P. 1
Coschappen kennistoets 2010

Coschappen kennistoets 2010

|Views: 151|Likes:
Published by real_irance

More info:

Published by: real_irance on Aug 09, 2013
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

02/07/2014

pdf

text

original

EINDTERMEN & TOETSING

Coschap Psychiatrie Universiteit Leiden

Leids Universitair Medisch Centrum GGZ Parnassia, Den Haag GGZ Haagstreek, Leidschendam GGZ Rijnstreek, Alphen aan de Rijn Kinder & Jeugdpsychiatrie Curium GGZ Leiden, RijnVeste GGZ Leiden, Oegstgeest GGZ Duin en Bollen, Voorhout

Eindtermen Klinische Fase - Coschap Psychiatrie
Inhoud Inleiding: 1. 2. 3. 4. 5. Coschap Psychiatrie Contactpersonen Overzicht beoordelingsmomenten Mondelinge kennistoets Bij aanvang van het coschap

A. Leerdoelen B. Onderwijscarrousel Psychiatrie C. Verlichte literatuur D. Kernmedicatielijst E. Competenties basisarts ikv psychiatrie Competentie I: Competentie II: Diagnostiek Indicatiestelling & behandelplan

Competentie III: Verslaglegging Competentie IV: Professionaliteit F. Raamplan voor de basisarts 2009

Bijlagen Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Checklist Professioneel Gedrag in Klinische setting Eindbeoordelingsformulier Co-assistenten Leidse OOR Methode voor uitwerking casus: 4-Trapsmethode van klinisch redeneren. Formulier ‘statusnabespreking’ Formulier ‘beoordeling van een voordracht’. Literatuur uit ‘Leidraad Psychiatrie’ ECT Artikel New England Journal of Medicine

Inleiding 1. Coschap Psychiatrie

Het coschap psychiatrie duurt 6 weken. We willen illustratie en verdieping bieden in de theoretische basis die je gedurende het 2e t/m het 4e jaar hebt verworven. Aangezien psychiatrie een breed vakgebied is, zal de klinische inhoud van de stage per affiliatieplek verschillen. Aangaande de beoordeling van het coschap wordt uniformiteit nagestreefd. In deze klapper tref je richtlijnen hiertoe. Ook op Blackboard tref je informatie.

In deze klapper vind je een overzicht van: - Onderwerpen en leerdoelen voor je kennisverwerving. De competenties waar je je bij het studeren op moet richten om bij de eindbeoordeling te voldoen aan de eisen van het ‘Raamplan voor de basisarts 2009’. - De daaraan gekoppelde verplichte literatuur

Wij wensen je een leerzaam en plezierig coschap!

2.

Contactpersonen

Dr. M.J. Gosselink, affiliatiecoördinator m.j.gosselink@lumc.nl; Tel: 071-5263785

Dr. E. J. Giltay, coassistentenopleider LUMC, coördinator mondelinge kennistoets; e.j.giltay@lumc.nl ; Tel: 071-5263785

Dr. J.D. Blom, coassistentenopleider Parnassia, Den Haag Drs. A. Staallekker, coassistentenopleider GGZ Haagstreek, Leidschendam Drs. T. Kleijn, coassistentenopleider GGZ Rijnstreek, Alphen aan de Rijn Drs. A. van der Jagt, coassistentenopleider Curium Drs. E. Grootenboer, coassistentenopleider GGZ Leiden, RijnVeste Drs. B.J.H. van der Hoeven, coassistentenopleider GGZ Leiden, Oegstgeest Drs. J.G.F. Tabeling, coassistentenopleider GGZ Duin en Bollen, Voorhout

- 1 / 39 -

3.

Overzicht beoordelingsmomenten

De vorm van de tussen- en eindbeoordeling verschilt licht per affiliatie. Vraag je co-opleider of kijk op BB wat specifiek bij jouw stage wordt verwacht. Week 3: Tussenbeoordeling. De tussenbeoordeling wordt gebaseerd op: Je functioneren (houding, activiteiten, vertoon van kennis en inzicht etc) op je stageplek. Bij je werkzaamheden krijg je feedback. De feedback kan worden vastgelegd op KKB’s. Vraag aan je co-opleider hoeveel KKB’s je moet verzamelen. Vraag zelf actief om feedback en stel met je begeleider steeds leerdoelen op. Je opleider observeert je en/of verneemt van jouw begeleiders op de werkvloer hoe je functioneert. Je presentatie bij het co-onderwijs De uitwerking van een live of papieren patiëntencasus (ITEP=6-step, zie bijlage 3) Mondeling gesprek.

Bij het tussenbeoordelingsgesprek komen ook je ervaringen van het coschap tot dan aan bod. Tenslotte worden eventuele leerdoelen voor de tweede helft van het coschap afgesproken. De tussenbeoordeling en doelen worden vastgelegd op: Het ‘Tussenbeoordelingsformulier’ (DOO). Optioneel: het formulier ‘Professioneel handelen in klinische setting’ (bijlage 1) Optioneel: formulieren ‘statusnabespreking’ en ‘presentatie’ (bijlagen 3 en 4).

Week 6: Eindbeoordeling. De eindbeoordeling wordt gebaseerd op: Je functioneren op je stageplek (zie boven). Je presentatie bij het co-onderwijs. De uitwerking van een patiëntencasus. Mondelinge kennistoets (zie onder).

De eindbeoordeling wordt vastgelegd op: Het ‘Eindbeoordelingsformulier’ (DOO). Optioneel: het formulier ‘Professioneel handelen in klinische setting’ (bijlage 1) Optioneel: formulieren ‘statusnabespreking’ en ‘presentatie’ (bijlagen 3 en 4). Eventuele leerdoelen voor een volgend coschap kunnen worden vastgelegd op een ‘Blauw formulier’ (DOO).

- 2 / 39 -

4.

Mondelinge kennistoets

Vorm en inhoud De mondelinge kennistoets wordt afgenomen door je coassistentopleider of diens afgevaardigde, in de laatste week van je coschap. In de tussentijdse toets (zie boven) wordt je kennis ook getoetst. Bij de mondelinge kennistoets komen aan bod: - De door jou uitgewerkte patiëntencasus. - Je algemene psychiatrische kennis en inzicht. Dit is gebaseerd op de leerdoelen die je bij aanvang van je coschap hier hebt gekregen, en de competenties die verwacht worden van de basisarts. Om deze doelen te bereiken, tref je in deze klapper de verplichte leerstof en overzicht van het carrouselonderwijs. Uiteraard draagt ook je actieve interactie in kliniek bij tot je kennis. Wat betreft de toetsing moet je denken aan: - Vragen gericht op je (theoretische) kennis en daaraan gekoppeld inzicht. Bijvoorbeeld aangaande psychiatrisch onderzoek, symptomatologie, etiopathogenese, epidemiologie, behandeling en prognose van de diverse psychiatrische aandoeningen. Ook wordt gevraagd naar de farmacologische basis, indicatie, werking en bijwerking van psychofarmaca. - Vragen rond patiëntencasus. Hierbij draait het om je klinisch inzicht en redeneren. Bij casuïstiek moet je bijvoorbeeld adequate differentiaal diagnostische overwegingen en behandelopties, met meenemen van predisponerende, luxerende, onderhoudende factoren kunnen aangeven. Uniformiteit kennistoets Er wordt naar gestreefd structureel elke 3-wekelijkse cogroep in iedere affiliatie te toetsen: - in een zelfde vorm en inhoud - op dezelfde kennisonderwerpen. Dit is affiliatiebreed kortgesloten. Bij een onvoldoende beoordeling op kennis Het komt zelden voor dat een coassistent pas aan het eind van zijn coschap en slechts op dit item onvoldoende of twijfelachtig scoort. Over het algemeen zijn er dan gedurende het coschap meer aandachtspunten geweest. In dien het gehele coschap ‘goed’ beoordeeld was, en om enigerlei reden de mondelinge kennistoets op een ‘onvoldoende’ uitkomt, dan kan je co-opleider besluiten je een tweede toets te bieden. Inhoudelijke organisatie & coördinatie mondelinge kennistoets Dr. E. J. Giltay, coassistentenopleider LUMC e.j.giltay@lumc.nl; Tel: 071-5263785 Bij aanvang van het coschap psychiatrie wordt bekend verondersteld: - Kennis van het 2e jaars blok ‘Psychopathologie’ - Kennis van het 3e jaars blok ‘Psychiatrische Ziekten’. - Kennis van het 3e jaars blok ‘Veelvoorkomende klachten’ - Kennis van het 4e jaars blok ‘De Oudere’. - 3 / 39 -

A. Leerdoelen Voor de behandelde psychiatrische aandoeningen dien je op de hoogte zijn van: - De kenmerken bij psychiatrisch onderzoek - De kenmerkende symptomen, - De mogelijke etiopathogenetische factoren - De epidemiologische kenmerken. - De behandeling en prognose - De farmacologische basis, werking en bijwerking van psychofarmaca

Tevens kan je bij een patiëntencasus: - Een uitwerking maken van anamnese, psychiatrisch onderzoek, biografie etc (zie 4-Trap) - Een differentiaal- en werkdiagnose te stellen (syndroom- en structuurdiagnose) - Een eerste behandelplan op te stellen - Dit beschrijven / uitwerken in bijvoorbeeld een 4-Trap. - Bepalen binnen welke wettelijke kaders de behandeling plaats kan vinden.

Aan het eind van het coschap psychiatrie dien je, voor wbt het ‘Raamplan voor de basisarts 2008’, in ieder geval te voldoen aan: - De Competenties: Diagnostiek / Indicatiestelling & Behandelplan / Verslaglegging / Professionaliteit, die specifiek passen bij de psychiatrie. Deze zijn uitgewerkt onder ‘Competenties I t/m IV’.

B. Onderwijscarrousel Psychiatrie Gedurende het coschap krijg je onderwijs. Hierbij komen grote psychiatrische ziektebeelden, waar je kennis van moet hebben en welke je ook terug vindt in de verplichte literatuur, aan bod. Niet alle ziektebeelden komen bij het onderwijs aan bod. Sommige zal je zelf moeten bestuderen. Het betreffen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. Angststoornissen Stemmingsstoornissen Psychotische stoornissen Organisch psychiatrische stoornissen (delirium en dementie) Persoonlijkheidsstoornissen Kinderpsychiatrie (autisme, ADHD en gedragsstoornissen)

- 4 / 39 -

C. Verplichte literatuur  ‘Leerboek Psychiatrie’, Hengeveld, van Balkom (red.), Tijdstroom Utrecht 2005 (Kernboek). Hoofdstukken: Hst 3: Het psychiatrisch onderzoek. Zie ook introductieochtend, 4-Trap en kaartje op BB en Bijlage A (pag 597). Hst 4: Diagnose en classificatie Hst 6.1: Algemene aspecten Hst 6.2: Fysiopathogenese. Zie ook TRC Pharmacology Database (COO modules). Hst 8.2: De praktijk van behandelen. Hst 9: Cognitieve stoornissen (delirium, dementie en amnestische stoornis). Hst 10: Psychotische stoornissen. Hst 11: Stemmingsstoornissen (unipolaire en bipolaire stemmingsstoornissen) Hst 12: Angststoornissen (angststoornissen, obsessief-compulsieve stoornis) Hst 13: Stress- en aanpassingsstoornissen Hst 14: Stoornissen met vooral lichamelijke symptomen Met name: 14.1 / 14.3 / 14.5 en 14.6. Hst 15: Conatieve stoornissen (stoornissen in gebruik van middelen, drangstoornissen, suïcidaal gedrag) Hst 16: Met name 16.1: Persoonlijkheidsstoornissen Hst 18: Spoedeisende psychiatrie Hst 27: Psychiatrie & Recht (Ook te vinden in ‘Gezondheidsrecht’, Engberts, Kalkman-Bogerd (red.), Bohn Stafleu van Loghum 2006 (Kernboek). Van nut zijn Bijlage A (pag 597) en bijlage B (pag 601) in het Leerboek.

'Leerboek Psychiatrie Kinderen en Adolescenten', Doreleijers, Boer, Huisman, Vermeiren, de Haan (red.), Tijdstroom Utrecht 2006. Hst 18, 19 + deel van 28: Hst 12:

ADHD en Oppositionele gedragsstoornissen (kopie op BB) Autisme Spectrumstoornissen (kopie op BB)

TRC Pharmacology Database / Als naslagwerk: TRC Pharmacology Database: www.lumc.nl / kerntaken / onderwijs TRC pharmacology database / 'psychiatric disorders' en 'psychopathology'.

‘Leidraad Psychiatrie’, Van Nimwegen, van den Brand et al, Bohn Stafleu van Loghum, Houten 2006. Hoofdstuk 4 en 5 (Behandeling en Specifieke interview situaties). Beide zijn opgenomen in de bijlage van deze klapper.

- 5 / 39 -

D. Kernmedicatielijst Van de geneesmiddelen op deze lijst dient u aan het eind van het coschap: - De namen te kennen - Op de hoogte te zijn van:    het werkingsmechanisme de belangrijkste indicatie(s) de meest relevante bijwerkingen

Literatuur: Diverse hoofdstukken Leerboek Psychiatrie De informatie in de TRC Pharmacology database (houd het klinisch: gebruik het als naslagwerk) SSRI/SNRI Citalopram Fluoxetine Fluvoxamine Paroxetine Sertraline Venlafaxine Tricyclische antidepressiva Clomipramine Imipramine Amitryptiline Nortriptilyne MAO-remmers Tranylcipromine Fenelzine Antipsychotica Haloperidol Olanzapine Quetiapine Risperidon Clozapine Benzodiazepinen Alprazolam Diazepam Lorazepam Oxazepam Temazepam Stemmingsstabilisatoren Lithium Carbamazepine Valproaat Overig Bètablokker Anticholinergicum Extra voor kinderpsychiatrie Methylfenidaat Melatonine Extra niet-medicamentueze behandeling Electroconvulsieve therapie (ECT) - 6 / 39 -

E. Competenties I. COMPETENTIE: DIAGNOSTIEK
Omschrijving: De coassistent is in staat: 1. Zelfstandig en beargumenteerd psychiatrische problemen te identificeren. 2. Aan de hand hiervan een probleemgeoriënteerde differentiaaldiagnose op te stellen. 3. Aan de hand van de differentiaaldiagnose een adequate werkdiagnose op te stellen. Om deze competentie te bereiken, heeft de coassistent: A. Voldoende vaardigheden tot het afnemen van: De anamnese: De speciële psychiatrische anamnese; De algemene psychiatrische anamnese (‘tractus mentalis’ anamnese) De psychiatrische familieanamnese; De sociale anamnese; De biografische anamnese Het psychiatrisch onderzoek De heteroanamnese En verrichten van de somatische anamnese en lichamelijk onderzoek B. Voldoende kennis van: Psychiatrische problemen en klachten (zie kader); Psychiatrische ziektebeelden en kenmerkende psychiatrische problemen/klachten daarbij; De mogelijke etiopathogenetische factoren die dergelijke ziektebeelden kunnen veroorzaken Kader: Lijst van veelvoorkomende psychiatrische ziektebeelden: - Carrousel Psychiatrie - ‘Raamplan voor de basisarts 2009’.

Mogelijke kennisbronnen: Zie voor nadere details de verplichte literatuur per onderwerp.     ‘Leerboek Psychiatrie’, Hengeveld, van Balkom (red), De Tijdstroom Utrecht. Optie: ‘Het Psychiatrisch onderzoek’, Hengeveld, Schudel, De Tijdstroom Utrecht. Onderwijsmomenten aangeboden gedurende het co-schap. Links op BB-Site.

Beoordeling: Op basis van: Functioneren in de kliniek Casusbeschrijving cq ‘4-Trapsmethode van klinisch redeneren’ (met ITEP) Mondelinge kennistoets in 6e week co-schap Vastlegging: KKB’s Tussen- en eindbeoordeling

- 7 / 39 -

II. COMPETENTIE: INDICATIESTELLING & BEHANDELPLAN
Omschrijving: De coassistent is in staat: 1. Op grond van de werkdiagnose (zie I.3) zelfstandig een adequaat plan op te stellen ten aanzien van aanvullende diagnostiek en behandeling. 2. Informatie aan de patiënt te verschaffen, gebruikmakend van voor de patiënt relevante aandachtspunten zoals ontwikkelingsniveau en psychiatrisch beeld van de patiënt. 3. Een medicatierecept te schrijven.

Om deze competentie te bereiken, heeft de coassistent: Voldoende kennis van: De actuele behandelprotocollen binnen de GGZ De bijdragen die verschillende disciplines binnen de GGZ kunnen bieden De gebruikelijke farmacotherapie volgens de richtlijnen van NVvP Farmacodynamiek en -kinetiek Kader: Lijst van veelvoorkomende psychiatrische ziektebeelden: - Carrousel Psychiatrie - ‘Raamplan voor de basisarts 2009’. Mogelijke kennisbronnen: Zie voor nadere details de verplichte literatuur per onderwerp.      ‘Leerboek Psychiatrie’, Hengeveld, van Balkom (red), De Tijdstroom Utrecht. Optie: ‘Het Psychiatrisch onderzoek’, Hengeveld, Schudel, De Tijdstroom Utrecht. Onderwijsmomenten aangeboden gedurende het co-schap. Links op BB-Site: TRC-Pharmacology Database

Beoordeling: Op basis van: Functioneren in de kliniek Casusbeschrijving cq ‘4-Trapsmethode van klinisch redeneren’ (met ITEP) Mondelinge kennistoets in 6e week co-schap Vastlegging: KKB’s Tussen- en eindbeoordeling

- 8 / 39 -

III. COMPETENTIE – VERSLAGLEGGING
Omschrijving: De coassistent is in staat: Mondeling: op gestructureerde wijze verslag te doen van: de anamnese, psychiatrische anamnese en bevindingen bij psychiatrisch en lichamelijk onderzoek; zijn conclusie, diagnose en behandelplan te rapporteren en toe te lichten. Schriftelijk gestructureerd zijn bevindingen vast te leggen. Hieronder wordt verstaan het zorgvuldig en beknop noteren van: - De bevindingen bij anamnese, psychiatrisch en lichamelijk onderzoek in het medisch dossier - Samenvatting en conclusie naar aanleiding van bovenstaande gegevens; - Een helder en beargumenteerd behandelplan. Kader: Standaard opzet status mentalis; vastgelegd in ‘Raamplan voor de basisarts 2009’ Standaard intake-, ontslag- en verwijsbrieven Standaard consultaanvragen naar andere disciplines

Daartoe heeft de coassistent: Voldoende kennis van: Competentie I en II De status mentalis voor de artsopleiding. Mogelijke kennisbronnen: Zie voor nadere details de verplichte literatuur per onderwerp.   ‘Leerboek Psychiatrie’, Hengeveld, van Balkom (red), De Tijdstroom Utrecht. Optie: ‘Het Psychiatrisch onderzoek’, Hengeveld, Schudel, De Tijdstroom Utrecht.

Beoordeling: Op basis van: Functioneren in de kliniek Casusbeschrijving cq ‘4-Trapsmethode van klinisch redeneren’ (met ITEP) Intake-, ontslag-/ verwijsbrieven Vastlegging: KKB’s Tussen- en eindbeoordeling

- 9 / 39 -

IV. COMPETENTIE – PROFESSIONALITEIT
Omschrijving: Professioneel gedrag Onder professioneel gedrag wordt verstaan: het observeerbare gedrag waarin de normen en waarden, en beroepsspecifieke gedragsrichtlijnen van een beroepsgroep zichtbaar zijn. Er worden doorgaans drie dimensies aan professioneel gedrag onderscheiden. Omgaan met taken: zoals vakkennis bijhouden, ‘evidence based’ werken; taken vervullen, begeleiding vragen waar nodig, time management, zichtbare inzet etc; Omgaan met anderen: zoals in begrijpelijke taal communiceren, adequaat non-verbaal gedrag, afspraken nakomen, samenwerken, zich inleven in de verwachtingen van de patiënt, om kunnen gaan met conflicten, met emoties van anderen, beleefdheid etc; Omgaan met zichzelf: zoals adequaat omgaan met zelfreflectie, kritiek en feedback, onzekerheid en eigen emoties, verzorgde presentatie etc. Deze drie dimensies zijn uiteraard vervlochten met Competentie gebieden I t/m III. Nadere informatie: ‘Raamplan voor de basisarts 2009’ Blackboard site commissieprofessioneel gedrag.nl

Beoordeling: Op basis van: Alle aspecten van competentiegebieden I t/m III Functioneren in de kliniek Vastlegging: KKB’s Formulier Professioneel handelen in de klinische setting Tussen- en eindbeoordeling

- 10 / 39 -

F. Raamplan voor de basisarts 2009
In het Raamplan voor de basisarts 2009 staan diverse verwijzingen naar psychiatrische onderwerpen. Het volledige Raamplan staat op BB. Bij het bestuderen van de leerstof, zult u de meeste aspecten tegenkomen. Hieronder treft u aangaande de verschillende psychiatrische onderwerpen nog wat verwijzingen naar de verplichte literatuur. Wat betreft deze literatuurtips: uiteraard komen in veel gevallen de symptomen/problemen ook in andere hoofdstukken aan de orde en is onderstaande lijst puur een eerste richtlijn. Veel onderwerpen, zoals die in ‘aspecten uit mens- en maatschappijwetenschappen’, lenen zich ook meer voor andere coschappen, zoals huisartsgeneeskunde of sociale geneeskunde. Of voor een dialoog met je begeleider / co-opleider. Uit: ‘VRAAGSTUKKEN RONDOM GEZONDHEID EN ZIEKTE’ 1. Klachten waarmee de patiënt zich tot de arts wendt / hierin staan specifiek voor psychiatrie:  Verminderd / wisselend bewustzijn Hst 3 en Hst 9  Concentratiestoornissen Hst 3  Vergeetachtigheid Hst 9  Verwardheid oa. Hst 9, Hst 10  Stemmen horen / dingen zien die anderen niet zien Hst 3, Hst 10  Gedragsproblemen Hst 16.1 en Leerboek Kinderpsych: Hst 18, 19  Gedragsstoornissen + dl 28 (zie BB)  Zich opdringende gedachten of handelingen Hst 3, 12.2 en 15.2.  Slaapklachten Hst 14.5 en elders  Sombere stemming Hst 3, Hst 11  Overmatige opgewektheid Hst 3, 11.2  Overmatige prikkelbaarheid Hst 3, 11.2, 16.1  Angstig voelen Hst 3, Hst 12  Suïcidaliteit en zelfdestructief gedrag Hst 15  Verslaving Hst 15.1 2. Bevindingen bij lichamelijk en aanvullend onderzoek.  Inclusief psychiatrisch onderzoek. 3. Zorgvraagstukken. Preventie  Gericht op algemene leefstijlfactoren (voeding, genotmiddelen, beweging)  Gericht op leef- en werkomgeving Vroege opsporing  Depressie  Dementie Gevolgen van chronisch ziekzijn  Gevolgen onverklaarde lichamelijke klachten  Lichamelijke stoornissen, beperkingen en handicaps  Psychische stoornissen, beperkingen en handicaps Sociale context  Relatie- en gezinsproblemen  Sociaal-culturele problemen  Problemen op het werk  Geweld/Mishandeling  Kindermishandeling   Afwijkende zorgconsumptie Medicalisering Zorgmijders - 11 / 39 -

Hst 3

Hst 23 Hst 11 Hst 9 Hst 14.1 Hst 7 (gevolgen)

Uit ‘EINDTERMEN VAN DE BACHELOR GENEESKUNDE’ Het geneeskundig proces (NB: dit is niet allemaal psychiatrie-specifiek)  De basale inhoudelijke begrippen van het consult (klacht, ziekte, reden van komst, zorgvraag, anamnese, onderzoek, differentiële diagnose, diagnose, behandeling, begeleiding)  De consultfasen, de typen van consulten en de rol van arts en patiënt daarin  De betekenis van contextuele factoren als gezin, sociaal-economische variabelen, etniciteit, cultuur en levensbeschouwing voor het geneeskundig proces en de methoden waarmee deze informatie wordt verzameld  Verschillen diverse typen van zorg (curatief, symptomatisch, revaliderend, palliatief, preventief)  De verschillende vormen van klinisch redeneren en hun waarde in verschillende omstandigheden  Classificatiesystemen van klachten, ziekten en gevolgen van ziekten Hst 4  De theoretische achtergronden van de arts-patiënt-communicatie  De psychologische en sociologische modellen van ziekte en gezondheid Hst 6.1  De mogelijkheden om gedrag aan te passen ter bevordering van gezondheid  De mechanismen ten grondslag aan: - het ontstaan en in stand houden van psychische klachten en aandoeningen Hst 6.1ev - het ontstaan en in stand houden van lichamelijk onverklaarde klachten Hst 14  De meest gangbare vormen van psychotherapie Hst 8.2 Vraagstukken op gebied gezondheid & ziekte (NB: dit is niet allemaal psychiatrie-specifiek) De voor het vraagstuk relevante:  Patho(fysio)logische achtergronden  Psychosociale factoren  Preventieve mogelijkheden  Diagnostische methoden  Natuurlijke beloop  Therapeutische mogelijkheden Zie bij diverse aandoeningen Zie bij diverse aandoeningen Zie bij diverse aandoeningen Zie bij diverse aandoeningen Zie bij diverse aandoeningen Zie ook Kernmedicatielijst en TRC Pharmacology Database.

DE BACHELOR GENEESKUNDE IS IN STAAT OM (afhankelijk van niveau complexiteit): (NB: dit is niet allemaal psychiatrie-specifiek) Diagnostiek en behandelplan  Een veilige en effectieve behandelrelatie aan te gaan  Een anamnese af te nemen (integratie medische kennis en communicatievaardigheden)  Een lichamelijk onderzoek uit te voeren  Op grond van gepresenteerde klachten en vraagverheldering relevante hypothesen te verwoorden  Naar aanleiding van hypothesen gericht aanvullende anamnesevragen te stellen en aanvullend lichamelijk onderzoek te doen  De bevindingen van anamnese en lichamelijk onderzoek te interpreteren  Een voorstel voor aanvullend onderzoek te doen  Een inschatting van de ernst en urgentie van de situatie en een te verwachten beloop te schetsen  Een voorstel voor een behandelplan te formuleren  Aan te geven of en hoe het geneeskundig proces wordt beïnvloed door contextuele factoren zoals gender, leeftijd, etnische diversiteit en multiculturaliteit Communicatie  Basale receptieve vaardigheden toe te passen (observatie en zelfobservatie)  Basale reactieve vaardigheden toe te passen waarmee hij het referentiekader van de patiënt  Exploreert (open vragen, explorerend doorvragen, bekrachtigen, samenvatten, gevoelsreflectie)  Basale reactieve vaardigheden toe te passen waarmee hij structureert, stuurt en toetst om zo de eigen medische expertise in het consult te gebruiken  Op een voor de gesprekspartner begrijpelijke wijze relevante informatie te verschaffen Komt ook in de kliniek aan bod. Presentatie  Een individuele casus en de daaraan verbonden specifieke vragen mondeling te presenteren  De rond een individuele casus verzamelde gegevens en de voor die casus relevante overwegingen schriftelijk samen te vatten Komt ook in de kliniek aan bod. - 12 / 39 -

VAARDIGHEDEN VAN DE BACHELOR Anamnese  Opnemen van een anamnese  Zowel systematisch als hypothesegericht  Somatisch, psychisch en sociaal  Zowel auto- als hetero-anamnese  Psychiatrisch  Rekening houdend met culturele aspecten en gender Lichamelijk onderzoek Psychiatrisch onderzoek Denken, affect, stemming, handelen, willen

Zie Hst 3 en elders

Zie Hst 3 en elders

Communicatie en verslaglegging  Mondeling en schriftelijk formuleren  Voorlichting, advisering en begeleiding van individuen en groepen  Opstellen van een beleidsplan  Therapeutisch gesprek voeren  Mondelinge en schriftelijke communicatie met collegae en anderen werkzaam in de gezondheidszorg (verwijzing, consultatie enz.)  Verslaglegging en registratie  Verwerken en toepassen van informatie (i.h.b. uit de wetenschappelijke literatuur)

Zie diverse onderdelen en Hst 6.3 en 8.2; komt ook in de kliniek aan bod.

- 13 / 39 -

ASPECTEN UIT MENS- EN MAATSCHAPPIJWETENSCHAPPEN Geneeskundig proces - Kennis en inzicht in: (NB: dit is niet allemaal psychiatrie-specifiek) Theoretische achtergronden van arts-patiënt-communicatie.  Essentiële kenmerken van communicatie  Mondelinge, schriftelijke, digitale communicatie Zie bij div onderwerpen en bijv hst 20 en 22  Medische publiekscommunicatie  Effecten van verschillen (culturele, sexe, sociaal-economisch, leeftijd, psychologische toestand)  Onderscheid tussen professionele houding als arts en persoonlijke opvattingen Zie competentie IV  Betekenis voor geneeskundig proces Psychologische en sociologische modellen van ziekte en gezondheid.  Basale kenmerken van bio-psycho-sociale model  Ziektegevoel, ziektegedrag, ziekenrol, secundaire ziektewinst  IJsbergfenomeen  Sociaal netwerk, groep, cultuur, stigmatisering  Wisselende rollen van het individu (bijvoorbeeld partner, professional, patiënt, slachtoffer)  Wisselwerking tussen zelfbeeld van individu en ziekte Mogelijkheden om gedrag te beïnvloeden ter bevordering van gezondheid.  Primaire, secundaire, tertiaire preventie  Methodieken van voorlichting en informatieverschaffing  De samenhang tussen preventie en beleid van overheden De mechanismen die ten grondslag liggen aan het ontstaan en in stand houden van psychische klachten en aandoeningen.  Belastende leefomstandigheden  Stress en coping-mechanismen  Kwetsbaarheid van personen  Genetische predisposities  Hersenaandoeningen Zie diverse onderdelen  Ontwikkeling als kind  Cruciale ervaringen tijdens levensloop  Cognities en gedrag  Sociale steun De mechanismen die ten grondslag liggen aan het ontstaan en in stand houden van lichamelijk onverklaarde klachten.  Angst en depressie  Psychische en sociale problemen  Attributies en (vermijdings)gedrag  Rol van omgeving (bijvoorbeeld gezin, groep, arts) Zie diverse onderdelen De meest gangbare vormen van psychotherapie.  Uitgangspunten, onderliggend model  Methoden  Voordelen, nadelen  Toepassingsbereik, effectiviteit Hst4 Hst 6.3 § 2.2 Bijv Hst 7.

Zie diverse onderdelen en Hst 6.3 en 8.2

De normale psychologische en sociale eigenschappen van de mens.  Ontwikkeling gedurende levensloop (baby, kind, puber, adolescent, volwassene, oudere)  Belangrijkste gedragsmodellen en persoonlijkheidstheorieën Hst 16.1  Verschillende rollen van individu gedurende het leven Zie bijv Hst 20  Invloed van bijvoorbeeld culturele achtergrond, sexe Zie bijv Hst 22  Invloeden van gezin, familie, omgeving, arbeid Zie div. onderdelen en Hst 7  Normale coping-mechanismen Pg 83, Hst 13.2: pg 314-316 De opbouw van de Nederlandse samenleving.  Samenstelling van de samenleving  Lange-termijn veranderingen (bijvoorbeeld vergrijzing, immigratie)  Sociale klassen  Invloed op gezondheid en gezondheidszorg - 14 / 39 -

Bijlage 1.
Stage: Student: Beoordelaar:

Checklist Professioneel Gedrag in klinische settings

TAAK Anticipeert en plant dagtaak / weektaak Toont verantwoordelijk te zijn voor taak Verricht taak flexibel en past zich aan Heeft aanvullende vragen Weet antwoorden ‘Instrumentarium’ paraat Time-management Toont verantwoordelijk te zijn voor taak Toelichting (verplicht): Anderen: Bejegent anderen netjes Kleding, verzorging Taalgebruik, jargon Hoffelijkheid / respect Empathisch handelen Staat open voor emoties Reageert adequaat op emoties van anderen Balanceert bewust tussen redeneren en aanvoelen Neemt tijd voor anderen Samenwerken Zoekt zelf hulp bij problemen Aanvaardt geen opdrachten die buiten competentie vallen Overlegt over verantwoordelijkheden Collegiaal gedrag Is teamspeler Integriteit Respecteert het medisch beroepsgeheim Neemt verantwoordelijkheid Bewaart vertrouwelijke informatie Toelichting (verplicht): Persoonlijke groei Vraagt en verwerkt feedback; geeft feedback Vertoont flexibel gedrag Past zich aan omstandigheden aan Kent eigen beperkingen, leert bij Accepteert onzekerheden Toont initiatief Toelichting (verplicht):

onvoldoende

twijfel

voldoende

onvoldoende

twijfel

voldoende

onvoldoende

twijfel

voldoende

ondertekening Datum:

Student:

Beoordelaar:

- 15 / 39 -

Bijlage 2.

- 16 / 39 -

Bijlage 3.
4-Traps-methode van klinisch redeneren (de 4e trede is de ITEP=6-step) Maak een op bondige, gestructureerde wijze Een diagnostische afweging & Stel een eerste behandelplan

1

Klinische presentatie Streef naar 2, maximaal 3 A4-tjes  Verzamel relevante algemene gegevens.  Benoem de hoofdklacht en relevante gegevens uit de psychiatrische anamnese  Noteer uw bevindingen bij psychiatrisch onderzoek.  Inventariseer de psychiatrische voorgeschiedenis.  Noteer overige relevante gegevens. NB: OP BB staat een uitgebreide versie, met toelichting en bijlagen.

2

Differentiaal diagnose  Benoem de belangrijkste klachten en symptomen. Maak op basis hiervan een differentiaal diagnose.  Stel een werkdiagnose.  Maak een structurele analyse van de patiënt, gericht op uw werkdiagnose.  Noteer de DSM-IV classificatie.

3

Diagnostisch actieplan  Bepaal of u nog aanvullende informatie nodig heeft (somatische informatie, psychiatrische testen etc). Meldt eventuele uitslagen.

4

Behandelplan volgens ITEP Maar kijk ook naar de tabel hieronder.  Evalueer de bestaande behandeling (duur, effectiviteit, bijwerkingen etc). Benoem in het kader van uw behandelplan de voor uw werkdiagnose(n) relevante factoren uit uw structurele analyse.  Geef de gewenste behandeldoelen (zowel psychiatrisch als somatisch).  Inventariseer zowel de medicamenteuze als niet-medicamenteuze behandelopties.  Beargumenteer de meest geschikte van deze behandelopties voor uw patiënt.  Stel de definitieve behandeling vast (beleid aangaande de voorgaande en nieuwe behandeling, interventies, medicatie, psychotherapie etc. Let op de structurele analyse)  Plan controlemaatregelen in de follow-up (duur, bepalen effectiviteit, bijwerkingen, therapietrouw etc)
  NBI: Let op zowel de psychiatrische als op de somatische toestand van de patiënt. Neem zowel psychiatrie als somatiek bij uw behandeldoelen, planning en daarbij horende afwegingen in overweging! NBII: Gebruik de TRC-Pharmacology Database als naslagwerk ter verklaring van gesignaleerde / te signaleren werking of bijwerking. Houd het klinisch & praktisch!

- 17 / 39 -

Ad 2. Belangrijke aspecten bij klinisch redeneren:

Differentiaal Diagnose met afweging

Werkdiagnose Syndroomdiagnose (beschrijvende diagnose):

Structuurdiagnose (Structurele analyse) Predisponerend Neurobiologisch Luxerend Onderhoudend

Psychologisch Sociaal

DSM-IV Classificatie As I: As II: As III: As IV: As V:

Het behandelplan Korte termijn Evaluatie (controles, bijwerkingen etc) Middellange / Lange termijn

Neurobiologisch (somatiek, medicatie etc)

Psychologisch Sociaal (psychotherapie, psychosociale interventies etc)

- 18 / 39 -

Bijlage 4.

BEOORDELINGSFORMULIER STATUS NABESPREKING
Coassistent: Supervisor: Da tum:
Anamnese Verwoordt alle relevante aspecten van de hoofdklacht en aanvullende (tractus-) anamnese juist.
4 5 | 6 7 8 | 9 10

onder verwacht niveau | verwacht niveau| boven verwacht niveau

Lichamelijk onderzoek Voert relevante onderdelen van het lichamelijk onderzoek uit, interpreteert bevindingen juist. Herkent afwijkingen.

4

5

|

6

7

8

|

9

10

onder verwacht niveau | verwacht niveau| boven verwacht niveau

Probleemanalyse en klinisch redeneren Benoemt de activerende gegevens juist. Stelt adequate probleemlijst en differentiaal diagnose op. Toont goede kennis van anatomie en pathofysiologie in het onderbouwen van de probleemlijst en differentiaal diagnose.

4

5

|

6

7

8

|

9

10

onder verwacht niveau | verwacht niveau| boven verwacht niveau

Diagnostisch plan en beleid Stelt relevant en selectief aanvullend onderzoek voor. Heeft resultaten van eerder aanvullend onderzoek adequaat geïnterpreteerd. Maakt een adequaat beleidsplan.

4

5

|

6

7

8

|

9

10

onder verwacht niveau | verwacht niveau| boven verwacht niveau

Verslaglegging Gebruikt correcte formulering. Beschrijft bevindingen voldoende gedetailleerd, doch niet te uitvoerig. Schrijft leesbaar. Ordent de gegevens juist.

4

5

|

6

7

8

|

9

10

onder verwacht niveau | verwacht niveau| boven verwacht niveau

Geef mondeling feedback en noteer hier uw opmerkingen/adviezen.

- 19 / 39 -

Bijlage 5.

BEOORDELING VAN EEN VOORDRACHT
SPREKER BEOORDELAAR DATUM ONDERWERP INHOUD Analyse
analyse probleem, heeft voldoende gegevens verzameld, interpreteert deze adequaat (in geval
van patiëntpresentatie: gegevens uit anamnese, lo, aanvullend onderz.) onvold. vold. goed uitstekend

VERBETERPUNTEN

O

O

O

O

Conclusies
correcte conclusies tav probleemstelling/ onderwerp (in geval van patiëntpresentatie: DD,
behandelplan, prognose, ziektebeloop)

O

O

O

O

Kwaliteit van de uitleg
goede uitleg, denkstappen expliciet gemaakt, relevante informatie, begrip van probleem/onderwerp, onderscheid hoofd/bijzaken.

O

O

O

O

Kennis
info is volledig, correct en up-to-date en adequaat voor besproken probleem/onderwerp/patiënt

O

O

O

O

VORM Opbouw betoog
inleiding, kernpunten, conclusies

onvold.

vold.

goed uitstekend

VERBETERPUNTEN

O O

O O

O O

O O

Houding en stemgebruik
enthousiasme, contact met publiek (oogcontact, interactie, beantwoording van vragen), verstaanbaar, intonatie, articulatie, correcte en heldere zinnen

Tijd-, mediagebruik, tempo
verdeling van tijd over onderdelen, geen uitloop, vlot, maar niet te snel, overzichte-lijke slides, niet teveel, ondersteunend voor betoog,

O

O

O

O

EINDOORDEEL OPMERKINGEN EN ADVIEZEN

O

O

O

O

- 20 / 39 -

Bijlage 6.
Literatuur ‘Leidraad Psychiatrie’, Van Nimwegen, van den Brand et al, Bohn Stafleu van Loghum, Houten 2006.

- 21 / 39 -

- 22 / 39 -

- 23 / 39 -

- 24 / 39 -

- 25 / 39 -

- 26 / 39 -

- 27 / 39 -

- 28 / 39 -

- 29 / 39 -

- 30 / 39 -

- 31 / 39 -

Bijlage 7, Literatuur ‘ECT’ uit the New England Journal of Medicine

- 32 / 39 -

- 33 / 39 -

- 34 / 39 -

- 35 / 39 -

- 36 / 39 -

- 37 / 39 -

- 38 / 39 -

- 39 / 39 -

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->