P. 1
Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en Diagnostiek

Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en Diagnostiek

|Views: 187|Likes:
Published by Stuvia.com
Deze samenvatting geeft een uitgebreide en gedetailleerde samenvatting van alle hoofdstukken behalve hoofdstuk 1. Hoofdstuk 1 is op de Universiteit Leiden niet verplicht te lezen of te studeren, daarom is deze weggelaten.
Deze samenvatting geeft een uitgebreide en gedetailleerde samenvatting van alle hoofdstukken behalve hoofdstuk 1. Hoofdstuk 1 is op de Universiteit Leiden niet verplicht te lezen of te studeren, daarom is deze weggelaten.

More info:

Published by: Stuvia.com on Jul 19, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $5.20 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

01/02/2014

$5.20

USD

pdf

Kinder- en Jeugdpsychiatrie: Onderzoek en Diagnostiek

by

danielletie

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material
Buy and sell all your summaries, notes, theses, essays, papers, cases, manuals, researches, and many more..

www.stuvia.com

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

Samenvatting Kinder- en Jeugdpsychiatrie
Dit is de samenvatting van het boek Kinder- en Jeugdpsychiatrie, onderzoek en diagnostiek. Deze samenvatting bevat alle hoofdstukken behalve hoofdstuk 1 (de opkomst van de kinder- en jeugdpsychiatrie).

Universiteit leiden Danielle G. Pedagogische Wetenschappen Samenvatting voor het vak: Clinical Assessment and Treatment general introduction. 24-10-2012

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

Inhoudsopgave Hoofdstuk 2: Principes Hoofdstuk 3: Van multidisciplinair onderzoek naar interdisciplinair denken Hoofdstuk 4: Het diagnostisch interview met het kind of de jeugdige Hoofdstuk 5: Het diagnostisch interview met ouders Hoofdstuk 6: Het diagnostisch interview met het gezin hoofdstuk 7: Het psychodiagnostisch persoonlijkheidsonderzoek Hoofdstuk 8: Neuropsychologisch onderzoek Hoofdstuk 9: Aanvullende informatie over het schools functioneren Hoofdstuk 10: Aanvullende informatie over het lichamelijk functioneren Hoofdstuk 11: Groei-, regulatie- en hechtingsstoornissen bij het jonge kind Hoofdstuk 11.2: Slaapstoornissen Hoofdstuk 11.3: Genderidentiteitsstoornis Hoofdstuk 11.4: Eetstoornissen bij de adolescent Hoofdstuk 11.5: Ticstoornissen Hoofdstuk 12: Organisch psychiatrische stoornissen Hoofdstuk 13: Pervasieve ontwikkelingsstoornissen Hoofdstuk 14: Schizofrenie Hoofdstuk 15: Stemmingsstoornissen Hoofdstuk 16: Angststoornissen Hoofdstuk 17: Dwangstoornissen Hoofdstuk 18: Somatoforme stoornissen Hoofdstuk 19: Aandachtstekort-/hyperactiviteitsstoornissen Hoofdstuk 20: Oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen Hoofdstuk 21: Onderzoek en diagnostiek bij dove kinderen en jeugdigen Hoofdstuk 22: Verstandelijke gehandicapten Hoofdstuk 23: Ernstige sociale of psychosociale problematiek Hoofdstuk 24: Diagnostiek bij leer- en gedragsproblemen op school Hoofdstuk 25: Jeugdpsychiatrisch onderzoek in forensisch kader Blz: 02 Blz: 08 Blz: 10 Blz: 12 Blz: 15 Blz: 18 Blz: 22 Blz: 29 Blz: 30 Blz: 32 Blz: 36 Blz: 37 Blz: 39 Blz: 41 Blz: 42 Blz: 44 Blz: 49 Blz: 52 Blz: 57 Blz: 61 Blz: 63 Blz: 66 Blz: 71 Blz: 74 Blz: 79 Blz: 85 Blz: 89 Blz: 94

1

2 .com . maar niet met ieder ander 3: Die aspecten die uniek zijn en dus niet gedeeld worden met anderen Classificeren is alleen mogelijk voor kenmerken behorend tot de tweede categorie. Kendell 1975 benadrukte het belang van het hanteren van diagnostische categorieen (classificeren) door de volgende drie aspecten aan ieder mens te onderscheiden: 1: Die aspecten die een mens deelt met ieder ander 2: Die aspecten die een mens deelt met sommigen. hypothesevorming en verificatie. Voor de dagelijkse praktijk van de kinder.en jeugdpsychiatrie geïsoleerd raken van de andere medische disciplines. Het diagnostische proces is op te vatten als een continu proces van gegevensverzameling.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 2: Principes Zonder diagnostiek zou er geen wetenschappelijk onderzoek en uitwisseling van wetenschappelijke gegevens mogelijk zijn. Categoriseren is nodig om kennis te vergroten en over te dragen.en jeugdpsychiatrie geldt dat de volgende aspecten van diagnostiek van belang zijn: 1: Diagnostische gegevensverzameling 2: Keuze van interventie 3: Opleiding van clinici 4: Organisatie van zorg 5: Kennisvermeerdering Diagnostische begrippen zijn niet statisch maar aan verandering onderhevig en dat deze begrippen geen absolute objectieve waarheid in zich bergen. ordening.Stuvia. Daarbij zou kinder.

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

Assessment = het vaststellen van diagnostische gegevens. Zodra het contact is (kan ook telefonisch) gelegd begint het proces van vaststelling. Assessment wordt gedefinieerd als het vaststellen van de onderscheidende kenmerken van het individu. Taxonomie = leer van de rangschikking, het groeperen (bv syndroom) van individuen op basis van hun onderscheidende kenmerken. Dit zijn classificaties die tot doel hebben om intrinsieke verschillen weer te geven tussen individuen behorend tot verschillende klassen Classificatie = heeft betrekking op iedere vorm van systematische ordening van individuen in groepen. Bijvoorbeeld DSM, is gebaseerd op principes van medische taxonomie. Classificatie is eigenlijk een kwantitatief proces waarin de mate waarin een object tot een klasse behoort wordt afgewogen. Diagnose in engere zin/formele diagnose = toekenning van een diagnostische categorie, dit maakt het mogelijk om een individueel geval te vergelijken met soortgelijke individuen die een aantal kenmerken gemeenschappelijk hebben. Classificeren in de zin van het onderbrengen van individuen in de categorieen van een diagnostisch classificatiesysteem zoals de DSM-IV of ICD Diagnose in ruimere zin = het onderzoeken of vaststellen van de oorzaak of de aard van een toestand, situatie of probleem en een uiteenzetting of conclusie betreffende de oorzaak of de aard van een bepaald fenomeen, evenals een inschatting van de therapeutische mogelijkheden. Dit wordt vooral in de klinische praktijk gehanteerd. De bio psychosociale (gegevens over lichamelijk functioneren) diagnose valt hier ook onder. Een diagnose in ruimere zin bevat sowieso: Idiografische (een getailleerde weergave van voor het individu unieke kenmerken) als nomothetische (verwijzend naar algemene of voor groep gebruikende kenmerken) Evaluatie van behandeling: kan in de klinische praktijk systematisch uitgevoerd worden door gebruik te maken van gestandaardiseerde diagnostische procedures. De kwantitatieve aard  Clinici hebben meestal een voorkeur voor categorieen, aangezien zij genoodzaakt zijn beslissingen te nemen die vrijwel altijd een categoraal karakter hebben. Een kind of jeugdige komt bv wel of niet in aanmerking voor een behandeling, hier zit niets tussen. Psychopathologie staat in contract met categorieen, veel pathologie is niet categoraal. Er gaat waardevolle informatie verloren wanneer geforceerd geprobeerd wordt te besluiten of een kind al dan niet depressief, hyperactief of overmatig angstig is. Indien gewenst is het mogelijk om cutoff points oftewel afkappunten te hanteren, bijvoorbeeld met het IQ, of verstandelijke beperking zoals licht, matig, ernstig en diep. Grenzen tussen afwijkend en niet-afwijkend zijn door mensen gemaakte conventies die herzien kunnen worden. Het ontwikkelingsaspect speelt hierin een grote rol: probleemgedrag moet beoordeeld worden tegen de achtergrond van de leeftijd van het kind of jeugdige.

  

De contextgebondenheid en de noodzaak tot meerdere informanten  Cruciaal is het belang dat wordt ingezien van het verkrijgen van verschillende informanten ten einde een zo compleet mogelijk beeld van het functioneren van het kind of jeugdige op te bouwen. (ouders, leerkrachten, jeugdige, clinici)

3

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

  

Verschillen in rapportage kan afhangen van: verschillen in tolerantie/perceptie, verschillen in invloed op het gedrag van het kind, verschillen in situatie-afhankelijkheid van het kind (op school, of thuis) Voor jeugdigen geldt vaak dat zij beleving, gevoelens en fantasieën niet zo makkelijk zullen delen met ouders of leerkrachten. In individuele gevallen moet er beoordeeld worden in hoeverre een informant geschikt is voor dat ene geval. Het is de taak van de clinicus/researcher, om de complexe informatie vanuit verschillende bronnen tot een geheel te integreren door weging en interpretatie van deze gegevens.

Het begrip ziekte of stoornis  Vanuit de platonische zienswijze worden ziekten beschouwd als entiteiten, onafhankelijk en op zichzelf staand. De uitingen van ziekten zijn uniform en zijn ziekten bestaande en wezenlijke verschijnselen, vergelijkbaar met soorten uit het plantenrijk Vanuit hippocratisch of empirisch gezichtspunt zijn ziekten door mensen afgesproken concepten. Ziekte heeft te maken met een afwijking van de norm. Psychiatrische stoornissen laten zich vrijwel niet te omschrijven als entiteiten, het zijn door mensen gemaakte abstracties die geschikt zijn voor communicatie en voor onderzoek en kunnen op ieder moment gewijzigd worden op basis van recente inzichten of behoeften.

 

De gevalsdefinitie     Er zijn situaties waarin het vaststellen van psychische gestoordheid werkelijk van belang is. Bijvoorbeeld bij verwaarlozing en trauma en het toewijzen tot één bepaalde ouder. Er is een grens opgesteld tussen normaal/gestoord, probleemkind/niet-probleemkind. Het criterium die deze grens bepaalt wordt ook wel morbiditeitscriterium genoemd. Een probleem in de psychiatrie is dat er nauwelijks algemeen onderschreven morbiditeitscriteria bestaan en dat de criteria sterk kunnen verschillen. Criterium ‘’individuele problemen’’  deskundigheid: vaststelling van problemen behoeft weinig deskundig oordeel.  Positieve kenmerken: over het algemeen goed vast te stellen door definitie  negatieve kenmerken: zegt weinig over algeheel niveau van gestoordheid van het individu Criterium ‘’ somscores’’  deskundigheid: gestandaardiseerde instrumenten  positieve kenmerken: eenvoudig, norm gerelateerd, goede betrouwbaarheid, redelijke correlatie met andere criteria, kan dimensioneel als categoraal gehanteerd worden, zowel algeheel functioneren als voor specifieke syndromen  Negatieve kenmerken: voor clinici vaak wat te omslachtig in de praktijk en meestal geen differentiatie naar ernst van de individuele problemen. * behalve deze statische benadering zijn er ook nog twee externe morbiditeitscriteria: de doorverwijzing van een kind naar GGZ instelling en het klinisch psychiatrische oordeel. Criterium ‘’klinische benadering’’  deskundigheid: vereist klinische ervaring  Positieve kenmerken: sluit nauw aan bij praktijk, zowel voor algeheel functioneren als voor specifieke syndromen en klinische diagnosen. 4

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

 Negatieve kenmerken: geringe betrouwbaarheid, arbeidsintensief en kostbaar, moeilijk aan normen te relateren. De kwaliteit van het diagnostische proces: betrouwbaarheid  Betrouwbaarheid heeft te maken met de mate van consistentie waarmee een testresultaat of een diagnose verkregen wordt, er vanuit gaande dat de werkelijke testwaarde of diagnose niet verandert. Betrouwbaarheid van een diagnostische procedure wordt nogal eens opgevat als een intrinsiek kenmerk van de procedure. Dit is niet juist, betrouwbaarheid is afhankelijk van de populatie waarin de procedure wordt gebruikt en van de manier waarop de betrouwbaarheid wordt getoetst. De drie belangrijkste vormen van betrouwbaarheid: 1) Test-hertest betrouwbaarheid: met een tijdsinterval opnieuw meten 2) Tussenbeoordelaar/ouder betrouwbaarheid: twee of meerdere clinici geven bv een diagnose 3) Interne consistentie: verkrijg je dezelfde informatie uit variabele die hetzelfde meten (cronbachs alpha). Dit is een functie van de onderlinge relatie van de items van een test. Betrouwbaarheid berekenen met categorale variabelen (bv DSM diagnosen) 1) Kappa: maat voor betrouwbaarheid waarin rekening wordt gehouden met de kansovereenstemming. Waarde 1,00 = volledige overeenstemming, 0 = niet hoger is dan op basis van kans te verwachten is en negatieve waarden wanneer de overeenstemming zelfs slechter is dan op basis van kans te verwachten is. 2) Pearson correlatiecoëfficiënt (r): -1,0 en +1,0 3) T-toetsen 4) Intraclass correlatiecoëfficiënt ICC: een betrouwbaarheidsmaat die zowel gevoelig is voor verschillen in rangorde van scores als voor verschil in gemiddelde (t-toets). * Sommige auteurs vermelden zowel de correlatiecoëfficiënt als de resultaten van t-toetsen om betrouwbaarheid weer te geven.

De kwaliteit van het diagnostische proces: validiteit   Is een term afkomstig uit de psychologische testresearch die te maken heeft met de nauwkeurigheid waarmee een test meet wat hij beoogt te meten. Validiteit kan op een aantal manieren getoetst worden: 1) Inhoudsvaliditeit: passen de vragen/kenmerken van het interview (bv) bij wat je wilt meten? 2) Constructvaliditeit: één van de meest belangrijke maar ook controversiële. Het is het theoretisch voorspelde verband tussen een bepaalde maat of construct en een netwerk van andere relevante variabelen. Andere uitleg: gaat over de vraag of de resultaten van een onderzoek wel werkelijk een indicatie zijn voor het begrip waarover je een uitspraak wilt doen. Resultaten van een onderzoek kunnen perfect aansluiten bij de theorie, maar er kan onvoldoende rekening zijn gehouden met andere variabelen die ook invloed hebben op het onderzochte begrip. Constructvaliditeit is verder te onderscheiden in convergente- en divergente validiteit 3) Criterium-gerelateerde validiteit: Hiermee wordt het vermogen bedoeld van een bepaald instrument of diagnostische construct om een extern criterium te voorspellen. Bijvoorbeeld het klinische oordeel kan worden gebruikt als extern criterium. Als bijvoorbeeld een verkoper wordt

5

De oorzaak van gedrag. afweermechanismen. zoals intelligentie en schoolvaardigheden met gestandaardiseerde tests gebruikt en statistische analysetechnieken (CBCL). De sensitiviteit kan vergroot worden door de drempelwaarde tussen gestoord/normaal te verplaatsen naar links. Verschillende invalshoeken  Medische invalshoek: de diagnosticus onderzoekt of het symptoom werkelijke hallucinaties dan wel pseudohallucinaties betreft. er is geen omschreven criteria. De psychodynamische invalshoek met zijn rijke historie en een schat aan klinische ervaring raakt los van de huidige kinder. ligt buiten het individu en is afkomstig vanuit de omgeving. aangezien zij kunnen variëren met de steekproeven waarop ze zijn gebaseerd en met de referentiewaarden die gekozen zijn.     Predictieve waarde De nauwkeurigheid van een test kan ook uitgedrukt worden als de mate waarmee test positiviteit of test negativiteit de aanwezigheid of afwezigheid van een stoornis voorspelt. Psychodynamische invalshoek: onbewuste conflicten.en jeugdpsychiatrie. maar is hij in het echt dan ook goed? Sensitiviteit en specifiteit  Sensitiviteit en specifiteit dienen niet beschouwd te worden als vaststaande eigenschappen van een test. en behoorlijk interpretatief. Leertheoretische invalshoek: aanname dat menselijk gedrag uitsluitend verklaard kan worden vanuit observeerbare stimuli en responsen. Je kunt hierbij denken aan het meten van psychologische kenmerken. Systeemtheoretische invalshoek: gezinsfunctioneren. scores die aangeven wat de relatieve positie van een individu is ten opzichte van referentiegroepen. De meeste psychodynamische begrippen zijn niet operationeel gedefinieerd.com . De DSM is vanuit het klassieke medische model. echt dit gaat gepaard met een groter aantal fout-positieven en dus met een lagere specificiteit. fixaties en egofuncties. Hoe hoger de specifiteit  Deze te groter de kans dat de niet-vastgestelde diagnose ook daadwerkelijk klopt. Gericht op Freud (het metapsychologisch profiel Anna Freud). regressies. Hoe hoger de sensitiviteit  Des te grotere kans dat bijvoorbeeld de vastgestelde diagnose ook daadwerkelijk klopt. wordt er gekeken naar het resultaat van de test. Met andere woorden een jongen zal dan al bij relatief lage score als gestoord beschouwd worden. Psychometrische invalshoek: heeft zijn historische wortels in de psychologie. oftewel dat het klopt dat de cliënt geen diagnose heeft gekregen. dus ook van abnormaal gedrag. aangezien diverse onderzoeken hebben aangetoond dat kids die in problematische gezinssituaties opgroeien een groter risico te lopen op 6     . bv populatienorm.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material gemeten of hij een ‘’goede’’ verkoper is. Samengevat: groot aantal items. Empirische syndromen kunnen dus opgevat worden als de statistische tegenhangen van klinische syndromen. Vergroting van de sensitiviteit van een test zal altijd gepaard gaan met een verlaging van specifiteit en andersom. gebruik van kwantitatieve scores. Hierbij dienst rekening gehouden te worden met het ontwikkelingsniveau en met het hierbij passende vermogen tot realiteitstoetsing.Stuvia.

geringe ouder-kind overeenstemming. kunnen goede psychometrische eigenschappen hebben. Nadelen Beperkt tot visie van de informant. controle. norm-gerelateerd. Multiaxiale diagnostiek Er zijn verschillende manieren om de veelheid van informatie te coördineren. kunnen relatief zeldzame gedragingen bevatten. de bekendste is het multiaxiale classificatiesysteem van de DSM en de ICD. Achenbach heeft bijvoorbeeld een multiaxiaal assessmentsysteem ontwikkeld om het proces van vaststelling van diagnostische gegevens te coördineren. Er wordt gericht op affect. De DSM brengt informatie vanuit verschillende domeinen in de volgende assen onder: . ziekten hebben. Comorbiditeit is in wezen de term die vanuit een categorale benadering niet anders aanduidt dan de term ‘’correlatie’’ vanuit een kwantitatieve benadering Voor en nadelen van vragenlijsten en interviews Methode Vragenlijst Voordelen Eenvoudig te gebruiken. communicatie en eigenschappen van het gezin als systeem.Psychosociale stressoren en omgevingsstressoren . mogelijkheid om antwoorden verder te exploreren. weliswaar bij elkaar voorkomende. goedkoop. interviews.com .Persoonlijkheidsstoornissen. Comorbiditeit Een kind kan verschillende.Somatische stoornissen . verstandelijke handicap .Stuvia.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material de ontwikkeling van psychopathologie dan kinderen die in harmonische gezinnen opgroeien.Klinische syndromen en andere gebieden die een punt van aandacht kunnen zijn van de clinicus . bestrijkt groot gebied. die ieder eigen diagnostiek en/of therapie behoeft. beperkt tot gestructureerde scores van gestandaardiseerde items Geringe betrouwbaarheid van het interview van het kind en jeugdige.Algemeen niveau van functioneren Een combinatie van testen van een kind: anamnese. Wederzijdse interactie tussen de clinicus en de geïnterviewde. neurologisch onderzoek en om de veelheid om informatie te coördineren. beperkte overeenstemming tussen verschillende informanten. Klinische interview 7 .

Hulpverlening concentreert zich rond een drietal opeenvolgende vragen 1) Wat is er aan de hand? 2)Wat moet er gebeuren? 3) Hoe moet dat gebeuren? Breed wordt onderkend dat een aanzienlijk deel van de kinderen en jeugdigen binnen de jeugdzorg zich slechts laat begrijpen met behulp van multidimensionale diagnostiek door een multidisciplinair team. Dit laatste geldt ook voor hulpverleners onderling. toetsen. Disciplinaire antwoorden geïntegreerd in een multidisciplinaire visie wordt als het meest objectieve. Biopsychosociale diagnostiek* 1)Wordt geïntegreerd in een totaalvisie op kind of jeugdige en gezin 2)Biologisch lichamelijke ontwikkeling. Als bio-psychosociaal deskundige moet de kinder. Test. om de complexe informatie vanuit verschillende bronnen tot een geheel te integreren door weging en interpretatie van deze gegevens. naar theorievorming over het individuele geval door meerdere deskundigen in samenspraak. een playing captain 8 .Stuvia. De voorwaarden van een multidisciplinaire diagnostiek: 1) Alle deskundigen moeten een voor elkaar begrijpelijke gemeenschappelijke taal spreken 2) Er moet sprake zijn van ervaring in en bereidheid tot samenwerking 3) Er moet sprake zijn van hypothese toetsing 4) een werkmodel.en interactionele psychopathologie op de kinderleeftijd en in de adolescentie. Dit is een reden voor een multidisciplinair team. Proces Kinder. het beste de waarheid benaderende antwoord beschouwd.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 3: Van multidisciplinair onderzoek naar interdisciplinair denken (onderzoek en diagnostiek) Met multipele informanten is een antwoord op de vraag te benaderen. Multidisciplinaire diagnostiek Samengestelde problematiek neemt een ingewikkelde diagnostische procedure met zich mee. emotionele ontwikkeling. waarbij gestreefd moet worden naar integratie.en jeugdpsychiatrische diagnostiek is omwille van de ontwikkelings georiënteerdheid biopsychosociale diagnostiek en vindt.en jeugdpsychiater in staat worden geacht om met één paar hersenen de processen op alle niveaus te overzien en te integreren. * Deze stappen volgen elkaar op. De clinicus kan dit echter niet alleen. Onderzoek als 1e stap van een diagnostisch proces vindt plaats tegen de achtergrond van kennis van de normale ontwikkeling. van de dyade en van het gezin plaats. sociale ontwikkeling 3)Bepalen de behoefte aanvullende onderzoek betreffende 4)Observaties Onderzoek. Teamwork Het is de taak van de clinicus. van de sociale context en van de somatoen ontwikkelings. maar er bestaat in de regel. niet één antwoord. zoals beschreven. Vragenlijsten. op het niveau van het individu. cognitieve ontwikkeling. een frame of reference 5) Een regisseur. als er sprake is van GGZ-problematiek.com .

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Monodisciplinair: Er is sprake van je eigen discipline.com .Stuvia. je zoekt een oplossing uit puur je eigen visie Interdisciplinair: Er is geen sprake van aparte disciplines Multidisciplinair: Meerdere disciplines binnen een werksetting 9 .

waar slaap je. drugs) . In de jaren 60/70 werden er gestructureerde interviews ontworpen.Lichamelijke klachten (slapen. eten.Angsten (zenuwachtig.Stemming (rot. hoe is dat bij jou. hoe vaak.Seksualiteit (seks gehad. Op dit moment wordt er nog hoofdzakelijk klinische interviews gehanteerd. 2)Het geven van opdrachten en het stellen van projectievragen. weglopen. pijn in buik/hoofd.Traumata (heb je ooit iets naars meegemaakt.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 4: Het diagnostische interview met het kind of de jeugdige (OD) Inleiding Het interview neemt een centrale positie in bij de diagnostiek van psychiatrische stoornissen.School (welke groep. is seksualiteit een probleem voor jou) . verdrietig. hoe oud. het is dan ook één van de kernvaardigheden die de diagnosticus leert. vaak huilen. wat vind je leuk. of waar ben je trots op. 10 . maar ook op de manier waarop het kind met deze taak omgaat en antwoorden geef. of wat zou een vriend over jou zeggen) . hoe ging je daar mee om. zorgen) Uiteraard dient ook aandacht aan de aanmeldingsreden of andere specifieke problemen gegeven te worden.Vrienden (Hoeveel. plassen) .Agressie en antisociaal gedrag (boos/woedend. vechten. Het is aan te bevelen binnen de klinische praktijk gebruik te maken van interviews die goede psychometrische eigenschappen hebben (waarover gepubliceerd is). pikken. Het vraaggesprek De volgende aandachtsgebieden zijn belangrijk om te behandelen: . schrikkerig of gespannen. hoe is dat bij jou?) .Zorgen (Kinderen piekeren. lijnen. moeite met opletten.Stuvia. denk aan de dood/ iets naars) . Het klinisch diagnostisch interview Het klinisch interview valt in drie componenten uiteen: 1)Het vraaggesprek en de informatie die het kind via zijn antwoorden verschaft. dieren.com . ziek of dood) .Alcohol/drugs (sterke drank/bier. dit omdat de beperkte betrouwbaarheid en de variatie te groot is in interviewsoorten. computer. straf. Opdrachten en projectievragen Het gaat niet alleen om de inhoud van de antwoorden of de prestaties. papa en mama lief) . Van belang is dat er ruim aandacht wordt besteed aan de training voor de afname en scoring. geplaagd) .Zelfbeeld (wat vind je van jezelf. vreetbuien. wat vind je het stomst) . met dit hoofdstuk wordt hierbinnen nog enige structurering aangegeven. waar ken je ze van.Hobby’s en andere activiteiten (hobby’s. hoeveel kamers.Gezin (Wie wonen er thuis. klas uitsturen) . 3)De observatiegegevens die tijdens het interview ter beschikking komen. Diagnostiek van psychopathologie op de kinderleeftijd en in de adolescentie vergt van de clinicus dat er keuzen gemaakt worden met betrekking tot het te hanteren methoden om de nodige informatie te verzamelen. hoe vaak zie je ze. tv programma’s) .

of ouder. oog-hand coördinatie. taal. voetballen Laat linker/rechter voet/hand zien. Motoriek: fijne. impulsiviteit en frustratietolerantie Gedrag algemeen: agressief. dwanghandelingen. 1) Dekking onderwerpen 2) Manier informatie verzamelen uniform 3) Pas diagnose nadat alle info er is 4) Gestructureerde informatie combineren Respondent georiënteerd interview: vragen gestructureerd. Bedoeling van gestructureerde interviews. hinkelen. blokkentoren. knippen. springen. lichamelijke klachten. Wat zou jij kiezen? Wat wil je later worden? Hoe ziet jou toekomst eruit? Stel dat ik aan een goede vriendin zou vragen wat voor iemand jij bent? Stel dat je een dag koningin zou kunnen zijn. wie neem je mee? Welk dier zou jij willen zijn? Stel dat je kon kiezen tussen baby zijn. schouders. kennis Activiteit. enzovoorts Bv gezinstekening. traplopen. wat zou je doen? Kind laten schrijven. prikkelbaar) Prestatieniveau en denken: Spraak. vlak. kan extra vragen stellen. tekenen. wijs neus.com . Interviewer georiënteerd interview: Interviewer bepaalt symptoom aanwezig of niet. spontaan spel of poppenhuis Kind. bewustzijn en oriëntatie. respondent bepaalt of symptoom aanwezig is. maak een tekening van je huis met jullie erbij Afhankelijk van leeftijd. test begrip van woorden. 11 . grove motoriek Zintuigen: Functies.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material TAKEN Fijne motoriek Grove motoriek Lichaamsbesef Tekenen Spel Rekenen Taaal PROJECTIEVRAGEN Drie wensenvraag 100 vraag Onbewoond eiland Diervraag Leeftijdvraag Toekomstvraag Zelfbeeldvraag Almachtvraag Observatiegegevens           Algemeen: uiterlijk. aandacht. Gewetensfunctie Spel Contact: kwaliteit. Balvangen met beide handen. Stemming en affect: (somber. gewoonten. stoornissen.Stuvia. puzzelen. oogcontact. Wat zou jij wensen? Stel je vindt 100 euro op straat. maar geen controle op interpretatie van geïnterviewde. contact met ouders. denken. afhankelijk van niveau tel of rekenopdrachtjes. wat zou je doen? Je mag één iemand meenemen. Iets laten voorlezen. nadeel is meer variatie dus minder betrouwbaarheid. grotere betrouwbaarheid. seksueel uitdagend.

Zich bewust zijn van eigen aandeel in de interactie en dit gericht hanteren . maar ook aan goed functioneren (!) .gezinssfeer  12 .Concrete beschrijvingen van de klachten .Toekomstverwachting van de ouders wat betreft prognose van de klachten .Tijdsverloop van de klachten wat betreft ernst en samenhang met gebeurtenissen .Ernst .Gericht vergaren van feitenmateriaal.com .Visie van de ouders op oorzakelijke factoren .Een goed evenwicht tussen open en gesloten vragen .Voldoende aandacht aan disfunctioneren.prikkelgevoeligheid baby .Interventies van de ouders .psychische aspecten Eerste levensmaanden .Ervaringen van de ouders met eerdere hulpverlening Overzicht van belangrijkste onderwerpen in de ontwikkelingsanamnese  Zwangerschap en geboorte .Somatische aspecten .ouder-kind relatie .Gevoelsmatige impact van de klachten op het kind en gezin .Situatie gebonden karakter van de klachten .Verwachtingen van ouders ten aanzien van hulpverlening .Regelmatig samenvattend reflecteren van het besprokene .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 5: Het diagnostische interview met ouders (onderzoek en diagnostiek) Het ouderinterview is op de eerste plaats een ‘’diagnostisch instrument’’ dat tot doel heeft inzicht te verkrijgen in: 1) De reden van aanmelding (probleemgedrag en de hulpvraag inventariseren) 2) De factoren die verantwoordelijk zijn voor het ontstaan en/of persisteren van het probleemgedrag 3) De behandelingsmogelijkheden van kind en gezin 4) Een werkrelatie opbouwen Als interviewer moet je de beschikking hebben over: 1) Kennis van normale ontwikkeling 2) Kennis van psychopathologie 3) Goede gespreksvaardigheden 4) Inzicht in het eigen functioneren tijdens het interview De belangrijkste gesprekstechnische aandachtspunten bij het ouderinterview .Expliciteren van het doel en de aard van de gewenste informatie .Geregeld empathisch interveniëren . maar met voldoende oog voor emotionele aspecten De belangrijkste aandachtspunten van de klachtenanamnese .Stuvia.

schoolprestaties.Relatie met leerkrachten/medeleerlingen .Voedingstoestand .Schoolprestaties . relatie met leerkrachten/medeleerlingen) Eet.Schoolwisselingen Ingrijpende gebeurtenissen Adoptiekind/pleegkind Huidig functioneren van het kind of de jeugdige: belangrijkste aandachtspunten              Somatische aspecten: (Somatische aandoeningen/klachten.Progressiegerichtheid Voedingsanamnese .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material         Psychomotorische ontwikkeling . Dwang. zintuigelijke functies) Aandacht en concentratie Taal/spraak (taalbegrip. grof/fijn motorisch handelen. angsten.Eetstrijd Slaapanamnese .Ontwikkelingsstappen .Hechting/seperatie . kwaliteit relatie kind-broers-zussen. impact op functioneren) Spel/hobby’s Seksuele ontwikkeling (Mate van voorlichting. gerichtheid op school.en waardebesef Specifieke gedragingen (Enuresis/encropesis. articulatie) Intelligentie/denken (relatie intelligentie – schools presteren.en slaapgedrag (gewicht/. Slaapproblemen Relatie met gezinsleden (Kwaliteit relatie ouder-kind.Relatie tot gezinsproblematiek Taal-spraakontwikkeling -Taalgebruik -Taalbegrip .Aard en ernst .Contacten met broers/zussen/leeftijdsgenoten School .Stuvia. Auto-erotische gedragingen) 13 . houding ten opzichte van seksualiteit. menarche) Norm. denkstoornissen geheugenproblemen) School (Schooltype. Specifieke motorische handelingen zoals tics en hoofdbonzen. taalgebruik.Articulatie Zindelijkheid . Eetpatroon/eetstrijd. Functioneren broers/zussen) Relatie met leeftijdsgenoten (Kwaliteit en duurzaamheid) Stemming/angst: (Depressieve gevoelens/ontstemming.com .

echtscheidingsdreiging.Stuvia.Broers/zussen (somatische problemen en psychische problemen) . kwaliteit relatie met broers en zussen. visie op opvoeding en feitelijke betrokkenheid bij opvoeding Kwaliteit van de echtpaarrelatie zoals tevredenheid met huidige relatie.com .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Gezinsanamnese: overzicht van belangrijkste onderwerpen . Ongestructureerde interviews: blijken dikwijls tot uiteenlopende diagnosen te leiden. balans beloning/straf. De voorkeur verdient om interviews af te nemen die zowel een ouder.Aanvullende opvang Anamnese van de ouders: belangrijkste punten    Persoonlijke voorgeschiedenis zoals opvoedingsklimaat gezin van herkomst. hierdoor vraagt het relatief weinig klinische ervaring Semigestructureerde interviews: wordt meer ruimte gegeven om het interview aan de omstandigheden aan te passen. adaptievermogen. ontwikkelingsgerichtheid. inspraak/delegatie van verantwoordelijkheden . er worden selectief vragen gesteld Gestructureerde interviews: Alle vragen liggen geheel vast.Affectief en pedagogische klimaat (ondersteuning biedend. kwaliteit relatie met ouders. rolverdeling. traumatische ervaringen Huidig functioneren zoals algemeen psychisch en somatisch welbevinden.Stressfactoren (binnen het gezin of in de woonomgeving) . supervisie.als een kind-variant kennen. 14 .

strategisch systeemmodel <. Systeemdenken is echter geen uniforme theoretische oriëntatie. Diverse contexten Soms is systeemdiagnostiek vereist van de al dan niet lopende samenwerkingsrelatie tussen het gezin en het hulpverlenend instituut. met welke middelen. Keuze van oriëntatie Kinder. Het is daarnaast belangrijk duidelijk te hebben op welk niveau de gezinsdiagnostiek zich richt. aan de hand van welke criteria. In de afgelopen jaren heeft het systeemdenken steeds meer terrein gewonnen.structureel systeemmodel <. dit wil zeggen dat de gezinsdiagnosticus theoretische oriëntaties hanteert die aansluiten op en/of aanvullend zijn aan de oriëntaties binnen de kinder.cybernetisch systeemmodel -> Individu in systeem en groeimodel <.en jeugdpsychiatrische diagnostiek is multi-axiale oftewel biopsychosociale diagnostiek. 1982) Affectief groeimodel -> cognitief groeimodel -> Leertheoretisch systeemmodel <. De gezinsdiagnosticus zal onderdeel uit moeten maken van het team Er zal een raamwerk voor diagnostiek geschetst moeten worden Diagnostisch raamwerk Drie noodzakelijke referentiekaders: 1) De intergenerationele gezinsgeschiedenis 2) de gezinslevenscyclus 15 . Plaats van de gezinsdiagnostiek en theoretische oriëntaties Er is een continuüm van varianten in systeem therapieën (van Trommel.en jeugdpsychiatrische praktijk is een gebruikelijk model om naast individugerichte diagnostiek standaard gezinsgesprekken casu quo gezinsdiagnostiek plaats te doen vinden.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 6 Diagnostisch interview gezin Het is voor de diagnosticus mogelijk om concepten uit diverse modellen te nemen en deze te integreren in een schema voor eigen gebruik. door wie en in samenwerking met wie en met welke mate van betrouwbaarheid gewerkt wordt.en jeugdpsychiatrische praktijk. maar kent een continuüm van varianten.Stuvia.Systeem ten behoeve van individu en groeimodel In de kinder. met welke doelen.com . Uitgaande van de theoretische oriëntaties laten zich twee varianten onderscheiden 1) De gezinsdiagnosticus gaat uit van theoretische oriëntatie. Doel van gezinsdiagnostiek in de praktijk    De meest complementaire variant lijkt het meest aangewezen in de praktijk. die niet of moeilijk verenigbaar zijn met de individuele diagnostiek (onderzoeksmodel is niet symmetrisch) 2) Er is sprake van een complementair model. Gezinsdiagnostiek zal in deze context pas zinvol kunnen zijn als duidelijk wordt vanuit welke theoretische oriëntatie.

grenzen binnen het gezin en ten opzichte van de buitenwereld. Gezinsinteractie als focus Waar externe structurering ontbreekt. wijze van problemen oplossen) 16 . er moet ruimte zijn voor systeemdenken.of systeemgerichte theorie gehanteerd wordt. maar zal zich moeten richten op wat de kracht van het diagnostisch instrument is.com . is interne structurering (categoriseren) door de gezinsdiagnosticus van de gezinsinteractie van groot belang. gezinslevenscyclus) Transactionele informatie: (functioneren van gezin als individuele leden in de samenleving. namelijk zicht krijgen op het intermenselijk gezinsfunctioneren. In de praktijk kan de gezinsdiagnosticus ervoor kiezen complementair te zijn vanuit een duidelijke eigen identiteit. dit de kwaliteit van de Multi-axiale diagnostiek zal versterken. De afname in gezinsinterviews vergt training en vaardigheden. Complementaire gezinsdiagnostiek moet niet te veel feiten en bewijzen behoeven te verzamelen. leiderschap. Feitelijke informatie          De intrapersoonlijke informatie (individuele levensgeschiedenis. 1) Cohesie (emotionele gebondenheid.  Consequenties hiervan zijn: bereid moeten zijn tot schakelen naar elkaars theoretische oriëntaties. regels. terwijl de systeemtherapeut de mate van autonomie van het individu soms lijkt onder te waarderen. gezin bestaat uit subsystemen die het geheel laat functioneren  Indien het systeemdenken als een structuur. afhankelijkheid. coalities tussen individuele gezinsleden. hobby’s) Informatie over gezinsdynamiek Informatie betreffende de persoonlijkheidsstructuur en persoonlijk functioneren van kind Informatie betreffende het ouder subsysteem Informatie betreffende het sibling subsysteem Intermenselijke gezinsfunctioneren Intermenselijke processen tussen gezinsleden en/of gezin en de bredere sociale omgeving De gezinsdiagnosticus in de onderzoekspraktijk De individueel georiënteerde therapeut neigt de invloed van de menselijk systemen te onderschatten. individuele levenscyclus) De intermenselijke informatie over het gezin (gezinsconfiguratie. Structureel systeemmodel: Minuchin. Binnen dit perspectief passen de eerder genoemde referentiekaders en kan feitelijke informatie worden verkregen. omgangswijzen. clubs.Stuvia. schoolgang. gezinshistorie. Aan de hand van de drie dimensies van Olsen laten de observaties vanuit het gezinsinterview met het gezin zich in het volgende raamwerk rangschikken. diagnostische verslaglegging. Affectieve groeimodel: richt zoveel mogelijk op alle individuen afzonderlijk binnen het systeem Cognitieve groeimodel: persoonlijke groei van cliënt en cliëntsysteem nagestreefd. besluitvorming) 2) Aanpassing (rollen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material 3) gezinsinteractiestructuur Het gezin wordt beschouwd als een ingewikkeld krachtenveld dat een driedimensionaal perspectief vereist.

com . communicatieve luistervaardigheden. namelijk hoe iedereen ouder afzonderlijk de relatie met ieder kind afzonderlijk beoordeelt en omgekeerd. Heeft een redelijk goede inhoudsvaliditeit en constructvaliditeit. Gezinsklimaatschaal GKS onderzoekt de beleving van het gezinsklimaat door de leden van een gezin. In vergelijking tot FACES onderscheiden deze onderzoekers bij de operationalisatie van de dimensies minder categorieen. Instrument. vraag van verwijzer en het voorlopige antwoord van de kliniek op bovenstaande vragen). Doel: therapeutisch systeem vormen.Stuvia. focust op een specifiek aspect van de gezinsinteractie. Onderzoeksinstrumenten  Gestructureerde interviews: Gezinsdiagnostisch Screeningsinstrument (GSI). De VvG (vragenlijst voor Gezinsproblemen) is vergelijkbaar met CBCL. Het consultatiegesprek daarentegen heeft als uitgangspunt de afstemming te regelen tussen gezin en behandelaars (combinatie van aandacht voor de hulpvraag van ouders. Bovendien hebben zij een sociale wenselijkheidsschaal voor gezinnen in de GDS opgenomen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material 3) Communicatie (volgen of doorkruizen van continuïteit. kind. communicatieve spreekvaardigheden) Systeemconsultatie Complementaire gezinsdiagnostiek is gericht op het verwerven van inzicht in het intermenselijk functioneren binnen het gezin met de gezinsinteractie als focus.  Self-report vragenlijsten: OKIV (ouder kind interactie vragenlijst). Instrument. GezinsDimensie Schalen De GDS zijn de NL bewerking door Buurmeijer en Hermans (1988) van FACES. vrijheid van spreken. beoogt gezinsleden zelf een oordeel over de problemen te geven. 17 . aandacht en respect. duidelijkheid. nog in ontwikkeling.

Speciale moeilijkheden van de testtechniek Een balans is belangrijk voor het opstellen van een goed testprogramma. Vanaf +-4 jaar is een kind in staat met de onderzoeker te werken (na korte gewenning met ouder). speciale handicaps van kind zoals beperking in visus. Vragenlijsten kunnen door een schools karakter verzet oproepen. Jeugdigen vinden het vaak moeilijk om hun gevoelens/gedachten te uiten. vooral tijdens projectietechnieken kan dit proces geremd worden. Psychometrisch: leertheorie en sociale ontwikkelingsmodel. Het gebruik van projectietest is vaak een kunst en een kunde. Om een indruk te krijgen van de afweermechanisme en de innerlijke problematiek zegt het veel als het kind in discussie gaat of afweer toont tegen de testen. Het helpt te vertellen dat je niet almachtig bent en niet door hem heen kan kijken. concentratie. validiteit.en leesvermogen van het kind. De wijze waarop een kind op duiden (verbalisatie van gedrag van het kind en de koppeling aan de motivatie van het gedrag) reageert geeft eveneens informatie over de afweer en introspectief vermogen. De volgende aspecten spelen een rol: betrouwbaarheid.com . maar geven slechts een klein deel van informatie over de persoonlijkheid. Het gedrag van een kind wordt sterk beïnvloed door de lichamelijke gesteldheid en kan gevolgen hebben voor de testresultaten. 18 . Met een kind met slechte impulsbeheersing daarentegen kan verwoording van gevoelens als uitnodiging worden opgevat om verzet in actieve vorm te uiten. De gewetensfunctie van basisschoolkinderen zijn nog weinig flexibel. hoeveel wordt het kind belast en wat wordt er verkregen. grenzen stellen is belangrijk. Een peuter in protest vraagt een creatieve aanpak van de onderzoeker. Hierin moet de onderzoeker onderscheid maken tussen emoties die het kind opwekt en de emoties van de onderzoeker zelf die geprojecteerd worden op het kind. sociaal wenselijke antwoorden geven is op deze leeftijd vrij groot -> onbetrouwbaar leiden. Zelfkennis is onmisbaar. ook de tegenoverdracht is belangrijk. Wat betreft cultuur zijn er nog geen speciale testen.Stuvia. vaak zien kinderen dit als een prestatietest waardoor het associatieve vermogen geremd wordt.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 7: Het psychodiagnostisch persoonlijkheidsonderzoek Inleiding De 3 belangrijkste technieken om de ontwikkeling en de emotie en persoonlijkheid te onderzoeken: 1) De observatiemethode (betrouwbaarheid en validiteit beperkt) 2) De projectieve techniek (betrouwbaarheid en validiteit beperkt) 3) Psychometrische methode Er is veel kennis over de persoonlijkheidsontwikkeling nodig om tot interpretatie van de testresultaten te komen. weerstand tegen test en de cultuur. want zij hebben de fantasie dat de psycholoog door hen heen kan kijken (en agressieve en seksuele fantasieën ontdekken). In de instructie bij projectietesten moet benadrukt worden dat het niet om goed of fout gaat. De meeste projectietest: psychoanalytische persoonlijkheidstheorie. De psychometrische methode zijn eenvoudiger af te nemen. Hoe het kind de relatie legt met de onderzoeker zegt veel over de afweer van het kind (overdracht. de aard van de te onderzoeken problematiek. voorlezen van de vragen kan hierbij helpen. psychoanalytische theorie). Deze test nemen meestal veel tijd in beslag en stellen eisen aan het aandacht-. ontwikkelingsniveau van het kind. motoriek en verstandelijke capaciteit. De testen en observatie moeten altijd gebruikt worden om methode te genereren en een onderdeel zijn van een testbatterij (ook psychometrische methode).

De aanname van de deterministische aard van het symbolisme en de waarneming wordt de projectieve hypothese genoemd. Het accent ligt op de driftontwikkeling en de relationele ontwikkeling. zijn TAT. De interpretatie van de tests moet altijd met voorzichtigheid gehanteerd worden en heeft voornamelijk een hypothese opwerpende functie. hierdoor kan het afweer. Le Test Patte Noire. De testsituatie is altijd een stresssituatie. Symbolisme en waarneming worden gevormd door behoeften. de Vier Platen Test en de Columbus. objectrelaties.com . Projectie test (psychoanalytisch) kunnen info geven over: angst. afweer. Geschikt voor de basisschoolleeftijd zijn de PN. driftontwikkeling. De aard van het persoonlijk symbolisme wordt bepaald door eigenschappen van die persoon en is niet toevallig van aard. ideaal. Verhalen test kan pas worden afgenomen als taalontwikkeling voldoende is. De meest gebruikte projectietest waarbij verhalen moeten worden verteld. Projectieve technieken Projectieve technieken zijn voornamelijk ongestructureerd van aard. Er kan gebruik gemaakt worden van observatieschalen (BOS 2-30) of semigestructureerde spelsituaties. 19 . de binding aan de verzorgers.en coping mechanismen van de persoon en worden onthuld door projectieve gegevens of deze nu uit verhalen bij platen en tekeningen of uit waarnemingen van inktvlekken komen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Onderzoeksmethoden Voor baby’s en jonge kinderen zijn observatie van het spontane gedrag en spel de belangrijkste informatiebronnen. angsten. CAT.en coping mechanisme van het kind waargenomen worden. nu met de stripvorm-instructie toegepast worden. Bij jeugdige kunnen ook de VPT naast de TAT en de PN.en superegovorming en afweermechanismen. De Patte Noire en de CAT zijn testen die geschikt zijn voor kleuterleeftijd. Snel schrijven of op band opnemen is belangrijk. realiteitszin. Bij de VPT en de Columbus staat de sociale ontwikkeling meer op de voorgrond.Stuvia. agressie. je mag het kind niet remmen. de TAT en de Columbus.

dit betekent dat een kind goed moet kunnen lezen. g/g/o/o/v Vanaf 13 20 minuten Ind/gr. (meet extraversie. sociale inadequatie. lusteloosheid. waarin onderscheid wordt gemaakt tussen angst of boosheid als een dispositie en angst en boosheid als een momentane toestand. recalcitrantie en dominantie) Persoonlijkheidskenmerken 4 schalen. De PFT is in stripfiguur uitgevoerd en onderzoekt de reactie op frustratie waardoor een indruk wordt verkregen van gewetensfunctie. Bij de ZAT mag het kind zinnen aanvullen. v/g/o/v/v Nederlandse Persoonlijkheids Vragenlijst (NPV. angst insufficiëntiegevoelens.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material    Rorschach Vlekken Test: scoringssysteem is ontwikkeld door diverse auteurs. Psychometrische tests Tests die emotie meten zoals angst/boosheid zijn veelal gebaseerd op theorie van spielberger. De semigestructureerde test zijn de Picture Frustration Test (PFT) en de Zin Aanvul Test (ZAT). ook het uithoudingsvermogen wordt op de proef gesteld. de instructie voor jonge kids moeten worden aangepast. introversie. g/g/g/v/v/ Amsterdamse Biografische Vragenlijst voor kinderen (ABV-K. labiliteit. 1981) 9-15 20 minuten Ind/gr.  Vragenlijsten die een aantal persoonlijkheidsdimensies meten bij kinderen zijn de ABV-K of KABV-K (Amsterdamse Biografische Vragenlijst) en de NPV-J (Nederlandse persoonlijkheid vragenlijst Junior). (meet extraversie. g/g/g/v/o 20 . 1963) Kinder Depressie Schaal (KDS. zowel affectief als cognitief. De meeste psychometrische tests zijn genormeerd op 9 jaar. Er wordt gezegd dat het platen zijn waarop elk kind wat anders ziet (om te voorkomen dat het kind als prestatietest gaat zien) De Projectieve Tekentest kan opgevat worden als communicatiemiddel. g/g/v/g/v 9-16 10 minuten Ind. recalcitrantie en dominantie) Persoonlijkheidsdimensie 7 schalen. volharding. Het is ook mogelijk om het kind ‘’zichzelf’’ en ‘’zoals het graag zou willen zijn’’ te laten tekenen om een indruk te krijgen van het zelf. Een onderscheid tussen tests die persoonlijkheidsdimensies en die emotie meten is dus niet erg scherp te maken. introversie. (meet: inadequatie gespannenheid. het geeft inzicht in de wijze waarop de ouders en zichzelf beleeft en over huidige conflicten. neurotische labiliteit en zelfkritische instelling) Depressie 5 schalen. daaronder heeft een kind nog onvoldoende zelfreflectie om zelf een oordeel te geven. 1989) Leeftijd 9-16 Meetpretentie Persoonlijkheidsdimensie 5 schalen. 1980) Vanaf 13 20 minuten Ind/gr. neurotische labiliteit en zelfkritische instelling) Persoonlijkheidskenmerken 4 schalen. sociale weerbaarheid en probleemoplossend vermogen. angst insufficiëntiegevoelens.en het ideaalbeeld. sociale inadequatie. motivationeel en lichamelijk) Duur 20 minuten Afname/cotan Ind/gr. Temperament (biologische geworteld) kan als persoonlijkheidsdimensie worden opgevat. v/g/o/o/o Depressie Vragenlijst voor Kinderen (DKV.Stuvia. (meet: inadequatie gespannenheid.(Meet: terneergedrukt zijn van algeheel functioneren.com . 1982) Amsterdamse Biografische Vragenlijst (ABV. volharding. 1987) 9-13 20 minuten Ind/gr. Test Junior Nederlandse Persoonlijkheids Vragenlijst (JNPV. (Meet: depressie op diverse gebieden. De meeste tests maken gebruik van vragenlijsten. schuld en positief) Depressie 10 schalen.

sociale steun zoeken. 1989) Zelf Beoordelings Vragenlijst (ZBV. het conformistische. (Meet: zelfgevoel op lichamelijk cognitief en sociaal niveau. verschillende aspecten van angst worden onderscheiden) Prestatie motief. super-egobinding. sociale acceptatie. sportieve vaardigheden. gezinsleden Gezinsrelaties. 1982) 10-16 Vanaf 16 Vanaf 12 Familie Relatie Test (FRT. Geen beoordeling 15 minuten Ind/gr g/g/v/v/v 10 minuten Ind/gr g/g/o/v/v Ind/gr g/g/v/g/o Ind/gr Niet beoordeeld door de COTAN 10 minuten 20 minuten 20 minuten Ind/gr g/g/g/v/v 30 minuten Ind/gr g/g/g/g/g/ Ind/gr g/g/v/v/v/ Ind/gr g/g/v/g/v/ 30 minuten 10 minuten 30 minuten 30 minuten Ind o/v/o/o/o Ind g/g/o/o/v 20 minuten Ind/gr g/g/v/v/v/ 10 minuten Ind/gr g/g/o/v/o/ 25 minuten Ind/gr Nog niet genormeerd 21 . 1985) Adolescenten Temperaments (ATL. expressie van emoties en geruststellende gedachten) Ego-ontwikkeling (Meet: het impulsieve.a. extraversie en impulsiviteit) Angst als toestand en dispositie (Meet: respectievelijke angst en boosheid wordt gemeten) Angst als toestand en dispositie (Meet: respectievelijke angst en boosheid wordt gemeten) Angst voor situaties 5 schalen. (Meet: emotionaliteit. angst voor gevaar en dood en medische angst) Sociale angst 6 schalen. rechtvaardigheid. faalangst (pos en neg) Meet: informatie over faalangst en prestatievermogen. faalangst Meet: informatie over faalangst en prestatievermogen. kwetsbaarheid.( Meet: brengt relaties tussen gezinsleden in kaart. zelfbewuste en verantwoordelijke stadium) 2 min Ind/gr. (Meet: angst voor falen en kritiek. 1984) Zelf Beoordelings Vragenlijst voor Kinderen (ZBV. affectieve binding. moeilijke test voor kinderen) Zelfwaardering 6 schalen. 1987) 9-13 Nederlands Infant Characteristic Questionnaire (NICQ. 1983) Nijmeegse Gezinsrelatie test: kinderversie (1989) 6-12 9-12 Competentie Belevings Schaal voor Kinderen (CBSK. is afname van de DVK geïndiceerd) Temperament (Meet: temperament zoals dat door ouders wordt waargenomen bij kinderen) Temperament 5 schalen. angst voor kleine verwondingen/kleine dieren. 1995) 6 mnd-5 jr 13-18 8-15 Vanaf 12 6-12 Sociale Angst Schaal voor Kinderen (SAS-K 1983) 9-13 Prestatie Motivatie Test voor Kinderen (PMT-K.1997) 9-13 Utrechtse Coping Lijst (UCL. Boosheid en woede als toestand en dispositie (Meet: respectievelijke angst en boosheid wordt gemeten) Meet: Vijandige en liefdesgevoelens t. 1988) Vanaf 15 Zinnen Aanvul Lijst Curium 8-25 Depressie screening (Meet: als van de 9 meest representatieve items van de KDVK 4 of meer positief worden gescoord. zelf beschermende. o/g/o/v/o 20 minuten Ind/gr door ouders. gedragshouding en gevoel van eigenwaarde) Coping (Meet: actief aanpakken. 67) Zelf Analyse Vragenlijst (ZAF. vermijden. depressie reactiepatroon. fysieke verschijning.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Korte Depressie Vragenlijst voor Kinderen (K-DVK. erkenning en vertrouwen. 1980) Vragenlijst voor Angst bij Kinderen (VAK. (Meet: wordt begrip sociale angst als dispositie opgevat volgens de theorie van Spielberger. palliatieve reactie.com .Stuvia. Prestatie motief. angst voor het onbekende. spanningsbehoefte.v. 1968) Prestatie Motivatie Test (PMT. 6 schalen: schoolse vaardigheden.

Deze vaardigheden kunnen door middel van neuropsychologisch testonderzoek worden beoordeeld. taal. Neuropsychologisch vaardigheidsprofiel   Merkwaardig fenomeen: niet gebruikelijk om verantwoording af te leggen over de gehanteerde indeling in psychische functies (redeneren. Nadelen neuro onderzoek: koppeling van gedrag met hersenfunctie nogal indirect en precisie mist.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 8: Neuropsychologische diagnostiek Inleiding Neuropsychologisch onderzoek richt zich op de relatie tussen de hersenen en uiterlijk waarneembaar gedrag. De term ‘organiciteit’ in de psychiatrie was grotendeels geïnspireerd op de Gestalttheorie en zag de hersenen als een geheel van niet gespecialiseerde samenwerkende cellen. De ontwikkeling van het centraal zenuwstelsel correspondeert over het algemeen met het ontstaan van steeds complexer wordend gedrag. Ontwikkelingspsychopathologie betekent dat het gaat om de theoretische relatie tussen waarneembare psychische stoornissen en de wetenschappelijke kennis over de ontwikkeling van het centraal zenuwstelsel. zoals bv recentelijk mind-reading (Baron Cohen. waardoor het leggen van de relatie met specifieke uitvallen in het cerebraal functioneren kansrijker wordt. Dit is inmiddels een obsolete opvatting. Voordelen neuro onderzoek: non invasief. kan over alle leeftijdsfase gebruikt worden. Complexere gedragsfuncties worden mogelijk door rijping van cerebrale structuren en door een toenemend samenspel in deze hersengebieden (ontwikkelingsneuropsychologie). inzicht geven in specifiek gedrag. Rourke en medewerkers (1983) introduceerde de term neuropsychologische vaardigheidsstructuur. Het betreft het profiel van kleinere gedragscomponenten die op hun beurt ten grondslag liggen aan de verschillende psychische functies. Een dergelijke differentiatie van subtypen is in het algemeen een wezenlijke voorwaarde voor het onderzoek naar de relatie tussen specifieke ontwikkelingsstoornissen en stoornissen in het functioneren van de hersenen. parallel bij mensen en in dieronderzoek. Op deze wijze kunnen functiestoornissen verder ingedeeld worden in subgroepen. executieve functies) De voorlopigheid van een functie-indeling wordt duidelijk als bedacht wordt dat er steeds nieuwe kandidaten kunnen aandienen om opgenomen te worden in het schema. Deelman en Eling (1997) beschreven hoe functies weer opgesplitst kunnen worden in talloze deelfuncties en stelde voor om te spreken over functiedomeinen en deelfuncties.     Neuropsychologische diagnostiek kenmerkt zich door een psychometrische benadering (longitudinale onderzoeken zijn hierin van belang) Ook richt het neuropsychologische onderzoek zich op de kwaliteit van het resultaat. In de neuropsychologische diagnostiek bij kinderen gaat het niet alleen om het beschrijven van de functiestoornissen maar ook om goed ontwikkelde functies. en overwegen of op dieren en mensen de respons wel hetzelfde is. dat wil zeggen dat geprobeerd wordt elementaire gedragscomponenten te relateren aan de functie van bepaalde hersengebieden. geheugen.Stuvia.com . tenslotte is voorzichtigheid geboden bij het veralgemeniseren van resultaten van patiënten naar de gezonde populatie. 22   . 1995) is opgenomen. namelijk observeerbaar gedrag.

zwak ontwikkelde biografische identiteit. oppervlakkige informatieverwerking. emotiegewaarwording bij zichzelf. dit wordt gehanteerd binnen de werkgroep neuropsychologie in het PI Duivendrecht en op basis hiervan is een testbatterij de PINOK samengesteld. deze zijn niet opgenomen in onderstaande. oog-hand coördinatie. volgehouden aandacht Aandacht en concentratie Emotieverwerking Herkenning van emoties bij anderen.com . verschil in prestaties tussen linker en rechter hand/been. alertheid. Verminderde empathie. emotie-expressie Gedragsafwijkingen in het dagelijks functioneren Het niet kunnen meedoen aan sport en spel. Vanzelfsprekend leiden tekorten ook tot leerproblemen. !!! Het gaat niet om een definitief model. Moeite met onthouden van afspraken. lange termijn geheugen. Neuropsychologische functies Motoriek Neuropsychologische vaardigheden Fijne/grove motoriek. korte taakspanne. Orientatieproblemen. declaratief geheugen. motorische coördinatie en planning. Fijn-motorische snelheid. stoornis in het bewuste verwerking van emoties. van de hak op de tak. praxie Geheugen Verbaal geheugen. te geringe of overconcentratie. (episodische en semantisch). traagheid. selectieve of gerichte aandacht. namen. opdrachten spelregels etc. korte termijn geheugen.Stuvia. autobiografisch geheugen Arousal. Moeite met ruimtelijke handelingen. bijvoorbeeld mikken. en oriëntatie. Sufheid. nonverbaal geheugen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material   In dit hoofdstuk is er dus gekozen voor neuropsychologische vaardigheid omdat in het NPO (neuropsychologisch onderzoek) het juist de observeerbare vaardigheden zijn die worden geëvalueerd. verwardheid. ontremming van als zodanig adequate emoties. ruimtelijk handelen. controle en regulatie van emoties. procedureel geheugen. snel de draad kwijt. Moeite met het nabootsen van handelingen. problemen met volgorden in het dagelijks leven. moeizaam aanleren van routines. 23 . dromerigheid. verdeelde aandacht. vermindering van emotieactivatie.

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Neuropsychologie van het kind   Vindt zijn oorsprong in onderzoek bij volwassenen. Plasticiteit van de hersenen: heeft geleid tot een tegenovergestelde redenering.Stuvia. Vaak wordt er met een MRI geen afwijkingen gevonden voor bijvoorbeeld kinderen met ADHD. Ook geringe aanlegstoornissen kunnen een rol spelen. want dit kan moeilijk overgenomen worden door andere gebieden. Betekent dit dat de cerebrale afwijking afwezig is. de hersenen kunnen zich afwijkend ontwikkelen vanaf de embryogenese en dit gaat door tot in de postnatale hersenen. dit zijn evolutionair gezien recente functies die zich bij de menselijke soort snel ontwikkeld hebben. Bij kinderen gaat het om een centraal zenuwstelsel in ontwikkeling met een beperkt bestand aan verworven kennis en vaardigheden. (zo blijken kinderen met een aangeboren hemiplegie zelden een taalstoornis te vertonen). De specifieke relatie moet dus nog verder opgehelderd worden. Er is de laatste tijd meer oog voor de genetische etiologie.com . dyslectisch. De terugval in ontwikkeling is bij kinderen soms minder dramatisch dan de beperking in de toekomstige leer. migratie speelt hierin een rol.         24 . Denk dan aan ‘theory of mind’/verbale functies/executieve functies. Niet alleen hersenbeschadigingen leiden tot stoornissen. De plasticiteit van frontale gebieden zouden geringer zijn dan van andere gebieden. Dyscalculie. Hersenen van kinderen met genetische afwijkingen niet zonder meer zijn opgebouwd uit gedeeltelijk intacte en gedeeltelijke afwijkende structuren. Hebb (1949) formuleerde dit als de ‘vulnerabiliteits hypothese’ waarin hij stelde dat de hersenen in de vroege stadia van neurale rijping gevoeliger zijn voor kwetsing met als gevolg een groot verlies aan algemene intellectual power nodig voor toekomstige informatieverwerking. Hersenletsel bij volwassenen leidt daarentegen tot een veel selectiever verlies van verworven kennis. Growing into deficit: Stoornissen komen pas naar voren in die leeftijdsperiode dat deze (beschadigde) hersenstructuren een essentiële rol gaan spelen. maar ook genetische factoren. logisch dat dit dan ook kwetsbaarder is door de lange verbindingsbanen en de oppervlakte. Dergelijke misplaatste clusters kunnen echter ook gevonden worden in hersenen van normaal functionerende individuen. namelijk dat de plasticiteit van de hersenen op jonge leeftijd groot en functies van getroffen hersengebieden om jonge leeftijd overgenomen kunnen worden door andere gebieden. of dat we nog geen apparaten hebben die tot dusver toereikend zijn? Bij individuele kinderen is het in de klinische praktijk belangrijker om zich te richten op de gevolgen van het tekort in de neuropsychologische vaardigheidsstructuur voor de normale ontwikkeling dan zich te blijven richten op de mogelijke lokalisatie in de hersenen. in de 1e 20 weken van de prenatale ontwikkeling worden hersencellen gevormd en georganiseerd tot een geheel van samenhangende structuren. De psychische tol die wordt betaald voor deze plasticiteit van de verbale vaardigheden is dat deze vaak ten koste gaat van de visuoruimtelijke vaardigheden. In dit proces kunnen kleinere of grotere fouten optreden. De executieve functies & emotieregulatie (prefrontale cortex en het limbisch systeem): worden door een relatief groot hersengebied verzorgd.en ontwikkelingsmogelijkheden. dysgrafie.

25 .en gedragsstoornissen toegeschreven kunnen worden aan stoornissen in het functioneren van de hersenen.Ernstige aangeboren of verworven neurologische aandoeningen zoals spina bifida .Epilepsie: deze stoornis kan een duidelijke stempel drukken op de vroege ontwikkeling en op de leerprestaties.Prenatale blootstelling aan toxische stoffen (kwik. Het beter kunnen verklaren van de verschijningsvorm van een stoornis. Het verschaffen van een prognose (wat staat het kind te wachten in de toekomst) 4. 5) Er sprake is van plotselinge sterke terugval in intelligentie/ ruimtelijk innemend proces 6) Er somatische ziekten bestaan.Ernstig schedeltrauma met contusiehaarden . lood. In het algemeen kunnen de volgende doelstellingen omschreven worden: 1. Voorlichting (wat voor testen zijn er gebruikt en wat weten wij van bepaalde functies) 6. .Ook behandeling van neurologische aandoeningen kan leiden tot neurotoxische effecten (zoals bestraling bij leukemie). . Formuleren van een behandelingsplan (er kan aangegeven worden wat voor tekorten er zijn en hoe deze weer aangevuld kunnen worden) 5.Stuvia. Het bijdragen aan kwantitatieve evaluatie van behandeling (voor en nametingen) Indicaties voor neuropsychologisch onderzoek In het algemeen wordt zo’n onderzoek aangevraagd wanneer er vermoedens zijn dat leer.Heriditaire/familiaire achtergronden: bv heel vaak dyslexie binnen de familie 2) Er sprake is van een bekende neurologische aandoening zoals. drugs en medicijnen). zoals: . 2.en jeugdpsychiatrische diagnostiek en behandeling. De neuropsychologische vaardigheidsstructuur kan hierbij helpen. 3) Er sprake is van een specifieke ontwikkelingsstoornis die gepaard kunnen gaan met neuropsychologische vaardigheidsstructuur (leerproblemen) 4) Er sprake is van een sterk disharmonisch profiel en of sterk inconsistente factor IQ’s. alcohol. ADHD of syndroom van Gilles de la Tourette. die betrokkenheid van het centraal zenuwstelsel kunnen impliceren (aids) 7) Psychische stoornissen die vaak gepaard gaan met neuropsychologische deficiënties zoals autisme. . Op basis van anamnestische gegevens is neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd: 1) Er in de anamnese problemen naar voren komen die de verdenking oproepen van disfuncties in het centraal zenuwstelsel.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Bijdrage van NP assessment aan de kinder. Neuropsychologische diagnostiek kan zowel een bijdrage leveren aan de diagnostiek van de persoonlijkheidsontwikkeling als aan het in kaart brengen van de relatie tussen psychische stoornissen en de neuropsychologische vaardigheidsstructuur. Het beter begrijpen van etiologie en de pathogenese 3.Perinatale complicaties (zuurstoftekort) . kan ook leiden tot premature en dysmature geboorte.com . 8) Bij voorgaand onderzoek de psychische klachten moeilijk te verklaren zijn 9) Een behandeling gestart gaat worden die geëvalueerd kan worden met neuropsychologisch onderzoek zoals medicatie of training.

dit geldt ook voor de motorische functies. Voordeel: het niveau van het kind kan worden vastgesteld. Daarbij kan het ontwikkelingsverloop in kaart gebracht worden bij herhaald onderzoek. Dit is efficiënter en minder tijdsintensief. Bij onderzoek van perceptuele functies is het van belang rekening te houden met de waarneming via zowel de linker. Er wordt vaak gekozen voor een standaardbatterij: worden altijd dezelfde taken afgenomen ongeacht de vraagstelling. waarbij zowel aandacht wordt besteed aan de psychometrische eigenschappen van een test als aan de wijze waarop het testgedrag tot stand komt. waarbij de prestaties van het kind vergeleken wordt met een normscore. In het huidige neuropsychologische testonderzoek wordt vaak een geïntegreerde testbenadering gehanteerd.Stuvia.com . Belangrijk is om bij het onderzoek links-rechtsverschillen in kaart te brengen.     26 . Bij de ad hoc testbenadering is de inrichting van het onderzoek afhankelijk van de specifieke vraagstelling van het kind.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Algemene uitgangspunten voor het opzetten van een NP onderzoek    De onderzochte gedragsafwijking moet belicht worden vanuit theorieën over hersengedragsrelaties. het is dan niet na te gaan of het éne met het andere samenhangt. Het zet een brede range van vaardigheden in kaart. Psychometrische. Nadeel is dat de specifieke functieproblemen los van andere functies gezien worden. Nadeel: een bepaalde testuitslag geeft geen inzicht in waarop het kind tot een resultaat is gekomen. kwalitatieve benadering  Psychometrische benadering: interpretatie van score vindt plaats volgens een kwantitatief continu model. kwalitatieve benadering versus procesgerichte. Hierdoor krijg je alle zwakke kanten maar ook de sterke kanten.als de rechterkant van het lichaam. De onderzoeksgegevens moeten voldoende inzicht verschaffen in de gedragsproblemen van het kind. Kwalitatieve benadering: hoe wordt een bepaalde taak uitgevoerd.

0 tot 13.0 t/m 9. gerichte en verdeelde aandacht.de kinderversie (LNNB-CR) (Golden. Later hebben een aantal onderzoekers de batterij uitgebreid en aangepast aan recente ontwikkelingen. kan vanaf 7 jaar worden afgenomen. Luria. ‘82 Colarusso.Nebreska Neuropsychological battery.com . Een computergestuurde testbatterij voor aandacht en informatieverwerking.6 jaar Vanaf 8 jaar Auteur Reitan en Wolfson ‘85 Reitan en Wolfson ‘85 Grant en Berg. 1986) ANT Amsterdamse Neuropsychologische Taken (ANT.Stuvia. Een veelbelovende nieuwe NP testbatterij voor kids van 3-12 jaar. en is verdeeld in 5 ontwikkelingsdomeinen: taal. visueel ruimtelijk. 1981) NEPSY (Korkman. Dit is het meest zinvol indien het onderzoek indicaties geeft over de behandelingsmogelijkheden van het kind. In de derde plaats kan de behandeling gericht zijn op het veranderen van de omgeving. visueel geheugen. Vignole ‘96 Van Bon. tweede plaats op het benutten van de sterke kanten. Hammil 1996 Benton en Hamsher 19 94 Verbale functies Perceptuele functies 27 . Zie hieronder tabel 8. fijne hand motoriek en executieve vaardigheden. 1998) FePsy (the iron psyche) Moerland. vigilantie. Paedologisch Instituut te Duivendrecht heeft PINOK ontwikkeld voor de kids die daar zijn opgenomen. geheugen en leren. ter ondersteuning of ter compensatie van de specifieke stoornissen. aandacht en executieve vaardigheden. 1996) PINOK (Vieijra 1994) Van diagnostiek naar behandeling In de afgelopen jaren is de vraag naar relevante en deskundige behandelingsadviezen vanuit NP onderzoek sterk toegenomen. Aldenkamp.11 jaar 9.0 t/m 11. Veelal zal gebruik gemaakt worden van alle drie de behandeling invalhoeken: training. Bestaat uit gerichte verdeelde en volgehouden aandacht (inclusief vigiantie)taken. Ontwikkeld door Halstead en aangepast door reitan. gericht op de zwakke kanten van het kind. 1978 Shallice ’82 & Krikorian ‘94 De Renzi. Deze batterij is opgezet om neuropsychologische vaardigheden van kinderen 8-12 jaar in kaart te brengen. maar gaat daarbij voorbij aan de essentie van Luria’s theorie. In Luria’s theorie staat het kwalitatieve aspect centraal. In eerste plaats kan de behandeling gericht zijn op verbetering. De Sonneville. Oorspronkelijk ontwikkeld voor epilepsie. De oorspronkelijke testbatterij was er vooral om kwantitatieve testprestaties te kunnen differtieren tussen personen met hersenletsel en zonder. Er wordt een kwantitatieve benadering gehanteerd maar ook een kwalitatieve. Bijvoorbeeld de eisen van een schoolsituatie door dyslectisch kind.2: Naar functiegebied geordende veel gebruikte NP test voor kinderen NP functies Plannings en uitvoeringsvaardigheden NP test Progressive Figuren Trail Making test Wisconsin Card Sorting Test Stroop test Tower of London Token Test Taaltest voor Kinderen Motor-free Visual Perception Test (MVPT-R) Tactile Form Perception test Leeftijdsbereik 5t/m 8. De subtests zijn gestandaardiseerd en kunnen omgezet worden in een standaardscore of percentielscore.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Neuropsychologische batterijen Halstead-reitan testbatterij (HRNB) Reintan. Meet cognitieve vaardigheden zoals reactietijdtaken. Alpherts. een reactietijdtaak. visueel halfveld. Het gaat om kinderen met een laag gemiddelde intelligentie. Is gebaseerd op theorie van Luria. Golden tracht het niveau van functioneren van de verschillende gedragsfuncties te onderzoeken. 1979.’ 48 Hammes.0 t/m 12 jaar Vanaf 4 jaar Vanaf 6 jaar 4. inschakeling van de sterke kanten van het kind om ondersteuning of compensatie te verlenen en het optimaal inrichten van de omgeving. Er is een versie voor jongere kinderen (5-8 jaar) en oudere kinderen (9-15 jaar). senso motorieke. een hoofdrekentaak en een gezichtsherkenningtaak.12 jaar 4. Zij is geschikt voor kids vanaf kleuterleeftijd.11 jaar Vanaf 6 jaar en 5 mnd 8.

0 jaar Reitan en Wolfson 1985 Tiffin.0 jaar Vanaf 5.11 jaar 7 t/m 13 jaar Volwassenen 5 t/m 8. 1973 Kalverboer en deelman 1968 Benton.Stuvia.0 t/m 11 jaar 5. 1988 28 . 1941 Meyers en Meyers 1995 Van Strien en bouma 92 Benton en Hamsher. Kinderversie Test of Memory and Learning (TOMAL) Amsterdamse Neuropsychologische taken (ANT) Bourdon Vos Vanaf 5.0 t/m 19.0-13.0 t/m 10. 1992 Reitan en Davidson.11 jaar 6. 1974 S Drent 1988 Reynolds en Bigler 1994 De Sonneville 1996 Aandacht Vanaf 6.0 jaar 3-0 t/m 17-11 jaar Vanaf 4 jaar Vanaf 6. 1974 Sivan.11 jaar Vanaf 4 jaar 5.a.com . 1997 Bender 1946 Rey.0 jaar Vanaf 3. 1994 Kiphard en Schilling 1970 Motoriek Geheugen Vanaf 6 jaar Vanaf 5 jaar 5 t/m 15 jaar 6-11.0 jaar Benton en Hamsher 19 94 Reitan en Wolfson1985 Beery.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Vingerlokalisatie Tactual Performance Test Constructieve functies Visual Motor Integration Test (VMI) Bender Gestalt Rey Complexe Figuren test Laterale Voorkeur Links-rechtsorientatie Hamm Marburger Korperkoordinationtest fur Kinder (HMKTK) Vingertapping Purdue Pegboard Grooved Pegboard 15 woordentest Benton Visual Retention Test-Revised Target Test Rivermead Behavioural Memory Test.0 jaar 4.0 jaar Vos. 1968 Rourke e.

daarbij is het belangrijk dat de docent kan vertellen hoe het staat met de betrokkenheid van ouders)   Terugrapportage naar school Er kan een adviesgesprek plaats vinden met de school van het kind. zij vinden dit een uitdaging. straf. Het schoolinlichtingenformulier zal aan de ouders/verzorgers en boven de leeftijd van 12 jaar aan de betreffende jeugdigen. hoe leraren een steunfiguur kunnen zijn. wat zijn de mediërende mogelijkheden die de school te bieden heeft? Een ander deel betreft het functioneren van het kind binnen deze school: de schoolvorderingen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 9: Aanvullende informatie over het schoolse functioneren Met recht wordt school in het verlengde van de thuissituatie als tweede milieu aangeduid. in wat voor groep zit het kind. hoe reageert het op waardering. School is niet alleen om te leren. welk type onderwijs geniet het kind. kwaliteit van het contact van de leerkracht met het kind. Zij interpreteren de zwaarte dan ook weer anders als een docent die machteloos staat. Bij evaluatie zou herwinnen van schoolinlichtingen een vast agenda punt moeten zijn. hoe kinderen kunnen omgaan met eventuele beperkingen en een oefenplek voor sociale omgang met leeftijdsgenoten. voorzien van een ondertekende instemming. hoe is de groepssamenstelling. maar ook kan school in belangrijke mate beschermen tegen risico’s in de ontwikkeling. kritiek. In derde instantie zal gevraagd worden naar de visie van de leerkracht op de klachten en de mogelijkheden die de school te bieden heeft in het zoeken naar een oplossing in deze. maar ook met ouders/verzorgers) Visie van de leerkracht op het (dis)functioneren van het kind (sommige docenten vinden het fijn om een moeilijk functionerend kind in de klas te hebben. Daarnaast spelen vriendschappen een grote rol. Leerkrachten en onderwijsbegeleidingsdiensten signaleren veel van de problemen die uiteindelijk leiden tot een verwijzing naar de jeugdafdeling van bv een RIAGG. Dit is een struikelblok voor kinds met ontwikkelingsproblemen (abstractieniveau) Psychosociaal functioneren binnen de context van de school (wat is de positie van het kind in de groep.Stuvia. hoeveel leerkrachten heeft het kind. leermogelijkheden en de leerinstelling onderscheid en aan de andere kant het emotioneel en sociaal/gedragsmatig functioneren van het kind of de jeugdige in relatie tot de medeleerlingen en de volwassenen op school. Op school zien kinderen hoe het anders kan. In de praktijk worden schoolinlichtingen op verschillende manier opgevraagd. inlichtingenformulier opvragen biedt dan uitkomst.   Wijze van inwinnen van schoolinformatie: Privacy: Leraren mogen niet zomaar ‘’geheime’’ informatie verschaffen. 29 . meegegeven worden. Veelal wordt gebruik gemaakt van de Nederlandse Versie van de TRF (of voor jonge kinderen de CTRF). Bij het verzamelen van informatie speelt een aantal facetten een rol:  Een deel betreft de school als organisatie. na groep 6 topografie en breuken. welke methode hangt de school aan.com . en bij jeugdigen vanaf 11 jaar een YSF. Relevante informatie voor het diagnostisch onderzoek:  Didactische vorderingen in relatie tot het geschatte potentieel (je kijkt naar de leeftijd van het kind en de ontwikkeling binnen het klaslokaal zoals AVI-niveaus. Sommige leerkrachten en onderzoekers geven de voorkeur aan open vragen die meer ruimte bieden. meestal in combinatie met een CBCL.

Lichamelijk onderzoek Het lichamelijk onderzoek omvat het meten van lengte. pariteit. epiduraal anaesthesie. bloedverlies tijdens zwangerschap. spontane abortus in geschiedenis. agpar score.en beeldvormend hersenonderzoek Het is een goede gewoonte opgenomen kinder. anemie die leidt tot transfusie etc. eiwit in de urine. ernstige infecties tijdens zwangerschap. Doorgaans wordt dan routine matig screenend laboratorium onderzoek verricht. Basisscreening: goed kijken als begin & (hetero)anamnese Het opzetten van de medische bril als psychiater en kijken of er medisch gezien bijzonderheden zijn. Bij voorkeur via het ontwikkelingsmodel van Tanner. bloeddruk en pols en bij kinderen van 8 jaar en ouder het evalueren van de puberteitsontwikkeling.com . (voor meer informatie over het lichamelijke onderzoek zie het boek. De aandoening kan ook de stoornis veroorzaken zoals een koortsdelier/tubereuze sclerose. zie bladzijde 188/189/190) Aanvullend laboratorium. De medische voorgeschiedenis moet binnen de (hetero) anamnese bekeken worden en de tractus (centraal zenuwstelsel)-anamnese doorgenomen worden.en neonatale risicofactoren  Prenatale factoren (leeftijd van moeder. zuurstof toediening. stuitligging. Een laatste onderdeel van de anamnese is de familieanamnese.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 10: Aanvullende informatie over het lichamelijk functioneren Lichamelijke aandoeningen worden meer aangetroffen bij psychiatrische patiënten dan in de algemene bevolking. Pre-. hoofdomtrek. dysmaturiteit. bloeddruk. zwakbegaafdheid etc. concentratiezwakte en impulsiviteit. vruchtwater. psychiatrische behandeling. Lichamelijke signalen kunnen attenderen op mogelijke oorzaak van gedragsproblemen zoals door blauwe plekken (mishandeling). zwangerschapsduur. vacuumextractie. peri. dit lijkt mij geen relevante informatie voor het tentamen.en geboorteanamnese en de vroege ontwikkelingsgeschiedenis kan belangrijke nieuwe informatie aandragen over het lichamelijk functioneren.of leesproblemen.Stuvia. gewicht. Denk dan aan multigene erfelijke factoren. diabetes of epilepsie bij moeder. Nagaan of er bijvoorbeeld in de familie sprake is van hyperactiviteit. opgelopen verwondingen Neonatale: klinisch dysmatuur.   Het systematisch uitvragen van de zwangerschaps. medicatie. Factoren tijdens de bevalling (tweeling of meerling. leer. 30 . uitgezakte navelstreng/omstrengeling.en jeugdpsychiatrische patiënten lichamelijk te onderzoeken.

com .Stuvia.Neuro psychiatrische beelden .en alcoholmisbruik. Daarnaast is het belangrijk lichamelijk onderzoek te doen bij: . het onderzoek van fysieke stigmata en soft signs. is het nuttig om de hoofdomtrekking verder in de ontwikkeling bij te houden. inclusief het opmeten van de hoofdomtrek.Somatoforme beelden . 31 . Omdat bij 20-30% van de kinderen met autisme een vergrote hoofdomtrek (boven 97e percentiel) is gevonden en de betekenis hiervan onduidelijk is.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Richtlijnen voor het lichamelijk en aanvullend onderzoek bij bepaalde psychiatrische syndromen Bij autisme en andere pervasieve ontwikkelingsstoornissen dient uitvoerig lichamelijk onderzoek plaats te vinden.Seksueel-overdraagbare aandoeningen .Eetstoornissen .Drugs.Stemmingsstoornissen .

aandacht.53 Ruminatiestoornis 307. dissociatie. Verslaglegging van het psychiatrische toestandsbeeld volgens schema Gestructureerde en gestandaardiseerde onderzoeksinstrumenten Diagnostische formulering en classificatie aan de hand van: DSM of ICD of de DC: 0-3. Er dient gelet te worden op hoe er tegen/over het kind wordt gesproken (affectie).The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 11.1 Groei-. De rol van onderzoekers is observator. kinderleeftijd of adolescentie staan verder nog: 313. agressie) 4) Motoriek (Grove en fijne motoriek) 5) Spraak en taal 6) Denken (specifieke angsten. 1) leven in baby houden en doen groeien. anders zal zij niets loslaten. gezinsobservatie. crèche. gezinsanamnese. huisarts. kind. participerend observator en van initieerde van nieuwe interacties en uitlokker van nog niet getoond gedrag. Psychiatrisch onderzoekschema voor baby’s en peuters 1) Uiterlijke verschijning (lichaamslengte. hallucinaties) 32 . medisch-somatische voorgeschiedenis. SSP (Strange Situation Procedure): wetenschappelijk onderzoek gedaan naar hechting. directe observatie van het kind met onderzoeker. maar er is een bruikbaar en tamelijk compleet Infant and Toddler Mental Status Exam (ITMSE).9 Stoornis van de zuigelingenleeftijd. Bij het kind moet gelet worden op oogcontact. regulatie. dromen. Stern (motherhood constellation) beschrijft vier opgaven waarvoor de nieuwe moeder zicht geplaatst ziet.com . kinderleeftijd of adolescentie niet nader omschreven Psychiatrische onderzoeksmiddelen van baby’s en peuters       Bronnen van informatie: ouders. 2) emotioneel involveren in haar baby 3) noodzakelijke supportsysteem creëren 4) transformatie van vrouw naar moeder. hygiëne. frustratietolerantie.89 Reactie hechtingsstoornis van de zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd 313. verbaal/non-verbale communicatie. gewicht.en hechtingsstoornissen bij het jonge kind Inleiding Een nieuwe psychische triade komt tot stand zodra een vrouw moeder wordt.Stuvia. voorgeschiedenis van de ouders Psychiatrische observatie: ouders & kind. activiteitsniveau.52 PICA 307. Als hulpverlener is het belangrijk dat de moeder zich veilig bij jou kan voelen. Iedere onderzoeker kan zijn eigen schema gebruiken. ongewoon gedrag. consultatiebureau Hetero-anamnese: speciele anamnese. sensorische regulatie. ontwikkelingsgeschiedenis. Toelichting: Een belangrijk deel zal gewijd zijn aan observeren door bv interactief spel. rijping etc) 2) Reactie van het kind op de onderzoekssituatie (adaptie) 3) Regulatie (State regulation.59 Voedingsstoornis op zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd Onder overige stoornissen van de zuigelingenleeftijd. Onder de hoofdcategorie voedingsstoornissen en eetstoornissen op de zuigelingenleeftijd of vroege kinderleeftijd staan vermeld: 307. hulpverleningsgeschiedenis.

Oudervragenlijst/gedragsproblemen Family-center transdisciplinary assessment process. impulsief 4) Overige. sensorische en motorische processen. van de predisponerende factoren en een analyse van ongunstige en beschermende omstandigheden.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material 7) 8) 9) 10) Stemming en affect (emoties) Spel Cognitief functioneren Relatievorming Gestandaardiseerde onderzoeksinstrumenten kunnen gebruikt worden als aanvulling op het bovengeschetste observatie-onderzoek. Er is een classificatiesysteem voor de eerste drie jaar. Zero tot Three.  33 .Stuvia. motorisch en gedragsschalen Patterns of arousal level and statechange Sociaal gedrag. Vier typen regulatiestoornissen: 1) Hypersensitief met als gedragskenmerk: angstig en behoedzaam.    Regulatiestoornissen bij het jonge kind  Er bestaan dan proberen in het reguleren van fysiologische. motorisch gedrag Ontwikkelingsniveau. 3) Motorisch gedesorganiseerd. 2) Onder reagerend met als gedragskenmerk: teruggetrokken en niet geëngageerd.5-7 jaar 2-3 jaar 0-36 maanden Mentale. Het kind laat problemen zien in het organiseren van de ‘calm alert state’of van een positieve gemoedstoestand.com . Formuleren van de diagnose en classificeren  Het proces met uitmonden in een multifactoriële diagnose: een beschrijving van de vastgestelde problemen. de individuele psychopathologie in het licht van lichamelijk en geestelijke ontwikkeling. dyadische en interactionele context. Diagnostic Classification of Mental Health and Developmental Disorders of infancy and Childhood (DC). adaptie. van aandachtsprocessen en van affectieve processen. in zichzelf opgaan. Daarna is het pas mogelijk om de diagnose onder te brengen in multiaxiaal systeem De DSM-IV/ICD-10 ontbreekt het aan leeftijdsspecifieke en ontwikkelingspsychologische criteria. negativistisch en ongehoorzaam. Gestandaardiseerde instrumenten voor het onderzoek van baby’s en peuters: Bayley Scales of Infant Development Brazelton Neonatal Behavioral Assessment Schale (NBAS) Denver Ontwikkeling Screening test (DOS) Snijders-Oomen Niet-verbale intelligentietest (SON) CBCL Infant-Toddler Developmental 1-42 maanden Neonaten. algemene intelligentie. high risk baby’s 0-6.5 jaar 2. taal.

Hieruit kwamen drie typen van gehechtheid voort: 1) 2) 3) 4) Veilig gehecht: exploratie en nabijheid zoekend gedrag in balans Onveilig/vermijdend: minimaliseren van het nabijheidzoekende gedrag Onveilig/afwerend: maximaliseren van het nabijheid zoekend gedrag. angst van moeder leidt tot eetstrijd.Stuvia. verslikken) ontstaat er een fobisch reactie.Psychogene ruminatie: met vroeg begin tussen 0. De diagnostiek berust ook hier op rapportage door ouders en verzorgers. meestal symptoom. ontwikkelingsvertraging op gebied van motorische ontwikkeling en spraak/taal. gebrekkige wederkerigheid. Kenmerken: groeiretardatie. komt meest voor bij mentaal geretardeerde. Gedesorganiseerde/gedesoriënteerde type: tegenstrijd gehechtheidsgedrag. de zogenaamde Strange Situation Procedure (SSP). vertraagde ontwikkeling . Classificatie is volgens de DSM mogelijk onder 307. De diagnostiek berust op rapportage van ouders en peuterspeelzaalleiding. autistische en verwaarloosde kinderen.7-17. vertraagde groei van de epifysair schijven. gebrek wederkerig en plezier in relatie. In 1978 ontwikkelde Ainsworth en medewerkers een classificatie van gehechtheidspatronen op basis van een laboratoriumsituatie.Seperatie/indidivu fase oftewel infantiele anorexia: begin tussen 6 maanden en 3 jaar. soms zelf tot cachexie toe.com . diagnostische kenmerken zijn dat gewicht en lengte gedaald moeten zijn beneden de derde percentiel (p3). De psychomotore ontwikkeling lijkt stil te staan) Chatoor introduceerde een ontwikkelingsmodel voor failure to thrive. De diagnose kan gesteld worden op basis van geconstateerde vertraagde (bot) groei.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Groeistoornissen De volgende beelden worden hieronder gerekend: 1) Failure to thrive (ernstig probleem.52. hierin staan drie stadia: . 3) Ruminatiestoornis: Je hebt twee typen te onderscheiden .Zelfstimulerende ruminatie: vooral gezien bij verstandelijk gehandicapten.Hechting: begin 2-8 maanden. komt ook voor bij normaal ontwikkelde kinderen . De diagnostiek berust op een nauwkeurige anamnese met betrekking tot voorgeschiedenis en vrij acuut begin van klachten. psychosociale stress.0 maanden. Het is een zeldzaam voorkomende groeistoornis geassocieerd met emotionele deprivatie. Hechtingsstoornissen bij het jonge kind De DSM-IV rept alleen over reactieve hechtingsstoornissen. Classificatie onder DSM is mogelijk. Meestal is er geen probleem tussen moeder-kind relatie. voedselweigering langer dan 1 maand. Specifiek diagnostiek is er niet. tamelijk vaak lichamelijke factoren . tekort aan responsief gedrag zoals glimlachen. 34 . emotionele kwetsbaarheid moeder. 5) Posttraumatisch voedingsstoornis: Door traumatische ervaring met voedsel (sondevoeding. 4) Psychosociale dwerggroei: Heeft geen aparte categorie in de DSM-IV. met een later begin. Als het beeld duidelijk kan dit geclassificeerd worden in de DSM-IV (Voedingsstoornissen op zuigelingenleeftijd) 2) PICA: (pas pathologisch te noemen als het persisteert op een leeftijd waarop het eten van niet eetbare zaken niet meer gewoon is en langer duurt dan een maand). depressieve moeder. Door Bowlby’s monografie (1951) heeft hechting een grote vlucht gemaakt.Homeostase: begin 0-3 maanden. FIT chronische ondervoeding.

Er is een Adult Attachment Interview ontwikkeld om de interne presentaties van volwassenen tot hun eigen gehechtheidsrelaties in kaart te brengen. Om deze reden werkte Zeanah. 5) Role-reversed attachment disorder. Mammen en Lieberman een classificatie uit waarin vijf types worden uitgewerkt: 1)Nonattached attachment disorder. De reactieve hechtingsstoornissen in de DSM-IV leunen wel erg sterk op pathologische zorg voor het kind en de negatieve gevolgen daarvan. Er is pas sprake van een stoornis wanneer ontwikkeling afwijkend wordt.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material De validiteit en stabiliteit van een gehechtheidspatroon bleek groot en predictieve validiteit kon worden aangetoond. 35 . 2) Indisriminate attachment disorder. Reactieve hechtingsstoornissen zijn onder te verdelen in: Nonattachement disorder: geen voorkeursgehechtheid (emotioneel teruggetrokken of gewoon a-selectief) Disordered attachment: verstoringen in gebruik veilige basis (extreem aanklampen.Stuvia. 3) Inhibited attachment disorder 4) Aggressive attachment disorder. Het psychiatrisch onderzoek van hechtingsstoornissen dient door middel van anamnese en observatie gericht te zijn op de relatie en relatieontwikkeling van het kind met zijn hechtingsfiguren.com . te vrij exploratie. kind bekommert zich om ouder) Disrupted attachment: massaal verdriet en rouwactie bij verlies gehechtheidsfiguur.

Soms is hypersomnie een gevolg van een samenspel tussen lichamelijke en psychiatrische factoren. Als er geen samenhang bestaat: primaire hypersomnie. moeilijk te wekken. angstig kind niet echt wakker. tijd inslapen. bipolaire stoornis en schizofrenie. In en doorslaapproblemen (Insomnie)  Meestal ontstaan in en doorslaapproblemen door ontwikkelingsconflicten en gaat dit vanzelf weer over. 2) Slaapapnoe: overmatig slapen door zeer gefragmenteerd slapen (ademnood)  Slapen op ongewenste tijdstippen Bij een baby duurt het even voordat de 25 uurs lichamelijke klok aangepast is aan de 24 uur klok. slaapparalyse (niet kunnen bewegen).The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 11.    Overmatig slapen (hypersomnie)  Dit kan leiden tot vertraging in cognitieve en psychomotorisch functioneren. zeer diepe langdurige slaap in de nacht en meerdere slaapepisodes overdag.  Er zijn daarnaast nog specifieke hypersomnien: 1) Narcolepsie: inslapen overdag met evt kataplexy oftewel spierverslapping. starend. Stoornissen op latere leeftijd  Abnormaal gedrag tijdens slapen  Nachtmerrie: wakker schrikken uit beangstigende droom  Pavor nocturnis: aanval met paniekerige schreeuw.2 Slaapstoornissen Je zal slaapproblemen moeten zien in het licht van normaal slaapgedrag. ouders slapen etc) Slaapcentra (Er wordt nagegaan hoelang het duurt voor het kind inslaapt)  36 . rusteloze benen of bepaalde medicatie (farmacogene insomnia). patiënt voelt zich uitgerust.com . je wordt verward wakker. Pseudo-insomnie is wanneer de klachten niet voldoen aan de eisen namelijk geen weerslag heeft op het dagelijkse leven.  Diagnostische procedures  Klachtenanamnese (aard. een psychose. bewegingen gecoördineerd. dag erna weten zij vaak niet meer wat zij/hij heeft gedroomd. Kan vaker voorkomen in periode van spanning. Wanneer geen psychiatrische of lichamelijke stoornis ten grondslag ligt spreken we van: primaire insomnia (acuut/emotioneel belastend gebeuren of chronisch/er gebeurt vaak iets vooraf en het moeilijke inslapen wordt dan bv een gewoonte). wanneer naar bed. Het is bij het afnemen van onderzoek belangrijk om het gezin mee te nemen in het onderzoek.Stuvia. effect eerdere pogingen)  Slaapdagboek (enkele weken bijhouden. epilepsieaanvallen. psychologisch invloeden en klinische beelden.  Slaapwandelen: uitdrukkingsloos. Psychiatrische stoornissen waarbij vaak insomnie voorkomt zijn angst-stemmingsen dwangstoornissen & pervasieve ontwikkelingsstoornis. frequentie uitgevraagd. duur. hypnagoge hallucinaties. Insomnie kan ook gevolg zijn van lichamelijke aandoeningen zoals spiercontracties (myoclonus nocturna). daarnaast kunnen neurologische stoornissen leiden tot hypersomnie.

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

Hoofdstuk 11.3 Genderidentiteitsstoornis
Inleiding - Genderidentiteit omvat tevredenheid met en acceptatie van de toegewezen sekse, genoegen kunnen beleven aan het lichamelijk functioneren, het kunnen vertonen van leeftijdsadequate seksuele interesses, behoeften en gedragingen en het kunnen omgaan met agressie. - Genderdysforie betekent onvrede met de gender. - Crossgenderidentificatie is identificatie met de tegenovergestelde gender - Crossgenderrolgedrag is gedrag dat stereotiep is voor de tegenovergestelde gender. De meest ernstige vorm van GIS oftewel gender identiteitsstoornis is als er sprake moet zijn van een stoornis in de genderidentificatie, als in het genderrolgedrag. Korte omschrijving DSM: A) Een sterke en aanhoudende genderidentificatie met het andere geslacht (niet slechts een verlangen) B) Zich voortdurend niet op zijn/haar gemak voelen met zijn of haar sekse of het gevoel hebben dat het niet juist is zich volgens de genderrol van deze sekse te gedragen. C) De stoornis komt niet gelijktijdig met een lichamelijke interseks aandoening voor. D) De stoornis veroorzaakt in significante mate lijden of beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren op andere belangrijke terreinen. Vormen van genderdysforie bij jeugdigen - Transseksualiteit: dit is de meest extreme vorm, hierbij is de onvrede over de biologische sekse zo sterk dat een geslachtsverandering gewenst wordt. - Fetisjistisch transvestisme/ travestie: deze jeugdigen zijn tevreden over hun geslachtsorganen. Er is een hoge comorbiditeit van GIS met een separatieangststoornis. Bij de GIS staat de crossgenderidentificatie en het rolgedrag in dienst van de fantasie van het andere geslacht te willen zijn. Genderdysforie is een zeldzame aandoening, meisjes met deze aandoening worden minder vaak aangemeld dan jongens. Dit komt puur omdat meisjes meer geaccepteerd worden binnen deze maatschappij als zij zich meer ‘’jongensachtig’’ gedragen. Als een meisje zich dus wel aanmeldt is er vaak sprake van een zeer ernstige vorm van GIS.       Diagnostiek/behandeling is op jonge leeftijd nodig omdat kinderen met een genderdysforie vaak lijden onder hun stoornis. Soms zo sterk dat suïcide hun enige oplossing nog is. Een seperatieangststoornis wordt relatief vaak gevonden, vooral bij jongens met GIS. De diagnose kan alleen gesteld worden als deze wens ten minste twee jaar heeft geduurd en de puberteit bereikt is. Genderdysforie kan zich namelijk ook voordoen in een psychose. Hormonale behandeling met als uiteindelijk doel geslachtsaanpassing is alleen geïndiceerd als er sprake is van transseksualiteit en lijdensdruk. Genderdysforie bij kinderen met een stoornis in de ontwikkeling van de geslachtsorganen Kinderen die geboren worden met een stoornis in de ontwikkeling van de geslachtsorganen vormen een risicogroep voor het ontwikkelen van genderdysforie.

37

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

 

Een GIS bij een kind met een interseks aandoening wordt geclassificeerd als Gender Identiteitsstoornis Niet Anderszins Omschreven omdat de oorsprong van de stoornis en de inhoudelijk verschilt van die van kinderen zonder een somatische aandoening. Kinderen met een interseks aandoening vormen ook een risicogroep voor het ontwikkelen van psychopathologie. Klinische beoordelingsformulier voor Kerngedragskenmerken van de GIS op kinderleeftijd: - Beweringen over de identiteit (kind uit bv wens om ander geslacht te willen) - Onvrede met de anatomie (uit regelmatig afkeer over geslachtsdeel) - Cross-dressing (jongensachtig of meisjesachtig gekleed) - Speelgoed en spel (voorkeur voor de andere sekse) - Relaties met leeftijdgenoten (liefst spelen met de andere sekse) - Psychomotoriek (kenmerkend voor het andere geslacht) - Wild spel (bij jongens afkeer van wild spel, meisjes juist wild spel)

Het gender constantie interview van Slaby en Frey is gebaseerd op de volgende stadia:  Etiketteren: van zichzelf en daarna de ander als jongen of meisje. Het etiketteren van de eigen gender begint op 2-jarige leeftijd, het benoemen van gender van andere op 3-jarige leeftijd. Genderconstantie (begrip van onveranderbaarheid van sekse) wordt op 4-jarige leeftijd bereikt. De bewering van de andere sekse te zijn kan dan ook pas na het 4e levensjaarwijze op een GIS. Stabiliteit: herkennen van het permanent zijn van de gender in de tijd. Motief: kennis dat de gender niet kan veranderen ook al zou men het willen. Constantie: kennis dat de gender van zichzelf en de ander onveranderlijk is ondanks veranderingen in activiteit, uiterlijk en dergelijke.

  

Meetinstrumenten    Gender constantie interview (Slaby en Frey). Gender Identiteits Interview voor Kinderen: om een indruk te krijgen van de genderidentificatie (zie blz. 234 voor dit interview). Genderrolobservatietest (Zucker): omvat twee spelsituaties. Kinderen kunnen 5 minuten spelen met typisch jongen- en meisjes speelgoed en 5 minuten met verkleedkleren die typisch meisjes of jongensachtig zijn. Het kind wordt geobserveerd. Jongens met genderdysforie hebben vaak een voorkeur voor heel speciaal meisjesspeelgoed (barbies en prinsessen). De mens teken test, teken jezelf (projectief)

Voor een overzicht van de meetinstrumenten zie tabel 11.3.4. op blz. 236.

38

Stuvia.com - The Marketplace to Buy and Sell your Study Material

11.4 Eetstoornissen bij de adolescent
   In Nederland heerst er een piek in het ontstaan van anorexia, namelijk 14 tot 19 jaar. Als het eerder begint wordt het early onset genoemd, en later; late onset. Onderzoek naar adolescenten en anorexia is nogal beperkt. Slecht 1 op de 10 anorexia patiënten zijn een man. Er wordt vaak gesproken over een toename van anorexia. Dit is nog niet bewezen. Richard morton schreef de eerste gedetailleerde medische beschrijving van de hedendaagse anorexia nervosa. Eerst werd het gezien als een endocriene ziekte, pas later werd het tot psychiatrische ziektebeeld gerekend. Er is sprake van boulimia nervosa (het hebben van vreetbuien, waarbij stress een oorzakelijke factor lijkt) indien een patiënt geen anorexia in de voorgeschiedenis heeft gehad, bij het stellen van de diagnose heeft anorexia prioriteit boven boulimia

DSM-IV Criteria voor Anorexia A) Weigering het lichaamsgewicht te handhaven B) Intense angst om dik te worden C) Stoornis in de manier waarop hij/zij haar lichaam beleeft D) Amenorroe, afwezigheid van menstruele cycli. DSM-IV Criteria voor Boulimia Nervosa A) Recidiverende episoden van vreetbuien B) Recidiverend compensatie gedrag C) De vreetbuien en compensatie gedrag komen beide gemiddeld ten minste tweemaal per week gedurende drie maanden voor. D) Het oordeel over zichzelf wordt in onevenredige mate beïnvloed door lichaamsvorm/gewicht. E) De stoornis komt niet uitsluitend voor tijdens episoden van anorexia nervosa. In de huidige DSM bestaat de categorie ‘eetstoornissen’ uit drie eetstoornissen, namelijk anorexia, boulimia en eetstoornis-niet-anderszins-omschreven. Bovendien worden anorexia en boulimia onderverdeeld in twee subtypen: - Voor anorexia zijn dat het restrictieve (rigide) type en het purgerende type (braken, laxeren). - Voor boulimia zijn dat het purgerende type en het niet-purgerende type. Kritiekpunten t.a.v. de criteria van de DSM-IV wat betreft anorexia: - Criterium aangaande gewicht: dit criterium is moeilijk toepasbaar op de in lengte en gewicht groeiende adolescent. - Criterium rond menstruele cycli: in de vroege adolescentie kunnen de menstruele cycli nog zeer onregelmatig en onvoorspelbaar zijn. - Criterium rond lichaamsbeleving: voor het vaststellen van een gestoorde lichaamsbeleving is het nodig dat een bepaald niveau in de cognitieve ontwikkeling bereikt is. Dit komt in de adolescentie pas tot ontwikkeling. - Indien vasthouden strenge criteria (anorexia, alle criteria & Boulimia, frequentie vreetbuien): Dit kan leiden tot onderdiagnosticering, terwijl het juist belangrijk is dat anorexia tijdig wordt ontdekt. Kritiekpunten t.a.v. de criteria van de DSM-IV wat betreft boulimia: -Criterium rond vreetbui: de vreetbuien en het purgeren moeten beide gemiddeld ten minste 2 maal per week gedurende 3 maanden voorkomen. Kinderen en adolescenten voldoen hier vaak niet aan. 39

zoals bij interviews. 40 . enz. d. Het ontbreken van en de onderbrekingen in het menstruatiepatroon. Degene met het risico op een eetstoornis zal steeds opnieuw lagere gewichtsdoelen nastreven. Grote angst om dik te worden. omdat de patiënt de symptomen niet aan iemand hoeft te vertellen.Stuvia. Maar dit soort interview leidt minder tot ontkenning. energie inname. Het diagnostische proces 1. 1) vastgestelde voedselvermijding 2) gewichtsverlies. Gestructureerde interview en Diagnostische checklist: een nadeel hiervan is dat de patiënten vanwege de ontkenning vaak onbetrouwbare informanten zijn. activiteiten zijn geheel gericht op het afvallen. 4. c. vertraagde puberteitsontwikkeling. Zussen van patiënten hebben een grotere kans op het ontwikkelen van een eetstoornis. De moeilijkheid bij de diagnose is dat patiënten hun symptomen vaak goed weten te verbergen. 6. angst dik worden. Intergenerationeel gezien blijken moeders van patiënten vaak ook een vorm van een eetstoornis te hebben (gehad). Afvallen in combinatie met purgeren. 2. c. Er zijn bij eetstoornissen drie kernsymptomen (trias) in meer of mindere mate aanwezig: a. Somatisch onderzoek: somatische complicatie die kunnen optreden bij kinderen/jeugdigen met eetstoornissen zijn gewichtsverlies. Afvallen met een steeds kritischer blik op het lichaam. bovendien is gezinstherapie regelmatig effectiever dan individuele therapie. hiervoor beschreef Woodside 5 belangrijke signalen: a. Lask en Bryant-Waugh hebben een diagnostische checklist met de volgende punten. Het is belangrijk ook ‘milde vormen’ te onderkennen. omdat ontkenning van de klachten zeer specifiek is voor deze patiënten.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Voordat de diagnose voor een eetstoornis gesteld kan worden moet eerst uitgesloten worden dat het gewichtsverlies optreedt op basis van somatische ziekten of ten gevolge van psychologische factoren. Afvallen met een toenemend sociaal isolement. De meest gangbare vragenlijsten zijn bijvoorbeeld EAT (Eating Attitudes Test). gestoord lichaamsbeeld. er zal een stoornis in de lichaamsbeleving optreden. Een voordeel zou kunnen zijn dat het gebruik van vragenlijsten juist prettig is. gestagneerde lengtegroei. Obsessief bezig zijn met eten en gewicht. Kost veel tijd in de vorm van scoring en training. daarbuiten zijn ze geneigd de symptomen en ziekte te ontkennen. De meest gangbare interviews zijn Eating Disorder Examination en Structured interview for Anorexia and Bulimia. De anamnese moet gericht zijn op deze kernsymptomen. b. en 3) twee of meer van de volgende signalen: preoccupatie met gewicht. b. Vragenlijsten: hiervoor geldt hetzelfde nadeel als bij punt 3. 5. 3. Anamnese: het is niet makkelijk een anamnese af te nemen. purgeren. hyperactiviteit. Een goede werkrelatie is hierbij van essentieel belang. e. Het hebben van een gestoord lichaamsbeeld: volgens Garner moet dit symptoom opgesplitst worden in ‘verstoring in perceptie’ en ‘verstoring in cognities en affect’.com . Aanmelding: meestal vindt verwijzing onvrijwillig plaats. Gezinsonderzoek: schuldgevoelens van ouders moeten bespreekbaar gemaakt worden. omdat bij de patiënt het besef ontbreekt dat er sprake is van een stoornis.

Er zijn echter wel een aantal neurologische bewegingsstoornissen waarmee ticstoornissen verward zouden kunnen worden. Bij veel patiënten is sprake van moeilijkheden in gedragsmatig en sociaal functioneren. 41 .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 11. Enkelvoudige motorische tics: oogknipperen. . trekking met neus. Daarbuiten is de afgrenzing met een aantal psychiatrische symptomen soms moeilijk. Tics kunnen enkelvoudig of samengesteld zijn. automutilatie. . keel schrapen. Vaak vertoont de problematiek raakvlakken met lichtere varianten van pervasieve ontwikkelingsstoornissen. snelle. andere mensen. Het complete spectrum van de bij een kind aanwezige tics is lang niet altijd bij observatie aanwezig. Definitie volgens DSM-IV: Een tic is een plotselinge. terwijl ze vele malen per dag optreden gedurende tenminste een jaar. snuiven. Ook problemen met de executieve functies komen vaak voor bij kinderen met ticstoornissen. De duur van de tics dient ten minste 4 weken en niet langer dan 12 maanden te zijn. omdat deze kinderen erg beweeglijk zijn en daarbuiten veel lawaai produceren in het dagelijks leven. Ticstoornissen worden gediagnosticeerd op grond van observatie en/of anamnese. Indien sprake is van ADHD of ODD kan soms ook gedacht worden aan ticstoornissen. . hoofdschudden. 3. armbewegingen. Samengestelde motorische tics: aanraken van voorwerpen.com . Er bestaat geen algemeen gebruikt meetinstrument om tics te kwantificeren. knorren.Stoornis van Gilles de la Tourette: hiervan is sprake als meerdere motorische tics en een of meer vocale tics aanwezig zijn. Veel patiënten kunnen de tics enige tijd onderdrukken. Ticstoornissen: . 2.Passagere ticstoornis: stelt geen eisen aan het samen of alleen voorkomen van tics. spugen. niet-ritmische stereotiepe motorische beweging of vocale uiting. rangschikken. De informatiebronnen waarop de bestaande meetinstrumenten gebaseerd zijn kunnen in drie groepen verdeeld worden: 1. Video-observatie.Ticstoornis niet anderszins omschreven: ticstoornissen die niet aan de criteria van bovengenoemde stoornissen voldoen. plukken aan kleding. herhaalde.5 Ticstoornissen Aanleg speelt een hoofdrol bij het ontstaan van ticstoornissen. oogbewegingen. echolalie Sociale vaardigheden van kinderen met ticstoornissen zijn vaak minder goed ontwikkeld dan andere vaardigheden. Laboratorium onderzoek is niet nodig. coprolalie. Lijsten die door patiënt of ouders worden ingevuld. Ongeveer de helft van de kinderen met een ticstoornis voldoet aan de DSM-criteria voor ADHD. maar heeft wel een specifiek tijdscriterium. springen. Samengestelde vocale tics: woorden roepen. Een neurobiologische visie daarnaast is ook vereist (gevoeligheid receptoren binnen basale ganglia) Ook psychosociale factoren spelen een rol. Enkelvoudige vocale tics: kuchen.Chronische motorische of vocale ticstoornis: hiervan is sprake als uitsluitend een of meerdere motorische tics of vocale tics aanwezig zijn. Combinatie van observatie en interview.Stuvia.

Stuvia. lood. D) Er zijn aanwijzingen vanuit de anamnese. Visuele hallucinaties komen veel voor bij een delirium. taal. antibiotica. desorientatie en taalstoornis) of de ontwikkeling van een waarnemingsstoornis die niet eerder is toe te schrijven aan een reeds aanwezige. C) De stoornis ontwikkelt zich in een korte tijd (meestal uren tot dagen) en neigt ertoe in het verloop van de dag te fluctueren. 7) Overige oorzaken: infectie. epilepsie. Vooral bij jonge kinderen en postoperatief komt een delirium veel voor. 42 . amfetaminen. infecties. metabole ontregelingen. fenytoïne. koorts. prikkelbaarheid. 6) Endocriene stoornissen: Ziekte van Cushing. cafeïne. cocaïne. opslaan en interpreteren van nieuwe info is gestoord. paddenstoelen. prikkelbaar. cannabis. Delirium ----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------DSM-IV critiria A) Bewustzijnsstoornis (verminderde helderheid van het besef van de omgeving) met verminderd vermogen om de aandacht te concentreren. corticosteroïden. hyponatriemie. maakt dit een verband tussen psychische symptomen en een organische factor aannemelijk. Bij patiënten met een hersenaandoening is het uitlokken van een delirium gemakkelijk. oriëntatie. XTC. Clinici zien geregeld jeugdige patiënten met een (sub)acute diffuse cerebrale disfunctie bij koorts. Er wordt soms ten onrechte gesproken van het ICU syndroom ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------De belangrijkste oorzaken van een delirium bij kinderen en jeugdigen 1) Metabole ontregelingen: uremie. De prevalentie van het delirium op kinderleeftijd is niet bekend. benzodiazepinen. Een delirium ontstaat doorgaans binnen enkele uren tot dagen. De belangrijkste aanwijzingen voor het bestaan van een organisch psychiatrische stoornis zijn het beloop en de aard van de klachten.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 12: Organisch Psychiatrische stoornissen Inleiding In dit hoofdstuk zullen psychiatrische stoornissen besproken worden die ontstaan door aandoeningen van het centraal zenuwstelsel. maar het lange termijn geheugen intact net als de oriëntatie in de eigen persoon. vast te houden of te verplaatsen. cerebrale hyposcie. analgetica. 5) Intracraniële aandoeningen: traumatisch hersenletsel. Ziekte van Addison. huilerigheid. lichamelijk onderzoek of lab uitslagen dat de stoornis wordt veroorzaakt door de directe fysiologische consequenties van een somatische aandoening (respectievelijk samenhangen met de intoxicatie door een middel. 3) Onttrekking: Alcohol. ergotamine. shock. Als een kind na hersenletsel opeens slecht functioneert wat betreft de executieve functies. euforie. Bij een delirium is het registreren.com . benzodiazepinen 4) Deficiënties: Vitamine B1. een gestoorde aandacht en gestoorde cognitieve functies (geheugen. vastgestelde of zicht ontwikkelde dementie. spoedig gevolgd door slaperigheid. leverfalen 2) Geneesmiddelen/intoxicaties: Anticholinergica. een toegenomen of afgenomen psychomotorische activiteit en emotionele stoornissen (angst. verdriet). waarneming). opiaten. is van tijdelijke duur. het gebruik van geneesmiddelen of een onthoudingssyndroom) -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------Een delirium is een organisch psychiatrische stoornis met als belangrijkste symptomen een verlaagd bewustzijn. hypo. fluctueert in de loop van de dag in ernst en symptomatologie en gaat meestal gepaard met een gestoord slaap-waak-ritme. Een delirium zet bij kids vaak enkele dagen tevoren in met symptomen: redeloze woede. Daarnaast kan neuropsychologische onderzoek helpen stoornissen te objectiveren. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------- De oorzaak van het delirium moet uitgezocht worden. tumor. bij oudere patiënten ligt dit op de 20-30%. Door het fluctuerende beloop en doordat de patiënt als informant onbetrouwbaar is moet heteroanemnistische informatie naar voren komen. foliumzuur. anemie. subarachnoidale bloeding.en hyper(para)thyreodie. woede. intoxicaties en bij intracraniële aandoeningen. B) Een verandering in de cognitieve functie (zoals geheugenstoornis. corticosteroiden. alcohol. postoperatief.

die ontstaat door beschadiging of disfunctioneren van onrijpe hersenen. Hoofdpijn. spierrigiditeit.Stuvia. middelzwaar en licht. 43 .Het alcoholonthoudingsdelirium Intoxicaties Te denken valt dan aan drugs. . Infantiele encefalopathie Te denken valt aan de niet-progressieve bewegingsstoornis.Centraal anticholinerg syndroom (droge mond.com . Traumatische hersenletsel Het letsel wordt op basis van de Glasgow Coma Scale (GCS) en de Post-traumatische Amnesie (PTA) ingedeeld in ernstige. neurocutane syndromen Dit kunnen ook vormen zijn van organisch psychiatrische stoornissen. epilepsie.Maligne Neuroleptisch Syndroom (temperatuursverhoging.Serotoninesyndroom (Autonome disfuncties. rode huid etc. agitiatie en acute dystonie. agitatie en myoclonieen) . ADHD is een risicofactor voor schedelhersenletsel.) .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Naast het delirium kunnen zich er nog andere syndromen ontwikkelen: .

de motoriek.Stuvia. De problematiek van een groep van de ernstigst gehandicapte kinderen aan de ene zijde van het spectrum wordt autisme genoemd. of samengestelde handicaps in zeer lichte mate van ernst. of bv specifieke leerstoornissen. het snappen en aanvoelen van sociale informatie. de reactie op interne en externe prikkels. Hieronder vallen kinderen met ADHD. Tussen deze twee ligt in 44 .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 13 Pervasieve ontwikkelingsstoornissen Een spectrum van pervasieve ontwikkelingsstoornissen De globale typering van deze domeinen zijn stoornissen in het contact (neiging tot interacteren).com . Aan de andere kant van het spectrum bevinden zich onder andere de problemen van kinderen met enkelvoudige handicaps. De term spectrumstoornissen wordt nog breder opgevat: de ontwikkelingsstoornissen als geheel omvattend. Die ook wel specifieke ontwikkelingsstoornissen worden genoemd. het besturen van het gedrag zodat dit adequaat past bij de actuele sociale context en het flexibel kunnen reageren op veranderde informatie. de taalontwikkeling.

Het kind ziet wel dat moeder boos wordt. 4) Ontwikkelingsstoornissen evolueren met de leeftijd en presenteren zich per leeftijd weer anders. maar snapt niet 45 . sociaal begrip en intuïtie. het kijkt tegen een platte wereld aan. 6) Sociale interactie: Er is te veel sprake van eenrichtingsverkeer. oftewel kind maakt geen (oog) contact of juist claimend oogcontact. In de problematiek van deze kinderen lijken onder meer 4 aspecten te onderscheiden:  Zwakte in het oppakken van sociale informatie en het ontwikkelen van een vermogen tot interpretatie van de sociale context. op meerdere of op alle genoemde mogelijke probleemgebieden van functioneren. de motoriek: Bewegingen zijn vaak houterig. meer en meer in dit gedrag wordt verdisconteerd.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material de problematiek die wordt aangeduid met de term Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet anderszins Omschreven (PDD-NOS) In de DSM-IV is de problematiek van kinderen en jeugdigen met PDD-NOS overigens zeer summier en in negatieve termen beschreven. 2) de symptomen kunnen binnen een domein bij het ene kind veel ernstiger dan de andere zijn. 2) Praten: taalontwikkeling loopt achter of komt niet tot stand 3) Reageren op interne en externe informatie: Er kunnen steeds terugkerende gedragspatronen ontstaan waarbij bv bepaalde prikkels voortdurend worden opgeroepen zoals het aan. Gedrag van kinderen met ernstige pervasieve ontwikkelingsstoornissen Er zijn minstens zes gebieden te onderscheiden. Het ziet als het ware met één oog. Het is begrijpelijk dat binnen de grote groep van kinderen met pervasieve ontwikkelingsstoornissen er onderling aanzienlijk verschillen bestaan in gedrag en problematiek. 4) Ontwikkeling van het bewegen. Gedrag van kinderen met minder ernstige vormen van pervasieve ontwikkelingsstoornissen Bij kinderen met een lichte variant van een ontwikkelingsstoornis vindt de ontwikkeling (de ouder ziet aan het gedrag van het kind dat de sociale informatie waarvan de ouder het kind dag in dag uit voorziet. Naarmate de contactstoornis minder ernstig is en een kind dus wel communiceert wordt meer zichtbaar dat de wijze waarop dit gebeurt gestoord is. waarin zich problemen kunnen voordoen bij kids met ernstige pervasieve ontwikkelingsstoornissen 1) Contact: Er is sprake van een contactstoornis. 3) Het accent kan liggen op bv contactstoornis en minder op de taalontwikkeling of omgekeerd. Er bestaat een contactstoornis die zich toont als ook een communicatiestoornis. 5) Sociale intelligentie en sociale intuïtie: Veel kinderen hebben moeite begrip te vormen voor wat er speelt.en uitdoen van een lamp.com .Stuvia. 1) Er kunnen problemen zijn op enkele. dit is adequaat) niet of onvoldoende plaats. ze zeggen en doen dingen op het verkeerde moment.

com . Renner) Bij deze rating scale worden 14 gedragsaspecten gescoord op een zeven puntsschaal. Het is belangrijk om open vragen te stellen aan de ouders zoals ‘’ hoe is de taalontwikkeling van pietje verlopen’’?.Hoe gaat het kind om met niet-menselijke objecten . er is dan sprake van een dubbelde handicap.Hoe zijn de angstreacties? . De stoornis is herkenbaar naast de verstandelijke handicap.Hoe past het kind zich aan bij verandering in de omgeving . maar wel een normale taalontwikkeling en een gemiddelde of zelfs bovengemiddelde intelligentie hebben.hoe is het imitatievermogen . Zwakte in adequate besturing van het gedrag: het kind snapt de dubbele bodem van een sociale situatie niet. voortdurend interacteren de ander meer teruggetrokken. zo erg zijn bepaalde dingen namelijk niet.Hoe zijn de reacties van de nabijheidszintuigen (reactie op vallen en stoten) . De timing van dergelijke vragen is ook nog van groot belang.Hoe is de verbale en non-verbale communicatie? . die sociaal houterig zijn. Het betreft kinderen met een duidelijke contactstoornis. De problematiek van de term syndroom van Asperger valt hier ook onder.Hoe zijn de affectieve reacties . die functioneert als een soort van mee oordelende periscoop waardoor er reliëf ontstaat in wat het meemaakt.Hoe is het verstandelijk functioneren De jeugdige met een pervasieve stoornis bij wie eerst in de adolescentiefase de diagnose gesteld 46 .Hoe gaat het kind om met personen . bij het ene kind is daarbij erg druk. Gedrag wordt in hoge mate bepaald door intern gegenereerde actiepatronen: Het gedrag is vaak start en dwangmatig. Anamnese Wanneer er sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis is uit dit relaas bijna altijd de rode draad te destilleren die verwijst naar deze problematiek. Diagnostisch onderzoek van het kind zelf Een goede manier om te komen tot het directe onderzoek van het kind is het gebruik van de instructies die gelden voor de Childhood Autism Rating Scale (CARS. Het kind heeft daarnaast moeite met gebeurtenissen in perspectief te plaatsen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material   waarom moeder nu eigenlijk boos is geworden.hoe gebruikt het kind zijn lichaam . op basis van observatie van het gedrag van het kind.Hoe zijn de auditieve reacties? . schopler. Het kind mist een dimensie in denken. Het kind is sterk geneigd om op eigen kompas te functioneren. Het kind loopt bijvoorbeeld een huis binnen van een wildvreemde om een praatje mee aan te knopen.Stuvia. Reichler. Soms wordt dit slecht herkend omdat het contact niet afwijzend of negerend is.Hoe is het activiteitsniveau (bewegingspatronen) .Hoe zijn de visuele reacties? . Kinderen met een combinatie van een verstandelijke handicap en een pervasieve ontwikkelingsstoornis (!) Ruim driekwart van de autistische kinderen functioneert op zwakzinnig niveau. maar juist voortdurend interacterend. Hieronder de indeling van de verschillende gedragsaspecten: . Echter ook bij kinderen die op laag niveau functioneren kan er sprake zijn van problemen die men eerder aanduidt met de term PDD-NOS.

Classificatie De beschrijving van de ontwikkelingsproblematiek van het kind toets je aan de DSM-IV criteria voor autisme stoornis.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material gaat worden heeft: of een milde problematiek of de omgeving heeft dit lang kunnen ondervangen. Hoe meer regelmaat het onderzoek bevat des te beter het kind functioneert. Desintegratiestoornis van de kinderleeftijd. stoornis van Rett.Stuvia. stoornis van asperger en pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anderszins omschreven. Daarnaast zal binnen het onderzoek meer zichtbaar worden als het kind zich op zijn gemak voelt. 47 .com .

Stuvia.en Verwante stoornissenschaal voor Zwakzinnigen-Revisie) HBS (Handicap behavior and skills schedule) ADI-R (autism diagnostic interview-revised) ADOS-G PEP-R (psycho educational profile.a.a. groot aantal motorisch. onderzoek naar gedaan omdat kinderen met een a-typische stoornis vaak wordt verward met ADHD) CARS (Childhood Autism Rating Scale) AUTI-R AVZ-R (Autisme. (!) Het is ALTIJD van belang om de intelligentie te meten van het kind. klinisch genetisch onderzoek). Slot: De kunst van het diagnosticeren is de rode draad herkennen. nieuw) CADS (Children’s Atypical Development Scale. soortgelijk instrument als bovenstaande) VISK (vragenlijst inventarisatie van Sociaal gedrag bij kinderen. 1988 Van BerckelaerOnnes 1991 Kraijer 1999 Wing 1978 Lord 1994 Lord 1998 Schopler 1990 Mesibov 1988 Scoringsinstrument op basis van observatie Scoringsinstrument op basis van observatie Scoringsinstrument op basis van observatie Gestandaardiseerd interview Gestandaardiseerd interview Gestandaardiseerd observatie instrument Gestructureerd onderzoek Gestructureerd onderzoek (voor adolescenten en volwassenen) Behalve de AVZ-R en de VISK zijn er bijna geen instrumenten specifiek ontwikkeld voor de problemen met autisme aanverwante stoornissen. cognitieve en sociale aspecten meten) AAPEP Auteur Rimland 1971 Type Checklist door ouders of leerkracht in te vullen Krug e. Daarnaast is medisch onderzoek noodzakelijk (kinder neurologisch onderzoek.com .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Instrument Form-E2 (meest gebruikt vroeger heette dit de Diagnostic Checklist for Behavior Disturbed Children) ABC (Autisme behavior checklist. 1980 Luteijn 1998 Barkley 1990 Checklist door ouders of leerkracht in te vullen Checklist door ouders in te vullen Checklist op basis van anamnese en observatie Schopler e. 48 .

affectieve vervlakking. Psychose 3. Bij schizofrenie dienen ten minste twee van bovenstaande 5 symptomen van psychose aanwezig te zijn gedurende een maand (hoeft er maar 1 als je stemmen hoort). Catatonie is een stoornis van het doelgerichte motorische handelen. Negatieve symptomen: bijvoorbeeld affectieve vervlakking. Restfase: indien na een acute psychose bepaalde klachten blijven bestaan. gebrek aan hygiëne of clownesk kinderlijk gedrag. Hallucinaties: kernsymptomen hierbij zijn het hardop uitspreken van gedachten. voorbeelden zijn zelfverwaarlozing. De aanwezigheid van een van deze symptomen is voldoende om de diagnose schizofrenie te stellen (positief symptoom). depressieve stemming of buitensporige sociale angst. In de DSM-IV worden 4 groepen van symptomen genoemd die alle psychosen met elkaar gemeen hebben. ongemakkelijker houding staan. neiging tot sociale isolatie en passiviteit. 2. Formele denkstoornissen: de samenhang tussen opeenvolgende zinnen gaat verloren. 3. stemmen horen die commentaar leveren of stemmen die met elkaar converseren. aangezien dit in verband wordt gebracht met een grotere genetische belasting.Stuvia. 49 . De totale duur van de symptomen bestaat uit 3 fasen: 1. De prognose is slechter naarmate de aandoening zich vroeger manifesteert. De vijfde groep komt voornamelijk voor bij schizofrenie. apathie. waardoor de spraak als onsamenhangend of verward overkomt. openbaart zich in de adolescentie. 1. Prodromale verschijnselen zijn bijv. 2. verminderde aandacht. Criterium DSM A) Bij schizofrenie dienen ten minste twee van bovenstaande vijf symptomen van psychose aanwezig te zijn gedurende een maand. B) De schizofrene stoornis geeft aanleiding tot een ernstige aantasting van het niveau van sociaal of beroepsmatig functioneren C) De totale duur van de symptomen bedraagt ten minste zes maanden D) Bipolaire stoornis en schizo-affectieve stoornis dienen uitgesloten te zijn E) Er mag geen sprake zijn van door drugs geïndiceerde psychose of een psychose op basis van een medische aandoening. De gemiddelde leeftijd bij aanvang van de aandoening is 19 jaar. Gedesorganiseerde vorm: gedesorganiseerd gedrag beheerst hier het beeld. Zo kan een patiënt als een standbeeld. 4. Zonder adequate behandeling recidiveren 40-60% van alle eerste psychosen binnen het eerste jaar.com .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 14: Schizofrenie Ongeveer een half tot 1 procent van de bevolking in Westerse landen leidt aan schizofrenie. Prodromale fase: fase voorafgaand aan het uitbreken van de eerste psychose. urenlang in dezelfde. 5. sociale isolatie en passiviteit. Gedesorganiseerd gedrag en catatonie: dit kan zich in vele gedaanten voordoen. symptomen hierbij zijn bijv. Subclassificatie 1. Wanen: voorbeelden zijn paranoïde wanen afgeluisterd en achtervolgd te worden en religieuze grootheidswanen (positief symptoom).

Psychosen met een slecht begin.Door drugs geïnduceerde psychosen. aangevuld met een grondige ontwikkelings.Stuvia. Catatone vorm: openbaart zich in de adolescentie. 3.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material 2.Comprehensive Assessment of Symtoms and History (CASH) gericht op spectrum van schizofrenie en schizo-affectieve stoornissen. Ook moet worden ingeschat hoe bij het gezin de behoefte aan psycho-educatie ligt. waarbij psychose voorafgegaan wordt door een periode van slecht sociaal functioneren. Ook de factoren die de psychose uitgelokt hebben worden nauwkeurig in kaart gebracht. De familiaire belasting voor psychosen en affectieve stoornissen dient nauwkeurig te worden nagevraagd. 50 .of dagenlang in ongemakkelijke lichaamshoudingen of ze vertonen excessieve en schijnbaar ongerichte motorische activiteit. zouden een slechtere prognose hebben dan acuut beginnende psychosen. namelijk in een instabiel of onveilig gezin opgroeit.com . . in deeltijd of ambulant zal plaatsvinden. Een adolescent die dit heeft kan in de vroege volwassenheid alsnog schizofrenie ontwikkelen. Psychiatrisch interview: ontwikkelingspsychologische is van belang dat schizofrene patiënten slecht in staat zijn de normale ontwikkelingstaken van de adolescentie te volbrengen. . Onderzoeksmiddelen 1. Anamnese & psychiatrisch onderzoek van de jeugdige Een degelijk uitgevoerd psychiatrisch onderzoek. .Schizofreniforme psychose: duurt 1-6 mnd en er zijn doorgaans prognostisch gunstige factoren aanwijsbaar.en familieanamnese vormen de ruggengraat van de diagnostiek van psychotische stoornissen. Er zijn alternatieve sub classificaties voorgesteld om patiënten met goede en slechte prognose van elkaar te onderscheiden. . Differentiaal diagnostisch gezien moeten bij schizofrenie de volgende mogelijkheden overwogen worden: . 2. Bij de speciele anamnese beschrijft de onderzoeker nauwkeurig de psychotische symptomen. in plaats daarvan isoleren deze jeugdigen zich. . maar geen wanen of hallucinaties. Gezinsonderzoek: de onderzoeker probeert een indruk te krijgen van de interactie.Kortdurende psychose: duurt korter dan een maand.Positive and Negative Symptom Scale (PANNS) met diverse observatie-items.Dissociatieve stoornissen: deze kunnen ook gepaard gaan met hallucinaties. Voor klinische behandeling pleiten. . In vroeg stadium moet ingeschat worden of de behandeling klinisch.Pervasieve ontwikkelingsstoornissen: hierbij doen zich formele denkstoornissen voor. Semi-gestructureerde interviews: . De normale gerichtheid op leeftijdgenoten ontbreekt.en communicatiepatronen binnen het gezin. suïcide risico. 3. geringe draagkracht. achtervolgings. 4. er komen heftige affectwisselingen voor. ernstige depressieve klachten. Ongedifferentieerde vorm: indien de patiënt niet in eerder genoemde categorieën past. Paranoïde vorm: begint meestal rond het 30e jaar.of vergiftigingswanen staan centraal. Catatone patienten volharden uren.Organische stoornissen: psychosen ten gevolge van een medische aandoening.Schizotypische persoonlijkheid: een zwakkere fenotypische manifestatie van schizofrenie. .Affectieve stoornissen . Genetische aanleg voor schizofrenie manifesteert zich met name wanneer het kind onder ongunstige omstandigheden. diagnostische complicaties etc.

Op basis van dit model is door Scholte een profielschets ontwikkeld die als leidraad voor behandeling en rehabilitatie dient. MRI Verhoogd voorkomen van schizofrenie in familie Niveau van Expressed Emotions B C D Somatisch onderzoek Standaard Op indicatie Gezinsonderzoek Genetische belasting Gezinsinteracties Aanvullend ond. Hulponderzoek Laboratoriumonderzoek helpt bij de afgrenzing en de differentiaaldiagnose van door drugs geïnduceerde psychosen. op indicatie Semi-gestructureerde interviews Neuropsychologisch onderzoek Stoornissen in executieve functies 51 . activiteiten en omgevingsfactoren: deze verhogen het welbevinden en bieden structuur en veiligheid.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Luxerende factoren Het diathese-stress model gaat er vanuit dat schizofrene patiënten in aanleg een verhoogde kwetsbaarheid hebben voor stress. 3. wanen. Hierin worden vier voor het psychotische proces relevante categorieën beschreven die samen met de patiënt en zijn ouders ingevuld en bijgewerkt worden: 1. Routine lichamelijk onderzoek Screening op drugs. aandacht en de organisatie en planning van het gedrag. Beschermende vaardigheden.com . Onderzoek bij schizofrenie A Psychiatrisch onderzoek Ontwikkelingsanamnese Sociaal disfunctioneren Speciele anamnese Prenatale en perinatale complicaties. ontwikkelingsproblemen? Hallucinaties. Ziekte: het gaat zowel om waarschuwingssignalen als om symptomen. 4. Neuropsychologisch onderzoek zou aanvullend kunnen zijn aangezien psychotische stoornissen gepaard gaan met ernstige verstoringen van geheugen. 2. Rolgedrag: gedragingen waar de patiënt baat bij heeft of juist schade door oploopt. EEG. formele denkstoornissen Duur prodromale fase Uitlokkende factoren Geassocieerde symptomen.Stuvia. Spanningsbronnen: het gaat zowel om interne als externe spanningsbronnen.

eenmalige episode depressieve stoornis. ontvlambaarheid. Stemmingsstoornissen in de jeugd gaan ten koste van ontwikkeling (sociaal-cognitief. Stemmingsstoornissen in de jeugd zijn recidiverend of chronisch met hoge morbiditeit en mortaliteit.    Voor classificatie van kennisstoornissen als syndroom: DSM-IV. afvallen Bij dysthymie en cyclothyme stoornis mag tijdsduur 1 jaar zijn i. zijn wereld.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 15: Stemmingsstoornissen Pas de laatste 15 jaar is het bestaan van depressie bij kinderen (prevalentie 2-5%)en jongeren (prevalentie 10-20%) gedocumenteerd.v.p. De reden hiervan is waarschijnlijk dat kinder.p. Bij een manische stemming kan er sprake zijn van abnormale vrolijkheid. Diagnostische criteria  Stemming wordt gedefinieerd als een continu aanwezige toestand die bepalend is voor de manier waarop de mens zichzelf.v. recidiverend dysthyme stoornis depressieve stoornis.com . waarin de depressieve of manische stemming een kernsymptoom is.Stuvia. een verloop en een afloop.en jeugd psychiaters te lang alleen met een psychodynamische bril hebben gekeken (hier is stemmingsstoornis vrij normaal binnen de ontwikkeling van een kind) en dat de stemmingsstoornis zich minder vast omschreven uit in de jeugd. intermenselijk en ouder-kind relatie). niet anders omschreven bipolaire I stoornis bipolaire II stoornis cyclothyme stoornis bipolaire stoornis. 2 jaar Diagnostische criteria van de depressieve stoornis (unipolaire depressie) Er dienen tenminste 5 symptomen aanwezig te zijn uit een lijst van 9 (waaronder symptoom 1 of 2 minimaal 2 weken) De symptomen voldoen niet aan criteria gemengde episode De symptomen veroorzaken lijden/ beperkingen in het functioneren Er is geen organische oorzaak aantoonbaar 52 . lusteloosheid. goede diagnostiek en snelle behandeling is dus nodig. Bij stemmingsstoornissen gaat het om stoornissen in de dimensie somber-euforisch. sombere stemming er mag ook sprake zijn van niet-aankomen i.p.v. deze onderscheidt:         depressieve stoornis. Bij een depressieve stemming is er sprake van abnormale somberheid. maar ook van overdreven gevoelens van zelfvertrouwen en overmoed. ongeïnteresseerdheid en een onvermogen om nog ergens van te kunnen genieten. niet anders omschreven Aanpassing criteria voor jeugd:    er mag ook sprake zijn van geprikkelde stemming i. zijn verleden en zijn toekomst ervaart. Van een stemmingsstoornis als syndroom is sprake als er een complex van symptomen is met een begin.

4. Psychotische kenmerken. terugkerende gedachten aan de dood of aan suïcide. Atypische kenmerken. Melancholische depressies (verlies van interesse en plezier in alle of bijna alle activiteiten.Stuvia. of een suïcidepoging Bij jeugd is er soms andere verdeling/ expressie depressieve symptomen. suïcidale ideaties) Angstsymptomen Bij de diagnose depressieve stoornis kunnen verder in de DSM-IV nog de volgende bijzonderheden worden aangegeven 1. gewichtstoename.    Melancholische symptomen (verlies van plezier. Voorheen werd het een endogene depressie genoemd.Stemmingscongruente psychotische kenmerken: wanen/hallucinaties wat de inhoud betreft in overeenstemming met typische depressieve thema’s (dood. wanen. loodzware vermoeidheid. verschillend per leeftijd:     Kinderen < 12 jaar: meer lichamelijke klachten. gewichtsverlies en remming) Negatieve cognities (negatief zelfbeeld. geremdheid en anhedonie Suïcidale gedachten. tekort schieten) 53 . gevoelens van waardeloosheid of buitensporige of onterechte schuldgevoelens 8. Eerste episode of recidief 2. duidelijk verminderde eetlust. psychomotore remming. karaktereigenschap van gevoeligheid voor afwijzing. ziekte. gewichtsverandering of eetlustverandering 4. Bij de psychotische kenmerken dient gespecificeerd te worden of er sprake is van: . besluiteloosheid of concentratieproblemen 9. in de DSM worden de psychotische kenmerken ondergebracht bij de criteria voor de ernst van de stoornis die wordt onderverdeeld in 1 licht t/m 6 volledig in remissie. slapeloosheid of overmatig slapen (insomnia/hypersomnia) 5. anhedonie en hypersomnie Hoe hoger de leeftijd hoe meer dag schommelingen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material - De stoornis is geen normale reactie op verlies dierbare Symptomen van criterium A: 1. slapeloosheid en slechte concentratie komen in alle leeftijd evenveel voor Onderzoek heeft laten zien dat depressieve jeugdigen onder te verdelen viel in clusters op basis van de symptomatologie.com . auditieve hallucinaties Kinderen > 12 jaar: meer hulpeloosheid en hopeloosheid. duidelijk andere kwaliteit van de depressieve stemming. Depressie met deze kenmerken begint meestal in adolescentie en komt meer voor bij jong volwassenen. Is genetisch anders en reageert anders op medicijnen (MAO remmers ipv tricyclische antidepressiva) dan “normale” depressie. Melancholische kenmerken. duidelijke vermindering van interesse of een duidelijke vermindering van plezier 3. geen melancholie. in de morgen vroegtijdig ontwaken. psychomotorische agitatie of remming 6. depressieve stemming 2. Kenmerken zijn: reactiviteit. in de morgen het hevigst. moeheid of verlies van energie 7. dus onderscheid is waarschijnlijk niet meer heel zinvol. schuld. buitensporige of onterechte schuldgevoelens) knappen even snel op met antidepressiva als niet melancholische (in tegenstelling tot wat vroeger werd gedacht). hypersomnia. 3. psychomotore agitatie.

Stemmingsincongruente psychotische kenmerken: achtervolgingswaan (zonder direct verband met depressieve thema’s.Stuvia. Indien deze psychotische kenmerken ook buiten de depressieve episode voorkomen moet je gaan kijken naar de diagnose schizofrenie. komen er ook gemende symptomen voor. winterdepressies komen voor bij 3-4% van de schoolgaande jeugd. In NL wordt de bipolaire stoornis zelden gesteld onder twaalf jaar. Diagnostische criteria voor de bipolaire stoornis Na een (hypo)manische episode is er sprake van een bipolaire stoornis. De dysthyme stoornis bij kinderen wordt gekenmerkt door een vroeg begin en een langdurig beloop. 5. Het is onduidelijk of deze depressie een ander type depressie is. herstel. . Bij de beschrijving van het beloop is het van belang om te kijken of het episodisch dan wel chronisch verloopt. vaak bij jeugd. wel blijkt dat deze kinderen en jeugdigen 20-40% kans lopen om binnen vijf jaar een manie te ontwikkelen (bipolaire stoornis). Kinderen met een depressie hebben 20-40% kans om een bipolaire stoornis te ontwikkelen voor hun 25e jaar. manische.De hypomane episode/bipolaire II stoornis = Hetzelfde als hierboven maar als er geen ziekenhuisopname noodzakelijk is/psychotische kenmerken zijn. 5. Beloop. In 28% van de gevallen is een depressie vaak het begin van een bipolaire stoornis. Grootheidsideeën/ opgeblazen eigenwaarde afgenomen behoefte aan slaap spreekdrang/ spraakzamer dan normaal gedachtevlucht verhoogde afleidbaarheid toeneming doelgerichte activiteit (sociaal/werk/school/ seksueel/psychomotorisch) overmatige aangename activiteiten met pijnlijke gevolgen: koopwoede. Rapid cycling. De stoornis begint in 75% van de gevallen met één of meer depressieve episoden. 3. onverstandige investeringen. Stemmingsstoornissen zijn recidiverend en of chronisch. Dit is ook een specificatie van het beloop namelijk als er in de voorgaande 12 maanden tenminste vier maal een depressieve. De drie kenmerken. Seizoensgebonden patroon. 4. gemengde of hypomane episode is opgetreden. school. 2.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material . . waarbij minimaal 3 van de symptomen aanwezig zijn (als er alleen prikkelbaarheid is. minimaal 4 symptomen): 1.com . In de adolescentie leveren deze stemmingsincongruente psychotische kenmerken een lastig diagnostisch probleem op. 7.Gemengde episode = naast depressieve en (hypo)manische episoden. 6. Ongeveer 70% heeft een of meer recidief depressies tijdens een follow-up periode van vijf jaar. seksuele indiscreties .De manische episode/bipolaire I stoornis = duidelijke beperkingen in werk. 6. In het verdere verloop treden tijdens de adolescentie twee tot 54 . 7. sociale activiteiten en in de relaties met anderen of dat een ziekenhuisopname noodzakelijk is om schade voor zichzelf of anderen te voorkomen of dat er psychotische kenmerken zijn. recidiveren en het switchen van een unipolaire naar een bipolaire stoornis. Manische episode: periode van minimaal een week met abnormale en voortdurend verhoogde expansieve/prikkelbare stemming.

overig functioneren. lichamelijke klachten. Bij kinderen met een dysthyme stoornis komen ook vaak de volgende symptomen voor: gevoel niet geliefd te zijn.Een aantal somatische ziektebeelden (AIDS. Door chroniciteit wel grotere emotioneelsociale ontwikkelingsachterstand. insomnia/hypersomnia. Voor kinderen zijn externe aanwijzingen belangrijk om emoties goed te onderscheiden. hopeloosheid).The Marketplace to Buy and Sell your Study Material viermaal zoveel manische als depressieve episoden op.Adolescenten met middelenmisbruik hebben ook vaak stemmingsstoornissen Onderzoeksmethode Informatie verzamelen bij kind. voorgeschiedenis. moeheid. anemie. mede voor uitsluiten andere oorzaken. diabetes etc) kunnen vergezeld gaan van depressieve klachten .basale emoties bij anderen onderscheiden. Psychiatrisch diagnostisch interview Symptoom georiënteerd interview (en geen observatie) want belangrijkste symptomen zijn subjectief. ouders e. Veel psychiatrische stoornissen lijken op een stemmingsstoornis: .basale emoties benoemen. gezinsfunctioneren. 5 jaar. Ontwikkelingsniveau is belangrijk bij het adequaat kunnen beantwoorden van de vragen. verlaging zelfgevoel.Het chronisch vermoeidheidssyndroom heeft overeenkomstige meer somatische sympt . was vaak (69%) als sprake van gedragsstoornis . angst en ongehoorzaamheid. de volgende ontwikkelingsgebieden spelen hierbij een rol: Kennis van emotie en stemming: 2 jaar. moeite beslissingen. De diagnose van een stemmingsstoornis kan alleen gesteld worden als de symptomen niet toegeschreven kunnen worden aan andere condities. verminderde concentratie.Zowel bij primaire psychose ( bv schizofrenie) als bij manie in adolescentie is sprake van psychotische symptomen (moeilijk te differentiëren) . Differentiaaldiagnose Differentiaaldiagnose betekent: onderscheid maken tussen diagnoses die veel van dezelfde karakteristieken gemeen hebben.Premenstruele dysfore stoornis heeft voor de menstruatie ook overeenkomstige symptomen . Bij <10 jaar kun je vragen dus beter koppelen aan gebeurtenissen (bv ben je nu net zo verdrietig als wanneer je hond doodging) 55 . Om de stoornis vast te kunnen stellen moet minimaal een jaar sprake zijn van een sombere stemming + 2 andere symptomen (verandering eetlust. zelfverachting. 6 jaar – wat iemand voelt is soms anders dan je ziet.Anorexia veroorzaakt ook een sombere stemming .Bij adolescenten met een bipolaire st. Als de bipolaire stoornis zich openbaart op jeugdige leeftijd is dit vaak een ernstige vorm.com . Diagnostische criteria voor de dysthyme stoornis Symptomen zijn hier minder intens maar meer chronisch.Een angststoornis.Een aanpassingsstoornis met depressieve stemming zorgt ook voor (minder ernstige) stemmingsverandering . woede. psychiatrische familieanamnese en medische voorgeschiedenis..Gebruik van medicatie kan depressieve symptomen veroorzaken (bv pil) . leerproblemen en ADHD veroorzaken ook laag zelfgevoel en ontmoediging . over stemming.a.Stuvia. Daarbij lichamelijk onderzoek.

Stuvia. vrijwel niet gebruikt in NL. observaties en scoring. Genereert syndromen. Een andere is SCICA (6-18 jaar). Goede betrouwbaarheid. maar overeenkomst ouders-kk laag. YMRS. open vragen. meer voor onderzoek geschikt. heb jij dit ook?” Onderzoeksinstrumenten Gestandaardiseerd interview: Een semi-gestructureerd interview is K-SADS (6-18 jaar). Genereert via voorbeeldvragen de meeste DSM diagnosen.m. vanaf 8 jaar ook psychologisch en vergelijken met anderen. Tot 8 jaar zelfbeschrijving alleen uiterlijk. Bij depressie waardeloosheid en extreem schuldgevoel Het begrip van de tijd: <8 jaar geen kalendertijd en geen tijdsvolgorde.. Het is lastig met depressieve kinderen contact te leggen door teruggetrokkenheid en concentratieproblemen. alleen over huidige episode. Een gestructureerd interview is DISC (6-17 jaar). CDI is een zelfinvulschaal (6-18 jaar). DRS en IDS zijn beiden vanaf 16 jaar. omdat beantwoorden open vragen te moeilijk is kun je een situatie beschrijven die ze herkennen. 56 . Een andere manier om depressieve symptomen te meten is d. - Beoordelingsschalen: Voor het vaststellen van de ernst van een depressie. door clinicus of jeugdige ingevuld. Ook bij depressie op jonge leeftijd hoger risico.v. bv “sommige kinderen die hier komen voelen zich…… als……. BDI is een zelfinvulschaal vanaf 12 jaar. bv YSR (12-18 jaar). geen info betrouwbaarheid. Laboratoriumonderzoek: er is nog geen nuttig laboratoriumonderzoek bekend - Suïcidaliteit en suïcide Het risico tot suïcide (poging) is onbekend. generieke vragenlijsten. een zelf invul vragenlijst die een brede range psychopathologie scoort (+ CBCL voor ouders en TRF voor leraren) Ook een lifechart kan vanaf 12 jaar gebruikt worden.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material - - Begrip van de innerlijke persoon: Bij 2 jaar begin zelfbeeld. de 1e door clinicus en de 2e door patiënt of clinicus Vanaf 16 jaar heb je een manie schaal. Vereist klinische training. Kinderen zijn dus geen goede informanten over periode en geschiedenis. Het risico op suïcide moet altijd in kaart worden gebracht bij jeugdigen bv met Suicidal Ideation Questionaire (SIQ). Pas vanaf 12 jaar kunnen kinderen juiste duur van iets inschatten. dit is een soort grafisch dagboek voor stemmingsstoornissen. Een ander gestructureerd interview is DICA-R (6-17 jaar).com . Er is NL vertaling.Young Mania Rating Scale.. Hoe groter de chroniciteit of comorbiditeit (vooral met persoonlijkheidsstoornissen) hoe hoger het risico. afgeleid van BDI. genereert DSM diagnose. 80% van de suïcidepogers heeft een psychiatrische diagnose.

Zo treedt bijvoorbeeld de Seperatieangststoornis vooral in de kinderleeftijd op terwijl gegeneraliseerde angststoornis veel vaker in de adolescentie voorkomt. 57 . De gegevens verschillen aanzienlijk (o. In de DSM-IV worden de hierna te noemen en te bespreken angststoornissen bij kinderen en jeugdigen onderscheiden. hulpeloosheid. o Seperatieangststoornis: angst om gescheiden te worden van personen aan wie het kind gehecht is. De specifieke fobie: Het diertype. trillen. Het optreden van de angststoornissen is gekoppeld aan de fase van de emotioneel-sociale ontwikkeling. Een op zich staande specifieke fobie is zelden een reden voor verwijzing naar hulpverleningsinstantie. overeenstemming). o o o o o Enige achtergrondgegevens over angststoornissen Prevalentie Angststoornissen komen waarschijnlijk bij 5-10% van de kinderen en jeugdigen voor. het bloed-injectieverwondingstype en het omgevingssituationeel type.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 16: Angststoornissen Inleiding De eerste beschrijvingen van fobieën verschenen omstreeks 1800. afschuw. door de verschillende meetinstrumenten. Er is vaak sprake van overmatige emotionele reactiviteit. en lichamelijke verschijnselen wanneer scheiding zich (dreigt) voordoet. angst herbeleving.a. Tijdens paniekaanvallen treden lichamelijke klachten op zoals hartkloppingen en tachycardie. eenzaamheid en prikkelbaarheid. Naast PTSS onderscheid de DSM de Acute stresstoornis: heel snel na traumatische gebeurtenis. 3) aanhouden symptomen van verhoogde prikkelbaarheid. Kan zich uiten in de vorm van woede of huilen.type 1: Vanuit eenmalige niet voorzien gebeurtenis . wat zich kan uiten in schoolweigering.type 2: Gevolg van lang bestaande of herhaalde blootstelling (fysieke of seksuele mishandeling) Drie hoofdsymptomen volgens de DSM-IV: 1)herbeleving traumatische gebeurtenis. duizeligheid en transpireren. veranderingen in de DSM. Met deze stoornis neig je ertoe sociale situaties met onbekende personen te vermijden. verschillende informatie. dyspnoe.Stuvia. verhoogd prikkelbaar. Voor de tot voor kort vigerende opvatting dat agorafobie een complicatie is van een paniekstoornis is in recent onderzoek geen steun gevonden: naar het zich laat aanzien ontwikkelen de stoornissen zich langs verschillende wegen. 2) vermijding prikkels die bij trauma behoorden of afstomping algemene reactiviteit. Paniekstoornis: de paniekstoornis zonder agorafobie. Posttraumatische stressstoornis: .com . angst dat personen iets overkomt. kan betrekking hebben op eigen gedrag in het verleden. de paniekstoornis met agorafobie (straatvrees) en de agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis. De sociale fobie: angst voor kritische beoordeling van anderen. Tot de overige symptomen behoren de behoefte aan geruststelling en prikkelbaarheid. De gegeneraliseerde angststoornis: Piekeren. Bij meer dan de helft van dekinderen is er ook sprake van lichamelijke symptomen. lijden en dissociatieve verschijnselen. op komende gebeurtenissen en op de eigen vaardigheden op verschillende gebieden.

Diagnostische methoden: ongestructureerde interviews. Lichamelijk onderzoek is belangrijk om te kijken of er ziekten zijn die voor angst zorgen. Het is van belang om het kind zelf te vragen naar de aanwezigheid van PTSS-symptomen. Onveilige gehechtheidsrelatie/Ouderlijke stijl Life events Met betrekking tot PTSS o o o Diagnostiek Deze diagnostiek is ongeveer gelijk aan diagnostiek van andere stoornissen. Angststoornis komt ook vaak voor in combinatie met ADHD. Mogelijk is angst een risico voor andere angst of is er een onderliggende etiologie. overeenstemming is vaak niet groot. Symptomen: angst niet altijd eerste wat je ziet.com . vragenlijsten. selecteren vermijdende coping strategieën en anxiety sensivity (= neiging om de lichamelijke. Er is vaak comorbiditeit met depressieve stoornissen (gemeenschappelijke factor: negatieve affectiviteit). Onderzoeksmethoden Soorten vragenlijsten: o o Vragenlijsten voor angst in het algemeen. Informatie moet verzameld worden bij meerdere informanten.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Comorbiditeit Kans op meer dan één angststoornis is aanzienlijk. Bij PTSS goed de gebeurtenis met de kinderen nagaan (in tegenstelling tot wat zij vroeger dachten). Verloop Angststoornissen kunnen in elkaar overgaan. in het bijzonder behavioral inhibition een rol speelt in de kans op optreden van angststoornis. vinden het onwaarschijnlijk dat zij succesvol kunnen omgaan met door hen als dreigend beleefde info. Schoolweigering ook belangrijk kenmerk door bijvoorbeeld de Seperatieangststoornis. bijvoorbeeld zelfbeoordeling vragenlijst voor kinderen ZBV-k 6-12 Vragenlijsten met betrekking tot specifieke aspecten van angst. ouders niet willen belasten of wel/niet voorkomen in bepaalde situaties.Stuvia. Bij kinderen met een comorbide angststoornis en een depressieve stoornis blijkt de angststoornis doorgaans voorafgegaan te zijn aan de depressieve stoornis. bijv. vaak ook lichamelijke klachten. daarom hier alleen thema’s beschreven. psychische en sociale verschijnselen van angst als bedreigend catastrofaal te interpreteren) o Hereditaire oftewel erfelijke factoren: in samenhang daarmee zijn er sterke aanwijzingen dat temperament karakteristieken. Factoren die bijdragen tot het ontstaan of het in stand blijven van een angststoornis Cognitieve processen die verband houden met angststoornis: kinderen neigen ambigue informatie als bedreigend te ervaren. bijvoorbeeld social anxiety scale for children SAS-R 6-12 58 . gestructureerde interviews. door schaamte kinderen.

angst zelfbeheersing te verliezen. snel vermoeid. trillen of beven. een belangrijk gedragsverandering in samenhang met de aanvallen. bezorgdheid over de verwikkeling of de consequenties van de aanval. D) De gevreesde situatie wordt vermeden E) Belemmering van normale dagelijkse routine F) Onder de 18 jaar ten minste zes maanden G) Geen gevolg van fysiologische middelen (drugs) H) Het hangt niet samen met een somatische aandoening Hartkloppingen. sociale fobie of schoolfobie. C) Het begin ligt voor de 18e jaar D) De stoornis veroorzaakt significant leiden of functioneren E) De stoornis komt niet uitsluitend voor in het beloop van een pervasieve ontwikkelingsstoornis. angstige reactie belemmeren de normale routine o. angst dood te gaan.a. zoals blijkt uit ten minste drie van de volgende: (zie boek) B) De duur van de stoornis is ten minste vier weken. D) De aanvallen zijn niet toe te schrijven aan een psychiatrische aandoening. spierspanning. A)Recidiverende onverwachte paniekaanvallen. koude rillingen. De aard van de objecten en gebeurtenissen waar kinderen bang voor zijn is mede cultuur bepaald. A)Angst op een plaats of in een situatie te zijn van waaruit ontsnappen moeilijk kan izjn of waar geen hulp beschikbaar zou kunnen zijn B)De situaties worden vermeden C) De angst of fobische vermijding is niet toe te schrijven aan een andere stoornis. bijv Screen fot Child Anxiety Related Emotional Disorders (SCARED) voor gegeneraliseerde angststoornis. separatieangststoornis. A)Buitensporige angst en bezorgdheid gedurende zes maanden vaker wel dan niet voorkomend.com . F) Bij personen onder de 18 jaar ten minste zes maanden G) Geen andere stoornis verklaarbaar. Een paar kanttekeningen bij de diagnostiek van angststoornissen  Over de diagnostiek van angststoornissen bij jonge kinderen is weinig informatie beschikbaar. slaapstoornis D) Het gaat niet om een andere fobie E) Lijden of beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren F) Niet het gevolg van fysiologische effecten van een middel (drugs) A)Duidelijke en aanhoudende angst die overdreven of onterecht is. prikkelbaarheid. over een aantal gebeurtenissen of activiteiten (School/werk) B) Betrokkene vindt het moeilijk de bezorgdheid in de hand te houden C) De angst en bezorgdheid gaan samen met drie of meer van de zes verschijnselen. B) Blootstelling lokt angst uit C) Betrokkene is zich ervan bewust dat zijn angst overdreven is. na ten minste één van de aanvallen was er één maand met een van de volgende: voortdurende ongerustheid over het krijgen van een volgende aanval.Stuvia.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material o o Vragenlijsten gebaseerd op DSM taxonomie.   Overzicht DSM Classificaties Seperatieangststoornis A)Niet bij de ontwikkeling passende en overdreven angst om gescheiden te worden van huis of van diegene aan wie betrokkene gehecht is. pijn of onaangenaam gevoel op de borst. misselijkheid en buikklachten. opvliegers. rusteloosheid. gevoel van duizeligheid. bezorgdheid over Gegeneraliseerde angststoornis Specifieke fobie Sociale fobie Paniekaanval Agorafobie Paniekstoornis zonder agorafobie Paniekstoornis met agorafobie 59 . moeilijke concentratie. Voor interview kan ADIS-C schema gebruikt worden. B) Blootstelling = angstreactie C) Betrokkene is zich ervan bewust dat het overdreven of onterecht is D) Fobische situatie wordt vermeden E) De vermijding. B)Afwezigheid van agorafobie C) De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening. de-realisatie of depersonalisatie. A)Aanhoudende en duidelijke angst voor één of meer situaties waarin men sociaal moet functionerne of iets moet presteren en waarbij men blootgesteld wordt aan onbekenden of mogelijk kritische beoordeling van anderen. transpireren. na ten minste één van de aanvallen was er één maand met een van de volgende: voortdurende ongerustheid over het krijgen van een volgende aanval. A)Recidiverende onverwachte paniekaanvallen. De PTSS criteria voldoen niet voor kinderen onder de 4 jaar. Het is allerminst zeker dat de DSM-criteria in alle gevallen van toepassing zijn voor jonge kinderen. naar adem snakken. paniekstoornis.

B) er is nooit voldaan aan de criteria paniekstoornis C) De stoornis is niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel D) Indien er sprake is van een bijkomende somatische aandoening is de angst zoals beschreven in criterium A duidelijk ernstiger dan wat gewoonlijk samengaat met deze aandoening. B) Aanwezigheid van agorafobie C) De paniekaanvallen zijn niet het gevolg van de directe fysiologische effecten van een middel of een somatische aandoening. D) De aanvallen zijn niet toe te schrijven aan een psychiatrische aandoening. A)Blootgesteld aan een traumatische ervaring B) Leidt tot dissociatieve verschijnselen (3) C) De traumatische gebeurtenissen wordt voortdurend herbeleefd D) Duidelijk vermijding van prikkels die herinneringen oproepen E) Duidelijke symptomen van angst of verhoogde prikkelbaarheid F) Significant lijden G) Stoornis duurt minimaal twee dagen en maximaal vier weken H) Niet het gevolg van fysiologische middelen A)Blootgesteld aan een traumatische ervaring B) De traumatische gebeurtenissen wordt voortdurend herbeleefd C) Duidelijk vermijding van prikkels die herinneringen oproepen D) Duidelijke symptomen van angst of verhoogde prikkelbaarheid E) Duur van stoornis langer dan één maand F) Significant lijden/beperkingen 60 . een belangrijk gedragsverandering in samenhang met de aanvallen.com . A)Aanwezigheid van agorafobie in samenhang met de angst dat er paniekachtige verschijnselen zullen ontstaan.Stuvia.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Agorafobie zonder paniekstoornis in de voorgeschiedenis Acute stressstoornis PTSS de verwikkeling of de consequenties van de aanval.

ook is angst niet de motor en zijn er andere belangrijker symptomen aanwezig Anamnese Over de oorzaken van de OCS is weinig met zekerheid bekend. Sommigen zijn overtuigd van de kracht van de handelingen bijvoorbeeld door een vorm van bijgeloof (egosyntoon). vragen. de dwangrituelen moeten dan worden uitgevoerd. Kinderen met de stoornis kunnen allerlei activiteiten gaan vermijden om de dwang gedachtes en handelingen te vermijden. deze zijn echter volledig egosyntoon. Wanneer de problemen bekend zijn worden overige gezinsleden vaak ook betrokken (zij moeten helpen met rituelen). Kennis van andere spanningen en problemen in het leven van het kind is belangrijk. Voor een effectieve behandeling is zekerheid over de oorzaak van OCS niet noodzakelijk. De meeste kinderen (zeker oudere kinderen) weten dat handelingen nutteloos zijn (egodystoon). Soms zijn dwanggedachten niet zo goed omschreven. Stoornissen in impulscontrole: snoepen. alleen drang.Stuvia.) worden uitgevoerd om de rust en opluchting die daarna optreed. controleren. Autisme: rituelen en stereotype gedrag komen hier veel voor.com . 61 . gokken etc. Dwanggedachten zijn bijvoorbeeld: ik vermoord mijn moeder of er gebeurt een ongeluk. piekeren is egosyntoon GTS syndroom van gilles de la tourette: een persoon met GTS heeft ook tics. tellen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 17: Dwangstoornissen Je hebt normaal ritueel gedrag (naar-bed-gaan ritueel. maar een vorm van ritueel gedrag waarvan last wordt ondervonden is een obsessieve compulsieve stoornis: OCS (in Engels: OCD). herhalen etc. Een bijzonderheid van OCS is dat de kinderen de problemen vaak heel lang voor zich houden omdat ze zich schamen. maar dit kan ook een vertekend beeld zijn. maar deze gaan niet gepaard met angst. maar er is geen sprake van angst die geneutraliseerd moet worden en er wordt plezier beleeft aan bezigheid. vreemde sprongetjes over stoepranden). ‘’omdat het anders niet goed is’’. De dwanghandelingen (bv wassen. Vaak worden kinderen hier angstig van en gebruiken zij weer een andere gedachten. Kinderen met OCS blijken in onderzoek voor de stoornis al meer rituelen te hebben. ze hebben geen besef van de nutteloosheid van deze handelingen depressie: piekeren en tobben moeten onderscheiden worden van dwanggedachten. rituelen. Differentiaaldiagnose Er moet onderscheid gemaakt worden met andere stoornissen waarbij ook rituelen en herhaalde handelingen voorkomen: schizofrenie: verschil: bij psychotische kinderen zijn de dwanghandelingen vaak egosyntoon. Diagnostische criteria Steeds terugkerende dwanghandelingen of dwanggedachten. worden ook wel dwangverschijnselen genoemd.

Sociaal functioneren: veel patiënten zijn sociaal geïsoleerd geraakt.com .Stuvia. tics: vaak hebben patiënten ook tics. Als de OCS ernstig is en langere tijd bestaat kunnen er als gevolg nieuwe problemen ontstaan: 1. er moet nagegaan worden in hoeverre dit een rol speelt Gestandaardiseerde onderzoeksinstrumenten Er zijn geen valide NL instrumenten voor diagnose. 50-60% verbeterd aanzienlijk. dit roept vermoedens op over slechte relaties en verkeerde opvoedingspraktijken als oorzaak van deze stoornis.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Onderzoek Bij het stellen van de diagnose wordt nagegaan hoeverre het kind leidt onder de dwanghandelingen. Er wordt een inventarisatie gemaakt van dwanghandelingen en dwanggedachten. er wordt nagegaan of patiënt bepaalde activiteiten vermijdt en er wordt aandacht besteedt aan alle mogelijke andere spanningsbronnen in de omgeving inclusief het gezinsfunctioneren. deze gecombineerde stoornis vormt een aparte groep 3. (kinderen bagatelliseren dus informatie van ouders zijn belangrijk) en in hoeverre de handelingen egodystoon zijn. Prognose Behandeling is gedragstherapie eventueel met medicatie (antidepressiva). gezinsfunctioneren: de problemen komen vaak thuis voor. Dit wordt echter niet bevestigd in onderzoek. eerst kijken of het interfereert met behandelprogramma 2. depressie: veelvoorkomend gevolg. hier blijkt het een gevolg. Een follow-up studie naar patiënten die clomipramine hadden gebruikt was niet zo goed. 4. over de follow-up is nog niets bekend. Voor beloop en effect behandeling heb je de CYBOCS (Yale Brown Obsessive-compulsive Scale Child Version). een door de behandelaar gescoorde schaal met 10 items die de ernst meten. 62 . 68% had na 2-5 jaar nog steeds de diagnose OCS.

Psychosociale processen worden verondersteld betrokken te zijn bij het ontstaan of onderhouden van de klachten.De klachten gaan gepaard met duidelijke hinder of beperking in het functioneren . hierbij vormt pijn de belangrijkste presentatie 5) Somatoforme stoornis Niet Anderszins Omschreven De DSM hanteert bij de meeste SFS het criterium dat er sprake moet zijn van ‘’in significante mate lijden of beperkingen in het sociale of beroepsmatige functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen. gekenmerkt door grote variëteit aan symptomen bij één patiënt 2) Ongedifferentieerde somatoforme stoornis. . bv verhoogde spierspanning. Diagnostische criteria De DSM-IV onderscheid de volgende somatoforme stoornissen 1) Somatisatiestoornis. Er kan daarbij gedacht worden aan emotionele inhibitie (herkennen en beschrijven van emoties) als aan problemen in de expressie van emoties. aanwezigheid van 1 of meer nader gespecificeerde lichamelijke klachten 3) Conversiestoornis: gekenmerkt door uitvalsverschijnselen die de willekeurige motorische of sensorische functies treffen.Er zijn lichamelijke klachten die onvoldoende verklaar kunnen worden door lichamelijke aandoening of ziekte.en of jeugdpsychiater.Stuvia. Etiologie De etiologie van functionele klachten kan het beste beschouwd worden vanuit het biopsychosociale model. Toch vinden een hoop wetenschappers dat de DSM niet empirisch en helder genoeg is omschreven. Ook de wijze hoe er wordt omgegaan met emoties kan een rol spelen. 4) Pijnstoornis. Hypochondrie en de stoornis in het lichaamsbeleving wordt erbuiten gehouden omdat kinderen en jeugdigen nauwelijks beschreven zijn. Dit proces gaat gepaard met heftige affecten die hun weg vinden door conversie naar het lichamelijke. Psychologische factoren: onbewuste conflicten nemen een belangrijke plaats in (klassiek psychoanalytische verklaring) en daarbij is er sprake van een innerlijk conflict waarbij onverdraaglijke affecten verdrongen worden. Sommige kinderen hebben bijvoorbeeld buikpijn/hoofdpijn of zij vertonen uitvalsverschijnselen zoals verlamming of blindheid. helaas is dit niet wetenschappelijk bewezen. De kinderen worden eerst naar de arts verwezen. Daarnaast aanwijzingen van fysiologische activiteit. In bijna alle gevallen is er sprake van complexe interactie tussen biologische.  Biologische factoren: vaak wordt er een lichamelijke ziekte of een ongeval in de voorgeschiedenis verondersteld.com . maar als de verschijnselen niet voldoende verklaar kunnen worden gaan zij naar de kinder. Dit betekent vooral dat het functioneren op school in belangrijke mate belemmerd wordt. psychologische en sociale factoren die een rol spelen bij het ontstaan en onderhouden van functionele klachten. Daarom formuleren zij de volgende criteria voor functionele klachten (we houden dan nu ook de term functionele klachten aan). . De manier waarop een lichamelijk verschijnsel wordt waargenomen en geïnterpreteerd kan een bijdrage leveren 63  .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 18: Somatoforme stoornissen Een kind met een somatoforme stoornis (SFS) presenteert zich in de meeste gevallen met een onbegrepen lichamelijke klacht.

a. deze persoon fungeert als een soort model.en jeugdpsychiater/psycholoog. Een voorwaarde voor een twee-sporenbeleid is een goede samenwerking tussen de somatische arts (kinderarts. o. wordt gesproken van somatische attributies. rongenonderzoek EEG of CT-scan is meestal onontbeerlijk bij functionele klachten. Seksueel misbruik is een bron van grote psychosociale stress en wordt soms in verband gebracht met pseudo-epileptische aanvallen. Het kan daarbij gaan om negatieve levensgebeurtenissen of om meer alledaagse stress. Vaak blijkt er ook in de directe omgeving van het kind iemand met vergelijkbare lichamelijke klachten rond te lopen. Sociale factoren: Er zijn diverse bronnen van stress die in relatie staan bij functionele klachten. kinderneuroloog) en de kinder. gericht op houdingsafwijkingen of verhoogde spierspanning.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material  aan het ontstaan van functionele klachten.com . gepest worden. Waar weinig onderzoek naar is gedaan maar wel wordt betrokken als belangrijke bron: gezinskenmerken. Eventueel met fysiotherapeutisch onderzoek.Stuvia. Teveel somatisch onderzoek kan helaas versterkend werken voor het kind. Aanvullend onderzoek zoals laboratoriumonderzoek. Dit kan weer overgenomen worden van de somatische attributies van de ouders van het kind. Ook stress op school. aspecten van de ouder-kind relatie bv ouderbescherming. 64 . Diagnostisch onderzoek Doordat de functionele klachten zich op het grensvlak van somatisch en psychische domein bevinden moet er een twee-sporenbeleid uitgezet worden. Het onderzoek moet bestaan uit een uitgebreide klachtenanamnese. Een algemeen lichamelijk onderzoek en zonodig een neurologisch onderzoek behoren tot de standaardprocedure. Als er de neiging bestaat om lichamelijke sensaties snel te interpreteren als teken van ziekte. Er wordt aandacht besteed aan het lichamelijke als wel het psychische. Gericht onderzoek kan de bezorgdheid van ouders wegnemen. De functionele klachten kunnen in stand gehouden worden door het kind te vertroetelen en thuis te houden. Somatisch onderzoek Somatisch onderzoek is erop gericht om lichamelijke oorzaken op te sporen/uit te sluiten en bezorgdheid bij ouders en kind weg te nemen. te hoge eisen stellen of een te hoog schoolniveau kan een belangrijke bron zijn bij functionele klachten.

Stuvia. het functioneren op school.com . 65 .    Hulpmiddelen bij het onderzoek naar sociale factoren kunnen vragenlijsten (m. Verder algemeen psychisch functioneren en de ontwikkelingsgeschiedenis van hun kind aan bod laten komen. Er kan in het bijzonder aandacht besteed worden aan: intrapsychische conflicten. Vragenlijsten: CBCL. sociale functioneren van kind. operante leerprocessen (hoe gaat de omgeving om met de klachten).en jeugdpsychiater of psycholoog en de somatische arts.b. hebben zij weerstand tegen de verwijzing? Besteed voldoende aandacht aan aard. Intelligentieonderzoek en Emotioneel-sociaal functioneren. Conclusie Samenwerking is erg belangrijk tussen de kinder. gezinskenmerken. Onderzoek van het kind zelf: Aan het kind moet duidelijk gemaakt worden dat de klachten zeer serieus genomen worden. verergeren of verminderen) zijn. Een belangrijke vraag aan ouders is of en zoja welke psychologische of sociale factoren naar hun mening een rol spelen bij de klachten van hun kind. sociale leerprocessen (iemand met vergelijkbare klachten in omgeving). waarbij ook veel aandacht is voor de invloed van omstandigheden op de klachten. Een specifieke vragenlijst voor functionele klachten is in NL nog niet voorhanden.en jeugdpsychiatrisch onderzoek wordt afgenomen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Onderzoek naar het psychisch functioneren  Anamnese van de ouders: de houding van de ouders exploreren. ernst en duur van de klachten. levensgebeurtenissen of gezinsfunctioneren) of registratieopdrachten (verloop van klachten.t. expressie van emoties. De aard. Onderzoek naar omgevingsfactoren: Er kan aandacht besteed worden aan stress en levensgebeurtenissen. ernst en duur wordt met kind besproken. YSR . culturele factoren. Integratie van onderzoeksgegevens Het is belangrijk in het kader van het twee sporen beleid dat er goed wordt overlegd en samengewerkt. Een algemeen kinder.

hyperactiviteit en impulsiviteit staan in de DSM-IV vermeld onder Attention Deficit hyperactivity disorder (ADHD) en in de ICD-10 onder Hyperkinetic Disorder. Bij zowel jongens/meisjes is er in de helft van de gevallen sprake van psychiatrische comorbiditeit. Bij verdenking van ADHD is verwijzing naar de tweede lijn aan te bevelen. dit hoofdstuk sluit hierbij aan. staan de volgende uitgangspunten centraal: 1) er dient rekening gehouden te worden met het ontwikkelingsstadium van het kind 2) heeft het kind te lijden wat betreft ADHD problematiek op cognitief en sociaal emotioneel vlak 3) niet alleen de scores van een vragenlijst. het gebruik van gedragsvragenlijsten Bij het inschatten of een verwijzing nodig is. Op het agressieve gedrag na vertonen meisjes dezelfde ADHD symptomen als jongens.Stuvia. Diagnostische classificatie ADHD kent drie subtypen: 1) Zowel aandachtstekort als hyperactiviteit impulsiviteit (gecombineerd type) 66 . Meisjes worden minder snel verwezen omdat zij minder agressief gedrag vertonen. Kortgeleden zijn er Nederlandse richtlijnen verschenen. ADHD komt voor bij 15-20% van de eerstegraadsfamilieleden van jongens en meisjes met ADHD. maar veel meer de totale inschatting van hoe het met het kind gaat en de inschatting van de belasting en draagkracht van school en ouders dienen bepalend te zijn voor het beleid. dat is 5 x zo vaak als in groepen kinderen onder ADHD. Gezien de verwevenheid van ADHD met andere psychiatrische stoornissen verdient het een aanbeveling om gedragsvragenlijsten te gebruiken die probleemgedrag breed in beeld brengt en niet alleen de ADHD problematiek. tegenwoordig weten we dat het een stoornis is in de responsinhibitie. De prevalentie van Hyperkinetic Disorder is 1%. Dit pleit voor een breed-sonderende diagnostiek met oog voor alle biopsychosociale factoren die aan de orde zijn en een plaats verdienen in het behandelingsplan. CBCL en TRF zijn als signaleringsinstrument wel geschikt.com .   De prevalentie ligt rond de 4.2%. Lange tijd dachten wij dat het lag aan een gestoorde aandachtsfunctie. Bij jeugdigen is de prevalentie 2%. Op kinderleeftijd komt ADHD bij jongens 3 keer zo vaak voor als bij meisjes. in de loop van de adolescentie wordt dit verschil kleiner.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 19: Aandachtstekort-/hyperactiviteitsstoornissen (onderzoek en diagnostiek) Inleiding Stoornissen met symptomen van aandachtstekort. De zoektocht naar de oorzaak van de symptomen is bij ADHD lastig mede als gevolg van de comorbiditeit. Scores boven de 95e percentiel op het syndroom aandachtsproblemen van de CBCL en de TRF pleiten voor het zowel thuis als op school aanwezig zijn van belangrijke problemen met aandacht en hyperactiviteit-impulsiviteit. De relatie met een hersenfunctiestoornis is duidelijker geworden en gedrag genetisch onderzoek heeft aangetoond dat de wetsbaarheid voor de stoornis vooral zit in genetische factoren naast de omgevingsfactoren. Hoge scores op het empirisch syndroom Aandachtsproblemen laten samenhang zien met de classificatie ADHD van de vorige versie van de DSM en kunnen gebruikt worden om het stellen van de DSM-IV diagnose ADHD te ondersteunen.    Signaleren en verwijzen. bij schoolgaande kinderen in grootstedelijke gebieden 8%.

   Hyperactiviteit-impulsiviteit laat een samenhang zien met oppositioneel en agressief gedrag en problemen in de omgang met leeftijdgenoten Een aandachtstekort gaat vaak samen met leerproblemen Internaliserend probleemgedrag. dit is doorgaans voor hun veertiende levensjaar. zoals angst en depressie komt bij het gecombineerde type even sterk voor als bij het subtype met overwegend een aandachtstekort.com . Door niet alleen op ADHD symptomen te richten maar alle probleemgedrag te inventariseren ontstaat zicht op differentiaaldiagnose en comorbiditeit. 67 . De genetische gevoeligheid voor ADHD laat een continue verdeling zien. Kinderen met overwegend aandachtstekort of overwegend hyperactiviteit-impulsiviteit hebben geen plaats gevonden in de ICD-10. Ook is dit nodig om de DSM-IV criteria voor ADHD te beoordelen. Ergens aan de extreme kant (afkappunt) voldoet de symptomatologie aan de criteria voor de stoornis. Kinderen met ADHD lopen vast zodra de eisen van de leersituatie daar aanleiding toe geven. bij ongeveer een kwart van overwegend een aandachtskort en bij circa 7% overwegend hyperactiviteit-impulsiviteit.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material 2) Overwegend een aandachtstekort (ADD) 3) overwegend hyper-activiteit-impulsiviteit Ongeveer twee derde van de gevallen is er sprake van het gecombineerde type.  Diagnostiek: de anamnese De anamnese wordt doorgaans afgenomen in een gesprek met de ouders en aangevuld met informatie uit vragenlijsten en informatie van derden. die zich uit in een continuüm van ADHD symptomen dat loopt van licht naar ernstig. De clinicus moet na het stellen van de diagnose ADHD zich voor het besluit over het geïndiceerd zijn van behandeling laten leiden door informatie over de plaats van de symptomen op het continuüm (dimensionale informatie).Stuvia.  In enkele landen wordt de ICD-10 gebruikt. Hyperkinetic disorder omvat de kinderen met een DSM diagnose ADHD van het gecombineerde type.

Daarbij kan observatie leiden tot meer informatie voor bijvoorbeeld comorbiditeit. Lichamelijk onderzoek: niet nodig als daar geen aanleiding voor geeft. de coördinatiestoornis niet samenhangt met een neurologische aandoening en de stoornis interfereert met dagelijkse taken. de frustratietolerantie.a. in saaie situaties. Bij ongeveer de helft van de kinderen met ADHD is er sprake van DCD en andersom   68 . het geeft enige indruk van het disfunctioneren op basis van het probleemgedrag. Er moet goed opgelet worden in de wachtkamer. Het onderzoek geeft én een algemene indruk van o. kortom het onderzoek dient afwisselend te zijn.Stuvia. Psychiatrisch onderzoek: gericht aandacht aan het functioneren van het kind in gezinssituatie. spraak . overgangssituaties. de reactie op structuur en aspecten van de persoonlijkheidsontwikkeling krijgen de nodige aandacht. contact. Aanvullend onderzoek vindt alleen op indicatie plaats. De mate van probleembesef. Coordinatieontwikkelingsstoornis (DCD) is bij kinderen bij wie de coördinatie van de motoriek aanzienlijk achterblijft met het intelligentieniveau. de lijdensdruk. taal. Op deze manier kan de clinicus ervaren hoe ongeremd het kind is. Soms is er gerichte aandacht nodig voor de motoriek. Het kind of de jeugdige heeft soms uitgesproken ideeën over hulp dat gewenst is. in opwinding. Het kind moet ten minste twee keer onderzocht worden om op de observatie te vertrouwen. motoriek. emotioneel-sociale ontwikkeling én biedt de gelegenheid het gerapporteerde probleemgedrag zelf te observeren.com . krijgen de DSMIV diagnose. school en vrije tijd.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Diagnostiek: het onderzoek van het kind    Het tabel hierboven geeft inzicht in de aandachtspunten bij het psychiatrische onderzoek en bij het lichamelijk onderzoek. cognitie.

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material  (!). Bij jeugdigen met ADHD komt meer comorbiditeit voor dan bij kinderen. Tussen ADHD en lichte varianten van pervasieve ontwikkelingsstoornissen (PDD-NOS) bestaat een aanzienlijke overlapping. Uit onderzoek blijkt dat 4-6 jarige kinderen met ADHD het er sociaal en op leergebied slechter vanaf brengen.Stuvia. daarom is het verstandig de behandeling wel meteen te starten. terwijl de diagnostiek nog voort kan duren. De overeenkomst met ADHD vertoont beide groepen even hoge scores op de CBCL factor aandachtsproblemen. Een manie als onderdeel van een bipolaire stoornis (BD) blijkt zich bij kinderen en jonge adolescenten (tot en met 16 jaar) anders te manifesteren dan bij oudere adolescenten en volwassenen. Differentiaaldiagnose en comorbiditeit     Het onderscheid tussen differentiaaldiagnose (de te overwegen diagnosen bij een bepaald ziektebeeld) en comorbiditeit (het voorkomen van meerdere. Diagnostiek: de factor leeftijd Het is verstandig om peuters of jongste kleuters de diagnose nog even uit te stellen.com . Een specifieke leerstoornis kan bv gepaard gaan met ADHD symptomen. maar er kan ook sprake zijn van zowel een specifieke leerstoornis als ADHD. Psychologisch onderzoek: speelt geen rol bij het stellen van de klinische diagnose ADHD. Het is zaak bij het vermoeden van DCD het kind nader te laten onderzoeken door de kinderneuroloog of revalidatiearts. maar is van groot belang bij twijfels over het niveau van intellectueel functioneren en bij de diagnostiek van leerproblemen en taalstoornissen. Op indicatie wordt de logopedist in consult gevraagd. De aandachtsproblemen bij een niet-onderkende psychose kunnen voor ADHD symptomen zijn gehouden. 69 . Vrijwel alle kids met BD voldoend tevens aan de criteria van ADHD. Bij jeugdigen is het belangrijk om na te gaan of er sprake is van een cluster B persoonlijkheidsstoornis en of ooit sprake is geweest van psychotische symptomen. De VISK (vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal Gedrag van Kinderen is een instrument waarmee PDD kenmerken valide en betrouwbaar in beeld gebracht worden. Uit familieonderzoek is gebleken dat de kans op depressies verhoogd is in families met ADHD en specifieke leerstoornissen (LD). seperate stoornissen bij één patiënt) is in het geval van ADHD niet scherp.

Omgekeerd is ongeveer bij 30% van de kinderen met ADHD sprake van (lichte) tics. Ongeveer de helft van de kinderen en jeugdigen met ADHD heeft een comorbide met ODD of CD (antisociale gedragsstoornis). In patiëntengroepen met ODD/CD ligt de comorbiditeit met ADHD rond de 65%.com .Stuvia. Als er sprake is van enuresis nocturna is de kans op ADHD vergroot. In het boek wordt er ook nog een DSM weergegeven over aandachtstekort/hyperactiviteitsstoornissen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material     Ongeveer 2/3 van kinderen en jeugdigen met het syndroom van Gilles de la Tourette voldoet aan de criteria voor ADHD. 70 . dit lijkt samen te hangen met de onrijpheid van het zenuwstelsel die bij beide stoornissen een rol speelt. ADHD symptomen kunnen zich ook laten zien in een reactieve hechtingsstoornis. Dit is een redelijke bekende DSM in mijn ogen. mocht je dit toch wil lezen zoek dit dan op in het boek.

bij de leeftijd horende sociale normen en regels worden overtreden. o Oppositioneel-opstandig gedrag: als het kind of de jeugdige zich verzet tegen de leiding die gegeven wordt door volwassenen. DSM Criteria Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis volgens DSM-IV A: Een patroon van negativistisch. antisociale of agressieve gedragingen veroorzaakt worden.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 20: Oppositioneel-opstandige en antisociale gedragsstoornissen.com . Proactief (offensieve of instrumentele) agressief gedrag is gecontroleerd. Ten minste vier van de volgende gedragingen zijn aanwezig: 1) Is vaak driftig 2) Maakt vaak ruzie met volwassenen 3) Is vaak opstandig of weigert zich te voegen naar de vragen of regels van volwassenen 4) ergert vaak met opzet de ander 5) geeft anderen vaak de schuld van eigen fouten of wangedrag 6) Is vaak prikkelbaar en ergert zich gemakkelijk aan anderen. Volgens DSM-IV is er sprake van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (Oppositional Defiant Disorder) of een antisociale gedragsstoornis (Conduct Disorder) als verschillende oppositionele. Beide stoornissen verhouden zich tot elkaar vanuit een ontwikkelingsoogpunt.Stuvia. boze reactie op een waargenomen frustratie. vijandig en opstand gedrag dat ten minste zes maanden bestaat. Jeugdigen die pas in de adolescentie antisociaal gedrag vertonen zijn de ‘late starters’. o o Onderscheid tussen openlijk antisociaal gedrag (overt) en een heimelijke of bedekte vorm van antisociaal gedrag is klinisch relevant. zoals weigeren om te doen wat gevraagd wordt of het met drift reageren op correcties of verboden. Onderscheid tussen deze twee typen is van groot belang. Bij ‘late starters’type is comorbiditeit met een stemmingsstoornis kenmerkend en prognose is gunstiger. omdat het ‘early starters’ type meer agressieve symptomen vertoond. waarin agressief gedrag wordt gebruikt om een doel te bereiken. maar ook vanuit een hiërarchisch oogpunt -> nogal wat kinderen vertonen eerst een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis en later bij een ongunstige ontwikkeling een antisociale gedragsstoornis (early starters).of taalstoornis en een slechtere prognose. Er wordt onderscheid gemaakt tussen reactieve vorm en proactieve vorm van agressief gedrag. Bredere zin: gedrag waarvan personen veel last ondervinden en dat door hen als ergerlijk wordt ervaren. leesstoornis en wellicht ook biologische factoren. met bovendien een duidelijke ongunstige invloed op het functioneren van het kind of de jeugdige. o o Reactief gedrag(affectieve agressie) is een vijandige. Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis: Kan gezien worden als mildere variant van de antisociale gedragsstoornis. antisociale of agressieve gedragingen een patroon gaan vormen. In het verleden werd er gedacht dat vooral door ongunstige omgevingsfactoren oppositionele. Nu zijn we er achter dat de kindkenmerken een belangrijk aandeel hebben zoals ADHD. o o Openlijk: hebben andere personen direct last van -> zware opvoedingslast voor ouders Heimelijk: speelt zich achter de rug van volwassen af -> roept woede op vanuit machteloosheid. Agressief gedrag (bijzondere vorm van antisociaal gedrag): als met opzet schade wordt toegebracht aan een andere persoon of aan een voorwerp (strikte zin van het woord). Een berekenende vorm van agressie. Antisociaal gedrag: wanneer fundamentele rechten van anderen geweld wordt aangedaan of belangrijke. omdat ze beter toegerust zijn met sociale en schoolse vaardigheden. 7) is vaak boos of gepikeerd 8) 71 . meer comorbiditeit heeft met aandachtstekort-/hyperactiviteitstoornis en met een lees.

Kinderen met een gedragsstoornis zijn vaak egoistisch en meer op zichzelf gericht (achterstand in emotionele ontwikkeling). C: Komt niet uitsluitend voor in het kader van een psychotische stoornis of stemmingsstoornis. Deze opvoedingskenmerken hangen deels samen met het kind en met de eigenschappelijk van de ouders (zoals persoonlijkheidskenmerken: depressie. Toch staan beide groepen niet onafhankelijk van elkaar. Ook temperament kenmerken zoals emotionele labiliteit. Veel belangrijker is 72 . goede relatie met ouder. 2. Rol van de omgeving: onvoldoende stellen en consequent hanteren van regels en afspraken. korte aandachtsboog of negativisme. DSM criteria van de antisociale gedragsstoornis A: Een zich herhalend en hardnekkig patroon waarbij de fundamentele rechten van anderen of bij de leeftijd horende normen of regels geweld wordt aangedaan. rusteloosheid. op school of op het werk wezenlijk belemmerd. Een opdeling in kind en omgevingsfactoren is verleidelijk vanwege de eenvoud in presentatie. vooral in combinatie met ADHD. o Kindgebonden risicofactoren: ADHD. zwakbegaafdheid in het bijzonder op verbaal gebied. voldoet niet aan de criteria van de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Deze laatste ontwikkelen zich door het waarnemen van agressieve modellen (leren door observeren: modeling). Coordinatieontwikkelingsstoornis. zoals blijkt uit de aanwezigheid gedurende laatste 12 maanden van drie van de volgende criteria. D: Voldoet niet aan de criteria van een antisociale gedragsstoornis. het geven van opdrachten op commanderende wijze. Naast risicofactoren moet er ook aandacht besteed worden aan de protectieve factoren (hoog IQ. of aan de criteria antisociale persoonlijkheidsstoornis. Aldus leren kinderen in onvoldoende mate zich sociaal wenselijk te gedragen. o Verklaringen: 1.com . taalstoornis. goede school).vernieling van eigendom .ernstige schending van regels B: Door de stoornis wordt het functioneren op sociaal gebied.Stuvia. goede vrienden.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material is vaak hatelijk en wraakzuchtig. het uitoefenen van weinig direct toezicht op het kind en het weinig zicht hebben op en gevoelsmatige betrokkenheid vertonen bij het doen en laten van het kind. leesstoornis. 3. Er werd een verband aangetoond tussen agressief gedrag en kenmerkende sociale cognities. . Erfelijkheid speelt eveneens een rol in het ontstaan van antisociaal gedrag. C: Indien betrokkene 18 jaar of ouder is. psychische klachten). met ten minste één criterium de laatste zes maanden aanwezig. Mogelijk houdt een verlaagde psychofysiologische arousal verband met onbevreesd zijn en een geringere gevoeligheid voor straf en houdt een verlaagde serotonerge functie verband met een falende inhibitie. het bieden van weinig waardering voor sociaal wenselijk gedrag.agressie naar mensen en dieren . B: Door de gedragsstoornis wordt het functioneren op sociaal gebied. Een kind-kenmerk kan omgevingsbepaald zijn: de neiging vijandige intenties aan anderen toe te kennen kan voorafgegaan worden door mishandeling. Positieve bekrachtiging van sociaal wenselijk gedrag wordt weinig of inconsequent gegeven.Onbetrouwbaarheid of diefstal . het inconsequent en vaak hard straffen. op school of werk wezenlijk belemmerd. Het ontstaan van gedragsstoornissen is in het algemeen te verklaren vanuit een interactie van één of meerdere kindkenmerken en één of meerdere omgevingskenmerken. Risicofactoren Van vele factoren is aangetoond dat zij een risico vormen voor het ontstaan van gedragsstoornissen.

speciële anamnese (leeftijd wanneer het begon. ontwikkeling functies. depressieve of angststoornis bij start in adolescentie. sociale denken. Draaglast voor ouders is erg zwaar. Psychologisch onderzoek: intelligentieonderzoek. Aandachtspunten worden stap voor stap genoemd in het boek. ouder-kind problematiek en aan comorbiditeit met bijv. ADHD. Hierop immers dient de behandeling aan te sluiten.en omgevingsfactoren. coördinatiestoornis bij beginnend in de kinderleeftijd en aan comorbiditeit met dysthyme. op indicatie: medisch onderzoek. Diagnostiek Bij vermoeden van een oppositioneel-opstandige of antisociale gedragsstoornis is een breed opgezet psychiatrisch onderzoek nodig met het oog op vaststellen van de vaak voorkomende comorbiditeit. neuropsychologisch onderzoek en taalonderzoek en persoonlijkheidsonderzoek alle drie op indicatie. o o o Differentiaaldiagnose Besteed aandacht aan differentiaal diagnoses als: stoornissen in autistisch spectrum en andere hechtingsstoornissen. regulatie van boosheid en impulsinhibitie. besteed hier voldoende aandacht aan tijdens de anamnese. zwakbegaafdheid. en de rol en interactie van kind. gehechtheidsrelaties. Standaard bij allochtone kinderen en jeugdigen om problematiek te interpreteren tegen achtergrond van eigen cultuur. vragenlijsten. Diagnostische classificatie en beschrijvende diagnose Het is nodig om ook nog een beschrijvende diagnose te geven waarin een visie wordt weergegeven over de pathogenese. interactie met omgeving). ADHD (komt vaak voor). 73 . onderkenning van negatieve emoties. taal en rekenen op indicatie als er discrepantie is tussen leerniveau aangegeven door leerkracht en intelligentieonderzoek. depressieve of dysthyme stoornis.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material de rol van negatieve bekrachtiging. Als ouders zwichten voor het dwingende. Anamnese Bestaat uit: ontwikkelingsanamnese (zwangerschap. contacten politie/justitie. zelfwaardering. Voor de behandeling is het bovendien nodig om een hypothese te formuleren over de rol van deze factoren in het in stand houden van de stoornissen. oftewel het wegnemen van de onaangename stimulus. tekorten sociale vaardigheden etc).of taalstoornis. frustratietolerantie. gezinsanamnese.com . Didactisch onderzoek naar niveau en kwaliteit van lezen. Psychiatrisch onderzoek Tenslotte een psychiatrisch onderzoek waarin aspecten als: probleembesef. relatie met leeftijdsgenoten. Gezinsdiagnostisch onderzoek verrichten op indicatie bij twijfel over adequate inschatting van ouders over opvoedingsvaardigheden en echtpaarproblematiek.Stuvia. lees. manipulerende gedrag zal het kind in gedrag toe nemen. DSM criteria. in het bijzonder over het onderliggende verband tussen de verschillende diagnostische classificaties. Aanvullende informatie en onderzoeken o Informatie bij de leerkracht wordt standaard opgevraagd om een volledig beeld te krijgen van het voorkomen van symptomen op school en het negatieve effect daarvan op het functioneren op school en om eventuele leerproblemen in kaart te brengen. geweten en identiteit aan de orde komen.

in de gevolgde diagnostische werkwijzen en wat betreft kenmerken van de vergelijkingsgroepen. wat betreft de gebruikte meetinstrumenten. Het is lastig om onderzoek te doen door de verschillen in samenstelling van de onderzoeksgroepen. Extrapolatie van bevindingen naar de populatie doven is mede daardoor niet goed mogelijk.Stuvia. 2) Perceptief verlies: Doofheid daarentegen is vrijwel altijd het gevolg van een perceptief gehoorverlies door een afwijking van het binnenoor. de gehoorzenuw of de centrale gehoorbanen in de hersenen.5 keer hoger is dan inde horende vergelijkingsgroep. Het wetenschappelijke onderzoek naar psychische problemen en psychiatrische stoornissen bij dove kinderen is volop in ontwikkeling. Vele doven zien zichzelf en hun kinderen niet als ‘’iets verloren hebbend’’ of ‘’gehandicapt’’ maar beleven zich als gezonde individuen met een eigen taal en cultuur.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 21: Onderzoek en diagnostiek bij dove kinderen en jeugdigen Inleiding Doven vormen sociaal-cultureel en taalkundig een heterogene groep mensen. In een recent NL onderzoek werd met behulp van de CBCL bij dove schoolgaande kinderen tussen 4 en 18 jaar een prevalentie van emotionele problemen en gedragsproblemen gevonden die 2.   Audiologisch-medische aspecten van doofheid   De ernst.  74 . Extrapolerend wordt het aantal dove en slechthorende kinderen en volwassenen per jaarcohort op 120 ingeschat.com . De meest frequente oorzaak daarvan is een purulente middenoorontsteking. Door het ontbreken van geluid ontwikkelen dove kinderen een visueel ruimtelijk oriëntatie op hun omgeving. het type en de etiologie van de doofheid en de leeftijd van ontstaan zijn van invloed op de mogelijkheden van het kind om met de omgeving te communiceren. De invloed van doofheid op het kind en op de wisselwerking tussen kind en omgeving is enorm. cognitieve. in onderlinge samenhang. Historisch biedt de ernst van de doofheid aanknopingspunten voor de mate waarin het kind voor de communicatie nog gebruik kan maken van het restgehoor. taalkundigcommunicatief ontwikkeling en de ontwikkeling op emotioneel sociaal gebied. maar verschillen zij onderling in de mate waarin zij daar gebruik van kunnen maken. Communicatieve problemen in de horende omgeving en additionele somatische problemen en de gevolgen daarvan kunnen het klinische beeld echter aanzienlijk compliceren. Er worden twee types gehoorverlies onderscheiden: 1) Conductief verlies: het gevolg van een geleidingsverlies door een stoornis in het luchtgeleidingssysteeem van de uitwendige gehoorgang of het middenoor. In beginsel komen bij doven dezelfde psychiatrische stoornissen voor als bij horende. dit beïnvloedt de psychomotorische. In feite hebben dove kinderen vaak nog wel enige profitabele hoorresten. Prevalentie van doofheid en prevalentie en aard van psychiatrische problematiek   Ongeveer 850 kinderen in NL tussen 6 en 12 jaar volgen onderwijs voor doven en slechthorende Een veel kleiner aantal volgt regulier onderwijs of verblijft in een instelling voor autisten/gehandicaptenzorg.

Als dit rouwproces te lang aanhoudt kan dit van invloed zijn op de ouder-kind relatie. Het omvat naast een pediatrisch onderzoek.  Voor de anamnese is het essentieel goed op de hoogte te zijn over de kennis en de ontwikkeling van dove kids in een gezin.Stuvia.  Dove kinderen ontwikkeling een visueel-ruimtelijke oriëntatie op de wereld. een anamnese. verworven of onbekende oorzaken onderscheiden. Het ontbreken van een omringende geluidsstroom maakt de dove baby (0-1 jaar) afhankelijk van andere zintuiglijke stimuli voor de ontwikkeling van een voorspelbare en veilige band met zijn ouders en de exploratie van personen en gebeurtenissen om zich heen. Psychiatrische diagnostiek: anamnese De psychiatrische diagnostiek bij dove onderscheidt zich op hoofdlijnen niet van die van horende kinderen. daarbij voorgeschreven antibiotica en andere geneesmiddelen. en het zoeken van communicatieve afstemming tussen ouders en kind beïnvloeden de ontwikkeling van de ouder-kind relatie. Deze zijn doof vanaf de geboorte of doof geworden voor de leeftijd van 18 maanden. de visuele behoeften van hun kind beter aanvoelen en beter gebarentaal). maar ook ototoxische medicatie en bestraling. 2) Perinatale oorzaken zijn onder andere extreme prematuriteit. Ook 75 . aangenomen wordt dat zij in principe hun moedertaal hebben kunnen verwerven. Wat betreft de erfelijke oorzaken komt autosomaal recessief overervende doofheid verreweg het meest frequent voor.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material       Naar de etiologie worden erfelijke. Voor de meeste ouders is een doof kind krijgen schokken.  Doofheid is direct van invloed op de ontwikkeling van het kind.  Behalve door beperkingen van biologisch-lichamelijke aard kan de motorische ontwikkeling vertraagd verlopen omdat de activerende functie van geluid ontbreekt. zij vertonen kenmerken van een rouwproces. Tot de postlinguaal doven behoren kinderen die na deze periode doof zijn geworden. rhesusantagonisme en andere oorzaken van ernstige hyperbilirubinemie en ernstige hypoxie.com . een psychiatrisch en psychologisch onderzoek. Medische interferenties (zoals ziekenhuisopnames).en postnatale oorzaken ten grondslag liggen. encefalitis. peri. Bij 25% van de dove kinderen komen waarschijnlijk bijkomende stoornissen Tot de prelinguaal doven worden kinderen gerekend die nooit of slechts een zeer korte periode gesproken taal hebben kunnen horen. Uit onderzoek in Westerse landen kan worden afgeleid dat de aantallen prelinguaal doven ongeveer gelijk over de drie groepen oorzaken kunnen worden verdeeld. De organisatie van het onderzoek en informatievergaring vergen in het algemeen veel meer tijd dan van een horend kind/jeugdige. De mate van verwerking en acceptatie van invloed op de snelheid waarmee en de mate waarin ouders in gebaren communicatief vaardig worden. 1)Prenatale oorzaken betreffen vooral maternale virale en andere infecties tijdens de zwangerschap. het adaptatieproces van de ouders (dat vaak na het eerste jaar plaats vindt door alle onderzoeken). 3) Postnatale oorzaken zijn virale en bacteriële meningitis. Aan verworven doofheid kunnen pre-. De preferente modus van communiceren in het gezin en op school beïnvloedt de ontwikkeling van de taalkundige communicatie.  Aangenomen wordt dat dove kinderen van dove ouders een ontwikkelingsvoordeel hebben ten opzichte van dove kinderen van horende ouders (dove ouders kunnen de doofheid van hun kind makkelijker accepteren.

In andere gevallen neigen dove jeugdigen ertoe zich langdurig te schikken naar de verwachtingen van de opvoeders voordat zij plotseling banden verbreken. didactisch onderzoek en persoonlijkheidsonderzoek) is een onmisbaar ingrediënt van de diagnostiek. het gezicht moet zo min mogelijk bedekt worden. Hierdoor kan er een geïsoleerde positie ontstaan. verder is het vooral intelligent raden.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material        evenwichtsproblemen. De onderzoekskamer dient goed verlicht en overzichtelijk te zijn. Communicatieve en cognitieve factoren zijn ook van invloed op de emotioneel-sociale ontwikkeling. Het 76 . Binnen een gesprek wordt er veel gemist door het dove kind door een tekortschietende communicatieve competentie van de horende psychiater. Dove kinderen vertrouwen meer op hun visueel-ruimtelijke perceptuele capaciteiten. de aandacht richt zich meer op hoe er gecommuniceerd wordt in plaats van waarover. zijn hierop van invloed. Ook kan er een inperking ontstaan voor motorische exploratiedrang wanneer ouders te vaak hebben ervaren dat het kind bij dreigend gevaar niet reageert op verbale waarschuwingen. en een negatieve onder horende mensen.com . omdat het spelenderwijs incidenteel leren door de doofheid wordt belemmerd. hinderlijke schaduwwerking of een onrustige achtergrond wegnemen. Met name dove kinderen van horende ouders zouden weinig ervaring hebben met taal als middel om gevoelens uit te wisselen en zo zichzelf te reguleren.Stuvia. Vaak is er sprake van een laat begin en een langere duur van adolescentiefase bij dove kinderen. een positief gekleurd zelfbeeld onder doven. intentioneel leren. Vanaf de kleuterleeftijd leren veel dove kinderen op dovenscholen beter met elkaar te gebaren dan met hun horende ouders thuis (lopen een gebaren achterstand op). Psychiatrische diagnostiek: Psychiatrisch onderzoek Het psychiatrisch onderzoeks-gesprek met dove kinderen vergt aanpassingen om de communicatie te vergemakkelijken. die vaak bij dove kinderen voorkomen. terwijl het oplossen van complexe problemen en abstract redeneren minder sterke kanten zijn.   Het is goed om te realiseren dat de dove patiënt bij liplezen/mondbeeld niet meer dan 25% van wat er gezegd wordt afgelezen kan worden. Een bijkomende reden voor achterstand op lees en leergebied is dat dove kinderen ten opzichte van horende kinderen meer zijn aangewezen op gericht. geen obstakels zoals lampen en planten tussen de onderzoeker en kind zijn. Op de peuterleeftijd (1-3 jaar) neemt de complexiteit van de ouder-kind interactie toe door de ontwikkeling van een taliger communicatie die bij horende ouders van nature minder vermengd is met de visuele en tactiele informatie. Dit werkt ook weer op de ontwikkeling van zelfbeleving. neuropsychologisch onderzoek. Ook kan er twee zelfbeelden ontstaan. Een moeilijke ontwikkelingstaak voor dove jeugdigen is om de beleving van afhankelijkheid van de horende omgeving een plaats geven in het streven naar onafhankelijkheid. Als inhoudelijk thema dient onder andere ruim aandacht geschonken te worden aan: 1) beleving van doofheid 2) kwaliteit van en problemen met de communicatie met de omgeving 3) perceptie van de horende wereld 4) de affiniteit met de dovencultuur en de ontwikkeling op deze gebieden  Psychiatrische diagnostiek: Psychologisch onderzoek Het psychologische onderzoek (intelligentieonderzoek.

De moeilijkheden betreffen dan met name de beoordeling van de communicatie en het spel in relatie tot het cognitieve en emotioneel-sociale ontwikkelingsniveau en het opsporen van discrepanties tussen het functioneren op verschillende ontwikkelingsgebieden. Diagnostiek van specifieke stoornissen Uit onderzoek blijkt dat er aanzienlijke verschillen zijn gevonden tussen dove en horende kinderen die voor psychiatrisch onderzoek naar Curium weren verwezen. bijvoorbeeld verwarrende items voor een dove weglaten. 2) Een andere veronderstelling is dat vooral voor de omgeving moeilijk hanteerbare kinderen worden verwezen. zoals hersenbeschadiging ten gevolge van virusinfecties. waaronder relatief veel kinderen met bizar.  Er werden meer pervasieve ontwikkelingsstoornissen vastgesteld.Stuvia. Een doof kind heeft vaak oogcontact nodig om te kunnen communiceren. met de taalkundigcommunicatieve ontwikkeling van het dove kind of met taalkundig-communicatieve verschillen tussen onderzoeker en kind (de problemen zijn het grootst bij prelinguaal dove kinderen die op zwakzinnig niveau functioneren). inadequaat en moeilijk invoelbaar gedrag in het kader van een PDD. zelfredzaamheidsniveau anderzijds.  Bij de beoordeling van de kwaliteit van de communicatie moet worden afgewogen of beperkingen op dit gebied samenhangen met de psychiatrische stoornis. zoals tussen het cognitieve niveau enerzijds en het emotionele en sociale. Daaronder bevonden zich veel kinderen met een cognitieve beperking.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material gewone/genormeerde testmateriaal kan helaas niet zomaar toegepast worden op dove kinderen. In principe worden bij dove kinderen dezelfde kernsymptomen aangetroffen behalve in het oogcontact. Psychiatrisch onderzoek: somatisch onderzoek Omdat bij meer dan 50% sprake is van lichamelijke aandoeningen bij dove kinderen behoort algemeen lichamelijk en oriënterend neurologisch onderzoek tot het psychiatrisch standaardonderzoek van dove en ernstige slechthorende kinderen en jeugdigen.com .  Nog moeilijker is de differentiaaldiagnostiek bij blinde of ernstige slechtziende kinderen die tevens doof en zwakzinnig zijn. Autisme en andere pervasieve ontwikkelingsstoornissen Een hoger dan verwachte prevalentie van PDD bij dove kinderen werd ook door andere onderzoekers waargenomen. 77 .  Ook was er vaker sprake van aandachtstekort. Om deze problemen zoveel mogelijk te ondervangen wordt er bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de SON-test en het performale gedeelte van de WISC-R test (die respectievelijk in NL en Amerika voor dove kinderen zijn genormeerd). Uit ervaring is wel gebleken dat onderzoek bij dove kinderen twee keer zoveel tijd vergt. Zij zijn genormeerd op de horende populatie. 1) Eén van de veronderstellende oorzaken daarvan is het bestaan van gemeenschappelijke neurobiologische oorzaken. knelpunten zijn daarnaast het overbrengen en het begrijpen van testinstructies. Ook kunnen er persoonlijkheidsonderzoek afgenomen worden die aanpassingen kunnen verdragen.en andere gedragsstoornissen  Een vergelijkbare verdeling van psychiatrische classificaties bij dove en ernstig slechthorende kinderen werd ook in Engeland gevonden.

Stuvia. 1) Vooral kinderen met opvallend moeilijk hanteerbaar. Bij de aanwezigheid van minder symptomen is nader onderzoek aangewezen. Critici zoals dovenorganisaties vinden het een inbreuk op en een afwijzing van de culturele identiteit van dove mensen. Dit geldt met name voor infectueuze oorzaken met hersenbeschadiging zoals meningitis. Dilemma’s rond de indicatiestelling en beoordeling van de psychische gevolgen van CI in de toekomst vaker een rol spelen in het psychiatrisch onderzoek van dove kinderen. externaliserend gedrag zijn verwezen. die via de gehoorzenuw geluidssensaties weet op te wekken na vertaling van omgevingsgeluid in een elektrisch signaal.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Gedragsstoornissen en emotionele stoornissen Er is zijn een aantal mogelijke verklaringen voor het hoge aantal gedragsstoornissen in de onderzochte groep dove en ernstig slechthorende kinderen. Impulsiviteit ten gevolge van emotioneel-sociale deprivatie is niet specifiek voor doofheid. Voorstanders wijzen op unieke mogelijkheid dove mensen weer enig gehoor terug te geven. Schizofrenie en andere psychosen Er zijn geen aanwijzingen dat schizofrenie vaker of minder vaak voorkomt bij dove dan bij horende jeugdigen. Zoals gezegd waren er onder de verwezen kids bovendien veel zwakzinnige kinderen bij wie gedragsproblemen frequent voorkomen. Wellicht wordt emotionele problematiek minder snel gesignaleerd. Dit is bijzonder want juist bij dove kinderen moet dit het geval zijn (onderzoek van Eldik).  Met name oppositioneel gedrag kunnen een uiting zijn van onderliggende gevoelens van onmacht. Dit kan ook bijdrage aan extra verwijzingen. encefalitis en rubella.  Emotionele stoornissen wordt minder vaak waargenomen bij dove kinderen.com . Wellicht is het als uiting van frustratie over communicatieve barrières met de horende omgeving. Nieuwe ontwikkelingen: dove kinderen en cochleaire implantatie CI van een electrostimulator. 2) Gedragsstoornissen komen gemiddeld vaker voor bij specifieke oorzaken van doofheid. Ook zetten zij vraagtekens bij de objectiviteit van het onderzoek. angst of een sombere grondstemming die in dit gedrag wordt vertaald. 78 . bij kinderen is nog omstreden. Aanbevolen wordt om alleen schizofrenie te diagnosticeren indien vier of meer primaire symptomen (inclusief auditieve hallucinaties) aanwezig zijn.

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 22 Verstandelijk gehandicapten In de VS spreekt men van mental retardation. ofwel lager dan dat van 97% van alle andere mensen. De beperkingen van het aanpassingsgedrag betreffen de volgende terreinen: communicatie. Bij de beoordeling van deze beperkingen wordt rekening gehouden met iemands leeftijd en culturele achtergrond. Diagnostiek van de verstandelijke handicap Volgens de definitie van de American Association of Mental Retardation (AAMR) als van de DSM-IV is iemand verstandelijk gehandicapt wanneer aan de volgende twee criteria wordt voldaan: 1) Er is sprake van een niveau van verstandelijk functioneren. zelfstandig kunnen wonen. DSM-IV criteria voor verstandelijke handicap  Ongeveer 3% van de kinderen in de algemene bevolking is verstandelijk gehandicapt. in Engeland Learning problems. zelfverzorging. 79 . zelfstandig beslissing nemen. sociale en relationele vaardigheden. ernstige (3-4%). ontspanning. internationaal wordt vaker gesproken van intellectual disabilities/developmental disabilities/learning disabilities. 2) Er zijn gelijktijdig tekorten aanwezig in of beperkingen van het aanpassingsgedrag Een IQ van 70 of lager komt overeen met een IQ dat twee standaarddeviaties beneden het gemiddelde ligt. werk.Stuvia. De grootste groep betreft licht verstandelijke handicaps (85%). gebruik maken van gemeenschapsvoorziening. gezondheid en veiligheid. functionele intellectuele vaardigheden. We gebruiken nu de term verstandelijk gehandicapt wat door NL wordt gehanteerd. daarna matige (10%). dat duidelijk onder het gemiddelde ligt (IQ van ongeveer 70 of lager) en dat begint voor het 18e jaar.com .

5 jaar 1) Bayley Ontikkelingsschalen (BOS2-3) is voor kinderen tot 30 maanden de aanbevolen individuele ontwikkelingstest. In NL zien wij dit ook. Belangrijk is dat het testresultaat niet afhankelijk mag zijn van motorische of zintuigelijke beperkingen. van verminderd presteren vanwege taalproblemen anders dan ten gevolge van een verstandelijke handicap of van culturele verschillen. twijfelachtig. Een nadeel: het wordt geïnterpreteerd door de scores onder te brengen in de categorie: normaal.com .5 jaar. In de tabel hieronder staat een beknopt overzicht van testen die ten minste voldoende worden beoordeeld wat betreft normering. dat wil zeggen een IQ tussen 71-84 Anders dan in de DSM wordt de verstandelijke handicapt door de AAMR niet beschouwd als een stoornis van het individu alleen (trait).Stuvia. maar alleen of er een ontwikkelingsprobleem is. 2) Denver Ontwikkeling Screening test (DOS). waarvan er per kind ongeveer 25 worden gescoord aan de hand van observatie en gesprek. denk aan down en fragiele-X. Deze bevat een mentale schaal (163 items) en een motorische schaal (81 items). Zij benoemen 4 intensiteiten: 1) Intermittent 2) Limited 3) Extensive 4) Pervasive Kraijer en Plas (1998) merken op dat deze niveaus van zorgbehoefte echter nog zeer onvoldoende omschreven zijn en er nog geen betrouwbare en valide maten voor de vaststelling beschikbaar is. Daarnaast biedt de DSM-IV de mogelijkheid van de V-code zwakbegaafdheid. Bij een intelligentieniveau lager dan 50 zal de onderzoeker vaak aan de hand van uitvoering van taken een schatting moeten maken. Ten tweede kan leeftijd een rol spelen (erg jong) of meervoudige handicaps. alsmede de kwantiteit en kwaliteit van de te bieden zorg. Denk aan bv fragiele-X syndroom of down syndroom. Toch is het handig om gestandaardiseerde testen te gebruiken. Is voor kids van 0 tot ongeveer 6.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material   tenslotte diepe handicap (1-2%). maar is er sprake van beperkingen in het functioneren van het individu in een bepaalde gemeenschap (state). die vaak gedeeltelijk kan worden opgeheven. Zij betoogde ook dat het niveau van verstandelijke gehandicapten onder meer mede bepalend is voor de aard en variatie van het getoonde gedrag en de psychische en lichamelijk toestand van de persoon. dit is zeer lastig bij verstandelijk gehandicapten. concentratievermogen nodig zijn voor een betrouwbare testafname. Daardoor is er geen ontwikkelingsleeftijd vast te stellen. 80 . Daarbij komt dat er nog een verandering kan optreden in het niveau. Vaststelling van het intellectueel functioneren Het is vaak niet makkelijk om het IQ vast te stellen doordat een zekere taakgerichtheid. door bijvoorbeeld Down-kinderen mee te laten draaien op regulier basisonderwijs. De items zijn dichotome items met oplopende moeilijkheidsgraad. betrouwbaarheid en validiteit. In het overzicht komen de functietesten niet aan bod.  0-2. die in principe kunnen worden opgeheven door adequate ondersteuning. Als laatste zijn er niet voor alle doelgroepen en leeftijden voldoende gestandaardiseerde instrumenten voor de vaststelling van intellectueel en adaptief niveau voorhanden. Ten eerste kan een vastgestelde handicap een gevolg zijn van gebrek aan ontwikkelingsstimulatie of deprivatie. is een alternatief en bestaat uit 105 dichotome items. dit gaat gepaard met specifieke niveaus. afwijkend. Tenslotte moet er opgemerkt worden dat de diagnostiek van de verstandelijke handicap niet gebaseerd kan en mag zijn op een enkele meting. ook geen communicatieprofiel of Reynell test voor taalbegrip.

5 tot 3 jaar Testonderzoek bij kinderen in de voorschoolse periode is tussen 2. Sociale Redzaamheidsschaal voor Zwakzinnigen (SRZ) en de Sociale Redzaamheidsschaal voor Zwakzinnigen. 6 jaar en ouder 1) De WISC en de SON. Veel van de genoemde gebieden worden in NL taalgebied wel samengevat als sociale redzaamheid.5 jaar. 81 . Het is niet oplossen van een testopgave bij kinderen van deze leeftijd kan zoveel verschillende oorzaken hebben. De schalen worden ingevuld door groepsleidsters en hebben alle goede psychometrische kwaliteiten.com . Beide zeer aantrekkelijke testen door het grote leeftijdsbereik.5-12 jaar) De Amerikaanse versie is aantrekkelijk en heeft uitstekende psychometrische eigenschappen. 4-11 jarige 1) De SON en de RAKIT (gereviseerde Amsterdamse Kinder Intelligentie Test) zijn vanaf vier jaar te gebruiken als algemene niveautest.5-7 jaar) oftewel Snijders-Oomen Niet-verbale Intelligentieschaal.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material    2. Er zijn geen gegevens over betrouwbaarheid/validiteit.Stuvia. gezondheid en veiligheid. Recent zijn voor een Nederlandse test voor 2. 2) Een eerdere Vlaamse aanpassing van de WPPSI genormeerd op meer dan 1000 vlaamse kinderen van 4 tot 6. belangrijker nog is dat het materiaal weinig aantrekkelijk is voor deze jonge kinderen. gebaseerd op de K-ABC en het motorische gedeelte van de MOS verzameld onder naamd GOS Groningse ontwikkelingsschalen.5 jarigen. functionele intellectuele vaardigheden. zelfstandig kunnen wonen. 3) De Kaufman Assessment Battery for Children (K-ABC voor 2. gebruik maken van gemeenschapsvoorziening. sociale en relationele vaardigheden. Hieronder worden daarvan een aantal schalen behandeld. taalgebruik en sociale gerichtheid gemeten. Vaststelling van het adaptief functioneren Binnen de definitie van de verstandelijke handicap moet er sprake zijn van tekorten in of beperkingen van het aanpassingsgedrag op ten minste twee van een tiental terreinen.5-5 jaar en 4-18 gebruikt worden. 1) De SON test (2.5-4 jaar moeilijk. communicatie. dat de interpretatie ervan in termen van laag cognitief niveau of intelligentietekort vaak onzeker is. Er is alleen weinig bekend over de betrouwbaarheid. Voor het meten van probleemgedrag: Hiervoor kan de CBCL 1. Teacher) gebruikt worden in de leeftijd van 6-18 jaar. deze geeft info over cognitieve functies als een algemene niveauscore. 2) De Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence (WPPSI-R) beschikt over zeer goede psychometrische eigenschappen maar is niet voor NL gestandaardiseerd en is volgens sommige critici onaantrekkelijk voor jonge kinderen. Daarnaast is er ook een Storend Gedragsschaal voor Zwakzinnigen (SGZ) deze is voor 3 jaar en ouder.5 tot 4. De RAKIT is een complete intelligentietest.  Sociale Redzaamheidsschaal voor Kinderdagverblijfbezoekers (SRK). Met deze schalen worden domeinen zoals zelfredzaamheid. zelfstandig beslissing nemen. ontspanning. zelfverzorging. Deze bestaat uit een zestal subtest en is genormeerd voor horende zowel als dove kinderen. werk.plus. Ook kan de Teacher Report Form (4-18) en de Developmental behaviour checklist (primary carer.

spel. De NL normen met een verstandelijke handicap zijn nu voor beide lijsten beschikbaar. aandacht en concentratievermogen en mee kunnen komen op school. contact met volwassenen en leeftijdgenoten. de ouders.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material   De VABS is een semigestructureerd interview met ouders/verzorgers waarin drie domeinen van functioneren wordt gemeten. Ook moet er gevraagd worden naar ernstig hersenletsel of ernstige infecties. De KID-N is een schaal die kan worden ingevuld door ouders van zeer jonge kinderen met zeer ernstige beperkingen. Diagnostic overshadowing: dit houdt in een verstandelijke handicap en het daarmee geassocieerde gedrag de betekenis van symptomen van een bijkomende psychiatrische aandoening minder duidelijk is. eetgedrag. Deze aspecten zijn meestal ook goed door middel van observatie vast te stellen. Een groot voordeel van deze instrumenten is dat daarmee het niveau van probleemgedrag bij deze kinderen vergeleken kan 82 . taal. Klinische diagnostiek Bij de anamnese kan er gevraagd worden naar eventuele problemen tijdens de zwangerschap of bevalling. Bij de verdere anamnese wordt gevraagd naar afwijkingen in de ontwikkeling van de motoriek.com . Alleen de totaalscore is gerechtvaardigd bij deze test. Diagnostiek van de psychopathologie Probleemgedrag/psychiatrische aandoeningen bij gehandicapten kunnen ernstige gevolgen hebben voor het kind. Omdat met name lichtere vormen van verstandelijke handicap nogal eens voorkomen bij kinderen van ouders die zelf ook beperkt zijn is het belangrijk na te gaan of ouders zelf misschien ook moeilijk konden leren. als door een gebrek aan voor deze groep gevalideerde diagnostische instrumenten. De ontwikkeling op dit terrein wordt echter gehinderd door een gebrek aan theorievorming over de relatie tussen verstandelijke handicaps en afwijkend gedrag. Emotionele problemen en gedragsproblemen Er is een onderzoek geweest dat laat zien dat de in NL veel gebruikte CBCL en TRF ook goed zijn te gebruiken bij kinderen met een lichte of matige verstandelijke handicap. het gezin en de samenleving als geheel.Stuvia.spraak.

Omgang met de onderzoeker Deze observaties. met name die op het gebied van motoriek en taal-spraak kunnen worden vergeleken met wat gezien de kalenderleeftijd van het kind verwacht mag worden.Stuvia.Grove motoriek . Onderzoek Bij de vraag over de ontwikkelingsmogelijkheden van het kind of de jeugdige gaat het er om onderscheid te maken tussen zwakzinnigheid en retardatie. en het gemeten IQ.omgang met zichzelf .The Marketplace to Buy and Sell your Study Material worden met dat van leeftijdgenoten zonder verstandelijke handicap. Toch is dit lastig. Bij specifieke Leerstoornissen moet er een verschil zijn van meer dan twee SD tussen de prestaties op het gebied van lezen.  In een dergelijke gestructureerde worden systematisch de volgende dingen geobserveerd: . De kids met autisme hebben 75% een matige verstandelijke handicap. minimale spraak-taal ontwikkeling). de meeste psychiatrische stoornissen die behoren tot de Pervasieve Ontwikkelingsstoornissen gaan gewoonlijk gepaard met een verstandelijke handicap. Retardatie betreft een achterstand in de ontwikkeling die van voorbijgaande aard is. Alleen bij Asperger is de verstandelijke handicap een uitsluitingscriterium. In het geval van ernstige of diepe zwakzinnigheid is ook op basis van anamnestische gegevens vaak relatief gemakkelijk vast te stellen dat er sprake is van zwakzinnigheid (vaak organische defecten.Uiterlijk (syndromale kenmerken) . daarnaast is er ook nog de Nederlandse Storend Gedragsschaal voor Zwakzinnigen die wordt ingevuld door groepsleiders van beperkten vanaf 3 jaar. Let op: een verstandelijke handicap op zich in het algemeen geen reden om bijvoorbeeld agressief of teruggetrokken gedrag bij een kind te verwachten. door bijvoorbeeld aan de hand van opdrachten zoals in de Denver Ontwikkeling Screening Test. Psychiatrische stoornissen Volgens de DSM kun je kinderen met een beperking dezelfde stoornissen vaststellen als bij niet beperkte kinderen. kinderen met RETT gewoonlijk een ernstige en diepe handicap en de desintegratiestoornis gaat meestal gepaard met ernstige handicap.Omgang met materiaal . Gedragsfenotype De gangbare opvatting is dat in de meeste gevallen de handicap multifactorieel bepaald is.com . waarbij vaak biologische processen. Bij jonge kinderen met een vertraagde ontwikkeling zonder duidelijk zichtbare organische stoornissen is de diagnostiek aanzienlijk moeilijker. Eventueel vast te stellen  83 . rekenen of schrijven zoals gemeten met een gestandaardiseerde schoolvorderingstest.Fijne motoriek . Ook zijn er nog lijsten zoals de Developmental Behaviour Checklist. risicogedrag van de ouders. Door observatie kan er het één en ander worden vastgesteld. Een goede kennis van de variatiebreedte van gedragingen bij kinderen kan leiden tot een inschatting van de mentale leeftijd van het kind.Taal en spraak . sociale en gezinsinteractie en/of de beschikbaarheid van ondersteuning voor de bevordering van de verstandelijke ontwikkeling een rol spelen.

Alle observaties van afwijkende gedragingen en emoties die bij normaal begaafde kinderen worden uitgevoerd zijn dus ook van toepassing bij kids met een beperking.com .Stuvia. De onderzoeker moet eenvoudige taal gebruiken.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material   emotionele problemen of gedragsproblemen zijn dus bijkomend en niet synoniem aan een verstandelijke handicap. in te schatten naar hoe het kind jou als onderzoeker begrijpt. 84 .

Deze gezinnen kunnen weinig profiteren van traditionele vormen van hulpverlening (denk aan het niet op komen dagen van afspraken).en jeugdpsychiatrisch onderzoek: let op het gedrag van de ouder die het kind brengt: geeft indruk van kwaliteit van de ouderlijke zorg. enuresis nocturna. (DSM: lichamelijke gevolgen zoals ondervoeding. Onderzoek Geen gestandaardiseerde instrumenten beschikbaar. Wordt onderscheiden in pedagogische en affectieve (emotionele) verwaarlozing. psychosociale gevolgen zoals pica. onvermogen tot spelen. onvoldoende kleding. ondanks dat er (nog) geen sprake is van psychopathologie. en psychosociale gevolgen zoals achterblijven cognitieve ontwikkeling. reactieve hechtingsstoornis. latere gevolgen zoals overlijden. DHD. drugsgebruik. niet-‘moeilijk’ temperament en het interpreteren van verwaarlozing als uiting van frustraties waaraan ouder bloot staat zijn beschermende functies waardoor kinderen op latere leeftijd geen of minder stoornissen vertonen. waardoor schade voor het kind ontstaat of in de toekomst zou kunnen ontstaan. sociaal isolement. Beide soorten hebben gevolgen voor lichamelijk en psychosociaal functioneren van het kind. Verwaarlozing Is het tekortschieten van bescherming. Tijdens onderzoek: let op kwaliteit van het contact maken bij het kind: geeft indruk in hoeverre de relationele ontwikkeling is geschaad.  Affectieve verwaarlozing: onvoldoende aanbod van emotionele warmte en betrokkenheid. zoals die in het heden en verleden is verschaft door ouders of verzorgers. schoolverzuim. (DSM: Lichamelijke gevolgen zoals achterblijvende groei.Stuvia. slechte hygiene. Goede intelligentie. Speciale programma’s bieden ambulante intensieve gezinsbehandeling om uithuisplaatsing van kinderen te voorkomen. Kinder. Homebuilders en Families First (in ons land). gedragsstoornissen. ‘Multi-problem’ gezinnen Er is altijd sprake van een veelvoud aan socio-economische en psychosociale problemen gecombineerd met onvermogen van ouder(s) om adequate zorg te bieden. Onderzoek en hulpverlening vinden tegelijk plaats.com . Family Support Service. eerste resultaten van onderzoek zijn bemoedigend. Anamnestisch onderzoek: let op de aard en de kwaliteit van de zorg. Veiligheid van het kind is meest dringende beoordeling. Psychosociale problemen: lichamelijke of verstandelijke handicaps en stoornissen van ouders. Vb. discriminatie. opvoeding en/of verzorging door personen tot wie het kind in een afhankelijkheidsrelatie staat. psychiatrische ziekte. parentificatie. Socio-economische problemen: armoede. verslaving en chronische huwelijksproblemen. slechte huisvesting. neurologische stoornissen en tenslotte psychosociale achterblijven in taalontwikkeling en berustend op de associatie met met affectieve verwaarlozing.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 23: Ernstige sociale of psychosociale problematiek Omstandigheden waarin een kind opgroeit kunnen zo ongunstig of bedreigend voor de ontwikkeling zijn dat er reden is voor onderzoek.  Pedagogische verwaarlozing: onvoldoende verschaffen van elementaire zorg en/of immateriële zorg. onvoldoende gewetensfunctie. Intensieve hulp wordt geboden terwijl tegelijk diagnostische inschattingen worden gemaakt. Verzamelen van 85 . Observaties in het gezin: let op de affectieve kwaliteit van de relatie en op de mate waarin ouders in staat zijn op leeftijd overeenkomstige eisen aan het kind te stellen. vermoeidheid. weglopen.

hersenletsel etc. school en jeugdgezondheidszorg: nodig om goede beoordeling van de ernst en omvang van de verwaarlozing te kunnen maken. Overleg met AMK is raadzaam als afweging moet worden gemaakt tussen contact met ouders behouden enerzijds en bieden van veiligheid voor kind anderzijds. slechte relaties met leeftijdgenoten. De onderzoeker moet alert zijn op factoren als: letsel dat opzettelijk lijkt te zijn toegebracht. Psychosociale gevolgen. mededeling van het kind of getuige daarover. tegen zichzelf kerende agressie. brandwonden. inlichtingen. Gestandaardiseerde onderzoeksmethoden ontbreken. Latere gevolgen. Er is sprake van vroege en latere gevolgen voor lichamelijk en psychosociaal functioneren (DSM: Vroege gevolgen. Psychosociaal. Wel kan een ‘adviesmelding’ worden gedaan: zonder naam van het kind te noemen advies vragen over te kiezen aanpak in bepaalde situatie. uitgesproken angst. Diagnostiek Diagnose kan worden vastgesteld zodra onomstotelijk (via observatie of door mededeling van de pleger) vaststaat dat bij een kind ziekteverschijnselen worden nagebootst. Meldingsplicht voor artsen en andere hulpverleners bij (vermoeden van) kindermishandeling is er niet en beroepsbeoefenaren kunnen niet anoniem melden bij een AMK. achterblijven in groei. Varieert van beschrijven door ouder van niet bestaande symptomen via indirect suggereren van afwijkingen tot direct beschadigen van het kind. vermijding en schrikachtig ineenkrimpen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material heteroanamnestische gegevens: huisarts.Stuvia.en jeugdpsychiatrisch onderzoek is het belangrijk om te letten op: reacties tijdens contact als angst. Bij het kinder. overwegingen. het maskeren van sporen van mishandeling. laag zelfbeeld. het ontbreken van steun zoeken. ouders moeten dan op de hoogte worden gesteld. In eerste instantie moet worden gelet op signalen zoals:  een of meer medische problemen die resistent zijn voor behandeling of ongebruikelijk/onverklaarbaar verlopen 86 . beraadslagingen en onderzoeken zorgvuldig aantekeningen en indien mogelijk beeld/geluidregistratie. Fysieke kindermishandeling Is het oplopen van lichamelijk letsel door een kind als gevolg van handelingen of nalatigheid van personen tot wie het kind in een afhankelijkheidsrelatie staat. lange tijdsduur tussen ontstaan van letsel en zoeken van hulp. Belangrijk: maak van alle waarnemingen. Zorgvuldig afwegen van moment en manier van confronteren van de ouder(s) met verdenking van kindermishandeling en beoordeling van noodzakelijkheid/wenselijkheid van uithuisplaatsing is van belang. teruggetrokken gedrag. Syndroom van Münchhausen by proxy (nagebootste stoornis bij volmacht) Het bij het kind teweeg brengen van medisch handelen door personen tot wie het kind in een afhankelijkheidsrelatie staat via rapporteren van niet bestaande symptomen of via het actief nabootsen van ziekteverschijnselen. vreugdeloos. door ouders weigeren van of ontoereikende verklaring over letsel.com . depressie. angststoornissen etc. blauwe plekken. enz. hantering van agressie door het kind en het zelfbeeld van het kind.) Onderzoek Ouders geven maar zelden aan dat er sprake is van mishandeling.

problemen in sociaal functioneren. multiple gedragsmoeilijkheden. enz. bewaking. Onderzoek wordt bemoeilijkt door ontbreken van uiterlijke kenmerken. schaamte) bij een kind door personen tot wie het kind in een afhankelijkheidsrelatie staat. zwangerschap. letsel of dood. depressie.Stuvia. Bij misbruik door verwanten is er sprake van incest. uitgesproken angst. Psychosociaal: emotionele reacties. Herkenning is afhankelijk van de mate waarin de onderzoeker is doordrongen van bestaan van deze problematiek Seksueel misbruik Is het betrekken van kinderen bij seksuele activiteiten die deze niet volledig kunnen begrijpen en/of die (ten gevolge van een lichamelijk of emotioneel overwicht) door hen worden ondergaan zonder het gevoel te hebben gehad deze te kunnen weigeren. dreigen met wegsturen. aanranding. seksueel sadisme. (te) veel aandacht/steun/ bewondering vragen. Houd zorgvuldig alle verdenkingen en gezette stappen bij in een verslag. Lichamelijke gevolgen zijn bijvoorbeeld: SOA’s. Later gevolgen kunnen zijn: emotionele reacties zoals depressie.com . ongebruikelijke medische kennis. Niet Anderszins Omschreven. Gevolgen zijn lichamelijk en psychosociaal en worden onderverdeeld in vroege en latere gevolgen. denigreren. Onderzoek Zet stappen om het kind te beschermen (opname. maar hier betreft het psychische onlust die teweeg wordt gebracht met alleen niet-fysieke middelen. publiekelijk vernederen. oppositioneel gedrag. Gevolgen zijn psychosociaal: vreugdeloos. etc. onderzoek op intoxicaties. passief of juist hyper-waakzaam. verzamelen van heteroanamnestische gegevens en contact leggen met partner. niet zoeken van steun in angstige situatie.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material  ongewoon gedrag van ouder: te betrokken. slechte relatie leeftijdgenoten. afwijkend gedrag naar arts of verplegend personeel. ongewone kalmte bij ernstige problemen. relationele problemen.a. Er zijn dan ook geen diagnostische criteria. 87 . verkrijg psychologische en psychiatrische evaluaties van ouder en kind. zelfgerichte agressie. niet toestaan van emotionele of sociale groei. Onderverdeeld in: exhibitionisme. medicatietoediening door uitsluitend door verplegend personeel) en kom tot een zo goed mogelijke diagnostiek door o. verdriet. achterstellen bij siblings. zoals bijv. Alle besproken vormen van kindermishandeling wekken ook psychische onlust.  Tekenen en symptomen die zich alleen voordoen bij aanwezigheid ouder  Soortgelijke ziekten of onverklaard ziek zijn/overlijden bij siblings DSM-IV classificatie: Nagebootste stoornis. geslachtsgemeenschap. lichamelijke functieklachten zoals slaapstoornissen. overaangepast gedrag. Emotionele kindermishandeling Is het doelbewust teweegbrengen van ernstige psychische onlust (als angst. angststoornissen. laag zelfbeeld. Pleger is volwassene of jeugdige indien er sprake is van groot verschil in leeftijd of overwicht ten opzichte van het slachtoffer. opsluiten. psychoseksuele reacties en problemen in het sociaal functioneren.: beleggen van multidisciplinaire bijeenkomst.

v. wel kan gebruik gemaakt worden van anatomisch correcte poppen. daarom is het van belang om dit routinematig aan de orde te laten komen tijdens het kinder. Dit kan zijn door intrekken van verklaringen na negatief ervaren gevolgen of door ten onrechte doen van beschuldiging. differentiatie in reactie waardoor kind ongemerkt wordt gestuurd. maar door te letten op veelvoorkomende gevolgen kan bij vermoeden een onderzoek worden gestart. Ook een ontkenning kan veelzeggend zijn als gedrag tijdens beantwoorden opvallend is. omdat (1) die ook mogelijk slachtoffer kunnen zijn. bij expliciete seksuele duiding kan ook sprake zijn van waarneming van seksuele handelingen.com . 88 . Bij het onderzoek van misbruik in het gezin moet ook aandacht besteed worden aan broers en zussen. Het is belangrijk om feitelijke informatie te verkrijgen (voor onderzoek en i. mogelijke juridische implicaties). Het is belangrijk om het onderzoek zo volledig en zorgvuldig mogelijk te verrichten en vast te leggen (eventueel door videoregistratie) om herhaling (en dus belasting van het kind) te voorkomen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Specifieke criteria voor vaststelling ontbreken. Houd wel rekening met de mogelijkheid dat mededelingen door ouders en/of kinderen onjuist kunnen zijn. Onderzoek Kinderen maken zelden spontaan gewag van seksueel misbruik. Gestandaardiseerde methoden voor onderzoek zijn er niet.en jeugdpsychiatrisch onderzoek.Stuvia. Let op valkuilen als: suggestie tijdens vraagstelling.m. (2) hun verhaal kan bijdragen aan zekerheid dat er sprake was van misbruik en (3) zij een belangrijke rol kunnen spelen bij verwerking binnen het gezin van de gevolgen. De betrouwbaarheid van getuigenissen is een probleem door het ontwikkelingsstadium van het kind tijdens het getuigenis en/of door gevolgen van ernstig traumatische ervaringen voor de geheugenfunctie.

die op school in een geformaliseerd leerproces horen plaats te vinden. Er zijn drie sociale werelden waarin het kind ervaring opdoet/leert: 1.) Leren Alvorens op de diagnostiek van leer. emotionele problemen en of gedragsproblemen. In dit hoofdstuk wordt bij een kind of jeugdige met problemen op school bedoeld dat er sprake is van: verstoorde of gestoorde ontwikkeling. enz.en jeugdpsychiatrie is hiervan in bijna alle gevallen sprake.en gedragsproblemen op school Bij een groot deel in de jeugdzorg/speciaal onderwijs gaan problemen wat betreft emoties en gedrag samen met leer. In de (dag) klinische kinder. emotioneel en sociaal). de uitbouw van het leren is overwegend omgevingsbepaald. Leren in de bredere zin betekent: het vermogen om te profiteren van nieuwe ervaringen. Leerproblemen en leerstoornissen zijn niet meer en niet minder dan een sociale kwalificatie van gedrag (zoals ‘verstandelijke handicap’. dat zich onderscheid van een spontaan rijpingsproces.of gedragsproblemen zo vaak samengaan. emotioneel en sociaal): Vanuit de lichamelijke ontwikkeling ontstaan de emotionele en cognitieve ontwikkeling. matching. Leren is een actief proces.en gedragsproblemen op school in te gaan wordt leren in een viertal paragrafen gepositioneerd: 1) Leren is breder dan schools leren.com . De verwevenheid van de vroege ontwikkelingslijnen is mogelijk een van de mechanismen waardoor leerproblemen en emotie. In adolescentie of volwassenheid is deze verwevenheid minder of niet aanwezig.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 24: Diagnostiek bij leer. De aanleg om te leren is aangeboren. de school.Stuvia. cognitief. kindermishandeling. 1. de kindergroep en 3. later worden deze drie gecompleteerd door de sociale ontwikkeling. ongeacht leeftijd en sekse. Leren duidt op het vermogen om te profiteren van nieuwe ervaringen. of een combinatie van beide. leiden tot een GGZ-indicatie. problemen met de leerstof.en/of gedragsproblemen op school. Het leren wordt negatief beïnvloed vanuit de biologisch-lichamelijke ontwikkeling wanneer er sprake is van:  beperkingen wat betreft intellectuele vermogen  stoornissen op basis van problemen in de functieontwikkeling  onvoldoende of trage rijping van het centraal zenuwstelsel. Als problemen in één of meer ontwikkelingsdomeinen op jonge leeftijd ontstaat zal dat bijna altijd weerslag hebben op de andere domeinen. 2. 3)De invloed van de directe omgeving speelt een rol 4) De opbouw van de schoolgeschiedenis speelt een rol (afstemming. het gezin. verzuim etc). Als er gesproken wordt over leerproblemen of leermoeilijkheden wordt hiermee bedoelt dat bij een kind de verwerving van de vaardigheden. Ontwikkeling van het kind speelt een rol (biologisch. Uit onderzoek blijkt dat ernstige cognitieve problemen. cognitief. Met specifieke leerstoornis wordt bedoeld dat de leerproblemen mede verklaard worden vanuit specifieke cognitieve eigenschappen bij de leerling. 89 . 2. Volgens Boekaerts en Simons heeft iemand iets geleerd wanneer er een relatief stabiele verandering te constateren is in gedrag of gedragsdisposities. 2) Ontwikkeling van het kind speelt een rol (biologisch. niet volgens de verwachtingen/eisen verloopt. Leren is breder dan schools leren. die het gevolg is van leeractiviteiten en een zere mate van wendbaarheid heeft.

Stuvia. wanneer functies en vaardigheden die voor het leren noodzakelijk zijn zich onvoldoende ontwikkelen. wederkerige communicatie.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Vanuit de cognitieve ontwikkeling kan het schoolse leren geschaad worden.  Kennisvermeerdering ontstaat door rijping van domein specifieke kennismodules en de kennisvermeerdering die modulaire verandering bewerkstelligt. afstemming. kort uitstellen van kleine behoeften en kleine eisen bereidt een peuter al voor op een omgeving waarin instructie en niet langer de eigen behoeften en wil van het kind centraal zal staan.de leerling voldoende taakbesef heeft. Er zijn enkele problemen die in relatie tot school kunnen optreden en niet het eigenlijke leerproces betreffen. Ze schaden het als je de ruimte niet biedt aan je kind om te ontdekken. matching. Hoewel het meestal goed gaat. 1) Foutieve schoolkeuze of mismatching.  90 . Tussen 2-4 jaar gaat het functioneren in een tweede milieu een functie krijgen.het schoolverzuim beperkt blijft . scala aan interessante en betekenisvolle ervaringen en activiteiten opdoen.com . Een vast dagstructuur. Hierin spelen interactiestijl en opvoedingspatroon van ouders. 3. Voor de latere ontwikkeling van taakgericht gedrag zal belangrijk zijn hoe de verzorgers omgaan met de exploratiedrang van het kind.het klassenklimaat en de pedagogische aanpak aansluiten bij het emotioneel-sociale ontwikkelingsniveau . De opbouwing van de schoolgeschiedenis speelt een rol. Primaire opvoeders stimuleren de cognitieve ontwikkeling door wanneer: gereageerd wordt op de kinderlijke signalen. het begint voorzichtig te functioneren in een groepje. maar de resultante is van een geleidelijke ontwikkeling. Modulaire rijping en verandering zijn niet gerelateerd aan het IQ (maar kunnen hier wel door begrensd worden). verzuim. of algemene G-factor). sociaal-economische status en het sociale netwerk van het kind een rol. Dit proces kan langs twee routes verlopen: Toename van kennis wordt verkregen door denken en steeds efficiënter verlopen van dit proces. een kind in ontwikkeling is in staat tot adequaat klassengedrag en leren als: . maar er we leen negatief effect op kunnen uitoefenen. Hier gaat het veel meer om een (puur) ontwikkelingsproces. In de eerste 2 levensjaren staat of staan de primaire verzorger(s) centraal in het leven van het kind. Cognitieve ontwikkeling kan beschouwd worden als de interactie tussen wat de basale verwerkingseenheid kan en wat modulaire rijping en verandering initiëren. Directe omgeving van het kind oefent hier ook invloed op uit. Deze vorm van cognitieve ontwikkeling is kwantitatief en speelt zich af in een basale verwerkingseenheid (ook wel IQ. De invloed van de directe omgeving speelt een rol. is er veel wat de ontwikkelingsvoortgang negatief kan beïnvloeden. 2) Schoolfobie en schoolweigering 3) Onvrijwillig schoolverzuim (somatisch en somatoforme klachten). Vanuit de emotioneel-sociale ontwikkeling is het belangrijk dat het kind een identiteit kan ontwikkelen waarin de persoonlijkheidsontwikkeling op groei en ontwikkeling is gericht.de leerstof aansluit op het cognitieve ontwikkelingsniveau . Samenvattend illustreert het dat het lerende kind met adequaat schools gedrag er niet opeens is. 4.

Stuvia. motivatie. een realistische kijk op de leerstoornis en de vaardigheid om een steunend netwerk te gebruiken zijn belangrijk voor een adequate psychosociale adaptatie.en gedragsproblemen op school Samengaan van leerproblemen/leerstoornissen en emotionele problemen/gedragsproblemen Leerproblemen. De ontwikkeling van leerstoornis tot leerprobleem verschilt per kind en wordt niet bepaald door de leerstoornis op zich. Maar factoren als: hoog IQ. ontwikkelingsstoornissen en ernstige emotionele problemen en/of gedragsproblemen gaan vaak samen zonder dat er duidelijke lineair causale verklaringen voor zijn.com . remedial teachers en/of psychologen/orthopedagogen die zich hierop hebben toegelegd.en schoolomgeving. doorzettingsvermogen. De veranderbaarheid van het kind. Onderzoek naar de leervorderingen Onderzoek naar de leervorderingen vraagt specifieke deskundigheid ten aanzien van onderwijsleerprocessen en wordt uitgevoerd door leerkrachten. Diagnostiek bestaat uit als eerste een analyse van het leerproces op zich en daarnaast een overzicht van de sterke en zwakke kanten van het kind en een analyse van de gezins. Leerstoornissen in de kindertijd zijn een goede voorspeller voor ernstige emotionele en/of gedragsproblemen in de adolescentie. lange periode van intensieve individuele instructie. Het onderzoek moet duidelijk 91 . Sterke en zwakke kanten in de cognitieve en in de emotionele ontwikkeling spelen een rol. Leerstoornissen kunnen ontstaan vanuit heel verschillende etiologie. De verklaring van de problemen heeft een breed perspectief nodig waarin bij de interpretatie ruimte wordt gelaten voor de invloed van de wisselwerking tussen kind en omgeving. het gezin en de schoolomgeving zijn meebepalend voor de interventies die gekozen worden en voor de prognose.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Diagnostische hiërarchie in geval van leer. Diagnostiek met een leerstoornis als uitgangspunt Bij het overgrote deel van de leerproblemen kan geen eenvoudige oorzaak-gevolgrelatie vastgesteld worden.

hierover bestaan geen normeringsgegevens. Silver en Hagin ontwierpen een 92 . omdat het effect van de leerstoornis op de attributiestijl van het kind of de jeugdige en diens zelfbeeld belangrijk is voor het plannen van interventies.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material maken of er sprake is van een objectiveerbare achterstand in de technische vaardigheid van het lezen. In NL wordt hard gewerkt aan de ontwikkeling van een testprotocol voor het diagnosticeren van dyslexie. men begint te tellen aan het begin van groep 3. De ernst van de leerproblemen worden weergegeven in termen van DLE (didactisch leeftijdsequivalent) en aan de hand van het leerlingvolgsysteem dat gebruikt wordt op de school van de leerling. Bij leerlingen in de hoogste groepen wordt een leerachterstand van 2 jaar als grens gehanteerd. is er nog geen sprake van een specifieke leerstoornis. Verklaring rekenstoornissen: visuo-spatiele vaardigheden. 3) Kunnen interventies gericht op de emotionele problemen en/of gedragsproblemen binnen een totaal plan van aanpak worden opgenomen. zoals het ontbreken van specifieke deelvaardigheden of een automatiseringstekort.com . correcties en gedragsregulatie te accepteren.  Ook een algemeen intelligentieonderzoek is noodzakelijk. Onderzoek naar protectieve en beschadigende factoren in de omgeving van het kind  Thuismilieu: cruciaal voor een goede cognitieve ontwikkeling is de vraag of er voldoende stimulans en ontwikkelingsmogelijkheden geboden zijn in het thuismilieu en of ouders responsief en sensitief hebben gereageerd op de signalen van hun kind. Elke leerling heeft een didactische leeftijd (DL): het aantal maanden dat deze onderwijs heeft gevolgd. Onderzoek van protectieve en beschadigende factoren in de cognitieve ontwikkeling  Wanneer is vastgesteld dat er problemen zijn in de technische vaardigheid ten aanzien van schoolse vakken.  Een tweede belangrijke invalshoek: Diagnostiek geeft ook informatie over de relatievorming met volwassenen -> leren op school vraagt om instructies. Verklaring dyslexie bijvoorbeeld tekort in fonologische verwerking. Een specifieke leerstoornis is een stoornis op het kenvermogen van het kind. Om zicht te krijgen op emoties van denken van het kind: kan gebruik gemaakt worden van semi-gestructureerde interviews. Onderzoek van protectieve beschadigende factoren in de emotioneel-sociale ontwikkeling Wanneer vanuit didactisch en psychologisch onderzoek de specifieke leerstoornis is gediagnosticeerd kan het kind verwezen worden naar de deskundige ten aanzien van emotionele problemen/gedragsproblemen met de volgende vragen: 1) Zijn de emotionele problemen reactief? 2) Is er sprake van comorbiditeit met kinderpsychiatrische problematiek.  Eerste invalshoek: Diagnostiek ten aanzien van emotionele problemen en/of gedragsproblemen levert informatie op over emoties en denken van het kind / de jeugdige over schools leren -> relevant. Wanneer er sprake is van een leerrendement van 50% of minder is verder onderzoek naar deelvaardigheden nodig.of rekenen) belemmeren. algemene taalproblemen of problemen met het werkgeheugen.  Er zal gericht gezocht moeten worden naar biologische of cognitieve verklaringen.Stuvia. SCICA (semistructured Clinical Interview for Children and Adolescents en vragenlijsten zoals de Competentie belevingsschaal voor Kinderen. Vervolgens moet er een inschatting gemaakt worden van achterliggende oorzaken. die het leren van specifieke vaardigheden (lees-spellings. spellen of rekenen en hoe groot deze achterstand is. Hierin is het mogelijk om een schoolinterview af te nemen. tekort in toegankelijkheid woordenkennis.

Punten waar zij gericht naar kijken: 1) Frequentie en stabiliteit van contact met volwassenen. als pedagogische aanpak en ondersteuning. omdat kinderen jeugdpsychiatrische patiënten met ernstige problematiek zich bij afname van testen vaak anders gedragen dan de normgroep(en) van de test. 2) Bevrediging van primaire behoeften 3) Restricties ten aanzien van motorisch gedrag en exploratiegedrag 4) Beschikbaarheid van spelmateriaal.com . SON (Snijders Oomen niet-verbale intelligentietest) wrodt gebruikt als gesproken of geschreven taal problemen oplevert (officieel voor dove kinderen)  leerpotentieeltests (vragen actieve inzet en goede instructiegevoeligheid.Stuvia. Gerichte psychoeducatie zijn duidelijke opdrachten. is een periode van adaptief onderwijs noodzakelijk om hierover uitsluitsel te krijgen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material vragenlijst naar dit ‘’continuum of caretaker casualty’’. Bij de voortgaande samenwerking wordt vaak duidelijk dat in hun rapportage er te weinig rekening gehouden worden met wat de onderwijsgevende wel of niet ter beschikking heeft in een volle klas. Afname en interpretatie moeten aan het individuele geval worden aangepast. 93 . Diagnostiek met ernstige emotionele problemen en/of gedragsproblemen als uitgangspunt Vaker zal de deskundige geconfronteerd worden met een kind of jeugdige met ernstige emotionele problemen of gedragsproblemen waarbij niet in eerste instantie de diagnose specifieke leerstoornis overwogen wordt. Niveau van leerstof. Toch is het belangrijk alert te zijn op achterliggende cognitieve problemen. De manier van afname zal aangepast worden. bruikbaar om discrepanties vast te stellen tussen cognitieve mogelijkheden en huidig presteren)  Piagetiaanse tests ( Het denken staat minder centraal. WAIS (kwantitatieve en kwalitatieve gegevens interpreteren). moeten we elkaar verstaan. 5) Aanwijsbare betrokkenheid op de prestaties van het kind Ook moet er een inschatting gemaakt worden van mogelijke psychopathologie en functioneel of disfunctioneel ouderschap. De capaciteiten van ouders als opvoeders en hun draagkracht bepalen en beperken de mogelijkheid van interventies. interpretatie en afname niet eenvoudig en resultaten leiden niet automatisch tot handelingshandvatten) Problemen tussen diagnostici De beroepskrachten ondanks verschillen in functies en in theoretische oriëntaties. In de onderwijswereld wordt er ook regelmatig gebruik gemaakt van de BOTS vragenlijst (roos van Leary). Mogelijke testen:  algemene intelligentietests: WPPSI-R en WISC. waarbij een gedeeld werkmodel een hulpmiddel kan zijn. er wordt vooral gekeken naar de structurering van het denken. plaatst het individu op een ontwikkelingslijn.  Leerproblemen: bepalend voor de mate waarin een leerstoornis uitgroeit tot een leerprobleem. Onderzoek heeft aangetoond dat adequate ondersteuning van ouders een van de belangrijkste factoren is voor een succesvolle aanpassing in de volwassenheid. Beeldvorming ten aanzien van cognitieve mogelijkheden en beperkingen is moeilijk. Bij een groot deel van de kinderen met meer extreme emotionele problemen en gedragsproblemen worden de prestaties op cognitieve tests blijkbaar niet alleen bepaald door de cognitieve ontwikkeling. Daarnaast is een samenwerkingsmodel met rolduidelijkheid voor diverse disciplines nodig. Goede matching bijv tussen kind en school. Wanneer er vermoed wordt dat omgevingsinvloeden van groot belang zijn geweest.

second opinion. ook wel p. Er dienen uitspraken gedaan te worden over de mate waarin het delict de betrokkene aangerekend kan worden. o Jeugdige (binnen een onderzoek) die werden voorgeleid voor de rechter-commissaris kwam naar voren dat deze jeugdigen zes tot zeven keer meer psychiatrische stoornissen vertonen dan leeftijdgenoten in de algemene bevolking: 41% had één diagnose en 36% twee of meer. Verder worden nog contra-expertises genoemd: onderzoeken bedoeld om eerdere bevindingen eventueel te bevestigen of onderuit te halen. o In NL stonden eind 1996 ruim 9400 jeugdigen van 12-18 jaar onder toezicht. genoemd) bevat verder een kinder. een overtreding of een misdrijf. 94 . o Van kinderen die een civiele maatregel opgelegd hebben gekregen is niet goed bekend bij hoe velen van hen gesproken kan worden van psychopathologie. vrije tijdsbesteding) en van de ontwikkeling.en jeugdpsychiaters aan justitiële autoriteiten. De conclusie is dat criminaliteit wel degelijk stijgt.zowel als strafrechtelijk. in 19% afhankelijkheid misbruik van alcohol en drugs of gokken en in 20% van e gevallen andere stoornissen zoals wanen en angsten. Meestal worden er ook behandelingsadviezen gevraagd. Beschrijving is gebaseerd op anamnestisch onderzoek en testpsychologisch onderzoek.000 jeugdigen per jaar door de politie aangehouden op verdenking van het gepleegd hebben van een strafbaar feit.en jeugdpsychiatrisch onderzoek. in 11% een lichte of ernstigere vorm van depressie.Stuvia. de rechter vraagt om een beschrijving van het kind en advies.000 geweldsmisdrijven geregistreerd. 9% ODD) werd in 14% van de gevallen ADHD vastgesteld. o Let op: Delictgedrag mag niet zonder meer vereenzelvigd worden met gedragsstoornissen. Behalve veel gedragsstoornissen (58% antisociale. Soms betreft het second opinion onderzoek. Dit getal is gestegen met 20%. Rapportages pro Justitia omvatten meestal een beschrijving van de persoon van het kind (jeugdige) en diens leefsituatie (gezin. Multidisciplinair diagnostisch onderzoek (m.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Hoofdstuk 25: Jeugdpsychiatrisch onderzoek in forensisch kader Getallen wat betreft jeugdbescherming en jeugdstrafrecht o In NL zijn de laatste jaren zo’n 50. contra-expertise Hieronder wordt verstaan alle rapportage over kinderen en jeugdigen die in een justitieel kader verkeren: civiel. Het meest betrouwbaar is dat je drie bonnen raadpleegt voor in het justitiële rapport. Rapportage pro justitia Definitie: verzoek om advies. school.o. o Van ruim 2600 kinderen waren eind 1996 de ouders uit de ouderlijke macht ontzet of hiervan ontheven. Meestal gaat het om het uitbrengen van adviezen op basis diagnostisch onderzoek door gedragsdeskundigen en/of kinder. o Er werden 8. Delictgedrag versus gedragsstoornissen o Kinderen met een gedragsstoornis die zich ontwikkeld heeft voor het tiende levensjaar lopen een aanzienlijk grotere kans zich blijvend in de delinquente richting te ontwikkelen. Rapportages dienen altijd opgesteld te worden door onafhankelijke deskundigen. Het advies is niet obligaat (hoeft de rechter niet op te volgen).o.com . er is een discussie gaande of er een toename is van criminaliteit of dat politie bijvoorbeeld strenger is geworden.d.

Het gebeurt lang niet altijd als er duidelijk sprake is van psychiatrische stoornissen. Bureaus Jeugdzorg. maar eerder op het inzichtelijk maken van de problematiek. dat wil zegen onderzoek door een gedragsdeskundige die niet in dienst is van de opdrachtgever. De vraag naar toerekeningsvatbaarheid levert meestal problemen op. Regelgeving Er bestaat weinig regelgeving ten aanzien van het rapporteren pro Justitia in de jeugdsector. Wel heeft de kinderrechter een ruimer indicatiegebied: heropvoedingsnoodzaak rechtvaardigt een maatregel ‘plaatsing in een inrichting voor jeugdigen’ (p. De richtlijnen geven aan op welke wijze de deskundige dienst te worden ingeschakeld.). Het is wenselijk dat eerdere onderzoeksverslagen ter beschikking worden gesteld. Het betreft alleen voor onderzoek in civiel kader.com . moet opnieuw een onafhankelijke rapporteur benoemt worden. onderzoek dat dus over het algemeen aangevraagd wordt door de RvdK of een voogdijinstelling. Om te screenen of onderzoek nodig is heeft de Raad voor Kinderbescherming het screeningsinstrument de BARO (Basis RaadsOnderzoek) ontwikkelt. Strafrechtelijke rapportage Rapportage wordt in de meeste gevallen aangevraagd als aard en ernst van het delict volgens de rechter-commissaris daarom vraagt. Het ministerie van Justitie heeft in 1996 richtlijnen gegeven voor extern uit te voeren onderzoek. omdat het Nederlandse strafrecht voor personen boven de twaalf jaar geen onderscheid wil maken tussen de verschillende leeftijden als het gaat om schuld en verwijtbaarheid. onder welke voorwaarden het onderzoek dient plaats te vinden en hoe de rapportage uitgebracht moet worden. Dit kan het hulpverleningsproces vooraf al schade toebrengen. Particuliere onderzoeksbureaus zoals Haags ambulatorium. Het adviesgesprek is cruciaal. Rapportages in 95 . Dit mag alleen gedaan worden als er een diagnostisch onderzoek is uitgevoerd. Het is over het algemeen aangewezen een rapport in concept te laten lezen aan de betrokkenen. hij moet dan ter zitting verschijnen om zijn rapport toe te lichten. Het is gebleken dat betrokken jeugdigen en ouders het als zeer frustrerend ervaren wanneer zij adviezen niet uit de mond van de onderzoeker(s) zelf vernemen. vrijgevestigde rapporteurs. Voorzieningen voor diagnostiek Op indicatie van de Raad of op autonoom gezag van de rechter-commissaris kan een diagnostisch onderzoek aangevraagd worden bij. Opdracht aan deskundigen wordt meestal geformuleerd aan de hand van een gestandaardiseerd formulier met vragen. Als advies gevraagd wordt over verlening van een maatregel p.j. De richtlijnen gaan er van uit dat het onderzoek nooit gericht is op waarheidsbevinding.Stuvia.i. Soms wordt de rapporteur gedagvaard. Advies aan de rechtbank dient logisch voort te vloeien uit het diagnostisch onderzoek en moet zo geformuleerd zijn dat de redenering voor relatieve leken te volgen is. een lijst met strafrechtelijke routes en alle mogelijke adviezen. Dit instrument omvat een semi-gestructureerd interview rond acht domeinen.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material Rapporteurs en zijn relaties Bij pro Justitia is de regel dat niet gerapporteerd wordt door degene die als behandelaar bij de casus betrokken is of zal geraken. Toegevoegd aan dit interview (checklist) zijn een protocol.j. Forensisch Psychiatrische Diensten. het verklaren van het gedrag.i.

Stuvia. gezins-/milieuonderzoek. verslagen van vroegere rapportages en eerdere hulpverlening. 96 .com . algemeen medisch. delictanamnese. samenvatting van de toegestuurde stukken: proces-verbaal. heteroanamnese ouders. anamnese van de jeugdige: algemene gegevens actuele problematiek. gegeven over algemeen functioneren thuis. omdat er meestal sprake is van ontkenning bij de jeugdige daders (en hun ouders). Inhoud van de rapportage moet aan de orde komen: herhaling van de vraagstelling van de rechtercommissaris. neurologisch of ander specialistisch onderzoek etc.The Marketplace to Buy and Sell your Study Material zedendelicten vragen om specialistische expertise.

The Marketplace to Buy and Sell your Study Material 97 .Stuvia.com .

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->