P. 1
Hoofse Liefde

Hoofse Liefde

|Views: 3,641|Likes:
Published by Nienke Krook
Profielwerkstuk Middelbare School (vwo) over de Hoofde Liefde
Profielwerkstuk Middelbare School (vwo) over de Hoofde Liefde

More info:

Published by: Nienke Krook on Jan 13, 2010
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

01/16/2013

pdf

text

original

Hoofse Liefde

0

Verantwoording
Dit werkstuk is gemaakt door: Nienke Krook en Lisa Mol Klas 6 VWO 2001

De vakken die we gecombineerd hebben zijn: Nederlands en Geschiedenis

Inleverdatum: 8 december 2000

Onze begeleiders waren: dhr. Oosterhoff (gs) en dhr. Uppelschoten (ne)

1

Voorwoord
Wij willen graag de volgende mensen en instanties bedanken voor hun geweldige support en medewerking: Cees van de Neut, voor zijn immer voortvloeiende stroom van inspiratie en informatie.

Ben Visser, voor zijn zeer verhelderende uitleg, en zijn hulp bij het in goede banen leiden van dit onderzoek.

Onze ouders, voor het ter beschikking stellen van de benodigde elektronica, proviand en mentale steun. Nienke‟s moeder voor het heen en weer rijden tussen de bibliotheek in Diemen, de Bijlmer en de Prinsengracht. En voor het kopen van mooi papier.

De mediatheek van het Goois Lyceum.

Joris en Reinout, voor het tijdig repareren van de scanner.

Maartje, voor maken van de foto‟s, die helaas toch overbodig bleken.

Het Internet, voor het verstrekken van geschikte afbeeldingen.

En alle andere mensen die op hun geweldige manier ons gesteund hebben.

2

Inhoudsopgave
Hoofdstuk
Verantwoording Voorwoord Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1: De Hoofse Liefde Hoofdstuk 2: De situatie in Europa destijds Hoofdstuk 3: Het ontstaan van de Hoofse Liefde Hoofdstuk 4: De groepen die een rol speelden bij de Hoofse Liefde Hoofdstuk 5: De Literatuur tijdens de Middeleeuwen Hoofdstuk 6: De waarde van die literatuur tegenwoordig Conclusie Literatuurlijst

Pagina
1 2 3 4 5-9 10-17 18 19-21 22-28 29-30 31 32-33

3

Inleiding
Aangezien wij beiden geïnteresseerd zijn in geschiedenis, en dan met name in de Middeleeuwen, hebben wij de keuze van ons onderwerp aan deze periode gerelateerd. De relatie met een literair onderwerp was snel gelegd, doordat de oorsprong van de hedendaagse Nederlandse literatuur in de Middeleeuwen ligt. Na enkele voorstudies bleek dat er in de Middeleeuwen een rijkelijk bloeiende dichtcultuur was. Het onderwerp van deze dichtwerken was dikwijls de adoratie van de man tegenover de vrouw. Wij zijn ons verder gaan verdiepen in de cultuur die achter deze dichtwerken school. Op deze manier zijn wij op het onderwerp “Hoofse Liefde” gekomen. Wij hebben ons onderwerp wegens beperkte tijd moeten afbakenen. Daarom hebben wij ons binnen de literatuur de nadruk gelegd op de Dietse literatuur. Tevens hebben wij getracht een korte schets te geven van de situatie in Europa destijds te geven Na ons onderwerp te hebben gespecificeerd, zijn wij tot de volgende probleemstelling gekomen:

Hoe werd de Hoofse Liefde in de Middeleeuwen geuit en wat is de historische waarde van de Hoofse Liefde in de moderne literatuur?
Deze probleemstelling hebben wij vervolgens onderverdeeld in de volgende deelvragen:

1. 2. 3. 4.

5. 6.

Wat is de Hoofse Liefde? Hoe was de situatie in Europa destijds? (economisch, cultureel, geografisch) Hoe is de Hoofse Liefde ontstaan? Welke verschillende groepen spelen een rol in de Hoofse Liefde?  Wat is de rol van de vrouwe in de Hoofse Liefde?  Wat is de rol van de troubadour in de Hoofse Liefde?  Wat is de rol van de ridder in de Hoofse Liefde? Welke literatuur kwam tijdens deze periode tot stand? (met de nadruk op de Middelnederlandse Lyriek) Welke waarde heeft de Hoofse Liefde in de moderne literatuur?

Deze deelvragen zijn elk behandeld in een apart hoofdstuk. Wij hebben met veel plezier aan dit onderzoek gewerkt en wij hopen dat het resultaat met evenveel plezier zal worden gelezen.

4

Deelvraag 1
Wat is de Hoofse Liefde?
Sijns selfs verghit Ende al dat sit Bineden Got, Een hert vervleten En kan vergheten Doch liefs gebot anoniem (Een hart dat gloeit van liefde vergeet zichzelf en al het geschapene. Alleen het gebod der liefde kan het niet vergeten) Zoals uit dit fragment blijkt, gaat het bij de Hoofse Liefde om het gehoorzamen van de minnaar aan de aanbedene. De minnaar geeft zich geheel over aan de aanbedene, zichzelf daarbij vergetend. In naam van de vrouwe wordt de ene na de andere heldendaad verricht. Alles om in de gunst te komen en te blijven. Maar er waren verschillende manieren om bij een vrouwe in de gunst te komen. Als jongeling die nog niet geridderd was, kon er niet van je verwacht worden dat je de ene na de andere heldendaad zou doen en een groot aantal overwinningen op je naam had staan. Je kon dan bijvoorbeeld bloemen plukken voor de vrouwe of haar andere kleine gunsten bewijzen. Op die manier kon je in ieder geval in de gunst komen en bij haar in dienst blijven nadat je geridderd was.

ridde sche zijn dame e n hartje van ro r nkt e bijn Ook troubadours hadden niet de mogelijkheid om via heldendaden in de gunst te komen. Zij kwamen in de gunst door het voordragen van hun gedichten. Menig gedicht is er geschreven ten name van de vrouwe van een troubadour. Troubadours waren onder andere om die reden heel erg populair aan de hoven. Zij zorgen voor het vermaak en komen de roem van een vrouw tot astronomische hoogte laten stijgen door het ene na het andere liefdesgedicht te schrijven. 5

Er is een legende van een man die verliefd werd op de hertogin van Tripoli, nadat hij de verhalen over had gehoord. Hij had de dame in kwestie nog nooit gezien, maar besloot de reis naar Tripoli te ondernemen om in haar omgeving te zijn en haar wellicht nog te zien. Helaas, onderweg werd hij besmet met een dodelijke ziekte en kwam meer dood dan levend aan in Tripoli. Terwijl hij stervend in een herberg lag hoorde de hertogin van haar opmerkelijke aanbidder en kwam hem in allerijl opzoeken. Toen zij binnenkwam glimlachte hij gelukzalig en stierf toen zij hem in haar armen nam.

Maar wat is die hoofse liefde nou precies?
Het begrip „hoofse liefde‟ is pas in de 19e eeuw in gebruik genomen. Voor die tijd bestond er geen begrip voor de omgang tussen een minnaar en zijn vrouwe. De Hoofse Liefde bestond voornamelijk uit een aantal gedragsregels, waaraan de geliefden zich moesten houden wilden zij een Hoofse Liefde hebben. Andreas Capellanus heeft een aantal van deze regels opgesteld:

De wetten van de Liefde:
1. Gij moet elke vorm van inhaligheid mijden als de pest en eerder het tegendeel ervan omhelzen. 2. Gij moet uzelf ongerept bewaren ter wille van de dame van wie gij houdt. 3. Gij moet de liefdesrelatie van een ander niet met opzet verstoren. 4. Iemand die uit een natuurlijk en spontaan schaamtegevoel niet met u kan trouwen, moet gij niet tot voorwerp van uw liefde kiezen. 5. Hoedt u voor elke vorm van onoprechtheid. 6. Maak van uw liefde geen publiek discussiestuk. 7. Hoewel gij in alle verlangens van de dames moet voldoen, moet gij toch vooral een hoofse dienaar van de Liefde zelf wezen. 8. Discretie zij uw trouwe gezel bij liefkozingen. 9. Gij zult niet kwaadspreken 10. Liefdesrelaties zult gij niet aan de grote klok hangen 11. Wees in elke situatie hoofs en voornaam 12. Forceer uw liefste nooit bij de vertroostingen van het liefdesspel Opvallend hierbij is de logische gevolgtrekking dat een relatie altijd op een huwelijk uitloopt, aangezien Capellanus waarschuwt voor een relatie waar geen huwelijk uit voort kan komen. De gangbare definitie van het begrip Hoofse Liefde, opgesteld door Gaston Paris 1883, was opgebouwd uit vier kenmerken:

1. De Hoofse Liefde is onwettig, illégitime, en is daarom aangewezen op heimelijkheid. Zij omvat de volle lichamelijke overgave. 2. De Hoofse Liefde wordt verwezenlijkt in de onderwerping van de man, die zichzelf als dienaar van zijn vrouwe ziet en de wensen van zijn gebiedster probeert te vervullen. 3. De Hoofse Liefde eist van de man het streven om beter en volmaakter te worden en daardoor nog waardiger voor zijn vrouwe. 4. De Hoofse Liefde is „een kunst, een wetenschap, een deugd‟ (un art, une science, une vertu) met eigen spelregels en wetten die de geliefden moeten beheersen.
(Uit: Joachim Bumke, „Hoofse Cultuur‟)

6

Ook Andreas Capellanus, een middeleeuws schrijver, auteur van „De Amore‟ wat werd beschouwd als het standaardwerk op het gebied van de Hoofse Liefde, had zo zijn eigen ideeën over de Hoofse Liefde. In zijn boek De Amore stelt hij de Liefde voor als een liefdespaleis met drie toegangen; voor de eerste staat een groep met vrouwen die naar de Liefde luisteren, zonder daarbij zich door begeerte te laten leiden. Voor de tweede poort staat een groep vrouwen die niets van de liefde willen weten. Voor de derde poort staat een groep vrouwen die zich slechts door begeerte laten leiden. Alleen de eerste groep wordt door de ridders en de troubadours bemind en gerespecteerd. Hun faam strekt zich uit tot alle hoven van Europa en zij worden geroemd om hun gedrag. De schrijvers van de beroemde Roman de la Rose, een boek dat praktisch gezien werd als de bijbel van de Hoofse Liefde, Guillaume de Lorris en Jean de Meun, hebben allebei hun eigen visie op de Hoofse Liefde. Dat is juist opmerkelijk omdat zij beiden het boek hebben geschreven en zo twee verschillende opvattingen hebben gecombineerd. Het boek is dus voor iedereen bruikbaar; er waren teksten voor verschillend gebruik. Guillaume de Lorris was een aanhanger van het oude Hoofse ideaal. Hij stelt de liefde voor als een droom. Zijn verhaal begint als hij op een mooi meimorgen „opstaat‟ en naar buiten gaat om de nachtegaal en de leeuwerik te horen. Tijdens zijn wandeling komt hij langs een rivier tot bij de muur van de legendarische Tuin der Liefde. Op de muur zijn afbeeldingen geschilderd van Haat, Verraad, Hebzucht, Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (overdreven vroomheid) en Armoede: alle antihoofse eigenschappen. Maar Nietsdoen, een vriendin van Vermaak, doet de poort voor hem open waarna hij naar binnen gaat. Daarbinnen dansen Blijheid, de Liefdesgod, Schoonheid, Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid, Hoofsheid en Jeugd. De Lorris gaat naar de Narcissusfontein, waar hij een rozenknop bewondert. Terwijl hij die bewondert schiet de Liefdesgod met pijlen op hem: Schoonheid, Gezelschap, Eenvoud, Hoofsheid en Schone Schijn. De dichter is vanaf dat moment in dienst van de Liefde en de Liefdesgod laat hem de geheimen en regels der Liefde zien. De Lorris wil terug gaan naar de rozen, maar stuit op de bewakers van de roos: Gevaar, Slechtspraak, Angst en Schaamte, en verdrijven hem. De Lorris krijgt nog éénmaal de kans om de roos te kussen, maar Slechtspraak vertelt dit aan Jalousie, die een hoge muur om de roos laat bouwen. Gevaar en zijn gezellen bewaken de roos, waarna de dichter niets anders meer kan doen dan jammeren, waarmee ook het boek eindigt. Jean de Meum heeft het verhaal echter voortgezet en er een ander slot aan bevestigd. Hij laat de dichter samen met het liefdesleger ten strijde trekken, nadat zij allen de eed hebben gezworen dat noch de mannen, noch de vrouwen kuis zijn. Hiermee geeft hij dus aan dat hij niet in de ware en vooral trouwe liefde gelooft, in tegenstelling tot De Lorris, die nog aan de oude idealen van de Hoofse Liefde vast houdt. Uiteindelijk wint het liefdesleger van Venus de veldslag en mag de dichter de roos plukken. Dit is natuurlijk heel erg dubbelzinnig. Het geeft ook een ontwikkeling aan binnen de Hoofse Liefde; van het denkbeeld dat alleen pure en kuise liefde Hoofse Liefde is, naar het denkbeeld dat ook een seksuele relatie onder de Hoofse Liefde valt.

7

De tuin der Liefde Sinds de afgelopen honderd jaar zijn wetenschappers steeds meer gaan twijfelen aan de juistheid van het begrip Hoofse Liefde. Zij gaan er niet meer van uit dat de definitie die in „De Amore‟ wordt gegeven de enige juist is, aangezien de werken van andere Hoofse dichters nu ook nader bekeken werden. Zo stuitten zij op steeds meer tegenstellingen in de literatuur. Het is heel moeilijk een juiste, alomvattende definitie te bepalen omdat het begrip Hoofse Liefde een vage aanduiding is van een cultuur die vooral tijdens de hoge en de late middeleeuwen opkwam. Wetenschappers zijn er nog steeds niet helemaal over uit wat de juiste definitie is van de term Hoofse Liefde. Dit komt onder andere door het feit dat in de middeleeuwse manuscripten zoveel tegenstrijdige informatie wordt gegeven. Mag een hoofse relatie ook een seksuele relatie zijn of werpt dat juist een smet op de Hoofse Liefde? Was de Hoofse Liefde iets dat uitsluitend aan de adel was voorbehouden of kwam het ook voor dat er mensen van lagere afkomst ook bij betrokken werden? De Hoofse Liefde is eigenlijk het resultaat van allerlei gedragsregels die aan het hof golden. De ridders werden geacht goede daden te verrichten om de maatschappij te verbeteren. Deze goede daden werden vaak voor een vrouwe verricht. Al denkende aan zijn vrouwe, vergat de ridder / minnaar zichzelf en deed hij alleen nog maar goede dingen. Er zijn schrijvers, zoals Andreas Capellanus in zijn boek De Amore, die zo ver gaan te beweren dat al het goede dat door levenden gedaan wordt, uit liefde voor vrouwen gedaan wordt, om hun gunsten te winnen en lofprijzingen te verkrijgen, zonder welke het leven niet echt de moeite waard is. Er worden door Andreas Capellanus nogal wat eisen gesteld aan de hoofse minnaar:

“ Wie waardig geacht wil worden te strijden in het leger der liefde, moet in de eerste plaats geen spoor van gierigheid vertonen, maar met gulle hand geven en in deze edelmoedigheid zo mogelijk iedereen laten delen”
Een hoofse ridder moet op zowel materieel vlak als op moreel vlak gul zijn. Als hij echt volgens de hoofse regels wil beminnen, moet hij zijn heer eerbiedigen, nooit scheldwoorden waarbij de naam Gods ijdel gebruikt wordt in de mond nemen (godverdomme is natuurlijk uit den boze), altijd bescheiden zijn (of in ieder geval doen alsof), iedereen van dienst zijn, van niemand 8

kwaadspreken (roddelaars hebben geen toegang tot de hoofsheid), niet liegen en niemand bespotten, vooral niet als de persoon in kwestie medelijden verdient in plaats van hoon, ruzies vermijden, en zijn best doen om ruzies te beslechten. Als ontspanning is dobbelen toegestaan, mits met mate, maar een goed boek, studie of een voordracht van een heldenverhaal wordt toch als een beter tijdverdrijf gezien. Ook moet hij moedig en vindingrijk zijn. Hij moet monogaam zijn ten opzichte van zijn vrouwe en haar ook werkelijk toegewijd zijn. Hij mag zich niet opzichtig kleden, hij moet verstandig zijn en vriendelijk tegen iedereen.

De relatie
Maar tot hoever mocht deze relatie dan gaan? Mochten de geliefden wel of geen seksuele relatie hebben? Hierover verschillen de meningen. Volgens Joachim Bumke, auteur van „De Hoofse cultuur‟ was het niet meer dan vanzelfsprekend dat de geliefden ook een seksuele relatie hebben. “ Hoofse Liefde kon een onvervulde liefde zijn, kon echter ook worden verwezenlijkt in zinnelijk genot” Christopher Frayling, auteur van „ de fascinerende middeleeuwen‟ is het hier echter niet mee eens. In zijn boek stelt hij de hoofse liefde voor als: “gebaseerd op de liederen en lyrische liefdesgedichten van de troubadours van Zuid-Frankrijk. Hier uitte de ware mannelijkheid zich door de (meestal onbereikbare) vrouw te respecteren in plaats van haar te proberen te „veroveren‟.” Over seksuele relaties schrijft hij: “ Op een ander niveau (van de liefde) was het pure seksuele liefde” Maar ook maakt hij nog twee andere onderscheiden in de liefde: “Op weer een ander niveau was de liefde een spiegelbeeld van de liefde van de koningin in de hemel (…) Op nog weer een ander niveau was het een soort gemeenschapsgeest, waarin de persoonlijke en communale gevoelens zich verenigden ter ondersteuning van de rechtvaardigheid en de gemeenschapsliefde. Hij maakt dus duidelijk een onderscheid tussen hoofse, vleselijke en geestelijk liefde en liefde voor je medemens. Hij haalt ook Dante aan, aangezien Dante in een later stadium van zijn leven tot het inzicht komt (naar men zegt) dat alle minnaars in de hel verkeren omdat ze liefde met wellust verwarren, liefde met begeerte en liefde met zelfbedrog. Er zijn dus duidelijk twee meningen ten opzichte van het begrip Hoofse Liefde. Beide partijen zijn het er over eens dat Hoofse Liefde een pure vorm van liefde is. De minnaar respecteert zijn vrouwe en doet alles wat zij hem opdraagt te doen, in tegenstelling tot het begin der middeleeuwen toen de vrouw slechts een „meubelstuk‟ was dat naar willekeur kon worden weggeven of toegeëigend. Mogen de minnaars wel of geen seksuele relatie hebben; is de beloning voor de minnaar het liefhebben zelf of mag hij meer verwachten? Over dit vraagstuk zijn de wetenschappers het niet eens, mede dankzij de inconsequentheid van de middeleeuwse manuscripten. Er doen verhalen de ronde over minnaars die boos wegliepen bij hun vrouwe omdat zij hen weigerde te geven wat zij verlangden, en vervolgens direct hun diensten aanboden aan andere vrouwen. Maar er zijn ook verhalen over minnaars die hun hele leven trouw bleven aan één en dezelfde Wij houden als definitie aan: de Hoofse Liefde is het aanbeden worden van een vrouwe door een man, die omwille van haar heldendaden verricht om slechts een glimlach als beloning te krijgen vrouw zonder daar iets voor terug te krijgen (hoewel dit uitzonderlijk is aangezien de minnaars meestal na verloop van tijd toch wel hun beloning kregen.

9

Deelvraag 2
Hoe was de situatie in Europa destijds?
Vroege Middeleeuwen Hoge Middeleeuwen Late Middeleeuwen

500 n.Chr.

1000

1300

1500

Wie de maatschappelijke achtergrond van de Hoofse cultuur en literatuur wil begrijpen, moet om te beginnen wat weten over de opbouw en de structuur van de Middeleeuwse maatschappij. Overgang Romeinse tijd – Middeleeuwen In de eerste eeuwen van onze jaartelling hoorde West-Europa tot het grote West-Romeinse Rijk. Maar in de 3e en 4e eeuw na Christus begon dit keizerrijk in verval te raken. Aan de noordgrens ervan ontstonden allerlei Germaanse koninkrijkjes, waarvan er een steeds machtiger werd: dat van de Franken. De Franken

Naam
Hun naam betekent „moedig‟ of „stoutmoedig‟, het soort naam dat oorlogsbenden wel eens gebruikten om zichzelf te beschrijven. Deze naam klinkt het geloofwaardigst wat betreft de oorsprong van de Franken: namelijk groepen avonturiers die zich verenigden om de benedenRijngrens van het Romeinse Rijk aan te vallen.

Oorsprong
Oorspronkelijk woonden de Franken in het gebied tussen de Maas en de Rijn, maar in de tijd van Karel de Grote, die de Karolingische tijd genoemd werd, (768-814) was het Frankische rijk bijna even groot geworden als vroeger het West-Romeinse: het strekte zich uit van Spanje tot Polen en van Italië tot aan de Noordzee.

10

Het feodale stelsel Bestuur
Dit enorme gebied werd bestuurd door middel van het feodale stelsel of leenstelsel. De koning, de leenheer, gaf grote delen van het rijk in leen aan leden van de adel, de leenmannen. Deze bestuurden hun gebied in zijn naam en mochten de opbrengsten ervan houden. Als tegenprestatie beloofden de leenmannen trouw aan de koning en hielpen ze hem het rijk te verdedigen tegen vijanden. Vaak ging dit systeem nog een stap verder: de grote leenmannen gaven delen van hun gebied weer in leen aan onderleenmannen. Het Frankische rijk was dus geen centraal geregeerde staat zoals moderne landen. Het was een verzameling van min of meer onafhankelijke staatjes die slechts door het persoonlijke gezag van de koning werden bijeengehouden. Na de dood van Karel de Grote werd het Frankische rijk verdeeld in drie delen. De huidige Nederlanden vallen grotendeels toe aan het "middenrijk' van Lotharius, behalve Vlaanderen dat bij West-Frankenland komt. Dit westelijke deel ontwikkelde zich later tot het centraal geregeerde koninkrijk Frankrijk. Het oostelijke deel bleef versnipperd in kleine vorstendommen die samen het Duitse Rijk vormden. Pas aan het einde van de 19e eeuw smelten deze vorstendommen samen tot het centraal geregeerde Duitsland. Nederland en België Het huidige Nederland en België bestonden in de Middeleeuwen uit diverse graafschappen (bijvoorbeeld Vlaanderen en Holland) en hertogdommen (Brabant en Gelre); de meeste daarvan hoorden tot het Duitse rijk. Tegen het einde van de Middeleeuwen gingen deze staatjes, „de Nederlanden‟ steeds meer een eenheid vormen. In de Nederlanden kwam in de late Middeleeuwen naast Vlaanderen (Brugge en Gent) ook Brabant (Brussel, Antwerpen) naar voren als een belangrijk centrum van economie en cultuur. Na de Middeleeuwen (in de loop van de 16e eeuw) werd Holland steeds belangrijker en verdrong Vlaanderen en Brabant van de eerste plaats in de Republiek. Ten slotte werd de Duitse keizer Karel V (1500-1550) heer van alle Nederlandse gewesten.

11

De Middeleeuwen

Naam
Net als het begrip „Oudheid‟ alleen bruikbaar is voor de culturen rond de Middellandse Zee, heeft `Middeleeuwen‟ alleen betrekking op de geschiedenis van het katholiek(christelijke) deel van Europa. De aangrenzende culturen en politieke gebieden, de Grieks-orthodoxe en de islamitische wereld, kennen hun eigen periodisering. De reden waarom deze periode „de Middeleeuwen‟ genoemd wordt, heeft te maken met de manier waarop er tegen deze periode werd aangekeken door de mensen uit de tijd die hierop volgde: de Renaissance. Men vond de Middeleeuwen een „donkere‟ periode tussen de Klassieke Oudheid en de Renaissance in.

Politieke structuren
Het hoofdkenmerk van de Middeleeuwse politieke structuur is de chaotische verdeling van de macht. Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk duurde het tot het einde van de Middeleeuwen voordat min of meer de staatsvormen weer stabiel waren. Vaak wisselden de machtszwaartepunten al naar gelang de toevallige uitkomst van de militaire botsingen, maar toch zijn er wel enkele algemene kenmerken te noemen: - Het gezag fungeerde vooral op lokaal niveau. Grote staatkundige verbanden hadden nog nauwelijks een vaste vorm. Zo moeizaam als ze werden opgebouwd, zo gemakkelijk vielen ze ook weer uit elkaar. Het Frankische Rijk in de 9e eeuw, het Duitse Keizerrijk in de 13e eeuw en de Bourgondische Staat in de 15e eeuw zijn hier een goed voorbeeld van. - Het gezag in de Middeleeuwen was sterk persoonsgebonden. Pas aan het einde van de Middeleeuwen, toen zich een bureaucratisch apparaat had gevormd, werden de persoonlijke kwaliteiten van heersers minder doorslaggevend.

Tijdsindeling
Het is niet helemaal duidelijk in welke periode de Middeleeuwen nou precies vallen. Daarom houden we ons aan de driedeling die meestal gebruikt wordt: 500 – 1000 na Christus: de vroege Middeleeuwen 1000 – 1300 na Christus: de hoge/volle Middeleeuwen 1300 – 1500 na Christus: de late Middeleeuwen

12

Vroege Middeleeuwen
De Vroege Middeleeuwen zijn de eeuwen waarin de primitieve Germanen, die het veel hoger ontwikkelde Romeinse Rijk hadden verslagen, een nieuwe beschaving opbouwden. Daarbij speelde de bekering van de Franken tot het christendom in de 6e eeuw een grote rol, want dankzij de kerk bleef veel van de oude Romeinse cultuur bewaard. De priesters waren vrijwel de enigen die konden lezen en schrijven en ze hadden daarom het onderwijs in handen. Vanwege de grote invloed van het christelijke geloof op de samenleving wordt de middeleeuwse cultuur theocentrisch genoemd („theos‟ komt uit het Grieks en betekend „god‟) Economische structuren De middeleeuwse economie wordt gekenmerkt door schaarste. De agrarische en ambachtelijke productie dekte maar net de eerste levensbehoeften van de bevolking. De gemiddelde consumptie was dan ook erg laag: een groot deel van de bevolking leefde op of onder het bestaansminimum. Dit leidde tot structurele ondervoeding en bij misoogsten of andere crises tot massale sterfte. In de Vroege Middeleeuwen was de economie voornamelijk zelfvoorzienend. Gespecialiseerde handwerklieden, met uitzondering van enkele zoals smeden en steenhouwers, kwamen nog niet veel voor. Op kleine schaal bestond er wel enige ruilhandel in alledaagse goederen. Handel op lange afstand had alleen betrekking op luxegoederen, die voornamelijk bestemd waren voor de smalle sociale bovenlaag. In samenhang met de geringe economische ontwikkeling was het geldwezen uit de oudheid dan ook bijna helemaal verdwenen. Er was een zeer beperkt muntstelsel, voornamelijk zilver en koper, dat gebruikt werd tot in de 11e eeuw. De agrarische sector, die meer dan 90% van de economie besloeg, werd gekenmerkt door een geringe specialisatie. Bijna overal waren de bedrijven gemengd, met de nadruk op voedselgewassen. Sociale structuren Tot in de 11e eeuw overheerste een maatschappelijke tweedeling: een kleine bovenlaag van aristocraten stond tegenover een grotere massa van boeren. De grond, wat natuurlijk binnen een agrarische economie een belangrijk bezit was, was in handen van de aristocraten. Zij hadden „hun‟ grondgebied meestal ingedeeld in domeinen, waarover zij vrijwel alleen de macht hadden. De boeren die onder aan de maatschappelijke ladder stonden, woonden op deze stukken grond en moesten een deel van de opbrengsten aan hun heer afstaan. Ze mochten zich niet vrij verplaatsen, om bijvoorbeeld ergens anders te wonen, en ze mochten meestal ook niet trouwen met wie ze wilden. De boeren die wat hoger op de ladder stonden werden niet als slaven behandeld, ze waren alleen verplicht tot enkele symbolische handelingen om het gezag van de heer te erkennen. Deze boeren, die vaak zelf knechten in dienst hadden, wisten zich goed tussen de aristocratische elite te handhaven. Ook binnen de bovenlaag van de bevolking bestonden grote sociale verschillen met als belangrijkste onderscheid de hoeveelheid grond die men bezat. Naast de boeren en de aristocraten vormden de geestelijken in zekere zin een aparte groep. In hun eigen opvatting was er sprake van een soort driedeling: werkers, krijgers en „bidders‟. Op grond van hun religieuze opvattingen eisten ze een sociale status op, die hen eigenlijk buiten de maatschappij van „leken‟ plaatsten. 13

Op grond van hun levensstijl zou je kunnen zeggen dat ze toch bij de bovenlaag van de bevolking hoorden, maar ze hadden daarbinnen wel een specifieke plaats. Grondbezit was ook voor de geestelijken heel belangrijk en eigenlijk de basis van hun bestaan. Bisschoppen en abten vonden dan ook zonder veel moeite hun plaats als leenheren en leenmannen binnen het feodale stelsel. Culturele structuren Tot de 11e eeuw daalde het niveau van kunsten en wetenschappen naar een dieptepunt, zowel in vergelijking tot de oudheid als tot de omringende culturen (de Byzantijnse en de Arabische) Het klassieke onderwijssysteem was volledig verdwenen en het overgrote deel van de bevolking, ook de aristocratische bovenlaag, was analfabeet. Literatuur werd er nauwelijks nog geschreven en de beeldende kunst kan het beste als „primitief‟ worden beschreven. De wetenschappelijke kennis van de Grieken en de Romeinen was op alle gebieden verdwenen of zo erg teruggedrongen, dat er in de praktijk niets mee gedaan kon worden. Het weinige dat nog wel overgebleven was aan kennis werd voornamelijk beheerst door de geestelijken, die vanwege hun voertaal (het Latijn) door een diepe kloof gescheiden werden van de rest van de bevolking. Deze monopoliepositie van de geestelijken heeft er voor gezorgd dat er een zwaar stempel op de Middeleeuwse beschaving gedrukt werd. Zo werd de theologie als de belangrijkste wetenschap beschouwd, wat tot gevolg had dat er eeuwenlang uitsluitend aandacht besteed werd aan godsdienstige vragen. Verder was de kerk zeer selectief in haar omgang met de kennis en kunsten uit de Oudheid. Er werden alleen die dingen bewaard die naar hun eigen godsdienstige maatstaven het behouden waard waren. Zo is er veel Romeins erfgoed verloren gegaan.

14

Hoge Middeleeuwen
In de Hoge Middeleeuwen ontstonden de eerste steden in West-Europa. Zoals de leenmannen een grote zelfstandigheid hadden binnen het rijk, zo kregen nu ook de steden tegen betaling een zekere mate van zelfstandigheid. Dit werd vastgelegd in de stadsrechten. Economische structuren Vanaf de 11e eeuw verbeterde de economische situatie aanzienlijk. De landbouw bleef tot het eind van de Middeleeuwen wel de voornaamste bron van inkomsten, maar het aandeel van handel en geldwezen en wat later ook van ambacht (gilden van onder andere kooplieden en handwerkers) en (textiel)industrie werden geleidelijk groter. Maar helaas werd de economische opbloei in de Hoge Middeleeuwen kort voor het midden van de 14e eeuw ruw onderbroken door een pestepidemie, reeksen misoogsten en de verwoestende Honderd Jarige Oorlog. Er brak dus een geweldige economische crisis uit. Daarnaast speelde mee, dat na drie eeuwen van economische expansie in zekere zin de grenzen van de groei waren bereikt. Dit was vooral in de agrarische sector het geval. De groei in deze sector had meer te maken met uitbreiding van de in exploitatie genomen grond dan met technologische vernieuwing. Aangezien de beste gronden het eerst waren ontgonnen, voegden later in gebruik genomen akkers verhoudingsgewijze steeds minder toe aan de productie, zeker in verhouding tot de hoeveelheid arbeid die zij vergden. De steden vormden, voor het eerst sinds de oudheid, een afzetmarkt voor agrarische producten. In verstedelijkte gebieden kon het platteland zich daardoor losmaken van het minimale niveau van zelfvoorziening en zo een hoger welvaartspeil bereiken. Daarnaast was de stedelijke samenleving zelf een plaats waar nieuwe activiteiten plaatsvonden. De Europese steden ontwikkelden zich, al dan niet in de schaduw van de hoven van wereldlijke of geestelijke heersers, als thuishavens voor de rondreizende kooplieden. Al snel ontstonden er in deze nieuwe gemeenschappen ook ambachtelijke specialisaties die eerder ontbraken. De dienstensector en de bouwnijverheid groeiden snel. Wat later ontstond er in de steden ook de eerste industriële productie. Naast voedingsindustrieën speelde vooral de textielindustrie een grote rol. De opkomst van deze industriële productie droeg op zijn beurt weer bij tot verdere modernisering van de agrarische sector. De uitwisseling van goederen nam door al deze ontwikkelingen snel in omvang toe. In de kleine centra ontstonden er weekmarkten, maar de grotere steden hadden in de 13e eeuw al de functie van een permanente regionale markt gekregen. Daarnaast nam de verre handel een grote sprong: er kwam zelfs een heel Europees netwerk van jaarmarkten tot stand. In de 14e eeuw ontstonden er geregelde rechtstreekse verbindingen over zee, met een omvang van het mediterrane gebied tot in Scandinavië en Rusland. Sociale structuren De sociale structuur onderging in deze periode drastische veranderingen. Om te beginnen werd de structuur veel gecompliceerder, doordat de stedelijke bevolking een grotere plaats in de maatschappij ging innemen. De persoonlijke vrijheid die de boeren niet hadden, werd vanaf de 11e eeuw voor de snel groeiende groep stedelingen juist een kenmerk. Naarmate de stedelijke economie groeide, werden de verschillen binnen deze groep „nieuwe vrijen‟ steeds groter. Onder de laag van grote kooplieden ontstond overal een middenklasse van ambachtslieden. In de industriesteden kwam 15

daar nog een groep van loonarbeiders bij en ten slotte verschenen er in de late Middeleeuwen allerlei sociale groepen op het toneel, die voortaan het beeld van de grote Europese stad grotendeels bepaalden. Binnen deze stedelijke wereld verschenen er ook nieuwe vormen van sociale organisatie, die men de „gilden‟ noemde. Naast de „verticale‟ relaties uit de vroege Middeleeuwen (leenheer-leenman), speelden nu ook „horizontale‟ banden een belangrijke rol. Belangrijke onderdelen die zich binnen de gilden ontwikkelden, waren bijvoorbeeld de gemeenschappelijke besluitvorming en de individuele inspraak. Deze „nieuwe wereld‟ van stedelingen had grote gevolgen voor de al bestaande sociale groepen, vooral op die van de boeren. Een groot gedeelte van de bevolking uit de stad ging bestaan uit agrariërs die, al dan niet illegaal, hun leven op het platteland wilden ontvluchten. Boeren werden welvarender en zelfbewuster. Ze dwongen stukje bij beetje hun verplichtingen die ze aan de heer hadden af. Vaak ging dit goedschiks, bijvoorbeeld als ze konden profiteren van gunstige voorwaarden die heren hen boden wanneer een bepaalde boer zich op nieuw te ontginnen grond wilde vestigen. Maar het ging ook heel vaak kwaadschiks. Vooral in de 14e eeuw waren er veel boerenopstanden, waarvan de meeste in Frankrijk, Spanje, Engeland en Vlaanderen waren. De handels- en geldeconomie van de steden en de welvaart van de stedelijke aristocratie had een grote invloed op de oude aristocratie. Het merendeel van de oude aristocraten wilde wel leven met alle luxe die het moderne leven hen bood, maar was niet in staat om tegelijk ook hun inkomsten op te schroeven. Alleen de hoogste adel kon dankzij nieuwe inkomsten meeprofiteren van de economische groei. De overigen konden vaak niet anders dan in dienst te gaan bij deze kleine groep grote heren. De zelfstandigheid van de lagere adel nam eigenlijk steeds verder af. Binnen de geestelijkheid deden zich ook veranderingen voor. Het aantal priesters nam bijvoorbeeld toe. Steden en dorpen kregen de beschikking over eigen geestelijken, passend bij hun eigen milieu. De priesters in de stad kwamen meestal voort uit de ontwikkelde burgerij en op het land waren er de laag opgeleide dorpspastoors, van wie de levensomstandigheden niet veel verschilden met die van de dorpsbewoners zelf. Culturele structuren In de tweede Middeleeuwen kwamen er structurele veranderingen in de maatschappij. De belangrijkste betrof het onderwijs. De kloosters verloren hun „dominante‟ positie op dit punt. Karel de Grote richtte in Aken in het kader van de cultuurpolitiek een school op: de paleisschool. Deze school zorgde voor een soort basisonderwijs (leren lezen en schrijven, in het Latijn) met het oog op de bekering tot het christendom in Europa. Er kwamen belangrijke leraren in verschillende vakken lesgeven. Een monnik uit Engeland bedacht op een gegeven moment een soort „leerplan‟ waarin logica en wetenschap een belangrijke rol speelden. Hieruit werden later twee stromingen ontwikkeld, die de basis vormden van het universitair onderwijs. De eerste stroming heette het „trivium‟ en bestond uit grammatica (taalkunde, literatuur), retorica (argumentatieleer) en dialectica (redeneerkunst, logica, filosofie) De tweede stroming bestond uit vier vakken van het „quadrivium‟: aritmetica (rekenkunde), geometria (meetkunde), astronomia (sterrenkunde) en musica (muziek, toneelkunst) Samen zijn dit de zeven „artes liberales‟. Ook in de kunst waren de Klassieken weer „teruggevonden‟. De Middeleeuwse cultuur ontwikkelde zich het meest op dit gebied, hoewel het minder ging om het verzamelen van kennis dan om een kunstzinnige afbeelding van hun eigen wereld. In de literatuur ontstond bij een publiek van edellieden en burgers de vraag naar ridderromans, troubadourliederen en mirakelspelen, waarbinnen ze hun eigen thematiek konden behandelen.

16

Late Middeleeuwen
In de late Middeleeuwen werd de burgerij steeds machtiger en kreeg de Middeleeuwse cultuur een derde hoofdkenmerk: „het burgerlijke‟. Het oude leenstelsel verdween langzamerhand en de „nationale staat‟ begon gestalte te krijgen. Economische structuren Aan het eind van de Middeleeuwen was de economische structuur genoeg ontwikkeld om een volgende stap mogelijk te maken. In de nijverheid en vooral in de landbouw bleven de middeleeuwse patronen nog lang overheersend, al gingen de processen als specialisatie en schaalvergroting daar ook gewoon door. De meeste van deze middeleeuwse patronen werden eigenlijk pas in de 18 e eeuw en later uitgewist. De zomers van 1342 tot 1349 waren in Europa koud en nat. Veel oogsten mislukten, veel mensen waren ondervoed en vatbaar voor de pest. In oktober 1347 brak de pest uit in Sicilië, en verspreidde zich via vlooien steeds meer naar het noorden van Europa. Rond augustus is de pest al zo rond Parijs aangekomen. Uiteindelijk vond een derde van de Europese bevolking de dood. Dit kwam vooral doordat graan (dus van de landbouw) het hoofdvoedsel was in Europa, en graan kan heel slecht tegen het koude en natte weer. Hierdoor werd men door ondervoeding heel zwak en was dus sneller vatbaar voor hardnekkige ziekten zoals de longpest. Culturele structuren In de late Middeleeuwen werden de zogenaamde kerk- of kathedraalscholen opgericht. Dit waren een soort universiteiten. Aan het einde van de Middeleeuwen kwamen er steeds meer onderwijsinstituten. Dat had te maken met verschillende factoren: De toegenomen complexiteit in de steden zorgde ervoor dat er meer vraag naar (beter) geschoolde mensen kwam. De kerkelijke scholen waren niet bedoeld als basisopleidingen maar men probeerde mensen op te leiden die de sociaal-economische structuur van de maatschappij konden begeleiden en misschien verbeteren. Wanneer je de kathedraalschool had afgerond, kon je sneller een baan vinden in of buiten de kerk, als rechter, geestelijke of administrator. Men bestudeerde naast de bijbel ook beweringen over het geloof. Vooral de dialectiek (dat was een discussietechniek waarbij men probeerde met logische argumenten de uitspraken en uitgangspunten ten aanzien van het geloof te onderzoeken) speelde daarbij een grote rol. Men probeerde dus heel nauwkeurig te analyseren wat er in de Bijbel of in stellingen over het geloof gezegd werd.

-

De universiteiten ontwikkelden zich tot onafhankelijke instituten. Wanneer een student de opleiding voltooid had, was hij „meester‟ en kreeg hij een diploma. Hij kon zich nu verder specialiseren en zo „doctor‟ worden.

17

Deelvraag 3
Hoe is de Hoofse Liefde ontstaan?
De oorsprong van de Hoofse Liefde ligt in het duister. Er zijn geen documenten over geleverd die een beschrijving geven van de ontwikkeling van de Hoofse Liefde. Wel is bekend dat de eerste troubadours gedichten die overgeleverd zijn, geschreven zijn door Guilhem IX van Aquitanië (1071-1127). Zij lijken zomaar uit de lucht te zijn gevallen. Een aanloop of een ontwikkeling tot deze gedichten is niet bekend. Maar toch veronderstelt hij in zijn gedichten dat iedereen weet wat hoofse liefde is. Hierdoor kan je de ontwikkeling van de Hoofse Liefde op verschillende manieren interpreteren. Hertog Guilhem kan het zelf bedacht hebben en het onder de leden van zijn hofhouding verspreid hebben. Of een lid van zijn hofhouding heeft het bedacht, waarna hij met het idee met de Hertog kan hebben besproken. Deze zal het dan in zijn gedichten hebben geïntroduceerd. Het kan ook zijn dat de Hertog in aanraking was gekomen met de Arabische poëzie, die aan de andere kant van de Pyreneeën in zwang was. Daar overheersten de Moren ten tijde van de hertog. Zij waren al verder ontwikkeld in de dichtkunst. Ook kan het zo zijn dat hertog Guilhem onder invloed kwam van de Katharen, die immers in het Zuiden op kwamen. De Katharen hadden in de 12e eeuw een bloeiende cultuur ontwikkeld in het zuiden van Frankrijk en het Noorden van Spanje. Wetenschap, kunsten en 'beschaving' stonden op een hoog peil. Katholieken, Katharen, moslems en joden leefden in harmonie samen. Deze samenleving had zoveel invloed dat het er op begon te lijken dat het katholicisme verdrongen zou worden. Dit was een doorn in het oog van zowel de Noord-Franse adel als het Pausdom. Deze combineerden hun macht en in de zogenaamde kruistocht tegen de Katharen werd Zuid-Frankrijk onder de voet gelopen en de hoogstaande samenleving van de Langue d'Oc verpletterd. Zij hadden een paar belangrijke principes die als basis voor de hoofse liefde kunnen hebben gediend: 1. 2. 3. 4. Persoonlijke vrijheid als uitgangspunt van de leer Individu/vrijheid als basis van geloofsgemeenschap Geweld nooit geoorloofd. 'Ontwikkeld' persoon kan de sacramenten verzorgen. Zowel mannen als vrouwen konden sacramenten verzorgen.

Bij de Katharen worden mannen en vrouwen dus op één lijn getrokken. Ook wordt zij als een individueel persoon gezien, die recht heeft op een eigen geloof en dus ook in staat wordt geacht er zo haar eigen ideeën over godsdienst er op na te kunnen houden. Kortom, de vrouw wordt uit haar ondergeschikte positie gehaald en als individu beschouwt. Dit zal misschien invloed hebben op Guilhem, die de nieuwe positie van de vrouw in zijn gedichten min of meer naar voren heeft gehaald.

18

Deelvraag 4
Welke verschillende groepen spelen een rol? De Troubadour
Rond 1100 kwam in Zuid-Frankrijk de troubadourcultuur op, die enkele eeuwen later ook in Noord-Frankrijk en Duitsland navolging vond. Het woord troubadour is afgeleid van het Provençaalse werkwoord trobar, dat zoveel betekent als „vinden‟. Een troubadour is dus een „vinder‟. er waren ook vrouwelijke troubadours die „trobairitz‟ werden genoemd. Het hoogtepunt van de troubadourcultuur lag in de periode tussen 1150 en 1250. Er zijn zo‟n 500 troubadours bij naam bekend, waaronder slechts 20 vrouwen. Het gaat dus om een echte mannencultuur. In vaak prachtig versierde manuscripten zijn ruim 2700 gedichten bewaard gebleven. Deze manuscripten, waarin ook de gedichten van „vroege‟ troubadours zitten, zijn alleen wel allemaal van een relatief late datum: uit de tweede helft van de 13e eeuw of nog later. Hieruit moet worden geconcludeerd dat rond 1250 binnen de troubadourcultuur een overgang van mondelinge naar schriftelijke overlevering plaatsvond. Deze overgang valt overigens wel samen met andere veranderingen en verschuivingen binnen de troubadourcultuur: terwijl tot halverwege de 13e eeuw vooral ook de adel zelf gedichten maakte en zong, begon in de loop van de 13e eeuw het aandeel van de adel af te nemen. Het aandeel van ambtenaren (schrijfspecialisten), stadsbestuurders en burgers begon daarentegen te groeien. Het einde van de troubadourcultuur wordt vaak zo rond 1300 gelegd. In werkelijkheid was er van een vloeiende afwikkeling sprake, waarbij een vermenging van kerkelijke en wereldlijke muziekcultuur optrad. Het duidelijkst blijkt deze vermenging uit het toepassen van de meerstemmigheid, ontwikkeld binnen de kerkmuziek als versiering van het kerkgezang, op de tot dan toe eenstemmige muziek van troubadours (en trouvères  zie pag. 23) Het moderne beeld van de troubadour is dat van de enigszins buiten de samenleving staande zanger die, met een viool op zijn rug, van kasteel naar kasteel trekt en daar het adellijke publiek vermaakt met grappen, grollen, spot- en liefdesliederen. Op basis van de 12e en 13e eeuwse bronnen blijkt dat dit absoluut niet het geval was. Zulke rondtrekkende grappenmakers bestonden wel, maar worden dan meestal joglars (jongleurs, goochelaars, letterlijk: speellieden) genoemd. Deze joglars waren weliswaar populair aan de hoven, maar ze stonden niet erg hoog in aanzien. Met troubadours werd iets heel anders bedoeld. Zoals we hierboven al hebben laten zien was het, zeker tijdens de begin- en bloeiperiode, vooral ook de adel zelf die als troubadour optrad. Troubadours vormden in dit opzicht dus niet echt een duidelijk afgebakende groep met een duidelijke beroepsfunctie binnen de hofsamenleving: iedereen kon in principe troubadour zijn. Het gaat dus niet zozeer om het beroep, maar meer om de nieuwe levenshouding die in de loop van de 11e eeuw in de gehele samenleving begon door te dringen.

Een troubadour en zijn dame
19

De Ridder
De ridder kwam uit de hoogste laag van het feodale stelsel en was meestal de zoon van een edelman. Omdat de training en uitrusting van een ridder niet bepaald goedkoop waren, was het ridderschap eigenlijk alleen maar weggelegd voor welgestelden. Een ridder stond bij alle lagen van de maatschappij in hoog aanzien. Om een ridder te worden, moest je niet alleen de juiste achtergrond, maar ook de juiste training hebben. In de eerste jaren van zijn leven werd de aankomende ridder verzorgd door vrouwen, vaak zusters en bedienden die onder het bevel van zijn moeder stonden. Als hij ongeveer vijf jaar oud was, kreeg de jongen les van zijn vader: paardrijden, schaken (dat was een belangrijke sociale vaardigheid) en enkele religieuze instructies. Op zevenjarige leeftijd werd hij bij de vrouwen weggehaald en kreeg hij, naast het paardrijden, ook les in jagen en het omgaan met wapens. Wanneer de jongen twaalf was, werd hij van huis gestuurd en moest hij bij een andere edelman (bijvoorbeeld een vriend van zijn vader) in huis gaan als schildknaap. Hier volgde hij de rest van zijn militaire training, maar hij kreeg ook les in manieren en muziek. Deze training werd uiteindelijk afgesloten met een ceremonie, waarbij de jongen tot ridder geslagen werd. In de periode 1150-1300 vond dit meestal plaats als de jongen ongeveer 19 jaar was, maar er zijn ook bewijzen dat er al jongens van 14 tot ridder werden benoemd. De manier waarop een jongen tot ridder geslagen werd, kon erg verschillen. In theorie kon elke ridder iemand anders tot ridder slaan, en dat kon overal en op elke dag van het jaar gebeuren. In de praktijk vonden deze ceremonies echter vaak plaats op Kerstmis, Pasen of op Hemelvaart. Ook vond men dat hoe groter de edelman was die de ceremonie uitvoerde, hoe groter de eer voor de nieuwe ridder was. Tijdens de ceremonie kreeg de nieuwe ridder zijn wapenuitrusting bestaande uit: een harnas, gouden sporen en een zwaard. De belangrijkste functie van een ridder lag op militair gebied. In de 11 e en de 12e eeuw had de ridder waarschijnlijk vooral strijd met zijn buurmannen, over stukken land. Hoewel er niet regelmatig gevochten werd, moest de ridder toch weten hoe hij het meest effectief kon vechten. Een groot deel van zijn jeugd bestond uit trainingen, en om hiermee door te blijven gaan in zijn volwassen leven, kon de ridder meedoen aan tournamenten. Tournamenten zijn een soort model van een echte oorlog. In het toernooi worden teams van ridders samengesteld waarna in het schijngevecht de formaties en bewegingen worden ingeslepen. Degenen die niet zo bedreven zijn worden een stuk armer, want zij verliezen hun paarden en bewapening aan hun overwinnaars. In het toernooi kunnen ridders tot grote naam en faam stijgen. De kerk ziet dit echter met lede ogen aan en ziet het toernooi als bedreiging van de openbare orde. Een toernooi kan immers gemakkelijk tot een echte oorlog uitgroeien of een dekmantel zijn om een concurrent om te brengen als hij zich buiten zijn kasteel vertoont.

Een ridder wordt aangekleed voor de strijd

20

De Vrouwe
Het feodale stelsel in de Middeleeuwen had belangrijke gevolgen wat betreft de positie van de adellijke vrouw. Vaders en broers zagen in hun dochters/zusters middelen om andere leenmannen aan zich te binden en zo dus meer macht te krijgen. Voor een huwelijk in de Middeleeuwen was wel toestemming van de vrouw zelf vereist, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht en regelden de families het huwelijk. In deze maatschappij waar eigenlijk alleen militaire kwaliteiten waarde hadden, was de plaats van de vrouw heel erg bescheiden. Ze was wettelijk onderworpen aan haar man of naaste familie, de man had zelfs het recht haar te slaan als ze hem tegensprak. Vrouwen werden daarentegen wel beter onderwezen dan de mannen, maar lezen en schrijven stonden bij de militairen als „vrouwen en monniken werk‟ laag in aanzien. De vrouw had wel een belangrijke plaats in de economie: onder leiding van de „vrouw des huizes‟ voorzag een middeleeuws gezin in zijn eigen behoeften. Voor een vrouw uit de hoogste stand was buiten het gezinsleven alleen plaats in het klooster. Slechts een enkele vrouw speelde echt een rol in het culturele leven. Het merendeel van de vrouwen uit de lagere klassen was bezig op het land, als vrouw van een boer die meestal onder gezag van een heer of een kerk stond. Met de opkomst van de steden verdween deze horigheid geleidelijk. In de steden was de rol van de vrouw in het openbare leven belangrijker. Vaak was de vrouw zelfs de partner van haar man in gilden en zette soms zelf het bedrijf na zijn dood voort. Zo kwamen veel bedrijven in handen van vrouwen. Ongetrouwde vrouwen werden daarentegen het lidmaatschap tot een gilde vaak ontzegd, want deze vrouwen werden gezien als de belichaming van het lichamelijke (het vleselijke, dus het kwade) Aan de ene kant gaf dit de aanleiding tot een soort kuisheidsideaal, maar aan de andere kant werd onder het volk de ongehuwde vrouw als een „seksueel vrij persoon‟ (=slecht) opgevoerd. Bestraffing van het kwaad in de gedaante van een vrouw was een belangrijk element in de heksenverbrandingen, waarvan het hoogtepunt in de 15e, 16e en 17e eeuw viel en die aan meer dan 500 000 Europese vrouwen het leven heeft gekost.

21

Deelvraag 5
Welke literatuur kwam tijdens deze periode tot stand?
Literatuur die tot stand kwam in Europa De Europese literatuur is begonnen als mondelinge literatuur die werd doorgegeven door middel van liederen. Deze liederen werden door rondtrekkende troubadours voorgedragen en doorgeven, waardoor ze generatie op generatie bleven voortbestaan. Eigenlijk gebeurde dit op dezelfde manier als tijdens de klassieke periode gebeurde in Griekenland en op de Balkan. Om het lied te kunnen onthouden en door te geven werd er gebruik gemaakt van herhaling en sprongsgewijze verteltrant, weer net zoals gebeurde in de klassieke periode (denk maar aan de “Odyssee” van Homerus) In tegenstelling tot de kerkelijke geschreven teksten, die overwegend in het Latijn werden geschreven omdat de geestelijken de volkstaal te minderwaardig werd achtten om het woord Gods‟ of een heiligenkroniek op te tekenen, werden deze teksten in het Diets (het Middelnederlands) geschreven en uitgevoerd. In de Middeleeuwen probeerde men vooral de gevoelens van een groep onder woorden te brengen; de zogenaamde gemeenschapskunst. Het gevolg was dat er vrijwel alleen maar anonieme stukken geschreven werden, aangezien de belangen van een groep sterker telden dan het uiten van de gevoelens van een individu. Soorten literatuur Er zijn twee soorten literatuur binnen de Hoofse Literatuur die wij behandelen. Ten eerste is er de Epiek. Epiek is verhalende literatuur waarin in de eerste plaats een gebeurtenis wordt beschreven. Deze verhalen werden in dichtvorm geschreven, maar niet zoals de liederen, die hoofdzakelijk in een vast metrum werden geschreven, meer zoals een hedendaagse roman. Een leuk tijdverdrijf, en een zeer hoofse bezigheid aangezien het als hoofs werd gezien naar de heldendaden van anderen te luisteren en er wellicht een goed voorbeeld aan te nemen. Ten tweede is er de Lyriek. Lyriek is de verzamelnaam voor de gedichten die tijdens de middenen hoge Middeleeuwen werden geschreven. Binnen de Lyriek zijn ook weer verschillende stromingen; de stroming van de troubadours, die vooral in Zuid-Frankrijk hun liederen ten gehore brachten, en de trouvères, die in het Noorden hun publiek vermaakten. Het is waarschijnlijk het meest logische te beginnen bij de eerste groep, de troubadours, aangezien zij het eerst op het toneel verschenen. De Troubadours Binnen de cultus van de troubadours zijn er twee stromingen te ontdekken; de niet-hoofse en de hoofse lyriek.

Niet-hoofse lyriek
De oudste bekende troubadour is Willem de 9e (1071-1127) die graaf van Poitiers en hertog van Aquitanië was. Hij had meer aanzien en macht dan de koning van 'Frankrijk‟ zelf. Daarom kon hij het zich veroorloven af en toe niet helemaal hoofs te zijn in zijn woordspelingen. De onderwerpen van zijn gedichten zijn vaak schunnig en van de pure liefde, zonder een seksuele relatie, moest hij niets hebben. 22

Hij maakte over het algemeen gebruik van 3 soorten lyriek: de „gap‟, waarin de dichter met veel woorden loopt op te scheppen over zijn daden, vooral zijn daden in bed worden hierbij naar voren gebracht. De „casteis‟ een genre dat de wachters, die de vrouw van haar minnaar moeten afschermen, belachelijk maakt Het „devinalh‟, een poëtisch raadsel.

De techniek die bij alledrie wordt gebruikt is het „trobar clus‟, het door mooie zinnen en breedsprakigheid verdoezelen van de werkelijke betekenis van het gedicht. Feitelijk is het het vaak gebruik maken van dubbelzinnige toespelingen.

Hoofse lyriek
Het hoofse minnelied (canzo) haalt de vrouw naar de voorgrond. Zij speelt de hoofdrol in de gedichten De Trouvères Toen de Zuid-Franse fin‟amors-ideologie in het noorden van Frankrijk nog niet bekend was, hadden de Noord-Franse dichters zelf ook al nagedacht over de liefde en de vrouw, en zich over de verhouding tussen die twee al veel vragen gesteld. Het oudste gedicht dat van deze stroming bekend is, is Roncevaux (in de negentiende eeuw het Roelantslied genoemd). Dit is een zogenaamd chanson de geste, en is geschreven eind 11 e eeuw. Maar er is in dit gedicht nog geen plaats voor de vrouw. Als Roelant sterft neemt hij tragisch afscheid van zijn zwaard, zijn keizer, maar zijn verloofde wordt en passant vergeten. Maar latere gedichten van de trouvères zijn minder hard tegenover de vrouw. In de trilogie “prise d‟Orange, Aliscans en Moniage Guillaume” uit “cycle de Guillaume d‟Orange” trouwt de Saraceense Oriabel uit liefde met Guillaume, en laat zich voor hem omdopen tot Guibourg, en wordt zijn partner die hem raad geeft en voor hem zorgt. Als zij sterft wordt hun liefde nog eens extra onderstreept. Dit is een voorbeeld van de „emancipatie‟ van de vrouw destijds. Zij nam een steeds grotere plaats in, in verhalen en in het denken van de mannen. Zij was echter, in tegenstelling tot de denkbeelden van de troubadours, wel bereikbaar, een liefdespartner in plaats van een idool. Zij werd zelf verliefd op de ridder en als hij goede prestaties leverde en zich hoffelijk gedroeg gaf zij zichzelf aan hem. In het Historica regum Brittaniae, geschreven in 1136 of 1137 door Geoffrey van Monouth, wordt het toernooi dat wordt gehouden om de pas gekroonde Arthur te huldigen beschreven. Toen de dames toekeken vanaf de borstwering van het kasteel raakten ze allemaal verliefd op de ridders die zo hun best deden om hun moed te tonen. Maar zij weigerden aan hen hun liefde te schenken voordat zij ten minste drie keer zo hun moed hadden laten zien. “Aldus gedroegen de dames zich kuis en hun liefde maakte de ridders edeler”. Het grote verschil met het zuiden was dus het resultaat van de liefde. In het zuiden was de liefde zelf het resultaat van het liefhebben en het verlangen. De hoofsheid was dus veel belangrijker dan in het noorden, waar de hoofsheid alleen maar een decor was waar de geliefden wel degelijk ontmoetingen hadden. Gingen de troubadours er duidelijk van uit dat liefde en hoofsheid automatisch met elkaar verbonden waren, de trouvères vonden dat liefde slechts een aspect van de hoofsheid was, die niet eens noodzakelijk was. In de tweede helft van de twaalfde eeuw is de fin d‟amors gedachte vanuit het zuiden naar het noorden over gewaaid. De kleindochter van Willem IX, Aliénor van Aquitanië, en vooral haar dochter Marie de Champagne, hebben daar veel aan bijgedragen. Aan het hof van Champagne 23

verbleef onder andere Chrétien de Troyes. Hij was de beroemde dichter die onder andere Lancelot en Perceval (of het verhaal van de Graal) zo rond 1160-1170 heeft geschreven. Hij week echter wel af van het ideaal van de troubadours. Hij geeft met de regels

“Nooit heb ik gedronken van de drank waardoor Tristan werd betoverd. En toch, meer dan hem doet mij beminnen een puur hart en een vaste wil”
De Liefde wordt hier dus niet meer afgeschilderd als iets magisch, iets waar je door betoverd wordt, of je het nou wil of niet, en waar je je niet tegen verzetten kan (iets wat de troubadours wel graag geloofden), maar als iets wat door eigen inzet van hart en ziel bereikt wordt. Het menselijke komt hier dus veel sterker naar voren dan bij het zuidelijke ideaal. Dit ook de grootste bron van informatie voor de trouvéres geweest, en er zijn eigenlijk maar weinig trouvères die zich aan het ideaal van de troubadours hebben gehouden. Roman De oorspronkelijke betekenis van het woord roman is: „een verhaal in het Romaans, dat wil zeggen; de volkstaal‟. In de middeleeuwen betekende het woord roman: „een verhalend gedicht over ridders‟. De tegenwoordige betekenis wijkt daarvan af want nu betekent het: „een prozaverhaal, omvangrijker dan een novelle‟. Kenmerkend voor een Middeleeuwse roman is onder meer: 1. er worden personen in beschreven gedurende een vrij lange periode van hun leven; 2. de intrige (= verwikkeling) is samengesteld (het bestaat uit meerdere onderdelen). Ridderromans In de middeleeuwse maatschappij is de macht van de adel heel groot. Naast allerlei voorrechten hebben de ridders van hun koning ook grote stukken land gekregen. Officieel in leen, maar in feite als eigendom. Deze kunnen zij naar eigen goeddunken gebruiken, en weer onderverdelen onder hun leenmannen. In ruil daarvoor geven deze leenmannen aan hun leenheer, de koning, de eed van trouw. Het is te begrijpen, dat een belangrijk deel van de middeleeuwse letterkunde wordt gevormd door ridderromans: lange verhalen op rijm waarin wordt verteld over de heldendaden en avonturen van dappere ridders. Vooral in de dertiende eeuw is een groot aantal verhalen in het Middelnederlands opgetekend. De oorsprong van de ridderroman ligt in Frankrijk. Dat blijkt al uit de naam roman, dat wil zeggen een verhaal, geschreven in het Romaans, de volkstaal van Frankrijk. In tegenstelling tot het Latijn waarvan geleerden en geestelijken zich bedienen. Monniken in de kloosters hebben de Franse ridderromans in het Middelnederlands vertaald. En onmiddellijk krijgen ze een groot publiek, aangezien er toen nog geen t.v‟s en radio‟s waren en de mensen hun vermaak dus ergens anders vandaan moesten halen. Deze romans zijn geschreven in opdracht van en ter vermaak en lering van de hofadel. Door naar de verhalen te luisteren of ze te lezen (in de weinige gevallen dat een ridder kon lezen) kwamen zij op een leuke manier een saaie avond door en konden zij ook nog hun leven verbeteren door een voorbeeld te nemen aan de held van het verhaal. De meeste auteurs waren

24

zogenaamde klerken: door de kerk opgeleide geestelijken met een lage wijding. Vaak bewerkten de klerken literatuur uit het Frans of het Latijn. Er zijn twee soorten ridderromans: 1. De Niet-Hoofse romans, met: - ruwe ridders, - ondergeschikte positie van de vrouw, - trouw en ontrouw aan de leenheer. Deze groep is vooral bekend om de Frankische of Karelromans Deze verhalen zijn gegroepeerd rond Karel de Grote en zijn twaalf paladijnen (leenmannen). Ze berusten op een historische gebeurtenis. Maar er zijn al vier eeuwen voorbij gegaan tussen de regering van Karel de Grote en het moment dat de verhalen worden opgeschreven. Karel de Grote is een legendarische figuur geworden en om zijn persoon heen hebben schrijvers wonderbaarlijke verhalen en liederen verzonnen. We noemen dat verschijnsel: epische concentratie. Karel de Grote is vooral de volmaakte ridder, dapper, edelmoedig, trouw aan zijn gegeven woord en godvruchtig. Strijd en brute kracht zijn vaak het onderwerp: de strijd tegen de nietchristelijke Moren in Spanje, de strijd van Karel tegen zijn ontrouwe leenmannen, de strijd van de leenmannen onderling. Maar ook oprechte, in onze ogen soms wat naïeve, vroomheid is een kenmerk van de Karelromans. De vrouw speelt in de Karelromans geen belangrijke rol. De bekendste Frankische of Karelromans zijn het Roelantslied, Renout van Montalbaen en Karel ende Elegast. Rond 1100 kwamen de eerste ridderromans op, de vóórhoofse romans. De idealen in deze romans waren dapperheid en trouw en de vrouw nam een ondergeschikte positie in. Ze hebben in de regel een Franse tekst als bron, een chanson de geste. In oorsprong ging het om gezongen heldenliederen. Karel is de koning van de Franken uit de bloeitijd van het feodale tijdperk en hij wordt omringd door feodale leenmannen met wie hij dikwijls overhoop ligt, hij wordt geconfronteerd met onderlinge conflicten, verraad en ontrouw 2. De Hoofse romans, met: - moedige en slimme ridders, - verering van de vrouw. Amoureuze verwikkelingen spelen in deze Hoofse Ridderromans de hoofdrol. Ridders doen heldendaden om eer aan vrouw te bewijzen en zo de aandacht van de vrouw te trekken. Hiervoor begunstigd de vrouw hen. Men is hoffelijk ten opzichte van elkaar, de hoofse omgangsregels worden strikt in acht genomen, maar er word daarentegen wel veel geroddeld. In tegenstelling tot de vóórhoofse romans was er in de hoofse roman wel plaats voor de liefde. Ridders verrichten heldendaden voor hun onbereikbare, geliefde vrouw. Middeleeuwse hoofse ridderromans hebben vaak de volgende kenmerken: 1. Er is vaak een wonderlijke sfeer in de verhalen met sprookjeselementen; alles is mogelijk, van zwevende schaakborden tot dieren die tegen elkaar praten in hun eigen taal. Het grappige is dat de volwassenen er in geloofden. Zij twijfelden er niet aan dat alles wat verteld werd echt gebeurd was of in ieder geval kon het echt gebeuren. Net zoals kleine kinderen nu nog in Sinterklaas geloven. In de middeleeuwen waren de

25

mensen heel erg bijgelovig, zij geloofden in alles wat bovennatuurlijk was en vreesden het ook vaak (denk maar aan de heksenjachten). 2. Moedige en sterke, maar tegelijk slimme ridders; De ridders waren allemaal perfect, behalve dan de slechte ridders, maar die waren dan ook gelijk door en door slecht. Er werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen goed en slecht. Mensen konden niet half slecht en half goed zijn. De held mocht dan wel eens een foutje maken, of gewoon pech hebben, maar hij zou nooit of te nimmer opzettelijk mensen kwaad doen. 3. Verering van de vrouw; alle goede daden werden in naam van een vrouwe gedaan. Zij werd als de perfectie gezien, iets dat zoveel mogelijk vereerd moest worden en wiens roem zo ver mogelijk moest reiken. 4. Liefde als centraal thema. Liefde speelde altijd wel op een manier de hoofdrol. De liefde had invloed op de daden van de held. Door de liefde werd hij een beter mens en begon hij bijvoorbeeld aan de geste waar het hele verhaal om draaide. Er zijn verschillende soorten hoofse ridderromans: De Arthur-roman (de Keltische of Britse roman) is een Middeleeuwse hoofse ridderroman met de volgende kenmerken: 1. wonderlijke sfeer met sprookjeselementen; 2. Moedige en sterke, maar tegelijk slimme ridders; 3. verering van de vrouw; 4. Koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel komen erin voor; 5. Liefde als centraal thema. Eigenlijk zijn deze kenmerken identiek als die van de „algemene‟ ridderroman, behalve kenmerk 4; alle verhalen spelen zich af rond Koning Arthur en zijn hof op Camelot In Brits Keltische Arthur-romans heeft koning Arthur de hoofdrol. De koning wordt opgehemeld. Dit zijn al heel oude verhalen. Arthur en zijn ridders wonen in een ideale wereld, waarin iedereen gelijk is. Arthur heeft zijn rijk met veel pijn en moeite opgebouwd uit de brokstukken die Uther Pendragon (zijn vader) heeft achtergelaten. Je zou kunnen zeggen dat de les in de Arthur-romans is dat je als je een goed mens bent, de wereld kan verbeteren. Koning Arthur, leefde enige eeuwen voor Karel de Grote. Daardoor zijn deze verhalen nog fantastischer dan de Karelromans; reuzen en monsters, vliegende schaakborden en andere sprookjesmotieven zijn volop aanwezig. Arthur werkt met de Ronde tafel: een tafel zonder hoofd, dus iedereen was gelijk. Alle ridders van de Ronde Tafel wilden bewijzen dat zij dapper waren en vertrokken daarom regelmatig op één of andere speurtocht. Een beroemd voorbeeld daarvan is Lancelot, die zijn dapperheid toonde door alle opdrachten die Guineverre hem gaf uit te voeren. Hij deed dit ook nog uit liefde voor zijn koningin, wat de zaak zeer hoofs maakte. En tenslotte is de ideale ridder in de Arthurromans hoofs tegenover de vrouw. Het doel van de avonturen en heldendaden is ofwel het vinden van de graal (de schaal die bij het Laatste Avondmaal door Christus gebruikt was en die ergens in Brittannië terechtgekomen was) ofwel het verwerven van de uitverkoren vrouw. Arthur is de literaire en ideologische tegenhanger van Karel, hij is een moderne vorst van BritsKeltische origine en omringt zich met gezagsgetrouwe ridders van lagere komaf. Aan zijn hof heerst doorgaans harmonie en zijn ridders cultiveren de hoofse beschavingsidealen. (als je de affaire van Lancelot en Guineverre niet meerekent)

26

In het Middelnederlands zijn verschillende romans over koning Arthur en zijn ridders overgeleverd. Bekende voorbeelden zijn Walewein, Perceval en de avonturen van de dapperste ridder aller tijden; Lancelot (of Lanceloet, zoals hij ook nog wel eens genoemd wordt) Een goed voorbeeld van de hoofsheid in de Arthur-romans komt uit het verhaal; Perceval, of het verhaal van de Graal. Dit verhaal is geschreven door Chrétien de Troyes. In het volgende fragment komt heer Walewein heer Perceval halen in naam van de koning. Heer Perceval staat net in gedachten verzonken naar de sneeuw te staren:

Heer Walewein rijdt heel rustig op hem af, als iemand die helemaal geen kwaad in de zin heeft en zegt: „Heer, ik zou u zeker op de gewone wijze begroet hebben, als ik uw gemoedstoestand net zo goed kende als de mijne. Maar ik kan u wel zeggen dat ik een bode ben van de koning, die u via mij opdraagt en verzoekt met hem te komen spreken.‟ „Er zijn er al twee geweest,‟ zegt Perceval, „ die het enige dat voor mij telt wegnamen, en me wilden meenemen alsof ik een gevangene was! Ik was zo verdiept in deze gedachten die bijzonder prettig waren, dat degene die me daaruit opschrikte hier niet tot zijn voordeel kwam; want hier op deze plek lagen drie druppels vers bloed die het wit deden oplichten: als ik er naar keek, leek het me alsof ik de frisse kleur van het gelaat van mijn schone vriendin zag; ik wilde er beslist niet van scheiden.‟ „Zeker‟, zegt heer Walewein, „dat was geen laag-bij-de-gronds gepeins, nee, integendeel, het was zeer hoofs en zoet; en hij die u daarvan afbracht, was gemeen en overmoedig. Maar nu zou ik toch wel bijzonder graag weten wat u wilt doen, want, als u het niet erg vindt, zou ik u heel graag bij de koning brengen.‟ (PrismaKlassieken, vertaling Dr. René E.V. Stuip)
De Oosterse Ridderroman had de volgende kenmerken: 1. ze spelen zich geheel of gedeeltelijk af in het (nabije) Oosten, bekend door de Kruistochten; 2. de (hoofse) liefde is het centrale thema: vaak de onmogelijke liefde tussen een christen en een heiden (waarbij bekering tot het christendom de oplossing biedt); 3. wonderlijke sfeer met sprookjeselementen; 4. moedige, sterke, maar tegelijk slimme ridders. Door de kruistochten zijn veel verhalen uit het oosten in West-Europa bekend geworden. In deze oosterse romans zijn de ridders niet alleen maar heldhaftig. Het hoofdmotief is de liefde geworden, zoals in de roman van Floris ende Blanchefloer. Het verhaal speelt zich altijd voor het grootste deel of helemaal in een Oosters land af.

Floris ende Blancefloor.
Floris ende Blancefloer (1260) geschreven door Diederic van Assenede, is zo‟n Oosterse roman. Er is een vertaling van Floire et Blanchefleur gemaakt, bestemd voor Vlaamse edelen die geen Frans kenden. Het is alleen geen zuivere ridderroman want de strijd ontbreekt. De held verkiest vernuft en rede boven geweld. Het verhaal concentreert zich vooral op de ontwikkeling van de hoofse liefdesrelatie. In het onderstaande fragment wordt Blancefleur aan de tand gevoelt door een vriendin van haar, over Floris en hoe hun relatie nou precies is.

27

“Blanchefleur,‟ zeid‟ zij, „zoete gezellinne, Kint gij de bloeme, daar ik om pogede U vele, eer ik ze u togede? Mij dinkt, dat gij ze an u draget, Sind dat gij ze alre eerst zaget, Zo dinkt mij, dat gij zijt verhoged. Ik wane, dat daaran leget grote doged, An die bloeme, die ene jonkvrouwe Zo schiere hevet verlost van hare Een luttel eer wild‟ gij ze niet zien, Nu dunkt gij mij bevaan in dien, Dat gij der gere zoudt zijn houd, Daar gij ze jegen delen zoudt.‟ „Delen?‟ zeid‟ zij, „En es dit Floris, Mijn zoete lief, mijn zoete amijs, Daar mijn lijf ende mijn dood an leget? Als ik u dikken hebbe gezeged, Dit es mijn troost, mijn toeverlaat, An heme leget al mijn raad.”

“Blanchefleur,‟ zei zij, „zoete vriendin, ken jij de bloemen, om welke ik je zo plaagde? Mij dunkt dat ge ze bij u draagt, sinds jij ze voor het eerst zag, ik denk dat je verheugd bent. Ik denk dat er een grote kracht schuilt in die bloem, die een jonkvrouwe zo snel verlost van haar rouw. Eerder wilde jij ze niet zien, nu schijn jij mij in zulk een toestand, dat gij degene wel zeer genegen zou zijn, met wie jij ze (de bloem) zou delen.‟ „Delen?‟, zei zij, „En is diegene Floris, mijn zoete vriend, mijn zoete lief, die leven of dood voor mij betekent? Zoals ik jou dikwijls heb gezegd, hij is mijn troost, mijn toeverlaat, bij hem ligt al mijn heil.”

(Ridderverhalen uit de middeleeuwen, pagina 114, vertaling Lisa Mol) De derde stroming binnen de Middeleeuwse ridderroman is de Klassieke ridderoman, waarvan de stof ontleend is aan de klassieke oudheid; de sfeer is echter volkomen middeleeuws. Alle elementen die van oorsprong klassiek zijn (zoals „heidense‟ goden) zijn aangepast aan de middeleeuwen. Een voorbeeld hiervan is J. van Maerlant, Historie van Trojen. Deze romans vertellen verhalen over helden uit de Griekse en Romeinse oudheid. Bijvoorbeeld de romans over Alexander de Grote en over de geschiedenis van Troje, beide geschreven door Jacob van Maerlant. De sfeer in deze verhalen is, ondanks hun onderwerp, heel herkenbaar middeleeuws. Ook de illustraties zijn volkomen middeleeuws. Ander literaire stromingen in de middeleeuwen zijn: Geestelijke literatuur: de geestelijke literatuur is een totaal andere stroming in de middeleeuwse literatuur. De monniken besteedden uren in de kloosters met het optekenen en kopiëren van heiligenlevens. Zij hielden zich vaak alleen maar bezig met godsdienstige zaken, slechts enkele keren tekenden zij niet godsdienstige zaken op. Burgerlijke literatuur: dit zijn vooral didactische werken (om de mensen iets te leren). Zij handelden niet over heiligen of ridders die fantastische heldendaden verrichten, maar meer over hoe een gewoon mens een beter leven kon leiden (om zo wellicht verzekerd te zijn van een plaats in de hemel).

28

Deelvraag 6
Welke waarde heeft de Hoofse Liefde in de moderne literatuur?
De Middelnederlandse literatuur heeft ook tegenwoordig nog invloed op de moderne literatuur. Om dit te onderbouwen hebben wij twee boeken uitgekozen om te bespreken. In deze twee boeken komt het thema, hoofs, onbereikbare liefde, steeds weer terug.

Terug tot Ina Damman
In Terug tot Ina Damman, van Simon Vestdijk, wordt de puber Anton Wachter wanhopig verliefd op Ina Damman, een meisje van zijn school. Deze liefde zal zijn hele schoolcarrière beheersen. Wanneer Anton toenadering zoekt tot Ina, wijst zij hem in de eerste instantie niet botweg af, maar blijft wel afstandelijk. Anton hoopt haar gunsten te winnen door haar tas te dragen en met haar mee te lopen naar het station. Anton idealiseert Ina, hij schept een droombeeld van haar, waar hij wel tegen durft te praten en met wie hij ook werkelijk een relatie heeft, maar van de echte Ina Damman is hij in feite bang, hij weet niet wat hij er mee aan moet. Ina symboliseert voor hem de hogere, geestelijke liefde, de ideële liefde. Dit is in feite ook waar het bij de hoofse liefde om draait. De dame ophemelen door haar te idealiseren en werken in haar naam verrichten, om haar gunst te winnen. Maar Anton is bang van de echte Ina Damman; die angst maakt hem onhandig in de omgang met haar. Daardoor lukt het hem niet Ina voor zich te winnen. Ina verwacht van een jongen in deze situatie iets meer en maakt tenslotte het „uit‟. Zij wil niet meer met hem omgaan en al helemaal niet dat hij nog met haar meeloopt naar het station. Na Ina wordt Anton „verliefd‟ op Marie van den Boogaard, een meisje uit zijn klas. Hij begint een relatie met haar maar die loopt stuk omdat Marie veel te aanhalig is. Zij is eigenlijk het tegenovergestelde van Ina. Deze verliefdheid was alleen gebaseerd op het feit Anton doorloopt de verschillende versies van de liefde, van welke de geestelijke liefde uiteindelijk het sterkste blijkt. Anton is eigenlijk een kind tussen vier vrouwen. Zijn moeder staat voor de kinderliefde; Ina voor de geestelijke, hoofse liefde; Marie voor de zinnelijke verliefdheid en Janke, de dienstmeid, die hem een seksspelletje leerde toen hij acht jaar oud was, voor de puur lichamelijke liefde. Uiteindelijk vlucht Anton weer terug naar zijn eigen droomwereld. Hij blijft trouw aan Ina, en stelt zich tevreden door met haar droombeeld te leven. Deze trouw komt vooral uit de laatste zin naar voren:

“Maar zijn voeten raakten zwaar de aarde, zwaar en knarsend op het kiezel alsof zij alleen hadden te bepalen hoe onwankelbaar trouw hij blijven zou aan iets dat hij verloren had, - aan iets dat hij nooit had bezeten.”
Uit deze zin blijkt hoe trouw Anton zal blijven aan Ina, hoewel hij weet dat hij haar nooit bezeten heeft en haar nooit zal bezitten. In de hoofse liefde was dit een wezenlijk deel van de cultuur, de troubadour die trouw bleef aan de vrouwe zonder er ook maar iets voor terug te krijgen.

29

Een vlucht regenwulpen
In “Een vlucht regenwulpen” van Maarten ‟t Hart, wordt de ik-persoon, Maarten, verliefd op Martha. Zij zit ook bij hem op school en hij probeert haar gunsten te winnen door haar te helpen met haar huiswerk in de bibliotheek. Maarten is een buitenbeentje, die eigenlijk vrij contactgestoord is. Hij heeft moeite met het omgaan met mensen en het aanknopen van gesprekken. Ook heeft hij moeite met in het openbaar verschijnen. Hij heeft een enorme hekel aan pleinen en vermijdt die dan ook als het even kan. Martha wordt, net zoals Ina, geïrriteerd door het gedrag van Maarten. Zij ontwijkt hem liever, zeker nadat hij zelfs een eind fietst op zondag om in dezelfde kerk te zitten als zij zit. Dit schrikt haar af. Maar Maarten blijft verliefd op Martha en kan haar droombeeld niet van zich afzetten. Als hij op een bruiloft het zusje van Martha tegenkomt overwint hij zijn schroom en vraagt hij haar mee uit. Eigenlijk doet hij dit alleen maar omdat zij op Martha lijkt. Maarten is nog steeds wanhopig op zoek naar Martha, zonder dat hij dat inziet. Vanaf het moment dat hij een afspraak heeft met het zusje van Martha, wiens naam niet bekend wordt, aangezien zij alleen maar een afspiegeling van Martha symboliseert, krijgt Maarten een dwanggedachte. Hij is er van overtuigd dat hij dood zal zijn op de dag van de afspraak. Dit is ook bijna het geval, wanneer hij een ongeluk krijgt in de Zwitserse Alpen. Ondertussen is Maarten een beetje verliefd geworden op een collega van hem, Adriënne, maar zij wordt verliefd op een ander. In Bern probeert Maarten een hoer te benaderen omdat zij op Martha lijkt. Maar zelfs zij weigert hem. Dit symboliseert de onbereikbaarheid van Martha. Martha zal voor altijd een droombeeld blijven voor Maarten. Uiteindelijk zegt Maarten de afspraak met het zusje af, waarschijnlijk omdat hij er toch voor kiest om in zijn droomwereld te blijven en niet vervanging te zoeken voor Martha. Wat deze beide boeken dus gemeen hebben, is het feit dat de hoofdpersoon verliefd wordt op een meisje, haar probeert te veroveren, (uiteindelijk) afgewezen wordt en zich dan terugtrekt in een droomwereld. De waarde van de literatuur is dus te bepalen door te krijgen hoe relevant het onderwerp nog is in de literatuur. Uit deze twee boeken blijkt dat de Hoofse Liefde eigenlijk nog steeds meespeelt, in het dagelijks leven. Want wie weet hoeveel mensen te maken hebben (gehad) met zo‟n geestelijke, onbeantwoorde liefde?

30

Conclusie
Ho w rd de Ho fse L ie in de Midde e e ge e w is de histo e e o fde le uw n uit n at rische w aarde van de Ho fse L ie in de mo rne lite o fde de ratuur?
Het antwoord op deze vraag luidt volgens ons: De Hoofse Liefde werd in de Middeleeuwen op verschillende manieren geuit. De voornaamste manier was klaarblijkelijk via de gedichten die de troubadours schreven en voordroegen. Zij verhaalden over voorname dames en dappere ridders. Deze gedichten dienden de toehoorders weer tot voorbeeld. Bij de Hoofse Liefde speelden verschillende groepen een rol. Ten eerste waren er natuurlijk de troubadours en de trouvères. Zij verspreidden de cultuur en maakten de beroemde verhalen als Floris en Blanchefleur, Lancelot en Guinevere en Tristan en Isolde “wereld” beroemd. Ten tweede waren er de dames, die vaak één van de hoofdrollen speelden in de verhalen. Zij fungeerden als het object van affectie voor de ridders. Zij inspireerden tot het verrichten van goede werken en het verbeteren van de maatschappij. Ten derde zijn er natuurlijk de ridders. Zij deden in naam van hun dame allerlei goede daden en gingen op de ene queeste naar de andere. Zonder deze drie groepen kon de Hoofse Liefde niet tot stand zijn gekomen. Want immers, de dame inspireert de ridder, de ridder zorgt voor de verhalen, de verhalen worden verder verteld door de troubadours, waardoor de dames meer roem krijgen en meer ridders die in hun naam goede daden verrichten. Zji hebben elkaar dus allemaal nodig. Ook hedentendage werkt de Hoofse Liefde nog steeds tot de verbeelding. Moderne schrijvers zoals Maarten ‟t Hart en Simon Vestdijk gebruiken dit als thema in hun boeken.

31

Literatuur
Tijdschriften Krul, W.E. (1978) “Troubadours en feodalisme”, in: Spiegel Historiaal, jaargang 13, nummer 10; oktober, pagina 612-617. Boeken Hogenelst, D. & Oostrom, F. van, (1995) “Handgeschreven Wereld, Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen”, Amsterdam: Prometheus Pleij, H. (1988) “Het literaire leven in de middeleeuwen”, Leiden: Nijhoff Huizinga, J. (1963) “Herfsttij der middeleeuwen”, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & zonn N.V. Frayling, C. (1995) “De faschinerende middeleeuwen”, Houten: Fibula / Unieboek b.v. Nederlandse vertaling van “Strange landscape” (1995), BBC books Duby, G. (1985) “Ridder, vrouw en priester, de middeleeuwse oorsprong van het moderne huwelijk”, Amsterdam: Brecht Nederlandse vertaling van “Le chevalier, la femme et le prête: le mariage dans la France féodale” (1981) Parijs: Hachette Pernoud, R. (1986) “Vrouwen in de middeleeuwen: haar politieke en sociale betekenis”, Baarn: Ambo. Nederlandse vertaling van “La femme au temps des cathédrales”, (1980) Parijs: Stock Winter, J.M. van (1982) “Ridderschap”, Bussum: Unieboek Hansmann, W. (1980) “Het Loire-Dal”, de Bilt: Uitgeverij Cantecleer. Nederlandse vertaling van “Das Tal der Loire” (1976) Keulen: DuMont Buchverlag Power, E. (1978) “De vrouw in de middeleeuwen”, Bussum: Unieboek. Nederlandse vertaling van “Medival Women” (1975) Cambridge: Camebridge University Press Vooys, C.G.N, de & Stuiveling, G. (1958) “Schets van de Nederlandse Letterkunde”, Groningen; J.B. Wolters “The Golden Age of Dutch Manuscript Painting” (1989) Stuttgart en Zurich; Verlagsgeschäfte & Co. K.G. Catalogus voor de expositie “Middeleeuwse Miniaturen uit de Noordelijke Nederlanden” Utrecht, Rijksmuseum Het Catharijneconvent, 10-12-1989 / 11-02-1990, en voor “The Golden Age of Dutch Manuscript Painting” New York, The Piermont Morgan Library, 01-03-1990 / 06-05-1990

32

Haantjes, J. & Smit, W.A.P. (1948) “Panorama der Nederlandse Letteren” Amsterdam; N.V. Amsterdamsche boek- en courant maatschappij Janssens, J. (1979) “Ridderverhalen uit de Middeleeuwen” Amsterdam / Brussel; Elsevier Paape, N. de (1970) “Ik zag nog nooit zo roden mond”, Leiden; A.W. Sijthoff‟s Uitgeversmaatschappij Calis, P. / Huygens, F.P. / Veurman, B.W.E. (1977) “Het spel der knikkers” Amsterdam, Meulenhoff Educatief Komrij, G. (1989) “Abele spelen” ‟s-Gravenhage; SDU uitgeverij Knuvelder, G. (1967) “Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse Letterkunde” ‟sHertogenbosch; L.C.G. Malmberg Bumke, J. (1989) “Hoofse cultuur (deel 1 & 2)” Münschen; Deutscher Taschenbuch Verlag GmbH & Co. Vertaling van: “Höfische Kultur. Literatur und Geschellschaft im hohen Mittelalter”

33

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->