P. 1
Samenvatting Dierhygiëne & Huisvesting - Jaar 3 Bachelor Diergeneeskunde Antwerpen

Samenvatting Dierhygiëne & Huisvesting - Jaar 3 Bachelor Diergeneeskunde Antwerpen

|Views: 347|Likes:
Samenvatting van Dierhygiëne & Huisvesting, Jaar 3 van de Bachelor Diergeneeskunde Antwerpen.
Samenvatting van Dierhygiëne & Huisvesting, Jaar 3 van de Bachelor Diergeneeskunde Antwerpen.

More info:

Categories:Types, School Work
Published by: Diergeneeskunde Samenvattingen on Aug 15, 2013
Copyright:Attribution Non-commercial No-derivs
List Price: $1.99 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

06/15/2015

$1.99

USD

DROGE LUCHT STERILISATIE - Je hebt 80 cal nodig om 1 l water Mechanisme = te doen koken - oxidatie van - Je hebt 540 cal

nodig om 1 l water proteïnes. te doen verdampen = stoom - 2-4 uur op 160-1700C - Stoom dat in contact komt met Applicatie: oppervlakken gaat condenseren = - Sterilisatie ↓ volume en negatieve druk = ↑ thermostabiele stoom producten: glas, olie; - Condensatie vindt plaats zolang er poeders T# zijn - Kan zelfs pyrogenen - Mechanisme: denaturatie van eruit krijgen (=stof proteïnes: die koorts Stand 0 = 1 Ba  1000 veroorzaakt) 0 Stand 1 = 2 Ba  121 Stand 2 = 3 Ba  1330 - Autoclave heeft drukmeter; Tmeter; tijdsklok  dr druk ↑ = ↑T - Normaal 15-30 min op 1210C F(volume) - Controle : 1. Plakband wnn goed zwarte strepen 2. Kiem inbrengen = bac stearothermophilus wnn dood na autoclave = ok! - Wat doen we erin? 1. Waterige oplossingen kan maar sealed; wnn in fles niet helemaal vol en dop niet voll toe wrd damp eruit kan.

STOOM STERILISATIE

GAS STERILISATIE 1. Ethyleen oxide sterilisatie (CH2)2O Mechanisme: - alkylatie van –COOH; -OH en –NH2 groepen (vral DNA) Applicaties: - sterilisatie van thermolabiele materialen - hoge penetratie, zeer snel in kleine porien - samengaand met meeste mat Nadelen: - explosief - toxische residuen - G(X)P nodig voor veiligheid = GMP good manufacturing product; GLP laboratory; GCP clinical; GAP agriculture 2. Formaldehyde fumigatie - Zeer krachtig maar enkele zaken die je vooraf dient te doen: zo moet ALLES hermetisch zijn afgesloten (zelfs sleutelgat) - T =200C// RH = 80% - DOSIS: 1. 30 ml formaline + 20g KMnO4 / m3 = exotherm = warm  damp formal ↑ = vr grote ruimtes 2. 5-10 g paraformaldehyde pellets/m3  bv frietketel wr alles in  dampen = kleine ruimtes 3. 10 ml formaline as aerosol/m3

RADIATIE STERILISATIE 1. GAMMASTRALEN: - Vooral y stralen want die zijn ≠ ioniserend, maar hebben wel goede penetratie MECHANISME: - Ionjisatie van sleutel cel componenten = DNA APPLICATIE: - Sterilisatie medicijnen, medische instrumenten VOORDEEL: - Snel - Effectief en controlleerbaar NADEEL: - Hoge kapitale kosten - Kan met vele mat ≠ samen 2. UV dISINFECTIE ≠ STERILISATI - UVa = 320-400nm - UVb = 280-320nm - UVc = 200-280nm  Gebruik UV lamp 250-260nm MECHANISME: - Formatie van thymine dimeren die DNA replicatie gaan blokkeren - Duurt wel lang vanwege ↓ penetratie - Voorwerp moet binnen 25-30 cm van bron staan - Vb ziekenhuis vr sterilisatie lucht

FILTRATIE MECHANISME: - Membraanfilter van 0,22 um houdt alle bacteriën tegen (≠virus)  heeft opp beperking, op bepaald moment opp bezet met resten - Diepte filter = filter en absorptie

2. 3. 4. 1. 2. 3. 4. 1. 2. 1. 2. 3. 4.

Chirurgische kleding = katoen Instrumenten Eten vr SPF dieren Voordelen: Snel Niet duur Efficiënt ≠ toxische residuen Nadelen: Enkel vr thermoresistente ma Niet vr olieoplossingen Safety instructions: Doppen niet volledig dicht Draag thermische handschoe ≠ ontvlambare vloeistoffen Laat residu stoom weglopen vr dat je deur openmaakt

rugsproeier, ≠ erg handig vanwege inademing DUUR: 24 uur, daarna luchten!! - Deze methode gebeurt wel een in kraamstallen all in all out/ broeierij MECHANISME: - Denaturatie van eiwitten

PARTIM 1 HYGIENE BIJ GEDOMISTICEERDE HUISDIEREN  Dierenwelzijn: Een staat van mentale en fysische gezondheid waarbij het dier in harmonie is met zijn omgeving. o ↑gezondheid = ↑productiviteit = f(economie/wetenschap/ ethiek… o Basisbenodigdheden:  Voedsel (kwaliteit/calorieën)  Huisvesting (ventilatie/hok)  De mogelijkheid om normaal gedrag te knn vertonen  Fysieke omgang met een min aan pijn en stress  Bescherming tegen ongelukken/ziekten (=taak dierenarts)

DEEL 1: ALGEMENE HYGIENE 1. MILIEU WAARIN DIER ZICH BEVINDT  ATMOSFEER (N2 78%/21% O2 en 1% Ar)

o Chemische karakteristieken :
I. NORMALE GASSEN:  N2: o Van belang voor AZ  eiwitten o Diergeneeskundig van belang bij bv KI o Inert dus ≠ ontbrandbaar, wrd vaak gebruikt als laag boven op explosieve stof wrd er geen O2 er bij kan o Ureum = afvalproduct N2  O2: o Teveel = oxiderend = brandbaar o Normaal 16%  Argon: o Inert  Ozon: o Reactief o Typische geur o Ontstaat dr electrische of ultraviolete E toegevoegd aan O2,  CO2 o Gevormd tijdens aerobe processen o Vroeger gebruikt als euthaniserend middel = CO2 vergassing bij SU o Meten van CO2 dmv DRAGER POMP : infrarood licht aan einde va nmeetkamer – gas absorbeert deel van licht op zijn karakteristieke golflengte  signaal wordt gemeten o Dieren gevoelig voor CO2:  Mestkippen doordat deze beestjes in 6 weken zich moeten ontwikkelen buiten proportionele omvang – pulmonale en hart zijn onderontwikkeld  Mestvarkens idem  Pasgeboren kuikens

ogen// 500 = dodelijk o Eq>pluimvee>SU>konijn  AMMONIAK BRAND KIP : Pluimvee geen probleem zolang droge bedding. Wnn wel natte bedding. Opgeloste H20 o Absolute hoeveelheid H20 = hoeveelheid water in de lucht o Maximale vochtigheid onder bepaalde druk (MH)  Relatieve vochtigheid (RH) % = AH / MH o NORMAAL = 60-80% = THERMOREGULATIE met ventilatie 0.5 m/sec!!!  < 60% = Te laag = stofvorming/ AH irritatie/broeden aangetast 1. Hoe lager de RH ↑ verdamping = afkoeling natte thermometer. Mensen herkennen het niet snel. Pathogenen zet zich altijd vast. Stof vorming (kippen/varkens) wrd AH problemen dr stofdeeltjes met toxines  >80% = te hoog = condensatie / aerosol formatie/ ↑ bacteriën 1. ABNORMALE GASSEN 1. dan kan anearobe fermentatie ≠ doorgaan. Diarree uitbraak dr ↑ vochtigheid – oplossing: ↑T & ventilatie 2. hoe ↑ # ss droge en natte thermometer II. meestal op druppeltjes – dus virussen vooral prettig in vochtige omgeving o HYGROMETER = middel om de vochtigheid te meten  Paardenhaar zet uit wnn vochtig en krimpt bij ↓ vochtigheid o SLING PSYCHROMETER  Bestaat uit 2 thermometers waarvan 1 vochtig en de ander bevat kwik segment en is droog.2-0. omdat het zo laag hangt  irritatie mucosa ed kippen 2. H2S o Geurend naar rotte eieren o Onstaat dr fermentatie zwavelhoudende AZ . Condensatie is zeer nadelig  vochtige muren  schimmel & sporen  inademing  allergie – opl: isolatie 3. NH3 : o Anaerobe fermentatie o Hoofcomponent ureum o Manure= drijfmest o Dung = vaste mest o MAC = maximal acceptable concentration = < 25 ppm // 30-100 = irriterend voor mucosa. lbijft NH3 hangen drdat het zwaar is.

met meest schadelijke ↑ NH3 . KLIMAAT ≠ te beïnvloeden 3. terwijl bij CFP dit niet kan = minder streng  Pluimvee = SU ( meel) >EQ>RU 2.4 u = partikelgrote die nog tegen gheouden kan worden. WIND o Wnn te ↑ ventilatie > 0. bedding.5 ppm // 50-100 = irritatie oog. deze zuigt lucht aan – de partikels (electrisch geladen) komen tegen de staaf aan en apparaat meet het aantal pulsen/ontladingen  CFP = colony forming particles = bepaling microorganismen  CFU = colony forming units – unitss omdat 1 kolonie van 1 bacterie. vaak stoken met petroleum wrd ↓ O2 en ↑ CO 3. Atmosferische druk 4. parasieten die zich makkelijk op partikels zetten – bv influenza o Monitoren van de luchtkwaliteit = bepaald dr:  Toxische gassen (H2S. BIO-AEROSOL = populatie densiteit / ventilatie/ RV. duizelig. CO o o o o o Fysische karakteristieken : temperatuur/ ventilatie/vochtigheid 1.5 m/sec:  ↑ metabolische activiteit = ↓ energie  ↓ respiratoire weerstand  infectieziekten o Wnn te ↓ ventilatie:  moeite met thermoregulatie  slechte kwaliteit van lucht. T o 3. overgeven//>400 dodelijk  veroorzaakt sulfmethahemaglobine = bij autopsie zwart/rood gekleurd bloed = binding H2S op Hb wrd verstikking Geurloos = onvolledige verbranding wrd zeer giftig MAC = 10 ppm !!! Veroorzaakt hypoxia en is irreversibel dr binding van CO op Hb  autopsie = kersenrood bloed Vb pluimvee met 1 dagskuikens waarbij velen 100000 uitgezet. CO en CO2) die gemeten knn worden met de hygrometer  Stof dat gemeten kan worden dmv:  B DUST MONITOR.o o Zwaarder dan lucht en dus dicht bij de grond MAC = 0. wnn kleiner dan komt het ook dieper in de longen en kan een infectie ontstaan  pneumonie  muv de vogels waarbij partikelgrootte nog kleiner moet zijn (<3) dr luchtzakken o In lucht vinden we:  Inerte stof dr voeding. vaste mest en pollen wrd irritatie kan ontstaan van de luchtwegen  Infectieuze microorganismen zoals virussen.

LICHT o o o o . ↓ weerstand en spermakwaliteit  vooral probleem bij mestvarkens en kippen want verhouding lichaamsmassa – pulmonale en cardio buiten proportie  Cold stress= hypothermia  vooral probleem bij pasgeboren konijnen. vogels VLOER o BUITENWERELD  Er zijn # soorten grond met # soorten eigenschappen waar rekening mee dient te worden gehouden  zand  leem  klei o poreusiteit daalt o capillariteit stijgt  bv klei = veel plassen door ↓ poreusiteit. hypomagnesie o Intermediare vectoren zoals nematode larve o Tellurische ziektes zijn ziektes waarvan oorsprong in bodem: 5.o  ↑ metabolisme Hoe meten we wind?  mechanische anometer = beste want meet vanuit alle richtingen  digitale thermo – anometer = f(hoek windsnelheid)  duur – bv Su 24 uur per dag = constant eten = economisch belang! intensiteit golflengte UVc = absorptie atmosfeer / UVb = zonnebrand/fotosensitisatie (bv koeien dr eten van bv sint janskruid  activering zon = lokale reactie in witte vlekken/ UVahuidkanker –melanoma’s veel voorkomend bij EQ. REGENVAL o Gevoelig hiervoor zijn konijnen. dus ≠ goed. De biotoop van de weide bepaalt dus de mate van aanwezigheid nematode  Bron van ziektes: o mineraal tekorten  hypocalcemie. CA 6. TEMPERATUUR o homoiotherme dieren = thermoregulatie  heat stress = hyperthermia = ↑ metabolisme. maar ↑ capillariteit wrd vocht lang bewaard  Grond bestaat uit # lagen: o verdampingslaag o capillaire zone o grond water  Biologische erosie (humus) bevat beestjes die vectoren knn zijn vr andere ziekten/parasieten. biggen en kuikens 7.

    

anthrax: spoorvormers = miltvuur gangreen : bv tetanos  necrose TBC Erysipelas = vlekziekte andere

o STAL  Materiaal: stevig/ glad/ ≠ porien/ ≠ bacteriën o stro is uit de mode behalve bij potstal vr vleesrunderen deze zijn nl zwaar en hebben een zachte bodem nodig, waarbij laag mest en daaroverheen steeds stro  fermentatie = warmte en te heet vr bacteriën. Ook bij kraamstallen biggen nog te zien.  schoonmaken en desinfectie  ≠ teveel dode hoekjes  dierenwelzijn o Biggen = rooster; geperforeerde platen met kans op splayleg o mestvarkens = latten vloer = mest mestput  leg weakness o Konijn en leghennen = batterijen – voordeel ≠ aanraking mest/ nadeel = pootletsel vooral dr gewicht dier = tenosynovitis (peesontsteking) voetinfecties (necrose in wondjes) o EQ = stro  hoefproblemen o Koe = beton  interdigitale dermatitis o mestkip = zaagsel 5-6 cm = absorbeerbaar/ nadeel: veel stof  chest blisters = mest op borst wrd fermentatie -> groen; coccidiosis (infec cysten dr vocht  diarree en sterfte; aspergillosis (schimmels via inademing)  DRINKWATER o Slechts 0,015% water = drinkwater o homeostase lichaam = 66% water in balans:  binnen via drinkwater, voedsel, metabolisme KHD en lipiden  verlies via faeces, urine, zweten, repsiratie, speeksel  DEHYDRATATIE: o turgor huid; droge mucosa, ≠ speekselvorming o dodelijk  hypoxemie = indikking bloed  hart o Wat bepaalt de kwaliteit? F( chemisch bv zuurtegraad/ productiemethode)  GRONDWATER (65%) o bron water = zeer goede kwaliteit = grondwater dat aan de oppervlakte komt en veel O2 en mineralen bevat WATERONTHARDERS o putwater = f(streek), bv varkensstreek ↑ N2  beste put is die tot op grondwaterlaag/ nadeel ↑ calcium Waterontharders zijn verbindingen  puurheid ↑ die calcium en magnesium ionen  goede smaak binden door middel van een proces  ↑ calcium genaamd chelatie. Natriumtrifosfaat  OPPERVLAKTE WATER (35%) was de meest gebruikte o zeewater  hypoosmose = dehydratatie waterontharder tot het effect van o regenwater, zee eutrofiëring gerelateerd kon worden aan de aanwezigheid van fosfaat in rivieren en meren. Natriumtrifosfaat is inmiddels vervangen door EDTA en fosfonaten.

 puurheid ↓ dr H2S, nitraten, microbiële contaminatie  slechte smaak en geur (organoleptisch)  organische contaminatie o Productieproces

o

Microbiele contaminatie:

Hoe gaan we water analyseren op bacteriën? o waterstaal verzamelen op einde van het circuit zodat je contaminatie hebt. o Steriel recipiënt nodig = glas uit oven (100 C) dan vullen tot boven aan zodat je opgeloste zuurstof ≠weg is. o Eerst beetje uit de kraan laten lopen want = stilstaand = ↑ contaminatie =≠ goed beeld. o totale aantal bacteriën tellen (<100 kolonies/ml):  37 C  24 uur  agar plaat o Bepaling gehalte proteolytische bacteria:  kamer temperatuur  48 uur  gelatine medium dat vloeibaar wordt dr proteolytica o Bepaling faecale bacterie (≠ coli’s is indicator salmonella) NEGATIEF!!:

45 C – 37 C 24 uur glucose – lactose broth; 2 soorten bodems waarbij enkel enteropathogenen knn glucose gebruiken  Chemische contaminatie: o NITRIFICATIE =AEROOB Vooral in west & oostvlaanderen = veel Su =  Nitrificatie is de biologische oxidatie van veel organische mest dati n water terecht ammonium tot nitriet gevolgd door de oxidatie komt. Wnn in darm nitraat  reductie tot van dit nitriet tot nitraat. Nitrificatie is een nitriet = toxisch belangrijke stap in de stikstofkringloop van ecosystemen, waarbij de in dood organisch In water ultrifiering = algen groei  vissen materiaal vastgelegde stikstof weer beschikbaar erg gevoelig komt voor de levende planten. 1. Nitrosomonas bacterie: ammonium  MAC impact = F(diersoort); vis wel last vs nitriet (toxisch) Ru geen last, miss zelfs voordeel (bv 2. Nitrobacter: nitriet  nitraat kippenmest toevoeging aan voeder o o DENITRIFICATIE = ANAEROOB  Denatrificatie is het proces waarbij bacteriën nitraat omzetten in stikstof. Dit gebeurt middels Bacillus, achromobacter en pseudomonas o Andere contaminanten: Fe, Cu, PO34-, H2S en metalen zijn moeilijker eruit te halen o Desinfectie:  chlorine = ideaal! = oxidatieve actie van chlorine in water  O⁰ o Voordelen:  activiteit over groot spectrum (virussen;bacteriën; NaOCL + H2O  NaOH + HOCL + HCL  CL2 + H2O schimmels) ↓  heeft lange halfwaardetijd = residuen effect H++Cl- + O0  biofilms = populatie bacteriën die zich vastzet op vast substraat en zich huisvest in extracellulaire matrix wrd moeilijk bereikbaar  bron van infectie  Is veilig en kan dus in vele situaties gebruikt worden  makkelijk in gebruik en goedkoop o Nadelen:  niet actief tegen cysten en sporen (bv occidosis  Hoe ↑ organisch materiaal ↓ werking NaOCl  er zijn DBP’s = disinfection by products die kanker verwekkend zijn; organische contaminatie = DBP ↑  omgevingsrisico  beperkte gebruiksveiligheid

  

    Cl2 = enkel industrieel  veiligheid ↓ o drinkwater = 1ppm en zwembad 2 ppm (=mg/L) Stabiliteit NaOCl ↓ o 40gCL/L = 120 cholamines = beter bestand tegen org.mat ozon = duur .

huid intact VOORDELEN .AH irritatie.↓spectrum .Glutaraldehyde .Huid antiseptica NADELEN .≠ toxisch .Iodine = snel . oppervlakken.formatie hydroxyl radicalen .Tand desinfecteren VOORDELEN .matig en mycobacterie en sporen ≠ .Celmembraanly se GEBRUIK .Desinfectie water.≠ sporen MECHANISME .Ontvlambaar .Denaturatie proteïnes .spectrum ↓ .Ethyl .Uitdrogend effect huid .Speen dipping .geconcentreerd e opl  huid - .Bacteriën en virussen laag .Alkylatie van – SH.celmembraanlys e GEBRUIK .Chloroxylenol SPECTRUM .≠ toxisch iodophoren NADELEN BIGUANIDEN PRODUCTEN .oxidatie proteines GEBRUIK .maar wel reinigende werking MECHANISME .I2 .NaOCL . plastic en rubber . CHLORINE PRODUCTEN .Quaternaire ammoniumzout en .Chlorhexidine + centrimide (QUAD) SPECTRUM .Spectrum JOOD PRODUCTEN . lange inwerking en ↑ conc MECHANISME .Lang actief op huid .Optimaal activiteit ↑ pH .Iodophoren (Isobetadine.Ethanol .≠ irriterend .formaldehyde SPECTRUM .Combinatie met ander biociden NADELEN . oppervl.Celmembraan schade GEBRUIK .Werkt ook bij org materiaal NADEEL: .perfect MECHANISME .Desinfectie instrumenten.Spectrum . Poviderm) SPECTRUM . sporen ≠ MECHANISME .Spectrum .Huidantiseptica .centrimide SPECTRUM .≠ corrosief vr metaal.↓ stabiliteit ↓ pH N-chloro comp: .stabiliteit – niet lang houdbaar .Mycobac en sporen ≠ MECHANISME .Fungi en mycobac = matig. wnn meer = brandwonden .Spectrum - WATERSTOFPEROXI DE PRODUCTEN .H202 3%.Fungi en virus = matig .br oeijerij VOORDELEN .Schuimt enkel op wonden SPECTRUM .Geen schoonmaakmid del!!! ALDEHYDEN PRODUCTEN .ALCHOLEN PRODUCTEN .desinfectie wonden .Jood tinctuur = jood in pure alch = dehydraterend en samentrekkend  navelinfecties kalveren VOORDELEN .spectrum NADELEN . Glutaraldehyde KENMERKEN: .Iodophoren = iodine dragers = langzame release iodine GEBRUIK .Chlorhexidine .70% alch = beste  100% = uitdrogend effect GEBRUIK .Oxidatie en denaturatie proteïnes Sodium hypochloriet (HOCl) .inact org mat .= sneller in behandeling sporen (3uur) .Perfect behalve sporen = matig MECHANISME .Hydrolyse in water  NH + Cl GEBRUIK .inactivatie Ca en Mg (hardheid water) oplos: EDTA NADELEN PHENOLEN PRODUCTEN .desinfectie contactlenzen VOORDELEN .-COOH.Perfect behalve sporen = matig.PerfecT! MECHANISME .Triclosan  dettol .N-chloro =N-Cl zoals chloramine –T Halamid knn tegen org mat SPECTRUM .schoonmaakmid del VOORDELEN .Antiseptica .Inactivatie dr org mat QUAD’s PRODUCTEN .Stabiliteit bij ↓ pH  je moet het dan ook vr gebruik activeren VOORDELEN: .isopropyl SPECTRUM . -NH2 1.chirurgen NADELEN .

DBP’s - - Krijgt het niet makkelijk van je handen Joodallergie mogelijk TW: keizersnede je laat je bistouri vallen? In alcohol en flamberen! Andere peroxides:  Peracetic acid.≠ corossief .Gedeeltelijke inactivatie dr org materiaal NADELEN .Spectrum .Corossie metalen . Formaldehyde KENMERKEN: .Desinfectie stallen 2.Desinfectie warmte labiele instrumenten .Vrijlating Cl2 .≠ actief ↓ 200 C & RH > 70% - Goedkoop Snelle activiteit HOCl NADELEN . duur GEBRUIK: . is combineatie azijnzuur .Toxisch – carcinogeen . behalve sporen (18 uur) VOORDELEN .Inactivatie dr org mat (hypochloriet!) .gelimiteerde stabiliteit. gebruikt in voedsel en melkindustrie.Iha snellere actie .

proprionzuur Alkalines Alkalische componenten zoals natriumhydroxide (NaOH) en soda (Na2CO3) hebben goede inweek. proprionzuur Slachthuis melkzuur Conservatief  azijnzuur.Organische zuren: Organische zuren zijn stoffen die uit (vertakte) koolstofatomen bestaan en die in water oplossing een waterstofion kunnen afstaan. De losse waterstofionen in het water zorgen ervoor dat de oplossing ‘zuur’ is. De pH-waarde van een zure oplossing is lager dan 7.    Diervoeder  formic.    NaOH (wasbakontstopper/bijtende soda)  2% in kokend water.en denaturaliserende eigenschappen voor eiwitten en zijn daarom zijn in staat eiwitresten gemakkelijk te verwijderen. niet inert CaO (ongebluste kalk)  20% oplossing voor desinfectie of oppervlakken o +H20  Ca(OH)2 = vrijstelling warmte = steriliserend// gebruikt voor denaturatie lijken WOII Na2CO3 (soda)  4% oplossing voor schoonmaken. is ≠ desinfectans .

oudere zeugen = betere antistoffen 2. Colostrum:  passieve immuniteit waarbij antistoffen (eiwitten) voor 48 uur worden opgenomen in de darm  bloedbaan = aanmaak antistoffen = SYSTEMISCH  LOKALE anitistoffen die door Virulentie = het schadelijke effect dat parasiet uitoefent op gastheer Besmettelijkheid = in welke mate de parasiet zich kan vermeerderen in gastheer Pathogeniciteit = in welke mate de parasiet over kan gaan naar nieuwe gastheer Infectiedruk . Drachtige dieren niet transporteren nr andere plek want # qua infectiehaarden! 3. parasiet Heterotroof = f(gastheer) Symbiotisch = tweezijdig Safrofytair =org mat vertering ≠ pathogeen Parasitair = eenzijdig =pathogeen INFECTIE    Autotroof = onafhankelijk van gastheer ZIEKTE   INFECTIEDRUK TWWWWW!!! o Risicofactoren: 1. colostrum) deze is ook f(moeder): i.HOOFDSTUK 2 HYGIENE EN ZIEKTE PREVENTIE I. schimmel. bact. BINNENKOMEN VAN ZIEKTES EN QUARANTAINE  INFECTIE & ZIEKTE Microorganismen Virus. Geboorte= kritisch moment = van steriele omgeving naar microbiële  Colonisatie & interferentie: eerste contact van de kalf met normale flora moeder (vaginaal) hierdoor ontstaat colonisatie en interferentie = het feit dat eerste wint en andere er niet meer bij kunnen  ↓ infectiedruk werkt natuurlijk bevorderend  Passieve immuniteit = essentieel (placenta. Immunotolerantie:  blootstelling pathogenen voor de geboorte = nog geen herkenning las lichaamsvreemd want er zijn nog geen antigenen // VB = MD prenataal bij runderen = mucosa disease  latente dragers die de ziekte gaan verspreiden 2. Bv EQ G voortplanting voor 2 jaar ii. ouderdom: 1.

zweet. Spenen:  = wegvallen lactatie = begin vaste voeding  kans op intstinale pathogenen bv SU slingerziekte (=haemolytische coli wrd oedeem en diarree)  Actieve immuniteit: i.   moeder aangemaakt tegen bijv diarree SU via melk bij biggen komen 4. zijn dan ook specifieke pathogeen tijd-dynamiek 4. of het dier is wel ziek maar nog niet te zien EPIDEMIOLOGIE & INFECTIE = PATHOGEEN SPECIFIEK o OVERLEVING INFECTIEUZE PATHOGEEN 1. faeces. Biologische factoren: spoor. Voertuigen: vectoren (insecten) of mechanisch(mensen. o ALGEMEEN = standaard hygiene regels voor alle ziekten= taak boer en dierenarts! 1.tractor) PROPHYLACTISCH = VOORBEHOEDEND = set van preventieve maatregelen om dieren & mens te beschermen tegen INFECTIE en ZIEKTE o SPECIFIEK = controle reglement voor specifieke ziektes 1. vrijwillig = boerderij specifieke controle programma’s = vaccinatie. urine. microclimaat niche (plekjes waar je niet kunt schoonmaken) o TRANSMISSIE: hoe gemakkelijk kan pathogeen nr gastheer 1. latente dragers  bijv bij mucosa disease prenataal  waarbij je moet letten op het feit dat er dieren zijn die pathogenen excreteren. verplicht = gezondheidpolitie die bij bijv vogelpest leiding neemt 2. inhalatie. voedselhygiëne & dierenwelzijn  Gesloten bedrijf/gesloten kring bedrijf/open bedrijf . 2. isolatie van zieke of net aangekochte dieren 6. maar niet ziek zijn. toegangsvoorwaarden (mensen. geboorte hygiene. CMI = cell mediator = oppervlakkige infectieziekten INFECTIE DYNAMIEK: Hoe krijg je infectie? Elimineren is niet mogelijk/moeilijk  wel onder controle te houden dr dieren net aangekocht bijv in quarantaine te zetten o EXCRETIE PATHOGENEN 1. entadvies pluimvee. pestcontrole 4. prion… bv coccidiose = parasitaire inf 2. in alle secreten en excreten  speeksel. wegbrengen van kadavers en mest rendac 3. melkhygiëne 5. transplacentaal (bv toxoplasmose). antioccidiosemiddel preventief. Binnenkom mogelijkheden pathogeen: oraal. melk etc. klimaat. Zootechnische factoren: overbezetting. iatrogeen 2. HMI = humeraal mediator ii.voertuigen.materialen) 2. veneriaal (=sexueel overdraagbaar). f(pathogenesis pathogeen) 3. oocyst.

eu/pages/nlhome/ga-naar-trainingmodules/module-3. en behoud van materialen en dat ongewenste substanties (vuil processen van microbiele degradatie. Desinfecterend middel: chemisch middel dat de het aantal microorganismen in het milieu reduceerttot een niveau dat de voedselveiligheid of –geschiktheid niet in gevaar brengt . infertility (doodgeboren. gemummificeerde biggen.schoenen o sterilisatie van instrumenten en materialen o correcte administratie van injecties = ≠ mixen. CONCEPT HYGIENE: TW: HYGIENISCHE MAATREGELEN BOERDERIJ! o auto’s niet op bedrijf parkeren  miss zelfs door bak rijden met ontsmetting o beperking ingangen en # ingangen voor schone gebied en vieze gebied o rekening houden met windrichting o bedrijf moet volledig afgesloten zijn. Het gaat om een syndroom. embrionic death. De verschijnselen hebben te maken met reproductie. gevoelig dier plaatsen bij koe in quarantaine  SPF dieren  All in/ All out systeem wrd goede ontsmetting mogelijk o kadaver opslag.formal ≠ chavel! o compartimentering in de stal wrd ↓ infectieoverdracht  SMEDI syndroom varkens: Smedi is een verzamelnaam en staat voor Stillbirth. chloramines. deze zit in uithoek van de stal = 2-4 wk  immuniteit: bloedonderzoek 0 en 4 wk antistoffen  gezond. inclusief microbiologische o Antiseptisch = is een biocide die de groei van besmettingen) van oppervlakken microorganismen in een levend weefsel inhibeert of verwijdert. dood. liefst apart van andere bedrijven o afwatering aan de buitenkant van het bedrijf o betonnen vloer o ≠ loslopende honden o muizen bestrijding o stallen afsluiten o bedrijfseigen overallen en laarzen o gesloten bedrijf = beste o inkoop in quarantaine zetten. Door compartimentalisering  hyperhygiëne wrd biggetjes ziek worden  |Oplossing = actieve immunisatie geef zeug besmet varken te eten  IATROGENE RISK MANAGEMENT = verantwoordelijkheid dierenarts en boer o wassen & desinfectie van jezelf. waaronder Parvo. kleren. II. veroorzaakt door virussen. embryonale sterfte en steriliteit). mummification. opslag in frigo o voertuig DESINFECTIE (http://hygiene-for-cleaners. voedersilo’s en beerput aan vuile kant o voor ingangen desinfectiebakken binnen want buiten vriezen/regen = orgnaische vervuiling  NaOH.php)  DEFINITIES: o Biociden = inorganische of synthetische of natuurlijke organsiche onderdelen gebruikt voor desinfectie of sterilisatie van objecten Reinigingmiddel: chemisch middel of oppervlakten.

die een sterilisatiecyclus moeten ondergaan en dan opgestuurd worden naar een laboratorium dat de vernietiging van deze sporen zal controleren. Controle autoclaaf:  Biologische indicatorenbevatten resistente bacteriële sporen. inc sporen dood = kiem vrijdag STERILITEIT = COMPLETE AFWEZIGHEID VAN LEVEN MAAR: o limitaties om dit te testen  ≠ absoluut o inactivatie = exponentiële wet 1.97 % van partikels 1. Een autoclaaf bestaat uit: o een drukvat dat water bevat o bakje van gaas of geperforeerd metaal waarin de instrumenten gesteriliseerd kunnen worden. Door de overdruk wordt de temperatuur van het water hoger dan 100 °C (121 °C . o Preservative = antidesinfecterende middelen in medicijnen zodat meermaals gebruik mogelijk is = ↑ houdbaarheid o o Sporiciden = zijn antimicrobiële middelen die endosporen en schimmels kunnen doden binnen een bepaald tijdlimitiet. farmaceutisch bedrijf Sterilisatiemethoden zie tabel! Autoclaaf :   Een autoclaaf is een toestel waar door middel van stoom onder druk vloeistoffen. waardoor bacteriën. hetzij 3 minuten bij 134 °C en 2 atmosfeer druk (voor onverpakt materiaal) of 5 minuten voor verpakt materiaal. bepaalde plastieken en doeken gesteriliseerd kunnen worden. organische contaminatie 2. o sterilization = is chemisch en fysisch proces dat al het microbieel leven. temperatuur 5. hardheid water  ↑ infectiedruk  ↑ tijd om tot ↓ infectiedruk te komen o Dierenartsen minder belangrijk om hanschoenen te dragen omdat florapathogenen dier-mens anders zijn. je komt niet tot 0 kiemen dr logaritmische eliminatie o TW: Welke factoren spelen rol bij desinfectans? 1. virussen en schimmels sneller en zekerder worden gedood.o Desinfectant = is een biocide die de groei van microorganismen in niet levend weefsel en oppervlakken inhibeert of dood. o Hetzij 15 minuten bij 121° Celsius. het desinfectans 3. HEPA filter ° high efficiency particulate air o Filter de lucht voor 99. instrumenten. operatiezalen. Gebruikt in ziekenhuize.134 °C). o MICROBIOLOGISCHE KWALITEIT VAN LUCHT 1. welke kiem 4.   . glas.

 Tape indicatoren  witte strepen omslaan in zwarte strepen na een volledige sterilisatiecyclus. FACTOREN DIE DE KEUZE VAN DESINFECTANT BEPALEN 1.Idiophoren) .F(Kenmerken van desinfectia) o Het effect van verdunning op de concentrate exponent (η) = ↑ concentratie ↓ inwerking en visa versa. en kunnen in elk geval niet garant zijn voor een goede sterilisatie. HANDEN WASSEN 4. DESINFECTIA/ANTISEPTICA zie tabel! 3. DESINFECTIE = reductie van kiemen maar ≠ volledige opruiming 1.  Effect verdunning op concentratie is voor alle desinfecite tot chlorhexidine lineair: bv verdunning van formaldehyde met 3 = activiteit daling met 3  alcohol 36 = 729 o Effect van pH  Wnn agentia zuur of basisch. WEERSTAND TEGEN BIOCIDEN BV RENDAC: autoclave niet op 2Bar maar op 3Bar zodat ook prionen dood! Desinfectans = fysicochemische werking = dode bacterie f(vermenigvuldiging)  gebuikt op voorwerp Antibiotica = interferentie biochemische processen bacterie  meest actief wnn bacterie vermenigvuldigt!  gebruikt op huid 2. doch deze zijn onbetrouwbaar. dan zal de mate van activiteit f(pH) o Effect van oppervlakte activiteit o Aanwezigheid interferende substanties (organisch mat):  Organische materialen wrd ≠ binding van de biocide DUS eerst mechanisch reinigen en dan met desinfectia o Effect van waterhardheid (QUADS.

varkens) .F(doel) o o Desinfectia: ≠ corrosief.o o o Weerstand bouw (muren) Temperatuur/ RH Natuur pathogenen 2. wanden en vloer met bv NaOH (=loskomen korsten mest)  hoge druk spuit en spoelen o Desinfectie en drogen = stal leeg laten staan paar dagen  Detergenten = micel vorming – zeep. stof en eten o Wassen plafond. deodorant  DESINFECTIE VAN ROMMEL EN MEST: o Bij < 70% vochtigheid  stapelmest (schapen. niet geabsorbeerd dr rubber. binnenin krijg je fermentatie proces = composthoop  Chemisch gebeurt enkel wnn bv varkenspest  gezondheidspolitie  2% NaOH & MeBr (giftig) o Bij >70% vochtigheid  drijfmest (koeien. ALGEMENE REGELS  DO’s o Jusite concentratie o Toevoeging aan juiste #water en rekening houden met hardheid o Schone emmer o Wegwassen viezigheid en drogen vrdat desinfectia  DON’Ts o ≠ vr sterilisatie  behalve flamberen alc o ≠ instrumenten erin bewaren  gaan kapot o ≠ 2 desinfectans samen.EDTA  Additieven = versterkende agentia – dispersie. plastic want toxisch Antiseptica: snelle werking. behalve alc  SCHOONMAKEN is 1ste prioriteit wrd je al: o Weghalen zichtbare contaminatie o Verwijdering typische pathogenen o ↓ infectiedruk  PROCEDURE SCHOONMAKEN: o Weghalen van alle dieren (all in all out) o Mechanische verwijdering van rommel.F(toxiciteit) o COSHH = control of substances hazardous to health = inventaris 5. ook actief bij aanwezigheid organisch mat 4.F(microbiële uitdaging) o Mate van micorbiele contaminatie en type 3. ≠ irriterend.paarden en kippen)  Biologisch door het opstapelen van mest.oxidatie. enkel wnn 1 van de twee = alcohol o ≠ detergent toevoegen aan desinfectant.

  Fysiek: door te drogen of verwarmen waarnaar pelleterin  economisch ≠ rendabel Chemisch: NH3 en formol  wel grote # nodig vanwege ↑organisch mater .

pest Uitwerpselen: zwart/bruinachtige            .H3 Pest controle = knaagdieren & vliegen Problemen met ongedierte door:       Afval op straat Veel struiken Etensresten Vuilniszakken Toegenomen resistentie gif Stadsbestuur  besparingen op bv rattenvanger Knaagdieren zijn ongedierte wanneer:    Besmettingen/ infecties/ verspilling van voedsel door openbijten zakken Transmisssie van ziekten (zoonosen zoals salmonella en leptospirose) Mechanische schade aan gebouwen en materialen (bv wegvreten isolatie/kortsluiting veroorzaken) economische gevolgen Welke knaagdieren? Rattus norvegicus :    Verspreiding = over hele wereld = daar waar mensen is ook rat. Tularaemia. Habitat: leeft vooral in droge biotoop/ daken/bomen/rond boerderij Omschrijving: 150200gr/bruin/↑olfacorisch en hoor/ ↑ zicht/3-4 ih wild Voedsel: omnivoor vooral fruit graan en cereals/ ≠ predatie Gedrag: goede klimmer/↓zwemmer/wantrouwig/ meer territoriumgericht  Reproductie: 3w dracht/spenen na 3w/secueel actief = 3-5mnd Ziektevector: trichinella/ leptospira/tyfud/pest         Mus musculus = huismuis Globale verspreiding Habitat: dicht bij mensen/zomer buiten Omschrijving: 3-4cm/20-25gr/lange staart/12-18mnd ih wild Voedsel: omnivoor/groentjes/insecten/vlees Gedrag: atleten!! Goede renners/klimmers/zwemmers/ ↑zicht en gehoor en reuk-snelle aanpassing aan nieuwe omgeving = dus minder schuw itt rat en makkelijker te vangen Reproductie: gehele jaar door/ 5-12 jongen per jaar/19-21dg dracht/spenen vanaf 3 weken/sexueel volwassen = 5-7wk Ziekte vector: Trichinella. salmonella. Habitat= rioolrat leeft in vochtige biotoop/ vuilnisbakken/ open veld Omschrijving: 200-500gr (10x meer dan muis)/↑ ontwikkelde olfactorisch en hoororgaan/↓zicht/2-3 j ih wild Voedsel: omnivoor/ wnn tekort ook predatie op kleine visjes/knaagdieren/vogeltjes/eieren Gedrag: goede zwemmer/slechte klimmer/leer capaciteit/wantrouwig wrd moeilijk te vangen Reproductie: 3w dracht/spenen 3w/ sexueel actief = 3-4mnd Ziektevector: trichinella (=parasiet)/leptospira/tyfus Uitwerpselen: zwarte banaanachtige keutels in hoopjes  Rattus rattus = zwarte rat Verspreiding: kustgebieden/ grote boten/ beetje weggepest door rioolrat.

speeksel of feaces dier// Besmetting: door of eten. Geen direct ongedierte naar mens & dier: o Woelmuis  Gastheer leptospira  via drinkwater zoonose mens o Veldmuis o Muskusrat Ziekte transmissie:    Leptospirosis      Als biologische of mechanische vector Knaagdieren = transmissie van wel 60 # ziekten naar mensen Paar voorbeelden: Salmonellosis    rodentiosis Oorzaak: Yersinia pseudoTBC = primaire pathogeeni n wilde en gedomesticeerde dieren Verspreiding: oralefaecale route dr consumptie van water/voedsel besmet Symptomen: abdominale pijn. koorts tot septicaemia (=bloedvergiftiging) Pseudo-appendicitis = verschijnselen blinde darm ontsteking zonder ontstoken appendix Virale haemorrhagische koorts =Weill’s disease  = Hanta pulmonary syndrome (HPS) =beroepsziekte die vooral boeren. It is sometimes referred to as the "pork worm" due to it being found commonly in pork or rat products that are undercooked. and is responsible for the disease trichinosis. dierenartsen. KNAAGDIER CONTROLE: Preventie:    Schoon sanitair o ≠ voedselresten/vuilhopen/te veel plantengroei/banden die rond slingeren Fysische controle barrières o Voedsel in afgesloten tonnen Knaagdier bestendige constructies: . mond. abdominale pijn en braken   . and humans.toxoplasma. pigs. drinken besmet krassen.  Fataal mens > 50% rioolwerkers treft  Symptomen: grieperig. congestie (= ophoping Verspreiding: urine van geïnfecteerde dieren bloed in lichaamsdeel) Veroorzaakt: soort griep  Besmetting: inhalatie van met persistente hoofdpijn aerosolvirus vanuit urine. drinken  dat met besmet water in contact is geweest  Voedselgerelateerde ziekte Symptomen 1-3 dagen  erna = diarree. eten ogen die in contact komen met urine Besmetting: eten. occurring in rats. koorts. wondjes. trichinella etc TRICHINELLA: is a nematode parasite.

met scilliroside = braakproduct.5.6 ≠ anticoagulant  4. Crimidine = neurotoxisch! 7. maar ratten ≠ braken & strychnine (kraaien & eksters) 2&3 = anticoagulanten 4. hond dood= secundair +).uitwerpselen (hoopje/≠hoopje/vers?) .schade aan deurenn/isolatie -loopsporen o Afsluiten van openingen zoals leidingen. Thallium = verboden (wnn hond rat opeet. Wordt gebruikt wnn resistentie tegen anti-coagulanten Anticoagulanten: . ramen etc Exterminatie:  Rodenticide o = laatste redmiddel o Een rodenticide is ≠ basis voor lange termijn o Denk aan interferentie met kinderen.ventilatie (kippengaas). secundair = -!!  5. huisdieren & natuur o 2 soorten:  Anticoagulanten = haemotoxisch = traag = remming bloedstolling wrd interne bloedingen  Worden in eerste instantie gebruikt  minst gevaarlijk  Non – anticoagulanten = neurotoxisch & gastrotoxisch = snel o o o o 1. zink fosfide  fosfine in maag.Hoe weet je of je last hebt van ratten/muizen? .kadavers -ratten overdag . Natuurproduct. na paar dagen dood. deuren( metalen band ≠ knagen).

epistaxis (neusbloeding). ataxia. . haemoptysis (bloed braken). dus ≠ baiting nodig   Predatoren en biologische controle Trapping o Muizenvallen e. mucosa doorbloeding Klinische kenmerken:  Anemie. haemothorax. haematuria (rode/zwarte urine)  Secundaire kenmerken: slap.d. maar nog steeds multipel voeding halfwaardetijd van 1 week o o o Werking: vitamine K antagonist  Interfereert met vit K synthesis afhankelijke bloedstolling factoren in de lever  Dosis = f(species)  Latente periode is nodig waarin de bloedstolling factoren reeds aanwezig opgebruikt moeten worden  Herkennen van vergifitiging: mond. en merkt dat het slecht smaakt  link! Oplossing = bait van een week zonder vergif waardoor na week 1 keer eten en hoppa dood  Coagulant = trage werker voordat dood. colic en polypnea Antidosis:  Vit K1 toedienen op # plaatsen met dunne naaldjes  wnn superwarfarin lastig…  TW: Baiting o Afhankelijk van het product nodig!! Een rat is een achterdochtig dier dus wnn  ≠ coagulant en rat proeft. melena (darmbloeding = faeces zwart).o o o 1ste generatie halfwaardetijd = kort = 23 uur warfarin week moet laten staan. bloedbuilen (haematoma). en er vaak van gegeten moet worden vr toxisch snelle resistentie    2e generatie zijn de beste! Met halfwaardetijd van 3 wk = single bait product bv brodifacoum & bromadiolone    3e generatie meer toxisch dan 1ste gen.

VLIEGEN CONTROLE ENDOFIELE = in stallen  !Huisvlieg: o ↑ resistentie tegen insecticide o Vooral droge omgeving o Is zeer schadelijk  Stomoxys Calcitrans: o =heamotophagous = bloedzuiger  Ophyra anaescens o ≠ schadelijk en wordt zelfs gebruikt om de domestica in toom te houden dr larven dom op te eten = entomax EXOFIEL =  Haemotobia Irritans: o haematophagous o Ecologisch belang o Runderen  op bovenkant en hoornen  Musca Autumnalis o Rondom ogen/neus o Leven van oogvloei o Pink eye = oog ontsteking  Tabanus spp (dazen) o Runderen & paarden  Lucilia Sericata o Vleesvlieg o Myiasis in schaap o Van juni-sept o Worden in chirurgie om necrose weg te vreten  # vormen van voedselopname: o o o Vliegen met stilet = bijten = bloedzuiger Vliegen die likken/slurpen Een vlieg = homometabool = volledige gedaanteverandering Economisch belangrijk ongedierte:  Productieverlies o Bloedverlies zoals bij stomoxys & haematobia o Bv Bo 50 vliegen is al probleem Transmissie ziekten o Bacteriën  .

E Coli. moraxella bovis (=pink eye). maar door dalende werking. wormpjes o fungi Irriterend Kosten behandelingen & controle Insect controle I. chemisch: neurotoxides: 1. clostridia Virussen  ↑ koorts. Pyrethrins: o Botanische oorsprong   synthetisch (pyrethroids I-IV) o Mechanisme = interferentie neurotransmissie Na – K pomp o Actie = musculaire paralyse enkel adult o De pyrethroids:  ↑ halfwaardetijd & fotostabiliteit. gevoeligheid  ↑ selectiedruk  Cypermethrin  Flectron = handelsnaam .o o  Pyogenes. 2 zaken die bij de pyrethrins nadelig zijn o Resistentie dr lokaal gebruik bij huisvlieg en hoornvlieg:  Bv oormerken geïmpregneerd met insecticide. salmonella. FMD (footh and mouth disease) Parasieten    Coccidia.

vlooien hond en kat II. wespen. carbamaten: o Mechanisme = interferentie met neurotransmissie dr inhibitie Ach esterase o Actie: spastische musculaire paralyse = adult en larvicide o Wijdverspreide resistentie & kruisresistentie (huisvlieg) o Safety margin ↓ o Verschillende klasses van OP-producten Alifatisch derivatieven Trichlorphon = spray Dichlorvos (Vapona) Pfenyl derivatieven Heterocyclische 3.2. Biologische controle o Behoud natuurlijke predatoren bij droge mest. Organosfosfaten. Bv drijfmest vloeibaarder maken ii. Mechanische controle o Fysische traps bv sticky tapes . Ventilatie die zorgt dat mest droog blijft 2. Niet chemische methoden: 1. Insect growth regulators (IGR’s)”: o Interactie met exoskelet (chitine) formatie o =ingrijping vervelling larvicide o ≠ toxisch voor andere dieren want die hebben ≠ chitine o USA: in voedsel preventief voor mestput o Langzame selectie resistentie o Voorbeelden:  Cyomazine blokt cuticula formatie  Diflubenzuron interfereert met chitine depositie  Juvenil hormone mimics binden aan de juvenile hormoon receptoren  Selectieve larvicidale actie  Veel gebruikt tegen teek. kevers) o Introductie predatoren  entomax (ophyra anaescens) o Bacteriële toxines 3. wnn mestuitruiming laat laagje liggen (mijten. Ethologische controle o Eliminatie broedplaatsen o Omgeving broedplaatsen: i.

o Resistentie Soorten:   Electrische traps (UV licht)  Gedrag resistentie o Leereffect Fysiologische resistentie o ↓ penetratie o ↑metabolische degradatie o ↑ sensitiviteit van de receptor Kruisresistentie Oplossingen resistente types: I.    Opruiming: ↑ dosis # insecticide producten Synergistische combi’s Verdunning van de populatie met sensitieve types: Gebruik kort durende middelen Strategisch gebruik Combinatie chemisch & biologisch DIERTRANSPORT: zie slides RENDAC .    II.

   Belang Controle Resistentie .

stro.32wk (8x4) I. KIPPEN  Hiërarchie: o Bedrijf met moederdieren afkomstig van geselecteerde primaire voorouder //Zitten niet op batterij o Levert eieren aan de broeierijen: deze levert eendagskuikens aan zowel legbedrijven als vleeskip bedrijven OPFOKBEDRIJF .wk 1-3 = 1 kg voederopname -wk 4-5 = 1Kg opname Wk 6 = 1 Kg opname LEGBEDRIJF .H3 PESTCONTROLE: ECONOMISCHE VEEHOUDERIJ: BIJZONDERE HYGIENE 1. o BREEDING FARMS Strikte hygiëne regels  Droge bedding = essentieel!!  houtschilfers.mestkip = hen & haan essentieel ↓ GROOTOUDER BROEDERS ↓ BREEDING FARMS leveren eieren -legkip -mestkip ↓ BROEIERIJEN leveren eendagskuikens ↓ MESTKIPPEN BEDRIJF .40 wk (10x4) .≠ preventieve behandelingen . bij ↑ T = inkrimping ei en kan bacterie erin  Nadeel: beschermlaagje op eischaal gaat eraf  Eieren met een barstje in de schaal/ twee dooiers/te grote luchtkamer moeten eruit . tuf  Nesting materiaal & genoeg plaatsen (1 per 4-6 kuikens)  Licht > 5 lux: 8uur-12uur-14uur  Eileg = f(lichtsterkte & duur) dus wordt deze opgedreven  Eieren moeten 4x per dag opgehaald worden en gesorteerd:  Eliminatie van grondeieren  mest aan = bacteriën = kans op infectie!  Soms worden ze gewassen met chloramine bij 41 C  deze T omdat zo ei uitzet wrd ≠ bacteriën in ei.0-6 wk .legkip = enkel hen essentieel .0-18 weken -vaccinaties ↓ STAMBOEK DIEREN (HYBRIDEN) .

Anaerobe in ei zorgt vr ↑ infecties buitengehouden wnn kast opengemaakt druk wrd ontploffing.o o II.8 C(100F) bij 60% RH  onderin geplaatst in de voorbroeder CO2<0. omdat aan stompe zijde grotere poriën  aan deze zijde altijd luchtkamer  Eiopslag:  55-65F = F – 26/2 aantal C  RH = 75-85% (3-4 dagen) ♂:♀ = 15/100 Bevruchtingsgraad : 90% op 35 wk anders economisch ≠ rendabel BROEIJERIJEN = eenweg operatie! Ei opslag  15-20 C.5%  = AIAO per kast  De eieren worden ieder uur gekanteld tot 3 dagen vr uitbroeden Uitbroeden = ≠ energie insteken. o o o o o Ei moet tussen 50-55 gr zijn! Luchtkamer ontstaan wnn broeden door ↑T krijg je een krimpen van het ei.grootte luchtkamer – oud ei drijft dr ↑ luchtkamer .8 C en 55%RH – CO2 <1% verwerking kuikens  sexing  vaccinatie  opletten: drinkwater bevat chloor + verzwakt vaccin = ↓ werking! Bij kip toevoeging melk (=organisch materiaal)   Onderscheid jong vs oud ei: . 80% RH  Sortering en stempel erop en in de broedrekken plaatsen Desinfectie  Gebeurt met formaline fumigatie  Duurt 20 min bij 80% RH en 200 C  Naderhand wordt er geventileerd Klapei: Voorbroeden = energie insteken bijvoorbeeld een grondei dat toch  In de kamer is er een overdruk!  zo worden besmet is. wordt  Ruimte: 20-25C en 70-75% RH Gewassen eieren worden dan ook  Broedmachine = 37. maar juist koelen dr warmteproductie kuikens  In de uitbroedkast heerst onderdruk om infectie binnen te houden  Schouwen van eieren  Verplaatsing in uitbroedkisten  Soms nog korte formal fumigatie  Incubatie: 37.verhouding vloeibaar-gelatineus eiwit – oud ei is vnl vloeibaar   knippen snavels – vnl bij legkippen vanwege kannabalistische trekjes ingepakt voor transport  tot 72 uur ≠ eten nodig dr opname dooier via navel (div meckel) .

5Kg Doelgewicht: 1.5Kg o Licht: 23 uur - 8 uur daglengte (5 lux) o Tot 18 weken b. houtschilfers. stro.5 – 2 Kg IV. desinfectie van materialen – welk middel? Vnl Chlorines! III. omdat 1dagskuikens niet goed tegen kou knn  Winter  petrol kanon = kans op CO2 vergiftiging Bedding. cirkels rond drink en voederbak o Na eerste week ↓ T 20-23 en RH 60-80% o Densiteit = 10-12/m2 o Voedselconsumptie = 6. LEGKIPPENBEDRIJF o Licht verlenging van 13 – 16 uur zodat ze in leg gaan o 6/9 vogels per kooi o Vloer: 1 nest voor 4-5 vogels o Voeder ruimte = 6-10cm / vogel . LEGKIPPEN a. o o o o o o o o MESTKIPPEN BEDRIJF Beginnen met 30-32 C en RH 50-60%. tuf – 10-15cm  Natte bedding  ↑ ammoniak / borstblaren Eerse week cirkel rond drink & voederbak zodat ze deze makkelijk knn vinden Eerste week ↑ sterfte door:  ≠ vinden drink/voederbak  CO2 vergifiging winter  Op hoop te gaan zitten Wnn kip pluimen begint te krijgen kan T↓  temperatuur 20-23C en RH: 60-80% vanwege stof↓ en NH3 ↑ Densiteit = 20-25 dieren/m2 Consumptie : 3-3. OPFOKBEDRIJF o Eerste week: T 30-32 en RH 50-6-%.

s nachts bloedzuigen.o o Ruiperiode = ook oplossing wnn kippen ziek tijdens eerste leg of wnn ↓ eiprijs Minimaal 60 % productie om rendabel te knn blijven LEGBEDRIJF:       All in all out benadering Bedding: mest inhoud NH3 ↑ Stof formatie dr meel en keratine Vliegen domestica & canicularis Mijt wnn ↑T onder voederbakken. maar komt eerder voor bij hobbykippen Voetproblemen dr batterijen .

KI: 1 beer vr 200 zeugen JONGE ZEUG = GELT .bronst = 2-3 dagen . VARKENS  FLUSH = bevruchting  2. Ectoparasieten) ZEUGENSTAL GESLACHTSRIJP: BEER . luizen. ongelukken .Vooral de zwakkere die ↓ eten hebben bekomen .drachtduur = 3m 3w 3d II.1 beer wordt gebruikt vr 20 zeugen .volwassen: 5-8mnd . betere productie = economisch voordeliger I.    OPFOK VARKENSBEDRIJF:   KRAAMSTAL BIGGENSTAL 16-18 C  30 C voor biggen – kan  1 week na spenen komen ze hier terecht vervelend zijn voor zeug 2. ↓ productie LW en BN = ↓vlees.07 worpen per jaar  Ss 4 wk en FLUSH = verlies dagen zeug (max 12 dagen)  Biggen na 4 weken = spenen komen in nursery = biggen batterij  Vanaf 10 weken wnn ≠ gesloten bedrijf = verkoop RASSEN:   BL & P = ↑ vlees.weer in bronst na 6-7 dagen spenen .cyclus van 21 dagen .desinfectie (wormen.Volwassen: 5mnd – 8 mnd .2.5 Kg voedsel/dag  Met ongeveer 20 anders teveel  Is in compartimenten vechtpartijen.Dr infecties. Huisvesting - MESTVARKENS BEDRIJF 150 varkens/ compartiment 10-12 varkens / hokstal . oorbijten.Wassen .  20% is gestorven: Stricte hygiëne bij binnenkomst: . staartbijten  10 L water/ dag – wordt nogal wat opgedeeld (max 6) necrose gesmost dus uitkijken met drijfmest  Werkt volgens AIAO  20-22 C systeem 1 tot 2 weken voordat de zeug moet werpen gaat ze naar  Wnn biggen naar biggenstal: de kraamstal.

5) en deel mest (0.- 0.2) Stof dr meelvoeder: < 10mg/m3 Management Problemen AH problemen E coli  GI problemen Cannibalisme. trauma AIAO systeem (wnn open of half open bedrijf) continu 3. vecht.7 m2 / varken waarvan deel rust (0. RUNDEREN .

  Abortus: ook kans op neospora = protozoa die systematisch abortus geeft o Hond = de laatste gastheer. Voetbad 3. Kalverboxen 2. daarom niet handig om een hond op de boerderij te hebben lopen – kan bv nageboorte opeten = besmetting Ziekte problemen mestvee: o bv dikbil: katrienen wiel = rond = zoonose o dikbil: schurft  vooral tijdens stalstand = dicht op mekaar waardoor overdracht mijt via direct contact POOT & KLAUWLETSEL: INFECTIEUS: + anaerobe bij tussenteenflegmoon NIET INFECTIEUS: In welke omstandigheden kan formol gebruikt worden: 1. laarzen .

7m2  Bucks: 0. vooral jonge dieren die hebben nog ≠ immuniteit o Voetbad trauma dr draadboden   . dan te warm: 10-25 C // wnn te warm = kans op reproductiestoornissen o Ventilatie!  NH3 en gevoelig aan tocht  NH3  mucosa ontsteking  pasteurellosis = longontsteking (SNIFLES) o 15 konijnen/m2 o 16 uur licht cyclus o Individuele huisvesting voor:  Broedende voedster: 0.6 Kg) New Zealand: VOORDEEL: geod bevleesd. vroeg rijp NADEEL: ↓ bevleesd als californian  wordt ook veel als labodier gebruikt     VACHT: KONIJNENBEDRIJF:  HUISVESTING: o Liever koud. ↑ reproductie. goede moeder. KONIJNEN VLEES:    Volwassen: ♂ 18-20wk // ♀ 16 wk Drachtduur: 1mnd Pups: 8-10  uitval wrd 6 o Na 1 wk al verdubbeling van gewicht o Na 2 wk weg uit nest Spenen: 6 wk Productie leven: ♀ 18mnd/ ♂3-4j Productie target = 45-50 Market age = 10-12wk (2.5 VOEDSEL: o Voedsters & groeiers = 100 gr/dag o Drachtig: 160 gr/ dag o Lactatie = 350 gr/dag ZIEKTES: o Pasteurellosis o Coccidiosis net als bij kippen  diarree o Fungi wrd haaruitval kop. rode plekken = zoonose o Myxomatosis met vlieg als mechanische vector = virale infectie  oedeem  na 1 wk dood o RCD = dood binnen 48 uur.4.

maar deze zijn gekend SPF = je kent populatie bacteriën niet.LABDIEREN:  95% knaagdieren o Rat 30% o Hamster 2%  specifiek vr bepaalde infecties o Muis 60% o Cavia 2%  schimmelmodellen. maar weet wel dat ze vr bepaalde kiemen/pathogenen vrij zijn   PREVENTIE LABARATORIA       Schone dierbronnen Quarantaine en testen Onderzoek naar klinische ziektes Controle periodische kolonies Besmetting beperken Microbiële barriere behoud . toxiciteit Hond en konijn 5%  Genetische terminologie:  Outbred = wild type Gnotobiotische terminologie:  Axenisch = via keizersnede ter wereld en vervolgens in quarantaine. moeilijk om ze te laten leven Gnotobiotisch = beetje kiemen.

o Immuniteit o Infectiedruk Voor WO I: stal = schutting  Na WOII (pluimvee – Su. hokken zijn slecht gekuist. Je laat T ↑ dan zal RH ↓ want de lucht kan meer vocht opnemen MAAR AV BLIJFT GELIJK o Drogend vermogen: het vermogen van de lucht om vocht op te nemen  Bv.Ru): huisvesting = productiefactor o Door streven naar selectie en specialisatie o Belang van de huisvesting in de bedrijfsvoering  4 aspecten van belang = 4 E’s: Ergonomisch  werkefficiëntie.  BV: wnn RH = 75%.  open front stal wrd veel bronstgedrag verse lucht. maar ook  Stress bescherming tegen wind   Koeien liggen graag. Zomer droogt je was snellen omdat er een grotere buffer is vr vocht opname (RH = 45%) tov de winter waar RH=75% . dieren liggen ≠ droog  grotere kans op multifactoriele aandoeningen zoals: o Mastitis o Metabole problemen o AH problemen  = ↓ productiefactor = ≠ rendabel en niet goed voor dierenwelzijn  Rol van de dierenarts: o De bovenstaande 4 factoren dient een dierenarts te allen tijde mee te nemen in zijn interpretatie/diagnose/behandeling o BV: boer heeft veel last van E Coli. bv aanschaf van dure ventilatie = ook onderhoudkosten productieresultaten Emissies  Ethogram. terwijl super mooie stal laten aanbouwen. maar hij heeft geen geld voor de onderhoudskosten wrd infectiedruk ↑ VOCHTIGE LUCHT   Absolute vochtigheid = massa waterdamp uitgedrukt per massa droge lucht Relatieve vochtigheid = dampspanning/verzadigingsdampspanning bij die temperatuur o De hoeveelheid waterdamp die de lucht kan bevatten = beperkt o Verzadigde lucht bevat maximale hoeveelheid waterdamp = evenredig met T  Wnn je lucht afkoelt (↓T) bereik je verzadiging = dauwpunt = T waarop condensatie begint. gezondheid Ruimtelijke inplanting  Groei en ontwikkeling  Vb Hooibeekhoeve heeft  Voortplanting.HUISVESTING DEEL 1: KLIMAATBEHEERSING HOOFDSTUK 1: EIGENSCHAPPEN VAN STALLUCHT EN WAND INLEIDING:  Het dier en zijn gezondheid staat centraal en essentieel hiervoor is huisvesting. = tocht natuurlijk gedrag  VB dikbil kalfjes zitten vaak opgehokt onder slechte omstandigheden. bv slijtage van je rug werkkwaliteit gezond stalklimaat    Ecologisch Ethologisch  Economisch   Investeringskosten Uitbatingskosten. slechte ventilatie.

d. stabiliteit en warmtecapaciteit v/e materiaal Warmtestroom dr een wand = f: o Warmte geleidingscoëfficiënt = conductie = λ – waarde = W/m. bv bij dubbele beglazing  Water = 25 x hoger! Isolatie van muren.   Door meer dieren in een ruimte te plaatsen krijg je een ↑ AH en ↑RH = drogend vermogen o Condensatiekans: ? Soortelijk gewicht: o Koude lucht = zwaarder dan warme lucht o Vochtige lucht = lichter dan droge lucht Enthalpie van vochtige lucht = energie inhoud o Totale energie = sensiebele warmte (de warmte die je voelt .K met v = luchtsnelheid  er is een αi en een αe o warmte overgangsweerstand = 1/α = R  Ri en Re  R = gelijk aan de dikte v/e materiaal   . mogen dus NIET nat worden o Koude brug = plaats wr grote warmte doorstroom dr ≠ isolatie  schimmelvorming Compromis ss isoleren (met veel lucht) en stevigheid.023 W/m. daken e.W/m2. dan zal wnn lucht tegen wand condensatie ontstaan= vocht = slechte leefomstandigheden  DE STALWANDEN:  De warmtestroom die door een wand loopt = f(materiaal) o Het materiaal heeft een λ-waarde = warmtegeleidingscoefficient = W/m.K per seconde en per m2  Stilstaande lucht heeft λ-waarde van 0.K per seconde per m2 o Warmte overgangscoëfficiënt = de overgang van gas naar muur is vaste fase = convectie en radiatie  α = v.K = slechte geleiding oftewel goede isolator. maar de wand = 15 C.thermometer) + latente warmte  Latente warmte = de energie die wordt opgenomen bij de omzetting van vloeibaar water naar waterdamp Diagram van Mollier = samenvattende diagram o ISENTHALPISCHE VERANDERINGEN:  Zomer varkensstal = warm  dr lucht drheen watergordijn = opname h20 dr lucht wrd:  Latente warmte ↑  RH↑ maar niet echt risico omdat T ↑  Sensiebele warmte varkens ↓ o Hoe gaan we wnn nodig vocht afvoeren:  Urine verwijderen  Ventilatie  Droge lucht binnenbrengen  want stel RH = 90% bij T =25.

conductie en radiatie) + latente warmte (evaporatie)  verhouding = f: Stel: te lage stalT? Hoe?  omgevingsT  RH ↑ ventilatie o Warmteproductie verwarmingstoestel ↓ dieren o Gemiddelde U waarden van de wanden slechte stalwanden – isolatie  2/3 warmte verlies wanden is via dak want warmte opp wanden ↑ stijgt T gradient te hoog o Oppervlakte van de wanden lucht te vochtig o ∆T o Soortelijke warmte vochtige lucht o Ventilatiedebiet  2/3 warmteverlies via ventilatie .K     Vb: enkel glas U = 5.1 Totale U van een lokaal = Gemiddelde v/e U waarden met Als belangrijkste het DAK Q = U x ∆T Zie tekening: 1/Ri (Ti – T1) = lucht van binnen naar muur omzetting λ/d (T1-T2) = verplaatsing in de muur 1/Re (T2 – Te) = van muur naar buiten DE ENERGIEBALANS  TW: Warmteproductie moet gelijk zijn aan warmteverlies en wordt bepaald dr: o Warmteproductie dieren  Sensiebele warmte (convectie.8 dubbel glas = U = 2. TW: Warmtestroom door een volledige wand = Q wrv nodig: o λ o De dikte van de wand o Ri en Re o Temperatuurverschillen  Al deze factoren worden samengevat in de term U = warmtedoorgangscoefficient van een wand = U = 1/(Ri + d/λ + Re) in W/m2 .6 superisolerend glas = U = 1.

zaagsel wnn DROOG Operatietafel: verdoofde hond verliest conductie kans op hypothermie = mate waarmee warmte door een materiaal opgenomen wordt bij een ∆ T Bepaald dr: o Warmtegeleidingscoefficient o Soortelijke warmte o Soortelijk gewicht Een materiaal dat warm aanvoelt heeft lage b waarde = warmte indringingsgetal = ↓ geleiding = hoog thermisch comfort: o Beton o Ligmat o Stro   warmteverlies = dus te beperken dr isolatie van de vloer of verwarming CONVECTIE     Warmte overdracht via bewegende lucht of H20: huid waar warme luchtlaag stijgt en vervangen dr koude Vrije convectie – tegengehouden dr vacht/veren Geïnduceerde convectie – bv wind effect f: Tgradient & windsnelheid Groot belang van TOCHT= verhoogde luchtsnelheid samen met een plotselinge afkoeling RADIATIE   Electromagnetische straling Deel van de straling wordt geabsorbeerd.HOOFDSTUK 2: DIERGEBONDEN EIGENSCHAPPEN VAN ENERGIEBALANSEN CONDUCTIE         = warmte geleiding Warmte overdracht via rechtstreeks contact ↑T ↑ kinetische energie  botsen deeltjes Goede en slechte geleiders Isolerend = stro. deel gereflecteerd EVAPORATIE   Electromagnetische straling Deel van de straling wordt geabsorbeerd. deel gereflecteerd HOMOIOTHERM GEDRAG – samenvatting fysio C zoeken .

andere behoeften neonaten o Praktisch? Bv koe zou dan -10 C zijn // varkens wnn te warm of te koud = goed zichtbaar dr:  ↑ bevuilde vloer mest  Staartbijten.2 m/s Groepsgrootte/ bezetting Type vloer Luchtvochtigheid – hoe vochtiger. oorbijten↑ TNZ verschuift afhankelijk van: Diergebonden factoren Voederopname Productieniveau  Leeftijd  Fysiologische toestand     Huisvestingsfactoren Luchtsnelheid = 0.HOOFDSTUK 3 KLIMAATPARAMETERS TEMPERATUUR:  De optimale T ligt in de TNZ en is een compromis ss: o Dierenwelzijn o Gezondheid o Ergonomie o economie Voor optimale energiebeschikking van uw dieren vr productie = T net boven de OKT waar maximale voederopname (zie tekening) .slechte ventilatie -plots afkoelen -trek/tocht    Infectiedruk↑ Vochtige stalwanden/vloeren dr condensatie Slechtere isolerende eigenschappen bouwmateriaal    Uitdrogen slijmvliezen Cilienstase in de AH wegen Meer stof – drager ziektekiemen DE LUCHTSNELHEID   Mag maximaal 0. MAAR: o Risico om bij T schommeling eronder te komen o Gezondheid dier en mens. hoe kouder      ZIE SLIDE 19 als voorbeeld RELATIEVE VOCHTIGHEID ↓ RH = < 60% ↑RH = >80% dr .2 m/s zijn in TNZ Kan sterk schommelen wrdr: o ∆ Warmteovergangscoefficient o ∆ Verdampingscoefficient TOCHT = plotse toename windsnelheid met tijdelijk overmatig warmteverlies wrvoor het dier niet tijdig kan compenseren via thermoregulatie  .

o o Erger bij bezwete dieren Erger bij koude luchtstroom DE GASSENCONCENTRATIE zie hygiëne deel LICHT zie hygiëne deel STOF zie hygiëne deel .

HOOFDSTUK 4 VENTILATIE VAN DE STAL VENTILATIENIVEAU  Kan berekend worden: o Tbalans/warmtebalans o Vochtbalans/gassenbalans  uitkomsten van beide zijn vaak verschillend – andere ventilatie mate qua warmte en gas balans bv ZIE FIGUUR SLIDE 25 wnn buiten T = koud dan zal de ventilatie om warmtebalans te behouden ↓ liggen dan de ventilatie voor vochtbalans (afvoer gassen)wrd:   Wnn ventilatie vochtbalans = afkoelen stal Wnn ventilatie warmtebalans = ↑ vochtigheid en ongezond stalklimaat dr gasopstapeling  Opl: tot aan de stookgrens wordt er geventileerd volgens vochtbalans en eventueel verwarmd vr warmtebalans  NA stookgrens wordt er geventileerd volgens warmtebalans o Wel overventilatie vochtbalans – uitkijken voor te droge lucht  Als buiten T de gewenste stal T bereikt dan moet de ventilatie oneindig toenemen – kan niet dus tot ventilatie max = max vermogen van de ventilator MINIMUMVENTILATIE  = bepaald dr vochtbalans van gassen zoals CO2 en NH3 (Qv)min = Qm / (mmi – mmo ) of (Qv)min = Qk / (mki – mko) Hoe groter het verschil in vochtigheid of [CO2] ss binnen – en buitenlucht. hoe ↓ ventilatie Beiden zijn afhankelijk van dierbezetting  PAS OP: onder Tbuiten van 5C neemt de RH met dalende T af.4mg/m3 DE MAXIMUMVENTILATIE    = berekend op basis van warmtebalans Wanneer buitenT ≥dan gewenste stalT  onmogelijk om met de ventilatie stalklimaat af te koelen Berekenen van max ventilatie = moeilijk: . vanaf dan zal Qmin bepaald worden dr [CO2]balans o [CO2]ideaal = ss 2000 en 3000 ppm o [NH3]ideaal = 10-20 ppm o Stof < 2.

25 = 21 cm Maar ook uitlaadopening dus: 21x2 = 42cm VENTILATIESYSTEMEN  Ventilatie = verplaatsing van lucht dit kan: 1. TREK  Inkomende lucht = koud en droog  zwaarder  Uitgaande lucht = warm en vochtig  lichter   ∆T = belangrijkste factor in verschil soortelijk gewicht   hoogteverschil ss in – en uitlaat = Drukverschil P – over.en onderdruk  Vr voorbeeld ZIE SLIDE 32 en 33: lucht op zelfde hoogte ex en intern = zelfde P. Intern: boven P = P↓ dr atm druk en Ti> Te DUS overdruk binnen  SCHOUW = luchtstroom van buiten nr binnen  ↑ ∆T ss i en e  ↑ ∆P  ↑ trek  ∆H = hoogteverschil ss in en uitlaat = trekhoogte  Oppervlakte van in en uitlaat  Windinvloed  PAS OP:  Grootste behoefte ventilatie = zomer = ∆T↓ =↓trek  In rundveestal is ∆ T altijd klein 2.25m2 luchtopening Meestal over lengte stal = 30/6. Mechanische ventilatie = vereist energie NATUURLIJKE VENTILATIE: 1. Natuurlijke wijze = trek of wind 2. Intern: lager dan P = ↑ P dr atm P en Ti>Te DUS lucht intern = lichter dan lucht extern wrd onderdruk binnen. 30m lang// 50 dieren van 600 Kg        Maximale ventilatienood: 0.75 m3/uur Kg = 22500m3/uur verse lucht 1 m/s = 3600 m/uur Oppervlakte nodig = 22500m3/uur / 3600m/uur = 6. WIND  Sterk variabele factor wrd berekening = 100% theoretisch  .75m3/uur/Kg nood aan verse O2 Hoe snel komt lucht binnen? 1 m/s van buiten nr binnen (=natuurlijke ventilatie) Ventilatiebehoefte = 30000 Kg x 0.o o o o Je moet de T toename in de stal beperken Hangt af van de zomer T tolerantie – welke Tveranderingen accepteren we? Dierbezetting Hangt af van het ventilatie – inlaatsysteem TW: Hoeveel inlaadopening voor voldoende luchtvoorziening? 20m breed.

INLAAT – en UITLAATOPENINGEN  Zijwandopening = f(wind) een in – en/of uitlaat  Opening thv de nok = meestal uitlaat via trek. stal oriëntatie zie tekening  Breedte van de stal < 25 m anders slechte ventilatiestroom  Obstakels rond stal = verlies windpatroon 3. Andere belangrijke factoren bij natuurlijke ventilatie:  vorm van de stal = oppassen met dode zones (melkput. ↑ warmte ontsnapt  Trekschouwen = meestal uitlaat  Zo hoog mogelijk  Opening moet hoger liggen dan nok  = stal in onderdruk  Wind kan zuigeffect veroorzaken  Voorzie 0.5-1m2 uitlaatopp/100m2 stalopp 5. zolder)  stalvolume  wnn te klein volume per dier = gevaar vr grote T schommelingen. Windrichting = bepaalt ventilatiestroom = enkel loodrechte wind op stal = uniforme ventilatie . tocht // te groot = moeilijk T op peil houden  Open front stal = 1 open zijde richtin NO of ZO en lang dak uitstekend  Problemen:  Te weinig doorstroom van verse lucht  Groot risico op tocht  Slechte staloriëntatie – obstakels  Tocht thv inlaat MECHANISCHE VENTILATIE:  Onderdruk ventilatie = meest gebruikt = lucht nr buiten blazen  Overdrukventilatie minder want: o Vereist luchtkanalen o = duur o Wel minder geluidsoverlast!  Ventilatordebiet = f(tegendruk) o Ventilatorkenmerken = vermogen en diameter o Stalkenmerken = hindernissen luchtstroom = tegendruk  . TREK & WIND  Knn elkaar versterken of tegenwerken  Wind overheerst meestal –trek reserve 4.

zakt sneller o Plaats dieren tov inlaat NIET –ISOTHERME LUCHTSTRALEN  Meestal het geval  Krachten van belang: o Kinetische energie bewegende lucht o Potentiele energie bewegende lucht = zwaartekracht  door ∆T wrd ∆ρ  verhouding beide = getal van Archimedes = Ep/Ek en geeft aan waar de luchtstroom zal neervallen  koude lucht = ↑ Ep = snel vallen  opl: o klep meer dicht o verwarmingselement thv klep o zijgangen wr lucht eerst verwarmd wordt  warme lucht = ↓ Ep en ↑ Ek = klep open         ISOTHERME LUCHTSTRALEN Hebben zelfde T als de T van de lucht waarin ze dringen = horizontale stroom bepaald dr kinetische E Snelheid neemt af gradueel Vrije straal tov halve straal Werplengte: afstand van luchtstraal tot wr meetbare snelheid optreedt Coanda effect: lucht wordt aangezogen dr plafond  Gehinderde luchtstromen dr: o Gordingen o Strozolders o Structuren op het plafond gemonteerd o luchtfilters HET VENTILATIEPATROON   = het geheel van luchtbewegingen in de stal ss in.en uitlaat Bepaald dr: .HOOFDSTUK 5: LUCHTVERDELING IN DE STAL LUCHTVERDELING BIJ DE UITLATEN    Luchtverdeling is uniform = halve bol (zie tekening slide 43) Luchtsnelheid neemt af met het kwadraat van de afstand v/e uitlaat Geen tochtrisico omdat: o Warme lucht o Luchtsnelheid ↓ zeer snel LUCHTVERDELING BIJ DE INLATEN  Luchtverdeling = f: o Vastliggende factoren als afmeting. klimaateisen) DOEL: verse lucht bij de diertjes brengen op een gelijkvormige manier zonder tochtrisico CONCREET: luchtverdeling aan de inlaat wordt bepaald dr: o Luchtsnelheid inkomende lucht: hoe sneller hoe verder o Richting inkomende lucht (kun je met klep regelen) o ∆Ti/e  koude lucht is zwaarder. vorm en plaats o Variabele factoren zoals de inlaatkleppen o Weersafhankelijke factoren (T en wind) o Dierfactoren (warmte productie.

8m  Afdelingsdiepte niet > 16m  Tochtrisico in achterste hokken  Combineerbaar met laterale gang met voorverwarming lucht 4. DEURVENTILATIE o = mechanisch o Vnl op kraamafdeling SU bedrijf o Onderaan de deur zit een gat en hoog in het dak een ventilator (onderdruk). PLAFONDVENTILATIE o = mechanisch o Lucht drheen luchtdoorlatend plafond (tekening) o = verticale of schuin gerichte luchtstroom o = competitie ss opwaartse stroom (dierwarmte) en inkomende neerwaartse stroom = ontstaan luchtkringen = uniforme luchtverdeling met klein risico op tocht o Mogelijke nadelen: o .en uitlaat Algemene norm: opp luchtinlaat 2cm2 per m3/h ventilatiedebiet Ventilatie methodes: 1.  Kenmerken inlaat  Inlaat = luchtverdeling en snelheid o Kenmerken uitlaat  Ventilatiedebiet – vermogen en grootte o Grootte van de stal o Plaats van de in. VENTIELVENTILATIE o = mechanisch o opening van de kleppen wordt gestuurd dr gegenereerde onderdruk 3. koude lucht blijft op de bodem (te zwaar om dr ventilator opgenomen te worden)  lucht verplaatst zich nr achter en warmt op  stroomt over de boxen en uiteindelijk nr ventilator o Opletten:  Putventilatie  Dienstgang moet voldoende breed zijn en opstaande wanden <0. KLEPVENTILATIE o = natuurlijk & mechanisch o Klepbreedte bepaalt ventilatieniveau:  Kleine klepbreedte = lange werplengte = max inmenging lucht met warme lucht = ↓ kans luchtval MAAR: opletten dat aan ventilatienood voldaan wordt o TW: PAS OP:  Tocht vermijden dr:  Indirecte luchtinlaat (laterale gang)  Voorverwarmen inkomende lucht  Naverwarmen inkomende lucht (klep)  Klepopening aanpassen aan:  Wind  ∆T  Max ventilatiebehoefte  Vermijd putventilatie  NH3 in luchtstroom (dr muurtjes in de mestput) 2.

KANAALVENTILATIE o Bovenliggend luchtkanaal  best boven dienstingang.      Instabiele luchtstroming Soms stress bij de dieren Indien ≠ inlaatklep  invloed wind Verstoppen van de inlaatopening Condensvorming plafond DUS goede isolatie plafond Rest stal moet lekdicht zijn 5. CENTRALE AFZUIGING o Lucht uit de # luchtafdelingen komt in luchtkokers (afzuiging) en via 100% afgesloten systeem afgevoerd o Voordeel: o ↓ Electriciteitsverbruik o Slechts 1 centrale ventilator nodig aan uitlaat o Weggezogen lucht kan gezuiverd worden . FRISSE NEUZENSYSTEEM o Lucht drheen buit tot op niveau kop zeug 6. met openingen o Onderliggend luchtkanaal  gangventilatie = luchtkanaal onder de dienstgang met geperforeerd oppp o Ventilator moet zo hoog mogelijk en zo ver mogelijk van inlaat o Zorgt vr stabiel en uniform ventilatiepatroon o ≠ gevaar vr tocht o Combineerbaar met warmtewisselaar vr afkoelen 7.

o Stalkarakteristieken = de stalT als gevolg van bepaald ventilatieniveau = f:  buitenT  aantal dieren = warmte productie  stalkenmerken = isolatie. 10 cm breed met spatie van 2 cm  vnl runderen = luchtinlaat reductie met factor 6  schuine wind beter dan breeknet  Windbreeknet  = geweven kunstof doek  Opgerold  Vlug vuil dr stof PLAFONDVENTILATIE o TW: VRAAG NOG OPLOSSEN   ACTIEVE REGELING  PROPORTIONELE REGELING = wnn verband ss ventilatieniveau en staltemperatuur lineair is. grootte e. wind.HOOFDSTUK 6 KLIMAATREGELING ALGEMEEN  Stalklimaat = resultante van: o Verwarming = warmte aanvoer o Ventilatie = warmte afvoer Dit evenwicht wordt beïnvloed dr: o Weersinvloeden – T.d. soort   De regeling van verwarming en ventilatie = 24/24h activiteit die continu aangepast dient te worden: o o o o Rol automatisatie Vakkennis = observatie en gepast ingrijpen veehouder Belang goede isolatie en impact weer ↓ Passieve en actieve regelsystemen beschikbaar: PASSIEVE REGELING  WINDSCHERMEN o Zorgen voor afbuigen vd wind om een directe luchtstroom op de dieren in de stal te vermijden:  Dwarskap  Afstaande gevelvoorzet  Berm naast de stal WINDBREKERS o = vertraging van inkomende lucht wrd tocht vermeden:  Space boarding  zijn 2 cm dikke houten planken. RH o Dieren – bezetting. .

o regelkarakteristieken = ventilatieniveau dat nodig is bij een bepaalde stalT  Bij samenleggen beide karakteristieken = 1 punt voor 1 bepaalde buitenT waarbij de stalT en ventilatiedebiet bepaalt knn worden.  Het verschil ss de reële stalT en gewenste stalT = off –set vd proportionele regeling  STAPPENREGELAAR = de regeling = discontinu NOG 2 BLZ DOEN .

HUISVESTING DEEL II H1: SITUERING VAN DE STAL  DE WET o BOUWWETGEVING: De bouw van een stal vereist een bouwvergunning:  Het plan moet dr architect getekend worden  Aanvraag moet aan vormelijke vereisten voldoen  Wettelijk vastgelegde termijnen: gemeente moet binnen 90 dg beslissen en vervolgens bekendmaking van 30 dg waarin buurt kan reaggeren  Bouwvergunning is sterk gelinkt aan milieuvergunning  Plaatsvereiste staat vastgelegd in Gewestplan (ruimtelijk gewestplant) = elke m2 heeft een bestemming gekregen:  Woonuitbreidingsgebieden  Industriele gebieden  Woongebied  Bosgebied etc…  Advies gemeente o MILIEUWETGEVING:  VLAREM 1: algemene principes  VLAREM 2: bijzondere voorwaarden per sector bv landbouw  Bij het toekennen van milieuvergunning houdt men rekening met o.en afvoer naar en van het bedrijf o Mestdecreet. grondgebondenheid (NER) o Epidemiologische overwegingen (densiteit omgeving) o Polyvalentie en felxibiliteit. diersoort. doel bedrijf. mestproductie (NER = nutriënten emissie rechten)  Gesloten of open bedrijf  Inplanting gewestplan Technische kenmerken vd stal Eventueel MER: milieu effecten rapport waarin de gevolgen voor het milieu besproken worden alvorens vergunning EUROPESE RICHTLIJN:    ANDERE o Aan.:  # dieren.a. aanpasbaarheid o Duurzaamheid = hoe lang gaat stal mee? o Situering van de stal binnen bedrijf:  Windrichting  Transport  Inplanting tov woning = ergonomie  Ontsmettingsbad  Imago .

 NadeeL: Erijk lacterend rantsoen wrd te vet afkalven  metabole problematiek mogelijk achteraf Jonveestal: o Andere stal want zitten vol met E coli bacteriën en andere kiemen. ≠ te grote sociale rangorde. ligbox met mestrooster  . Ookal hebben volwassen koeien immuniteit –toch kans op ziek worden = GELD o Andere ventilatie eisen o Jongvee zelf wordt weer opgedeeld naar leeftijscategorie om competitie te voorkomen.  Kalverbox.bindstal – potstal – mestgang – dienstgang o 1 dierplaats = ligplaats + mestplaats + voederplaats  Stallenbouw moet afgestemd zijn op productiecyclus  optimale arbeidsorganisatie OPBOUW MELKVEEBEDRIJF zie slide 11  Melkkoeiencompartiment: o Producerende dieren o Droogstaande koeien o Vaarzen enkele weken voor partus  Om zich al aan te passen aan lactatie dieet + ↓ stress dan wnn na 1ste kalving plots in nieuwe stal.H2: DE DELEN VAN DE STAL: BEGRIPPEN   VARKENSHOUDERIJ: o Stal – afdeling – compartiment – hok – box RUNDVEEHOUDERIJ: o Melkhuisje (compressor/melktank) – melkput – ligbox – loopstal.

drinken en mest maken  Hangt samen met beschikbare ruimte en vloerkwaliteit  Beinvloed dr type scheidingswand  Beinvloed dr wijze van voeren: ad libitum (je hoeft ≠ rekening te houden met lengte voederbak/ competitie) of rantsoen (zorgen dat er voldoende ruimte is zodat allen tegelijk knn eten)  Psychologische en sociologische behoeften Richtwaarden vr groepen dieren o ZIE ADDENDUM GRONDIG DOORNEMEN o Opgesteld op basis van Europese richtlijnen o VARKEN:  Opp = 30-45% van lichaamsopp (=0. liggen.5m2 per dier  Groepshuisvesting drachtige geiten en zeugen  tot 2. strooisel) o Max 9 dieren per m2 en 1 legnest per 7 dieren  Traditionele batterijkooi verboden vanaf 2012  Vleeskippen:  Richtlijnen voor bedrijven met > 5000 dieren: o 33 Kg kip/m2  uitzondering voor bedrijven met ↓ sterftecijfer en superieure ventilatie = 42Kg kip/m2 o KALVEREN:  = rund < 6mnd bestemd voor fokkerij of mesterij  52% lichaamsopp als ruimte  Mogen niet aangebonden worden  Dieren < 2 wk moeten strooisel hebben  VLEESVEE = 1m2 per 100 Kg levend gewicht  Afmeting vh hok:  .  Aangepaste kooien met verrijking (zitstok. eten.H3: INDIVIDUELE EN GROEPSHUISVESTING RUIMTELIJKE BEHOEFTEN EN AFMETINGEN  Determinerende factoren o Een gehuisvest dier mag geen onnatuurlijk gedrag vertonen  stereotypieën (rondjes lopen.67)  Opp vergroot per dier naarmate groepsgrootte kleiner wordt – meestal 10-20 per hok  Opfokzeugen: 1-1. lucht zuigen. likken.09xLG0. welk natuurlijk soort gedrag? = complex o Huisvesting MOET voldoen aan comforteisen = staan.25 m2 o KIPPEN  Zie PDF:  Legkippen:  Aandacht voor alternatieve huisvesting (voliere systeem. staart bijten. grond systeem)  opp = eigenlijk nog steeds beschamend klein.. kappen) o Moet een dier natuurlijk gedrag knn vertonen?!?  Welk dier. legnest.

maar = duur en slijtage ↑ o o .56*H of 0.90 *H  Schoftboom laat regeling toe  Knieboom verhindert het te ver naar voren liggen o Moet afgerond zijn en niet te hoog  Hoogteverschil mestgang en ligruimte = 15-20cm  Ligbedhelling 2% zodat vocht weg kan lopen  Wnn niet juist  technopathieen = letsel tgv fouten in stalinrichting: o Schoftbulten o Carpusbulten o Pootletsel o Oorbijten en staartbijten o STALVLOER  Mestgang zonder rooster  Voordeel kunt zand op ligbedden strooien  Nadeel: iedere dag wegvegen kak  Roosters  Veel klauwproblemen  oplossing matten.92*L + 0.2m) o 0.83-0. staart in mest  Ligboxlengte totaal = 2.15 o Overschot  Breedte ligbed (1.32*H o Ligbedlengte  0. Meestal rechthoekig 1zijde word bepaald dr de nodige vreetlengte en wnn geratsoeneerd dan moeten alle dieren simultaan knn eten o L*B 1:1 tot 2:3 max Richtwaarden vr individuele dieren o INDIVIDUELE HOKKEN  Minimale lengte > lengte vh dier  Niet te lang of te kort om bevuiling te vermijden  Optimale stalbenutting en ergonomie  VB:  Beer = min 6 m2  Stier = min 16m2 (1m2 per 60Kg)  Kalf = eenlingenbox tot max leeftijd van 8wk met o L = 40cm langer dan lengte kalf o B = kalf moet zich knn draaien o INDIVIDUELE LIGPLAATSEN  Ruimte groot genoeg vr 1 dier dat het vrijwillig kan verlaten of innemen  Moet zich niet knn omdraaien  BV ligbed melkveestal: wnn te lang = bevuiling// wnn te kort = uier.5m o Kopruimte: 40-50cm  0.

reform Leeftijd reform = 730 + (365 *[4-1]) + 300 = 2150 dagen Totaal aantal dieren bedrijf = 100 *(2150/[4-1] * 365) = 194 dieren  100 koeien  Het aantal aan te houden kalveren is f:  Leeftijd 1ste dekking = 456 dagen o TKT  Drachtduur = 274 dagen o Reforme leeftijd  Interval kalving – dekking = 91 o Leeftijd 1ste kalving dagen  Vervangingspercentage van 25-50% indien >50% = verplicht dieren  Periode laatste kalving  aankopen = slecht melkveebedrijg reform = 300 dagen  Kijken naar 2 zaken:  Gem aantal kalvingen per koe = 4  Arbeidsorganisatorisch  Afkalfperiode: dec –maart 80% // rest 10% o AIAO systeem bv pluimvee  1. . 2. 2.33  Leeftij bij reform = leeftijd 1ste Totaal = 100 koeien x 0.33 = 33 koeien kalving + (TKT * [gem #  Wat is het totaal aantal dieren op het bedrijf? ste kalvingen per koe – 1] )+periode Leeftijd 1 kalving = 456 + 274 = 730 dagen laatste kalving . 3. 1. dan zie je pas goed hoe een koe ligt als die ontspannen is Groepsindeling volgens leeftijd o Andere behoeftes volgens leeftijd en groepsindeling omdat:  Gewicht-grootte  Sociale aspecten: competitie  Leeftijd 1ste partus liefst 24 mnd en bronstcontrole vanaf 14-15mnd beste aparte groepen   HET AANTAL DIERPLAATSEN: Teelttechnisch  De aanvoer moet gelijk zijn aan de afvoer oftwel de productiecapaciteit afd 1 is gelijk aan de productiecapaciteit afdeling 2  zo niet over of onderbezetting  Productiecapaciteit = aantal maal dat een dierplaats gebruikt kan worden in een jaar * aantal ind dierplaatsen in de afdeling  De gebruiksduur van 1 dierplaats = F:  Verblijfsduur van dier  Periode voor reiniging  Sanitaire leegstand  En voorbereidingstijd komst nieuwe dieren Gegevens: o TW: 100 productieve koeien (melkveebedrijf)  Formule aantal te vervangen  hoeveel van de geboren kalfjes moet aangehouden worden? koeien per jaar = TKT = drachtduur + interval = 274 + 91 = 365 dagen 365/(#kalvingen per koe – 1) * Relatief aantal kalfjes dat aangehouden moet worden per jaar = 365 / (4TKT 1)*365 = 0. 3. Bronstduur ↓ 10-12 uur dr gladde vloer Koe steunt vnl mediaal voor en achter op zijn laterale klauwen  hier ook eerder pathologie  Weide = ↑ bronstduur en duidelijker.

of mestvloer Ruw of glad Reinigbaar Stabiliteit en klimaattechnische eigenschappen (isolatie/verwarming) Roostervloed = beton of kunstof o Mileu (NH3) o Dierenwelzijn (ruw beter. condens VLOER      F: doel  lig. licht. loopgemak.o o Su bedrijf  4 weken systeem Voorbeeld zie slide 32 WANDEN MUREN      Dragende – en niet dragende muren Stabiliteitsvereisten  sterk zijn Open (enkel scheiding dieren) of dichte muur (infectiedruk ↓) Chemische aspecten  makkelijk gereinigd knn worden = gladde muur Klimaattechnische aspecten: lucht. bevuiling) o Dierbezetting  mest moet drheen roosters getrapt worden o Vorm spleten o Relatieve doorlaatopp = EU vastgelegd per diersoort o Slechte roostervloer = technopathieen en ↓bronst duur DAK:   Waterdicht Isolatie  probleem schimmelvorming en ongedierte . warmte isolatie.loop.

HOOFDSTUK 4: HET VOEDEREN VOEDERWIJZE  F: voederbehoefte: o Ad libitum o Maaltijd voedering o Gerantsoeneerd o Individueel Mechanische rantsoeneringssystemen (su bedrijf): alle dieren simultaan eten o Voldoende voederlengte o Vulfase buizen wrd gelijktijdig verdeelfase  VOEDERTYPES    Groenvoeder LV brijvoeder VOEDERKRIB EN HEKKEN      zie slide 38 voederplaats = min 1 m vreetlengte wnn simultaan eten = # dieren * 1meter stal met melkrobot = 50%↓ vreetplaatsen want allemaal op # momenten gemolken voedermengwagen = boer = kok = goed overizcht & ≠ sortering dr koeien VOEDERBAK EN VOEDERGOOT  VOEDERVERDEELSYSTEMEN VOEDEROPSLAG HET DRENKEN .

d. VOEDER: o Lacterende zeugen:  3x daags hoogwaardig lactatie voeder (Leroy zei 5x in de les) o Dek/dracht zeugen:  2 x daags dekvoeder + follikel stimulerend spul=dextrose + mineralen + vitaminen.  Uniformiteit en kwaliteit voeding zeer belangrijk want zeug mag niet te vet worden  problemen met werpen en lactatie o Kraamstal = individuele voedering o Biggen vanaf dag 20 spenen VENTILATIE o Drachtstal (12weken verblijf)  klepventilatie o Kraamstal (4 weken)  frisse neuzensysteem o Biggenbatterij (10 weken – 20Kg)  kanaalventilatie o Dekstal (4 wk)  klepventilatie DEKSTAL: o 2 x per dag beer + beregeur  bronstcontrole o Virbagest om de bronst van de zeugen te synchroniseren o Verblijf = 4 weken o Ventilatie = klepventilatie o Inseminatie op ma/di/wo  indeling nieuwe groepen f(dag inseminatie) DRACHTSTAL: o Verblijf = 12 weken o Ventilatie = klepventilatie KRAAMSTAL: o Vanaf 1 week voor werpen o Verblijf = 4 weken o Ventilatie = frisse neuzensysteem o Indien zeug te laat werpt  biggen afspuiten met prostaglandines o Biggen:  Extra lamp. sanitel nummer  Na 20 dagen  spenen  Vanaf 6 Kg naar biggenbatterij BIGGENBATTERIJ:      . ijzer injectie.VARKENSBEDRIJF       90% gesloten bedrijf Op dit bedrijf 940 zeugen. couperen staarten. kalk (vr wnn diarree)  Wnn na 24 uur magere biggen  extra melkpoeder  Eventueel herverdeling wnn ongelijke aantallen  4-5 dagen oud = castratie. in totaal met andere bedrijven 2500? Ras: toppix = hybride Iedere zeug gemiddeld 4 cycli Mestafzetting wordt op het bedrijf en bedrijf buren? zelf gerealiseerd  130 hectare voor nodig waar aardappelteelt e. Ab.

administratie o Week 4:  Reinigen kraamstal en andere en wissel van alle dieren . o Tot 10 weken = 20 Kg  weg v/e bedrijf o Ventilatie = vloerpadventilatie (kanaalventilatie) 4 WEKEN SYSTEEM: o Week 1:  Ma/di/wo inseminatie  Wo/do/vr werpen o Week 2:  Castratie biggen en andere bovengenoemde zaken o Week 3:  Week rust .

PESTCONTROLE ALGEMEEN SPECIFIEK welke ratten en knaagdieren? Transmissie van ziekten KNAAGDIER CONTROLE VLIEGENCONTROLE leptospirosis schoon sanitair EXOFIELE & ENDOFIELE VLIEGEN virale haemorrhagische koorts fysische controle barrieres ECONOMISCH VERLIES salmonella knaagdier bestendige constructies CONTROLE DR: rodentiosis vallen chemische neurotoxiden: pyrethrines. organofosfaten/carbama ten. traag NON ANTICOAGULANT = neuro en gastrotoxisch. snel . IGR niet chemische methoden: ethologisch. mechanisch exterminatie: ANTICOAGULANT = haemotoxisch. biologisch.

roetbiggen passieve immuniteit : placenta/ colostrum actieve immunitei t spenen slingerziek te biggen INFECTIED YNAMIEK: Hoe krijg je infectie? EXCRETIE PATHOGE NEN PROFYLACTIS CHE MAATREGELE N om ziekte en infectie te voorkomen TRANSMISSIE SPECIFIEK. klimaat. oocyst. verplicht & vrijwillige zaken HYGIENE & PREVENTIE ZIEKTEN PESTCONT ROLE STERILISATIE DESINFECTIE IATROGE NE RISKMA NAGEME NT stoomsteri lisatie droge lucht sterilisatie gas sterilisatie OVERLEVING PATHOGEEN is f: ALGEMEE N= standaard hygiene regels WEERSTAND TEGEN BIOCIDEN:prio nen>coccidia> bact sporen>myoba cteria> non envelop virus> fungi> bacteria> envelop virus DESINFECTANT IE/ ANTISEPTICA ALCOHOLE N HANDEN WASSEN KEUZE WELK DESINFEC TANT? Effect van verdunnin g= concentra tie exponent effect van pH ALDEHYDE N soort pathogee n: sporen.ALGMENE HYGIENE MILIEUD DIER BINNENKOMEN ZIEKTES & QUARANTAINE INFECTIE & ZIEKTE: ziekte f: virulentie. pathogenicitei t. MD koeien Geboorte: kolonisatie en interferentie. besmettelijkhe id & infectiedruk INFECTIEDRU K: risicofactoren Immunoto lerantie. niches radiatie sterilisatie CHLORINE filtratie JOOD effect van opp activiteit aanwezig heid interferer ende substantie s waterhard heid"? Microorg aanwezig welk? BIGUANIDEN QUAD's PHENOLE N H20 PEROXIDE N . prion etc zootechnische factoren (omgeving): overbezetting. parasiet.

ozon totaal # bacterien: 37. ammoniak brand kip KLIMAAT # soorten grond met # eigenschap pen materiaal HARDHEID schoonmaken &desinfectie prefiltratie: sedimentati e. glucose/lactose . kraan eerst ff laten lopen DENITRIFIC ATIE: ANAEROOB in steriel recipient (oven100C) parasieten: entamoeba . hardheid chemische purificatie. mestkip en varken: pulmonale en hart onderont REGENVAL Bronnen van ziekte: mineraal tekort. leptospira ANALYSE H20 BACTERIEN ? NITRIFICATI E: AEROOB Chlorine = ideaal O2 H2S WIND ARGON CO. f: T. 48 uur. O2 en ionengehalte (geleidbaarheid dierenwelzijn ORGANOLEPTISCH: geurloos. UV. tellurische ziekten/micro org CHEMISCH. NaOCl. 24 uur op een agar plaat residuen filtering H2O: RH METEN: HYGROMETER/PSYCHRO METER opslag en distributie.ALGEMENE HYGIENE MILIEU WAARIN DIER ZICH BEVINDT HYGIENE & ZIEKTE PREVENTIE PESTCONTROLE ATMOSFEER GROND DRINKWATER CHEMISCHE KARAKTERISTIEKE N FYSISCHE KARAKTERISTIEKEN BUITENWERELD STAL KWALITEIT: PRODUCTIEPROCES MICROBIELE CONTAMINATIE CHEMISCHE CONTAMINATIE DESINFECTI E NORMALE GASSEN ABNORMAL E GASSEN BIOAEROSOL. ventilatie. toxoplasma gondii antimicrorbiele behandeling. NaOCl Gehalte proteolytische bact: kamer T. giardia intestinalis. vibrio cholera. vectoren. microrg N2 NH3. inerte stof en infect. snel zand filtratie bacterien. RH. gelatine medium bepaling faecal bac: 45. cryptospror isiosis. helder. pH CaO. petroleum pluimvee LICHT OZON TEMPERATUUR CO2. salmonella. flocculatie FeCL3. 24 uur. salmonella. pH 6-8. harheid Virus: hepatitis water eind circuit.

Bijv. big. Bv: kudde vleesrunderen die ingespoten blijken te zijn met verboden middelen (bv.Vreemde chemische stoffen zoals AB. geen hormonen. Op het terrein staan ≠ loodsen. kontjes etc). Categorie 2 . Categorie 3 Dieren (delen van dieren) die door een DA goedgekeurd zijn voor menselijke consumptie 20 minuten Verbranden 120 C⁰ Wat mag je ermee doen? Mag niet geconsumeerd worden (mag niet in de mond van mens of dier terecht komen). .  WEL verwerkt in voer voor Carn (petfood). in de EU worden kippenpoten niet gegeten. DIERLIJKE BIJPRODUCTEN Hoe verwekt? Met 132 C⁰ steriliseren 3 Barr (logische zonder 3 barr kom je ook niet aan 132 C⁰ ) Categorie 1 . bloed cf gaat overal ‘langs’). 1 loods voor het verwerken van kadavers. Bv afgekeurde melk (waar AB in zat). .NIET goedgekeurd voor menselijke consumptie. MEEL  verbrand als brandstof (cf bevat veel energie en heeft een hoge verbrandingstemp). Maw alles wat niet binnen 1 of 3 valt.Geen BSE. geen AB . lipstick etc MEEL  verbranden als brandstof 90 C⁰ pasteuriseren VET  veevoeding MEEL  hoogwaardig eiwit (mens is echter nog steeds bang voor prionen dus dit meel mag niet verwerkt worden in veevoer). kalf. VET  verwerking in industrie bv zeep. verboden groeibevorderaars). 1 ruimte voor het verwerken van pluimvee (categorie 1) restproducten (poten. In China eten ze heel graag kippenpoten. db is een cultureel gegeven. darmen.Rendac praktijkdag: Taak van Rendac: ophalen van dierlijke bijproducten (db) db = dierlijk product dat NIET rechtstreeks voor (menselijke) consumptie gebruikt kan worden. VET  biobrandstof (groene stroom). Bv. hormonen etc. koe die op een bedrijf is doodgegaan  gaat in de ton aan de kant vd straat ipv naar het slachthuis en wordt dus niet door de DA gekeurd voor menselijke consumptie. In Gent staat een Rendac fabriek die uitsluitend varkensafval verwerkt.BSE gerelateerd weefsel (CZS Rum cf prionen.

1999 dioxinen crisis 2000 BSE crisis  na deze crisissen  in 2002 een Europese verordening (dus een wetgeving voor alle lidstaten)  dierlijke bijproducten voortaan opgedeeld in 3 categorieën.Bv: botten van geslacht rund = categorie 3 Bv: hond die na behandeling met AB is doodgegaan = categorie 2 Bv: kippenbloed = categorie 3 Diermeel bevat heel veel energie (bij brugvorming – is als er voedermiddel aan de randen van de voedersilo blijft kleven – die ineens loskomt en naar beneden valt kan een explosie plaatsvinden).Deze kosten worden betaald door. elk rund ouder als 48 maanden moet worden onthoofd en het hersen/RM weefsel moet in een labo onderzocht worden. sinds BSE crisis mag beendermeel niet meer verwerkt worden in veevoeding – wel in Carn voeding . 450 miljoen kilo materiaal verwerkt. Per rund zijn de kosten ong € 100. Dit is een kostbare test. Daarna aantal BSE gevallen liep sterk terug. (zie eerder) . In 1998: BSE crisis toen veel gevallen van BSE.) Bij Rendac wordt jaarlijks ong. Runderen jonger als 48 maanden hoeven niet onderzocht te worden omdat deze dieren nooit voer met beendermeel hebben gegeten (cf.. Toch moet elk rund ouder dan 48 maanden onderzocht worden op BSE. Het aantal BSE gevallen in Be in 2008 en 2009 is nul. de overheid en een deel door de boer.

Deze vetten worden gebruikt in diervoeding bv in hondenvoer (honden vindenr het erg lekker). 2) Villen (huiden naar leerindustrie) .Ingredienten Rendac Food geproduceerd vanuit bijproducten die NIET rechtstreeks geconsumeerd mogen/kunnen worden. bv uit beenderen & huid maakt Renduc gelatine. De huiden van kalveren worden apart verkocht cf brengen redelijk veel geld op. Het meel (= eiwit + ruwe as) kan gebruikt worden als brandstof bv om groene stroom van te maken is op vlees gericht Kadavers/slachtafval  pasteurisatie  sterilisatie  verdampen (water eruit)  vrij vaste brij  persen (vet eruit)  er ontstaat meel  malen  opslag 1) Kadavers die binnenkomen worden gesorteerd. Vetten worden gescheiden van andere producten. Runderen ouder dan 48 maanden worden onderzocht op BSE.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->