P. 1
Nieuwsbrief 1 leergang pensioenrecht 2013 2014 KUL

Nieuwsbrief 1 leergang pensioenrecht 2013 2014 KUL

|Views: 276|Likes:
Published by pensiontalk
Nieuwsbrief 1 leergang pensioenrecht 2013 2014 KUL
Nieuwsbrief 1 leergang pensioenrecht 2013 2014 KUL

More info:

Published by: pensiontalk on Sep 11, 2013
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

10/14/2013

pdf

text

original

Faculteit Rechtsgeleerdheid – KU Leuven

LEERGANG PENSIOENRECHT
NIEUWSBRIEF Nr.

1

academiejaar 2013 - 2014
Prof. dr. Yves Stevens en Leen Van Assche

Nog twee weken en we gaan weer van start! Je kan nu nog inschrijven voor de bijzondere

Leergang Pensioenrecht 2013-2014
www.law.kuleuven.be/leergangpensioenrecht/

INHOUDSTAFEL
1. Hof van Justitie ...................................................................................................................................2 1.1. Tsjechië beboet wegens (niet-) omzetting IBP richtlijn....................................................................2 1.2. BTW-aftrek door Nederlands pensioenfonds ..................................................................................3 2. Lagere rechtspraak .............................................................................................................................4 2.1. Belastbaarheid AOW-uitkering als pensioen ...................................................................................4 2.2. Refus de versement du pension de survie en raison de résidence au Cameroun ................................4 2.3. État dépressif et tentative de suicide à déclarer à souscription du contrat d’assurance vie..................4 2.4. Geen Belgisch pensioensupplement voor tewerkstelling als Nederlands ambtenaar ...........................5 2.5. Informatieverplichtingen bij cumul overlevingspensioen en werkloosheidsuitkering ...........................5 2.6. Omzetting Belgisch gezinspensioen grensarbeider naar alleenstaandenpensioen ...............................6 3. Belgische rechtsleer ............................................................................................................................6 3.1. Toegelaten arbeid gepensioneerden: nieuwe regeling anno 2013 ....................................................6 3.2. Toegelaten arbeid zelfstandigen: wat verandert er in 2013? ............................................................6 3.3. Harmonisering inhoudingen op pensioen .......................................................................................6 3.4. La discrimination par l’âge en assurance à la lumière du droit européen du travail ............................7 3.5. Heffingsbevoegdheid van lidstaten op levensverzekeringspremies ...................................................7 3.6. Nieuwe en gewijzigde IAS/IFRS: stand van zaken ..........................................................................8 3.7. Réforme des pensions légales: vers plus ou moins d’égalité entre catégories professionnelles?" .........8 3.8. Le candidat-assuré peut-il suivre la politique de l’autruche ? ...........................................................8 3.9. Le rapport et la réduction des donations par voie d’assurance-vie ....................................................8 3.10. Hertekening erfrechtelijke gevolgen van begunstiging bij levensverzekering ...................................9 3.11. Erfrechtelijke behandeling van een begunstiging via levensverzekering ..........................................9 3.12. WAP zet belastingvrijstelling Nederlandse pensioenen op de helling ...............................................9 3.13. Recente wijzigingen in de pensioenregeling voor zelfstandigen .................................................... 10 3.14. Pensioenhervormingen ingevolge het regeerakkoord van Di Rupo ................................................ 10 3.15. Roerende voorheffing is voortaan eindbelasting voor alle collectieve beleggingsvennootschappen .. 10 4. Buitenlandse rechtsleer ..................................................................................................................... 10 4.1. Le partage générationnel du travail............................................................................................. 10
- 1/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Faculteit Rechtsgeleerdheid – KU Leuven

LEERGANG PENSIOENRECHT
NIEUWSBRIEF Nr.

1

academiejaar 2013 - 2014
Prof. dr. Yves Stevens en Leen Van Assche
4.2. Entgeltumwandlung in der betrieblichen Altersversorgung ............................................................ 11 4.3. Anmerkung des Urteil Mulders .................................................................................................... 11 5. Nieuwe life and benefits .................................................................................................................... 11 6. RVP Dienstnota’s............................................................................................................................... 11 7. International update.......................................................................................................................... 11 7.1. Switserland............................................................................................................................... 11 7.2. Australia ................................................................................................................................... 12 8. Gelezen in het Belgisch Staatsblad ...................................................................................................... 13 8.1. Verzamelwet Pensioenen: waardering gelijkgestelde periodes pensioenberekening bijgestuurd ........ 13 8.2. Verzamelwet Pensioenen: overgangsregel voor vervroegd pensioen bij lange loopbaan ................... 13 8.3. Verzamelwet Pensioenen: overgangsregeling overeenkomst bij vervroegd pensioen........................ 14 8.4. Programmawet: verlaagd bijdragepercentage voor actieve gepensioneerde zelfstandigen ................ 14 8.5. Programmawet: bijverdienen wordt gemakkelijker voor gepensioneerden in overheidssector ........... 14 8.6. Programmawet: Pensioenbonus ................................................................................................. 14 8.7. Toezicht op pensioenfondsen afgestemd op Omnibus-I richtlijn ..................................................... 15 8.8. Bijverdienen wordt gemakkelijker voor gepensioneerde zelfstandigen ............................................ 15 8.9. Bijverdienen wordt gemakkelijker voor gepensioneerde werknemers ............................................. 15 8.10. Roerende voorheffing collectieve beleggingsvennootschap .......................................................... 16 8.11. Interpretatieve bepaling levensverkeringsovereenkomst.............................................................. 16 8.12. Betaling en tarief jaarlijkse taks op kredietinstellingen, ICB’s en verzekeringsondernemingen ......... 16 8.13. Wijziging verzekeringstaks ....................................................................................................... 16 8.14. Wijziging taks collectieve beleggingsinstelling, kredietinstelling en verzekeringsonderneming ......... 16 8.15. Stelsel werkloosheid met bedrijfstoeslag .................................................................................... 16 8.16. WIB 1992 aangepast aan stelsel van ‘werkloosheid met bedrijfstoeslag’ ....................................... 17 8.17. Structurele verhoging oudere pensioenen opnieuw uitgesteld ...................................................... 17 8.18. Sectorpensioenen .................................................................................................................... 17 Ombudsman Pensioenen: Ingangsdatum van een wettelijk pensioen is nu een enig concept! ...................... 21 Suprematie, rechtsvinding of gewoon Kafka? .......................................................................................... 22

1. HOF VAN JUSTITIE
1.1. Tsjechië beboet wegens (niet-) omzetting IBP richtlijn Bij arrest van 14 januari 2010 oordeelde het Hof van Justitie dat Tsjechië zijn verplichting tot omzetting van de IBP-richtlijn niet had nagekomen (HvJ 14 januari 2010, C-343/08,

IBP’s op zijn grondgebied op te heffen. Dit verbod komt voort uit het ontbreken van een tweede pijler in het Tsjechische pensioenstelsel. Dat een bepaalde activiteit waarop een richtlijn betrekking heeft in een lidstaat niet bestaat, ontheft deze lidstaat volgens het Hof niet van de verplichting om wettelijke of bestuurlijke maatregelen te treffen om een adequate uitvoering van alle bepalingen van die richtlijn te garanderen. Aangezien de Commissie na verscheidene brieven en een aanmaning, door Tsjechië (nog) niet in
- 2/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Europese

Commissie v. Tsjechische Republiek). Het Hof stelt
dat deze IBP-richtlijn een lidstaat niet als zodanig kan verplichten om het verbod op vestiging van

kennis

was

gesteld

van

de

noodzakelijke

verplichtingen

uitbesteden

aan

een

maatregelen om aan voornoemd arrest uitvoering te geven, stelde ze uiteindelijk beroep in bij het Hof van Justitie. In de loop van de procedure stelde de Tsjechische Republiek de Commissie in kennis van de bekendmaking en inwerkingtreding van wet nr. 260/2011, die volgens deze lidstaat de volledige uitvoering van voornoemd arrest (C-343/08) verzekert. Na onderzoek van de inhoud van deze wet oordeelde de Commissie dat de Tsjechische Republiek haar wettelijke regeling in overeenstemming had gebracht met betreffend arrest. Hierop deed de Commissie afstand van haar vordering tot veroordeling tot een dwangsom. Ze handhaafde echter haar vordering tot veroordeling tot betaling van een forfaire som. Bij arrest van 18 juli 2013 trad het Hof de Commissie bij in het oordeel dat Tsjechië niet alle maatregelen had genomen die nodig waren ter uitvoering van arrest C-343/08. Het Hof oordeelt dat de Tsjechische Republiek de op haar rustende verplichting krachtens artikel 260, lid 1 VWEU niet is nagekomen. De Tsjechische Republiek wordt veroordeeld tot de betaling van een forfaitaire som 250 000 EUR aan de Europese Commissie wegens miskenning van haar verplichting om de nodige maatregelen te nemen ter uitvoering van arrest C343/08. HvJ 18 juli 2013, C-241/11, Europese Commissie v.

verzekeringsmaatschappij. Het was echter niet mogelijk de pensioenvoorziening in eigen beheer te houden. Een dochteronderneming van PPG sloot met in Nederland gevestigde dienstverleners overeenkomsten af omtrent de administratie van de pensioenen en het vermogensbeheer van het pensioenfonds. De kosten die verband houden met deze overeenkomsten werden door de dochteronderneming betaald en niet doorgerekend aan het pensioenfonds. PPG bracht de btw voor deze kosten in als voorbelasting. De Nederlandse belastingdienst ging hiermee niet akkoord en vestigde een naheffingsaanslag dewelke door PPG wordt betwist. Vooreerst brengt het Hof van Justitie de doelstelling van de btw-aftrekregeling van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (hierna verkort: Zesde richtlijn) in herinnering. Deze richtlijn beoogt de ondernemer volledig te ontlasten van verschuldigde of betaalde btw in het kader van al zijn economische activiteiten. Het gemeenschappelijke Europese btw-stelsel waarborgt een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat ervan, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de btw-heffing zijn onderworpen. Om aan de belastingplichtige een recht op aftrek van de voorbelasting toe te kennen en de omvang van dat recht te bepalen, dient er in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en één of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat. In casu oordeelt het Hof van Justitie dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat. Dit verband bestaat voor zover de kosten van de door PPG in dat kader afgenomen diensten deel uitmaken van haar algemene kosten, hetgeen aan de verwijzende rechter staat om te beoordelen. Het Hof van Justitie die een besluit dat een heeft

Tsjechische Republiek

1.2. BTW-aftrek door Nederlands pensioenfonds In overeenstemming met een wettelijke verplichting naar Nederlands recht bracht PPG de pensioenregelingen voor de werknemers van haar ondernemingen onder in Stichting Pensioenfonds PPG Industries Nederland (hierna verkort: pensioenfonds). Dit pensioenfonds is juridisch en fiscaal afgescheiden van PPG. De premies voor de pensioenregelingen worden volledig betaald door PPG en niet door de werknemers. Werkgevers konden ten tijde van de feiten hetzij zelf een pensioenfonds opzetten hetzij hun
- 3/22 -

belastingplichtige

pensioenfonds

opgericht in de vorm in de vorm van een juridisch en fiscaal afgescheiden entiteit, zoals in casu, het recht heeft de btw die hij heeft betaald ter zake van

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

prestaties voor het beheer en de bedrijfsvoering van dat pensioenfonds in aftrek te brengen conform artikel 17 van de Zesde richtlijn. Dit mits uit het geheel van de omstandigheden van de betrokken transacties een rechtstreeks en onmiddellijk verband naar voren komt. HvJ 18 juli 2013, C-26/12, PPG Holdings v.

pays avec lequel la Belgique n’a pas conclu de convention internationale. La Cour a décidé de poser la question préjudicielle suivante à la Cour constitutionnelle: la règle suivant laquelle le paiement de la pension due à un bénéficiaire de nationalité étrangère est suspendu si ce bénéficiaire réside à l’étranger alors que la pension de retraite ou de survie due à un ressortissant belge est payée quel que soit le pays de sa résidence est-elle discriminatoire? La question est actuellement devant la Cour constitutionnelle (n° 5572 FR). Arbh. Brussel 6 februari 2013, JTT 2013, afl. 1159, 238. 2.3. État dépressif et tentative de suicide à déclarer à souscription du contrat d’assurance vie La cour d’appel de Mons devrait juger sur les conséquences d’une omission de déclaration à la souscription d’un contrat d’assurance-vie. Selon la cour, l'admission dans un service de réanimation d'une clinique pendant plus de 24 heures constitue bien une hospitalisation. Si l'assurée, lors de la souscription du contrat, avait répondu sincèrement à la question "avez-vous été soignée dans une clinique?" et "pour quels motifs?", elle aurait nécessairement mentionné sa tentative de suicide ayant nécessité ladite hospitalisation. Même s'il est établi que l'antécédent consiste dans un trouble de l'adaptation avec humeur dépressive et que ce trouble se distingue de l'épisode dépressif majeur, si le questionnaire de la compagnie d'assurances pose une question relative à la dépression sans opérer pareille distinction, il importe de mentionner tout phénomène dépressif, quelle que fut sa qualification médicale. La cour a statué qu’une tentative de suicide qui a lieu 14 jours avant qu'un questionnaire médical soit rempli doit être déclarée. Ce n'est pas parce qu'un médecinconseil conclut positivement un examen médical pour la couverture du risque que cette conclusion favorable a pour effet de remédier à l'omission intentionnelle commise par l'assurée (art. 6 LCAT).

Inspecteur van de Belastingdienst Noord kantoor Groningen.

2. LAGERE RECHTSPRAAK
2.1. Belastbaarheid AOW-uitkering als pensioen Uit de concrete omstandigheden van de

tewerkstelling in België leidt het Antwerpse hof van beroep af dat de AOW-uitkering geen rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met de beroepswerkzaamheid die door de belastingplichtige werd uitgeoefend. De uitkering houdt immers uitsluitend verband met het feit dat de uitkeringsgerechtigde gedurende een gedeelte van zijn leven in Nederland heeft gewoond. In die omstandigheden heeft de administratie niet aangetoond dat de AOW-uitkering belastbaar is als pensioen in de zin van artikel 34, § 1, 1° van het WIB 1992. Antwerpen 4 december 2012, FJF 2013, afl. 159, 583-587. 2.2. Refus de versement du pension de survie en raison de résidence au Cameroun N. a épousé P. à Paris en 1971. Les deux époux de nationalité camerounaise étaient à l’époque domiciliés à Paris. Entre 1972 et 1975, N. a travaillé en Belgique. Le premier mars 2005, N. a introduit une demande de pension de survie. Le 27 juin 2006, l’ ONP lui a reconnu le droit d’ un pension de 181,25 EUR par an. À la même date, l’ONP a rappelé qu’ en application de l’article 27 de l’arrêté royal n° 50, les prestations ne sont pas fournis aux ressortissants des états avec lesquels un accord international ou bilatéral de sécurité sociale n’a pas été conclu. L’ONP a donc décidé que la pension ne peut pas être versée à N. qui est ressortissante du Cameroun,

- 4/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Bergen 24 mei 2012, RGAR 2013, afl. 5, n° 14978. 2.4. Geen Belgisch pensioensupplement voor tewerkstelling als Nederlands ambtenaar Eiseres gaat er niet mee akkoord dat een bepaalde periode van tewerkstelling als ambtenaar in Nederland niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van haar Belgisch pensioen. In hoofdorde wordt de vernietiging van de bestreden RVP-beslissing gevorderd. In ondergeschikte orde wordt de arbeidsrechtbank verzocht een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. De Tongerse arbeidsrechtbank herinnert eraan dat het pensioensupplement voor grensarbeiders - een regeling die overigens enkel in België bestaat – uitdrukkelijk wordt voorbehouden voor arbeiders, bedienden of mijnwerkers (artikel 5, § 7 KB 23 december 1996) en niet van toepassing is op ambtenaren. Vooreerst merkt de Tongerse arbeidsrechtbank op dat de RVP (verweerder) het Belgisch pensioen in toepassing van verordeningen 1408/71 en 574/72 correct berekende. Bovendien werd volgens de rechtbank correct nagegaan of eiseres recht had op een pensioensupplement op grond van grens- of seizoensarbeid. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat artikel 5, § 7 KB 23 december 1996 geen schending uitmaakt van het gemeenschapsrecht, noch van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Bijgevolg wordt geen prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. Arbrb. Tongeren 19 juni 2013, AR 07/1572/A,

sedert

oktober

2004

werkloosheidsuitkeringen

ontving dewelke niet cumuleerbaar zijn met een overlevingspensioen overeenkomstig artikel 25 KB nr. 50 van 24 oktober 1967. Eiseres tekent beroep aan tegen de beslissing van de RVP waarbij haar pensioen werd geschorst met terugbetaling van de ten onrechte genoten bedragen. Voor deze terugvordering paste de RVA de driejarige verjaringstermijn toe krachtens artikel 21 § 3 van de wet van 13 juni 1966. Eiseres vindt het ‘totaal ongehoord’ dat de RVP slechts op 24 maart 2010 kennis had van het feit dat zij reeds sedert oktober 2004 werkloosheidsuitkeringen genoot. Bovendien is er volgens eiseres geen enkel document van de RVP dat kenbaar maakt dat zij haar overlevingspensioen niet zou kunnen cumuleren met werkloosheidsuitkeringen. Verder voert eiseres aan dat de RVA (verweerder 2) en/of het ACV (verweerder 3) tekort zijn geschoten in hun informatieverplichtingen en dat ze door deze fout haar pensioenuitkeringen is blijven cumuleren. Volgens eiseres hadden de RVA en het ACV moeten weten dat zij reeds een overlevingspensioen genoot naast haar werkloosheidsuitkeringen, aangezien zij dit had aangegeven op het aanvraagformulier C1 (aangifte van de persoonlijke en familiale toestand van de sociaal verzekerde die werkloosheidsuitkeringen aanvraagt). De Antwerpse arbeidsrechtbank volgt deze

argumentatie niet en oordeelt dat eiseres haar informatieverplichting miskende. Betrokkene diende de RVP in kennis te stellen van elke wijziging die zich in haar persoonlijke toestand zou kunnen in casu het ontvangen van voordoen, werkloosheidsuitkeringen, eiseres bij haar een verbintenis in die 1995 pensioenaanvraag

onuitg.

Zie: KB 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, BS 17 januari 1997. 2.5. Informatieverplichtingen bij cumul overlevingspensioen en werkloosheidsuitkering Bij een ambtshalve onderzoek van pensioenrechten, stelde de RVP (verweerder 1) vast dat eiseres
- 5/22 -

onderschreef. De rechtbank oordeelt dat de RVP het pensioen van eiseres terecht heeft geschorst. Vervolgens wijst de rechtbank erop dat de

informatie- en begeleidingsplicht van de instellingen van sociale zekerheid op grond van het Handvest van de Sociaal Verzekerde niet absoluut is en met inachtneming van het redelijkheidsbeginsel moet

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

worden ingevuld. Door het miskennen van haar eigen verplichting om de RVP in te lichten dat ze werkloosheidsuitkeringen ontving, is eiseres volgens de rechtbank zelf verantwoordelijk voor de onterechte cumulatie en kan zij de RVA en het ACV niet aanspreken in vrijwaring. Arbrb. Antwerpen 16 mei 2013, AR 10/5565/A,

3.1. Toegelaten arbeid gepensioneerden: nieuwe regeling anno 2013 Gepensioneerden van 65 jaar en ouder die minstens 42 jaar gewerkt hebben, mogen voortaan onbeperkt bijverdienen zonder dat hun recht op volledig pensioen wordt aangetast. worden Voor de de overige inzake gepensioneerden regels

onuitg.

toegelaten arbeid versoepeld. Het nieuwe wettelijke kader inzake toegelaten arbeid raakt echter niet aan het uitgangspunt dat een pensioen in beginsel niet gecombineerd kan worden met loon uit arbeid.

2.6. Omzetting Belgisch gezinspensioen grensarbeider naar alleenstaandenpensioen Eiser (V.D.G) en werkte nadien gedurende 13 jaar in

Nederland

gedurende 35

jaar als

grensarbeider in Antwerpen. Vanaf november 2009 ontvangt eiser een Belgisch pensioen en een (klein) Nederlands pensioen. Zijn jongere echtgenote (R.R.) genoot een partnertoeslag op grond van de AOW, tot ze zelf met pensioen ging op 4 december 2011. Door een Nederlandse besparingsmaatregel, wordt de partnertoeslag vanaf 1 augustus 2011 verminderd met 10 % (generieke korting). Bij het bereiken van de pensioenleeftijd, ging de partnertoeslag over in een AOW-pensioen. Hierop werd het Belgisch gezinspensioen herleid naar 60 % aangezien het voor het gezin in casu het voordeligst bleek om beide echtgenoten een persoonlijk pensioen toe te kennen (art. 5, § 8 KB van 23 december 1996). Eiser is van oordeel dat zijn Belgisch gezinspensioen niet herleid kon worden tot een pensioen als alleenstaande ingevolge toepassing van het arrest Engelbrecht (HvJ 26 september 2000, C-262/97). De Antwerpse rechtbank oordeelt dat deze rechtspraak in casu niet van toepassing is aangezien het AOW-pensioen van R.R. hoger is dan de weggevallen (gekorte) partnertoeslag. Ook de aangevoerde leeftijdsdiscriminatie in de korting van de partnertoeslag wordt niet bijgetreden door de rechtbank. Bijgevolg wordt de vordering ongegrond verklaard. Arbrb. Antwerpen 16 mei 2013, AR 11/7941/A en AR 12/4093/A, onuitg.

TILBORG, “Toegelaten arbeid K. VAN gepensioneerden: nieuwe regeling anno 2013”, Balans 2013, afl. 699, 1-3. 3.2. Toegelaten arbeid zelfstandigen: wat verandert er in 2013? In de loop van 2013 is al veel inkt gevloeid over de geplande veranderingen aan de toegelaten activiteit voor gepensioneerde zelfstandigen. Nu het KB gepubliceerd is, geeft de auteur een volledig overzicht van de huidige regeling. Eerst bespreekt de auteur hoeveel een gepensioneerde zelfstandige in 2013 mag bij en bijverdienen. het de Na enkele inkomen, van de aandachtspunten inkomensgrenzen toegelaten afschaffing

komen de sancties bij het overschrijden van de aangifteplicht aan bod. M. BRUYNINCKX, "Toegelaten activiteit na pensioen: wat verandert er in 2013?", Soc.Kron. 2013, afl. 14, 17-21. Zie: KB 6 juni 2013 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rusten overlevingspensioen der zelfstandigen, BS 18 juni 2013. 3.3. Harmonisering inhoudingen op pensioen De Wet van 13 maart 2013 streeft twee grote doelstellingen na. Ten eerste wordt de inning van de RIZIV-bijdrage en de solidariteitsbijdrage gecentraliseerd bij de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP). Ten tweede wordt de Belgische wetgeving aangepast aan het Europees voorschrift dat een persoon slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat kan worden onderworpen. Zonder hier veel ruchtbaarheid aan te geven, paste deze wet het
- 6/22 -

3. BELGISCHE RECHTSLEER

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

toepassingsgebied van de solidariteitsbijdrage op pensioenen aan, door ook de vrije aanvullende pensioenen onderwerpen. De bepalingen die de Belgische wetgeving in overeenstemming brengen met de Europese verordening traden met terugwerkende kracht in werking op 1 januari 2013. B. MARISCAL en M. DAUPHIN, “Harmonisering van de inhoudingen op het (aanvullend) pensioen", Soc. Weg. 2013, afl. 12- 2-5. Zie: Wet van 13 maart 2013 tot hervorming van de inhouding van 3,55 % ten gunste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en de solidariteitsbijdrage verricht op de pensioenen, BS 21 maart 2013 en art. 11.1 Verord. van het Europees Parlement en de Raad nr. 883/2004, 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidstelsels Pb.L. 30 april 2004, 166, err. Pb.L. 7 juni 2004, 200, err. Pb.L. 4 augustus 2007, 204. 3.4. La discrimination par l’âge en assurance à la lumière du droit européen du travail Dans de multiples domaines, nos droits et van de zelfstandigen eraan te

présentent un intérêt tout particulier pour la question de la discrimination par l’âge en assurance, l’un européen (Bartsch) et l’autre belge (TestAchats). A. GOSSERIES, “La discrimination par l’âge en assurance à la lumière du droit européen du travail”, RGAR 2013, afl. 6, nr. 14982. 3.5. Heffingsbevoegdheid van lidstaten op levensverzekeringspremies De auteur geeft een kritische bespreking van een recent arrest C-243/11 van het Hof van Justitie over de heffingsbevoegdheid van lidstaten op verzekeringspremies. De prejudiciële vraag betrof artikel 50 van Richtlijn 2002/83, krachtens hetwelk elke verzekeringsovereenkomst uitsluitend onderwopen is aan de indirecte belastingen en fiscale bepalingen van de lidstaat van de verbintenis, zijnde de lidstaat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft. De rechtsvraag betreft het ogenblik waarop ‘de lidstaat van de verbintenis’ beoordeeld moet worden. Advocaat-generaal Kokott adviseerde een ‘statische’ beoordeling op het ogenblik waarop de overeenkomst wordt aangegaan. Het Hof van Justitie volgde dit advies echter niet en opteerde voor datum een ‘dynamische’ van uitlegging waarbij van de de “lidstaat van verbintenis” bepaald wordt op de betaling levensverzekeringspremie. Inmiddels werd richtlijn 2002/83 vervangen door richtlijn 2009/138. Om de hefffingsbevoegde lidstaat te bepalen, voegt de solvabiliteitsrichtlijn een tweede criterium toe, namelijk: de lidstaat waar het risico gesitueerd is. Dit begrip wordt eveneens gedefinieerd als de lidstaat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfsplaats heeft. Bijgevolg verandert de nieuwe solvabiliteitsrichtlijn niets, althans voor levensverzekeringen, en blijft het geannoteerde arrest actueel. P. DOYEN, "Assurance sur la vie - La compétence des États dans le prélèvement des taxes sur primes" (noot onder HvJ C-243/11, 21 februari 2013), Forum de l’assurance 2013, afl. 134, 95-103.

obligations restent différenciés en fonction de l’âge, par exemple par le recours à des âges seuils (droit au travail, responsabilité pénale…) ou à des âges plafonds (retraites d’office dans des professions spécifiques, droit d’accès à certains soins…). La question centrale est de déterminer à partir de quand certaines formes de segmentation par l’âge doivent être considérées comme discriminatoires. L’auteur aborde la question du critère d’âge en assurance de manière particulière. D’abord une série d’hypothèses quant à la spécificité de l’âge est formulée. Ensuite, l’auteur se penche plus spécifiquement sur l’utilisation du critère d’âge en assurance. A partir du droit européen du travail, la jurisprudence belge en matière d’âge dans le domaine de l’assurance semble quasi inexistante. En confrontant le droit de l’assurance et le droit de travail, l’auteur tente de déterminer si des approches analogues de la discrimination par l’âge sont concevables dans ces deux domaines et si existent aussi des chevauchements de champ d’application. Enfin, deux cas sont analysés qui
- 7/22 -

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Zie ook: J.-M. BINON, "Cour de justice de l’Union européenne du 21 février 2013", RDC 2013, nr. 5, 470 (zie 5.6. Nieuwsbrief Leergang 2012-2013, nr. 5, 7). 3.6. Nieuwe en gewijzigde IAS/IFRS: stand van zaken Internationale standaarden voor jaarrekeningen zijn ook relevant voor het Europees jaarrekeningrecht. Alle Europese beursgenoteerde ondernemingen moeten hun geconsolideerde jaarrekening immers opstellen met toepassing van IAS/IFRS, maar enkel voor zover deze ook goedgekeurd werden door de Europese Commissie. Zo keurde de Europese Commissie in 2012 vier nieuwe en negen gewijzigde standaarden goed met het oog op de toepassing ervan in de EU. De auteur geeft in telegramstijl een overzicht van de (goedgekeurde) wijzigingen en de toekomstige projecten. V. COLE, “Nieuwe en gewijzigde IAS/IFRS: stand van zaken”, Balans 2013, afl. 6, 6-7. 3.7. Réforme des pensions légales: vers plus ou moins d’égalité entre catégories professionnelles?" La réforme des pensions a été engagée en décembre 2011, à la suite de la constitution du gouvernement fédéral et de l’accord de gouvernement conclu le 1er décembre 2011. Les mesures adoptées ou à venir apportent des modifications au régime de pensions des salariés, des indépendants et des fonctionnaires. Par ailleurs, l’organisation de la sécurité sociale belge autour de plusieurs catégories professionnelles est de plus en plus souvent remise en cause. Compte tenu de ces deux éléments, l’auteur examine les nouvelles dispositions relatives aux pensions, et plus spécifiquement les différences de traitement entre salariés, indépendants et fonctionnaires, à la lueur du principe d’égalité. V. FLOHIMONT, "Réforme des pensions légales: vers plus ou moins d’égalité entre catégories professionnelles?", TSR 2013, afl. 1, 5-30. 3.8. Le candidat-assuré peut-il suivre la politique de l’autruche ?

La cour d’appel de Mons considère que les certificats dressés par le médecin traitant de feu l’assuré ne permettent pas de conclure que ce dernier était conscient de son état de santé lorsqu’ il a rempli la proposition d’assurance et aurait ainsi intentionnellement fait une déclaration inexacte entraînant la nullité du contrat assurance-vie. Dans ce cas, le diagnostic de la broncho pneumonie chroniqueobstructive (BPCO) n’est pas daté. En plus, l’assuré avait toujours refusé toute mise au point à cet égard. L’auteur critique la philosophie de l’interprétation strictement factuelle faite par la cour. J. ANDRE-DUMON, "Le candidat assuré peut-il suivre la politique de l’autruche" (noot onder Bergen 26 september 2012), T. Verz. 2013, afl. 2, 194-195. 3.9. Le rapport et la réduction des donations par voie d’assurance-vie L’auteur analyse le rapport et la réduction des donations par assurance-vie. Dans la pratique, l’assurance-vie fut utilisée, de plus en plus souvent, comme outil de planification successorale afin de transférer des sommes parfois très importantes, tout en échappant au risque de la réduction. La doctrine et la jurisprudence s’en sont émues, parce que, dans de nombreux cas, l’application de l’ancien article 124 de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance terrestre avait des conséquences qui heurtaient l’équité. L’auteur présente les solutions préconisées par la doctrine et par la jurisprudence et l’ arrêt de la Cour constitutionnelle n° 96/2008 du 26 juin 2008. Ensuite, la loi du 10 décembre 2012 modifiant l’article 124 de la loi du 25 juin 1992 sur le contrat d’assurance succession terrestre est en ce qui concerne la la réduction du capital d’une assurance-vie en cas de discutée. Suivant nouvelle disposition, applicable aux successions qui se sont ouvertes après le 20 janvier 2013, la donation par voie d’assurance-vie est consentie par préciput et hors part, à moins que le preneur d’assurance n’ait ‘expressément’ stipulé le rapport de la prestation d’assurance. Après, l’auteur aborde la question de quelle manière et jusqu’ à quand le preneur peut imposer le rapport au bénéficiaire de l’assurance-vie. L’auteur conclu que la nouvelle loi a résolu quelques questions, mais a laissé d’autres sans réponse.
- 8/22 -

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

De auteur biedt een concreet stappenplan waarbij P. MOREAU, "Le rapport et la réduction des donations par voie d’assurance-vie", Rec.gén.enr.not. 2013, afl. 6, 231- 240. 3.10. Hertekening erfrechtelijke gevolgen van begunstiging bij levensverzekering Bij wet van 10 december 2012 werd artikel 124 WLVO aangepast. Krachtens deze nieuwe regeling is de begunstigde niet langer vrijgesteld van inkorting, ongeacht een eventuele wanverhouding tussen de premies vrijgesteld en de van vermogenstoestand van de verzekeringnemer. De begunstigde is nog steeds S. SEYNS, “De erfrechtelijke behandeling van een begunstiging via levensverzekering: een praktische handleiding”, T.Not. 2013, afl. 4, 209-228. 3.12. WAP zet belastingvrijstelling Nederlandse pensioenen op de helling Aan de hand van recente rechtspraak bespreekt de De auteurs schetsen eerst het toepassingsgebied van de gewijzigde regeling. Vervolgens wordt de problematiek van de inkorting en van de inbreng uiteengezet, gevolgd door een bespreking van het voorwerp van de inkorting. Na een beknopte toelichting regeling. van De het toepassingsgebied besluiten met Het ‘probleem van de Nederlandse pensioenen’ betreft de situatie waarbij een belastingplichtige ten tijde van de opbouw van zijn extralegaal pensioen nog inwoner was van Nederland; maar waarbij hij op het ogenblik van de uitkering van dat pensioen inmiddels inwoner van België geworden is. Tot nog toe werd in dit kader meestal de theorie van de 'individuele en definitief verworven pensioenrechten' R. BARBAIX en N. CARETTE, “Het gewijzigde artikel 124 WLVO. De erfrechtelijke gevolgen van begunstiging bij levensverzekering hertekend”, TEP 2013, afl. 3, 54-81. 3.11. Erfrechtelijke behandeling van een begunstiging via levensverzekering De erfrechtelijke behandeling van begunstigingen via levensverzekering is reeds vele jaren een woelige materie. In het licht van het nieuwe artikel 124 WLVO, reikt die bij de de auteur een praktische van een een worden handleiding aan voor juristen, in het bijzonder notarissen, met afwikkeling via nalatenschap (opengevallen vanaf 21 januari 2013) een begunstiging levensverzekeringsovereenkomst geconfronteerd. gehanteerd. Het uitgangspunt van deze theorie is dat - naar Belgische fiscale maatstaven extralegale pensioenbijdragen op het moment van hun storting reeds belastbare bezoldigingen vormen, indien de storting in het individueel en definitief verworven voordeel van de belastingplichtige is gebeurd. Hierdoor worden de pensioenuitkeringen later niet nogmaals belast als een pensioen. Aan dat uitgangspunt is evenwel (met ingang van begin 2004) gesleuteld door de WAP. De auteur bespreekt de gevolgen voor de fiscale behandeling implicaties van voor Nederlandse het (en andere buitenlandse) pensioenen, met inbegrip van de Belgisch-Nederlands dubbelbelastingsverdrag. auteur de fiscale behandeling in België van pensioenrechten die rijksinwoners in het buitenland (in het bijzonder in Nederland) hebben opgebouwd. volgende rechtsvragen worden beantwoord: Betreft het een begunstiging om niet of een begunstiging onder bezwarende titel? Ligt er een begunstiging voor in de zin van de WLVO? Betreft het een begunstiging op voorschot van erfdeel of een begunstiging buiten erfdeel? Wat moet worden ingebracht/ingekort? Wat is het tijdstip van de begunstiging?

inbreng,

behoudens

anders

bedongen. Dit laatste geldt voortaan ongeacht een eventuele wanverhouding tussen de premies en de vermogenstoestand van de verzekeringnemer.

ratione
een

temporis, volgt een evaluatie van de nieuwe
auteurs samenvattend stappenplan voor de toepassing van artikel 124 WLVO bij de vereffening-verdeling van de nalatenschap van de verzekeringnemer.

- 9/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

C. BUYSSE, "Nederlandse pensioenen : 'WAP' zet belastingvrijstelling op de helling", Fiscoloog (I.) 2013, afl. 354, 14. 3.13. Recente wijzigingen in de pensioenregeling voor zelfstandigen Ten gevolge van de vergrijzing van de bevolking en de financiële druk op de overheden werden reeds verschillende maatregelen genomen om het wettelijk pensioen te hervormen. Hoewel nog niet alle beslissingen van de regering in het Belgisch Staatsblad verschenen zijn, geeft de auteur een overzicht van recente wijzigingen in de pensioenregeling voor zelfstandigen. Zowel het vervroegd pensioen, de pensioenbonus en -malus, werken tijdens pensioen, aanvullend pensioen, minimumpensioen als de pensioenaanvraag komen aan bod. "Recente wijzigingen in de T. LAUREYS, pensioenregeling voor zelfstandigen", De Venn. 2013, afl. 6, 8-9. 3.14. Pensioenhervormingen ingevolge het regeerakkoord van Di Rupo De auteur bespreekt een aantal budgettaire

A. CLAES, "De hervormingen bij wettelijke en aanvullende pensioenen ingevolge het regeerakkoord Di Rupo”, TAA 2013, afl. 38, 17-22 en P. TELDERS, “Aandachtspunten voor de bedrijfsrevisor ingevolge het regeerakkoord van Di Rupo betreffende de pensioenen”, TAA 2013, afl. 38, 23. 3.15. Roerende voorheffing is voortaan eindbelasting voor alle collectieve beleggingsvennootschappen Bij wet van 30 juli 2013 stelde de Belgische wetgever een einde aan de door het Europees Hof van Justitie gehekelde en discriminatie tussen ingezeten niet-ingezeten

beleggingsvennootschappen met betrekking tot de verrekening en terugbetaling van de roerende voorheffing. Voortaan is de roerende voorheffing op Belgische dividenden ook in hoofde van ingezeten beleggingsvennootschappen in principe niet langer verrekenbaar en terugbetaalbaar. Organismen voor de financiering van pensioenen (OFP) kunnen de opgelopen verrekenen Belgische roerende en dividenden voorheffing betreft). nog De steeds wat nieuwe terugbetaald krijgen (ook

maatregelen uit het regeerakkoord die een impact hebben op aanvullende pensioenen: de invoering van de op de bijzondere ‘hoge’ sociale zekerheidsbijdrage (Wyninckxbijdrage); de verzwaring van aanslagvoeten bij uitkering van aanvullende pensioenkapitalen voor 62 jaar; het ontmoedigen van interne provisies, binnen de de onderneming, fiscale sanctionering informatie voor wanneer de individuele men de pensioentoezeggingen; vereiste aan Databank pensioenen

bepalingen treden in werking vanaf het aanslagjaar 2014. De auteur geeft een kritische bespreking van de oplossing van de Belgische wetgever. M. DE MUNTER, “RV is voortaan eindbelasting voor alle collectieve beleggingsvennootschappen”, Fiscoloog 2013, afl. 1349, 10-12.

BS 1 augustus 2013 (ed. 2).

Zie: Wet 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen,

4. BUITENLANDSE RECHTSLEER
4.1. Le partage générationnel du travail L’auteur aborde la question du partage

aanvullende pensioenen, DB2P, beheerd door SigEdis, niet aangeeft. Verder behandelt de auteur een aantal wijzigingen aan het wettelijk pensioen die de effectieve pensioenleeftijd trachten te verhogen. Ook de aanpassing van de fiscale 80 %-regel komt aan bod. Na het hoofdartikel, voor worden de enkele aandachtspunten geformuleerd.
- 10/22 -

générationnel du travail, en droit européen et en droit français. En France, le partage du travail entre les générations a été mis en place dans les années 1980. Il reposait sur une logique de renonciation du seniors, qui acceptaient de se retirer du marché du travail, pour ainsi libérer un poste de travail au bénéfice des jeunes, nouveaux accédants. Ces dispositifs ont ensuite été abandonnés, au nom de la politique de vieillissement actif. La loi n° 2013-

bedrijfsrevisor

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

185 instaurant le contrat de génération renoue avec la logique du partage du travail entre les générations, mais en partie seulement, puisque le principe de sortie des seniors a été abandonné au profit d’un maintien des seniors dans l’emploi. C. WILLEMAN, "Le partage générationnel du travail", Droit Social 2013, afl. 6, 529-541. 4.2. Entgeltumwandlung in der betrieblichen Altersversorgung Die gesetzlich geförderte wurde thematisiert. eingegangen und in betriebliche letzter Dabei daraus Zeit wurde die

wie sich der Fall unter Anwendung der heute geltenden Rechtsvorschriften darstellen würde. M. HAUSCHILD, noot onder HvJ nr. C-245/11 Mulders v. Rijksdienst voor Pensioenen, Zeitschrift für europäisches Sozial- und Arbeitsrecht 2013, afl. 8, 331-339. Zie ook: HvJ 18 april 2013, C-548/11, Mulders v. Rijksdienst voor Pensioenen (zie 2.1 "Wettelijk

pensioen en grensarbeiders: tijdvakken van verzekering”, Nieuwsbrief Leergang 2012-2013, nr. 4, 3-4).

Entgeltumwandlung verschiedentlich Rentenphase

5. NIEUWE LIFE AND BENEFITS
In Life&Benefits nr. 2013/6 lezen we: Tweedepijlerpensioen – Het pensioenreglement aanpassen aan nieuwe realiteiten (door P. ROELS) Tweedepijlerpensioenen – Belastingtarief hangt af van effectieve uitkeringsdatum (door P. VAN EESBEECK) Ziekteverzekering – Individuele voorzetting van beroepsgebonden ziekteverzekering (door L. VEREYCKEN)

besonders auf die Belastungswirkungen in der Schlussfolgerung gezogen, dass sich die betriebliche Entgeltumwandlung für die Mitarbeiter nicht mehr lohnen würde. In Teil 2 wird untersucht, ob die im ersten Teil festgestellte Überlegenheit der betrieblichen Entgeltumwandlung auch bei vom Standardmodell abweichenden Annahmen gilt. T. SCHANZ, "Entgeltumwandlung in der betrieblichen Altersversorgung (Teil 2). Lohnt sich für die Mitarbeiter (nicht mehr?)", der Betrieb 2013, afl. 28, 1501-1508. 4.3. Anmerkung des Urteil Mulders Der Autor bietet eine kritische Anmerking des Urteils des EuGH, Mulders/Rijksdienst voor pensioenen. Der Urteilstenor erweckt den Eindruck, dass die belgische Rentenversicherung als Beklagte verpflichtet wird, die Versicherungszeit für eine nach niederländischem Recht erbrachte Leistung der Krankenversicherung, mit Beiträgen zur niederländischen Alterssicherung, für die belgische Altersrente zu berücksichtigen, obwohl diese Zeit nach niederländischem Recht nicht als Versicherungszeit angerechnet wurde. Der Autor verbindet seine Analyse mit dem Versuch den Ausgangsfall insbesondere unter kollisionsrechtlichen Erwägungen zu ordnen. Daraus können die Schlussfolgerungen und Verpflichtungen für die beiden beteiligten Mitgliedstaaten bzw. für andere Mitgliedstaaten in vergleichbaren Fällen abgeleitet werden. Da das Urteil noch zur VO (EWG) nr. 1408/71 ergangen ist, wird am Ende erläutert,
- 11/22 -

6. RVP DIENSTNOTA’S
De RVP vaardigde volgende dienstnota’s uit: Dienstnota Dienstnota 2012/09: 2013/8: Welvaartsaanpassingen Betaling en van van de de voor bepaalde pensioenen op 1.09.2013 pensioenbijslag zelfstandige

bijzondere bijslag zelfstandige in juli 2013 Dienstnota 2013/09: Invloed van de uitoefening van een beroepsbezigheid en van het recht op de toekenning en de betaling van het pensioen Dienstnota 2013/11: Pensioenhervorming: vervroegd pensioen

7. INTERNATIONAL UPDATE
7.1. Switserland On June 21, the Swiss Federal Council announced a package of pension reform proposals (known as Retirement 2020) to address the mounting fiscal pressure on the public pension system from population aging. Official sources indicate that

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

consultations be introduced

on

the

legislative parliament

package next year.

will If a

percent to 10 percent in two stages is proposed: 1 percent in 2020 and an additional 1 percent closer to 2030, based on financing needs. Fourtly, Switserland envisages a guaranteed interest rate for occupational plans. The method of calculating the minimum interest rate of accounts in the second pillar, currently set in advance for the next year based on assumptions for future returns, would be switched to a year-end calculation that reflects observed rates of return for that year. Bron: SSA, International Update Switserland, July 2013, te consulteren via http://ssa.gov/policy/docs/progdesc/intl_update/201 3-07/index.html#switzerland. 7.2. Australia On July 1, changes to the mandatory occupational pension (superannuation) system went into effect that (1) gradually fund, increase to called the an employer's employee's mandatory contribution actuarial projections and

conclude by the end of this year, and a draft bill will into parliament passes the proposed reform,

nationwide referendum (required because reforms include an amendment to the constitution) must take place before planned implementation of the law in 2020. The government's proposal outlines a comprehensive reform of both the first-pillar pay-asyou-go public pension and second-pillar mandatory occupational pensions that includes the following elements: retirement ages, benefit calculation for second-pillar pensions, first pillar funding and a guaranteed interest rate for occupational pensions. Firstly, the retirement age for women (currently age 64) for both first and second pillars would gradually rise 1 year (at the rate of 2 months per year) to match that for men (age 65). Early retirement for men and women (age 58 under current law) would be delayed by 4 years to age 62, but could still be possible under certain conditions for workers with low average annual incomes, provided they made social security contributions from ages 18 to 21. Although 65 would remain the official retirement age (workers can already defer receiving a pension until age 70), greater flexibility would be provided for exiting the labor force from ages 62 to 70; for example, workers would have the option at age 62 and older of working part time while drawing a partial pension. Secondly, the conversion rate for benefit calculation for second-pillar pensions (the proportion of worker lifetime contributions paid as an annual annuity) would gradually decline from the current 6.8 percent to 6.0 percent over a 4-year period (by 0.2 percent each year). To prevent pensions from falling below current levels (official estimates indicate that the lower conversion rate would reduce secondpillar pensions by 12 percent), the government recommends various compensatory measures, including subsidies for older workers and strategies to encourage second-pillar savings at younger ages. The third reform concerns funding the first-pillar pension. To close most of the expected financing shortfall of the first-pillar pension, a gradual increase in the value-added tax (VAT) from 8
- 12/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

superannuation

Superannuation

Guarantee (SG); and (2) abolish the age limit for making contributions to a superannuation account. These changes are meant to increase the level of retirement savings in the country as eligibility rules are tightened (beginning July 2014) for the Age Pension, the income- and asset-tested benefit funded by general revenues. According to government projections, by 2047, the percentage of Age Pension beneficiaries that receives a full benefit will fall from the current 75 percent to 50 percent. In addition, because life expectancy at birth is increasing (currently 79.7 years for men and 84.2 years for women, projected to rise to 85 years and 88 years, respectively, by 2056), people are more likely to spend more time in retirement and will require additional savings. The SG contribution rate will increase gradually from 9 percent of basic wages to 12 percent—by 0.25 percent annually from now to 2015, and by 0.50 percent annually from 2016 to 2019. According to government estimates, this measure will benefit some 8.4 million employees and will add some

A$500 billion (US$457 billion) in superannuation savings by 2035. The government also abolished the age limit for SG to encourage older workers to remain in the labor force and to give them more time to increase their retirement savings. Previously, employers could stop contributing on behalf of employees aged 70. These two measures are part of the government's tax reform that, beginning July 1, increased superannuation taxes for high earners and raised the threshold for tax-free contributions by older workers (aged 60 or older this year, aged 50 or older next year). Provisions of another major government initiative called Stronger Super—an overhaul of the superannuation system (including lower fees, simpler products, streamlined processes, and strengthened governance)—are being implemented in stages. Employee contributions to a superannuation fund are voluntary whereas employer contributions are mandatory. To encourage employees to contribute, the government provides a matching contribution (called co-contribution) of up to A$500 (US$457) for workers who earn from A$33,516 (US$30,609) to A$48,516 (US$44,309) a year. The government also provides a tax rebate of up to A$500 for lower earners. (No worker contribution is required.) As of March 31, 2013, total superannuation assets under management were A$1.58 trillion (US$1.44 billion). Bron: SSA, International Update Australia, July 2013, te consulteren via http://ssa.gov/policy/docs/progdesc/intl_update/201 3-07/index.html#australia.

fictief loon niet mee bij het bepalen van het loonplafond voor de pensioenberekening. Dit om te voorkomen dat werknemers met een totaal loon dat de loongrens overschrijdt, worden bevoordeeld tegenover werknemers bij wie dit niet het geval is. Het fictief loon dat beperkt is tot het gewaarborgd minimum jaarrecht wordt uitgesloten bij het bepalen van het loonplafond dat in aanmerking wordt genomen bij de berekening van het pensioen. Tegelijk worden de gelijkgestelde dagen waarvan het beperkt fictief loon in aanmerking werd genomen, uitgesloten van de teller van de breuk die men hanteert bij de bepaling van het loonplafond. Om een en ander toe te lichten bevat de memorie van toelichting bij de nieuwe wet een paar cijfervoorbeelden. Dit onderdeel van de wet van 24 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake pensioenen treedt retroactief in werking op 1 januari 2012. De regeling is van toepassing op de rustpensioenen die voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2013 ingaan, voor de kalenderjaren na 31 december 2011. Wet 24 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake pensioenen, BS 1 juli 2013. 8.2. Verzamelwet Pensioenen: overgangsregel voor vervroegd pensioen bij lange loopbaan De pensioenhervorming van eind 2011 heeft de voorwaarden voor vervroegd pensioen strenger gemaakt. De overgangsmaatregelen zorgden voor wat praktische problemen die nu worden aangepakt. Zo komt er onder andere een extra maatregel voor de zogenaamde ‘lange loopbanen’. Wie in december 2014 een lange loopbaan bewijst (40 jaar) en voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde van 60 jaar, zal zijn vervroegd pensioen kunnen opnemen, hoewel dat pensioen pas ingaat in januari 2015. Ook wie in 2015 een lange loopbaan bewijst (41 jaar) en voldoet aan de leeftijdsvoorwaarde van 60 jaar, zal zijn vervroegd pensioen kunnen opnemen, hoewel dat pensioen pas ingaat in januari 2016.

8. GELEZEN IN HET BELGISCH STAATSBLAD
8.1. Verzamelwet Pensioenen: waardering gelijkgestelde periodes pensioenberekening bijgestuurd De recente pensioenhervorming heeft ervoor

gezorgd dat men voor de waardering van bepaalde gelijkgestelde periodes bij de pensioenberekening teruggrijpt naar het ‘gewaarborgd minimum jaarrecht’. In de nieuwe regeling telt dit beperkt
- 13/22 -

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Dit onderdeel van de pensioenwet van 24 juni 2013 treedt retroactief in werking op 1 januari 2013. De regeling is van toepassing op de pensioenen die voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2013 ingaan. Wet 24 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake pensioenen, BS 1 juli 2013. 8.3. Verzamelwet Pensioenen: overgangsregeling overeenkomst bij vervroegd pensioen De pensioenwet van 24 juni 2013 verduidelijkt de overgangsregeling die de strengere regels voor het vervroegd pensioen verzacht voor werknemers die ontslag hebben genomen vóór 1 januari 2010 (55 jaar of loopbaan van 35 jaar) of die met hun werkgever een overeenkomst van vervroegde uittreding hebben afgesloten. Dit onderdeel van de wet treedt retroactief in werking op 1 januari 2013. De regeling is van toepassing op de pensioenen die voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2013 ingaan. Wet 24 juni 2013 houdende diverse bepalingen inzake pensioenen, BS 1 juli 2013. Zie ook: KB 11 juli 2013 tot wijziging van het koninklijk besluit van 26 april 2012 tot uitvoering, inzake het pensioen van de werknemers, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, BS 16 juli 2013. 8.4. Programmawet: verlaagd bijdragepercentage voor actieve gepensioneerde zelfstandigen Werken na de pensioenleeftijd is veel

8.5. Programmawet: bijverdienen wordt gemakkelijker voor gepensioneerden in overheidssector Parallel met de andere professionele stelsels

(werknemer en zelfstandigen), wordt onbeperkte cumul van een pensioen als overheidspersoneel met een beroepsinkomen mogelijk voor wie voldoet aan 2 voorwaarden: 65 jaar zijn en een loopbaan van 42 jaar hebben. Deze gepensioneerden in de overheidssector kunnen voortaan dus onbeperkt bijverdienen. Indien niet aan de voorwaarden voldaan is, blijft een inkomensgrens gelden. De sanctie bij een eventuele overschrijding (te hoge beroepsinkomsten) wordt echter afgezwakt. Voortaan zal er enkel nog sprake zijn van een volledige schorsing indien de drempel van de beroepsinkomsten met 25% wordt overschreden. Tot nu was dit 15%. Bovendien wordt die drempel vanaf 2014 geïndexeerd. Verder zorgt de nieuwe programmawet ook voor een aantal vereenvoudigingen. Zo zal voor wie in een kalenderjaar onderworpen is aan twee verschillende inkomensgrenzen in principe de meest gunstige drempel gelden. Dit onderdeel van de programmawet van 28 juni 2013 treedt globaal genomen retroactief in werking op 1 januari 2013, en is van toepassing op de op 31 december 2012 lopende pensioenen en cumulaties. De wetgever voorziet ook in een overgangsregeling. Indien de toepassing van de nieuwe regels tot gevolg heeft dat de pensioenbedragen die betrekking hebben op de periode tussen 31 december 2012 en 1 september 2013 verminderen, dan worden voor die periode de pensioenbedragen toegekend volgens de oude regels die van kracht waren op 31 december 2012. Art. 75-102 Programmawet van 28 juni 2013, BS 1 juli 2013. 8.6. Programmawet: Pensioenbonus De programmawet van 28 juni 2013 stemt het ‘aansporend effect tot voorzetting van de beroepsactiviteit’ in de drie professionele stelsels op elkaar af. De belangrijkste kenmerken van de nieuwe pensioenboni zijn identiek in de drie
- 14/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

aantrekkelijker geworden omdat de inkomensgrens onder bepaalde voorwaarden niet meer speelt. De programmawet van 28 juni 2013 zorgt er nu voor dat de afschaffing van die grens geen nadeel oplevert voor de nieuwe actieve gepensioneerde zelfstandigen op het vlak van sociale bijdragen. Dit onderdeel van de programmawet van 28 juni 2013 treedt retroactief in werking op 1 januari 2013. Art. 71-74 Programmawet van 28 juni 2013, BS 1 juli 2013

pensioenstelsels. Vooreerst wordt de pensioenbonus voor werknemers versterkt. Verder wordt het systeem afschaffing van de van pensioenbonus de voor meer voor zelfstandigen toegankelijk. Bovendien wordt de pensioenmalus zelfstandigen voltooid. In de overheidssector introduceert de wetgever een pensioenbonus, die het leeftijdscomplement vervangt. Hoe het nieuwe bonussysteem er in de praktijk zal uitzien, wordt later vastgelegd bij uitvoeringsbesluit. De voorwaarden, de aard en het bedrag van de bonus moeten nog worden vastgelegd. Het nieuwe bonussysteem voor werknemers en zelfstandigen zal van toepassing zijn op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2014, en enkel voor de tijdvakken die gepresteerd zijn vanaf 1 januari 2014. Hierbij dient echter bemerkt dat een KB ervoor kan zorgen dat het huidige bonussysteem ook na 31 december 2013 van toepassing blijft. Artt. 65-70, 112-113 Programmawet 28 juni 2013, BS 1 juli 2013. 8.7. Toezicht op pensioenfondsen afgestemd op Omnibus-I richtlijn Een KB van 29 april 2013 stemt de wet over het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (pensioenfondsen) af op de zogenaamde Europese ‘Omnibus I-richtlijn’ (richtlijn 2010/78/EU). Deze richtlijn regelt de werking van de drie Europese toezichthoudende autoriteiten voor de financiële sector: de Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten. Dit KB treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 31 december 2011. KB van 29 april 2013 tot wijziging van de wet van 27 oktober 2006 betreffende het toezicht op de instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen met het oog op de omzetting van Richtlijn 2010/78/EU, BS 20 juni 2013.

8.8. Bijverdienen wordt gemakkelijker voor gepensioneerde zelfstandigen In het regeerakkoord van 1 december 2011 is ‘vrijwillig werken na de pensioenleeftijd’ een van de pijlers van de pensioenhervorming. Dit item wordt binnen de pensioenregeling voor zelfstandigen uitgewerkt bij KB van 6 juni 2013. De beroepsinkomensgrens wordt afgeschaft voor gepensioneerden vanaf 65 jaar die al minstens 42 jaar gewerkt hebben (gemengde loopbaan inbegrepen). Onder die voorwaarden kan een pensioen voortaan onbeperkt gecumuleerd worden met een beroepsactiviteit. De hoofdregel dat een pensioen niet combineerbaar is met een loon uit arbeid, blijft uiteraard bestaan. De inkomensgrenzen blijven bestaan voor wie niet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voldoet. Bovendien worden de bedragen voortaan automatisch geïndexeerd. Indien de overschrijding van de inkomensgrens niet meer dan 25% bedraagt (in plaats van 15% in 2012), dan blijft de sanctie bovendien beperkt en staat het pensioenverlies in verhouding tot het percentage van de overschrijding. Boven de 25% verliest men zijn volledig pensioen. Het KB van 6 juni 2013 trad in werking op 1 januari 2013. De nieuwe regeling is voor het eerst van toepassing op de beroepsinkomsten van het jaar 2013, met uitzondering van de opzeggingsvergoedingen, afscheidsvergoedingen of ontslagvergoedingen (of elk als zodanig geldend voordeel). KB 6 juni 2013 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rusten overlevingspensioen der zelfstandigen, BS 18 juni 2013. 8.9. Bijverdienen wordt gemakkelijker voor gepensioneerde werknemers In het regeerakkoord van 1 december 2011 is ‘vrijwillig werken na de pensioenleeftijd’ een van de pijlers van de pensioenhervorming. Dit item wordt binnen de pensioenregeling voor werknemers uitgewerkt door een KB van 28 mei 2013.

- 15/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Werknemers met een beroepsloopbaan van 42 jaar (gemengde loopbaan inbegrepen) kunnen voortaan vanaf hun 65ste onbeperkt bijverdienen met behoud van hun pensioen. Voor gepensioneerden met een minder lange loopbaan blijven de inkomensgrenzen bestaan, afgerond. Het KB van 28 mei 2013 voert ook een aantal vereenvoudigingen door. Zo is het de bedoeling dat de manier drie zullen pensioendiensten toepassen. de (werknemers, Verder zal en de de zelfstandigen en ambtenaren) de regels op dezelfde aangifteplicht voor gepensioneerde maar het toegelaten inkomen uit bijkomende beroepsactiviteit wordt geïndexeerd en

8.12. Betaling en tarief jaarlijkse taks op kredietinstellingen, ICB’s en verzekeringsondernemingen De verzamelwet van 30 juli 2013 verhoogt de jaarlijkse taks die kredietinstellingen betalen als compensatie voor de Ze vrijstelling voert van de ook spaardeposito’s.

overgangsmaatregelen in voor de betaling van deze taks voor het jaar 2013 en voor de betaling van de jaarlijkse taks op de instellingen voor collectieve beleggingsinstelling (ICB’s) en op de verzekeringsondernemingen. Art. 70-76 Wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, BS 1 augustus 2013. 8.13. Wijziging verzekeringstaks De overdracht van reserves of afkoopwaarden van extralegale pensioentoezeggingen naar aanleiding van het faillissement of de vereffening van een verzekeringsonderneming of pensioeninstelling naar een gelijkaardige onderneming of instelling, wordt vrijgesteld van de verzekeringstaks (art. 1762, nieuw 15° WDRT). Art. 63-67 Wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, BS 1 augustus 2013. 8.14. Wijziging taks collectieve beleggingsinstelling, kredietinstelling en verzekeringsonderneming Het tarief van de jaarlijkse taks op de collectieve beleggingsinstellingen, kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen wordt verhoogd van 0,08% naar 0,965% met ingang van 1 januari 2013, en dan weer verlaagd naar 0,925% met ingang van 1 januari 2014. Art. 106 Wet van 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, BS 1 augustus 2013. 8.15. Stelsel werkloosheid met bedrijfstoeslag Het KB van 3 mei 2007 voerde een afwijkende regeling inzake SWT in voor ondernemingen in herstructurering bedrijfseenheid vanaf
- 16/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

werkgever in een aantal gevallen verdwijnen. KB 28 mei 2013 tot wijziging van diverse reglementaire bepalingen betreffende de cumulatie van een pensioen in de werknemersregeling met beroepsinkomsten of met sociale vergoedingen, BS 20 juni 2013 (ed. 2). 8.10. Roerende voorheffing collectieve beleggingsvennootschap De wet van 30 juli zorgt ervoor dat de roerende voorheffing op Belgische dividenden ook in hoofde van ingezeten niet beleggingsvennootschappen langer verrekenbaar in en principe

terugbetaalbaar is. Art. 52-55 Wet 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, BS 1 augustus 2013. 8.11. Interpretatieve bepaling levensverkeringsovereenkomst De wet tot interpretatie van artikel 97 WLVO beoogt een einde te maken aan de reeds twintig jaar durende controverse over de vraag of een levensverzekeringsovereenkomst al dan niet als een ‘kanscontract’ in de zin van het Burgerlijk Wetboek beschouwd gekwalificeerd. moet De wet worden te 19 juli van om als worden 2013 “levensverzekeringsovereenkomst” beantwoordt deze vraag ontkennend. Wet 19 juli 2013 tot interpretatie van artikel 97 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, BS 8 augustus 2013 (ed. 2).

die of

een

volledige

technische sluiten. begrip

activiteitensegment 2013 maar het

Omdat de nieuwe SWT regeling in werking trad 1 januari

'activiteitensegment' nog niet was gedefinieerd, traden er problemen op. Het KB van 10 juni 2013 zorgt nu voor de nodige aanpassingen. KB 10 juni 2013 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 mei 2007 tot regeling van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, BS 19 juni 2013. 8.16. WIB 1992 aangepast aan stelsel van ‘werkloosheid met bedrijfstoeslag’ Om duidelijk te stellen dat het brugpensioen een werkloosheidsregeling is en geen pensioenregeling, verving de ‘wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen’ de naam van het ‘brugpensioen’. Het stelsel heet betaalt in nu het ‘werkloosheid kader van met die bedrijfstoeslag’. De aanvullende vergoeding die de werkgever werkloosheidsregeling is een ‘bedrijfstoeslag’. Art. 8-11 en 23 Wet 17 juni 2013 houdende fiscale en financiële bepalingen en bepalingen betreffende de duurzame ontwikkeling, BS 28 juni 2013. 8.17. Structurele verhoging oudere pensioenen opnieuw uitgesteld De structurele verhoging van de pensioenen die vóór 15 jaar zijn ingegaan, wordt opnieuw met 2 jaar uitgesteld. Die pensioenen worden op 1 september dus niet met 2% verhoogd. KB 27 juni 2013 tot wijziging van artikel 7 van het koninklijk besluit van 9 april 2007 tot verhoging van sommige pensioenen en tot toekenning van een welvaartsbonus aan sommige pensioengerechtigden, BS 3 juli 2013. Zie ook: KB 9 april 2007 tot verhoging van sommige pensioenen en tot toekenning van een welvaartsbonus aan sommige pensioengerechtigden, BS 17 april 2007. 8.18. Sectorpensioenen KB 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 1 december 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de landbouw, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 februari 2008 betreffende de invoering van een sociaal sectoraal pensioenplan voor de arbeiders tewerkgesteld in de landbouw, BS 18 maart 2013.

KB 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 januari 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de rook-, pruim- en snuiftabak, BS 18 maart 2013. KB 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 maart 2009, gesloten in het Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap, tot vaststelling van het percentage van de bijdragen voor het jaar 2009 voor het fonds voor bestaanszekerheid genaamd "Sociaal Fonds 318.02 tot aanvullende financiering tweede pensioenpijler" en tot bepaling van de datum van aanvraag tot vrijstelling van de bedragen voor het jaar 2009, BS 18 maart 2013. KB 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 4 maart 2010, gesloten in het Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap, tot vaststelling van het percentage van de bijdragen voor het jaar 2010 voor het fonds voor bestaanszekerheid genaamd "Sociaal Fonds 318.02 tot aanvullende financiering tweede pensioenpijler" en tot bepaling van de datum van aanvraag tot vrijstelling van de bijdragen voor het jaar 2010, BS 2 augustus 2013. KB 1 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 januari 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de petroleumnijverheid en -handel, BS 2 augustus 2013. KB 12 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 2 februari 2012, gesloten in het Paritair Subcomité voor de diensten voor gezins- en bejaardenhulp van de Vlaamse Gemeenschap, tot vaststelling van het percentage van de bijdragen voor het jaar 2012 voor het fonds voor bestaanszekerheid genaamd "Sociaal Fonds 318.02 tot financiering tweede pensioenpijler" en tot bepaling van de datum van aanvraag tot vrijstelling van de bijdragen voor het jaar 2012, BS 7 augustus 2013. KB 12 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 21 februari 2012, gesloten in het Paritair
- 17/22 -

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Subcomité voor de socio-culturele sector van de Vlaamse Gemeenschap, tot vaststelling van het percentage van de bijdragen voor het jaar 2012 voor het fonds voor bestaanszekerheid genaamd "Sociaal Fonds 329.01 tot financiering tweede pensioenpijler" en tot bepaling van de datum van aanvraag tot vrijstelling van de bijdragen voor het jaar 2012, BS 7 augustus 2013. KB 12 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 februari 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de Vlaamse welzijnsen gezondheidssector, betreffende de vaststelling van het percentage van de bijdragen voor het jaar 2012 voor het fonds voor bestaanszekerheid genaamd "Sociaal Fonds 331 tot financiering tweede pensioenpijler" en tot bepaling van de datum van aanvraag tot vrijstelling van de bijdragen voor het jaar 2012, BS 7 augustus 2013. KB 13 maart 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 14 februari 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector van de ondernemingen die ressorteren onder het Paritair Comité voor de metaal-, machine- en elektrische bouw, met uitzonderingen van die ondernemingen die bruggen en metalen gebinten monteren, BS 4 juni 2013. KB 13 maart 2013 Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 maart 2012, gesloten in het Paritair Comité voor het drukkerij-, grafische kunst- en dagbladbedrijf, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 20 december 2001 houdende de oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid "Aanvullende Pensioenkas" genaamd en tot vaststelling van de statuten ervan, BS 4 juni 2013. KB 3 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 februari 2012, gesloten in het Paritair Subcomité voor de opvoedingsen huisvestingsinrichtingen en -diensten van de Vlaamse Gemeenschap, tot vaststelling van het percentage van de bijdragen voor het jaar 2012 voor het fonds voor bestaanszekerheid genaamd "Sociaal Fonds 319.01 tot financiering tweede pensioenpijler" en tot bepaling van de datum van aanvraag tot vrijstelling van de bijdragen voor het jaar 2012, BS 8 augustus 2013. KB 3 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 26 juni 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de
- 18/22 -

notarisbedienden, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 mei 2010 betreffende het aanvullend pensioen voor notarisbedienden gefinancierd door middel van repartitie, BS 14 augustus 2013. KB 3 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 juni 2012, gesloten in het Paritair Subcomité voor de terugwinning van metalen, betreffende de wijziging en coördinatie van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, BS 14 augustus 2013. KB 3 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 maart 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden der metaalfabrikatennijverheid, betreffende de wijziging van het reglement van de groepsverzekering die het sectorale pensioenstelsel uitvoert en van de sectorale technische nota, BS 14 augustus 2013. KB 3 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 februari 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende de sectorale pensioentoezegging voor de periode 2006-2010, BS 19 juni 2013. KB 3 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 september 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de metaalhandel, betreffende de wijziging en de coördinatie van de uitsluitingsvoorwaarden van het sociaal sectoraal pensioenstelsel, BS 5 augustus 2013. KB 17 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 oktober 2012, gesloten in het Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap of door de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de sociale werkplaatsen erkend en/of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, betreffende de sectorale pensioentoezegging voor het jaar 2011, BS 23 augustus 2013. KB 17 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 november 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, tot aanvulling van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 april 2008 tot vaststelling van de voorwaarden voor uitsluiting uit het toepassingsgebied van het sociaal sectoraal pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedingsnijverheid, BS 23 augustus 2013. KB 19 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10september 2012, gesloten in het Paritair

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

Comité voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, tot aanpassing van de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 april 2012 tot instelling van het stelsel van sectoraal aanvullend pensioen voor de bedienden uit de voedingsnijverheid, BS 4 juli 2013. KB 19 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 november 2009, gesloten in het Paritair Comité voor de voedingsnijverheid, tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 2004 tot aanduiding van de beheerder van het sociaal sectoraal aanvullende pensioenstelsel voor de arbeiders van de voedingsnijverheid en tot invoering van het solidariteitsreglement, BS 4 juli 2013. KB 19 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 14 oktober 2009, gesloten in het Paritair Subcomité voor het stads- en streekvervoer van het Waalse Gewest, betreffende het aanvullend pensioen, BS 4 juli 2013. KB 19 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 augustus 2012, gesloten in het Paritair Subcomité voor het bedrijf van de groeven van niet uit te houwen kalksteen en van de kalkovens, van de bitterspaatgroeven en ovens op het gehele grondgebied van het Rijk, ter instelling van het sectoraal sociaal aanvullend pensioenstelsel, BS 4 juli 2013. KB 19 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 6 september 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de schoonmaak, betreffende de verlenging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 februari 2009 betreffende het brugpensioen vanaf de leeftijd van 58 jaar met het oog op de bevordering van de tewerkstelling, BS 5 september 2013. KB 19 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 april 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de bedienden uit de scheikundige nijverheid, tot wijziging van artikel 6 van het reglement van het aanvullend sectoraal pensioenstelsel voor de scheikundige nijverheid gevoegd als bijlage 1 bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 augustus 2010 tot invoering van een aanvullend sectoraal pensioenstelsel voor de bedienden van de scheikundige nijverheid, BS 5 september 2013. KB 19 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 november 2010, gesloten in het Paritair Comité voor het vervoer en de logistiek, betreffende
- 19/22 -

de invoering van een sectoraal pensioenstelsel in de subsector van de verhuisondernemingen, meubelbewaring en aanverwante activiteiten, BS 5 september 2013. KB 22 april 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 18 juni 2012, gesloten in het Paritair Subcomité voor de haven van Antwerpen, "Nationaal Paritair Comité der haven van Antwerpen" genaamd, houdende invoering van de nieuwe reglementen van het sectoraal aanvullend pensioenstelsel voor de havenarbeiders van het algemeen contingent, het logistiek contingent en de vaklui, BS 28 augustus 2013. KB 8 mei 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de ondernemingen van technische land- en tuinbouwwerken, BS 18 juli 2013. KB 8 mei 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de handel in brandstoffen, BS 18 juli 2013. KB 23 mei 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector voor de landbouw, BS 4 juni 2013. KB 2 juni 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de uitzendkrachten in de sector van de bedienden van de voedingsnijverheid, BS 20 augustus 2013. KB 2 juni 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 13 november 2012, gesloten in het Paritair Comité voor de uitzendarbeid en de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, betreffende de pensioenpremie voor de

Leergang Pensioenrecht 2013-2014

uitzendkrachten in de sector voor tuinbouwbedrijf, BS 20 augustus 2013.

het

KB 15 juli 2013 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 15 februari 2011, gesloten in het Paritair Subcomité voor de beschutte werkplaatsen gesubsidieerd

door de Vlaamse Gemeenschap of door de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de sociale werkplaatsen erkend en/of gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, tot invoering van een sectoraal aanvullend pensioenstelsel, BS 30 augustus 2013.

Nummer 1 afgesloten op 10 september 2013
www.law.kuleuven.be/leergangpensioenrecht
Deze niet periodieke nieuwsbrief is verbonden aan de leergang pensioenrecht en wordt in functie van recente ontwikkelingen opgesteld. Het doel is de studenten te informeren over de allerlaatste ontwikkelingen in het pensioenrecht in zijn meest ruime benadering. De nieuwsbrief is verwijzend en moet de studenten op pad zetten naar nieuwe bronnen. De redactie berust integraal bij Yves Stevens en Leen Van Assche. Zowel studenten als docenten in de leergang pensioenrecht zijn vrij om suggesties te geven naar de inhoud. Reacties zijn welkom yves.stevens@law.kuleuven.be of leergangpensioenrecht@law.kuleuven.be. De nieuwsbrief “Leergang pensioenrecht” is erkend als juridisch tijdschrift in de zin van art. 280,5° van het wetboek der registratie, hypotheek en griffierechten – erkenningsnummer E.L. 911/1021/135.

- 20/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

OMBUDSMAN PENSIOENEN
OMBUDSMAN PENSIOENEN: INGANGSDATUM VAN EEN WETTELIJK PENSIOEN IS NU EEN ENIG CONCEPT!
Een vastbenoemde leerkracht had zijn pensioen door middel van een pensioenaanvraag officieel aangevraagd met als ingangsdatum de maand volgend op zijn 65ste verjaardag, zijnde 1 september 2009 (en had dus niet enkel een raming van zijn pensioenbedrag laten maken). Na het ontvangen van zijn pensioenbeslissing beslist de leerkracht dit overheidspensioen niet te laten uitbetalen daar hij contractueel verder bleef werken. Na het einde van het schooljaar in september 2010 wenst de leerkracht met pensioen te gaan. Ondanks het feit dat hij van januari 2010 tot en met augustus 2010 nooit een pensioen ontvangen heeft, meldt PDOS hem dat hij de grens van wat een gepensioneerde nog mag bijverdienen voor 2010 overschreden heeft. PDOS meldt hem dan ook dat zijn pensioen pas kan betaald worden vanaf januari 2011. De leerkracht heeft dus 4 maanden geen enkele bron van inkomsten en dient hierover een klacht in bij de Ombudsman Pensioenen. Een gepensioneerde mag maar een beroepsactiviteit uitoefenen als de inkomsten die daaruit voortvloeien de wettelijk toegelaten grens niet overschrijden. Indien de inkomsten de wettelijk toegelaten grens met 25% of meer overschrijden (destijds 15%), is het pensioen niet betaalbaar. De inkomsten dienen beperkt te worden vanaf de ingangsdatum van het pensioen. In het stelsel der werknemers is in artikel 3 bis KB nr. 50 duidelijk bepaald dat de ingangsdatum van het pensioen de datum is waarop het pensioen voor de eerste keer effectief betaald wordt. Voor een werknemer die bijvoorbeeld in september 2010 met pensioen gaat, worden enkel de inkomsten die hij verdiend heeft gedurende de maanden september tot en met december 2010 in aanmerking genomen om te toetsen aan het wettelijk toegelaten pro rata grensbedrag (4/12 van de jaargrens vermits betrokkene gedurende 4 maanden zijn pensioen effectief genoten heeft en tegelijkertijd gewerkt heeft). Een dergelijke expliciete bepaling bestaat niet in de regeling voor zelfstandigen: doch vermits het artikel in het stelsel der werknemers door de wet van 15 mei 1984 houdende harmonisering van de pensioenregelingen is ingevoerd, interpreteert het RSVZ het concept “ingangsdatum” op dezelfde wijze als de RVP. In de wetgeving op de overheidspensioenen is evenmin een bepaling terug te vinden die expliciet stelt dat een pensioen dat nooit in betaling is gegaan, nooit is ingegaan. Doch de PDOS beschouwde de datum waarop het pensioen wordt toegekend (zijnde de door de gepensioneerde gewenste ingangsdatum op de pensioenaanvraag) als ingangsdatum van het pensioen, ook al wordt het pensioen niet uitbetaald. De inkomsten dienden dan volgens PDOS ook beperkt te worden tot de toegelaten grens vanaf de toekenning van het pensioen, in casu reeds vanaf 1 september 2010. Hierdoor had de leerkracht de wettelijk toegelaten grens van 2010 overschreden gelet op zijn inkomsten verdiend van januari tot en met augustus 2010 waardoor het pensioen voor het ganse jaar niet kan betaalbaar gesteld worden. De Ombudsman Pensioenen kan zich hierin niet vinden en stelt dat de verschillende interpretaties van het concept “ingangsdatum van het pensioen” de rechtszekerheid op het gebied van werken naast pensioen op het spel zetten. Dit verschil in behandeling tussen de gepensioneerden in de openbare sector en deze in de privé sector (werknemers en zelfstandigen) is niet te rechtvaardigen. Vermits PDOS niet te overtuigen was van de andere interpretatie van het concept “ingangsdatum van pensioen” vaardigde de Ombudsman Pensioenen in maart 2010 een aanbeveling uit om dit concept in de wet in de overheidssector te verduidelijken zodat er een einde komt aan de discriminatie tussen gepensioneerden in de openbare sector en de privé-sector . De nieuwe wetgeving van werken naast het pensioen komt aan deze aanbeveling van de Ombudsman Pensioenen tegemoet: zo stelt artikel 87 van de Programmawet van 28 juni 2013 dat voor de toegelaten activiteit ook het overheidspensioen wordt geacht pas te zijn ingegaan wanneer het voor de eerste maal wordt betaald. Zie ook Jaarverslag Ombudsdienst Pensioenen 2009, p. 121.

- 21/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

PENSIOENOPINIE
bedenkingen bij recente evoluties
Suprematie, rechtsvinding of gewoon Kafka?
Tsjechië kent geen tweede pijler. Er zijn met andere woorden geen aanvullende pensioenen waarvan de uitkering verband houdt met een beroepsactiviteit als werknemer of zelfstandige. Vanuit een Belgische bril kent Tsjechië alleen maar een eerste en derde pijler. Reeds in 2010 werd Tsjechië veroordeeld voor het niet omzetten van de zogenaamde IBP richtlijn. Deze richtlijn voorziet in een raamwerk waarbinnen instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen binnen Europa kunnen opereren. De redenering van het Europees Hof van Justitie was markant. Zelfs indien er volgens de toepasselijke nationale regelgeving geen enkele instelling voor bedrijfspensioenvoorziening rechtmatig in Tsjechië kan worden gevestigd - vanwege het ontbreken van een tweede pijler in het nationale pensioenstelsel - dan nog is deze lidstaat verplicht om de bepalingen van de IBP richtlijn in intern recht om te zetten. Het kwam er met andere woorden op neer dat Tsjechië in zijn wetgeving een kader moest creëren voor het geval ze misschien ooit een tweede pijler zouden creëren. Ondertussen heeft Tsjechië dergelijk kader gecreëerd maar is er nog steeds geen tweede pijler. Maar zoals u in deze nieuwsbrief kan lezen (hoofding nr. 1.1.) is Tsjechië op 18 juli jl. alsnog veroordeeld voor de gedeeltelijke niet-tijdige omzetting van de richtlijn in Tsjechisch recht. Zoals te verwachten heeft zowel het arrest van 2013 als het vorige arrest van 2010 heel wat stof doen opwaaien binnen Europese gremia. De visies rond de Tsjechische veroordeling zijn op zijn zachtst gesteld “divers” om niet uiteenlopend te zeggen. Persoonlijk onderken ik grosso modo drie grote visies op de twee arresten. Volgens de eerste strekking is het arrest een aanval op de nationale bevoegdheid om zelf naar eigen nationaal goeddunken - de sociale zekerheid te organiseren. Het Europees Hof miskent de sociale identiteit van een lidstaat. Hier valt zeker iets voor te zeggen. Het Europees recht bepaalt immers duidelijk dat lidstaten zelf het recht hebben om de fundamentele beginselen van hun socialezekerheidsstelsel vast te stellen (art. 153 VWEU, lid 4). De keuze om wel of niet een tweede pijler in te richten lijkt mij toch tamelijk fundamenteel als keuze. Het Europees Hof van Justitie denkt daar duidelijk anders over. Dit levert dan ook de veel gehoorde klaagzang op dat het Europees Hof wederom het economisch denken laat primeren op het sociaal bestel. Deze strekking is ondertussen als het ware klassiek te noemen. Sinds de jaren 1980 klagen sociaal juristen te pas en te onpas aan dat de rechtspraak van het Europees Hof te weinig sociaal georiënteerd is. Een tweede strekking is strikt juridisch. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat richtlijnen omgezet moeten worden naar intern recht zelfs als er geen enkel nationaal kader is. Niets kan een lidstaat als het ware ontheffen van zijn plichten. Dura lex, sed lex. Voor deze strekking valt zeker ook iets te zeggen. De Europese Unie probeert immers binnen de lidstaten zo min mogelijk uitzonderingsregimes te laten bestaan. De redenering is duidelijk dat er binnen een economische ééngemaakte markt zo min mogelijk obstakels moeten zijn. Zelfs als die denkbeeldig blijken te zijn. De derde strekking is eerder berustend. Het Europees Hof is wereldvreemd en veroordeelt een lidstaat voor de niet-omzetting van een richtlijn die van generlei waarde is in die lidstaat. Dat die lidstaat ondertussen wel degelijk een (leeg) kader heeft gecreëerd, doet er zelfs niet meer toe voor het Hof. Een administratieve boete wordt opgelegd omdat men de regels niet gevolgd heeft. Ook voor deze derde visie op de zaak valt iets te zeggen. Men kan er evenwel echt niet omheen dat de regeling voor Tsjechië iets buitengewoon kafkaësk heeft. Net zoals in Het Proces is er immers sprake van een obsessieve schuldvraag waarbij schimmige rechters ondergedompeld in een vreemd bureaucratisch gegeven overgaan tot het uitbrengen en uitvoeren van een soort doodsvonnis. Alle drie de strekkingen zijn zeker verdedigbaar maar het is de laatste die veruit de gevaarlijkste is. Ze baadt namelijk in een sfeer van collectieve apathie voor de Europese Unie. En dat in het Europees jaar van de burger (www.youreurope.be/). YS

- 22/22 Leergang Pensioenrecht 2013-2014

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->