Pole1 "spamować" (adj) nijaki 25 funtów a zdumiony abakus abdykacja abdykować abecadła abecadło aberracja aberracją abiogeneza abnegacja

abolicją abolicjonista abolicjonizm abonamencie abonament abonencie abonent abonent (telefoniczny) abonent wywołujący program żądający abonował aborcja aborcją aborygen abrutto absencja absencją absolutnie absolutny absolutny absolutny błąd podstawy czasu absolwencie absolwent absorbcją absorbować absorbował absorbując absorbujący absorpcja zakłóceń kosmicznych abstrahowanie abstrakcie abstrakcie abstrakcja abstrakcja abstrakcja proceduralna

Pole2 doen toekomen, sturen, opsturen nihil, nul pony ampère telraam, abacus afstand, ontslagname, ontslagneming bedanken, neerleggen, afstand doen alfabet, ABC, eerste beginselen alfabet, ABC, eerste beginselen aberratie, afwijking aberratie, afwijking abiogenesis versterving, abnegatie afschaffing tegenstander van slavernij anti-slavernijbeweging abonnement abonnement abonnee abonnee gebruiker bezoeker geabonneerd zijn op abortus provocatus, abortus abortus provocatus, abortus Australische inboorling, aboriginal vettig, vet absenteïsme afwezigheid, absentie, mangel beslist, absoluut, ten enenmale absoluut, onvermengd onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt absoluut, onvermengd afgestudeerd, gediplomeerd afgestudeerd, gediplomeerd absorptie, opslorping in beslag nemen, opslorpen, absorberen in beslag nemen, opslorpen, absorberen fascinerend, boeiend, betoverend fascinerend, boeiend, betoverend absorptie, opslorping abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract begrip, abstractie

abstrakcyjny abstrakcyjny typ danych abstynencja abstynencją abstynent absurd absurd absurdalny aby aby ostrzegać academic ACC accusativus aceton acetylen ACH ach adaptacja adaptacją adapter adapter wejścia/wyjścia adaptować adaptował adaptował adaptował adaś ADDR adepci adepcie adiectivum adiunkcie adiunkt adiutancie adiutant ADMIN administracja administracja administracja państwowa administracja publiczna administracją administracyjny administrator administrator administrator organizator administrować administrować administrowanie admirał

abstract, afgetrokken abstract, afgetrokken geheelonthouding, abstinentie terughoudendheid, onthouding knutseaar, amateur, dilettant onding, absurditeit, ongerijmdheid nonsens, onzin, zever, gekheid dwaas, ongerijmd, onzinnig, absurd gedurende, onder, terwijl, staande entstof, vaccin, vaccine trap, mate, graad accumuleren, ophopen, opeenhopen accusatief, vierde naamval aceton acetyleen och, ach, oh, ah oh, ah, och, ach modificatie, bewerking, aanpassing modificatie, bewerking, aanpassing bewerker bewerker afstemmen, aanpassen, adapteren afstemmen, aanpassen, adapteren bewerkt, aangepast arrangeren, aanrichten, ordenen Adam adresseren aanhang, leden student bijvoeglijk naamwoord, adjectief opvoeden, onderwijzen lector adjudant, ordonnansofficier adjudant, ordonnansofficier beheerder, administrateur administratiekantoor, bestuur administratiekantoor gouvernement, regering, overheid administratiekantoor, bestuur administratiekantoor bestuurlijk, administratief beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur besturen, administreren, beheren administreren, beheren, besturen administratiekantoor, bestuur admiraal, vlootvoogd

adnotacja adnotacją adnotacją adopcja adopcją adoptować adoptował adoptował adoptowany adoracja adoracją adorator ADR adrenaliną adres adres ATM adresacie adresat adresatka adresować adv adv adverbium adwent adwersarz adwersarz adwokacie adwokacie adwokat adwokat adwokaturą aeroport afekcie afekt afekt afektacja afektowany aferą aferą affront Afganistan afgańczyk afisz afisz aforyzm afront afryce Afryka

aantekening, commentaar aantekening, commentaar plaatsbewijs, biljet, kaartje adoptie, aanneming adoptie, aanneming zich eigen maken, adopteren zich eigen maken, adopteren aangenomen, geadopteerd aangenomen, geadopteerd aanbidding, adoratie aanbidding, adoratie bewonderaarster, vereerster adresseren adrenaline adresseren adresseren geadresseerde geadresseerde geadresseerde adresseren direct, overeind, rechtop helemaal, heel, finaal adverbium, bijwoord advent tegenstander tegenstander adviseren, aankondigen, bekendmaken verdediger, pleitbezorger, advocaat pleitbezorger, advocaat, verdediger verdediger, pleitbezorger, advocaat belemmeren, afsluiten, afdammen luchthaven aandoen, aangrijpen affect, emotie, aandoening droefheit, hartzeer, beproeving aanstellerij, onnatuurlijkheid aangedaan, aangegrepen zaak, aangelegenheid, ding, affaire konkelen, intrigeren, bekonkelen beledigen, krenken, affronteren Afghanistan Afghaans aanplakken aanplakbiljet, plakkaat, affiche aforisme, spreuk, kernspreuk afsnauwen Afrika Afrika

Afrykanin afrykańczyk afrykański agawa agencie agencie agencja Agencja Ochrony Środowiska agencją agendą agendą agent agent agent ubezpieczeniowy agentura agitować aglomerat agonia agonią agrafka agrariusz agrarny agregacie agregat agregat v agregować agregować agresja agresją agresor agresor agrest agresywny agresywny agromadzenie agromadzenie ah aimponować akacja akacja riusz akademia akademia akademia usz akademią akademicki akapicie akapicie akapit akceleracja

Afrikaans Afrikaans Afrikaans agave vertegenwoordiger, dealer, agent gedeputeerde, afgevaardigde agentschap agentschap agentschap tak, aftakking departement vertegenwoordiger, dealer, agent verkoper vertegenwoordiger, dealer, agent agentschap agiteren, opruien, ophitsen, opstoken agglomeraat doodsangst, doodsstrijd, agonie doodsangst, doodsstrijd, agonie veiligheidsspeld agrariër, landbouwer agrariër, landbouwer aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat agressie agressie aanvaller aanvaller kruisbes, klapbes agressief aanvallend, offensief samenscholing vergadering, zitting och, ach, oh, ah indruk maken op, imponeren acacia acacia academie, hogeschool, genootschap college academie, hogeschool, genootschap academie, hogeschool, genootschap akademisch, academisch artikel, paragraaf branche, vak, tak artikel, paragraaf versnelling, acceleratie

akceleracją akcelerator akcelerator liniowy akcencie akcent akcent akcent akcentować akcent riusz akcentować akceptacja akceptant akceptować akceptował akceptował akceptował akces akcesoria akcesoria akcesoria panelowe akcie akcie akcja akcja tunelowa akcją akcją akcją akcjonariusz akcydent akcyzą aklamacja aklamacją aklimatyzacja aklimatyzować się akolita akomodacja akomodacją akompaniamencie akompaniament akompaniator akompaniować akompaniował akompaniując akord akord akordeon akr akr (ok. 0.4 hektara) akr dytacja

versnelling, acceleratie accelerateur, gaspedaal, versneller accelerateur, gaspedaal, versneller accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen beklemtonen, accentueren accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen aanvaarding, aanneming, onthaal acceptant accepteren, aanvaarden accepteren, aanvaarden aanvaard, erkend, gangbaar beamen, billijken, goedkeuren aanwinst, acquest, buit, prooi accessoires bijkomstig, bijbehorend, bijkomend accessoires doen, bezig zijn, ageren, handelen actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe veldtocht, campagne bewerking, operatie, ingreep actie, aandeel aandeelhouder ongeluk, accident, ongeval verbruiksbelasting, accijns bijval, acclamatie, toejuiching bijval, acclamatie, toejuiching acclimatisering acclimatiseren acoliet, altaardienaar compromis aanpassing begeleiding, accompagnement begeleiding, accompagnement begeleider, metgezel vergezellen, accompagneren, begeleiden vergezellen, accompagneren, begeleiden ingesloten, bijgaand accoord, overeenstemming accoord, overeenstemming, akkoord trekharmonika, accordeon acre acre acre

akredytować akredytował akrobacie akrobata akrobatka akrobatyczny akrobatyka akronim akropol aksamicie aksamit aksjomacie aksjomat aksjomat wyboru akt akt akt przemocy akt ślubu akt urodzenia akt zgonu akt zgonu akta aktor aktor teatru kukiełkowego aktorce aktorka aktorstwa aktówka aktualnie aktualności aktualny aktualny aktywa aktywiście aktywność aktywność dysku twardego aktywny aktywny szablon aktywować akumulator akumulator akumulator litowy o dużej pojemności akumulował akupunktura akustyczny akustyczny akustyka akuszerce

accrediteren accrediteren kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat acrobatisch acrobatiek acroniem Acropolis fluwelen fluwelen grondstelling, axioma grondstelling, axioma grondstelling, axioma doen, bezig zijn, ageren, handelen aanklacht, beschuldiging huwelijk, echt, echtverbintenis doen, bezig zijn, ageren, handelen geboorte dood, overlijden, sterfgeval naakt, onopgesmukt, onbedekt, bloot dossier, bestand speler, komediant, acteur speler, komediant, acteur toneelspeelster, actrice toneelspeelster, actrice podium, bestuur, tribune, leiding boekentas, theca, aktentas tegenwoordig nieuws, nieuwigheid, nieuwtje afdoend, effectief, doeltreffend actueel, tegenwoordig bedrijvende vorm, actief, bezit onruststoker, agitator, activist actie, gedoe, optreden, handeling actie, gedoe, optreden, handeling werkzaam, actief, bedrijvig werkzaam, actief, bedrijvig wachten, afhalen, te wachten staan accumulator, accu accu, accumulator accumulator, accu accumuleren, ophopen, opeenhopen acupunctuur acoustisch, akoestisch acoustiek, geluidsleer, akoestiek acoustiek, geluidsleer, akoestiek vroedvrouw, verloskundige

akuszerka akwarela akwarium alarm alarm alarm przeciwlotniczy alarm słyszalny alarm w systemie administrowania siecią alarmować alasce Alaska Albania albanią Albańczyk albański albo albo albumina ale ale męczą wzrok) ale zgrabne) alei alei aleja aleja aleja aleja alejka Aleksandria alert alfabet alfabet brajla alfabet brajla alga algebra algebrą Algierczyk Algieria algierski algorytm alibi aligator alkohol alkoholik alkoholowy alkowa alokować alokować

vroedvrouw, verloskundige aquarel, waterverfschilderij aquarium alarmeren, aanslaan, alarm slaan kwiek, druk, kras, levendig, rap kwiek, druk, kras, levendig, rap alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan Alaska Alaska Albanië Albanië Albaans, Albanees Albaans, Albanees ander of eiwit, proteïne maar, doch nog maar, doch dreef, laan vallei, dal steeg wreken, wraak nemen dreef, laan straat steeg Alexandrië kwiek, druk, kras, levendig, rap alfabet, ABC, eerste beginselen blindenschrift, braille braille, blindenschrift alge, wier, zeewier algebra, stelkunde algebra, stelkunde Algerijns Algerije, Algerië Algerijns algoritme alibi alligator drank, alcoholische drank, alcohol alcoholist, drankzuchtige, zuiplap alcoholist, drankzuchtige, zuiplap prieel verloten, loten verzenden

Alpy altana altana altanka alternatywa alternatywą alternatywny alternatywny alternatywny aluminiowy aluminium aluminium aluzja aluzja aluzją amancie amant amator amator herbaty amazonce Amazonka ambaras ambaras ambasada ambasadą ambasador ambicja ambicją ambitny ambona amboną ambulans amer. <fagot> ameryce Ameryka Amerykanin amerykański amerykański orzech biały amfiboliczny niepewny amortyzacją amortyzator amortyzować amortyzować (wstrząsy) amper amper amputacja amputować amputował

Alpen zomerhuisje, zomerhuis zomerhuisje, zomerhuis prieel keus, alternatief, keuze keus, alternatief, keuze afwisselend afwisselend keus, alternatief, keuze aluminium aluminium aluminium toespeling, zinspeling zinspelen toespeling, zinspeling vriendin, vrijster, geliefde, minnares vriendin, vrijster, geliefde, minnares knutseaar, amateur, dilettant knutseaar, amateur, dilettant Amazone Amazone penarie, knelpunt, benardheid, hinder penarie, knelpunt, benardheid, hinder ambassade ambassade ambassadeur, gezant ambitie, eerzucht ambitie, eerzucht ambitieus, eerzuchtig kansel, leerstoel, katheder kansel, leerstoel, katheder ambulance, ziekenauto, ambulancewagen mutserd, brandstapel, mutsaard Amerika Amerika Amerikaans Amerikaans Amerikaans dubbelzinnig, dubbelslachtig aflossing, amortisatie, afschrijving schokbreker in beslag nemen, opslorpen, absorberen afbetalen, afschrijven, aflossen ampère ginds, er, aldaar, daarginds, daar wegneming, amputatie afzetten, amputeren, wegsnijden afzetten, amputeren, wegsnijden

amsterdam amulecie amunicja amunicja amunicją analfabecie analfabeta analityczny analityczny analiza analiza wrażliwości analizą analizować analizować analizował analogia analogiczny analogowocyfrowy analogowo-cyfrowy ananas AND iloczym logiczny Andy anegdocie anegdocie anegdota aneks aneks anemia anemia anemiczny anemiczny anemon angażował Angielka angielski angielski policjant Anglia Anglia (arch. lub poet.) anglią Anglicy Anglik Anglosas anglosaski Angola angolą angora angorą ANI

Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum aantrekkelijkheid ammunitie, munitie ammunitie, munitie ammunitie, munitie ongeletterd, analfabetisch ongeletterd, analfabetisch analytisch analytisch analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyseren, ontbinden, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden pariteit analoog, overeenkomend, gelijksoortig bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging ananas en Andesgebergte, Andes anekdote, anecdote etage, verdieping anekdote, anecdote bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein bloedarmoede, anemie bloedarmoede, anemie bloedarm bloedarm anemoon verloofd, geëngageerd Engelse Engels Engels Engeland, Albion Engeland, Albion Engeland, Albion Engels Engelsman Angelsaksisch Angelsaksisch Angola Angola Angora, Ankara Angora, Ankara evenmin, noch

hulpmiddelen. aloud. stel appartement. set. annuleren. tussenruimte antropoloog biefstuk. bloemlezing antologie. flat appartement. antiek oudheid antilope antilope pacifisme hekel. inrichting machinerieën complet. inrichting apparaat. kiektoestel. inrichting fototoestel. verwoesten. bief anticiperen. antipathie antiseptisch middel een miskraam krijgen. spriet. straatschuimer apparaat.ani ani anielski anielski anihilować animusz animuszach anioł Anioł Pański anoda anonimowy anons anormalność anormalny antarktyczny antena antologia antologią antrakcie antropolog antrykocie antycypował antyczny antyk antyk antylopa antylopą antymilitaryzm antypatią antyseptyczny anulować anulować anulować anulować anulował anuluj Apache Apacz aparacie aparacie aparat aparat aparat telegraficzny aparatura aparaturą aparaturą apartamencie apartamencie apartament neen. naamloos. ongenoemd aankondiging. annuleren. hulpmiddelen. afkeer. bloemlezing interval. abnormaliteit abnormaal Zuidelijke IJszee antenne. inrichting hulpmiddelen. flat appartement. hulpmiddelen. voelhoorn. afgelasten afbestellen apache. antiek ouderwets. vernielen geest alcoholische drank. tegenzin. plaat anoniem. hulpmiddelen. straatschuimer apache. stelletje. niet engel engelachtig vernietigen. geen. nee. nul ontbinden. drank engel engel fotografische plaat. verkondiging afwijking. flat . afgelasten afbestellen nihil. camera apparaat. apparaat apparaat. alcohol. ra antologie. mislukken ontbinden. aloud. inrichting. prejudiciëren ouderwets.

lekker graagte. vierkante decameter Arabier Arabisch Arabier Arabisch akkoord. farmaceut are. w przybliżeniu aprobacie aprobacie aprobata aprobata aprobować aptece apteka aptekarz ar (100 metrów kwadratowych) Arab arab arab (koń) arabski aranżacją arbiter arbiter luifel. toepassing aanwending. advocaat. hongerigheid. goedkeuren farmacie. zendeling pleitbezorger. trek aanwending. afkappingsteken apostrof. aanvrager besturen. beheren besturen. scheidsrechter arbiter. dofheid. melig. eetlust. verkiezen.apartament apartament na szczycie budynku apasz apatia apatią apatią apatyczny apel apelacja apelować apertura apetycie apetyczny apetyt apetyt apetyt applaud aplikacja aplikacja zaplecza aplikacją aplikant aplikować aplikował apokalipsa apokalipsą apologią apostolskość apostoł apostoł apostrof apostrofa app approx. voorvechter apostrof. begeren graagte. een beroep doen op appelleren. gat. beheren Openbaring van Johannes Openbaring van Johannes verontschuldiging missionaris. straatschuimer apathie. flat apache. trek trek hebben in. apathisch appelleren. toejuiching sanctioneren. acclamatie. scheidsrechter . toepassing verzoeker. een beroep doen op appelleren. bekrachtigen bijval. afkappingsteken aanwending. administreren. trek smakelijk. maatregel arbiter. toepassing ongeveer. verdediger apostel. verheerlijken. lusteloosheid apathie. opening graagte. hongerigheid. dofheid. acclamatie. eetlust. fijn. eetlust. toepassing aanwending. artsenijbereidkunde farmacie. een beroep doen op mond. circa bijval. afdak appartement. roemen. hongerigheid. administreren. een stuk of. toejuiching loven. billijken. lusteloosheid flegma lusteloos. artsenijbereidkunde apotheker. prijzen beamen.

verouderd aartsengel eilandengroep. aartsbisschop arena. krakelen lucht Arizona Noordpoolgebied. scheidsrechter scheidsrechter. legermacht heerschaar. arbitrair. berechten arbiter. archipel architect. aandacht verdenken aanhouding. beugel.arbiter arbiter arbiter arbiter (w handlu) arbiter magistrali arbitralnie arbitralny arbitrator zadań archaiczny archanioł archipelag architekcie architekt archiwa archiwum archiwum archiwum dyskowe archiwum wieloczęściowe arcybiskup arena areną areną areszcie areszcie areszt areszt aresztancie aresztować aresztować aresztowanie Argentyna argentyną Argentyńczyk argentyński argumentował aria arizoną arktyczny arkusik arkusz arkusz (papieru)formularz arkusz kalkulacyjny armacie armacie armata armata armia armią beoordelen. Arctis blad. formeren. vel blad. arrestatie reserveren. arrestatie acht. vuurmond roer. krijt. kettingzang. scheidsrechter archaïsch. aangaan canon. scheidsrechter arbiter. kettingzang. oordelen. piste. vel briefkaart vormen. aanhouding aanhouding. ophouden. kanon. arrestatie Argentijns Argentinië Argentijns Argentijns twisten. bouwmeester architect. scheidsrechter naar willekeur willekeurig. ring aanhouding. vuurmond roer. arrestatie arrestatie. detineren aanhouding. geweer canon. eigenmachtig arbiter. leger. attentie. kanon. leger. arbiter arbiter. krijt. geweer heerschaar. Arctica. bouwmeester archief archief archief archief archief metropoliet. disputeren. kampplaats arena. legermacht . kampplaats wal. piste.

kunstmatig artiest. som. aroma geurig. cijferkunst. cijferen rekenkunde. kunstig. cijferen somma. dagen. artillerie artiest. kunstenaar Arisch Arisch aristocraat adel. cijferkunst. behang slagader. arteriosclerose handelsartikel. dagen. cijferen rekenkunde. cijferkunst. artikel bijdrage geschut. cijferkunst. verzekering behoeden. arrogant geur. cijferen rekenkunde. arterie slagader. aroma geur. bedrag. kunstenaar artistiek. bijeenkomen samenscholing asfalt asfalt asfalt betekenen. dagvaarden betekenen. totaal. aanmatiging aanmatigend. edelen aristocraat rekenkunde. cijferkunst. summa rekenkunde. beschermen samenscholing assembler assembler assembler assembler vergaderen. cijferen aas aas assurantie. cijferkunst. dagvaarden . cijferen rekenkunde. cijferen rekenkunde. samenkomen.arogancja arogancją arogancki aromacie aromat aromatyczny arras arteria arterią arterioskleroza artykuł artykuł (w czasopiśmie) artyleria artylerią artysta artysta estradowy artystyczny artyście Aryjczyk aryjski arystokracie arystokracja arystokrata arytmenyka arytmetyce arytmetyczny arytmetyka arytmetyka arytmetyka dużej precyzji arytmetyka zmiennopozycyjna arytmetyka zmiennoprzecinkowa as as far as I remember asekuracją asekurował asemblacja warunkowa asembler asembler adresowania bezwzględnego asembler skrośny asembler wbudowany asemblować asemblowanie protokół asemblowania zestaw asfalcie asfalt asfaltować ASG ASGN arrogantie. artillerie geschut. arterie aderverkalking. aanmatiging arrogantie. aromatisch wandtapijt. kunstenaar artiest. cijferkunst.

attentie. associatie aanzien. aamborstigheid astroloog. accompagnement assistent. aandacht Athene Atheens Atheens acte. aanvallen aanvallend. bijstaan aanvallen. passend. ruimtevaarder astronaut. genootschap. associatie bond. aspirant ambiëren. verzekeren Atlantische Oceaan Atlantische Oceaan Atlas kaartenboek. air. astronoom sterrenkunde. sterrenwichelaar astronaut. aanblik ambitie. aantasten. aspirant kandidaat. geschikt in zich opnemen. atheïsme studio acht. assimileren begeleiding. adjunct. helper assistent. astronomie gepast. stuk getuigen. dokument. akte. asterisk astma. air. najagen aspirine aspirine sterretje. sollicitant. offensief inblikken aanvallen. aanvallen godloochenarij. eerzucht kandidaat. dingen naar. certificeren betuigen. astronomie sterrenkunde. adjunct.ASM asocjacja asocjacją aspekcie aspekt aspiracje aspirancie aspirant aspirował aspiryna aspiryną asterysk astma astrolog astronaucie astronauta astronom astronomia astronomią asygnował asymilował asysta asystencie asystent asystent pokładowy asystował atak atak atak atak sieci komputerowej atak znanym tekstem jawnym atakować ateizm atelier atencją Ateny Ateńczyk ateński atest atestować atestował atlantycki Atlantyk atlas atlas atlecie atleta atletyczny assembler bond. ruimtevaarder sterrenkundige. genootschap. bedrijf. atlas atleet atleet atletisch . aantasten aangrijpen. sollicitant. aanblik aanzien. aantasten aangrijpen. schijn. helper aanvullend helpen. assisteren. schijn. aantasten.

veiling weer. dampkring. omroepen uitzenden. sfeer. veiling auctie. mijn. weersomstandigheden. vendu. atomair aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aanlokkelijk. sfeer. dampkring. attentie. kenmerkend. dampkring. afslag. mijn. attribuut bijvoeglijke bepaling. omroepen checken. atmosfeer lucht. aangaan bijvoeglijke bepaling. aanflitsen. controleren auctie. attribuut acht. sfeer. vendu. aantrekkelijk inkt inkt inkt aanfloepen. gehoor. karakteristiek bijvoeglijke bepaling. krachtsport lucht. weder Australië Australië Australisch Australisch Oostenrijk Oostenrijks Oostenrijks Oostenrijk . atmosfeer lucht. omroepen uitzenden. wagen toehoorders. aandacht dakkamertje zolderkamer Attisch dakkamertje zolderkamer Attisch troef troef auto. aflezen. afslag. attribuut tekenend. atmosfeer atoom atoom acceptant atoom-. auditorium uitzenden.atletyka atmosfera atmosfera absolutna (jednostka ciśnienia) atmosfera techniczna (jednostka ciśnienia) atom atom (podstawowe pojęcie języka Lisp) atom akceptorowy atomowy atrakcja atrakcją atrakcyjność atrakcyjny atramencie atrament atrament magnetyczny atrapą atrybucie atrybut atrybut przypisanie atrybut złożony ATTN attycki attycki attycki attyka attyka attyka atucie atut (w kartach) aucie audiencja audycja audycja radiowa audycją audyt aukcja aukcją aurą Australia australią australijczyk australijski Austria austriacki Austriak austrią atletiek.

stilist schrijver. tableau riskant. genaken. onafhankelijk. slag. machtiging machtigen. fiasco. onvervalst. auteur. schaden flop. automatisch autonoom. onvervalst oorspronkelijk. machtiging mandaat. beïnvloeden autoriteit. promotie gaan naar. klasse. autoriseren machtigen. volmachtigen. zelfwerkend. bevorderen promoveren. aard drukletter dictatuur autoriteit. schepper stand. gezag mandaat. onderwijzen autobus handtekening. origineel automobiel. wagen autobiografie autobiografie autobus opvoeden. autosnelweg. volmachtigen. gewaagd onheil. naderen promoveren. dispuut roeien scène. autoriseren mandaat. debâcle crisis . zelfbesturend schrijver. bevoegdheid. waar authentiek. ondertekening opvoeden. auteur. bevorderen promoveren. bedenker. auto auto. echt. dostęp) autoryzował autoryzowanie autostrada autostrada awans awansować awansować awansować (kogoś) awansował awanturą awanturą awanturą awanturą awanturniczy awaria awaria awaria awaria zasilania authentiek. schepper auteur. snelweg bevordering. bedenkelijk. toneel.autentyczny autentyczny autentyk auto auto autobiografia autobiografią autobus autobus autobus piętrowy autograf autokar Automatically Programmed Tools Language automatyczny automatyczny program syntezy autonomiczny autor autor autor treści autoramencie autoramencie autoramencie autorytatywność autorytecie autorytecie autorytet autoryzacja autoryzacją autoryzować (np. machtiging grote weg. bedenker. automatisch werktuiglijk. gezag invloed hebben op. echec. bevorderen storing kwestie. verkeersweg autobaan. klas soort. bevoegdheid. catastrofe schade aanrichten. aanpakken. twist. strijd. ramp. onderwijzen taal werktuiglijk. schrijver. zelfwerkend. tafereel. bevoegdheid.

voor tot. onder. afbeulen. toch geldkist. cake oma. binnen. fonds tot. advies adviseren. binnen. exploreren. hekel. oma oma. terwijl. aandacht beklemming. tot. examen.) azylancie aż aż aż aż do aż do aż do/o ile ażeby ażeby babą babce babce babci babcia babka babsko bacą baczność bać się badać badać badać badać badać badać sprawdzać badać zapytywać badania badanie lekarskie badanie zabezpieczeń bagaż bagaż bagażnik bagażnik bagażowy Bagdad bagna schade aanrichten. met vrouw koek. moeras. nakijken. nagaan exploreren. grootmoeder oma. dus. stam spoor. fonds tot. spoorweg Bagdad broek. onderzoeken studie scanderen inspectie houden. op. speurtocht recenseren. afmatten herder acht. jegens. staande te. aankondigen. asiel. inspecteren speurwerk. asyl toevluchtsoord. drasland . om. attentie. examineren onderzoeken. totdat. bekendmaken Azië Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch toevluchtsoord. antipathie raad. asiel. voor gedurende. grootmoeder afjakkeren. voor geldkist. bespreken keuring. binnen. analyseren. vluchteling ergo. asyl uitgewekene. benauwdheid ontbinden. kas. afkeer. schaden tegenzin. ook weer. onderzoek bagage bagage laars boomstam. kas. angst. totdat. ontleden onderzoeken. moer. raadgeving.awarią awersja awizo awizował Azja azjacie Azjata Azjata azjatycki azjatycki azyl azyl (polit. nagaan. totdat. grootmoeder grootje.

bende schare. brij. vijver byte byte onderwijzeres. rommel. fladderen Balkan Baltische Zee golfslag afgodsbeeld sneeuwpop afgoderij. pap aan de scharrel zijn. banaan schare. schooljuffrouw. moeras. schare . moer fabel vertelsel. afgezaagd pisang. disorde. rotzooi moes. troep. lerares bacterie bacterie bal. luchtballon ballon. drasland. bundel kussen bende. luchtballon janboel.bagna bagnecie bagnet bagno bajce bajce bajcie bajka bajora bajt bajt (8 bitów) bakałarz bakteria bakterią bal bal balast balaście balecie baleron balet balią balkon balon balon (także butla szklana) bałagan bałagan bałamuctwa Bałkany Bałtyk bałwan bałwan bałwan bałwochwalstwa bałwochwalstwo bambus banalny banalny banał banan banda bandaż bandaż bandażować bandą bandą bandą bandą broek. relaas. afgodendienst bamboe afgezaagd alledaags. troep. wis. afgodendienst afgoderij. drasland. bende bos. danspartij ballast ballast ballet ham ballet vont. danspartij bal. alledaags. vertelling byte fabel waterplas. verband schare. afgezaagd. verband zwachtel. moeras. verhaal. kom balkon ballon. troep. banaal banaal. moer bajonet bajonet broek. bende zwachtel. bekken. troep. kolk.

bandera bandyta bandzior bandzior bandzior bandżo baner (reklama na stronach WWW) bangladesz banjo bank bank bank terminologiczny bankiecie bankiet banknot banknot bankrucie bankructwa bankrut bankrutować bańka bańka (np. chem. jammer. lamp. fiasco. heel. loods. gloeilamp. debâcle bankroet vermorzelen. briefje bankroet flop. feestmaal banket. vlag Bengaals banjo bank kant. vlag struikrover. schuit meer menig. ondeugend. gammel erg. olijk. bandiet gangster rover banjo vaan. bar. feestmaal bankbiljet. vele erg. dartel onmens. keet kazerne lamsvlees schapevlees schapevlees schalks. vaan. achterstallig voldaan. wreedaard onmens. verbrijzelen borrelen borrelen ampul. briefje bankbiljet. afdammen drenkplaats. rand bank banket. afsluiten. barbaars boot. echec. intrappen. café schuur. barbaar. tevreden. peer herberg. marge. barak. afsluiten. wreedaard onmens. afdammen belemmeren. vergenoegd jammer genoeg.) bar bistro bar samoobsługowy bar z zakąskami barak barakach baranek baranina baraniną baraszkował barbarzyńca barbarzyńcą barbarzyński barbarzyński barce bardziej bardzo bardzo bardzo dobry bardzo mała impedancja bardzo mi miło bardzo nieprzyjemny bardzo wolno się poruszać bardzo zniszczony dundoek. bandiet struikrover. bijster. heel. bijzonder onbetaald. barbaar. mydlana) bańka lampy elektronowej bar bar (pierw. barbaar. wreedaard onmenselijk. helaas smakeloos. bijzonder . lampje. bijster. bouwvallig. uitspanning belemmeren. veel. smaakloos aftands. dundoek. uitspanning herberg.

zolderschuit schouder barman barometer. bende belemmeren. baseren gronden. baseren gronden. fust baars bekendheid. kleuren verven. accumulator horde. markt. hek. staf stok. bazaar. nuance. baseren gronden. vat. afsluiten. overgaan. vergaarbak zich aaneensluiten. afsluiting. marktplein marktplein. spelen. baseren markt. heining kleppen. beugel barrière. baseren gronden. hek. zwembad basisbaars toren accu. afsluiting. staf baud katoenen weefsel. gaan barrière. marktplaats gronden. drukmeter verven. kleuren verf bruin ton. bazaar. heining barrière. voorspelen sport buffel. baseren . aak. kennis. klinken. nuancering verven. heining schouder platboomde schuit. zwembad zweminrichting. kleuren schakering.barek (taki na kółkach) bariera bariera dyfuzyjna bariera Schottky'ego barierą bark barka barki barman barometr barwa barwa barwa barwa żywa barwą barwnik barwnik brunatry baryłka bas base baza wiedzy baseball basen basen (pływacki) basen pływacki basen portowy basen w budynku basen(ik) w budynku BASIC basista baszcie bateria baterią baton batucie batuta baud bawełna bawić się bawić się bawół baza baza podstawa część podstawowa baza lotnicza baza replik baza uziemiona bazar bazar bazą trolley. afdammen stok. kleuren verven. aansluiten zwembad dok zweminrichting. katoen uitvoeren. afsluiting. karbouw gronden. marktplaats. kunde baseball reservoir. hek.

excessief netto. beest dier. vat. storten dier. netto-. bewegen gas benzine benzine benzine benzine bestseller Berlijn Bern vallen. extreem. grond. biefstuk basisbasisBeiroet boeren. basis. ontroeren. onbeduidend . paardehorzel ton. fust rol. vat. daas. trommel. afvallen. trom bief.bazą bąbel bąbelek bąk beczce beczka beczka befsztyk beginner's allpurpose symbolic instruction code beginner's all-purpose symbolic instruction code Bejrut beknąć bekon belą belce beletrystyka Belg Belgia belgią belgijski belgrad belka belka stropowa bełtać benzyna benzyna benzyna benzyna benzyną beret berlin Berno bessą bestia bestią bestseller beton betonować betonowy bez bez bez końca bez określonego porządku bez potrąceń bez przygotowania bez sensu grondslag. onderlegger aangrijpen. base blaar borrelen brems. ontbloot van tot in het oneindige buitensporig. ribbe. onderlegger fictie. neervallen. spaak balk. aankondiging onbetekenend. net. beest bestseller beton beton beton sering gespeend van. spaak balk. advertentie. verbeelding Belgisch België België Belgisch Belgrado straal. ribbe. duidelijk bericht. bus. fust ton. verdichtsel. oprispen spek straal.

onmiddellijk direct. lampepit safe. prompt ogenblikkelijk. vrij. onderpand veiligheid. richten. per. disorde. live. geruisloos. overeind. wanhopig radeloos. naamloos onbloedig verwardheid. prompt direct. onderpand pand. gruwel kalmte. onderpand pand. rotzooi lichtzinnig. nutteloos bescherming veiligheid. vlot. rustigheid. verwarring janboel. besturen ogenblikkelijk. muisstil. stomp verschrikking. borgstelling. wanhopig vergeefs. weledelgeboren mennen. los. veilig ten geschenke onbezet.bez smaku bez szwu bez zająknienia bez zakłóceń bez znaczenia bez życia bezbarwny bezbronny bezcelowy bezcenny bezceremonialny bezeceństwa bezgłos bezgłośny bezgraniczny bezimienny bezkrwawy bezład bezład bezmyślny bezmyślny bezmyślny beznadziejny beznadziejny beznadziejny stan bezowocny bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwo bezpieczeństwo bezpieczeństwo zespołu bezpieczeństwo zespołu roboczego bezpiecznik bezpieczny bezpłatnie bezpłatny bezpłatny bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni adres pamięci bezpośredni natychmiastowy bezpośrednio bezpośrednio bezpośrednio żarzona katoda bezprzewodowy smakeloos. onwaardeerbaar bot. radio . goedgehumeurd leeg. prompt direct. geborgen. rechtstreeks door. open. onbezet onpeilbaar. open. lont. zoet. overeind. smaakloos naadloos tikken liefelijk. borgstelling. onbelemmerd ere-. weledel. geweldig anoniem. gruweldaad. stilte stil. borgstelling. rommel. zekerheid pand. ondoorgrondelijk radeloos. geluidloos gigantisch. met ogenblikkelijk. hulpeloos nutteloos. lusteloos vervelend waar niet aan te doen valt. wuft goedgeluimd. rechtop dadelijk. ijdel. zacht onbetekenend. borgstelling. onderpand kousje. onbruikbaar onschatbaar. dirigeren. rust. enorm. rechtop draadloze. zekerheid pand. behouden. recht. onbeduidend saai. frivool.

geruisloos. omroeren. kundig. onpartijdig. voor eeuwig nutteloos. kundig. hulpeloos hemd herenvest. wit blanco. roeren toejuichen. bij voortduring eeuwig. berooid. energieloos kreupel lopen. hinken. onvermengd beige beige rol. proteïne eiwit. wit bijbel Bijbel bijbel Bijbel bibliografie boekerij. hulpeloos hel. bij acclamatie benoemen . mank lopen bokkig absoluut. bibliotheek boekerij. trom uiterste wil.bezradny bezrękawnik bezrękawnik bezrobocia bezrobocie bezrobotny bezsenna (noc) bezsilny bezsporny bezsprzecznie bezstronny bezstronny bezszmerowy bezszwowy bezustannie bezustannie bezużyteczny bezwartościowy bezwład bezwładny bezwładny bezwstydny bezwzględny beż beżowy bęben bęben magnetyczny będą będący następstwem będący w potrzebie będący w stanie coś zr będący w stanie coś zrobić bękart (m. trom rol. trommel. nietswaardig. ongerust waar niet aan te doen valt. aldoor. oningevuld. bus. blank. werkloosheid werkeloosheid. onpartijdig stil. vest werkeloosheid. werkloosheid werkloos. wywołania procedur białka białko białko oka biały Biblia Biblia biblią biblią bibliografią bibliotece biblioteka bibuła bicie bicz bić waar niet aan te doen valt. muisstil. bekwaam capabel.in. proteïne blanco. beducht. testament nagekomen behoeftig. bezorgd. licht. werkeloos bang. geluidloos naadloos permanent. trommel. nooddruftig capabel. afzijdig neutraal. traag. verbond. bibliotheek vloeipapier beting doorroeren. onbruikbaar waardeloos. klaar toegegeven neutraal. blank. voos verlamming bewegingloos. bus. oningevuld. afzijdig. bekwaam ouderloos eiwit.

beoefenaar kuil Pool buikloop. beoefenaar adept. spoor afdruk. voorrijden ellende. kampen. kaartje binair binair boom . biljart biljet. plaatsbewijs. aanneming Lucifer. aannemen vormsel. Satan festijn. strijd voeren afranselen aanrijden. beklagenswaardig erbarmelijk. plaatsbewijs. pulseren strijden.bić bić bić brawo bić się biec bieda biedą biedą biedni biedny bieg przez płotki biegacz biegać (dla zdrowia) biegły biegły biegły biegły (<in sth> w czymś) biegły w biegun biegun biegunka biegunowy biel biel równoenergetyczna bielizna bielma biernik bierzmować bierzmowania bierzmowanie bies biesiadą bieżący bieżni bieżni bieżnia bieżnik bijatyce bikini bilans bilard bilecie bilet bilet bilet wizytowy binarne (pliki) binarny wektor sterujący binary separating plane tree n drzewo afranselen kloppen. blank. spoor stappen. smulpartij. misère. voetspoor. kampen. oningevuld. gelag actueel pad. aanstoten adept. voetspoor. feestmaal. aanneming vormsel. vierde naamval bevestigen. lopen. wit linnen grote waterval. route. narigheid. vloeiend adept. koers hardloper een duw geven. strijd voeren bikini saldo. aanhanger. toestoten. leergang. beklagenswaardig tracé. aanhanger. paadje afdruk. beoefenaar deskundig stromend. begeerte. lust. diarree polair blanco. armoede wens. wit blanco. overschot biljartspel. aanhanger. kaartje slaperig biljet. kaartje biljet. treden strijden. staar accusatief. plaatsbewijs. verlangen. armoe gebrek. blank. zin erbarmelijk. oningevuld. cursus. schrijden.

blank vormen. aangaan laaien. flakkeren. afnemen vervagen wit. slag. kamp treffen. schriftuur bureau. nazeggen beting bitmap treffen. lessenaar lezenaar. beha. vlammen zonneschijn zonlicht zonneschijn flikkeren. aangaan wit. oningevuld. blank. ding bizon edelsteen. verenigingsorgaan bureau.. kantoor kantoor bediende. kleiner worden. kamp bulletin. affaire. edelgesteente. vervlogen kantoor boezem. wit dalen. slag. varen. strijd. bureel. levensbeschrijver bioloog ontvanger Birma bis. bustehouder boezem. gevecht. zaak. steen blikken verbleekt blanco. schitteren . karren verloren. nog eens bisschop ontmoeten. bureel. blanco.dwójkowego podziału przestrzeni binary space partition tree biodro biograf biolog biorcą birmą bis biskup biskupstwo bisować bit bitmapa bitwa bitwą biuletyn biura biura biuraliście biurka biurko biurko biuro biuro Biuro Ochrony Rządu biuro rzeczy znalezionych biuro usług (poligraficznych) biust biustonosz biuście bizantyjski biznes bizon biżuteria blacha blady blady jak ściana blaknąć blaknąć blankiecie blankiecie blankiet blankiet blask blask klejnotów blask księżyca blask księżyca blask słońca boom heup biograaf. blank vormen.h. kantoor kantoor gaan. borst b. blanco. oningevuld. borst Byzantijns aangelegenheid. lessenaar geschrift. rijden. strijd. gevecht. formeren. kwijt. kantoorbediende lezenaar. aantreffen herhalen. oningevuld. formeren.

vergissing vergissing. komend aanverwant. bijkans. dichtdoen Europa eerstvolgend. draagbaar sluiten. profaneren fout. smeken. spatbord. komend eerstvolgend. dwaling. bedelen bagatel. vastzetten blokkeren. dichtdoen eerstvolgend. aanstaand. aanstaand. bloes. kiel. haast. dwaling. boezeroen. afkeuren. belemmeren. komend nader eerstkomend. aanstaand. abuis. aanstaand. spatscherm klimop tuniek blouse. boezeroen blouse. bidden afsmeken pleiten laken. dichtmaken. naast schier. fout. bloes. futiliteit. dichtmaken. wondteken tweeling tweelingtweelinglitteken. afdammen blond blond blond blond slijkbord. kiel hes. kiel ontwijden. vastzetten blokkade blokkade blokkade op slot. katern blokkeren. verwant eerstvolgend. boezeroen. bijna sluiten.blaszance blaszka blejtram bliski bliski bliski Bliski Wschód Bliski Wschód i Afryka blisko blisko blisko blisko blisko kogoś blisko kogoś/czegoś bliskość blizna bliźniacy bliźniaczy bliźniak bliźnie bloczek blok blok v blokować blokada blokada ze współużytkowaniem blokadą blokować blokować się blokował blond blondyn blondynce blondynka blotnik bluszcz bluza (część munduru) bluzą bluzą bluzka bluźnierczy bład bład błaga błagać błagać błagać błagać o coś błahostce inblikken metalen brancard. komend nabijheid litteken. wondteken schrift. ontheiligen. berispen. beuzelarij . gispen schooien. abuis bezweren. aflevering. afgesloten slot afsluiten.

abuis. doordat. wijden zegenen. vergissing schuld vergissing.błahość błahy błahy błazen błazeński błąd błąd błąd błąd średni kwadratowy błąd zaokrąglenia błąd zbieżności błąd zbieżności błąd zrównoważony błądź błędny błędny błędny rycerz błędny rycerz błękicie błocie błogosław błogosławić błogosławieństwa błogosławieństwo błona śluzowa błonia błotnik błotnik błotnisty błoto błoto błysk błyskawica błyskawicą błyskawiczny błyskowy błysk błysnąć błyszczący błyszczeć bo boa boazeria bobas bochenek bocian boczek boczek boczne drzwi frivoliteit onbeduidend. clown. dwaling. gloren bliksem. ver. snel flitsen. spikkel. onjuist. abuis aderlating vergissing. vergissing dwalen. flikkeren. modder. klappen. gauw. inzegenen. fout. opvallen fout. spatbord. brood ooievaar spek bij-. abuis Boeg wandluis fout. schicht. dwaling. drek flitsen. moer. flits. fout. hemelvuur bliksem. drasland slik. beuzelachtig onbelangrijk. omdat. inwerken een blik werpen. hemelvuur gezwind. minder belangrijk achterdeur . beschot. flikkeren. gloren oriënteren. modder. slijk. oog mik. zij-. een blik werpen op daar. stip. schicht. instrumentenbord punt. zegen zegening. fout. wijden zegening. aangezien boa dashboard. slijk. spoedig. een fout maken misleidend verkeerd. snotterig algemeen. dwaling. gemeenschappelijk slijkbord. flikkeren. verkeerd. goedaardig hansworst. abuis. haastig. mis foutief. kloppen. dwaling. zegen slijmerig. modderig broek. onjuist blauw slik. drek zegenen. flits. harlekijn slaan. mis verkeerd. luizig. onjuist. fout. gloren flitsen. moeras. spatscherm aangeschoten troebel. inzegenen. fout.

voorvechter bij-. fortuinlijkheid rijkdom rijkdom gefortuneerd. waterstofbom maal. bekogelen bombarderen binding. rijk. vermogend Fortuna lot. minder belangrijk boksen boksen. aanklacht pijn doen. hebben bolsjewiek bombarderen H-bom. stoomketel het hof maken. vermogend rijk. rijk. kaartje. benauwdheid. voucher. heldhaftig ketel. scharrelen akker speelterrein. zij-. vermogend heros. zeer doen sleutel rouwzeer. zeer doen pijn doen. bokssport bokser beschuldiging. band bon. angst erop nahouden. vermogend.bod bod (bit na sekundę) bod jednostka szybkości modulacji telegraficznej bodziec bogaci bogactwa bogactwa bogactwa bogactwo bogaty bogaty bogaty człowiek bohater bohaterce bohaterka bohaterski boiler boiska boiska boisko bojaźliwy bojler bojownik bok boks boks bokser bolączce boleć boleć nad bolesne przeżycie bolesny bolesny boleść boli mnie głowa bolszewik bomba bomba wodorowa bomba zapalająca bomba zegarowa Bombaj bombardować bombardować bombą bon bon bonifikacie baud baud baud aansporing gefortuneerd. fortuin. smartelijk beklemming. vrijen. ver. benepen. rijk. held heldin heldin heroïsch. coupon disconto . beschieten. keer bombarderen Bombay bombarderen bombarderen. stoomketel kampioen. gefortuneerd gefortuneerd. bang ketel. deerlijk. titelhouder. pijnlijk. speelplaats beschroomd.

afwijzen afwezigheid. bos kampen. fiasco. angst wee. pijn zweer pijn doen. meedoen afwezigheid. treffen. benauwdheid. debâcle afslaan. vorst goddelijk Bosnië botanie. aannemen. absentie. assisteren. pijn God god. meedoen deelnemen. aantasten.bonifikacie bonifikata boraks borsuk bory borykać borykać się borykać się z boski Bośnia botanice botanika Boże Narodzenie bożek bożnicą boży bóbr bóbr Bóg Bóg bójce ból ból ból ból ból (fizyczny) ból (fizyczny) ból brzucha ból gardła ból ucha ból zębów bóstwo bóstwo brać brać do niewoli brać się energicznie do czegoś brać udział brać udział brać udział brać udział brać udział w brak brak szacunku brak tchu brak wody brak zahamowań moralnych brak związku brak związku aftrekken. zeer doen maag zweer hoofdpijn tandpijn. aanvallen helpen. strijd. slag. plantkunde botanie. godheid accepteren. zich aftobben nok. zeer. zeer. verwerpen. meemaken. bijstaan verplegen. spartelen. zorgen voor. jodenkerk goddelijk bever Castor God god. beetkrijgen aangrijpen. afslaan disconto borax das woud. verlangen. plantkunde Kerstfeest afgodsbeeld synagoge. echec. begeerte. korten. verzorgen indoen. aanvaarden beetnemen. euvel missen. ontberen. godheid gevecht. insteken. gebrek. gemis. pakken. zin . meemaken. mangel flop. kamp pijn doen. lust. worstelen worstelen. steken deelnemen. zeer doen beklemming. derven schuld wens. kiespijn wee.

plassen baard kin tepel. brandy armband armband armband broer. onzin. speen wrat baard spartelen. prullaria. derven draaihek poort draaihek draaihek poort draaihek draaihek doelstelling. stout. honk circuit draaihek poort vuurwater. gedurfd. broer. beschermen . buigen. oomzegger nicht nicht driekleurig viooltje stoutmoedig. verweren. zever. doen overhellen waden. gekheid delirium wenkbrauw wenkbrauw neigen. doel. worstelen brocolie. wit. puin nonsens. ontberen. broeder zus. brocoli eggen opkomen voor. flodderen. broeder. afval. verdedigen behoeden. brutaal Brazilië Brazilië Braziliaans Braziliaans bronzen bronzen bruin bruin rommel. doelwit.brakować brama brama brama podstawowa brama wewnętrzna bramą bramce bramka bramka bramka koniunkcji bramka samocentrowana bramka złączowa tranzystora brandy bransolecie bransoleta bransoletka brat brat przyrodni bratanek bratanica bratanicą bratek brawurą Brazylia brazylią brazylijczyk brazylijski brąz brąz (stop metali) brązowy brązowy (kolor) bredni brednie bredzenie brew brew brezencie brnąć broda broda brodawce brodawce brodą brodzić brokuły brona bronić bronić missen. zich aftobben. zuster neef. brandewijn.

ploeg. plaveien bestraten. dierlijk. beestachtig. klont. dot Groot-Brittannië. onbewerkt. ingenaaid boek boekje. fronsen rimpelen. cru. bot beestachtig. brochure. dot prop. equipe spieken. onrein. commandobrug brug. harnas. pantser borstspeld. dot. beestachtig. cambio onrein. honds. libretto. kuras. pantser kuras. smerig. broche boekje. morsig. bepantsering. smerig vuil. bruut. fronsen brug. bruut grof. dierlijk rimpelen. lumineus. bodem. bruut onaardig. bal. klomp. ingenaaid boek doorwaden fond. klont. broche borstspeld. ondergrond. operatekst ordner. morsig. nurks. plaveien Brussel bruin bruinharig bruinharig ruw. dierlijk. kluit. klomp. operatekst paperback.broń broń broń pancerna broń pancerna broszce broszka broszura broszura broszurą broszurą broszurą bród (rzeczny) brud brudnopis brudny brudny brudzić brudzić bruk brukować brukował brukselą brunatny brunetce brunetka brutal brutalny brutalny brutalny brutalny bruzda bruździe brydż brydżyście brygada brygadą brygadą bryk brylancie brylant bryła bryła (ziemi) bryła ograniczająca bryłą Brytania brytanią brytfanną Brytyjczyk aftakking. Bretagne Pan Brit . bars. kluit. klomp prop. vuil. bestrating. wegdek bestraten. map paperback. klomp. smerig vuil. libretto. ruw. klont. harnas. Brittannië Armorica. vies. aarde wissel. bal. klont. afkijken diamant glanzend. brochure. vies onrein. vies. kluit. morsig. commandobrug brigade leden. bal. smerig plaveisel. briljant dot. nors ruw. tak wapen bepantsering. onbehouwen. grond. vuil. bal. aanhang team. prop prop. kluit.

oever. overgaan. afranselen klingelen. boekhouden opgraven. fataal. wal. noodlottig beladen. gonzen zoemer klingelen. trilgras aurora. inladen. trilgras bries. overgaan. gaan kleppen. berkeboom onderlijf. band drachtig. kant. grijpen boord. aanbreken van de dag halfdonker. rand. loods. een afschuw hebben van scheermes scheermes citroen boekhouding. wal. keet. belasten. morgenrood dageraad. boord. barak. klappen. kletteren. klingelen kleppen. laden laden gewicht razen. loods barak. rinkelen afdrogen. klinken. achterlijf buik buik buik onderbuiklelijk lelijk verafschuwen. kustlijn. klikken rinkelen. kletteren. afdak Boedapest schuur. zeekust kust. zoom. zeekant. kant bemachtigen. boord. oever. rooien schoen beuk luifel. zwanger funest. kletteren. zwanger drachtig. brommen. keet . klinken.brytyjski bryza bryzą brzask brzask brzask brzeg brzeg brzeg (morza brzeg (morza) brzeg rzeki brzemienna brzemienny brzemienny w skutki brzemię brzemię brzemię brzęczeć brzęczyk brzęczyk brzęk brzęk brzęk brzęk brzmieć brzmienie brzoskwinia brzoza brzózce brzuch brzuch brzuch Brzusiec brzuszny brzydcy brzydki brzydzić się brzytwa brzytwą bubel buchalteria buchnąć bucie buczyną buda Budapeszt budą budą Brits bries. berkeboom berk. kletteren. schemerdonker kust. morgenlicht. schuur. rinkelen klakken. kant kust. gaan perzik berk. schemer. kletteren. snorren.

afsluiten.budą budce buddyście buddyzm budka budowa budowa okrętów budowa okrętów budować budować budować budować budował budował budową budowla budownictwo budownictwo okrętowe budowniczego budowniczy budowniczy budując budulec budynek budynek budynek sądu budyń budzący zaufanie budzić budzić budzić się budzić wstręt budzić wstręt budżecie budżet bufecie bufecie bufet bufet bufor bufor wyjściowy bufor/multiplekser bujać bujny buk Bukareszt bukiet buldożer luifel. aanbouw constructie. ophitsen afkeer inboezemen afkeer inboezemen irriteren. construeren. stootkussen buffer. aanstoken. bumper. constructie bouw. bouwen. begroting tapkast. constructie constructie. fokken. ruiker. drijven uitbundig. bouwondernemer constructie. bouw. construeren. bouquet. inlijsten. bar. bar. aanbouw afzenden. samenstelling. abundant. bouwen. verzenden. stootkussen vlotten. waarschijnlijk wekken. aanbouw aannemer. opwekken irriteren. verzenden. afdammen tapkast. bouw. buffet buffer. expediëren weefsel in een lijst zetten. bouw. aanleggen bouw. bouwondernemer architect. expediëren constructie. wakker maken. kazemat afzenden. dobberen. bouwmeester aannemer. inrichten opfokken. aanbouw hout constructie. opkweken aanleggen. bumper. construeren bouwen. afdak bunker. begroting budget. bouw. vatten aanleggen. buffet veldfles belemmeren. ophitsen budget. aanbouw pudding aannemelijk. rijk beuk Boekarest boeket. aanleggen oprichten. stootkussen buffer. samenstelling. copieus. tuil bulldozer . telen. bouw. bumper. stichten. construeren bouwen. aanstoken. kazemat boeddhist boeddhisme bunker.

onlusten. kadetje. opstand herrie. muiter. staf spitsroede. peer stok. roerigheid. getier oproerling. bourgeoisie burgerlijk kompas kompas heester. rebelleren. kadetje. gloeilamp. opstand muiterij. kroot. afbreken. in opstand komen herrie. kadet afwezige. bot. stokje. roerigheid. onlusten. kadet Bulgaars Bulgarije Bulgarije Bulgaars broodje. mangelwortel beetwortel. mangelwortel bordeel. rel. opruien oproerling. singel wandeldreef. lampje. cru afgeven op. roede broodje. roerigheid. rebel oproerig. gard. afkammen burgerij. burgervader storm storm storm storm onbewerkt. muiter. seksclub. opstandig rebel. rel. muiter. promenade. onlusten. opstand muiterij. bolletje. bolletje. opstand muiten. kazemat muiterij.bulwar bulwar bulwą buława buławą bułce bułgar Bułgaria bułgarią bułgarski bułka bumelancie bumelanctwa buncie buncie buncie bungalow bunkier bunt bunt bunt bunt buntować się buntować się buntować się buntował buntował buntowniczy buntownik buntownik buraczek burak burdel burmistrz burza burza z piorunami burzą burzą burzliwy burzyć burżuazja burżuazyjny busola busolą busz but but butelce boulevard. hoerenkast burgemeester. rel. onbehouwen. biet. struik laars schoen fles . kroot. getier ophitsen. muiter. rebel muiten. lamp. agiteren. getier bungalow bunker. grof. wegblijver absenteïsme muiterij. oproerling oproerling. onlusten. wandeldek ampul. biet. in opstand komen herrie. rebelleren. rebel beetwortel. opstoken.

verrotten. toongevend egaal. voorhebben op. onderhorig in overvloed aanwezig zijn accoord. zoom verstrooid afspiegelen lijken op. stelletje. gauw. cilinder vergaan. mogelijkerwijs. rugwaarts dierlijk stier stier hier of daar. in de schuld staan complet. geen zier scherp. voorbijgaand scherpzinnig. mogelijk misschien. mogelijk misschien. achterwaarts. dragen. set. vierkante decameter zijn. guur.butelka butelka dwukwartowa butik butla (gazowa) butwieć być być być dłużnym być do twarzy być komuś coś winnym być może być może być może że być na krawędzi być nieobecnym (na czymś) być odbiciem być podobnym być podobnym (<sb być posłusznym być posłusznym być przewodnikiem być przewodnikiem być równym być stosownym być ubranym być ubranym być utrapieniem być uzależnionym być w obfitości być w zgodzie być wystrzymałym (<against sth> na coś) być wystrzymałym na coś być zaskoczonym bydlak byk Byk (gwiazdozbiór) byle gdzie byle jaki były (szef itp) bynajmniej bystry bystry bystry bystry bystry byt bytać bytność fles fles zaak. tegenstreven tegenspartelen. lijken samenkomen. brengen. tegenstreven achteruit. bederven are. gelijken. gelijkmatig behoren. enig voorgaand. misschien. horen. snel. fel. intelligent bijtend. winkel rol. aanzijn logeren . gelijken. niets. versleten onveilig maken afhankelijk. eender. verleden. mogelijk rand. ergens een of andere. rotten. doordringend haastig. bijeenkomen. spoedig bestaan. gelijk. wezen schuldig zijn. stel schuldig zijn. toonaangevend. acuut. gezwind. lijken lijken op. voorafgaand niks. in de schuld staan mogelijkerwijs. een of ander. overeenstemming tegenspartelen. leiden leidend. geleiden. helder. pienter bevattelijk. mogelijkerwijs. betamen. niemendal. passen voeren. vergaderen gehoorzamen de weg wijzen. verkeren. schrander. aanzijn bestaan.

absoluut. totaal. totaliter. heen. finaal werktuiglijk. geheel. ongeschonden. heel. bijster de hele . geheel.. rationeel algeheel. snorren. waarom waar speelbal. hes algeheel. door compleet. verwijderd. gans. ten volle.bywać wśród ludzi bzik bzyczeć bzykać bzykać c dlaczego c gdzie cacka cal całka całka całkowity integralny całkiem całkiem całkiem całkiem obcy człowiek całkiem przytomny całkiem zwariowany całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie pewny całkowicie stranzystorowany całkowicie tranzystorowy całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity błąd liniowy całokształcie całokształcie całokształt całopalny) całoroczny całościowy całość całość całość łącznie całować całus cały cały cały cały tekst cały z metalu cały z metalu cap temperen. gonzen razen. totaal algeheel. brommen. gans. heel erg. kussen zoenen.. zelfwerkend. vol kelder jaarlijks redelijk. geheel. compleet. vol de hele . grootte geheel gans. totaal omvang. vol algeheel.. geheel. automatisch geheel. finaal helemaal. totaliter. compleet. bok . over compleet.. gonzen sissen. totaal gans. bijster erg. geheel. boezeroen. stuk speelgoed. mengen. door compleet. mixen. volkomen vandoor. compleet. integraal onaangetast. vermengen bestseller. geheel. geit. heel. ongeschonden. ten enenmale alles wel beschouwd volkomen. heel.. gans. totaal zoenen. kussen de hele . door alles wel beschouwd beslist. vol geheel. vol sik. snorren. heel helemaal. vol gans. vol gans. integraal alles wel beschouwd volkomen.. geheel. brommen. furore razen. fluiten hoezo. bestek. algeheel kiel. compleet. speeltuig duim als lengtemaat onaangetast.

tablet bakstenen. lamp. wit merken. visioen. trek. stenen bakstenen. wit cachot. kerker cachot. zijgen plaat. ding doelwit. onderwerp. trek. doel. tekening doelstelling. kerker douane aanleggen gezicht. gelaatstrek merken. honk mikpunt. passend. gloeilamp. cel. object. geschikt Keltisch Keltisch cement cement cement prijs waarde. stenen Ceylon aanleggen werkje. trek. doelwit. lampje. doel. peer ajuin. cel. doelstelling. tekenen afstaan. tekenen doelwit. doel. doelstelling. honk. lampje. toegeven. ui ajuin. karakteristiek karaktertrek. plak. honk. gelaatstrek karaktertrek. het veld ruimen ceder vergiet vergiet filtreren. droombeeld gepast. gelaatstrek puntig. karakteriseren. peer tekenend. lamp. gehalte prijs kosten . ui ampul. schets. filteren. kenmerkend. karaktertrek karaktertrek. spits gelaatstrek. wit. gloeilamp. trek.capstrzyk car caryca ceber ceber cebula cebula cebulą cebulka cecha cecha cecha cecha cecha produktu cecha szczególna cechować cechował cedował cedr cedzak cedzak cedzić cegiełce cegła cegłą Cejlon cel cel cel cel cel cel nieosiągalny cel upuszczenia cela celą celnik celować celownik celowy Celtycki celtycki cemencie cement cementować cena cena cena okazyjna ceną taptoe tsaar tsarina emmer emmer ampul. tekenen kenmerken.

dokument. dokument. sakkerloot. zeildoek teint. pels. vacht ceremonie. wasdoek. hut . deksels rijk. achting hebben voor schat waarde. vel. bobine spoel. luchtband bobine. stulp stulp. etiket ceremonie. klos. deksels acte. stuk acte. huisje hut. tint dierevel. plechtigheid etiquette. keizerrijk. plaats hut. keizerrijk. oord. klos. sakkerloot. centraal middelpunt. plechtigheid bliksems. vacht tafelzeil. buit. bedrijf. centrum middelpunt. centrum middelpunt. aanwinst cent stuiver. penny centrale middelste. centrum centimeter centimeter censureren. keuren teint. spoel spoel. tint dierevel. binnenste. wasdoek. bedrijf. vel. akte. binnenste. imperium rijk. binnenste. huid. stuk betuigen. imperium keizer keizerin opnemen. lokaliteit. verzekeren bliksems. luchtpijp. bobine ruimte.ceną cencie cenić cenić cenić cennik cenny cenny wkład cent cent centrala telefoniczna centralny centralny system przetwarzania centrum centrum usuwania skutków awarii (centrum odtwarzania po awarii) centrum zasobów centymetr centymetr cenzor cera cera ceracie Ceramika cerata cerą cerą ceremonia ceremoniał ceremonią cerować certyfikat certyfikat uprawniający certyfikować cerując cesarstwa cesarstwo cesarz cesarzowa cesją cewce cewka cewka cewka zapłonowa cętce chałupa chałupa chałupą prijs cent achten. akte. klos. centraal middelste. huid. label. afboeken binnenband. zeildoek aardewerk tafelzeil. gehalte prijslijst kostbaar. waardevol prooi. pels. acquisitie.

karakter. kenmerkend. graag eer. begeren. chaos chaotisch aard. huisje hut. zich onderscheidend tekenend. gril. lust. gril. karakteristiek tekenend. scheikunde chemie. stulp vlegel rommel. belust. lust. belust begerig. kenmerkend. neiging verkiezen. happig. begeren aanvechting. scheikunde chemie. zin uiterste wil. chimera Chimaera kinine China Chinees . geaardheid aard. begeren. trek hebben in begerig. hazewindhond. kuur bedenken. baaierd. gretig chemie. warboel. zin. hersenschim. stulp wens. testament verkiezen.chałupą chałupą cham chaos chaotyczny char charakter charakter charakterystyce charakterystyczny charakterystyczny charakterystyka charakterystyka indeksowania charakteryzacja charakteryzować charakteryzował chart charytatywny chata chata chata chcieć chcieć chcieć chciwy chciwy chemia chemia radiacyjna chemią chemik chęć chęć chęć chętce chętce chętce chętnie chętniej chętny chętny Chicago Chile chilijski chimera chimera chinina Chiny chińczyk hut. geaardheid vezel kenschets tekenend. karakteristiek karakteristiek. karakteristiek schmink. zich verbeelden bevlieging. blanketsel. begeerte. vrijwillig gaarne. kuur gaarne. tekenen beschrijven hazewind. make-up kenmerken. kenmerkend. trek hebben in nuk. happig. karakter. hut hut. huisje hut. farmaceut trek hebben in. gretig. bui. liefdadigheidsstulp. karakteriseren. verkiezen. graag Chicago Chili Chileens inbeelding. liever gewillig. windhond charitatief. bevlieging. nuk. verbond. verlangen. bui. scheikunde apotheker.

klapperen mik. lijfeigene boer knaap. jongeheer jeugdigheid. wondheelkunde. tegoed. chirurg chirurgie. credit trots beroemd. koelcel koelen in beslag nemen. lof. samen-. verwijderd vriezer. jongen jongensachtig. samen boer. koelcel radiator radiator koud. jongen borst. jongeling. alcoholische drank. heelkunde chirurgie. kabbelen. kabbelen. plattelander horige. aaneen-. glorie creditzijde. heelkunde chirurgisch drank. brood koelkast. plassen. plassen. afbikken heelmeester. beroemdheid. brood mik. wondheelkunde. opslorpen. glorieus klotsen.chiński chip chirurg chirurgia chirurgia stomatologiczna chirurgią chirurgiczny chlał chlapać chleb chleb z masłem chlebodawcą chlew chluba chlubą chlubą chlubny chlupocie chłeb chłodnia chłodnica chłodnicą chłodno chłodny chłodny chłodny chłodziarce chłodziarce chłodzić chłonąć chłonny chłop chłop chłop chłop chłop pańszczyźniany chłopak chłopak chłopak chłopiec chłopięcy chłostać chłostał chłód chmarą chmiel chmura chmura Chinees bikken. wondheelkunde. landman. jeugd knaap. vriesvak koelkast. brood werkgever hok roem. nimbus . glorierijk. heelkunde chirurgie. krediet. ver. kil afkoelen ververwijderd. absorberen absorberend boer aaneen. co-. klotsen mik. jongensafranselen afranselen koud gastheer hinkelen wolk stralenkrans. alcohol klapperen. kil koud.

snurken. knorren.chmura punktów chmurą chochlik chociaż chociaż choć chodak chodnik chodnik chodzić chodzić ze sobą choinka cholera cholera cholerny cholerny chorągiew choroba choroba choroba choroba morska choroba powietrzna chorobą chorobą chorobą chorobą Chorwacja chory chory chory chory na płuca chory umysłowo chowa chowa chować chować chód chód chór chrap chrapać chrapanie chrapce chromy chronić chronić chroniony zabezpieczony chropowatość wolk wolk aardmannetje. krankzinnig. emotie. moeilijkheid Kroatië ziek. kwaal. al. aandoening ziekte. rei. niet lekker kuilen. dichten. aandoening bezwaar. alhoewel. ter aarde bestellen vel. kwaal. trottoir lopen. vlag ziekte. aandoening vakantie zeeziekte luchtziekte affect. ronken neusgat mank. strubbeling. ofschoon. dichtmaken plaveisel. aandoening ziekte. bestrating. verwijderd. kabouter ofschoon. ronken snorken. hinkend beletten. knorren. hoewel. van stapel lopen. verhinderen. hoewel. lopen kerstboom cholera verdomme. hardheid . wel wel. tippelen. alhoewel ofschoon. pels. verdomd. tippelen. bepalen hardvochtigheid. snurken. wel stoppen. kwaal. vacht. lopen koor. dolzinnig. stappen. bevestigen. heen. huid aanspannen treden. aandoening ziekte. lopen marcheren. kobold. kwaal. knorren. beschermen fixeren. bloedend vaan. dierevel. al. gaan marcheren. dundoek. hoewel. zangkoor snorken. naar verminkt. alhoewel. verhoeden behoeden. over bloedig. begraven begraven. gebrekkig ziek. al. voetpad. schrijden. wegdek stoep. ronken snorken. dol onwel. godverdomme vandoor. kreupel. naar gek. snurken.

staande. snoeven. opscheppen pochen. proces-verbaal moment. schraal sprietig. steunen. tel spellen . verheerlijken. dierlijk onbewerkt. mager penis apache. beroemdheid. bluffen roem. moment. bruut. beroemdheid. oogwenk. ogenblik. onzeker. wel. snoeven. tja oogwenk. juni dopen dopen peetvader. peet christen christen christendom christendom rijzig. schoffelen schokken schokken wiebelen. opscheppen. mager. straatschuimer zakdoek zakdoek zakdoek loven. gedurende enfin. groot. sprietig sprietig. tel terwijl. schraal. ogenblik. glorie roem. croquant knapperig. tel wiegen minuut oogwenk. waggelen. ogenblik. pochen. moment. naamgever. lof. ogenblik. glorie wieden. tel moment. grof. nou. ruw.chropowaty chropowaty chrupce chrupiący chrypieć Chrystus chrzan chrzan chrząszcz chrzcić chrzcić chrzestny chrześcijanin chrześcijański chrześcijaństwa chrześcijaństwo chudy chudy chudy chudy chudy chuj chuligan chusteczce chustka chustka do nosa chwalić chwalić się chwalić się chwała chwałą chwast chwiać chwiał chwiał chwiejny chwil chwila chwila chwila chwila chwila chwila ciszy chwila obecna chwilą chwilą chwilą chwilą beestachtig. moment. peter. onbehouwen. tel minuut oogwenk. besluiteloos bekeuring. aarzelen wankel. stutten schraal. mager. mierik zomermaand. roemen. wankelen. lang schragen. komaan. cru knapperig. nu. croquant krassen Christus mierikswortel. notulen. ogenblik. bot. mierik mierikswortel. lof. oogwenk. prijzen bluffen.

degelijk. misgrijpen bouwvallig. scharrelen bemachtigen. pasta aanplakken knippen. eventjes tijdelijk werkelijk. nauw stipt. grijpen grijpen. nauw dundoek. krap. aangrijpen. in het water vallen missen. nauwsluitend. cake zuur koek. schaar bemachtigen. gedurende oogwenk. effectief. beetpakken. tel korte tijd. pakken knijper. koekbakkerij koek. mislopen. aangrijpen. gammel. dit hier carrosserie carrosserie flink. ogenblik. vermoeden. toog dit. streng. deugdelijk. grijpen waarschijnlijk menen. aangrijpen. snoeien . vlag banketbakkerij. staande. bemachtigen handdruk. mislopen. vaan.chwilą chwilka chwilowo chwilowo chwilowy chwilowy chwycić chwycić chwycić w szpony chwycie chwycie chwyt chwyt chwyt chwyta chwytać chwytać chwytać chwytać szczypcami chyba chyba chyba chyba chyba że chybiać chybienie chybiona odpowiedź niezgodność chybotliwy chylić ci ciałka ciało ciało doskonale czarne ciało metody ciało stałe ciało stałe ciasno ciasny ciasny ciasteczko ciastkarni ciastko ciastko ciasto ciasto ciasto ciąć ciąć terwijl. gedegen carrosserie carrosserie vlees strak smal. moment. toch tenzij uitzonderen floppen. beslag. cake deeg. aangrijpen. stellen wel. snoeien scheren. grijpen klauw bemachtigen. daadwerkelijk kortstondig morrelen. immers. grijpen grijpen. hand Pan bemachtigen. bekrompen. misgrijpen missen. aftands boog. bemachtigen beetnemen. zeker. knippen. friemelen. grijpen bemachtigen. scheren. eng. even.

kalfsvlees somber. keten altijd. duisternis. schets. op zijn gemak. constant onafgebroken. aldoor. zwijgend bedaard. nieuwsgierigheid weetgierigheid. belangwekkend typisch. lopen. kalm. aldoor. nieuwsgierigheid nieuwsgierig. tekening trekker. typisch nieuwsgierig. donker . doorlopend gestaag. kalm liefelijk. donker duister. zoet. vlieten vloeistof vloeistof vrachtwagen. vreemd vloeistof vloeistof korporaal kalf kalfsbout. gerust. op zijn gemak. rustig bedaard. keten koorde. kalm. vloeien. truck.ciąć ciąć (nożycami) ciąg ciąg znakowy mieszany ciąg znakowy mieszany ciąg znaków ciągle ciągle ciągle ciągły ciągły ciągły ciągnąć ciągnąć ciągnąć ciągnąć losy o ciągnąć ściągnąć ciągnienia ciągnienia ciągnienie ciągnik cichną cicho cicho! cichy cichy cichy cichy cichy (głos) ciec ciecz ciecz cieężarówka ciekawostka ciekawość ciekawski ciekawy ciekawy ciekawy ciekawy ciekły ciekły wodór cielesny cielę cielęcina cielęciną ciemnicą ciemnicą afkraken afkeuren toelachen. snaar ketting. vrachtauto weetgierigheid. constant. weetgierig interessant. stemband. zacht stil. gerust. kalm rustig. bekoren. kalfsvlees kalfsbout. tractor vervagen rustig. bij voortduring bestendig. aanlokken ketting. bestendig trekken rukken rukken rukken trekken trekken rukken werkje. muisstil. gestaag. geruisloos. curieus. geluidloos stil. steeds permanent. bij voortduring permanent. weetgierig vreemd. immer. stilzwijgend. rustig stromen. curieus.

eng. druk beladen. fijn. vrachtwagen vrachtwagen. straat kleppen. akkoord koorde. gaan accoord. truck. laden zwaartekracht vrachtwagen. nauw. troosteloos. plechtig. fit. dragen naar buiten brengen. nuancering gloed. zieke gezond. levendig. truck. krap. overeenstemming. truck. klinken. vrachtwagen hard drukkend.ciemnieć ciemno ciemność ciemność ciemny ciemny ciemny ciemny cieniowanie cienki cienki koncentryczny cienki papier cień cień do powiek cień do powiek cień przesłaniać cieniowany cień rówka ciepło ciepły cierń cierpieć cierpieć męczarnie cierpiętnik cierpki cierpkość cierpliwość cierpliwy cieszący się dobrym zdrowiem cieszyć się cieszyć się cieśla cieśnina cieśnina cieśniną cięciwa (matem. schoon. belasten. mooi. schraal. snaar kras. donker mysterieus. blij zijn timmerman smal. somber schaduwen sprietig. dragen bloedgetuige. inladen. donker zwartheid duister. nuancering schaduwen schaduwen nuance. donker worden somber.) cięciwą cięciwą cięty ówka ciężar ciężar ciężarówce ciężarówce ciężarówka ciężarówka ciężarówka ciężki ciężki ciężki versomberen. martelaar zuur bitsheid geduld. vrachtauto trolley. ceremonieel . duisternis. beugel vrachtauto. valide genieten van. kanaal. mager sprietig. truck. akkoord accoord. schakering. donker schemerig naargeestig. nauw zeeëngte. mager net. schraal. geheimzinnig somber. vrachtauto vrachtauto. blij zijn genieten van. overeenstemming. stemband. lijdzaamheid patiënt. zwaar afgemeten. overgaan. rap. bekrompen. kwiek. vuur warm doorn naar buiten brengen. fraai schaduwen nuance. schakering.

in toenemende mate jaarlijks jaarlijks iets modelleren iets . verzekeren conjunctie meer en meer. zwaaien slingeren. rust. dat. alledaags dagelijks. alledaags vulgair. grof. rustig. massa. ordinair. rustig. liefkozen. stil. bedaard. swingen. klap fijnhakken aanhalen. mep. rustig. drom. meid hoop. kalm kalmte. grof. vulva slingeren. maandelijks toegegeven iets bovendien. boel. begraafplaats deugdelijkheid. verder. wat maand-. kalm bedaard. eerbaar hetgeen. maagdelijk kuis. rustigheid. stil. daags. daarenboven dagelijks.ciężki cioci cios cios cios ciotka cipą ciska ciskać cisza cisza cisza cisza (brak wiatru) cizi ciżbą cło cmentarz cmentarz cnota cnotce cnotliwy co co miesiąc co prawda co umożliwia działanie czegoś innego co więcej codziennie codzienny codzienny codzień cofa cofacz cofać cofać się cofnąć się cofnięcie transakcji cokolwiek cokolwiek college cołościowo confirm coniunctio coraz więcej coroczny coroczny coś coś coś zwaarwichtig tante houw. gewoon vulgair. menigte douane begraafplaats. kerkhof kerkhof. aaien tante kut. degelijkheid ongerept. slag. daags. zwaaien stil. flap. stilte bedaard. rein. kalm meisje. ordinair. zedig. voorts. gewoon afbestellen backspace backspace achteruitgaan achteruitgaan backspace iets wat dan ook college uitgebreid betuigen. strelen. swingen.

listig cybernetica cijfer. wat zich verbazen. aanbiddenswaardig wonderbaar. origineel amper. toverachtig wonder aanbiddelijk. overspel buitenlander ijselijk. zich verwonderen oorspronkelijk. afschuwelijk ijselijk. nauwelijks goochelaar toverkunst. verwonderend echtbreker echtbreuk. overspel echtbreuk. wonder zich verbazen. magie magisch. getal. miraculeus wonderbaar. afschuwelijk suiker suiker snoep. gewiekst. nummer aantal. diabetes suikerziekte. aangrijpen iets dochter dochter hetgeen. zich verwonderen zich verbazen. meren Mauretaniër kerrie galopperen doortrapt. snoepgoed zoet. slim. Moor aanbinden. kwalijk. cijfer . diabetes onderbinden Moriaan. tal nummer.coś innego coś koło tego coś na pocieszenie coś się święci coś w rodzaju coś) coś) córą córka cóż cud cud cuda cuda cudak cudem czegoś uniknąć cudotwórcą cudotwórstwa cudotwórstwa cudowne dziecko cudowny cudowny cudowny cudzołożnik cudzołóstwa cudzołóstwo cudzoziemiec cudzoziemka cudzoziemski cukier cukier syntaktyczny cukierek cukierek cukiernica cukiernica cukrzyca cukrzyca (choroba) cumować cumować cumować cumować curry cwał cwaniactwa cybernetyka cyferce cyferce cyferce iets iets iets iets iets aandoen. zoetigheid. oppassend suikerpot suikerpot suikerziekte. zich verwonderen mirakel. dat.

cyfra cyfra cyfra dwójkowa bit jednostka ilości informacji cyfra znacząca cyfra znaku cyfrowe przetwarzanie obrazów cyfrowy Cygan Cygan Cygan cyganeria cygara cygaro cykl cykl magistrali cykl maszynowy cykl zatwierdzania cykl życia obiektu cykliczny cyklon cykor cykoria cylinder cylinder alternatywny cyna cyną cyniczny cynk cynkowy cypel cypel Cypr cyrk cyrkulacja cyrkulacją cyrograf cyrulik cysterna cytacie cytadela cytadelą cytat cytat cytować cytować cytował cytryna cijfer. getal. vergaarbak aanhaling. roulatie pand. citeren. wielrijden afranselen fietsen. soppen nummer. citaat citadel citadel aanhaling. wielrijden fietsen. roulatie omloop. nummer nummer. onderpand. noemen aanhalen. cilinder blikken blikken cynisch zink zink kaap Kaaps Cyprus circus omloop. cycloon beklemming. citeren citroen . noemen aanhalen. tal cijfer. nummer indompelen. cilinder rol. cijfer beting aantal. circulatie. angst. cichorei rol. noemen. borgstelling kapper. cijfer zigeuner zigeuner rogge Bohemen sigaar sigaar fietsen. citaat aanhalen. benauwdheid lof. wielrijden circulaire. circulatie. citeren. wielrijden fietsen. noemen. barbier reservoir. rondschrijven wervelstorm. indopen. citeren aanhalen.

bekken. bedaagd zwart duivelskunstenaar. te wachten staan horloge. stadswachten. tovenaar duivelskunstenaar. handvest. bloemkelk. burgerlijk beschaving. horen. keer behoren. modelleren modelleren. heks kol. innemend. toverheks. boetseren zwart hoogbejaard. afhalen. vacht. keer . motorkap pet vel. humus boetseren. beschaven civiel civiel. charmant bekoorlijk. kodeks) czacie czacie czajniczek (klasyczna graficzna baza danych) czajnik czajnik czapce czapka czapka czapka (damska) czapka futrzana z tej skóry czapla czaplą czar czar czar czarą czarą czarnoksiężnik czarnoksiężnik czarnoziem czarnoziem czarnoziem czarny czarny czarny jak smoła czarodziej czarodziejce czarodziejski czarować czarował czarownica czarownicą czarter czarując czarujący czas czas przeszły czas rzeczywisty citroen civiel. toverheks. burgerlijk burger-. beschaven civiliseren. kom beker. tovenares. vrachtcontract bekoorlijk. miskelk. dierevel. kelk duivelskunstenaar. charmant maal. innemend.cytryną cywil cywilizacja cywilizacją cywilizować cywilizował cywilny cywilny cywilny (np. tovenares. wagenkap. tovenaar teelaarde. heks charter. tovenaar feeëriek feeëriek heksen heksen kol. polshorloge theepot. moeten. beschaven civiliseren. dienen maal. huid pet reiger reiger aantrekkelijkheid toverij toverij vont. beschaven beschaving. pels. trekpot ketel po pet kapotjas.

afhalen. te wachten staan wachten. oningevuld. krant blad. keer op een keer. chocolade chocola. jaartelling. czegoś) czek czek czek in blanco czekać czekać czekać czekać cierpliwie czekać na czekać na aktywację przesunąć (kursor myszki) czekać oczekiwanie czekolada czekoladą plusquamperfectum plusquamperfectum fietsen. kostbaar courant. epistel. uit de weg gaan. blanco. beluisteren. krant krant werkwoord dag schedel schedel keuvelen. brutaal vergeefs. te wachten staan zweven wachten. deel verafgoden. nutteloos Boheems Tsjechisch Tsjechoslowakije Tsjechoslowakije hetgeen. waar zendbrief. aanbidding oogstmaand. stoutmoedig. te wachten staan chocola. afhalen. afhalen aanhoren. krant blad. jaartelling. deeltje. afhalen. praten een hinderlaag leggen item. aanbidden adoratie. luisteren wachten. wat mijden.czas zapamiętywania czas zapisu czas życia nośników mniejszościowych czas życia obiektu czas życia w IP czasami czasochłonny czasopimo czasopismo czasopiśmie czasopiśmie czasownik czasy czaszce czaszka czat czaty cząstce cząsteczka cząstka cząstka na milion czcić czcić czcigodny czcigodny czcionce czcionka pogrubiona czczy Czech czech CzechoSłowacja Czecho-Słowacja czego czegoś itd. jaartelling. augustus waardig. adoreren. ontwijken aanvliegen bedwingen. wielrijden maal. beteugelen cheque wit. wachten. eerzaam. dat. babbelen. brief gedurfd. deel item. blank te wachten staan. ijdel. eens waardevol. deel molecuul item. deeltje. keer maal. dagblad. afhalen. stout. deeltje. betomen. chocolade . te wachten staan wachten.

inham. fors. verpakken krioelen. gedeelte evenredigheid. stuk. kledingstuk gewaad. accompagneren. aanlokken aftappen aanboren robuust. hecht. vaak menigmaal. geregeld bezoeken prieel deels. dikwijls.czekoladka czelność czeluść czeluść czeluść czemu czemuś) czepek czepek czeredą czeredą czereśnia czerń czerń czerń ec czerpać czerpać czerpać (zyski czerpać natchnienie z czerstwy stale czerwca czerwiec czerwienić się czerwienić się czerwień czerwień czerwony czesać czeski czeski czeszce cześć cześć często często częstować częstował częsty części maszyn częściowo częściowo częściowo otwarte połączenie częściowy część część część adresowa rozkazu część arytmetyczna (w komputerze) część krytyczna chocola. blozend rood. onderdeel. verhouding deel. treden bezoeken. chocolade zenuw afgrond. wagenkap. pakken. golf. proportie. bocht. bekoren. blozen. waarom vergezellen. gedurig. begeleiden kapotjas. ferm zomermaand. juni zomermaand. eredienst. verering adoratie. partieel deel. kolk golfspel. schrijden. motorkap pet inpakken. donkerrood rood. cureren stappen. onderdeel. blozend uitkammen. ten dele ten dele. boezem afgrond hoezo. lopen. gedeelte gewaad. juni kleuren. stuk. krielen kers zwart zwartheid zwartheid aftappen toelachen. gedurig behandelen. potig. deels ten dele. dikwijls. kledingstuk . wemelen. wriemelen. kammen Boheems Tsjechisch Tsjechisch cultus. aanbidding menigmaal. deels gedeeltelijk. vaak. rood worden Vlissingen karmozijn.

een afschuw hebben van aanstoot nemen aan verafschuwen. verafschuwen verafschuwen. handelaar. lidmaat. lidmaat. receptief een afschuw hebben van. ra . vak. handelaar. een afschuw hebben van afkeer inboezemen verafschuwen. een afschuw hebben van kwiek. niet-ingewijde sluitzegel. aperitief ontstekingsbuis. aanhanger lid. zakenman koopman. toongevend borrel. boeren lid. de weg wijzen. levendig. vergaarbak kruipen kruipen wenkbrauw voorhoofd geleiden. lidmaat. sticker reservoir. spriet. beginsel monteren. zetten lid. kras. druk. voelhoorn. ontvankelijk. oprispen oprispen. aanhanger lidmaatschap lidmaatschap menselijk menselijk mens koopman. stuk. schuit veertig veertig veertien vier vier stortplaats gevoelig. leiden leidend. rap antenne. onderdeel. zakenman majoor mens leek. aanhanger element. lidmaat. tak deel. aanhanger lid. bougie look. knoflook boot. bestanddeel.część wstępna (programu) część zapasowa czkawka czknąć czknąć czlonek człon człon człon członek członek załogi członkostwa członkostwo człowieczek człowiek człowiek człowiek energiczny człowiek interesu człowiek noszący coś na sobie człowiek pełnoletni człowiek starszy (wiekiem człowiek wytrwały czołg czołgać się czołgać się czoło czoło czoło czołowy czop czop czosnek czółno czterdziestka czterdzieści czternaście cztery cztery ściany czubek czucie czuć niechęć czuć odrazę czuć się urażonym czuć wstręt czuć wstręt czuć wstręt (do kogoś/czegoś) czujny czułek branche. toonaangevend. gedeelte hikken boeren.

aanmaken. zindelijk hel. afgelopen zinspelen afschrikwekkend mest actie. nettonetto. zindelijk gevoelig. net. bedrijven. gedoe. delicaat. onvermengd rein. puur. fijn. puur. gevoel. zindelijkheid absoluut. puur. kies. louteren kuisheid. etterbuil op het kookpunt zijn. iel purgatorium. delicaatheid. handeling. ingeval of tenzij hè. handeling werkzaam. duidelijk zindelijk. helder. mooi. optreden. schoon. ageren. klaar duidelijk. wie z'n. gevoeligheid fijnheid. netto-. kuisheid. netto. of. vagevuur lezen lezen lezer lezer . helderheid. ageren. kiesheid aanhalig angst horloge. bezig zijn. louteren reinigen. koken reinigen. fijn.czułostce czułość czuły czupiradła czuwać czwarta (część) czwartek czwarty czy czy czy czy czyj czyn czyn wolicjonalny czynić czynić czynić aluzję czynnik ludzki czynnik zapładniający czynność czynność czynny czynny czynsz czyrak czyrak czystce czystka czystość czystość czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty dwójkowy czysty(alkohol) czyszczący czyścić czyścić czyściec czyta czytać czytance czytelnik sentiment. licht. klaar. actief. zindelijkheid helderheid. schoon. optreden. waarvan. bezig zijn. polshorloge vierde donderdag vierde indien. schoonmaken. abces. afgewerkt. gedoe actie. schoon ordelijk net. fraai ordelijk afwasmiddel rein. als. borrelen. handelen doen. wanneer. handelen doen. bedrijvig afneembaar huur ettergezwel. schoonmaken. rein. wie d'r doen. hetzij welks. maken beëindigd. schoon.

tegel. piepen. blijkens. kwetteren. eerder. piepen. poj. ingevolge nader verwijderd. voldaan kap. tjilpen sjilpen. materiaal grondstof. fat. vooraan. hoogst daarvoor. vertrekken buurt. cadeau geven draai om de oren. ververwijderd. ver. verwijderd. tjilpen sjilpen. <datum>) leesbaar lezer werkelijk. consigne. stadswijk kamers. dam. indertijd tevreden. uil. drillen sjilpen. wijk. cadeau geven inschikkelijk. eind langs. wijk. uil. vergenoegd. materieel. naar. tegelsteen. dak. kwetteren. oorveeg. dactylus schenken. nachtvlinder buurt. vrouw. verwijderd verwijderd. tjilpen. tichel dadel. dactylus afstand. overkapping plavuis. dandy grondstof. materiaal .czytelny czytnik czyżby? ćma ćma zenia ćwiartce ćwiartek ćwiartka ćwiczenia ćwiczenia ćwiczenia ćwiczyć (się) ćwierka ćwierkać ćwierkać d <much d najbardziej d poprzednio d zadowolony dach dachówce dachówka dachówka dacie dać dać klapsa dać napiwek dać za wygraną daj dający się zarządzać daktyl dal dalej dalej daleki daleki zasięg daleki zasięg daleko dalia dalszy dama dama (także w kartach i szachach) damaszek damą daną dandys ezmięsne dane dane (l. ver ververwijderd. jonkvrouw Damascus dame informatie saletjonker. kwast. drillen aanwijzing. materieel. heen. ver vandoor. handelbaar dadel. wezenlijk uiltje. instructie aanwenden. over dahlia nader dame lady. ververwijderd. lel stortplaats schenken. tichel lei plavuis. piepen. echt. nachtvlinder uiltje. stadswijk oefenen. doorvoeren oefenen. tegel. tegelsteen. kwetteren veel meest. cadeau geven schenken.

uitmaken voor adverteren. cadeau geven tegenwoordig.dania dania Dania dania bezmięsne danią danie danina daniną danser dar dar daremność daremny daremny darmowy darować darować darować darować darować (karę) darował daszek daszek (czapki) data data data acquisition and interpretation system data zakupu datagram kadr datek datek datować dawać dawać dowody dawać klapsa dawać na imię dawać narkozę dawać ogłoszenie dawać początek dawać sobie radę/domyślić się dawać znać dawce dawka dawka (leku) dawkować dawniej dawny dąb tracé. vergeven schenken. actueel luiheid vergeefs. oorveeg. aankondigen. schatting danseres gift. heten. cursus. actueel ontbinden. tip. voorafgaand eiken. inlichten besturen. apache piek. schaal vegetarisch Denemarken schotel. donatie. vergeven straatschuimer. madeliefje dadel. cadeau geven belichten. koers Denemarken schotel. vlot. vooraan. punt. schaal cijns. eikehouten . open. ijdel. dactylus meizoentje. verleden. schenken begenadigen. tentoonstellen draai om de oren. cadeau tegenwoordig. lel noemen. los. nutteloos vergeefs. beheren dosis dosis dosis dosis daarvoor. informeren. neus. annuleren. aandienen het gevolg zijn van. eerder. leergang. administreren. spits meizoentje. indertijd voorgaand. route. geschenk. dactylus schenken. nutteloos onbezet. dactylus boksen naastenliefde. schatting cijns. afstammen voeden berichten. onbelemmerd cadeau geven. benoemen. top. afgelasten begenadigen. ijdel. menslievendheid bijdrage dadel. madeliefje dadel.

deficit. gemis. nastreven aandachtig. spanderen kastekort. nesthaar. spanderen opdragen. debet dwaas. slag. afleiden. beslissen. omschrijven. beslissing resolutie. oplettend behoedzaam. verlagen decennium decennium decennium voordragen. cruciaal besluit. spenderen. definitief onherroepelijk. definitief mismaakt. gebrek. uitmaken besluiten. verbasteren degenereren. uitspraak. omschrijving definiëren. verbasteren degraderen. afleiden. bepalen definiëren. zot.dąb nie dąć dążyć dbały dbały deaktywizować debacie debacie debata debatować debet debet ("winien" w księgowości) debil debil debuger debugger decydować decydował decydował decydujący decyzja decyzją decyzją dedukcją dedukować dedukował dedykować dedykował deficycie deficycie deficyt defilada definicja definicja typu dokumentu definicją definiować definiował definitus definitywny deformował degeneracie degenerat degradować degradował dekada dekada licząca dekadą deklamować eiken. omschrijven. ontaarden. tekort verleden. declameren . deduceren abstraheren. bepalen onherroepelijk. euvel kastekort. dons debat discussie. ontaarden. beslissen. omschrijving bepaling. attent. verleden tijd bepaling. spenderen. voorzichtig waas. malloot idioot debugger debugger besluiten. uitspraak. omschrijving bepaling. deficit. flap. klap najagen. beslissing besluit. misvormd degenereren. nauwkeurig bepalen beslissend. bespreking debat debat debetzijde. mep. definitie. definitie. finaal. definitie. deduceren opdragen. tekort afwezigheid. motie conclusie. gevolgtrekking abstraheren. uitmaken determineren. debet debetzijde. verlagen degraderen. eikehouten houw.

delegatie afvaardiging. lekkernij snoep. onderscheiding. afvaardigen in de plaats stellen van. zachtaardig zoet. lekkernij mildheid beminnelijk kies. verklaring declaratie. zacht. liefelijk gunning. onderscheiding. afvaardigen subsidiair. delegatie snoep. declameren declaratie. plaatsvervangend afvaardiging. delicaat. verklaring declareren declareren decoderen decoderen afleiden decor. decoratie sieraad. decoratie decor. snoepgoed. inboeten delegeren. decoratie. gevoelig. dader Delphi delta ontkennen ontkennen democraat . breekbaar liefelijk. snoepgoed. decreteren delta delegeren. aanbesteding schuldige. delegatie delegeren. decreteren verordenen. zacht zacht. verklaring declaratie. snoepgoed. decoratie versieren landschap landschap ornamentaal versieren versieren verordenen.deklamował deklaracja deklaracja procedury deklaracją deklarować deklarował dekodować dekodował dekomprymować dekoracja dekoracja sklepowa dekoracją dekoracją dekoracją dekoracje (tetralne) dekoracje tetralne dekoracyjny dekorować dekorować dekrecie dekret delcie delegacie delegacie delegacja delegacją delegat delegat delegować delegowanie delicją delicją delikates delikatność delikatność delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikwencie Delphi delta dementować dementował demokracie voordragen. tooisel decor. iel broos. mild. zachtmoedig. onderscheiding. lekkernij snoepen snoep. afvaardigen afvaardiging. zoet.

demokracja demokracją demokratyczny demolować demon demoniczny demonstracja demonstracją demonstrować demonstrował demontować denerwował dentysta dentystyczny dentyście denuncjować denuncjował depesza depesza depeszą depeszą depeszą deportować deportował depozycie depozyt depresja depresją deptać deptak deputowany derywacja derywacja wyprowadzenie desancie desant desce desce deseń deseń deser deser deska deska deskrypcją despocie despota destrukcją destrukcją

democratie democratie democratisch afgeven op, afbreken, afkammen demon, duivel demonisch, satanisch demonstratie, vertoning, bewijs demonstratie, vertoning, bewijs demonstreren, vertonen demonstreren, vertonen afstijgen ergeren, verontwaardigen tandarts tand-, getand tandarts aangeven, aanbrengen, klikken aangeven, aanbrengen, klikken telegram, kabeltelegram telegram kabel, tros verzenden metaaldraad, draad deporteren deporteren afgeven, deponeren, in bewaring geven afgeven, deponeren, in bewaring geven afname depressie stappen, lopen, schrijden, treden marcheren, tippelen, lopen subsidiair, plaatsvervangend afleiding, afgeleid woord afleiding, afgeleid woord daling, landing daling, landing aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet werkje, schets, tekening knippatroon, patroon toetje, toespijs, nagerecht, dessert pudding aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet tafereel, schildering, beschrijving despoot, dwingeland despoot, dwingeland vernietiging ruïneren, te gronde richten

desygnował deszcz deszcz ze śniegiem deszczowiec deszczowy deszczułce deszczyk deszyfrować deszyfrował detal detalista detaliście detektyw detektywistyczny detergencie detergent detonacją dewiza dewizą dewizą dezaktualizował się dezaprobacie dezerterować dębowy dębowy dętka diabelski diabeł diablicą diaboliczny diagram diakon dialekcie dialekt dialektalny dialog dialog dialog dialog człowiek-komputer dialog użytkownikkomputer diament diament przemysłowy diecie diesel dieta dietetyczny diminutivum direktor antenowy

benoemen, aanstellen regenen regenen regenmantel nat lat motregenen ontcijferen, ontraadselen ontcijferen, ontraadselen bijzonderheid, item, detail kleinhandelaar kleinhandelaar detective, rechercheur detective, rechercheur afwasmiddel afwasmiddel informeren, berichten, inlichten leus, lijfspreuk, leuze, devies leus, lijfspreuk, leuze, devies lijfspreuk, leus, leuze, devies aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen afkeuring, verwerping, wraking wildernis, woestenij, woestijn eiken, eikehouten eiken, eikehouten binnenband, luchtpijp, luchtband duivelachtig, duivels, drommels droes, boze, duivel, drommel helleveeg, furie, haaibaai, feeks duivels, duivelachtig, drommels afbeelding, figuur, beeld diaken tongval, dialect tongval, dialect tongval, dialect tweespraak, tweegesprek, dialoog tweegesprek, tweespraak, dialoog bericht, boodschap tweespraak, tweegesprek, dialoog onderhoud, gesprek diamant diamant dieet dieselmotor, diesel dieet diëetluttel, karig, min, klein, gering directeur, bestuurder

dla dla dla siebie samej dlaczego dlatego dlatego dlatego też dlatego że dławienie (się) dławik dłoń dłoń dłucie dług długa spacja długi długi czas długo długopis długość długość długość geograficzna długotrwały dłuto dmuchać dmuchawiec dno dno statku dno statku do do do do do cna do edycji do góry nia do góry nogami do małego biura i do domu (np. oprogramowanie) do przewidzenia do przodu do przyjęcia do samolotu) do szpiku kości do twojej wiadomości do twojej wiadomości do tyłu do wglądu tylko dla ciebie (tajne

gedurende, onder, terwijl, staande saké, rijstwijn gedurende, onder, terwijl, staande hoezo, waarom ergo, dus, ook weer, toch ergo, toch, ook weer, dus daar, doordat, omdat, aangezien ergo, toch, ook weer, dus wurgen, choken, worgen wurgen, choken, worgen aanreiken, overhandigen bal, handpalm, palm beitelen schuld ruimte, bestek, wereldruim, speling lang lang lang hok lengte, langdurigheid lengte (geo.), lengte lengte (geo.), lengte blijvend, aanhoudend beitelen houw, flap, slag, mep, klap leeuwetand, paardebloem bodem, achtergrond, ondergrond, grond bodem, achtergrond, ondergrond, grond achtergrond, grond, bodem, ondergrond heel, volkomen, totaliter gedurende, onder, terwijl, staande in, te, binnen, per tegen, bij, naar, tot, aan, voor droes, boze, duivel, drommel omhoog, opwaarts, op, naar boven op, omhoog, naar boven, opwaarts on-, in-, imverkrijgbaar daarvoor, eerder, vooraan, indertijd acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk aanklampen, zich vastklampen aan betreffende, aangaande, omtrent hierheen, hier achterover achterwaarts, achteruit, rugwaarts achterlijkheid adieu, vaarwel

informacje) do widzenia do wysokości do zobaczenia do zwrotu dobiegać dobierać dobitny dobitny dobosz dobór dobre dobre stosunki dobro dobrobycie dobrobyt dobroczynność dobroczynny dobroć dobroć kondensatora dobroduszny dobrowolnie dobrowolny dobry dobry dobry dobry dobrze dobrze się rozwijać dobrze wychowany dobrze wypionowany dobrze wypionowany dobrze zbudowany dobrze! dobytek docenia doceniać docenić dochodzić do dochować dochowuj dochód dochód dociąć dociekać dociekliwie docierać docinać

vaarwel, adieu acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk geldkist, kas, fonds tegen, bij, naar, tot, aan, voor aanvliegen soort, slag, aard klaar, uitgesproken, helder nadrukkelijk trommelslager, tamboer, trommelaar keuze, keur, keus, optie, verkiezing okee, okay, goed okee, okay, goed okee, okay, goed welstand, voorspoed, geluk, bloei rijkdom naastenliefde, menslievendheid charitatief, liefdadigheidsvoorkomendheid, liefheid goedheid aardig, vriendelijk, voorkomend uit vrije wil, vrijwillig vrijwillig best beter okee, okay, goed rechter-, vandehands goed, nu goed geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel juist, gelijk hebbend, gegrond goed, okay, okee hecht, fors, potig, ferm, robuust afgesproken, akkoord, goed, in orde goed, nu goed bezitting, eigendom, bezit appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen bereiken, inhalen, behalen inmaken, konfijten, inleggen blijven inkomen, ontvangst, opbrengst verdienste, baat, winst, gewin plagen exploreren, nagaan, onderzoeken met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig bereiken, inhalen, behalen plagen

dociskać doczesny dodać dodać dodać dodać dodać domieszkę opium dodać odwagi dodać otuchy dodaj dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek (w książce) dodatek specjalny dodatkowo dodatkowy dodatkowy dodatkowy dodatkowy ruter dodatkowy zasilacz mocy dodatkowy zbiornik atramentu dodatni dodatnio dodawać dodawaćotuchy dodawanie dodawanie modulo 2 dodruk dodruk dogadzać dogmacie dogmat dogodny doić dojazd dojrzały dojrzały dojrzały dojrzano dojrzeć dojrzej dojrzewać dojrzewać dojrzewanie płciowe dojście

strakker aantrekken, aantrekken aards aanhechtsel, affix hoera roepen aanvuren, aanwakkeren, aansporen opiaat aanhechtsel, affix bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijkomstig, bijbehorend, bijkomend begeleiding, accompagnement optelling bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein optelling extra extra verder, overig assistent, adjunct, helper extra bijbehorend, bijkomend, bijkomstig bijkomstig, bijbehorend, bijkomend extra positief, constructief voorgoed, definitief bijtellen, optellen hoera roepen optelling optelling effect, indruk afdruk bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan leerstuk, dogma, leerstelling leerstuk, dogma, leerstelling doelmatig, gemakkelijk, geschikt melk oprijlaan, oprit volwassene, adult belegen, bezonken, rijp rijp, bezonken, belegen rijp, bezonken, belegen rijp worden, rijpen belegen, bezonken, rijp volwassene, adult rijp worden, rijpen puberteit oprijlaan, oprit

dojście dojście (do czegoś) dojść dojść dok dokąd dokądkolwiek doker dokładać dokładna informacja wyszczególniać dokładne badanie dokładnie dokładnie dokładnie dokładnie coś przejrzeć dokładnie zbadać (kogoś) dokładność dokładność dokładność dla pełnej skali dokładność pomiarów dokładność zapisu dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny do ntego miejsca (po przecinku) dokładny do n-tego miejsca (po przecinku) dokoła dokonać dokonany dokonuj dokonując dokonywać dokonywać dokonywać (<sth> czegoś) dokonywać zapisu na rzecz dokończyć dokręca dokręcać dokręcony dokrętce dokrętek doktor dokuczać dokuczać

aanwinst, acquest, buit, prooi oprijlaan, oprit aankomen, belanden, arriveren buit maken, verkrijgen, behalen dok waar hier of daar, ergens stouwer, stuwadoor bijtellen, optellen bijzonderheid, item, detail precies, nauwgezet, accuraat precies, nauwgezet, accuraat inhalen grondig, radicaal precies, nauwgezet, accuraat rechter-, vandehands accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid nauwkeurig, accuraat, nauwgezet nauwkeurig, accuraat, exact trouw, getrouw precies, scherp, juist, minutieus specifiek, soortelijk streng, duchtig, straf, bar, hard nauwkeurig, accuraat, nauwgezet om ... heen, omtrent, ongeveer, om behalen, bereiken, inhalen volkomen, perfect, in optima forma maken, doen, bedrijven fabricatie, aanmaak, fabricage bewerkstelligen, doorvoeren het veld ruimen, afstaan kalfateren, kalefateren, breeuwen begiftigen, meegeven aantikken strakker aantrekken, aantrekken strakker aantrekken, aantrekken stipt, nauwsluitend, streng, nauw moer bah doctor ergeren, verontwaardigen mopperen, kankeren, morren, sputteren

dokuczać dokuczać dokuczanie dokuczliwy dokuczliwy dokuczliwy dokuczyć dokuczyć dokumencie dokument dokumentacja systemowa dokumenty dolar dolą dolą dolega dolegliwość doliczać dolina dolny dolny dolny dołaczyć dołaczyć dołączać komentarz dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć się dołeczek dołeczek dołeczek dom dom czynszowy dom publiczny dom publiczny dom rodzinny dom starców dom studencki dom wypoczynkowy domagać się domagać się domagać się od kogoś zrobienia czegoś domek domek parterowy domeną

klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen plagen smart, verdriet, leed plagen saai, taai, vermoeiend, melig pijnlijk, hinderlijk, lastig, storend ergeren, verontwaardigen belemmeren, storen, hinderen bedrijf, acte, dokument, akte, stuk bedrijf, acte, dokument, akte, stuk mens bestand, dossier dollar lot, bestemming, lotsbestemming kavel, perceel pijn doen, zeer doen bezwaar, strubbeling, moeilijkheid bijtellen, optellen vallei, dal waas, nesthaar, dons laag verlagen, afdraaien zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker bevatten, inhouden, behelzen bijtellen, optellen belenden, grenzen aan aanhechtsel, affix omsluiten opiaat zich aansluiten, lid worden, toetreden groef, gracht, kuil, groeve, greppel hol, ingevallen groeve, gracht, greppel, groef, kuil geslacht, pand, huis herenhuis bordeel, seksclub, hoerenkast huiswaarts, naar huis huiswaarts, naar huis logement, herberg pakhuis, magazijn, warenhuis geslacht, pand, huis aanspraak maken op, claimen opeisen, vereisen, rekenen, eisen opeisen, vereisen, rekenen, eisen hut, huisje bungalow rijk, staat

domeną dominium dominować dominował dominujący domniemanie domowy domowy domowy domysł domyślac domyślać się domyślać się domyślić się domyślnik doniczka doniesienie donieść donieść donikąd doniosłość doniosły donosić dookoła dopasować dopasowanie szablonu dopełnia dopełniać dopełniający dopełniał dopilnować doping dopingować dopingował dopisać dopływ dopóki dopóty doprawdy doprowadza doprowadzić do szału dopuki dopuszczać dopuszczalny poziom wadliwości dopuścić dopuście doradca doradcą

kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied dominion meester zijn, de baas zijn meester zijn, de baas zijn voornaamste, hoofdvermoeden, gissen binnenlands, inheems, inlands huiswaarts, naar huis Stille Oceaan, Grote Oceaan onderstelling, hypothese, mening raden, gissen, doorzien raden, gissen, doorzien menen, vermoeden, stellen raden, gissen, doorzien zinspelen bloempot informeren, berichten, inlichten perzik informeren, berichten, inlichten nergens, in geen velden of wegen relevantie veelbetekenend, betekenisvol berichten, informeren, inlichten circulerend, in omloop aanpassen, afstemmen, adapteren lucifer compleet, volledig blok aanvullend volbracht ontmoeten, aantreffen stijving, bemoediging, aanmoediging aanvuren, aanwakkeren, aansporen aanvuren, aanwakkeren, aansporen belenden, grenzen aan fjord terwijl, staande, gedurende tot, totdat, binnen, voor werkelijk, wezenlijk aansporen, aanwakkeren, aanvuren bestseller, furore tot, totdat, binnen, voor laten, laten begaan, laten schieten acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk toegeven plaag adviseur, mentor, raadgever adviseur, mentor, raadgever

doradzić doraźny doraźny doręcza doręczyć dorobek dorobek doroczny dorosły dorożka dorsz dorzecze dosiadać dosięgać dosięgnąć doskonale doskonały doskonały dosłowny dosłowny dosłowny (raport) dostarcza dostarcza dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dowodów dostarczać żywność dostarczał dostarczanie dostarczyć dostarczyć podporządkować dostarczyć żywność dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny (stopień w szkole) dostatek dostatni dostawa dostawa oprogramowania dostawać mdłości dostawą dostęp dostęp dostęp

adviseren, bekendmaken, aankondigen ogenblikkelijk, prompt toevallig, incidenteel afleveren, leveren, bestellen brengen, aandragen, bezorgen Fortuna lot, fortuin, fortuinlijkheid jaarlijks volwassene, adult taxi kabeljauw vont, bekken, kom monteren, zetten buit maken, verkrijgen, behalen bereiken, inhalen, behalen perfectie, volkomenheid, volmaaktheid volkomen, perfect, in optima forma grandioos, groots, overweldigend woordelijk, letterlijk naar de letter, woordelijk naar de letter, woordelijk leveren, bestellen, afleveren provianderen, spekken, bevoorraden betuigen, verzekeren afleveren, leveren, bestellen eten, bikken, gebruiken, vreten afzenden, verzenden, expediëren het veld ruimen, afstaan provianderen, spekken, bevoorraden gemeubileerd aflevering, levering, inlevering knechten, onderwerpen afleveren, leveren, bestellen leveren, bestellen, afleveren adequaat, bijbehorend genoeg, voldoende bevredigend genoeg, voldoende bevredigend onbekrompenheid, overvloed uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend aanvoer, bezorging aflevering, levering, inlevering afkeer inboezemen aflevering, levering, inlevering oprijlaan, oprit aanwinst, acquest, buit, prooi aanvliegen

adapteren afstemmen. druk zeer. instelling geruim. genoeg. smartelijk beproeven. rap. voldoende tamelijk naar buiten brengen. ondervinding deskundig. stipendium. bedroeven. ingang. tasten. oprit genaakbaar. betasten empirisch. gebruik aanpassen. tamelijk. ontgaan usance. voorbijgaand kras. basta heel. helder. verdriet doen vinger . waardigheid oogstmaand. toegang oprijlaan. geoefend. augustus waardig. adapteren ontsnappen. verdienen. voelen. adapteren kleren maken afstemmen. ervaren deskundig. afstemmen. behalen zelfrespect. gewoonte. subsidie slecht scherp. geoefend. disponibel verkrijgen. disponibel liquide. kwiek. ontkomen. beschikbaar. dragen bevoelen. beminnelijk. buit maken winnen. aardig nogal.dostęp dostęp zastrzeżony dostęp zdalny dostępny dostępny dostępny dostępny od przodu dostępny od przodu dostępny w handlu detalicznym dostępował dostępował dostojeństwa dostojny dostojny dostosować dostosować dostosować (się) dostosować (się) dostosować umieszczać dostosowanie interfejsu dostosowany do życzeń użytkownika dostosowuj dostosowywał dostroić dostrojenie dostrzegalny dostrzegalny dostrzegalny dosyć dosyć dosyć dosyć doszczętnie dość dość doświadcza doświadczać doświadczalny doświadczenie doświadczony doświadczony użytownik dotacją dotkliwie dotkliwy dotkliwy dotkliwy dotknąć dotknąć entree. stemmen afstelling. aanpassen. ervaren ondersteuning. experimenteel belevenis. beschikbaar. deerlijk. adapteren afgepast in een stemming brengen. aanzienlijk verstandig zichtbaar genoeg. volkomen. disponibel genaakbaar. toegankelijk aanspreekbaar liquide. oprit oprijlaan. aanmerkelijk. beschikbaar. aanpassen. ervaring. zelfgevoel. levendig. toegankelijk liquide. voldoende tamelijk vriendelijk. afstemmen. totaliter genoeg. pijnlijk. vrij. aanpassen. acuut. zichzelf respecterend. deftig afstemmen. adapteren aanpassen.

klappen. aantonen willekeurig. aanvoeren. ondervinding belevenis. ervaren constant. opvallen subsidiëren aankomen. gestaag . belang bevoelen. belang aangelegenheid. overbrengen. schertsen. krakelen bevestigen. grol. boegspriet snedig. betasten gevoel aanslag belenden. commandant bevelen. commanderen belevenis. kloppen. geoefend. arbitrair. belanden. desbetreffend aanwenden. ondervinding stutten. schijf adstructie.dotknąć dotknąć nieszczęściem dotknięcie (pędzlem) dotował dotrzeć dotrzymywać dotychczas dotychczasowy dotyczenie dotyczyć dotyczyć dotyczyć dotyczyć czego dotyk dotyk dotyk dotyka dotykać dotykać palcem doustny dowcip dowcip dowcip dowcipny dowieść dowodach dowodzący dowodzenie dowodzić dowodzić dowodzić dowodzić (<sth> czegoś) dowolny dowozić dowód dowód dowód (przyjaźni) dowód wiedzy zerowej dowódca dowódca dowódcą dowództwa dowództwo doznać doznaj doznaj doznawał doznawał aanslag aanslag slaan. tasten. ervaring. teken. grammofoonplaat. bewust. disputeren. grap spriet. geestig. bewijs drukproef aanvoerder. schragen deskundig. kwinkslag. aanvoeren. bestendig. plaat. disputeren. aantonen bewijzen. bekoren aangelegenheid. krakelen archief aanwijzend voornaamwoord aanwijzend voornaamwoord twisten. pots. aanlokken. arriveren blijven nog ouder betrokken. grenzen aan aanslag aanslag mondeling. ad rem twisten. aannemen bewijzen. steunen. gekscheren mop. commandant commodore aanvoerder. voeren drukproef discus. eigenmachtig transporteren. oraal boerten. doorvoeren toelachen. ervaring. gevat. commanderen bevelen. voelen.

beven. krabben grendelen. mijnschacht kleven. roede. schommelen beven. bewaren pensioen groeve. vastkleven. kregel. drama krauwen. afdruipen neerdruipen. stuurtoestel neerdruipen. de wacht hebben. roede. paal. schacht. zorgen afschuwelijk slingeren. pijp schacht. bos hout hout hout boom hout brandhout auto. scharrelen. stuurtoestel stuur. gracht. afdruipen huiveren. groef. schacht. bedroeven. krabben vlechten slechtgehumeurd. aanhangen stuur.dozorca dozorcą dozorować dozorował dozorujący dozór dozór dożywocie dół drabina drabina schodkowa drabiną drabinka dramacie dramat drapać drapak drapować drastyczny draśnięcie dratwą drażliwy drażliwy drażnić drąg drążek drążek drążek drążek sterowniczy drążek sterowy dren dren wielokrotny drenować dreszcz drewien drewna drewna drewno drewno drewno drewno na podpałkę drezyna drezyna drezyną dręczyć drętwy drga drganie conciërge. portier bewaken. bibberen. de wacht hebben. aflezen controleren. wagen automobiel. ongrijpbaar. zorgen bewaken. bibberen woud. klauwen. glibberig grieven. scharrelen. checken. balorig glad. aflezen steward zich bekommeren. auto trolley. paal. bewaren controleren. drama toneelstuk. klauwen. beugel bezorgd zijn. huiveren . zich bekommeren. checken. afgrendelen draperen drastisch. kuil ladder ladder ladder ladder toneelstuk. pijp baar. afdruipen neerdruipen. rillen. bezorgd zijn. greppel. ergeren baar. oscilleren. rillen. sterk werkend krauwen.

fraai propperig. waard zeldzaam wegwijzer roodborstje gist gist gevogelte pad. baan. op drift zijn. activeren. bijkomstig maat. kameraad. van klei . lief.drganie drgawce drgawka drgnąć drobiazgowy drobniak drobnostka drobnoustrój drobny drobny droga droga droga dojazdowa droga wodna droga wodna drogerią drogi drogi drogi oddechowe drogi oddechowe drogocenny drogowskaz drozd wędrowny drożdże drożdże drób dróżka drugi drugi nadawca drugie śniadanie drugorzędny średniej klasy drugorzędowy druh drukarce drukarka drukarz drukować drukować druk odbitka drukował drut drużyna drużyną drwić drwiną dryf dryft dryl drylował vibratie. honen grijnslachen. paadje tweede paren twaalfuurtje. usance. equipe politiepatrouille bespotten. spotlachen. futiliteit. toevallig bijbehorend. fijn. geldstuk bagatel. minuskuul weg. drukker boekdrukker. trilling schokken kramp aanzetten tot. ginnegappen afdrijven. beuzelarij microbe net. drijven boren klei-. penning. schoon. draad team. aanzetten ampel. klein. bijkomend. waard geacht. gedetailleerd. lief. in het klein munt. op drift zijn. gezien kostbaar. lunch incidenteel. gezien kostbaar. route straat grote weg. kornuit. drukker afdruk afdruk uitgeven. drukker boekdrukker. verkeersweg weg. ploeg. minuscuul. drijven afdrijven. route gebruik. duur. dierbaar. makker boekdrukker. emitteren metaaldraad. dierbaar. duur. gewoonte apotheek geacht. aarden. spotten. baan. mooi.

rillen. trots Donau Deen Deens ezel ezel verveelvoudigen. dutten boom boom naaldboom naaldboom hout prent. rillen. prat. sluimeren. beven. usance. tabakspijp afranselen gebruik. onderdrukken. multipliceren zeef goulash choken. bibberen. geest. worgen. gemoed. deur beven. doorscheuren druilen. geest geest blinde. huiveren rillen. graveerwerk portier. tweevoudig. sluimeren. duplex. bibberen dubbel. geest geestelijke minister. bewindsman geestelijk pijp. multipliceren verveelvoudigen. huiveren. bibberen beven. gemoed. intellect ziel. blinde bij kaarspel. huiveren. bibberen. dutten sluimeren. dutten druilen. druilen. dutten druilen. huiveren rillen. tweeledig verstand. wurgen smoren.drzazdze drzazga drzeć drzemać drzemce drzemka drzemka drzewa drzewo drzewo binarne drzewo dwójkowe drzewo zbalansowane drzeworyt drzwi drzwi są uchylone drżeć drżeć drżenie drżenie dublowanie duch duch duch duch wodny duchowny duchowny duchowy dudą dudnienie dukcie dukuczyć duma dumać dumny dumny Dunaj duńczyk duński dupa dupą duplikat duplikować durszlak dusić dusić dusić (się) dusić na wolnym ogniu dusza splinter splinter vaneenscheuren. gravure. deur portier. verheven fier. neerslaan pruttelen ziel. beven. geest . gewoonte trots trots muze hoog. sluimeren.

brevet diplomaat . bovengronds tof. veel. dubbelslachtig nijgen. bul. tiptop. kostelijk groot twee twee keer. station binair binair netwerk. pastor omvang. scharrelen twintig twintig twee keer. twee weken twee twintig twaalf stel. vele veel groot groot lucht-. een buiging maken schokken multiplex dictator dictatuur dicteren dicteren zeggen. dilettant smoken. vies ruiken gelatenheid. roken uitwasemen smoken. berusting dynamiet pompoen pompoen akte. buigen. opgeven dilemma dilemma knutseaar. duo.duszpasterz duża ilość dużo dużo duży duży duży system komputerowy duży system obliczeniowy duży wysiłek dwa dwa pensy dwa razy dwa tygodnie dwadzieścia dwanaście dwie dworzec dwójkowe (liczby) dwójkowy dwójnik bierny dwór dwudziestce dwudziestka dwukrotnie dwunastce dwunastka dwuznaczny dyg dygotać dykta dyktator dyktatura dyktować dyktował dyktował dylemacie dylemat dyletant dym dymek dymić dymić (się) dymisja dynamit dyni dynia dyplom dyplomat pastoor. diploma. koppel. vrijen. geestelijke. bestek. amateur. tweemaal veertien dagen. met lucht gevuld. tweemaal twaalf twaalf dubbelzinnig. tweetal. excellent. roken stinken. paar stationsgebouw. grootte menig. net het hof maken.

hoofd der school hoofd-. plaat discus schijf. iel . uitreiking verdeler verdeler kapitaal. twisten detachement. geleiden. bewaren de weg wijzen. theca. administrateur hoofd-. bestuurder bewaken. aktentas administratiekantoor hoofdonderwijzer. uitreiking verdeling. discus. team. discuteren beschikking arrangeren. commanderen. aanvechtbaar twisten. tucht schijf. grammofoonplaat. krakelen. fijn. grammofoonplaat. plaat diskette disconto bescheiden. leiden discipline. bevelen conducteur. delicaat. uitreiking verdeling. plaat schijf. voornaamste declaratie. aanvechting. uitreiking verdeling. de wacht hebben. bestuurder bestuurder. vermogen keurig gevoelig. neiging disputeren. discus. aangifte. voornaamste rector directeur. onopvallend. disputeren. krakelen bespreken. bespreking betwistbaar. ordenen zin. kies. discuteren bespreken. discreet discriminatie discriminatie discussie.dyplomata dyplomatce dyrekcja dyrektor dyrektor dyrektor dyrektor generalny dyrektor szkoły dyrektor szkoły dyrektywa dyrektywa zapoczątkowania dyrygencie dyrygent dyrygent dyrygować dyscyplina dyscypliną dysk dysk dysk dyskietka dyskietka dyskonto dyskretny dyskryminacja rasowa dyskryminacją dyskusja dyskusyjny dyskutować dyskutować dyskutował dyslokacją dysponować dyspozycją dyspucie dysputa dystans dystans dystrybucja dystrybucja kluczy dystrybucja połączeń automatycznych dystrybucją dystrybutor dystrybutor automatycznych rozmów telefonicznych dystyngowany dystyngowany dystyngowany diplomaat boekentas. krakelen. tucht discipline. lust. bestuurder conducteur. twisten disputeren. grammofoonplaat. aanrichten. uitspraak aanvoeren. discus. beheerder. eind verdeling. afdeling afstand.

gedoe actie. handeling speelterrein. jongeheer een geintje maken nazaat. mijnschacht spuit tapijt. geweer tandvlees een geintje maken een geintje maken baby kinderlijk loot. handeling.dystynkcją dysza dyszą dyszel dyszel dyszka dywan dywersja dywizją dyżur dzban dzban dzban dzbanek dzbanek dziadek dziadostwa dział dział działacz działać cuda działać przetwarzać działać sterować działalność działalność działalność maklerska działania działania) działanie działanie działanie na minutę działanie napędu dyskietek działanie niezależne działanie wsadowe działka działka działka podziałki działo działo elektronowe dziąsło dzieciak dzieciak koszula nocna dzieciątka dziecinny dziecko dziecko dziecko bawiące się skakanką dziedzic onderscheiding spuit spuit straal. handeling. jong. gedoe. het doen doen. bezig zijn. ageren. ingreep actie. optreden. jongeling. gedoe. operatie. operatie. pot. spaak schacht. afstammeling borst. kruik kan. kettingzang. ingreep legerafdeling. handeling courtage actie. tak onruststoker. afstammeling. optreden. handeling bewerking. pul kan. kruik vaas. kanon. grootvader achterbuurt departement branche. vat. kruik po opa. gedoe actie. perceel canon. optreden. divisie kavel. karpet afleidingsmanoeuvre legerafdeling. gedoe bewerking. optreden. handeling. kind. vak. gedoe. nakomeling . optreden. speelplaats actie. vuurmond roer. perceel kavel. divisie plicht. vloerkleed. activist functioneren. verplichting kan. agitator. speelplaats speelterrein. kleed. het doen functioneren. optreden. handelen actie.

erven arena. afscheiden. moedig. vandaag morgen gisteren dag huur pachten. daags. in pacht hebben huurder tiende tien tiende . dagblad. dagblad. klieven. krant courant. gouw gezet. divisie legerafdeling. verhaal kroniekschrijver. in pacht hebben huurder huurder pachten. doorklieven. kampplaats akker plaats. afscheiden. doorklieven. alledaags courant. zwaarlijvig. klieven. koen. kloek. corpulent dapper. krant courant. erfenis. scheiden kloven. daags. chroniqueur deken. erfenis. ra yard. piste. aandeel afzonderen. boud afdruk dagelijks. krijt. decaan kloven. binnenplaats. divisie afzonderen. splijten legerafdeling. overerfelijkheid beërven. gouw district. erfdeel boedel. erfstuk. erf. historie. ra geschiedenis.dziedzictwa dziedziczenie dziedziczność dziedziczyć dziedzina dziedzina zastosowań dziedziniec dziedziniec dziedziniec kościelny dziedzińca dzieje dziejopis dziekan dziel dzielenie dzielenie przez zero dzielenie sekretu dzielić dzielić dzielić na połowę dzielić podział dzielnica dzielnica Londynu dzielnicą dzielny dzielny dzieło dziennik dziennik dziennik zdarzeń dziennik zmian dziennikarce dziennikarz dzienny dzień dzień dobry dzień dobry! dzień roboczy dzień wypłaty dzierżawa dzierżawą dzierżawca za część plonu dzierżawcą dzierżawić dzierżawić dziesiąta część dziesiątce dziesiąty boedel. dagblad. krant journaliste journaliste dagelijks. arrondissement. divisie legerafdeling. splijten actie. arrondissement. scheiden nabijheid district. hof yard. alledaags dag heden. ra yard. erfstuk. erfdeel erfelijkheid.

maagdelijk maagdelijk. neb. ongerept ongerept. boeg spuit heden. gracht. snater. dankzegging danken.dziesięciolecie dziesięć dziewce dziewczyna dziewczyna dziewczyna dziewiąta część dziewiątce dziewiąty dziewica dziewica dziewiczy dziewiczy dziewiczy (nośnik) dziewięć dziewięćdziesiąt dziewiętnaście dzięcioł dzięki dziękować dziękował dziękuje dzik dziki dziki dziki dziki (wzrok) dzikus dzionek dziób dziób dziób dzióbek dzisiaj dzisiejszy wieczór dziś dziś wieczorem dziś wieczór dziura dziura powietrzna dziurawy dziurą dziurkarka dziurkarka dziurkarka taśmy papierowej dziurkarka taśmy papierowej dziw dziwaczny decennium tien meid. greppel hol. ingevallen hol. groeve. greppel groef. vandaag vannacht heden. bek. wonder bizar . holte stompen Jan Klaassen stompen Jan Klaassen mirakel. woest dag bek. meisje ongerept. bedanken. tuit. voorsteven. wild wild. dank betuigen danken. woest woest. meid dienstmeisje. dankzegging woest. dienares. dank betuigen dank. tuit. groeve. gracht. kuil. kuil. uitholling. meisje meisje. meisje meid. wild woest natuurlijk wild. snater. meid negende negen negende meid. neb voorschip. maagdelijk negen negentig negentien specht dank. snavel snavel. maagdelijk ongerept. vandaag vannacht vannacht groef. bedanken.

klinken. naklinken. akoestisch kleppen. karwei. moes. ring rinkelen. echoën Echo weergalmen. oprichten. regenworm. jungle. naklinken. echoën Echo . marmelade heer. oprichten. jungle. arbeid klingelen. hoer bizar uitheems. overgaan. worm aardworm. klinken. heffen. naklinken. werk. gentleman keurig. buitenlands vermakelijk. stuurtoestel pest oerwoud. pier. kletteren. overgaan. rimboe oerwoud. worm jam. leuk. kletteren. rinkelen wal. ophalen beuren. amusant rum bizar klok klok klok zich aaneensluiten. heffen. aansluiten klingelen. gaan krab lift beuren. zich verwonderen prostituée. gaan acoustisch. klare stuur. heffen.dziwaczny dziwaczny dziwce dziwić się dziwka dziwny dziwny dziwny dziwny dziwny dzwon dzwonek dzwonek do drzwi dzwonić dzwonić dzwonić dzwonić dzwonienie po umarłym dźgnięcie dźwięczeć dźwięczeć dźwięcznie dźwięk dźwięk wysokiej jakości dźwiękowy dźwiękowy dźwig dźwig dźwigni dźwignia dźwignia zwalniająca dżdżownica dżdżownicą dżem dżentelmen dżentelmeński dżersej dżin (do picia) dżojstik dżumą dżungla dżunglą echa echa echo echo echo np. kletteren. kletteren. echoën Echo weergalmen. overgaan. oprichten. klinken. kletteren. beschaafd Jersey jenever. rimboe weergalmen. gaan kleppen. pier. galmen. ophalen beuren. rinkelen naklinken. radiolokacyjne rum bizar prostitueren zich verbazen. regenworm. rinkelen kleppen. klingelen emplooi. lichtekooi. radiolokacyjne echo np. ophalen aardworm. doorklinken klingelen. klingelen rinkelen. beugel.

expansie verkoper evenzeer. aandoening opwinding aanwakkeren. aanhang intendant. aanzijn bestaan. vorming dresseren. opwinden aanwakkeren. bordje. vorming opvoeding. opstellen indruk. bord scherm. uitgave. spaarzaamheid economisch economie economie experimenteren scherm. nakijken. uitsluitend uitzetting. uitheems bestaan. examineren onderzoeken. effect afdoend. ook. effect indruk. accuraat. examen onderzoeken. aanzijn bestaan bemanning leden. prikkelen. exact exemplaar. expansie uitzetting. effectief. effect indruk. prikkelen. editie uitgaaf. grootbrengen geleerd. ontwikkeld uitgaaf. redigeren.edukacja edukacja na odległość edukacją edukował edukował edycja w komórce edycją edytor edytować efekcie efekt efekt zniekształcenia maski kineskopu efektywny Egipcjanin egipski Egipt egzamin egzaminować egzaminował egzekwował egzemplarz egzotyczny egzystencja egzystencją egzystować ekipa ekipa ekonom ekonomia ekonomia ekonomiczny ekonomika ekonomika przedsiębiorstwa ekperymentować ekran ekran ekran (przewodu) ekran mozaikowy ekscytacją ekscytacją ekscytować ekscytował ekscytując ekskluzywny ekspansja ekspansją ekspedient ekspedycja opvoeding. uitgave. afdruk exotisch. examineren nauwkeurig. schut gewaarwording. nakijken. meier economie economie. eveneens . schut scherm. vorming opvoeding. uithangbord. schut schild. opzichter. editie editor opmaken. druk. keuring. mede. opwinden opwindend exclusief. druk. doeltreffend Egyptisch Egyptisch Egypte onderzoek. kweken.

extatisch vervoering. geestvervoering. ontploffing. uitvoeren exporteren. losbarsten. tentoonstelling uitdrukken bewoording. explosie belichten. uitmelken exploiteren. tentoonstellen exporteren. bewimpelen. buigbaar. uitmelken uitbuiten. buigzaam. naar expeditie deskundig archiefmedewerker. voor. uitmelken exploderen. exploiteren. uitroeien extra afleiden afleiden bemantelen. extase vervoering. uitvoeren exporteren. exploiteren. ontploffen exploderen. piekfijn . betuiging. extreem. uitvoeren expositie. gelijkwaardig rekbaar. extase verdelgen. accommodatie. uitbuiten. actuaris deskundig deskundig experimenteren experimenteren empirisch. buigbaar. bovenmatig uitrusting. bij. uitmelken uitbuiten. tegen. lenig smijdig. ontploffing.ekspedycja ekspedycja ekspedycją ekspercie ekspert ekspert ekspert ubezpieczeniowy ustalający wartości składek i odszkodowań na podstawie częstości wypadków eksperymencie eksperyment eksperymentalny eksploatować eksploatować eksploatować nadużyć eksploatował eksplodować eksplodował eksplozja eksplozją eksponacie eksponat eksporcie eksport eksportować eksportować eksport ekspozycją ekspres ekspresją eksprymować ekstatyczny ekstaza ekstazą eksterminować ekstra ekstrakcie ekstrakt ekstraktor ekstrawagancki ekstremalny ekstremizm ekwipunek ekwiwalent elastyczny elastyczny elastyczny automatyczny układ testera elegancja elegancki expeditie aan. elastisch smijdig. losbarsten. ergst. uitbuiten. tot. tentoonstellen belichten. ondoorgrondelijk uiterst. geestvervoering. buigzaam. inrichting equivalent. stijl sjiek. buitensporig onpeilbaar. ontploffen uitbarsting. maskeren buitennissig. chic. lenig trant. gezegde uitdrukken zwijmeldronken. uitvoeren exporteren. experimenteel exploiteren. soepel. explosie uitbarsting.

gezant uitstralen encyclopedie energie. gezant bode. spirit. fut sap energie. geestdrift . druk. keuze. aanzetten enthousiast. bestanddeel. afgezant. ferm aanwakkeren. elimineren. beginsel akker en bewerker element. keus elektron electronisch. elektronisch elektriciteit elektriciteit elektrisch element. net optie. verkiezing. uitschakelen afvoeren. uitwijken afgezant.elegancki elegancki elegant elekcją elektron elektroniczny elektroniczny zapis wizji elektronika elektronowy elektrotechnika elektryczność elektryczny element element element grupy programów element pomiarowy element z niestabilnością S elementarny elewator eliminować eliminować segregację rasową eliminował eliminował elokwentny emalia emblemacie emblemat emblemat oryginalnych produktów Microsoftu emeryt emerytura emfatyczny emfaza emigrować emigrował emisariusz emisariusz emitował encyklopedia energia energia energią energiczny energiczny entuzjasta entuzjastyczny entuzjastyczny entuzjazm bevallig. uitschakelen afvoeren. bestanddeel. elegant. uitschakelen ontwortelen welsprekend emailleren kleur. embleem kleur. elektronisch electronisch. slim. klem uittrekken. emigreren. elektronisch elektronica electronisch. keur. gewiekst. elimineren. aanvuren. listig bevallig. arbeidsvermogen. fut levendig. kwiek energiek. geestdriftig krankzinnig zijn enthousiasme. kras. piekfijn. rap. net doortrapt. embleem pensioentrekker. piekfijn. emigreren. elimineren. arbeidsvermogen. embleem kleur. flink. beginsel elementair lift afvoeren. krachtig. uitwijken uittrekken. uitbundig. gepensioneerde pensioen nadrukkelijk nadruk. elegant. spirit. bode.

kluizenaar Cupido. tribune. zedenkunde. blanke Europeaan. leiding Abessinië. etiket label. etiket label. zedenleer filosofie. ontgaan ineenkrimpen. accompagnement begeleiding. etiket label. zedenleer ethiek. zendbrief episode. tijdsgewricht heremiet. ontkomen. zedenkundig ethiek. zwoel ontsnappen. zedenkunde. stelling essentie. etiket Europa Europeaan. tijdperk tijdsgewricht.eon epicki epiczny epidemia episkopalny epistołą epizod epoce epoka epopeja era erą eremicie Eros erotyczny ESC eschnąć esej esencja esencją eskimos eskorcie eskorta esperanto Estończyk estoński estrada estrada estrada etacie etap Etiopia etyczny etyczny etyczny etyka etyka etykiecie etykieta dysku etykieta wolumenu etykietka Europa europejczyk europejski ewakuować ewakuował ewangelia ewangelią eeuwigheid episch episch pest bisschoppelijk. Amor erotisch. ineenkronkelen dissertatie. ethiek ethisch. Ethiopië zedenkunde. brief. tijdsgewricht tijdperk. kern essentie. bestuur. accompagnement Esperanto Estlands Estlands muziektent tribune. podium schavot aanplakken podium. zedenleer. leiding. tijdperk episch tijdperk. proefschrift. essence. blanke ontruimen. evacueren evangelie evangelie . wijsbegeerte label. wezen. essence. aflevering tijdsgewricht. evacueren ontruimen. kern Eskimo begeleiding. doorluchtig epistel. wezen.

gevat. wuiven. duidelijk evolutie. wuiven. declareren factureren. effectief. sujet. persoon. zwaaien gebaren. zich ontwikkelen Exodus fabriek fabriek fabriek fabriek fabriceren. metterdaad. knul. dom kijken. tabakspijp aangapen. mogelijk eventualiteit eventualiteit gebeurlijk. evenement mogelijkerwijs. zwaaien golfslag gebaren. zwaaien .ewangelik ewenemencie ewentualnie ewentualność ewentualność ewentualny ewidentny ewolucja ewolucja schematu ewolucją ewoluował exodus fabryce fabryczny fabryka fabryka konserw fabrykacją fabuła facecie facet znie fach fachowiec fachowiec fachowy facjacie facjacie facjacie fajerwerkach fajka fajtłapą fakcie fakt faktor faktura fakturą faktycznie faktyczny faktyczny faktyczny fakultecie fakultet fala fala troposferyczna fala typu EH fala typu H fala wsteczna fala złożona falą protestants belangrijke gebeurtenis. kennelijk. werkelijk. aanmaken. snuiter beroep. deskundig. geestig. waarachtig werkelijk. maken snedig. effectief virtueel faculteit faculteit gebaren. wuiven. zwaaien gebaren. wuiven. ad rem mens kerel. bedrijf deskundig professioneel. broodwinning. ontwikkeling evolueren. wuiven. zwaaien gebaren. daadwerkelijk daadwerkelijk. beroepscompetent. zwaaien gebaren. declareren inderdaad. evident. misschien. gapen feit feit makelaar factureren. wuiven. ontwikkeling evolutie. bevoegd dakkamertje zolderkamer Attisch vuurwerk pijp. eventueel apert. ontwikkeling evolutie.

schilderen verf verf verf bloed aftappen. vouwen. fanatiek. dubbelhartig smid. pui. plooien onduleren loos. buitenkansje farmacie. befaamdheid gezin. mare. vulling. fabriceren. aanmaken nagemaakt vervalsen onbeweeglijk. voorschoot voorpui. aanzetten dwepend. razend. star. verbeeldingskracht blinde. artsenijbereidkunde farmacie. verkeerd. ijzersmid vervalsen vervalsing maken. mazzel. gerucht. dweepziek dol. gevel. vouwen.fałda fałdą fałdował fałsz fałszerz fałszować fałszować (<with sth> coś fałszował fałszował fałszował fałszował fałszował fałszowanie fałszywy fałszywy fałszywy famą familią fan fanatyczny fanatyczny fanatyk fancie fanfarą fanfarą fant fantastyczny fantaście fantazja fantazjaować fantazją fantom farba farba olejna farbować farbować (się) farbował farbując farcie farmacja farmakologia farmakologiczny farmą farmer farsz fartuch fasada fasada omvouwen. artsenij. familie aanwakkeren. verbeeldingskracht mijmeren. huis. fanfare fanfarekorps. geest. schort. blinde bij kaarspel verven. fantasierijk dromer. foutief loos. hondsdol dwepend. dubbelhartig faam. vast nagemaakt vervalsing vervalsing fout. aderlaten aderlating bof. façade. vulsel boezelaar. bedrieglijk. mijmeraar fantasie. dromen fantasie. kleuren. huisgezin. plooien omvouwen. voorkant . fanatiek. fanfare pion fantastisch. bedrieglijk. onjuist. artsenijbereidkunde geneesmiddel. voorgevel voorzijde. medicijn agrarisch boer opvulsel. geluk. dweepziek pion fanfarekorps. sloof. grillig. aanvuren.

verbluffend snipperdag. fascinerend. afbeulen schuld vuil. echec flop. verschijnen verschijnsel. fase kwartier. smulpartij. leiding podium. boeiend betoverend. fiasco. bond federaal federaal feniks verschijning. fiasco. tribune. feestmaal. gisten vuur. schijngestalte. voorgevel betoveren. fascineren betoveren. afjakkeren. modus. wijs mode. werken. leiding kwartier. boon. bestuur. façade. schijngestalte. ijver festival festijn. gelag feodaal flop. bond federatie. rustdag agrarisch pauzeren fermenteren. afjakkeren. tribune. ondoorgrondelijk afmatten. modus. begunstiging. genadigheid kwartier. gevel. fase koorts koorts federatie. pui. fase podium. boeiend tuinboon. vakantiedag. veldboon tuinboon. echec vijg vijg . debâcle. veldboon mode. boon. gisten fermenteren. werken. geboeid betoverend.fasadą fascynować fascynował fascynował fascynując fascynujący fasola fasolka fason fasonować faszerować fatalny fatydze fatyga faul faul faworycie faworyt faworyzować faza faza faza wykonania faza zdobywania (magistrali) fazą febra febrą federacja federacją federacyjny federalny feniks fenomen fenomen fenomenalny ferie ferma fermacie fermencie ferment fermentować ferwor festiwal festyn feudalny fiaska fiasko fidze figa voorpui. spullen onpeilbaar. fascinerend. schijngestalte. werken. afbeulen afmatten. ambitie. fenomeen fenomenaal. bestuur. fascineren gefascineerd. wijs dingen. gisten fermenteren. debâcle. smerig uitverkoren uitverkoren gunst.

filteren. filteren. taalgeleerde filosoof. Filippijn kopje. denkbeeldig verdicht. aanlegplaats. zijgen filtreren. wijsbegeerte filosofisch filosoferen filtreren. zijgen Fin gevolgtrekking. pilaar filatelie vilt lijvig. geldelijk aantikken . filteren. wijsbegeerte filosofie. verdichtsel. denkbeeldig. financieren bekostigen. kop kopje. zijgen filtreren. film film. steunpilaar. film taalkundige. kolom. dik agentschap tak. kop rolprent. fictief landingsplaats. guitig. schelmachtig. steiger colonne. conclusie in het net schrijven. kop kopje. filteren. fictief. zijgen filtreren. filteren. film film. club Filippijnen Filippino. film rolprent. cijferen fictie. financieren bekostigen. dartel rekenen. cijferen rekenen. zijgen filtreren. verbeelding fictie. financieren financieel. vervolgverhaal rolprent. verbeelding verdicht. fatsoeneren finaal. verdichtsel. film rolprent. aftakking sociëteit. linguïst.figlarny figura wypukła figurą fikcja fikcją fikcyjny fikcyjny filar filar filatelistyka filc file allocation table filia filia filia Filipiny filipińczyk filiżance filiżanka filiżanka do herbaty film film fabularny film kolorowy film rysunkowy film trójwymiarowy (stereoskopowy) film) filmować filmowy filolog filozof filozofia filozofią filozoficzny filozofował filtr filtr ze sprzężeniem zwrotnym filtrować filtrować (się) filtrować filtr Fin finalizacją finalizował finał finanse finansować finansował finansowy finisz snaaks. rolprent rolprent. uiteindelijk bekostigen. rolprent feuilleton. wijsgeer filosofie.

overgaan. pimpelpaars fjord overgordijn. rob ordner. afhandelen Fins afwikkelen violet. gordijn. vast. vast. vlag dundoek. fat. pul laaien. zeemacht marine. klankleer kleppen. aangaan . paars. formeren. fladderen aan de scharrel zijn. vlag vaas.Finlandia fiński fiński fiński fioletowy fiołek fiord firanka fircyk firma firma produkującu duże systemy komputerowe firmą fiskus fizyczny fizyka fladze flaga flaga zerowa flakon flamą flanela flanelą flaszka flądra flecie flet flirciarz flirt flirtować flocie Florencja Floryda flota flota flota na foce foka folder folder współużytkowany folklor fonetyczny fonetyka fonia fonograf fontanna fontanną forma Finland afdoen. pot. vaan. stevig. fysica dundoek. hecht gevestigd. fladderen aan de scharrel zijn. rob zeehond. scherm. vast. zeerob. louter fluit fluit aan de scharrel zijn. zeemacht zeehond. stevig. hecht belasten. vaan. fonetisch fonetiek. fysiek natuurkunde. bloot. dandy gevestigd. vaan. gaan grammofoon fontein fontein vormen. kwast. klinken. paars. pimpelpaars violet. map folklore. hecht gevestigd. aanslaan fysisch. volkskunde de klankleer betreffend. lichamelijk. vat. fladderen vloot Florence Florida vloot marine. stevig. zeerob. vlammen flanellen flanellen veldfles enkel. vlag dundoek. doek saletjonker. map ordner.

patroon omvang. vormen. formeren. deel dot. item. bal. pasta deeg. fortuinlijkheid sterkte. klont. Chinees klokje vesting vesting aanwensel. item. deeltje. geld doordrukken forsythia.forma nieosobowa forma przecząca od <can> formacie formalna metoda postępowania (w kontekście działania firmy lub instytucji) przetwarzać formalny formalny format formować formował formularz formuła formułą formułować formułował forsa forsa forsą forsą forsować forsycja forteca fortecą fortel fortepian fortuna kołem się toczy fortuna kołem się toczy fortyfikacją fortyfikować fortyfikował forum forum ATM forum dyskusyjne fosfor fosforyzujący fotel fotel fotel parterowy (w teatrze) fotograf fotografia fotografia fotografia (jako dziedzina) fotografią fotografika fragmencie fragment fragment fragmentować formeren. vervatten formuleren. academisch afgemeten. grootte vormen. deel jaartelling. bestek. inkleden. hebbelijkheid klavier. beslag. armstoel zorgenstoel. fort. deeltje. aangaan formule formule formuleren. kluit. pasta poen. fortuin. kieken fotografie fotografie fotografie fotografie jaartelling. kletteren. ceremonieel. formeren. afranselen deeg. aangaan formeren. inkleden. aangaan vormen. aangaan knippatroon. beslag. armstoel box fotograaf fotograferen. prop . verschansing sterken sterken forum forum forum fosfor fosforescerend zorgenstoel. bestek. vormen. piano Fortuna lot. vervatten afdrogen. grootte bewerking akademisch. klomp. plechtig omvang.

voorkant borstelen. rijstrook jaartelling. wuft kapper. Française bezorgd zijn. barbier kapster kapster knipbeurt pijp. fractie secessie. voorkant voorzijde. gang. afgezaagd ten geschenke molenaar. cureren fonds. het doen . afscheiding Frankrijk Frans Fransman kikker. het doen primitief karaktertrek. zich bekommeren. rijstrook overloop. gang. fractie breuk. gelaatstrek functioneren. mulder voorzijde. baan. schuieren Pools schoensmeer schoencrème aanvliegen frustreren afknotten lichtzinnig. alledaags. zorgen muizenissen banaal. tabakspijp pond stichting stichting stichting fundamenteel behandelen. item. kapitaal functioneren. barbier kapper. kikvors Frans Franse. deeltje. deel fragmentarisch blijdschap breuk. voorkant voorzijde.fragment terenu fragment/wyjątek (dzieła) fragment/wyjątek dzieła fragmentaryczny frajdą frakcja frakcją frakcjoniście Francja francuski Francuz Francuz Francuzi Francuzka frasunek frasunkach frazes free frezarka froncie front frontowy froterka froterować froterować froterować frunąć frustrować frydze frywolny fryzer fryzjer fryzjer fryzjer męski fryzura fujarka funcie fundacja fundamencie fundament fundamentalny fundować fundusz funkcja funkcja odwrotna funkcja zagregowana funkcja zewnętrzna funkcją overloop. frivool. trek. baan. het doen functioneren.

galerie gaanderij. bestelwagen achterdeur draaihek beunhazen. schertsen. rek chirurgie. gekscheren melkweg-. spoorwagen bestelauto. gang. soeverein. praten babbelen. modderen voetbal affaire. kaak spreken. keuvelen spraakzaam spreken. galactisch eerlijk. zaak. wondheelkunde. galerij. spoorwagen wagon. galerij. dapper. praten. braaf gaanderij. dimensie etagère. galerij.4536 kg) funt (waluta) funt szterling funtów) fura fura furgon furgonetka furtka furtka fuszerce futbol futerał futerka futro futro z fok gabarycie gabinecie gabinet gabinet gabinet lekarski/dentystyczny gablocie gablota gacek gad gadać gadać gadanie gadatliwy gadce gaduła gadziną gag galaktyczny galancie galeria galeria obrazów galerią galop galopować gałąź gałąź gałąź inschikkelijk. praten gaai. flink. handkar. galerie gaanderij. aangelegenheid. wagen. knoeien. lidmaat . officieel functioneren. handelbaar officier ambtelijk. aftakking been lid.funkcjonalny funkcjonariusz funkcjonariusz funkcjonować funt funt (0. Vlaamse gaai reptiel boerten. rek etagère. gang. grandioos. overweldigend kar. karretje wagon. het doen pond pond pond oppermachtig. ding aanzetten aanzetten aanzetten afmeting. gang. oppermachtig groots. heelkunde kast vitrine vitrine vleermuis reptiel kakement. galerie galopperen galopperen tak.

laken. knop muskaat. uitblussen ombrengen. handvol doven. handvat. verachten aardewerk pottenbakker po kan. hellen. hellen. knop heft. aanstaren po garage garage bochel. gispen wijd openstaan. looien tanen. bezetting gering. leerlooien. stelletje. min. kruik po afzetten. bultenaar kleerkast. toonschaal. muskaatnoot. balans. hals. vod. nootmuskaat heft. bult buigen. doodmaken. leerlooien. scala aanslag zuilengang. gevest. verachten minachten. hangkast strot. handvat. looien gebochelde. klein handjevol. portiek bende. set. knop heft. apache berispen. flard bal. gevest. lor. knop vodje. keel minachten. aflopen tanen. uitdoen. lomp. handvat. aflopen buigen. aftakking heft. schare gangster straatschuimer. overhellen. gapen staren. keelgat. afkeuren. gevest. blussen. troep. overhellen. karig. waag toonladder. keelgat. luttel. gevest. gevest. aftakking tak. keel strot. handvol handjevol. hals. doden . danspartij muskaat. stel garnizoen. turen. muskaatnoot. tod. nootmuskaat heft. lap. garneren complet. handvat. hals. handvat.gałąź programu gałąż gałce gałgan gałka gałka gałka muszkatołowa gałka muszkatułowa gałka oczna gałka potencjometru gałka u drzwi gam gama skala gamą ganek gang gangster gangster gani gapić się gapić się gar garaż garażować garb garbić (się) garbić się garbować garbowanie garbus garderoba gardła gardło gardzić gardź garncarstwo garncarz garnek garnek gliniany garnek gliniany garnirował garnitur garnizon garnuszek garstka garść gaś gaś tak. beslaan. hals. knop weegschaal. hals.

versneller gas gaas gaas blad. praten accelerateur. soortelijk keuze. ergens geisha opspatten. rups oerwoud. vertelling vertelsel. verspuiten. bij wijze van. optie. voorkomend soort. babbelen. blad blad. sputteren voor. kankeren. elders waar waar hier of daar. ingeval daar. verhaal. edelsteen . nors. relaas. soortelijk keuvelen. krant krant. als. bars. ergens hier of daar. slag. als. babbelen. keur. tot indien. morren. aard specifiek. carburateur afsponzen sponzig. vertelling keuvelen. wannen. rups rupsband. omdat. praten vertelsel. stuiven edelgesteente. ergens waar dan ook hier of daar. keus. steen. jungle. gaspedaal. relaas. sponsachtig afsponzen eend rupsband. verkiezing specifiek.gatunek gatunek gatunek drzewa cytrusowego gatunek muślinu gatunkowa (cecha) gatunkowy gatunkowy gawęda gawędziarski gawędziarski odzie) gawędzić gaz gaz gaz (w samochodzie) gaz elektronowy gaza gazą gazecie gazeta gazeta gazetce gazować (wodę) gazowy gaźnik gąbce gąbczasty gąbka gąsce gąsienica gąsienicą gąszcz gbur gburowaty gderać gdy gdyby gdyż gdzie gdzie gdzie zasadniczym elementem jest komputer główny) gdziekolwiek gdziekolwiek gdzieś gdzieś gejszą gejzer gem kalk eigenschap vriendelijk. waaien gas vergasser. doordat. rimboe vlegel nurks. onaardig mopperen. aangezien ergens anders. wanneer. krant strooibiljet frisse lucht toewaaien. hoe. honds. gaspedaal. verhaal. versneller gas accelerateur.

aardkunde geologie. elastisch aanvoer. paardehorzel brems. lijvigheid dicht. geslacht generatie. doorbuigen smijdig. Scheppingsboek oorsprong. meetkunde geometrie. genius aardrijkskundige. bezig zijn. beschermgeest. afkomst. geografisch geoloog geologie. geografie aardrijkskunde. geslacht generatie. aardkunde geometrie. handelen generatie. buigbaar. lenig centrale centrale daas. buigzaam. kaart verwekken natuurkunde. geslacht generaal generaal oscillator oscillator oscillator oscillator verwekken landkaart. gesticuleren verdikken. aandikken dikte. bezorging reus reusachtig. gigantisch . fysica Genève Genesis. herkomst genie. dik gans ombuigen. geograaf aardrijkskunde. meetkunde ooievaarsbek gebaren. aardrijkskundig aardrijkskundig. paardehorzel rekbaar.gem (w tenisie) generacja generacja generowanie generacja systemu generacją generalny generał generator częstotliwości przestrajany cyfrowo generator o sprzężeniu zwrotnym generator oporowo-indukcyjny generator oporowo-pojemnościowy generować generować wykres generował genetyka Genewa geneza geneza geniusz geograf geografia geografią geograficzny geograficzny geolog geolog geologia geometria geometrią geranium gest gest (ruch ręką) geście gęstnieć gęstość gęsty gęś giąć gibki giełda giełdą giez giez giętki giętko gigant gigantyczny doen. gesticuleren gebaren. gesticuleren gebaren. soepel. buigen. geslacht generatie. geografie geografisch. gebonden. daas. brems. ageren.

aarde fond. zwaar laag. aarden klei-. glazuren. verheerlijken. zwaar kolk. roemen. effen appartement. diepte hongerig geeuwhonger vasten kanselredenaar. grond. grond. zwaar diep laag. bodem. ondergaan.gigantyczny stopień scalenia gimnastyce gimnastyka gimnastykować ginąć giń gips gips girlandą gitara gitarą glazura glazurą gleba glebą ględzić glina gliną gliniany gliniany gliniarz glob globulce globus gloryfikować gloryfikował glosariusz głab kraju gładki gładki gładki gładkie włosy gładzić gładzić gładzić głaskać głebokie głęboki głęboki głęboki ukłon głębokie głębokość głębokość monitora bez podstawy uchylno-obrotowej głodny głodować głodówce głosiciel reus gymnastiek gymnastiek oefenen. rechtstreeks Pools schoensmeer schoencrème strelen. glazuren. predikant . kleiaardewerk roodkoperen. kogel. kloot kapseltje. guirlande gitaar gitaar verglazen. recht. aanhalen laag. inwendige gelijk. kloot loven. creperen gips kalken. glanzen verglazen. prijzen glossarium binnenste. glanzen fond. slingerkrans. bodem. aarde kakement. drillen omkomen. liefkozen. ondergrond. van klei. koperen bol. capsule. ondergaan. vlak. aaien. effen direct. roemen. van klei. vlak. kogel. diepte kolk. verheerlijken. bal. live. prijzen loven. bal. aarden aarden. flat gelijk. creperen omkomen. zwaar laag. aanstrijken slinger. ondergrond. kaak klei-. van klei. doosvrucht bol.

stemmen balloteren. luid luid. onzin. onverstandig. dom. de weg wijzen. simpel dwaas. verheven leidend. prevalent. gemeenschap . stemmen hard. huilen hard. hardop geluidssterkte. inhoud. afval. leiden geleiden. gemeenschap gemeente. voornaamste hoofdkwartier inzonderheid in het bijzonder. gebieder. toongevend hoofd-. gemeenschap gemeente. leiden geleiden. de weg wijzen. voornaamste opperste. zot sprakeloos. luid geleiden. inhoud. premier primair hoofd-. malloot macaroni rommel. voornaamste primair doods. zever. baas. flauw. gekheid gemeente. hardop hard. volume brullen. de weg wijzen. kiezen. chef hoog. leiden geleiden. leiden primair geeuwhonger honger hoofdkwartier hoofd-. de weg wijzen. stom onnozel. volume geluidssterkte. voornaamste minister-president. preken balloteren. stom dwaas. toonaangevend. puin nonsens. dodelijk doof sprakeloos. superieur hoofd-. de weg wijzen.głosić kazanie głosować głosowanie głośno głośno głośność głośność stała głośny głośny głośny głośny płacz głowa głową głowica głowica uniwersalna głowica zapisująco-odczytująca głowny głód głód główna kwatera główna rura wodociągowa główne biuro głównie głównie głównie główny główny główny główny główny główny główny obszar roboczy użytkownika główny organ certyfikujący główny sterownik operacyjny główny układ logiczny głuchy głuchy głupi głupi głupi głupi głupiec głupiec głupoty głupstwo gmina gmina (wyznaniowa) gminą prediken. prullaria. zot. luid luid. dom. inzonderheid in het bijzonder aanvoerder. kiezen. leiden geleiden.

beter maken. nijdig. oblie wafel. schede. dommekracht. een nest maken houder. voorteken. wit. zelfgevoel. doelwit. oblie genezen. verdriet doen knellen. keutel wildebeest. gnoom drek. helen doelstelling. merkwaardig betrouwbaar. drukken nestelen. waardigheid waardig. boos aardmannetje. een nest maken vijzel. toornig. dringen.gna gnacie gnać gnębi gnębić gniazdka gniazdko gniazdko strumieniowe gniazdo gniazdo startowej pamięci ROM gniazdo zasilające napędu gnieść gnieść gnieść się gniew gniewać się na kogoś o coś gniewny gnom gnój gnu go gobelin godło godło godność godność para godny godny podziwu godny potępienia godny pożałowania godny szacunku godny uwagi godny uwagi godny zaufania godzić się godzina godziną gofr gofry goić się gol golenie golf goliacie golić golić (się) golizna goliźnie oprit. ontlasting. opmerkelijk opmerkelijk. een nest maken kneden pers kneden gramschap. eerzaam. bedroeven. boosheid. teken zelfrespect. honk afscheren golf. zelfgevoel. waar bewonderenswaardig afkeurenswaardig betreurenswaardig. foedraal nestelen. toorn gramschap. schede. vertrouwd het eens zijn. persen. boosheid. krik houder. achtbaar merkwaardig. embleem voorbode. gnoe hij. oprijlaan schonk. drol. been aanrijden. voorrijden beproeven. foedraal nestelen. spijtig achtenswaardig. bot. doel. knok. waardigheid zelfrespect. golfspel Goliath afscheren afscheren naaktheid naaktheid . hem Atrecht kleur. overeenstemmen uur uur wafel. toorn kwaad.

bloot. najagen bejagen. verzendend. drank. herbergzaam bezoeker gast. schokken bitterheid. ijver begerig. naakt onopgesmukt. lens. vrouw des huizes huishoudster huisvrouw. vurig. ledig. belust stemmig. koortsachtig gloeiend. schudden. bona fide. logé . vuur snikheet. beheren. tamme duif duif. spaarzaamheid economisch agrarisch administreren. verterend ambitie. alcoholische drank bitter logement. serieus minderwaardig opschudden. najagen dakplankje gloed. happig. vrouw des huizes recipiëren reumatiek gastvrijheid gastvrijheid gastvrij.gołąb gołąb gołąbki gołosłowny goły goły goły gonić gonić goniec (w szachach) gonitwą gont gorąco mi gorący gorączka gorączka gorączkowy gorejący gorliwość gorliwy gorliwy gorszy gorszyć gorycz goryl gorzałce gorzki gospoda gospodarce gospodarczy gospodarczy gospodarka gospodarny gospodarować gospodarował gospodarstwo rolne gospodą gospodyni domowa gospodyni domowa gosposia gosposia gościć gościec gościną gościnność gościnny gość gość duif. onopgesmukt. herberg huishoudster huisvrouw. vuur. gloeiend. gretig. besturen agrarisch logement. herberg economie. smoorheet. bloot nastreven. heet koorts temperatuur koortsig. introducé. ernstig. leeg onopgesmukt. naakt. onbedekt. tamme duif kool hol. verbittering gorilla alcohol. spaarzaamheid economisch economie economie. loos. onbedekt naakt. bloot. jacht maken op bisschop nastreven. onbedekt. jagen.

ageren. opharken uitkammen. harken. knul.gość gość gość (w hotelu) gotować gotować gotować bez skorupki gotować bez skorupki gotował gotował gotowany gotowy gotowy do pracy w sieci gotów gotówce gotówka gotówka gotycki gotyk goździk goździk (korzenny) góra góra góra lodowa góral górą górce górka rozrządowa górne (np. de baas zijn verzaken. snuiter bezoeker bezoeker op het kookpunt zijn. opharken plunderen. aanharken. afgelopen klaar. gereed. sujet. opeenhopen. baar contant. roven schoffel sierlijkheid . buitmaken. światło) górnictwa górnictwo górniczy górnik górny górować górować nad górski góry gra gra gra podobna do tenisa gra słów gra z podziałem na role grabić grabie grabie (także krupiera) grabież gracą gracją kerel. gereed. met lucht gevuld. opharken uitkammen. rooskleurig ophopen. koken koken koken goulash gekookt pruttelen gekookt klaar. borrelen. stropen. baar poen. persoon. harken. accumuleren berg ijsberg Hooglander berg aanaarden bochel. af. handelen spel pompoen haarkloven. af. bult lucht-. gereed. bedillen spel uitkammen. bezig zijn. afgelopen contant. rose. geld gotisch. harken. af. aanharken. rozig. Gotisch gotisch. aanharken. Gotisch anjer. anjelier roze. uitlaten berg berg doen. nalaten. bovengronds mijnbouw mijnbouw mijnbouw mijnwerker bovenste meester zijn. afgelopen klaar.

lijn perk.gracją grać grać (np. koord. w karty grać na harfie grać w teatrze grad grad grad (słów grad słów graficzny grafika grafika rastrowa grafika żółwia gral gram gram gramat. grens grens. snoer. vloed. laster prisma rand. volzin grammatica. hengelsnoer verbleekt lijntje. grens rand. onbelemmerd felicitatie. bergstroom hagel aanschouwelijk grafiek. vloed. zoom perk. zin. vlot. perk beperken. bezig zijn. grens rand. aanliggend rand. ageren. zoom belenden. zoom begrenzen. snoer. grafische kunst Graal gram gram frase. spelen. zdanie gramatyce gramatyka gramofon granacie granat granat (owoc) granat owoc grandą graniastosłup granica granica granica granica granica granica granica granica plastyczności granica transakcji granica zabezpieczeń granicą granice granicie graniczący graniczny graniczny graniczyć graniczyć (z czymś) granit gratce gratis gratulacja Gratie uitvoeren. gebeurtenis. eerroof. voorspelen uitvoeren. spraakkunst grammofoon granaat granaat granaatappel granaatappel achterklap. grenzen aan granieten incident. beperken. gelukwens . voorspelen harp doen. spraakkunst grammatica. bergstroom stroom. los. beknotten vislijn. handelen hagel stroom. spraakleer. grafische kunst bitmap grafiek. spraakleer. zoom perk. sim. grens rand. spelen. open. gebeuren onbezet. koorde. beknotten granieten aangrenzend. begrenzen. zoom perk.

vergaderen. abstraheren samenkomen. potsierlijk grotesk. opeenhopen opeenhopen. penny erwt grot holte. dam. sperdam dijk. ophopen. bos stuiver. grot grotesk. bundel. gilde Groenland afsluiting. bijeenkomen deduceren. vergaderen accumuleren. spelonk. groep groepering. afleiden. gelukwens gelukwensen. abstraheren ophopen. pompelmoes Grieks vakvereniging. ophopen samenkomen. feliciteren gelukwensen. bos aggregatie. bijeenkomen. bundel. sperdam waterkering. grillig. feliciteren graveren. pompelmoes grapefruit. aggregaat opeenhopen. graveerwerk zwaartekracht spel Griekenland Grieks grapefruit. groeve erwt grot grot stand. graf graf. grillig. groeve graf. klasse. griffen prent. stapelen. kudde deduceren. opeenhopen wis. krocht. ophopen. opeenhopen. afleiden. potsierlijk . hol. groep wis. barrière. corporatie. klas groepering. waterkering afsluiting. stapelen. dam. dijk groeve. gravure. griffen graveren. ophopen roedel. barrière. accumuleren accumuleren. pompelmoes grapefruit.gratulacje gratulować gratulował grawerować grawerował grawerunek grawitacją grą Grecja grecki greipfrut grejpfrucie grejpfrut grek gremium Grenlandia grobla grobla groblą groblą grobowca grobowca grobowiec groch grocie grocie gromada gromada gromadą gromadce gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić zapasy grono grosz groszek grota grota grotesce groteska felicitatie.

wintermaand aanaarden terrein grondig. honds. veelomvattend tof. tuberculose. lomp dikte. onheus. afstammeling meloen onbewerkt. plecht. afval. jonkvrouw. burcht vettig. groeve logies. vet loot. puin prullaria. groep carrosserie groepering. schrikbewind dreigen. longtering grijnzen. grof. influenza . graf graf. vrouw groepering. cru verdikken. dicht dik. Georgië tering. klomp kruimel. dot. grof. bedreigen bedreigen. gebonden. dreigen bedreiging. woning slot. klont. kostelijk dik. grootvader dam. dreiging afschuwelijk groeve. omvangrijk. gezichten trekken griep. lomp. dicht dakplankje lijvig. groep peer peer rommel. ruw uitgebreid. onkies. jong. lady. puin. lijvigheid hardhandig. groep opa. broodkruimel december. wintermaand december. bot. dik prop. prullaria. kind. bal. excellent. gezichten trekken grijnzen. dreigement. onderkomen. Georgiër Groezië. gebonden. potsierlijk terreur. tiptop.groteskowy grozą grozić groźba groźba groźny grób grób gród Gród obronny grubas grubasek grube zyski grubiański grubieć gruboskórny grubość gruboziarnisty gruby gruby gruby gruby Ethernet gruby papier gruby żwir grudce grudce grudnia grudzień grunt gruntach gruntownie gruntowny grupa grupa adresów grupa rozsyłania grupowego grupa wszystkich węzłów grupa zasobów klastra grupować się gruszce gruszka gruz gruz gruzin Gruzja (in Europe/not in USA) gruźlica grymas grymasić grypa grotesk. kwartier. afval. onbehouwen. grillig. kluit. aandikken onbeleefd. rommel Groeziër. radicaal diep groepering. kasteel.

bloemperk intrige. worstelen daveren. kletteren. scharrelen. fijn. bijten. knauwen. braden. aardig. achterzijde. bulderen. spin. braden. griep griep. fraai verbeurd opgeven. kikkerdril verbeurd net. vriendelijk beschaafd.) sinus grzęznąć grzmieć grzmocie grzmot grzmotnąć grzyb grzybnia grzywna grzywną grzywną gubić gulasz gulasz gulden gulgocie guma guma influenza. bed. beekje) kauwgom tandvlees . książki)s kolec (kaktusa grzebać grzebień grzech grzechotać grzeczność grzeczny grzeczny grzejąc grzejnik katody grzeszyć grzeszyćk <sine> (matem. welgemanierd verwarming radiator zondigen zondigen spartelen. bulderen. donderen daveren. konkelarij perk.grypa grypą gryz gryzmolić gryzoń gryźć grzać grzał grzałce grzałka grzance grzanie oporowe grzanka grządce grządce grządka grząski piasek grzbiecie grzbiet grzbiet (np. klappen. hoffelijkheid voorkomend. donderen daveren. bulderen. beitsen krauwen. vuur warm verwarming. tuinbed. wellevend. donderen afranselen champignon kuit. krabben knaagdier knagen gloed. kammen zondigen klakken. machinatie. bed. verbeuren. mooi. schoon. klikken beleefdheid. influenza happen. roosteren perk. begraven uitkammen. ommezijde rugstuk. murmelen (v. klauwen. bloemperk drijfzand rugstuk. viskuit. kwijtraken goulash goulash gulden murmelen. kachel verwarming. achterzijde. lief. zich aftobben. kachel branden. ommezijde wervelkolom. roosteren verwarming branden. tuinbed. ruggegraat kuilen.

gieren kuif. klont. rumoerig. asterisk sterretje. geweld met geweld geweldpleging. snorren. taaltje garanderen. hals. borg staan voor borg staan voor. bal. handvat. gevest. asterisk Guinea fluiten. asterisk zaadkorrel. pit sterretje. gezwel dichtknopen heft. gonzen tongval. netto. zekerheid garanderen. gummi rubberen. toeter. nettosmaken huisonderwijzeres. borg staan voor luidruchtig. korrel. elastiek rubberen. knop een aanslag plegen op. klomp. elastiek gom. nagelen . claxon fluiten. borg staan voor garanderen. gieren fluiten. dialect jargon. borg staan voor veiligheid. kluit. brommen. dot tumor. elastiek bijgeloof smaken duidelijk. garanderen garanderen. lawaaierig ster sterretje. gouvernante opvoeden. onderwijzen blauwe plek dichtknopen prop. gieren spijkeren.guma do żucia gumą gumka do ścierania gumowy gusła gust gustowny guście guwernantce guwerner guz guz guz guz guzik guzik gwałcić gwałt gwałtownie gwałtowność gwałtowny gwałtowny gwałtowny gwałtowny spadek gwałtowny spadek gwar gwara gwara gwarancja gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarantować gwarantować rekompensatę gwarantował gwarny gwiazda gwiazdka gwiazdka gwiazdka (oficerska) gwiazdka Wojny gwinea gwizd interferencyjny gwizdać gwizdek gwizdek gwóźdź rubberen. aanranden geweldpleging. geweld woest onweerstaanbaar duiken woest hartstochtelijk razen.

salon hal kring. nering handelen. schavuit. rumoer. ronddelen. betomen afremmen. handel luifel. nering handeldrijven. arrogant harem harp . handel drijven rondgeven. remmen handel. difussiehalo ophef. opeenhopen. herrie roeien luidruchtig. accumuleren ophopen. uitglijden zaal. koopmanschap. nagelen schoorsteenmantel aanwensel. rumoerig. slot. koopmanschap. remmen afremmen. lawaai. uitdelen venten. handelaar. lawaaierig luidruchtig.gwóźdź bez łba gzyms kominka habit haczyk haczyk haczyk órska) haftce haftka haftować haftował hak hak hala (górska) halą halce halka halka hall hall (teatralny) halo hałas hałas hałaśliwy hałaśliwy eumatyczny Hałda hałdą hamburger hamować hamować hamował hamulca hamulec hamulec ręczny handel handel handel elektroniczny handlować handlował handlowiec handlowy handlując hangar haniebny harcerka harcerz hardy harem harfa spijkeren. remmen afremmen. aardmannetje padvinder. agraaf hoek vasthaken vasthaken borduren borduren ellendeling. ploert. arrestatie bedwingen. slot. accumuleren hamburger aanhouding. spang. handel drijven handelen. rumoerig. agraaf alpenweide. betomen bedwingen. lawaaierig ophopen. beteugelen. spang. zakenman handel. leuren. opeenhopen. colporteren koopman. alp werkplaats onderrok onderrok slippen. beteugelen. leven. hebbelijkheid hoek haakje. verkenner aanmatigend. boef haakje. afdak schandelijk gnoom.

rooster harden. temperen. tandrad. aanvoerder. kloppen. stalen harden. hoop. massa bewapenen. devies. baas hexadecimaal. toeval riskant. hasj balanceren. doen schommelen Hawaii Hawaiiaans Havanna dobbelen toevalligheid. drom. klappen hyena hyena . harmonie eendrachtig. harmonie samenklank.harfą harmider harmonia harmonią harmonijny harmonizować harmonizował harmonogram hartować hartować (stal) hasło haszysz haust Hawaje hawajski Hawana hazard hazard hazardowy hebel hebrajski hecą hegemon heksadecyntalny hełm hełm hemisferą hemoroid hemoroidy herb herbacie herbata herbatnik heretyk herezja herezją heroiczny heroiną herold heteroatomincontext index hetero-atom-in-context index heteroatomincontext index indeks heteroatomów w kontekście hetero-atom-in-context index indeks heteroatomów w kontekście hicie hiena hiena nia harp afdrogen. bijeenpassen dienstregeling. zestientallig kamrad. stalen leus. halfrond aambei boel. amusement gebieder. kamwiel. tandwiel helm hemisfeer. leuze hasjiesj. gewaagd vliegtuig. afranselen samenklank. heldhaftig heroïne uitbazuinen indexeren indexeren indexeren indexeren slaan. bedenkelijk. houwen. joods vermaak. eendracht. temperen. eendracht. vliegmachine Hebreeuws. lijfspreuk. wapenen thee thee biscuit ketter ketterij ketterij heroïsch. harmonisch harmoniëren. menigte. chef. kletteren. bijeenpassen harmoniëren.

verhaal etage. historie. historie. gul. boegseren rukken sleepboot hulde. opfokken. genereus. chroniqueur Spanjaard Spanje Spaans nazistisch. onderstelling hysterie hysterisch geschiedenis. Indiaas biologeren. goedgeefs hockey lijntje. hygiënisch hindoeïstisch hindoeïstisch Indisch.hieną higiena higieną higieniczny hindus Hindus Hindus hinduski hinduski hipnotyzować hipnoza hipnozą hipokrycie hipokryta hipopotam hipoteka hipotetyczny hipotetyzować hipoteza hipoteza dopuszczalna hipotezą histeria histeryczny historia historia historią historyczny historyk hiszpan Hiszpania hiszpański hitlerowski hobby hodować hodował hodował hojność hojny hokej hol Holandia Holender holenderski holować holować holownik holownik hołd hyena hygiëne hygiëne sanitair. eed van trouw. verhaal geschiedenis. koord. gebeuren onbekrompenheid. fokken. huichelaar. Indiaas hindoeïstisch Indisch. koorde. telen toegaan. verdieping geschiedenis. verhaal kroniekschrijver. hypnotiseren hypnose hypnose veinzer. hypocriet veinzer. overvloed royaal. lijn Holland Hollander Hollands trekken trekken. nazihobby achterhoede opkweken. voortgang hebben. slepen. hypocriet nijlpaard hypotheek hypothetisch veronderstellen hypothese. huichelaar. eerbetoon . onderstelling vermoeden. gissen hypothese. historie. snoer.

ver hotel hotel in aanmerking komen. weledel. eren gesteld zijn. gezichtseinder kim. respecteren agnosceren. homofiel. komisch. gemoedsgesteldheid. gage. schouwing. horizon. hoer spel humanist menselijk. bezoldiging. horizon.hołd homar homilią homoseksualista homoseksualiście homoseksualny honor honorarium honorarium honorować honorował honorowy hop hordą horoskop horror horyzoncie horyzont horyzont radiowy horyzontalny hospitacją hospitował host odległy hotel hotelowy hrabia hrabstwa hrabstwo hrabstwo w płzach Anglii hrabstwo w pł-zach Anglii huk huk huk hukier hulanka humanista humanistyczny humanitarny humor humoresce humoresce humorystyczny huragan hurcie hurt hurtownia hurtowy huśtać się cijns. lichtekooi. inspectie inspectie houden. loeien. het maken loon. komisch. brullen. meetellen graafschap graafschap Devoon Devoon dichtslaan beuk bulderen. salaris eerbiedigen. inspecteren verwijderd. humaan humor. gezichtseinder kim. gezichtseinder horizontaal. verschrikking kim. koddig humoristisch orkaan in het groot in het groot pakhuis. gruweldaad. grappig grappig. humeur moppig. homo goedgeluimd. weledelgeboren hinkelen horde. als waarheid aannemen ere-. vereren. preek goedgeluimd. moppig. bende horoscoop gruwel. kreeft sermoen. schatting langoest. doen schommelen . waterpas. daveren prostituée. koddig. kanselrede. warenhuis in het groot balanceren. platliggend schouw. pantserkreeft. ververwijderd. humaan menselijk. goedgehumeurd huldigen. magazijn. horizon. goedgehumeurd flikker.

neus. in optima forma ideaal ideaal idee. schrijfstift piek.huśtawce hutnik hydrą hydrofobia hymn hymn hymn narodowy i i i tym podobne i w rozmowie przez radio: przyjąłem ich ich ich idea idealny idealny filtr dolnoprzepustowy ideał ideą identyczność identyczny identyfikator identyfikator identyfikator użytkownika identyfikować identyfikował ideologia ideologią idiom idiota idiota idiotyczny idiotyczny (np. pik. onder tafel schuiven pictogram pictogram . perfect. spits naald griffel. hun. benul. taaleigen idioot lul. top. leuter. denkbeeld volkomen. begrip. ongerijmd. ach en en haar. etsnaald. vereenzelvigen ideologie ideologie idioom. benul. etsnaald. waterschuwheid kerkgezang. idiotisme afgodsbeeld idylle floppen. onder tafel schuiven negeren. jongeheer idioot dwaas. hun de hunne. ah. tip. ze. punt. het hunne aan ze. begrip. in het water vallen griffel. hymne kerkgezang. snikkel. onzinnig. wygląd) idiotyzm idol idylla ie zdawać iglica iglicą igła igła igła nóżka igła sortownicza igłą ignorować ignorował ikona ikona przycisku balanceren. hymne en oh. legitimatie inhalen legitimatiebewijs. och. hymne kerkgezang. vereenzelvigen identificeren. absurd idiotie. denkbeeld identiteit identiek legitimatiebewijs. doen schommelen werker Hydra hondsdolheid. aan hun idee. schrijfstift kegel naald naald negeren. legitimatie identificeren.

vrijpostigheid. trekpot naamdag naamgenoot deelwoord benaming. afbeelding. patrijspoort illumineren. prent. begoocheling. kabouter keizer imperialist imperialist imperialist imperialisme rijk. brutaliteit . opbrengst conjunctie produktie. kobold. sterkte. getal tal. grootheid dakraam. aderlaten illustratie. opbrengst tal. aantal. getal hoeveelheid. hun. illustreren drogbeeld. imitatie imiteren. kaak inbeelding. nabootsen. plaat grafiek. prent. gewrocht. boel. verluchting beeld. grafische kunst veraanschouwelijken. aantal. begoocheling.AND) iloczyn produkt ilosć ilość ilość ilość danych przesyłanych siecią ilość informacji iluminator (na statku) iluminował ilustracja ilustracja ilustracja wpuszczona ilustracją ilustracją ilustracje ilustrować ilustrował iluzja iluzją im imadła imadło imaginacją imaginował imbir imbryk imbryk imbryk imbryk do herbaty imbryk do herbaty imieniny imiennik imiesłów imię imigrował imitacja imitował IMP imperator imperialista imperialistyczny imperialiście imperializm imperium impertynencja pictogram ree produktie. keizerrijk. zich verbeelden gember ketel theepot. ze. sterkte. afbeelding. nadoen aardmannetje. illusie drogbeeld. illusie aan ze. verlichten illustratie. luik. boel. illustreren veraanschouwelijken. verbeelding bedenken. gewrocht.ikoną ikra iloczyn iloczyn logiczny (zob. aan hun kakement. naamwoord immigreren navolging. nabootsing. grootheid tal. imperium hondsheid. naam. verluchting beeld. plaat bloed aftappen. trekpot theebus ketel theepot. getal hoeveelheid. kaak kakement. aantal.

endosseren. individueel personage. persoon . aandrang pols. tel pols. mensen hoofdelijk. individueel respectief afgezonderd. drang. Indiaas indicatief.impertynencki impet implikacja implikować implikował imponować imponujący imponujący imporcie import importować impotent impresjoniście impuls impuls impuls elektromagnetyczny impuls zezwalający impulsywny in sth> w coś inaczej inauguracja inauguracją inauguracyjny inaugurował incydentalny indeks indeks indeks heteroatomów w kontekście indeks tablicy indeks zagęszczony indeks zbiorowy Indianin indiański indicativus Indie Indonezja indor indor indosował indyjski indyk indyk indywidua indywidualny indywidualny indywidualny indywiduum indywiduum brutaal. kobold. Indiaas Indisch. onbeschaamd. aantonende wijs India Indonesië Turkije kalkoen gireren. tel aandrift. impliceren opdringen. invoeren importeren. edel importeren. wenden hindoeïstisch Turkije kalkoen lieden. vuur. aandrang luchtig. personen. inwijding inaugureel inaugureren minder belangrijk. een lijst maken indexeren indexeren indexeren indexeren Indisch. ver. verstrikken insluiten. impuls. luchthartig in overvloed aanwezig zijn anders inauguratie. kabouter verwarren. heftigheid aardmannetje. betrekken. polsslag. invoeren importeren. impuls. vrijpostig onstuimigheid. invoeren impotent impressionist aandrift. zijindexeren uitlisten. bij-. indrukwekkend nobel. polsslag. drang. forceren imponerend. afzonderlijk hoofdelijk. inwijding inauguratie.

schouwing. informeren. inlichten weefsel mijter interveniëren. ingrijpen laden initiaal. inspuiting. inzamelen genegen. informeren. inboezemen . voorletter initiaal.infekcja infekcją infekcyjny infekował infekował inflacja inflacją informacja informacja informacja zastrzeżona informacje informacje (uwaga: w j. voorletter initiaal. intelligentie informatie informatie informatie het berichten. injectie spuitje. inspuiting. besmetting infectie. gezind nieuwtje. inlichten berichten. verpestend infecteren. injectie incarnatie. nieuws. poj. geneigd. besmetting aanstekelijk. "information" występuje tylko w l. inspectie inspecteur inspecteur ingeving ingeving inspireren. nieuwigheid ander uiteenlopend. besmettelijk. bezielen. aangelegenheid. [singularis tantum] informatyka informować informował infrastruktura infuła ingerować inicjalizować inicjał inicjał początkowy inicjały inicjatywa inicjować inicjować n procedura iniekcja (nośników) iniekcją inkarnacją inkasować inklinował innowacja inny inny inny inny inny niż inny niż insekcie insekt inskrypcją inspekcja inspektor inspektor zabezpieczeń inspiracja inspiracją inspirował infectie. voorletter zaak.ang. ding. verschillend ander ander ander ander insekt insekt inscriptie schouw. vleeswording collecteren. innen. septisch inflatie inflatie informatie bevattingsvermogen. aansteken bederf veroorzakend. besmetten. affaire de stoot geven tot laars spuitje.

intelligentie bevattingsvermogen. fel. intelligent bedoeling. heel. behendig. intelligentie bevattingsvermogen. verklaring declaratie. affaire afdingen. fitten. doel. aangelegenheid. verstandelijk bevattingsvermogen. consigne. strekking bedoeling. handig. strekking sterk. listig knap. werktuig instrument. plant aanleggen. instructie declaratie. instinct aandrift. finaal zaak. intelligent doortrapt. instructeur instrument. integraal intellect. intens. installeren aanwijzing. geest intellect. instituut. instructie onderwijzer. intens. werktuig band. leraar. installeren afhandelen. consigne. muziekkorps instrueren instrueren aandrift. marchanderen . uitspraak aanwijzing. bekwaam knap. instinct gesticht. verstandelijk intellectueel. verstandelijk intellectueel. uitspraak declaratie. verstandelijk bedreven. intelligentie intellectueel. aangifte. verstand. inrichting instelling instelling instelling gesticht. bevattelijk. doel. intensief helemaal. ding. inrichting insinueren insinueren onaangetast. verstand. plan. ongeschonden.inspirując inspirujący instalacja instalować instalować instalował instrukcja instrukcja instrukcja blokowa instrukcja operacji instrukcja złożona instruktor instrumencie instrument instrument z dyfrakcją elektronów instrumentarium instruować instruował instynkcie instynkt instytucie instytucja instytucja nadająca nazwy instytucją instytut insynuować insynuował integralny intelekcie intelekt intelektualista intelektualiście intelektualny inteligencja inteligencja telekomunikacyjna inteligencja warstwa społeczna inteligent inteligentny inteligentny inteligentny most inteligentny mostek intencja intencją intensywny intensywny interaktywnie interes interes bezielend bezielend gewas. geest intellectueel. instituut. afdoen aanleggen. werktuig instrument. pingelen. bevattelijk. plan. fel. aangifte. intensief sterk. fitten. gewiekst. slim. orkest.

inval invasie. werk. afnemer klant. levende have. zaak. uitlegging. bekonkelen puzzel. innig. arts. geneesheer vertolking. duiden reproduceren. intrigeren. uitlegging. belangstellend interessant. knus invasie. interpreteren. ingrijpen interveniëren. weergeven punctuatie. tak. een lied aanheffen inleiding. aangelegenheid. interpreteren. bekonkelen konkelen. afnemer belang inboezemen. ingrijpen inzetten. interpunctie punctuatie. koper. duiden uitleggen. interpunctie branche. inval uitvinding inventaris. afdeling interveniëren. raadsel intiem. dokter. belangwekkend interface interface interface storing storing tussenwerpsel medicus. interpretatie interpreter interpreter uitleggen. Perzië Iraans Iraans Irene Iris . karwei.interes jący interesancie interesant interesować interesował interesując interesujący interfejs interfejs użytkownika interfejs wywoływalny interferencja interferencją interiectio interniście interpretacja interpretacją interpretator interpretator sesji interpretować interpretował interpretował interpunkcja interpunkcją interwał interweniować interweniował intonował introdukcją intryga intrygować intrygować intymny inwazja inwazją inwencją inwentarz inwentarz inżynier inżynier pełniący inżynier pomocy technicznej inżynieria oprogramowania wspomagana komputerowo Irak Iran Irańczyk irański ireną Iris emplooi. interesseren geïnteresseerd. veestapel ingenieur ingenieur ingenieur affaire. introductie konkelen. belangwekkend interessant. kudde. ding Irak Iran. interpretatie vertolking. boedel vee. gezellig. koper. vak. arbeid klant. intrigeren.

isolering vertraging isolatie. mohammedanisme IJslander IJsland Istanboel bestaan bestaan bestaan. verontwaardigen vonk. sproeien Iris nauwkeurig bepalen. gaan voelen. geldend. speling. opkomen. bijster. bijzonder vitaal veelbetekenend. intrinsiek stoffelijk. van stapel lopen. sprank vonk. feitelijk. vertrek. lopen lopen. ruimte isolering. intrinsiek marcheren. vigerend erg. kamer lokaal. metterdaad essentieel. betekenisvol essentieel. rijzen Italië verbleekt lokaal. betasten voorafgaan. aanzijn wezen inderdaad. vertrek. isolering isolering. droog ironisch bevloeien. voorzijn opgaan. geldig. kamer lokaal. sprank vonk. wereldruim. gieten. tippelen. determineren ergeren. sprank islam. begieten. materieel gangbaar.Irlandczycy Irlandczyk Irlandia irlandzki irlandzki żołnierz piechoty ironia ironią ironiczny ironiczny irygował irys irytacja irytować iskra iskrą iskrzyć Islam Islandczyk Islandia Istambuł istniał istnieć istnienie istota wszystkożerna istotnie istotny istotny istotny istotny istotny istotny materialny istotny dla działalności firmy iść iść uruchomić iść po omacku iść przed iść w górę italią iwa izba izba rozrachunkowa izbą izbą izolacja izolacja izolacja (cieplna) izolacja złącza izolacją Iers Ier Ierland Iers Iers ironie ironie dor. vitaal. vertrek. opstaan. tasten. heel. isolatie isolatie. bevoelen. vitaal. isolatie . kamer bestek.

alhoewel voor. een of ander. cider schillen. hoewel. isoleren isoleren. fotele czy wózki) jakieś opcje) jakikolwiek jakiś jakiś jakiś jakkolwiek jakkolwiek jakkolwiek jako jako jakoby jakoś jakoś na jakość jakość wyjściowa jakże isolator afzonderen. enigszins. toch wel. ik. een weinig iets echter. afzonderen geïsoleerd. enig hetwelk. zeker.izolator izolować izolować izolował izolował izolował Izrael Izraelita ja jabłecznik jabłka itp) jabłko jabłoń jacht jad jad jadaczce jadalnia jadalny jadłospis jadowity (np. vergiftig. vast een beetje. die. isoleren isoleren. afpellen. jassen appel appelboom jacht vergiftigen. Israel Israelitisch mij. maar. vergeven virus bek. huren. me appelwijn. zo'n. wąż) jagnię jagoda jagodą jaja jajko jak jak żywy jaki jaki jest jaki jest jakie mają np. ofschoon. dat. wie. wat een of andere. al. enig gewis. dergelijke. welk Castor aannemen. dat. vergallen. bij wijze van. alleenstaand Israël. welke. afzonderen afzonderen. hoe. een of ander. muil eetzaal eetbaar kaart venijnig. giftig lamsvlees bes bes ei ei hoe hoe hetgeen. tot dusdanige. stellig. als. zulk een naar men zegt op de een of andere manier op de een of andere manier eigenschap eigenschap hoe . niettemin. aanwerven wat dan ook een of andere.

lumineus glanzend. greppel. inslikken duidelijk. kern pit. vurig. doorslikken. klaar aansteken. holte slikken. krocht. helder zwak. kuil.44 cm) jarmark jarosz jarski jarzeniowy jarzma jarzmo jarzmo (magneto wodu) jarzyna jarzyną jaskier jaskinia jaskinia (także inne ukryte miejsce jaskółce jaskółka jasno jasno jasno świecić jasny jasny jasny jasny jasny lekki światło Java jawnie jawny jawny jawor jazda jazda jazz jaźń ją jądro jądro jądro węzła jądro wieloprocesorowe aalmoes jenever. bazaar. het juk opleggen ketenen. lumineus. lichtjes. doorslikken. kuil Jamaica Japans Japan Japans Japans yard. verterend. aanmaken hel. boeien groente groente ranonkel grot spelonk. kern kern. aak. licht. grot. licht. vanzelf haar. markt. kern . hol. zijn pit. gracht. klare groef. ahorn oprit.jałmużna jałowcówce jałowcówka jama Jama Jamajka japonce Japonia Japończyk japoński jard jard (91. klare jenever. zwakjes. hun. gracht. doen ontbranden. ra marktplein. greppel groeve. vertoonbaar kaal. ra yard. rondweg aanwijsbaar. het juk opleggen aanspannen. open en bloot. groeve. groef. licht gloeiend. briljant hel. oprijlaan rijden jazz zelf. pit pit. klaar Java ronduit. inslikken slikken. verzendend briljant. kaalhoofdig esdoorn. glanzend. marktplaats vegetarisch vegetarisch neonaanspannen.

bos eenheid. unit eenheid. alleen. niettemin. eender. enkel. tenue eenheid. zeekant. hun. slechts. spijs. toch niettegenstaande. aaneenvoegen eendrachtig atoom-. louter eten. spijs. in weerwil van egaal. alleen. eendracht zijde. unit eenheid. bundel. tenue eensgezind. gerecht het zijne. hun. ze. stamelen. atomair naadloos uniform. in weerwil van men bijeenbrengen. samenhang. de zijne haar. zij zijde. zijn . etenswaar. maar enkel. enkel. stotteren struikelen stotteren. tenue eenzijdig eenheid. gerecht eten. stamelen. aan hun kust. eenparig ongehuwd. hakkelen. hakkelen aan ze. ongetrouwd jaarlijks uniform. hakkelen. aaneenvoegen bijeenbrengen. slechts. unit uniform. etenswaar. zij pas. tenue eenhoorn uniform. hakkelen stamelen. gelijk. stotteren stotteren. maar pas. zeekust motor men ongehuwd. kernstamelen.jądrowy jąkać się jąkać się jąkać się jąkanie się jąkanie się je jechać rozpędem jechać samochodem jeden jeden jeden z gatunków papug jedenaście jednak jednak jednakowy jednakże jedno jednocz jednoczyć jednoczył jednolity jednolity jednolity jednolity wzorzec półtonowy jednomyślny jednoosobowy jednoroczna (roślina) jednorodny jednorożec jednostajny jednostce jednostka jednostka alokacji jednostka zmiennoprzecinkowa jednostka żądająca jednostkowy jednostronny jedność jedwab jedwabny jedynie jedyny jedyny jedzenia jedzenie jego jego nucleair. ongetrouwd men elf echter. maar. kustlijn. gelijkmatig niettegenstaande. bloot. tenue uniform. unit wis.

eten. wanneer. als. van voren af aan. zeekust waterplas. najaarsvallen. meer kust. karren schaats. nogmaals. steunen. knabbelen twaalfuurtje. rijden. bikken. hun. neervallen. de hare hert mannetjeshert darm ingewanden darm vogellijm. afvallen. zuchten . appendix wervelkolom. storten as asgrauw kunst opnieuw. baan. ingeval tenzij indien. wanneer. ingeval braam braam stenen. maretak vogellijm. ruggegraat indien. vaccin. als. wielrijden aanhangsel. kustlijn. varen. als. wanneer. vreten knagen. lunch ontbijt maag indien. plas. ingeval entstof. meer fjord Jezus gaan. spin. plas.jej jej jeleń jeleń jelicie jelit jelito jemioła jemiołą jen enny jeniec Jerozolima jesień jesień jesion jesionowy jesteś (archaizm) jeszcze raz jeszcze raz jeszcze raz jeść jeść bardzo delikatnie jeść lunch jeść śniadanie jeść z apetytem jeśli jeśli jeśli w ogóle jeśli zostanie on później zmodyfikowany) jezdni jeziora jeziora) jezioro jezioro (po szkocku) Jezus jeździć jeździć na łyżwach jeździć na nartach jeździć na rowerze jeździec jeża) jeżeli jeżeli Jeżeli nie podano inaczej jeżyna jeżyną jęczeć jęczeć haar. route waterplas. nogmaals van voren af aan. kermen kermen. bijlage. maretak het volgende gevangene Jeruzalem herfst-. vaccine weg. zijn het hare. kreunen. ingeval tenzij indien. wanneer. zeekant. als. glijmiddel skiën fietsen. opnieuw nog gebruiken.

feeks feeksachtig stenen. kreunen. linguïst. joods Spaans Hollands Iers Litouws Lets Maltezer Duits Noors Jiddisch Perzisch lispelen Russisch Roemeens Slavisch Turks Hongaars Italiaans Zoeloetaal. furie. taalgeleerde taal-. spar jodium jodium yoga . zilverspar. zilverspar. HTML język programowania LISP język przetwarzania symboli język reguł język skryptowy język tablicowy język wewnętrzny komputera język wewnętrzny program maszynowy język zapytań język źródłowy język źródłowy język wyjściowy językoznawca językoznawczy jidisz jod jodlować jodlowanie jodła jodłą jodyna jodyną joga gerst helleveeg. haaibaai. zuchten tong taal tong Arabisch Keltisch Deens afdoen. kermen kermen. steunen. Zoeloe taal tong taalkundige. afhandelen Fins afwikkelen Frans Hebreeuws. taalkundig Jiddisch jodium jodelen jodelen den.jęczmień jędza jędzowaty jęk jęk jęzor język język język APT język CCL język do zastosowań naukowych język EML język EML język EML język FORTRAN dla programowania w czasie rzeczywistym język graficzny język graficzny język hebrajski język informacyjno-wyszukiwawczy język konwersacyjny język logiczny język makroasemblera język naturalny język niskiego poziomu język niskiego poziomu język oznaczeń np. spar den.

hut boog. tros kabel. aurora. hut taxi stulp. braaf. Zuid-Slavië Joegoslavisch Joegoslavisch flink. conditie . morgenrood Aurora morgenlicht. alvast. reeds. bewind. toog beurs. stuurtoestel Jozef juwelier jubileumjodendom Hebreeuws. joods Joegoslavië. dapper. beginnend Jupiter Jura jury arbiter. aurora. huurrijtuig. aapje stulp. geldbuidel eend bepaling.jogizm jogurt jota jowisz joystick józef jubiler jubileusz judaizm judejski Jugosławia jugosławią Jugosłowianin jugosłowiański junak junior Jupiter jurajski juror juror jury jurysta justować jutra jutro jutrzence jutrzence jutrzenka jutrzenka już k k <First In k <Keep It Simple kabaczek kabarecie kabaret kabel kabel okablować kabel (1/10 mili morskiej) kabel (elektryczny) kabina kabina kabina kierowcy (operatora) kabina pilota kabłąk kabzą kaczka kadencjach yoga yoghurt. ferm aankomend. alreeds heerschappij. bestuur vissen zoenen. Zuid-Slavië Joegoslavië. scheidsrechter jury jurist verontschuldigen morgen morgen Aurora morgenlicht. eerlijk. morgenrood al. tros kabel. joghurt jota Jupiter stuur. tros kabel. voorwaarde. kussen pompoen cabaret cabaret kabel. portemonnaie. tros vigilante.

tegel.kadencją kadłub kadłub (statku itp) kadłub statku kadr kadra kadrowanie kadzidło kadź kadź kadź kadź kafel kafelkować kaftan roboczy kaganiec kagańca Kair kajak kajdany kajuta kakao kakaowy kaktus kalafior kalambur kaleczyć kaleki kalendarium kalendarz kalendarzyk kalesony kalesony kalesony Kalifornia kalkulacja kalkulacją kalkulator kalkulator stołowy kalkulować kalkulować kalkulował kaloria kalorią kaloryfer kalosz kalwarią kał term. beschadigen. bak BTW teil plavuis. vatten staf schoorsteenmantel wierook bak. bodem. tegelsteen. kiel. tobbe. keutel . rekenen. gebrekkig kalender kalender dagboek. calculator rekenmachine. teil. bek Caïro. broek Californië rekenschap. bederven verminkt. berekenen calculeren. berekenen meten. romp. vakterm boomstam. inlijsten. tichel scheppen. kuip tobbe. Cairo plezierboot ijzeren stulp. creëren hes. rekening rekenschap. kuip. casco in een lijst zetten. boezeroen muil. bodem. stam scheepsromp. rekenen. rekening rekenmachine. drol. ontlasting. berekenen calorie calorie radiator overschoen Golgotha drek. hut cacao cacao cactus bloemkool woordspeling havenen. journaal onderbroek lang lange broek. calculator calculeren. pantalon. casco scheepsromp. romp. bek muil.

kanaal. camera Kameroen kamfer vrijmetselaar metselaar klei-. zinkput. kornuit Canada Canadees Canadees vaart. gracht neerdruipen. kameraad. edelgesteente. gezellig. Turkse staatsraad. innig. gracht. van klei kiezelsteen. aarden. gracht monteren. rustbank canapé sandwich kussen sandwich sandwich kanarie Canarisch kantoor kantig wal. wijk. van klei pilletje klei-. vaart. vest veldtocht. boord. aarden. kanaal. gracht divan. kiezel. wijk. steen klei-. kanaal. kiektoestel. makker. keisteen aanzetten mijlpaal mijlpaal edelsteen. camera intiem. zetten vaart. afdruipen cloaca. kiektoestel. afdruipen wijk. aarden. oever velg . kust. van klei hemd herenvest. van klei klei-. aarden. knus fototoestel. campagne maat. kant. aansluiten slobkous Cambodja kameleon fototoestel. riool neerdruipen.kałuża kamasz Kambodża kameleon kamera kameralny kamerą Kamerun kamfora kamieniarz kamieniarz kamieniarz kamienna kulka do gier kamienny kamień kamień do zapalniczki kamień kotłowy kamień milowy kamień milowy kamień młyński kamień żółciowy kamizelka kamizelka kampania kamracie Kanada kanadyjczyk kanadyjski kanalik kanalizacja kanalizacja kanalizacja (rzek) kanał kanał kanał transmisji danych kanał zwrotny kanapa kanapa kanapce kanapę kanapka kanapka (do jedzenia) kanarek kanarek kancelaria kanciasty kancie kancie zich aaneensluiten. kanaal vaart. wijk.

candela. onberekenbaar nukkig. troep. capsule. roer . apache kool gras kool straf. zich overgeven kapel. voorrijden huisje. kraam. veldprediker hoed Panama bokkesprongen maken kapitalist kapitalist aanzwellen kapitaal. druppelen schare. frauderen. volzin roer. nukkig. bestraffing frase. kapitein capituleren. onberekenbaar pet kapseltje. loods hardloper zoet. doosvrucht kapseltje. keet. geweer geweer. kroon. voornaamste captain. sollicitant. hopman. capsule. aanvrager verzoeker. menseneter cañon zwendelen. kaars kroonluchter. knoeien veldfles druipen. doosvrucht straatschuimer. oppassend kangoeroe kannibaal. verbeeldingskracht bizar grillig. rooien korporaal fantasie. zin. vermogen hoofd-. bende aalmoezenier. droppelen. grillig. muziekkapel omzet opgraven. aspirant verzoeker.kandela kandelabr kandydat kandydat do archiwizacji kandydat na stanowisko kandydował kandydował kandydowanie kandyzować kangur kanibal kanion kant kantyna kapać kapela kapelan kapelusz kapelusz słomkowy kaper kapitalista kapitaliście kapitalny kapitał kapitał bez odsetek kapitan kapitulować kaplica kaplicą kapotaż kapował kapral kaprys kapryśny kapryśny kapryśny kapsel kapsuła kapsułka kaptur kapusta kapuś kapuście kara kara śmierci karabin karabin karabin maszynowy kaarsensterkte. schuur. roer geweer. muziekkapel kapel. luchter kandidaat. aanvrager aanrijden.

vel boer. carburateur vermanen. voedingsmiddel carnaval discipline. uitglijden briefkaart blad. straffen botsing. herberg artisjok opduikelen. aanrijding karavaan karavaan straf. straffen karaf decanteren kakkerlak bestraffen. aanvaring. edelknaap pieper.karać karać karafka karafka karaluch karał karambol karawana karawaną karą karburator karcić karcie karczek karczma karczoch karczować karetka karetka kariera karierą kark kark karłowaty karm karmić karmidła karnawał karność karo (w kartach do gry) karoseria karp Karpaty karta karta karta(dziurkowana) kolejna(uzupełniająca informacje na kartach poprzedzających) karteluszce kartka kartka kartka zaginana od góry kartka żywnościowa kartofel karton kartoteka kartoteka kartoteka juist. aardappel kartonnen catalogiseren catalogiseren bestand. delven. ziekenauto. correct. loopbaan carrière. tucht diamant carrosserie karper Karpaten kaart charter. vel blad. aanmanen. opgraven. hals logement. ambulancewagen affuit carrière. dwergachtig voeden voeden voeding. dossier . voeder. vrachtcontract kaart slippen. manen. goed bestraffen. aansporen kaart nek. hals minuscuul. loopbaan nek nek. handvest. bestraffing vergasser. page. kost. rooien ambulance.

kashouder. niesen .karuzela karuzela karuzela (np. instrumentenbord. programy) zwolnić pamięć kasował kast kastrować kasyna kasyno kasyno kaszą kasze kaszel kaszka kaszleć kasztan katalizator stały katalog katalog katalog katalog bieżący (aktywny) katalog węzłów katalog zadań katalogował katar katar katar carrousel. met gom bestrijken afschaffen gommen. proesten. in het rond daaromheen. kardoes affaire. met gom bestrijken afgietsel. klaar gommen. muntmeester helm waterval afbestellen hel. kardoes patroon. kastanje contact hebben. korrel hoesten moes. brij. gegoten voorwerp snijden. kardoes cassette cassette patroon. draaimolen daaromheen. aangelegenheid. contact hebben met catalogiseren catalogiseren adresboek adresboek adresboek catalogiseren catalogiseren catarre koud niezen. licht. zweefmolen. dwergachtig fonds. kapitaal patroon. zaak. pit. eromheen. dwergachtig minuscuul. in het rond laakbaar minuscuul. korrel zaadkorrel. pit. ding dashboard. beschot kassier. ontmannen. dwergachtig minuscuul. castreren casino casino moes. pap zaadkorrel. pap hoesten paardekastanje. brij. eromheen. algorytm cykliczny w systemie operacyjnym) karygodny karzeł karzeł karzełek kasa (zapomogowa) kasecie) kaseta kaseta kaseta (do wkładania modułów sprzętowych) kaseta z taśmą magnetyczną kasetce kaseton kasjer kask kaskadą kasować kasować kasować kasować przełączać(np.

iedere. kwinkslag. elk. ramp. opkopen in bad doen. paard ruiterij. paardenvolk mop. paard in schaakspel. commanderen bevelen. paard in schaakspel. een of ander. hals. baden. kanselrede. baden. alleman elk. gevest.katastrofa katastrofa morska katastrofą katedra katedra (na uniwersytecie) katedra na uniwersytecie katedrą kategoria kategoria kategorią katolicki katolicki katolik katolik katusze Kaukaz kawa kawaler kawaler kawaler orderu kawaleria kawał kawałeczek kawałek kawałek kawałek murawy wyrwany przez kij golfowy w czasie uderzenia kawą kawiarni kawowy kawy) kazać kazać komuś czekać kazanie kazirodztwa kaźń każ każdy każdy każdy każdy każdy (człowiek) każdy człowiek wszyscy kącie kącie kąpać się kąpać się (w morzu kąpiel onheil. commanderen sermoen. al. iedere. catastrofe schipbreuk onheil. aanbieden een of andere. alleman iedere. ieder. veldboon bevelen. badkuip . incest kwellen. ieder. al. al. alleman. preek bloedschande. enig ieder. aanvoeren. ridder ridder. catastrofe kathedraal. paard in schaakspel. al. eethuis koffie tuinboon. handvat. al iedere. elk hoek accapareren. brok heft. dom categorie term. wassen bad. boon. brok beting koffie restauratie. paard ridder. pots. ieder. elk ieder. wassen in bad doen. grap fragment. alleman. grol. agonie Kaukasus koffie paard. vakterm categorie katholiek katholiek katholiek katholiek doodsangst. aanvoeren. dom departement departement kathedraal. alleman. knop fragment. martelen te koop aanbieden. elk. doodsstrijd. cavalerie. restaurant. ramp. iedere. koeioneren.

mennen de weg wijzen. indopen. kuifje. bedorven. verrot hart marktplein. kelk aperitief. borrel aperitief. beuling worst. knauwen. dirigeren. niesen een verband omleggen wanneer. bestuurder conducteur. wel eens. aansluiten happen. bestuurder stuurtoestel. proesten. toen eenmaal. miskelk. ontspruiten. bloemkelk. aanzetten niezen. als. pluk. marktplaats mennen. bazaar. soppen zich aaneensluiten. als. ontluiken ontkiemen. badkuip indompelen. eens. niesen niezen. croquant nevelig. ooit wanneer. toen eenmaal. proesten. stuur . beuling uitkomen. reguleren. aanvuren. kiemen erbarmelijk. richten. mondvol mondvol. kuif beting hap. richten. besturen reglementeren. markt. baden. borrel pudding worst. bestuurder conducteur. dirigeren. regelen besturen. bijten. eens. wassen bad.kąpiel kąpiel (w wannie) kąpiel odkażająca kąpieliska kąsać kąt kąt strat magnetycznych kątowy kciuk kelner kelnerce kelnerka kernel kędzierzawe (włosy) kędzierzawy kępka kęs kęs kęs kibic kichać kichnięcie kiecce kiedy kiedy (w pytaniach) kiedy indziej kiedykolwiek kielich kieliszeczek kieliszek do brandy kiełbasa kiełbasa kiełbasą kiełek kiełkował kiepski kiepski kier (w kartach do gry) kiermasz kierować kierować kierować bezpośredni kierować (<sth> czymś) kierował kierowca kierowca zmiennik kierowcą kierownica in bad doen. dirigeren. richten. bos. ooit beker. besturen conducteur. dot. beklagenswaardig rot. hap aanwakkeren. wel eens. heiig. leiden mennen. beitsen hoek accapareren. dampig. geleiden. mistig bosje. opkopen kantig duim kelner serveerster serveerster pessimist knapperig.

menigvoudig. menigvuldig kilo. echtelieden weinig een beetje. klas . aanwijzing zak zak staf. kleefstof aanplakken hoorn accolade vasthaken geslacht. klasse. misgrijpen kiel echtpaar. bundel luit geheel. kleefmiddel. koers. koers. Schotse rok kimono kimono bioscoop. aanhangen kikkervisje missen. enigszins. film bioscoop. leiding. totaal. lel smakken stand. richting consigne. knikken lijm.kierownictwo kierownik kierunek kierunek kierunek wsteczny złącza p-n kierunkach kieszeń kieszeń dysku kij kij od miotły kijanka kiks kil kilka kilka kilka kilka razy kilku kilo kilof kilof kilometr kilt kimona kimono kina kinematografia kino kiosk kir kiszka kiść kit kitel kiwać kiwnąć głową kiwnięcie kiwnięcie odarzy klajster klajster klakson klamra klamra klan klapą klaps klaps klasa administratiekantoor bestuurder. mislopen. stam afgang draai om de oren. vastkleven. knikken ja knikken. knikken ja knikken. leiding. kilogram schoffel knabbelen. kit. cinema box rouw darm bos. stok kleven. beheerder. wis. algeheel ja knikken. cinema rolprent. afkluiven kilometer kilt. oorveeg. richting polis richtlijn. instructie. knikken ja knikken. administrateur richtlijn. een weinig weinig verschillend. volksstam.

klasse. neuken toonschaal. godlasteren ketteren. smet. bepaling conditie. boezem kooi opgang. vloeken ketteren. kleverig edelgesteente. mannenklooster kooi kooi borst. kleefstof tandvlees moes. kit. klassiek klassikaal. steen klak. indelen classificeren. godlasteren. toonladder. kleefmiddel. klassiek klassikaal. edelsteen edelsteen. kit. steen. mop. scala naaien.klasa zaprzyjaźniona klaser klaskać klaskać klaskać chodowa klaster klasy podstawowej klasyce klasyce klasyczny klasyczny klasyczny klasyfikować klasyfikować klasyfikował klasyfikwać klasyk klasyk klasztor klatce klatka klatka na sekundę klatka schodowa klatka schodowa klauzula klauzula klawiatura klawiaturą klawisz klawisz (strażnik więzienny) klawisz znakowy kląć klął klątwą klechdą kleić kleić kleik kleisty klej klej klejenie klejnot klejnot klejnoty kleks klepać klepanie stand. voorwaarde. trap voorwaarde. bundel. klassiek klassikaal. bos basisklassikaal. kleverig lijm. clausule. aard classificeren. klavier toonschaal. godlasteren mythe lijm. plek. vloeken. applaudisseren adhesie betuigen. klassiek klassikaal. edelgesteente. kleefmiddel. indelen soort. scala ketteren. klad. indelen klassikaal. slag. klas schede. pap plakkerig. klassiek orthodox. brij. houder toejuichen. vloeken. applaudisseren wis. klassiek klooster. klavier toetsenbord. toonladder. kleefstof tandvlees plakkerig. edelgesteente. rechtzinnig classificeren. foedraal. steen edelsteen. moet tikken tikken . bij acclamatie benoemen adhesie betuigen. bepaling toetsenbord.

kliek. toonladder. toonladder. schroefsleutel toonschaal. hachelijk toonschaal. paljas. kletteren. ahorn kap. toonladder. koper. scala . troep klant. klappen klikken. cliënt. klakken. scala kritiek. air-conditioning air-conditioned een wig slaan. schroefsleutel moersleutel. scala toonschaal. een wig steken een wig slaan. pal. lampekap clown. vastzetten esdoorn. sociëteit klaveren toonschaal. toonladder. kletteren. verbruiker afnemer. aak. een wig steken kliniek kliniek een wig slaan. gebruiker. sociëteit club. klappen klimaat klimaat klimaatsairco. schaar knielen knielen knielen geeuwhonger nederlaag kongsi. scala toonschaal. toonladder. klip klikken. schroefsleutel moersleutel. koper. pias club. scala moersleutel. schroefsleutel sleutel moersleutel. koper. pal. toonladder. scala toonschaal. afnemer klant. een wig steken blokkeren. scala toonschaal. afnemer consument. kliek. klakken. klakken. klant klant.kleszcz kleszcze klęcz klęczeć klękać klęska głodu klęska żywiołowa klice klient klient klient klient korporacyjny klient sieciowy klif klik klika kliknąć kliknąć prawym przyciskiem myszy klimacie klimat klimatyczny klimatyzacja klimatyzowany klin klin (podkładany pod koło) klinice klinika klinować kloc klon klosz klown klub klub studentek uniwersytetu klubach klucz klucz klucz klucz (do śrub) klucz (elektronowy) klucz mieszający klucz nadrzędny klucz wspólny klucz zabezpieczenia pamięci klucz zewnętrzny klucz złożony kluczowy kluczowy teek knijper. troep klikken. klappen kongsi. toonladder. kletteren. afnemer klif.

draven herberg. gelid. dispuut lul. lampepit. krakelen kwestie. slim pijnlijk. snikkel. geliefde. ruzie maken. bar. lastig. keteldal ketel . houden van. verdriet. stoomketel ketel. storend smal. storen. lastig. determineren bezwaar. pit. kookketel. eng. waterketel. prikken. jongeheer pikken. glazuren. nauw oor kwestie. glanzen met nadruk zeggen. twist. dispuut kijven. liefhebben vriendin. leuter. bos kousje. brilslang deken. twist. strijd. pit. draven dribbelen. liefje geacht. lid. houden van. twist. geleding. strijd. hinderen moeilijk. priemen. strijd. steken dribbelen. liefhebben aanhalig aanhalig beminnen. uitspanning gewricht. lont vrouwelijk wijfje. schroefsleutel liggen liggen liggen aanspannen verglazen. café moppen tappen moppen tappen woud. pik. knoop drenkplaats. lont kousje. lieveling. benadrukken kwestie. lampepit. lieverd. gezien katje katje ketel. leed nauwkeurig bepalen. hinderlijk. vrijster. dispuut smart. strubbeling. kiften. dek beminnen. minnares schat. vrouwtje vrouw cobra.kluczowy kłamać kłamstwa kłamstwo kłaść kłaść glazurę kłaść nacisk kłocić się kłopot kłopot kłopot kłopotać się kłopotliwy kłopotliwy kłopoty kłos kłócić się kłótni kłótnia kłuć kłuć kłus kłusować knajpa knajpą knajpą knebel kneblować kniei knocie knot kobiecy kobieta kobieta kobra koc kochać kochajacy kochający kocham kochanek kochany kochany kociak kocię kocioł kocioł kocioł moersleutel. bekrompen. moeilijkheid belemmeren. krap.

snikkel. enig. snikkel. bestemmen wieg . wie d'r een of ander. verzekeren jongeheer. hakken code houwen. aanhangsel. waarvan. gevolg kinderbed zich aaneensluiten. nomadisch benoeming. rondreizen rondtrekkend. avondeten knie elleboog knie veldfles veldfles wervelkolom. wie z'n. rondtrekken. toog cocon cacao klapper. trekpot trekken. pik. trekkend. kokosnoot cocktail avondmaal. aansluiten coyote. een of andere betuigen. appendix codificeren codificeren welks. leuter haan jongeheer. avondeten avondmaal. pik. naaktslak houwen. kappen. prairiewolf cocaïne cocaïne boog. leuter haan consequentie. kappen. klappernoot. spin.kociołek kociołek koczował koczowniczy koczowniczy koczownik kod kod (program) zakodować kod generujący numer strony podczas wydruku kod przerobić jądro Linuksa kod zakodować kod) przerobić (jądro Linuksa) kodeks kodocyl kodować kodował kogo kogoś kogoś o czymś kogucie kogucie kogut kogut koherencja koja kojarzyć kojot kokaina kokainą kokarda kokon kokos kokos koktail kolacja kolacją kolana kolanko (hydrauliczne) kolano Kolba kolbą kolca kolce kolczudze kolczyk kolczykować kolebka ketel theepot. lul. hakken code bijlage. nomade code code slak. posterijen oorring uittrekken. migrerend zwervend. lul. ruggegraat steek post.

maat spoor. steunpilaar. samen ambtgenoot. aanvaring. schare. co-. gemeenschappelijk collectief. accoord. pilaar. steunpilaar. anders maken wisselend. colonne kolom. kornuit. kudde.kolec kolec świdra centrującego kolega kolega kolega szkolny kolega z klasy kolegium kolego! kolei kolei koleina kolej kolej jednoszynowa kolej linowa kolejce kolejce kolejka pocztowa kolejny kolejny kolejny kolejny kolekcja kolekcja zbiór zbieranie informacji kolekcją kolekcjonować kolektyw kolektywny koleżeński kolizja kolonia Kolonia kolonia kolonialny kolonią kolor tła kolosalny kolportaż kolportować kolumna kolumna wyświetlana (w grafice komputerowej) kolumną koła kołatka kołatka (do drzwi) kołatka do drzwi kołdra kołdra pikowana doorn doorn ambtgenoot. opvallen slaan. volksplanting akkoord. gemeenschappelijk voorkomend. steunpilaar. nederzetting. innen. pilaar. opvallen stikken stikken . kudde. drift hoop. aanrijding Keulen kolonie. aardig. pilaar. nuancering geweldig. uitreiking havik kolom. groep. schare. afwisselend hoop. kameraad. klappen. drift hoop. kolossaal. klappen. inzamelen collectief. colonne kring. spoorweg routine. sleur spoor. volksplanting schakering. klappen. ontzaglijk verdeling. nuance. cirkel slaan. spoorweg spoor. groep. kloppen. kloppen. collega paren college makker. veranderlijk. spoorweg spoor. colonne kolom. spoorweg ronde gevolg metro afwisselend ander veranderen. collega aaneen. kloppen. drift collecteren. samen-. spoorweg spoor. aaneen-. schare. lief. vriendelijk botsing. opvallen slaan. overeenstemming koloniaal kolonie. nederzetting. groep. kudde.

koopmanschap. cirkel circulaire. combinatie zich aaneensluiten. gemak. combinatie verbinding. rad hijsblok. commentaar leveren op bevatten. commentaar leveren op annoteren. slingeren wiegelied. doen schommelen zwiepen. katrol. schijf wiel. rad kring.kołdrą kołek kołek falowodowy kołnierz kołnierz kołnierz golfowy koło koło koło koło zakreślić okrąg koło celowania (na ekranie dla pióra świetlnego) koło wodne koło zamachowe kołowy kołpak kołysać kołysać (się) kołysać się kołysać się kołysance kołysanka kołysce kołyska komar komar komą kombinacja kombinacja klawiszy kombinacją kombinat kombinat kombinezon kombinezon kombinować komedia komedią komenda komendant komenderować komentarz komentarz komentarz komentarz opisowy komentować komentować komercyjny komforcie stikken borrel. mug muskiet komma verbinding. aanvoeren. commandant bevelen. boord. komedie blijspel. rondschrijven pet wieg opgooien. slaaplied wieg wieg steekmug. halsboord kring. comfort . aperitief kraag. cirkel hijsblok. aansluiten samenvoegen. combineren blijspel. komedie bevelen. commanderen aanvoerder. boord. aanvoeren. aperitief borrel. boezeroen. halsboord nek. behelzen handel. blok. totaal. slaaplied wiegelied. schijf reddingsgordel wiel. verbinden. zwaaien. commentaar leveren op nabeschouwing annoteren. inhouden. gooien balanceren. algeheel kiel. zwieren. hes samenvoegen. combineren geheel. nering gerief. commentaar annoteren. combinatie verbinding. hals kraag. commanderen aantekening. katrol. blok. verbinden.

kamer branche. komisch. kachelpijp ophopen. opdracht. verduwen. cel. kamer ladenkast. ingewikkeld maken . opdracht. cel. handelsfirma. commode commodore lokaal.komfortowy komiczny komiczny komin komin komin komin komin (statku kominek komisariat komisarz komisja komisją komitet komitet doradczy komiwojażer komnata komodą komodor komora komorą komorne komórka komórka znakowa kompania kompas kompatybilny kompendium kompensacja kompensacja temperaturowa kompensacją kompensować kompetentny kompilacja kompilacją kompilator kompilować kompilować zestawiać kompilował kompleks komplement komplet kompletnie kompletny komplikacja komplikować komplikować komplikował geriefelijk. opeenhopen. koddig. vergelding beloning. loon. kerker cachot. beschot comité reiziger lokaal. beletsel. kachelpijp schoorsteen. volkomen. samenstellen compileren. volledig hindernis. goedmaken competent. instrumentenbord. ingewikkeld compliceren. komisch. vertrek. digereren beloning. bevoegd verzamelwerk. compenseren. deskundig. gecommitteerde commissie. vergelding vergoeden. accumuleren schrijden trechter haardstede. kerker firma. schouw politiepost. boodschap commissie. schoorsteen. afdeling huur cachot. compilatie compiler compileren. tak. loon. politiebureau lasthebber. hinderpaal compliceren. handelshuis kompas congruent verteren. compilatie verzamelwerk. vergelding beloning. koddig schoorsteen. grappig grappig. totaliter compleet. boodschap dashboard. samenstellen compileren. moppig. loon. ingewikkeld maken gecompliceerd. samenstellen complex. gemakkelijk. comfortabel moppig. vertrek. vak. samengesteld complimenteren emmer heel.

ingewikkeld tuinboon. verenigingsorgaan bericht. naaf dik. plooien samenstellen. meedelen. aflevering. boodschap aanspreekbaar aandienen. mededelen communist communist communisme een of ander. veldboon samenstellen. katern schrift. begrip opvatting. meedelen. verkondiging communiqué communiqué communiqué bulletin. componeren omvouwen. overschakelen doodgaan. aftakking lid. adverteren berichten. thema. lidmaat bus.komplikował komponent skrośny komponować komponować komponował komponując kompozycja kompozycja pulpitu kompozycją kompozytor kompres kompresować kompromitacja komprymować komputer komputer notatnikowy komputer podręczny komputer programisty komunia komunią komunikacie komunikacja światłowodowa komunikacja w tle komunikacją komunikat komunikat komunikatywny komunikować komunikować (się) komunikować się komunikował komunista komuniście komunizm komuś komutować konać konar konar konar konar koncentrator zespołu koncentrował koncepcie koncepcja koncepcja koncept koncercie gecompliceerd. een of andere. tak tak. stof. aflevering. sterven bewapenen. katern machine communie communie aankondiging. gebonden opvatting. zetting toondicht. aankondigen. vouwen. compositie toondichter. omschakelen. begrip begrip opvatting. apropos toondicht. componeren montage. componist comprimeren comprimeren foei comprimeren computer schrift. begrip concert . enig omleggen. wapenen aftakking. mededelen spreken. overlijden. toonzetting. praten berichten. boon. compositie onderwerp. toonzetting. dicht.

brandy brandy. bepaling samenhang. koniuszek koniuszy konkluzja konkretny concerto samenvoegen. ah. cognac klaver klaver klaver schaduwen uiterste deel. Congo congres vuurwater. combineren aangelegenheid. de wacht hebben. uiteinde aantikken noodzaak. belang concert concerto rekening. verbinden. verbinding bondsstaat. brandewijn.koncercie koncern koncern koncert koncert koncie kondensować mały kondolencje kondom konduktor konduktor kondycja koneksja konfederacja konfederacją konfenansjer konferansjer konferencja konferencja prasowa konferencją konfiskować konfiskował konfitura konflikcie konflikt konflikt sprzętowy konflikt związany z dzieleniem zasobów konfrontować konfrontował Kongo kongres koniak koniak koniczyna koniczyna biała koniczyną koniec koniec zapisu koniec zbioru danych konieczność konieczny konik polny koniunkcja koniunkcja (zob. confederatie omroepster omroepster conferentie conferentie conferentie in beslag nemen. aanvaring. conto compact. confederatie bondsstaat. marmelade conflict conflict botsing. benodigd sprinkhaan conjunctie oh. dicht condoleantie. gevolgtrekking beton . einde. bestuurder bewaken. aanrijding conflict het hoofd bieden het hoofd bieden Kongo. confisqueren in beslag nemen. voorwaarde. moes. noodzakelijkheid nodig. bewaren conditie. och. rouwbeklag kapotje. ach stortplaats bruidegom. stalknecht conclusie. condoom conducteur. confisqueren jam.

ontstellen. constitutioneel consul consulaat consulaat . inleggen behouden. konfijten. wedijveren. nietje vertroosten. constitutie grondwet. vakbond komplot. soortelijk bijvrouw wedijver meedingen. inleggen behoudend. bergen. haakje. onthutsen metselwerk aannemer. betogen. konfijten. samenzweren consternatie. effectief specifiek. troosten linker consonant. klamp. troosten kramp. bewaren haakjes vertroosten. medeklinker syndicaat. ontsteltenis ontzetten. argumenteren inmaken.konkretny konkretny konkretny konkubiną konkurencja konkurować konkurs konkurs konsekwencja konsekwencją konsekwencją konsekwentny konserwa konserwatysta konserwatywny konserwować konserwować konserwować (sprzęt) pielęgnować (oprogramowanie) opiekować się (projektem) konserwował konsol konsola konsola zdalna konsolą konsolą konsolidator konsonant konsorcjum konspiracja konspiratorstwa konspirować konspirował konsternacja konsternacja konsternacją konsternacją konstrukcje z kamienia konstruktor typu konstruować konstruowanie wspomagane komputerowo konstytucja konstytucją konstytucyjny konsul konsulacie konsulat afzonderlijk. samenspanning komplot. evolutie grondwet. onthutsen consternatie. gevolg consequent inmaken. ontsteltenis ontzetten. gevolg consequentie. concurreren wedijver match. ontstellen. construeren. aanleggen ontwikkeling. werkelijk. concours consequentie. samenspanning samenspannen. conservatief behoudend. bergen. bouwondernemer bouwen. gevolg consequentie. bewaren behouden. samenzweren samenspannen. troosten vertroosten. wedstrijd. conservatief vertogen. constitutie grondwettelijk. afgezonderd daadwerkelijk. vakvereniging.

contrasteren afsteken. etui. controleren heerschappij. consulteren consument. krik contact hebben. examen controleur. foedraal. supervisor. contract verbintenis. doos. controleren pariteit voorschrift reglement bedwingen. gevolg contact hebben. bestuur onderzoek. krik vijzel. bestuur checken. verbruiker slopen. koker rekening. foedraal. schouwing. aflezen. contact hebben met gietvorm. contrabande smokkelwaar. opzichter conducteur. etui. koker pot. contrasteren afsteken. dommekracht. consulteren raadplegen. gebruiker. controleur. bestuurder damspel . aannemer bouwondernemer. gebruiker. contact hebben met vijzel. consultatie consult. tuberculose longtering. beteugelen schouw. consumeren slopen. conto rekening. verbruiker consument. betomen. tering. inspectie heerschappij.konsultacja konsultacją konsultować konsultował konsumencie konsument konsumować konsumował konsumpcja konsumpcją konsystencja kontakcie kontakt kontakt metal-półprzewodnik kontakt omowy kontekscie kontemplacyjny kontener kontener (złożona struktura danych realizowana jako klasa w programowaniu obiektowym) konto konto w banku kontrabanda kontrabandą kontrahencie kontrahent kontrakcie kontrakt kontralt kontrascie kontrast kontrast na poziomie szczegółów kontrastować kontrola kontrola kontrola jakości produkcji kontrola parzystości kontrola programowa kontrola programowana kontrola zapisu (atrybut pliku) kontrola zgodności typów kontrolą kontrolą kontroler kontroler kontroler kontrolerach consult. bak. matrijs nadenkend pot. doos. conto smokkelwaar. contract tweede alt afsteken. bak. dommekracht. keuring. bewind. aannemer verbintenis. consultatie raadplegen. matrix. aflezen. verbruiken. tering. bewind. consumeren longtering. contrasteren afsteken. contrabande bouwondernemer. tuberculose consequentie. opzichter supervisor. verbruiken. contrasteren checken.

kramp stuiptrekking. werelddeel continent. vervolg aanhouden te werk gaan aanhouden te werk gaan congres congres congres onderhoud. gesprek begeleiding. uiteindelijk aanhechting uitgang. ros paardekracht paardekracht uiterste deel. gesprek onderhoud. vasteland continent. inspecteren bedwingen. kramp paard. bestuur inspectie houden. keuring. plassertje. uiteinde terminal kegel stortplaats afhandelen. eventueel finaal. werelddeel. voortzetting. beëindigen. einde. bestuur controverse. betomen. beteugelen heerschappij. afsluiten aantikken uiterste deel. vervolg bestendiging. pennestrijd. afdoen aantikken afmaken. gebeurlijk eventueel. bewind. stuip. uiteinde terminal uiterste deel. einde. gebeurlijk bestendiging. vasteland eventueel. omtrek continent. accompagnement begeleiding. afwikkelen. voortzetting. stuip. einde. vasteland. uiteinde aantikken piemel. bewind. pennestrijd. polemiek controverse.kontrolny system komputerowy kontrolować kontrolować kontrolować poprawność kontrolowanie kontrowersja kontrowersją kontur kontynencie kontynent kontynent kontyngencie kontyngent kontynuacja kontynuacją kontynuować kontynuować kontynuował kontynuował konwenans konwenanse konwencją konwersacja konwersacja podstawowa konwojent konwój konwulsja konwulsją koń koń mechaniczny koń parowy końca końcowy końcowy test po montażu końcówce końcówce końcówce końcówka końcówka końcówka typu J końcówka typu J kończ kończyć (się) kończyć (się) kończyć koniec kończyć się kończyć się kończyć się examen. werelddeel. onderzoek heerschappij. polemiek omlijning. plasser . accompagnement stuiptrekking. uiteinde gebeurlijk.

het mijne scheppen. een backup maken van exemplaar. trappen schoppen. enveloppe couvert. opeenhopen. aantasten. schors Korea Koreaans Koreaans kurk prop. enveloppe couvert. enveloppe exemplaar. envelop. multipliceren schoppen. trappen koepel koepel koepel hoef boomschors. onderwijzen corresponderen corresponderen kurketrekker spinnen corroderen. stop. stop. lidmaat samenwerken. accumuleren Assepoester Kopenhagen couvert. multipliceren exemplaar. bijten . opscheppen ophopen. afdruk verveelvoudigen. plug. envelop. schors kraal Koran boomschors. beëindigen. afsluiten lid. stopmiddel drukproef opvoeden. envelop. meewerken bijeenschakelen. afdruk exemplaar.kończyć się szpiczasto kończyna kooperował koordynować koordynował kopać kopalnia kopalnia węgla koparka kopą Kopciuszek Kopenhaga koperta koperta bezpieczeństwa koperta zabezpieczająca kopia kopia rezerwowa kopia zapasowa kopiować kopiować awaryjnie (zawartość pamięci) kopiować egzemplarz kopiować tablicę bitów kopiował kopnąć kopniak kopnięcie kopuła kopuła kopułą kopycie kora koralik Koran korą Korea Koreańczyk koreański korek korek korek uliczny korek uliczny korekta korepetytor korespondować korespondował korkociąg korkociąg korodować afmaken. stekker. plug. afdruk verveelvoudigen. trappen de mijne. coördineren bijeenschakelen. het mijne de mijne. trappen schoppen. coördineren schoppen. stekker. afdruk exemplaar. stopmiddel kurk prop. afdruk een backup maken.

vrijen. keet kazerne aanklacht. buit. trog. korf. prooi merel. barak. bak juist. kronen kant kant kant bekronen. ruimtevaarder aan de grond lopen. gieteling zeis zeis maaien astronaut. aanwinst. overloop. loods. goed baan. dobbelsteen. toepassing goedgezind. drenkbak. drenkbak. scharrelen krib. aanwerven acquest. corporatie. wortel schieten aanslaan. eetbak. gilde Corsica het hof maken. dracht. mand ben. kronen bekroning. costuum badpak enkel banshee ben. correct. trog. gang. huren. gracht krib. incubus afgrijselijk nachtmerrieachtig kosten . slof. beschuldiging onkosten. nachtduivel.korona korona (słoneczna) koronacja koronacją koroną koronce koronka koronka (na karcie dziurkowanej) koronować korporacja Korsyka kort korycie korygować korytarz korytko koryto korzeń korzeń palowy korzystać korzystny korzyści) korzyść korzyść korzyść korzyść kos kosa kosą kosić kosmonauta kosmyk kostce kostce kostium kostium kąpielowy kostka kostuchą kosz kosz na śmieci koszary koszary koszcie koszcie koszmar koszmarny koszmarny koszt bekronen. kronen bekronen. kanaal. voordeel pré. eetbak. stranden enkel derde macht. voordeel aannemen. slof. gewaad. korf. mand schuur. gunstig aftappen pré. kroning bekroning. toegenegen. wijk. blok klederdracht. bak aanslaan. kosten angstdroom. kronen vakvereniging. kroning bekronen. rijstrook vaart. wortel schieten aanwending.

vulva fijnhakken ribstuk. kaak kattekop overgordijn. kotelet.koszt koszt własny kosztach kosztorys kosztowny kosztowny koszula koszula (męska) koszula nocna koszula nocna (męska) koszulą koszyk koszykówce koszykówka koś kości do gry kościelny kościelny kościół kościół kość kość kość słoniowa kość szczękowa kot kotara kotek kotek kotlecie kotlecie kotlet kotlina kotwica kotwica (telegraficzna) kotwiczenie kowadełko kowadła kowadło kowal kowboj koza Koziorożec Koziorożec (gwiazdozbiór) kozodój koźla skóra koźlę kożuch kółka onkosten. waard overhemd overhemd nachtjapon nachthemd overhemd ben. aanbeeld aambeeld. nachtzwaluw een geintje maken een geintje maken dierevel. kosten onkosten. uitgaaf schatten. bok Steenbok Steenbok geitenmelker. knok. geit. cilinder . aanbeeld aambeeld. aanbeeld smid. vel. geestelijk kerk bedehuis. doek katje kut. gordijn. scherm. rib vallei. pels. dierbaar. huid. vacht rol. kostbaar kostbaar. karbonade. lief. rib ribstuk. kosten vertering. besteding. slof. dal anker anker anker aambeeld. begroten. been fijnhakken ivoorkleurig. ivoren kakement. waarderen. korf. taxeren waardevol. kerkgebouw schonk. duur. karbonade. kotelet. kerk. bot. mand basketball basketball maaien fijnhakken kerk kerkelijk. ijzersmid cowboy sik.

gebied spoel. gebied. cirkel spoel. ontvreemding aan land gaan. bobine schijf. tapkraan aanboren uiterst. haardstede traliehek. rondgaan duivelskunstenaar. honen aanfluiting aanfluiting krab geknars. ergst. regio platteland. spotten. omgeving. kruisen circuleren. extreem. riool kleren maken kleren maken kring. zinkput. sfeer. circulatie. stropdas stropdas. bolletje. aangespen. discus. hek. verdonkeremanen sluipen open haard. kadet omloop. kadetje. haard. rooster das. klos. gekras krassen diefstal. ergst. streek. extreem. bovenmatig gnoom. landen gewest. honen bespotten. afrastering. bol. inheems.kółko samonastawne (takie kpi kpiarz kpić kpienie kpiną kpiny krab kracie kracz kradzież krainą krainą kraj krajać krajobraz krajobraz krajowy krajowy krakać kraksą kran kran kraniec krańcowo krańcowy krasnoludek krasomówstwo kraść kraść krata kratce krawat krawat krawca krawiec krawiec męski krąg krąg Krąg krąg cewka krążek krążek krążenie krążyć krążyć krążyć (po wodzie) kreator Castor gorden. bobine kloot. tovenaar . in omloop zijn. roulatie circuleren. grammofoonplaat. plaat broodje. rederijkerskunst achteroverdrukken. das cloaca. uithouwen landschap landschap binnenlands. accident. bovenmatig allemachtig uiterst. open veld beeldhouwen. omgorden plagen bespotten. inlands ingeboren. uithakken. rondgaan kruisen (van schip). klos. ongeval kraan. in omloop zijn. aangorden. tap. spotten. aardmannetje retoriek. aangeboren krassen ongeluk.

stappen. ruggegraat schrijden beeldhouwen. beknotten vislijn. filet kroniek kroniek chroniqueur. spikkel. snede. plak. stappen. sim. filet moot. spits logeren punt. tegoed. hengelsnoer aanhalen. treden. spikkel. begrenzen. krediet. oog . strelen. lopen lopen. top. schrijden lopen. treden. conto creditzijde. snede.kreatura krecie kreda kredą kredens kredens kredyt kredyt kredyt wyraz uznania krem krem do golenia kremacja kremacją kremować (spalać martwe ciało) kres kresce kreska kreska ukośna kreślak kret Kreta krew krewetce krewetka krewny krewny kręgle kręgosłup krocz kroi krok krok krok iteracji krok w bok krokodyl krokus kromce kromka kronice kronika kronikarz kropce kropce kropka kropka kropka dziesiętna kropka pozycyjna kropka znak interpunkcyjny wezen mol krijt krijt kast kast rekening. spikkel. punt. uithakken. schrijden lopen. schrijden krokodillen krokus moot. treden. stip. punt. piek. krediet. omgang. verassing cremeren. spin. verassen beperken. piek. crematie. familielid bowling wervelkolom. top. credit creditzijde. plak. verassing lijkverbranding. crematie. aaien afkraken hok mol Kreta bloed garnaal garnaal betrekking. schrijden. oog punt. uithouwen treden. tijdvak neus. schijf. oog periode. snoer. stappen. tegoed. stip. credit vla vla lijkverbranding. stip. verband verwant. spits punt. schijf. kroniekschrijver neus. tip. liefkozen. tip. stappen.

spikkel. pukkel puistje. croquant knapperig. bijziend kippig. waterdruppel druppel.) krtań kruchy kruchy krucyfiks kruczy kruk kruszyć kruszyć się krwawić krwawy krwawy krwiożerczy krwisty krykiet Krym punt. blozend moordziek. croquant crucifix. kort slip. koninklijk vorstelijk. heerschappij. jonkvrouw bestuur. staat plechtstatig.kropkować kropla kropla w morzu kroplą kroplówka krosno krosno krosta kroście krowa krową krój król królestwa królestwo królestwo królewski królewski królewski króliczek królik królik królowa królować królową krótki krótki krótki krótki krótki opis programu krótkie streszczenie krótkowzroczny krótkowzroczny (dosł. moordlustig zeldzaam. afgetrokken kippig. stip. kriek Krim . waterdruppel druppel. kruisbeeld raaf raaf kruimel. kortzichtig. draaischijf weefgetouw puistje. jonkvrouw kortstondig. statig. bloedend rood. slipje kort korte broek. aderlaten bloedig. broodkruimel kruimel. vrouw. broodkruimel bloed aftappen. ongemeen. vrouw koninkrijk koninkrijk rijk. broek kort abstract. kortzichtig. koninklijk konijntje konijntje konijn lady. droppelen. druppelen draaibank. waterdruppel druipen. kniebroek. bijziend strottehoofd knapperig. dam. majestueus vorstelijk. schaars krekel. oog druppel. i w przen. bewind lady. dam. pukkel koe koe knippatroon. lady. jonkvrouw. vrouw. patroon dam.

verwonding onjuist. aanmerking beoordelen. kritiek. vrouwenrok kristalhelder. aanmerking kritiek. curve kromme. joelen luidruchtig. kiezel. hachelijk beoordeling. kristallen kristalhelder. kwetsuur. foutief. geestelijke. jus kiezelsteen. struik struik. kristallen kristalhelder. snood. sop. wond. doorbuigen kruisen. lawaaierig snibbig. kritiek. over elkaar slaan kruisen. potig. crimineel rok. over elkaar slaan fotokopie xerografisch pastoor. pastor . zwembad beoordeling. ferm zorgenstoel. bestelwagen zweminrichting. wond. bocht. curve blessure. hecht. verwonding kwetsen. schreeuwen. rumoerig. roepen. verkeerd nadelig kwetsen. joelen gieren. kwetsuur. fors. letsel toebrengen blessure. gammel. kritiseren. aftands ombuigen. heester afkeuren saus. keuren crisis harig. bocht. over elkaar slaan frustreren kruisen. bits kromme. roepen. ruig. letsel toebrengen bouwvallig. keisteen robuust. ruigharig heester. kristallen bestelauto.kryminalny krynolina kryształ kryształ o sieci regularnej płaskocentrycznej kryształowy kryta ciężarówka kryty basen krytycyzm krytyczny krytyka krytykować kryzys krzaczaaste (brwi) krzak krzak krzcie krzem na szafirze (struktura) krzemień krzepki krzesło krzesło krzesło bujane krzesło bujanes lub wyłącznik biegunowy krześle krzew krzewy) krzyczeć krzyk krzykliwy krzykliwy krzywa zdyskretyzowana krzywą krzywda krzywdą krzywdą krzywdą krzywdzenie krzywdzić krzywiczny krzywić krzyż krzyżak krzyżować krzyżować się kserografia kserograficzny ksiądz misdadig. armstoel stoel stoel struik. buigen. heester snoeien gieren. armstoel stoel zorgenstoel. schreeuwen.

welk hetwelk. die ouderloos aan. welke. voor. dat. aangaan formeren. enig. vorst boek adresboek adresboek paperback. vormen. enig aanwezige hetwelk. welke. aangaan vormen. enig enig. brochure boek paperback. een of ander een of ander. welke. vormen. vorst boekje. lunair maan-. welk hetwelk. naar noorden noorden . prinses koningsdochter. bibliotheek koningsdochter. wie. een of andere een of ander. ingenaaid boek. boekenwinkel boekhandelaar boekhoudkundige. libretto. wie. die een of ander. brochure boek aangeven boekwinkel. een of andere enig. tegen. een of ander een of ander. aangaan formeren. dat. welk. grootbrengen instrueren formeren.książce książe książeczka książeczka czekowa książę książę książka książka adresowa książka kucharska książka telefoniczna książka w papierowej okładce książka w papierowej okładce książkowy księga księgarnia księgarz księgowego księgowość księgowość księgowy księgozbiór księżna księżniczka księżyc księżycowy księżycowy lunatic kształcić kształcić kształt kształt czcionki kształt znaku w czcionce kształtować kto kto ma lekki sen kto zajął drugie miejsce ktokolwiek ktoś ktoś ktoś ktoś zajmujący (miejsce które który który zajmuje się głównie lub wyłącznie podkowami i podkuwaniem koni) których użytkownik uległ awarii ku ku pamięci ku pamięci boek prins. ingenaaid boek. die. welke. een of andere. accountant accountancy boekhouding. kweken. lunair dresseren. bij. tot. dat. operatekst chequeboekje hertog prins. enig. een of andere. aangaan hetwelk. accountant boekerij. die. boekhouden boekhoudkundige. wie. dat. formeren. vormen. prinses maan maan-. een of andere. wie. een of andere. welk.

in elkaar duiken in elkaar duiken. verering beschaving. teelt. inkoop. eelt. hinkend kruk hurken. hurken ronde kogel hagelkorrel. oven keuken. kruik hurken. bewerken. hoop. maïs eksteroog. makker. omgeving. koopman koop. eredienst. beschaving. aankoop . handelaar. maïs kruk kloot. boezem jongleur marionet koekoek eksteroog. in elkaar duiken in elkaar duiken. sfeer. gebied mank. verering adoratie. kookgelegenheid keuken. likdoorn mais. koopman neringdoende. beschaven cultuur. winkelier afnemer. kookgelegenheid pony borst. bouw bebouwen. kornuit accumuleren. inkoop. bouw ontwikkeld. beschaving. teelt. klant zakenman. bol. menigte. ophopen. opeenhopen kunst aankopen boel. aankoop koop. hagelsteen cultus. likdoorn mais. handelaar. aanbidding cultus. kameraad. geleerd cultuur. massa zakenman. kweken paren maat. drom. kop kan. koper. eredienst.ku wschodowi Kuba kubek kubek kuca kucanie kucharz kuchence kuchni kuchnia kucyk kufer kuglarz kukiełka kukułka kukurydza kukurydza kukurydzą kukurydzą kula kula armatnia kulawy kulą kulić się kulić się kulisty kulka punktor kulka gradu kult kult kultowy kultura kultura kulturalny kulturą kultywował kumpel kumpel kumulować kunszt kup kupą kupca kupca kupiec kupiec kupna kupno verzenden Cuba kopje. hurken koken kachel. kreupel. eelt.

scherm. klas cursor cursor circuleren. weglokken in verzoeking brengen. rondgaan jasje. kaartje.kupon kupon (np. kwakzalver bedrieger. temptatie. koers titel. aankoop aankopen kippevlees. gordijn. coupon aankopen koop. gordijn. colbert. wijk. kip ineenkrimpen. coupon bon. behandeling patiënt. buis overgordijn. kleppen. doek overgordijn. kaartje. tapkraan haan afgezant. leergang. cureren kuur. inkoop. voucher. onderschrift. voucher. doek naaien. buis jasje. ineenkronkelen kraan. kwakzalver Quakerbevoegdheid. beieren kippevlees. zieke galmen. verleiding verleiden. aanlokkelijk aanvechting. charlatan. neuken stof drijfzand stof verleiden. colbert. premiowy) kupować kupować kupuwać kura kuracja kuracja kuracjusz kurancie kurą kurczak kurczę kurczyć się kurek kurek zamykający kurier kuropatwa kuropatwą kurs kurs kurs waluty kursor kursor wyboru kursować kurtka kurtka dwurzędowa kurtyna kurtyną kurwa kurz kurzawą kurzyć kusić kusić kuszący kuszenie kuś kuś kuzyn kuźnia kwadracie kwadrans kwadrat kwakać kwakanie kwakier kwalifikacja bon. gezant patrijs patrijs tracé. graad stand. stadswijk vierkant bedrieger. bode. verlokken. verlokken. bekoren nicht smeden vierkant buurt. kip kippevlees. kip behandelen. cursus. kwalificatie . route. weglokken in verzoeking brengen. scherm. bekoren lekker. charlatan. aflopen. kip kippevlees. tap. klasse. kop. in omloop zijn.

lichtekooi. bedrag. verspuiten. <cactuses> lub <cacti>) kaktus l. stuiven hoer. som. lakken zeehond. summa stuiver. schoencrème verlakken. klamp.kwalifikacją kwartał kwartał kwas kwas o wysokim stężeniu kwaskowaty kwaśny kwaśny kwatera główna kwatery kwestia kwestia kwiat kwiat kwiat kwiat z rodziny compositae kwiecie kwiecień kwit kwitnący kwitnąć kwitnąć kwitnąć kwitować kwocie kwocie kwota kwota kwota jednopensowa l. summa tal. nietje. totaal. totaal. stortregenen afranselen opspatten. aantal. mn. lakken verlakken. ding. fanfare voor voldaan tekenen. niet-ingewijde schoensmeer. penny cactus kramp. lakken verlakken. zaak kwestie. getal somma. vraag. vakterm zuur zuur sluw zuur zuur hoofdkwartier buurt.mnoga parentheses nawias okrągły laboratorium lać lać lać się ladacznicą ladny laguna laguną laik lak lakier lakier (bezbarwny) lakier bezbarwny lakować lalą lalka bevoegdheid. pop . getal somma. behaaglijk. wijk. prostituée genoeglijk. klamp. aantal. bloeiend bloem bloesem fanfarekorps. pop tonnetje. bedrag. kustmeer lagune. nietje. april voor voldaan tekenen. wijk. kustmeer leek. gieten. haakje laboratorium sauzen. zeerob. navraag bloem bloesem bloem bloem bloesem grasmaand. kwiteren tal. haakje kramp.mnoga nawias okrągły l. stadswijk term. stadswijk aangelegenheid. affaire. kwiteren fleurig. som. kwalificatie buurt. rob tonnetje. aangenaam lagune.

panter lamp lamp promoveren. lawaai larve woud. bevorderen terugvallen herrie. klep luipaard. lichttoren. behandeling . afdammen staf. stok suikerriet zomer aanvliegen aanvliegen zwemmen. steen en been klagen weeklagen. steen en been klagen lamp schuif. in omloop aan land gaan. panter luipaard. kroost. zaad latrine laurier. klep schuif. afsluiten. lauwer lavalawine lawine circulerend. doch kuur. vuurbaak aansteker. toorts. leven. wingerd nakomelingschap. landing aanvliegen les maar. toorts. vuurmaker latex jaar zomer wijnstok. flambouw fakkel. ophef. drijven fakkel. steen en been klagen rouwen weeklagen. bos belemmeren.lament lamentować lamentować lamentował lampa lampa elektronowa lampa elektronowa zawór lamparcie lampart lampą lampka lansować lapsus larum larwa las laska laska laska lata latać latać przed oczami latać przed oczami latarce latarka latarni latarnia latarnia morska latarnik lateks latka lato latorośl latorośl latryna laur lawa lawina lawiną lawirować ląd lądować lądowanie lądowanie (samolotu) lecieć leckja lecz leczenie weeklagen. flambouw lantaarn lantaarn vuurtoren. landen aan land gaan. landing daling. rumoer. landen daling.

certificeren wettig. drogerij. vereenzelvigen spel trechter trechter dope. doen ontbranden. nauwelijks. medicinaal. wettelijk. kwalijk amper. amper amper. nauwelijks amper. volksoverlevering legioen legioen recht identificeren. artsenij. genezen. arts. drogerij. nauwelijks. dokter. drug. drug. nauwelijks getuigen. kruid beter maken. nalatigheid les les aansteken. luiaard lui lui . doen ontbranden. geneeskundig dope. medicinaal. luiaard ai. cureren kwalijk. kwalijk.lecznica leczniczy leczyć leczyć leczyć leczyć ledwie ledwie ledwo ledwo legalizować legalny legenda legendarny legendą legią legion legislacją legitymować legumina lej lejek lek lek lekarski lekarstwa lekarstwo lekarstwo lekarz lekarz lekceważenie lekcja lekcją lekki lekkoatleta lekkoatletyka lekkostrawny leksykon automatyczny leksykon zautomatyzowany lemoniada lemoniadą len lenistwa lenistwo lenistwo leniwiec leniwy leniwy kliniek helend. cureren genezen. aanmaken atleet sport aansteken. aanmaken glossarium glossarium limonade limonade vlas luiheid luiheid ai. helen beter maken. helen doctor medicus. kwalijk. drug. helen behandelen. geneesheer nonchalance. kruid dope. legaal legende. geneesmiddel helend. beter maken. volksoverlevering legendarisch legende. genezen. gewettigd. geneeskundig behandelen. kruid medicijn. drogerij.

superieur beter bramsem hout doffe onverschilligheid. overvloed in aanmerking komen. ah proportioneel. afslager. krik linker-. horen. Turkse staatsraad. oh. lauw zoel. lauw leeuw omgekeerd. cijferen aantal. metrum. tegengesteld vijzel. Libanon liberaal. vendu. veiling tal. aantal. evenredig tal. links kruiden divan. veilingmeester auctie. passen auctie. afslag. geheel majoor och. vendu. getal. tal heel. cijfer aantal. getal. aantal. getal. averechts. versmaat calculeren. prevalent. cijfer onbekrompenheid. afslag.lennik lenno lepiej lepik lepki lepszy lepszy (zobacz <good>) leszcz leśny letarg letni letni lekko ciepły lew lewa strona lewarek lewy lewy ukośnik leżakowanie leżance leżeć lękać się Liban liberalny liberał lica licencja lichtarz licował licytacja licytator licytować liczba liczba liczba całkowita liczba dziesiętna zmiennopozycyjna liczba poza zakresem liczba rzeczywista liczba zmiennoprzecinkowa liczba zmiennoprzecinkowa liczba zwojów liczbowy liczebnik liczebnik liczebność liczenie liczniejszy (zobacz <many>) licznik liczyć vazal. lethargie zoel. leen beter teren vochtig opperste. berekenen . rustbank liggen kwartel Libanongebergte. betamen. rekenen. vrijzinnig het hoofd bieden vergunning. dommekracht. mijn. links linker-. getal aantal. blaker behoren. leenman leengoed. licentie kandelaar. getal rekenen. ach. veiling vendumeester. tal nummer. vrijzinnig liberaal. mijn. tal nummer. meetellen meer meter.

beknotten beperken. sim. hooimaand tekst vos lispelen zendbrief. verbond likeur alcohol. elimineren. meetellen aantal. hengelsnoer liniaal liniaal onder de knie krijgen. begrenzen. hengelsnoer hobby vislijn. taalgeleerde taal-. getal. brief . liquideren. sim. begrenzen. liga. linguïst. chef. alcoholische drank afwikkelen. snoer. meester worden aanslag liniaal linker kabel. baas bond. snoer. beknotten beperken. opheffen afvoeren. abacus gebieder. tal meten. begrenzen. tal aantal. lijn taalkundige. begrenzen. liga. hooimaand juli. kreek beperken. opheffen afwikkelen. koorde. drank. brief geloofsbrief zendbrief. aanvoerder. epistel. tros trekken vloerzeil. taalkundig vislijn. getal. liquideren. epistel. verbond bond. linoleum kalk kalk juli. koord. snoer. uitschakelen lelie lelie baai. berekenen in aanmerking komen. beknotten beperken. meetellen telraam. hengelsnoer lijntje. beknotten vislijn. inham. snoer. berekenen in aanmerking komen. sim.liczyć liczyć liczyć liczyć (<on sb> na kogoś) liczyć na liczyć na liczydło lider lidze liga likier likier likwidować likwidować (się) likwidować się lilia lilią liman limicie limit limit czasu odpowiedzi limit liczby sesji lina holownicza lina holownicza lingwista lingwistyczny linia linia autowa linia łącze linia programu liniał linijka linijka (do rysowania) linijka z podziałką linijka z tabulatorami link editor linka linka/lina holownicza linoleum lipa lipą lipca lipiec liryczny lis Lisp list list polecający list przewozowy meten.

literair litteratuur. ijs. slachtmaand loof.list uwierzytelniający lista lista lista związana listek listek listonosz listonosz listopad listopadowy listowia listwa liszaj liść litania litanią litera litera z literacki literal literał literał boole'owski literatura literatura literaturą literaturoznawstwo literować literować znaczyć literowy litość litr liturgia Litwa litwin lizać Lizbona liż lniany locie loczek loczek lodowaty lodowca lodowiec lodówka lody logice logiczny zendbrief. epistel. litterair. postbode postbode. brief zendbrief. brief uitlisten. litterair. letterkunde letterkundig. letterlijk woordelijk. literatuur. epistel. ijsje logica logisch . consumptie-ijs. epistel. paperback. litterair. een lijst maken aangeven uitlisten. iets betreurenswaardigs liter liturgie Litouwen Litouws likken Lissabon likken linnen vlucht. gebladerte. letterlijk letterkundig. ijsgletsjer gletsjer koelkast. letterkunde litteratuur. brievenbesteller november. ingenaaid boek postbeambte. letterlijk woordelijk. vliegtocht krullen slot ijzig. literatuur. literair spellen spellen woordelijk. ijskoud. blad litanie litanie zendbrief. literair woordelijk. slachtmaand november. een lijst maken vel. koelcel ijsco. blad brochure. bladertooi lat herpes vel. letterlijk schade. brief letterkundig.

lokaliteit. trouw. aviateur. lokaliteit. loodsen vliegveld. trouwhartig krullen plaats. aviatiek. ruimte situeren.logika logika formalna logika matematyczna logika ujemna logika większościowa lojalnie lojalny lok lokacją lokal lokalizacja lokalizować lokalny lokalny obszar danych lokator lokator lokomotywa lokomotywa lokomotywą lokować Londyn lord lord lord (jako tytuł) lornetka los los losowy losowy dowolny losowy dowolny lot lot loteria loterią lotne piaski lotnia lotnictwa lotnictwo lotnik lotnik lotnik lotniska lotnisko lotnisko lotos loża (teatr. perceel toevallig. leggen. incidenteel vlucht. toneelkijker lotsbestemming. lokaal. verloting loterij. oord. plaatsen plaatselijk. verloting drijfzand hang-glider vliegwezen. plaatsen Londen graaf lord lord kijker. luchvaart vlieger. consumptie-ijs glanzend. lot kavel. oord. loyaal. briljant . lumineus. vliegenier strooibiljet binnenbrengen. bestemming. rolklaver boksen ijsje. plek plaats. ijsco. toevallig toevallig. vliegtocht vlieg loterij. binocle. ijs. vlieghaven luchthaven lotus. lokaal plaatselijk. vlieghaven vliegveld. leggen. oord. luchvaart vliegwezen. lokaal aanwezige huurder locomotief motorisch motorisch situeren. wezenlijk getrouw. aviatiek. incidenteel incidenteel. ruimte plaats.) lód lśniący logica logica logica logica logica werkelijk.

soldeersel Lucifer volk lieden. luxueus twaalfuurtje. tot opening.lub lub LUB wykluczające LUB wyłączające lubić lubić słodycze luce lucie lucyfer lud lud ludność ludowy ludowy ludzie ludzki ludzki ludzkość lufa luka luka luka w świadomości lukier lukier syntaktyczny Luksemburg luksus luksusowy luksusowy lunch lunecie lusterka lustro lut lut srebrowy lutego lutni lutnia lutować lutować lut lutowie luty luz luźno luźny luźny kawałek lżyć łabędź łach grijs. als. lor. lap. krenken. soldeersel sprokkelmaand. volk. flard . ledig. als. spelen. tod. veelgeliefd lieden. lens. humaan mensdom. fust een bres slaan. leeg. voorspelen losjes mul. lui. bres. getapt. vat. mensen menselijk menselijk. februari luit luit soldeer. blanco. soldeersel soldeer. gaping soldeer. affronteren zwaan vodje. soldeersel soldeer. mensen bevolking volk populair. bij wijze van. telescoop. verrekijker afspiegelen afspiegelen soldeer. rul mul. voor. tot hoe. lui. grauw of of of hoe. vod. voor. lomp. volk. luxeartikel luxueus. weelderig weelderig. bij wijze van. blank glacé suiker Luxemburg weeldeartikel. rul beledigen. soldeersel sprokkelmaand. soldeersel soldeer. lunch sterrenkijker. hol wit. oningevuld. mensheid ton. februari uitvoeren. een bres slaan in loos.

keten koorde. malsheid. beminnelijk. verbasteren. bevelen genoeglijk. stemband. buit maken scheppen. tod. onderbeen. mildheid. voorkomend goedertieren. malsheid. temperen.łachman łacina łaciński ład ładny ładny ładować ładować ładować (system) ładować do pamięci pobieranie ładować szuflą ładunek ładunek łagodnie łagodność łagodność łagodność łagodność łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny (klimat) łagodzić łagodzić łagodź łajdak łakomy łamać łamać (się) łamać zabezpieczania (w szczególności usuwać blokady przed nielegalnym użyciem programu) łamigłówka łamliwy łania łańcuch łańcuch znaków łańcuch znaków mieszanych łańcuch znaków mieszanych Łapa łapa łapać łapą łapówce vodje. beschuldiging zachtjes. stalen omleggen. voorzichtig zachtaardigheid mildheid. omkopen . sierlijk vriendelijk. commanderen. aanflitsen. vod. opscheppen goederen. lomp. been bederven. snaar haakje. schavuit. weekheid liefelijk. behalen. zachtaardigheid zachtheid. raadsel breekbaar. carga. gretig afbreken breuk. keten ketting. bevallig. omschakelen. onderbeen. weekheid zacht. lading aanklacht. liefelijk vriendelijk. lap. behaaglijk. schappelijk. lor. been aanfloepen. overschakelen boef. voorkomend verdunnen. flard Latijns Latijns aanvoeren. belust. zacht. zachtaardig zoet. zachtmoedig. nietje poot. zoet. lankmoedig zachtheid. aardig laars aanklacht. mild. ellendeling. aangaan poot. verzwakken harden. zacht gracieus. keten ketting. ploert begerig. aangenaam vriendelijk. klamp. zachtaardigheid zachtheid. beschuldiging laden verkrijgen. gotisch lettertype barst puzzel. happig. broos achterste ketting.

volgzaamheid. marter gunst. ingezet stuk lap. verbinding monteren. zitbank bank bank. inschikkelijk licht. trilgras met gemak. accordeon communiqué communiqué inclusief aansluiting . lapwerk. verbinding monteren. genadigheid. verbinding samenhang. lessenaar badhuis. allicht met gemak.łapówka łasica łasicą łaska łaska łaska łaskotać łaszt łaszt łata łatać łatka łatwizna łatwo łatwo wpadający w złość łatwopalny łatwość użytkowania łatwowierny łatwy łatwy łatwy do zagrania ława oskarżonych ława przysięgłych ława przysięgłych ławą ławica ławka ławka szkolna łazience łazienka łaźnia łące łącze łącze łącze ATM łącze odbiorcze łącze typu "backhaul" łącze wsteczne łączenie w pary skręcanie wiązek parowych (przewodów) łącznie łącznik łącznik łącznik obwodów drukowanych łączność transmisja łączność zdalna łączny łączówka bederven. badplaats badhuis. wellen samen. lapwerk. zetten monteren. lapwerk. ineen bewerker vislijn. verbasteren. makkelijk dok bank. vlot. allicht brandbaar meegaandheid. zitbank jury bank. voorafgaand blijvend. badkamer. badplaats bad. ingezet stuk bries. snoer. wei samenhang. gedweeheid lichtgelovig licht. badkuip grasland. vlot. badkamer. weiland. weide. bijeen. aanhoudend lap. begunstiging sierlijkheid Gratie kriebelen. kietelen voorgaand. tezamen. beemd. makkelijk handelbaar. verleden. hengelsnoer trekharmonika. ingezet stuk lap. zetten lassen. omkopen wezel. zetten samenhang. marter wezel. zitbank lezenaar. sim.

combineren verbinden. opscheppen pek.łączówka łącznik łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć konsolidować łączyć (się) łączyć n wiązanie łączyć się łączyć się łączyć zestawiać układać (arkusze książki) kolacjonować (porównywać teksty) sortować (wydrukowane kartki) łączyć złączyć scalić mieszać łądować łąka łeb łechtać łgać łkać łodydze łodydze łodyga łodyga łodyga trzon rdzeń łokcia łokieć łom łona łona łono łono (osoby siedzącej) łopacie łopat łopata łopata łopatka (wirnika łopatka kość łopatka wirnika łoskot łosoś łoś łoś amerykański łotewski aansluiting zich aaneensluiten. verbinden. plassen. de weg wijzen. stam schrijden opslaan boomstam. opscheppen woelen. toetreden aansluiting monteren. hefboom. borst baarmoeder baarmoeder klotsen. weide. verbinden. weiland. kletteren. prik scheppen. lemmet schouderblad kling. aan elkaar vastmaken echtpaar. aansluiten samenvoegen. kietelen liggen snikken schrijden boomstam. graven kling. toetreden lassen. lid worden. combineren zich aansluiten. wei geleiden. combineren laden grasland. echtelieden wijzerplaat zich aansluiten. lemmer. schoppen. stoot. zetten samenvoegen. verbinden. beemd. steek. leiden kriebelen. spaak boezem. stam elleboog elleboog koevoet. lid worden. verbinden. klapperen scheppen. lemmet afdrogen. afranselen zalm eland eland Lets . mengen samenvoegen. mixen. lemmer. spitten. combineren vermengen. aaneenvoegen samenvoegen. temperen. kabbelen. wellen bijeenbrengen.

bol boot. afpellen. aangaan hoek vissen perk. bed. schoelje. tuinbed. borrel resorberen. loeder Letland Lets aanfloepen. schuit boot. toog buit beetnemen. casco schillen. rugschild.) łożysko kulkowe łódka łódź łódź żaglowa łój łóżka łóżko łóżko łóżko piętrowe łudzić się łuk łuk łuk termoelektronowy łup łup łupać łupać (np. schors. tuinbed. schuit boot. romp. bloemperk nageboorte perk. ploert. bloemperk lager kloot. illusies wekken bij toog. schaal scheepsromp. schuit talg. bloemperk begoochelen. beetkrijgen barst splinter roos schil. hap aperitief. bed. inslikken kaal. bloemperk kinderbed perk. tuinbed. casco lei schil. kogel. romp. bed.łotr Łotwa Łotysz łowić łowić na wędkę łowić ryby łożko łożyska łożysko łożysko (techn. boog boog. doorslikken. schoenhoorn . kaarsvet. opslorpen. orzechy) łupież łupina orzecha łupiną łupki łusce łuska łuskać łuskać łydka łyk łyk łyk łyk łykać łysy łyżce łyżeczce łyżeczka łyżeczka do herbaty łyżka łyżka do butów rotzak. bodem. pakken. schaal scheepsromp. talk ledikant perk. dop. kaalhoofdig pollepel theelepeltje theelepeltje theelepeltje pollepel schoenlepel. smeer. toog boog. doorslikken. jassen kalf mondvol. reuzel. bed. schaal schild. inslikken slikken. tuinbed. schors. bodem. aanflitsen. dop. slurpen slikken.

wuiven. magie magisch. boerderij. islamiet. warenhuis winkel patroon. meester worden verbinding. magazijn. glijmiddel vaneenscheuren. oprit plechtstatig. magazijn. voelhoorn. toverachtig toverkunst. zelfwerkend. matrix. verkeersweg magneet magnetiseren magnetofoon. toverachtig goochelaar onder de knie krijgen. statig. landgoed. verhevenheid oprijlaan. matrix. doorscheuren gescheurd mach gebaren.łyżwa łza łza mach machać machinalny machlojce macica macierz macierz matryca macierzysty maciorą macka macocha Madonna madonną Madryt magazyn magazyn kolorów magazyn kolumn magazyn pocztowy magazyn wiadomości magazynek magia magia magiczny magiczny magik magister magistrala magistrala szybka magistrala szybka magnes magnesować magnetofon magnetyczny magnetyzm mahomatanin mahometański maj maj majaczyć majątek majątek majestacie majestat majestatycznie iść majestatyczny schaats. zwaaien werktuiglijk. warenhuis opslaan blad. ra stiefmoeder Madonna Madonna Madrid pakhuis. matrijs gietvorm. islamiet. verhevenheid statigheid. stof. moslim mogen bloeimaand. substantie statigheid. majestueus . combinatie autobus grote weg. bandrecorder magnetisch magnetisme mohammedaan. krant pakhuis. moslim mohammedaan. matrijs ouder. mei krankzinnig zijn goed. spriet. hebbelijkheid baarmoeder gietvorm. automatisch aanwensel. magie magisch. bezitting spul. kardoes toverkunst. goedje. moeder uitzaaien antenne.

afschuwelijk macaroni modelleren modelleren schmink. rimboe malaria schildering. griezelig ijselijk. top. toer pottenbakker vijzel. huisschilder afdraaien. jungle. onbekend. verminderen koorts oerwoud. donker aap . schilderij schildering. eng eng. spreuk verminderen. blanketsel. doek.major majówce majstrować majtek majtki majtki (damskie) mak makabra makabryczny makabryczny makaron makiecie makieta makijaż makler makler giełdowy makrela maksimum maksymalna szybkość maksymalny maksymalny maksymą malał malał malaria malaria malaria malarstwa malarstwo malarz maleć maleć maleńki malina maliną malować malował malowidło malowniczy Malta Maltańczyk maltański maltretować mało mało tego mało znany mało znany małpa majoor uitstapje. kleuren. tocht. schilderen verven. maximaal snelheidsgrens maximum-. geen. niet weinig obscuur. klein. nee. afnemen propperig. verlagen verminderen. krik onderbroek onderbroek papaver griezelig. afnemen inkorten. tip. kleuren. minuscuul. trip. maximaal spits. doek. excursie. pittoresque Malta Maltezer Maltezer gescheld weinig neen. schilderij schilder. zinspreuk. punt. dommekracht. make-up makelaar makelaar makreel maximum-. schilderij schilderachtig. minuskuul framboos framboos verven. doek. piek sententie. neus. schilderen schildering. verver.

kruk. dicht mossel huwelijk. brommen. klein. plaatsbewijs. manoeuvreren manoeuvreren. pronken demonstreren. manier demonstratie. lastbrief mandarijn (vrucht) volmacht. mompelen. mamma. mummelen morren. hebben mummie morren. manoeuvreren manoeuvreren. mam. luttel. prijken. bewijs pralen. echtgenoot. gering. kaartje rangeren. klein min. mandaat. wijze. karig wieden. mummelen mammie. karig. klein.małpa małpa bezogonowa małpa człekokształtna małpa człekokształtna małpą małpi mały mały mały mały mały sygnał małych rozmiarów zbity małż małżeństwa małżeństwo małżonce małżonek małżonek mam mamą mamrocz mamrotać mamrotanie mamusia mamusia mamusia mandacie mandarynka mandat mandat manewr manewr manewrować manewrować manewrował mangusta mania manicure maniera manierą manifestacja manifestacja (uczuć) manifestować manifestować manipulator drążkowy manipulator kulowy manipulować manipulować aap aap aap aap aap aapachtig minder. karig compact. ichneumon. rangeren rangeren. ma. mandaat. eega. eega. mam mammie. min gering. echtverbintenis echtgenote. man eega. mummelen morren. schoffelen min. manifesteren peddelen. rangeren manoeuvreren. rangeren mungo. gering. hanteren . min. vertonen laten blijken. mompelen. hengsel. manier trant. echtgenoot erop nahouden. klink omgaan met. luttel. echt. echtgenote. ma. luttel. echtverbintenis huwelijk. manipuleren. paraderen. handvat. brommen. vrouw gemaal. door het water plassen kattekop oor. vertoning. echt. gemalin. mamma mummie volmacht. mompelen. man. brommen. lastbrief biljet. wijze. mangoest obsessie manicuren trant.

kopij handschrift. opmaken. doel moralist. manuscript. verdoen goedkoop Marokko Mars lentemaand tippelen maart lopen. rand kant. kaart landkaart. manipuleren. opmaken.manipulował mankiet manko manuskrypcie manuskrypt mapa mapa mapa alokacji (pamięci) mapa bitowa mapa przydziału mapa schemat wykres mapa termiczna mapą mapce maralista marca marca marca marca marchew marchewce marchewka margaryna margaryną margines margines na spad margines zewnętrzny marionetce marionetka marka marmolada marmur marnie marnotrawstwa marnotrawstwo marnować marny Maroko Mars marsz marsz marsz marsz marszczyć marszczyć (się) marszczyć się marszrucie martwić omgaan met. kreukelen. rand kant. marge. kaart bitmap landkaart. rand marionet marionet merken. hanteren manchet kastekort. manuscript. verdoen verklungelen. kaart strekking. fronsen verfomfaaien. verdoen verklungelen. wortel peen. tekort handschrift. wortel peen. route. beproeven . bedroeven. frommelen onduleren reisplan. marcheren peen. zedenmeester lentemaand tippelen maart lopen. baanvlak verdriet doen. kaart landkaart. plan. deficit. kopij bitmap landkaart. marge. wortel margarine margarine kant. marmelade pilletje ellendig verklungelen. bedoeling. marcheren rimpelen. marge. tekenen jam. kaart landkaart. tracé. opmaken. moes. kaart landkaart.

massa. colbert. zorgen doods. overjas marine. inleggen. gemijmer vriezen dromen. bewimpelen. mopshond moordpartij. ondergrond drom. bewimpelen. colbert. boel mops. gedroom. zeemacht jasje. inmaken lentemaand tippelen maart lopen. colbert. marcheren dromen. maskeren maskering maskering maskering boter boter vrijmetselaar vrijmetselaar metselaar metselwerk vrijmetselaarskneden masseren . inleggen. menigte. hoop. inmaken jasje. beproeven bezorgd zijn. zich bekommeren. bedroeven. zeemacht pekelen. inmaken pekelen. zouten. mijmeren mijmering. bloedbad masseren bemantelen. zouten. inleggen. zich bekommeren. maskeren bemantelen. bedremmeld. bloedbad moordpartij. marge. bodem. zouten. rand omvang. buis marine.martwić martwić martwić się martwić się martwy martwy sezon marynacie marynarce marynarce marynarka marynarka handlowa marynarka wojenna marynarka wojenna marynata marynować marzec marzec marzec marzec marzenia marzenie marzł marzyć marża masa masa masa masa gliniana masakra masakrą masakrować masaż masce maselnica maska maska wprowadzania maskarada maskarada IP maskaradą masła masło mason mason mason masoneria masoński masować masować beduusd. bewimpelen. dodelijk pekelen. buis jasje. mijmeren kant. beteuterd bezorgd zijn. buis jas. bloedbad moordpartij. dodelijk doods. zorgen verdriet doen. bestek. grootte achtergrond. maskeren karnen bemantelen. grond.

slachten massief mast lentemaand tippelen maart lopen. affaire. patroon. saus imiteren. mat ouder. marcheren mast locomotief machine rekenmachine. materialiseren verstoffelijken. nadoen paren schaakmat. ding. mathematisch mathematicus. materieel weefsel aangelegenheid. werktuiglijk prieel constructie. wiskundige wiskunde. ding. calculator schrijfmachine naaimachine machine machine machinerieën typiste typiste machine mechanisch.masowy masowy masowy mord masywny maszcie maszerować maszerować maszerować maszerować maszt maszyna maszyna maszyna do obliczeń maszyna do pisania maszyna do szycia maszyna wykorzystywana do budowania oprogramowania maszyną maszyneria maszynistce maszynistka maszynowy maszynowy maszyny maszyny budowlane maszyny elektryczne maszyny rolnicze maszyny) maść maść maśladować mat mata mata mata antyelektrostatyczna matce matem. bestek. Macierz matematyczny matematyk matematyka materac materia materializować (się) materializował się materialny materiał materiał materiał omvang. affaire. zaak verstoffelijken. nabootsen. affaire. mathematica matras aangelegenheid. spullen . mat aangelegenheid. zaak schaakmat. sjabloon wiskundig. ding. aanbouw prieel akkerbouw trechter vla smeersel. materialiseren stoffelijk. zaak dingen. bouw. menigte. massa. boel afslachten. grootte drom. hoop. moeder schablone.

besmeren invetten meel. patroon. besmeren smeren. zelfwerkend. valstrik. ameublement. vermoeiend. boetseren schablone. optreden. eega. werktuiglijk mecanicien. echtgenoot. werktuigkundige mechanica. materieel dingen. bloem bloem. afleveren mos mecanicien. meel gemaal. guur. werktuigkunde werktuiglijk. melig . automatisch mechanisch. sauzen. vroed. doorsmeren. patroon. werktuigkunde actie. bijtend stoffelijk. matrix. arglist slag. bestellen. doorsmeren. werktuigkunde mechanica. sjabloon smeren. moeder abdis valstrik. inboedel leveren. matrix. matrijs gietvorm. matrijs modelleren. hinderlaag. hinderen wijsheid verstandig. bloem storen. matrijs schablone.materiał do robienia worków materiał podłogowy materiał podłogowy materiał wybuchowy materiał wypełniający matka matka przełożona matni matni matowy matrona matroną matryca matryca matryca ostrzy matryca przełączająca matryca rdzeni matrycować mazać mazaniną maź mące mącić mądrość mądry mąka mąka mąż mdleć mdleć mdłości mdły meble meblować mech mechanice mechanice mechaniczny mechaniczny mechanik mechanika mechanika statystyczna mechanizm mechanizm mechanizm zegarowy mecz mecz bokserski meczący kunst doordringend. belemmeren. walg. bewusteloos raken misselijkheid. werktuigkundige mechanica. fel. wijs meel. mat intendante intendante gietvorm. gedoe machinerieën locomotief lucifer lucifer saai. walging. sjabloon gietvorm. afkeer poeslief huisraad. spullen laken ouder. val schaakmat. handeling. man zwak bezwijmen. matrix. taai. sauzen.

beheerder. meier pepermunt. administrateur dierentuin intendant. munt geestelijk. artsenij. mengen gedaanteverwisseling. metafoor beeldspraak. geneesmiddel medicijn. dons druilen. munt pepermunt. droefgeestig. deun. beeld. metafoor metalen metalen metalen vermengen. kruizemunt. inlichten lucht wijs. nadenken Mekka Mexico Mexicaans Mexicaans weemoedig. dutten samenkomen. gedenkschrift bestuurder. melodie melodrama melodramatisch meloen aandenken. kruizemunt. aankondigen. medicinaal. adverteren informeren. deuntje. vergaderen beeldspraak. temperen. wijsje. geneesmiddel medicijn. geneeskundig peinzen. berichten. deun. droefgeestig. stemmen wijs. wijsje. artsenij. medaille Milaan medicijn. geneesmiddel helend. metamorfose meteoriet weerkunde. burgervader Mercurius kwikzilver. melancholiek weemoedig. artsenij. kwik waas. melancholiek aandienen.meczecie meczet medal Mediolan medycyna medycyna nuklearna medycyna sądowa medyczny medytować mekce Meksyk Meksykanka meksykański melancholia melancholią meldować meldunek melodia melodia melodia melodią melodramat melodramatyczny melon memento menażer menażerią menedżer plików mennica mennicą mentalny menu menu skrótów mer Merkury Merkury meszek meszek met metafora metaforą metal metaliczny metalowy metamorfoza (efekt graficzny) metamorfozą meteor meteorologia moskee moskee penning. meteorologie . mentaal kaart kaart burgemeester. beeld. deuntje. mediteren. mixen. sluimeren. bijeenkomen. nesthaar. melodie in een stemming brengen. opzichter.

mist haarkloven. dampig. in naam metriek meten . braaf. agonie saai. aanstelling namelijk. floers. dringen. vermoeiend. versmaat. mist nevel. martelen kilt. meeuw doodsangst. drukken kwellen. stelsel. ferm damp. doodsstrijd. martelaar knellen. naam. naamwoord benaming. metropolis. nevel. aanstellen commissie. salvia kwellen. nevelig nevel. boodschap benoeming. koeioneren.meteoryt metoda metoda metoda złożona (z metod podstawowych danego obiektu) metodą metodyczny metodysta metr metr metra metro metropolia metropolią metryczny metryka mewa mewą męczarnie męczący męczennik męczyć męczyć mędrzec mędrzec hinduski męka męska spódniczka szkocka męski męski męskoosobowy mężczyzna mężny mgiełce mgiełka mgliste wspomnienie mglisty mgła mgła mgłą MI miana miano mianować mianować mianowanie mianowicie miara miara odległości meteoriet methode systeem. opdracht. Schotse rok mannelijk mannelijk mannelijk mens flink. me benaming. damp. metrum metro metro hoofdstad. eerlijk. koeioneren. taai. versmaat meter. bedillen vervagen mistig. dapper. martelen salie. metropool metriek metriek zeemeeuw. floers. metrum. floers mij. metropolis. damp. naam benoemen. floers damp. salvia salie. meeuw zeemeeuw. naamwoord. mist. nevel. metropool hoofdstad. bestel bewerking methode methodisch. te weten. mist. heiig. schools methodistisch meter. melig bloedgetuige. persen.

boerderij. bedoelen afstemmen. plaats wereldstad. bevoegd stad. stedelijk. rang plaats. kom roodkoperen. lokaliteit. lokaal ingeboren. domicilie ruimte. lokaliteit. geneigd zijn. plaats graad. aflopen. stads landgoed. run vlees slagzwaard erop nahouden.miara przymiar miarą miarodajny miasteczka miasto miasto miasto (duże) miażdżyć miąższ miecz mieć mieć aspiracje mieć inne zdanie mieć miejsce mieć na myśli mieć nadzieję mieć rozgłos mieć skłonność do czegoś mieć wkład mieć zamiar mieć zastosowanie mieć znaczenie miednica miedź miedź beztlenowa o wielkiej przewodności miejsca miejsce miejsce miejsce miejsce na dysku miejsce przeznaczenia miejsce zakotwiczenia miejsce zamieszkania miejsce zamieszkania miejsce zamontowania miejsce zdalne miejsce zmieszkania miejsce zmieszkania miejscowość miejscowy miejscowy miejski miejski miejski mienia miernik miernik meten meten competent. stand. mikken op. schelen gebeuren. logies. oord. koperen plaats. bekken. norm . plek plaats. najagen uiteenlopen. bril woning. plaats bewoning zetel. plek woonplaats. oord. standaardmaat. kleppen. oord. stadsciviel stads-. status. verschillen. neigen bijdragen mikken. deskundig. zaak vont. onderkomen. aan de hand zijn gemiddeld hopen galmen. kwartier woonplaats. oord. lokaal. stadje. open veld plaatselijk. lokaal. koperen roodkoperen. grote stad aandrang. hebben ambiëren. beieren geneigd zijn tot. domicilie ligging platteland. oord. stadje. grote stad stad. bezitting metriek regel. dingen naar. toeloop. plaats wereldstad. affaire. aanpassen. beogen. adapteren aangelegenheid. plek ligging ruimte. lokaal. aangeboren burger-. ding.

bewoner. munt knipogen. maandelijks karnen temperen. zacht. kruizemunt. mengen. versmaat maand kneden kneden maand-. afgemeten meter. mixen. liefelijk zachtjes. mengen. mengen vermengen. bewoner. mixen. metrum. aanbesteding zoet. ingezetene koloniaal inwoner. liefelijk gunning. mengeling vermengen. mengsel. zacht. ceremonieel. onder tussen. temperen. voorzichtig vlees spier vlees spier pepermunt. gevestigd zijn resideren. metrum. gevestigd zijn. ingezetene tussen tussen. huizen resideren. mengen Filistijn huizen. gevestigd zijn.miernik zakłóceń mierny mierzyć mierzyć mierzyć miesiąc miesić miesić ciasto miesięcznik miesięczny mieszać mieszać mieszać mieszadło mieszał mieszaniną mieszanka mieszanka rozkazów mieszczuch mieszka mieszka mieszkać mieszkanie mieszkanie mieszkanie z utrzymaniem mieszkaniec mieszkaniec internatu mieszkaniec stolicy między między między siedzibami międzynarodowy międzynarodówce miękki miękki miękki powrót karetki miękki programowalny miękko mięsa mięsień mięso mięśnia mięta migać migać migawce migawka migdał meter. liefelijk zoet. knipperen. maandelijks maand-. flat woonplaats. domicilie inwoner. resideren. temperen. flikkeren. pinken flitsen. vermengen temperen. mixen peddelen. door het water plassen bedremmeld. beduusd. gloren luik luik amandel . huizen appartement. flat appartement. beteuterd mengelmoes. mixen. onder internationaal internationaal zoet. versmaat lauw. vermengen. onverschillig meten plechtig. zacht.

glimmer microbe microfilm microfoon microscoop mengelmoes. in weerwil van ofschoon. minnares virtuoos vreedzaam. liga.migdałek might> mogę might> mogę migocz migotać migotać migotać migotanie migotanie obrazu mijać mika mikrob mikrofilm mikrofon mikroskop mikstura mila mila mila (1609. liefhebben beminnen. sprakeloos nog bedaard. zachtmoedig. zwijgend stom. stilzwijgend. geliefde. lief zacht. voorspelen flikkeren. hartzeer. mengsel. flakkeren knipogen. beproeving beminnen. mild. kalm feestelijk inhalen millimeter miljoen militair militair aanhalig naastenliefde. stil. genoeglijk waard om van te houden beminnenswaardig. al. vrijster. pinken flikkeren. alhoewel. flakkeren flikkeren. mengeling bond. menslievendheid beminnen. knipperen. mei flikkeren. behaaglijk.344m) milą milczano milczący milczący milczący milczenie mile widziany milimetr milion militaria militarny milusi miłosierdzie miłosny miłość miłość miłość od pierwszego wejrzenia miłośnik miłośnik sztuk pięknych miłujący pokój miły miły miły miły miły miły mimo mimo wszystko mimo że amandel mogen bloeimaand. zachtaardig genoeglijk. rustig. flakkeren uitvoeren. houden van. houden van. behaaglijk. in weerwil van niettegenstaande. aangenaam genoeglijk. houden van. stilzwijgend. hoewel. liefhebben vriendin. spelen. wel . vredelievend aangenaam. flakkeren inhalen mica. beminnelijk. zwijgend stil. liefhebben droefheit. verbond mijl mijl mijl stil. aangenaam niettegenstaande.

boodschap missie. maëstro onder de knie krijgen. in weerwil van ongewild. vrouwenrok miniem. fata morgana myriade vont. raadsel fopperij. minimaal miniem. bedotterij. minimaal minister. verkeerd begrijpen aanwezige . beetnemen. aanblik mineraal mineraal rok. voorvechter onder de knie krijgen. schijn. onopzettelijk aanzien. bedotten mystiek mystiek misvatten. bekken. bekken.mimo że mimowolny mina mineralny minerał mini minimalny minimum minister Minister Spraw Wewnętrznych ministerstwa ministerstwo ministerstwo ministerstwo ministerstwo skarbu Ministerstwo Wojny minowanie minus minuta miodowy miesiąc miotła miotłą miód miód pitny miraż miriada Misa misja misja misją misjonarz miska miska olejowa mistrz mistrz mistrz mistrz intelektu mistrzowski mistyczny mistyczny mistyfikacja mistyfikacja mistyfikować mistyfikował mistyk mistyk misunderstood miszkaniec niettegenstaande. bewindsman ministerie departement ministerie kantoor schat ministerie mijnbouw min. opdracht. air. titelhouder. mystificatie beduvelen. bezem veger. zending missie. bewindsman minister. grootmeester. bedotten beduvelen. kom bericht. meester worden mystiek mystiek puzzel. kunstenaar meester. zending missionaris. bekken. zendeling vont. opdracht. minus minuut huwelijksweken veger. beetnemen. kom artiest. bezem honing honing luchtspiegeling. meester worden kampioen. kom vont.

mulder mnemonisch mnemonisch monnik minder. drom. opeenhopen. jongeling. min vermoeden. min minderheidsminder. boel. aggregaat hoop. massa. beginnend beginnend. boel . jeugd jeugdigheid. menigte. vermenigvuldigen veelvoud multipliceren. geloven. non kloosterzuster. jeugd hameren hameren hameren afranselen dorsen. vermenigvuldigen aggregatie. beginnend aankomend.mit mitenka mitologia mitologią mitra mityczny mleczarnia mleczka mleć mleć/siekać mięso mleko młocie młodociany młodosć młodość młodszy młodszy urzędnik młodszy wiekiem młody młody człowiek młodzieniec młodzieniec młodzież młot młot (drewniany) młotek młócić młócić młyn młynarz mnemonik mnemonika mnich mniej mniejszość mniejszy mniemać mniemać mniszce mniszka mnożyć mnożyć mnożyć się mnożyć się mnóstwo mnóstwo mnóstwo mnóstwo mythe handschoen mythologie mythologie mijter mythisch zuivelfabriek. aankomend borst. jeugd aankomend. non in overvloed aanwezig zijn multipliceren. melkinrichting melk fijnhakken fijnhakken melk hameren puber jeugdigheid. gissen menen. afrossen. drom. hoop. accumuleren massa. jongeheer puber jeugdigheid. menigte ophopen. jeugd jeugdigheid. afranselen molen molenaar. houden voor kloosterzuster. beginnend aankomend.

in zwang lork. wereldruim. geducht. bougie afstelling. mogendheid aanpassingsvermogen aanpassingsvermogen heerschappij. lariks. roerend doordrukken heerschappij. bevestigen. modemaakster inblikken mogen bloeimaand. drasland steil in de week zetten. mei graf. macht. modus. speling modelleren modem moderniseren moderniseren bidden gebed gebed in de mode. moeras. fiks. stevig hard machtig krachtig. redigeren. opstellen wijzigen. sterk. robuust hoofd-. bepalen pies. macht. pis broek. ferm. instelling opmaken. modificeren wijzigen. mogendheid vasten pal. mode-. fors. program) modyfikował modystka mogę mogę mogę mogiła mobiliseren los. mobiel. voornaamste worstelen. moer. weken nat mode. bestek. lorkeboom modem ontstekingsbuis. macht. straf hecht. modificeren modiste. mogendheid heerschappij. wijs modelleren ruimte. modieus. spartelen. bougie ontstekingsbuis. urine. groeve . zich aftobben fixeren. modificeren wijzigen. potig.mobilizować (się) mobilny kod moc moc moc przetwarzania moc użyteczna moc zbioru mocarstwo mocno mocno mocno mocny mocny mocny mocodawcą mocować się mocował mocz moczary moczyć moczyć się moczyć się moda model model Luv modelka modem modernizować modernizował modlić się modlitwa modlitwą modny modrzew modulator-demodulator moduł dodatkowy moduł zarządzania pamięcią podręczną ARP modyfikacja modyfikować modyfikować modyfikować (np. beweegbaar. weekmaken.

dadelijk Monaco monarch. penning. zedelijk . bijeenkomen vergaderen. geldstuk munt. perron. kaai. zitting betamelijk. tel onmiddellijk. monopolie accapareren. adapteren monteur betamelijk. aanlegplaats. oppermachtig munt. steiger molecuul landingsplaats. opkopen routine. paraderen. fatsoenlijk gedenkteken. penning. zedelijk zedenkundig. mormel samenscholing vergadering. werktuigkundige vergaderen. eentonig monsterachtig. het mijne vochtig landingsplaats. moraliteit zedelijkheid. moreel. betomen. zedenmeester zedelijkheid. steiger wal. vorst oppermachtig. prijken. gedrochtelijk rotbeest. behoorlijk. samenkomen. saai. soeverein. sleur monotoon. monoloog alleenhandel. aanlegplaats Moloch oogwenk. moraliteit zedenkundig. pronken afluisteren bedwingen. monument monumentaal bromfiets moralist. aanpassen. bijeenkomen opmaken. fatsoenlijk mecanicien. geldstuk Mongolië Mongool Mongools Mongool Mongools pralen. samenkomen. aanlegplaats.moje mokry mola molekułą molo molo moloch moment momentalnie Monako monarcha monarcha moneta moneta pięciocentowa (US) Mongolia mongolski mongolski Mongoł Mongoł monitor monitor monitorować monitorować monolog monopol monopolizować monotonna harówka monotonny monstrualny monstrum montaż montaż montaż powierzchniowy monter montować montował montował montowanie montowanie montując monumencie monumentalny moped moralist moralitecie moralność moralny morał de mijne. opstellen afstemmen. ogenblik. behoorlijk. moreel. redigeren. moment. kade. beteugelen afluisteren alleenspraak.

gespuis motor. oratie mozaïek . apropos taal tong rede. vermoorden muil. redevoering. canaille. commandobrug brug. stof. commandobrug luchtbrug brug. bek moordenaar moordenaar moorden. grauw. thema. behoren.morałach moratorium mord morda morderca mordercą morderstwo mordować mordować morela morelą morena morfem morfina morfina morfiną morfologią mormon morze mosiądz moskit Moskwa moskwianin most most drzewa częściowego most zwodzony mostek mostek pomiarowy moszcz motel motłoch motocykl motocyklista motor motor bazy danych motorówka motoryzacyjny motoryzować motoryzował motyka motyl motyw motywacją motywy graficzne mowa mowa mowa wymijająca mozaice zedenkunde. kapel aanleiding aanleiding onderwerp. motorfiets motorrijder locomotief motor motorboot motor motoriseren motoriseren schoffel vlinder. morene morfeem morfine morfine morfine morfologie mormoons zee geelkoper. zedenleer moratorium. moraal. vermoorden abrikoos abrikoos gruiswal. vermoorden slachten. speech. surséance moorden. commandobrug brug. messing muskiet Moskou Moskovitisch brug. moeten motel geboefte. commandobrug horen. dienen. afslachten moorden.

vijzel mogelijkerwijs. nachtvlinder praten. murmelen (v. simpel. troosteloos. vijzel mortier. onnozel. schemerdonker. brein. kundigheid mogelijkheid bestaanbaar. menigte. aannemelijk bestaanbaar. mogelijkerwijs. hersens kop. m'n uiltje. mogelijk misschien. het mijne mijn. misschien. uil. knipperen. aanvaardbaar. flakkeren knipogen. boel wraak aanvliegen vlieg aanvliegen aanvliegen . donker schemer. mogelijk incidenteel. kundigheid bekwaamheid. toevallig inblikken de mijne.mozaika mozaika (fotoelektronowa) moździerz Moźdźierz może może może być możesz możesz możliwie możliwość możliwość wyboru języka możliwość wyposażenie dodatkowe możliwość zamontowania w stojaku możliwy możliwy do pomyślenia możliwy do zdegradowania możność móc mój mój mól mów mówić powoli mówić przez nos mównicą mózg mózgownicą móżdżek (potrawa) mroczny mroczny mroczny mrok mrożonki mrożony mrówce mrówka mrównik owadożerny ssak afrykański mróz mruczeć mruganie mrużyć msza mścić się mucha mucha mucha domowa muchą mozaïek mozaïek mortier. mogelijkerwijs. spreken spreken. praten spreken. pinken drom. mei misschien. mogelijk mogelijkheid bekwaamheid. flauw naargeestig. mogelijk mogen bloeimaand. krop. onbekend. leiding. halfdonker vlees bevroren mier mier aardvarken vorst murmelen. mogelijk misschien. somber obscuur. brein. massa. beekje) flikkeren. hersens dom. mogelijk acceptabel. mogelijkerwijs. praten tribune. hoofd hersenen. hoop. podium hersenen.

rugschild. zak tas. weiden schuimend. muzikaal speelman. mohammedaan mohammedaan. de was doen . muzikaal muziekwetenschap wij. mousserend schuimend. mam mummie tuniek uniform. ons. muzikant. ma. schaal musket schild. stemmen muziek-. mamma. muil mammie. wassen. vijzel bakstenen. behoren. musicus muziek jazz muziek muziek-. moslim. slof. mousserend schild. rugschild. moslim islamiet. schuimachtig. stenen neger-.Muhamed mulacie multiplekser multiset multi-set muł mumia mumia mundur mundur mur mur ogniowy murować murowany Murzyn murzyński musieć musieć muskularny muskuł musnąć musowanie musujący muszelce muszkiecie muszla musztarda musztardą muślin mutacja mutacją muzą muzeum muzułmanin muzułmanin muzułmański muzyce muzyczce muzyczny muzyk muzyka muzyka jazzowa muzyka kameralna muzykalny muzykologia my mycie głowy szamponem myć Mohammed mulattin veelvoud tas. moeten nodig hebben. zak muiltje. islamiet. wand mortier. zwart horen. schaal mosterd mosterd mousseline. neteldoek mutatie mutatie muze museum mohammedaan. wand muur. hoeven. dienen. islamiet. moeten spierspier grazen. moslim muziek in een stemming brengen. tenue muur. we het haar wassen uitwassen. behoeven. zwart neger-. schuimachtig.

beneden in het buitenland bodem. met pensioen gaan boven lucht-. ritssluiting gedurende. overheen. bovengronds verontwaardigd over. onjuist. jammer genoeg. staande korte tijd. geaardheid ontsnappen. eerder.myć szamponem mydlić się mydła mydło mylić się mylny mysz myszka myśl myśl przewodnia myśl przewodnia myśleć myśliwego myśliwy mżawka mżyć n n n n n n n n n na na na na na na (bardzo krótką) chwilę na (czymś) na (kimś na boku na boku na całym świecie na czatach na czele na dobre i złe na dole na dole na dziobie na gorącym uczynku na górze na kogoś na kotwicy na których gra się uderzając palcami) na niepełnym etacie het haar wassen zeep zeep zeep dwalen. jegens. helaas . attentie. ontkomen. jegens. terwijl. betrouwbaar jammer. afgewerkt. aanhang treksluiting. administrateur assembler acht. met in. beëindigd te. weerglans gedachte geloven. afgelopen. afzonderlijk wereldwijd wereldwijd maag daarvoor. om. afgewerkt. op klaar. karakter. met lucht gevuld. een fout maken fout. eventjes te. rits. aan de overkant van vertrouwd. vooraan. op. te afgezonderd. op. van mening zijn. foutief muis muis idee. even. om. onder. ontgaan indexeren linker leden. met klaar. tot. denkbeeld afspiegeling. per. achtergrond. tot. begrip. beëindigd aan. indertijd daarbeneden. benul. verkeerd. binnen. ondergrond. grond aftreden. afgelopen. achten jager jager motregenen motregenen beheerder. aandacht aard.

kaai. staande aan. uiterlijk buiten naar buiten. zeker boven aan boord aan boord aan boord noorden noorden daarvoor. eerder. eerder. achteraf. aanvaarden opdringen. buitenwaarts gedurende. vooraan. afzonderlijk op. terwijl. indertijd daarvoor. doorgaans afgezonderd. omhoog. indertijd aan boord gelukkig afgezonderd. aankoop acquisitie aangeleerd buit maken. aannemen. dempen. op verbintenis. perron. buiten. inkoop. kardoes wal. naar boven. vast. voor eeuwig daarbuiten. klant . kade. uiterlijk daarbuiten. wal. perron acquisitie buit maken. forceren kogel patroon.na nowo na nowo przeliczać na nowo przetłumaczyć na odległość na osobę na pewniaka na piechotę na podstawie na pokład na pokładzie na pół na pół na przełaj na przodzie na statku na statku na uboczu na uwięzi na wprost na wprost na wprost na zachód na zakupy itp) zwykle połączone z rozrzutnym wydawaniem pieniędzy na zawsze na zewnątrz na zewnątrz na zewnątrz na żądanie na życzenie nabawić się (choroby) nabić nabierać nabierać nabierać (<on sb> kogoś) nabój nabój nabrzeże nabrzeże nabycie nabyć nabyć nabytek nabyty nabywać nabywać nabywca nabywca van voren af aan. verkrijgen. aanlegplaats. vooraan. oosten zonsondergang eeuwig. opwaarts oosten oriënt oriënt. verkrijgen. spekken. nogmaals. aanlegplaats kade. contract invullen. koper. vullen een geintje maken accepteren. behalen aangeleerd afnemer. bepaald. opnieuw afgelegen. behalen koop. eruit. kaai. cliënt. nogmaals. afzonderlijk wel degelijk. buiten. ver in het algemeen. klant afnemer. opnieuw van voren af aan. onder.

foedraal. stappen. neiging aangrijpen. treden. koper. chef aanvoerder. afbeulen. lust. plechtig. wrijven. affiche afzender. radio uitstralen geldig verklaren geschiktheid afzender. aan de hand zijn nationaliseren. aantasten. bovengronds benoorden. klem accentueren. koker benoorden. doos. kade. glooiing aanvechting. naasten draadloze. ten noorden van lucht-. uitwrijven inspringen inspringen accentueren. gebieder. baas. etui. neiging helling. zin. ten noorden van nationaliseren. bak. aanlegplaats aankomen. baas. beklemtonen nadruk. geneigd zijn. chef aardewerk aardewerk schotel. kaai. aanvoer lopen. deprimeren pers aanduwen pers naasting nationaliseren. verzender aanplakbiljet. gebieder. naasten afzender. plakkaat. verzender afmatten. beklemtonen neerdrukken. belanden. zin. met lucht gevuld. schaal pot. naasten aanvoerder. afjakkeren wal. lust. neigen graad. verzender nog gebeuren. aanvallen aanstrijken. arriveren aanvliegen bezorging. ceremonieel . perron. trap aanvechting.nabywca nachylać (się) nachylenie nachylenie nachylenie nachylenie znaków (w czcionce) nacierać nacieranie nacięcie nacinać nacisk nacisk nacisk ciśnienie naciskać naciskać naciskać naciskać prasa nacjonalizacja nacjonalizować naczelnik naczelny wódz naczynia gliniane (i porcelanowe) naczynia stołowe naczynie Naczynie nad nad nad rzeką nadać coś komuś nadajnik nadal nadarzyć się nadawać coś nadawać przez radio nadawać skrośnie (artykuł do grup dyskusyjnych) nadawać ważność nadawanie się nadawca nadawca (przesyłki) nadawca wiadomości nadbieg nadbrzeże nadchodzić nadciągać nadejście nadepnąć nadęty klant. schrijden afgemeten. afnemer geneigd zijn tot. mate.

abundant. spoedeisend. buitensporig uitbundig. extreem. uitlaten controleren. onopgesmukt. spoedeisend abrupt. slag. nalaten. bloot. botweg ineens. meester worden opperste. vermelden excessief. petroleum naftaleen afkeuren. copieus. extreem. merkwaardig lampolie olie.nadir nadmienić nadmiernie nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny ruch w sieci nadmuchać nadmuchiwać nadmuchiwać nadmuchiwanie nadprzyrodzony nadrzędny nadrzędny nadtlenek nadto nadużycie nadużycie v nadużywać nadużywać nadużywać nadużywać (<sth> czegoś) nadużywanie nadwyżka nadymać (się) nadziać coś nadzieja nadzorca nadzorca systemu nadzorować nadzorować nadzwyczajne (wydanie) nadzwyczajnie nadzwyczajnie nadzwyczajny nadzwyczajny nafta nafta naftalina naganą nagi nagi nagi naginać naglący naglący nagle nagle voetpunt. excessief buitensporig. bijzonder opmerkelijk. afjakkeren. excessief buitennissig. superieur water overigens. kortaf. afzonderlijk bijzonder allemachtig buitengewoon. naakt. revisor steward verzaken. afmatten gescheld gescheld surplus opblazen spietsen hopen inspecteur. doorbuigen brandend. nadir gewag maken van. opeens . bloot ombuigen. buitensporig buitensporig. hoekig onopgesmukt. rijk extreem. verwerpen hoekvormig. buitensporig. mep. wraken. onbedekt. excessief houw. aflezen afgezonderd. dringend dringend. trouwens gescheld gescheld gescheld afbeulen. checken. plotseling. onbedekt naakt. klap opblazen opgeschroefd inflatie geestelijk onder de knie krijgen. flap. brandend. noemen. buigen. prevalent.

plaat. graad kortaf. graad inscriptie hoofdstuk. opeens crisis hoofd. opeenhopen agglomeraat discus. binnenrukken aanrijden. liever best afknotten best minst minst minst aannemen. belonen meeting. kop. binnenrukken huurder binnenvallen. terugdoen. abrupt. nadir voetpunt. duidelijk. steil naaktheid uploaden prijs. schijf met een band omgeven gloed. blijkbaar . grammofoonplaat. naïef. vuur lichtgelovig ongekunsteld. belonen vergelden. hoogst naast. bruusk. nadir eerste klaarblijkelijk. waternimf invasie. huren voetpunt. voorrijden binnenvallen. eerstkomend overwegend. binnenrukken best eer. onderschrift. argeloos najade. kapittel vaan.nagle się wydostać nagła potrzeba nagłówek nagłówek nagłówek nagłówek pliku nagłówek podstawowy nagłówek uwierzytelnienia nagły nagły nagły przypływ wody nagość nagrać nagroda nagroda nagrodzić nagromadzenie nagromadzić nagromadzić nagrywać nagrywać (na taśmę) nagrzać naiwny naiwny najada najada się najazd najbardziej najbliższy najczęściej zadawane pytania najechać najechać najechać (kraj) najemca najeżdżać najlepiej najlepiej najlepszy najlepszy najlepszy (zobacz <good>) najmniej najmniejszy najmniejszy wspólny mianownik najmować najniższy poziom najniższy punkt najpierw najwidoczniej ineens. lonen. chapiter. aanwerven. bijeenkomst accumuleren. lonen. bot. grotendeels binnenvallen. samenkomst. abrupt. plotseling. bot. rubriek titel. dundoek. onderschrift. inval meest. premie vergelden. steil plotseling kortaf. merendeels. waternimf najade. kop. terugdoen. vlag titel. ophopen. bruusk.

beperken. indrukwekkend beknotten. leggen. uitgave. stortregenen aandringen aanwakkeren. stortregenen bijdrage. schriftelijk bevel dicteren bevelen. beschuldiging opdringen. medeplichtige medeplichtige. vreten bevel recht borg staan voor. opstoken. druk. begrenzen overlappen overlappen opruien. concluderen mededader.najwidoczniej największa ilość najwyraźniej nakarmić nakaz nakaz nakaz nakaz sądowy nakaz urzędowy nakazać nakleić naklejać naklejka nakład nakład nakładać nakładać nakładać nakładać restrykcje ścieśniać nakładka nakładka nakładkować nakłaniać nakłaniać do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłonić nakłonić nakłonienie do przestępstwa nakreślać nakręcany nakrętka nakrycie nakrycie głowy (zwłaszcza kapelusz) nakryć nakrywać nalać nalegać nalegać nalegania nalepić etykietę naleśnik nalewać należny należyty naładować (akumulator) nałożyć nałożyć nałóg duidelijk. bekoren. nauwkeurig. opstoken. afleiden. bikken. garanderen aanschrijving. accuraat medeplichtigheid toelachen. bedekken vlijen. hoogst klaarblijkelijk. gieten. behoorlijk. neerleggen sauzen. aanhangen aanhechtsel. agiteren. contributie betamelijk. toedekken. doorvoeren opdringen. beleggen. aanvoeren. forceren aanduwen ondeugd. gieten. duidelijk. fatsoenlijk aanklacht. vastkleven. aanvuren. aansporen aandrang label. gebruiken. aanlokken locomotief moer overlappen hoed dekken. forceren imponerend. sticker uitgaaf. affix sluitzegel. agiteren. editie invoer aanwenden. gebrek . mededader opruien. etiket vla sauzen. helder meest. blijkbaar eten. commanderen kleven. ophitsen besluiten. ophitsen nauwgezet.

intens. vuur hartstochtelijk huif. ongeveer. dempen. aantasten. oprit aanvallen. oprijlaan discus aanleiding dieselmotor. fel. vervolgen agressie aanvallen. weerglans gedachte beschouwen. dempen. kampeertent kuit. zetten. vullen verdringen. prent. heen. weren. diesel spanning spanning. vuur gloed. aantasten aangrijpen.nam namalować namaścić namawiać namiar namiastka namiętna miłość namiętność namiętny namiot namnażać namydlić namysł namysł namysł namyślać się naokoło naokowiec naostrzyć napad napad (choroby) napadać napadać napalić naparstek naparzyć napastliwy napastnik napastnik napastnik napastnik napastować napaść napaść napełniać napełniać odrazą napełnić (się) napęd napęd dysku napędowy napędzany ropą napięcie napięcie napięcie (elektryczne) napięty napis napis napisać aan ons. kikkerdril zeep nakomertje afspiegeling. afbeelding. intensief inscriptie voorbode.. aanvallen gloed. sauzen. plaat smeren. spekken. voorteken. besmeren overtuigen lager peukje.. overwegen. omtrent. vingerhoedje aftrekken. voltage sterk. scherpen. peuk gloed. aanvaller achtervolgen. aantasten oprijlaan. aantasten invullen. vullen oprit. terugdringen invullen. ons beeld. uitschrijven . voltage spanning. doorsmeren. slijpen aanvallen. najagen. om wetenschapper. vuur vingerhoed. laten trekken agressief aanvaller aanvaller aanvaller voorspeler. teken neerschrijven. spekken. geleerde aanzetten. nagaan om . viskuit. tent. schrijven.

consultatie raadgevend lichaam. verontwaardigen belemmeren. raad opdrijven. storen. drankje pimpelen. schijf. wezenlijk nauwkeurig bepalen. plak. repareren eerlijk. alcoholische drank. verheffen. snede. boeten. indertijd langs. oplappen. eerder. determineren lappen. jegens voor tegenover. alcohol zinspelen zinspelen toespeling. naar. hard. plak. aantreffen brouwsel. hinderen ergeren. filet stortplaats drank. tegenaan. herstellen. drinken. in allerijl beklemtonen. ingevolge voorspeler. eerzaam. herstellen. vermaan. tegen. accentueren spanning met. anesthesie nationaliteit nationaal. drinken. blijkens. aansporing ontmoeten. aantreffen ontmoeten. schijf. belichten zich wagen aan. echt. aanvaller ergeren. degelijk werkelijk. schielijk. aandurven verdoving. zinspeling aanmaning. boeten. drank.napisany napisu segment procesora segmentowego przedział czasu napisu) segment (procesora segmentowego) przedział czasu napiwek napoje alkoholowe napomknąć napomknąć (<to sb napomknienie napomnienie napotkać napotykać napój napój napój gazowany napój z wyciśniętych cytryn lub pomarańczy naprawa naprawą naprawdę naprawdę naprawiać naprawiać naprawić naprawić poprawka naprędce naprężenie naprężenie naprzeciw naprzeciwko naprzeciwko naprzód naprzód naprzód naprzykrzać się naprzykrzać się naprzykrzać się komuś narada narada narastać narazić na niebezpieczeństwo narażać narażać się narkoza narodowość narodowy narodziny schriftelijk moot. determineren lappen. ophogen in gevaar brengen tentoonstellen. zuipen pimpelen. flikken gauw. repareren verhelpen. vaderlands geboorte . aan de overkant van daarvoor. verontwaardigen consult. filet moot. oplappen. flikken nauwkeurig bepalen. snede. zuipen pompoen verhelpen. vooraan.

narośl narośl rakowata narowisty narożny narożny naród naród naród narracja narta naruszać naruszać naruszenie naruszenie naruszenie (np. afstemmen. ochrony) naruszenie zasad współużytkowania naruszyć naruszyć narybek narysować narząd narzeczona narzeczony narzeczony narzekać narzekanie narzędnik narzędzia programowane automatycznie narzędzie narzędzie narzędzie sprawdzające narzędzie testujące narzędzie wizualne narzędzie z interfejsem graficznym użytkownika narzucać narzucać się narzucać się komuś narzut nasadka nasienie nasłuchiwać nastają nastając nastanie nastawiać wstępnie ustalać nastawić nastawienie wasdom. adapteren afstelling. zijn beklag doen beschuldiging. je vertelsel. aanlokken orgaan bruid. een bres slaan in een aanslag plegen op. luisteren afstammen. aan jou. kamwiel. zich indringen opdringen. een bres slaan in zonde breuk. volk lieden. het gevolg zijn van afkomstig advent aanpassen. beluisteren. verhaal. met lucht gevuld. ontwikkeling. aan je. lief. fruiten toelachen. forceren zich opdringen. galant schat. relaas. aanklacht ablatief kamrad. liefje. lui. instelling . verloofde. middel werktuig. gotisch lettertype een bres slaan. tandrad. letsel toebrengen zondigen een bres slaan. groei kanker hatelijk. mensen jou. boosaardig. meisje. middel utility utility werktuig. verloofde bruidegom. volk. bovengronds vingerhoed. forceren lucht-. tandwiel werktuig. adapteren aanpassen. middel werktuig. vertelling skiën kwetsen. kwaadaardig kantig accapareren. aanranden bakken. vingerhoedje zaad aanhoren. middel opdringen. lieveling klagen. bekoren. opkopen natie. een bres slaan in een bres slaan. afstemmen.

zetten. verzadigen dijk. laten trekken ingeving geestelijk huiswaarts. handelen volgens nazaat. ergo. betrekken. expositie aangrijpen. eerstkomend leden leden naast. imitatie uiteenzetten. aandrang informatie toegaan. verstrikken doortrekken. stortregenen onze. aanvallen brandend. afstammeling. eerstkomend afwisselend opvolgen. omtrek halssnoer. toch naast. slagen leden leden naast. waterkering sauzen. daarna ook weer. nabootsen. collier.nastawienie nastąpić po (<sb następca następnie następnie następny następny dzień następny etap następny przeskok następować następować następować kolejno następować kolejno następujące następujący następujący nastolatek nastroić nastrój nastrój nasturcja nasuwać myśl nasycać nasyp nasypać nasz nasz nasze naszkicować naszyjnik naśladować naśladować naśladowanie naświetlać naświetlać naświetlenie natarcie natarczywy natchnąć natchnienie natchniony native natłok natomiast w polszczyznie lepiej oddawać w l. mn. nabootsing. ons het onze. bloedaandrang. dringend aftrekken. stemmen gemoedstoestand. doorkomen. dan. moreel. voortgang hebben. nakomeling naderhand. de onze omlijning. nadoen navolging. de onze het onze. halsketting aap imiteren. spoedeisend. handelen volgens afwisselend klaarspelen. gebeuren . belichten tentoonstelling. gebeuren incidenteel. toevallig toegaan. naar huis congestie. aantasten. snoer. toelichten tentoonstellen. stemming geest Oostindische kers verwarren.) natrafić (<on/upon> sth) na coś natrafić (<upon sth> na coś) natrafić na coś houding opvolgen. gieten. eerstkomend puber in een stemming brengen. dus. voortgang hebben. achteraf.

bobine op een klos winden. tel nauwgezet. gieten. spoel. lerares onderwijzeres. natuurlijk. nietje. nietje kramp. begieten. nauwkeurig. effen kramp. leraar. haakje inrichten. van buiten leren wetenschap studie aanwijzing. sproeien storm gelijk. haakje kramp. winden. klamp. uiteraard natuurlijk oorspronkelijk. winden. aard naasting van nature. schooljuffrouw. bemesten. instructeur onderwijzeres. ogenblik. instructie wetenschapper. aanleren uit het hoofd leren. nietje kramp. lerares leren. geleerde akademisch. stichten spoken navigatie navigatie op een klos winden. accuraat afwennen. gelijk hebbend. oogwenk. gegrond dadelijk. klamp. haakje kramp. garen gieren. haakje. klamp. onmiddellijk onmiddellijk. oprichten. klamp. origineel juist. consigne. schooljuffrouw. mesten mest mest . geaardheid. klamp. vlak. taśmę nawinąć nawinąć nawis (odległość między znakiem a punktem początkowym) nawlekać nawozić nawozić nawóz karakter. spoelen aanschieten lager draad. spoelen klos. afleren Don onderwijzer.natura naturalizacja naturalnie naturalny naturalny naturalny natychmiast natychmiast natychmiastowy natychmiastowy nauczać nauczyciel nauczyciel nauczyciel nauczyciel akademicki nauczyć się nauczyć się na pamięć nauka nauka nauka zdalna naukowiec naukowy naukowy nawa nawa boczna nawa główna nawadniać nawałnica nawet nawias nawias nawias klamrowy nawias okrągły nawias zwykły nawiązywać nawiedzać nawigacja nawigacja dalekiego zasięgu nawijać nawijać np. nietje. academisch wetenschappelijk naaf naaf naaf bevloeien. haakje. nietje. dadelijk moment.

van. naam benaming. cliché negatief. naamwoord benaming. naam. naamwoord. naamwoord benaming. afmatten wraken. aanlokkelijk verachtelijkheid ellende. misère. onpartijdig lekker. verwerpen niet. naam. netto-. nee. zaken doen necrologie nectar bekeren bekeren Neolithicum. naam. miserabel ergeren. naam. zorgen voor. ontlasting. narigheid. haast. geen. naam benaming. armoe verachtelijk. afbeulen. bijna iets . nerveus netto. verplegen verzorgen. zorgen voor. Jongere Steentijd neologisme neonNeptunus nier zenuw slip. drol. bijkans. slipje zenuwachtig. zenuw-. naam. achternaam benaming. ellendig. keutel mest bekeren aanwensel. naamwoord Napels afjakkeren. aanlokkelijk lekker. verplegen schier. net. naamwoord benaming.nawóz nawóz (sztuczny) nawóz (zwierzęcy) nawracać nawyk nazista nazistowski nazwa nazwa nazwa kwalifikowana nazwa złożona nazwa źródła danych nazwisko nazwisko nazywać Neapol nefryt negacja negacja logiczna negatyw negatywny negocjować nekrolog nektar neofit neofita neolityczny neologizm neon Neptun nerka nerw nerwowy nerwowy netto neutralny nęcący nęcący nędza nędza nędzny nędzny nędzny nękać niańczyć niańka niby NIC mest drek. hebbelijkheid nazistisch. naamwoord familienaam. afzijdig. verontwaardigen verzorgen. naamwoord. cliché handelen. neen negatief. handeldrijven. nietswaardig jammerlijk belabberd. nazibenaming. duidelijk neutraal. nazinazistisch.

neen lucht. nood. ijverig spoken bizar ondoorgrondelijk.NIC nic (w zdaniach przeczących) nic nie wiedzący nic podobnego nić NIE nie nie nie nie bez powodu nie chroniony nie cierpiący zwłoki nie dawać spokoju (o myślach) nie do pary (np. vlijtig. neen niet. blank aanhangig floppen. but) nie do pogodzenia nie do wybaczenia nie do złamania nie doceniać nie doceniać nie dowodzący niczego nie kończący się nie mrówkojad nie pamiętać o nie podpisany nie przepisowy nie przyjąć nie przyzwyczajony nie rzucający się w oczy nie tracić czasu nie udać się nie uszczuplony nie wypalić nie zajęty nie załatwiony nie zauważony nie zbliżać się nie zważając na nie związane nie związany nie zwracać uwagi nieba niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwo niebezpieczeństwo niks. geen. neen brandend. onderwaarderen op een kier staand verzaken. nihil. verwerpen. niemendal niks. onvolledig floppen. verschillen. gevaar kans lopen. neen niet. stuk gaan hekel. niemendal nul nul. gevaar onraad. oningevuld. onvolledig incompleet. haperen. gevaar . verwerpen jubelen afslaan. spoedeisend. hemel hachelijkheid. nood. nihil draad. blanco. geen. nihil. afwijzen schuin. op het spel zetten hachelijkheid. garen wraken. geen. perikel. niets. tegenzin. nijver. verwerpen evenmin. gevaar crisis toevalligheid. verafschuwen naarstig. toeval onraad. nee. nee. geen. schelen niettegenstaande. in het water vallen uiteenlopen. onderwaarderen onderschatten. nee. niets. in weerwil van niet. afkeer. onbegrijpelijk onderschatten. uitlaten uitvallen. geen. noch neen. open wit. nalaten. leeg. in het water vallen ongewapend vrij. niet niet. schunnig aanhangig incompleet. nee. obsceen. nee. dringend een afschuw hebben van. perikel. antipathie aardvarken wraken. onbezet.

hemel doods. onzinnig. onbedorven. gemis ongemak. afkeer. nonchalant. hachelijk mijnenveld hemel-. laten begaan. nonchalance nonchalance. onrein. hemelhemels. vers. narigheid. luchtig. derven gebrek. nonchalant. antipathie trots laat. vies borstelig. hemels hemels. nalatigheid nalatigheid. onopvallend. nonchalance nonchalant. nonchalant onachtzaam. absurditeit. vuil. smerig. vergevorderd afkerig bescheiden. dodelijk nihil. nalatig kort gebrek. gemis . gebrekkig peukje. nalatig. intermitterend vervelend doods. onachtzaam. rechtopstaand recentelijk. fris luchtig.niebezpieczeństwo niebezpieczny niebezpieczny niebiański niebiański niebiańsko niebieski niebieski ptak niebiosa niebo niebo nieboszczyk niebyły niech niechęć niechęć niechętnie niechętny nieciągły nieciągły nieciekawy nieczynny nieczysty nieczysty niedawno niedawno niedawno wprowadzony niedawny niedbalstwa niedbalstwa niedbalstwo niedbalstwo niedbałość niedbały niedbały niedbały niedbały niedługi niedociągnięcie niedogodność niedokończony niedola niedołężny niedopałek niedorzeczność niedorzeczny niedostatek niedostatek kans lopen. hemel lucht. onvolledig ellende. euvel. misère. laten tegenzin. peuk onding. ongerief incompleet. nul laten schieten. hemel lucht. hekel. fris. ontberen. link. op het spel zetten gevaarlijk. euvel. ongerijmdheid dwaas. dodelijk morsig. nalatig nalatig. de laatste tijd onlangs. afwezigheid. onbedorven veronachtzamen nonchalance. nalatigheid nalatigheid. hemelblauw blauw lucht. armoe verminkt. onachtzaam onachtzaam. discreet hortend. ongerijmd. absurd missen. afwezigheid. ruigharig. kort geleden vers.

dubbelslachtig incompleet. duchtig. ongetrouwd dubbelzinnig. fris onervaren. Pinksteren naar buiten brengen. onvolledig inconsequent nadelig goedkoop een beetje. enigszins. verwarring lelijk schier. onbedorven. analfabetisch onbeleefd. haast. hard. lomp smakeloos. bars niettemin. een weinig een beetje. troebel. lauw Duitsland Duits Duits onaardig. desondanks niettegenstaande. honds. streng. donker inconsequent dubbelzinnig. duister obscuur. desondanks niettemin. bijster onverschillig. desondanks niettemin. dragen lager aanboren ongelukkige ongeletterd. onheus. nors. nurks. bloot. straf goedkoop zonneschijn zondag Pinksterfeest. honds. onbedekt. stom kind . bijna erg. vaag. enigszins.niedoświadczony niedoświadczony niedoświadczony niedrogi niedziela niedziela niedziela Zielonych Świąt niedźwiedź niedźwiedź niedźwiedź niefortunny niegramotny niegrzeczny niegustowny nieistotny nieizolowany niejaki niejasny niejasny niejasny kursor niejednolity niejednoznaczny niekompletny niekonsekwentny niekorzystny niekosztowny niektóre niektóry nieletni nielojalny nieludzki nieludzki nieład nieładny niemal niemało niematerialny Niemcy Niemiec niemiecki niemiły niemniej niemniej (jednak) niemniej jednak niemniej jednak niemolę niemowa niemowlę vers. onbekend. in weerwil van kind sprakeloos. groen bar. bijkans. lauw onopgesmukt. een weinig puber onwaar dierlijk onmenselijk verwardheid. dubbelslachtig onduidelijk. naakt ongehuwd. smaakloos onverschillig. luchtig.

mangel verstrooid afwezige. beuzelachtig. onmisbaar bizar schier. ingeboren onweerstaanbaar onontbeerlijk. onbegrijpelijk onbeduidend. dubieus aanvechtbaar. stom onlesbaar verafschuwen. open. absentie. betwistbaar ongeletterd.) niepojęty niepokaźny niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić się niepokojący niepokojący niepokojem niepokój niepokój niepokój niepoprawny nieporadny onmogelijk. uitgesloten. wegblijver leeg. met geen mogelijkheid onbestaanbaar. leuk. atomair elementair ondoorgrondelijk. aarzeling discutabel. mis plomp. bijkans. luizig ergeren. roerigheid. amusant ongerust. verontwaardigen belemmeren. gek. vijandigheid haten afwijking. bijna bizar bizar kind minderheidsgeweifel. abnormaliteit abnormaal afwezigheid. twijfelachtig. log . stom sprakeloos. hinderen aan de scharrel zijn. ongerust vermakelijk. haast. stom sprakeloos. een afschuw hebben van vijandschap. bezorgd aangelegenheid. analfabetisch bezetene. getier storing verkeerd. fladderen zich opdringen. vrij. bezorgd. beducht. onjuist. belang herrie. onmogelijk sprakeloos. hapering. onbezet verstrooid plotseling aangeboren. fout.niemożliwie niemożliwy niemy niemy niemy terminal nienasycony nienawidzić nienawiść nienawiść nienormalność nienormalny nieobecność nieobecny nieobecny nieobecny nieobecny (proces) nieoczekiwany nieodłączny nieodparty nieodzowny nieokrzesany nieomal nieparzysta (liczba) nieparzysty niepełnoletni niepełnoletniość niepewność niepewny niepewny niepiśmienny niepoczytalny niepodzielny niepodzielny (chem. zich indringen onveilig maken bang. krankzinnige atoom-. storen. animositeit. rel.

afgrijselijk smakeloos. bewusteloos schuin. onbehouwen. enig vlakte laakbaar. gemelijk . cru vijand vijandelijk. vast. ongerust aalwarig. schunnig grof. ruigharig. bezorgd. integraal aanhangig roerloos. honds. achtereenvolgens onafgebroken. verwarring onaangetast. abnormaliteit abnormaal ondoordringbaar onweerstaanbaar ondoordringbaar achtereen. nurks. onbewerkt. aalwaardig. naamloos ijselijk. nors. bot.nieporozumienie nieporuszony nieporządek nieporządek nieporządny niepotrzebny niepowodzenie niepowodzenie niepowtarzalny niepozorny niepożądany nieprawdopodobny nieprawdopodobny nieprawdziwy nieprawdziwy nieprawidłowość nieprawidłowy nieprzenikliwy nieprzeparty nieprzepuszczalny nieprzerwanie nieprzerwany nieprzetworzony nieprzyjaciel nieprzyjazny nieprzyjemny nieprzyjemny nieprzystępny nieprzytomny nieprzyzwoity nierafinowany nieregularność nierozdzielny całkowitoliczbowy nierozstrzygnięty nieruchomy nieruchomy niesamowity niesamowity nieskomplikowany nieskończenie nieskuteczny niesłychany niesmaczny niesmaczny niespodzianka niespodziewanie niespokojny niespokojny misverstand gevestigd. bars verwijderd. hecht janboel. rechtopstaand onnodig schade aanrichten. beducht. disorde. onaannemelijk verrassend loos. ver buiten kennis. onbeweeglijk nog eng. doorlopend grof. bot. snappen eensklaps. vijandig afschuwelijk onaardig. obsceen. griezelig bizar vlakte tot in het oneindige mislukt anoniem. ongeschonden. brij. smaakloos betrappen. bewegingloos. rommel. bedrieglijk. schaden ongeluk uniek. afkeurenswaardig ongelofelijk. ververwijderd. dubbelhartig onwaar afwijking. rotzooi moes. onbehouwen. verrassen. stevig. onbewerkt. onverwachts bang. cru verwardheid. pap borstelig.

stoutmoedig. lens. beproeving ziekte. blo beschroomd. bedeesd. aandoening leed. boud. hartzeer. helder onbekend onbekend ongelofelijk. bepaald klaar. jammer genoeg. helaas jammer. verdriet. smart ongeluk jammer. stout waardeloos. nalatig. aldoor dapper. timide. ranzig. gevolg usance. ledig. accident. excessief verachtelijkheid droefheit. bars. nurks. zeker. voos nihil. indigestie oproerig. extreem. voorhebben. bewusteloos ransig. leeg. ceremonieel soep honds. opstandig buitensporig. ferm. brutaal. achtereen. onvervaard. brengen zwak bevangen. benepen. nietswaardig. helaas verachtelijk. nonchalant. kwaal. voeren. garstig vleermuis invalide. slechte spijsvertering slechte spijsvertering. ongeval dragen. gewoonte. rans. onaardig onophoudelijk. nietswaardig ongelukkige ongelukkig ongeluk. hol toegegeven ongetwijfeld. stout gedurfd. plechtig. uitgesproken. haperen. onaannemelijk ongezien blind . nul loos. stuk gaan consequentie. gebrekkig mislukt afgemeten. helaas indigestie.niespójny niesprawność niesprzeczność niestandardowy niestaranny niestaranny niestety niestety niestrawność niestrawność niesubordynowany niesystematyczny nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęśliwie nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy wypadek nieść nieśmiały nieśmiały nieśmiały nieświadomy nieświeży nietoperz nietypowy nieudany nieugięty nieuporządkowany zbiór dokumentów nieuprzejmy nieustannie nieustraszony nieustraszony niewart nieważny nieważny niewątpliwie niewątpliwie niewątpliwy niewiadoma niewiadomy niewiarygodny niewidoczny niewidomy inconsequent uitvallen. gebruik nonchalant. bang buiten kennis. onachtzaam onachtzaam. nors. nalatig o wee. jammer genoeg.

geen. kwalijk. onschuldig onschuld. enorm. uiterst bijzonder. naamloos onduidelijk. onbehouwen. geheimzinnig onbegrijpelijk. onnozel. vermoeiend. buitengewoon allemachtig buitengewoon. log mysterieus. duister onervaren. bekrompen. lastig. het juk opleggen slaaf ongemak. onmisbaar afdoend. ondoorgrondelijk dadelijk. nauw vreemdeling. stroom laakbaar. nauwelijks ongehuwd. onbekende. onbedwingbaar . vaag. log aarzelend onwel. onbedorvenheid onschuldig. eng. niet lekker plomp. onbedorven. krap. log ontelbaar eeuwig enorm. voldoende vertrouwd. luttel. bot. ongerief plomp. afkeurenswaardig aanspannen. beuzelachtig. onmiddellijk onoverwinnelijk. betrouwbaar onontbeerlijk. luizig smal. melig plomp. groen amper. slim bankroet anoniem. klein onnozel. onbewerkt. min. onschuldig rivier. onbedorven. log moeilijk.niewielki niewiniątko niewinność niewinny niewinny niewłaściwe odstępy tekstu niewłaściwy niewola niewolnik niewygoda niewygodny niewygodny niewypłacalny niewypowiedziany niewyraźny niewyrobiony niewystarczający niezamężna niezapominajka niezapomniany niezawodnie niezawodny niezbędny niezbity niezdarny niezdecydowany niezdrowy niezgrabny niezliczony niezmienny niezmiernie niezmiernie niezmiernie niezmierny niezmierny niezmodyfikowany nieznaczny nieznaczny nieznajomy nieznany nieznany nieznośny nieznośny niezręczny niezrozumiały niezrozumiały niezwłocznie niezwyciężony gering. ongetrouwd vergeet-mij-niet niet. bijzonder gigantisch. onbedorven onnozel. vreemde anoniem. taai. nee. karig. een conclusie wettigend plomp. geweldig grof. naamloos onbekend afschuwelijk saai. cru onbeduidend. neen genoeg. troebel.

doden vergaan. curieus. dun. geen enkele. verrotten. geen enkel. in geen velden of wegen hier of daar. nimbus stralenkrans. ongebruikelijk ongehuwd. bijzonder typisch. schaden vernietigen. ongemeen. doodmaken.niezwykle niezwykły niezwykły niezwykły niezwykły nieżonaty nieżyczliwy nigdy nigdzie nigdzie nigdzie (w zdaniach przeczących) nikczemny nikły niknąć nikt nikt nimb nimbus (chmura deszczowa) nimfa wodna niniejszy niski niski poziom niski ukłon niskiej nisza niszczeć niszczenie niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć nit nitka nitować niuans niż niż niż się obiecało niższy noc nocleg nocnik nocny nocny nodze noga nomad allemachtig buitengewoon. wijken geen. nors. vastklinken schakering. vreemd zeldzaam. ergens laaghartig. niemendal. geen zier stralenkrans. infaam sprietig. gemeen. luchtig verdwijnen. mager. bederven klinken. garen klinken. nimbus najade. vernielen verdelgen. uitroeien ombrengen. niets. rotten. schaars ongewoon. schraal. ergens nergens. ongetrouwd honds. nooit hier of daar. bouwvallig schade aanrichten. nuance. laag. onaardig nimmer. nurks. bars. nuancering laag dan dan minderwaardig nacht aanpassing po nacht nachtelijk been been benoeming. waternimf tegenwoordig. nomade . gammel. verwoesten. actueel laag laag laag laag nis verval aftands. vastklinken draad. niemand niks.

norm regel. nieuwtje nieuwerwets. aflevering. nieuwigheid.nominalny nonsens nora norma norma norma wojskowa norma wojskowa normalny normalny stan normaly Norman Normandczyk normandzki normański normą Norweg Norwegia norweski nos nosić nosić nosowy nostalgia nostalgia nosze nośnik notariusz notatka notatka u dołu strony notatnik notatnik notes notes notes notes do zapisów notować notować wyniki Nowa Zelandia nowatorski nowicjusz nowicjusz nowina nowiny nowoczesny nowoczesny noworodek nowość nowość billijk. standaardmaat. dragen. nieuws. beginneling nieuweling. voertuig. hol. commentaar agenda. rechtvaardig nonsens. bijdetijds actueel kind nieuwheid nieuwtje. grot. katern blocnote blok schrift. dragen voeren. voorhebben nasaal. biljet. opkomend beginner. krocht. nieuwigheid . standaardmaat. standaardNormandisch Normandisch Normandisch Normandisch regel. kaartje discus. norm regel. norm normaal. katern plaatsbewijs. zever. standaardmaat. grammofoonplaat. holte regel. schijf Zeeland nieuw. plaat. standaardmaat. neusheimwee heimwee brancard. aflevering. standaardnormaal. draagbaar vehikel. kaartje aantekening. novice nieuws. norm Noors Noorwegen Noors neus naar buiten brengen. onzin. dagorde blocnote schrift. wagen notaris plaatsbewijs. biljet. modern. brengen. nieuwtje nieuws. norm regel. fair. gekheid spelonk. standaardmaat. standaardnormaal. nieuwigheid.

nowotwór nowy nowy nabytek biblioteki nowy wiersz nowy właściciel nozdrze nożyce nożyczki nóż nóż myśliwski np. @:-)) - uśmiech Elvisa Presleya np. <we shall go> pójdziemy np. <we shall go> - pójdziemy nucić nudności nudności nudny nudny nudysta nudyzm nudziarz nudziarz nudzić nuklearny numer numer numer rejestracyjny numerale numerek numerek (w szatni) numerować numizmatyk numizmatyka nurcie nurek nurkować nurkować nurkować (także o pikującym samolocie) nurkował nurkował nurkowanie nurt nuta nuta nuta kluczowa nużący nużyć nylon

tumor, gezwel nieuw, opkomend aanwinst, acquest, buit, prooi klaarspelen, doorkomen, slagen nieuw, opkomend neusgat schaar schaar mes hartsvanger glimlachen gaan, zullen gaan, zullen snorren, gonzen, razen, brommen misselijkheid, walging, walg, afkeer vakantie vervelend dom, simpel, onnozel, flauw nudist, naaktloper nudisme, naaktloperij, naaktlopen aanboren trekken aanboren nucleair, kernuitgeven, emitteren aantal, getal, tal aantal, getal, tal aantal, getal, tal biljet, plaatsbewijs, kaartje biljet, plaatsbewijs, kaartje aantal, getal, tal muntkenner, penningkundige muntkunde, numismatiek actueel duiker duiken duiken duiken duiken duif, tamme duif duiken loop, stroom, stroming plaatsbewijs, biljet, kaartje in een stemming brengen, stemmen plaatsbewijs, biljet, kaartje vervelend vervelend nylon-

o o (kimś o burzy: szaleć o ile sobie przypominam o ile szczęście dopisze o ją o jego o jego o jej o mało o niewiele o ręcznym napędzie o sercu: kołatać o śniegu: padać o światowym zasięgu o wielu możliwościach odporny o zmaku orzechów oaza oazą oba obacz <abide> obacz <beat> obacz <crow> obacz <feel> obacz <mistake> obacz <surprise> obaj obala obala obala obala obalać obalenie obalić obalić (teorię itp) obarczyć obarczyć obawa obawa obawą obcas obcążki obcesowo obcesowy obchodzenie się obchodzić obchodzić (przepisy) obchodzić się

circulerend, in omloop circulerend, in omloop storm aas hopelijk haar, hun, zijn het zijne, de zijne haar, hun, zijn het hare, de hare schier, bijkans, haast, bijna weinig aanreiken, overhandigen aan de scharrel zijn, fladderen sneeuwen wereldwijd krachtig, geducht, sterk, fiks, straf geurig, aromatisch oase oase beide, allebei, alle twee de woonplaats, domicilie vlijen, leggen, neerleggen bemanning vilt foutief, verkeerd, fout, onjuist ampère beide, allebei, alle twee de afgeven op, afbreken, afkammen neervellen, wippen, kappen, vellen ontzenuwen, weerleggen ondergraven, ondermijnen afschaffen afschaffing afschaffen exploderen, losbarsten, ontploffen beproeven, bedroeven, verdriet doen zadel aanhouding, arrestatie beklemming, angst, benauwdheid aangelegenheid, belang hiel knijper, schaar abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil kuur, behandeling vieren, opdragen, celebreren ontwijken, mijden, uit de weg gaan aanpakken, aan komen lopen

obchodzić się (<sth> z czymś) obchodzić się z czymś) obchodź obciąć obciążać obciążać (konto obciążenie obciążenie (maszyny itp) obciążenie1 obciążyć obciążyć hipotecznie obciążyć podatkiem obcina obcinać kadrować kadrowanie obcisły obcokrajowiec obcokrajowy obcy obcy obcy obecnie obecnie obecność obecny obecny obejmować obejmować obejmował obejmował obejmował obejść się bez czegoś obelgi obelżywy Oberon obetrzeć obezwładnia obezwładnia obficie obfitość obfitować obfitować (<with obfitować (<with sth> w coś) obfity obfity obfity (posiłek) obgryzać obiad obiad

aanpakken, aan komen lopen oor, kruk, handvat, hengsel, klink rondgaan, omgaan afknotten aanklacht, beschuldiging debetzijde, debet laden plicht, verplichting laden gewicht hypotheek belasten, aanslaan maaien afknotten stipt, nauwsluitend, streng, nauw buitenlander uitheems, buitenlands ijselijk, afschuwelijk uitheems, buitenlands buitenlands, vreemd, onwennig enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig bijzijn, presentie, aanwezigheid actueel tegenwoordig, actueel omhelzen, omarmen omsluiten omvatten, beslaan omhelzen, omarmen bevatten, inhouden, behelzen rondgaan, omgaan laaien, vlammen krenkend, beledigend, grievend Oberon afvegen, wissen, afdrogen, afwissen geweld aandoen, overmeesteren bedelven, overstelpen, verpletteren in overvloed, ruimschoots, rijkelijk onbekrompenheid, overvloed in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn uitbundig, copieus, abundant, rijk uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend uitbundig, copieus, abundant, rijk knagen, knabbelen diner, middagmaal, middageten twaalfuurtje, lunch

obiecywać obieg obieg obieg obieg projektu obiekt obiekt moduł wynikowy obiektyw obierać obierać kartofle obietnica obietnicą obieżyświat obijać obijać (meble) objaśniać objaśnienie objaw objaw objazd objazd objętny objętość objętość stała oblać (egzamin) oblegać oblegać oblewanie oblężenia oblężenie oblicz obliczać obliczać obliczenie obliczyć obliczyć objętość obligacja obligacji oblodzenie obładować obławą obłąkany obłąkany obłok obłudny obłudny obmycie obmywać

beloven, toezeggen, uitloven omloop, circulatie, roulatie muntsoort, valuta klotsen, plassen, kabbelen, klapperen omloop, circulatie, roulatie mikpunt, onderwerp, object, ding mikpunt, onderwerp, object, ding lens schillen, afpellen, jassen commissie, opdracht, boodschap beloven, toezeggen, uitloven beloven, toezeggen, uitloven wereldreiziger opvullen, vullen, opzetten opvullen, vullen, opzetten uitleggen, interpreteren, duiden toelichting, explicatie voorbode, voorteken, teken teken, symptoom, verschijnsel aberratie, afwijking tournee, rondreis zoel, lauw geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume floppen, in het water vallen belegeren belegering, beleg viering belegering, beleg belegering, beleg in aanmerking komen, meetellen meten, berekenen in aanmerking komen, meetellen rekenschap, rekening derde macht, dobbelsteen, blok rekening, conto aanhechting aflossing, amortisatie, afschrijving glacé beladen, inladen, belasten, laden bejagen, jagen, jacht maken op bezetene, gek, krankzinnige dolzinnig, dol, gek, krankzinnig wolk loos, bedrieglijk, dubbelhartig gehuicheld, geveinsd, huichelachtig wassing louteren, reinigen, schoonmaken

obnażony obniżenie obniżenie obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu obniżenie wydajności obniżka obniżyć obniżyć obniżyć się obniżyć się oboje obojętność obojętny obojętny obok obok obok obok siebie obok siebie obok siebie obok siebie obołudny obopólny obora obowiązek obowiązek obowiązek obowiązkowy obowiązujący obozować obój obóstwiać obóz obóz koncentracyjnjy obrabiać obracać obracać się obrachunek obrać zawód obradował obrady obrady obramowanie obramowanie prostokątne obraz obraz obraz elektronowy

onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt afname afdraaien, verlagen depressie invloed hebben op, beïnvloeden afname kleinmaken, vernederen, verootmoedigen afdraaien, verlagen neerdrukken, deprimeren verlagen, afdraaien beide, allebei, alle twee de flegma lauw, onverschillig neutraal, afzijdig, onpartijdig naast elkaar langs, naar, blijkens, ingevolge bezijden, naast, behalve aan, nabij, bij, dichtbij, naast aan, nabij, naast, bij, dichtbij sluiten, dichtmaken, dichtdoen naast, eerstkomend gehuicheld, geveinsd, huichelachtig onderling, wederkerig, wederzijds loods, keet, schuur, barak plicht, verplichting verplichting, plicht verantwoordelijkheid bindend, dwingend, gedwongen strip, reep, band, strook, windsel legeren, kamperen hobo verafgoden, adoreren, aanbidden legeren, kamperen legeren, kamperen functioneren, het doen anders maken, veranderen anders maken, veranderen akkoord, accoord, overeenstemming zich eigen maken, adopteren koesteren, broeden, broeden op actie, handeling, optreden, gedoe conferentie schoorsteenmantel omringen, omgeven, insluiten afbeelding, prent, plaat beeld, prent, afbeelding, plaat knippatroon, patroon

obraz tytułowy obraz wizja rysunek obraz zadania obraz zadania moduł ładowania (zadania) obraza obraza obrazą obrazić się obrazowo obrazowy obraźliwy obraźliwy obraźliwy obrażać obrażać obrażać obrączka obręb obrocie obrocie obrona obrona obrona przeciwlotnicza obroną obronić obroża obrożą obrót obrót obrus obrus obryzgać obrządek obrzezać obrzeże obrzęd obrzęd obrzęk obrzydliwy obrzydliwy obrzydliwy obrzydzenie obsada obsceniczny obserwacja obserwacją obserwować

beeld, prent, afbeelding, plaat schildering, doek, schilderij beeld, prent, afbeelding, plaat afbeelding, prent, plaat beledigen, krenken, affronteren troetelen, koesteren, vertroetelen beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken oneigenlijk, figuurlijk oneigenlijk, figuurlijk krenkend, beledigend, grievend agressief aanvallend, offensief gescheld beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken wal, beugel, ring kompas fietsen, wielrijden anders maken, veranderen weer, defensie, afweer, verdediging defensie, verdediging, weer, afweer bescherming defensie, verdediging, weer, afweer opkomen voor, verweren, verdedigen kraag, boord, halsboord kraag, boord, halsboord revolutie, omwenteling omzet laken tafellaken, dekservet klapperen, plassen, kabbelen, klotsen ritueel besnijden cirkelomtrek, buitenkant ceremonie, plechtigheid ritus, kerkgebruik, rite pof, poef ijselijk, afgrijselijk misselijk, stuitend, onsmakelijk venijnig, vergiftig, giftig gruweldaad, verschrikking, gruwel afgietsel, gegoten voorwerp schuin, obsceen, schunnig berisping, aanmerking, blaam, standje berisping, aanmerking, blaam, standje opvolgen, handelen volgens

obserwował obsesja obsesją obsługa obsługiwać obsługiwał obsługiwanie obsługujący obsługujący ramki obstawać obstrukcja obsunięcie się ziemi obszar obszar obszar definiowania obrazu obszar oddziaływania obszar zapisu taśmy obszar zapisu taśmy (magnetycznej) obszar zbiorczy sumować obszerny obszerny obszerny obszerny obudowa obudowa obudowa płaska obudowa układu scalonego obudowa wieżowa obudzić obudzić obudzić obudzić (ze snu) obudzić się obudzony oburzony (<at sth> na coś oburzyć obustronny obustronny obuwie obwieszcza obwieszczać obwieszczenie obwolucie obwoluta obwód obwód obwód obwód drukowany wielowarstwowy

opvolgen, handelen volgens obsessie obsessie administratiekantoor, bestuur serveren, voorleggen functioneren, het doen actie, handeling, optreden, gedoe steward steward aanhouden, blijven aandringen verstopping, constipatie, obstipatie aardverschuiving oppervlakte, areaal, gebied territoir, ban, gebied, grondgebied gehucht, buurtschap, vlek arena, krijt, piste, kampplaats zich aaneensluiten, aansluiten klimaatzone, zone, aardgordel oppervlakte, areaal, gebied uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend lijvig, veelomvattend uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend breedvoerig, ruim, groot, royaal affaire, zaak, aangelegenheid, ding inpakken, verpakken, pakken indompelen, indopen, soppen pedestal, piëdestal, voetstuk inpakken, verpakken, pakken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken verontwaardigd muiten, rebelleren, in opstand komen wederkerig, wederzijds, onderling onderling, wederkerig, wederzijds schoeisel uitvaardigen, afkondigen adverteren, aankondigen, aandienen bericht, aankondiging, advertentie kruisband, wikkel, banderol kruisband, wikkel, banderol circuit netwerk, net omtrek circuit

obwód drukowany wielowarstwowy obwód drukowany wielowarstwowy obwód wyjściowy obwód zaporowy obwódka obyczaj obywatel obywatel obywatelski obywatelski obywatelstwo ocalać ocalić ocean oceaniczny ocena ocena ocena zawartości oceną oceną oceną oceniać ocenić ocenić ocet ochłodzić ochocie ochota ochotnik ochraniać ochrona ochrona ochrona poufność ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) ochrona zasobów ochrypły ochrzcić ochrzcić ociągać się ociekać ociemniały ocierać ocierać ocknąć się oclić octan oczarować

maas, breisteek, steek, strik omtrek circuit circuit velg usance, gewoonte, gebruik staatsburger, burger nationaal, vaderlands burger-, stadsciviel nationaliteit redden, bergen, behouden bergen, behouden, redden wereldzee, oceaan oceanisch belastingaanslag, aanslag orkestreren schatten, begroten, waarderen, taxeren belastingaanslag, aanslag graad, mate, trap gedachte, mening, opinie, dunk, visie rekening, conto schatten, taxeren, waarderen, begroten appreciëren, waarderen edik, azijn koelen wil wil vrijwilliger, volontair behoeden, beschermen bescherming pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand bescherming schor, hees, rauw dopen dopen zweven water blind schaven, afschaven afvegen, wissen, afdrogen, afwissen beter worden, genezen, helen plicht, verplichting acetaat, azijnzuur zout heksen

oczarować oczarować oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać na pakiety oczekiwać na sygnał oczekiwał oczekiwał oczekujący oczka oczko oczko (sieci itp) oczko (w kartach itp) oczko sieci itp oczyszczać oczyszczać oczyszczać kogoś z winy oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić się oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywiście oczywiście oczywiście oczywiście od od czasu do czasu od niepamiętnych czasów od nowa od nowa od piątku od siebie od święta od zewnątrz oda oda tnica odbicie odbicie zwierciadlane (w grafice) odbiera

aantrekkelijkheid betoverend anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhoren, beluisteren, luisteren aanhoren, beluisteren, luisteren anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhangig maas, breisteek, steek, strik kijker, oog maas, breisteek, steek, strik sterretje, asterisk maas, breisteek, steek, strik raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel reinigen, schoonmaken, louteren borstelen, schuieren uitleggen, duidelijk maken, beduiden rein, puur, schoon, zindelijk louteren, reinigen, schoonmaken zindelijk, puur, helder, rein, schoon louteren, reinigen, schoonmaken aanwijsbaar, vertoonbaar apert, evident, kennelijk, duidelijk laten blijken, manifesteren kennelijk, evident, apert vlakte beslist, absoluut, ten enenmale klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk gewis, zeker, vast, stellig sedert, met ingang van, vanaf op een keer, eens van voren af aan, nogmaals, opnieuw opnieuw, van voren af aan, nogmaals van voren af aan, nogmaals, opnieuw van voren af aan, nogmaals, opnieuw afgezonderd, afzonderlijk daarop, vervolgens sinds, sedert, vanaf ode ode afspiegeling, weerglans afspiegeling, weerglans ontwoekeren

kudde. sujet. tasten. groep. wegsnijden afzetten. knul. terugkaatsen ontvanger ontvanger ontvanger gebruiker luisteraar. aars serveren. betasten vertegenwoordiger. hengsel. aars anus. agent . afladen tint schakering. afhalen lossen. knippen. wegnemen. in ruste aftreden. schakering. amputeren. amputeren. slank. sensatie bevoelen.odbierać odbierać odbierający odbijać odbijać się szerokim echem odbiorca odbiorca danych odbiorca docelowy odbiorcą odbiornik odbiór odbiór (długu odbitce odbitka odblokować odbyt odbytnica odbytnicą odbywać odchodzenie klientów odchodził odchodź odchudzać się odchylenie odchylenie odciąć odciąć dopływ odciąg odciąg odciąga odciążyć odcień odcień odcień odcień odcień odcień barwy odcięta odcinać odcinanie odcinek odcinek (powieści) odcisk odciskać odcyfrować odczucie odczuwać odczynnik chemiczny collecteren. schare. annuïteit afdruk indruk maken op. kruk. vak. dealer. nuancering tint abscis oor. persoon. nuance. drift afdruk nadruk. klink scheren. uitladen. rissen. handvat. aars anus. herdruk ontsluiten anus. met pensioen gaan rank. imponeren ontcijferen. nuancering nuance. voelen. snoeien branche. ontraadselen klapstuk. voorleggen karnen gepensioneerd. accepteren ontvanger afspiegelen reflecteren. toehoorder voor voldaan tekenen. inzamelen aanvaarden. afwijking afleidingsmanoeuvre afzetten. innen. nuancering schaduwen schakering. spiegelen. tak afbetalingstermijn. rustend. snuiter logeren ritsen. nuance. wegsnijden kerel. kwiteren hoop. aannemen. tenger aberratie.

piesen poepen. doorzien tak. afzonderlijk verscheidene. bedreigen isoleren. afzonderlijk afgezonderd.odczyt odczyt z wyprzedzeniem odczytać odczytaj odczytywać elektrycznie oddać (przysługę) oddać (się czemuś) oddaj oddalony oddawać mocz oddawać stolec oddawać usługi oddech oddychać oddychanie oddział oddziaływać oddziaływanie wzajemne oddzielać oddzielać oddzielać oddzielny oddzielny odebrać odwołać unieważnić odejmij odejmować odejmowalny odejmował odejmowanie odejście odejść odejść z kwitkiem odemknąć oderwać oderwać odetchnąć odezwa odgadywać odgałęzienie odgłos odgłos odgłos odgłos kroku odgradzać odgrażać się odizolować odjazd odjeżdża college geven lezen decoderen college geven betekenis. ademen declaratie. aftakking boe weergalmen. doorscheuren ademhalen. spenderen. voorleggen adem ademhalen. ontlasting hebben. echoën Echo naklinken. doorklinken isoleren. afzonderen uittocht. verklaring raden. galmen. accepteren aftrekken aftrekken afneembaar aftrekken aftrekking uittocht. afzonderen dreigen. weergeven opdragen. aannemen. afzonderen afgezonderd. grijpen. spanderen bemachtigen. verwijderd. naklinken. aangrijpen vandoor. ademen ademhaling agentschap aandoen. mislukken aftreden. gissen. kakken serveren. vertrek een miskraam krijgen. heen. aangrijpen agentschap gescheiden isoleren. zin reproduceren. een plas doen. diverse aanvaarden. over pissen. vertrek op reis gaan. met pensioen gaan ontsluiten verstrooien vaneenscheuren. afreizen .

verwijderd verwijderd. ver. weigering negatief. afzonderlijk uitbeelden. verbeelden. tegenspreken afwijzen. vanaf wanneer. funderen modelleren. toen vertraging afgeven. in bewaring geven uitstellen. afschrijving vandoor. afwisseling conjugeren. afreizen desinfecteren. verwijderd. afhalen uittocht. over afstand. steunen. grondvesten. rissen. ververwijderd. amortisatie. ver afgietsel. vertrek eenzaam partij. stem bikken. ontsmetten sinds. afwisseling veranderen. afnemen variatie. afbeelden achterhouden ontkennen veranderen. cliché in tegenspraak zijn met. kleiner worden. eind ververwijderd. sedert. gegoten voorwerp baseren. variëteit. heen. afschuwelijk uiteenlopend. boetseren ritsen. aanhouden ontdekking ontdekken ontdekken stutten. afkeuren . deponeren. loten afgezonderd. weigering afwijzing. wegnemen. afbikken splinter invalide. variëteit.odjeżdżać odkazić odkąd odkąd odkładać odkładać odkładać odkrycie odkryć odkrywać odkrywać odkrywać odkrywanie urządzeń sieciowych odkupienie odlatywać odległość odległy odległy komputer macierzysty odlewać odlewać odlewać odliczyć odlot odludny odłam odłamek odłamek odłączać odłączalny odłączony odłączyć odłączyć odmalowuj odmawia odmawiać odmiana odmiana odmiana baseballu odmianą odmianą odmieniać odmienny odmienny odmowa odmową odmowny odmówić odmówić op reis gaan. anders maken dalen. gebrekkig afneembaar afstandelijk verloten. verschillend afwijzing. anders maken variatie. als. het verdommen. verdagen. vervoegen ijselijk. schragen ontdekken ontdekking aflossing.

rommel. renoveren vernieuwen. vies ruiken afwijzen. antwoorden op corresponderen antwoorden. omtrent verwijzing. helen vernieuwen. familielid bewerkstelligen. tegenkanting. genezen. onvatbaar. geïsoleerd enkel. referentie lijken. referentie versieren vernieuwen. het verdommen. getij ebrusten rest. onvatbaar. geschikt . antwoorden op reageren corresponderen antwoorden. antwoorden op reageren antwoorden. aangaande. accepteren betreffende. ontslaan doen verdampen. afval tegenweer. antwoorden op neerdruipen. isolering alleenstaand. resistent antwoorden. bijbehorend gepast. referentie verwijzing. tegenstand immuun. overblijfsel. resistent immuun. afdruipen ebtij. royeren. indampen blaar terugvallen exemplaar. renoveren isolatie. uitdampen. debiteren verwant. antwoorden op adequaat. schijnen been verhalen. overkomen. bloot. vertellen. renoveren verwijzing. aannemen.odmrożenie odnajdywać odnalezienie odnaleźć odnawiać odnawiać (mieszkanie) odniesienie do obiektu odniesienie niejednoznaczne odnieść wrażenie odnoga odnosić się odnoszący się odnoś odnoś odnośnie odnośnik odnowić odnowić odosobnienie odosobniony odosobniony odór zynek odpadki odpalać odparowywać odparzyć odpaść odpis odpisać odpływ odpływ odpływ odpływ kanał odpoczynek odpoczynek odporność odporny odporny na wstrząsy odpowiada odpowiada odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać (<to sth> czemuś) odpowiadać za odpowiedni odpowiedni door bevriezing veroorzaakte wofrostbite ontdekken ontdekking beter worden. louter stinken. doorvoeren aanvaarden. passend. afkeuren ontzetten. afdruk antwoorden.

in bewaring geven gruwel. eind uit elkaar houden. antwoorden op verfomfaaien. behoorlijk landgoed. onderkennen . bazaar. walging. markt. op de juiste wijze netjes. verschrikking. parallel gevoeglijk. marktplaats aflaat mazelen Oder mazelen mazelen afgeven. antwoorden op antwoorden. aanhouden afstand. onderscheid maken onderscheiden. ontslaan verslappen.odpowiedni odpowiedni odpowiedni odpowiednik odpowiednik odpowiednio odpowiednio odpowiednio do odpowiedniość odpowiedzialność odpowiedzialny odpowiedzialny (<for sth> za coś) odpowiedzialny za coś odpowiedzieć komuś/na coś czymś odpowiedzieć <to sb/sth> komuś/na coś <with sth> czymś odpowiedź odpowiedź odpowiedź opóźnienia grupowego odpowiedź z danymi EGP odprasować na kant odprawić odprężacć się odprężyć (się) odprężyć się odprowadzać odprysk odpust odpust odra Odra odra (choroba) odra choroba odraczać odraza odraza odrazą odrażający odrażający odrębny odrębny odrobina odrobina odrobina odroczyć odrośl odróżniać odróżniać genoeg. zich verpozen verslappen. behoorlijk betamelijk. royeren. verdagen. afkeer. aansprakelijk verantwoordelijk. misselijkheid afschuwelijk ijselijk. voldoende fatsoenlijk. naar behoren. sprank uitstellen. frommelen ontzetten. deponeren. naar behoren. afgrijselijk uiteenlopend. gelijkwaardig evenwijdig. antwoorden op antwoorden. afzonderlijk jota ons vonk. behoorlijk. behoorlijk netjes. bezitting verantwoordelijkheid verantwoordelijk. accompagneren. misselijkheid walg. zich verpozen verslappen. verschillend afgezonderd. gruweldaad walg. aansprakelijk verantwoordelijk. boerderij. walging. antwoorden op antwoorden. aansprakelijk reageren reageren antwoorden. kreukelen. begeleiden splinter marktplein. betamelijk. zich verpozen vergezellen. fatsoenlijk equivalent. afkeer.

laven. verwerping dalen. loon. verhouding rente. verwerpen. tussenruimte pedestal. impuls. asterisk verwijzing. overeenstemming beloning. opening. dapperheid. vertrek verjagen. weergeven reproduktie. interesseren openbaren. gat interval. heen. opfrissen verfrissend vernieuwen. afnemen afdanken afslaan. kenbaar maken scène. tussenruimte opening. referentie akkoord. accoord. durf lef. aantreffen afbakenen ontcijferen. gooien afwijzing. bestek. treffen. piëdestal. schaden vinden. renoveren opknappen. moed. proportie. toneel. bevinden. verwerpen. moed. afwijzen opgooien. opfrissen verfrissend opknappen. vergelding schade aanrichten. ontraadselen afpoeieren reproduceren. speling afstand. bres. laven. wereldruim. tafereel. zat. aandrang schokken ontsluiten afslaan. afwijzen evenredigheid. procent. weergave afleren. voetstuk ruimte. drang. beschonken lef. verwijderd. afwennen dronken. gaping uittocht. kleiner worden. laven. ontraadselen sterker worden. over sterretje. dol. toenemen. opfrissen ontcijferen. eind interval. afschrikken vandoor. tableau mond. onderkennen aandrift.odróżnić odruch odruch odryglować odrzuca odrzucać do tyłu odrzucenie odrzucić odrzucić odrzucić odsetce odsetek odsetki odsłaniać odsłona odsłoną odstęp odstęp odstęp odstęp między znakami odstęp międzywierszowy odstęp proporcjonalny odstępstwa odstrasza odsunąć odsyłacz odsyłacz odszkodowania odszkodowanie odszkodowanie odszukać odszukać odszyfrować odświeżać odświeżać odświeżanie odświeżyć odświeżyć odświeżyć odświeżyć się odtajnić odtrącać odtwarzać tok rozumowania odtworzenie oduczyć odurzyć odwadze odwaga onderscheiden. durf . dapperheid. aanwakkeren opknappen. percent belang inboezemen.

referentie afschaffen terugtrekken. aankondigen. verstrooien achterzijde. wederzijds achterzijde. afwegen zich vermetelen. gat. rugstuk afleiden. dapper. rugstuk aftrekken. links converseren. koen gewicht flink. reproduceren. geregeld bezoeken bezoeken. opzoeken mond.odwaga odważnie odważnik odważny odważny odważyć odważyć się odważyć się odwdzięczać się odwiązać odwiedzać odwiedzać odwiedziny odwiert odwilż odwlec odwokat odwołać odwołać odwołać (kogoś lub coś) odwołać skasowanie odwołanie odwołanie przez adres odwołuj odwołuj odwoływać się odwracać odwracać odwrocie odwrotne łamanie odwrotność odwrotność odwrotność odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny bez powrotu do zera (zapis) odwrócić odwzajemnić odwzajemnić się odwzorowanie odyseja odziedziczyć odziedziczyć odzież odzież odznace odznaczenie zenuw dapper. ommezijde. beantwoorden hergeven. moedig. eerlijk. een gesprek voeren onderling. wegsmelten uitstellen. verdagen. een gesprek voeren achterzijde. bekendmaken afbestellen afdanken zich herinneren. wederkerig. afgaan. losmaken bezoeken. kledingstuk wapen. boud. rugstuk tegengesteld. vergelden. ommezijde. kleding gewaad. intrekken appelleren. afgaan. koen het gewicht bepalen. losbinden. decoratie . wagen zich wagen aan. aandurven restitueren. blazoen decor. strijdig converseren. boud. ommezijde. rugstuk achterzijde. wegen. tegenliggend. verstrooien terugdoen. ommezijde. braaf. onderscheiding. opzoeken bezoeken. dooien. gedenken. ferm dapper. opening ontdooien. erven kleren. een beroep doen op afleiden. kloek. onthouden afbestellen afbestellen verwijzing. kloek. terugbetalen afbinden. de aftocht blazen linker-. insigne. moedig. aanhouden adviseren. teruggeven bitmap Odyssee afwisselend beërven.

afkondigen uitgeven. aandienen aandienen. terugkaatsen ontwoekeren beter worden. beteuterd ontzetten. aanbieden dupe. blazoen kegel reflecteren. opdoeken wapen. verzenden. expediëren te koop aanbieden. afstammen uitspreken aandienen. aankondigen. adverteren adviseren. spiegelen. innemen ontzetten. verkondiger goed staan beduusd. adverteren proclameren. royeren. ceremonieel. accuraat. aanzoek nauwkeurig. genezen. indienen huwelijksaanzoek. bedremmeld. ontslaan ontzetten. presenteren. afschaffen. nakijken. offeren. aankondiging. royeren. binnenkrijgen. advertentie. eind inslikken. openbaarmaking adverteerder. bekendmaken het gevolg zijn van. haard . aanzoek afzenden. nauwgezet opofferen. advertentie afkondiging. plakkaat bericht. aankondigen. spiegelen. aankondigen. aanbieden huwelijksaanzoek. terugkaatsen reflecteren. helen beter worden. officieel afstand. aanbieden huwelijksaanzoek. getroffene. insigne. uitvaardigen. advertentie. genezen. aanzoek huwelijksaanzoek.odznaczyć odznaka odznaka odzwierciedla odzwierciedlać odzyskać odzyskać odzyskiwać odźwierny ofercie oferować oferować oferta oferta officer celny ofiara ofiara (na jakiś cel) ofiara życiowa ofiarować oficer oficjalny oficjalny ofset ogarniać ogień ogień armatni oglądać oglądać oglądać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłosić ogłosić ogłosić ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenie ogłoszenie ogłoszenie ogłoszeniodawca ogłuchnąć ogłuszał ognisko ognisko elimineren. plechtig ambtelijk. aanplakbiljet. aanzoek officier afgemeten. focus. ontslaan brandpunt. helen uitvoeren. emitteren bericht. offeren. royeren. aankondigen. ontslaan onderzoeken. aankondiging bericht. aankondiging. inspecteren uitzicht adverteren. examineren inspectie houden. advertentie affiche. aankondiging bericht. slachtoffer opofferen.

barrière haag. tuin . haard cachot. afsluiting. focus. knarsen smeden brandpunt. beperken. barrière kraal. łańcucha) ogolić ogon ogonach ogólnie ogólnokształcący ogólnoświatowy ogólny ogólny test klasyfikacyjny ogół ogółem ogórek ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać niosłości ograniczenie ograniczenie topologii ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych ograniczony ograniczony ograniczony wejściem-wyjściem ograniczyć ograniczyć ograniczyć spożycie (zużycie) ograniczył (się) ogrodnictwo ogrodnik ogrodzenie ogrodzenie ogrodzenie ogrodzić ogrodzić (żywopłotem) ogrodzone miejsce ogromny ogromny ogromny ogromny ogromny ogród open haard. kerker monteren. begrenzen. eindig perk. kanaal. afsluiting. begrenzen. gemeenschappelijk geheel alles wel beschouwd komkommer begrenzen. nauw. heg. heg. begrensd. groot hof. heining. haardstede haardstede. afsluiting. breedvoerig. zetten monteren. haard. eindig beknotten. beknotten begrensd. beperken. beperken. barrière beperkt. schoorsteen.ognisko ognisko domowe ognisko domowe ognisko kowalskie ogniskował ogniwo ogniwo ogniwo (np. straat beperkt. omheind terrein hek. eindig. grens beperken. beperkt beknotten. tuinier. beperkt. steg haag. heining. doorgaans generaal wereldwijd generaal algemeen. begrenzen. eindig tuinieren tuinman. omheind terrein afgrijselijk enorm buitengewoon gigantisch. begrenzen beperken. begrensd. eindig zeeëngte. beknotten begrenzen. beknotten beperkt. beknotten beperken. begrenzen begrensd. schouw piepen. beknotten hek. hovenier kraal. beperken. reusachtig royaal. heining. steg hek. zetten afscheren schaduwen rok in het algemeen. cel. ruim. begrensd.

aangeboren vaderland vaderland kijker. gelegenheidsopdraven. papa. knabbelen kern.ogród ogród zoologiczny ogryza ogryzać ogryzek ogrzać Ogrzewać ogrzewanie ohyda ohydny ojca ojciec ojciec chrzestny ojczym ojczysty ojczyzna ojczyźnie oka okablowanie okaz okaziciel okazja okazja okazja okazją okazjonalny okazywać się okienka okienko okiennica oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwał oklepany oklepany okład okładce okładka okładziną okna okno okno dialogowe okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) okno panel pole oko dierentuin hof. beleggen. hongerigheid. alledaags. gruwel afschuwelijk. vuur verwarming verschrikking. pit warm gloed. sleuf. afgrijselijk pater. trek toejuichen. foedraal. gebeuren afdingen. bij acclamatie benoemen toejuichen. glaswerk kijker. afgezaagd afgezaagd comprimeren mouw dekken. ouder peetvader. maal incident. proefstuk schede. venster bericht. gruweldaad. bij acclamatie benoemen graagte. bij acclamatie benoemen banaal. naamgever. specimen. eetlust. gleuf raam. bedekken voering raam. ouder pater. vader. boodschap verzenden glaswaar. papa. vader. vaartje. monster. venster raam. pingelen. toedekken. vaartje. marchanderen toevallig. peter. tuin knagen knagen. opdagen sponning. oog . houder afdingen. peet stiefvader ingeboren. gebeurtenis. marchanderen keer. vensterruit. pingelen. venster luik toejuichen. oog span proef.

kuil. hoer kut. in omloop ongeveer. komend eerstvolgend. bestuur. buitmaken. open veld oppervlakte. wielrijden wiegen periode. aanstaand. frauderen kring. lichtekooi. gewestelijk. etui. frauderen knoeien. ongeval toevallig. stand van zaken. oog eerstvolgend. doos. bepalen determineren. etui. definitief specifiek. vakterm krant specificeren benaming. omschrijven. cirkel ronde fietsen. gelegenheidsongeluk. foedraal. areaal. gruweldaad. doos. aanstaand. leiding term.oko magiczne okok okok ca okolica okolica okolica okolicą okolicznik okolicznosciowy okoliczności okolicznościowy okoliczność okoliczność około około okop okop okrada okradać okradać kogoś okraść okrąg okrągły okres okres okres okres okres ważności klucza kryptograficznego okres wykonania okres życia okres życia okresowy określać określenie określenie danych określenie ilościowe określenie intymnej części kobiecego ciała określić określić określony określony okręcie okręg okręgowy okręt wojenny okroić obcinać okropność kijker. arrondissement. nauwkeurig bepalen onherroepelijk. regionaal pot. gebied platteland. tribune. koker afknotten verschrikking. groeve. zwendelen. zwendelen. accident. koker district. gruwel . plunderen sluipen knoeien. tijdvak periode. komend oppervlakte. roven. tijdvak podium. oppervlak platteland. gouw streek-. een stuk of. gracht loopgraaf stropen. bak. gelegenheidsomstandigheid situatie. vulva kut. stand circulerend. tijdvak term. circa groef. bak. naam prostituée. greppel. open veld bijwoordelijk toevallig. foedraal. vakterm periode. soortelijk pot. naamwoord. vulva definiëren.

haast. enorm. behoorlijk. bekleden bezetten. achttallig betamelijk. ijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. vrijkopen. wreedaardig dekken. bijna handelen. geweldig elzeboom. bijkans. broodkruimel verschrikking. broodwinning. brandstof olie olie olijf olie olijf olijf verblinden. gigantisch gigantisch. bedekken hullen. beroep.okropny okropny okropny okropny okruch okrucieństwo okruszyna okrutny okryć okrywać oktalny okucie Okucie okulary okulary okulawić okulista okultystyczny okultyzm okup okupacja okupacja okupacją okupancie okupant okupować okupował olbrzym olbrzymi olbrzymi olcha olej olej rycynowy oleje i smary oliwa oliwą oliwą oliwić oliwka oliwny olśnić (dosł. barbaars. bewusteloos raken . beslaan. kijkspel. ijselijk kruimel. broodkruimel wreed. kreupel. beroep. fatsoenlijk smeden spektakel. gruwel kruimel. bekleden reus reusachtig. gruweldaad. hinkend oogarts occult occult loskopen. toedekken. geleiden. schouwspel bril mank. i w przen. ambacht beroep. zaken doen bezwijmen. bedrijf handwerk. leiden potlood altaar ohm schier. ambacht aanwezige aanwezige bezetten. els olie olie stookmateriaal.) ołów ołówek ołtarz om omal omawiać warunki omdlenie afgrijselijk schrikaanjagend. afkopen handwerk. beleggen. inwikkelen. beslaan. omhullen octaal. blind maken de weg wijzen. handeldrijven.

harnas. mislopen. ze gebaren. leerlooien. uit de weg gaan. omelet struif. pakken kruisband. katheder . omelet struif. zij. ingreep bewerking. looien aangebrand kuras. verband toebinden. steunen. operatie. hun het abdij abdij hangen verval inpakken. bespreken mossig tas. zak tas. keuze opera bewerking. ontwijken missen. hem haar.omen omija omit omlecie omlet omlet omnibus omówić omówienie omszały omultiset omulti-set on ona ondulacja one oni oni sami ono opactwa opactwo opada opadać opakowanie opakowanie ochronne opal opalać się opalenie opancerzenie opar oparcia oparcie opary oparzenie oparzenie słoneczne opaska opat opat tor opatrunek opatrunek opatrzyć opcja trasowania według nadawcy opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną opera operacja operacja zmiennopozycyjna operatora teken. troep. zij. ingreep kansel. alternatief. voorteken mijden. schragen uitwasemen aanbranden in kokend water doen schare. wikkel. leerstoel. bepantsering. wuiven. ze. bus bespreken. ze. omelet autobus. voorbode. ze. zij. banderol opaal tanen. pantser haarkloven. zij. discuteren recenseren. keuze keus. zak hij. zwaaien hen. alternatief. afbinden een verband omleggen keus. hun hen. bedillen schoor. hun hen. beer stutten. steunbeer. verpakken. misgrijpen struif. operatie. bende abt abt zwachtel.

tegenstand opportunist. meeloper vertelsel. afval tegenspartelen. rijk zijn acht. afbeelden beschrijven opium storten. uitbetalen. beschrijving verbeelden. dunk. sententie. tegenstand . aanstaand. aanslag pneumatiek. porto gesteld zijn. nonchalant gedachte.operą operować opętać opętywać opieka opieka opiekun opiekun klienta opiekunka do dziecka opierać opierać się opierać się opierać się o coś opieszały opieszały wstęp opinia opinia opis opis opis techniczny opisać opisywać opium opłacać opłakiwać opłakiwał opłata opłata (za przejazd) opłata jednostkowa opływowy opodal opodatkować opodatkowanie opona oponent oponent oponować oporność oportunista opowiadanie opowiadanie opowiadanie opowiadanie) opowieść opozycja opór opór magnetyczny opór sprzężenia zwrotnego opera functioneren. attentie. tegenstand trekken tegenweer. rommel. relaas. het maken port. frankering. band tegenstander tegenstander mikpunt. relaas. visie judicium. verband vertelsel. beschermheer chaperonne oppas rest. tegenkanting. obsederen bezitten. omgang. ding tegenweer. tegenkanting. uitspraak. onachtzaam. het doen beklemmen. opinie. tegenkanting. schildering. bespreken tafereel. aandacht bescherming beschermheilige. bezwaar hebben tegen belenden. komend belasten. vonnis tafereel. het maken gestroomlijnd eerstvolgend. uitbeelden. tegenstreven standhouden. vertelling etage. vertelling tegenstand. beschrijving recenseren. erop nahouden. luchtband. overblijfsel. grenzen aan nonchalant. verdieping vertelsel. object. dokken rouwen rouwen gesteld zijn. oppositie tegenweer. verhaal. nalatig. schildering. verhaal. onachtzaam nalatig. relaas. aanslaan belastingaanslag. betalen. vertelling betrekking. mening. onderwerp. verhaal.

inlijsten. foedraal aan. dichtbij. rugwaarts compileren. afstand. besef. strook. afslachten inbinden. binden strip. ledig. ondoorgrondelijk . funderen bereidwillig. leeg hol. bewustzijn daglicht opticien optimist optimistisch optimisme uitgeven. afreizen linker-. leeg Vlissingen gangster baseren. doch uitzonderen zich aanstellen. laten varen op reis gaan. reep. poef in de steek laten. vatten slachten. grondvesten. cessie. achteruit. links achterwege laten. afdalen concessie. houder velg houder. bij. ledig. lens. schede. immoreel. foedraal. bereidvaardig cocon bezinning. bedanken naar beneden gaan. samenstellen monteren. zich voordoen hol. zetten montage. onzedelijk onpeilbaar. nabij.opóźniać się z czymś opóźnić opóźnić opóźnienie opóźnienie propagacji opóźniony zapis opóźniony zapis opracowywać oprawa oprawa okularów oprawą oprawcą oprawia oprawiający oprawka oprawka oprawka oprócz oprócz oprócz oprócz oprócz opróżniać adj pusty opróżnić opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) opryszek oprzeć oprzejmy oprzęd oprzytomnieć optyczny wskaźnik działania optyk optymista optymistyczny optymizm opublikować opuchlina opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać (się) opuszczenie opuszczenie opuszczony opuszczony vertraging vertraging achterlijk vertraging vertraging achterover achterwaarts. naast overigens. band. lens. toegeving zonder vrienden gemeen. zetting in een lijst zetten. aftreden. loos. windsel schede. trouwens maar. loos. emitteren pof. weglaten uittreden.

opuszczony opuścić opuścić opuścić opuścić opuść (się) orać orać oranż oranż orator orbicie orbita orbita okołoiziemska orbitować orchidea ordynarny orędownik orędownik orędzie organ organ ds. organisch organisatie organisatie administratiekantoor organisatie organisme systeem. muziekkorps orkestreren planeet. baan orchidee hardhandig. bestel uitschrijven. opgeven een miskraam krijgen. baan oogkas. rechtzinnig orthografie. onkies. grof. ploegen. uitgang. oostelijk band. regelen. somber. baan oogkas. rejestracji użytkowników organiczny organizacja organizacja firma organizacja i zarządzanie organizacją organizm organizm organizować organizował organy orgia orgia orgią orientacja w przestrzeni orientalny orkiestra orkiestra smyczkowa orkiestrować ornacie ornament ornamentacja orszak pogrzebowy ortodoksyjny ortografia oryginalnie oryginalny weggelaten prijsgeven. beploegen geldkist. onlusten. stelsel. boodschap orgaan orgaan organiek. muziekkorps band. advocaat. uitweg op reis gaan. baan oogkas. zwelgpartij. orkest. fonds Oranje oranje redenaar oogkas. afreizen troosteloos. drinkgelag houding oosters. verdediger apostel. schrijfwijze oorspronkelijk. afleggen. mislukken afrit. spelling. organiseren orgaan muiterij. lomp. orkest. regelen. kas. ruw pleitbezorger. zwelgpartij. origineel . zwerfster versieren versieren gastheer orthodox. opstand orgie. van oorsprong oorspronkelijk. drinkgelag orgie. organiseren uitschrijven. naargeestig omploegen. voorvechter bericht.

okkernoot pinda. kokosnoot hazelnoot walnoot. aardnoot levendig. aardleiding behalen. bereiken. kwiek verfrissend wesp akkoord. vreemd oorspronkelijk. klappernoot. aardnoot moer adelaar. afdoen acht tachtig tachtig achttiende achttien achttiende achttien ouderloos ratelpopulier. inhalen. inhalen. kras. overeenstemming afhandelen. accoord. zetten wesp beoordelen. inhalen akkoord. druk. apenoot. oscilleren. behalen behalen. rap. okkernoot walnoot. behalen bereiken. origineel moer walnoot. schommelen economisch aarding. bereiken.oryginalny oryginał orzech orzech orzech alskowy orzech kokosowy orzech laskowy orzech nerkowca orzech orzech orzech włoski orzech ziemny orzeł orzeł czy reszka? orzeszek ziemny orzeźwiający orzeźwiający osa Osada osadzić osą osądzać oscylacja dwustanowa oscylator oscyloskop oscyloskop elektroniczny oscylować osdzczędny osiadanie na mieliźnie osiąga osiągać osiągać osiągalny osiągalny osiągnąć osiągnąć osiągnąć osiągnąć szczyt osiedle osiedlić osiem osiemdziesiąt osiemdziesiątka osiemnasta część osiemnastka osiemnasty osiemnaście osierocić osika typisch. esp . bereiken. curieus. okkernoot kokosnoot. overeenstemming monteren. klappernoot. behalen aanspreekbaar verkrijgbaar behalen. verkrijgen. berechten geschommel. oordelen. inhalen bereiken. arend pinda. accoord. schommeling oscillator oscillograaf oscillograaf slingeren. bereiken. inhalen behalen. arend adelaar. klapper klapper. inhalen buit maken. apenoot.

bekoelen. afkluiven beschuldigen. jas bescherming kruisband. aanklagen beschuldigen. bord bedaren. colbert. raar. capuchon. aangeklaagde beschuldigen. uithangbord. beschuldigde. colbert. sloof. kap jasje. bordje. bord suiker boezelaar. aanklacht beklaagde. toedekken. eigenaardig persoonlijk persoonlijk kegel . asiel. betichten. schort. aanklagen beschuldiging. betichten. buis overjas. beschuldiger een proces aanspannen tegen Oslo schild. geaardheid gek. kap jasje. aanklagen beklaagde. slof. voorschoot huik. accompagnement muiltje. verzwakken aanlengen aanlengen aanlengen bedaren. uithangbord. do gazety) osoba pilnująca dziecka osoba postępująca w sposób humanitarny osoba towarzysząca osoba używana do przemycania narkotyków osobistość osobisty osobisty osobisty numer identyfikacyjny osobisty numer identyfikacyjny ratelpopulier. uithangbord. lijst. buis dekken. bordje. vreemd. bedekken schild. mantelkap. asyl kader. beleggen. raam personage. persoon adverteerder. humaan begeleiding. bord toevluchtsoord. capuchon. luwen verdunnen.osikowy osioł osioł osioł oskard oskarżać oskarżać oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) oskarżać (kogoś o coś) oskarżenie oskarżony oskarżyciel oskarżyć przed sądem Oslo oslona osłabiać osłabiać osłabiać osłabiać osłabić osłabnąć osłaniać osłodzić osłona osłona osłona osłona osłona osłona osłona przeciwsłoneczna osłona TCP osłoną osłoną osłonić przed wiatrem osnowa tkaniny osoba osoba dająca ogłoszenie (np. esp ezel ezel afgodsbeeld knabbelen. betichten. beschuldigde. banderol huik. bekoelen. omlijsting. muil aard. wikkel. mantelkap. luwen schild. verkondiger oppas menselijk. bordje. aangeklaagde aanklager. karakter.

lethargie druilerig. levendig. voorafgaand vergevorderd. verleden. voorbijgaand beestachtig.osobiście osobliwy osobliwy osobliwy osobnik niosący trumnę osobno osobny osobowość osobowy osolić osowiały ospa ospałość ospały ostatecznie ostatecznie ostateczny ostateczny termin ostatni ostatni ostatni na wejściu—pierwszy na wyjściu ostatnie (wiadomości) ostatnio ostatnio ostemplować ostoi ostrodze ostroga ostrokrzew ostrość ostrość. voorafgaand voorgaand. voorzichtig zich bekommeren. bezorgd zijn. jijzelf afzonderlijk. kort geleden muntstempel drager. dierlijk kras. ergst. fel. ten slotte. hardheid zachtjes. felheid hardvochtigheid. guur. straf bijtend. schelheid. verleden. bezorgd zijn. zorgen waarschuwen zich bekommeren. ten slotte. nóż) ostry ból ostry nabój uzelf. vreemd. bruut. kwiek. szorstkość ostrożnie ostrożność ostrożność ostrożny ostrożny ostrożny ostrożny ostry ostry ostry ostry ostry ostry ostry (ból) ostry (np. bovenmatig finaal. streng. helder. hard. stut. individueel afgezonderd. voorbijgaand puntig. druk bar. alleenstaand aard. voorzichtig verstandig safe. eventueel uiterst. uiteindelijk voorgaand. raar. ruw. extreem. prikkelen de sporen geven. curieus. laat recentelijk. vreemd hoofdelijk. eigenaardig typisch. per saldo gebeurlijk. acuut. zorgen behoedzaam. geborgen. geaardheid persoonlijk zouten bromfiets pokken doffe onverschilligheid. behouden. per saldo eindelijk. rap. prikkelen hulst guurheid. veilig scherp. afzonderlijk geïsoleerd. karakter. leuning. duchtig. helder. steun de sporen geven. slaperig eindelijk. spits . afgezonderd gek. acuut. guur. doordringend sluw steek bijtend. doordringend scherp. de laatste tijd onlangs. fel.

dresseren. bedriegen zwendelen. tip waarschuwing. aanplakbiljet. africhten schatten. hebbelijkheid . behouden duizelig Mars schurkachtig handelen knoeien. lemmer. frauderen schurkachtig handelen misleiden. scheren. oever aanzetten. kust. kwaadspreken. waarderen belastingaanslag. dresseren. waarderen. africhten huistemmen. frauderen. lemmet wal. taxeren. begroten. africhten temmen.ostrydze ostryga ostrz ostrze ostrze ostrze noża ostrzega ostrzegać ostrzeżenia ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie o otwarciu obudowy ostrzeżenie o poziomie tuszu ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora ostrzeżenie o rozładowaniu baterii ostrzyc ostrzyc ostrzyć ostrzyć ostudzić osuwiska oswajać oswoi (się) oswoi się oswoić oswoić oswojony oszacować oszacować oszacowanie oszacowanie oszaleć oszałamiający oszczerstwa oszczerstwo oszczędność oszczędny oszczędny oszczędzać oszołomiony oszpecać oszukać oszukać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oester oester aanzetten. dresseren. africhten temmen. spaarzaamheid economisch spaarzaam redden. tip waarschuwen affiche. zwendelen. dresseren. taxeren bestseller. belasteren economie. begroten appreciëren. scherpen. kwaadspreken. waarderen. dresseren. belasteren roddelen. lemmet waarschuwen waarschuwen waarschuwing. kust. slijpen afkoelen aardverschuiving temmen. oever kling. tip waarschuwen waarschuwen waarschuwen knippen. plakkaat waarschuwing. scherpen. kant. furore duizelig roddelen. boord. kant. slijpen kling. aanslag schatten. snoeien maaien wal. bergen. africhten temmen. lemmer. knoeien aanwensel. boord.

uitspraak declareren uitloven. blind maken verblinden. rang uitspreken uitloven. blind maken blind aanvuren. aanwakkeren. plantengal. bedrieger jongleur haai schurkachtig handelen jongleur zwendelen. stand. omgeven. galnoot afgrond. verklaring declaratie. spil staf as.oszukiwał oszust oszust oszust oszustwo oszustwo oszustwo telefoniczne oszyc oś oś oś oś oś (koła) oś (obrotu) ośka oślepia oślepiać oślepić ośmielać ośmielać się ośmielić się ośmiobok ośmiokąt ośmiokątny ośmiokrotnie ośmiokrotny ośmiornica ośmiornicą ośrodek ośrodek ośrodek zdalny oświadczać się oświadczać się oświadczenie oświadczenie oświadczyć oświadczyć (się) oświadczyny oświadzenie oświeca oświecać oświecać oświetlać otaczać otaczać murem otarcie (skóry) otarcie skóry otchłań misleiden. verlichten illumineren. verlichten illumineren. wagen claimen. bedriegen charlatan. knoeien borduren prieel spil. spil verblinden. bieden. verlichten omringen. kwakzalver. centrum ligging graad. aanbieden spil. binnenste. bieden. frauderen. aanspraak maken op achthoek achthoek achthoekig achtvoudig achtvoudig octopus octopus middelpunt. verlichten illumineren. aansporen zich vermetelen. as declaratie. kolk . as as. draaien as. insluiten muur. aangifte. aanbieden declaratie. spil roteren. aangifte. wand afschaving gal. uitspraak illumineren. status.

opening. casco omsluiten omringen. buit maken aanvaarden. dik insekt eirond. inwikkelen. omstreken scheepsromp. plantengal. gat. opening sponning. durf mond. er. gat. openen ontsluiten loslaten. sleuf. gleuf mond. opening dik. do wrzucania monet) otwór do wrzucania monet otwór poczty (mechanizm komunikacji międzyprocesowej) otwór wentylacyjny otwór wiertniczy otwór wiertniczy otwór zabezpieczenia zapisu (w dyskietce) otyły otyły owad owal owalny owca owi owies owijać owłosienie owłosiony kolk. dapperheid. haar harig. insluiten Turkse staatsraad. opening mond. sleuf. divan. ovaal schaap dat. uitlaten. omhullen haardos. aldaar. gleuf mond. open en bloot. bodem. diepte ginds. daar. sleuf. gleuf mond. moed. zulks haver hullen. lossen mond. datgene. omstreken omgeving. rondweg openheid openmaken. ovaal eirond. vergeven gal. romp. opening. omgeven. tappen. accepteren lef. aannemen. gat ronduit. ruigharig. gat. opendoen. daarginds milieu. blikopener openmaken. omgeving omgeving. medium. rustbank goed. lijvig lijvig. ruig . vergallen. opening fjord sponning.otchłań otchłań oto otoczenie otoczenie otoczenie sieciowe otoczka otoczyć otoczyć otomana otóż otruć otrzeć (odparzyć) skórę otrzeć (skórę) otrzymać otrzymać otucha otwarcie otwarcie otwartość otwarty interfejs przygotowywania do druku otwieracz do konserw otwierać otwierać (z klucza) otworzyć (spadochron) otwór otwór otwór (np. opendoen. gat sponning. nu goed vergiftigen. afschaven verkrijgen. afgrond kolk. gat. galnoot schaven. openen opener.

aldaar. optreden. trouwen bezielen. werktuig beduiden. garneren sieraad. adverteren intiem. daarginds. opwerken. aantonende wijs merken. decoratie. geurig stinkend kegel lies . plan. verlevendigen actie. tooisel versieren koud voorbode. strekking merken. achttallig achtste achtste dat ginds. daar oksel oksel stinkend stinken. teken gemiddeld middel. teken. verlevendigen acht octaal. bekendmaken aandienen. bewijs ozon tong in de echt verbinden. tekenen muntstempel adstructie. aankondigen.owoc owoce owocny owocowy owocujący owrzodzenia ozdabia ozdabia ozdabiać ozdabiał ozdabianie ozdoba ozdoba oziębły oznace oznacza oznacza oznacza oznaczać oznaczający oznaczyć oznajmiać oznajmić oznajmić oznajmujący oznaka oznaka oznaka ozon ozór ożenić się ożywiać ożywienie ożywiony ósemka ósemkowy ósma część ósmy ów ów pacha pachą pachnący pachnąć pachniano pachniano pachołek pachwina vrucht vrucht vruchtbaar vrucht vruchtbaar zweer versieren verfraaien. betekenen spellen doel. gedoe. innig. tekenen adviseren. aankondigen. bedoeling. beslaan. handeling bezielen. flatteren versieren opgesmukt afzetten. knus indicatief. voorteken. er. gezellig. vies ruiken aromatisch.

scheuren Pakistan inpakken. zaak. spin web. rag affaire. bergen. verpakken. afvallen. spinneweb. verpakken. bergen. neervallen. zieke patiënt. paal. pakken pakje bundel. spinrag. vallende ziekte vallen. pakken. bos barsten. verpakken. ineenstorten. storten regenen aas aas hoogte aanaarden spinnekop. menigte. pakken. wis. verpakken inpakken. hoop. verpakken opbergen. drijven bakvis pacifist pacifist bundel. zieke vlotten. post. aangelegenheid. dobberen. massa stijl.paciorek pacjent pacjent stały (w szpitalu) packa murarska packa na muchy pacyfista pacyfiście paczce paczce paczce paczka paczka paczka paczka paczka błędów pad upaść pada grad padaczka padać padać padlina padliną pagórek pagórek pająk pajęczyna paka pakiet pakiet pakiet pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) pakiet żądania WE/WY Pakistan pakować pakować pakował pakunek pakunek pal pal palaczach palant palant palca palec palec (u ręki) palec u nogi kraal patiënt. pakken pakje boel. drom. insluiten inpakken. insluiten opbergen. ding emmer inpakken. wis. epilepsie. pakken pakje pakje pakje instorten. splijten. uiteenvallen hagel toevallen. deurpost rookcoupé baseball vleermuis vinger vinger vinger teen . bos pakje pakje inpakken.

operatekst aandenken. schoorsteen. brandstof bal. heugenis. oven Palestina aanbranden geroosterd. gedenken zich herinneren. hoe. heugenis. gedenkschrift aandenken. libretto. onthouden. journaal . brandstof stookmateriaal. herinnering zich herinneren. geest. heugenis. herinnering flitsen. bochel ROM ROM verstand. als. verassen schutting.palec u ręki palenie zwłok paleniska palenisko palenisko palenisko palenisko Palestyna palić palić palić palić (papierosa itp) palić na popiół palisada paliwa paliwo paliwo wysokoenergetyczne palma palto paluch pałac pałka pałka policyjna pamarańcza pamarańcza pamflet pamiątce pamiątka pamiątka pamięci pamięciowy pamięć pamięć pamięć dyskowa pamięć ekranu pamięć magnetyczna ferrytowa pamięć podręczna scalona z układem procesora pamięć podręczna z synchronicznym pamięć rdzeniowa pamięć stała pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna (pamięci) pamięć zmienialna pamięta pamiętać pamiętnik vinger lijkverbranding. brandstof stookmateriaal. onthouden. hol mnemonisch geheugen. haard. gebraden smoken. heugenis. leeg. lens. schouw piepen. verassing piepen. roken stinken. vies ruiken cremeren. aanhangen staf Oranje oranje boekje. palm overjas. gedenkschrift aandenken. knarsen open haard. ledig. bij wijze van. jas teen paleis kleven. haardstede kachel. intellect winkel geheugen. herinnering winkel geheugen. flikkeren. gedenken dagboek. gloren ROM voor. herinnering geheugen. tot bult. paalwerk. gedenkschrift loos. crematie. vastkleven. knarsen haardstede. handpalm. palissade stookmateriaal.

jouw moes. aan jou. de jouwe verzekeren. aan je. bruid. beweren jou. de baas zijn bestuur. mager closetpapier. gentleman onder de knie krijgen. pap. document. je openbaar. harnas. papier. akte dik. beweren platteland. lord onder de knie krijgen. open veld natie. heerschappij. meester worden paniek terreur. volk verzekeren. bewind heerschappij. plaat dame paniek onder de knie krijgen. papier. WC-papier. document. publiek je. bewind bestuur. pantser kuras. jouw het jouwe. bewind. onderzoek fotografische plaat. schraal. dicht sprietig. misgrijpen Maagd verloofde. kuras. mislopen. keuring. heerschappij. krant gedenkwaardig. bewind pré. toiletpapier bescheid. openlijk. dienares. heerschappij. pantser examen. gebonden. meester worden bruidegom. meid missen. brij bescheid. luipaard pantoffel pantomime spelen je.pamiętnik pamiętny pan pan (domu) pan (przed naswiskiem) Pan Bóg pan domu pan młody pan wielkiego rodu pancerz pancerz pancerz panel pani panice panicz paniczny paniczny strach panika panna panna panna panna Panna (gwiazdozbiór) panować panować panował panowanie panowanie panowanie nad sobą pantera pantofel pantomima pański pański państwa państwo państwo państwo państwo państwowy pańtwa papce papier papier o dużej gramaturze papier o małej gramaturze papier ścierny papier wysokiej jakości courant. heuglijk heer. jonggehuwde edelman bepantsering. meisje dienstmeisje. voordeel bestuur. meisje meester zijn. harnas. bestuur panter. akte . bepantsering. schrikbewind paniek meid. dagblad. meester worden dhr. ruchtbaar.

staren stoom. kudde parochie paraffine initiaal. echtelieden stel. echtelieden pralen. paragraaf verlamming lamleggen. konkelarij parkeren parkeren . paraderen. duo. tweetal. klappen. tweetal. paar turen. klikken varen paprika papegaai papegaai papegaai turen. prijken paradox paradoxaal paradoxaal pralen. damp wasem. kletteren. paar stoom. koppel. schut stel. pronken. dorpel paraplu paraplu scherm. duo. damp. aanstaren. pronken. gebrekkig parameter paranoïde paranoia drempel. stoom pakje intrige. paraderen. aanstaren. kwiteren artikel. voorletter voor voldaan tekenen. paar echtpaar. pronken. koppel. koppel. staren echtpaar. prijken parochie parochieparochiaan roedel. sigaret paus klakken. akte saffiaantje. wasem. paraderen. tweetal. duo.papier wysokiej rozdzielczości papieros papież paplać paproć papryka papudze papuga papugować par para para para (dwa para komplementarnych tranzystorów para uporządkowana parada paradą paradoks paradoksalny paradoksyjny paradować parafia parafialny parafianin parafią parafią parafina parafować paragon paragraf paraliż paraliżować paraliżował parametr paranoiczny paranoja parapet parasol parasol (od słońca) parawan parą parą parą parą parcela parcela park parking bescheid. damp stel. machinatie. verlammen verminkt. papier. prijken pralen. document. wasem.

meemaken. gordel strip. afscheiding. aardgordel scheerriem . effen gelijk. reep overloop. aanhang kavel. strook. zone. gang. passagier inzittende. afdammen riem. ceintuur slippen. effen riem. gordel riem. uitdampen. clausuur deelnemen. volksvertegenwoordiging parlementair stoomboot vochtig travestie doen verdampen. damp masseren benedenverdieping. strook.parkować parlamencie parlament parlamentarny parnik parny parodią parować parować parowca parowiec parowóz parowy parsować parter parterowy dom partia partia (produktu) partycja podział strefa partycypować partykularny partykuła partyturą paryski parytet Paryż paryżanin parzystość parzysty parzysty równy regularny pas pas pas pas pas (w kartach) pas bezpieczeństwa pas parciany pas startowy pasaż pasażer pasażer na gapę pasek pasek pasek pasek pasek pasek pasek (papieru) parkeren parlement. deel orkestreren van Parijs pariteit Paris van Parijs pariteit gelijk. ceintuur. ceintuur. jaartelling. afgezonderd item. gordel. leest. damp stoomboot stoomboot motorisch stoom. passagier belemmeren. taille gallon gallon riem. windsel. volksvertegenwoordiging parlement. windsel. wasem. meedoen afzonderlijk. vlak. wasem. deeltje. baan. ceintuur gallon middel. reep klimaatzone. rijstrook inzittende. afsluiten. gordel riem. uitglijden strip. vlak. gordel. indampen stoom. ceintuur. parterre bungalow leden. perceel schifting.

lijdzaamheid geduld. kaak laaien. patriot vaderlandslievend . vuur fascinerend. octrooi aartsvader. adapteren kakement. ellendig. beslag. zone. weiden schreef. betoverend afschuwelijk belabberd. lijdzaamheid gloed.pasek reklamowy (na stronie WWW) pasek zębaty pasieka pasja pasjans pasjans (w kartach) pasją pasjonujący paskudny paskudny pasmo pasmo pasmo (gór) pasmo (radiowe) pasmo wizyjne pasować pasożycie pasożycie pasożyt pasta pasta pasta pasta pastel pasterz pasterz pastor pastor pastuch pasujący paszcza paszkwil paszporcie paszport pasztet paść paść (się) paśmie patelnia patelnia patencie patent patentować patentowy patriarcha patriocie patriota patriotyczny vaan. paspoort pas. dundoek. patriarch vaderlander. adapteren bloedzuiger parasiet. aanpassen. vuur geduld. octrooi patent. klaploper parasiet. boeiend. patriot vaderlander. reep afstemmen. status. schrap. bijenschans gloed. dons grazen. troep. pan Pan patent. bende klimaatzone. vlag riem bijenstal. stand. aanpassen. tekenkrijt. pat. troep. nesthaar. kleurkrijt pastoor herder minister. bewindsman pastoor herder afstemmen. strook. aardgordel graad. octrooi patent. windsel. bende strip. pasta Pools schoensmeer schoencrème pastel. streep koekepan. rang schare. octrooi patent. miserabel schare. haal. paspoort pastei waas. streek. klaploper deeg. vlammen pas.

paviljoen. pikken schuiven schokken priemen. spruiten. trappen accelerateur. afval pauw baviaan koepel. pikken hoop.patriotyzm patrol patrz patrzeć patrzeć na kogoś z ukosa patrzeć zezem patyk pauza pauza pauzą pauzą paw pawian pawilon paznokcia paznokieć pazur pazur ernik paź październik pażdziernik pączek pączkować pąk pchać pchać pchać pchać się pchła pchłą pchnąć pchnąć nożem pchnąć nożem/sztyletem pchnięcie pchnięcie pchnięcie nożem/sztyletem pech pedał pedał gazu pederasta pejzaż Pekin pelargonia peleryna peleryna peleryna peleryną peleryną vaderlandsliefde. edelknaap wijnmaand. liefkozen. steken. oktober wijnmaand. prikken. er uitzien scheelzien. botten uitbotten. boel. oktober uitbotten. strelen. overblijfsel. er uitzien kleven. prikken. nagelen spijkeren. botten stuwen aanduwen priemen. aantreffen het uiterlijk hebben van. massa. spruiten. gaspedaal. scheelkijken. nagelen klauw spijkeren. steken. patriottisme patrouilleren ontmoeten. prikken. steken. tuinhuis spijkeren. rommel. botten uitbotten. page. pikken priemen. menigte vlo vlo priemen. spruiten. pikken schuiven ongeluk peddelen. nagelen boer. steken. aanhangen pauzeren aanhalen. vastkleven. loensen het uiterlijk hebben van. versneller feeëriek landschap Peking ooievaarsbek kaap Kaaps regenmantel kaap Kaaps . prikken. drom. aaien afbreken rest.

geestig. innemend. afgeladen. bevallig. dubbelhartig stompen Jan Klaassen parfumeren parfumeren perkament krant krant parel parel parel tribune. volkomen. ad rem totaal. volkomenheid. volmaaktheid perfectie. compleet. leiding. volkomen. compleet. podium Perzisch Perzië Perzisch persoonlijk personeel staf staf prospect. verraderlijk. volkomen meerderheid. vol geheel. snikkel. mantel pelikaan pelikaan jubelgracieus. perfect. volkomen. vol kruipen kruipen penicilline penicilline penis lul. meerderjarigheid in de plaats stellen van. leuter. heel. zielsverwant snedig. ten volle. perspectief. volmaaktheid verraad trouweloos. mudvol totaal. doorkijk uitzicht . inboeten totaal.peleryną pelican pelikan pełen triumfu pełen wdzięku pełen współczucia/zrozumienia pełen życia pełnia pełno pełnoletniość pełnomocnik pełny pełny pełny wymiar czasu pełza pełzać penicylina penicyliną penis penis perfectum perfekcja pikselowa perfekcją perfidią perfidny perforator perforator perfum perfumy pergamin periodyczny periodyk perła perłą perłowy peron Pers Persja perski personalny personel personel personel informatyczny perspektywa perspektywa perspektywa podgląd perspektywą perspektywą jas. sierlijk sympathiek. in optima forma perfectie. jongeheer volkomen. gevat. perspectief. compleet. perspectief. doorkijk prospect. vol boordevol. pik. volkomenheid. doorkijk uitzicht prospect.

vast zelfbewust. toch gewis. een weinig wel degelijk. buitenkant buiten-. randbuiten-. buitenkant omtrek. pit klei-. zeker.perswadować perswazja perswazją pertraktować pertraktował Peru peruce peruka peryferią peryferie peryferie peryferyczny peryferyjny peryferyjny procesor macierzowy perymetr peryskop peseta pestce pesteczka pestka pesymism pesymista pesymistyczny pesymiście pesymizm peszyć petencie petent petycja petycją pewien pewien pewnie pewnie pewnie pewnie pewny pewny pewny pewny pewny siebie pewny siebie pęcherz pęcherz pęcherz (od oparzenia itp) pęcherzyk powietrza pęczek pęd twisten. vast een beetje. bundel onstuimigheid. randomtrek periscoop nijptang pit. zwaartillendheid bezwaar. petitie petitionnement. enigszins. vast. moeilijkheid adressant verzoeker. van klei pessimisme. handeldrijven. stellig. bepaald. stellig blaas blaar blaar borrelen bos. zelfbewust gewis. zeker. cirkelomtrek. heftigheid . pessimistisch pessimist pessimisme. zeker. zaken doen Peru pruik pruik cirkelomtrek. zaken doen handelen. randbuiten-. stellig zelfverzekerd. immers. aarden. petitie gewis. zwaartillendheid pessimist zwaarhoofdig. kern zaadkorrel. zeker. buitenkant cirkelomtrek. korrel. handeldrijven. disputeren. strubbeling. betrouwbaar gewis. krakelen overreding overreding handelen. wis. vuur. stellig. zelfverzekerd vertrouwd. vast. zeker. vast. aanvrager petitionnement. stevig waarschijnlijk wel. zeker pal.

bruisen doorroeren. steek. gruis. roeren klavier. strik zand bonte kraai. opgraven. schuimen. gebieder. omroeren. mul aanvoerder. baas bus. piano klavier. opstaan. schuimen. chef. drinken. breisteek. aangifte. gravel. schuimen. spoed maken. opkomen. kraai tintelen. uitspraak maas. gebieder. zeepkwast penseel mutserd. baas bus. schuieren scheerkwast. boeien maas. roeren sop.pęd pędrak pędzel pędzel do golenia pędzel do malowania pęk pękać pęknął pęknięcie pępek pętać pętla pętla pętla synchronizacji fazowej pętla zamknięta pętlą piach piać piał piał piana piana piana piana (mydlana itp) piana mydlana pianą pianą pianina pianino pianista pianiście piasek piasek piasta piasta piasta piaszczysty piaszczysty piaście piaście piąć się piąć się piąta część piątek piąty pice pić piec voortmaken. chef. zeepsop sop. strik maas. mutsaard barst gebarsten barst navel ketenen. delven. breisteek. steengruis zand aanvoerder. brandstapel. kraai bemanning bonte kraai. zuipen aanbranden . breisteek. bruisen tintelen. zeepsop tintelen. naaf opgaan. piano pianist pianist grind. steek. strik declaratie. steek. rijzen klimmen. rooien borstelen. strik maas. bruisen doorroeren. steek. omroeren. naaf naaf zand rul. klauteren vijfde vrijdag vijfde snoek pimpelen. breisteek. haast maken opduikelen.

bedevaartganger pelgrimage. kachel braden. kachel ontzetten. branden kachel. oven kachel. duivels. afrastering. oven vijftig pedestal. zorgen voor. oven kachel. roosteren. zorgen spelonk. geld poen. branden bakker duivelachtig. vastzetten . voetstuk sproet bakkerij bakkerij kachel. zeepsop multipliceren. hels hel verzorgen. verplegen verzorgen. afrastering. infanterie voetvolk. verzorgen pelgrim. schuimen. holte muntstempel muntstempel zeehond. roosteren. kachel braden. ontslaan zich bekommeren. zorgen voor. traliehek kachel. infanterie oven. branden rooster. geld poen. roosteren. geld tintelen. hek. oven oven. piëdestal. krocht. bruisen sop. oven oven. bezorgd zijn. drommels duivels. zorgen voor. pelgrimstocht pelgrimage. bedevaart. verplegen verplegen. bedevaart. zeerob. royeren. oven braden. hek. traliehek kachel. vermenigvuldigen blokkeren. oven bakken voetvolk. rob muntstempel muntstempel rooster. hol.piec piec piec piec piec (do pieczenia chleba itp) piec (mięso) piec elektronowy piec kaflowy piec mięso piec na ruszcie piechocie piechota pieco do wypalania piecyk piecza pieczara pieczątce pieczątka pieczęć pieczęć pieczętować pieczony pieczony piećdziesiąt piedestał pieg piekarni piekarnia piekarnik piekarnik gazowy piekarnik gazowy piekarz piekielny piekielny piekło pielęgniarce pielęgniarka pielęgnować pielgrzym pielgrzymce pielgrzymka pieniądz pieniądze pieniądze na życie pienić się pienić się pienić się pień kachel. pelgrimstocht poen. grot.

aanhalen . liefkozen. ring element. pril. grondig. liefkozen. origineel inboorling natuurlijk primair primair prototype eerste voorgrond prijs. rondschrijven wal. aaien. na twarzy) pierdnąć piersi pierś pierś pierś pierścieniowy pierścień pierścionek pierwiastek pierwiastek pierwiastek (chem. vertroetelen aanhalen. borst boezem. strelen. liefkozen. aanbesteding voetganger voetganger aanhalen. sleutelbloem inboorling oorspronkelijk. bestanddeel. radicaal element. aaien gunning. liefkozen. strelen. beginsel primula.) pierwiosnek pierwotny pierwotny pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny program ładujący pierwotny system operacyjny pierwowzór pierwsza pomoc pierwszoplanowy pierwszorzędny pierwszorzędny pierwszorzędowy pierwszy pierwszy pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu pierwszy na wyjściu pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony pies pies myśliwski pieszczoch pieszczocie pieszczota pieszczotliwy pieszy pieszy turysta pieścić pieścić pieścić boomstam. prevalent. borst borst. ring wal.pień pień pień pieprz pieprzyk pieprzyk (np. koesteren. bestanddeel. aaien aanhalen. stam opslaan boomstam. stam peperen mol mol een wind laten boezem. vroeg eerste voorgrond voorgrond eerste hond hond troetelen. boezem circulaire. strelen. beginsel ingrijpend. beugel. borst boezem. beugel. superieur primair vroegtijdig. aaien knuffelen strelen. premie opperste.

etage etage. zang. spoedeisend. beschonken blind roes roes bloedzuiger woelen. inleggen. schoonheid. schoonheid. mooi fraaiheid. tip. punt. knapheid schoon. top. spoedeisend binnenbrengen. lied peterselie peterselie vijf vijftig vijftig net. brandend. ijverig brandend. knapheid fraaiheid. naarstig. neus. knapheid fraaiheid. zouten. indruk verdieping. zat. nijver. schoonheid. mooi marktplein. etage verdieping.pieścić się pieśń pieśń pogrzebowa pietruszce pietruszka pięć pięćdziesiąt pięćdziesiąt mil na godzinę pięknie piękno piękność piękność (kobieta) piękny piękny pięściarstwo pięściarz pięść pięta piętnaście piętno piętro piętro piętro pigułce pigułka pijany pijany jak bela pijaństwa pijaństwo pijawka pik pik (w kartach) pika pikle piknik pikować piksel pilnie pilnik pilnować pilnować swoich spraw (swojego nosa) pilny pilny pilny pilny pilny pilny pilot nek. zang. dringend dringend. graven piek. nijver. knap. dossier horloge. polshorloge horloge. vlijtig. prompt naarstig. oplettend ijverig. vlijtig ogenblikkelijk. hals gezang. bazaar. markt. fraai. verdieping pil pil dronken. marktplaats boksen. polshorloge aandachtig. urgent bestand. lied gezang. spits snoek pekelen. loodsen . spitten. attent. knuist hiel vijftien effect. inmaken picknicken stikken pixel met spoed. bokssport bokser vuist. fijn.

pen. pen. verticaal rechtopstaand. veder zeeschuimer.pilotaż pilotować pilotować pilśniowy pił piła Piła piłce piłka piłka piłka nożna piłka nożna piłka nożna (gra) piłować PIN pionek pionek pionek (np. zeerover. zang. veer. veer. hemelvuur lied. chanson gezang. kwetteren kuiken kuiken . schrijfstift pluim. loodsen navigeren binnenbrengen. zeerover. szachowy) pionier pionowy pionowy tranzystor polowy piorun piosenka piosenka piosenkarz pióro pióro pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego pióro ultradźwiękowe piracie piramida piramida powiększania piramidą pirat pirat komputerowy Pireneje pisać pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi na inny artykuł pisać na maszynie pisać ołówkiem pisak x-y pisarz pisemny pisk pisklę pisklę (zwłaszcza kury) binnenbrengen. stilist schriftelijk sjilpen. baanbreker rechtopstaand. nummer pion pion genist. uitschrijven drukletter drukletter potlood hok auteur. lied zangeres pluim. danspartij bal. schrijver. piepen. zeerover. drinken. flits. tjilpen. schicht. danspartij voetbal voetbal voetbal bal. geniesoldaat. loodsen vilt pimpelen. veder hok griffel. etsnaald. piraat zeeschuimer. piraat piramide piramide piramide zeeschuimer. schrijven. danspartij zagen kegel cijfer. piraat Pyreneeën neerschrijven. zuipen zagen uitzaaien bal. verticaal bliksem.

doel . klad. kabbelen. plan. schriftuur pistool pistool litteratuur. grond. bekladden sproet klak. plakkaat. letterkunde dronken. plek. bekladden klak. affiche aanplakken bezoedelen. perceel plaats. smetten. kreet aanplakbiljet.pismak pismo pismo pisanie pistolecie pistolet piśmiennictwo pity piwa piwiarnia piwnica piwnicą piwo piwo (angielskie) piwo angielskie pizza piżama piżmaczek piżmo piżmoszczur plac plac plac plac plac plac plac (okrągły) plac targowy plac zabaw placek placówka plaga plaga purpurowa plagiat plakać plakat plakat przedstawiający gwiazdę filmową plama krwi plama na słońcu plamą plamą plamce plamić plamić plan plan plan plan plan testowania houwen. bar. oord. bedoeling. mop. klotsen bezoedelen. café kelder kelder bier bier bier pizza pyjama muskus muskus muskusrat circus achtergrond. roep. smetten. zat. doel programmeren projecteren ontwerp. epistel. ondergrond pastei aanplakken pest pest spieken. mop. bekladden strekking. smet. bodem. bodem. hakken zendbrief. lokaal. ondergrond kavel. afkijken schreeuw. speelplaats plein circus marktplaats. moet bezoedelen. literatuur. bedoeling. smetten. plan. kappen. plek speelterrein. plassen. beschonken bier drenkplaats. plek. blauwdruk strekking. grond. markt. smet. concept. klad. moet klapperen. marktplein achtergrond. brief geschrift. plan.

bedoeling. zwerfster planetair arrangeren. schijf. mudvol vlechten weven modelleren. ransel knapzak. van plastic plastic. van plastic plastic. aangeven. geslacht boordevol. plantage kalken. achterzijde. aanduiden kwekerij. truck. filet plastic. afgeladen. schors. wis bestand. bundel. van plastic kunst tribune. volksstam. plan. aanrichten. plantage kwekerij. ransel knapzak. ordenen strekking. Vlaamse gaai bewapenen. podium plasma strand aan de grond lopen. leiding. snede. schaal bestand. leiding. podium vrachtwagen. schoffelen schil. stranden verstrikken. ommezijde stamstam. warnet knapzak. rooster aanwijzen. warnet verwikkeling. boetseren wieden. dossier bos. rugzak gaai. wapenen rugstuk. verwarren verwikkeling. kwaadspreken . doel dienstregeling. warboel.planeta planetarny planować planować planować planować plantacja plantacją plaster plasterek plastik plastyczny plastyk plastyka platforma platforma (sprzętowa platforma kolejowa platforma sprzętowa plazma plaża plaża plątać plątać plątanina plecak plecak plecak pleciuga plecy plecy plemienny plemię plenarny pleść pleść pleśnieć pleśń plewić plewy plik plik plik zwrócony plikach plombować (ząb) plombować ząb plon plotce plotka planeet. dossier archief box logeren het veld ruimen. kwaadspreken kletsen. betrekken. boetseren modelleren. vrachtauto tribune. leiding. dop. afstaan kletsen. plak. podium tribune. warboel. aanstrijken moot.

afsluiting. colbert. smerig. dobberen. klotsen wandluis Boeg wandluis Pluto blad. slurpen appartement. kunne vin hek. mare. opleveren. worstelen schol jas. betalen. sekse. kreet resorberen. kabbelen. vel storten. spugen.plotka plotkować plotkować pluć plugawy plunąć plus pluskać pluskać się pluskanie pluskwa pluskwa pluskwa Pluton płachta płacić płaczliwy płakać płakać płakać nad czymś płaska obudowa jednorzędowa płaski płaskowyż płastudze płastuga płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz anodowy płaszcz nieprzemakalny płaszcz przeciwdeszczowy płaszcz przeciwdeszczowy płaszczyzna obcinająca bliska płat płaszczyzna płatek płatek (kwiatu) płatek kwiatu płatnik płatność pławik pławik płciowy płeć płetwą płocie płodny płody rolne gerucht. geslacht. zich aftobben. vliegmachine bloemblad. morsig. kunne sexe. klotsen waden. faam. roep. mare. geslacht. uitbetalen. jas hierheen. drijven sexe. jas regenmantel regenmantel jasje. roep. buis mantel. sekse. kwaadspreken gerucht. flodderen. heining. befaamdheid spuwen. afwerpen . faam. plassen klapperen. flat blad. spugen. befaamdheid kletsen. vies spuwen. kreet tranen. overjas mantel. mantel jas. dokken bedroefd schreeuw. bordes spartelen. rochelen vuil. kabbelen. plat. opslorpen. hier vliegtuig. traanogen schreeuw. plassen. jas overjas. kroonblad bloemblad. barrière vruchtbaar opbrengen. huilen. rochelen plus klapperen. kroonblad sneeuwvlok hofmeester afbetaling kurk vlotten. plassen. onrein. plateau.

spoelen gorgelen. materieel. zich vastklampen aan dashboard. ploegen. vurig. kant stromen. dossier fotografische plaat. plaat plavuis. vensterruit. tegel. lopen. ondiep zwemmen. vloeien. oever. verzendend. beploegen omploegen. vlieten stromend. verterend hek. slippen linnen long long slag. valstrik. vlieten jacht kust. dobberen. plaat grondstof. zich vastklampen aan wafeltje fotografische plaat. vloeien. wassen. ondiep uitwassen. glaswerk oppervlakkig. afspoelen. tichel oppervlakkig. drijven jacht vlotten. plaat wafeltje aanklampen. beschot glaswaar.płomień płonący płot płot płotno płowy płoza płótno płuca płuco Płuczka pług pług śnieżny płukać gardło płukania płycie płycizna płyn płyn kosmetyczny płynąć płynąć płynąć jachtem płynąć wzdłuż brzegu płynny płynny płynny lek płyta płyta płyta metalowa płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) płytce Płytka płytka płytka płytka (ferromagnetyczna) z otworami płytka obwodu drukowanego płytka sygnałowa płytka wyjtrawiona płytki pływać pływać jachtem pływak pływalnia pniak po laaien. drijven zich aaneensluiten. de was doen vloeistof stromen. val omploegen. boord. lopen. wal. afsluiting. beploegen gorgelen. instrumentenbord. ploegen. aansluiten peukje. materiaal aanklampen. heining. afspoelen. barrière verbleekt linnen linnen uitglijden. vlag fotografische plaat. plaat oppervlakkig. peuk achter . ondiep bestand. vlammen gloeiend. vloeiend dundoek. vaan. tegelsteen. spoelen fotografische plaat. vloeiend vloeistof stromend.

assimileren onduidelijk.po drugiej stronie po otrzymaniu po południu po prawej stronie po trzecie pobić pobić atutem (w kartach) pobierać pobierać pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) pobierać (dane) pobierać dane pobieżny pobieżny pobliski pobłażać pobłażać pobłażanie pobocze pobożny pobór (do wojska) pobrać pobrać pobranie pobrudzić pobudce pobudce pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobycie pobyt pocałować pocałunek pochlebcą pochlebiać pochlebstwa pochlebstwa pochlebstwo pochłaniać pochmurny pochmurny pochodnia pochodzenia pochodzenia over. opwekken bezielen. afgeleid woord . aarde aansporing aanleiding wakker maken. kwartier logeren zoenen. bezorgen. rondweg achter nederlaag troef downloaden verkrijgen. overheen. ophitsen woning. allereerst. buit maken brengen. open en bloot. bodem. bewolkt naargeestig. wekken. ernaast. somber fakkel. daarnaast ontzien. opwekken stuwen irriteren. aandragen fond. aanstoken. cambio decoderen downloaden brengen. kussen zoenen. excerpt oppervlakkig. buit maken aftappen verkrijgen. toorts. ondergrond. overzicht. bezorgen. verlevendigen wekken. troosteloos. onderkomen. logies. vertroetelen aflaat schouder godvrezend. grond. devoot wissel. behalen. eerst stuurboord ronduit. godsdienstig. ondiep hiernaast. sparen koesteren. behalen. wakker maken. kussen mooiprater vleien complimenteren vleierij vleierij in zich opnemen. aandragen resumé. troetelen. aan de overkant van ten eerste. flambouw achtergrond afleiding.

verheerlijken. herkomst naar beneden gaan. neigen helling. omgang schede schede. schuin gevolg uitdrukken gevolg toelachen. verheerlijken. roemen beamen. afdalen het gevolg zijn van. indopen. toejuiching loven. transpireren heul. gemak. hellend. bekoren aanlokkelijk. prijzen. roemen. optocht. wasem. op uw gezondheid. uitwrijven hoera roepen prosit. prijzen eerbetoon. glooiend. aanlokken. afkomst oorsprong. comfort heul. eerbetuiging bijval. transpireren zweet zweten. afstamming. uitglijden geneigd zijn tot. damp zweten. afgeleid woord afdaling komaf. wrijven. afkomst. proost gerief. stoet. troost aanstrijken. soppen slippen. schuin scheef. bekoren toelachen. acclamatie. roemen. afstammen kuilen. uitglijden slippen. vagina loven. eerbetuiging loven. troost kogel hagel . ovaal rukken rukken stoom. goedkeuren eerbetoon. geneigd zijn. billijken. begraven processie. vertroosting. prijzen liggen helling. glooiing indompelen. verheerlijken. vertroosting. glooiing aflopend. aanlokken.pochodzenia pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzić pochodzić (<from sth> od czegoś) pochować pochód pochwa pochwa pochwalać pochwalić pochwała pochwała pochwała pochwałą pochwałą pochylać się pochylać się pochylenie pochylnia pochylnia (w stoczni) pochyłość pochyłość pochyły pochyły w lewo pociąg pociąg pospieszny pociąg towarowy pociągać pociągać za sobą pociągający pociągły pociągnąć pociągnięcie pocić się pocić się pocie pocie pociecha pocierać pocieszać pocieszać pocieszać pocieszenia pocisk artyleryjski pocisków afdaling afleiding. aantrekkelijk eirond.

zwanger raken początek ontstaan. gebruiken. vloed. beginneling poczekalni zaal. bak podatek od wartości dodanej BTW podatek od wartości dodanej teil podatek spadkowy belasten. salon poczekalnia wachtkamer poczęcie begrip poczta post. kuip. voorletter początkowy primair początkowy program ładujący initiaal. onder podanie aanwending. donatie. aanslaan podatek od wartości dodanej tobbe. onderwerpen . begin. noemen podawać aanhalingstekens podawać zasilanie podawanie podajnik eten. bezorging podbić knechten. doelmatig. actueel podarty aan flarden gescheurd podarunek gift. onder pod beneden podverzenden pod gołym niebem beneden pod prąd (rzeki gemakkelijk. vreten wprowadzane dane podawać (do stołu) serveren. petitie podarować schenken. cadeau geven podarować tegenwoordig. onder pod znieczuleniem beneden pod żadnym warunkiem beneden. morgenrood początek oorsprong. bikken. voorleggen podawać do sądu een proces aanspannen tegen podaż aanvoer. herkomst początek transmisji ontstaan.pocisków) stroom. aanvang. posterijen poczta wysłana aanplakken pocztówka briefkaart pod beneden. voorletter początkujący beginner. bergstroom począć in verwachting raken. begin. cadeau podatek belasten. aanvang początek begin. daarbeneden. aanvang początkowy inboorling początkowy initiaal. posterijen poczta aanplakken poczta w kolejce post. geschenk. toepassing podanie petitionnement. geschikt pod zarzutem beneden. ontstaan początek aurora. daarbeneden. afkomst. morgenlicht. aanslaan podatny na wypadki een grotere kans op ongelukken accident-prone podawać aanhalen. citeren.

aannemen. wantrouwig. renoveren ondernemen achterdochtig. kwetteren sjilpen. achterdocht. gedurende intussen. leiding slaperig opslaan blok ondergraven. zich overgeven accepteren. tjilpen. inmiddels. tjilpen. kolejowy) podkładce podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać podkopać podkowa veroveren stof. staande. aanvaarden vernieuwen. staande. kwetteren podium. piepen. gedurende doorsnijden. louter sjilpen. ondermijnen hoefijzer . achterdocht. bestuur. daarentegen terwijl. zich overgeven capituleren. sectie verrichten knechten. daarentegen intussen. wantrouwen argwaan. subject kin opruiend aangeschoten. argwanend verdenken argwaan. tribune podium. inmiddels. zich overgeven stof. wantrouwig. bloot. staande. verassen toegeven capituleren. dakkamertje cremeren. gedurende terwijl. roezig aanvliegen maaien terwijl. piepen. tribune. argwanend aanvliegen opwinding gejaagd. wantrouwen verdenken achterdochtig. onderwerp. onderwerpen capituleren. opgewonden enkel. onderwerp. subject dakkamertje zolderkamer Attisch zolderkamer.podbijać podbity podbródek podburzający podchmielony podchodzić podciąć podczas podczas podczas (gdy) podczas gdy podczas gdy poddać drobiazgowej analizie poddać pod rozwagę poddać się poddanie się poddany poddasze poddasze poddasze poddasze poddawać kremacji poddawać się poddawać się podejmować podejmować na nowo podejmować się podejrzany podejrzany charakter podejrzenia podejrzenie podejrzewać podejrzliwy podejście podekscytowanie podekscytowany podeszwa podglądać podgładać podium podium podkład (np.

overeenkomst gelijkenis. subject pof. baseren stof. fokken. rijzen bezielend vijzel. achtergrond. benadrukken onderstrepen nadruk. verheven opgaan. opkweken de sporen geven. krik bodem. bewegen opwindend opwinding opgraven. prikkelen hoog. aandikken opgraven. ophijsen opfokken. telen. opkomen. montage derde macht. rooien oprichten. dommekracht. inrichten zetting. opstaan. poef aanzetten. slijpen irriteren. opkweken opblazen opgaan. een beroep doen op alsjeblieft. verzekeren met nadruk zeggen. etage verachtelijk. blok hijsen. rooien opfokken. opkomen. ophitsen aangrijpen. stichten. scherpen. overeenkomst . ondergrond. dobbelsteen. nietswaardig gemiddeld gronden. aan elkaar vastmaken verdieping. opstaan. telen.podkreślać podkreślać podkreślać podkreślać podkreślenie podkreślenie podkreślić podkreślony podległy podległy podlewać podlizywać się podlotek podłączyć podłodze podłoga podły podły podły ić podmiocie podmuch podniecać podniecać podniecać podniecający podniecenia podniesienie podniesiony podniesiony podnieść coś/wywindować (ceny) podnieść kogoś na duchu podnieść kotwicę podnieta podniosły podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić (ceny) podnosić się podnoszący na duchu podnośnik podnóża podobać się podobać się podobieństwa podobieństwa accentueren. etage verdieping. ontroeren. beklemtonen beweren. klem onderstrepen onderstrepen nadrukkelijk slaaf achterstellen water kruipen kuiken verbinden. aanstoken. onderwerp. wees zo goed. fokken. rijzen vermeerderen verergeren. grond appelleren. alstublieft gelijkenis.

vlak. trip gaan. tocht. tot gelijksoortig. gids. verwantschap gelijkenis. reisgids vervalsing toer. makker gidsboek. wagenspoor. karrespoor . reis. vademecum. ondertekening abonnement voorbode. toer. trip tournee. teken geabonneerd zijn op geabonneerd zijn op passen. vademecum. voorteken. rijden. varen. varen. schoolboek gidsboek. karren navigeren huur bijbehorend. accuraat adept. bedaagd gronden. bij wijze van. kornuit. tocht. passagier gesteld zijn. overeenkomst hoe. toer. leuning. overeenstemmend nauwgezet. karren tocht. bijkomend. aanhanger leden. trip reiziger inzittende. soortgelijk onderofficier brandstichtend drager. stut.podobieństwo podobieństwo podobieństwo podobny podobny podoficer podpalacz podpierać podpis podpis ze wskazaniem potwierdzającego podpisać podpisać (dokument) podpisać dokument podporządkowywać się podporządkowywać się podpowiedź podpórce podpórek podrażnienie podręcznik podręcznik podręcznik podręcznik w formie drukowanej podrobiony podróż podróż podróż podróż podróż morska podróż morska podróż) podróżnik podróżny podróżować podróżować podróżować podróżować autostopem podrzeć podrzędny podrzędny podrzędny podległy podskakiwać podskok podskok podsłuchiwać podstarzały podstawa podstawa affiniteit. varen. reis. aanhang opwinding maat. steun handtekening. rondreis gaan. reisgids leerboek. gids. tocht. rijden. beoefenaar. in overeenstemming zijn adequaat. voor. rijden. kameraad. passend. karren reis. het maken toer. baseren spoor. nauwkeurig. trip gelijk. effen gaan. bijkomstig achterstellen achterstellen hinkelen hinkelen springen afluisteren hoogbejaard. reis. overeenkomst gelijkenis. als.

beschot hoofdkussen luchtkussen dubbel. excerpt somma. clausuur schifting. tweeledig bretels thee aankomend. steunen. bedrag. dubbel. bot elementair misleiden.podstawa czasu podstawa uchylnoobrotowa podstawa uchylno-obrotowa podstawą podstawić podstawienie podstawka monitora podstawowa zasada podstawowy podstawowy podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstęp podstęp podstępny podsumowanie dokumentu podsumowywać podsuwanie podszewka podszywanie się podtekscie podtrzymać podupadać poduszce poduszce poduszeczka poduszka poduszka powietrzna podwajać podwiązek podwieczorek podwładny podwładny podwodny podwoić podwójny podwójny podwójny rozruch (tj. lijst. toestoten voering maskering bijtoon. tweeledig yard. inboeten aflossing. tweeledig duplex. ra opfokken. możliwość rozruchu dwóch różnych systemów operacyjnych z różnych partycji dysku) podwórze podwyżce podwyższać podwyższyć wartość podział podział podział kompletny grondstof. materiaal stichting wervelkolom. afscheiding. onbewerkt. som. een duw geven. duplex. opkweken verergeren. ruggegraat kader. fokken. tweevoudig. vervanging blok fundamenteel basisfundamenteel basisgrof. materieel. boventoon stutten. foefje arglistig resumé. summa aanstoten. omlijsting. afscheiding. onbehouwen. divisie schifting. tweevoudig. duplex. clausuur . beginnend achterstellen onderwaterdubbel. raam in de plaats stellen van. cru. dubbel. schragen verval blok hoofdkussen dashboard. spin. streek. tweevoudig. tweeledig dubbel. instrumentenbord. bedriegen kunstgreep. tweevoudig. overzicht. telen. aandikken appreciëren. tweevoudig. duplex. totaal. kneep. waarderen legerafdeling. tweeledig duplex.

stadswijk metro gewelf. dichtwerk. weersomstandigheden. bol metro danken. babbelen. stoutmoedig. dichtwerk. vers gedicht. wijk. schamperheid. brutaal poker uitkammen. vers tekst gedicht. cureren gedurfd. poëzie heidens minachting. stout. dreiging behandelen. afscheiding. dreigement. mare. babbelen.podział wyczerpujący podziałka podziel podzielać podzielać zdanie podzielić na cztery części podziemie podziemie podziemny podziękować podziękowanie podziękowanie podziwiać podziwiać podziwiać podziwiać ię poemacie poemat poemat poemat liryczny poeta poetycki poetyczny poezja poezją poganin pogarda pogawędce pogawędka pogawędka w czasie rzeczywistym pogląd pogląd pogląd poglądowy pogłosce pogmatwać pogmatwany pogoda pogodny pogodzić się pogoń pogrążyć pogróżce pogróżka pogrubiony pogrzebacz pogrzebacz pogrzebowy schifting. opharken necrologie . poëzie dichtkunst. gericht. judicium. dank betuigen erkenning danken. clausuur aanslag afzonderen. lumineus accepteren. scheiden deelnemen. praten houding oordeel. bedanken. weder briljant. dank betuigen bewonderen bewonderend mirakel. wonder bewonderen gedicht. glanzend. bedanken. vers dichter dichterlijk. dichtwerk. praten keuvelen. aanharken. faam van zijn stuk brengen. gerucht. poëtisch dichtkunst. meemaken. vonnis begrip zichtbaar befaamdheid. verachting keuvelen. poëtisch dichterlijk. najagen duiken bedreiging. overeenstemmen buurt. babbelen. afscheiden. meedoen het eens zijn. harken. aanvaarden nastreven. praten keuvelen. dooreenhalen verwarrend weer.

volume schare. mooi poker toejuichen. dienares. voedingsmiddel demonstratie. pronken expositie. bende opvatting. geslacht nederlaag likken ootmoed. lakken appartement. ongetrouwd pot. dek vertrouwen. paraderen. strijkage. etui. pakken. flat . bak. nijging Stille Oceaan. aan de hand zijn ontstaan opdraven. dienares. koker pot. knap. deemoedig verlakken. scheepsdek. voertuig. koker geluidssterkte. meid dienstmeisje. bak. aanmerkelijk. spijs. wagen ongehuwd. inlichten ontstaan opdraven. prijken. schoon. troep. foedraal. begrip begrip bevattingsvermogen. voeder. meid generatie. informeren. tentoonstelling laten blijken. foedraal. nederigheid nederig. opdagen vehikel. buiging. lakken verlakken. gerecht voeding. manifesteren geruim. dienares. vreedzaam dienstmeisje. intelligentie beetnemen. Grote Oceaan vredig. po plecach) pokład pokład spacerowy pokładać nadzieję pokłon pokojowy pokojowy pokojówce pokojówka pokojówka pokolenie pokonać pokonać przeciwnika pokorą pokorny pokost pokost pokój berichten. bij acclamatie benoemen verdek. bak.poinformować pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawić się pojawić się wydawać się pojazd pojazd szynowy pojedynczy pojedynczy skok napięcia pojemnik na kasety pojemnik na kasety pojemnik na śmieci Pojemność pojemność pamięci pojęcie pojęcie pojętność wiadomość pojmać pojmować pokarm pokarm pokaz pokaz pokaz slajdów pokazywać pokaźny pokaźny poker poklepać (np. fiducie hebben in revérence. aanzienlijk fijn. meid dienstmeisje. etui. inhoud. onderdanig. opdraven gebeuren. koker pot. opdagen opdagen. bewijs pralen. wagen vehikel. etui. scheepsdek. vertoning. voertuig. net. fraai. doos. deemoed. etenswaar. doos. foedraal. ongetrouwd ongehuwd. kost. beetkrijgen in verwachting raken. zwanger raken eten. dek verdek. doos.

commanderen loven. bedekken emailleren couvert. temptatie. katrol. blad mijnenveld hijsblok. verheerlijken. gloeiend. pen. speling. recommanderen bevelen. ruimte vrede bestek. envelop. bevelen inleiding. enveloppe netel. verwantschap familiebetrekking.pokój pokój pokój dziecinny pokój gościnny pokój rozmów pokój zabaw dziecinnych pokrewieństwa pokrewieństwo pokrewieństwo pokrętła pokryć pokryć pokryć koszty pokryć piórami pokrywa pokrywa tylna pokrywać pokrywać emalią pokrywą pokrzywa pokrzywą pokupny pokusa pokusą pokwitować pokwitowanie pokwitowanie Polak Polak polarny polce pole pole danych w sieci Ethernet pole magnetyczne poprzeczne pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) pole typu danych w pakiecie Ethernetu pole typu EH pole typu TEM pole znaku pole źródłowe polecać polecenie polecenie polecenie (kogoś komuś) polecenie kogoś komuś polecenie zewnętrzne polecić vrede bestek. kwiteren voor voldaan tekenen. wereldruim. beleggen. aanprijzen. kaft. toedekken. afmatten pluim. toedekken. ruimte affiniteit. schijf akker akker bouwland aanmelding akker aanbevelen. kwiteren recept kuil Pool polair polka akker vel. heet aanvechting. smoorheet. deksel dekken. verleiding aanvechting. introductie inleiding. commanderen. verwantschap affiniteit. verwantschap wijzerplaat sproet afbeulen. veder dekken. introductie bevelen. beleggen. huiskamer bestek. prijzen. verleiding voor voldaan tekenen. zitkamer. omslag. speling. temptatie. wereldruim. bedekken bedekking. commanderen aanvoeren. bedekken dekken. toedekken. brandnetel snikheet. speling. brandnetel netel. aanvoeren. afjakkeren. veer. wereldruim. blok. ruimte woonkamer. beleggen. aanvoeren. roemen .

politieagent politie wang. gelid. paffen bejagen. knoop kriebelen. kabbelen. klapperen klotsen. koon. gelid. staatsman polis beleid. kaak polis staatkundig. aan elkaar vastmaken half gemiddeld. aggregaat verbinden. lid. plassen. geleding. lende politie agent. kietelen verbinden. jagen. aan elkaar vastmaken conjunctie samenhang. geleding. schieten. marynarki) połaczenie połaczenie połaczenie połaskotać połącz połączenia połączenia połączenie połączenie drukowane połączenie stałe połączenie wewnętrzne połączenie wielopunktowe połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza połączenie z Internetem połączenie z pełnym dupleksem połączenie zespołowe połączyć połączyć połowa połowa położenia helling. knoop conjunctie gewricht. jagen. genootschap. positie . verbinding aansluiting aggregatie. gelid. glazuren. politiek. lid. gelid. glooiing Pools schoensmeer schoencrème verglazen. lid. knoop gewricht. doorsnee. politiek politicus. combinatie aansluiting gewricht. middelbaar houding. glanzen kruis. stand. verbinding gewricht.polepszyć polerować polerować polerować Polewa polędwicą policja policjant policją policzek polisa polityczny polityk polityka polityka polityka zabezpieczenia polityka zagraniczna polować polowania polowanie Polska polski polski polski poła poła (np. knoop samenhang. geleding. toetreden gewricht. klapperen bond. lid. staatkunde polis polis bejagen. gelid. jacht maken op vuren. lid. geleding. geleding. jacht maken op Polen Pools schoensmeer schoencrème klotsen. kabbelen. knoop verbinding. plassen. associatie zich aansluiten. lid worden.

middag zuidelijk zuidelijk slikken. bewegen mengen. oord. jaartelling. midden tussen tussen. hulp aids helpen. onder achterwege laten. verloskundige half noen. ruimte aanzien. helper. positie situatie. stand van zaken plaats. kanttekening Pools schoensmeer schoencrème schijnen. ruimte houding. vermengen aanpassing in het midden van. blinken.położenia położenie położenie położenie położenie kolumny położenie pieczątki położenie umiejscowić położna połówce południa południa południa południe południe (geograficzne) południe (pora dnia) południe (pora dnia) południe geograficzne południe pora dnia południowy południowy połykać połysk połysk połysk połysk połysk pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomoc pomarańcz pomarańcz pomarańcza pomarańcza pomarańczą pomarańczą pomiar pomidor pomieszać pomieszanie pomieszczenie sterylne pomiędzy pomiędzy pomiędzy pomijać pomijać situatie. helpen helpen. doorslikken. bijstaan. schijn. deel. inslikken glosse. famulus. middag zuidelijk noen. aanblik item. air. temperen. stand van zaken plaats. lokaliteit. medio. stand. deeltje vroedvrouw. dimensie tomaat aangrijpen. middag zuidelijk zuidelijk zuidelijk noen. ontroeren. bijstaan Oranje oranje Oranje oranje Oranje oranje afmeting. middag noen. bijstaan nader assisteren. middag noen. oord. mixen. assisteren. schitteren assistent. glanzen. lokaliteit. weglaten weggelaten . assisteren.

verkeerd. pompen oppompen. apparaat idee. pracht. luister. fout. adjunct. vermenigvuldigen assisteren. aromatisch vergissing. adjunct. abuis foutief. monument multipliceren. dwaling. helper. praal oppompen. podium assistent. famulus. overwegen. wraak nemen wreken. helper. afgewerkt. dwaling. hulp oppompen. beëindigd . abuis geurig. in weerwil van niettemin. pompen vertoon. wraak nemen wreken. al. ontgaan geniaal geloven. achten met goed gevolg gelukkig benoorden. onjuist vergissing. helper aanvullend assistent. nagaan ontsnappen. wraak nemen vergissing. famulus. hulp. helpen zinspelen assistent. weglaten afdraaien. hulp assistent. abuis hulpmiddelen. vermenigvuldigen in overvloed aanwezig zijn multipliceren. famulus. afgelopen. desondanks ofschoon. helper steward assistent. helper behulpzaam. leiding.pomimo pomimo tego pomimo że pominąć milczeniem pomniejszać zmniejszenie się pomnik pomnożyć pomnóż pomnóż pomoc pomoc pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika pomocniczy pomocniczy pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik błazna pomocny pomost pomost roboczy pomóc pompa pompą pompą pompować pomścić pomścić avenue pomścić ość pomylić pomylić pomylić się pomylony ść pomyłka pomysł pomysł pomysł itp pomysłowość pomysłowy pomyśleć pomyślnie pomyślny ponad ponad tuzin ponad wszystko niettegenstaande. helper paren boer assistent. alhoewel. hulpvaardig poort tribune. fout. van mening zijn. fout. verlagen gedenkteken. wel achterwege laten. ontkomen. adjunct. ten noorden van verderop klaar. begrip. benul. denkbeeld beschouwen. hoewel. pompen wreken. inrichting. dwaling. bijstaan. fout.

onder beneden beneden. aanlokkelijk een miskraam krijgen. advocaat. instelling . opslorpen. onder verootmoediging. omdat. schragen rugstuk. een blik werpen op duwen. opslorpen. verder vernieuwen. mislukken maandag deels. akelig. asbak pleitbezorger. slurpen as ruimte. verdediger stutten. aflopen beneden. aangezien buigen. gemelijk. doordat. overhellen. verootmoedigen buigen. van voren af aan. renoveren stompen Jan Klaassen lekker. hellen. dringen. hervormen afstelling. douwen beledigen. onbekend.ponadto ponadto ponawiać poncz poncz ponętny poniechać poniedziałek poniekąd ponieważ poniżać (się) poniżać się poniżać się poniżej poniżej poniżej granicy dolnej poniżenia poniżenie ponowić ponownie ponownie wyznaczać trasę ponury ponury ponury ponury ponury ponury ponury pończocha pończochą pończochy nylonowe poparcia poparzenia popatrzeć popchnąć popełnić wykroczenie popielaty popielniczka popierać popierać popierać kogoś/coś popijać popijać (małymi łykami) popiół poplamić popołudnie poprawa poprawa koniunktury overigens. aalwarig kous kous nylonendossement. steunen. stoten. plaats namiddag. middag reformeren. ommezijde resorberen. affronteren. giro in kokend water doen een blik werpen. aflopen kleinmaken. oord. vernedering verootmoediging. onaangenaam afschuwelijk grimmig rouwobscuur. overhellen. slurpen resorberen. trouwens. hellen. vernederen. krenken asgrauw asla. nogmaals afwisselend zwart naar. nazeggen opnieuw. lokaliteit. daarbeneden. achterzijde. ten dele daar. vernedering herhalen. trouwens overigens. donker aalwaardig.

alreeds daarvoor. veredelen nakijken. vigerend vragen vragen dwars voorgaand. goed afstelling. vooraan. beschadigen verspild bevolking bevolking algemeen. geldig. goed gracieus. inspecteren juist. morgen nederlaag China China haven haven emmer bewapenen. correct. geldend. advies administratiekantoor maat. makker besturen. raadgeving. instelling nauwkeurig bepalen. spoed maken.poprawiać poprawiać poprawiać poprawić się/wyzdrowieć poprawka poprawka wymagana równocześnie poprawny poprawny poprawny poprawny poprosić poprosić kogoś o spotkanie poprzeczny poprzedni poprzedni poprzedni poprzednio poprzednio poprzedzać poprzestać poprzez poprzez popsuć popsuty populacja populacją popularny popularny popychać popychać popyt popyt porada poradą poradnictwo poradnik poradnik poradzić poradzić sobie poranek porażce porcelana porcelaną porcie porcie porcja danych poręcz poręcz juist. bekendmaken. verleden. richten. alvast. eisen voortmaken. getapt. sierlijk fatsoenlijk. vereisen. dirigeren. per. reeds. rekenen. met bederven. administreren. overheen. haast maken adviseren. rail . voorgaand voorafgaand. gemeenschappelijk populair. wapenen spoorstaaf. eerder. veelgeliefd aanduwen schuiven opeisen. voorafgaand verleden. voorzijn logeren over. determineren juist. aan de overkant van door. voorgaand al. aankondigen ochtend. herzien. bevallig. bekendmaken raad. betamelijk. goed verbeteren. indertijd voorafgaan. correct. havenen. beheren adviseren. behoorlijk gangbaar. aankondigen. correct. kameraad. mennen besturen. kornuit. verleden.

opgewonden . entree portefeuille portefeuille conciërge. abortus het eens zijn. bewegen beroering. overeenstemming communiqué verband. beweging gejaagd. opstoken gejaagd. geschikt garanderen. ontroeren. samenklank akkoord. borg staan voor pornografisch materiaal. portemonnaie. mededelen communiqué aflevering. agitatie. ophitsen. meedelen. overeenstemmen accoord. mislukken abortus provocatus. maatregel berichten. portier beurs. omgang. opgewonden ontroeren. inlevering vergelijken vergelijken vergelijking vergelijken vergelijking vergelijken haven haven luchthaven interface haven ingang. levering. beeltenis. portret evenbeeld. betrekking overeenstemming. aangrijpen. samenklank accoord. opruien. zuilengang luitenant agiteren. pornografie pornografisch een miskraam krijgen. portiek zuilengalerij. portret Portugees Portugal Portugees zuilengang. ontroerend aangrijpen. doelmatig. overeenstemming overeenstemming. beeltenis. roerend.poręczny poręczyć pornografia pornograficzny poronić poronienie porozumieć się porozumienia porozumienia porozumienie porozumienie porozumienie dwuetapowe porozumienie trzyetapowe porozumienie trzyetapowe porozumiewać się porozumiewanie się poród porównać porównaj porównania porównanie porównanie porównywać port port port lokalny port równoległy we-wy port źródłowy nadawcy portal portfel portfel na banknoty portier portmonetka portrecie portret Portugalczyk Portugalia portugalski portyk portyk porucznik poruszać poruszać poruszać poruszać poruszenia poruszenie poruszony gemakkelijk. toegang. bewegen aandoenlijk. geldbuidel evenbeeld.

boerderij. bezitten. commanderen. toegeving concessie. bezitten. opgeven prijsgeven. erop nahouden. aalwarig. bezit boeltje. eigendom. erop nahouden bezitten. bevelen afhandelen. afstand. bevelen akkoord. stand van zaken bruidsschat.porwać porwać porwać widownię porwanie porwanie samolotu lub innego środka lokomocji porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) porywacz porywać porządek porządek porządek porządek bajtów porządek dzienny porządek zestawiania porządkować porządkować porzeczce porzeczka porzednik porzucenie porzucenie zaniechanie porzucić porzucić wszelką nadzieję porzucony posada posag posądzać posąg poselstwo poseł posępny posępny posiać posiadacz posiadać posiadać posiadać własny posiadania posiadania posiadania posiadanie posiadanie (akcji) posiadłość posiadłość ziemska posiedzenia posiłek ontvoeren transporteren. zittingsperiode twaalfuurtje. aalwaardig uitzaaien. dagorde akkoord. afdoen afzetten. erop nahouden eigendom. cessie. afleggen. afleggen. dagorde aanvoeren. bezitting goed. foedraal. garneren aalbes. rijk zijn rijk zijn. beslaan. commanderen. abductor ontvoeren agenda. bezittingen eigendom. landgoed. bezit landgoed. uitstrooien schede. opgeven gemeen. immoreel. maatregel agenda. afgezant. gezant afschuwelijk gemelijk. boerderij. toegeving prijsgeven. zitting. eigendom. cessie. onzedelijk situatie. huwelijksgift verdenken beeld. voorgaand concessie. eigendomsrecht bezitting. bes aalbes. bes voorafgaand. verleden. eigendomsrecht bezitting. maatregel aanvoeren. lunch . houder rijk zijn. afstand. bezitting sessie. voeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoering afvoerder. standbeeld legatie bode. overbrengen.

onderwerpen afgezant. doorvoeren invetten algemeen. geaardheid rose. handeling. zoektocht . dampig. gehoorzaam handelbaar.posiłek posiłek południowy posiniaczyć poskramiać posłaniec posłańca posłuchać posługiwać sie posługiwać się posłuszny posłuszny posmak posmarować posmarować posmarować pospolity pospolity post postać postanowić postanowienie postarać się postawa postawa postawa posterunek posterunek postęp postęp postęp arytmetyczny postępować postępowanie postój postój postrzępienie (efekt graficzny) postrzępiony postulacie postulować posunięcia posunięcie posuwać (się) naprzód posuwać się naprzód posyłać posypywać poszczególny poszczególny poszukiwacz poszukiwać bloem. bode. roos post. heiig. bode. optreden. mistig eisen. vereisen. speurwerk. inschikkelijk aroma. onbenullig vasten personage. rekenen. beterschap ontwikkeling. beslissen. posterijen aanplakken gaan naar. sturen. naderen verbetering. persoon besluiten. opeisen eisen. gezant aanhoren. bewegen ontroeren. aangrijpen. vooruitgang. aangrijpen. meel blauwe plek knechten. zich inspannen. poederen afzonderlijk. adapteren aanwenden. aanpassen. geur afstemmen. naderen gaan naar. gemeenschappelijk plat. beslissing streven. gezant afgezant. naderen doen toekomen. genaken. vereisen. aanpakken. genaken. blijven staan logeren treksluiting. afgezonderd respectief mijnbouwkundig onderzoeker speurtocht. beluisteren. gebruikt aanwending. halthouden. roze. opsturen bepoederen. rits. genaken. uitspraak. triviaal. luisteren afgewerkt. toepassing willig. bewegen gaan naar. meel bloem. vulgair. aanpakken. aanpakken. karakter. evolutie zich gedragen actie. ritssluiting nevelig. uitmaken besluit. opeisen ontroeren. pogen houding aard. gedoe afslaan. rekenen.

speurwerk zoektocht. inderhaast. dealer. vel. kont. speurtocht. spenderen aanhankelijk. zoektocht dierevel. aanbieden aanhankelijk. ijl spoed maken. midden tussen getuige getuigen. speurtocht speurtocht. haast maken. uitkijken naar. gehaast agentschap agentschap vertegenwoordiger. speurwerk speurtocht. speurwerk. medio. sluiks. getrouwd in de echt verbinden. slippen slippen. huid. heilig. sacraal. sacraal zweet zweten. gehaast haastig. transpireren tersluiks. opdragen. gewijd. haastigheid. heilig. inboeten tussen. trouwen necrologie haast. vagebond uitglijden. voortmaken voortmaken. geheiligd geheiligd. trouwen in de echt verbinden. uitglijden slippen. offeren. rechtop zetten . getuigen spanderen. achtervolging bil bips. snorren speurwerk. inderhaast. speurwerk speurwerk. speurtocht. steelsgewijs confidentie bal. spoed maken. zitvlak zwerver. vacht linnen vervolging. pels. gehecht opofferen. speurtocht zoektocht. uitglijden gehuwd. haast maken haastig. danspartij opzetten. certificeren certificeren. gehecht gewijd. agent makelaar in de plaats stellen van. onder in het midden van.poszukiwać poszukiwać pozycjonować poszukiwania poszukiwania poszukiwanie poszukiwanie poszukiwanie poszycie pościel pościg pośladek pośladkach pośladki poślizg pośliznąć się pośliźnięcie się poślubiać poślubiać poślubić pośmiertny pośpiech pośpiech pośpiech pośpiesznie pośpiesznie pośrednictwo pośredniczenie pośrednik pośrednik pośrednik pośrodku pośród pośród poświadczenie poświadczyć poświadczyć poświęcać poświęcać poświęcać poświęcający się poświęcony poświęcony pot pot potajemnie potajemny potańcówka potargać uitzien naar.

berooid. moeten behoeftig. begeerte. beek stromen. vlieten loop. afstammeling beginnend. stroming vloed. tabakspijp loop. benodigd nodig hebben. behoeven. lopen. bewust besturen. aankomend zondvloed welbewust. moeten nodig. checken. hoeven. kroost. administreren. daarna heerschappij. stroom. afkeuring machtig struikelen struikelen beekje. mogendheid afkeuren verdomme. jong. aflezen agnosceren. stroming bult. driedubbel schokken noodzaak. bergstroom. godverdomme afkeuren wraking. steelpan ragoût drievoudig. beheren schotel. noodzakelijkheid nodig hebben. verdomd. dan. verwerping. zin aanvallen. afstammeling nakomelingschap. nooddruftig wens. zaad nakomelingschap. aantasten controleren. moeten nodig. als waarheid aannemen erkenning erkenning erkenning . schaal pan. bochel loot. stroom. afkeuring wraking.potas potem potęga potępiać potępiać potępić potępienia potępienia potępienie potężny potknąć się potknięcie potok potok potok potok potok potokowy potok rzutowania potokowym przesyłaniem pakietów potomek potomek potomek proces potomny potomny potomność potomstwo potomstwo potop potrafiący obsługiwać coś (maszyna potrafić potrawa potrawce potrawka potrójny potrząsać potrzeba potrzeba potrzeba (życiowa) potrzebą potrzebny potrzebować potrzebujący potrzebujący odbioru potrzebujesz poturbować potwierdzać potwierdzać uznać n potwierdzenie potwierdzenia potwierdzenie (odbioru) potwierdzenie (odbioru) podziękowanie kalium naderhand. stroom pijp. kind. hoeven. verlangen. hoeven. kind. zaad nageslacht loot. nooddruftig behoeftig. braadpan. behoeven. afkeuring wraking. macht. achteraf. behoeven. jong. benodigd nodig hebben. vloeien. berooid. kroost. lust.

deksel verveelvoudigen. bekendmaken verkondiging. opgeven ooglid bedekking. aannemen monsterachtigheid monsterachtig. serieus zwaartekracht achten. areaal. aanzienlijk stemmig. bewust graafschap familiebetrekking. aankondiging welbewust. omslag. gedrochtelijk rotbeest. gebied het hoofd bieden oppervlakte. gebied oppervlakte. aanmerkelijk. oppervlak het hoofd bieden kloot. opdragen. areaal. erg aanplakken aanplakken adviseren. karrespoor oppervlakte. bekrachtigen. instructie vertrouwelijk. areaal. gezag stemmig. consigne.potwierdzenie odbioru potwierdzenie pozytywne potwierdzić potwierdzić potwierdzić notarialnie potworność potworny potwór potykać się potylica pouczać pouczenie poufny poufny powab powab powaga powaga powaga poważanie poważany poważny poważny poważny poważny poweron self test power-on self test powiadamiać powiadomienie powiadomiony powiat powiązania powiązanie powiece powiedzieć powieka powieka powielać powierzać powierzchnia powierzchnia powierzchnia powierzchnia czołowa powierzchnia kuli powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków powierzchnia wyświetlania powierzchnia zapisu erkenning erkenning agnosceren. sfeer. inwendige aantrekkelijkheid lokken autoriteit. verwantschap monteren. ernstig. omgeving. ernstig. bevestigen bevestigen. kaft. aankondigen. geheim binnenste. achtbaar geruim. serieus rouwbelangrijk. gebied . als waarheid aannemen erkennen. gebied spoor. bol. mormel struikelen achterhoofd stichten aanwijzing. voornaam. achting hebben voor achtenswaardig. ernstig. bona fide. opdracht geven oppervlakte. multipliceren belasten met. wagenspoor. bona fide. zetten ooglid zeggen.

uitbreiden uitbouwen. eruit. rugschild. maken. aanschijn. buitenwaarts oppervlakkig. voorspoed welstand. bloei geluk. laten doen. voorspoed welstand. vergroting uitbouwing. verschijnen aanblik. verheffen. uitbreiden omvang. schaal doen. geluk. voorspoed. begroeten hallo feestelijk inhalen feestelijk inhalen overlappen schild. opkomend lucht uitbouwen. het gevolg zijn van geluk. slagen nieuw. ophogen uitbouwen. welstand. vergroten. bloei. aandikken uitbouwen. groei opdrijven. voorspoed. ondiep aanklacht. ondiep verschijning. zachtjes. vlot. verwantschap gelukwensen. buitenkant gemakkelijk. welstand. plicht affiniteit. vergroting wasdom. uitbreiden verplichting.powierzchniowy tranzystor polowy powierzchowność powierzchowność powierzchowny powierzchowny powierzchowny powierzyć (<sb with sth> komuś coś) powiesić powiesić na zawiasach powiesić się powieściopisarz powieść powieść powieść się powietrze powiększać powiększać powiększać powiększać powiększać (się) powiększenia powiększenie powiększenie powiększenie powiększyć powinność powinowactwo powinowactwo elektronowe ujemne powinszować powitać powitać powitać powitanie powlec powłoka powłoka wsadowa powodować powodować powodować powodzenia powodzenie powodzenie powodzenie (operacji) powoli powolny powolny powolny start powołanie oppervlakkig. langzaam langzaam ontzien. opkomend klaarspelen. verwantschap affiniteit. doorkomen. vergroten. beschuldiging hangen scharnier hangen romanschrijver nieuw. uitbreiden uitbouwing. bestek. ontwikkeling. licht naar buiten. geluk. grootte verergeren. bloei. bloei op zijn gemak. sparen langzaam beroep . ophitsen. feliciteren groeten. rugschild. schaal schild. irriteren afstammen. vergroten. laten aanstoken. makkelijk. vergroten.

teruggeven hergeven. toom bedwingen. ontmannen. teruggeven snaar. tegenstreven verhinderen. nazeggen herhaling. stemband ontstaan muiten. beletten bevatten. trouwens verderop bovendien. intekenen breidel. in opstand komen tegenspartelen. laten doen. betomen herhalen. irriteren reden. naar boven. beletten zich onthouden. reproduceren. zich voordoen zich aanstellen. koorde. beteugelen. oorzaak zondvloed opvoeden. maken. verhoeden. opwaarts benoorden. uiterlijk zich aanstellen. verhoeden. reserveren. begroeten . begroeten groeten. daarenboven daarbuiten. repetitie benoorden. ophitsen. inhouden. ten noorden van aanstellerij. zich voordoen benoorden. voorts. verzekeren aanroepen doen. buiten. laten aanstoken. verder. rebelleren. zich abstineren generaal algemeen.powoływać się powoływać się powód powód powód powód (sądowy) powódź powóz powrotny powrót powrót do nowego wiersza powróz powstać powstanie powstrzymać powstrzymać/zataić powstrzymywać powstrzymywać powstrzymywać się powstrzymywać się <from sth> od czegoś powszechny powszechny powściągliwość powściągliwość powściągnąć powtarzać powtórce powtórka powtórka (np. onderwijzen hergeven. castreren afhelpen beschikking groeten. ten noorden van op. reproduceren. repetitie herhaling. zich abstineren zich onthouden. lekcji) powtórzenia powyżej powyżej powyższy poza poza poza poza poza poza poza domem (na powietrzu) poza kolejką poza zakresem pozbawić siły pozbywać się pozbywanie się pozdrawiać pozdrawiać beweren. onnatuurlijkheid overigens. oorzaak reden. reproduceren. universeel bespreken. ten noorden van uitzonderen snijden. nazeggen herhalen. teruggeven hergeven. omhoog. teugel. repetitie herhaling. behelzen verhinderen.

fiat toelaten. deeltje plaats. overige achterblijven. begroeten gerechtszaak. positie item. deeltje . duidelijk. aan de schouder brengen horizontaal. positie aanmelding houding. waterpas. stand. lokaal. onbescheidenheid toelaten. als waarheid aannemen samenkomen. vergaderen kennen. laten schieten laten. plek graad. aan de schouder brengen lopen. zich voordoen aanstellerij. respecteren saluut. beklaagde. laten begaan. stappen. zich voordoen verderop zich aanstellen. beschuldigde toestemming. afreizen zich aanstellen. laten begaan. deel. jaartelling. groet groeten. rommel. bekend zijn met klaarblijkelijk. geding. nablijven rest. overblijfsel. stand. tegenspreken op reis gaan. gedogen. vertoonbaar virtueel achterblijven. laten schieten item. schrijden aanleggen. status. proces gouvernement. deel. nablijven rest. treden. deeltje houding. aan de schouder brengen aanleggen. jaartelling. laten schieten laten. toestaan aangeklaagde. regering. aan de schouder brengen vergulden agnosceren. overheid aanleggen.pozdrawianie pozdrowienia pozdrowienia pozdrowienie pozdrowienie pozew sądowy poziom poziom poziom intensywności poziom żądania poziomnica poziomy poziomy uprzejmości pozłacać poznać poznać (kogoś) poznawać pozornie pozorny pozorny pozostać pozostać pozostać w łóżku pozostałość pozostawać pozostawać w sprzeczności pozostawiać pozować pozować pozować pozowanie pozór pozwalać pozwany pozwolenia pozwolenie pozwolić pozwolić sobie pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś pozycja pozycja pozycja pozycja cyfry pozycja wyjściowa pozycja znaku pozycja znaku pozycją saluut. onnatuurlijkheid aanmatiging. goedvinden. deel. bijeenkomen. nablijven in tegenspraak zijn met. blijkbaar aanwijsbaar. gedogen. oord. jaartelling. afval achterblijven. laten begaan. stand. toestaan laten. platliggend aanleggen. groet complimenteren eerbiedigen. rang item.

achteraf. nuttig eten. końcowy stationsgebouw. hartstocht vaarwel. station positief. halfrond schotel. brand ontzetten. laat terminal . vaarwel vaarwel. plank schap. brand lenen lenen. spaakbeen. schaal middernacht noorden noorden noorden noorden middernacht middernacht noorden noorden noords. royeren. lust. adieu adieu. voorschieten. dienstig. gerecht lopen. laat vergevorderd. spijs. adieu adieu. noordelijk actieradius. uitlenen lenen lenen lenen lenen lenen bevorderlijk. radius schiereiland naderhand.pozycją pozytywny pożar pożar pożarów itp pożądać pożegnać się pożegnać się pożegnania pożegnania pożegnanie pożegnanie pożegnanie pożoga pożyczać (od kogoś) pożyczać coś komuś pożyczce pożyczka pożyczka pożyczka hipotetyczna pożyczyć pożyteczny pożywienie pójść półbajt półce półka półkula półmisek północ północ północ północ (geograficzna) północ (geograficzna) północ (pora doby) północ pora doby północny północny północny północny wschód półprosta półwysep później później późniejszy późno późny Późny. daarna later later vergevorderd. adieu vuurzee. van stapel lopen. knabbelen schap. gaan knagen. adieu vaarwel. vaarwel vaarwel. ontslaan deskundig passie. dan. noordelijk noords. plank hemisfeer. constructief vuurzee. etenswaar. roes. adieu vaarwel.

oefenen . wassen. nijver. nijver. arbeider. beducht. werk. aanwending emplooi. vlijtig. bezorgd. werker. speurtocht werkgever functioneren. naarstig. karwei. verkiezen.póżniej prac praca praca praca dorywcza praca papierowa praca z podziałem czasowym praca zawieszona praca zespołowa pracą pracą prace badawcze pracodawca pracować pracować ponad siły pracować w ogrodzie pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji pracowitość pracowity pracowity pracowity pracownia pracownia pracownik pracownik pracownik pracownik naukowobadawczy pracownik naukowo-badawczy praczka prać swoje brudy publicznie praefixus praepositio Praga pragnący pragnąć pragnąć pragnąć z całego serca pragnienia pragnienia pragnienia pragnienie praktyczny praktyczny praktyka praktyka (zawodowa) praktykować praktykować later werken. karwei. verkiezen. dissertatie handwerk ter wereld brengen. de was doen voorvoegsel voorzetsel Praag bang. oeuvre emplooi. aansporen trek hebben in. dienst. ondervinding aanwenden. smachtend dorst aanwakkeren. ijver ijverig. vlijtig naarstig. ongerust trek hebben in. werkman werker ingenieur werker wasvrouw uitwassen. begeren inschikkelijk. vlijtig. het doen speurwerk. het doen vlijt. personeelslid werkkracht. naarstigheid. werk. ijverig. begeren dorst trek hebben in. arbeid functioneren. het doen proefschrift. werknemer. nijver naarstig. het doen functioneren. het doen functioneren. aanvuren. stelling. godsdienstoefening toepassing. handelbaar praktisch belevenis. ervaring. ijverig kast laboratorium employé. doorvoeren aanwenden. arbeid functioneren. begeren verlangend. verkiezen. bevallen eredienst. het doen functioneren. doorvoeren drillen.

reep. haast. bijkans. rechtzinnig . effectief juist. bijkans. in omloop schier. kiezen. wezenlijk authentiek. wettelijk. trant juist. strook. legaal jurist verdediger. onvervalst daadwerkelijk. geregeld circulerend. belangrijk. waarachtigheid waarheid. werkelijk. wijze. bijna schier. betitelen copyright. gegrond juist. deeltje. legaal copyright. gewettigd. kopijrecht balloteren. haast. waarachtigheid waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk werkelijk. gewettigd. legaal titelen. kopijrecht vrijdom. legaal recht strip. tituleren. bijna schier. wettelijk. gewettigd. standaardgelijkmatig. bijkans.pralni pralnia pralnia automatyczna pranie prasa prasa (ściskająca i drukowana) prasą prasować prasowy pratykuła prawa burta prawa dostępu prawda prawda prawda logiczna prawdą prawdopodobnie prawdopodobnie prawdopodobny prawdopodobny prawdziwie prawdziwy prawdziwy prawdziwy prawidłowo prawidłowy prawidłowy prawidłowy prawie prawie prawie prawie nic prawniczy prawnik prawnik prawny prawo prawo prawo prawo prawo prawo autorskie prawo autorskie prawo o podpisach cyfrowych prawo wyborcze prawo zwyczajowe prawomocny prawosławny wasserij wasserij wasserij wasserij pers zuiger pers ijzeren pers item. gelijk hebbend. jaartelling. vrijheid. ernstig. advocaat wettig. wettelijk. eigendomsrecht wettig. wettelijk. pleitbezorger. bijna wettig. band. haast. gelijk hebbend. gegrond waarheid. stemmen eigendom. regelmatig. windsel orthodox. waarachtigheid waarheid. gewettigd. voornaam normaal. goed erg. deel stuurboord manier. vlotheid recht wettig. correct.

scherp. heen. accuraat. billijkheid echten. prijs minister-president. smoes. voorbereiding prairie keus. onbescheidenheid . legitimeren recht recht eerlijk. accuratesse. rundvlees aanspraak maken op. accuratesse. over prefereren. accuratesse. dekmantel klapstuk. rechtvaardig. premier abonnement abonnee geabonneerd zijn op voorbereidsel. vandehands gerechtigheid. stroming actueel actueel gallon stiptheid. eerzaam. nauwgezetheid precies. nauwgezet stiptheid. keuze autoriteit. degelijk billijk. komend vandoor. minutieus nauwkeurig. nauwgezetheid stiptheid. rechtzinnig rechter-. prestige. juist. prijs bonus premie. aanstaand. fair actueel elektriciteit sap loop. stroom.prawosłowny prawostronny prawość prawowity prawoznawstwo prawoznawstwo dza prawy prawy prąd prąd prąd prąd prąd (także elektryczny) prąd elektryczny przepływ bieżący prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu dyskach) precyzja wielokrotna precyzją precyzować precyzyjny precyzyjny precz precz! preferować prefiks prefiks operatora prefiks usługodawcy premia premia premią premią premier prenumerata prenumerator prenumerować preparat prerią preselekcja prestiż prestiżowy pretekst pretekst pretensja pretensja pretensja orthodox. nauwgezetheid eerstvolgend. draaierij. claimen aanmatiging. de voorkeur geven aan voorvoegsel voorvoegsel voorvoegsel bonus premie. verwijderd. alternatief. gezag prestigieus verontschuldigen smoesje.

voortbrenging . praeses. actueel aanbieding. cadeau tegenwoordig. eliminatie fabriceren. vraagpunt. proces bewerking probeersel. aanmaken. eliminatie produktie. praeses. presentie. vraagpunt. donatie. geding. streek. vraag. praeses. haar vraagstuk. probleem. proefstuk gerechtszaak. optocht. procédé. spitsroede. percent gerechtszaak. preses gauw. poederen buskruit. interesseren rente. vaart. werkwijze bereidingswijze. radheid schreef. werkwijze routine. procent. werkwijze rente. omgang een proces aanspannen tegen buskruit. vraagpunt. proces bewerking processie. schrap. sleur bereidingswijze. procent belang inboezemen. in allerijl snelheid. procédé. ostentatief bijzijn.pretensjonalny prezencją prezent prezent prezentacja przedstawienie prezentować prezes zarządu prezydencie prezydent prezydent tam był prędko prędkość pręga pręga pręt problem problem problem roku 2000 problem tłumaczenia adresu problem z bezpieczeństwem problem związany z siecią proboszcz procedura procedura pomiarowa procedura wspomagania programu procedura zagęszczania procedurą procencie procent procent procentowość proces proces proces proces rozruchu proces zatwierdzania procesja procesować się proch proch proch strzelniczy produkcja produkcja seryjna produkcja wspomagana komputerem produkcja wspomagana komputerowo produkcja wspomagana komputerowo produkcją produkcją opzichtig. optreden tegenwoordig. procent. presentatie. percent. president. opgave kwestie. percent rente. preses. schielijk. spoed. opgave rimpelen. navraag vraagstuk. streep gallon roede. stokje vraagstuk. procédé. geschenk. preses voorzitter. maken produktie. actueel voorzitter. preses voorzitter. kruit produktie. president. werkwijze bereidingswijze. voortbrenging opbrengen. stoet. hard. aanwezigheid gift. probleem. fronsen haardos. president voorzitter. opleveren. procédé. voortbrenging ontwikkeling. geding. kruit bepoederen. afwerpen ontwikkeling. probleem. opgave pastoor bereidingswijze. president. haal. gard. praeses.

verwachting beduiden. verwachting akkoord. helper debugger konijntje debugger werktuig. leiding. prognose. opleveren. plaat projecteren werkje. podium tribune. middel aanwending. hulp. opbrengst produktie. tekening . bestuurder assistent. famulus. opbrengst ontwijden. opleveren. helper programmeren programmeren programmeren aanwending. aanmaken. seksueel. prent. beroepsprofessor karakterschets karakterschets karakterschets karakterschets voorspelling. podium afbeelding.produkcyjny produkować produkować produkt produkt produkt zakonserwowany profanować profesjonalny profesor profil profil wykonania profil zabezpieczeń profilować prognoza prognozą prognozą program program program program program do tworzenia kopii zapasowych program interpretujący program kontrolny program obsługi urządzenia program organizacyjny program pierwotny program post-mortem program składowania program składowania (zawartości pamięci) program sterujący program testujący program typu królik program uruchomiajacy program wspomagający program zrzutu program zrzutu program źródłowy programowa programowa) programu itp. gewrocht. toepassing programmeren programmeren tribune. hulp. afwerpen opbrengen. voorspellen. profaneren professioneel. maatregel programmeren programmeren laten blijken. toepassing assistent. voorzeggen voorspelling. schets. famulus. prognose. gewrocht. maken opbrengen. schets. afwerpen produktie. manifesteren vinger interpreter debugger conducteur.) ilustracja projekcie projekt projekt projekt pilotażowy projekt szczegółowy projektor laserowy projektować geslachtelijk. ontheiligen. leiding. tekening projecteren projecteren projecteren projector. projectietoestel werkje. generatief fabriceren.

proportie. inroepen. tekening ontwikkeling. evenredig huwelijksaanzoek. aanduiden evenredigheid. bieden. beduiden. spaak uitstralen. ruw . spaakbeen. verhouding proportie. propaganda uitloven. profeet. verklaring proclameren. stralen uitstralen. onkies. aanbieden aanwijzen. aanzoek bod. bloeien. wandeldek zonneschijn straal. grof. stralen actieradius.) promień promień promień słońca promień zginania promocja promocją promować propaganda proponować proponować proporcja proporcja proporcjonalny propozycja wstępna propozycją propozycją proroctwa proroczy prorok prorokować prosa prosić prosić prosić proso prospekcie prosperować prostacki projecteren werkje. aanbieding. aanpakken. uitvaardigen. stralen uitstralen. evolutie declaratie. aangeven. naderen verspreiding. voorzegger voorzeggen. voorspelling. aanvragen. spaak bevordering. fataal. proloog overzetboot. verzoeken gierst prospectus gedijen. noodlottig voorspeller. voorzegging funest. bak wandeldreef. radius straal.projektować projektowanie projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) proklamacja proklamacją proklamować proletariacie proletariacki proletariat proletariusz prolog prom promenada promienie słońca promieniować promieniować promieniować rozchodzić się promieniowo promieniować (dosłownie i w przen. promenade. tieren. aanbod profetie. verhouding. aanzoek huwelijksaanzoek. schets. floreren hardhandig. voorslag. voorspellen gierst vragen bidden vragen. evenredigheid proportioneel. verklaring declaratie. promotie bevordering. promotie gaan naar. spaak zonnestraal straal. genaken. lomp. afkondigen proletariaat proletariër proletariaat proletariër voorrede. pontveer. pont.

eenvoudig aalwarig. baas constructie. percent jury aanstoken. kaart bekeuring. rechtop rechter-. tevreden. provinciaal rente. aalwaardig direct. vergenoegd behaaglijk. aantrekkelijk. chef. rijten scheuren.prosto prosto prostopadły prosty prosty prosty prosty prosty protokół zarządzania siecią prosty protokół zarządzania siecią prostytutka proszek proszę proszę proszę proszkować prośba prośba protekcja protektor protest protestancki protestant protestować proteście protokół protokół IP dla łączy szeregowych protokół odwrotnego tłumaczenia adresów protokół RARP protokół SGMP protokół z potwierdzeniem pozytywnym protokół zmiany kierunku proton prototyp prowadnica prowadzące prowadzący prowadzenie serwerów WWW prowincja prowincjonalny prowizja prowizoryczny prowokować proza prozą próba próba próba direct. pogen. aalwaardig aalwaardig. eenvoudig. aanvragen. inroepen. aalwaardig landkaart. poederen alsjeblieft. lichtekooi. repetitie . uitglijden scheuren. standaardlicht. notulen proton prototype spoorstaaf. aanvoerder. bestrijden betwisten. bestrijden protestants protestants betwisten. bouw. eenvoudig hoer. bestrijden bekeuring. procent. rechtstreeks aalwaardig. trachten. wees zo goed. aalwarig. proces-verbaal. live. alstublieft voldaan. eenvoudig. notulen slippen. overeind. toepassing vragen. ophitsen. irriteren proza proza streven. vermalen. beschermheer betwisten. kwellen aanwending. rail nul gebieder. makkelijk aalwarig. vlot. rijten aalwarig. vandehands normaal. moeite doen gehoor herhaling. aanbouw gouvernement gewestelijk. eenvoudig. aalwarig. proces-verbaal. recht. bekoorlijk malen. verzoeken bescherming beschermheilige. prostituée bepoederen.

specimen. proef. vacuüm nietigheid. beteugelen streven. baas klapperen. honds. nutteloos loos. bot primitief onbeleefd. specimen. kabbelen. pogen. ijdelheid vergeefs. leeg. onbehouwen.próba próba (teatralna) próba generalna próba generalna próba odzyskania próba teatralna próba v próbować próbą próbą próbą próbą próbce próbka próbka próbka na sekundę próbkować próbować próbować próbować próbować próchnica próchnicą próchno prócz prócz tego próg próg próg tylny próżni próżnia próżnia ultrawysoka próżność próżny próżny prymitywny prymitywny prymitywny pryncypał pryskać pryszcz prysznic prywatny pryzmat prząść przebaczać przebaczać przebaczenie przebicie dętki probeersel. poging probeersel. zich inspannen. monster bedwingen. monster. zwam ander overigens. proefstuk bedwingen. keuring. absolutie geven vergeven. dorpel drempel. privé-. moeite doen moeite. moeite doen examen. proef. proefstuk streven. ledig. specimen. proefstuk proefstuk. pogen proefstuk. trachten. klotsen op het kookpunt zijn. douchen besloten. moeite doen incidenteel. trachten. cru. begenadigen vergeven. beteugelen streven. tonder. plassen. pogen. toevallig smaken streven. trachten. specimen. onheus. pogen teelaarde. koken een douche nemen. particulier prisma spinnen absolveren. humus verval tonderzwam. gebieder. monster proefstuk. proefschrift. proefstuk streven. stelling probeersel. vacuüm luchtledige ruimte. betomen. hol grof. onbewerkt. lens. borrelen. flat . tondel. trachten. lomp aanvoerder. trouwens. zich inspannen. onderzoek streven. pogen. dorpel luchtledige ruimte. proef. begenadigen appartement. dorpel drempel. ijdel. verder drempel. pogen. vacuüm luchtledige ruimte. monster proef. betomen. moeite doen dissertatie. chef.

gewiekst. koers slim. een lijst maken congestie. stutten neigen. doortrapt scherpzinnig. overwaarderen overschatten. opwekken overschatten. sieci) przecięcie przeciętnie przecinek przeciskać się przeciw przeciwieństwo przeciwległy przeciwnie do ruchu wskazówek zegara przeciwnik przeciwny przeciwny przeciwny przeciwny czemuś przeciwstawiać przeciwstawiać się przeciwstawiać się tracé. flikkeren. per. pakken. opvallen slaan. een stuk of. gloren slaan. route. tegen. tegenwerken. strijdig tegenstander afkerig tegengesteld. tegenliggend. detineren. strijdig voor tegengesteld. listig. wekken. met met. overgankelijk voorbijganger voetganger vertraging reserveren. strijdig tegenover. trotseren. slag. grijpen bemachtigen. beetkrijgen bemachtigen. gewiekst. doortrapt soort. splijten. overwaarderen wandeldreef. tarten. ophouden pochen. steunen. kloppen. tegenliggend. grijpen. jegens tegengesteld. pakken. opwekken wekken. doen overhellen schragen. scheuren flitsen. bluffen beetnemen. aan de overkant van tegenstander dwarsbomen. klappen wakker maken. grijpen neigen. opscheppen. bezwaar hebben tegen . gewiekst. slim. listig. schrander. houwen. wandeldek transitief. doen overhellen uitlisten. tegenliggend. beetkrijgen bemachtigen. listig slim. snoeven. uittarten standhouden. bloedaandrang. klappen. kloppen. tegenaan. pienter doortrapt. aangrijpen beetnemen. cursus. aandrang inspringen ongeveer. bloedaandrang. wakker maken. promenade. belemmeren uitdagen. buigen. aandrang congestie. aangrijpen. aangrijpen. circa komma door. aard barsten. buigen.przebieg kurs przebiegłość przebiegły przebiegły przebiegły przebierać przebijać przebłysk przebłysk przebój przebudzić przebudzony przeceniać przecenić znaczenie przechadzka przechodni przechodzień przechodzień przechowywać przenosić przechowywać w pamięci przechwalać się przechwycić przechwycić przechwycić przechwytywać przechwytywać przechylać się przechylić przechył przechył statku przeciążenie przeciążenie (np. leergang.

ontheiligen een aan de. rekken voorstad voorstad handelsartikel. de. koplamp hal overgang. honen koopman. het. herdruk bespotten. rekken uitleggen. in de morgen voor benoorden. schuieren in tegenspraak zijn met. verleden. suffix uitleggen. introductie voorgrond voorgrond lichtbak.przeciwstawić (się) przeciwstawienia przeciwstawienie przeciwstawny przeczący przeczesać przeczyć przeczyć przeczyszczający przed przed przed południem przed siebie przede wszystkim przedefilować przedimek nieokreślony przedimek określony przedkładać przedłożenia przedłożyć przedłużacz przedłużać przedłużenie przedłużyć przedłużyć (się) przedmieścia przedmieście przedmiot przedmiot przedmiot oceny przedmowa przedmowa przedni plan przedni plan (obrazu) przednie światło (np. zakenman . cliché borstelen. zeer oud voorvoegsel on-. morgen antediluviaans. reflector. ding handelsartikel. tegenwerken. artikel voorrede. ten noorden van ontwijden. doortrekken. optreden knechten. doortrekken. belemmeren tegenstand. spotten. lang. herdruk nadruk. handelaar. onderwerpen aanbieding. tegenliggend. oppositie tegengesteld. samochodu) przedpokój przedpokój przedpołudnie przedpotopowy przedrostek przedrostek negujący znaczenie wyrazów przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi przedruk przedrukować przedrzeźniać przedsiębiorca dwarsbomen. imvoorvoegsel nadruk. artikel mikpunt. doorgang. object. voorbericht. tegenspreken ontkennen laxeermiddel. lange tijd achtervoegsel. voorwoord inleiding. voorgaand voor de middag. onderwerp. onderwerpen achtervoegsel. naar de knechten. suffix langdurig. profaneren. passage ochtend. presentatie. strijdig negatief. aan het. oppositie tegenstand. in-. laxans voor voorafgaand.

handelsfirma. aandurven verbeelden. toer. excursie toer. trip. afdeling interval. actueel gedeputeerde. rul pols. expositie laten blijken. vak. tussenruimte interval. affaire bedrijf. misgrijpen recenseren. tak. presenteren. gang. ding. tussenruimte stompen Jan Klaassen missen. handwortel overloop. grijpen los. rijstrook uitstapje. aangelegenheid. tocht. reeds. indienen uitvoeren. vak mul. alreeds voor voorafgaand. roerend Maria-Hemelvaart . trip bemachtigen. uitbeelden. branche. onderneming ondernemen zich wagen aan. bespreken recenseren. dealer. aannemer ondernemend firma. alvast. divisie branche. afbeelden opdraven. bespreken afgrazen uitzicht afdeling. onderneming zich wagen aan. aangrijpen. handelshuis bedrijf. mobiel. opdagen tegenwoordig. tak. aandurven zaak. reis. manifesteren al. indienen tentoonstelling.przedsiębiorca (budowlany) przedsiębiorczy przedsiębiorstwa przedsiębiorstwa przedsiębiorstwo przedsiębiorstwo przedsięwziąć przedsięwziąć przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedstawiać przedstawiać (na scenie) przedstawiać obecny przedstawiający przedstawiciel przedstawicielstwo przedstawić przedstawić (kogoś) przedstawić kogoś przedstawienia przedstawienia przedtem przedtem przedwstępny przedyskutować przedział przedział przedział dla niepalących przedział kolejowy przedział synchronizacji przedziurawić przedziurawić przegapić przegląd przegląd wstępny przeglądać przeglądać przegródce przegrywać przegub przegub (dłoni) przejazd przejażdżka przejażdżka łodzią przejąć przejezdny przejęcia bouwondernemer. agent agentschap uitvoeren. indienen uitvoeren. tocht. discuteren branche. presenteren. mislopen. presenteren. preliminair bespreken. handwortel pols. baan. vak. afdeling legerafdeling. onderneming Maria-Hemelvaart bedrijf. beweegbaar. afgevaardigde vertegenwoordiger.

delegatie inhalen opsturen. translaat. baan. overtreffen bijzonder. overzetting uitvoering. disputeren. te boven gaan aflopen. eindigen . met pensioen gaan trekken. rijstrook bewerker aftreden. tandwiel overtuiging overtuiging gangbaar. godverdomme eed. kamwiel. gang. buitengewoon kronkelen beledigen. godlasteren verdomme. vigerend twisten. godlasteren ketteren. afboeken twaalfuurtje. lunch ketteren. bezwering translatie. versie kamrad. doorgang pensioen metro poort overloop. gang. affronteren geweldpleging. tandrad. krakelen overtuigen overtuigen overreding overtreffen. verdomd. rondreizen wandeling. baan. sturen. odpowiedzialności przekazywać przekazywać przebieg przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki przekąsce przekąska przekląć przekleństwo przekleństwo przekleństwo przeklinać przeklinać przeklinać przekład przekład przekładni przekonania przekonanie przekonujący przekonywać przekonywać przekonywać przekonywanie przekraczać przekraczać przekraczać przekraczająco przekręcać przekroczenie przekroczenie przekroczyć przekroczyć stan konta terugvallen steeg overloop. krenken. passage. uitgaan. rondtrekken. overbrengen. voeren afvaardiging. geweld overtreffen. vloeken. verdomd. tippel transfer. godverdomme eed. lunch twaalfuurtje. ophouden. bezwering ketteren. te boven gaan inhalen overtroeven. wandelen. geldend.przejęzyczenie przejścia przejścia przejście przejście kolorów przejście na emeryturę przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę przejście wielokrotne przejściówka przejść przejść się przejść się przekaz przekaz (danych) przekazanie (np. doen toekomen opnemen. vloeken. godlasteren verdomme. rijstrook overgang. vloeken. geldig. afdracht transporteren.

speech. contrabande smokkelaar. douchen omleggen. overstelpen. afgewerkt. stokje mijlpaal opperste. industrieel smokkelwaar. overbodig vlucht. ontwrichten. prevalent. speech. ijver industrieel industrie-. wassen. gestamp gaan naar. stokje klaar. spreken geraffineerd anders maken. overheerlijk geweldpleging. de was doen . superieur slikken. tak bekeren masseren vervormen vervormen vervormen vervormen bederven. ijver farmacie. overschakelen roede. omkopen bloedvergieten opnemen. beëindigd roede. redevoering. naarstigheid. doorslikken. oratie adresseren rede. aanpakken. afboeken opnemen. omschakelen. inslikken adresseren praten. redevoering. gard. spitsroede. vliegtocht een douche nemen. spitsroede. geweld bedelven. gard. verbasteren. afboeken overtollig. vak. naderen verschuiving verrekken. verpletteren rede. sluikhandelaar uitwassen. verstuiken inhalen heerlijk. artsenijbereidkunde weefsel vlijt. afgelopen. oratie smokkelen vlijt. kostelijk. veranderen afwisselend afwisselend getrappel.przekrój przekształcać przekształcać przekształcać przekształcać na postać cyfrową przekształcać transformata przekształcić przekupić przelew przelew przelew krwi przelewać przelot przelotny przełączać przełącznik zmianowy przełączyć przełączyć przełomowe wydarzenie przełożony przełykać przemawiać przemawiać przemądrzały przemienić przemienny przemienny przemierzać przemieszczenie przemieszczenie przemieścić przemijać przemiły przemoc przemóc przemówienia przemówienie przemówienie przemycać przemysł przemysł cukrowniczy przemysł stoczniowy przemysł włókienniczy przemysłowca przemysłowy przemyt przemytnik przemywać branche. genaken. naarstigheid.

figuurlijk oneigenlijk. rap.przen. inham. aangrijpen. begieten. kolk baai. overbrengen. ploegen. sproeien stromen. instructie reglement bevloeien. aangeven. afboeken dragen. doorstoten kras. roerend draagbaar. oprijlaan opnemen. wigor przenajświętszy przeniesienie równoległe przenieść przenieść przenieść przeniesienie przenikać przenikliwy przenikliwy przenikliwy (ból) przeniknąć przenocować (<sb> kogoś) przenosić przenosić przenosić (na inną platformę systemową) przenośnie przenośny przenośny przenośny przenośny automatyczny system telefoniczny przeoczyć przeor przeorać przepaść przepaść przepaść przepaść przepierzenie przepiórce przepiórka przepiórka przepis przepis przepis przepis przepisach przepisy przepisy przepłukiwać przepływ przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok przepowiadać przepowiednia przepraszać przepraszam przeprosić sap oprit. voorzegging zich verontschuldigen verontschuldigen zich verontschuldigen . voorspelling. bocht. aanpassen. nalaten. kreek golfspel. beweegbaar. voorspellen. beploegen afgrond. inham. binnendringen. portable oneigenlijk. voorgaand omploegen. voeren. bits doordringen. voeren aanreiken. figuurlijk verzaken. vlieten stromen. brengen opnemen. consigne. vloeien. binnendringen. fel. kwiek. druk bijtend. beduiden profetie. vloeien. lopen. levendig. doordringend snibbig. adapteren aanreiken. bestuur reglement aanwijzing. aangeven. afdragen oneigenlijk. afscheiding. gieten. vlieten voorzeggen. clausuur kwartel patrijs kwartel recept voor voldaan tekenen. voorhebben. mobiel. bewind. afboeken ontroeren. guur. golf. uitlaten voorafgaand. doorstoten afstemmen. kwiteren recept heerschappij. verleden. lopen. afdragen transporteren. boezem afgrond schifting. figuurlijk los. bewegen doordringen.

onderbreken rust. mislukken stoppen. weken zeven. afsluiten interrumperen. ziften springen . louteren interviewen toelaten. toestaan toelaten. voorhebben. schorsen. onderbreken interruptie. onderhouden uittreden. voeren. strumień gazu) przerabiać przerazić przerażać przerażenie przerażenie przeróbka przerwa przerwa międzyrekordowa (na nośniku informacji) przerwa start-stop przerwa w podróży przerwać przerwać przerwać przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) przerwanie przerwanie przerwanie integer liczba całkowita przerwanie zewnętrzne przerwą przerwą przerwą przerywać przerywać przerywać przerywać przerywać coś przerywać przerwanie przerywany przerzedzać przerzutnik przesadzać przesąd przesąd przesądny przesiadać się przesiąknąć przesiewać przeskoczyć verontschuldiging verontschuldiging dragen. schorsing. anders maken in de week zetten. schorsing. mislukken opvrolijken. vooringenomenheid bijgeloof bijgelovig veranderen. schorsen. toestaan inhalen anders maken. pauze interruptie.przeprosiny przeproszenie przeprowadzić (plan) przeprowadzić się przeprowadzić wywiad przepustce przepustka Przepuszczać (np. beëindigen. aftreden. gedogen. gruweldaad. verschrikking modificatie. onderbreking een miskraam krijgen. bewerking. onderbreken interruptie. onderbreking pauze. aanpassing opening. schraal. veranderen schrik aanjagen. doen schrikken consternatie. schorsen. ontsteltenis gruwel. gedogen. amuseren. weekmaken. mager haan van een vuurwapen chargeren. mislukken interrumperen. onderbreking afbreken interrumperen. gaping adempauze pauzeren interruptie. ophouden interrumperen. bres. intermitterend sprietig. overdrijven vooroordeel. bedanken een miskraam krijgen. schoonmaken. doen schrikken schrik aanjagen. onderbreking hortend. brengen reinigen. aflaten. schorsing. schorsen. rust een miskraam krijgen. onderbreken afmaken. schorsing.

crimineel misdaad. wachten samenkomen. bang doen schrikken. tribune. aanvaller scherm. bijeenkomen. misdrijf misdaad. afgeven ruimte. voorhebben. afgelasten voorspeler. bewegen beweging verschuiving opnemen. laf. aangrijpen. breedvoerig. ontwrichten. leiding ontbinden. vergaderen ruim. speling onderzoeken. misdrijf lafhartig. rondreis verschuiving beweging afstand. bestek. eind verschuiving tournee. dutten uittreden. snood. bedanken punctuatie. aftreden. groot verspreiden.przeskok przeskok przeskok przesłać przesłać dalej przesłona przesłona (falowodu) przesłonić przesłuchanie (świadka) przesłuchiwać przesmyk przespać się przestać przestankowanie przestarzały przestawić przestępca przestępczy przestępstwa przestępstwo komputerowe przestraszony przestraszyć przestraszyć przestroga przestronny przestrzec przestrzegać przestrzegać przestrzegać przestrzegać (coś) przestrzegać normy przestrzenny przestrzeń przestrzeń (także kosmiczna) przestudiować przestudzić przesunąć przesunąć przesunięcie przesunięcie przesunięcie przesunięcie logiczne przesunięcie w lewo przesunięcie w prawo przesuń przesuń w prawo przesuwać przesyłanie z potwierdzeniem hinkelen springen podium. afhalen. examineren afkoelen dragen. schut Iris afbeulen. handelen volgens te wachten staan. afjakkeren. royaal. voeren. tip ruim. annuleren. groot waarschuwen blijven gehoorzamen opvolgen. interpunctie mottig verschuiving misdadig. afmatten gehoor een verhoor afnemen. schrik aanjagen verjagen. verbreiden. eind ontroeren. breedvoerig. druilen. nakijken. afschrikken waarschuwing. royaal. crimineel misdadig. ondervragen inhalen sluimeren. wereldruim. bestuur. brengen verrekken. afboeken . snood. verstuiken afstand.

aanbesteding aflopen. te wachten staan frisse lucht toewaaien. afschaven blijven bekeren masseren vervormen masseren pré. verleden. eindigen translateren. grotendeels pré. voorzeggen bedacht zijn op. mijn. digereren voorgaand. verhoeden barrière. zoektocht schaven. heining storing hindernis. beletsel. hinderen doorkruisen. beleven speurtocht. merendeels. voordeel overwegend.przesyłka przesyłka komunikat przeszkadzać przeszkadzać przeszkadzać przeszkoda przeszkoda przeszkoda przeszłość przeszły przeszukać przeszukiwać przeszukiwać przeglądać prześcieradło prześcigać prześladować prześladować prześladować prześladowania prześladowanie przetarg przetarg przeterminować się przetłumaczyć przetransportować przetrawić przetrwać przetrwać przetrząsać przetrzeć się przetrzymywać przetwarzać przetwarzać przetwarzać przetwarzać (tekst) przewaga przeważnie przeważyć przewężenie przewidywać przewidywać przewidywać przewidywanie rozgałęzienia przewidzieć przewidzieć przewietrzyć przewietrzyć przewietrzyć pakje bericht. boodschap storen. leest. taille anticiperen. doormaken. belemmeren. speurwerk. verleden tijd kruipen speurtocht. verduwen. verleden tijd verleden. voorzeggen anticiperen. vertalen transporteren. vervolgen najagen. hinderpaal verleden. voorafgaand doorleven. zoektocht scanderen blad. speurwerk. afsluiting. belemmeren. luchten . spuien. voorspellen. hek. voordeel middel. nastreven vervolging. overbrengen. ophouden. obsederen achtervolgen. waaien lucht uitluchten. vendu. verwachten beduiden. prejudiciëren beduiden. vel overtroeven. achtervolging vervolging. achtervolging auctie. overzetten. wannen. prejudiciëren wachten. veiling gunning. voeren verteren. najagen. uitgaan. afhalen. afslag. beletten beletten. verhinderen. voorspellen. overtreffen beklemmen.

praeses. lotsbestemming lotsbestemming. presideren conducteur. passend. vademecum gebieder. uittrekken lot. president voorzitter. loten bestemmen. bestemming. nabij. preses. president voorzitten. mennen gidsboek. bedoelen geabonneerd zijn op spanderen. bij. toonaangevend. lot doelstelling. veranderen revolutie. draad affuit beweging anders maken. gids. garen lange tijd. baas overzetboot. onpartijdig metaaldraad. mikken op. spenderen geabonneerd zijn op . langdurig. dirigeren. omwenteling overtroeven. binnen. pont. beogen. per. president. aanvoerder. reisgids. doel. geschikt bestemmen. lang leidend. uittrekken mikken. chef. honk ontvanger verloten. richten. bestuurder besturen. toongevend voorzitter. praeses. dichtbij door. stemband metaaldraad.przewietrzyć się przewlec przewlekły przewodni przewodniczący przewodniczący przewodniczący Rady Nadzorczej przewodniczyć przewodnik przewodnik przewodnik przewodnik przewozić przewoźny przewód przewód przewód przewód zerowy przewód zerowy przewóz przewóz przewracać przewrocie przewrotny przewrót przewyższać przewyższać liczebnie przez przez przez całą dobę przez całą noc przez cały przez radio przez to przeziębienia przeziębienie przeznaczać przeznaczać przeznaczenie przeznaczenie przeznaczenie adresat docelowy przeznaczenie nieosiągalne przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć (coś na jakiś cel) przeznaczyć (coś na jakiś cel) lucht draad. koorde. wit. naast. per. afzijdig. met dwars door dwars door dwars door in. bak oneigenlijk. draad neutraal. per. verdorven revolutie. overtreffen overtreffen. pontveer. bestuurder snaar. preses. opdragen. te door. te boven gaan aan. preses voorzitter. bestemming. omwenteling pervers. doelwit. met koud koud gepast. figuurlijk conducteur. praeses.

naast. aanlokken toelachen. behalen buit maken. aanvoer aankomen. naast. dichtbij aan. hals. knop drukknoop dichtknopen dichtknopen aanhangwagen karavaan aanhangwagen aanhechten . over elkaar slaan belevenis. voorkant in zich opnemen. aantrekkelijk aantrekkelijkheid zwaartekracht snoeien dichtknopen heft.przezorny przezwyciężyć przezwyciężyć przeżegnać się przeżycie przeżyć przędza przodek przodek (w kopalni) przodkowie przód przód kompilatora przswoić prztoczyć przy przy przy forsie przy rejestracji na taśmie magnetycznej przy świetle świec przy zdrowych zmysłach przybliżony przybliżony czas przybrać postać (<sth> czegoś) przybranie przybrany przybudówce przybycie przybyć przybywać przybywać się przychodnia przychylic się przyciągać przyciągać przyciągać uwagę przyciągający uwagę przyciąganie przyciąganie przycinać przycisk przycisk przycisk przycisk z grafiką rastrową przycisk zwalniania myszki przyczepa przyczepa turystyczna przyczepą przyczepiać behoedzaam. voorzaat het hoofd bieden afdaling voorzijde. afdak bezorging. voorkant voorzijde. bij aan. nabij. behalen kliniek lid worden toelachen. verkrijgen. voorzichtig geweld aandoen. doormaken. ondervinding doorleven. ervaring. bekoren. arriveren buit maken. stamvader. nabij. dichtbij. geadopteerd luifel. nabij. bekoren aanlokkelijk. aangrijpen Maria-Hemelvaart aangenomen. aanlokken. noemen aan. citeren. nabij. bekoren toelachen. assimileren aanhalen. beleven kronkelen voorvader. verkrijgen. dichtbij. handvat. naast. dichtbij. overmeesteren waarschuwen kruisen. bij. bij benaderen benaderen aandoen. aanlokken. gevest. bij beneden uur aan. naast. belanden.

bezorgen naargeestig. dagen. loten gepast. aanmaken voorbereidsel. lotgeval avontuur. maat vriendin voorkomend. passend. aardig. preliminair toebereiden. naamwoord verloten. lief.przyczepić przyczepność przyczyna przyczyna przyczyniać się przyćmiewać przyćmiony przydarzyć się przydatność przydatność przydatny przydatny przydomek przydzielać przydzielać przydzielać przydzielać (środki) adj odpowiedni przydzielić przydźwięk przyglądać się dokonywać przeglądu przygnać przygnębiony przygniatający przygoda przygodą przygodność przygodny przygotować przygotować (się) przygotowania przygotowanie przygotowanie przygotowawczy przygotowawczy przygotowujący przygotowywać przygryzać przygwoździć przyholować przyimek przyjaciel przyjaciel przyjaciel przyjacielski przyjazd przyjazdach przyjazny przyjaźń aanhechten grip. beschikbaar. oorzaak bijdragen schemerig schemerig toegaan. bereiden. bereiden. perikel. dagvaarden betekenen. nuttig benaming. lotgeval eventualiteit eventueel. preliminair voorafgaand. boegseren voorzetsel bakstenen. gebeurlijk toebereiden. aardig. dagvaarden snorren. razen. voortgang hebben. geschikt verzenden betekenen. aanmaken toebereiden. voorbereiding voorafgaand. perikel. aandragen. aanmaken knagen. laten reden. disponibel bevorderlijk. maken. adhesie doen. turen brengen. troosteloos. voorbereiding achtergrond voorbereidsel. gonzen. laten doen. knabbelen spijkeren. slepen. nagelen trekken. vriendelijk vriendschap . stenen makker. kornuit. zwaar avontuur. dienstig. aanvoer voorkomend. dagen. vriendelijk bezorging. somber drukkend. bereiden. aanstaren. kameraad. brommen staren. preliminair voorafgaand. aanvoer bezorging. naam. gebeuren geschiktheid geschiktheid liquide. lief.

toetreden aanfloepen. aangenaam. aanspraak maken op aanvaarden. eerbetuiging aankomen. aanvoer zich aansluiten. behaaglijk. arriveren pret. aangenaam. onbekende. behaaglijk. aanvaarden eerbetoon. aanvaarden accepteren. vreemde aanvaarding. vastklinken kaap Kaaps belenden. onthaal aanvaarding.przyjąć przyjąć standard przyjechać przyjemność przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny (zapach) przyjemny (zapach) przyjezdny przyjęcia przyjęcie przerwania przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować jako członka (<sb> kogoś) przyjmować uznaniem przyjmować w poczet członków przyjmować z uznaniem przyjść przyjść przykład przykrość przykry przykry przykry przykucnąć przykuwać przylądek przylądek przylegać przylegać (do czegoś) przyleganie przyległy przylot przyłaczyć przyłapać przyłączać przyłączanie przyłączyć przyłączyć przyłączyć nawiązać łączność przyłożenie zich eigen maken. aanliggend bezorging. affiliëren claimen. grenzen aan belenden. adopteren toegeven aankomen. zetten verbinden. aangenaam behaaglijk. aanflitsen. aannemen. plezier behaaglijk. aangaan aanhechten aanhechting aanhechten monteren. accepteren aannemen. aanneming. hurken klinken. adhesie aangrenzend. toepassing . bot. nors. aan elkaar vastmaken aanwending. onthaal accepteren. aanvaarden toejuichen. voorbeeld smart. vermaak. arriveren afstammen. lid worden. belanden. bekoorlijk aangenaam. leed afschuwelijk onbewerkt. adopteren aannemen. affiliëren accepteren. belanden. genoeglijk vreemdeling. aantrekkelijk. cru onaardig. grenzen aan grip. verdriet. aanneming. onbehouwen. genoeglijk genoeglijk. bars in elkaar duiken. nurks. het gevolg zijn van toonbeeld. genoegen. genoeglijk behaaglijk. aangenaam genoeglijk. bij acclamatie benoemen toegeven zich eigen maken. grof. honds.

bepalen aanhechten bindend. aandragen brengen. ten volle. accident.przyłożyć przymiar przymiar przymiarka przymiot ik przymiotnik przymiotnikowy przymocować przymocować przymocować przymocowywać przymusowy przynaglać przynajmniej przynależność przynęcie przynęcie przynęta przynęta przynęta przynieść przynieść pożytek przynosić przynosić przynosić plon przypadek przypadek użycia przypadek wcielenie przypadkowość przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadłość przypiąć przypiekać na ruszcie przypis przypis końcowy przypisać przypisywać (<sth to sb przypływ przypływ przypominać przypominać przypominać przypomnieć przypomnieć sobie aanwenden. afrastering. dagen. ongeval eventualiteit incidenteel. onthouden . fatsoenlijk bijvoeglijke bepaling. gedenken. gebeurlijk toevallig. toevallig chaotisch eventueel. dwingend. aansporen geheel. bezorgen brengen. fixeren. verdriet. toevallig incidenteel. bezorgen. aandragen. bestuur betamelijk. aandragen. incidenteel droefheit. attribuut aan de scharrel zijn. commentaar nabeschouwing betekenen. hartzeer. afstaan incidenteel. bezorgen. adjectief bijvoeglijk aanhechtsel. gedenken herinneren herinneren zich herinneren. lokaas lokken aas. lokaas lokken lokken brengen. doorvoeren meten heerschappij. ongeval ongeluk. gedenken. bezorgen brengen. leed bevestigen. toevallig ongeluk. affix smart. hek. fladderen tij. bewind. aanvuren. aandragen het veld ruimen. attribuut bijvoeglijk naamwoord. accident. getij zich herinneren. traliehek aantekening. onthouden zich herinneren. gedwongen aanwakkeren. dagvaarden bijvoeglijke bepaling. behoorlijk. onthouden. volkomen lidmaatschap aas. beproeving kegel rooster. heel.

toezeggen. aard uitbouwen. vloeken dekken. verbeelding onderstelling. godlasteren. uitbreiden opdrijven. spoed maken. bereiden. toezeggen. ophogen suffix. vermoeden Maria-Hemelvaart arrogantie. fruiten verhaasten. hypothese. bespoedigen.przypomnieć sobie przyprawa przyprawa przyprawą przyprawiać (potrawę) przyprzeć do muru przypuszczać przypuszczalnie przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenie przypuszczenie przypuszczenie przyroda przyrost naturalny przyrost naturalny przyrostek przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku przyrząd) przyrządzać przyrządzanie przyrzec przyrzeczenia przyrzeczenie przyrzekać przysiędze przysięga przysięgać przysłaniać przysłowie przysłówek przysłówkowy przysługa przysmak przysmażyć przyspieszać przyspieszenie przyspieszenie ziemskie przyspieszyć przysposobić przysposobienie przystanek przystań przystawać na przystąpić zich herinneren. acceleratie voortmaken. instelling logeren landingsplaats. op smaak brengen accapareren. godsdienstoefening beminnelijk bakken. stellen toegegeven vermoeden. aanmaken voorbereidsel. verbeelding onderstelling. geaardheid. achtervoegsel instrument. uitloven beloven. toedekken. vergroten. aanlegplaats. mening gissen. verheffen. steiger lid worden te werk gaan . haast maken zich eigen maken. bijwoord bijwoordelijk eredienst. beleggen. uitloven eed. accelereren versnelling. toezeggen. bezwering ketteren. voorbereiding beloven. onthouden. adopteren afstelling. bedekken spreekwoord adverbium. werktuig aanhechting toebereiden. gedenken op smaak brengen. bezwering eed. uitloven plechtig beloven beloven. dienst. hypothese. gissen gissing arrogantie. acceleratie versnelling. mening karakter. kruiden kruiden kruiden kruiden. vermoeden. opkopen menen.

aandoening aanhechting aanhechting aanhalig aanhalig opdraven. toegankelijk aanspreekbaar liquide. disponibel goeduitziend fijn. knikken afschrijven. beschikbaar. meegaand afstemmen. afhandelen. net. noemen ja knikken. opslorpen. geschikt . asyl toevlucht bunker. prae titelen. armhuis ondeugd. betitelen feestelijk inhalen saluut. adapteren geschiktheid modificatie. aalmoezeniershuis toevluchtsoord. aflossen. groet gepast. citeren. aanpassen. inschikkelijk. passend. handvest. opdagen charter. bewerking. bewust aanhouding. accelereren afdoen. gebrek aanhechten aanhechten affect. kazemat aalmoezeniershuis. beslaan. garneren in beslag nemen. bespoedigen. privilege. fraai. adapteren afstemmen. adapteren toegevend. afwikkelen het veld ruimen. afstaan aanhalen. tituleren. aankomend verhaasten. schoon. afbetalen knechten. asiel. opslorping beginnend. aankomend beginnend.przystępny przystępny przystępny przystojny przystojny przystosować przystosować przystosować przystosować (się) przystosowania przystosowanie przystosowanie się przystosowany przystrzyc przyswajać przyswajanie przyszłość przyszły przyśpieszać przyśpieszać przytaczać przytaczać apostrof cudzysłów przytakiwać przytępiać przytłumić przytłumiony przytomny przytrzymanie do czegoś przytułek przytułek przytułek przytułek przytułek przywarą przywiązać przywiązać się do kogoś przywiązanie przywiązanie przywiązanie do czegoś przywiązany przywiązany do czegoś przywidzieć się przywilej przywilej przywilej przywitania przywitanie przywłaszczyć sobie genaakbaar. mooi afstemmen. aanpassing aanpassing congruent afzetten. arrestatie armhuis. absorberen absorptie. onderwerpen schemerig welbewust. aanpassen. aanpassen. emotie. vrachtcontract preferentie. knap.

przywoływanie przywozić przywódca przywracać przyznać przyznać przyznać się przyznać się do czegoś przyznać że przyznawać przyznawać rentę przyzwalać przyzwalający przyzwoicie przyzwoitce przyzwoitka przyzwoitość przyzwoity przyzwolenie przyzwyczaić przyzwyczaić przyzwyczaić się przyzwyczajać przyzwyczajenie przyzwyczajony przyzwyczajony przyzywać psalm pseudonim psi psikus psocie psotny pstrąg psucie się psuć psuć się psychiatra psychiatria psychiatryczny psychice psychice psychiczny psycholog psychologia psychologią psychologiczny pszczelarstwo

zich herinneren, gedenken, onthouden importeren, invoeren aanvoerder, baas, gebieder, chef beter worden, genezen, helen toegeven verloten, loten toegeven toegeven agnosceren, als waarheid aannemen pensioen erkennen, bekennen, biechten, toegeven het eens zijn, toegeven, goedvinden aangenaam, behaaglijk, genoeglijk naar behoren, netjes, behoorlijk chaperonne chaperonne landgoed, boerderij, bezitting betamelijk, fatsoenlijk toestemming, goedvinden, fiat gewend zijn, plegen, gewoon zijn gewoon, gebruikelijk acclimatiseren gewend zijn, plegen, gewoon zijn aanwensel, hebbelijkheid gewoon, gebruikelijk afgewerkt, gebruikt noemen, heten, benoemen, uitmaken voor psalm pseudoniem, schuilnaam honden-, hondeaanwensel, hebbelijkheid tuigen, optakelen, optuigen boosaardig, hatelijk, kwaadaardig forel vergaan, verrotten, rotten, bederven bederven, havenen, beschadigen vergaan, bederven, verrotten, rotten psychiater psychiatrie psychiatrisch psyche Psyche psychisch psycholoog, zielkundige zielkunde, psychologie zielkunde, psychologie psychologisch bijenteelt

pszczoła pszenica pszenicą ptactwa ptak ptak drapieżny ptakach publiczność publiczność publiczność (wywołujący interfejs usługi) publiczny publiczny publikacja publikować publikować artykuł na ten sam temat publikować kanał informacyjny publikować w Internecie puchar puchnąć pudding pudełko pudełko/pudło tekturowe puder puderniczce puderniczka puduszka na fotel pukać pukiel pula pula pula zmiennych aplikacji pulower pulpit pulpit pulpit sterowniczy puls pulsować pulsowania pułap pułapce pułapka pułapka jonowa pułapka sygnału dźwięku pułapka śledzenia pułk pułkownik punkt punkt (np. opatrunkowy)

honingbij, bij weit, tarwe weit, tarwe gevogelte vogel gevogelte vogelstand, gevogelte, vogelwereld toehoorders, gehoor, auditorium openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek toehoorders, gehoor, auditorium algemeen, gemeenschappelijk openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek afkondiging, openbaarmaking uitgeven, emitteren drukletter uitgeven, emitteren uitgeven, emitteren vont, bekken, kom aanzwellen pudding boksen boksen bepoederen, poederen compact, dicht compact, dicht kussen slaan, klappen, kloppen, opvallen krullen bank zich aaneensluiten, aansluiten zich aaneensluiten, aansluiten Jersey vertroosten, troosten huisje, schuur, keet, kraam, loods lezenaar, lessenaar pols, polsslag, tel kloppen, pulseren kloppen, pulseren plafon, hoogtegrens, plafond een hinderlaag leggen slag, valstrik, val muizeval gewas, plant slag, valstrik, val regiment kolonel merken, tekenen stationsgebouw, station

punkt centralny punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) punkt kulminacyjny punkt łączenia punkt montowania punkt obserwacji punkt odniesienia punkt odniesienia punkt przyciągania punkt szczytowy punkt środkowy punkt węzłowy punkt widzenia punkt wyjściowy punkt zaczepienia punkt zbiegu punkt zwrotny punktualny pupa purpura purpurą purpurowy purytanin purytański pustce pustelnik pustka pustka pustkowie pustoszyć pusty pusty pusty pusty pusty pusty wiersz pustyni pustynia puszce puszcza puszczać pąki puszczać strugę puszczać w ruch puszkować puścić bąka pycha

roteren, draaien huiswaarts, naar huis standpunt, gezichtspunt huiswaarts, naar huis ruimte, lokaliteit, oord, plaats mijlpaal mijlpaal neus, punt, piek, tip, top, spits nachtevening, dag- en nachtevening hoogte middelpunt, binnenste, centrum hoek aanzien, air, schijn, aanblik oorsprong, afkomst, herkomst haakje, slot, spang, agraaf neutraal, afzijdig, onpartijdig neus, punt, piek, tip, top, spits nauwgezet, nauwkeurig, accuraat bips, kont, zitvlak purperen purperen purperen puriteins puriteins leegte, leegheid heremiet, kluizenaar wit, blanco, oningevuld, blank wildernis, woestenij, woestijn woest, wild verklungelen, opmaken, verdoen wit, blanco, oningevuld, blank hol, ledig, lens, loos, leeg nihil, nul leeg, vrij, open, onbezet vergeefs, ijdel, nutteloos nihil, nul wildernis, woestenij, woestijn wildernis, woestenij, woestijn waas, dons, nesthaar oerwoud, jungle, rimboe uitbotten, spruiten, botten spuiten, sproeien, uitspuiten uitschrijven, lanceren, ontketenen blikken een wind laten trots

pykać (z fajki) pył pył pysznić pyszny pytać pytać pytanie pytanie otwarte pyton pzez pzować pzować (w banku) quiz nek (w banku) r poniżej rabat rabat rabin rabować rabunek rachmistrz rachunek rachunek rachunek (w banku) rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) racja rozum wnioskować racjonalny raczej RAD rada rada rada przetwarzania transakcyjnego rada przetwarzania transakcyjnego radar radą radą radia radio radio amatorskie na balonie radio amatorskie na balonie radio z gramofonem radioamator radiofonia radiolokator o fali ciągłej radiotechnika radny miejski radosny

pof, poef stof bepoederen, poederen trots heerlijk, kostelijk, overheerlijk vragen kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag Python in, binnen, per, te aandoen, aangrijpen aandoen, aangrijpen puzzel, raadsel daarbeneden, beneden, onder disconto aftrekken, korten, afslaan rabbijn, rabbi stropen, buitmaken, roven, plunderen plunderen, buitmaken, stropen, roven boekhoudkundige, accountant snavel, tuit, bek, snater, neb voorschip, voorsteven, boeg rekening, conto boekhouding, boekhouden doen, maken, laten doen, laten redelijk, rationeel een klein beetje, lichtelijk, ietwat radium raad, raadgeving, advies raadgevend lichaam, raad raad, raadgeving, advies adviseren, aankondigen, bekendmaken raderwerk, radar raadgevend lichaam, raad sovjetdraadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio ham draadloze, radio raderwerk, radar draadloze, radio wethouder, schepen lustig, vrolijk, monter

radosny radosny radosny radość radość radość radość radował radował radowanie radykalnie radykalny radzić radzić radzić się radzić sobie z rafa rafą rafineria rafinerią rafinować rafinowany (cukier) raj raj rajstopy Rak rak rakiecie rakieta rakieta (ale nie tenisowa) rakieta świetlna rakietka ralizm rama rama czasowa ramiączko ramię ramię ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) ramię w ramię ramię wybiorcze ramka ramka widoku ramka zaznaczania rana rana ranczo

goedgeluimd, goedgehumeurd jubelgoedgeluimd, goedgehumeurd amusement, vermaak verrukken, in verrukking brengen flikkeren, flakkeren, schitteren blijdschap verrukt genieten van, blij zijn gejubel grondig, radicaal ingrijpend, grondig, radicaal adviseren, bekendmaken, aankondigen aanwijzen, aangeven, aanduiden raadplegen, consulteren rondgeven, ronddelen, uitdelen klip, rif klip, rif raffinaderij raffinaderij raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel Eden paradijs paradijs kanker zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft vuurpijl, raket vuurpijl, raket vuurpijl, raket flikkeren, flakkeren, schitteren peddelen, door het water plassen realiteit kader, omlijsting, lijst, raam in een lijst zetten, inlijsten, vatten riem bewapenen, wapenen schouder naast elkaar bewapenen, wapenen schouder boksen in een lijst zetten, inlijsten, vatten rand, zoom ochtend, morgen zweer landgoed, goed, bezitting, boerderij

randka randka randka z nieznajomym randze ranek ranga ranga (w wojsku) ranić ranić ranić ranny rano rano rapier raport raport kontrolny raport o stanie niezawodności urządzenia raptownie raptowny rasa rasa rasą rata rata roczna ratować ratować ratował ratownictwa ratunek ratunek ratusz raz razem razem rąbać rączce rdza rdzą rdzenny rdzeń rdzeń pamięciowy rdzeń systemu operacyjnego rdzewieć read only memory reagować reagować reakcja

benoeming, aanstelling dadel, dactylus benoeming, aanstelling graad, stand, status, rang ochtend, morgen graad, stand, status, rang graad, mate, trap havenen, beschadigen, bederven gewond aanschieten aangeschoten voor de middag, in de morgen ochtend, morgen degen informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil opkweken, fokken, opfokken, telen geslacht, stam, volksstam geslacht, stam, volksstam afbetalingstermijn, annuïteit afbetalingstermijn, annuïteit bergen, behouden, redden redden, bergen, behouden vrijkopen, loskopen, afkopen bergen, behouden, redden ontsnappen, ontkomen, ontgaan bergen, behouden, redden wereldstad, grote stad eens, op een keer alles wel beschouwd samen, tezamen, bijeen, ineen fijnhakken oor, kruk, handvat, hengsel, klink verroesten, roesten verroesten, roesten inboorling kern, pit pit, kern kern, pit verroesten, roesten ROM reageren reageren reactie

reakcja reakcją reakcjonista reakcjoniście reakcyjny realiście realizacja realizować realizować realizować realizowalny realny recenzja recenzje prasowe recepcie recepcjonista recepcjonistka recepta recepta receptura recytować redagować redagować wstępnie redaktor redaktor naczelny redukcją redukować redukował redukował referencja refleksja refleksją reflektor reforma reformacją reformą refren regał region region dostępu regionalny registrator reglamentował regulacja regulacja obciążenia regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych regularnie

antwoorden, antwoorden op reactie reactionair reactionair reactionair realist verlichten, vergemakkelijken behalen, bereiken, inhalen aanwenden, doorvoeren beseffen, bevatten, begrijpen handelbaar, inschikkelijk praktisch recenseren, bespreken zuiger recept receptioniste receptioniste recept recept recept voordragen, declameren opmaken, redigeren, opstellen opmaken, redigeren, opstellen editor editor afname reduceren, inkrimpen, herleiden inkrimpen, korten, verkorten reduceren, inkrimpen, herleiden verwijzing, referentie afspiegeling, weerglans nakomertje lichtbak, reflector, koplamp reformeren, hervormen Hervorming, Reformatie reformeren, hervormen koor, rei, zangkoor schap, plank gewest, gebied, streek, regio gewest, gebied, streek, regio streek-, gewestelijk, regionaal bestand, dossier reglementeren, reguleren, regelen afstelling, instelling leidend, toonaangevend, toongevend voorschrift vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal

regularny regulator regulator regulator szybkości regulować regulować kontrolować regulowalny reguła reguła aktywna reguła wyzwalania rejent rejestr rejestr wyjściowy rejestrować rejestrować (się) rejestrować dziennik rejestrował rejon rejs rejs wycieczkowy rekin reklama reklama docelowa reklamacja reklamą reklamować reklamował reklamujący rekomendacja rekomendacją rekomendować rekomendował rekomendował rekompensata rekompensował rekontrować (w kartach) rekord rekord odniesienia rekord zasobów rekordzista rekrucie rekrut rekrutować rektor rektor rekwizyty w teatrze relacja relacja

gelijkmatig, regelmatig, geregeld afstelling, instelling conducteur, bestuurder supervisor, controleur, opzichter reglementeren, reguleren, regelen richten, besturen, dirigeren, mennen inschikkelijk, handelbaar heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur notaris aangeven aangeven aangeven aangeven plaatsbewijs, biljet, kaartje geregistreerd gewest, gebied, streek, regio kruisen (van schip), kruisen circuleren, in omloop zijn, rondgaan haai bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging beschuldiging, aanklacht propaganda, verspreiding adverteren, aankondigen, aandienen adverteren, aankondigen, aandienen adverteerder, verkondiger recommandatie, aanbeveling recommandatie, aanbeveling aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevolen beloning, loon, vergelding vergoeden, compenseren, goedmaken dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig discus, plaat, grammofoonplaat, schijf gebieder, chef, aanvoerder, baas discus, plaat, grammofoonplaat, schijf kampioen, titelhouder, voorvechter recruteren recruteren recruteren burgemeester, burgervader rector drager, stut, leuning, steun rekening, conto betrekking, omgang, verband

relacja relacja zwrotna relacją relacjonować relacjonował relacjonował relativum relatywnie relatywny relewancja religia religią religijny religijny remanent remanent remis remisował remisując remont remont rendering renomą renta reorganizować reperować repertuar reprezentacja reprezentacja tablicy reprezentacją reprezentant reprezentować reprodukcja reprodukować reprodukował republice republika republikanin reputacja reputacja reputacja reputacją resonans respekt restauracja reszcie reszta reszta także z dzielenia

informeren, berichten, inlichten betrekking, omgang, verband betrekking, omgang, verband verhalen, vertellen, debiteren verhalen, vertellen, debiteren aanverwant, verwant verwant, familielid tamelijk verwant, familielid relevantie religie, geloof, godsdienst religie, geloof, godsdienst gewijd, heilig, sacraal, geheiligd religieus, godsdienstig, gelovig heerschappij, bewind, bestuur vee, kudde, levende have, veestapel stropdas, das toelachen, bekoren, aanlokken werkje, schets, tekening inhalen verhelpen, herstellen, repareren treksluiting, rits, ritssluiting lichaamsbouw, gestalte, figuur pensioen comprimeren verhelpen, herstellen, repareren repertoire beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur gedeputeerde, afgevaardigde verbeelden, uitbeelden, afbeelden reproduktie, weergave reproduceren, weergeven reproduceren, weergeven republiek, vrijstaat republiek, vrijstaat republikeins lucht, reuk, luchtje, geur reputatie, faam, roep, naam faam, befaamdheid, mare, gerucht reputatie, faam, roep, naam resonantie, naklank, galm eerbiedigen, respecteren restauratie, restaurant, eethuis rest, overige rest, overige rest, overblijfsel, rommel, afval

periodiek inspecteur. toegeven tegenweer. het veld ruimen. beantwoorden achterzijde. het gevolg zijn van herenhuis woning. berusting gelatenheid. een backup maken van resolutie. reserveren. logies. tijdschrift. motie resonantie. tegenkanting. tegenstand . een backup maken van bespreken. berusting neerleggen. aflezen. boedel bespreken. inspecteren checken. intekenen een backup maken. speurwerk. speurtocht. afstand doen afstaan. zoektocht muiten. kwartier herenhuis gelatenheid. revisor inspecteur. naklank. herzien. retoriek rederijkerskunst. een backup maken van inventaris. controleren speurtocht. nablijven afkeuren rederijkerskunst. controleren nakijken. ommezijde. omwenteling revolutionair revolutionair revolutionair revolver een backup maken. reserveren. ommezijde. retoriek bijwerken. galm afstammen. retoucheren reumatiek wraak terugdoen. revisor inspecteur. controleren zoektocht. berusting gelatenheid. aflezen. bedanken. revisor checken.resztki resztki retoryce retoryka Retusz reumatyzm rewanż rewanżować (się) rewers rewers (monety itp) rewia rewidencie rewident rewident księgowy rewidować rewidować księgi rewizja rewizja rewizja kodu rewizją rewolcie rewolucja rewolucjonista rewolucjoniście rewolucyjny rewolwer rezerwa dynamiczna rezerwa gorąca rezerwa statyczna rezerwowa rezerwować rezerwowy kontroler domeny rezolucja rezonans rezultat rezultat rezultat przekształcenia rezydencja rezydencja rezydencją rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) rezygnacja także jako pogodzenie się z losem rezygnacją rezygnować rezygnował rezystancja achterblijven. onderkomen. vergelden. speurwerk checken. rugstuk revue. het gevolg zijn van vervormen afstammen. aflezen. rebelleren. rugstuk achterzijde. intekenen een backup maken. in opstand komen revolutie.

tegenstand stelsel. aanpakken. kieken fabricatie. script ongedierte Boeg wandluis wandluis Boeg wandluis worm. zaak fotograferen. staatsvorm. naderen breien gaan naar. vademecum. regime directeur. aankondigen. gispen indruk maken op. beroep. berispen. tegenkanting. behalen. administrateur handdoek aanreiken. handvat. tegenstand tegenweer. klink handschrift. scenario. gids. klauwen. kruk. hengsel. overhandigen gidsboek. genaken. wurm kauwgom zinspelen zinspelen zinspelen gaan naar. karwei. werk. aanmaak. fabricage robot emplooi.rezystancja dynamiczna rezystancja statyczna reżim reżyser reżyser ręcznik ręczny ręczny ręka ręka ręka w rękę rękaw rękawica rękawica (z jednym palcem) rękawiczka rękawiczka rękodzieło Rękojeść noża rękopis rękopis robactwo robaczek (program rozmnażający się w sieci) robaczek (program rozmnażający się w sieci) robak robak robak robak rober w brydżu robić (stroić) miny robić aluzje robić aluzję do robić na drutach robić na drutach robić postępy robić postępy robić pranie mózgu robić się robić sztuczki kuglarskie robić wrażenie robić z kogoś idiotę robić zdjęcia robienie robocie robocizna roboczy robot tegenweer. imponeren winkel. genaken. buit maken laken. bestuurder bestuurder. veredelen adverteren. arbeid krauwen. handwerk oor. manuscript. aandienen verkrijgen. overhandigen bewapenen. beheerder. tegenkanting. kopij draaiboek. wapenen mouw handschoen handschoen handschoen handschoen ambacht. naderen verbeteren. wapenen aanreiken. krabben robot . scharrelen. aanpakken. afkeuren. reisgids bewapenen.

arbeid werker werkman. karwei. karwei. naaikunst. huisgezin. huisgezin. geaardheid. werk. verjaardag herdenkingsdag. werk. aard soort. naaivak herdenkingsdag. plattelander. arbeid metselwerk emplooi. werkkracht. arbeider stouwer. naar de vrouwelijk ouder ouderpaar. gedenkdag. arbeid emplooi. landman rododendron ingeboren. stuwadoor werkman. aangeboren aard. huis. geaardheid genre. verwantschap gezin. bevelen handelsartikel. de. ouders ouder ouder ouderpaar. naaivak naaien. bes pruim in overvloed aanwezig zijn krioelen. wriemelen. gedenkdag. krik mannelijk mannelijk geestelijk vrouwelijk karakter. commanderen. huis.robota robota robota kamieniarska robota szydełkowa robotnik robotnik robotnik fizyczny robotnik rolny robótka (na drutach) robótki robótki ręczne rocznica rocznicą roczny roczny rodak rodak rododendron rodowity rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj fali rodzaj gniazda wtykowego rodzaj męski rodzaj nijaki liczba mnoga rodzaj tkaniny bawełnianej rodzaj żeński rodzaj żeński liczba mnoga rodzajnik rodzajnik określony: ten rodzaju żeńskiego rodzic rodzic rodzic (ojciec lub matka) rodzic ojciec lub matka rodzice rodzimy rodzina rodzina rodzina protokołów rodzinny rodzinny rodzynek rodzynek (w cieście) roić się roić się emplooi. werker. aard vijzel. karwei. naaivak naaien. wemelen. ouders ingeboren. geaardheid. werker. familie Natal aalbes. huis. werk. genrestuk karakter. slag. krielen . het. familie gezin. naaikunst. huisgezin. dommekracht. naaikunst. karakter. aangeboren affiniteit. werkkracht. verjaardag jaarlijks jaarlijks bewoner van een land boer. aard aanvoeren. aan het. arbeider naaien. familie gezin. artikel aan de.

rijwiel. vegeteren champignon bouillon. band olie. voortgang hebben. griet. claimen voorgeven. gebeuren groeien. petroleum olie. samen-. tarbot daaromheen. co-.rok rok itp) rok przestępny rokrocznie rola rola papieru rolka zwój zwijać rolnictwa rolnictwo rolniczy rolnik rolnik rolny romans romans romans czny romans czny romantyczny romantyk romantyzm romb ronda rondel rondo rondo (kapelusza) ropa ropa naftowa ropień ropucha rosa rosą Rosja Rosjanin rosnąć rosnąć rosnąć jak grzyby po deszczu rosół rosyjski roszczenie rościć pretensje roślina roślina zimozielona rośliną roślinność roślinny rotacja rowek rower jaar dwars door schrikkeljaar jaarlijks rol web. spinneweb. in het rond braadpan. vleesnat Russisch aanspraak maken op. steelpan. kadetje. abces. rand. landbouwer Romaans romance Romaans romance romantisch romantisch romantiek ruit. plant gewas. etterbuil pad dauw dauw Rusland Russisch toegaan. pan circus boord. petroleum ettergezwel. samen agrariër. plant gewas. rag broodje. zoom. voorwenden. tweewieler . plant plant. kant. bolletje. eromheen. kadet akkerbouw akkerbouw agrarisch boer aaneen. spinrag. gewas groente krullen fluit fiets. aaneen-. doen alsof gewas.

sectie verrichten omvang. rijwiel fietsen. wielrijden fiets. chapiter. tweewieler. aflopen. soepel. loten . ontbinding afbraak. verzwakken aanlengen verdunnen. balorig. schifting. intrappen. bestek. ronddelen. motie verloten. verzwakken aanlengen maaien tegenvallen. windsel. peignoir. motie resolutie.rower rower rower spacerowy rozbarwienie oddzielenie rozbicie (się) statku rozbić rozbić się na kawałki rozbierać (na części) rozbierać (urządzenia) rozbierać się rozbiór rozbiór składniowy rozbiórce rozbrajać rozbroić rozbroić (się) rozbrzmiewać rozbrzmiewać rozbudowa rozbudować rozciąć rozciągać rozciągać (się) rozciągliwy rozcieńczać rozcieńczać rozcieńczony rozcieńczyć rozcinać rozczarować rozczarowanie rozczochrać się rozdaj rozdarcia rozdawać rozdrabniać rozdrabniać rozdrażniony rozdrobnić rozdział rozdział rozdział rozdzielacz rozdzielać rozdzielać proporcjonalnie rozdzielczość rozdzielczość odwzorowywanie rozdzielić fiets. peignoir. rijten rondgeven. ontleding. galmen. ronddelen. uitdelen scheppen. rijwiel clausuur. grootte omvang. elastisch verdunnen. kregel scheiden hoofdstuk. doorklinken achtervoegsel. grootte rekbaar. ochtendjas. kleppen. kapittel clausuur. afscheiding eenheid. leed. beieren naklinken. ronddelen. ochtendjas. duster strip. rondgeven uitdelen. verdriet kneden rondgeven. suffix doen ontstaan. ontleding. sloop ontwapenen ontwapenen ontwapenen galmen. tweewieler. gruizelen slechtgehumeurd. ontbinding analyse. bestek. ronddelen. rondgeven resolutie. ontmanteling. reep analyse. strook. verbrijzelen negligé. ontgoochelen smart. formeren doorsnijden. schifting. duster negligé. maken. uitdelen scheuren. unit verdeler uitdelen. afscheiding schipbreuk schipbreuk vermorzelen. creëren afbrokkelen.

gammel. beeldig afbrokkelen. gruizelen fanfarekorps. in verrukking brengen aanbiddelijk. nukkig. verspreiding onderscheiding aandrang. fanfare morsen uitgebreid. opgelost worden verrukken. verkondiger uitzenden. absolutie geven kwijstschelding. absolutie absolveren. run absolveren. arbitrair. veelomvattend breedvoerig. royaal aanplakken bloedvergieten akkoord. aandeel oplossing scheiding. afgeven dienstregeling. eigenmachtig grillig. vrijspraak. amuseren. ochtendjas. onderhouden opvrolijken. verbreiden. aanvoeren. overeenstemming verslappen. duster opvrolijken. afladen actie. onderhouden interrumperen. absolutie kwijstschelding. commanderen bouwvallig. consigne. instructie bevelen. usług sieciowych przez ruter) reklama rozgłos rozgłos rozgnieść rozgrzeszać rozgrzeszenia rozgrzeszenie rozgrzeszyć rozgrzewać rozjazd rozjemczy rozkapryszony rozkaz rozkaz zatrzymania rozkaz zatrzymania warunkowego rozkazywać rozklekotany rozkład rozkład rozkład (jazdy rozkład statystyczny częstotliwości rozkładać (się) rozkosz rozkoszny rozkoszny rozkruszyć rozkwitać rozlać rozległy rozległy (widok) rozlepiać plakaty rozlew krwi rozliczenie rozluźnić rozładować rozłam rozłączenia rozłączenie actie. groot. omroepen propaganda. instructie aanwijzing. amuseren. omvangrijk. toeloop. aanbiddenswaardig heerlijk.rozdzielić (się) rozebrać rozerwać rozerwać się rozerwanie rozeta rozgałęziacz rozgałęziacz rozgłaszający rozgłaszanie (np. aftands verdeling. onderbreken rose. uitreiking verspreiden. roos bewerker bewerker adverteerder. onberekenbaar aanwijzing. absolutie geven warm aansluiting willekeurig. rooster dienstregeling. uitladen. echtscheiding . commanderen bevelen. rooster oplossen. aandeel negligé. consigne. ruim. aanvoeren. peignoir. accoord. zich verpozen lossen. roze. vrijspraak. betoverend. schorsen.

een gesprek voeren grootte. met opzet. aanrichten. halthouden. kikkerdril reproduktie. mediteren. rondgeven vertwijfelen. ordenen missen. menigvuldig converseren. stand van zaken arrangeren. Turkse staatsraad. wetens nevelig. blijven staan clausuur. nadenken reflecteren. mistig dragen. neiging situatie. wanhopen radeloos. aanmaken aansteken. diverse menigvuldig. gesprek aanspreekbaar spraakzaam vervagen peinzen. ineenstorten. dampig. vermenigvuldigen kuit. afwisseling uiteenlopend. ronddelen. rustbank variatie. grootte afwisselend veranderen. praten spreken. voeren. aanvechting. maatregel zin. anders maken akkoord. bestek. menigvoudig verschillend. heiig. terugkaatsen nadenkend expres. verschillend verscheidene. bestek. verschillend. lust. wanhopig verval instorten. menigvoudig. babbelen. viskuit. brengen uitdelen. schifting. grootte omvang. babbelen. uiteenvallen uitpakken uitpakken afleiden uitpakken aansteken. spiegelen. variëteit. praten onderhoud. doen ontbranden. bestek. bestek. grootte omvang. wanhopen vertwijfelen. praten keuvelen. weergave keuvelen. misgrijpen multipliceren. doen ontbranden. voorhebben. aanmaken . mislopen. moedwillig. omvang omvang.rozłączyć rozłąka rozłożyć rozmaitość rozmaity rozmaity rozmaity rozmaity rozmawiać rozmiar rozmiar rozmiar słowa rozmiar wartość bezwzględna rozmieniać rozmieniać rozmieszczenie rozmieszczenie rozmieszczenie pliku rozmieścić rozminać się rozmnażać rozmnażać rozmnażania rozmowa rozmowa rozmowa w czasie rzeczywistym rozmową rozmowny rozmowny rozmycie rozmyślać rozmyślać rozmyślanie rozmyślnie rozmyty wątpliwy roznosić roznosić rozpacz rozpaczać rozpaczliwy rozpad rozpadać się rozpakować rozpakować (dane) rozpakować (skompresowane archiwum) rozpakowywać rozpalać rozpalać afslaan. afscheiding divan.

beginnen ontstaan. aanbinden. troetelen. uitstrooien uitdelen. aanzetten troetelen. rondstrooien uitzaaien. acceleratie aanzetschakelaar. begin. nagaan onderzoeken. nakijken. rondgeven uitspatting verhandeling bespreken. verterend vermorzelen. rijten uitspatting goedgeluimd. aanbinden. overeenstemming overgelukkig uit elkaar houden. opgelost worden ontdooien. begin. beginnen uitschrijven. bij acclamatie benoemen onderscheiden. uitreiking uiteenjagen.rozpalony rozpaść się rozpatruj rozpatrywać rozpęd rozpieszczać rozpieszczać rozpieszczony rozpiętość rozpocząć rozpocząć rozpoczęcie rozpoczynać rozpoczynać rozporek rozporządzać rozporządzać rozpowszechniać rozpowszechniać rozpowszechniony rozpoznanie rozpoznawać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszanie rozprawa naukowa rozprawiać rozproszenie rozproszyć (się) rozproszyć (się) rozprowadzać rozprucie rozpruć rozpusta rozpustny rozpuszczać rozpuszczać (się) rozpuszczać się rozpuście rozrachunek rozradowany rozróżniać rozróżnienie rozruch rozrusznik rozrywce gloeiend. accoord. uiteendrijven verstrooien afgetrokken. onderscheid maken onderscheiding versnelling. aanvang aanvangen. ontketenen ontstaan. lanceren. geregeld bezoeken toejuichen. afgeven aanvangen. onderkennen uiteenjagen. commanderen aanvoeren. afleiding . rondgeven bezoeken. goedgehumeurd oplossen. dooien. koesteren. verbrijzelen beschouwen. verbreiden. opgelost worden oplossen. vertroetelen verspild verspreiden. activeren. ronddelen. starter verstrooiing. uiteendrijven strooien. intrappen. aanvoeren. verstrooid uitdelen. commanderen. aanvang aanvliegen bevelen. discuteren verdeling. vurig. overwegen. wegsmelten uitspatting akkoord. verzendend. uitstrooien scheuren. rijten scheuren. vertroetelen koesteren. examineren aanzetten tot. ronddelen. bevelen uitzaaien.

aangrijpend. expansie begeleiding. intrappen. verterend. luchtje. boegspriet in verwachting raken. verbrijzelen vermorzelen. stuk. afgeven doortrapt. ontraadselen gloeiend. accompagnement optelling achtervoegsel. roerend uiteenjagen. omgang. amusement aanlengen verspreiden. nauwkeurig bepalen kritiek. bestek. cruciaal morsen omvang. bumper. verzendend verstrooiing. oorzaak betekenis. rondstrooien verspreiden. vurig. suffix ontcijferen. hachelijk beslissend. slim. expansie uitzetting. amusement aardigheid. suffix achtervoegsel. lucht deel. verbreiden. afgetrokken afgetrokken. gematigd. finaal. schieten. betrekking verstandig nadenkend uitgebreid . intrappen. gewiekst. stootkussen spriet. pretje. uiteendrijven strooien. verstrooid afgetrokken. geur. pretje. afleiding verstrooid. paffen determineren. verstrooid raadzaam verstandig nadenkend verklungelen. onderdeel.rozrywce rozrywka rozrzedzać łagodzić rozrzedzić rozrzewniający rozrzucać rozrzucać rozrzut rozsadzający rozsądek rozsądek rozsądny rozsiewać zapach rozstawać się rozstrzelać rozstrzygać rozstrzygający rozstrzygający rozsypać rozszerz rozszerzalność rozszerzanie rozszerzanie (się) rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie wejścia analogowego rozszyfrowywać rozświetlony roztargnienie roztargniony roztargniony roztargniony roztropny roztropny roztropny roztrwonić roztrzaskać roztrzaskać roztwór roztwór buforowy rozum rozumieć rozumieć rozumieć rozumny rozumny rozumowo aardigheid. opmaken. grootte uitzetting. zin matig. expansie uitzetting. zwanger raken bevatten. listig reden. begrijpen. beseffen verband. gedeelte vuren. verdoen vermorzelen. bescheiden reuk. verbrijzelen oplossing buffer. verdunnen emotioneel.

rozumowy rozumowy rozwalniający rozwarty rozważać jakieś zagadnienie rozważny rozważny rozweselać rozwiązanie rozwiązanie rozwiązanie osobliwe rozwiązanie sieciowe rozwiązywać węzły rozwidlenia rozwidlić rozwiedziony rozwieść się rozwijać rozwijać rozwolnienie rozwód rozwój rozwój rozwój rozwój oprogramowania rozwścieczać rozwywka rozżarzony rożen ród ród ród róg róg róg zwierzyny płowej rój rów rów (odwadniający) rów (odwadniający) rówieśnik równać się równie równie również również równik równina równiną lijvig. greppel. losbinden. eveneens ergo. dof beschouwen. vork gescheiden scheiding. tot evenzeer. opkopen hoorn hoorn krioelen. gracht waterkering. amuseren. toch evenaar. hoe. echtscheiding ontwikkeling. kuil. echtscheiding doen ontstaan. vooruitgang. ook weer. equator vlakte vlakte . veelomvattend redelijk. eender. beterschap wasdom. formeren afwikkelen. antwoorden op oplossing oplossing antwoorden. evennachtslijn. wriemelen. dus. losmaken kruis. vermaak witgloeiend aanboren geboorte boomstam. overwegen. onderhouden antwoorden. vork kruis. rationeel laxeermiddel. evolutie evolutie. ook. ontwikkeling verbetering. toonloos. bij wijze van. stam opslaan accapareren. gelijk evenzeer. gelijk. stomp. wemelen. ontrollen. gelijkelijk. aanstaren. laxans gesmoord. groei wierook amusement. uitrollen buikloop. groeve. even. ontwikkeling. mede. antwoorden op afbinden. dijk loopgraaf turen. maken. staren egaal. gelijkmatig voor. diarree scheiding. als. nagaan verstandig nadenkend opvrolijken. krielen groef.

roede. onkies. pariteit pariteit saldo. vlak.XOR) różnić (się) różnić się różnić się różnić się różnorodny różnorodny różny różny różny różowy rtęć rtęć rubaszny rubel rubin evenzeer. ruw roebel robijn . rist verschil. verschillend. rozig. verschillend. staren equivalent. schelen uit elkaar houden. menigvoudig variëren.równo równo równoczesny równoległy równoległy system przetwarzania równoleżnik równonoc równoprawny równorzędny równorzędny równość równość równowadze równowaga równowaga równowaga sił równoważny równoważny średni czas do uszkodzenia równoważyć równy równy równy (<with sb rózga róż róż (kolor różowy) róża różaniec różaniec różańca różnica różnica poglądów różnica symetryczna różnica symetryczna (zob. gelijktijdig evenwijdig. menigvoudig. gelijkelijk. reeks. anjelier rose. gelijkmatig gelijk. uitgesproken. bidsnoer. goedmaken egaal. dag. onderscheid verschil. kwik hardhandig. gelijk gelijk. effen baar.en nachtevening turen. schacht. roos kraal rozenkrans. menigvuldig menigvuldig. compenseren. gelijk. menigvoudig. parallel nachtevening. evenwicht evenwichtstoestand. rist rozenkrans. eender. parallel evenwijdig. werken verschillend. staren gelijkheid. balans. verschillen. vlak. rooskleurig Mercurius kwikzilver. onderscheid onderscheiding of uiteenlopen. menigvoudig uiteenlopend. paal. gelijkwaardig vergoeden. evenwicht equivalent. overschot evenwichtstoestand. verschillend klaar. vlak. rose. aanstaren. overschot saldo. even. balans. pijp krokus anjer. gelijkwaardig turen. effen gelijk. afwisselen. helder verschillend. bidsnoer. effen simultaan. gelijkwaardig equivalent. roze. eigentijds. onderscheid maken menigvuldig. reeks. parallel evenwijdig. aanstaren. lomp. grof. menigvuldig roze.

paard karretje. rood worden puin. afgrendelen op slot. tabakspijp binnenband. kadetje. resolutie muntsoort. roulatie. afrastering. ontroerend afneembaar achtersteven. doorscheuren vissen visser. visverkoper vissen paard. blozen. spiegel ruïneren. valuta beweging werkzaam. luchtband ontroeren. bedrijvig druk. beweegbaar. bewegen rooster. bolletje. bewegen aangrijpen. mobiel. aangrijpen. sleur vaneenscheuren. blozen. afgesloten . traliehek prieel schavot routine. afval. afrastering. hek. ridder ridder. ontroerend resideren. omloop circulatie. roulatie. handkar. resolutie circulatie. kar grendelen. roerend. actief. te gronde richten ruïneren. umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu rura wydechowa rura wydechowa ruszać ruszać ruszcie ruszt rusztowanie rusztowanie rutyna rwać ryba rybak rybą rycerz rycerz rydwan rygiel ryglować motie. traliehek rooster.ruch ruch ruch oporu ruch powrotny ruch społeczny ruch uliczny ruch w sieci ruchliwy ruchliwy ruchomości ruchomy ruchomy ruchomy ruchomy rufa rufą ruina rujnować rujnował rulon rum rumienić się (ze wstydu) rumieniec rumieńca rumowisko Rumun Rumunia rura rura itp. spiegel achtersteven. kadet rum kleuren. rommel. verbrijzelen broodje. luchtpijp. prullaria Roemeens Roemenië pijp. rood worden kleuren. roerend. intrappen. blozen. hek. paard in schaakspel. tabakspijp ebpijp. te gronde richten vermorzelen. paard in schaakspel. omloop beweging motie. ontroeren. rood worden kleuren. gevestigd zijn. roerend aandoenlijk. bezet aandoenlijk. wagen. huizen los.

etsnaald. aanlokken tafel. deurpost riskant. concurreren. wedijveren meedingen. op het spel zetten dobbelen kans lopen. gravure. cijferen werkje. glibberig rijst opstaan. strikt bulderen. post. wedijveren. balken. ongrijpbaar. lijst onderbroek schuiflade. markt. gaan staan zeldzaam. schets. gelaatstrek ritme ritmisch ets prent. markt. trek. marktplein marktplein. la.rygor rygorystyczny ryk ryk ryknąć ryknąć rylec rym rynce rynce rynek rynek rynek (handlowy) rynek branżowy rynek rozwijający się rysa rysą rysą rysować rysownica dźwiękowa rysownicy rysownik rysunek rysunek rysunek odręczny rysunek techniczny rysy twarzy rytm rytmiczny rytowanie rytownictwo rywal rywalizacja (o dostęp) rywalizacją rywalizować rywalizować rywalizował ryzyko ryzyko naruszenia bezpieczeństwa ryzyko utraty zabezpieczeń ryzykować ryzykować ryzykowny ryzykowny ryzykowny ryż ryż rzadki stijfheid streng. markt. brullen brullen. schrijfstift rijmen. paal. sujet. gewaagd. marktplaats barst kerel. blaten gillen. tabel. markt. marktplein marktplaats. bulderen. snuiter barst toelachen. ongemeen. gestreng. markt. markt. marktplaats marktplaats. bedenkelijk glad. gewaagd riskant. graveerwerk meedingen. bekoren. persoon. daveren gillen. lade werkje. blèren. concurreren kans lopen. bulderen. cijferen rekenen. knul. wedijveren. tekening rekenen. op het spel zetten kans lopen. grommen. bazaar. bazaar. bazaar. brullen griffel. marktplaats marktplaats. marktplaats marktplein. wedijveren wedijver wedijver meedingen. blèren. bazaar. schaars . berijmen marktplein. loeien. concurreren meedingen. concurreren. bedenkelijk. op het spel zetten stijl. marktplein marktplein. tekening karaktertrek. brullen. markt. wettisch. schets.

zelfstandig naamwoord mannelijk vrouwelijk werkelijk. chef. geestig.rzadki rzadko rząd rząd rząd wielkości rządowy rządy rządzić rządzić rzece rzece itp) rzecz rzecz rzecz rzecz konieczna rzeczownik rzeczownik rzeczownik rodzaju męskiego rzeczownik rodzaju żeńskiego rzeczowy rzeczoznawca rzeczpospolita rzeczywistość rzeczywisty rzeczywisty rzeczywisty czas ekspozycji rzeczywisty czas naświetlania rzeczywisty czas pracy rzeczywiście rzeczywiście rzeczywiście rzeka rzekomo rzemień rzemiosło rzemiosło rzepa rześki rześki rzetelny rzetelny rzeź rzeź rzeźba rzeźba rzeźba nad ołtarzem rzeźbiarstwo rzeźbiarstwo amper. gevat. overheid roeien federaal bestuur. stroom in bad doen. baden. uithakken . kwiek snedig. metterdaad. druk. slachten altaar beeldhouwen. baas regeren. knolraap. handel drijven raap. knol. wezenlijk rivier. effectief. aanvoeren rivier. besturen. zelfstandig naamwoord substantief. rechtvaardig moordpartij. kwalijk. bloedbad afslachten. rap. werkelijk. nauwelijks zelden bestand. zaak ding. vrijstaat realiteit werkelijk. waarachtig werkelijk. uithakken beeldhouwen. feitelijk deskundig republiek. uithakken altaar beeldhouwen. voorwerp substantief. uithouwen. wezenlijk werkelijk. regering. bewind aanvoerder. echt. uithouwen. heerschappij. wassen aangelegenheid. ad rem raadzaam billijk. affaire. effectief. spullen ding. stroom naar men zegt riem kunst handelen. voorwerp dingen. daadwerkelijk inderdaad. daadwerkelijk daadwerkelijk. effectief. ding. dossier gouvernement. fair. uithouwen. daadwerkelijk virtueel werkelijk. kras. koolzaad levendig. effectief werkelijk. gebieder.

schriftuur vissen sap sap zouten snoeien snikken boomgaard. gegoten voorwerp strelen. werpen. liefkozen. grommen. huiveren zondigen wervelkolom. blaten indicatief. dik plaats. afslachten radijs radijs afgietsel. ruggegraat geschrift. omtrek werkzaam. aantonende wijs beven. aanvaarden woonplaats. domicilie sadist sadistisch . aaien. bedrijvig projector. gooien keilen. uitspelen. aannemen. uitspelen. uitdagen. gooien trotseren. spin. balken. werpen. uithouwen beitelen slachthuis. aanhalen schadelijk keilen. een blik werpen op omlijning. liefkozen. abattoir. tarten. afslachten slachten. lokaal. grommen. balken.rzeźbić rzeźbić rzeźnia rzeźnia rzeźnik rzeżnik rzodkiewce rzodkiewka rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać oszczerstwa rzucać się rzucić rzucić wyzwanie rzucić zgłosić (wyjątek) rzucić zgłosić wyjątek rzut rzut oka Rzut poziomy rzutki rzutnik rzutować rzutowanie rzutowanie Rzym rzymski rżeć rżenie s (tryb) oznajmujący (gram. uitspelen. slachterij slachten. gooien keilen. plek accepteren. uitspelen. bongerd lijvig. bibberen. uittarten keilen. aanhalen afgietsel. aanhalen keilen.) s drżenie s grzech s kręgosłup s pismo s ryba s sok (soki) roślin (zwłaszcza drzew) s sok soki roślin zwłaszcza drzew s sól s suszona śliwka s szloch sad sadło sadowić sadowić się sadyba sadysta sadystyczny beeldhouwen. oord. rillen. gegoten voorwerp Rome Romeins brullen. werpen. actief. liefkozen. abattoir. werpen. gooien opgooien. projectietoestel strelen. werpen. gooien opgooien. slachterij slachthuis. aaien. gooien een blik werpen. uitspelen. uithakken. aaien. blaten brullen. gooien strelen.

bergstroom salade. vokaal. alleen. sla salade. enig Samaritaans mannelijk wijfje. overschot saldo. woonkamer groeten. vrouwtje mannelijk automobiel. klinker vocaal. kropsla. auto auto. salade slaatje. sla slaatje. speling. klinker gewicht. heilig. wagen vocaal. vokaal. begroeten saluut. vliegtuig vliegmachine. vliegtuig vliegtuig. latuw. wagen automobiel. wereldruim. huiskamer. zelfbewustheid vliegtuig. salade slaatje. overschot zaal. vrouwtje wijfje. gewijd. alleen. ruimte rechtszaal saldo. vliegmachine vliegmachine. aplomb. vliegmachine vliegmachine. auto auto. begroeten groeten.sadyście sadyzm sadza sadzą sadzić safian Sahara sakralna muzyka sakramencie sakrament saksofon sala sala sala recepcyjna saldo saldo balans (dotyczy dźwięku stereofonicznego) salon salon wystawowy salut salutować salutowanie salwą sałacie sałata sałata sałatce sałatka sam sam jeden Samarytanin samca samica samicą samiec samochód samochód samochód samochód czteroosobowy samogłosce samogłoska samokontrolą samolocie samolocie samolot samolot samolot samolot pasażerski sadist sadisme roet roet gewas. kropsla. vloed. enig louter. salon zitkamer. verlaten. vliegtuig vliegtuig. vliegmachine . verlaten. plant Marokko Sahara geheiligd. sacraal sacrament sacrament saxofoon hal bestek. latuw. groet stroom. salade louter.

enig eenzaam gepensioneerd. vrijen. tegemoetkomen aan zweetkamer. in ruste enkel. paaien. louter samovar vergunning. eigenmachtig spontaan samoerai sandaal sanctioneren. satelliet trawant. filteren. verlaten. licentie willekeurig. vierkante decameter neerdruipen. enig louter. pantalon. sączek sąd sąd aperitief. borrel gemoedstoestand. satelliet Saturnus tevredenheid tevredenheid vergenoegd. alleen. broek pof. alleen. rustend. moreel. voldaan bevredigen. bekrachtigen supermarkt supermarkt naar adem snakken pof. tevreden. sauna are.samoodnawiająca się pamięć DRAM samopoczucie samotnie samotny samotny samotny samotny samowar samowola samowolny samozapłon samuraj sandał sankcja saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) sapać sapać sapał sapie sapnięcie sardela sardelą sardynce Sardynia sardynka sarkastyczny sarkazm sarna sarna Sas saski sataniczny satelicie satelita Saturn satysfakcja satysfakcją satysfakcjonować satysfakcjonować sauna są sączyć Sączyć. stemming louter. poef ansjovis ansjovis sardine Sardinië sardine sarcastisch sarcasme hert ree Saksisch Saksisch satanisch trawant. verlaten. scharrelen . zitbank het hof maken. poef naar adem snakken lange broek. bloot. afdruipen filtreren. arbitrair. zijgen bank.

scheuring. vrijen. nettodor. tree opgang. asyl toevlucht bunker. asiel.sąd sąd ostateczny sądzić sądzić sądzić o czymś sąsiad sąsiad sąsiad zewnętrzny sąsiadować sąsiadujący sąsiedni sąsiedni sąsiedzi sąsiedztwa sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo scana scena scenariusz sceneria sceptyczny schemat przetwarzania danych schemat węzła schizma schlebiać schludny schnąć schnąć schodek schodkach schody schody schody ruchome schodzić schorzenie schorzenie schorzenie schowek schron schron schronienie schronienie schronienie schronisko schronisko schudnąć gerecht. emotie. lijst. script landschap scepticus ontwerp. kwaal. zich inspannen. buur. balie. verdorren treeplank. droog verflensen. aanliggend aanliggend. scharrelen beoordelen. schisma vleien duidelijk. gebuur buur. nabuur. naburig nabijheid nabuurschap omstreken. leiding scène. opstap. tafereel. asiel. omlijsting. kazemat vlees . gerechtsgebouw het hof maken. tribune. berechten streven. concept. plan. aanspraak maken op gebuur. trap roltrap naar beneden gaan. nabuur buur. aangrenzend. kwijnen. hartzeer. grenzen aan aanliggend. buurman. omgeving nabijheid nabijheid nabijheid podium. afdalen affect. bestuur. buurman. tableau draaiboek. gebuur belenden. aangrenzend. raam kerkscheuring. toneel. blauwdruk kader. aandoening droefheit. kazemat logement. nabuur. kazemat toevluchtsoord. buurman. beproeving ziekte. naburig aangrenzend. scenario. trap opgang. trap opgang. asyl bunker. herberg bunker. omtrek. oordelen. netto. pogen claimen. aandoening winkel toevluchtsoord. opstapje.

geruchtmakend matig. selderij semantiek. geslachtelijk. maffen doel. gevoel. gematigd. rek generatief. kern. veilig dieet parlement. afscheiding clausuur. behouden. sensatie sensationeel. bedoeling. aandoening sentiment. volksvertegenwoordiging parlementair hof. aansporen selderie. bederf veroorzakend kaas Servisch Servië Servisch hart . mijmeren slapen. aanmanen. wezen. schifting. geborgen. herleiden secessie essentie. schifting. gevoeligheid sentimenteel clausuur. inkrimpen.schudnąć secesją sedna sedno sejf sejm sejm sejmowy sekator sekcie sekcja zwłok sekret sekretarce sekretarka sekretarz sekretarzyk seksualny sekta sektor sektor uszkodzony sekunda sekundą sekutnicą seler semantyka semicki Semita sen sen sens sens sens sensacja sensacyjny sensowny sentyment sentyment sentymentalny separacja separacja impulsów synchronizujących seplenić seplenienie septyczny ser Serb Serbia serbski serce reduceren. vermanen. tak confidentie secretaresse secretaresse secretaresse etagère. seksueel sekte sector sector tweede tweede manen. afscheiding lispelen lispelen septisch. plan. tuin sekte branche. betekenisleer Semitisch Semiet dromen. emotie. kern safe. strekking betekenis. bescheiden affect. vak. zin wijsheid klapstuk. essence pit.

innig. staat kloot. een nest maken feuilleton. dienst. gebied inpakken. vervolgverhaal sessie. scheidsrechter arbiter. hartelijk hartelijk. op smaak brengen toevallig. scheidsrechter scheidsrechter. zitting. perceel nestelen. innig intiem. een knoop leggen aasgier vervalsen kloot. berechten arbiter. troep. berechten arbiter. godsdienstoefening serveren. opstap. bol. voorleggen feuilleton. gebied rijk. vervolgverhaal feuilleton. xeres treeplank. uitglijden server server servet servet eredienst. innig serenade ketting. hulpmiddelen honderd kruiden. aloud. bol. sfeer. verpakken interpreter sherry. keten bende. oordelen. vervolgverhaal slippen. opstapje. pakken. ouderwets knopen. arbiter oud antiek. tree uitzaaien hooi zwavel . apparaat. scheidsrechter beoordelen. knus hartelijk. omgeving. omgeving. zittingsperiode inrichting. scheidsrechter arbiter. scheidsrechter arbiter. oordelen. schare kavel. sfeer.sercowy serdeczny serdeczny serdeczny serdeczny przyjaciel serenada seria seria seria seria serial serial (powieść Serial Line IP serwer serwer źródłowy serwetce serwetka serwis serwować seryjny sesja set setka sezon sezonowy (robotnik) sędzi sędzi sędzia sędzia sędzia sędzia (w sporcie) sędzia pokoju sędzia rozjemca sędziwy sędziwy sęk sęp sfałszować sfera sfera kontroli sfera sterowania sfora (psów) shell zgłoszony powłoka logowania sherry shodek siać siano siarka hartinnig. gezellig. gelegenheidsbeoordelen.

bijl ouderloos ouderloos ouderloos sikkel. hek. onderkomen. danspartij puzzel. kappen. netto-. net zeven zeventig zeventien nestelen. haar sergeant sergeant zelf. klare uzelf. vanzelf mezelf. kolejowa) sieć elektryczna sieć miejska sieć połączeń siedem siedemdziesiąt siedemnaście siedlisko siedzenia siedzenia siedzenie siedziba siedziba archiwum siedziba WWW siedzieć siekać siekać siekać mięso siekane/mielone mięso siekiera sierocie sierota sierotka sierp sierpień sierść sierżancie sierżant się się się się silnik silnik lotniczy silny silny silny zwavel traliehek. afrastering. duidelijk netwerk.siarka siatka siatka siatka kierunkowa siatka znakowa siatkówka sicie sidła siebie sieć sieć sieć (np. duidelijk traliehek. een nest maken achterste. net traliehek. kwartier. rooster netto. net netwerk. mijzelf uzelf. afrastering. hecht. raadsel jenever. net. bril zetel. fors. broeden op fijnhakken fijnhakken houwen. net. fit. bril logies. jijzelf netto. bril zetel. hek. hek. zicht oogstmaand. rooster netto. afrastering. hakken fijnhakken hakbijl. bibs zetel. net. woning ligging koesteren. duidelijk bal. netto-. ferm . potig. valide robuust. rooster mens netwerk. gat. vanzelf zelf. jijzelf locomotief locomotief vasten gezond. augustus haardos. netto-. broeden. kont.

fossiel achterklap. doen schommelen balanceren. oomzegger zevende zevende vergiet zeef zeef voortmaken. broer. opwellen. sterk. opslorpen. slurpen blauwe plek zadel zadel zadel zuster. koord. zus zus.silny siła siła siła przeciwelektromotoryczna siła robocza siła robocza siłą siłą Singapur single inline package single in-line package siniak siodła siodłać siodło siostra siostra przełożona siostrą siostrzany siostrzenica siostrzeniec siódma część siódmy sitko sito sito kwadratowe sitowie siwy siwy skacz skakać skakać skakać w górę skakanka skala skala odległość skala szarości skalować się skała skała skałą skamielina skamieliną skandal skandaliczny skandował Skandynaw Skandynawia krachtig. fossiel verstening. geducht. klip balanceren. accentueren doordrukken sterkte Singapore resorberen. zus intendante zuster. grauw grijs. laster schandelijk scanderen Scandinavisch Scandinavië . slurpen resorberen. straf doordrukken sterkte sterkte doordrukken beklemtonen. snoer. fiks. doen schommelen verstening. koorde. haast maken grijs. spoed maken. eerroof. opslorpen. grauw opborrelen. lijn aanslag aanslag aanslag aanslag klif. zuster nicht neef. ontspringen hinkelen springen hinkelen lijntje. broeder.

afgelasten afbestellen uitwissen. vermanen. hebzuchtig. sparen pinnig. aanmanen. inhalig gemiddeld hebzuchtig. compositie stortplaats . inhalig adresseren aanleggen ja knikken. zaak winkel zuivelfabriek. lokaliteit. melkinrichting zuivelfabriek. uitbannen wraking. kleefmiddel. geldkist manen. rijs schat schat fonds. plaats frase. pinnig. hebzuchtig. winkelier toondicht. volzin gierig. inhalig. gierig ontzien. aansporen beschuldiging. kleefstof multiplex multiplex kast winkel. zin. pinnig. afkeuring schuldig bevinden schuldig bevinden ruimte. gierig. oord. kas. bol kruidenier neringdoende. twijg. annuleren. aanklacht sok sok sok een proces aanspannen tegen klagen. zijn beklag doen ontbinden. uitvegen. met gom bestrijken afkeuren schuldig bevinden verbannen. wegvagen gommen. zaak gewelf. knikken lijm.skandynawski skanować skanować wyszukiwać skapować skarb skarb państwa skarbonka skarcić skarga skarpecie skarpeta skarpetka skarżyć skarżyć się skasować skasować skasować skasować skazać skazać skazać na wygnanie skazanie skazany skazańca skazić skazywać skąpy skąpy skąpy skąpy skąpy skierować skierować skinąć głową sklejać sklejce sklejka sklep sklep sklep sklep mięsny sklep nabiałowy sklep ze słodyczami sklepienie łukowe sklepikarz sklepikarz skład skład Scandinavisch scanderen scanderen rank. kit. toonzetting. melkinrichting winkel.

associatie tak. drift zinsbouw. aderen haakje. klaar bijeenschakelen.skład kolumn skład komputerowy składać składać składać komuś kondolencja składać się składać się na składać się na składać się z składanie składanie podpisu składka składni składnia składnia wiersza polecenia składnik skłonność skłonność skłonność skłonność skłonność skobel skocz skoczna (muzyka) skoczny skoczyć skojarzenie skojarzenie przyporządkowanie skok skok skok skok o tyczce skok w dal skok warunkowy skok wzwyż skok zony skonsternować skonstruować skonsultować się skończony skoordynowany skoro skoroszyt skorpion skorupa skorupa skory skorygowanie toondicht. kras. kramp. kwiek springen bond. onthutsen doen ontstaan. romp. nietje. druk. gauw afstelling. associatie bond. lidmaat. aftakking springen springen springen opborrelen. groep. gezwind. compositie samenstellen. rap. geestig. syntaxis lid. gesteldheid. genootschap. glooiing wilsbeschikking. vanaf ordner. bodem. opwellen. ontspringen opborrelen. componeren omvouwen. aftakking snedig. zinsleer. kudde. componeren samenscholing bijeenkomst. toonzetting. formeren raadplegen. schare. gevat. instelling . casco schild. meeting. krom aanleg. klamp tak. opwellen. ontspringen springen springen ontzetten. schaal snel. plooien bestaan uit bestaan uit omvatten. coördineren sinds. afgewerkt. zinsleer. genootschap. toonzetting. beslaan uitmaken. syntaxis zinsbouw. map schorpioen scheepsromp. vouwen. vormen samenstellen. haastig. aanleg marmeren. aanhanger gebogen. sedert. wilsbeschikking helling. samenkomst hoop. consulteren beëindigd. ad rem levendig. syntaxis zinsbouw. compositie toondicht. spoedig. zinsleer. gesteldheid. ontstellen. rugschild. maken. afgelopen.

vacht. afgetrokken acroniem hijsen. scharrelen. vel. klauwen. begrenzen. leerachtig. beperken kort beknotten. wegvagen worstelen. korten. huid vel. vacht taai. valies taai. słowo) skracania skraj skraj skrajność skrajny skrajny skrawek skreślać tymczasowy skreślić skreślić skręcać się skręcie skrępowany skręt skrobać skrobać skrobać skrobał skromność skromny skromny skroń skrócić skrócić skrócić coś skrócić się skrócie skrócie skrót skrót skrót skrót scheef. kant. vel. bekorten. extreem. beperken afkorting. vacht vel. begrenzen. afkorten beknotten. begrenzen. pels. bovenmatig uiterst. vacht. oever uiterst. uitvegen. ergst. jassen nagelriem handkoffer. verkorten beknotten. verkorting rand. excerpt afkorting abstract. afkorten afkorten. kust. huid dierevel. onderdanig. ingetogen slaap inkorten. ergst. koffer. mislukken uitwissen. dierevel. pels. inkorten inkrimpen. afpellen. pels. boord. spartelen kronkelen plomp. jassen schillen. deemoedig bescheiden. leerachtig. log kronkelen raspen afkrabben krauwen. ophijsen . discretie nederig. beperken afkorting resumé. krabben een miskraam krijgen. overzicht. bekorten. afpellen. bekorten. pels. zoom wal. leren schillen. lederen. dierevel. bovenmatig jammerlijk afkeuren krauwen. discreet. krabben afkrabben bescheidenheid. huid. schuin leeuwerik dierevel. zich aftobben. klauwen.skośny skowronek skóra skóra kozłowa skóra niedźwiedzia skóra wołowa skórą skórce skórka (chleba) skórka (kartofla skórzana torba podróżna skórzany skracać skracać skracać skracać (np. leren inkorten. extreem. lederen. huid. scharrelen.

centrum brandpunt. doeltreffend arbeider. blo zwak. beschadigen. manuscript. brievenbus bus. scenario. vlerk borst. script confidentie babbelen. devies sponning. timide. bundel. viskuit. kant. luwen aanlengen lichtjes. werkkracht indruk. contract ineenkrimpen. zwak.skrót (drogi) skrót klawiaturowy skruszyć skruszyć skrypt skrypt skrypt wsadowy skryty skrzeczeć skrzek skrzele skrzyczeć skrzydła skrzydła skrzydło skrzynia skrzynia na popiół skrzynka na listy skrzynka pocztowa skrzypce skrzypieć skrzypienie skrzywdzić skrzywić skubać skubać (pióra) skup skupiać skupiać skupiać skupisko alertów skurczyć (się) skurczyć się skuteczny skuteczny skutek slipy slogan slot wbudowane gniazdo rozszerzeń slowiański słabnąć słabnąć słabo słabostce słabowity słaby słaby sława byte mnemonisch knarsen. knabbelen afrukken. aankoop agglomeraat middelpunt. zwakjes bevangen. focus. afbreken koop. bodem. kikkerdril kieuw afhandelen. rand. gerucht. bos verbintenis. script draaiboek. werkman. scenario. piepen havenen. haard wis. werker. band vleugel. bekoelen. bederven twijnen. ondergrond handschrift. zwakjes aflaat lichtjes. effect slip. verdraaien knagen. gleuf Slaaf bedaren. sleuf. befaamdheid . piepen knarsen. piepen achtergrond. ineenkronkelen afdoend. vlerk vleugel. inkoop. kopij draaiboek. plukken. keuvelen kuit. boezem borst. grond. boezem bus. brievenbus viool knarsen. leuze. binnenste. mare. bedeesd. afdoen boord. slipje lijfspreuk. praten. zoom. leus. verbuigen. effectief. zwak. licht faam.

snoepgoed stro stro stro zonnebloem zouten zout olifant zonneschijn Slowakije Slaaf Slavisch Slavonisch nachtegaal vocabulaire. hoorn telefoonhoorn. oppassend zoet. glorieus zoet. dienares. hoorn dienstmeisje. naam onderscheiding faam. glorierijk. befaamd. luisteren hallo telefoonhoorn. meid mijlpaal kuil Pool kuil . revisor luisteraar. gerucht beroemd persoon.sława sławą sławą sławna osoba sławny sławny słodki słodki sos śmietankowy słodki ziemniak słodkogorzki słodko-gorzki słodycz słodycze słoma słomą słomka słonecznik słony słony słoń słońce Słowacja Słowianin słowiański słowiański słowik słownictwo słowniczek słownik słownik słownik (obejmujący hasła z jakiejś dziedziny) słowo słowo wyrównane słowo zastrzeżone słód słuch słuchacz słuchacz słuchać słucham słuchawce słuchawka słudze słup słup słup słup oświetleniowy reputatie. woordenschat glossarium woordenboek vocabulaire. bewoording woord. faam. bewoording woord. oppassend zoet. alom bekend beroemd. beroemdheid beroemd. woordenschat glossarium woord. befaamdheid. zoetigheid. lieftalligheid snoep. toehoorder aanhoren. bewoording mout gehoor inspecteur. roep. mare. beluisteren. oppassend bitterzoet bitterzoet beminnelijkheid.

jijzelf vanzelf. karrespoor sprietig. zorgen voor. fruiten draak. toog snob snobistisch uzelf. fruiten bakken. dun. verdriet. fijn. godsdienstoefening eredienst. meid dienstmeisje. horen. lekker invetten boter aanwending. verdrietig blauw weemoedig. toepassing bakken. rechtvaardig. zieleleed bedroefdheid. vies ruiken spoor. tenger leed. rechtvaardig rechter-. droefheid droevig. schraal. dienst. lekker op smaak brengen. geleiden. leiden boog. smart bedroefdheid. kruiden smaken smakelijk. vernemen gehoor gehoor smakelijk. voorleggen beroemd. vlieger teren stank stinken. meid eredienst. alom bekend verstaan. kruiden snoepen smaken op smaak brengen. vandehands billijk. wagenspoor. dienares. droefgeestig. fair. triest. befaamd. verzorgen serveren. mager. zelf . melancholiek rouwbedroefd de weg wijzen. fijn. dienares. dienst. slank. smart. luchtig rank.słup oświetleniowy słuszny słuszny słuszny słuszny służąca służący służba służbą służyć służyć słynny słyszeć słyszeć słyszenie smaczny smak smak smak smakołyk smakować smakowity smar smarować (smarem) smarowanie(maścią) smażyć smażyć (się) smok smoła smród smród smudze smukły smukły smutek smutek smutek smutno smutny smutny smutny smutny smycz smyczek snob snobistyczny sobie sobie samej Pool raadzaam billijk. fair dienstmeisje. godsdienstoefening verplegen.

maffen dalen. maatschappelijk socioloog sociologie. potig. betrouwbaar robuust. den. fors. hecht. geducht. pijnboom uil sovjetgaai. statig. sop. reikhalzen vertrouwd. sop. aard soort. Vlaamse gaai gaai. plechtstatig zouten gemeenschapszin. slag. bestek. piëdestal. kleiner worden. slag. cider sap sap havik enkel. maatschappijleer sociologie. saamhorigheid verlangen.socjalista socjalistyczny socjalizm socjalny socjolog socjologia socjologią soczewica soczewicą soczewka soczewka magnetyczna sofa Sofia sok sok sok sokół sola (gatunek ryby) solenny solić solidarność solidaryzować się solidny solidny solidny solista solo somnambulizm sonacie sopran sortować sortować sortowanie gatunek sos sos sos z fasoli sojowej sosna sowa sowiecki sójce sójka sól spacerowicz spacja spacja nierozdzielająca spacja światło (na stronie) spać spać alnie spadek socialist socialist socialisme sociaal. maffen slapen. bestek. wereldruim. sop. fiks. louter plechtig. afnemen . jus jus. straf solist solo nacht sonate sopraan soort. aard saus. bloot. maatschappijleer linze linze lens lens canapé Sofia appelwijn. sterk. saus jus. wereldruim. Vlaamse gaai zouten wandelaar pedestal. speling slapen. speling ruimte. saus denneboom. voetstuk ruimte. hunkeren. ferm krachtig.

soortelijk specifiek. boef gek. beschaamd maken besteden. raar. vergaderen vergadering. sperma blo. kramp kramp kenner. afgezonderd afgezonderd. soortelijk samenkomen. spenderen. erfdeel valscherm. brandnetel aanbranden verlagen. dons druppel. tegemoetkomen aan opdraven. pakken. erfenis. waterdruppel boedel.spadek spadek spadek spadek napięcia anodowego spadek wydajności spadochron spajać spajać nie spakować się spalać spalać spalania spalanie spalina sparaliżować spartaczyć spartaczyć sparzyć pokrzywą sparzyć się spaść spawacz spawać spawarka spazm spazm specjalista specjaliście specjalnie specjalność specjalny specjalny speculator specyficzny specyficzny specyfik spełniać spełniać spełniać zachcianki spełniać zachcianki spełnić spełnić się spermą speszony speszyć się spędzać spiąć spieniężyć spieniężyć waas. springscherm lassen. parachute. schavuit. modderen afraffelen netel. paaien. gemoedsgesteldheid gehoorzamen bevredigen. waterdruppel boedel. opdagen zaad. toetreden inpakken. wellen lasser stuiptrekking. deskundige. vak. begrijpen . humor. stuip. bevangen. vreemd. erfdeel druppel. knoeien. lid worden. erfenis. vooral. zitting humeur. eigenaardig specifiek. in het bijzonder afdeling. branche. nesthaar. bevatten. verpakken aanbranden verbranden. wellen zich aansluiten. verassen verbranding verbranding uitwasemen lamleggen. expert inzonderheid. verlammen beunhazen. expert kenner. afzonderlijk ellendeling. timide. deskundige. erfstuk. bijeenkomen. spanderen accolade contant. tak afzonderlijk. afdraaien lasser lassen. ploert. bedeesd beschamen. baar beseffen. erfstuk.

kapot Vlissingen zweten. snoeien knippen. liquideren. opheffen afbetaling vlotten. machinatie. rustig. afhalen een blik werpen. spugen. rochelen spuugbak. lange broek appelleren. uitschakelen afwikkelen. samenspanning intrige. broek. toetreden het uiterlijk hebben van. lid worden. transpireren rest. twisten spoed maken. spoelen defect. turen het uiterlijk hebben van. drijven gorgelen. haast maken. aanstaren staren. wachten. afspoelen. pantalon. een blik werpen op lassen. er uitzien sjilpen. stuk. rommel. scheren. spuwbak. scheren. elimineren.spierać się spierać się z kimś o coś spieszyć się spiker spin spinacz spinać spirala spiralny spirytus spirytyzm spis spis spis ulic spisek spisek spiżarka spiżarni spiżarni spiżarnia spiżarnia splatać się spleśniały splunąć spluwaczka spłacać zobowiązania spłacać zobowiązania spłata spławik spłukać spłukany spłukiwanie spocić się spoczywać spodek spodnie spodnie spodobać się spodziewać (się) spoglądać spoina spojenie spojrzenia spojrzenia spojrzenie spojrzenie spojrzenie spokojny disputeren. kwetteren stil. krakelen. krakelen. dobberen. er uitzien staren. tjilpen. voortmaken omroepster spinnen knippen. wellen zich aansluiten. een beroep doen op te wachten staan. overblijfsel. aanstaren. kalm . schotel lange broek. twisten disputeren. afval schoteltje. turen. boedel aangeven dienstregeling. konkelarij provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast kronkelen vuns. kwispedoor afvoeren. duf spuwen. bedaard. snoeien spiraal spiraal geest spiritisme inventaris. rooster komplot. piepen. vunzig. broek pantalon. muf.

maatschappelijk spontaan hortend. marchanderen keer. route gebruik. gemeenschap gemeente. vergaderen benoeming. Grote Oceaan vredig. biechten. sportsman atletisch sport afdingen. gebeurtenis. pingelen. speling. blaam. gebeuren trant. maken. wijze. rustig Stille Oceaan. vreedzaam bedaard. verwant sociëteit. aanmerking. aanmerking. toegeven verwekken doen. aantreffen erkennen. club gemeente. club gemeente. aantreffen ontmoeten. bijeenkomen. stil. trant ontdekken affiche. kalm stil. blaam samenkomen. manier aanvliegen manier. aanstelling samenkomen. betwistbaar menig. gemeenschap sociëteit. ruimte aanverwant. plakkaat opvolgen. standje berisping. rustig. vele sport atleet sportman. rustig. standje. wereldruim. intermitterend sport aanvechtbaar. handelen volgens berisping. aanmerking. op zijn gemak. bijeenkomen. usance. bekennen. veel. wijze. laten . aanplakbiljet. manier weg. standje berisping. laten doen. baan. maal incident. vergaderen ontmoeten. handelen volgens opvolgen. bedaard. wijze. blaam. gewoonte polis trant. kalm bestek. gemeenschap sociaal.spokojny spokojny spokojny spokojny spokój spokój spokrewniony społeczeństwa społeczeństwo społeczeństwo społeczność społeczność (w protokole SNMP) społeczny spontaniczny sporadyczny sporcie sporny sporo sport sportowiec sportowiec sportowy sportowy sposobność sposobność sposobność sposób sposób sposób sposób mówienia sposób obsługi datagramu sposób postępowania sposób postępowania spostrzec spostrzec spostrzec spostrzegać spostrzegawczość spostrzeżenie spostrzeżenie spotkać spotkanie spotykać spotykać (się) spotykać się spowiadać się spowodować spowodować kalm.

etenswaar. zoektocht richten. commentaar informeren. ontspringen springen vettig. krakelen. achtergrond. opgave. exploiteren. markt. effectief. tering. ding zaak. ondergrond. checken. Schotse rok conjunctie consequentie. betomen. ding. affaire karwei. polemiek disputeren. grond bodem. verbruiken. spijs. maken. achtergrond. opgave. aangelegenheid. dirigeren. gevolg consonant. uitmelken aannemen. conto militair specificeren opborrelen. aangelegenheid. opwellen. rijstwijn bedwingen. aflezen geldig verklaren geruit. laten doen. vrouwenrok rok. pennestrijd. tuberculose uitbuiten. affaire saké. gezag rekening.spożycie spożytkować spożytkowywać (coś spożywać spożywczy spód spód stosu spódnica spódnicą spódniczka szkocka spójnik spójność spółgłoska spór spór spóźniony spragniony sprawa sprawa (rzecz) obojętna sprawa (sądowa) sprawa do zrobienia sprawa rzecz obojętna sprawą sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać (księgi sprawdzić dokładnie sprawdzony zaznaczony sprawiać sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwy sprawiedliwy sprawiedliwy sprawny sprawować władzę sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie z testowania sprawy wojskowe sprecyzować sprężyna sprężyna łóżka sprośny longtering. achterstallig dorstig zaak. besturen. klus. doeltreffend autoriteit. vrouwenrok kilt. bazaar. mennen controleren. affaire. taak aangelegenheid. taak karwei. beteugelen heerschappij. inlichten rekening. zaak. gerecht bodem. fair. berichten. consumeren eten. medeklinker controverse. klus. bestuur speurtocht. conto aantekening. huren. ondergrond. rechtvaardig afdoend. aanwerven slopen. ding. vet . geblokt doen. marktplaats billijk. bewind. twisten onbetaald. speurwerk. laten Justitia billijkheid gerechtigheid raadzaam marktplein. grond rok.

invoeren downloaden trekken bedreven.sprośny sprowadzać sprowadzać sprowadzać sprowadzić sprowadzić z serwera sprytny sprzączce sprzączka sprzątać sprzeciw się sprzeciwić sie sprzeczka sprzeczny sprzedaj sprzedawać sprzedawać sprzedawać (papiery wartościowe) sprzedawca sprzedawca sprzedawca gazet i czasopism sprzedawca kwiatów sprzedaż sprzedaż sprzedaż detaliczna sprzedaż wiązana sprzęcie sprzęg sprzęg równoległy wewy sprzęgło sprzęt sprzęt sprzęt kryptograficzny sprzęt stacji roboczej sprzęt zboża sprzęt zbrojeniowy sprzężony sprzyjać sprzyjający spuchnąć spust spuszczać spychacz srebny srebra srebrny srebro srebro w sztabach schuin. waterdruppel bulldozer zilveren zilveren Argentijns zilveren zilveren . bijbehorend. noch tegenspartelen. vervreemding in het groot verkoop. dispuut inconsequent overdoen. begunstiging. tappen handelen. schunnig brengen. gunstig aanzwellen haan van een vuurwapen druppel. dichtgespen ordelijk evenmin. handig. zaken doen kruidenier zakenman. koopman zakenman. bezorgen hel. genadigheid goedgezind. accommodatie. vastgespen. aan komen lopen uitrusting. verhandelen. strijd. obsceen. accommodatie. klaar importeren. bemachtigen uitrusting. aan komen lopen aanpakken. behendig. tappen verkoop. vervoegen gunst. handelaar. inrichting interface interface grijpen. koopman verkoper beschikking verkoop. handeldrijven. handelaar. verhandelen. accommodatie. inrichting ijzeren bijkomstig. twist. inrichting conjugeren. vervreemding uitrusting. aandragen. tegenstreven kwestie. bijkomend aanpakken. licht. vervreemding overdoen. bekwaam gespen. toegenegen. dichtgespen gespen. vastgespen.

prikken. vandaan. wijk. cru bar. daarvan conditie. gevestigd box staal bij voortduring. zuigen.. ontbranding goed staan gepast. bot. hecht. choken. gevestigd stationsgebouw. gestaag aanhoudend. deugdelijk. vast. voorwaarde. constant. deugdelijk. hoop. duchtig. steken. permanent. vandaar. bestendig bestendig. gevestigd flink. constant. pikken priemen. blijvend. gestaag bestendig. constant. stalknecht stevig. lurken zoogdier wurgen. roedel roedel. vast. schare. degelijk. gestaag bestendig. overnachtingsplaats groep. vliegtocht kudde. onbewerkt. roedel stadie. degelijk. aldoor staal bestendig. worgen priemen. kudde. bestendig flink. beschermheer gestaag. gedegen stevig. stadswijk ontsteking. kudde kudde. station buurt. constant. passend kudde. betamelijk..srebrzysty srogi srogi srogi ssać ssak ssania stabilizacja stabilization stabilny stacja stacja bazowa z dwoma fizycznymi połączeniami z siecią stacja konwersacyjna stacja nadrzędna stacja zdalna stacjonować stacyjka stać stać stada stadion stadko stado stado stado (gęsi) stado (lecących ptaków stajenny stajnia stajnia stal stale stalowy stała stała stały stała (wielkość) stały stały stały stały stały stały stały stały dostęp do Internetu stały gość/klient stały obwód wirtualny stamtąd stan Argentijns grof. hard. gestaag blijvend. hecht. bestendig daar . gedegen bestendig. station stationsgebouw. onbehouwen. steken. straf achtersteven. blijvend. spiegel opzuigen. hecht. station gastheer terminal stationsgebouw. aanhoudend beschermheilige. vast. streng. constant. pikken stevig. bepaling . roedel bruidegom. gestaag aanhoudend. constant. prikken. drift vlucht. etappe.

beha. moeite doen. ouderwets ouderwets. activeren. etui. starter vergevorderd. plooien afsluiten. beweren huwelijk.stan stan końcowy stan wyjątkowy stan zawieszenia stanąć standard standard szyfrowania agend rządu USA standard zastrzeżony stanik stanik (ale nie biustonosz!) stanowczość stanowczy stanowczy stanowić stanowić (całość) stanowić zagadkę dla stanowiska stanowisko stanowisko stanowisko pracy stanowisko pracy stanowisko) Stany Zjednoczone stapiać starać się staranny starcie starodawny staroświecki starożytność starożytność starożytny starożytny starszawy starszy start start start of header start zimny startować ponownie startujący stary stary jak świat starzeć się statek statek statek) statua verzekeren. standaardmaat. expediëren pot. aanzetten aanzetten tot. echt crisis verzekeren. activeren. aloud. verzenden. standbeeld . klaar aanzetschakelaar. uit de mode antiek. motie gevestigd. expediëren beeld.h. standaardmaat. evenredigheid regel. verzenden. doos. beha. krabben aanzetten tot. afdammen uitmaken. scharrelen. aanzetten hel. bejaard muf. gedateerd. netto.. licht. vormen aanwinst.. bejaard vergevorderd. nettoafschaving antiek. vouwen. hecht positief. bustehouder b. oud. atelier stationsgebouw. prooi houding. koker afzenden. legering. bak. benauwd. ouderwets ouderwets. ouderwets oudheid antiek. bustehouder resolutie. streven duidelijk. stand. adellijk. acquest. aloud. beweren zich gedragen werkplaats. goor. norm b.h. belemmeren. vast. bedaagd ouder krauwen. positie verzekeren. station Verenigde Staten van Amerika alliage. foedraal. verhouding. norm proportie. activeren. trachten. aloud. echtverbintenis. stevig. antiek hoogbejaard. buit. aanzetten aanzetten tot. gortig afzenden. oud. klauwen. beweren logeren regel. metaalmengsel pogen. constructief omvouwen. aloud.

bestuur omgaan met. bewind. loodsen binnenbrengen. stenografie stenografie. post. steno naar de letter. enkel. vrachtcontract recht statistiek statistiek huisje. roer stuur. bewind. handvest. paal. kolk. loodsen heerschappij. kraam. schuur. accumuleren steriliseren steriliseren intendant. halthouden. bestuurder conducteur. deurpost mijnenlegger het hoofd bieden stijl. vanhier als volgt biefstuk. opeenhopen. vijver waterplas. opzichter. bestuur heerschappij. bewind. manipuleren. besturen. bestuur heerschappij. meier stewardess stewardess . bestuurder supervisor. woordelijk steppe stuur. vijver afslaan. hanteren navigeren richten. tijdvak hiervandaan. bewind. roer gemeenplaats. blijven staan opdraven. bloot waterplas. post. dirigeren. keet. bief muntstempel muntstempel stenografie. loods louter. steno snelschrift. opeenhopen. accumuleren ophopen. prijs periode. kolk. opzichter ophopen.statucie statut statystyczny statystyka Statyw staw staw staw (akwen) stawać stawać (w sądzie) stawce stawiacz min stawiać czoła stawka stawka ubezpieczeniowa staż stąd stąd stek stempel stempel pocztowy stenografia stenografia stenografią stenograficzny step ster ster stereotyp sternik (na statku) sternik na statku sterować sterować sterować sterować sterowanie sterowanie zaprogramowane w pamięci sterowanie ze sprzężeniem zwrotnym sterownik sterownik wzmacniacza mocy sterownik zegara sterta sterta sterylizować sterylizował steward stewardesa stewardessa charter. bestuur conducteur. opdagen stijl. controleur. paal. deurpost premie. mennen heerschappij. cliché binnenbrengen.

madeliefje timmerman kapitaal. loods box kolom. oplettend mijden. stomp kiel sterkte verafschuwen. inrichten glooiing. effen zinspelen aandachtig. tafel. kermen kiel bot. barak stoïsch. keet. duf stenen. accompagneren. vlak. jegens gelijk. steunen. vermogen tabel. lijst kruk. evenredigheid .stęchły stękać stępce stępiać stępić stępka Stężenie (roztworu) sth do kogoś sth> coś komuś sth> do kogoś sth> do kogoś sth> kimś sth> kimś sth> komuś sth> komuś sth> komuś sth> o kimś sth> o kogoś sth> od kogoś sth> z kimś stłuc stłuczce stłumić stłumić sto stodoła stoik stoik stoisko stoisko z gazetami stojak stojak stojak stojak stojący stok stok stokrotce stokrotka stolarz stolica stoł stołek stołować (się) stonoga stop stopa stopa procentowa vuns. kraam. glooiing meizoentje. ontwijken zich aansluiten. verhouding. uit de weg gaan. norm oprichten. vernielen onderdrukken. madeliefje meizoentje. lijken achter opvolgen. steun post. stut. tegen. vunzig. handelen volgens vergezellen. colonne drager. attribuut aanvliegen lijken op. helling helling. leuning. lid worden. pilaar. muf. metaalmengsel voet proportie. stichten. steunpilaar. begeleiden met. zich vastklampen aan duizendpoot alliage. bochel vernietigen. opkroppen honderd loods. stoïcijns huisje. gelijken. een afschuw hebben van bijvoeglijke bepaling. schuur. taboeret aanklampen. attent. stoïcijns stoïsch. kreunen. deurpost regel. schuur. keet. tegenaan. stomp bot. stijl. verdringen. verwoesten. paal. legering. toetreden afbreken bult. standaardmaat.

benauwdheid angst beklemming. geschikt gepast. strop verloren. kwijtraken verloren. slaan. houwen. affiliëren bond. genootschap. vandehands naaien. drom. kwijt. doelmatig rechter-. vervlogen kloppen. klappen . toepassing tegen. accumuleren tabel. angst. opeenhopen. tafel. verwantschap vergelijkenderwijs aannemen. menigte. hoop. lijst beklemming. neuken familiebetrekking. benauwdheid verbeurd opgeven. opeenhopen. genootschap. passend. drom. langzamerhand geleidelijk orchidee kelder waas. lijst tabel. beheren. opper ophopen. kwijt. angst. handelen volgens krachtsinspanning aanwending. geschikt. betamelijk. massa kelder ophopen. tafel. graad trap. mate. mate. hoop. accumuleren ophopen. vervlogen nadeel. associatie kegel hooiberg. toepassing opvolgen. deficit. hooimijt. nesthaar. schade. gediplomeerd geleidelijk.stopą stopień stopień (również naukowy) stopień zawartości alkoholu stopka (listy) stopniować stopniowo stopniowy storczyk stos stos stos stos pogrzebowy stos w pamięci stos wywołań stosować stosować stosować stosował stosowania stosowania stosownie do tego stosowny stosowny stosowny stosowny stosunek płciowy stosunek zwarcia stosunkowo stowarzyszać się stowarzyszenie Stowarzyszenie Producentów Maszyn Cyfrowych stożek stóg stóg stóg siana stół stół montażowy strach strach strach na wróble stracić stracić stracić stracie stracony strajk voet trap. naar. voor gepast. accumuleren boel. tot. associatie bond. verbeuren. dons boel. passend gemakkelijk. menigte. opeenhopen. massa aanwenden. doorvoeren administreren. besturen aanwending. bij. graad drukproef schaduwen afgestudeerd. aan.

accentueren resumeren. page. strop verklungelen. bewaren riem.strapienie straszliwy strasznie straszny straszny straszny straszny straszyć straszyć straszyć (o duchu) strata strata strategia strategia przydziału miejsca strategią strategiczny straż strażnik strażnik więzienny strefa strefa strefa wpływów stres streszczać streszczać się streszczenie streszczenie stroik stromy stromy strona strona strona tytułowa strona wzorcowa strona zawietrzna strona zewnętrzna stroną stronę WWW) zaksięgować stronnicy stronniczy stronniczy stronnik Strop strój wieczorowy (smoking stróż struktura struktura struktura verdriet doen. schade. lijst. aanschijn. opmaken. abrupt. aanhang eenzijdig. partijdig gedeeltelijk. digereren resumé. beoefenaar. partieel adept. verduwen. samenstelling. krijgskunde strategie. minder belangrijk aanblik. zij-. costuum waker. listig doen schrikken. afbikken kader. de wacht hebben. aanhanger plafon. bewaren bewaken. verdoen strategie. excerpt riet kortaf. bewaren bewaken. deficit. edelknaap boer. strategisch bewaken. afgrijselijk doortrapt. zone. samenvatten verteren. aanhang boer. dracht. zij-. omlijsting. aardgordel beklemtonen. bot. edelknaap aanplakken achterban. aanhang bij-. overzicht. ver. ceintuur. buitenkant bij-. samenvatten resumeren. krijgskunde strategie. page. hoogtegrens. bruusk. steil steil leden. de wacht hebben. ijselijk afschuwelijk. nachtwacht. de wacht hebben. klepperman bikken. krijgskunde krijgskundig. beproeven afgrijselijk afgrijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. constructie . ver. zone. bedroeven. gordel klimaatzone. gewiekst. gewaad. slim. schrik aanjagen verjagen. afschrikken spoken nadeel. plafond klederdracht. minder belangrijk leden. aardgordel klimaatzone. raam bouw.

struktura z kontaktem sferycznym struktura) MOS z kanałem typu n strumień strumień strumień drukowanych danych strumień klucza strumień ruchu (między węzłami w sieciach telekomunikacyjnych) strumyk struna struna struna struś strych strych strych stryj strzała strzałce strzałka strzec strzec się strzelać Strzelec Strzelec (gwiazdozbiór) Strzelec gwiazdozbiór strzemię strzyc strzykawce strzykawka strzyżyk student student seminarium studentka studio studiować studiowanie studnia stukać stukać stukać nie stuknięcie stuknięcie stukot stukotać stulecie stulecie stusunek omlijning. kloppen. het juk opleggen maaien injectiespuit injectiespuit winterkoninkje student student student studio studie studie goed. klappen. kletteren. scheut pijl. de wacht hebben. overeenstemming. ontslaan Boogschutter Boogschutter Boogschutter aanspannen. nu goed kraan. constructie actueel loop. klappen slaan. stroming toelachen. afranselen eeuw eeuw houding . bekoren. aanlokken loop. royeren. omtrek bouw. stroming beekje. tap. tapkraan slaan. beek accoord. scheut behoeden. bewaren ontzetten. stroom. beschermen bewaken. samenstelling. akkoord snaar. kletteren. stroming loop. opvallen klikken. opvallen klakken. struis dakkamertje zolderkamer Attisch oom pijl. kloppen. klikken afdrogen. snaar struisvogel. scheut pijl. kletteren. stemband. stroom. klappen. klappen. stroom. kloppen. stemband koorde. opvallen slaan. koorde. klakken. klappen.

voorslag. jurk. stijl abonnement spul. aangeven. keuze unie . grenzen aan contact hebben. substantie absorberend spul. bedrag. aanbieding.stusunek nie stwierdzać stwierdzać stwierdzić stworzenia stworzyć stworzyć styczeń styczny styk styk podwójny stykać się stykać się stykać się z styl styl styl życia subskrypcja substancja substancja pochłaniająca substancją substytut subtelny suchar sucho suchy suchy (klimat) Sudan suficie sufiks sufit sufler sugerować sugestia suicie sukces sukces sukienka sukinsyn suknia suknia sułtan suma suma (msza) suma częściowa suma kontrolna suma logiczna suma logiczna zmiana houding beamen. summa algeheel. zegepralen. stijl trant. plafond souffleur aanwijzen. triomferen een verband omleggen snikken een verband omleggen toga. vaststellen. achtervoegsel plafon. stof. gelid. aanbod gevolg geluk. inboeten spitsvondig. aanduiden bod. som. goedkeuren constateren. totaal unie checksum keus. japon sultan somma. substantie in de plaats stellen van. fijn biscuit dor. knoop contact hebben. januari aangrenzend. plafond suffix. totaal. stof. alternatief. droog Soedan plafon. vaststellen. hoogtegrens. contact hebben met taal trant. bevinden constateren. welstand. droog dor. contact hebben met belenden. subtiel. goedje. componeren scheppen. lid. aanliggend gewricht. goedje. bevinden wezen samenstellen. voorspoed zegevieren. hoogtegrens. billijken. contact hebben met contact hebben. droog dor. geleding. bloei. creëren louwmaand.

rits. rits. totaal zomer geweten geweten consciëntieus. cru bar. ritssluiting oppermachtig. ritssluiting treksluiting. totaal. jouw ondersteuning. aanduiden daglicht een sein geven. krieuwelen. warnet watten remedie. oppermachtig Jersey Jersey kriebelen. een knoop leggen supermarkt supermarkt verwikkeling. gewetensvol optelling knopen. jeuken vrijdom. som. onbelemmerd onbezet. aanwijzen. bedrag. afgrendelen je. los. onbewerkt. straf vloeipapier dor. open. aantal. bot. krieuwelen. middel. jeuken kriebelen. omvangrijk. lont. hard. los. veelomvattend treksluiting. onbelemmerd toevallig. vrijheid. aanslaan. vlotheid onbezet. weg grof. oppermachtig oppermachtig. subsidie Sicilië Siciliaans sissen. lampepit tepel. speen kelder uitgebreid. vlot. warboel. droog kousje. incidenteel grendelen. toon alarmeren. soeverein. seinen intonatie. bot grof. open.suma modulo 2 suma montażowa suma zbiorów unia złącze suma brył sumator amplitudowy sumienia sumienie sumienny sumowanie supeł supermarket (duży supersam supła surowa bawełna surowcach surowy surowy surowy suszka suszyć Suszyć sutek suterena suty suwak suwak przewijania suweren (moneta) suweren moneta sweter sweter zapinany swędzenia swędzenie swędzić swoboda swobodnie swobodny swobodny sworzeń swój sybwencja Sycylia sycylijski syczeć sygnalizował sygnalizuje pracę urządzenia sygnał sygnał sygnał ostrzegawczy sygnał wejściowy somma. stipendium. krieuwelen. getal algeheel. vlot. cru. onbehouwen. summa tal. alarm slaan invoer . fluiten aangeven. streng. soeverein. onbewerkt. duchtig. jeuken kriebelen. medium. onbehouwen.

nauwkeurig. verschijnsel voorgeven. accuraat zinnebeeld. symmetrisch symfonie symfonie medegevoel. rul mul kuif. symbool oneigenlijk. ondertekening handtekening. vakbond strooien. toeter. symptoom. cijferen silhouet. symptoom. vakvereniging. Siam sissen. fluiten lettergreep. syllabe silhouet. vakbond syndicaat. rondstrooien slaapkamer slaapkamer mul. nauwkeurig. voorwenden. symbool aanreiken. behaaglijk. aangenaam meevoelen teken. overhandigen nauwgezet. figuurlijk symboliseren symboliseren symmetrie symmetrie regelmatig. seinen handtekening. gewrongen. jodenkerk synchronisch syndroom syndicaat. ondertekening Thailand. vakvereniging. claxon . accuraat aard. deelneming smaken medegevoel. emitteren een sein geven. geaardheid nauwgezet. toeter. schaduwbeeld zinnebeeld. verschijnsel teken. deelneming genoeglijk. karakter. doen alsof gekunsteld. gemaakt zoon synagoge. schaduwbeeld rekenen. claxon kuif.sygnał zerowy na wejściu sygnał zerowy na wejściu sygnał zezwalający sygnatura sygnatura zachowania Syjam syk sylaba sylwetce sylwetka sylwetka symbol symbol celowania(na ekranie dla pióra świetlnego) symbol niezdefiniowany symbol ogólny symbol waluty symbol zaznaczenia symboliczny translator programu symbolizować symbolizował symetria symetrią symetryczny symfonia symfonią sympatia sympatia sympatią sympatyczny sympatyzował symptom symptom nienormalnego zachowania symulować udawać chorego symulowany syn synagoga synchroniczny syndrom syndykacie syndykat sypać sypialni sypialnia sypki sypki syrena syreną invoer uitgeven.

stand van zaken situatie. madeliefje antwoorden. bestel gelijkmatig. lanceren. schare jakhals aasgier jakhals das. troep. stelsel. respecteren kleerkast. gek. antwoorden op electronisch. regelmatig. schaak schaakspel. elektronisch systeem. afdak bunker. krankzinnig. dol. lunair dolzinnig. geregeld systematisch uitzondering situatie. stelsel. achting hebben voor tel. schablone sjah schaakbord schaakspel. rek kast schavot bende. krankzinnig uitschrijven. begroten achten. dolzinnig. kazemat . achting eerbiedigen. waarderen. taxeren waarde. stroop Syrisch Syrisch systeem. halsdoek. hangkast kast kleerkast. bestel meizoentje. hangkast etagère. dol. sjabloon.Syria syrop Syryjczyk syryjski system system gromadzenia i interpretacji danych system sieciowy system telewizji kasetowej system zero-jedynkowy systematyczny systematyczny sytuacja sytuacja sytuacja wyjątkowa szabla szablon szach (Iranu) szachownica szachowy szachy szacować szacować szacował szacunek szacunek szacunek szafa szafa ścienna szafą szafka szafka szafocie szajka szakal szakal szakal rz szal szala (wagi) szalka (wagi) szalony szalony szalony szalony szalupą szałas szałas Szałas Syrië siroop. gek. sjaal Pan aanslag krankzinnig. stand van zaken slagzwaard patroon. dolzinnig gek. ontketenen kinderbed luifel. taxeren. schaak schatten. dol maan-. bouffante. gehalte schatten. begroten. waarderen.

nauwgezetheid boomschors. vreemd. charlatan. vaccin. sleuf. vaccine . sleuf. streng. achting hebben voor sprinkhaan kwakzalver. sleuf. praten. raar. opening sponning. japon. afzonderlijk specifiek. opstapje. in het klein stiptheid. eigenaardig afgezonderd. gedetailleerd. grauw grijs. nauw inenten. detail ampel.szampan szampon Szanghaj szanował szarańcza szarlatan szarlatan szarpać szarpnąć szarpnięcie szarpnięcie szary szary szata szata szatański szatni szatnia szczątki szczątkowy szczebel szczebiotać szczeciną szczególna cecha szczególnie szczególnie w USA szczególny szczególny szczególny szczególny szczegół szczegółowy szczegółowy szczekać szczelina szczelina szczelina do ręcznego podawania papieru szczelina sprzęgająca szczelina środkowa szczeliną szczelny szczepić szczepić (przeciwko chorobie) szczepionka szczepionka (program tworzący sygnaturę programu wykonywalnego szczepionka program tworzący champagne het haar wassen Sjanghai achten. nauwsluitend. sleuf. gat. doorscheuren schokken aardbeving schokken grijs. gleuf sponning. gleuf barst stipt. vaccine entstof. schors mond. item. afgezonderd gek. vaccin. vak. garderobe kleedkamer. charlatan. vestiaire. vaccin. jurk satanisch kleedkamer. treeplank babbelen. in het bijzonder afzonderlijk. kwakzalver vaneenscheuren. garderobe puin. grauw een verband omleggen toga. vestiaire. tak in het bijzonder. inzonderheid inzonderheid. rommel. vaccineren entstof. soortelijk bijzonderheid. prullaria necrologie opstap. branche. vaccine entstof. keuvelen overeind gaan staan afdeling. vaccineren inenten. bedrieger bedrieger. vooral. accuratesse. gleuf sponning. tree. afval. gleuf sponning.

neus. tenger rot. richten. piek klemmen. ongeveinsd. eerzaam. mager. knijpen. open en bloot. klikken geluk Fortuna lot. kaak klikken. spits spits. schoon. tip. schuieren snoek sprietig. luchtig rank. listig knijper. toppunt spits. degelijk natuurlijk oprecht. rat hoogtepunt. knijpen. onvervalst eerlijk. dirigeren. schuieren borstelen. kletteren. toppunt piek. neus. fortuin. slank. kletteren. zindelijk mennen. rondweg wang. top. schaar nijptang klemmen.sygnaturę programu wykonywalnego szczerość szczerość szczerość szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczerze szczerze mówiąc szczęka szczęka szczękać szczękać szczęścia szczęście szczęście szczęście szczęśliwie szczęśliwy szczodry szczotka szczotka porównawcza szczupak szczupły szczupły szczur szczycie szczycie szczypać szczypał szczypał szczypce szczypce do cukru (w kostkach) szczypcie szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt (np. punt. innig aalwaardig. rondweg ronduit. slim. piek afknotten hoogtepunt. gewiekst. neus. schraal. toppunt afknotten . puur. punt. piek afknotten hoogtepunt. punt. top. goedgeefs borstelen. tip. tip. tokkelen. top. nijpen hoogtepunt. besturen authentiek. zenit monteren. koon. borrel doortrapt. eenvoudig ronduit. gelijk hebbend. kaak kakement. neus. fortuinlijkheid geluk gelukkig gelukkig royaal. doskonałości) szczyt (stosu) szczyt stosu szczytowy szczytowy poziom openheid oprechtheid. dun. top. klakken. open en bloot. gul. tip. gegrond rein. klappen. punt. genereus. nijpen aperitief. tokkelen. klappen klakken. zetten spits. openhartigheid juist. aalwarig.

breedte sheriff. verbreiden. afgeven hexadecimaal.szef szef szef (w firmach polskich prezes) szef kuchni szejk szelce szelescie szelest szeleścić szelma szepcie szept szept szeptać szeptać szereg szereg szereg zbieżny bezwzględnie szeregowiec szeregowy szeroki szeroki szeroko szerokość szeryf szerzenie szerzyć szesnastkowy szesnaście sześcian sześcian kierunkowy sześcian wokseli sześć sześć pensów sześćdziesiąt sześćdziesiątka sześćdziesiąty szew szew szewc szkalować szkapa szkarłat szkarłatny szkatułka szkic szkic szkic chefkok. baas sjeik span ritselen. belasteren afjakkeren. chef aanvoerder. zestientallig zestien derde macht. cambio uitstippelen. ris. set. schetsen. reeks graad. voeg dichtnaaien. chef aanvoerder. murmelen (v. ruisen ritselen. gebieder. fluistering roeien serie. rang besloten. privé-. royaal wijdte. chef. dobbelsteen. status. hechten schoenmaker roddelen. blok derde macht. ontwerpen . dobbelsteen. murmelen (v. chef aanvoerder. fluistering murmelen. kwaadspreken. particulier feuilleton. vervolgverhaal breed. ruim. donkerrood borst. schavuit. verbreiden. gebieder. beekje) gefluister. ruisen boef. ruimheid. groot. stand. baas. landrechter verspreiden. dobbelsteen. beekje) gefluister. gebieder. ruim. baas. groot. afgeven verspreiden. rist. ruisen ritselen. donkerrood karmozijn. blok zes zes zestig zestig zestigste naad. ploert gefluister. fluistering murmelen. royaal breedvoerig. ellendeling. blok derde macht. afbeulen. afmatten karmozijn. boezem afschaduwing wissel. wijd breedvoerig.

omlijsting. verwonding schade. verkeerd duim als lengtemaat gevolg leerschool. modder. hek. school leerschool. glazuren. slijk snikken snikken . afsluiting. geraamte kader. gebeente. gebeente. letsel toebrengen blessure. glas verglazen. omlijsting. raam drinkglas. iets betreurenswaardigs schade aanrichten. lijst. edel adel. inval afkerig schadelijk ongedierte kwetsen. kwetsuur. edelen edelheid nobel. ontwerpen skelet. schaden kwetsen. heining nobel. school Schot Schotse barrière. geraamte kader. school leerschool. raam schavot skelet. drek. foutief. inval invasie.szkicować szkielecie szkielet szkielet szkielet szkielet (konstrukcji) szklanka szklić szkliwa szkliwo szkło szkło szkło powiększające Szkocja szkocki Szkocki szkoda szkoda szkoda szkoda szkoda następcza szkodliwa inwazja szkodliwe naruszenie ochrony szkodliwe włamanie szkodliwy szkodliwy szkodnik szkodzić szkodzić szkolenie wspomagane komputerowo szkolić szkolny szkoła szkoła (średnia lub wyższa) szkoła z internatem szkoła zawodowa Szkot Szkotka szlaban szlachecki szlachetność szlachetność szlachetny szlachta szlafrok szlam szloch szlochać uitstippelen. inval invasie. schetsen. wond. glas bril drinkglas. letsel toebrengen onjuist. glas Schotland Schot Schots schade aanrichten. school college leerschool. edel adel. lijst. glanzen emailleren emailleren drinkglas. edelen kamerjas slib. schaden invasie.

stokje puntig. gard. stemband. baan. graven vlechten spreeuw kolom. ziekenhuis klauw spijkeren. bobine litteken. snaar fijnhakken bestuurder. beekje) koorde. bot. grof. friemelen. bestuurder opschudden. klos. spoel klos. spoel. bijtend onbewerkt. schudden. route chauvinist chauvinisme zesde zesde woelen. lap. beloeren. murmelen (v. bobine bobine. lor. spoel. onbehouwen. colonne barst asperge ruimte. vod. speling morrelen. veter. cru korte broek. flard murmelen. shrapnel . scharrelen roede. spitten. bespieden kegel kegel kegel spinazie hospitaal. steunpilaar. nestel koorde. gasthuis. guur. spitsroede. kniebroek. spoel bobine. tod. chauffeur conducteur. fel. lomp. afdak doordringend. klos. spits spieden. schokken luifel. broek weg. nagelen klos. bestek. snaar met een band omgeven kant rijgveter.szlochaćSOB> szmaragd szmaragdowy szmata szmer sznur połączeniowy sznurek sznurowadło sznurowadło sznurowadło sznycel szofer szofer szok szopa szorstki szorstki szorty szosa szowinista szowinizm szósta część szósty szpadel szpagat szpak szpalta szpara szparag szparą szperać szpicruta szpiczasty szpieg szpiegować Szpila szpilce szpilka do włosów szpinak szpital szpon szpon szpula szpula taśmy szpulce szpulce szrama szrapnel snikken smaragd smaragd vodje. pilaar. bespieden spieden. stemband. beloeren. wereldruim. wondteken granaatkartets.

schraag. hebbelijkheid vuurwerk aanstellerij.sztab sztaba sztacheta sztaludze sztaluga sztandar sztandar Sztokholm sztolnia sztuce sztuczka sztuczne ognie sztuczność sztuczny sztuczny sztuczny satelita ziemi sztuka sztuka sztuka sztuka panowania sztuka wojny szturchnięcie sztyft sztylecie sztylet sztywny sztywny szufla szuflada szukać szum szum szum śrutowy szum zka szumieć szupla szurać nogami szuranie (nogami) szwaczka szwajcar Szwajcaria szwajcarski Szwajcarzy Szwecja Szwed szwedzki szwindel szwindel staf belemmeren. gewrongen. standaardmaat. galerij. er uitzien snorren. onnatuurlijkheid aangedaan. gewrongen. lade het uiterlijk hebben van. leven. gonzen. temperen. brok oorlog. ceremonieel scheppen. leven. houterig. aanstoten kegel dolk dolk stram. klos. bobine mengen. vermengen mengen. ezel. gemaakt gekunsteld. dundoek. galerie kunst aanwensel. gonzen. star. mixen. rumoer. ezel. kunstgreep . mixen. gonzen. stug afgemeten. bok. gang. schraag. razen. razen. opscheppen schuiflade. bank vaan. herrie snorren. frauderen. kneep. vermengen naaister Zwitsers Zwitserland Zwitsers Zwitsers Zweden Zweed Zweeds zwendelen. bank rek. afdammen verbleekt rek. plechtig. brommen spoel. herrie snorren. krijg kunst een duw geven. norm Stockholm gaanderij. temperen. streek. toestoten. la. brommen ophef. drama fragment. lawaai. knoeien foefje. lawaai. razen. gemaakt kunst toneelstuk. rumoer. vlag regel. stijf. bok. aangegrepen gekunsteld. afsluiten. brommen ophef.

radheid vliegmachine. spoedig. vensterruit. zweefvliegtuig aanzetten. vaart. vensterruit. strijd. evenredigheid snelheid. hard. onderwijzen spoorstaaf. chic. aannaaien. honen grijnslachen. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. piekfijn sjiek. spotlachen. nummer versleutelen versleutelen nek. ginnegappen bespotten. zweefvliegen zeilvliegtuig. glaswerk glaswaar. vastnaaien steek emplooi. schielijk. slag. vaart. frauderen. haastig. gauw. spoedig. nummer code cijfer. groef. gezwind. rail boomstam. zweefvliegen een glijvlucht maken. in allerijl proportie. radheid snelheid. spoedig. radheid snelheidsgrens snelheid. spoed. hard. greppel. piekfijn shilling chimpansee opvoeden. stam ham . haastig. haastig. glas glaswaar. schielijk. spotten. kuil drinkglas. karwei. vaart. knoeien groeve. haastig. gauw snel. kamp sjiek. verhouding. gevecht. spoedig.szwindlować szyb szyba szyba (okienna) szybą szybki szybki szybki układ logiczny tranzystorowotranzystorowy szybki układ scalony TTL szybki układ scalony TTL szybki zarobek szybko szybko szybko schnący szybkość szybkość szybkość klatek szybkość zapisu szybkość zapisywania szybować szybować szybowanie szybowca szybowiec szybowiec szyć szyć szydełkować szyderczy uśmiech szydzić szydzić szyfr z bieżącym kluczem szyfr złożeniowy szyfrować szyfrować szyfrował szyja szyk bojowy szyk bojowy szykowny szyling szympans szyna szyna szyna pamięciowa szyna sterująca szynka zwendelen. hals treffen. spoed. arbeid grijnslachen. ginnegappen cijfer. vliegtuig een glijvlucht maken. werk. spoed. chic. gauw gezwind. spotlachen. rail spoorstaaf. gezwind. gezwind. in allerijl gauw. glaswerk vasten snel. snel spoedig afgrazen gauw. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. gracht. gauw snel.

guur. voetspoor. dringen. juist. spoor steeg pad. dringen. hard jam. duchtig. spoor spoor. run jam. borrel inderdaad. rechtvaardig drukken. persen. intrappen. wagenspoor. afwissen afschaving flanellen laken doordringend. afdrogen. persen. voetspoor. marmelade grijpen. tekenen afbakenen afdruk. nastreven een proces aanspannen tegen geslacht. minutieus stram. toeloop. bar. precisie precies. paadje afdruk. bemachtigen comprimeren knuffelen drukken. soortelijk streng. star. stiptheid. riool druipen. accuraat precies. inzamelen downloaden rukken steek steek neerdruipen. fel. metterdaad. moes. nauwgezet. knellen accuratesse. marmelade aperitief. druppelen afvegen. nauwgezetheid nauwgezetheid. moes. accuratesse nauwkeurigheid. stiptheid. scherp. innen. aantrekken drukken. zinkput. karrespoor . droppelen. stam. volksstam aandrang. tekenen pad.szyszka ściągać ściągać dane z serwera ściągnąć ścieg ścieg wsteczny ściek ściek ściekać ścierać ścieranie się ściereczka ścierka ścierny ścieżka ścieżka ścieżka wyszukiwania ścieżka zapisu ścieżka zastępcza ścięcia ścigać ścigać sądownie ścigać się ścisk ścisk ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać kurczowo ścisłość ścisłość ścisłość ścisły ścisły ścisły ścisły ścisły ścisnąć ścisnąć ściśle ściśle ściśnięcie ślad ślad ślad ślad kegel collecteren. dringen. knellen strakker aantrekken. afdruipen cloaca. verbrijzelen najagen. bijtend merken. knellen merken. stiptheid. fair. stug specifiek. persen. waarachtig billijk. wissen. paadje vermorzelen. houterig. stijf. straf.

sterfgeval . overlijden. lachbui. echt. stout. vliegtuig een glijvlucht maken. huisjesslak worm. aanvaller lachen gelach. onderzoek zeebanket. stoutmoedig. voetspoor. spoor enquête keuring. gedurfd. spuug slabbetje speeksel afscheiden. zeveren. echtverbintenis bruiloftsfeest. kwijlen glad. examen. propeller. haring bijlage. modder. onderzoek keuring. zweefvliegen huwelijk. gedurfd. appendix. stoutmoedig. zweefvliegen vliegmachine. examen. wagen moorddadig. allicht gespeend van. speeksel. puin zich vermetelen. blanco. wurm kwijl. ontbloot van brutaal. afval. hilariteit afwijzen. blank behaaglijk. dodelijk dood. genoeglijk schroef. schroefdraad slak. ongrijpbaar. het verdommen. brutaal stoutmoedig. glibberig pruim pruim een glijvlucht maken. brutaal voorspeler.ślad rewizji Śląsk śledzić śledzić śledzić śledztwa śledztwa śledztwo śledź ślepa kiszka ślepa uliczka ślepota ślepy ślepy nabój śliczny ślimak ślimak ślimak (współpracujący z kołem zębatym) ślina śliniaczek ślinić się śliski śliwce śliwka ślizg ślizgać się ślizgać się po wodzie ślub ślub ślubny ślusarz śluz śluza śmiać się śmiało śmiało śmiały śmiały śmiały śmiały śmiech śmiech śmieci śmiecie śmieć śmiercionośny śmierć afbakenen Silezië afluisteren afbakenen afdruk. aanhangsel doodlopende weg blindheid blind wit. zever. oningevuld. legitimeren slotenmaker slib. slijk slot lachen met gemak. bruiloft echten. prullaria. stout gedurfd. drek. afkeuren rommel. stout.

lied zangeres zingen. diameter middellijn. bezingen zangeres gezangboek. doorsnee. zang. lachwekkend. schroef ontbijt ontbijt sneeuwen sneeuwen sneeuwen druilerig. diameter woensdag woensdag middelpunt. vies ruiken moorddadig. middelbaar middel. roken stinken. voortmaken haastig. doorsnee. belachelijk. centrum middelpunt. centrum beter maken. middelbaar milieu. schroefdraad. gezangbundel. leuk. vermakelijk vla vla bloesem propeller. omgeving . medium. amuseren. amusant. haast maken. zangboek gemiddeld gemiddeld middellijn. leuk. amusant belachelijk gek. laxans gemiddeld. onderhouden aardig. voortmaken gezang. slaperig slaperig spoed maken.śmierdzący śmierdzieć śmierdzieć śmiertelnie śmiertelnik śmiertelny śmieszny śmieszny śmieszny śmieszyć śmieszyć śmietana śmietanka śmietanka (towarzyska) śmigło śniadania śniadanie śnieg śnieżenie śnieżyć śpiący śpiący śpieszyć (się) śpieszyć się śpieszyć się śpiew śpiewaczka śpiewać śpiewak śpiewnik średni średni stopień scalenia średnica średnicą środa środą środek środek środek środek ośrodek środek antyelektrostatyczny środek chwastobójczy środek miotający do broni palnej środek znieczulający środki środkowy środkowy środowiska stinkend smoken. helen gemiddeld antiseptisch middel afwasmiddel laxeermiddel. gehaast spoed maken. binnenste. binnenste gemiddeld. werktuig intern. binnenste. binnenlands. haast maken. genezen. dodelijk sterfelijk sterfelijk vermakelijk. mal opvrolijken.

aanmaken daglicht zonlicht aansteken. stuk certificaat. candela. bewust welbewust. medium. schroef naaien. medium. getuigen getuige acte. besef. doen ontbranden. verhouding. voordeel certificeren. akte. bewustzijn welbewust. omgeving Middellandse Zee propeller. bedrijf. kaars kaarsensterkte. kaars . neuken naaien. akte. besef. bedrijf. besef. bewustzijn bezinning. candela. omgeving milieu. aanmaken proportie. gemeenschap tafereel. bewustzijn bezinning. omgeving milieu. schildering. candela. wereld aansteken. dokument. getuigenis acte. świadczyć świadczyć świadectwa świadectwa świadectwo świadectwo odporności na promienie Rentgena świadek świadek naoczny świadomość świadomość świadomość istnienia produktu świadomość przekazu reklamy świadomy świadomy świadomy (<of sth> czegoś) świat światło światło działania światło punktowe światło stopu w samochodzie światłoczułość światłowód światowy świąteczny świątobliwy świątyni świder świder świdrach świeca świecą świeczka gemeente. stuk acte. neuken naaien. dokument. neuken schroevedraaier schroevedraaier spiraal pré. bewust welbewust. medium. stuk getuige getuige bezinning. kaars kaarsensterkte.środowisko środowisko CDE środowisko graficzne środowisko grupy roboczej środowisko zabezpieczeń środowisko zespołowe śródziemnomorski śruba śruba śruba (statku) śrubą śrubokręcie śrubokręt śrubowaty świadczenie (z tytułu polisy ubezp. acte. sacraal. geheiligd slaap beting accolade bretels kaarsensterkte. schroefdraad. evenredigheid vezel wereldwijd festival gewijd. besef. medium. bewust aardrijk. akte. attest. omgeving milieu. bedrijf. bewustzijn bezinning. doen ontbranden. dokument. heilig. beschrijving milieu.

świecznik świecznik świergocie świergot świergot świergotać świerszcz świetlik świetlik świetnie się bawić świetność świetny świetny świeży świeży święcie świętej pamięci świętej pamięci święto święto świętować świętował święty święty święty Mikołaj świni świnia świnka morska świscie świst świt świt świt świtać tabela tabela woluminu tabernakulum tabletce tabletka tablica tablica tablica (szczególnie pamiątkowa) tablica autoreferencyjna tablica odwołująca się do siebie tablica odwzorowanie tablica ogłoszeń tablica rozmieszczenia pliku tablica samoodniesieniowa

kandelaar, blaker kroonluchter, kroon, luchter piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen krekel, kriek vuurvliegje dakraam, patrijspoort, luik net, mooi gezag, prestige, autoriteit groots, grandioos, overweldigend tof, tiptop, excellent, kostelijk vers, onbedorven, luchtig, fris luchtig, fris, vers, onbedorven snipperdag, vakantiedag, rustdag vergevorderd, laat later festijn, feestmaal, smulpartij, gelag snipperdag, vakantiedag, rustdag vieren, opdragen, celebreren vieren, opdragen, celebreren gewijd, heilig, sacraal, geheiligd heilige geheiligd, gewijd, heilig, sacraal zwijn, varken zwijn, varken Guinees biggetje, cavia ritselen, ruisen fluiten, gieren aurora, morgenlicht, morgenrood dageraad, aanbreken van de dag zonsopgang aurora, morgenlicht, morgenrood tabel, tafel, lijst tabel, tafel, lijst tabernakel tafel, tabel, lijst tafel, tabel, lijst aanklampen, zich vastklampen aan dashboard, instrumentenbord, beschot tafel, tabel, lijst aanplakbord aanplakbord landkaart, kaart aanplakbord lijvig, dik aanplakbord

tabliczka tabliczka tabliczka dźwiękowa taborecie tabulacja tabulator tabulogram informować tabulowanie taca taca taca zabezpieczająca tacą taczka tajać tajemnica tajemniczy tajemny tajfun tajny tajny agent tak tak jak tak jest tak samo tak samo jak tak więc tak! wiele takcie taki taki taki owaki taksometr taksówce taksówce taksówka taksówka takt takt takt takt takt zegara taktyczny taktyczny taktyka także także także także <casement window>

belemmeren, afsluiten, afdammen fotografische plaat, plaat tafel, tabel, lijst kruk, taboeret tafel, tabel machine informeren, berichten, inlichten tafel, tabel schotel, schaal dienblad, presenteerblad bakvis dienblad, presenteerblad kruiwagen wegsmelten, dooien, ontdooien mysterie, raadsel, geheimenis mysterieus, geheimzinnig occult tyfoon confidentie verstand, geest, intellect ja, jawel ja, jawel voor, als, bij wijze van, hoe, tot dito, identiek als volgt als volgt ergo, dus, ook weer, toch ritme, tact, maat, beleid ergo, dus, ook weer, toch dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een uurwerk, klok vigilante, huurrijtuig, aapje taxi vigilante, huurrijtuig, aapje taxi afranselen verzekeren, beweren ritme, tact, maat, beleid teek teek tactiek tactiek tactiek evenzeer, ook, mede, eveneens verzenden evenzeer, mede, eveneens, ook aan, tegen, voor, tot, bij, naar

także <fag> także celny strzał w to miejsce talencie talent talent talerz z tworzywa do rzucania talia talia talia kart talon tam tam tam i z powrotem tama tamci Tamiza tamować tamować tampon tampon tamte tamten tamten tancerz tandeta tango tani tani hotel/pensjonat tani jak barszcz taniec tankwać tańczyć tańczyć tango tańczyć walca tapczan tapeta taras tarcie tarcza (telefonu targ targi targnięcie targować się targować się tarka tarsować taryfa taryfa

verzenden evenzeer, ook, mede, eveneens talent, gave, aanleg, begaafdheid gift, geschenk, donatie, cadeau talent, gave, aanleg, begaafdheid fotografische plaat, plaat verdek, scheepsdek, dek middel, leest, taille middel, leest, taille bon, voucher, kaartje, coupon ginds, aldaar, daar, er, daarginds ginds, er, aldaar, daarginds, daar ginds, aldaar, daar, er, daarginds afsluiting, barrière, dam, sperdam dat, datgene, zulks Theems blokkeren, vastzetten afsluiten, belemmeren, afdammen blok tampon dat, datgene, zulks dat ginds, er, aldaar, daarginds, daar danseres rommel, afval, prullaria, puin tango, stampen goedkoop goedkoop goedkoop bal, danspartij reservoir, vergaarbak bal, danspartij tango, stampen wals divan, Turkse staatsraad, rustbank behang terras wrijving wijzerplaat marktplein, markt, bazaar, marktplaats marktplein, markt, bazaar, marktplaats schokken afdingen, pingelen, marchanderen pingelen, afdingen, marchanderen raspen afsluiten, belemmeren, afdammen proportie, verhouding, evenredigheid dienstregeling, rooster

tarzać tasiemka tasować tasowanie (kart) taśma taśma taśma taśma poprawkowa taśma zmian taśma źródłowa systemu tato tato tatuaż tatuować tatuś tatuś tawerna tawerna tawerną tchawica tchórzliwy tchórzostwa tchórzostwo te teatr teatr rewiowy teatralność teatralny teatralny technice techniczny techniczny ośrodek przetwarzania danych technika technika technika technika grubowarstwowa technika cienkowarstwowa technika rozpoznawania obrazów technika światłowodowa technika wykrywania błędów technologia technologia) drop-on-demand technologią teczka teczka teczka konfiguracyjna teka

broodje, bolletje, kadetje, kadet band, lint mengen, temperen, mixen, vermengen mengen, temperen, mixen, vermengen schare, troep, bende band, lint met een band omgeven videoband met een band omgeven schare, troep, bende pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie taptoe taptoe pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie drenkplaats, bar, café herberg, uitspanning herberg, uitspanning luchtpijp geel lafhartigheid, lafheid lafhartigheid, lafheid dit, dit hier schouwburg, toneel, theater schouwburg, toneel, theater melodrama schouwburg, toneel, theater schouwburg-, toneel-, theatertechniek technisch technisch techniek techniek technologie techniek techniek doortrapt, slim, gewiekst, listig schouwburg, toneel, theater technologie techniek technologie technologie boekentas, theca, aktentas portefeuille leden, aanhang boekentas, theca, aktentas

tekscie tekst tekstylia tekstylny tektura teledysk telefon telefon wewnętrzne telefon wewnętrzny telefoniczna pomoc techniczna telefonujący telegraf telegraf Baudot—Verdan telegraficzny telegrafować telegram telegram teleJkomunikacja telemetria teleskop telewizja telewizja telewizją temacie temacie temat temat temat temat podmiot tempa temperamencie temperament temperatura temperatura złącza p-n temperaturą tempo tempo tempo wielkość (miara względna) ten ten ten kto przeżył ten zielony tendencja tendencja tenis tenor teologia teologia theorem

tekst tekst weefsel weefsel kartonnen knippen, scheren, snoeien opbellen, telefoneren opbellen, telefoneren achtervoegsel, suffix adresboek bezoeker overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen telegram metaaldraad, draad communiqué telemetrie sterrenkijker, telescoop, verrekijker televisie televisie televisie onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit stof, onderwerp, subject onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit iets actueels, actualiteit treden, schrijden, stappen, lopen temperament temperament temperatuur temperatuur temperatuur proportie, verhouding, evenredigheid snelheid, vaart, spoed, radheid lopen, stappen, treden, schrijden dat dit, dit hier dito, identiek dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een afdrijven, op drift zijn, drijven wilsbeschikking, gesteldheid, aanleg tennis tenorstem, tenor theologie, godgeleerdheid theologie, godgeleerdheid

teologią teoretyczny teoria teorią terapia terapią Terasa teraz teraz gdy teraźniejszy teren teren termin termin termin termin termin amerykański termin brytyjski termin prawniczy termin przeciwstawny terminal wizyjny terminal znakowy prosty terminologią termometr termos termostacie termostat terror terrorysta terroryście terroryzm terroryzować terytorialny terytorium test test wewnętrzny test zgodności testamencie testament testament testować teza tezą też też nie też nie też nie tęcza

theologie, godgeleerdheid akademisch, academisch theorie theorie therapie therapie terras enfin, komaan, nou, nu, wel, tja enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig, actueel achtergrond, grond, bodem, ondergrond terrein benaming, naamwoord, naam dadel, dactylus affiche, aanplakbiljet, plakkaat term, vakterm Amerikaans Brits wettig, wettelijk, gewettigd, legaal tegenover, aan de overkant van scherm, schut terminal terminologie, vakwoordenboek warmtemeter, thermometer thermosfles thermostaat thermostaat terreur, schrikbewind terrorist terrorist terrorisme schrik aanjagen, doen schrikken territoriaal territoir, ban, gebied, grondgebied examen, keuring, onderzoek binnenste, binnenlands, intern examen, keuring, onderzoek verbond, uiterste wil, testament verbond, uiterste wil, testament uiterste wil, verbond, testament examen, keuring, onderzoek proefschrift, stelling, dissertatie proefschrift, stelling, dissertatie evenzeer, ook, mede, eveneens evenmin, noch neen, geen, nee, niet evenzeer, mede, eveneens, ook regenboog

tęczą tęczówka (oka) tęczówka oka tęgi tępić tępy tępy tępy ić tęsknić tęsknota tęsknota tęsknota za krajem tętnica tętno the former>ten pierwszy tkać tkanina tkanina do robienia worków tkanina nieprzemakalna tkwiący tkwić tlen tlen cz tlenić (włosy) tło tło okna tłoczyć się tłoczyć się tłok tłok tłok tłuc Tłuczek tłum tłum tłum tłumacz tłumaczenia tłumaczenie tłumaczenie (tekstu) translacja tłumaczenie języka symbolicznego tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć język symboliczny zestawić tłumaczyć się tłumaczyć się

regenboog Iris Iris gezet, zwaarlijvig, corpulent verdelgen, uitroeien bot, stomp gesmoord, toonloos, stomp, dof bot, stomp verlangen, hunkeren, reikhalzen verlangend, smachtend heimwee verlangend, smachtend slagader, arterie pols, polsslag, tel daarvoor, vooraan, eerder, indertijd weven weefsel weefsel weefsel aangeboren, ingeboren kleven, vastkleven, aanhangen zuurstof zuurstof water achtergrond achtergrond hoop, boel, drom, massa, menigte kudde, roedel hoop, boel, drom, massa, menigte zuiger pers temperen, mengen, mixen, vermengen stamper, vijzelstamper hoop, boel, drom, massa, menigte gastheer massa, drom, hoop, menigte, boel interpreter uitvoering, versie translatie, translaat, overzetting translatie, translaat, overzetting samenscholing vergaderen, samenkomen, bijeenkomen uitleggen, interpreteren, duiden pleiten translateren, overzetten, vertalen translateren, overzetten, vertalen uitleggen, interpreteren, duiden reproduceren, weergeven

tłumaczyć z języka programowania na język angielski tłumić tłumić tłusty tłusty tłusty tłusty tłuszcz tłuszcz wielorybi tłuszczowy to to to to samo toalecie toaleta toaletka toast tobołek todze todze toga tok tokarka tokarnia token tolerować tolerować tolerował tolerował tolerując tom tom (dyskowy)objętość głośność ton ton odcień tona toną tonąć tonąć topić Topić topić się topnieć topnieć topola topór tor

translateren, overzetten, vertalen doven, blussen, uitdoen, uitblussen onderdrukken, smoren, neerslaan gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal lijvig, dik vettig, vet dik, vettig, vet lijvig, dik invetten lijvig, dik best het dat dito, identiek privaat, secreet, toilet privaat, secreet, toilet ladenkast, commode branden, braden, roosteren bundel, wis, bos toga, jurk, japon toga, japon, jurk toga, jurk, japon tracé, route, leergang, cursus, koers draaibank, draaischijf draaibank, draaischijf adstructie, teken, bewijs te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten aanhoudend, blijvend, bestendig geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume intonatie, toon intonatie, toon ton ton verdrinken, verloren gaan, vergaan zinken, aan de grond raken verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien dooi peppel, populier hakbijl, bijl afdruk, voetspoor, spoor

tor żużlowy tor/szlak wodny torba torba (foliowa torba na zakupy torbą torebka torebka damska torf torfowiska torfowiska torfowiska torfowiska tornister tornister torować drogę torpeda torpedą torpedować tors tort tortura torturą torturować tortury tory kolejowe totalny towar towar towar towar na składzie towar wyrzucony za burtę towar wyrzucony za burtę towarach towarzyatwo towarzyski towarzystwo akcyjne towarzysz towarzysz towarzysz towarzysz zabaw dziecinnych towarzyszący towarzyszący towarzyszący towarzyszyć towarzyszyć tożsamość tracić zabarwienie

steeg afdruk, voetspoor, spoor tas, zak consument, gebruiker, verbruiker tas, zak tas, zak beurs, portemonnaie, geldbuidel tasje, reticule, handtasje turf onderbinden Moriaan, Moor aanbinden, meren Mauretaniër knapzak, ransel knapzak, ransel genist, geniesoldaat, baanbreker torpederen torpederen torpederen boomstam, stam koek, cake folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen spoor, spoorweg algeheel, totaal handelsartikel, artikel colli, goederen koopwaar, handelswaar, waar handelsartikel, artikel mikpunt, onderwerp, object, ding dingen, spullen handelswaar, koopwaar sociëteit, club sociaal, maatschappelijk firma, handelsfirma, handelshuis zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker maat, kornuit, kameraad, makker zich aaneensluiten, aansluiten ingesloten, bijgaand zich aaneensluiten, aansluiten steward vergezellen, accompagneren, begeleiden verplegen, zorgen voor, verzorgen identiteit dalen, kleiner worden, afnemen

portier tragisch tragisch tragisch afdruk. bij uitzenden. geluk. kloppen. houwen. klappen slaan. fortuinlijkheid bof. spoor verdrag. ronddelen. traktaat. mazzel. tractor trekker. fortuin. verhandeling trekker. dundoek. aan de hand zijn slaan. kloppen. naast. overlevering traditie. sturen. dichtbij. sturen. motie aan. uitdelen behandelen. doen toekomen opsturen. houwen. houwen. voeren . uitwendig. verhandeling verdrag. traktaat. kloppen. sturen. vlag transporteren. vandehands conciërge. behandeling tram tram aangelegenheid. omroepen uitzenden. omroepen uitzenden. buitenkansje slaan. omroepen uitzenden. behandeling kuur. doen toekomen vaan. toevallig Fortuna lot. klappen rechter-.tradycja tradycją tradycyjny tradycyjny tradycyjny traf traf traf traf trafić trafić się trafienie trafna odpowiedź trafienie trafny tragarz tragedia tragedią tragiczny trakt traktacie traktat traktor traktor do transporu drewna traktować traktować traktować na serio traktowania traktowanie tramwaj tramwaj transakcja transakcja transakcja globalna transakcją transcendentny transformować translacja translator adresów transmisja pojedyncza na żądanie transmisja radiofoniczna transmisja radiowa transmitować transmitować transmitować (do wszystkich węzłów sieci) transmitował transparencie transport traditie. overlevering gewoon. cureren behandelen. klappen gebeuren. tractor rondgeven. buiten-. cureren kuur. zaak. ding transactie transactie transactie extern. gebruikelijk ouder traditioneel incidenteel. uiterlijk vervormen resolutie. voetspoor. overbrengen. doen toekomen opsturen. nabij. omroepen opsturen. affaire.

route. baanvlak vlotten. aanstoten slaan. tracé. dobberen. voeren trekken transporteren. tenor aanklacht. grasveld. vergenoegd. kort. verticaal transitief. toeten toeteren. verduwen. melaatse gejubel . beschuldiging spul. baanvlak luchtweg reisplan. route. spijsvertering digestie. leproos. bondig. route. voeren tor. doorgang reisplan. sociëteit angst drillen. toestoten. voldaan inhoud kernachtig. een duw geven. drijven vlot boot. toeten een duw geven. een duw geven. acne. de trompet steken. baanvlak reisplan. schuit vlot gras gras gras verteren. overbrengen. overgankelijk overgang. passage. goedje. de trompet steken. dauwworm club. substantie lepralijder. toeten toeteren. tracé. toestoten aanstoten. tracé. klappen. transistor rechtopstaand. lepra eczeem.transport klucza transportować transportować tranzystor tranzystor polowy z rowkiem w ksztaJcie V tranzytywny trap trasa trasa domyślna trasa zastępcza ścieżka zastępcza trasować tratwa tratwa tratwa ratunkowa tratwą trawa trawa rosnąca na wydmach trawą trawić trawienia trawienie trawienie światłem przechodzącym trawnik trąba trąbce trąbka trącać trącać trącać łokciem trącenie łokciem trącić łokciem trąd trądzik trefl trema trenować tresować treśc treśc treściwy treść treść treść ruchu pakietów treść zasadnicza (dane właściwe przesyłane w pakietach sieciowych) trędowaty triumf transporteren. opvallen stortplaats aanstoten. stof. de trompet steken. toestoten melaatsheid. spijsvertering ets perk. beknopt inhoud tenorstem. digereren digestie. overbrengen. oefenen boren tevreden. kloppen. gazon. grasmat toeteren.

zegepralen. kreng. attent. kadaver horde. strubbeling knopen. alcoholische drank lijk. moeilijk. spoor tropisch acht. aanhoudend gestaag. bezorgd zijn. moeilijkheid. vergallen. bende troep kreng. min. vergeven vergiftigen. zegepralen. luttel. aandacht zich bekommeren. voetspoor.triumf triumfować triumfowanie trochę trolejbus tron trop tropiciel stopka(listy) tropić tropikalny troska troska troska troskliwie troskliwy troskliwy troskliwy troszczyć się trójca trójkącie trójkąt trucht trucizna truciźnie trudność trudność trudność trudny trudny trujący trumna trunek trup trupa trupa trupą truskawce truskawka trwać dłużej niż trwała ondulacja trwałość poprzez dziedziczenie trwały trwały trwały trwały trwały trwały identyfikator trwoga zegevieren. slim hard venijnig. zorgen tel. vergeven smart. leed bezwaar. triomferen zegevieren. bezorgd zijn. giftig doodkist. zorgen Drieëenheid driehoek. drank. aanstoten vergiftigen. triangel een duw geven. hachje aanhoudend. triomferen gejubel gering. kist alcohol. voorzichtig nadenkend zich bekommeren. oplettend behoedzaam. constant. klein trolleybus troon afbakenen aanhangwagen afdruk. verdriet. vergallen. attentie. kadaver. bestendig angst . bestendig blijvend. lijk aardbei aardbei aanhouden. toestoten. een knoop leggen zwaar. lastig. blijven aandringen Perm leven. karig. triangel driehoek. bestendig volhardend vasthoudend gestaag. constant. blijvend. vergiftig. voorzichtig aandachtig. achting zachtjes.

applaudisseren aan de scharrel zijn. verdoen manier. bibberen. fladderen beven. trant gemoedstoestand. kletteren. trigonometrie trillers maken triljoen verspuiten. knetteren dichtslaan aardbeving schokken opgooien. stok riet suikerriet staf. beven. stok toegegeven derde derde aanstrijken. huiveren knapperen. moreel. huiveren. stemming manier. stok staf. knetteren dichtslaan knapperen. opspatten. wijze.trwonić tryb tryb tryb (pracy) rodzaj uprawnienia tryb dostępu (w Uniksie) tryb łączący tryb oznajmiający tryb oznajmujący tryb przezroczysty (wykonywania operacji) trybuna trygonometria trygonometrią tryl trylion tryskać trzask trzaskać trzaskać trzaskać trzaskanie trzaśnięcie trząść trząść się trząść się trząść się trzcina trzcina trzcina trzcina cukrowa trzciną trzeba przyznać że trzeci trzeci migdał trzeć trzepnięcie trzepotać skrzydłami trzepotanie trzeszczeć trzeźwy trzęsienie ziemi trzmiel trzon trzy trzy pensy trzydziestka trzydzieści trzykrotny verklungelen. knetteren nuchter aardbeving hommel schacht. wijze. mijnschacht drie drie dertig dertig drievoudig. trant conjunctief. podium driehoeksmeting. rillen. bibberen staf. omroepen tribune. uitwrijven adhesie betuigen. wrijven. gooien rillen. stuiven dichtslaan barst knapperen. aantonende wijs indicatief. aanvoegende wijs indicatief. kletteren. kletteren. wijze. trant manier. opmaken. leiding. driedubbel . trigonometrie driehoeksmeting. aantonende wijs uitzenden.

scharrelen bespreken. rel. fiks. straf gevestigd. twaalftal harden. struik mouw knuffelen tulp boomstam. getier metro tunnel tuniek tuniek tonijn gal. alp toernooi. reserveren. plechtig. tabakspijp ingeboren. hardheid hard krachtig. kaak zenuw jus. plantengal. sop. stalen stugheid. intekenen blijven dertien verband. aangeboren heester. galnoot wang. stam herrie. hierheen binnenband. stevig. vast.trzymać trzymać się z dala od trzymać w rezerwie trzynaście trzystopniowa wymiana komunikató tu tuba tuba elektromagnetyczna tubylca tubylec tuleja tuleja tulić tulipan tułów tumulcie tumult tunel tunel tunice tunika tuńczyk tupecie tupet tupet tupet tura Turcja Turcja turecki Turek turnia turniej turysta turystyczny turystyka turyście tutaj tuzin twardnieć twardość twardy twardy twardy koniec wiersza twardy myślnik twardy orzech do zgryzienia twarz twarzowy morrelen. passend. friemelen. steekspel toerist toerist toerisme toerist hier. luchtband pijp. betrekking hier. geschikt . omgang. getier herrie. luchtpijp. roerigheid. saus anders maken. geducht. ceremonieel hard het hoofd bieden gepast. rel. koon. aangeboren ingeboren. veranderen Turkije kalkoen Turks Turk alpenweide. roerigheid. temperen. sterk. hecht afgemeten. hierheen dozijn.

bouwmeester auteur. rechtvaardig louter. je uzelf. verzekeren het jouwe. enkel. aan je. alleen. fair. elke week wekelijks. theorema beweren. aan jou. elke week gage. slechts. componeren verwekken verstoffelijken. godgeleerdheid stelling. de jouwe wezen architect. verzekeren betuigen. al. aanstrijken drukletter drukletter . alhoewel intussen. ofschoon. elke week wekelijks. aanstrijken kalken.twierdzenie twierdzenie twierdzenie twierdzić twierdzić (bezpodstawnie) twoj tworzenie serwerów WWW tworzyć tworzyć tworzyć tworzyć kopię zapasową tworzyć mozaikę tworzywa twój twój twór twórca twórca v pisać ty ty ty sam tyczka tyczka tydzień tygodnik tygodniowo tygodniowy tygodniówka tygrys tykwa tykwą tylko tylko tylko wstęgi boczne tylko z nazwy tylne światło (samochodu) tylne wejście tylny tył tył kompilatora tym niemniej tymczasem tymczasowy tymczasowy tynk tynkować typ typ źródłowy spil. jijzelf jou. je kuil Pool week wekelijks. aan je. creëren scheppen. hoewel. maar billijk. rechtvaardig pas. schrijver. jouw het jouwe. creëren stoffelijk. enig achterlicht achterdeur achterhoede achterhoede achterhoede wel. materieel je. voorlopig tijdelijk kalken. loon. de jouwe constructie. inmiddels. alleen. daarentegen tijdelijk. salaris tijger kalebas kalebas billijk. materialiseren scheppen. aanbouw samenstellen. verlaten. stilist jou. aan jou. fair. bezoldiging. bouw. as theologie.

set. verzekeren veilig stellen. betitelen bedrijf. stel ding. grijpen oor. grandioos. ageren. stel aankleden. tituleren. decreteren doen. overweldigend duizend duizendjarig tijdperk. bekleden kleding. dokument. verzekeren. stelletje. ver. watercloset een verband omleggen minder belangrijk. uitspraak. aangrijpen. omkleden. kleren complet. vluchteling verordenen. verzekering betuigen. voorwerp verminderen. typisch dwingeland. kruk. handelen besluit. akte. beklagenswaardig afslachten. armoede aankleden. kleden. kleding ding. afnemen oor uitgewekene. tiran duizend groots. bij-. geweldenaar. bezig zijn. omkleden. onderhouden veilig stellen. stelletje. zijerbarmelijk. tituleren. concours een verband omleggen een verband omleggen woordspeling WC. verzekeren. set. kleden. slachten gebrek. verzekering assurantie. assureren match. voorwerp kleren. beslissing bemachtigen. acte. stuk titelen. betitelen adresseren afknotten opvrolijken. klink .typowy tyran tysiąc tysiąc (dolarów tysiąc instrukcji na sekundę Tysiąclecie tysiąclecie tytan tytoń tytuł tytuł szlachecki tytuł własności tytułować u góry ubawić ubezpieczać ubezpieczenia ubezpieczenie ubezpieczenie na życie ubezpieczyć ubezpieczyć ubiegać się o posadę ubierać (się) ubierać się ubijać ubikacja ubiór uboczny ubogi ubój ubóstwo ubrać ubrać ubrać ubranie ubranie ubranie ubranie ubranie (męskie) ubranie cywilne ubywać ucho uchodźca uchwalać uchwała uchwała uchwycić sens uchwyt eigenaardig. assureren assurantie. handvat. verzekering assurantie. wedstrijd. kleren complet. bekleden kleding. millennium millennium Titan tabak titelen. amuseren. hengsel.

genootschap college student verplegen. afgrendelen ontsnappen. doen alsof aanstellerij. kruk. handvat. onnatuurlijkheid aanmatiging. onbescheidenheid hameren afrukken. ontgaan ontsnappen. verzorgen bezoeken. persen. emotie. rust. smulpartij. hogeschool. simuleren. geregeld bezoeken knap. zichzelf respecterend. aandoening recipiëren gevoel gewaarwording. ontgaan. afleren leren. stilte waardig. gelag festijn. uit de weg gaan op een kier staand drukkend. meegaand bovenbeen. ontwikkeld. rustig. plukken. voorwenden. geleerd wetenschapper. juist. degelijk academie. raak . aanleren knap. drossen grendelen. aandoening instrueren afwennen. snoeien oor. doen alsof voorgeven. ontgaan ontsnappen. ontkomen. ontkomen. doen alsof aandoen. bedaard. ontgaan grendelen. dringen. klink mijden. aangrijpen fingeren. smulpartij. ontwijken ontwijken. afgrendelen ontsnappen. gelag affect. rustigheid.uchwyt powiązania uchwyt środowiska uchylać się uchylać się uchylony uciążliwy uciec uciec uciec ucieczce ucieczka ucieczka uciekać uciekać się uciskać uciskać uciszyć uciszyć się uczcić uczciwy uczelnia uczelnia uczeń uczęszczać uczęszczać uczony uczony uczta ucztować uczucie uczucie uczucie uczucie) uczyć uczyć uczyć się uczyć się uczynny uda udaj udaj udawać udawać udawanie udawanie uderzać uderzać uderzający knippen. kalm kalmte. drukken pers stil. zorgen voor. eerzaam. scheren. hengsel. ontkomen. geleerde festijn. feestmaal. zwaar weglopen. geleerd toegevend. feestmaal. inschikkelijk. geprononceerd. uit de weg gaan. dij fingeren. simuleren. ontwikkeld. wegrennen. deftig eerlijk. mijden. een beroep doen op knellen. afbreken snedig. ontkomen appelleren.

boezem aanspannen. zelfverzekerd baseren. kloppen. uitlaten. klappen. fiducie hebben in vertrouwen. belichten stutten. inham. onderdrukken. stuk. kloppen. overeenstemming vertrouwen. strelen. schragen laten blijken. tappen. disputeren. doodsstrijd. kloppen. bocht. lossen twisten. inham. boezem golfspel. opvallen stompen Jan Klaassen aanspannen slaan. fiducie hebben in zelfbewust.w. geprononceerd. funderen Oeganda kneden overeenstemming. grondvesten. klappen. opvallen bovenbeen. onderdeel. geloof vertrouwen. opvallen slaan. gedeelte bijdrage verloten. loten college geven stortplaats accoord. angst smoren. benauwdheid. vertrouwen. klappen. samenklank huldigen. bocht. vereren. aantonen schuldig bevinden beklemming. neerslaan invoer belang inboezemen. uderzyć uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem udo udostępniać udostępniać udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc techniczna obsługa udostępnić udostępnienia udowadniać udowadniać udowodnić udręczenie udręka udręka udusić udział udział udział udział dyskowy udzielać udzielić udzielić nagany udzielić poufnej informacji ufać ufać komuś/być zwolennikiem czegoś ufność ufność ufny ufundować Uganda ugniatać ugoda uhonorować ujadać ujadanie ujarzmiać ujawniać ujawnić snedig. steunen. krakelen bewijzen. vergemakkelijken verlichten. golf. eren golfspel. angst doodsangst. aaien slaan. raak slaan. opvallen aanhalen. benauwdheid. klappen. vergemakkelijken loslaten.uderzający kontrast uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie serca uderzenie takie j. liefkozen. agonie beklemming. juist. dij tentoonstellen. golf. fiducie hebben in fiducie. interesseren deel. steunen. manifesteren . schragen verlichten. kloppen. het juk opleggen stutten.

priemen. lieveling schat. aanrichten. ziedaar. vatting akkoord. bedrieglijk opdraven. cliché aanhouding. verdonkeremanen . jongeheer pikken. troep. sluiks. accumuleren arrangeren. afbikken montuur. gediplomeerd scheelzien. muil slinks. aan de grond raken bek. doen. raadsel boog. lief. lieveling compleet. snikkel. toegang bek. pik. citeren. liefje schat. charmant ziehier. lief. prikken. jongeheer lul. liefje. snikkel. scheelkijken. lief. opeenhopen. liefje. liefje. muil zinken. lieveling. leuter. minus negatief. steken schat. bedrijven ontkennend min. schuin tersluiks. innemend. loensen afkraken afkraken scheef. hier. leuter. ordenen ophopen. maatregel circuit bende. arrestatie aanhalen. toog lul. lieveling schat.ujednolicić ujemnie ujemny ujemny ujęcia ujmować w cudzysłów ujmujący ujrzeć ujście ujście ujście danych ujście zdarzeń ukartować ukazać się układ układ układ logiczny odporny na szumy układ komplementarny MOS układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy układ mikroprocesorowy układ RTL układ zerojedynkowy układ żądania i przyznania magistrali układ żądania i przyznania magistrali układać układać układać w stos układance ukłonić się ukłucia ukłucie ukłucie ukłuć ukochana ukochana osoba ukochany ukochona ukończyć ukończyć studia ukośnie ukośnik ukośnik (prawy) ukośny ukradkiem Ukrainiec ukraiński ukraść maken. priemen. aanrichten. samenklank bikken. ingang. lieverd. steelsgewijs Oekraïens Oekraïens achteroverdrukken. volledig afgestudeerd. hierzo entree. prikken. schare circuit logica overeenstemming. steken pikken. noemen bekoorlijk. ordenen puzzel. pik. kijk. maatregel circuit arrangeren. opdagen akkoord.

kruisigen matigheid zacht. mantel vel. tokkelen. aanrichten. dodelijk doods. vertroetelen afgezonderd. vergemakkelijken arrangeren. kruisigen bijenkorf bijenkorf floppen. veredelen storm dreef. in het water vallen verbeteren. koesteren. verhelen kruisen. verdekt. afzonderlijk breuk. dierevel. adapteren brochure. zachtaardig . pels. vacht. laan steeg straat afstemmen.ukraść ukraść ukryć ukryć ukryć ukryty ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać się ukrzyżować ul ul ulegać awarii ulepszać ulepszyć ulewa ulica ulica ulicą uliczka uliczka uliczka uliczny ulokować ulotka ulotny ultimatum ulubienica ulubieniec ulubieniec ulubiony ulubiony ulubiony ulubiony ułamek ułatwiać ułatwiać ułożyć ułożyć się z wierzycielami ułuda umarli umarły umeblowany umęczyć umiar umiarkowany klemmen. nijpen sluipen blind jas. koesteren. vertroetelen uitverkoren uitverkoren troetelen. begoocheling. ontveinzen. knijpen. aanpassen. mild. ordenen arrangeren. aanrichten. clandestien vel. laan straat straat steeg dreef. vacht. dierevel. fractie tentoonstellen. ontveinzen. zachtmoedig. verdekt. huid verbergen. huichelen verborgen. ingenaaid boek zwak ultimatum uitverkoren uitverkoren troetelen. paperback. pels. belichten verlichten. clandestien verbergen. dodelijk gemeubileerd kruisen. huid verborgen. illusie doods. verhelen veinzen. veredelen verbeteren. ordenen drogbeeld.

kom wasinrichting. aanneming fixeren. onvatbaar. bepalen vasten ontbinden. aanstelling benoeming. verwoesten. vernielen ontbinden.umiarkowany umiejętności umiejętność umiejętność umiejętny umiejscawiać umiejscowienia umiejscowienie umierać umieszczenia umieścić umieścić umieścić umocnienie umocować umocowany umorzyć (dług) umowa umowa umowa licencyjna umowa obustronna umowny umówione spotkanie umówiony termin umycie umyć sobie włosy umysłowy umywalnia umywalnia uncja uncja (28. universiteit academie. vatting situeren. annuleren. stand. ontwijken typisch. ervaring. bezadigd. wasgelegenheid ons ons unie vernietigen. leggen. maatregel verbintenis. nieuwsgierigheid uniek. matig belevenis. curieus. lokaal. universiteit krankzinnig zijn zweven immuun. resistent . leggen. eigenmachtig benoeming. vreemd weetgierigheid. enig vernietigen. bevestigen. ondervinding bekwaamheid. mentaal vont. kundigheid geschiktheid wetenschappelijk situeren. universeel academie. aanstelling wassing het haar wassen geestelijk. afgelasten mijden. plaatsen plaats. sober. uit de weg gaan. plaatsen ligging houding. verwoesten. samenklank akkoord. overlijden. vernielen algemeen. bekken. universeel algemeen. contract congres willekeurig. arbitrair. afgelasten overeenstemming. annuleren. washok. plek aanspannen vormsel. sterven montuur.35 grama) unia unieważniać unieważnić unikać unikalny unikat unikat unikatowy uniważnić uniwersalny uniwersalny system przetwarzania informacji uniwersytecki uniwersytet unosić się unosić się w powietrzu uodporniony nuchter. positie doodgaan. enig uniek. oord.

blijven aandringen het uiterlijk hebben van. zich verbeelden hoe. assureren constateren. ophouden. neervallen. plechtig. beschaving. afvallen. als. uitgaan. koppig koppig. duchtig. teelt. naasten nationaliseren. aansporen aandenken. bevoegdheid. hard. koppig aanpassen. bevinden constateren. storten instorten. geest uploaden aflopen. verootmoedigen verootmoediging. bij wijze van. vuur nationaliseren. manen. verzekeren. vernederen. vernedering nederig. gedenkschrift bar. verzekeren veilig stellen. bekorten. onderdanig. gedenkschrift aandenken. afkorten vereenvoudigen. teelt. hardnekkig. hardnekkig betuigen. ceremonieel halsstarrig. hardnekkig afgemeten. voor. er uitzien afgrijselijk blinde. bouw tuinieren cultuur. vaststellen. machtiging inkorten. halsstarrig. ineenstorten. afstemmen. pakken. volmachtigen. streng. straf koppig. autoriseren mandaat. eindigen bedenken. blinde bij kaarspel.upadać upadać upadek upadek upadek upadek upakować upał upaństwawiać upaństwowić uparty uparty uparty uparty się upewniać upewniać się upewniać się (<sth> co do czegoś) upewnić się upiec upierać się upierać się upilnować upiorny upiór upload upływać upodobanie upodobanie upokarzać się upokorzenie upokorzyć upominać upominek upominek uporczywa (walka) uporczywy uporczywy uporządkować coś uporządkowanie uporządkowany upoważniać upoważnić upoważnienie upraszczać upraszczać uprawa uprawa drzew uprawa ogrodu druppel. hardnekkig halsstarrig. hardnekkig. naasten koppig. bouw . autoriseren machtigen. uiteenvallen ebvallen. storten afgang inpakken. deemoedig vermanen. instelling systematisch machtigen. beschaving. halsstarrig. adapteren afstelling. neervallen. verpakken gloed. vaststellen. waterdruppel vallen. bevinden bakken aandringen aanhouden. tot kleinmaken. afvallen. halsstarrig. aanmanen. volmachtigen. simplificeren cultuur.

welgemanierd vriendelijk. vlotheid titelen. fonds dobbelen hof. beschaafd. afschaffen. alreeds daarvoor. worstelen agrarisch bebouwen. aardig. tituleren. bewerken. opdoeken span al. eerder. bereidvaardig beschaafd. kweken drillen. machtiging mandaat. tuin kampen. indertijd vooroordeel. lief. machtiging autoriteit. prejudiciëren zachtjes.uprawiać uprawiać uprawiać uprawiać autostop uprawiać hazard uprawiać stręczycielstwo uprawiać zapasy uprawiać ziemię uprawnianie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie do zarządzania zadaniami uprawnienie do zmiany uprawnienie publiczne uprawnienie zdolność uprościć uprowadzać uprowadzenia uprowadzenie uprowadzić uprzątać uprząż uprzednio uprzednio uprzedzać uprzedzać (<against sb> do kogoś) uprzedzenia uprzedzenie uprzedzić uprzejmie uprzejmość uprzejmość uprzejmość uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzywilejować uprzywilejowany upust upuść uradowany uradowany Uran uran bebouwen. gezag vereenvoudigen. voorrangsdisconto druppel. bevoegdheid. machtiging autoriteit. bevoegdheid. voorzichtig gunst. kweken mandaat. vooringenomenheid anticiperen. alvast. oefenen geldkist. bewerken. bevoegdheid. vooringenomenheid vooroordeel. hoffelijkheid voorkomend. vooraan. kas. liefheid beleefdheid. waterdruppel verrukt jubeluranium Uranus . prejudiciëren vooroordeel. simplificeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoeren elimineren. welgemanierd preferentie. prae bevoorrecht. bevoegdheid. machtiging vrijdom. vooringenomenheid anticiperen. vrijheid. gezag mandaat. begunstiging. betitelen geschiktheid mandaat. privilege. wellevend. genadigheid voorkomendheid. vriendelijk wellevend. reeds. voorkomend bereidwillig.

behouden. ontslaan aanrijden. organiseren bijkomstig. verwonding trots beledigen. kantoorbediende ambtelijk. geboortedag. grenskantoor aanplakken postkantoor arrangeren. krenken afhandelen. verjaring appelleren. knapheid onbekrompenheid. schoonheid. aanbiddenswaardig bekoorlijk. een beroep doen op aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid afleidingsmanoeuvre ontzetten. genoeglijk viering fraaiheid. accommodatie. begrijpen bediende. apparaat slaaf idee. lanceren. wond. bevatten. officieel . kwetsuur. charmant behaaglijk. ter dood brengen aanzetten tot. redden redden. innemend. ontketenen executeren. ordenen uitschrijven. klip usance. benul.uratować uratować uraz uraza urazić uregulować (np. aanzetten klif. officieel bediende. voorrijden uitschrijven. aanrichten. vrijaf vakantie vakantie aanbiddelijk. begrip. bergen. inrichting beseffen. afdoen verlof. kantoorbediende officier ambtelijk. bijkomend akkoord. behouden blessure. activeren. regelen. denkbeeld uitrusting. gewoonte. maatregel hulpmiddelen. royeren. inrichting. overvloed vruchtbaar geboorte geboorte verjaardag. gebruik douanekantoor. bijbehorend. rachunek) urlop urlop urlop chorobowy sickness uroczy uroczy uroczy uroczystość uroda urodzaj urodzajny urodzenia urodzenie urodziny urok urok urok urozmaicenia uruchamiać uruchamiać uruchamiać (program) uruchomić uruchomić w tle urwisko urząd celny urząd celny urząd pocztowy urząd pocztowy urządzać urządzać urządzenia pomocnicze urządzenie urządzenie urządzenie peryferyjne urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela urządzenie zewnętrzne urzeczywistniać urzędnik urzędnik urzędnik państwowy urzędnik stanu cywilnego urzędowy bergen. affronteren.

stichten gesticht. paragraaf neerleggen. oprichten. stil. afstand doen . spoedeisend gehoorzamen speurtocht. układ ustąpić ustęp ustęp (w książce) ustęp w książce ustępował ja zeggen. dienst. rustig. ophouden statuut inrichting. oplettend gematigd. stichten determineren. dienst. bedaard. kalm gematigd. oprichten. godsdienstoefening courtage te wachten staan. kalm wiegen harden. star. aard harden. bescheiden. inrichting grondwet. stalen karakter. brandend. wachten. rustig. zoektocht eredienst. bevestigen dringend. bedanken. temperen. voorleggen server aandachtig. nauwkeurig bepalen onbeweeglijk. instituut. hulpmiddelen inrichting. vast inrichten. attent. zoektocht eredienst. matig stil. paragraaf artikel. bescheiden. speurwerk. hulpmiddelen arrangeren. speurwerk. afhalen serveren. aflaten. aangegrepen verontschuldigen verontschuldigen wijzigen. apparaat. matig bedaard. stichten inrichten. constitutie instelling recht statuut stoppen. ordenen akkoord. maatregel toegeven kast artikel. godsdienstoefening vinger speurtocht. aanrichten. temperen.usankcjonować usilny usłuchać usługa elektroniczna usługa o najwyższej możliwej jakości usługa uaktualniania sterowników usługa uwierzytelniania usługa zabezpieczenia usługi maklerskie usługiwać usługiwać usługodawca sieciowy usłużny uspokajać uspokoić uspokoić uspokoić uspokoić się usposobienia usposobienie usposobienie usposobiony usprawiedliwiać usprawiedliwić usprawnić usta ustalać ustalać z góry ustalić ustalony ustanawiać ustanowić ustanowić ustanowienie ustanowienie ustawa ustawa ustawać ustawą ustawiać ustawianie ustawić ustawienie. muil determineren. beamen. stalen aangedaan. geaardheid. nauwkeurig bepalen inrichten. apparaat. oprichten. modificeren bek.

met gom bestrijken reinigen. louteren elimineren. schoonmaken. vernielen gommen. luwen mondeling mondeling. opdoeken uitwissen. beroerd. opdoeken schoppen. uitvegen. kwijnen. defect. sacraal capabel. verdorren eerbiedigen.ustępował ustnie ustny ustronne (miejsce) ustrój usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć przekrwienie usunąć usuwanie (z IRC) usunąć zaznaczenie usuń usuwalny usuwanie źródeł zakłóceń radiowych usychać uszanowanie uszczelniać uszczelnić uszczypliwy uszczypnąć uszko uszkodzenie uszkodzenie styku uszkodzić uszkodzić uszkodzony uszkodzony sektor uścisk uścisk uścisk uścisk uścisk dłoni uściskać uścisnąć (rękę) uśmiech uśmiech sieciowy uśmiechać się uśmiercać uśredniać uświadomić uświęcać uświęcony utalentowany utalentowany utalentowany utknąć bekoelen. bederven kapot. borrel oor. afschaffen. verwoesten. respecteren strakker aantrekken. bedaren. bloot. wegvagen afneembaar akkoord. trappen elimineren. wegvagen vernietigen. kruk. afschaffen. knellen vasthaken knuffelen drukken. slecht. persen. kundig. omarmen bemachtigen. hand drukken. verlichten heiligen geheiligd. breeuwen puntig. afschaffen. hengsel. aantrekken kalfateren. gehavend. oraal enkel. dringen. regime uitwissen. kwaad omhelzen. persen. spits aperitief. staatsvorm. klink schuld verval schade aanrichten. uitvegen. louter stelsel. aanzienlijk getalenteerd. beschadigen. stuk. opdoeken elimineren. talentvol logeren . kaduuk kwalijk. schaden havenen. bekwaam eminent. gewijd. vernielen gemiddeld illumineren. heilig. kalefateren. maatregel verflensen. uitstekend. knellen glimlachen glimlachen glimlachen vernietigen. handvat. grijpen handdruk. verwoesten. dringen.

formeren fragment. eindigen verloren. attentie. temperen. stalen samenstellen. hinken. ontslaan afhelpen loslaten. waterdruppel vertogen. steunen. opsluiten gevangenis. brok tekst scheppen. lossen vermeerderen accentueren. aanbidden adoratie. met aandacht. emotie. kerker. standje. attentie. kwijt. tappen. adoreren. uitlaten. weglokken gevangen zetten. oordelen.utkwiony wzrok utopią utopijny utracić ważność utracony utrapienia utrapienie utrata wydajności utrzymać utrzymywać utrzymywać (coś w ruchu) utrzymywać (stosunki utrzymywanie utrzymywanie się utwardzać utworzyć utworzyć utwór (muzyczny utwór liryczny utwórz utykać utykanie (na nogę) utylizacja uwaga uwaga uwalniać uważać uważać uważający (<of sth> na coś) uważnie uważny uwertura uwerturą uwiązanie uwiązanie uwielbiać uwielbiać uwielbienie uwierzytelnienie uwieść uwięzić uwięzić uwolnić uwolnić uwolnienie uwydatniać uwypuklać uwypuklać staren. schragen harden. ophouden. verlokken. creëren kreupel lopen. utopisch aflopen. betogen. argumenteren blijven vertogen. schragen stutten. attent. aandacht beoordelen. benadrukken . maken. componeren doen ontstaan. aandoening aanhechting verafgoden. turen. attent aandachtig. neiging acht. aanstaren Utopia utopistisch. steunen. berechten behoedzaam. oplettend ouverture ouverture affect. mank lopen kreupel lopen. vervlogen hoofdpijn pest druppel. beklemtonen met nadruk zeggen. adoratie geloofsbrief verleiden. aanmerking. lust. nor vrijstellen. hinken. uitgaan. betogen. voorzichtig aandachtig. aanvechting. aandacht berisping. argumenteren zich gedragen stutten. mank lopen zin. blaam bevrijden acht. aanbidding aanbidding.

gave. onpartijdig aanaarden agnosceren. toepassing utility bevorderlijk. bij acclamatie benoemen eerbetoon. als waarheid aannemen laten. tuberculose aanwending. beoefenen . aanleg bekwaam. hand accoord. afzijdig. usurperen verkrijgen. begaafdheid. aanleg talent. aanwerven uitbuiten. klem afhankelijkheid verontschuldigen garanderen. als waarheid aannemen agnosceren. bij acclamatie benoemen toejuichen. overeenstemming handdruk. ondergrond neutraal. capabel. afgesproken. houden voor toejuichen. kundig het eens zijn. akkoord opnemen. dienstig. buit maken longtering. hand in orde. geloven. akkoord onbeweeglijk. huren. grond. star. hulpvaardig aannemen. tering. begaafdheid. gave. uitmelken gebruiker gebruiker betrachten. laten begaan. betomen talent. exploiteren. aardleiding achtergrond. vast aanaarden aanaarden aanaarden aarding. overeenstemming handdruk. laten schieten menen. buit maken verkrijgen. afgesproken. overeenstemmen in orde.uwypuklać wzmagać uwypuklenie uzależnienia uzasadniać uzasadniać uzdą uzdolnienia uzdolnienie uzdolniony uzgadniać uzgadniać uzgadnianie uzgodnić uzgodnienia uzgodnienie uzgodnienie włączania i wyłączania uzgodniony uzgodniony uziemiać uziemienia uziemienie uziemienie uziemienie uziemiony uziom uznać uznaj uznaj uznaj uznania uznanie uznanie uznanie uzupełniać uzupełniający uzurpował uzyskać uzyskiwać użycie użycie użyteczność użyteczny użyteczny rozmiar ekranu: 13 użytek użytkować użytkownik użytkownik zaawansowany używać vermeerderen nadruk. borg staan voor bedwingen. eerbetuiging erkenning compleet. beteugelen. afboeken accoord. overweldigen. bodem. volledig aanvullend kraken. nuttig behulpzaam.

naar met de klok mee. beëindigd per. op. naar boven. holte zitkamer. opeenhopen morsen zoenen. tot. nesthaar. aanvaller geruit. opwaarts. bij. ophopen. dons tegenwoordig tegenwoordig op. enig over. rechtsom aan. grot. opwaarts. op. okay. binnen feeëriek samen. aanwerven aanwending. ernaast. huren. geblokt geruit. totaliter. bemesten. heel drachtig. afgelopen. afgewerkt. in omloop hiernaast. bezorging werkwoord klaar. voor. opwaarts omhoog. aan de overkant van goed. verterend. zullen gieren. geblokt spelonk. woonkamer archief op bed hiervandaan. tezamen. huiskamer.używać używać powtórnie używać życia używany używany do tworzenia czasu przyszłego użyźniać v V (<spill v całować (się) v leżeć v przycinać (drzewa v zaopatrywać verbum verte w w (pewnych) granicach w biedzie w budowie w charakterze w czasie w dobrym guście w domu w dół w dużej mierze w dużym stopniu w gniewie w gotowości w górę w górę i w dół w górze w każdym wypadku w każdym wypadku w kierunku obrotu wskazówek zegara w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara w końcu w kraju i za granicą w kropki w którym w którym najwięcej się przebywa w lombardzie w napięciu w plamy/cętki w płomieniach w płomieniach w pobliżu w połowie drogi w porównaniu z aanwending. daarnaast louter. verlaten. kussen rusten snoeien aanvoer. alleen. in. okee . krocht. ineen volkomen. verzendend circulerend. dons waas. overheen. bijeen. te. nesthaar. rechtsom voorspeler. mesten accumuleren. hol. toepassing aannemen. zwanger aanhangig ander waas. vanhier gloeiend. vurig. tegen. naar boven met de klok mee. omhoog. naar boven boven boven omhoog. toepassing tweedehands gaan.

wegen. inmiddels. zodoende inderdaad. inbegrepen. laf. symbool van middelbare leeftijd per. hatelijk wafeltje weegschaal. achterwaarts.w potrzebie w przeciwieństwie do w przybliżeniu w razie uszkodzenia niektórych elementów) w rzeczywistości w stosunku do w strachu w systemie AutoCAD w środku w tej chwili w twoim wieku w tyle w tym celu w wielu wypadkach w wyniku w zwrocie <with arms akimbo> podparłszy się pod boki w zwrocie <without demur> bez sprzeciwu w zwrocie: <in the meantime> w międzyczasie w zwrocie: <in the meantime> . vandehands ander ongeveer. rugwaarts achteruit. een stuk of. stuk gaan kwaadaardig. aanlokkelijk lokken aas. daarentegen per. te. incluis bijgevolg. weglokken. waarachtig lafhartig. haperen. te. binnen in. in. binnen verlokken. schaduwzijde. bestelwagen wagon. overschot gewicht automobiel. achterwaarts. balans.w międzyczasie w żadnym wypadku w żałobie wabić wabić wabić wabik wachlarz wada wada wada w zabezpieczeniach wada wymowy również jąkanie wadą wadliwe działanie wadliwy wafel waga waga waga waga półciężka (w boksie) waga półciężka (w boksie) wagon wagon wagon wagon (towarowy) wagon bagażowy rechter-. in. boosaardig. te. metterdaad. aanvuren. schaduwzijde. te. minpunt schuld nadeel. binnen per. auto affuit bestelauto. binnen iets achteruit. spoorwagen bagagewagen . rugwaarts inclusief. lokaas aanwakkeren. dus. minpunt schuld nadeel. schaduwzijde. dus. circa bijgevolg. bang zinnebeeld. zodoende hierbij intussen. aanzetten nadeel. te. minpunt uitvallen. inmiddels. afwegen gewicht saldo. per per. waag het gewicht bepalen. derhalve. in. daarentegen intussen. in. binnen. derhalve. verleiden lekker.

sputteren. aarzeling geschommel. handkoffer. wal. kleiner worden. vuur damspel waarde. bolwerk. hapering. krik Wales dichtslaan Welshman Wels valies. mopperen. schoorvoeten. vrijaf wals worstelen. spartelen. pakken worstelen. gehalte kankeren. tobbe. spartelen. beetpakken. straatschender vanille vanille bad. zich aftobben strijden. kampen. zich aftobben muntsoort. afnemen bezetene. badkuip bak. kuip kalk kalk gloed. koffer strijden. gek. valuta dijk. mopperen. omwalling waterkering. strijd voeren beetnemen. beugel aarzelen. dapper. waterkering bastion. sputteren. cilinder vandaal. dubben zweven aarzelen. handkoffer. schoorvoeten.wagon sypialny wagon towarowy wagonik wahać się wahać się wahać się (w podjęciu decyzji) wahania wahanie się wakacje wakacje (ferie) walc walce walczyć walec waleczny walet Walia walić głową w mur Walijczyk walijski walizce walizka walka walka wręcz walka wręcz waluta Wał wał obronny wał ochronny wał ochronny wałek do włosów wandal wanilia wanilią wanna wanna wapno wapno palone war warcaby warcie warczeć wardze warga wariant wariantowy (typ danych) wariat warknąć warkocz slaaprijtuig. morren lip lip dalen. dommekracht. kampen. morren vlechten . braaf. cilinder flink. strijd voeren rol. ferm vijzel. slaapwagen wagon. krankzinnige kankeren. dijk loopgraaf rol. teil. koffer valies. eerlijk. spoorwagen trolley. schommeling vakantie verlof. dubben geweifel.

voorwaarde. bewaren gezwind. lijvigheid rek. bepaling ets je. bok winkel. haastig. beweren voorwaarde. bank. gauw. buit. ezel. top. lauwer vont. jouw het jouwe. vakterm verzekeren. kom vaas. acquisitie. neus. schraag. wacht conditie. voorwaarde. snel prooi. gehalte waarde. pul libel. schraag. verdienen waarde. gehalte waardig. waardevol overschatten. clausule. waterjuffer. navraag term. waar bewaken. bepaling conditie. bepaling voorwaarde. bepaling conditie. tip. gehalte schildwacht. ezel. zaak werkplaats waarde. bekken. overwaarderen waarde. bok Warschau rek. bepaling bevoegdheid. piek waard zijn. bekken. juffertje . vraag. gehalte gemiddeld spits. aanwinst zeldzaam kostbaar. vat. punt. eerzaam. pot. clausule. toekomen. de jouwe watt watt watten watten lever laurier. de wacht hebben. bank. kom vaseline vont. overjas aardlaag aardlaag dikte.warkocz warstwa warstwa warstwa zubożona warstwą warszat programisty środowisko robocze Warszawa warsztacie warsztat warsztat wart wart warta wartki wartościowa cecha wartościowy wartościowy wartość wartość wartość skuteczna wartość systemowa wartość wyjściowa wartość znamionowa wartość źródłowa porządku wartownik warunek warunek warunek warunek warunek wstępny (konieczny) warunek wystąpienia błędu warunek wyszukiwania warunek złożony warunkować wasoryt wasz wasz wat wat wata watolina watroba wawrzyn waza wazelina wazon wazon ważce vlechten jas. voorwaarde. kwalificatie kwestie. spoedig.

vakantiedag. nauw zeeëngte. eng. pril. geldig. geldend. bekrompen. vroeg vroegtijdig. knevel draad. belangrijk. vigerend relevantie erg. zbiór przeszukiwanych informacji) wąsy wątek wątek zablokowany wątły wątpić wątpliwość wątpliwy wątpliwy wątroba wąż wąż WC wcale iać wchłaniać wchłaniający wchłanianie wchodzić (na statek wchodzić na pokład wciągać na listę wciągnąć w zasadzkę wciąż wciąż wciąż wciąży wcięcie wciskać kit wczasy wczesny wczesny wczesny rozwój talentów wcześnie wcześniejszy wczoraj wczoraj wieczorem wczorajszy dzień libel. opslorpen. geldig. juffertje gangbaar. zich vastklampen aan aanklampen. zich vastklampen aan uitlisten. materieel het gewicht bepalen. vroeg voorafgaand. geur. watercloset erg. voorgaand gisteren gisteren gisteren .ważka ważki ważność ważny ważny ważny (posiadający moc prawną) ważyć wąchać wąs wąski wąski wąski zawęzić (np. knevel smal. steeds herhaaldelijk. kanaal. garen zwak. immer. rustdag vroegtijdig. wegen. opsturen snipperdag. dubieus aanvechtbaar. twijfelachtig. pril. vigerend stoffelijk. nauw. voornaam gangbaar. straat snor. zwanger inspringen doen toekomen. licht dubben. sturen. afwegen reuk. in dubio staan discutabel. opslorping aanklampen. vroeg jeugdigheid. verleden. luchtje. straat zeeëngte. ernstig. een lijst maken een hinderlaag leggen altijd. waterjuffer. nauw. krap. bijster in beslag nemen. in dubio staan dubben. absorberen absorberend absorptie. twijfelen. betwistbaar lever slang slang WC. kanaal. jeugd vroegtijdig. twijfelen. geldend. meermaals nog drachtig. lucht snor. garen draad. pril.

sluieren wollen wollen Venetiaans verhandelen. toegang aanmelding invoer invoer uitgeven. toegang naar beneden gaan. cambio omsluieren. insteken. doorstoten vegetarisch deuropening entree. aflopen veranda dienst nemen dienst nemen judicium. sierlijk dankbaar. ingang. overdoen aanwakkeren. sententie. erkentelijk sierlijkheid Gratie sierlijkheid sedert. met ingang van. vonnis judicium. aanvuren. hellen. ingang. uitspraak. bevallig. dankbaarheid gracieus. sententie. emitteren invoer aanmelding deuropening entree. afdalen indoen. bezielen. tappen. inademen inspireren. aanzetten ventilator. overhellen. binnendringen. inboezemen erkenning erkentelijkheid. ingang. toegang aanmelding deuropening entree. wan Venus veranda buigen. vonnis uitvoering. steken wissel. vanaf uur doordringen. uitspraak. versie .wdowa wdowca wdowiec wdychać wdychać wdzięczność wdzięczność wdzięczny wdzięczny wdzięk wdzięk wdzięk według według stałych kursów walut wedrzeć się wegetariański wejścia wejścia wejścia wejście wejście wejście wejście wejście radaru dalekiego zasięgu wejście z klawiatury wejście zegarowe wejście zerowe wejście/wyjście danych wejście/wyjście danych wejść wejść w życie weksel welon wełna wełną wenecjanin wentyl wentylator wentylator Wenus weranda werandą werandą werbować werbował werdykcie werdykt wersja weduwe weduwnaar weduwnaar ophalen.

checken. in. versie controleren. te. tarten. monter goedgeluimd. per. rondtrekken. kreunen west west. vrolijk. monter goedgeluimd. kreunen zuchten. per. houtskool . trekken. binnen binnen. geur uitvoering. rondtrekken. exploot. bruiloft lustig. in. binnenlands. trekken. aflezen bruiloftsfeest. inheems. aflezen controleren. kreunen zuchten. goedgehumeurd snaaks. binnenlands. exploot. trekken rondtrekken. binnenste binnenste. rondtrekken. oudgediende dierenarts per. vies ruiken trekken. binnenlands. westen westen westers. te per. intern aanplakken Io Io dagvaarding.wersja o średniej szybkości wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza weryfikować weryfikował wesele wesoły wesoły wesoły wesoły wesoły westchienie westchnąć westchnienie western western western western wesz weteran weterynarz wewnątrz wewnątrz wewnątrz ośrodka wewnątrz siedziby wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny test po włączeniu wewnętrzny test po włączeniu wewy odwzorowane w pamięci we-wy odwzorowane w pamięci wezwania wezwanie wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) węch wędrować wędrować wędrować wędrował wędrowiec wędrownik wędrówka węgiel węgiel drzewny afkorting. rondreizen rondreizen. checken. uitdagen. intern binnenste. schelmachtig. trekken rondtrekkend. assignatie dagvaarding. in. verkorting op smaak brengen. inlands intern. assignatie trotseren. trekken kool. Westers. migrerend rondreizen. te binnenlands. rondreizen rondreizen. inwendige binnenste. westelijk luis veteraan. dartel zuchten. guitig. goedgehumeurd keurig. rondreizen rondtrekken. te. kruiden aroma. binnen binnen. rondtrekken. trekkend. uittarten stinken. in. steenkool dovekool.

boodschap nieuws. flap. windsel strip. bobine whisky whisky mout houw. een knoop leggen mysterieus. boodschap bericht. winden. band. klos. klap nieuws. knooppunt knopen. een knoop leggen knopen. een knoop leggen aansluiting gastheer knopen. nieuwtje woord. spoelen op een klos winden. band. das bemachtigen. vertrouwen authentiek. boodschap bericht.Węgier węgierski węgorz Węgry węzeł węzeł węzeł węzeł (graficzny na krzywej składanej) węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) węzeł graficzny na krzywej składanej węzeł kolejowy węzeł o wielu podłączeniach węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę węzłowaty wężownica whisky whisky whisky słodowa wiać wiadomości wiadomość wiadomość wiadomość wiadomość dnia wiadomość itp. reep. reep. spoelen luchtdrukgeweer iep. echt. knoest.) wiadomość jawna wiadomość odbita Wiadro wiadro na węgiel wiadro na węgiel wiara wiara wiarą wiarą wiarygodny wiatr wiatr północnozachodni wiatr północno-zachodni wiatrówka wiąz wiązać wiązać wiązać koniec z końcem wiązanie wiązanie walencyjne Hongaars Hongaars aal. aangrijpen strip. strook. nieuwigheid. slag. waar op een klos winden. bewoording bericht. geheimzinnig spoel. onvervalst. boodschap communiqué emmer emmer emmer overtuiging geloof. windsel . winden. fiducie. olm inbinden. fiducie. strook. een knoop leggen stropdas. mep. nieuwtje bericht. binden stropdas. grijpen. paling Hongarije hoek knopen. nieuwigheid. das knopen. een knoop leggen geleding. winden. spoelen op een klos winden. knoop. vertrouwen overtuiging geloof.

kijkspel. bos mutserd. gehoor. chrustu) wiązka elektronów wiązka światłowodowa wiążący wibracja wibracją wibrować wibrował wice wiceprezes wiceprezydent widelec widełki widły widnokrąg widocznie widocznie widocznie widoczny widoczny widoczny dostępny widok widok widok widokówka widowisk widowiska widowisko historyczne widownia widownia (w teatrze) widz widzenie widzieć widzieć się widzowie wieczne pióro wieczność wieczność wieczny wieczór wieczór Wiedeń wiedeński wiedza bos. trilling trillen. visioen. droombeeld briefkaart bril spektakel. ondervoorzitter vice-president. huis toeschouwer gezicht. bundel bundel. windsel vibratie. bundel bos. visioen. wis. gehoor. pand. band. kunde . spaak bos. plaatsvervangend vice-president. vertoonbaar zichtbaar naar buiten. droombeeld ontmoeten. duidelijk. buitenwaarts onderzoeken. examineren richtmiddel. vork kruis. horizon. duidelijk in schijn. trilling vibratie. wis. wis. wis. bundel strip. gezichtseinder klaarblijkelijk. zoeker. auditorium geslacht. brandstapel. aantreffen interviewen toehoorders. auditorium vulpen eeuwigheid onvergankelijkheid. kijkspel. mutsaard straal. blijkbaar. vork kim. vibreren subsidiair. brandstapel. blijkbaar klaarblijkelijk. naar het schijnt aanwijsbaar. reep. schouwspel toehoorders. ondervoorzitter kruis. mutsaard mutserd. vizier gezicht. schouwspel spektakel. vibreren trillen. nakijken. kennis. eruit. strook. vork kruis.wiązanka wiązka wiązka wiązka wiązka (np. eeuwigheid eeuwig avond nacht Wenen Weens bekendheid.

geliefde. perceel menig. excellent. nauwgezetheid . dus. bestek. boel. slingerkrans varkensvlees varkensvlees dom. vereerster vereerster. sterkte. minnares bewonderaarster. slingerkrans grip. tovenares. heks ergo. adhesie slinger. aanbidster vriendin. grandioos. toverheks. overweldigend groot nobel. bestek. boers leeftijd. stiptheid. vele veel Pasen tof. tiptop. meermaals veelvoud veelvoud veelvoud multinationaal kruisband. veel. ook weer. kennis. simpel. guirlande. flauw aanboren boren juist. omvang herhaaldelijk. bekend zijn met kol. toch landelijk. gegrond accuratesse. edel hoeveelheid. kostelijk groots. kronen slinger. grootte grootte. banderol veelvoud walvis multitasking bekronen. gelijk hebbend. grootheid omvang. vereerster kemel. guirlande. wikkel. bestek. onnozel. ouderdom eeuw leeftijd. vrijster. kunde kennen. ouderdom oud bewonderaarster.wiedzą wiedzieć wiedźma wieę wiejski wiek wiek wiek dojrzewania wiekowy wielbiciel wielbiciel wielbiciel wielbiciel corridy wielbłąd wiele wiele wiele Wielkanoc wielki wielki stopień scalenia wielki stopień scalenia wielkoduszny wielkość wielkość wielkość wejściowa równoważna szumom wielkość wyjściowa wielokrotnie wielokrotność multiplexer wielokrotny wielokrotny strumień rozkazów wielokrotny strumień danych wielonarodowy wielopak wieloraki wieloryb wielozadaniowość wieniec wieniec wieność (zasadom) wieńca wieprzowina wieprzowiną wiercenie wiercić wiercić się wierna (kopia) wierność (odtwarzania) bekendheid. kameel kavel. grootte omvang.

knoest. ook weer. spits geleding. geloven hangen platteland. trilgras zefier eekhoorn eekhoorn aanreiken. neus. aangeven. oningevuld. afdragen toren toren toren ergo. wannen. tip. open veld plaats. top. gestaag trouw. knooppunt overtuiging houden voor. menen. hengelsnoer roeien strofe. snoer. nor. kerker. couplet rijmen. blanco. dorp boer. gevangenis gevangenis. gevangenis . nor nor.. das binding. band nor. kerker. landman. kerker. toch ergo. couplet wit. kerker gevangenis. plattelander frisse lucht toewaaien. toch. constant.wierny wierny wiersz wiersz wiersz wiersz na minutę wiersz zależny wierszyk wiertarka wierzba wierzbą wierzch wierzch górny wierzchołek Wierzenie wierzyć wieszać wieś wieś wieśniak wieśniak wietrzyć wietrzyk wietrzyk wiewiórce wiewiórka wieźć wieża wieża metalowa wieża strzelista więc więc więcej więcej informacji na ten temat można znaleźć w. plattelander. berijmen boren wilg wilg bovenste piek. nor nor. getrouw vislijn. gevangenis gevangene aanhechting monteren. ook weer.. knoop. dus meer meer vervagen meerderheid. dus. punt. waaien bries. sim. kerker. landman boer. blank strofe. zetten stropdas. meerderjarigheid gevangenis. kerker. więdnąć większość więzienia więzienia więzienie więzienie więzienie więzień więź więź więź więź enie więźienie bestendig.

toedichten schuldig wijngaard wijngaard schuldig wijn sherry. buurtschap riem. lemmet bikken. landhuis schuld schuld aanrekenen. roeren. violoncel vlek. dwarrelen. xeres druif wijnstok. wijnberg schuldige. kolken hardloper spinnen warrelen. toeschrijven. bevochtigen condens. roeispaan kling. toedichten schuld lift aanrekenen. wervelen. ontspringen lente.wigor wij wikary wilczur wilgoć wilgoć wilgoć wilgotny wilgotny wilgotny wilk willa wina wina winą winą winda winić winien winnica winnicą winny wino wino hiszpańskie winogrono winorośl winorośl winowajca wiolonczela wiosce wiosełko wioska wiosło wiosło wiosłować wiosłować wiosna wiosna wiosna wioślarz Wiór wiór wir wir (efekt graficzny) wirnik wirować wirowania wirtualny sap duizendpoot pastoor Elzassisch vochtig vochtig maken. buiten. roeispaan peddelen. dwarrelen. buurtschap peddelen. door het water plassen springen opborrelen. aanslag vochtig vochtig nat wolf buitenverblijf. door het water plassen riem. voorjaar riem. gehucht. opwellen. wervelen. door het water plassen vlek. roeiriem. afbikken doorroeren. wingerd wijngaard. gehucht. dader cello. cel. omroeren warrelen. kolken virtueel . lemmer. roeiriem. roeispaan peddelen. roeiriem. toeschrijven.

wirtualny terminal sieciowy wirus wirus utajniony wisieć wist (gra w karty) wist gra w karty wiśnia witać witać witalny witamina wiwatować wiza wizą wizerunek wizja wizja wizja na fali ciągłej wizować wizualny wizycie wizyta wizyta (na stronie WWW) wizyta powtórna wizyta próbna wizytator wizytator wkleić wkleić wklęsłość wklęsły wklęsły wkład wkład wkład wkładce wkładka wkoło wkoło wkrótce wlec wliczając w to wliczyć władać władca władca władca władca werkelijk. visioen. incluis bevatten. opzoeken bezoeken. opzoeken slaan. schede. droombeeld visum zichtbaar bezoeken. oppermachtig . kloppen. begroeten feestelijk inhalen vitaal vitamine aanhechtsel. heen. om ronde dra. deponeren. houwen. inhouden. inbegrepen.. per aanplakken houder. droombeeld gezicht.. plaat uitzicht gezicht. foedraal ingevallen. opzoeken inspecteur bezoeker in. opzoeken bezoeken. soeverein. effectief. ingevallen bijdrage afgeven. spoedig trekken inclusief. steken. indoen insteken. afgaan. in bewaring geven invoer insteken. afgaan. behelzen bestuur. te. afgaan. heerschappij. alras. omtrent. afgaan. gauw. steken. affix visum visum afbeelding. meester worden liniaal oppermachtig. visioen. bewind lord onder de knie krijgen. haast. ongeveer. binnen. hol hol. prent. indoen om . daadwerkelijk virus virus hangen whist whist kers groeten. klappen bezoeken.

pit. inclusief. bezit landgoed. hebbelijkheid eigenschap adequaat. ruigharig Italië haardos. accuraat grondig. delegatie inbreker handwerk bezitting. waarachtig een klein beetje. gezag afvaardiging. jijzelf Italiaans harig. bezitting eigendom. inbegrepen smeden uzelf.władza władza władza kierownicza władzy) włamywacz własne dzieło własność własność domkniętości własność gwiazdy własność obiektu własność otaczająca własny własny właściciel właściciel ziemski właściciel ziemski właściciel ziemski właściwie właściwie właściwość właściwość właściwość charakterystyka właściwość obiektu właściwy właściwy właściwy właśnie właśnie włączać grupa włącznie włączyć włąsnoręcznie Włoch włochaty Włochy włos włoski włosy włosy blond włóczędze włóczęga włóczyć się włókno włókno włókno włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona wnęka autoriteit. trekken vezel vezel zaadkorrel. ietwat bijvoeglijke bepaling. boerderij. gezag heerschappij. attribuut landgoed. boerderij. een nest maken incluis. radicaal nestelen. erop nahouden eigenaar schede. vagebond zwerver. inham. kreek . houder eigenaar chaperonneren inderdaad. foedraal. bezitting aanwensel. stranden baai. lichtelijk. ruig. attribuut landgoed. metterdaad. rondtrekken. haar Italiaans haardos. doelmatig rechter-. macht. bezitten. vandehands precies. eigendomsrecht usance. bijbehorend gemakkelijk. eigendom. geschikt. vagebond rondreizen. haar blond zwerver. nauwgezet. gebruik rijk zijn. boerderij. bezitting bijvoeglijke bepaling. mogendheid autoriteit. gewoonte. korrel aan de grond lopen.

afleiden. om uiterste wil. binnendringen. doorstoten guurheid. inroepen. ongeveer. wier. kleinzoon water water water Waterman Waterman waterwater alge. zeewier zeewier. verzoeken onderstelling. hypothese. felheid scherp. verbond.wnęka wnęka na moduły wnęka napędów wnęka wstąpienie wnętrze wnętrze wnieść udział wnikać wnikliwość wnikliwy wniosek wniosek wniosek wniosek wnioskować wnioskować wnioskowanie wnioskowanie wniosek wnosić udział wnuczce wnuczka wnuk woda woda utleniona wodą Wodnik Wodnik (znak zodiaku) wodny wodny wodorost wodorosty wodospad wodować (statek) wodować statek wojenny województwa województwo wojna wojna domowa Wojna Światowa wojsko wojsko wojskowość wojskowy wokoło wokół wola wolcie hol. ontketenen uitschrijven. afleiden.. krijg gouvernement gouvernement oorlog. abstraheren besluiten. wereld heerschaar. uitholling. uiteinde vragen. helder.. aanvragen. lanceren. omtrent. leger. omtrent. concluderen conclusie.. krijg civiel aardrijk. lanceren. heen.. gevolgtrekking conclusie. alge. testament volt . inwendige bijdragen doordringen. mening deduceren. wier waterval uitschrijven. in. gevolgtrekking bijdragen kleindochter kleindochter kleinkind. om om . voorbijgaand gevolgtrekking. heen. ongeveer. acuut. ontketenen oorlog. binnen binnenste. rust per. te. schelheid. legermacht troep militair militair om . conclusie uitgang. holte zak nis pauze.

ontslaan. wereldruim. onvatbaar. toch automobiel. ergo. volume geluidssterkte. aanstaren indoen. schoencrème schoensmeer. steken drukletter geschrift. haakje. brengen wodka aanvoerder. insteken. ruimte op zijn gemak. voeren. leeg. besturen. truck. gebieder. schoencrème schoensmeer. zachtjes. onbelemmerd vrij. mennen ook weer. de voorkeur geven aan bestek. volume noemen. uitmaken voor klapstuk. heten. wagen. vlot. open. open volt geluidssterkte. inhoud. benoemen. betrekken. vrachtwagen doortrekken. verstrikken afbetaling transfer. dirigeren. auto affuit affuit kar. rund stinkend geur. nietje vrijdom. zak ontzetten. aroma tas. vrijheid. los. inhoud. afdracht aandoen. handkar. speling. onbelemmerd ontzien. royeren bijenwas schoensmeer. verstrikken verwarren. beugel vrachtauto. los. langzaam kramp. resistent langzaam onbezet. betrekken. voorhebben. commandant aanvoerder. schoencrème dragen. open. sparen immuun.woleć wolna przestrzeń wolno wolnonośny wolność wolny wolny wolny od cła wolny od cła wolny od podatków wolny od podatków wolt wolumen wolumin wołać wołowina wołowiną wołowy wonny woń worek worek wosk wosk wosk pszczeli woskować wozić wódka wódz wódz (plemienia) wół wówczas wóz wóz wózek wózek wózek wózek inwalidzki wpajać wpatrywać się wpisać wpisywać wpisywanie wplątać wplątywać (kogoś w coś) wpłata wpłata wpływ prefereren. chef richten. schriftuur verwarren. klamp. aangrijpen . vlot. rundvlees koe. turen. baas. dus. rundvlees klapstuk. onbezet. verzadigen staren. vlotheid onbezet. karretje trolley.

illusies wekken bij indoen. indienen klapstuk. borrelen. indertijd uitvoeren. sensatie indruk. reproduceren. herrie. introductie indoen. steken inleiding. beïnvloeden invloed hebben op. receptief gunning. teruggeven vijand teken. insteken. indruk receptief. aangrijpen aanwenden. ingeboren ingeboren natuurlijk vijandelijk. voorbode. eerder. presenteren. introductie inleiding. ophef. brullen lawaai. effect effect. bevreemden. bulderen. vijandig vijandschap. schreeuw. zwieren. slingeren aandoen. blèren. bestellen aangeboren. herfstmaand gil. introductie inleiding. animositeit. verbazen functioneren. kraai draaihek haven mus hergeven. zwaaien. rumoer spoel op het kookpunt zijn. koken september. leveren. het doen in verlegenheid brengen daarvoor. steken aanspannen uitvoeren. beïnvloeden zwiepen. leven. voorteken gil. krijs gillen. schreeuw. gevoelig.wpływ na wydajność (zwykle ujemny) wpływać wpływać wpływać na wprawa wprawdzie wprawiać w zdumienie wprawić w ruch wprawić w zakłopotanie wprost wprowadzać wprowadzać w błąd wprowadzać w błąd wprowadzenie wprowadzenie na urząd wprowadzenie w życie realizacja wprowadzić wprowadzić wprowadzić w życie wrażenia wrażenie wrażenie wrażliwy wrażliwy wrażliwy wrażliwy wreszcie wręczać wrodzony wrodzony wrodzony wrodzony wrogi wrogość wrona wrota wrota wróbel wrócić wróg wróżba wrzask wrzask wrzawa wrzeciono wrzeć wrzesień wrzeszczeć invloed hebben op. indienen begoochelen. vooraan. ten slotte. vijandigheid bonte kraai. presenteren. ingeboren aangeboren. ontvankelijk. ontvankelijk verstandig gevoelig. insteken. per saldo afleveren. krijs . doorvoeren toegegeven verwonderen. aanbesteding eindelijk.

overweldigend overweldigend. grandioos. verdediger . oosten oosters. teken raadzaam aanreiken. advocaat. genereus. glorierijk. richten. gul. oosten zonsopgang aan boord gaan. grandioos. roede royaal. groots helpen.wrześien wrzos wrzosowiska wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzód wrzód wrzucić(np. scheep gaan identificeren. oosten oriënteren. overhandigen zinspelen voorbode. vaan. meren Mauretaniër ettergezwel. herfstmaand dopheide. vereenzelvigen voorbode. dophei heideveld. assisteren. stokje. mennen aanwijzend voornaamwoord aangeven. bijstaan pleitbezorger. voorteken. voorteken. schaal oosten oriënt oriënt. etterbuil zweer uploaden schild. scheep gaan aan boord gaan. teken besturen. oostelijk oosters. edelmoedig bewonderenswaardig groot beroemd. gard. inwerken oosten oriënt oriënt. aanwijzen. heide onderbinden Moriaan. plik na serwer) wsadowy interpreter poleceń wschodni wschodni wschodni wschodni wschodni wschód wschód wschód wschód wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód słońca wsiadać wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) wskazać wskazanie wskazany wskazówka wskazówka wskazówka projektowa wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) wskazujący wskazywać wskaźnik ruchu wskaźnik stosu wspaniałomyślny wspaniałomyślny wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspierać wspierać się september. goedgeefs grootmoedig. abces. rugschild. aanduiden dundoek. oostelijk oosten oriënt oriënt. dirigeren. glorieus groots. Moor aanbinden. vlag spitsroede.

kameraad. zielsverwant proportie. lid. wederzijds. zetting alpinisme. gemeenschappelijk actueel. verhouding. aansluiten gemeente. onthouden. deelneming verlangen. meewerken zich aaneensluiten. steken. klamp. concurreren insteken.wspinaczce wspinaczka górska wspinać się wspominać wspominać wspominać wspomnienia wspornik wspornik montażowy wspornikowy wspólnik wspólnik wspólnota brytyjska wspólny wspólny wspólny wspólny współbieżny częsty powszechny współczesny współczucia współczucie współczucie współczuć współczuć komuś współczujący współczynnik współczynnik dobroci współdziałać współdziałać współmałżonek współpraca współpracować współpracownik współpracownik współsprawca współsprawca współwinny współwinny współzawodnictwa współzawodnictwo współzawodniczyć wstaw wstawiać wstawić wstąpienie (np. nietje mededader. bijkomend mededader. medelijden erbarmen. associatie algemeen. alpensport klimmen. geleding. onthouden. liefheid samenwerken. lint achterover . noemen. acquest. echtgenote. bergbeklimming. reikhalzen meevoelen sympathiek. meewerken meewerken. vermelden zich herinneren. lint band. innemend. gemeenschap bond. mededogen. medeplichtige wedijver wedijver meedingen. haakje. samenwerken eega. knoop wederkerig. indoen aanwinst. makker bijkomstig. mededogen. troosten kramp. echtgenoot bijdrage samenwerken. man. steken. klamp. buit. heugenis. indoen insteken. na tron) wstążce wstążka wstecz montage. kornuit. indoen insteken. onderling algemeen. evenredigheid voorkomendheid. gedenken geheugen. hunkeren. medeplichtige zich aaneensluiten. bijkomend mededader. herinnering kramp. genootschap. medeplichtige bijkomstig. gelid. klauteren gewag maken van. bijbehorend. prooi band. bijbehorend. steken. aansluiten maat. tegenwoordig erbarmen. gemeenschappelijk gewricht. gedenken zich herinneren. nietje vertroosten. haakje. medelijden medegevoel. wedijveren.

rugwaarts achterover achterwaarts. bezadigd. smerig afschuwelijk venijnig. opgewonden geheelonthouding. schokken agiteren. bedeesd. werelddeel gematigd. abstinentie nuchter. giftig aardbeving schokken opschudden. opstaan. blo foei almachtig almachtig . introductie besloten. verschrikking. particulier voorafgaand. klos. timide. rijzen gruwel. matig inspuiten. sober continent. vasteland. onthouding terughoudendheid. lint inleiding. rugstuk achterover achterwaarts. bobine band. arrestatie slapen. ophouden zich onthouden. vergiftig. verafschuwen afschuwelijk ijselijk. beletten terughoudendheid. afgrijselijk misselijk. ophitsen. zich abstineren verhinderen. schudden. verdringen. detineren. gruweldaad gruweldaad.wstecz wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny odnośnik wsteczny odnośnik wstędze Wstęga wstęp wstęp wzbroniony wstęp wzbroniony wstępny wstępować (np. onsmakelijk vuil. gruwel tegenzin. betomen. maffen onderdrukken. injecteren aanhouding. achteruit. bescheiden. opstoken gejaagd. rugwaarts achterwaarts achterzijde. opkomen. achteruit. beteugelen reserveren. achteruit. onthouding foei bevangen. verhoeden. antipathie een afschuw hebben van. matig. ommezijde. privé-. afkeer. introductie inleiding. verschrikking. opruien. preliminair opgaan. stuitend. hekel. na tron) wstręt wstręt wstręt wstręt wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrząs wstrząs wstrząs wstrząsać wstrząśnięty wstrzemięźliwość wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzyknąć wstrzymać wstrzymać wstrzymać wstrzymać się wstrzymać zatrzymanie wstrzymywać wstrzymywać wstrzymywanie się wstrzymywanie się od głosu wstyd wstydliwy wstydzić się wszechmocny wszechmogący achterwaarts. rugwaarts spoel. opkroppen bedwingen.

steken. kiezen uitlezen.. aan jou. mazzel. overheen.. overheid doordrukken dinsdag bijbehorend. kiezen. triviaal. midden tussen de stoot geven tot de stoot geven tot binnenvallen. onbenullig plat. uitlezen. vulkaan heft. onbenullig vuurspuwende berg. dus. regering. indoen storing spuitje. ergo.wszechstronny wszechstronny wszechświat wszelki wszerz wszędzie wszyscy wszystek wszystkie wszystkiego najlepszego wszystko wszystko wścieklizna wściekły wśród wśród wtajemniczać wtajemniczyć kogoś wtargnąć wtedy wtedy <the Government> wtłoczyć wtorek wtórny wtrącać wtrącanie się wtrysk wtyczka wtyczka (elektr. triviaal. medio. hondsdolheid. bijkomstig insteken. verwoed. vulgair.. begenadigen vergeven. bougie oom oom plat. begenadigen Verlosser Verlosser Verlosser uitkiezen. aan de overkant van alom.. wijd en zijd de hele . iedere. universum. dolheid doldriftig. veelomvattend algemeen. door allemaal. door bof. al over. dol in het midden van. door de hele . je asfalt budget. knop jou. inspuiting. bijkomend. afkluiven .. universeel heelal. alles razernij. handvat. vergeven vergeven. geluk. woedend. toch gouvernement. bougie ontstekingsbuis.. door de hele . injectie ontstekingsbuis. alleman. allerwegen. vulgair.. ieder. schepping elk.) wuj wujek wulgarnie wulgarny wulkan wupykłość wy wyasfaltować wyasygnować fundusze wyasygnowane fundusze wybaczać wybaczenie wybaczyć wybawca wybawcą wybawiciel wybierać wybierać (numer) wybierać (w wyborach) lijvig. buitenkansje de hele . uitkiezen knabbelen.. binnenrukken ook weer. gevest. aan je. overal. hals. begroting Maria-Hemelvaart begenadigen.

afgetrokken gillen. aanslag prijs afranselen opvoeden. trip. achterstallig opmerkelijk. toer. alternatief. keus. aanzienlijk merkwaardig. keuze.wybierać/nakręcać numer telefonu wybierak wybierak igłowy wybierz wybitny wybitny wybitny wybitny wybitny wyborny wyborowy wybory wybój (na drodze) wybór adresu wiersza wybór trasy przez źródło wybór trasy zastępczej wybór trasy zastępczej trasa zastępcza wybór układu wybór wstępny wybór z menu wybrany wybredny wybrzeże wybrzeże wybuch wybuchnąć wyburzanie wycena wyceniać wychłostać wychowawca wychwycić wycia wyciąć wyciąg wyciąg wyciągać (coś z czegoś) wyciągnąć (coś z czegoś) wycie wycie iwania wycieczce wycieczce wycieczka wycieczka wycieczka wycinać lasy wycinek wycinek (tablicy wijzerplaat schouder naald uitkiezen. verkiezing. afkluiven afzonderlijk. bochel keus. zeekant. tocht. trip uitstapje. overheerlijk keuze. kostelijk. excursie. verkiezing knabbelen. keur. tocht. verkiezing. toer. explosie barsten. keuze. onderwijzen beetnemen. beslaan. splijten. afgezonderd kust. opmerkelijk onbetaald. uitlezen. vermogen eminent. pakken. excursie tocht. zeekust kust. keus bult. trip. ontploffing. afkluiven keuze. huilen uitstapje. merkwaardig heerlijk. blèren. sloop belastingaanslag. keuze keuze. zeekust. keuze keus. kustlijn. optie. garneren afkeuren moot. alternatief. kustlijn uitbarsting. kiezen kapitaal. schijf. rondreis afzetten. keus. afgetrokken hijsen. afgetrokken abstract. uitstekend. optie. ontmanteling. ophijsen abstract. verduwen. keur. snede. digereren knabbelen. toer tournee. toer. keur. keus. bulderen. keur. weeklagen maaien abstract. optie. keus verteren. excursie uitstapje. plak. keur. tocht. scheuren afbraak. beetkrijgen steen en been klagen. trip. filet . verkiezing optie. reis. brullen brullen. zeekant. verkiezing optie.

lossen toegaan. op. uitmelken exploiteren. ontzetten. brullen gevolg besteden. voortgang hebben. tappen. gebeuren keer. opleveren. voortbrenging het veld ruimen. bulderen. uitdrijven uitgaaf. schijf. verdrijven. berechten lijken. editie loslaten.wycinek tablicy wyciszanie wyciśnięta masa wycofać wycofywać się wyczerpany wyczerpujący wyczerpywał wyczuć wyczuwać wyczuwalny wyczyn wyczyn (bohaterski) wyczyn bohaterski wyć wyć wyć (dot. afwerpen het veld ruimen. openbaarmaking vlijen. maal onkosten. afstaan ontslaan. uitbuiten. kosten het veld ruimen. neerleggen ontwikkeling. blèren. cambio afpersen. lucht bevoelen. uitgave. afdwingen . spanderen ontlokken. ingevallen wissel. huilen gillen. eliminatie het veld ruimen. royeren verjagen. intrekken ontwoekeren uitverkocht. blèren. afstaan abstract. luchtje. brullen gillen. overkomen. geur. uitbuiten. syreny) wyćwiczyć wydaj wydaj wydajność Wydajność wydalać wydalić wydanie wydanie wydarzać się wydarzenia wydatek wydawac z siebie wydawać wydawać wydawać wydawać się wydawać się wydawać się wydawać z siebie wydawca wydawcą wydawnictwa wydeptany wydobycie wydobycie wydobyć wydobywać wydrążenie wydruk próbny wydrzeć moot. opdagen beoordelen. voelen. afstaan uitdrukken opbrengen. afgetrokken afleiden hol. knevelen. stom pompoen terugtrekken. uitmelken brullen. uitbrengen. tasten. betasten verstandig exploiteren. filet sprakeloos. op. afstaan opdraven. spenderen. slaken produktie. uitgeput reuk. uitbuiten. plak. veelomvattend uitverkocht. uitmelken exploiteren. bulderen. snede. uitlaten. uitgeput lijvig. schijnen uitstralen uitgeverij uitgeverij afkondiging. leggen. oordelen. druk.

mede. vertrek uitzondering afleiden uitzondering uitzonderlijk uittreden. duidelijk maken. conto uitleggen. uitbannen aangenaam geriefelijk. tot. gemakkelijk. uitblussen aflopen. ademen aflopen. dagvaarden afscheiding pachten. uitdoen. verdrijven. schijn. behalen boe steriliseren rekening. ook. voor. ophouden. tegen. verdienen. verdrijven. eindigen bevrijden departement faculteit kast departement departement afleiden betekenen. duidelijk maken.wydychać wydychać wydzialać wydział wydział wydział (na uczelni) wydział humanistyczny wydział ik wydzielać rozpakowywać wydzielić wydzieliną wydzierżawić wyekspediować wyekspediować wygasić wygasnąć wygląd wygląd przycisku wyglądać (prezentować się) wygładzać wygłaszać wygłosić wygłosić (mowę) wygnać wygnanie wygodnie wygodny wygodny wygonić wygrywać wygwizdania wyjaławiać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśnić wyjaśnić wyjaśnić coś z kimś wyjaśnienie wyjawić wyjawić (sekret) wyjazd wyjątek wyjątek wyjątek arytmetyczny wyjątkowy wyjechać wyjścia getuigen van. uitgaan. in pacht hebben evenzeer. preken uitspreken afleveren. dagen. ophouden. effen prediken. er uitzien gelijk. beduiden uiteenzetten. uitgang. comfortabel doelmatig. gemakkelijk. bedanken afrit. air. kenbaar maken uittocht. uitgaan. blussen. vlak. uitweg . explicatie morsen openbaren. uitdrijven winnen. naar doven. aftreden. toelichten uitleggen. eveneens aan. eindigen verschijning. toelichten toelichting. leveren. beduiden uiteenzetten. geschikt verjagen. uitademen. uitdrijven verbannen. toelichten uiteenzetten. verschijnen aanzien. bij. aanblik het uiterlijk hebben van. bestellen verjagen.

vloerkleed. eliminatie ontwikkeling. opgraven. aftreden. konkelarij afbeelding. ter dood brengen opdraven. tering. delven. uitgang. karpet voering executeren. formeren aanwending. figuur. emitteren bek. ter dood brengen inschikkelijk. uitweg prijsgeven. ter dood brengen loopgraaf opduikelen. aannemer opdraven. eliminatie afrit. opdagen oefenen. delven. rooien opduikelen. drillen executeren. ter dood brengen afdruk spinnen executeren. muil ontwikkeling. machinatie. rooien exploiteren. opbrengst bouwondernemer. afleggen. tuberculose doen ontstaan. beeld wijzerplaat . gewrocht. bedanken tandenstoker tandenstoker aangeven uitzonderen uitsluiten uitsluiten college geven college geven lector lezer lector tapijt. kleed. uitbuiten. uitmelken longtering. uitmelken gescheld sluipen intrige.wyjście wyjście wyjście wyjście uniwersalne wyjście zerowe wyjść wyjść po angielsku wykałaczce wykałaczka wykaz wykluczać wykluczać wykluczyć wykład wykładać wykładowca wykładowca wykładowcą wykładzina wykładzina wykonać wykonać wykonać wykonać działać wykonaj wykonalny wykonanie wykonawca wykonuj wykonywać wykonywać egzekucję wykonywać krok wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów wykonywać rozkazy Wykop wykopuj wykopywać wykorzystać w praktyce wykorzystanie wykorzystuj wykorzystywać wykorzystywać wykorzysywać wykradać wykres wykres słupkowy wykręcić numer uitgeven. handelbaar produktie. exploiteren. toepassing uitbuiten. opgraven. opdagen kleren maken executeren. maken. opgeven uittreden. ter dood brengen executeren.

aanhalen ontzetten. royeren genezen. grond ontslaan. spitsroede. moeten. wisselen centrale inruilen. met gom bestrijken ruilen. amortisatie. afschrijving beminnelijk strelen. uitladen. exclusief maar. behoeven. fanfare opeisen. uitsluitend enkel. rekenen. nesthaar. bloot. gard. schreeuwen. louter invalide. opdraven waas. beter maken. aaien. gard. reis. ruilen. met gom bestrijken uitwissen uitwissen. royeren van boord gaan lossen.wykręcie wykręt wykrycie obiektu i ustalenie jego uspółrzędnych w radiolokacji wykrywanie wykrzykiwać wykrzyknik wykształcenie wykup weksla wykwintny wylać z posady wylać z pracy wyleczyć wyleczyć Wylew wyładować wyładować wyładować wyładowane koronowe wyładowanie (elektryczne) wyładowanie (towaru) wyładowywać wyłaniać (pojawiać wyłączać wyłącznie wyłącznie wyłącznik wyłącznik przyciskowy wyłącznik temperaturowy wyłączny wyłączny wyłączony niestandardowy wyłudzić wymachiwać wymagać wymagać wymawiać wymawiać niewyraźnie wymazać wymazać wymazać prawiedliwości wymazywać wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny wymazywać ekran wymiana wymiana stron wymianą haarkloven. wissen. liefkozen. vereisen. ontzetten. wegvagen gommen. ondergrond. ontzetten. royeren ontslaan. wisselen . eisen nodig hebben. kronen ontslaan. trip roede. bedillen verschuiving acquisitie ontdekking gieren. uitvegen. vorming aflossing. spitsroede. joelen tussenwerpsel opvoeding. achtergrond. met gom bestrijken afvegen. gebrekkig aanwensel. inruilen. ontzetten. toer. afwissen gommen. dons uitsluitend. uitladen. afladen opdagen. stokje tocht. stokje exclusief. roepen. alleen. hoeven uitspreken uitspreken gommen. ontslaan. royeren lossen. afladen bekronen. helen op verhaal komen. afdrogen. hebbelijkheid fanfarekorps. aansterken bodem. slechts roede.

aanslag uier. emitteren afstammen. pram inhalen spugen. in pacht hebben pachten. gewrocht. bedenken produktie. zich verbeelden bedenken. zich verbeelden inbeelding. inruilen. aanwerven. afkeuren. kotsen uitspraak laken. salaris pachten. aanwerven. verdichtsel. terugdoen. getal opdagen. dimensie ruilen. verbeelding gescheld vergelden. berispen. verbeelding . zwanger raken bedenken. ruilen. wisselen inruilen. laten pachten. gispen doordrukken verplichten. het gevolg zijn van ontstaan hoog. gage. het gevolg zijn van uitgeven. noodzaken afpersing. knevelarij knevelarij. huren huur laten schieten. belonen loon. laten begaan.wymiar wymiar sprawiedliwości wymieniać wymieniać wymieniać (walutę) wymieniać się wymienić wymienić (jakieś elementy na nowe) wymień wymierzenie wymię wymijać wymiotować wymowa wymówce wymusić wymuszać wymuszanie wymuszenia wymysł wymyślać (<sb> komuś) wynagradzać wynagrodzenie wynajem wynajęcia wynajmować wynajmować wynajmował wynajmowanie w DHCP wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP wynalazca wynalazcą wynalazek uchylać wynaleźć wynik wynik wynik polecenia wynikać wyniknąć wyniosły wynosić wynosić średnio wynurzać) się wyobrazić sobie wyobrazić sobie wyobraźnia wyobraźnia grootte. afpersing fictie. dwingen. bezoldiging. bekokstoven. huren aannemen. opdraven in verwachting raken. omvang afmeting. lonen. aantal. braken. opbrengst afstammen. bestek. wisselen afwisselend centrale centrale centrale ruilen. verheven gemiddeld tal. inruilen. overgeven. in pacht hebben uitvinder uitvinder uitvinding uitdenken. wisselen belastingaanslag. in pacht hebben aannemen.

aangifte. aangelegenheid. bijkomend uitrusting. emitteren rest. bijbehorend. spoelen uitgeven. bijbehorend. bijbehorend. ongeval omstandigheid affaire. tocht. uitspraak huur toondicht. plaat begrip beeld. klikken declaratie. overdrijven kader. uitvoeren aangeven. bijkomend bijkomstig. toonzetting. zaak. trip oprichten. uitrusten. prent. uitschrijven geschrift. stichten. overblijfsel. spekken. indampen opvulsel. uitdampen. dempen. vullen bakken afzweren ontkennen neerschrijven. vulsel invullen. afdracht gorgelen. inrichting complet. schriftuur schriftelijk afbetaling transfer. figuur isoleren. toer. uitvoeren bijkomstig. rommel. stelletje. afspoelen. zich verbeelden afbeelding. evenement bakken aanbranden aanbranden afzwering doen verdampen. afbeelding. compositie reis. lijst. inrichting bijkomstig. raam ongeluk. accommodatie. omlijsting. aanbrengen. zich verbeelden bedenken. accommodatie. vulling. inrichten . afzonderen chargeren. ding omstandigheid belangrijke gebeurtenis. afval toerusten. uitrusten. set. bijkomend uitrusting. schrijven. stel accessoires toerusten.wyobrażać wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyodrębniać wyolbrzymiać wypaczenie wypadek wypadek wypadek wystąpienie wypadek śmiertelny wypadek śmiertelny wypalać wypalać (pamięć stałą) wypalać (płyty CD) wyparcie się wyparować wypchanie (zwierzęcia) wypełniać zerami przypisywać wartość zerową wypiekać wypierać się wypierać się wypisuj wypisując wypisywany wypłacie wypłata wypłukanie wypływ wypoczynek wyposażać wyposażenia wyposażenie wyposażenie wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażeń wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów wypowiedzieć (umowę) wypowiedź wypożyczać wypracowanie wyprawa wyprostowany bedenken. accident.

uitvallen. voorzijn gaan naar. helder erkenning apert. hals. aanmaak. afstand doen van . bevestigen klaar. effen onderscheiden. abnegatie afzweren abnegeren. naderen anticiperen. kennelijk. aanhangsel derde goedertieren. plukken. gezegde agnosceren. adapteren afstelling. fabricage produktie. onderkennen nadruk. loos. afdwingen graveren. zichzelf verloochenen opgeven. afbreken versterving. ondervragen maken. knop nadruk. schaar afrukken. zich inspannen. griffen knijper. betuiging. betuiging. betuiging. klem op reis gaan. appendix. lens. arbeider aardewerk orakel frase. beamen. gezegde bewoording. bedrijven bewoording. zin. item. ledig. aanpakken. sententie. vonnis bijlage.wyprowadzać wypróbować wypróżniać wyprzeć się wyprzedaż wyprzedzać wyprzedzenie wyprzedzić wypukłość wypuścić nowe wydanie wypytywać wyrabiać wyraz wyrazić podziękowanie wyrazić zgodę (<to sth> na coś) wyrazisty wyrazy uznania wyraźny wyrażać wyrażać wyrażenie wyrażenie znakowe wyregulować wyregulowanie wyrobnik wyroby garncarskie wyrocznia wyrok wyrok wyrostek robaczkowy wyrośle adenoidalne wyrozumiały wyrób wyrób wyrównać do prawego marginesu wyróżniać wyróżnienie wyróżniona część (np. uitspraak. leeg afzweren verkoop. als waarheid aannemen ja zeggen. vlak. schappelijk. pogen hol. duidelijk uitdrukken ontlokken. klem jaartelling. werkman. gewrocht. slaken bewoording. opbrengst gelijk. doen. gevest. handvat. werker. evident. volzin judicium. afstemmen. vervreemding voorafgaan. deeltje. genaken. na listingu) wyróżniony druk wyruszać wyrwać coś komuś wyryć wyrywać wyrywać (włosy) wyrzeczenie się wyrzekać się wyrzekać się wyrzekać się aftappen streven. prejudiciëren heft. deel nadruk. lankmoedig fabricatie. afreizen knevelen. instelling werkkracht. herdruk een verhoor afnemen. gezegde aanpassen. uitgesproken. uitbrengen. afpersen.

asyl broeden op. ontslaan ontslaan. bode. voorafgaand pralen. poging springen verzenden voorspeler. bijbehorend gevoeglijk. hoog hoog.wyrzić zgodę wyrzucać sobie wysadzić na ląd wysepka wysepka (uliczna) wysiaduj wysiłek wyskok wysłać wysłać wysłać pocztą wysłanie (towaru) wysłannik wysłowić coś wysłowienie się wysmukły wysoki wysoki wysoki poziom logiczny Wysoki sądzie wysoki stan logiczny wysokość wysokość wysokość bariery potencjału wysokość bariery potencjału wysokość stosu wyspa wyspą wystający wystapić wystarczająco wystarczająco wystarczający wystarczający wystarczający wystarczający wystarczyć wystawa wystawa sklepowa wystawca czeku wystawiać wystawić (na pokaz) wystawić na scenie wystawienie (sztuki) wystąpienie występować wystraszyć wystrój pulpitu ja zeggen. beamen. apropos . gezant woord. mager. verheven hoog. afdruk gebeuren. verheven verheven. achterstallig gebeuren. prijken. la. bevestigen ontzetten. bestuur. tentoonstellen podium. lade tentoonstellen. op de juiste wijze adequaat. verheven hoog. scala toevluchtsoord. stof. bijbehorend uitgebreid. schrik aanjagen onderwerp. hoogte hoogte stand. verleden. gezegde sprietig. koesteren. broeden moeite. omvangrijk. dun. royeren. voortbrenging exemplaar. paraderen. pronken tentoonstelling. aanvaller aanplakken pakje afgezant. bewoording bewoording. ontzetten. thema. aan de hand zijn doen schrikken. belichten belichten. tribune. aan de hand zijn adequaat. voldoende voorgaand. expositie schuiflade. toonladder. veelomvattend genoeg. schraal. hoogte hoogte hoogte eiland eiland onbetaald. betuiging. voldoende genoeg. leiding produktie. asiel. royeren toonschaal. verheven stand. luchtig hoog.

lijdzaamheid vasthoudendheid volhardend opspatten. dooien. pronken pralen. paraderen. vulsel wedijver geslacht. overschot interviewen bevattingsvermogen. aanpassen. wachten maken. tenger kruipen geraffineerd borduren opvulsel. adapteren pralen. toelichten wegsmelten. verspuiten. stuiven spuiten. swingen afhandelen. afleiden. opsturen exporteren. droog post. uitroeien uiteenzetten. uitvoeren verzenden stortplaats stortplaats specificeren specificeren rank. elegant. prijken. stam. posterijen doen toekomen.wysychać wysyłać pocztą wysyłać reklamy wysyłanie wysyłka wysypisko (śmieci itp) wysypisko śmieci wyszczególniać wyszczególnić wyszczupleć wyszukać informacje pełzać wyszukany wyszywać wyściełanie wyścig wyścig wyświadczyć przysługę (<sb> komuś) wyświetlacz wyświetlacz z matrycą aktywną wyświetlać wyświetlić wyświęcać wytarcie wytępić wytłumaczyć wytop wytrwać wytrwałość wytrwałość wytrwały wytrysk wytrysk wytrzymać wytrzymałość wytrzymywać wytwarzać wytwarzać egzemplarz wytwarzanie wytworny wytworny wytwórnia wywatować wyważenie wywiad wywiad wojskowy wywijać wywnioskować wywnioskować dor. afwikkelen. concluderen . uitspuiten beklijven. aanhouden sterkte te wachten staan. net keurig fabriek stikken saldo. intelligentie zwaaien. volksstam afstemmen. sproeien. pronken pralen. prijken. doen. pronken bestemmen. prijken. slingeren. vulling. prijken. paraderen. afdoen besluiten. duren. afhalen. pronken pralen. geslacht bevallig. paraderen. paraderen. bedrijven verwekken generatie. ontdooien blijven aandringen geduld. uittrekken afschaving verdelgen. sturen. slank. piekfijn.

heten. nihil nul hel. route. toegeven erkennen. voorrijden ontwikkeling. aanstelling onbeweeglijk. uitdagen. benoemen. reis. tarten. rustbank verloten. uitmelken in weerwil van. afleiden. concluderen naar buiten roepen aanroepen aanrijden. fiducie. dagen. genezen. vast divan. klaar betekenen. biechten. baanvlak reisplan. biechten. besturen reisplan. biechten. bekennen. opeenhopen. Turkse staatsraad. loten benoemen. uitbuiten. uitmaken voor keer. benoemen. tracé. tarten. toegeven bekennen. ondermijnend kiel beter worden. baanvlak benoeming. dagvaarden administreren. ontslaan bevrijden exploiteren. uittarten trotseren. uittarten trots ontzetten. maal ophopen. licht. uitdagen. evolutie subversief. ambacht haan van een vuurwapen tocht. tracé. aantasten. dagvaarden pensioen erkennen. ten noorden van bovengenoemd benoorden. bekennen. creëren naar buiten roepen besluiten. erkennen geloof. beheren. route. helen nul.wywodzić (ród) wywołać wywołać coś wywołania odłożone na stosie wywołanie zwrotne wywołuj wywołuj wywołuj wywoływać wywoływać wywoływać wywoływanie wywrotowy wywrócić wyzdrowieć wyzerować wyzerować zerowy wyzeruj sprzęg wyznaczać wyznaczać wyznaczać drogę trasa wyznaczać trasy wyznaczenie wyznaczony wyznaczyc wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć emeryturę/rentę wyznać wyznaj wyznaj wyznanie wyznanie wyzwalacz wyzwalacz wyzwania wyzwanie wyzwanie wyzwolić wyzwolić się od czegoś wyzyskiwać wyzywająco wyżej wyżej wyżej wymieniony wyżej wymieniony wyżerać aftappen noemen. star. accumuleren noemen. vertrouwen handwerk. trip trotseren. ten noorden van bovengenoemd corroderen. heten. niettegenstaande benoorden. royeren. toer. aanstellen betekenen. beroep. bijten . uitmaken voor scheppen. dagen.

wyższy wzajemne zrozumienie wzbraniać się wzbudzić wzburzony wzdłuż wzdłuż wzdłuż wzdłuż całej drogi wzdłuż dłuższego boku wzdłużny wzdrygać się wzdychać wzgl. daarlangs bezijden. stichten. gedenken acquest. speen branden. noemen. prooi helling. familielid aanaarden accepteren. klauteren vernieuwen. het verdommen. referentie gewag maken van. braden. behalve in de lengte. naast. deelneming afwijzen. vermelden verwijzing. bot. uitbreiden vermeerderen gewag maken van. vermelden zich herinneren. overwegen. rijstwijn tamelijk verwant. familielid verwant. grof. aannemen. onbehouwen. ingevolge bezijden. baas. respecteren saké. meedoen raadzaam uitbouwen. patroon. duży numer urządzenia wzgląd wzgląd wzgląd względnie względny względny numer pozycji wzgórze wziąć wziąć na swoje barki wziąć pod uwagę wziąć udział wzkazany wzmagać wzmagać wzmiance wzmiance wzmianka wzmiankować wzmocnienie wzniesienie wzniesienie wznieść toast wznoisły wznosić wznosić wznosić się wznoszenie (samolotu) wznowić pracę komputera wzorcowy wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) wzornik pisma matryca do powielania szablon opperste. onthouden. afkeuren wakker. glooiing tepel. naar. kreunen aanvoerder. noemen. rijzen oprichten. daarlangs in de lengte. aanvaarden schouder beschouwen. buit. prevalent. naast. behalve in de lengte. blijkens. opkomen. meemaken. nagaan deelnemen. renoveren modelleren kunst schablone. edel opgaan. achting eerbiedigen. sjabloon . ineenkronkelen zuchten. vergroten. roosteren nobel. opstaan. chef tel. superieur medegevoel. wakend onbewerkt. gebieder. cru langs. inrichten toren klimmen. aanwinst. daarlangs ineenkrimpen.

immers. eerder. verheffen. bijkans. roerend gewaarwording. vanaf met. vizier gezicht. zoeker. met ingang van. aandoening de schouders ophalen gejaagd. geheimzinnig . gestalte. visioen. ophitsen. evolutie wasdom. ontwikkeling. achteraan mysterieus. eindig wel. opstoken resideren. aangrijpend. opgewonden de schouders ophalen indexeren buffer. zeker. haast. toch met overgave sedert. patroon regel.wzorzec wzorzec slajdów wzorzec zmienny Wzór wzór wzór wzór kreskowania wzór model wzór punktowy wzrastać wzrok wzrok wzrok wzrokowy wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost globalny wzruszać wzruszać wzruszać ramionami wzruszający wzruszający wzruszenie wzruszenie ramionami wzruszony wzruszyć (<one's shoulders> ramionami) X z z z z biegiem czasu z drogi! z konieczności z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) z obawy przed z oburzeniem z perspektywy czasu z podziwem z poważaniem z przerwami z trudem gromadzić z trudem wywalczony z tyłu z tyłu kiem knippatroon. bezorgd incluis. inbegrepen beperkt. figuur de schouders ophalen aanslag agiteren. patroon formule knippatroon. aanstaren. patroon trant. indertijd pruttelen ongerust. vormen. huizen emotioneel. patroon modelleren formeren. bijna tweedehands ongerust. standaardmaat. vanaf daarvoor. gaan staan opklimmend rose. roze. norm knippatroon. begrensd. bezorgd aan het einde. stijl knippatroon. turen richtmiddel. samen met schier. aangaan opdrijven. met ingang van. roos lichaamsbouw. stootkussen sedert. ophogen staren. vooraan. bezorgd ongerust. inclusief. bumper. droombeeld zichtbaar ontwikkeling. groei opstaan. opruien. gevestigd zijn.

mal behoeden. nabij. nuancering tint schakering. kietelen speelbal. doodmaken. konfijten. beklemtonen accepteren. amuseren. achteraan in het buitenland in het buitenland achter evenzeer. naast. amusement opvrolijken. heelkunde ombrengen. vanaf achter aan het einde. beschermen bescherming pand. amusant. bevestigen. doodmaken. modderig . stuk speelgoed. lachwekkend. onderpand pand. borgstelling. onderhouden recipiëren vermakelijk. borgstelling. nuance. ook geabonneerd zijn op accentueren. nuance. nuancering amusement. aanslaan. konfijten. aanvaarden acclimatiseren alarmeren. vermaak spel verstoppertje vermaak. vermakelijk humoristisch gek. dichtbij. buiten-. ontketenen aan. moes. doden chirurgie. uiterlijk sedert. leuk. bepalen inmaken. eveneens. lanceren. leuk kriebelen. speeltuig aardig. marmelade troebel. verband schakering. onderpand betuigen. inleggen ombrengen. mede. belachelijk. uitwendig. amusant. bij zwachtel. alarm slaan uitschrijven.z wielkim nosem z zegarkiem w ręku z zimną krwią za za za duży za granicą za wszelką cenę za wszelką cenę zaabonować zaakcentować zaakceptować zaaklimatyzować zaalarmować zaangażować się zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych zabandażować zabarwić zabarwienie zabarwienie zabawa zabawa zabawa zabawa w chowanego zabawiać zabawiać zabawiać zabawiać zabawka zabawny zabawny zabawny zabezpieczać zabezpieczenie zabezpieczenie zabezpieczenie w architekturze zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć przechowywać zachować zabić zabieg chirurgiczny zabijać zablokować zablokować zabłocony uitzonderen extern. met ingang van. wondheelkunde. doden blokkade jam. inleggen fixeren. verzekeren blind inmaken.

nuk. aanwakkeren. westen westen west west. zich voordoen zich gedragen blijven vertogen. konfijten. betogen. voorteken. inviteren. betogen. agiteren. aanranden bezwaar. in het water vallen verbieden verbieden jam. Westers. aansporen ophitsen. inleggen zich aanstellen. opstoken. moes. gretig onduidelijk. intekenen de weg wijzen. zich voordoen zich gedragen blijven zich aanstellen. behouden schat bespreken. houding. argumenteren zonsondergang west west. noden promoveren. aansporen uitnodigen. marmelade verbieden een aanslag plegen op. westen westen westers. strubbeling. bewolkt wolk zonsondergang west west. bui. aanwakkeren. argumenteren vertogen. opruien aanvuren. wandel lager inmaken. gedrag. westelijk redden. wandel gedrag. geleiden. teken begerig. belust. aan komen lopen floppen. vragen. kuur aanvuren. bevorderen voorbode. reserveren. aan komen lopen aanpakken. gril.zabójca zabrać się (<sth> do czegoś) zabrać się do czegoś) zabraknąć zabraniać zabraniać zabronić zabronić zaburzać zaburzenie zabytki zachcianka zachęcać zachęcać zachęcić zachęcić zachęcić zachęta zachłanny zachmurzony zachmurzyć zachodni zachodni zachodni zachodni zachodni zachować zachować jako zachować w pamięci zachowania zachowanie zachowanie zachowanie mediów zachowuj zachowywać zachowywać zachowywać zachowywać sie nienaturalnie zachowywać sie nienaturalnie zachowywać się (dobrze) zachowywać się cicho zachowywać się źle zachód zachód zachód zachód zachód słońca zachód słońca moordenaar aanpakken. leiden houding. bergen. happig. moeilijkheid oudheid bevlieging. westen .

pijn vragen aangeven. hand de weg wijzen. achteruit. beginnen. karwei. klink handdruk. beginnen. achterste vragen karwei. uit de mode aanhalen. hardnekkig. aanvangen gat. kruk. klamp. klus. drillen emplooi. worgen verontschuldiging bevredigend tevredenheid blijdschap tevredenheid . kern wachten. moes. nietje beurs. portemonnaie. arbeid karwei. aanbrengen. opgave karwei. aantasten. citeren. zeer.zachód słońca zachrypnięty zachwycać się zachwycający zachwycony zaciąć się zaciągnąć (się) do wojska zaciekawić zaciekły (bój) zaciemniać (się) zacierać zacięty zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk źródła zacisnąć (usta) zacofany zacofany zacofany zacytować zacytowanie zaczaić się zacząć zaczątek zaczekać zaczepka zaczynać (się) zad zadaj zadania zadanie zadanie zadanie zadanie wsadowe zadanie wydruku zadanie zawieszające zadawać ból zadawać pytanie zadenuncjować zadławić się zadośćuczynienie zadowalający zadowolenia zadowolenia zadowolenie westen schor. handvat. probleem. aanvangen pit. opgave. taak oefenen. nietje oor. klus. in verrukking brengen bewonderenswaardig verrukt jam. klus. vraagpunt. opgave. taak oefenen. werk. koppig haakje. klikken wurgen. afhalen. opgave. wanhopig versomberen. bibs. hengsel. taak wee. geleiden. te wachten staan aangrijpen. donker worden uitwissen halsstarrig. choken. aanvallen aanbinden. gedateerd. drillen vraagstuk. noemen aanhaling. marmelade dienst nemen puzzel. hees. klamp. raadsel radeloos. geldbuidel achterover achterwaarts. rugwaarts ouderwets. citaat een hinderlaag leggen aanbinden. leiden terminal haakje. rauw verrukken. kont.

rillen. raadsel puzzel. krabben beven.zadowolić zadowolony zadowolony zadrapania zadraśnięcie zadrżećs kołczan zadziwiać zadziwiać zadziwiający zadziwiający zafakturować zagadce zagadka zagadka zagadkowy zagadnienie zagadnienie zagajnik zagęszczać zagęszczać zagęścić zagięcie zaginać zagłada zagłuszać (radio) zagniecenia zagniewany zagnieździć zagorzały konserwatysta Zagotować. dicht comprimeren verdikken. plooien ruïneren. bosjes compact. bevreemdend bevreemdend. boos nestelen. opgave struikgewas. raadsel mysterieus. dreigement. bedreigen bedreiging. huiveren verwonderen. probleem. declareren puzzel. bevreemdend factureren. agraaf de stoot geven tot belang inboezemen. toornig. boef omvouwen. probleem. garanderen vraagstuk. stal hok bemachtigen. fronsen kwaad. wrzenie zagraniczny zagrażać zagrażać zagrażać zagroda zagroda zagrodzić zagrozić zagrożenie zagwarantować zagwozdka zagwozdka zahaczyć zainicjować zainteresowania zainteresowanie zainteresowany Zair bevredigen. verblijd. krabben krauwen. raadsel puzzel. verbazen verbazingwekkend. dreiging borg staan voor. buitenlands in gevaar brengen bedreigen. marmelade rimpelen. slot. dreigen dreigen. aangrijpen dreigen. vergenoegd krauwen. klauwen. bedreigen paardestal. emitteren vraagstuk. belangstellend Congo. te gronde richten jam. scharrelen. vouwen. een nest maken keihard op het kookpunt zijn. vraagpunt. interesseren geïnteresseerd. tevreden. tegemoetkomen aan verheugd. interesseren belang inboezemen. klauwen. navraag haakje. borrelen. vraagpunt. Kongo . paaien. verbazingwekkend verbazingwekkend. moes. aandikken ellendeling. koken uitheems. grijpen. scharrelen. geheimzinnig uitgeven. ploert. blij voldaan. vraag. schavuit. opgave kwestie. bevreemden. bibberen. nijdig. spang.

ding beroep. bekleden handwerk. meedelen. beletten infecteren. affaire. ronddelen. contract uitgang. vullen rondgeven. uiteinde . herberg haas stamelen. beroep. rumoer. mededelen aanvoeren. handeling aangelegenheid. gesloten verhinderen. dicht. aansteken verbieden afschrikwekkend verbieden aanstekelijk. beslaan. commanderen. leven. zaak. besmetten. optreden. dempen. fitten. gedoe. handel drijven dienstregeling. spekken. verhoeden.zaiteresowanie zajazd zając zająkiwał się zajęcie zajęcie zajęcie zajęcie zajęć) zajęty zajęty zajmować zajmować zajmować (stanowisko) zajmować się zajmować stanowisko zajmowanie zajmujący dużo miejsca zakańczać zakaz hamować zakazić zakazywać zakazywać zakazywać zakaźny zakażenie zakąska zakład zakład zakład (założenie się) zakładać zakładać klamrę zaciskającą zakładać się zakładnik zakłopotać zakłócenia zakłócenia (sygnału) zakłócenie zakłócenie programu radiowego zakłócenie spokoju publicznrgo zakneblować zakodować zakomunikować zakon zakonnica zakonnik zakontraktować zakończenie belang inboezemen. bedrijf handelen. uitdelen bezetten. interesseren logement. garant in verlegenheid brengen ophef. herrie storing storing storing storing moppen tappen codificeren berichten. installeren gijzelaar. lunch wedden wedden wedden wedden insluiten. besmettelijk infectie. stotteren actie. besmetting twaalfuurtje. impliceren aanleggen. geëngageerd bezetten. bekleden liggen invullen. beslaan. bevelen kloosterzuster. hakkelen. broodwinning. omvangrijk. ambacht uitgebreid. non monnik verbintenis. rooster druk. lawaai. bezet verloofd. veelomvattend toe. verpestend.

) zakwaterowanie zakwestionować zalać zalecać zalecać zalecać się zalecany zalecenie zalecie zaledwie zaledwie zaległy zaległy zaległy wysunięty naprzód znakomity zalet zaleta zaleta zalewać zależeć zależeć zależeć od zależeć od czego zależnośc zależność zależny zaliczać zaliczać załadować gevolgtrekking. stopmiddel anker anker kloot. vrijen aanbevolen recommandatie. bekendmaken. gebied graad. aankondigen aanbevelen. afhangen scharnier afhankelijk zijn. amper amper. nauwelijks. nauwelijks. aanwinst kwalijk. acquisitie. getal. omgeving. status. aanbeveling prooi. bezit pré. achterstallig onbetaald. recommanderen scharrelen. toekomen. sfeer. afwikkelen. verpletteren adviseren. stop. achterstallig onbetaald. verwantschap afhankelijkheid afhankelijk. tal laden . onderhorig classificeren. plug. afsluiten kuilen. afhangen afhankelijk zijn. uiteinde terminal beëindigd. verdienen zondvloed afhankelijk zijn. kwalijk onbetaald. beëindigen. doorbuigen koop. bol. voordeel waard zijn. actief. aanpassen. adapteren buurt. het hof maken. stekker. achterstallig bedrijvende vorm. afgewerkt.zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg zakończenie sygnału przerwania transmisji zakończenie wskazówka zakończony zakończyć zakończyć zakopać zakorkować zakorzeniać się zakotwiczyć zakres ultrakrótkofalowy zakres współrzędnych osi zakręt zakup zakurzony zakwas zakwaterować zakwaterować (wojsk. buit. aankoop stoffig gist afstemmen. rang ombuigen. stadswijk aanpassing procederen bedelven. wijk. inkoop. buigen. afdoen afmaken. aanprijzen. afhangen familiebetrekking. klaar afhandelen. stand. begraven prop. conclusie uitgang. indelen aantal. overstelpen. afgelopen.

doel. etablissement. getier smaken slot kooi sluiten. uiteenvallen afpersen. beogen. commanderen. wisselen anticiperen. plecht. lokaas inrichten. oprichten. rumoer. besmeren slot. bewegen beroering. omheind terrein omsluiten bemanning vestiging. expediëren instorten. verzenden. inruilen. strekking in plaats daarvan in plaats daarvan oprijlaan.załadować ponownie załamanie załamuj załatwiać załatwić (sprawę) załączać załącznik załącznik załączyć (w przesyłce itp) załoga założenia założenie założenie założenie (firmy) założyć przynętę założyć się zamachnięcie zamaskować zamawiać zamazać zamazanie zamek zamek zamek (u drzwi) zamek błyskawiczny zamiana zamiar zamiast zamiast tego zamiatać zamieniać zamienić zamienić zamienić zamierzać zamierzać zamierzać zamierzać zamierzony zamieszać zamieszania zamieszanie zamieszanie zamieszki zamiłowanie zamknąć zamknąć na klucz zamknięcia afzenden. dichtmaken. liefkozen. wit bedoeld. lawaai verwardheid. moedwillig aangrijpen. afdwingen. afdoen omsluiten aanhechting kraal. plan. doel. bevelen vervagen smeren. aanrichten. doorsmeren. rel. wisselen centrale in de plaats stellen van. kasteel. beweging herrie. prejudiciëren mikken. aaien blind aanvoeren. honk. mikken op. ruilen. verwarring herrie. burcht slot slot treksluiting. instelling achtergrond aas. rits. strelen. ordenen afhandelen. anders maken bedoeling. dichtdoen . ontroeren. opzettelijk. ineenstorten. roerigheid. ritssluiting veranderen. leven. knevelen arrangeren. oprit ruilen. inboeten inruilen. doelstelling. instelling Maria-Hemelvaart vestiging. ophef. etablissement. bedoelen gemiddeld doelwit. sauzen. stichten aanhalen. agitatie.

aflossen gefortuneerd. indompelen duiken onderdompelen. vermogend aanvoeren. afleggen. gammel. indompelen ronde toerusten. commanderen. uitvoeren aanvoer. aftreden. afnemen voor indompelen. levering. nalatigheid veronachtzamen bouwvallig. aftands nonchalance. rijk. bedanken concessie. soppen monteren. uitrusten. soppen onderdompelen. bezorging aflevering.zamknięty zamknięty zamoczyć zamontować (dysk w systemie) zamordować zamortyzować zamożny zamówić zamówienie zamrażać zamrażarka zamrozić zamrożenie zamrożony zamykać zamykać na zasuwę zamysł zamyślony zamyślony zanalizować zaniechać zaniechać zaniechać zaniechać zaniechanie enia zaniedbać zaniedbać zaniedbać zaniedbanie zaniedbanie zaniedbywać zaniedbywał zaniedbywanie zaniepokoić zaniepokojenia zaniepokojony zanikać zanikać zanikać płowieć zanim zanurzenie zanurzyć zanurzyć (się) zanurzyć coś w zaokrąglać zaopatruj zaopatrywać zaopatrzenie sluiten. eindig. nalatigheid storing veroorzaken storing veroorzaken lafhartig. nakijken. bevelen aanvoeren. cessie. afschrijven. vriesvak vriezen vriezen bevroren sluiten. commanderen. doden afbetalen. afstand. tekening nadenkend nadenkend onderzoeken. bang vervagen kleiner worden. doodmaken. bevelen koelen vriezer. inlevering . afgrendelen werkje. dichtdoen grendelen. beperkt indompelen. indopen. indopen. laf. mislukken afdanken uittreden. schets. dalen dalen. dichtmaken. kleiner worden. examineren prijsgeven. opgeven een miskraam krijgen. zetten ombrengen. weglaten veronachtzamen nonchalance. dichtdoen begrensd. afnemen. toegeving terugvallen veronachtzamen achterwege laten. dichtmaken.

doen ontbranden. constipatie. reuk. geur parfumeren reuk. verzekeren bevestigen. luchtje. doen ontbranden. aanmaken aansteken. aroma reuk. geur. bezorging omploegen. luchtje. behouden geur. doen ontbranden. ontbranding ontsteking keelontsteking longontsteking blindedarmontsteking aansteken. doen ontbranden. aanmaken aansteker.zaopatrzenie w żywność zaorać zaostrzyć zaoszczędzić zapach zapach zapach zapach zapach zapach zapadce zapadnia zapakować do worków zapalanie zapalenia zapalenie zapalenie zapalenie zapalenie opon mózgowych zapalenie płuc zapalić zapalić zapalić (się) zapalić papierosa zapalić się zapalniczce zapalniczka zapał zapał zapałka zapamiętać zapamiętywać zaparcie zapas zapas zapas zapasowy zapasowy zapasowy zapasowy wkład zapaść zapatrywania zapewne zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać (<sth> o czymś) aanvoer. sparen ontzien. van buiten leren uit het hoofd leren. ontbranding ontsteking ontsteking. lucht stinken. reserveren. aanmaken aansteken. van buiten leren verstopping. scherpen. doen ontbranden. lucht. geur lucht. vuur. slijpen redden. uiteenvallen standpunt. boedel bespreken. vies ruiken haan van een vuurwapen achterdeur ontzetten. ploegen. vuurmaker enthousiasme. bevoorraden betuigen. gezichtspunt waarschijnlijk beweren. aanmaken aansteken. aannemen provianderen. een backup maken van tweede ontzien. vuurmaker aansteker. ijver lucifer uit het hoofd leren. geestdrift ambitie. verzekeren . spekken. bergen. ineenstorten. sparen instorten. verzekeren betuigen. beploegen aanzetten. intekenen winkel een backup maken. luchtje. ontslaan. royeren ontsteking. obstipatie inventaris. aanmaken aansteken.

ontbranding ontsteking. doen ontbranden. rekwireren. vragen. baas redden. adverteren aankondiging. bevestigen. chef. plaat. noden vragen uitnodigen. verhinderen. inviteren. invitatie uitnodiging. vragen. verleren vergeetachtig vorderen.zapewnić zapewnić zapewnić zapinać zapinać (się) Zapinka zapis zapis piątkowy zapisać zapisać (dane) pisać zapisać w testamencie zapisanie zapisywać zapisywać zaplanować zaplecza zapłacić okup zapłata zapłon zapłon (silnika) zapłon silnika zapłonąć zapłonąć zapobiegać zapoczątkować zapoczątkować zapominać zapominalski zapotrzebowania zapotrzebowanie żądanie zapowiadać zapowiedzieć zapowiedzieć zapowiedź zapowiedź zapowiedź zapraszać zaprosić zaprosić zaproszenia zaproszenie zaprotestować zaprowadzony porządek zaprzeczyć zaprzeczyć zaprzęgać zapuszczone mieszkanie itp zapychać (się) beweren. aanmaken beletten. verzekeren fixeren. behouden neerschrijven. bepalen dichtknopen gespen. noden uitnodiging. verzekeren betuigen. sleur in tegenspraak zijn met. verkondiging uitnodigen. grammofoonplaat. ding routine. aankondigen. opvorderen beduiden. rekwireren. onderwerp. dichtmaken . een backup maken van loskopen. tegenspreken ontkennen span stortplaats stoppen. bergen. verhoeden de stoot geven tot het gevolg zijn van. opvorderen vorderen. vastgespen. inviteren. schijf gebieder. schrijven. adverteren uitloven. object. ontbranding ontsteking. invitatie mikpunt. dichten. afstammen afleren. schijf boek jota arrangeren. voorzeggen aandienen. aankondigen. aanbieden afschaduwing aandienen. ontbranding aansteken. ordenen een backup maken. uitschrijven nalaten discus. aanvoerder. dichtgespen vasthaken discus. bieden. grammofoonplaat. aanmaken aansteken. voorspellen. aanrichten. afkopen afbetaling ontsteking. doen ontbranden. vergeten. vrijkopen. plaat.

besmetting pest pest microbe infecteren. baseren principe. besturen administratiekantoor. administrateur intendant. radicaal . beginsel. beginsel. administrateur bestuurder. bezoldiging. winnen. winnen. beheren administreren. aanstellen aanrekenen. loon. bevelen benoemen. behalen gage. besmetting roestig reageren reageren aangeven verloofd. bestuur principe. bestuur aanvoeren. beheerder. loon verdienen. beheren. grondbeginsel heerschappij. geëngageerd gage. beknotten omlijning. verpestend infectie. aansteken aanstekelijk. administreren. besmettelijk. grondig. beheren. besmetten. opzichter. bestuur administratiekantoor.zapytać zapytanie z podpowiedzią zapytywać zarabiać zaradzić zaraza zaraza zarazą zarazek zarazić zaraźliwy zarażenie zardzewiały zareagować na coś w jakiś sposób zareagować <to sth> na coś <with sth> w jakiś sposób zarejestrować zaręczony zarobek zarobić zarobkach zarodek zarozumiały Zarys zarys zarząd miasta zarządca zarządca zarządca plików zarządzać zarządzać zarządzać zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia zarządzanie zarządzanie zarządzanie automatyczne zarządzanie zautomatyzowane zarządzenie zarządzić zarzut Zasada zasada spokoju zasada superpozycji zasadą zasadniczy zasadniczy zasadniczy vragen enquête een verhoor afnemen. begrenzen. salaris. ijdel. bewind. ondervragen verdienen. meier besturen. toedichten gronden. genezen. bestuur administratiekantoor administratiekantoor. commanderen. besturen bestemmen. grondbeginsel fundamenteel primair ingrijpend. salaris microbe nietig. bezoldiging. helen infectie. onbelangrijk beperken. bestuur beheerder. omtrek administratiekantoor. uittrekken administreren. behalen beter maken. toeschrijven.

verdienen creditzijde. kazemat dienblad. toekomen. toekomen. waardig. notulen strategie. snappen betrappen. presenteerblad blad. toekomen. nummer pion pand. scherm. bedaard. bikken. buit. stipendium. onderpand. rustig. krijgskunde een hinderlaag leggen bewerker eten. zich verwonderen afspiegeling. vreten aanvoer. toekomen. waar verdienen. valstrik. subsidie inhalen geschrokken ontstellend een proces aanspannen tegen betrappen. credit waard zijn. mogendheid aanvoer. aanwinst stil. bezorging ondersteuning. snappen betrappen. gebruiken. krediet. verrassen. verdienen waard zijn. doek mantel. macht.zasadowy zasady zasady postępowania zasadzka zasilacz samochodowy/lotniczy zasilać zasilać zasilanie zasilanie moc zdolność władza zasilanie zaopatrzenie zasiłek zaskakiwał zaskakiwał zaskakując zaskarżać zaskoczenia zaskoczenie zaskoczyć zasłona zasłona dymna zasłonić zasłudze zasługa zasługa zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasłużyć (się) zasłużyć się zasnąć zasobnik zasobnik kart zasobnik kart (dziurkowanych) zasób zasób środek trwały zaspokoić zastanawiać się zastanawianie się zastanowienie zastaw zastaw zastaw zastawce zastawić pułapkę/sidła zastawka zastąpić zastąpić kogoś basisbekeuring. mantel waard zijn. tegoed. toekomen. verdienen waard zijn. snappen overgordijn. toekomen. jas jas. in de plaats stellen van . krant opslaan prooi. klep slag. maffen bunker. weerglans nakomertje cijfer. verdienen eerzaam. gordijn. acquisitie. verrassen. behalen waard zijn. verdienen slapen. verrassen. borgstelling schuif. val schuif. in de plaats stellen van inboeten. bezorging aanvoer. bezorging heerschappij. winnen. verdienen waard zijn. proces-verbaal. kalm zich verbazen. klep inboeten.

vernielen inboeten. dichtmaken belegeren doortrekken. assimileren stoppen. eren preferentie. kwalificatie bevoegdheid. vet baai. dichtmaken bedelven. tegoed. verpletteren congestie. inham. intekenen bevoegdheid. enten inenten. boezem . aflossing vervanging. doch getuigen. kreek golfspel. aanpassen. vergaan conflict ook weer. certificeren betuigen. toepassing koe doen schrikken. doorvoeren aanwending. ontveinzen. helper steward subsidiair. plaatsvervangend in de plaats stellen van. injectie in zich opnemen. eren maar. navraag spuitje. toch stoppen. aandrang dik. ergo. vraag. bloedaandrang. adjunct. oculeren. huldigen. verzekeren verbergen. overstelpen. vereren. bocht. dichten. adapteren aanwenden. vervanging afwisselend afstemmen. verhelen verdrinken. vettig. credit huldigen. oculeren. dichten. verzadigen inenten. privilege. krediet. enten vereren. certificeren getuigen. golf. dus. schrik aanjagen copyright. reserveren. prae creditzijde. inspuiting. aflossing aflossing.zastąpienie zastępca zastępca zastępca zastępca zastępczy zastępować nowszą wersją zastępował zastępowanie zastępstwa zastępstwa zastępujący zastosować zastosować zastosowanie zastraszyć zastraszyć zastrzec sobie prawo autorskie zastrzegać zastrzerzenie zastrzeżenie zastrzeżenie zastrzyk zasymilować zasypać zasypuj zasypuj zaszczepić zaszczepić (przeciw chorobie) zaszczycie zaszczycie zaszczyt zaszczyt zaś zaświadczać zaświadczać legalizować zaświadczyć zaświadczyć zataić zatapiać zatarg zatem zatkać zatkać się zatłoczenia zatłuszczony zatoka zatoka vervanging. inham. kwalificatie kwestie. kopijrecht bespreken. certificeren getuigen. verwoesten. verloren gaan. inboeten afwisselend vernietigen. aflossing assistent. in de plaats stellen van vervanging.

halthouden. moes. aan de grond raken zondvloed jam. marmelade vergiftigen. zelfverzekerd steeg plaatsbewijs. credit vertrouwen. biljet. beamen. verzekeren bevestigen. constipatie. aanneming beamen. aanwerven toepassing. blijven staan logeren box logeren logeren afslaan. ophouden. huren. blaam uitgang. adverteren verkondiging. krediet. toepassing aannemen. kaartje affiche. obstipatie beweren. aankondigen. detineren afslaan. aanwending toepassing. arrestatie reserveren. vertrouwen. aanwending aanhouding. uiteinde inhoud inhoud adviseren. goedkeuren ontstekingsbuis. aanmerking. geloof creditzijde. toejuiching ja zeggen. vergeven aannemen. aanwerven aanwending. huren. aankondigen. vergallen. aankondiging . dichten. plakkaat berisping. halthouden. bekendmaken aanplakken aandienen. billijken. aanplakbiljet. bevestigen vormsel. geloof fiducie. aannemen bijval. vertrouwen.zatonąć zatopić zator zatruć zatrudniać zatrudniać zatrudniać (pracownika) wykorzystywać zatrudnienia zatrudnienie zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać (się) zatrzymać (się) zatrzymać się zatrzymanie zatrzymanie pracy procesora zatrzymanie ze względu na adres zatrzymuj zatwardzenie zatwierdzać zatwierdzać zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzić zatyczka zatykać zatykać zaufania zaufanie zaufanie zaufanie zaufany zaufany człowiek zaułek zauważyć zauważyć zauważyć uwaga zawarcie (umowy) zawartość zawartość łyżeczki do herbaty zawiadamiać zawiadamiać zawiadamiać zawiadomić zawiadomienia zinken. standje. fiducie hebben in vertrouwd. betrouwbaar zelfbewust. aankondigen adviseren. dichtmaken ontstekingsbuis. detineren. bougie fiducie. blijven staan logeren box reserveren. acclamatie. tegoed. bekendmaken. bougie stoppen. ophouden verstopping.

eens. bij voortduring eenmaal. zetten in de steek laten. hinder foei beschamen. beslaan inclusief afslaan. verdriet handwerk. knelpunt. behelzen smeden bevatten. inhouden. klep duizelig duizeling. plakkaat stationschef scharnier afhandelen. naijver ijverzuchtig. halthouden. geheimzinnig compliceren. ambacht handwerk. ingewikkeld maken gecompliceerd. laten merken anemoon anemoon mysterieus. ijverzuchtig benijden. beroep. aangrijpen professioneel. afgunstig jaloers. behelzen omvatten. bedrijf schuif. halsstarrig. ingewikkeld bundel. blijven staan hangen hangen monteren. wel eens. jaloers zijn op. beroepsprofessioneel. beroep. steeds koppig. afgunstig. immer. wis. inhouden. steeds permanent. afwikkelen. misgunnen bemachtigen. duizeligheid foei penarie.zawiadomienie zawiadomienie zawiadowca stacji zawias zawierać zawierać zawierać zawierać zawierać (umowę) zawierający wszystkie funkcje zawiesić zawiesić się zawieszać zawieszenie zawieść zawilca zawilec zawiły zawiły zawiły zawiniątko zawisć zawistny zawistny zawiść zawładnąć zawodowiec zawodowiec (w sporcie) zawodowy zawody zawód zawód zawód pisarza zawód pisarza zawór zawrotny zawrót głowy zawstydzać zawstydzenie zawstydzić zawstydzić się zawstydzony zawsze zawsze zawsze zawsze dostępny zawzięty zawzięty aankondiging. beroepsprofessioneel. immer. benardheid. broodwinning. aldoor. leed. aanplakbiljet. hardnekkig volhardend . verkondiging affiche. ambacht beroep. bos jaloezie. beschaamd maken beschaamd altijd. grijpen. ooit altijd. beroepswedijver smart. jaloers. afdoen bevatten.

zazdrosny zazdrosny zazdrosny (<of sb> o kogoś) zazdrościć zazdrość zazdrość zazębienie zaznaczyć zaznajomiony z czym (człowiek) zazwyczaj zazwyczaj zażalenie zażarty zażądać zażenować zażyły ząb ząbek (czosnku) zbadać zbawca zbawiać zbędny zbędny zbiec zbieg zbiegać się zbiegać się zbiegać się nadawać zbieżność zbiegowisko zbierać zbierać zbierać oklaski zbierać się zbierać się zbierać sumować zbierać wierzchnią warstwę zbieranie danych o wydajności zbieraniną zbieżny zbiorowy zbiory zbiór zbiór zbiór zbiór danych gotowy zbiór docelowy zbiór drzew (w teorii grafów) zbiór zmian po wykonaniu operacji jaloers. dossier inrichting. schare. apparaat. gemeenschappelijk oogst hoop. apparaat. jaloers zijn op. behoeven. afgunstig benijden. strik merken. bewust gewoonlijk gewoonlijk beschuldiging. ijverzuchtig geel ijverzuchtig. examineren Verlosser vrijkopen. samenlopen. innig. jaloers zijn op. misgunnen benijden. steek. congruent zijn bijeenkomst. vergaderen. misgunnen jaloezie. tekenen welbewust. drift bestand. samenkomst collecteren. gelijksoortig collectief. nakijken. convergeren elkaar dekken. rozig. abstraheren deduceren. bijeenkomen samenkomen. wegrennen. overeenkomend. afleiden. moeten. drossen uitgewekene. hulpmiddelen . dol nodig hebben. gezellig. afgunstig. kudde. afkopen onnodig overtollig. samenkomen. groep. congruent zijn samenkomen. afleiden. verwoed. innen. abstraheren vergaderen. hoeven in verlegenheid brengen intiem. hulpmiddelen inrichting. inzamelen deduceren. vluchteling elkaar dekken. bijeenkomen scheren oogst acquisitie hutspot analoog. knus tand roze. apparaat. bos ordner. rooskleurig onderzoeken. loskopen. hulpmiddelen woud. aanklacht doldriftig. naijver maas. map inrichting. meeting. breisteek. woedend. jaloers. overbodig weglopen. rose.

clausule. bundel. aan de hand zijn besluiten. wakker maken. ververwijderd. volzin declaratie. wis. harnas. opvallen . pit. bepantsering. eveneens. harnas. voorgoed degenereren. opwekken evenzeer. voorrijden slaan. ontaarden. veelomvattend benaderen aanvliegen benaderen benaderen aanvliegen helling. oever bombarderen eksteroog. bos uitgebreid. evenement toegaan. visie frase. voortgang hebben. apache bepantsering. mede. nerveus boemelen. ver voorwaarde. korrel straatschuimer. brassen. verbasteren afstandelijk afstijgen zenuwachtig. ontaarden. kant. likdoorn zaadkorrel. mening. bepaling gedachte. kuras. eelt. zin. ook verkoop. dunk. boord. kust.zbiór znaków kodowanych alfabetycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiórka zbitka rejon zbity zbliżać się zbliżać się zbliżony zbliżyć zbliżyć się zbocze zbocze (impulsu) krawędź (grafu) zbombardować zboże zboże zbój zbroja zbroja zbrylić się zbudzić any zbudzony zbyt zbyt towarów zbyt wysoka ocena zbyteczny zdać zdalny zdanie zdanie zdanie zdanie (twierdzące) zdarzenie zdarzenie zaszłość zdarzyć się zdarzyć się zdecydować zdecydowanie zdegenerować się zdegenerowany zdejmował zdemontować zdenerwowany zdeprawować zderzać się zderzać się repertoire bundel. overwaarderen onnodig inhalen verwijderd. pantser kuras. uitspraak belangrijke gebeurtenis. uitmaken definitief. pantser koek. cake wakker. zenuw-. kloppen. glooiing wal. bos gevolg samenscholing wis. aangifte. klappen. gebeuren gebeuren. beslissen. wakend wekken. verbasteren degenereren. vervreemding overschatten. aan de rol zijn aanrijden. evenement belangrijke gebeurtenis. omvangrijk. opinie.

prent. kieken onderdrukken. bekwaam bekwaam. behalen verkrijgen. beheren. louteren afhaken. ceremonieel luttel. gering gezondheid gezond. kundig. afbeelding. verkrijgen. laten merken in de steek laten. neerslaan versieren sieraad. kieken fotografie beeld. capabel. min. karig. schoonmaken. aanrijding aanrijden. smoren. verschaffen. fit. verkrijgen. klein. valide gezond van lijf en leden . voorrijden reinigen. min. plaat luik fotograferen. min. aanvaring. loshaken fotograferen. verkrijgen. kundigheid bekwaamheid. karig. gering luttel. handig. aanvaring. pakken. buffer botsing. klein. kundigheid faculteit capabel. stootkussen. klein. buit maken buit maken. besturen verraad verraad verraad in de steek laten. karig. plechtig. tooisel beetnemen. aanrijding botsing. verstrekken aanpassingsvermogen bekwaamheid.zderzak zderzenia zderzenie zderzyć się zdjąć zdjąć z haka zdjęcia zdjęcia (w filmie) zdjęcie zdjęcie (fot. decoratie. behendig. behalen buit maken. laten merken verdoofd afgemeten. bekwaam bedreven. gering luttel.) zdjęcie migawkowe zdławić zdobić zdobienie zdobycia zdobycz zdobyć zdobyć wewnętrzną świadomość zdobyć wewnętrzną świadomość zdobywać zdobywać zdolności przetwarzania zdolność zdolność zdolność zdolność adresowania zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie zdolność przystosowania się zdolność przystosowawcza zdolny zdolny zdolny do narzucenia zdołać zdrada zdrada zdradą zdradzać zdradzić tajemnicę/oddać coś zdrętwiały zdrętwiały zdrobniały zdrobnienia zdrobnienie zdrowie zdrowy zdrowy na umyśle bumper. kundig administreren. beetkrijgen raaf buit maken. kundigheid aanpassingsvermogen geschiktheid aanpassingsvermogen bekwaamheid. behalen uitreiken.

verbazen bevreemdend. polshorloge horlogemaker. nul .zdrój zdrzemnąć się zdrzemnąć się zduciś zdumieć zdumieć zdumiewać zdumiewający zdumiewający zdusić się zdychać zdyszany zebra zebrać zebrać zebrania zebranie zebranie zebranie zechcieć zefir zegar zegara zegarek zegarmistrz zejście na ląd (ze statku) Zelandia zelówka zelżeć zemdleć zemdleć zemdlenia zemsta zemsta zemścić się na kimś zenit zepsuty zepsuty zepsuty zepsuty fabrycznie zera zera zerkać zero zero zero zero nastawiaine zero nieznaczące badplaats druilen. klok wijzerplaat horloge. sterven ademloos. zin zefier uurwerk. bevreemden. scheelkijken. meeting. aanzienlijk onderdrukken. vernielen verwonderen. lust. neerslaan doodgaan. klokkenmaker daling. verbazen bevreemdend. stuk. begeerte. luwen zwak bezwijmen. samenkomst samenscholing bijeenkomst. bevreemden. verrot verspild rot. bijeenkomen bijeenkomst. nihil nul scheelzien. bloot. landing Zeeland enkel. bekoelen. nihil nihil. amechtig. Kaapse ezel aggregatie. verbazingwekkend verwonderen. meeting. zenit defect. loensen nul. bedorven. uitstekend. bewusteloos raken bezwijmen. overlijden. verrot nul. nul nul nul nihil. verlangen. samenkomen. buiten adem zebra. verbazingwekkend eminent. smoren. sluimeren. samenkomst vergadering. dutten vernietigen. verwoesten. aggregaat vergaderen. dutten sluimeren. bewusteloos raken wraak wraak wraak hoogtepunt. louter bedaren. druilen. zitting wens. kapot rot. bedorven.

schrift. mislukken beproeven. uiterlijk daarbuiten. eruit. scheelkijken. samenkomst gevolg blokkeren. uitwendig. gedogen. samengesteld gevolg bende. vastzetten schaven. over uitwissen buiten buiten oppervlakte. getuigen hergeven. buiten-. uiterlijk buiten-. verwijderd. uitwendig. meeting. afzijdig. buiten. nul hel. scheelkijken. toestaan toestemming. aanhang scheelzien. laten begaan. gedogen. aflevering katern. heen. schare aggregatie. verdriet doen bende. groep complex. bedroeven. afschaven stijfheid oefenen. bos bijeenkomst. licht. oppervlak extern. troep. mislukken een miskraam krijgen. schare groepering. aflevering slippen. uiterlijk buiten naar buiten. drillen katern. aggregaat repertoire bundel. goedvinden. fiat toelaten. extern. reproduceren. wis.) zerwać zerwanie zesłać (nieszczęście) zespół zespół Zespół budynków zespół odczytującodziurkujący zespół projektowy zespół serwerów zestaw znaków kodowanych alfabetycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestawiać w bloki zeszlifować zesztywnienie zeszyt zeszyt zeszyt (szkolny) ześlizgnąć się zetrzeć zetrzeć zewnątrz zewnętrzna strona zewnętrzna strona zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zez zeznaj zeznania zeznanie zezowaty zezwalać zezwalać zezwolenie zezwolenie nul nihil.zero nieznaczące zero początkowe zerować zerowy zerowy (przewód elektr. schrift. laten schieten toelaten. loensen laten. teruggeven getuige scheelzien. troep. uitglijden vandoor. loensen certificeren. toestaan . onpartijdig een miskraam krijgen. klaar nul neutraal. buitenwaarts leden.

lossen toelaten. ploert. maagzuur. goedvinden. toegeven. leven. toepassing aandrang. behaaglijk. volontair verzoeker. gedogen. zuur ophef. genoeglijk congruent adequaat. syllabe aanwending. fiat bescherming met de klok mee. syllabe lettergreep. we toestemming. gissen.zezwolenie na zapis zezwolenie zapisu zezwolenie zdalne zezwolić zezwolić na opublikowanie zębach zęby zgadywać zgadzać się zgadzać się zgadzać się zgadzać się (<to sth> na coś) zgaga zgiełk zgięcia zgięcia zginać zginać zginać zgłaszać się na ochotnika zgłaszajacy się zgłębiać zgłosce zgłoska zgłoszenie zgnieść zgniły zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara zgodnie z obrotem wskazówek zegara zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny ze standardami branżowymi zgodzić się zgodzić się zgorzkniały zgrabny wij. plooien vrijwilliger. boef ombuigen. tappen. uitlaten. rechtsom aangenaam. rumoer. aanneming. in overeenstemming zijn het eens zijn. herrie verfomfaaien. onthaal accoord. buigen. verrot aanvaarding. toeloop. kreukelen. aanvrager onderzoeken. samenklank ja zeggen. lawaai. doorbuigen gebogen. exploreren. krom omvouwen. passend. rechtsom met de klok mee. frommelen ellendeling. schavuit. doorzien accoord. goedvinden toestemming. overeenstemming het eens zijn. goedvinden. medeklinker lid worden het eens zijn. overeenstemmen passen. fiat loslaten. overeenstemmen bitter beminnelijk . beamen. overeenstemmend congruent consequent consonant. run rot. ons. ons. vouwen. nagaan lettergreep. overeenstemmen maagbrand. toestaan gebit gebit raden. we wij. overeenstemming overeenstemming. bevestigen concert het eens zijn. bedorven.

vereenzelvigen groen groen aanaarden achtergrond. bijeenkomst samenscholing vergaderen. honds. geest. deficit. nors. droombeeld opdraven. schade. bodem. beitsen bitsheid snibbig. ondergrond chaperonneren pieper. droombeeld congres unie unie . knarsen raspen nadeel. grond. pit. veldboon tuinboon. bijeenkomen happen. jungle. samenkomst. onaardig zondigen lasser piepen. nurks. boon. verschijnen verschijning. strop zaadkorrel. veldboon zaadkorrel. opdagen verschijning. fenomeen gezicht. gapen wijd openstaan. bijten. aardappel aards. gapen wijd openstaan. visioen. boon. knauwen. gapen wijd openstaan. pit. blinde bij kaarspel gezicht. aarden aards wijd openstaan. korrel zaad identificeren. samenkomst. gapen winter winter oerwoud. visioen. rimboe koud koud koud ijsvogel blinde. verschijnen verschijnsel. korrel tuinboon.zgromadzenia zgromadzenie zgromadzenie zgromadzić zgryz zgryźliwość zgryźliwy zgryźliwy zgrzeszyć zgrzewarka zgrzytać zgrzytania zguba ziarnistość ziarnko (grochu ziarnko (klasa JavaBeans) ziarno ziarno zidentyfikować zieleń zielony ziemia Ziemia (jako planeta) ziemianin ziemniak ziemski ziemski ziewać ziewać ziewanie ziewnięcie zima zimą zimnica zimno zimny zimny zimorodek zjawa zjawa zjawiać się zjawianie się zjawienie się zjawiska zjawisko zjazd zjednoczenia zjednoczenie meeting. bits bars. samenkomen. bijeenkomst meeting.

rans. cake zinken. bevelen vragen. meeting. meetellen afwikkelen. goor. bedroeven. toorn bijeenkomst. aanvragen. aanflitsen. leggen. aangaan spijkeren. grijpen. aan de grond raken muf. gortig kwartel in aanmerking komen. hakken breuk. letsel toebrengen gulden. toorn gramschap. gotisch lettertype breuk. boosheid. kapot aanfloepen. foedraal unie aansluiting haven interface aansluiting aanhechting zich aansluiten. garstig opdracht. gotisch lettertype defect. commissie aanvoeren. geleding. boodschap. gouden dief. hakken houwen. knoop aansluiting houder. gotisch lettertype breuk. gelid. kappen. nalatigheid koek. aanstellen delegeren. boosheid. ontvreemding afkeuren ergeren.zjednoczony zjedzony przez mole zjełczały zlecenia zlecenie zlecenie zlecenie zakupu zlecić zlecić delegat zlekceważenie zlepiać (się) zlew zleżały zlęknąć się zliczanie zlikwidować zlokalizować zlość zlość zenie zlot złamać złamać (zabezpieczenie złamać zabezpieczenie złamania złamanie złamanie ochrony pamięci złamany złapać złapać złapać kogoś na gorącym uczynku złącze złącze złącze złącze złącze p-n stopniowe złącze przelotowe portu równoległego złącze punkt połączenia złącze żeńskie złącze) ceramika—metal złączenie Złączka zło złocie złodziej złodziejstwo złom złościć złościć verenigd mottig ransig. nagelen bemachtigen. stuk. ranzig. knoop kwetsen. commissie benoemen. inroepen. verzoeken opdracht. opheffen situeren. toetreden gewricht. geleding. lid worden. aangrijpen gewricht. kappen. ergeren . gelid. samenkomst afbreken houwen. boodschap. schede. afvaardigen nonchalance. plaatsen gramschap. verontwaardigen grieven. lid. adellijk. benauwd. liquideren. lid. commanderen. steler diefstal.

beroerd. samengesteld complex. samengesteld vergaderen. toorn trots kwaadaardig. moe veranderen. hatelijk boosaardig. hatelijk. kaduuk worstelen. bergen. gouden gulden. samenkomen. toornig. składany stolik w pociągu) złożyć składany stolik w pociągu złudzenie zły zły zły zmagać się zmaleć zmarnowany zmarszczka zmartwienia zmartwienie zmartwienie zmartwienie zmarznąć zmęczenie zmęczony zmiana zmiana zmiana adresu zmiana kierunku zmiana strumienia magnetycznego na cal zmianą zmielony zmieniać zmieniać zmieniać gramschap. anders maken opmaken. insluiten opbergen. afnemen verspild rimpelen. mat. insluiten drogbeeld. gouden aanfloepen. dus. kwaadaardig afschuwelijk hatelijk. bijeenkomen opbergen. ontgaan verschuiving achtergrond. opstellen . afbeulen vermoeid. gouden gulden. illusie kwaad. begoocheling.złość złośliwość złośliwy złośliwy złośliwy złośliwy złota moneta dziesięciodolarowa złota rybka złoto złoty złoty złoty (polska waluta) złowić złoże złożenie złożenie skład złożony złożony z dwóch jednakowych elementów złożyć złożyć (np. verdriet. afjakkeren. gouden gulden. stuk. boosaardig. spartelen. defect. smart vriezen afmatten. slecht. boosheid. ook weer. leed leed. toonzetting. bergen. hartzeer. grond. arend goudvis gulden. gehavend. in bewaring geven complex. anders maken verschuiving afleidingsmanoeuvre ergo. ondergrond afwisselend veranderen. compositie complex. redigeren. aangaan afgeven. kwaad kapot. samengesteld toondicht. ontkomen. nijdig. toch ontsnappen. kwaadaardig adelaar. fronsen verdriet. zich aftobben verminderen. bodem. verdriet. boos kwalijk. deponeren. aanflitsen. bedroeven droefheit. beproeving smart. boosaardig.

veranderlijk. timide.zmieniać zmieniać (się) zmieniać kolejno zmieniać liczbę zmieniać się zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) zmienić zmienić się zmienić (się) zmienić kierunek zmienna związana zmienny zmienny zmienny zmienny zmierzch zmierzch zmierzch zmieszać zmieszać zmieszać się zmieszanie zmieszany zmniejszać zmniejszać się zmniejszenia zmniejszenie się zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć (się) zmniejszyć napięcie zmoczyć zmonopolizować zmontować zmontować (urządzenie) zmontowanie zmora zmowa zmrok zmrożony zmuszać zmuszać zmylić zmysł zmysłowy zmyślony wijzigen. bevangen. slagen anders maken. weken accapareren. benardheid. modificeren afwisselend klaarspelen. verlagen inkorten. veranderen afleiden. bijeenkomen meeting. bedeesd temperen. verstrooien wisselend. bedeesd reduceren. veranderlijk. herleiden afdraaien. hinder blo. zich verpozen bedaren. schemerdonker mat. beschaamd maken penarie. luwen ontbinden. veranderen anders maken. bijeenkomen vergaderen. vermengen. fictief . bekoelen. incubus komplot. verminderen verslappen. opkopen vergaderen. anders maken wisselend. inkrimpen. wellustig. bevangen. weekmaken. nachtduivel. veranderen afwisselend bekeren anders maken. dwingen. afwisselend dageraad. afgelasten in de week zetten. schemerdonker blo. illusoir betekenis. aanbreken van de dag schemer. samenkomen. noodzaken stuwen bedrieglijk. matverplichten. annuleren. schemerdonker. samenkomen. halfdonker halfdonker. sensueel verdicht. afwisselend afwisselend afwisselend veranderen. kleiner worden. doorkomen. mixen beschamen. mengen. veranderen anders maken. samenspanning halfdonker. zin zinnelijk. knelpunt. bijeenkomst angstdroom. afnemen afdraaien. denkbeeldig. samenkomst. verlagen afname dalen. schemer. schemer. timide.

vlag geruim. accuraat voorbode. teken kogel voorbode. voorteken. teken aanleggen beroemd persoon. strekking veelbetekenend. aantal. relatie. leggen. bekende kennis. getal oneigenlijk. moment. aanzienlijk . vlag merken. porto muntstempel tal. relatie. tekenen zaadkorrel. geaardheid merken. geaardheid voorbode. kennis. karakter. strekking oogwenk. teken voorbode. treffen. voorteken. nauwkeurig. hash table mieszać znak nowej linii znak odstępu znak sterujący transmisją znak unikowy znak wodny znak zabezpieczający znak zapytania znak zastępowania znak zastrzeżony usługi znak zgłoszenia znakomitość znakomity znakomity bedrieger. figuurlijk doel. plan.znachor znaczący znaczący znaczek znaczek pocztowy znaczek pocztowy znaczenie znaczenie znaczenie znaczenie przenośne znacznie znacznik znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) znacznik stanu klienta znacznik znak towarowy znaczny znaczyć znaczyć znać znać się na znajdować znajdować lokalizować znajdować się znajomość znajomość lokalnych warunków znajomość rzeczy znajomy znak znak znak znak znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. teken nauwgezet. asterisk mijlpaal aard. tel aanzienlijk dundoek. uitstekend. voorteken. asterisk sterretje. beroemdheid kapitaal. korrel. ogenblik. voorteken. aanmerkelijk. invoeren gemiddeld kennen. frankering. bekende bekendheid. vermogen eminent. plan. charlatan. voorteken. bekend zijn met kennen. vaan. aantreffen situeren. teken port. vlag dundoek. gebeuren kennis. voortgang hebben. vaan. karakter. voorteken. kwakzalver doel. aanzienlijk importeren. bevinden. bedoeling. tekenen dundoek. teken sterretje. betekenisvol voorbode. vaan. kunde kennis. bedoeling. relatie. bekende aard. plaatsen toegaan. bekend zijn met vinden. pit voorbode.

vernielen afname te wachten staan. aantreffen baseren. grondvesten. dierkunde . berechten gescheld gescheld afschrikken. treffen. voldaan ontmoeten. treffen. sloop vernietiging vernietigen. aantreffen verplichting. bevinden. ontmanteling. uitdoen. zoöloog zoölogie. blussen. uitblussen vernietigen. kwaadspreken. van voren af aan. affronteren gescheld beledigen. luizig afbraak. nogmaals van voren af aan. oordelen. plicht verplichting. achterstallig vinden.znakomity znaleźć znaleźć znaleźć ukojenie w czymś znamię znawca znawca znęcać się znęcanie się zniechęcać zniechęcić zniesienie zniesławić znieść znieść (na dół) znieść niewolnictwo znieść yć zniewaga znieważać znieważać zniewolenia znikać zniknięcia zniknięcie znikomy zniszczenie zniszczenie zniszczyć zniszczyć zniweczyć zniżka znosić znosić znowu znowu znużony zobacz zobacz <be> zobacz <content> zobaczyć zobowiązanie zobowiązanie bitowe zobowiązując zobrazować zodiak zoo zoolog zoologia onbetaald. krenken. funderen vinden. aantreffen merken. afbeelden zodiak. wijken verdwijning verdwijning onbeduidend. affronteren lijfeigenschap. nogmaals. bereidvaardig uitbeelden. bevinden. verjagen afschaffing roddelen. belasteren afschaffen afschaffen afschaffen maag beledigen. verwoesten. krenken. verwoesten. verjagen afschrikken. vergenoegd. aanhouden opnieuw. duren. herendienst verdwijnen. vernielen doven. plicht bereidwillig. aantreffen are. dierenriem dierentuin dierkundige. afhalen. opnieuw vervelend ontmoeten. beuzelachtig. verbeelden. wachten beklijven. tekenen deskundig beoordelen. vierkante decameter tevreden.

stout Zoeloetaal. toekomen. dierkunde uitschrijven. organiseren Aurora morgenlicht. afreizen havenen. arrestatie aanleggen. maken en begrijpelijk. onzedelijk afsnauwen declaratie. gedurfd. toegeven zich aaneensluiten. aannaaien. lot bedanken. ontslagname. nakijken. neerleggen. omlijsting. neerleggen. morgenrood logeren achterblijven. raam een miskraam krijgen. opgeven gemeen. Zoeloe . uitspraak pauzeren onderzoeken. verjagen kader. verder op reis gaan. ontslagneming afstand. bevattelijk bevatten. klamp brutaal. aurora. injecteren doen. immoreel. regelen. lijst. sputteren stortplaats afstijgen waard zijn. bederven biefstuk. aftreden. afstand doen afstaan.zoologiczny zorganizować zorza zorza zorza polarna zorza polarna zostać zostawać zostawać zostawić zranić zraz zrazić zrąb aplikacji zrezygnować zrezygnować zrezygnował zrezygnował zrobić afront zrobić pętlę zrobić przerwę zrobić sekcję zrobić zapas zrobić zrzutkę zrozumiałem zrozumiały zrozumieć zrozumienie zrównać zrównoważony zryw zrywać (kwiaty) zrządzenie losu zrzec się tronu zrzeczenie się zrzeczenie się (np. mislukken uittreden. afstand doen afstand. het veld ruimen. kramp. scheuren afrukken. odpowiedzialności) zrzekać się zrzekać się (sterowania) zrzeszać się zrzędzić zrzut zmian (zawartości pamięci) zsiadać zsługa zsumować dodać zszyć zszywka zuchwały Zulus zoölogie. beseffen aanhouding. morren. nablijven overig. aangifte. stoutmoedig. bestemming. beschadigen. aanwakkeren. aurora. bedrijven. plukken. afleggen. splijten. aanmaken. ontslagneming bedanken. bedanken prijsgeven. aansluiten mopperen. aan de schouder brengen nuchter barsten. afbreken lotsbestemming. ontslagname. verdienen aanvuren. examineren inspuiten. bief afschrikken. begrijpen. vastnaaien haakje. nietje. kankeren. aansporen aanzetten. morgenrood Aurora morgenlicht.

kanaal. aanlokkelijk lokken dwarsbomen. afgaan. associatie familiebetrekking. voorhebben slopen. luchtband vertrouwen. luchtpijp. ontwrichten. rondreis bezoeken. toevertrouwen spel verflensen. opzoeken binnenband. nauw. verwantschap informeren.zupa zupą zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie obcy człowiek zupełny zupełny zupełny zużycie zużycie energii zużywać zwabić zwabić zwalczać zwariowany zwarty zważać Zważyć. afwegen Zweeds zeeëngte. verdorren . intellect het gewicht bepalen. tuberculose voeren. afgaan. verstuiken spoken tournee. dicht verstand. koesteren. kwijnen. heel. beest troetelen. verbruiken. finaal louter. straat Annunciatie. geest. odważyć zwedzki zwężać (się) Zwiastowanie zwiastun związany związek związek związek związek typu "jeden do wielu" związek typu "jeden do wielu" związek zawodowy zwichnąć (staw) zwiedzać zwiedzać zwiedzać zwiedzanie zwierak anty nadawanieodbiór zwierak anty nadawanie-odbiór zwierzać się zwierzchnictwo zwierzę zwierzę zwierzę zwierzę pociągowe zwierzęcy zwierzyć się zwierzyna zwiędnąć soep soep alles wel beschouwd heel. verwant bond. wegen. berichten. respecteren verrekken. aromatisch compact. belemmeren geurig. opzoeken bezoeken. consumeren lekker. luchtpijp. bloot compleet. enkel. tegenwerken. referentie eerbiedigen. toevertrouwen dominion dierlijk dier. volkomen. voorteken aanverwant. totaliter grondig. associatie verwijzing. in optima forma longtering. inlichten bond. tering. genootschap. radicaal helemaal. luchtband binnenband. genootschap. dragen. vertroetelen dierlijk dierlijk vertrouwen. perfect. Maria-Boodschap voorbode. volledig uitdrukken volkomen. brengen.

doordringend aarzelen.zwiększać zwiększać (się) zwiększanie wyposażenia zwięzły zwięzły zwilżyć zwinąć zwinny zwlekać zwlekać zwłaszcza zwłaszcza zwłaszcza zwłoce zwłoka zwłoki zwodniczy zwodzić kogoś zwolennik zwolnic wolny zwolnić zwolnić (tempo) zwolnić kogoś z pracy zwolnienie zwołać zwołuj zwołuj zwoływać zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) zwornik zwój zwój zwracać powrót zwracać się (<sb> do kogoś) zwrotnikach zwrócić (do repozytorium) zgłosić się zwrócić pieniądze zwrócić uwagę zwycięstwa zwycięstwo zwyciężyć zwyczaj zwyczaj zwyczajnie zwyczajny zwyczajny zwykle vermeerderen opdrijven. plakkaat hergeven. kort. het juk opleggen gedachte spoel. guur. gebruikelijk louter. bobine klos. gewoonte. aanplakbiljet. enkel. vlot. royeren. convoceren aanspannen. aanhouden. uiteenvallen bijtend. bloot gewoonlijk . zege. schoorvoeten. kadaver bedrieglijk. onbelemmerd verslappen. klos. expansie kortstondig. bobine hergeven. verheffen. uitlaten. weergeven victorie. open. uitstellen inzonderheid inzonderheid. teruggeven adresseren keerkring affiche. overwinning veroveren usance. kort kernachtig. ineenstorten. illusoir begoochelen. ontzetten. ophogen uitzetting. teruggeven reproduceren. zege. fel. gebruik douane gewoonlijk gewoon. convoceren aanschrijven uitschrijven. overwinning victorie. illusies wekken bij leden onbezet. beknopt vochtig instorten. in het bijzonder in het bijzonder. lossen ontslaan. spoel. tappen. kreng. reproduceren. ontslaan loslaten. inzonderheid neiging tot uitstellen vertraging lijk. bondig. royeren aanschrijven uitschrijven. dubben verdagen. vooral. zich verpozen ontzetten. bijeenroepen. los. bijeenroepen. reproduceren.

braken. kwel. wortel schieten wijfje. welput bron. wel. niets. verkeerd misverstand misvatten. gebruikelijk spugen. enig evenmin. aanwinst. gemeenschappelijk gewoon. niemendal. buit. lemmet kling. ontaarden. niet niks. naakt algemeen. geen. aangeboren gewoon. kikvors kikker. wortel schieten bron. gewin kling. bloot. lemmet schrijden slecht onjuist. welput aanslaan. prooi verdienste. verbasteren inflatie zaagvormig zaagvormig verdienste. buis leed. overgeven. wel. wel. kikvors een of andere. smart . welput bron. colbert. kwel. onbedekt. winst. geen zier zeilen jasje. geen. prooi acquest. noch niks. foutief. niet neen. winst. buit. niets. wel. lemmer. baat. aanwinst.zwykle tekstowe zwykły zwykły zwykły zwykły zwykły papier zwykły tekst zwymiotować zwyrodnieć zwyżka (cen) zygzak zygzakowaty zysk zysk na akcję zysk na akcję i ekwiwalent akcji zysk na akcję i ekwiwalent akcji zyskać zyskać zyskać na czasie źdźbła źdźbło źdźbło (trawy) źdźbło trawy źle źle źle zastosować źle zrozumieć źle/nieudolnie kierować (instytucją itp) źrebak źródła źródła źródła źródło źródło mocy sterowane cyfrowo źródło upuszczania źródło zasilania ż żaba żabą żaden żaden żaden żaden (w zdaniach przeczących) żaden z dwóch żaden z nas żagiel żakiet żal gewoonlijk onopgesmukt. kwel. een of ander. nee. gemeenschappelijk ingeboren. niemendal. welput bron. baat. behalen acquest. herkomst aanslaan. verkeerd begrijpen slecht pony oorsprong. nee. baat. gewin acquest. lemmet kling. kwel. verkrijgen. prooi verdienste. verdriet. winst. afkomst. kotsen degenereren. vrouwtje kikker. geen zier neen. lemmer. lemmer. gewin buit maken. aanwinst. buit. gebruikelijk algemeen.

grol. claimen opeisen. claimen inspectie houden. boetvaardigheid. moeten. behoeven. vurig. verzoeken vragen. lamp. grap jargon. eetlust. peer boerten. rekenen. grol. schertsen. pots. droefheid klagen. inroepen. conditie. steken dorstig graagte. claimen vragen. futiliteit.żal żal żal żalić się żaluzja żałoba żałosny żałosny żałość żałować żałować żałował żałował żar żarcia żarcie żarcie żargon żargon techniczny żarliwy żarłoczny żarówka żart żart żartować żartować żartować z kogoś żartowniś żarzyć się żądać żądać żądać żądać informacji żądania żądania żądania żądanie żądanie żądanie danych żądanie informacji dochodzenie żądanie zaprzestania EGP żądanie zaprzestania EGP żądanie znacznika czasu żądła żądło żądny żądza żądza betreuren. eisen voorwaarde. belust. lampje. gloeilamp. bejammeren tot inkeer komen. happig. wee betreuren. aanvragen. clown. hongerigheid. harlekijn in gloed staan. prikken. verterend begerig. vereisen. grap mop. begeren . gekscheren hansworst. kwinkslag. aanvragen. vereisen. eisen opeisen. inkeer bedroefdheid. taaltje gloeiend. rekenen. gloeien. beklagenswaardig betreurenswaardig. moeten. berouw hebben in gloed staan. claimen pikken. pots. verkiezen. rekenen. gretig ampul. kwinkslag. prikken. verzoeken aanspraak maken op. steken pikken. pots. gekscheren mop. taaltje jargon. inspecteren nodig hebben. grap bagatel. delven. bejammeren berouw. priemen. schertsen. behoeven. hoeven aanspraak maken op. bejammeren tot inkeer komen. opgraven. verzoeken opeisen. rooien boerten. aanvragen. inroepen. blaken aanspraak maken op. verzendend. inroepen. trek trek hebben in. zijn beklag doen luik rouw erbarmelijk. gekscheren mop. grol. eisen vragen. gloeien. schertsen. berouw hebben betreuren. hoeven nodig hebben. kwinkslag. bepaling aanspraak maken op. beuzelarij boerten. vereisen. blaken opduikelen. smart. priemen. spijtig ach.

naaktslak adstructie. teken.żądza żądzą że że że żeberka żebrać żebrak żebro żeby żeglarstwo żeglarz żeglować żeglować żeglował żegluga żegnaj żelastwo żelazka żelazko żelazo żenić się żenował żenując żeński żerować żeton żeton żeton żeton kontrolny żłobek żłób żłób żmija żmudny żniwa żniwo żołądek żołądź żołd żołnierz żona żona prowadząca dom żonaty żonaty facet/domator żongler żonglerka żonglować passie. dokken soldaat echtgenote. vaarwel ijzeren ijzeren ijzeren ijzeren gehuwd. afkijken spieken. stellen dat aan de grond lopen. betalen. tot. smartelijk oogst oogst maag eikel storten. bewijs spieken. ribbel. janmaat. afbikken slak. dooreenhalen verwarrend wijfje. bak. vrouw des huizes gehuwd. eetbak. getrouwd jongleur jongleren jongleren . naar. hartstocht passie. hartstocht plaatsbewijs. roes. trog adder zeer. bewijs adstructie. ribbe tegen. zeeman navigeren zeilen navigeren navigatie adieu. bedelen schooier. bij. afkijken drenkbak. gemalin. lust. getrouwd gehuwd. lust. biljet. vrouw huisvrouw. uitbetalen. eega. vermoeden. vrouwtje raaf bikken. getrouwd van zijn stuk brengen. bedelaar rib. aan. stranden schooien. deerlijk. krib. roes. pijnlijk. nerf. kaartje menen. teken. voor navigatie varensgezel.

jaloers zijn op. begeren verkiezen. gevat. toegenegen. begeren. veestapel scheermes marmeren. levende have. kroon. ruw. ad rem gruis. bruut. rap snedig. kwik . aderen giraffe giraffe kroonluchter. druk. steengruis. onschuldig goedgezind. wenden rogge kwikzilver. haastig. trek hebben in verkiezen. kudde. krant as snel. begeren. tor. gunstig vriendelijk. kraan courant. schildvleugelige hijskraan. trek hebben in voorkomendheid. luchter endossant. aderen marmeren. kras. spoedig. hachje vitaal trek hebben in. gravel. kraan hijskraan. voorkomend verkiezen. trek hebben in bestaan resideren. dierlijk oeros kauwen kauwen kever. huizen Hebreeuws. begeren. gevestigd zijn. misgunnen geel schildpad schildpad beestachtig. joods jood.żonglowanie żólty żółć żółtaczka żółty żółw żółw (kursor w języku Logo) żrący żubr żuć żuć gumę bez przerwy żuk żuraw żuraw (także ptak) żurnal żużel żwawo żwawy żwawy żwir życie życiowy życzenie życzenie życzliwość życzliwy życzliwy życzliwy życzyć życzyć sobie żyć żyć z kimś w niezgodzie Żyd Żyd żydowski żyjący żyjący żyletka żyła żyłą żyrafa żyrafą żyrandol żyrant żyroskop żyrować (weksel) żyto żywe srebro jongleren geel gal benijden. grind leven. dagblad. levendig. verkiezen. gauw kwiek. geestig. joods levend vee. endosseren. liefheid goedaardig. gezwind. overdrager gyroscoop gireren. Hebreeër Hebreeuws.

steg haag. verlevendigen vee. veestapel smeuïg. gebruiken. heg. beginsel elementair spontaan eetbaar eten. levende have. steg leven. pittig vruchtbaar . etenswaar. spijs. bikken. gerecht haag. vreten voeden voeden element. hachje vitaal levend bezielen. vurig.żywica żywicą żywiciel rodziny żywić żywić żywić żywić do kogoś urazę żywioł żywiołowy żywiołowy żywność żywność żywopłocie żywopłot żywot żywotny żywy żywy żywy żywy inwentarz żyzny hars hars kostwinner recipiëren eten. bestanddeel. kudde. heg. meeslepend.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful