P. 1
Samenvatting Vonk, R. (2002). Cognitieve Sociale Psychologie.

Samenvatting Vonk, R. (2002). Cognitieve Sociale Psychologie.

|Views: 44|Likes:
Published by Stuvia.com
Dit is een samenvatting van het boek 'Cognitieve Sociale Psychologie' voor het vak 'Beoordeling en Beïnvloeding' voor de opleiding psychologie in Leiden. De samenvatting bevat 86 pagina's en geeft een volledig overzicht van het gehele boek. Het kan dus ook voor andere opleidingen gebruikt worden, die gebruik maken van dit boek!
Dit is een samenvatting van het boek 'Cognitieve Sociale Psychologie' voor het vak 'Beoordeling en Beïnvloeding' voor de opleiding psychologie in Leiden. De samenvatting bevat 86 pagina's en geeft een volledig overzicht van het gehele boek. Het kan dus ook voor andere opleidingen gebruikt worden, die gebruik maken van dit boek!

More info:

Published by: Stuvia.com on Jul 20, 2013
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $5.25 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

02/22/2014

$5.25

USD

pdf

Sections

  • 1.1 Inleiding
  • 1.2 Uitgangspunten van de sociale psychologie De actieve waarnemer
  • 1.3 De cognitieve benadering in de sociale psychologie
  • 1.4 Cognitieve sociale psychologie
  • 2.1 Inleiding
  • 2.2 Experimenteel laboratoriumonderzoek
  • 2.3 Manipuleren
  • 2.4 Het meten van cognities
  • 3.1 Inleiding
  • 3.2 Jones en Davis’ theorie van correspondente gevolgtrekkingen
  • 3.3 Kelley’s attributietheorie
  • 3.4 Weiners prestatie-attributie-theorie
  • 3.5 Zelfwaarnemingstheorie
  • 3.6 Spontane attributies
  • 3.7 Vertekeningen in attributies
  • 4.2 Wat zijn schema’s?
  • 4.3 Kenmerken van schema’s
  • 4.4 Wat doen schema’s?
  • 5.1 Inleiding
  • 5.2 Categorisatie: de oorsprong van stereotypen
  • 5.4 Het gebruik van stereotypen
  • 5.5 Stereotypen-verandering
  • 6.1 Inleiding
  • 6.2 Impressievorming
  • 6.3 Asymmetrieën in impressievorming
  • 7.1 Inleiding
  • 7.2 Automaticiteit
  • 7.3 Controle
  • 8.1 Inleiding
  • 8.2 De psychologie van beslissen
  • 8.3 De fundamenten van beslissingen: verwachte waarden van uitkomsten
  • 8.4 Frequentie- en kansschattingen
  • 8.5 Beslisstrategieën: kiezen uit verschillende mogelijkheden
  • 9.1 Inleiding
  • 9.2 Wat is affect?
  • 9.3 De invloed van cognitie op affect
  • 9.4 De invloed van affect op cognitie
  • 9.5 De invloed van affect op gedrag

Samenvatting Vonk, R. (2002). Cognitieve Sociale Psychologie.

door

S0904988

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal
Koop en Verkoop al je samenvattingen, aantekeningen, onderzoeken, scripties, collegedictaten, en nog veel meer..

www.stuvia.com

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 1: Sociale psychologie en sociale cognitie Pagina 11 t/m 27 1.1 Inleiding Mensen kunnen uit een paar woorden veel meer informatie halen dan dat er expliciet in een tekst staat beschreven. Dit komt doordat we onze eigen kennis aan de tekst toevoegen. Daarnaast zullen we ook een deel van de informatie als onbelangrijk zien. Welke informatie dit uit een tekst is, hangt onder andere af van de doelstellingen van de lezer. Dus: als we iets waarnemen, maken we een selectie uit de beschikbare informatie. 1.2 Uitgangspunten van de sociale psychologie De actieve waarnemer Een belangrijk uitgangspunt van de psychologie: we spelen een actieve rol bij het waarnemen van onze omgeving. We geven zelf betekenis aan wat we waarnemen. We voeren eerst een selectie uit op bepaalde informatie, die we vervolgens aanvullen met onze eigen kennis. Er is dus een wisselwerking tussen de waarnemer en de stimulus. De vraag of de kennis accuraat is, is hierbij niet van belang. De kennis van de waarnemer ligt opgeslagen in cognitieve schema’s. Op het moment dat we iets waarnemen, wordt zo’n schema opgeroepen. Welke schema’s we toepassen is afhankelijk van onze doelstellingen. De kennis en doelstellingen bevinden is binnen de waarnemer; de stimulus erbuiten. Deze komen samen als mentale representatie in het hoofd van de waarnemer. Gevolg hiervan is, dat zodra de stimulus verdwenen is, de waarnemer nog steeds de mentale representatie op kan roepen. Deze representatie voegt zich tenslotte bij de eigen kennis van de waarnemer. Ook dit is weer een wisselwerking tussen de waarnemer en een (nieuwe) stimulus. Cognities: tussen stimulus en respons De manier waarop de informatie wordt verwerkt, is van invloed op het gedrag van de waarnemer. De cognities die zich tussen de stimulus en de respons bevinden, zijn voor diverse personen verschillend. Dat leidt ook tot verschillende gedragsreacties  tweede uitgangspunt: het gedrag van mensen wordt bepaald door de cognities die zij hebben over hun omgeving. Mensen reageren dus niet op ‘objectieve’ kenmerken van een stimulus, maar op hun interpretatie daarvan. De behavioristische ‘black box’ heeft hier dus weinig nut. Volgens deze benadering hebben wetenschappers geen toegang tot datgene wat zich tussen de stimulus en de respons afspeelt, omdat het niet direct observeerbaar is. Volgens sociaal psychologen zijn juist de nietobserveerbare processen van essentieel belang om het gedrag van mensen te kunnen begrijpen, want het zijn die onzichtbare cognities die het gedrag van mensen bepalen. De persoon en de situatie In de sociale psychologie wordt dus onderzocht hoe mensen informatie verwerken over hun sociale omgeving en hoe dit vervolgens hun gedrag beïnvloedt. Een zeer

1

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

groot deel van deze sociale omgeving wordt gevormd door andere mensen. Daarnaast kan het ook gaan om ‘dingen’ en gebeurtenissen die gedachten oproepen aan andere mensen. Een derde belangrijke uitgangspunt: sociaal-psychologen gaan ervan uit dat het gedrag, het denken en het voelen van mensen sterk onderhevig is aan situationele invloeden. 1.3 De cognitieve benadering in de sociale psychologie Op grond van de drie uitgangspunten, kunnen we het volgende concluderen: sociaalpsychologen gaan ervan uit dat mensen actief betekenis geven aan hun omgeving en dat hun gedrag sterk wordt beïnvloed door de cognities die op deze manier ontstaan over de sociale situatie waarin zij zich bevinden. Mensen kunnen dus verschillend op situaties reageren. Deze variatie heeft wel grenzen, doordat mensen een bepaald beeld hebben van zichzelf en streven naar enige consistentie tussen hun gedrag en dat zelfbeeld. Een sociaal-psycholoog zal deze consistentie eerder toeschrijven aan het zelfbeeld van de persoon, terwijl een persoonlijkheidspsycholoog dit eerder zal toeschrijven aan vastliggende persoonlijkheidstrekken. Omdat in de sociale psychologie zo’n grote nadruk wordt gelegd op cognities, is er sprake van een sterke cognitieve benadering. Hiervoor zullen drie bekende sociaal psychologische theorieën worden besproken. (1) Asch: persoonlijkheidsindrukken Asch onderzocht de vraag hoe mensen op basis van losse stukjes informatie een totaalindruk kunnen vormen van iemands persoonlijkheid. Hiervoor had hij twee opvattingen: Averaging model: per eigenschap bepaal je hoe positief of negatief deze is en dan neem je ongeveer het gemiddelde van de verschillende eigenschappen. Change-of-meaning model: je bekijkt de eigenschappen niet afzonderlijk van elkaar, maar hoe deze met elkaar in verband staan. Hierbij beïnvloeden de eigenschappen elkaars betekenis. Asch vond bewijs voor de tweede opvatting. Ook vond hier het primacy-effect plaats: zo bleken eigenschappen die in het begin van een reeks genoemd worden, meer invloed te hebben op het oordeel dan eigenschappen aan het einde van een reeks. Asch concludeerde dat het geheel meer is dan de som (of het gemiddelde) der delen. Dit sluit aan bij de Gestalt-psychologische gedachte dat we op een constructieve manier betekenis geven aan wat we waarnemen. Dus wat we waarnemen is afhankelijk van de context. Dit idee, dat een stimulus en de context waarin deze zich bevindt tezamen een specifieke Gestalt vormen in onze waarneming, ligt ook ten grondslag aan de hedendaagse cognitieve sociale psychologie. (2) Festinger: cognitieve dissonantie De theorie van Festinger gaat over de onderlinge relaties tussen de verschillende cognities die een persoon op een bepaald moment kan hebben. Een eerste cognitie: ‘de lift gaat niet omhoog’. De cognitie ‘de voorzitter van de

2

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

vergadering was vandaag erg humeurig’ is irrelevant ten opzicht van de eerste cognitie. De cognitie ‘de lift gaat naar beneden’ is consonant met de eerste cognitie. De cognitie ‘de lift waar ik niet in stond is net omhoog gegaan’ is dissonant met de cognitie ‘de lift waar ik wel in stond ging niet omhoog. Als twee cognities dissonant zijn van elkaar, ontstaat er volgens Festinger cognitieve dissonantie: een onaangename toestand van spanning (arousal). Bijvoorbeeld op het moment dat iemand een dure televisie koopt, die een week later ergens anders veel goedkoper is, kan deze persoon cognitieve dissonantie ervaren. Festinger stelt dat mensen deze dissonantie willen reduceren (dissonantie-reductie). Dit kunnen ze onder andere doen door hun gedrag te veranderen. Ook kunnen ze cognities toevoegen die de relatie tussen de dissonante cognities beïnvloeden. Een andere manier om dissonantie te reduceren, is door één van de twee strijdige cognities zodanig aan te passen dat deze niet meer dissonant is. Tenslotte is het ook nog mogelijk om één van de cognities te trivialiseren (een minder belangrijke plaats te geven in het eigen stelsel van opvattingen of in het zelfbeeld). De cognitie blijft dus wel dissonant, maar krijgt een triviale plaats. ‘1 en 20 dollar experiment’: Personen voerden een saaie taak uit en moesten daarna aan andere mensen vertellen dat deze taak heel leuk was. De ene helft van de groep kreeg $1,- als ze dit zouden zeggen en de andere helft kreeg $20,- als ze dit zouden zeggen. De 1-dollar-groep was veel positiever dan de 20-dolaar-groep. Dit kwam doordat een lage of zelfs geen beloning meer dissonantie oproept dan een hoge beloning. De 1-dollar-groep moest één van de twee cognities bijstellen, om de dissonantie te verminderen, en stelden daardoor de eerste bij: de taak was wél heel leuk. Dit is het ‘less-leads-to-more’-effect. Een andere interpretatie van dit effect is puur cognitief en veronderstelt geen mediërende rol van ‘arousal’ of motivatie. Deze zal worden besproken in 3.5.2. Een beperking van Festingers theorie is dat mensen vaak niet zoveel last hebben van dissonante cognities in situaties waar Festinger dat wel zou voorspellen. Dat is vooral het geval wanneer ze zich niet zelf verantwoordelijk voelen voor het ontstaan van de dissonantie of wanneer ze de betreffende cognities niet zo belangrijk vinden. (3) Heider: attributie Heider deed onderzoek naar de vraag hoe mensen attribueren (oorzaken toeschrijven aan gebeurtenissen). Dit kan om echte gebeurtenissen gaan, of bijvoorbeeld om iemands gedrag. Er zijn in het algemeen drie mogelijke oorzaken van een gebeurtenis: (1) het zelf, dat wil zeggen, de persoon die het gedrag uitgevoerd heeft, (2) een andere persoon en (3) toeval of, volgens Heider, ‘het lot’. Wat betreft de eerste oorzaak merkte Heider op dat het uitvoeren van een bepaalde handeling twee dingen vereist: ability (vermogen om iets goed uit te voeren) en effort (de inspanning moet geleverd kunnen worden). Ability is een stabiele, oncontroleerbare oorzaak, terwijl inspanning/effort meestal een instabiele en controleerbare oorzaak is. Ook is er vaak sprake van de fundamentele attributiefout of correspondentievertekening. Dit is de neiging om de invloed van de situatie te onderschatten en

3

De belangrijkste deelgebieden binnen de sociale psychologie zijn: (a) groepsdynamica. Dit komt precies overeen met de gedachte van de sociaal-psychologen. De sociaal-psychologen hadden een nieuwe naam gevonden voor hypothesen. waarin de vraag centraal staat hoe mensen informatie verwerken over hun sociale omgeving. Het onderzoek van sociaal-psychologen werd ook steeds meer gekenmerkt door harde laboratoriumexperimenten in een sterk gecontroleerde omgeving. met onder andere de introductie van geheugenmaten en reactietijden. Het liefste zouden sociaal-psychologen toegang hebben tot de black box. Door conclusies te trekken op basis van iemands gedrag over stabiele. 4 . scripts en prototypen.com . (2) Deze ontwikkeling deed zich voor in de functieleer/psychonomie. Er moet dus goed gelet worden op de situatie die tot iemands gedrag leidt! 1. Heider ziet de mens ook als ‘naïeve wetenschapper’. Er werden ook steeds vaker theorieën uit de functieleer overgenomen. Ze konden nog steeds niet de inhoud van de black box zien. verlopen en eindigen. maar ze konden wel de tijd tussen stimulus en respons meten. in dit geval door een causale analyse te plegen: volgens Heider krijgen gebeurtenissen pas een betekenis als we hun oorzaken hebben vastgesteld. frames. theorieën. komen onderzoekers door de functieleer wel steeds dichterbij.Stuvia. impliciete persoonlijkheidstheorieën.4 Cognitieve sociale psychologie Er zijn twee ontwikkelingen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de ‘cognitieve sociale psychologie’. (c) attitudes. wat een indicatie gaf voor wat er daarbinnen gebeurd was. Dit doen we. (b) interpersoonlijke relaties. Daar ontstond in de jaren ’60 onvrede met de black box-benadering. (1) Naarmate het vakgebied groeide. De invloed van de situatie achten we dan minder belangrijk. waarin de nadruk ligt op het gedrag van mensen in groepen en op wederzijdse beïnvloeding. gingen onderzoekers zich steeds meer specialiseren. vastliggende disposities van de betrokkene. omdat we in zo’n situatie op de handelende persoon letten. De term schema’s werd gebruikt voor de cognitieve structuren die de binnenkomende informatie ordenen. waarin de belangrijkste vraag is hoe dyadische relaties (bijv. Hoewel dat niet mogelijk is. waarin het gaat om de evaluatieve grondhouding van mensen ten opzichte van bepaalde objecten of gebeurtenissen. tussen vrienden of partners) ontstaan. maar niet echt anders dan ‘echte’ wetenschappers dat doen. en de rest negeren. inferential sets. scheppen we continuïteit in allerlei losse waarnemingen. (d) sociale cognitie of cognitieve sociale psychologie. die zijn omgeving analyseert op een weliswaar onvolkomen manier. hoe die houding kan worden beïnvloed middels overredende boodschappen en hoe die houding zich uit in gedrag.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal gebeurtenissen toe te schrijven aan de karaktertrekken van de handelende persoon. Net als Asch en Festinger zegt dus ook Heider dat we actief betekenis willen geven aan waarnemingen. Neisser zei dat mensen alleen datgene waarnemen waar ze schema’s voor hebben.

Er zijn echter verschillende bezwaren: .p. We zouden wel aan de proefpersoon kunnen vragen slechts de gedachten te verwoorden. mist het experimentele validiteit. Deze methode werd vroeger veel gebruikt. We vragen dan dus eigenlijk de proefpersoon introspectie te plegen.2 Experimenteel laboratoriumonderzoek Ieder experimenteel onderzoek heeft zo zijn beperkingen.1 Inleiding De meest voor de hand liggende methode om de inhoud van de black box duidelijk te krijgen. is aan de proefpersoon vragen wat hij denkt. .Het verwoorden van de eigen gedachten kan alweer invloed hebben op de gedachten.v. Ze zitten dan achter een computer. meer diverse bevolkingsgroepen. Een voordeel hiervan is dat de omgeving kunstmatig gemanipuleerd kan worden. en moeten taken uitvoeren door op knoppen te drukken. wat wel vereist is bij het schatten van populatieparameters.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 2: Onderzoeksmethoden: tussen de oren van de sociale waarnemer Pagina 31 t/m 76 2.v.p. Dit onderzoek zou herhaalbaar zijn. maar tegenwoordig bijna niet meer. Hierdoor is dit onderzoek vaak niet ecologisch valide. Als aan de tweede (b) niet wordt voldaan. i.Mensen blijken vaak weinig inzicht te hebben in de gedachten die hen tot bepaalde oordelen en beslissingen brengen. Dit zijn ‘cognitieve responsen’.Stuvia. Bij sociale cognitieonderzoek is dit bijvoorbeeld het gebruik van veel studenten. en het gebruik van papier en stimuli via een beeldscherm i. de gedachten van de proefpersoon als reactie op bepaalde stimulusinformatie. Bij survey-onderzoek moeten de resultaten generaliseerbaar zijn naar díe populatie waarover men een uitspraak wil doen. 2. Longitudinaal onderzoek: gedurende langere tijd metingen doen bij dezelfde groep op dezelfde plek. Om te voorkomen dat in een laboratorium een situatie helemaal uit elkaar wordt getrokken en waarbij iedere mogelijke factor apart wordt onderzocht (dus geen 5 . Bij een oorzaak-gevolg-hypothese wordt vereist dat (a) het verschil wordt getoetst tussen de gemiddelden in twee verschillende groepen en dat (b) de twee groepen in alle andere opzichten gelijk zijn. worden proefpersonen tegenwoordig individueel in een laboratorium geplaatst. als het op een objectieve manier te kwantificeren is. omdat het niet voldoet aan een van de belangrijkste eisen aan wetenschappelijk onderzoek: repliceerbaarheid. Daarvoor moet het experimenteel valide zijn.com . ‘echte’ stimuli. Het behaviorisme is ontstaan als gevolg van deze beperking. omdat ze proberen de cognities van mensen over hun sociale omgeving te verklaren en niet alleen te beschrijven. Om toch nog iets met deze methode te kunnen doen. In de sociale cognitie worden bijna alleen maar causale hypothesen getoetst.

Deze wordt gemanipuleerd. Dit kan gemanipuleerd worden door de tijd te beïnvloeden die de persoon voor een taak heeft. waarbij bepaalde schema’s of kenmerken worden geactiveerd. of het oordeel kan veel consequenties hebben voor anderen). (4) Stimulusinformatie. waaruit blijkt dat datgene wat aangekondigd is. terwijl anderen de motivatie van de proefpersoon beïnvloeden om de informatie goed te verwerken. niet zal plaatsvinden. Om informatie goed te verwerken. Als ze zich afhankelijk van hem voelden zagen ze hem als individu en beoordeelden ze hem dus positiever dan wanneer ze zich niet afhankelijk van hem voelden. Omdat de situaties buiten het laboratorium enorm divers zijn. Sommige instructies zorgen ervoor dat mensen op een bepaald aspect gericht zijn. Mensen zijn zich dan of niet bewust van de prime zelf. kunnen combinaties worden gemaakt van condities.accountability (later zal de proefpersoon het oordeel moeten verantwoorden. .verwachte interactie (er wordt gezegd dat men later zal interacteren met een stimuluspersoon). de aangekondigde taak zit zo in elkaar dat het gedrag van de stimuluspersoon van invloed is op de opbrengsten van de proefpersoon). Hierbij wordt op het gedrag zelf gemanipuleerd of de persoon op wie het gedrag is gericht. Dit wordt wel van tevoren getest in een vooronderzoek. Voorbeeld: Neuberg en Fiske: proefpersoon moest met een fictief schizofreen persoon (Frank) samenwerken. Na de metingen vindt de ‘debriefing’ plaats. 6 . (3) De toestand van de proefpersoon. moeten mensen gemotiveerd zijn en daarnaast voldoende gelegenheid hebben om de informatie te overdenken.com . door zelfbewustzijn. Voorbeeld: Gilbert e. De instructie die vooraf bij een experiment wordt gegeven kan bepalend zijn voor de manier waarop de proefpersoon de informatie verwerkt. zodat de proefpersoon meet geneigd is deze later toe te passen op de aangeboden informatie. of zich niet bewust van het effect van de priming. waarbij interactieeffecten worden onderzocht. Proefpersoon wordt hierbij zelf in een bepaalde situatie gebracht. 2. Een andere vorm van stimulusinformatie is de sociale categorie waartoe een stimuluspersoon behoort of het uiterlijk van een stimuluspersoon.a. Bijvoorbeeld door flitsen te laten zien waarin een bepaald woord verwerkt is (Nisbett en Wilson). Instructies die motivatie-verhogend zijn: . zelfwaardering of stemming te manipuleren. Dan lieten ze het stereotype schizofreen invloed hebben op hun oordeel.Stuvia.uitkomst-afhankelijkheid (er wordt gezegd dat men later een zal uitvoeren voor een extra bonus. (2) Informatieverwerkingscapaciteit. Een speciaal geval hierbij is priming.: mensen met weinig verwerkingscapaciteit maken een veel sterkere correspondentie-vertekening dan mensen die alle aandacht voor een bepaalde gebeurtenis hebben. of door een ‘overload’-situatie te creëren. .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Gestalt). zijn er beperkingen aan de generaliseerbaarheid van de resultaten.3 Manipuleren Zes voorbeelden van manipulaties: (1) Doelstellingen en verwachtingen.

Bijvoorbeeld uitspraken over ‘Donald’. of wanneer een stimulus wordt aangeboden in een context van andere stimuli.com . In deze voorbewuste fase worden uit allerlei sensorische signalen delen gefilterd en gestructureerd die voor perceptie in aanmerking komen. De specifieke combinatie komt voort uit de hypothese die men wil toetsen. Dit kan gaan over de situatie waarin bepaalde gedragingen zijn vertoond. 2 soorten: het tijdsinterval tussen de verschillende gebeurtenissen en de volgorde van gebeurtenissen in een experiment.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (5) Contextuele informatie.4 Het meten van cognities Hier bekijken we kort de verschillende componenten en deelprocessen van het cognitieve proces waarmee de waarnemer zich een beeld vormt van een stimulus. Deze informatie is dus voor een deel bewust en voor een deel onbewust verwerkt.Stuvia. Mentale representaties kunnen we ook in het algemeen aanduiden als geheugen. Als men eerst uitspraken van arrogante mensen had gelezen. Soms gaan we er echter dieper op in. Tijdens de verwerking zijn de relaties tussen verschillende stukjes informatie overdacht. Dit leidt uiteindelijk tot de mentale representatie van de waargenomen stimulus. 2. Soms wordt er slechts op simpel niveau geëncodeerd: man/vrouw. Tijdens een uitgebreide elaboratie kunnen nog veel cognitieve processen optreden. waarbij deze contextstimuli worden gevarieerd (dus de informatie vooraf is anders). werd Donald als positiever gewaardeerd dan wanneer men eerst uitspraken van niet-arrogante mensen had gelezen. De informatie wordt gecategoriseerd en de ‘winnende’ categorisatie dringt door tot het bewustzijn. Belangrijk is het onderscheid tussen 7 . Bij manipulatie van de volgorde kan het gaan om de volgorde waarin de informatie over een stimulus wordt aangeboden. Voorbewuste verwerking kan plaatsvinden als men zich volledig onbewust is van de stimulus of als men de stimulus wel waarneemt. omdat ze latere uitspraken met eerdere vergeleken. Bij de manipulatie van het tijdsinterval wordt vaak gebruik gemaakt van een ‘filler’ -taak (iets wat de tijd tussen de stimulus en de reactie opvult. Het categoriseren van stimuli. In de praktijk worden bijna altijd combinaties van deze manipulaties toegepast. waarmee deze in het geheugen kan worden opgeslagen). kan de informatie nog bewerkt worden zonder dat we dat merken. het toekennen van een of meer betekenisvolle codes aan de informatie. Tezamen met de evaluatie wordt een corresponderend affect opgeroepen. waarbij uitvoeriger afwegingen en interpretaties worden gemaakt. Dit hoort bij elaboratie (overdenken). Er vindt al informatieverwerking plaats voordat er sprake is van bewuste waarneming. of variaties in het moment waarop een bepaalde experimentele ingreep wordt geïntroduceerd. maar er niet aandachtig mee bezig is. het evalueren en het identificeren van de betekenis van gebeurtenissen zijn deel van het proces van encoderen (lett. De betekenis van deze informatie wordt voor een deel al voorbewust geïdentificeerd en beoordeeld. Dit is alle kennis die in ons brein is opgeslagen over een stimulus. Ook als men zich eenmaal bewust is van de stimulus. (6) Tijdsintervallen en volgorde. Daarin zijn er verschillende soorten.

over de betekenis van woorden. Als het wat langer duurt. Ze doen dit pas op het moment dat daarnaar gevraagd wordt. lezen etc. waarbij de proefpersoon niet precies kan onthouden wie wat heeft gezegd. zijn uiteenlopende methoden beschikbaar. waarna een korte filler- 8 . Als we een proefpersoon dan vragen naar de eerste gedachten op het moment dat ze een uitspraak lezen. etc. Uit onderzoek blijkt dat men geen spontane causale attributies maken. De mens categoriseert alle stimuli uit de omgeving (bewust of onbewust). . We encoderen de informatie over anderen niet alleen op basis van de categorie waartoe een persoon behoort. . maar ook op basis van de betekenis van hun gedrag of hun uitspraken. Bij deze taak krijgt een proefpersoon eerst een korte beschrijving van een persoon. des te waarschijnlijker is het dat de persoon daar al spontaan (on-line) over na heeft gedacht tijdens de informatieverwerking. Om spontane gevolgtrekkingen tijdens de informatieverwerking te bepalen.Cued-recall taken: is gebaseerd op het principe van encoderings-specificiteit en houdt in dat (1) de specifieke wijze waarop een stimulus wordt geëncodeerd tijdens de verwerking bepaalt hoe informatie over de stimulus wordt opgeslagen in het geheugen en dat (2) de wijze waarop de informatie is opgeslagen bepaalt hoe de informatie later kan worden teruggevonden in het geheugen.Stuvia. Onbewust zorgt er vaak voor dat het gedrag wordt beïnvloed. Dat komt veel vaker voor binnen seksecategorieën. Dan wordt er nagegaan welke stimuluspersonen met elkaar zijn verward. voorzover we ons daar niet van bewust zijn. onszelf. waaronder: . publieke figuren. en over hoe we dingen doen.com . moet de persoon waarschijnlijk terug in zijn geheugen om te bedenken wat hij ook alweer van iets vond ( memory-based) voordat hij het ook daadwerkelijk kan vertellen.Expliciet: alles wat een persoon als kennis of herinnering kan noemen. zullen we waarschijnlijk nooit alle gedachten te horen krijgen.Impliciet: alles wat we hebben opgeslagen over onze omgeving. Er worden hierbij door verschillende personen meerdere uitspraken gedaan. zien. Eenmaal opgeslagen kennis kan bewust of onbewust weer worden teruggehaald. Na afloop moet de proefpersoon zeggen wie welke uitspraak heeft gedaan. omdat deze voor een deel onbewust zijn geweest.Semantisch: meer abstracte gebeurtenissen over kenmerken en eigenschappen van mensen. De ‘wie zegt-wat’-methode of de name-matching-methode is specifiek gericht op de vraag hoe mensen andere personen categoriseren.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal expliciet en impliciet: . op het moment dat ze iets horen.Episodisch: herinneringen van concrete gebeurtenissen die je hebt meegemaakt en concrete stimuli die je hebt waargenomen. . Activatie betekent dat bewust of onbewust bepaalde gebeurtenissen een eerder gevormde representatie activeren.Antwoordtijden: hoe sneller een persoon antwoord. Ook kunnen we onderscheid maken tussen episodisch en semantisch: .

Andere ‘impliciete geheugen’-taken: de lexicale beslissingstaak. (4) Geheugen-taak: alle foto’s worden nogmaals getoond. Hierbij bleek dat persoonlijkheidseigenschappen als cue veel nuttiger waren dan cues die een sterke associatie hadden met de zin zelf. waarvan sommigen iets met een van de foto’s te maken hadden. Hierbij zoeken proefpersonen vooral naar informatie die hun voorlopige hypothese ondersteunt. Na deze taak krijgt de proefpersoon een aantal cues die moeten helpen bij het terugvinden van de informatie van de eerste taak. Het effect blijkt ook op te treden. . Die sporen zijn impliciet. Dit effect is onafhankelijk van de van tevoren gekregen instructie. waarbij aan proefpersonen wordt gevraagd om een begin van een woord af te maken. maar met eigenschappen. zonder dat de proefpersonen dit zelf doorhebben. (2) Verwarrings-taak: er wordt een lange serie persoonseigenschappen aangeboden. De onderzoeker kijkt in dit geval (a) of de proefpersoon überhaupt extra informatie vraagt en zo ja. Bij de ene helft corresponderen de eigenschap en de beschrijving. en anderen helemaal niet. De proefpersoon moet nu onthouden welke eigenschap bij welke foto hoort. Dit duidt erop dat het afleiden van eigenschappen uit gedrag min of meer vanzelf optreedt. als de proefpersoon daar zelf geen weet van heeft. Bij elke foto staat een gedragsbeschrijving. nu zonder beschrijvingen of eigenschappen en de persoon moet aangeven welke eigenschap bij iedere foto hoort.t. 9 .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal taak volgt. Bijvoorbeeld het relearningparadigma. waarbij proefpersonen zo snel mogelijk moeten aangeven of bepaalde letterreeksen een bestaand woord vormen of niet. maar de proefpersoon mag nu zelf naar verdere informatie vragen.leestijden: hierbij wordt gekeken hoeveel aandacht bepaalde informatie krijgt.t. De onderzoeker zorgt hierbij voor controle over de variabelen die op de leestijd van invloed kunnen zijn. . (b) welke informatie de proefpersoon opvraagt.Stuvia. i.‘Impliciete geheugen’-taken: hierbij wordt niet expliciet naar informatie gevraagd. waarbij een reeks foto’s van verschillende personen wordt getoond. Het is dus onbewust. bij de andere helft niet. Enkele methoden die worden gebruikt om na te gaan waar mensen hun aandacht op richten en ik welke omstandigheden de informatie over een stimulus wordt onderworpen aan een grondige verwerking (elaboratie): . . maar ze vergemakkelijken het leren. en wordt onderzocht hoe informatie is opgeslagen. bestaande uit vier taken: (1) introductie-taak.de dichotische luistertaak: uit deze taak blijkt onverwachte informatie over een persoon de aandacht te trekken. de vorige twee manieren. de word stam completion-taak.het zoeken van informatie: hetzelfde als de dichotische luistertaak. (3) Leer-taak: De foto’s worden opnieuw gepresenteerd. Leestijd = de tijd tussen de aanbieding van een item en een teken van de proefpersoon dat het volgende item gepresenteerd kan worden. . nu zonder gedragsbeschrijvingen. Bij uitgebreide.com . Het savings-effect: de eerder gemaakte gevolgtrekking heeft sporen achtergelaten in het geheugen.de vrije herinneringstaak: het geheugen als associatief netwerk. .

maar van de moeite die we ervoor hebben gedaan om de informatie op te slaan. Ook de volgorde kan van belang zijn. Dit komt doordat dit oordeel afzonderlijk van de feiten in het semantisch geheugen worden geplaatst. kan hierdoor onderzocht worden. en moet je dus terug in je geheugen om je oordeel te vormen. door een reeks beschrijvingen van gedrag aan te bieden en daarna zonder enige cue de proefpersoon alles te laten vertellen wat in hem/haat opkomt. Als het oordeel memory-based wordt gevormd. Zodra er 1 wordt geactiveerd. Daarvoor zijn twee manieren.en kansschattingen. Deze oordelen kunnen ook nog gemeten worden. dan de feiten waarop deze gebaseerd zijn. Het person memory-onderzoek werd even gezien als apart stroming binnen de sociale cognitie. De mate waarin verbanden worden gelegd. De beoordelingsschalen gebruiken een meerpunts-antwoordschaal. Dan kan het volgende knooppunt worden geactiveerd. Men legt dan ook meer associaties. uit diverse gevolgtrekkingen die zijn gemaakt. Ook kunnen eventuele clusters onderzocht worden (groepen van opgeslagen informatie). Dit betekent dat de correlatie tussen oordeel en vrije herinnering informatie verschaft over de manier waarop een oordeel tot stand is gekomen. Dan ga je pas een oordeel vormen op het moment dat de vraag aan je wordt gesteld. Een mentale representatie bestaat uit de herinnering van de waargenomen informatie. Een vrije herinneringstaak wordt vrijwel altijd onaangekondigd gehouden. en uit een algehele evaluatie van de stimulus als ‘goed’ of ‘slecht’ (of iets daartussen). Het aantal herinnerde items geeft inzicht in de manier waarop de informatie is verwerkt. omdat dat de specifieke inhoud van de associaties weergeeft. Of we iets herinneren is niet afhankelijk van de moeite die we er op dat moment voor doen. Soms kan deze taak (met als resultaat een herinneringsprotocol).De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal grondige verwerking wordt de stimulusinformatie overdacht in relatie tot andere informatie. Mensen onthouden beter hun eigen conclusies.com . Memory-based oordelen komen haast niet voor. komt alle bijbehorende informatie in het bewustzijn. waarvan de eerste ook buiten de sociale cognitie gebruikt wordt. behalve bij frequentie. waarin werd gezocht naar hoe mensen de onderlinge relaties tussen de verschillende kenmerken van een persoon waarnemen. Je kunt meer positieve herinnering aan iemand hebben dan negatieve. Overal in ons geheugen liggen knooppunten. en toch negatiever oordelen dan een ander persoon met meer negatieve herinneringen. Een proefpersoon beschrijft of evalueert een stimulus aan de hand van één of meer voorgelegde 10 .Stuvia. is er wel een verband met de herinneringen. Het expliciete en episodische geheugen worden gemeten. omdat mensen zich dan vaak meer herinneren dan dat ze het van tevoren wisten. Er blijkt vaak geen verband te zijn tussen oordeel en vrije herinnering. informatie leveren over indringers (toegevoegde eigen kennis aan de herinneringen). Informatie die in verband wordt gebracht met reeds aanwezige kennis. vormt associatieve verbindingen met andere knooppunten.

waarbij deze meerpunts-schaal een rol speelt: (1) De semantische differentiaal.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal kenmerken.Stuvia. De proefpersoon moet van een reeks letters zeggen of het wel of niet een bestaand woord vormt. waarbij een stimulus wordt beoordeeld op een reeks schalen waarvan de extremen verwijzen naar tegenstellingen. De stimuli zijn dan incongruent. Die variëren van algemene constructen tot meer specifieke kenmerken. maar dan met algemene positieve en negatieve woorden. en anders links. omdat het vaak in het impliciete geheugen wordt opgeslagen. maar nu moet de proefpersoon bij een autochtone naam of negatief woord rechts drukken. Bij een autochtone of positieve naam moeten ze rechts drukken. Dan wordt de reactietijd opgenomen. Hiervoor wordt bijvoorbeeld de primed lexical decisions-taak gebruikt. zoals donker-licht. nogmaals getoond. Bij beoordelingsschalen worden mensen vaak beïnvloed door sociale wenselijkheid. Er wordt dan eerst een reeks allochtone namen en vervolgens een reeks autochtone namen gepresenteerd (of andersom). Vervolgens worden de namen. potentie en activiteit. Dit hele proces wordt herhaald. Daarna wordt het proces nog een keer herhaald. dan zou een proefpersoon eerder het woord ‘agressief’ herk ennen uit een reeks letters. door elkaar. Ook kan het zelfinzicht van de respondent tekortschieten. namelijk evaluatie. zowel evaluatief als semantisch. Deze vierde fase blijkt moeilijker. anders links. Hierbij wordt een breed spectrum van tegenstellingen gebruikt. Als bijvoorbeeld het stereotype ‘voetbalsupporter’ wordt geprimed. Als laatste wordt het proces een vierde keer herhaald. Dit moet foutloos en zo snel mogelijk gedaan worden. (2) Impliciete representaties. Ook de impliciete associatie test kan gebruikt worden.com . Stel dat we willen weten of een proefpersoon een negatieve houding heeft tegenover allochtonen. Met behulp van factoranalyse kunnen de oordelen worden gereduceerd tot drie algemene beoordelingsdimensies. omdat ze erg langer over doen. De proefpersoon antwoordt dan door een waarde aan te kruisen. 11 . Ze zijn zich soms niet bewust van hun eigen opvattingen. Dit wordt echter vooraf gegaan door een prime van een stereotype (subliminaal of supraliminaal). en moet de proefpersoon rechts drukken bij een allochtone naam en links bij een autochtone naam. maar dan met alle woorden én alle namen. Er zijn meer specifieke technieken.

3. (1) Sociale wenselijkheid: hoe hoger de sociale wenselijkheid. Om een gevolgtrekking te kunnen maken. De oorzaak van een gebeurtenis kan in drie soorten factoren gezocht worden: (1) De persoon zelf. Of we een correspondente gevolgtrekking maken. omdat we overal de oorzaak van willen weten. Er wordt vaak onderscheid gemaakt tussen de eerste factor enerzijds en de tweede en derde factor anderzijds: persoonsattributie of interne attributie versus situationele of externe attributie. Daarnaast zijn er nog attributies aan externe factoren. Correspondente gevolgtrekking = de afgeleide eigenschap heeft een sterke correspondentie met het gedrag. heeft. Als iemand is per ongeluk doet. We maken de gehele dag door attributies.1 Inleiding Welke factoren bepalen wat als oorzaak van een gebeurtenis wordt gezien? Maken verschillende mensen verschillende attributies? Attributie is het toeschrijven van oorzaken aan gebeurtenissen of gedragingen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 3: Attributie Pagina 77 t/m 141 3.Stuvia. (3) Een implicatie dat de waarnemer redelijk zeker is dat de persoon die eigenschap heeft: doordat het gedrag een duidelijke implicatie heeft. Een correspondente gevolgtrekking wordt gekenmerkt door drie onderling gerelateerde aspecten: (1) Een sterke relatie tussen het waargenomen gedrag van een persoon en de gevolgtrekking over de onderliggende eigenschap van de persoon.2 Jones en Davis’ theorie van correspondente gevolgtrekkingen De term correspondente gevolgtrekking verwijst naar het verband tussen iemands gedrag en een onderliggende dispositie of attitude. dus meer dan gemiddeld. dus de persoon die een bepaalde gedraging vertoont. (2) Er wordt geconcludeerd dat de persoon deze eigenschap in extreme mate. De persoonsattributie kan dus correspondent en niet-correspondent zijn. maakt de theorie van Jones en Davis primair onderscheid tussen een correspondente en niet-correspondente gevolgtrekking. Er zijn ook niet-correspondente gevolgtrekkingen: hierbij corresponderen de attributies niet direct met het gedrag. (3) Omstandigheden/toeval. hoe groter de kans dat 12 . kan er geen enkele intentie worden afgeleid en dus ook geen correspondente gevolgtrekking worden gemaakt. (2) Een andere persoon. Hoewel er vrij veel onduidelijkheden zijn over wanneer er een externe of interne factor van belang is. moeten we weten wat de intentie van een persoon is. is er weinig twijfel mogelijk over de eigenschap die eraan ten grondslag ligt.com . hangt af van een aantal factoren.

kan de waarnemer een bepaalde intentie afleiden.p. omdat we niet alle effecten weten. Als iemand onder druk staat. is er nog een derde factor van belang.Stuvia. Hedonische relevantie Het gedrag van de persoon is hedonisch relevant voor de waarnemer. hoe sterker de correspondente gevolgtrekking die de waarnemer maakt. is het hoog in personalisme. De waarnemer neemt aan dat de effecten die alleen zijn geassocieerd met het gekozen alternatief door de persoon gewenst worden. Dus. door dispositionele factoren. Het gebeurt niet vaak dat we een complete analyse kunnen maken. Hoe meer keuzevrijheid. Dat geeft namelijk duidelijke informatie over de onderliggende dispositie. op grond van de keuze van de persoon. kan het vertoonde gedrag ook veroorzaakt zijn door deze druk. Jones en Davis noemen dit out-of-role. Als een gedraging echter maatschappelijk onwenselijk is. Volgens Jones en Davis is het enige voordeel van out-of-role gedrag: ‘the satisfaction of expressing one’s true nature’. als het gedrag de belangen van de waarnemer beïnvloedt.v. We beoordelen out-of-role gedrag ook als eerlijker dan in-role gedrag. De waarnemer let op de effecten die uniek zijn voor een bepaalde keuze. i. Men wijdt het gedrag van de persoon dan toch voor een deel toe aan dispositionele factoren. Gedrag dat overeenkomt met de sociale normen noemen ze in-role. Keuzevrijheid Een tweede factor: de mate waarin de persoon een keuze kon maken. Als het gedrag specifiek op de waarnemer is gericht. Hoe hoger deze relevantie. is het laag in personalisme. omdat die de meeste informatie leveren. Er zijn dus hoog-personalistische hedonisch relevante gedragingen en laag-personalistische 13 . Analyse van effecten Als er sprake is van keuzevrijheid. Gedrag dat onder vrije keuze wordt uitgevoerd is dus informatiever voor de waarnemer dan gedrag dat onder externe druk wordt uitgevoerd. Uit die intentie kan een eigenschap of attitude worden afgeleid. namelijk de effecten van het gedrag dat de persoon kiest en de effecten van alternatieve gedragingen die de persoon had kunnen kiezen.com . en dat effecten die alleen zijn geassocieerd met de niet-gekozen alternatieven voor de persoon ongewenst of onbelangrijk zijn. omdat er geen enkele andere reden is om out-of-role gedrag te vertonen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal iedereen dit gedrag zou vertonen in dezelfde situatie en des te kleiner de kans dat een correspondente gevolgtrekking wordt gemaakt. Als het gedrag daarentegen gericht is op mensen in het algemeen of als de invloed op de waarnemer slechts een neveneffect is. Toch blijft men de invloed van de omgeving onderschatten als in een experiment wordt gezegd dat de persoon geen keuze had. des te zekerder is de waarnemer dat de gekozen handeling een onderliggende dispositie weerspiegelt. kunnen we juist wel een conclusie trekken.

Consistentie-informatie verwijst naar het gedrag van dezelfde actor op verschillende momenten. dan is de kans groter dat hij dat deze keer ook weer doet (hoge distinctiviteit). Bij hoog personalisme worden nog sterkere gevolgtrekkingen gemaakt dan bij laag personalisme. Drie attributie-dimensies Om hier iets over te kunnen zeggen. Als de actor de enige persoon is die zich in de gebeurtenis op een bepaalde manier gedraagt. Als deze gebeurtenis al (meerdere) keren eerder (herhaling in tijd) is voorgekomen. dan ligt de oorzaak hoogstwaarschijnlijk bij de actor zelf. kan ook consistentie blijken uit het feit dat de actor ook andere cd’s van deze artiest heeft gekocht. Als er sprake is van een hoge consistentie (zelfde gedrag van actor op verschillende momenten). Deze dimensie is dus relatief ten opzichte van de gedraging waar het om gaat. kunnen we ervan uit gaan dat de oorzaak voor deze gebeurtenis bij de actor zelf ligt. Bijvoorbeeld 3 verschillende discotheken waar de gebeurtenis plaats zou kunnen vinden. Entiteits-attributie Bij een hoge consistentie (zelfde gedrag van actor op verschillende momenten). dan maken we een persoonsattributie.com .Consensus-informatie betreft het gedrag van andere actoren.3 Kelley’s attributietheorie Bij de vorige theorie hebben we gekeken naar gevolgtrekkingen op basis van een enkele gedragsepisode.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal hedonisch relevante gedragingen. Een ‘entiteit’ verwijst naar de stimulus ten opzichte waarvan het gedrag wordt 14 .Stuvia. dan maken we een entiteits-attributie. hangt af van de specifieke combinatie van informatie. Kelley’s attributietheorie richt zich op de vraag hoe waarnemers dit soort aanvullende informatie gebruiken bij het maken van attributies. Als een actor een cd koopt van een bepaalde artiest. maar in het eerste geval is het ‘persoonlijk bedoeld’. hoge consensus (alle actoren vertoonden hetzelfde gedrag) en een hoge distinctiviteit (1 object/entiteit). Persoons-attributies De attributie die de waarnemer maakt. In beide gevallen worden de belangen van de waarnemer beïnvloed. . 3. Ook kan consistentie in modaliteit plaats vinden. .Distinctiviteits-informatie verwijst naar verschillende objecten (entiteiten) ten opzichte waarvan het gedrag kan worden vertoond. De oorzaak van het gedrag lag vooral bij de entiteit. Maar soms is er meer informatie beschikbaar die bruikbaar kan zijn bij het maken van attributies. nemen we aan dat we drie verschillende soorten informatie hebben: . lage distinctiviteit (verschillende objecten/entiteiten) en een lage consensus (alleen de actor zelf vertoonde het gedrag). Als de actor haast altijd naar 1 bepaalde discotheek gaat.

zoals een tentamen. Die kennis is in ons geheugen opgeslagen in causale schema’s (bijvoorbeeld het multiple-sufficient cause-schema. hoge distinctiviteit (meerdere objecten/entiteiten) en lage consensus (de actor is de enige die het gedrag vertoont). Wat doet de waarnemer dan? De waarnemer zou meer voorzichtige attributies kunnen maken. in overeenstemming met de wel aanwezige informatie. 15 . en schrijven we daarom toe aan omstandigheden. Causale schema’s Het attributie-proces.Stuvia. entiteit en omstandigheden met de actor zelf.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal vertoond. Dan maken we vaak gebruik van bestaande kennis en vuistregels over causale relaties. met als gevolg het discounting-principe: de rol van een bepaalde oorzakelijke factor wordt genegeerd als er ook andere aannemelijke oorzaken zijn). Omstandigheden-attributies Een lage consistentie (het gedrag van de actor verschilt over de momenten). of een andere persoon. Dit kan een object zijn. De waarnemer zou ook zelf ontbrekende informatie aan kunnen vullen. Heel vaak hebben we er gewoon geen zin in of we hebben zo weinig informatie. of een bepaalde gebeurtenis. een andere persoon en toeval. Persoon x entiteits-attributies Hierbij is een lage consensus (de actor is de enige persoon die het gedrag vertoont. Soms is het ook nog zo dat de waarnemer bij ontbrekende informatie nagaat wat hij daar zelf van zou vinden. Als laatste zou de waarnemer zelf op zoek kunnen gaan naar informatie. maar het is een beschrijving van wat we als waarnemer zouden moeten doen als we op een rationele manier te werk zouden gaan. zoals beschreven door Kelley. Bij alle entiteits-attributies wordt de oorzaak van het gedrag buiten de actor zelf gelegd (externe attributie). Vaak is dat echter niet het geval. of de informatie van een dimensie helemaal ontbreken. waardoor conclusies minder zeker worden. Deze indeling komt overeen met die van Heider: persoon. Nu zijn er op twee dimensies verschillen. Verwerking van onvolledige of tegenstrijdige informatie In de voorafgaande analyse gingen we ervan uit dat de informatie volledig was. dat het onmogelijk is. Dan is de oorzaak van het gedrag dus onduidelijk. een hoge consistentie (het gedrag van de actor is op verschillende momenten hetzelfde) en een hoge distinctiviteit (1 object/entiteit).com . maar wordt 1 oorzaak vaak al voldoende gevonden. De oorzaak zou toeval kunnen zijn. is niet iets wat we altijd zo uitgebreid doen. Er is hierbij op alle drie dimensies sprake van verschillen. Hierbij zijn meerdere oorzaken te bedenken. Zo kan informatie tussen verschillende dimensies tegenstrijdig zijn.

Faciliterende versus remmende oorzaken Faciliterende oorzaken: oorzaken die het gedrag vergemakkelijken (faciliteren). In de afgelopen theorieën stond de vraag centraal hoe mensen het gedrag van andere mensen attribueren. Het centrale idee in deze theorie is dat de motivatie om een goede prestatie te leveren wordt beïnvloed door attributies die men heeft gemaakt bij eerdere successen en mislukkingen. Stabiele oorzaken veranderen niet. Het augmentation-principe (versterkings-principe) (Kelley): de invloed van faciliterende oorzaken wordt als groter beoordeeld wanneer remmende oorzaken aanwezig zijn dan wanneer ze afwezig zijn.com .Stuvia. evenals de gevoelens en verwachtingen van de verschillende personen. Het onderscheid tussen intern en extern wordt ook wel gemaakt door de term locus. De mate waarin iemand geneigd is veel intern of extern te attribueren. Bij gematigde gedragingen maakt een waarnemer gebruik van een multiple sufficient causes-schema. Het augmentation-principe ligt ook impliciet besloten in de beschrijving van Jones en Davis over de effecten van sociaal ongewenst en out-of-role gedrag. In de komende theorieën staat de vraag centraal hoe mensen hun eigen gedrag attribueren en wat de gevolgen zijn van deze zelfattributies. Dit gebeurt in principe op dezelfde manier als wanneer ze dat bij het gedrag van andere mensen doen. 3. net als de entiteits-attributie van Kelley. worden vaker geïnterpreteerd volgens een multiple necessary causes-schema: dan moeten er wel meer oorzaken zijn om tot zo’n heftig gevolg te komen. wordt de locus of control genoemd. en zullen dus bij een volgende gelegenheid weer aanwezig zijn. Dit wordt vooral vaak bij prestatie-attributies gebruikt. Bij een succes of mislukking vraagt men zich af waarom deze uitkomst is opgetreden: ze plegen een causale analyse bij hun uitkomsten. Extreme gedragingen die veel consequenties hebben. Er zijn ook factoren die een gedraging juist remmen. Het tegenovergestelde van het augmentation-principe is het discounting-principe. Bij instabiele oorzaken is het juist waarschijnlijker dat ze op een later tijdstip afwezig zijn. Hierbij wordt de rol van een oorzakelijke factor als kleiner beoordeeld zodra andere faciliterende oorzaken aanwezig zijn. De waarnemer neemt dan juist aan dat er meerdere oorzaken nodig zijn om tot het gedrag te leiden. kunnen de attributies verschillend zijn. Ook zijn er stabiele en juist instabiele oorzaken. Verschillende soorten oorzaken De oorzaken ‘andere personen’ en ‘omstandigheden’ van Heider zijn externe factoren.4 Weiners prestatie-attributie-theorie Als verschillende personen precies dezelfde gebeurtenis meemaken. 16 .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Een ander causaal schema: het multiple necessary causes-schema. Ook hun gedragsreactie is daardoor verschillend.

Bijvoorbeeld de oorzaak ‘te weinig intelligentie’ is globaal. Globale hebben een breed scala van gevolgen. Bij succes zijn globale interne attributies juist goed voor het zelfbeeld. hebben een vierde onderscheid gemaakt: globale vs.com . namelijk dat inzet vooral door de persoon zelf wordt bepaald. Deze dimensie kan niet op een consistente manier over de tabel verdeeld worden. Sommige affecten zijn volgens Weiner uitkomst-afhankelijk: ze treden onmiddellijk op na succes of falen en staan los van attributies. Alle eerdergenoemde indelingen hebben daarnaast invloed op de soort emotie en de mate ervan. Externe attributies leiden tot woede of juist dankbaarheid wanneer iemand ons helpt. terwijl bekwaamheid maar voor een klein deel door de persoon kan worden bepaald (bijvoorbeeld ziekte). instabiele oorzaken is het toeschrijven van een uitkomst aan de strategie die je hebt gebruikt (bijv. Er is echter nog een belangrijk verschil tussen deze twee oorzaken. De gevolgen van een attributie worden niet bepaald door de specifieke oorzaak die iemand aanwijst. Het geeft bijvoorbeeld een gevoel van trots of juist van een mislukkeling te zijn. Attributies en affect Interne attributies van succes of falen beïnvloeden de zelfwaardering. bij studeren). Globale interne attributies zijn bij falen veel schadelijker voor het welbevinden dan specifieke interne attributies. interne. terwijl specifieke alleen in bepaalde gevallen gevolgen hebben.Stuvia. zodat een taxonomie ontstond van causale verklaringen voor succes en falen: Intern Bekwaamheid Inzet Extern Taakmoeilijkheid Toeval Stabiel Instabiel De beide interne oorzaken (bekwaamheid en inzet) komen overeen met de eerdergenoemde voorwaarden die beide nodig waren om een goede prestatie te leveren. Volgens sommige mensen is bijvoorbeeld ziekte wel controleerbaar. en ‘geen affiniteit met het vak’ is specifiek. Andere emoties zijn volgens hem attributie-afhankelijk: deze hangen systematisch samen met bepaalde attributies. ook attributies van het gedrag van anderen zijn van belang voor de gevoelens die we tegenover die anderen hebben (bijvoorbeeld iemand die op straat in nood is). omdat externe factoren haast nooit controleerbaar zijn. specifieke oorzaken. Ook externe factoren kunnen variëren in globaliteit.a. Attributies hebben niet alleen invloed op affect als het de eigen prestaties betreft. Daarom is er onderscheid gemaakt tussen controleerbare versus oncontroleerbare factoren. 17 . maar door de positie van die oorzaak zoals deze door de betrokkene wordt waargenomen (eerdergenoemde indelingen). Abramson e. Attributies en verwachtingen Verwachtingen over de toekomst worden beïnvloed door prestaties uit het verleden.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Weiner heeft dit locus-onderscheid en stabiliteitsonderscheid met elkaar gekruist. Een speciale categorie van controleerbare.

Zelf-attributie van motivatie en voorkeuren Over-justification: wanneer mensen extrinsiek worden beloond voor bepaald gedrag. Individuele verschillen Mensen verschillen in de attributies die ze maken en de manier waarop ze die attributies plaatsen op dimensies als stabiliteit en controleerbaarheid. Ook bij goede prestaties blijkt het soms beter de oorzaak toe te schrijven aan de eigen inzet. Als het falen wordt toegeschreven aan een stabiele oorzaak. blijk je beter te gaan presteren. 18 . Het idee niets aan een probleem te kunnen doen leidt tot vermijdingsgedrag en verhoogde stress. een lage prestatiemotivatie. Dit wordt vooral bepaald door de stabiliteit van de geattribueerde oorzaken bij het falen. Hulpeloosheid is ook een belangrijke factor.5 Zelfwaarnemingstheorie Deze theorie van Bem is gebaseerd op het uitgangspunt dat mensen vaak geen accuraat inzicht hebben in hun eigen gedachten. Attributional retraining is een methode waarbij men andere attributies leert maken. zal die de volgende keer waarschijnlijk geen rol spelen. Als je op basis van een attributie een positieve verwachting hebt van de toekomst.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal maar ook door de attributies die men maakt bij successen en mislukkingen. Als een oorzaak instabiel is. Bem zegt dat we bij het beoordelen van ons eigen gedrag hetzelfde proces doorlopen als bij het beoordelen van anderen: we gaan na hoe we ons de afgelopen tijd hebben gedragen.Stuvia. gevoelens en drijfveren (ze hebben moeite met introspectie).com . Attributies zijn ook van invloed op de manier waarop mensen met problemen omgaan (coping).p. Dit blijkt ook echt het doorzettingsvermogen te verbeteren.v. maar een attributie aan controleerbare oorzaken leidt tot probleem-oplossend gedrag. i.m. afnemen. Dit leidt ertoe dat mensen succes aan externe factoren of interne oncontroleerbare factoren toeschrijven. dan aan een stabiele oorzaak als intelligentie. Daarbij is het van belang of je je eigen gedrag toeschrijft aan interne of aan externe oorzaken. De stabiliteit van de waargenomen oorzaak is hierbij vooral belangrijk. Hierbij speelt vooral de controleerbaarheids-dimensie een belangrijke rol. geneigd zijn succes aan interne factoren toe te schrijven en falen aan instabiele factoren (bij laag: succes aan extern en falen aan stabiel). 3. Weiner veronderstelt dat mensen met een hoge prestatie-motivatie. die op hun beurt weer invloed hebben op gedrag. zal men eerder opgeven dan wanneer het wordt toegeschreven aan een instabiele oorzaak. Attributies en gedrag Het model van Weiner geeft aan dat attributies invloed hebben op affect en verwachting. Dan zou de intrinsieke motivatie namelijk toenemen i. Dit hangt samen met doorzettingsvermogen. Alle andere indelingen spelen hierbij geen rol. Deze instabiele oorzaak hoeft namelijk de volgende keer niet aanwezig te zijn. Zo’n hulpeloze attributiestijl kan gemakkelijk leiden tot gevoelens van depressie.v.

Zelf-attributie van emoties Emotie-theorie van Schachter: net als theorie van Bem gebaseerd op het idee van zelf-attributie. waarbij de proefpersonen 1 óf 20 dollar kregen om een bepaald standpunt te verdedigen. Zij leidden dus uit hun eigen gedrag af dat ze het eens waren met de verdedigde mening omdat er geen andere plausibele verklaring was voor hun gedrag. schreven hun gedrag toe aan een externe factor. neem je aan dat je het heel graag wilde. De centrale afhankelijke variabele was de eigen attitude.com . Festinger zei dat hierbij dissonantie-reductie optrad. Zelf-attributie treedt ook op wanneer men nog geen duidelijke attitude heeft over een onderwerp. De persoon weet dan dus in principe niet zoveel als een buitenstaander.Stuvia. Ook is hier sprake van het augmentation-principe: als je ergens veel moeite voor hebt gedaan. Volgens Bem maakten de proefpersonen een attributie bij hun eigen gedrag. terwijl deze toestand volgens Festinger wel een essentiële rol speelt. Kelley zou hier spreken van discounting: er is een plausibele oorzaak voor het gedrag aanwezig (een externe oorzaak). De proefpersonen die 20 dollar kregen. Zelf-attributie van attitudes (gebeurt onbewust) De zelfwaarnemingstheorie werpt een ander beeld op het ‘1 of 20 dollar’-experiment.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal nemen ze aan dat ze het gedrag vertonen vanwege de beloning en niet omdat ze het uit zichzelf ook wel zouden doen. maar die men wel aanvaardbaar windt. Centraal staat dat de ervaring van een emotie het resultaat is van een samenspel tussen een verhoogde lichamelijke reactie (arousal) en een cognitieve 19 . omdat ze voor het experiment ook al geen toegang hadden tot hun eigen attitude. ervaart men geen dissonantie. waardoor andere mogelijke (interne) oorzaken worden genegeerd. Dit hebben ze gedaan door de door Bem beschreven principes van zelf-attributie te gebruiken. Er treedt dan wel attitudeverandering op (zelfattributie). gaat de persoon bij zichzelf na hoe hij zich de afgelopen tijd gedragen heeft. zodat ze konden concluderen dat het gedrag niets zei over hun werkelijke attitude. Uit de resultaten bleek dat proefpersonen die 1 dollar kregen na afloop het meer eens waren met het verdedigde standpunt dan de proefpersonen die 20 dollar kregen. De 1-dollar groep schreef hun gedrag toe aan interne factoren. Zanna en Cooper hebben door middel van verschillende experimenten aangetoond dat Festinger gelijk had. Als men een stelling verdedigt die niet helemaal met de eigen attitude overeenkomt. Het belangrijkste verschil tussen deze twee theorieën is dat er volgens de zelfwaarnemingsverklaring geen sprake is van de onaangename toestand van fysiologische spanning (arousal) die cognitieve dissonantie genoemd wordt. Het was een 2x3-experiment: geen keuze vs vrije keuze en 3 pil-condities: ontspanner/spanner/placebo. omdat de beloning zo klein was. Volgens Bem beseffen de proefpersonen niet dat ze van mening veranderd zijn. anders zou je immers niet bereid zijn geweest om de remmende factoren te overwinnen. De rol van cognitieve dissonantie bleek afhankelijk van de mate waarin de verdedigde stelling afwijkt van de eigen attitude. Als men dan een mening moet geven over dat onderwerp.

3. Experiment van Schachter en Singer: 4 condities: epinefrine-injectie (wel correct/niet correct/helemaal niet geïnformeerd) of placebo-injectie (ook hier geen informatie over het middel. Toch is dit onderscheid van groot belang. terecht). De theorieën van Bem en Schachter zijn later enigszins genuanceerd: in extreme gevallen zijn we wel degelijk in staat onze emoties. Er wordt in onderzoeken dan ook bijna altijd gevraagd naar de oorzaak van een gedraging of gebeurtenis. Er zijn situaties waarin mensen de oorzaak van verhoogde lichamelijke activatie verkeerd inschatten (mis-attribueren) en in die situaties zullen de emoties die ze ervaren passen bij hun verkeerde inschatting en niet bij de werkelijke oorzaak.Stuvia. De aanvulling wordt gescoord als een oorzaak of als een andere aanvulling. Een andere methode: sentence completion-taak: een proefpersoon moet een zin afmaken. De Kelley en Weiner zijn hier vooral op gericht. of door gesprekken af te luisteren en op te nemen. omdat als we een eigenschap toeschrijven aan iemand. Er zijn twee soorten spontane attributies: (1) causale attributies: het beantwoorden van de vraag ‘wat is de oorzaak?’. terwijl dit bij positieve en verwachte gedragingen veel minder vaak gebeurt.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal interpretatie daarvan. Een derde methode: antwoordtijden. dus of ze spontaan causale attributies maken. wat informatie oplevert die we niet hebben over andere mensen.6 Spontane attributies Veel theorieën zijn gebaseerd op het feit dat mensen regelmatig causale analyses pleegt. Bij negatieve of onverwachte gedragingen werd de helft met een causale verklaring aangevuld. Daaruit bleek dat uitspraken waarin een causale analyse werd gepleegd of waarin naar de oorzaak van iets werd gevraagd opvallend vaak voorkwamen: ± 15% van alle uitspraken. In meer gematigde gevallen hadden Bem en Schachter wel gelijk. Dergelijke attributies kunnen consequenties hebben. Voorbeeld gegeven door Jones en Davis: een correspondente gevolgtrekking impliceert dat een eigenschap wordt toegeschreven.com . gaan we ervan uit dat dit ook de oorzaak is van het getoonde gedrag. attitudes en voorkeuren langs introspectieve manieren te kennen. Het lijkt misschien een vaag onderscheid. De niet correct geïnformeerde en helemaal niet geïnformeerde epinefrine-injectie groep hadden geen externe oorzaak van hun verhoogde opwinding en verklaarden dit daarom aan de hand van het gedrag van de handlanger. Het idee hierbij is dat mensen sneller 20 . Bijvoorbeeld door te kijken naar geschreven en gesproken teksten uit het dagelijks leven (bijv. Kritiek hierop is dat we helemaal niet weten of mensen dit zich normaal gesproken zelf ook afvragen. Dit kon dus verklaard worden door zelf-attributie. (2) attributies in de zin van het toeschrijven van eigenschappen aan een persoon op grond van diens gedrag of prestaties. de krant). Wanneer mensen waaromvragen stellen Er zijn een aantal manieren om dit te onderzoeken.

(2) als er iets negatiefs gebeurt. (4) kenmerken van de waarnemer: voor iedere waarnemer zijn er bepaalde eigenschappen belangrijk en andere juist niet. worden STI’s onderdrukt. Dit noemen we de toegankelijke constructen: persoonlijkheidstermen die een centrale rol spelen in je oordelen over 21 . Twee soorten: (a) iemand doet iets wat tegen zijn rol ingaat (out-of-role) (kan ook negatief gedrag zijn) (b) het gedrag druist in tegen de indruk die men van iemand heeft opgebouwd. Dit lijkt niet alleen voor anderen te gelden. (2) STI’s worden eerder gemaakt als het waargenomen gedrag overeenkomt met de verwachting die men heeft van een persoon. Dan probeert men juist eerder de oorzaak te bepalen.com . Dan willen we een zo volledig mogelijk beeld van die persoon en zullen we vaker nadenken over de oorzaken van zijn of haar gedrag. Dit gaat vanzelf. In beide gevallen is het dus functioneel om de oorzaak te weten. Er zijn drie situaties waarin we wel causale attributies maken: (1) als een persoon heel erg belangrijk voor ons is. maar ook voor het eigen gedrag (bijvoorbeeld een onvoldoende halen).Stuvia. We kunnen dus stellen dat causale analyse optreedt wanneer dat functioneel is. Spontane gevolgtrekkingen Het ligt heel anders als het gaat om attributies in de betekenis van trait inferences: het toeschrijven van eigenschappen aan personen is een activiteit die juist onderdeel is van de normale routine. we hebben er geen intentie toe.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal antwoorden bij vragen waarvan ze het antwoord al eerder in hun gedachten hadden gehad (online) en langzamer bij memory-based vragen. Dat is vooral zo wanneer gebeurtenissen de normale routinematige informatieverwerking doorbreken. Bij gewone dagelijkse observaties stellen we onszelf geen waaromvragen. Als iemands gedrag afwijkt van de verwachting. Resultaten zouden duiden op weinig causale analyses als het om eenvoudige gedragsbeschrijvingen gaat. dus wanneer het gedrag echt iets zegt over de persoon. (3) als iemand iets doet wat we niet van die persoon verwacht hadden. maar met eerder gedrag van die persoon. Stereotypen kunnen een rol spelen. (3) STI’s worden vergemakkelijkt wanneer mensen het gedrag duidelijk voor zich zien of wanneer ze een goed beeld hebben van hoe de actor eruit ziet. Een aantal factoren die STI’s kunnen bevorderen of verzwakken: (1) waargenomen gedrag: een STI wordt eerder gemaakt als het waargenomen gedrag duidelijke implicaties heeft. Dan kunnen we proberen de situatie onder controle te krijgen. gaan we spontaan nadenken over de oorzaken ervan. leiden we daar gelijk een eigenschap of emotie uit af. Dan is het niet strijdig met de rolverwachting. Dit type automatische gevolgtrekkingen noemen we spontaneous trait inference (STI): een gevolgtrekking die wordt gemaakt zonder dat een externe factor daar aanleiding toe geeft. Als we bepaald gedrag observeren.

De fasen in deze theorieën zijn: (1) identificatie van het gedrag: gedrag wordt bijvoorbeeld geïdentificeerd als onbeleefd. Als gedrag onverwacht is. en alleen het resultaat is zichtbaar. maar als het gedrag verwacht is of als de waarnemer helemaal geen verwachtingen heeft. maken we wel een causale analyse. Als dat zo is. Dit treedt dus als laatste in het proces op. maar een identificatie of samenvatting van het gedrag. Het toeschrijven van eigenschappen vindt dus ook meestal plaats zonder het maken van causale analyses. worden ze ‘afgetrokken’ van de eerder gemaakte attributie. Deze automatische processen hebben een hele sterke invloed op de waarneming. hoeven we dus niet altijd te zeggen dat die persoon ook onbeleefd is. Van iemand die onbeleefd gedrag vertoont. Associaties tussen STI en persoon De stap van (1) naar (2) wordt niet altijd gemaakt.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal anderen. 22 .Stuvia. waarin geen plaats is voor causale analyses. Dit gebeurt vaak quick and dirty. Dit wordt spontaneous trait transference genoemd. leidt de waarnemer gedachteloos eigenschappen af uit het gedrag. omdat ze heel veel tijd en inspanning kosten. Als een persoon een beschrijving geeft van een ander persoon. waardoor STI’s soms onterecht met meerdere personen worden geassocieerd die toevallig in de buurt zijn. Als gedrag bij iemand onmiddellijk een persoonlijkheidsconstruct activeert (zoals eerlijkheid of behulpzaamheid). Meerfasetheorieën over attributie Van de vorige theorieën was het idee dat mensen zich eerst afvragen of iemands gedrag wordt veroorzaakt door ‘iets in de situatie’ of ‘iets in de persoon zelf’. maar men moet bij een situationele correctie meer cognitieve inspanning verrichten. Uit onderzoek blijken gevolgtrekkingen niet een conclusie over de oorzaak van het gedrag te zijn. Onderzoek naar STI’s geeft aan dat mensen vaak eigenschappen aan andere mensen toeschrijven zonder waaromvragen te stellen. (3) situationele correctie: er wordt nagegaan of er ook externe factoren in het spel waren. Vaak is er echter niet genoeg tijd om de situationele correctie te maken.com . Gevolgtrekkingen over eigenschappen zijn het resultaat van een causale attributie. (1) en (2) treden vrijwel direct en automatisch op (alleen bij gedrag dat verwacht wordt). is de STI volledig automatisch. Er wordt geconcludeerd dat de actor onbeleefd is. Het relearning-paradigma laat zien dat STI’s geassocieerd worden met de persoon die het gedrag vertoont. Het automatisme zelf is volledig onbewust. In het laatste geval stellen ze vast wat dat dan is. STI’s leiden minimaal tot een associatie tussen de afgeleide eigenschap en de actor. Samenhangend hiermee zijn meerfase theorieën ontwikkeld. (2) dispositionele gevolgtrekking: de geïdentificeerde eigenschap wordt toegeschreven aan de actor. ga je die beschrijving toch onbewust associëren met de actor. waardoor de onderliggende eigenschap wordt geïdentificeerd.

Correspondentie-vertekeningen treden in alle culturen op. (2) mensen van elkaar verschillen waardoor niet iedereen hetzelfde reageert en (3) we vaak niet eens goed weten wat wij zelf zouden doen in een situatie totdat we die echt mee (3) Het gedrag van de persoon die in deze situatie zit moeten we op een bepaalde manier identificeren. De correspondentie-vertekening (of fundamentele attributiefout) Hierbij worden externe invloeden op het gedrag onderschat. Daardoor treedt een inflatie op in onze identificatie van het gedrag. (1) We moeten weten in welke situatie de persoon zich bevindt. wat er precies aan de hand is. waardoor de vertekening optreedt. moeten we onze identificatie van het gedrag corrigeren voor de invloed van de situatie. wat we verwachten te zien. De situatie wordt dan niet leidt tot een extreme gevolgtrekking. wat (4) Tenslotte moeten we onze interpretatie van het gedrag vergelijken met wat de meeste mensen volgens ons zouden doen in die situatie. Hierbij proberen we ons vaak voor te stellen hoe wij onszelf zouden gedragen in de situatie.7 Vertekeningen in attributies Hedonische relevantie (dispositionele factoren worden overschat wanneer het gedrag van een actor de waarnemer zelf beïnvloedt) en het verkeerd inschatten van de oorzaak van eigen gedrag zijn al eerder besproken. De culturele verschillen hangen mogelijk samen met het feit dat in westerse culturen gedrag veel meer wordt gezien als gedreven door individuele drijfveren die van binnenuit het gedrag bepalen. Hierbij kan een paradoxaal verschijnsel optreden: we zien hebben gemaakt.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal 3. . omdat we het vaak te druk hebben. het gedrag van anderen minder vaak dispositioneel en meer situationeel verklaren. Pas aan het eind van de jeugd neemt dit toe. Deze fout treedt zo vaak op. (2) Ook moeten we accurate verwachtingen hebben over hoe de meeste mensen zich gedragen in die situatie. .Ook blijkt dat leden van niet-westerse culturen.com .Kinderen verklaren gedrag veel minder in dispositionele termen en meer in gedragstermen. maar worden in nietwesterse culturen sterk gereduceerd als situationele invloeden onder de aandacht worden gebracht. bij causale attributies. In deze vier fases zou er iets mis kunnen gaan. Dit gebeurt echter niet altijd. Als we nu inderdaad kunnen concluderen dat de situatie invloed had op het gedrag. Ook hebben we gezien dat afgeleide eigenschappen soms met de verkeerde persoon geassocieerd raken. omdat er nogal wat voor nodig is om een attributie te maken die recht doet aan de invloed van de situatie. Maar ook binnen de westerse cultuur zijn er omstandigheden waarin de correspondentie-vertekening niet of in mindere mate optreedt: 23 . Factoren die de correspondentie-vertekening reduceren De vertekening is heel sterk. terwijl in andere culturen wordt gedacht dat gedrag wordt beïnvloed door de situatie. . maar niet universeel.Stuvia. maar dat is erg riskant omdat (1) mensen op hun eigen cognities reageren in de situatie (we moeten dus weten hoe de actor de situatie waarneemt). gecorrigeerd. Deze vertekening kan echter ook optreden bij het voorspellen van toekomstig gedrag.

Dit laat ook zien dat we normaal gesproken gevolgtrekkingen maken over personen.Mensen die in een slechte bui zijn. We onderschatten de invloed van de oorzaak ‘toeval’ op onze keuzen en beslissingen. terwijl het gedrag van de ander wordt gezien als resultaat van diens persoonlijkheid. niet van toepassing zijn bij de interpretatie van ons eigen gedrag (we zijn bijvoorbeeld altijd goed op de hoogte van de situatie).v. de situatie. Daardoor gaan we alle beschikbare informatie goed overdenken en gaan we dus veel zorgvuldiger te werk dan bij de gebruikelijke spontane gevolgtrekkingen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal .wanneer we proberen ons een beeld te vormen van de situatie en niet van de persoon.de onverwachtheid van het gedrag zet mensen ook aan het denken. . (2) mensen hebben vaak een gebrekkig inzicht in hoe hun gedrag door situationele krachten wordt beïnvloed. Daarbij schrijven we bepaalde attitudes. Het actor-observer-verschil De correspondentie-vertekening is veel sterker als het om gedrag van anderen gaat dan van onszelf. personen die dingen tot stand brengen/veroorzaken. voorkeuren of emoties toe aan onszelf. We raken dan in een toestand van verdenking (suspicion): we verdenken de persoon ervan dat hij een verborgen motief heeft. zullen de invloed van externe factoren op gedrag meer in overweging nemen. Vooral als mensen al vaker contact met elkaar hebben gehad.com . Dan wordt het automatisme doorbroken en gaat men een causale analyse plegen. . Dan overschatten we de invloed van de situatie.als de persoon ervan wordt verdacht verborgen bedoelingen (ulterior motives) te hebben. dan maken we daar exact dezelfde fout! Dan moeten we naderhand corrigeren voor de persoon i. De belangrijkste oorzaak van het actor-observer-verschil zit in het besef van de situatie. zonder daarbij de invloed van de situatie te betrekken. Het actor-observer-verschil is het verschil tussen de attributies van het eigen gedrag en dat van anderen. want een slechte bui brengt met zich mee dat men grondiger informatie gaat verwerken. Twee factoren: (1) mensen zien zichzelf als causale agenten. Zijn we namelijk gericht op de situatie. omdat de meeste factoren die hierbij van belang zijn. Als we er uiteindelijk niet uit komen. .p. waardoor de correspondentievertekening vermindert. Correspondentie-vertekening bij zelfwaarneming De vertekening kan in bepaalde gevallen ook plaatsvinden bij attributies van ons eigen gedrag. We verklaren het gedrag van anderen zelfs dispositioneel als wij zelf de oorzaak zijn van dat gedrag. zodat een situationele correctie veel waarschijnlijker wordt. zijn we zeer gematigd in ons oordeel. zijn ze geneigd hun eigen gedrag te zien als een reactie op de ander. Het eigen gedrag wordt vaker aan de situatie of andere externe factoren toegeschreven dan het gedrag van anderen. Door middel van empathie bereiken we 24 . Uit onderzoek blijkt ook dat het verschil verdwijnt als men het eigen gedrag waarneemt door de ogen van de observator.Stuvia.

want daarmee lijkt het bedrog meer gelegitimeerd. ga ik ervan uit dat er meer mensen ‘ja’ zeggen.Stuvia. We houden er dan geen rekening mee dat we voornamelijk contact hebben met anderen die op ons lijken en die zich dus op dezelfde manier gedragen. Het false-uniqueness effect: hierbij onderschat men het aantal mensen dat de eigen gedragingen en meningen deelt. 25 . des te meer zal je aannemen dat iedereen er zo over denkt. Want hoe zekerder je ergens van bent. doordat dit de behoefte verhoogt om steun te zoeken voor datgene waarin men zelf gelooft. Omgekeerd kan het effect ook worden versterkt door een bedreiging van de eigen overtuigingen. (4) zekerheid over de eigen mening versterkt het effect.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal juist het omgekeerde. Dit is het false-consensus-effect: de veronderstelling dat andere mensen onder dezelfde omstandigheden op dezelfde manier reageren als de waarnemer zelf. Dit effect wordt door een aantal factoren veroorzaakt: (1) onze eigen opvattingen en gedragingen zijn voor ons meer toegankelijk en beter bekend dan die van anderen. Het idee van de verschillende perspectieven is enerzijds perceptueel (als actor zie je nu eenmaal andere dingen dan als observator) en anderzijds informationeel (actoren kennen hun eigen bedoelingen en weten welke factoren van invloed zijn geweest op deze bedoelingen). (3) onze eigen opvattingen en gedragingen zien we als normaal. dan dat ik ‘nee’ zeg. Zo kunnen mensen zich in positieve zin onderscheiden van anderen. Het komt vooral voor bij capaciteiten waarin men zichzelf uitzonderlijk goed acht. Het blijkt dat we het consensus-criterium weinig gebruiken. (2) vaak gaan we niet alleen op onze eigen ervaring af. Het false-consensus-effect Volgens Kelley’s attributietheorie zouden we informatie over consistentie. Het gedrag van anderen heeft vaak minder invloed op attributies dan de theorie voorspelt. distinctiviteit en consensus moeten gebruiken om de oorzaak van bepaald gedrag te bepalen. goed en gepast. maar ook op die van kennissen. Hier dient dit effect dus als dissonantie-reductiestrategie. omdat dit onze zelfwaardering beschermt. Bij overspel bijvoorbeeld zal de persoon die het overspel pleegt eerder de partner verdenken van vergelijkbaar gedrag.com . Het false-consensus-effect: men ziet zichzelf als iemand die ‘erbij hoort’: men wijkt immers niet af van anderen in de groep. Waarschijnlijk hanteren we onszelf als norm in plaats van anderen bij de beoordeling van een ander persoon. Als ik ‘ja’ zeg. namelijk bij negatief beoordeelde gedragingen. (5) Het effect heeft nog een andere motivationele functie. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer de behoefte erbij te horen genoeg bevredigd is en men het gevoel krijgt dat men teveel opgaat in de groep en de eigen individualiteit verliest.

Zelf-dienende attributies Men is zich bij het eigen gedrag beter bewust van de omgeving. Depressieve attributiestijl: het systematisch toeschrijven van mislukkingen aan jezelf. (4) De mate waarin de stimulus afwijkt van de verwachting.com . Attributies van het eigen gedrag zijn dus haast nooit belangeloos. vriendelijk en ‘goed’ zijn. (2) De mate waarin de stimulus zich onderscheidt van de context: bijvoorbeeld één vrouw in een groep mannen. maar daarnaast is het ook zo dat psychologisch gezonde mensen een positief beeld van zichzelf hebben en dat graag zo willen houden. De zelf-attributies gebeuren op twee manieren: (1) Self-defense: mensen zoeken de oorzaak van negatieve gebeurtenissen niet bij zichzelf. Dit zorgt ervoor dat we de oorzaak van gedrag bij de stimulus zoeken (die trekt immers de aandacht). Stimuli die saillant zijn trekken de aandacht. (b) iets doet wat niet bij zijn rol past of (c) als zijn gedrag afwijkt van de algemene verwachting dat de meeste mensen aardig. Verschillende verklaringen: (1) het is makkelijker om de eigen bijdrage waar te nemen dan die van iemand anders. doordat men er meer aandacht aan besteedt.Stuvia. De egocentrische vertekening Dit houdt in dat menen hun eigen bijdrage of hun eigen verantwoordelijkheid bij een gezamenlijke activiteit of collectieve besluitvorming overschatten. Het kan hierbij gaan om zowel positieve als negatieve bijdragen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Overschatting door saillantie Mensen zoeken de oorzaak van gebeurtenissen vooral bij de meest saillante stimuli. Dit is precies hetzelfde als het actor-observer-verschil. Een stimulus kan om vier redenen saillant zijn: (1) De levendigheid van de stimulus: bijvoorbeeld veel bewegen of hard praten. treden zowel (1) als (2) niet op. Een persoon wijkt af als hij zich (a) anders gedraagt dan hij normaal gesproken doet. Dit is de self-serving bias. (3) Men heeft in veel gevallen simpelweg geen informatie over de bijdrage van de ander. Defensieve attributies en uitkomst-vertekeningen Een defensieve attributie houdt in dat mensen meer verantwoordelijkheid 26 . (2) Men zal mede door de verhoogde aandacht een betere herinnering hebben aan de eigen bijdrage. Ook dit is een automatisch proces. Dit kan zowel chronisch als tijdelijk zijn. die sterker is bij mannen dan bij vrouwen. Er is namelijk geen controle over en geen bewuste intentie. Als de actor met een persoon werkt waarmee hij een band voelt. (2) Self-enhancement: mensen zoeken de oorzaak van positieve uitkomsten juist wel bij zichzelf. (3) Wat voor de waarnemer belangrijk is: wat van belang is voor de waarnemer valt op.

com . Door de schuld overduidelijk bij de persoon te leggen. Hierbij zeggen we achteraf dat de actor de gebeurtenis wel had kunnen zien aankomen. Deze vertekening treedt soms ook op bij positieve gebeurtenissen. terwijl we zelf vooraf niet wisten dat het kon gebeuren.Stuvia. en men denkt zelf dat gedrag te kunnen vermijden. Men neemt aan dat negatieve uitkomsten worden verkregen door negatief gedrag.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal toeschrijven aan een ander naarmate het gedrag van die ander tot ernstiger gevolgen leidt. Deze vertekening verklaart ook voor een deel onrealistisch optimisme: mensen denken dat onaangename gebeurtenissen eerder een ander zullen overkomen dan henzelf. 27 . kunnen we de situatie voor onszelf als vermijdbaar beschouwen. Bijvoorbeeld het verschil in straf wanneer iemand onder invloed een kind aanrijdt of onder invloed van de weg raakt. omdat men zich hiermee beschermt tegen een moeilijk verdraagbare gedachte: de gedachte dat onaangename gebeurtenissen die ernstige gevolgen hebben toevallig totstandkomen en dat het dus ook jou kan overkomen zonder dat je daar controle over hebt. waarin de relatie tussen iemands gedrag en de onderliggende eigenschap wordt overschat). Mensen lijken anderen vaak te beoordelen op de uitkomst van hun daden en niet op de daden zelf. Dit noemen we uitkomstvertekeningen: de neiging om de correspondentie tussen uitkomsten van het gedrag en kenmerken van de actor te overschatten (merk op: anders dan correspondentievertekening. Bij uitkomst-vertekening onderschat men de invloed van externe en toevallige factoren op de uitkomst. Bij correspondentie-vertekening onderschat men de invloed van externe en toevallige factoren op het gedrag. Dit wordt defensief genoemd.

Dit mentale overzicht is in de loop der tijd ontstaan door ervaringen met de ‘stimulus’ (het gebouw). aan te vullen en op te slaan. Ruimte. 28 . waarin we weten waar alles is gelokaliseerd. We brengen een orde aan in onze waarnemingen. ontstaat er een cognitieve kaart. Het verschil tussen deze schema’s en de schema die we tegenwoordig bestuderen. Eerst was er het behaviorisme. Ook causaliteit is een ordeningsprincipe: we gaan ervan uit dat alles een oorzaak heeft en dat oorzaken in de tijd voorafgaan aan hun effecten en niet omgekeerd. maar ook voor procedures. Het zijn elementaire cognitieve elementen. terwijl de huidige schema juist worden opgebouwd door ervaringen met een stimulus (a posteriori). Ze worden gebruikt om informatie te selecteren. Het zijn hypothetische constructen: ze zijn niet objectief aanwijsbaar. te ordenen. Wat was er nu eerst? De nieuwe informatie of de schema’s? Kant zegt dat het menselijk brein (het kenvermogen) uitgerust is met enkele ordeningsprincipes die al aanwezig zijn voordat er iets wordt waargenomen. De term schema verwijst naar alle kennis en verwachtingen die we gebruiken om betekenis te geven aan informatie die ze waarnemen. plaatsen we in ruimte en tijd. Bijvoorbeeld het universiteitsgebouw. maar we veronderstellen dat ze bestaan. We hebben een plattegrondje in ons hoofd. maar is toch functioneel. Alles wat we waarnemen. zijn vaak ook niet belangrijk. Dat zorgt voor een voortdurende wisselwerking tussen omgeving en waarnemer. zoals ruimte en tijd. Hierdoor wordt kennis vermeerderd of gecorrigeerd.Stuvia.com . tijd en causaliteit zijn hele rudimentaire schema’s.2 Wat zijn schema’s? Een schema is een georganiseerde verzameling van kennis over een stimulus of een categorie van stimuli. Schema’s beïnvloeden je gedrag en mening. Deze komt haast nooit exact overeen met de werkelijkheid. Sinds de jaren ’60 en ’70 kwamen de schema’s steeds meer in beeld. 4. terwijl het ding an si ch geen orde kent. Dingen die minder duidelijk zijn. omdat we zonder die constructen veel verschijnselen niet kunnen verklaren. die wordt gebruikt bij het verwerken van informatie over die stimulus of over andere stimuli uit die categorie. Schema’s zijn er niet alleen voor plaatsen en objecten. maar de schema’s hoeven niet altijd juist en accuraat te zijn.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 4: Schema’s Pagina 143 t/m 194 4. is dat de schema’s van Kant al bestaan voor de zintuiglijke waarneming (a priori). Ieder schema is in feite een cognitieve kaart. waarin de associaties tussen de elementen in het geheugen werden gezien als aangeleerd. Als je daaraan denkt.1 Inleiding Onze waarneming wordt beïnvloed door schema’s.

gaan we ervan uit dat het gemiddelde. We spreken van een schema als onze kennis over een persoon meer omvat dan alleen stereotypegerelateerde kenmerken en een globaal evaluatief oordeel. tenzij je er een thema omheen bedenkt. sekse-stereotypen). Er zijn vijf soorten schema’s die in de sociale cognitie van groot belang zijn: (1) Scripts: schema’s over gebeurtenissen. Daarnaast bevat het stereotype variatie van het kenmerk. leidt al snel tot grote verwarring. maar toch hebben we een bepaald beeld van ze. Scripts worden dus gebruikt om de inhoud van een verhaal te begrijpen. Stereotypen worden overgedragen via familie en vrienden.com . Rol-schema’s zijn stereotypen die aan bepaalde maatschappelijke rollen zijn gekoppeld en hebben vaak een sterk normatief element. Een stereotype is echter niets meer dan een schema over een sociale groep. Ook als we iemand oppervlakkig kennen. prototypische lid van die groep over dit kenmerk beschikt. is dat lastig te onthouden. en de inhoud van dat schema is positief. hebben we al een schema over die persoon. Als we iemand beter leren kennen. Zo ontstaan vooroordelen. (2) Stereotypen: ontstaan doordat mensen onderscheid maken (letterlijk: discrimineren) tussen sociale categorieën en zich een beeld vormen van hoe de meeste leden van zo’n categorie zijn (vaak heeft het een negatieve lading). Deze stereotypen vorm je zelf en kennen de meeste variabiliteit. Hoe zelf-schematisch mensen zijn over een bepaald kenmerk. verschilt per persoon. Hoe beter we iemand kennen. is van invloed op details in je herinnering van het verhaal. Sommige stereotypen overschrijden de landsgrenzen (bijv. maar ze leveren ook bepaalde verwachtingen en normen over de manier waarop een verhaal wordt verteld. Stereotypen zijn simplificaties. (3) Individu-schema’s: impressies. wordt het schema deels beïnvloed door stereotypen. Het zijn allerlei kenmerken. vormen we ons een indruk (impressie) van die ene persoon. of de massamedia.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Als je een verhaal leest met veel gebeurtenissen. evenals een inzicht in de onderlinge relaties tussen die kenmerken. Het gaat vooral om kenmerken die centraal staan in ons zelfbeeld: zelf-schematische kenmerken. Bijvoorbeeld dat we bij ‘Er was eens…’ een happy end verwachten. Stereotypen zijn vooral negatief als ze over groepen gaan waar we zelf niet toe behoren. en kunnen daarom leiden tot verkeerde conclusies. Als we nog niet genoeg kennis van iemand hebben. (b) instance-based: gebaseerd op ervaringen met concrete voorbeelden of exemplaren. 29 . Het is in principe hetzelfde als dat we informatie over anderen verwerken. negatief of gemengd. Ze hebben sterke effecten op de waarneming doordat ze worden gebruikt om allerlei ‘gaten’ in de beschikbare informatie op te vullen. Twee soorten: (a) abstraction-based: gebaseerd op een geabstraheerde tegel over hoe de leden van een groep zijn). hoe minder we gebruik maken van stereotypen. Welk thema dat is. We kennen de meeste personen van een groep niet. Een misverstand over het type script dat we moeten gebruiken om een verhaal te begrijpen. (4) Zelf-schema: dit gebruiken we om informatie over onszelf te verwerken. Wanneer een kenmerk met een groep wordt geassocieerd. Dankzij scripts weten we bijvoorbeeld wat we naar bepaalde gelegenheden aan moeten trekken.Stuvia.

en die daardoor toegankelijk zijn in het geheugen. Maar vaak kan een gedraging op meerdere manieren worden geïnterpreteerd. Sommige persoonlijkheidseigenschappen zijn in ons geheugen sterk geassocieerd met bepaald gedrag. meningen en de verschillende rollen die we vervullen. Androgynie is in feite dus niets anders dan een specifieke variant van het meervoudige zelf. Recentheid kan geprimed worden door een willekeurige onafhankelijke gebeurtenis vlak voor deze gebeurtenis. een schema over welke persoonlijkheidseigenschappen wel en niet met elkaar samengaan. Deze mensen kunnen zich volgens Bem gewoon heel makkelijk aanpassen aan situaties. Deze beïnvloeden onze doelstellingen en ons gedrag in het heden. Hiernaast hebben we ook behavior-trait-schema’s: kennis over het gedrag dat bij bepaalde eigenschappen hoort. maar ook over gedragingen en interesses. Dan bepaalt de mate waarin die verschillende eigenschappen in het geheugen in een staat van activatie verkeren.Stuvia. raken een groot deel van hun zelfwaardering kwijt op het moment dat die rol vervalt (bijv. ontslag). maar alleen de eigenschappen waarvan het activatieniveau al eerder was verhoogd en nu wordt overschreden. (6) Chronische toegankelijke constructen: een speciale categorie van schema’s over persoonlijkheidseigenschappen: eigenschappen die voor een persoon centraal staan in zijn denken over anderen en over zichzelf. Dit ligt aan de mate van associatie tussen de eigenschap en het gedrag. Eigenlijk bestaat het zelf-schema dus uit meerdere zelven (meervoudige zelf). doordat onze behavior-trait-schema’s een sterke associatie tussen eigenschap en gedrag bevatten. welke eigenschap we op het gedrag plakken. werk). Welke eigenschappen van tevoren al waren verhoogd. wordt bepaald door recency (recent geactiveerd) of frequency (al vaker geactiveerd). Omgekeerd kunnen we hiermee ook eigenschappen uit gedrag afleiden. komen in ons bewustzijn. Ook bevat het informatie over de sociale groepen waartoe we behoren. Mensen die hun hele zelfbeeld ophangen aan één rol (bijv. Onze impliciete persoonlijkheidstheorie bevat kennis over de associaties tussen eigenschappen onderling. Het zelf-schema bevat ook verschillende toekomstige zelven. Vooral minderheidsgroepen zijn hierin belangrijk. hoe kwetsbaarder men is. Androgynie kan gezien worden als een manifestatie van meerdere zelven. 30 .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Deze schema’s gebruiken we niet alleen voor kennis over eigenschappen. Bij een gedraging kunnen vaak veel verschillende eigenschappen worden geplakt. impressies en het zelf-schema bevatten informatie over associaties tussen personen en eigenschappen. Hoe minder toekomstige zelfbeelden. Stereotypen. Hiermee kunnen we dus uit één eigenschap meerdere eigenschappen afleiden.com . Op basis van een eigenschap kunnen we het gedrag van een persoon voorspellen. Het idee van de correspondente gevolgtrekkingen is gebaseerd op het uitgangspunt dat mensen dit vermogen hebben. (5) Schema’s over persoonlijkheidseigenschappen. De eigenschappen worden nooit allemaal in exact dezelfde mate geactiveerd door een gedraging. De verschillende zelven worden in verschillende sociale situaties en rollen opgeroepen.

Bij schema’s over gebeurtenissen zijn de relaties tussen de verschillende scriptelementen logisch. Die verzameling kan heel groot of klein zijn.Stuvia. met daarbij een prototypisch exemplaar: een geabstraheerde voorstelling van een stimulus die alle kenmerken heeft die bij een bepaald schema horen (vooral van belang bij stereotypen). Schema’s over personen bevatten soms verschillende 31 . Sommigen zijn gekoppeld aan bepaalde episoden in je leven. Daarnaast zijn er grote individuele verschillen. deels niet in het schema. Dit prototypisch exemplaar staat in het midden van het schema. Omdat de schema’s een inhoudsdomein hebben. dankzij hun verhoogde activatieniveau. Welke eigenschappen chronisch toegankelijk zijn. Schema’s bevatten naast kennis over de kenmerken van een stimuli ook exemplaren (specifieke voorbeelden van dat domein). Het is niet zo dat toegankelijke constructen voor de rest van je leven vastliggen als ze eenmaal zijn gevormd.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Chronisch toegankelijke eigenschappen komen dus. omdat het hierbij gaat om regels of principes waarmee waarnemers de oorzaak van een gebeurtenis bepalen. Dit is een automatisch proces. Bij schema’s over personen en eigenschappen is de ordening op basis van gelijkenis/covariantie-relaties. ruimtelijk en sequentieel (in de tijd geordend). maar ook de ervaringen die je in de loop van je even opdoet met mensen die belangrijk voor je zijn. Ook heuristieken (vuistregels die mensen gebruiken om tot een oordeel te komen) zijn hierin niet opgenomen. Een schema is: (1) een verzameling kennis over een stimulus of een categorie van stimuli – dat wil zeggen dat schema’s een inhoudsdomein hebben. Het zelf-schema heeft hier invloed op. Chronisch toegankelijke constructen zijn niet beperkt tot persoonlijkheidseigenschappen. maar kunnen ook gedrag betreffen of stereotypen. en kunnen wegzakken door een verandering in je sociale leven. Er is dus een relatie tussen verschillende schema’s en binnen een bepaald schema zijn er relaties tussen de verschillende elementen van dat schema. is onder meer afhankelijk van de (sub-)cultuur waarin met leeft. Het is dus onduidelijk waar een schema begint en waar deze ophoudt.3 Kenmerken van schema’s Onder schema’s vallen dus veel verschillende typen kennis. is op een of andere manier georganiseerd in het geheugen. Als een stereotype chronisch toegankelijk is. zal de persoon mensen snel naar dit stereotype indelen. Kennis van de wereld moet echter aan drie voorwaarden voldoen om van een schema te kunnen spreken. Die regels hebben geen betrekking op een speciaal domein. Deze zorgt ook enigszins voor ordening in het schema. In de loop der tijd gaat deze toegankelijkheid zich versterken. als eerste in het bewustzijn zodra men iets waarneemt dat met zo’n eigenschap te maken heeft. 4. (2) de kennis die in schema’s is vervat. met daar omheen de specifieke exemplaren die reiken tot aan de fuzzy boundary (vage grens) van het schema. Exemplaren die op deze grens liggen passen deels wel.com . worden in dit geval de causale schema’s van Kelley niet meegenomen.

com . een ‘zoeklicht’. Door de nadruk op schema-gestuurde verwerking. Er is een verschil tussen schema-gestuurde. gaten opvullen in ontbrekende informatie. Iemand kan bijvoorbeeld heel goed twee kenmerken tegelijk vertonen. De organisatie van een schema is deels afhankelijk van de complexiteit van het schema. of theory-driven. Zo kunnen veel schema’s subcategorieën zijn van één alomvattend schema. en de herinnering. maar ook meer compact dan andere schema’s: ze vergen minder mentale capaciteit van de waarnemer. beoordeling en uiteindelijk gedrag beïnvloeden. Schema’s zijn bijvoorbeeld hiërarchisch georganiseerd.v. Deze zijn echter niet altijd makkelijk te onderscheiden. Het onopgemerkt voorbij laten gaan van schema- 32 . Expert-schema’s worden opgebouwd als iemand veel kennis vergaart over een bepaald inhoudsdomein. Dan zijn de verschillende kenmerken georganiseerd rond bepaalde situaties of thema’s. De afwijking die we accepteren van gelijkenisrelaties is groter dan van sequentiële.Stuvia. In de jaren ’80 verandert dit beeld in een gemotiveerde strateeg (motivated tactician) of pragmaticus: iemand die terugvalt op schema’s als het niet zo heel belangrijk is. ruimtelijke en logische relaties.4 Wat doen schema’s? Er zijn verschillende fasen in het proces van informatieverwerking: (1) aandacht. Zo kan ook een stereotype uit min of meer onafhankelijke clusters bestaan. 4. (3) deze kennis wordt gebruikt bij het verwerken van nieuwe informatie over de betreffende stimulus of over andere stimuli in die categorie. hetgeen impliceert dat schema’s effecten hebben op informatieverwerking. informatie waarbij de waarneming wordt gestuurd door de verwachting (schema beïnvloedt waarneming). maar die alle cognitieve zeilen bijzet en veel aandacht schenkt aan alle beschikbare informatie op het moment dat er veel van afhangt. die eigenlijk helemaal niet bij elkaar passen. Een persoon kan namelijk in meerdere schema’s tegelijk vallen. Door de grondige organisatie ervan zijn ze niet alleen complex. Een schema/theorie belicht alleen die informatie die relevant is voor het schema. waarbij de waarneming wordt gestuurd door waarneembare informatie (waarneming beïnvloedt schema).m.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal clusters van eigenschappen. Dit hangt samen met perceptual readiness: mensen zijn meer ontvankelijk voor wat ze verwachten te zien. wordt de mens (rond de jaren ‘70) gezien als cognitief vrek (cognitive miser): iemand die zuinig omgaat met zijn cognitieve middelen en daardoor doet wat het makkelijkst is: zich laten leiden door schema’s. Tussen schema’s zijn er dus ook relaties. ze kunnen de waargenomen betekenis van die informatie beïnvloeden. d. Omdat de schema’s zelf niet waarneembaar zijn. Van al deze processen zijn we ons niet bewust. Door schema’s nemen we onze omgeving selectief waar. en data-driven verwerking. moeten we het via de effecten ervan aan kunnen tonen. De effecten van scripts op de waarneming zijn daarom sterker en fundamenteler dan die van andere sociale schema’s. Deze zijn op verschillende momenten waarneembaar: schema’s kunnen de aandacht sturen zodat bepaalde informatie wordt geselecteerd.

als 2 docenten en 2 studenten samen eenzelfde mening hebben t. Deze fit is sterk. Stel: een discussie tussen 4 docenten en 4 studenten over het onderwijs. Schema-relevante informatie trekt meer aandacht dan irrelevante informatie.h. 33 .v. Als een verzameling stimuli met behulp van een schema wordt waargenomen.com . Sommige categorisatie-dimensies (zoals sekse en etniciteit) zijn standaard meer prominent aanwezig dan andere schema’s. en binnen de categorie schema-relevante informatie trekt schema-inconsistente informatie vaak meer aandacht dan consistente informatie. Zo werken schema’s ook. beschouwen tal van hun eigen gedragingen als een bevestiging van die eigenschap. Als we een persoon voor het eerst zien.o. zal het schema sekse eerder worden geactiveerd. Hierbij wordt je student-docent categorisatie geactiveerd. Mensen die zelf-schematisch zijn voor een bepaalde eigenschap. Niet alleen schema’s over personen en eigenschappen. De context waarin je de persoon waarneemt activeert bepaalde schema’s/categorieën.Stuvia. bepalen onze schema’s waar we op letten (bijvoorbeeld sekse. Voor een deel is dit ook een priming-effect: dat wat we verwachten te zien. en valt dus op. Ook het zelf-schema kan hierbij van invloed zijn. en hoe groter de kans dat het opvalt. er wordt gedachteloos mee ingestemd zonder naar de reden te luisteren.) en hoe deze informatie wordt gecategoriseerd. Zelf-schema’s kunnen interpretaties van het gedrag van anderen dus beïnvloeden via zelfschematische eigenschappen. maar ook scripts en zelf schema beïnvloeden de interpretaties van het gedrag van anderen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal afwijkende informatie treedt vooral op bij sterk geautomatiseerde handelingen die we gedachteloos kunnen uitvoeren (zoals lezen). Dit hele verhaal over stereotypen en toegankelijke constructen. Bij een klein verzoek maakt het bijvoorbeeld niet uit wat de reden is. Er zijn twee soorten schema-relevante informatie: schema-consistente en schemainconsistente informatie. het stereotype. als alle 4 de docenten dezelfde mening hebben en alle 4 de studenten ook dezelfde mening hebben. De fit is zwak. de andere 2 docenten en 2 studenten. Dit komt weer voort uit perceptual readiness: je ziet wat je verwacht te zien a. huidskleur. etc.v. hoe strijdiger met de verwachting.d. Hoe groter de afwijking. Dit wijkt namelijk af van de verwachtingen. zorgt ervoor dat bepaalde kenmerk al verhoogd geactiveerd zijn. Daarnaast is er ook nog schema-irrelevante informatie. is alleen van invloed als het gedrag op meerdere manieren kan worden geïnterpreteerd. Dit levert een betere herinnering op dan wanneer de losse elementen zonder organisatie onthouden moeten worden. kan dit de verdere encodering beïnvloeden. Hier is het verschil alleen dat we bepaalde dingen gewoon helemaal niet opmerken. Als je bijvoorbeeld een vrouwelijk persoon ziet tussen een groep mannen. (2) Encoderen. Als een persoon eenmaal gestereotypeerd is. Deze categorisatie is vooral bruikbaar als er een sterke fit is met de uitspraken van de verschillende personen. de auto waarin de persoon rijdt. krijgen de verschillende elementen een ordening die overeenkomt met de ordening binnen het schema. beroep. maar ook via eigenschappen die men in zichzelf ontkent of onderdrukt (omdat deze dan juist toegankelijker worden).

Het invullen van de default-opties gebeurt tijdens het encoderen. d. We hoeven alleen te elaboreren als de informatie die we waarnemen niet met onze schema’s overeenkomt. Schema’s beïnvloeden dus óf we attributies maken. Schema’s maken de informatieverwerking dus makkelijk. De andere groep had geen informatie vooraf gehad. verwijderen we dit gewoon uit ons systeem. leveren schema’s de ‘default’-waarden waarmee de ontbrekende waarden kunnen worden ingevuld. Op het moment dat bepaalde informatie een geactiveerd schema tegenspreekt. Als er dus ‘missing values’ zijn. Elaboratie kan op veel manieren plaatsen. en kon zich dus naderhand veel minder herinneren van het verhaal. maar ze leiden juist tot een onderbreking wanneer de informatie het schema tegenspreekt. maar op basis van de impliciete persoonlijkheidstheorie ook van eigenschap naar eigenschap (hij is onafhankelijk.com . maar ze beïnvloeden ook wélke attributies we maken. Daarnaast doen stereotypen dit ook: zodra we weten tot welke groep iemand behoort.v. dus waarschijnlijk ook eerlijk en zelfverzekerd). bestaande kennis. Meestal gaat het dan ook om kenmerken die op dat moment niet zo belangrijk zijn. Dit nemen we aan zolang we geen verdere informatie hebben. We proberen namelijk altijd nog een dusdanige oorzaak te vinden die ervoor zorgt dat we ons schema nog wel in stand kunnen houden.: bedenken dat een van de moeders misschien de hand heeft gehad in de selectie van boodschappen) en het leggen van verbanden tussen de verschillende dingen die men weet over een stimulus (vb. Dus: schema’s bevorderen de snelheid van informatieverwerking – vergeleken met situaties waarin we geen schema hebben over een stimulus –. Dit gebeurt dus van persoon naar categorie. zonder verdere gevolgen. omdat de schema’s losser zijn georganiseerd. De ene groep kreeg van te voren te horen welk stereotype bij de stimuluspersoon hoorde en kon die informatie dus veel sneller verwerken waardoor er tijd overbleef om alle andere details van het verhaal te onthouden.: mogelijk verband tussen de aanschaf van fruit en een ontgroening).: een groep studenten die opvallend stil boodschappen doet). Dit bepaalt bijvoorbeeld ook of we inconsistent gedrag van een persoon bij de persoon zelf zoeken of als oorzaak van de omgeving. Het effect van scripts op ontbrekende gaten is groter dan dat van schema’s over personen. Komt de informatie wel overeen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Scripts zijn vooral de schema’s die de gaten in informatie opvullen.m. Schema’s kunnen op een later tijdstip een invulling geven aan ontbrekende informatie. kunnen we allerlei kenmerken van die persoon invullen. zodat we onze aandacht op meer ingewikkelde informatie kunnen richten. dan kunnen we deze zeer snel en automatisch verwerken.Stuvia. Dit kost vaak enkele milliseconden. Als uit verdere informatie blijkt dat de relatie tussen twee eigenschappen niet klopt. In een experiment kregen twee groepen een verhaal te horen. worden er causale attributies opgeroepen (waarom gebeurde dat?). zoals het maken van attributies (vb. Schema-inconsistente informatie doorbreekt dus het automatisme van encoderen en zorgt ervoor dat we overschakelen naar een meer gecontroleerde manier van denken die meer cognitieve capaciteit vergt (vb. Uitzonderingen: (a) als een schema over een individu wordt tegengesproken. (3) Elaboratie. diskwalificeren we dat 34 .

wordt vooral schema-consistente informatie onthouden. 35 . In een schema over een persoon. Informatie wordt beter onthouden als men: .v. waardoor je herinnering beter wordt. maken we óf een externe attributie.over de informatie heeft geëlaboreerd. Er is namelijk variabiliteit in stereotypen. Door deze twee soorten schema’s kan dus altijd inconsistente informatie worden verwerkt. . . zodat associatieve verbindingen in het geheugen zijn ontstaan. óf we vinden het stereotype-afwijkende gedrag juist heel informatief over de persoon. als informatie daarmee in verband wordt gebracht. . Als dit niet zo is. Dit geldt echter weer niet voor mensen die een chronisch toegankelijk construct hebben over de eigenschap waarop de inconsistentie betrekking heeft (zowel consistente als inconsistente informatie wordt snel verwerkt) of mensen die een expert-schema hebben over de betreffende stimulus (dit schema is zo rijk en gedifferentieerd dat er veel verschillende soorten informatie in passen). De waarnemer moet er ook toe gemotiveerd zijn om na te denken over de inconsistentie. De inconsistente informatie wordt in dit geval niet beter onthouden. Als informatie inconsistent is met een stereotype. Het superior-recall effect is dat inconsistente informatie beter wordt onthouden.com . ongeacht tijd/aandacht. . Inconsistente informatie raakt. dan zul je proberen het inconsistente gedrag in verband te brengen met andere dingen die je weet over de persoon. maar wordt het niet als probleem gezien. Hij/zij moet tijd en aandacht hebben om te kunnen elaboreren. Hierbij wordt achteraf op een dusdanige manier over iemand nagedacht dat het bestaande schema wordt versterkt. en hoeven we dus niet ons hele schema te verwijderen. Zo ontstaat een subschema. is afhankelijk van een aantal factoren: .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal schema en maken we een ‘persoon x situatie’-attributie. doordat het elaboratie oproept. Er wordt dan vooral gekeken naar schema-consistente informatie i.de waarnemer moet in staat zijn na te denken over de inconsistentie. bestaat de kern uit de belangrijkste kenmerken. hoe beter de informatie kan worden teruggevonden. (4) Herinnering. inconsistente.de informatie dusdanig heeft geëncodeerd dat deze is verankerd in reeds bestaande schema’s. Over het algemeen kunnen we informatie dus ook beter onthouden. Het superior-recall effect is dus zwakker bij stereotypen dan bij impressies. (b) Als het gedrag van een persoon afwijkt van een stereotype. of als de informatie relevant is voor het zelf: het self-reference effect.de aard van het schema waarmee de informatie inconsistent is: gaat het schema over één individu (impressie) of over een groep (stereotype). geassocieerd met de kern én met andere schemarelevante (zowel inconsistente als consistente) informatie.Bolstering verzwakt het superior-recall effect juist. Als een persoon afwijkt van het schema over die persoon. Daaromheen wordt consistente informatie gekoppeld. trekt het wel de aandacht.p. wanneer we gebruik hebben gemaakt van een schema. Ook het zelf-schema kan de herinnering bevorderen.er tijdens de waarneming veel aandacht aan heeft besteed. omdat het ‘out-of-role’ is.Stuvia. Hoe meer associatieve paden.

Dat schema’s achteraf gaten opvullen.com . blijkt door schema-gestuurd gokken te komen. De effecten van schema’s op een herinneringstaak weerspiegelen een retrievalmechanisme en niet een encoding-mechanisme: ze zeggen weinig over de manier waarop de informatie in eerste instantie is verwerkt. Ook certainty orientation: de behoefte zekerheid te hebben over dingen. hoe beter de herinnering aan inconsistente informatie. Schema’s kunnen ook achteraf gaten in informatie opvullen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Alléén bij bolstering is er sprake van een betere herinnering van consistente informatie. Het kan ook gebeuren dat de volgorde van gebeurtenissen in de herinnering verandert.Stuvia. zodat ze beter bij dat script passen. Als hiervoor wordt gecorrigeerd. Dat we in gecuede herinneringstaken meer consistente informatie herinneren. gebeurt vooral bij herinneringstaken die diep ingaan op een voorafgaande situatie. zul je je na een tijdje vaak alleen nog de informatie uit het verhaal herinneren die overeenkwam met dat stereotype. terwijl je normaal gesproken altijd met iemand anders gaat). treedt dit effect niet op. Hoe sterker deze behoefte. Inconsistente beschrijvingen worden minder vaak herkend. Script-gestuurde aanvullingen (bij gebeurtenissen) worden zowel tijdens de encodering als tijdens de retrieval gemaakt. Soms herinneren we ons zelfs dingen die helemaal niet gebeurd zijn. doordat iemand anders erover heeft verteld. Dit kan van groot belang zijn in bijv. Je ziet bijvoorbeeld eerst een ambulance en daarna een verkeersongeluk. Dit gebeurt vaak als je je iets moet herinneren (herinneringstaak). Bijvoorbeeld need for cognition: de behoefte en de neiging na te denken over wat men waarneemt. hoe zwakker het superior-recall effect. Als in een herinneringstaak ná een beschrijving een stereotype wordt geactiveerd (die wordt verteld door de onderzoeksleider). Schema-consistente beschrijvingen worden relatief vaak herkend. is er geen verschil meer met vrije herinneringstaken. Ook dit is in rechtszaken weer van groot belang. We herinneren ons dat. en er niet goed tegen kunnen als dingen onduidelijk zijn. maar zorgen er ook voor dat elementen uit een gebeurtenis worden geherorganiseerd in overeenstemming met het script (bijvoorbeeld eenmalig met een vriend naar de bioscoop. Ze vullen niet alleen gaten op.individuele verschillen. . Je herinnering is dus bijgesteld. rechtszaken. Dit zou kunnen komen doordat zij meer aan bolstering doen. waarbij een schema wordt geactiveerd. omdat deze informatie overeenkomt met het bijbehorende schema. Als er slechts om bijvoorbeeld een mening over die situatie wordt gevraagd. Je zou je dan daarna kunnen herinneren dat je eerst het verkeersongeluk zag. Hoe sterker deze behoefte. In alle andere gevallen wordt inconsistente informatie beter herinnerd. Dit komt niet alleen door de 36 . Dat is soms onterecht. maar worden dat nu wel. omdat ze niet in het schema passen. De twee situaties waren oorspronkelijk niet aan elkaar gerelateerd. en daarna de ambulance. om tot afgeronde conclusies te komen.

Ook kunnen ze leiden tot een bepaalde benaderingsreactie. des te strenger worden ze beoordeeld op het moment dat ze hier niet aan voldoen. Tegen bejaarden praten we bijvoorbeeld wat harder dan normaal. en handelen naar die oorzaak.com . (6) Gedrag. Schema’s kunnen ook rechtstreeks gedrag oproepen. zo doen ze dat bij onszelf ook. Het vertellen van zo’n herinnering is al genoeg. We kunnen namelijk op deze manier de verkeerde eigenschappen bij een persoon bedenken. Ze helpen ons tijdens de gebeurtenis alle feitjes te organiseren. Schema’s over individuen en groepen kunnen leiden tot self-fulfilling prophecy 37 . Door toegankelijke constructen. We onthouden vaak onze eigen oordelen en conclusies. Daarnaast helpen ze ons via onze impliciete persoonlijkheidstheorie de link te leggen naar andere eigenschappen. Dit kan natuurlijk wel leiden tot beoordelingsfouten. Ook het gebruik van stereotypen kunnen leiden tot beoordelingsfouten. Een ander voorbeeld is ideo-motor-gedrag. waardoor we veel makkelijker een oordeel kunnen vellen. Schema’s kunnen in eerste instantie helpen om on-line een oordeel te vellen. We zien bijvoorbeeld een persoon die valt. Juist dit geeft de doorslaggevende invloed op indrukken van personen die tot een bepaalde categorie behoren. Schema’s helpen ons rekening te houden met de gevoelens van anderen. zijn sterk beladen met een positief of negatief affect. Scripts en stereotypen hebben een normatieve component. Dit affect zal de verdere beoordeling van de persoon in hoge mate beïnvloeden. Schema’s kunnen ook het gedrag beïnvloeden door het affect dat het s chema oproept. Bijvoorbeeld het schema agressie.Stuvia. Ook stereotypen en individu-schema’s kunnen hier handig zijn. Als dit wordt geactiveerd. Zo vinden we een Mexicaan eerder schuldig dan een Amerikaan. bedenken ons wat de waarschijnlijke oorzaak daarvan is (hartaanval of dronken). een standaard waaraan mensen behoren te voldoen. Dit kan zelfs gebeuren als we al aan deze persoon (of een bepaalde eigenschap) denken. Dit gaat automatisch. dus is niet goed controleerbaar. En hoe meer mensen aan deze standaard moeten voldoen. Zoals schema’s de beoordeling van andermans gedrag beïnvloeden. Schema’s kunnen het gedrag ook via attributies beïnvloeden. (5) Beoordeling. Als een persoon negatief affect oproept. kan de beoordeling beïnvloeden. stereotypen en schema’s kunnen we alle informatie samenvatten. Ook het affect bij een persoon die sterk lijkt op iemand anders.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal invloed van schema’s. Dit betekent dat we het gedrag van anderen gedachteloos imiteren. Dit gedrag is dan aan het schema gekoppeld. wordt een bepaalde gedragsreactie in verhoogde activatie gebracht. Sommige schema’s. zul je daar ver vandaan blijven. We houden rekening met wat anderen van ons verwachten. waardoor de kans groter wordt dat mensen dit gedrag ook echt gaan uitvoeren. en niet de feiten waarop die oordelen zijn gebaseerd. Door verschillende uiterlijke kenmerken kunnen we personen snel in een hokje plaatsen. vooral stereotypen.

omdat de andere persoon aan je verwachtingen wil voldoen. Ook als een kenmerk je door iemand anders wordt toegeschreven. terwijl hij zelf geen kans krijgt om iets anders te vertellen en dat beeld te ontkrachten. Stereotypen kunnen zichzelf dan op den duur bevestigen. Als het kleine verzoek consistent is met het grote verzoek. Het zelf-schema creëert zelf-consistent gedrag. waardoor we later ook instemmen met een groot verzoek. neem je dit op in je zelfbeeld en probeer je je daarnaar te gedragen. Door in eerste instantie in te stemmen met een klein verzoek. is het deel wat instemt nog veel groter. 38 . Je stelt aan een boekhouder op een feestje bepaalde vragen. omdat dat zorgt voor een goed zelfbeeld. waardoor het beeld van hem wordt versterkt. waardoor de verwachting niet doorbroken wordt.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (kinderen op school behandelen als laatbloeiers  kregen zoveel aandacht dat ze ook echt beter gingen presteren). Het foot-in-the-door-effect heeft hiermee te maken. gaan ze zich zelf ook agressief gedragen. De self-fulfilling prophecy werkt ook via vragen stellen. verandert het zelfbeeld.Stuvia. Daardoor zullen we altijd proberen ons te gedragen naar hoe we onszelf zien en willen zijn. Ook het gedrag van de waarnemer wordt door sociale regels beïnvloed. Dat is een soort ongeschreven regel. Het ideo-motor-effect kan ook bijdragen aan de self-fulfilling prophecy: als mensen van een zwart persoon verwachten dat deze agressief is. waardoor de zwarte persoon inderdaad agressief wordt. We willen ons gedragen naar ons zelf-schema. Hierin worden je verwachtingen vaak bevestigd. Dit lijkt op de confirmation bias.com .

De uiteindelijk verklaring voor het optreden van ingroup-favoritisme in de ‘minimale groepen’-situatie werd gevonden in de sociale identiteitstheorie (Tajfel). Categorisatie zorgt er dus voor dat we het ding an sich niet helemaal waarnemen zoals het is: de kenmerken van en stimulus worden geassimileerd naar de categorie waartoe de stimulus hoort. Hiervoor zijn verschillende verklaringen. terwijl de groepen eigenlijk op niets zijn gebaseerd. Je kunt iemand bekijken tegen een achtergrond van je stereotypen van een groep. maar niet noodzakelijk. Alleen het naampje bij een groep te horen.Stuvia. zowel met personen als andere stimuli (bijv. blijkt er al rivaliteit te ontstaan. We hebben een natuurlijke neiging om alles wat we zien in te delen in categorieën. was al genoeg. er zal altijd een categorie ontstaan waar je zelf ook bij hoort: ingroup versus outgroup. en ieder lid daarna anoniem punten moet verdelen tussen het eigen team en het andere team. Zo zou het label ‘man’ versus ‘vrouw’ ertoe leiden dat verschillen in lengte tussen mannen en vrouwen worden overschat.1 Inleiding Stereotypen bestaan uit algemene regels en kenmerken van een prototypisch persoon en daarnaast een aantal specifieke voorbeelden. Ingroup-favoritisme kan worden ondermijnd door de aanwezigheid van een gemeenschappelijke vijand.2 Categorisatie: de oorsprong van stereotypen Op basis van schema’s die in een bepaalde situatie worden geactiveerd. Mensen vinden hun eigen groep vaak beter.com .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 5: Stereotypen Pagina 195 t/m 248 5. en gecontrasteerd met andere categorieën. Als een groep mensen op willekeurige wijze in twee groepen worden verdeeld. voedsel of meubilair). maar het verschijnsel blijkt ook vaak op te treden bij een vergelijking tussen groepen die een gelijke status hebben of zelfs wanneer de ingroup minder macht heeft dan de outgroup. Een andere verklaring is de conflict-of-interest-theorie (Sherif) die stelde dat vijandigheid tussen groepen wordt veroorzaakt door tegenstrijdige belangen (kamp met twee groepen jongens). In de meeste gevallen categoriseren we onvermijdelijk ook onszelf. Er zijn hierbij twee verschillen: centrale tendentie en waargenomen variatie. Een belangentegenstelling is voldoende voor het ontstaan van wederzijdse vijandigheid tussen groepen. 5. Mensen zijn gevoelens van frustratie en agressie afreageren op leden van andere groepen. heeft dat direct gevolgen. De neiging tot categoriseren staat aan de basis van stereotypen. of je kunt iemand als individu zien en daar een impressie van vormen. Ingroup-leden worden bevoordeeld als het gaat om de verdeling van middelen: ingroup-favoritisme. Zodra een persoon in een 39 . We zijn geneigd de verschillen tussen categorieën te overschatten en de verschillen binnen categorieën te onderschatten. Zo brengen we ordening in één grote chaos van stimuli. Zodra we beginnen met categoriseren. Hoe je de wereld ook indeelt. delen we personen in een bepaald hokje in.

kan men het standpunt van de outgroup diskwalificeren: ‘zij lijken op elkaar. Door de outgroup te devalueren kunnen ze hun zelfwaardering tijdelijk oppeppen. en daarna vormen we pas een stereotype. en om negatief gedrag van ingroup-leden juist in meer specifieke termen te beschrijven. waardoor de heterogeniteit groter wordt. . . Het is echter niet zo dat meer contact met een groep het outgroup-homogeniteits-effect altijd ongedaan maakt.v.’ 40 . voordat we de individuele leden van de groep leren kennen. Bij ingroup-favoritisme kunnen ook attributie-vertekeningen optreden. en v. . Dit effect is veel zwakker bij kunstmatige groepen. Stereotypen over de ingroup zijn juist vaak instance-based: we kennen (een deel van) de leden van de groep. Ondanks het vele contact denken mannen bijvoorbeeld onderling meer te verschillen dan vrouwen. Er zijn dus nog andere factoren.We horen zelf tot de ingroup en zien onszelf sowieso als uniek en anders dan alle andere mensen. bouwt deze persoon gelijk een sociale identiteit op (het deel van het zelfbeeld dat wordt ontleend aan het lidmaatschap van een bepaalde sociale categorie). maar we benadrukken de verschillen tussen leden als we zelf tot een categorie (gaan) behoren. Het outgroup-homogeniteitseffect betreft de variabiliteit van stereotypen..com . Volgens de theorie streven mensen naar een positieve sociale identiteit: ze willen een gevoel van zelfwaardering ontlenen aan de groepen waartoe ze horen. Door aan te nemen dat de leden van de outgroup sterk op elkaar lijken. Abstractionbased is vaak homogener dan instance-based. Daardoor hebben ingroup en outgroup veelal verschillende meningen. Mensen schatten de variatie binnen hun eigen groep hoger in dan binnen andere groepen. maar dat is uitzonderlijker omdat we zoveel van elkaar verschillen. Daarom proberen ze hun eigen groep positief te onderscheiden van de andere groep. Mensen maken ook gebruik van negatieve stereotypen over minderheden wanneer hun gevoel van zelfwaardering wordt bedreigd. Een andere uitingsvorm van ingroup-favoritisme is de linguistic intergroup bias: mensen zijn geneigd om positief gedrag van ingroup-leden in meer abstractere termen te beschrijven dan hetzelfde gedrag van outgroup-leden. Normaal overschatten we dus de overeenkomsten tussen leden van een bepaalde groep.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal team is ingedeeld. We hebben over de ingroup een veel complexer schema met veel meer subgroepen dan over de outgroup. Er zijn verschillende oorzaken: .Vaak.We hebben vaak veel meer kennis over onze eigen groep. dan bij echte bestaande groepen. dus is het logisch dat ze allemaal dezelfde mening hebben.Er zijn vaak belangentegenstellingen tussen groepen. gaan we verschillen tussen die leden zien. De outgroup wordt dus als homogener gezien.Stereotypen over de outgroup zijn vaak abstraction-based: we kennen vaak eerst de algemene abstractie. Wij hebben ook eenzelfde mening binnen de groep. als we meer contact krijgen met leden van een andere groep. .Stuvia. Hierdoor nemen we aan dat er heel veel verschillen zijn binnen onze eigen groep.

spreken we van discriminatie. is er nog een ander verschijnsel dat ertoe leidt dat deze stereotypen vaak negatief zijn.3 Activatie van stereotypen Er is sprake van stereotypering als we een persoon waarnemen en beoordelen volgens het stereotype waartoe die persoon hoort. Groep B (12 p. dan kan het de beoordeling ook niet beïnvloeden. Zouden we groep B het label ‘autochtoon’ geven. doordat de distinctieve informatie in overeenstemming is met de verwachting. Gebeurt dat niet. 24 positieve en 12 negatieve beschrijvingen: iedereen beoordelen. Wanneer het specifiek gaat om stereotypen over minderheden. Het illusoire correlatie effect kan negatieve stereotypen over minderheden niet alleen veroorzaken. en (b) negatief gedrag minder vaak voorkomt dan positief gedrag. Dit verklaart negatieve stereotypen over minderheden. distinctieve stimuli zijn aan elkaar gekoppeld) of shared infrequency (twee dingen die allebei weinig voorkomen vallen samen). waardoor ze verankerd zijn in ons hoofd en ze 41 . is dat opvallend. De oorzaak van dit effect is dat de leden van groep B en de negatieve beschrijvingen beide in de minderheid zijn. omdat (a) men in het algemeen minder vaak leden van minderheden dan van meerderheden tegenkomt. andere diersoorten) en op het microniveau van individuen (zelf vs. wordt overschat. namelijk het illusoire correlatie-effect. Automatische activatie Devine zegt dat stereotype automatisch en oncontroleerbaar zijn. moet deze eerst geactiveerd zijn.com . Om een stereotype te kunnen gebruiken. Mensen nemen een verband waar tussen het groepslidmaatschap (A of B) en de kenmerken van de groepsleden. Op microniveau is er sprake van een onderschatting van de variatie binnen andere personen: we zien onze eigen persoonlijkheid als meer gevarieerd dan die van anderen. Er is sprake van paired distinctiveness (twee opvallende.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Het outgroup-homogeniteits-effect treedt ook op op het macroniveau van soorten (mens vs. maar de stereotypen ook bevestigen en versterken als ze eenmaal bestaan. dan is het effect heel zwak of helemaal niet aanwezig. Het voorgaande verklaart waarom veel stereotypen een negatieve lading hebben. We zijn geneigd het verschil tussen mens en dier te overschatten en de verschillen tussen andere diersoorten te onderschatten. wordt het effect versterkt. Proefopzet: Groep A (24 p. Als in het voorgaande experiment groep B het label ‘allochtoon’ krijgt. Dagelijks worden culturele stereotypen bevestigd. Als de stereotypering ook tot uiting komt in het gedrag doordat verschillende groepen verschillend worden behandeld. Het illusoire correlatie effect wordt versterkt door de bestaande verwachtingen die men heeft over een groep. In dit experiment spreken we van distinctiveness-based illusory correlation: het aantal leden van een minderheidsgroep die een kenmerk hebben die weinig voorkomt. andere personen).). Als die twee dus samen komen. Dat verband is in feite helemaal niet aanwezig.Stuvia. 5.). Hier is sprake van een onderschatting van de variatie tussen leden van een andere groep.

Het doel waarmee je informatie verwerkt is bepalend voor stereotype-activatie. Mensen zijn in het dagelijks leven eigenlijk altijd bezig met persoonswaarneming en er zijn dus ongewone experimentele ingrepen nodig om te bereiken dat personen ergens anders op letten. (2) Er wordt één stereotype geactiveerd ten koste van de andere. worden andere mogelijke stereotypen juist minder actief dan onder normale omstandigheden. Bij het zien van een zwarte man.com . Het verschil tussen laag. Welke het meest overheerst. Hoe toegankelijker.Stuvia. De toegankelijkheid van stereotypen heeft hier ook mee te maken. zal het stereotypen vrouwen opkomen. maar bij het zien van een witte vrouw. Welke normen je ook handhaaft. dat van tevoren al door de omgeving in verhoogde activatie verkeerde. Een doel dat niets te maken heeft met persoonswaarneming leidt niet tot activatie van een stereotype. zit hem dan ook niet in de activatie van stereotypen. Zodra deze mensen cognitief worden belast. is dit dus het eerste wat wordt geactiveerd. Ze lachen dan bijvoorbeeld om een racistische grap. zorgt ervoor dat een bijbehorend stereotype wordt geactiveerd. blijkt dat ze dit niet meer zo goed kunnen.of hoogbevooroordeeld zijn. De stereotype-activatie is dus niet volledig automatisch. hoe makkelijker geactiveerd. 42 . Alles wat hiervan afwijkt. De ‘default’-optie van ‘een persoon’ blijkt een witte. We stereotyperen en categoriseren juist om het onszelf makkelijker te maken. Normaal gesproken zullen stereotypen dus altijd geactiveerd worden. hoewel er wel een persoon waargenomen wordt. heteroseksuele man te zijn van een jaar of 30-40. zal het stereotype zwarte mensen opkomen. Uit deze onderzoeken blijkt echter dat stereotypen worden geactiveerd in die omstandigheden waarin men gericht is op het waarnemen van personen – en dat zijn natuurlijk dezelfde omstandigheden waarin de negatieve effecten van stereotypen zich kunnen wreken. wordt bepaald door de omstandigheden. Dit is echter hoogst onwaarschijnlijk. Meerdere categorieën of één tegelijk? Wat gebeurt er als je iemand op meerdere manieren kan stereotyperen? Er zijn ruwweg twee mogelijkheden: (1) We activeren alle relevante stereotypen. Daar komt nog bij dat sommige stereotypen wel eens tegengestelde implicaties kunnen hebben. Ook bleek dat het niet-geactiveerde stereotype werd onderdrukt: wanneer een stereotype wordt geactiveerd. Bij laag-bevooroordeelde mensen worden stereotypen dus ook geactiveerd. namelijk dat stereotypen automatisch en oncontroleerbaar zijn. Op de eerste claim. maar deze mensen proberen de stereotypen zoveel mogelijk te onderdrukken. is een uitzondering. maar in het gebruik ervan. Dit proces zou voor iedereen gelijk zijn.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal geactiveerd worden wanneer we een persoon zien die in een bepaalde categorie hoort. Uit onderzoek blijkt dat het stereotype wordt geactiveerd. bij iedereen worden dezelfde stereotypen automatisch geactiveerd wanneer ze een (lid van een) bepaalde groep waarnemen. Als we het woord ‘persoon’ horen.

Wat activeren we precies? Wanneer we een stereotype activeren. maar er wordt ook een algehele goed-slecht-evaluatie over die groep geactiveerd. Eigenschappen waarvan de centrale tendentie in een categorie hoog en de variabiliteit laag is. 5. De activatie van vooroordelen We activeren. Welke eigenschap associëren we dan het sterkst met een categorie? Hierbij zijn centrale tendentie en variabiliteit van belang. bijvoorbeeld doordat het stereotype onderdrukt wordt. Als een stereotype wel gebruikt wordt. Kenmerken die tegenstrijdig zijn met het stereotype. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat vooroordelen misschien veel meer invloed hebben op onze oordelen en ons gedrag tegenover anderen dan descriptieve stereotypen. (3) een stereotype wordt niet gebruikt. activeren we eigenlijk die kenmerken die met een categorie geassocieerd zijn. niet alleen stereotypen over bepaalde eigenschappen.88m wordt als normaal gezien. zodat het oordeel juist naar de andere kant schiet.88m wordt nog langer geschat. 43 .4 Het gebruik van stereotypen Activatie van een stereotype betekent niet meteen dat stereotypering ook plaatsvindt. Ook distinctiviteit is van belang.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Stereotypen kunnen ook tijdelijk toegankelijk worden door een bepaalde situatie of context.88m als even lang gezien als een man van 1. zal er geen associatie gemaakt worden. kan dat verschillende effecten hebben: . zijn het sterkst geassocieerd met een categorie. en/of de centrale tendentie laag. Er zijn dus 3 mogelijke effecten van stereotypen op beoordelingen van een individu: (1) een stereotype wordt gebruikt en leidt tot assimilatie. bij het waarnemen van een persoon. worden juist onderdrukt. In geval (3) wordt een vrouw van 1. hoe groter de kans dat het zien van een groepslid leidt tot activatie van dat kenmerk. De evaluatieve component noemen we een vooroordeel. Hoe sterker de associatie. maar een vrouw van 1. .com . Tenslotte zijn er ook nog individuele verschillen in de inhoud van stereotypen.contrast: de informatie over een persoon wordt gezien als afwijkend van het stereotype. Bijvoorbeeld een man van 1. en dus in de kenmerken die worden geactiveerd. Dit gaat bijvoorbeeld om hoe negatief een stereotype is. Hierin zitten wel grote individuele verschillen. Een eigenschap wordt met een groep geassocieerd wanneer die eigenschap beter bij de groep past dan bij één of meer andere groepen waarmee deze groep vaak wordt vergeleken.Stuvia. (2) een stereotype wordt gebruikt en leidt tot contrast.assimilatie: de informatie over een persoon wordt zodanig waargenomen dat deze convergeert met het stereotype. Er is dus zowel een descriptieve als een evaluatieve component bij stereotypen. Wanneer de variabiliteit hoog is.88m.

van het herkennen van een grote meerderheid van aangeboden objecten. dan bleek het succesvolle resultaat vaker aan toeval toegeschreven te worden als de stimuluspersoon een vrouw was. De kwaliteit van een essay wordt vaak hoger ingeschat als men denkt dat een man het heeft geproduceerd. Je kunt zelfs stellen dat assimilatie/stereotypering de meest gebruikelijke vorm van waarneming is. Informatie over een persoon wordt zodanig geïnterpreteerd dat het past bij het stereotype. een grotere inspanning of zelfs bedrog. was beïnvloed door capaciteit dan wel toeval. en mislukkingen vaker aan gebrek aan capaciteit en mislukkingen van de man vaker aan de moeilijkheid van de taak. Dit gebeurt bijvoorbeeld als een situatie op meerdere manieren geïnterpreteerd kan worden. dan wanneer een vrouw het heeft geproduceerd. Bij de herkenning van huishoudelijke artikelen trad het omgekeerde effect niet op. Als de reeks gereedschap betrof. Het kost een persoon meer inspanning om iemand waar te nemen zonder gebruik te maken van stereotypen of andere schema’s. Het lijkt bijvoorbeeld zo te zijn dat een negatiever oordeel over de prestatie van een vrouw vaker voorkomt naarmate men minder informatie heeft over het gedrag van de persoon. Hoe minder informatie er is.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Assimilatie: wanneer stereotypen overheersen Assimilatie-effecten kunnen optreden in verschillende deelaspecten van het informatieverwerkingsproces. Als de stimuluspersoon een man was. Om informatie te kunnen categoriseren. Hierdoor zou je af kunnen leiden dat: hoe meer informatie. kan extra informatie stereotypering juist versterken. Mensen zullen dus eerder vertrouwen 44 . Ook is het zo dat door de extra informatie. want hoe minder informatie. Informatie wordt zodanig geïdentificeerd en aangevuld dat deze past bij het stereotype over de betreffende categorie. Als de beschikbare informatie echter irrelevant is voor de beoordeling. hoe groter de kans dat een stereotype-afwijkende gebeurtenis verklaard kan worden. Niet alleen de ambiguïteit. hoe meer interpretatieruimte er overblijft. Eigenlijk is er hier sprake van pseudo-informatie: informatie waar de waarnemer in feite niet heeft. hoe minder stereotypering.com . hoewel irrelevant. maar ook de hoeveelheid informatie is van belang. Dat proces kan volledig onbewust zijn en ook zeer diffuus. maar alleen iets aan dénkt te hebben. Een geactiveerd stereotype zorgt voor een ‘prime’ waar informatie naartoe wordt getrokken. moet er echter wel voldoende interpretatievrijheid zijn. werd het vaker aan capaciteiten toegeschreven. In een ander experiment werden succesvolle prestaties van een vrouw vaker toegeschreven aan geluk. Een voorbeeld van de invloed van stereotypen op identificatie: een ambigue schouderklop wordt eerder gezien als teken van agressie als de betrokkene een zwarte man is. Een voorbeeld van de invloed van een stereotype op attributies: er werd gevraagd in hoeverre de prestatie.Stuvia. de subjectief ervaren beoordeelbaarheid groter wordt. Mensen worden dus minder terughoudend in hun beoordeling. Ook de uiteindelijke beoordeling van personen wordt beïnvloed door stereotypen.

is er geen sprake van assimilatie. Contrast-effecten kunnen soms wel positief uitpakken voor de betrokkene.informatie over persoonlijkheidstrekken. .Veel stereotypen hebben een normatief element. noch van contrast.v.Een contrast-effect impliceert vaak een extreem oordeel. is dat deze onderzoekers verbaasd zijn dat mensen uiteindelijk toch hun oordeel op de beschikbare informatie baseren. wat leidt tot meer correspondente gevolgtrekkingen. Zulk ‘mannelijk’ gedrag van vrouwen wordt opvallend gevonden.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal op hun stereotypen als hun cognitieve capaciteit onder druk staat of als ze niet erg gemotiveerd zijn zich een accuraat beeld te vormen van een persoon. stereotypen. doordat het gewoonlijk een overmatige dosis van een bepaald kenmerk impliceert  teveel van het goede: zelfvertrouwen leidt dan bijvoorbeeld tot arrogantie. beroep of uiterlijke kenmerken.com . Wanneer stereotypen geen invloed hebben Hierbij is noch sprake van assimilatie. De invloed van sekse-stereotypen kan teniet gedaan worden door: . Uit onderzoek bleek dat mensen wel degelijk verwachtingen hebben a. Dit geldt voor zowel mannen als vrouwen.Stuvia. . Een donkere man met een bepaald cv kan als bekwamer worden gezien dan een blanke man met hetzelfde cv. maar juist van het overdrijven van niet-vrouwelijke eigenschappen (contrast). De gevonden krachtige effecten van een gedragsbeschrijving bleken vooral op te treden wanneer het oordeel dat gegeven moet worden sterk gerelateerd (diagnostisch) is aan de beschrijving. irrelevante beschrijving kregen een persoon.d. en wordt daarom niet aangepast aan een geactiveerd stereotype. dat deze verwachting inderdaad hun oordelen beïnvloedde (assimilatie) wanneer ze alleen een niet-informatie. Sekse-stereotypen bevatten bijvoorbeeld niet alleen verwachtingen over gedrag. Het stereotype fungeert in dit geval als beoordelingsstandaard: een achtergrond waartegen de persoon wordt afgezet. Vaak pakken ze echter negatief uit. niet 45 . Een vrouw wordt bijvoorbeeld extreem assertief. maar ook normen over hoe zij zich behoren te gedragen. Diagnostische informatie is (a) duidelijk. zoals initiatiefrijk en kordaat. Een van de belangrijkste kritiekpunten op deze resultaten. maar daar juist tegen gecontrasteerd. Daardoor zullen contrast-effecten vaker negatief dan positief uitpakken. Contrast: wanneer stereotype-inconsistente informatie het oordeel overheerst Van een vrouw (Ann Hopkins) wordt er normaal gesproken verwacht dat ze meegaand en passief is. Als echter de niet-vrouwelijke eigenschappen worden benadrukt. Een extreem oordeel is vaker negatief dan een gematigd oordeel. Een assertieve vrouw wordt ook als assertiever beoordeeld dan een assertieve man. status. om 2 redenen: . Te veel van iets positief wordt dus al snel negatief. maar dat de beschrijving van één enkele informatieve gedraging voldoende was om te bereiken dat het stereotype de oordelen niet meer beïnvloedde.gedragsbeschrijvingen. Het gedrag is ‘out-of-role’.h.

maar niet wanneer de vraag is of iemand optimistisch is. vergeleken met andere informatie die men over de persoon heeft.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal ambigu en (b) sterk gerelateerd aan datgene wat men wil weten. Vaak hebben we het meeste aan verschillende kenmerken van een persoon die samen moeilijk te categoriseren zijn. Een stereotype kan op dezelfde wijze meer of minder diagnostisch zijn voor een bepaald oordeel. verliest de ander. wanneer we ons afhankelijk voelen van de persoon. Een persoon kan als lid van een bepaalde groep waargenomen worden. Daarom wordt individuatie ook wel piecemeal integration genoemd. De informatie die over de persoon beschikbaar komt. Men moet de persoon hierbij volledig ‘blanco’ tegemoet treden. hoe minder er gebruik wordt gemaakt van stereotypen. (3) We moeten voldoende tijd en cognitieve capaciteit hebben om de informatie over de persoon te overdenken. Daarvoor zijn vier omstandigheden: (a) wanneer we ons oordeel over een persoon moeten verantwoorden (accountability). (b) wanneer we een verder contact met de persoon verwachten (anticipated interaction). tegen de achtergrond van het gehanteerde stereotype. of juist als er te weinig informatie over de persoon is. Dit effect treedt ook op bij andere vormen van afhankelijkheid: . Hierbij 46 . is het stereotype over mannen diagnostisch. In het dagelijks leven krijgen we veel meer informatie over een persoon dan wat we willen weten om een oordeel te geven. (2) De informatie moet niet categoriseerbaar zijn.com . (4) We moeten gemotiveerd zijn ons een accuraat beeld van de persoon te vormen en even stil te staan bij wat we over de persoon weten. Wat betreft (d) is het begrip coöperatieve afhankelijkheid van belang: twee personen hebben dezelfde belangen en de doelen van de een worden beter bereikt naarmate die van de ander ook beter worden bereikt. Dan spreken we van individuatie. Deze mensen zijn afhankelijk van elkaar. In zulke complexe gevallen zullen we ons toch weer gauw op stereotypen verlaten. Dit kost veel meer energie dan dat we gebruik maken van stereotypen. We doen het dus alleen als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: (1) We moeten voldoende individuerende informatie hebben over de persoon: informatie die meer zegt dan alleen tot welke categorie de persoon hoort. Hoe duidelijker deze relatie aanwezig is. Stereotypen zijn dus sterker van invloed op een oordeel naarmate ze meer diagnostisch zijn voor dat oordeel. omdat de uitkomsten van de een direct invloed hebben op de ander. (c) wanneer ons oordeel ingrijpende gevolgen kan hebben voor de betreffende persoon (bijv.bij competitieve afhankelijkheid zijn de belangen van twee of meer personen tegengesteld: als de een wint. In het dagelijks leven komt dit vaak voor.Stuvia. moet zorgvuldig geanalyseerd worden en geïntegreerd tot een coherente indruk. Voor de vraag of iemand zelfvertrouwen heeft. Hier verdwijnt de beoordelingscontext die wordt gevormd door stereotypen. waardoor deze geen invloed meer hebben. Stereotypen gebruiken we dus als er teveel informatie is. We kunnen een persoon ook als individu zien. zodat assimilatie of contrast op kan treden. studieadvies) en (d) wanneer het gedrag van de persoon gevolgen voor onszelf kan hebben.

Maar waarom eigenlijk niet? De contact-hypothese Doordat we weinig weten van de outgroup. Deze variabiliteit zorgt ervoor dat mensen vaak bereid zijn te concluderen dat een persoon afwijkt van het stereotype. Helaas is het niet zo simpel.Stuvia. (2) Daarnaast moet het stereotype-inconsistent gedrag gegeneraliseerd worden naar de gehele groep. anders werkt het alleen maar averechts. 5. omdat stereotypen voor een deel inaccuraat zijn. Mensen gaan soms wel positiever denken over bepaalde leden van een groep. gaan we de groep als homogeen zien. Hoe meer contact we hebben. zodat er geen competitie is tussen de groepen. Door de opsomming van al deze factoren maken mensen met macht méér gebruik van stereotypen bij het beoordelen van ondergeschikten. maar niet over de gehele groep. Bijvoorbeeld leidinggevende vs. De hardnekkigheid van stereotypen Zelfs als het contact vrijwillig is. (1) De outgroup-leden moeten inconsistenties vertonen met het stereotype. de leidinggevende heeft nog veel meer ondergeschikten en dus geen tijd om een gedifferentieerd beeld van ieder op te bouwen. hoeven stereotypen nog niet te veranderen. wil het leiden tot een verandering: Het is essentieel dat de groepen een gelijke status hebben en dat ze een gemeenschappelijk belang hebben.bij asymmetrische afhankelijkheid heeft de ene persoon de macht om de uitkomsten of het gedrag van de andere persoon te beïnvloeden. én gaan we de groep negatief waarderen (‘onbekend maakt onbemind’). en ze ondervinden hinder van wanneer hun oordelen inaccuraat blijken te zijn.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal gaat het om interpersoonlijke competitie en niet om intergroeps-competitie. anders wordt het stereotype door het contact alleen maar bevestigd. Dit is de contact-hypothese. zou meer contact met leden van die gestereotypeerde groep ertoe moeten leiden dat het stereotype wordt aangepast aan de werkelijkheid. zien we dat als uitzondering en veranderen we ons stereotype dus niet. hoe aardiger we iemand gaan vinden: het mere-exposure effect. . Ook zou het zo zijn dat mensen met macht menen in staat te zijn om op basis van weinig informatie een oordeel over iemand te geven: de subjectief ervaren beoordeelbaarheid is groter.com . Ook moet het contact vrijwillig zijn. We gaan de outgroup dus aardiger vinden als we er meer mee in contact mee komen.5 Stereotypen-verandering Als we een persoon waarnemen die niet voldoet aan een geactiveerd stereotype. Er moet sprake zijn van een duidelijke tegenspraak met het stereotype. Anders wordt het gedrag slechts geassimileerd. Het contact met de leden van een andere groep moet aan veel voorwaarden voldoen. De leidinggevende voelt zich namelijk minder afhankelijk. maar ook. Variabiliteit van stereotypen is hierbij een groot obstakel. De ondergeschikte zal in dit geval veel energie steken in het leren kennen van de leidinggevende. ondergeschikte. Die variabiliteit zorgt er ook voor dat de informatie over het afwijkende groepslid niet wordt gegeneraliseerd naar 47 . terwijl dit andersom haast niet gebeurt.

Er moeten echter heel veel stereotype-afwijkende personen zijn en weinig consistente personen. valt te betwijfelen. (3) het subtyperings-model: mensen die van het stereotype afwijken. Door wat we al eerder hebben gezien. Het lijkt echter juist zo te zijn dat subtypering wordt gebruikt om het stereotype in 48 . Zulke personen worden echter vaak als uitzondering gezien. zonder er al te veel over na te denken.Stuvia. Meer contact zal leiden tot een verhoogde waargenomen variatie van de groep. Ze kunnen worden beïnvloed door bekende persoonlijkheden die het stereotype over hun groep duidelijk ontkrachten. Effecten van stereotype-inconsistente informatie Stereotypen kunnen onder bepaalde omstandigheden veranderen wanneer ze worden ontkracht door de waarneming van stereotype-inconsistente groepsleden. verandert het stereotype een klein beetje. creëren samen een subcategorie. De positieve indruk van de persoon generaliseert zich dan dus niet tot de gehele groep. en juist dat kan leiden tot stereotype-verandering: het stereotype wordt hiërarchisch opgesplitst in deelverzamelingen. mits er voorzieningen worden getroffen om de generaliseerbaarheid naar de gehele groep te bevorderen. Bij ieder groepslid die het stereotype ontkracht. Bij hercategorisatie in het algemeen kan dit een hele andere categorie zijn. Het lijkt wel zo te zijn dat bij veel stereotype-afwijkende leden.com . Of ons model bij ieder afwijkend lid een beetje verandert. Als iemand het juist bevestigd. Eén enkele ontkrachting is effectiever dan een verspreiding van matige ontkrachtingen over verschillende groepsleden. hoe meer het stereotype zal veranderen. Hoe meer stereotype-afwijkende leden.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal de groep als geheel. of een hogere-orde-categorie. Maar bij subtypering gaat het altijd om een lagere-orde-categorie. Bij drastische afwijking wordt echter een drempelwaarde overschreden. Dit model lijkt van toepassing te zijn bij negatieve stereotypen over minderheden. zullen stereotypen standhouden bij een matige afwijking. Vriendschap leidt echter ook tot individuatie: de persoon wordt gezien als individu en niet als lid van een bepaalde groep. Daardoor gaat de associatie met de groep verloren. Mensen worden ingedeeld in al bestaande subtypen. waardoor het moeilijker wordt om de (negatieve) centrale tendentie van het stereotype nog te veranderen. ons algehele stereotype verandert. om het stereotype echt te veranderen. Er zijn drie theoretische modellen over hoe dit proces zou kunnen verlopen: (1) het conversie-model: stereotype-afwijkende informatie moet extreem zijn. of er worden hele nieuwe subtypen ontwikkeld. (2) het boekhoudmodel: mensen zouden in hun hoofd een soort boekhouding hebben van de verschillende leden van een groep waarover ze informatie krijgen. verandert het weer een klein beetje terug. (3) het lijkt erop dat negatieve ideeën over andere groepen vooral beïnvloed worden door vriendschappelijke contacten met leden van die groepen. Dat is een specifieke vorm van hercategorisatie: de waargenomen persoon wordt in een nieuwe categorie ondergebracht. Mensen blijken dit heel snel te doen.

de inconsistente leden in de verspreide conditie hebben óók consistente kenmerken.in de verspreide conditie zijn er meet groepsleden met inconsistente kenmerken dan in de geconcentreerde conditie. maar is hierin misschien wat optimistisch.negatieve stereotypen bevatten vaak kenmerken die heel moeilijk te ontkrachten zijn doordat het tegendeel van die kenmerken niet erg informatief wordt gevonden. Het blijkt echter juist te zijn dat de subtypen worden afgesloten van het stereotype zelf. Daardoor zijn ze minder atypisch dan een groepslid dat alleen inconsistente kenmerken heeft. . Als we een stereotype willen veranderen. Het bevorderen van generalisatie We moeten dus voorkomen dat stereotype-afwijkende leden worden gesubtypeerd.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal stand te houden. is dat heel moeilijk te ontkrachten door juist eerlijk te zijn. kunnen de groepsleden dus het beste zowel consistente als inconsistente kenmerken hebben. Subgroepen zijn deelcategorieën die niet afwijken van het stereotype. In deze zin zijn subtypen anders dan subgroepen. Subtypering leidt dus helemaal niet tot verandering. hoe groter de variatie. Bij een verspreid patroon blijkt er ondersteuning te zijn voor het boekhoudmodel. Hierdoor wordt subtypering lastiger. Het is van beland of de stereotype-inconsistente kenmerken binnen een groep geconcentreerd zijn onder bepaalde leden. . kunnen ze dit door een paar oneerlijke handelingen alweer helemaal veranderen. en daardoor geen invloed meer hebben. De ontkrachtbaarheid van stereotypen Er zijn naast de hiervoor genoemde obstakels nog meer problemen: . Fiske zegt dat stereotypering ontmoedigd kan worden. .Stuvia. Als we bijvoorbeeld van een groep denken dat ze oneerlijk zijn.com .positieve stereotypen zijn veel makkelijker te veranderen. dus om stereotypen tegen te gaan kunnen we ons beter afvragen of het gebruik ervan te beïnvloeden is. en dus generalisatie kunnen bevorderen: . Als we van een groep denken dat ze eerlijk zijn.buiten het onderzoekslaboratorium hebben we weinig invloed op de informatie die mensen krijgen over de leden van een gediscrimineerde groep. Het onderdrukken van stereotypen Stereotypen zijn erg hardnekkig. maar houdt het stereotype juist in stand. Subtypen zijn hierboven beschreven: atypische deelcategorieën. Maar aanhangers zeggen dat een stereotype op den duur wordt ‘opgebroken’ wanneer er veel subtypen ontstaan. of verspreid zijn over meerdere leden. Uit recent onderzoek blijkt dat mensen wel tijdelijk stereotypen kan 49 . maar het slechts specificeren. Hoe meer subgroepen. Er zijn meerdere verschillen tussen de patronen die het effect kunnen veroorzaken. Bij een geconcentreerd patroon blijkt er sprake te zijn van subtypering. Er kan met een verspreid patroon dus meer verandering optreden dan met een geconcentreerd patroon.

ergernis over speciale maatregelen voor allochtonen. maar laag-bevooroordeelden niet. Het is alleen veel moeilijker te bestrijden. vrouwen). blijkt uit het gedrag vaak nog steeds hoe mensen er echt over denken. . Mensen zullen niet snel zeggen dat ze gediscrimineerd worden. Uit ander onderzoek blijkt namelijk dat hoog-bevooroordeelden wel het rebound-effect vertoonden. De verschillen tussen ouderwets en modern racisme zijn nihil. maar dat ze daarna des te harder naar voren kwamen. Dit is echter alleen onderzocht bij sterk negatieve stereotypen. omdat ze dit door de mixed motives niet goed aan kunnen tonen en het risico lopen extra negatief beoordeeld te worden. . Kenmerken: .Stuvia.vijandigheid tegenover de claim op gelijke rechten door leden van minderheidsgroepen. Dit is het rebound-effect. terwijl het bij veel andere mensen een gewoonte is die onderdrukt moet worden (net als een dag niet roken).De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal onderdrukken. Ten slotte: verborgen vooroordeel en discriminatie Alhoewel het uitspreken van stereotypen steeds minder wordt. Waarschijnlijk is de aard van de stereotypen die onderdrukt moeten worden ook van belang. Discriminatie komt ook onder de mensen voor die de beste bedoelingen hebben. Het dagelijks leven is echter een aaneenschakeling van mixed-motive-gevallen.com . .de overtuiging dat een negatieve beoordeling van leden van minderheidsgroepen niet gebaseerd is op stereotypen maar op het gedrag van de betrokkene.ontkenning dat er sprake is van discriminatie tegen minderheden. Dit zou komen doordat laagbevooroordeelden vaak spontaan stereotypen onderdrukken. Als er een maatschappelijke norm is tegen een stereotype (bijv. zal deze vaker spontaan onderdrukt worden. Modern racisme of seksisme geeft het verschil aan tussen de attitudes die worden gerapporteerd en het feitelijk gedrag van mensen. 50 .

We zien een persoon als een psychologische eenheid. Als het gedrag van een persoon niet klopt met je indruk van die persoon. subtypering. Eigenschappen die op elkaar lijken liggen dicht bij elkaar en die niet op elkaar lijken juist ver van elkaar af.Hoe worden de verschillende kenmerken en gedraging van die persoon geïntegreerd tot een indruk? Bij impressievorming wordt een individu-schema gecreëerd. Door de grote hoeveelheid informatie verdwijnt de invloed van stereotypen (als je tenminste genoeg tijd hebt voor de verwerking). Een niet-correspondente gevolgtrekking impliceert dat er een betekenisverandering optreedt: je verandert de betekenis van het gedrag. maak je een niet-correspondente gevolgtrekking die weinig invloed heeft op je indruk. 6.com .v.1 Inleiding Als er over een persoon een grote hoeveelheid individuerende informatie wordt gegeven. De assen in de afbeelding zijn vaak valentie (+/-) en potentie (zwak/sterk). Dat betekent niet dat inconsistente informatie ook een sterkere invloed heeft op het oordeel over een persoon.2 Impressievorming Onderzoek naar: . Welke factoren bepalen in welke richting de betekenisverandering loopt? Volgens Asch zijn warm en koud zogenoemde centrale eigenschappen: ze bepalen de gestalt van de impressie volgens het principe ‘het geheel is meer dan de som der delen’. moet je eigenlijk altijd overgaan tot ‘piecemeal’ integratie. Volgens Asch speelt dit een centrale rol bij de integratie van informatie. Verandering van betekenis Eigenschappen worden in hun onderlinge relatie waargenomen. moeten we weten waarom dit zo is. zodat deze toch in je indruk past. want er is bij on-line oordeelvorming een zwak verband tussen herinnering en oordeel. 51 . Informatie die inconsistent is het een individu-schema roept in veel omstandigheden cognitieve elaboratie op en wordt daardoor goed onthouden. Dit wordt weergegeven in een meerdimensionele afbeelding.m.Hoe vormen mensen zich een indruk van iemand op basis van informatie?. We kunnen hooguit verschil maken tussen situaties. maar binnen een persoon kan dat niet: een persoon kan niet een subtype van zichzelf zijn. .De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 6: De waarneming van personen Pagina 249 t/m 285 6. Welke factoren bepalen dan of een eigenschap centraal is? Impliciete persoonlijkheidstheorieën Hierbij wordt gekeken naar de gelijkenisrelaties die mensen waarnemen tussen eigenschappen onderling (door proefpersonen te vragen naar de gelijkenis).Stuvia. Bij een stereotype over een groep kunnen we inconsistenties oplossen d. Zo beïnvloedt de ene eigenschap de betekenis van de andere. Als we toekomstig gedrag willen voorspellen.

Maar het blijkt zo te zijn dat dat komt doordat mensen veel meer tijd besteden aan eerdere informatie dan aan latere. We zijn geneigd om mensen als compleet goede of compleet slechte mensen te zien. zal men proberen nieuwe informatie daarin te passen. Het geheel versus de som der delen Wat het model van Asch wel ondersteunt: het oordeel over een combinatie van twee of meer kenmerken kan niet altijd voorspeld worden uit oordelen over de afzonderlijke kenmerken. niet-relevante informatie (naast zeer relevante informatie) wordt de gelijkenis tussen het prototype en de beschreven persoon kleiner. Het primacy-effect: Asch toonde aan dat de eerste informatie die waarnemers krijgen over een persoon meet invloed heeft op hun oordelen dan latere informatie. waardoor deze meer als individu wordt gezien. Het linguistic expectancy-model is vergelijkbaar: gedrag dat afwijkt van de 52 . Dit pleit dus tegen het change of meaningmodel van Asch. Dit effect heeft vaak invloed op het onderzoek naar betekenisverandering.com . Het is logisch dat dan betekenisverandering optreedt. Er wordt bijvoorbeeld een bepaalde situatie op het kenmerk geplakt.Stuvia. Bij een positief beeld zal een negatief kenmerk als meer neutraal worden gezien en bij een negatief beeld zal een positief kenmerk als meer neutraal worden gezien. Als informatie over een persoon in strijd is met de bestaande indruk. Het dilution-effect wordt sterker wanneer waarnemers extra goed hun best doen zich een accuraat beeld van een persoon te vormen. Als de eerste indruk eenmaal is gevormd. heeft betekenisverandering vaak de vorm van specificatie. weten we iets negatiefs. De aandacht verslapt namelijk. Dit zou kunnen komen doordat mensen bij het geven van oordelen. schrijven we nog meer positieve kenmerken aan die persoon toe. die in feite helemaal zegt over het te geven oordeel. Bovendien krijgt de persoon door de extra informatie wat meer profiel. dan leiden we daar nog meer negatieve kenmerken uit af. Door extra.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Het halo-effect en het primacy-effect Het halo-effect: wanneer we eenmaal iets positiefs weten over een persoon. Het dilution-effect Door toevoeging van extra informatie. Ook kan een combinatie van negatieve en sterke kenmerken meer negatief beoordeeld worden dan een combinatie van negatieve en zwakke kenmerken. Bijvoorbeeld uit het oordeel over ‘onverantwoordelijk’ en het woord ‘moeder’ kan niet het oordeel over een ‘onverantwoordelijke moeder’ af worden geleid. als we maar één of twee kenmerken van de persoon weten. gebruikmaken van schema’s en prototypen. dan nemen we aan dat de rest van de persoon ook wel goed zal zijn. Als er dus een rijtje met ambigue kenmerken wordt gegeven met daarin één duidelijk positief kenmerk. wordt het oordeel meer gematigd. Specificatie en differentiatie van impressies Het geheel is iets anders dan de som der delen doordat ieder kenmerk van een persoon de Gestalt van de totale impressie kan veranderen.

Hebben we juist veel meer ontkrachtende informatie. Impressie-verandering De eerste indruk kan of zo blijven. (2) de volgorde waarin we de verschillende kenmerken van een persoon leren kennen. Het psychologische middelpunt Normaal gedrag is gematigd positief gedrag. Dus: de meerderheidsinformatie is van belang. Welke factoren bepalen wat er met de eerste indruk gebeurt? (1) als we veel meer informatie hebben die de aanvankelijke verwachting bevestigt dan informatie die de verwachting ontkracht. Negatief gedrag en extreem positief gedrag wijken 53 .com . Maar waarom zijn sommige eigenschappen en gedragingen nu informatiever dan anderen? 6. is de latere informatie juist van meer invloed. Hoe beter we iemand kennen. Door die differentiatie ontstaan ‘subimpressies’ over hoe de persoon is in verschillende situaties.Stuvia.3 Asymmetrieën in impressievorming Negativiteitseffecten In het algemeen heeft negatieve informatie meer invloed op impressies en oordelen dan positieve. Extremiteitseffecten Extreme informatie heeft meer invloed dan gematigde informatie. Echter als er een tijdsinterval is tussen de observatie van twee tegenstrijdige kenmerken. Specificatie van een eigenschap kan ervoor zorgen dat de indruk van een persoon wordt gedifferentieerd: twee tegenstrijdige kenmerken worden met verschillende levensdomeinen in verband gebracht. we kunnen besluiten dat de eerste indruk in de meeste situaties klopt of we kunnen onze eerste indruk aanpassen. dan zullen we de indruk handhaven. en de minderheidsinformatie wordt weg-genegeerd of ondergaat een betekenisverandering of specificatie. Eerdere informatie heeft meer invloed dan latere informatie. Als we deze vorm van informatie krijgen en het is tegenstrijdig met de eerste indruk. hoe gedifferentieerder onze impressie is.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal verwachtingen wordt door waarnemers beschreven in meer specifieke termen. dan zullen we de indruk veranderen. (3) Sommige gedragingen en eigenschappen zijn informatiever dan andere. dan zullen we onze indruk bijstellen. ondanks de volgorde waarin de informatie wordt aangeboden of welke informatie in de meerderheid is. Als we iemand minder goed kennen. waardoor ze onze algehele indruk van een persoon overheersen. Deze wegen meer. Het negativiteitseffect kan omkeren wanneer de positieve informatie extremer is dan de negatieve. terwijl gedrag dat overeenkomt met de verwachtingen juist meer abstract wordt beschreven. We verwachten van mensen immers niets anders dan normaal gedrag. zal impressie-differentiatie meestal pas optreden als de inconsistentie tussen twee of meer kenmerken te groot is om ze met elkaar te verenigen.

Daarom is het vermijden van negatieve stimuli is urgenter dan het benaderen van positieve stimuli. Automatische waakzaamheid Ook uit evolutionair oogpunt is het van belang negatieve informatie snel op te pikken. zodat ze makkelijk de betekenis aannemen van de eigenschappen waar ze mee samengaan. We weten ook dat positief gedrag niet als echt is. Dit laat zien dat negativiteit en extremiteit vaak samengaan. Op een schaal van -3 tot 3 zou positief gedrag dus dichter bij de nul liggen dan negatief gedrag. maar het psychologisch middelpunt ligt veel dichter bij 1. Het middelpunt is strikt gesproken 0.Stuvia. In het geval van eigenschappen heeft dat rechtstreeks te maken met de mogelijkheid tot betekenisverandering: ambigue eigenschappen kunnen meerdere betekenissen hebben. Ambiguïteit van gedrag Ook bij gedrag geldt dat negatief en extreem gedrag minder ambigu is dan positief en gematigd gedrag. Al het negatieve gedrag. Volgens een functionele verklaring van negativiteitseffecten kan een stimulus met negatieve kenmerken het eigen welzijn aantasten. Dit geeft aan dat we gemiddeld positief gedrag van mensen verwachten. heeft een extreme eigenschap minder mogelijke betekenissen en bepaalt dus welke betekenis de gematigde eigenschap krijgt. gematigd of extreem. Aardig en moreel correct gedrag hoeft dus niets te 54 . om 3 redenen: (1) één negatief kenmerk kan voldoende zijn om de gehele stimulus tot een potentieel gevaar te maken. omdat extreme eigenschappen teveel zijn van iets en daardoor vaak negatief worden.com . Het is van overlevingswaarde om aan zo’n dreiging meet prioriteit te geven dan aan positieve informatie. We beseffen dat aardig en moreel correct gedrag het gevolg kan zijn van manipulatie of aanpassing aan sociale normen. Gemiddeld worden negatieve gedragingen en eigenschappen extremer beoordeeld dan positieve eigenschappen en gedragingen. Negatief gedrag heeft dus veel meer gewicht dan positief gedrag. (3) de gevolgen van negatieve gebeurtenissen zijn vaak onomkeerbaar. wijkt af. Alleen als de positieve informatie extremer is dan de negatieve. maar alleen extreem positief gedrag wijkt naar de andere kant af. Bij een stroop-taak zijn we bij negatieve woorden dan ook minder snel met het benoemen van de kleur dan bij positieve woorden. Als een gematigde en een extreme eigenschap gecombineerd worden. Ambiguïteit van eigenschappen Een derde reden waarom negatieve informatie meer weegt dan positieve: negatieve en extreme eigenschappen en gedragingen zijn minder ambigu dan positieve. krijgt deze meer gewicht. Dit hangt samen met de behavior-trait-schema’s die kennis bevatten over de associaties tussen eigenschappen en gedrag. waardoor we dat niet echt informatief vinden. (2) het vermijden van negatieve uitkomsten vereist vaak een snellere reactie dan het bereiken van positieve uitkomsten.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal af van onze verwachting over hoe mensen zich normaal gesproken gedragen.

heeft daar zelf meer last van dan anderen.Stuvia. je moet het ook echt kunnen laten zien.com . maar bij negatief gedrag veel minder. waardoor we het op meerdere manieren kunnen opvatten. Hoe extremer iemands gedrag. Het is hierbij niet effectief om te zeggen dat je een bepaalde kwaliteit hebt. Andersom is het veel minder waarschijnlijk. De relatie tussen het gedrag en de onderliggende eigenschap is duidelijk. Bij het beoordelen van positief gedrag blijkt de situatie veel invloed te hebben. Als iemand blijk geeft van bepaalde capaciteiten. Er is in feite maar één extreem immorele of onaardige gedraging voor nodig. Als iemand bekend is met bepaalde capaciteiten. Iemand die bijvoorbeeld dom is. hoe kleiner het gebied van mogelijke gevolgtrekkingen. Volgens deze benadering is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen eigenschappen die voordelig of nadelig zijn voor andere mensen en eigenschappen die voordelig of nadelig zijn voor de persoon zelf. maar ook sociaal. Impressie-verandering De vier hiervoor beschreven mechanismen hebben invloed op de impressievorming. Het is ambigu. Self-profitable eigenschappen betreffen competentie en potentie. Mensen beseffen dus dat er geen een-op-een relatie is tussen gedrag en eigenschap. Prestaties zijn informatief. Een hele andere visie op de positiviteitseffecten: de functionele benadering. Iemand zal zich niet onaardiger of immoreler voordoen dan hij werkelijk is. dus is het ook niet functioneel om erop te letten. maar ze in een bepaalde gebeurtenis niet uit. zoals fysiek.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal zeggen over de onderliggende eigenschap. maar ook op de impressie-verandering. Dit valt samen met de evaluatie-as. Daarom treden er op deze as ook geen negativiteitseffecten op: er kan niemand mee geschaad worden. is dat heel informatief. Dit effect treedt op bij al het gedrag waar bepaalde vaardigheden voor nodig zijn. kan dat door allerlei oorzaken komen. Other-profitable eigenschappen: eigenschappen die te maken hebben met hoe aardig of moreel een persoon is hebben vooral gevolgen voor degenen met wie deze persoon omgaat. 55 . Er is bewijs gevonden voor de gedachte dat de waargenomen relaties tussen gedrag en eigenschappen een grote rol spelen bij negativiteits. Een positieve impressie is net als een positief stereotype makkelijker te veranderen dan een negatieve impressie (of negatief stereotype) omdat het makkelijker te ontkrachten is.en extremiteitseffecten. Positiviteitseffecten Als we iemands bekwaamheden beoordelen. Voor extreem versus gematigd gedrag geldt hetzelfde. waardoor veel eerder een correspondente gevolgtrekking wordt gemaakt. heeft positieve informatie juist meer invloed dan negatieve. Het is echter wel nuttig om te letten op mensen die capaciteiten hebben (functioneel/evolutionair). want mensen kunnen zich niet bekwamer voordoen dan ze zijn.

4 Zelfpresentatie Zelfpresentatie. Omdat we veel persoonlijkheidskenmerken. Vaak komt dit gedrag automatisch tot stand. die het proces van impressievorming kunnen sturen. . maar gezien de functionele waarde van negativiteitseffecten juist niet. Zo worden er minder stereotypen gebruikt. Er zijn echter nog andere effecten: . waardoor de negativiteitseffecten ook zwakker zijn.we willen de ander graag aardig vinden. Zo denken we langer na over informatie die onze nagestreefde conclusie tegenspreekt. Zo kunnen we invloed uitoefenen. We willen tot een positief beeld van iemand komen. Iedereen doet dit in bepaalde mate. en niet de oorzaken. In het licht van de self-fulfilling prophecy is dit erg handig. . maar lang niet altijd.com . kunnen we bij een eerste ontmoeting bepaalde kenmerken benadrukken en anderen juist onderdrukken.we hebben zo onze eigen voorkeuren: impressie-preferenties.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Het negativiteitseffect wordt versterkt wanneer negatieve en sterke kenmerken samengaan in dezelfde persoon. . is het moeilijk eruit te stappen.Vloeit voort uit de behoefte aan een positief zelfbeeld en uit de behoefte aan goedkeuring van anderen. interesses en meningen hebben. Na het aannemen van zo’n rol. Mens is een sociale waarnemer die zinnig nagaat wat bepaalde informatie betekent.Stuvia. Overigens kan gemotiveerde waarneming andere vertekeningen juist ongedaan maken. De behoefte ‘erbij te horen’ en de angst om verstoten te 56 . Vooral de gevolgen. van dat gedrag zijn belangrijk. Door zelfpresentatie proberen we invloed te hebben op de indruk die anderen van ons vormen. vooral als dat in negatieve zin is. Wat we precies benadrukken dan wel onderdrukken hangt af van de situatie en onze doelstellingen.de voorkeur voor een positieve indruk van de ander. Cognitief: het psychologisch middelpunt en de geringe ambiguïteit van negatieve en extreme eigenschappen en gedragingen. We moeten er namelijk wel op bedacht zijn dat andere mensen ons kunnen schaden. wat kan leiden tot motivationele vertekeningen. of impression management staat tegenover persoonswaarneming of impressievorming. Soms kan dit negatief uitpakken. laten we onze stereotypen gaan en gaan we over tot individuatie en ‘piecemeal’ integratie. Het fungeert om de ander duidelijk te maken welke rol je van plan bent te vervullen.Volgens socioloog Goffman: zelfpresentatie is een basisconditie van alle sociale interactie. zelfs mensen die zeggen dat ze in iedere situatie zichzelf zijn. Soms is daarbij sprake van bedrog. 6. Motieven voor zelfpresentatie Motieven voor zelfpresentatie: . Gemotiveerde gedachten Er is een globaal verschil tussen cognitieve en motivationele factoren als oorzaken van asymmetrieën in impressievorming. Motivationeel: nadruk ligt op belangen en motieven van de waarnemer: men geeft meer gewicht aan informatie die erop wijst dat een persoon het welzijn van andere mensen kan beïnvloeden. Als iemand belangrijk voor ons is.

mar hoe groter de afhankelijkheid. Bij het vormen van een indruk moeten we ook rekening houden met iemands zelfpresentatie.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal worden zijn zeer fundamenteel. Dit ligt op de sociale dimensie van persoonswaarneming. In zulke situaties ga je (a) de beschikbare informatie grondiger overdenken. In bepaalde situaties lijken we erg goed te zijn in het ontdekken van iemands zelfpresentatie-motieven.com . maar het belang van een ander. Persoonswaarneming en zelfpresentatie Zelfpresentatie is alleen effectief als mensen een adequate inschatting kunnen maken van de ander en van hoe ze door de ander worden waargenomen. dan zul je je op die punten bescheiden presenteren. bijvoorbeeld iemand anders een vervelend klusje voor je laten doen. Er zijn twee vormen van zelfpresentatie die beduidend vaker voorkomen dan anderen: .Stuvia. In dit soort gevallen wordt de correspondentievertekening overwonnen door beter na te denken.ingratiation: zorgen dat je aardig gevonden wordt. en (b) je oordeel over de persoon opschorten tot je meer zekerheid hebt over diens motieven. De waarneming van zelfpresentatie-gedrag Het vormen en het presenteren van indrukken hebben veel met elkaar te maken. . Zelfs als er voor ons niets te winnen is. hoe groter de kans dat je naderhand niet kunt voldoen aan de geclaimde talenten en wordt gezien als een opschepper. Zelfpresentatie kan dus ook dienen om een bepaalde indruk te herstellen. Bijvoorbeeld extra aardig doen tegen een ander die in de put zit. We houden vaak te weinig rekening met het feit dat het gedrag van mensen niet altijd correspondeert met hun werkelijke bedoelingen. des te eerder zal men worden verdacht van vleierij als men aardig doet tegen die persoon. . des te groter de behoefte om door die persoon aardig gevonden te worden. Als het gaat om zelfpresentatie op het gebied van bekwaamheden. . lijken mensen zich goed bewust te zijn van de zogenoemde paradox van de zelfpromotor: hoe meer je jezelf presenteert als bekwaam en deskundig. probeer je je zo gunstig mogelijk te presenteren.zelfpresentatie kan worden gezien als een instrument waarmee men het gedrag van anderen kan beïnvloeden. Als de ander weinig over je weet. Vooral playing dumb wordt hier vaak voor gebruikt.Zelfpresentatie dient niet zozeer het eigenbelang.zelfpromotie: ervoor zorgen dat je competent gevonden wordt. Deze ligt op de bekwaamheidsdimensie. willen we nog aardig gevonden worden. Zelfpresentatie-gedrag kan echter ook herkend worden zonder uitvoerige 57 .mensen hebben naast de behoefte aan een positief zelfbeeld ook de behoefte aan een accuraat zelfbeeld. Weet de ander echter dat je op bepaalde punten niet zo hoog scoort. . Ook bij ingratiation zijn er valkuilen: het ingratiater’s dilemma: hoe meer je afhankelijk bent van een persoon.

De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal overdenkingen: namelijk door schema’s. 58 .Stuvia.com . We hebben duidelijke schema’s voor bijvoorbeeld ‘hielenlikkers’.

7. . We zijn ons er vaak niet eens van bewust.2 Automaticiteit Geschiedenis van automaticiteitsonderzoek Twee onderzoekstradities zijn belangrijk geweest: (1) Het aanleren van vaardigheden (skill acquisition). Mensen gaan vaardigheden die ze vaak nodig hebben zelf automatiseren. conditionering. Psychologische processen zijn volledig automatisch als: . Dus hoe meer we automatisch doen. Vroeger wilde men niets van het automatisme weten. We hoeven alleen aan het begin een beslissing te nemen.com .ze niet intentioneel tot stand komen.dit gebeurde vanuit een heel ander perspectief (!). Behavioristen ‘maakten’ gedrag d. Shiffrin en Schneider hebben hierin een grote rol gespeeld. kreeg enorm veel aandacht. mede omdat mensen dan het idee hadden bijna geen controle meer te hebben. Alle processen waren óf automatisch óf gecontroleerd. Vaak is het niet noodzakelijk dat aan alle voorwaarden wordt voldaan. verhuizen en je nieuwe route naar school automatiseren). Onze gedachten. 59 . Halverwege jaren ’70 werd er verschil gemaakt tussen automatische en gecontroleerde processen. Ook de snelheid waarmee we vaardigheden automatiseren is verrassend (bijv. hoe vaker we ruimte hebben voor dingen die we bewust moeten doen. Gecontroleerde processen vergen wél aandacht. .ze onbewust verlopen. De aandacht voor de automaticiteit van mentale processen keerde terug tijdens de cognitieve revolutie.ze moeilijk te sturen of te controleren zijn. Ze toonden aan dat gecontroleerde processen na oefening automatisch konden worden. . Nu zien mensen het nut van automatisme in.de manier waarop gedrag (aan)geleerd werd. Het andere doen we automatisch.m. . gevoelens en een groot deel van ons gedrag komen zonder onze aandacht tot stand. De capaciteit van ons bewustzijn is beperkt: het kan eigenlijk maar één ding tegelijk.v. omdat slechts één van de twee onze aandacht nodig heeft. Freud zei zelfs dat we dingen beter doen als ze automatisch gaan. Na Freud en James gingen de behavioristen de psychologie domineren.1 Inleiding We kunnen twee dingen tegelijk doen. zonder interesse in mentale processen. Ze moesten niets hebben van een term als ‘onbewust’.ze geen aandacht vergen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 7: Automaticiteit en controle Pagina 287 t/m 320 7. Zij zeiden dat automatische processen geen aandacht kostten en parallel lopen aan andere processen. en kunnen niet parallel aan andere gecontroleerde processen plaatsvinden.Stuvia. Er gebeurden twee dingen: . waarna alles zich automatisch voltrekt. en voor ieder proces moest dit achterhaald worden.

Je zou kunnen zeggen dat alles wat op een bepaald moment relevant is. Het gaat dan om het feit dat je besluit te stoppen met zoeken in je geheugen. bijv. Drie soorten automaticiteit Er zijn verschillende soorten automaticiteit. dat ze chronisch toegankelijk zijn geworden. Soms bereikt de informatie het bewustzijn. en er zijn verschillende criteria waarmee je automatische en niet-automatische processen kunt onderscheiden. (2) Nabewuste automaticiteit: deze hebben hetzelfde effect als voorbewust. Deze vorm van automaticiteit treedt het meest op. hoor je hem/haar lopen. makkelijker wordt waargenomen en verwerkt. zoals je eigen naam horen. De andere twee 60 . Alleen een ‘proximale stimulus’ is hiervoor nodig. terwijl je onbewust toch verder gaat met zoeken en uiteindelijk de naam toch weet te herinneren. terwijl hij hier zichzelf niet eens van bewust is. Bijvoorbeeld sociale categorieën die we zo vaak gebruiken. ook onbewust. Andere informatie wordt tot op zekere hoogte wel verwerkt. Door ervaring wordt onbewuste waarneming dus veel effectiever. maar ook doelen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (2) Selectieve aandacht: onderzoek hiernaar is gebaseerd op het uitgangspunt dat informatie onbewust waargenomen en verwerkt kan worden. Ook oordelen over anderen worden vaak beïnvloed door nabewuste automaticiteit. (2) waarneming en verwerking worden ook gestuurd door de ervaringen van de waarnemer. die nog een tijdje door sudderen in je onderbewuste en je nog wel degelijk beïnvloeden. maar als je de persoon kent. Voor Broadbent en Treisman dacht men dat waarneming een functie was van externe factoren.Stuvia. Je hoort bijvoorbeeld iemand lopen op de trap. Het gaat om dingen waarvan je je al niet meer bewust bent. maar meestal niet. Drie soorten: (1) Voorbewuste automaticiteit: meest pure vorm. Treisman liet echter zien dat er gaten in zulke filters zitten (dichotische luistertaak). een filter hebben die alle irrelevante gebeurtenissen blokkeert. Tot op zekere hoogte wordt alle informatie verwerkt. Priming met positieve of juist negatieve woorden.com . Nu blijkt dat ook kenmerken van de waarnemer van groot belang zijn: (1) waarneming en verwerking worden gestuurd door allerlei tijdelijke of contextuele factoren. Onder volledige narcose blijken we toch woorden te verwerken. Dus: verwerking van informatie vindt voor een belangrijk deel automatisch plaats. op het moment dat we onze aandacht ergens op richten. (3) Doelafhankelijke automaticiteit: Dit is de minst zuivere vorm. schema’s. Broadbent zei hierover dat we. Veel voorbewuste waarnemingsprocessen komen dan ook voort uit chronische toegankelijkheid van bepaalde categorieën of eigenschappen. Zelf-relevantie is hierin een bijzonder geval. Het bewustzijn zet dan onbewuste processen in gang. maar treden pas op als de stimulus het bewustzijn heeft bereikt. Dus een proximale stimulus én bewustzijn zijn nodig. verwachtingen en behoeften. Het tip-of-the-tongue verschijnsel is hier ook een voorbeeld van. heeft invloed op het oordeel wat gevormd wordt over een nieuw persoon. De waarnemer reageert op een stimulus.

Er werd aan iedereen verteld dat ze nerveus was. Deze vorm van onderzoek wordt het meest gebruikt voor efficiëntie. Veel gedrag dat wel aan criterium (1) en (2) voldoet. en beoordeelde de vrouw naderhand als meer nerveus dan de eerste groep. terwijl de andere helft tegelijkertijd sinterklaasgedichten moest verzinnen. De laatste groep paste daardoor minder situationele correctie toe. Er zijn twee soorten onbewuste processen: je kan je niet bewust zijn van (de gevolgen van) een stimulus. Doelafhankelijke automaticiteit is echter wel conditioneel. we nemen ze helemaal waar. kunnen op hele verschillende manieren tot stand zijn gekomen. omdat ze vragen moest beantwoorden over seks.: een experiment waarin mensen naar een film van een vrouw moesten kijken die nerveus was.com . We nemen dus eigenlijk constant heel veel dingen subliminaal waar. Eigenlijk zijn er drie soorten stimuli. is belangrijk. Een proces is intentioneel als het het gevolg is van de ‘wil’. Niet-efficiënte processen gaan niet samen. maar vaak ben je je wel bewust van een stimulus. óf we nemen ze onbewust waar. zoals fietsen. waarbij een proces meer automatisch is naarmate het meer voldoet aan de vier volgende criteria: (1) Bewustzijn. links afslaan. (b) het vergt aandacht. Vier criteria voor automaticiteit Een gecontroleerd proces was in de jaren ’70 de tegenhanger van een automatisch proces. De ene helft kon de film gewoon kijken. zou je altijd. maar niet van de gevolgen ervan (subliminale perceptie). terwijl je deze route normaal gesproken automatisch fietst. Als het niet conditioneel was. Dit geldt ook voor veel fundamentele waarnemingsprocessen. De meeste processen blijken echter een combinatie te zijn van gecontroleerd en automatisch. Dit is perceptie die onder de bewustzijnsdrempel blijft. 61 . als je daar niet naartoe hoeft. omdat het bepaalt of we dingen parallel kunnen doen aan iets anders. Daarom heeft Bargh voorgesteld het als een continuüm te zien. Fietsen is bijvoorbeeld intentioneel. hoe dan ook. Bijvoorbeeld ineens ergens anders naartoe moeten fietsen: dan ga je niet meer linksaf om naar de universiteit te gaan. zijn doelafhankelijk. We nemen stimuli helemaal niet waar. Veel automatische waarnemingsprocessen zijn wel niet-intentioneel. Of een proces efficiënt is. (2) Efficiëntie. Waarneming staat dus niet altijd gelijk aan bewuste waarneming. Een proces wordt efficiënt genoemd als we er niet of nauwelijks aandacht voor nodig hebben. Veel gedrag. en had de volgende kenmerken: (a) je bent je ervan bewust.Stuvia. is efficiënt. inclusief hun gevolgen. (c) en is dus cognitief inefficiënt. zoals gezichten herkennen. Zo kan het effect van geactiveerde eigenschappen ook voorbewust tot stand komen. Deze 3 vormen zijn moeilijk uit elkaar te houden: twee verwerkingsprocessen met dezelfde uitkomst. Ook categorieën en eigenschappen die niet chronisch maar tijdelijk toegankelijk zijn. oftewel afhankelijk van een doel of een bepaalde context. (3) Intentie. (d) het is intentioneel en (e) oncontroleerbaar. We hoeven onze aandacht er niet op te richten. voldoet niet aan deze. Bijv.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal vormen zijn niet-conditioneel: na een stimulus treden de automatische processen altijd op.

com . Uit andere onderzoeken bleek dit ook: mensen bleken bijvoorbeeld sneller een tweede woord als positief of negatief te evalueren als het eerste woord congruent was.Stuvia. Mensen zouden dan namelijk iedere dag hun attitude t. Automaticiteit in gedrag Er zijn drie vormen van automatisch gedrag: (1) Gewoontegedrag: gedrag dat geautomatiseerd is nadat we het vaak hebben uitgevoerd. voordat je weet wat het betekent). Maar dit blijkt maar een matige voorspeller te zijn. Dit ondersteunt Zajonc’s stelling dat affect (beoordelen op goed-slecht dimensie) los staat van cognitie (herkennen van een stimulus). Als we ons eenmaal bewust zijn van gedrag. is het tot op zekere hoogte controleerbaar.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (4) Controle. Het effect blijkt efficiënt en onbewust te zijn. maar er volgt ook vaak een onmiddelijke gedragsreactie. terwijl ze die wel positiever beoordeelden. Zajonc veronderstelde dat we stimuli sneller evalueren dan dat we ze bewust begrijpen (het woord ‘graf’ als negatief evalueren. is een voorbeeld. i. Proefpersonen kregen subliminaal een afbeelding te zien van een vrolijk of verdrietig gezichtje. Dit is evolutionair functioneel.o.v.o. dan zijn ze oncontroleerbaar. Proefpersonen bleken in een experiment stimuli niet te herkennen. Het onbewuste wordt aangetoond in onderzoek naar subliminale affectieve priming. Het mere exposure-effect is niet afhankelijk van bewuste verwerking. zelfs als ze subliminaal worden aangeboden. Onze evolutionaire geschiedenis heeft ervoor gezorgd dat we snel kunnen zien of we een stimulus kunnen benaderen of juist beter kunnen vermijden.v.v. We hebben geen bewuste processen nodig om het uit te voeren. Dit heeft betrekking op het stoppen of bijsturen van een eenmaal in gang gezet proces. Vaak is bewustzijn een voorwaarde voor controle. incongruent. De stimulus kan dus ook subliminaal meerdere keren getoond zijn. Vaak probeert men dit te verklaren met behulp van attitudes (t. Hij baseerde dit op het mere exposure-onderzoek: mensen gaan een stimulus positiever waarderen en beoordelen naarmate ze deze vaker tegengekomen zijn (als ze niet al meteen een negatieve reactie oproepen). Fietsen naar de universiteit. Automaticiteit in evaluatie en affect Het snel en accuraat evalueren van stimuli is van groot belang voor ieder individu. Ook wekken verdrietige gezichtjes arousal op. de fiets en eventuele andere vervoersmiddelen moeten 62 .). de fiets bijv. Negatieve informatie heeft vaak meer invloed dan positieve informatie. Wordt negatieve informatie dan misschien sneller en meer automatisch waargenomen dan positieve informatie? Mensen blijken een boos gezichtje in een groep blije gezichtjes sneller te herkennen dan andersom. met direct daarna een chinees karakter.p. Als processen niet te stoppen of te sturen zijn. mits je dit vaak doet. We beoordelen dus niet alleen of een stimulus goed of slecht is. Na een vrolijk gezichtje blijkt de beoordeling van het daarop gepresenteerde Chinese karakter positiever te zijn dan na een verdrietig gezichtje.

Geschiedenis van onderzoek naar controle Controleprocessen zijn alle processen waarbij we proberen bewuste (maar ook onbewuste) invloed uit te oefenen. Ze beïnvloeden dus automatisch het gedrag. is vaak makkelijk te controleren. Aandacht kan naar buiten gericht zijn. zijn twee verschillende processen. (3) Ideo-motorisch gedrag. De meeste processen zijn ‘enigszins’ controleerbaar. Dan ga je er ook echt langzamer van lopen. Dit betreft naar binnen gerichte aandacht. Gewoontegedrag is een vorm van doelafhankelijke automaticiteit. mits je wel verband legt tussen de bejaarde en de traagheid. Als je over de universiteit leest. We kunnen ook irrelevante stimuli negeren. Gewoontegedrag is wél onbewust en efficiënt. fietsen in juli vaak harder dan normaal. In onderzoek wordt vaak onze wil onderzocht.3 Controle Uit de invloed van automaticiteit blijkt dat we weinig controle hebben over het grootste gedeelte van ons gedrag. Deze effecten verlopen onbewust. Zij waren geïnteresseerd hoe mensen ongewenste emoties en driften probeerden te onderdrukken. jezelf in slaap praten).Stuvia. Je hoeft gedrag niet letterlijk en fysiek waar te nemen om het na te doen. Dit is een rechtstreeks gevolg van de waarneming. 7. zoals Freud. Wat betreft stress kan het niet kunnen onderdrukken van gedachten 63 . Het voorspellen van toekomstig gedrag gaat veel beter op basis van gedrag uit het verleden dan op basis van attitudes.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal overdenken om tot de conclusie te komen dat ze toch gaan fietsen. Uit onderzoek hiernaar blijkt dat doelen automatisch geactiveerd kunnen worden. Dit doen we maar af en toe. Als je bijvoorbeeld denkt aan bejaarden.com . te verwerken in een tekst). komen er associaties met traagheid in je op. (2) Het onderdrukken van gedachten. Succesvolle controle van aandacht is veel meer afhankelijk van het tweede dan van het eerste. gaan ze daarnaar handelen. Gewoonten ontstaan door frequentie. Onderzoek hiernaar komt vooral voort uit psychoanalytici. Dit zie je vervolgens ook terug in je gedrag. Dat doe je alleen als je doel is om naar de universiteit toe te gaan. spring je niet meteen op je fiets. Mensen die graag naar de Tour de France kijken. ontstaat automatisch de (onbewuste) tendens om dit na te doen. Door onbewust doelen bij mensen te activeren (door ze bijv. Als we iemand iets zien doen. hoewel dat minder makkelijk is. James vond het feit dat wij tot op zekere hoogte kunnen kiezen waarop we onze aandacht richten kenmerkend voor onze ‘wil’. Complex gedrag waarvan we ons bewust zijn. Het richten van je aandacht en andere stimuli tegelijkertijd negeren. (2) Auto-motieven. Mensen willen graag hun eigen functioneren onder controle hebben. cognitief efficiënt en niet-intentioneel. maar ook naar binnen (bijv. Drie grote klassieke onderzoekslijnen hierin zijn: (1) Aandacht. Uit onderzoek van Treisman blijkt ook dat we onze aandacht vaak behoorlijk goed kunnen controleren.

com . Het idee is dat. 64 . komt dat later juist extra vaak en makkelijk terug in je bewustzijn. Het is dus niet efficiënt. De processen die hierbij een rol spelen. Het model van Wegner (later besproken) is gebaseerd op dit onderzoek. Veel onderzoek hiernaar is dus ook gedaan door klinisch psychologen. Het operating-proces werkt niet goed als men tijdens het onderdrukken een andere taak moet doen die de aandacht vraagt. gedrag niet meer gestuurd wordt door doelen of normen. Een mogelijke verklaring is dat deze mensen. zullen we iemand anders als gemener beoordelen dan iemand die zelf niet bot wil overkomen. Ook is het fenomeen defensieve projectie onderzocht: we zijn geneigd om op anderen die eigenschappen en motieven te projecteren die we in onszelf ontkennen of onderdrukken. Mensen die in eerste instantie een stereotype moeten onderdrukken. Ook hanteren ze verschillende normen. Het monitoring-proces let juist op de te onderdrukken gedachte: het zoekt naar de te onderdrukken stimulus om na te gaan of het onderdrukken goed lukt en om een signaal te geven als er onverhoopt een gedachte aan de ‘verboden’ stimulus opduikt. Dit laatste proces zorgt volgens Wegner voor het rebound-effect. Deze ideeën zijn toegepast op verschillende domeinen: (a) Cognities: het onderdrukken van stereotypen. Zijn verklaring: om iets te onderdrukken worden twee processen in gang gezet: een operating-proces en een (ironic) monitoring-proces. maar naderhand sterker gebruik van dat stereotype dan andere mensen. vallen onder de noemer zelfregulatie. Ook hier trad hetzelfde rebound-effect op. trad geen rebound-effect op. (b) Affect: het onderdrukken van emotioneel geladen gedachten. Bij degenen die hun ex eigenlijk liever terug wilden. Het operating-proces zoekt naar stimuli die niets met de te onderdrukken gedachte te maken hebben. Het onderdrukken van cognities. Als we zelf bijvoorbeeld niet gemeen willen overkomen. (3) Zelfregulatie: is een speciale vorm van controle en heeft vooral betrekking op de controle van gedrag. maar nu voor een oude vlam. de hele tijd gedachten aan hun ex zijn blijven onderdrukken (ook toen ze aan hun ex moesten denken) om te voorkomen dat ze zich ellendig zouden gaan voelen of in het bijzijn van de onderzoeker in tranen zouden uitbarsten. Ander gedrag kan dan vrij spel krijgen (zoals door de omgeving opgewekt agressief gedrag). Hieruit bleek dat het reboundeffect: wanneer je in eerste instantie iets moet onderdrukken. De verhoogde toegankelijkheid van de eigenschap ‘gemeen’ leidt ertoe dat die eigenschap al gauw als interpretatiekader in het bewustzijn opduikt.Stuvia. Mensen streven allerlei doelen na. maar alleen bij proefpersonen die niet meer terugverlangden naar hun oude vlam.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal rampzalig zijn. tegen de instructies in. gevoelens en gedrag 1987: Wegner begon hiernaar onderzoek te doen. is er niets aan de hand. Zolang het operating-proces voor voldoende andere gedachten zorgt. wanneer zelfregulatie wegvalt of slecht functioneert. maar werd alleen een verhoogde emotionele activiteit geconstateerd. Maar het probleem is dat het monitoringproces automatisch is en het operating-proces niet. Hetzelfde idee als het witte-beren onderzoek.

gedachten en gedragingen. Wegner past zijn theorie ook toe op insomnia (slapeloosheid). Zelfregulatie en zelfbewustzijn Zelfbewustzijn: datgene waarop de aandacht is gericht: mensen kunnen hun aandacht richten op de omgeving (extern). Hoe meer aandacht naar binnen gericht is. Mensen hebben zo’n thermostaat voor hun eigen doelen en normen. We mogen aannemen dat een stereotype wel (automatisch) wordt geactiveerd. doordat men zich dan ook meer bewust is van de eigen doelen en normen. Zo blijven ze juist extra lang wakker. Rebound-effecten zorgen er dus vaak voor dat het omgekeerde gebeurt van wat we willen. maar ook op zichzelf en op hun doelen en normen (intern). 65 . Het vermogen om jezelf iets op te leggen raakt uitgeput. Zelfregulatie zou dus kunnen leiden tot verminderd gebruik van stereotypen. Mensen moesten een dagboek bijhouden. mits ze natuurlijk op grond van hun eigen normen vinden dat stereotypering verkeerd is. maar bij wilde muziek bleven deze mensen extra lang wakker. Ook dit laat een rebound-effect zien. waardoor het vermogen tot zelfregulatie beperkt is. Zelfregulatie kan worden vergeleken met een thermostaat. Mensen hoeven dus voor het onderdrukken van stereotypen niet per sé specifiek de opdracht te krijgen. Zelfregulatie zorgt ervoor dat we onze eigen normen naleven. Carver en Scheier hebben een model ontwikkeld om te verklaren hoe zelfbewustzijn van invloed is op zelfregulatie. kan je een taak veel minder lang volhouden dan zonder honger. en daarnaast ’s avonds naar een cassette luisteren met wel/geen instructies om te gaan slapen en daarnaast wilde/rustige muziek (2x2). terwijl het monitoring-proces automatisch doorgaat. Dit proces werkt beter naarmate men meer zelfbewust is. De instructie om in slaap te vallen werkte bij rustige muziek. Bij naar binnen gerichte aandacht is het zelfbewustzijn hoog. tegelijk bezig bent. maar dat het gebruik ervan onder invloed van zelfregulatie werd onderdrukt. wat verklaart kan worden doordat het operating-proces bij wilde muziek geen kans heeft. bij extern gerichte aandacht juist laag. zul je één van de twee minder goed voltooien. Zelfregulatie als beperkte bron Wilskracht stuurt dus het reguleren en onderdrukken van de eigen gevoelens. Dit effect kan zelfs tijdens het onderdrukken al optreden. De meeste mensen beschouwen stereotypering als iets dat zoveel mogelijk vermeden moet worden.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (c) Gedrag.com . Ook een verhoogd zelfbewustzijn kan het gebruik van stereotypen verminderen. Dit blijkt ook te kloppen. Als je bijvoorbeeld honger hebt. die beide wilskracht eisen. als onze aandacht door iets anders wordt getrokken.Stuvia. hoe meer het gedrag onderhevig is aan zelfregulatie: men probeert in sterkere mate doelen te verwezenlijken en de eigen normen en waarden na te leven. Als je dus met twee inspannende taken. Die wilskracht raakt vrij makkelijk uitgeput.

Een laag zelfbewustzijn leidt vaak tot anti-normatief gedrag terwijl een hoog zelfbewustzijn leidt tot meer normatief gedrag.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Bij allerlei gedrag geldt dat zelfbewustzijn ertoe leidt dat mensen zich meer richten op hun normen en waarden.Stuvia. Zelfregulatie heeft dus een grote controlerende invloed op ons gedrag. 66 .com .

Bij een nieuw probleem zullen andere bronnen geraadpleegd worden. stoppen met roken). Hij noemde dit purposive behaviorism. De 67 . Het beslisproces: van doelactivatie naar keuze-implementatie We maken keuzes om doelen te bereiken. De keuze bestaat uit een aantal stappen die min of meer serieel verlopen. Soms is er maar één actiemogelijkheid (bijv. Om een nieuwe weg te vinden. beïnvloedt het functioneren van het lichaam. (2) Actiemogelijkheden genereren: om het doel te bereiken. De keuze bepaalt hoe we het betreffende doel gaan bereiken. Als de persoon dit pad al vaker heeft bewandeld.Stuvia. Wat de geest heeft bedacht. De keuze voor een specifieke gedraging wordt bepaald door (a) de verwachting dat het gedrag tot een bepaalde uitkomst leidt en (b) de waarde die aan de uitkomst wordt toegekend.1 Inleiding Over belangrijke keuzeproblemen denken we vaak diep na. die daarop weer besluiten kan afstemmen. vormen we ons bijvoorbeeld een cognitieve kaart. (3) Hierna wordt een inschatting gemaakt van de kansen of waarschijnlijkheden van uitkomsten. waarmee hij wilde aangeven dat veel gedrag doelgericht is. maar de geest overtreedt deze wetten. Men vraagt zich dus af: (a) wat de kans is dat deze uitkomst optreedt en (b) hoeveel deze uitkomst waard is. vanwege de invloed van de behavioristische benadering. geassocieerd met de actiemogelijkheden. In de psychologie is er naar beslissen nog niet veel onderzoek gedaan. Het beslisproces wanneer de beslisser volledig rationeel zou denken: (1) Activatie van een doel: een discrepantie tussen de feitelijke situatie en de toestand die men wil bereiken zorgt ervoor dat een doel wordt geactiveerd. De behaviorist Tolman had al ontdekt dat leren mogelijk is zonder beloning. kunnen de mogelijkheden uit het geheugen worden opgehaald. Die kan denken en heeft een eigen wil. Het lichaam gehoorzaamt aan de wetten van de natuur.2 De psychologie van beslissen Descartes maakten een sterk onderscheid tussen lichaam en geest. Verwachting en waarde spelen een cruciale rol bij het maken van beslissingen. Ook stelde hij dat de verwachting van beloning een bepaalde waarde voor het organisme vertegenwoordigt en het organisme aanzet tot bepaald gedrag. terwijl we minder belangrijke keuzes worden gemaakt als resultaat van een vluchtige inschatting of simpelweg routine. Volgens een behaviorist kiest een persoon het gedrag dat geassocieerd is geraakt met een beloning. Het lichaam staat in contact met de buitenwereld en levert zintuiglijke indrukken af aan de geest. Niet veel mensen zijn het met deze benadering eens. (4) Deze kansen en waarden worden per gedragsalternatief geïntegreerd tot een oordeel: de verwachte waarde wanneer het gedrag uitgevoerd zou worden.com . 8.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 8: Beslissen en kiezen Pagina 321 t/m 365 8.

wanneer en hoe wordt gespecificeerd. Mensen gebruiken haast nooit het 6-stappen schema in zijn geheel.3 De fundamenten van beslissingen: verwachte waarden van uitkomsten Verwachte waarde: kans x waarde Voor het nemen van een rationele beslissing. Verder worden veel keuzes op basis van gewoonte of routine uitgevoerd.Stuvia. Dan hoeft er met kans geen rekening gehouden te worden. In formule: ∑ Waarbij: pj = de kans dat een bepaalde uitkomst j optreedt. Géén beslissing nemen is ook een keuze. Het uitvoeren van de gekozen actie kan uiteindelijk weer informatie opleveren voor volgende beslissingen. Mentale representaties kunnen de keuze beïnvloeden zonder dat daar een uitvoerige informatie-verzameling en – verwerking aan voorafgaat. Daardoor kunnen we ons iets voorstellen van wat ons te wachten staat. EV = de verwachte waarde. en kan hij gewoon de informatie verwerken over waarden van uitkomsten van de alternatieven.com . Dan leidt de activatie van het doel (stap 1) dus direct tot implementatie (stap 6). We maken echter meer gebruik van cognitieve schema’s bij het maken van keuzes. 68 . Als een doel wordt geactiveerd.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal gedragsoptie met de hoogste verwachte waarde wordt gekozen. In de bovengenoemde formule kan dit op drie plaatsen gebeuren: (1) de waarde van de uitkomst is een subjectief begrip. (6) De gekozen actie wordt geïmplementeerd. 8. m = het aantal verschillende uitkomsten die in de beslissing betrokken wordt. Deze stap wordt uitgesteld totdat de juiste gelegenheid zich voordoet. zal een keuze dus vaak bepaald worden door een mentale voorstelling van de verwachte waarde van die handeling. Waar. vj = de waarde die aan uitkomst j verbonden is. (b) welke waarde men hecht aan die uitkomst. Deze manier van keuzes maken is heel erg rekenkundig. Vaak gebruiken ze vuistregels en sluiproutes om keuzes te vereenvoudigen. Afhankelijkheid van de tevredenheid kunnen inschattingen en oordelen aangepast worden. Soms zijn de alternatieven even waarschijnlijk. Dan kan het implementatieplan de kans vergroten dat de gekozen actie ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. (5) De keuze wordt gemaakt. subjectieve processen. Het feitelijke gedrag van mensen zal nogal eens afwijken van rationele beslisregels als gevolg van de invloed van psychologische. moet je weten: (a) wat de kans is dat een handeling tot een bepaalde uitkomst leidt.

Door rekening te houden met subjectieve waarden en kansen ontstaat een aangepaste versie van de eerdergenoemde formule. Dan kiest men eerder voor de kans dan voor de zekerheid. Bij een willekeurige beslissing kan je geen goede voorspelling maken. De subjectieve waarde die iemand hecht aan bijvoorbeeld geld wordt utiliteit of nut genoemd. Wanneer het gaat om verliezen gebeurt het omgekeerde. dat het fundament van beslissingen wordt gevormd door psychologische waarden en kansen. Dit model wordt het subjective expected utility-model genoemd. Men zal eerder kiezen voor een kleine maar zekere winst dan voor een grote maar onzekere winst. Een objectieve toename leidt tot een steeds kleinere toename in de psychologische waarde. Dan wordt ‘waarde’ vervangen door ‘utiliteit’ en ‘waarschijnlijkheid’ door ‘subjectieve kans’. maar bij winst eerder voor een zekere kleine winst dan voor een onzekere grote winst. Prospecttheorie Het subjective expected utility (SEU) -model beschrijft of verklaart niet precies hoe de afwijkingen tussen objectieve en subjectieve oordelen totstandkomen. De relatie tussen geld en psychologische waarde is een logaritmische functie.com . Psychologische waarden I: het reflectie-effect Beide theorieën nemen aan dat een stijging in winst steeds minder subjectieve waarde heeft. Het enige verschil is dat de prospecttheorie specifiek beschrijft waarom en hoe psychologische waarden en kansen afwijken van objectieve waarden en kansen. Mensen hebben het idee dat en relatief meer waarde wordt gewonnen/verloren van bijv. 69 . Deze theorie veronderstelt. terwijl een beslissing over de latere toekomst het meest beïnvloed wordt door de waarde van een optie. vooral omdat sommige uitkomsten nog nooit of slechts één keer zijn voorgekomen.Stuvia.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (2) kansen worden vaak op een subjectieve manier vastgesteld. Psychologische waarden en kansen blijken op een systematische manier af te wijken van objectieve waarden en kansen. De prospecttheorie zegt dat dit leidt tot risicomijdend gedrag bij een mogelijke winst. Zo wordt een beslissing over de nabije toekomst het meest beïnvloed door de kans op succes. Kahneman en Tversky beschrijven. In de economie heet dit de wet van de afnemende meeropbrengst. dan van 500 naar 1000 euro. net als het SEU-model. Volgens de prospecttheorie komt dit door de subjectieve waarde van winsten en verliezen. Men kiest dus bij verlies eerder voor een onzeker groot verlies dan voor een zeker klein verlies. verklaren en voorspellen dit in hun prospecttheorie. (3) bij de uiteindelijke beoordeling van de verwachte waarde kunnen kansen en waarden verschillend wegen in het eindoordeel. 0 naar 500 euro. omdat je niet goed weet wat je voor de variabelen in moet vullen. Kansen van uitkomsten zijn niet altijd vast te stellen door de relatieve frequentie van die uitkomst te berekenen.

afhankelijk van hoe het probleem wordt gepresenteerd. Onrealistisch optimisme: mensen onderschatten een bepaalde kans als het om zichzelf gaat.com . Door kansen te schatten. terwijl ze bij een kleine kans op verlies juist risicomijdend gedrag vertonen. Voor verlies geldt juist dat de laagste uitkomst het meest wordt gekozen. Psychologische kansen De prospecttheorie beschrijft ook de subjectieve waarden van uitkomsten.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Men moet aan de hand van de figuur bij deze theorie subjectieve waarde met winst vermenigvuldigen. Verliezen worden dus extremer gewaardeerd en als ‘intenser’ ervaren dan winsten. Reflectie-effect: de omslag van risicomijdend naar risico zoekend gedrag. dan gaat men juist risico zoekend handelen. zal het meest worden gekozen. dan geldt weer het omgekeerde.1% kans. dan gaan mensen risicomijdend gedrag vertonen. is dat in het dagelijks leven kansen niet of heel moeilijk te bepalen zijn. De theorie zegt dat mensen aan kleine kansen relatief veel gewicht geven en aan middelmatige tot grote kansen relatief weinig gewicht.4 Frequentie. Een persoon zal de verkoopwaarde van een pen hoger schatten als die pen in eigen bezit is. Uit onderzoek blijkt dat mensen bij precies hetzelfde keuzeprobleem verschillende beslissingen neemt. Beslissingen zullen dus altijd afwijken van de modellen. Als men moet kiezen tussen 0. Psychologische waarden II: loss aversion De waarde-curve voor verlies verloopt steiler dan die voor winst. Een ander probleem wat hier nog bij komt. Zowel bij winst als verlies krijgt een kleine kans dus meer gewicht. komen er veel vertekeningen.1% kans om 5000 euro te winnen of een zekere winst van 5 euro. Gaat het om verlies. Het alternatief dat dan het hoogst uitkomt. de loterij). False concensus: mensen overschatten de frequentie van hun eigen bezigheden en voorkeuren. 8. dan wanneer deze niet in eigen bezit is. waardoor ze ook de kans overschatten dat hun liefhebberijen en 70 .Stuvia. Dat leidt tot loss aversion: mensen geven over het algemeen de voorkeur aan het vermijden van verlies boven het verkrijgen van winst. Als de uitkomst als een verlies wordt gepresenteerd. Dit is omdat een verlies sterker wordt gevoeld dan een winst.en kansschattingen Inleiding Als waarden en kansen eenmaal bekend zijn. Het endowment-effect is een gevolg van loss aversion: de subjectieve waarde van een product neemt toe zodra het onderdeel vormt van iemands persoonlijk bezit. Worden de mogelijke uitkomsten gepresenteerd als winst. Bedrijven die producten aanbieden op proefbasis profiteren hiervan. Dit zorgt ervoor dat voorkeuren worden beïnvloed door de manier waarop een keuzeprobleem wordt gepresenteerd (het framing-effect: precies dezelfde keuze kan worden geformuleerd (geframed) in termen van winst of juist verlies). Bij een kleine winst gaan mensen zich risico zoekend gedragen (bijv. worden ze op een subjectieve manier gewogen. dan kiest men voor de 0.

De conjunctie (het samenvallen) van twee gebeurtenissen kan per definitie niet waarschijnlijker zijn dan de kans op iedere afzonderlijke gebeurtenis. zijn verder weg’.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal voorkeuren door een willekeurig ander worden gedeeld. Dan wordt de kans beoordeeld dat A lid is van B. Dan moet men de kans schatten dat A het resultaat is van B. Daarnaast maken mensen ook gebruik van heuristieken. Deze zijn het gevolg van het ten onrechte toepassen van vuistregels. Op basis van een beschrijving zijn we geneigd om een bepaalde conjunctie als waarschijnlijker te zien dan één van de twee elementen. Vaak zal de afstand dan goed geschat worden. waarbij de vraag is of A lid is van B. waarbij de kans op de oorzaak of het gevolg moet worden geschat.t. Als één van de twee elementen van een conjunctieve gebeurtenis sterk representatief is. i. als je een object voor iets anders aanziet. Het schatten van kansen is erg lastig. We kunnen hierdoor met weinig inspanning redelijke kansschattingen maken.t. heuristieken. Dat komt doordat de vuistregel voorbijgaat aan enkele factoren die van groot belang zijn bij het maken van kansschattingen. Een heuristiek is een vuistregel die in principe op ieder inhoudsdomein toegepast kan worden. en krijgt meer aandacht. (2) A kan een resultaat of en uitkomst zijn en B een proces dat tot een bepaalde uitkomst leidt. Vertekeningen bij het subjectief vaststellen van waarschijnlijkheden en frequentieschattingen komen ook zo tot stand. Ook een ingewikkeld beslisprobleem kan vereenvoudigd worden door gebruik te maken van schema’s. een inhoudsdomein. bijv.De representativiteitsheuristiek: hoe meer kenmerken een stimulus A gemeen heeft met een stimulus B. A en B kunnen hierbij naar drie verschillende stimuli verwijzen: (1) A kan een exemplaar zijn. (3) A kan een oorzaak zijn en B een gevolg. mede omdat mensen vaak te weinig inzicht hebben. Ook de Ponzoillusie (balkjes met perspectief) is en beoordelingsfout naar aanleiding van de ‘kleiner is verder weg’-vuistregel. Met de heuristiek zelf is nooit zoveel mis. Die factoren zijn o. Bijvoorbeeld het waarnemen van een object en daarbij de afstand moeten bepalen. Deze heuristiek is echter over het algemeen heel erg functioneel. en B een categorie. Deze worden bij de representativiteitsheuristiek genegeerd: de base-rate fallacy: het ten onrechte negeren van initiële waarschijnlijkheden.a. maar soms kan deze vuistregel leiden tot beoordelingsfouten. Er bestaan ook cognitieve illusies en vertekeningen. Het representatieve element spring eruit. Naarmate er in de beschrijving van een 71 . waarmee ze op een snelle manier kansen en frequenties kunnen bepalen.com . Daarbij gebruiken we de heuristiek: ‘Objecten die kleiner zijn.Stuvia. Hierbij zijn er drie van belang: . gaat men de kans op deze gebeurtenis overschatten. Bij verkeerd gebruik kunnen vertekeningen en beoordelingsfouten het gevolg zijn. (b) Conjunctieve gebeurtenissen. Schema’s hebben. maar het gaat erom hoe het gebruikt wordt. We gebruiken deze heuristiek wanneer we een waarschijnlijkheidsoordeel moeten vormen over de vraag of A representatief is voor B.: (a) Initiële waarschijnlijkheden/base-rates. des te waarschijnlijker is het dat A en B bij elkaar horen.

want het is natuurlijk zo dat iets wat je je snel herinnert. Mensen verwachten vaak dat een sequentie van gebeurtenissen die op willekeurige manier tot stand is gekomen de typische kenmerken van willekeurigheid bezit. Hoe groter de steekproef. waarschijnlijk ook vaker voorkomt. Door een aantal factoren kan deze heuristiek echter ook tot vergissingen leiden: . Dit gemak betreft niet alleen het ophalen van eerder geregistreerde voorbeelden. Ook hier worden ‘base-rates’ genegeerd. Vaak worden de eigen ervaringen representatiever gevonden dan die van anderen. want dat is representatiever voor toeval. Ook bij goed getrainde onderzoekers treedt deze fout op. en spreken we van de conjunction-fallacy. Er is dus een verband tussen de hoeveelheid voorbeelden die je je herinnert en het subjectief ervaren gemak waarmee je je die voorbeelden herinnert. terwijl de kans in werkelijkheid op rood nog net zo groot is als op zwart. worden als waarschijnlijker beoordeeld dan andere gebeurtenissen. omdat die meer saillant zijn. wordt de categorie statistisch steeds minder waarschijnlijk. zelfs als dit een korte reeks is. Die ene vitale opa is saillanter dan de saaie statistieken over de effecten van het roken. Zelfs met de kennis over deze heuristiek gaan de meeste mensen bij een experiment nog de fout in. De fout zit hem in het feit dat mensen bij een korte reeks volledige willekeurigheid aannemen. (c) Kansen en willekeurigheid. maar mensen maken vaak de fout dat ze 4 van de 5 als zekerder inschatten dan 30 van de 50. Deze misvatting over toeval wordt de gambler’s fallacy genoemd. Maar baseert de heuristiek zich op de hoeveelheid. Deze heuristiek zal toch ook vaak leiden tot accurate oordelen. (d) De omvang van de steekproef.De mate van bekendheid met een bepaald domein kan ertoe leiden dat 72 . Gebeurtenissen die makkelijk voor te stellen zijn. Hier komt nog eens bij dat de feiten over opa ook veel meer cognitief beschikbaar zijn dan die over roken in het algemeen: . of op het gemak? Uit onderzoek blijkt dit het gemak te zijn. Dit komt door het gemak en de snelheid waarmee je bepaalde informatie uit je geheugen kunt halen.com . Dit zou kunnen komen doordat we ons sterker laten leiden door levendige informatie over concrete gevallen. hoe kleiner de kans dat een volgende persoon afwijkt van het gemiddelde van die steekproef. zelfs al vormen die anderen een grotere steekproef. maar tegelijkertijd wel representatiever en dus subjectief waarschijnlijker. des te frequenter is dat voorval. maar ook het zich voorstellen van een gebeurtenis.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal categorie meer details worden gegeven. maar door het toepassen van de representativiteitsheuristiek let men met name op de verhouding en niet op de grootte van de steekproef. moet het balletje nu wel op zwart vallen.Stuvia. terwijl dit alleen bij veel langere reeksen echt volledig willekeurig is. Als er 8 keer rood is gevallen.De beschikbaarheidsheuristiek: hoe makkelijker de voorbeelden van een voorval me te binnen schieten. Ook bij deze heuristiek is weinig cognitieve arbeid nodig. Grotere steekproeven geven betere voorspellingen dan kleinere steekproeven.

. Er zijn 4 verklaringen: (1) De conversational-hint verklaring stelt dat er en suggestie uitgaat van de vraag naar het vergelijkende oordeel.com . Gebeurtenissen zijn levendig als er veel concrete details waarneembaar zijn of als ze een emotionele reactie oproepen. omdat mensen deze fout ook maken als ze weten dat de ankerwaarde niet relevant is (bijvoorbeeld aan een rad draaien). is de neiging om te volharden in onjuiste ideeën. Beoordelaars krijgen bijvoorbeeld een vraag over het aantal restaurants. Ook deze heuristiek is op zich weer heel goed bruikbaar. Daardoor wordt de toegankelijkheid voor anker-consistente informatie in het geheugen verhoogd. maar ook kwantitatieve oordelen en de schattingen van kansen en waarderingen van bepaalde loterijen en weddenschappen. Deze verklaring is echter niet waarschijnlijk.Ankering en aanpassing Ankering: kwantitatieve schattingen assimileren in de richting van een of ander beschikbaar vergelijkingsgetal (de ankerwaarde). omdat je daar al voor jezelf verklaringen voor had gevonden. Deze heuristiek geeft hiermee ook een verklaring voor het false-concensus effect. alleen wordt het vaak op een verkeerde manier gebruikt. Daardoor krijgt de ankerwaarde teveel gewicht. (3) Het Selective Accessability Model (SAM): mensen toetsen bij het vergelijkende oordeel de voorlopige hypothese dat het juiste antwoord gelijk is aan de ankerwaarde en gebruiken daarbij een confirmatieve teststrategie (de confirmation bias). De beoordelaar neemt eerst de ankerwaarde in overweging. Levendige gebeurtenissen trekken meer aandacht en worden beter onthouden. en gaat daarna zijn antwoord daaraan aanpassen. Ook zintuiglijke nabijheid en nabijheid in tijd en plaats spelen een rol. Gedachten die in de persoon opkomen zullen dus in verband staan met de ankerwaarde. De beoordelaars zouden veronderstellen dat iemand alleen een vraag stelt over een bepaalde waarde als er verschil van mening over bestaat of de accurate waarde daarboven of daaronder ligt. . zul je het eerste toch geloven.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal waarschijnlijkheidsoordelen vertekend worden. (2) Beoordelaars gebruiken de ankerwaarde als startpunt voor aanpassing. Een hele andere vergissing. Ankerwaarden beïnvloeden schattingen van hoeveelheden. Bijvoorbeeld in een experiment eerder goedkope automerken herkennen dan dure wanneer een lage ankerwaarde was gegeven. waardoor ze ook beter worden herinnerd en de frequentie ervan wordt overschat. ga je voor jezelf verklaringen zoeken voor hetgeen gezegd wordt. Als je dan naderhand is leest wat compleet het tegenovergestelde is van het vorige. Ze dachten bijvoorbeeld zelf aan een getal tussen de 100 en 250. Zelfs als de ankerwaarde wordt geleverd door iemand die totaal niet van belang is bij de gebeurtenis. is het effect nog duidelijk zichtbaar. Het effect verdwijnt niet als mensen vooraf worden gewaarschuwd.Stuvia. 73 . met als ankerwaarde 50.De levendigheid van gebeurtenissen is een andere factor die de accuraatheid van frequentieschattingen kan beïnvloeden. die ook door deze heuristiek wordt veroorzaakt. en geven ze dus als antwoord 100. gaan ze bedenken wat hun minimum waarde is (100). Omdat de ankerwaarde 50 is. Als je iets leest.

Je kan net zolang verschillende vakjes (meerdere keren) openen. Bijvoorbeeld als het vergelijkende oordeel heel snel en onder tijdsdruk gegeven moet worden.Stuvia. 8. Deze techniek vereist veel technische precisie. Als de ankerwaarde relevant is voor de schatting. Ook kan de instructie om hardop te denken tijdens de taak het beslisproces verstoren. Dat wordt vastgelegd op een geluidsband. kan ook ankering wel degelijk leiden tot een accuraat oordeel. Het traceren van beslisstrategieën Er zijn hiervoor verschillende onderzoekstechnieken: (1) ‘hardop denken’-procedure: proefpersonen worden gevraagd om gedurende het oplossen van het keuzeprobleem al hun gedachten uit te spreken. maar in sommige omstandigheden wordt het wel zwakker. De informatie in de cellen is afgedekt. Ook is deze methode niet meer te gebruiken als er teveel informatie op een te kleine oppervlakte wordt aangeboden. Er is dus iedere keer maar één cel tegelijk geopend. bijvoorbeeld bij onderhandelingen over het salaris. (2) oogbewegingen registreren. Beoordelaars kunnen zelf ook een ankerwaarde kiezen. De proefpersoon kan de informatie in iedere cel zelf opvragen. Men accepteert de ankerwaarde als ‘waar’(gebaseerd op Spinoza). De informatie blijft dan in beeld totdat de persoon een ander vakje opent.5 Beslisstrategieën: kiezen uit verschillende mogelijkheden Beslisstrategieën zijn strategieën die mensen in complexe keuzesituaties gebruiken om tot een beslissing te komen. Hierbij wordt proefpersonen een apparaat op de ogen gezet waarmee verschillende aspecten kunnen worden gemeten die indicatief zijn voor de wijze waarop informatie is verzameld en gebruikt tijdens het oplossen van het keuzeprobleem. De uiteindelijke schatting is een gewogen gemiddelde van de geactiveerde getallen. en gaat daarna pas bedenken of het ook echt zo is. De ankerwaarde hoeft echter niet per se als een vraag te worden gepresenteerd. (3) het informatiezoek-bord is een stuk minder arbeidsintensief. Men ziet een tabel met in de rijen de keuzemogelijkheden en in de kolommen de uitkomsten. totdat je een beslissing hebt 74 . Deze priming is heel robuust. waardoor een andere strategie wordt gevolgd dan onder normale omstandigheden het geval zou zijn. Dan is deze waarde wel al geactiveerd als één van de mogelijke antwoorden bij de uiteindelijke schatting. Ook gebruiken mensen een eerste getal in een reeks als ankerwaarde: bij de berekening van 1x2x3x4x5x6x7x8 antwoord men gemiddeld met een veel lager getal dan bij 8x7x6x5x4x3x2x1. Deze procedure heeft als nadeel dat ze zeer arbeidsintensief zijn. of wanneer er niet om een vergelijkend oordeel werd gevraagd en de ankerwaarde op een andere manier wordt geïntroduceerd.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (4) ‘numerieke priming’-theorie: de schatting van een hoeveelheid of een kans is een complexe geheugentaak waarbij onbewust en oncontroleerbaar getallen worden geactiveerd die volgens de beoordelaar mogelijk zijn als antwoord op de gevraagde schatting.com .

om de opties optimaal met elkaar te kunnen vergelijken. We nemen vaak genoegen met een voldoende resultaat. Een compensatorische beslisstrategie vereist dat voor alle keuzealternatieven informatie over dezelfde verwachte uitkomsten wordt verzameld. Het alternatief dat men als eerste tegenkomt heeft dus een grotere kans om te worden gekozen dan een alternatief dat men later tegenkomt. De onderzoeker krijgt zo inzicht in: (a) de hoeveelheid informatie die wordt gevraagd. Dit zegt bij elkaar iets over het type beslisstrategie. Het probleem kan enigszins worden vereenvoudigd door alleen de belangrijke uitkomsten van alle keuzealternatieven te betrekken in het keuzeproces.com . De waarde van iedere uitkomst wordt vergeleken met van tevoren vastgestelde normen. ongeacht de waarde op andere uitkomsten. omdat een slechte score op een uitkomst niet gecompenseerd kan worden door een goede score op een andere uitkomst. Deze manier van versimpeling is non-compensatorisch.Stuvia. Het belangrijkste kenmerk. verwerkt en gecombineerd.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal genomen. Het missen van informatie betekent dat je niet met zekerheid kunt zeggen dat die optie beter of slechter is dan een andere. (b) het soort informatie. die al deze beslisregels gemeen hebben. (c) de volgorde waarin informatie wordt opgevraagd. wordt meteen het complete alternatief verworpen. wat niet per se het beste resultaat hoeft te zijn. Mensen bekijken vaak niet alle informatie bij een complexe beslistaak. Dit idee komt overeen met de aanname (afkomstig van de ‘verwachte waarde’-modellen) dat de mens streeft naar het maximaliseren van nut (utiliteit) en bereid is zich mentaal uit te sloven om dat te bereiken. Weloverwogen beslissen: de compensatorische beslisstrategie Je gaat er hierbij vanuit dat een slechte score op een bepaalde uitkomst van een keuzemogelijkheid kan worden gecompenseerd door een goede score op een andere uitkomst van diezelfde keuzemogelijkheid. Als een uitkomst buiten die norm valt. om aan te geven dat beslissers de cognitieve arbeid beperken en het beslistraject verkorten. Er worden ruwweg twee strategieën onderscheiden: de compensatorische strategie en de noncompensatorische strategie. Hierbij worden alternatieven één voor één bekeken. (1) De satisficing-regel. bij een kamer zoeken). Bij het kiezen van een vakantie zou bijvoorbeeld de relatief hoge prijs kunnen worden gecompenseerd door de zeer goede kwaliteit van het zeewater. Het eerste alternatief dat voldoet aan de normen wordt gekozen. is dat een keuzealternatief onmiddellijk wordt verworpen wanneer deze een slechte waarde op een belangrijke uitkomst heeft. Een vluchtige analyse van het keuzeprobleem: de non-compensatorische beslisstrategie Deze worden ook wel heuristische strategieën genoemd. Deze regel kan ook meer noodgedwongen worden gebruikt (bijv. 75 .

Het keuzeproces wordt hierbij volledig overgeslagen. Beide soorten beslisstrategieën worden vaak door elkaar gebruikt. . Daarvoor wordt een drempelwaarde vastgesteld. Dit is habitueel. 76 . Als er dan meer dan één alternatief overblijft.screening-fase: een non-compensatorische regel wordt gebruikt om uit een set van mogelijke alternatieven tot een eerste selectie te komen.Stuvia.overwegingsfase: om een uiteindelijke keuze te maken uit de overgebleven opties gaat men daarna verder met een compensatorische regel. We hebben dus vaak niet de cognitieve capaciteit of de motivatie om een compensatorische strategie te gebruiken. Onder tijdsdruk blijken non-compensatorische strategieën een even goede of soms zelfs betere beslissing op te leveren dan de compensatorische strategieën. of als men weinig tijd heeft. maar niet als bij keuzes die we al een keer hebben gemaakt. maar in de praktijk zullen we die nooit allemaal overwegen. omdat daarbij het beslistraject niet helemaal afgewerkt kan worden. Wanneer welke strategie? Vaak leidt een non-compensatorische strategie tot een suboptimale keuze.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal (2) De elimination by aspect-regel. Deze regel wordt vooral gebruikt wanneer bepaalde waardes van uitkomsten saillant of belangrijk zijn of worden gemaakt. Vooral als mensen onder tijdsdruk staan. wordt dit proces vervolgd op een andere uitkomst. Bij de keuzes die bij dit gedrag gemaakt worden. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen de ‘screening-fase’ en de ‘overwegingsfase’: .com . Kiezen zonder nadenken: de habituele beslissing Bij zowel compensatorische als non-compensatorische strategieën blijft er in bepaalde mate denkwerk nodig. hoeven we op een gegeven moment niet meer na te denken. non-compensatorische. of gewoontegedrag. Ook deze strategieën kunnen via het informatiezoek-bord worden achterhaald. mensen heuristische. en alternatieven die onder die drempelwaarde uitkomen worden geëlimineerd. Uit onderzoek blijkt dat bij complexe keuzesituaties met veel alternatieven. Soms is deze strategie toch het meest bruikbaar: als men bijvoorbeeld een duidelijk randvoorwaarde heeft. strategieën gebruiken in plaats van de compensatorische strategie. In het dagelijks leven kunnen we vaak uit veel actiemogelijkheden kiezen om onze doelen te bereiken. dus een keuze die niet de hoogste utiliteit heeft. ook als deze niet zo handig zijn. prijs. Hierbij begint men met vaststellen wat de belangrijkste uitkomst is. vallen ze vaak terug in routines. Ander onderzoek toont aan dat het afleggen van verantwoording mensen motiveert om meer compensatorische strategieën te gebruiken. net zolang totdat er één alternatief overblijft. bijv.

Het zijn affectieve toestanden die ergens over gaan.2 Wat is affect? Affect is de meest algemene term en verwijst naar een subjectieve evaluatie van iets op een positief-negatief dimensie.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal S&O: Beoordeling en Beïnvloeding Samenvatting Hoofdstuk 9: Affect en cognitie Pagina 367 t/m 403 9. Affectieve toestanden zijn dus eigenlijk drijfveren die ons gedrag sturen. Aristoteles. is de ervaring van de impuls tot handelen wel een typisch onderdeel van een 77 . Opnieuw door het behaviorisme. Ze kunnen elkaar wederzijds beïnvloeden. Descartes) werden emoties gezien als hinderlijk.1 Inleiding Vroeger (Plato. Vaak zullen we de actietendensen onderdrukken en ervoor zorgen dat we het specifieke emotionele gedrag niet vertonen.Stuvia. Het omvat dus zowel emoties als stemmingen. Er is een verschil tussen ‘emotie’. De waarde die we aan een uitkomst toekennen wordt deels bepaald door het gevoel wat we verwachten te ervaren op het moment dat die uitkomst optreedt (in termen van het ‘verwachte uitkomst’-model). verstorend en disfunctioneel. Zajonc heeft hiertoe de aanzet gegeven. Daardoor zijn ze over het algemeen kort van duur. Affect heeft naast invloed op cognities. Bij de meeste actietendensen is de motivatie toegenomen. Als onze focus van aandacht verandert. Dat is vaak wel moeilijk. Hoewel actietendensen niet altijd tot gedrag leiden. duurde het tot aan de jaren tachtig voordat de relatie tussen affect en cognitie werd onderzocht. Emoties zijn meestal relatief intens. 9. Emoties Een kenmerk van emoties is dat ze een duidelijk object hebben. Volgens Frijda is een kenmerk van emoties dat ze een actiebereidheid met zich meebrengen. ook invloed op gedrag (ook op de langere termijn). Bij de actietendensen gaat het om de toegenomen of juist afgenomen motivatie om iets te doen. omdat onze emotie ons juist naar het object toestuurt. ‘affect’ en ‘stemming’. die het gevolg is van een bepaalde appraisal (inschatting of beoordeling) van een situatie door degene die de emoties ervaart. Van die belangen zijn we ons meestal niet bewust. Daarnaast laten mensen zich ook leiden door de anticipatie van emoties (gedachten over emoties die ze op een later moment kunnen ervaren. De ratio diende te waken en te regeren over de grillige emoties die ons psychologisch evenwicht ontregelen en onaangepast gedrag veroorzaken. verdwijnt de emotie. omdat door het ervaren van een emotie onze belangen meestal in het geding zijn. vanwege sociale normen. Daardoor gaan emoties gepaard met bepaalde emotie-specifieke actietendensen om de belangen die in het geding zijn te behartigen. Gevoel en verstand zijn echter onlosmakelijk met elkaar verbonden. De relatie tussen gevoel en verstand Vaak wordt in het dagelijks leven aangenomen dat de emotionele ervaring het nuchter denken in de weg staat.com .

zoals blijdschap en triestheid. die ons informeren over onze lichamelijke toestand. en daarom kan je nog wel eens reageren op een ‘vals alarm’. Naast deze adaptieve. niet cognitief. Als er iets gebeurt. De eerste reactie op een stimulus is vaak affectief. communicatieve functie.com . motivationele functie hebben emoties ook een sociale. dat gevolgen heeft voor ons welzijn. Gevoelens zijn een onderdeel van een emotie. Na een 78 . die ons informeren over hoe het ervoor staat met onze belangen en doelen. (3) affectieve gevoelens. Om van emotie te spreken. Je kan je emoties overdrijven. die ons informeren over onze kennis over iets. (2) cognitieve gevoelens. Stemmingen Stemmingen zijn anders dan emoties. dan resulteert dat in een emotie. omdat ze (a) geen object hebben. Als laatste gaan ze vaak ook gepaard met specifieke gedachten. Ook het uiten van emoties heeft een overlevingswaarde. zoals verbazing en verwarring.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal emotionele beleving. We ervaren emoties. Zodra een emotie wordt geactiveerd. De affectieve gevoelens lijken een noodzakelijke voorwaarde voor een emotie te zijn. maar kunnen ook omgekeerd zelf gedachten opwekken. Emoties kunnen overgaan in stemmingen. Door emoties geven we dus prioriteit aan gedragingen die onze belangen dienen. Er is geen tijd om te twijfelen. Een laatste functie van emoties is een strategische functie. De emotie is dan een belangenbehartiger door de specifieke actietendensen die ze oproept. Stemmingen kunnen wel op andere manieren cognities en gedrag beïnvloeden. Omdat ze zo algemeen en diffuus zijn. Gevoelens zijn vaak affectief van aard. Dus: een stemming is een algemene affectieve toestand die positief of negatief van aard is. net als actietendensen. moet er ook een actietendens aanwezig zijn. maar ook op grond van de gevoelens die opgeroepen worden. maar niet altijd. Bijvoorbeeld spijt betuigen. zoals honger en lichamelijke opwinding. of zelfs simuleren. omdat ze een adaptieve functie hebben.Stuvia. Emoties en stemmingen hebben toch ook veel gemeen. om het gedrag van anderen te beïnvloeden. als de focus op de externe stimulus (het object) verdwijnt. Drie soorten gevoelens op basis van de informatie die door deze gevoelens wordt overgebracht: (1) lichamelijke gevoelens. Het ervaren van affectieve gevoelens betekent echter niet dat we emotie ervaren. Verschillende emoties kunnen niet alleen onderscheiden worden op basis van specifieke actietendensen. worden automatisch bepaalde gedragspatronen geactiveerd. Emoties kunnen veroorzaakt worden door gedachten. (b) minder heftig zijn (het zijn affectieve toestanden) en (c) niet gepaard gaan met actietendensen en gedachten. die niet een eenduidige oorzaak heeft en waarin geen duidelijk begin en eind te onderscheiden is. kunnen ze veel verschillende processen beïnvloeden. Een emotie is dus een affectieve ervaring die ergens over gaat.

com . Appraisal James stelde dat emoties slechts een epifenomeen (bijproduct) zijn van de lichamelijke veranderingen die een stimulus kan oproepen: we worden bang voor een beer. terwijl dat eerst niet zo was). processen. Of en welke emotie wordt ervaren. hangt af van hoe een persoon de situatie inschat. Volgens Arnold zit er nog een stap tussen perceptie en emotie: appraisal (beoordeling of inschatting) van situatie of stimulus. min of meer onbewuste. De emotie ontstaat doordat we ons bewust zijn van onze lichamelijke verandering.t. Om een belangenbehartiger te zijn. Als deze ervaring weer in verband wordt gebracht met de gebeurtenis. Volgens James is er geen beoordeling nodig om een emotie te ervaren. omdat we vluchten. maar ook snelle. Schachters cognitieve emotietheorie Ook volgens Stanley Schachter vindt er tussen de perceptie van lichamelijke veranderingen en het ervaren van emoties een cognitieve beoordeling plaats.3 De invloed van cognitie op affect Volgens Zajonc zijn affect en cognitie bijna onafhankelijk van elkaar. die niet toegeschreven wordt aan de gebeurtenis. hoewel die vaak heel elementair zijn. 79 . James). Als de aanleiding anders is.t. zou je een hele andere emotie kunnen voelen. Door experimenten werd Schachters theorie bevestigd. maar de lichamelijke arousal hetzelfde. maar gewoon rond blijft zweven. Dan zul je de arousal aan de beer toeschrijven en angst voelen. (bijvoorbeeld beer in dierentuin  geen emotie. Deze appraisals kunnen uitgebreide. (bijvoorbeeld de ex met Paco Rabanne  alleen de geur wekt negatief gevoel op. bewuste cognitieve processen zijn. De arousal is dus aspecifiek (i. en je interpreteert daarna waarom je lichaam ‘aroused’ is. zonder dat er eerst cognitieve overwegingen worden gemaakt.Stuvia. is er toch een minimum aan betekenisgeving (appraisal) nodig. je rent weg. De emotie ontstaat dus doordat je een bepaalde attributie maakt bij de lichamelijke verandering die je ervaart. De perceptie van de beer en de automatische gedragsreactie is voldoende. 9. Toch is het soms ook zo dat affectieve reacties totstandkomen als reactie op cognitieve processen en. (2) Deze theorie geeft niet aan waarom bepaalde stimuli het vermogen hebben om emoties op te wekken en andere niet. terwijl ze dat eerst niet deden. moet een emotie snel en direct optreden na een stimulus. Volgens Arnold zijn met dit idee twee problemen: (1) De theorie kan niet verklaren hoe het komt dat sommige stimuli het vermogen krijgen om emoties op te roepen.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal emotie blijft er wel een aspecifieke affectieve ervaring hangen. beer in stad  wel emotie). wat weer afhangt van de belangen en ervaringen van die persoon. kan het weer tot gevoelens en zelfs emoties leiden. maar dat gaat volgens hem als volgt: je ziet een beer.

afhankelijk van hoe een situatie wordt beoordeeld. Die vormen samen de ‘secondary appraisal’. ervaren we triestheid en frustratie. Als we onszelf verantwoordelijk achten.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Moderne appraisal-theorieën De meer recente theorieën gaan uit van Arnolds idee dat de beoordeling of inschatting van een situatie cruciaal is bij het ontstaan van emoties. Al deze theorieën beschrijven wanneer welke emotie wordt ervaren. Deze heuristiek kan gebruikt worden bij het schatten van zowel de waarschijnlijkheid van toekomstige gebeurtenissen als de kans dat een gebeurtenis die al voorbij is anders had kunnen verlopen. en dat specifieke emoties een gevolg zijn van specifieke uitkomsten van dit proces. Ze doen echter geen uitspraak over hoe deze beoordelingen precies totstandkomen. De valentie blijkt het belangrijkste te zijn. Het denken over hoe het anders had kunnen gaan. Als het negatief wordt beoordeeld.‘agency’: de mate waarin men zich verantwoordelijk voelt voor een gebeurtenis. Het gemak waarmee een gebeurtenis mentaal gereconstrueerd of gesimuleerd kan worden wordt gezien als indicatie voor de waarschijnlijkheid dat die gebeurtenis ook echt op had kunnen treden. Dimensies die in veel theorieën terugkomen: . en maakt onderscheid tussen positief en negatief. Als we omgevingsfactoren als verantwoordelijk zien. De simulatieheuristiek is nauw verwant aan de eerder besproken beschikbaarheidsheuristiek: deze heuristiek verwijst naar het in gedachten reconstrueren van gebeurtenissen of het construeren van alternatieve gebeurtenissen. worden de andere dimensies beoordeeld. komen gedachten aan hoe het anders had kunnen gaan heel makkelijk bij ons op. Er wordt ook haast geen aandacht meer besteed aan fysieke arousal. De attributietheorie van Weiner is op deze appraisal-dimensie (verantwoordelijkheid) van toepassing. irritatie en walging. .com . wordt contrafeitelijk denken genoemd. Die vindt als eerste plaats. en welke dimensies dat zijn. De vraag is hierbij dus hoeveel dimensies/criteria we nodig hebben om alle emoties van elkaar te onderscheiden. minachting. en wanneer we zelf de veroorzaker zijn: trots. dan ervaren we vaak schuld. Daardoor lijkt dit onverwachte (bijv. een ongeluk) erger dan wanneer precies hetzelfde was gebeurd tijdens de dagelijkse routine. Positieve emoties zijn minder gedifferentieerd dan negatieve emoties. .Stuvia. en wordt ook wel ‘primary appraisal’.de valentie of plezierigheid van een gebeurtenis. schaamte of spijt en als we anderen verantwoordelijk achten vooral boosheid. Contrafeitelijk denken Wanneer wordt afgeweken van een gewone routine en er iets onverwachts gebeurt.de nieuwheid of onverwachtheid van een gebeurtenis. Na een positieve beoordeling zijn we vaak vooral blij. die juist bij James en Schachter zo’n grote rol speelde. Het verschil is dat huidige theorieën ervan uitgaan dat situaties op een aantal criteria wordt beoordeeld. 80 .

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

Het gebruik van deze heuristiek heeft gevolgen voor de emoties die de betrokkene ervaart. Zo zullen negatieve gebeurtenissen waarbij je gemakkelijk een alternatieve, betere afloop kunt bedenken de negatieve emoties versterken. Counterfactual thinking: het cognitieve proces waarin gebeurtenissen mentaal gesimuleerd worden en mentaal ongedaan gemaakt worden door factoren in die simulatie te veranderen. Wanneer er makkelijk counterfactuals bedacht kunnen worden die positiever zijn dan de verkregen uitkomst, zal de affectieve reactie op een negatieve uitkomst versterkt worden. Het omgekeerde geldt voor positieve uitkomsten, maar de versterking van affectieve reacties door contrafeitelijk denken is sterker bij negatieve uitkomsten, doordat er dan meer contrafeiten gegenereerd worden. Voorbeeld: zilver/brons winnen: mensen die brons winnen zijn blijer, omdat de meeste opvallende andere mogelijkheid de vierde plaats is en dus geen prijs. Met contrafeiten kan het verschil gemaakt worden tussen ‘slecht’ doen en ‘slecht’ zijn en het verschil tussen de emoties spijt en teleurstelling. Het mentaal simuleren van een gebeurtenis en het in die simulatie ongedaan maken van een uitkomst is van invloed op de intensiteit van affectieve reacties. Datgene wat er in dit proces veranderd wordt bepaalt welke specifieke emotie ervaren wordt. Dus verschillende vormen van contrafeitelijk denken leiden tot verschillende emoties. 9.4 De invloed van affect op cognitie Om de invloed van affect op een systematische manier te onderzoeken wordt vaak gebruikgemaakt van methoden om experimenteel stemming of emoties te induceren. Het verschil tussen het opwekken van deze beide affectieve toestanden is kleiner dan het lijkt. Het onderzoek heeft zich echter vooral gericht op stemmingen. Stemmingsinductiemethoden Er zijn veel manieren om iemand in een bepaalde stemming te brengen, bijv. de Velten-techniek. Een proefpersoon moet een aantal uitspraken, die over de proefpersoon zelf gaan, hardop lezen. De persoon moet dan proberen het gevoel op te roepen dat bij de uitspraak past. Twee condities: positief en negatief. Een neutrale stemming creëren is eventueel ook mogelijk. Ook wordt het vertonen van een stuk film of het lezen van een verhaal dat emotioneel geladen is vaak gebruikt. Andere methoden zijn facial expression en posturing. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het feit dat bepaalde lichamelijke uitingen een stemming kunnen opwekken. Proefpersonen wordt hierbij gevraagd een bepaalde gezichtsuitdrukking of lichaamshouding aan te nemen. Om het verband tussen de uitdrukking of houding en de stemming dan te vertroebelen, wordt bijvoorbeeld aan de personen gevraagd een potlood tussen hun lippen of tanden te houden. Er zijn verschillende criteria die bepalen welke methode het meest geschikt is om een stemming te induceren, bijv. de intensiteit van de opgewekte stemming die de onderzoeker nastreeft. Ook duur, specificiteit (alleen positief/negatief of daarbinnen ook nog een specifieke emotie), gevoeligheid voor demand characteristics (zijn toestanden echt of weet de persoon wat er van hem verwacht wordt), en ethiek (met

81

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

name bij negatieve stemming: is de methode ethisch verantwoord). Er zijn twee manieren waarop affect van invloed kan zijn op cognitieve processen. (1) Affect-priming, wat inhoudt dat affect, net als andere primes, invloed heeft op de gedachten die bij ons opkomen en op de wijze waarop we externe informatie verwerken. (2) ‘Affect-als-informatie’: ontstaat doordat onze gevoelens en stemmingen zelf ook als een bron van informatie over onze omgeving kunnen worden opgevat. Affect-priming Onze affectieve toestanden zijn van invloed op wat we denken. Een stemming kan als prime dienen die de toegankelijkheid van negatief geëvalueerde informatie in het geheugen vergroot. Die prime kan er op drie manieren toe leiden dat oordelen over een stimulus congruent zijn met de stemming waarin men verkeert (dus men beoordeelt een stimulus positiever als men in een positieve stemming is). (1) Via selectieve herinnering: door de (negatieve) stemming herinnert men zich iets (negatiefs), over bijvoorbeeld een persoon, dat overeenkomt met die stemming. (2) Via selectieve aandacht: we beperken ons tot een klein deel van de informatie bij het vormen van een evaluatief oordeel, omdat we niet alle informatie kunnen gebruiken. Onze aandacht is dus selectief. Onze affectieve toestand kan onze aandacht sturen: affect-congruente informatie krijgt meer aandacht dan affectincongruente informatie. (3) Via selectieve encodering: doordat bepaalde constructen meer toegankelijk zijn in bepaalde affectieve toestanden, worden deze sneller gebruikt om nieuwe informatie te interpreteren. In al deze drie gevallen heeft de affectieve toestand indirect invloed op beoordelingen, beslissingen en gedragingen. Affect als bron van informatie Emoties geven een signaal dat iets in de omgeving van belang is en dat we moeten reageren. Daardoor vormen emoties en andere affectieve ervaringen op zichzelf een bron van informatie, die een meer directe invloed heeft op oordelen. Je oordeel zal mede gebaseerd zijn op het gevoel dat je ergens bij hebt. Mensen onthouden vaak niet alle details bij een stimulus, maar vooral of ze iets ‘goed’ of ‘slecht’ vinden. Daardoor is het affect dat geassocieerd is met een stimulus vaak de belangrijkste bron van informatie wanneer men een oordeel moet geven over die stimulus. Mensen zijn alleen niet altijd even goed in staat om onderscheid te maken tussen hun affectieve toestand van dat moment en het affect dat door een stimulus opgeroepen wordt. Stemmingen zijn niet gekoppeld aan een bepaald object, maar ze kunnen wel (ten onrechte) daaraan gekoppeld raken. Er is dan sprake van misattributie. Emoties worden dus niet alleen bepaald door de situatie, zoals door appraisaltheorieën wel wordt benadrukt: emoties verschaffen de persoon informatie over de situatie en worden gebruikt om de situatie te interpreteren. Mensen bleken in een

82

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

onderzoek tevredener te zijn met hun leven op zonnige dagen dan op regenachtige dagen, maar dit effect verdween op het moment dat er daarvoor terloops werd gevraagd wat voor weer het was. Invloed van affect op diepte van informatieverwerking Affect heeft ook invloed op de wijze waarop we denken, dus op de informatieverwerking. Mensen in een positieve stemming verwerken informatie relatief oppervlakkig, terwijl mensen in een negatieve stemming juist grondiger en ‘dieper’ verwerken. Daardoor worden cognitieve vertekeningen sterker onder invloed van een goede stemming. Zo maken ze bijvoorbeeld meer gebruik van stereotypen. Er zijn verschillende verklaringen voor: (1) Een affectieve toestand informeert ons of de huidige situatie in orde is of niet. Als we in een positieve stemming zijn, betekent dat dat de situatie in orde is en we dus niet per se iets hoeven veranderen. Een negatieve stemming zorgt ervoor dat we iets aan de situatie moeten veranderen en deze dus goed moeten overdenken. Daardoor leidt een negatieve stemming tot meer uitgebreide verwerking van informatie. (2) Elke activiteit die de positieve stemming kan veranderen wordt vermeden, dus ook het grondig nadenken over aangeboden informatie (gebaseerd op het mood maitenance-principe: mensen die in een positieve stemming zijn, willen dit graag zo houden). Iemand in een negatieve stemming zal juist alle informatie overdenken, op tot een oplossing te komen. Mensen in een goede stemming hebben dus een verminderde motivatie om informatie grondig te verwerken. (3) Mensen in een goede stemming hebben een verminderde cognitieve capaciteit. Omdat positieve herinneringen en constructen meer divers en verspreid in het geheugen opgeslagen zijn dan negatieve informatie, is er dus meer cognitieve capaciteit nodig om die informatie terug te halen. Bij een positieve stemming wordt alle cognitieve capaciteit aangewend om stemmingscongruent materiaal uit het geheugen op te halen. Uit onderzoek bleek dat proefpersonen in een positieve stemming wél meer te verwerken als zij daarvoor ruim de tijd kregen zodat hun cognitieve capaciteit niet meer beperkt is. Andere onderzoeken ondersteunen echter de tweede verklaring. De motivationele en de cognitieve verklaring zijn niet altijd even makkelijk te onderscheiden. Effecten van stemming versus emotie Stemmingen kunnen makkelijk invloed hebben op bijvoorbeeld oordelen, omdat ze zo algemeen zijn. Emoties daarentegen zijn duidelijk op een object gericht en zullen daardoor minder gauw generaliseren naar andere objecten. De effecten van emoties zijn dus (a) beperkter en (b) specifieker dan die van stemmingen. Het beheersen van doodsangst Iedereen wordt op een gegeven moment geconfronteerd met de zeer basale emotie ‘angst voor de dood’. Ieder organisme heeft een ingebakken neiging tot zelfbehoud, een instinct om de eigen dood te voorkomen ten koste van alles. De mens is er zich (i.t.t. alle andere dieren) van bewust dat de eigen dood onafwendbaar is. Volgens de

83

Stuvia.com - De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal

‘terror management’-theorie zou deze combinatie van het besef van de eigen sterfelijkheid en het instinct tot zelfbehoud een alles overheersende, verlammende angst moeten creëren. Dat we die angst niet voortdurend voelen, komt door een buffer die we op hebben gebouwd in onze cultuur, en die bestaat uit twee componenten: (1) Culturele wereldvisie. Een verzameling van binnen een cultuur gedeelde overtuigingen over hoe de wereld in elkaar zit. Die overtuigingen geven een gevoel van zin en betekenis, een idee van continuïteit en stabiliteit, een stelsel van normen en waarden en een idee van onsterfelijkheid (symbolisch). Dit zou samenhangen met de behoefte ‘erbij te horen’. Zo voelen we ons onschendbaar. (2) Zelfwaardering. Dit is niets anders dan de mate waarin men het gevoel heeft dat men voldoet aan de standaard van de culturele wereldvisie. De illusie van onschendbaarheid kan ook ontleend worden aan het gevoel dat men bijzonder is en superieur. Mensen met een hoge zelfwaardering blijken ook minder tekenen van deze angst te vertonen wanneer ze geconfronteerd worden met beelden van de dood. Zij lijken beter in staat te zijn om constructen die aan de dood gerelateerd zijn te onderdrukken. De angst voor de eigen dood en het streven om de buffer tegen die angst in stand te houden en te beschermen, heeft invloed op cognitieve processen. Saillantie van de dood leidt bijvoorbeeld tot strengere straffen voor mensen die de normen schaden. Ook het false-consensus-effect wordt sterker door de confrontatie met de dood: men wil immers het idee hebben dat de eigen wereldvisie correspondeert met die van de groep, want dat schept vertrouwen in de eigenwaarde. Daardoor wordt de waargenomen consensus voor de eigen opvattingen overschat. Ook wordt de neiging tot ingroup-favoritisme sterker. Mensen nemen fysiek afstand van outgroup-leden. 9.5 De invloed van affect op gedrag Affect en hulpvaardig gedrag Mensen in een negatieve affectieve toestand kunnen minder hulpvaardig zijn, maar dat is niet altijd zo. Van belang is hoe mensen hun negatieve affectieve toestand interpreteren, dus hoe de situatie beoordeeld wordt of welke attributies er worden gemaakt. Als mensen zichzelf als slachtoffer zien van een negatieve gebeurtenis, zullen ze niet snel een ander helpen. Mensen die zichzelf echter als oorzaak zien van die negatieve gebeurtenis, zullen zich verantwoordelijk voelen en juist wel extra hulp aanbieden. Aan het laatste geval kunnen twee processen ten grondslag liggen: (1) Mensen kunnen zich schuldig gaan voelen. Dat leidt tot een verhoogd zelfbewustzijn en dat leidt weer tot een verhoogde gevoeligheid voor sociale normen. Die normen stellen dat je anderen moet helpen, dus dat zul je dan ook doen. (2) Mensen in een negatieve stemming helpen eerder anderen omdat ze weten dat dit een goed gevoel geeft. Door anderen te helpen, komen ze zelf in een betere stemming. Over het algemeen zijn mensen in een positieve stemming eerder geneigd om

84

We zijn dan wat luchtiger en komen sneller op nieuwe ideeën. Uit onderzoek blijkt dat het saillant maken van gevoelens die achteraf ervaren kunnen worden. omdat juist spijt een belangrijke rol speelt bij het kiezen tussen verschillende mogelijkheden in het dagelijks leven. richten de aandacht op de goede kant van de mens en leiden tot extra hulpbereidheid. In negatieve stemmingen is onze aandacht iets meer geconcentreerd. waardoor we alternatieve mogelijkheden over het hoofd zien. Mensen kunnen uiteindelijk ook helemaal niets kiezen. blijken we creatiever problemen op te lossen en flexibeler informatie te integreren. en de anticipatie op die mogelijke spijt beïnvloedt de beslissing. en je wilt A maar daar ben je te laat voor.com . 85 . zeker wanneer je tijdens B iedere keer met het gemis van A wordt geconfronteerd. het gewicht van deze gevoelens vergroot tijdens het beslisproces. Ze blijken tegelijkertijd negatieve uitkomsten onplezieriger te vinden dan mensen in een neutrale stemming. Niet alleen de verwachting van uitkomst-informatie zorgt ervoor dat we rekening houden met mogelijke gevoelens achteraf. Affect en beslissingen Bij het nemen van beslissingen en het maken van keuzes worden we vaak beïnvloed door onze emoties en stemmingen. wordt de instelling van de persoon niet hulpvaardiger. Je zou bijvoorbeeld bij het kiezen tussen twee verschillende banen rekening kunnen houden met de mogelijke spijt achteraf. maar ook met toekomstige gevoelens. Mensen in een positieve stemming blijken de kans op gewenste uitkomsten te overschatten en die op ongewenste uitkomsten te onderschatten. Wanneer we in een positieve stemming zijn. Die twee variabelen worden beïnvloed door de stemming van de beslisser. maar juist versterkt. Ook blijkt dat mensen in een positieve stemming over het algemeen minder risico nemen dan mensen in een neutrale stemming. Dat doen ze echter alleen als ze er zeker van zijn dat hierdoor hun goede stemming niet wordt bedorven. Als de gebeurtenis niet sociaal is. Een andere voorwaarde voor het geven van hulp bij een goede stemming wordt beschreven door het social outlook-principe: positieve stemmingen die door een interpersoonlijke gebeurtenis opgewekt worden. Emoties worden hierdoor dus beïnvloed. Als je moet kiezen tussen A en B. als je er maar geen schade aan over houdt als het niet effectief is. maar ook het feit dat we nadenken over de spijt die we achteraf kunnen voelen kan ons gedrag sturen. De spijttheorie: een theorie over de rol van spijt bij het maken van keuzen onder onzekerheid. Ze anticiperen op de emoties die ze later kunnen ervaren.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal mensen te helpen. omdat ze bang zijn achteraf spijt te krijgen. en daarmee het gedrag beïnvloedt.Stuvia. De hulp hoeft niet per se effectief te zijn. We maken keuzes die de mogelijke spijt minimaliseren. dan is de kans groot dat je B niet kiest. Ook hebben we eerder al gezien dat verwachtingen en waarden twee cruciale begrippen zijn in de psychologische besliskunde. Effect van geanticipeerde emoties: spijt Bij het nemen van beslissingen houden mensen rekening met hun gevoelens van dat moment.

mede doordat herinneringen aan affectieve toestanden uit het verleden niet altijd betrouwbaar zijn. We vergissen ons wel vaak in de intensiteit en duur van onze gevoelens. vaak meer gebruikmaken van heuristieken over het effect van bepaalde gebeurtenissen. Maar in hoeverre zijn we in staat om onze gevoelens accuraat te voorspellen? Het komt maar heel soms voor dat onze verwachte gevoelens lijnrecht tegenover onze werkelijke gevoelens staan. We denken dat we er nog heel lang last van zullen hebben. maar nog veel vaker overschatten we het. (1) we hebben onjuiste theorieën over wat ons blij of verdrietig maakt. Als je relatie stopt. dan denken we dat we ons weken rot zullen voelen.com . Als we na een vervelende gebeurtenis nadenken over hoe we ons over een maand zouden voelen. wanneer ze zich herinneren wat hun emoties op een bepaald moment waren. maar staan er niet bij stil dat in die periode ons afweersysteem in actie komt. Bijvoorbeeld bij vakanties is er sprake van het verkeerd voorspellen van de eigen gevoelens. Ook worden herinneringen vertekent doordat mensen. zal dat voor een deel je herinneringen bepalen. Dit noemen we het rosy effect: een te rooskleurige kijk op hoe we ons later zullen voelen of ons hebben gevoeld. Soms onderschatten we dit. met name de duur. 86 . Dit schild kan ook verklaren waarom we overschatten hoe lang het duurt voordat we een negatieve gebeurtenis hebben verwerkt. omdat we tijdens de vakantie ergernissen een rol laten spelen in de beoordeling.De Marktplaats voor het Kopen en Verkopen van je Studiemateriaal Het voorspellen van toekomstig affect Beslissingen zijn dus vaak gebaseerd op verwachte toekomstige affectieve toestanden.Stuvia. ga je jezelf indekken door gedachten als ‘ik niet toch niet zoveel van hem’. maar naderhand vergeten we die. Durability bias (duurzaamheidsvertekening): we denken vooraf dat onze ellende veel langer zal aanhouden dan feitelijk het geval is. Volgens Gilbert zijn er verschillende redenen waarom we de duur van onze affectieve reacties kunnen overschatten. Het is onzichtbaar. Als je bijvoorbeeld hoog scoort op neuroticisme. (2) we hebben er soms baat bij onszelf een beetje in de maling te nemen. moet je daar op dit moment niet aan denken. Je leert dan dus niet altijd van je fouten. Daardoor gaan we harder studeren en het tentamen halen. Ze worden vooral bepaald door de ‘piek en einde’-regel: de leukste momenten en het moment van vertrek. Gilbert noemt dit het onzichtbare schild. maar nadat het gebeurd is. (3) Onvoldoende correctie. Maar ook negatieve gevoelens worden vaak overschat. omdat we het als persoon zelf niet zien. (4) Specifiek voor negatieve gevoelens: bij het voorspellen van hun gevoelens houden mensen geen rekening met het psychologische afweersysteem waar ze over beschikken. Ook houd je niet genoeg rekening met andere gebeurtenissen tijdens de tussenperiode. Als we denken aan het zakken voor een tentamen. maar ook van verkeerde herinneringen achteraf: Mensen zijn vooraf en achteraf veel positiever dan tijdens de vakantie. Deze kunnen zelfs betrekking hebben op ervaring die we al eens hebben gehad. dan corrigeren we vaak onvoldoende voor de tijd (vergelijkbaar met het ankereffect).

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->