Pole1 "spamować" (adj) nijaki 25 funtów a zdumiony abakus abdykacja abdykować abecadła abecadło aberracja aberracją abiogeneza abnegacja

abolicją abolicjonista abolicjonizm abonamencie abonament abonencie abonent abonent (telefoniczny) abonent wywołujący program żądający abonował aborcja aborcją aborygen abrutto absencja absencją absolutnie absolutny absolutny absolutny błąd podstawy czasu absolwencie absolwent absorbcją absorbować absorbował absorbując absorbujący absorpcja zakłóceń kosmicznych abstrahowanie abstrakcie abstrakcie abstrakcja abstrakcja abstrakcja proceduralna

Pole2 doen toekomen, sturen, opsturen nihil, nul pony ampère telraam, abacus afstand, ontslagname, ontslagneming bedanken, neerleggen, afstand doen alfabet, ABC, eerste beginselen alfabet, ABC, eerste beginselen aberratie, afwijking aberratie, afwijking abiogenesis versterving, abnegatie afschaffing tegenstander van slavernij anti-slavernijbeweging abonnement abonnement abonnee abonnee gebruiker bezoeker geabonneerd zijn op abortus provocatus, abortus abortus provocatus, abortus Australische inboorling, aboriginal vettig, vet absenteïsme afwezigheid, absentie, mangel beslist, absoluut, ten enenmale absoluut, onvermengd onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt absoluut, onvermengd afgestudeerd, gediplomeerd afgestudeerd, gediplomeerd absorptie, opslorping in beslag nemen, opslorpen, absorberen in beslag nemen, opslorpen, absorberen fascinerend, boeiend, betoverend fascinerend, boeiend, betoverend absorptie, opslorping abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract begrip, abstractie

abstrakcyjny abstrakcyjny typ danych abstynencja abstynencją abstynent absurd absurd absurdalny aby aby ostrzegać academic ACC accusativus aceton acetylen ACH ach adaptacja adaptacją adapter adapter wejścia/wyjścia adaptować adaptował adaptował adaptował adaś ADDR adepci adepcie adiectivum adiunkcie adiunkt adiutancie adiutant ADMIN administracja administracja administracja państwowa administracja publiczna administracją administracyjny administrator administrator administrator organizator administrować administrować administrowanie admirał

abstract, afgetrokken abstract, afgetrokken geheelonthouding, abstinentie terughoudendheid, onthouding knutseaar, amateur, dilettant onding, absurditeit, ongerijmdheid nonsens, onzin, zever, gekheid dwaas, ongerijmd, onzinnig, absurd gedurende, onder, terwijl, staande entstof, vaccin, vaccine trap, mate, graad accumuleren, ophopen, opeenhopen accusatief, vierde naamval aceton acetyleen och, ach, oh, ah oh, ah, och, ach modificatie, bewerking, aanpassing modificatie, bewerking, aanpassing bewerker bewerker afstemmen, aanpassen, adapteren afstemmen, aanpassen, adapteren bewerkt, aangepast arrangeren, aanrichten, ordenen Adam adresseren aanhang, leden student bijvoeglijk naamwoord, adjectief opvoeden, onderwijzen lector adjudant, ordonnansofficier adjudant, ordonnansofficier beheerder, administrateur administratiekantoor, bestuur administratiekantoor gouvernement, regering, overheid administratiekantoor, bestuur administratiekantoor bestuurlijk, administratief beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur besturen, administreren, beheren administreren, beheren, besturen administratiekantoor, bestuur admiraal, vlootvoogd

adnotacja adnotacją adnotacją adopcja adopcją adoptować adoptował adoptował adoptowany adoracja adoracją adorator ADR adrenaliną adres adres ATM adresacie adresat adresatka adresować adv adv adverbium adwent adwersarz adwersarz adwokacie adwokacie adwokat adwokat adwokaturą aeroport afekcie afekt afekt afektacja afektowany aferą aferą affront Afganistan afgańczyk afisz afisz aforyzm afront afryce Afryka

aantekening, commentaar aantekening, commentaar plaatsbewijs, biljet, kaartje adoptie, aanneming adoptie, aanneming zich eigen maken, adopteren zich eigen maken, adopteren aangenomen, geadopteerd aangenomen, geadopteerd aanbidding, adoratie aanbidding, adoratie bewonderaarster, vereerster adresseren adrenaline adresseren adresseren geadresseerde geadresseerde geadresseerde adresseren direct, overeind, rechtop helemaal, heel, finaal adverbium, bijwoord advent tegenstander tegenstander adviseren, aankondigen, bekendmaken verdediger, pleitbezorger, advocaat pleitbezorger, advocaat, verdediger verdediger, pleitbezorger, advocaat belemmeren, afsluiten, afdammen luchthaven aandoen, aangrijpen affect, emotie, aandoening droefheit, hartzeer, beproeving aanstellerij, onnatuurlijkheid aangedaan, aangegrepen zaak, aangelegenheid, ding, affaire konkelen, intrigeren, bekonkelen beledigen, krenken, affronteren Afghanistan Afghaans aanplakken aanplakbiljet, plakkaat, affiche aforisme, spreuk, kernspreuk afsnauwen Afrika Afrika

Afrykanin afrykańczyk afrykański agawa agencie agencie agencja Agencja Ochrony Środowiska agencją agendą agendą agent agent agent ubezpieczeniowy agentura agitować aglomerat agonia agonią agrafka agrariusz agrarny agregacie agregat agregat v agregować agregować agresja agresją agresor agresor agrest agresywny agresywny agromadzenie agromadzenie ah aimponować akacja akacja riusz akademia akademia akademia usz akademią akademicki akapicie akapicie akapit akceleracja

Afrikaans Afrikaans Afrikaans agave vertegenwoordiger, dealer, agent gedeputeerde, afgevaardigde agentschap agentschap agentschap tak, aftakking departement vertegenwoordiger, dealer, agent verkoper vertegenwoordiger, dealer, agent agentschap agiteren, opruien, ophitsen, opstoken agglomeraat doodsangst, doodsstrijd, agonie doodsangst, doodsstrijd, agonie veiligheidsspeld agrariër, landbouwer agrariër, landbouwer aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat agressie agressie aanvaller aanvaller kruisbes, klapbes agressief aanvallend, offensief samenscholing vergadering, zitting och, ach, oh, ah indruk maken op, imponeren acacia acacia academie, hogeschool, genootschap college academie, hogeschool, genootschap academie, hogeschool, genootschap akademisch, academisch artikel, paragraaf branche, vak, tak artikel, paragraaf versnelling, acceleratie

akceleracją akcelerator akcelerator liniowy akcencie akcent akcent akcent akcentować akcent riusz akcentować akceptacja akceptant akceptować akceptował akceptował akceptował akces akcesoria akcesoria akcesoria panelowe akcie akcie akcja akcja tunelowa akcją akcją akcją akcjonariusz akcydent akcyzą aklamacja aklamacją aklimatyzacja aklimatyzować się akolita akomodacja akomodacją akompaniamencie akompaniament akompaniator akompaniować akompaniował akompaniując akord akord akordeon akr akr (ok. 0.4 hektara) akr dytacja

versnelling, acceleratie accelerateur, gaspedaal, versneller accelerateur, gaspedaal, versneller accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen beklemtonen, accentueren accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen aanvaarding, aanneming, onthaal acceptant accepteren, aanvaarden accepteren, aanvaarden aanvaard, erkend, gangbaar beamen, billijken, goedkeuren aanwinst, acquest, buit, prooi accessoires bijkomstig, bijbehorend, bijkomend accessoires doen, bezig zijn, ageren, handelen actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe veldtocht, campagne bewerking, operatie, ingreep actie, aandeel aandeelhouder ongeluk, accident, ongeval verbruiksbelasting, accijns bijval, acclamatie, toejuiching bijval, acclamatie, toejuiching acclimatisering acclimatiseren acoliet, altaardienaar compromis aanpassing begeleiding, accompagnement begeleiding, accompagnement begeleider, metgezel vergezellen, accompagneren, begeleiden vergezellen, accompagneren, begeleiden ingesloten, bijgaand accoord, overeenstemming accoord, overeenstemming, akkoord trekharmonika, accordeon acre acre acre

akredytować akredytował akrobacie akrobata akrobatka akrobatyczny akrobatyka akronim akropol aksamicie aksamit aksjomacie aksjomat aksjomat wyboru akt akt akt przemocy akt ślubu akt urodzenia akt zgonu akt zgonu akta aktor aktor teatru kukiełkowego aktorce aktorka aktorstwa aktówka aktualnie aktualności aktualny aktualny aktywa aktywiście aktywność aktywność dysku twardego aktywny aktywny szablon aktywować akumulator akumulator akumulator litowy o dużej pojemności akumulował akupunktura akustyczny akustyczny akustyka akuszerce

accrediteren accrediteren kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat acrobatisch acrobatiek acroniem Acropolis fluwelen fluwelen grondstelling, axioma grondstelling, axioma grondstelling, axioma doen, bezig zijn, ageren, handelen aanklacht, beschuldiging huwelijk, echt, echtverbintenis doen, bezig zijn, ageren, handelen geboorte dood, overlijden, sterfgeval naakt, onopgesmukt, onbedekt, bloot dossier, bestand speler, komediant, acteur speler, komediant, acteur toneelspeelster, actrice toneelspeelster, actrice podium, bestuur, tribune, leiding boekentas, theca, aktentas tegenwoordig nieuws, nieuwigheid, nieuwtje afdoend, effectief, doeltreffend actueel, tegenwoordig bedrijvende vorm, actief, bezit onruststoker, agitator, activist actie, gedoe, optreden, handeling actie, gedoe, optreden, handeling werkzaam, actief, bedrijvig werkzaam, actief, bedrijvig wachten, afhalen, te wachten staan accumulator, accu accu, accumulator accumulator, accu accumuleren, ophopen, opeenhopen acupunctuur acoustisch, akoestisch acoustiek, geluidsleer, akoestiek acoustiek, geluidsleer, akoestiek vroedvrouw, verloskundige

akuszerka akwarela akwarium alarm alarm alarm przeciwlotniczy alarm słyszalny alarm w systemie administrowania siecią alarmować alasce Alaska Albania albanią Albańczyk albański albo albo albumina ale ale męczą wzrok) ale zgrabne) alei alei aleja aleja aleja aleja alejka Aleksandria alert alfabet alfabet brajla alfabet brajla alga algebra algebrą Algierczyk Algieria algierski algorytm alibi aligator alkohol alkoholik alkoholowy alkowa alokować alokować

vroedvrouw, verloskundige aquarel, waterverfschilderij aquarium alarmeren, aanslaan, alarm slaan kwiek, druk, kras, levendig, rap kwiek, druk, kras, levendig, rap alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan Alaska Alaska Albanië Albanië Albaans, Albanees Albaans, Albanees ander of eiwit, proteïne maar, doch nog maar, doch dreef, laan vallei, dal steeg wreken, wraak nemen dreef, laan straat steeg Alexandrië kwiek, druk, kras, levendig, rap alfabet, ABC, eerste beginselen blindenschrift, braille braille, blindenschrift alge, wier, zeewier algebra, stelkunde algebra, stelkunde Algerijns Algerije, Algerië Algerijns algoritme alibi alligator drank, alcoholische drank, alcohol alcoholist, drankzuchtige, zuiplap alcoholist, drankzuchtige, zuiplap prieel verloten, loten verzenden

Alpy altana altana altanka alternatywa alternatywą alternatywny alternatywny alternatywny aluminiowy aluminium aluminium aluzja aluzja aluzją amancie amant amator amator herbaty amazonce Amazonka ambaras ambaras ambasada ambasadą ambasador ambicja ambicją ambitny ambona amboną ambulans amer. <fagot> ameryce Ameryka Amerykanin amerykański amerykański orzech biały amfiboliczny niepewny amortyzacją amortyzator amortyzować amortyzować (wstrząsy) amper amper amputacja amputować amputował

Alpen zomerhuisje, zomerhuis zomerhuisje, zomerhuis prieel keus, alternatief, keuze keus, alternatief, keuze afwisselend afwisselend keus, alternatief, keuze aluminium aluminium aluminium toespeling, zinspeling zinspelen toespeling, zinspeling vriendin, vrijster, geliefde, minnares vriendin, vrijster, geliefde, minnares knutseaar, amateur, dilettant knutseaar, amateur, dilettant Amazone Amazone penarie, knelpunt, benardheid, hinder penarie, knelpunt, benardheid, hinder ambassade ambassade ambassadeur, gezant ambitie, eerzucht ambitie, eerzucht ambitieus, eerzuchtig kansel, leerstoel, katheder kansel, leerstoel, katheder ambulance, ziekenauto, ambulancewagen mutserd, brandstapel, mutsaard Amerika Amerika Amerikaans Amerikaans Amerikaans dubbelzinnig, dubbelslachtig aflossing, amortisatie, afschrijving schokbreker in beslag nemen, opslorpen, absorberen afbetalen, afschrijven, aflossen ampère ginds, er, aldaar, daarginds, daar wegneming, amputatie afzetten, amputeren, wegsnijden afzetten, amputeren, wegsnijden

amsterdam amulecie amunicja amunicja amunicją analfabecie analfabeta analityczny analityczny analiza analiza wrażliwości analizą analizować analizować analizował analogia analogiczny analogowocyfrowy analogowo-cyfrowy ananas AND iloczym logiczny Andy anegdocie anegdocie anegdota aneks aneks anemia anemia anemiczny anemiczny anemon angażował Angielka angielski angielski policjant Anglia Anglia (arch. lub poet.) anglią Anglicy Anglik Anglosas anglosaski Angola angolą angora angorą ANI

Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum aantrekkelijkheid ammunitie, munitie ammunitie, munitie ammunitie, munitie ongeletterd, analfabetisch ongeletterd, analfabetisch analytisch analytisch analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyseren, ontbinden, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden pariteit analoog, overeenkomend, gelijksoortig bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging ananas en Andesgebergte, Andes anekdote, anecdote etage, verdieping anekdote, anecdote bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein bloedarmoede, anemie bloedarmoede, anemie bloedarm bloedarm anemoon verloofd, geëngageerd Engelse Engels Engels Engeland, Albion Engeland, Albion Engeland, Albion Engels Engelsman Angelsaksisch Angelsaksisch Angola Angola Angora, Ankara Angora, Ankara evenmin, noch

afkeer. voelhoorn. alcohol. annuleren. tegenzin. verwoesten. apparaat apparaat. bloemlezing interval. mislukken ontbinden. hulpmiddelen. antiek oudheid antilope antilope pacifisme hekel.ani ani anielski anielski anihilować animusz animuszach anioł Anioł Pański anoda anonimowy anons anormalność anormalny antarktyczny antena antologia antologią antrakcie antropolog antrykocie antycypował antyczny antyk antyk antylopa antylopą antymilitaryzm antypatią antyseptyczny anulować anulować anulować anulować anulował anuluj Apache Apacz aparacie aparacie aparat aparat aparat telegraficzny aparatura aparaturą aparaturą apartamencie apartamencie apartament neen. nee. annuleren. abnormaliteit abnormaal Zuidelijke IJszee antenne. bloemlezing antologie. plaat anoniem. stel appartement. afgelasten afbestellen nihil. naamloos. inrichting machinerieën complet. hulpmiddelen. aloud. ra antologie. drank engel engel fotografische plaat. flat . inrichting hulpmiddelen. verkondiging afwijking. set. bief anticiperen. inrichting fototoestel. antiek ouderwets. flat appartement. vernielen geest alcoholische drank. tussenruimte antropoloog biefstuk. inrichting apparaat. ongenoemd aankondiging. spriet. flat appartement. kiektoestel. niet engel engelachtig vernietigen. hulpmiddelen. straatschuimer apparaat. afgelasten afbestellen apache. stelletje. prejudiciëren ouderwets. straatschuimer apache. aloud. camera apparaat. hulpmiddelen. geen. inrichting. antipathie antiseptisch middel een miskraam krijgen. nul ontbinden.

straatschuimer apathie. goedkeuren farmacie. dofheid. artsenijbereidkunde farmacie. lusteloosheid apathie. toejuiching loven. apathisch appelleren. een beroep doen op appelleren. prijzen beamen. afdak appartement. afkappingsteken apostrof. begeren graagte. eetlust. gat. administreren. eetlust.apartament apartament na szczycie budynku apasz apatia apatią apatią apatyczny apel apelacja apelować apertura apetycie apetyczny apetyt apetyt apetyt applaud aplikacja aplikacja zaplecza aplikacją aplikant aplikować aplikował apokalipsa apokalipsą apologią apostolskość apostoł apostoł apostrof apostrofa app approx. bekrachtigen bijval. w przybliżeniu aprobacie aprobacie aprobata aprobata aprobować aptece apteka aptekarz ar (100 metrów kwadratowych) Arab arab arab (koń) arabski aranżacją arbiter arbiter luifel. roemen. trek smakelijk. aanvrager besturen. verkiezen. fijn. lekker graagte. opening graagte. maatregel arbiter. hongerigheid. farmaceut are. beheren Openbaring van Johannes Openbaring van Johannes verontschuldiging missionaris. lusteloosheid flegma lusteloos. verdediger apostel. scheidsrechter . scheidsrechter arbiter. afkappingsteken aanwending. acclamatie. toepassing ongeveer. administreren. verheerlijken. trek trek hebben in. melig. een beroep doen op mond. eetlust. een stuk of. flat apache. beheren besturen. hongerigheid. toepassing aanwending. toepassing aanwending. toejuiching sanctioneren. trek aanwending. een beroep doen op appelleren. dofheid. billijken. circa bijval. vierkante decameter Arabier Arabisch Arabier Arabisch akkoord. voorvechter apostrof. advocaat. acclamatie. artsenijbereidkunde apotheker. toepassing verzoeker. zendeling pleitbezorger. hongerigheid.

arbitrair. aartsbisschop arena. vel blad. bouwmeester archief archief archief archief archief metropoliet. Arctis blad. arrestatie acht. verouderd aartsengel eilandengroep. piste. formeren. Arctica. arrestatie arrestatie. legermacht heerschaar. kettingzang. piste. disputeren. scheidsrechter scheidsrechter. legermacht . scheidsrechter arbiter. beugel. scheidsrechter naar willekeur willekeurig. bouwmeester architect. krijt. ophouden. kettingzang. vuurmond roer. detineren aanhouding. berechten arbiter. scheidsrechter archaïsch. ring aanhouding. kanon. leger. arrestatie reserveren. kampplaats arena. arbiter arbiter.arbiter arbiter arbiter arbiter (w handlu) arbiter magistrali arbitralnie arbitralny arbitrator zadań archaiczny archanioł archipelag architekcie architekt archiwa archiwum archiwum archiwum dyskowe archiwum wieloczęściowe arcybiskup arena areną areną areszcie areszcie areszt areszt aresztancie aresztować aresztować aresztowanie Argentyna argentyną Argentyńczyk argentyński argumentował aria arizoną arktyczny arkusik arkusz arkusz (papieru)formularz arkusz kalkulacyjny armacie armacie armata armata armia armią beoordelen. geweer heerschaar. leger. aangaan canon. aanhouding aanhouding. eigenmachtig arbiter. krakelen lucht Arizona Noordpoolgebied. archipel architect. arrestatie Argentijns Argentinië Argentijns Argentijns twisten. kanon. attentie. geweer canon. vel briefkaart vormen. krijt. vuurmond roer. oordelen. kampplaats wal. aandacht verdenken aanhouding.

kunstenaar Arisch Arisch aristocraat adel. cijferen rekenkunde. arteriosclerose handelsartikel. som. dagen. beschermen samenscholing assembler assembler assembler assembler vergaderen. kunstenaar artistiek. cijferen rekenkunde. aanmatiging aanmatigend. cijferen aas aas assurantie. cijferen rekenkunde. artikel bijdrage geschut. behang slagader. bedrag. artillerie geschut. kunstmatig artiest. edelen aristocraat rekenkunde. samenkomen. cijferen rekenkunde. cijferkunst. totaal. cijferkunst. aanmatiging arrogantie. cijferkunst. bijeenkomen samenscholing asfalt asfalt asfalt betekenen. arterie slagader. summa rekenkunde. cijferkunst. cijferen rekenkunde. arrogant geur. cijferkunst. kunstig. kunstenaar artiest. cijferen somma. cijferkunst. aroma geur. dagen.arogancja arogancją arogancki aromacie aromat aromatyczny arras arteria arterią arterioskleroza artykuł artykuł (w czasopiśmie) artyleria artylerią artysta artysta estradowy artystyczny artyście Aryjczyk aryjski arystokracie arystokracja arystokrata arytmenyka arytmetyce arytmetyczny arytmetyka arytmetyka arytmetyka dużej precyzji arytmetyka zmiennopozycyjna arytmetyka zmiennoprzecinkowa as as far as I remember asekuracją asekurował asemblacja warunkowa asembler asembler adresowania bezwzględnego asembler skrośny asembler wbudowany asemblować asemblowanie protokół asemblowania zestaw asfalcie asfalt asfaltować ASG ASGN arrogantie. artillerie artiest. aromatisch wandtapijt. dagvaarden betekenen. cijferkunst. aroma geurig. verzekering behoeden. dagvaarden . arterie aderverkalking.

adjunct. aspirant kandidaat. ruimtevaarder astronaut. sollicitant. helper aanvullend helpen. aanvallen godloochenarij. offensief inblikken aanvallen. aanvallen aanvallend. aantasten. stuk getuigen. astronomie sterrenkunde. aandacht Athene Atheens Atheens acte. sterrenwichelaar astronaut. ruimtevaarder sterrenkundige. schijn. passend. bijstaan aanvallen. dingen naar. assimileren begeleiding. bedrijf. accompagnement assistent. genootschap. aamborstigheid astroloog. aantasten aangrijpen. helper assistent.ASM asocjacja asocjacją aspekcie aspekt aspiracje aspirancie aspirant aspirował aspiryna aspiryną asterysk astma astrolog astronaucie astronauta astronom astronomia astronomią asygnował asymilował asysta asystencie asystent asystent pokładowy asystował atak atak atak atak sieci komputerowej atak znanym tekstem jawnym atakować ateizm atelier atencją Ateny Ateńczyk ateński atest atestować atestował atlantycki Atlantyk atlas atlas atlecie atleta atletyczny assembler bond. aantasten aangrijpen. schijn. aspirant ambiëren. eerzucht kandidaat. attentie. adjunct. asterisk astma. associatie bond. atlas atleet atleet atletisch . akte. aanblik ambitie. air. atheïsme studio acht. assisteren. dokument. geschikt in zich opnemen. associatie aanzien. genootschap. aantasten. astronomie gepast. astronoom sterrenkunde. najagen aspirine aspirine sterretje. sollicitant. verzekeren Atlantische Oceaan Atlantische Oceaan Atlas kaartenboek. air. aanblik aanzien. certificeren betuigen.

dampkring. wagen toehoorders. atmosfeer atoom atoom acceptant atoom-. vendu. atomair aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aanlokkelijk. weder Australië Australië Australisch Australisch Oostenrijk Oostenrijks Oostenrijks Oostenrijk . controleren auctie. mijn. auditorium uitzenden. aantrekkelijk inkt inkt inkt aanfloepen. mijn. veiling auctie. sfeer. atmosfeer lucht. omroepen uitzenden. sfeer. aandacht dakkamertje zolderkamer Attisch dakkamertje zolderkamer Attisch troef troef auto. krachtsport lucht. aflezen. karakteristiek bijvoeglijke bepaling. afslag. omroepen uitzenden. dampkring. attribuut acht. afslag. attentie. attribuut bijvoeglijke bepaling. omroepen checken.atletyka atmosfera atmosfera absolutna (jednostka ciśnienia) atmosfera techniczna (jednostka ciśnienia) atom atom (podstawowe pojęcie języka Lisp) atom akceptorowy atomowy atrakcja atrakcją atrakcyjność atrakcyjny atramencie atrament atrament magnetyczny atrapą atrybucie atrybut atrybut przypisanie atrybut złożony ATTN attycki attycki attycki attyka attyka attyka atucie atut (w kartach) aucie audiencja audycja audycja radiowa audycją audyt aukcja aukcją aurą Australia australią australijczyk australijski Austria austriacki Austriak austrią atletiek. kenmerkend. vendu. dampkring. weersomstandigheden. sfeer. gehoor. veiling weer. atmosfeer lucht. aangaan bijvoeglijke bepaling. aanflitsen. attribuut tekenend.

verkeersweg autobaan. bedenker. promotie gaan naar. autoriseren mandaat. auteur. snelweg bevordering. autoriseren machtigen. onderwijzen autobus handtekening. machtiging machtigen. schepper stand. bevorderen storing kwestie. volmachtigen. catastrofe schade aanrichten. onderwijzen taal werktuiglijk. zelfbesturend schrijver. automatisch autonoom. ondertekening opvoeden. beïnvloeden autoriteit. automatisch werktuiglijk. toneel. wagen autobiografie autobiografie autobus opvoeden. bevorderen promoveren. gezag invloed hebben op. aard drukletter dictatuur autoriteit. schepper auteur. naderen promoveren. bevoegdheid. bedenkelijk. debâcle crisis . bevoegdheid. tableau riskant. klasse. autosnelweg. aanpakken. origineel automobiel. waar authentiek. fiasco. strijd. machtiging grote weg. onvervalst. bevorderen promoveren. slag. volmachtigen. tafereel. schaden flop.autentyczny autentyczny autentyk auto auto autobiografia autobiografią autobus autobus autobus piętrowy autograf autokar Automatically Programmed Tools Language automatyczny automatyczny program syntezy autonomiczny autor autor autor treści autoramencie autoramencie autoramencie autorytatywność autorytecie autorytecie autorytet autoryzacja autoryzacją autoryzować (np. klas soort. gezag mandaat. stilist schrijver. zelfwerkend. bevoegdheid. schrijver. bedenker. dostęp) autoryzował autoryzowanie autostrada autostrada awans awansować awansować awansować (kogoś) awansował awanturą awanturą awanturą awanturą awanturniczy awaria awaria awaria awaria zasilania authentiek. auto auto. ramp. onvervalst oorspronkelijk. echec. gewaagd onheil. zelfwerkend. echt. onafhankelijk. machtiging mandaat. dispuut roeien scène. twist. genaken. auteur.

voor geldkist.awarią awersja awizo awizował Azja azjacie Azjata Azjata azjatycki azjatycki azyl azyl (polit. totdat. binnen. bekendmaken Azië Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch toevluchtsoord. om. examineren onderzoeken. stam spoor. nakijken. aankondigen. op. drasland . asyl uitgewekene. asiel. aandacht beklemming. terwijl. inspecteren speurwerk. nagaan exploreren. antipathie raad. advies adviseren. asyl toevluchtsoord. grootmoeder grootje. raadgeving. examen. vluchteling ergo. hekel. dus. voor gedurende. voor tot. grootmoeder oma. analyseren. nagaan. ook weer. tot. afbeulen. afkeer. spoorweg Bagdad broek. cake oma. schaden tegenzin. ontleden onderzoeken. afmatten herder acht. staande te. totdat.) azylancie aż aż aż aż do aż do aż do/o ile ażeby ażeby babą babce babce babci babcia babka babsko bacą baczność bać się badać badać badać badać badać badać sprawdzać badać zapytywać badania badanie lekarskie badanie zabezpieczeń bagaż bagaż bagażnik bagażnik bagażowy Bagdad bagna schade aanrichten. exploreren. attentie. onderzoeken studie scanderen inspectie houden. fonds tot. toch geldkist. jegens. bespreken keuring. speurtocht recenseren. binnen. moeras. onder. grootmoeder afjakkeren. oma oma. asiel. fonds tot. benauwdheid ontbinden. onderzoek bagage bagage laars boomstam. kas. totdat. angst. binnen. met vrouw koek. moer. kas.

verhaal. schooljuffrouw. disorde. vertelling byte fabel waterplas.bagna bagnecie bagnet bagno bajce bajce bajcie bajka bajora bajt bajt (8 bitów) bakałarz bakteria bakterią bal bal balast balaście balecie baleron balet balią balkon balon balon (także butla szklana) bałagan bałagan bałamuctwa Bałkany Bałtyk bałwan bałwan bałwan bałwochwalstwa bałwochwalstwo bambus banalny banalny banał banan banda bandaż bandaż bandażować bandą bandą bandą bandą broek. banaal banaal. drasland. luchtballon janboel. moer bajonet bajonet broek. fladderen Balkan Baltische Zee golfslag afgodsbeeld sneeuwpop afgoderij. wis. troep. drasland. alledaags. lerares bacterie bacterie bal. bende bos. schare . moeras. kom balkon ballon. bende schare. relaas. verband zwachtel. troep. troep. banaan schare. afgezaagd. luchtballon ballon. brij. moeras. afgodendienst afgoderij. bekken. vijver byte byte onderwijzeres. rommel. bende zwachtel. danspartij ballast ballast ballet ham ballet vont. afgodendienst bamboe afgezaagd alledaags. bundel kussen bende. rotzooi moes. danspartij bal. moer fabel vertelsel. pap aan de scharrel zijn. afgezaagd pisang. troep. verband schare. kolk.

fiasco. vele erg. tevreden. briefje bankbiljet. verbrijzelen borrelen borrelen ampul. afdammen drenkplaats. bandiet struikrover. afdammen belemmeren. bijzonder . lampje. bouwvallig. debâcle bankroet vermorzelen. afsluiten. loods. echec. ondeugend. vlag Bengaals banjo bank kant. peer herberg. wreedaard onmens. mydlana) bańka lampy elektronowej bar bar (pierw. dundoek. keet kazerne lamsvlees schapevlees schapevlees schalks. barak. barbaar. bijster. lamp.bandera bandyta bandzior bandzior bandzior bandżo baner (reklama na stronach WWW) bangladesz banjo bank bank bank terminologiczny bankiecie bankiet banknot banknot bankrucie bankructwa bankrut bankrutować bańka bańka (np. wreedaard onmenselijk. barbaar. intrappen. vaan. café schuur. bandiet gangster rover banjo vaan. gloeilamp. gammel erg. achterstallig voldaan. helaas smakeloos. vergenoegd jammer genoeg. feestmaal banket. uitspanning belemmeren. heel. barbaars boot. feestmaal bankbiljet. marge.) bar bistro bar samoobsługowy bar z zakąskami barak barakach baranek baranina baraniną baraszkował barbarzyńca barbarzyńcą barbarzyński barbarzyński barce bardziej bardzo bardzo bardzo dobry bardzo mała impedancja bardzo mi miło bardzo nieprzyjemny bardzo wolno się poruszać bardzo zniszczony dundoek. schuit meer menig. briefje bankroet flop. smaakloos aftands. vlag struikrover. afsluiten. veel. rand bank banket. uitspanning herberg. olijk. barbaar. heel. bijzonder onbetaald. dartel onmens. bijster. jammer. wreedaard onmens. chem. bar.

afsluiting. overgaan. afsluiten. zwembad zweminrichting. vergaarbak zich aaneensluiten. beugel barrière. gaan barrière. heining barrière. baseren gronden. zolderschuit schouder barman barometer. hek. spelen. staf baud katoenen weefsel. accumulator horde. kleuren schakering. staf stok. nuance. bazaar. kleuren verven. baseren gronden. drukmeter verven. heining schouder platboomde schuit. aansluiten zwembad dok zweminrichting. marktplaats. karbouw gronden. baseren . afsluiting. kennis. heining kleppen. bende belemmeren. bazaar. afsluiting. afdammen stok. hek. baseren gronden. marktplaats gronden. voorspelen sport buffel. vat. baseren gronden.barek (taki na kółkach) bariera bariera dyfuzyjna bariera Schottky'ego barierą bark barka barki barman barometr barwa barwa barwa barwa żywa barwą barwnik barwnik brunatry baryłka bas base baza wiedzy baseball basen basen (pływacki) basen pływacki basen portowy basen w budynku basen(ik) w budynku BASIC basista baszcie bateria baterią baton batucie batuta baud bawełna bawić się bawić się bawół baza baza podstawa część podstawowa baza lotnicza baza replik baza uziemiona bazar bazar bazą trolley. kunde baseball reservoir. zwembad basisbaars toren accu. nuancering verven. markt. aak. klinken. kleuren verf bruin ton. fust baars bekendheid. baseren markt. katoen uitvoeren. kleuren verven. hek. marktplein marktplein.

onderlegger aangrijpen. ontbloot van tot in het oneindige buitensporig. beest bestseller beton beton beton sering gespeend van. daas. excessief netto. bewegen gas benzine benzine benzine benzine bestseller Berlijn Bern vallen. ribbe. aankondiging onbetekenend. oprispen spek straal. ontroeren. spaak balk. storten dier. verbeelding Belgisch België België Belgisch Belgrado straal. ribbe. duidelijk bericht. onderlegger fictie. netto-. verdichtsel. onbeduidend . fust ton. afvallen. vat. basis. biefstuk basisbasisBeiroet boeren. extreem. trommel. trom bief.bazą bąbel bąbelek bąk beczce beczka beczka befsztyk beginner's allpurpose symbolic instruction code beginner's all-purpose symbolic instruction code Bejrut beknąć bekon belą belce beletrystyka Belg Belgia belgią belgijski belgrad belka belka stropowa bełtać benzyna benzyna benzyna benzyna benzyną beret berlin Berno bessą bestia bestią bestseller beton betonować betonowy bez bez bez końca bez określonego porządku bez potrąceń bez przygotowania bez sensu grondslag. neervallen. paardehorzel ton. beest dier. spaak balk. net. grond. advertentie. vat. fust rol. base blaar borrelen brems. bus.

hulpeloos nutteloos. stomp verschrikking. overeind. behouden. weledelgeboren mennen. zoet. gruwel kalmte. lont. onbeduidend saai. rechtstreeks door. open. onderpand pand. rust. met ogenblikkelijk. onmiddellijk direct. gruweldaad. wanhopig vergeefs. naamloos onbloedig verwardheid. weledel. verwarring janboel. geweldig anoniem. frivool. lusteloos vervelend waar niet aan te doen valt. geluidloos gigantisch. borgstelling. rustigheid. dirigeren. veilig ten geschenke onbezet. recht. borgstelling. stilte stil. lampepit safe. borgstelling. zekerheid pand. disorde. open. overeind. per. los. wuft goedgeluimd. radio . zacht onbetekenend. besturen ogenblikkelijk. rommel. enorm. zekerheid pand. vrij. rechtop dadelijk. borgstelling. muisstil. geruisloos. rotzooi lichtzinnig. onbruikbaar onschatbaar. onderpand kousje. wanhopig radeloos. live. onderpand veiligheid. ondoorgrondelijk radeloos. onbezet onpeilbaar. onwaardeerbaar bot. geborgen. vlot.bez smaku bez szwu bez zająknienia bez zakłóceń bez znaczenia bez życia bezbarwny bezbronny bezcelowy bezcenny bezceremonialny bezeceństwa bezgłos bezgłośny bezgraniczny bezimienny bezkrwawy bezład bezład bezmyślny bezmyślny bezmyślny beznadziejny beznadziejny beznadziejny stan bezowocny bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwo bezpieczeństwo bezpieczeństwo zespołu bezpieczeństwo zespołu roboczego bezpiecznik bezpieczny bezpłatnie bezpłatny bezpłatny bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni adres pamięci bezpośredni natychmiastowy bezpośrednio bezpośrednio bezpośrednio żarzona katoda bezprzewodowy smakeloos. onderpand pand. goedgehumeurd leeg. rechtop draadloze. prompt direct. smaakloos naadloos tikken liefelijk. richten. ijdel. prompt direct. onbelemmerd ere-. prompt ogenblikkelijk. nutteloos bescherming veiligheid.

afzijdig neutraal. bij voortduring eeuwig. mank lopen bokkig absoluut. trommel.bezradny bezrękawnik bezrękawnik bezrobocia bezrobocie bezrobotny bezsenna (noc) bezsilny bezsporny bezsprzecznie bezstronny bezstronny bezszmerowy bezszwowy bezustannie bezustannie bezużyteczny bezwartościowy bezwład bezwładny bezwładny bezwstydny bezwzględny beż beżowy bęben bęben magnetyczny będą będący następstwem będący w potrzebie będący w stanie coś zr będący w stanie coś zrobić bękart (m. traag. proteïne blanco. bibliotheek vloeipapier beting doorroeren. wit blanco. voos verlamming bewegingloos. ongerust waar niet aan te doen valt. beducht. wywołania procedur białka białko białko oka biały Biblia Biblia biblią biblią bibliografią bibliotece biblioteka bibuła bicie bicz bić waar niet aan te doen valt. kundig. hulpeloos hemd herenvest. vest werkeloosheid. oningevuld. onvermengd beige beige rol. bibliotheek boekerij. oningevuld. hinken. energieloos kreupel lopen. trom rol. berooid. werkloosheid werkloos. trommel. wit bijbel Bijbel bijbel Bijbel bibliografie boekerij. proteïne eiwit. bezorgd. nietswaardig. hulpeloos hel. bus. licht. bus. afzijdig. blank. onpartijdig. roeren toejuichen. onpartijdig stil. klaar toegegeven neutraal. blank. omroeren. nooddruftig capabel. bekwaam capabel. bekwaam ouderloos eiwit. testament nagekomen behoeftig. bij acclamatie benoemen .in. kundig. onbruikbaar waardeloos. verbond. werkloosheid werkeloosheid. geluidloos naadloos permanent. voor eeuwig nutteloos. geruisloos. trom uiterste wil. werkeloos bang. aldoor. muisstil.

voetspoor. staar accusatief. koers hardloper een duw geven. kaartje slaperig biljet. voorrijden ellende. lopen. spoor stappen. Satan festijn. armoe gebrek. beoefenaar deskundig stromend. vierde naamval bevestigen. wit linnen grote waterval. wit blanco. route. blank. aanstoten adept. schrijden. plaatsbewijs. oningevuld. vloeiend adept. begeerte. lust. gelag actueel pad. treden strijden. zin erbarmelijk. pulseren strijden. leergang. kaartje biljet. spoor afdruk. aanhanger. feestmaal. overschot biljartspel. aanneming Lucifer. aannemen vormsel. strijd voeren afranselen aanrijden. verlangen. plaatsbewijs. narigheid. aanneming vormsel. aanhanger. aanhanger. kampen. blank.bić bić bić brawo bić się biec bieda biedą biedą biedni biedny bieg przez płotki biegacz biegać (dla zdrowia) biegły biegły biegły biegły (<in sth> w czymś) biegły w biegun biegun biegunka biegunowy biel biel równoenergetyczna bielizna bielma biernik bierzmować bierzmowania bierzmowanie bies biesiadą bieżący bieżni bieżni bieżnia bieżnik bijatyce bikini bilans bilard bilecie bilet bilet bilet wizytowy binarne (pliki) binarny wektor sterujący binary separating plane tree n drzewo afranselen kloppen. oningevuld. plaatsbewijs. beoefenaar adept. strijd voeren bikini saldo. kampen. biljart biljet. smulpartij. beklagenswaardig erbarmelijk. toestoten. voetspoor. diarree polair blanco. beoefenaar kuil Pool buikloop. armoede wens. paadje afdruk. misère. kaartje binair binair boom . beklagenswaardig tracé. cursus.

wit dalen. gevecht. lessenaar geschrift.h. bureel. strijd. kantoorbediende lezenaar. zaak. borst b. affaire. vervlogen kantoor boezem. aangaan wit. nog eens bisschop ontmoeten. formeren. slag. afnemen vervagen wit. aangaan laaien. aantreffen herhalen. ding bizon edelsteen. bureel. lessenaar lezenaar. verenigingsorgaan bureau. oningevuld. oningevuld. kamp bulletin.dwójkowego podziału przestrzeni binary space partition tree biodro biograf biolog biorcą birmą bis biskup biskupstwo bisować bit bitmapa bitwa bitwą biuletyn biura biura biuraliście biurka biurko biurko biuro biuro Biuro Ochrony Rządu biuro rzeczy znalezionych biuro usług (poligraficznych) biust biustonosz biuście bizantyjski biznes bizon biżuteria blacha blady blady jak ściana blaknąć blaknąć blankiecie blankiecie blankiet blankiet blask blask klejnotów blask księżyca blask księżyca blask słońca boom heup biograaf. slag. rijden. vlammen zonneschijn zonlicht zonneschijn flikkeren. schitteren . nazeggen beting bitmap treffen.. kantoor kantoor bediende. varen. borst Byzantijns aangelegenheid. formeren. blanco. blank vormen. blanco. oningevuld. schriftuur bureau. flakkeren. kwijt. steen blikken verbleekt blanco. beha. blank vormen. bustehouder boezem. levensbeschrijver bioloog ontvanger Birma bis. karren verloren. strijd. blank. kamp treffen. kantoor kantoor gaan. gevecht. edelgesteente. kleiner worden.

katern blokkeren. dichtmaken. naast schier. bijkans. verwant eerstvolgend. komend aanverwant. draagbaar sluiten. komend nader eerstkomend. boezeroen. afkeuren. ontheiligen. abuis. bedelen bagatel. dwaling. aanstaand. wondteken tweeling tweelingtweelinglitteken. beuzelarij . bijna sluiten. vastzetten blokkade blokkade blokkade op slot. smeken. spatscherm klimop tuniek blouse. kiel hes. wondteken schrift. fout. boezeroen. vastzetten blokkeren. boezeroen blouse. afdammen blond blond blond blond slijkbord. belemmeren. berispen. dwaling. dichtdoen eerstvolgend. komend nabijheid litteken. gispen schooien. bloes. komend eerstvolgend. profaneren fout. kiel. spatbord. dichtdoen Europa eerstvolgend. futiliteit. aanstaand. afgesloten slot afsluiten. aflevering. bidden afsmeken pleiten laken. abuis bezweren. aanstaand. kiel ontwijden.blaszance blaszka blejtram bliski bliski bliski Bliski Wschód Bliski Wschód i Afryka blisko blisko blisko blisko blisko kogoś blisko kogoś/czegoś bliskość blizna bliźniacy bliźniaczy bliźniak bliźnie bloczek blok blok v blokować blokada blokada ze współużytkowaniem blokadą blokować blokować się blokował blond blondyn blondynce blondynka blotnik bluszcz bluza (część munduru) bluzą bluzą bluzka bluźnierczy bład bład błaga błagać błagać błagać błagać o coś błahostce inblikken metalen brancard. haast. vergissing vergissing. dichtmaken. aanstaand. bloes.

abuis aderlating vergissing. dwaling. inwerken een blik werpen. instrumentenbord punt. oog mik. kloppen. fout. minder belangrijk achterdeur . snel flitsen. hemelvuur gezwind. dwaling. dwaling. harlekijn slaan. goedaardig hansworst. flikkeren. spoedig. mis foutief. zegen slijmerig. gauw. onjuist. mis verkeerd. een fout maken misleidend verkeerd. hemelvuur bliksem. fout. spikkel. aangezien boa dashboard. fout. drek zegenen. inzegenen. flits. fout. zegen zegening. schicht. klappen. spatbord. wijden zegening. snotterig algemeen. gemeenschappelijk slijkbord. onjuist blauw slik. brood ooievaar spek bij-. gloren oriënteren. stip. luizig. modderig broek. omdat. opvallen fout. gloren bliksem. slijk. schicht. abuis Boeg wandluis fout. moer. gloren flitsen. fout. haastig. beuzelachtig onbelangrijk. onjuist. modder.błahość błahy błahy błazen błazeński błąd błąd błąd błąd średni kwadratowy błąd zaokrąglenia błąd zbieżności błąd zbieżności błąd zrównoważony błądź błędny błędny błędny rycerz błędny rycerz błękicie błocie błogosław błogosławić błogosławieństwa błogosławieństwo błona śluzowa błonia błotnik błotnik błotnisty błoto błoto błysk błyskawica błyskawicą błyskawiczny błyskowy błysk błysnąć błyszczący błyszczeć bo boa boazeria bobas bochenek bocian boczek boczek boczne drzwi frivoliteit onbeduidend. drasland slik. dwaling. moeras. verkeerd. flikkeren. abuis. ver. slijk. abuis. vergissing dwalen. beschot. drek flitsen. flikkeren. clown. doordat. een blik werpen op daar. zij-. flits. wijden zegenen. spatscherm aangeschoten troebel. vergissing schuld vergissing. inzegenen. modder.

pijnlijk. kaartje. titelhouder. keer bombarderen Bombay bombarderen bombarderen. zeer doen sleutel rouwzeer. benepen. vermogend. smartelijk beklemming. coupon disconto . fortuin. voucher. heldhaftig ketel. vermogend Fortuna lot. waterstofbom maal. fortuinlijkheid rijkdom rijkdom gefortuneerd. minder belangrijk boksen boksen. scharrelen akker speelterrein. bokssport bokser beschuldiging. bekogelen bombarderen binding. rijk. angst erop nahouden. vermogend rijk. gefortuneerd gefortuneerd. zij-. aanklacht pijn doen. speelplaats beschroomd. stoomketel het hof maken. benauwdheid.bod bod (bit na sekundę) bod jednostka szybkości modulacji telegraficznej bodziec bogaci bogactwa bogactwa bogactwa bogactwo bogaty bogaty bogaty człowiek bohater bohaterce bohaterka bohaterski boiler boiska boiska boisko bojaźliwy bojler bojownik bok boks boks bokser bolączce boleć boleć nad bolesne przeżycie bolesny bolesny boleść boli mnie głowa bolszewik bomba bomba wodorowa bomba zapalająca bomba zegarowa Bombaj bombardować bombardować bombą bon bon bonifikacie baud baud baud aansporing gefortuneerd. band bon. bang ketel. vrijen. held heldin heldin heroïsch. deerlijk. vermogend heros. stoomketel kampioen. zeer doen pijn doen. rijk. ver. rijk. beschieten. hebben bolsjewiek bombarderen H-bom. voorvechter bij-.

worstelen worstelen. fiasco. euvel missen. zeer doen maag zweer hoofdpijn tandpijn. aanvaarden beetnemen. bijstaan verplegen. korten. angst wee. godheid gevecht. aantasten. slag. aanvallen helpen. zorgen voor. insteken. strijd. meemaken. aannemen. absentie. afwijzen afwezigheid. pakken. gemis. zin . jodenkerk goddelijk bever Castor God god. verlangen. afslaan disconto borax das woud. treffen. meedoen afwezigheid. assisteren. verwerpen. begeerte. kamp pijn doen. meedoen deelnemen. plantkunde botanie. pijn God god. lust. benauwdheid. verzorgen indoen. godheid accepteren. bos kampen. plantkunde Kerstfeest afgodsbeeld synagoge.bonifikacie bonifikata boraks borsuk bory borykać borykać się borykać się z boski Bośnia botanice botanika Boże Narodzenie bożek bożnicą boży bóbr bóbr Bóg Bóg bójce ból ból ból ból ból (fizyczny) ból (fizyczny) ból brzucha ból gardła ból ucha ból zębów bóstwo bóstwo brać brać do niewoli brać się energicznie do czegoś brać udział brać udział brać udział brać udział brać udział w brak brak szacunku brak tchu brak wody brak zahamowań moralnych brak związku brak związku aftrekken. spartelen. derven schuld wens. zich aftobben nok. gebrek. steken deelnemen. mangel flop. beetkrijgen aangrijpen. zeer. zeer doen beklemming. ontberen. zeer. kiespijn wee. echec. meemaken. vorst goddelijk Bosnië botanie. debâcle afslaan. pijn zweer pijn doen.

onzin.brakować brama brama brama podstawowa brama wewnętrzna bramą bramce bramka bramka bramka koniunkcji bramka samocentrowana bramka złączowa tranzystora brandy bransolecie bransoleta bransoletka brat brat przyrodni bratanek bratanica bratanicą bratek brawurą Brazylia brazylią brazylijczyk brazylijski brąz brąz (stop metali) brązowy brązowy (kolor) bredni brednie bredzenie brew brew brezencie brnąć broda broda brodawce brodawce brodą brodzić brokuły brona bronić bronić missen. doel. worstelen brocolie. speen wrat baard spartelen. afval. prullaria. honk circuit draaihek poort vuurwater. doen overhellen waden. brandy armband armband armband broer. gedurfd. zuster neef. zever. zich aftobben. brutaal Brazilië Brazilië Braziliaans Braziliaans bronzen bronzen bruin bruin rommel. verdedigen behoeden. stout. brocoli eggen opkomen voor. wit. buigen. broer. broeder zus. brandewijn. verweren. oomzegger nicht nicht driekleurig viooltje stoutmoedig. ontberen. plassen baard kin tepel. doelwit. gekheid delirium wenkbrauw wenkbrauw neigen. puin nonsens. flodderen. derven draaihek poort draaihek draaihek poort draaihek draaihek doelstelling. beschermen . broeder.

fronsen brug. klont. operatekst ordner. brochure. dot Groot-Brittannië. smerig plaveisel. cambio onrein. bepantsering. operatekst paperback. Bretagne Pan Brit . onrein. bruut. cru. klont. bruut onaardig. commandobrug brug. dot prop.broń broń broń pancerna broń pancerna broszce broszka broszura broszura broszurą broszurą broszurą bród (rzeczny) brud brudnopis brudny brudny brudzić brudzić bruk brukować brukował brukselą brunatny brunetce brunetka brutal brutalny brutalny brutalny brutalny bruzda bruździe brydż brydżyście brygada brygadą brygadą bryk brylancie brylant bryła bryła (ziemi) bryła ograniczająca bryłą Brytania brytanią brytfanną Brytyjczyk aftakking. ruw. brochure. aanhang team. equipe spieken. beestachtig. klont. morsig. kluit. plaveien Brussel bruin bruinharig bruinharig ruw. smerig. smerig vuil. prop prop. vies. broche boekje. fronsen rimpelen. bal. klomp. onbewerkt. beestachtig. broche borstspeld. vies onrein. klomp. bal. pantser borstspeld. bal. ploeg. kluit. dierlijk rimpelen. klont. bruut grof. bodem. harnas. bot beestachtig. ingenaaid boek doorwaden fond. kuras. nors ruw. Brittannië Armorica. bal. aarde wissel. kluit. dierlijk. harnas. ingenaaid boek boekje. dierlijk. morsig. onbehouwen. nurks. ondergrond. pantser kuras. dot. tak wapen bepantsering. vies. map paperback. klomp prop. vuil. kluit. klomp. vuil. bars. plaveien bestraten. lumineus. honds. afkijken diamant glanzend. morsig. grond. bestrating. wegdek bestraten. smerig vuil. libretto. commandobrug brigade leden. briljant dot. libretto.

rinkelen afdrogen. inladen. kletteren. boord. klingelen kleppen. berkeboom berk. berkeboom onderlijf. kletteren. morgenlicht. boord. zoom. belasten. aanbreken van de dag halfdonker. kant bemachtigen. afdak Boedapest schuur. klappen. schemer. band drachtig. loods barak. klikken rinkelen. barak. oever. morgenrood dageraad. wal. brommen. wal. overgaan. klinken. schemerdonker kust. loods. fataal. trilgras bries. grijpen boord. oever. gaan perzik berk. overgaan. kant. kustlijn. zeekust kust. rand. keet. klinken. kant kust. schuur. gonzen zoemer klingelen. boekhouden opgraven. rooien schoen beuk luifel. zwanger drachtig. achterlijf buik buik buik onderbuiklelijk lelijk verafschuwen. rinkelen klakken. gaan kleppen. kletteren. kletteren. noodlottig beladen. laden laden gewicht razen. een afschuw hebben van scheermes scheermes citroen boekhouding. afranselen klingelen. snorren. kletteren. trilgras aurora. zeekant. zwanger funest.brytyjski bryza bryzą brzask brzask brzask brzeg brzeg brzeg (morza brzeg (morza) brzeg rzeki brzemienna brzemienny brzemienny w skutki brzemię brzemię brzemię brzęczeć brzęczyk brzęczyk brzęk brzęk brzęk brzęk brzmieć brzmienie brzoskwinia brzoza brzózce brzuch brzuch brzuch Brzusiec brzuszny brzydcy brzydki brzydzić się brzytwa brzytwą bubel buchalteria buchnąć bucie buczyną buda Budapeszt budą budą Brits bries. keet .

budą budce buddyście buddyzm budka budowa budowa okrętów budowa okrętów budować budować budować budować budował budował budową budowla budownictwo budownictwo okrętowe budowniczego budowniczy budowniczy budując budulec budynek budynek budynek sądu budyń budzący zaufanie budzić budzić budzić się budzić wstręt budzić wstręt budżecie budżet bufecie bufecie bufet bufet bufor bufor wyjściowy bufor/multiplekser bujać bujny buk Bukareszt bukiet buldożer luifel. constructie bouw. kazemat afzenden. inrichten opfokken. begroting tapkast. dobberen. verzenden. construeren bouwen. bar. stootkussen buffer. bar. copieus. bouwen. kazemat boeddhist boeddhisme bunker. bouwondernemer constructie. afdammen tapkast. aanbouw pudding aannemelijk. aanbouw afzenden. expediëren constructie. bouw. bumper. stichten. ophitsen budget. inlijsten. bouwen. buffet veldfles belemmeren. telen. vatten aanleggen. aanbouw aannemer. bouw. wakker maken. aanstoken. aanbouw constructie. expediëren weefsel in een lijst zetten. aanleggen bouw. aanleggen oprichten. bumper. stootkussen vlotten. construeren. stootkussen buffer. afdak bunker. begroting budget. construeren. opkweken aanleggen. drijven uitbundig. aanbouw hout constructie. bouquet. afsluiten. bumper. construeren bouwen. ruiker. bouw. constructie constructie. aanstoken. verzenden. samenstelling. waarschijnlijk wekken. tuil bulldozer . buffet buffer. abundant. samenstelling. fokken. ophitsen afkeer inboezemen afkeer inboezemen irriteren. bouw. rijk beuk Boekarest boeket. bouwmeester aannemer. opwekken irriteren. bouw. bouwondernemer architect.

rebel beetwortel. hoerenkast burgemeester. opstand muiten. struik laars schoen fles . onlusten. oproerling oproerling. grof. mangelwortel beetwortel. rebel oproerig. biet. kadetje. opstandig rebel. lampje.bulwar bulwar bulwą buława buławą bułce bułgar Bułgaria bułgarią bułgarski bułka bumelancie bumelanctwa buncie buncie buncie bungalow bunkier bunt bunt bunt bunt buntować się buntować się buntować się buntował buntował buntowniczy buntownik buntownik buraczek burak burdel burmistrz burza burza z piorunami burzą burzą burzliwy burzyć burżuazja burżuazyjny busola busolą busz but but butelce boulevard. getier ophitsen. burgervader storm storm storm storm onbewerkt. rel. bolletje. seksclub. afbreken. getier oproerling. opstand herrie. kadet afwezige. rebelleren. biet. onlusten. kadetje. opstand muiterij. getier bungalow bunker. muiter. kroot. muiter. roerigheid. stokje. agiteren. rebel muiten. kazemat muiterij. bot. wegblijver absenteïsme muiterij. roerigheid. singel wandeldreef. rel. rel. gard. onbehouwen. opstoken. kadet Bulgaars Bulgarije Bulgarije Bulgaars broodje. mangelwortel bordeel. onlusten. roede broodje. roerigheid. opstand muiterij. muiter. lamp. staf spitsroede. peer stok. muiter. promenade. gloeilamp. afkammen burgerij. in opstand komen herrie. cru afgeven op. opruien oproerling. wandeldek ampul. in opstand komen herrie. bourgeoisie burgerlijk kompas kompas heester. rebelleren. onlusten. bolletje. kroot.

fel. misschien. tegenstreven tegenspartelen. schrander. leiden leidend. geleiden. mogelijkerwijs. betamen. mogelijk misschien. ergens een of andere. acuut. set. dragen. brengen. winkel rol. doordringend haastig. versleten onveilig maken afhankelijk. mogelijkerwijs. intelligent bijtend. snel.butelka butelka dwukwartowa butik butla (gazowa) butwieć być być być dłużnym być do twarzy być komuś coś winnym być może być może być może że być na krawędzi być nieobecnym (na czymś) być odbiciem być podobnym być podobnym (<sb być posłusznym być posłusznym być przewodnikiem być przewodnikiem być równym być stosownym być ubranym być ubranym być utrapieniem być uzależnionym być w obfitości być w zgodzie być wystrzymałym (<against sth> na coś) być wystrzymałym na coś być zaskoczonym bydlak byk Byk (gwiazdozbiór) byle gdzie byle jaki były (szef itp) bynajmniej bystry bystry bystry bystry bystry byt bytać bytność fles fles zaak. in de schuld staan mogelijkerwijs. niets. wezen schuldig zijn. helder. stel schuldig zijn. lijken lijken op. stelletje. rugwaarts dierlijk stier stier hier of daar. guur. niemendal. toonaangevend. cilinder vergaan. bijeenkomen. gelijk. zoom verstrooid afspiegelen lijken op. lijken samenkomen. horen. voorafgaand niks. voorbijgaand scherpzinnig. onderhorig in overvloed aanwezig zijn accoord. rotten. tegenstreven achteruit. eender. overeenstemming tegenspartelen. gelijken. geen zier scherp. aanzijn logeren . vergaderen gehoorzamen de weg wijzen. een of ander. pienter bevattelijk. gelijken. mogelijk rand. verrotten. spoedig bestaan. verleden. gelijkmatig behoren. verkeren. vierkante decameter zijn. gauw. voorhebben op. in de schuld staan complet. bederven are. aanzijn bestaan. gezwind. mogelijk misschien. achterwaarts. enig voorgaand. passen voeren. toongevend egaal.

. bijster de hele . totaliter. ten enenmale alles wel beschouwd volkomen.. snorren. bestek. heel helemaal. geit. ongeschonden. heel. door compleet. door alles wel beschouwd beslist. bijster erg. totaal zoenen. brommen. finaal helemaal. heel erg. kussen de hele . verwijderd. integraal onaangetast. bok . totaal omvang. mengen. boezeroen. gans. compleet. vol de hele . vol sik. gans. mixen. ten volle. automatisch geheel. heel. waarom waar speelbal.. integraal alles wel beschouwd volkomen. vol kelder jaarlijks redelijk. totaliter. vol gans. gonzen sissen. gonzen razen. speeltuig duim als lengtemaat onaangetast. ongeschonden. vol gans.bywać wśród ludzi bzik bzyczeć bzykać bzykać c dlaczego c gdzie cacka cal całka całka całkowity integralny całkiem całkiem całkiem całkiem obcy człowiek całkiem przytomny całkiem zwariowany całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie pewny całkowicie stranzystorowany całkowicie tranzystorowy całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity błąd liniowy całokształcie całokształcie całokształt całopalny) całoroczny całościowy całość całość całość łącznie całować całus cały cały cały cały tekst cały z metalu cały z metalu cap temperen. heen. furore razen. brommen. door compleet. totaal. compleet. geheel. absoluut.. vol algeheel. algeheel kiel. volkomen vandoor. totaal gans. geheel. geheel. grootte geheel gans. compleet. gans. geheel. geheel. rationeel algeheel.. finaal werktuiglijk. hes algeheel. geheel. zelfwerkend. geheel. stuk speelgoed. fluiten hoezo.. compleet. vol geheel. vermengen bestseller. kussen zoenen. totaal algeheel. heel. snorren. over compleet.

trek. gelaatstrek karaktertrek. lamp. honk. gelaatstrek puntig. cel. passend. lampje. het veld ruimen ceder vergiet vergiet filtreren. spits gelaatstrek. ui ampul. kerker cachot. gloeilamp. peer ajuin. lampje. schets. doel. filteren. kenmerkend. onderwerp. ding doelwit. doel. gloeilamp. tekenen kenmerken. stenen bakstenen. stenen Ceylon aanleggen werkje. doelwit. ui ajuin. wit. gelaatstrek merken. plak. zijgen plaat. peer tekenend. tekenen doelwit. toegeven. honk mikpunt. kerker douane aanleggen gezicht. tablet bakstenen. tekening doelstelling. object. cel. geschikt Keltisch Keltisch cement cement cement prijs waarde. trek. karakteriseren.capstrzyk car caryca ceber ceber cebula cebula cebulą cebulka cecha cecha cecha cecha cecha produktu cecha szczególna cechować cechował cedował cedr cedzak cedzak cedzić cegiełce cegła cegłą Cejlon cel cel cel cel cel cel nieosiągalny cel upuszczenia cela celą celnik celować celownik celowy Celtycki celtycki cemencie cement cementować cena cena cena okazyjna ceną taptoe tsaar tsarina emmer emmer ampul. trek. trek. karaktertrek karaktertrek. wit merken. gehalte prijs kosten . droombeeld gepast. lamp. doelstelling. wit cachot. karakteristiek karaktertrek. doel. honk. visioen. doelstelling. tekenen afstaan.

luchtpijp. stuk betuigen. hut . centraal middelste. wasdoek. oord. aanwinst cent stuiver. centrum middelpunt. centraal middelpunt. pels. stulp stulp. keizerrijk. vacht ceremonie. etiket ceremonie. centrum middelpunt. vacht tafelzeil. spoel spoel. vel. buit. label. stuk acte. bedrijf. bedrijf.ceną cencie cenić cenić cenić cennik cenny cenny wkład cent cent centrala telefoniczna centralny centralny system przetwarzania centrum centrum usuwania skutków awarii (centrum odtwarzania po awarii) centrum zasobów centymetr centymetr cenzor cera cera ceracie Ceramika cerata cerą cerą ceremonia ceremoniał ceremonią cerować certyfikat certyfikat uprawniający certyfikować cerując cesarstwa cesarstwo cesarz cesarzowa cesją cewce cewka cewka cewka zapłonowa cętce chałupa chałupa chałupą prijs cent achten. centrum centimeter centimeter censureren. sakkerloot. plaats hut. tint dierevel. lokaliteit. sakkerloot. dokument. plechtigheid etiquette. zeildoek aardewerk tafelzeil. huid. gehalte prijslijst kostbaar. huid. binnenste. afboeken binnenband. vel. zeildoek teint. imperium rijk. klos. waardevol prooi. deksels acte. binnenste. plechtigheid bliksems. klos. keizerrijk. luchtband bobine. akte. binnenste. huisje hut. achting hebben voor schat waarde. keuren teint. imperium keizer keizerin opnemen. bobine spoel. deksels rijk. pels. tint dierevel. dokument. akte. verzekeren bliksems. bobine ruimte. acquisitie. wasdoek. penny centrale middelste. klos.

scheikunde chemie. kenmerkend. gril. bui. happig. bevlieging. bui. karakteriseren. karakter. kenmerkend. karakteristiek schmink. kuur gaarne. scheikunde chemie. zin. kuur bedenken. verlangen. zich verbeelden bevlieging. chaos chaotisch aard. begeren. scheikunde apotheker. geaardheid aard. verkiezen. zich onderscheidend tekenend. warboel. kenmerkend. happig. liever gewillig. neiging verkiezen. gretig chemie. lust. hut hut. tekenen beschrijven hazewind. karakteristiek karakteristiek. blanketsel. vrijwillig gaarne. farmaceut trek hebben in. verbond. gretig. gril. hazewindhond. nuk. baaierd. huisje hut. geaardheid vezel kenschets tekenend. belust.chałupą chałupą cham chaos chaotyczny char charakter charakter charakterystyce charakterystyczny charakterystyczny charakterystyka charakterystyka indeksowania charakteryzacja charakteryzować charakteryzował chart charytatywny chata chata chata chcieć chcieć chcieć chciwy chciwy chemia chemia radiacyjna chemią chemik chęć chęć chęć chętce chętce chętce chętnie chętniej chętny chętny Chicago Chile chilijski chimera chimera chinina Chiny chińczyk hut. stulp vlegel rommel. graag eer. huisje hut. hersenschim. begeren aanvechting. begeerte. belust begerig. lust. trek hebben in begerig. testament verkiezen. karakter. liefdadigheidsstulp. zin uiterste wil. windhond charitatief. make-up kenmerken. stulp wens. begeren. trek hebben in nuk. graag Chicago Chili Chileens inbeelding. karakteristiek tekenend. chimera Chimaera kinine China Chinees .

brood koelkast. jongeheer jeugdigheid. jongen borst. samen-. alcoholische drank. jongensafranselen afranselen koud gastheer hinkelen wolk stralenkrans. kil afkoelen ververwijderd. heelkunde chirurgie. krediet. verwijderd vriezer. absorberen absorberend boer aaneen. koelcel koelen in beslag nemen. wondheelkunde. lijfeigene boer knaap. plassen. glorieus klotsen. koelcel radiator radiator koud. chirurg chirurgie. beroemdheid. klotsen mik. glorierijk. plassen. credit trots beroemd. jeugd knaap. brood mik. wondheelkunde. landman. klapperen mik.chiński chip chirurg chirurgia chirurgia stomatologiczna chirurgią chirurgiczny chlał chlapać chleb chleb z masłem chlebodawcą chlew chluba chlubą chlubą chlubny chlupocie chłeb chłodnia chłodnica chłodnicą chłodno chłodny chłodny chłodny chłodziarce chłodziarce chłodzić chłonąć chłonny chłop chłop chłop chłop chłop pańszczyźniany chłopak chłopak chłopak chłopiec chłopięcy chłostać chłostał chłód chmarą chmiel chmura chmura Chinees bikken. kil koud. nimbus . samen boer. plattelander horige. aaneen-. brood werkgever hok roem. tegoed. wondheelkunde. co-. heelkunde chirurgisch drank. lof. ver. heelkunde chirurgie. opslorpen. jongen jongensachtig. vriesvak koelkast. kabbelen. afbikken heelmeester. alcohol klapperen. jongeling. glorie creditzijde. kabbelen.

bepalen hardvochtigheid. zangkoor snorken. schrijden.chmura punktów chmurą chochlik chociaż chociaż choć chodak chodnik chodnik chodzić chodzić ze sobą choinka cholera cholera cholerny cholerny chorągiew choroba choroba choroba choroba morska choroba powietrzna chorobą chorobą chorobą chorobą Chorwacja chory chory chory chory na płuca chory umysłowo chowa chowa chować chować chód chód chór chrap chrapać chrapanie chrapce chromy chronić chronić chroniony zabezpieczony chropowatość wolk wolk aardmannetje. kwaal. lopen marcheren. ter aarde bestellen vel. lopen koor. dundoek. ronken snorken. naar gek. kwaal. kwaal. kreupel. knorren. bevestigen. al. kobold. knorren. dichtmaken plaveisel. hardheid . snurken. over bloedig. ronken snorken. hoewel. hoewel. al. lopen kerstboom cholera verdomme. naar verminkt. begraven begraven. stappen. wel wel. alhoewel ofschoon. aandoening ziekte. snurken. al. gebrekkig ziek. verhinderen. niet lekker kuilen. hinkend beletten. vacht. heen. pels. dichten. verhoeden behoeden. bloedend vaan. alhoewel. rei. kwaal. dierevel. voetpad. knorren. ofschoon. trottoir lopen. huid aanspannen treden. aandoening bezwaar. tippelen. wegdek stoep. aandoening ziekte. wel stoppen. alhoewel. vlag ziekte. kabouter ofschoon. godverdomme vandoor. beschermen fixeren. aandoening ziekte. hoewel. moeilijkheid Kroatië ziek. emotie. snurken. aandoening vakantie zeeziekte luchtziekte affect. dol onwel. dolzinnig. bestrating. verdomd. gaan marcheren. van stapel lopen. strubbeling. verwijderd. krankzinnig. tippelen. ronken neusgat mank.

glorie wieden. ogenblik. tel spellen . snoeven. peet christen christen christendom christendom rijzig. dierlijk onbewerkt. ogenblik. sprietig sprietig. roemen. prijzen bluffen. nu. mierik zomermaand. schoffelen schokken schokken wiebelen. oogwenk. croquant krassen Christus mierikswortel. steunen. mager penis apache. lof. wel. croquant knapperig. tel minuut oogwenk. moment. moment. besluiteloos bekeuring. pochen. juni dopen dopen peetvader. mager. ogenblik. moment. tel moment. bruut. groot. cru knapperig. opscheppen pochen. tja oogwenk. schraal. aarzelen wankel. mager. staande. mierik mierikswortel. peter. schraal sprietig. bluffen roem. nou. ruw. opscheppen. stutten schraal. beroemdheid. tel wiegen minuut oogwenk. komaan. proces-verbaal moment. naamgever. verheerlijken. ogenblik. gedurende enfin. waggelen. grof. onzeker. tel terwijl. onbehouwen. lof. notulen. snoeven. glorie roem. lang schragen. bot. ogenblik. wankelen.chropowaty chropowaty chrupce chrupiący chrypieć Chrystus chrzan chrzan chrząszcz chrzcić chrzcić chrzestny chrześcijanin chrześcijański chrześcijaństwa chrześcijaństwo chudy chudy chudy chudy chudy chuj chuligan chusteczce chustka chustka do nosa chwalić chwalić się chwalić się chwała chwałą chwast chwiać chwiał chwiał chwiejny chwil chwila chwila chwila chwila chwila chwila ciszy chwila obecna chwilą chwilą chwilą chwilą beestachtig. beroemdheid. straatschuimer zakdoek zakdoek zakdoek loven. oogwenk.

eng. misgrijpen bouwvallig. in het water vallen missen. pakken knijper. toch tenzij uitzonderen floppen. zeker. aangrijpen. grijpen klauw bemachtigen. mislopen. mislopen. grijpen bemachtigen.chwilą chwilka chwilowo chwilowo chwilowy chwilowy chwycić chwycić chwycić w szpony chwycie chwycie chwyt chwyt chwyt chwyta chwytać chwytać chwytać chwytać szczypcami chyba chyba chyba chyba chyba że chybiać chybienie chybiona odpowiedź niezgodność chybotliwy chylić ci ciałka ciało ciało doskonale czarne ciało metody ciało stałe ciało stałe ciasno ciasny ciasny ciasteczko ciastkarni ciastko ciastko ciasto ciasto ciasto ciąć ciąć terwijl. misgrijpen missen. stellen wel. effectief. friemelen. gedegen carrosserie carrosserie vlees strak smal. staande. pasta aanplakken knippen. streng. gammel. eventjes tijdelijk werkelijk. immers. vaan. cake zuur koek. beslag. aangrijpen. tel korte tijd. deugdelijk. hand Pan bemachtigen. bemachtigen beetnemen. ogenblik. snoeien scheren. grijpen waarschijnlijk menen. snoeien . knippen. scheren. nauw dundoek. krap. nauwsluitend. moment. koekbakkerij koek. aftands boog. vlag banketbakkerij. grijpen grijpen. vermoeden. beetpakken. daadwerkelijk kortstondig morrelen. grijpen grijpen. bekrompen. schaar bemachtigen. scharrelen bemachtigen. aangrijpen. dit hier carrosserie carrosserie flink. cake deeg. toog dit. degelijk. aangrijpen. even. nauw stipt. bemachtigen handdruk. gedurende oogwenk.

geruisloos. lopen. gerust. zwijgend bedaard. donker . keten altijd. aldoor. stemband. weetgierig vreemd. kalm. nieuwsgierigheid nieuwsgierig. nieuwsgierigheid weetgierigheid. geluidloos stil. stilzwijgend. constant onafgebroken. typisch nieuwsgierig.ciąć ciąć (nożycami) ciąg ciąg znakowy mieszany ciąg znakowy mieszany ciąg znaków ciągle ciągle ciągle ciągły ciągły ciągły ciągnąć ciągnąć ciągnąć ciągnąć losy o ciągnąć ściągnąć ciągnienia ciągnienia ciągnienie ciągnik cichną cicho cicho! cichy cichy cichy cichy cichy (głos) ciec ciecz ciecz cieężarówka ciekawostka ciekawość ciekawski ciekawy ciekawy ciekawy ciekawy ciekły ciekły wodór cielesny cielę cielęcina cielęciną ciemnicą ciemnicą afkraken afkeuren toelachen. vlieten vloeistof vloeistof vrachtwagen. vloeien. muisstil. donker duister. op zijn gemak. duisternis. kalm. aanlokken ketting. gestaag. keten koorde. curieus. steeds permanent. vrachtauto weetgierigheid. kalfsvlees somber. zacht stil. vreemd vloeistof vloeistof korporaal kalf kalfsbout. kalm rustig. truck. doorlopend gestaag. weetgierig interessant. immer. tekening trekker. kalm liefelijk. constant. aldoor. zoet. bestendig trekken rukken rukken rukken trekken trekken rukken werkje. rustig bedaard. curieus. bekoren. tractor vervagen rustig. op zijn gemak. bij voortduring bestendig. schets. gerust. belangwekkend typisch. snaar ketting. kalfsvlees kalfsbout. bij voortduring permanent. rustig stromen.

geheimzinnig somber. duisternis. donker worden somber. snaar kras. schraal. akkoord koorde. overeenstemming. beugel vrachtauto. schoon. mooi. truck. truck. dragen bloedgetuige. blij zijn timmerman smal. vrachtauto vrachtauto. blij zijn genieten van. straat kleppen.) cięciwą cięciwą cięty ówka ciężar ciężar ciężarówce ciężarówce ciężarówka ciężarówka ciężarówka ciężki ciężki ciężki versomberen. inladen. schakering. troosteloos. truck. gaan accoord. klinken. vrachtauto trolley. laden zwaartekracht vrachtwagen. druk beladen. somber schaduwen sprietig. krap. kwiek. overgaan. fit. nauw. eng. belasten. schraal. donker mysterieus. vrachtwagen vrachtwagen. dragen naar buiten brengen. schakering. truck. mager net. zwaar afgemeten. martelaar zuur bitsheid geduld. zieke gezond. nauw zeeëngte. overeenstemming. mager sprietig. fraai schaduwen nuance. rap. fijn. donker zwartheid duister. valide genieten van. vrachtwagen hard drukkend. plechtig. kanaal. bekrompen. ceremonieel . nuancering schaduwen schaduwen nuance. lijdzaamheid patiënt. akkoord accoord.ciemnieć ciemno ciemność ciemność ciemny ciemny ciemny ciemny cieniowanie cienki cienki koncentryczny cienki papier cień cień do powiek cień do powiek cień przesłaniać cieniowany cień rówka ciepło ciepły cierń cierpieć cierpieć męczarnie cierpiętnik cierpki cierpkość cierpliwość cierpliwy cieszący się dobrym zdrowiem cieszyć się cieszyć się cieśla cieśnina cieśnina cieśniną cięciwa (matem. stemband. nuancering gloed. vuur warm doorn naar buiten brengen. levendig. donker schemerig naargeestig.

begraafplaats deugdelijkheid. klap fijnhakken aanhalen. meid hoop. eerbaar hetgeen. ordinair. stil. kalm kalmte. bedaard. kalm meisje. gewoon afbestellen backspace backspace achteruitgaan achteruitgaan backspace iets wat dan ook college uitgebreid betuigen. gewoon vulgair. rein. vulva slingeren. alledaags vulgair. massa. daags. zwaaien slingeren. rustig. boel. degelijkheid ongerept. mep. ordinair. wat maand-. verzekeren conjunctie meer en meer. maagdelijk kuis. menigte douane begraafplaats. zwaaien stil. dat. stil. kerkhof kerkhof. liefkozen. strelen. grof. maandelijks toegegeven iets bovendien. voorts. slag.ciężki cioci cios cios cios ciotka cipą ciska ciskać cisza cisza cisza cisza (brak wiatru) cizi ciżbą cło cmentarz cmentarz cnota cnotce cnotliwy co co miesiąc co prawda co umożliwia działanie czegoś innego co więcej codziennie codzienny codzienny codzień cofa cofacz cofać cofać się cofnąć się cofnięcie transakcji cokolwiek cokolwiek college cołościowo confirm coniunctio coraz więcej coroczny coroczny coś coś coś zwaarwichtig tante houw. zedig. drom. daarenboven dagelijks. alledaags dagelijks. kalm bedaard. flap. stilte bedaard. aaien tante kut. rust. rustigheid. grof. verder. in toenemende mate jaarlijks jaarlijks iets modelleren iets . rustig. daags. rustig. swingen. swingen.

wat zich verbazen. Moor aanbinden. diabetes onderbinden Moriaan. afschuwelijk suiker suiker snoep. nauwelijks goochelaar toverkunst. snoepgoed zoet. origineel amper. gewiekst. aanbiddenswaardig wonderbaar. zich verwonderen zich verbazen. magie magisch. nummer aantal. overspel echtbreuk. slim. afschuwelijk ijselijk.coś innego coś koło tego coś na pocieszenie coś się święci coś w rodzaju coś) coś) córą córka cóż cud cud cuda cuda cudak cudem czegoś uniknąć cudotwórcą cudotwórstwa cudotwórstwa cudowne dziecko cudowny cudowny cudowny cudzołożnik cudzołóstwa cudzołóstwo cudzoziemiec cudzoziemka cudzoziemski cukier cukier syntaktyczny cukierek cukierek cukiernica cukiernica cukrzyca cukrzyca (choroba) cumować cumować cumować cumować curry cwał cwaniactwa cybernetyka cyferce cyferce cyferce iets iets iets iets iets aandoen. aangrijpen iets dochter dochter hetgeen. overspel buitenlander ijselijk. dat. zich verwonderen mirakel. tal nummer. verwonderend echtbreker echtbreuk. cijfer . diabetes suikerziekte. meren Mauretaniër kerrie galopperen doortrapt. listig cybernetica cijfer. getal. toverachtig wonder aanbiddelijk. wonder zich verbazen. oppassend suikerpot suikerpot suikerziekte. zich verwonderen oorspronkelijk. zoetigheid. kwalijk. miraculeus wonderbaar.

getal. onderpand. citeren. citaat aanhalen. noemen. noemen aanhalen.cyfra cyfra cyfra dwójkowa bit jednostka ilości informacji cyfra znacząca cyfra znaku cyfrowe przetwarzanie obrazów cyfrowy Cygan Cygan Cygan cyganeria cygara cygaro cykl cykl magistrali cykl maszynowy cykl zatwierdzania cykl życia obiektu cykliczny cyklon cykor cykoria cylinder cylinder alternatywny cyna cyną cyniczny cynk cynkowy cypel cypel Cypr cyrk cyrkulacja cyrkulacją cyrograf cyrulik cysterna cytacie cytadela cytadelą cytat cytat cytować cytować cytował cytryna cijfer. cilinder rol. citeren aanhalen. angst. cijfer zigeuner zigeuner rogge Bohemen sigaar sigaar fietsen. citeren citroen . rondschrijven wervelstorm. roulatie pand. wielrijden afranselen fietsen. tal cijfer. cichorei rol. soppen nummer. circulatie. noemen aanhalen. circulatie. wielrijden fietsen. borgstelling kapper. nummer indompelen. benauwdheid lof. noemen. wielrijden circulaire. nummer nummer. cilinder blikken blikken cynisch zink zink kaap Kaaps Cyprus circus omloop. cycloon beklemming. citaat citadel citadel aanhaling. citeren. barbier reservoir. roulatie omloop. wielrijden fietsen. cijfer beting aantal. vergaarbak aanhaling. indopen.

beschaven beschaving. handvest. polshorloge theepot. moeten. toverheks. huid pet reiger reiger aantrekkelijkheid toverij toverij vont. kodeks) czacie czacie czajniczek (klasyczna graficzna baza danych) czajnik czajnik czapce czapka czapka czapka (damska) czapka futrzana z tej skóry czapla czaplą czar czar czar czarą czarą czarnoksiężnik czarnoksiężnik czarnoziem czarnoziem czarnoziem czarny czarny czarny jak smoła czarodziej czarodziejce czarodziejski czarować czarował czarownica czarownicą czarter czarując czarujący czas czas przeszły czas rzeczywisty citroen civiel. keer behoren. boetseren zwart hoogbejaard. bekken. dierevel. dienen maal. motorkap pet vel. bloemkelk. beschaven civiel civiel. tovenares. pels. tovenaar teelaarde.cytryną cywil cywilizacja cywilizacją cywilizować cywilizował cywilny cywilny cywilny (np. tovenaar feeëriek feeëriek heksen heksen kol. tovenaar duivelskunstenaar. heks kol. stadswachten. wagenkap. bedaagd zwart duivelskunstenaar. trekpot ketel po pet kapotjas. afhalen. te wachten staan horloge. kelk duivelskunstenaar. innemend. burgerlijk beschaving. tovenares. vacht. heks charter. charmant bekoorlijk. miskelk. modelleren modelleren. innemend. vrachtcontract bekoorlijk. charmant maal. beschaven civiliseren. burgerlijk burger-. horen. humus boetseren. kom beker. beschaven civiliseren. keer . toverheks.

afhalen. afhalen aanhoren. krant blad. dat. oningevuld. keer op een keer. nutteloos Boheems Tsjechisch Tsjechoslowakije Tsjechoslowakije hetgeen. eens waardevol. brief gedurfd.czas zapamiętywania czas zapisu czas życia nośników mniejszościowych czas życia obiektu czas życia w IP czasami czasochłonny czasopimo czasopismo czasopiśmie czasopiśmie czasownik czasy czaszce czaszka czat czaty cząstce cząsteczka cząstka cząstka na milion czcić czcić czcigodny czcigodny czcionce czcionka pogrubiona czczy Czech czech CzechoSłowacja Czecho-Słowacja czego czegoś itd. uit de weg gaan. praten een hinderlaag leggen item. czegoś) czek czek czek in blanco czekać czekać czekać czekać cierpliwie czekać na czekać na aktywację przesunąć (kursor myszki) czekać oczekiwanie czekolada czekoladą plusquamperfectum plusquamperfectum fietsen. deeltje. wachten. chocolade chocola. dagblad. te wachten staan wachten. aanbidding oogstmaand. keer maal. blanco. afhalen. deel molecuul item. betomen. jaartelling. ontwijken aanvliegen bedwingen. jaartelling. wielrijden maal. krant blad. stoutmoedig. te wachten staan zweven wachten. brutaal vergeefs. luisteren wachten. babbelen. kostbaar courant. adoreren. deeltje. krant krant werkwoord dag schedel schedel keuvelen. wat mijden. te wachten staan chocola. waar zendbrief. augustus waardig. epistel. blank te wachten staan. ijdel. deel verafgoden. jaartelling. chocolade . deel item. aanbidden adoratie. eerzaam. beteugelen cheque wit. beluisteren. afhalen. te wachten staan wachten. deeltje. afhalen. stout.

golf. accompagneren. ferm zomermaand. gedurig behandelen. hecht. waarom vergezellen. cureren stappen. juni zomermaand. verhouding deel. lopen. treden bezoeken. eredienst. geregeld bezoeken prieel deels. aanlokken aftappen aanboren robuust. wemelen. boezem afgrond hoezo. gedurig. ten dele ten dele. vaak menigmaal. inham. wagenkap. stuk.czekoladka czelność czeluść czeluść czeluść czemu czemuś) czepek czepek czeredą czeredą czereśnia czerń czerń czerń ec czerpać czerpać czerpać (zyski czerpać natchnienie z czerstwy stale czerwca czerwiec czerwienić się czerwienić się czerwień czerwień czerwony czesać czeski czeski czeszce cześć cześć często często częstować częstował częsty części maszyn częściowo częściowo częściowo otwarte połączenie częściowy część część część adresowa rozkazu część arytmetyczna (w komputerze) część krytyczna chocola. schrijden. deels gedeeltelijk. verpakken krioelen. chocolade zenuw afgrond. dikwijls. motorkap pet inpakken. gedeelte gewaad. dikwijls. onderdeel. gedeelte evenredigheid. pakken. blozend uitkammen. wriemelen. verering adoratie. onderdeel. begeleiden kapotjas. fors. partieel deel. bekoren. stuk. kledingstuk gewaad. donkerrood rood. bocht. kolk golfspel. kammen Boheems Tsjechisch Tsjechisch cultus. aanbidding menigmaal. blozen. krielen kers zwart zwartheid zwartheid aftappen toelachen. kledingstuk . vaak. deels ten dele. blozend rood. juni kleuren. rood worden Vlissingen karmozijn. proportie. potig.

de weg wijzen. receptief een afschuw hebben van. niet-ingewijde sluitzegel. stuk. rap antenne. voelhoorn. vergaarbak kruipen kruipen wenkbrauw voorhoofd geleiden. ra . aperitief ontstekingsbuis. boeren lid. ontvankelijk. oprispen oprispen. lidmaat. druk. levendig.część wstępna (programu) część zapasowa czkawka czknąć czknąć czlonek człon człon człon członek członek załogi członkostwa członkostwo człowieczek człowiek człowiek człowiek energiczny człowiek interesu człowiek noszący coś na sobie człowiek pełnoletni człowiek starszy (wiekiem człowiek wytrwały czołg czołgać się czołgać się czoło czoło czoło czołowy czop czop czosnek czółno czterdziestka czterdzieści czternaście cztery cztery ściany czubek czucie czuć niechęć czuć odrazę czuć się urażonym czuć wstręt czuć wstręt czuć wstręt (do kogoś/czegoś) czujny czułek branche. bougie look. een afschuw hebben van afkeer inboezemen verafschuwen. aanhanger element. aanhanger lid. aanhanger lid. sticker reservoir. toongevend borrel. lidmaat. lidmaat. schuit veertig veertig veertien vier vier stortplaats gevoelig. handelaar. onderdeel. zetten lid. bestanddeel. kras. verafschuwen verafschuwen. beginsel monteren. leiden leidend. een afschuw hebben van aanstoot nemen aan verafschuwen. spriet. een afschuw hebben van kwiek. vak. toonaangevend. zakenman koopman. handelaar. tak deel. gedeelte hikken boeren. aanhanger lidmaatschap lidmaatschap menselijk menselijk mens koopman. knoflook boot. zakenman majoor mens leek. lidmaat.

helderheid. bezig zijn. zindelijkheid helderheid. vagevuur lezen lezen lezer lezer . afgelopen zinspelen afschrikwekkend mest actie. handelen doen. schoon ordelijk net. netto. puur. polshorloge vierde donderdag vierde indien. handelen doen. gevoel. wie d'r doen. afgewerkt. helder. hetzij welks. optreden. kuisheid. schoonmaken. ingeval of tenzij hè. louteren kuisheid. onvermengd rein. delicaatheid. zindelijkheid absoluut. optreden. fijn. fijn. abces. borrelen. koken reinigen. ageren. of. louteren reinigen. rein. bedrijvig afneembaar huur ettergezwel. iel purgatorium. schoon. schoon. gedoe actie. net. kiesheid aanhalig angst horloge. ageren. licht. bedrijven. handeling werkzaam. duidelijk zindelijk. etterbuil op het kookpunt zijn. puur. klaar duidelijk. actief. handeling. wanneer. klaar. maken beëindigd. fraai ordelijk afwasmiddel rein. zindelijk gevoelig. waarvan. gevoeligheid fijnheid. puur. netto-. gedoe. zindelijk hel.czułostce czułość czuły czupiradła czuwać czwarta (część) czwartek czwarty czy czy czy czy czyj czyn czyn wolicjonalny czynić czynić czynić aluzję czynnik ludzki czynnik zapładniający czynność czynność czynny czynny czynsz czyrak czyrak czystce czystka czystość czystość czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty dwójkowy czysty(alkohol) czyszczący czyścić czyścić czyściec czyta czytać czytance czytelnik sentiment. wie z'n. bezig zijn. als. mooi. nettonetto. delicaat. aanmaken. schoon. kies. schoonmaken.

wezenlijk uiltje. kwetteren. handelbaar dadel. eind langs. ver ververwijderd. doorvoeren oefenen. materieel. wijk. stadswijk oefenen. ver vandoor. drillen sjilpen. vrouw. kwetteren veel meest. tjilpen sjilpen. vooraan. ver. uil. vergenoegd. kwast. heen. <datum>) leesbaar lezer werkelijk. stadswijk kamers. kwetteren. dactylus afstand. cadeau geven inschikkelijk. piepen.czytelny czytnik czyżby? ćma ćma zenia ćwiartce ćwiartek ćwiartka ćwiczenia ćwiczenia ćwiczenia ćwiczyć (się) ćwierka ćwierkać ćwierkać d <much d najbardziej d poprzednio d zadowolony dach dachówce dachówka dachówka dacie dać dać klapsa dać napiwek dać za wygraną daj dający się zarządzać daktyl dal dalej dalej daleki daleki zasięg daleki zasięg daleko dalia dalszy dama dama (także w kartach i szachach) damaszek damą daną dandys ezmięsne dane dane (l. dam. overkapping plavuis. drillen aanwijzing. verwijderd verwijderd. tjilpen. nachtvlinder uiltje. nachtvlinder buurt. lel stortplaats schenken. dactylus schenken. tegelsteen. echt. tegelsteen. vertrekken buurt. ververwijderd. ingevolge nader verwijderd. cadeau geven schenken. poj. tegel. piepen. tichel dadel. jonkvrouw Damascus dame informatie saletjonker. voldaan kap. dandy grondstof. tichel lei plavuis. materiaal grondstof. naar. cadeau geven draai om de oren. instructie aanwenden. oorveeg. tjilpen sjilpen. consigne. uil. materiaal . eerder. indertijd tevreden. verwijderd. hoogst daarvoor. ververwijderd. dak. over dahlia nader dame lady. tegel. blijkens. wijk. piepen. fat. materieel.

benoemen. schatting cijns. verleden. nutteloos vergeefs. heten. route. madeliefje dadel. vlot. informeren. tentoonstellen draai om de oren. los. eerder. apache piek. oorveeg. aandienen het gevolg zijn van. vergeven schenken. dactylus schenken. inlichten besturen. afstammen voeden berichten. uitmaken voor adverteren. nutteloos onbezet. beheren dosis dosis dosis dosis daarvoor. madeliefje dadel. afgelasten begenadigen. ijdel. schenken begenadigen. administreren. koers Denemarken schotel. actueel luiheid vergeefs. leergang.dania dania Dania dania bezmięsne danią danie danina daniną danser dar dar daremność daremny daremny darmowy darować darować darować darować darować (karę) darował daszek daszek (czapki) data data data acquisition and interpretation system data zakupu datagram kadr datek datek datować dawać dawać dowody dawać klapsa dawać na imię dawać narkozę dawać ogłoszenie dawać początek dawać sobie radę/domyślić się dawać znać dawce dawka dawka (leku) dawkować dawniej dawny dąb tracé. eikehouten . tip. schatting danseres gift. ijdel. punt. cadeau tegenwoordig. menslievendheid bijdrage dadel. voorafgaand eiken. lel noemen. top. open. onbelemmerd cadeau geven. aankondigen. actueel ontbinden. neus. indertijd voorgaand. cursus. schaal cijns. dactylus boksen naastenliefde. spits meizoentje. annuleren. dactylus meizoentje. geschenk. cadeau geven tegenwoordig. schaal vegetarisch Denemarken schotel. cadeau geven belichten. vergeven straatschuimer. vooraan. donatie.

deduceren abstraheren. oplettend behoedzaam. verbasteren degenereren. gemis. beslissen. bepalen definiëren. tekort afwezigheid. definitie. beslissen. omschrijving bepaling. klap najagen. uitspraak. debet debetzijde. definitie. attent. uitspraak. gevolgtrekking abstraheren. spanderen opdragen. nastreven aandachtig. omschrijven. verleden tijd bepaling. spenderen. nesthaar. euvel kastekort. tekort verleden. verlagen degraderen. eikehouten houw. declameren . omschrijven. definitief mismaakt. afleiden. dons debat discussie. misvormd degenereren. debet dwaas. zot. beslissing resolutie. verlagen decennium decennium decennium voordragen. nauwkeurig bepalen beslissend. uitmaken besluiten. bepalen onherroepelijk. spanderen kastekort. spenderen. voorzichtig waas. definitie. ontaarden. beslissing besluit. deduceren opdragen. ontaarden. bespreking debat debat debetzijde. omschrijving definiëren. verbasteren degraderen. malloot idioot debugger debugger besluiten. slag. cruciaal besluit. flap. deficit.dąb nie dąć dążyć dbały dbały deaktywizować debacie debacie debata debatować debet debet ("winien" w księgowości) debil debil debuger debugger decydować decydował decydował decydujący decyzja decyzją decyzją dedukcją dedukować dedukował dedykować dedykował deficycie deficycie deficyt defilada definicja definicja typu dokumentu definicją definiować definiował definitus definitywny deformował degeneracie degenerat degradować degradował dekada dekada licząca dekadą deklamować eiken. gebrek. finaal. deficit. definitief onherroepelijk. mep. afleiden. omschrijving bepaling. uitmaken determineren. motie conclusie.

inboeten delegeren. zachtaardig zoet. decreteren verordenen. onderscheiding. declameren declaratie. zacht zacht. afvaardigen afvaardiging. decoratie decor. onderscheiding. lekkernij snoep. verklaring declaratie. tooisel decor. delicaat. zoet. iel broos. delegatie delegeren. mild. zacht. breekbaar liefelijk. lekkernij snoepen snoep. decoratie sieraad. lekkernij mildheid beminnelijk kies. delegatie afvaardiging. zachtmoedig. afvaardigen subsidiair. decoratie versieren landschap landschap ornamentaal versieren versieren verordenen. delegatie snoep. plaatsvervangend afvaardiging. aanbesteding schuldige. afvaardigen in de plaats stellen van. dader Delphi delta ontkennen ontkennen democraat . gevoelig. onderscheiding.deklamował deklaracja deklaracja procedury deklaracją deklarować deklarował dekodować dekodował dekomprymować dekoracja dekoracja sklepowa dekoracją dekoracją dekoracją dekoracje (tetralne) dekoracje tetralne dekoracyjny dekorować dekorować dekrecie dekret delcie delegacie delegacie delegacja delegacją delegat delegat delegować delegowanie delicją delicją delikates delikatność delikatność delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikwencie Delphi delta dementować dementował demokracie voordragen. snoepgoed. liefelijk gunning. verklaring declareren declareren decoderen decoderen afleiden decor. snoepgoed. decoratie. snoepgoed. decreteren delta delegeren. verklaring declaratie.

demokracja demokracją demokratyczny demolować demon demoniczny demonstracja demonstracją demonstrować demonstrował demontować denerwował dentysta dentystyczny dentyście denuncjować denuncjował depesza depesza depeszą depeszą depeszą deportować deportował depozycie depozyt depresja depresją deptać deptak deputowany derywacja derywacja wyprowadzenie desancie desant desce desce deseń deseń deser deser deska deska deskrypcją despocie despota destrukcją destrukcją

democratie democratie democratisch afgeven op, afbreken, afkammen demon, duivel demonisch, satanisch demonstratie, vertoning, bewijs demonstratie, vertoning, bewijs demonstreren, vertonen demonstreren, vertonen afstijgen ergeren, verontwaardigen tandarts tand-, getand tandarts aangeven, aanbrengen, klikken aangeven, aanbrengen, klikken telegram, kabeltelegram telegram kabel, tros verzenden metaaldraad, draad deporteren deporteren afgeven, deponeren, in bewaring geven afgeven, deponeren, in bewaring geven afname depressie stappen, lopen, schrijden, treden marcheren, tippelen, lopen subsidiair, plaatsvervangend afleiding, afgeleid woord afleiding, afgeleid woord daling, landing daling, landing aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet werkje, schets, tekening knippatroon, patroon toetje, toespijs, nagerecht, dessert pudding aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet tafereel, schildering, beschrijving despoot, dwingeland despoot, dwingeland vernietiging ruïneren, te gronde richten

desygnował deszcz deszcz ze śniegiem deszczowiec deszczowy deszczułce deszczyk deszyfrować deszyfrował detal detalista detaliście detektyw detektywistyczny detergencie detergent detonacją dewiza dewizą dewizą dezaktualizował się dezaprobacie dezerterować dębowy dębowy dętka diabelski diabeł diablicą diaboliczny diagram diakon dialekcie dialekt dialektalny dialog dialog dialog dialog człowiek-komputer dialog użytkownikkomputer diament diament przemysłowy diecie diesel dieta dietetyczny diminutivum direktor antenowy

benoemen, aanstellen regenen regenen regenmantel nat lat motregenen ontcijferen, ontraadselen ontcijferen, ontraadselen bijzonderheid, item, detail kleinhandelaar kleinhandelaar detective, rechercheur detective, rechercheur afwasmiddel afwasmiddel informeren, berichten, inlichten leus, lijfspreuk, leuze, devies leus, lijfspreuk, leuze, devies lijfspreuk, leus, leuze, devies aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen afkeuring, verwerping, wraking wildernis, woestenij, woestijn eiken, eikehouten eiken, eikehouten binnenband, luchtpijp, luchtband duivelachtig, duivels, drommels droes, boze, duivel, drommel helleveeg, furie, haaibaai, feeks duivels, duivelachtig, drommels afbeelding, figuur, beeld diaken tongval, dialect tongval, dialect tongval, dialect tweespraak, tweegesprek, dialoog tweegesprek, tweespraak, dialoog bericht, boodschap tweespraak, tweegesprek, dialoog onderhoud, gesprek diamant diamant dieet dieselmotor, diesel dieet diëetluttel, karig, min, klein, gering directeur, bestuurder

dla dla dla siebie samej dlaczego dlatego dlatego dlatego też dlatego że dławienie (się) dławik dłoń dłoń dłucie dług długa spacja długi długi czas długo długopis długość długość długość geograficzna długotrwały dłuto dmuchać dmuchawiec dno dno statku dno statku do do do do do cna do edycji do góry nia do góry nogami do małego biura i do domu (np. oprogramowanie) do przewidzenia do przodu do przyjęcia do samolotu) do szpiku kości do twojej wiadomości do twojej wiadomości do tyłu do wglądu tylko dla ciebie (tajne

gedurende, onder, terwijl, staande saké, rijstwijn gedurende, onder, terwijl, staande hoezo, waarom ergo, dus, ook weer, toch ergo, toch, ook weer, dus daar, doordat, omdat, aangezien ergo, toch, ook weer, dus wurgen, choken, worgen wurgen, choken, worgen aanreiken, overhandigen bal, handpalm, palm beitelen schuld ruimte, bestek, wereldruim, speling lang lang lang hok lengte, langdurigheid lengte (geo.), lengte lengte (geo.), lengte blijvend, aanhoudend beitelen houw, flap, slag, mep, klap leeuwetand, paardebloem bodem, achtergrond, ondergrond, grond bodem, achtergrond, ondergrond, grond achtergrond, grond, bodem, ondergrond heel, volkomen, totaliter gedurende, onder, terwijl, staande in, te, binnen, per tegen, bij, naar, tot, aan, voor droes, boze, duivel, drommel omhoog, opwaarts, op, naar boven op, omhoog, naar boven, opwaarts on-, in-, imverkrijgbaar daarvoor, eerder, vooraan, indertijd acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk aanklampen, zich vastklampen aan betreffende, aangaande, omtrent hierheen, hier achterover achterwaarts, achteruit, rugwaarts achterlijkheid adieu, vaarwel

informacje) do widzenia do wysokości do zobaczenia do zwrotu dobiegać dobierać dobitny dobitny dobosz dobór dobre dobre stosunki dobro dobrobycie dobrobyt dobroczynność dobroczynny dobroć dobroć kondensatora dobroduszny dobrowolnie dobrowolny dobry dobry dobry dobry dobrze dobrze się rozwijać dobrze wychowany dobrze wypionowany dobrze wypionowany dobrze zbudowany dobrze! dobytek docenia doceniać docenić dochodzić do dochować dochowuj dochód dochód dociąć dociekać dociekliwie docierać docinać

vaarwel, adieu acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk geldkist, kas, fonds tegen, bij, naar, tot, aan, voor aanvliegen soort, slag, aard klaar, uitgesproken, helder nadrukkelijk trommelslager, tamboer, trommelaar keuze, keur, keus, optie, verkiezing okee, okay, goed okee, okay, goed okee, okay, goed welstand, voorspoed, geluk, bloei rijkdom naastenliefde, menslievendheid charitatief, liefdadigheidsvoorkomendheid, liefheid goedheid aardig, vriendelijk, voorkomend uit vrije wil, vrijwillig vrijwillig best beter okee, okay, goed rechter-, vandehands goed, nu goed geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel juist, gelijk hebbend, gegrond goed, okay, okee hecht, fors, potig, ferm, robuust afgesproken, akkoord, goed, in orde goed, nu goed bezitting, eigendom, bezit appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen bereiken, inhalen, behalen inmaken, konfijten, inleggen blijven inkomen, ontvangst, opbrengst verdienste, baat, winst, gewin plagen exploreren, nagaan, onderzoeken met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig bereiken, inhalen, behalen plagen

dociskać doczesny dodać dodać dodać dodać dodać domieszkę opium dodać odwagi dodać otuchy dodaj dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek (w książce) dodatek specjalny dodatkowo dodatkowy dodatkowy dodatkowy dodatkowy ruter dodatkowy zasilacz mocy dodatkowy zbiornik atramentu dodatni dodatnio dodawać dodawaćotuchy dodawanie dodawanie modulo 2 dodruk dodruk dogadzać dogmacie dogmat dogodny doić dojazd dojrzały dojrzały dojrzały dojrzano dojrzeć dojrzej dojrzewać dojrzewać dojrzewanie płciowe dojście

strakker aantrekken, aantrekken aards aanhechtsel, affix hoera roepen aanvuren, aanwakkeren, aansporen opiaat aanhechtsel, affix bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijkomstig, bijbehorend, bijkomend begeleiding, accompagnement optelling bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein optelling extra extra verder, overig assistent, adjunct, helper extra bijbehorend, bijkomend, bijkomstig bijkomstig, bijbehorend, bijkomend extra positief, constructief voorgoed, definitief bijtellen, optellen hoera roepen optelling optelling effect, indruk afdruk bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan leerstuk, dogma, leerstelling leerstuk, dogma, leerstelling doelmatig, gemakkelijk, geschikt melk oprijlaan, oprit volwassene, adult belegen, bezonken, rijp rijp, bezonken, belegen rijp, bezonken, belegen rijp worden, rijpen belegen, bezonken, rijp volwassene, adult rijp worden, rijpen puberteit oprijlaan, oprit

dojście dojście (do czegoś) dojść dojść dok dokąd dokądkolwiek doker dokładać dokładna informacja wyszczególniać dokładne badanie dokładnie dokładnie dokładnie dokładnie coś przejrzeć dokładnie zbadać (kogoś) dokładność dokładność dokładność dla pełnej skali dokładność pomiarów dokładność zapisu dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny do ntego miejsca (po przecinku) dokładny do n-tego miejsca (po przecinku) dokoła dokonać dokonany dokonuj dokonując dokonywać dokonywać dokonywać (<sth> czegoś) dokonywać zapisu na rzecz dokończyć dokręca dokręcać dokręcony dokrętce dokrętek doktor dokuczać dokuczać

aanwinst, acquest, buit, prooi oprijlaan, oprit aankomen, belanden, arriveren buit maken, verkrijgen, behalen dok waar hier of daar, ergens stouwer, stuwadoor bijtellen, optellen bijzonderheid, item, detail precies, nauwgezet, accuraat precies, nauwgezet, accuraat inhalen grondig, radicaal precies, nauwgezet, accuraat rechter-, vandehands accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid nauwkeurig, accuraat, nauwgezet nauwkeurig, accuraat, exact trouw, getrouw precies, scherp, juist, minutieus specifiek, soortelijk streng, duchtig, straf, bar, hard nauwkeurig, accuraat, nauwgezet om ... heen, omtrent, ongeveer, om behalen, bereiken, inhalen volkomen, perfect, in optima forma maken, doen, bedrijven fabricatie, aanmaak, fabricage bewerkstelligen, doorvoeren het veld ruimen, afstaan kalfateren, kalefateren, breeuwen begiftigen, meegeven aantikken strakker aantrekken, aantrekken strakker aantrekken, aantrekken stipt, nauwsluitend, streng, nauw moer bah doctor ergeren, verontwaardigen mopperen, kankeren, morren, sputteren

dokuczać dokuczać dokuczanie dokuczliwy dokuczliwy dokuczliwy dokuczyć dokuczyć dokumencie dokument dokumentacja systemowa dokumenty dolar dolą dolą dolega dolegliwość doliczać dolina dolny dolny dolny dołaczyć dołaczyć dołączać komentarz dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć się dołeczek dołeczek dołeczek dom dom czynszowy dom publiczny dom publiczny dom rodzinny dom starców dom studencki dom wypoczynkowy domagać się domagać się domagać się od kogoś zrobienia czegoś domek domek parterowy domeną

klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen plagen smart, verdriet, leed plagen saai, taai, vermoeiend, melig pijnlijk, hinderlijk, lastig, storend ergeren, verontwaardigen belemmeren, storen, hinderen bedrijf, acte, dokument, akte, stuk bedrijf, acte, dokument, akte, stuk mens bestand, dossier dollar lot, bestemming, lotsbestemming kavel, perceel pijn doen, zeer doen bezwaar, strubbeling, moeilijkheid bijtellen, optellen vallei, dal waas, nesthaar, dons laag verlagen, afdraaien zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker bevatten, inhouden, behelzen bijtellen, optellen belenden, grenzen aan aanhechtsel, affix omsluiten opiaat zich aansluiten, lid worden, toetreden groef, gracht, kuil, groeve, greppel hol, ingevallen groeve, gracht, greppel, groef, kuil geslacht, pand, huis herenhuis bordeel, seksclub, hoerenkast huiswaarts, naar huis huiswaarts, naar huis logement, herberg pakhuis, magazijn, warenhuis geslacht, pand, huis aanspraak maken op, claimen opeisen, vereisen, rekenen, eisen opeisen, vereisen, rekenen, eisen hut, huisje bungalow rijk, staat

domeną dominium dominować dominował dominujący domniemanie domowy domowy domowy domysł domyślac domyślać się domyślać się domyślić się domyślnik doniczka doniesienie donieść donieść donikąd doniosłość doniosły donosić dookoła dopasować dopasowanie szablonu dopełnia dopełniać dopełniający dopełniał dopilnować doping dopingować dopingował dopisać dopływ dopóki dopóty doprawdy doprowadza doprowadzić do szału dopuki dopuszczać dopuszczalny poziom wadliwości dopuścić dopuście doradca doradcą

kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied dominion meester zijn, de baas zijn meester zijn, de baas zijn voornaamste, hoofdvermoeden, gissen binnenlands, inheems, inlands huiswaarts, naar huis Stille Oceaan, Grote Oceaan onderstelling, hypothese, mening raden, gissen, doorzien raden, gissen, doorzien menen, vermoeden, stellen raden, gissen, doorzien zinspelen bloempot informeren, berichten, inlichten perzik informeren, berichten, inlichten nergens, in geen velden of wegen relevantie veelbetekenend, betekenisvol berichten, informeren, inlichten circulerend, in omloop aanpassen, afstemmen, adapteren lucifer compleet, volledig blok aanvullend volbracht ontmoeten, aantreffen stijving, bemoediging, aanmoediging aanvuren, aanwakkeren, aansporen aanvuren, aanwakkeren, aansporen belenden, grenzen aan fjord terwijl, staande, gedurende tot, totdat, binnen, voor werkelijk, wezenlijk aansporen, aanwakkeren, aanvuren bestseller, furore tot, totdat, binnen, voor laten, laten begaan, laten schieten acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk toegeven plaag adviseur, mentor, raadgever adviseur, mentor, raadgever

doradzić doraźny doraźny doręcza doręczyć dorobek dorobek doroczny dorosły dorożka dorsz dorzecze dosiadać dosięgać dosięgnąć doskonale doskonały doskonały dosłowny dosłowny dosłowny (raport) dostarcza dostarcza dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dowodów dostarczać żywność dostarczał dostarczanie dostarczyć dostarczyć podporządkować dostarczyć żywność dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny (stopień w szkole) dostatek dostatni dostawa dostawa oprogramowania dostawać mdłości dostawą dostęp dostęp dostęp

adviseren, bekendmaken, aankondigen ogenblikkelijk, prompt toevallig, incidenteel afleveren, leveren, bestellen brengen, aandragen, bezorgen Fortuna lot, fortuin, fortuinlijkheid jaarlijks volwassene, adult taxi kabeljauw vont, bekken, kom monteren, zetten buit maken, verkrijgen, behalen bereiken, inhalen, behalen perfectie, volkomenheid, volmaaktheid volkomen, perfect, in optima forma grandioos, groots, overweldigend woordelijk, letterlijk naar de letter, woordelijk naar de letter, woordelijk leveren, bestellen, afleveren provianderen, spekken, bevoorraden betuigen, verzekeren afleveren, leveren, bestellen eten, bikken, gebruiken, vreten afzenden, verzenden, expediëren het veld ruimen, afstaan provianderen, spekken, bevoorraden gemeubileerd aflevering, levering, inlevering knechten, onderwerpen afleveren, leveren, bestellen leveren, bestellen, afleveren adequaat, bijbehorend genoeg, voldoende bevredigend genoeg, voldoende bevredigend onbekrompenheid, overvloed uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend aanvoer, bezorging aflevering, levering, inlevering afkeer inboezemen aflevering, levering, inlevering oprijlaan, oprit aanwinst, acquest, buit, prooi aanvliegen

volkomen. geoefend. smartelijk beproeven. ontgaan usance. totaliter genoeg. tamelijk. betasten empirisch. kwiek. disponibel genaakbaar. ervaren ondersteuning. dragen bevoelen. toegankelijk aanspreekbaar liquide. deftig afstemmen. acuut. instelling geruim. beschikbaar. toegang oprijlaan. gewoonte. aanzienlijk verstandig zichtbaar genoeg. adapteren aanpassen. disponibel verkrijgen. basta heel. aanpassen. augustus waardig. geoefend. bedroeven. vrij. oprit oprijlaan. ervaring. rap. toegankelijk liquide. waardigheid oogstmaand. levendig. stemmen afstelling. beschikbaar. voldoende tamelijk vriendelijk. buit maken winnen. disponibel liquide. ingang. behalen zelfrespect. subsidie slecht scherp. deerlijk.dostęp dostęp zastrzeżony dostęp zdalny dostępny dostępny dostępny dostępny od przodu dostępny od przodu dostępny w handlu detalicznym dostępował dostępował dostojeństwa dostojny dostojny dostosować dostosować dostosować (się) dostosować (się) dostosować umieszczać dostosowanie interfejsu dostosowany do życzeń użytkownika dostosowuj dostosowywał dostroić dostrojenie dostrzegalny dostrzegalny dostrzegalny dosyć dosyć dosyć dosyć doszczętnie dość dość doświadcza doświadczać doświadczalny doświadczenie doświadczony doświadczony użytownik dotacją dotkliwie dotkliwy dotkliwy dotkliwy dotknąć dotknąć entree. voldoende tamelijk naar buiten brengen. helder. aanmerkelijk. beminnelijk. aardig nogal. adapteren afgepast in een stemming brengen. aanpassen. zichzelf respecterend. voorbijgaand kras. genoeg. druk zeer. ontkomen. adapteren afstemmen. pijnlijk. gebruik aanpassen. verdienen. ondervinding deskundig. experimenteel belevenis. beschikbaar. oprit genaakbaar. afstemmen. adapteren ontsnappen. afstemmen. verdriet doen vinger . zelfgevoel. stipendium. tasten. voelen. ervaren deskundig. aanpassen. adapteren kleren maken afstemmen.

grenzen aan aanslag aanslag mondeling. voeren drukproef discus. bestendig. gekscheren mop. betasten gevoel aanslag belenden. grol. plaat. desbetreffend aanwenden. aanvoeren. gestaag . grap spriet. bewust. disputeren. teken. eigenmachtig transporteren. disputeren. ervaring. bewijs drukproef aanvoerder. commanderen bevelen. gevat. belang bevoelen. kwinkslag. aanvoeren. belanden. oraal boerten. steunen. pots. aannemen bewijzen. klappen. ondervinding stutten. ervaring. commandant commodore aanvoerder. krakelen archief aanwijzend voornaamwoord aanwijzend voornaamwoord twisten. bekoren aangelegenheid. overbrengen. aanlokken. schijf adstructie. tasten. doorvoeren toelachen. ad rem twisten.dotknąć dotknąć nieszczęściem dotknięcie (pędzlem) dotował dotrzeć dotrzymywać dotychczas dotychczasowy dotyczenie dotyczyć dotyczyć dotyczyć dotyczyć czego dotyk dotyk dotyk dotyka dotykać dotykać palcem doustny dowcip dowcip dowcip dowcipny dowieść dowodach dowodzący dowodzenie dowodzić dowodzić dowodzić dowodzić (<sth> czegoś) dowolny dowozić dowód dowód dowód (przyjaźni) dowód wiedzy zerowej dowódca dowódca dowódcą dowództwa dowództwo doznać doznaj doznaj doznawał doznawał aanslag aanslag slaan. arriveren blijven nog ouder betrokken. voelen. arbitrair. opvallen subsidiëren aankomen. schertsen. grammofoonplaat. commandant bevelen. commanderen belevenis. boegspriet snedig. belang aangelegenheid. krakelen bevestigen. aantonen willekeurig. schragen deskundig. ervaren constant. kloppen. aantonen bewijzen. geoefend. geestig. ondervinding belevenis.

schommelen beven. bedroeven. kregel. aanhangen stuur. rillen. huiveren . bewaren controleren. stuurtoestel neerdruipen. drama toneelstuk. bibberen woud. klauwen. auto trolley. de wacht hebben. aflezen steward zich bekommeren. greppel. sterk werkend krauwen. roede. zorgen bewaken. mijnschacht kleven. afdruipen huiveren. groef. wagen automobiel. balorig glad. scharrelen. stuurtoestel stuur. drama krauwen. gracht. zich bekommeren. afdruipen neerdruipen. schacht. paal. oscilleren. pijp schacht. ongrijpbaar. afdruipen neerdruipen. kuil ladder ladder ladder ladder toneelstuk. afgrendelen draperen drastisch. schacht. aflezen controleren. rillen. bos hout hout hout boom hout brandhout auto. de wacht hebben. krabben vlechten slechtgehumeurd. glibberig grieven. pijp baar. checken. paal. portier bewaken. ergeren baar. zorgen afschuwelijk slingeren. roede. beven. bezorgd zijn. krabben grendelen.dozorca dozorcą dozorować dozorował dozorujący dozór dozór dożywocie dół drabina drabina schodkowa drabiną drabinka dramacie dramat drapać drapak drapować drastyczny draśnięcie dratwą drażliwy drażliwy drażnić drąg drążek drążek drążek drążek sterowniczy drążek sterowy dren dren wielokrotny drenować dreszcz drewien drewna drewna drewno drewno drewno drewno na podpałkę drezyna drezyna drezyną dręczyć drętwy drga drganie conciërge. scharrelen. bibberen. bewaren pensioen groeve. checken. klauwen. vastkleven. beugel bezorgd zijn.

lief. kornuit. mooi. waard geacht. ginnegappen afdrijven. minuskuul weg. honen grijnslachen. spotten. klein. geldstuk bagatel. aanzetten ampel. van klei . activeren. paadje tweede paren twaalfuurtje. minuscuul. verkeersweg weg. ploeg. trilling schokken kramp aanzetten tot. drijven boren klei-. aarden. gezien kostbaar. schoon. drukker boekdrukker. route gebruik. makker boekdrukker. emitteren metaaldraad. dierbaar. draad team. usance. bijkomend. fraai propperig. baan. drukker afdruk afdruk uitgeven. fijn. beuzelarij microbe net. equipe politiepatrouille bespotten. duur. lief. drukker boekdrukker. in het klein munt. spotlachen.drganie drgawce drgawka drgnąć drobiazgowy drobniak drobnostka drobnoustrój drobny drobny droga droga droga dojazdowa droga wodna droga wodna drogerią drogi drogi drogi oddechowe drogi oddechowe drogocenny drogowskaz drozd wędrowny drożdże drożdże drób dróżka drugi drugi nadawca drugie śniadanie drugorzędny średniej klasy drugorzędowy druh drukarce drukarka drukarz drukować drukować druk odbitka drukował drut drużyna drużyną drwić drwiną dryf dryft dryl drylował vibratie. bijkomstig maat. baan. op drift zijn. duur. gezien kostbaar. gedetailleerd. toevallig bijbehorend. op drift zijn. lunch incidenteel. gewoonte apotheek geacht. waard zeldzaam wegwijzer roodborstje gist gist gevogelte pad. kameraad. dierbaar. penning. route straat grote weg. drijven afdrijven. futiliteit.

druilen. wurgen smoren. doorscheuren druilen. bibberen. tweeledig verstand. huiveren rillen. usance. sluimeren. duplex. neerslaan pruttelen ziel. prat. geest geest blinde. gewoonte trots trots muze hoog. bibberen dubbel. deur portier. rillen. tweevoudig. multipliceren verveelvoudigen. gemoed. bibberen. geest geestelijke minister. sluimeren. geest. verheven fier. onderdrukken. dutten sluimeren. multipliceren zeef goulash choken. gravure. beven. sluimeren. bewindsman geestelijk pijp. beven. dutten boom boom naaldboom naaldboom hout prent. huiveren rillen.drzazdze drzazga drzeć drzemać drzemce drzemka drzemka drzewa drzewo drzewo binarne drzewo dwójkowe drzewo zbalansowane drzeworyt drzwi drzwi są uchylone drżeć drżeć drżenie drżenie dublowanie duch duch duch duch wodny duchowny duchowny duchowy dudą dudnienie dukcie dukuczyć duma dumać dumny dumny Dunaj duńczyk duński dupa dupą duplikat duplikować durszlak dusić dusić dusić (się) dusić na wolnym ogniu dusza splinter splinter vaneenscheuren. dutten druilen. gemoed. huiveren. huiveren. dutten druilen. intellect ziel. graveerwerk portier. deur beven. bibberen beven. worgen. rillen. blinde bij kaarspel. tabakspijp afranselen gebruik. geest . trots Donau Deen Deens ezel ezel verveelvoudigen.

tweemaal veertien dagen. pastor omvang. roken stinken. net het hof maken. berusting dynamiet pompoen pompoen akte. duo. tiptop. bestek. kostelijk groot twee twee keer. tweetal. station binair binair netwerk. dubbelslachtig nijgen. paar stationsgebouw. grootte menig. tweemaal twaalf twaalf dubbelzinnig. koppel. amateur. vies ruiken gelatenheid. bovengronds tof. dilettant smoken. bul. buigen. roken uitwasemen smoken. vele veel groot groot lucht-. twee weken twee twintig twaalf stel. excellent. scharrelen twintig twintig twee keer. veel. een buiging maken schokken multiplex dictator dictatuur dicteren dicteren zeggen. vrijen. met lucht gevuld. opgeven dilemma dilemma knutseaar. diploma. geestelijke.duszpasterz duża ilość dużo dużo duży duży duży system komputerowy duży system obliczeniowy duży wysiłek dwa dwa pensy dwa razy dwa tygodnie dwadzieścia dwanaście dwie dworzec dwójkowe (liczby) dwójkowy dwójnik bierny dwór dwudziestce dwudziestka dwukrotnie dwunastce dwunastka dwuznaczny dyg dygotać dykta dyktator dyktatura dyktować dyktował dyktował dylemacie dylemat dyletant dym dymek dymić dymić (się) dymisja dynamit dyni dynia dyplom dyplomat pastoor. brevet diplomaat .

bewaren de weg wijzen. discuteren bespreken. plaat diskette disconto bescheiden. krakelen bespreken. aangifte. tucht schijf. bestuurder bewaken. neiging disputeren. voornaamste declaratie. grammofoonplaat. beheerder. uitreiking verdeler verdeler kapitaal. bevelen conducteur. onopvallend. eind verdeling. grammofoonplaat. plaat schijf. vermogen keurig gevoelig. aanrichten. twisten disputeren. administrateur hoofd-. aanvechting. hoofd der school hoofd-. plaat discus schijf. lust. delicaat. ordenen zin. twisten detachement. discreet discriminatie discriminatie discussie. bespreking betwistbaar. grammofoonplaat. bestuurder bestuurder. discuteren beschikking arrangeren. iel . discus. discus. kies. fijn. aktentas administratiekantoor hoofdonderwijzer. uitreiking verdeling. theca. afdeling afstand. bestuurder conducteur. krakelen. commanderen. geleiden. disputeren. discus. krakelen. uitreiking verdeling. leiden discipline.dyplomata dyplomatce dyrekcja dyrektor dyrektor dyrektor dyrektor generalny dyrektor szkoły dyrektor szkoły dyrektywa dyrektywa zapoczątkowania dyrygencie dyrygent dyrygent dyrygować dyscyplina dyscypliną dysk dysk dysk dyskietka dyskietka dyskonto dyskretny dyskryminacja rasowa dyskryminacją dyskusja dyskusyjny dyskutować dyskutować dyskutował dyslokacją dysponować dyspozycją dyspucie dysputa dystans dystans dystrybucja dystrybucja kluczy dystrybucja połączeń automatycznych dystrybucją dystrybutor dystrybutor automatycznych rozmów telefonicznych dystyngowany dystyngowany dystyngowany diplomaat boekentas. uitspraak aanvoeren. de wacht hebben. tucht discipline. team. uitreiking verdeling. aanvechtbaar twisten. voornaamste rector directeur.

gedoe. nakomeling . optreden. ingreep legerafdeling. kruik kan. divisie kavel. handelen actie. het doen doen. gedoe actie. kleed. pot. kind. pul kan. kruik po opa. gedoe actie. gedoe. het doen functioneren. grootvader achterbuurt departement branche. ageren. activist functioneren. gedoe. afstammeling. handeling. speelplaats actie. divisie plicht. optreden. jong. optreden. vat. kruik vaas. spaak schacht. handeling speelterrein. gedoe bewerking. handeling. ingreep actie. vak. jongeheer een geintje maken nazaat. kettingzang. optreden. agitator. operatie. mijnschacht spuit tapijt. handeling courtage actie. handeling bewerking. handeling. bezig zijn. vuurmond roer. jongeling. afstammeling borst. karpet afleidingsmanoeuvre legerafdeling. speelplaats speelterrein. optreden.dystynkcją dysza dyszą dyszel dyszel dyszka dywan dywersja dywizją dyżur dzban dzban dzban dzbanek dzbanek dziadek dziadostwa dział dział działacz działać cuda działać przetwarzać działać sterować działalność działalność działalność maklerska działania działania) działanie działanie działanie na minutę działanie napędu dyskietek działanie niezależne działanie wsadowe działka działka działka podziałki działo działo elektronowe dziąsło dzieciak dzieciak koszula nocna dzieciątka dziecinny dziecko dziecko dziecko bawiące się skakanką dziedzic onderscheiding spuit spuit straal. optreden. geweer tandvlees een geintje maken een geintje maken baby kinderlijk loot. kanon. verplichting kan. operatie. perceel canon. vloerkleed. perceel kavel. tak onruststoker.

alledaags dag heden. in pacht hebben huurder tiende tien tiende . krijt. doorklieven. scheiden nabijheid district.dziedzictwa dziedziczenie dziedziczność dziedziczyć dziedzina dziedzina zastosowań dziedziniec dziedziniec dziedziniec kościelny dziedzińca dzieje dziejopis dziekan dziel dzielenie dzielenie przez zero dzielenie sekretu dzielić dzielić dzielić na połowę dzielić podział dzielnica dzielnica Londynu dzielnicą dzielny dzielny dzieło dziennik dziennik dziennik zdarzeń dziennik zmian dziennikarce dziennikarz dzienny dzień dzień dobry dzień dobry! dzień roboczy dzień wypłaty dzierżawa dzierżawą dzierżawca za część plonu dzierżawcą dzierżawić dzierżawić dziesiąta część dziesiątce dziesiąty boedel. scheiden kloven. erfenis. erfstuk. binnenplaats. afscheiden. ra geschiedenis. gouw district. divisie legerafdeling. dagblad. klieven. krant courant. boud afdruk dagelijks. corpulent dapper. koen. aandeel afzonderen. chroniqueur deken. erven arena. kampplaats akker plaats. dagblad. arrondissement. erfstuk. verhaal kroniekschrijver. kloek. gouw gezet. doorklieven. erfdeel erfelijkheid. afscheiden. ra yard. splijten actie. decaan kloven. erfdeel boedel. historie. daags. krant courant. splijten legerafdeling. divisie legerafdeling. zwaarlijvig. moedig. krant journaliste journaliste dagelijks. in pacht hebben huurder huurder pachten. divisie afzonderen. piste. dagblad. ra yard. daags. klieven. erfenis. vandaag morgen gisteren dag huur pachten. arrondissement. alledaags courant. overerfelijkheid beërven. erf. hof yard.

bek. meid dienstmeisje. meisje meid. kuil. wonder bizar . dank betuigen dank. boeg spuit heden. meisje ongerept. wild woest natuurlijk wild. snavel snavel. meisje meisje. uitholling. vandaag vannacht vannacht groef. maagdelijk negen negentig negentien specht dank. tuit. groeve. tuit. dank betuigen danken. ingevallen hol. kuil. gracht. wild wild. bedanken. woest dag bek. voorsteven. vandaag vannacht heden. snater. snater. greppel hol. dankzegging danken. neb voorschip. dienares. woest woest. maagdelijk maagdelijk. greppel groef. holte stompen Jan Klaassen stompen Jan Klaassen mirakel. meid negende negen negende meid.dziesięciolecie dziesięć dziewce dziewczyna dziewczyna dziewczyna dziewiąta część dziewiątce dziewiąty dziewica dziewica dziewiczy dziewiczy dziewiczy (nośnik) dziewięć dziewięćdziesiąt dziewiętnaście dzięcioł dzięki dziękować dziękował dziękuje dzik dziki dziki dziki dziki (wzrok) dzikus dzionek dziób dziób dziób dzióbek dzisiaj dzisiejszy wieczór dziś dziś wieczorem dziś wieczór dziura dziura powietrzna dziurawy dziurą dziurkarka dziurkarka dziurkarka taśmy papierowej dziurkarka taśmy papierowej dziw dziwaczny decennium tien meid. groeve. gracht. dankzegging woest. neb. ongerept ongerept. bedanken. maagdelijk ongerept.

overgaan. echoën Echo weergalmen. marmelade heer. gaan acoustisch. oprichten. worm aardworm. heffen. kletteren. naklinken. worm jam.dziwaczny dziwaczny dziwce dziwić się dziwka dziwny dziwny dziwny dziwny dziwny dzwon dzwonek dzwonek do drzwi dzwonić dzwonić dzwonić dzwonić dzwonienie po umarłym dźgnięcie dźwięczeć dźwięczeć dźwięcznie dźwięk dźwięk wysokiej jakości dźwiękowy dźwiękowy dźwig dźwig dźwigni dźwignia dźwignia zwalniająca dżdżownica dżdżownicą dżem dżentelmen dżentelmeński dżersej dżin (do picia) dżojstik dżumą dżungla dżunglą echa echa echo echo echo np. naklinken. kletteren. jungle. galmen. beschaafd Jersey jenever. jungle. arbeid klingelen. rinkelen kleppen. kletteren. ophalen beuren. echoën Echo weergalmen. kletteren. kletteren. zich verwonderen prostituée. stuurtoestel pest oerwoud. lichtekooi. radiolokacyjne rum bizar prostitueren zich verbazen. klinken. leuk. moes. klare stuur. oprichten. echoën Echo . hoer bizar uitheems. akoestisch kleppen. klinken. pier. rinkelen naklinken. overgaan. doorklinken klingelen. amusant rum bizar klok klok klok zich aaneensluiten. rimboe weergalmen. naklinken. gentleman keurig. beugel. oprichten. regenworm. rimboe oerwoud. karwei. ophalen aardworm. radiolokacyjne echo np. regenworm. gaan krab lift beuren. klinken. heffen. heffen. klingelen rinkelen. werk. aansluiten klingelen. buitenlands vermakelijk. pier. ring rinkelen. gaan kleppen. ophalen beuren. klingelen emplooi. overgaan. rinkelen wal.

afdruk exotisch. druk. uitheems bestaan. spaarzaamheid economisch economie economie experimenteren scherm. schut gewaarwording. examen onderzoeken. meier economie economie. nakijken. nakijken. uitgave. vorming dresseren. schut scherm. druk. accuraat. bord scherm. expansie verkoper evenzeer. mede. aanzijn bestaan bemanning leden. editie editor opmaken. ook. opstellen indruk. opzichter. aandoening opwinding aanwakkeren. eveneens . opwinden opwindend exclusief. bordje. aanhang intendant. opwinden aanwakkeren. vorming opvoeding. uitgave. exact exemplaar. expansie uitzetting. effect indruk. schut schild. kweken. redigeren. keuring. effect afdoend. examineren nauwkeurig. aanzijn bestaan. vorming opvoeding. editie uitgaaf. effect indruk. examineren onderzoeken. uitsluitend uitzetting. prikkelen. doeltreffend Egyptisch Egyptisch Egypte onderzoek. ontwikkeld uitgaaf.edukacja edukacja na odległość edukacją edukował edukował edycja w komórce edycją edytor edytować efekcie efekt efekt zniekształcenia maski kineskopu efektywny Egipcjanin egipski Egipt egzamin egzaminować egzaminował egzekwował egzemplarz egzotyczny egzystencja egzystencją egzystować ekipa ekipa ekonom ekonomia ekonomia ekonomiczny ekonomika ekonomika przedsiębiorstwa ekperymentować ekran ekran ekran (przewodu) ekran mozaikowy ekscytacją ekscytacją ekscytować ekscytował ekscytując ekskluzywny ekspansja ekspansją ekspedient ekspedycja opvoeding. effectief. prikkelen. uithangbord. grootbrengen geleerd.

actuaris deskundig deskundig experimenteren experimenteren empirisch. exploiteren. extase vervoering.ekspedycja ekspedycja ekspedycją ekspercie ekspert ekspert ekspert ubezpieczeniowy ustalający wartości składek i odszkodowań na podstawie częstości wypadków eksperymencie eksperyment eksperymentalny eksploatować eksploatować eksploatować nadużyć eksploatował eksplodować eksplodował eksplozja eksplozją eksponacie eksponat eksporcie eksport eksportować eksportować eksport ekspozycją ekspres ekspresją eksprymować ekstatyczny ekstaza ekstazą eksterminować ekstra ekstrakcie ekstrakt ekstraktor ekstrawagancki ekstremalny ekstremizm ekwipunek ekwiwalent elastyczny elastyczny elastyczny automatyczny układ testera elegancja elegancki expeditie aan. extatisch vervoering. voor. maskeren buitennissig. elastisch smijdig. lenig smijdig. uitvoeren expositie. soepel. experimenteel exploiteren. bewimpelen. uitmelken uitbuiten. tegen. naar expeditie deskundig archiefmedewerker. ondoorgrondelijk uiterst. gezegde uitdrukken zwijmeldronken. ontploffen exploderen. losbarsten. inrichting equivalent. uitvoeren exporteren. losbarsten. explosie belichten. uitmelken exploderen. betuiging. uitmelken uitbuiten. extreem. gelijkwaardig rekbaar. uitroeien extra afleiden afleiden bemantelen. uitbuiten. exploiteren. geestvervoering. ontploffen uitbarsting. buigbaar. uitbuiten. chic. buigbaar. accommodatie. uitvoeren exporteren. lenig trant. tentoonstelling uitdrukken bewoording. uitvoeren exporteren. buigzaam. bij. piekfijn . buigzaam. bovenmatig uitrusting. ontploffing. tentoonstellen exporteren. uitmelken exploiteren. ergst. tentoonstellen belichten. ontploffing. extase verdelgen. buitensporig onpeilbaar. tot. geestvervoering. explosie uitbarsting. stijl sjiek.

kras. piekfijn. ferm aanwakkeren. geestdrift . embleem pensioentrekker. fut levendig. rap. elektronisch electronisch. gezant bode. krachtig. elimineren. aanzetten enthousiast.elegancki elegancki elegant elekcją elektron elektroniczny elektroniczny zapis wizji elektronika elektronowy elektrotechnika elektryczność elektryczny element element element grupy programów element pomiarowy element z niestabilnością S elementarny elewator eliminować eliminować segregację rasową eliminował eliminował elokwentny emalia emblemacie emblemat emblemat oryginalnych produktów Microsoftu emeryt emerytura emfatyczny emfaza emigrować emigrował emisariusz emisariusz emitował encyklopedia energia energia energią energiczny energiczny entuzjasta entuzjastyczny entuzjastyczny entuzjazm bevallig. geestdriftig krankzinnig zijn enthousiasme. uitschakelen ontwortelen welsprekend emailleren kleur. slim. keus elektron electronisch. gepensioneerde pensioen nadrukkelijk nadruk. net optie. elektronisch elektronica electronisch. beginsel elementair lift afvoeren. spirit. kwiek energiek. listig bevallig. keur. uitschakelen afvoeren. piekfijn. elektronisch elektriciteit elektriciteit elektrisch element. klem uittrekken. elimineren. verkiezing. embleem kleur. bestanddeel. emigreren. arbeidsvermogen. elegant. elimineren. flink. arbeidsvermogen. afgezant. beginsel akker en bewerker element. net doortrapt. uitbundig. uitwijken uittrekken. aanvuren. uitschakelen afvoeren. embleem kleur. elegant. uitwijken afgezant. bestanddeel. fut sap energie. gezant uitstralen encyclopedie energie. druk. bode. spirit. keuze. gewiekst. emigreren.

zedenleer filosofie. etiket label. bestuur. kern essentie. essence. wezen. wezen. tijdsgewricht heremiet. Ethiopië zedenkunde. tribune. etiket Europa Europeaan. evacueren evangelie evangelie . tijdsgewricht tijdperk. podium schavot aanplakken podium. accompagnement Esperanto Estlands Estlands muziektent tribune. ethiek ethisch. wijsbegeerte label. ontgaan ineenkrimpen. zedenleer. tijdperk episch tijdperk. essence. brief. ontkomen.eon epicki epiczny epidemia episkopalny epistołą epizod epoce epoka epopeja era erą eremicie Eros erotyczny ESC eschnąć esej esencja esencją eskimos eskorcie eskorta esperanto Estończyk estoński estrada estrada estrada etacie etap Etiopia etyczny etyczny etyczny etyka etyka etykiecie etykieta dysku etykieta wolumenu etykietka Europa europejczyk europejski ewakuować ewakuował ewangelia ewangelią eeuwigheid episch episch pest bisschoppelijk. blanke Europeaan. doorluchtig epistel. blanke ontruimen. evacueren ontruimen. zedenkunde. ineenkronkelen dissertatie. zedenkunde. leiding Abessinië. kern Eskimo begeleiding. accompagnement begeleiding. kluizenaar Cupido. zendbrief episode. tijdperk tijdsgewricht. aflevering tijdsgewricht. Amor erotisch. etiket label. zwoel ontsnappen. stelling essentie. zedenleer ethiek. zedenkundig ethiek. leiding. proefschrift. etiket label.

zwaaien gebaren. wuiven. declareren factureren. bedrijf deskundig professioneel. wuiven. persoon.ewangelik ewenemencie ewentualnie ewentualność ewentualność ewentualny ewidentny ewolucja ewolucja schematu ewolucją ewoluował exodus fabryce fabryczny fabryka fabryka konserw fabrykacją fabuła facecie facet znie fach fachowiec fachowiec fachowy facjacie facjacie facjacie fajerwerkach fajka fajtłapą fakcie fakt faktor faktura fakturą faktycznie faktyczny faktyczny faktyczny fakultecie fakultet fala fala troposferyczna fala typu EH fala typu H fala wsteczna fala złożona falą protestants belangrijke gebeurtenis. ad rem mens kerel. beroepscompetent. duidelijk evolutie. ontwikkeling evolutie. zwaaien . effectief. gevat. bevoegd dakkamertje zolderkamer Attisch vuurwerk pijp. kennelijk. wuiven. gapen feit feit makelaar factureren. wuiven. evenement mogelijkerwijs. geestig. zwaaien gebaren. zich ontwikkelen Exodus fabriek fabriek fabriek fabriek fabriceren. mogelijk eventualiteit eventualiteit gebeurlijk. dom kijken. tabakspijp aangapen. metterdaad. snuiter beroep. daadwerkelijk daadwerkelijk. broodwinning. zwaaien gebaren. ontwikkeling evolueren. eventueel apert. aanmaken. zwaaien golfslag gebaren. misschien. declareren inderdaad. ontwikkeling evolutie. sujet. effectief virtueel faculteit faculteit gebaren. knul. zwaaien gebaren. wuiven. werkelijk. wuiven. evident. waarachtig werkelijk. deskundig. maken snedig.

fanatiek. buitenkansje farmacie. dweepziek pion fanfarekorps. befaamdheid gezin. vouwen. bedrieglijk. vouwen. vast nagemaakt vervalsing vervalsing fout. foutief loos. ijzersmid vervalsen vervalsing maken. grillig. dromen fantasie. aanvuren. huisgezin. artsenijbereidkunde geneesmiddel. artsenij. vulsel boezelaar. bedrieglijk. voorgevel voorzijde. aanzetten dwepend. verkeerd. blinde bij kaarspel verven. medicijn agrarisch boer opvulsel. voorschoot voorpui. mare. fanfare pion fantastisch. geluk. voorkant . vulling. façade. dubbelhartig faam. aanmaken nagemaakt vervalsen onbeweeglijk. familie aanwakkeren. fanfare fanfarekorps. dubbelhartig smid. pui.fałda fałdą fałdował fałsz fałszerz fałszować fałszować (<with sth> coś fałszował fałszował fałszował fałszował fałszował fałszowanie fałszywy fałszywy fałszywy famą familią fan fanatyczny fanatyczny fanatyk fancie fanfarą fanfarą fant fantastyczny fantaście fantazja fantazjaować fantazją fantom farba farba olejna farbować farbować (się) farbował farbując farcie farmacja farmakologia farmakologiczny farmą farmer farsz fartuch fasada fasada omvouwen. geest. hondsdol dwepend. fabriceren. fantasierijk dromer. gevel. schilderen verf verf verf bloed aftappen. gerucht. razend. plooien onduleren loos. mijmeraar fantasie. fanatiek. sloof. artsenijbereidkunde farmacie. plooien omvouwen. schort. kleuren. huis. dweepziek dol. verbeeldingskracht mijmeren. aderlaten aderlating bof. onjuist. star. mazzel. verbeeldingskracht blinde.

gisten fermenteren. bond federatie. wijs mode. verbluffend snipperdag. werken. boon. schijngestalte. modus.fasadą fascynować fascynował fascynował fascynując fascynujący fasola fasolka fason fasonować faszerować fatalny fatydze fatyga faul faul faworycie faworyt faworyzować faza faza faza wykonania faza zdobywania (magistrali) fazą febra febrą federacja federacją federacyjny federalny feniks fenomen fenomen fenomenalny ferie ferma fermacie fermencie ferment fermentować ferwor festiwal festyn feudalny fiaska fiasko fidze figa voorpui. smerig uitverkoren uitverkoren gunst. fascinerend. bestuur. voorgevel betoveren. feestmaal. debâcle. echec flop. afjakkeren. schijngestalte. tribune. ambitie. fascinerend. afjakkeren. afbeulen afmatten. fiasco. gisten fermenteren. boeiend tuinboon. fascineren gefascineerd. veldboon tuinboon. fenomeen fenomenaal. echec vijg vijg . gelag feodaal flop. fase kwartier. fiasco. boon. leiding kwartier. boeiend betoverend. verschijnen verschijnsel. pui. gevel. ondoorgrondelijk afmatten. veldboon mode. werken. genadigheid kwartier. schijngestalte. leiding podium. debâcle. fase podium. bond federaal federaal feniks verschijning. geboeid betoverend. fase koorts koorts federatie. modus. façade. rustdag agrarisch pauzeren fermenteren. spullen onpeilbaar. afbeulen schuld vuil. smulpartij. begunstiging. gisten vuur. tribune. fascineren betoveren. werken. wijs dingen. bestuur. ijver festival festijn. vakantiedag.

steiger colonne. rolprent feuilleton. zijgen Fin gevolgtrekking. wijsgeer filosofie. filteren. guitig. verdichtsel. steunpilaar. conclusie in het net schrijven. kop rolprent. verbeelding verdicht. uiteindelijk bekostigen. schelmachtig. aanlegplaats. cijferen fictie. film film. vervolgverhaal rolprent. zijgen filtreren. verbeelding fictie. zijgen filtreren. kop kopje. kolom. zijgen filtreren. verdichtsel. filteren. film film. geldelijk aantikken . dik agentschap tak. cijferen rekenen. aftakking sociëteit. financieren financieel. financieren bekostigen. filteren. dartel rekenen. denkbeeldig. taalgeleerde filosoof. fictief. rolprent rolprent.figlarny figura wypukła figurą fikcja fikcją fikcyjny fikcyjny filar filar filatelistyka filc file allocation table filia filia filia Filipiny filipińczyk filiżance filiżanka filiżanka do herbaty film film fabularny film kolorowy film rysunkowy film trójwymiarowy (stereoskopowy) film) filmować filmowy filolog filozof filozofia filozofią filozoficzny filozofował filtr filtr ze sprzężeniem zwrotnym filtrować filtrować (się) filtrować filtr Fin finalizacją finalizował finał finanse finansować finansował finansowy finisz snaaks. Filippijn kopje. wijsbegeerte filosofie. fatsoeneren finaal. club Filippijnen Filippino. zijgen filtreren. filteren. wijsbegeerte filosofisch filosoferen filtreren. film rolprent. filteren. film rolprent. financieren bekostigen. pilaar filatelie vilt lijvig. linguïst. film taalkundige. denkbeeldig verdicht. kop kopje. fictief landingsplaats.

aanslaan fysisch. doek saletjonker. hecht gevestigd. vaan. afhandelen Fins afwikkelen violet. lichamelijk. aangaan . stevig. map ordner. fladderen vloot Florence Florida vloot marine. vat. vaan. zeerob. gordijn. fysica dundoek. dandy gevestigd. gaan grammofoon fontein fontein vormen. map folklore. pot. fladderen aan de scharrel zijn. hecht gevestigd. vaan. pimpelpaars violet. formeren. stevig. rob ordner.Finlandia fiński fiński fiński fioletowy fiołek fiord firanka fircyk firma firma produkującu duże systemy komputerowe firmą fiskus fizyczny fizyka fladze flaga flaga zerowa flakon flamą flanela flanelą flaszka flądra flecie flet flirciarz flirt flirtować flocie Florencja Floryda flota flota flota na foce foka folder folder współużytkowany folklor fonetyczny fonetyka fonia fonograf fontanna fontanną forma Finland afdoen. pul laaien. scherm. kwast. stevig. vlag vaas. vast. pimpelpaars fjord overgordijn. klinken. vast. vlag dundoek. fonetisch fonetiek. paars. paars. fysiek natuurkunde. fat. vlammen flanellen flanellen veldfles enkel. vast. bloot. fladderen aan de scharrel zijn. rob zeehond. louter fluit fluit aan de scharrel zijn. volkskunde de klankleer betreffend. overgaan. zeerob. vlag dundoek. hecht belasten. zeemacht marine. zeemacht zeehond. klankleer kleppen.

verschansing sterken sterken forum forum forum fosfor fosforescerend zorgenstoel. vervatten formuleren. plechtig omvang. formeren. patroon omvang. geld doordrukken forsythia. grootte bewerking akademisch. prop . item. pasta poen. beslag. aangaan vormen. Chinees klokje vesting vesting aanwensel. klomp. beslag. armstoel box fotograaf fotograferen. fortuinlijkheid sterkte. deeltje. kletteren. formeren. academisch afgemeten. fort. inkleden. kieken fotografie fotografie fotografie fotografie jaartelling. klont. deel jaartelling. deel dot. hebbelijkheid klavier. armstoel zorgenstoel. bestek. bal. bestek. aangaan knippatroon. pasta deeg. fortuin.forma nieosobowa forma przecząca od <can> formacie formalna metoda postępowania (w kontekście działania firmy lub instytucji) przetwarzać formalny formalny format formować formował formularz formuła formułą formułować formułował forsa forsa forsą forsą forsować forsycja forteca fortecą fortel fortepian fortuna kołem się toczy fortuna kołem się toczy fortyfikacją fortyfikować fortyfikował forum forum ATM forum dyskusyjne fosfor fosforyzujący fotel fotel fotel parterowy (w teatrze) fotograf fotografia fotografia fotografia (jako dziedzina) fotografią fotografika fragmencie fragment fragment fragmentować formeren. vormen. inkleden. afranselen deeg. piano Fortuna lot. grootte vormen. aangaan formeren. vervatten afdrogen. vormen. aangaan formule formule formuleren. ceremonieel. kluit. item. deeltje.

voorkant borstelen. gang. item. fractie secessie. baan. fractie breuk. het doen primitief karaktertrek. kapitaal functioneren. afgezaagd ten geschenke molenaar. voorkant voorzijde. wuft kapper. tabakspijp pond stichting stichting stichting fundamenteel behandelen.fragment terenu fragment/wyjątek (dzieła) fragment/wyjątek dzieła fragmentaryczny frajdą frakcja frakcją frakcjoniście Francja francuski Francuz Francuz Francuzi Francuzka frasunek frasunkach frazes free frezarka froncie front frontowy froterka froterować froterować froterować frunąć frustrować frydze frywolny fryzer fryzjer fryzjer fryzjer męski fryzura fujarka funcie fundacja fundamencie fundament fundamentalny fundować fundusz funkcja funkcja odwrotna funkcja zagregowana funkcja zewnętrzna funkcją overloop. rijstrook overloop. kikvors Frans Franse. deel fragmentarisch blijdschap breuk. baan. alledaags. voorkant voorzijde. afscheiding Frankrijk Frans Fransman kikker. gang. deeltje. het doen . zich bekommeren. cureren fonds. gelaatstrek functioneren. het doen functioneren. schuieren Pools schoensmeer schoencrème aanvliegen frustreren afknotten lichtzinnig. barbier kapper. Française bezorgd zijn. mulder voorzijde. zorgen muizenissen banaal. trek. barbier kapster kapster knipbeurt pijp. rijstrook jaartelling. frivool.

gang. galerie gaanderij. gang. gang.4536 kg) funt (waluta) funt szterling funtów) fura fura furgon furgonetka furtka furtka fuszerce futbol futerał futerka futro futro z fok gabarycie gabinecie gabinet gabinet gabinet lekarski/dentystyczny gablocie gablota gacek gad gadać gadać gadanie gadatliwy gadce gaduła gadziną gag galaktyczny galancie galeria galeria obrazów galerią galop galopować gałąź gałąź gałąź inschikkelijk.funkcjonalny funkcjonariusz funkcjonariusz funkcjonować funt funt (0. oppermachtig groots. galactisch eerlijk. braaf gaanderij. keuvelen spraakzaam spreken. dapper. bestelwagen achterdeur draaihek beunhazen. aangelegenheid. praten gaai. karretje wagon. rek etagère. lidmaat . schertsen. dimensie etagère. spoorwagen wagon. handkar. praten babbelen. het doen pond pond pond oppermachtig. soeverein. officieel functioneren. gekscheren melkweg-. aftakking been lid. ding aanzetten aanzetten aanzetten afmeting. grandioos. wondheelkunde. kaak spreken. flink. galerie galopperen galopperen tak. galerie gaanderij. wagen. spoorwagen bestelauto. galerij. knoeien. rek chirurgie. galerij. zaak. praten. galerij. overweldigend kar. heelkunde kast vitrine vitrine vleermuis reptiel kakement. modderen voetbal affaire. Vlaamse gaai reptiel boerten. handelbaar officier ambtelijk.

aflopen buigen. schare gangster straatschuimer. bultenaar kleerkast. aftakking heft. uitblussen ombrengen. hals. verachten minachten. apache berispen. flard bal. nootmuskaat heft. waag toonladder. balans. aanstaren po garage garage bochel. keel strot. uitdoen. aflopen tanen. bult buigen. hellen. gevest. luttel. gispen wijd openstaan. handvat. bezetting gering. hals. handvat. troep. doden .gałąź programu gałąż gałce gałgan gałka gałka gałka muszkatołowa gałka muszkatułowa gałka oczna gałka potencjometru gałka u drzwi gam gama skala gamą ganek gang gangster gangster gani gapić się gapić się gar garaż garażować garb garbić (się) garbić się garbować garbowanie garbus garderoba gardła gardło gardzić gardź garncarstwo garncarz garnek garnek gliniany garnek gliniany garnirował garnitur garnizon garnuszek garstka garść gaś gaś tak. laken. stel garnizoen. karig. hellen. toonschaal. afkeuren. portiek bende. handvat. muskaatnoot. lor. gevest. hals. leerlooien. knop muskaat. beslaan. scala aanslag zuilengang. handvat. hals. keelgat. knop vodje. knop weegschaal. overhellen. muskaatnoot. knop heft. gapen staren. blussen. hals. kruik po afzetten. set. keelgat. lap. stelletje. doodmaken. gevest. looien gebochelde. hangkast strot. looien tanen. keel minachten. turen. gevest. garneren complet. min. knop heft. nootmuskaat heft. verachten aardewerk pottenbakker po kan. handvol doven. gevest. tod. handvat. handvol handjevol. overhellen. danspartij muskaat. leerlooien. aftakking tak. lomp. vod. klein handjevol.

jungle. gaspedaal. aard specifiek. ergens waar dan ook hier of daar. wanneer. elders waar waar hier of daar. slag. sponsachtig afsponzen eend rupsband. als. versneller gas accelerateur. keur. verspuiten. optie. carburateur afsponzen sponzig. rimboe vlegel nurks. rups oerwoud. waaien gas vergasser. praten accelerateur. verhaal.gatunek gatunek gatunek drzewa cytrusowego gatunek muślinu gatunkowa (cecha) gatunkowy gatunkowy gawęda gawędziarski gawędziarski odzie) gawędzić gaz gaz gaz (w samochodzie) gaz elektronowy gaza gazą gazecie gazeta gazeta gazetce gazować (wodę) gazowy gaźnik gąbce gąbczasty gąbka gąsce gąsienica gąsienicą gąszcz gbur gburowaty gderać gdy gdyby gdyż gdzie gdzie gdzie zasadniczym elementem jest komputer główny) gdziekolwiek gdziekolwiek gdzieś gdzieś gejszą gejzer gem kalk eigenschap vriendelijk. ingeval daar. onaardig mopperen. sputteren voor. bij wijze van. verhaal. bars. tot indien. gaspedaal. aangezien ergens anders. honds. rups rupsband. omdat. soortelijk keuze. stuiven edelgesteente. ergens hier of daar. keus. wannen. edelsteen . doordat. morren. relaas. relaas. steen. krant strooibiljet frisse lucht toewaaien. ergens geisha opspatten. kankeren. voorkomend soort. babbelen. nors. als. versneller gas gaas gaas blad. hoe. vertelling keuvelen. babbelen. soortelijk keuvelen. vertelling vertelsel. blad blad. praten vertelsel. krant krant. verkiezing specifiek.

ageren. handelen generatie. aardrijkskundig aardrijkskundig. elastisch aanvoer. buigzaam.gem (w tenisie) generacja generacja generowanie generacja systemu generacją generalny generał generator częstotliwości przestrajany cyfrowo generator o sprzężeniu zwrotnym generator oporowo-indukcyjny generator oporowo-pojemnościowy generować generować wykres generował genetyka Genewa geneza geneza geniusz geograf geografia geografią geograficzny geograficzny geolog geolog geologia geometria geometrią geranium gest gest (ruch ręką) geście gęstnieć gęstość gęsty gęś giąć gibki giełda giełdą giez giez giętki giętko gigant gigantyczny doen. geslacht generaal generaal oscillator oscillator oscillator oscillator verwekken landkaart. bezig zijn. dik gans ombuigen. Scheppingsboek oorsprong. kaart verwekken natuurkunde. genius aardrijkskundige. daas. herkomst genie. geografisch geoloog geologie. afkomst. geslacht generatie. buigbaar. geslacht generatie. aardkunde geologie. geslacht generatie. lenig centrale centrale daas. bezorging reus reusachtig. brems. beschermgeest. geografie aardrijkskunde. aandikken dikte. meetkunde geometrie. aardkunde geometrie. geograaf aardrijkskunde. soepel. meetkunde ooievaarsbek gebaren. gesticuleren verdikken. lijvigheid dicht. fysica Genève Genesis. gigantisch . gesticuleren gebaren. geografie geografisch. paardehorzel brems. paardehorzel rekbaar. doorbuigen smijdig. gebonden. gesticuleren gebaren. buigen.

effen direct. grond. predikant . verheerlijken. kogel. recht. roemen. glazuren. inwendige gelijk. roemen. kleiaardewerk roodkoperen. ondergrond. ondergaan. effen appartement. aarde fond. aarde kakement. zwaar diep laag. diepte kolk. aanhalen laag. aaien. kaak klei-. capsule. drillen omkomen.gigantyczny stopień scalenia gimnastyce gimnastyka gimnastykować ginąć giń gips gips girlandą gitara gitarą glazura glazurą gleba glebą ględzić glina gliną gliniany gliniany gliniarz glob globulce globus gloryfikować gloryfikował glosariusz głab kraju gładki gładki gładki gładkie włosy gładzić gładzić gładzić głaskać głebokie głęboki głęboki głęboki ukłon głębokie głębokość głębokość monitora bez podstawy uchylno-obrotowej głodny głodować głodówce głosiciel reus gymnastiek gymnastiek oefenen. kloot kapseltje. glazuren. creperen gips kalken. liefkozen. zwaar kolk. aanstrijken slinger. guirlande gitaar gitaar verglazen. ondergaan. vlak. slingerkrans. ondergrond. kloot loven. diepte hongerig geeuwhonger vasten kanselredenaar. live. flat gelijk. van klei. bal. zwaar laag. verheerlijken. vlak. aarden klei-. grond. kogel. doosvrucht bol. glanzen verglazen. bodem. bodem. bal. van klei. rechtstreeks Pools schoensmeer schoencrème strelen. glanzen fond. prijzen glossarium binnenste. van klei. aarden aarden. koperen bol. prijzen loven. creperen omkomen. zwaar laag.

huilen hard. zever. malloot macaroni rommel. prevalent. luid luid. inzonderheid in het bijzonder aanvoerder. toonaangevend. leiden geleiden. de weg wijzen. gemeenschap gemeente. chef hoog. afval. leiden primair geeuwhonger honger hoofdkwartier hoofd-. kiezen. verheven leidend. puin nonsens. prullaria. gemeenschap . flauw. hardop geluidssterkte. onverstandig. volume brullen. superieur hoofd-. premier primair hoofd-. stemmen hard. de weg wijzen. inhoud. dodelijk doof sprakeloos. de weg wijzen. simpel dwaas. zot. gebieder. leiden geleiden. volume geluidssterkte. onzin. stom dwaas. dom.głosić kazanie głosować głosowanie głośno głośno głośność głośność stała głośny głośny głośny głośny płacz głowa głową głowica głowica uniwersalna głowica zapisująco-odczytująca głowny głód głód główna kwatera główna rura wodociągowa główne biuro głównie głównie głównie główny główny główny główny główny główny główny obszar roboczy użytkownika główny organ certyfikujący główny sterownik operacyjny główny układ logiczny głuchy głuchy głupi głupi głupi głupi głupiec głupiec głupoty głupstwo gmina gmina (wyznaniowa) gminą prediken. voornaamste minister-president. voornaamste opperste. stemmen balloteren. toongevend hoofd-. luid geleiden. de weg wijzen. gemeenschap gemeente. voornaamste hoofdkwartier inzonderheid in het bijzonder. stom onnozel. gekheid gemeente. luid luid. leiden geleiden. hardop hard. zot sprakeloos. dom. leiden geleiden. voornaamste primair doods. baas. de weg wijzen. kiezen. preken balloteren. inhoud.

waar bewonderenswaardig afkeurenswaardig betreurenswaardig. foedraal nestelen. helen doelstelling. doelwit. vertrouwd het eens zijn. dommekracht. een nest maken vijzel. toorn gramschap. drol. overeenstemmen uur uur wafel. ontlasting. keutel wildebeest. teken zelfrespect. bot. waardigheid zelfrespect. krik houder. beter maken. zelfgevoel. bedroeven. knok. schede. oblie wafel.gna gnacie gnać gnębi gnębić gniazdka gniazdko gniazdko strumieniowe gniazdo gniazdo startowej pamięci ROM gniazdo zasilające napędu gnieść gnieść gnieść się gniew gniewać się na kogoś o coś gniewny gnom gnój gnu go gobelin godło godło godność godność para godny godny podziwu godny potępienia godny pożałowania godny szacunku godny uwagi godny uwagi godny zaufania godzić się godzina godziną gofr gofry goić się gol golenie golf goliacie golić golić (się) golizna goliźnie oprit. golfspel Goliath afscheren afscheren naaktheid naaktheid . een nest maken houder. oprijlaan schonk. voorrijden beproeven. opmerkelijk opmerkelijk. boosheid. been aanrijden. hem Atrecht kleur. doel. verdriet doen knellen. persen. achtbaar merkwaardig. zelfgevoel. oblie genezen. toorn kwaad. gnoom drek. foedraal nestelen. schede. eerzaam. honk afscheren golf. boosheid. wit. toornig. nijdig. gnoe hij. dringen. voorteken. boos aardmannetje. embleem voorbode. merkwaardig betrouwbaar. spijtig achtenswaardig. drukken nestelen. een nest maken kneden pers kneden gramschap. waardigheid waardig.

jacht maken op bisschop nastreven. vuur. herbergzaam bezoeker gast. leeg onopgesmukt. tamme duif kool hol. spaarzaamheid economisch economie economie. najagen bejagen. schudden. schokken bitterheid. belust stemmig. alcoholische drank bitter logement. bloot. herberg huishoudster huisvrouw. gretig. onbedekt. spaarzaamheid economisch agrarisch administreren. beheren. onbedekt naakt. vurig. smoorheet. onbedekt. logé . tamme duif duif. verzendend. heet koorts temperatuur koortsig. onopgesmukt. gloeiend. najagen dakplankje gloed. introducé. happig.gołąb gołąb gołąbki gołosłowny goły goły goły gonić gonić goniec (w szachach) gonitwą gont gorąco mi gorący gorączka gorączka gorączkowy gorejący gorliwość gorliwy gorliwy gorszy gorszyć gorycz goryl gorzałce gorzki gospoda gospodarce gospodarczy gospodarczy gospodarka gospodarny gospodarować gospodarował gospodarstwo rolne gospodą gospodyni domowa gospodyni domowa gosposia gosposia gościć gościec gościną gościnność gościnny gość gość duif. naakt. serieus minderwaardig opschudden. vuur snikheet. ernstig. koortsachtig gloeiend. bloot nastreven. ijver begerig. verterend ambitie. naakt onopgesmukt. drank. bloot. jagen. vrouw des huizes recipiëren reumatiek gastvrijheid gastvrijheid gastvrij. herberg economie. loos. besturen agrarisch logement. vrouw des huizes huishoudster huisvrouw. bona fide. lens. ledig. verbittering gorilla alcohol.

bult lucht-. światło) górnictwa górnictwo górniczy górnik górny górować górować nad górski góry gra gra gra podobna do tenisa gra słów gra z podziałem na role grabić grabie grabie (także krupiera) grabież gracą gracją kerel. bovengronds mijnbouw mijnbouw mijnbouw mijnwerker bovenste meester zijn. rooskleurig ophopen. afgelopen klaar. met lucht gevuld. aanharken. geld gotisch. rose. afgelopen klaar. nalaten. uitlaten berg berg doen. baar contant. af. koken koken koken goulash gekookt pruttelen gekookt klaar. persoon. Gotisch gotisch. gereed. harken. aanharken. opharken uitkammen. accumuleren berg ijsberg Hooglander berg aanaarden bochel. af. anjelier roze. borrelen.gość gość gość (w hotelu) gotować gotować gotować bez skorupki gotować bez skorupki gotował gotował gotowany gotowy gotowy do pracy w sieci gotów gotówce gotówka gotówka gotycki gotyk goździk goździk (korzenny) góra góra góra lodowa góral górą górce górka rozrządowa górne (np. stropen. bezig zijn. handelen spel pompoen haarkloven. opharken uitkammen. opharken plunderen. de baas zijn verzaken. knul. af. baar poen. bedillen spel uitkammen. snuiter bezoeker bezoeker op het kookpunt zijn. opeenhopen. ageren. roven schoffel sierlijkheid . Gotisch anjer. sujet. buitmaken. harken. gereed. afgelopen contant. gereed. rozig. aanharken. harken.

vloed. spraakkunst grammatica. voorspelen uitvoeren. vloed. zoom perk. spelen. zdanie gramatyce gramatyka gramofon granacie granat granat (owoc) granat owoc grandą graniastosłup granica granica granica granica granica granica granica granica plastyczności granica transakcji granica zabezpieczeń granicą granice granicie graniczący graniczny graniczny graniczyć graniczyć (z czymś) granit gratce gratis gratulacja Gratie uitvoeren. beknotten granieten aangrenzend. bezig zijn. spraakkunst grammofoon granaat granaat granaatappel granaatappel achterklap.gracją grać grać (np. hengelsnoer verbleekt lijntje. aanliggend rand. koord. spraakleer. gelukwens . sim. spraakleer. beperken. koorde. zoom belenden. bergstroom stroom. grenzen aan granieten incident. grens rand. gebeuren onbezet. laster prisma rand. handelen hagel stroom. grens rand. lijn perk. zoom perk. zoom perk. grens rand. onbelemmerd felicitatie. vlot. perk beperken. spelen. beknotten vislijn. zoom begrenzen. bergstroom hagel aanschouwelijk grafiek. zin. snoer. w karty grać na harfie grać w teatrze grad grad grad (słów grad słów graficzny grafika grafika rastrowa grafika żółwia gral gram gram gramat. grens grens. snoer. eerroof. begrenzen. open. grafische kunst bitmap grafiek. gebeurtenis. ageren. grafische kunst Graal gram gram frase. los. volzin grammatica. voorspelen harp doen.

grillig. penny erwt grot holte. krocht. vergaderen. sperdam waterkering. vergaderen accumuleren. ophopen. pompelmoes grapefruit. aggregaat opeenhopen. afleiden. bundel. ophopen roedel. groep wis. griffen prent. potsierlijk grotesk. graf graf. bijeenkomen. pompelmoes grapefruit. gilde Groenland afsluiting. gelukwens gelukwensen. bos stuiver. stapelen.gratulacje gratulować gratulował grawerować grawerował grawerunek grawitacją grą Grecja grecki greipfrut grejpfrucie grejpfrut grek gremium Grenlandia grobla grobla groblą groblą grobowca grobowca grobowiec groch grocie grocie gromada gromada gromadą gromadce gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić zapasy grono grosz groszek grota grota grotesce groteska felicitatie. ophopen samenkomen. opeenhopen. barrière. grot grotesk. corporatie. pompelmoes Grieks vakvereniging. grillig. graveerwerk zwaartekracht spel Griekenland Grieks grapefruit. klas groepering. bijeenkomen deduceren. barrière. klasse. accumuleren accumuleren. bos aggregatie. feliciteren graveren. stapelen. potsierlijk . dam. spelonk. griffen graveren. bundel. groep groepering. gravure. sperdam dijk. opeenhopen opeenhopen. abstraheren ophopen. abstraheren samenkomen. groeve erwt grot grot stand. groeve graf. hol. feliciteren gelukwensen. kudde deduceren. afleiden. dam. ophopen. waterkering afsluiting. opeenhopen wis. dijk groeve.

lijvigheid hardhandig. tuberculose. schrikbewind dreigen. woning slot. Georgië tering. gebonden. groep peer peer rommel. dicht dik. influenza . Georgiër Groezië. kluit. kasteel. lady. puin prullaria. veelomvattend tof. grillig. dicht dakplankje lijvig. wintermaand december. klomp kruimel. broodkruimel december. dik prop. vrouw groepering. bal. graf graf. dreiging afschuwelijk groeve. groep opa. kostelijk dik. plecht. dreigement. omvangrijk. kwartier. groeve logies. gezichten trekken grijnzen. tiptop. gebonden. bedreigen bedreigen. dot. rommel Groeziër. prullaria. aandikken onbeleefd. lomp. onbehouwen. potsierlijk terreur. bot. cru verdikken. afval. kind. lomp dikte. puin. jong. grof. wintermaand aanaarden terrein grondig. honds. grootvader dam. grof. excellent. klont. vet loot. longtering grijnzen. afstammeling meloen onbewerkt. onheus. dreigen bedreiging. afval. jonkvrouw. groep carrosserie groepering.groteskowy grozą grozić groźba groźba groźny grób grób gród Gród obronny grubas grubasek grube zyski grubiański grubieć gruboskórny grubość gruboziarnisty gruby gruby gruby gruby Ethernet gruby papier gruby żwir grudce grudce grudnia grudzień grunt gruntach gruntownie gruntowny grupa grupa adresów grupa rozsyłania grupowego grupa wszystkich węzłów grupa zasobów klastra grupować się gruszce gruszka gruz gruz gruzin Gruzja (in Europe/not in USA) gruźlica grymas grymasić grypa grotesk. ruw uitgebreid. onderkomen. radicaal diep groepering. onkies. gezichten trekken griep. burcht vettig.

konkelarij perk. kikkerdril verbeurd net. mooi. bed. tuinbed. kachel verwarming. klikken beleefdheid. bloemperk drijfzand rugstuk. aardig. kwijtraken goulash goulash gulden murmelen. machinatie. bulderen. vriendelijk beschaafd. krabben knaagdier knagen gloed. kammen zondigen klakken. bulderen. welgemanierd verwarming radiator zondigen zondigen spartelen. knauwen. fraai verbeurd opgeven. vuur warm verwarming. donderen daveren.grypa grypą gryz gryzmolić gryzoń gryźć grzać grzał grzałce grzałka grzance grzanie oporowe grzanka grządce grządce grządka grząski piasek grzbiecie grzbiet grzbiet (np. zich aftobben. viskuit. murmelen (v. donderen afranselen champignon kuit. griep griep. beekje) kauwgom tandvlees . hoffelijkheid voorkomend. bijten. schoon. roosteren verwarming branden. bed. verbeuren. braden. roosteren perk. braden. ruggegraat kuilen.) sinus grzęznąć grzmieć grzmocie grzmot grzmotnąć grzyb grzybnia grzywna grzywną grzywną gubić gulasz gulasz gulden gulgocie guma guma influenza. scharrelen. książki)s kolec (kaktusa grzebać grzebień grzech grzechotać grzeczność grzeczny grzeczny grzejąc grzejnik katody grzeszyć grzeszyćk <sine> (matem. tuinbed. lief. worstelen daveren. fijn. bulderen. wellevend. ommezijde rugstuk. achterzijde. bloemperk intrige. beitsen krauwen. klappen. influenza happen. spin. kletteren. ommezijde wervelkolom. begraven uitkammen. donderen daveren. achterzijde. klauwen. kachel branden.

geweld woest onweerstaanbaar duiken woest hartstochtelijk razen. asterisk sterretje. asterisk zaadkorrel. klont. brommen. nagelen . gieren kuif. gieren fluiten. elastiek rubberen. zekerheid garanderen. borg staan voor veiligheid. netto. gummi rubberen. hals. snorren. rumoerig. klomp. nettosmaken huisonderwijzeres. lawaaierig ster sterretje. korrel. toeter. aanranden geweldpleging. pit sterretje.guma do żucia gumą gumka do ścierania gumowy gusła gust gustowny guście guwernantce guwerner guz guz guz guz guzik guzik gwałcić gwałt gwałtownie gwałtowność gwałtowny gwałtowny gwałtowny gwałtowny spadek gwałtowny spadek gwar gwara gwara gwarancja gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarantować gwarantować rekompensatę gwarantował gwarny gwiazda gwiazdka gwiazdka gwiazdka (oficerska) gwiazdka Wojny gwinea gwizd interferencyjny gwizdać gwizdek gwizdek gwóźdź rubberen. garanderen garanderen. gonzen tongval. onderwijzen blauwe plek dichtknopen prop. kluit. geweld met geweld geweldpleging. borg staan voor luidruchtig. dialect jargon. handvat. claxon fluiten. bal. elastiek gom. gouvernante opvoeden. gevest. elastiek bijgeloof smaken duidelijk. gieren spijkeren. knop een aanslag plegen op. taaltje garanderen. borg staan voor garanderen. gezwel dichtknopen heft. borg staan voor borg staan voor. dot tumor. asterisk Guinea fluiten.

alp werkplaats onderrok onderrok slippen. leuren. uitdelen venten. remmen afremmen. hebbelijkheid hoek haakje. opeenhopen. agraaf alpenweide. opeenhopen. aardmannetje padvinder. nering handeldrijven. accumuleren ophopen. schavuit. spang. salon hal kring. zakenman handel. handel drijven rondgeven. handel luifel. accumuleren hamburger aanhouding. lawaaierig ophopen. koopmanschap. remmen afremmen.gwóźdź bez łba gzyms kominka habit haczyk haczyk haczyk órska) haftce haftka haftować haftował hak hak hala (górska) halą halce halka halka hall hall (teatralny) halo hałas hałas hałaśliwy hałaśliwy eumatyczny Hałda hałdą hamburger hamować hamować hamował hamulca hamulec hamulec ręczny handel handel handel elektroniczny handlować handlował handlowiec handlowy handlując hangar haniebny harcerka harcerz hardy harem harfa spijkeren. lawaai. lawaaierig luidruchtig. ronddelen. uitglijden zaal. beteugelen. arrestatie bedwingen. rumoerig. slot. arrogant harem harp . betomen bedwingen. betomen afremmen. handel drijven handelen. rumoerig. agraaf hoek vasthaken vasthaken borduren borduren ellendeling. ploert. spang. herrie roeien luidruchtig. verkenner aanmatigend. colporteren koopman. nering handelen. remmen handel. slot. handelaar. nagelen schoorsteenmantel aanwensel. beteugelen. leven. difussiehalo ophef. boef haakje. rumoer. afdak schandelijk gnoom. koopmanschap.

hoop. houwen. kloppen. klappen hyena hyena .harfą harmider harmonia harmonią harmonijny harmonizować harmonizował harmonogram hartować hartować (stal) hasło haszysz haust Hawaje hawajski Hawana hazard hazard hazardowy hebel hebrajski hecą hegemon heksadecyntalny hełm hełm hemisferą hemoroid hemoroidy herb herbacie herbata herbatnik heretyk herezja herezją heroiczny heroiną herold heteroatomincontext index hetero-atom-in-context index heteroatomincontext index indeks heteroatomów w kontekście hetero-atom-in-context index indeks heteroatomów w kontekście hicie hiena hiena nia harp afdrogen. rooster harden. vliegmachine Hebreeuws. kletteren. stalen leus. heldhaftig heroïne uitbazuinen indexeren indexeren indexeren indexeren slaan. devies. chef. leuze hasjiesj. tandwiel helm hemisfeer. zestientallig kamrad. wapenen thee thee biscuit ketter ketterij ketterij heroïsch. gewaagd vliegtuig. aanvoerder. eendracht. kamwiel. drom. massa bewapenen. stalen harden. harmonisch harmoniëren. temperen. lijfspreuk. eendracht. temperen. bijeenpassen harmoniëren. doen schommelen Hawaii Hawaiiaans Havanna dobbelen toevalligheid. baas hexadecimaal. afranselen samenklank. toeval riskant. amusement gebieder. bijeenpassen dienstregeling. bedenkelijk. menigte. harmonie eendrachtig. tandrad. hasj balanceren. joods vermaak. halfrond aambei boel. harmonie samenklank.

hypnotiseren hypnose hypnose veinzer. opfokken.hieną higiena higieną higieniczny hindus Hindus Hindus hinduski hinduski hipnotyzować hipnoza hipnozą hipokrycie hipokryta hipopotam hipoteka hipotetyczny hipotetyzować hipoteza hipoteza dopuszczalna hipotezą histeria histeryczny historia historia historią historyczny historyk hiszpan Hiszpania hiszpański hitlerowski hobby hodować hodował hodował hojność hojny hokej hol Holandia Holender holenderski holować holować holownik holownik hołd hyena hygiëne hygiëne sanitair. verhaal kroniekschrijver. gebeuren onbekrompenheid. lijn Holland Hollander Hollands trekken trekken. goedgeefs hockey lijntje. boegseren rukken sleepboot hulde. historie. eed van trouw. hypocriet veinzer. onderstelling vermoeden. chroniqueur Spanjaard Spanje Spaans nazistisch. verhaal geschiedenis. historie. historie. overvloed royaal. koord. hypocriet nijlpaard hypotheek hypothetisch veronderstellen hypothese. genereus. Indiaas biologeren. koorde. verhaal etage. hygiënisch hindoeïstisch hindoeïstisch Indisch. voortgang hebben. huichelaar. onderstelling hysterie hysterisch geschiedenis. nazihobby achterhoede opkweken. fokken. gissen hypothese. slepen. eerbetoon . Indiaas hindoeïstisch Indisch. huichelaar. snoer. verdieping geschiedenis. telen toegaan. gul.

komisch. goedgehumeurd huldigen. bezoldiging. ver hotel hotel in aanmerking komen. goedgehumeurd flikker. als waarheid aannemen ere-. homo goedgeluimd. doen schommelen . lichtekooi. platliggend schouw. schouwing. gezichtseinder kim. pantserkreeft. loeien. meetellen graafschap graafschap Devoon Devoon dichtslaan beuk bulderen. homofiel. hoer spel humanist menselijk. horizon. warenhuis in het groot balanceren. salaris eerbiedigen. grappig grappig. koddig. humeur moppig. inspecteren verwijderd. gezichtseinder kim. koddig humoristisch orkaan in het groot in het groot pakhuis. inspectie inspectie houden. humaan menselijk. kanselrede. het maken loon. humaan humor. kreeft sermoen. waterpas. ververwijderd. moppig. weledelgeboren hinkelen horde. gruweldaad. vereren. komisch.hołd homar homilią homoseksualista homoseksualiście homoseksualny honor honorarium honorarium honorować honorował honorowy hop hordą horoskop horror horyzoncie horyzont horyzont radiowy horyzontalny hospitacją hospitował host odległy hotel hotelowy hrabia hrabstwa hrabstwo hrabstwo w płzach Anglii hrabstwo w pł-zach Anglii huk huk huk hukier hulanka humanista humanistyczny humanitarny humor humoresce humoresce humorystyczny huragan hurcie hurt hurtownia hurtowy huśtać się cijns. gage. daveren prostituée. verschrikking kim. gezichtseinder horizontaal. horizon. schatting langoest. eren gesteld zijn. preek goedgeluimd. respecteren agnosceren. gemoedsgesteldheid. horizon. brullen. bende horoscoop gruwel. magazijn. weledel.

hun de hunne. vereenzelvigen ideologie ideologie idioom. etsnaald. in optima forma ideaal ideaal idee. benul. begrip. hun. doen schommelen werker Hydra hondsdolheid. onder tafel schuiven pictogram pictogram . onzinnig. benul. denkbeeld identiteit identiek legitimatiebewijs. het hunne aan ze. legitimatie inhalen legitimatiebewijs. legitimatie identificeren. aan hun idee. punt.huśtawce hutnik hydrą hydrofobia hymn hymn hymn narodowy i i i tym podobne i w rozmowie przez radio: przyjąłem ich ich ich idea idealny idealny filtr dolnoprzepustowy ideał ideą identyczność identyczny identyfikator identyfikator identyfikator użytkownika identyfikować identyfikował ideologia ideologią idiom idiota idiota idiotyczny idiotyczny (np. pik. snikkel. och. onder tafel schuiven negeren. top. etsnaald. begrip. in het water vallen griffel. schrijfstift kegel naald naald negeren. ongerijmd. tip. ah. ach en en haar. absurd idiotie. leuter. hymne kerkgezang. hymne kerkgezang. vereenzelvigen identificeren. wygląd) idiotyzm idol idylla ie zdawać iglica iglicą igła igła igła nóżka igła sortownicza igłą ignorować ignorował ikona ikona przycisku balanceren. jongeheer idioot dwaas. perfect. neus. denkbeeld volkomen. taaleigen idioot lul. spits naald griffel. waterschuwheid kerkgezang. ze. schrijfstift piek. idiotisme afgodsbeeld idylle floppen. hymne en oh.

ze. boel. nabootsing.AND) iloczyn produkt ilosć ilość ilość ilość danych przesyłanych siecią ilość informacji iluminator (na statku) iluminował ilustracja ilustracja ilustracja wpuszczona ilustracją ilustracją ilustracje ilustrować ilustrował iluzja iluzją im imadła imadło imaginacją imaginował imbir imbryk imbryk imbryk imbryk do herbaty imbryk do herbaty imieniny imiennik imiesłów imię imigrował imitacja imitował IMP imperator imperialista imperialistyczny imperialiście imperializm imperium impertynencja pictogram ree produktie. boel. brutaliteit . kaak inbeelding. trekpot naamdag naamgenoot deelwoord benaming. aderlaten illustratie. prent. begoocheling. kobold. afbeelding. grootheid tal. getal hoeveelheid. verluchting beeld. verbeelding bedenken. plaat grafiek. vrijpostigheid. aan hun kakement. getal tal. nabootsen. gewrocht. naam. sterkte. grootheid dakraam. gewrocht. hun. luik. trekpot theebus ketel theepot. afbeelding. imperium hondsheid. illusie aan ze. opbrengst conjunctie produktie. illustreren veraanschouwelijken. verluchting beeld. aantal. kabouter keizer imperialist imperialist imperialist imperialisme rijk. imitatie imiteren. plaat bloed aftappen. prent. aantal. opbrengst tal. nadoen aardmannetje. aantal. grafische kunst veraanschouwelijken. naamwoord immigreren navolging. zich verbeelden gember ketel theepot. verlichten illustratie.ikoną ikra iloczyn iloczyn logiczny (zob. kaak kakement. getal hoeveelheid. keizerrijk. begoocheling. illusie drogbeeld. illustreren drogbeeld. sterkte. patrijspoort illumineren.

invoeren importeren. betrekken. wenden hindoeïstisch Turkije kalkoen lieden. afzonderlijk hoofdelijk. individueel respectief afgezonderd. tel pols. endosseren. verstrikken insluiten. aandrang pols. invoeren importeren. forceren imponerend. invoeren impotent impressionist aandrift. impliceren opdringen. vrijpostig onstuimigheid. bij-. impuls. impuls. ver. luchthartig in overvloed aanwezig zijn anders inauguratie. vuur. een lijst maken indexeren indexeren indexeren indexeren Indisch. personen. drang. drang. aandrang luchtig. mensen hoofdelijk. onbeschaamd. indrukwekkend nobel. inwijding inaugureel inaugureren minder belangrijk.impertynencki impet implikacja implikować implikował imponować imponujący imponujący imporcie import importować impotent impresjoniście impuls impuls impuls elektromagnetyczny impuls zezwalający impulsywny in sth> w coś inaczej inauguracja inauguracją inauguracyjny inaugurował incydentalny indeks indeks indeks heteroatomów w kontekście indeks tablicy indeks zagęszczony indeks zbiorowy Indianin indiański indicativus Indie Indonezja indor indor indosował indyjski indyk indyk indywidua indywidualny indywidualny indywidualny indywiduum indywiduum brutaal. heftigheid aardmannetje. polsslag. kobold. edel importeren. persoon . polsslag. inwijding inauguratie. tel aandrift. Indiaas indicatief. Indiaas Indisch. aantonende wijs India Indonesië Turkije kalkoen gireren. kabouter verwarren. zijindexeren uitlisten. individueel personage.

verpestend infecteren. voorletter initiaal. besmettelijk. inspuiting. septisch inflatie inflatie informatie bevattingsvermogen. besmetten. injectie spuitje. injectie incarnatie. nieuws. geneigd. affaire de stoot geven tot laars spuitje. voorletter zaak. vleeswording collecteren. inlichten berichten. inlichten weefsel mijter interveniëren. besmetting aanstekelijk. "information" występuje tylko w l. [singularis tantum] informatyka informować informował infrastruktura infuła ingerować inicjalizować inicjał inicjał początkowy inicjały inicjatywa inicjować inicjować n procedura iniekcja (nośników) iniekcją inkarnacją inkasować inklinował innowacja inny inny inny inny inny niż inny niż insekcie insekt inskrypcją inspekcja inspektor inspektor zabezpieczeń inspiracja inspiracją inspirował infectie. informeren. ding. poj.ang. informeren. inzamelen genegen. schouwing. innen. intelligentie informatie informatie informatie het berichten. gezind nieuwtje. inboezemen . inspectie inspecteur inspecteur ingeving ingeving inspireren. bezielen. besmetting infectie.infekcja infekcją infekcyjny infekował infekował inflacja inflacją informacja informacja informacja zastrzeżona informacje informacje (uwaga: w j. ingrijpen laden initiaal. inspuiting. voorletter initiaal. aangelegenheid. nieuwigheid ander uiteenlopend. verschillend ander ander ander ander insekt insekt inscriptie schouw. aansteken bederf veroorzakend.

aangifte. instinct aandrift. plant aanleggen. verstand. plan. strekking sterk. afdoen aanleggen. geest intellectueel. consigne. consigne. aangifte. verstandelijk bevattingsvermogen. verklaring declaratie. werktuig band.inspirując inspirujący instalacja instalować instalować instalował instrukcja instrukcja instrukcja blokowa instrukcja operacji instrukcja złożona instruktor instrumencie instrument instrument z dyfrakcją elektronów instrumentarium instruować instruował instynkcie instynkt instytucie instytucja instytucja nadająca nazwy instytucją instytut insynuować insynuował integralny intelekcie intelekt intelektualista intelektualiście intelektualny inteligencja inteligencja telekomunikacyjna inteligencja warstwa społeczna inteligent inteligentny inteligentny inteligentny most inteligentny mostek intencja intencją intensywny intensywny interaktywnie interes interes bezielend bezielend gewas. instructie declaratie. werktuig instrument. installeren afhandelen. bevattelijk. intelligent bedoeling. strekking bedoeling. doel. gewiekst. handig. doel. instructeur instrument. behendig. intens. intelligentie intellectueel. fitten. listig knap. marchanderen . geest intellect. aangelegenheid. verstandelijk intellectueel. intelligentie bevattingsvermogen. fel. uitspraak declaratie. ongeschonden. intensief sterk. werktuig instrument. fitten. instinct gesticht. instructie onderwijzer. muziekkorps instrueren instrueren aandrift. inrichting insinueren insinueren onaangetast. instituut. inrichting instelling instelling instelling gesticht. installeren aanwijzing. pingelen. heel. ding. orkest. intens. verstandelijk bedreven. affaire afdingen. plan. instituut. integraal intellect. bevattelijk. intelligentie bevattingsvermogen. intelligent doortrapt. finaal zaak. intensief helemaal. fel. verstandelijk intellectueel. leraar. bekwaam knap. slim. verstand. uitspraak aanwijzing.

ding Irak Iran. introductie konkelen. belangwekkend interessant. afnemer belang inboezemen. gezellig. inval uitvinding inventaris. afdeling interveniëren. interpunctie branche. koper. raadsel intiem. kudde. interpreteren. interpunctie punctuatie. arbeid klant. een lied aanheffen inleiding. uitlegging. werk. dokter. uitlegging. koper. duiden reproduceren. belangstellend interessant. interpreteren. tak. levende have. vak. innig. Perzië Iraans Iraans Irene Iris . karwei. belangwekkend interface interface interface storing storing tussenwerpsel medicus. interpretatie vertolking. zaak. intrigeren. afnemer klant. weergeven punctuatie.interes jący interesancie interesant interesować interesował interesując interesujący interfejs interfejs użytkownika interfejs wywoływalny interferencja interferencją interiectio interniście interpretacja interpretacją interpretator interpretator sesji interpretować interpretował interpretował interpunkcja interpunkcją interwał interweniować interweniował intonował introdukcją intryga intrygować intrygować intymny inwazja inwazją inwencją inwentarz inwentarz inżynier inżynier pełniący inżynier pomocy technicznej inżynieria oprogramowania wspomagana komputerowo Irak Iran Irańczyk irański ireną Iris emplooi. inval invasie. knus invasie. bekonkelen konkelen. interpretatie interpreter interpreter uitleggen. ingrijpen interveniëren. ingrijpen inzetten. arts. boedel vee. bekonkelen puzzel. geneesheer vertolking. interesseren geïnteresseerd. aangelegenheid. veestapel ingenieur ingenieur ingenieur affaire. intrigeren. duiden uitleggen.

wereldruim. van stapel lopen. heel. lopen lopen. droog ironisch bevloeien. determineren ergeren. sprank islam. kamer bestek. ruimte isolering. gieten. opkomen. bijster. intrinsiek stoffelijk. betasten voorafgaan. bijzonder vitaal veelbetekenend. verontwaardigen vonk. bevoelen. speling. vitaal. geldend. metterdaad essentieel. vertrek. isolering vertraging isolatie. voorzijn opgaan. mohammedanisme IJslander IJsland Istanboel bestaan bestaan bestaan. vitaal. isolatie . sprank vonk. vertrek. kamer lokaal. isolering isolering. rijzen Italië verbleekt lokaal. intrinsiek marcheren. begieten. feitelijk. tasten. betekenisvol essentieel. isolatie isolatie.Irlandczycy Irlandczyk Irlandia irlandzki irlandzki żołnierz piechoty ironia ironią ironiczny ironiczny irygował irys irytacja irytować iskra iskrą iskrzyć Islam Islandczyk Islandia Istambuł istniał istnieć istnienie istota wszystkożerna istotnie istotny istotny istotny istotny istotny istotny materialny istotny dla działalności firmy iść iść uruchomić iść po omacku iść przed iść w górę italią iwa izba izba rozrachunkowa izbą izbą izolacja izolacja izolacja (cieplna) izolacja złącza izolacją Iers Ier Ierland Iers Iers ironie ironie dor. gaan voelen. vertrek. sprank vonk. vigerend erg. sproeien Iris nauwkeurig bepalen. materieel gangbaar. geldig. kamer lokaal. aanzijn wezen inderdaad. opstaan. tippelen.

vergeven virus bek. afpellen. niettemin. enig hetwelk. zo'n. stellig. welk Castor aannemen. cider schillen. ofschoon. zulk een naar men zegt op de een of andere manier op de een of andere manier eigenschap eigenschap hoe . jassen appel appelboom jacht vergiftigen. afzonderen geïsoleerd. die. isoleren isoleren. tot dusdanige. een weinig iets echter. toch wel. fotele czy wózki) jakieś opcje) jakikolwiek jakiś jakiś jakiś jakkolwiek jakkolwiek jakkolwiek jako jako jakoby jakoś jakoś na jakość jakość wyjściowa jakże isolator afzonderen. al. vergiftig. een of ander.izolator izolować izolować izolował izolował izolował Izrael Izraelita ja jabłecznik jabłka itp) jabłko jabłoń jacht jad jad jadaczce jadalnia jadalny jadłospis jadowity (np. wat een of andere. muil eetzaal eetbaar kaart venijnig. alleenstaand Israël. een of ander. isoleren isoleren. wąż) jagnię jagoda jagodą jaja jajko jak jak żywy jaki jaki jest jaki jest jakie mają np. wie. zeker. hoewel. dergelijke. vergallen. giftig lamsvlees bes bes ei ei hoe hoe hetgeen. aanwerven wat dan ook een of andere. dat. me appelwijn. hoe. ik. enigszins. bij wijze van. huren. welke. als. dat. enig gewis. maar. alhoewel voor. afzonderen afzonderen. Israel Israelitisch mij. vast een beetje.

gracht. aanmaken hel. krocht. klaar aansteken. marktplaats vegetarisch vegetarisch neonaanspannen. licht. bazaar. ahorn oprit. aak. lumineus glanzend. ra yard. kuil Jamaica Japans Japan Japans Japans yard.jałmużna jałowcówce jałowcówka jama Jama Jamajka japonce Japonia Japończyk japoński jard jard (91. lumineus. hun. zwakjes. greppel. holte slikken. verterend. briljant hel. klaar Java ronduit. licht gloeiend. vanzelf haar. grot. kuil. kaalhoofdig esdoorn. gracht. klare groef. vertoonbaar kaal. inslikken slikken. ra marktplein. groef. markt. inslikken duidelijk. vurig. boeien groente groente ranonkel grot spelonk. doorslikken. licht. kern . pit pit. doorslikken. klare jenever. kern kern. rondweg aanwijsbaar. lichtjes. kern pit. groeve. doen ontbranden. open en bloot. zijn pit. het juk opleggen ketenen. verzendend briljant. helder zwak. het juk opleggen aanspannen. greppel groeve.44 cm) jarmark jarosz jarski jarzeniowy jarzma jarzmo jarzmo (magneto wodu) jarzyna jarzyną jaskier jaskinia jaskinia (także inne ukryte miejsce jaskółce jaskółka jasno jasno jasno świecić jasny jasny jasny jasny jasny lekki światło Java jawnie jawny jawny jawor jazda jazda jazz jaźń ją jądro jądro jądro węzła jądro wieloprocesorowe aalmoes jenever. hol. oprijlaan rijden jazz zelf. glanzend.

hakkelen. kernstamelen. toch niettegenstaande. unit eenheid. de zijne haar. samenhang.jądrowy jąkać się jąkać się jąkać się jąkanie się jąkanie się je jechać rozpędem jechać samochodem jeden jeden jeden z gatunków papug jedenaście jednak jednak jednakowy jednakże jedno jednocz jednoczyć jednoczył jednolity jednolity jednolity jednolity wzorzec półtonowy jednomyślny jednoosobowy jednoroczna (roślina) jednorodny jednorożec jednostajny jednostce jednostka jednostka alokacji jednostka zmiennoprzecinkowa jednostka żądająca jednostkowy jednostronny jedność jedwab jedwabny jedynie jedyny jedyny jedzenia jedzenie jego jego nucleair. tenue eensgezind. zij pas. gelijk. alleen. bos eenheid. ongetrouwd men elf echter. slechts. in weerwil van egaal. ze. gerecht eten. tenue uniform. hakkelen stamelen. enkel. aaneenvoegen eendrachtig atoom-. spijs. unit eenheid. eendracht zijde. slechts. tenue eenzijdig eenheid. tenue eenheid. in weerwil van men bijeenbrengen. ongetrouwd jaarlijks uniform. aan hun kust. zeekant. maar enkel. aaneenvoegen bijeenbrengen. bundel. louter eten. bloot. stotteren struikelen stotteren. hun. unit uniform. eender. alleen. enkel. kustlijn. stamelen. zij zijde. stamelen. tenue eenhoorn uniform. maar pas. gerecht het zijne. etenswaar. stotteren stotteren. etenswaar. spijs. atomair naadloos uniform. unit wis. hakkelen aan ze. maar. eenparig ongehuwd. zijn . zeekust motor men ongehuwd. gelijkmatig niettegenstaande. hakkelen. hun. niettemin.

najaarsvallen. als. plas. bijlage. vaccine weg. baan. opnieuw nog gebruiken. als. steunen. kermen kermen. van voren af aan. plas. kustlijn. ingeval tenzij indien. wanneer. vreten knagen. storten as asgrauw kunst opnieuw. de hare hert mannetjeshert darm ingewanden darm vogellijm. ingeval tenzij indien. appendix wervelkolom. nogmaals. rijden. wanneer. wielrijden aanhangsel. varen. wanneer. kreunen. nogmaals van voren af aan. zijn het hare. zuchten . meer fjord Jezus gaan. spin. zeekust waterplas. ruggegraat indien. karren schaats. ingeval entstof. vaccin. zeekant. glijmiddel skiën fietsen. lunch ontbijt maag indien. eten. meer kust. ingeval braam braam stenen. afvallen. bikken. route waterplas. als. hun. maretak vogellijm. neervallen. als.jej jej jeleń jeleń jelicie jelit jelito jemioła jemiołą jen enny jeniec Jerozolima jesień jesień jesion jesionowy jesteś (archaizm) jeszcze raz jeszcze raz jeszcze raz jeść jeść bardzo delikatnie jeść lunch jeść śniadanie jeść z apetytem jeśli jeśli jeśli w ogóle jeśli zostanie on później zmodyfikowany) jezdni jeziora jeziora) jezioro jezioro (po szkocku) Jezus jeździć jeździć na łyżwach jeździć na nartach jeździć na rowerze jeździec jeża) jeżeli jeżeli Jeżeli nie podano inaczej jeżyna jeżyną jęczeć jęczeć haar. knabbelen twaalfuurtje. wanneer. maretak het volgende gevangene Jeruzalem herfst-.

linguïst. HTML język programowania LISP język przetwarzania symboli język reguł język skryptowy język tablicowy język wewnętrzny komputera język wewnętrzny program maszynowy język zapytań język źródłowy język źródłowy język wyjściowy językoznawca językoznawczy jidisz jod jodlować jodlowanie jodła jodłą jodyna jodyną joga gerst helleveeg. haaibaai. zilverspar.jęczmień jędza jędzowaty jęk jęk jęzor język język język APT język CCL język do zastosowań naukowych język EML język EML język EML język FORTRAN dla programowania w czasie rzeczywistym język graficzny język graficzny język hebrajski język informacyjno-wyszukiwawczy język konwersacyjny język logiczny język makroasemblera język naturalny język niskiego poziomu język niskiego poziomu język oznaczeń np. afhandelen Fins afwikkelen Frans Hebreeuws. kermen kermen. spar den. feeks feeksachtig stenen. spar jodium jodium yoga . steunen. Zoeloe taal tong taalkundige. taalgeleerde taal-. joods Spaans Hollands Iers Litouws Lets Maltezer Duits Noors Jiddisch Perzisch lispelen Russisch Roemeens Slavisch Turks Hongaars Italiaans Zoeloetaal. taalkundig Jiddisch jodium jodelen jodelen den. zuchten tong taal tong Arabisch Keltisch Deens afdoen. zilverspar. kreunen. furie.

toog beurs. Zuid-Slavië Joegoslavisch Joegoslavisch flink. aurora. aapje stulp. beginnend Jupiter Jura jury arbiter. braaf. morgenrood al. scheidsrechter jury jurist verontschuldigen morgen morgen Aurora morgenlicht. hut taxi stulp. eerlijk. hut boog. portemonnaie. alvast. alreeds heerschappij. conditie . tros kabel. joghurt jota Jupiter stuur. bewind. ferm aankomend. tros vigilante. joods Joegoslavië. reeds. Zuid-Slavië Joegoslavië. voorwaarde. geldbuidel eend bepaling. bestuur vissen zoenen.jogizm jogurt jota jowisz joystick józef jubiler jubileusz judaizm judejski Jugosławia jugosławią Jugosłowianin jugosłowiański junak junior Jupiter jurajski juror juror jury jurysta justować jutra jutro jutrzence jutrzence jutrzenka jutrzenka już k k <First In k <Keep It Simple kabaczek kabarecie kabaret kabel kabel okablować kabel (1/10 mili morskiej) kabel (elektryczny) kabina kabina kabina kierowcy (operatora) kabina pilota kabłąk kabzą kaczka kadencjach yoga yoghurt. stuurtoestel Jozef juwelier jubileumjodendom Hebreeuws. dapper. huurrijtuig. tros kabel. aurora. tros kabel. morgenrood Aurora morgenlicht. kussen pompoen cabaret cabaret kabel.

bek Caïro. gebrekkig kalender kalender dagboek. beschadigen. broek Californië rekenschap. casco scheepsromp. rekenen. Cairo plezierboot ijzeren stulp. calculator rekenmachine. tichel scheppen. berekenen calorie calorie radiator overschoen Golgotha drek. berekenen calculeren. hut cacao cacao cactus bloemkool woordspeling havenen. calculator calculeren. drol. pantalon.kadencją kadłub kadłub (statku itp) kadłub statku kadr kadra kadrowanie kadzidło kadź kadź kadź kadź kafel kafelkować kaftan roboczy kaganiec kagańca Kair kajak kajdany kajuta kakao kakaowy kaktus kalafior kalambur kaleczyć kaleki kalendarium kalendarz kalendarzyk kalesony kalesony kalesony Kalifornia kalkulacja kalkulacją kalkulator kalkulator stołowy kalkulować kalkulować kalkulował kaloria kalorią kaloryfer kalosz kalwarią kał term. tegelsteen. bodem. kuip. teil. casco in een lijst zetten. rekenen. bak BTW teil plavuis. vatten staf schoorsteenmantel wierook bak. stam scheepsromp. boezeroen muil. romp. bederven verminkt. tegel. romp. vakterm boomstam. kiel. bek muil. kuip tobbe. rekening rekenschap. tobbe. inlijsten. bodem. ontlasting. creëren hes. berekenen meten. keutel . rekening rekenmachine. journaal onderbroek lang lange broek.

wijk. gracht. kiezel. kanaal. aarden. kiektoestel. steen klei-. gracht divan. keisteen aanzetten mijlpaal mijlpaal edelsteen.kałuża kamasz Kambodża kameleon kamera kameralny kamerą Kamerun kamfora kamieniarz kamieniarz kamieniarz kamienna kulka do gier kamienny kamień kamień do zapalniczki kamień kotłowy kamień milowy kamień milowy kamień młyński kamień żółciowy kamizelka kamizelka kampania kamracie Kanada kanadyjczyk kanadyjski kanalik kanalizacja kanalizacja kanalizacja (rzek) kanał kanał kanał transmisji danych kanał zwrotny kanapa kanapa kanapce kanapę kanapka kanapka (do jedzenia) kanarek kanarek kancelaria kanciasty kancie kancie zich aaneensluiten. rustbank canapé sandwich kussen sandwich sandwich kanarie Canarisch kantoor kantig wal. wijk. zetten vaart. camera intiem. gracht monteren. kust. kanaal vaart. aarden. kameraad. afdruipen wijk. makker. aarden. vest veldtocht. knus fototoestel. kanaal. kornuit Canada Canadees Canadees vaart. camera Kameroen kamfer vrijmetselaar metselaar klei-. van klei hemd herenvest. riool neerdruipen. gezellig. edelgesteente. aarden. campagne maat. oever velg . aansluiten slobkous Cambodja kameleon fototoestel. wijk. afdruipen cloaca. van klei klei-. innig. vaart. kanaal. kiektoestel. boord. van klei kiezelsteen. gracht neerdruipen. kant. van klei pilletje klei-. zinkput. Turkse staatsraad.

menseneter cañon zwendelen. geweer geweer. kapitein capituleren. onberekenbaar nukkig. verbeeldingskracht bizar grillig. loods hardloper zoet. veldprediker hoed Panama bokkesprongen maken kapitalist kapitalist aanzwellen kapitaal. voorrijden huisje. keet. capsule. bestraffing frase. luchter kandidaat. kroon. vermogen hoofd-. volzin roer. hopman. kraam. candela. oppassend kangoeroe kannibaal. aanvrager verzoeker. nukkig. grillig. onberekenbaar pet kapseltje. kaars kroonluchter. knoeien veldfles druipen.kandela kandelabr kandydat kandydat do archiwizacji kandydat na stanowisko kandydował kandydował kandydowanie kandyzować kangur kanibal kanion kant kantyna kapać kapela kapelan kapelusz kapelusz słomkowy kaper kapitalista kapitaliście kapitalny kapitał kapitał bez odsetek kapitan kapitulować kaplica kaplicą kapotaż kapował kapral kaprys kapryśny kapryśny kapryśny kapsel kapsuła kapsułka kaptur kapusta kapuś kapuście kara kara śmierci karabin karabin karabin maszynowy kaarsensterkte. muziekkapel omzet opgraven. zich overgeven kapel. capsule. doosvrucht straatschuimer. roer geweer. sollicitant. roer . doosvrucht kapseltje. troep. apache kool gras kool straf. aspirant verzoeker. aanvrager aanrijden. druppelen schare. bende aalmoezenier. muziekkapel kapel. zin. frauderen. voornaamste captain. rooien korporaal fantasie. droppelen. schuur.

aansporen kaart nek. delven. loopbaan carrière. aanrijding karavaan karavaan straf. manen. ambulancewagen affuit carrière. tucht diamant carrosserie karper Karpaten kaart charter. dossier . vel blad. hals minuscuul. bestraffing vergasser. vel boer. herberg artisjok opduikelen. straffen botsing. carburateur vermanen. correct. aanmanen. aardappel kartonnen catalogiseren catalogiseren bestand.karać karać karafka karafka karaluch karał karambol karawana karawaną karą karburator karcić karcie karczek karczma karczoch karczować karetka karetka kariera karierą kark kark karłowaty karm karmić karmidła karnawał karność karo (w kartach do gry) karoseria karp Karpaty karta karta karta(dziurkowana) kolejna(uzupełniająca informacje na kartach poprzedzających) karteluszce kartka kartka kartka zaginana od góry kartka żywnościowa kartofel karton kartoteka kartoteka kartoteka juist. goed bestraffen. edelknaap pieper. page. kost. opgraven. straffen karaf decanteren kakkerlak bestraffen. vrachtcontract kaart slippen. ziekenauto. handvest. aanvaring. uitglijden briefkaart blad. dwergachtig voeden voeden voeding. voeder. voedingsmiddel carnaval discipline. rooien ambulance. loopbaan nek nek. hals logement.

pit. licht. draaimolen daaromheen. dwergachtig fonds. beschot kassier. gegoten voorwerp snijden. eromheen. kardoes affaire. eromheen. muntmeester helm waterval afbestellen hel. kardoes cassette cassette patroon. aangelegenheid. zaak. kardoes patroon. pit. ontmannen. ding dashboard. kashouder. klaar gommen. zweefmolen. dwergachtig minuscuul.karuzela karuzela karuzela (np. algorytm cykliczny w systemie operacyjnym) karygodny karzeł karzeł karzełek kasa (zapomogowa) kasecie) kaseta kaseta kaseta (do wkładania modułów sprzętowych) kaseta z taśmą magnetyczną kasetce kaseton kasjer kask kaskadą kasować kasować kasować kasować przełączać(np. brij. contact hebben met catalogiseren catalogiseren adresboek adresboek adresboek catalogiseren catalogiseren catarre koud niezen. met gom bestrijken afgietsel. proesten. instrumentenbord. dwergachtig minuscuul. in het rond daaromheen. kastanje contact hebben. met gom bestrijken afschaffen gommen. niesen . castreren casino casino moes. pap zaadkorrel. programy) zwolnić pamięć kasował kast kastrować kasyna kasyno kasyno kaszą kasze kaszel kaszka kaszleć kasztan katalizator stały katalog katalog katalog katalog bieżący (aktywny) katalog węzłów katalog zadań katalogował katar katar katar carrousel. korrel zaadkorrel. in het rond laakbaar minuscuul. korrel hoesten moes. pap hoesten paardekastanje. brij. kapitaal patroon.

baden. paard in schaakspel. elk ieder. aanbieden een of andere. opkopen in bad doen. catastrofe kathedraal. al iedere. commanderen sermoen. pots. commanderen bevelen. grol. ieder. iedere. brok beting koffie restauratie. koeioneren. doodsstrijd. elk. paard in schaakspel. veldboon bevelen. gevest. restaurant. martelen te koop aanbieden. dom categorie term. kwinkslag. al. catastrofe schipbreuk onheil. iedere. kanselrede. ieder. ramp. paardenvolk mop. wassen bad. boon. grap fragment. vakterm categorie katholiek katholiek katholiek katholiek doodsangst. hals. paard ruiterij. brok heft. al. aanvoeren. ramp.katastrofa katastrofa morska katastrofą katedra katedra (na uniwersytecie) katedra na uniwersytecie katedrą kategoria kategoria kategorią katolicki katolicki katolik katolik katusze Kaukaz kawa kawaler kawaler kawaler orderu kawaleria kawał kawałeczek kawałek kawałek kawałek murawy wyrwany przez kij golfowy w czasie uderzenia kawą kawiarni kawowy kawy) kazać kazać komuś czekać kazanie kazirodztwa kaźń każ każdy każdy każdy każdy każdy (człowiek) każdy człowiek wszyscy kącie kącie kąpać się kąpać się (w morzu kąpiel onheil. paard ridder. paard in schaakspel. handvat. eethuis koffie tuinboon. cavalerie. incest kwellen. alleman elk. aanvoeren. agonie Kaukasus koffie paard. elk. alleman. baden. wassen in bad doen. ridder ridder. enig ieder. elk hoek accapareren. dom departement departement kathedraal. alleman. preek bloedschande. ieder. badkuip . alleman. knop fragment. een of ander. al. alleman iedere. iedere. al.

ontspruiten. besturen reglementeren. borrel aperitief. croquant nevelig. bedorven. bos. markt. regelen besturen. verrot hart marktplein. bloemkelk. beklagenswaardig rot. dirigeren. heiig. dirigeren. toen eenmaal. bijten. kuif beting hap. kiemen erbarmelijk. opkopen kantig duim kelner serveerster serveerster pessimist knapperig. niesen een verband omleggen wanneer. dirigeren. proesten. richten.kąpiel kąpiel (w wannie) kąpiel odkażająca kąpieliska kąsać kąt kąt strat magnetycznych kątowy kciuk kelner kelnerce kelnerka kernel kędzierzawe (włosy) kędzierzawy kępka kęs kęs kęs kibic kichać kichnięcie kiecce kiedy kiedy (w pytaniach) kiedy indziej kiedykolwiek kielich kieliszeczek kieliszek do brandy kiełbasa kiełbasa kiełbasą kiełek kiełkował kiepski kiepski kier (w kartach do gry) kiermasz kierować kierować kierować bezpośredni kierować (<sth> czymś) kierował kierowca kierowca zmiennik kierowcą kierownica in bad doen. pluk. dampig. bestuurder conducteur. marktplaats mennen. aanvuren. aanzetten niezen. dot. baden. richten. bestuurder stuurtoestel. knauwen. reguleren. niesen niezen. beuling worst. stuur . wassen bad. eens. als. toen eenmaal. kuifje. miskelk. mistig bosje. soppen zich aaneensluiten. mondvol mondvol. mennen de weg wijzen. wel eens. bestuurder conducteur. beitsen hoek accapareren. leiden mennen. proesten. besturen conducteur. ooit wanneer. richten. ooit beker. als. indopen. beuling uitkomen. ontluiken ontkiemen. geleiden. kelk aperitief. badkuip indompelen. hap aanwakkeren. bazaar. borrel pudding worst. aansluiten happen. eens. wel eens.

menigvuldig kilo. aanhangen kikkervisje missen. afkluiven kilometer kilt. film bioscoop. bundel luit geheel. kit. kilogram schoffel knabbelen. menigvoudig. administrateur richtlijn. leiding. echtelieden weinig een beetje. knikken lijm. knikken ja knikken. stok kleven. instructie. klasse. wis. knikken ja knikken. stam afgang draai om de oren. koers. een weinig weinig verschillend. lel smakken stand. totaal. kleefstof aanplakken hoorn accolade vasthaken geslacht. Schotse rok kimono kimono bioscoop. cinema box rouw darm bos.kierownictwo kierownik kierunek kierunek kierunek wsteczny złącza p-n kierunkach kieszeń kieszeń dysku kij kij od miotły kijanka kiks kil kilka kilka kilka kilka razy kilku kilo kilof kilof kilometr kilt kimona kimono kina kinematografia kino kiosk kir kiszka kiść kit kitel kiwać kiwnąć głową kiwnięcie kiwnięcie odarzy klajster klajster klakson klamra klamra klan klapą klaps klaps klasa administratiekantoor bestuurder. enigszins. knikken ja knikken. klas . richting polis richtlijn. mislopen. misgrijpen kiel echtpaar. algeheel ja knikken. richting consigne. kleefmiddel. vastkleven. beheerder. oorveeg. leiding. volksstam. aanwijzing zak zak staf. koers. cinema rolprent.

smet. steen. aard classificeren. kleefstof tandvlees plakkerig. vloeken ketteren. kleverig edelgesteente. mannenklooster kooi kooi borst. edelsteen edelsteen. kit. kit. klassiek klassikaal. godlasteren. indelen soort. bepaling conditie. godlasteren mythe lijm. kleefmiddel. klassiek klassikaal. applaudisseren wis. boezem kooi opgang. houder toejuichen. kleverig lijm. trap voorwaarde. kleefstof tandvlees moes. klassiek klassikaal.klasa zaprzyjaźniona klaser klaskać klaskać klaskać chodowa klaster klasy podstawowej klasyce klasyce klasyczny klasyczny klasyczny klasyfikować klasyfikować klasyfikował klasyfikwać klasyk klasyk klasztor klatce klatka klatka na sekundę klatka schodowa klatka schodowa klauzula klauzula klawiatura klawiaturą klawisz klawisz (strażnik więzienny) klawisz znakowy kląć klął klątwą klechdą kleić kleić kleik kleisty klej klej klejenie klejnot klejnot klejnoty kleks klepać klepanie stand. indelen classificeren. edelgesteente. kleefmiddel. pap plakkerig. slag. bundel. bij acclamatie benoemen adhesie betuigen. toonladder. klas schede. scala naaien. moet tikken tikken . klassiek klooster. rechtzinnig classificeren. steen edelsteen. foedraal. godlasteren ketteren. voorwaarde. clausule. vloeken. brij. applaudisseren adhesie betuigen. klasse. klad. klavier toonschaal. indelen klassikaal. scala ketteren. klassiek klassikaal. klavier toetsenbord. edelgesteente. bos basisklassikaal. neuken toonschaal. steen klak. bepaling toetsenbord. klassiek orthodox. vloeken. mop. plek. toonladder.

scala kritiek. toonladder. afnemer klif. pal. koper. afnemer klant. klakken. schaar knielen knielen knielen geeuwhonger nederlaag kongsi. schroefsleutel moersleutel. toonladder. klappen kongsi. air-conditioning air-conditioned een wig slaan. een wig steken een wig slaan. klakken. vastzetten esdoorn. een wig steken kliniek kliniek een wig slaan. schroefsleutel sleutel moersleutel.kleszcz kleszcze klęcz klęczeć klękać klęska głodu klęska żywiołowa klice klient klient klient klient korporacyjny klient sieciowy klif klik klika kliknąć kliknąć prawym przyciskiem myszy klimacie klimat klimatyczny klimatyzacja klimatyzowany klin klin (podkładany pod koło) klinice klinika klinować kloc klon klosz klown klub klub studentek uniwersytetu klubach klucz klucz klucz klucz (do śrub) klucz (elektronowy) klucz mieszający klucz nadrzędny klucz wspólny klucz zabezpieczenia pamięci klucz zewnętrzny klucz złożony kluczowy kluczowy teek knijper. toonladder. scala moersleutel. cliënt. verbruiker afnemer. scala . koper. kliek. klappen klimaat klimaat klimaatsairco. scala toonschaal. sociëteit klaveren toonschaal. kletteren. paljas. koper. scala toonschaal. scala toonschaal. hachelijk toonschaal. lampekap clown. troep klikken. klakken. toonladder. gebruiker. toonladder. scala toonschaal. troep klant. ahorn kap. toonladder. kletteren. klip klikken. schroefsleutel moersleutel. klant klant. klappen klikken. een wig steken blokkeren. aak. pal. kletteren. afnemer consument. kliek. sociëteit club. schroefsleutel toonschaal. pias club. toonladder.

knoop drenkplaats. storen. eng. twist. schroefsleutel liggen liggen liggen aanspannen verglazen.kluczowy kłamać kłamstwa kłamstwo kłaść kłaść glazurę kłaść nacisk kłocić się kłopot kłopot kłopot kłopotać się kłopotliwy kłopotliwy kłopoty kłos kłócić się kłótni kłótnia kłuć kłuć kłus kłusować knajpa knajpą knajpą knebel kneblować kniei knocie knot kobiecy kobieta kobieta kobra koc kochać kochajacy kochający kocham kochanek kochany kochany kociak kocię kocioł kocioł kocioł moersleutel. dispuut kijven. strijd. draven dribbelen. liefje geacht. lieverd. gelid. waterketel. krakelen kwestie. kiften. strubbeling. geleding. lid. pit. lampepit. glazuren. prikken. slim pijnlijk. dispuut lul. kookketel. geliefde. determineren bezwaar. lont vrouwelijk wijfje. vrouwtje vrouw cobra. keteldal ketel . café moppen tappen moppen tappen woud. liefhebben aanhalig aanhalig beminnen. glanzen met nadruk zeggen. houden van. hinderen moeilijk. strijd. lieveling. bar. dispuut smart. lampepit. draven herberg. lastig. lont kousje. twist. priemen. uitspanning gewricht. liefhebben vriendin. krap. ruzie maken. hinderlijk. stoomketel ketel. vrijster. bos kousje. twist. pit. strijd. verdriet. benadrukken kwestie. leed nauwkeurig bepalen. steken dribbelen. jongeheer pikken. moeilijkheid belemmeren. leuter. lastig. brilslang deken. snikkel. dek beminnen. gezien katje katje ketel. bekrompen. nauw oor kwestie. minnares schat. houden van. storend smal. pik.

hakken code houwen. naaktslak houwen. wie z'n. spin. rondreizen rondtrekkend. migrerend zwervend. aansluiten coyote. ruggegraat steek post. kokosnoot cocktail avondmaal. wie d'r een of ander. leuter haan consequentie. kappen. pik. toog cocon cacao klapper. avondeten knie elleboog knie veldfles veldfles wervelkolom. leuter haan jongeheer. snikkel. trekpot trekken. appendix codificeren codificeren welks. lul. lul. waarvan. avondeten avondmaal. bestemmen wieg . prairiewolf cocaïne cocaïne boog. verzekeren jongeheer. enig. snikkel. een of andere betuigen. gevolg kinderbed zich aaneensluiten. trekkend. nomadisch benoeming. aanhangsel. rondtrekken. kappen. posterijen oorring uittrekken. hakken code bijlage. klappernoot.kociołek kociołek koczował koczowniczy koczowniczy koczownik kod kod (program) zakodować kod generujący numer strony podczas wydruku kod przerobić jądro Linuksa kod zakodować kod) przerobić (jądro Linuksa) kodeks kodocyl kodować kodował kogo kogoś kogoś o czymś kogucie kogucie kogut kogut koherencja koja kojarzyć kojot kokaina kokainą kokarda kokon kokos kokos koktail kolacja kolacją kolana kolanko (hydrauliczne) kolano Kolba kolbą kolca kolce kolczudze kolczyk kolczykować kolebka ketel theepot. nomade code code slak. pik.

gemeenschappelijk voorkomend. spoorweg spoor. aaneen-.kolec kolec świdra centrującego kolega kolega kolega szkolny kolega z klasy kolegium kolego! kolei kolei koleina kolej kolej jednoszynowa kolej linowa kolejce kolejce kolejka pocztowa kolejny kolejny kolejny kolejny kolekcja kolekcja zbiór zbieranie informacji kolekcją kolekcjonować kolektyw kolektywny koleżeński kolizja kolonia Kolonia kolonia kolonialny kolonią kolor tła kolosalny kolportaż kolportować kolumna kolumna wyświetlana (w grafice komputerowej) kolumną koła kołatka kołatka (do drzwi) kołatka do drzwi kołdra kołdra pikowana doorn doorn ambtgenoot. collega paren college makker. cirkel slaan. kudde. schare. klappen. uitreiking havik kolom. spoorweg spoor. steunpilaar. drift collecteren. nuancering geweldig. collega aaneen. schare. inzamelen collectief. ontzaglijk verdeling. samen ambtgenoot. colonne kolom. spoorweg ronde gevolg metro afwisselend ander veranderen. klappen. kameraad. drift hoop. kolossaal. innen. veranderlijk. groep. groep. kudde. klappen. kloppen. spoorweg spoor. maat spoor. nederzetting. nederzetting. aanvaring. aardig. vriendelijk botsing. opvallen slaan. aanrijding Keulen kolonie. kudde. afwisselend hoop. volksplanting akkoord. spoorweg routine. kloppen. sleur spoor. pilaar. drift hoop. schare. volksplanting schakering. samen-. lief. kloppen. steunpilaar. colonne kolom. opvallen slaan. anders maken wisselend. colonne kring. accoord. kornuit. opvallen stikken stikken . overeenstemming koloniaal kolonie. groep. steunpilaar. co-. pilaar. pilaar. gemeenschappelijk collectief. nuance.

koopmanschap. komedie blijspel. rondschrijven pet wieg opgooien. aansluiten samenvoegen. combinatie zich aaneensluiten. hes samenvoegen. blok. gemak. boord. schijf reddingsgordel wiel. cirkel circulaire. combineren blijspel. inhouden. comfort . combinatie verbinding. verbinden. mug muskiet komma verbinding. gooien balanceren. commanderen aanvoerder. totaal. aanvoeren. boezeroen. aanvoeren. aperitief borrel. commentaar leveren op annoteren. nering gerief. komedie bevelen. doen schommelen zwiepen. halsboord nek. commanderen aantekening. zwaaien. blok. commentaar leveren op bevatten. hals kraag. slaaplied wieg wieg steekmug. boord. schijf wiel. algeheel kiel. commentaar annoteren. combineren geheel. combinatie verbinding. behelzen handel. aperitief kraag. rad kring. halsboord kring. slingeren wiegelied. rad hijsblok. katrol. cirkel hijsblok. katrol. commentaar leveren op nabeschouwing annoteren.kołdrą kołek kołek falowodowy kołnierz kołnierz kołnierz golfowy koło koło koło koło zakreślić okrąg koło celowania (na ekranie dla pióra świetlnego) koło wodne koło zamachowe kołowy kołpak kołysać kołysać (się) kołysać się kołysać się kołysance kołysanka kołysce kołyska komar komar komą kombinacja kombinacja klawiszy kombinacją kombinat kombinat kombinezon kombinezon kombinować komedia komedią komenda komendant komenderować komentarz komentarz komentarz komentarz opisowy komentować komentować komercyjny komforcie stikken borrel. zwieren. verbinden. slaaplied wiegelied. commandant bevelen.

totaliter compleet. cel. comfortabel moppig. loon. accumuleren schrijden trechter haardstede. volkomen. cel. kachelpijp ophopen. kerker firma. instrumentenbord. vertrek. beletsel. koddig. vertrek. vergelding vergoeden. ingewikkeld maken . schouw politiepost. volledig hindernis. komisch. gemakkelijk. samenstellen compileren. vergelding beloning. tak. ingewikkeld maken gecompliceerd. opdracht. compilatie verzamelwerk. samenstellen compileren. deskundig. verduwen. samengesteld complimenteren emmer heel. digereren beloning. politiebureau lasthebber. vak. commode commodore lokaal. opdracht. komisch. boodschap dashboard. vergelding beloning. handelsfirma. beschot comité reiziger lokaal. loon. kamer branche. bevoegd verzamelwerk.komfortowy komiczny komiczny komin komin komin komin komin (statku kominek komisariat komisarz komisja komisją komitet komitet doradczy komiwojażer komnata komodą komodor komora komorą komorne komórka komórka znakowa kompania kompas kompatybilny kompendium kompensacja kompensacja temperaturowa kompensacją kompensować kompetentny kompilacja kompilacją kompilator kompilować kompilować zestawiać kompilował kompleks komplement komplet kompletnie kompletny komplikacja komplikować komplikować komplikował geriefelijk. opeenhopen. ingewikkeld compliceren. compilatie compiler compileren. koddig schoorsteen. afdeling huur cachot. gecommitteerde commissie. kamer ladenkast. kerker cachot. loon. boodschap commissie. goedmaken competent. moppig. schoorsteen. grappig grappig. kachelpijp schoorsteen. handelshuis kompas congruent verteren. hinderpaal compliceren. samenstellen complex. compenseren.

aankondigen. toonzetting. katern machine communie communie aankondiging. tak tak. begrip opvatting. zetting toondicht. wapenen aftakking. plooien samenstellen. compositie toondichter. componeren omvouwen. meedelen.komplikował komponent skrośny komponować komponować komponował komponując kompozycja kompozycja pulpitu kompozycją kompozytor kompres kompresować kompromitacja komprymować komputer komputer notatnikowy komputer podręczny komputer programisty komunia komunią komunikacie komunikacja światłowodowa komunikacja w tle komunikacją komunikat komunikat komunikatywny komunikować komunikować (się) komunikować się komunikował komunista komuniście komunizm komuś komutować konać konar konar konar konar koncentrator zespołu koncentrował koncepcie koncepcja koncepcja koncept koncercie gecompliceerd. enig omleggen. mededelen spreken. omschakelen. begrip begrip opvatting. vouwen. sterven bewapenen. ingewikkeld tuinboon. verkondiging communiqué communiqué communiqué bulletin. lidmaat bus. begrip concert . thema. boon. componist comprimeren comprimeren foei comprimeren computer schrift. boodschap aanspreekbaar aandienen. naaf dik. compositie onderwerp. aflevering. overschakelen doodgaan. aflevering. stof. mededelen communist communist communisme een of ander. verenigingsorgaan bericht. meedelen. overlijden. veldboon samenstellen. dicht. adverteren berichten. gebonden opvatting. een of andere. aftakking lid. katern schrift. apropos toondicht. praten berichten. toonzetting. componeren montage.

koniuszek koniuszy konkluzja konkretny concerto samenvoegen. rouwbeklag kapotje. verbinding bondsstaat. ach stortplaats bruidegom. verbinden. aanrijding conflict het hoofd bieden het hoofd bieden Kongo. confederatie omroepster omroepster conferentie conferentie conferentie in beslag nemen. conto compact. aanvaring.koncercie koncern koncern koncert koncert koncie kondensować mały kondolencje kondom konduktor konduktor kondycja koneksja konfederacja konfederacją konfenansjer konferansjer konferencja konferencja prasowa konferencją konfiskować konfiskował konfitura konflikcie konflikt konflikt sprzętowy konflikt związany z dzieleniem zasobów konfrontować konfrontował Kongo kongres koniak koniak koniczyna koniczyna biała koniczyną koniec koniec zapisu koniec zbioru danych konieczność konieczny konik polny koniunkcja koniunkcja (zob. noodzakelijkheid nodig. brandy brandy. Congo congres vuurwater. gevolgtrekking beton . de wacht hebben. einde. combineren aangelegenheid. bestuurder bewaken. ah. och. confisqueren in beslag nemen. dicht condoleantie. confisqueren jam. voorwaarde. bepaling samenhang. bewaren conditie. belang concert concerto rekening. confederatie bondsstaat. brandewijn. stalknecht conclusie. moes. uiteinde aantikken noodzaak. marmelade conflict conflict botsing. condoom conducteur. cognac klaver klaver klaver schaduwen uiterste deel. benodigd sprinkhaan conjunctie oh.

samenspanning samenspannen. onthutsen metselwerk aannemer. betogen. conservatief vertogen. construeren. werkelijk. bergen. ontsteltenis ontzetten. onthutsen consternatie. bouwondernemer bouwen. effectief specifiek. troosten vertroosten. constitutie grondwettelijk. constitutioneel consul consulaat consulaat . klamp. bewaren haakjes vertroosten. gevolg consequentie. concurreren wedijver match. gevolg consequent inmaken.konkretny konkretny konkretny konkubiną konkurencja konkurować konkurs konkurs konsekwencja konsekwencją konsekwencją konsekwentny konserwa konserwatysta konserwatywny konserwować konserwować konserwować (sprzęt) pielęgnować (oprogramowanie) opiekować się (projektem) konserwował konsol konsola konsola zdalna konsolą konsolą konsolidator konsonant konsorcjum konspiracja konspiratorstwa konspirować konspirował konsternacja konsternacja konsternacją konsternacją konstrukcje z kamienia konstruktor typu konstruować konstruowanie wspomagane komputerowo konstytucja konstytucją konstytucyjny konsul konsulacie konsulat afzonderlijk. argumenteren inmaken. konfijten. samenzweren samenspannen. wedijveren. inleggen behoudend. aanleggen ontwikkeling. ontstellen. ontstellen. vakvereniging. konfijten. gevolg consequentie. troosten kramp. ontsteltenis ontzetten. evolutie grondwet. bewaren behouden. samenspanning komplot. afgezonderd daadwerkelijk. concours consequentie. bergen. nietje vertroosten. wedstrijd. haakje. troosten linker consonant. constitutie grondwet. inleggen behouden. conservatief behoudend. medeklinker syndicaat. vakbond komplot. soortelijk bijvrouw wedijver meedingen. samenzweren consternatie.

controleur. controleren heerschappij. betomen. controleren pariteit voorschrift reglement bedwingen. supervisor. dommekracht. koker rekening. etui. contrasteren afsteken. contract verbintenis. keuring. foedraal. verbruiken. foedraal. krik contact hebben. beteugelen schouw. bestuur checken. consulteren consument. consultatie raadplegen. contact hebben met vijzel. doos. gevolg contact hebben. consulteren raadplegen. contrabande bouwondernemer. bestuurder damspel . aflezen. bewind. bak. inspectie heerschappij. bewind. doos. examen controleur. etui. consumeren longtering. aannemer verbintenis. contact hebben met gietvorm.konsultacja konsultacją konsultować konsultował konsumencie konsument konsumować konsumował konsumpcja konsumpcją konsystencja kontakcie kontakt kontakt metal-półprzewodnik kontakt omowy kontekscie kontemplacyjny kontener kontener (złożona struktura danych realizowana jako klasa w programowaniu obiektowym) konto konto w banku kontrabanda kontrabandą kontrahencie kontrahent kontrakcie kontrakt kontralt kontrascie kontrast kontrast na poziomie szczegółów kontrastować kontrola kontrola kontrola jakości produkcji kontrola parzystości kontrola programowa kontrola programowana kontrola zapisu (atrybut pliku) kontrola zgodności typów kontrolą kontrolą kontroler kontroler kontroler kontrolerach consult. matrijs nadenkend pot. contract tweede alt afsteken. verbruiken. contrasteren afsteken. consumeren slopen. gebruiker. contrabande smokkelwaar. aannemer bouwondernemer. conto smokkelwaar. gebruiker. contrasteren checken. verbruiker slopen. conto rekening. bestuur onderzoek. opzichter conducteur. dommekracht. tering. contrasteren afsteken. consultatie consult. krik vijzel. tuberculose longtering. verbruiker consument. matrix. schouwing. aflezen. opzichter supervisor. koker pot. bak. tering. tuberculose consequentie.

gebeurlijk bestendiging. polemiek controverse. keuring. afsluiten aantikken uiterste deel. bestuur inspectie houden. uiteinde terminal uiterste deel. ros paardekracht paardekracht uiterste deel. onderzoek heerschappij. beteugelen heerschappij. eventueel finaal. stuip.kontrolny system komputerowy kontrolować kontrolować kontrolować poprawność kontrolowanie kontrowersja kontrowersją kontur kontynencie kontynent kontynent kontyngencie kontyngent kontynuacja kontynuacją kontynuować kontynuować kontynuował kontynuował konwenans konwenanse konwencją konwersacja konwersacja podstawowa konwojent konwój konwulsja konwulsją koń koń mechaniczny koń parowy końca końcowy końcowy test po montażu końcówce końcówce końcówce końcówka końcówka końcówka typu J końcówka typu J kończ kończyć (się) kończyć (się) kończyć koniec kończyć się kończyć się kończyć się examen. vasteland continent. vervolg aanhouden te werk gaan aanhouden te werk gaan congres congres congres onderhoud. bewind. gebeurlijk eventueel. vervolg bestendiging. pennestrijd. uiteindelijk aanhechting uitgang. afwikkelen. gesprek begeleiding. afdoen aantikken afmaken. einde. pennestrijd. uiteinde gebeurlijk. plasser . bestuur controverse. gesprek onderhoud. werelddeel continent. kramp stuiptrekking. kramp paard. stuip. bewind. vasteland. accompagnement stuiptrekking. accompagnement begeleiding. einde. einde. uiteinde terminal kegel stortplaats afhandelen. werelddeel. beëindigen. voortzetting. polemiek omlijning. uiteinde aantikken piemel. werelddeel. voortzetting. vasteland eventueel. inspecteren bedwingen. betomen. omtrek continent. plassertje.

afdruk exemplaar. afdruk exemplaar. envelop. trappen schoppen.kończyć się szpiczasto kończyna kooperował koordynować koordynował kopać kopalnia kopalnia węgla koparka kopą Kopciuszek Kopenhaga koperta koperta bezpieczeństwa koperta zabezpieczająca kopia kopia rezerwowa kopia zapasowa kopiować kopiować awaryjnie (zawartość pamięci) kopiować egzemplarz kopiować tablicę bitów kopiował kopnąć kopniak kopnięcie kopuła kopuła kopułą kopycie kora koralik Koran korą Korea Koreańczyk koreański korek korek korek uliczny korek uliczny korekta korepetytor korespondować korespondował korkociąg korkociąg korodować afmaken. stekker. schors kraal Koran boomschors. schors Korea Koreaans Koreaans kurk prop. stopmiddel kurk prop. enveloppe couvert. afdruk verveelvoudigen. opeenhopen. plug. multipliceren schoppen. stop. onderwijzen corresponderen corresponderen kurketrekker spinnen corroderen. trappen koepel koepel koepel hoef boomschors. accumuleren Assepoester Kopenhagen couvert. enveloppe couvert. stekker. envelop. bijten . opscheppen ophopen. afsluiten lid. enveloppe exemplaar. coördineren bijeenschakelen. stopmiddel drukproef opvoeden. envelop. stop. trappen de mijne. coördineren schoppen. afdruk verveelvoudigen. meewerken bijeenschakelen. lidmaat samenwerken. afdruk een backup maken. het mijne scheppen. aantasten. beëindigen. het mijne de mijne. een backup maken van exemplaar. multipliceren exemplaar. trappen schoppen. plug.

wortel schieten aanwending. beschuldiging onkosten. slof. bak juist. stranden enkel derde macht. rijstrook vaart. kronen kant kant kant bekronen. eetbak. barak. keet kazerne aanklacht. toegenegen. aanwinst. dracht. dobbelsteen. mand ben. kanaal. korf. eetbak. scharrelen krib. voordeel aannemen. costuum badpak enkel banshee ben. gieteling zeis zeis maaien astronaut. drenkbak. blok klederdracht. wortel schieten aanslaan. aanwerven acquest. goed baan. prooi merel. gang. drenkbak. corporatie. mand schuur. incubus afgrijselijk nachtmerrieachtig kosten . bak aanslaan. correct. vrijen. voordeel pré. gracht krib. loods. kronen vakvereniging. toepassing goedgezind. nachtduivel. trog. ruimtevaarder aan de grond lopen. trog. wijk. slof. kronen bekronen. gunstig aftappen pré. overloop. gewaad. kronen bekroning. kosten angstdroom. huren. buit.korona korona (słoneczna) koronacja koronacją koroną koronce koronka koronka (na karcie dziurkowanej) koronować korporacja Korsyka kort korycie korygować korytarz korytko koryto korzeń korzeń palowy korzystać korzystny korzyści) korzyść korzyść korzyść korzyść kos kosa kosą kosić kosmonauta kosmyk kostce kostce kostium kostium kąpielowy kostka kostuchą kosz kosz na śmieci koszary koszary koszcie koszcie koszmar koszmarny koszmarny koszt bekronen. kroning bekronen. korf. kroning bekroning. gilde Corsica het hof maken.

kerkgebouw schonk. karbonade. slof. kotelet. huid. besteding. begroten. cilinder . korf. geestelijk kerk bedehuis. kostbaar kostbaar. karbonade. knok. uitgaaf schatten. doek katje kut. aanbeeld aambeeld. geit. duur. rib vallei. kosten onkosten. dierbaar. dal anker anker anker aambeeld. ijzersmid cowboy sik. pels. vel. kaak kattekop overgordijn. waard overhemd overhemd nachtjapon nachthemd overhemd ben. nachtzwaluw een geintje maken een geintje maken dierevel. rib ribstuk. bok Steenbok Steenbok geitenmelker. taxeren waardevol. kotelet. vulva fijnhakken ribstuk. mand basketball basketball maaien fijnhakken kerk kerkelijk.koszt koszt własny kosztach kosztorys kosztowny kosztowny koszula koszula (męska) koszula nocna koszula nocna (męska) koszulą koszyk koszykówce koszykówka koś kości do gry kościelny kościelny kościół kościół kość kość kość słoniowa kość szczękowa kot kotara kotek kotek kotlecie kotlecie kotlet kotlina kotwica kotwica (telegraficzna) kotwiczenie kowadełko kowadła kowadło kowal kowboj koza Koziorożec Koziorożec (gwiazdozbiór) kozodój koźla skóra koźlę kożuch kółka onkosten. scherm. lief. vacht rol. bot. gordijn. aanbeeld aambeeld. kerk. ivoren kakement. been fijnhakken ivoorkleurig. kosten vertering. waarderen. aanbeeld smid.

kruisen circuleren. aangorden. afrastering. tap. ergst. spotten. regio platteland. bobine schijf. stropdas stropdas. tovenaar . rondgaan kruisen (van schip). extreem. open veld beeldhouwen. gebied. gekras krassen diefstal. discus. hek. klos. honen bespotten. cirkel spoel. rondgaan duivelskunstenaar. uithouwen landschap landschap binnenlands. bol. accident. ontvreemding aan land gaan. uithakken. honen aanfluiting aanfluiting krab geknars. spotten. sfeer. bovenmatig allemachtig uiterst. grammofoonplaat. omgeving. streek. in omloop zijn. circulatie. omgorden plagen bespotten. aardmannetje retoriek. bovenmatig gnoom. bolletje. in omloop zijn. haardstede traliehek. riool kleren maken kleren maken kring. kadet omloop. kadetje. bobine kloot. landen gewest. das cloaca. ergst. aangeboren krassen ongeluk. ongeval kraan. inlands ingeboren. verdonkeremanen sluipen open haard. klos. rooster das. haard. rederijkerskunst achteroverdrukken. zinkput.kółko samonastawne (takie kpi kpiarz kpić kpienie kpiną kpiny krab kracie kracz kradzież krainą krainą kraj krajać krajobraz krajobraz krajowy krajowy krakać kraksą kran kran kraniec krańcowo krańcowy krasnoludek krasomówstwo kraść kraść krata kratce krawat krawat krawca krawiec krawiec męski krąg krąg Krąg krąg cewka krążek krążek krążenie krążyć krążyć krążyć (po wodzie) kreator Castor gorden. extreem. roulatie circuleren. plaat broodje. gebied spoel. tapkraan aanboren uiterst. inheems. aangespen.

verband verwant. spikkel. omgang. verassen beperken. oog punt. spin. stip. schrijden lopen. familielid bowling wervelkolom. plak. krediet. verassing cremeren. tijdvak neus. spikkel. beknotten vislijn. oog . snede. krediet. treden. oog periode. schijf. snede. stip. crematie. uithakken. tip. punt. piek. plak. liefkozen. tip. schijf. spits punt. top. conto creditzijde. stappen. credit vla vla lijkverbranding. spits logeren punt.kreatura krecie kreda kredą kredens kredens kredyt kredyt kredyt wyraz uznania krem krem do golenia kremacja kremacją kremować (spalać martwe ciało) kres kresce kreska kreska ukośna kreślak kret Kreta krew krewetce krewetka krewny krewny kręgle kręgosłup krocz kroi krok krok krok iteracji krok w bok krokodyl krokus kromce kromka kronice kronika kronikarz kropce kropce kropka kropka kropka dziesiętna kropka pozycyjna kropka znak interpunkcyjny wezen mol krijt krijt kast kast rekening. lopen lopen. stip. aaien afkraken hok mol Kreta bloed garnaal garnaal betrekking. stappen. snoer. filet kroniek kroniek chroniqueur. piek. tegoed. hengelsnoer aanhalen. punt. top. filet moot. schrijden. tegoed. schrijden krokodillen krokus moot. kroniekschrijver neus. treden. treden. verassing lijkverbranding. strelen. credit creditzijde. spikkel. crematie. stappen. uithouwen treden. begrenzen. sim. stappen. ruggegraat schrijden beeldhouwen. schrijden lopen.

schaars krekel. bijziend strottehoofd knapperig. broodkruimel bloed aftappen. croquant knapperig. pukkel koe koe knippatroon. majestueus vorstelijk. blozend moordziek. kruisbeeld raaf raaf kruimel. pukkel puistje. broodkruimel kruimel. i w przen. waterdruppel druipen. vrouw. stip. jonkvrouw. jonkvrouw kortstondig. staat plechtstatig. druppelen draaibank. draaischijf weefgetouw puistje. moordlustig zeldzaam. aderlaten bloedig. kort slip. lady. slipje kort korte broek. spikkel. droppelen.) krtań kruchy kruchy krucyfiks kruczy kruk kruszyć kruszyć się krwawić krwawy krwawy krwiożerczy krwisty krykiet Krym punt. croquant crucifix. kortzichtig. patroon dam.kropkować kropla kropla w morzu kroplą kroplówka krosno krosno krosta kroście krowa krową krój król królestwa królestwo królestwo królewski królewski królewski króliczek królik królik królowa królować królową krótki krótki krótki krótki krótki opis programu krótkie streszczenie krótkowzroczny krótkowzroczny (dosł. bewind lady. kniebroek. heerschappij. ongemeen. koninklijk konijntje konijntje konijn lady. waterdruppel druppel. waterdruppel druppel. bloedend rood. jonkvrouw bestuur. oog druppel. dam. kriek Krim . dam. bijziend kippig. kortzichtig. statig. vrouw. koninklijk vorstelijk. afgetrokken kippig. vrouw koninkrijk koninkrijk rijk. broek kort abstract.

over elkaar slaan frustreren kruisen. kristallen bestelauto. aanmerking beoordelen. aftands ombuigen. kristallen kristalhelder. bits kromme.kryminalny krynolina kryształ kryształ o sieci regularnej płaskocentrycznej kryształowy kryta ciężarówka kryty basen krytycyzm krytyczny krytyka krytykować kryzys krzaczaaste (brwi) krzak krzak krzcie krzem na szafirze (struktura) krzemień krzepki krzesło krzesło krzesło bujane krzesło bujanes lub wyłącznik biegunowy krześle krzew krzewy) krzyczeć krzyk krzykliwy krzykliwy krzywa zdyskretyzowana krzywą krzywda krzywdą krzywdą krzywdą krzywdzenie krzywdzić krzywiczny krzywić krzyż krzyżak krzyżować krzyżować się kserografia kserograficzny ksiądz misdadig. kwetsuur. kritiek. over elkaar slaan fotokopie xerografisch pastoor. kiezel. ruigharig heester. doorbuigen kruisen. schreeuwen. lawaaierig snibbig. curve kromme. letsel toebrengen bouwvallig. crimineel rok. vrouwenrok kristalhelder. aanmerking kritiek. struik struik. heester snoeien gieren. hecht. snood. over elkaar slaan kruisen. armstoel stoel zorgenstoel. ruig. kristallen kristalhelder. joelen gieren. keisteen robuust. schreeuwen. pastor . hachelijk beoordeling. geestelijke. buigen. wond. wond. ferm zorgenstoel. gammel. armstoel stoel stoel struik. foutief. kwetsuur. sop. jus kiezelsteen. kritiek. bocht. potig. bocht. rumoerig. curve blessure. letsel toebrengen blessure. roepen. verkeerd nadelig kwetsen. keuren crisis harig. zwembad beoordeling. joelen luidruchtig. verwonding onjuist. heester afkeuren saus. fors. bestelwagen zweminrichting. roepen. kritiseren. verwonding kwetsen.

een of andere. enig. een of ander een of ander. enig aanwezige hetwelk. dat. welke. welk hetwelk. ingenaaid boek. bij. lunair dresseren. prinses koningsdochter. vormen. wie. een of ander een of ander. aangaan hetwelk. brochure boek aangeven boekwinkel. welk. tot. welk hetwelk. accountant accountancy boekhouding. dat. welk. aangaan formeren. dat. vorst boekje. dat. aangaan formeren. die ouderloos aan. prinses maan maan-. een of andere. kweken. ingenaaid boek. enig enig. libretto. die. welke. lunair maan-. naar noorden noorden . accountant boekerij. operatekst chequeboekje hertog prins. die. grootbrengen instrueren formeren. tegen. een of andere. vormen. wie. die een of ander. vorst boek adresboek adresboek paperback.książce książe książeczka książeczka czekowa książę książę książka książka adresowa książka kucharska książka telefoniczna książka w papierowej okładce książka w papierowej okładce książkowy księga księgarnia księgarz księgowego księgowość księgowość księgowy księgozbiór księżna księżniczka księżyc księżycowy księżycowy lunatic kształcić kształcić kształt kształt czcionki kształt znaku w czcionce kształtować kto kto ma lekki sen kto zajął drugie miejsce ktokolwiek ktoś ktoś ktoś ktoś zajmujący (miejsce które który który zajmuje się głównie lub wyłącznie podkowami i podkuwaniem koni) których użytkownik uległ awarii ku ku pamięci ku pamięci boek prins. boekhouden boekhoudkundige. bibliotheek koningsdochter. wie. welke. aangaan vormen. een of andere enig. vormen. boekenwinkel boekhandelaar boekhoudkundige. brochure boek paperback. welke. voor. wie. een of andere. formeren. een of andere een of ander. enig.

eelt. makker. kop kan. drom.ku wschodowi Kuba kubek kubek kuca kucanie kucharz kuchence kuchni kuchnia kucyk kufer kuglarz kukiełka kukułka kukurydza kukurydza kukurydzą kukurydzą kula kula armatnia kulawy kulą kulić się kulić się kulisty kulka punktor kulka gradu kult kult kultowy kultura kultura kulturalny kulturą kultywował kumpel kumpel kumulować kunszt kup kupą kupca kupca kupiec kupiec kupna kupno verzenden Cuba kopje. bouw ontwikkeld. koper. hagelsteen cultus. kameraad. in elkaar duiken in elkaar duiken. oven keuken. in elkaar duiken in elkaar duiken. eredienst. koopman neringdoende. eredienst. opeenhopen kunst aankopen boel. eelt. kruik hurken. handelaar. kreupel. bol. gebied mank. handelaar. hurken koken kachel. geleerd cultuur. aanbidding cultus. verering adoratie. winkelier afnemer. kookgelegenheid pony borst. koopman koop. teelt. beschaving. ophopen. klant zakenman. hinkend kruk hurken. bewerken. inkoop. teelt. inkoop. omgeving. bouw bebouwen. maïs kruk kloot. maïs eksteroog. kornuit accumuleren. menigte. hurken ronde kogel hagelkorrel. aankoop . aankoop koop. beschaven cultuur. beschaving. likdoorn mais. massa zakenman. sfeer. hoop. boezem jongleur marionet koekoek eksteroog. likdoorn mais. verering beschaving. kweken paren maat. kookgelegenheid keuken.

kip kippevlees. doek naaien. kleppen. aanlokkelijk aanvechting. verlokken. kip kippevlees. cursus. kop. zieke galmen. colbert. weglokken in verzoeking brengen. cureren kuur. inkoop. in omloop zijn. tap. charlatan. klas cursor cursor circuleren. beieren kippevlees. wijk. charlatan. gordijn. klasse. kwakzalver bedrieger. route. gezant patrijs patrijs tracé. behandeling patiënt. ineenkronkelen kraan. bekoren nicht smeden vierkant buurt. leergang. temptatie. koers titel. stadswijk vierkant bedrieger. voucher. kip behandelen. voucher. buis jasje. kaartje. rondgaan jasje. aflopen. colbert. weglokken in verzoeking brengen. onderschrift. kwakzalver Quakerbevoegdheid. scherm. kwalificatie . kip ineenkrimpen. gordijn.kupon kupon (np. tapkraan haan afgezant. verleiding verleiden. coupon aankopen koop. neuken stof drijfzand stof verleiden. graad stand. kaartje. bekoren lekker. scherm. aankoop aankopen kippevlees. premiowy) kupować kupować kupuwać kura kuracja kuracja kuracjusz kurancie kurą kurczak kurczę kurczyć się kurek kurek zamykający kurier kuropatwa kuropatwą kurs kurs kurs waluty kursor kursor wyboru kursować kurtka kurtka dwurzędowa kurtyna kurtyną kurwa kurz kurzawą kurzyć kusić kusić kuszący kuszenie kuś kuś kuzyn kuźnia kwadracie kwadrans kwadrat kwakać kwakanie kwakier kwalifikacja bon. doek overgordijn. coupon bon. bode. buis overgordijn. verlokken.

niet-ingewijde schoensmeer. haakje laboratorium sauzen. april voor voldaan tekenen. haakje kramp. wijk. vraag.kwalifikacją kwartał kwartał kwas kwas o wysokim stężeniu kwaskowaty kwaśny kwaśny kwatera główna kwatery kwestia kwestia kwiat kwiat kwiat kwiat z rodziny compositae kwiecie kwiecień kwit kwitnący kwitnąć kwitnąć kwitnąć kwitować kwocie kwocie kwota kwota kwota jednopensowa l. summa tal. summa stuiver. getal somma. aantal. pop tonnetje. gieten. totaal. nietje. bedrag. mn. kwiteren tal.mnoga parentheses nawias okrągły laboratorium lać lać lać się ladacznicą ladny laguna laguną laik lak lakier lakier (bezbarwny) lakier bezbarwny lakować lalą lalka bevoegdheid. rob tonnetje. som. kustmeer leek. zeerob. stortregenen afranselen opspatten. zaak kwestie. vakterm zuur zuur sluw zuur zuur hoofdkwartier buurt. verspuiten. bloeiend bloem bloesem fanfarekorps. kwiteren fleurig. penny cactus kramp. stuiven hoer. stadswijk term. som. behaaglijk. wijk. pop . aangenaam lagune. nietje. affaire. lichtekooi. lakken zeehond. kustmeer lagune. totaal. bedrag. lakken verlakken. schoencrème verlakken.mnoga nawias okrągły l. ding. aantal. getal somma. stadswijk aangelegenheid. prostituée genoeglijk. klamp. fanfare voor voldaan tekenen. navraag bloem bloesem bloem bloem bloesem grasmaand. <cactuses> lub <cacti>) kaktus l. kwalificatie buurt. lakken verlakken. klamp.

vuurbaak aansteker. ophef. klep luipaard. kroost. in omloop aan land gaan. rumoer. flambouw lantaarn lantaarn vuurtoren. steen en been klagen rouwen weeklagen. toorts. bevorderen terugvallen herrie. toorts. zaad latrine laurier. klep schuif. landen aan land gaan. doch kuur. drijven fakkel. bos belemmeren. vuurmaker latex jaar zomer wijnstok. flambouw fakkel. afsluiten. landen daling. landing daling. wingerd nakomelingschap. lawaai larve woud. landing aanvliegen les maar. leven. lauwer lavalawine lawine circulerend.lament lamentować lamentować lamentował lampa lampa elektronowa lampa elektronowa zawór lamparcie lampart lampą lampka lansować lapsus larum larwa las laska laska laska lata latać latać przed oczami latać przed oczami latarce latarka latarni latarnia latarnia morska latarnik lateks latka lato latorośl latorośl latryna laur lawa lawina lawiną lawirować ląd lądować lądowanie lądowanie (samolotu) lecieć leckja lecz leczenie weeklagen. afdammen staf. panter luipaard. steen en been klagen lamp schuif. stok suikerriet zomer aanvliegen aanvliegen zwemmen. steen en been klagen weeklagen. lichttoren. behandeling . panter lamp lamp promoveren.

nauwelijks. volksoverlevering legendarisch legende. kruid medicijn. vereenzelvigen spel trechter trechter dope. drogerij. aanmaken atleet sport aansteken. luiaard ai. genezen. medicinaal. geneeskundig behandelen. kruid dope. drug. luiaard lui lui . helen doctor medicus. nauwelijks getuigen. nalatigheid les les aansteken. drogerij. geneesmiddel helend. helen behandelen. helen beter maken. medicinaal. kwalijk. legaal legende. amper amper. cureren kwalijk. kwalijk. certificeren wettig.lecznica leczniczy leczyć leczyć leczyć leczyć ledwie ledwie ledwo ledwo legalizować legalny legenda legendarny legendą legią legion legislacją legitymować legumina lej lejek lek lek lekarski lekarstwa lekarstwo lekarstwo lekarz lekarz lekceważenie lekcja lekcją lekki lekkoatleta lekkoatletyka lekkostrawny leksykon automatyczny leksykon zautomatyzowany lemoniada lemoniadą len lenistwa lenistwo lenistwo leniwiec leniwy leniwy kliniek helend. kruid beter maken. doen ontbranden. genezen. arts. gewettigd. drug. drug. drogerij. cureren genezen. dokter. geneeskundig dope. nauwelijks amper. nauwelijks. doen ontbranden. artsenij. volksoverlevering legioen legioen recht identificeren. beter maken. kwalijk amper. geneesheer nonchalance. wettelijk. aanmaken glossarium glossarium limonade limonade vlas luiheid luiheid ai.

tal nummer. mijn. vendu. metrum. geheel majoor och. leen beter teren vochtig opperste. getal rekenen. veilingmeester auctie. mijn. betamen. afslager. krik linker-. licentie kandelaar. afslag. vrijzinnig liberaal. Libanon liberaal. tegengesteld vijzel. leenman leengoed. veiling vendumeester. versmaat calculeren. getal. lauw leeuw omgekeerd. vendu. blaker behoren. tal heel. averechts. vrijzinnig het hoofd bieden vergunning. horen. Turkse staatsraad. cijfer onbekrompenheid. veiling tal. oh. ach. getal. cijferen aantal. tal nummer. evenredig tal. lauw zoel. links kruiden divan. superieur beter bramsem hout doffe onverschilligheid. prevalent. aantal. afslag. passen auctie.lennik lenno lepiej lepik lepki lepszy lepszy (zobacz <good>) leszcz leśny letarg letni letni lekko ciepły lew lewa strona lewarek lewy lewy ukośnik leżakowanie leżance leżeć lękać się Liban liberalny liberał lica licencja lichtarz licował licytacja licytator licytować liczba liczba liczba całkowita liczba dziesiętna zmiennopozycyjna liczba poza zakresem liczba rzeczywista liczba zmiennoprzecinkowa liczba zmiennoprzecinkowa liczba zwojów liczbowy liczebnik liczebnik liczebność liczenie liczniejszy (zobacz <many>) licznik liczyć vazal. dommekracht. cijfer aantal. rekenen. lethargie zoel. ah proportioneel. aantal. berekenen . getal aantal. rustbank liggen kwartel Libanongebergte. overvloed in aanmerking komen. getal. links linker-. meetellen meer meter.

liga. begrenzen. uitschakelen lelie lelie baai. liquideren. hengelsnoer hobby vislijn. begrenzen. snoer. brief . drank. beknotten beperken. begrenzen. snoer. taalkundig vislijn. sim. hooimaand tekst vos lispelen zendbrief. liquideren. snoer. brief geloofsbrief zendbrief. snoer. elimineren. tal meten. hooimaand juli. sim. verbond likeur alcohol. getal. beknotten beperken. taalgeleerde taal-. epistel. meetellen telraam. begrenzen. beknotten beperken. berekenen in aanmerking komen. linoleum kalk kalk juli.liczyć liczyć liczyć liczyć (<on sb> na kogoś) liczyć na liczyć na liczydło lider lidze liga likier likier likwidować likwidować (się) likwidować się lilia lilią liman limicie limit limit czasu odpowiedzi limit liczby sesji lina holownicza lina holownicza lingwista lingwistyczny linia linia autowa linia łącze linia programu liniał linijka linijka (do rysowania) linijka z podziałką linijka z tabulatorami link editor linka linka/lina holownicza linoleum lipa lipą lipca lipiec liryczny lis Lisp list list polecający list przewozowy meten. aanvoerder. koord. inham. opheffen afwikkelen. lijn taalkundige. kreek beperken. meester worden aanslag liniaal linker kabel. epistel. linguïst. tros trekken vloerzeil. liga. getal. sim. hengelsnoer liniaal liniaal onder de knie krijgen. abacus gebieder. beknotten vislijn. hengelsnoer lijntje. meetellen aantal. berekenen in aanmerking komen. opheffen afvoeren. koorde. tal aantal. baas bond. alcoholische drank afwikkelen. verbond bond. chef.

litterair. slachtmaand loof. letterlijk letterkundig. koelcel ijsco. brief uitlisten. slachtmaand november. epistel. litterair. literair woordelijk. ijs. brief zendbrief. brievenbesteller november. epistel. een lijst maken aangeven uitlisten. litterair. literatuur.list uwierzytelniający lista lista lista związana listek listek listonosz listonosz listopad listopadowy listowia listwa liszaj liść litania litanią litera litera z literacki literal literał literał boole'owski literatura literatura literaturą literaturoznawstwo literować literować znaczyć literowy litość litr liturgia Litwa litwin lizać Lizbona liż lniany locie loczek loczek lodowaty lodowca lodowiec lodówka lody logice logiczny zendbrief. epistel. ijskoud. ingenaaid boek postbeambte. een lijst maken vel. literatuur. letterlijk schade. gebladerte. blad litanie litanie zendbrief. consumptie-ijs. brief letterkundig. literair litteratuur. letterlijk woordelijk. postbode postbode. letterlijk woordelijk. blad brochure. paperback. literair spellen spellen woordelijk. vliegtocht krullen slot ijzig. ijsje logica logisch . ijsgletsjer gletsjer koelkast. iets betreurenswaardigs liter liturgie Litouwen Litouws likken Lissabon likken linnen vlucht. letterkunde letterkundig. letterkunde litteratuur. bladertooi lat herpes vel.

toneelkijker lotsbestemming. ruimte plaats. oord. aviateur. incidenteel incidenteel.) lód lśniący logica logica logica logica logica werkelijk. vlieghaven luchthaven lotus. wezenlijk getrouw. leggen. plaatsen Londen graaf lord lord kijker. plek plaats. verloting drijfzand hang-glider vliegwezen. oord. verloting loterij. lokaliteit. aviatiek. lokaliteit. trouw. luchvaart vliegwezen. oord. ijsco. loodsen vliegveld. rolklaver boksen ijsje. trouwhartig krullen plaats. vliegtocht vlieg loterij. ijs. ruimte situeren. vlieghaven vliegveld. lokaal. vliegenier strooibiljet binnenbrengen. consumptie-ijs glanzend.logika logika formalna logika matematyczna logika ujemna logika większościowa lojalnie lojalny lok lokacją lokal lokalizacja lokalizować lokalny lokalny obszar danych lokator lokator lokomotywa lokomotywa lokomotywą lokować Londyn lord lord lord (jako tytuł) lornetka los los losowy losowy dowolny losowy dowolny lot lot loteria loterią lotne piaski lotnia lotnictwa lotnictwo lotnik lotnik lotnik lotniska lotnisko lotnisko lotos loża (teatr. toevallig toevallig. loyaal. lumineus. briljant . incidenteel vlucht. bestemming. aviatiek. leggen. lot kavel. lokaal plaatselijk. lokaal aanwezige huurder locomotief motorisch motorisch situeren. plaatsen plaatselijk. binocle. perceel toevallig. luchvaart vlieger.

getapt. bres. leeg. februari uitvoeren. lor. telescoop. soldeersel sprokkelmaand. blanco. lunch sterrenkijker. lomp. humaan mensdom. vat. bij wijze van. grauw of of of hoe. rul mul. verrekijker afspiegelen afspiegelen soldeer. soldeersel soldeer. lap. blank glacé suiker Luxemburg weeldeartikel. een bres slaan in loos. volk. oningevuld. spelen. flard . lui. tot hoe. soldeersel Lucifer volk lieden. luxueus twaalfuurtje. mensheid ton. lens. soldeersel soldeer. bij wijze van.lub lub LUB wykluczające LUB wyłączające lubić lubić słodycze luce lucie lucyfer lud lud ludność ludowy ludowy ludzie ludzki ludzki ludzkość lufa luka luka luka w świadomości lukier lukier syntaktyczny Luksemburg luksus luksusowy luksusowy lunch lunecie lusterka lustro lut lut srebrowy lutego lutni lutnia lutować lutować lut lutowie luty luz luźno luźny luźny kawałek lżyć łabędź łach grijs. krenken. voor. voor. februari luit luit soldeer. affronteren zwaan vodje. hol wit. gaping soldeer. als. soldeersel sprokkelmaand. ledig. veelgeliefd lieden. rul beledigen. mensen menselijk menselijk. volk. lui. fust een bres slaan. luxeartikel luxueus. weelderig weelderig. als. tod. voorspelen losjes mul. vod. soldeersel soldeer. mensen bevolking volk populair. tot opening.

schavuit. zachtmoedig. flard Latijns Latijns aanvoeren. gotisch lettertype barst puzzel. stalen omleggen. buit maken scheppen. nietje poot. bevelen genoeglijk. lankmoedig zachtheid. weekheid zacht. bevallig. beschuldiging laden verkrijgen. keten ketting. aanflitsen. aangaan poot.łachman łacina łaciński ład ładny ładny ładować ładować ładować (system) ładować do pamięci pobieranie ładować szuflą ładunek ładunek łagodnie łagodność łagodność łagodność łagodność łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny (klimat) łagodzić łagodzić łagodź łajdak łakomy łamać łamać (się) łamać zabezpieczania (w szczególności usuwać blokady przed nielegalnym użyciem programu) łamigłówka łamliwy łania łańcuch łańcuch znaków łańcuch znaków mieszanych łańcuch znaków mieszanych Łapa łapa łapać łapą łapówce vodje. weekheid liefelijk. ellendeling. zacht. sierlijk vriendelijk. voorkomend verdunnen. zachtaardig zoet. omschakelen. commanderen. zachtaardigheid zachtheid. lading aanklacht. zoet. tod. behaaglijk. opscheppen goederen. ploert begerig. aangenaam vriendelijk. onderbeen. keten koorde. omkopen . voorkomend goedertieren. zacht gracieus. lor. verbasteren. malsheid. liefelijk vriendelijk. snaar haakje. behalen. schappelijk. klamp. broos achterste ketting. been aanfloepen. belust. beschuldiging zachtjes. aardig laars aanklacht. happig. stemband. vod. voorzichtig zachtaardigheid mildheid. raadsel breekbaar. verzwakken harden. keten ketting. overschakelen boef. lomp. beminnelijk. temperen. malsheid. gretig afbreken breuk. carga. been bederven. zachtaardigheid zachtheid. lap. onderbeen. mildheid. mild.

lessenaar badhuis. genadigheid. wei samenhang. weiland. zitbank bank bank. lapwerk. verbinding monteren. ingezet stuk bries. weide. voorafgaand blijvend. accordeon communiqué communiqué inclusief aansluiting . zitbank lezenaar. makkelijk handelbaar. vlot. wellen samen. zitbank jury bank. trilgras met gemak. verbinding samenhang. lapwerk. marter gunst. aanhoudend lap. vlot. zetten lassen. ingezet stuk lap. badplaats badhuis. verbinding monteren. zetten monteren. beemd. snoer. badkamer. begunstiging sierlijkheid Gratie kriebelen.łapówka łasica łasicą łaska łaska łaska łaskotać łaszt łaszt łata łatać łatka łatwizna łatwo łatwo wpadający w złość łatwopalny łatwość użytkowania łatwowierny łatwy łatwy łatwy do zagrania ława oskarżonych ława przysięgłych ława przysięgłych ławą ławica ławka ławka szkolna łazience łazienka łaźnia łące łącze łącze łącze ATM łącze odbiorcze łącze typu "backhaul" łącze wsteczne łączenie w pary skręcanie wiązek parowych (przewodów) łącznie łącznik łącznik łącznik obwodów drukowanych łączność transmisja łączność zdalna łączny łączówka bederven. ingezet stuk lap. allicht brandbaar meegaandheid. verleden. verbasteren. hengelsnoer trekharmonika. gedweeheid lichtgelovig licht. makkelijk dok bank. zetten samenhang. lapwerk. badplaats bad. kietelen voorgaand. badkuip grasland. badkamer. tezamen. bijeen. allicht met gemak. volgzaamheid. omkopen wezel. marter wezel. sim. ineen bewerker vislijn. inschikkelijk licht.

verbinden. lid worden. verbinden. combineren verbinden. lemmet schouderblad kling. aansluiten samenvoegen. aaneenvoegen samenvoegen. weiland. afranselen zalm eland eland Lets . echtelieden wijzerplaat zich aansluiten. combineren laden grasland.łączówka łącznik łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć konsolidować łączyć (się) łączyć n wiązanie łączyć się łączyć się łączyć zestawiać układać (arkusze książki) kolacjonować (porównywać teksty) sortować (wydrukowane kartki) łączyć złączyć scalić mieszać łądować łąka łeb łechtać łgać łkać łodydze łodydze łodyga łodyga łodyga trzon rdzeń łokcia łokieć łom łona łona łono łono (osoby siedzącej) łopacie łopat łopata łopata łopatka (wirnika łopatka kość łopatka wirnika łoskot łosoś łoś łoś amerykański łotewski aansluiting zich aaneensluiten. stam elleboog elleboog koevoet. lemmer. stoot. plassen. verbinden. toetreden aansluiting monteren. lid worden. toetreden lassen. temperen. mixen. combineren zich aansluiten. kietelen liggen snikken schrijden boomstam. zetten samenvoegen. aan elkaar vastmaken echtpaar. wellen bijeenbrengen. hefboom. mengen samenvoegen. steek. beemd. schoppen. de weg wijzen. weide. spitten. opscheppen pek. lemmer. kabbelen. prik scheppen. spaak boezem. opscheppen woelen. klapperen scheppen. wei geleiden. stam schrijden opslaan boomstam. leiden kriebelen. borst baarmoeder baarmoeder klotsen. kletteren. verbinden. combineren vermengen. lemmet afdrogen. graven kling.

kaarsvet. romp. schuit talg. doorslikken. bodem. schuit boot. ploert. jassen kalf mondvol. inslikken slikken. bloemperk nageboorte perk. bed. aanflitsen. aangaan hoek vissen perk. romp. schuit boot. bed. schoelje. schaal scheepsromp. borrel resorberen. schoenhoorn . talk ledikant perk. orzechy) łupież łupina orzecha łupiną łupki łusce łuska łuskać łuskać łydka łyk łyk łyk łyk łykać łysy łyżce łyżeczce łyżeczka łyżeczka do herbaty łyżka łyżka do butów rotzak. illusies wekken bij toog. opslorpen. rugschild. kogel. bol boot. smeer. afpellen. casco lei schil. schaal schild. kaalhoofdig pollepel theelepeltje theelepeltje theelepeltje pollepel schoenlepel. dop. dop.łotr Łotwa Łotysz łowić łowić na wędkę łowić ryby łożko łożyska łożysko łożysko (techn. hap aperitief. tuinbed. reuzel. tuinbed. bed. doorslikken. pakken. loeder Letland Lets aanfloepen. bloemperk lager kloot. tuinbed. schaal scheepsromp. schors. bodem. boog boog. toog buit beetnemen. toog boog. bed. slurpen slikken. bloemperk begoochelen.) łożysko kulkowe łódka łódź łódź żaglowa łój łóżka łóżko łóżko łóżko piętrowe łudzić się łuk łuk łuk termoelektronowy łup łup łupać łupać (np. beetkrijgen barst splinter roos schil. inslikken kaal. bloemperk kinderbed perk. schors. casco schillen. tuinbed.

bandrecorder magnetisch magnetisme mohammedaan. hebbelijkheid baarmoeder gietvorm. boerderij. voelhoorn. matrijs ouder. verhevenheid oprijlaan. bezitting spul. magie magisch. zwaaien werktuiglijk. wuiven. glijmiddel vaneenscheuren. toverachtig goochelaar onder de knie krijgen. islamiet.łyżwa łza łza mach machać machinalny machlojce macica macierz macierz matryca macierzysty maciorą macka macocha Madonna madonną Madryt magazyn magazyn kolorów magazyn kolumn magazyn pocztowy magazyn wiadomości magazynek magia magia magiczny magiczny magik magister magistrala magistrala szybka magistrala szybka magnes magnesować magnetofon magnetyczny magnetyzm mahomatanin mahometański maj maj majaczyć majątek majątek majestacie majestat majestatycznie iść majestatyczny schaats. moslim mogen bloeimaand. meester worden verbinding. automatisch aanwensel. ra stiefmoeder Madonna Madonna Madrid pakhuis. goedje. moeder uitzaaien antenne. islamiet. magie magisch. toverachtig toverkunst. matrix. stof. matrix. mei krankzinnig zijn goed. kardoes toverkunst. doorscheuren gescheurd mach gebaren. moslim mohammedaan. statig. krant pakhuis. combinatie autobus grote weg. spriet. warenhuis winkel patroon. verhevenheid statigheid. verkeersweg magneet magnetiseren magnetofoon. magazijn. landgoed. warenhuis opslaan blad. zelfwerkend. majestueus . substantie statigheid. magazijn. oprit plechtstatig. matrijs gietvorm.

trip. tocht. krik onderbroek onderbroek papaver griezelig. minuskuul framboos framboos verven. maximaal spits. afnemen propperig. onbekend. geen. schilderen verven. jungle. rimboe malaria schildering. piek sententie. neus. maximaal snelheidsgrens maximum-. schilderij schilder. top. doek. punt. verver. nee. klein. kleuren. huisschilder afdraaien. griezelig ijselijk. spreuk verminderen. blanketsel. toer pottenbakker vijzel. dommekracht. donker aap . doek.major majówce majstrować majtek majtki majtki (damskie) mak makabra makabryczny makabryczny makaron makiecie makieta makijaż makler makler giełdowy makrela maksimum maksymalna szybkość maksymalny maksymalny maksymą malał malał malaria malaria malaria malarstwa malarstwo malarz maleć maleć maleńki malina maliną malować malował malowidło malowniczy Malta Maltańczyk maltański maltretować mało mało tego mało znany mało znany małpa majoor uitstapje. kleuren. verminderen koorts oerwoud. make-up makelaar makelaar makreel maximum-. schilderij schilderachtig. verlagen verminderen. niet weinig obscuur. minuscuul. tip. schilderen schildering. pittoresque Malta Maltezer Maltezer gescheld weinig neen. zinspreuk. doek. afschuwelijk macaroni modelleren modelleren schmink. eng eng. afnemen inkorten. excursie. schilderij schildering.

vertonen laten blijken. manipuleren. hanteren . kruk. manifesteren peddelen. klein. luttel. door het water plassen kattekop oor. echtverbintenis echtgenote. brommen. lastbrief mandarijn (vrucht) volmacht. man eega. mompelen. brommen. mandaat. mam. mangoest obsessie manicuren trant. luttel. kaartje rangeren. mummelen morren. manoeuvreren manoeuvreren. manoeuvreren manoeuvreren. karig compact. echtgenoot. echt. echtverbintenis huwelijk. wijze. gering. ichneumon. pronken demonstreren. vrouw gemaal. mompelen. eega. paraderen. wijze. lastbrief biljet. klein min. min. klein. manier trant. hengsel. rangeren rangeren. luttel. ma. karig wieden. schoffelen min. manier demonstratie. mummelen morren. mompelen. ma. handvat. hebben mummie morren. plaatsbewijs. echtgenoot erop nahouden. gering. echt.małpa małpa bezogonowa małpa człekokształtna małpa człekokształtna małpą małpi mały mały mały mały mały sygnał małych rozmiarów zbity małż małżeństwa małżeństwo małżonce małżonek małżonek mam mamą mamrocz mamrotać mamrotanie mamusia mamusia mamusia mandacie mandarynka mandat mandat manewr manewr manewrować manewrować manewrował mangusta mania manicure maniera manierą manifestacja manifestacja (uczuć) manifestować manifestować manipulator drążkowy manipulator kulowy manipulować manipulować aap aap aap aap aap aapachtig minder. mamma mummie volmacht. gemalin. klink omgaan met. mandaat. dicht mossel huwelijk. man. echtgenote. mummelen mammie. mamma. mam mammie. bewijs pralen. vertoning. min gering. prijken. brommen. karig. eega. rangeren mungo. rangeren manoeuvreren.

kaart strekking. kaart landkaart. opmaken. rand kant. baanvlak verdriet doen. manuscript. opmaken. doel moralist. kaart landkaart. kopij handschrift. wortel peen. marcheren peen. verdoen goedkoop Marokko Mars lentemaand tippelen maart lopen. tekenen jam. route. manuscript. rand marionet marionet merken. kaart landkaart. marge. deficit. wortel margarine margarine kant. kreukelen. manipuleren.manipulował mankiet manko manuskrypcie manuskrypt mapa mapa mapa alokacji (pamięci) mapa bitowa mapa przydziału mapa schemat wykres mapa termiczna mapą mapce maralista marca marca marca marca marchew marchewce marchewka margaryna margaryną margines margines na spad margines zewnętrzny marionetce marionetka marka marmolada marmur marnie marnotrawstwa marnotrawstwo marnować marny Maroko Mars marsz marsz marsz marsz marszczyć marszczyć (się) marszczyć się marszrucie martwić omgaan met. kaart landkaart. marge. kopij bitmap landkaart. hanteren manchet kastekort. moes. kaart bitmap landkaart. wortel peen. bedoeling. beproeven . frommelen onduleren reisplan. verdoen verklungelen. marcheren rimpelen. tekort handschrift. marmelade pilletje ellendig verklungelen. fronsen verfomfaaien. marge. plan. verdoen verklungelen. bedroeven. rand kant. opmaken. tracé. zedenmeester lentemaand tippelen maart lopen.

zouten. bewimpelen. zorgen doods. maskeren karnen bemantelen. zorgen verdriet doen. marcheren dromen. gedroom. bloedbad moordpartij. inleggen. bloedbad moordpartij. maskeren bemantelen. beproeven bezorgd zijn. buis jas. boel mops. colbert. buis jasje. menigte. zouten. marge. buis marine. bedremmeld. grootte achtergrond. bestek. dodelijk doods. inmaken lentemaand tippelen maart lopen. zouten. zeemacht jasje. zich bekommeren. ondergrond drom. bedroeven. inmaken pekelen. maskeren maskering maskering maskering boter boter vrijmetselaar vrijmetselaar metselaar metselwerk vrijmetselaarskneden masseren . bodem. hoop. colbert. colbert. rand omvang. zeemacht pekelen. grond.martwić martwić martwić się martwić się martwy martwy sezon marynacie marynarce marynarce marynarka marynarka handlowa marynarka wojenna marynarka wojenna marynata marynować marzec marzec marzec marzec marzenia marzenie marzł marzyć marża masa masa masa masa gliniana masakra masakrą masakrować masaż masce maselnica maska maska wprowadzania maskarada maskarada IP maskaradą masła masło mason mason mason masoneria masoński masować masować beduusd. inmaken jasje. zich bekommeren. mijmeren kant. mijmeren mijmering. overjas marine. mopshond moordpartij. inleggen. bloedbad masseren bemantelen. bewimpelen. gemijmer vriezen dromen. beteuterd bezorgd zijn. inleggen. dodelijk pekelen. massa. bewimpelen.

materialiseren verstoffelijken. moeder schablone. menigte. calculator schrijfmachine naaimachine machine machine machinerieën typiste typiste machine mechanisch. spullen . hoop. grootte drom. ding. ding. mathematisch mathematicus. affaire. materieel weefsel aangelegenheid. boel afslachten. mathematica matras aangelegenheid. werktuiglijk prieel constructie. affaire. mat aangelegenheid. affaire. ding. nabootsen. nadoen paren schaakmat. mat ouder.masowy masowy masowy mord masywny maszcie maszerować maszerować maszerować maszerować maszt maszyna maszyna maszyna do obliczeń maszyna do pisania maszyna do szycia maszyna wykorzystywana do budowania oprogramowania maszyną maszyneria maszynistce maszynistka maszynowy maszynowy maszyny maszyny budowlane maszyny elektryczne maszyny rolnicze maszyny) maść maść maśladować mat mata mata mata antyelektrostatyczna matce matem. massa. zaak dingen. marcheren mast locomotief machine rekenmachine. Macierz matematyczny matematyk matematyka materac materia materializować (się) materializował się materialny materiał materiał materiał omvang. bestek. bouw. materialiseren stoffelijk. zaak schaakmat. saus imiteren. patroon. aanbouw prieel akkerbouw trechter vla smeersel. slachten massief mast lentemaand tippelen maart lopen. sjabloon wiskundig. zaak verstoffelijken. wiskundige wiskunde.

valstrik. matrix. automatisch mechanisch. afleveren mos mecanicien. werktuigkundige mechanica.materiał do robienia worków materiał podłogowy materiał podłogowy materiał wybuchowy materiał wypełniający matka matka przełożona matni matni matowy matrona matroną matryca matryca matryca ostrzy matryca przełączająca matryca rdzeni matrycować mazać mazaniną maź mące mącić mądrość mądry mąka mąka mąż mdleć mdleć mdłości mdły meble meblować mech mechanice mechanice mechaniczny mechaniczny mechanik mechanika mechanika statystyczna mechanizm mechanizm mechanizm zegarowy mecz mecz bokserski meczący kunst doordringend. mat intendante intendante gietvorm. bloem storen. werktuigkunde mechanica. optreden. spullen laken ouder. bloem bloem. walg. sjabloon gietvorm. val schaakmat. handeling. werktuigkundige mechanica. matrijs gietvorm. inboedel leveren. eega. taai. hinderlaag. echtgenoot. besmeren invetten meel. vermoeiend. gedoe machinerieën locomotief lucifer lucifer saai. doorsmeren. meel gemaal. wijs meel. werktuiglijk mecanicien. fel. patroon. matrijs modelleren. ameublement. guur. bestellen. materieel dingen. bewusteloos raken misselijkheid. sauzen. man zwak bezwijmen. hinderen wijsheid verstandig. werktuigkunde actie. melig . walging. patroon. doorsmeren. sauzen. matrix. belemmeren. afkeer poeslief huisraad. matrijs schablone. arglist slag. moeder abdis valstrik. matrix. vroed. zelfwerkend. boetseren schablone. bijtend stoffelijk. sjabloon smeren. besmeren smeren. werktuigkunde werktuiglijk.

medaille Milaan medicijn. opzichter. melancholiek weemoedig. vergaderen beeldspraak. meteorologie . meier pepermunt. temperen. gedenkschrift bestuurder. nadenken Mekka Mexico Mexicaans Mexicaans weemoedig. adverteren informeren. berichten. burgervader Mercurius kwikzilver. deuntje. mentaal kaart kaart burgemeester. bijeenkomen. geneesmiddel medicijn. melancholiek aandienen. droefgeestig. mengen gedaanteverwisseling. munt geestelijk. kruizemunt. metafoor beeldspraak.meczecie meczet medal Mediolan medycyna medycyna nuklearna medycyna sądowa medyczny medytować mekce Meksyk Meksykanka meksykański melancholia melancholią meldować meldunek melodia melodia melodia melodią melodramat melodramatyczny melon memento menażer menażerią menedżer plików mennica mennicą mentalny menu menu skrótów mer Merkury Merkury meszek meszek met metafora metaforą metal metaliczny metalowy metamorfoza (efekt graficzny) metamorfozą meteor meteorologia moskee moskee penning. geneeskundig peinzen. aankondigen. beheerder. administrateur dierentuin intendant. melodie in een stemming brengen. melodie melodrama melodramatisch meloen aandenken. nesthaar. deun. beeld. munt pepermunt. metamorfose meteoriet weerkunde. geneesmiddel medicijn. sluimeren. stemmen wijs. inlichten lucht wijs. mixen. medicinaal. beeld. dutten samenkomen. kwik waas. geneesmiddel helend. wijsje. artsenij. artsenij. wijsje. metafoor metalen metalen metalen vermengen. kruizemunt. deuntje. artsenij. mediteren. dons druilen. droefgeestig. deun.

damp. nevelig nevel. stelsel. nevel. dringen. aanstelling namelijk. bedillen vervagen mistig. metropolis. versmaat meter. meeuw zeemeeuw. drukken kwellen. opdracht. nevel. floers mij. naam benoemen. metropool metriek metriek zeemeeuw. taai. vermoeiend. mist. koeioneren. naamwoord. meeuw doodsangst. dampig. martelaar knellen. damp. floers.meteoryt metoda metoda metoda złożona (z metod podstawowych danego obiektu) metodą metodyczny metodysta metr metr metra metro metropolia metropolią metryczny metryka mewa mewą męczarnie męczący męczennik męczyć męczyć mędrzec mędrzec hinduski męka męska spódniczka szkocka męski męski męskoosobowy mężczyzna mężny mgiełce mgiełka mgliste wspomnienie mglisty mgła mgła mgłą MI miana miano mianować mianować mianowanie mianowicie miara miara odległości meteoriet methode systeem. melig bloedgetuige. martelen salie. doodsstrijd. metrum metro metro hoofdstad. mist nevel. koeioneren. mist. martelen kilt. me benaming. agonie saai. persen. metropolis. Schotse rok mannelijk mannelijk mannelijk mens flink. floers. te weten. braaf. floers damp. metropool hoofdstad. boodschap benoeming. ferm damp. salvia kwellen. versmaat. naamwoord benaming. salvia salie. bestel bewerking methode methodisch. in naam metriek meten . eerlijk. mist haarkloven. naam. dapper. heiig. aanstellen commissie. metrum. schools methodistisch meter.

zaak vont. grote stad stad. kleppen. kom roodkoperen. stadje. lokaal. status. domicilie ruimte. aangeboren burger-. koperen roodkoperen. lokaal. verschillen. norm . adapteren aangelegenheid. beogen. stadsciviel stads-. koperen plaats. open veld plaatselijk. bril woning. rang plaats.miara przymiar miarą miarodajny miasteczka miasto miasto miasto (duże) miażdżyć miąższ miecz mieć mieć aspiracje mieć inne zdanie mieć miejsce mieć na myśli mieć nadzieję mieć rozgłos mieć skłonność do czegoś mieć wkład mieć zamiar mieć zastosowanie mieć znaczenie miednica miedź miedź beztlenowa o wielkiej przewodności miejsca miejsce miejsce miejsce miejsce na dysku miejsce przeznaczenia miejsce zakotwiczenia miejsce zamieszkania miejsce zamieszkania miejsce zamontowania miejsce zdalne miejsce zmieszkania miejsce zmieszkania miejscowość miejscowy miejscowy miejski miejski miejski mienia miernik miernik meten meten competent. toeloop. bezitting metriek regel. najagen uiteenlopen. plek ligging ruimte. deskundig. ding. plek woonplaats. domicilie ligging platteland. grote stad aandrang. plaats wereldstad. lokaal. lokaliteit. oord. schelen gebeuren. stand. plek plaats. bevoegd stad. dingen naar. stedelijk. lokaliteit. beieren geneigd zijn tot. logies. boerderij. run vlees slagzwaard erop nahouden. onderkomen. bekken. aflopen. kwartier woonplaats. plaats bewoning zetel. oord. geneigd zijn. aanpassen. standaardmaat. lokaal ingeboren. stadje. oord. neigen bijdragen mikken. stads landgoed. plaats graad. oord. plaats wereldstad. hebben ambiëren. aan de hand zijn gemiddeld hopen galmen. bedoelen afstemmen. affaire. oord. mikken op.

aanbesteding zoet. temperen. vermengen temperen. onder tussen. gevestigd zijn resideren. mengen vermengen. zacht. door het water plassen bedremmeld. flat appartement. ceremonieel. bewoner. onverschillig meten plechtig. mengeling vermengen. metrum. beduusd. flat woonplaats. maandelijks karnen temperen. kruizemunt. mixen. zacht. resideren. gloren luik luik amandel . ingezetene tussen tussen. mengen Filistijn huizen.miernik zakłóceń mierny mierzyć mierzyć mierzyć miesiąc miesić miesić ciasto miesięcznik miesięczny mieszać mieszać mieszać mieszadło mieszał mieszaniną mieszanka mieszanka rozkazów mieszczuch mieszka mieszka mieszkać mieszkanie mieszkanie mieszkanie z utrzymaniem mieszkaniec mieszkaniec internatu mieszkaniec stolicy między między między siedzibami międzynarodowy międzynarodówce miękki miękki miękki powrót karetki miękki programowalny miękko mięsa mięsień mięso mięśnia mięta migać migać migawce migawka migdał meter. versmaat lauw. zacht. mengsel. gevestigd zijn. mixen peddelen. liefelijk zoet. metrum. beteuterd mengelmoes. afgemeten meter. domicilie inwoner. gevestigd zijn. huizen appartement. munt knipogen. bewoner. voorzichtig vlees spier vlees spier pepermunt. versmaat maand kneden kneden maand-. temperen. onder internationaal internationaal zoet. mengen. pinken flitsen. mengen. vermengen. huizen resideren. ingezetene koloniaal inwoner. liefelijk zachtjes. mixen. flikkeren. mixen. maandelijks maand-. liefelijk gunning. knipperen.

mengsel. flakkeren inhalen mica. knipperen. beminnelijk. lief zacht.migdałek might> mogę might> mogę migocz migotać migotać migotać migotanie migotanie obrazu mijać mika mikrob mikrofilm mikrofon mikroskop mikstura mila mila mila (1609. zachtmoedig. in weerwil van niettegenstaande. flakkeren uitvoeren. liefhebben beminnen. houden van. verbond mijl mijl mijl stil. in weerwil van ofschoon. houden van. zwijgend stil. stil. voorspelen flikkeren. mei flikkeren. beproeving beminnen. mengeling bond. minnares virtuoos vreedzaam. geliefde. flakkeren flikkeren. sprakeloos nog bedaard. al. behaaglijk. houden van. zachtaardig genoeglijk. hoewel. aangenaam niettegenstaande. genoeglijk waard om van te houden beminnenswaardig. glimmer microbe microfilm microfoon microscoop mengelmoes. menslievendheid beminnen. wel . kalm feestelijk inhalen millimeter miljoen militair militair aanhalig naastenliefde. vrijster. liga. aangenaam genoeglijk. hartzeer. zwijgend stom. vredelievend aangenaam. rustig. behaaglijk. mild. liefhebben droefheit. alhoewel. stilzwijgend. spelen. flakkeren knipogen. stilzwijgend. pinken flikkeren.344m) milą milczano milczący milczący milczący milczenie mile widziany milimetr milion militaria militarny milusi miłosierdzie miłosny miłość miłość miłość od pierwszego wejrzenia miłośnik miłośnik sztuk pięknych miłujący pokój miły miły miły miły miły miły mimo mimo wszystko mimo że amandel mogen bloeimaand. liefhebben vriendin.

zending missie. titelhouder. zendeling vont. bewindsman minister. boodschap missie. minimaal miniem. mystificatie beduvelen. bedotten mystiek mystiek misvatten. raadsel fopperij. bewindsman ministerie departement ministerie kantoor schat ministerie mijnbouw min. kom bericht. in weerwil van ongewild.mimo że mimowolny mina mineralny minerał mini minimalny minimum minister Minister Spraw Wewnętrznych ministerstwa ministerstwo ministerstwo ministerstwo ministerstwo skarbu Ministerstwo Wojny minowanie minus minuta miodowy miesiąc miotła miotłą miód miód pitny miraż miriada Misa misja misja misją misjonarz miska miska olejowa mistrz mistrz mistrz mistrz intelektu mistrzowski mistyczny mistyczny mistyfikacja mistyfikacja mistyfikować mistyfikował mistyk mistyk misunderstood miszkaniec niettegenstaande. minimaal minister. verkeerd begrijpen aanwezige . bezem honing honing luchtspiegeling. grootmeester. bezem veger. kunstenaar meester. onopzettelijk aanzien. maëstro onder de knie krijgen. opdracht. vrouwenrok miniem. meester worden kampioen. zending missionaris. minus minuut huwelijksweken veger. meester worden mystiek mystiek puzzel. bedotterij. bekken. schijn. opdracht. kom artiest. beetnemen. bedotten beduvelen. fata morgana myriade vont. voorvechter onder de knie krijgen. aanblik mineraal mineraal rok. kom vont. bekken. bekken. air. beetnemen.

aggregaat hoop. aankomend borst. jeugd hameren hameren hameren afranselen dorsen. vermenigvuldigen veelvoud multipliceren. non in overvloed aanwezig zijn multipliceren. boel . jongeling. houden voor kloosterzuster. jeugd aankomend. hoop. jongeheer puber jeugdigheid. min vermoeden. geloven. jeugd jeugdigheid.mit mitenka mitologia mitologią mitra mityczny mleczarnia mleczka mleć mleć/siekać mięso mleko młocie młodociany młodosć młodość młodszy młodszy urzędnik młodszy wiekiem młody młody człowiek młodzieniec młodzieniec młodzież młot młot (drewniany) młotek młócić młócić młyn młynarz mnemonik mnemonika mnich mniej mniejszość mniejszy mniemać mniemać mniszce mniszka mnożyć mnożyć mnożyć się mnożyć się mnóstwo mnóstwo mnóstwo mnóstwo mythe handschoen mythologie mythologie mijter mythisch zuivelfabriek. non kloosterzuster. drom. mulder mnemonisch mnemonisch monnik minder. opeenhopen. accumuleren massa. gissen menen. beginnend aankomend. drom. min minderheidsminder. menigte ophopen. boel. beginnend aankomend. massa. jeugd jeugdigheid. afrossen. afranselen molen molenaar. menigte. melkinrichting melk fijnhakken fijnhakken melk hameren puber jeugdigheid. vermenigvuldigen aggregatie. beginnend beginnend.

geducht. modificeren wijzigen. voornaamste worstelen. lorkeboom modem ontstekingsbuis. modieus. macht. mobiel. sterk. mogendheid heerschappij. mogendheid vasten pal. zich aftobben fixeren. modificeren wijzigen. in zwang lork. straf hecht. speling modelleren modem moderniseren moderniseren bidden gebed gebed in de mode. urine. mogendheid aanpassingsvermogen aanpassingsvermogen heerschappij. bougie afstelling. fiks. bougie ontstekingsbuis. mode-. potig. moer. spartelen. drasland steil in de week zetten. instelling opmaken. bevestigen. weekmaken. groeve . fors. weken nat mode. opstellen wijzigen. program) modyfikował modystka mogę mogę mogę mogiła mobiliseren los. moeras. modemaakster inblikken mogen bloeimaand. stevig hard machtig krachtig. roerend doordrukken heerschappij. wijs modelleren ruimte. macht. ferm. bestek. redigeren. modus. wereldruim. mei graf. lariks. bepalen pies. modificeren modiste. robuust hoofd-. macht.mobilizować (się) mobilny kod moc moc moc przetwarzania moc użyteczna moc zbioru mocarstwo mocno mocno mocno mocny mocny mocny mocodawcą mocować się mocował mocz moczary moczyć moczyć się moczyć się moda model model Luv modelka modem modernizować modernizował modlić się modlitwa modlitwą modny modrzew modulator-demodulator moduł dodatkowy moduł zarządzania pamięcią podręczną ARP modyfikacja modyfikować modyfikować modyfikować (np. beweegbaar. pis broek.

moreel. kade. samenkomen. aanpassen. monument monumentaal bromfiets moralist. het mijne vochtig landingsplaats. kaai. paraderen. pronken afluisteren bedwingen. bijeenkomen vergaderen. mormel samenscholing vergadering. eentonig monsterachtig. oppermachtig munt. redigeren. aanlegplaats. soeverein. sleur monotoon.moje mokry mola molekułą molo molo moloch moment momentalnie Monako monarcha monarcha moneta moneta pięciocentowa (US) Mongolia mongolski mongolski Mongoł Mongoł monitor monitor monitorować monitorować monolog monopol monopolizować monotonna harówka monotonny monstrualny monstrum montaż montaż montaż powierzchniowy monter montować montował montował montowanie montowanie montując monumencie monumentalny moped moralist moralitecie moralność moralny morał de mijne. saai. gedrochtelijk rotbeest. vorst oppermachtig. moraliteit zedelijkheid. penning. moment. moraliteit zedenkundig. fatsoenlijk mecanicien. geldstuk munt. tel onmiddellijk. opkopen routine. zedenmeester zedelijkheid. prijken. zedelijk . samenkomen. betomen. behoorlijk. opstellen afstemmen. monopolie accapareren. ogenblik. monoloog alleenhandel. steiger wal. adapteren monteur betamelijk. zedelijk zedenkundig. behoorlijk. penning. fatsoenlijk gedenkteken. geldstuk Mongolië Mongool Mongools Mongool Mongools pralen. aanlegplaats. aanlegplaats Moloch oogwenk. perron. moreel. dadelijk Monaco monarch. zitting betamelijk. beteugelen afluisteren alleenspraak. bijeenkomen opmaken. werktuigkundige vergaderen. steiger molecuul landingsplaats.

grauw. afslachten moorden. kapel aanleiding aanleiding onderwerp. vermoorden slachten. gespuis motor. vermoorden abrikoos abrikoos gruiswal. redevoering. thema. morene morfeem morfine morfine morfine morfologie mormoons zee geelkoper. surséance moorden. speech. commandobrug brug. behoren. moeten motel geboefte.morałach moratorium mord morda morderca mordercą morderstwo mordować mordować morela morelą morena morfem morfina morfina morfiną morfologią mormon morze mosiądz moskit Moskwa moskwianin most most drzewa częściowego most zwodzony mostek mostek pomiarowy moszcz motel motłoch motocykl motocyklista motor motor bazy danych motorówka motoryzacyjny motoryzować motoryzował motyka motyl motyw motywacją motywy graficzne mowa mowa mowa wymijająca mozaice zedenkunde. zedenleer moratorium. apropos taal tong rede. canaille. stof. motorfiets motorrijder locomotief motor motorboot motor motoriseren motoriseren schoffel vlinder. dienen. oratie mozaïek . messing muskiet Moskou Moskovitisch brug. commandobrug luchtbrug brug. commandobrug brug. moraal. bek moordenaar moordenaar moorden. commandobrug horen. vermoorden muil.

mogelijk misschien. leiding. pinken drom. aannemelijk bestaanbaar. mei misschien. kundigheid mogelijkheid bestaanbaar. menigte. boel wraak aanvliegen vlieg aanvliegen aanvliegen . schemerdonker. toevallig inblikken de mijne. hersens dom. vijzel mortier. misschien. simpel. krop. spreken spreken. praten spreken. mogelijkerwijs. murmelen (v. hersens kop. somber obscuur. onnozel. vijzel mogelijkerwijs. beekje) flikkeren. mogelijk misschien. nachtvlinder praten. flauw naargeestig. kundigheid bekwaamheid. aanvaardbaar. mogelijkerwijs. podium hersenen. knipperen. mogelijk acceptabel. halfdonker vlees bevroren mier mier aardvarken vorst murmelen. troosteloos. praten tribune. massa. flakkeren knipogen. brein.mozaika mozaika (fotoelektronowa) moździerz Moźdźierz może może może być możesz możesz możliwie możliwość możliwość wyboru języka możliwość wyposażenie dodatkowe możliwość zamontowania w stojaku możliwy możliwy do pomyślenia możliwy do zdegradowania możność móc mój mój mól mów mówić powoli mówić przez nos mównicą mózg mózgownicą móżdżek (potrawa) mroczny mroczny mroczny mrok mrożonki mrożony mrówce mrówka mrównik owadożerny ssak afrykański mróz mruczeć mruganie mrużyć msza mścić się mucha mucha mucha domowa muchą mozaïek mozaïek mortier. donker schemer. m'n uiltje. mogelijk mogen bloeimaand. mogelijk incidenteel. uil. mogelijk mogelijkheid bekwaamheid. mogelijkerwijs. het mijne mijn. brein. hoofd hersenen. onbekend. hoop.

schaal mosterd mosterd mousseline. muil mammie. moeten nodig hebben. hoeven. neteldoek mutatie mutatie muze museum mohammedaan. rugschild.Muhamed mulacie multiplekser multiset multi-set muł mumia mumia mundur mundur mur mur ogniowy murować murowany Murzyn murzyński musieć musieć muskularny muskuł musnąć musowanie musujący muszelce muszkiecie muszla musztarda musztardą muślin mutacja mutacją muzą muzeum muzułmanin muzułmanin muzułmański muzyce muzyczce muzyczny muzyk muzyka muzyka jazzowa muzyka kameralna muzykalny muzykologia my mycie głowy szamponem myć Mohammed mulattin veelvoud tas. rugschild. zwart horen. schuimachtig. muzikaal muziekwetenschap wij. slof. islamiet. behoeven. vijzel bakstenen. behoren. muzikaal speelman. stenen neger-. wand muur. musicus muziek jazz muziek muziek-. wassen. moslim muziek in een stemming brengen. ma. de was doen . muzikant. mousserend schuimend. moslim islamiet. wand mortier. tenue muur. stemmen muziek-. mousserend schild. weiden schuimend. moslim. moeten spierspier grazen. schaal musket schild. islamiet. zak tas. mam mummie tuniek uniform. schuimachtig. zak muiltje. ons. mohammedaan mohammedaan. we het haar wassen uitwassen. mamma. zwart neger-. dienen.

bovengronds verontwaardigd over. afzonderlijk wereldwijd wereldwijd maag daarvoor. ontkomen. overheen. op klaar. rits. even. te afgezonderd. terwijl. jegens. aanhang treksluiting. achtergrond. jegens. binnen. helaas . geaardheid ontsnappen. afgewerkt. afgelopen. op. afgelopen. aandacht aard. met lucht gevuld. met klaar. jammer genoeg. grond aftreden. verkeerd. ritssluiting gedurende. aan de overkant van vertrouwd. karakter. staande korte tijd. op. per. ondergrond. afgewerkt. weerglans gedachte geloven. betrouwbaar jammer. beëindigd aan. indertijd daarbeneden. onder. attentie. met pensioen gaan boven lucht-. om. denkbeeld afspiegeling. tot. beëindigd te. van mening zijn. achten jager jager motregenen motregenen beheerder. om. beneden in het buitenland bodem. onjuist. een fout maken fout. vooraan. administrateur assembler acht. met in. eventjes te. ontgaan indexeren linker leden. tot. foutief muis muis idee. eerder.myć szamponem mydlić się mydła mydło mylić się mylny mysz myszka myśl myśl przewodnia myśl przewodnia myśleć myśliwego myśliwy mżawka mżyć n n n n n n n n n na na na na na na (bardzo krótką) chwilę na (czymś) na (kimś na boku na boku na całym świecie na czatach na czele na dobre i złe na dole na dole na dziobie na gorącym uczynku na górze na kogoś na kotwicy na których gra się uderzając palcami) na niepełnym etacie het haar wassen zeep zeep zeep dwalen. benul. begrip.

behalen koop. nogmaals. buiten.na nowo na nowo przeliczać na nowo przetłumaczyć na odległość na osobę na pewniaka na piechotę na podstawie na pokład na pokładzie na pół na pół na przełaj na przodzie na statku na statku na uboczu na uwięzi na wprost na wprost na wprost na zachód na zakupy itp) zwykle połączone z rozrzutnym wydawaniem pieniędzy na zawsze na zewnątrz na zewnątrz na zewnątrz na żądanie na życzenie nabawić się (choroby) nabić nabierać nabierać nabierać (<on sb> kogoś) nabój nabój nabrzeże nabrzeże nabycie nabyć nabyć nabytek nabyty nabywać nabywać nabywca nabywca van voren af aan. aannemen. zeker boven aan boord aan boord aan boord noorden noorden daarvoor. bepaald. behalen aangeleerd afnemer. verkrijgen. indertijd daarvoor. koper. wal. omhoog. naar boven. vullen een geintje maken accepteren. onder. voor eeuwig daarbuiten. kardoes wal. aanvaarden opdringen. vooraan. doorgaans afgezonderd. vast. terwijl. eruit. afzonderlijk wel degelijk. opwaarts oosten oriënt oriënt. ver in het algemeen. eerder. uiterlijk daarbuiten. eerder. klant . contract invullen. verkrijgen. staande aan. klant afnemer. buiten. op verbintenis. perron acquisitie buit maken. kaai. inkoop. indertijd aan boord gelukkig afgezonderd. aanlegplaats. perron. vooraan. cliënt. spekken. kade. oosten zonsondergang eeuwig. achteraf. kaai. buitenwaarts gedurende. opnieuw van voren af aan. dempen. aanlegplaats kade. opnieuw afgelegen. aankoop acquisitie aangeleerd buit maken. afzonderlijk op. uiterlijk buiten naar buiten. nogmaals. forceren kogel patroon.

wrijven. met lucht gevuld. plakkaat. neigen graad. koker benoorden. aan de hand zijn nationaliseren. koper. mate. zin. neiging helling. naasten afzender. aanvoer lopen. gebieder. beklemtonen neerdrukken. affiche afzender. etui. lust. gebieder. beklemtonen nadruk. belanden. radio uitstralen geldig verklaren geschiktheid afzender. chef aardewerk aardewerk schotel. kade. foedraal. arriveren aanvliegen bezorging. ten noorden van lucht-. schrijden afgemeten. neiging aangrijpen. baas. treden. plechtig. bak. afbeulen. aanvallen aanstrijken. ceremonieel . stappen. bovengronds benoorden. zin. deprimeren pers aanduwen pers naasting nationaliseren. afnemer geneigd zijn tot. ten noorden van nationaliseren. afjakkeren wal. schaal pot. baas. verzender nog gebeuren.nabywca nachylać (się) nachylenie nachylenie nachylenie nachylenie znaków (w czcionce) nacierać nacieranie nacięcie nacinać nacisk nacisk nacisk ciśnienie naciskać naciskać naciskać naciskać prasa nacjonalizacja nacjonalizować naczelnik naczelny wódz naczynia gliniane (i porcelanowe) naczynia stołowe naczynie Naczynie nad nad nad rzeką nadać coś komuś nadajnik nadal nadarzyć się nadawać coś nadawać przez radio nadawać skrośnie (artykuł do grup dyskusyjnych) nadawać ważność nadawanie się nadawca nadawca (przesyłki) nadawca wiadomości nadbieg nadbrzeże nadchodzić nadciągać nadejście nadepnąć nadęty klant. verzender afmatten. glooiing aanvechting. klem accentueren. doos. naasten draadloze. naasten aanvoerder. verzender aanplakbiljet. kaai. aantasten. chef aanvoerder. trap aanvechting. aanlegplaats aankomen. lust. perron. uitwrijven inspringen inspringen accentueren. geneigd zijn.

verwerpen hoekvormig. excessief buitennissig. bloot. flap. botweg ineens. doorbuigen brandend. copieus. uitlaten controleren. hoekig onopgesmukt. afjakkeren. afzonderlijk bijzonder allemachtig buitengewoon. noemen. afmatten gescheld gescheld surplus opblazen spietsen hopen inspecteur. petroleum naftaleen afkeuren. buitensporig. buitensporig buitensporig. nalaten. vermelden excessief. aflezen afgezonderd. kortaf. spoedeisend. abundant. rijk extreem. spoedeisend abrupt. extreem. meester worden opperste. trouwens gescheld gescheld gescheld afbeulen. onbedekt. brandend. excessief houw. slag. nadir gewag maken van. prevalent. bijzonder opmerkelijk. buigen. wraken. bloot ombuigen. onbedekt naakt. onopgesmukt. superieur water overigens.nadir nadmienić nadmiernie nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny ruch w sieci nadmuchać nadmuchiwać nadmuchiwać nadmuchiwanie nadprzyrodzony nadrzędny nadrzędny nadtlenek nadto nadużycie nadużycie v nadużywać nadużywać nadużywać nadużywać (<sth> czegoś) nadużywanie nadwyżka nadymać (się) nadziać coś nadzieja nadzorca nadzorca systemu nadzorować nadzorować nadzwyczajne (wydanie) nadzwyczajnie nadzwyczajnie nadzwyczajny nadzwyczajny nafta nafta naftalina naganą nagi nagi nagi naginać naglący naglący nagle nagle voetpunt. buitensporig uitbundig. opeens . dringend dringend. naakt. mep. klap opblazen opgeschroefd inflatie geestelijk onder de knie krijgen. merkwaardig lampolie olie. extreem. plotseling. checken. excessief buitensporig. revisor steward verzaken.

schijf met een band omgeven gloed. merendeels. opeens crisis hoofd. plotseling. dundoek. binnenrukken huurder binnenvallen. bot. huren voetpunt. inval meest. onderschrift. bot. rubriek titel. graad inscriptie hoofdstuk. opeenhopen agglomeraat discus. waternimf najade. bruusk. steil plotseling kortaf. grammofoonplaat. naïef. aanwerven. chapiter. argeloos najade. voorrijden binnenvallen. abrupt. belonen meeting. duidelijk.nagle się wydostać nagła potrzeba nagłówek nagłówek nagłówek nagłówek pliku nagłówek podstawowy nagłówek uwierzytelnienia nagły nagły nagły przypływ wody nagość nagrać nagroda nagroda nagrodzić nagromadzenie nagromadzić nagromadzić nagrywać nagrywać (na taśmę) nagrzać naiwny naiwny najada najada się najazd najbardziej najbliższy najczęściej zadawane pytania najechać najechać najechać (kraj) najemca najeżdżać najlepiej najlepiej najlepszy najlepszy najlepszy (zobacz <good>) najmniej najmniejszy najmniejszy wspólny mianownik najmować najniższy poziom najniższy punkt najpierw najwidoczniej ineens. kop. hoogst naast. plaat. kop. graad kortaf. bruusk. onderschrift. lonen. blijkbaar . waternimf invasie. vlag titel. terugdoen. lonen. belonen vergelden. grotendeels binnenvallen. terugdoen. samenkomst. binnenrukken best eer. premie vergelden. ophopen. nadir eerste klaarblijkelijk. eerstkomend overwegend. vuur lichtgelovig ongekunsteld. binnenrukken aanrijden. liever best afknotten best minst minst minst aannemen. abrupt. steil naaktheid uploaden prijs. nadir voetpunt. kapittel vaan. bijeenkomst accumuleren.

editie invoer aanwenden. doorvoeren opdringen. gieten. agiteren. etiket vla sauzen. gieten. ophitsen nauwgezet. beleggen. aanlokken locomotief moer overlappen hoed dekken. schriftelijk bevel dicteren bevelen. aansporen aandrang label. toedekken. druk. aanvoeren. gebrek . concluderen mededader. hoogst klaarblijkelijk. garanderen aanschrijving. accuraat medeplichtigheid toelachen. duidelijk. gebruiken. neerleggen sauzen. begrenzen overlappen overlappen opruien. mededader opruien. agiteren. vreten bevel recht borg staan voor. helder meest. leggen. bikken. contributie betamelijk. opstoken. fatsoenlijk aanklacht. sticker uitgaaf. indrukwekkend beknotten. medeplichtige medeplichtige. behoorlijk. commanderen kleven. blijkbaar eten. bekoren. forceren aanduwen ondeugd. aanhangen aanhechtsel. affix sluitzegel.najwidoczniej największa ilość najwyraźniej nakarmić nakaz nakaz nakaz nakaz sądowy nakaz urzędowy nakazać nakleić naklejać naklejka nakład nakład nakładać nakładać nakładać nakładać restrykcje ścieśniać nakładka nakładka nakładkować nakłaniać nakłaniać do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłonić nakłonić nakłonienie do przestępstwa nakreślać nakręcany nakrętka nakrycie nakrycie głowy (zwłaszcza kapelusz) nakryć nakrywać nalać nalegać nalegać nalegania nalepić etykietę naleśnik nalewać należny należyty naładować (akumulator) nałożyć nałożyć nałóg duidelijk. vastkleven. beschuldiging opdringen. bedekken vlijen. aanvuren. ophitsen besluiten. beperken. stortregenen aandringen aanwakkeren. uitgave. forceren imponerend. afleiden. opstoken. nauwkeurig. stortregenen bijdrage.

weren. sauzen. aantasten aangrijpen. schrijven. spekken. vingerhoedje aftrekken. overwegen. intens. intensief inscriptie voorbode. aantasten oprijlaan. vuur gloed. vuur vingerhoed.nam namalować namaścić namawiać namiar namiastka namiętna miłość namiętność namiętny namiot namnażać namydlić namysł namysł namysł namyślać się naokoło naokowiec naostrzyć napad napad (choroby) napadać napadać napalić naparstek naparzyć napastliwy napastnik napastnik napastnik napastnik napastować napaść napaść napełniać napełniać odrazą napełnić (się) napęd napęd dysku napędowy napędzany ropą napięcie napięcie napięcie (elektryczne) napięty napis napis napisać aan ons. nagaan om . peuk gloed. terugdringen invullen. spekken. voltage sterk. kampeertent kuit. aanvaller achtervolgen. ons beeld. zetten. vuur hartstochtelijk huif. omtrent. vervolgen agressie aanvallen. aanvallen gloed.. slijpen aanvallen. voorteken. fel. uitschrijven . ongeveer. geleerde aanzetten. scherpen. vullen verdringen. afbeelding. tent. heen. viskuit. dempen. oprijlaan discus aanleiding dieselmotor. oprit aanvallen.. aantasten. diesel spanning spanning. najagen. plaat smeren. prent. vullen oprit. besmeren overtuigen lager peukje. dempen. weerglans gedachte beschouwen. teken neerschrijven. kikkerdril zeep nakomertje afspiegeling. voltage spanning. doorsmeren. om wetenschapper. laten trekken agressief aanvaller aanvaller aanvaller voorspeler. aantasten invullen.

schielijk. tegenaan. alcohol zinspelen zinspelen toespeling. schijf. belichten zich wagen aan. hinderen ergeren. consultatie raadgevend lichaam. vaderlands geboorte . flikken gauw. verheffen. zinspeling aanmaning. naar. plak. snede. wezenlijk nauwkeurig bepalen. hard. drank. storen. aandurven verdoving. flikken nauwkeurig bepalen. zuipen pompoen verhelpen. ingevolge voorspeler. jegens voor tegenover. anesthesie nationaliteit nationaal. determineren lappen. oplappen. filet stortplaats drank.napisany napisu segment procesora segmentowego przedział czasu napisu) segment (procesora segmentowego) przedział czasu napiwek napoje alkoholowe napomknąć napomknąć (<to sb napomknienie napomnienie napotkać napotykać napój napój napój gazowany napój z wyciśniętych cytryn lub pomarańczy naprawa naprawą naprawdę naprawdę naprawiać naprawiać naprawić naprawić poprawka naprędce naprężenie naprężenie naprzeciw naprzeciwko naprzeciwko naprzód naprzód naprzód naprzykrzać się naprzykrzać się naprzykrzać się komuś narada narada narastać narazić na niebezpieczeństwo narażać narażać się narkoza narodowość narodowy narodziny schriftelijk moot. boeten. degelijk werkelijk. boeten. oplappen. tegen. repareren eerlijk. herstellen. aan de overkant van daarvoor. vermaan. plak. vooraan. drinken. filet moot. aantreffen ontmoeten. echt. determineren lappen. eerder. eerzaam. aansporing ontmoeten. ophogen in gevaar brengen tentoonstellen. verontwaardigen belemmeren. schijf. blijkens. in allerijl beklemtonen. snede. zuipen pimpelen. verontwaardigen consult. indertijd langs. herstellen. repareren verhelpen. aantreffen brouwsel. alcoholische drank. drankje pimpelen. drinken. accentueren spanning met. raad opdrijven. aanvaller ergeren.

aanlokken orgaan bruid. zich indringen opdringen. adapteren aanpassen. afstemmen. het gevolg zijn van afkomstig advent aanpassen. groei kanker hatelijk. aan je. een bres slaan in een aanslag plegen op. je vertelsel. middel werktuig. adapteren afstelling. boosaardig. een bres slaan in zonde breuk. volk. vingerhoedje zaad aanhoren. mensen jou. tandrad. verloofde bruidegom. ontwikkeling. beluisteren. liefje. luisteren afstammen. tandwiel werktuig. kwaadaardig kantig accapareren. zijn beklag doen beschuldiging. bovengronds vingerhoed. letsel toebrengen zondigen een bres slaan. lui. lief. bekoren. middel utility utility werktuig. afstemmen. instelling . kamwiel. meisje. forceren zich opdringen. vertelling skiën kwetsen. middel opdringen. lieveling klagen. middel werktuig.narośl narośl rakowata narowisty narożny narożny naród naród naród narracja narta naruszać naruszać naruszenie naruszenie naruszenie (np. verhaal. ochrony) naruszenie zasad współużytkowania naruszyć naruszyć narybek narysować narząd narzeczona narzeczony narzeczony narzekać narzekanie narzędnik narzędzia programowane automatycznie narzędzie narzędzie narzędzie sprawdzające narzędzie testujące narzędzie wizualne narzędzie z interfejsem graficznym użytkownika narzucać narzucać się narzucać się komuś narzut nasadka nasienie nasłuchiwać nastają nastając nastanie nastawiać wstępnie ustalać nastawić nastawienie wasdom. relaas. gotisch lettertype een bres slaan. met lucht gevuld. volk lieden. fruiten toelachen. opkopen natie. galant schat. verloofde. aan jou. forceren lucht-. aanklacht ablatief kamrad. aanranden bakken. een bres slaan in een bres slaan.

eerstkomend leden leden naast. slagen leden leden naast. toch naast. dus. collier. gieten. verzadigen dijk. doorkomen. ergo.) natrafić (<on/upon> sth) na coś natrafić (<upon sth> na coś) natrafić na coś houding opvolgen. mn. nabootsen. spoedeisend. toevallig toegaan. voortgang hebben. stemmen gemoedstoestand. bloedaandrang. stortregenen onze. de onze omlijning. zetten. nadoen navolging. waterkering sauzen.nastawienie nastąpić po (<sb następca następnie następnie następny następny dzień następny etap następny przeskok następować następować następować kolejno następować kolejno następujące następujący następujący nastolatek nastroić nastrój nastrój nasturcja nasuwać myśl nasycać nasyp nasypać nasz nasz nasze naszkicować naszyjnik naśladować naśladować naśladowanie naświetlać naświetlać naświetlenie natarcie natarczywy natchnąć natchnienie natchniony native natłok natomiast w polszczyznie lepiej oddawać w l. verstrikken doortrekken. toelichten tentoonstellen. imitatie uiteenzetten. nabootsing. achteraf. betrekken. belichten tentoonstelling. laten trekken ingeving geestelijk huiswaarts. aantasten. daarna ook weer. naar huis congestie. eerstkomend afwisselend opvolgen. handelen volgens nazaat. halsketting aap imiteren. aanvallen brandend. nakomeling naderhand. afstammeling. dringend aftrekken. de onze het onze. gebeuren . gebeuren incidenteel. aandrang informatie toegaan. eerstkomend puber in een stemming brengen. omtrek halssnoer. ons het onze. expositie aangrijpen. stemming geest Oostindische kers verwarren. snoer. dan. moreel. voortgang hebben. handelen volgens afwisselend klaarspelen.

instructie wetenschapper. nauwkeurig. aard naasting van nature. klamp. gelijk hebbend. natuurlijk. accuraat afwennen. oogwenk. haakje kramp. garen gieren. vlak. winden. academisch wetenschappelijk naaf naaf naaf bevloeien. origineel juist. schooljuffrouw. van buiten leren wetenschap studie aanwijzing. bemesten. sproeien storm gelijk. leraar. klamp. nietje kramp. instructeur onderwijzeres. tel nauwgezet. gieten. begieten. gegrond dadelijk. geleerde akademisch. nietje. stichten spoken navigatie navigatie op een klos winden. klamp. geaardheid. dadelijk moment. nietje kramp. klamp. spoelen aanschieten lager draad. lerares leren. spoel.natura naturalizacja naturalnie naturalny naturalny naturalny natychmiast natychmiast natychmiastowy natychmiastowy nauczać nauczyciel nauczyciel nauczyciel nauczyciel akademicki nauczyć się nauczyć się na pamięć nauka nauka nauka zdalna naukowiec naukowy naukowy nawa nawa boczna nawa główna nawadniać nawałnica nawet nawias nawias nawias klamrowy nawias okrągły nawias zwykły nawiązywać nawiedzać nawigacja nawigacja dalekiego zasięgu nawijać nawijać np. effen kramp. consigne. lerares onderwijzeres. haakje. haakje. taśmę nawinąć nawinąć nawis (odległość między znakiem a punktem początkowym) nawlekać nawozić nawozić nawóz karakter. winden. uiteraard natuurlijk oorspronkelijk. oprichten. nietje. schooljuffrouw. klamp. aanleren uit het hoofd leren. onmiddellijk onmiddellijk. ogenblik. spoelen klos. afleren Don onderwijzer. haakje kramp. nietje. bobine op een klos winden. mesten mest mest . haakje inrichten.

cliché negatief. naam. Jongere Steentijd neologisme neonNeptunus nier zenuw slip. drol. netto-. achternaam benaming. naam. naamwoord. naamwoord Napels afjakkeren. net. naamwoord benaming. keutel mest bekeren aanwensel. nazinazistisch. naamwoord benaming. nee. nerveus netto. bijkans. naam.nawóz nawóz (sztuczny) nawóz (zwierzęcy) nawracać nawyk nazista nazistowski nazwa nazwa nazwa kwalifikowana nazwa złożona nazwa źródła danych nazwisko nazwisko nazywać Neapol nefryt negacja negacja logiczna negatyw negatywny negocjować nekrolog nektar neofit neofita neolityczny neologizm neon Neptun nerka nerw nerwowy nerwowy netto neutralny nęcący nęcący nędza nędza nędzny nędzny nędzny nękać niańczyć niańka niby NIC mest drek. aanlokkelijk lekker. naamwoord familienaam. naam. verplegen schier. van. ontlasting. zorgen voor. verontwaardigen verzorgen. bijna iets . haast. miserabel ergeren. duidelijk neutraal. naamwoord. naam benaming. narigheid. naamwoord benaming. afmatten wraken. verplegen verzorgen. nietswaardig jammerlijk belabberd. ellendig. zenuw-. hebbelijkheid nazistisch. handeldrijven. verwerpen niet. naam. cliché handelen. armoe verachtelijk. neen negatief. onpartijdig lekker. geen. slipje zenuwachtig. misère. aanlokkelijk verachtelijkheid ellende. afzijdig. naam benaming. nazibenaming. afbeulen. zorgen voor. zaken doen necrologie nectar bekeren bekeren Neolithicum.

oningevuld. antipathie aardvarken wraken. hemel hachelijkheid.NIC nic (w zdaniach przeczących) nic nie wiedzący nic podobnego nić NIE nie nie nie nie bez powodu nie chroniony nie cierpiący zwłoki nie dawać spokoju (o myślach) nie do pary (np. geen. nalaten. stuk gaan hekel. verwerpen jubelen afslaan. gevaar kans lopen. nee. nee. op het spel zetten hachelijkheid. nihil. geen. in het water vallen uiteenlopen. niemendal niks. niets. gevaar crisis toevalligheid. nood. onvolledig floppen. verwerpen evenmin. blank aanhangig floppen. geen. gevaar onraad. afwijzen schuin. obsceen. perikel. geen. schunnig aanhangig incompleet. but) nie do pogodzenia nie do wybaczenia nie do złamania nie doceniać nie doceniać nie dowodzący niczego nie kończący się nie mrówkojad nie pamiętać o nie podpisany nie przepisowy nie przyjąć nie przyzwyczajony nie rzucający się w oczy nie tracić czasu nie udać się nie uszczuplony nie wypalić nie zajęty nie załatwiony nie zauważony nie zbliżać się nie zważając na nie związane nie związany nie zwracać uwagi nieba niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwo niebezpieczeństwo niks. nihil draad. gevaar . verafschuwen naarstig. geen. verschillen. onvolledig incompleet. nijver. neen niet. tegenzin. ijverig spoken bizar ondoorgrondelijk. nee. niet niet. nee. in weerwil van niet. uitlaten uitvallen. garen wraken. nee. leeg. onderwaarderen op een kier staand verzaken. perikel. nihil. spoedeisend. haperen. verwerpen. in het water vallen ongewapend vrij. neen lucht. afkeer. neen niet. onderwaarderen onderschatten. neen brandend. niemendal nul nul. schelen niettegenstaande. onbezet. vlijtig. onbegrijpelijk onderschatten. open wit. toeval onraad. blanco. niets. nood. noch neen. dringend een afschuw hebben van.

intermitterend vervelend doods. nalatig nalatig. nalatigheid nalatigheid. rechtopstaand recentelijk. onvolledig ellende. laten begaan. de laatste tijd onlangs. nonchalance nonchalant. nonchalant. gebrekkig peukje. hemels hemels. nalatigheid nalatigheid. luchtig. nalatig kort gebrek. antipathie trots laat. nonchalant. op het spel zetten gevaarlijk. ongerijmdheid dwaas. dodelijk nihil. onbedorven veronachtzamen nonchalance. fris luchtig. onopvallend. euvel. gemis . ruigharig. vergevorderd afkerig bescheiden. link. peuk onding. hekel. nonchalant onachtzaam. afwezigheid. afwezigheid. absurd missen. laten tegenzin. misère. hemel doods. onachtzaam. ontberen. dodelijk morsig. derven gebrek. hachelijk mijnenveld hemel-. discreet hortend. narigheid. absurditeit. armoe verminkt. nalatig. nonchalance nonchalance. kort geleden vers. onachtzaam onachtzaam. vers. ongerijmd. hemel lucht. gemis ongemak. vuil. hemelhemels. onrein. vies borstelig. hemel lucht. fris. euvel. smerig. hemelblauw blauw lucht.niebezpieczeństwo niebezpieczny niebezpieczny niebiański niebiański niebiańsko niebieski niebieski ptak niebiosa niebo niebo nieboszczyk niebyły niech niechęć niechęć niechętnie niechętny nieciągły nieciągły nieciekawy nieczynny nieczysty nieczysty niedawno niedawno niedawno wprowadzony niedawny niedbalstwa niedbalstwa niedbalstwo niedbalstwo niedbałość niedbały niedbały niedbały niedbały niedługi niedociągnięcie niedogodność niedokończony niedola niedołężny niedopałek niedorzeczność niedorzeczny niedostatek niedostatek kans lopen. ongerief incompleet. onbedorven. onzinnig. nul laten schieten. afkeer.

haast. onbekend. nors. groen bar. onbedekt. streng. bijster onverschillig. verwarring lelijk schier. luchtig. dubbelslachtig incompleet. desondanks niettemin. honds. straf goedkoop zonneschijn zondag Pinksterfeest. onbedorven. troebel. een weinig puber onwaar dierlijk onmenselijk verwardheid. bijna erg. bloot. een weinig een beetje. fris onervaren. smaakloos onverschillig.niedoświadczony niedoświadczony niedoświadczony niedrogi niedziela niedziela niedziela Zielonych Świąt niedźwiedź niedźwiedź niedźwiedź niefortunny niegramotny niegrzeczny niegustowny nieistotny nieizolowany niejaki niejasny niejasny niejasny kursor niejednolity niejednoznaczny niekompletny niekonsekwentny niekorzystny niekosztowny niektóre niektóry nieletni nielojalny nieludzki nieludzki nieład nieładny niemal niemało niematerialny Niemcy Niemiec niemiecki niemiły niemniej niemniej (jednak) niemniej jednak niemniej jednak niemolę niemowa niemowlę vers. duchtig. onvolledig inconsequent nadelig goedkoop een beetje. hard. duister obscuur. onheus. bijkans. vaag. in weerwil van kind sprakeloos. desondanks niettegenstaande. donker inconsequent dubbelzinnig. ongetrouwd dubbelzinnig. Pinksteren naar buiten brengen. bars niettemin. analfabetisch onbeleefd. enigszins. nurks. enigszins. lomp smakeloos. naakt ongehuwd. dragen lager aanboren ongelukkige ongeletterd. stom kind . dubbelslachtig onduidelijk. lauw onopgesmukt. desondanks niettemin. lauw Duitsland Duits Duits onaardig. honds.

een afschuw hebben van vijandschap. zich indringen onveilig maken bang. bezorgd. absentie. aarzeling discutabel. stom onlesbaar verafschuwen. animositeit. mis plomp. abnormaliteit abnormaal afwezigheid. vijandigheid haten afwijking. luizig ergeren. wegblijver leeg. ongerust vermakelijk. bezorgd aangelegenheid. belang herrie. verontwaardigen belemmeren. onbezet verstrooid plotseling aangeboren. krankzinnige atoom-. getier storing verkeerd. stom sprakeloos. amusant ongerust. leuk. onmisbaar bizar schier. fladderen zich opdringen. gek. analfabetisch bezetene. storen. twijfelachtig. hinderen aan de scharrel zijn. fout.niemożliwie niemożliwy niemy niemy niemy terminal nienasycony nienawidzić nienawiść nienawiść nienormalność nienormalny nieobecność nieobecny nieobecny nieobecny nieobecny (proces) nieoczekiwany nieodłączny nieodparty nieodzowny nieokrzesany nieomal nieparzysta (liczba) nieparzysty niepełnoletni niepełnoletniość niepewność niepewny niepewny niepiśmienny niepoczytalny niepodzielny niepodzielny (chem. betwistbaar ongeletterd. onbegrijpelijk onbeduidend. beuzelachtig. bijkans. met geen mogelijkheid onbestaanbaar. open. uitgesloten. hapering. stom sprakeloos. dubieus aanvechtbaar. haast. rel. beducht. vrij. roerigheid. onmogelijk sprakeloos. atomair elementair ondoorgrondelijk. mangel verstrooid afwezige.) niepojęty niepokaźny niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić się niepokojący niepokojący niepokojem niepokój niepokój niepokój niepoprawny nieporadny onmogelijk. ingeboren onweerstaanbaar onontbeerlijk. onjuist. bijna bizar bizar kind minderheidsgeweifel. log .

ver buiten kennis. schaden ongeluk uniek. integraal aanhangig roerloos. smaakloos betrappen. doorlopend grof. bot. onbehouwen. ongeschonden. bars verwijderd. griezelig bizar vlakte tot in het oneindige mislukt anoniem. ongerust aalwarig. pap borstelig. vast. rotzooi moes. schunnig grof. onaannemelijk verrassend loos. afkeurenswaardig ongelofelijk. onbehouwen.nieporozumienie nieporuszony nieporządek nieporządek nieporządny niepotrzebny niepowodzenie niepowodzenie niepowtarzalny niepozorny niepożądany nieprawdopodobny nieprawdopodobny nieprawdziwy nieprawdziwy nieprawidłowość nieprawidłowy nieprzenikliwy nieprzeparty nieprzepuszczalny nieprzerwanie nieprzerwany nieprzetworzony nieprzyjaciel nieprzyjazny nieprzyjemny nieprzyjemny nieprzystępny nieprzytomny nieprzyzwoity nierafinowany nieregularność nierozdzielny całkowitoliczbowy nierozstrzygnięty nieruchomy nieruchomy niesamowity niesamowity nieskomplikowany nieskończenie nieskuteczny niesłychany niesmaczny niesmaczny niespodzianka niespodziewanie niespokojny niespokojny misverstand gevestigd. beducht. onbewerkt. onbewerkt. bezorgd. naamloos ijselijk. verwarring onaangetast. stevig. cru vijand vijandelijk. verrassen. afgrijselijk smakeloos. ruigharig. abnormaliteit abnormaal ondoordringbaar onweerstaanbaar ondoordringbaar achtereen. rechtopstaand onnodig schade aanrichten. obsceen. bot. gemelijk . snappen eensklaps. dubbelhartig onwaar afwijking. onbeweeglijk nog eng. honds. bewusteloos schuin. nurks. onverwachts bang. hecht janboel. ververwijderd. enig vlakte laakbaar. bedrieglijk. achtereenvolgens onafgebroken. rommel. vijandig afschuwelijk onaardig. aalwaardig. nors. disorde. brij. cru verwardheid. bewegingloos.

accident. gebruik nonchalant. uitgesproken. ferm. nul loos. opstandig buitensporig. jammer genoeg. helaas jammer. stout waardeloos. benepen. leeg. brengen zwak bevangen. blo beschroomd. nors. hol toegegeven ongetwijfeld. jammer genoeg. onaannemelijk ongezien blind . bepaald klaar. stoutmoedig. onvervaard. garstig vleermuis invalide. voos nihil. hartzeer. ranzig. beproeving ziekte. stout gedurfd. kwaal. bedeesd. gewoonte. helder onbekend onbekend ongelofelijk. nietswaardig. ledig. smart ongeluk jammer. plechtig. stuk gaan consequentie. verdriet. zeker. nalatig. onachtzaam onachtzaam. voorhebben. brutaal. ongeval dragen.niespójny niesprawność niesprzeczność niestandardowy niestaranny niestaranny niestety niestety niestrawność niestrawność niesubordynowany niesystematyczny nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęśliwie nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy wypadek nieść nieśmiały nieśmiały nieśmiały nieświadomy nieświeży nietoperz nietypowy nieudany nieugięty nieuporządkowany zbiór dokumentów nieuprzejmy nieustannie nieustraszony nieustraszony niewart nieważny nieważny niewątpliwie niewątpliwie niewątpliwy niewiadoma niewiadomy niewiarygodny niewidoczny niewidomy inconsequent uitvallen. boud. gebrekkig mislukt afgemeten. excessief verachtelijkheid droefheit. nalatig o wee. nonchalant. indigestie oproerig. haperen. lens. onaardig onophoudelijk. aandoening leed. rans. bang buiten kennis. ceremonieel soep honds. bars. slechte spijsvertering slechte spijsvertering. achtereen. gevolg usance. aldoor dapper. voeren. nurks. nietswaardig ongelukkige ongelukkig ongeluk. bewusteloos ransig. extreem. helaas verachtelijk. helaas indigestie. timide.

een conclusie wettigend plomp. cru onbeduidend. min. karig. onmisbaar afdoend. groen amper. ondoorgrondelijk dadelijk. ongetrouwd vergeet-mij-niet niet. log mysterieus. melig plomp. luttel. uiterst bijzonder. ongerief plomp. enorm. eng. onbekende. nauw vreemdeling. onnozel. bekrompen. geen. onbedorven. naamloos onbekend afschuwelijk saai. stroom laakbaar. kwalijk. niet lekker plomp. duister onervaren. beuzelachtig. nauwelijks ongehuwd. onbedwingbaar . nee. onbedorven. taai. log moeilijk.niewielki niewiniątko niewinność niewinny niewinny niewłaściwe odstępy tekstu niewłaściwy niewola niewolnik niewygoda niewygodny niewygodny niewypłacalny niewypowiedziany niewyraźny niewyrobiony niewystarczający niezamężna niezapominajka niezapomniany niezawodnie niezawodny niezbędny niezbity niezdarny niezdecydowany niezdrowy niezgrabny niezliczony niezmienny niezmiernie niezmiernie niezmiernie niezmierny niezmierny niezmodyfikowany nieznaczny nieznaczny nieznajomy nieznany nieznany nieznośny nieznośny niezręczny niezrozumiały niezrozumiały niezwłocznie niezwyciężony gering. onmiddellijk onoverwinnelijk. bot. log aarzelend onwel. voldoende vertrouwd. klein onnozel. vaag. log ontelbaar eeuwig enorm. neen genoeg. betrouwbaar onontbeerlijk. bijzonder gigantisch. afkeurenswaardig aanspannen. krap. slim bankroet anoniem. het juk opleggen slaaf ongemak. vreemde anoniem. buitengewoon allemachtig buitengewoon. onbewerkt. troebel. onschuldig rivier. geheimzinnig onbegrijpelijk. onbedorven onnozel. geweldig grof. lastig. onschuldig onschuld. vermoeiend. onbehouwen. luizig smal. naamloos onduidelijk. onbedorvenheid onschuldig.

luchtig verdwijnen. nooit hier of daar. waternimf tegenwoordig. schaden vernietigen. ongebruikelijk ongehuwd. vreemd zeldzaam. niemand niks. nurks. bouwvallig schade aanrichten. nomade . ergens laaghartig. verwoesten. mager. bars. schaars ongewoon. onaardig nimmer. vastklinken schakering.niezwykle niezwykły niezwykły niezwykły niezwykły nieżonaty nieżyczliwy nigdy nigdzie nigdzie nigdzie (w zdaniach przeczących) nikczemny nikły niknąć nikt nikt nimb nimbus (chmura deszczowa) nimfa wodna niniejszy niski niski poziom niski ukłon niskiej nisza niszczeć niszczenie niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć nit nitka nitować niuans niż niż niż się obiecało niższy noc nocleg nocnik nocny nocny nodze noga nomad allemachtig buitengewoon. nuancering laag dan dan minderwaardig nacht aanpassing po nacht nachtelijk been been benoeming. wijken geen. actueel laag laag laag laag nis verval aftands. laag. gemeen. in geen velden of wegen hier of daar. nimbus najade. ongetrouwd honds. nimbus stralenkrans. rotten. infaam sprietig. vastklinken draad. curieus. geen enkele. bederven klinken. geen enkel. nuance. geen zier stralenkrans. garen klinken. dun. doden vergaan. uitroeien ombrengen. niets. ongemeen. nors. niemendal. schraal. vernielen verdelgen. doodmaken. bijzonder typisch. verrotten. ergens nergens. gammel.

nieuwigheid. holte regel. hol. voertuig. opkomend beginner. aflevering. brengen. krocht. plaat. katern plaatsbewijs. grot. onzin. draagbaar vehikel. beginneling nieuweling. nieuwtje nieuwerwets. standaardmaat. voorhebben nasaal. standaardnormaal. neusheimwee heimwee brancard. standaardnormaal. katern blocnote blok schrift. aflevering. standaardmaat. wagen notaris plaatsbewijs. kaartje discus. fair. standaardmaat. bijdetijds actueel kind nieuwheid nieuwtje. norm regel. dragen voeren. novice nieuws. dragen. nieuwtje nieuws. norm regel. standaardNormandisch Normandisch Normandisch Normandisch regel. norm Noors Noorwegen Noors neus naar buiten brengen. biljet. gekheid spelonk.nominalny nonsens nora norma norma norma wojskowa norma wojskowa normalny normalny stan normaly Norman Normandczyk normandzki normański normą Norweg Norwegia norweski nos nosić nosić nosowy nostalgia nostalgia nosze nośnik notariusz notatka notatka u dołu strony notatnik notatnik notes notes notes notes do zapisów notować notować wyniki Nowa Zelandia nowatorski nowicjusz nowicjusz nowina nowiny nowoczesny nowoczesny noworodek nowość nowość billijk. rechtvaardig nonsens. schijf Zeeland nieuw. standaardmaat. norm regel. dagorde blocnote schrift. biljet. grammofoonplaat. commentaar agenda. modern. nieuwigheid . nieuwigheid. kaartje aantekening. zever. nieuws. norm normaal. standaardmaat.

nowotwór nowy nowy nabytek biblioteki nowy wiersz nowy właściciel nozdrze nożyce nożyczki nóż nóż myśliwski np. @:-)) - uśmiech Elvisa Presleya np. <we shall go> pójdziemy np. <we shall go> - pójdziemy nucić nudności nudności nudny nudny nudysta nudyzm nudziarz nudziarz nudzić nuklearny numer numer numer rejestracyjny numerale numerek numerek (w szatni) numerować numizmatyk numizmatyka nurcie nurek nurkować nurkować nurkować (także o pikującym samolocie) nurkował nurkował nurkowanie nurt nuta nuta nuta kluczowa nużący nużyć nylon

tumor, gezwel nieuw, opkomend aanwinst, acquest, buit, prooi klaarspelen, doorkomen, slagen nieuw, opkomend neusgat schaar schaar mes hartsvanger glimlachen gaan, zullen gaan, zullen snorren, gonzen, razen, brommen misselijkheid, walging, walg, afkeer vakantie vervelend dom, simpel, onnozel, flauw nudist, naaktloper nudisme, naaktloperij, naaktlopen aanboren trekken aanboren nucleair, kernuitgeven, emitteren aantal, getal, tal aantal, getal, tal aantal, getal, tal biljet, plaatsbewijs, kaartje biljet, plaatsbewijs, kaartje aantal, getal, tal muntkenner, penningkundige muntkunde, numismatiek actueel duiker duiken duiken duiken duiken duif, tamme duif duiken loop, stroom, stroming plaatsbewijs, biljet, kaartje in een stemming brengen, stemmen plaatsbewijs, biljet, kaartje vervelend vervelend nylon-

o o (kimś o burzy: szaleć o ile sobie przypominam o ile szczęście dopisze o ją o jego o jego o jej o mało o niewiele o ręcznym napędzie o sercu: kołatać o śniegu: padać o światowym zasięgu o wielu możliwościach odporny o zmaku orzechów oaza oazą oba obacz <abide> obacz <beat> obacz <crow> obacz <feel> obacz <mistake> obacz <surprise> obaj obala obala obala obala obalać obalenie obalić obalić (teorię itp) obarczyć obarczyć obawa obawa obawą obcas obcążki obcesowo obcesowy obchodzenie się obchodzić obchodzić (przepisy) obchodzić się

circulerend, in omloop circulerend, in omloop storm aas hopelijk haar, hun, zijn het zijne, de zijne haar, hun, zijn het hare, de hare schier, bijkans, haast, bijna weinig aanreiken, overhandigen aan de scharrel zijn, fladderen sneeuwen wereldwijd krachtig, geducht, sterk, fiks, straf geurig, aromatisch oase oase beide, allebei, alle twee de woonplaats, domicilie vlijen, leggen, neerleggen bemanning vilt foutief, verkeerd, fout, onjuist ampère beide, allebei, alle twee de afgeven op, afbreken, afkammen neervellen, wippen, kappen, vellen ontzenuwen, weerleggen ondergraven, ondermijnen afschaffen afschaffing afschaffen exploderen, losbarsten, ontploffen beproeven, bedroeven, verdriet doen zadel aanhouding, arrestatie beklemming, angst, benauwdheid aangelegenheid, belang hiel knijper, schaar abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil kuur, behandeling vieren, opdragen, celebreren ontwijken, mijden, uit de weg gaan aanpakken, aan komen lopen

obchodzić się (<sth> z czymś) obchodzić się z czymś) obchodź obciąć obciążać obciążać (konto obciążenie obciążenie (maszyny itp) obciążenie1 obciążyć obciążyć hipotecznie obciążyć podatkiem obcina obcinać kadrować kadrowanie obcisły obcokrajowiec obcokrajowy obcy obcy obcy obecnie obecnie obecność obecny obecny obejmować obejmować obejmował obejmował obejmował obejść się bez czegoś obelgi obelżywy Oberon obetrzeć obezwładnia obezwładnia obficie obfitość obfitować obfitować (<with obfitować (<with sth> w coś) obfity obfity obfity (posiłek) obgryzać obiad obiad

aanpakken, aan komen lopen oor, kruk, handvat, hengsel, klink rondgaan, omgaan afknotten aanklacht, beschuldiging debetzijde, debet laden plicht, verplichting laden gewicht hypotheek belasten, aanslaan maaien afknotten stipt, nauwsluitend, streng, nauw buitenlander uitheems, buitenlands ijselijk, afschuwelijk uitheems, buitenlands buitenlands, vreemd, onwennig enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig bijzijn, presentie, aanwezigheid actueel tegenwoordig, actueel omhelzen, omarmen omsluiten omvatten, beslaan omhelzen, omarmen bevatten, inhouden, behelzen rondgaan, omgaan laaien, vlammen krenkend, beledigend, grievend Oberon afvegen, wissen, afdrogen, afwissen geweld aandoen, overmeesteren bedelven, overstelpen, verpletteren in overvloed, ruimschoots, rijkelijk onbekrompenheid, overvloed in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn uitbundig, copieus, abundant, rijk uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend uitbundig, copieus, abundant, rijk knagen, knabbelen diner, middagmaal, middageten twaalfuurtje, lunch

obiecywać obieg obieg obieg obieg projektu obiekt obiekt moduł wynikowy obiektyw obierać obierać kartofle obietnica obietnicą obieżyświat obijać obijać (meble) objaśniać objaśnienie objaw objaw objazd objazd objętny objętość objętość stała oblać (egzamin) oblegać oblegać oblewanie oblężenia oblężenie oblicz obliczać obliczać obliczenie obliczyć obliczyć objętość obligacja obligacji oblodzenie obładować obławą obłąkany obłąkany obłok obłudny obłudny obmycie obmywać

beloven, toezeggen, uitloven omloop, circulatie, roulatie muntsoort, valuta klotsen, plassen, kabbelen, klapperen omloop, circulatie, roulatie mikpunt, onderwerp, object, ding mikpunt, onderwerp, object, ding lens schillen, afpellen, jassen commissie, opdracht, boodschap beloven, toezeggen, uitloven beloven, toezeggen, uitloven wereldreiziger opvullen, vullen, opzetten opvullen, vullen, opzetten uitleggen, interpreteren, duiden toelichting, explicatie voorbode, voorteken, teken teken, symptoom, verschijnsel aberratie, afwijking tournee, rondreis zoel, lauw geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume floppen, in het water vallen belegeren belegering, beleg viering belegering, beleg belegering, beleg in aanmerking komen, meetellen meten, berekenen in aanmerking komen, meetellen rekenschap, rekening derde macht, dobbelsteen, blok rekening, conto aanhechting aflossing, amortisatie, afschrijving glacé beladen, inladen, belasten, laden bejagen, jagen, jacht maken op bezetene, gek, krankzinnige dolzinnig, dol, gek, krankzinnig wolk loos, bedrieglijk, dubbelhartig gehuicheld, geveinsd, huichelachtig wassing louteren, reinigen, schoonmaken

obnażony obniżenie obniżenie obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu obniżenie wydajności obniżka obniżyć obniżyć obniżyć się obniżyć się oboje obojętność obojętny obojętny obok obok obok obok siebie obok siebie obok siebie obok siebie obołudny obopólny obora obowiązek obowiązek obowiązek obowiązkowy obowiązujący obozować obój obóstwiać obóz obóz koncentracyjnjy obrabiać obracać obracać się obrachunek obrać zawód obradował obrady obrady obramowanie obramowanie prostokątne obraz obraz obraz elektronowy

onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt afname afdraaien, verlagen depressie invloed hebben op, beïnvloeden afname kleinmaken, vernederen, verootmoedigen afdraaien, verlagen neerdrukken, deprimeren verlagen, afdraaien beide, allebei, alle twee de flegma lauw, onverschillig neutraal, afzijdig, onpartijdig naast elkaar langs, naar, blijkens, ingevolge bezijden, naast, behalve aan, nabij, bij, dichtbij, naast aan, nabij, naast, bij, dichtbij sluiten, dichtmaken, dichtdoen naast, eerstkomend gehuicheld, geveinsd, huichelachtig onderling, wederkerig, wederzijds loods, keet, schuur, barak plicht, verplichting verplichting, plicht verantwoordelijkheid bindend, dwingend, gedwongen strip, reep, band, strook, windsel legeren, kamperen hobo verafgoden, adoreren, aanbidden legeren, kamperen legeren, kamperen functioneren, het doen anders maken, veranderen anders maken, veranderen akkoord, accoord, overeenstemming zich eigen maken, adopteren koesteren, broeden, broeden op actie, handeling, optreden, gedoe conferentie schoorsteenmantel omringen, omgeven, insluiten afbeelding, prent, plaat beeld, prent, afbeelding, plaat knippatroon, patroon

obraz tytułowy obraz wizja rysunek obraz zadania obraz zadania moduł ładowania (zadania) obraza obraza obrazą obrazić się obrazowo obrazowy obraźliwy obraźliwy obraźliwy obrażać obrażać obrażać obrączka obręb obrocie obrocie obrona obrona obrona przeciwlotnicza obroną obronić obroża obrożą obrót obrót obrus obrus obryzgać obrządek obrzezać obrzeże obrzęd obrzęd obrzęk obrzydliwy obrzydliwy obrzydliwy obrzydzenie obsada obsceniczny obserwacja obserwacją obserwować

beeld, prent, afbeelding, plaat schildering, doek, schilderij beeld, prent, afbeelding, plaat afbeelding, prent, plaat beledigen, krenken, affronteren troetelen, koesteren, vertroetelen beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken oneigenlijk, figuurlijk oneigenlijk, figuurlijk krenkend, beledigend, grievend agressief aanvallend, offensief gescheld beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken wal, beugel, ring kompas fietsen, wielrijden anders maken, veranderen weer, defensie, afweer, verdediging defensie, verdediging, weer, afweer bescherming defensie, verdediging, weer, afweer opkomen voor, verweren, verdedigen kraag, boord, halsboord kraag, boord, halsboord revolutie, omwenteling omzet laken tafellaken, dekservet klapperen, plassen, kabbelen, klotsen ritueel besnijden cirkelomtrek, buitenkant ceremonie, plechtigheid ritus, kerkgebruik, rite pof, poef ijselijk, afgrijselijk misselijk, stuitend, onsmakelijk venijnig, vergiftig, giftig gruweldaad, verschrikking, gruwel afgietsel, gegoten voorwerp schuin, obsceen, schunnig berisping, aanmerking, blaam, standje berisping, aanmerking, blaam, standje opvolgen, handelen volgens

obserwował obsesja obsesją obsługa obsługiwać obsługiwał obsługiwanie obsługujący obsługujący ramki obstawać obstrukcja obsunięcie się ziemi obszar obszar obszar definiowania obrazu obszar oddziaływania obszar zapisu taśmy obszar zapisu taśmy (magnetycznej) obszar zbiorczy sumować obszerny obszerny obszerny obszerny obudowa obudowa obudowa płaska obudowa układu scalonego obudowa wieżowa obudzić obudzić obudzić obudzić (ze snu) obudzić się obudzony oburzony (<at sth> na coś oburzyć obustronny obustronny obuwie obwieszcza obwieszczać obwieszczenie obwolucie obwoluta obwód obwód obwód obwód drukowany wielowarstwowy

opvolgen, handelen volgens obsessie obsessie administratiekantoor, bestuur serveren, voorleggen functioneren, het doen actie, handeling, optreden, gedoe steward steward aanhouden, blijven aandringen verstopping, constipatie, obstipatie aardverschuiving oppervlakte, areaal, gebied territoir, ban, gebied, grondgebied gehucht, buurtschap, vlek arena, krijt, piste, kampplaats zich aaneensluiten, aansluiten klimaatzone, zone, aardgordel oppervlakte, areaal, gebied uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend lijvig, veelomvattend uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend breedvoerig, ruim, groot, royaal affaire, zaak, aangelegenheid, ding inpakken, verpakken, pakken indompelen, indopen, soppen pedestal, piëdestal, voetstuk inpakken, verpakken, pakken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken verontwaardigd muiten, rebelleren, in opstand komen wederkerig, wederzijds, onderling onderling, wederkerig, wederzijds schoeisel uitvaardigen, afkondigen adverteren, aankondigen, aandienen bericht, aankondiging, advertentie kruisband, wikkel, banderol kruisband, wikkel, banderol circuit netwerk, net omtrek circuit

obwód drukowany wielowarstwowy obwód drukowany wielowarstwowy obwód wyjściowy obwód zaporowy obwódka obyczaj obywatel obywatel obywatelski obywatelski obywatelstwo ocalać ocalić ocean oceaniczny ocena ocena ocena zawartości oceną oceną oceną oceniać ocenić ocenić ocet ochłodzić ochocie ochota ochotnik ochraniać ochrona ochrona ochrona poufność ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) ochrona zasobów ochrypły ochrzcić ochrzcić ociągać się ociekać ociemniały ocierać ocierać ocknąć się oclić octan oczarować

maas, breisteek, steek, strik omtrek circuit circuit velg usance, gewoonte, gebruik staatsburger, burger nationaal, vaderlands burger-, stadsciviel nationaliteit redden, bergen, behouden bergen, behouden, redden wereldzee, oceaan oceanisch belastingaanslag, aanslag orkestreren schatten, begroten, waarderen, taxeren belastingaanslag, aanslag graad, mate, trap gedachte, mening, opinie, dunk, visie rekening, conto schatten, taxeren, waarderen, begroten appreciëren, waarderen edik, azijn koelen wil wil vrijwilliger, volontair behoeden, beschermen bescherming pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand bescherming schor, hees, rauw dopen dopen zweven water blind schaven, afschaven afvegen, wissen, afdrogen, afwissen beter worden, genezen, helen plicht, verplichting acetaat, azijnzuur zout heksen

oczarować oczarować oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać na pakiety oczekiwać na sygnał oczekiwał oczekiwał oczekujący oczka oczko oczko (sieci itp) oczko (w kartach itp) oczko sieci itp oczyszczać oczyszczać oczyszczać kogoś z winy oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić się oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywiście oczywiście oczywiście oczywiście od od czasu do czasu od niepamiętnych czasów od nowa od nowa od piątku od siebie od święta od zewnątrz oda oda tnica odbicie odbicie zwierciadlane (w grafice) odbiera

aantrekkelijkheid betoverend anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhoren, beluisteren, luisteren aanhoren, beluisteren, luisteren anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhangig maas, breisteek, steek, strik kijker, oog maas, breisteek, steek, strik sterretje, asterisk maas, breisteek, steek, strik raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel reinigen, schoonmaken, louteren borstelen, schuieren uitleggen, duidelijk maken, beduiden rein, puur, schoon, zindelijk louteren, reinigen, schoonmaken zindelijk, puur, helder, rein, schoon louteren, reinigen, schoonmaken aanwijsbaar, vertoonbaar apert, evident, kennelijk, duidelijk laten blijken, manifesteren kennelijk, evident, apert vlakte beslist, absoluut, ten enenmale klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk gewis, zeker, vast, stellig sedert, met ingang van, vanaf op een keer, eens van voren af aan, nogmaals, opnieuw opnieuw, van voren af aan, nogmaals van voren af aan, nogmaals, opnieuw van voren af aan, nogmaals, opnieuw afgezonderd, afzonderlijk daarop, vervolgens sinds, sedert, vanaf ode ode afspiegeling, weerglans afspiegeling, weerglans ontwoekeren

ontraadselen klapstuk. uitladen. agent . knippen. tasten. amputeren. aars anus. slank. accepteren ontvanger afspiegelen reflecteren. voorleggen karnen gepensioneerd. kwiteren hoop. snoeien branche. rustend. inzamelen aanvaarden. aannemen. sensatie bevoelen. sujet. handvat. kruk. vak. imponeren ontcijferen. klink scheren. aars serveren. spiegelen. knul. annuïteit afdruk indruk maken op. nuancering schaduwen schakering. nuancering nuance. in ruste aftreden. aars anus. rissen.odbierać odbierać odbierający odbijać odbijać się szerokim echem odbiorca odbiorca danych odbiorca docelowy odbiorcą odbiornik odbiór odbiór (długu odbitce odbitka odblokować odbyt odbytnica odbytnicą odbywać odchodzenie klientów odchodził odchodź odchudzać się odchylenie odchylenie odciąć odciąć dopływ odciąg odciąg odciąga odciążyć odcień odcień odcień odcień odcień odcień barwy odcięta odcinać odcinanie odcinek odcinek (powieści) odcisk odciskać odcyfrować odczucie odczuwać odczynnik chemiczny collecteren. schare. afhalen lossen. groep. nuancering tint abscis oor. dealer. hengsel. herdruk ontsluiten anus. tak afbetalingstermijn. terugkaatsen ontvanger ontvanger ontvanger gebruiker luisteraar. drift afdruk nadruk. kudde. afladen tint schakering. innen. snuiter logeren ritsen. wegsnijden kerel. toehoorder voor voldaan tekenen. wegsnijden afzetten. schakering. wegnemen. afwijking afleidingsmanoeuvre afzetten. amputeren. nuance. nuance. voelen. met pensioen gaan rank. betasten vertegenwoordiger. tenger aberratie. persoon.

echoën Echo naklinken. spanderen bemachtigen. afzonderlijk verscheidene. doorzien tak. vertrek een miskraam krijgen. naklinken. een plas doen. afzonderlijk afgezonderd. voorleggen adem ademhalen. aannemen. heen. piesen poepen. afreizen . ademen declaratie. aangrijpen agentschap gescheiden isoleren. verklaring raden. ademen ademhaling agentschap aandoen. zin reproduceren.odczyt odczyt z wyprzedzeniem odczytać odczytaj odczytywać elektrycznie oddać (przysługę) oddać (się czemuś) oddaj oddalony oddawać mocz oddawać stolec oddawać usługi oddech oddychać oddychanie oddział oddziaływać oddziaływanie wzajemne oddzielać oddzielać oddzielać oddzielny oddzielny odebrać odwołać unieważnić odejmij odejmować odejmowalny odejmował odejmowanie odejście odejść odejść z kwitkiem odemknąć oderwać oderwać odetchnąć odezwa odgadywać odgałęzienie odgłos odgłos odgłos odgłos kroku odgradzać odgrażać się odizolować odjazd odjeżdża college geven lezen decoderen college geven betekenis. aangrijpen vandoor. vertrek op reis gaan. over pissen. afzonderen dreigen. bedreigen isoleren. diverse aanvaarden. afzonderen uittocht. mislukken aftreden. doorscheuren ademhalen. gissen. aftakking boe weergalmen. met pensioen gaan ontsluiten verstrooien vaneenscheuren. kakken serveren. verwijderd. afzonderen afgezonderd. ontlasting hebben. grijpen. doorklinken isoleren. galmen. accepteren aftrekken aftrekken afneembaar aftrekken aftrekking uittocht. weergeven opdragen. spenderen.

afbeelden achterhouden ontkennen veranderen. verwijderd verwijderd. afreizen desinfecteren. variëteit. afwisseling conjugeren. kleiner worden. vertrek eenzaam partij. het verdommen. afkeuren . ver afgietsel. steunen. cliché in tegenspraak zijn met. afzonderlijk uitbeelden.odjeżdżać odkazić odkąd odkąd odkładać odkładać odkładać odkrycie odkryć odkrywać odkrywać odkrywać odkrywanie urządzeń sieciowych odkupienie odlatywać odległość odległy odległy komputer macierzysty odlewać odlewać odlewać odliczyć odlot odludny odłam odłamek odłamek odłączać odłączalny odłączony odłączyć odłączyć odmalowuj odmawia odmawiać odmiana odmiana odmiana baseballu odmianą odmianą odmieniać odmienny odmienny odmowa odmową odmowny odmówić odmówić op reis gaan. toen vertraging afgeven. grondvesten. loten afgezonderd. afschrijving vandoor. afwisseling veranderen. anders maken variatie. verwijderd. over afstand. sedert. ontsmetten sinds. afbikken splinter invalide. weigering negatief. variëteit. gegoten voorwerp baseren. verbeelden. schragen ontdekken ontdekking aflossing. als. aanhouden ontdekking ontdekken ontdekken stutten. anders maken dalen. verdagen. wegnemen. deponeren. afhalen uittocht. afschuwelijk uiteenlopend. afnemen variatie. gebrekkig afneembaar afstandelijk verloten. heen. verschillend afwijzing. vanaf wanneer. ververwijderd. rissen. funderen modelleren. in bewaring geven uitstellen. tegenspreken afwijzen. stem bikken. boetseren ritsen. eind ververwijderd. weigering afwijzing. vervoegen ijselijk. ver. amortisatie.

renoveren vernieuwen. renoveren isolatie. afkeuren ontzetten. helen vernieuwen. royeren. geschikt . overblijfsel. antwoorden op adequaat. renoveren verwijzing. genezen.odmrożenie odnajdywać odnalezienie odnaleźć odnawiać odnawiać (mieszkanie) odniesienie do obiektu odniesienie niejednoznaczne odnieść wrażenie odnoga odnosić się odnoszący się odnoś odnoś odnośnie odnośnik odnowić odnowić odosobnienie odosobniony odosobniony odór zynek odpadki odpalać odparowywać odparzyć odpaść odpis odpisać odpływ odpływ odpływ odpływ kanał odpoczynek odpoczynek odporność odporny odporny na wstrząsy odpowiada odpowiada odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać (<to sth> czemuś) odpowiadać za odpowiedni odpowiedni door bevriezing veroorzaakte wofrostbite ontdekken ontdekking beter worden. antwoorden op corresponderen antwoorden. geïsoleerd enkel. antwoorden op neerdruipen. aangaande. rommel. resistent immuun. indampen blaar terugvallen exemplaar. ontslaan doen verdampen. onvatbaar. antwoorden op reageren corresponderen antwoorden. het verdommen. doorvoeren aanvaarden. aannemen. antwoorden op reageren antwoorden. afval tegenweer. vertellen. schijnen been verhalen. vies ruiken afwijzen. louter stinken. referentie lijken. isolering alleenstaand. overkomen. tegenkanting. uitdampen. bijbehorend gepast. debiteren verwant. passend. afdruk antwoorden. resistent antwoorden. familielid bewerkstelligen. referentie verwijzing. onvatbaar. omtrent verwijzing. tegenstand immuun. referentie versieren vernieuwen. afdruipen ebtij. bloot. getij ebrusten rest. accepteren betreffende.

aansprakelijk verantwoordelijk. aansprakelijk verantwoordelijk. afkeer. behoorlijk landgoed. antwoorden op verfomfaaien. kreukelen. naar behoren. onderkennen . verschrikking. zich verpozen verslappen. gelijkwaardig evenwijdig. antwoorden op antwoorden. op de juiste wijze netjes. antwoorden op antwoorden. misselijkheid afschuwelijk ijselijk. begeleiden splinter marktplein. misselijkheid walg. ontslaan verslappen. voldoende fatsoenlijk. marktplaats aflaat mazelen Oder mazelen mazelen afgeven. deponeren. behoorlijk netjes. zich verpozen verslappen. verschillend afgezonderd. markt. frommelen ontzetten. naar behoren. behoorlijk betamelijk. behoorlijk. bazaar. eind uit elkaar houden. in bewaring geven gruwel. afkeer. fatsoenlijk equivalent. antwoorden op antwoorden. betamelijk. zich verpozen vergezellen. parallel gevoeglijk. aanhouden afstand. royeren. walging. walging. afzonderlijk jota ons vonk. verdagen. aansprakelijk reageren reageren antwoorden. gruweldaad walg. onderscheid maken onderscheiden. afgrijselijk uiteenlopend. sprank uitstellen. accompagneren. bezitting verantwoordelijkheid verantwoordelijk.odpowiedni odpowiedni odpowiedni odpowiednik odpowiednik odpowiednio odpowiednio odpowiednio do odpowiedniość odpowiedzialność odpowiedzialny odpowiedzialny (<for sth> za coś) odpowiedzialny za coś odpowiedzieć komuś/na coś czymś odpowiedzieć <to sb/sth> komuś/na coś <with sth> czymś odpowiedź odpowiedź odpowiedź opóźnienia grupowego odpowiedź z danymi EGP odprasować na kant odprawić odprężacć się odprężyć (się) odprężyć się odprowadzać odprysk odpust odpust odra Odra odra (choroba) odra choroba odraczać odraza odraza odrazą odrażający odrażający odrębny odrębny odrobina odrobina odrobina odroczyć odrośl odróżniać odróżniać genoeg. boerderij.

dapperheid. over sterretje. dol. interesseren openbaren. gat interval. afwijzen evenredigheid. verwerpen. beschonken lef. accoord. loon. toneel. laven. verwerping dalen. dapperheid. overeenstemming beloning. weergave afleren. afschrikken vandoor. tableau mond. moed. kenbaar maken scène. drang. procent. opfrissen ontcijferen. tafereel. aanwakkeren opknappen. ontraadselen sterker worden. ontraadselen afpoeieren reproduceren. kleiner worden. vergelding schade aanrichten. schaden vinden. verwijderd. durf . proportie. referentie akkoord. renoveren opknappen. impuls. piëdestal. laven. treffen. bestek. speling afstand. aantreffen afbakenen ontcijferen. percent belang inboezemen. voetstuk ruimte. laven. tussenruimte pedestal. afwijzen opgooien. heen. aandrang schokken ontsluiten afslaan. gaping uittocht. weergeven reproduktie. moed. toenemen. afwennen dronken.odróżnić odruch odruch odryglować odrzuca odrzucać do tyłu odrzucenie odrzucić odrzucić odrzucić odsetce odsetek odsetki odsłaniać odsłona odsłoną odstęp odstęp odstęp odstęp między znakami odstęp międzywierszowy odstęp proporcjonalny odstępstwa odstrasza odsunąć odsyłacz odsyłacz odszkodowania odszkodowanie odszkodowanie odszukać odszukać odszyfrować odświeżać odświeżać odświeżanie odświeżyć odświeżyć odświeżyć odświeżyć się odtajnić odtrącać odtwarzać tok rozumowania odtworzenie oduczyć odurzyć odwadze odwaga onderscheiden. gooien afwijzing. vertrek verjagen. durf lef. bres. afnemen afdanken afslaan. wereldruim. tussenruimte opening. zat. onderkennen aandrift. verwerpen. opfrissen verfrissend vernieuwen. asterisk verwijzing. opfrissen verfrissend opknappen. eind interval. bevinden. verhouding rente. opening.

ommezijde. moedig. wederkerig. strijdig converseren. aankondigen. insigne. teruggeven bitmap Odyssee afwisselend beërven. onthouden afbestellen afbestellen verwijzing. eerlijk. gedenken. wegsmelten uitstellen. terugbetalen afbinden. afwegen zich vermetelen. wederzijds achterzijde. reproduceren. kleding gewaad. opzoeken bezoeken. dooien. koen gewicht flink. geregeld bezoeken bezoeken. verstrooien achterzijde. wagen zich wagen aan. verdagen. verstrooien terugdoen. referentie afschaffen terugtrekken. de aftocht blazen linker-. boud.odwaga odważnie odważnik odważny odważny odważyć odważyć się odważyć się odwdzięczać się odwiązać odwiedzać odwiedzać odwiedziny odwiert odwilż odwlec odwokat odwołać odwołać odwołać (kogoś lub coś) odwołać skasowanie odwołanie odwołanie przez adres odwołuj odwołuj odwoływać się odwracać odwracać odwrocie odwrotne łamanie odwrotność odwrotność odwrotność odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny bez powrotu do zera (zapis) odwrócić odwzajemnić odwzajemnić się odwzorowanie odyseja odziedziczyć odziedziczyć odzież odzież odznace odznaczenie zenuw dapper. rugstuk achterzijde. boud. dapper. vergelden. een gesprek voeren achterzijde. aanhouden adviseren. rugstuk aftrekken. rugstuk tegengesteld. een gesprek voeren onderling. erven kleren. ommezijde. moedig. rugstuk afleiden. onderscheiding. losmaken bezoeken. kloek. aandurven restitueren. tegenliggend. ommezijde. ommezijde. afgaan. wegen. opening ontdooien. braaf. een beroep doen op afleiden. blazoen decor. bekendmaken afbestellen afdanken zich herinneren. kledingstuk wapen. intrekken appelleren. ferm dapper. decoratie . koen het gewicht bepalen. opzoeken mond. losbinden. gat. kloek. afgaan. beantwoorden hergeven. links converseren.

adverteren proclameren. aanbieden huwelijksaanzoek. aanzoek officier afgemeten. ceremonieel. offeren. inspecteren uitzicht adverteren. genezen. emitteren bericht. nakijken. blazoen kegel reflecteren. royeren. expediëren te koop aanbieden. aanplakbiljet. terugkaatsen reflecteren. ontslaan brandpunt. aankondigen. nauwgezet opofferen. aanzoek huwelijksaanzoek. examineren inspectie houden.odznaczyć odznaka odznaka odzwierciedla odzwierciedlać odzyskać odzyskać odzyskiwać odźwierny ofercie oferować oferować oferta oferta officer celny ofiara ofiara (na jakiś cel) ofiara życiowa ofiarować oficer oficjalny oficjalny ofset ogarniać ogień ogień armatni oglądać oglądać oglądać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłosić ogłosić ogłosić ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenie ogłoszenie ogłoszenie ogłoszeniodawca ogłuchnąć ogłuszał ognisko ognisko elimineren. eind inslikken. aankondigen. aankondigen. aankondiging bericht. aandienen aandienen. aankondiging bericht. advertentie afkondiging. royeren. binnenkrijgen. advertentie. officieel afstand. advertentie affiche. aanbieden huwelijksaanzoek. openbaarmaking adverteerder. bedremmeld. slachtoffer opofferen. haard . plechtig ambtelijk. terugkaatsen ontwoekeren beter worden. adverteren adviseren. verkondiger goed staan beduusd. aankondigen. spiegelen. afstammen uitspreken aandienen. aankondiging. genezen. advertentie. verzenden. aanzoek nauwkeurig. beteuterd ontzetten. afschaffen. helen beter worden. ontslaan onderzoeken. royeren. aankondiging. presenteren. aanzoek afzenden. spiegelen. ontslaan ontzetten. offeren. accuraat. afkondigen uitgeven. uitvaardigen. focus. insigne. plakkaat bericht. aanbieden dupe. opdoeken wapen. innemen ontzetten. indienen huwelijksaanzoek. helen uitvoeren. bekendmaken het gevolg zijn van. getroffene.

tuin . zetten monteren.ognisko ognisko domowe ognisko domowe ognisko kowalskie ogniskował ogniwo ogniwo ogniwo (np. kerker monteren. straat beperkt. beperken. begrenzen beperken. hovenier kraal. begrensd. afsluiting. beperkt. tuinier. barrière haag. steg hek. barrière kraal. heg. łańcucha) ogolić ogon ogonach ogólnie ogólnokształcący ogólnoświatowy ogólny ogólny test klasyfikacyjny ogół ogółem ogórek ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać niosłości ograniczenie ograniczenie topologii ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych ograniczony ograniczony ograniczony wejściem-wyjściem ograniczyć ograniczyć ograniczyć spożycie (zużycie) ograniczył (się) ogrodnictwo ogrodnik ogrodzenie ogrodzenie ogrodzenie ogrodzić ogrodzić (żywopłotem) ogrodzone miejsce ogromny ogromny ogromny ogromny ogromny ogród open haard. begrensd. afsluiting. breedvoerig. barrière beperkt. omheind terrein hek. beperken. steg haag. cel. eindig perk. groot hof. haardstede haardstede. begrenzen begrensd. knarsen smeden brandpunt. beknotten begrensd. eindig zeeëngte. reusachtig royaal. beperken. heg. schouw piepen. beknotten beperkt. eindig. haard cachot. kanaal. beperken. omheind terrein afgrijselijk enorm buitengewoon gigantisch. doorgaans generaal wereldwijd generaal algemeen. begrenzen. heining. eindig beknotten. afsluiting. beknotten beperken. heining. begrenzen. zetten afscheren schaduwen rok in het algemeen. focus. begrensd. haard. eindig tuinieren tuinman. grens beperken. begrenzen. ruim. nauw. schoorsteen. heining. beknotten hek. beknotten begrenzen. gemeenschappelijk geheel alles wel beschouwd komkommer begrenzen. beperkt beknotten.

maal incident. venster bericht. afgrijselijk pater. papa. gelegenheidsopdraven. eetlust. tuin knagen knagen. gebeurtenis. monster. vuur verwarming verschrikking. peter. gruweldaad. alledaags. foedraal. gruwel afschuwelijk. venster luik toejuichen. boodschap verzenden glaswaar. vensterruit. gleuf raam. opdagen sponning. bij acclamatie benoemen toejuichen. marchanderen keer. specimen. hongerigheid. vader. peet stiefvader ingeboren. ouder pater.ogród ogród zoologiczny ogryza ogryzać ogryzek ogrzać Ogrzewać ogrzewanie ohyda ohydny ojca ojciec ojciec chrzestny ojczym ojczysty ojczyzna ojczyźnie oka okablowanie okaz okaziciel okazja okazja okazja okazją okazjonalny okazywać się okienka okienko okiennica oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwał oklepany oklepany okład okładce okładka okładziną okna okno okno dialogowe okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) okno panel pole oko dierentuin hof. oog . sleuf. houder afdingen. venster raam. oog span proef. pingelen. bij acclamatie benoemen banaal. toedekken. knabbelen kern. bedekken voering raam. trek toejuichen. aangeboren vaderland vaderland kijker. bij acclamatie benoemen graagte. afgezaagd afgezaagd comprimeren mouw dekken. glaswerk kijker. proefstuk schede. ouder peetvader. pit warm gloed. naamgever. beleggen. gebeuren afdingen. papa. vader. pingelen. vaartje. vaartje. marchanderen toevallig.

bak. naamwoord. tribune. aanstaand. arrondissement. gruweldaad. cirkel ronde fietsen. wielrijden wiegen periode. circa groef. open veld oppervlakte. omschrijven. stand circulerend. gracht loopgraaf stropen. zwendelen. definitief specifiek. vulva definiëren. regionaal pot. roven. areaal. foedraal. zwendelen. oog eerstvolgend. accident. aanstaand. frauderen knoeien. doos. kuil. nauwkeurig bepalen onherroepelijk. buitmaken. etui. ongeval toevallig. oppervlak platteland. koker district. greppel. gouw streek-. hoer kut. naam prostituée. tijdvak podium. open veld bijwoordelijk toevallig. gelegenheidsomstandigheid situatie. bak. gruwel . bestuur. gebied platteland. tijdvak periode. foedraal. groeve. soortelijk pot. etui. bepalen determineren. frauderen kring. komend eerstvolgend. vakterm krant specificeren benaming. vulva kut. leiding term. tijdvak term. koker afknotten verschrikking. in omloop ongeveer. lichtekooi. gewestelijk. komend oppervlakte. stand van zaken.oko magiczne okok okok ca okolica okolica okolica okolicą okolicznik okolicznosciowy okoliczności okolicznościowy okoliczność okoliczność około około okop okop okrada okradać okradać kogoś okraść okrąg okrągły okres okres okres okres okres ważności klucza kryptograficznego okres wykonania okres życia okres życia okresowy określać określenie określenie danych określenie ilościowe określenie intymnej części kobiecego ciała określić określić określony określony okręcie okręg okręgowy okręt wojenny okroić obcinać okropność kijker. een stuk of. doos. vakterm periode. gelegenheidsongeluk. plunderen sluipen knoeien.

beleggen. ambacht aanwezige aanwezige bezetten. beslaan.okropny okropny okropny okropny okruch okrucieństwo okruszyna okrutny okryć okrywać oktalny okucie Okucie okulary okulary okulawić okulista okultystyczny okultyzm okup okupacja okupacja okupacją okupancie okupant okupować okupował olbrzym olbrzymi olbrzymi olcha olej olej rycynowy oleje i smary oliwa oliwą oliwą oliwić oliwka oliwny olśnić (dosł. bekleden bezetten. bijkans. i w przen. achttallig betamelijk. schouwspel bril mank. geweldig elzeboom. leiden potlood altaar ohm schier. brandstof olie olie olijf olie olijf olijf verblinden. wreedaardig dekken. afkopen handwerk. beroep. bedekken hullen. beslaan. bijna handelen. bekleden reus reusachtig. inwikkelen. broodwinning. kreupel. handeldrijven. ijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. blind maken de weg wijzen. behoorlijk. toedekken. geleiden. bedrijf handwerk. barbaars. kijkspel. omhullen octaal. bewusteloos raken . ambacht beroep. els olie olie stookmateriaal. gruweldaad. gruwel kruimel. haast. fatsoenlijk smeden spektakel. broodkruimel wreed. hinkend oogarts occult occult loskopen.) ołów ołówek ołtarz om omal omawiać warunki omdlenie afgrijselijk schrikaanjagend. enorm. ijselijk kruimel. zaken doen bezwijmen. broodkruimel verschrikking. vrijkopen. beroep. gigantisch gigantisch.

operatie. zij. uit de weg gaan.omen omija omit omlecie omlet omlet omnibus omówić omówienie omszały omultiset omulti-set on ona ondulacja one oni oni sami ono opactwa opactwo opada opadać opakowanie opakowanie ochronne opal opalać się opalenie opancerzenie opar oparcia oparcie opary oparzenie oparzenie słoneczne opaska opat opat tor opatrunek opatrunek opatrzyć opcja trasowania według nadawcy opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną opera operacja operacja zmiennopozycyjna operatora teken. pantser haarkloven. ingreep kansel. ontwijken missen. hem haar. steunen. alternatief. zak tas. hun hen. verband toebinden. leerstoel. harnas. voorbode. zwaaien hen. zij. operatie. omelet struif. verpakken. bus bespreken. wuiven. voorteken mijden. keuze opera bewerking. steunbeer. ze gebaren. misgrijpen struif. mislopen. ingreep bewerking. omelet autobus. alternatief. leerlooien. discuteren recenseren. bende abt abt zwachtel. hun hen. hun het abdij abdij hangen verval inpakken. looien aangebrand kuras. ze. keuze keus. beer stutten. zij. pakken kruisband. bespreken mossig tas. ze. omelet struif. troep. wikkel. katheder . zij. ze. bedillen schoor. bepantsering. schragen uitwasemen aanbranden in kokend water doen schare. afbinden een verband omleggen keus. banderol opaal tanen. zak hij.

relaas. schildering. het maken port. dokken rouwen rouwen gesteld zijn. porto gesteld zijn. onachtzaam nalatig. afval tegenspartelen. vertelling etage. relaas. het doen beklemmen. komend belasten. verhaal. onachtzaam. band tegenstander tegenstander mikpunt. tegenkanting. afbeelden beschrijven opium storten. beschrijving verbeelden. dunk. luchtband. rijk zijn acht. sententie. opinie. het maken gestroomlijnd eerstvolgend. tegenstand trekken tegenweer. nonchalant gedachte. ding tegenweer. bezwaar hebben tegen belenden. attentie. vonnis tafereel. aanstaand. meeloper vertelsel. nalatig. oppositie tegenweer. tegenkanting. tegenstreven standhouden. verhaal. beschrijving recenseren. tegenstand . onderwerp. vertelling tegenstand. aandacht bescherming beschermheilige. visie judicium. schildering. tegenstand opportunist. beschermheer chaperonne oppas rest. overblijfsel. object. frankering. grenzen aan nonchalant. mening. verband vertelsel. obsederen bezitten. bespreken tafereel. verdieping vertelsel. omgang. aanslaan belastingaanslag. betalen. uitbetalen. aanslag pneumatiek. uitbeelden. rommel. uitspraak. tegenkanting. vertelling betrekking. erop nahouden.operą operować opętać opętywać opieka opieka opiekun opiekun klienta opiekunka do dziecka opierać opierać się opierać się opierać się o coś opieszały opieszały wstęp opinia opinia opis opis opis techniczny opisać opisywać opium opłacać opłakiwać opłakiwał opłata opłata (za przejazd) opłata jednostkowa opływowy opodal opodatkować opodatkowanie opona oponent oponent oponować oporność oportunista opowiadanie opowiadanie opowiadanie opowiadanie) opowieść opozycja opór opór magnetyczny opór sprzężenia zwrotnego opera functioneren. relaas. verhaal.

cessie. funderen bereidwillig. ledig. afdalen concessie. afslachten inbinden. afreizen linker-. loos. weglaten uittreden. rugwaarts compileren. emitteren pof. bedanken naar beneden gaan. lens. onzedelijk onpeilbaar. immoreel. bij. laten varen op reis gaan. reep. binden strip. aftreden. foedraal. nabij. besef. leeg Vlissingen gangster baseren. leeg hol. grondvesten. toegeving zonder vrienden gemeen. inlijsten.opóźniać się z czymś opóźnić opóźnić opóźnienie opóźnienie propagacji opóźniony zapis opóźniony zapis opracowywać oprawa oprawa okularów oprawą oprawcą oprawia oprawiający oprawka oprawka oprawka oprócz oprócz oprócz oprócz oprócz opróżniać adj pusty opróżnić opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) opryszek oprzeć oprzejmy oprzęd oprzytomnieć optyczny wskaźnik działania optyk optymista optymistyczny optymizm opublikować opuchlina opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać (się) opuszczenie opuszczenie opuszczony opuszczony vertraging vertraging achterlijk vertraging vertraging achterover achterwaarts. samenstellen monteren. dichtbij. ledig. houder velg houder. bereidvaardig cocon bezinning. strook. zetten montage. bewustzijn daglicht opticien optimist optimistisch optimisme uitgeven. poef in de steek laten. schede. ondoorgrondelijk . windsel schede. zetting in een lijst zetten. band. lens. doch uitzonderen zich aanstellen. loos. achteruit. zich voordoen hol. afstand. links achterwege laten. trouwens maar. vatten slachten. foedraal aan. naast overigens.

organisch organisatie organisatie administratiekantoor organisatie organisme systeem. opstand orgie. opgeven een miskraam krijgen. oostelijk band. spelling. van oorsprong oorspronkelijk. orkest. mislukken afrit. kas. zwelgpartij. muziekkorps orkestreren planeet. beploegen geldkist. uitgang. drinkgelag orgie. regelen. onlusten. bestel uitschrijven. baan orchidee hardhandig. origineel . rejestracji użytkowników organiczny organizacja organizacja firma organizacja i zarządzanie organizacją organizm organizm organizować organizował organy orgia orgia orgią orientacja w przestrzeni orientalny orkiestra orkiestra smyczkowa orkiestrować ornacie ornament ornamentacja orszak pogrzebowy ortodoksyjny ortografia oryginalnie oryginalny weggelaten prijsgeven. baan oogkas. fonds Oranje oranje redenaar oogkas. afleggen. voorvechter bericht. orkest. organiseren uitschrijven. grof. lomp. verdediger apostel. muziekkorps band. ruw pleitbezorger. advocaat. naargeestig omploegen. stelsel. uitweg op reis gaan. afreizen troosteloos. zwelgpartij. ploegen. somber. baan oogkas. organiseren orgaan muiterij. boodschap orgaan orgaan organiek.opuszczony opuścić opuścić opuścić opuścić opuść (się) orać orać oranż oranż orator orbicie orbita orbita okołoiziemska orbitować orchidea ordynarny orędownik orędownik orędzie organ organ ds. onkies. schrijfwijze oorspronkelijk. rechtzinnig orthografie. baan oogkas. zwerfster versieren versieren gastheer orthodox. regelen. drinkgelag houding oosters.

zetten wesp beoordelen. rap. okkernoot kokosnoot. bereiken. inhalen. schommelen economisch aarding. druk. apenoot. apenoot. inhalen buit maken. klapper klapper. arend pinda. behalen aanspreekbaar verkrijgbaar behalen. aardnoot levendig. origineel moer walnoot. behalen behalen. klappernoot. oordelen. berechten geschommel. schommeling oscillator oscillograaf oscillograaf slingeren. oscilleren. kras. inhalen behalen. kwiek verfrissend wesp akkoord. verkrijgen. inhalen akkoord. behalen bereiken. overeenstemming afhandelen. kokosnoot hazelnoot walnoot. inhalen. klappernoot. afdoen acht tachtig tachtig achttiende achttien achttiende achttien ouderloos ratelpopulier. aardleiding behalen. bereiken. accoord. bereiken. okkernoot pinda. aardnoot moer adelaar.oryginalny oryginał orzech orzech orzech alskowy orzech kokosowy orzech laskowy orzech nerkowca orzech orzech orzech włoski orzech ziemny orzeł orzeł czy reszka? orzeszek ziemny orzeźwiający orzeźwiający osa Osada osadzić osą osądzać oscylacja dwustanowa oscylator oscyloskop oscyloskop elektroniczny oscylować osdzczędny osiadanie na mieliźnie osiąga osiągać osiągać osiągalny osiągalny osiągnąć osiągnąć osiągnąć osiągnąć szczyt osiedle osiedlić osiem osiemdziesiąt osiemdziesiątka osiemnasta część osiemnastka osiemnasty osiemnaście osierocić osika typisch. inhalen bereiken. esp . overeenstemming monteren. curieus. okkernoot walnoot. bereiken. vreemd oorspronkelijk. arend adelaar. accoord.

verkondiger oppas menselijk. bekoelen. asiel. humaan begeleiding. slof. buis dekken. schort. banderol huik. verzwakken aanlengen aanlengen aanlengen bedaren. luwen schild. betichten. aangeklaagde aanklager. karakter. beleggen. aangeklaagde beschuldigen. bord bedaren. beschuldigde. asyl kader. bordje. capuchon. bekoelen. accompagnement muiltje. omlijsting. luwen verdunnen. sloof. bordje. uithangbord. bordje. mantelkap. afkluiven beschuldigen.osikowy osioł osioł osioł oskard oskarżać oskarżać oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) oskarżać (kogoś o coś) oskarżenie oskarżony oskarżyciel oskarżyć przed sądem Oslo oslona osłabiać osłabiać osłabiać osłabiać osłabić osłabnąć osłaniać osłodzić osłona osłona osłona osłona osłona osłona osłona przeciwsłoneczna osłona TCP osłoną osłoną osłonić przed wiatrem osnowa tkaniny osoba osoba dająca ogłoszenie (np. aanklagen beklaagde. colbert. mantelkap. wikkel. jas bescherming kruisband. voorschoot huik. raar. kap jasje. bord suiker boezelaar. bord toevluchtsoord. buis overjas. beschuldigde. colbert. bedekken schild. aanklagen beschuldigen. toedekken. vreemd. uithangbord. geaardheid gek. raam personage. aanklacht beklaagde. betichten. do gazety) osoba pilnująca dziecka osoba postępująca w sposób humanitarny osoba towarzysząca osoba używana do przemycania narkotyków osobistość osobisty osobisty osobisty numer identyfikacyjny osobisty numer identyfikacyjny ratelpopulier. muil aard. uithangbord. persoon adverteerder. kap jasje. capuchon. lijst. esp ezel ezel afgodsbeeld knabbelen. beschuldiger een proces aanspannen tegen Oslo schild. eigenaardig persoonlijk persoonlijk kegel . aanklagen beschuldiging. betichten.

bruut. steun de sporen geven. karakter. kort geleden muntstempel drager. voorbijgaand puntig. guur. fel. vreemd. streng. ten slotte. spits . prikkelen de sporen geven. duchtig. geborgen. raar. szorstkość ostrożnie ostrożność ostrożność ostrożny ostrożny ostrożny ostrożny ostry ostry ostry ostry ostry ostry ostry (ból) ostry (np. curieus. dierlijk kras. helder. hard. rap. hardheid zachtjes. verleden. voorzichtig verstandig safe. individueel afgezonderd. druk bar. veilig scherp. verleden. de laatste tijd onlangs. zorgen behoedzaam. slaperig eindelijk. jijzelf afzonderlijk.osobiście osobliwy osobliwy osobliwy osobnik niosący trumnę osobno osobny osobowość osobowy osolić osowiały ospa ospałość ospały ostatecznie ostatecznie ostateczny ostateczny termin ostatni ostatni ostatni na wejściu—pierwszy na wyjściu ostatnie (wiadomości) ostatnio ostatnio ostemplować ostoi ostrodze ostroga ostrokrzew ostrość ostrość. afgezonderd gek. bovenmatig finaal. vreemd hoofdelijk. ten slotte. per saldo gebeurlijk. uiteindelijk voorgaand. stut. laat recentelijk. afzonderlijk geïsoleerd. leuning. ruw. felheid hardvochtigheid. guur. nóż) ostry ból ostry nabój uzelf. bezorgd zijn. geaardheid persoonlijk zouten bromfiets pokken doffe onverschilligheid. doordringend sluw steek bijtend. kwiek. extreem. voorafgaand vergevorderd. acuut. ergst. eventueel uiterst. alleenstaand aard. bezorgd zijn. zorgen waarschuwen zich bekommeren. helder. fel. levendig. eigenaardig typisch. voorafgaand voorgaand. doordringend scherp. lethargie druilerig. voorbijgaand beestachtig. per saldo eindelijk. behouden. schelheid. prikkelen hulst guurheid. straf bijtend. voorzichtig zich bekommeren. acuut.

waarderen belastingaanslag. dresseren. bergen. scherpen. aanplakbiljet. tip waarschuwen affiche. furore duizelig roddelen. belasteren economie. slijpen afkoelen aardverschuiving temmen. dresseren. lemmet wal. scherpen. lemmet waarschuwen waarschuwen waarschuwing. begroten appreciëren. belasteren roddelen. taxeren bestseller. kwaadspreken. spaarzaamheid economisch spaarzaam redden. africhten temmen. plakkaat waarschuwing. frauderen. kust. tip waarschuwing. africhten temmen. dresseren. lemmer. snoeien maaien wal. kwaadspreken. taxeren. knoeien aanwensel. zwendelen. tip waarschuwen waarschuwen waarschuwen knippen. boord. boord. frauderen schurkachtig handelen misleiden. dresseren. dresseren. africhten huistemmen. lemmer. begroten. africhten schatten. scheren. bedriegen zwendelen. waarderen.ostrydze ostryga ostrz ostrze ostrze ostrze noża ostrzega ostrzegać ostrzeżenia ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie o otwarciu obudowy ostrzeżenie o poziomie tuszu ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora ostrzeżenie o rozładowaniu baterii ostrzyc ostrzyc ostrzyć ostrzyć ostudzić osuwiska oswajać oswoi (się) oswoi się oswoić oswoić oswojony oszacować oszacować oszacowanie oszacowanie oszaleć oszałamiający oszczerstwa oszczerstwo oszczędność oszczędny oszczędny oszczędzać oszołomiony oszpecać oszukać oszukać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oester oester aanzetten. oever aanzetten. kust. slijpen kling. oever kling. hebbelijkheid . kant. kant. aanslag schatten. waarderen. africhten temmen. behouden duizelig Mars schurkachtig handelen knoeien.

kolk . verklaring declaratie. aansporen zich vermetelen. status. spil staf as. as declaratie. aanbieden declaratie. as as. stand. binnenste. centrum ligging graad. draaien as. aanspraak maken op achthoek achthoek achthoekig achtvoudig achtvoudig octopus octopus middelpunt. bedrieger jongleur haai schurkachtig handelen jongleur zwendelen. bieden. uitspraak illumineren. blind maken blind aanvuren. verlichten illumineren. blind maken verblinden. aangifte. aanbieden spil. insluiten muur. verlichten illumineren. spil verblinden. wand afschaving gal. omgeven. verlichten illumineren. plantengal. aanwakkeren. frauderen.oszukiwał oszust oszust oszust oszustwo oszustwo oszustwo telefoniczne oszyc oś oś oś oś oś (koła) oś (obrotu) ośka oślepia oślepiać oślepić ośmielać ośmielać się ośmielić się ośmiobok ośmiokąt ośmiokątny ośmiokrotnie ośmiokrotny ośmiornica ośmiornicą ośrodek ośrodek ośrodek zdalny oświadczać się oświadczać się oświadczenie oświadczenie oświadczyć oświadczyć (się) oświadczyny oświadzenie oświeca oświecać oświecać oświetlać otaczać otaczać murem otarcie (skóry) otarcie skóry otchłań misleiden. rang uitspreken uitloven. bedriegen charlatan. verlichten omringen. spil roteren. uitspraak declareren uitloven. kwakzalver. knoeien borduren prieel spil. galnoot afgrond. wagen claimen. bieden. aangifte.

accepteren lef. omstreken scheepsromp. blikopener openmaken. rondweg openheid openmaken. tappen. aannemen. moed. sleuf. opening. datgene. gat. openen opener. gat sponning. vergallen. opening dik. opening mond. lijvig lijvig. omgeving omgeving. divan. rustbank goed. dapperheid. opening. sleuf. daarginds milieu. romp. omgeven. aldaar. dik insekt eirond. medium. vergeven gal. galnoot schaven. er. gleuf mond. omhullen haardos. sleuf. gleuf mond. lossen mond. gat ronduit. ruigharig. gat. do wrzucania monet) otwór do wrzucania monet otwór poczty (mechanizm komunikacji międzyprocesowej) otwór wentylacyjny otwór wiertniczy otwór wiertniczy otwór zabezpieczenia zapisu (w dyskietce) otyły otyły owad owal owalny owca owi owies owijać owłosienie owłosiony kolk. diepte ginds. opendoen. nu goed vergiftigen. opendoen. inwikkelen. uitlaten. casco omsluiten omringen. haar harig. gat. openen ontsluiten loslaten. gleuf mond. ovaal eirond. bodem. ovaal schaap dat. open en bloot. gat. afgrond kolk. omstreken omgeving. insluiten Turkse staatsraad. plantengal. afschaven verkrijgen. ruig . zulks haver hullen. opening sponning. daar.otchłań otchłań oto otoczenie otoczenie otoczenie sieciowe otoczka otoczyć otoczyć otomana otóż otruć otrzeć (odparzyć) skórę otrzeć (skórę) otrzymać otrzymać otucha otwarcie otwarcie otwartość otwarty interfejs przygotowywania do druku otwieracz do konserw otwierać otwierać (z klucza) otworzyć (spadochron) otwór otwór otwór (np. buit maken aanvaarden. durf mond. opening fjord sponning.

verlevendigen actie. opwerken. plan. optreden. voorteken. achttallig achtste achtste dat ginds. innig. trouwen bezielen. teken gemiddeld middel. daarginds. knus indicatief. strekking merken. adverteren intiem. aldaar. betekenen spellen doel. teken. daar oksel oksel stinkend stinken. vies ruiken aromatisch. tekenen adviseren. garneren sieraad. tooisel versieren koud voorbode. aankondigen. decoratie. bedoeling. gedoe. handeling bezielen. beslaan. verlevendigen acht octaal. aantonende wijs merken. er. gezellig. tekenen muntstempel adstructie. geurig stinkend kegel lies .owoc owoce owocny owocowy owocujący owrzodzenia ozdabia ozdabia ozdabiać ozdabiał ozdabianie ozdoba ozdoba oziębły oznace oznacza oznacza oznacza oznaczać oznaczający oznaczyć oznajmiać oznajmić oznajmić oznajmujący oznaka oznaka oznaka ozon ozór ożenić się ożywiać ożywienie ożywiony ósemka ósemkowy ósma część ósmy ów ów pacha pachą pachnący pachnąć pachniano pachniano pachołek pachwina vrucht vrucht vruchtbaar vrucht vruchtbaar zweer versieren verfraaien. bewijs ozon tong in de echt verbinden. aankondigen. werktuig beduiden. flatteren versieren opgesmukt afzetten. bekendmaken aandienen.

spinrag. bos barsten. insluiten opbergen. paal. ineenstorten. spinneweb. zaak. aangelegenheid. massa stijl. pakken pakje bundel. scheuren Pakistan inpakken. storten regenen aas aas hoogte aanaarden spinnekop. dobberen. pakken. verpakken. rag affaire. afvallen. verpakken. bergen. bos pakje pakje inpakken. vallende ziekte vallen. epilepsie. deurpost rookcoupé baseball vleermuis vinger vinger vinger teen . insluiten inpakken. menigte. splijten. uiteenvallen hagel toevallen. spin web. drom. drijven bakvis pacifist pacifist bundel. verpakken opbergen. pakken pakje pakje pakje instorten. ding emmer inpakken. post. verpakken inpakken. neervallen. pakken pakje boel. bergen. wis. verpakken. wis. pakken.paciorek pacjent pacjent stały (w szpitalu) packa murarska packa na muchy pacyfista pacyfiście paczce paczce paczce paczka paczka paczka paczka paczka błędów pad upaść pada grad padaczka padać padać padlina padliną pagórek pagórek pająk pajęczyna paka pakiet pakiet pakiet pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) pakiet żądania WE/WY Pakistan pakować pakować pakował pakunek pakunek pal pal palaczach palant palant palca palec palec (u ręki) palec u nogi kraal patiënt. zieke vlotten. hoop. zieke patiënt.

heugenis. verassen schutting. vies ruiken cremeren. journaal . brandstof stookmateriaal.palec u ręki palenie zwłok paleniska palenisko palenisko palenisko palenisko Palestyna palić palić palić palić (papierosa itp) palić na popiół palisada paliwa paliwo paliwo wysokoenergetyczne palma palto paluch pałac pałka pałka policyjna pamarańcza pamarańcza pamflet pamiątce pamiątka pamiątka pamięci pamięciowy pamięć pamięć pamięć dyskowa pamięć ekranu pamięć magnetyczna ferrytowa pamięć podręczna scalona z układem procesora pamięć podręczna z synchronicznym pamięć rdzeniowa pamięć stała pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna (pamięci) pamięć zmienialna pamięta pamiętać pamiętnik vinger lijkverbranding. haardstede kachel. hol mnemonisch geheugen. brandstof stookmateriaal. gedenkschrift aandenken. onthouden. palm overjas. operatekst aandenken. knarsen haardstede. schoorsteen. aanhangen staf Oranje oranje boekje. palissade stookmateriaal. vastkleven. intellect winkel geheugen. gloren ROM voor. bochel ROM ROM verstand. lens. gedenken zich herinneren. schouw piepen. knarsen open haard. verassing piepen. jas teen paleis kleven. leeg. gedenkschrift loos. heugenis. onthouden. brandstof bal. roken stinken. paalwerk. haard. gedenkschrift aandenken. tot bult. heugenis. handpalm. herinnering zich herinneren. herinnering geheugen. als. gedenken dagboek. bij wijze van. oven Palestina aanbranden geroosterd. flikkeren. ledig. herinnering winkel geheugen. geest. crematie. libretto. heugenis. gebraden smoken. hoe. herinnering flitsen.

dicht sprietig. volk verzekeren. bewind bestuur. meester worden paniek terreur. schrikbewind paniek meid. beweren platteland. gebonden. dagblad. meester worden dhr. meester worden bruidegom.pamiętnik pamiętny pan pan (domu) pan (przed naswiskiem) Pan Bóg pan domu pan młody pan wielkiego rodu pancerz pancerz pancerz panel pani panice panicz paniczny paniczny strach panika panna panna panna panna Panna (gwiazdozbiór) panować panować panował panowanie panowanie panowanie nad sobą pantera pantofel pantomima pański pański państwa państwo państwo państwo państwo państwowy pańtwa papce papier papier o dużej gramaturze papier o małej gramaturze papier ścierny papier wysokiej jakości courant. beweren jou. onderzoek fotografische plaat. bepantsering. bewind. pantser kuras. je openbaar. akte dik. luipaard pantoffel pantomime spelen je. de baas zijn bestuur. akte . brij bescheid. harnas. heerschappij. pantser examen. WC-papier. pap. open veld natie. kuras. papier. meisje dienstmeisje. openlijk. toiletpapier bescheid. publiek je. bewind pré. papier. mager closetpapier. lord onder de knie krijgen. harnas. keuring. document. mislopen. misgrijpen Maagd verloofde. heerschappij. aan jou. bestuur panter. heerschappij. jonggehuwde edelman bepantsering. heuglijk heer. document. ruchtbaar. krant gedenkwaardig. aan je. schraal. voordeel bestuur. jouw moes. meisje meester zijn. dienares. meid missen. bruid. plaat dame paniek onder de knie krijgen. bewind heerschappij. jouw het jouwe. gentleman onder de knie krijgen. de jouwe verzekeren.

voorletter voor voldaan tekenen. damp wasem. paraderen. echtelieden pralen. verlammen verminkt. koppel. duo. machinatie. aanstaren. akte saffiaantje. staren stoom. prijken paradox paradoxaal paradoxaal pralen. pronken. gebrekkig parameter paranoïde paranoia drempel. paar echtpaar. stoom pakje intrige. sigaret paus klakken. document. wasem. kudde parochie paraffine initiaal. pronken. staren echtpaar. paraderen. schut stel. aanstaren. prijken pralen. paar turen. papier. kwiteren artikel. klappen. koppel. echtelieden stel. kletteren. paraderen. paragraaf verlamming lamleggen. tweetal. pronken. damp. konkelarij parkeren parkeren . wasem. dorpel paraplu paraplu scherm. damp stel. tweetal. koppel. duo. klikken varen paprika papegaai papegaai papegaai turen. tweetal. duo. prijken parochie parochieparochiaan roedel.papier wysokiej rozdzielczości papieros papież paplać paproć papryka papudze papuga papugować par para para para (dwa para komplementarnych tranzystorów para uporządkowana parada paradą paradoks paradoksalny paradoksyjny paradować parafia parafialny parafianin parafią parafią parafina parafować paragon paragraf paraliż paraliżować paraliżował parametr paranoiczny paranoja parapet parasol parasol (od słońca) parawan parą parą parą parą parcela parcela park parking bescheid. paar stoom.

wasem. strook. meemaken. jaartelling. wasem. meedoen afzonderlijk. reep klimaatzone. ceintuur slippen. baan. aanhang kavel. perceel schifting. damp masseren benedenverdieping. uitglijden strip. leest. aardgordel scheerriem . gordel riem. windsel. ceintuur. effen riem. volksvertegenwoordiging parlementair stoomboot vochtig travestie doen verdampen. ceintuur. deel orkestreren van Parijs pariteit Paris van Parijs pariteit gelijk. passagier inzittende. vlak. damp stoomboot stoomboot motorisch stoom. gordel riem. rijstrook inzittende. volksvertegenwoordiging parlement. clausuur deelnemen. windsel. afsluiten. passagier belemmeren. gordel. gordel. strook. zone. indampen stoom.parkować parlamencie parlament parlamentarny parnik parny parodią parować parować parowca parowiec parowóz parowy parsować parter parterowy dom partia partia (produktu) partycja podział strefa partycypować partykularny partykuła partyturą paryski parytet Paryż paryżanin parzystość parzysty parzysty równy regularny pas pas pas pas pas (w kartach) pas bezpieczeństwa pas parciany pas startowy pasaż pasażer pasażer na gapę pasek pasek pasek pasek pasek pasek pasek (papieru) parkeren parlement. uitdampen. afdammen riem. effen gelijk. gang. afscheiding. gordel strip. afgezonderd item. deeltje. taille gallon gallon riem. parterre bungalow leden. ceintuur. ceintuur gallon middel. reep overloop. vlak.

pat. pan Pan patent. aanpassen.pasek reklamowy (na stronie WWW) pasek zębaty pasieka pasja pasjans pasjans (w kartach) pasją pasjonujący paskudny paskudny pasmo pasmo pasmo (gór) pasmo (radiowe) pasmo wizyjne pasować pasożycie pasożycie pasożyt pasta pasta pasta pasta pastel pasterz pasterz pastor pastor pastuch pasujący paszcza paszkwil paszporcie paszport pasztet paść paść (się) paśmie patelnia patelnia patencie patent patentować patentowy patriarcha patriocie patriota patriotyczny vaan. kleurkrijt pastoor herder minister. patriot vaderlandslievend . betoverend afschuwelijk belabberd. bende klimaatzone. octrooi patent. reep afstemmen. patriot vaderlander. stand. boeiend. aanpassen. beslag. nesthaar. klaploper deeg. bende strip. streek. paspoort pastei waas. dons grazen. schrap. octrooi aartsvader. patriarch vaderlander. adapteren bloedzuiger parasiet. klaploper parasiet. octrooi patent. octrooi patent. ellendig. kaak laaien. vlammen pas. rang schare. windsel. haal. weiden schreef. vuur fascinerend. pasta Pools schoensmeer schoencrème pastel. vuur geduld. miserabel schare. aardgordel graad. troep. strook. troep. bijenschans gloed. lijdzaamheid gloed. streep koekepan. tekenkrijt. adapteren kakement. vlag riem bijenstal. paspoort pas. lijdzaamheid geduld. bewindsman pastoor herder afstemmen. status. zone. dundoek.

boel. pikken schuiven schokken priemen. page. rommel. loensen het uiterlijk hebben van. paviljoen. oktober uitbotten. spruiten. nagelen spijkeren. botten uitbotten. edelknaap wijnmaand. gaspedaal. spruiten. oktober wijnmaand. vastkleven. prikken. er uitzien kleven. aaien afbreken rest. strelen. prikken. er uitzien scheelzien. steken. nagelen klauw spijkeren. steken. steken. nagelen boer. prikken. pikken priemen. massa. aanhangen pauzeren aanhalen. patriottisme patrouilleren ontmoeten. steken. afval pauw baviaan koepel. liefkozen. menigte vlo vlo priemen. botten stuwen aanduwen priemen. prikken. drom.patriotyzm patrol patrz patrzeć patrzeć na kogoś z ukosa patrzeć zezem patyk pauza pauza pauzą pauzą paw pawian pawilon paznokcia paznokieć pazur pazur ernik paź październik pażdziernik pączek pączkować pąk pchać pchać pchać pchać się pchła pchłą pchnąć pchnąć nożem pchnąć nożem/sztyletem pchnięcie pchnięcie pchnięcie nożem/sztyletem pech pedał pedał gazu pederasta pejzaż Pekin pelargonia peleryna peleryna peleryna peleryną peleryną vaderlandsliefde. scheelkijken. versneller feeëriek landschap Peking ooievaarsbek kaap Kaaps regenmantel kaap Kaaps . trappen accelerateur. aantreffen het uiterlijk hebben van. overblijfsel. pikken schuiven ongeluk peddelen. spruiten. tuinhuis spijkeren. pikken hoop. botten uitbotten.

innemend. doorkijk prospect. volkomen. vol geheel. bevallig. snikkel. dubbelhartig stompen Jan Klaassen parfumeren parfumeren perkament krant krant parel parel parel tribune. verraderlijk. perspectief. ten volle. perspectief. volmaaktheid perfectie. compleet. ad rem totaal. zielsverwant snedig. jongeheer volkomen. volkomen. compleet. gevat. perspectief. perfect. pik. doorkijk uitzicht . inboeten totaal. leuter. afgeladen. mantel pelikaan pelikaan jubelgracieus. in optima forma perfectie. sierlijk sympathiek. leiding. doorkijk uitzicht prospect. volmaaktheid verraad trouweloos. geestig. vol kruipen kruipen penicilline penicilline penis lul.peleryną pelican pelikan pełen triumfu pełen wdzięku pełen współczucia/zrozumienia pełen życia pełnia pełno pełnoletniość pełnomocnik pełny pełny pełny wymiar czasu pełza pełzać penicylina penicyliną penis penis perfectum perfekcja pikselowa perfekcją perfidią perfidny perforator perforator perfum perfumy pergamin periodyczny periodyk perła perłą perłowy peron Pers Persja perski personalny personel personel personel informatyczny perspektywa perspektywa perspektywa podgląd perspektywą perspektywą jas. volkomen. compleet. vol boordevol. mudvol totaal. heel. meerderjarigheid in de plaats stellen van. volkomenheid. volkomen meerderheid. volkomenheid. podium Perzisch Perzië Perzisch persoonlijk personeel staf staf prospect.

kern zaadkorrel. handeldrijven. buitenkant omtrek. vast een beetje. zeker. vast zelfbewust. randbuiten-. betrouwbaar gewis. zwaartillendheid pessimist zwaarhoofdig. vuur. een weinig wel degelijk. zwaartillendheid bezwaar. zelfverzekerd vertrouwd. stellig blaas blaar blaar borrelen bos. enigszins. bundel onstuimigheid. buitenkant buiten-.perswadować perswazja perswazją pertraktować pertraktował Peru peruce peruka peryferią peryferie peryferie peryferyczny peryferyjny peryferyjny procesor macierzowy perymetr peryskop peseta pestce pesteczka pestka pesymism pesymista pesymistyczny pesymiście pesymizm peszyć petencie petent petycja petycją pewien pewien pewnie pewnie pewnie pewnie pewny pewny pewny pewny pewny siebie pewny siebie pęcherz pęcherz pęcherz (od oparzenia itp) pęcherzyk powietrza pęczek pęd twisten. zeker. buitenkant cirkelomtrek. cirkelomtrek. vast. zaken doen handelen. stellig zelfverzekerd. wis. stellig. zeker pal. zaken doen Peru pruik pruik cirkelomtrek. pit klei-. zelfbewust gewis. strubbeling. pessimistisch pessimist pessimisme. bepaald. zeker. randomtrek periscoop nijptang pit. randbuiten-. immers. stellig. vast. toch gewis. krakelen overreding overreding handelen. handeldrijven. korrel. zeker. aanvrager petitionnement. van klei pessimisme. petitie gewis. disputeren. heftigheid . aarden. stevig waarschijnlijk wel. vast. petitie petitionnement. zeker. moeilijkheid adressant verzoeker.

omroeren. mul aanvoerder.pęd pędrak pędzel pędzel do golenia pędzel do malowania pęk pękać pęknął pęknięcie pępek pętać pętla pętla pętla synchronizacji fazowej pętla zamknięta pętlą piach piać piał piał piana piana piana piana (mydlana itp) piana mydlana pianą pianą pianina pianino pianista pianiście piasek piasek piasta piasta piasta piaszczysty piaszczysty piaście piaście piąć się piąć się piąta część piątek piąty pice pić piec voortmaken. steengruis zand aanvoerder. breisteek. piano klavier. schuieren scheerkwast. schuimen. haast maken opduikelen. roeren sop. breisteek. schuimen. aangifte. spoed maken. chef. steek. bruisen doorroeren. baas bus. strik zand bonte kraai. strik maas. chef. gebieder. opgraven. opkomen. steek. drinken. klauteren vijfde vrijdag vijfde snoek pimpelen. boeien maas. steek. delven. breisteek. zeepkwast penseel mutserd. rijzen klimmen. roeren klavier. naaf naaf zand rul. gebieder. naaf opgaan. kraai bemanning bonte kraai. mutsaard barst gebarsten barst navel ketenen. steek. gruis. kraai tintelen. omroeren. rooien borstelen. zuipen aanbranden . zeepsop tintelen. piano pianist pianist grind. baas bus. schuimen. strik maas. bruisen tintelen. zeepsop sop. strik declaratie. breisteek. uitspraak maas. brandstapel. opstaan. bruisen doorroeren. gravel.

hek. kachel ontzetten. zorgen voor. hek. drommels duivels. afrastering. zorgen voor. zorgen spelonk. oven kachel. hol. kachel braden. infanterie oven. hels hel verzorgen. oven bakken voetvolk. pelgrimstocht poen. roosteren. roosteren. piëdestal. kachel braden. oven kachel. zeerob. afrastering. rob muntstempel muntstempel rooster. geld poen. ontslaan zich bekommeren. holte muntstempel muntstempel zeehond. geld tintelen. oven oven. krocht. branden rooster. bedevaart. traliehek kachel. geld poen. verzorgen pelgrim. schuimen. bezorgd zijn. verplegen verplegen. voetstuk sproet bakkerij bakkerij kachel. bruisen sop. branden kachel. zeepsop multipliceren. traliehek kachel. oven vijftig pedestal. bedevaartganger pelgrimage. roosteren. duivels. oven braden. grot. vermenigvuldigen blokkeren. bedevaart. zorgen voor. oven oven. pelgrimstocht pelgrimage.piec piec piec piec piec (do pieczenia chleba itp) piec (mięso) piec elektronowy piec kaflowy piec mięso piec na ruszcie piechocie piechota pieco do wypalania piecyk piecza pieczara pieczątce pieczątka pieczęć pieczęć pieczętować pieczony pieczony piećdziesiąt piedestał pieg piekarni piekarnia piekarnik piekarnik gazowy piekarnik gazowy piekarz piekielny piekielny piekło pielęgniarce pielęgniarka pielęgnować pielgrzym pielgrzymce pielgrzymka pieniądz pieniądze pieniądze na życie pienić się pienić się pienić się pień kachel. verplegen verzorgen. royeren. infanterie voetvolk. branden bakker duivelachtig. vastzetten .

aanbesteding voetganger voetganger aanhalen. borst boezem. bestanddeel. prevalent.) pierwiosnek pierwotny pierwotny pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny program ładujący pierwotny system operacyjny pierwowzór pierwsza pomoc pierwszoplanowy pierwszorzędny pierwszorzędny pierwszorzędowy pierwszy pierwszy pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu pierwszy na wyjściu pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony pies pies myśliwski pieszczoch pieszczocie pieszczota pieszczotliwy pieszy pieszy turysta pieścić pieścić pieścić boomstam. strelen. strelen. beginsel ingrijpend. boezem circulaire. beugel. pril. premie opperste.pień pień pień pieprz pieprzyk pieprzyk (np. stam opslaan boomstam. grondig. vertroetelen aanhalen. strelen. aaien gunning. borst borst. borst boezem. liefkozen. koesteren. beginsel primula. bestanddeel. rondschrijven wal. beugel. aaien aanhalen. liefkozen. aaien. radicaal element. na twarzy) pierdnąć piersi pierś pierś pierś pierścieniowy pierścień pierścionek pierwiastek pierwiastek pierwiastek (chem. superieur primair vroegtijdig. aaien knuffelen strelen. ring element. ring wal. origineel inboorling natuurlijk primair primair prototype eerste voorgrond prijs. aanhalen . sleutelbloem inboorling oorspronkelijk. liefkozen. liefkozen. vroeg eerste voorgrond voorgrond eerste hond hond troetelen. stam peperen mol mol een wind laten boezem.

indruk verdieping. etage etage. verdieping pil pil dronken. spits snoek pekelen. spoedeisend binnenbrengen. punt. brandend. lied gezang. loodsen . markt. etage verdieping. prompt naarstig. mooi marktplein. bokssport bokser vuist. vlijtig. polshorloge horloge. zang. inleggen. zouten. nijver. beschonken blind roes roes bloedzuiger woelen. mooi fraaiheid. knapheid fraaiheid. marktplaats boksen. inmaken picknicken stikken pixel met spoed. knap. zang. spoedeisend. fijn. attent. naarstig. dringend dringend. schoonheid. knuist hiel vijftien effect. bazaar. nijver. neus. knapheid fraaiheid. lied peterselie peterselie vijf vijftig vijftig net.pieścić się pieśń pieśń pogrzebowa pietruszce pietruszka pięć pięćdziesiąt pięćdziesiąt mil na godzinę pięknie piękno piękność piękność (kobieta) piękny piękny pięściarstwo pięściarz pięść pięta piętnaście piętno piętro piętro piętro pigułce pigułka pijany pijany jak bela pijaństwa pijaństwo pijawka pik pik (w kartach) pika pikle piknik pikować piksel pilnie pilnik pilnować pilnować swoich spraw (swojego nosa) pilny pilny pilny pilny pilny pilny pilot nek. polshorloge aandachtig. fraai. knapheid schoon. hals gezang. graven piek. tip. schoonheid. vlijtig ogenblikkelijk. top. dossier horloge. urgent bestand. schoonheid. oplettend ijverig. ijverig brandend. spitten. zat.

danspartij bal. verticaal bliksem. zeerover. danspartij voetbal voetbal voetbal bal. hemelvuur lied. baanbreker rechtopstaand. piraat Pyreneeën neerschrijven. verticaal rechtopstaand. drinken. schrijver. piepen. lied zangeres pluim. geniesoldaat. etsnaald. veer. veder hok griffel. flits. pen. schrijfstift pluim. loodsen vilt pimpelen. tjilpen. veder zeeschuimer.pilotaż pilotować pilotować pilśniowy pił piła Piła piłce piłka piłka piłka nożna piłka nożna piłka nożna (gra) piłować PIN pionek pionek pionek (np. stilist schriftelijk sjilpen. zuipen zagen uitzaaien bal. schrijven. danspartij zagen kegel cijfer. pen. kwetteren kuiken kuiken . piraat piramide piramide piramide zeeschuimer. loodsen navigeren binnenbrengen. zeerover. uitschrijven drukletter drukletter potlood hok auteur. nummer pion pion genist. schicht. szachowy) pionier pionowy pionowy tranzystor polowy piorun piosenka piosenka piosenkarz pióro pióro pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego pióro ultradźwiękowe piracie piramida piramida powiększania piramidą pirat pirat komputerowy Pireneje pisać pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi na inny artykuł pisać na maszynie pisać ołówkiem pisak x-y pisarz pisemny pisk pisklę pisklę (zwłaszcza kury) binnenbrengen. zeerover. piraat zeeschuimer. veer. chanson gezang. zang.

concept. mop. plek. plakkaat. affiche aanplakken bezoedelen. schriftuur pistool pistool litteratuur. bekladden sproet klak. perceel plaats. smetten. café kelder kelder bier bier bier pizza pyjama muskus muskus muskusrat circus achtergrond. ondergrond kavel. bedoeling. klotsen bezoedelen. moet bezoedelen. moet klapperen. kreet aanplakbiljet. roep. beschonken bier drenkplaats. ondergrond pastei aanplakken pest pest spieken. grond. plek. smetten.pismak pismo pismo pisanie pistolecie pistolet piśmiennictwo pity piwa piwiarnia piwnica piwnicą piwo piwo (angielskie) piwo angielskie pizza piżama piżmaczek piżmo piżmoszczur plac plac plac plac plac plac plac (okrągły) plac targowy plac zabaw placek placówka plaga plaga purpurowa plagiat plakać plakat plakat przedstawiający gwiazdę filmową plama krwi plama na słońcu plamą plamą plamce plamić plamić plan plan plan plan plan testowania houwen. klad. doel programmeren projecteren ontwerp. grond. hakken zendbrief. klad. lokaal. brief geschrift. letterkunde dronken. smet. literatuur. kappen. blauwdruk strekking. bekladden strekking. speelplaats plein circus marktplaats. bekladden klak. mop. bar. plek speelterrein. doel . epistel. plan. bodem. oord. marktplein achtergrond. bedoeling. zat. smetten. afkijken schreeuw. plan. markt. plan. bodem. smet. kabbelen. plassen.

vrachtauto tribune. podium tribune. warboel. schijf. dop. aangeven. kwaadspreken kletsen. leiding. warnet knapzak. afgeladen. van plastic plastic. plantage kalken. plak. wapenen rugstuk. doel dienstregeling. ransel knapzak. zwerfster planetair arrangeren. van plastic kunst tribune. filet plastic. aanstrijken moot. ransel knapzak. kwaadspreken . boetseren modelleren. afstaan kletsen. rugzak gaai. podium plasma strand aan de grond lopen. dossier bos. schaal bestand. bundel. bedoeling. ommezijde stamstam. ordenen strekking. warboel. aanduiden kwekerij. leiding.planeta planetarny planować planować planować planować plantacja plantacją plaster plasterek plastik plastyczny plastyk plastyka platforma platforma (sprzętowa platforma kolejowa platforma sprzętowa plazma plaża plaża plątać plątać plątanina plecak plecak plecak pleciuga plecy plecy plemienny plemię plenarny pleść pleść pleśnieć pleśń plewić plewy plik plik plik zwrócony plikach plombować (ząb) plombować ząb plon plotce plotka planeet. Vlaamse gaai bewapenen. van plastic plastic. schors. schoffelen schil. truck. volksstam. dossier archief box logeren het veld ruimen. plan. mudvol vlechten weven modelleren. betrekken. wis bestand. leiding. boetseren wieden. plantage kwekerij. rooster aanwijzen. snede. geslacht boordevol. aanrichten. podium vrachtwagen. warnet verwikkeling. achterzijde. verwarren verwikkeling. stranden verstrikken.

flodderen. kabbelen. kroonblad sneeuwvlok hofmeester afbetaling kurk vlotten. barrière vruchtbaar opbrengen. befaamdheid kletsen. spugen. plassen. jas overjas. afsluiting. kwaadspreken gerucht. colbert. plateau. dokken bedroefd schreeuw. dobberen. vliegmachine bloemblad. kreet resorberen. buis mantel. smerig. hier vliegtuig. plassen klapperen. onrein. roep. mare. faam. morsig. kroonblad bloemblad. overjas mantel. zich aftobben. drijven sexe. huilen. bordes spartelen. worstelen schol jas.plotka plotkować plotkować pluć plugawy plunąć plus pluskać pluskać się pluskanie pluskwa pluskwa pluskwa Pluton płachta płacić płaczliwy płakać płakać płakać nad czymś płaska obudowa jednorzędowa płaski płaskowyż płastudze płastuga płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz anodowy płaszcz nieprzemakalny płaszcz przeciwdeszczowy płaszcz przeciwdeszczowy płaszczyzna obcinająca bliska płat płaszczyzna płatek płatek (kwiatu) płatek kwiatu płatnik płatność pławik pławik płciowy płeć płetwą płocie płodny płody rolne gerucht. slurpen appartement. sekse. kunne vin hek. uitbetalen. kreet tranen. spugen. jas regenmantel regenmantel jasje. geslacht. sekse. befaamdheid spuwen. roep. flat blad. rochelen plus klapperen. faam. heining. plassen. mantel jas. plat. kunne sexe. geslacht. kabbelen. mare. opslorpen. betalen. rochelen vuil. afwerpen . vel storten. jas hierheen. klotsen wandluis Boeg wandluis Pluto blad. vies spuwen. traanogen schreeuw. opleveren. klotsen waden.

valstrik. plaat grondstof. dossier fotografische plaat. wal. ondiep zwemmen. plaat oppervlakkig. beploegen omploegen. beschot glaswaar. vlammen gloeiend. plaat plavuis. plaat wafeltje aanklampen. vlieten stromend. tichel oppervlakkig. vloeiend dundoek. barrière verbleekt linnen linnen uitglijden. wassen. drijven zich aaneensluiten. vloeien. tegel. ploegen. beploegen gorgelen. vensterruit. zich vastklampen aan wafeltje fotografische plaat. zich vastklampen aan dashboard. tegelsteen. ondiep bestand. heining. afsluiting. ploegen. spoelen fotografische plaat. materiaal aanklampen. drijven jacht vlotten. verzendend. val omploegen. vlag fotografische plaat. afspoelen. de was doen vloeistof stromen. spoelen gorgelen. vaan. vlieten jacht kust. kant stromen. vloeien. materieel. aansluiten peukje. afspoelen. instrumentenbord. lopen. vurig. oever. vloeiend vloeistof stromend. ondiep uitwassen. dobberen. slippen linnen long long slag. verterend hek. lopen. peuk achter . boord.płomień płonący płot płot płotno płowy płoza płótno płuca płuco Płuczka pług pług śnieżny płukać gardło płukania płycie płycizna płyn płyn kosmetyczny płynąć płynąć płynąć jachtem płynąć wzdłuż brzegu płynny płynny płynny lek płyta płyta płyta metalowa płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) płytce Płytka płytka płytka płytka (ferromagnetyczna) z otworami płytka obwodu drukowanego płytka sygnałowa płytka wyjtrawiona płytki pływać pływać jachtem pływak pływalnia pniak po laaien. glaswerk oppervlakkig.

troetelen. kussen mooiprater vleien complimenteren vleierij vleierij in zich opnemen. allereerst. flambouw achtergrond afleiding. overzicht. opwekken bezielen. ondiep hiernaast. eerst stuurboord ronduit. devoot wissel. somber fakkel. toorts. aan de overkant van ten eerste. kussen zoenen. wekken. kwartier logeren zoenen. bewolkt naargeestig.po drugiej stronie po otrzymaniu po południu po prawej stronie po trzecie pobić pobić atutem (w kartach) pobierać pobierać pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) pobierać (dane) pobierać dane pobieżny pobieżny pobliski pobłażać pobłażać pobłażanie pobocze pobożny pobór (do wojska) pobrać pobrać pobranie pobrudzić pobudce pobudce pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobycie pobyt pocałować pocałunek pochlebcą pochlebiać pochlebstwa pochlebstwa pochlebstwo pochłaniać pochmurny pochmurny pochodnia pochodzenia pochodzenia over. buit maken brengen. ernaast. afgeleid woord . troosteloos. ophitsen woning. cambio decoderen downloaden brengen. onderkomen. bodem. ondergrond. buit maken aftappen verkrijgen. open en bloot. overheen. grond. wakker maken. godsdienstig. vertroetelen aflaat schouder godvrezend. excerpt oppervlakkig. daarnaast ontzien. bezorgen. sparen koesteren. aandragen resumé. logies. rondweg achter nederlaag troef downloaden verkrijgen. aarde aansporing aanleiding wakker maken. aandragen fond. bezorgen. verlevendigen wekken. opwekken stuwen irriteren. aanstoken. behalen. behalen. assimileren onduidelijk.

uitglijden geneigd zijn tot. ovaal rukken rukken stoom. glooiing aflopend. vertroosting. billijken. wasem. proost gerief. omgang schede schede. roemen. roemen. comfort heul. verheerlijken. geneigd zijn. vertroosting. afstammen kuilen. op uw gezondheid. aantrekkelijk eirond. troost kogel hagel . indopen. optocht. glooiing indompelen. afkomst. uitwrijven hoera roepen prosit. troost aanstrijken. schuin scheef. prijzen. afgeleid woord afdaling komaf. hellend. transpireren heul. toejuiching loven. wrijven. gemak. roemen beamen. uitglijden slippen.pochodzenia pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzić pochodzić (<from sth> od czegoś) pochować pochód pochwa pochwa pochwalać pochwalić pochwała pochwała pochwała pochwałą pochwałą pochylać się pochylać się pochylenie pochylnia pochylnia (w stoczni) pochyłość pochyłość pochyły pochyły w lewo pociąg pociąg pospieszny pociąg towarowy pociągać pociągać za sobą pociągający pociągły pociągnąć pociągnięcie pocić się pocić się pocie pocie pociecha pocierać pocieszać pocieszać pocieszać pocieszenia pocisk artyleryjski pocisków afdaling afleiding. afstamming. goedkeuren eerbetoon. transpireren zweet zweten. acclamatie. glooiend. afkomst oorsprong. damp zweten. neigen helling. aanlokken. eerbetuiging loven. eerbetuiging bijval. herkomst naar beneden gaan. verheerlijken. soppen slippen. prijzen eerbetoon. aanlokken. afdalen het gevolg zijn van. stoet. vagina loven. bekoren toelachen. prijzen liggen helling. verheerlijken. bekoren aanlokkelijk. begraven processie. schuin gevolg uitdrukken gevolg toelachen.

vreten wprowadzane dane podawać (do stołu) serveren. herkomst początek transmisji ontstaan. doelmatig. kuip. voorleggen podawać do sądu een proces aanspannen tegen podaż aanvoer. bak podatek od wartości dodanej BTW podatek od wartości dodanej teil podatek spadkowy belasten. posterijen poczta aanplakken poczta w kolejce post. geschikt pod zarzutem beneden. toepassing podanie petitionnement. voorletter początkowy primair początkowy program ładujący initiaal. onder podanie aanwending. begin. gebruiken. cadeau geven podarować tegenwoordig. morgenrood początek oorsprong. aanslaan podatny na wypadki een grotere kans op ongelukken accident-prone podawać aanhalen.pocisków) stroom. daarbeneden. donatie. salon poczekalnia wachtkamer poczęcie begrip poczta post. aanslaan podatek od wartości dodanej tobbe. petitie podarować schenken. actueel podarty aan flarden gescheurd podarunek gift. daarbeneden. zwanger raken początek ontstaan. geschenk. cadeau podatek belasten. citeren. aanvang początkowy inboorling początkowy initiaal. afkomst. vloed. posterijen poczta wysłana aanplakken pocztówka briefkaart pod beneden. bergstroom począć in verwachting raken. morgenlicht. noemen podawać aanhalingstekens podawać zasilanie podawanie podajnik eten. onder pod beneden podverzenden pod gołym niebem beneden pod prąd (rzeki gemakkelijk. voorletter początkujący beginner. aanvang początek begin. onder pod znieczuleniem beneden pod żadnym warunkiem beneden. beginneling poczekalni zaal. aanvang. bezorging podbić knechten. ontstaan początek aurora. begin. onderwerpen . bikken.

achterdocht. bloot. sectie verrichten knechten. daarentegen intussen. wantrouwen argwaan. subject dakkamertje zolderkamer Attisch zolderkamer. opgewonden enkel. onderwerpen capituleren. wantrouwig. ondermijnen hoefijzer . tribune. zich overgeven stof. aanvaarden vernieuwen. piepen. subject kin opruiend aangeschoten. louter sjilpen. onderwerp. tribune podium. argwanend verdenken argwaan. achterdocht. leiding slaperig opslaan blok ondergraven. tjilpen. wantrouwen verdenken achterdochtig. renoveren ondernemen achterdochtig. inmiddels. onderwerp. daarentegen terwijl. bestuur. staande. piepen. inmiddels. gedurende intussen. gedurende doorsnijden. kolejowy) podkładce podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać podkopać podkowa veroveren stof. argwanend aanvliegen opwinding gejaagd. roezig aanvliegen maaien terwijl. staande. gedurende terwijl. kwetteren podium. zich overgeven capituleren.podbijać podbity podbródek podburzający podchmielony podchodzić podciąć podczas podczas podczas (gdy) podczas gdy podczas gdy poddać drobiazgowej analizie poddać pod rozwagę poddać się poddanie się poddany poddasze poddasze poddasze poddasze poddawać kremacji poddawać się poddawać się podejmować podejmować na nowo podejmować się podejrzany podejrzany charakter podejrzenia podejrzenie podejrzewać podejrzliwy podejście podekscytowanie podekscytowany podeszwa podglądać podgładać podium podium podkład (np. verassen toegeven capituleren. tjilpen. aannemen. kwetteren sjilpen. zich overgeven accepteren. wantrouwig. dakkamertje cremeren. staande.

alstublieft gelijkenis. een beroep doen op alsjeblieft. bewegen opwindend opwinding opgraven. rooien opfokken. ophitsen aangrijpen. fokken. ophijsen opfokken. prikkelen hoog. inrichten zetting. grond appelleren. opkweken de sporen geven. benadrukken onderstrepen nadruk. rijzen bezielend vijzel. rooien oprichten. subject pof. stichten. montage derde macht. klem onderstrepen onderstrepen nadrukkelijk slaaf achterstellen water kruipen kuiken verbinden. aandikken opgraven. dobbelsteen. dommekracht. baseren stof. blok hijsen. opkomen. nietswaardig gemiddeld gronden. opstaan. achtergrond. ondergrond. rijzen vermeerderen verergeren. fokken. opstaan. beklemtonen beweren. slijpen irriteren. opkomen. verzekeren met nadruk zeggen. wees zo goed. etage verachtelijk. aan elkaar vastmaken verdieping.podkreślać podkreślać podkreślać podkreślać podkreślenie podkreślenie podkreślić podkreślony podległy podległy podlewać podlizywać się podlotek podłączyć podłodze podłoga podły podły podły ić podmiocie podmuch podniecać podniecać podniecać podniecający podniecenia podniesienie podniesiony podniesiony podnieść coś/wywindować (ceny) podnieść kogoś na duchu podnieść kotwicę podnieta podniosły podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić (ceny) podnosić się podnoszący na duchu podnośnik podnóża podobać się podobać się podobieństwa podobieństwa accentueren. ontroeren. overeenkomst . verheven opgaan. telen. etage verdieping. scherpen. telen. krik bodem. onderwerp. overeenkomst gelijkenis. poef aanzetten. aanstoken. opkweken opblazen opgaan.

vademecum. trip tournee. bedaagd gronden.podobieństwo podobieństwo podobieństwo podobny podobny podoficer podpalacz podpierać podpis podpis ze wskazaniem potwierdzającego podpisać podpisać (dokument) podpisać dokument podporządkowywać się podporządkowywać się podpowiedź podpórce podpórek podrażnienie podręcznik podręcznik podręcznik podręcznik w formie drukowanej podrobiony podróż podróż podróż podróż podróż morska podróż morska podróż) podróżnik podróżny podróżować podróżować podróżować podróżować autostopem podrzeć podrzędny podrzędny podrzędny podległy podskakiwać podskok podskok podsłuchiwać podstarzały podstawa podstawa affiniteit. trip gelijk. effen gaan. tocht. karren reis. gids. rondreis gaan. rijden. karren tocht. steun handtekening. het maken toer. overeenstemmend nauwgezet. wagenspoor. trip reiziger inzittende. accuraat adept. varen. karren navigeren huur bijbehorend. in overeenstemming zijn adequaat. bijkomend. passagier gesteld zijn. voorteken. beoefenaar. tot gelijksoortig. als. ondertekening abonnement voorbode. nauwkeurig. bij wijze van. karrespoor . kameraad. trip gaan. overeenkomst gelijkenis. varen. rijden. schoolboek gidsboek. voor. teken geabonneerd zijn op geabonneerd zijn op passen. leuning. makker gidsboek. reis. vademecum. rijden. varen. bijkomstig achterstellen achterstellen hinkelen hinkelen springen afluisteren hoogbejaard. passend. tocht. toer. kornuit. gids. stut. reis. vlak. aanhang opwinding maat. reisgids vervalsing toer. reis. overeenkomst hoe. verwantschap gelijkenis. aanhanger leden. baseren spoor. reisgids leerboek. tocht. toer. soortgelijk onderofficier brandstichtend drager.

inboeten aflossing. divisie schifting. een duw geven. summa aanstoten. tweevoudig. afscheiding. lijst. excerpt somma. tweevoudig. waarderen legerafdeling. opkweken verergeren. onbehouwen. overzicht. telen. som. ra opfokken. tweevoudig. toestoten voering maskering bijtoon. bot elementair misleiden. tweeledig bretels thee aankomend. materieel. dubbel. tweevoudig. beginnend achterstellen onderwaterdubbel. tweeledig yard. dubbel. tweeledig duplex. duplex. materiaal stichting wervelkolom.podstawa czasu podstawa uchylnoobrotowa podstawa uchylno-obrotowa podstawą podstawić podstawienie podstawka monitora podstawowa zasada podstawowy podstawowy podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstęp podstęp podstępny podsumowanie dokumentu podsumowywać podsuwanie podszewka podszywanie się podtekscie podtrzymać podupadać poduszce poduszce poduszeczka poduszka poduszka powietrzna podwajać podwiązek podwieczorek podwładny podwładny podwodny podwoić podwójny podwójny podwójny rozruch (tj. beschot hoofdkussen luchtkussen dubbel. onbewerkt. możliwość rozruchu dwóch różnych systemów operacyjnych z różnych partycji dysku) podwórze podwyżce podwyższać podwyższyć wartość podział podział podział kompletny grondstof. tweeledig dubbel. kneep. ruggegraat kader. clausuur . steunen. duplex. foefje arglistig resumé. tweevoudig. clausuur schifting. bedrag. fokken. omlijsting. duplex. bedriegen kunstgreep. raam in de plaats stellen van. afscheiding. spin. tweeledig duplex. streek. cru. boventoon stutten. instrumentenbord. totaal. aandikken appreciëren. vervanging blok fundamenteel basisfundamenteel basisgrof. schragen verval blok hoofdkussen dashboard.

harken. cureren gedurfd. faam van zijn stuk brengen. weder briljant. dank betuigen bewonderen bewonderend mirakel. dreigement. overeenstemmen buurt. glanzend. brutaal poker uitkammen. vers dichter dichterlijk. dichtwerk. meemaken. mare. stadswijk metro gewelf. dreiging behandelen. aanharken. vonnis begrip zichtbaar befaamdheid. afscheiden. bedanken. judicium. babbelen. opharken necrologie . vers gedicht. praten houding oordeel. scheiden deelnemen. babbelen. dank betuigen erkenning danken. weersomstandigheden. dichtwerk. vers tekst gedicht. verachting keuvelen.podział wyczerpujący podziałka podziel podzielać podzielać zdanie podzielić na cztery części podziemie podziemie podziemny podziękować podziękowanie podziękowanie podziwiać podziwiać podziwiać podziwiać ię poemacie poemat poemat poemat liryczny poeta poetycki poetyczny poezja poezją poganin pogarda pogawędce pogawędka pogawędka w czasie rzeczywistym pogląd pogląd pogląd poglądowy pogłosce pogmatwać pogmatwany pogoda pogodny pogodzić się pogoń pogrążyć pogróżce pogróżka pogrubiony pogrzebacz pogrzebacz pogrzebowy schifting. gericht. lumineus accepteren. meedoen het eens zijn. wijk. clausuur aanslag afzonderen. aanvaarden nastreven. poëtisch dichterlijk. praten keuvelen. poëzie dichtkunst. afscheiding. bol metro danken. dooreenhalen verwarrend weer. bedanken. najagen duiken bedreiging. poëzie heidens minachting. stoutmoedig. praten keuvelen. stout. poëtisch dichtkunst. gerucht. wonder bewonderen gedicht. babbelen. schamperheid. dichtwerk.

koker geluidssterkte. etui. fiducie hebben in revérence. tentoonstelling laten blijken. ongetrouwd ongehuwd. deemoed. aanmerkelijk. voertuig. koker pot. ongetrouwd pot. nijging Stille Oceaan.poinformować pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawić się pojawić się wydawać się pojazd pojazd szynowy pojedynczy pojedynczy skok napięcia pojemnik na kasety pojemnik na kasety pojemnik na śmieci Pojemność pojemność pamięci pojęcie pojęcie pojętność wiadomość pojmać pojmować pokarm pokarm pokaz pokaz pokaz slajdów pokazywać pokaźny pokaźny poker poklepać (np. deemoedig verlakken. wagen vehikel. bak. fraai. doos. dek vertrouwen. scheepsdek. beetkrijgen in verwachting raken. scheepsdek. pakken. meid generatie. inlichten ontstaan opdraven. mooi poker toejuichen. bij acclamatie benoemen verdek. troep. dek verdek. opdagen opdagen. buiging. etui. manifesteren geruim. onderdanig. meid dienstmeisje. nederigheid nederig. dienares. kost. vertoning. po plecach) pokład pokład spacerowy pokładać nadzieję pokłon pokojowy pokojowy pokojówce pokojówka pokojówka pokolenie pokonać pokonać przeciwnika pokorą pokorny pokost pokost pokój berichten. volume schare. dienares. lakken appartement. vreedzaam dienstmeisje. bak. spijs. lakken verlakken. doos. schoon. meid dienstmeisje. strijkage. paraderen. Grote Oceaan vredig. bende opvatting. foedraal. inhoud. aanzienlijk fijn. prijken. knap. bewijs pralen. etui. net. intelligentie beetnemen. koker pot. voedingsmiddel demonstratie. foedraal. gerecht voeding. voertuig. informeren. voeder. foedraal. wagen ongehuwd. zwanger raken eten. geslacht nederlaag likken ootmoed. opdraven gebeuren. etenswaar. begrip begrip bevattingsvermogen. pronken expositie. doos. aan de hand zijn ontstaan opdraven. dienares. opdagen vehikel. bak. flat .

blok. brandnetel snikheet. verwantschap familiebetrekking. omslag. afmatten pluim. toedekken. beleggen. heet aanvechting. blad mijnenveld hijsblok. verleiding voor voldaan tekenen. beleggen. bevelen inleiding. kaft. toedekken. bedekken dekken. prijzen. afjakkeren. enveloppe netel. huiskamer bestek. smoorheet. verwantschap wijzerplaat sproet afbeulen. commanderen loven. aanprijzen. ruimte affiniteit. temptatie. speling. ruimte vrede bestek. temptatie. deksel dekken. pen. gloeiend. introductie inleiding. aanvoeren. zitkamer. katrol. verwantschap affiniteit. commanderen. bedekken emailleren couvert. verheerlijken. roemen . kwiteren voor voldaan tekenen. toedekken. brandnetel netel. recommanderen bevelen. veder dekken. speling. verleiding aanvechting. beleggen. wereldruim. wereldruim. schijf akker akker bouwland aanmelding akker aanbevelen. envelop. wereldruim. kwiteren recept kuil Pool polair polka akker vel.pokój pokój pokój dziecinny pokój gościnny pokój rozmów pokój zabaw dziecinnych pokrewieństwa pokrewieństwo pokrewieństwo pokrętła pokryć pokryć pokryć koszty pokryć piórami pokrywa pokrywa tylna pokrywać pokrywać emalią pokrywą pokrzywa pokrzywą pokupny pokusa pokusą pokwitować pokwitowanie pokwitowanie Polak Polak polarny polce pole pole danych w sieci Ethernet pole magnetyczne poprzeczne pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) pole typu danych w pakiecie Ethernetu pole typu EH pole typu TEM pole znaku pole źródłowe polecać polecenie polecenie polecenie (kogoś komuś) polecenie kogoś komuś polecenie zewnętrzne polecić vrede bestek. introductie bevelen. commanderen aanvoeren. bedekken bedekking. veer. speling. aanvoeren. ruimte woonkamer.

staatsman polis beleid. marynarki) połaczenie połaczenie połaczenie połaskotać połącz połączenia połączenia połączenie połączenie drukowane połączenie stałe połączenie wewnętrzne połączenie wielopunktowe połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza połączenie z Internetem połączenie z pełnym dupleksem połączenie zespołowe połączyć połączyć połowa połowa położenia helling. verbinding gewricht. knoop samenhang. geleding. lid. gelid. lid. plassen. paffen bejagen. combinatie aansluiting gewricht. toetreden gewricht. knoop gewricht. genootschap. klapperen bond. geleding. middelbaar houding. glooiing Pools schoensmeer schoencrème verglazen. lid. glanzen kruis. geleding. koon. jagen. kabbelen. gelid. verbinding aansluiting aggregatie. plassen.polepszyć polerować polerować polerować Polewa polędwicą policja policjant policją policzek polisa polityczny polityk polityka polityka polityka zabezpieczenia polityka zagraniczna polować polowania polowanie Polska polski polski polski poła poła (np. knoop conjunctie gewricht. lid. politiek. kietelen verbinden. schieten. geleding. politieagent politie wang. knoop kriebelen. geleding. lende politie agent. jagen. positie . doorsnee. gelid. lid. jacht maken op Polen Pools schoensmeer schoencrème klotsen. aan elkaar vastmaken half gemiddeld. klapperen klotsen. glazuren. politiek politicus. kabbelen. lid worden. kaak polis staatkundig. stand. jacht maken op vuren. knoop verbinding. associatie zich aansluiten. gelid. aggregaat verbinden. aan elkaar vastmaken conjunctie samenhang. staatkunde polis polis bejagen. gelid.

middag zuidelijk noen. middag noen. dimensie tomaat aangrijpen. kanttekening Pools schoensmeer schoencrème schijnen. bijstaan. middag noen. deeltje vroedvrouw. helpen helpen. bijstaan nader assisteren. vermengen aanpassing in het midden van. schijn. lokaliteit. aanblik item. air. famulus. oord. glanzen. schitteren assistent. bijstaan Oranje oranje Oranje oranje Oranje oranje afmeting. deel. ruimte houding. midden tussen tussen. medio. mixen. ruimte aanzien. middag zuidelijk zuidelijk zuidelijk noen. middag zuidelijk zuidelijk slikken. assisteren. assisteren. lokaliteit. doorslikken. jaartelling. helper. blinken. ontroeren. stand van zaken plaats. stand van zaken plaats. inslikken glosse. verloskundige half noen. weglaten weggelaten . stand. bewegen mengen. oord. temperen. hulp aids helpen.położenia położenie położenie położenie położenie kolumny położenie pieczątki położenie umiejscowić położna połówce południa południa południa południe południe (geograficzne) południe (pora dnia) południe (pora dnia) południe geograficzne południe pora dnia południowy południowy połykać połysk połysk połysk połysk połysk pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomoc pomarańcz pomarańcz pomarańcza pomarańcza pomarańczą pomarańczą pomiar pomidor pomieszać pomieszanie pomieszczenie sterylne pomiędzy pomiędzy pomiędzy pomijać pomijać situatie. positie situatie. onder achterwege laten.

fout. ontgaan geniaal geloven. abuis hulpmiddelen. al. weglaten afdraaien. inrichting. adjunct. desondanks ofschoon. overwegen. vermenigvuldigen assisteren. beëindigd . dwaling. achten met goed gevolg gelukkig benoorden. wraak nemen vergissing. hulpvaardig poort tribune. ten noorden van verderop klaar. helper. helper. adjunct. vermenigvuldigen in overvloed aanwezig zijn multipliceren. hulp oppompen. adjunct. alhoewel. denkbeeld beschouwen. leiding. bijstaan. dwaling. praal oppompen. apparaat idee. afgelopen. aromatisch vergissing. monument multipliceren. abuis foutief. benul. helper steward assistent. verlagen gedenkteken. pracht. helper aanvullend assistent. begrip. luister. fout. van mening zijn. hulp assistent. ontkomen. pompen oppompen. nagaan ontsnappen. dwaling. helper behulpzaam. helpen zinspelen assistent. helper paren boer assistent. verkeerd. pompen wreken. in weerwil van niettemin. famulus. wraak nemen wreken. famulus. onjuist vergissing. fout. abuis geurig. afgewerkt. hulp. hoewel. wraak nemen wreken. fout. podium assistent. pompen vertoon. wel achterwege laten. famulus.pomimo pomimo tego pomimo że pominąć milczeniem pomniejszać zmniejszenie się pomnik pomnożyć pomnóż pomnóż pomoc pomoc pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika pomocniczy pomocniczy pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik błazna pomocny pomost pomost roboczy pomóc pompa pompą pompą pompować pomścić pomścić avenue pomścić ość pomylić pomylić pomylić się pomylony ść pomyłka pomysł pomysł pomysł itp pomysłowość pomysłowy pomyśleć pomyślnie pomyślny ponad ponad tuzin ponad wszystko niettegenstaande.

gemelijk. dringen. douwen beledigen. onder verootmoediging. van voren af aan. akelig. asbak pleitbezorger. verder vernieuwen. omdat. affronteren. overhellen. verdediger stutten. giro in kokend water doen een blik werpen. onbekend. verootmoedigen buigen. daarbeneden. vernederen. aalwarig kous kous nylonendossement. lokaliteit. hervormen afstelling. schragen rugstuk. trouwens overigens. aangezien buigen. middag reformeren. achterzijde. mislukken maandag deels. opslorpen. hellen. donker aalwaardig. stoten. vernedering verootmoediging. trouwens. oord.ponadto ponadto ponawiać poncz poncz ponętny poniechać poniedziałek poniekąd ponieważ poniżać (się) poniżać się poniżać się poniżej poniżej poniżej granicy dolnej poniżenia poniżenie ponowić ponownie ponownie wyznaczać trasę ponury ponury ponury ponury ponury ponury ponury pończocha pończochą pończochy nylonowe poparcia poparzenia popatrzeć popchnąć popełnić wykroczenie popielaty popielniczka popierać popierać popierać kogoś/coś popijać popijać (małymi łykami) popiół poplamić popołudnie poprawa poprawa koniunktury overigens. ten dele daar. aflopen beneden. nogmaals afwisselend zwart naar. vernedering herhalen. advocaat. steunen. slurpen resorberen. renoveren stompen Jan Klaassen lekker. instelling . een blik werpen op duwen. onder beneden beneden. onaangenaam afschuwelijk grimmig rouwobscuur. slurpen as ruimte. doordat. hellen. overhellen. aflopen kleinmaken. nazeggen opnieuw. ommezijde resorberen. opslorpen. krenken asgrauw asla. aanlokkelijk een miskraam krijgen. plaats namiddag.

geldend. wapenen spoorstaaf. correct. advies administratiekantoor maat. goed gracieus. aankondigen. bevallig. kornuit. verleden. beschadigen verspild bevolking bevolking algemeen. correct. vigerend vragen vragen dwars voorgaand. voorafgaand verleden. overheen. indertijd voorafgaan. beheren adviseren.poprawiać poprawiać poprawiać poprawić się/wyzdrowieć poprawka poprawka wymagana równocześnie poprawny poprawny poprawny poprawny poprosić poprosić kogoś o spotkanie poprzeczny poprzedni poprzedni poprzedni poprzednio poprzednio poprzedzać poprzestać poprzez poprzez popsuć popsuty populacja populacją popularny popularny popychać popychać popyt popyt porada poradą poradnictwo poradnik poradnik poradzić poradzić sobie poranek porażce porcelana porcelaną porcie porcie porcja danych poręcz poręcz juist. administreren. voorgaand al. eisen voortmaken. dirigeren. met bederven. haast maken adviseren. richten. voorzijn logeren over. mennen besturen. vooraan. rekenen. voorgaand voorafgaand. instelling nauwkeurig bepalen. bekendmaken raad. veredelen nakijken. behoorlijk gangbaar. verleden. raadgeving. vereisen. betamelijk. bekendmaken. herzien. spoed maken. alreeds daarvoor. makker besturen. reeds. kameraad. aankondigen ochtend. getapt. geldig. goed afstelling. havenen. eerder. gemeenschappelijk populair. veelgeliefd aanduwen schuiven opeisen. goed verbeteren. correct. morgen nederlaag China China haven haven emmer bewapenen. sierlijk fatsoenlijk. per. alvast. determineren juist. aan de overkant van door. rail . inspecteren juist.

meedelen. inlevering vergelijken vergelijken vergelijking vergelijken vergelijking vergelijken haven haven luchthaven interface haven ingang. mededelen communiqué aflevering. pornografie pornografisch een miskraam krijgen. opgewonden ontroeren. toegang. maatregel berichten. overeenstemming communiqué verband.poręczny poręczyć pornografia pornograficzny poronić poronienie porozumieć się porozumienia porozumienia porozumienie porozumienie porozumienie dwuetapowe porozumienie trzyetapowe porozumienie trzyetapowe porozumiewać się porozumiewanie się poród porównać porównaj porównania porównanie porównanie porównywać port port port lokalny port równoległy we-wy port źródłowy nadawcy portal portfel portfel na banknoty portier portmonetka portrecie portret Portugalczyk Portugalia portugalski portyk portyk porucznik poruszać poruszać poruszać poruszać poruszenia poruszenie poruszony gemakkelijk. abortus het eens zijn. bewegen beroering. opgewonden . portret evenbeeld. opstoken gejaagd. samenklank accoord. entree portefeuille portefeuille conciërge. omgang. portret Portugees Portugal Portugees zuilengang. portiek zuilengalerij. geldbuidel evenbeeld. overeenstemmen accoord. samenklank akkoord. mislukken abortus provocatus. ontroerend aangrijpen. portemonnaie. betrekking overeenstemming. portier beurs. bewegen aandoenlijk. overeenstemming overeenstemming. agitatie. beeltenis. borg staan voor pornografisch materiaal. aangrijpen. beweging gejaagd. geschikt garanderen. doelmatig. opruien. roerend. ontroeren. levering. ophitsen. beeltenis. zuilengang luitenant agiteren.

dagorde akkoord. opgeven gemeen. bes voorafgaand. verleden. toegeving concessie. bes aalbes. standbeeld legatie bode. onzedelijk situatie. afleggen. boerderij. afdoen afzetten. afstand. bezitting goed. toegeving prijsgeven. bevelen afhandelen. garneren aalbes. bezit landgoed. aalwarig. opgeven prijsgeven. eigendomsrecht bezitting.porwać porwać porwać widownię porwanie porwanie samolotu lub innego środka lokomocji porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) porywacz porywać porządek porządek porządek porządek bajtów porządek dzienny porządek zestawiania porządkować porządkować porzeczce porzeczka porzednik porzucenie porzucenie zaniechanie porzucić porzucić wszelką nadzieję porzucony posada posag posądzać posąg poselstwo poseł posępny posępny posiać posiadacz posiadać posiadać posiadać własny posiadania posiadania posiadania posiadanie posiadanie (akcji) posiadłość posiadłość ziemska posiedzenia posiłek ontvoeren transporteren. cessie. voeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoering afvoerder. erop nahouden eigendom. afgezant. abductor ontvoeren agenda. boerderij. foedraal. commanderen. afleggen. overbrengen. beslaan. bezittingen eigendom. immoreel. lunch . dagorde aanvoeren. erop nahouden. zittingsperiode twaalfuurtje. stand van zaken bruidsschat. cessie. landgoed. houder rijk zijn. bezit boeltje. uitstrooien schede. eigendom. zitting. gezant afschuwelijk gemelijk. voorgaand concessie. eigendomsrecht bezitting. maatregel aanvoeren. bevelen akkoord. commanderen. afstand. eigendom. aalwaardig uitzaaien. bezitten. bezitten. rijk zijn rijk zijn. maatregel agenda. bezitting sessie. huwelijksgift verdenken beeld. erop nahouden bezitten.

aanpakken. bewegen ontroeren. blijven staan logeren treksluiting. doorvoeren invetten algemeen. onbenullig vasten personage. heiig. afgezonderd respectief mijnbouwkundig onderzoeker speurtocht. gemeenschappelijk plat. gezant afgezant. uitmaken besluit. luisteren afgewerkt. halthouden. opeisen ontroeren. toepassing willig.posiłek posiłek południowy posiniaczyć poskramiać posłaniec posłańca posłuchać posługiwać sie posługiwać się posłuszny posłuszny posmak posmarować posmarować posmarować pospolity pospolity post postać postanowić postanowienie postarać się postawa postawa postawa posterunek posterunek postęp postęp postęp arytmetyczny postępować postępowanie postój postój postrzępienie (efekt graficzny) postrzępiony postulacie postulować posunięcia posunięcie posuwać (się) naprzód posuwać się naprzód posyłać posypywać poszczególny poszczególny poszukiwacz poszukiwać bloem. gezant aanhoren. karakter. aanpassen. ritssluiting nevelig. evolutie zich gedragen actie. meel bloem. bode. beluisteren. roze. onderwerpen afgezant. meel blauwe plek knechten. poederen afzonderlijk. handeling. genaken. aangrijpen. genaken. naderen verbetering. aangrijpen. opeisen eisen. opsturen bepoederen. gehoorzaam handelbaar. naderen doen toekomen. speurwerk. adapteren aanwenden. bewegen gaan naar. gebruikt aanwending. posterijen aanplakken gaan naar. vereisen. geaardheid rose. inschikkelijk aroma. optreden. uitspraak. dampig. mistig eisen. sturen. rekenen. vulgair. genaken. geur afstemmen. bode. naderen gaan naar. zoektocht . beterschap ontwikkeling. rits. roos post. persoon besluiten. gedoe afslaan. triviaal. beslissing streven. pogen houding aard. rekenen. aanpakken. vereisen. vooruitgang. beslissen. zich inspannen. aanpakken.

vagebond uitglijden. speurwerk speurtocht. kont. heilig. aanbieden aanhankelijk. certificeren certificeren. pels. voortmaken voortmaken. sacraal. danspartij opzetten. trouwen in de echt verbinden. heilig. rechtop zetten . getuigen spanderen. uitglijden slippen.poszukiwać poszukiwać pozycjonować poszukiwania poszukiwania poszukiwanie poszukiwanie poszukiwanie poszycie pościel pościg pośladek pośladkach pośladki poślizg pośliznąć się pośliźnięcie się poślubiać poślubiać poślubić pośmiertny pośpiech pośpiech pośpiech pośpiesznie pośpiesznie pośrednictwo pośredniczenie pośrednik pośrednik pośrednik pośrodku pośród pośród poświadczenie poświadczyć poświadczyć poświęcać poświęcać poświęcać poświęcający się poświęcony poświęcony pot pot potajemnie potajemny potańcówka potargać uitzien naar. ijl spoed maken. speurtocht zoektocht. inderhaast. speurtocht. agent makelaar in de plaats stellen van. offeren. midden tussen getuige getuigen. gehecht opofferen. transpireren tersluiks. haast maken. opdragen. achtervolging bil bips. zitvlak zwerver. vacht linnen vervolging. speurtocht. sluiks. speurwerk zoektocht. uitglijden gehuwd. gehaast agentschap agentschap vertegenwoordiger. inderhaast. gehecht gewijd. spenderen aanhankelijk. gehaast haastig. snorren speurwerk. speurtocht speurtocht. geheiligd geheiligd. speurwerk speurwerk. huid. haastigheid. dealer. spoed maken. trouwen necrologie haast. slippen slippen. gewijd. medio. onder in het midden van. sacraal zweet zweten. speurwerk. haast maken haastig. uitkijken naar. inboeten tussen. zoektocht dierevel. steelsgewijs confidentie bal. getrouwd in de echt verbinden. vel.

driedubbel schokken noodzaak. lust. noodzakelijkheid nodig hebben. mogendheid afkeuren verdomme. hoeven. aankomend zondvloed welbewust. dan. behoeven. bewust besturen. behoeven. kind. jong. verlangen. bochel loot. bergstroom. aantasten controleren. kroost. daarna heerschappij. benodigd nodig hebben. stroming bult. behoeven. moeten nodig. stroom pijp. zaad nageslacht loot. hoeven. macht. tabakspijp loop. kind. steelpan ragoût drievoudig. als waarheid aannemen erkenning erkenning erkenning . braadpan. verwerping. zaad nakomelingschap. benodigd nodig hebben. administreren. vlieten loop. moeten nodig. nooddruftig behoeftig. schaal pan. jong. hoeven. kroost. afstammeling beginnend.potas potem potęga potępiać potępiać potępić potępienia potępienia potępienie potężny potknąć się potknięcie potok potok potok potok potok potokowy potok rzutowania potokowym przesyłaniem pakietów potomek potomek potomek proces potomny potomny potomność potomstwo potomstwo potop potrafiący obsługiwać coś (maszyna potrafić potrawa potrawce potrawka potrójny potrząsać potrzeba potrzeba potrzeba (życiowa) potrzebą potrzebny potrzebować potrzebujący potrzebujący odbioru potrzebujesz poturbować potwierdzać potwierdzać uznać n potwierdzenie potwierdzenia potwierdzenie (odbioru) potwierdzenie (odbioru) podziękowanie kalium naderhand. berooid. stroom. berooid. beek stromen. zin aanvallen. nooddruftig wens. moeten behoeftig. checken. begeerte. afkeuring machtig struikelen struikelen beekje. godverdomme afkeuren wraking. afkeuring wraking. stroming vloed. aflezen agnosceren. beheren schotel. afkeuring wraking. afstammeling nakomelingschap. verdomd. lopen. stroom. achteraf. vloeien.

gebied het hoofd bieden oppervlakte. serieus rouwbelangrijk. aankondigen. omslag. gebied spoor. serieus zwaartekracht achten. geheim binnenste. bekrachtigen. sfeer. opdragen. gebied . bewust graafschap familiebetrekking. bekendmaken verkondiging.potwierdzenie odbioru potwierdzenie pozytywne potwierdzić potwierdzić potwierdzić notarialnie potworność potworny potwór potykać się potylica pouczać pouczenie poufny poufny powab powab powaga powaga powaga poważanie poważany poważny poważny poważny poważny poweron self test power-on self test powiadamiać powiadomienie powiadomiony powiat powiązania powiązanie powiece powiedzieć powieka powieka powielać powierzać powierzchnia powierzchnia powierzchnia powierzchnia czołowa powierzchnia kuli powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków powierzchnia wyświetlania powierzchnia zapisu erkenning erkenning agnosceren. areaal. gezag stemmig. deksel verveelvoudigen. achting hebben voor achtenswaardig. areaal. gebied oppervlakte. oppervlak het hoofd bieden kloot. omgeving. kaft. ernstig. erg aanplakken aanplakken adviseren. opdracht geven oppervlakte. als waarheid aannemen erkennen. karrespoor oppervlakte. bol. bevestigen bevestigen. zetten ooglid zeggen. bona fide. ernstig. wagenspoor. instructie vertrouwelijk. aanmerkelijk. achtbaar geruim. opgeven ooglid bedekking. verwantschap monteren. aannemen monsterachtigheid monsterachtig. consigne. ernstig. voornaam. inwendige aantrekkelijkheid lokken autoriteit. aankondiging welbewust. aanzienlijk stemmig. mormel struikelen achterhoofd stichten aanwijzing. multipliceren belasten met. areaal. gedrochtelijk rotbeest. bona fide.

zachtjes. begroeten hallo feestelijk inhalen feestelijk inhalen overlappen schild. ondiep verschijning. ondiep aanklacht. opkomend lucht uitbouwen. buitenwaarts oppervlakkig. feliciteren groeten. ontwikkeling. schaal doen. welstand. licht naar buiten. groei opdrijven. uitbreiden uitbouwen. welstand. sparen langzaam beroep . uitbreiden omvang. aandikken uitbouwen. uitbreiden uitbouwing. buitenkant gemakkelijk. verschijnen aanblik. opkomend klaarspelen. verwantschap affiniteit. ophitsen. bloei geluk. voorspoed welstand. rugschild. grootte verergeren. voorspoed. slagen nieuw. vergroten. bestek. laten doen. langzaam langzaam ontzien. verheffen. laten aanstoken. het gevolg zijn van geluk. aanschijn. plicht affiniteit. vergroting wasdom. beschuldiging hangen scharnier hangen romanschrijver nieuw. voorspoed. voorspoed welstand. schaal schild. eruit. vergroten. bloei. geluk. verwantschap gelukwensen. irriteren afstammen.powierzchniowy tranzystor polowy powierzchowność powierzchowność powierzchowny powierzchowny powierzchowny powierzyć (<sb with sth> komuś coś) powiesić powiesić na zawiasach powiesić się powieściopisarz powieść powieść powieść się powietrze powiększać powiększać powiększać powiększać powiększać (się) powiększenia powiększenie powiększenie powiększenie powiększyć powinność powinowactwo powinowactwo elektronowe ujemne powinszować powitać powitać powitać powitanie powlec powłoka powłoka wsadowa powodować powodować powodować powodzenia powodzenie powodzenie powodzenie (operacji) powoli powolny powolny powolny start powołanie oppervlakkig. makkelijk. vlot. geluk. vergroting uitbouwing. ophogen uitbouwen. uitbreiden verplichting. vergroten. bloei. bloei op zijn gemak. vergroten. doorkomen. rugschild. maken.

maken. oorzaak zondvloed opvoeden. ontmannen. onnatuurlijkheid overigens. ophitsen. uiterlijk zich aanstellen. ten noorden van uitzonderen snijden. reserveren. ten noorden van aanstellerij. ten noorden van op. betomen herhalen. begroeten groeten. verhoeden. voorts. zich voordoen zich aanstellen. opwaarts benoorden. zich voordoen benoorden. daarenboven daarbuiten. laten doen. intekenen breidel. teruggeven hergeven. omhoog. naar boven.powoływać się powoływać się powód powód powód powód (sądowy) powódź powóz powrotny powrót powrót do nowego wiersza powróz powstać powstanie powstrzymać powstrzymać/zataić powstrzymywać powstrzymywać powstrzymywać się powstrzymywać się <from sth> od czegoś powszechny powszechny powściągliwość powściągliwość powściągnąć powtarzać powtórce powtórka powtórka (np. zich abstineren generaal algemeen. onderwijzen hergeven. reproduceren. irriteren reden. beletten bevatten. verzekeren aanroepen doen. teruggeven hergeven. toom bedwingen. repetitie benoorden. inhouden. buiten. reproduceren. laten aanstoken. koorde. universeel bespreken. lekcji) powtórzenia powyżej powyżej powyższy poza poza poza poza poza poza poza domem (na powietrzu) poza kolejką poza zakresem pozbawić siły pozbywać się pozbywanie się pozdrawiać pozdrawiać beweren. stemband ontstaan muiten. reproduceren. verhoeden. tegenstreven verhinderen. teruggeven snaar. repetitie herhaling. nazeggen herhalen. trouwens verderop bovendien. castreren afhelpen beschikking groeten. oorzaak reden. nazeggen herhaling. behelzen verhinderen. begroeten . beteugelen. verder. in opstand komen tegenspartelen. zich abstineren zich onthouden. rebelleren. repetitie herhaling. teugel. beletten zich onthouden.

goedvinden. laten begaan. bijeenkomen. regering. toestaan aangeklaagde. gedogen. nablijven rest. stand. aan de schouder brengen aanleggen. treden. aan de schouder brengen horizontaal. status. groet groeten. zich voordoen aanstellerij. onnatuurlijkheid aanmatiging. jaartelling. blijkbaar aanwijsbaar. deeltje . duidelijk. oord. tegenspreken op reis gaan. nablijven rest. laten schieten laten. rommel. vergaderen kennen. onbescheidenheid toelaten. toestaan laten. deel. vertoonbaar virtueel achterblijven. stand. stappen. schrijden aanleggen. groet complimenteren eerbiedigen. deel. jaartelling. deeltje houding. bekend zijn met klaarblijkelijk. nablijven in tegenspraak zijn met. overige achterblijven. beschuldigde toestemming. jaartelling. gedogen. deeltje plaats. laten schieten laten. deel. geding. rang item. platliggend aanleggen. overheid aanleggen. aan de schouder brengen vergulden agnosceren. lokaal. aan de schouder brengen lopen. respecteren saluut. positie aanmelding houding. fiat toelaten. laten schieten item. afval achterblijven. laten begaan. begroeten gerechtszaak. stand. positie item. beklaagde. overblijfsel.pozdrawianie pozdrowienia pozdrowienia pozdrowienie pozdrowienie pozew sądowy poziom poziom poziom intensywności poziom żądania poziomnica poziomy poziomy uprzejmości pozłacać poznać poznać (kogoś) poznawać pozornie pozorny pozorny pozostać pozostać pozostać w łóżku pozostałość pozostawać pozostawać w sprzeczności pozostawiać pozować pozować pozować pozowanie pozór pozwalać pozwany pozwolenia pozwolenie pozwolić pozwolić sobie pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś pozycja pozycja pozycja pozycja cyfry pozycja wyjściowa pozycja znaku pozycja znaku pozycją saluut. proces gouvernement. waterpas. plek graad. afreizen zich aanstellen. laten begaan. als waarheid aannemen samenkomen. zich voordoen verderop zich aanstellen.

station positief. spaakbeen. vaarwel vaarwel. halfrond schotel. ontslaan deskundig passie. constructief vuurzee. laat terminal . dienstig. schaal middernacht noorden noorden noorden noorden middernacht middernacht noorden noorden noords. etenswaar. van stapel lopen.pozycją pozytywny pożar pożar pożarów itp pożądać pożegnać się pożegnać się pożegnania pożegnania pożegnanie pożegnanie pożegnanie pożoga pożyczać (od kogoś) pożyczać coś komuś pożyczce pożyczka pożyczka pożyczka hipotetyczna pożyczyć pożyteczny pożywienie pójść półbajt półce półka półkula półmisek północ północ północ północ (geograficzna) północ (geograficzna) północ (pora doby) północ pora doby północny północny północny północny wschód półprosta półwysep później później późniejszy późno późny Późny. noordelijk noords. royeren. adieu adieu. plank schap. adieu vaarwel. roes. knabbelen schap. noordelijk actieradius. laat vergevorderd. radius schiereiland naderhand. plank hemisfeer. adieu vuurzee. gaan knagen. końcowy stationsgebouw. daarna later later vergevorderd. adieu adieu. brand lenen lenen. hartstocht vaarwel. lust. achteraf. adieu vaarwel. vaarwel vaarwel. nuttig eten. dan. gerecht lopen. spijs. brand ontzetten. voorschieten. uitlenen lenen lenen lenen lenen lenen bevorderlijk.

karwei. het doen proefschrift. beducht. aanwending emplooi. begeren dorst trek hebben in. nijver. speurtocht werkgever functioneren. doorvoeren drillen. verkiezen. smachtend dorst aanwakkeren. karwei. begeren inschikkelijk. het doen speurwerk. arbeid functioneren. ervaring. nijver naarstig. dissertatie handwerk ter wereld brengen. ondervinding aanwenden. vlijtig naarstig.póżniej prac praca praca praca dorywcza praca papierowa praca z podziałem czasowym praca zawieszona praca zespołowa pracą pracą prace badawcze pracodawca pracować pracować ponad siły pracować w ogrodzie pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji pracowitość pracowity pracowity pracowity pracownia pracownia pracownik pracownik pracownik pracownik naukowobadawczy pracownik naukowo-badawczy praczka prać swoje brudy publicznie praefixus praepositio Praga pragnący pragnąć pragnąć pragnąć z całego serca pragnienia pragnienia pragnienia pragnienie praktyczny praktyczny praktyka praktyka (zawodowa) praktykować praktykować later werken. ongerust trek hebben in. personeelslid werkkracht. arbeid functioneren. het doen functioneren. arbeider. ijver ijverig. dienst. doorvoeren aanwenden. oefenen . werker. oeuvre emplooi. ijverig kast laboratorium employé. ijverig. het doen functioneren. vlijtig. wassen. verkiezen. aanvuren. de was doen voorvoegsel voorzetsel Praag bang. naarstig. werk. begeren verlangend. werknemer. werkman werker ingenieur werker wasvrouw uitwassen. het doen vlijt. werk. naarstigheid. verkiezen. aansporen trek hebben in. vlijtig. stelling. bezorgd. godsdienstoefening toepassing. bevallen eredienst. handelbaar praktisch belevenis. het doen functioneren. nijver.

gewettigd. waarachtigheid waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk werkelijk. haast. geregeld circulerend. jaartelling. waarachtigheid waarheid. tituleren. gewettigd. trant juist. gelijk hebbend. bijkans. standaardgelijkmatig. gegrond waarheid. haast. advocaat wettig. wezenlijk authentiek. bijna schier. legaal titelen. strook. haast. windsel orthodox. voornaam normaal. gegrond juist. stemmen eigendom. rechtzinnig . ernstig. eigendomsrecht wettig. pleitbezorger. deeltje. bijna schier. wettelijk. reep. bijna wettig. werkelijk. kopijrecht vrijdom. in omloop schier. deel stuurboord manier. wijze. legaal jurist verdediger. bijkans. kopijrecht balloteren. regelmatig. legaal copyright. band. waarachtigheid waarheid. belangrijk. onvervalst daadwerkelijk. kiezen. effectief juist. betitelen copyright. legaal recht strip. correct. vrijheid. bijkans. wettelijk. gewettigd. vlotheid recht wettig. goed erg. wettelijk. gewettigd. wettelijk.pralni pralnia pralnia automatyczna pranie prasa prasa (ściskająca i drukowana) prasą prasować prasowy pratykuła prawa burta prawa dostępu prawda prawda prawda logiczna prawdą prawdopodobnie prawdopodobnie prawdopodobny prawdopodobny prawdziwie prawdziwy prawdziwy prawdziwy prawidłowo prawidłowy prawidłowy prawidłowy prawie prawie prawie prawie nic prawniczy prawnik prawnik prawny prawo prawo prawo prawo prawo prawo autorskie prawo autorskie prawo o podpisach cyfrowych prawo wyborcze prawo zwyczajowe prawomocny prawosławny wasserij wasserij wasserij wasserij pers zuiger pers ijzeren pers item. gelijk hebbend.

nauwgezetheid precies. juist. gezag prestigieus verontschuldigen smoesje. voorbereiding prairie keus. eerzaam. dekmantel klapstuk. stroom. stroming actueel actueel gallon stiptheid. komend vandoor. rechtzinnig rechter-. accuratesse. accuraat. rundvlees aanspraak maken op. onbescheidenheid . verwijderd. keuze autoriteit. accuratesse. billijkheid echten. nauwgezetheid stiptheid. legitimeren recht recht eerlijk. vandehands gerechtigheid. draaierij. fair actueel elektriciteit sap loop. premier abonnement abonnee geabonneerd zijn op voorbereidsel. claimen aanmatiging. minutieus nauwkeurig. de voorkeur geven aan voorvoegsel voorvoegsel voorvoegsel bonus premie. nauwgezet stiptheid. degelijk billijk.prawosłowny prawostronny prawość prawowity prawoznawstwo prawoznawstwo dza prawy prawy prąd prąd prąd prąd prąd (także elektryczny) prąd elektryczny przepływ bieżący prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu dyskach) precyzja wielokrotna precyzją precyzować precyzyjny precyzyjny precz precz! preferować prefiks prefiks operatora prefiks usługodawcy premia premia premią premią premier prenumerata prenumerator prenumerować preparat prerią preselekcja prestiż prestiżowy pretekst pretekst pretensja pretensja pretensja orthodox. nauwgezetheid eerstvolgend. over prefereren. aanstaand. prijs bonus premie. heen. scherp. prestige. accuratesse. smoes. prijs minister-president. rechtvaardig. alternatief.

voortbrenging . vraagpunt. haar vraagstuk. eliminatie produktie. spoed. president. spitsroede. praeses. president voorzitter. opleveren. praeses. opgave pastoor bereidingswijze. streep gallon roede. president. preses. omgang een proces aanspannen tegen buskruit. vraag. percent gerechtszaak. fronsen haardos. procent. aanwezigheid gift. haal. cadeau tegenwoordig. geding. voortbrenging opbrengen. procédé. stoet. vaart. interesseren rente. geschenk. opgave rimpelen. aanmaken. gard. procédé. praeses. proces bewerking processie. probleem. percent rente. probleem. in allerijl snelheid. afwerpen ontwikkeling. navraag vraagstuk. donatie. voortbrenging ontwikkeling. stokje vraagstuk. ostentatief bijzijn. werkwijze rente. actueel aanbieding. opgave kwestie. radheid schreef. werkwijze routine. proces bewerking probeersel. maken produktie. actueel voorzitter. optocht. vraagpunt. optreden tegenwoordig. werkwijze bereidingswijze. sleur bereidingswijze. schrap. preses gauw. procent belang inboezemen. procédé. streek. schielijk. hard. procent. poederen buskruit. vraagpunt. proefstuk gerechtszaak. president. preses voorzitter. presentie. percent. praeses. probleem. werkwijze bereidingswijze. geding. preses voorzitter. presentatie. procédé.pretensjonalny prezencją prezent prezent prezentacja przedstawienie prezentować prezes zarządu prezydencie prezydent prezydent tam był prędko prędkość pręga pręga pręt problem problem problem roku 2000 problem tłumaczenia adresu problem z bezpieczeństwem problem związany z siecią proboszcz procedura procedura pomiarowa procedura wspomagania programu procedura zagęszczania procedurą procencie procent procent procentowość proces proces proces proces rozruchu proces zatwierdzania procesja procesować się proch proch proch strzelniczy produkcja produkcja seryjna produkcja wspomagana komputerem produkcja wspomagana komputerowo produkcja wspomagana komputerowo produkcją produkcją opzichtig. kruit produktie. eliminatie fabriceren. kruit bepoederen.

leiding. toepassing programmeren programmeren tribune. maatregel programmeren programmeren laten blijken. plaat projecteren werkje. opbrengst produktie. afwerpen opbrengen. schets. podium tribune. maken opbrengen. famulus. gewrocht. ontheiligen. manifesteren vinger interpreter debugger conducteur. helper debugger konijntje debugger werktuig. tekening projecteren projecteren projecteren projector. opbrengst ontwijden. aanmaken. projectietoestel werkje. gewrocht. opleveren.) ilustracja projekcie projekt projekt projekt pilotażowy projekt szczegółowy projektor laserowy projektować geslachtelijk. prognose. beroepsprofessor karakterschets karakterschets karakterschets karakterschets voorspelling. generatief fabriceren. middel aanwending. leiding. voorspellen. helper programmeren programmeren programmeren aanwending. voorzeggen voorspelling. prognose. afwerpen produktie. podium afbeelding. hulp. tekening .produkcyjny produkować produkować produkt produkt produkt zakonserwowany profanować profesjonalny profesor profil profil wykonania profil zabezpieczeń profilować prognoza prognozą prognozą program program program program program do tworzenia kopii zapasowych program interpretujący program kontrolny program obsługi urządzenia program organizacyjny program pierwotny program post-mortem program składowania program składowania (zawartości pamięci) program sterujący program testujący program typu królik program uruchomiajacy program wspomagający program zrzutu program zrzutu program źródłowy programowa programowa) programu itp. verwachting beduiden. famulus. opleveren. hulp. bestuurder assistent. seksueel. verwachting akkoord. prent. toepassing assistent. profaneren professioneel. schets.

aangeven. promenade. onkies. aanduiden evenredigheid. proloog overzetboot. spaakbeen. naderen verspreiding. schets. pontveer. aanbieding. voorslag. noodlottig voorspeller. verklaring proclameren. spaak zonnestraal straal. verhouding. inroepen. verklaring declaratie. beduiden. aanbod profetie. spaak bevordering. afkondigen proletariaat proletariër proletariaat proletariër voorrede. profeet. ruw . aanzoek bod. voorspelling. bak wandeldreef. radius straal. tieren. stralen actieradius. fataal. floreren hardhandig. bloeien. verzoeken gierst prospectus gedijen.) promień promień promień słońca promień zginania promocja promocją promować propaganda proponować proponować proporcja proporcja proporcjonalny propozycja wstępna propozycją propozycją proroctwa proroczy prorok prorokować prosa prosić prosić prosić proso prospekcie prosperować prostacki projecteren werkje. proportie. uitvaardigen. voorspellen gierst vragen bidden vragen. pont. stralen uitstralen. aanvragen. wandeldek zonneschijn straal.projektować projektowanie projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) proklamacja proklamacją proklamować proletariacie proletariacki proletariat proletariusz prolog prom promenada promienie słońca promieniować promieniować promieniować rozchodzić się promieniowo promieniować (dosłownie i w przen. tekening ontwikkeling. propaganda uitloven. promotie gaan naar. voorzegging funest. aanbieden aanwijzen. spaak uitstralen. lomp. evenredigheid proportioneel. verhouding proportie. grof. promotie bevordering. bieden. aanzoek huwelijksaanzoek. voorzegger voorzeggen. evolutie declaratie. genaken. evenredig huwelijksaanzoek. stralen uitstralen. aanpakken.

bestrijden protestants protestants betwisten. notulen slippen. bestrijden betwisten. aantrekkelijk. beschermheer betwisten. vandehands normaal. wees zo goed. bekoorlijk malen. kwellen aanwending. inroepen. rail nul gebieder. kaart bekeuring. chef. vergenoegd behaaglijk. rijten scheuren. bestrijden bekeuring. overeind. baas constructie. bouw. aalwarig. eenvoudig. aalwarig. eenvoudig.prosto prosto prostopadły prosty prosty prosty prosty prosty protokół zarządzania siecią prosty protokół zarządzania siecią prostytutka proszek proszę proszę proszę proszkować prośba prośba protekcja protektor protest protestancki protestant protestować proteście protokół protokół IP dla łączy szeregowych protokół odwrotnego tłumaczenia adresów protokół RARP protokół SGMP protokół z potwierdzeniem pozytywnym protokół zmiany kierunku proton prototyp prowadnica prowadzące prowadzący prowadzenie serwerów WWW prowincja prowincjonalny prowizja prowizoryczny prowokować proza prozą próba próba próba direct. uitglijden scheuren. procent. recht. proces-verbaal. toepassing vragen. provinciaal rente. notulen proton prototype spoorstaaf. tevreden. aanvragen. pogen. makkelijk aalwarig. verzoeken bescherming beschermheilige. proces-verbaal. vermalen. rijten aalwarig. trachten. poederen alsjeblieft. repetitie . standaardlicht. ophitsen. percent jury aanstoken. prostituée bepoederen. eenvoudig. moeite doen gehoor herhaling. aanbouw gouvernement gewestelijk. eenvoudig aalwarig. aanvoerder. alstublieft voldaan. vlot. lichtekooi. aalwaardig aalwaardig. aalwaardig landkaart. eenvoudig hoer. rechtop rechter-. aalwaardig direct. irriteren proza proza streven. live. rechtstreeks aalwaardig.

specimen. chef. proef. trachten. beteugelen streven. absolutie geven vergeven. toevallig smaken streven. pogen. onbehouwen. koken een douche nemen. vacuüm luchtledige ruimte. trouwens. vacuüm luchtledige ruimte. specimen. lens. monster proefstuk. hol grof. moeite doen dissertatie. proefstuk bedwingen. poging probeersel. dorpel luchtledige ruimte. pogen teelaarde. klotsen op het kookpunt zijn. specimen. honds. moeite doen moeite. onderzoek streven. zich inspannen. humus verval tonderzwam. dorpel drempel. proefstuk streven. bot primitief onbeleefd. pogen. proefstuk streven. vacuüm nietigheid. zwam ander overigens. trachten. betomen. particulier prisma spinnen absolveren. keuring. proefschrift. lomp aanvoerder. nutteloos loos. zich inspannen. begenadigen vergeven. onheus. moeite doen incidenteel. tondel. gebieder. borrelen. proefstuk proefstuk. proef. monster bedwingen. monster. leeg. tonder. monster proef. betomen. pogen. trachten. pogen. moeite doen examen. ijdel. cru. stelling probeersel. pogen proefstuk. privé-. verder drempel. plassen. flat . begenadigen appartement. trachten. ijdelheid vergeefs. beteugelen streven. ledig.próba próba (teatralna) próba generalna próba generalna próba odzyskania próba teatralna próba v próbować próbą próbą próbą próbą próbce próbka próbka próbka na sekundę próbkować próbować próbować próbować próbować próchnica próchnicą próchno prócz prócz tego próg próg próg tylny próżni próżnia próżnia ultrawysoka próżność próżny próżny prymitywny prymitywny prymitywny pryncypał pryskać pryszcz prysznic prywatny pryzmat prząść przebaczać przebaczać przebaczenie przebicie dętki probeersel. specimen. proef. douchen besloten. dorpel drempel. baas klapperen. onbewerkt. kabbelen.

een lijst maken congestie. flikkeren. tegen. opwekken wekken. uittarten standhouden. houwen. opvallen slaan. aandrang inspringen ongeveer. aandrang congestie. listig slim. aangrijpen. wekken. bezwaar hebben tegen . aard barsten. stutten neigen. snoeven. tegenliggend. sieci) przecięcie przeciętnie przecinek przeciskać się przeciw przeciwieństwo przeciwległy przeciwnie do ruchu wskazówek zegara przeciwnik przeciwny przeciwny przeciwny przeciwny czemuś przeciwstawiać przeciwstawiać się przeciwstawiać się tracé. gewiekst. gewiekst. circa komma door. met met. per. strijdig tegenstander afkerig tegengesteld. overgankelijk voorbijganger voetganger vertraging reserveren. doen overhellen schragen. kloppen. koers slim. strijdig tegenover. tegenliggend. splijten. wandeldek transitief. tarten.przebieg kurs przebiegłość przebiegły przebiegły przebiegły przebierać przebijać przebłysk przebłysk przebój przebudzić przebudzony przeceniać przecenić znaczenie przechadzka przechodni przechodzień przechodzień przechowywać przenosić przechowywać w pamięci przechwalać się przechwycić przechwycić przechwycić przechwytywać przechwytywać przechylać się przechylić przechył przechył statku przeciążenie przeciążenie (np. leergang. klappen. grijpen bemachtigen. aangrijpen. buigen. doortrapt scherpzinnig. strijdig voor tegengesteld. pakken. doen overhellen uitlisten. beetkrijgen bemachtigen. belemmeren uitdagen. bluffen beetnemen. overwaarderen wandeldreef. jegens tegengesteld. klappen wakker maken. beetkrijgen bemachtigen. grijpen. route. pienter doortrapt. bloedaandrang. gewiekst. tegenwerken. opwekken overschatten. pakken. aangrijpen beetnemen. promenade. wakker maken. tegenliggend. tegenaan. opscheppen. overwaarderen overschatten. gloren slaan. grijpen neigen. detineren. listig. slag. listig. trotseren. slim. scheuren flitsen. aan de overkant van tegenstander dwarsbomen. steunen. doortrapt soort. een stuk of. kloppen. schrander. ophouden pochen. buigen. cursus. bloedaandrang.

herdruk nadruk. ontheiligen een aan de. ten noorden van ontwijden. oppositie tegengesteld. onderwerpen aanbieding. naar de knechten. voorgaand voor de middag. artikel mikpunt. in-. object. voorwoord inleiding. zakenman . koplamp hal overgang. samochodu) przedpokój przedpokój przedpołudnie przedpotopowy przedrostek przedrostek negujący znaczenie wyrazów przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi przedruk przedrukować przedrzeźniać przedsiębiorca dwarsbomen. tegenliggend. artikel voorrede. doortrekken. handelaar. voorbericht. rekken uitleggen. strijdig negatief. het. ding handelsartikel. zeer oud voorvoegsel on-. oppositie tegenstand. introductie voorgrond voorgrond lichtbak. spotten. aan het. onderwerp. lang. optreden knechten. belemmeren tegenstand. passage ochtend. doortrekken. morgen antediluviaans. suffix langdurig. lange tijd achtervoegsel. cliché borstelen. onderwerpen achtervoegsel. tegenspreken ontkennen laxeermiddel. in de morgen voor benoorden. imvoorvoegsel nadruk. de. laxans voor voorafgaand. rekken voorstad voorstad handelsartikel. profaneren. doorgang. tegenwerken. presentatie. reflector. herdruk bespotten.przeciwstawić (się) przeciwstawienia przeciwstawienie przeciwstawny przeczący przeczesać przeczyć przeczyć przeczyszczający przed przed przed południem przed siebie przede wszystkim przedefilować przedimek nieokreślony przedimek określony przedkładać przedłożenia przedłożyć przedłużacz przedłużać przedłużenie przedłużyć przedłużyć (się) przedmieścia przedmieście przedmiot przedmiot przedmiot oceny przedmowa przedmowa przedni plan przedni plan (obrazu) przednie światło (np. schuieren in tegenspraak zijn met. suffix uitleggen. verleden. honen koopman.

indienen tentoonstelling. excursie toer. tussenruimte stompen Jan Klaassen missen. vak mul. dealer. aangrijpen. afdeling interval. alvast. afdeling legerafdeling. aandurven verbeelden. afgevaardigde vertegenwoordiger. tak. discuteren branche. manifesteren al. handwortel pols. mislopen. branche. onderneming ondernemen zich wagen aan. indienen uitvoeren.przedsiębiorca (budowlany) przedsiębiorczy przedsiębiorstwa przedsiębiorstwa przedsiębiorstwo przedsiębiorstwo przedsięwziąć przedsięwziąć przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedstawiać przedstawiać (na scenie) przedstawiać obecny przedstawiający przedstawiciel przedstawicielstwo przedstawić przedstawić (kogoś) przedstawić kogoś przedstawienia przedstawienia przedtem przedtem przedwstępny przedyskutować przedział przedział przedział dla niepalących przedział kolejowy przedział synchronizacji przedziurawić przedziurawić przegapić przegląd przegląd wstępny przeglądać przeglądać przegródce przegrywać przegub przegub (dłoni) przejazd przejażdżka przejażdżka łodzią przejąć przejezdny przejęcia bouwondernemer. toer. roerend Maria-Hemelvaart . reeds. baan. preliminair bespreken. tussenruimte interval. reis. presenteren. alreeds voor voorafgaand. aangelegenheid. trip. gang. grijpen los. vak. handelsfirma. aandurven zaak. afbeelden opdraven. affaire bedrijf. rul pols. handelshuis bedrijf. opdagen tegenwoordig. onderneming Maria-Hemelvaart bedrijf. presenteren. uitbeelden. bespreken recenseren. trip bemachtigen. expositie laten blijken. vak. actueel gedeputeerde. divisie branche. tak. mobiel. presenteren. ding. rijstrook uitstapje. agent agentschap uitvoeren. indienen uitvoeren. aannemer ondernemend firma. tocht. handwortel overloop. beweegbaar. bespreken afgrazen uitzicht afdeling. misgrijpen recenseren. onderneming zich wagen aan. tocht.

godverdomme eed. bezwering ketteren. kamwiel. vloeken. te boven gaan aflopen. godverdomme eed. verdomd. tippel transfer. gang. uitgaan. ophouden. buitengewoon kronkelen beledigen. godlasteren verdomme. godlasteren verdomme. vloeken. disputeren. baan. wandelen. lunch twaalfuurtje. met pensioen gaan trekken. doorgang pensioen metro poort overloop. lunch ketteren. doen toekomen opnemen. tandwiel overtuiging overtuiging gangbaar. vigerend twisten. krenken. passage. overzetting uitvoering. te boven gaan inhalen overtroeven. afdracht transporteren. versie kamrad. verdomd. affronteren geweldpleging. godlasteren ketteren. bezwering translatie. overbrengen.przejęzyczenie przejścia przejścia przejście przejście kolorów przejście na emeryturę przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę przejście wielokrotne przejściówka przejść przejść się przejść się przekaz przekaz (danych) przekazanie (np. vloeken. geweld overtreffen. geldig. rijstrook bewerker aftreden. translaat. tandrad. geldend. odpowiedzialności przekazywać przekazywać przebieg przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki przekąsce przekąska przekląć przekleństwo przekleństwo przekleństwo przeklinać przeklinać przeklinać przekład przekład przekładni przekonania przekonanie przekonujący przekonywać przekonywać przekonywać przekonywanie przekraczać przekraczać przekraczać przekraczająco przekręcać przekroczenie przekroczenie przekroczyć przekroczyć stan konta terugvallen steeg overloop. afboeken twaalfuurtje. rondreizen wandeling. krakelen overtuigen overtuigen overreding overtreffen. delegatie inhalen opsturen. sturen. eindigen . gang. rondtrekken. overtreffen bijzonder. baan. rijstrook overgang. voeren afvaardiging.

naarstigheid. vliegtocht een douche nemen. overschakelen roede. geweld bedelven. wassen. afboeken overtollig. spitsroede. sluikhandelaar uitwassen. tak bekeren masseren vervormen vervormen vervormen vervormen bederven. verbasteren. overstelpen. vak. beëindigd roede. naderen verschuiving verrekken. spitsroede. prevalent. redevoering. overbodig vlucht. spreken geraffineerd anders maken. overheerlijk geweldpleging. doorslikken. oratie adresseren rede. verstuiken inhalen heerlijk. naarstigheid. stokje mijlpaal opperste. de was doen . aanpakken. ijver industrieel industrie-. douchen omleggen. redevoering.przekrój przekształcać przekształcać przekształcać przekształcać na postać cyfrową przekształcać transformata przekształcić przekupić przelew przelew przelew krwi przelewać przelot przelotny przełączać przełącznik zmianowy przełączyć przełączyć przełomowe wydarzenie przełożony przełykać przemawiać przemawiać przemądrzały przemienić przemienny przemienny przemierzać przemieszczenie przemieszczenie przemieścić przemijać przemiły przemoc przemóc przemówienia przemówienie przemówienie przemycać przemysł przemysł cukrowniczy przemysł stoczniowy przemysł włókienniczy przemysłowca przemysłowy przemyt przemytnik przemywać branche. ontwrichten. ijver farmacie. afboeken opnemen. omkopen bloedvergieten opnemen. verpletteren rede. superieur slikken. speech. genaken. afgelopen. artsenijbereidkunde weefsel vlijt. industrieel smokkelwaar. afgewerkt. veranderen afwisselend afwisselend getrappel. kostelijk. stokje klaar. gard. inslikken adresseren praten. omschakelen. oratie smokkelen vlijt. speech. contrabande smokkelaar. gestamp gaan naar. gard.

roerend draagbaar. mobiel. boezem afgrond schifting. lopen. binnendringen. vloeien. uitlaten voorafgaand. bocht. voorzegging zich verontschuldigen verontschuldigen zich verontschuldigen . voorhebben. figuurlijk los. vloeien. doorstoten afstemmen. voorspellen. brengen opnemen. aanpassen. bewegen doordringen. golf. kwiek. fel. voorgaand omploegen. voorspelling. consigne. levendig. verleden. aangeven. afdragen transporteren. beduiden profetie. aangrijpen. adapteren aanreiken. doorstoten kras. beploegen afgrond. binnendringen. afboeken dragen. nalaten. portable oneigenlijk. aangeven. sproeien stromen. figuurlijk verzaken. voeren. kreek golfspel. kwiteren recept heerschappij. rap. kolk baai. inham. lopen. gieten. wigor przenajświętszy przeniesienie równoległe przenieść przenieść przenieść przeniesienie przenikać przenikliwy przenikliwy przenikliwy (ból) przeniknąć przenocować (<sb> kogoś) przenosić przenosić przenosić (na inną platformę systemową) przenośnie przenośny przenośny przenośny przenośny automatyczny system telefoniczny przeoczyć przeor przeorać przepaść przepaść przepaść przepaść przepierzenie przepiórce przepiórka przepiórka przepis przepis przepis przepis przepisach przepisy przepisy przepłukiwać przepływ przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok przepowiadać przepowiednia przepraszać przepraszam przeprosić sap oprit. doordringend snibbig. bestuur reglement aanwijzing. vlieten voorzeggen. voeren aanreiken. afboeken ontroeren. clausuur kwartel patrijs kwartel recept voor voldaan tekenen. ploegen. guur. afdragen oneigenlijk. beweegbaar. instructie reglement bevloeien. inham. vlieten stromen. bewind. afscheiding. bits doordringen. druk bijtend. begieten. overbrengen.przen. oprijlaan opnemen. figuurlijk oneigenlijk.

bewerking. gedogen. anders maken in de week zetten. rust een miskraam krijgen. ontsteltenis gruwel. mislukken stoppen. mislukken interrumperen. schorsing. pauze interruptie. onderbreken afmaken. onderbreking afbreken interrumperen. brengen reinigen. schorsen. schoonmaken. overdrijven vooroordeel. toestaan inhalen anders maken. onderhouden uittreden. mislukken opvrolijken.przeprosiny przeproszenie przeprowadzić (plan) przeprowadzić się przeprowadzić wywiad przepustce przepustka Przepuszczać (np. mager haan van een vuurwapen chargeren. aanpassing opening. verschrikking modificatie. onderbreken interruptie. gruweldaad. onderbreken rust. bres. onderbreking een miskraam krijgen. schorsing. schorsen. doen schrikken schrik aanjagen. ziften springen . schraal. beëindigen. weekmaken. aflaten. amuseren. aftreden. bedanken een miskraam krijgen. schorsen. schorsing. onderbreking pauze. schorsen. gaping adempauze pauzeren interruptie. onderbreking hortend. intermitterend sprietig. vooringenomenheid bijgeloof bijgelovig veranderen. veranderen schrik aanjagen. afsluiten interrumperen. schorsing. ophouden interrumperen. onderbreken interruptie. toestaan toelaten. weken zeven. voeren. voorhebben. louteren interviewen toelaten. strumień gazu) przerabiać przerazić przerażać przerażenie przerażenie przeróbka przerwa przerwa międzyrekordowa (na nośniku informacji) przerwa start-stop przerwa w podróży przerwać przerwać przerwać przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) przerwanie przerwanie przerwanie integer liczba całkowita przerwanie zewnętrzne przerwą przerwą przerwą przerywać przerywać przerywać przerywać przerywać coś przerywać przerwanie przerywany przerzedzać przerzutnik przesadzać przesąd przesąd przesądny przesiadać się przesiąknąć przesiewać przeskoczyć verontschuldiging verontschuldiging dragen. doen schrikken consternatie. gedogen.

eind verschuiving tournee. snood. bijeenkomen. voorhebben. royaal. breedvoerig. crimineel misdaad. afgeven ruimte. speling onderzoeken. bedanken punctuatie. bewegen beweging verschuiving opnemen. dutten uittreden. wachten samenkomen. bestek. crimineel misdadig. aangrijpen. annuleren. druilen. misdrijf lafhartig. breedvoerig. handelen volgens te wachten staan. ondervragen inhalen sluimeren. afmatten gehoor een verhoor afnemen. leiding ontbinden. eind ontroeren. rondreis verschuiving beweging afstand. schut Iris afbeulen. nakijken. interpunctie mottig verschuiving misdadig. tribune. afjakkeren. afboeken . groot verspreiden. ontwrichten. snood. verstuiken afstand. examineren afkoelen dragen. afschrikken waarschuwing. aanvaller scherm. wereldruim. royaal. verbreiden. schrik aanjagen verjagen. bestuur. groot waarschuwen blijven gehoorzamen opvolgen.przeskok przeskok przeskok przesłać przesłać dalej przesłona przesłona (falowodu) przesłonić przesłuchanie (świadka) przesłuchiwać przesmyk przespać się przestać przestankowanie przestarzały przestawić przestępca przestępczy przestępstwa przestępstwo komputerowe przestraszony przestraszyć przestraszyć przestroga przestronny przestrzec przestrzegać przestrzegać przestrzegać przestrzegać (coś) przestrzegać normy przestrzenny przestrzeń przestrzeń (także kosmiczna) przestudiować przestudzić przesunąć przesunąć przesunięcie przesunięcie przesunięcie przesunięcie logiczne przesunięcie w lewo przesunięcie w prawo przesuń przesuń w prawo przesuwać przesyłanie z potwierdzeniem hinkelen springen podium. tip ruim. brengen verrekken. vergaderen ruim. aftreden. afhalen. laf. afgelasten voorspeler. misdrijf misdaad. voeren. bang doen schrikken.

aanbesteding aflopen. verleden tijd verleden. beletsel. voordeel overwegend. obsederen achtervolgen. doormaken. voorzeggen anticiperen. voorspellen. speurwerk. digereren voorgaand. prejudiciëren beduiden. mijn.przesyłka przesyłka komunikat przeszkadzać przeszkadzać przeszkadzać przeszkoda przeszkoda przeszkoda przeszłość przeszły przeszukać przeszukiwać przeszukiwać przeglądać prześcieradło prześcigać prześladować prześladować prześladować prześladowania prześladowanie przetarg przetarg przeterminować się przetłumaczyć przetransportować przetrawić przetrwać przetrwać przetrząsać przetrzeć się przetrzymywać przetwarzać przetwarzać przetwarzać przetwarzać (tekst) przewaga przeważnie przeważyć przewężenie przewidywać przewidywać przewidywać przewidywanie rozgałęzienia przewidzieć przewidzieć przewietrzyć przewietrzyć przewietrzyć pakje bericht. vel overtroeven. voorspellen. luchten . achtervolging vervolging. verhinderen. uitgaan. najagen. overtreffen beklemmen. beletten beletten. taille anticiperen. spuien. beleven speurtocht. verhoeden barrière. grotendeels pré. hinderpaal verleden. ophouden. wannen. verleden tijd kruipen speurtocht. overzetten. vendu. hinderen doorkruisen. zoektocht scanderen blad. afslag. overbrengen. voeren verteren. heining storing hindernis. voordeel middel. leest. achtervolging auctie. belemmeren. vervolgen najagen. afschaven blijven bekeren masseren vervormen masseren pré. belemmeren. nastreven vervolging. zoektocht schaven. verduwen. boodschap storen. verleden. prejudiciëren wachten. verwachten beduiden. vertalen transporteren. veiling gunning. afsluiting. merendeels. eindigen translateren. waaien lucht uitluchten. voorafgaand doorleven. afhalen. speurwerk. te wachten staan frisse lucht toewaaien. hek. voorzeggen bedacht zijn op.

omwenteling pervers. lot doelstelling. preses. geschikt bestemmen. bestemming. verdorven revolutie. passend. bestemming. naast. omwenteling overtroeven. chef. wit. baas overzetboot. dirigeren. figuurlijk conducteur. bestuurder besturen. aanvoerder. lotsbestemming lotsbestemming. stemband metaaldraad. opdragen. veranderen revolutie. pontveer. met dwars door dwars door dwars door in. president voorzitter. spenderen geabonneerd zijn op . pont. per. beogen. bak oneigenlijk. doelwit. nabij. president. richten. overtreffen overtreffen. preses. draad neutraal. langdurig. binnen. praeses. toongevend voorzitter. bestuurder snaar.przewietrzyć się przewlec przewlekły przewodni przewodniczący przewodniczący przewodniczący Rady Nadzorczej przewodniczyć przewodnik przewodnik przewodnik przewodnik przewozić przewoźny przewód przewód przewód przewód zerowy przewód zerowy przewóz przewóz przewracać przewrocie przewrotny przewrót przewyższać przewyższać liczebnie przez przez przez całą dobę przez całą noc przez cały przez radio przez to przeziębienia przeziębienie przeznaczać przeznaczać przeznaczenie przeznaczenie przeznaczenie adresat docelowy przeznaczenie nieosiągalne przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć (coś na jakiś cel) przeznaczyć (coś na jakiś cel) lucht draad. koorde. mennen gidsboek. uittrekken mikken. toonaangevend. per. praeses. president voorzitten. reisgids. te boven gaan aan. preses voorzitter. vademecum gebieder. doel. onpartijdig metaaldraad. garen lange tijd. per. uittrekken lot. te door. bedoelen geabonneerd zijn op spanderen. dichtbij door. lang leidend. gids. loten bestemmen. presideren conducteur. afzijdig. bij. draad affuit beweging anders maken. praeses. mikken op. honk ontvanger verloten. met koud koud gepast.

stamvader. overmeesteren waarschuwen kruisen. dichtbij. handvat. aanlokken toelachen. voorzichtig geweld aandoen. aanvoer aankomen. aanlokken. beleven kronkelen voorvader.przezorny przezwyciężyć przezwyciężyć przeżegnać się przeżycie przeżyć przędza przodek przodek (w kopalni) przodkowie przód przód kompilatora przswoić prztoczyć przy przy przy forsie przy rejestracji na taśmie magnetycznej przy świetle świec przy zdrowych zmysłach przybliżony przybliżony czas przybrać postać (<sth> czegoś) przybranie przybrany przybudówce przybycie przybyć przybywać przybywać się przychodnia przychylic się przyciągać przyciągać przyciągać uwagę przyciągający uwagę przyciąganie przyciąganie przycinać przycisk przycisk przycisk przycisk z grafiką rastrową przycisk zwalniania myszki przyczepa przyczepa turystyczna przyczepą przyczepiać behoedzaam. aanlokken. voorkant voorzijde. bij benaderen benaderen aandoen. gevest. verkrijgen. bij beneden uur aan. bij aan. naast. behalen kliniek lid worden toelachen. ervaring. geadopteerd luifel. dichtbij aan. bekoren toelachen. voorzaat het hoofd bieden afdaling voorzijde. bij. bekoren aanlokkelijk. naast. nabij. verkrijgen. noemen aan. aantrekkelijk aantrekkelijkheid zwaartekracht snoeien dichtknopen heft. dichtbij. voorkant in zich opnemen. bekoren. afdak bezorging. citeren. knop drukknoop dichtknopen dichtknopen aanhangwagen karavaan aanhangwagen aanhechten . ondervinding doorleven. arriveren buit maken. belanden. hals. dichtbij. nabij. nabij. naast. doormaken. behalen buit maken. assimileren aanhalen. nabij. aangrijpen Maria-Hemelvaart aangenomen. naast. over elkaar slaan belevenis.

gebeurlijk toebereiden. lotgeval eventualiteit eventueel. aanstaren. aanvoer voorkomend. kornuit. dagvaarden betekenen. maat vriendin voorkomend. maken. aanmaken knagen. dienstig. dagen. aardig. kameraad. somber drukkend. stenen makker. turen brengen. lief. lotgeval avontuur. voorbereiding achtergrond voorbereidsel. laten reden. aandragen. geschikt verzenden betekenen. vriendelijk vriendschap . aanvoer bezorging. oorzaak bijdragen schemerig schemerig toegaan. disponibel bevorderlijk. passend. preliminair toebereiden. dagen. slepen. preliminair voorafgaand.przyczepić przyczepność przyczyna przyczyna przyczyniać się przyćmiewać przyćmiony przydarzyć się przydatność przydatność przydatny przydatny przydomek przydzielać przydzielać przydzielać przydzielać (środki) adj odpowiedni przydzielić przydźwięk przyglądać się dokonywać przeglądu przygnać przygnębiony przygniatający przygoda przygodą przygodność przygodny przygotować przygotować (się) przygotowania przygotowanie przygotowanie przygotowawczy przygotowawczy przygotowujący przygotowywać przygryzać przygwoździć przyholować przyimek przyjaciel przyjaciel przyjaciel przyjacielski przyjazd przyjazdach przyjazny przyjaźń aanhechten grip. voorbereiding voorafgaand. naamwoord verloten. laten doen. bereiden. loten gepast. boegseren voorzetsel bakstenen. aardig. nuttig benaming. knabbelen spijkeren. aanmaken voorbereidsel. naam. razen. perikel. lief. zwaar avontuur. bezorgen naargeestig. bereiden. gonzen. bereiden. voortgang hebben. gebeuren geschiktheid geschiktheid liquide. perikel. aanmaken toebereiden. beschikbaar. vriendelijk bezorging. brommen staren. troosteloos. nagelen trekken. adhesie doen. preliminair voorafgaand. dagvaarden snorren.

bot. eerbetuiging aankomen. grof. aangenaam. aanvoer zich aansluiten. aangaan aanhechten aanhechting aanhechten monteren. aannemen. vermaak. belanden. onbekende. bars in elkaar duiken. aanflitsen. aanspraak maken op aanvaarden. affiliëren claimen. toepassing . aanliggend bezorging. toetreden aanfloepen. vreemde aanvaarding. onthaal aanvaarding. cru onaardig. nurks. adopteren toegeven aankomen. het gevolg zijn van toonbeeld. hurken klinken. genoegen. behaaglijk. plezier behaaglijk. belanden. leed afschuwelijk onbewerkt. aanneming. zetten verbinden. grenzen aan belenden. aangenaam behaaglijk. onthaal accepteren. aan elkaar vastmaken aanwending. arriveren pret. verdriet. vastklinken kaap Kaaps belenden. behaaglijk. aanvaarden accepteren. accepteren aannemen. voorbeeld smart. genoeglijk vreemdeling. affiliëren accepteren. aanvaarden eerbetoon. grenzen aan grip. bekoorlijk aangenaam. honds. aangenaam. bij acclamatie benoemen toegeven zich eigen maken. aanvaarden toejuichen. onbehouwen.przyjąć przyjąć standard przyjechać przyjemność przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny (zapach) przyjemny (zapach) przyjezdny przyjęcia przyjęcie przerwania przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować jako członka (<sb> kogoś) przyjmować uznaniem przyjmować w poczet członków przyjmować z uznaniem przyjść przyjść przykład przykrość przykry przykry przykry przykucnąć przykuwać przylądek przylądek przylegać przylegać (do czegoś) przyleganie przyległy przylot przyłaczyć przyłapać przyłączać przyłączanie przyłączyć przyłączyć przyłączyć nawiązać łączność przyłożenie zich eigen maken. aanneming. genoeglijk genoeglijk. aantrekkelijk. genoeglijk behaaglijk. arriveren afstammen. lid worden. aangenaam genoeglijk. adhesie aangrenzend. nors. adopteren aannemen.

attribuut bijvoeglijk naamwoord. accident. hartzeer. ten volle.przyłożyć przymiar przymiar przymiarka przymiot ik przymiotnik przymiotnikowy przymocować przymocować przymocować przymocowywać przymusowy przynaglać przynajmniej przynależność przynęcie przynęcie przynęta przynęta przynęta przynieść przynieść pożytek przynosić przynosić przynosić plon przypadek przypadek użycia przypadek wcielenie przypadkowość przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadłość przypiąć przypiekać na ruszcie przypis przypis końcowy przypisać przypisywać (<sth to sb przypływ przypływ przypominać przypominać przypominać przypomnieć przypomnieć sobie aanwenden. accident. beproeving kegel rooster. gebeurlijk toevallig. bestuur betamelijk. fladderen tij. onthouden zich herinneren. behoorlijk. gedenken herinneren herinneren zich herinneren. bewind. bezorgen brengen. commentaar nabeschouwing betekenen. toevallig chaotisch eventueel. aansporen geheel. getij zich herinneren. dwingend. doorvoeren meten heerschappij. volkomen lidmaatschap aas. onthouden. dagen. aandragen brengen. hek. bezorgen. fatsoenlijk bijvoeglijke bepaling. ongeval ongeluk. leed bevestigen. lokaas lokken lokken brengen. dagvaarden bijvoeglijke bepaling. onthouden . aandragen. toevallig ongeluk. heel. gedwongen aanwakkeren. bezorgen brengen. aanvuren. bezorgen. aandragen het veld ruimen. attribuut aan de scharrel zijn. gedenken. ongeval eventualiteit incidenteel. lokaas lokken aas. toevallig incidenteel. bepalen aanhechten bindend. aandragen. traliehek aantekening. gedenken. verdriet. afstaan incidenteel. afrastering. incidenteel droefheit. affix smart. fixeren. adjectief bijvoeglijk aanhechtsel.

stellen toegegeven vermoeden. beleggen. voorbereiding beloven. onthouden. bereiden. spoed maken. toezeggen. bezwering ketteren. gissen gissing arrogantie. gedenken op smaak brengen. acceleratie versnelling. haast maken zich eigen maken. adopteren afstelling. instelling logeren landingsplaats. uitloven eed. hypothese. vergroten. mening gissen. ophogen suffix. bezwering eed. verheffen. vloeken dekken. hypothese. bijwoord bijwoordelijk eredienst. bespoedigen. verbeelding onderstelling. opkopen menen. acceleratie voortmaken. toedekken. godlasteren.przypomnieć sobie przyprawa przyprawa przyprawą przyprawiać (potrawę) przyprzeć do muru przypuszczać przypuszczalnie przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenie przypuszczenie przypuszczenie przyroda przyrost naturalny przyrost naturalny przyrostek przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku przyrząd) przyrządzać przyrządzanie przyrzec przyrzeczenia przyrzeczenie przyrzekać przysiędze przysięga przysięgać przysłaniać przysłowie przysłówek przysłówkowy przysługa przysmak przysmażyć przyspieszać przyspieszenie przyspieszenie ziemskie przyspieszyć przysposobić przysposobienie przystanek przystań przystawać na przystąpić zich herinneren. op smaak brengen accapareren. werktuig aanhechting toebereiden. dienst. kruiden kruiden kruiden kruiden. vermoeden. mening karakter. steiger lid worden te werk gaan . aard uitbouwen. bedekken spreekwoord adverbium. verbeelding onderstelling. toezeggen. fruiten verhaasten. vermoeden Maria-Hemelvaart arrogantie. uitloven plechtig beloven beloven. geaardheid. achtervoegsel instrument. accelereren versnelling. aanlegplaats. godsdienstoefening beminnelijk bakken. aanmaken voorbereidsel. uitbreiden opdrijven. toezeggen. uitloven beloven.

groet gepast. adapteren toegevend. net. onderwerpen schemerig welbewust. armhuis ondeugd. aalmoezeniershuis toevluchtsoord. handvest. gebrek aanhechten aanhechten affect. passend. beslaan. emotie. betitelen feestelijk inhalen saluut. aanpassen. knap. afbetalen knechten. afwikkelen het veld ruimen. kazemat aalmoezeniershuis. accelereren afdoen. aankomend verhaasten. aanpassen. fraai.przystępny przystępny przystępny przystojny przystojny przystosować przystosować przystosować przystosować (się) przystosowania przystosowanie przystosowanie się przystosowany przystrzyc przyswajać przyswajanie przyszłość przyszły przyśpieszać przyśpieszać przytaczać przytaczać apostrof cudzysłów przytakiwać przytępiać przytłumić przytłumiony przytomny przytrzymanie do czegoś przytułek przytułek przytułek przytułek przytułek przywarą przywiązać przywiązać się do kogoś przywiązanie przywiązanie przywiązanie do czegoś przywiązany przywiązany do czegoś przywidzieć się przywilej przywilej przywilej przywitania przywitanie przywłaszczyć sobie genaakbaar. garneren in beslag nemen. geschikt . asiel. schoon. toegankelijk aanspreekbaar liquide. inschikkelijk. prae titelen. bespoedigen. mooi afstemmen. opdagen charter. bewerking. aandoening aanhechting aanhechting aanhalig aanhalig opdraven. beschikbaar. adapteren geschiktheid modificatie. arrestatie armhuis. absorberen absorptie. citeren. opslorpen. noemen ja knikken. afhandelen. privilege. knikken afschrijven. aflossen. tituleren. aanpassen. disponibel goeduitziend fijn. asyl toevlucht bunker. afstaan aanhalen. opslorping beginnend. adapteren afstemmen. meegaand afstemmen. aankomend beginnend. bewust aanhouding. vrachtcontract preferentie. aanpassing aanpassing congruent afzetten.

przywoływanie przywozić przywódca przywracać przyznać przyznać przyznać się przyznać się do czegoś przyznać że przyznawać przyznawać rentę przyzwalać przyzwalający przyzwoicie przyzwoitce przyzwoitka przyzwoitość przyzwoity przyzwolenie przyzwyczaić przyzwyczaić przyzwyczaić się przyzwyczajać przyzwyczajenie przyzwyczajony przyzwyczajony przyzywać psalm pseudonim psi psikus psocie psotny pstrąg psucie się psuć psuć się psychiatra psychiatria psychiatryczny psychice psychice psychiczny psycholog psychologia psychologią psychologiczny pszczelarstwo

zich herinneren, gedenken, onthouden importeren, invoeren aanvoerder, baas, gebieder, chef beter worden, genezen, helen toegeven verloten, loten toegeven toegeven agnosceren, als waarheid aannemen pensioen erkennen, bekennen, biechten, toegeven het eens zijn, toegeven, goedvinden aangenaam, behaaglijk, genoeglijk naar behoren, netjes, behoorlijk chaperonne chaperonne landgoed, boerderij, bezitting betamelijk, fatsoenlijk toestemming, goedvinden, fiat gewend zijn, plegen, gewoon zijn gewoon, gebruikelijk acclimatiseren gewend zijn, plegen, gewoon zijn aanwensel, hebbelijkheid gewoon, gebruikelijk afgewerkt, gebruikt noemen, heten, benoemen, uitmaken voor psalm pseudoniem, schuilnaam honden-, hondeaanwensel, hebbelijkheid tuigen, optakelen, optuigen boosaardig, hatelijk, kwaadaardig forel vergaan, verrotten, rotten, bederven bederven, havenen, beschadigen vergaan, bederven, verrotten, rotten psychiater psychiatrie psychiatrisch psyche Psyche psychisch psycholoog, zielkundige zielkunde, psychologie zielkunde, psychologie psychologisch bijenteelt

pszczoła pszenica pszenicą ptactwa ptak ptak drapieżny ptakach publiczność publiczność publiczność (wywołujący interfejs usługi) publiczny publiczny publikacja publikować publikować artykuł na ten sam temat publikować kanał informacyjny publikować w Internecie puchar puchnąć pudding pudełko pudełko/pudło tekturowe puder puderniczce puderniczka puduszka na fotel pukać pukiel pula pula pula zmiennych aplikacji pulower pulpit pulpit pulpit sterowniczy puls pulsować pulsowania pułap pułapce pułapka pułapka jonowa pułapka sygnału dźwięku pułapka śledzenia pułk pułkownik punkt punkt (np. opatrunkowy)

honingbij, bij weit, tarwe weit, tarwe gevogelte vogel gevogelte vogelstand, gevogelte, vogelwereld toehoorders, gehoor, auditorium openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek toehoorders, gehoor, auditorium algemeen, gemeenschappelijk openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek afkondiging, openbaarmaking uitgeven, emitteren drukletter uitgeven, emitteren uitgeven, emitteren vont, bekken, kom aanzwellen pudding boksen boksen bepoederen, poederen compact, dicht compact, dicht kussen slaan, klappen, kloppen, opvallen krullen bank zich aaneensluiten, aansluiten zich aaneensluiten, aansluiten Jersey vertroosten, troosten huisje, schuur, keet, kraam, loods lezenaar, lessenaar pols, polsslag, tel kloppen, pulseren kloppen, pulseren plafon, hoogtegrens, plafond een hinderlaag leggen slag, valstrik, val muizeval gewas, plant slag, valstrik, val regiment kolonel merken, tekenen stationsgebouw, station

punkt centralny punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) punkt kulminacyjny punkt łączenia punkt montowania punkt obserwacji punkt odniesienia punkt odniesienia punkt przyciągania punkt szczytowy punkt środkowy punkt węzłowy punkt widzenia punkt wyjściowy punkt zaczepienia punkt zbiegu punkt zwrotny punktualny pupa purpura purpurą purpurowy purytanin purytański pustce pustelnik pustka pustka pustkowie pustoszyć pusty pusty pusty pusty pusty pusty wiersz pustyni pustynia puszce puszcza puszczać pąki puszczać strugę puszczać w ruch puszkować puścić bąka pycha

roteren, draaien huiswaarts, naar huis standpunt, gezichtspunt huiswaarts, naar huis ruimte, lokaliteit, oord, plaats mijlpaal mijlpaal neus, punt, piek, tip, top, spits nachtevening, dag- en nachtevening hoogte middelpunt, binnenste, centrum hoek aanzien, air, schijn, aanblik oorsprong, afkomst, herkomst haakje, slot, spang, agraaf neutraal, afzijdig, onpartijdig neus, punt, piek, tip, top, spits nauwgezet, nauwkeurig, accuraat bips, kont, zitvlak purperen purperen purperen puriteins puriteins leegte, leegheid heremiet, kluizenaar wit, blanco, oningevuld, blank wildernis, woestenij, woestijn woest, wild verklungelen, opmaken, verdoen wit, blanco, oningevuld, blank hol, ledig, lens, loos, leeg nihil, nul leeg, vrij, open, onbezet vergeefs, ijdel, nutteloos nihil, nul wildernis, woestenij, woestijn wildernis, woestenij, woestijn waas, dons, nesthaar oerwoud, jungle, rimboe uitbotten, spruiten, botten spuiten, sproeien, uitspuiten uitschrijven, lanceren, ontketenen blikken een wind laten trots

pykać (z fajki) pył pył pysznić pyszny pytać pytać pytanie pytanie otwarte pyton pzez pzować pzować (w banku) quiz nek (w banku) r poniżej rabat rabat rabin rabować rabunek rachmistrz rachunek rachunek rachunek (w banku) rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) racja rozum wnioskować racjonalny raczej RAD rada rada rada przetwarzania transakcyjnego rada przetwarzania transakcyjnego radar radą radą radia radio radio amatorskie na balonie radio amatorskie na balonie radio z gramofonem radioamator radiofonia radiolokator o fali ciągłej radiotechnika radny miejski radosny

pof, poef stof bepoederen, poederen trots heerlijk, kostelijk, overheerlijk vragen kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag Python in, binnen, per, te aandoen, aangrijpen aandoen, aangrijpen puzzel, raadsel daarbeneden, beneden, onder disconto aftrekken, korten, afslaan rabbijn, rabbi stropen, buitmaken, roven, plunderen plunderen, buitmaken, stropen, roven boekhoudkundige, accountant snavel, tuit, bek, snater, neb voorschip, voorsteven, boeg rekening, conto boekhouding, boekhouden doen, maken, laten doen, laten redelijk, rationeel een klein beetje, lichtelijk, ietwat radium raad, raadgeving, advies raadgevend lichaam, raad raad, raadgeving, advies adviseren, aankondigen, bekendmaken raderwerk, radar raadgevend lichaam, raad sovjetdraadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio ham draadloze, radio raderwerk, radar draadloze, radio wethouder, schepen lustig, vrolijk, monter

radosny radosny radosny radość radość radość radość radował radował radowanie radykalnie radykalny radzić radzić radzić się radzić sobie z rafa rafą rafineria rafinerią rafinować rafinowany (cukier) raj raj rajstopy Rak rak rakiecie rakieta rakieta (ale nie tenisowa) rakieta świetlna rakietka ralizm rama rama czasowa ramiączko ramię ramię ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) ramię w ramię ramię wybiorcze ramka ramka widoku ramka zaznaczania rana rana ranczo

goedgeluimd, goedgehumeurd jubelgoedgeluimd, goedgehumeurd amusement, vermaak verrukken, in verrukking brengen flikkeren, flakkeren, schitteren blijdschap verrukt genieten van, blij zijn gejubel grondig, radicaal ingrijpend, grondig, radicaal adviseren, bekendmaken, aankondigen aanwijzen, aangeven, aanduiden raadplegen, consulteren rondgeven, ronddelen, uitdelen klip, rif klip, rif raffinaderij raffinaderij raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel Eden paradijs paradijs kanker zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft vuurpijl, raket vuurpijl, raket vuurpijl, raket flikkeren, flakkeren, schitteren peddelen, door het water plassen realiteit kader, omlijsting, lijst, raam in een lijst zetten, inlijsten, vatten riem bewapenen, wapenen schouder naast elkaar bewapenen, wapenen schouder boksen in een lijst zetten, inlijsten, vatten rand, zoom ochtend, morgen zweer landgoed, goed, bezitting, boerderij

randka randka randka z nieznajomym randze ranek ranga ranga (w wojsku) ranić ranić ranić ranny rano rano rapier raport raport kontrolny raport o stanie niezawodności urządzenia raptownie raptowny rasa rasa rasą rata rata roczna ratować ratować ratował ratownictwa ratunek ratunek ratusz raz razem razem rąbać rączce rdza rdzą rdzenny rdzeń rdzeń pamięciowy rdzeń systemu operacyjnego rdzewieć read only memory reagować reagować reakcja

benoeming, aanstelling dadel, dactylus benoeming, aanstelling graad, stand, status, rang ochtend, morgen graad, stand, status, rang graad, mate, trap havenen, beschadigen, bederven gewond aanschieten aangeschoten voor de middag, in de morgen ochtend, morgen degen informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil opkweken, fokken, opfokken, telen geslacht, stam, volksstam geslacht, stam, volksstam afbetalingstermijn, annuïteit afbetalingstermijn, annuïteit bergen, behouden, redden redden, bergen, behouden vrijkopen, loskopen, afkopen bergen, behouden, redden ontsnappen, ontkomen, ontgaan bergen, behouden, redden wereldstad, grote stad eens, op een keer alles wel beschouwd samen, tezamen, bijeen, ineen fijnhakken oor, kruk, handvat, hengsel, klink verroesten, roesten verroesten, roesten inboorling kern, pit pit, kern kern, pit verroesten, roesten ROM reageren reageren reactie

reakcja reakcją reakcjonista reakcjoniście reakcyjny realiście realizacja realizować realizować realizować realizowalny realny recenzja recenzje prasowe recepcie recepcjonista recepcjonistka recepta recepta receptura recytować redagować redagować wstępnie redaktor redaktor naczelny redukcją redukować redukował redukował referencja refleksja refleksją reflektor reforma reformacją reformą refren regał region region dostępu regionalny registrator reglamentował regulacja regulacja obciążenia regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych regularnie

antwoorden, antwoorden op reactie reactionair reactionair reactionair realist verlichten, vergemakkelijken behalen, bereiken, inhalen aanwenden, doorvoeren beseffen, bevatten, begrijpen handelbaar, inschikkelijk praktisch recenseren, bespreken zuiger recept receptioniste receptioniste recept recept recept voordragen, declameren opmaken, redigeren, opstellen opmaken, redigeren, opstellen editor editor afname reduceren, inkrimpen, herleiden inkrimpen, korten, verkorten reduceren, inkrimpen, herleiden verwijzing, referentie afspiegeling, weerglans nakomertje lichtbak, reflector, koplamp reformeren, hervormen Hervorming, Reformatie reformeren, hervormen koor, rei, zangkoor schap, plank gewest, gebied, streek, regio gewest, gebied, streek, regio streek-, gewestelijk, regionaal bestand, dossier reglementeren, reguleren, regelen afstelling, instelling leidend, toonaangevend, toongevend voorschrift vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal

regularny regulator regulator regulator szybkości regulować regulować kontrolować regulowalny reguła reguła aktywna reguła wyzwalania rejent rejestr rejestr wyjściowy rejestrować rejestrować (się) rejestrować dziennik rejestrował rejon rejs rejs wycieczkowy rekin reklama reklama docelowa reklamacja reklamą reklamować reklamował reklamujący rekomendacja rekomendacją rekomendować rekomendował rekomendował rekompensata rekompensował rekontrować (w kartach) rekord rekord odniesienia rekord zasobów rekordzista rekrucie rekrut rekrutować rektor rektor rekwizyty w teatrze relacja relacja

gelijkmatig, regelmatig, geregeld afstelling, instelling conducteur, bestuurder supervisor, controleur, opzichter reglementeren, reguleren, regelen richten, besturen, dirigeren, mennen inschikkelijk, handelbaar heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur notaris aangeven aangeven aangeven aangeven plaatsbewijs, biljet, kaartje geregistreerd gewest, gebied, streek, regio kruisen (van schip), kruisen circuleren, in omloop zijn, rondgaan haai bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging beschuldiging, aanklacht propaganda, verspreiding adverteren, aankondigen, aandienen adverteren, aankondigen, aandienen adverteerder, verkondiger recommandatie, aanbeveling recommandatie, aanbeveling aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevolen beloning, loon, vergelding vergoeden, compenseren, goedmaken dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig discus, plaat, grammofoonplaat, schijf gebieder, chef, aanvoerder, baas discus, plaat, grammofoonplaat, schijf kampioen, titelhouder, voorvechter recruteren recruteren recruteren burgemeester, burgervader rector drager, stut, leuning, steun rekening, conto betrekking, omgang, verband

relacja relacja zwrotna relacją relacjonować relacjonował relacjonował relativum relatywnie relatywny relewancja religia religią religijny religijny remanent remanent remis remisował remisując remont remont rendering renomą renta reorganizować reperować repertuar reprezentacja reprezentacja tablicy reprezentacją reprezentant reprezentować reprodukcja reprodukować reprodukował republice republika republikanin reputacja reputacja reputacja reputacją resonans respekt restauracja reszcie reszta reszta także z dzielenia

informeren, berichten, inlichten betrekking, omgang, verband betrekking, omgang, verband verhalen, vertellen, debiteren verhalen, vertellen, debiteren aanverwant, verwant verwant, familielid tamelijk verwant, familielid relevantie religie, geloof, godsdienst religie, geloof, godsdienst gewijd, heilig, sacraal, geheiligd religieus, godsdienstig, gelovig heerschappij, bewind, bestuur vee, kudde, levende have, veestapel stropdas, das toelachen, bekoren, aanlokken werkje, schets, tekening inhalen verhelpen, herstellen, repareren treksluiting, rits, ritssluiting lichaamsbouw, gestalte, figuur pensioen comprimeren verhelpen, herstellen, repareren repertoire beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur gedeputeerde, afgevaardigde verbeelden, uitbeelden, afbeelden reproduktie, weergave reproduceren, weergeven reproduceren, weergeven republiek, vrijstaat republiek, vrijstaat republikeins lucht, reuk, luchtje, geur reputatie, faam, roep, naam faam, befaamdheid, mare, gerucht reputatie, faam, roep, naam resonantie, naklank, galm eerbiedigen, respecteren restauratie, restaurant, eethuis rest, overige rest, overige rest, overblijfsel, rommel, afval

rugstuk achterzijde. afstand doen afstaan. tegenstand . intekenen een backup maken. ommezijde. speurwerk checken. tegenkanting. controleren zoektocht. retoriek bijwerken. het veld ruimen. berusting gelatenheid. het gevolg zijn van herenhuis woning. rugstuk revue. logies. een backup maken van bespreken. boedel bespreken. retoriek rederijkerskunst. periodiek inspecteur. ommezijde. galm afstammen. revisor inspecteur. nablijven afkeuren rederijkerskunst.resztki resztki retoryce retoryka Retusz reumatyzm rewanż rewanżować (się) rewers rewers (monety itp) rewia rewidencie rewident rewident księgowy rewidować rewidować księgi rewizja rewizja rewizja kodu rewizją rewolcie rewolucja rewolucjonista rewolucjoniście rewolucyjny rewolwer rezerwa dynamiczna rezerwa gorąca rezerwa statyczna rezerwowa rezerwować rezerwowy kontroler domeny rezolucja rezonans rezultat rezultat rezultat przekształcenia rezydencja rezydencja rezydencją rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) rezygnacja także jako pogodzenie się z losem rezygnacją rezygnować rezygnował rezystancja achterblijven. inspecteren checken. tijdschrift. reserveren. naklank. motie resonantie. speurwerk. reserveren. herzien. berusting neerleggen. rebelleren. aflezen. het gevolg zijn van vervormen afstammen. revisor checken. omwenteling revolutionair revolutionair revolutionair revolver een backup maken. een backup maken van inventaris. controleren nakijken. intekenen een backup maken. bedanken. retoucheren reumatiek wraak terugdoen. berusting gelatenheid. speurtocht. revisor inspecteur. aflezen. toegeven tegenweer. aflezen. kwartier herenhuis gelatenheid. zoektocht muiten. onderkomen. controleren speurtocht. vergelden. in opstand komen revolutie. een backup maken van resolutie. beantwoorden achterzijde.

tegenkanting. arbeid krauwen. overhandigen gidsboek. fabricage robot emplooi. wurm kauwgom zinspelen zinspelen zinspelen gaan naar. bestuurder bestuurder. handwerk oor. afkeuren. tegenstand tegenweer. staatsvorm. krabben robot . gispen indruk maken op. veredelen adverteren. aandienen verkrijgen. berispen. aankondigen. aanpakken. script ongedierte Boeg wandluis wandluis Boeg wandluis worm. karwei. behalen. genaken. regime directeur. zaak fotograferen. klink handschrift. buit maken laken. tegenkanting. scharrelen. handvat. genaken. hengsel. reisgids bewapenen. gids. beheerder. wapenen mouw handschoen handschoen handschoen handschoen ambacht. manuscript.rezystancja dynamiczna rezystancja statyczna reżim reżyser reżyser ręcznik ręczny ręczny ręka ręka ręka w rękę rękaw rękawica rękawica (z jednym palcem) rękawiczka rękawiczka rękodzieło Rękojeść noża rękopis rękopis robactwo robaczek (program rozmnażający się w sieci) robaczek (program rozmnażający się w sieci) robak robak robak robak rober w brydżu robić (stroić) miny robić aluzje robić aluzję do robić na drutach robić na drutach robić postępy robić postępy robić pranie mózgu robić się robić sztuczki kuglarskie robić wrażenie robić z kogoś idiotę robić zdjęcia robienie robocie robocizna roboczy robot tegenweer. naderen breien gaan naar. kruk. aanmaak. imponeren winkel. beroep. vademecum. administrateur handdoek aanreiken. naderen verbeteren. kopij draaiboek. klauwen. werk. overhandigen bewapenen. scenario. wapenen aanreiken. aanpakken. kieken fabricatie. tegenstand stelsel.

arbeid werker werkman. artikel aan de. geaardheid. ouders ingeboren. familie gezin. aard soort. verjaardag jaarlijks jaarlijks bewoner van een land boer. gedenkdag. werk. naar de vrouwelijk ouder ouderpaar. huis. karwei. de. huis. krielen . arbeid emplooi. aard vijzel. aangeboren affiniteit. werker. huisgezin. arbeider naaien. werk. genrestuk karakter. commanderen. landman rododendron ingeboren. verwantschap gezin. ouders ouder ouder ouderpaar. slag. het. familie gezin. familie Natal aalbes. karwei. wriemelen. naaikunst. naaikunst. plattelander. geaardheid. huis. aard aanvoeren. werk.robota robota robota kamieniarska robota szydełkowa robotnik robotnik robotnik fizyczny robotnik rolny robótka (na drutach) robótki robótki ręczne rocznica rocznicą roczny roczny rodak rodak rododendron rodowity rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj fali rodzaj gniazda wtykowego rodzaj męski rodzaj nijaki liczba mnoga rodzaj tkaniny bawełnianej rodzaj żeński rodzaj żeński liczba mnoga rodzajnik rodzajnik określony: ten rodzaju żeńskiego rodzic rodzic rodzic (ojciec lub matka) rodzic ojciec lub matka rodzice rodzimy rodzina rodzina rodzina protokołów rodzinny rodzinny rodzynek rodzynek (w cieście) roić się roić się emplooi. naaivak naaien. bevelen handelsartikel. huisgezin. huisgezin. werkkracht. geaardheid genre. naaivak herdenkingsdag. gedenkdag. stuwadoor werkman. krik mannelijk mannelijk geestelijk vrouwelijk karakter. karwei. bes pruim in overvloed aanwezig zijn krioelen. naaivak naaien. werker. dommekracht. wemelen. verjaardag herdenkingsdag. arbeider stouwer. arbeid metselwerk emplooi. aan het. karakter. naaikunst. aangeboren aard. werkkracht.

kadet akkerbouw akkerbouw agrarisch boer aaneen. griet. band olie. pan circus boord. voortgang hebben. landbouwer Romaans romance Romaans romance romantisch romantisch romantiek ruit. abces. plant gewas. doen alsof gewas. gewas groente krullen fluit fiets. bolletje. petroleum olie. vleesnat Russisch aanspraak maken op. vegeteren champignon bouillon. claimen voorgeven. etterbuil pad dauw dauw Rusland Russisch toegaan. plant gewas. petroleum ettergezwel. rijwiel. samen agrariër. voorwenden. tarbot daaromheen. rag broodje. aaneen-. spinrag. rand. zoom. kant.rok rok itp) rok przestępny rokrocznie rola rola papieru rolka zwój zwijać rolnictwa rolnictwo rolniczy rolnik rolnik rolny romans romans romans czny romans czny romantyczny romantyk romantyzm romb ronda rondel rondo rondo (kapelusza) ropa ropa naftowa ropień ropucha rosa rosą Rosja Rosjanin rosnąć rosnąć rosnąć jak grzyby po deszczu rosół rosyjski roszczenie rościć pretensje roślina roślina zimozielona rośliną roślinność roślinny rotacja rowek rower jaar dwars door schrikkeljaar jaarlijks rol web. spinneweb. plant plant. eromheen. tweewieler . co-. in het rond braadpan. samen-. steelpan. kadetje. gebeuren groeien.

sloop ontwapenen ontwapenen ontwapenen galmen. uitdelen scheuren. verdriet kneden rondgeven. formeren doorsnijden. elastisch verdunnen. suffix doen ontstaan. rondgeven resolutie. rijwiel clausuur. creëren afbrokkelen. grootte omvang. peignoir. motie verloten.rower rower rower spacerowy rozbarwienie oddzielenie rozbicie (się) statku rozbić rozbić się na kawałki rozbierać (na części) rozbierać (urządzenia) rozbierać się rozbiór rozbiór składniowy rozbiórce rozbrajać rozbroić rozbroić (się) rozbrzmiewać rozbrzmiewać rozbudowa rozbudować rozciąć rozciągać rozciągać (się) rozciągliwy rozcieńczać rozcieńczać rozcieńczony rozcieńczyć rozcinać rozczarować rozczarowanie rozczochrać się rozdaj rozdarcia rozdawać rozdrabniać rozdrabniać rozdrażniony rozdrobnić rozdział rozdział rozdział rozdzielacz rozdzielać rozdzielać proporcjonalnie rozdzielczość rozdzielczość odwzorowywanie rozdzielić fiets. kapittel clausuur. ronddelen. verzwakken aanlengen maaien tegenvallen. rijten rondgeven. unit verdeler uitdelen. sectie verrichten omvang. ronddelen. rijwiel fietsen. ontbinding afbraak. intrappen. aflopen. tweewieler. balorig. doorklinken achtervoegsel. ronddelen. grootte rekbaar. bestek. ontleding. kregel scheiden hoofdstuk. ochtendjas. ronddelen. uitdelen scheppen. strook. afscheiding schipbreuk schipbreuk vermorzelen. tweewieler. chapiter. ontbinding analyse. verbrijzelen negligé. schifting. galmen. peignoir. soepel. kleppen. ontgoochelen smart. ontleding. ontmanteling. loten . duster strip. rondgeven uitdelen. wielrijden fiets. ochtendjas. schifting. bestek. maken. windsel. gruizelen slechtgehumeurd. beieren naklinken. reep analyse. verzwakken aanlengen verdunnen. motie resolutie. leed. duster negligé. afscheiding eenheid.

accoord. uitladen. arbitrair. fanfare morsen uitgebreid. verbreiden. aandeel negligé. verspreiding onderscheiding aandrang. usług sieciowych przez ruter) reklama rozgłos rozgłos rozgnieść rozgrzeszać rozgrzeszenia rozgrzeszenie rozgrzeszyć rozgrzewać rozjazd rozjemczy rozkapryszony rozkaz rozkaz zatrzymania rozkaz zatrzymania warunkowego rozkazywać rozklekotany rozkład rozkład rozkład (jazdy rozkład statystyczny częstotliwości rozkładać (się) rozkosz rozkoszny rozkoszny rozkruszyć rozkwitać rozlać rozległy rozległy (widok) rozlepiać plakaty rozlew krwi rozliczenie rozluźnić rozładować rozłam rozłączenia rozłączenie actie. aanvoeren. gammel. aanbiddenswaardig heerlijk. amuseren. onderbreken rose. nukkig. ruim. afladen actie. zich verpozen lossen. aandeel oplossing scheiding. eigenmachtig grillig. onderhouden interrumperen. veelomvattend breedvoerig. rooster oplossen. royaal aanplakken bloedvergieten akkoord. onberekenbaar aanwijzing. vrijspraak. peignoir. aanvoeren. commanderen bouwvallig. roos bewerker bewerker adverteerder. run absolveren. in verrukking brengen aanbiddelijk. betoverend. schorsen. onderhouden opvrolijken. groot. omvangrijk. instructie bevelen. consigne. toeloop. absolutie geven kwijstschelding.rozdzielić (się) rozebrać rozerwać rozerwać się rozerwanie rozeta rozgałęziacz rozgałęziacz rozgłaszający rozgłaszanie (np. verkondiger uitzenden. absolutie geven warm aansluiting willekeurig. duster opvrolijken. vrijspraak. omroepen propaganda. rooster dienstregeling. ochtendjas. echtscheiding . commanderen bevelen. beeldig afbrokkelen. aftands verdeling. opgelost worden verrukken. afgeven dienstregeling. gruizelen fanfarekorps. roze. absolutie kwijstschelding. instructie aanwijzing. amuseren. consigne. uitreiking verspreiden. overeenstemming verslappen. absolutie absolveren.

grootte omvang. met opzet. praten onderhoud. babbelen. voeren. voorhebben. wanhopig verval instorten. maatregel zin. doen ontbranden. neiging situatie. ordenen missen. stand van zaken arrangeren. gesprek aanspreekbaar spraakzaam vervagen peinzen. aanvechting. menigvoudig. nadenken reflecteren. menigvuldig converseren. aanmaken aansteken. praten spreken. bestek. variëteit. mediteren. praten keuvelen. bestek. terugkaatsen nadenkend expres.rozłączyć rozłąka rozłożyć rozmaitość rozmaity rozmaity rozmaity rozmaity rozmawiać rozmiar rozmiar rozmiar słowa rozmiar wartość bezwzględna rozmieniać rozmieniać rozmieszczenie rozmieszczenie rozmieszczenie pliku rozmieścić rozminać się rozmnażać rozmnażać rozmnażania rozmowa rozmowa rozmowa w czasie rzeczywistym rozmową rozmowny rozmowny rozmycie rozmyślać rozmyślać rozmyślanie rozmyślnie rozmyty wątpliwy roznosić roznosić rozpacz rozpaczać rozpaczliwy rozpad rozpadać się rozpakować rozpakować (dane) rozpakować (skompresowane archiwum) rozpakowywać rozpalać rozpalać afslaan. spiegelen. moedwillig. schifting. verschillend. wetens nevelig. aanrichten. viskuit. afwisseling uiteenlopend. doen ontbranden. anders maken akkoord. Turkse staatsraad. menigvoudig verschillend. grootte afwisselend veranderen. halthouden. mislopen. weergave keuvelen. kikkerdril reproduktie. bestek. lust. omvang omvang. dampig. vermenigvuldigen kuit. brengen uitdelen. uiteenvallen uitpakken uitpakken afleiden uitpakken aansteken. bestek. diverse menigvuldig. verschillend verscheidene. afscheiding divan. misgrijpen multipliceren. mistig dragen. wanhopen radeloos. blijven staan clausuur. wanhopen vertwijfelen. grootte omvang. rustbank variatie. rondgeven vertwijfelen. heiig. babbelen. ronddelen. ineenstorten. aanmaken . een gesprek voeren grootte.

troetelen. onderkennen uiteenjagen. ronddelen. verzendend. aanvang aanvangen. commanderen. ronddelen. rondgeven uitspatting verhandeling bespreken. afgeven aanvangen. vertroetelen koesteren. goedgehumeurd oplossen. begin. opgelost worden oplossen. aanvang aanvliegen bevelen. discuteren verdeling.rozpalony rozpaść się rozpatruj rozpatrywać rozpęd rozpieszczać rozpieszczać rozpieszczony rozpiętość rozpocząć rozpocząć rozpoczęcie rozpoczynać rozpoczynać rozporek rozporządzać rozporządzać rozpowszechniać rozpowszechniać rozpowszechniony rozpoznanie rozpoznawać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszanie rozprawa naukowa rozprawiać rozproszenie rozproszyć (się) rozproszyć (się) rozprowadzać rozprucie rozpruć rozpusta rozpustny rozpuszczać rozpuszczać (się) rozpuszczać się rozpuście rozrachunek rozradowany rozróżniać rozróżnienie rozruch rozrusznik rozrywce gloeiend. uiteendrijven verstrooien afgetrokken. examineren aanzetten tot. beginnen uitschrijven. uitreiking uiteenjagen. uiteendrijven strooien. nakijken. starter verstrooiing. bij acclamatie benoemen onderscheiden. dooien. begin. aanbinden. uitstrooien scheuren. verterend vermorzelen. rijten scheuren. rondstrooien uitzaaien. overwegen. ontketenen ontstaan. bevelen uitzaaien. acceleratie aanzetschakelaar. opgelost worden ontdooien. beginnen ontstaan. rondgeven bezoeken. commanderen aanvoeren. geregeld bezoeken toejuichen. vertroetelen verspild verspreiden. vurig. aanbinden. activeren. verstrooid uitdelen. verbreiden. intrappen. wegsmelten uitspatting akkoord. aanvoeren. uitstrooien uitdelen. onderscheid maken onderscheiding versnelling. nagaan onderzoeken. verbrijzelen beschouwen. aanzetten troetelen. lanceren. overeenstemming overgelukkig uit elkaar houden. rijten uitspatting goedgeluimd. afleiding . accoord. koesteren.

expansie begeleiding. pretje. grootte uitzetting. boegspriet in verwachting raken. slim. listig reden. omgang. paffen determineren. opmaken. afgetrokken afgetrokken. stuk. schieten. finaal. gedeelte vuren. beseffen verband. gematigd. pretje. hachelijk beslissend. amusement aanlengen verspreiden. oorzaak betekenis. bestek. geur. verterend. verdoen vermorzelen. expansie uitzetting. betrekking verstandig nadenkend uitgebreid . verbrijzelen oplossing buffer. suffix ontcijferen. intrappen. verstrooid afgetrokken. vurig. roerend uiteenjagen. bescheiden reuk.rozrywce rozrywka rozrzedzać łagodzić rozrzedzić rozrzewniający rozrzucać rozrzucać rozrzut rozsadzający rozsądek rozsądek rozsądny rozsiewać zapach rozstawać się rozstrzelać rozstrzygać rozstrzygający rozstrzygający rozsypać rozszerz rozszerzalność rozszerzanie rozszerzanie (się) rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie wejścia analogowego rozszyfrowywać rozświetlony roztargnienie roztargniony roztargniony roztargniony roztropny roztropny roztropny roztrwonić roztrzaskać roztrzaskać roztwór roztwór buforowy rozum rozumieć rozumieć rozumieć rozumny rozumny rozumowo aardigheid. bumper. zin matig. gewiekst. verstrooid raadzaam verstandig nadenkend verklungelen. onderdeel. verzendend verstrooiing. afleiding verstrooid. zwanger raken bevatten. verbreiden. expansie uitzetting. verbrijzelen vermorzelen. lucht deel. begrijpen. amusement aardigheid. rondstrooien verspreiden. aangrijpend. ontraadselen gloeiend. luchtje. nauwkeurig bepalen kritiek. uiteendrijven strooien. stootkussen spriet. accompagnement optelling achtervoegsel. verdunnen emotioneel. intrappen. afgeven doortrapt. cruciaal morsen omvang. suffix achtervoegsel.

gelijkmatig voor. diarree scheiding. veelomvattend redelijk. laxans gesmoord. toonloos. amuseren. maken. mede. gelijkelijk. evolutie evolutie. stam opslaan accapareren. overwegen. ontrollen. nagaan verstandig nadenkend opvrolijken. losbinden. wriemelen. vork kruis. antwoorden op oplossing oplossing antwoorden. ontwikkeling verbetering. greppel. eveneens ergo. vooruitgang. hoe. formeren afwikkelen. eender. wemelen. gracht waterkering. rationeel laxeermiddel. staren egaal. dus. kuil. tot evenzeer. equator vlakte vlakte . aanstaren. gelijk evenzeer. echtscheiding doen ontstaan. beterschap wasdom. gelijk. uitrollen buikloop. ontwikkeling. groei wierook amusement. dijk loopgraaf turen. vork gescheiden scheiding. als. stomp. echtscheiding ontwikkeling. vermaak witgloeiend aanboren geboorte boomstam. losmaken kruis. ook weer. bij wijze van. toch evenaar. dof beschouwen. antwoorden op afbinden. even. ook. groeve.rozumowy rozumowy rozwalniający rozwarty rozważać jakieś zagadnienie rozważny rozważny rozweselać rozwiązanie rozwiązanie rozwiązanie osobliwe rozwiązanie sieciowe rozwiązywać węzły rozwidlenia rozwidlić rozwiedziony rozwieść się rozwijać rozwijać rozwolnienie rozwód rozwój rozwój rozwój rozwój oprogramowania rozwścieczać rozwywka rozżarzony rożen ród ród ród róg róg róg zwierzyny płowej rój rów rów (odwadniający) rów (odwadniający) rówieśnik równać się równie równie również również równik równina równiną lijvig. evennachtslijn. krielen groef. opkopen hoorn hoorn krioelen. onderhouden antwoorden.

rose. effen gelijk. dag. vlak. afwisselen. gelijktijdig evenwijdig. schelen uit elkaar houden. staren equivalent. rist rozenkrans. lomp. gelijkwaardig turen. paal. uitgesproken.równo równo równoczesny równoległy równoległy system przetwarzania równoleżnik równonoc równoprawny równorzędny równorzędny równość równość równowadze równowaga równowaga równowaga sił równoważny równoważny średni czas do uszkodzenia równoważyć równy równy równy (<with sb rózga róż róż (kolor różowy) róża różaniec różaniec różańca różnica różnica poglądów różnica symetryczna różnica symetryczna (zob. vlak. menigvuldig menigvuldig. menigvoudig uiteenlopend. roos kraal rozenkrans. menigvoudig. compenseren. aanstaren. effen baar. werken verschillend. overschot evenwichtstoestand. anjelier rose. gelijkwaardig vergoeden. roede. rooskleurig Mercurius kwikzilver. onderscheid onderscheiding of uiteenlopen. verschillend.XOR) różnić (się) różnić się różnić się różnić się różnorodny różnorodny różny różny różny różowy rtęć rtęć rubaszny rubel rubin evenzeer. eigentijds. vlak. balans. pijp krokus anjer. staren gelijkheid. schacht. grof. parallel nachtevening. verschillend. pariteit pariteit saldo. balans. menigvuldig roze. roze.en nachtevening turen. onkies. bidsnoer. even. reeks. bidsnoer. aanstaren. evenwicht evenwichtstoestand. gelijk gelijk. evenwicht equivalent. ruw roebel robijn . verschillend klaar. overschot saldo. verschillen. rist verschil. effen simultaan. helder verschillend. gelijkmatig gelijk. eender. reeks. parallel evenwijdig. menigvoudig variëren. goedmaken egaal. menigvoudig. gelijkwaardig equivalent. parallel evenwijdig. rozig. onderscheid maken menigvuldig. gelijkelijk. gelijk. kwik hardhandig. onderscheid verschil.

umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu rura wydechowa rura wydechowa ruszać ruszać ruszcie ruszt rusztowanie rusztowanie rutyna rwać ryba rybak rybą rycerz rycerz rydwan rygiel ryglować motie.ruch ruch ruch oporu ruch powrotny ruch społeczny ruch uliczny ruch w sieci ruchliwy ruchliwy ruchomości ruchomy ruchomy ruchomy ruchomy rufa rufą ruina rujnować rujnował rulon rum rumienić się (ze wstydu) rumieniec rumieńca rumowisko Rumun Rumunia rura rura itp. paard in schaakspel. bezet aandoenlijk. bewegen rooster. afgesloten . bolletje. beweegbaar. spiegel achtersteven. resolutie circulatie. luchtpijp. doorscheuren vissen visser. gevestigd zijn. actief. afval. rood worden kleuren. kar grendelen. hek. blozen. paard karretje. roerend. ontroerend resideren. tabakspijp binnenband. hek. mobiel. spiegel ruïneren. paard in schaakspel. resolutie muntsoort. te gronde richten vermorzelen. sleur vaneenscheuren. rood worden kleuren. luchtband ontroeren. blozen. ontroerend afneembaar achtersteven. afrastering. te gronde richten ruïneren. rommel. wagen. blozen. roulatie. aangrijpen. traliehek prieel schavot routine. bedrijvig druk. omloop circulatie. kadet rum kleuren. prullaria Roemeens Roemenië pijp. rood worden puin. roerend aandoenlijk. intrappen. valuta beweging werkzaam. verbrijzelen broodje. visverkoper vissen paard. afrastering. roerend. ridder ridder. huizen los. tabakspijp ebpijp. bewegen aangrijpen. handkar. roulatie. kadetje. traliehek rooster. afgrendelen op slot. omloop beweging motie. ontroeren.

deurpost riskant. balken. markt. schets. bekoren. daveren gillen. sujet. bazaar. brullen griffel. markt. cijferen rekenen. schaars . paal. gestreng. bulderen. markt. marktplaats marktplaats. marktplein marktplaats. tekening karaktertrek. concurreren kans lopen. wedijveren wedijver wedijver meedingen. tabel. markt. tekening rekenen. grommen. concurreren. schets. gravure. loeien. ongrijpbaar. lade werkje. snuiter barst toelachen. blèren. marktplaats marktplein. brullen. bedenkelijk glad. wedijveren. schrijfstift rijmen. bazaar. la. blèren. markt. markt. knul. concurreren meedingen. strikt bulderen. marktplaats marktplaats. op het spel zetten dobbelen kans lopen. ongemeen. post. gewaagd riskant. gewaagd. blaten gillen. concurreren. wettisch. brullen brullen. marktplein marktplein. bulderen. berijmen marktplein. op het spel zetten kans lopen. trek. wedijveren meedingen. aanlokken tafel. cijferen werkje. bazaar. graveerwerk meedingen. marktplein marktplein. marktplaats barst kerel. persoon.rygor rygorystyczny ryk ryk ryknąć ryknąć rylec rym rynce rynce rynek rynek rynek (handlowy) rynek branżowy rynek rozwijający się rysa rysą rysą rysować rysownica dźwiękowa rysownicy rysownik rysunek rysunek rysunek odręczny rysunek techniczny rysy twarzy rytm rytmiczny rytowanie rytownictwo rywal rywalizacja (o dostęp) rywalizacją rywalizować rywalizować rywalizował ryzyko ryzyko naruszenia bezpieczeństwa ryzyko utraty zabezpieczeń ryzykować ryzykować ryzykowny ryzykowny ryzykowny ryż ryż rzadki stijfheid streng. glibberig rijst opstaan. gaan staan zeldzaam. etsnaald. wedijveren. gelaatstrek ritme ritmisch ets prent. markt. bazaar. lijst onderbroek schuiflade. op het spel zetten stijl. bedenkelijk.

effectief. regering. knol. daadwerkelijk virtueel werkelijk. aanvoeren rivier. gevat. koolzaad levendig. gebieder. rap. fair.rzadki rzadko rząd rząd rząd wielkości rządowy rządy rządzić rządzić rzece rzece itp) rzecz rzecz rzecz rzecz konieczna rzeczownik rzeczownik rzeczownik rodzaju męskiego rzeczownik rodzaju żeńskiego rzeczowy rzeczoznawca rzeczpospolita rzeczywistość rzeczywisty rzeczywisty rzeczywisty czas ekspozycji rzeczywisty czas naświetlania rzeczywisty czas pracy rzeczywiście rzeczywiście rzeczywiście rzeka rzekomo rzemień rzemiosło rzemiosło rzepa rześki rześki rzetelny rzetelny rzeź rzeź rzeźba rzeźba rzeźba nad ołtarzem rzeźbiarstwo rzeźbiarstwo amper. echt. baas regeren. druk. wezenlijk werkelijk. vrijstaat realiteit werkelijk. stroom naar men zegt riem kunst handelen. bewind aanvoerder. nauwelijks zelden bestand. uithouwen. wassen aangelegenheid. ad rem raadzaam billijk. geestig. spullen ding. overheid roeien federaal bestuur. heerschappij. zelfstandig naamwoord substantief. effectief. wezenlijk rivier. handel drijven raap. metterdaad. voorwerp dingen. effectief. waarachtig werkelijk. stroom in bad doen. kwiek snedig. besturen. dossier gouvernement. knolraap. zaak ding. bloedbad afslachten. effectief werkelijk. ding. slachten altaar beeldhouwen. chef. baden. affaire. uithouwen. werkelijk. kras. voorwerp substantief. uithakken altaar beeldhouwen. uithakken beeldhouwen. kwalijk. rechtvaardig moordpartij. uithakken . zelfstandig naamwoord mannelijk vrouwelijk werkelijk. feitelijk deskundig republiek. uithouwen. daadwerkelijk inderdaad. daadwerkelijk daadwerkelijk.

werpen. oord. blaten brullen. balken. bedrijvig projector. slachterij slachten. huiveren zondigen wervelkolom. gooien keilen. gooien trotseren. domicilie sadist sadistisch . balken. uitspelen. gooien een blik werpen. uittarten keilen. rillen. liefkozen. aanhalen keilen. dik plaats. abattoir. grommen. aanvaarden woonplaats. gegoten voorwerp Rome Romeins brullen. slachterij slachthuis. spin. werpen. grommen. aantonende wijs beven. gooien keilen. afslachten radijs radijs afgietsel. blaten indicatief. aannemen. uitspelen. aanhalen schadelijk keilen. projectietoestel strelen. aaien. liefkozen. gooien opgooien. plek accepteren. omtrek werkzaam. afslachten slachten. schriftuur vissen sap sap zouten snoeien snikken boomgaard. aaien. aaien. werpen. liefkozen. lokaal. gooien opgooien. uithakken. uitspelen. aanhalen afgietsel. ruggegraat geschrift. een blik werpen op omlijning. actief.rzeźbić rzeźbić rzeźnia rzeźnia rzeźnik rzeżnik rzodkiewce rzodkiewka rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać oszczerstwa rzucać się rzucić rzucić wyzwanie rzucić zgłosić (wyjątek) rzucić zgłosić wyjątek rzut rzut oka Rzut poziomy rzutki rzutnik rzutować rzutowanie rzutowanie Rzym rzymski rżeć rżenie s (tryb) oznajmujący (gram. abattoir.) s drżenie s grzech s kręgosłup s pismo s ryba s sok (soki) roślin (zwłaszcza drzew) s sok soki roślin zwłaszcza drzew s sól s suszona śliwka s szloch sad sadło sadowić sadowić się sadyba sadysta sadystyczny beeldhouwen. bibberen. gegoten voorwerp strelen. uitdagen. uitspelen. werpen. uitspelen. uithouwen beitelen slachthuis. tarten. bongerd lijvig. werpen. gooien strelen.

klinker vocaal. klinker gewicht. verlaten. latuw. groet stroom. heilig. kropsla. ruimte rechtszaal saldo. plant Marokko Sahara geheiligd. vrouwtje mannelijk automobiel. vliegmachine . vloed. speling. overschot zaal. bergstroom salade.sadyście sadyzm sadza sadzą sadzić safian Sahara sakralna muzyka sakramencie sakrament saksofon sala sala sala recepcyjna saldo saldo balans (dotyczy dźwięku stereofonicznego) salon salon wystawowy salut salutować salutowanie salwą sałacie sałata sałata sałatce sałatka sam sam jeden Samarytanin samca samica samicą samiec samochód samochód samochód samochód czteroosobowy samogłosce samogłoska samokontrolą samolocie samolocie samolot samolot samolot samolot pasażerski sadist sadisme roet roet gewas. vliegmachine vliegmachine. verlaten. sla slaatje. overschot saldo. vliegtuig vliegmachine. alleen. auto auto. enig Samaritaans mannelijk wijfje. salade slaatje. auto auto. kropsla. sacraal sacrament sacrament saxofoon hal bestek. zelfbewustheid vliegtuig. wereldruim. huiskamer. vrouwtje wijfje. vliegmachine vliegmachine. sla salade. begroeten groeten. salade slaatje. vliegtuig vliegtuig. enig louter. begroeten saluut. vokaal. vliegtuig vliegtuig. woonkamer groeten. salade louter. gewijd. vokaal. salon zitkamer. wagen automobiel. latuw. wagen vocaal. aplomb. alleen.

sauna are. zitbank het hof maken. enig eenzaam gepensioneerd. vrijen. filteren. borrel gemoedstoestand. verlaten. rustend. eigenmachtig spontaan samoerai sandaal sanctioneren. moreel. alleen.samoodnawiająca się pamięć DRAM samopoczucie samotnie samotny samotny samotny samotny samowar samowola samowolny samozapłon samuraj sandał sankcja saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) sapać sapać sapał sapie sapnięcie sardela sardelą sardynce Sardynia sardynka sarkastyczny sarkazm sarna sarna Sas saski sataniczny satelicie satelita Saturn satysfakcja satysfakcją satysfakcjonować satysfakcjonować sauna są sączyć Sączyć. in ruste enkel. enig louter. pantalon. vierkante decameter neerdruipen. afdruipen filtreren. louter samovar vergunning. satelliet trawant. stemming louter. tegemoetkomen aan zweetkamer. verlaten. voldaan bevredigen. sączek sąd sąd aperitief. satelliet Saturnus tevredenheid tevredenheid vergenoegd. paaien. bekrachtigen supermarkt supermarkt naar adem snakken pof. zijgen bank. alleen. broek pof. poef naar adem snakken lange broek. arbitrair. scharrelen . bloot. poef ansjovis ansjovis sardine Sardinië sardine sarcastisch sarcasme hert ree Saksisch Saksisch satanisch trawant. licentie willekeurig. tevreden.

concept. buurman. tafereel. scheuring. schisma vleien duidelijk. balie. kwijnen. aandoening winkel toevluchtsoord. buur. beproeving ziekte. aangrenzend. tribune. afdalen affect. buurman. naburig nabijheid nabuurschap omstreken. vrijen. tableau draaiboek. emotie. toneel. nabuur. script landschap scepticus ontwerp. nabuur. scenario. plan. opstap. omlijsting. aanliggend aanliggend. kazemat vlees . asyl toevlucht bunker. gebuur buur. raam kerkscheuring. zich inspannen. hartzeer. leiding scène. omgeving nabijheid nabijheid nabijheid podium. buurman.sąd sąd ostateczny sądzić sądzić sądzić o czymś sąsiad sąsiad sąsiad zewnętrzny sąsiadować sąsiadujący sąsiedni sąsiedni sąsiedzi sąsiedztwa sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo scana scena scenariusz sceneria sceptyczny schemat przetwarzania danych schemat węzła schizma schlebiać schludny schnąć schnąć schodek schodkach schody schody schody ruchome schodzić schorzenie schorzenie schorzenie schowek schron schron schronienie schronienie schronienie schronisko schronisko schudnąć gerecht. kazemat logement. berechten streven. omtrek. scharrelen beoordelen. herberg bunker. grenzen aan aanliggend. lijst. nettodor. aandoening droefheit. naburig aangrenzend. netto. trap opgang. kwaal. gebuur belenden. gerechtsgebouw het hof maken. oordelen. aangrenzend. nabuur buur. droog verflensen. bestuur. aanspraak maken op gebuur. asiel. pogen claimen. trap opgang. kazemat toevluchtsoord. opstapje. blauwdruk kader. trap roltrap naar beneden gaan. verdorren treeplank. asyl bunker. asiel. tree opgang.

geborgen. schifting. gematigd. volksvertegenwoordiging parlementair hof. aandoening sentiment. plan. tuin sekte branche. afscheiding lispelen lispelen septisch. vermanen. schifting. zin wijsheid klapstuk. maffen doel. behouden. aanmanen. veilig dieet parlement. gevoel. seksueel sekte sector sector tweede tweede manen. geruchtmakend matig. vak. aansporen selderie.schudnąć secesją sedna sedno sejf sejm sejm sejmowy sekator sekcie sekcja zwłok sekret sekretarce sekretarka sekretarz sekretarzyk seksualny sekta sektor sektor uszkodzony sekunda sekundą sekutnicą seler semantyka semicki Semita sen sen sens sens sens sensacja sensacyjny sensowny sentyment sentyment sentymentalny separacja separacja impulsów synchronizujących seplenić seplenienie septyczny ser Serb Serbia serbski serce reduceren. kern. geslachtelijk. emotie. bederf veroorzakend kaas Servisch Servië Servisch hart . herleiden secessie essentie. selderij semantiek. bescheiden affect. essence pit. tak confidentie secretaresse secretaresse secretaresse etagère. wezen. strekking betekenis. inkrimpen. gevoeligheid sentimenteel clausuur. rek generatief. mijmeren slapen. afscheiding clausuur. kern safe. sensatie sensationeel. bedoeling. betekenisleer Semitisch Semiet dromen.

staat kloot. berechten arbiter. gezellig. vervolgverhaal slippen. omgeving. een nest maken feuilleton. scheidsrechter beoordelen. opstap. hartelijk hartelijk. opstapje. pakken. gebied rijk. oordelen.sercowy serdeczny serdeczny serdeczny serdeczny przyjaciel serenada seria seria seria seria serial serial (powieść Serial Line IP serwer serwer źródłowy serwetce serwetka serwis serwować seryjny sesja set setka sezon sezonowy (robotnik) sędzi sędzi sędzia sędzia sędzia sędzia (w sporcie) sędzia pokoju sędzia rozjemca sędziwy sędziwy sęk sęp sfałszować sfera sfera kontroli sfera sterowania sfora (psów) shell zgłoszony powłoka logowania sherry shodek siać siano siarka hartinnig. ouderwets knopen. een knoop leggen aasgier vervalsen kloot. perceel nestelen. dienst. op smaak brengen toevallig. berechten arbiter. hulpmiddelen honderd kruiden. innig serenade ketting. arbiter oud antiek. tree uitzaaien hooi zwavel . gebied inpakken. uitglijden server server servet servet eredienst. schare kavel. scheidsrechter arbiter. voorleggen feuilleton. aloud. zitting. zittingsperiode inrichting. knus hartelijk. scheidsrechter scheidsrechter. innig. omgeving. oordelen. apparaat. xeres treeplank. keten bende. innig intiem. gelegenheidsbeoordelen. sfeer. godsdienstoefening serveren. bol. sfeer. vervolgverhaal feuilleton. scheidsrechter arbiter. troep. vervolgverhaal sessie. verpakken interpreter sherry. scheidsrechter arbiter. bol.

onderkomen. hecht. bril zetel. net. raadsel jenever. woning ligging koesteren. jijzelf netto. fit. hek. bibs zetel. mijzelf uzelf. net. haar sergeant sergeant zelf. broeden. gat. kwartier. kappen.siarka siatka siatka siatka kierunkowa siatka znakowa siatkówka sicie sidła siebie sieć sieć sieć (np. rooster netto. afrastering. hek. bijl ouderloos ouderloos ouderloos sikkel. rooster netto. afrastering. net traliehek. een nest maken achterste. net zeven zeventig zeventien nestelen. duidelijk traliehek. augustus haardos. afrastering. kolejowa) sieć elektryczna sieć miejska sieć połączeń siedem siedemdziesiąt siedemnaście siedlisko siedzenia siedzenia siedzenie siedziba siedziba archiwum siedziba WWW siedzieć siekać siekać siekać mięso siekane/mielone mięso siekiera sierocie sierota sierotka sierp sierpień sierść sierżancie sierżant się się się się silnik silnik lotniczy silny silny silny zwavel traliehek. potig. duidelijk netwerk. klare uzelf. hakken fijnhakken hakbijl. net. vanzelf zelf. broeden op fijnhakken fijnhakken houwen. fors. danspartij puzzel. vanzelf mezelf. duidelijk bal. ferm . netto-. zicht oogstmaand. jijzelf locomotief locomotief vasten gezond. bril zetel. kont. hek. netto-. bril logies. valide robuust. rooster mens netwerk. netto-. net netwerk.

fossiel verstening. doen schommelen balanceren. zuster nicht neef. doen schommelen verstening. haast maken grijs. laster schandelijk scanderen Scandinavisch Scandinavië . fossiel achterklap. opslorpen. opwellen. lijn aanslag aanslag aanslag aanslag klif. zus intendante zuster. klip balanceren. spoed maken. geducht. opslorpen. ontspringen hinkelen springen hinkelen lijntje.silny siła siła siła przeciwelektromotoryczna siła robocza siła robocza siłą siłą Singapur single inline package single in-line package siniak siodła siodłać siodło siostra siostra przełożona siostrą siostrzany siostrzenica siostrzeniec siódma część siódmy sitko sito sito kwadratowe sitowie siwy siwy skacz skakać skakać skakać w górę skakanka skala skala odległość skala szarości skalować się skała skała skałą skamielina skamieliną skandal skandaliczny skandował Skandynaw Skandynawia krachtig. slurpen resorberen. broeder. zus zus. grauw opborrelen. fiks. slurpen blauwe plek zadel zadel zadel zuster. koorde. eerroof. grauw grijs. sterk. accentueren doordrukken sterkte Singapore resorberen. straf doordrukken sterkte sterkte doordrukken beklemtonen. broer. oomzegger zevende zevende vergiet zeef zeef voortmaken. koord. snoer.

sparen pinnig. zin. aansporen beschuldiging. kas. zaak gewelf. vermanen. kleefmiddel. volzin gierig. geldkist manen. uitvegen. zaak winkel zuivelfabriek. aanmanen. winkelier toondicht. gierig ontzien. zijn beklag doen ontbinden. annuleren. pinnig. afgelasten afbestellen uitwissen. rijs schat schat fonds. toonzetting. knikken lijm. hebzuchtig. compositie stortplaats . met gom bestrijken afkeuren schuldig bevinden verbannen. oord. hebzuchtig. melkinrichting zuivelfabriek. aanklacht sok sok sok een proces aanspannen tegen klagen. twijg.skandynawski skanować skanować wyszukiwać skapować skarb skarb państwa skarbonka skarcić skarga skarpecie skarpeta skarpetka skarżyć skarżyć się skasować skasować skasować skasować skazać skazać skazać na wygnanie skazanie skazany skazańca skazić skazywać skąpy skąpy skąpy skąpy skąpy skierować skierować skinąć głową sklejać sklejce sklejka sklep sklep sklep sklep mięsny sklep nabiałowy sklep ze słodyczami sklepienie łukowe sklepikarz sklepikarz skład skład Scandinavisch scanderen scanderen rank. inhalig adresseren aanleggen ja knikken. kit. gierig. bol kruidenier neringdoende. uitbannen wraking. wegvagen gommen. lokaliteit. pinnig. melkinrichting winkel. kleefstof multiplex multiplex kast winkel. inhalig. inhalig gemiddeld hebzuchtig. plaats frase. afkeuring schuldig bevinden schuldig bevinden ruimte.

gevat. gesteldheid. vanaf ordner. geestig. genootschap. druk. klaar bijeenschakelen. glooiing wilsbeschikking. bodem. componeren samenscholing bijeenkomst. genootschap. ontstellen. klamp tak. afgelopen. opwellen. drift zinsbouw. aanleg marmeren. samenkomst hoop. zinsleer. rugschild. opwellen. meeting. toonzetting. maken. associatie tak. gesteldheid. syntaxis lid. zinsleer. aanhanger gebogen. vormen samenstellen. zinsleer. casco schild. groep. kramp. afgewerkt. beslaan uitmaken. kras. compositie samenstellen. ad rem levendig. ontspringen springen springen ontzetten. rap.skład kolumn skład komputerowy składać składać składać komuś kondolencja składać się składać się na składać się na składać się z składanie składanie podpisu składka składni składnia składnia wiersza polecenia składnik skłonność skłonność skłonność skłonność skłonność skobel skocz skoczna (muzyka) skoczny skoczyć skojarzenie skojarzenie przyporządkowanie skok skok skok skok o tyczce skok w dal skok warunkowy skok wzwyż skok zony skonsternować skonstruować skonsultować się skończony skoordynowany skoro skoroszyt skorpion skorupa skorupa skory skorygowanie toondicht. onthutsen doen ontstaan. vouwen. plooien bestaan uit bestaan uit omvatten. kwiek springen bond. instelling . wilsbeschikking helling. sedert. associatie bond. gauw afstelling. componeren omvouwen. lidmaat. formeren raadplegen. romp. krom aanleg. schaal snel. ontspringen opborrelen. map schorpioen scheepsromp. kudde. aftakking snedig. nietje. coördineren sinds. syntaxis zinsbouw. consulteren beëindigd. aderen haakje. spoedig. gezwind. schare. haastig. syntaxis zinsbouw. compositie toondicht. aftakking springen springen springen opborrelen. toonzetting.

afgetrokken acroniem hijsen. schuin leeuwerik dierevel. ergst. vacht. overzicht. pels. korten. oever uiterst. begrenzen. excerpt afkorting abstract. beperken afkorting resumé. onderdanig. krabben een miskraam krijgen. zich aftobben. mislukken uitwissen. ophijsen . discretie nederig. koffer. leren inkorten. valies taai. bovenmatig uiterst. vacht taai. jassen schillen. vel. huid. begrenzen. vacht vel. vacht. lederen. dierevel. bekorten. extreem. uitvegen. afkorten afkorten.skośny skowronek skóra skóra kozłowa skóra niedźwiedzia skóra wołowa skórą skórce skórka (chleba) skórka (kartofla skórzana torba podróżna skórzany skracać skracać skracać skracać (np. discreet. verkorten beknotten. leerachtig. extreem. ergst. lederen. huid vel. deemoedig bescheiden. pels. beperken kort beknotten. bekorten. pels. pels. verkorting rand. bovenmatig jammerlijk afkeuren krauwen. kant. afpellen. vel. bekorten. log kronkelen raspen afkrabben krauwen. słowo) skracania skraj skraj skrajność skrajny skrajny skrawek skreślać tymczasowy skreślić skreślić skręcać się skręcie skrępowany skręt skrobać skrobać skrobać skrobał skromność skromny skromny skroń skrócić skrócić skrócić coś skrócić się skrócie skrócie skrót skrót skrót skrót scheef. ingetogen slaap inkorten. jassen nagelriem handkoffer. zoom wal. krabben afkrabben bescheidenheid. huid. kust. klauwen. klauwen. afkorten beknotten. leerachtig. huid dierevel. scharrelen. wegvagen worstelen. dierevel. inkorten inkrimpen. scharrelen. boord. beperken afkorting. begrenzen. leren schillen. afpellen. spartelen kronkelen plomp.

knabbelen afrukken. script confidentie babbelen. leus. blo zwak. viskuit. werker. boezem bus. piepen knarsen. effectief. werkkracht indruk. keuvelen kuit. afdoen boord. gerucht. scenario. brievenbus bus. bodem. slipje lijfspreuk. kant. bekoelen. contract ineenkrimpen. zwak. script draaiboek. gleuf Slaaf bedaren. werkman. beschadigen. ondergrond handschrift. bederven twijnen. befaamdheid . zwakjes aflaat lichtjes. rand. afbreken koop. vlerk vleugel.skrót (drogi) skrót klawiaturowy skruszyć skruszyć skrypt skrypt skrypt wsadowy skryty skrzeczeć skrzek skrzele skrzyczeć skrzydła skrzydła skrzydło skrzynia skrzynia na popiół skrzynka na listy skrzynka pocztowa skrzypce skrzypieć skrzypienie skrzywdzić skrzywić skubać skubać (pióra) skup skupiać skupiać skupiać skupisko alertów skurczyć (się) skurczyć się skuteczny skuteczny skutek slipy slogan slot wbudowane gniazdo rozszerzeń slowiański słabnąć słabnąć słabo słabostce słabowity słaby słaby sława byte mnemonisch knarsen. bundel. bedeesd. leuze. zoom. bos verbintenis. licht faam. piepen achtergrond. boezem borst. doeltreffend arbeider. band vleugel. verbuigen. binnenste. kikkerdril kieuw afhandelen. centrum brandpunt. zwak. timide. haard wis. ineenkronkelen afdoend. zwakjes bevangen. vlerk borst. aankoop agglomeraat middelpunt. verdraaien knagen. scenario. kopij draaiboek. luwen aanlengen lichtjes. grond. manuscript. plukken. inkoop. brievenbus viool knarsen. focus. sleuf. piepen havenen. praten. devies sponning. effect slip. mare.

lieftalligheid snoep. bewoording woord. glorierijk.sława sławą sławą sławna osoba sławny sławny słodki słodki sos śmietankowy słodki ziemniak słodkogorzki słodko-gorzki słodycz słodycze słoma słomą słomka słonecznik słony słony słoń słońce Słowacja Słowianin słowiański słowiański słowik słownictwo słowniczek słownik słownik słownik (obejmujący hasła z jakiejś dziedziny) słowo słowo wyrównane słowo zastrzeżone słód słuch słuchacz słuchacz słuchać słucham słuchawce słuchawka słudze słup słup słup słup oświetleniowy reputatie. revisor luisteraar. mare. hoorn dienstmeisje. dienares. meid mijlpaal kuil Pool kuil . oppassend bitterzoet bitterzoet beminnelijkheid. snoepgoed stro stro stro zonnebloem zouten zout olifant zonneschijn Slowakije Slaaf Slavisch Slavonisch nachtegaal vocabulaire. zoetigheid. roep. woordenschat glossarium woordenboek vocabulaire. bewoording woord. bewoording mout gehoor inspecteur. glorieus zoet. naam onderscheiding faam. woordenschat glossarium woord. luisteren hallo telefoonhoorn. toehoorder aanhoren. alom bekend beroemd. oppassend zoet. oppassend zoet. befaamdheid. gerucht beroemd persoon. hoorn telefoonhoorn. faam. beluisteren. beroemdheid beroemd. befaamd.

fijn. fair dienstmeisje. lekker op smaak brengen. alom bekend verstaan. slank. meid dienstmeisje. godsdienstoefening verplegen. dun. godsdienstoefening eredienst. befaamd. fair. smart bedroefdheid. fruiten draak. mager. vandehands billijk. rechtvaardig rechter-. zieleleed bedroefdheid. verdriet. leiden boog.słup oświetleniowy słuszny słuszny słuszny słuszny służąca służący służba służbą służyć służyć słynny słyszeć słyszeć słyszenie smaczny smak smak smak smakołyk smakować smakowity smar smarować (smarem) smarowanie(maścią) smażyć smażyć (się) smok smoła smród smród smudze smukły smukły smutek smutek smutek smutno smutny smutny smutny smutny smycz smyczek snob snobistyczny sobie sobie samej Pool raadzaam billijk. dienst. kruiden snoepen smaken op smaak brengen. schraal. voorleggen beroemd. verzorgen serveren. droefheid droevig. fruiten bakken. vernemen gehoor gehoor smakelijk. luchtig rank. zelf . horen. geleiden. zorgen voor. dienares. toepassing bakken. tenger leed. meid eredienst. lekker invetten boter aanwending. verdrietig blauw weemoedig. vies ruiken spoor. triest. melancholiek rouwbedroefd de weg wijzen. smart. dienst. dienares. kruiden smaken smakelijk. jijzelf vanzelf. toog snob snobistisch uzelf. fijn. karrespoor sprietig. wagenspoor. vlieger teren stank stinken. droefgeestig. rechtvaardig.

hunkeren. saus denneboom. wereldruim. speling slapen. louter plechtig. aard soort. cider sap sap havik enkel. fors. plechtstatig zouten gemeenschapszin. piëdestal. ferm krachtig. den. Vlaamse gaai gaai. sop. maatschappijleer linze linze lens lens canapé Sofia appelwijn. statig. hecht. afnemen . maatschappijleer sociologie. maffen slapen. bestek. straf solist solo nacht sonate sopraan soort. pijnboom uil sovjetgaai. reikhalzen vertrouwd. slag.socjalista socjalistyczny socjalizm socjalny socjolog socjologia socjologią soczewica soczewicą soczewka soczewka magnetyczna sofa Sofia sok sok sok sokół sola (gatunek ryby) solenny solić solidarność solidaryzować się solidny solidny solidny solista solo somnambulizm sonacie sopran sortować sortować sortowanie gatunek sos sos sos z fasoli sojowej sosna sowa sowiecki sójce sójka sól spacerowicz spacja spacja nierozdzielająca spacja światło (na stronie) spać spać alnie spadek socialist socialist socialisme sociaal. voetstuk ruimte. aard saus. fiks. jus jus. wereldruim. bloot. kleiner worden. slag. saus jus. geducht. Vlaamse gaai zouten wandelaar pedestal. bestek. betrouwbaar robuust. sop. maffen dalen. speling ruimte. potig. sop. sterk. maatschappelijk socioloog sociologie. saamhorigheid verlangen.

vak. humor. kramp kramp kenner. erfenis. wellen zich aansluiten. bevangen. vreemd. erfdeel valscherm. afdraaien lasser lassen. bedeesd beschamen. modderen afraffelen netel. erfenis. ploert. expert inzonderheid. expert kenner. springscherm lassen. stuip. verlammen beunhazen.spadek spadek spadek spadek napięcia anodowego spadek wydajności spadochron spajać spajać nie spakować się spalać spalać spalania spalanie spalina sparaliżować spartaczyć spartaczyć sparzyć pokrzywą sparzyć się spaść spawacz spawać spawarka spazm spazm specjalista specjaliście specjalnie specjalność specjalny specjalny speculator specyficzny specyficzny specyfik spełniać spełniać spełniać zachcianki spełniać zachcianki spełnić spełnić się spermą speszony speszyć się spędzać spiąć spieniężyć spieniężyć waas. opdagen zaad. boef gek. in het bijzonder afdeling. knoeien. gemoedsgesteldheid gehoorzamen bevredigen. deskundige. tak afzonderlijk. branche. soortelijk samenkomen. dons druppel. baar beseffen. waterdruppel boedel. timide. schavuit. erfstuk. raar. bijeenkomen. deskundige. erfstuk. zitting humeur. lid worden. paaien. nesthaar. begrijpen . vooral. spanderen accolade contant. sperma blo. erfdeel druppel. soortelijk specifiek. tegemoetkomen aan opdraven. parachute. vergaderen vergadering. afgezonderd afgezonderd. spenderen. wellen lasser stuiptrekking. eigenaardig specifiek. verpakken aanbranden verbranden. beschaamd maken besteden. bevatten. verassen verbranding verbranding uitwasemen lamleggen. toetreden inpakken. waterdruppel boedel. pakken. brandnetel aanbranden verlagen. afzonderlijk ellendeling.

haast maken. dobberen. pantalon. twisten disputeren. kwispedoor afvoeren. rooster komplot. kapot Vlissingen zweten. piepen. een blik werpen op lassen. scheren. wachten. konkelarij provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast kronkelen vuns. lid worden. schotel lange broek. kalm . er uitzien staren. afhalen een blik werpen. uitschakelen afwikkelen. scheren. toetreden het uiterlijk hebben van. wellen zich aansluiten. krakelen. duf spuwen. overblijfsel. krakelen. turen het uiterlijk hebben van. rustig. broek pantalon.spierać się spierać się z kimś o coś spieszyć się spiker spin spinacz spinać spirala spiralny spirytus spirytyzm spis spis spis ulic spisek spisek spiżarka spiżarni spiżarni spiżarnia spiżarnia splatać się spleśniały splunąć spluwaczka spłacać zobowiązania spłacać zobowiązania spłata spławik spłukać spłukany spłukiwanie spocić się spoczywać spodek spodnie spodnie spodobać się spodziewać (się) spoglądać spoina spojenie spojrzenia spojrzenia spojrzenie spojrzenie spojrzenie spokojny disputeren. transpireren rest. lange broek appelleren. spugen. kwetteren stil. spuwbak. afspoelen. vunzig. een beroep doen op te wachten staan. spoelen defect. samenspanning intrige. drijven gorgelen. er uitzien sjilpen. opheffen afbetaling vlotten. twisten spoed maken. boedel aangeven dienstregeling. rochelen spuugbak. afval schoteltje. aanstaren staren. liquideren. elimineren. machinatie. rommel. snoeien knippen. bedaard. muf. voortmaken omroepster spinnen knippen. stuk. broek. aanstaren. tjilpen. turen. snoeien spiraal spiraal geest spiritisme inventaris.

rustig. gemeenschap sociaal. manier aanvliegen manier. aantreffen ontmoeten. gemeenschap gemeente. wereldruim. vreedzaam bedaard. aantreffen erkennen. gewoonte polis trant. Grote Oceaan vredig. kalm stil. rustig Stille Oceaan. verwant sociëteit. baan. rustig. wijze. blaam samenkomen. gemeenschap sociëteit. route gebruik. intermitterend sport aanvechtbaar. bijeenkomen. stil. maken. bekennen. speling. vele sport atleet sportman. laten . biechten. kalm bestek. laten doen. wijze. aanmerking. aanstelling samenkomen. manier weg. veel. toegeven verwekken doen. bijeenkomen. aanmerking. gebeurtenis. bedaard. standje berisping.spokojny spokojny spokojny spokojny spokój spokój spokrewniony społeczeństwa społeczeństwo społeczeństwo społeczność społeczność (w protokole SNMP) społeczny spontaniczny sporadyczny sporcie sporny sporo sport sportowiec sportowiec sportowy sportowy sposobność sposobność sposobność sposób sposób sposób sposób mówienia sposób obsługi datagramu sposób postępowania sposób postępowania spostrzec spostrzec spostrzec spostrzegać spostrzegawczość spostrzeżenie spostrzeżenie spotkać spotkanie spotykać spotykać (się) spotykać się spowiadać się spowodować spowodować kalm. marchanderen keer. pingelen. maal incident. standje. gebeuren trant. aanplakbiljet. club gemeente. wijze. betwistbaar menig. vergaderen benoeming. vergaderen ontmoeten. blaam. op zijn gemak. club gemeente. maatschappelijk spontaan hortend. plakkaat opvolgen. usance. blaam. handelen volgens opvolgen. ruimte aanverwant. sportsman atletisch sport afdingen. trant ontdekken affiche. standje berisping. handelen volgens berisping. aanmerking.

klus. opwellen. vrouwenrok rok. conto militair specificeren opborrelen. ontspringen springen vettig. besturen. affaire. grond rok. checken. huren. exploiteren. bewind. ding. klus. gerecht bodem. bazaar. achtergrond. affaire saké. polemiek disputeren. uitmelken aannemen. aangelegenheid. aangelegenheid. fair. achtergrond. vet . grond bodem. rijstwijn bedwingen. tuberculose uitbuiten. marktplaats billijk. affaire karwei. effectief. doeltreffend autoriteit. aanwerven slopen. betomen. inlichten rekening. vrouwenrok kilt. markt. bestuur speurtocht. opgave. conto aantekening. gezag rekening.spożycie spożytkować spożytkowywać (coś spożywać spożywczy spód spód stosu spódnica spódnicą spódniczka szkocka spójnik spójność spółgłoska spór spór spóźniony spragniony sprawa sprawa (rzecz) obojętna sprawa (sądowa) sprawa do zrobienia sprawa rzecz obojętna sprawą sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać (księgi sprawdzić dokładnie sprawdzony zaznaczony sprawiać sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwy sprawiedliwy sprawiedliwy sprawny sprawować władzę sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie z testowania sprawy wojskowe sprecyzować sprężyna sprężyna łóżka sprośny longtering. laten Justitia billijkheid gerechtigheid raadzaam marktplein. geblokt doen. etenswaar. consumeren eten. maken. dirigeren. ding zaak. beteugelen heerschappij. ding. commentaar informeren. achterstallig dorstig zaak. berichten. tering. aflezen geldig verklaren geruit. verbruiken. ondergrond. mennen controleren. opgave. pennestrijd. ondergrond. krakelen. spijs. rechtvaardig afdoend. medeklinker controverse. taak karwei. gevolg consonant. zaak. twisten onbetaald. Schotse rok conjunctie consequentie. speurwerk. zoektocht richten. taak aangelegenheid. laten doen.

koopman zakenman. accommodatie. bezorgen hel. twist. strijd. tappen verkoop. vastgespen. vervoegen gunst.sprośny sprowadzać sprowadzać sprowadzać sprowadzić sprowadzić z serwera sprytny sprzączce sprzączka sprzątać sprzeciw się sprzeciwić sie sprzeczka sprzeczny sprzedaj sprzedawać sprzedawać sprzedawać (papiery wartościowe) sprzedawca sprzedawca sprzedawca gazet i czasopism sprzedawca kwiatów sprzedaż sprzedaż sprzedaż detaliczna sprzedaż wiązana sprzęcie sprzęg sprzęg równoległy wewy sprzęgło sprzęt sprzęt sprzęt kryptograficzny sprzęt stacji roboczej sprzęt zboża sprzęt zbrojeniowy sprzężony sprzyjać sprzyjający spuchnąć spust spuszczać spychacz srebny srebra srebrny srebro srebro w sztabach schuin. aandragen. inrichting conjugeren. waterdruppel bulldozer zilveren zilveren Argentijns zilveren zilveren . toegenegen. vervreemding uitrusting. vastgespen. genadigheid goedgezind. koopman verkoper beschikking verkoop. bijbehorend. invoeren downloaden trekken bedreven. tegenstreven kwestie. dichtgespen ordelijk evenmin. verhandelen. handeldrijven. aan komen lopen uitrusting. schunnig brengen. handelaar. noch tegenspartelen. behendig. vervreemding overdoen. begunstiging. inrichting ijzeren bijkomstig. aan komen lopen aanpakken. bekwaam gespen. inrichting interface interface grijpen. accommodatie. verhandelen. tappen handelen. gunstig aanzwellen haan van een vuurwapen druppel. bemachtigen uitrusting. bijkomend aanpakken. dichtgespen gespen. handig. dispuut inconsequent overdoen. zaken doen kruidenier zakenman. obsceen. vervreemding in het groot verkoop. handelaar. klaar importeren. licht. accommodatie.

. cru bar.srebrzysty srogi srogi srogi ssać ssak ssania stabilizacja stabilization stabilny stacja stacja bazowa z dwoma fizycznymi połączeniami z siecią stacja konwersacyjna stacja nadrzędna stacja zdalna stacjonować stacyjka stać stać stada stadion stadko stado stado stado (gęsi) stado (lecących ptaków stajenny stajnia stajnia stal stale stalowy stała stała stały stała (wielkość) stały stały stały stały stały stały stały stały dostęp do Internetu stały gość/klient stały obwód wirtualny stamtąd stan Argentijns grof. blijvend. station stationsgebouw. schare. pikken priemen. steken. stadswijk ontsteking. bestendig bestendig. roedel bruidegom. hecht. roedel roedel. bot. constant. deugdelijk. drift vlucht. zuigen. vast. betamelijk. gedegen stevig. constant. gevestigd stationsgebouw. lurken zoogdier wurgen. hecht. ontbranding goed staan gepast. constant. prikken. choken. constant. gevestigd box staal bij voortduring. etappe. vast. constant. stalknecht stevig. prikken. daarvan conditie. aldoor staal bestendig. vandaar. roedel stadie. gestaag blijvend. straf achtersteven. kudde. aanhoudend beschermheilige. voorwaarde. gevestigd flink. pikken stevig. streng. bestendig flink. spiegel opzuigen. gestaag aanhoudend. duchtig. onbewerkt. onbehouwen. wijk. gestaag aanhoudend. station buurt. permanent. vandaan. passend kudde. constant. steken. beschermheer gestaag. bepaling . gedegen bestendig. blijvend.. deugdelijk. degelijk. overnachtingsplaats groep. vliegtocht kudde. hecht. station gastheer terminal stationsgebouw. vast. gestaag bestendig. kudde kudde. bestendig daar . degelijk. hard. gestaag bestendig. hoop. worgen priemen.

norm b. bejaard muf.h. streven duidelijk. starter vergevorderd. verzenden. stand. aloud. ouderwets ouderwets. licht. belemmeren. scharrelen..h. atelier stationsgebouw. echt crisis verzekeren. klaar aanzetschakelaar. ouderwets ouderwets. standaardmaat. standaardmaat. afdammen uitmaken. prooi houding. bak. activeren. etui. trachten. gortig afzenden. beweren huwelijk. nettoafschaving antiek.. adellijk. expediëren pot. gedateerd. constructief omvouwen. vormen aanwinst. verhouding. goor. beweren zich gedragen werkplaats. netto. krabben aanzetten tot. aanzetten aanzetten tot. acquest. stevig. buit. positie verzekeren. uit de mode antiek. norm proportie. foedraal. antiek hoogbejaard. beha. oud. activeren. plooien afsluiten. metaalmengsel pogen. activeren. aloud. bustehouder resolutie. bedaagd ouder krauwen. aanzetten aanzetten tot. aloud. standbeeld . evenredigheid regel.stan stan końcowy stan wyjątkowy stan zawieszenia stanąć standard standard szyfrowania agend rządu USA standard zastrzeżony stanik stanik (ale nie biustonosz!) stanowczość stanowczy stanowczy stanowić stanowić (całość) stanowić zagadkę dla stanowiska stanowisko stanowisko stanowisko pracy stanowisko pracy stanowisko) Stany Zjednoczone stapiać starać się staranny starcie starodawny staroświecki starożytność starożytność starożytny starożytny starszawy starszy start start start of header start zimny startować ponownie startujący stary stary jak świat starzeć się statek statek statek) statua verzekeren. bustehouder b. beha. beweren logeren regel. vouwen. verzenden. moeite doen. doos. vast. benauwd. echtverbintenis. aloud. station Verenigde Staten van Amerika alliage. klauwen. oud. aanzetten hel. hecht positief. bejaard vergevorderd. expediëren beeld. legering. ouderwets oudheid antiek. motie gevestigd. koker afzenden.

post. schuur. vanhier als volgt biefstuk. blijven staan opdraven. loodsen heerschappij. besturen. controleur. steno snelschrift. bestuur heerschappij. stenografie stenografie. deurpost premie. halthouden. vijver waterplas. vrachtcontract recht statistiek statistiek huisje. paal. bewind. kolk. kraam. bestuur heerschappij. opeenhopen. prijs periode. bewind. opzichter. bewind. bestuur conducteur. bief muntstempel muntstempel stenografie. kolk. opeenhopen. steno naar de letter. accumuleren ophopen. vijver afslaan. manipuleren. hanteren navigeren richten. keet. accumuleren steriliseren steriliseren intendant. bestuurder conducteur. roer gemeenplaats. tijdvak hiervandaan. bloot waterplas. loods louter. handvest. bestuurder supervisor. opdagen stijl. bewind. mennen heerschappij. paal. post. meier stewardess stewardess . opzichter ophopen. enkel. bestuur omgaan met.statucie statut statystyczny statystyka Statyw staw staw staw (akwen) stawać stawać (w sądzie) stawce stawiacz min stawiać czoła stawka stawka ubezpieczeniowa staż stąd stąd stek stempel stempel pocztowy stenografia stenografia stenografią stenograficzny step ster ster stereotyp sternik (na statku) sternik na statku sterować sterować sterować sterować sterowanie sterowanie zaprogramowane w pamięci sterowanie ze sprzężeniem zwrotnym sterownik sterownik wzmacniacza mocy sterownik zegara sterta sterta sterylizować sterylizował steward stewardesa stewardessa charter. loodsen binnenbrengen. woordelijk steppe stuur. roer stuur. deurpost mijnenlegger het hoofd bieden stijl. cliché binnenbrengen. dirigeren.

duf stenen. loods box kolom. opkroppen honderd loods. ontwijken zich aansluiten. evenredigheid . muf. verhouding. helling helling. stomp bot. stoïcijns stoïsch. begeleiden met. glooiing meizoentje. colonne drager. vermogen tabel. lid worden. keet. lijken achter opvolgen. pilaar.stęchły stękać stępce stępiać stępić stępka Stężenie (roztworu) sth do kogoś sth> coś komuś sth> do kogoś sth> do kogoś sth> kimś sth> kimś sth> komuś sth> komuś sth> komuś sth> o kimś sth> o kogoś sth> od kogoś sth> z kimś stłuc stłuczce stłumić stłumić sto stodoła stoik stoik stoisko stoisko z gazetami stojak stojak stojak stojak stojący stok stok stokrotce stokrotka stolarz stolica stoł stołek stołować (się) stonoga stop stopa stopa procentowa vuns. stomp kiel sterkte verafschuwen. barak stoïsch. paal. schuur. vlak. kermen kiel bot. toetreden afbreken bult. oplettend mijden. tegen. schuur. lijst kruk. accompagneren. deurpost regel. attent. legering. kraam. vernielen onderdrukken. attribuut aanvliegen lijken op. steun post. taboeret aanklampen. een afschuw hebben van bijvoeglijke bepaling. verdringen. vunzig. handelen volgens vergezellen. norm oprichten. steunpilaar. stut. tegenaan. gelijken. stoïcijns huisje. uit de weg gaan. stichten. bochel vernietigen. inrichten glooiing. madeliefje timmerman kapitaal. kreunen. standaardmaat. jegens gelijk. leuning. metaalmengsel voet proportie. keet. effen zinspelen aandachtig. stijl. steunen. madeliefje meizoentje. zich vastklampen aan duizendpoot alliage. tafel. verwoesten.

vandehands naaien. mate. menigte. doorvoeren administreren. verwantschap vergelijkenderwijs aannemen. dons boel. mate. menigte. affiliëren bond. accumuleren ophopen. tafel. drom. nesthaar. accumuleren tabel. toepassing tegen. beheren. geschikt. kwijt. neuken familiebetrekking. angst. opeenhopen. graad trap. aan. opper ophopen. klappen . lijst tabel. opeenhopen. langzamerhand geleidelijk orchidee kelder waas. slaan. doelmatig rechter-. angst. hooimijt. naar. passend. betamelijk. passend gemakkelijk. kwijtraken verloren. vervlogen nadeel. benauwdheid verbeurd opgeven. toepassing opvolgen. opeenhopen. schade. hoop.stopą stopień stopień (również naukowy) stopień zawartości alkoholu stopka (listy) stopniować stopniowo stopniowy storczyk stos stos stos stos pogrzebowy stos w pamięci stos wywołań stosować stosować stosować stosował stosowania stosowania stosownie do tego stosowny stosowny stosowny stosowny stosunek płciowy stosunek zwarcia stosunkowo stowarzyszać się stowarzyszenie Stowarzyszenie Producentów Maszyn Cyfrowych stożek stóg stóg stóg siana stół stół montażowy strach strach strach na wróble stracić stracić stracić stracie stracony strajk voet trap. kwijt. drom. massa kelder ophopen. voor gepast. deficit. geschikt gepast. benauwdheid angst beklemming. associatie kegel hooiberg. bij. genootschap. houwen. lijst beklemming. besturen aanwending. accumuleren boel. tot. hoop. tafel. gediplomeerd geleidelijk. vervlogen kloppen. graad drukproef schaduwen afgestudeerd. verbeuren. strop verloren. massa aanwenden. associatie bond. genootschap. handelen volgens krachtsinspanning aanwending.

page. aanschijn. de wacht hebben. steil steil leden. samenvatten verteren. ver. costuum waker. hoogtegrens. deficit. zone. ceintuur. verduwen. afschrikken spoken nadeel. opmaken. bewaren riem. krijgskunde strategie. ver. raam bouw. gordel klimaatzone. edelknaap boer. schrik aanjagen verjagen. krijgskunde krijgskundig. digereren resumé. minder belangrijk leden. afbikken kader. strop verklungelen. bruusk. de wacht hebben. aardgordel klimaatzone. partijdig gedeeltelijk. page.strapienie straszliwy strasznie straszny straszny straszny straszny straszyć straszyć straszyć (o duchu) strata strata strategia strategia przydziału miejsca strategią strategiczny straż strażnik strażnik więzienny strefa strefa strefa wpływów stres streszczać streszczać się streszczenie streszczenie stroik stromy stromy strona strona strona tytułowa strona wzorcowa strona zawietrzna strona zewnętrzna stroną stronę WWW) zaksięgować stronnicy stronniczy stronniczy stronnik Strop strój wieczorowy (smoking stróż struktura struktura struktura verdriet doen. gewaad. afgrijselijk doortrapt. bewaren bewaken. edelknaap aanplakken achterban. listig doen schrikken. excerpt riet kortaf. plafond klederdracht. aardgordel beklemtonen. omlijsting. krijgskunde strategie. verdoen strategie. klepperman bikken. bedroeven. bot. strategisch bewaken. aanhanger plafon. slim. zij-. overzicht. aanhang eenzijdig. partieel adept. dracht. ijselijk afschuwelijk. aanhang boer. aanhang bij-. zij-. buitenkant bij-. nachtwacht. zone. beoefenaar. gewiekst. accentueren resumeren. de wacht hebben. bewaren bewaken. beproeven afgrijselijk afgrijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. constructie . samenstelling. minder belangrijk aanblik. abrupt. samenvatten resumeren. lijst. schade.

aanlokken loop. stroming beekje. beschermen bewaken. opvallen klikken. opvallen klakken. het juk opleggen maaien injectiespuit injectiespuit winterkoninkje student student student studio studie studie goed. kloppen. klikken afdrogen. stroom. akkoord snaar. omtrek bouw. klappen. bewaren ontzetten. stemband koorde. ontslaan Boogschutter Boogschutter Boogschutter aanspannen. stroom.struktura z kontaktem sferycznym struktura) MOS z kanałem typu n strumień strumień strumień drukowanych danych strumień klucza strumień ruchu (między węzłami w sieciach telekomunikacyjnych) strumyk struna struna struna struś strych strych strych stryj strzała strzałce strzałka strzec strzec się strzelać Strzelec Strzelec (gwiazdozbiór) Strzelec gwiazdozbiór strzemię strzyc strzykawce strzykawka strzyżyk student student seminarium studentka studio studiować studiowanie studnia stukać stukać stukać nie stuknięcie stuknięcie stukot stukotać stulecie stulecie stusunek omlijning. royeren. kletteren. stroming loop. kloppen. klappen slaan. kloppen. stemband. scheut pijl. klappen. samenstelling. opvallen slaan. kletteren. stroming toelachen. scheut behoeden. klakken. tapkraan slaan. beek accoord. klappen. klappen. kletteren. scheut pijl. tap. snaar struisvogel. bekoren. afranselen eeuw eeuw houding . stroom. de wacht hebben. nu goed kraan. overeenstemming. koorde. struis dakkamertje zolderkamer Attisch oom pijl. constructie actueel loop.

keuze unie . plafond souffleur aanwijzen. goedje. welstand. hoogtegrens. knoop contact hebben. hoogtegrens. aanbieding. inboeten spitsvondig. voorslag. achtervoegsel plafon. alternatief. contact hebben met contact hebben. bedrag. contact hebben met taal trant. summa algeheel. aangeven. gelid. vaststellen. componeren scheppen. zegepralen. bevinden constateren. subtiel. grenzen aan contact hebben. substantie absorberend spul. januari aangrenzend. stijl trant. plafond suffix. lid. japon sultan somma. aanbod gevolg geluk. totaal unie checksum keus. droog dor.stusunek nie stwierdzać stwierdzać stwierdzić stworzenia stworzyć stworzyć styczeń styczny styk styk podwójny stykać się stykać się stykać się z styl styl styl życia subskrypcja substancja substancja pochłaniająca substancją substytut subtelny suchar sucho suchy suchy (klimat) Sudan suficie sufiks sufit sufler sugerować sugestia suicie sukces sukces sukienka sukinsyn suknia suknia sułtan suma suma (msza) suma częściowa suma kontrolna suma logiczna suma logiczna zmiana houding beamen. goedkeuren constateren. bevinden wezen samenstellen. jurk. aanduiden bod. som. totaal. triomferen een verband omleggen snikken een verband omleggen toga. stof. billijken. goedje. vaststellen. stof. geleding. stijl abonnement spul. creëren louwmaand. droog dor. substantie in de plaats stellen van. bloei. voorspoed zegevieren. aanliggend gewricht. fijn biscuit dor. contact hebben met belenden. droog Soedan plafon.

aanslaan. aanwijzen. streng. vlot. alarm slaan invoer . totaal zomer geweten geweten consciëntieus. som. jeuken vrijdom. krieuwelen. fluiten aangeven. totaal. vlotheid onbezet. bot. onbehouwen. incidenteel grendelen. krieuwelen. krieuwelen. vlot. onbewerkt. droog kousje. speen kelder uitgebreid. bedrag. ritssluiting oppermachtig. warboel. toon alarmeren. hard. ritssluiting treksluiting. lont. oppermachtig oppermachtig. seinen intonatie. middel. cru bar. omvangrijk. medium. jeuken kriebelen. jouw ondersteuning. rits. los. soeverein. bot grof. aantal. getal algeheel. onbelemmerd toevallig. oppermachtig Jersey Jersey kriebelen. onbelemmerd onbezet. warnet watten remedie. open. afgrendelen je. aanduiden daglicht een sein geven. weg grof. subsidie Sicilië Siciliaans sissen. onbehouwen. onbewerkt. rits. open. jeuken kriebelen. een knoop leggen supermarkt supermarkt verwikkeling. gewetensvol optelling knopen. cru. veelomvattend treksluiting.suma modulo 2 suma montażowa suma zbiorów unia złącze suma brył sumator amplitudowy sumienia sumienie sumienny sumowanie supeł supermarket (duży supersam supła surowa bawełna surowcach surowy surowy surowy suszka suszyć Suszyć sutek suterena suty suwak suwak przewijania suweren (moneta) suweren moneta sweter sweter zapinany swędzenia swędzenie swędzić swoboda swobodnie swobodny swobodny sworzeń swój sybwencja Sycylia sycylijski syczeć sygnalizował sygnalizuje pracę urządzenia sygnał sygnał sygnał ostrzegawczy sygnał wejściowy somma. lampepit tepel. summa tal. straf vloeipapier dor. vrijheid. soeverein. los. duchtig. stipendium.

ondertekening handtekening. jodenkerk synchronisch syndroom syndicaat. claxon . cijferen silhouet.sygnał zerowy na wejściu sygnał zerowy na wejściu sygnał zezwalający sygnatura sygnatura zachowania Syjam syk sylaba sylwetce sylwetka sylwetka symbol symbol celowania(na ekranie dla pióra świetlnego) symbol niezdefiniowany symbol ogólny symbol waluty symbol zaznaczenia symboliczny translator programu symbolizować symbolizował symetria symetrią symetryczny symfonia symfonią sympatia sympatia sympatią sympatyczny sympatyzował symptom symptom nienormalnego zachowania symulować udawać chorego symulowany syn synagoga synchroniczny syndrom syndykacie syndykat sypać sypialni sypialnia sypki sypki syrena syreną invoer uitgeven. rondstrooien slaapkamer slaapkamer mul. symptoom. behaaglijk. accuraat zinnebeeld. symptoom. seinen handtekening. vakbond syndicaat. schaduwbeeld zinnebeeld. symmetrisch symfonie symfonie medegevoel. nauwkeurig. toeter. figuurlijk symboliseren symboliseren symmetrie symmetrie regelmatig. vakbond strooien. deelneming genoeglijk. gewrongen. emitteren een sein geven. vakvereniging. verschijnsel voorgeven. aangenaam meevoelen teken. rul mul kuif. verschijnsel teken. vakvereniging. overhandigen nauwgezet. accuraat aard. Siam sissen. symbool aanreiken. schaduwbeeld rekenen. deelneming smaken medegevoel. claxon kuif. doen alsof gekunsteld. nauwkeurig. geaardheid nauwgezet. toeter. symbool oneigenlijk. gemaakt zoon synagoge. ondertekening Thailand. fluiten lettergreep. syllabe silhouet. voorwenden. karakter.

sjaal Pan aanslag krankzinnig. waarderen. sjabloon. halsdoek. bouffante. schaak schatten. waarderen. respecteren kleerkast. hangkast kast kleerkast. rek kast schavot bende. stand van zaken situatie. lunair dolzinnig. stroop Syrisch Syrisch systeem. dol maan-. begroten achten. taxeren waarde. gek. geregeld systematisch uitzondering situatie. gehalte schatten. gek. achting eerbiedigen. madeliefje antwoorden. dolzinnig. kazemat . hangkast etagère. bestel meizoentje. stelsel.Syria syrop Syryjczyk syryjski system system gromadzenia i interpretacji danych system sieciowy system telewizji kasetowej system zero-jedynkowy systematyczny systematyczny sytuacja sytuacja sytuacja wyjątkowa szabla szablon szach (Iranu) szachownica szachowy szachy szacować szacować szacował szacunek szacunek szacunek szafa szafa ścienna szafą szafka szafka szafocie szajka szakal szakal szakal rz szal szala (wagi) szalka (wagi) szalony szalony szalony szalony szalupą szałas szałas Szałas Syrië siroop. begroten. achting hebben voor tel. krankzinnig uitschrijven. schare jakhals aasgier jakhals das. afdak bunker. ontketenen kinderbed luifel. bestel gelijkmatig. troep. dol. regelmatig. schaak schaakspel. schablone sjah schaakbord schaakspel. dol. stelsel. stand van zaken slagzwaard patroon. krankzinnig. dolzinnig gek. elektronisch systeem. taxeren. lanceren. antwoorden op electronisch.

nauwgezetheid boomschors. grauw een verband omleggen toga. vaccin. charlatan. vaccin. kwakzalver vaneenscheuren. vak. gat. keuvelen overeind gaan staan afdeling. grauw grijs. nauw inenten. gleuf sponning. praten. doorscheuren schokken aardbeving schokken grijs. afzonderlijk specifiek. eigenaardig afgezonderd. gedetailleerd. bedrieger bedrieger. in het klein stiptheid. vaccine entstof. vaccineren inenten. vaccine . treeplank babbelen. prullaria necrologie opstap. sleuf. nauwsluitend. sleuf. schors mond. gleuf sponning. accuratesse. garderobe puin. vestiaire. garderobe kleedkamer. item. vooral. gleuf sponning. vaccineren entstof. streng. tree. charlatan. afval. rommel. gleuf barst stipt. vaccin. vreemd. tak in het bijzonder. branche. achting hebben voor sprinkhaan kwakzalver. detail ampel. sleuf. vaccine entstof. sleuf.szampan szampon Szanghaj szanował szarańcza szarlatan szarlatan szarpać szarpnąć szarpnięcie szarpnięcie szary szary szata szata szatański szatni szatnia szczątki szczątkowy szczebel szczebiotać szczeciną szczególna cecha szczególnie szczególnie w USA szczególny szczególny szczególny szczególny szczegół szczegółowy szczegółowy szczekać szczelina szczelina szczelina do ręcznego podawania papieru szczelina sprzęgająca szczelina środkowa szczeliną szczelny szczepić szczepić (przeciwko chorobie) szczepionka szczepionka (program tworzący sygnaturę programu wykonywalnego szczepionka program tworzący champagne het haar wassen Sjanghai achten. inzonderheid inzonderheid. vestiaire. afgezonderd gek. japon. raar. soortelijk bijzonderheid. jurk satanisch kleedkamer. opening sponning. in het bijzonder afzonderlijk. opstapje.

neus. knijpen. ongeveinsd. kletteren. top. klikken geluk Fortuna lot. spits spits. zindelijk mennen. nijpen hoogtepunt.sygnaturę programu wykonywalnego szczerość szczerość szczerość szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczerze szczerze mówiąc szczęka szczęka szczękać szczękać szczęścia szczęście szczęście szczęście szczęśliwie szczęśliwy szczodry szczotka szczotka porównawcza szczupak szczupły szczupły szczur szczycie szczycie szczypać szczypał szczypał szczypce szczypce do cukru (w kostkach) szczypcie szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt (np. schuieren borstelen. toppunt spits. eerzaam. top. onvervalst eerlijk. kletteren. punt. rondweg ronduit. piek klemmen. dirigeren. borrel doortrapt. puur. open en bloot. degelijk natuurlijk oprecht. piek afknotten hoogtepunt. tip. piek afknotten hoogtepunt. schaar nijptang klemmen. open en bloot. schoon. kaak klikken. punt. besturen authentiek. tokkelen. zenit monteren. fortuin. tip. gewiekst. toppunt piek. neus. aalwarig. richten. klappen. eenvoudig ronduit. mager. slank. listig knijper. zetten spits. gegrond rein. punt. klakken. fortuinlijkheid geluk gelukkig gelukkig royaal. toppunt afknotten . innig aalwaardig. genereus. tokkelen. neus. schuieren snoek sprietig. knijpen. dun. rondweg wang. gul. slim. klappen klakken. kaak kakement. tip. nijpen aperitief. luchtig rank. doskonałości) szczyt (stosu) szczyt stosu szczytowy szczytowy poziom openheid oprechtheid. neus. openhartigheid juist. schraal. tenger rot. top. rat hoogtepunt. top. goedgeefs borstelen. gelijk hebbend. punt. koon. tip.

cambio uitstippelen. particulier feuilleton. ellendeling. ruimheid. afgeven verspreiden. rang besloten. verbreiden. gebieder. kwaadspreken. schetsen. ruisen ritselen. boezem afschaduwing wissel. verbreiden. ruim. blok zes zes zestig zestig zestigste naad. voeg dichtnaaien. murmelen (v. dobbelsteen. belasteren afjakkeren. ontwerpen . chef aanvoerder. afmatten karmozijn. gebieder. chef. donkerrood karmozijn. blok derde macht. royaal breedvoerig. breedte sheriff. gebieder.szef szef szef (w firmach polskich prezes) szef kuchni szejk szelce szelescie szelest szeleścić szelma szepcie szept szept szeptać szeptać szereg szereg szereg zbieżny bezwzględnie szeregowiec szeregowy szeroki szeroki szeroko szerokość szeryf szerzenie szerzyć szesnastkowy szesnaście sześcian sześcian kierunkowy sześcian wokseli sześć sześć pensów sześćdziesiąt sześćdziesiątka sześćdziesiąty szew szew szewc szkalować szkapa szkarłat szkarłatny szkatułka szkic szkic szkic chefkok. baas sjeik span ritselen. ris. dobbelsteen. baas. stand. blok derde macht. chef aanvoerder. ruisen ritselen. zestientallig zestien derde macht. beekje) gefluister. groot. privé-. hechten schoenmaker roddelen. dobbelsteen. set. murmelen (v. beekje) gefluister. reeks graad. afgeven hexadecimaal. vervolgverhaal breed. fluistering roeien serie. landrechter verspreiden. ruisen boef. fluistering murmelen. fluistering murmelen. groot. wijd breedvoerig. ploert gefluister. ruim. baas. donkerrood borst. status. rist. royaal wijdte. chef aanvoerder. afbeulen. schavuit.

edel adel. glas verglazen. school college leerschool. wond. inval afkerig schadelijk ongedierte kwetsen. schaden invasie. edelen kamerjas slib. foutief. edelen edelheid nobel. raam drinkglas. afsluiting. raam schavot skelet. heining nobel. schetsen. geraamte kader. school Schot Schotse barrière. gebeente. omlijsting. glas bril drinkglas. verwonding schade. schaden kwetsen. lijst. glas Schotland Schot Schots schade aanrichten. school leerschool. letsel toebrengen onjuist. gebeente. omlijsting. glanzen emailleren emailleren drinkglas. inval invasie. inval invasie. edel adel. drek. letsel toebrengen blessure. ontwerpen skelet. slijk snikken snikken . modder. verkeerd duim als lengtemaat gevolg leerschool. school leerschool.szkicować szkielecie szkielet szkielet szkielet szkielet (konstrukcji) szklanka szklić szkliwa szkliwo szkło szkło szkło powiększające Szkocja szkocki Szkocki szkoda szkoda szkoda szkoda szkoda następcza szkodliwa inwazja szkodliwe naruszenie ochrony szkodliwe włamanie szkodliwy szkodliwy szkodnik szkodzić szkodzić szkolenie wspomagane komputerowo szkolić szkolny szkoła szkoła (średnia lub wyższa) szkoła z internatem szkoła zawodowa Szkot Szkotka szlaban szlachecki szlachetność szlachetność szlachetny szlachta szlafrok szlam szloch szlochać uitstippelen. hek. kwetsuur. lijst. iets betreurenswaardigs schade aanrichten. geraamte kader. glazuren.

bespieden kegel kegel kegel spinazie hospitaal. guur. spoel klos. wereldruim. graven vlechten spreeuw kolom. spitsroede.szlochaćSOB> szmaragd szmaragdowy szmata szmer sznur połączeniowy sznurek sznurowadło sznurowadło sznurowadło sznycel szofer szofer szok szopa szorstki szorstki szorty szosa szowinista szowinizm szósta część szósty szpadel szpagat szpak szpalta szpara szparag szparą szperać szpicruta szpiczasty szpieg szpiegować Szpila szpilce szpilka do włosów szpinak szpital szpon szpon szpula szpula taśmy szpulce szpulce szrama szrapnel snikken smaragd smaragd vodje. flard murmelen. klos. colonne barst asperge ruimte. stemband. baan. snaar fijnhakken bestuurder. snaar met een band omgeven kant rijgveter. lap. route chauvinist chauvinisme zesde zesde woelen. wondteken granaatkartets. onbehouwen. stemband. lor. bestuurder opschudden. veter. spitten. bot. friemelen. spits spieden. shrapnel . grof. afdak doordringend. schudden. klos. bobine litteken. bespieden spieden. fel. nagelen klos. cru korte broek. beloeren. pilaar. speling morrelen. beekje) koorde. broek weg. bestek. bobine bobine. stokje puntig. spoel bobine. beloeren. murmelen (v. ziekenhuis klauw spijkeren. schokken luifel. spoel. kniebroek. nestel koorde. bijtend onbewerkt. chauffeur conducteur. tod. spoel. steunpilaar. gasthuis. vod. lomp. scharrelen roede. gard.

vermengen mengen. vlag regel. la. gewrongen. standaardmaat. lade het uiterlijk hebben van. onnatuurlijkheid aangedaan. galerie kunst aanwensel. bobine mengen. bank rek. stug afgemeten. dundoek. afdammen verbleekt rek. bok. gonzen. mixen. gemaakt gekunsteld. bok. gang. gewrongen. brommen ophef. drama fragment. opscheppen schuiflade. gemaakt kunst toneelstuk. razen. lawaai. vermengen naaister Zwitsers Zwitserland Zwitsers Zwitsers Zweden Zweed Zweeds zwendelen. herrie snorren. bank vaan. streek. ezel. afsluiten. kneep. stijf. norm Stockholm gaanderij. gonzen. schraag. temperen. brok oorlog. gonzen. rumoer. herrie snorren. rumoer. er uitzien snorren. leven. brommen ophef. klos. ceremonieel scheppen. galerij. hebbelijkheid vuurwerk aanstellerij. razen. krijg kunst een duw geven. leven. brommen spoel. schraag. temperen. ezel. aangegrepen gekunsteld. plechtig. toestoten. razen. knoeien foefje. aanstoten kegel dolk dolk stram.sztab sztaba sztacheta sztaludze sztaluga sztandar sztandar Sztokholm sztolnia sztuce sztuczka sztuczne ognie sztuczność sztuczny sztuczny sztuczny satelita ziemi sztuka sztuka sztuka sztuka panowania sztuka wojny szturchnięcie sztyft sztylecie sztylet sztywny sztywny szufla szuflada szukać szum szum szum śrutowy szum zka szumieć szupla szurać nogami szuranie (nogami) szwaczka szwajcar Szwajcaria szwajcarski Szwajcarzy Szwecja Szwed szwedzki szwindel szwindel staf belemmeren. kunstgreep . lawaai. mixen. houterig. frauderen. star.

gracht. glas glaswaar. zweefvliegtuig aanzetten. gezwind. vensterruit. spotten. gauw gezwind. haastig. chic. nummer code cijfer. verhouding. evenredigheid snelheid. karwei. in allerijl proportie. spoedig. rail boomstam. gauw snel. aannaaien. glaswerk glaswaar. hard. ginnegappen bespotten. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. schielijk. radheid snelheidsgrens snelheid. haastig. radheid snelheid. hals treffen. arbeid grijnslachen. piekfijn shilling chimpansee opvoeden. spotlachen. piekfijn sjiek. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. greppel. werk. glaswerk vasten snel. gezwind. gauw snel. kuil drinkglas. honen grijnslachen. gezwind.szwindlować szyb szyba szyba (okienna) szybą szybki szybki szybki układ logiczny tranzystorowotranzystorowy szybki układ scalony TTL szybki układ scalony TTL szybki zarobek szybko szybko szybko schnący szybkość szybkość szybkość klatek szybkość zapisu szybkość zapisywania szybować szybować szybowanie szybowca szybowiec szybowiec szyć szyć szydełkować szyderczy uśmiech szydzić szydzić szyfr z bieżącym kluczem szyfr złożeniowy szyfrować szyfrować szyfrował szyja szyk bojowy szyk bojowy szykowny szyling szympans szyna szyna szyna pamięciowa szyna sterująca szynka zwendelen. snel spoedig afgrazen gauw. haastig. groef. gauw. radheid vliegmachine. zweefvliegen zeilvliegtuig. vaart. rail spoorstaaf. spotlachen. spoed. vaart. vastnaaien steek emplooi. vliegtuig een glijvlucht maken. spoedig. zweefvliegen een glijvlucht maken. ginnegappen cijfer. knoeien groeve. kamp sjiek. spoedig. nummer versleutelen versleutelen nek. vaart. schielijk. stam ham . vensterruit. in allerijl gauw. chic. hard. spoed. spoed. spoedig. frauderen. haastig. slag. strijd. onderwijzen spoorstaaf. gevecht.

volksstam aandrang. karrespoor . houterig. run jam. afwissen afschaving flanellen laken doordringend. knellen merken. stijf. bemachtigen comprimeren knuffelen drukken. innen. knellen strakker aantrekken. rechtvaardig drukken. duchtig. borrel inderdaad. fel. spoor steeg pad. marmelade grijpen. droppelen. aantrekken drukken. waarachtig billijk. paadje afdruk. moes. bijtend merken. afdruipen cloaca. inzamelen downloaden rukken steek steek neerdruipen. stiptheid. stiptheid. juist. stam. stug specifiek. guur. nauwgezet. metterdaad. nauwgezetheid nauwgezetheid. accuraat precies. knellen accuratesse. accuratesse nauwkeurigheid. persen. scherp. spoor spoor. persen. voetspoor. dringen. hard jam. minutieus stram. bar. wagenspoor. afdrogen. straf. paadje vermorzelen.szyszka ściągać ściągać dane z serwera ściągnąć ścieg ścieg wsteczny ściek ściek ściekać ścierać ścieranie się ściereczka ścierka ścierny ścieżka ścieżka ścieżka wyszukiwania ścieżka zapisu ścieżka zastępcza ścięcia ścigać ścigać sądownie ścigać się ścisk ścisk ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać kurczowo ścisłość ścisłość ścisłość ścisły ścisły ścisły ścisły ścisły ścisnąć ścisnąć ściśle ściśle ściśnięcie ślad ślad ślad ślad kegel collecteren. riool druipen. persen. toeloop. fair. star. zinkput. verbrijzelen najagen. dringen. moes. tekenen afbakenen afdruk. voetspoor. marmelade aperitief. soortelijk streng. dringen. wissen. druppelen afvegen. tekenen pad. stiptheid. precisie precies. nastreven een proces aanspannen tegen geslacht. intrappen.

dodelijk dood. examen. echt. stoutmoedig. blanco. zeveren. lachbui. speeksel. wagen moorddadig. vliegtuig een glijvlucht maken. spuug slabbetje speeksel afscheiden. genoeglijk schroef. voetspoor. echtverbintenis bruiloftsfeest. puin zich vermetelen. zever. bruiloft echten. blank behaaglijk.ślad rewizji Śląsk śledzić śledzić śledzić śledztwa śledztwa śledztwo śledź ślepa kiszka ślepa uliczka ślepota ślepy ślepy nabój śliczny ślimak ślimak ślimak (współpracujący z kołem zębatym) ślina śliniaczek ślinić się śliski śliwce śliwka ślizg ślizgać się ślizgać się po wodzie ślub ślub ślubny ślusarz śluz śluza śmiać się śmiało śmiało śmiały śmiały śmiały śmiały śmiech śmiech śmieci śmiecie śmieć śmiercionośny śmierć afbakenen Silezië afluisteren afbakenen afdruk. huisjesslak worm. aanhangsel doodlopende weg blindheid blind wit. brutaal voorspeler. onderzoek keuring. oningevuld. zweefvliegen vliegmachine. het verdommen. gedurfd. brutaal stoutmoedig. examen. afval. gedurfd. schroefdraad slak. stoutmoedig. stout. stout gedurfd. modder. prullaria. ontbloot van brutaal. ongrijpbaar. haring bijlage. allicht gespeend van. hilariteit afwijzen. stout. aanvaller lachen gelach. onderzoek zeebanket. zweefvliegen huwelijk. overlijden. sterfgeval . propeller. slijk slot lachen met gemak. appendix. afkeuren rommel. spoor enquête keuring. drek. glibberig pruim pruim een glijvlucht maken. legitimeren slotenmaker slib. wurm kwijl. kwijlen glad.

centrum middelpunt. schroefdraad. doorsnee. doorsnee. binnenste gemiddeld. amuseren. zangboek gemiddeld gemiddeld middellijn. laxans gemiddeld. voortmaken gezang. lied zangeres zingen. binnenste. vermakelijk vla vla bloesem propeller. binnenlands. vies ruiken moorddadig.śmierdzący śmierdzieć śmierdzieć śmiertelnie śmiertelnik śmiertelny śmieszny śmieszny śmieszny śmieszyć śmieszyć śmietana śmietanka śmietanka (towarzyska) śmigło śniadania śniadanie śnieg śnieżenie śnieżyć śpiący śpiący śpieszyć (się) śpieszyć się śpieszyć się śpiew śpiewaczka śpiewać śpiewak śpiewnik średni średni stopień scalenia średnica średnicą środa środą środek środek środek środek ośrodek środek antyelektrostatyczny środek chwastobójczy środek miotający do broni palnej środek znieczulający środki środkowy środkowy środowiska stinkend smoken. diameter woensdag woensdag middelpunt. onderhouden aardig. amusant. binnenste. centrum beter maken. lachwekkend. zang. middelbaar milieu. omgeving . medium. voortmaken haastig. werktuig intern. roken stinken. belachelijk. haast maken. slaperig slaperig spoed maken. gezangbundel. middelbaar middel. dodelijk sterfelijk sterfelijk vermakelijk. haast maken. genezen. schroef ontbijt ontbijt sneeuwen sneeuwen sneeuwen druilerig. gehaast spoed maken. amusant belachelijk gek. mal opvrolijken. diameter middellijn. leuk. helen gemiddeld antiseptisch middel afwasmiddel laxeermiddel. leuk. bezingen zangeres gezangboek.

bedrijf. bewustzijn bezinning. verhouding. omgeving Middellandse Zee propeller. neuken schroevedraaier schroevedraaier spiraal pré. bewust welbewust. besef. kaars . candela. stuk getuige getuige bezinning. medium. bedrijf. bewust welbewust. doen ontbranden. aanmaken proportie. candela. schroefdraad. acte. besef. wereld aansteken. besef. neuken naaien. świadczyć świadczyć świadectwa świadectwa świadectwo świadectwo odporności na promienie Rentgena świadek świadek naoczny świadomość świadomość świadomość istnienia produktu świadomość przekazu reklamy świadomy świadomy świadomy (<of sth> czegoś) świat światło światło działania światło punktowe światło stopu w samochodzie światłoczułość światłowód światowy świąteczny świątobliwy świątyni świder świder świdrach świeca świecą świeczka gemeente. medium. aanmaken daglicht zonlicht aansteken. getuigen getuige acte. gemeenschap tafereel. akte. stuk certificaat. stuk acte. beschrijving milieu. bewustzijn bezinning. bewustzijn bezinning. besef. dokument. dokument. neuken naaien. candela. omgeving milieu. schroef naaien. voordeel certificeren. sacraal. medium. medium. akte. geheiligd slaap beting accolade bretels kaarsensterkte. evenredigheid vezel wereldwijd festival gewijd. bedrijf. bewust aardrijk. kaars kaarsensterkte. kaars kaarsensterkte. schildering. dokument. attest. akte. bewustzijn welbewust. omgeving milieu.środowisko środowisko CDE środowisko graficzne środowisko grupy roboczej środowisko zabezpieczeń środowisko zespołowe śródziemnomorski śruba śruba śruba (statku) śrubą śrubokręcie śrubokręt śrubowaty świadczenie (z tytułu polisy ubezp. heilig. doen ontbranden. getuigenis acte. omgeving milieu.

świecznik świecznik świergocie świergot świergot świergotać świerszcz świetlik świetlik świetnie się bawić świetność świetny świetny świeży świeży święcie świętej pamięci świętej pamięci święto święto świętować świętował święty święty święty Mikołaj świni świnia świnka morska świscie świst świt świt świt świtać tabela tabela woluminu tabernakulum tabletce tabletka tablica tablica tablica (szczególnie pamiątkowa) tablica autoreferencyjna tablica odwołująca się do siebie tablica odwzorowanie tablica ogłoszeń tablica rozmieszczenia pliku tablica samoodniesieniowa

kandelaar, blaker kroonluchter, kroon, luchter piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen krekel, kriek vuurvliegje dakraam, patrijspoort, luik net, mooi gezag, prestige, autoriteit groots, grandioos, overweldigend tof, tiptop, excellent, kostelijk vers, onbedorven, luchtig, fris luchtig, fris, vers, onbedorven snipperdag, vakantiedag, rustdag vergevorderd, laat later festijn, feestmaal, smulpartij, gelag snipperdag, vakantiedag, rustdag vieren, opdragen, celebreren vieren, opdragen, celebreren gewijd, heilig, sacraal, geheiligd heilige geheiligd, gewijd, heilig, sacraal zwijn, varken zwijn, varken Guinees biggetje, cavia ritselen, ruisen fluiten, gieren aurora, morgenlicht, morgenrood dageraad, aanbreken van de dag zonsopgang aurora, morgenlicht, morgenrood tabel, tafel, lijst tabel, tafel, lijst tabernakel tafel, tabel, lijst tafel, tabel, lijst aanklampen, zich vastklampen aan dashboard, instrumentenbord, beschot tafel, tabel, lijst aanplakbord aanplakbord landkaart, kaart aanplakbord lijvig, dik aanplakbord

tabliczka tabliczka tabliczka dźwiękowa taborecie tabulacja tabulator tabulogram informować tabulowanie taca taca taca zabezpieczająca tacą taczka tajać tajemnica tajemniczy tajemny tajfun tajny tajny agent tak tak jak tak jest tak samo tak samo jak tak więc tak! wiele takcie taki taki taki owaki taksometr taksówce taksówce taksówka taksówka takt takt takt takt takt zegara taktyczny taktyczny taktyka także także także także <casement window>

belemmeren, afsluiten, afdammen fotografische plaat, plaat tafel, tabel, lijst kruk, taboeret tafel, tabel machine informeren, berichten, inlichten tafel, tabel schotel, schaal dienblad, presenteerblad bakvis dienblad, presenteerblad kruiwagen wegsmelten, dooien, ontdooien mysterie, raadsel, geheimenis mysterieus, geheimzinnig occult tyfoon confidentie verstand, geest, intellect ja, jawel ja, jawel voor, als, bij wijze van, hoe, tot dito, identiek als volgt als volgt ergo, dus, ook weer, toch ritme, tact, maat, beleid ergo, dus, ook weer, toch dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een uurwerk, klok vigilante, huurrijtuig, aapje taxi vigilante, huurrijtuig, aapje taxi afranselen verzekeren, beweren ritme, tact, maat, beleid teek teek tactiek tactiek tactiek evenzeer, ook, mede, eveneens verzenden evenzeer, mede, eveneens, ook aan, tegen, voor, tot, bij, naar

także <fag> także celny strzał w to miejsce talencie talent talent talerz z tworzywa do rzucania talia talia talia kart talon tam tam tam i z powrotem tama tamci Tamiza tamować tamować tampon tampon tamte tamten tamten tancerz tandeta tango tani tani hotel/pensjonat tani jak barszcz taniec tankwać tańczyć tańczyć tango tańczyć walca tapczan tapeta taras tarcie tarcza (telefonu targ targi targnięcie targować się targować się tarka tarsować taryfa taryfa

verzenden evenzeer, ook, mede, eveneens talent, gave, aanleg, begaafdheid gift, geschenk, donatie, cadeau talent, gave, aanleg, begaafdheid fotografische plaat, plaat verdek, scheepsdek, dek middel, leest, taille middel, leest, taille bon, voucher, kaartje, coupon ginds, aldaar, daar, er, daarginds ginds, er, aldaar, daarginds, daar ginds, aldaar, daar, er, daarginds afsluiting, barrière, dam, sperdam dat, datgene, zulks Theems blokkeren, vastzetten afsluiten, belemmeren, afdammen blok tampon dat, datgene, zulks dat ginds, er, aldaar, daarginds, daar danseres rommel, afval, prullaria, puin tango, stampen goedkoop goedkoop goedkoop bal, danspartij reservoir, vergaarbak bal, danspartij tango, stampen wals divan, Turkse staatsraad, rustbank behang terras wrijving wijzerplaat marktplein, markt, bazaar, marktplaats marktplein, markt, bazaar, marktplaats schokken afdingen, pingelen, marchanderen pingelen, afdingen, marchanderen raspen afsluiten, belemmeren, afdammen proportie, verhouding, evenredigheid dienstregeling, rooster

tarzać tasiemka tasować tasowanie (kart) taśma taśma taśma taśma poprawkowa taśma zmian taśma źródłowa systemu tato tato tatuaż tatuować tatuś tatuś tawerna tawerna tawerną tchawica tchórzliwy tchórzostwa tchórzostwo te teatr teatr rewiowy teatralność teatralny teatralny technice techniczny techniczny ośrodek przetwarzania danych technika technika technika technika grubowarstwowa technika cienkowarstwowa technika rozpoznawania obrazów technika światłowodowa technika wykrywania błędów technologia technologia) drop-on-demand technologią teczka teczka teczka konfiguracyjna teka

broodje, bolletje, kadetje, kadet band, lint mengen, temperen, mixen, vermengen mengen, temperen, mixen, vermengen schare, troep, bende band, lint met een band omgeven videoband met een band omgeven schare, troep, bende pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie taptoe taptoe pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie drenkplaats, bar, café herberg, uitspanning herberg, uitspanning luchtpijp geel lafhartigheid, lafheid lafhartigheid, lafheid dit, dit hier schouwburg, toneel, theater schouwburg, toneel, theater melodrama schouwburg, toneel, theater schouwburg-, toneel-, theatertechniek technisch technisch techniek techniek technologie techniek techniek doortrapt, slim, gewiekst, listig schouwburg, toneel, theater technologie techniek technologie technologie boekentas, theca, aktentas portefeuille leden, aanhang boekentas, theca, aktentas

tekscie tekst tekstylia tekstylny tektura teledysk telefon telefon wewnętrzne telefon wewnętrzny telefoniczna pomoc techniczna telefonujący telegraf telegraf Baudot—Verdan telegraficzny telegrafować telegram telegram teleJkomunikacja telemetria teleskop telewizja telewizja telewizją temacie temacie temat temat temat temat podmiot tempa temperamencie temperament temperatura temperatura złącza p-n temperaturą tempo tempo tempo wielkość (miara względna) ten ten ten kto przeżył ten zielony tendencja tendencja tenis tenor teologia teologia theorem

tekst tekst weefsel weefsel kartonnen knippen, scheren, snoeien opbellen, telefoneren opbellen, telefoneren achtervoegsel, suffix adresboek bezoeker overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen telegram metaaldraad, draad communiqué telemetrie sterrenkijker, telescoop, verrekijker televisie televisie televisie onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit stof, onderwerp, subject onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit iets actueels, actualiteit treden, schrijden, stappen, lopen temperament temperament temperatuur temperatuur temperatuur proportie, verhouding, evenredigheid snelheid, vaart, spoed, radheid lopen, stappen, treden, schrijden dat dit, dit hier dito, identiek dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een afdrijven, op drift zijn, drijven wilsbeschikking, gesteldheid, aanleg tennis tenorstem, tenor theologie, godgeleerdheid theologie, godgeleerdheid

teologią teoretyczny teoria teorią terapia terapią Terasa teraz teraz gdy teraźniejszy teren teren termin termin termin termin termin amerykański termin brytyjski termin prawniczy termin przeciwstawny terminal wizyjny terminal znakowy prosty terminologią termometr termos termostacie termostat terror terrorysta terroryście terroryzm terroryzować terytorialny terytorium test test wewnętrzny test zgodności testamencie testament testament testować teza tezą też też nie też nie też nie tęcza

theologie, godgeleerdheid akademisch, academisch theorie theorie therapie therapie terras enfin, komaan, nou, nu, wel, tja enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig, actueel achtergrond, grond, bodem, ondergrond terrein benaming, naamwoord, naam dadel, dactylus affiche, aanplakbiljet, plakkaat term, vakterm Amerikaans Brits wettig, wettelijk, gewettigd, legaal tegenover, aan de overkant van scherm, schut terminal terminologie, vakwoordenboek warmtemeter, thermometer thermosfles thermostaat thermostaat terreur, schrikbewind terrorist terrorist terrorisme schrik aanjagen, doen schrikken territoriaal territoir, ban, gebied, grondgebied examen, keuring, onderzoek binnenste, binnenlands, intern examen, keuring, onderzoek verbond, uiterste wil, testament verbond, uiterste wil, testament uiterste wil, verbond, testament examen, keuring, onderzoek proefschrift, stelling, dissertatie proefschrift, stelling, dissertatie evenzeer, ook, mede, eveneens evenmin, noch neen, geen, nee, niet evenzeer, mede, eveneens, ook regenboog

tęczą tęczówka (oka) tęczówka oka tęgi tępić tępy tępy tępy ić tęsknić tęsknota tęsknota tęsknota za krajem tętnica tętno the former>ten pierwszy tkać tkanina tkanina do robienia worków tkanina nieprzemakalna tkwiący tkwić tlen tlen cz tlenić (włosy) tło tło okna tłoczyć się tłoczyć się tłok tłok tłok tłuc Tłuczek tłum tłum tłum tłumacz tłumaczenia tłumaczenie tłumaczenie (tekstu) translacja tłumaczenie języka symbolicznego tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć język symboliczny zestawić tłumaczyć się tłumaczyć się

regenboog Iris Iris gezet, zwaarlijvig, corpulent verdelgen, uitroeien bot, stomp gesmoord, toonloos, stomp, dof bot, stomp verlangen, hunkeren, reikhalzen verlangend, smachtend heimwee verlangend, smachtend slagader, arterie pols, polsslag, tel daarvoor, vooraan, eerder, indertijd weven weefsel weefsel weefsel aangeboren, ingeboren kleven, vastkleven, aanhangen zuurstof zuurstof water achtergrond achtergrond hoop, boel, drom, massa, menigte kudde, roedel hoop, boel, drom, massa, menigte zuiger pers temperen, mengen, mixen, vermengen stamper, vijzelstamper hoop, boel, drom, massa, menigte gastheer massa, drom, hoop, menigte, boel interpreter uitvoering, versie translatie, translaat, overzetting translatie, translaat, overzetting samenscholing vergaderen, samenkomen, bijeenkomen uitleggen, interpreteren, duiden pleiten translateren, overzetten, vertalen translateren, overzetten, vertalen uitleggen, interpreteren, duiden reproduceren, weergeven

tłumaczyć z języka programowania na język angielski tłumić tłumić tłusty tłusty tłusty tłusty tłuszcz tłuszcz wielorybi tłuszczowy to to to to samo toalecie toaleta toaletka toast tobołek todze todze toga tok tokarka tokarnia token tolerować tolerować tolerował tolerował tolerując tom tom (dyskowy)objętość głośność ton ton odcień tona toną tonąć tonąć topić Topić topić się topnieć topnieć topola topór tor

translateren, overzetten, vertalen doven, blussen, uitdoen, uitblussen onderdrukken, smoren, neerslaan gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal lijvig, dik vettig, vet dik, vettig, vet lijvig, dik invetten lijvig, dik best het dat dito, identiek privaat, secreet, toilet privaat, secreet, toilet ladenkast, commode branden, braden, roosteren bundel, wis, bos toga, jurk, japon toga, japon, jurk toga, jurk, japon tracé, route, leergang, cursus, koers draaibank, draaischijf draaibank, draaischijf adstructie, teken, bewijs te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten aanhoudend, blijvend, bestendig geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume intonatie, toon intonatie, toon ton ton verdrinken, verloren gaan, vergaan zinken, aan de grond raken verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien dooi peppel, populier hakbijl, bijl afdruk, voetspoor, spoor

tor żużlowy tor/szlak wodny torba torba (foliowa torba na zakupy torbą torebka torebka damska torf torfowiska torfowiska torfowiska torfowiska tornister tornister torować drogę torpeda torpedą torpedować tors tort tortura torturą torturować tortury tory kolejowe totalny towar towar towar towar na składzie towar wyrzucony za burtę towar wyrzucony za burtę towarach towarzyatwo towarzyski towarzystwo akcyjne towarzysz towarzysz towarzysz towarzysz zabaw dziecinnych towarzyszący towarzyszący towarzyszący towarzyszyć towarzyszyć tożsamość tracić zabarwienie

steeg afdruk, voetspoor, spoor tas, zak consument, gebruiker, verbruiker tas, zak tas, zak beurs, portemonnaie, geldbuidel tasje, reticule, handtasje turf onderbinden Moriaan, Moor aanbinden, meren Mauretaniër knapzak, ransel knapzak, ransel genist, geniesoldaat, baanbreker torpederen torpederen torpederen boomstam, stam koek, cake folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen spoor, spoorweg algeheel, totaal handelsartikel, artikel colli, goederen koopwaar, handelswaar, waar handelsartikel, artikel mikpunt, onderwerp, object, ding dingen, spullen handelswaar, koopwaar sociëteit, club sociaal, maatschappelijk firma, handelsfirma, handelshuis zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker maat, kornuit, kameraad, makker zich aaneensluiten, aansluiten ingesloten, bijgaand zich aaneensluiten, aansluiten steward vergezellen, accompagneren, begeleiden verplegen, zorgen voor, verzorgen identiteit dalen, kleiner worden, afnemen

sturen. mazzel. portier tragisch tragisch tragisch afdruk. dundoek. naast. cureren behandelen. spoor verdrag. omroepen opsturen. sturen. kloppen. aan de hand zijn slaan. voeren . ding transactie transactie transactie extern. toevallig Fortuna lot. overlevering gewoon. traktaat. buiten-. uitdelen behandelen. tractor trekker. houwen. omroepen uitzenden. vlag transporteren. omroepen uitzenden. verhandeling verdrag. klappen slaan. vandehands conciërge. bij uitzenden. omroepen uitzenden. behandeling kuur. ronddelen. kloppen. affaire. motie aan. buitenkansje slaan. kloppen. verhandeling trekker.tradycja tradycją tradycyjny tradycyjny tradycyjny traf traf traf traf trafić trafić się trafienie trafna odpowiedź trafienie trafny tragarz tragedia tragedią tragiczny trakt traktacie traktat traktor traktor do transporu drewna traktować traktować traktować na serio traktowania traktowanie tramwaj tramwaj transakcja transakcja transakcja globalna transakcją transcendentny transformować translacja translator adresów transmisja pojedyncza na żądanie transmisja radiofoniczna transmisja radiowa transmitować transmitować transmitować (do wszystkich węzłów sieci) transmitował transparencie transport traditie. klappen gebeuren. fortuinlijkheid bof. houwen. dichtbij. geluk. doen toekomen opsturen. uiterlijk vervormen resolutie. klappen rechter-. gebruikelijk ouder traditioneel incidenteel. overlevering traditie. sturen. fortuin. cureren kuur. doen toekomen vaan. uitwendig. tractor rondgeven. voetspoor. houwen. zaak. overbrengen. nabij. traktaat. behandeling tram tram aangelegenheid. doen toekomen opsturen.

voeren tor. melaatse gejubel . passage. goedje. de trompet steken. toestoten melaatsheid. aanstoten slaan. klappen. acne. de trompet steken. vergenoegd. een duw geven. voeren trekken transporteren. verduwen. opvallen stortplaats aanstoten. tracé. baanvlak vlotten. grasveld. transistor rechtopstaand. route. tracé. sociëteit angst drillen. overbrengen. substantie lepralijder. spijsvertering ets perk. gazon. baanvlak reisplan. dobberen. schuit vlot gras gras gras verteren. kort. tenor aanklacht. stof. baanvlak luchtweg reisplan. toestoten aanstoten. drijven vlot boot. doorgang reisplan. leproos. toeten een duw geven. voldaan inhoud kernachtig. lepra eczeem. een duw geven. toestoten. toeten toeteren.transport klucza transportować transportować tranzystor tranzystor polowy z rowkiem w ksztaJcie V tranzytywny trap trasa trasa domyślna trasa zastępcza ścieżka zastępcza trasować tratwa tratwa tratwa ratunkowa tratwą trawa trawa rosnąca na wydmach trawą trawić trawienia trawienie trawienie światłem przechodzącym trawnik trąba trąbce trąbka trącać trącać trącać łokciem trącenie łokciem trącić łokciem trąd trądzik trefl trema trenować tresować treśc treśc treściwy treść treść treść ruchu pakietów treść zasadnicza (dane właściwe przesyłane w pakietach sieciowych) trędowaty triumf transporteren. overgankelijk overgang. tracé. route. de trompet steken. bondig. route. beschuldiging spul. spijsvertering digestie. oefenen boren tevreden. grasmat toeteren. toeten toeteren. kloppen. verticaal transitief. overbrengen. dauwworm club. digereren digestie. beknopt inhoud tenorstem.

verdriet. bezorgd zijn. drank. min. spoor tropisch acht. klein trolleybus troon afbakenen aanhangwagen afdruk. voetspoor. kadaver. lijk aardbei aardbei aanhouden. constant. attent. moeilijk. bestendig volhardend vasthoudend gestaag. triangel een duw geven. bestendig blijvend. vergallen. vergiftig. zegepralen. slim hard venijnig. bezorgd zijn.triumf triumfować triumfowanie trochę trolejbus tron trop tropiciel stopka(listy) tropić tropikalny troska troska troska troskliwie troskliwy troskliwy troskliwy troszczyć się trójca trójkącie trójkąt trucht trucizna truciźnie trudność trudność trudność trudny trudny trujący trumna trunek trup trupa trupa trupą truskawce truskawka trwać dłużej niż trwała ondulacja trwałość poprzez dziedziczenie trwały trwały trwały trwały trwały trwały identyfikator trwoga zegevieren. strubbeling knopen. voorzichtig aandachtig. toestoten. blijven aandringen Perm leven. kreng. attentie. zorgen tel. bende troep kreng. een knoop leggen zwaar. achting zachtjes. blijvend. leed bezwaar. giftig doodkist. triomferen zegevieren. triangel driehoek. aandacht zich bekommeren. zorgen Drieëenheid driehoek. bestendig angst . lastig. aanhoudend gestaag. constant. triomferen gejubel gering. alcoholische drank lijk. oplettend behoedzaam. vergallen. luttel. karig. aanstoten vergiftigen. moeilijkheid. voorzichtig nadenkend zich bekommeren. zegepralen. vergeven smart. hachje aanhoudend. kadaver horde. kist alcohol. vergeven vergiftigen.

trant gemoedstoestand. fladderen beven. knetteren dichtslaan aardbeving schokken opgooien. stemming manier. rillen. knetteren dichtslaan knapperen. moreel. gooien rillen. driedubbel . trigonometrie trillers maken triljoen verspuiten. applaudisseren aan de scharrel zijn. podium driehoeksmeting. opspatten. kletteren. aantonende wijs indicatief. aanvoegende wijs indicatief. wijze. beven. mijnschacht drie drie dertig dertig drievoudig. omroepen tribune. huiveren knapperen. trant manier.trwonić tryb tryb tryb (pracy) rodzaj uprawnienia tryb dostępu (w Uniksie) tryb łączący tryb oznajmiający tryb oznajmujący tryb przezroczysty (wykonywania operacji) trybuna trygonometria trygonometrią tryl trylion tryskać trzask trzaskać trzaskać trzaskać trzaskanie trzaśnięcie trząść trząść się trząść się trząść się trzcina trzcina trzcina trzcina cukrowa trzciną trzeba przyznać że trzeci trzeci migdał trzeć trzepnięcie trzepotać skrzydłami trzepotanie trzeszczeć trzeźwy trzęsienie ziemi trzmiel trzon trzy trzy pensy trzydziestka trzydzieści trzykrotny verklungelen. verdoen manier. kletteren. bibberen. leiding. wijze. trigonometrie driehoeksmeting. stuiven dichtslaan barst knapperen. trant conjunctief. stok toegegeven derde derde aanstrijken. uitwrijven adhesie betuigen. stok staf. aantonende wijs uitzenden. kletteren. stok riet suikerriet staf. huiveren. wijze. knetteren nuchter aardbeving hommel schacht. opmaken. bibberen staf. wrijven.

reserveren. getier herrie. aangeboren heester. luchtpijp. betrekking hier. steekspel toerist toerist toerisme toerist hier. passend. aangeboren ingeboren.trzymać trzymać się z dala od trzymać w rezerwie trzynaście trzystopniowa wymiana komunikató tu tuba tuba elektromagnetyczna tubylca tubylec tuleja tuleja tulić tulipan tułów tumulcie tumult tunel tunel tunice tunika tuńczyk tupecie tupet tupet tupet tura Turcja Turcja turecki Turek turnia turniej turysta turystyczny turystyka turyście tutaj tuzin twardnieć twardość twardy twardy twardy koniec wiersza twardy myślnik twardy orzech do zgryzienia twarz twarzowy morrelen. stevig. twaalftal harden. scharrelen bespreken. kaak zenuw jus. rel. intekenen blijven dertien verband. plantengal. temperen. luchtband pijp. plechtig. hardheid hard krachtig. tabakspijp ingeboren. koon. struik mouw knuffelen tulp boomstam. roerigheid. hierheen binnenband. vast. ceremonieel hard het hoofd bieden gepast. galnoot wang. getier metro tunnel tuniek tuniek tonijn gal. rel. roerigheid. friemelen. hecht afgemeten. straf gevestigd. omgang. stam herrie. geschikt . veranderen Turkije kalkoen Turks Turk alpenweide. sterk. sop. stalen stugheid. saus anders maken. hierheen dozijn. alp toernooi. fiks. geducht.

aan je. verlaten. materieel je. elke week wekelijks. rechtvaardig pas. rechtvaardig louter. bouw. al. verzekeren betuigen. aan jou. materialiseren scheppen.twierdzenie twierdzenie twierdzenie twierdzić twierdzić (bezpodstawnie) twoj tworzenie serwerów WWW tworzyć tworzyć tworzyć tworzyć kopię zapasową tworzyć mozaikę tworzywa twój twój twór twórca twórca v pisać ty ty ty sam tyczka tyczka tydzień tygodnik tygodniowo tygodniowy tygodniówka tygrys tykwa tykwą tylko tylko tylko wstęgi boczne tylko z nazwy tylne światło (samochodu) tylne wejście tylny tył tył kompilatora tym niemniej tymczasem tymczasowy tymczasowy tynk tynkować typ typ źródłowy spil. jijzelf jou. de jouwe constructie. creëren scheppen. slechts. alleen. loon. enig achterlicht achterdeur achterhoede achterhoede achterhoede wel. aanbouw samenstellen. aan je. aanstrijken drukletter drukletter . stilist jou. verzekeren het jouwe. elke week wekelijks. schrijver. je uzelf. creëren stoffelijk. alleen. enkel. inmiddels. aan jou. theorema beweren. as theologie. componeren verwekken verstoffelijken. fair. bezoldiging. daarentegen tijdelijk. voorlopig tijdelijk kalken. fair. hoewel. je kuil Pool week wekelijks. alhoewel intussen. aanstrijken kalken. bouwmeester auteur. ofschoon. maar billijk. salaris tijger kalebas kalebas billijk. godgeleerdheid stelling. jouw het jouwe. elke week gage. de jouwe wezen architect.

kleden. kleren complet. omkleden. kleden. concours een verband omleggen een verband omleggen woordspeling WC. verzekering assurantie. betitelen adresseren afknotten opvrolijken. vluchteling verordenen. tiran duizend groots. akte. betitelen bedrijf. slachten gebrek. decreteren doen. klink . kleding ding. uitspraak. hengsel. ver. stel ding. dokument. omkleden. verzekering betuigen. verzekeren veilig stellen. kruk. acte. verzekeren. verzekeren. grandioos. assureren assurantie. stelletje. stelletje. set. verzekering assurantie. tituleren. typisch dwingeland. geweldenaar. beslissing bemachtigen. bekleden kleding. grijpen oor. set. kleren complet. afnemen oor uitgewekene. voorwerp verminderen. stuk titelen. stel aankleden.typowy tyran tysiąc tysiąc (dolarów tysiąc instrukcji na sekundę Tysiąclecie tysiąclecie tytan tytoń tytuł tytuł szlachecki tytuł własności tytułować u góry ubawić ubezpieczać ubezpieczenia ubezpieczenie ubezpieczenie na życie ubezpieczyć ubezpieczyć ubiegać się o posadę ubierać (się) ubierać się ubijać ubikacja ubiór uboczny ubogi ubój ubóstwo ubrać ubrać ubrać ubranie ubranie ubranie ubranie ubranie (męskie) ubranie cywilne ubywać ucho uchodźca uchwalać uchwała uchwała uchwycić sens uchwyt eigenaardig. onderhouden veilig stellen. amuseren. armoede aankleden. handvat. watercloset een verband omleggen minder belangrijk. tituleren. overweldigend duizend duizendjarig tijdperk. voorwerp kleren. wedstrijd. bij-. bekleden kleding. beklagenswaardig afslachten. aangrijpen. millennium millennium Titan tabak titelen. zijerbarmelijk. handelen besluit. ageren. bezig zijn. assureren match.

verzorgen bezoeken. geleerd toegevend. rust. bedaard. rustig. plukken. ontgaan grendelen. doen alsof aandoen. feestmaal. geleerde festijn. uit de weg gaan op een kier staand drukkend. mijden. emotie. doen alsof aanstellerij. wegrennen. hogeschool. simuleren. rustigheid. ontwijken ontwijken. geleerd wetenschapper. ontgaan ontsnappen. onbescheidenheid hameren afrukken. smulpartij. aangrijpen fingeren. afbreken snedig. ontkomen. stilte waardig. aanleren knap. eerzaam. raak . uit de weg gaan. handvat. ontkomen.uchwyt powiązania uchwyt środowiska uchylać się uchylać się uchylony uciążliwy uciec uciec uciec ucieczce ucieczka ucieczka uciekać uciekać się uciskać uciskać uciszyć uciszyć się uczcić uczciwy uczelnia uczelnia uczeń uczęszczać uczęszczać uczony uczony uczta ucztować uczucie uczucie uczucie uczucie) uczyć uczyć uczyć się uczyć się uczynny uda udaj udaj udawać udawać udawanie udawanie uderzać uderzać uderzający knippen. aandoening recipiëren gevoel gewaarwording. ontwikkeld. drossen grendelen. afgrendelen ontsnappen. zwaar weglopen. afgrendelen ontsnappen. ontkomen. zichzelf respecterend. aandoening instrueren afwennen. drukken pers stil. snoeien oor. geprononceerd. kruk. meegaand bovenbeen. gelag festijn. kalm kalmte. dringen. voorwenden. simuleren. ontgaan. onnatuurlijkheid aanmatiging. geregeld bezoeken knap. genootschap college student verplegen. dij fingeren. feestmaal. gelag affect. afleren leren. juist. een beroep doen op knellen. zorgen voor. ontkomen appelleren. doen alsof voorgeven. ontgaan ontsnappen. scheren. inschikkelijk. hengsel. ontwikkeld. deftig eerlijk. degelijk academie. klink mijden. persen. smulpartij.

het juk opleggen stutten. onderdrukken. benauwdheid. vergemakkelijken verlichten. interesseren deel. opvallen slaan. grondvesten. belichten stutten. opvallen bovenbeen. fiducie hebben in vertrouwen. overeenstemming vertrouwen. neerslaan invoer belang inboezemen. aantonen schuldig bevinden beklemming. uderzyć uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem udo udostępniać udostępniać udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc techniczna obsługa udostępnić udostępnienia udowadniać udowadniać udowodnić udręczenie udręka udręka udusić udział udział udział udział dyskowy udzielać udzielić udzielić nagany udzielić poufnej informacji ufać ufać komuś/być zwolennikiem czegoś ufność ufność ufny ufundować Uganda ugniatać ugoda uhonorować ujadać ujadanie ujarzmiać ujawniać ujawnić snedig. onderdeel. bocht. juist. aaien slaan. klappen. opvallen stompen Jan Klaassen aanspannen slaan. tappen. vergemakkelijken loslaten. krakelen bewijzen. samenklank huldigen. angst doodsangst. zelfverzekerd baseren. steunen. uitlaten. klappen. kloppen. dij tentoonstellen. stuk. steunen. kloppen. manifesteren . kloppen. kloppen. schragen laten blijken. schragen verlichten. klappen. benauwdheid. doodsstrijd. funderen Oeganda kneden overeenstemming. inham. vertrouwen. boezem golfspel. gedeelte bijdrage verloten. liefkozen. raak slaan. fiducie hebben in zelfbewust.w. geprononceerd. eren golfspel. vereren. golf. klappen. bocht. strelen.uderzający kontrast uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie serca uderzenie takie j. disputeren. fiducie hebben in fiducie. angst smoren. agonie beklemming. opvallen aanhalen. lossen twisten. geloof vertrouwen. golf. loten college geven stortplaats accoord. inham. boezem aanspannen.

jongeheer pikken. scheelkijken. ziedaar. aanrichten. lief. steelsgewijs Oekraïens Oekraïens achteroverdrukken. priemen. maatregel circuit arrangeren. bedrijven ontkennend min. doen. arrestatie aanhalen. cliché aanhouding. vatting akkoord. citeren. muil zinken. volledig afgestudeerd. liefje schat. snikkel. liefje. lieverd. pik. samenklank bikken. lieveling. hier. innemend. sluiks. noemen bekoorlijk. gediplomeerd scheelzien. charmant ziehier. ingang. aan de grond raken bek. kijk. leuter. ordenen ophopen. maatregel circuit bende. minus negatief. liefje. afbikken montuur. toog lul. verdonkeremanen . ordenen puzzel. loensen afkraken afkraken scheef. hierzo entree. liefje. priemen. schare circuit logica overeenstemming. lief. raadsel boog. lieveling schat. troep. accumuleren arrangeren.ujednolicić ujemnie ujemny ujemny ujęcia ujmować w cudzysłów ujmujący ujrzeć ujście ujście ujście danych ujście zdarzeń ukartować ukazać się układ układ układ logiczny odporny na szumy układ komplementarny MOS układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy układ mikroprocesorowy układ RTL układ zerojedynkowy układ żądania i przyznania magistrali układ żądania i przyznania magistrali układać układać układać w stos układance ukłonić się ukłucia ukłucie ukłucie ukłuć ukochana ukochana osoba ukochany ukochona ukończyć ukończyć studia ukośnie ukośnik ukośnik (prawy) ukośny ukradkiem Ukrainiec ukraiński ukraść maken. bedrieglijk opdraven. opdagen akkoord. opeenhopen. prikken. aanrichten. snikkel. muil slinks. lieveling compleet. steken schat. lieveling schat. prikken. pik. schuin tersluiks. steken pikken. toegang bek. jongeheer lul. lief. leuter.

zachtaardig . aanrichten. veredelen storm dreef. clandestien verbergen. kruisigen matigheid zacht. koesteren. nijpen sluipen blind jas. begoocheling. paperback. ingenaaid boek zwak ultimatum uitverkoren uitverkoren troetelen. aanpassen. adapteren brochure. vacht. huid verborgen. illusie doods. dodelijk doods. huid verbergen. pels. koesteren. verhelen kruisen. vergemakkelijken arrangeren. verhelen veinzen. vertroetelen uitverkoren uitverkoren troetelen. dodelijk gemeubileerd kruisen. ordenen arrangeren. verdekt. ontveinzen. aanrichten. verdekt. veredelen verbeteren. clandestien vel. pels.ukraść ukraść ukryć ukryć ukryć ukryty ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać się ukrzyżować ul ul ulegać awarii ulepszać ulepszyć ulewa ulica ulica ulicą uliczka uliczka uliczka uliczny ulokować ulotka ulotny ultimatum ulubienica ulubieniec ulubieniec ulubiony ulubiony ulubiony ulubiony ułamek ułatwiać ułatwiać ułożyć ułożyć się z wierzycielami ułuda umarli umarły umeblowany umęczyć umiar umiarkowany klemmen. dierevel. laan steeg straat afstemmen. tokkelen. vacht. laan straat straat steeg dreef. mantel vel. ontveinzen. mild. in het water vallen verbeteren. afzonderlijk breuk. vertroetelen afgezonderd. belichten verlichten. huichelen verborgen. fractie tentoonstellen. knijpen. zachtmoedig. ordenen drogbeeld. dierevel. kruisigen bijenkorf bijenkorf floppen.

plaatsen ligging houding. plek aanspannen vormsel. universeel algemeen. annuleren. curieus. ontwijken typisch. washok. leggen. arbitrair. annuleren. maatregel verbintenis. enig vernietigen.umiarkowany umiejętności umiejętność umiejętność umiejętny umiejscawiać umiejscowienia umiejscowienie umierać umieszczenia umieścić umieścić umieścić umocnienie umocować umocowany umorzyć (dług) umowa umowa umowa licencyjna umowa obustronna umowny umówione spotkanie umówiony termin umycie umyć sobie włosy umysłowy umywalnia umywalnia uncja uncja (28. kom wasinrichting. verwoesten. bepalen vasten ontbinden. oord. bezadigd. vernielen ontbinden. universeel academie. uit de weg gaan. matig belevenis. contract congres willekeurig. onvatbaar. bekken. nieuwsgierigheid uniek. afgelasten overeenstemming. kundigheid geschiktheid wetenschappelijk situeren. afgelasten mijden. overlijden. plaatsen plaats. verwoesten. ervaring. aanstelling benoeming. positie doodgaan. sterven montuur. ondervinding bekwaamheid. vernielen algemeen. sober. enig uniek. aanstelling wassing het haar wassen geestelijk. universiteit academie. aanneming fixeren. vreemd weetgierigheid. lokaal. samenklank akkoord. eigenmachtig benoeming. bevestigen. resistent . vatting situeren. stand. wasgelegenheid ons ons unie vernietigen. universiteit krankzinnig zijn zweven immuun.35 grama) unia unieważniać unieważnić unikać unikalny unikat unikat unikatowy uniważnić uniwersalny uniwersalny system przetwarzania informacji uniwersytecki uniwersytet unosić się unosić się w powietrzu uodporniony nuchter. mentaal vont. leggen.

storten instorten. halsstarrig. gedenkschrift aandenken. teelt. waterdruppel vallen. aanmanen. verpakken gloed. hardnekkig betuigen. beschaving. afstemmen. voor. verootmoedigen verootmoediging. onderdanig. naasten koppig. bekorten. straf koppig. blinde bij kaarspel. bij wijze van. naasten nationaliseren. tot kleinmaken. halsstarrig. hardnekkig. assureren constateren. autoriseren machtigen. bevinden constateren. er uitzien afgrijselijk blinde. hardnekkig. hard. pakken. koppig aanpassen. afkorten vereenvoudigen.upadać upadać upadek upadek upadek upadek upakować upał upaństwawiać upaństwowić uparty uparty uparty uparty się upewniać upewniać się upewniać się (<sth> co do czegoś) upewnić się upiec upierać się upierać się upilnować upiorny upiór upload upływać upodobanie upodobanie upokarzać się upokorzenie upokorzyć upominać upominek upominek uporczywa (walka) uporczywy uporczywy uporządkować coś uporządkowanie uporządkowany upoważniać upoważnić upoważnienie upraszczać upraszczać uprawa uprawa drzew uprawa ogrodu druppel. gedenkschrift bar. halsstarrig. volmachtigen. vuur nationaliseren. adapteren afstelling. ineenstorten. bouw . verzekeren veilig stellen. ophouden. simplificeren cultuur. neervallen. teelt. hardnekkig halsstarrig. ceremonieel halsstarrig. streng. blijven aandringen het uiterlijk hebben van. zich verbeelden hoe. deemoedig vermanen. vernedering nederig. volmachtigen. hardnekkig afgemeten. autoriseren mandaat. storten afgang inpakken. afvallen. beschaving. verzekeren. machtiging inkorten. afvallen. uitgaan. aansporen aandenken. als. neervallen. instelling systematisch machtigen. bouw tuinieren cultuur. bevinden bakken aandringen aanhouden. plechtig. duchtig. vaststellen. manen. vaststellen. geest uploaden aflopen. uiteenvallen ebvallen. bevoegdheid. eindigen bedenken. vernederen. koppig koppig.

machtiging autoriteit. waterdruppel verrukt jubeluranium Uranus . aardig. bewerken. welgemanierd vriendelijk. lief. bewerken. wellevend. indertijd vooroordeel. vooringenomenheid vooroordeel. tuin kampen. voorzichtig gunst. kweken drillen. bereidvaardig beschaafd. prejudiciëren zachtjes. prae bevoorrecht. tituleren. vriendelijk wellevend. kas. vooringenomenheid anticiperen. beschaafd. fonds dobbelen hof. gezag vereenvoudigen. machtiging mandaat. begunstiging. betitelen geschiktheid mandaat. voorrangsdisconto druppel. bevoegdheid. vrijheid. worstelen agrarisch bebouwen. simplificeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoeren elimineren. oefenen geldkist. machtiging vrijdom. reeds. bevoegdheid. bevoegdheid. kweken mandaat. genadigheid voorkomendheid. vooraan. opdoeken span al. hoffelijkheid voorkomend. alvast. eerder. voorkomend bereidwillig. privilege. liefheid beleefdheid.uprawiać uprawiać uprawiać uprawiać autostop uprawiać hazard uprawiać stręczycielstwo uprawiać zapasy uprawiać ziemię uprawnianie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie do zarządzania zadaniami uprawnienie do zmiany uprawnienie publiczne uprawnienie zdolność uprościć uprowadzać uprowadzenia uprowadzenie uprowadzić uprzątać uprząż uprzednio uprzednio uprzedzać uprzedzać (<against sb> do kogoś) uprzedzenia uprzedzenie uprzedzić uprzejmie uprzejmość uprzejmość uprzejmość uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzywilejować uprzywilejowany upust upuść uradowany uradowany Uran uran bebouwen. bevoegdheid. gezag mandaat. machtiging autoriteit. vooringenomenheid anticiperen. afschaffen. prejudiciëren vooroordeel. vlotheid titelen. alreeds daarvoor. welgemanierd preferentie.

knapheid onbekrompenheid. innemend. aanbiddenswaardig bekoorlijk. charmant behaaglijk. verjaring appelleren. krenken afhandelen. wond. apparaat slaaf idee. organiseren bijkomstig. bijbehorend. regelen. een beroep doen op aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid afleidingsmanoeuvre ontzetten. behouden. genoeglijk viering fraaiheid. officieel bediende. klip usance. gebruik douanekantoor. officieel . behouden blessure. benul. kantoorbediende ambtelijk. redden redden. inrichting beseffen. ordenen uitschrijven. aanrichten. schoonheid.uratować uratować uraz uraza urazić uregulować (np. royeren. gewoonte. begrijpen bediende. denkbeeld uitrusting. grenskantoor aanplakken postkantoor arrangeren. ontketenen executeren. ter dood brengen aanzetten tot. aanzetten klif. maatregel hulpmiddelen. lanceren. affronteren. voorrijden uitschrijven. verwonding trots beledigen. kantoorbediende officier ambtelijk. accommodatie. bijkomend akkoord. bergen. inrichting. ontslaan aanrijden. afdoen verlof. kwetsuur. bevatten. begrip. geboortedag. vrijaf vakantie vakantie aanbiddelijk. activeren. overvloed vruchtbaar geboorte geboorte verjaardag. rachunek) urlop urlop urlop chorobowy sickness uroczy uroczy uroczy uroczystość uroda urodzaj urodzajny urodzenia urodzenie urodziny urok urok urok urozmaicenia uruchamiać uruchamiać uruchamiać (program) uruchomić uruchomić w tle urwisko urząd celny urząd celny urząd pocztowy urząd pocztowy urządzać urządzać urządzenia pomocnicze urządzenie urządzenie urządzenie peryferyjne urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela urządzenie zewnętrzne urzeczywistniać urzędnik urzędnik urzędnik państwowy urzędnik stanu cywilnego urzędowy bergen.

brandend. paragraaf artikel. hulpmiddelen inrichting. układ ustąpić ustęp ustęp (w książce) ustęp w książce ustępował ja zeggen. godsdienstoefening vinger speurtocht. aard harden. bescheiden. spoedeisend gehoorzamen speurtocht. ordenen akkoord. hulpmiddelen arrangeren. vast inrichten. stalen karakter. bedaard.usankcjonować usilny usłuchać usługa elektroniczna usługa o najwyższej możliwej jakości usługa uaktualniania sterowników usługa uwierzytelniania usługa zabezpieczenia usługi maklerskie usługiwać usługiwać usługodawca sieciowy usłużny uspokajać uspokoić uspokoić uspokoić uspokoić się usposobienia usposobienie usposobienie usposobiony usprawiedliwiać usprawiedliwić usprawnić usta ustalać ustalać z góry ustalić ustalony ustanawiać ustanowić ustanowić ustanowienie ustanowienie ustawa ustawa ustawać ustawą ustawiać ustawianie ustawić ustawienie. inrichting grondwet. dienst. beamen. constitutie instelling recht statuut stoppen. bedanken. matig bedaard. voorleggen server aandachtig. modificeren bek. oprichten. nauwkeurig bepalen inrichten. kalm gematigd. wachten. maatregel toegeven kast artikel. muil determineren. zoektocht eredienst. stichten gesticht. oprichten. nauwkeurig bepalen onbeweeglijk. attent. zoektocht eredienst. geaardheid. stichten inrichten. stichten determineren. star. aanrichten. paragraaf neerleggen. kalm wiegen harden. temperen. apparaat. aflaten. rustig. afhalen serveren. godsdienstoefening courtage te wachten staan. bevestigen dringend. temperen. oplettend gematigd. instituut. rustig. afstand doen . aangegrepen verontschuldigen verontschuldigen wijzigen. stalen aangedaan. matig stil. ophouden statuut inrichting. apparaat. dienst. speurwerk. bescheiden. stil. oprichten. speurwerk.

afschaffen. afschaffen. kalefateren. slecht. oraal enkel. wegvagen afneembaar akkoord. regime uitwissen. kwaad omhelzen. louteren elimineren. bekwaam eminent. uitvegen. klink schuld verval schade aanrichten. verwoesten. dringen. stuk. knellen vasthaken knuffelen drukken. handvat. trappen elimineren. beroerd. hand drukken. uitvegen.ustępował ustnie ustny ustronne (miejsce) ustrój usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć przekrwienie usunąć usuwanie (z IRC) usunąć zaznaczenie usuń usuwalny usuwanie źródeł zakłóceń radiowych usychać uszanowanie uszczelniać uszczelnić uszczypliwy uszczypnąć uszko uszkodzenie uszkodzenie styku uszkodzić uszkodzić uszkodzony uszkodzony sektor uścisk uścisk uścisk uścisk uścisk dłoni uściskać uścisnąć (rękę) uśmiech uśmiech sieciowy uśmiechać się uśmiercać uśredniać uświadomić uświęcać uświęcony utalentowany utalentowany utalentowany utknąć bekoelen. luwen mondeling mondeling. defect. persen. met gom bestrijken reinigen. afschaffen. maatregel verflensen. opdoeken schoppen. kwijnen. wegvagen vernietigen. dringen. heilig. aantrekken kalfateren. gewijd. kundig. gehavend. staatsvorm. kaduuk kwalijk. sacraal capabel. opdoeken uitwissen. schoonmaken. beschadigen. borrel oor. opdoeken elimineren. bederven kapot. bedaren. verlichten heiligen geheiligd. vernielen gemiddeld illumineren. verwoesten. schaden havenen. kruk. aanzienlijk getalenteerd. breeuwen puntig. knellen glimlachen glimlachen glimlachen vernietigen. talentvol logeren . omarmen bemachtigen. spits aperitief. grijpen handdruk. hengsel. respecteren strakker aantrekken. louter stelsel. bloot. persen. verdorren eerbiedigen. vernielen gommen. uitstekend.

componeren doen ontstaan. weglokken gevangen zetten. ontslaan afhelpen loslaten. verlokken. waterdruppel vertogen. aandoening aanhechting verafgoden. adoratie geloofsbrief verleiden. oordelen. aandacht beoordelen. opsluiten gevangenis. vervlogen hoofdpijn pest druppel. met aandacht. neiging acht.utkwiony wzrok utopią utopijny utracić ważność utracony utrapienia utrapienie utrata wydajności utrzymać utrzymywać utrzymywać (coś w ruchu) utrzymywać (stosunki utrzymywanie utrzymywanie się utwardzać utworzyć utworzyć utwór (muzyczny utwór liryczny utwórz utykać utykanie (na nogę) utylizacja uwaga uwaga uwalniać uważać uważać uważający (<of sth> na coś) uważnie uważny uwertura uwerturą uwiązanie uwiązanie uwielbiać uwielbiać uwielbienie uwierzytelnienie uwieść uwięzić uwięzić uwolnić uwolnić uwolnienie uwydatniać uwypuklać uwypuklać staren. aanbidden adoratie. lust. creëren kreupel lopen. voorzichtig aandachtig. schragen harden. betogen. aanmerking. turen. mank lopen kreupel lopen. emotie. standje. aanvechting. mank lopen zin. lossen vermeerderen accentueren. oplettend ouverture ouverture affect. aanstaren Utopia utopistisch. aandacht berisping. attentie. attentie. uitgaan. aanbidding aanbidding. uitlaten. benadrukken . betogen. formeren fragment. utopisch aflopen. maken. ophouden. beklemtonen met nadruk zeggen. temperen. argumenteren zich gedragen stutten. tappen. eindigen verloren. nor vrijstellen. attent aandachtig. brok tekst scheppen. kwijt. stalen samenstellen. hinken. berechten behoedzaam. attent. kerker. schragen stutten. argumenteren blijven vertogen. steunen. blaam bevrijden acht. hinken. steunen. adoreren.

uwypuklać wzmagać uwypuklenie uzależnienia uzasadniać uzasadniać uzdą uzdolnienia uzdolnienie uzdolniony uzgadniać uzgadniać uzgadnianie uzgodnić uzgodnienia uzgodnienie uzgodnienie włączania i wyłączania uzgodniony uzgodniony uziemiać uziemienia uziemienie uziemienie uziemienie uziemiony uziom uznać uznaj uznaj uznaj uznania uznanie uznanie uznanie uzupełniać uzupełniający uzurpował uzyskać uzyskiwać użycie użycie użyteczność użyteczny użyteczny rozmiar ekranu: 13 użytek użytkować użytkownik użytkownik zaawansowany używać vermeerderen nadruk. beoefenen . overeenstemming handdruk. laten begaan. hand in orde. afgesproken. aanleg bekwaam. gave. bij acclamatie benoemen eerbetoon. nuttig behulpzaam. eerbetuiging erkenning compleet. klem afhankelijkheid verontschuldigen garanderen. dienstig. overeenstemmen in orde. gave. akkoord onbeweeglijk. overeenstemming handdruk. aanleg talent. bodem. afgesproken. als waarheid aannemen agnosceren. laten schieten menen. afzijdig. vast aanaarden aanaarden aanaarden aarding. overweldigen. capabel. bij acclamatie benoemen toejuichen. aanwerven uitbuiten. begaafdheid. aardleiding achtergrond. kundig het eens zijn. hand accoord. star. huren. beteugelen. volledig aanvullend kraken. exploiteren. onpartijdig aanaarden agnosceren. afboeken accoord. hulpvaardig aannemen. geloven. ondergrond neutraal. toepassing utility bevorderlijk. buit maken verkrijgen. houden voor toejuichen. borg staan voor bedwingen. akkoord opnemen. tuberculose aanwending. grond. buit maken longtering. tering. begaafdheid. usurperen verkrijgen. als waarheid aannemen laten. uitmelken gebruiker gebruiker betrachten. betomen talent.

verlaten. tot. ineen volkomen. totaliter. naar met de klok mee. bij. afgewerkt. geblokt spelonk. bijeen. nesthaar. toepassing tweedehands gaan. rechtsom aan. bemesten. okee . tegen. opwaarts. beëindigd per. verzendend circulerend. rechtsom voorspeler. op. naar boven met de klok mee. verterend. zwanger aanhangig ander waas. huren. kussen rusten snoeien aanvoer. aanvaller geruit. ernaast. voor. enig over. in. in omloop hiernaast. hol. alleen. zullen gieren. okay. op. woonkamer archief op bed hiervandaan. geblokt geruit. holte zitkamer. aanwerven aanwending. aan de overkant van goed. naar boven. tezamen. huiskamer. overheen. opwaarts omhoog. toepassing aannemen. vanhier gloeiend. bezorging werkwoord klaar. krocht. nesthaar. ophopen. dons tegenwoordig tegenwoordig op. binnen feeëriek samen. mesten accumuleren.używać używać powtórnie używać życia używany używany do tworzenia czasu przyszłego użyźniać v V (<spill v całować (się) v leżeć v przycinać (drzewa v zaopatrywać verbum verte w w (pewnych) granicach w biedzie w budowie w charakterze w czasie w dobrym guście w domu w dół w dużej mierze w dużym stopniu w gniewie w gotowości w górę w górę i w dół w górze w każdym wypadku w każdym wypadku w kierunku obrotu wskazówek zegara w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara w końcu w kraju i za granicą w kropki w którym w którym najwięcej się przebywa w lombardzie w napięciu w plamy/cętki w płomieniach w płomieniach w pobliżu w połowie drogi w porównaniu z aanwending. daarnaast louter. opeenhopen morsen zoenen. heel drachtig. vurig. naar boven boven boven omhoog. te. afgelopen. omhoog. dons waas. grot. opwaarts.

te. rugwaarts inclusief. achterwaarts. dus. schaduwzijde. waag het gewicht bepalen.w potrzebie w przeciwieństwie do w przybliżeniu w razie uszkodzenia niektórych elementów) w rzeczywistości w stosunku do w strachu w systemie AutoCAD w środku w tej chwili w twoim wieku w tyle w tym celu w wielu wypadkach w wyniku w zwrocie <with arms akimbo> podparłszy się pod boki w zwrocie <without demur> bez sprzeciwu w zwrocie: <in the meantime> w międzyczasie w zwrocie: <in the meantime> . verleiden lekker. zodoende hierbij intussen. vandehands ander ongeveer. incluis bijgevolg. metterdaad. minpunt schuld nadeel. binnen iets achteruit. afwegen gewicht saldo. auto affuit bestelauto. aanvuren. lokaas aanwakkeren.w międzyczasie w żadnym wypadku w żałobie wabić wabić wabić wabik wachlarz wada wada wada w zabezpieczeniach wada wymowy również jąkanie wadą wadliwe działanie wadliwy wafel waga waga waga waga półciężka (w boksie) waga półciężka (w boksie) wagon wagon wagon wagon (towarowy) wagon bagażowy rechter-. laf. te. zodoende inderdaad. spoorwagen bagagewagen . haperen. in. in. daarentegen intussen. minpunt schuld nadeel. aanlokkelijk lokken aas. binnen verlokken. derhalve. aanzetten nadeel. per per. daarentegen per. te. bestelwagen wagon. overschot gewicht automobiel. inmiddels. te. dus. inbegrepen. minpunt uitvallen. schaduwzijde. hatelijk wafeltje weegschaal. balans. binnen in. boosaardig. een stuk of. achterwaarts. wegen. in. schaduwzijde. binnen. rugwaarts achteruit. symbool van middelbare leeftijd per. waarachtig lafhartig. inmiddels. weglokken. stuk gaan kwaadaardig. bang zinnebeeld. in. binnen per. derhalve. te. circa bijgevolg.

omwalling waterkering. beugel aarzelen. bolwerk. badkuip bak. dubben zweven aarzelen. krankzinnige kankeren. sputteren. kuip kalk kalk gloed. spoorwagen trolley. ferm vijzel. beetpakken. handkoffer. eerlijk. kampen. kleiner worden. schoorvoeten. gek. tobbe. strijd voeren rol. sputteren. mopperen. pakken worstelen. dommekracht. schommeling vakantie verlof. spartelen. koffer strijden. cilinder flink. vuur damspel waarde. hapering. morren lip lip dalen. koffer valies. gehalte kankeren. aarzeling geschommel. wal. spartelen. cilinder vandaal. schoorvoeten. afnemen bezetene. mopperen. zich aftobben strijden. dubben geweifel. krik Wales dichtslaan Welshman Wels valies. slaapwagen wagon. strijd voeren beetnemen. dijk loopgraaf rol. zich aftobben muntsoort. valuta dijk. straatschender vanille vanille bad. teil. vrijaf wals worstelen. waterkering bastion. handkoffer. kampen.wagon sypialny wagon towarowy wagonik wahać się wahać się wahać się (w podjęciu decyzji) wahania wahanie się wakacje wakacje (ferie) walc walce walczyć walec waleczny walet Walia walić głową w mur Walijczyk walijski walizce walizka walka walka wręcz walka wręcz waluta Wał wał obronny wał ochronny wał ochronny wałek do włosów wandal wanilia wanilią wanna wanna wapno wapno palone war warcaby warcie warczeć wardze warga wariant wariantowy (typ danych) wariat warknąć warkocz slaaprijtuig. morren vlechten . braaf. dapper.

kwalificatie kwestie. waardevol overschatten. gehalte waardig. piek waard zijn. schraag. bok Warschau rek. bewaren gezwind. beweren voorwaarde. bepaling ets je. pot. tip. voorwaarde. overwaarderen waarde.warkocz warstwa warstwa warstwa zubożona warstwą warszat programisty środowisko robocze Warszawa warsztacie warsztat warsztat wart wart warta wartki wartościowa cecha wartościowy wartościowy wartość wartość wartość skuteczna wartość systemowa wartość wyjściowa wartość znamionowa wartość źródłowa porządku wartownik warunek warunek warunek warunek warunek wstępny (konieczny) warunek wystąpienia błędu warunek wyszukiwania warunek złożony warunkować wasoryt wasz wasz wat wat wata watolina watroba wawrzyn waza wazelina wazon wazon ważce vlechten jas. spoedig. top. de wacht hebben. voorwaarde. schraag. juffertje . neus. pul libel. bekken. bank. jouw het jouwe. bok winkel. navraag term. de jouwe watt watt watten watten lever laurier. gehalte schildwacht. bepaling voorwaarde. haastig. waar bewaken. gehalte gemiddeld spits. lauwer vont. waterjuffer. punt. voorwaarde. verdienen waarde. snel prooi. ezel. gehalte waarde. lijvigheid rek. bepaling bevoegdheid. buit. toekomen. wacht conditie. zaak werkplaats waarde. acquisitie. ezel. bepaling conditie. vat. overjas aardlaag aardlaag dikte. bank. kom vaseline vont. clausule. kom vaas. aanwinst zeldzaam kostbaar. clausule. bekken. gauw. vakterm verzekeren. vraag. bepaling conditie. eerzaam.

watercloset erg. materieel het gewicht bepalen. zich vastklampen aan uitlisten. lucht snor. nauw zeeëngte. waterjuffer. knevel smal. verleden. immer. betwistbaar lever slang slang WC. juffertje gangbaar. wegen. eng. geldig. steeds herhaaldelijk. in dubio staan discutabel. kanaal. meermaals nog drachtig. pril. geldig. vroeg voorafgaand. pril. kanaal. geur. vakantiedag. nauw. geldend. jeugd vroegtijdig. rustdag vroegtijdig. sturen. licht dubben.ważka ważki ważność ważny ważny ważny (posiadający moc prawną) ważyć wąchać wąs wąski wąski wąski zawęzić (np. twijfelen. luchtje. voorgaand gisteren gisteren gisteren . absorberen absorberend absorptie. opslorpen. garen zwak. belangrijk. vroeg jeugdigheid. voornaam gangbaar. pril. bekrompen. afwegen reuk. knevel draad. opslorping aanklampen. een lijst maken een hinderlaag leggen altijd. ernstig. twijfelachtig. zich vastklampen aan aanklampen. geldend. vigerend stoffelijk. opsturen snipperdag. in dubio staan dubben. vigerend relevantie erg. zbiór przeszukiwanych informacji) wąsy wątek wątek zablokowany wątły wątpić wątpliwość wątpliwy wątpliwy wątroba wąż wąż WC wcale iać wchłaniać wchłaniający wchłanianie wchodzić (na statek wchodzić na pokład wciągać na listę wciągnąć w zasadzkę wciąż wciąż wciąż wciąży wcięcie wciskać kit wczasy wczesny wczesny wczesny rozwój talentów wcześnie wcześniejszy wczoraj wczoraj wieczorem wczorajszy dzień libel. straat zeeëngte. twijfelen. nauw. krap. straat snor. bijster in beslag nemen. vroeg vroegtijdig. dubieus aanvechtbaar. zwanger inspringen doen toekomen. garen draad.

inboezemen erkenning erkentelijkheid. sententie. vanaf uur doordringen. sententie. met ingang van. sierlijk dankbaar. cambio omsluieren. ingang. overhellen. aflopen veranda dienst nemen dienst nemen judicium. erkentelijk sierlijkheid Gratie sierlijkheid sedert. bevallig. tappen. toegang aanmelding invoer invoer uitgeven. bezielen. hellen. uitspraak. ingang. vonnis judicium. emitteren invoer aanmelding deuropening entree.wdowa wdowca wdowiec wdychać wdychać wdzięczność wdzięczność wdzięczny wdzięczny wdzięk wdzięk wdzięk według według stałych kursów walut wedrzeć się wegetariański wejścia wejścia wejścia wejście wejście wejście wejście wejście radaru dalekiego zasięgu wejście z klawiatury wejście zegarowe wejście zerowe wejście/wyjście danych wejście/wyjście danych wejść wejść w życie weksel welon wełna wełną wenecjanin wentyl wentylator wentylator Wenus weranda werandą werandą werbować werbował werdykcie werdykt wersja weduwe weduwnaar weduwnaar ophalen. insteken. toegang naar beneden gaan. versie . binnendringen. aanzetten ventilator. vonnis uitvoering. doorstoten vegetarisch deuropening entree. overdoen aanwakkeren. ingang. toegang aanmelding deuropening entree. afdalen indoen. dankbaarheid gracieus. steken wissel. sluieren wollen wollen Venetiaans verhandelen. uitspraak. aanvuren. wan Venus veranda buigen. inademen inspireren.

guitig. goedgehumeurd keurig. te per. binnenste binnenste. kreunen west west. trekken rondtrekkend. inlands intern. houtskool . rondreizen rondtrekken. in. checken.wersja o średniej szybkości wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza weryfikować weryfikował wesele wesoły wesoły wesoły wesoły wesoły westchienie westchnąć westchnienie western western western western wesz weteran weterynarz wewnątrz wewnątrz wewnątrz ośrodka wewnątrz siedziby wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny test po włączeniu wewnętrzny test po włączeniu wewy odwzorowane w pamięci we-wy odwzorowane w pamięci wezwania wezwanie wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) węch wędrować wędrować wędrować wędrował wędrowiec wędrownik wędrówka węgiel węgiel drzewny afkorting. kreunen zuchten. binnen binnen. vrolijk. trekken. steenkool dovekool. oudgediende dierenarts per. assignatie trotseren. westelijk luis veteraan. kruiden aroma. assignatie dagvaarding. migrerend rondreizen. tarten. Westers. checken. binnenlands. inwendige binnenste. rondtrekken. binnenlands. rondtrekken. per. uittarten stinken. intern aanplakken Io Io dagvaarding. per. te. in. rondtrekken. trekkend. kreunen zuchten. in. rondreizen rondreizen. in. trekken kool. inheems. aflezen controleren. versie controleren. exploot. intern binnenste. exploot. binnenlands. te binnenlands. westen westen westers. aflezen bruiloftsfeest. monter goedgeluimd. trekken. trekken rondtrekken. rondtrekken. geur uitvoering. vies ruiken trekken. verkorting op smaak brengen. bruiloft lustig. binnen binnen. schelmachtig. goedgehumeurd snaaks. uitdagen. te. rondreizen rondreizen. dartel zuchten. monter goedgeluimd.

bobine whisky whisky mout houw.) wiadomość jawna wiadomość odbita Wiadro wiadro na węgiel wiadro na węgiel wiara wiara wiarą wiarą wiarygodny wiatr wiatr północnozachodni wiatr północno-zachodni wiatrówka wiąz wiązać wiązać wiązać koniec z końcem wiązanie wiązanie walencyjne Hongaars Hongaars aal. een knoop leggen mysterieus. geheimzinnig spoel. mep. windsel strip. spoelen op een klos winden. boodschap bericht. reep. vertrouwen authentiek. een knoop leggen geleding. winden. nieuwtje woord. bewoording bericht. flap. strook. strook. winden. knooppunt knopen. een knoop leggen stropdas. slag. boodschap nieuws. band. knoop. een knoop leggen aansluiting gastheer knopen. spoelen op een klos winden. een knoop leggen knopen. das bemachtigen. spoelen luchtdrukgeweer iep. fiducie. knoest. aangrijpen strip.Węgier węgierski węgorz Węgry węzeł węzeł węzeł węzeł (graficzny na krzywej składanej) węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) węzeł graficzny na krzywej składanej węzeł kolejowy węzeł o wielu podłączeniach węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę węzłowaty wężownica whisky whisky whisky słodowa wiać wiadomości wiadomość wiadomość wiadomość wiadomość dnia wiadomość itp. boodschap communiqué emmer emmer emmer overtuiging geloof. klos. reep. winden. waar op een klos winden. boodschap bericht. onvervalst. klap nieuws. echt. nieuwigheid. olm inbinden. windsel . nieuwtje bericht. grijpen. fiducie. vertrouwen overtuiging geloof. paling Hongarije hoek knopen. binden stropdas. band. nieuwigheid. das knopen.

wiązanka wiązka wiązka wiązka wiązka (np. kennis. kunde . eeuwigheid eeuwig avond nacht Wenen Weens bekendheid. nakijken. schouwspel spektakel. brandstapel. kijkspel. auditorium geslacht. blijkbaar klaarblijkelijk. brandstapel. blijkbaar. vork kruis. buitenwaarts onderzoeken. trilling trillen. droombeeld briefkaart bril spektakel. gezichtseinder klaarblijkelijk. mutsaard mutserd. aantreffen interviewen toehoorders. band. visioen. ondervoorzitter vice-president. gehoor. vibreren trillen. wis. horizon. chrustu) wiązka elektronów wiązka światłowodowa wiążący wibracja wibracją wibrować wibrował wice wiceprezes wiceprezydent widelec widełki widły widnokrąg widocznie widocznie widocznie widoczny widoczny widoczny dostępny widok widok widok widokówka widowisk widowiska widowisko historyczne widownia widownia (w teatrze) widz widzenie widzieć widzieć się widzowie wieczne pióro wieczność wieczność wieczny wieczór wieczór Wiedeń wiedeński wiedza bos. visioen. wis. droombeeld ontmoeten. pand. duidelijk in schijn. zoeker. wis. schouwspel toehoorders. bundel strip. naar het schijnt aanwijsbaar. auditorium vulpen eeuwigheid onvergankelijkheid. vork kruis. strook. plaatsvervangend vice-president. eruit. reep. trilling vibratie. duidelijk. kijkspel. bos mutserd. gehoor. examineren richtmiddel. windsel vibratie. ondervoorzitter kruis. bundel bos. vibreren subsidiair. wis. vork kim. huis toeschouwer gezicht. vizier gezicht. bundel bundel. vertoonbaar zichtbaar naar buiten. spaak bos. mutsaard straal.

veel. bekend zijn met kol. excellent. kostelijk groots. minnares bewonderaarster. slingerkrans grip. grandioos. toch landelijk. tiptop. onnozel. wikkel. tovenares. geliefde. kameel kavel. grootte grootte. kennis. vele veel Pasen tof.wiedzą wiedzieć wiedźma wieę wiejski wiek wiek wiek dojrzewania wiekowy wielbiciel wielbiciel wielbiciel wielbiciel corridy wielbłąd wiele wiele wiele Wielkanoc wielki wielki stopień scalenia wielki stopień scalenia wielkoduszny wielkość wielkość wielkość wejściowa równoważna szumom wielkość wyjściowa wielokrotnie wielokrotność multiplexer wielokrotny wielokrotny strumień rozkazów wielokrotny strumień danych wielonarodowy wielopak wieloraki wieloryb wielozadaniowość wieniec wieniec wieność (zasadom) wieńca wieprzowina wieprzowiną wiercenie wiercić wiercić się wierna (kopia) wierność (odtwarzania) bekendheid. heks ergo. bestek. perceel menig. dus. kunde kennen. guirlande. vereerster kemel. grootte omvang. ouderdom oud bewonderaarster. sterkte. meermaals veelvoud veelvoud veelvoud multinationaal kruisband. kronen slinger. aanbidster vriendin. overweldigend groot nobel. boel. bestek. boers leeftijd. adhesie slinger. gelijk hebbend. ook weer. grootheid omvang. ouderdom eeuw leeftijd. flauw aanboren boren juist. vrijster. banderol veelvoud walvis multitasking bekronen. stiptheid. gegrond accuratesse. slingerkrans varkensvlees varkensvlees dom. guirlande. nauwgezetheid . toverheks. simpel. edel hoeveelheid. omvang herhaaldelijk. bestek. vereerster vereerster.

plattelander.. snoer. ook weer. kerker. kerker. wannen. top. więdnąć większość więzienia więzienia więzienie więzienie więzienie więzień więź więź więź więź enie więźienie bestendig. knooppunt overtuiging houden voor. plattelander frisse lucht toewaaien. geloven hangen platteland. spits geleding. trilgras zefier eekhoorn eekhoorn aanreiken. gevangenis . knoop. kerker gevangenis. gestaag trouw.wierny wierny wiersz wiersz wiersz wiersz na minutę wiersz zależny wierszyk wiertarka wierzba wierzbą wierzch wierzch górny wierzchołek Wierzenie wierzyć wieszać wieś wieś wieśniak wieśniak wietrzyć wietrzyk wietrzyk wiewiórce wiewiórka wieźć wieża wieża metalowa wieża strzelista więc więc więcej więcej informacji na ten temat można znaleźć w. constant. kerker. kerker. afdragen toren toren toren ergo. ook weer. toch ergo. waaien bries. gevangenis gevangene aanhechting monteren. open veld plaats. nor. blanco. hengelsnoer roeien strofe. meerderjarigheid gevangenis. couplet wit. dus. aangeven. menen. berijmen boren wilg wilg bovenste piek. band nor. dorp boer. zetten stropdas. nor nor. sim. dus meer meer vervagen meerderheid. punt. neus. oningevuld. tip. gevangenis gevangenis. couplet rijmen. toch. das binding. knoest. kerker.. landman boer. getrouw vislijn. landman. blank strofe. nor nor.

door het water plassen springen opborrelen. door het water plassen riem. roeren. roeiriem. xeres druif wijnstok. door het water plassen vlek. ontspringen lente. toeschrijven. buurtschap riem. toedichten schuld lift aanrekenen. lemmer. roeispaan kling. lemmet bikken. roeispaan peddelen. landhuis schuld schuld aanrekenen. dader cello. afbikken doorroeren. opwellen. roeispaan peddelen. roeiriem. voorjaar riem. dwarrelen. gehucht. kolken hardloper spinnen warrelen. kolken virtueel . toedichten schuldig wijngaard wijngaard schuldig wijn sherry. aanslag vochtig vochtig nat wolf buitenverblijf.wigor wij wikary wilczur wilgoć wilgoć wilgoć wilgotny wilgotny wilgotny wilk willa wina wina winą winą winda winić winien winnica winnicą winny wino wino hiszpańskie winogrono winorośl winorośl winowajca wiolonczela wiosce wiosełko wioska wiosło wiosło wiosłować wiosłować wiosna wiosna wiosna wioślarz Wiór wiór wir wir (efekt graficzny) wirnik wirować wirowania wirtualny sap duizendpoot pastoor Elzassisch vochtig vochtig maken. gehucht. buurtschap peddelen. violoncel vlek. wervelen. dwarrelen. bevochtigen condens. toeschrijven. wervelen. omroeren warrelen. wijnberg schuldige. cel. buiten. roeiriem. wingerd wijngaard.

opzoeken bezoeken. binnen. klappen bezoeken. behelzen bestuur. daadwerkelijk virus virus hangen whist whist kers groeten. incluis bevatten. begroeten feestelijk inhalen vitaal vitamine aanhechtsel. visioen. ingevallen bijdrage afgeven. inbegrepen. spoedig trekken inclusief. om ronde dra. heerschappij. droombeeld gezicht. inhouden. per aanplakken houder. heen. alras. afgaan. opzoeken bezoeken. te. in bewaring geven invoer insteken. opzoeken slaan. gauw. houwen. deponeren. afgaan. ongeveer. visioen. steken. afgaan. effectief. affix visum visum afbeelding.. bewind lord onder de knie krijgen. hol hol. opzoeken inspecteur bezoeker in. prent. oppermachtig . soeverein. plaat uitzicht gezicht. droombeeld visum zichtbaar bezoeken.wirtualny terminal sieciowy wirus wirus utajniony wisieć wist (gra w karty) wist gra w karty wiśnia witać witać witalny witamina wiwatować wiza wizą wizerunek wizja wizja wizja na fali ciągłej wizować wizualny wizycie wizyta wizyta (na stronie WWW) wizyta powtórna wizyta próbna wizytator wizytator wkleić wkleić wklęsłość wklęsły wklęsły wkład wkład wkład wkładce wkładka wkoło wkoło wkrótce wlec wliczając w to wliczyć władać władca władca władca władca werkelijk. meester worden liniaal oppermachtig. indoen insteken. omtrent. indoen om . afgaan. kloppen.. haast. schede. foedraal ingevallen. steken.

ruig. accuraat grondig. nauwgezet. delegatie inbreker handwerk bezitting. bijbehorend gemakkelijk. doelmatig rechter-. bezitting eigendom. bezitting aanwensel. gezag heerschappij. gezag afvaardiging. gebruik rijk zijn. waarachtig een klein beetje. een nest maken incluis. pit. trekken vezel vezel zaadkorrel. attribuut landgoed. boerderij. geschikt. vagebond zwerver. gewoonte. houder eigenaar chaperonneren inderdaad. bezitten. bezitting bijvoeglijke bepaling. hebbelijkheid eigenschap adequaat. kreek . ruigharig Italië haardos. jijzelf Italiaans harig. attribuut landgoed. boerderij. vagebond rondreizen. boerderij. korrel aan de grond lopen. haar blond zwerver. inbegrepen smeden uzelf. erop nahouden eigenaar schede. vandehands precies. haar Italiaans haardos. mogendheid autoriteit. ietwat bijvoeglijke bepaling. inham.władza władza władza kierownicza władzy) włamywacz własne dzieło własność własność domkniętości własność gwiazdy własność obiektu własność otaczająca własny własny właściciel właściciel ziemski właściciel ziemski właściciel ziemski właściwie właściwie właściwość właściwość właściwość charakterystyka właściwość obiektu właściwy właściwy właściwy właśnie właśnie włączać grupa włącznie włączyć włąsnoręcznie Włoch włochaty Włochy włos włoski włosy włosy blond włóczędze włóczęga włóczyć się włókno włókno włókno włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona wnęka autoriteit. stranden baai. eigendom. eigendomsrecht usance. radicaal nestelen. bezit landgoed. foedraal. lichtelijk. metterdaad. macht. inclusief. rondtrekken.

. felheid scherp. ontketenen oorlog. inroepen. te. gevolgtrekking conclusie. alge. ontketenen uitschrijven. om uiterste wil. helder. afleiden. uiteinde vragen. omtrent.wnęka wnęka na moduły wnęka napędów wnęka wstąpienie wnętrze wnętrze wnieść udział wnikać wnikliwość wnikliwy wniosek wniosek wniosek wniosek wnioskować wnioskować wnioskowanie wnioskowanie wniosek wnosić udział wnuczce wnuczka wnuk woda woda utleniona wodą Wodnik Wodnik (znak zodiaku) wodny wodny wodorost wodorosty wodospad wodować (statek) wodować statek wojenny województwa województwo wojna wojna domowa Wojna Światowa wojsko wojsko wojskowość wojskowy wokoło wokół wola wolcie hol. heen. mening deduceren. omtrent. binnendringen. gevolgtrekking bijdragen kleindochter kleindochter kleinkind. wier. schelheid. inwendige bijdragen doordringen. rust per. hypothese. testament volt .. uitholling. in. binnen binnenste. afleiden. legermacht troep militair militair om . lanceren. zeewier zeewier. heen. voorbijgaand gevolgtrekking. lanceren. aanvragen. verbond.. kleinzoon water water water Waterman Waterman waterwater alge. acuut. leger. holte zak nis pauze. ongeveer. krijg civiel aardrijk. verzoeken onderstelling. wier waterval uitschrijven. wereld heerschaar. concluderen conclusie. om om .. krijg gouvernement gouvernement oorlog. conclusie uitgang. doorstoten guurheid. abstraheren besluiten. ongeveer.

vlotheid onbezet. open volt geluidssterkte. benoemen. schoencrème dragen. rundvlees klapstuk. verstrikken verwarren. schoencrème schoensmeer. los.woleć wolna przestrzeń wolno wolnonośny wolność wolny wolny wolny od cła wolny od cła wolny od podatków wolny od podatków wolt wolumen wolumin wołać wołowina wołowiną wołowy wonny woń worek worek wosk wosk wosk pszczeli woskować wozić wódka wódz wódz (plemienia) wół wówczas wóz wóz wózek wózek wózek wózek inwalidzki wpajać wpatrywać się wpisać wpisywać wpisywanie wplątać wplątywać (kogoś w coś) wpłata wpłata wpływ prefereren. volume noemen. vlot. wereldruim. wagen. volume geluidssterkte. truck. los. onbelemmerd ontzien. ontslaan. dus. aangrijpen . nietje vrijdom. klamp. handkar. uitmaken voor klapstuk. vrijheid. afdracht aandoen. voeren. verzadigen staren. rund stinkend geur. betrekken. open. aroma tas. zak ontzetten. voorhebben. gebieder. haakje. inhoud. beugel vrachtauto. langzaam kramp. ruimte op zijn gemak. inhoud. brengen wodka aanvoerder. schoencrème schoensmeer. chef richten. resistent langzaam onbezet. zachtjes. royeren bijenwas schoensmeer. baas. steken drukletter geschrift. auto affuit affuit kar. verstrikken afbetaling transfer. commandant aanvoerder. vrachtwagen doortrekken. onbelemmerd vrij. ergo. sparen immuun. dirigeren. de voorkeur geven aan bestek. schriftuur verwarren. speling. vlot. onbezet. insteken. open. besturen. aanstaren indoen. leeg. rundvlees koe. betrekken. heten. onvatbaar. karretje trolley. toch automobiel. mennen ook weer. turen.

doorvoeren toegegeven verwonderen. animositeit. presenteren. reproduceren. het doen in verlegenheid brengen daarvoor. vijandig vijandschap. ingeboren aangeboren. borrelen. leven. introductie inleiding. voorteken gil. receptief gunning. krijs . leveren. verbazen functioneren. illusies wekken bij indoen. zwieren. herrie. indruk receptief. blèren. voorbode. vijandigheid bonte kraai. rumoer spoel op het kookpunt zijn. beïnvloeden zwiepen. herfstmaand gil. sensatie indruk. introductie inleiding. steken inleiding. schreeuw. aanbesteding eindelijk. per saldo afleveren. aangrijpen aanwenden. beïnvloeden invloed hebben op. indertijd uitvoeren. vooraan. ophef. steken aanspannen uitvoeren. ten slotte.wpływ na wydajność (zwykle ujemny) wpływać wpływać wpływać na wprawa wprawdzie wprawiać w zdumienie wprawić w ruch wprawić w zakłopotanie wprost wprowadzać wprowadzać w błąd wprowadzać w błąd wprowadzenie wprowadzenie na urząd wprowadzenie w życie realizacja wprowadzić wprowadzić wprowadzić w życie wrażenia wrażenie wrażenie wrażliwy wrażliwy wrażliwy wrażliwy wreszcie wręczać wrodzony wrodzony wrodzony wrodzony wrogi wrogość wrona wrota wrota wróbel wrócić wróg wróżba wrzask wrzask wrzawa wrzeciono wrzeć wrzesień wrzeszczeć invloed hebben op. gevoelig. zwaaien. insteken. ingeboren ingeboren natuurlijk vijandelijk. bevreemden. schreeuw. presenteren. eerder. slingeren aandoen. indienen begoochelen. ontvankelijk. teruggeven vijand teken. effect effect. indienen klapstuk. ontvankelijk verstandig gevoelig. koken september. bulderen. krijs gillen. brullen lawaai. kraai draaihek haven mus hergeven. bestellen aangeboren. insteken. introductie indoen.

vaan. scheep gaan aan boord gaan. oostelijk oosters. voorteken. aanwijzen. abces. scheep gaan identificeren. roede royaal. grandioos. stokje. verdediger . advocaat. plik na serwer) wsadowy interpreter poleceń wschodni wschodni wschodni wschodni wschodni wschód wschód wschód wschód wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód słońca wsiadać wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) wskazać wskazanie wskazany wskazówka wskazówka wskazówka projektowa wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) wskazujący wskazywać wskaźnik ruchu wskaźnik stosu wspaniałomyślny wspaniałomyślny wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspierać wspierać się september. overweldigend overweldigend.wrześien wrzos wrzosowiska wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzód wrzód wrzucić(np. herfstmaand dopheide. grandioos. richten. inwerken oosten oriënt oriënt. mennen aanwijzend voornaamwoord aangeven. dirigeren. heide onderbinden Moriaan. teken raadzaam aanreiken. oostelijk oosten oriënt oriënt. oosten oriënteren. teken besturen. goedgeefs grootmoedig. bijstaan pleitbezorger. groots helpen. oosten oosters. overhandigen zinspelen voorbode. genereus. voorteken. rugschild. vereenzelvigen voorbode. gard. assisteren. edelmoedig bewonderenswaardig groot beroemd. glorierijk. vlag spitsroede. meren Mauretaniër ettergezwel. gul. aanduiden dundoek. etterbuil zweer uploaden schild. dophei heideveld. glorieus groots. oosten zonsopgang aan boord gaan. Moor aanbinden. schaal oosten oriënt oriënt.

innemend. reikhalzen meevoelen sympathiek. lint achterover . indoen aanwinst. medeplichtige bijkomstig. bijkomend mededader. na tron) wstążce wstążka wstecz montage. alpensport klimmen. klamp. bergbeklimming. wederzijds. genootschap. gedenken zich herinneren. hunkeren. concurreren insteken. medelijden erbarmen. gemeenschap bond. medelijden medegevoel. lint band. lid. medeplichtige wedijver wedijver meedingen. deelneming verlangen. zielsverwant proportie. echtgenote. echtgenoot bijdrage samenwerken. gemeenschappelijk actueel. verhouding. medeplichtige zich aaneensluiten. klauteren gewag maken van. meewerken zich aaneensluiten. gemeenschappelijk gewricht. haakje. klamp. mededogen. makker bijkomstig. onderling algemeen. onthouden. bijkomend mededader. meewerken meewerken. wedijveren. evenredigheid voorkomendheid. heugenis. bijbehorend. herinnering kramp. aansluiten gemeente. aansluiten maat. troosten kramp. indoen insteken. steken. kameraad.wspinaczce wspinaczka górska wspinać się wspominać wspominać wspominać wspomnienia wspornik wspornik montażowy wspornikowy wspólnik wspólnik wspólnota brytyjska wspólny wspólny wspólny wspólny współbieżny częsty powszechny współczesny współczucia współczucie współczucie współczuć współczuć komuś współczujący współczynnik współczynnik dobroci współdziałać współdziałać współmałżonek współpraca współpracować współpracownik współpracownik współsprawca współsprawca współwinny współwinny współzawodnictwa współzawodnictwo współzawodniczyć wstaw wstawiać wstawić wstąpienie (np. associatie algemeen. indoen insteken. samenwerken eega. zetting alpinisme. prooi band. nietje mededader. man. onthouden. buit. liefheid samenwerken. kornuit. noemen. nietje vertroosten. knoop wederkerig. steken. vermelden zich herinneren. steken. acquest. mededogen. haakje. tegenwoordig erbarmen. gedenken geheugen. bijbehorend. geleding. gelid.

opkomen. afkeer. zich abstineren verhinderen. rijzen gruwel. rugwaarts achterover achterwaarts. giftig aardbeving schokken opschudden. introductie besloten. rugwaarts achterwaarts achterzijde. ophitsen. vergiftig. opstoken gejaagd. onthouding terughoudendheid. blo foei almachtig almachtig . verafschuwen afschuwelijk ijselijk. abstinentie nuchter. opruien. bescheiden. afgrijselijk misselijk. onthouding foei bevangen. beletten terughoudendheid. bobine band. preliminair opgaan. verschrikking. betomen. smerig afschuwelijk venijnig. injecteren aanhouding. verdringen. verhoeden. introductie inleiding.wstecz wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny odnośnik wsteczny odnośnik wstędze Wstęga wstęp wstęp wzbroniony wstęp wzbroniony wstępny wstępować (np. achteruit. werelddeel gematigd. klos. bedeesd. achteruit. particulier voorafgaand. onsmakelijk vuil. ophouden zich onthouden. detineren. ommezijde. vasteland. opgewonden geheelonthouding. matig. arrestatie slapen. achteruit. bezadigd. opkroppen bedwingen. lint inleiding. beteugelen reserveren. verschrikking. hekel. rugwaarts spoel. rugstuk achterover achterwaarts. timide. na tron) wstręt wstręt wstręt wstręt wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrząs wstrząs wstrząs wstrząsać wstrząśnięty wstrzemięźliwość wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzyknąć wstrzymać wstrzymać wstrzymać wstrzymać się wstrzymać zatrzymanie wstrzymywać wstrzymywać wstrzymywanie się wstrzymywanie się od głosu wstyd wstydliwy wstydzić się wszechmocny wszechmogący achterwaarts. antipathie een afschuw hebben van. schokken agiteren. stuitend. sober continent. maffen onderdrukken. gruweldaad gruweldaad. matig inspuiten. privé-. schudden. gruwel tegenzin. opstaan.

kiezen uitlezen. afkluiven . dolheid doldriftig. regering. overheen. ergo. steken. bougie ontstekingsbuis. binnenrukken ook weer.. door allemaal. uitlezen. door bof. mazzel. universum. onbenullig vuurspuwende berg. vulkaan heft. uitkiezen knabbelen. begroting Maria-Hemelvaart begenadigen.. injectie ontstekingsbuis. veelomvattend algemeen. kiezen. hondsdolheid. allerwegen. je asfalt budget. ieder.wszechstronny wszechstronny wszechświat wszelki wszerz wszędzie wszyscy wszystek wszystkie wszystkiego najlepszego wszystko wszystko wścieklizna wściekły wśród wśród wtajemniczać wtajemniczyć kogoś wtargnąć wtedy wtedy <the Government> wtłoczyć wtorek wtórny wtrącać wtrącanie się wtrysk wtyczka wtyczka (elektr. hals. door de hele .) wuj wujek wulgarnie wulgarny wulkan wupykłość wy wyasfaltować wyasygnować fundusze wyasygnowane fundusze wybaczać wybaczenie wybaczyć wybawca wybawcą wybawiciel wybierać wybierać (numer) wybierać (w wyborach) lijvig. aan de overkant van alom. alleman. bijkomend.. bijkomstig insteken. aan je.. wijd en zijd de hele .. indoen storing spuitje. begenadigen vergeven. al over.. handvat. door de hele . onbenullig plat. inspuiting. gevest. midden tussen de stoot geven tot de stoot geven tot binnenvallen. dus. vergeven vergeven. woedend. aan jou. medio. vulgair. bougie oom oom plat. dol in het midden van. schepping elk. overal. begenadigen Verlosser Verlosser Verlosser uitkiezen. buitenkansje de hele . alles razernij. overheid doordrukken dinsdag bijbehorend. triviaal.. vulgair. knop jou. triviaal. toch gouvernement.. iedere. geluk. universeel heelal. verwoed.

bulderen. toer tournee. keur. kustlijn. keus. optie. zeekant. trip. afgetrokken hijsen. snede. reis. keus verteren. keur. excursie. digereren knabbelen. beetkrijgen steen en been klagen. verkiezing knabbelen. aanslag prijs afranselen opvoeden. excursie tocht. excursie uitstapje. blèren. tocht. schijf. weeklagen maaien abstract. zeekant. verkiezing. filet . toer. keus. kustlijn uitbarsting. ontmanteling. optie. verkiezing. scheuren afbraak. ophijsen abstract. trip. tocht. vermogen eminent. merkwaardig heerlijk. bochel keus. trip. garneren afkeuren moot. optie. plak. afgezonderd kust. keus. verkiezing optie.wybierać/nakręcać numer telefonu wybierak wybierak igłowy wybierz wybitny wybitny wybitny wybitny wybitny wyborny wyborowy wybory wybój (na drodze) wybór adresu wiersza wybór trasy przez źródło wybór trasy zastępczej wybór trasy zastępczej trasa zastępcza wybór układu wybór wstępny wybór z menu wybrany wybredny wybrzeże wybrzeże wybuch wybuchnąć wyburzanie wycena wyceniać wychłostać wychowawca wychwycić wycia wyciąć wyciąg wyciąg wyciągać (coś z czegoś) wyciągnąć (coś z czegoś) wycie wycie iwania wycieczce wycieczce wycieczka wycieczka wycieczka wycinać lasy wycinek wycinek (tablicy wijzerplaat schouder naald uitkiezen. rondreis afzetten. alternatief. beslaan. tocht. keuze. keuze keus. sloop belastingaanslag. kiezen kapitaal. brullen brullen. zeekust kust. verkiezing optie. keur. pakken. toer. toer. verduwen. keuze. afkluiven afzonderlijk. explosie barsten. alternatief. ontploffing. zeekust. keur. uitlezen. afkluiven keuze. opmerkelijk onbetaald. keur. overheerlijk keuze. keus bult. kostelijk. afgetrokken abstract. uitstekend. achterstallig opmerkelijk. aanzienlijk merkwaardig. onderwijzen beetnemen. trip uitstapje. huilen uitstapje. afgetrokken gillen. keuze keuze. splijten.

stom pompoen terugtrekken. uitgeput lijvig. uitlaten. schijnen uitstralen uitgeverij uitgeverij afkondiging. voortgang hebben. luchtje. afdwingen . afstaan abstract. cambio afpersen. afstaan ontslaan. uitmelken brullen. spenderen. openbaarmaking vlijen. tasten. plak. leggen. druk. afstaan opdraven. op. voortbrenging het veld ruimen. veelomvattend uitverkocht. royeren verjagen. kosten het veld ruimen. uitmelken exploiteren. geur. bulderen. uitmelken exploiteren. berechten lijken. verdrijven. brullen gevolg besteden. spanderen ontlokken. schijf. eliminatie het veld ruimen. snede. editie loslaten. overkomen. uitbuiten. ingevallen wissel.wycinek tablicy wyciszanie wyciśnięta masa wycofać wycofywać się wyczerpany wyczerpujący wyczerpywał wyczuć wyczuwać wyczuwalny wyczyn wyczyn (bohaterski) wyczyn bohaterski wyć wyć wyć (dot. tappen. gebeuren keer. neerleggen ontwikkeling. uitgeput reuk. blèren. intrekken ontwoekeren uitverkocht. uitbuiten. huilen gillen. brullen gillen. slaken produktie. oordelen. afwerpen het veld ruimen. opdagen beoordelen. maal onkosten. filet sprakeloos. afstaan uitdrukken opbrengen. knevelen. uitbuiten. uitgave. lucht bevoelen. blèren. betasten verstandig exploiteren. op. uitbrengen. bulderen. opleveren. afgetrokken afleiden hol. ontzetten. voelen. uitdrijven uitgaaf. lossen toegaan. syreny) wyćwiczyć wydaj wydaj wydajność Wydajność wydalać wydalić wydanie wydanie wydarzać się wydarzenia wydatek wydawac z siebie wydawać wydawać wydawać wydawać się wydawać się wydawać się wydawać z siebie wydawca wydawcą wydawnictwa wydeptany wydobycie wydobycie wydobyć wydobywać wydrążenie wydruk próbny wydrzeć moot.

duidelijk maken. behalen boe steriliseren rekening. verdrijven. effen prediken. uitgaan. toelichten uiteenzetten. kenbaar maken uittocht. leveren. dagvaarden afscheiding pachten. verdrijven. gemakkelijk. vertrek uitzondering afleiden uitzondering uitzonderlijk uittreden. bestellen verjagen. beduiden uiteenzetten. aanblik het uiterlijk hebben van. toelichten uitleggen. preken uitspreken afleveren. verschijnen aanzien. uitblussen aflopen. eveneens aan. comfortabel doelmatig. eindigen bevrijden departement faculteit kast departement departement afleiden betekenen. ophouden. tot. ophouden. vlak. voor. in pacht hebben evenzeer. duidelijk maken. air. uitdrijven verbannen. uitbannen aangenaam geriefelijk. gemakkelijk.wydychać wydychać wydzialać wydział wydział wydział (na uczelni) wydział humanistyczny wydział ik wydzielać rozpakowywać wydzielić wydzieliną wydzierżawić wyekspediować wyekspediować wygasić wygasnąć wygląd wygląd przycisku wyglądać (prezentować się) wygładzać wygłaszać wygłosić wygłosić (mowę) wygnać wygnanie wygodnie wygodny wygodny wygonić wygrywać wygwizdania wyjaławiać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśnić wyjaśnić wyjaśnić coś z kimś wyjaśnienie wyjawić wyjawić (sekret) wyjazd wyjątek wyjątek wyjątek arytmetyczny wyjątkowy wyjechać wyjścia getuigen van. bedanken afrit. naar doven. er uitzien gelijk. beduiden uiteenzetten. blussen. tegen. ademen aflopen. uitweg . verdienen. aftreden. geschikt verjagen. conto uitleggen. bij. eindigen verschijning. uitdrijven winnen. uitgang. uitademen. ook. uitgaan. toelichten toelichting. uitdoen. schijn. explicatie morsen openbaren. dagen. mede.

figuur. ter dood brengen loopgraaf opduikelen. muil ontwikkeling. toepassing uitbuiten. opdagen kleren maken executeren. rooien exploiteren. uitbuiten. opgeven uittreden. tering. eliminatie ontwikkeling. rooien opduikelen. drillen executeren. maken. uitmelken gescheld sluipen intrige.wyjście wyjście wyjście wyjście uniwersalne wyjście zerowe wyjść wyjść po angielsku wykałaczce wykałaczka wykaz wykluczać wykluczać wykluczyć wykład wykładać wykładowca wykładowca wykładowcą wykładzina wykładzina wykonać wykonać wykonać wykonać działać wykonaj wykonalny wykonanie wykonawca wykonuj wykonywać wykonywać egzekucję wykonywać krok wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów wykonywać rozkazy Wykop wykopuj wykopywać wykorzystać w praktyce wykorzystanie wykorzystuj wykorzystywać wykorzystywać wykorzysywać wykradać wykres wykres słupkowy wykręcić numer uitgeven. vloerkleed. exploiteren. ter dood brengen executeren. ter dood brengen inschikkelijk. karpet voering executeren. formeren aanwending. bedanken tandenstoker tandenstoker aangeven uitzonderen uitsluiten uitsluiten college geven college geven lector lezer lector tapijt. machinatie. handelbaar produktie. ter dood brengen afdruk spinnen executeren. aftreden. eliminatie afrit. opgraven. opbrengst bouwondernemer. uitweg prijsgeven. opdagen oefenen. tuberculose doen ontstaan. opgraven. uitmelken longtering. delven. emitteren bek. beeld wijzerplaat . delven. konkelarij afbeelding. kleed. gewrocht. aannemer opdraven. afleggen. ter dood brengen opdraven. uitgang.

helen op verhaal komen. wissen. vorming aflossing.wykręcie wykręt wykrycie obiektu i ustalenie jego uspółrzędnych w radiolokacji wykrywanie wykrzykiwać wykrzyknik wykształcenie wykup weksla wykwintny wylać z posady wylać z pracy wyleczyć wyleczyć Wylew wyładować wyładować wyładować wyładowane koronowe wyładowanie (elektryczne) wyładowanie (towaru) wyładowywać wyłaniać (pojawiać wyłączać wyłącznie wyłącznie wyłącznik wyłącznik przyciskowy wyłącznik temperaturowy wyłączny wyłączny wyłączony niestandardowy wyłudzić wymachiwać wymagać wymagać wymawiać wymawiać niewyraźnie wymazać wymazać wymazać prawiedliwości wymazywać wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny wymazywać ekran wymiana wymiana stron wymianą haarkloven. achtergrond. stokje exclusief. met gom bestrijken afvegen. gard. ontzetten. uitladen. royeren ontslaan. nesthaar. liefkozen. royeren genezen. stokje tocht. ontslaan. vereisen. roepen. inruilen. kronen ontslaan. fanfare opeisen. ontzetten. toer. afwissen gommen. gebrekkig aanwensel. royeren van boord gaan lossen. bloot. met gom bestrijken ruilen. opdraven waas. ruilen. behoeven. spitsroede. spitsroede. trip roede. uitladen. gard. rekenen. uitsluitend enkel. dons uitsluitend. afladen bekronen. moeten. wisselen centrale inruilen. alleen. joelen tussenwerpsel opvoeding. slechts roede. louter invalide. uitvegen. afdrogen. wegvagen gommen. aansterken bodem. hoeven uitspreken uitspreken gommen. grond ontslaan. wisselen . afschrijving beminnelijk strelen. aanhalen ontzetten. eisen nodig hebben. met gom bestrijken uitwissen uitwissen. beter maken. afladen opdagen. amortisatie. exclusief maar. aaien. schreeuwen. hebbelijkheid fanfarekorps. bedillen verschuiving acquisitie ontdekking gieren. ontzetten. royeren lossen. ondergrond. reis.

lonen. knevelarij knevelarij. terugdoen. verdichtsel. salaris pachten. in pacht hebben pachten. wisselen belastingaanslag. in pacht hebben aannemen. getal opdagen. verbeelding . gewrocht. emitteren afstammen. gispen doordrukken verplichten. zich verbeelden bedenken. in pacht hebben uitvinder uitvinder uitvinding uitdenken. wisselen inruilen. verheven gemiddeld tal. bekokstoven. aanwerven. inruilen. laten begaan. aantal. afkeuren. dimensie ruilen. het gevolg zijn van ontstaan hoog. bezoldiging. kotsen uitspraak laken. bedenken produktie. bestek. belonen loon. braken. zich verbeelden inbeelding. dwingen. laten pachten. opdraven in verwachting raken. inruilen. omvang afmeting. noodzaken afpersing. opbrengst afstammen. gage. afpersing fictie. pram inhalen spugen. aanslag uier. verbeelding gescheld vergelden. wisselen afwisselend centrale centrale centrale ruilen. huren huur laten schieten. zwanger raken bedenken. aanwerven. overgeven. ruilen.wymiar wymiar sprawiedliwości wymieniać wymieniać wymieniać (walutę) wymieniać się wymienić wymienić (jakieś elementy na nowe) wymień wymierzenie wymię wymijać wymiotować wymowa wymówce wymusić wymuszać wymuszanie wymuszenia wymysł wymyślać (<sb> komuś) wynagradzać wynagrodzenie wynajem wynajęcia wynajmować wynajmować wynajmował wynajmowanie w DHCP wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP wynalazca wynalazcą wynalazek uchylać wynaleźć wynik wynik wynik polecenia wynikać wyniknąć wyniosły wynosić wynosić średnio wynurzać) się wyobrazić sobie wyobrazić sobie wyobraźnia wyobraźnia grootte. het gevolg zijn van uitgeven. huren aannemen. berispen.

accommodatie. afdracht gorgelen. uitspraak huur toondicht. afbeelding. figuur isoleren. set. evenement bakken aanbranden aanbranden afzwering doen verdampen. bijkomend uitrusting. trip oprichten. emitteren rest. vullen bakken afzweren ontkennen neerschrijven. bijbehorend. stel accessoires toerusten. uitvoeren bijkomstig. accident. vulsel invullen. bijkomend bijkomstig. dempen. indampen opvulsel. uitrusten. inrichting complet. afzonderen chargeren. klikken declaratie. schriftuur schriftelijk afbetaling transfer. aangifte. stelletje. bijbehorend. lijst. bijbehorend. aanbrengen. rommel. toer. prent. plaat begrip beeld. uitrusten. inrichting bijkomstig. uitdampen. spekken. zich verbeelden afbeelding. aangelegenheid. schrijven. overblijfsel. bijkomend uitrusting. ding omstandigheid belangrijke gebeurtenis. stichten. zich verbeelden bedenken. uitvoeren aangeven. uitschrijven geschrift. accommodatie. afspoelen. inrichten . toonzetting. overdrijven kader. compositie reis.wyobrażać wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyodrębniać wyolbrzymiać wypaczenie wypadek wypadek wypadek wystąpienie wypadek śmiertelny wypadek śmiertelny wypalać wypalać (pamięć stałą) wypalać (płyty CD) wyparcie się wyparować wypchanie (zwierzęcia) wypełniać zerami przypisywać wartość zerową wypiekać wypierać się wypierać się wypisuj wypisując wypisywany wypłacie wypłata wypłukanie wypływ wypoczynek wyposażać wyposażenia wyposażenie wyposażenie wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażeń wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów wypowiedzieć (umowę) wypowiedź wypożyczać wypracowanie wyprawa wyprostowany bedenken. raam ongeluk. tocht. ongeval omstandigheid affaire. spoelen uitgeven. omlijsting. vulling. zaak. afval toerusten.

betuiging. plukken. sententie. vonnis bijlage. instelling werkkracht. adapteren afstelling. knop nadruk. gezegde bewoording. helder erkenning apert. effen onderscheiden. uitvallen. aanmaak. hals. betuiging. uitspraak. schappelijk. abnegatie afzweren abnegeren. ledig. schaar afrukken. uitgesproken. vervreemding voorafgaan. ondervragen maken. voorzijn gaan naar. item. loos. doen.wyprowadzać wypróbować wypróżniać wyprzeć się wyprzedaż wyprzedzać wyprzedzenie wyprzedzić wypukłość wypuścić nowe wydanie wypytywać wyrabiać wyraz wyrazić podziękowanie wyrazić zgodę (<to sth> na coś) wyrazisty wyrazy uznania wyraźny wyrażać wyrażać wyrażenie wyrażenie znakowe wyregulować wyregulowanie wyrobnik wyroby garncarskie wyrocznia wyrok wyrok wyrostek robaczkowy wyrośle adenoidalne wyrozumiały wyrób wyrób wyrównać do prawego marginesu wyróżniać wyróżnienie wyróżniona część (np. deeltje. gewrocht. leeg afzweren verkoop. gezegde agnosceren. afbreken versterving. naderen anticiperen. pogen hol. klem op reis gaan. na listingu) wyróżniony druk wyruszać wyrwać coś komuś wyryć wyrywać wyrywać (włosy) wyrzeczenie się wyrzekać się wyrzekać się wyrzekać się aftappen streven. klem jaartelling. betuiging. fabricage produktie. afreizen knevelen. handvat. uitbrengen. beamen. werker. genaken. volzin judicium. slaken bewoording. zich inspannen. afstemmen. appendix. zin. afpersen. als waarheid aannemen ja zeggen. arbeider aardewerk orakel frase. werkman. aanpakken. afstand doen van . onderkennen nadruk. herdruk een verhoor afnemen. bedrijven bewoording. afdwingen graveren. duidelijk uitdrukken ontlokken. gezegde aanpassen. lankmoedig fabricatie. prejudiciëren heft. lens. bevestigen klaar. gevest. zichzelf verloochenen opgeven. griffen knijper. vlak. aanhangsel derde goedertieren. evident. opbrengst gelijk. kennelijk. deel nadruk.

pronken tentoonstelling. achterstallig gebeuren. prijken. mager. leiding produktie. voorafgaand pralen. aanvaller aanplakken pakje afgezant. hoogte hoogte stand. lade tentoonstellen. verheven verheven. aan de hand zijn adequaat. afdruk gebeuren. tribune. paraderen. tentoonstellen podium.wyrzić zgodę wyrzucać sobie wysadzić na ląd wysepka wysepka (uliczna) wysiaduj wysiłek wyskok wysłać wysłać wysłać pocztą wysłanie (towaru) wysłannik wysłowić coś wysłowienie się wysmukły wysoki wysoki wysoki poziom logiczny Wysoki sądzie wysoki stan logiczny wysokość wysokość wysokość bariery potencjału wysokość bariery potencjału wysokość stosu wyspa wyspą wystający wystapić wystarczająco wystarczająco wystarczający wystarczający wystarczający wystarczający wystarczyć wystawa wystawa sklepowa wystawca czeku wystawiać wystawić (na pokaz) wystawić na scenie wystawienie (sztuki) wystąpienie występować wystraszyć wystrój pulpitu ja zeggen. bode. schraal. schrik aanjagen onderwerp. voldoende genoeg. verheven hoog. verleden. voortbrenging exemplaar. voldoende voorgaand. verheven stand. op de juiste wijze adequaat. ontzetten. hoog hoog. verheven hoog. bijbehorend uitgebreid. luchtig hoog. belichten belichten. asiel. gezant woord. betuiging. beamen. aan de hand zijn doen schrikken. bewoording bewoording. stof. broeden moeite. scala toevluchtsoord. dun. gezegde sprietig. hoogte hoogte hoogte eiland eiland onbetaald. bevestigen ontzetten. ontslaan ontslaan. thema. bijbehorend gevoeglijk. toonladder. poging springen verzenden voorspeler. apropos . bestuur. royeren. expositie schuiflade. omvangrijk. asyl broeden op. la. koesteren. veelomvattend genoeg. royeren toonschaal.

pronken pralen. elegant. vulling. pronken pralen. adapteren pralen. prijken. paraderen. paraderen. pronken pralen. sproeien. paraderen. droog post. net keurig fabriek stikken saldo. swingen afhandelen. duren. prijken. sturen. aanpassen. prijken. uittrekken afschaving verdelgen. afwikkelen. uitvoeren verzenden stortplaats stortplaats specificeren specificeren rank. posterijen doen toekomen. vulsel wedijver geslacht. uitroeien uiteenzetten. slank. opsturen exporteren. uitspuiten beklijven. concluderen . wachten maken. stuiven spuiten. piekfijn. aanhouden sterkte te wachten staan. intelligentie zwaaien. lijdzaamheid vasthoudendheid volhardend opspatten. slingeren. afleiden. ontdooien blijven aandringen geduld. doen. overschot interviewen bevattingsvermogen. geslacht bevallig.wysychać wysyłać pocztą wysyłać reklamy wysyłanie wysyłka wysypisko (śmieci itp) wysypisko śmieci wyszczególniać wyszczególnić wyszczupleć wyszukać informacje pełzać wyszukany wyszywać wyściełanie wyścig wyścig wyświadczyć przysługę (<sb> komuś) wyświetlacz wyświetlacz z matrycą aktywną wyświetlać wyświetlić wyświęcać wytarcie wytępić wytłumaczyć wytop wytrwać wytrwałość wytrwałość wytrwały wytrysk wytrysk wytrzymać wytrzymałość wytrzymywać wytwarzać wytwarzać egzemplarz wytwarzanie wytworny wytworny wytwórnia wywatować wyważenie wywiad wywiad wojskowy wywijać wywnioskować wywnioskować dor. stam. paraderen. volksstam afstemmen. verspuiten. afdoen besluiten. dooien. tenger kruipen geraffineerd borduren opvulsel. toelichten wegsmelten. pronken bestemmen. bedrijven verwekken generatie. prijken. afhalen.

Turkse staatsraad. uitdagen. baanvlak reisplan. dagen. bekennen. loten benoemen. dagvaarden administreren. uittarten trots ontzetten. voorrijden ontwikkeling. ondermijnend kiel beter worden. uittarten trotseren. rustbank verloten. reis. tracé. afleiden. route. toegeven erkennen. nihil nul hel. dagen. beroep. uitdagen. uitmaken voor scheppen. aanstellen betekenen. genezen. star. tarten. benoemen. concluderen naar buiten roepen aanroepen aanrijden. bijten . uitbuiten. trip trotseren. besturen reisplan. fiducie. ontslaan bevrijden exploiteren. uitmaken voor keer. evolutie subversief. tracé. licht. toer. klaar betekenen. royeren. ambacht haan van een vuurwapen tocht. ten noorden van bovengenoemd corroderen. vast divan. dagvaarden pensioen erkennen. ten noorden van bovengenoemd benoorden. uitmelken in weerwil van. vertrouwen handwerk. beheren. aanstelling onbeweeglijk. creëren naar buiten roepen besluiten. tarten. heten. baanvlak benoeming. bekennen. heten. aantasten. niettegenstaande benoorden. route. biechten. benoemen.wywodzić (ród) wywołać wywołać coś wywołania odłożone na stosie wywołanie zwrotne wywołuj wywołuj wywołuj wywoływać wywoływać wywoływać wywoływanie wywrotowy wywrócić wyzdrowieć wyzerować wyzerować zerowy wyzeruj sprzęg wyznaczać wyznaczać wyznaczać drogę trasa wyznaczać trasy wyznaczenie wyznaczony wyznaczyc wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć emeryturę/rentę wyznać wyznaj wyznaj wyznanie wyznanie wyzwalacz wyzwalacz wyzwania wyzwanie wyzwanie wyzwolić wyzwolić się od czegoś wyzyskiwać wyzywająco wyżej wyżej wyżej wymieniony wyżej wymieniony wyżerać aftappen noemen. helen nul. biechten. accumuleren noemen. maal ophopen. toegeven bekennen. erkennen geloof. biechten. opeenhopen.

aanwinst. naar. vergroten. roosteren nobel. referentie gewag maken van. gedenken acquest. patroon. uitbreiden vermeerderen gewag maken van. noemen. aannemen. prevalent. cru langs. inrichten toren klimmen. onbehouwen. rijzen oprichten. naast. respecteren saké.wyższy wzajemne zrozumienie wzbraniać się wzbudzić wzburzony wzdłuż wzdłuż wzdłuż wzdłuż całej drogi wzdłuż dłuższego boku wzdłużny wzdrygać się wzdychać wzgl. vermelden zich herinneren. gebieder. nagaan deelnemen. het verdommen. daarlangs ineenkrimpen. klauteren vernieuwen. speen branden. opstaan. afkeuren wakker. rijstwijn tamelijk verwant. renoveren modelleren kunst schablone. superieur medegevoel. edel opgaan. ineenkronkelen zuchten. wakend onbewerkt. glooiing tepel. sjabloon . meedoen raadzaam uitbouwen. overwegen. meemaken. chef tel. prooi helling. vermelden verwijzing. noemen. buit. bot. daarlangs in de lengte. stichten. daarlangs bezijden. baas. onthouden. aanvaarden schouder beschouwen. achting eerbiedigen. braden. familielid verwant. opkomen. kreunen aanvoerder. ingevolge bezijden. naast. blijkens. grof. behalve in de lengte. duży numer urządzenia wzgląd wzgląd wzgląd względnie względny względny numer pozycji wzgórze wziąć wziąć na swoje barki wziąć pod uwagę wziąć udział wzkazany wzmagać wzmagać wzmiance wzmiance wzmianka wzmiankować wzmocnienie wzniesienie wzniesienie wznieść toast wznoisły wznosić wznosić wznosić się wznoszenie (samolotu) wznowić pracę komputera wzorcowy wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) wzornik pisma matryca do powielania szablon opperste. deelneming afwijzen. familielid aanaarden accepteren. behalve in de lengte.

patroon modelleren formeren. huizen emotioneel. bumper. vizier gezicht.wzorzec wzorzec slajdów wzorzec zmienny Wzór wzór wzór wzór kreskowania wzór model wzór punktowy wzrastać wzrok wzrok wzrok wzrokowy wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost globalny wzruszać wzruszać wzruszać ramionami wzruszający wzruszający wzruszenie wzruszenie ramionami wzruszony wzruszyć (<one's shoulders> ramionami) X z z z z biegiem czasu z drogi! z konieczności z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) z obawy przed z oburzeniem z perspektywy czasu z podziwem z poważaniem z przerwami z trudem gromadzić z trudem wywalczony z tyłu z tyłu kiem knippatroon. stijl knippatroon. bezorgd aan het einde. inclusief. eerder. begrensd. norm knippatroon. met ingang van. achteraan mysterieus. gevestigd zijn. roerend gewaarwording. opgewonden de schouders ophalen indexeren buffer. vooraan. verheffen. visioen. zoeker. zeker. stootkussen sedert. opruien. bezorgd ongerust. figuur de schouders ophalen aanslag agiteren. turen richtmiddel. geheimzinnig . immers. opstoken resideren. groei opstaan. met ingang van. bezorgd incluis. inbegrepen beperkt. gestalte. patroon trant. ontwikkeling. droombeeld zichtbaar ontwikkeling. vormen. aangrijpend. gaan staan opklimmend rose. vanaf daarvoor. roze. roos lichaamsbouw. vanaf met. aanstaren. standaardmaat. bijkans. patroon regel. samen met schier. bijna tweedehands ongerust. aandoening de schouders ophalen gejaagd. patroon formule knippatroon. ophitsen. aangaan opdrijven. haast. evolutie wasdom. toch met overgave sedert. indertijd pruttelen ongerust. ophogen staren. eindig wel.

belachelijk. konfijten. doodmaken. speeltuig aardig. aanvaarden acclimatiseren alarmeren. naast. achteraan in het buitenland in het buitenland achter evenzeer. onderpand betuigen. amusant. vanaf achter aan het einde. verband schakering. uitwendig. nabij. lachwekkend. amusement opvrolijken. bevestigen. amusant. dichtbij. beklemtonen accepteren. bij zwachtel. leuk kriebelen. heelkunde ombrengen. vermaak spel verstoppertje vermaak. nuancering tint schakering. inleggen fixeren. wondheelkunde. uiterlijk sedert. konfijten. ontketenen aan. bepalen inmaken. aanslaan. stuk speelgoed. ook geabonneerd zijn op accentueren. amuseren. nuance. kietelen speelbal. modderig . mal behoeden. lanceren. marmelade troebel. doden blokkade jam. mede. doodmaken. alarm slaan uitschrijven. beschermen bescherming pand. nuancering amusement. buiten-. borgstelling. vermakelijk humoristisch gek. verzekeren blind inmaken. doden chirurgie. onderpand pand. eveneens. met ingang van. moes. borgstelling. nuance.z wielkim nosem z zegarkiem w ręku z zimną krwią za za za duży za granicą za wszelką cenę za wszelką cenę zaabonować zaakcentować zaakceptować zaaklimatyzować zaalarmować zaangażować się zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych zabandażować zabarwić zabarwienie zabarwienie zabawa zabawa zabawa zabawa w chowanego zabawiać zabawiać zabawiać zabawiać zabawka zabawny zabawny zabawny zabezpieczać zabezpieczenie zabezpieczenie zabezpieczenie w architekturze zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć przechowywać zachować zabić zabieg chirurgiczny zabijać zablokować zablokować zabłocony uitzonderen extern. leuk. onderhouden recipiëren vermakelijk. inleggen ombrengen.

zabójca zabrać się (<sth> do czegoś) zabrać się do czegoś) zabraknąć zabraniać zabraniać zabronić zabronić zaburzać zaburzenie zabytki zachcianka zachęcać zachęcać zachęcić zachęcić zachęcić zachęta zachłanny zachmurzony zachmurzyć zachodni zachodni zachodni zachodni zachodni zachować zachować jako zachować w pamięci zachowania zachowanie zachowanie zachowanie mediów zachowuj zachowywać zachowywać zachowywać zachowywać sie nienaturalnie zachowywać sie nienaturalnie zachowywać się (dobrze) zachowywać się cicho zachowywać się źle zachód zachód zachód zachód zachód słońca zachód słońca moordenaar aanpakken. opstoken. westen westen westers. aan komen lopen aanpakken. bergen. aanwakkeren. kuur aanvuren. aanwakkeren. betogen. reserveren. houding. nuk. marmelade verbieden een aanslag plegen op. wandel lager inmaken. betogen. westelijk redden. leiden houding. bui. vragen. voorteken. intekenen de weg wijzen. inviteren. inleggen zich aanstellen. gedrag. aansporen ophitsen. zich voordoen zich gedragen blijven zich aanstellen. strubbeling. aan komen lopen floppen. gril. Westers. happig. moeilijkheid oudheid bevlieging. argumenteren vertogen. noden promoveren. bevorderen voorbode. teken begerig. geleiden. agiteren. opruien aanvuren. in het water vallen verbieden verbieden jam. moes. wandel gedrag. behouden schat bespreken. aanranden bezwaar. gretig onduidelijk. belust. bewolkt wolk zonsondergang west west. argumenteren zonsondergang west west. konfijten. westen . zich voordoen zich gedragen blijven vertogen. westen westen west west. aansporen uitnodigen.

in verrukking brengen bewonderenswaardig verrukt jam. kern wachten. aanbrengen. karwei. beginnen. zeer. koppig haakje. te wachten staan aangrijpen. wanhopig versomberen. nietje beurs. klamp. geleiden. hardnekkig. drillen emplooi. moes. rauw verrukken. klink handdruk. raadsel radeloos. klikken wurgen. drillen vraagstuk. handvat. probleem. hees. gedateerd. vraagpunt. choken. rugwaarts ouderwets. geldbuidel achterover achterwaarts. aanvallen aanbinden. noemen aanhaling. citaat een hinderlaag leggen aanbinden. portemonnaie. opgave. arbeid karwei. afhalen. klus. werk. pijn vragen aangeven. taak oefenen. worgen verontschuldiging bevredigend tevredenheid blijdschap tevredenheid . nietje oor. achteruit. opgave. aanvangen pit. marmelade dienst nemen puzzel. klus. opgave. citeren. opgave karwei. achterste vragen karwei. taak oefenen. aanvangen gat. klamp. donker worden uitwissen halsstarrig. hengsel. aantasten. taak wee. kruk. kont. bibs. leiden terminal haakje. uit de mode aanhalen. klus. hand de weg wijzen.zachód słońca zachrypnięty zachwycać się zachwycający zachwycony zaciąć się zaciągnąć (się) do wojska zaciekawić zaciekły (bój) zaciemniać (się) zacierać zacięty zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk źródła zacisnąć (usta) zacofany zacofany zacofany zacytować zacytowanie zaczaić się zacząć zaczątek zaczekać zaczepka zaczynać (się) zad zadaj zadania zadanie zadanie zadanie zadanie wsadowe zadanie wydruku zadanie zawieszające zadawać ból zadawać pytanie zadenuncjować zadławić się zadośćuczynienie zadowalający zadowolenia zadowolenia zadowolenie westen schor. beginnen.

vraag. bedreigen bedreiging. bevreemdend bevreemdend. geheimzinnig uitgeven. rillen. belangstellend Congo. blij voldaan. paaien. aandikken ellendeling. schavuit. bevreemden. huiveren verwonderen. boef omvouwen. dreiging borg staan voor. nijdig. vouwen. klauwen. scharrelen. agraaf de stoot geven tot belang inboezemen.zadowolić zadowolony zadowolony zadrapania zadraśnięcie zadrżećs kołczan zadziwiać zadziwiać zadziwiający zadziwiający zafakturować zagadce zagadka zagadka zagadkowy zagadnienie zagadnienie zagajnik zagęszczać zagęszczać zagęścić zagięcie zaginać zagłada zagłuszać (radio) zagniecenia zagniewany zagnieździć zagorzały konserwatysta Zagotować. boos nestelen. borrelen. navraag haakje. dreigement. klauwen. bevreemdend factureren. krabben beven. moes. opgave struikgewas. verblijd. raadsel puzzel. verbazen verbazingwekkend. probleem. vraagpunt. ploert. te gronde richten jam. buitenlands in gevaar brengen bedreigen. bosjes compact. bedreigen paardestal. fronsen kwaad. krabben krauwen. marmelade rimpelen. verbazingwekkend verbazingwekkend. grijpen. opgave kwestie. interesseren geïnteresseerd. bibberen. raadsel puzzel. wrzenie zagraniczny zagrażać zagrażać zagrażać zagroda zagroda zagrodzić zagrozić zagrożenie zagwarantować zagwozdka zagwozdka zahaczyć zainicjować zainteresowania zainteresowanie zainteresowany Zair bevredigen. een nest maken keihard op het kookpunt zijn. emitteren vraagstuk. vraagpunt. garanderen vraagstuk. interesseren belang inboezemen. raadsel mysterieus. Kongo . tegemoetkomen aan verheugd. toornig. vergenoegd krauwen. slot. dreigen dreigen. tevreden. declareren puzzel. plooien ruïneren. probleem. spang. stal hok bemachtigen. aangrijpen dreigen. scharrelen. koken uitheems. dicht comprimeren verdikken.

lunch wedden wedden wedden wedden insluiten. aansteken verbieden afschrikwekkend verbieden aanstekelijk. rumoer. besmetting twaalfuurtje. geëngageerd bezetten. verhoeden. besmettelijk infectie. vullen rondgeven. beroep. gedoe. besmetten. omvangrijk. mededelen aanvoeren. dempen. commanderen. uiteinde . meedelen. contract uitgang.zaiteresowanie zajazd zając zająkiwał się zajęcie zajęcie zajęcie zajęcie zajęć) zajęty zajęty zajmować zajmować zajmować (stanowisko) zajmować się zajmować stanowisko zajmowanie zajmujący dużo miejsca zakańczać zakaz hamować zakazić zakazywać zakazywać zakazywać zakaźny zakażenie zakąska zakład zakład zakład (założenie się) zakładać zakładać klamrę zaciskającą zakładać się zakładnik zakłopotać zakłócenia zakłócenia (sygnału) zakłócenie zakłócenie programu radiowego zakłócenie spokoju publicznrgo zakneblować zakodować zakomunikować zakon zakonnica zakonnik zakontraktować zakończenie belang inboezemen. bedrijf handelen. bekleden handwerk. beslaan. handeling aangelegenheid. optreden. bezet verloofd. stotteren actie. bekleden liggen invullen. dicht. beslaan. interesseren logement. ambacht uitgebreid. broodwinning. non monnik verbintenis. lawaai. veelomvattend toe. fitten. impliceren aanleggen. spekken. herberg haas stamelen. uitdelen bezetten. installeren gijzelaar. leven. garant in verlegenheid brengen ophef. zaak. bevelen kloosterzuster. verpestend. gesloten verhinderen. handel drijven dienstregeling. herrie storing storing storing storing moppen tappen codificeren berichten. ronddelen. ding beroep. affaire. hakkelen. rooster druk. beletten infecteren.

stand. nauwelijks. gebied graad. afgelopen. buit. klaar afhandelen. rang ombuigen. afhangen scharnier afhankelijk zijn. vrijen aanbevolen recommandatie. stadswijk aanpassing procederen bedelven. aanprijzen. adapteren buurt. achterstallig onbetaald. aankondigen aanbevelen. doorbuigen koop. wijk. stopmiddel anker anker kloot. afhangen familiebetrekking.) zakwaterowanie zakwestionować zalać zalecać zalecać zalecać się zalecany zalecenie zalecie zaledwie zaledwie zaległy zaległy zaległy wysunięty naprzód znakomity zalet zaleta zaleta zalewać zależeć zależeć zależeć od zależeć od czego zależnośc zależność zależny zaliczać zaliczać załadować gevolgtrekking. nauwelijks. amper amper. uiteinde terminal beëindigd. beëindigen. actief. inkoop. sfeer. afhangen afhankelijk zijn. stop. kwalijk onbetaald. verpletteren adviseren. buigen. bekendmaken. aanpassen. omgeving. achterstallig onbetaald. acquisitie. onderhorig classificeren. verdienen zondvloed afhankelijk zijn. afgewerkt. getal. bezit pré. aanbeveling prooi. bol. toekomen. het hof maken. indelen aantal. afdoen afmaken.zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg zakończenie sygnału przerwania transmisji zakończenie wskazówka zakończony zakończyć zakończyć zakopać zakorkować zakorzeniać się zakotwiczyć zakres ultrakrótkofalowy zakres współrzędnych osi zakręt zakup zakurzony zakwas zakwaterować zakwaterować (wojsk. stekker. achterstallig bedrijvende vorm. aankoop stoffig gist afstemmen. voordeel waard zijn. aanwinst kwalijk. afwikkelen. plug. afsluiten kuilen. verwantschap afhankelijkheid afhankelijk. tal laden . overstelpen. begraven prop. recommanderen scharrelen. status. conclusie uitgang.

rel. lawaai verwardheid. mikken op. doelstelling. omheind terrein omsluiten bemanning vestiging. wisselen centrale in de plaats stellen van. verzenden. stichten aanhalen. aanrichten. honk. plecht.załadować ponownie załamanie załamuj załatwiać załatwić (sprawę) załączać załącznik załącznik załączyć (w przesyłce itp) załoga założenia założenie założenie założenie (firmy) założyć przynętę założyć się zamachnięcie zamaskować zamawiać zamazać zamazanie zamek zamek zamek (u drzwi) zamek błyskawiczny zamiana zamiar zamiast zamiast tego zamiatać zamieniać zamienić zamienić zamienić zamierzać zamierzać zamierzać zamierzać zamierzony zamieszać zamieszania zamieszanie zamieszanie zamieszki zamiłowanie zamknąć zamknąć na klucz zamknięcia afzenden. commanderen. ontroeren. ophef. plan. moedwillig aangrijpen. besmeren slot. knevelen arrangeren. opzettelijk. bewegen beroering. dichtmaken. rits. ordenen afhandelen. ineenstorten. getier smaken slot kooi sluiten. sauzen. beogen. inruilen. verwarring herrie. oprichten. prejudiciëren mikken. instelling achtergrond aas. expediëren instorten. beweging herrie. uiteenvallen afpersen. wisselen anticiperen. roerigheid. afdwingen. bedoelen gemiddeld doelwit. rumoer. instelling Maria-Hemelvaart vestiging. ruilen. lokaas inrichten. kasteel. bevelen vervagen smeren. doel. wit bedoeld. strekking in plaats daarvan in plaats daarvan oprijlaan. burcht slot slot treksluiting. liefkozen. doorsmeren. ritssluiting veranderen. anders maken bedoeling. etablissement. inboeten inruilen. strelen. aaien blind aanvoeren. oprit ruilen. leven. agitatie. doel. etablissement. afdoen omsluiten aanhechting kraal. dichtdoen .

opgeven een miskraam krijgen. vermogend aanvoeren. tekening nadenkend nadenkend onderzoeken. kleiner worden. bevelen koelen vriezer. afleggen. weglaten veronachtzamen nonchalance. nalatigheid storing veroorzaken storing veroorzaken lafhartig. levering. mislukken afdanken uittreden. commanderen. bang vervagen kleiner worden. dichtmaken. afgrendelen werkje. aftreden. rijk. gammel. bezorging aflevering. eindig. dichtmaken. indopen. uitvoeren aanvoer. doden afbetalen. soppen monteren. doodmaken. examineren prijsgeven. bevelen aanvoeren. nakijken. aftands nonchalance. aflossen gefortuneerd. afstand. cessie. beperkt indompelen. afschrijven. nalatigheid veronachtzamen bouwvallig. soppen onderdompelen. commanderen. bedanken concessie. inlevering .zamknięty zamknięty zamoczyć zamontować (dysk w systemie) zamordować zamortyzować zamożny zamówić zamówienie zamrażać zamrażarka zamrozić zamrożenie zamrożony zamykać zamykać na zasuwę zamysł zamyślony zamyślony zanalizować zaniechać zaniechać zaniechać zaniechać zaniechanie enia zaniedbać zaniedbać zaniedbać zaniedbanie zaniedbanie zaniedbywać zaniedbywał zaniedbywanie zaniepokoić zaniepokojenia zaniepokojony zanikać zanikać zanikać płowieć zanim zanurzenie zanurzyć zanurzyć (się) zanurzyć coś w zaokrąglać zaopatruj zaopatrywać zaopatrzenie sluiten. dichtdoen grendelen. toegeving terugvallen veronachtzamen achterwege laten. afnemen. laf. vriesvak vriezen vriezen bevroren sluiten. afnemen voor indompelen. dalen dalen. schets. zetten ombrengen. dichtdoen begrensd. indompelen duiken onderdompelen. indompelen ronde toerusten. uitrusten. indopen.

obstipatie inventaris. ontbranding ontsteking ontsteking. sparen ontzien. van buiten leren verstopping. vies ruiken haan van een vuurwapen achterdeur ontzetten. aannemen provianderen. aanmaken aansteken. ploegen. aanmaken aansteken. reserveren. royeren ontsteking. een backup maken van tweede ontzien. ineenstorten. ontslaan. van buiten leren uit het hoofd leren. boedel bespreken. geur lucht. bevoorraden betuigen. lucht stinken. doen ontbranden. doen ontbranden. vuur. geur. doen ontbranden. slijpen redden. aroma reuk. vuurmaker enthousiasme. spekken. vuurmaker aansteker. uiteenvallen standpunt. doen ontbranden.zaopatrzenie w żywność zaorać zaostrzyć zaoszczędzić zapach zapach zapach zapach zapach zapach zapadce zapadnia zapakować do worków zapalanie zapalenia zapalenie zapalenie zapalenie zapalenie opon mózgowych zapalenie płuc zapalić zapalić zapalić (się) zapalić papierosa zapalić się zapalniczce zapalniczka zapał zapał zapałka zapamiętać zapamiętywać zaparcie zapas zapas zapas zapasowy zapasowy zapasowy zapasowy wkład zapaść zapatrywania zapewne zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać (<sth> o czymś) aanvoer. bergen. aanmaken aansteker. aanmaken aansteken. luchtje. verzekeren betuigen. gezichtspunt waarschijnlijk beweren. behouden geur. geur parfumeren reuk. bezorging omploegen. lucht. verzekeren . intekenen winkel een backup maken. sparen instorten. luchtje. verzekeren bevestigen. reuk. ijver lucifer uit het hoofd leren. geestdrift ambitie. constipatie. doen ontbranden. luchtje. aanmaken aansteken. beploegen aanzetten. ontbranding ontsteking keelontsteking longontsteking blindedarmontsteking aansteken. scherpen.

aanmaken beletten. doen ontbranden. onderwerp. adverteren uitloven. noden vragen uitnodigen. bevestigen. ontbranding ontsteking. aanrichten. grammofoonplaat. opvorderen beduiden. adverteren aankondiging. dichtmaken . afkopen afbetaling ontsteking. aanmaken aansteken. dichten. dichtgespen vasthaken discus. bergen. inviteren. schijf boek jota arrangeren. chef. plaat. plaat. vastgespen. vergeten. vrijkopen. aankondigen. schijf gebieder. vragen. verleren vergeetachtig vorderen.zapewnić zapewnić zapewnić zapinać zapinać (się) Zapinka zapis zapis piątkowy zapisać zapisać (dane) pisać zapisać w testamencie zapisanie zapisywać zapisywać zaplanować zaplecza zapłacić okup zapłata zapłon zapłon (silnika) zapłon silnika zapłonąć zapłonąć zapobiegać zapoczątkować zapoczątkować zapominać zapominalski zapotrzebowania zapotrzebowanie żądanie zapowiadać zapowiedzieć zapowiedzieć zapowiedź zapowiedź zapowiedź zapraszać zaprosić zaprosić zaproszenia zaproszenie zaprotestować zaprowadzony porządek zaprzeczyć zaprzeczyć zaprzęgać zapuszczone mieszkanie itp zapychać (się) beweren. voorzeggen aandienen. aanbieden afschaduwing aandienen. een backup maken van loskopen. noden uitnodiging. aankondigen. sleur in tegenspraak zijn met. verzekeren fixeren. verkondiging uitnodigen. baas redden. opvorderen vorderen. ding routine. uitschrijven nalaten discus. bepalen dichtknopen gespen. invitatie mikpunt. verzekeren betuigen. inviteren. schrijven. afstammen afleren. ontbranding aansteken. invitatie uitnodiging. doen ontbranden. bieden. ontbranding ontsteking. object. ordenen een backup maken. rekwireren. grammofoonplaat. tegenspreken ontkennen span stortplaats stoppen. vragen. voorspellen. behouden neerschrijven. verhinderen. aanvoerder. verhoeden de stoot geven tot het gevolg zijn van. rekwireren.

genezen. uittrekken administreren. bezoldiging.zapytać zapytanie z podpowiedzią zapytywać zarabiać zaradzić zaraza zaraza zarazą zarazek zarazić zaraźliwy zarażenie zardzewiały zareagować na coś w jakiś sposób zareagować <to sth> na coś <with sth> w jakiś sposób zarejestrować zaręczony zarobek zarobić zarobkach zarodek zarozumiały Zarys zarys zarząd miasta zarządca zarządca zarządca plików zarządzać zarządzać zarządzać zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia zarządzanie zarządzanie zarządzanie automatyczne zarządzanie zautomatyzowane zarządzenie zarządzić zarzut Zasada zasada spokoju zasada superpozycji zasadą zasadniczy zasadniczy zasadniczy vragen enquête een verhoor afnemen. baseren principe. verpestend infectie. winnen. beheren administreren. bezoldiging. administrateur bestuurder. begrenzen. radicaal . beginsel. ondervragen verdienen. bestuur administratiekantoor. toedichten gronden. bewind. behalen gage. besmetting pest pest microbe infecteren. grondig. ijdel. aansteken aanstekelijk. besmetten. aanstellen aanrekenen. besturen administratiekantoor. grondbeginsel heerschappij. onbelangrijk beperken. administrateur intendant. bestuur aanvoeren. besmetting roestig reageren reageren aangeven verloofd. beheerder. salaris microbe nietig. besmettelijk. geëngageerd gage. loon verdienen. bevelen benoemen. behalen beter maken. helen infectie. opzichter. beknotten omlijning. bestuur principe. toeschrijven. beheren. bestuur administratiekantoor administratiekantoor. grondbeginsel fundamenteel primair ingrijpend. beheren. bestuur beheerder. winnen. omtrek administratiekantoor. salaris. meier besturen. beginsel. loon. besturen bestemmen. commanderen. administreren.

val schuif. stipendium. nummer pion pand. notulen strategie. zich verwonderen afspiegeling. behalen waard zijn. bezorging aanvoer. onderpand. krediet. verdienen creditzijde. subsidie inhalen geschrokken ontstellend een proces aanspannen tegen betrappen. waardig. macht. toekomen. kazemat dienblad. verdienen waard zijn. in de plaats stellen van inboeten. krijgskunde een hinderlaag leggen bewerker eten. buit. mantel waard zijn. bikken. snappen betrappen. in de plaats stellen van . jas jas. verrassen. verdienen waard zijn. gebruiken. toekomen. rustig. maffen bunker.zasadowy zasady zasady postępowania zasadzka zasilacz samochodowy/lotniczy zasilać zasilać zasilanie zasilanie moc zdolność władza zasilanie zaopatrzenie zasiłek zaskakiwał zaskakiwał zaskakując zaskarżać zaskoczenia zaskoczenie zaskoczyć zasłona zasłona dymna zasłonić zasłudze zasługa zasługa zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasłużyć (się) zasłużyć się zasnąć zasobnik zasobnik kart zasobnik kart (dziurkowanych) zasób zasób środek trwały zaspokoić zastanawiać się zastanawianie się zastanowienie zastaw zastaw zastaw zastawce zastawić pułapkę/sidła zastawka zastąpić zastąpić kogoś basisbekeuring. borgstelling schuif. presenteerblad blad. gordijn. mogendheid aanvoer. toekomen. kalm zich verbazen. verdienen slapen. verdienen waard zijn. verdienen eerzaam. aanwinst stil. credit waard zijn. proces-verbaal. toekomen. krant opslaan prooi. scherm. doek mantel. bezorging ondersteuning. winnen. snappen betrappen. tegoed. bedaard. verrassen. toekomen. weerglans nakomertje cijfer. klep inboeten. bezorging heerschappij. valstrik. klep slag. toekomen. snappen overgordijn. acquisitie. vreten aanvoer. verrassen. waar verdienen.

reserveren. assimileren stoppen. kwalificatie bevoegdheid. vernielen inboeten. prae creditzijde. privilege. adjunct. eren maar. overstelpen. vraag. verzadigen inenten. doorvoeren aanwending. oculeren. vervanging afwisselend afstemmen. aandrang dik. krediet. intekenen bevoegdheid. oculeren. injectie in zich opnemen. kwalificatie kwestie. credit huldigen. tegoed. enten vereren. aflossing vervanging. bloedaandrang. verzekeren verbergen. helper steward subsidiair. vereren. dichten. bocht. doch getuigen. vergaan conflict ook weer. inham. verhelen verdrinken. vettig. verpletteren congestie. navraag spuitje. dichtmaken bedelven. aflossing assistent. plaatsvervangend in de plaats stellen van. boezem . vet baai. aflossing aflossing. toch stoppen. schrik aanjagen copyright. ontveinzen. dichten. dichtmaken belegeren doortrekken. enten inenten. kreek golfspel. ergo. inspuiting. aanpassen. toepassing koe doen schrikken. inham. golf. certificeren getuigen. in de plaats stellen van vervanging. adapteren aanwenden. dus. kopijrecht bespreken. verloren gaan. certificeren getuigen.zastąpienie zastępca zastępca zastępca zastępca zastępczy zastępować nowszą wersją zastępował zastępowanie zastępstwa zastępstwa zastępujący zastosować zastosować zastosowanie zastraszyć zastraszyć zastrzec sobie prawo autorskie zastrzegać zastrzerzenie zastrzeżenie zastrzeżenie zastrzyk zasymilować zasypać zasypuj zasypuj zaszczepić zaszczepić (przeciw chorobie) zaszczycie zaszczycie zaszczyt zaszczyt zaś zaświadczać zaświadczać legalizować zaświadczyć zaświadczyć zataić zatapiać zatarg zatem zatkać zatkać się zatłoczenia zatłuszczony zatoka zatoka vervanging. huldigen. verwoesten. eren preferentie. certificeren betuigen. inboeten afwisselend vernietigen.

toepassing aannemen. vertrouwen. aankondiging . dichtmaken ontstekingsbuis. fiducie hebben in vertrouwd. tegoed. adverteren verkondiging. uiteinde inhoud inhoud adviseren. dichten. krediet. bevestigen vormsel. zelfverzekerd steeg plaatsbewijs. vergallen. detineren. huren. plakkaat berisping. aanneming beamen. acclamatie. bougie stoppen. aanwerven aanwending. aanwending toepassing. aannemen bijval. geloof creditzijde. aanplakbiljet. beamen. arrestatie reserveren. credit vertrouwen. halthouden. aan de grond raken zondvloed jam. constipatie. aanwending aanhouding. kaartje affiche. blijven staan logeren box logeren logeren afslaan. ophouden verstopping. blijven staan logeren box reserveren. bougie fiducie. obstipatie beweren. marmelade vergiftigen. goedkeuren ontstekingsbuis. blaam uitgang. vertrouwen. aankondigen adviseren. standje. huren. bekendmaken. moes. billijken. aankondigen. biljet. geloof fiducie. aankondigen. detineren afslaan. halthouden. verzekeren bevestigen. vergeven aannemen. toejuiching ja zeggen. aanmerking. aanwerven toepassing. bekendmaken aanplakken aandienen.zatonąć zatopić zator zatruć zatrudniać zatrudniać zatrudniać (pracownika) wykorzystywać zatrudnienia zatrudnienie zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać (się) zatrzymać (się) zatrzymać się zatrzymanie zatrzymanie pracy procesora zatrzymanie ze względu na adres zatrzymuj zatwardzenie zatwierdzać zatwierdzać zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzić zatyczka zatykać zatykać zaufania zaufanie zaufanie zaufanie zaufany zaufany człowiek zaułek zauważyć zauważyć zauważyć uwaga zawarcie (umowy) zawartość zawartość łyżeczki do herbaty zawiadamiać zawiadamiać zawiadamiać zawiadomić zawiadomienia zinken. ophouden. betrouwbaar zelfbewust.

knelpunt. ambacht beroep. verkondiging affiche. immer. zetten in de steek laten. beslaan inclusief afslaan. hinder foei beschamen. plakkaat stationschef scharnier afhandelen. broodwinning. immer. afgunstig. beroepswedijver smart. hardnekkig volhardend . beroepsprofessioneel. inhouden. wel eens. wis.zawiadomienie zawiadomienie zawiadowca stacji zawias zawierać zawierać zawierać zawierać zawierać (umowę) zawierający wszystkie funkcje zawiesić zawiesić się zawieszać zawieszenie zawieść zawilca zawilec zawiły zawiły zawiły zawiniątko zawisć zawistny zawistny zawiść zawładnąć zawodowiec zawodowiec (w sporcie) zawodowy zawody zawód zawód zawód pisarza zawód pisarza zawór zawrotny zawrót głowy zawstydzać zawstydzenie zawstydzić zawstydzić się zawstydzony zawsze zawsze zawsze zawsze dostępny zawzięty zawzięty aankondiging. beroep. naijver ijverzuchtig. verdriet handwerk. misgunnen bemachtigen. halsstarrig. aanplakbiljet. ingewikkeld maken gecompliceerd. benardheid. afdoen bevatten. eens. geheimzinnig compliceren. jaloers. behelzen smeden bevatten. ingewikkeld bundel. behelzen omvatten. steeds koppig. klep duizelig duizeling. aldoor. laten merken anemoon anemoon mysterieus. beschaamd maken beschaamd altijd. afwikkelen. bos jaloezie. bij voortduring eenmaal. beroepsprofessioneel. ooit altijd. ambacht handwerk. aangrijpen professioneel. inhouden. afgunstig jaloers. bedrijf schuif. blijven staan hangen hangen monteren. grijpen. steeds permanent. leed. duizeligheid foei penarie. jaloers zijn op. ijverzuchtig benijden. beroep. halthouden.

dol nodig hebben. nakijken. hoeven in verlegenheid brengen intiem. map inrichting. jaloers zijn op. misgunnen jaloezie. innig. samenkomst collecteren. bijeenkomen scheren oogst acquisitie hutspot analoog. naijver maas. gemeenschappelijk oogst hoop. rozig. bijeenkomen samenkomen. overeenkomend. congruent zijn samenkomen. hulpmiddelen inrichting. samenkomen. tekenen welbewust. steek. meeting. drossen uitgewekene. gelijksoortig collectief. breisteek. afgunstig benijden. apparaat. verwoed. afleiden. loskopen. moeten. bos ordner. congruent zijn bijeenkomst. groep. convergeren elkaar dekken. examineren Verlosser vrijkopen. samenlopen. rose. behoeven. knus tand roze. afgunstig. apparaat. ijverzuchtig geel ijverzuchtig.zazdrosny zazdrosny zazdrosny (<of sb> o kogoś) zazdrościć zazdrość zazdrość zazębienie zaznaczyć zaznajomiony z czym (człowiek) zazwyczaj zazwyczaj zażalenie zażarty zażądać zażenować zażyły ząb ząbek (czosnku) zbadać zbawca zbawiać zbędny zbędny zbiec zbieg zbiegać się zbiegać się zbiegać się nadawać zbieżność zbiegowisko zbierać zbierać zbierać oklaski zbierać się zbierać się zbierać sumować zbierać wierzchnią warstwę zbieranie danych o wydajności zbieraniną zbieżny zbiorowy zbiory zbiór zbiór zbiór zbiór danych gotowy zbiór docelowy zbiór drzew (w teorii grafów) zbiór zmian po wykonaniu operacji jaloers. innen. inzamelen deduceren. vluchteling elkaar dekken. gezellig. aanklacht doldriftig. bewust gewoonlijk gewoonlijk beschuldiging. jaloers zijn op. abstraheren deduceren. schare. woedend. apparaat. rooskleurig onderzoeken. vergaderen. afleiden. strik merken. afkopen onnodig overtollig. overbodig weglopen. jaloers. wegrennen. dossier inrichting. kudde. misgunnen benijden. hulpmiddelen woud. abstraheren vergaderen. hulpmiddelen . drift bestand.

voorgoed degenereren. zin. visie frase. opinie. aan de rol zijn aanrijden. bepantsering. oever bombarderen eksteroog. pantser kuras. wis. ontaarden. opvallen . kloppen. wakker maken.zbiór znaków kodowanych alfabetycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiórka zbitka rejon zbity zbliżać się zbliżać się zbliżony zbliżyć zbliżyć się zbocze zbocze (impulsu) krawędź (grafu) zbombardować zboże zboże zbój zbroja zbroja zbrylić się zbudzić any zbudzony zbyt zbyt towarów zbyt wysoka ocena zbyteczny zdać zdalny zdanie zdanie zdanie zdanie (twierdzące) zdarzenie zdarzenie zaszłość zdarzyć się zdarzyć się zdecydować zdecydowanie zdegenerować się zdegenerowany zdejmował zdemontować zdenerwowany zdeprawować zderzać się zderzać się repertoire bundel. kuras. apache bepantsering. verbasteren degenereren. bos gevolg samenscholing wis. korrel straatschuimer. harnas. bepaling gedachte. veelomvattend benaderen aanvliegen benaderen benaderen aanvliegen helling. aan de hand zijn besluiten. eelt. opwekken evenzeer. kust. dunk. evenement belangrijke gebeurtenis. pantser koek. klappen. eveneens. clausule. voorrijden slaan. ontaarden. voortgang hebben. vervreemding overschatten. harnas. verbasteren afstandelijk afstijgen zenuwachtig. brassen. omvangrijk. overwaarderen onnodig inhalen verwijderd. ver voorwaarde. ook verkoop. uitmaken definitief. zenuw-. volzin declaratie. likdoorn zaadkorrel. uitspraak belangrijke gebeurtenis. bos uitgebreid. nerveus boemelen. gebeuren gebeuren. evenement toegaan. pit. wakend wekken. bundel. mening. mede. aangifte. kant. cake wakker. glooiing wal. beslissen. boord. ververwijderd.

behalen verkrijgen. min. tooisel beetnemen. gering luttel. karig. pakken. kundigheid bekwaamheid. plaat luik fotograferen. gering luttel. loshaken fotograferen. behalen buit maken. klein. aanvaring. neerslaan versieren sieraad. fit. kundig. buffer botsing. voorrijden reinigen. smoren. aanrijding botsing. kundigheid aanpassingsvermogen geschiktheid aanpassingsvermogen bekwaamheid.) zdjęcie migawkowe zdławić zdobić zdobienie zdobycia zdobycz zdobyć zdobyć wewnętrzną świadomość zdobyć wewnętrzną świadomość zdobywać zdobywać zdolności przetwarzania zdolność zdolność zdolność zdolność adresowania zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie zdolność przystosowania się zdolność przystosowawcza zdolny zdolny zdolny do narzucenia zdołać zdrada zdrada zdradą zdradzać zdradzić tajemnicę/oddać coś zdrętwiały zdrętwiały zdrobniały zdrobnienia zdrobnienie zdrowie zdrowy zdrowy na umyśle bumper. handig. klein. louteren afhaken. behendig. beheren. aanvaring. behalen uitreiken. besturen verraad verraad verraad in de steek laten. kieken fotografie beeld. verkrijgen. klein. beetkrijgen raaf buit maken. kundig administreren. plechtig. decoratie. capabel. kieken onderdrukken. schoonmaken. verkrijgen.zderzak zderzenia zderzenie zderzyć się zdjąć zdjąć z haka zdjęcia zdjęcia (w filmie) zdjęcie zdjęcie (fot. stootkussen. verschaffen. karig. afbeelding. ceremonieel luttel. karig. valide gezond van lijf en leden . laten merken verdoofd afgemeten. prent. bekwaam bekwaam. min. bekwaam bedreven. verstrekken aanpassingsvermogen bekwaamheid. kundigheid faculteit capabel. min. gering gezondheid gezond. aanrijding aanrijden. buit maken buit maken. verkrijgen. laten merken in de steek laten.

neerslaan doodgaan. lust. verbazingwekkend verwonderen. sluimeren. loensen nul. overlijden. kapot rot. bevreemden. klokkenmaker daling. samenkomen.zdrój zdrzemnąć się zdrzemnąć się zduciś zdumieć zdumieć zdumiewać zdumiewający zdumiewający zdusić się zdychać zdyszany zebra zebrać zebrać zebrania zebranie zebranie zebranie zechcieć zefir zegar zegara zegarek zegarmistrz zejście na ląd (ze statku) Zelandia zelówka zelżeć zemdleć zemdleć zemdlenia zemsta zemsta zemścić się na kimś zenit zepsuty zepsuty zepsuty zepsuty fabrycznie zera zera zerkać zero zero zero zero nastawiaine zero nieznaczące badplaats druilen. nul nul nul nihil. bedorven. bedorven. bewusteloos raken wraak wraak wraak hoogtepunt. nul . bijeenkomen bijeenkomst. louter bedaren. bloot. Kaapse ezel aggregatie. verlangen. verbazingwekkend eminent. dutten vernietigen. nihil nul scheelzien. verwoesten. vernielen verwonderen. zenit defect. smoren. verbazen bevreemdend. samenkomst samenscholing bijeenkomst. druilen. zitting wens. landing Zeeland enkel. samenkomst vergadering. amechtig. uitstekend. meeting. aanzienlijk onderdrukken. meeting. bevreemden. aggregaat vergaderen. bewusteloos raken bezwijmen. verbazen bevreemdend. verrot nul. scheelkijken. verrot verspild rot. stuk. bekoelen. dutten sluimeren. sterven ademloos. buiten adem zebra. polshorloge horlogemaker. begeerte. luwen zwak bezwijmen. nihil nihil. klok wijzerplaat horloge. zin zefier uurwerk.

getuigen hergeven. onpartijdig een miskraam krijgen. uitglijden vandoor. buiten-. groep complex. bos bijeenkomst. eruit. drillen katern. gedogen. meeting. aflevering katern. bedroeven. vastzetten schaven. nul hel. loensen certificeren. schare groepering. uiterlijk buiten naar buiten. samenkomst gevolg blokkeren. toestaan . loensen laten. schrift. buiten. scheelkijken. afschaven stijfheid oefenen. wis. aggregaat repertoire bundel. aanhang scheelzien. afzijdig. heen. verdriet doen bende. troep. reproduceren. laten begaan. gedogen. goedvinden. fiat toelaten. uitwendig. aflevering slippen. licht. uitwendig. mislukken beproeven. troep. schrift. oppervlak extern. over uitwissen buiten buiten oppervlakte. scheelkijken.zero nieznaczące zero początkowe zerować zerowy zerowy (przewód elektr. klaar nul neutraal. uiterlijk daarbuiten. mislukken een miskraam krijgen. extern. buitenwaarts leden. laten schieten toelaten.) zerwać zerwanie zesłać (nieszczęście) zespół zespół Zespół budynków zespół odczytującodziurkujący zespół projektowy zespół serwerów zestaw znaków kodowanych alfabetycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestawiać w bloki zeszlifować zesztywnienie zeszyt zeszyt zeszyt (szkolny) ześlizgnąć się zetrzeć zetrzeć zewnątrz zewnętrzna strona zewnętrzna strona zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zez zeznaj zeznania zeznanie zezowaty zezwalać zezwalać zezwolenie zezwolenie nul nihil. toestaan toestemming. schare aggregatie. samengesteld gevolg bende. teruggeven getuige scheelzien. uiterlijk buiten-. verwijderd.

exploreren. schavuit. gissen. onthaal accoord. aanneming. fiat loslaten. krom omvouwen. syllabe lettergreep. goedvinden. we wij. lossen toelaten. gedogen. overeenstemmen bitter beminnelijk . passend. leven. samenklank ja zeggen. run rot. frommelen ellendeling. kreukelen. toegeven. medeklinker lid worden het eens zijn. genoeglijk congruent adequaat. toestaan gebit gebit raden. rechtsom met de klok mee. lawaai. in overeenstemming zijn het eens zijn. zuur ophef. ons. boef ombuigen. we toestemming. goedvinden. nagaan lettergreep.zezwolenie na zapis zezwolenie zapisu zezwolenie zdalne zezwolić zezwolić na opublikowanie zębach zęby zgadywać zgadzać się zgadzać się zgadzać się zgadzać się (<to sth> na coś) zgaga zgiełk zgięcia zgięcia zginać zginać zginać zgłaszać się na ochotnika zgłaszajacy się zgłębiać zgłosce zgłoska zgłoszenie zgnieść zgniły zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara zgodnie z obrotem wskazówek zegara zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny ze standardami branżowymi zgodzić się zgodzić się zgorzkniały zgrabny wij. buigen. overeenstemmen passen. bedorven. overeenstemmen maagbrand. overeenstemmend congruent consequent consonant. ploert. overeenstemming het eens zijn. uitlaten. syllabe aanwending. toeloop. doorzien accoord. rumoer. goedvinden toestemming. rechtsom aangenaam. behaaglijk. aanvrager onderzoeken. doorbuigen gebogen. verrot aanvaarding. herrie verfomfaaien. tappen. vouwen. bevestigen concert het eens zijn. beamen. maagzuur. toepassing aandrang. plooien vrijwilliger. ons. fiat bescherming met de klok mee. overeenstemming overeenstemming. volontair verzoeker.

korrel tuinboon. droombeeld opdraven. knarsen raspen nadeel. bijeenkomst meeting. grond. aarden aards wijd openstaan. geest. blinde bij kaarspel gezicht. veldboon zaadkorrel. gapen wijd openstaan. rimboe koud koud koud ijsvogel blinde. droombeeld congres unie unie . vereenzelvigen groen groen aanaarden achtergrond. boon. boon. honds. verschijnen verschijnsel. schade. knauwen. nors. beitsen bitsheid snibbig. gapen wijd openstaan. nurks. fenomeen gezicht.zgromadzenia zgromadzenie zgromadzenie zgromadzić zgryz zgryźliwość zgryźliwy zgryźliwy zgrzeszyć zgrzewarka zgrzytać zgrzytania zguba ziarnistość ziarnko (grochu ziarnko (klasa JavaBeans) ziarno ziarno zidentyfikować zieleń zielony ziemia Ziemia (jako planeta) ziemianin ziemniak ziemski ziemski ziewać ziewać ziewanie ziewnięcie zima zimą zimnica zimno zimny zimny zimorodek zjawa zjawa zjawiać się zjawianie się zjawienie się zjawiska zjawisko zjazd zjednoczenia zjednoczenie meeting. ondergrond chaperonneren pieper. verschijnen verschijning. samenkomst. opdagen verschijning. bodem. strop zaadkorrel. veldboon tuinboon. samenkomen. aardappel aards. korrel zaad identificeren. bijten. onaardig zondigen lasser piepen. deficit. pit. gapen wijd openstaan. pit. visioen. jungle. visioen. bijeenkomen happen. bijeenkomst samenscholing vergaderen. gapen winter winter oerwoud. bits bars. samenkomst.

toorn bijeenkomst. toorn gramschap. aangaan spijkeren. meeting. verzoeken opdracht. rans. geleding. kappen. aan de grond raken muf. hakken houwen. goor. schede. afvaardigen nonchalance. verontwaardigen grieven. stuk. lid. toetreden gewricht. bedroeven. geleding. aanflitsen. leggen. opheffen situeren. boodschap. steler diefstal. garstig opdracht. kapot aanfloepen. lid. gotisch lettertype defect. ranzig. samenkomst afbreken houwen. ergeren . hakken breuk. plaatsen gramschap. adellijk. commissie aanvoeren. nalatigheid koek. boodschap. letsel toebrengen gulden. boosheid. knoop kwetsen. gotisch lettertype breuk. gelid. nagelen bemachtigen. gelid. bevelen vragen. gouden dief. meetellen afwikkelen. commissie benoemen. grijpen. kappen. knoop aansluiting houder. liquideren. inroepen. aanstellen delegeren. aangrijpen gewricht. boosheid. cake zinken.zjednoczony zjedzony przez mole zjełczały zlecenia zlecenie zlecenie zlecenie zakupu zlecić zlecić delegat zlekceważenie zlepiać (się) zlew zleżały zlęknąć się zliczanie zlikwidować zlokalizować zlość zlość zenie zlot złamać złamać (zabezpieczenie złamać zabezpieczenie złamania złamanie złamanie ochrony pamięci złamany złapać złapać złapać kogoś na gorącym uczynku złącze złącze złącze złącze złącze p-n stopniowe złącze przelotowe portu równoległego złącze punkt połączenia złącze żeńskie złącze) ceramika—metal złączenie Złączka zło złocie złodziej złodziejstwo złom złościć złościć verenigd mottig ransig. foedraal unie aansluiting haven interface aansluiting aanhechting zich aansluiten. gortig kwartel in aanmerking komen. aanvragen. commanderen. gotisch lettertype breuk. lid worden. benauwd. ontvreemding afkeuren ergeren.

verdriet. fronsen verdriet. grond. ontgaan verschuiving achtergrond. afnemen verspild rimpelen. stuk. składany stolik w pociągu) złożyć składany stolik w pociągu złudzenie zły zły zły zmagać się zmaleć zmarnowany zmarszczka zmartwienia zmartwienie zmartwienie zmartwienie zmarznąć zmęczenie zmęczony zmiana zmiana zmiana adresu zmiana kierunku zmiana strumienia magnetycznego na cal zmianą zmielony zmieniać zmieniać zmieniać gramschap. moe veranderen. dus. beproeving smart. ontkomen. illusie kwaad. bergen. insluiten opbergen. bergen. afjakkeren. gouden gulden. kwaad kapot. arend goudvis gulden. hartzeer. verdriet. compositie complex. gouden aanfloepen. opstellen . gouden gulden. toonzetting. begoocheling. gouden gulden. samengesteld complex. toorn trots kwaadaardig. boosaardig.złość złośliwość złośliwy złośliwy złośliwy złośliwy złota moneta dziesięciodolarowa złota rybka złoto złoty złoty złoty (polska waluta) złowić złoże złożenie złożenie skład złożony złożony z dwóch jednakowych elementów złożyć złożyć (np. nijdig. mat. kwaadaardig adelaar. deponeren. toornig. bedroeven droefheit. ondergrond afwisselend veranderen. ook weer. samengesteld toondicht. boosheid. hatelijk boosaardig. spartelen. boosaardig. bijeenkomen opbergen. smart vriezen afmatten. insluiten drogbeeld. kaduuk worstelen. kwaadaardig afschuwelijk hatelijk. samengesteld vergaderen. gehavend. anders maken verschuiving afleidingsmanoeuvre ergo. slecht. boos kwalijk. leed leed. hatelijk. toch ontsnappen. redigeren. afbeulen vermoeid. aanflitsen. zich aftobben verminderen. beroerd. samenkomen. defect. bodem. in bewaring geven complex. anders maken opmaken. aangaan afgeven.

aanbreken van de dag schemer. bijeenkomen vergaderen. verminderen verslappen. wellustig. modificeren afwisselend klaarspelen. vermengen. afnemen afdraaien. zin zinnelijk. kleiner worden. samenkomen. samenspanning halfdonker. bedeesd temperen. samenkomst. slagen anders maken. schemerdonker blo. afwisselend dageraad. sensueel verdicht. veranderlijk. hinder blo. bedeesd reduceren. fictief . illusoir betekenis. afgelasten in de week zetten. incubus komplot. dwingen. veranderen anders maken. opkopen vergaderen. herleiden afdraaien. weekmaken. denkbeeldig. bevangen. bevangen. veranderen afleiden. verstrooien wisselend. benardheid. bekoelen. halfdonker halfdonker. weken accapareren. schemer. matverplichten. veranderlijk. timide. anders maken wisselend. veranderen afwisselend bekeren anders maken. schemer. verlagen inkorten. verlagen afname dalen. noodzaken stuwen bedrieglijk. nachtduivel. annuleren. inkrimpen. afwisselend afwisselend afwisselend veranderen. veranderen anders maken. zich verpozen bedaren. doorkomen.zmieniać zmieniać (się) zmieniać kolejno zmieniać liczbę zmieniać się zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) zmienić zmienić się zmienić (się) zmienić kierunek zmienna związana zmienny zmienny zmienny zmienny zmierzch zmierzch zmierzch zmieszać zmieszać zmieszać się zmieszanie zmieszany zmniejszać zmniejszać się zmniejszenia zmniejszenie się zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć (się) zmniejszyć napięcie zmoczyć zmonopolizować zmontować zmontować (urządzenie) zmontowanie zmora zmowa zmrok zmrożony zmuszać zmuszać zmylić zmysł zmysłowy zmyślony wijzigen. beschaamd maken penarie. mixen beschamen. mengen. bijeenkomst angstdroom. timide. bijeenkomen meeting. samenkomen. knelpunt. luwen ontbinden. schemerdonker mat. schemerdonker.

geaardheid voorbode. plaatsen toegaan. ogenblik. accuraat voorbode. bekende kennis. voorteken. nauwkeurig. vlag dundoek. bevinden. getal oneigenlijk. tekenen dundoek. gebeuren kennis. kunde kennis. relatie. treffen. voorteken. tel aanzienlijk dundoek. geaardheid merken. asterisk sterretje. vlag merken. vermogen eminent. teken sterretje. korrel. beroemdheid kapitaal. karakter. relatie. betekenisvol voorbode. strekking oogwenk. vaan. frankering. porto muntstempel tal. aanmerkelijk. aantal. bekende bekendheid. bekende aard. kwakzalver doel. plan. aanzienlijk . bedoeling. vaan. plan. teken aanleggen beroemd persoon. voorteken. aanzienlijk importeren. vaan. aantreffen situeren. teken kogel voorbode. strekking veelbetekenend. voortgang hebben. karakter. bekend zijn met vinden. bedoeling. voorteken. relatie. teken port. uitstekend. voorteken. invoeren gemiddeld kennen. teken voorbode. pit voorbode. hash table mieszać znak nowej linii znak odstępu znak sterujący transmisją znak unikowy znak wodny znak zabezpieczający znak zapytania znak zastępowania znak zastrzeżony usługi znak zgłoszenia znakomitość znakomity znakomity bedrieger. moment. figuurlijk doel. tekenen zaadkorrel. charlatan. bekend zijn met kennen. asterisk mijlpaal aard. kennis. voorteken. leggen. vlag geruim.znachor znaczący znaczący znaczek znaczek pocztowy znaczek pocztowy znaczenie znaczenie znaczenie znaczenie przenośne znacznie znacznik znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) znacznik stanu klienta znacznik znak towarowy znaczny znaczyć znaczyć znać znać się na znajdować znajdować lokalizować znajdować się znajomość znajomość lokalnych warunków znajomość rzeczy znajomy znak znak znak znak znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. teken nauwgezet.

affronteren lijfeigenschap. herendienst verdwijnen. grondvesten. uitblussen vernietigen. dierkunde . bevinden.znakomity znaleźć znaleźć znaleźć ukojenie w czymś znamię znawca znawca znęcać się znęcanie się zniechęcać zniechęcić zniesienie zniesławić znieść znieść (na dół) znieść niewolnictwo znieść yć zniewaga znieważać znieważać zniewolenia znikać zniknięcia zniknięcie znikomy zniszczenie zniszczenie zniszczyć zniszczyć zniweczyć zniżka znosić znosić znowu znowu znużony zobacz zobacz <be> zobacz <content> zobaczyć zobowiązanie zobowiązanie bitowe zobowiązując zobrazować zodiak zoo zoolog zoologia onbetaald. afhalen. wijken verdwijning verdwijning onbeduidend. verjagen afschaffing roddelen. treffen. luizig afbraak. aantreffen are. funderen vinden. achterstallig vinden. beuzelachtig. plicht bereidwillig. vernielen doven. tekenen deskundig beoordelen. zoöloog zoölogie. aantreffen verplichting. verbeelden. aantreffen baseren. vergenoegd. vierkante decameter tevreden. verjagen afschrikken. plicht verplichting. blussen. kwaadspreken. wachten beklijven. aanhouden opnieuw. verwoesten. affronteren gescheld beledigen. voldaan ontmoeten. duren. afbeelden zodiak. bereidvaardig uitbeelden. nogmaals. krenken. vernielen afname te wachten staan. oordelen. krenken. van voren af aan. belasteren afschaffen afschaffen afschaffen maag beledigen. opnieuw vervelend ontmoeten. verwoesten. sloop vernietiging vernietigen. berechten gescheld gescheld afschrikken. treffen. bevinden. uitdoen. aantreffen merken. ontmanteling. dierenriem dierentuin dierkundige. nogmaals van voren af aan.

aftreden. examineren inspuiten. arrestatie aanleggen. splijten. morren. afleggen. lijst. immoreel. stout Zoeloetaal. Zoeloe . beschadigen. plukken. vastnaaien haakje. scheuren afrukken. ontslagname. ontslagneming bedanken. nietje. injecteren doen. neerleggen. ontslagname. aanwakkeren. regelen. uitspraak pauzeren onderzoeken. bestemming. organiseren Aurora morgenlicht. bedrijven. bedanken prijsgeven. raam een miskraam krijgen. sputteren stortplaats afstijgen waard zijn. bederven biefstuk. stoutmoedig. odpowiedzialności) zrzekać się zrzekać się (sterowania) zrzeszać się zrzędzić zrzut zmian (zawartości pamięci) zsiadać zsługa zsumować dodać zszyć zszywka zuchwały Zulus zoölogie. bevattelijk bevatten. afreizen havenen. aurora. nakijken. aangifte. neerleggen. verder op reis gaan.zoologiczny zorganizować zorza zorza zorza polarna zorza polarna zostać zostawać zostawać zostawić zranić zraz zrazić zrąb aplikacji zrezygnować zrezygnować zrezygnował zrezygnował zrobić afront zrobić pętlę zrobić przerwę zrobić sekcję zrobić zapas zrobić zrzutkę zrozumiałem zrozumiały zrozumieć zrozumienie zrównać zrównoważony zryw zrywać (kwiaty) zrządzenie losu zrzec się tronu zrzeczenie się zrzeczenie się (np. kankeren. maken en begrijpelijk. aannaaien. klamp brutaal. verjagen kader. aanmaken. opgeven gemeen. aan de schouder brengen nuchter barsten. mislukken uittreden. aurora. lot bedanken. dierkunde uitschrijven. gedurfd. bief afschrikken. omlijsting. onzedelijk afsnauwen declaratie. morgenrood logeren achterblijven. toegeven zich aaneensluiten. nablijven overig. afbreken lotsbestemming. aansluiten mopperen. afstand doen afstand. afstand doen afstaan. beseffen aanhouding. morgenrood Aurora morgenlicht. kramp. het veld ruimen. begrijpen. ontslagneming afstand. verdienen aanvuren. aansporen aanzetten. toekomen.

heel. volledig uitdrukken volkomen. dragen. straat Annunciatie. luchtpijp. voorhebben slopen. associatie verwijzing. toevertrouwen spel verflensen. respecteren verrekken. Maria-Boodschap voorbode. voorteken aanverwant. aromatisch compact. volkomen. perfect. geest. associatie familiebetrekking. beest troetelen.zupa zupą zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie obcy człowiek zupełny zupełny zupełny zużycie zużycie energii zużywać zwabić zwabić zwalczać zwariowany zwarty zważać Zważyć. odważyć zwedzki zwężać (się) Zwiastowanie zwiastun związany związek związek związek związek typu "jeden do wielu" związek typu "jeden do wielu" związek zawodowy zwichnąć (staw) zwiedzać zwiedzać zwiedzać zwiedzanie zwierak anty nadawanieodbiór zwierak anty nadawanie-odbiór zwierzać się zwierzchnictwo zwierzę zwierzę zwierzę zwierzę pociągowe zwierzęcy zwierzyć się zwierzyna zwiędnąć soep soep alles wel beschouwd heel. nauw. verdorren . opzoeken bezoeken. dicht verstand. enkel. referentie eerbiedigen. intellect het gewicht bepalen. tegenwerken. afwegen Zweeds zeeëngte. luchtband binnenband. belemmeren geurig. verwant bond. consumeren lekker. tuberculose voeren. bloot compleet. radicaal helemaal. inlichten bond. berichten. luchtpijp. vertroetelen dierlijk dierlijk vertrouwen. luchtband vertrouwen. wegen. afgaan. verwantschap informeren. opzoeken binnenband. afgaan. genootschap. verstuiken spoken tournee. kanaal. in optima forma longtering. brengen. toevertrouwen dominion dierlijk dier. koesteren. verbruiken. totaliter grondig. genootschap. kwijnen. aanlokkelijk lokken dwarsbomen. rondreis bezoeken. finaal louter. ontwrichten. tering.

fel. verheffen. dubben verdagen. royeren aanschrijven uitschrijven. bloot gewoonlijk . bijeenroepen. inzonderheid neiging tot uitstellen vertraging lijk. uiteenvallen bijtend. spoel. onbelemmerd verslappen. ontslaan loslaten. ineenstorten. ophogen uitzetting. aanhouden. royeren. uitstellen inzonderheid inzonderheid. kort. tappen. lossen ontslaan. gebruik douane gewoonlijk gewoon. kort kernachtig. kadaver bedrieglijk. beknopt vochtig instorten. overwinning veroveren usance. teruggeven reproduceren. reproduceren. bobine hergeven. zege. doordringend aarzelen. illusies wekken bij leden onbezet. open. plakkaat hergeven. in het bijzonder in het bijzonder. kreng.zwiększać zwiększać (się) zwiększanie wyposażenia zwięzły zwięzły zwilżyć zwinąć zwinny zwlekać zwlekać zwłaszcza zwłaszcza zwłaszcza zwłoce zwłoka zwłoki zwodniczy zwodzić kogoś zwolennik zwolnic wolny zwolnić zwolnić (tempo) zwolnić kogoś z pracy zwolnienie zwołać zwołuj zwołuj zwoływać zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) zwornik zwój zwój zwracać powrót zwracać się (<sb> do kogoś) zwrotnikach zwrócić (do repozytorium) zgłosić się zwrócić pieniądze zwrócić uwagę zwycięstwa zwycięstwo zwyciężyć zwyczaj zwyczaj zwyczajnie zwyczajny zwyczajny zwykle vermeerderen opdrijven. schoorvoeten. weergeven victorie. het juk opleggen gedachte spoel. guur. uitlaten. los. teruggeven adresseren keerkring affiche. expansie kortstondig. enkel. gewoonte. bobine klos. vlot. convoceren aanspannen. gebruikelijk louter. zich verpozen ontzetten. aanplakbiljet. klos. illusoir begoochelen. convoceren aanschrijven uitschrijven. vooral. overwinning victorie. ontzetten. bijeenroepen. zege. bondig. reproduceren.

gemeenschappelijk ingeboren. lemmet kling. buit. kwel. niets. kikvors een of andere. lemmer. kwel. kikvors kikker. behalen acquest. baat. wel. welput bron. welput bron. niet neen. baat. lemmer. buit. geen zier neen. baat. vrouwtje kikker. smart . lemmer. buis leed. herkomst aanslaan. noch niks. gewin buit maken. foutief. aangeboren gewoon. geen. aanwinst. kwel. wel. gewin kling. wel.zwykle tekstowe zwykły zwykły zwykły zwykły zwykły papier zwykły tekst zwymiotować zwyrodnieć zwyżka (cen) zygzak zygzakowaty zysk zysk na akcję zysk na akcję i ekwiwalent akcji zysk na akcję i ekwiwalent akcji zyskać zyskać zyskać na czasie źdźbła źdźbło źdźbło (trawy) źdźbło trawy źle źle źle zastosować źle zrozumieć źle/nieudolnie kierować (instytucją itp) źrebak źródła źródła źródła źródło źródło mocy sterowane cyfrowo źródło upuszczania źródło zasilania ż żaba żabą żaden żaden żaden żaden (w zdaniach przeczących) żaden z dwóch żaden z nas żagiel żakiet żal gewoonlijk onopgesmukt. winst. lemmet kling. gebruikelijk spugen. aanwinst. wortel schieten wijfje. prooi acquest. welput bron. enig evenmin. nee. naakt algemeen. wortel schieten bron. lemmet schrijden slecht onjuist. verkrijgen. kotsen degenereren. overgeven. niets. verdriet. verkeerd misverstand misvatten. niemendal. kwel. geen. welput aanslaan. gebruikelijk algemeen. prooi verdienste. braken. colbert. afkomst. winst. verkeerd begrijpen slecht pony oorsprong. winst. prooi verdienste. nee. wel. buit. niemendal. een of ander. onbedekt. gemeenschappelijk gewoon. geen zier zeilen jasje. ontaarden. bloot. verbasteren inflatie zaagvormig zaagvormig verdienste. aanwinst. gewin acquest. niet niks.

lamp. gretig ampul. moeten. aanvragen. clown. gekscheren mop. inroepen. vereisen. rekenen. bejammeren berouw. bejammeren tot inkeer komen. pots. harlekijn in gloed staan. futiliteit. claimen vragen. happig. conditie. delven. verkiezen. grol. beklagenswaardig betreurenswaardig. steken pikken. behoeven. bepaling aanspraak maken op. inroepen. hoeven aanspraak maken op. vereisen.żal żal żal żalić się żaluzja żałoba żałosny żałosny żałość żałować żałować żałował żałował żar żarcia żarcie żarcie żargon żargon techniczny żarliwy żarłoczny żarówka żart żart żartować żartować żartować z kogoś żartowniś żarzyć się żądać żądać żądać żądać informacji żądania żądania żądania żądanie żądanie żądanie danych żądanie informacji dochodzenie żądanie zaprzestania EGP żądanie zaprzestania EGP żądanie znacznika czasu żądła żądło żądny żądza żądza betreuren. grap mop. blaken opduikelen. blaken aanspraak maken op. inroepen. pots. trek trek hebben in. inkeer bedroefdheid. moeten. wee betreuren. berouw hebben betreuren. grol. schertsen. steken dorstig graagte. inspecteren nodig hebben. verzoeken aanspraak maken op. vereisen. kwinkslag. gekscheren hansworst. bejammeren tot inkeer komen. verzendend. zijn beklag doen luik rouw erbarmelijk. schertsen. kwinkslag. behoeven. claimen inspectie houden. schertsen. peer boerten. pots. grap jargon. grap bagatel. berouw hebben in gloed staan. rekenen. kwinkslag. gloeien. prikken. gekscheren mop. gloeilamp. belust. rekenen. vurig. lampje. claimen pikken. taaltje jargon. prikken. smart. claimen opeisen. droefheid klagen. aanvragen. taaltje gloeiend. gloeien. rooien boerten. eisen voorwaarde. eisen opeisen. priemen. hoeven nodig hebben. verzoeken vragen. spijtig ach. opgraven. verterend begerig. verzoeken opeisen. beuzelarij boerten. priemen. eetlust. hongerigheid. begeren . grol. aanvragen. boetvaardigheid. eisen vragen.

vaarwel ijzeren ijzeren ijzeren ijzeren gehuwd. vermoeden. vrouw huisvrouw. dooreenhalen verwarrend wijfje. uitbetalen. getrouwd jongleur jongleren jongleren . eetbak. naaktslak adstructie. eega. lust. stranden schooien. zeeman navigeren zeilen navigeren navigatie adieu. janmaat. roes. lust. aan. bij. kaartje menen. deerlijk. teken. bewijs adstructie. gemalin. stellen dat aan de grond lopen. roes. ribbe tegen. teken. voor navigatie varensgezel. smartelijk oogst oogst maag eikel storten. vrouw des huizes gehuwd. trog adder zeer. bedelaar rib. ribbel. bak. dokken soldaat echtgenote.żądza żądzą że że że żeberka żebrać żebrak żebro żeby żeglarstwo żeglarz żeglować żeglować żeglował żegluga żegnaj żelastwo żelazka żelazko żelazo żenić się żenował żenując żeński żerować żeton żeton żeton żeton kontrolny żłobek żłób żłób żmija żmudny żniwa żniwo żołądek żołądź żołd żołnierz żona żona prowadząca dom żonaty żonaty facet/domator żongler żonglerka żonglować passie. hartstocht plaatsbewijs. bedelen schooier. nerf. getrouwd van zijn stuk brengen. hartstocht passie. pijnlijk. afkijken drenkbak. afkijken spieken. bewijs spieken. krib. betalen. tot. getrouwd gehuwd. vrouwtje raaf bikken. naar. biljet. afbikken slak.

tor. haastig. liefheid goedaardig. begeren. schildvleugelige hijskraan. aderen marmeren. joods levend vee. hachje vitaal trek hebben in. joods jood.żonglowanie żólty żółć żółtaczka żółty żółw żółw (kursor w języku Logo) żrący żubr żuć żuć gumę bez przerwy żuk żuraw żuraw (także ptak) żurnal żużel żwawo żwawy żwawy żwir życie życiowy życzenie życzenie życzliwość życzliwy życzliwy życzliwy życzyć życzyć sobie żyć żyć z kimś w niezgodzie Żyd Żyd żydowski żyjący żyjący żyletka żyła żyłą żyrafa żyrafą żyrandol żyrant żyroskop żyrować (weksel) żyto żywe srebro jongleren geel gal benijden. trek hebben in verkiezen. endosseren. gravel. rap snedig. spoedig. huizen Hebreeuws. Hebreeër Hebreeuws. bruut. gunstig vriendelijk. grind leven. voorkomend verkiezen. aderen giraffe giraffe kroonluchter. trek hebben in voorkomendheid. steengruis. begeren. toegenegen. kraan courant. dierlijk oeros kauwen kauwen kever. begeren verkiezen. wenden rogge kwikzilver. onschuldig goedgezind. overdrager gyroscoop gireren. levendig. gauw kwiek. druk. jaloers zijn op. gezwind. krant as snel. gevat. kwik . begeren. trek hebben in bestaan resideren. ad rem gruis. levende have. dagblad. luchter endossant. kraan hijskraan. veestapel scheermes marmeren. kroon. kudde. verkiezen. kras. geestig. ruw. gevestigd zijn. misgunnen geel schildpad schildpad beestachtig.

beginsel elementair spontaan eetbaar eten. steg leven. spijs. pittig vruchtbaar . meeslepend. vreten voeden voeden element. hachje vitaal levend bezielen. heg. steg haag. heg.żywica żywicą żywiciel rodziny żywić żywić żywić żywić do kogoś urazę żywioł żywiołowy żywiołowy żywność żywność żywopłocie żywopłot żywot żywotny żywy żywy żywy żywy inwentarz żyzny hars hars kostwinner recipiëren eten. verlevendigen vee. bestanddeel. levende have. gebruiken. bikken. veestapel smeuïg. vurig. kudde. gerecht haag. etenswaar.