geleidelijk terug te trekken uit het actieve leven. Ross):  Ontkenning.  Wanhoop: Niet-geslaagde zinvolle afsluiting van het leven. Op die manier kunnen ze hun alertheid en vitaliteit instandhouden en zich blijvend nuttig voelen.  Depressiviteit. Independence-ignore script: Onafhankelijk gedrag wordt systematisch genegeerd. .  Woede -> Marchanderen (Dingen toezeggen op te geven.Stuvia. Kernconflict van de oudere volwassenheid: De zinvolle afsluiting van het leven. Disengagementstheorie: Onthechtingstheorie.com .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Dependence-support script: De verzorger reageerd telkens heel positief wanneer het individu zich afhankelijk opsteld. Activiteitstheorie: Ouderen kunnen het best zo lang mogelijk actief blijven. Copingmechanismen: Strategieën die mensen gebruiken om problemen waarmee ze geconfronteerd worden.  Ego-integriteit: Geslaagde zinvolle afsluiting van het leven. Gerotranscendentietheorie: De tendens tot transcendentie.  Onderhandelen. het hoofd te bieden. De ouderen hebben de neiging om het leven meer filosofisch te bekijken (minder materialistisch). Ze kunnen de blik beter naar binnen richten om zich zo in alle rust voor te bereiden op de dood.  Aanvaarding. Confrontatie met de dood in 5 Fasen (Kublerr. bijvoorbeeld nooit meer roken).

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->