Pole1 "spamować" (adj) nijaki 25 funtów a zdumiony abakus abdykacja abdykować abecadła abecadło aberracja aberracją abiogeneza abnegacja

abolicją abolicjonista abolicjonizm abonamencie abonament abonencie abonent abonent (telefoniczny) abonent wywołujący program żądający abonował aborcja aborcją aborygen abrutto absencja absencją absolutnie absolutny absolutny absolutny błąd podstawy czasu absolwencie absolwent absorbcją absorbować absorbował absorbując absorbujący absorpcja zakłóceń kosmicznych abstrahowanie abstrakcie abstrakcie abstrakcja abstrakcja abstrakcja proceduralna

Pole2 doen toekomen, sturen, opsturen nihil, nul pony ampère telraam, abacus afstand, ontslagname, ontslagneming bedanken, neerleggen, afstand doen alfabet, ABC, eerste beginselen alfabet, ABC, eerste beginselen aberratie, afwijking aberratie, afwijking abiogenesis versterving, abnegatie afschaffing tegenstander van slavernij anti-slavernijbeweging abonnement abonnement abonnee abonnee gebruiker bezoeker geabonneerd zijn op abortus provocatus, abortus abortus provocatus, abortus Australische inboorling, aboriginal vettig, vet absenteïsme afwezigheid, absentie, mangel beslist, absoluut, ten enenmale absoluut, onvermengd onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt absoluut, onvermengd afgestudeerd, gediplomeerd afgestudeerd, gediplomeerd absorptie, opslorping in beslag nemen, opslorpen, absorberen in beslag nemen, opslorpen, absorberen fascinerend, boeiend, betoverend fascinerend, boeiend, betoverend absorptie, opslorping abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract begrip, abstractie

abstrakcyjny abstrakcyjny typ danych abstynencja abstynencją abstynent absurd absurd absurdalny aby aby ostrzegać academic ACC accusativus aceton acetylen ACH ach adaptacja adaptacją adapter adapter wejścia/wyjścia adaptować adaptował adaptował adaptował adaś ADDR adepci adepcie adiectivum adiunkcie adiunkt adiutancie adiutant ADMIN administracja administracja administracja państwowa administracja publiczna administracją administracyjny administrator administrator administrator organizator administrować administrować administrowanie admirał

abstract, afgetrokken abstract, afgetrokken geheelonthouding, abstinentie terughoudendheid, onthouding knutseaar, amateur, dilettant onding, absurditeit, ongerijmdheid nonsens, onzin, zever, gekheid dwaas, ongerijmd, onzinnig, absurd gedurende, onder, terwijl, staande entstof, vaccin, vaccine trap, mate, graad accumuleren, ophopen, opeenhopen accusatief, vierde naamval aceton acetyleen och, ach, oh, ah oh, ah, och, ach modificatie, bewerking, aanpassing modificatie, bewerking, aanpassing bewerker bewerker afstemmen, aanpassen, adapteren afstemmen, aanpassen, adapteren bewerkt, aangepast arrangeren, aanrichten, ordenen Adam adresseren aanhang, leden student bijvoeglijk naamwoord, adjectief opvoeden, onderwijzen lector adjudant, ordonnansofficier adjudant, ordonnansofficier beheerder, administrateur administratiekantoor, bestuur administratiekantoor gouvernement, regering, overheid administratiekantoor, bestuur administratiekantoor bestuurlijk, administratief beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur besturen, administreren, beheren administreren, beheren, besturen administratiekantoor, bestuur admiraal, vlootvoogd

adnotacja adnotacją adnotacją adopcja adopcją adoptować adoptował adoptował adoptowany adoracja adoracją adorator ADR adrenaliną adres adres ATM adresacie adresat adresatka adresować adv adv adverbium adwent adwersarz adwersarz adwokacie adwokacie adwokat adwokat adwokaturą aeroport afekcie afekt afekt afektacja afektowany aferą aferą affront Afganistan afgańczyk afisz afisz aforyzm afront afryce Afryka

aantekening, commentaar aantekening, commentaar plaatsbewijs, biljet, kaartje adoptie, aanneming adoptie, aanneming zich eigen maken, adopteren zich eigen maken, adopteren aangenomen, geadopteerd aangenomen, geadopteerd aanbidding, adoratie aanbidding, adoratie bewonderaarster, vereerster adresseren adrenaline adresseren adresseren geadresseerde geadresseerde geadresseerde adresseren direct, overeind, rechtop helemaal, heel, finaal adverbium, bijwoord advent tegenstander tegenstander adviseren, aankondigen, bekendmaken verdediger, pleitbezorger, advocaat pleitbezorger, advocaat, verdediger verdediger, pleitbezorger, advocaat belemmeren, afsluiten, afdammen luchthaven aandoen, aangrijpen affect, emotie, aandoening droefheit, hartzeer, beproeving aanstellerij, onnatuurlijkheid aangedaan, aangegrepen zaak, aangelegenheid, ding, affaire konkelen, intrigeren, bekonkelen beledigen, krenken, affronteren Afghanistan Afghaans aanplakken aanplakbiljet, plakkaat, affiche aforisme, spreuk, kernspreuk afsnauwen Afrika Afrika

Afrykanin afrykańczyk afrykański agawa agencie agencie agencja Agencja Ochrony Środowiska agencją agendą agendą agent agent agent ubezpieczeniowy agentura agitować aglomerat agonia agonią agrafka agrariusz agrarny agregacie agregat agregat v agregować agregować agresja agresją agresor agresor agrest agresywny agresywny agromadzenie agromadzenie ah aimponować akacja akacja riusz akademia akademia akademia usz akademią akademicki akapicie akapicie akapit akceleracja

Afrikaans Afrikaans Afrikaans agave vertegenwoordiger, dealer, agent gedeputeerde, afgevaardigde agentschap agentschap agentschap tak, aftakking departement vertegenwoordiger, dealer, agent verkoper vertegenwoordiger, dealer, agent agentschap agiteren, opruien, ophitsen, opstoken agglomeraat doodsangst, doodsstrijd, agonie doodsangst, doodsstrijd, agonie veiligheidsspeld agrariër, landbouwer agrariër, landbouwer aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat agressie agressie aanvaller aanvaller kruisbes, klapbes agressief aanvallend, offensief samenscholing vergadering, zitting och, ach, oh, ah indruk maken op, imponeren acacia acacia academie, hogeschool, genootschap college academie, hogeschool, genootschap academie, hogeschool, genootschap akademisch, academisch artikel, paragraaf branche, vak, tak artikel, paragraaf versnelling, acceleratie

akceleracją akcelerator akcelerator liniowy akcencie akcent akcent akcent akcentować akcent riusz akcentować akceptacja akceptant akceptować akceptował akceptował akceptował akces akcesoria akcesoria akcesoria panelowe akcie akcie akcja akcja tunelowa akcją akcją akcją akcjonariusz akcydent akcyzą aklamacja aklamacją aklimatyzacja aklimatyzować się akolita akomodacja akomodacją akompaniamencie akompaniament akompaniator akompaniować akompaniował akompaniując akord akord akordeon akr akr (ok. 0.4 hektara) akr dytacja

versnelling, acceleratie accelerateur, gaspedaal, versneller accelerateur, gaspedaal, versneller accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen beklemtonen, accentueren accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen aanvaarding, aanneming, onthaal acceptant accepteren, aanvaarden accepteren, aanvaarden aanvaard, erkend, gangbaar beamen, billijken, goedkeuren aanwinst, acquest, buit, prooi accessoires bijkomstig, bijbehorend, bijkomend accessoires doen, bezig zijn, ageren, handelen actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe veldtocht, campagne bewerking, operatie, ingreep actie, aandeel aandeelhouder ongeluk, accident, ongeval verbruiksbelasting, accijns bijval, acclamatie, toejuiching bijval, acclamatie, toejuiching acclimatisering acclimatiseren acoliet, altaardienaar compromis aanpassing begeleiding, accompagnement begeleiding, accompagnement begeleider, metgezel vergezellen, accompagneren, begeleiden vergezellen, accompagneren, begeleiden ingesloten, bijgaand accoord, overeenstemming accoord, overeenstemming, akkoord trekharmonika, accordeon acre acre acre

akredytować akredytował akrobacie akrobata akrobatka akrobatyczny akrobatyka akronim akropol aksamicie aksamit aksjomacie aksjomat aksjomat wyboru akt akt akt przemocy akt ślubu akt urodzenia akt zgonu akt zgonu akta aktor aktor teatru kukiełkowego aktorce aktorka aktorstwa aktówka aktualnie aktualności aktualny aktualny aktywa aktywiście aktywność aktywność dysku twardego aktywny aktywny szablon aktywować akumulator akumulator akumulator litowy o dużej pojemności akumulował akupunktura akustyczny akustyczny akustyka akuszerce

accrediteren accrediteren kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat acrobatisch acrobatiek acroniem Acropolis fluwelen fluwelen grondstelling, axioma grondstelling, axioma grondstelling, axioma doen, bezig zijn, ageren, handelen aanklacht, beschuldiging huwelijk, echt, echtverbintenis doen, bezig zijn, ageren, handelen geboorte dood, overlijden, sterfgeval naakt, onopgesmukt, onbedekt, bloot dossier, bestand speler, komediant, acteur speler, komediant, acteur toneelspeelster, actrice toneelspeelster, actrice podium, bestuur, tribune, leiding boekentas, theca, aktentas tegenwoordig nieuws, nieuwigheid, nieuwtje afdoend, effectief, doeltreffend actueel, tegenwoordig bedrijvende vorm, actief, bezit onruststoker, agitator, activist actie, gedoe, optreden, handeling actie, gedoe, optreden, handeling werkzaam, actief, bedrijvig werkzaam, actief, bedrijvig wachten, afhalen, te wachten staan accumulator, accu accu, accumulator accumulator, accu accumuleren, ophopen, opeenhopen acupunctuur acoustisch, akoestisch acoustiek, geluidsleer, akoestiek acoustiek, geluidsleer, akoestiek vroedvrouw, verloskundige

akuszerka akwarela akwarium alarm alarm alarm przeciwlotniczy alarm słyszalny alarm w systemie administrowania siecią alarmować alasce Alaska Albania albanią Albańczyk albański albo albo albumina ale ale męczą wzrok) ale zgrabne) alei alei aleja aleja aleja aleja alejka Aleksandria alert alfabet alfabet brajla alfabet brajla alga algebra algebrą Algierczyk Algieria algierski algorytm alibi aligator alkohol alkoholik alkoholowy alkowa alokować alokować

vroedvrouw, verloskundige aquarel, waterverfschilderij aquarium alarmeren, aanslaan, alarm slaan kwiek, druk, kras, levendig, rap kwiek, druk, kras, levendig, rap alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan Alaska Alaska Albanië Albanië Albaans, Albanees Albaans, Albanees ander of eiwit, proteïne maar, doch nog maar, doch dreef, laan vallei, dal steeg wreken, wraak nemen dreef, laan straat steeg Alexandrië kwiek, druk, kras, levendig, rap alfabet, ABC, eerste beginselen blindenschrift, braille braille, blindenschrift alge, wier, zeewier algebra, stelkunde algebra, stelkunde Algerijns Algerije, Algerië Algerijns algoritme alibi alligator drank, alcoholische drank, alcohol alcoholist, drankzuchtige, zuiplap alcoholist, drankzuchtige, zuiplap prieel verloten, loten verzenden

Alpy altana altana altanka alternatywa alternatywą alternatywny alternatywny alternatywny aluminiowy aluminium aluminium aluzja aluzja aluzją amancie amant amator amator herbaty amazonce Amazonka ambaras ambaras ambasada ambasadą ambasador ambicja ambicją ambitny ambona amboną ambulans amer. <fagot> ameryce Ameryka Amerykanin amerykański amerykański orzech biały amfiboliczny niepewny amortyzacją amortyzator amortyzować amortyzować (wstrząsy) amper amper amputacja amputować amputował

Alpen zomerhuisje, zomerhuis zomerhuisje, zomerhuis prieel keus, alternatief, keuze keus, alternatief, keuze afwisselend afwisselend keus, alternatief, keuze aluminium aluminium aluminium toespeling, zinspeling zinspelen toespeling, zinspeling vriendin, vrijster, geliefde, minnares vriendin, vrijster, geliefde, minnares knutseaar, amateur, dilettant knutseaar, amateur, dilettant Amazone Amazone penarie, knelpunt, benardheid, hinder penarie, knelpunt, benardheid, hinder ambassade ambassade ambassadeur, gezant ambitie, eerzucht ambitie, eerzucht ambitieus, eerzuchtig kansel, leerstoel, katheder kansel, leerstoel, katheder ambulance, ziekenauto, ambulancewagen mutserd, brandstapel, mutsaard Amerika Amerika Amerikaans Amerikaans Amerikaans dubbelzinnig, dubbelslachtig aflossing, amortisatie, afschrijving schokbreker in beslag nemen, opslorpen, absorberen afbetalen, afschrijven, aflossen ampère ginds, er, aldaar, daarginds, daar wegneming, amputatie afzetten, amputeren, wegsnijden afzetten, amputeren, wegsnijden

amsterdam amulecie amunicja amunicja amunicją analfabecie analfabeta analityczny analityczny analiza analiza wrażliwości analizą analizować analizować analizował analogia analogiczny analogowocyfrowy analogowo-cyfrowy ananas AND iloczym logiczny Andy anegdocie anegdocie anegdota aneks aneks anemia anemia anemiczny anemiczny anemon angażował Angielka angielski angielski policjant Anglia Anglia (arch. lub poet.) anglią Anglicy Anglik Anglosas anglosaski Angola angolą angora angorą ANI

Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum aantrekkelijkheid ammunitie, munitie ammunitie, munitie ammunitie, munitie ongeletterd, analfabetisch ongeletterd, analfabetisch analytisch analytisch analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyseren, ontbinden, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden pariteit analoog, overeenkomend, gelijksoortig bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging ananas en Andesgebergte, Andes anekdote, anecdote etage, verdieping anekdote, anecdote bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein bloedarmoede, anemie bloedarmoede, anemie bloedarm bloedarm anemoon verloofd, geëngageerd Engelse Engels Engels Engeland, Albion Engeland, Albion Engeland, Albion Engels Engelsman Angelsaksisch Angelsaksisch Angola Angola Angora, Ankara Angora, Ankara evenmin, noch

abnormaliteit abnormaal Zuidelijke IJszee antenne. antiek ouderwets. spriet. naamloos. bloemlezing interval. straatschuimer apache. bloemlezing antologie. kiektoestel. hulpmiddelen. annuleren. afgelasten afbestellen nihil. flat . alcohol. geen. inrichting hulpmiddelen.ani ani anielski anielski anihilować animusz animuszach anioł Anioł Pański anoda anonimowy anons anormalność anormalny antarktyczny antena antologia antologią antrakcie antropolog antrykocie antycypował antyczny antyk antyk antylopa antylopą antymilitaryzm antypatią antyseptyczny anulować anulować anulować anulować anulował anuluj Apache Apacz aparacie aparacie aparat aparat aparat telegraficzny aparatura aparaturą aparaturą apartamencie apartamencie apartament neen. ra antologie. apparaat apparaat. inrichting apparaat. tussenruimte antropoloog biefstuk. stelletje. voelhoorn. antipathie antiseptisch middel een miskraam krijgen. afgelasten afbestellen apache. inrichting machinerieën complet. afkeer. hulpmiddelen. nul ontbinden. antiek oudheid antilope antilope pacifisme hekel. set. camera apparaat. inrichting. vernielen geest alcoholische drank. flat appartement. plaat anoniem. niet engel engelachtig vernietigen. verwoesten. inrichting fototoestel. drank engel engel fotografische plaat. flat appartement. hulpmiddelen. verkondiging afwijking. nee. annuleren. prejudiciëren ouderwets. stel appartement. ongenoemd aankondiging. aloud. hulpmiddelen. mislukken ontbinden. tegenzin. straatschuimer apparaat. bief anticiperen. aloud.

administreren. lusteloosheid apathie. straatschuimer apathie. melig. artsenijbereidkunde apotheker. acclamatie. billijken. scheidsrechter . advocaat. verkiezen. farmaceut are. afdak appartement. flat apache. opening graagte. dofheid. zendeling pleitbezorger. toepassing ongeveer. goedkeuren farmacie. trek aanwending. artsenijbereidkunde farmacie. trek trek hebben in. toepassing aanwending. w przybliżeniu aprobacie aprobacie aprobata aprobata aprobować aptece apteka aptekarz ar (100 metrów kwadratowych) Arab arab arab (koń) arabski aranżacją arbiter arbiter luifel. toejuiching sanctioneren. bekrachtigen bijval. verdediger apostel. trek smakelijk. circa bijval. afkappingsteken aanwending. beheren Openbaring van Johannes Openbaring van Johannes verontschuldiging missionaris. acclamatie. beheren besturen. lusteloosheid flegma lusteloos. administreren. afkappingsteken apostrof. aanvrager besturen. hongerigheid. eetlust. toejuiching loven. scheidsrechter arbiter. roemen. apathisch appelleren. voorvechter apostrof. een beroep doen op mond. begeren graagte. maatregel arbiter. vierkante decameter Arabier Arabisch Arabier Arabisch akkoord. prijzen beamen. dofheid. een beroep doen op appelleren.apartament apartament na szczycie budynku apasz apatia apatią apatią apatyczny apel apelacja apelować apertura apetycie apetyczny apetyt apetyt apetyt applaud aplikacja aplikacja zaplecza aplikacją aplikant aplikować aplikował apokalipsa apokalipsą apologią apostolskość apostoł apostoł apostrof apostrofa app approx. toepassing verzoeker. hongerigheid. lekker graagte. gat. eetlust. verheerlijken. fijn. een beroep doen op appelleren. hongerigheid. toepassing aanwending. eetlust. een stuk of.

bouwmeester architect. verouderd aartsengel eilandengroep. kampplaats arena. berechten arbiter. attentie. ophouden. Arctis blad. kettingzang. oordelen. arrestatie arrestatie. kettingzang. aangaan canon. vuurmond roer. leger. krijt. kampplaats wal. geweer canon. legermacht heerschaar. detineren aanhouding. ring aanhouding. archipel architect. beugel. geweer heerschaar. arbitrair. aandacht verdenken aanhouding. vel blad. piste. scheidsrechter archaïsch. arbiter arbiter. leger. Arctica. scheidsrechter naar willekeur willekeurig. krakelen lucht Arizona Noordpoolgebied. arrestatie Argentijns Argentinië Argentijns Argentijns twisten. aartsbisschop arena. eigenmachtig arbiter.arbiter arbiter arbiter arbiter (w handlu) arbiter magistrali arbitralnie arbitralny arbitrator zadań archaiczny archanioł archipelag architekcie architekt archiwa archiwum archiwum archiwum dyskowe archiwum wieloczęściowe arcybiskup arena areną areną areszcie areszcie areszt areszt aresztancie aresztować aresztować aresztowanie Argentyna argentyną Argentyńczyk argentyński argumentował aria arizoną arktyczny arkusik arkusz arkusz (papieru)formularz arkusz kalkulacyjny armacie armacie armata armata armia armią beoordelen. piste. disputeren. kanon. scheidsrechter arbiter. scheidsrechter scheidsrechter. arrestatie acht. krijt. formeren. vel briefkaart vormen. aanhouding aanhouding. legermacht . kanon. bouwmeester archief archief archief archief archief metropoliet. arrestatie reserveren. vuurmond roer.

aromatisch wandtapijt. aroma geurig. arrogant geur. som. kunstig. cijferkunst. cijferkunst. dagen. aanmatiging arrogantie. cijferkunst. dagen. artillerie artiest. beschermen samenscholing assembler assembler assembler assembler vergaderen. totaal. summa rekenkunde. behang slagader.arogancja arogancją arogancki aromacie aromat aromatyczny arras arteria arterią arterioskleroza artykuł artykuł (w czasopiśmie) artyleria artylerią artysta artysta estradowy artystyczny artyście Aryjczyk aryjski arystokracie arystokracja arystokrata arytmenyka arytmetyce arytmetyczny arytmetyka arytmetyka arytmetyka dużej precyzji arytmetyka zmiennopozycyjna arytmetyka zmiennoprzecinkowa as as far as I remember asekuracją asekurował asemblacja warunkowa asembler asembler adresowania bezwzględnego asembler skrośny asembler wbudowany asemblować asemblowanie protokół asemblowania zestaw asfalcie asfalt asfaltować ASG ASGN arrogantie. samenkomen. arterie aderverkalking. kunstenaar artistiek. cijferen rekenkunde. bijeenkomen samenscholing asfalt asfalt asfalt betekenen. kunstmatig artiest. cijferen rekenkunde. kunstenaar Arisch Arisch aristocraat adel. artillerie geschut. dagvaarden betekenen. cijferen rekenkunde. cijferen rekenkunde. aroma geur. arterie slagader. cijferkunst. bedrag. artikel bijdrage geschut. cijferen aas aas assurantie. edelen aristocraat rekenkunde. verzekering behoeden. dagvaarden . cijferen somma. arteriosclerose handelsartikel. cijferkunst. kunstenaar artiest. aanmatiging aanmatigend. cijferen rekenkunde. cijferkunst. cijferkunst.

najagen aspirine aspirine sterretje. aantasten. associatie aanzien. genootschap. bijstaan aanvallen. offensief inblikken aanvallen. air. aandacht Athene Atheens Atheens acte. bedrijf. aanvallen aanvallend. accompagnement assistent. ruimtevaarder sterrenkundige. attentie. genootschap. astronomie gepast. aanblik aanzien. astronomie sterrenkunde. sollicitant. atlas atleet atleet atletisch . helper aanvullend helpen. sollicitant. assimileren begeleiding. aantasten. sterrenwichelaar astronaut. eerzucht kandidaat. certificeren betuigen. dokument. astronoom sterrenkunde. schijn. aspirant ambiëren. schijn. aamborstigheid astroloog. verzekeren Atlantische Oceaan Atlantische Oceaan Atlas kaartenboek.ASM asocjacja asocjacją aspekcie aspekt aspiracje aspirancie aspirant aspirował aspiryna aspiryną asterysk astma astrolog astronaucie astronauta astronom astronomia astronomią asygnował asymilował asysta asystencie asystent asystent pokładowy asystował atak atak atak atak sieci komputerowej atak znanym tekstem jawnym atakować ateizm atelier atencją Ateny Ateńczyk ateński atest atestować atestował atlantycki Atlantyk atlas atlas atlecie atleta atletyczny assembler bond. dingen naar. associatie bond. helper assistent. assisteren. aantasten aangrijpen. ruimtevaarder astronaut. passend. aanvallen godloochenarij. adjunct. aantasten aangrijpen. air. geschikt in zich opnemen. aspirant kandidaat. stuk getuigen. adjunct. aanblik ambitie. akte. atheïsme studio acht. asterisk astma.

aangaan bijvoeglijke bepaling. atmosfeer lucht. karakteristiek bijvoeglijke bepaling. atmosfeer atoom atoom acceptant atoom-. dampkring. afslag. sfeer. vendu. aantrekkelijk inkt inkt inkt aanfloepen. dampkring. auditorium uitzenden. omroepen uitzenden. attentie. aanflitsen. controleren auctie. mijn. vendu. veiling auctie. atmosfeer lucht. sfeer. wagen toehoorders. krachtsport lucht.atletyka atmosfera atmosfera absolutna (jednostka ciśnienia) atmosfera techniczna (jednostka ciśnienia) atom atom (podstawowe pojęcie języka Lisp) atom akceptorowy atomowy atrakcja atrakcją atrakcyjność atrakcyjny atramencie atrament atrament magnetyczny atrapą atrybucie atrybut atrybut przypisanie atrybut złożony ATTN attycki attycki attycki attyka attyka attyka atucie atut (w kartach) aucie audiencja audycja audycja radiowa audycją audyt aukcja aukcją aurą Australia australią australijczyk australijski Austria austriacki Austriak austrią atletiek. afslag. omroepen uitzenden. veiling weer. atomair aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aanlokkelijk. dampkring. omroepen checken. sfeer. kenmerkend. aandacht dakkamertje zolderkamer Attisch dakkamertje zolderkamer Attisch troef troef auto. weder Australië Australië Australisch Australisch Oostenrijk Oostenrijks Oostenrijks Oostenrijk . weersomstandigheden. aflezen. gehoor. attribuut acht. mijn. attribuut tekenend. attribuut bijvoeglijke bepaling.

dispuut roeien scène. schaden flop. wagen autobiografie autobiografie autobus opvoeden. bevorderen promoveren. volmachtigen. toneel. bevorderen promoveren. debâcle crisis . slag. aanpakken. strijd. schrijver. bevoegdheid. tableau riskant. zelfwerkend. auteur. automatisch autonoom. auteur. automatisch werktuiglijk. gezag mandaat. beïnvloeden autoriteit. bevoegdheid. dostęp) autoryzował autoryzowanie autostrada autostrada awans awansować awansować awansować (kogoś) awansował awanturą awanturą awanturą awanturą awanturniczy awaria awaria awaria awaria zasilania authentiek. bedenker. gezag invloed hebben op. onderwijzen autobus handtekening. aard drukletter dictatuur autoriteit. autoriseren mandaat. autosnelweg. catastrofe schade aanrichten. genaken. volmachtigen. machtiging mandaat. bedenkelijk. origineel automobiel. zelfbesturend schrijver. echec. onafhankelijk. verkeersweg autobaan. zelfwerkend. schepper stand.autentyczny autentyczny autentyk auto auto autobiografia autobiografią autobus autobus autobus piętrowy autograf autokar Automatically Programmed Tools Language automatyczny automatyczny program syntezy autonomiczny autor autor autor treści autoramencie autoramencie autoramencie autorytatywność autorytecie autorytecie autorytet autoryzacja autoryzacją autoryzować (np. echt. twist. ondertekening opvoeden. bedenker. onvervalst oorspronkelijk. bevoegdheid. klasse. stilist schrijver. onderwijzen taal werktuiglijk. gewaagd onheil. klas soort. naderen promoveren. machtiging grote weg. autoriseren machtigen. snelweg bevordering. auto auto. tafereel. waar authentiek. onvervalst. fiasco. schepper auteur. bevorderen storing kwestie. ramp. machtiging machtigen. promotie gaan naar.

asyl toevluchtsoord. grootmoeder afjakkeren. afmatten herder acht. fonds tot. totdat. raadgeving. totdat. kas. drasland . binnen. inspecteren speurwerk. grootmoeder grootje. exploreren. asiel. onderzoeken studie scanderen inspectie houden. ook weer. kas.awarią awersja awizo awizował Azja azjacie Azjata Azjata azjatycki azjatycki azyl azyl (polit. staande te. aankondigen. om. moer. op. terwijl. oma oma. bespreken keuring. stam spoor. toch geldkist. binnen. voor tot. advies adviseren. afkeer. aandacht beklemming. antipathie raad. bekendmaken Azië Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch toevluchtsoord. cake oma. voor geldkist. speurtocht recenseren. vluchteling ergo. voor gedurende. attentie. fonds tot. examen. analyseren. nakijken. tot. spoorweg Bagdad broek. onderzoek bagage bagage laars boomstam. binnen. examineren onderzoeken. dus. asyl uitgewekene. benauwdheid ontbinden.) azylancie aż aż aż aż do aż do aż do/o ile ażeby ażeby babą babce babce babci babcia babka babsko bacą baczność bać się badać badać badać badać badać badać sprawdzać badać zapytywać badania badanie lekarskie badanie zabezpieczeń bagaż bagaż bagażnik bagażnik bagażowy Bagdad bagna schade aanrichten. onder. moeras. nagaan exploreren. nagaan. ontleden onderzoeken. asiel. angst. totdat. schaden tegenzin. grootmoeder oma. afbeulen. hekel. jegens. met vrouw koek.

verhaal. moer fabel vertelsel. alledaags. bekken. wis. verband zwachtel. schooljuffrouw. afgodendienst afgoderij. pap aan de scharrel zijn. moeras. kom balkon ballon. drasland. afgezaagd pisang. rotzooi moes. brij. verband schare. banaan schare. danspartij ballast ballast ballet ham ballet vont. luchtballon janboel. afgezaagd. troep. troep. danspartij bal. troep. banaal banaal. moeras. vijver byte byte onderwijzeres.bagna bagnecie bagnet bagno bajce bajce bajcie bajka bajora bajt bajt (8 bitów) bakałarz bakteria bakterią bal bal balast balaście balecie baleron balet balią balkon balon balon (także butla szklana) bałagan bałagan bałamuctwa Bałkany Bałtyk bałwan bałwan bałwan bałwochwalstwa bałwochwalstwo bambus banalny banalny banał banan banda bandaż bandaż bandażować bandą bandą bandą bandą broek. rommel. schare . lerares bacterie bacterie bal. fladderen Balkan Baltische Zee golfslag afgodsbeeld sneeuwpop afgoderij. bundel kussen bende. disorde. vertelling byte fabel waterplas. luchtballon ballon. moer bajonet bajonet broek. bende schare. bende bos. relaas. troep. afgodendienst bamboe afgezaagd alledaags. bende zwachtel. drasland. kolk.

loods. gloeilamp. wreedaard onmens.bandera bandyta bandzior bandzior bandzior bandżo baner (reklama na stronach WWW) bangladesz banjo bank bank bank terminologiczny bankiecie bankiet banknot banknot bankrucie bankructwa bankrut bankrutować bańka bańka (np. afdammen drenkplaats. uitspanning herberg. smaakloos aftands. vergenoegd jammer genoeg. barbaar. afsluiten. afdammen belemmeren. heel. uitspanning belemmeren. olijk. echec. briefje bankroet flop. veel. jammer. debâcle bankroet vermorzelen. bijzonder onbetaald. barbaar. schuit meer menig. wreedaard onmens. verbrijzelen borrelen borrelen ampul. vlag Bengaals banjo bank kant. barbaar. marge. feestmaal bankbiljet. intrappen. ondeugend. gammel erg. bandiet gangster rover banjo vaan. fiasco. vele erg. helaas smakeloos. heel. barbaars boot. chem. bijster. feestmaal banket. bandiet struikrover. wreedaard onmenselijk. barak. vlag struikrover. vaan.) bar bistro bar samoobsługowy bar z zakąskami barak barakach baranek baranina baraniną baraszkował barbarzyńca barbarzyńcą barbarzyński barbarzyński barce bardziej bardzo bardzo bardzo dobry bardzo mała impedancja bardzo mi miło bardzo nieprzyjemny bardzo wolno się poruszać bardzo zniszczony dundoek. briefje bankbiljet. peer herberg. rand bank banket. dartel onmens. café schuur. mydlana) bańka lampy elektronowej bar bar (pierw. lamp. keet kazerne lamsvlees schapevlees schapevlees schalks. lampje. bouwvallig. achterstallig voldaan. bijzonder . bar. tevreden. dundoek. afsluiten. bijster.

barek (taki na kółkach) bariera bariera dyfuzyjna bariera Schottky'ego barierą bark barka barki barman barometr barwa barwa barwa barwa żywa barwą barwnik barwnik brunatry baryłka bas base baza wiedzy baseball basen basen (pływacki) basen pływacki basen portowy basen w budynku basen(ik) w budynku BASIC basista baszcie bateria baterią baton batucie batuta baud bawełna bawić się bawić się bawół baza baza podstawa część podstawowa baza lotnicza baza replik baza uziemiona bazar bazar bazą trolley. hek. nuance. kleuren verven. kunde baseball reservoir. marktplein marktplein. afsluiting. baseren gronden. hek. baseren gronden. hek. aak. vergaarbak zich aaneensluiten. vat. kennis. baseren markt. beugel barrière. voorspelen sport buffel. afsluiting. fust baars bekendheid. spelen. kleuren verf bruin ton. bazaar. heining kleppen. kleuren schakering. drukmeter verven. gaan barrière. zwembad basisbaars toren accu. bazaar. zwembad zweminrichting. marktplaats gronden. nuancering verven. accumulator horde. baseren gronden. heining barrière. bende belemmeren. staf baud katoenen weefsel. aansluiten zwembad dok zweminrichting. baseren gronden. afdammen stok. afsluiting. overgaan. karbouw gronden. kleuren verven. marktplaats. staf stok. heining schouder platboomde schuit. markt. klinken. baseren . zolderschuit schouder barman barometer. katoen uitvoeren. afsluiten.

bazą bąbel bąbelek bąk beczce beczka beczka befsztyk beginner's allpurpose symbolic instruction code beginner's all-purpose symbolic instruction code Bejrut beknąć bekon belą belce beletrystyka Belg Belgia belgią belgijski belgrad belka belka stropowa bełtać benzyna benzyna benzyna benzyna benzyną beret berlin Berno bessą bestia bestią bestseller beton betonować betonowy bez bez bez końca bez określonego porządku bez potrąceń bez przygotowania bez sensu grondslag. verbeelding Belgisch België België Belgisch Belgrado straal. daas. spaak balk. storten dier. ontbloot van tot in het oneindige buitensporig. aankondiging onbetekenend. onbeduidend . ribbe. onderlegger fictie. onderlegger aangrijpen. grond. biefstuk basisbasisBeiroet boeren. vat. paardehorzel ton. trommel. oprispen spek straal. ontroeren. extreem. ribbe. vat. beest dier. neervallen. base blaar borrelen brems. verdichtsel. netto-. fust rol. net. bewegen gas benzine benzine benzine benzine bestseller Berlijn Bern vallen. afvallen. fust ton. excessief netto. beest bestseller beton beton beton sering gespeend van. advertentie. trom bief. basis. spaak balk. duidelijk bericht. bus.

rust. goedgehumeurd leeg. lont. wanhopig radeloos. live. geborgen. geruisloos. zekerheid pand. onderpand pand. muisstil. rotzooi lichtzinnig. geluidloos gigantisch. recht. radio . veilig ten geschenke onbezet. onderpand pand. stomp verschrikking. naamloos onbloedig verwardheid. open. gruweldaad. zekerheid pand. prompt direct. onbelemmerd ere-. zacht onbetekenend. borgstelling. enorm. borgstelling. ondoorgrondelijk radeloos. ijdel. dirigeren. vrij. gruwel kalmte. lampepit safe. lusteloos vervelend waar niet aan te doen valt. hulpeloos nutteloos. borgstelling. rustigheid. wanhopig vergeefs. wuft goedgeluimd. verwarring janboel. onbezet onpeilbaar. weledel. smaakloos naadloos tikken liefelijk. rommel. besturen ogenblikkelijk.bez smaku bez szwu bez zająknienia bez zakłóceń bez znaczenia bez życia bezbarwny bezbronny bezcelowy bezcenny bezceremonialny bezeceństwa bezgłos bezgłośny bezgraniczny bezimienny bezkrwawy bezład bezład bezmyślny bezmyślny bezmyślny beznadziejny beznadziejny beznadziejny stan bezowocny bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwo bezpieczeństwo bezpieczeństwo zespołu bezpieczeństwo zespołu roboczego bezpiecznik bezpieczny bezpłatnie bezpłatny bezpłatny bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni adres pamięci bezpośredni natychmiastowy bezpośrednio bezpośrednio bezpośrednio żarzona katoda bezprzewodowy smakeloos. per. met ogenblikkelijk. richten. overeind. rechtop dadelijk. onbruikbaar onschatbaar. onderpand veiligheid. onwaardeerbaar bot. nutteloos bescherming veiligheid. vlot. onbeduidend saai. prompt ogenblikkelijk. frivool. rechtstreeks door. rechtop draadloze. open. zoet. weledelgeboren mennen. overeind. disorde. behouden. los. prompt direct. onderpand kousje. borgstelling. onmiddellijk direct. geweldig anoniem. stilte stil.

bibliotheek vloeipapier beting doorroeren.bezradny bezrękawnik bezrękawnik bezrobocia bezrobocie bezrobotny bezsenna (noc) bezsilny bezsporny bezsprzecznie bezstronny bezstronny bezszmerowy bezszwowy bezustannie bezustannie bezużyteczny bezwartościowy bezwład bezwładny bezwładny bezwstydny bezwzględny beż beżowy bęben bęben magnetyczny będą będący następstwem będący w potrzebie będący w stanie coś zr będący w stanie coś zrobić bękart (m. verbond. roeren toejuichen. aldoor. wit bijbel Bijbel bijbel Bijbel bibliografie boekerij. mank lopen bokkig absoluut. wywołania procedur białka białko białko oka biały Biblia Biblia biblią biblią bibliografią bibliotece biblioteka bibuła bicie bicz bić waar niet aan te doen valt. testament nagekomen behoeftig. trom uiterste wil. bibliotheek boekerij. kundig. bus. nooddruftig capabel. bus. muisstil. onvermengd beige beige rol. proteïne eiwit. geruisloos. traag. blank. bekwaam ouderloos eiwit. onpartijdig. ongerust waar niet aan te doen valt. oningevuld. omroeren. bezorgd. voor eeuwig nutteloos. geluidloos naadloos permanent. werkeloos bang. voos verlamming bewegingloos. beducht. trom rol. afzijdig neutraal. wit blanco. trommel.in. werkloosheid werkloos. oningevuld. vest werkeloosheid. energieloos kreupel lopen. onbruikbaar waardeloos. nietswaardig. klaar toegegeven neutraal. berooid. bij acclamatie benoemen . trommel. hulpeloos hemd herenvest. blank. afzijdig. hinken. licht. proteïne blanco. werkloosheid werkeloosheid. bekwaam capabel. bij voortduring eeuwig. hulpeloos hel. onpartijdig stil. kundig.

feestmaal. beklagenswaardig erbarmelijk. plaatsbewijs. plaatsbewijs. treden strijden. beoefenaar deskundig stromend. kaartje binair binair boom . Satan festijn. wit blanco. narigheid. gelag actueel pad. lust. toestoten. voorrijden ellende. paadje afdruk. leergang. verlangen. blank. armoede wens. strijd voeren bikini saldo. aanneming Lucifer. kampen. aanhanger.bić bić bić brawo bić się biec bieda biedą biedą biedni biedny bieg przez płotki biegacz biegać (dla zdrowia) biegły biegły biegły biegły (<in sth> w czymś) biegły w biegun biegun biegunka biegunowy biel biel równoenergetyczna bielizna bielma biernik bierzmować bierzmowania bierzmowanie bies biesiadą bieżący bieżni bieżni bieżnia bieżnik bijatyce bikini bilans bilard bilecie bilet bilet bilet wizytowy binarne (pliki) binarny wektor sterujący binary separating plane tree n drzewo afranselen kloppen. armoe gebrek. route. vloeiend adept. overschot biljartspel. aanhanger. wit linnen grote waterval. kaartje biljet. lopen. schrijden. zin erbarmelijk. kaartje slaperig biljet. vierde naamval bevestigen. staar accusatief. biljart biljet. aannemen vormsel. aanneming vormsel. kampen. misère. cursus. spoor afdruk. plaatsbewijs. beoefenaar kuil Pool buikloop. aanstoten adept. diarree polair blanco. koers hardloper een duw geven. smulpartij. oningevuld. voetspoor. beklagenswaardig tracé. aanhanger. spoor stappen. pulseren strijden. oningevuld. begeerte. voetspoor. blank. strijd voeren afranselen aanrijden. beoefenaar adept.

kamp treffen. aangaan laaien. affaire. nazeggen beting bitmap treffen. blank vormen. blanco. afnemen vervagen wit. varen. aangaan wit. gevecht. zaak. levensbeschrijver bioloog ontvanger Birma bis.. borst b. lessenaar geschrift. oningevuld. kantoorbediende lezenaar. formeren. slag. bustehouder boezem. oningevuld. slag. beha. kwijt. kantoor kantoor bediende. wit dalen. edelgesteente. blanco. vervlogen kantoor boezem. strijd. rijden. kantoor kantoor gaan. borst Byzantijns aangelegenheid.h. bureel. schitteren . oningevuld. bureel. ding bizon edelsteen. formeren. gevecht. strijd. karren verloren. schriftuur bureau. lessenaar lezenaar. kamp bulletin. aantreffen herhalen.dwójkowego podziału przestrzeni binary space partition tree biodro biograf biolog biorcą birmą bis biskup biskupstwo bisować bit bitmapa bitwa bitwą biuletyn biura biura biuraliście biurka biurko biurko biuro biuro Biuro Ochrony Rządu biuro rzeczy znalezionych biuro usług (poligraficznych) biust biustonosz biuście bizantyjski biznes bizon biżuteria blacha blady blady jak ściana blaknąć blaknąć blankiecie blankiecie blankiet blankiet blask blask klejnotów blask księżyca blask księżyca blask słońca boom heup biograaf. flakkeren. vlammen zonneschijn zonlicht zonneschijn flikkeren. blank. verenigingsorgaan bureau. kleiner worden. nog eens bisschop ontmoeten. blank vormen. steen blikken verbleekt blanco.

aanstaand. dichtmaken. boezeroen blouse. bedelen bagatel. vastzetten blokkade blokkade blokkade op slot. beuzelarij . bloes. verwant eerstvolgend.blaszance blaszka blejtram bliski bliski bliski Bliski Wschód Bliski Wschód i Afryka blisko blisko blisko blisko blisko kogoś blisko kogoś/czegoś bliskość blizna bliźniacy bliźniaczy bliźniak bliźnie bloczek blok blok v blokować blokada blokada ze współużytkowaniem blokadą blokować blokować się blokował blond blondyn blondynce blondynka blotnik bluszcz bluza (część munduru) bluzą bluzą bluzka bluźnierczy bład bład błaga błagać błagać błagać błagać o coś błahostce inblikken metalen brancard. komend nabijheid litteken. futiliteit. dichtmaken. komend aanverwant. wondteken tweeling tweelingtweelinglitteken. berispen. vastzetten blokkeren. aanstaand. bloes. dichtdoen eerstvolgend. abuis bezweren. fout. kiel hes. ontheiligen. smeken. afkeuren. boezeroen. profaneren fout. spatbord. naast schier. afgesloten slot afsluiten. bidden afsmeken pleiten laken. gispen schooien. dichtdoen Europa eerstvolgend. komend eerstvolgend. vergissing vergissing. abuis. belemmeren. dwaling. aflevering. dwaling. bijkans. katern blokkeren. draagbaar sluiten. wondteken schrift. aanstaand. kiel ontwijden. afdammen blond blond blond blond slijkbord. bijna sluiten. komend nader eerstkomend. kiel. haast. spatscherm klimop tuniek blouse. boezeroen. aanstaand.

abuis aderlating vergissing. fout. wijden zegenen. omdat. een fout maken misleidend verkeerd. slijk. flikkeren. onjuist blauw slik. stip. inzegenen. spoedig. luizig. moeras. fout. een blik werpen op daar. minder belangrijk achterdeur . schicht. instrumentenbord punt. aangezien boa dashboard. wijden zegening. drek zegenen. verkeerd. flits. mis verkeerd. zegen zegening. vergissing schuld vergissing. goedaardig hansworst. dwaling. ver. modder. kloppen. fout. abuis. opvallen fout. zij-. gloren flitsen. gloren oriënteren. onjuist. inzegenen. klappen. dwaling. modder. abuis Boeg wandluis fout.błahość błahy błahy błazen błazeński błąd błąd błąd błąd średni kwadratowy błąd zaokrąglenia błąd zbieżności błąd zbieżności błąd zrównoważony błądź błędny błędny błędny rycerz błędny rycerz błękicie błocie błogosław błogosławić błogosławieństwa błogosławieństwo błona śluzowa błonia błotnik błotnik błotnisty błoto błoto błysk błyskawica błyskawicą błyskawiczny błyskowy błysk błysnąć błyszczący błyszczeć bo boa boazeria bobas bochenek bocian boczek boczek boczne drzwi frivoliteit onbeduidend. inwerken een blik werpen. hemelvuur bliksem. dwaling. gloren bliksem. modderig broek. gemeenschappelijk slijkbord. flikkeren. dwaling. doordat. harlekijn slaan. flikkeren. fout. onjuist. gauw. flits. drasland slik. beuzelachtig onbelangrijk. abuis. slijk. hemelvuur gezwind. mis foutief. oog mik. clown. fout. spatbord. vergissing dwalen. spikkel. schicht. snotterig algemeen. haastig. snel flitsen. beschot. zegen slijmerig. drek flitsen. brood ooievaar spek bij-. spatscherm aangeschoten troebel. moer.

bokssport bokser beschuldiging. vermogend Fortuna lot. speelplaats beschroomd. kaartje. voucher. bang ketel. bekogelen bombarderen binding. voorvechter bij-. coupon disconto . waterstofbom maal. held heldin heldin heroïsch. angst erop nahouden. zeer doen sleutel rouwzeer. scharrelen akker speelterrein. stoomketel kampioen. beschieten.bod bod (bit na sekundę) bod jednostka szybkości modulacji telegraficznej bodziec bogaci bogactwa bogactwa bogactwa bogactwo bogaty bogaty bogaty człowiek bohater bohaterce bohaterka bohaterski boiler boiska boiska boisko bojaźliwy bojler bojownik bok boks boks bokser bolączce boleć boleć nad bolesne przeżycie bolesny bolesny boleść boli mnie głowa bolszewik bomba bomba wodorowa bomba zapalająca bomba zegarowa Bombaj bombardować bombardować bombą bon bon bonifikacie baud baud baud aansporing gefortuneerd. pijnlijk. heldhaftig ketel. rijk. vermogend. gefortuneerd gefortuneerd. zij-. minder belangrijk boksen boksen. hebben bolsjewiek bombarderen H-bom. band bon. titelhouder. rijk. vermogend heros. fortuinlijkheid rijkdom rijkdom gefortuneerd. smartelijk beklemming. deerlijk. vrijen. vermogend rijk. fortuin. rijk. zeer doen pijn doen. stoomketel het hof maken. benepen. benauwdheid. keer bombarderen Bombay bombarderen bombarderen. ver. aanklacht pijn doen.

treffen. beetkrijgen aangrijpen. euvel missen. zeer. zeer.bonifikacie bonifikata boraks borsuk bory borykać borykać się borykać się z boski Bośnia botanice botanika Boże Narodzenie bożek bożnicą boży bóbr bóbr Bóg Bóg bójce ból ból ból ból ból (fizyczny) ból (fizyczny) ból brzucha ból gardła ból ucha ból zębów bóstwo bóstwo brać brać do niewoli brać się energicznie do czegoś brać udział brać udział brać udział brać udział brać udział w brak brak szacunku brak tchu brak wody brak zahamowań moralnych brak związku brak związku aftrekken. gebrek. pijn zweer pijn doen. pakken. ontberen. angst wee. meemaken. begeerte. meemaken. lust. insteken. verzorgen indoen. jodenkerk goddelijk bever Castor God god. godheid gevecht. aantasten. strijd. verwerpen. pijn God god. worstelen worstelen. fiasco. zin . gemis. zich aftobben nok. vorst goddelijk Bosnië botanie. meedoen deelnemen. aanvallen helpen. aanvaarden beetnemen. echec. spartelen. korten. bos kampen. zorgen voor. afslaan disconto borax das woud. benauwdheid. kamp pijn doen. assisteren. kiespijn wee. plantkunde Kerstfeest afgodsbeeld synagoge. zeer doen maag zweer hoofdpijn tandpijn. debâcle afslaan. absentie. derven schuld wens. meedoen afwezigheid. slag. afwijzen afwezigheid. verlangen. zeer doen beklemming. steken deelnemen. bijstaan verplegen. aannemen. plantkunde botanie. mangel flop. godheid accepteren.

brutaal Brazilië Brazilië Braziliaans Braziliaans bronzen bronzen bruin bruin rommel. brandewijn.brakować brama brama brama podstawowa brama wewnętrzna bramą bramce bramka bramka bramka koniunkcji bramka samocentrowana bramka złączowa tranzystora brandy bransolecie bransoleta bransoletka brat brat przyrodni bratanek bratanica bratanicą bratek brawurą Brazylia brazylią brazylijczyk brazylijski brąz brąz (stop metali) brązowy brązowy (kolor) bredni brednie bredzenie brew brew brezencie brnąć broda broda brodawce brodawce brodą brodzić brokuły brona bronić bronić missen. afval. broer. puin nonsens. verdedigen behoeden. zich aftobben. doelwit. plassen baard kin tepel. buigen. doen overhellen waden. wit. brocoli eggen opkomen voor. gedurfd. honk circuit draaihek poort vuurwater. ontberen. derven draaihek poort draaihek draaihek poort draaihek draaihek doelstelling. broeder. gekheid delirium wenkbrauw wenkbrauw neigen. broeder zus. prullaria. brandy armband armband armband broer. beschermen . oomzegger nicht nicht driekleurig viooltje stoutmoedig. zuster neef. zever. flodderen. stout. onzin. doel. worstelen brocolie. verweren. speen wrat baard spartelen.

cambio onrein. ploeg. bodem. commandobrug brug. kluit. vuil. klont. pantser borstspeld. plaveien bestraten.broń broń broń pancerna broń pancerna broszce broszka broszura broszura broszurą broszurą broszurą bród (rzeczny) brud brudnopis brudny brudny brudzić brudzić bruk brukować brukował brukselą brunatny brunetce brunetka brutal brutalny brutalny brutalny brutalny bruzda bruździe brydż brydżyście brygada brygadą brygadą bryk brylancie brylant bryła bryła (ziemi) bryła ograniczająca bryłą Brytania brytanią brytfanną Brytyjczyk aftakking. onbewerkt. vies onrein. ingenaaid boek boekje. kuras. dierlijk. ondergrond. bot beestachtig. bepantsering. afkijken diamant glanzend. bal. broche borstspeld. klomp prop. brochure. aarde wissel. nors ruw. operatekst paperback. bal. fronsen rimpelen. dot Groot-Brittannië. morsig. harnas. bal. bruut. smerig. kluit. klont. klomp. beestachtig. commandobrug brigade leden. broche boekje. bruut onaardig. bruut grof. bal. libretto. operatekst ordner. ruw. klomp. aanhang team. map paperback. briljant dot. ingenaaid boek doorwaden fond. klont. dot. morsig. onrein. libretto. Brittannië Armorica. honds. smerig plaveisel. equipe spieken. bestrating. smerig vuil. dierlijk rimpelen. tak wapen bepantsering. klont. morsig. vies. grond. cru. prop prop. plaveien Brussel bruin bruinharig bruinharig ruw. kluit. wegdek bestraten. onbehouwen. smerig vuil. dot prop. fronsen brug. dierlijk. beestachtig. bars. brochure. lumineus. Bretagne Pan Brit . pantser kuras. klomp. vuil. harnas. kluit. vies. nurks.

morgenlicht. overgaan. kletteren. snorren. afranselen klingelen. belasten. loods. zeekust kust. klingelen kleppen. loods barak. band drachtig. aanbreken van de dag halfdonker. boord. gonzen zoemer klingelen. zoom. afdak Boedapest schuur. wal. keet . klinken. laden laden gewicht razen. keet. kustlijn. rinkelen afdrogen. gaan kleppen. kant. kletteren. klikken rinkelen. barak. oever. kant bemachtigen. zwanger drachtig. schuur. achterlijf buik buik buik onderbuiklelijk lelijk verafschuwen. inladen. kletteren. morgenrood dageraad. een afschuw hebben van scheermes scheermes citroen boekhouding. overgaan. berkeboom berk. brommen. rand. fataal. noodlottig beladen. trilgras bries. wal. boord. trilgras aurora. kletteren. grijpen boord. berkeboom onderlijf. kant kust. gaan perzik berk. rooien schoen beuk luifel. oever.brytyjski bryza bryzą brzask brzask brzask brzeg brzeg brzeg (morza brzeg (morza) brzeg rzeki brzemienna brzemienny brzemienny w skutki brzemię brzemię brzemię brzęczeć brzęczyk brzęczyk brzęk brzęk brzęk brzęk brzmieć brzmienie brzoskwinia brzoza brzózce brzuch brzuch brzuch Brzusiec brzuszny brzydcy brzydki brzydzić się brzytwa brzytwą bubel buchalteria buchnąć bucie buczyną buda Budapeszt budą budą Brits bries. kletteren. klappen. schemer. klinken. zwanger funest. rinkelen klakken. boekhouden opgraven. schemerdonker kust. zeekant.

kazemat boeddhist boeddhisme bunker. construeren. bouwondernemer constructie. copieus. abundant. bumper. vatten aanleggen. bouw. bumper. opkweken aanleggen. tuil bulldozer . aanleggen oprichten. aanstoken. stootkussen buffer. begroting budget. begroting tapkast. bar. kazemat afzenden. afdammen tapkast. aanbouw pudding aannemelijk. expediëren constructie. fokken. aanbouw constructie. bouwmeester aannemer. rijk beuk Boekarest boeket. stootkussen buffer. opwekken irriteren. bouw. construeren. afsluiten. bouw. stichten. construeren bouwen. samenstelling. verzenden. dobberen. samenstelling. aanbouw hout constructie. waarschijnlijk wekken. bar. expediëren weefsel in een lijst zetten. inlijsten. buffet buffer. verzenden. inrichten opfokken. bouwen. drijven uitbundig. bouquet. afdak bunker. wakker maken. bouw. constructie constructie. bumper. aanstoken. bouwondernemer architect. aanbouw afzenden. telen. stootkussen vlotten. constructie bouw. buffet veldfles belemmeren. ophitsen budget. aanbouw aannemer.budą budce buddyście buddyzm budka budowa budowa okrętów budowa okrętów budować budować budować budować budował budował budową budowla budownictwo budownictwo okrętowe budowniczego budowniczy budowniczy budując budulec budynek budynek budynek sądu budyń budzący zaufanie budzić budzić budzić się budzić wstręt budzić wstręt budżecie budżet bufecie bufecie bufet bufet bufor bufor wyjściowy bufor/multiplekser bujać bujny buk Bukareszt bukiet buldożer luifel. bouwen. ruiker. construeren bouwen. aanleggen bouw. bouw. ophitsen afkeer inboezemen afkeer inboezemen irriteren.

wegblijver absenteïsme muiterij. opstoken. rebel muiten. muiter. getier ophitsen. gloeilamp. getier bungalow bunker. singel wandeldreef.bulwar bulwar bulwą buława buławą bułce bułgar Bułgaria bułgarią bułgarski bułka bumelancie bumelanctwa buncie buncie buncie bungalow bunkier bunt bunt bunt bunt buntować się buntować się buntować się buntował buntował buntowniczy buntownik buntownik buraczek burak burdel burmistrz burza burza z piorunami burzą burzą burzliwy burzyć burżuazja burżuazyjny busola busolą busz but but butelce boulevard. kadet afwezige. seksclub. roede broodje. kadet Bulgaars Bulgarije Bulgarije Bulgaars broodje. rebelleren. opstandig rebel. mangelwortel beetwortel. struik laars schoen fles . burgervader storm storm storm storm onbewerkt. kroot. agiteren. lamp. promenade. opstand muiterij. muiter. in opstand komen herrie. oproerling oproerling. getier oproerling. opstand muiterij. biet. stokje. onlusten. kroot. mangelwortel bordeel. rebel oproerig. roerigheid. bourgeoisie burgerlijk kompas kompas heester. hoerenkast burgemeester. onlusten. rel. afkammen burgerij. peer stok. biet. opstand muiten. kazemat muiterij. rebelleren. bolletje. roerigheid. kadetje. grof. rel. kadetje. bot. in opstand komen herrie. roerigheid. staf spitsroede. onbehouwen. onlusten. afbreken. onlusten. rebel beetwortel. bolletje. cru afgeven op. lampje. wandeldek ampul. opstand herrie. muiter. rel. muiter. gard. opruien oproerling.

mogelijk rand. onderhorig in overvloed aanwezig zijn accoord. achterwaarts. aanzijn logeren . mogelijk misschien. lijken lijken op. stel schuldig zijn. dragen. schrander. voorbijgaand scherpzinnig. aanzijn bestaan. tegenstreven achteruit. winkel rol. gelijken. vergaderen gehoorzamen de weg wijzen. misschien. overeenstemming tegenspartelen. tegenstreven tegenspartelen. acuut. verrotten. guur. voorhebben op. leiden leidend. eender. pienter bevattelijk. horen. mogelijk misschien. gezwind. een of ander. intelligent bijtend. bijeenkomen. stelletje. verleden. gauw. mogelijkerwijs. vierkante decameter zijn. rotten. cilinder vergaan. toonaangevend. lijken samenkomen. rugwaarts dierlijk stier stier hier of daar. zoom verstrooid afspiegelen lijken op. ergens een of andere. snel. in de schuld staan mogelijkerwijs. versleten onveilig maken afhankelijk. geleiden. in de schuld staan complet. niets. doordringend haastig. bederven are. enig voorgaand. helder. verkeren. brengen. gelijken. set. betamen. geen zier scherp. mogelijkerwijs.butelka butelka dwukwartowa butik butla (gazowa) butwieć być być być dłużnym być do twarzy być komuś coś winnym być może być może być może że być na krawędzi być nieobecnym (na czymś) być odbiciem być podobnym być podobnym (<sb być posłusznym być posłusznym być przewodnikiem być przewodnikiem być równym być stosownym być ubranym być ubranym być utrapieniem być uzależnionym być w obfitości być w zgodzie być wystrzymałym (<against sth> na coś) być wystrzymałym na coś być zaskoczonym bydlak byk Byk (gwiazdozbiór) byle gdzie byle jaki były (szef itp) bynajmniej bystry bystry bystry bystry bystry byt bytać bytność fles fles zaak. gelijk. gelijkmatig behoren. voorafgaand niks. fel. toongevend egaal. wezen schuldig zijn. passen voeren. spoedig bestaan. niemendal.

hes algeheel. totaal. mixen. boezeroen.. brommen. finaal helemaal. snorren. geheel. bok . integraal onaangetast. gonzen razen. vol gans. totaliter.. geheel. stuk speelgoed. vol algeheel. gans. totaal algeheel. heel erg. heel. geheel.bywać wśród ludzi bzik bzyczeć bzykać bzykać c dlaczego c gdzie cacka cal całka całka całkowity integralny całkiem całkiem całkiem całkiem obcy człowiek całkiem przytomny całkiem zwariowany całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie pewny całkowicie stranzystorowany całkowicie tranzystorowy całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity błąd liniowy całokształcie całokształcie całokształt całopalny) całoroczny całościowy całość całość całość łącznie całować całus cały cały cały cały tekst cały z metalu cały z metalu cap temperen. vol gans. bijster de hele . geit. finaal werktuiglijk. kussen zoenen. automatisch geheel.. geheel. vol de hele . geheel. zelfwerkend. compleet. over compleet. waarom waar speelbal. ongeschonden. verwijderd. volkomen vandoor. gonzen sissen. grootte geheel gans. heen. heel. compleet. door compleet. vermengen bestseller. ongeschonden. furore razen. vol geheel. heel. fluiten hoezo. heel helemaal. rationeel algeheel. bijster erg. gans. totaal gans. speeltuig duim als lengtemaat onaangetast. geheel. ten volle. totaal zoenen. bestek. geheel. compleet. absoluut. vol kelder jaarlijks redelijk. vol sik.. ten enenmale alles wel beschouwd volkomen. gans. algeheel kiel. integraal alles wel beschouwd volkomen.. totaliter.. totaal omvang. mengen. kussen de hele . snorren. compleet. brommen. door alles wel beschouwd beslist. door compleet.

doelwit. karakteriseren. ui ampul. kerker douane aanleggen gezicht. trek. tekenen afstaan. gelaatstrek puntig. trek. gloeilamp. doelstelling. filteren. karakteristiek karaktertrek. wit. gehalte prijs kosten . ding doelwit. honk. tekenen doelwit. lampje. gelaatstrek merken. wit merken. passend. kerker cachot. doel. doel. peer tekenend. object. visioen. stenen Ceylon aanleggen werkje. kenmerkend. lampje. karaktertrek karaktertrek. wit cachot. gelaatstrek karaktertrek. plak. cel. trek. lamp. spits gelaatstrek. doelstelling. onderwerp. het veld ruimen ceder vergiet vergiet filtreren. stenen bakstenen. ui ajuin. honk mikpunt. schets. gloeilamp. peer ajuin. trek. droombeeld gepast. lamp. tablet bakstenen. tekenen kenmerken. toegeven. cel. zijgen plaat. doel.capstrzyk car caryca ceber ceber cebula cebula cebulą cebulka cecha cecha cecha cecha cecha produktu cecha szczególna cechować cechował cedował cedr cedzak cedzak cedzić cegiełce cegła cegłą Cejlon cel cel cel cel cel cel nieosiągalny cel upuszczenia cela celą celnik celować celownik celowy Celtycki celtycki cemencie cement cementować cena cena cena okazyjna ceną taptoe tsaar tsarina emmer emmer ampul. geschikt Keltisch Keltisch cement cement cement prijs waarde. honk. tekening doelstelling.

binnenste. centrum middelpunt. klos. bobine spoel. stuk betuigen. tint dierevel. binnenste. keizerrijk. etiket ceremonie. binnenste. centraal middelste. bobine ruimte. penny centrale middelste. hut . huid. vacht tafelzeil. tint dierevel. imperium rijk. zeildoek teint. huid. bedrijf. keizerrijk. afboeken binnenband. achting hebben voor schat waarde. luchtpijp. klos. akte. zeildoek aardewerk tafelzeil. pels. wasdoek. sakkerloot. gehalte prijslijst kostbaar. wasdoek. vacht ceremonie. pels. dokument. centrum centimeter centimeter censureren. buit. plechtigheid bliksems. label. spoel spoel. akte. imperium keizer keizerin opnemen. stulp stulp. acquisitie. dokument. plaats hut. vel. sakkerloot. verzekeren bliksems. klos. luchtband bobine. oord. stuk acte. keuren teint. waardevol prooi. deksels acte. lokaliteit. deksels rijk.ceną cencie cenić cenić cenić cennik cenny cenny wkład cent cent centrala telefoniczna centralny centralny system przetwarzania centrum centrum usuwania skutków awarii (centrum odtwarzania po awarii) centrum zasobów centymetr centymetr cenzor cera cera ceracie Ceramika cerata cerą cerą ceremonia ceremoniał ceremonią cerować certyfikat certyfikat uprawniający certyfikować cerując cesarstwa cesarstwo cesarz cesarzowa cesją cewce cewka cewka cewka zapłonowa cętce chałupa chałupa chałupą prijs cent achten. centrum middelpunt. vel. plechtigheid etiquette. huisje hut. centraal middelpunt. aanwinst cent stuiver. bedrijf.

happig. zich onderscheidend tekenend. geaardheid aard. begeren aanvechting. trek hebben in begerig. chimera Chimaera kinine China Chinees . verbond. stulp vlegel rommel. stulp wens. blanketsel. scheikunde apotheker. bui. trek hebben in nuk. huisje hut. hut hut. kenmerkend. lust. karakteriseren. make-up kenmerken. kuur bedenken. liever gewillig. karakter. farmaceut trek hebben in.chałupą chałupą cham chaos chaotyczny char charakter charakter charakterystyce charakterystyczny charakterystyczny charakterystyka charakterystyka indeksowania charakteryzacja charakteryzować charakteryzował chart charytatywny chata chata chata chcieć chcieć chcieć chciwy chciwy chemia chemia radiacyjna chemią chemik chęć chęć chęć chętce chętce chętce chętnie chętniej chętny chętny Chicago Chile chilijski chimera chimera chinina Chiny chińczyk hut. chaos chaotisch aard. liefdadigheidsstulp. bevlieging. scheikunde chemie. vrijwillig gaarne. belust. kenmerkend. graag Chicago Chili Chileens inbeelding. kuur gaarne. zich verbeelden bevlieging. hersenschim. begeerte. karakter. gril. gretig chemie. karakteristiek tekenend. belust begerig. neiging verkiezen. testament verkiezen. baaierd. verlangen. begeren. begeren. zin. nuk. geaardheid vezel kenschets tekenend. gretig. karakteristiek schmink. karakteristiek karakteristiek. verkiezen. graag eer. scheikunde chemie. lust. tekenen beschrijven hazewind. windhond charitatief. happig. gril. hazewindhond. kenmerkend. huisje hut. warboel. bui. zin uiterste wil.

wondheelkunde. heelkunde chirurgie. plattelander horige. koelcel radiator radiator koud. glorieus klotsen. brood koelkast. lof. krediet. glorie creditzijde. verwijderd vriezer. brood mik. alcohol klapperen. brood werkgever hok roem. beroemdheid. jongensafranselen afranselen koud gastheer hinkelen wolk stralenkrans. koelcel koelen in beslag nemen. tegoed. klotsen mik. kabbelen. plassen. absorberen absorberend boer aaneen. landman. jeugd knaap. plassen. heelkunde chirurgisch drank. klapperen mik. ver. kil koud. nimbus . jongeheer jeugdigheid. opslorpen. jongeling. kabbelen. jongen jongensachtig. aaneen-. samen boer. wondheelkunde. heelkunde chirurgie. samen-. glorierijk. lijfeigene boer knaap. chirurg chirurgie. afbikken heelmeester. jongen borst. credit trots beroemd. vriesvak koelkast. wondheelkunde. kil afkoelen ververwijderd.chiński chip chirurg chirurgia chirurgia stomatologiczna chirurgią chirurgiczny chlał chlapać chleb chleb z masłem chlebodawcą chlew chluba chlubą chlubą chlubny chlupocie chłeb chłodnia chłodnica chłodnicą chłodno chłodny chłodny chłodny chłodziarce chłodziarce chłodzić chłonąć chłonny chłop chłop chłop chłop chłop pańszczyźniany chłopak chłopak chłopak chłopiec chłopięcy chłostać chłostał chłód chmarą chmiel chmura chmura Chinees bikken. co-. alcoholische drank.

godverdomme vandoor. lopen marcheren. hoewel. zangkoor snorken. van stapel lopen. lopen koor. snurken. ronken snorken. moeilijkheid Kroatië ziek. niet lekker kuilen. tippelen. emotie. aandoening ziekte. wegdek stoep. alhoewel. vacht. schrijden. huid aanspannen treden. aandoening vakantie zeeziekte luchtziekte affect. tippelen. aandoening ziekte. snurken. knorren. bevestigen. beschermen fixeren. ronken neusgat mank. naar verminkt. wel wel. dichten. verhinderen. dundoek. ofschoon. bloedend vaan. al. krankzinnig. knorren. ronken snorken. hardheid . voetpad. wel stoppen. rei. ter aarde bestellen vel. bestrating. lopen kerstboom cholera verdomme.chmura punktów chmurą chochlik chociaż chociaż choć chodak chodnik chodnik chodzić chodzić ze sobą choinka cholera cholera cholerny cholerny chorągiew choroba choroba choroba choroba morska choroba powietrzna chorobą chorobą chorobą chorobą Chorwacja chory chory chory chory na płuca chory umysłowo chowa chowa chować chować chód chód chór chrap chrapać chrapanie chrapce chromy chronić chronić chroniony zabezpieczony chropowatość wolk wolk aardmannetje. kwaal. dierevel. dichtmaken plaveisel. verwijderd. alhoewel ofschoon. heen. kreupel. snurken. al. strubbeling. vlag ziekte. knorren. kwaal. verdomd. pels. stappen. kobold. hinkend beletten. alhoewel. trottoir lopen. begraven begraven. hoewel. over bloedig. aandoening ziekte. gebrekkig ziek. al. hoewel. kabouter ofschoon. kwaal. verhoeden behoeden. dolzinnig. dol onwel. kwaal. bepalen hardvochtigheid. gaan marcheren. naar gek. aandoening bezwaar.

ogenblik. nou. staande. mager penis apache. roemen. moment. waggelen. bot. grof. besluiteloos bekeuring. opscheppen pochen. nu. bluffen roem. ogenblik. onbehouwen. groot. wel. mager. komaan. ogenblik. glorie roem. mierik mierikswortel. mierik zomermaand. tel minuut oogwenk. beroemdheid. tel terwijl. cru knapperig. peter. tel wiegen minuut oogwenk. snoeven. ruw. croquant krassen Christus mierikswortel. oogwenk. oogwenk. schraal. onzeker. mager. lang schragen. ogenblik. sprietig sprietig. beroemdheid. stutten schraal.chropowaty chropowaty chrupce chrupiący chrypieć Chrystus chrzan chrzan chrząszcz chrzcić chrzcić chrzestny chrześcijanin chrześcijański chrześcijaństwa chrześcijaństwo chudy chudy chudy chudy chudy chuj chuligan chusteczce chustka chustka do nosa chwalić chwalić się chwalić się chwała chwałą chwast chwiać chwiał chwiał chwiejny chwil chwila chwila chwila chwila chwila chwila ciszy chwila obecna chwilą chwilą chwilą chwilą beestachtig. opscheppen. schoffelen schokken schokken wiebelen. moment. straatschuimer zakdoek zakdoek zakdoek loven. lof. pochen. bruut. proces-verbaal moment. lof. aarzelen wankel. tel spellen . notulen. tja oogwenk. steunen. juni dopen dopen peetvader. gedurende enfin. dierlijk onbewerkt. moment. naamgever. verheerlijken. schraal sprietig. peet christen christen christendom christendom rijzig. croquant knapperig. tel moment. snoeven. wankelen. ogenblik. glorie wieden. prijzen bluffen.

snoeien . gammel. aangrijpen. zeker. eng. aangrijpen. aangrijpen. snoeien scheren. beslag. friemelen. mislopen. krap. staande. toch tenzij uitzonderen floppen. gedegen carrosserie carrosserie vlees strak smal. daadwerkelijk kortstondig morrelen. eventjes tijdelijk werkelijk. tel korte tijd. vlag banketbakkerij. bemachtigen beetnemen. scharrelen bemachtigen. vermoeden. cake deeg. schaar bemachtigen. grijpen bemachtigen. cake zuur koek. nauw stipt. pasta aanplakken knippen. grijpen klauw bemachtigen. beetpakken. moment. grijpen waarschijnlijk menen. streng. aftands boog. aangrijpen. grijpen grijpen. vaan. knippen. bemachtigen handdruk. toog dit. koekbakkerij koek. deugdelijk. bekrompen. gedurende oogwenk. misgrijpen bouwvallig. ogenblik. mislopen. nauw dundoek. pakken knijper. nauwsluitend. scheren. stellen wel.chwilą chwilka chwilowo chwilowo chwilowy chwilowy chwycić chwycić chwycić w szpony chwycie chwycie chwyt chwyt chwyt chwyta chwytać chwytać chwytać chwytać szczypcami chyba chyba chyba chyba chyba że chybiać chybienie chybiona odpowiedź niezgodność chybotliwy chylić ci ciałka ciało ciało doskonale czarne ciało metody ciało stałe ciało stałe ciasno ciasny ciasny ciasteczko ciastkarni ciastko ciastko ciasto ciasto ciasto ciąć ciąć terwijl. degelijk. even. immers. misgrijpen missen. hand Pan bemachtigen. grijpen grijpen. in het water vallen missen. effectief. dit hier carrosserie carrosserie flink.

bestendig trekken rukken rukken rukken trekken trekken rukken werkje. tractor vervagen rustig. immer. geruisloos. curieus. tekening trekker. aanlokken ketting. typisch nieuwsgierig. constant onafgebroken. gerust. rustig bedaard. curieus. kalm. steeds permanent. weetgierig vreemd. kalfsvlees kalfsbout. keten altijd. constant. vloeien. truck. aldoor. op zijn gemak. doorlopend gestaag. rustig stromen. nieuwsgierigheid nieuwsgierig. aldoor. stemband. weetgierig interessant. vlieten vloeistof vloeistof vrachtwagen. snaar ketting. stilzwijgend. kalm liefelijk. gerust. donker duister. zoet. zwijgend bedaard. op zijn gemak. duisternis. kalm rustig. vreemd vloeistof vloeistof korporaal kalf kalfsbout. geluidloos stil. bij voortduring bestendig. gestaag. kalm. lopen.ciąć ciąć (nożycami) ciąg ciąg znakowy mieszany ciąg znakowy mieszany ciąg znaków ciągle ciągle ciągle ciągły ciągły ciągły ciągnąć ciągnąć ciągnąć ciągnąć losy o ciągnąć ściągnąć ciągnienia ciągnienia ciągnienie ciągnik cichną cicho cicho! cichy cichy cichy cichy cichy (głos) ciec ciecz ciecz cieężarówka ciekawostka ciekawość ciekawski ciekawy ciekawy ciekawy ciekawy ciekły ciekły wodór cielesny cielę cielęcina cielęciną ciemnicą ciemnicą afkraken afkeuren toelachen. belangwekkend typisch. vrachtauto weetgierigheid. nieuwsgierigheid weetgierigheid. bij voortduring permanent. muisstil. keten koorde. donker . zacht stil. kalfsvlees somber. schets. bekoren.

klinken. fraai schaduwen nuance. druk beladen. geheimzinnig somber. vuur warm doorn naar buiten brengen. donker zwartheid duister. rap. beugel vrachtauto. zwaar afgemeten. akkoord koorde. schraal. dragen bloedgetuige. kwiek. overeenstemming. mager sprietig. nuancering gloed. blij zijn genieten van. stemband. nuancering schaduwen schaduwen nuance. mager net. krap. inladen. vrachtwagen hard drukkend. lijdzaamheid patiënt. vrachtwagen vrachtwagen. vrachtauto vrachtauto.ciemnieć ciemno ciemność ciemność ciemny ciemny ciemny ciemny cieniowanie cienki cienki koncentryczny cienki papier cień cień do powiek cień do powiek cień przesłaniać cieniowany cień rówka ciepło ciepły cierń cierpieć cierpieć męczarnie cierpiętnik cierpki cierpkość cierpliwość cierpliwy cieszący się dobrym zdrowiem cieszyć się cieszyć się cieśla cieśnina cieśnina cieśniną cięciwa (matem. eng. somber schaduwen sprietig.) cięciwą cięciwą cięty ówka ciężar ciężar ciężarówce ciężarówce ciężarówka ciężarówka ciężarówka ciężki ciężki ciężki versomberen. akkoord accoord. levendig. truck. mooi. schraal. fit. schakering. truck. bekrompen. duisternis. truck. straat kleppen. snaar kras. truck. overgaan. belasten. schoon. dragen naar buiten brengen. valide genieten van. kanaal. martelaar zuur bitsheid geduld. nauw zeeëngte. plechtig. donker worden somber. donker schemerig naargeestig. ceremonieel . schakering. gaan accoord. nauw. zieke gezond. fijn. donker mysterieus. overeenstemming. troosteloos. blij zijn timmerman smal. laden zwaartekracht vrachtwagen. vrachtauto trolley.

grof. meid hoop. alledaags vulgair. daags. kalm bedaard. ordinair. rustigheid. daarenboven dagelijks. stil. degelijkheid ongerept. aaien tante kut. rein. liefkozen. boel. kalm kalmte. zwaaien slingeren. verder. menigte douane begraafplaats. stilte bedaard.ciężki cioci cios cios cios ciotka cipą ciska ciskać cisza cisza cisza cisza (brak wiatru) cizi ciżbą cło cmentarz cmentarz cnota cnotce cnotliwy co co miesiąc co prawda co umożliwia działanie czegoś innego co więcej codziennie codzienny codzienny codzień cofa cofacz cofać cofać się cofnąć się cofnięcie transakcji cokolwiek cokolwiek college cołościowo confirm coniunctio coraz więcej coroczny coroczny coś coś coś zwaarwichtig tante houw. voorts. grof. kalm meisje. in toenemende mate jaarlijks jaarlijks iets modelleren iets . rustig. swingen. flap. daags. bedaard. klap fijnhakken aanhalen. vulva slingeren. gewoon afbestellen backspace backspace achteruitgaan achteruitgaan backspace iets wat dan ook college uitgebreid betuigen. strelen. massa. zedig. alledaags dagelijks. begraafplaats deugdelijkheid. eerbaar hetgeen. dat. slag. swingen. kerkhof kerkhof. verzekeren conjunctie meer en meer. drom. rustig. wat maand-. zwaaien stil. maandelijks toegegeven iets bovendien. mep. gewoon vulgair. rustig. stil. maagdelijk kuis. rust. ordinair.

listig cybernetica cijfer. magie magisch. tal nummer. afschuwelijk ijselijk. diabetes onderbinden Moriaan. zich verwonderen mirakel. zoetigheid. gewiekst. slim. oppassend suikerpot suikerpot suikerziekte. aangrijpen iets dochter dochter hetgeen. wonder zich verbazen. getal. overspel echtbreuk. zich verwonderen oorspronkelijk. overspel buitenlander ijselijk. verwonderend echtbreker echtbreuk. diabetes suikerziekte. Moor aanbinden. snoepgoed zoet. kwalijk. origineel amper. dat. wat zich verbazen.coś innego coś koło tego coś na pocieszenie coś się święci coś w rodzaju coś) coś) córą córka cóż cud cud cuda cuda cudak cudem czegoś uniknąć cudotwórcą cudotwórstwa cudotwórstwa cudowne dziecko cudowny cudowny cudowny cudzołożnik cudzołóstwa cudzołóstwo cudzoziemiec cudzoziemka cudzoziemski cukier cukier syntaktyczny cukierek cukierek cukiernica cukiernica cukrzyca cukrzyca (choroba) cumować cumować cumować cumować curry cwał cwaniactwa cybernetyka cyferce cyferce cyferce iets iets iets iets iets aandoen. meren Mauretaniër kerrie galopperen doortrapt. nummer aantal. toverachtig wonder aanbiddelijk. afschuwelijk suiker suiker snoep. aanbiddenswaardig wonderbaar. nauwelijks goochelaar toverkunst. miraculeus wonderbaar. zich verwonderen zich verbazen. cijfer .

roulatie omloop. indopen. wielrijden fietsen. noemen. benauwdheid lof. nummer indompelen. getal. citeren aanhalen. vergaarbak aanhaling. onderpand. cijfer zigeuner zigeuner rogge Bohemen sigaar sigaar fietsen. nummer nummer. citeren. citaat citadel citadel aanhaling. noemen. cilinder blikken blikken cynisch zink zink kaap Kaaps Cyprus circus omloop. rondschrijven wervelstorm. borgstelling kapper. circulatie. wielrijden circulaire. noemen aanhalen. citeren citroen . tal cijfer. roulatie pand. barbier reservoir. wielrijden fietsen. soppen nummer. cycloon beklemming. angst. cichorei rol. cilinder rol. wielrijden afranselen fietsen. citeren.cyfra cyfra cyfra dwójkowa bit jednostka ilości informacji cyfra znacząca cyfra znaku cyfrowe przetwarzanie obrazów cyfrowy Cygan Cygan Cygan cyganeria cygara cygaro cykl cykl magistrali cykl maszynowy cykl zatwierdzania cykl życia obiektu cykliczny cyklon cykor cykoria cylinder cylinder alternatywny cyna cyną cyniczny cynk cynkowy cypel cypel Cypr cyrk cyrkulacja cyrkulacją cyrograf cyrulik cysterna cytacie cytadela cytadelą cytat cytat cytować cytować cytował cytryna cijfer. citaat aanhalen. circulatie. noemen aanhalen. cijfer beting aantal.

boetseren zwart hoogbejaard. wagenkap. toverheks. beschaven civiel civiel. kom beker. te wachten staan horloge. dienen maal. vacht. charmant maal. innemend. tovenaar feeëriek feeëriek heksen heksen kol. bloemkelk. dierevel. stadswachten. tovenares. toverheks. kelk duivelskunstenaar. tovenaar duivelskunstenaar. burgerlijk burger-. trekpot ketel po pet kapotjas. bekken. horen. miskelk.cytryną cywil cywilizacja cywilizacją cywilizować cywilizował cywilny cywilny cywilny (np. moeten. beschaven civiliseren. heks charter. beschaven beschaving. vrachtcontract bekoorlijk. keer . handvest. kodeks) czacie czacie czajniczek (klasyczna graficzna baza danych) czajnik czajnik czapce czapka czapka czapka (damska) czapka futrzana z tej skóry czapla czaplą czar czar czar czarą czarą czarnoksiężnik czarnoksiężnik czarnoziem czarnoziem czarnoziem czarny czarny czarny jak smoła czarodziej czarodziejce czarodziejski czarować czarował czarownica czarownicą czarter czarując czarujący czas czas przeszły czas rzeczywisty citroen civiel. motorkap pet vel. modelleren modelleren. huid pet reiger reiger aantrekkelijkheid toverij toverij vont. charmant bekoorlijk. beschaven civiliseren. keer behoren. heks kol. polshorloge theepot. burgerlijk beschaving. bedaagd zwart duivelskunstenaar. tovenares. pels. innemend. humus boetseren. tovenaar teelaarde. afhalen.

eens waardevol.czas zapamiętywania czas zapisu czas życia nośników mniejszościowych czas życia obiektu czas życia w IP czasami czasochłonny czasopimo czasopismo czasopiśmie czasopiśmie czasownik czasy czaszce czaszka czat czaty cząstce cząsteczka cząstka cząstka na milion czcić czcić czcigodny czcigodny czcionce czcionka pogrubiona czczy Czech czech CzechoSłowacja Czecho-Słowacja czego czegoś itd. kostbaar courant. te wachten staan zweven wachten. krant blad. czegoś) czek czek czek in blanco czekać czekać czekać czekać cierpliwie czekać na czekać na aktywację przesunąć (kursor myszki) czekać oczekiwanie czekolada czekoladą plusquamperfectum plusquamperfectum fietsen. eerzaam. chocolade . uit de weg gaan. afhalen. afhalen. jaartelling. deeltje. dagblad. dat. wachten. stoutmoedig. wat mijden. aanbidden adoratie. deel item. stout. ijdel. wielrijden maal. epistel. deeltje. afhalen. brief gedurfd. oningevuld. nutteloos Boheems Tsjechisch Tsjechoslowakije Tsjechoslowakije hetgeen. krant krant werkwoord dag schedel schedel keuvelen. brutaal vergeefs. babbelen. waar zendbrief. deeltje. jaartelling. keer op een keer. beluisteren. beteugelen cheque wit. augustus waardig. keer maal. te wachten staan wachten. blank te wachten staan. jaartelling. betomen. chocolade chocola. adoreren. te wachten staan wachten. deel molecuul item. afhalen. deel verafgoden. krant blad. te wachten staan chocola. luisteren wachten. afhalen aanhoren. blanco. praten een hinderlaag leggen item. aanbidding oogstmaand. ontwijken aanvliegen bedwingen.

inham. gedurig. lopen. begeleiden kapotjas. verhouding deel. kammen Boheems Tsjechisch Tsjechisch cultus. aanlokken aftappen aanboren robuust. stuk. gedeelte gewaad. kledingstuk gewaad. proportie. blozen. dikwijls. cureren stappen. deels gedeeltelijk. stuk. aanbidding menigmaal. partieel deel. hecht. waarom vergezellen. kledingstuk . gedeelte evenredigheid. dikwijls. blozend rood. bekoren. wagenkap. wriemelen. pakken. deels ten dele. blozend uitkammen. accompagneren. verpakken krioelen. treden bezoeken. motorkap pet inpakken. bocht. ferm zomermaand. golf. fors. schrijden. onderdeel. geregeld bezoeken prieel deels. boezem afgrond hoezo. krielen kers zwart zwartheid zwartheid aftappen toelachen. juni zomermaand. rood worden Vlissingen karmozijn.czekoladka czelność czeluść czeluść czeluść czemu czemuś) czepek czepek czeredą czeredą czereśnia czerń czerń czerń ec czerpać czerpać czerpać (zyski czerpać natchnienie z czerstwy stale czerwca czerwiec czerwienić się czerwienić się czerwień czerwień czerwony czesać czeski czeski czeszce cześć cześć często często częstować częstował częsty części maszyn częściowo częściowo częściowo otwarte połączenie częściowy część część część adresowa rozkazu część arytmetyczna (w komputerze) część krytyczna chocola. kolk golfspel. vaak. potig. wemelen. juni kleuren. vaak menigmaal. verering adoratie. eredienst. donkerrood rood. chocolade zenuw afgrond. onderdeel. ten dele ten dele. gedurig behandelen.

voelhoorn. tak deel. knoflook boot. aperitief ontstekingsbuis. een afschuw hebben van aanstoot nemen aan verafschuwen. stuk. leiden leidend. zakenman koopman. toonaangevend. boeren lid. lidmaat. aanhanger lid. lidmaat. schuit veertig veertig veertien vier vier stortplaats gevoelig. kras. spriet. verafschuwen verafschuwen.część wstępna (programu) część zapasowa czkawka czknąć czknąć czlonek człon człon człon członek członek załogi członkostwa członkostwo człowieczek człowiek człowiek człowiek energiczny człowiek interesu człowiek noszący coś na sobie człowiek pełnoletni człowiek starszy (wiekiem człowiek wytrwały czołg czołgać się czołgać się czoło czoło czoło czołowy czop czop czosnek czółno czterdziestka czterdzieści czternaście cztery cztery ściany czubek czucie czuć niechęć czuć odrazę czuć się urażonym czuć wstręt czuć wstręt czuć wstręt (do kogoś/czegoś) czujny czułek branche. rap antenne. onderdeel. lidmaat. zakenman majoor mens leek. oprispen oprispen. bestanddeel. handelaar. een afschuw hebben van kwiek. beginsel monteren. levendig. een afschuw hebben van afkeer inboezemen verafschuwen. lidmaat. toongevend borrel. druk. ra . ontvankelijk. niet-ingewijde sluitzegel. vak. vergaarbak kruipen kruipen wenkbrauw voorhoofd geleiden. zetten lid. bougie look. sticker reservoir. receptief een afschuw hebben van. aanhanger element. aanhanger lidmaatschap lidmaatschap menselijk menselijk mens koopman. gedeelte hikken boeren. handelaar. aanhanger lid. de weg wijzen.

duidelijk zindelijk. bezig zijn. kies.czułostce czułość czuły czupiradła czuwać czwarta (część) czwartek czwarty czy czy czy czy czyj czyn czyn wolicjonalny czynić czynić czynić aluzję czynnik ludzki czynnik zapładniający czynność czynność czynny czynny czynsz czyrak czyrak czystce czystka czystość czystość czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty dwójkowy czysty(alkohol) czyszczący czyścić czyścić czyściec czyta czytać czytance czytelnik sentiment. zindelijk gevoelig. handeling werkzaam. louteren kuisheid. gevoel. polshorloge vierde donderdag vierde indien. etterbuil op het kookpunt zijn. hetzij welks. mooi. kiesheid aanhalig angst horloge. ageren. puur. puur. licht. rein. nettonetto. helder. zindelijkheid helderheid. zindelijkheid absoluut. handelen doen. schoon. afgelopen zinspelen afschrikwekkend mest actie. onvermengd rein. schoon. gedoe. zindelijk hel. afgewerkt. bedrijven. schoon. delicaatheid. netto-. wanneer. wie z'n. borrelen. klaar duidelijk. vagevuur lezen lezen lezer lezer . of. netto. helderheid. actief. aanmaken. maken beëindigd. als. wie d'r doen. puur. ageren. fijn. fraai ordelijk afwasmiddel rein. louteren reinigen. schoonmaken. koken reinigen. kuisheid. klaar. waarvan. handeling. bezig zijn. net. delicaat. gevoeligheid fijnheid. ingeval of tenzij hè. bedrijvig afneembaar huur ettergezwel. schoon ordelijk net. fijn. handelen doen. gedoe actie. iel purgatorium. abces. schoonmaken. optreden. optreden.

tichel lei plavuis. wijk. uil. doorvoeren oefenen. lel stortplaats schenken. vrouw. over dahlia nader dame lady. eerder. nachtvlinder buurt. cadeau geven schenken. ver ververwijderd. tjilpen sjilpen. tegel. materiaal grondstof. piepen. piepen. ingevolge nader verwijderd. dandy grondstof. materiaal . dactylus afstand.czytelny czytnik czyżby? ćma ćma zenia ćwiartce ćwiartek ćwiartka ćwiczenia ćwiczenia ćwiczenia ćwiczyć (się) ćwierka ćwierkać ćwierkać d <much d najbardziej d poprzednio d zadowolony dach dachówce dachówka dachówka dacie dać dać klapsa dać napiwek dać za wygraną daj dający się zarządzać daktyl dal dalej dalej daleki daleki zasięg daleki zasięg daleko dalia dalszy dama dama (także w kartach i szachach) damaszek damą daną dandys ezmięsne dane dane (l. verwijderd. wezenlijk uiltje. kwetteren veel meest. indertijd tevreden. vergenoegd. cadeau geven draai om de oren. heen. tjilpen sjilpen. voldaan kap. handelbaar dadel. verwijderd verwijderd. materieel. drillen sjilpen. ver. materieel. kwetteren. dam. vooraan. kwast. oorveeg. tichel dadel. blijkens. dactylus schenken. fat. uil. consigne. eind langs. stadswijk oefenen. overkapping plavuis. cadeau geven inschikkelijk. wijk. tegel. naar. tegelsteen. tjilpen. hoogst daarvoor. kwetteren. jonkvrouw Damascus dame informatie saletjonker. instructie aanwenden. <datum>) leesbaar lezer werkelijk. ververwijderd. ver vandoor. nachtvlinder uiltje. drillen aanwijzing. echt. tegelsteen. stadswijk kamers. poj. vertrekken buurt. ververwijderd. dak. piepen.

open. schaal cijns. vooraan. verleden. oorveeg. nutteloos vergeefs.dania dania Dania dania bezmięsne danią danie danina daniną danser dar dar daremność daremny daremny darmowy darować darować darować darować darować (karę) darował daszek daszek (czapki) data data data acquisition and interpretation system data zakupu datagram kadr datek datek datować dawać dawać dowody dawać klapsa dawać na imię dawać narkozę dawać ogłoszenie dawać początek dawać sobie radę/domyślić się dawać znać dawce dawka dawka (leku) dawkować dawniej dawny dąb tracé. apache piek. schatting danseres gift. annuleren. neus. onbelemmerd cadeau geven. cadeau tegenwoordig. tip. dactylus boksen naastenliefde. leergang. aandienen het gevolg zijn van. lel noemen. eerder. los. schaal vegetarisch Denemarken schotel. schenken begenadigen. uitmaken voor adverteren. ijdel. afstammen voeden berichten. donatie. administreren. beheren dosis dosis dosis dosis daarvoor. heten. eikehouten . cadeau geven tegenwoordig. koers Denemarken schotel. actueel luiheid vergeefs. spits meizoentje. madeliefje dadel. madeliefje dadel. afgelasten begenadigen. vlot. top. schatting cijns. vergeven schenken. tentoonstellen draai om de oren. punt. benoemen. informeren. actueel ontbinden. aankondigen. ijdel. dactylus schenken. inlichten besturen. voorafgaand eiken. cursus. vergeven straatschuimer. geschenk. nutteloos onbezet. route. cadeau geven belichten. dactylus meizoentje. menslievendheid bijdrage dadel. indertijd voorgaand.

debet debetzijde. gebrek. verbasteren degenereren. eikehouten houw. malloot idioot debugger debugger besluiten. zot. beslissen. uitspraak. cruciaal besluit. voorzichtig waas. bepalen onherroepelijk. ontaarden. gevolgtrekking abstraheren. afleiden. uitmaken besluiten. nauwkeurig bepalen beslissend. verlagen decennium decennium decennium voordragen. debet dwaas. finaal. flap. attent. omschrijving bepaling. verlagen degraderen. verleden tijd bepaling. deduceren opdragen. nesthaar. omschrijving bepaling. deficit. euvel kastekort. uitspraak. deduceren abstraheren. definitie. ontaarden. spenderen. definitie. afleiden. tekort afwezigheid.dąb nie dąć dążyć dbały dbały deaktywizować debacie debacie debata debatować debet debet ("winien" w księgowości) debil debil debuger debugger decydować decydował decydował decydujący decyzja decyzją decyzją dedukcją dedukować dedukował dedykować dedykował deficycie deficycie deficyt defilada definicja definicja typu dokumentu definicją definiować definiował definitus definitywny deformował degeneracie degenerat degradować degradował dekada dekada licząca dekadą deklamować eiken. verbasteren degraderen. spanderen opdragen. slag. definitie. mep. beslissing besluit. oplettend behoedzaam. uitmaken determineren. dons debat discussie. declameren . beslissing resolutie. definitief onherroepelijk. nastreven aandachtig. omschrijven. gemis. bespreking debat debat debetzijde. omschrijving definiëren. motie conclusie. deficit. spenderen. bepalen definiëren. misvormd degenereren. spanderen kastekort. omschrijven. definitief mismaakt. beslissen. tekort verleden. klap najagen.

onderscheiding. zoet. delegatie afvaardiging. decoratie decor. declameren declaratie. lekkernij snoepen snoep. zacht. snoepgoed. lekkernij mildheid beminnelijk kies. onderscheiding. delegatie delegeren. verklaring declaratie. dader Delphi delta ontkennen ontkennen democraat . breekbaar liefelijk. zachtaardig zoet. decreteren verordenen. iel broos. decoratie sieraad. lekkernij snoep.deklamował deklaracja deklaracja procedury deklaracją deklarować deklarował dekodować dekodował dekomprymować dekoracja dekoracja sklepowa dekoracją dekoracją dekoracją dekoracje (tetralne) dekoracje tetralne dekoracyjny dekorować dekorować dekrecie dekret delcie delegacie delegacie delegacja delegacją delegat delegat delegować delegowanie delicją delicją delikates delikatność delikatność delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikwencie Delphi delta dementować dementował demokracie voordragen. decreteren delta delegeren. mild. verklaring declareren declareren decoderen decoderen afleiden decor. afvaardigen subsidiair. inboeten delegeren. zachtmoedig. gevoelig. decoratie. delicaat. verklaring declaratie. afvaardigen afvaardiging. decoratie versieren landschap landschap ornamentaal versieren versieren verordenen. zacht zacht. plaatsvervangend afvaardiging. snoepgoed. aanbesteding schuldige. onderscheiding. tooisel decor. liefelijk gunning. snoepgoed. delegatie snoep. afvaardigen in de plaats stellen van.

demokracja demokracją demokratyczny demolować demon demoniczny demonstracja demonstracją demonstrować demonstrował demontować denerwował dentysta dentystyczny dentyście denuncjować denuncjował depesza depesza depeszą depeszą depeszą deportować deportował depozycie depozyt depresja depresją deptać deptak deputowany derywacja derywacja wyprowadzenie desancie desant desce desce deseń deseń deser deser deska deska deskrypcją despocie despota destrukcją destrukcją

democratie democratie democratisch afgeven op, afbreken, afkammen demon, duivel demonisch, satanisch demonstratie, vertoning, bewijs demonstratie, vertoning, bewijs demonstreren, vertonen demonstreren, vertonen afstijgen ergeren, verontwaardigen tandarts tand-, getand tandarts aangeven, aanbrengen, klikken aangeven, aanbrengen, klikken telegram, kabeltelegram telegram kabel, tros verzenden metaaldraad, draad deporteren deporteren afgeven, deponeren, in bewaring geven afgeven, deponeren, in bewaring geven afname depressie stappen, lopen, schrijden, treden marcheren, tippelen, lopen subsidiair, plaatsvervangend afleiding, afgeleid woord afleiding, afgeleid woord daling, landing daling, landing aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet werkje, schets, tekening knippatroon, patroon toetje, toespijs, nagerecht, dessert pudding aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet tafereel, schildering, beschrijving despoot, dwingeland despoot, dwingeland vernietiging ruïneren, te gronde richten

desygnował deszcz deszcz ze śniegiem deszczowiec deszczowy deszczułce deszczyk deszyfrować deszyfrował detal detalista detaliście detektyw detektywistyczny detergencie detergent detonacją dewiza dewizą dewizą dezaktualizował się dezaprobacie dezerterować dębowy dębowy dętka diabelski diabeł diablicą diaboliczny diagram diakon dialekcie dialekt dialektalny dialog dialog dialog dialog człowiek-komputer dialog użytkownikkomputer diament diament przemysłowy diecie diesel dieta dietetyczny diminutivum direktor antenowy

benoemen, aanstellen regenen regenen regenmantel nat lat motregenen ontcijferen, ontraadselen ontcijferen, ontraadselen bijzonderheid, item, detail kleinhandelaar kleinhandelaar detective, rechercheur detective, rechercheur afwasmiddel afwasmiddel informeren, berichten, inlichten leus, lijfspreuk, leuze, devies leus, lijfspreuk, leuze, devies lijfspreuk, leus, leuze, devies aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen afkeuring, verwerping, wraking wildernis, woestenij, woestijn eiken, eikehouten eiken, eikehouten binnenband, luchtpijp, luchtband duivelachtig, duivels, drommels droes, boze, duivel, drommel helleveeg, furie, haaibaai, feeks duivels, duivelachtig, drommels afbeelding, figuur, beeld diaken tongval, dialect tongval, dialect tongval, dialect tweespraak, tweegesprek, dialoog tweegesprek, tweespraak, dialoog bericht, boodschap tweespraak, tweegesprek, dialoog onderhoud, gesprek diamant diamant dieet dieselmotor, diesel dieet diëetluttel, karig, min, klein, gering directeur, bestuurder

dla dla dla siebie samej dlaczego dlatego dlatego dlatego też dlatego że dławienie (się) dławik dłoń dłoń dłucie dług długa spacja długi długi czas długo długopis długość długość długość geograficzna długotrwały dłuto dmuchać dmuchawiec dno dno statku dno statku do do do do do cna do edycji do góry nia do góry nogami do małego biura i do domu (np. oprogramowanie) do przewidzenia do przodu do przyjęcia do samolotu) do szpiku kości do twojej wiadomości do twojej wiadomości do tyłu do wglądu tylko dla ciebie (tajne

gedurende, onder, terwijl, staande saké, rijstwijn gedurende, onder, terwijl, staande hoezo, waarom ergo, dus, ook weer, toch ergo, toch, ook weer, dus daar, doordat, omdat, aangezien ergo, toch, ook weer, dus wurgen, choken, worgen wurgen, choken, worgen aanreiken, overhandigen bal, handpalm, palm beitelen schuld ruimte, bestek, wereldruim, speling lang lang lang hok lengte, langdurigheid lengte (geo.), lengte lengte (geo.), lengte blijvend, aanhoudend beitelen houw, flap, slag, mep, klap leeuwetand, paardebloem bodem, achtergrond, ondergrond, grond bodem, achtergrond, ondergrond, grond achtergrond, grond, bodem, ondergrond heel, volkomen, totaliter gedurende, onder, terwijl, staande in, te, binnen, per tegen, bij, naar, tot, aan, voor droes, boze, duivel, drommel omhoog, opwaarts, op, naar boven op, omhoog, naar boven, opwaarts on-, in-, imverkrijgbaar daarvoor, eerder, vooraan, indertijd acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk aanklampen, zich vastklampen aan betreffende, aangaande, omtrent hierheen, hier achterover achterwaarts, achteruit, rugwaarts achterlijkheid adieu, vaarwel

informacje) do widzenia do wysokości do zobaczenia do zwrotu dobiegać dobierać dobitny dobitny dobosz dobór dobre dobre stosunki dobro dobrobycie dobrobyt dobroczynność dobroczynny dobroć dobroć kondensatora dobroduszny dobrowolnie dobrowolny dobry dobry dobry dobry dobrze dobrze się rozwijać dobrze wychowany dobrze wypionowany dobrze wypionowany dobrze zbudowany dobrze! dobytek docenia doceniać docenić dochodzić do dochować dochowuj dochód dochód dociąć dociekać dociekliwie docierać docinać

vaarwel, adieu acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk geldkist, kas, fonds tegen, bij, naar, tot, aan, voor aanvliegen soort, slag, aard klaar, uitgesproken, helder nadrukkelijk trommelslager, tamboer, trommelaar keuze, keur, keus, optie, verkiezing okee, okay, goed okee, okay, goed okee, okay, goed welstand, voorspoed, geluk, bloei rijkdom naastenliefde, menslievendheid charitatief, liefdadigheidsvoorkomendheid, liefheid goedheid aardig, vriendelijk, voorkomend uit vrije wil, vrijwillig vrijwillig best beter okee, okay, goed rechter-, vandehands goed, nu goed geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel juist, gelijk hebbend, gegrond goed, okay, okee hecht, fors, potig, ferm, robuust afgesproken, akkoord, goed, in orde goed, nu goed bezitting, eigendom, bezit appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen bereiken, inhalen, behalen inmaken, konfijten, inleggen blijven inkomen, ontvangst, opbrengst verdienste, baat, winst, gewin plagen exploreren, nagaan, onderzoeken met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig bereiken, inhalen, behalen plagen

dociskać doczesny dodać dodać dodać dodać dodać domieszkę opium dodać odwagi dodać otuchy dodaj dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek (w książce) dodatek specjalny dodatkowo dodatkowy dodatkowy dodatkowy dodatkowy ruter dodatkowy zasilacz mocy dodatkowy zbiornik atramentu dodatni dodatnio dodawać dodawaćotuchy dodawanie dodawanie modulo 2 dodruk dodruk dogadzać dogmacie dogmat dogodny doić dojazd dojrzały dojrzały dojrzały dojrzano dojrzeć dojrzej dojrzewać dojrzewać dojrzewanie płciowe dojście

strakker aantrekken, aantrekken aards aanhechtsel, affix hoera roepen aanvuren, aanwakkeren, aansporen opiaat aanhechtsel, affix bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijkomstig, bijbehorend, bijkomend begeleiding, accompagnement optelling bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein optelling extra extra verder, overig assistent, adjunct, helper extra bijbehorend, bijkomend, bijkomstig bijkomstig, bijbehorend, bijkomend extra positief, constructief voorgoed, definitief bijtellen, optellen hoera roepen optelling optelling effect, indruk afdruk bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan leerstuk, dogma, leerstelling leerstuk, dogma, leerstelling doelmatig, gemakkelijk, geschikt melk oprijlaan, oprit volwassene, adult belegen, bezonken, rijp rijp, bezonken, belegen rijp, bezonken, belegen rijp worden, rijpen belegen, bezonken, rijp volwassene, adult rijp worden, rijpen puberteit oprijlaan, oprit

dojście dojście (do czegoś) dojść dojść dok dokąd dokądkolwiek doker dokładać dokładna informacja wyszczególniać dokładne badanie dokładnie dokładnie dokładnie dokładnie coś przejrzeć dokładnie zbadać (kogoś) dokładność dokładność dokładność dla pełnej skali dokładność pomiarów dokładność zapisu dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny do ntego miejsca (po przecinku) dokładny do n-tego miejsca (po przecinku) dokoła dokonać dokonany dokonuj dokonując dokonywać dokonywać dokonywać (<sth> czegoś) dokonywać zapisu na rzecz dokończyć dokręca dokręcać dokręcony dokrętce dokrętek doktor dokuczać dokuczać

aanwinst, acquest, buit, prooi oprijlaan, oprit aankomen, belanden, arriveren buit maken, verkrijgen, behalen dok waar hier of daar, ergens stouwer, stuwadoor bijtellen, optellen bijzonderheid, item, detail precies, nauwgezet, accuraat precies, nauwgezet, accuraat inhalen grondig, radicaal precies, nauwgezet, accuraat rechter-, vandehands accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid nauwkeurig, accuraat, nauwgezet nauwkeurig, accuraat, exact trouw, getrouw precies, scherp, juist, minutieus specifiek, soortelijk streng, duchtig, straf, bar, hard nauwkeurig, accuraat, nauwgezet om ... heen, omtrent, ongeveer, om behalen, bereiken, inhalen volkomen, perfect, in optima forma maken, doen, bedrijven fabricatie, aanmaak, fabricage bewerkstelligen, doorvoeren het veld ruimen, afstaan kalfateren, kalefateren, breeuwen begiftigen, meegeven aantikken strakker aantrekken, aantrekken strakker aantrekken, aantrekken stipt, nauwsluitend, streng, nauw moer bah doctor ergeren, verontwaardigen mopperen, kankeren, morren, sputteren

dokuczać dokuczać dokuczanie dokuczliwy dokuczliwy dokuczliwy dokuczyć dokuczyć dokumencie dokument dokumentacja systemowa dokumenty dolar dolą dolą dolega dolegliwość doliczać dolina dolny dolny dolny dołaczyć dołaczyć dołączać komentarz dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć się dołeczek dołeczek dołeczek dom dom czynszowy dom publiczny dom publiczny dom rodzinny dom starców dom studencki dom wypoczynkowy domagać się domagać się domagać się od kogoś zrobienia czegoś domek domek parterowy domeną

klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen plagen smart, verdriet, leed plagen saai, taai, vermoeiend, melig pijnlijk, hinderlijk, lastig, storend ergeren, verontwaardigen belemmeren, storen, hinderen bedrijf, acte, dokument, akte, stuk bedrijf, acte, dokument, akte, stuk mens bestand, dossier dollar lot, bestemming, lotsbestemming kavel, perceel pijn doen, zeer doen bezwaar, strubbeling, moeilijkheid bijtellen, optellen vallei, dal waas, nesthaar, dons laag verlagen, afdraaien zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker bevatten, inhouden, behelzen bijtellen, optellen belenden, grenzen aan aanhechtsel, affix omsluiten opiaat zich aansluiten, lid worden, toetreden groef, gracht, kuil, groeve, greppel hol, ingevallen groeve, gracht, greppel, groef, kuil geslacht, pand, huis herenhuis bordeel, seksclub, hoerenkast huiswaarts, naar huis huiswaarts, naar huis logement, herberg pakhuis, magazijn, warenhuis geslacht, pand, huis aanspraak maken op, claimen opeisen, vereisen, rekenen, eisen opeisen, vereisen, rekenen, eisen hut, huisje bungalow rijk, staat

domeną dominium dominować dominował dominujący domniemanie domowy domowy domowy domysł domyślac domyślać się domyślać się domyślić się domyślnik doniczka doniesienie donieść donieść donikąd doniosłość doniosły donosić dookoła dopasować dopasowanie szablonu dopełnia dopełniać dopełniający dopełniał dopilnować doping dopingować dopingował dopisać dopływ dopóki dopóty doprawdy doprowadza doprowadzić do szału dopuki dopuszczać dopuszczalny poziom wadliwości dopuścić dopuście doradca doradcą

kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied dominion meester zijn, de baas zijn meester zijn, de baas zijn voornaamste, hoofdvermoeden, gissen binnenlands, inheems, inlands huiswaarts, naar huis Stille Oceaan, Grote Oceaan onderstelling, hypothese, mening raden, gissen, doorzien raden, gissen, doorzien menen, vermoeden, stellen raden, gissen, doorzien zinspelen bloempot informeren, berichten, inlichten perzik informeren, berichten, inlichten nergens, in geen velden of wegen relevantie veelbetekenend, betekenisvol berichten, informeren, inlichten circulerend, in omloop aanpassen, afstemmen, adapteren lucifer compleet, volledig blok aanvullend volbracht ontmoeten, aantreffen stijving, bemoediging, aanmoediging aanvuren, aanwakkeren, aansporen aanvuren, aanwakkeren, aansporen belenden, grenzen aan fjord terwijl, staande, gedurende tot, totdat, binnen, voor werkelijk, wezenlijk aansporen, aanwakkeren, aanvuren bestseller, furore tot, totdat, binnen, voor laten, laten begaan, laten schieten acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk toegeven plaag adviseur, mentor, raadgever adviseur, mentor, raadgever

doradzić doraźny doraźny doręcza doręczyć dorobek dorobek doroczny dorosły dorożka dorsz dorzecze dosiadać dosięgać dosięgnąć doskonale doskonały doskonały dosłowny dosłowny dosłowny (raport) dostarcza dostarcza dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dowodów dostarczać żywność dostarczał dostarczanie dostarczyć dostarczyć podporządkować dostarczyć żywność dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny (stopień w szkole) dostatek dostatni dostawa dostawa oprogramowania dostawać mdłości dostawą dostęp dostęp dostęp

adviseren, bekendmaken, aankondigen ogenblikkelijk, prompt toevallig, incidenteel afleveren, leveren, bestellen brengen, aandragen, bezorgen Fortuna lot, fortuin, fortuinlijkheid jaarlijks volwassene, adult taxi kabeljauw vont, bekken, kom monteren, zetten buit maken, verkrijgen, behalen bereiken, inhalen, behalen perfectie, volkomenheid, volmaaktheid volkomen, perfect, in optima forma grandioos, groots, overweldigend woordelijk, letterlijk naar de letter, woordelijk naar de letter, woordelijk leveren, bestellen, afleveren provianderen, spekken, bevoorraden betuigen, verzekeren afleveren, leveren, bestellen eten, bikken, gebruiken, vreten afzenden, verzenden, expediëren het veld ruimen, afstaan provianderen, spekken, bevoorraden gemeubileerd aflevering, levering, inlevering knechten, onderwerpen afleveren, leveren, bestellen leveren, bestellen, afleveren adequaat, bijbehorend genoeg, voldoende bevredigend genoeg, voldoende bevredigend onbekrompenheid, overvloed uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend aanvoer, bezorging aflevering, levering, inlevering afkeer inboezemen aflevering, levering, inlevering oprijlaan, oprit aanwinst, acquest, buit, prooi aanvliegen

buit maken winnen. tasten. adapteren kleren maken afstemmen. stipendium. experimenteel belevenis. disponibel genaakbaar. levendig. tamelijk. aanmerkelijk. disponibel verkrijgen. disponibel liquide. acuut. toegang oprijlaan. volkomen. subsidie slecht scherp. gewoonte. ervaring. voldoende tamelijk naar buiten brengen. druk zeer. aanpassen. zichzelf respecterend. gebruik aanpassen. toegankelijk liquide. bedroeven. augustus waardig. toegankelijk aanspreekbaar liquide. voelen. vrij. voldoende tamelijk vriendelijk. verdriet doen vinger . afstemmen. smartelijk beproeven. pijnlijk. beschikbaar. oprit genaakbaar.dostęp dostęp zastrzeżony dostęp zdalny dostępny dostępny dostępny dostępny od przodu dostępny od przodu dostępny w handlu detalicznym dostępował dostępował dostojeństwa dostojny dostojny dostosować dostosować dostosować (się) dostosować (się) dostosować umieszczać dostosowanie interfejsu dostosowany do życzeń użytkownika dostosowuj dostosowywał dostroić dostrojenie dostrzegalny dostrzegalny dostrzegalny dosyć dosyć dosyć dosyć doszczętnie dość dość doświadcza doświadczać doświadczalny doświadczenie doświadczony doświadczony użytownik dotacją dotkliwie dotkliwy dotkliwy dotkliwy dotknąć dotknąć entree. voorbijgaand kras. genoeg. betasten empirisch. adapteren afstemmen. beminnelijk. totaliter genoeg. rap. instelling geruim. waardigheid oogstmaand. basta heel. ondervinding deskundig. helder. afstemmen. beschikbaar. aardig nogal. ontkomen. aanzienlijk verstandig zichtbaar genoeg. ingang. verdienen. behalen zelfrespect. adapteren aanpassen. ervaren deskundig. kwiek. ontgaan usance. aanpassen. adapteren ontsnappen. deftig afstemmen. stemmen afstelling. adapteren afgepast in een stemming brengen. geoefend. deerlijk. zelfgevoel. beschikbaar. aanpassen. geoefend. oprit oprijlaan. dragen bevoelen. ervaren ondersteuning.

schijf adstructie. tasten. geoefend. aantonen bewijzen. aanvoeren. ervaring. betasten gevoel aanslag belenden. klappen. grenzen aan aanslag aanslag mondeling. desbetreffend aanwenden. bewust. pots. kwinkslag. arriveren blijven nog ouder betrokken. ondervinding stutten. gekscheren mop. plaat. aanvoeren. gevat. schertsen. belang aangelegenheid. boegspriet snedig. voeren drukproef discus. commanderen bevelen. opvallen subsidiëren aankomen. bekoren aangelegenheid. teken. commandant bevelen. grol. bestendig. krakelen bevestigen. grammofoonplaat. commandant commodore aanvoerder. doorvoeren toelachen. kloppen. gestaag . krakelen archief aanwijzend voornaamwoord aanwijzend voornaamwoord twisten. aannemen bewijzen. steunen. voelen. disputeren. aantonen willekeurig. ondervinding belevenis.dotknąć dotknąć nieszczęściem dotknięcie (pędzlem) dotował dotrzeć dotrzymywać dotychczas dotychczasowy dotyczenie dotyczyć dotyczyć dotyczyć dotyczyć czego dotyk dotyk dotyk dotyka dotykać dotykać palcem doustny dowcip dowcip dowcip dowcipny dowieść dowodach dowodzący dowodzenie dowodzić dowodzić dowodzić dowodzić (<sth> czegoś) dowolny dowozić dowód dowód dowód (przyjaźni) dowód wiedzy zerowej dowódca dowódca dowódcą dowództwa dowództwo doznać doznaj doznaj doznawał doznawał aanslag aanslag slaan. oraal boerten. bewijs drukproef aanvoerder. aanlokken. ervaren constant. commanderen belevenis. overbrengen. belanden. ad rem twisten. eigenmachtig transporteren. grap spriet. disputeren. geestig. ervaring. schragen deskundig. arbitrair. belang bevoelen.

schacht. balorig glad. krabben vlechten slechtgehumeurd. zich bekommeren. beven. glibberig grieven. stuurtoestel neerdruipen. kregel. pijp schacht. bibberen woud. pijp baar. aflezen controleren. beugel bezorgd zijn. huiveren . klauwen. afdruipen neerdruipen. de wacht hebben. paal. groef. paal. bewaren pensioen groeve. sterk werkend krauwen. vastkleven. afgrendelen draperen drastisch. rillen. schacht. checken. rillen. drama krauwen. checken. kuil ladder ladder ladder ladder toneelstuk. ergeren baar. klauwen. ongrijpbaar. bedroeven. bos hout hout hout boom hout brandhout auto. roede. drama toneelstuk. schommelen beven. auto trolley. greppel. de wacht hebben. zorgen afschuwelijk slingeren. mijnschacht kleven. zorgen bewaken.dozorca dozorcą dozorować dozorował dozorujący dozór dozór dożywocie dół drabina drabina schodkowa drabiną drabinka dramacie dramat drapać drapak drapować drastyczny draśnięcie dratwą drażliwy drażliwy drażnić drąg drążek drążek drążek drążek sterowniczy drążek sterowy dren dren wielokrotny drenować dreszcz drewien drewna drewna drewno drewno drewno drewno na podpałkę drezyna drezyna drezyną dręczyć drętwy drga drganie conciërge. afdruipen neerdruipen. bewaren controleren. portier bewaken. gracht. afdruipen huiveren. aanhangen stuur. aflezen steward zich bekommeren. roede. scharrelen. stuurtoestel stuur. krabben grendelen. oscilleren. wagen automobiel. bezorgd zijn. scharrelen. bibberen.

toevallig bijbehorend. op drift zijn. paadje tweede paren twaalfuurtje. baan. honen grijnslachen. dierbaar. lief. beuzelarij microbe net. duur. baan. gewoonte apotheek geacht. drijven afdrijven. verkeersweg weg. gezien kostbaar. klein. futiliteit. duur. route straat grote weg. drijven boren klei-. equipe politiepatrouille bespotten. aarden. gedetailleerd. schoon. mooi. drukker afdruk afdruk uitgeven. penning. in het klein munt. bijkomstig maat. usance. waard zeldzaam wegwijzer roodborstje gist gist gevogelte pad. lief. geldstuk bagatel. fraai propperig. bijkomend. ginnegappen afdrijven. minuscuul. emitteren metaaldraad. van klei . drukker boekdrukker. spotlachen. kornuit. fijn. draad team. lunch incidenteel. drukker boekdrukker. op drift zijn. kameraad. waard geacht. trilling schokken kramp aanzetten tot. spotten. aanzetten ampel. gezien kostbaar. activeren.drganie drgawce drgawka drgnąć drobiazgowy drobniak drobnostka drobnoustrój drobny drobny droga droga droga dojazdowa droga wodna droga wodna drogerią drogi drogi drogi oddechowe drogi oddechowe drogocenny drogowskaz drozd wędrowny drożdże drożdże drób dróżka drugi drugi nadawca drugie śniadanie drugorzędny średniej klasy drugorzędowy druh drukarce drukarka drukarz drukować drukować druk odbitka drukował drut drużyna drużyną drwić drwiną dryf dryft dryl drylował vibratie. ploeg. dierbaar. makker boekdrukker. route gebruik. minuskuul weg.

bibberen dubbel. worgen. blinde bij kaarspel. beven. usance. graveerwerk portier. sluimeren. sluimeren. dutten sluimeren. huiveren rillen. doorscheuren druilen. gemoed. onderdrukken. geest . dutten druilen. sluimeren. dutten druilen. deur beven. multipliceren zeef goulash choken. multipliceren verveelvoudigen. druilen. rillen. deur portier. bewindsman geestelijk pijp. geest geestelijke minister. gewoonte trots trots muze hoog. geest. wurgen smoren. intellect ziel. duplex. bibberen. tabakspijp afranselen gebruik. gemoed. prat. tweeledig verstand. tweevoudig. gravure. bibberen beven. trots Donau Deen Deens ezel ezel verveelvoudigen.drzazdze drzazga drzeć drzemać drzemce drzemka drzemka drzewa drzewo drzewo binarne drzewo dwójkowe drzewo zbalansowane drzeworyt drzwi drzwi są uchylone drżeć drżeć drżenie drżenie dublowanie duch duch duch duch wodny duchowny duchowny duchowy dudą dudnienie dukcie dukuczyć duma dumać dumny dumny Dunaj duńczyk duński dupa dupą duplikat duplikować durszlak dusić dusić dusić (się) dusić na wolnym ogniu dusza splinter splinter vaneenscheuren. huiveren. bibberen. rillen. dutten boom boom naaldboom naaldboom hout prent. beven. neerslaan pruttelen ziel. huiveren. huiveren rillen. verheven fier. geest geest blinde.

vrijen. net het hof maken. veel. excellent. diploma. bul. scharrelen twintig twintig twee keer. amateur. tweetal. koppel. brevet diplomaat . bestek. kostelijk groot twee twee keer. duo. buigen. dubbelslachtig nijgen. vele veel groot groot lucht-. roken uitwasemen smoken. bovengronds tof. opgeven dilemma dilemma knutseaar. vies ruiken gelatenheid. tweemaal twaalf twaalf dubbelzinnig. station binair binair netwerk. pastor omvang. berusting dynamiet pompoen pompoen akte. dilettant smoken. geestelijke. twee weken twee twintig twaalf stel. tweemaal veertien dagen. paar stationsgebouw.duszpasterz duża ilość dużo dużo duży duży duży system komputerowy duży system obliczeniowy duży wysiłek dwa dwa pensy dwa razy dwa tygodnie dwadzieścia dwanaście dwie dworzec dwójkowe (liczby) dwójkowy dwójnik bierny dwór dwudziestce dwudziestka dwukrotnie dwunastce dwunastka dwuznaczny dyg dygotać dykta dyktator dyktatura dyktować dyktował dyktował dylemacie dylemat dyletant dym dymek dymić dymić (się) dymisja dynamit dyni dynia dyplom dyplomat pastoor. met lucht gevuld. roken stinken. grootte menig. tiptop. een buiging maken schokken multiplex dictator dictatuur dicteren dicteren zeggen.

theca. bestuurder bewaken. leiden discipline. discus. discus. delicaat. krakelen. aktentas administratiekantoor hoofdonderwijzer. uitreiking verdeling. bespreking betwistbaar. plaat schijf. uitreiking verdeling. bestuurder bestuurder. geleiden. krakelen. grammofoonplaat. tucht schijf. discuteren beschikking arrangeren. twisten disputeren. uitspraak aanvoeren. disputeren. administrateur hoofd-. onopvallend. afdeling afstand. aanvechting. uitreiking verdeling. eind verdeling. bevelen conducteur. de wacht hebben. discreet discriminatie discriminatie discussie. tucht discipline. hoofd der school hoofd-. grammofoonplaat. aanvechtbaar twisten. grammofoonplaat. bewaren de weg wijzen. fijn. bestuurder conducteur. vermogen keurig gevoelig. lust. aanrichten. plaat diskette disconto bescheiden. team. beheerder. twisten detachement. uitreiking verdeler verdeler kapitaal. kies. voornaamste rector directeur. krakelen bespreken. aangifte. neiging disputeren. discus. ordenen zin. iel .dyplomata dyplomatce dyrekcja dyrektor dyrektor dyrektor dyrektor generalny dyrektor szkoły dyrektor szkoły dyrektywa dyrektywa zapoczątkowania dyrygencie dyrygent dyrygent dyrygować dyscyplina dyscypliną dysk dysk dysk dyskietka dyskietka dyskonto dyskretny dyskryminacja rasowa dyskryminacją dyskusja dyskusyjny dyskutować dyskutować dyskutował dyslokacją dysponować dyspozycją dyspucie dysputa dystans dystans dystrybucja dystrybucja kluczy dystrybucja połączeń automatycznych dystrybucją dystrybutor dystrybutor automatycznych rozmów telefonicznych dystyngowany dystyngowany dystyngowany diplomaat boekentas. discuteren bespreken. plaat discus schijf. commanderen. voornaamste declaratie.

optreden. afstammeling. operatie. activist functioneren. kleed. handeling speelterrein. optreden. optreden. handeling. operatie. gedoe. kanon. jongeling. kind. optreden. pul kan. handeling. nakomeling . handelen actie. bezig zijn. karpet afleidingsmanoeuvre legerafdeling. handeling courtage actie. handeling. optreden. kruik kan. kruik vaas. agitator. geweer tandvlees een geintje maken een geintje maken baby kinderlijk loot. jong. divisie kavel. ingreep actie. gedoe bewerking. het doen doen. pot. mijnschacht spuit tapijt. optreden. kruik po opa. vak. vuurmond roer. afstammeling borst. jongeheer een geintje maken nazaat. gedoe. ingreep legerafdeling. het doen functioneren. grootvader achterbuurt departement branche.dystynkcją dysza dyszą dyszel dyszel dyszka dywan dywersja dywizją dyżur dzban dzban dzban dzbanek dzbanek dziadek dziadostwa dział dział działacz działać cuda działać przetwarzać działać sterować działalność działalność działalność maklerska działania działania) działanie działanie działanie na minutę działanie napędu dyskietek działanie niezależne działanie wsadowe działka działka działka podziałki działo działo elektronowe dziąsło dzieciak dzieciak koszula nocna dzieciątka dziecinny dziecko dziecko dziecko bawiące się skakanką dziedzic onderscheiding spuit spuit straal. perceel kavel. vat. speelplaats actie. ageren. handeling bewerking. tak onruststoker. divisie plicht. perceel canon. verplichting kan. kettingzang. gedoe actie. vloerkleed. gedoe actie. speelplaats speelterrein. spaak schacht. gedoe.

dagblad. erfdeel boedel. ra yard.dziedzictwa dziedziczenie dziedziczność dziedziczyć dziedzina dziedzina zastosowań dziedziniec dziedziniec dziedziniec kościelny dziedzińca dzieje dziejopis dziekan dziel dzielenie dzielenie przez zero dzielenie sekretu dzielić dzielić dzielić na połowę dzielić podział dzielnica dzielnica Londynu dzielnicą dzielny dzielny dzieło dziennik dziennik dziennik zdarzeń dziennik zmian dziennikarce dziennikarz dzienny dzień dzień dobry dzień dobry! dzień roboczy dzień wypłaty dzierżawa dzierżawą dzierżawca za część plonu dzierżawcą dzierżawić dzierżawić dziesiąta część dziesiątce dziesiąty boedel. kampplaats akker plaats. erfenis. erfenis. splijten actie. binnenplaats. erfstuk. krant courant. overerfelijkheid beërven. in pacht hebben huurder tiende tien tiende . afscheiden. krant journaliste journaliste dagelijks. koen. kloek. scheiden nabijheid district. aandeel afzonderen. divisie afzonderen. divisie legerafdeling. arrondissement. krijt. doorklieven. verhaal kroniekschrijver. krant courant. erfstuk. alledaags dag heden. decaan kloven. scheiden kloven. afscheiden. arrondissement. gouw gezet. in pacht hebben huurder huurder pachten. vandaag morgen gisteren dag huur pachten. gouw district. piste. erfdeel erfelijkheid. erf. chroniqueur deken. ra yard. hof yard. historie. ra geschiedenis. erven arena. moedig. dagblad. corpulent dapper. alledaags courant. klieven. boud afdruk dagelijks. splijten legerafdeling. zwaarlijvig. daags. divisie legerafdeling. dagblad. daags. klieven. doorklieven.

maagdelijk maagdelijk. greppel hol. snavel snavel. gracht. boeg spuit heden. kuil. meisje meisje. meisje ongerept. tuit. bedanken. neb voorschip. bedanken. greppel groef. snater. meid negende negen negende meid. meisje meid. ingevallen hol. vandaag vannacht vannacht groef. wonder bizar . wild woest natuurlijk wild. dank betuigen danken. gracht. dienares. dankzegging woest.dziesięciolecie dziesięć dziewce dziewczyna dziewczyna dziewczyna dziewiąta część dziewiątce dziewiąty dziewica dziewica dziewiczy dziewiczy dziewiczy (nośnik) dziewięć dziewięćdziesiąt dziewiętnaście dzięcioł dzięki dziękować dziękował dziękuje dzik dziki dziki dziki dziki (wzrok) dzikus dzionek dziób dziób dziób dzióbek dzisiaj dzisiejszy wieczór dziś dziś wieczorem dziś wieczór dziura dziura powietrzna dziurawy dziurą dziurkarka dziurkarka dziurkarka taśmy papierowej dziurkarka taśmy papierowej dziw dziwaczny decennium tien meid. holte stompen Jan Klaassen stompen Jan Klaassen mirakel. dank betuigen dank. woest woest. bek. dankzegging danken. snater. vandaag vannacht heden. wild wild. voorsteven. groeve. ongerept ongerept. uitholling. tuit. kuil. woest dag bek. maagdelijk negen negentig negentien specht dank. meid dienstmeisje. groeve. maagdelijk ongerept. neb.

overgaan. pier. overgaan. jungle. rinkelen wal. klare stuur. lichtekooi. kletteren. beschaafd Jersey jenever. heffen. kletteren. klingelen rinkelen. regenworm. naklinken. rimboe weergalmen. pier. zich verwonderen prostituée. gaan krab lift beuren. aansluiten klingelen. jungle. kletteren. rinkelen naklinken. radiolokacyjne rum bizar prostitueren zich verbazen. klinken. gentleman keurig. gaan acoustisch. gaan kleppen. naklinken. arbeid klingelen. buitenlands vermakelijk. klinken. naklinken. stuurtoestel pest oerwoud. regenworm. kletteren. overgaan. worm aardworm. oprichten. ophalen aardworm. oprichten. doorklinken klingelen. worm jam. oprichten. echoën Echo . moes.dziwaczny dziwaczny dziwce dziwić się dziwka dziwny dziwny dziwny dziwny dziwny dzwon dzwonek dzwonek do drzwi dzwonić dzwonić dzwonić dzwonić dzwonienie po umarłym dźgnięcie dźwięczeć dźwięczeć dźwięcznie dźwięk dźwięk wysokiej jakości dźwiękowy dźwiękowy dźwig dźwig dźwigni dźwignia dźwignia zwalniająca dżdżownica dżdżownicą dżem dżentelmen dżentelmeński dżersej dżin (do picia) dżojstik dżumą dżungla dżunglą echa echa echo echo echo np. galmen. werk. heffen. beugel. echoën Echo weergalmen. ophalen beuren. akoestisch kleppen. kletteren. heffen. marmelade heer. klingelen emplooi. radiolokacyjne echo np. echoën Echo weergalmen. ophalen beuren. amusant rum bizar klok klok klok zich aaneensluiten. hoer bizar uitheems. rinkelen kleppen. klinken. leuk. karwei. rimboe oerwoud. ring rinkelen.

editie uitgaaf. opwinden aanwakkeren. eveneens . vorming opvoeding. keuring. opstellen indruk. expansie uitzetting. prikkelen. ook. kweken. schut gewaarwording. spaarzaamheid economisch economie economie experimenteren scherm. nakijken. bord scherm. druk. ontwikkeld uitgaaf. aanhang intendant. accuraat. uithangbord. redigeren. afdruk exotisch. bordje. schut schild. editie editor opmaken. uitgave. aanzijn bestaan. effectief. uitheems bestaan. examineren nauwkeurig. uitgave. grootbrengen geleerd. examen onderzoeken. effect indruk. exact exemplaar. schut scherm. opwinden opwindend exclusief. aanzijn bestaan bemanning leden. vorming opvoeding. effect afdoend. druk. doeltreffend Egyptisch Egyptisch Egypte onderzoek. effect indruk. opzichter. vorming dresseren. prikkelen. aandoening opwinding aanwakkeren.edukacja edukacja na odległość edukacją edukował edukował edycja w komórce edycją edytor edytować efekcie efekt efekt zniekształcenia maski kineskopu efektywny Egipcjanin egipski Egipt egzamin egzaminować egzaminował egzekwował egzemplarz egzotyczny egzystencja egzystencją egzystować ekipa ekipa ekonom ekonomia ekonomia ekonomiczny ekonomika ekonomika przedsiębiorstwa ekperymentować ekran ekran ekran (przewodu) ekran mozaikowy ekscytacją ekscytacją ekscytować ekscytował ekscytując ekskluzywny ekspansja ekspansją ekspedient ekspedycja opvoeding. examineren onderzoeken. expansie verkoper evenzeer. uitsluitend uitzetting. nakijken. mede. meier economie economie.

inrichting equivalent. uitmelken exploiteren. tentoonstelling uitdrukken bewoording. soepel. chic. gezegde uitdrukken zwijmeldronken. accommodatie. buigzaam. bij. tegen. extase vervoering. uitroeien extra afleiden afleiden bemantelen. extatisch vervoering. bewimpelen. buigzaam. uitvoeren exporteren. experimenteel exploiteren. uitvoeren exporteren. geestvervoering. exploiteren. extreem. tot. uitmelken exploderen. ontploffing. stijl sjiek. explosie uitbarsting. lenig trant. elastisch smijdig. ondoorgrondelijk uiterst. uitbuiten. betuiging. uitmelken uitbuiten. losbarsten. bovenmatig uitrusting. gelijkwaardig rekbaar. buitensporig onpeilbaar. naar expeditie deskundig archiefmedewerker. extase verdelgen. losbarsten. tentoonstellen exporteren. ontploffen uitbarsting. uitvoeren exporteren. maskeren buitennissig. ontploffing. lenig smijdig. uitmelken uitbuiten. buigbaar. voor. buigbaar. uitvoeren expositie. uitbuiten. explosie belichten.ekspedycja ekspedycja ekspedycją ekspercie ekspert ekspert ekspert ubezpieczeniowy ustalający wartości składek i odszkodowań na podstawie częstości wypadków eksperymencie eksperyment eksperymentalny eksploatować eksploatować eksploatować nadużyć eksploatował eksplodować eksplodował eksplozja eksplozją eksponacie eksponat eksporcie eksport eksportować eksportować eksport ekspozycją ekspres ekspresją eksprymować ekstatyczny ekstaza ekstazą eksterminować ekstra ekstrakcie ekstrakt ekstraktor ekstrawagancki ekstremalny ekstremizm ekwipunek ekwiwalent elastyczny elastyczny elastyczny automatyczny układ testera elegancja elegancki expeditie aan. piekfijn . ergst. ontploffen exploderen. geestvervoering. tentoonstellen belichten. actuaris deskundig deskundig experimenteren experimenteren empirisch. exploiteren.

krachtig. kwiek energiek. spirit. uitwijken uittrekken. embleem kleur. bestanddeel. slim. bode. listig bevallig. uitschakelen ontwortelen welsprekend emailleren kleur. geestdriftig krankzinnig zijn enthousiasme. piekfijn. elegant. druk. net doortrapt. gepensioneerde pensioen nadrukkelijk nadruk. keus elektron electronisch. elektronisch elektronica electronisch. ferm aanwakkeren. elegant. arbeidsvermogen. net optie. uitschakelen afvoeren. embleem pensioentrekker. verkiezing. aanvuren. geestdrift . spirit. fut sap energie. klem uittrekken. elimineren. emigreren. elimineren. rap. elimineren. afgezant. elektronisch elektriciteit elektriciteit elektrisch element. gewiekst. aanzetten enthousiast. piekfijn. kras. fut levendig. uitschakelen afvoeren.elegancki elegancki elegant elekcją elektron elektroniczny elektroniczny zapis wizji elektronika elektronowy elektrotechnika elektryczność elektryczny element element element grupy programów element pomiarowy element z niestabilnością S elementarny elewator eliminować eliminować segregację rasową eliminował eliminował elokwentny emalia emblemacie emblemat emblemat oryginalnych produktów Microsoftu emeryt emerytura emfatyczny emfaza emigrować emigrował emisariusz emisariusz emitował encyklopedia energia energia energią energiczny energiczny entuzjasta entuzjastyczny entuzjastyczny entuzjazm bevallig. gezant bode. gezant uitstralen encyclopedie energie. embleem kleur. beginsel elementair lift afvoeren. emigreren. keuze. bestanddeel. arbeidsvermogen. beginsel akker en bewerker element. uitwijken afgezant. uitbundig. keur. elektronisch electronisch. flink.

kern essentie. zedenkundig ethiek. leiding Abessinië. aflevering tijdsgewricht. etiket Europa Europeaan. tijdsgewricht tijdperk. accompagnement Esperanto Estlands Estlands muziektent tribune. blanke ontruimen. kluizenaar Cupido. ineenkronkelen dissertatie. zwoel ontsnappen. leiding. zendbrief episode. etiket label. Amor erotisch. ethiek ethisch. accompagnement begeleiding. wezen. essence. tijdperk tijdsgewricht. ontkomen. wezen. ontgaan ineenkrimpen. wijsbegeerte label. Ethiopië zedenkunde. tribune. etiket label. etiket label. evacueren evangelie evangelie . bestuur. essence. podium schavot aanplakken podium.eon epicki epiczny epidemia episkopalny epistołą epizod epoce epoka epopeja era erą eremicie Eros erotyczny ESC eschnąć esej esencja esencją eskimos eskorcie eskorta esperanto Estończyk estoński estrada estrada estrada etacie etap Etiopia etyczny etyczny etyczny etyka etyka etykiecie etykieta dysku etykieta wolumenu etykietka Europa europejczyk europejski ewakuować ewakuował ewangelia ewangelią eeuwigheid episch episch pest bisschoppelijk. zedenkunde. zedenleer filosofie. tijdperk episch tijdperk. zedenkunde. evacueren ontruimen. blanke Europeaan. brief. zedenleer ethiek. stelling essentie. doorluchtig epistel. proefschrift. kern Eskimo begeleiding. zedenleer. tijdsgewricht heremiet.

ewangelik ewenemencie ewentualnie ewentualność ewentualność ewentualny ewidentny ewolucja ewolucja schematu ewolucją ewoluował exodus fabryce fabryczny fabryka fabryka konserw fabrykacją fabuła facecie facet znie fach fachowiec fachowiec fachowy facjacie facjacie facjacie fajerwerkach fajka fajtłapą fakcie fakt faktor faktura fakturą faktycznie faktyczny faktyczny faktyczny fakultecie fakultet fala fala troposferyczna fala typu EH fala typu H fala wsteczna fala złożona falą protestants belangrijke gebeurtenis. ontwikkeling evolutie. dom kijken. ad rem mens kerel. aanmaken. wuiven. sujet. snuiter beroep. knul. bedrijf deskundig professioneel. zich ontwikkelen Exodus fabriek fabriek fabriek fabriek fabriceren. zwaaien . evenement mogelijkerwijs. effectief. zwaaien gebaren. zwaaien gebaren. zwaaien golfslag gebaren. persoon. gapen feit feit makelaar factureren. wuiven. daadwerkelijk daadwerkelijk. mogelijk eventualiteit eventualiteit gebeurlijk. ontwikkeling evolutie. maken snedig. evident. waarachtig werkelijk. ontwikkeling evolueren. deskundig. declareren inderdaad. metterdaad. broodwinning. declareren factureren. effectief virtueel faculteit faculteit gebaren. duidelijk evolutie. tabakspijp aangapen. werkelijk. zwaaien gebaren. beroepscompetent. zwaaien gebaren. eventueel apert. wuiven. misschien. kennelijk. gevat. wuiven. geestig. wuiven. wuiven. bevoegd dakkamertje zolderkamer Attisch vuurwerk pijp.

vouwen. voorgevel voorzijde. sloof. dromen fantasie. huisgezin. voorkant . grillig.fałda fałdą fałdował fałsz fałszerz fałszować fałszować (<with sth> coś fałszował fałszował fałszował fałszował fałszował fałszowanie fałszywy fałszywy fałszywy famą familią fan fanatyczny fanatyczny fanatyk fancie fanfarą fanfarą fant fantastyczny fantaście fantazja fantazjaować fantazją fantom farba farba olejna farbować farbować (się) farbował farbując farcie farmacja farmakologia farmakologiczny farmą farmer farsz fartuch fasada fasada omvouwen. schort. dubbelhartig smid. vulsel boezelaar. aderlaten aderlating bof. geluk. artsenijbereidkunde geneesmiddel. onjuist. razend. gevel. medicijn agrarisch boer opvulsel. verkeerd. aanmaken nagemaakt vervalsen onbeweeglijk. foutief loos. fanatiek. bedrieglijk. star. vulling. mijmeraar fantasie. artsenij. huis. verbeeldingskracht blinde. façade. buitenkansje farmacie. mare. dweepziek pion fanfarekorps. familie aanwakkeren. aanvuren. gerucht. dweepziek dol. mazzel. plooien onduleren loos. ijzersmid vervalsen vervalsing maken. fanfare fanfarekorps. vast nagemaakt vervalsing vervalsing fout. fantasierijk dromer. schilderen verf verf verf bloed aftappen. dubbelhartig faam. blinde bij kaarspel verven. fanfare pion fantastisch. hondsdol dwepend. befaamdheid gezin. geest. artsenijbereidkunde farmacie. pui. vouwen. verbeeldingskracht mijmeren. voorschoot voorpui. kleuren. fabriceren. aanzetten dwepend. fanatiek. plooien omvouwen. bedrieglijk.

boon. tribune. leiding podium. veldboon mode. boeiend betoverend. wijs mode. façade. fascineren betoveren. fase kwartier. spullen onpeilbaar. vakantiedag. afbeulen schuld vuil. fase koorts koorts federatie. bond federatie. genadigheid kwartier. gevel. werken. wijs dingen. boon.fasadą fascynować fascynował fascynował fascynując fascynujący fasola fasolka fason fasonować faszerować fatalny fatydze fatyga faul faul faworycie faworyt faworyzować faza faza faza wykonania faza zdobywania (magistrali) fazą febra febrą federacja federacją federacyjny federalny feniks fenomen fenomen fenomenalny ferie ferma fermacie fermencie ferment fermentować ferwor festiwal festyn feudalny fiaska fiasko fidze figa voorpui. verschijnen verschijnsel. gisten fermenteren. fascineren gefascineerd. afjakkeren. schijngestalte. ijver festival festijn. werken. debâcle. rustdag agrarisch pauzeren fermenteren. fase podium. gisten vuur. verbluffend snipperdag. echec vijg vijg . fascinerend. gisten fermenteren. modus. fascinerend. schijngestalte. afjakkeren. smulpartij. schijngestalte. debâcle. fiasco. bestuur. ondoorgrondelijk afmatten. smerig uitverkoren uitverkoren gunst. pui. begunstiging. fiasco. werken. boeiend tuinboon. geboeid betoverend. bestuur. voorgevel betoveren. gelag feodaal flop. veldboon tuinboon. ambitie. echec flop. modus. feestmaal. bond federaal federaal feniks verschijning. tribune. afbeulen afmatten. fenomeen fenomenaal. leiding kwartier.

zijgen filtreren. steiger colonne. film rolprent. kop kopje. financieren financieel. film rolprent. cijferen fictie. wijsgeer filosofie. zijgen filtreren. vervolgverhaal rolprent. wijsbegeerte filosofisch filosoferen filtreren. taalgeleerde filosoof. aftakking sociëteit. aanlegplaats. wijsbegeerte filosofie. dik agentschap tak. film taalkundige. verbeelding fictie. film film. guitig. dartel rekenen. verdichtsel.figlarny figura wypukła figurą fikcja fikcją fikcyjny fikcyjny filar filar filatelistyka filc file allocation table filia filia filia Filipiny filipińczyk filiżance filiżanka filiżanka do herbaty film film fabularny film kolorowy film rysunkowy film trójwymiarowy (stereoskopowy) film) filmować filmowy filolog filozof filozofia filozofią filozoficzny filozofował filtr filtr ze sprzężeniem zwrotnym filtrować filtrować (się) filtrować filtr Fin finalizacją finalizował finał finanse finansować finansował finansowy finisz snaaks. denkbeeldig verdicht. zijgen filtreren. filteren. kop kopje. verbeelding verdicht. kop rolprent. club Filippijnen Filippino. zijgen Fin gevolgtrekking. kolom. filteren. geldelijk aantikken . rolprent rolprent. rolprent feuilleton. fictief landingsplaats. denkbeeldig. schelmachtig. filteren. financieren bekostigen. uiteindelijk bekostigen. Filippijn kopje. cijferen rekenen. fictief. financieren bekostigen. filteren. film film. pilaar filatelie vilt lijvig. conclusie in het net schrijven. linguïst. fatsoeneren finaal. filteren. verdichtsel. zijgen filtreren. steunpilaar.

louter fluit fluit aan de scharrel zijn. zeerob. lichamelijk. fonetisch fonetiek. paars. fat. fysiek natuurkunde. overgaan. hecht gevestigd. fysica dundoek. stevig. stevig. aanslaan fysisch. vaan. rob zeehond. pimpelpaars fjord overgordijn.Finlandia fiński fiński fiński fioletowy fiołek fiord firanka fircyk firma firma produkującu duże systemy komputerowe firmą fiskus fizyczny fizyka fladze flaga flaga zerowa flakon flamą flanela flanelą flaszka flądra flecie flet flirciarz flirt flirtować flocie Florencja Floryda flota flota flota na foce foka folder folder współużytkowany folklor fonetyczny fonetyka fonia fonograf fontanna fontanną forma Finland afdoen. klinken. vast. kwast. map folklore. vast. gaan grammofoon fontein fontein vormen. fladderen vloot Florence Florida vloot marine. pimpelpaars violet. volkskunde de klankleer betreffend. vlag vaas. fladderen aan de scharrel zijn. rob ordner. vlammen flanellen flanellen veldfles enkel. vat. doek saletjonker. pul laaien. vast. bloot. afhandelen Fins afwikkelen violet. zeemacht zeehond. stevig. klankleer kleppen. vaan. zeerob. zeemacht marine. vlag dundoek. formeren. vlag dundoek. scherm. map ordner. dandy gevestigd. pot. paars. vaan. gordijn. fladderen aan de scharrel zijn. hecht gevestigd. aangaan . hecht belasten.

kluit. aangaan formule formule formuleren.forma nieosobowa forma przecząca od <can> formacie formalna metoda postępowania (w kontekście działania firmy lub instytucji) przetwarzać formalny formalny format formować formował formularz formuła formułą formułować formułował forsa forsa forsą forsą forsować forsycja forteca fortecą fortel fortepian fortuna kołem się toczy fortuna kołem się toczy fortyfikacją fortyfikować fortyfikował forum forum ATM forum dyskusyjne fosfor fosforyzujący fotel fotel fotel parterowy (w teatrze) fotograf fotografia fotografia fotografia (jako dziedzina) fotografią fotografika fragmencie fragment fragment fragmentować formeren. inkleden. aangaan formeren. vormen. academisch afgemeten. pasta deeg. fortuinlijkheid sterkte. aangaan knippatroon. beslag. deel jaartelling. fortuin. afranselen deeg. bal. klomp. formeren. vervatten formuleren. grootte vormen. grootte bewerking akademisch. inkleden. piano Fortuna lot. deel dot. vormen. beslag. prop . patroon omvang. formeren. deeltje. bestek. ceremonieel. armstoel box fotograaf fotograferen. verschansing sterken sterken forum forum forum fosfor fosforescerend zorgenstoel. bestek. deeltje. kieken fotografie fotografie fotografie fotografie jaartelling. item. kletteren. fort. armstoel zorgenstoel. Chinees klokje vesting vesting aanwensel. plechtig omvang. hebbelijkheid klavier. klont. aangaan vormen. geld doordrukken forsythia. pasta poen. vervatten afdrogen. item.

het doen primitief karaktertrek. baan. schuieren Pools schoensmeer schoencrème aanvliegen frustreren afknotten lichtzinnig. voorkant voorzijde. het doen . cureren fonds. trek. voorkant voorzijde. zich bekommeren. rijstrook overloop. zorgen muizenissen banaal. kikvors Frans Franse. frivool. baan. fractie breuk. kapitaal functioneren. Française bezorgd zijn. deel fragmentarisch blijdschap breuk. voorkant borstelen. mulder voorzijde. tabakspijp pond stichting stichting stichting fundamenteel behandelen. gang.fragment terenu fragment/wyjątek (dzieła) fragment/wyjątek dzieła fragmentaryczny frajdą frakcja frakcją frakcjoniście Francja francuski Francuz Francuz Francuzi Francuzka frasunek frasunkach frazes free frezarka froncie front frontowy froterka froterować froterować froterować frunąć frustrować frydze frywolny fryzer fryzjer fryzjer fryzjer męski fryzura fujarka funcie fundacja fundamencie fundament fundamentalny fundować fundusz funkcja funkcja odwrotna funkcja zagregowana funkcja zewnętrzna funkcją overloop. barbier kapper. alledaags. gelaatstrek functioneren. afgezaagd ten geschenke molenaar. rijstrook jaartelling. afscheiding Frankrijk Frans Fransman kikker. barbier kapster kapster knipbeurt pijp. gang. item. fractie secessie. deeltje. wuft kapper. het doen functioneren.

braaf gaanderij. schertsen. gekscheren melkweg-. aftakking been lid. rek chirurgie. karretje wagon. dimensie etagère. spoorwagen wagon. lidmaat . wagen. gang. galerie galopperen galopperen tak. handelbaar officier ambtelijk. gang. keuvelen spraakzaam spreken. aangelegenheid. overweldigend kar. ding aanzetten aanzetten aanzetten afmeting. Vlaamse gaai reptiel boerten. oppermachtig groots. galerij. handkar. praten gaai. wondheelkunde. galerij. het doen pond pond pond oppermachtig. gang.funkcjonalny funkcjonariusz funkcjonariusz funkcjonować funt funt (0. flink. galerie gaanderij. rek etagère. spoorwagen bestelauto. officieel functioneren.4536 kg) funt (waluta) funt szterling funtów) fura fura furgon furgonetka furtka furtka fuszerce futbol futerał futerka futro futro z fok gabarycie gabinecie gabinet gabinet gabinet lekarski/dentystyczny gablocie gablota gacek gad gadać gadać gadanie gadatliwy gadce gaduła gadziną gag galaktyczny galancie galeria galeria obrazów galerią galop galopować gałąź gałąź gałąź inschikkelijk. praten babbelen. heelkunde kast vitrine vitrine vleermuis reptiel kakement. galactisch eerlijk. galerie gaanderij. kaak spreken. galerij. dapper. zaak. praten. grandioos. bestelwagen achterdeur draaihek beunhazen. soeverein. knoeien. modderen voetbal affaire.

aflopen buigen. blussen. muskaatnoot. knop vodje. gevest. keel minachten. kruik po afzetten. tod. waag toonladder. looien tanen. luttel. knop weegschaal. handvat. lor. nootmuskaat heft. doden . looien gebochelde. flard bal. uitdoen. portiek bende. uitblussen ombrengen. keelgat. set. gapen staren. leerlooien. karig. hangkast strot. min. afkeuren. keelgat. nootmuskaat heft. handvat. hals. hals. schare gangster straatschuimer. gevest. hals. knop muskaat. aflopen tanen. bult buigen. gispen wijd openstaan. troep.gałąź programu gałąż gałce gałgan gałka gałka gałka muszkatołowa gałka muszkatułowa gałka oczna gałka potencjometru gałka u drzwi gam gama skala gamą ganek gang gangster gangster gani gapić się gapić się gar garaż garażować garb garbić (się) garbić się garbować garbowanie garbus garderoba gardła gardło gardzić gardź garncarstwo garncarz garnek garnek gliniany garnek gliniany garnirował garnitur garnizon garnuszek garstka garść gaś gaś tak. gevest. knop heft. verachten minachten. hellen. toonschaal. laken. hellen. vod. lomp. handvat. muskaatnoot. keel strot. lap. garneren complet. doodmaken. aanstaren po garage garage bochel. knop heft. danspartij muskaat. apache berispen. handvol handjevol. scala aanslag zuilengang. overhellen. leerlooien. stelletje. turen. bezetting gering. aftakking heft. beslaan. hals. handvat. aftakking tak. klein handjevol. verachten aardewerk pottenbakker po kan. balans. bultenaar kleerkast. hals. handvol doven. gevest. overhellen. stel garnizoen. handvat. gevest.

voorkomend soort. bars. carburateur afsponzen sponzig. aangezien ergens anders. gaspedaal. rimboe vlegel nurks. vertelling keuvelen. verspuiten. nors. omdat. jungle. bij wijze van. krant krant. relaas. slag. rups rupsband. versneller gas gaas gaas blad. sputteren voor. kankeren. tot indien. stuiven edelgesteente. gaspedaal. babbelen. verhaal. soortelijk keuze. edelsteen . sponsachtig afsponzen eend rupsband. ergens geisha opspatten. relaas. onaardig mopperen. verkiezing specifiek. morren. ingeval daar. waaien gas vergasser. steen. blad blad. soortelijk keuvelen. elders waar waar hier of daar. krant strooibiljet frisse lucht toewaaien. ergens waar dan ook hier of daar. babbelen. als. ergens hier of daar. honds. als. hoe. versneller gas accelerateur. praten vertelsel. aard specifiek. rups oerwoud.gatunek gatunek gatunek drzewa cytrusowego gatunek muślinu gatunkowa (cecha) gatunkowy gatunkowy gawęda gawędziarski gawędziarski odzie) gawędzić gaz gaz gaz (w samochodzie) gaz elektronowy gaza gazą gazecie gazeta gazeta gazetce gazować (wodę) gazowy gaźnik gąbce gąbczasty gąbka gąsce gąsienica gąsienicą gąszcz gbur gburowaty gderać gdy gdyby gdyż gdzie gdzie gdzie zasadniczym elementem jest komputer główny) gdziekolwiek gdziekolwiek gdzieś gdzieś gejszą gejzer gem kalk eigenschap vriendelijk. wannen. verhaal. optie. doordat. wanneer. praten accelerateur. keus. keur. vertelling vertelsel.

geografie geografisch. ageren. geograaf aardrijkskunde. daas. gigantisch .gem (w tenisie) generacja generacja generowanie generacja systemu generacją generalny generał generator częstotliwości przestrajany cyfrowo generator o sprzężeniu zwrotnym generator oporowo-indukcyjny generator oporowo-pojemnościowy generować generować wykres generował genetyka Genewa geneza geneza geniusz geograf geografia geografią geograficzny geograficzny geolog geolog geologia geometria geometrią geranium gest gest (ruch ręką) geście gęstnieć gęstość gęsty gęś giąć gibki giełda giełdą giez giez giętki giętko gigant gigantyczny doen. gesticuleren gebaren. buigbaar. bezorging reus reusachtig. buigen. soepel. elastisch aanvoer. bezig zijn. gebonden. handelen generatie. paardehorzel brems. buigzaam. genius aardrijkskundige. geografisch geoloog geologie. geslacht generatie. brems. aardrijkskundig aardrijkskundig. Scheppingsboek oorsprong. paardehorzel rekbaar. fysica Genève Genesis. gesticuleren gebaren. gesticuleren verdikken. doorbuigen smijdig. geografie aardrijkskunde. afkomst. meetkunde ooievaarsbek gebaren. lijvigheid dicht. kaart verwekken natuurkunde. herkomst genie. dik gans ombuigen. geslacht generaal generaal oscillator oscillator oscillator oscillator verwekken landkaart. aandikken dikte. aardkunde geologie. geslacht generatie. aardkunde geometrie. beschermgeest. lenig centrale centrale daas. geslacht generatie. meetkunde geometrie.

capsule. slingerkrans. roemen. bal. grond. roemen. glazuren. guirlande gitaar gitaar verglazen. vlak. ondergrond. kloot loven. doosvrucht bol. aanstrijken slinger. prijzen glossarium binnenste. diepte kolk. kogel. aaien. aarde kakement. ondergaan. aarden aarden. glanzen fond. kaak klei-. aarde fond. glanzen verglazen. zwaar laag. bodem. kloot kapseltje. ondergrond. aarden klei-. vlak.gigantyczny stopień scalenia gimnastyce gimnastyka gimnastykować ginąć giń gips gips girlandą gitara gitarą glazura glazurą gleba glebą ględzić glina gliną gliniany gliniany gliniarz glob globulce globus gloryfikować gloryfikował glosariusz głab kraju gładki gładki gładki gładkie włosy gładzić gładzić gładzić głaskać głebokie głęboki głęboki głęboki ukłon głębokie głębokość głębokość monitora bez podstawy uchylno-obrotowej głodny głodować głodówce głosiciel reus gymnastiek gymnastiek oefenen. kleiaardewerk roodkoperen. inwendige gelijk. bal. zwaar laag. grond. van klei. drillen omkomen. prijzen loven. effen direct. live. bodem. diepte hongerig geeuwhonger vasten kanselredenaar. rechtstreeks Pools schoensmeer schoencrème strelen. verheerlijken. aanhalen laag. glazuren. ondergaan. van klei. creperen omkomen. liefkozen. koperen bol. creperen gips kalken. zwaar diep laag. zwaar kolk. van klei. flat gelijk. effen appartement. kogel. predikant . recht. verheerlijken.

zot. preken balloteren. leiden geleiden. malloot macaroni rommel. de weg wijzen. hardop hard. chef hoog. prevalent. leiden geleiden. premier primair hoofd-. gekheid gemeente. toongevend hoofd-. leiden primair geeuwhonger honger hoofdkwartier hoofd-. onzin. zot sprakeloos. hardop geluidssterkte. afval. verheven leidend. leiden geleiden. inzonderheid in het bijzonder aanvoerder. voornaamste opperste. superieur hoofd-. inhoud. voornaamste hoofdkwartier inzonderheid in het bijzonder. stom dwaas.głosić kazanie głosować głosowanie głośno głośno głośność głośność stała głośny głośny głośny głośny płacz głowa głową głowica głowica uniwersalna głowica zapisująco-odczytująca głowny głód głód główna kwatera główna rura wodociągowa główne biuro głównie głównie głównie główny główny główny główny główny główny główny obszar roboczy użytkownika główny organ certyfikujący główny sterownik operacyjny główny układ logiczny głuchy głuchy głupi głupi głupi głupi głupiec głupiec głupoty głupstwo gmina gmina (wyznaniowa) gminą prediken. volume geluidssterkte. dodelijk doof sprakeloos. toonaangevend. gemeenschap gemeente. voornaamste primair doods. de weg wijzen. luid geleiden. huilen hard. onverstandig. luid luid. gemeenschap . kiezen. dom. de weg wijzen. zever. gebieder. puin nonsens. stemmen balloteren. gemeenschap gemeente. voornaamste minister-president. kiezen. inhoud. prullaria. luid luid. leiden geleiden. de weg wijzen. volume brullen. stom onnozel. stemmen hard. de weg wijzen. dom. baas. flauw. simpel dwaas.

dringen. overeenstemmen uur uur wafel. een nest maken houder. eerzaam. nijdig. doel. keutel wildebeest. achtbaar merkwaardig. oprijlaan schonk. toorn gramschap. teken zelfrespect. spijtig achtenswaardig. drukken nestelen. honk afscheren golf. oblie genezen. doelwit. zelfgevoel. boosheid. voorrijden beproeven. hem Atrecht kleur. een nest maken kneden pers kneden gramschap. gnoom drek. bedroeven. knok. oblie wafel. toornig.gna gnacie gnać gnębi gnębić gniazdka gniazdko gniazdko strumieniowe gniazdo gniazdo startowej pamięci ROM gniazdo zasilające napędu gnieść gnieść gnieść się gniew gniewać się na kogoś o coś gniewny gnom gnój gnu go gobelin godło godło godność godność para godny godny podziwu godny potępienia godny pożałowania godny szacunku godny uwagi godny uwagi godny zaufania godzić się godzina godziną gofr gofry goić się gol golenie golf goliacie golić golić (się) golizna goliźnie oprit. boosheid. vertrouwd het eens zijn. schede. merkwaardig betrouwbaar. ontlasting. voorteken. waar bewonderenswaardig afkeurenswaardig betreurenswaardig. helen doelstelling. waardigheid waardig. been aanrijden. embleem voorbode. foedraal nestelen. drol. boos aardmannetje. dommekracht. wit. een nest maken vijzel. zelfgevoel. foedraal nestelen. toorn kwaad. opmerkelijk opmerkelijk. bot. waardigheid zelfrespect. verdriet doen knellen. krik houder. beter maken. persen. golfspel Goliath afscheren afscheren naaktheid naaktheid . schede. gnoe hij.

verbittering gorilla alcohol. bona fide. lens. smoorheet. onbedekt naakt. vrouw des huizes recipiëren reumatiek gastvrijheid gastvrijheid gastvrij. introducé. verzendend. tamme duif duif. vuur. alcoholische drank bitter logement. ijver begerig. ledig. bloot nastreven. naakt onopgesmukt. najagen bejagen. schudden. vurig.gołąb gołąb gołąbki gołosłowny goły goły goły gonić gonić goniec (w szachach) gonitwą gont gorąco mi gorący gorączka gorączka gorączkowy gorejący gorliwość gorliwy gorliwy gorszy gorszyć gorycz goryl gorzałce gorzki gospoda gospodarce gospodarczy gospodarczy gospodarka gospodarny gospodarować gospodarował gospodarstwo rolne gospodą gospodyni domowa gospodyni domowa gosposia gosposia gościć gościec gościną gościnność gościnny gość gość duif. onbedekt. logé . naakt. onbedekt. vuur snikheet. loos. herberg huishoudster huisvrouw. onopgesmukt. vrouw des huizes huishoudster huisvrouw. ernstig. jacht maken op bisschop nastreven. gloeiend. happig. serieus minderwaardig opschudden. gretig. schokken bitterheid. verterend ambitie. drank. koortsachtig gloeiend. leeg onopgesmukt. bloot. najagen dakplankje gloed. belust stemmig. bloot. herbergzaam bezoeker gast. spaarzaamheid economisch agrarisch administreren. herberg economie. besturen agrarisch logement. tamme duif kool hol. heet koorts temperatuur koortsig. spaarzaamheid economisch economie economie. jagen. beheren.

światło) górnictwa górnictwo górniczy górnik górny górować górować nad górski góry gra gra gra podobna do tenisa gra słów gra z podziałem na role grabić grabie grabie (także krupiera) grabież gracą gracją kerel. gereed. harken. harken. persoon. baar contant. met lucht gevuld. Gotisch anjer. bult lucht-. knul. gereed. sujet. harken. afgelopen klaar. af. nalaten. uitlaten berg berg doen. anjelier roze. Gotisch gotisch. baar poen. bovengronds mijnbouw mijnbouw mijnbouw mijnwerker bovenste meester zijn. afgelopen klaar. de baas zijn verzaken. af.gość gość gość (w hotelu) gotować gotować gotować bez skorupki gotować bez skorupki gotował gotował gotowany gotowy gotowy do pracy w sieci gotów gotówce gotówka gotówka gotycki gotyk goździk goździk (korzenny) góra góra góra lodowa góral górą górce górka rozrządowa górne (np. aanharken. snuiter bezoeker bezoeker op het kookpunt zijn. roven schoffel sierlijkheid . borrelen. accumuleren berg ijsberg Hooglander berg aanaarden bochel. buitmaken. af. opharken uitkammen. handelen spel pompoen haarkloven. rose. afgelopen contant. opeenhopen. aanharken. geld gotisch. ageren. stropen. opharken plunderen. gereed. rozig. aanharken. rooskleurig ophopen. bedillen spel uitkammen. koken koken koken goulash gekookt pruttelen gekookt klaar. opharken uitkammen. bezig zijn.

spelen. grens rand. spraakleer. zdanie gramatyce gramatyka gramofon granacie granat granat (owoc) granat owoc grandą graniastosłup granica granica granica granica granica granica granica granica plastyczności granica transakcji granica zabezpieczeń granicą granice granicie graniczący graniczny graniczny graniczyć graniczyć (z czymś) granit gratce gratis gratulacja Gratie uitvoeren. hengelsnoer verbleekt lijntje. volzin grammatica. grens grens. snoer. handelen hagel stroom. zin. grens rand. spraakleer. eerroof. spelen. bergstroom stroom. grens rand. open. gelukwens . voorspelen uitvoeren. voorspelen harp doen. beknotten vislijn. aanliggend rand. bergstroom hagel aanschouwelijk grafiek.gracją grać grać (np. koord. spraakkunst grammofoon granaat granaat granaatappel granaatappel achterklap. grafische kunst Graal gram gram frase. zoom belenden. zoom perk. zoom perk. grenzen aan granieten incident. vloed. vloed. vlot. los. sim. ageren. bezig zijn. lijn perk. w karty grać na harfie grać w teatrze grad grad grad (słów grad słów graficzny grafika grafika rastrowa grafika żółwia gral gram gram gramat. zoom begrenzen. gebeuren onbezet. onbelemmerd felicitatie. laster prisma rand. koorde. snoer. begrenzen. beknotten granieten aangrenzend. zoom perk. gebeurtenis. grafische kunst bitmap grafiek. beperken. spraakkunst grammatica. perk beperken.

graveerwerk zwaartekracht spel Griekenland Grieks grapefruit. stapelen. graf graf. hol. feliciteren graveren. bos aggregatie. abstraheren ophopen. pompelmoes grapefruit. ophopen. ophopen roedel. vergaderen accumuleren. aggregaat opeenhopen. ophopen. vergaderen. groeve graf. griffen prent. gravure. griffen graveren. gelukwens gelukwensen. dam. spelonk. potsierlijk . afleiden. sperdam dijk. waterkering afsluiting. kudde deduceren. sperdam waterkering. potsierlijk grotesk. pompelmoes grapefruit. opeenhopen wis. bundel. krocht. gilde Groenland afsluiting. groep wis. penny erwt grot holte. klas groepering. opeenhopen. feliciteren gelukwensen. dam. bundel. barrière. dijk groeve. accumuleren accumuleren. groeve erwt grot grot stand.gratulacje gratulować gratulował grawerować grawerował grawerunek grawitacją grą Grecja grecki greipfrut grejpfrucie grejpfrut grek gremium Grenlandia grobla grobla groblą groblą grobowca grobowca grobowiec groch grocie grocie gromada gromada gromadą gromadce gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić zapasy grono grosz groszek grota grota grotesce groteska felicitatie. ophopen samenkomen. barrière. grillig. klasse. corporatie. opeenhopen opeenhopen. grillig. groep groepering. abstraheren samenkomen. bos stuiver. afleiden. grot grotesk. stapelen. bijeenkomen deduceren. pompelmoes Grieks vakvereniging. bijeenkomen.

grootvader dam. groeve logies. dicht dik. omvangrijk. grof. puin prullaria. gebonden. influenza . bedreigen bedreigen. groep opa. gezichten trekken griep. tiptop. lijvigheid hardhandig. jonkvrouw. Georgiër Groezië. rommel Groeziër. onheus. potsierlijk terreur. grof. aandikken onbeleefd. onkies. dreiging afschuwelijk groeve. excellent. woning slot. grillig. bot. afval. dik prop. kluit. groep peer peer rommel. plecht. afval. longtering grijnzen. kind. Georgië tering. kostelijk dik. afstammeling meloen onbewerkt. burcht vettig. bal. veelomvattend tof. vrouw groepering. cru verdikken. kwartier. kasteel. dicht dakplankje lijvig. broodkruimel december. vet loot. jong.groteskowy grozą grozić groźba groźba groźny grób grób gród Gród obronny grubas grubasek grube zyski grubiański grubieć gruboskórny grubość gruboziarnisty gruby gruby gruby gruby Ethernet gruby papier gruby żwir grudce grudce grudnia grudzień grunt gruntach gruntownie gruntowny grupa grupa adresów grupa rozsyłania grupowego grupa wszystkich węzłów grupa zasobów klastra grupować się gruszce gruszka gruz gruz gruzin Gruzja (in Europe/not in USA) gruźlica grymas grymasić grypa grotesk. tuberculose. gebonden. honds. dreigen bedreiging. lomp dikte. lady. radicaal diep groepering. dreigement. klomp kruimel. schrikbewind dreigen. gezichten trekken grijnzen. wintermaand aanaarden terrein grondig. puin. onbehouwen. lomp. prullaria. dot. graf graf. wintermaand december. ruw uitgebreid. klont. onderkomen. groep carrosserie groepering.

worstelen daveren. ommezijde rugstuk. klauwen. hoffelijkheid voorkomend. tuinbed. verbeuren. tuinbed. bulderen. beitsen krauwen. roosteren perk. bloemperk drijfzand rugstuk. bijten.) sinus grzęznąć grzmieć grzmocie grzmot grzmotnąć grzyb grzybnia grzywna grzywną grzywną gubić gulasz gulasz gulden gulgocie guma guma influenza. mooi. vuur warm verwarming. bed. achterzijde. griep griep. kachel verwarming. książki)s kolec (kaktusa grzebać grzebień grzech grzechotać grzeczność grzeczny grzeczny grzejąc grzejnik katody grzeszyć grzeszyćk <sine> (matem. fraai verbeurd opgeven. kachel branden.grypa grypą gryz gryzmolić gryzoń gryźć grzać grzał grzałce grzałka grzance grzanie oporowe grzanka grządce grządce grządka grząski piasek grzbiecie grzbiet grzbiet (np. bulderen. kletteren. kammen zondigen klakken. bulderen. bed. viskuit. fijn. kikkerdril verbeurd net. machinatie. achterzijde. knauwen. ommezijde wervelkolom. scharrelen. konkelarij perk. krabben knaagdier knagen gloed. donderen daveren. bloemperk intrige. roosteren verwarming branden. zich aftobben. klappen. lief. donderen afranselen champignon kuit. kwijtraken goulash goulash gulden murmelen. braden. begraven uitkammen. spin. welgemanierd verwarming radiator zondigen zondigen spartelen. influenza happen. aardig. murmelen (v. donderen daveren. braden. schoon. beekje) kauwgom tandvlees . klikken beleefdheid. vriendelijk beschaafd. wellevend. ruggegraat kuilen.

rumoerig. gonzen tongval. klomp. handvat. elastiek rubberen. kluit. borg staan voor garanderen. dot tumor. knop een aanslag plegen op. onderwijzen blauwe plek dichtknopen prop. garanderen garanderen. asterisk zaadkorrel. brommen. asterisk sterretje. klont. bal. gieren fluiten. dialect jargon. gezwel dichtknopen heft. borg staan voor borg staan voor. gevest. gieren kuif. elastiek gom. asterisk Guinea fluiten. claxon fluiten. toeter. gieren spijkeren. taaltje garanderen. lawaaierig ster sterretje. gouvernante opvoeden. elastiek bijgeloof smaken duidelijk. geweld woest onweerstaanbaar duiken woest hartstochtelijk razen. aanranden geweldpleging. borg staan voor luidruchtig.guma do żucia gumą gumka do ścierania gumowy gusła gust gustowny guście guwernantce guwerner guz guz guz guz guzik guzik gwałcić gwałt gwałtownie gwałtowność gwałtowny gwałtowny gwałtowny gwałtowny spadek gwałtowny spadek gwar gwara gwara gwarancja gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarantować gwarantować rekompensatę gwarantował gwarny gwiazda gwiazdka gwiazdka gwiazdka (oficerska) gwiazdka Wojny gwinea gwizd interferencyjny gwizdać gwizdek gwizdek gwóźdź rubberen. netto. snorren. gummi rubberen. korrel. nettosmaken huisonderwijzeres. nagelen . borg staan voor veiligheid. hals. zekerheid garanderen. pit sterretje. geweld met geweld geweldpleging.

afdak schandelijk gnoom. nering handelen. leven. rumoerig. accumuleren hamburger aanhouding. zakenman handel. hebbelijkheid hoek haakje. accumuleren ophopen. leuren. remmen handel. nagelen schoorsteenmantel aanwensel. arrestatie bedwingen. lawaaierig luidruchtig. beteugelen. handelaar. uitglijden zaal. handel drijven handelen. agraaf hoek vasthaken vasthaken borduren borduren ellendeling. schavuit. handel luifel. aardmannetje padvinder. lawaaierig ophopen. arrogant harem harp . betomen afremmen. rumoer. difussiehalo ophef. spang. koopmanschap. opeenhopen. koopmanschap. rumoerig. opeenhopen. nering handeldrijven. remmen afremmen. betomen bedwingen. uitdelen venten. remmen afremmen. salon hal kring. alp werkplaats onderrok onderrok slippen. beteugelen. lawaai. herrie roeien luidruchtig. verkenner aanmatigend. ronddelen. agraaf alpenweide. handel drijven rondgeven. colporteren koopman. slot. spang.gwóźdź bez łba gzyms kominka habit haczyk haczyk haczyk órska) haftce haftka haftować haftował hak hak hala (górska) halą halce halka halka hall hall (teatralny) halo hałas hałas hałaśliwy hałaśliwy eumatyczny Hałda hałdą hamburger hamować hamować hamował hamulca hamulec hamulec ręczny handel handel handel elektroniczny handlować handlował handlowiec handlowy handlując hangar haniebny harcerka harcerz hardy harem harfa spijkeren. boef haakje. slot. ploert.

kloppen. doen schommelen Hawaii Hawaiiaans Havanna dobbelen toevalligheid. bijeenpassen harmoniëren. leuze hasjiesj. gewaagd vliegtuig. massa bewapenen. wapenen thee thee biscuit ketter ketterij ketterij heroïsch. vliegmachine Hebreeuws. heldhaftig heroïne uitbazuinen indexeren indexeren indexeren indexeren slaan. lijfspreuk. zestientallig kamrad. stalen leus. harmonie samenklank. bijeenpassen dienstregeling. hoop. chef. devies. tandwiel helm hemisfeer. klappen hyena hyena . hasj balanceren. rooster harden. harmonie eendrachtig. kamwiel. eendracht. halfrond aambei boel. eendracht. temperen. aanvoerder. menigte. bedenkelijk. toeval riskant. harmonisch harmoniëren. drom. houwen. temperen. stalen harden.harfą harmider harmonia harmonią harmonijny harmonizować harmonizował harmonogram hartować hartować (stal) hasło haszysz haust Hawaje hawajski Hawana hazard hazard hazardowy hebel hebrajski hecą hegemon heksadecyntalny hełm hełm hemisferą hemoroid hemoroidy herb herbacie herbata herbatnik heretyk herezja herezją heroiczny heroiną herold heteroatomincontext index hetero-atom-in-context index heteroatomincontext index indeks heteroatomów w kontekście hetero-atom-in-context index indeks heteroatomów w kontekście hicie hiena hiena nia harp afdrogen. amusement gebieder. tandrad. baas hexadecimaal. afranselen samenklank. kletteren. joods vermaak.

koorde. gul. gebeuren onbekrompenheid. hypnotiseren hypnose hypnose veinzer. onderstelling hysterie hysterisch geschiedenis. chroniqueur Spanjaard Spanje Spaans nazistisch. slepen. snoer. eerbetoon . Indiaas biologeren. verhaal etage. goedgeefs hockey lijntje. huichelaar. opfokken. historie.hieną higiena higieną higieniczny hindus Hindus Hindus hinduski hinduski hipnotyzować hipnoza hipnozą hipokrycie hipokryta hipopotam hipoteka hipotetyczny hipotetyzować hipoteza hipoteza dopuszczalna hipotezą histeria histeryczny historia historia historią historyczny historyk hiszpan Hiszpania hiszpański hitlerowski hobby hodować hodował hodował hojność hojny hokej hol Holandia Holender holenderski holować holować holownik holownik hołd hyena hygiëne hygiëne sanitair. voortgang hebben. boegseren rukken sleepboot hulde. koord. historie. nazihobby achterhoede opkweken. lijn Holland Hollander Hollands trekken trekken. verdieping geschiedenis. fokken. historie. hygiënisch hindoeïstisch hindoeïstisch Indisch. hypocriet nijlpaard hypotheek hypothetisch veronderstellen hypothese. eed van trouw. verhaal geschiedenis. Indiaas hindoeïstisch Indisch. genereus. onderstelling vermoeden. huichelaar. overvloed royaal. telen toegaan. verhaal kroniekschrijver. gissen hypothese. hypocriet veinzer.

daveren prostituée. homo goedgeluimd. homofiel. humeur moppig.hołd homar homilią homoseksualista homoseksualiście homoseksualny honor honorarium honorarium honorować honorował honorowy hop hordą horoskop horror horyzoncie horyzont horyzont radiowy horyzontalny hospitacją hospitował host odległy hotel hotelowy hrabia hrabstwa hrabstwo hrabstwo w płzach Anglii hrabstwo w pł-zach Anglii huk huk huk hukier hulanka humanista humanistyczny humanitarny humor humoresce humoresce humorystyczny huragan hurcie hurt hurtownia hurtowy huśtać się cijns. magazijn. gezichtseinder kim. het maken loon. pantserkreeft. kanselrede. salaris eerbiedigen. waterpas. warenhuis in het groot balanceren. horizon. gezichtseinder kim. bezoldiging. goedgehumeurd flikker. kreeft sermoen. weledel. inspectie inspectie houden. gezichtseinder horizontaal. gage. koddig humoristisch orkaan in het groot in het groot pakhuis. bende horoscoop gruwel. horizon. inspecteren verwijderd. gruweldaad. goedgehumeurd huldigen. humaan humor. vereren. komisch. hoer spel humanist menselijk. lichtekooi. gemoedsgesteldheid. schouwing. grappig grappig. platliggend schouw. weledelgeboren hinkelen horde. doen schommelen . eren gesteld zijn. ververwijderd. loeien. ver hotel hotel in aanmerking komen. respecteren agnosceren. meetellen graafschap graafschap Devoon Devoon dichtslaan beuk bulderen. horizon. komisch. schatting langoest. preek goedgeluimd. humaan menselijk. verschrikking kim. brullen. moppig. koddig. als waarheid aannemen ere-.

onzinnig. schrijfstift piek. begrip. leuter. etsnaald.huśtawce hutnik hydrą hydrofobia hymn hymn hymn narodowy i i i tym podobne i w rozmowie przez radio: przyjąłem ich ich ich idea idealny idealny filtr dolnoprzepustowy ideał ideą identyczność identyczny identyfikator identyfikator identyfikator użytkownika identyfikować identyfikował ideologia ideologią idiom idiota idiota idiotyczny idiotyczny (np. absurd idiotie. ze. neus. ach en en haar. ah. hymne kerkgezang. taaleigen idioot lul. in het water vallen griffel. perfect. in optima forma ideaal ideaal idee. snikkel. begrip. het hunne aan ze. och. denkbeeld identiteit identiek legitimatiebewijs. hun. hymne en oh. wygląd) idiotyzm idol idylla ie zdawać iglica iglicą igła igła igła nóżka igła sortownicza igłą ignorować ignorował ikona ikona przycisku balanceren. doen schommelen werker Hydra hondsdolheid. pik. onder tafel schuiven negeren. onder tafel schuiven pictogram pictogram . aan hun idee. denkbeeld volkomen. tip. benul. spits naald griffel. idiotisme afgodsbeeld idylle floppen. hymne kerkgezang. benul. hun de hunne. etsnaald. legitimatie identificeren. vereenzelvigen ideologie ideologie idioom. jongeheer idioot dwaas. schrijfstift kegel naald naald negeren. top. vereenzelvigen identificeren. punt. waterschuwheid kerkgezang. ongerijmd. legitimatie inhalen legitimatiebewijs.

verluchting beeld. aderlaten illustratie. illustreren veraanschouwelijken. gewrocht. afbeelding. imitatie imiteren. nadoen aardmannetje. plaat grafiek. patrijspoort illumineren. aantal. illustreren drogbeeld. trekpot naamdag naamgenoot deelwoord benaming. sterkte. nabootsen. kabouter keizer imperialist imperialist imperialist imperialisme rijk. brutaliteit . getal tal. begoocheling. trekpot theebus ketel theepot. aantal. grafische kunst veraanschouwelijken. plaat bloed aftappen. naam. getal hoeveelheid. verbeelding bedenken. nabootsing. hun. imperium hondsheid. grootheid dakraam. verluchting beeld. kobold. begoocheling. prent. ze. kaak kakement. gewrocht. getal hoeveelheid. verlichten illustratie. opbrengst tal. afbeelding. grootheid tal.ikoną ikra iloczyn iloczyn logiczny (zob. zich verbeelden gember ketel theepot. aantal. illusie aan ze.AND) iloczyn produkt ilosć ilość ilość ilość danych przesyłanych siecią ilość informacji iluminator (na statku) iluminował ilustracja ilustracja ilustracja wpuszczona ilustracją ilustracją ilustracje ilustrować ilustrował iluzja iluzją im imadła imadło imaginacją imaginował imbir imbryk imbryk imbryk imbryk do herbaty imbryk do herbaty imieniny imiennik imiesłów imię imigrował imitacja imitował IMP imperator imperialista imperialistyczny imperialiście imperializm imperium impertynencja pictogram ree produktie. keizerrijk. naamwoord immigreren navolging. opbrengst conjunctie produktie. kaak inbeelding. luik. sterkte. boel. illusie drogbeeld. aan hun kakement. vrijpostigheid. prent. boel.

impliceren opdringen. tel pols. een lijst maken indexeren indexeren indexeren indexeren Indisch. drang. wenden hindoeïstisch Turkije kalkoen lieden. Indiaas indicatief. onbeschaamd. Indiaas Indisch. zijindexeren uitlisten. bij-. inwijding inaugureel inaugureren minder belangrijk. verstrikken insluiten. individueel personage. polsslag. forceren imponerend. endosseren. invoeren importeren. aandrang luchtig.impertynencki impet implikacja implikować implikował imponować imponujący imponujący imporcie import importować impotent impresjoniście impuls impuls impuls elektromagnetyczny impuls zezwalający impulsywny in sth> w coś inaczej inauguracja inauguracją inauguracyjny inaugurował incydentalny indeks indeks indeks heteroatomów w kontekście indeks tablicy indeks zagęszczony indeks zbiorowy Indianin indiański indicativus Indie Indonezja indor indor indosował indyjski indyk indyk indywidua indywidualny indywidualny indywidualny indywiduum indywiduum brutaal. impuls. betrekken. afzonderlijk hoofdelijk. polsslag. heftigheid aardmannetje. indrukwekkend nobel. persoon . mensen hoofdelijk. kabouter verwarren. invoeren importeren. personen. aantonende wijs India Indonesië Turkije kalkoen gireren. invoeren impotent impressionist aandrift. vrijpostig onstuimigheid. kobold. tel aandrift. luchthartig in overvloed aanwezig zijn anders inauguratie. ver. edel importeren. inwijding inauguratie. aandrang pols. impuls. drang. vuur. individueel respectief afgezonderd.

innen. inboezemen . gezind nieuwtje. voorletter initiaal. inspectie inspecteur inspecteur ingeving ingeving inspireren. schouwing. nieuwigheid ander uiteenlopend. informeren. geneigd. informeren. aansteken bederf veroorzakend.infekcja infekcją infekcyjny infekował infekował inflacja inflacją informacja informacja informacja zastrzeżona informacje informacje (uwaga: w j. voorletter initiaal. inlichten weefsel mijter interveniëren. injectie incarnatie. besmetting aanstekelijk. "information" występuje tylko w l. ding.ang. [singularis tantum] informatyka informować informował infrastruktura infuła ingerować inicjalizować inicjał inicjał początkowy inicjały inicjatywa inicjować inicjować n procedura iniekcja (nośników) iniekcją inkarnacją inkasować inklinował innowacja inny inny inny inny inny niż inny niż insekcie insekt inskrypcją inspekcja inspektor inspektor zabezpieczeń inspiracja inspiracją inspirował infectie. poj. injectie spuitje. verpestend infecteren. besmetten. nieuws. inzamelen genegen. vleeswording collecteren. inspuiting. septisch inflatie inflatie informatie bevattingsvermogen. aangelegenheid. bezielen. verschillend ander ander ander ander insekt insekt inscriptie schouw. besmetting infectie. voorletter zaak. inlichten berichten. inspuiting. ingrijpen laden initiaal. besmettelijk. affaire de stoot geven tot laars spuitje. intelligentie informatie informatie informatie het berichten.

doel. intens. plan. aangifte. fitten. instructie declaratie. consigne. intelligentie intellectueel. bekwaam knap. behendig. plan. affaire afdingen. heel. verstandelijk intellectueel. werktuig instrument. listig knap. instinct aandrift. aangelegenheid. verstand. geest intellect. instituut. intelligentie bevattingsvermogen. verstandelijk bedreven. intensief sterk. finaal zaak. handig. muziekkorps instrueren instrueren aandrift. orkest. ongeschonden. uitspraak declaratie. gewiekst. bevattelijk. verklaring declaratie. doel. werktuig instrument. uitspraak aanwijzing. intelligentie bevattingsvermogen. instituut. leraar. installeren aanwijzing. fel. instructeur instrument. integraal intellect. strekking sterk. verstandelijk intellectueel. pingelen. strekking bedoeling. slim. geest intellectueel. intelligent doortrapt. instructie onderwijzer. installeren afhandelen. verstand. fitten. bevattelijk. intelligent bedoeling. plant aanleggen. consigne. werktuig band. marchanderen .inspirując inspirujący instalacja instalować instalować instalował instrukcja instrukcja instrukcja blokowa instrukcja operacji instrukcja złożona instruktor instrumencie instrument instrument z dyfrakcją elektronów instrumentarium instruować instruował instynkcie instynkt instytucie instytucja instytucja nadająca nazwy instytucją instytut insynuować insynuował integralny intelekcie intelekt intelektualista intelektualiście intelektualny inteligencja inteligencja telekomunikacyjna inteligencja warstwa społeczna inteligent inteligentny inteligentny inteligentny most inteligentny mostek intencja intencją intensywny intensywny interaktywnie interes interes bezielend bezielend gewas. inrichting insinueren insinueren onaangetast. intens. inrichting instelling instelling instelling gesticht. intensief helemaal. aangifte. verstandelijk bevattingsvermogen. instinct gesticht. fel. afdoen aanleggen. ding.

werk. gezellig. bekonkelen puzzel. een lied aanheffen inleiding. Perzië Iraans Iraans Irene Iris . tak. zaak. kudde. geneesheer vertolking. interpretatie vertolking. belangstellend interessant. introductie konkelen. duiden reproduceren. interpreteren. inval invasie. bekonkelen konkelen. koper. ingrijpen inzetten. afdeling interveniëren. karwei. belangwekkend interface interface interface storing storing tussenwerpsel medicus. uitlegging. belangwekkend interessant. intrigeren. interpretatie interpreter interpreter uitleggen. uitlegging. koper. raadsel intiem. interesseren geïnteresseerd. interpunctie punctuatie. ingrijpen interveniëren. veestapel ingenieur ingenieur ingenieur affaire. intrigeren. innig. dokter. vak. weergeven punctuatie.interes jący interesancie interesant interesować interesował interesując interesujący interfejs interfejs użytkownika interfejs wywoływalny interferencja interferencją interiectio interniście interpretacja interpretacją interpretator interpretator sesji interpretować interpretował interpretował interpunkcja interpunkcją interwał interweniować interweniował intonował introdukcją intryga intrygować intrygować intymny inwazja inwazją inwencją inwentarz inwentarz inżynier inżynier pełniący inżynier pomocy technicznej inżynieria oprogramowania wspomagana komputerowo Irak Iran Irańczyk irański ireną Iris emplooi. boedel vee. levende have. interpreteren. arbeid klant. afnemer klant. inval uitvinding inventaris. ding Irak Iran. afnemer belang inboezemen. arts. interpunctie branche. aangelegenheid. knus invasie. duiden uitleggen.

geldend. kamer bestek. droog ironisch bevloeien. speling. heel. mohammedanisme IJslander IJsland Istanboel bestaan bestaan bestaan. sprank vonk. sprank vonk. intrinsiek marcheren. vitaal. isolering isolering. begieten. determineren ergeren. verontwaardigen vonk. wereldruim. ruimte isolering. sproeien Iris nauwkeurig bepalen. lopen lopen. vertrek. tippelen. geldig. materieel gangbaar. gieten. voorzijn opgaan.Irlandczycy Irlandczyk Irlandia irlandzki irlandzki żołnierz piechoty ironia ironią ironiczny ironiczny irygował irys irytacja irytować iskra iskrą iskrzyć Islam Islandczyk Islandia Istambuł istniał istnieć istnienie istota wszystkożerna istotnie istotny istotny istotny istotny istotny istotny materialny istotny dla działalności firmy iść iść uruchomić iść po omacku iść przed iść w górę italią iwa izba izba rozrachunkowa izbą izbą izolacja izolacja izolacja (cieplna) izolacja złącza izolacją Iers Ier Ierland Iers Iers ironie ironie dor. kamer lokaal. bijster. metterdaad essentieel. vertrek. van stapel lopen. isolatie isolatie. gaan voelen. vitaal. vertrek. bijzonder vitaal veelbetekenend. vigerend erg. opstaan. intrinsiek stoffelijk. bevoelen. sprank islam. opkomen. aanzijn wezen inderdaad. rijzen Italië verbleekt lokaal. isolering vertraging isolatie. kamer lokaal. isolatie . feitelijk. betekenisvol essentieel. tasten. betasten voorafgaan.

huren. enig gewis. een of ander. jassen appel appelboom jacht vergiftigen. een of ander.izolator izolować izolować izolował izolował izolował Izrael Izraelita ja jabłecznik jabłka itp) jabłko jabłoń jacht jad jad jadaczce jadalnia jadalny jadłospis jadowity (np. niettemin. ik. alhoewel voor. al. afzonderen geïsoleerd. enig hetwelk. cider schillen. Israel Israelitisch mij. welke. afpellen. dergelijke. wie. een weinig iets echter. alleenstaand Israël. fotele czy wózki) jakieś opcje) jakikolwiek jakiś jakiś jakiś jakkolwiek jakkolwiek jakkolwiek jako jako jakoby jakoś jakoś na jakość jakość wyjściowa jakże isolator afzonderen. vergeven virus bek. giftig lamsvlees bes bes ei ei hoe hoe hetgeen. afzonderen afzonderen. dat. wąż) jagnię jagoda jagodą jaja jajko jak jak żywy jaki jaki jest jaki jest jakie mają np. maar. vergiftig. vast een beetje. hoe. zulk een naar men zegt op de een of andere manier op de een of andere manier eigenschap eigenschap hoe . stellig. hoewel. enigszins. als. toch wel. tot dusdanige. me appelwijn. zo'n. isoleren isoleren. muil eetzaal eetbaar kaart venijnig. isoleren isoleren. dat. zeker. bij wijze van. vergallen. welk Castor aannemen. wat een of andere. ofschoon. aanwerven wat dan ook een of andere. die.

briljant hel. glanzend. gracht. hol. aak. ahorn oprit. greppel groeve. gracht. bazaar. vanzelf haar. vertoonbaar kaal. klaar aansteken. kern pit. lumineus. licht gloeiend. aanmaken hel. kern . groef. boeien groente groente ranonkel grot spelonk. kuil Jamaica Japans Japan Japans Japans yard. verterend. klaar Java ronduit. krocht. ra yard. doorslikken. inslikken slikken. pit pit. greppel. marktplaats vegetarisch vegetarisch neonaanspannen. kuil. helder zwak. open en bloot. doorslikken. groeve. klare groef. grot. het juk opleggen aanspannen. het juk opleggen ketenen. vurig. rondweg aanwijsbaar. zijn pit. oprijlaan rijden jazz zelf. kaalhoofdig esdoorn. klare jenever. licht. hun. kern kern. ra marktplein. zwakjes. lichtjes.jałmużna jałowcówce jałowcówka jama Jama Jamajka japonce Japonia Japończyk japoński jard jard (91. lumineus glanzend. licht. markt. inslikken duidelijk.44 cm) jarmark jarosz jarski jarzeniowy jarzma jarzmo jarzmo (magneto wodu) jarzyna jarzyną jaskier jaskinia jaskinia (także inne ukryte miejsce jaskółce jaskółka jasno jasno jasno świecić jasny jasny jasny jasny jasny lekki światło Java jawnie jawny jawny jawor jazda jazda jazz jaźń ją jądro jądro jądro węzła jądro wieloprocesorowe aalmoes jenever. verzendend briljant. holte slikken. doen ontbranden.

unit uniform. stotteren stotteren. louter eten. kernstamelen. hakkelen stamelen. enkel. maar enkel. stotteren struikelen stotteren. ongetrouwd men elf echter. in weerwil van men bijeenbrengen. etenswaar. zeekust motor men ongehuwd. spijs. eenparig ongehuwd. toch niettegenstaande. aaneenvoegen bijeenbrengen. de zijne haar. gelijkmatig niettegenstaande. stamelen. aaneenvoegen eendrachtig atoom-. alleen. enkel. tenue eenzijdig eenheid. unit wis. gelijk. zijn . gerecht het zijne. ongetrouwd jaarlijks uniform. stamelen. hakkelen. bundel. eendracht zijde. maar.jądrowy jąkać się jąkać się jąkać się jąkanie się jąkanie się je jechać rozpędem jechać samochodem jeden jeden jeden z gatunków papug jedenaście jednak jednak jednakowy jednakże jedno jednocz jednoczyć jednoczył jednolity jednolity jednolity jednolity wzorzec półtonowy jednomyślny jednoosobowy jednoroczna (roślina) jednorodny jednorożec jednostajny jednostce jednostka jednostka alokacji jednostka zmiennoprzecinkowa jednostka żądająca jednostkowy jednostronny jedność jedwab jedwabny jedynie jedyny jedyny jedzenia jedzenie jego jego nucleair. bloot. ze. atomair naadloos uniform. gerecht eten. kustlijn. tenue eenheid. samenhang. slechts. unit eenheid. aan hun kust. bos eenheid. zij zijde. spijs. hun. hakkelen. hun. niettemin. tenue uniform. hakkelen aan ze. zij pas. etenswaar. in weerwil van egaal. maar pas. eender. tenue eensgezind. tenue eenhoorn uniform. unit eenheid. zeekant. slechts. alleen.

ruggegraat indien. meer kust. spin. hun. als. vreten knagen. als. glijmiddel skiën fietsen. knabbelen twaalfuurtje. eten. storten as asgrauw kunst opnieuw. afvallen. als. bijlage. zuchten . vaccin. wanneer. bikken. ingeval tenzij indien. neervallen. wanneer. najaarsvallen. appendix wervelkolom. steunen. kermen kermen. zijn het hare. varen. vaccine weg. plas. wanneer. rijden. als. route waterplas. meer fjord Jezus gaan. wielrijden aanhangsel. opnieuw nog gebruiken. nogmaals van voren af aan. karren schaats. zeekant. kustlijn. wanneer. plas. maretak het volgende gevangene Jeruzalem herfst-. ingeval braam braam stenen. lunch ontbijt maag indien. maretak vogellijm.jej jej jeleń jeleń jelicie jelit jelito jemioła jemiołą jen enny jeniec Jerozolima jesień jesień jesion jesionowy jesteś (archaizm) jeszcze raz jeszcze raz jeszcze raz jeść jeść bardzo delikatnie jeść lunch jeść śniadanie jeść z apetytem jeśli jeśli jeśli w ogóle jeśli zostanie on później zmodyfikowany) jezdni jeziora jeziora) jezioro jezioro (po szkocku) Jezus jeździć jeździć na łyżwach jeździć na nartach jeździć na rowerze jeździec jeża) jeżeli jeżeli Jeżeli nie podano inaczej jeżyna jeżyną jęczeć jęczeć haar. baan. de hare hert mannetjeshert darm ingewanden darm vogellijm. zeekust waterplas. ingeval entstof. van voren af aan. ingeval tenzij indien. nogmaals. kreunen.

kermen kermen.jęczmień jędza jędzowaty jęk jęk jęzor język język język APT język CCL język do zastosowań naukowych język EML język EML język EML język FORTRAN dla programowania w czasie rzeczywistym język graficzny język graficzny język hebrajski język informacyjno-wyszukiwawczy język konwersacyjny język logiczny język makroasemblera język naturalny język niskiego poziomu język niskiego poziomu język oznaczeń np. steunen. haaibaai. spar den. linguïst. afhandelen Fins afwikkelen Frans Hebreeuws. zilverspar. joods Spaans Hollands Iers Litouws Lets Maltezer Duits Noors Jiddisch Perzisch lispelen Russisch Roemeens Slavisch Turks Hongaars Italiaans Zoeloetaal. taalgeleerde taal-. kreunen. HTML język programowania LISP język przetwarzania symboli język reguł język skryptowy język tablicowy język wewnętrzny komputera język wewnętrzny program maszynowy język zapytań język źródłowy język źródłowy język wyjściowy językoznawca językoznawczy jidisz jod jodlować jodlowanie jodła jodłą jodyna jodyną joga gerst helleveeg. zilverspar. feeks feeksachtig stenen. zuchten tong taal tong Arabisch Keltisch Deens afdoen. furie. taalkundig Jiddisch jodium jodelen jodelen den. Zoeloe taal tong taalkundige. spar jodium jodium yoga .

hut taxi stulp. alreeds heerschappij. hut boog. beginnend Jupiter Jura jury arbiter. joods Joegoslavië. scheidsrechter jury jurist verontschuldigen morgen morgen Aurora morgenlicht. toog beurs. joghurt jota Jupiter stuur. geldbuidel eend bepaling. tros vigilante. tros kabel. tros kabel. Zuid-Slavië Joegoslavisch Joegoslavisch flink. alvast. bewind. kussen pompoen cabaret cabaret kabel.jogizm jogurt jota jowisz joystick józef jubiler jubileusz judaizm judejski Jugosławia jugosławią Jugosłowianin jugosłowiański junak junior Jupiter jurajski juror juror jury jurysta justować jutra jutro jutrzence jutrzence jutrzenka jutrzenka już k k <First In k <Keep It Simple kabaczek kabarecie kabaret kabel kabel okablować kabel (1/10 mili morskiej) kabel (elektryczny) kabina kabina kabina kierowcy (operatora) kabina pilota kabłąk kabzą kaczka kadencjach yoga yoghurt. tros kabel. morgenrood al. Zuid-Slavië Joegoslavië. morgenrood Aurora morgenlicht. braaf. dapper. eerlijk. aurora. voorwaarde. aurora. reeds. bestuur vissen zoenen. conditie . portemonnaie. aapje stulp. stuurtoestel Jozef juwelier jubileumjodendom Hebreeuws. ferm aankomend. huurrijtuig.

tegel. berekenen calorie calorie radiator overschoen Golgotha drek. rekenen. romp. tegelsteen. pantalon. bek muil. journaal onderbroek lang lange broek. bodem. ontlasting. boezeroen muil. keutel . romp. rekening rekenmachine. kuip tobbe. calculator calculeren. bederven verminkt. calculator rekenmachine. rekening rekenschap. creëren hes. bodem. inlijsten. bak BTW teil plavuis. vakterm boomstam. casco in een lijst zetten. tobbe. kuip. stam scheepsromp. vatten staf schoorsteenmantel wierook bak. broek Californië rekenschap. gebrekkig kalender kalender dagboek.kadencją kadłub kadłub (statku itp) kadłub statku kadr kadra kadrowanie kadzidło kadź kadź kadź kadź kafel kafelkować kaftan roboczy kaganiec kagańca Kair kajak kajdany kajuta kakao kakaowy kaktus kalafior kalambur kaleczyć kaleki kalendarium kalendarz kalendarzyk kalesony kalesony kalesony Kalifornia kalkulacja kalkulacją kalkulator kalkulator stołowy kalkulować kalkulować kalkulował kaloria kalorią kaloryfer kalosz kalwarią kał term. kiel. bek Caïro. berekenen meten. beschadigen. teil. rekenen. berekenen calculeren. casco scheepsromp. hut cacao cacao cactus bloemkool woordspeling havenen. drol. tichel scheppen. Cairo plezierboot ijzeren stulp.

Turkse staatsraad. van klei klei-. aarden. wijk. kanaal. kiezel. keisteen aanzetten mijlpaal mijlpaal edelsteen. aansluiten slobkous Cambodja kameleon fototoestel. wijk. afdruipen wijk. gracht neerdruipen. van klei kiezelsteen. campagne maat. knus fototoestel. aarden. zinkput. kanaal. afdruipen cloaca. kust. aarden. kameraad. innig. wijk. camera intiem. van klei hemd herenvest. kiektoestel. zetten vaart. gracht monteren. gracht. boord. riool neerdruipen. kanaal. steen klei-. camera Kameroen kamfer vrijmetselaar metselaar klei-. kiektoestel. vaart. kanaal vaart. makker.kałuża kamasz Kambodża kameleon kamera kameralny kamerą Kamerun kamfora kamieniarz kamieniarz kamieniarz kamienna kulka do gier kamienny kamień kamień do zapalniczki kamień kotłowy kamień milowy kamień milowy kamień młyński kamień żółciowy kamizelka kamizelka kampania kamracie Kanada kanadyjczyk kanadyjski kanalik kanalizacja kanalizacja kanalizacja (rzek) kanał kanał kanał transmisji danych kanał zwrotny kanapa kanapa kanapce kanapę kanapka kanapka (do jedzenia) kanarek kanarek kancelaria kanciasty kancie kancie zich aaneensluiten. kornuit Canada Canadees Canadees vaart. vest veldtocht. edelgesteente. kant. gezellig. gracht divan. oever velg . aarden. van klei pilletje klei-. rustbank canapé sandwich kussen sandwich sandwich kanarie Canarisch kantoor kantig wal.

voorrijden huisje. loods hardloper zoet. zich overgeven kapel. droppelen. kraam. muziekkapel kapel. schuur. roer geweer.kandela kandelabr kandydat kandydat do archiwizacji kandydat na stanowisko kandydował kandydował kandydowanie kandyzować kangur kanibal kanion kant kantyna kapać kapela kapelan kapelusz kapelusz słomkowy kaper kapitalista kapitaliście kapitalny kapitał kapitał bez odsetek kapitan kapitulować kaplica kaplicą kapotaż kapował kapral kaprys kapryśny kapryśny kapryśny kapsel kapsuła kapsułka kaptur kapusta kapuś kapuście kara kara śmierci karabin karabin karabin maszynowy kaarsensterkte. aspirant verzoeker. kaars kroonluchter. verbeeldingskracht bizar grillig. veldprediker hoed Panama bokkesprongen maken kapitalist kapitalist aanzwellen kapitaal. hopman. druppelen schare. aanvrager aanrijden. candela. bende aalmoezenier. keet. voornaamste captain. capsule. luchter kandidaat. nukkig. rooien korporaal fantasie. capsule. geweer geweer. onberekenbaar pet kapseltje. menseneter cañon zwendelen. bestraffing frase. volzin roer. vermogen hoofd-. grillig. doosvrucht kapseltje. sollicitant. troep. kroon. onberekenbaar nukkig. roer . apache kool gras kool straf. oppassend kangoeroe kannibaal. frauderen. knoeien veldfles druipen. muziekkapel omzet opgraven. zin. kapitein capituleren. doosvrucht straatschuimer. aanvrager verzoeker.

straffen karaf decanteren kakkerlak bestraffen. aanvaring. handvest. herberg artisjok opduikelen. straffen botsing. tucht diamant carrosserie karper Karpaten kaart charter. vel boer. hals minuscuul. carburateur vermanen. ziekenauto. kost. voedingsmiddel carnaval discipline. aansporen kaart nek. aanrijding karavaan karavaan straf. aanmanen. hals logement. ambulancewagen affuit carrière.karać karać karafka karafka karaluch karał karambol karawana karawaną karą karburator karcić karcie karczek karczma karczoch karczować karetka karetka kariera karierą kark kark karłowaty karm karmić karmidła karnawał karność karo (w kartach do gry) karoseria karp Karpaty karta karta karta(dziurkowana) kolejna(uzupełniająca informacje na kartach poprzedzających) karteluszce kartka kartka kartka zaginana od góry kartka żywnościowa kartofel karton kartoteka kartoteka kartoteka juist. page. vrachtcontract kaart slippen. loopbaan carrière. edelknaap pieper. dwergachtig voeden voeden voeding. dossier . voeder. vel blad. correct. delven. rooien ambulance. aardappel kartonnen catalogiseren catalogiseren bestand. opgraven. goed bestraffen. loopbaan nek nek. uitglijden briefkaart blad. manen. bestraffing vergasser.

korrel zaadkorrel. klaar gommen. dwergachtig fonds. zweefmolen. met gom bestrijken afgietsel. korrel hoesten moes. pap zaadkorrel. aangelegenheid. ding dashboard. contact hebben met catalogiseren catalogiseren adresboek adresboek adresboek catalogiseren catalogiseren catarre koud niezen. beschot kassier. brij. programy) zwolnić pamięć kasował kast kastrować kasyna kasyno kasyno kaszą kasze kaszel kaszka kaszleć kasztan katalizator stały katalog katalog katalog katalog bieżący (aktywny) katalog węzłów katalog zadań katalogował katar katar katar carrousel. dwergachtig minuscuul. algorytm cykliczny w systemie operacyjnym) karygodny karzeł karzeł karzełek kasa (zapomogowa) kasecie) kaseta kaseta kaseta (do wkładania modułów sprzętowych) kaseta z taśmą magnetyczną kasetce kaseton kasjer kask kaskadą kasować kasować kasować kasować przełączać(np. kapitaal patroon. eromheen. niesen . kardoes affaire.karuzela karuzela karuzela (np. in het rond daaromheen. licht. kardoes cassette cassette patroon. brij. ontmannen. met gom bestrijken afschaffen gommen. eromheen. draaimolen daaromheen. proesten. instrumentenbord. muntmeester helm waterval afbestellen hel. in het rond laakbaar minuscuul. pit. castreren casino casino moes. kashouder. dwergachtig minuscuul. kardoes patroon. gegoten voorwerp snijden. pap hoesten paardekastanje. zaak. pit. kastanje contact hebben.

vakterm categorie katholiek katholiek katholiek katholiek doodsangst. kanselrede. grap fragment. preek bloedschande. catastrofe schipbreuk onheil. agonie Kaukasus koffie paard. alleman. opkopen in bad doen. alleman iedere. ieder. elk. al. iedere. ieder. koeioneren. hals. wassen in bad doen. ieder. ramp. badkuip . al. een of ander. iedere. paard ruiterij. elk. handvat. baden. aanvoeren. cavalerie. paard in schaakspel.katastrofa katastrofa morska katastrofą katedra katedra (na uniwersytecie) katedra na uniwersytecie katedrą kategoria kategoria kategorią katolicki katolicki katolik katolik katusze Kaukaz kawa kawaler kawaler kawaler orderu kawaleria kawał kawałeczek kawałek kawałek kawałek murawy wyrwany przez kij golfowy w czasie uderzenia kawą kawiarni kawowy kawy) kazać kazać komuś czekać kazanie kazirodztwa kaźń każ każdy każdy każdy każdy każdy (człowiek) każdy człowiek wszyscy kącie kącie kąpać się kąpać się (w morzu kąpiel onheil. iedere. ramp. veldboon bevelen. al iedere. brok heft. doodsstrijd. wassen bad. commanderen bevelen. brok beting koffie restauratie. enig ieder. paard in schaakspel. alleman. paard ridder. baden. knop fragment. restaurant. alleman elk. commanderen sermoen. ridder ridder. grol. martelen te koop aanbieden. catastrofe kathedraal. elk ieder. kwinkslag. al. aanbieden een of andere. paardenvolk mop. incest kwellen. gevest. elk hoek accapareren. aanvoeren. al. dom categorie term. eethuis koffie tuinboon. pots. dom departement departement kathedraal. boon. paard in schaakspel. alleman.

ontspruiten. als. aanzetten niezen. dot. aansluiten happen. eens. dirigeren. besturen conducteur. dirigeren. bestuurder stuurtoestel. bijten. mistig bosje. wel eens. wel eens. ooit wanneer. als. mennen de weg wijzen. baden. kuif beting hap. marktplaats mennen. niesen niezen. ooit beker. bestuurder conducteur.kąpiel kąpiel (w wannie) kąpiel odkażająca kąpieliska kąsać kąt kąt strat magnetycznych kątowy kciuk kelner kelnerce kelnerka kernel kędzierzawe (włosy) kędzierzawy kępka kęs kęs kęs kibic kichać kichnięcie kiecce kiedy kiedy (w pytaniach) kiedy indziej kiedykolwiek kielich kieliszeczek kieliszek do brandy kiełbasa kiełbasa kiełbasą kiełek kiełkował kiepski kiepski kier (w kartach do gry) kiermasz kierować kierować kierować bezpośredni kierować (<sth> czymś) kierował kierowca kierowca zmiennik kierowcą kierownica in bad doen. opkopen kantig duim kelner serveerster serveerster pessimist knapperig. bloemkelk. heiig. kuifje. beklagenswaardig rot. regelen besturen. richten. borrel pudding worst. bedorven. indopen. hap aanwakkeren. mondvol mondvol. dampig. markt. bos. stuur . richten. kiemen erbarmelijk. toen eenmaal. ontluiken ontkiemen. reguleren. geleiden. miskelk. leiden mennen. beuling uitkomen. beuling worst. knauwen. borrel aperitief. toen eenmaal. richten. verrot hart marktplein. soppen zich aaneensluiten. wassen bad. proesten. proesten. badkuip indompelen. dirigeren. pluk. niesen een verband omleggen wanneer. beitsen hoek accapareren. croquant nevelig. aanvuren. kelk aperitief. bazaar. bestuurder conducteur. besturen reglementeren. eens.

een weinig weinig verschillend. knikken lijm. aanhangen kikkervisje missen. oorveeg. koers. aanwijzing zak zak staf. stam afgang draai om de oren. cinema rolprent. stok kleven. knikken ja knikken. koers. instructie. vastkleven. kleefstof aanplakken hoorn accolade vasthaken geslacht. klas . richting consigne. totaal. echtelieden weinig een beetje. knikken ja knikken. menigvuldig kilo. bundel luit geheel. algeheel ja knikken. kit. menigvoudig. volksstam. administrateur richtlijn. richting polis richtlijn. mislopen. lel smakken stand. Schotse rok kimono kimono bioscoop. enigszins. cinema box rouw darm bos. misgrijpen kiel echtpaar. wis. leiding. leiding. film bioscoop. klasse. afkluiven kilometer kilt. kleefmiddel.kierownictwo kierownik kierunek kierunek kierunek wsteczny złącza p-n kierunkach kieszeń kieszeń dysku kij kij od miotły kijanka kiks kil kilka kilka kilka kilka razy kilku kilo kilof kilof kilometr kilt kimona kimono kina kinematografia kino kiosk kir kiszka kiść kit kitel kiwać kiwnąć głową kiwnięcie kiwnięcie odarzy klajster klajster klakson klamra klamra klan klapą klaps klaps klasa administratiekantoor bestuurder. kilogram schoffel knabbelen. knikken ja knikken. beheerder.

bos basisklassikaal. voorwaarde. steen klak. toonladder. kit. indelen klassikaal. moet tikken tikken . plek. kleefmiddel. indelen soort. foedraal. vloeken. brij. houder toejuichen. kleefmiddel. smet. klavier toetsenbord. klasse. klassiek klassikaal. klas schede. steen. klassiek klooster. applaudisseren adhesie betuigen. godlasteren mythe lijm. bepaling conditie. klassiek orthodox. rechtzinnig classificeren. clausule. kleverig lijm. bundel. edelgesteente. kleefstof tandvlees moes. vloeken. pap plakkerig. boezem kooi opgang. klassiek klassikaal. applaudisseren wis. klassiek klassikaal. trap voorwaarde. godlasteren ketteren. edelgesteente. kleverig edelgesteente. scala ketteren. klad. aard classificeren. kleefstof tandvlees plakkerig. godlasteren. indelen classificeren. klassiek klassikaal. toonladder. neuken toonschaal.klasa zaprzyjaźniona klaser klaskać klaskać klaskać chodowa klaster klasy podstawowej klasyce klasyce klasyczny klasyczny klasyczny klasyfikować klasyfikować klasyfikował klasyfikwać klasyk klasyk klasztor klatce klatka klatka na sekundę klatka schodowa klatka schodowa klauzula klauzula klawiatura klawiaturą klawisz klawisz (strażnik więzienny) klawisz znakowy kląć klął klątwą klechdą kleić kleić kleik kleisty klej klej klejenie klejnot klejnot klejnoty kleks klepać klepanie stand. slag. mop. bij acclamatie benoemen adhesie betuigen. steen edelsteen. scala naaien. kit. edelsteen edelsteen. klavier toonschaal. vloeken ketteren. bepaling toetsenbord. mannenklooster kooi kooi borst.

kleszcz kleszcze klęcz klęczeć klękać klęska głodu klęska żywiołowa klice klient klient klient klient korporacyjny klient sieciowy klif klik klika kliknąć kliknąć prawym przyciskiem myszy klimacie klimat klimatyczny klimatyzacja klimatyzowany klin klin (podkładany pod koło) klinice klinika klinować kloc klon klosz klown klub klub studentek uniwersytetu klubach klucz klucz klucz klucz (do śrub) klucz (elektronowy) klucz mieszający klucz nadrzędny klucz wspólny klucz zabezpieczenia pamięci klucz zewnętrzny klucz złożony kluczowy kluczowy teek knijper. toonladder. een wig steken blokkeren. klappen klikken. afnemer klif. schroefsleutel moersleutel. ahorn kap. een wig steken kliniek kliniek een wig slaan. schroefsleutel toonschaal. cliënt. klappen kongsi. een wig steken een wig slaan. koper. sociëteit klaveren toonschaal. schroefsleutel sleutel moersleutel. scala toonschaal. afnemer consument. kliek. troep klikken. scala toonschaal. klip klikken. scala toonschaal. toonladder. klant klant. pal. troep klant. kletteren. vastzetten esdoorn. schaar knielen knielen knielen geeuwhonger nederlaag kongsi. hachelijk toonschaal. klakken. kletteren. kliek. pal. toonladder. scala kritiek. toonladder. scala moersleutel. klakken. toonladder. pias club. scala . air-conditioning air-conditioned een wig slaan. klakken. kletteren. schroefsleutel moersleutel. lampekap clown. aak. koper. afnemer klant. gebruiker. toonladder. verbruiker afnemer. sociëteit club. toonladder. scala toonschaal. klappen klimaat klimaat klimaatsairco. paljas. koper.

jongeheer pikken. kookketel. keteldal ketel . waterketel. houden van. lont kousje. nauw oor kwestie. strijd. benadrukken kwestie. twist. strubbeling. brilslang deken. hinderen moeilijk. dispuut lul. storend smal. snikkel. lastig. lampepit. lont vrouwelijk wijfje. bar. glanzen met nadruk zeggen. liefhebben vriendin.kluczowy kłamać kłamstwa kłamstwo kłaść kłaść glazurę kłaść nacisk kłocić się kłopot kłopot kłopot kłopotać się kłopotliwy kłopotliwy kłopoty kłos kłócić się kłótni kłótnia kłuć kłuć kłus kłusować knajpa knajpą knajpą knebel kneblować kniei knocie knot kobiecy kobieta kobieta kobra koc kochać kochajacy kochający kocham kochanek kochany kochany kociak kocię kocioł kocioł kocioł moersleutel. krap. leed nauwkeurig bepalen. pik. pit. lastig. strijd. liefje geacht. knoop drenkplaats. moeilijkheid belemmeren. vrijster. liefhebben aanhalig aanhalig beminnen. verdriet. pit. draven dribbelen. geliefde. storen. strijd. dispuut kijven. lid. houden van. draven herberg. eng. twist. slim pijnlijk. dek beminnen. lieverd. determineren bezwaar. kiften. gezien katje katje ketel. stoomketel ketel. bekrompen. schroefsleutel liggen liggen liggen aanspannen verglazen. café moppen tappen moppen tappen woud. uitspanning gewricht. lampepit. gelid. steken dribbelen. twist. krakelen kwestie. priemen. dispuut smart. geleding. vrouwtje vrouw cobra. prikken. glazuren. minnares schat. leuter. ruzie maken. hinderlijk. lieveling. bos kousje.

rondtrekken. verzekeren jongeheer. lul. wie z'n. avondeten knie elleboog knie veldfles veldfles wervelkolom. leuter haan jongeheer. klappernoot. kappen. lul. kappen. kokosnoot cocktail avondmaal. trekkend. appendix codificeren codificeren welks. prairiewolf cocaïne cocaïne boog. migrerend zwervend. leuter haan consequentie. posterijen oorring uittrekken. pik. ruggegraat steek post. bestemmen wieg . trekpot trekken. naaktslak houwen. spin. snikkel. aanhangsel. nomade code code slak. toog cocon cacao klapper. wie d'r een of ander. hakken code houwen. rondreizen rondtrekkend.kociołek kociołek koczował koczowniczy koczowniczy koczownik kod kod (program) zakodować kod generujący numer strony podczas wydruku kod przerobić jądro Linuksa kod zakodować kod) przerobić (jądro Linuksa) kodeks kodocyl kodować kodował kogo kogoś kogoś o czymś kogucie kogucie kogut kogut koherencja koja kojarzyć kojot kokaina kokainą kokarda kokon kokos kokos koktail kolacja kolacją kolana kolanko (hydrauliczne) kolano Kolba kolbą kolca kolce kolczudze kolczyk kolczykować kolebka ketel theepot. avondeten avondmaal. snikkel. enig. een of andere betuigen. gevolg kinderbed zich aaneensluiten. hakken code bijlage. waarvan. nomadisch benoeming. aansluiten coyote. pik.

inzamelen collectief. kloppen. lief. aanrijding Keulen kolonie. spoorweg spoor. steunpilaar. ontzaglijk verdeling. spoorweg spoor. maat spoor. volksplanting akkoord. colonne kring. co-. kloppen. kudde. groep. nederzetting. volksplanting schakering. cirkel slaan. gemeenschappelijk voorkomend. sleur spoor. vriendelijk botsing.kolec kolec świdra centrującego kolega kolega kolega szkolny kolega z klasy kolegium kolego! kolei kolei koleina kolej kolej jednoszynowa kolej linowa kolejce kolejce kolejka pocztowa kolejny kolejny kolejny kolejny kolekcja kolekcja zbiór zbieranie informacji kolekcją kolekcjonować kolektyw kolektywny koleżeński kolizja kolonia Kolonia kolonia kolonialny kolonią kolor tła kolosalny kolportaż kolportować kolumna kolumna wyświetlana (w grafice komputerowej) kolumną koła kołatka kołatka (do drzwi) kołatka do drzwi kołdra kołdra pikowana doorn doorn ambtgenoot. kornuit. drift hoop. klappen. collega paren college makker. nuancering geweldig. groep. spoorweg spoor. pilaar. spoorweg ronde gevolg metro afwisselend ander veranderen. pilaar. samen-. schare. accoord. nuance. nederzetting. veranderlijk. opvallen slaan. klappen. drift collecteren. aanvaring. colonne kolom. samen ambtgenoot. kameraad. drift hoop. pilaar. spoorweg routine. afwisselend hoop. groep. opvallen stikken stikken . klappen. colonne kolom. collega aaneen. kudde. kudde. kolossaal. steunpilaar. schare. aaneen-. innen. opvallen slaan. schare. overeenstemming koloniaal kolonie. kloppen. anders maken wisselend. uitreiking havik kolom. steunpilaar. gemeenschappelijk collectief. aardig.

verbinden. mug muskiet komma verbinding. commanderen aantekening. combineren blijspel. blok. commandant bevelen. comfort . hes samenvoegen. koopmanschap. inhouden. zwieren. doen schommelen zwiepen. schijf reddingsgordel wiel. halsboord kring. hals kraag. aanvoeren. zwaaien. komedie bevelen. commentaar leveren op bevatten. katrol. rondschrijven pet wieg opgooien. algeheel kiel. katrol. blok. aansluiten samenvoegen. boord. gooien balanceren. boezeroen. verbinden. aanvoeren. halsboord nek. schijf wiel. behelzen handel. nering gerief. komedie blijspel. combinatie zich aaneensluiten. slaaplied wieg wieg steekmug.kołdrą kołek kołek falowodowy kołnierz kołnierz kołnierz golfowy koło koło koło koło zakreślić okrąg koło celowania (na ekranie dla pióra świetlnego) koło wodne koło zamachowe kołowy kołpak kołysać kołysać (się) kołysać się kołysać się kołysance kołysanka kołysce kołyska komar komar komą kombinacja kombinacja klawiszy kombinacją kombinat kombinat kombinezon kombinezon kombinować komedia komedią komenda komendant komenderować komentarz komentarz komentarz komentarz opisowy komentować komentować komercyjny komforcie stikken borrel. gemak. commentaar leveren op nabeschouwing annoteren. cirkel circulaire. commanderen aanvoerder. combineren geheel. totaal. boord. cirkel hijsblok. rad hijsblok. commentaar leveren op annoteren. aperitief borrel. combinatie verbinding. commentaar annoteren. aperitief kraag. slaaplied wiegelied. rad kring. combinatie verbinding. slingeren wiegelied.

volkomen. beletsel. volledig hindernis. opdracht. vertrek. commode commodore lokaal. compilatie verzamelwerk. schouw politiepost. boodschap commissie. schoorsteen. compenseren. samenstellen compileren. ingewikkeld maken . compilatie compiler compileren. komisch. kamer branche. politiebureau lasthebber. goedmaken competent. kachelpijp schoorsteen. instrumentenbord. boodschap dashboard. vergelding vergoeden. cel. deskundig. tak. vergelding beloning. gemakkelijk. hinderpaal compliceren. accumuleren schrijden trechter haardstede. koddig. cel. moppig. verduwen. samenstellen compileren. kerker cachot. beschot comité reiziger lokaal. komisch. grappig grappig. digereren beloning. handelsfirma. loon. kerker firma. vertrek. handelshuis kompas congruent verteren. comfortabel moppig. bevoegd verzamelwerk. kamer ladenkast. samenstellen complex. vergelding beloning. opdracht. totaliter compleet. samengesteld complimenteren emmer heel. loon. kachelpijp ophopen.komfortowy komiczny komiczny komin komin komin komin komin (statku kominek komisariat komisarz komisja komisją komitet komitet doradczy komiwojażer komnata komodą komodor komora komorą komorne komórka komórka znakowa kompania kompas kompatybilny kompendium kompensacja kompensacja temperaturowa kompensacją kompensować kompetentny kompilacja kompilacją kompilator kompilować kompilować zestawiać kompilował kompleks komplement komplet kompletnie kompletny komplikacja komplikować komplikować komplikował geriefelijk. gecommitteerde commissie. opeenhopen. ingewikkeld maken gecompliceerd. ingewikkeld compliceren. koddig schoorsteen. loon. vak. afdeling huur cachot.

veldboon samenstellen. overlijden. begrip begrip opvatting. compositie onderwerp. naaf dik. tak tak. compositie toondichter. sterven bewapenen. boodschap aanspreekbaar aandienen. mededelen communist communist communisme een of ander. meedelen. verkondiging communiqué communiqué communiqué bulletin. lidmaat bus. componist comprimeren comprimeren foei comprimeren computer schrift. boon. ingewikkeld tuinboon. toonzetting. adverteren berichten. aflevering. wapenen aftakking. stof. aflevering. thema. componeren montage. begrip opvatting. plooien samenstellen. overschakelen doodgaan. toonzetting. katern schrift. een of andere. mededelen spreken. zetting toondicht. vouwen. praten berichten. omschakelen. katern machine communie communie aankondiging. aftakking lid. gebonden opvatting. apropos toondicht. begrip concert . meedelen. aankondigen. verenigingsorgaan bericht. componeren omvouwen. enig omleggen. dicht.komplikował komponent skrośny komponować komponować komponował komponując kompozycja kompozycja pulpitu kompozycją kompozytor kompres kompresować kompromitacja komprymować komputer komputer notatnikowy komputer podręczny komputer programisty komunia komunią komunikacie komunikacja światłowodowa komunikacja w tle komunikacją komunikat komunikat komunikatywny komunikować komunikować (się) komunikować się komunikował komunista komuniście komunizm komuś komutować konać konar konar konar konar koncentrator zespołu koncentrował koncepcie koncepcja koncepcja koncept koncercie gecompliceerd.

einde. ah. rouwbeklag kapotje. noodzakelijkheid nodig. stalknecht conclusie. och. bestuurder bewaken. brandy brandy. confisqueren in beslag nemen. marmelade conflict conflict botsing. confisqueren jam. bewaren conditie. de wacht hebben. conto compact. belang concert concerto rekening. dicht condoleantie. combineren aangelegenheid. uiteinde aantikken noodzaak. benodigd sprinkhaan conjunctie oh. voorwaarde.koncercie koncern koncern koncert koncert koncie kondensować mały kondolencje kondom konduktor konduktor kondycja koneksja konfederacja konfederacją konfenansjer konferansjer konferencja konferencja prasowa konferencją konfiskować konfiskował konfitura konflikcie konflikt konflikt sprzętowy konflikt związany z dzieleniem zasobów konfrontować konfrontował Kongo kongres koniak koniak koniczyna koniczyna biała koniczyną koniec koniec zapisu koniec zbioru danych konieczność konieczny konik polny koniunkcja koniunkcja (zob. aanvaring. verbinden. confederatie bondsstaat. confederatie omroepster omroepster conferentie conferentie conferentie in beslag nemen. bepaling samenhang. condoom conducteur. Congo congres vuurwater. koniuszek koniuszy konkluzja konkretny concerto samenvoegen. gevolgtrekking beton . brandewijn. aanrijding conflict het hoofd bieden het hoofd bieden Kongo. verbinding bondsstaat. cognac klaver klaver klaver schaduwen uiterste deel. ach stortplaats bruidegom. moes.

troosten kramp. klamp. wedstrijd. constitutie grondwettelijk. argumenteren inmaken. bergen. bewaren haakjes vertroosten.konkretny konkretny konkretny konkubiną konkurencja konkurować konkurs konkurs konsekwencja konsekwencją konsekwencją konsekwentny konserwa konserwatysta konserwatywny konserwować konserwować konserwować (sprzęt) pielęgnować (oprogramowanie) opiekować się (projektem) konserwował konsol konsola konsola zdalna konsolą konsolą konsolidator konsonant konsorcjum konspiracja konspiratorstwa konspirować konspirował konsternacja konsternacja konsternacją konsternacją konstrukcje z kamienia konstruktor typu konstruować konstruowanie wspomagane komputerowo konstytucja konstytucją konstytucyjny konsul konsulacie konsulat afzonderlijk. constitutie grondwet. betogen. gevolg consequentie. aanleggen ontwikkeling. conservatief vertogen. construeren. samenzweren consternatie. wedijveren. inleggen behouden. concours consequentie. gevolg consequentie. gevolg consequent inmaken. werkelijk. onthutsen consternatie. afgezonderd daadwerkelijk. conservatief behoudend. haakje. nietje vertroosten. ontstellen. vakvereniging. evolutie grondwet. bouwondernemer bouwen. troosten vertroosten. ontsteltenis ontzetten. inleggen behoudend. troosten linker consonant. samenzweren samenspannen. soortelijk bijvrouw wedijver meedingen. ontsteltenis ontzetten. ontstellen. effectief specifiek. samenspanning komplot. medeklinker syndicaat. concurreren wedijver match. onthutsen metselwerk aannemer. samenspanning samenspannen. bewaren behouden. vakbond komplot. konfijten. constitutioneel consul consulaat consulaat . konfijten. bergen.

koker rekening. bestuur checken. bestuurder damspel .konsultacja konsultacją konsultować konsultował konsumencie konsument konsumować konsumował konsumpcja konsumpcją konsystencja kontakcie kontakt kontakt metal-półprzewodnik kontakt omowy kontekscie kontemplacyjny kontener kontener (złożona struktura danych realizowana jako klasa w programowaniu obiektowym) konto konto w banku kontrabanda kontrabandą kontrahencie kontrahent kontrakcie kontrakt kontralt kontrascie kontrast kontrast na poziomie szczegółów kontrastować kontrola kontrola kontrola jakości produkcji kontrola parzystości kontrola programowa kontrola programowana kontrola zapisu (atrybut pliku) kontrola zgodności typów kontrolą kontrolą kontroler kontroler kontroler kontrolerach consult. matrijs nadenkend pot. keuring. matrix. verbruiken. contrabande bouwondernemer. examen controleur. contract tweede alt afsteken. aannemer bouwondernemer. krik vijzel. contrasteren afsteken. verbruiken. contact hebben met vijzel. dommekracht. contact hebben met gietvorm. aflezen. opzichter supervisor. bak. foedraal. tering. contrasteren afsteken. consultatie consult. doos. opzichter conducteur. controleur. consulteren consument. verbruiker slopen. krik contact hebben. aannemer verbintenis. consulteren raadplegen. betomen. dommekracht. controleren heerschappij. schouwing. contrasteren checken. contrabande smokkelwaar. verbruiker consument. bestuur onderzoek. controleren pariteit voorschrift reglement bedwingen. tuberculose consequentie. koker pot. bak. conto rekening. doos. consumeren slopen. gebruiker. aflezen. gebruiker. consumeren longtering. foedraal. inspectie heerschappij. etui. beteugelen schouw. gevolg contact hebben. supervisor. tuberculose longtering. bewind. etui. bewind. consultatie raadplegen. contract verbintenis. conto smokkelwaar. tering. contrasteren afsteken.

gebeurlijk bestendiging. uiteinde terminal uiterste deel. gesprek onderhoud. bewind. kramp paard. voortzetting. uiteinde aantikken piemel. polemiek controverse. plassertje. vasteland eventueel. eventueel finaal. bestuur controverse. werelddeel. vasteland continent. onderzoek heerschappij. stuip. vervolg aanhouden te werk gaan aanhouden te werk gaan congres congres congres onderhoud. stuip. uiteindelijk aanhechting uitgang. inspecteren bedwingen. beëindigen. kramp stuiptrekking. accompagnement begeleiding. betomen. afdoen aantikken afmaken. vervolg bestendiging. einde. pennestrijd. voortzetting. ros paardekracht paardekracht uiterste deel. werelddeel continent. gesprek begeleiding. afsluiten aantikken uiterste deel.kontrolny system komputerowy kontrolować kontrolować kontrolować poprawność kontrolowanie kontrowersja kontrowersją kontur kontynencie kontynent kontynent kontyngencie kontyngent kontynuacja kontynuacją kontynuować kontynuować kontynuował kontynuował konwenans konwenanse konwencją konwersacja konwersacja podstawowa konwojent konwój konwulsja konwulsją koń koń mechaniczny koń parowy końca końcowy końcowy test po montażu końcówce końcówce końcówce końcówka końcówka końcówka typu J końcówka typu J kończ kończyć (się) kończyć (się) kończyć koniec kończyć się kończyć się kończyć się examen. einde. pennestrijd. afwikkelen. beteugelen heerschappij. bewind. keuring. bestuur inspectie houden. gebeurlijk eventueel. accompagnement stuiptrekking. polemiek omlijning. omtrek continent. werelddeel. vasteland. uiteinde terminal kegel stortplaats afhandelen. plasser . uiteinde gebeurlijk. einde.

schors kraal Koran boomschors. afdruk een backup maken. accumuleren Assepoester Kopenhagen couvert. trappen de mijne. opscheppen ophopen. multipliceren exemplaar. onderwijzen corresponderen corresponderen kurketrekker spinnen corroderen. stopmiddel drukproef opvoeden. plug. trappen koepel koepel koepel hoef boomschors. afdruk exemplaar. enveloppe couvert. afsluiten lid. enveloppe couvert. coördineren bijeenschakelen. stop. envelop. stopmiddel kurk prop. afdruk verveelvoudigen. stekker.kończyć się szpiczasto kończyna kooperował koordynować koordynował kopać kopalnia kopalnia węgla koparka kopą Kopciuszek Kopenhaga koperta koperta bezpieczeństwa koperta zabezpieczająca kopia kopia rezerwowa kopia zapasowa kopiować kopiować awaryjnie (zawartość pamięci) kopiować egzemplarz kopiować tablicę bitów kopiował kopnąć kopniak kopnięcie kopuła kopuła kopułą kopycie kora koralik Koran korą Korea Koreańczyk koreański korek korek korek uliczny korek uliczny korekta korepetytor korespondować korespondował korkociąg korkociąg korodować afmaken. het mijne scheppen. coördineren schoppen. bijten . trappen schoppen. opeenhopen. envelop. stop. het mijne de mijne. aantasten. meewerken bijeenschakelen. afdruk verveelvoudigen. stekker. enveloppe exemplaar. trappen schoppen. schors Korea Koreaans Koreaans kurk prop. envelop. plug. multipliceren schoppen. lidmaat samenwerken. beëindigen. afdruk exemplaar. een backup maken van exemplaar.

wortel schieten aanwending. gewaad. kroning bekroning. gilde Corsica het hof maken. correct. blok klederdracht. mand ben. rijstrook vaart. bak juist. dracht. gracht krib. kronen bekronen. costuum badpak enkel banshee ben. ruimtevaarder aan de grond lopen. kronen bekroning. kronen kant kant kant bekronen. overloop. gang. wortel schieten aanslaan. drenkbak. eetbak. mand schuur. barak. beschuldiging onkosten. eetbak. slof. nachtduivel. drenkbak. wijk. vrijen. goed baan. aanwerven acquest. gunstig aftappen pré. incubus afgrijselijk nachtmerrieachtig kosten . korf. kroning bekronen. dobbelsteen. voordeel aannemen. keet kazerne aanklacht. kosten angstdroom. kanaal. kronen vakvereniging. gieteling zeis zeis maaien astronaut. toepassing goedgezind. korf. stranden enkel derde macht. aanwinst.korona korona (słoneczna) koronacja koronacją koroną koronce koronka koronka (na karcie dziurkowanej) koronować korporacja Korsyka kort korycie korygować korytarz korytko koryto korzeń korzeń palowy korzystać korzystny korzyści) korzyść korzyść korzyść korzyść kos kosa kosą kosić kosmonauta kosmyk kostce kostce kostium kostium kąpielowy kostka kostuchą kosz kosz na śmieci koszary koszary koszcie koszcie koszmar koszmarny koszmarny koszt bekronen. toegenegen. loods. trog. trog. buit. voordeel pré. corporatie. bak aanslaan. scharrelen krib. slof. huren. prooi merel.

kostbaar kostbaar. kotelet. kerkgebouw schonk. been fijnhakken ivoorkleurig. kosten onkosten. bok Steenbok Steenbok geitenmelker. waarderen. pels. scherm. kotelet. huid. karbonade. ivoren kakement. mand basketball basketball maaien fijnhakken kerk kerkelijk. dal anker anker anker aambeeld. bot. cilinder . nachtzwaluw een geintje maken een geintje maken dierevel. kosten vertering. geestelijk kerk bedehuis. doek katje kut. korf. aanbeeld smid. rib vallei. kaak kattekop overgordijn. vulva fijnhakken ribstuk. ijzersmid cowboy sik. geit. vel.koszt koszt własny kosztach kosztorys kosztowny kosztowny koszula koszula (męska) koszula nocna koszula nocna (męska) koszulą koszyk koszykówce koszykówka koś kości do gry kościelny kościelny kościół kościół kość kość kość słoniowa kość szczękowa kot kotara kotek kotek kotlecie kotlecie kotlet kotlina kotwica kotwica (telegraficzna) kotwiczenie kowadełko kowadła kowadło kowal kowboj koza Koziorożec Koziorożec (gwiazdozbiór) kozodój koźla skóra koźlę kożuch kółka onkosten. aanbeeld aambeeld. aanbeeld aambeeld. dierbaar. kerk. besteding. karbonade. duur. uitgaaf schatten. vacht rol. begroten. slof. lief. taxeren waardevol. rib ribstuk. knok. waard overhemd overhemd nachtjapon nachthemd overhemd ben. gordijn.

aangorden. tap. streek. tovenaar . honen aanfluiting aanfluiting krab geknars. bolletje. stropdas stropdas. tapkraan aanboren uiterst. gebied. grammofoonplaat. aardmannetje retoriek. bovenmatig allemachtig uiterst. hek. haard. sfeer. ontvreemding aan land gaan. accident. afrastering. rederijkerskunst achteroverdrukken. extreem. aangeboren krassen ongeluk. aangespen. gekras krassen diefstal. kruisen circuleren. ergst. circulatie. kadet omloop. omgorden plagen bespotten. das cloaca. in omloop zijn. bol. regio platteland. haardstede traliehek. rooster das. zinkput. omgeving. in omloop zijn. plaat broodje. gebied spoel. rondgaan duivelskunstenaar. uithakken. klos.kółko samonastawne (takie kpi kpiarz kpić kpienie kpiną kpiny krab kracie kracz kradzież krainą krainą kraj krajać krajobraz krajobraz krajowy krajowy krakać kraksą kran kran kraniec krańcowo krańcowy krasnoludek krasomówstwo kraść kraść krata kratce krawat krawat krawca krawiec krawiec męski krąg krąg Krąg krąg cewka krążek krążek krążenie krążyć krążyć krążyć (po wodzie) kreator Castor gorden. kadetje. open veld beeldhouwen. riool kleren maken kleren maken kring. extreem. bovenmatig gnoom. inlands ingeboren. verdonkeremanen sluipen open haard. honen bespotten. ergst. discus. spotten. landen gewest. rondgaan kruisen (van schip). uithouwen landschap landschap binnenlands. spotten. inheems. bobine schijf. bobine kloot. ongeval kraan. klos. cirkel spoel. roulatie circuleren.

sim. piek. snede. oog punt. aaien afkraken hok mol Kreta bloed garnaal garnaal betrekking. filet kroniek kroniek chroniqueur. krediet. piek. treden. top. spits punt. spin. crematie. stip. spikkel. snoer. plak. tip. stip. schrijden krokodillen krokus moot. tijdvak neus. plak. spikkel. stappen. crematie. omgang. uithakken. verassing lijkverbranding. begrenzen. ruggegraat schrijden beeldhouwen. credit creditzijde. schijf. spikkel. treden. strelen. verassen beperken. punt. stip. tip. snede. krediet. liefkozen. stappen. beknotten vislijn. conto creditzijde. schijf. verband verwant. schrijden lopen. credit vla vla lijkverbranding. tegoed. familielid bowling wervelkolom. treden.kreatura krecie kreda kredą kredens kredens kredyt kredyt kredyt wyraz uznania krem krem do golenia kremacja kremacją kremować (spalać martwe ciało) kres kresce kreska kreska ukośna kreślak kret Kreta krew krewetce krewetka krewny krewny kręgle kręgosłup krocz kroi krok krok krok iteracji krok w bok krokodyl krokus kromce kromka kronice kronika kronikarz kropce kropce kropka kropka kropka dziesiętna kropka pozycyjna kropka znak interpunkcyjny wezen mol krijt krijt kast kast rekening. punt. kroniekschrijver neus. oog . schrijden. lopen lopen. filet moot. stappen. hengelsnoer aanhalen. schrijden lopen. tegoed. stappen. verassing cremeren. top. oog periode. spits logeren punt. uithouwen treden.

croquant knapperig. pukkel puistje. koninklijk vorstelijk. druppelen draaibank. jonkvrouw. vrouw koninkrijk koninkrijk rijk. stip.) krtań kruchy kruchy krucyfiks kruczy kruk kruszyć kruszyć się krwawić krwawy krwawy krwiożerczy krwisty krykiet Krym punt. staat plechtstatig. lady. oog druppel. waterdruppel druipen. bijziend strottehoofd knapperig. afgetrokken kippig. jonkvrouw bestuur. kruisbeeld raaf raaf kruimel. draaischijf weefgetouw puistje. patroon dam. kriek Krim . majestueus vorstelijk. blozend moordziek. kortzichtig. waterdruppel druppel. kort slip. kniebroek. spikkel. moordlustig zeldzaam. bijziend kippig. broodkruimel kruimel. i w przen. bloedend rood. kortzichtig. dam. vrouw. vrouw. dam. koninklijk konijntje konijntje konijn lady. bewind lady. schaars krekel. waterdruppel druppel. jonkvrouw kortstondig. aderlaten bloedig. pukkel koe koe knippatroon. broek kort abstract. heerschappij. slipje kort korte broek. statig. croquant crucifix. ongemeen.kropkować kropla kropla w morzu kroplą kroplówka krosno krosno krosta kroście krowa krową krój król królestwa królestwo królestwo królewski królewski królewski króliczek królik królik królowa królować królową krótki krótki krótki krótki krótki opis programu krótkie streszczenie krótkowzroczny krótkowzroczny (dosł. droppelen. broodkruimel bloed aftappen.

pastor . ferm zorgenstoel. kritiseren. hecht. bestelwagen zweminrichting. ruigharig heester. potig. kwetsuur. doorbuigen kruisen. verwonding onjuist. wond. bocht. gammel. jus kiezelsteen. sop. over elkaar slaan kruisen. vrouwenrok kristalhelder. roepen. geestelijke. kristallen bestelauto. heester afkeuren saus. keuren crisis harig. aftands ombuigen. snood. curve blessure. zwembad beoordeling. buigen. verkeerd nadelig kwetsen. lawaaierig snibbig. over elkaar slaan frustreren kruisen. joelen gieren. bits kromme. aanmerking beoordelen. struik struik. schreeuwen. foutief. kwetsuur. fors. kiezel. bocht. hachelijk beoordeling. over elkaar slaan fotokopie xerografisch pastoor. ruig. schreeuwen. kristallen kristalhelder. kritiek.kryminalny krynolina kryształ kryształ o sieci regularnej płaskocentrycznej kryształowy kryta ciężarówka kryty basen krytycyzm krytyczny krytyka krytykować kryzys krzaczaaste (brwi) krzak krzak krzcie krzem na szafirze (struktura) krzemień krzepki krzesło krzesło krzesło bujane krzesło bujanes lub wyłącznik biegunowy krześle krzew krzewy) krzyczeć krzyk krzykliwy krzykliwy krzywa zdyskretyzowana krzywą krzywda krzywdą krzywdą krzywdą krzywdzenie krzywdzić krzywiczny krzywić krzyż krzyżak krzyżować krzyżować się kserografia kserograficzny ksiądz misdadig. crimineel rok. kritiek. kristallen kristalhelder. letsel toebrengen blessure. keisteen robuust. curve kromme. letsel toebrengen bouwvallig. roepen. joelen luidruchtig. armstoel stoel stoel struik. wond. rumoerig. heester snoeien gieren. armstoel stoel zorgenstoel. verwonding kwetsen. aanmerking kritiek.

vormen. een of andere. bij. welk hetwelk. een of ander een of ander. voor. een of andere. brochure boek aangeven boekwinkel. aangaan vormen. accountant boekerij. boekhouden boekhoudkundige. lunair maan-. wie. een of andere enig. dat. welke. wie. enig. dat. brochure boek paperback. een of ander een of ander. vormen. welke. bibliotheek koningsdochter. een of andere een of ander. een of andere. operatekst chequeboekje hertog prins. libretto. ingenaaid boek. die. aangaan hetwelk. dat. die ouderloos aan. die. enig enig. welke. boekenwinkel boekhandelaar boekhoudkundige. wie. formeren. welke.książce książe książeczka książeczka czekowa książę książę książka książka adresowa książka kucharska książka telefoniczna książka w papierowej okładce książka w papierowej okładce książkowy księga księgarnia księgarz księgowego księgowość księgowość księgowy księgozbiór księżna księżniczka księżyc księżycowy księżycowy lunatic kształcić kształcić kształt kształt czcionki kształt znaku w czcionce kształtować kto kto ma lekki sen kto zajął drugie miejsce ktokolwiek ktoś ktoś ktoś ktoś zajmujący (miejsce które który który zajmuje się głównie lub wyłącznie podkowami i podkuwaniem koni) których użytkownik uległ awarii ku ku pamięci ku pamięci boek prins. een of andere. enig aanwezige hetwelk. lunair dresseren. accountant accountancy boekhouding. aangaan formeren. welk. vorst boek adresboek adresboek paperback. wie. die een of ander. tot. dat. vorst boekje. tegen. ingenaaid boek. enig. welk. kweken. aangaan formeren. grootbrengen instrueren formeren. prinses koningsdochter. welk hetwelk. vormen. naar noorden noorden . prinses maan maan-.

bouw ontwikkeld. hoop. menigte. kruik hurken. maïs kruk kloot. eelt. aanbidding cultus. kornuit accumuleren. kreupel. beschaving. aankoop koop. in elkaar duiken in elkaar duiken. handelaar. kameraad. kop kan. koopman koop. verering adoratie. in elkaar duiken in elkaar duiken. hurken ronde kogel hagelkorrel. koopman neringdoende. makker. koper. kookgelegenheid pony borst. beschaven cultuur. kookgelegenheid keuken. teelt. eredienst. bewerken. eelt. klant zakenman. bol. verering beschaving. boezem jongleur marionet koekoek eksteroog. handelaar. teelt. hurken koken kachel. eredienst. likdoorn mais. sfeer. hagelsteen cultus. omgeving. ophopen. aankoop . inkoop. oven keuken. maïs eksteroog. opeenhopen kunst aankopen boel. massa zakenman.ku wschodowi Kuba kubek kubek kuca kucanie kucharz kuchence kuchni kuchnia kucyk kufer kuglarz kukiełka kukułka kukurydza kukurydza kukurydzą kukurydzą kula kula armatnia kulawy kulą kulić się kulić się kulisty kulka punktor kulka gradu kult kult kultowy kultura kultura kulturalny kulturą kultywował kumpel kumpel kumulować kunszt kup kupą kupca kupca kupiec kupiec kupna kupno verzenden Cuba kopje. gebied mank. hinkend kruk hurken. bouw bebouwen. geleerd cultuur. beschaving. winkelier afnemer. kweken paren maat. drom. inkoop. likdoorn mais.

cureren kuur. klasse. klas cursor cursor circuleren. bekoren lekker. stadswijk vierkant bedrieger. leergang. voucher. onderschrift. colbert. kwakzalver Quakerbevoegdheid. scherm. graad stand. kleppen.kupon kupon (np. scherm. tapkraan haan afgezant. colbert. bekoren nicht smeden vierkant buurt. coupon aankopen koop. premiowy) kupować kupować kupuwać kura kuracja kuracja kuracjusz kurancie kurą kurczak kurczę kurczyć się kurek kurek zamykający kurier kuropatwa kuropatwą kurs kurs kurs waluty kursor kursor wyboru kursować kurtka kurtka dwurzędowa kurtyna kurtyną kurwa kurz kurzawą kurzyć kusić kusić kuszący kuszenie kuś kuś kuzyn kuźnia kwadracie kwadrans kwadrat kwakać kwakanie kwakier kwalifikacja bon. charlatan. temptatie. doek overgordijn. voucher. kip kippevlees. gezant patrijs patrijs tracé. buis jasje. aankoop aankopen kippevlees. neuken stof drijfzand stof verleiden. rondgaan jasje. kwakzalver bedrieger. ineenkronkelen kraan. gordijn. kwalificatie . kip kippevlees. kaartje. weglokken in verzoeking brengen. verleiding verleiden. verlokken. aanlokkelijk aanvechting. wijk. beieren kippevlees. kaartje. route. inkoop. buis overgordijn. coupon bon. koers titel. doek naaien. zieke galmen. kip ineenkrimpen. tap. kip behandelen. kop. gordijn. behandeling patiënt. charlatan. verlokken. in omloop zijn. weglokken in verzoeking brengen. cursus. bode. aflopen.

bedrag. bloeiend bloem bloesem fanfarekorps. fanfare voor voldaan tekenen. gieten. aangenaam lagune. getal somma. totaal. lakken zeehond. lichtekooi. totaal. niet-ingewijde schoensmeer. som. summa tal. wijk. schoencrème verlakken. stuiven hoer. kustmeer leek. behaaglijk.mnoga parentheses nawias okrągły laboratorium lać lać lać się ladacznicą ladny laguna laguną laik lak lakier lakier (bezbarwny) lakier bezbarwny lakować lalą lalka bevoegdheid. getal somma. ding. vraag. pop tonnetje. navraag bloem bloesem bloem bloem bloesem grasmaand. lakken verlakken. zeerob. haakje laboratorium sauzen.kwalifikacją kwartał kwartał kwas kwas o wysokim stężeniu kwaskowaty kwaśny kwaśny kwatera główna kwatery kwestia kwestia kwiat kwiat kwiat kwiat z rodziny compositae kwiecie kwiecień kwit kwitnący kwitnąć kwitnąć kwitnąć kwitować kwocie kwocie kwota kwota kwota jednopensowa l. prostituée genoeglijk. vakterm zuur zuur sluw zuur zuur hoofdkwartier buurt. verspuiten.mnoga nawias okrągły l. som. stortregenen afranselen opspatten. bedrag. kwalificatie buurt. kustmeer lagune. summa stuiver. pop . stadswijk term. kwiteren tal. aantal. stadswijk aangelegenheid. mn. april voor voldaan tekenen. zaak kwestie. rob tonnetje. nietje. penny cactus kramp. wijk. affaire. kwiteren fleurig. lakken verlakken. klamp. nietje. aantal. klamp. <cactuses> lub <cacti>) kaktus l. haakje kramp.

steen en been klagen lamp schuif. wingerd nakomelingschap. flambouw lantaarn lantaarn vuurtoren. afsluiten. zaad latrine laurier. klep luipaard. steen en been klagen rouwen weeklagen.lament lamentować lamentować lamentował lampa lampa elektronowa lampa elektronowa zawór lamparcie lampart lampą lampka lansować lapsus larum larwa las laska laska laska lata latać latać przed oczami latać przed oczami latarce latarka latarni latarnia latarnia morska latarnik lateks latka lato latorośl latorośl latryna laur lawa lawina lawiną lawirować ląd lądować lądowanie lądowanie (samolotu) lecieć leckja lecz leczenie weeklagen. toorts. stok suikerriet zomer aanvliegen aanvliegen zwemmen. landing aanvliegen les maar. vuurmaker latex jaar zomer wijnstok. in omloop aan land gaan. flambouw fakkel. kroost. steen en been klagen weeklagen. bos belemmeren. bevorderen terugvallen herrie. toorts. panter lamp lamp promoveren. doch kuur. afdammen staf. leven. lawaai larve woud. landen aan land gaan. lichttoren. rumoer. vuurbaak aansteker. behandeling . lauwer lavalawine lawine circulerend. landing daling. landen daling. drijven fakkel. ophef. klep schuif. panter luipaard.

luiaard lui lui . nauwelijks amper. dokter. gewettigd. cureren genezen. helen beter maken. genezen. amper amper. aanmaken atleet sport aansteken. helen doctor medicus. beter maken. volksoverlevering legioen legioen recht identificeren. luiaard ai. genezen. medicinaal. artsenij. vereenzelvigen spel trechter trechter dope. drogerij. drogerij. doen ontbranden. nauwelijks. drug. geneesmiddel helend. nauwelijks getuigen. nauwelijks. wettelijk. certificeren wettig. kwalijk amper. drogerij. nalatigheid les les aansteken. helen behandelen. legaal legende. volksoverlevering legendarisch legende. cureren kwalijk. kwalijk. kruid beter maken. arts. geneesheer nonchalance. aanmaken glossarium glossarium limonade limonade vlas luiheid luiheid ai. kruid dope. geneeskundig behandelen. drug. drug. geneeskundig dope. doen ontbranden. kruid medicijn.lecznica leczniczy leczyć leczyć leczyć leczyć ledwie ledwie ledwo ledwo legalizować legalny legenda legendarny legendą legią legion legislacją legitymować legumina lej lejek lek lek lekarski lekarstwa lekarstwo lekarstwo lekarz lekarz lekceważenie lekcja lekcją lekki lekkoatleta lekkoatletyka lekkostrawny leksykon automatyczny leksykon zautomatyzowany lemoniada lemoniadą len lenistwa lenistwo lenistwo leniwiec leniwy leniwy kliniek helend. kwalijk. medicinaal.

cijfer aantal. afslag.lennik lenno lepiej lepik lepki lepszy lepszy (zobacz <good>) leszcz leśny letarg letni letni lekko ciepły lew lewa strona lewarek lewy lewy ukośnik leżakowanie leżance leżeć lękać się Liban liberalny liberał lica licencja lichtarz licował licytacja licytator licytować liczba liczba liczba całkowita liczba dziesiętna zmiennopozycyjna liczba poza zakresem liczba rzeczywista liczba zmiennoprzecinkowa liczba zmiennoprzecinkowa liczba zwojów liczbowy liczebnik liczebnik liczebność liczenie liczniejszy (zobacz <many>) licznik liczyć vazal. meetellen meer meter. veiling vendumeester. Libanon liberaal. cijferen aantal. krik linker-. lauw leeuw omgekeerd. betamen. dommekracht. licentie kandelaar. mijn. rekenen. lauw zoel. veiling tal. metrum. getal rekenen. averechts. ah proportioneel. evenredig tal. getal. tal nummer. superieur beter bramsem hout doffe onverschilligheid. links linker-. horen. links kruiden divan. afslag. rustbank liggen kwartel Libanongebergte. overvloed in aanmerking komen. getal aantal. aantal. getal. vrijzinnig het hoofd bieden vergunning. ach. prevalent. versmaat calculeren. vendu. aantal. tal heel. vendu. oh. mijn. veilingmeester auctie. leenman leengoed. passen auctie. berekenen . tegengesteld vijzel. Turkse staatsraad. tal nummer. afslager. vrijzinnig liberaal. lethargie zoel. getal. leen beter teren vochtig opperste. blaker behoren. geheel majoor och. cijfer onbekrompenheid.

abacus gebieder. inham. hooimaand juli. hooimaand tekst vos lispelen zendbrief. beknotten vislijn. tal aantal. lijn taalkundige. opheffen afvoeren. verbond likeur alcohol. elimineren. berekenen in aanmerking komen. hengelsnoer hobby vislijn. alcoholische drank afwikkelen. snoer. aanvoerder. begrenzen. koorde. epistel. sim. taalgeleerde taal-. epistel. brief . drank. tros trekken vloerzeil. brief geloofsbrief zendbrief. opheffen afwikkelen. beknotten beperken. sim. getal. begrenzen. chef. meetellen aantal. linguïst. hengelsnoer liniaal liniaal onder de knie krijgen. baas bond. liga. beknotten beperken. linoleum kalk kalk juli. liga. kreek beperken. koord. begrenzen. getal. berekenen in aanmerking komen. beknotten beperken. liquideren. uitschakelen lelie lelie baai. liquideren.liczyć liczyć liczyć liczyć (<on sb> na kogoś) liczyć na liczyć na liczydło lider lidze liga likier likier likwidować likwidować (się) likwidować się lilia lilią liman limicie limit limit czasu odpowiedzi limit liczby sesji lina holownicza lina holownicza lingwista lingwistyczny linia linia autowa linia łącze linia programu liniał linijka linijka (do rysowania) linijka z podziałką linijka z tabulatorami link editor linka linka/lina holownicza linoleum lipa lipą lipca lipiec liryczny lis Lisp list list polecający list przewozowy meten. meetellen telraam. begrenzen. tal meten. verbond bond. taalkundig vislijn. hengelsnoer lijntje. snoer. sim. snoer. meester worden aanslag liniaal linker kabel. snoer.

brief zendbrief. literair spellen spellen woordelijk. bladertooi lat herpes vel. ijsgletsjer gletsjer koelkast. postbode postbode. een lijst maken aangeven uitlisten. slachtmaand loof. iets betreurenswaardigs liter liturgie Litouwen Litouws likken Lissabon likken linnen vlucht. epistel. literair litteratuur. slachtmaand november. epistel. brief letterkundig. letterlijk schade. literatuur. ijskoud. blad brochure. litterair. paperback. litterair. ijs. een lijst maken vel. blad litanie litanie zendbrief. epistel. letterlijk woordelijk. brievenbesteller november. litterair. gebladerte. literatuur. ijsje logica logisch . ingenaaid boek postbeambte. literair woordelijk.list uwierzytelniający lista lista lista związana listek listek listonosz listonosz listopad listopadowy listowia listwa liszaj liść litania litanią litera litera z literacki literal literał literał boole'owski literatura literatura literaturą literaturoznawstwo literować literować znaczyć literowy litość litr liturgia Litwa litwin lizać Lizbona liż lniany locie loczek loczek lodowaty lodowca lodowiec lodówka lody logice logiczny zendbrief. letterlijk woordelijk. brief uitlisten. letterkunde letterkundig. letterkunde litteratuur. letterlijk letterkundig. vliegtocht krullen slot ijzig. koelcel ijsco. consumptie-ijs.

loodsen vliegveld. leggen. plaatsen plaatselijk. briljant . ijs. toneelkijker lotsbestemming. rolklaver boksen ijsje. lumineus. oord. vliegtocht vlieg loterij. verloting loterij. lokaal. ruimte plaats.) lód lśniący logica logica logica logica logica werkelijk. lokaliteit. oord. bestemming. trouwhartig krullen plaats. consumptie-ijs glanzend. lokaal plaatselijk. trouw. verloting drijfzand hang-glider vliegwezen. incidenteel vlucht. lokaal aanwezige huurder locomotief motorisch motorisch situeren. vlieghaven luchthaven lotus. aviatiek. luchvaart vliegwezen. oord. toevallig toevallig.logika logika formalna logika matematyczna logika ujemna logika większościowa lojalnie lojalny lok lokacją lokal lokalizacja lokalizować lokalny lokalny obszar danych lokator lokator lokomotywa lokomotywa lokomotywą lokować Londyn lord lord lord (jako tytuł) lornetka los los losowy losowy dowolny losowy dowolny lot lot loteria loterią lotne piaski lotnia lotnictwa lotnictwo lotnik lotnik lotnik lotniska lotnisko lotnisko lotos loża (teatr. plaatsen Londen graaf lord lord kijker. ruimte situeren. vlieghaven vliegveld. lokaliteit. perceel toevallig. binocle. luchvaart vlieger. plek plaats. leggen. ijsco. lot kavel. aviateur. loyaal. wezenlijk getrouw. aviatiek. vliegenier strooibiljet binnenbrengen. incidenteel incidenteel.

grauw of of of hoe. lor. soldeersel sprokkelmaand. telescoop. gaping soldeer. soldeersel sprokkelmaand. rul mul. bij wijze van. als. soldeersel Lucifer volk lieden. tot opening. volk. fust een bres slaan. als. leeg. tot hoe. blanco. getapt. vat. bij wijze van. weelderig weelderig. soldeersel soldeer. rul beledigen. verrekijker afspiegelen afspiegelen soldeer. veelgeliefd lieden. hol wit. lap. krenken. flard . ledig. tod. luxeartikel luxueus. affronteren zwaan vodje.lub lub LUB wykluczające LUB wyłączające lubić lubić słodycze luce lucie lucyfer lud lud ludność ludowy ludowy ludzie ludzki ludzki ludzkość lufa luka luka luka w świadomości lukier lukier syntaktyczny Luksemburg luksus luksusowy luksusowy lunch lunecie lusterka lustro lut lut srebrowy lutego lutni lutnia lutować lutować lut lutowie luty luz luźno luźny luźny kawałek lżyć łabędź łach grijs. spelen. voor. een bres slaan in loos. mensen bevolking volk populair. luxueus twaalfuurtje. lui. lens. humaan mensdom. voor. mensen menselijk menselijk. vod. februari luit luit soldeer. soldeersel soldeer. mensheid ton. soldeersel soldeer. bres. blank glacé suiker Luxemburg weeldeartikel. oningevuld. lomp. februari uitvoeren. volk. lui. voorspelen losjes mul. lunch sterrenkijker.

belust. zacht. zachtaardig zoet. verbasteren. omkopen . lomp. been bederven. beschuldiging zachtjes. voorzichtig zachtaardigheid mildheid. commanderen. zachtaardigheid zachtheid. tod. ellendeling. omschakelen. lankmoedig zachtheid. carga. mildheid. overschakelen boef. zacht gracieus. beminnelijk. raadsel breekbaar. buit maken scheppen. vod. schavuit. weekheid liefelijk. verzwakken harden. onderbeen. been aanfloepen. lap. malsheid. beschuldiging laden verkrijgen. broos achterste ketting. happig. stalen omleggen. snaar haakje. keten koorde. aanflitsen. mild. stemband. zachtaardigheid zachtheid. gotisch lettertype barst puzzel. aangaan poot. flard Latijns Latijns aanvoeren. behalen. nietje poot.łachman łacina łaciński ład ładny ładny ładować ładować ładować (system) ładować do pamięci pobieranie ładować szuflą ładunek ładunek łagodnie łagodność łagodność łagodność łagodność łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny (klimat) łagodzić łagodzić łagodź łajdak łakomy łamać łamać (się) łamać zabezpieczania (w szczególności usuwać blokady przed nielegalnym użyciem programu) łamigłówka łamliwy łania łańcuch łańcuch znaków łańcuch znaków mieszanych łańcuch znaków mieszanych Łapa łapa łapać łapą łapówce vodje. voorkomend goedertieren. bevallig. onderbeen. bevelen genoeglijk. keten ketting. liefelijk vriendelijk. behaaglijk. aangenaam vriendelijk. zoet. keten ketting. lor. voorkomend verdunnen. gretig afbreken breuk. temperen. lading aanklacht. ploert begerig. weekheid zacht. zachtmoedig. sierlijk vriendelijk. opscheppen goederen. schappelijk. aardig laars aanklacht. klamp. malsheid.

vlot. ineen bewerker vislijn. volgzaamheid. allicht brandbaar meegaandheid. verbinding samenhang. badkamer. zitbank lezenaar. inschikkelijk licht. bijeen. gedweeheid lichtgelovig licht. marter gunst. vlot. wellen samen. verleden. badplaats bad. tezamen. wei samenhang. lapwerk. lapwerk. verbasteren. accordeon communiqué communiqué inclusief aansluiting . zetten monteren. weiland. snoer. ingezet stuk bries. sim. marter wezel. ingezet stuk lap. badkamer. makkelijk handelbaar. lapwerk. verbinding monteren. lessenaar badhuis. trilgras met gemak. zetten samenhang. weide.łapówka łasica łasicą łaska łaska łaska łaskotać łaszt łaszt łata łatać łatka łatwizna łatwo łatwo wpadający w złość łatwopalny łatwość użytkowania łatwowierny łatwy łatwy łatwy do zagrania ława oskarżonych ława przysięgłych ława przysięgłych ławą ławica ławka ławka szkolna łazience łazienka łaźnia łące łącze łącze łącze ATM łącze odbiorcze łącze typu "backhaul" łącze wsteczne łączenie w pary skręcanie wiązek parowych (przewodów) łącznie łącznik łącznik łącznik obwodów drukowanych łączność transmisja łączność zdalna łączny łączówka bederven. beemd. verbinding monteren. begunstiging sierlijkheid Gratie kriebelen. allicht met gemak. voorafgaand blijvend. aanhoudend lap. badplaats badhuis. badkuip grasland. makkelijk dok bank. zitbank jury bank. kietelen voorgaand. ingezet stuk lap. hengelsnoer trekharmonika. omkopen wezel. genadigheid. zitbank bank bank. zetten lassen.

zetten samenvoegen. spaak boezem. mixen. steek. stam elleboog elleboog koevoet. lemmer. kletteren. kabbelen. schoppen. lid worden. graven kling. echtelieden wijzerplaat zich aansluiten. combineren zich aansluiten. wellen bijeenbrengen. temperen.łączówka łącznik łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć konsolidować łączyć (się) łączyć n wiązanie łączyć się łączyć się łączyć zestawiać układać (arkusze książki) kolacjonować (porównywać teksty) sortować (wydrukowane kartki) łączyć złączyć scalić mieszać łądować łąka łeb łechtać łgać łkać łodydze łodydze łodyga łodyga łodyga trzon rdzeń łokcia łokieć łom łona łona łono łono (osoby siedzącej) łopacie łopat łopata łopata łopatka (wirnika łopatka kość łopatka wirnika łoskot łosoś łoś łoś amerykański łotewski aansluiting zich aaneensluiten. kietelen liggen snikken schrijden boomstam. weiland. afranselen zalm eland eland Lets . beemd. hefboom. plassen. aansluiten samenvoegen. verbinden. combineren vermengen. lemmet afdrogen. verbinden. aaneenvoegen samenvoegen. weide. borst baarmoeder baarmoeder klotsen. prik scheppen. lemmer. combineren verbinden. combineren laden grasland. lid worden. klapperen scheppen. lemmet schouderblad kling. mengen samenvoegen. opscheppen pek. leiden kriebelen. stam schrijden opslaan boomstam. de weg wijzen. verbinden. verbinden. toetreden lassen. spitten. stoot. toetreden aansluiting monteren. opscheppen woelen. aan elkaar vastmaken echtpaar. wei geleiden.

rugschild. jassen kalf mondvol. ploert. bol boot. toog buit beetnemen. schaal schild. kaarsvet. inslikken slikken. aangaan hoek vissen perk. doorslikken. bed. illusies wekken bij toog. bed.łotr Łotwa Łotysz łowić łowić na wędkę łowić ryby łożko łożyska łożysko łożysko (techn. schors. tuinbed. schuit talg. loeder Letland Lets aanfloepen. slurpen slikken. bloemperk begoochelen. casco schillen. toog boog. bed. borrel resorberen. bloemperk lager kloot. bed. aanflitsen.) łożysko kulkowe łódka łódź łódź żaglowa łój łóżka łóżko łóżko łóżko piętrowe łudzić się łuk łuk łuk termoelektronowy łup łup łupać łupać (np. tuinbed. smeer. bodem. talk ledikant perk. dop. bloemperk nageboorte perk. schaal scheepsromp. kogel. tuinbed. doorslikken. inslikken kaal. schuit boot. orzechy) łupież łupina orzecha łupiną łupki łusce łuska łuskać łuskać łydka łyk łyk łyk łyk łykać łysy łyżce łyżeczce łyżeczka łyżeczka do herbaty łyżka łyżka do butów rotzak. afpellen. schors. kaalhoofdig pollepel theelepeltje theelepeltje theelepeltje pollepel schoenlepel. casco lei schil. bodem. schuit boot. dop. bloemperk kinderbed perk. schoelje. boog boog. pakken. reuzel. romp. tuinbed. romp. beetkrijgen barst splinter roos schil. schaal scheepsromp. opslorpen. hap aperitief. schoenhoorn .

matrix. combinatie autobus grote weg. automatisch aanwensel. krant pakhuis. matrix. toverachtig toverkunst. zelfwerkend. toverachtig goochelaar onder de knie krijgen. oprit plechtstatig. stof. landgoed. zwaaien werktuiglijk. doorscheuren gescheurd mach gebaren. glijmiddel vaneenscheuren. majestueus . mei krankzinnig zijn goed. moslim mohammedaan. wuiven. matrijs gietvorm. goedje. boerderij. islamiet. statig. ra stiefmoeder Madonna Madonna Madrid pakhuis. bandrecorder magnetisch magnetisme mohammedaan. substantie statigheid. voelhoorn. moeder uitzaaien antenne.łyżwa łza łza mach machać machinalny machlojce macica macierz macierz matryca macierzysty maciorą macka macocha Madonna madonną Madryt magazyn magazyn kolorów magazyn kolumn magazyn pocztowy magazyn wiadomości magazynek magia magia magiczny magiczny magik magister magistrala magistrala szybka magistrala szybka magnes magnesować magnetofon magnetyczny magnetyzm mahomatanin mahometański maj maj majaczyć majątek majątek majestacie majestat majestatycznie iść majestatyczny schaats. matrijs ouder. moslim mogen bloeimaand. warenhuis winkel patroon. islamiet. hebbelijkheid baarmoeder gietvorm. verhevenheid statigheid. magazijn. verhevenheid oprijlaan. meester worden verbinding. spriet. magie magisch. magie magisch. verkeersweg magneet magnetiseren magnetofoon. kardoes toverkunst. warenhuis opslaan blad. bezitting spul. magazijn.

major majówce majstrować majtek majtki majtki (damskie) mak makabra makabryczny makabryczny makaron makiecie makieta makijaż makler makler giełdowy makrela maksimum maksymalna szybkość maksymalny maksymalny maksymą malał malał malaria malaria malaria malarstwa malarstwo malarz maleć maleć maleńki malina maliną malować malował malowidło malowniczy Malta Maltańczyk maltański maltretować mało mało tego mało znany mało znany małpa majoor uitstapje. klein. trip. afnemen propperig. make-up makelaar makelaar makreel maximum-. pittoresque Malta Maltezer Maltezer gescheld weinig neen. kleuren. blanketsel. punt. piek sententie. minuskuul framboos framboos verven. huisschilder afdraaien. verlagen verminderen. geen. schilderij schildering. nee. neus. zinspreuk. doek. doek. jungle. excursie. tocht. donker aap . doek. afnemen inkorten. verminderen koorts oerwoud. verver. krik onderbroek onderbroek papaver griezelig. dommekracht. maximaal spits. afschuwelijk macaroni modelleren modelleren schmink. toer pottenbakker vijzel. onbekend. maximaal snelheidsgrens maximum-. niet weinig obscuur. minuscuul. schilderij schilderachtig. eng eng. schilderen schildering. top. rimboe malaria schildering. tip. schilderen verven. kleuren. schilderij schilder. griezelig ijselijk. spreuk verminderen.

vrouw gemaal. echtgenote. man. mam mammie. echt. karig wieden. mangoest obsessie manicuren trant. luttel. min gering. vertoning. karig compact. wijze. mandaat. bewijs pralen. manoeuvreren manoeuvreren. klein. ma. mam. ma. mummelen morren. lastbrief biljet. eega. kaartje rangeren. mamma mummie volmacht. mompelen. pronken demonstreren. manifesteren peddelen. mummelen mammie. klink omgaan met. mandaat. echtgenoot erop nahouden. manier trant. brommen. paraderen. man eega. eega. echtgenoot. manipuleren. hengsel. kruk. manoeuvreren manoeuvreren. min. echtverbintenis huwelijk. gering. luttel. dicht mossel huwelijk. manier demonstratie. door het water plassen kattekop oor. mamma. gemalin. karig. mummelen morren. echtverbintenis echtgenote. vertonen laten blijken. ichneumon. brommen. brommen. rangeren manoeuvreren. luttel. schoffelen min. mompelen. gering. hebben mummie morren. klein. prijken. wijze. hanteren . klein min.małpa małpa bezogonowa małpa człekokształtna małpa człekokształtna małpą małpi mały mały mały mały mały sygnał małych rozmiarów zbity małż małżeństwa małżeństwo małżonce małżonek małżonek mam mamą mamrocz mamrotać mamrotanie mamusia mamusia mamusia mandacie mandarynka mandat mandat manewr manewr manewrować manewrować manewrował mangusta mania manicure maniera manierą manifestacja manifestacja (uczuć) manifestować manifestować manipulator drążkowy manipulator kulowy manipulować manipulować aap aap aap aap aap aapachtig minder. echt. rangeren mungo. mompelen. plaatsbewijs. handvat. rangeren rangeren. lastbrief mandarijn (vrucht) volmacht.

kopij bitmap landkaart. kaart landkaart. marcheren rimpelen. marge. rand marionet marionet merken. kaart bitmap landkaart. wortel peen. kaart strekking.manipulował mankiet manko manuskrypcie manuskrypt mapa mapa mapa alokacji (pamięci) mapa bitowa mapa przydziału mapa schemat wykres mapa termiczna mapą mapce maralista marca marca marca marca marchew marchewce marchewka margaryna margaryną margines margines na spad margines zewnętrzny marionetce marionetka marka marmolada marmur marnie marnotrawstwa marnotrawstwo marnować marny Maroko Mars marsz marsz marsz marsz marszczyć marszczyć (się) marszczyć się marszrucie martwić omgaan met. rand kant. marge. kaart landkaart. opmaken. manuscript. kaart landkaart. opmaken. marge. beproeven . baanvlak verdriet doen. hanteren manchet kastekort. bedroeven. verdoen verklungelen. kreukelen. route. kopij handschrift. tekort handschrift. frommelen onduleren reisplan. rand kant. tekenen jam. zedenmeester lentemaand tippelen maart lopen. wortel peen. verdoen verklungelen. verdoen goedkoop Marokko Mars lentemaand tippelen maart lopen. wortel margarine margarine kant. doel moralist. fronsen verfomfaaien. bedoeling. opmaken. moes. marmelade pilletje ellendig verklungelen. tracé. kaart landkaart. manipuleren. marcheren peen. manuscript. plan. deficit.

beproeven bezorgd zijn. bloedbad masseren bemantelen. grond. colbert. maskeren maskering maskering maskering boter boter vrijmetselaar vrijmetselaar metselaar metselwerk vrijmetselaarskneden masseren . gemijmer vriezen dromen. zeemacht pekelen. marge. zouten. maskeren karnen bemantelen. grootte achtergrond. ondergrond drom. menigte. inmaken lentemaand tippelen maart lopen.martwić martwić martwić się martwić się martwy martwy sezon marynacie marynarce marynarce marynarka marynarka handlowa marynarka wojenna marynarka wojenna marynata marynować marzec marzec marzec marzec marzenia marzenie marzł marzyć marża masa masa masa masa gliniana masakra masakrą masakrować masaż masce maselnica maska maska wprowadzania maskarada maskarada IP maskaradą masła masło mason mason mason masoneria masoński masować masować beduusd. buis jas. bloedbad moordpartij. maskeren bemantelen. colbert. hoop. zorgen verdriet doen. inleggen. bodem. zeemacht jasje. inmaken pekelen. bedroeven. bestek. dodelijk pekelen. inleggen. zich bekommeren. inmaken jasje. mopshond moordpartij. zich bekommeren. colbert. bewimpelen. bedremmeld. zorgen doods. marcheren dromen. zouten. bewimpelen. buis jasje. beteuterd bezorgd zijn. gedroom. dodelijk doods. rand omvang. inleggen. overjas marine. zouten. massa. bewimpelen. bloedbad moordpartij. buis marine. boel mops. mijmeren kant. mijmeren mijmering.

aanbouw prieel akkerbouw trechter vla smeersel. marcheren mast locomotief machine rekenmachine. hoop. grootte drom. werktuiglijk prieel constructie. mat aangelegenheid. affaire. zaak dingen. menigte. materialiseren verstoffelijken. mat ouder. nadoen paren schaakmat. patroon. wiskundige wiskunde. sjabloon wiskundig. affaire. zaak schaakmat. materieel weefsel aangelegenheid. bestek. massa. calculator schrijfmachine naaimachine machine machine machinerieën typiste typiste machine mechanisch. ding. moeder schablone. materialiseren stoffelijk. zaak verstoffelijken. ding. boel afslachten. saus imiteren. bouw. affaire. slachten massief mast lentemaand tippelen maart lopen.masowy masowy masowy mord masywny maszcie maszerować maszerować maszerować maszerować maszt maszyna maszyna maszyna do obliczeń maszyna do pisania maszyna do szycia maszyna wykorzystywana do budowania oprogramowania maszyną maszyneria maszynistce maszynistka maszynowy maszynowy maszyny maszyny budowlane maszyny elektryczne maszyny rolnicze maszyny) maść maść maśladować mat mata mata mata antyelektrostatyczna matce matem. spullen . ding. mathematica matras aangelegenheid. nabootsen. Macierz matematyczny matematyk matematyka materac materia materializować (się) materializował się materialny materiał materiał materiał omvang. mathematisch mathematicus.

matrijs modelleren. matrix. inboedel leveren. belemmeren. eega. werktuigkunde werktuiglijk. walg. werktuigkunde mechanica. besmeren invetten meel. guur. arglist slag. matrijs gietvorm. automatisch mechanisch. materieel dingen. valstrik. bewusteloos raken misselijkheid. sjabloon smeren. bestellen. hinderen wijsheid verstandig. bijtend stoffelijk. taai. meel gemaal. mat intendante intendante gietvorm. fel. werktuigkundige mechanica. besmeren smeren. matrix. sauzen. hinderlaag. matrijs schablone. ameublement. handeling. wijs meel. moeder abdis valstrik.materiał do robienia worków materiał podłogowy materiał podłogowy materiał wybuchowy materiał wypełniający matka matka przełożona matni matni matowy matrona matroną matryca matryca matryca ostrzy matryca przełączająca matryca rdzeni matrycować mazać mazaniną maź mące mącić mądrość mądry mąka mąka mąż mdleć mdleć mdłości mdły meble meblować mech mechanice mechanice mechaniczny mechaniczny mechanik mechanika mechanika statystyczna mechanizm mechanizm mechanizm zegarowy mecz mecz bokserski meczący kunst doordringend. vroed. doorsmeren. werktuiglijk mecanicien. bloem storen. afkeer poeslief huisraad. afleveren mos mecanicien. vermoeiend. boetseren schablone. patroon. patroon. spullen laken ouder. gedoe machinerieën locomotief lucifer lucifer saai. matrix. man zwak bezwijmen. sauzen. zelfwerkend. werktuigkunde actie. walging. doorsmeren. melig . werktuigkundige mechanica. optreden. echtgenoot. val schaakmat. bloem bloem. sjabloon gietvorm.

nadenken Mekka Mexico Mexicaans Mexicaans weemoedig. metafoor metalen metalen metalen vermengen. adverteren informeren. droefgeestig. deuntje. metamorfose meteoriet weerkunde. dons druilen. berichten.meczecie meczet medal Mediolan medycyna medycyna nuklearna medycyna sądowa medyczny medytować mekce Meksyk Meksykanka meksykański melancholia melancholią meldować meldunek melodia melodia melodia melodią melodramat melodramatyczny melon memento menażer menażerią menedżer plików mennica mennicą mentalny menu menu skrótów mer Merkury Merkury meszek meszek met metafora metaforą metal metaliczny metalowy metamorfoza (efekt graficzny) metamorfozą meteor meteorologia moskee moskee penning. wijsje. opzichter. melodie melodrama melodramatisch meloen aandenken. munt geestelijk. beeld. artsenij. meier pepermunt. sluimeren. stemmen wijs. munt pepermunt. artsenij. melancholiek weemoedig. deun. aankondigen. deuntje. gedenkschrift bestuurder. inlichten lucht wijs. deun. nesthaar. geneesmiddel medicijn. mengen gedaanteverwisseling. meteorologie . wijsje. medaille Milaan medicijn. droefgeestig. melancholiek aandienen. melodie in een stemming brengen. mediteren. vergaderen beeldspraak. bijeenkomen. mentaal kaart kaart burgemeester. metafoor beeldspraak. medicinaal. artsenij. kruizemunt. burgervader Mercurius kwikzilver. dutten samenkomen. geneeskundig peinzen. kwik waas. beheerder. geneesmiddel helend. administrateur dierentuin intendant. mixen. geneesmiddel medicijn. kruizemunt. beeld. temperen.

naam. doodsstrijd. ferm damp. mist haarkloven. bestel bewerking methode methodisch. metrum metro metro hoofdstad. aanstelling namelijk. naamwoord. floers.meteoryt metoda metoda metoda złożona (z metod podstawowych danego obiektu) metodą metodyczny metodysta metr metr metra metro metropolia metropolią metryczny metryka mewa mewą męczarnie męczący męczennik męczyć męczyć mędrzec mędrzec hinduski męka męska spódniczka szkocka męski męski męskoosobowy mężczyzna mężny mgiełce mgiełka mgliste wspomnienie mglisty mgła mgła mgłą MI miana miano mianować mianować mianowanie mianowicie miara miara odległości meteoriet methode systeem. versmaat. melig bloedgetuige. floers damp. drukken kwellen. versmaat meter. heiig. floers mij. in naam metriek meten . nevelig nevel. metropool metriek metriek zeemeeuw. aanstellen commissie. naam benoemen. damp. meeuw zeemeeuw. agonie saai. stelsel. koeioneren. metropolis. nevel. eerlijk. me benaming. opdracht. dringen. taai. salvia salie. metrum. salvia kwellen. mist. floers. mist. damp. meeuw doodsangst. mist nevel. Schotse rok mannelijk mannelijk mannelijk mens flink. nevel. te weten. vermoeiend. persen. bedillen vervagen mistig. martelaar knellen. koeioneren. metropolis. dampig. dapper. schools methodistisch meter. metropool hoofdstad. naamwoord benaming. martelen salie. boodschap benoeming. martelen kilt. braaf.

plek woonplaats. onderkomen. stadsciviel stads-. plaats bewoning zetel. open veld plaatselijk. mikken op. boerderij. bezitting metriek regel. hebben ambiëren. lokaal ingeboren. stadje. plek plaats. adapteren aangelegenheid. plaats wereldstad. bevoegd stad. koperen plaats. standaardmaat. grote stad stad. oord. domicilie ruimte. kom roodkoperen. aanpassen. norm .miara przymiar miarą miarodajny miasteczka miasto miasto miasto (duże) miażdżyć miąższ miecz mieć mieć aspiracje mieć inne zdanie mieć miejsce mieć na myśli mieć nadzieję mieć rozgłos mieć skłonność do czegoś mieć wkład mieć zamiar mieć zastosowanie mieć znaczenie miednica miedź miedź beztlenowa o wielkiej przewodności miejsca miejsce miejsce miejsce miejsce na dysku miejsce przeznaczenia miejsce zakotwiczenia miejsce zamieszkania miejsce zamieszkania miejsce zamontowania miejsce zdalne miejsce zmieszkania miejsce zmieszkania miejscowość miejscowy miejscowy miejski miejski miejski mienia miernik miernik meten meten competent. stedelijk. verschillen. plaats wereldstad. schelen gebeuren. aangeboren burger-. lokaliteit. bedoelen afstemmen. oord. stadje. deskundig. run vlees slagzwaard erop nahouden. lokaal. geneigd zijn. toeloop. lokaal. bril woning. aan de hand zijn gemiddeld hopen galmen. kleppen. dingen naar. lokaal. neigen bijdragen mikken. kwartier woonplaats. stads landgoed. zaak vont. oord. oord. status. rang plaats. najagen uiteenlopen. bekken. affaire. plaats graad. stand. beogen. ding. domicilie ligging platteland. grote stad aandrang. beieren geneigd zijn tot. lokaliteit. logies. oord. koperen roodkoperen. plek ligging ruimte. aflopen.

liefelijk zachtjes. voorzichtig vlees spier vlees spier pepermunt. liefelijk gunning. liefelijk zoet. onverschillig meten plechtig. gevestigd zijn resideren. munt knipogen. zacht. mixen peddelen. mengeling vermengen. flikkeren. metrum. huizen resideren. maandelijks karnen temperen. temperen. gevestigd zijn. vermengen temperen. gevestigd zijn. resideren. mengen. zacht. metrum. beteuterd mengelmoes. kruizemunt. afgemeten meter. zacht. gloren luik luik amandel . mengen. mengen vermengen. domicilie inwoner. ingezetene koloniaal inwoner. mixen. vermengen. knipperen. bewoner. door het water plassen bedremmeld. mixen. versmaat maand kneden kneden maand-. mengen Filistijn huizen. temperen. bewoner.miernik zakłóceń mierny mierzyć mierzyć mierzyć miesiąc miesić miesić ciasto miesięcznik miesięczny mieszać mieszać mieszać mieszadło mieszał mieszaniną mieszanka mieszanka rozkazów mieszczuch mieszka mieszka mieszkać mieszkanie mieszkanie mieszkanie z utrzymaniem mieszkaniec mieszkaniec internatu mieszkaniec stolicy między między między siedzibami międzynarodowy międzynarodówce miękki miękki miękki powrót karetki miękki programowalny miękko mięsa mięsień mięso mięśnia mięta migać migać migawce migawka migdał meter. onder tussen. ceremonieel. aanbesteding zoet. flat appartement. beduusd. versmaat lauw. ingezetene tussen tussen. huizen appartement. mengsel. mixen. flat woonplaats. onder internationaal internationaal zoet. maandelijks maand-. pinken flitsen.

verbond mijl mijl mijl stil. glimmer microbe microfilm microfoon microscoop mengelmoes.344m) milą milczano milczący milczący milczący milczenie mile widziany milimetr milion militaria militarny milusi miłosierdzie miłosny miłość miłość miłość od pierwszego wejrzenia miłośnik miłośnik sztuk pięknych miłujący pokój miły miły miły miły miły miły mimo mimo wszystko mimo że amandel mogen bloeimaand. vredelievend aangenaam. stilzwijgend. vrijster. zachtmoedig. minnares virtuoos vreedzaam. zachtaardig genoeglijk. sprakeloos nog bedaard. zwijgend stom. rustig. aangenaam niettegenstaande. aangenaam genoeglijk. flakkeren flikkeren. kalm feestelijk inhalen millimeter miljoen militair militair aanhalig naastenliefde. mei flikkeren. geliefde. beminnelijk. zwijgend stil. behaaglijk. mild. lief zacht. genoeglijk waard om van te houden beminnenswaardig.migdałek might> mogę might> mogę migocz migotać migotać migotać migotanie migotanie obrazu mijać mika mikrob mikrofilm mikrofon mikroskop mikstura mila mila mila (1609. liefhebben vriendin. hartzeer. wel . in weerwil van niettegenstaande. alhoewel. houden van. menslievendheid beminnen. liefhebben beminnen. mengeling bond. al. flakkeren inhalen mica. stilzwijgend. knipperen. liefhebben droefheit. flakkeren uitvoeren. stil. pinken flikkeren. houden van. in weerwil van ofschoon. mengsel. beproeving beminnen. hoewel. behaaglijk. spelen. voorspelen flikkeren. houden van. flakkeren knipogen. liga.

bekken. aanblik mineraal mineraal rok. bedotterij. kom vont. minimaal minister. zendeling vont. bedotten mystiek mystiek misvatten. raadsel fopperij. voorvechter onder de knie krijgen. opdracht. meester worden mystiek mystiek puzzel. titelhouder. zending missie. verkeerd begrijpen aanwezige . bezem honing honing luchtspiegeling. kom bericht. schijn. onopzettelijk aanzien. minus minuut huwelijksweken veger. minimaal miniem. beetnemen. maëstro onder de knie krijgen. bezem veger. opdracht. boodschap missie. vrouwenrok miniem. bekken. in weerwil van ongewild. beetnemen. kunstenaar meester. kom artiest. mystificatie beduvelen. bekken. zending missionaris. fata morgana myriade vont. bewindsman ministerie departement ministerie kantoor schat ministerie mijnbouw min. air. bedotten beduvelen. grootmeester. meester worden kampioen. bewindsman minister.mimo że mimowolny mina mineralny minerał mini minimalny minimum minister Minister Spraw Wewnętrznych ministerstwa ministerstwo ministerstwo ministerstwo ministerstwo skarbu Ministerstwo Wojny minowanie minus minuta miodowy miesiąc miotła miotłą miód miód pitny miraż miriada Misa misja misja misją misjonarz miska miska olejowa mistrz mistrz mistrz mistrz intelektu mistrzowski mistyczny mistyczny mistyfikacja mistyfikacja mistyfikować mistyfikował mistyk mistyk misunderstood miszkaniec niettegenstaande.

aankomend borst. beginnend beginnend. boel. jeugd jeugdigheid. menigte ophopen. jongeheer puber jeugdigheid. geloven. mulder mnemonisch mnemonisch monnik minder. non in overvloed aanwezig zijn multipliceren. afrossen. drom. afranselen molen molenaar. jeugd aankomend. accumuleren massa. jongeling. gissen menen. beginnend aankomend. boel . vermenigvuldigen veelvoud multipliceren. hoop. massa. non kloosterzuster. melkinrichting melk fijnhakken fijnhakken melk hameren puber jeugdigheid. menigte. drom. houden voor kloosterzuster. vermenigvuldigen aggregatie. opeenhopen. beginnend aankomend. min minderheidsminder. aggregaat hoop. jeugd jeugdigheid. min vermoeden. jeugd hameren hameren hameren afranselen dorsen.mit mitenka mitologia mitologią mitra mityczny mleczarnia mleczka mleć mleć/siekać mięso mleko młocie młodociany młodosć młodość młodszy młodszy urzędnik młodszy wiekiem młody młody człowiek młodzieniec młodzieniec młodzież młot młot (drewniany) młotek młócić młócić młyn młynarz mnemonik mnemonika mnich mniej mniejszość mniejszy mniemać mniemać mniszce mniszka mnożyć mnożyć mnożyć się mnożyć się mnóstwo mnóstwo mnóstwo mnóstwo mythe handschoen mythologie mythologie mijter mythisch zuivelfabriek.

modieus. speling modelleren modem moderniseren moderniseren bidden gebed gebed in de mode. geducht. bestek. beweegbaar. fiks. voornaamste worstelen. straf hecht. groeve . bougie ontstekingsbuis. in zwang lork. wijs modelleren ruimte. opstellen wijzigen. drasland steil in de week zetten. potig. mode-. lariks. fors. modus. ferm. pis broek.mobilizować (się) mobilny kod moc moc moc przetwarzania moc użyteczna moc zbioru mocarstwo mocno mocno mocno mocny mocny mocny mocodawcą mocować się mocował mocz moczary moczyć moczyć się moczyć się moda model model Luv modelka modem modernizować modernizował modlić się modlitwa modlitwą modny modrzew modulator-demodulator moduł dodatkowy moduł zarządzania pamięcią podręczną ARP modyfikacja modyfikować modyfikować modyfikować (np. sterk. moeras. roerend doordrukken heerschappij. bepalen pies. modemaakster inblikken mogen bloeimaand. robuust hoofd-. modificeren wijzigen. modificeren modiste. macht. moer. zich aftobben fixeren. weken nat mode. lorkeboom modem ontstekingsbuis. program) modyfikował modystka mogę mogę mogę mogiła mobiliseren los. bougie afstelling. instelling opmaken. mogendheid vasten pal. spartelen. stevig hard machtig krachtig. weekmaken. bevestigen. macht. modificeren wijzigen. urine. wereldruim. macht. mobiel. redigeren. mogendheid aanpassingsvermogen aanpassingsvermogen heerschappij. mei graf. mogendheid heerschappij.

ogenblik. steiger molecuul landingsplaats. bijeenkomen opmaken. paraderen. moraliteit zedelijkheid. aanlegplaats. eentonig monsterachtig. fatsoenlijk gedenkteken. zedelijk zedenkundig. monument monumentaal bromfiets moralist. zitting betamelijk. zedenmeester zedelijkheid. saai. bijeenkomen vergaderen. oppermachtig munt. penning. geldstuk Mongolië Mongool Mongools Mongool Mongools pralen. aanlegplaats Moloch oogwenk. adapteren monteur betamelijk. steiger wal.moje mokry mola molekułą molo molo moloch moment momentalnie Monako monarcha monarcha moneta moneta pięciocentowa (US) Mongolia mongolski mongolski Mongoł Mongoł monitor monitor monitorować monitorować monolog monopol monopolizować monotonna harówka monotonny monstrualny monstrum montaż montaż montaż powierzchniowy monter montować montował montował montowanie montowanie montując monumencie monumentalny moped moralist moralitecie moralność moralny morał de mijne. kade. zedelijk . opkopen routine. gedrochtelijk rotbeest. monopolie accapareren. prijken. perron. betomen. aanlegplaats. opstellen afstemmen. pronken afluisteren bedwingen. aanpassen. het mijne vochtig landingsplaats. dadelijk Monaco monarch. mormel samenscholing vergadering. sleur monotoon. soeverein. werktuigkundige vergaderen. beteugelen afluisteren alleenspraak. moreel. moreel. moment. geldstuk munt. vorst oppermachtig. samenkomen. behoorlijk. behoorlijk. moraliteit zedenkundig. monoloog alleenhandel. samenkomen. redigeren. kaai. penning. fatsoenlijk mecanicien. tel onmiddellijk.

messing muskiet Moskou Moskovitisch brug. morene morfeem morfine morfine morfine morfologie mormoons zee geelkoper. vermoorden muil. grauw. bek moordenaar moordenaar moorden. dienen. apropos taal tong rede. commandobrug brug. oratie mozaïek . canaille. vermoorden abrikoos abrikoos gruiswal. moeten motel geboefte. gespuis motor. thema. vermoorden slachten. behoren. motorfiets motorrijder locomotief motor motorboot motor motoriseren motoriseren schoffel vlinder. speech.morałach moratorium mord morda morderca mordercą morderstwo mordować mordować morela morelą morena morfem morfina morfina morfiną morfologią mormon morze mosiądz moskit Moskwa moskwianin most most drzewa częściowego most zwodzony mostek mostek pomiarowy moszcz motel motłoch motocykl motocyklista motor motor bazy danych motorówka motoryzacyjny motoryzować motoryzował motyka motyl motyw motywacją motywy graficzne mowa mowa mowa wymijająca mozaice zedenkunde. stof. moraal. redevoering. afslachten moorden. commandobrug brug. zedenleer moratorium. kapel aanleiding aanleiding onderwerp. surséance moorden. commandobrug horen. commandobrug luchtbrug brug.

brein. mei misschien. nachtvlinder praten. hoofd hersenen. misschien. krop. flakkeren knipogen. uil. mogelijkerwijs. hersens kop. toevallig inblikken de mijne. murmelen (v. aanvaardbaar. kundigheid mogelijkheid bestaanbaar. spreken spreken. hersens dom. mogelijk misschien.mozaika mozaika (fotoelektronowa) moździerz Moźdźierz może może może być możesz możesz możliwie możliwość możliwość wyboru języka możliwość wyposażenie dodatkowe możliwość zamontowania w stojaku możliwy możliwy do pomyślenia możliwy do zdegradowania możność móc mój mój mól mów mówić powoli mówić przez nos mównicą mózg mózgownicą móżdżek (potrawa) mroczny mroczny mroczny mrok mrożonki mrożony mrówce mrówka mrównik owadożerny ssak afrykański mróz mruczeć mruganie mrużyć msza mścić się mucha mucha mucha domowa muchą mozaïek mozaïek mortier. troosteloos. knipperen. kundigheid bekwaamheid. mogelijk acceptabel. boel wraak aanvliegen vlieg aanvliegen aanvliegen . pinken drom. onbekend. leiding. mogelijkerwijs. massa. praten tribune. schemerdonker. simpel. menigte. m'n uiltje. aannemelijk bestaanbaar. podium hersenen. halfdonker vlees bevroren mier mier aardvarken vorst murmelen. mogelijk mogelijkheid bekwaamheid. mogelijk mogen bloeimaand. vijzel mogelijkerwijs. mogelijk misschien. somber obscuur. beekje) flikkeren. brein. hoop. donker schemer. flauw naargeestig. mogelijk incidenteel. praten spreken. het mijne mijn. onnozel. mogelijkerwijs. vijzel mortier.

moslim muziek in een stemming brengen. dienen. schuimachtig. moslim. wassen. muzikant. wand mortier. mam mummie tuniek uniform. rugschild. tenue muur. neteldoek mutatie mutatie muze museum mohammedaan. schuimachtig. schaal musket schild. moslim islamiet. moeten spierspier grazen. de was doen . mousserend schuimend. moeten nodig hebben. zak tas. islamiet. vijzel bakstenen. hoeven. muil mammie. zwart horen. muzikaal muziekwetenschap wij. musicus muziek jazz muziek muziek-. mohammedaan mohammedaan. ma. zwart neger-.Muhamed mulacie multiplekser multiset multi-set muł mumia mumia mundur mundur mur mur ogniowy murować murowany Murzyn murzyński musieć musieć muskularny muskuł musnąć musowanie musujący muszelce muszkiecie muszla musztarda musztardą muślin mutacja mutacją muzą muzeum muzułmanin muzułmanin muzułmański muzyce muzyczce muzyczny muzyk muzyka muzyka jazzowa muzyka kameralna muzykalny muzykologia my mycie głowy szamponem myć Mohammed mulattin veelvoud tas. mousserend schild. stemmen muziek-. wand muur. weiden schuimend. behoren. schaal mosterd mosterd mousseline. slof. we het haar wassen uitwassen. ons. stenen neger-. islamiet. muzikaal speelman. behoeven. zak muiltje. mamma. rugschild.

rits. op klaar. van mening zijn. afgewerkt. grond aftreden. verkeerd. helaas . aanhang treksluiting. administrateur assembler acht.myć szamponem mydlić się mydła mydło mylić się mylny mysz myszka myśl myśl przewodnia myśl przewodnia myśleć myśliwego myśliwy mżawka mżyć n n n n n n n n n na na na na na na (bardzo krótką) chwilę na (czymś) na (kimś na boku na boku na całym świecie na czatach na czele na dobre i złe na dole na dole na dziobie na gorącym uczynku na górze na kogoś na kotwicy na których gra się uderzając palcami) na niepełnym etacie het haar wassen zeep zeep zeep dwalen. om. om. per. staande korte tijd. onder. met lucht gevuld. ontkomen. aandacht aard. bovengronds verontwaardigd over. afgelopen. betrouwbaar jammer. overheen. jammer genoeg. attentie. afzonderlijk wereldwijd wereldwijd maag daarvoor. jegens. begrip. eventjes te. beëindigd te. ritssluiting gedurende. op. op. terwijl. beneden in het buitenland bodem. onjuist. ondergrond. karakter. met in. met pensioen gaan boven lucht-. beëindigd aan. vooraan. even. tot. geaardheid ontsnappen. weerglans gedachte geloven. foutief muis muis idee. te afgezonderd. tot. indertijd daarbeneden. aan de overkant van vertrouwd. met klaar. afgelopen. binnen. ontgaan indexeren linker leden. achtergrond. achten jager jager motregenen motregenen beheerder. benul. een fout maken fout. denkbeeld afspiegeling. jegens. afgewerkt. eerder.

aankoop acquisitie aangeleerd buit maken. voor eeuwig daarbuiten. verkrijgen. uiterlijk daarbuiten. spekken. opnieuw van voren af aan. aannemen. buiten. uiterlijk buiten naar buiten. kardoes wal. dempen. ver in het algemeen. vullen een geintje maken accepteren. inkoop. nogmaals. doorgaans afgezonderd. verkrijgen. vooraan. opwaarts oosten oriënt oriënt. wal. op verbintenis. buiten. klant . bepaald. behalen aangeleerd afnemer. buitenwaarts gedurende. staande aan. eruit. forceren kogel patroon. afzonderlijk op. indertijd aan boord gelukkig afgezonderd. klant afnemer. kaai. cliënt. kade. kaai. onder. opnieuw afgelegen. vooraan. aanlegplaats. naar boven. eerder. vast. afzonderlijk wel degelijk. terwijl. koper. achteraf. nogmaals. perron acquisitie buit maken. oosten zonsondergang eeuwig. indertijd daarvoor. eerder. zeker boven aan boord aan boord aan boord noorden noorden daarvoor. omhoog. aanlegplaats kade. behalen koop. perron. aanvaarden opdringen.na nowo na nowo przeliczać na nowo przetłumaczyć na odległość na osobę na pewniaka na piechotę na podstawie na pokład na pokładzie na pół na pół na przełaj na przodzie na statku na statku na uboczu na uwięzi na wprost na wprost na wprost na zachód na zakupy itp) zwykle połączone z rozrzutnym wydawaniem pieniędzy na zawsze na zewnątrz na zewnątrz na zewnątrz na żądanie na życzenie nabawić się (choroby) nabić nabierać nabierać nabierać (<on sb> kogoś) nabój nabój nabrzeże nabrzeże nabycie nabyć nabyć nabytek nabyty nabywać nabywać nabywca nabywca van voren af aan. contract invullen.

neigen graad. doos. aanvoer lopen. verzender aanplakbiljet. neiging helling. neiging aangrijpen. plechtig. naasten draadloze. verzender nog gebeuren. aanvallen aanstrijken. mate. koker benoorden. foedraal. perron. beklemtonen neerdrukken. aanlegplaats aankomen. belanden. baas. naasten aanvoerder. schrijden afgemeten. zin. gebieder. etui. naasten afzender. aan de hand zijn nationaliseren. ceremonieel . zin. affiche afzender. kade. ten noorden van nationaliseren. uitwrijven inspringen inspringen accentueren. gebieder. klem accentueren. lust. schaal pot. stappen. afnemer geneigd zijn tot. aantasten. treden. radio uitstralen geldig verklaren geschiktheid afzender. plakkaat. trap aanvechting. beklemtonen nadruk. deprimeren pers aanduwen pers naasting nationaliseren. kaai. chef aanvoerder. afjakkeren wal. glooiing aanvechting. baas. bak. bovengronds benoorden. koper. geneigd zijn. ten noorden van lucht-.nabywca nachylać (się) nachylenie nachylenie nachylenie nachylenie znaków (w czcionce) nacierać nacieranie nacięcie nacinać nacisk nacisk nacisk ciśnienie naciskać naciskać naciskać naciskać prasa nacjonalizacja nacjonalizować naczelnik naczelny wódz naczynia gliniane (i porcelanowe) naczynia stołowe naczynie Naczynie nad nad nad rzeką nadać coś komuś nadajnik nadal nadarzyć się nadawać coś nadawać przez radio nadawać skrośnie (artykuł do grup dyskusyjnych) nadawać ważność nadawanie się nadawca nadawca (przesyłki) nadawca wiadomości nadbieg nadbrzeże nadchodzić nadciągać nadejście nadepnąć nadęty klant. arriveren aanvliegen bezorging. verzender afmatten. chef aardewerk aardewerk schotel. lust. met lucht gevuld. afbeulen. wrijven.

buitensporig. kortaf. slag. wraken. trouwens gescheld gescheld gescheld afbeulen. buigen. rijk extreem. afjakkeren. onbedekt. dringend dringend. prevalent. klap opblazen opgeschroefd inflatie geestelijk onder de knie krijgen. buitensporig uitbundig. checken. brandend. bloot. merkwaardig lampolie olie. excessief houw. spoedeisend. excessief buitensporig. meester worden opperste. extreem. noemen. hoekig onopgesmukt. doorbuigen brandend. verwerpen hoekvormig. buitensporig buitensporig. excessief buitennissig. bijzonder opmerkelijk. copieus. vermelden excessief. onopgesmukt. superieur water overigens. nadir gewag maken van. plotseling. afzonderlijk bijzonder allemachtig buitengewoon. naakt. botweg ineens.nadir nadmienić nadmiernie nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny ruch w sieci nadmuchać nadmuchiwać nadmuchiwać nadmuchiwanie nadprzyrodzony nadrzędny nadrzędny nadtlenek nadto nadużycie nadużycie v nadużywać nadużywać nadużywać nadużywać (<sth> czegoś) nadużywanie nadwyżka nadymać (się) nadziać coś nadzieja nadzorca nadzorca systemu nadzorować nadzorować nadzwyczajne (wydanie) nadzwyczajnie nadzwyczajnie nadzwyczajny nadzwyczajny nafta nafta naftalina naganą nagi nagi nagi naginać naglący naglący nagle nagle voetpunt. extreem. abundant. opeens . flap. afmatten gescheld gescheld surplus opblazen spietsen hopen inspecteur. uitlaten controleren. spoedeisend abrupt. bloot ombuigen. nalaten. mep. aflezen afgezonderd. onbedekt naakt. revisor steward verzaken. petroleum naftaleen afkeuren.

binnenrukken aanrijden. graad kortaf. aanwerven. kapittel vaan. abrupt. nadir eerste klaarblijkelijk. waternimf najade. chapiter. huren voetpunt. samenkomst. onderschrift. bruusk. belonen vergelden. lonen. steil plotseling kortaf. blijkbaar . nadir voetpunt. duidelijk. plaat. opeenhopen agglomeraat discus. binnenrukken best eer. kop. binnenrukken huurder binnenvallen. ophopen. bijeenkomst accumuleren.nagle się wydostać nagła potrzeba nagłówek nagłówek nagłówek nagłówek pliku nagłówek podstawowy nagłówek uwierzytelnienia nagły nagły nagły przypływ wody nagość nagrać nagroda nagroda nagrodzić nagromadzenie nagromadzić nagromadzić nagrywać nagrywać (na taśmę) nagrzać naiwny naiwny najada najada się najazd najbardziej najbliższy najczęściej zadawane pytania najechać najechać najechać (kraj) najemca najeżdżać najlepiej najlepiej najlepszy najlepszy najlepszy (zobacz <good>) najmniej najmniejszy najmniejszy wspólny mianownik najmować najniższy poziom najniższy punkt najpierw najwidoczniej ineens. hoogst naast. inval meest. premie vergelden. opeens crisis hoofd. terugdoen. voorrijden binnenvallen. bruusk. abrupt. grotendeels binnenvallen. waternimf invasie. argeloos najade. bot. eerstkomend overwegend. vuur lichtgelovig ongekunsteld. bot. belonen meeting. graad inscriptie hoofdstuk. kop. merendeels. onderschrift. schijf met een band omgeven gloed. terugdoen. plotseling. steil naaktheid uploaden prijs. naïef. lonen. vlag titel. grammofoonplaat. liever best afknotten best minst minst minst aannemen. dundoek. rubriek titel.

schriftelijk bevel dicteren bevelen. afleiden. gebruiken. aansporen aandrang label. ophitsen besluiten. agiteren. garanderen aanschrijving. etiket vla sauzen. opstoken. agiteren. toedekken. aanhangen aanhechtsel. mededader opruien. forceren aanduwen ondeugd. aanlokken locomotief moer overlappen hoed dekken. druk. doorvoeren opdringen. neerleggen sauzen. leggen. hoogst klaarblijkelijk. accuraat medeplichtigheid toelachen. uitgave. beperken. sticker uitgaaf. beleggen. duidelijk. ophitsen nauwgezet. aanvuren. stortregenen aandringen aanwakkeren. vreten bevel recht borg staan voor. indrukwekkend beknotten. bikken. aanvoeren. forceren imponerend. bedekken vlijen. stortregenen bijdrage. contributie betamelijk. vastkleven. nauwkeurig. begrenzen overlappen overlappen opruien.najwidoczniej największa ilość najwyraźniej nakarmić nakaz nakaz nakaz nakaz sądowy nakaz urzędowy nakazać nakleić naklejać naklejka nakład nakład nakładać nakładać nakładać nakładać restrykcje ścieśniać nakładka nakładka nakładkować nakłaniać nakłaniać do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłonić nakłonić nakłonienie do przestępstwa nakreślać nakręcany nakrętka nakrycie nakrycie głowy (zwłaszcza kapelusz) nakryć nakrywać nalać nalegać nalegać nalegania nalepić etykietę naleśnik nalewać należny należyty naładować (akumulator) nałożyć nałożyć nałóg duidelijk. beschuldiging opdringen. helder meest. fatsoenlijk aanklacht. editie invoer aanwenden. gieten. medeplichtige medeplichtige. opstoken. behoorlijk. blijkbaar eten. gebrek . commanderen kleven. bekoren. affix sluitzegel. gieten. concluderen mededader.

vuur vingerhoed. vuur hartstochtelijk huif. vuur gloed. slijpen aanvallen. weerglans gedachte beschouwen. om wetenschapper. voltage sterk. vervolgen agressie aanvallen. scherpen. spekken. uitschrijven . nagaan om .. aantasten oprijlaan. zetten. ons beeld. tent. aanvaller achtervolgen. dempen. voorteken. overwegen. spekken. kampeertent kuit. prent. oprit aanvallen. omtrent. intens. najagen. plaat smeren. weren. schrijven. intensief inscriptie voorbode. besmeren overtuigen lager peukje.. dempen. oprijlaan discus aanleiding dieselmotor. heen. sauzen. geleerde aanzetten. laten trekken agressief aanvaller aanvaller aanvaller voorspeler. afbeelding. aantasten aangrijpen. vullen verdringen. diesel spanning spanning.nam namalować namaścić namawiać namiar namiastka namiętna miłość namiętność namiętny namiot namnażać namydlić namysł namysł namysł namyślać się naokoło naokowiec naostrzyć napad napad (choroby) napadać napadać napalić naparstek naparzyć napastliwy napastnik napastnik napastnik napastnik napastować napaść napaść napełniać napełniać odrazą napełnić (się) napęd napęd dysku napędowy napędzany ropą napięcie napięcie napięcie (elektryczne) napięty napis napis napisać aan ons. ongeveer. doorsmeren. fel. aantasten. vullen oprit. voltage spanning. vingerhoedje aftrekken. aantasten invullen. peuk gloed. aanvallen gloed. viskuit. teken neerschrijven. kikkerdril zeep nakomertje afspiegeling. terugdringen invullen.

anesthesie nationaliteit nationaal. plak. boeten. repareren eerlijk. ophogen in gevaar brengen tentoonstellen. aan de overkant van daarvoor. boeten. indertijd langs. herstellen. drinken. determineren lappen. alcoholische drank. drank. alcohol zinspelen zinspelen toespeling. drankje pimpelen. accentueren spanning met. aandurven verdoving. tegen. oplappen. aantreffen ontmoeten. vermaan. degelijk werkelijk. echt. zuipen pimpelen. belichten zich wagen aan. plak. schijf. oplappen. drinken. in allerijl beklemtonen. aansporing ontmoeten. determineren lappen. storen. hinderen ergeren. repareren verhelpen. filet stortplaats drank. flikken nauwkeurig bepalen. wezenlijk nauwkeurig bepalen. ingevolge voorspeler.napisany napisu segment procesora segmentowego przedział czasu napisu) segment (procesora segmentowego) przedział czasu napiwek napoje alkoholowe napomknąć napomknąć (<to sb napomknienie napomnienie napotkać napotykać napój napój napój gazowany napój z wyciśniętych cytryn lub pomarańczy naprawa naprawą naprawdę naprawdę naprawiać naprawiać naprawić naprawić poprawka naprędce naprężenie naprężenie naprzeciw naprzeciwko naprzeciwko naprzód naprzód naprzód naprzykrzać się naprzykrzać się naprzykrzać się komuś narada narada narastać narazić na niebezpieczeństwo narażać narażać się narkoza narodowość narodowy narodziny schriftelijk moot. schielijk. vaderlands geboorte . snede. vooraan. verontwaardigen consult. schijf. raad opdrijven. aantreffen brouwsel. zuipen pompoen verhelpen. blijkens. jegens voor tegenover. filet moot. flikken gauw. aanvaller ergeren. tegenaan. eerzaam. verontwaardigen belemmeren. herstellen. hard. zinspeling aanmaning. naar. consultatie raadgevend lichaam. snede. verheffen. eerder.

middel opdringen. forceren lucht-. tandrad. tandwiel werktuig. een bres slaan in een aanslag plegen op. gotisch lettertype een bres slaan. je vertelsel. lui. relaas. bekoren. galant schat. lieveling klagen. bovengronds vingerhoed. forceren zich opdringen. verloofde bruidegom. kamwiel. instelling . middel werktuig. adapteren aanpassen. adapteren afstelling. aan je. opkopen natie. verhaal. afstemmen. ochrony) naruszenie zasad współużytkowania naruszyć naruszyć narybek narysować narząd narzeczona narzeczony narzeczony narzekać narzekanie narzędnik narzędzia programowane automatycznie narzędzie narzędzie narzędzie sprawdzające narzędzie testujące narzędzie wizualne narzędzie z interfejsem graficznym użytkownika narzucać narzucać się narzucać się komuś narzut nasadka nasienie nasłuchiwać nastają nastając nastanie nastawiać wstępnie ustalać nastawić nastawienie wasdom. met lucht gevuld. aan jou. vertelling skiën kwetsen. een bres slaan in een bres slaan.narośl narośl rakowata narowisty narożny narożny naród naród naród narracja narta naruszać naruszać naruszenie naruszenie naruszenie (np. middel werktuig. zich indringen opdringen. zijn beklag doen beschuldiging. vingerhoedje zaad aanhoren. kwaadaardig kantig accapareren. ontwikkeling. verloofde. middel utility utility werktuig. boosaardig. mensen jou. fruiten toelachen. het gevolg zijn van afkomstig advent aanpassen. een bres slaan in zonde breuk. groei kanker hatelijk. aanlokken orgaan bruid. aanklacht ablatief kamrad. lief. letsel toebrengen zondigen een bres slaan. liefje. aanranden bakken. afstemmen. meisje. beluisteren. luisteren afstammen. volk lieden. volk.

achteraf. dan. omtrek halssnoer. handelen volgens afwisselend klaarspelen. naar huis congestie. nadoen navolging. nabootsen. aandrang informatie toegaan. collier. toelichten tentoonstellen. toevallig toegaan. belichten tentoonstelling. doorkomen. eerstkomend leden leden naast. dus. gebeuren incidenteel. spoedeisend. de onze omlijning. aantasten. waterkering sauzen. ergo. afstammeling. toch naast.nastawienie nastąpić po (<sb następca następnie następnie następny następny dzień następny etap następny przeskok następować następować następować kolejno następować kolejno następujące następujący następujący nastolatek nastroić nastrój nastrój nasturcja nasuwać myśl nasycać nasyp nasypać nasz nasz nasze naszkicować naszyjnik naśladować naśladować naśladowanie naświetlać naświetlać naświetlenie natarcie natarczywy natchnąć natchnienie natchniony native natłok natomiast w polszczyznie lepiej oddawać w l. expositie aangrijpen. aanvallen brandend. slagen leden leden naast. daarna ook weer. voortgang hebben. snoer. handelen volgens nazaat. imitatie uiteenzetten. voortgang hebben. zetten. mn. gebeuren . stemming geest Oostindische kers verwarren. eerstkomend puber in een stemming brengen. stortregenen onze. halsketting aap imiteren. moreel.) natrafić (<on/upon> sth) na coś natrafić (<upon sth> na coś) natrafić na coś houding opvolgen. laten trekken ingeving geestelijk huiswaarts. betrekken. eerstkomend afwisselend opvolgen. stemmen gemoedstoestand. verzadigen dijk. ons het onze. de onze het onze. bloedaandrang. gieten. dringend aftrekken. verstrikken doortrekken. nabootsing. nakomeling naderhand.

lerares onderwijzeres. haakje inrichten. klamp. taśmę nawinąć nawinąć nawis (odległość między znakiem a punktem początkowym) nawlekać nawozić nawozić nawóz karakter. klamp. natuurlijk. leraar. spoel. winden. klamp. schooljuffrouw. oprichten. geleerde akademisch. sproeien storm gelijk. nauwkeurig. consigne. instructeur onderwijzeres. aanleren uit het hoofd leren. gieten. ogenblik. haakje kramp. oogwenk. nietje. van buiten leren wetenschap studie aanwijzing. aard naasting van nature. origineel juist. afleren Don onderwijzer. klamp. instructie wetenschapper. nietje. onmiddellijk onmiddellijk. spoelen klos. mesten mest mest . garen gieren. haakje kramp. bemesten. nietje kramp. dadelijk moment. klamp. academisch wetenschappelijk naaf naaf naaf bevloeien. spoelen aanschieten lager draad.natura naturalizacja naturalnie naturalny naturalny naturalny natychmiast natychmiast natychmiastowy natychmiastowy nauczać nauczyciel nauczyciel nauczyciel nauczyciel akademicki nauczyć się nauczyć się na pamięć nauka nauka nauka zdalna naukowiec naukowy naukowy nawa nawa boczna nawa główna nawadniać nawałnica nawet nawias nawias nawias klamrowy nawias okrągły nawias zwykły nawiązywać nawiedzać nawigacja nawigacja dalekiego zasięgu nawijać nawijać np. geaardheid. nietje kramp. haakje. stichten spoken navigatie navigatie op een klos winden. accuraat afwennen. winden. begieten. bobine op een klos winden. gegrond dadelijk. uiteraard natuurlijk oorspronkelijk. tel nauwgezet. vlak. schooljuffrouw. lerares leren. haakje. gelijk hebbend. effen kramp. nietje.

verontwaardigen verzorgen. naam benaming. naamwoord. zenuw-. misère. naam. achternaam benaming. neen negatief.nawóz nawóz (sztuczny) nawóz (zwierzęcy) nawracać nawyk nazista nazistowski nazwa nazwa nazwa kwalifikowana nazwa złożona nazwa źródła danych nazwisko nazwisko nazywać Neapol nefryt negacja negacja logiczna negatyw negatywny negocjować nekrolog nektar neofit neofita neolityczny neologizm neon Neptun nerka nerw nerwowy nerwowy netto neutralny nęcący nęcący nędza nędza nędzny nędzny nędzny nękać niańczyć niańka niby NIC mest drek. narigheid. zaken doen necrologie nectar bekeren bekeren Neolithicum. verplegen schier. nerveus netto. zorgen voor. aanlokkelijk verachtelijkheid ellende. bijna iets . ontlasting. afzijdig. ellendig. nazinazistisch. naam. naamwoord benaming. van. bijkans. geen. naam. aanlokkelijk lekker. hebbelijkheid nazistisch. Jongere Steentijd neologisme neonNeptunus nier zenuw slip. net. afmatten wraken. naam. naamwoord familienaam. haast. cliché negatief. cliché handelen. verwerpen niet. duidelijk neutraal. naamwoord. naamwoord benaming. nietswaardig jammerlijk belabberd. handeldrijven. afbeulen. verplegen verzorgen. naamwoord Napels afjakkeren. miserabel ergeren. drol. keutel mest bekeren aanwensel. slipje zenuwachtig. nazibenaming. naam benaming. naam. zorgen voor. nee. naamwoord benaming. onpartijdig lekker. netto-. armoe verachtelijk.

onbegrijpelijk onderschatten. geen. neen lucht. spoedeisend. afwijzen schuin.NIC nic (w zdaniach przeczących) nic nie wiedzący nic podobnego nić NIE nie nie nie nie bez powodu nie chroniony nie cierpiący zwłoki nie dawać spokoju (o myślach) nie do pary (np. tegenzin. geen. ijverig spoken bizar ondoorgrondelijk. nalaten. niemendal niks. noch neen. verwerpen evenmin. nijver. nihil draad. op het spel zetten hachelijkheid. onderwaarderen onderschatten. niet niet. gevaar kans lopen. afkeer. in het water vallen uiteenlopen. nihil. vlijtig. nee. verwerpen jubelen afslaan. hemel hachelijkheid. garen wraken. uitlaten uitvallen. geen. niemendal nul nul. verwerpen. onvolledig floppen. gevaar . schelen niettegenstaande. nood. neen niet. verschillen. onvolledig incompleet. toeval onraad. antipathie aardvarken wraken. nee. onbezet. perikel. stuk gaan hekel. nee. dringend een afschuw hebben van. geen. blanco. gevaar crisis toevalligheid. nihil. onderwaarderen op een kier staand verzaken. neen niet. verafschuwen naarstig. niets. gevaar onraad. nee. nood. oningevuld. haperen. but) nie do pogodzenia nie do wybaczenia nie do złamania nie doceniać nie doceniać nie dowodzący niczego nie kończący się nie mrówkojad nie pamiętać o nie podpisany nie przepisowy nie przyjąć nie przyzwyczajony nie rzucający się w oczy nie tracić czasu nie udać się nie uszczuplony nie wypalić nie zajęty nie załatwiony nie zauważony nie zbliżać się nie zważając na nie związane nie związany nie zwracać uwagi nieba niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwo niebezpieczeństwo niks. nee. geen. neen brandend. perikel. niets. leeg. in het water vallen ongewapend vrij. open wit. obsceen. blank aanhangig floppen. in weerwil van niet. schunnig aanhangig incompleet.

nonchalant. gebrekkig peukje. derven gebrek. hachelijk mijnenveld hemel-. peuk onding. ruigharig. op het spel zetten gevaarlijk. vers. gemis ongemak. nonchalant. ontberen. dodelijk nihil. afkeer. nonchalance nonchalance. nalatig kort gebrek. link. fris. nalatig. laten tegenzin. onopvallend. rechtopstaand recentelijk. nalatigheid nalatigheid. vergevorderd afkerig bescheiden. dodelijk morsig. gemis . hekel. hemel lucht. absurditeit. onbedorven veronachtzamen nonchalance. fris luchtig. discreet hortend. onbedorven. nalatig nalatig. hemel lucht. intermitterend vervelend doods. nul laten schieten. ongerijmdheid dwaas. ongerief incompleet. nalatigheid nalatigheid. hemelhemels. vuil. smerig. armoe verminkt. hemels hemels. narigheid. antipathie trots laat. ongerijmd. vies borstelig. euvel. afwezigheid.niebezpieczeństwo niebezpieczny niebezpieczny niebiański niebiański niebiańsko niebieski niebieski ptak niebiosa niebo niebo nieboszczyk niebyły niech niechęć niechęć niechętnie niechętny nieciągły nieciągły nieciekawy nieczynny nieczysty nieczysty niedawno niedawno niedawno wprowadzony niedawny niedbalstwa niedbalstwa niedbalstwo niedbalstwo niedbałość niedbały niedbały niedbały niedbały niedługi niedociągnięcie niedogodność niedokończony niedola niedołężny niedopałek niedorzeczność niedorzeczny niedostatek niedostatek kans lopen. onzinnig. afwezigheid. onachtzaam. onachtzaam onachtzaam. luchtig. kort geleden vers. onrein. hemel doods. nonchalant onachtzaam. euvel. hemelblauw blauw lucht. nonchalance nonchalant. absurd missen. de laatste tijd onlangs. onvolledig ellende. laten begaan. misère.

enigszins. nurks. onvolledig inconsequent nadelig goedkoop een beetje. donker inconsequent dubbelzinnig. dubbelslachtig incompleet. lomp smakeloos. hard. een weinig puber onwaar dierlijk onmenselijk verwardheid. nors. in weerwil van kind sprakeloos. bijna erg. dragen lager aanboren ongelukkige ongeletterd. verwarring lelijk schier. analfabetisch onbeleefd. groen bar. bloot. troebel. een weinig een beetje. onbekend. Pinksteren naar buiten brengen. bijkans. enigszins. dubbelslachtig onduidelijk. streng. desondanks niettemin. luchtig. onbedorven. straf goedkoop zonneschijn zondag Pinksterfeest. vaag. duister obscuur. haast.niedoświadczony niedoświadczony niedoświadczony niedrogi niedziela niedziela niedziela Zielonych Świąt niedźwiedź niedźwiedź niedźwiedź niefortunny niegramotny niegrzeczny niegustowny nieistotny nieizolowany niejaki niejasny niejasny niejasny kursor niejednolity niejednoznaczny niekompletny niekonsekwentny niekorzystny niekosztowny niektóre niektóry nieletni nielojalny nieludzki nieludzki nieład nieładny niemal niemało niematerialny Niemcy Niemiec niemiecki niemiły niemniej niemniej (jednak) niemniej jednak niemniej jednak niemolę niemowa niemowlę vers. desondanks niettemin. onbedekt. bars niettemin. smaakloos onverschillig. honds. stom kind . naakt ongehuwd. lauw Duitsland Duits Duits onaardig. lauw onopgesmukt. desondanks niettegenstaande. bijster onverschillig. duchtig. fris onervaren. honds. onheus. ongetrouwd dubbelzinnig.

roerigheid. twijfelachtig. amusant ongerust. met geen mogelijkheid onbestaanbaar. een afschuw hebben van vijandschap. luizig ergeren. fladderen zich opdringen. stom sprakeloos. ingeboren onweerstaanbaar onontbeerlijk.niemożliwie niemożliwy niemy niemy niemy terminal nienasycony nienawidzić nienawiść nienawiść nienormalność nienormalny nieobecność nieobecny nieobecny nieobecny nieobecny (proces) nieoczekiwany nieodłączny nieodparty nieodzowny nieokrzesany nieomal nieparzysta (liczba) nieparzysty niepełnoletni niepełnoletniość niepewność niepewny niepewny niepiśmienny niepoczytalny niepodzielny niepodzielny (chem. wegblijver leeg. hinderen aan de scharrel zijn. abnormaliteit abnormaal afwezigheid. bezorgd. onjuist. absentie. onmogelijk sprakeloos. zich indringen onveilig maken bang. getier storing verkeerd. rel. analfabetisch bezetene. krankzinnige atoom-. hapering. gek. onbezet verstrooid plotseling aangeboren. animositeit. beuzelachtig. fout. stom sprakeloos. onmisbaar bizar schier. stom onlesbaar verafschuwen. uitgesloten. ongerust vermakelijk. bezorgd aangelegenheid. mangel verstrooid afwezige. dubieus aanvechtbaar. mis plomp.) niepojęty niepokaźny niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić się niepokojący niepokojący niepokojem niepokój niepokój niepokój niepoprawny nieporadny onmogelijk. log . verontwaardigen belemmeren. onbegrijpelijk onbeduidend. haast. belang herrie. vijandigheid haten afwijking. storen. vrij. bijkans. bijna bizar bizar kind minderheidsgeweifel. open. aarzeling discutabel. betwistbaar ongeletterd. beducht. leuk. atomair elementair ondoorgrondelijk.

onbeweeglijk nog eng. pap borstelig. integraal aanhangig roerloos. ongerust aalwarig. rechtopstaand onnodig schade aanrichten. bezorgd. nors. bewusteloos schuin. schaden ongeluk uniek. beducht. onbewerkt. hecht janboel. vijandig afschuwelijk onaardig. onbehouwen. afkeurenswaardig ongelofelijk. dubbelhartig onwaar afwijking. rommel. bars verwijderd. stevig. aalwaardig. bot. honds. ver buiten kennis. gemelijk . onaannemelijk verrassend loos. schunnig grof. bedrieglijk. bewegingloos. ongeschonden. naamloos ijselijk. bot. vast. onbewerkt. griezelig bizar vlakte tot in het oneindige mislukt anoniem. enig vlakte laakbaar. smaakloos betrappen. rotzooi moes. cru verwardheid. afgrijselijk smakeloos. verwarring onaangetast. obsceen. brij. disorde. nurks. ruigharig. abnormaliteit abnormaal ondoordringbaar onweerstaanbaar ondoordringbaar achtereen. achtereenvolgens onafgebroken. verrassen. snappen eensklaps. cru vijand vijandelijk. onbehouwen.nieporozumienie nieporuszony nieporządek nieporządek nieporządny niepotrzebny niepowodzenie niepowodzenie niepowtarzalny niepozorny niepożądany nieprawdopodobny nieprawdopodobny nieprawdziwy nieprawdziwy nieprawidłowość nieprawidłowy nieprzenikliwy nieprzeparty nieprzepuszczalny nieprzerwanie nieprzerwany nieprzetworzony nieprzyjaciel nieprzyjazny nieprzyjemny nieprzyjemny nieprzystępny nieprzytomny nieprzyzwoity nierafinowany nieregularność nierozdzielny całkowitoliczbowy nierozstrzygnięty nieruchomy nieruchomy niesamowity niesamowity nieskomplikowany nieskończenie nieskuteczny niesłychany niesmaczny niesmaczny niespodzianka niespodziewanie niespokojny niespokojny misverstand gevestigd. ververwijderd. onverwachts bang. doorlopend grof.

uitgesproken. jammer genoeg. bang buiten kennis. helaas verachtelijk. onvervaard. onaannemelijk ongezien blind . extreem. blo beschroomd. boud. opstandig buitensporig. hol toegegeven ongetwijfeld. gebruik nonchalant. haperen. stuk gaan consequentie. bepaald klaar. smart ongeluk jammer. ledig. onaardig onophoudelijk. voeren. accident. ongeval dragen. verdriet. slechte spijsvertering slechte spijsvertering. aldoor dapper. nonchalant. helaas jammer. nul loos. excessief verachtelijkheid droefheit. bedeesd. ceremonieel soep honds.niespójny niesprawność niesprzeczność niestandardowy niestaranny niestaranny niestety niestety niestrawność niestrawność niesubordynowany niesystematyczny nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęśliwie nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy wypadek nieść nieśmiały nieśmiały nieśmiały nieświadomy nieświeży nietoperz nietypowy nieudany nieugięty nieuporządkowany zbiór dokumentów nieuprzejmy nieustannie nieustraszony nieustraszony niewart nieważny nieważny niewątpliwie niewątpliwie niewątpliwy niewiadoma niewiadomy niewiarygodny niewidoczny niewidomy inconsequent uitvallen. gebrekkig mislukt afgemeten. timide. zeker. ranzig. nietswaardig ongelukkige ongelukkig ongeluk. ferm. stoutmoedig. gewoonte. voorhebben. nurks. aandoening leed. garstig vleermuis invalide. jammer genoeg. bars. lens. nalatig o wee. onachtzaam onachtzaam. brutaal. helder onbekend onbekend ongelofelijk. voos nihil. beproeving ziekte. indigestie oproerig. stout waardeloos. hartzeer. plechtig. leeg. benepen. rans. nalatig. achtereen. stout gedurfd. kwaal. nietswaardig. helaas indigestie. brengen zwak bevangen. gevolg usance. nors. bewusteloos ransig.

nauw vreemdeling. afkeurenswaardig aanspannen. lastig. buitengewoon allemachtig buitengewoon. log mysterieus. een conclusie wettigend plomp. onbekende. geheimzinnig onbegrijpelijk. enorm. stroom laakbaar. kwalijk. melig plomp. vreemde anoniem. voldoende vertrouwd. onbedwingbaar . onbedorven. luizig smal. niet lekker plomp. naamloos onduidelijk. ongetrouwd vergeet-mij-niet niet. naamloos onbekend afschuwelijk saai. log moeilijk. betrouwbaar onontbeerlijk. geweldig grof. onmisbaar afdoend. uiterst bijzonder. nauwelijks ongehuwd. vaag. slim bankroet anoniem. onbewerkt. onmiddellijk onoverwinnelijk. groen amper. vermoeiend. min. onschuldig rivier. onschuldig onschuld. bekrompen. onbehouwen. log aarzelend onwel. log ontelbaar eeuwig enorm. taai. onbedorven onnozel. het juk opleggen slaaf ongemak. karig. neen genoeg. duister onervaren. luttel. ondoorgrondelijk dadelijk. nee. ongerief plomp. cru onbeduidend. onnozel. onbedorvenheid onschuldig. onbedorven. troebel. krap. eng. klein onnozel. bot.niewielki niewiniątko niewinność niewinny niewinny niewłaściwe odstępy tekstu niewłaściwy niewola niewolnik niewygoda niewygodny niewygodny niewypłacalny niewypowiedziany niewyraźny niewyrobiony niewystarczający niezamężna niezapominajka niezapomniany niezawodnie niezawodny niezbędny niezbity niezdarny niezdecydowany niezdrowy niezgrabny niezliczony niezmienny niezmiernie niezmiernie niezmiernie niezmierny niezmierny niezmodyfikowany nieznaczny nieznaczny nieznajomy nieznany nieznany nieznośny nieznośny niezręczny niezrozumiały niezrozumiały niezwłocznie niezwyciężony gering. geen. bijzonder gigantisch. beuzelachtig.

rotten. verwoesten. waternimf tegenwoordig. ergens laaghartig. geen enkel.niezwykle niezwykły niezwykły niezwykły niezwykły nieżonaty nieżyczliwy nigdy nigdzie nigdzie nigdzie (w zdaniach przeczących) nikczemny nikły niknąć nikt nikt nimb nimbus (chmura deszczowa) nimfa wodna niniejszy niski niski poziom niski ukłon niskiej nisza niszczeć niszczenie niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć nit nitka nitować niuans niż niż niż się obiecało niższy noc nocleg nocnik nocny nocny nodze noga nomad allemachtig buitengewoon. actueel laag laag laag laag nis verval aftands. in geen velden of wegen hier of daar. nooit hier of daar. ergens nergens. bijzonder typisch. niemendal. uitroeien ombrengen. schraal. luchtig verdwijnen. garen klinken. geen enkele. bederven klinken. curieus. nurks. gammel. wijken geen. verrotten. gemeen. doodmaken. bouwvallig schade aanrichten. infaam sprietig. schaden vernietigen. dun. nuance. doden vergaan. nimbus najade. geen zier stralenkrans. vastklinken schakering. vastklinken draad. niemand niks. onaardig nimmer. niets. nomade . nors. vernielen verdelgen. ongemeen. mager. nimbus stralenkrans. ongebruikelijk ongehuwd. vreemd zeldzaam. ongetrouwd honds. schaars ongewoon. bars. laag. nuancering laag dan dan minderwaardig nacht aanpassing po nacht nachtelijk been been benoeming.

nieuwigheid. schijf Zeeland nieuw. dragen voeren. onzin. norm normaal. norm regel. nieuwtje nieuwerwets. aflevering. krocht. kaartje discus. draagbaar vehikel. beginneling nieuweling. norm Noors Noorwegen Noors neus naar buiten brengen. voertuig. holte regel. standaardmaat. standaardnormaal. dagorde blocnote schrift. nieuwigheid . standaardnormaal. gekheid spelonk. katern plaatsbewijs. novice nieuws. brengen. bijdetijds actueel kind nieuwheid nieuwtje. kaartje aantekening. nieuwigheid. aflevering. grammofoonplaat.nominalny nonsens nora norma norma norma wojskowa norma wojskowa normalny normalny stan normaly Norman Normandczyk normandzki normański normą Norweg Norwegia norweski nos nosić nosić nosowy nostalgia nostalgia nosze nośnik notariusz notatka notatka u dołu strony notatnik notatnik notes notes notes notes do zapisów notować notować wyniki Nowa Zelandia nowatorski nowicjusz nowicjusz nowina nowiny nowoczesny nowoczesny noworodek nowość nowość billijk. opkomend beginner. standaardmaat. norm regel. standaardmaat. nieuws. neusheimwee heimwee brancard. voorhebben nasaal. biljet. dragen. plaat. wagen notaris plaatsbewijs. standaardmaat. zever. rechtvaardig nonsens. nieuwtje nieuws. grot. katern blocnote blok schrift. biljet. modern. standaardmaat. hol. fair. standaardNormandisch Normandisch Normandisch Normandisch regel. commentaar agenda. norm regel.

nowotwór nowy nowy nabytek biblioteki nowy wiersz nowy właściciel nozdrze nożyce nożyczki nóż nóż myśliwski np. @:-)) - uśmiech Elvisa Presleya np. <we shall go> pójdziemy np. <we shall go> - pójdziemy nucić nudności nudności nudny nudny nudysta nudyzm nudziarz nudziarz nudzić nuklearny numer numer numer rejestracyjny numerale numerek numerek (w szatni) numerować numizmatyk numizmatyka nurcie nurek nurkować nurkować nurkować (także o pikującym samolocie) nurkował nurkował nurkowanie nurt nuta nuta nuta kluczowa nużący nużyć nylon

tumor, gezwel nieuw, opkomend aanwinst, acquest, buit, prooi klaarspelen, doorkomen, slagen nieuw, opkomend neusgat schaar schaar mes hartsvanger glimlachen gaan, zullen gaan, zullen snorren, gonzen, razen, brommen misselijkheid, walging, walg, afkeer vakantie vervelend dom, simpel, onnozel, flauw nudist, naaktloper nudisme, naaktloperij, naaktlopen aanboren trekken aanboren nucleair, kernuitgeven, emitteren aantal, getal, tal aantal, getal, tal aantal, getal, tal biljet, plaatsbewijs, kaartje biljet, plaatsbewijs, kaartje aantal, getal, tal muntkenner, penningkundige muntkunde, numismatiek actueel duiker duiken duiken duiken duiken duif, tamme duif duiken loop, stroom, stroming plaatsbewijs, biljet, kaartje in een stemming brengen, stemmen plaatsbewijs, biljet, kaartje vervelend vervelend nylon-

o o (kimś o burzy: szaleć o ile sobie przypominam o ile szczęście dopisze o ją o jego o jego o jej o mało o niewiele o ręcznym napędzie o sercu: kołatać o śniegu: padać o światowym zasięgu o wielu możliwościach odporny o zmaku orzechów oaza oazą oba obacz <abide> obacz <beat> obacz <crow> obacz <feel> obacz <mistake> obacz <surprise> obaj obala obala obala obala obalać obalenie obalić obalić (teorię itp) obarczyć obarczyć obawa obawa obawą obcas obcążki obcesowo obcesowy obchodzenie się obchodzić obchodzić (przepisy) obchodzić się

circulerend, in omloop circulerend, in omloop storm aas hopelijk haar, hun, zijn het zijne, de zijne haar, hun, zijn het hare, de hare schier, bijkans, haast, bijna weinig aanreiken, overhandigen aan de scharrel zijn, fladderen sneeuwen wereldwijd krachtig, geducht, sterk, fiks, straf geurig, aromatisch oase oase beide, allebei, alle twee de woonplaats, domicilie vlijen, leggen, neerleggen bemanning vilt foutief, verkeerd, fout, onjuist ampère beide, allebei, alle twee de afgeven op, afbreken, afkammen neervellen, wippen, kappen, vellen ontzenuwen, weerleggen ondergraven, ondermijnen afschaffen afschaffing afschaffen exploderen, losbarsten, ontploffen beproeven, bedroeven, verdriet doen zadel aanhouding, arrestatie beklemming, angst, benauwdheid aangelegenheid, belang hiel knijper, schaar abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil kuur, behandeling vieren, opdragen, celebreren ontwijken, mijden, uit de weg gaan aanpakken, aan komen lopen

obchodzić się (<sth> z czymś) obchodzić się z czymś) obchodź obciąć obciążać obciążać (konto obciążenie obciążenie (maszyny itp) obciążenie1 obciążyć obciążyć hipotecznie obciążyć podatkiem obcina obcinać kadrować kadrowanie obcisły obcokrajowiec obcokrajowy obcy obcy obcy obecnie obecnie obecność obecny obecny obejmować obejmować obejmował obejmował obejmował obejść się bez czegoś obelgi obelżywy Oberon obetrzeć obezwładnia obezwładnia obficie obfitość obfitować obfitować (<with obfitować (<with sth> w coś) obfity obfity obfity (posiłek) obgryzać obiad obiad

aanpakken, aan komen lopen oor, kruk, handvat, hengsel, klink rondgaan, omgaan afknotten aanklacht, beschuldiging debetzijde, debet laden plicht, verplichting laden gewicht hypotheek belasten, aanslaan maaien afknotten stipt, nauwsluitend, streng, nauw buitenlander uitheems, buitenlands ijselijk, afschuwelijk uitheems, buitenlands buitenlands, vreemd, onwennig enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig bijzijn, presentie, aanwezigheid actueel tegenwoordig, actueel omhelzen, omarmen omsluiten omvatten, beslaan omhelzen, omarmen bevatten, inhouden, behelzen rondgaan, omgaan laaien, vlammen krenkend, beledigend, grievend Oberon afvegen, wissen, afdrogen, afwissen geweld aandoen, overmeesteren bedelven, overstelpen, verpletteren in overvloed, ruimschoots, rijkelijk onbekrompenheid, overvloed in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn uitbundig, copieus, abundant, rijk uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend uitbundig, copieus, abundant, rijk knagen, knabbelen diner, middagmaal, middageten twaalfuurtje, lunch

obiecywać obieg obieg obieg obieg projektu obiekt obiekt moduł wynikowy obiektyw obierać obierać kartofle obietnica obietnicą obieżyświat obijać obijać (meble) objaśniać objaśnienie objaw objaw objazd objazd objętny objętość objętość stała oblać (egzamin) oblegać oblegać oblewanie oblężenia oblężenie oblicz obliczać obliczać obliczenie obliczyć obliczyć objętość obligacja obligacji oblodzenie obładować obławą obłąkany obłąkany obłok obłudny obłudny obmycie obmywać

beloven, toezeggen, uitloven omloop, circulatie, roulatie muntsoort, valuta klotsen, plassen, kabbelen, klapperen omloop, circulatie, roulatie mikpunt, onderwerp, object, ding mikpunt, onderwerp, object, ding lens schillen, afpellen, jassen commissie, opdracht, boodschap beloven, toezeggen, uitloven beloven, toezeggen, uitloven wereldreiziger opvullen, vullen, opzetten opvullen, vullen, opzetten uitleggen, interpreteren, duiden toelichting, explicatie voorbode, voorteken, teken teken, symptoom, verschijnsel aberratie, afwijking tournee, rondreis zoel, lauw geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume floppen, in het water vallen belegeren belegering, beleg viering belegering, beleg belegering, beleg in aanmerking komen, meetellen meten, berekenen in aanmerking komen, meetellen rekenschap, rekening derde macht, dobbelsteen, blok rekening, conto aanhechting aflossing, amortisatie, afschrijving glacé beladen, inladen, belasten, laden bejagen, jagen, jacht maken op bezetene, gek, krankzinnige dolzinnig, dol, gek, krankzinnig wolk loos, bedrieglijk, dubbelhartig gehuicheld, geveinsd, huichelachtig wassing louteren, reinigen, schoonmaken

obnażony obniżenie obniżenie obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu obniżenie wydajności obniżka obniżyć obniżyć obniżyć się obniżyć się oboje obojętność obojętny obojętny obok obok obok obok siebie obok siebie obok siebie obok siebie obołudny obopólny obora obowiązek obowiązek obowiązek obowiązkowy obowiązujący obozować obój obóstwiać obóz obóz koncentracyjnjy obrabiać obracać obracać się obrachunek obrać zawód obradował obrady obrady obramowanie obramowanie prostokątne obraz obraz obraz elektronowy

onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt afname afdraaien, verlagen depressie invloed hebben op, beïnvloeden afname kleinmaken, vernederen, verootmoedigen afdraaien, verlagen neerdrukken, deprimeren verlagen, afdraaien beide, allebei, alle twee de flegma lauw, onverschillig neutraal, afzijdig, onpartijdig naast elkaar langs, naar, blijkens, ingevolge bezijden, naast, behalve aan, nabij, bij, dichtbij, naast aan, nabij, naast, bij, dichtbij sluiten, dichtmaken, dichtdoen naast, eerstkomend gehuicheld, geveinsd, huichelachtig onderling, wederkerig, wederzijds loods, keet, schuur, barak plicht, verplichting verplichting, plicht verantwoordelijkheid bindend, dwingend, gedwongen strip, reep, band, strook, windsel legeren, kamperen hobo verafgoden, adoreren, aanbidden legeren, kamperen legeren, kamperen functioneren, het doen anders maken, veranderen anders maken, veranderen akkoord, accoord, overeenstemming zich eigen maken, adopteren koesteren, broeden, broeden op actie, handeling, optreden, gedoe conferentie schoorsteenmantel omringen, omgeven, insluiten afbeelding, prent, plaat beeld, prent, afbeelding, plaat knippatroon, patroon

obraz tytułowy obraz wizja rysunek obraz zadania obraz zadania moduł ładowania (zadania) obraza obraza obrazą obrazić się obrazowo obrazowy obraźliwy obraźliwy obraźliwy obrażać obrażać obrażać obrączka obręb obrocie obrocie obrona obrona obrona przeciwlotnicza obroną obronić obroża obrożą obrót obrót obrus obrus obryzgać obrządek obrzezać obrzeże obrzęd obrzęd obrzęk obrzydliwy obrzydliwy obrzydliwy obrzydzenie obsada obsceniczny obserwacja obserwacją obserwować

beeld, prent, afbeelding, plaat schildering, doek, schilderij beeld, prent, afbeelding, plaat afbeelding, prent, plaat beledigen, krenken, affronteren troetelen, koesteren, vertroetelen beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken oneigenlijk, figuurlijk oneigenlijk, figuurlijk krenkend, beledigend, grievend agressief aanvallend, offensief gescheld beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken wal, beugel, ring kompas fietsen, wielrijden anders maken, veranderen weer, defensie, afweer, verdediging defensie, verdediging, weer, afweer bescherming defensie, verdediging, weer, afweer opkomen voor, verweren, verdedigen kraag, boord, halsboord kraag, boord, halsboord revolutie, omwenteling omzet laken tafellaken, dekservet klapperen, plassen, kabbelen, klotsen ritueel besnijden cirkelomtrek, buitenkant ceremonie, plechtigheid ritus, kerkgebruik, rite pof, poef ijselijk, afgrijselijk misselijk, stuitend, onsmakelijk venijnig, vergiftig, giftig gruweldaad, verschrikking, gruwel afgietsel, gegoten voorwerp schuin, obsceen, schunnig berisping, aanmerking, blaam, standje berisping, aanmerking, blaam, standje opvolgen, handelen volgens

obserwował obsesja obsesją obsługa obsługiwać obsługiwał obsługiwanie obsługujący obsługujący ramki obstawać obstrukcja obsunięcie się ziemi obszar obszar obszar definiowania obrazu obszar oddziaływania obszar zapisu taśmy obszar zapisu taśmy (magnetycznej) obszar zbiorczy sumować obszerny obszerny obszerny obszerny obudowa obudowa obudowa płaska obudowa układu scalonego obudowa wieżowa obudzić obudzić obudzić obudzić (ze snu) obudzić się obudzony oburzony (<at sth> na coś oburzyć obustronny obustronny obuwie obwieszcza obwieszczać obwieszczenie obwolucie obwoluta obwód obwód obwód obwód drukowany wielowarstwowy

opvolgen, handelen volgens obsessie obsessie administratiekantoor, bestuur serveren, voorleggen functioneren, het doen actie, handeling, optreden, gedoe steward steward aanhouden, blijven aandringen verstopping, constipatie, obstipatie aardverschuiving oppervlakte, areaal, gebied territoir, ban, gebied, grondgebied gehucht, buurtschap, vlek arena, krijt, piste, kampplaats zich aaneensluiten, aansluiten klimaatzone, zone, aardgordel oppervlakte, areaal, gebied uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend lijvig, veelomvattend uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend breedvoerig, ruim, groot, royaal affaire, zaak, aangelegenheid, ding inpakken, verpakken, pakken indompelen, indopen, soppen pedestal, piëdestal, voetstuk inpakken, verpakken, pakken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken verontwaardigd muiten, rebelleren, in opstand komen wederkerig, wederzijds, onderling onderling, wederkerig, wederzijds schoeisel uitvaardigen, afkondigen adverteren, aankondigen, aandienen bericht, aankondiging, advertentie kruisband, wikkel, banderol kruisband, wikkel, banderol circuit netwerk, net omtrek circuit

obwód drukowany wielowarstwowy obwód drukowany wielowarstwowy obwód wyjściowy obwód zaporowy obwódka obyczaj obywatel obywatel obywatelski obywatelski obywatelstwo ocalać ocalić ocean oceaniczny ocena ocena ocena zawartości oceną oceną oceną oceniać ocenić ocenić ocet ochłodzić ochocie ochota ochotnik ochraniać ochrona ochrona ochrona poufność ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) ochrona zasobów ochrypły ochrzcić ochrzcić ociągać się ociekać ociemniały ocierać ocierać ocknąć się oclić octan oczarować

maas, breisteek, steek, strik omtrek circuit circuit velg usance, gewoonte, gebruik staatsburger, burger nationaal, vaderlands burger-, stadsciviel nationaliteit redden, bergen, behouden bergen, behouden, redden wereldzee, oceaan oceanisch belastingaanslag, aanslag orkestreren schatten, begroten, waarderen, taxeren belastingaanslag, aanslag graad, mate, trap gedachte, mening, opinie, dunk, visie rekening, conto schatten, taxeren, waarderen, begroten appreciëren, waarderen edik, azijn koelen wil wil vrijwilliger, volontair behoeden, beschermen bescherming pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand bescherming schor, hees, rauw dopen dopen zweven water blind schaven, afschaven afvegen, wissen, afdrogen, afwissen beter worden, genezen, helen plicht, verplichting acetaat, azijnzuur zout heksen

oczarować oczarować oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać na pakiety oczekiwać na sygnał oczekiwał oczekiwał oczekujący oczka oczko oczko (sieci itp) oczko (w kartach itp) oczko sieci itp oczyszczać oczyszczać oczyszczać kogoś z winy oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić się oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywiście oczywiście oczywiście oczywiście od od czasu do czasu od niepamiętnych czasów od nowa od nowa od piątku od siebie od święta od zewnątrz oda oda tnica odbicie odbicie zwierciadlane (w grafice) odbiera

aantrekkelijkheid betoverend anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhoren, beluisteren, luisteren aanhoren, beluisteren, luisteren anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhangig maas, breisteek, steek, strik kijker, oog maas, breisteek, steek, strik sterretje, asterisk maas, breisteek, steek, strik raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel reinigen, schoonmaken, louteren borstelen, schuieren uitleggen, duidelijk maken, beduiden rein, puur, schoon, zindelijk louteren, reinigen, schoonmaken zindelijk, puur, helder, rein, schoon louteren, reinigen, schoonmaken aanwijsbaar, vertoonbaar apert, evident, kennelijk, duidelijk laten blijken, manifesteren kennelijk, evident, apert vlakte beslist, absoluut, ten enenmale klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk gewis, zeker, vast, stellig sedert, met ingang van, vanaf op een keer, eens van voren af aan, nogmaals, opnieuw opnieuw, van voren af aan, nogmaals van voren af aan, nogmaals, opnieuw van voren af aan, nogmaals, opnieuw afgezonderd, afzonderlijk daarop, vervolgens sinds, sedert, vanaf ode ode afspiegeling, weerglans afspiegeling, weerglans ontwoekeren

sensatie bevoelen. tak afbetalingstermijn. spiegelen. nuancering schaduwen schakering. ontraadselen klapstuk. voelen. innen. slank. amputeren. afladen tint schakering. agent . nuancering nuance. kruk. annuïteit afdruk indruk maken op. uitladen. aars serveren. nuance. voorleggen karnen gepensioneerd. schakering. aars anus. persoon. tasten. klink scheren. wegsnijden afzetten. betasten vertegenwoordiger. wegnemen. hengsel. accepteren ontvanger afspiegelen reflecteren. handvat. nuancering tint abscis oor. schare. rissen. imponeren ontcijferen. aannemen. amputeren. rustend. kudde. toehoorder voor voldaan tekenen. snoeien branche. inzamelen aanvaarden. snuiter logeren ritsen. terugkaatsen ontvanger ontvanger ontvanger gebruiker luisteraar. knul. kwiteren hoop. drift afdruk nadruk. knippen. tenger aberratie. aars anus. groep.odbierać odbierać odbierający odbijać odbijać się szerokim echem odbiorca odbiorca danych odbiorca docelowy odbiorcą odbiornik odbiór odbiór (długu odbitce odbitka odblokować odbyt odbytnica odbytnicą odbywać odchodzenie klientów odchodził odchodź odchudzać się odchylenie odchylenie odciąć odciąć dopływ odciąg odciąg odciąga odciążyć odcień odcień odcień odcień odcień odcień barwy odcięta odcinać odcinanie odcinek odcinek (powieści) odcisk odciskać odcyfrować odczucie odczuwać odczynnik chemiczny collecteren. in ruste aftreden. dealer. afwijking afleidingsmanoeuvre afzetten. nuance. afhalen lossen. vak. sujet. herdruk ontsluiten anus. met pensioen gaan rank. wegsnijden kerel.

doorklinken isoleren. aftakking boe weergalmen. piesen poepen. naklinken. galmen. een plas doen. aangrijpen agentschap gescheiden isoleren. afzonderlijk verscheidene. bedreigen isoleren. diverse aanvaarden. afzonderen afgezonderd. aangrijpen vandoor. gissen. vertrek een miskraam krijgen. heen. kakken serveren. afzonderen uittocht. doorzien tak. afreizen . over pissen. afzonderen dreigen.odczyt odczyt z wyprzedzeniem odczytać odczytaj odczytywać elektrycznie oddać (przysługę) oddać (się czemuś) oddaj oddalony oddawać mocz oddawać stolec oddawać usługi oddech oddychać oddychanie oddział oddziaływać oddziaływanie wzajemne oddzielać oddzielać oddzielać oddzielny oddzielny odebrać odwołać unieważnić odejmij odejmować odejmowalny odejmował odejmowanie odejście odejść odejść z kwitkiem odemknąć oderwać oderwać odetchnąć odezwa odgadywać odgałęzienie odgłos odgłos odgłos odgłos kroku odgradzać odgrażać się odizolować odjazd odjeżdża college geven lezen decoderen college geven betekenis. aannemen. spanderen bemachtigen. echoën Echo naklinken. verklaring raden. verwijderd. ontlasting hebben. mislukken aftreden. doorscheuren ademhalen. ademen ademhaling agentschap aandoen. zin reproduceren. vertrek op reis gaan. ademen declaratie. weergeven opdragen. voorleggen adem ademhalen. spenderen. accepteren aftrekken aftrekken afneembaar aftrekken aftrekking uittocht. met pensioen gaan ontsluiten verstrooien vaneenscheuren. afzonderlijk afgezonderd. grijpen.

afschuwelijk uiteenlopend. gegoten voorwerp baseren. als. afschrijving vandoor. amortisatie. ververwijderd. afhalen uittocht. rissen. afbeelden achterhouden ontkennen veranderen. toen vertraging afgeven. verwijderd. afnemen variatie. wegnemen. verbeelden. vanaf wanneer. deponeren. eind ververwijderd. stem bikken. anders maken variatie. weigering afwijzing. het verdommen. steunen. boetseren ritsen. afwisseling veranderen. vervoegen ijselijk. sedert. aanhouden ontdekking ontdekken ontdekken stutten. afkeuren . anders maken dalen. variëteit. funderen modelleren. vertrek eenzaam partij. schragen ontdekken ontdekking aflossing. in bewaring geven uitstellen. ver. gebrekkig afneembaar afstandelijk verloten. ver afgietsel. afreizen desinfecteren. tegenspreken afwijzen. grondvesten. afzonderlijk uitbeelden. weigering negatief.odjeżdżać odkazić odkąd odkąd odkładać odkładać odkładać odkrycie odkryć odkrywać odkrywać odkrywać odkrywanie urządzeń sieciowych odkupienie odlatywać odległość odległy odległy komputer macierzysty odlewać odlewać odlewać odliczyć odlot odludny odłam odłamek odłamek odłączać odłączalny odłączony odłączyć odłączyć odmalowuj odmawia odmawiać odmiana odmiana odmiana baseballu odmianą odmianą odmieniać odmienny odmienny odmowa odmową odmowny odmówić odmówić op reis gaan. heen. verdagen. afwisseling conjugeren. loten afgezonderd. afbikken splinter invalide. kleiner worden. cliché in tegenspraak zijn met. ontsmetten sinds. verwijderd verwijderd. variëteit. over afstand. verschillend afwijzing.

referentie lijken. vertellen. genezen. bijbehorend gepast. aangaande. renoveren verwijzing. onvatbaar. antwoorden op adequaat. afval tegenweer. geschikt . het verdommen. overkomen. vies ruiken afwijzen. renoveren isolatie. getij ebrusten rest. helen vernieuwen. antwoorden op reageren corresponderen antwoorden. familielid bewerkstelligen. resistent antwoorden. afdruk antwoorden. bloot. ontslaan doen verdampen. doorvoeren aanvaarden. louter stinken. debiteren verwant.odmrożenie odnajdywać odnalezienie odnaleźć odnawiać odnawiać (mieszkanie) odniesienie do obiektu odniesienie niejednoznaczne odnieść wrażenie odnoga odnosić się odnoszący się odnoś odnoś odnośnie odnośnik odnowić odnowić odosobnienie odosobniony odosobniony odór zynek odpadki odpalać odparowywać odparzyć odpaść odpis odpisać odpływ odpływ odpływ odpływ kanał odpoczynek odpoczynek odporność odporny odporny na wstrząsy odpowiada odpowiada odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać (<to sth> czemuś) odpowiadać za odpowiedni odpowiedni door bevriezing veroorzaakte wofrostbite ontdekken ontdekking beter worden. indampen blaar terugvallen exemplaar. rommel. passend. referentie verwijzing. afdruipen ebtij. omtrent verwijzing. resistent immuun. antwoorden op reageren antwoorden. referentie versieren vernieuwen. isolering alleenstaand. tegenstand immuun. onvatbaar. tegenkanting. antwoorden op neerdruipen. overblijfsel. renoveren vernieuwen. afkeuren ontzetten. uitdampen. schijnen been verhalen. accepteren betreffende. aannemen. geïsoleerd enkel. royeren. antwoorden op corresponderen antwoorden.

zich verpozen verslappen. antwoorden op verfomfaaien. in bewaring geven gruwel. sprank uitstellen. naar behoren. afzonderlijk jota ons vonk. betamelijk. aanhouden afstand. walging. gelijkwaardig evenwijdig. antwoorden op antwoorden. begeleiden splinter marktplein. aansprakelijk verantwoordelijk. boerderij. misselijkheid afschuwelijk ijselijk. onderkennen . behoorlijk. fatsoenlijk equivalent. zich verpozen verslappen. accompagneren. kreukelen. marktplaats aflaat mazelen Oder mazelen mazelen afgeven. antwoorden op antwoorden. ontslaan verslappen. eind uit elkaar houden. antwoorden op antwoorden. behoorlijk netjes. afgrijselijk uiteenlopend. behoorlijk betamelijk. verdagen.odpowiedni odpowiedni odpowiedni odpowiednik odpowiednik odpowiednio odpowiednio odpowiednio do odpowiedniość odpowiedzialność odpowiedzialny odpowiedzialny (<for sth> za coś) odpowiedzialny za coś odpowiedzieć komuś/na coś czymś odpowiedzieć <to sb/sth> komuś/na coś <with sth> czymś odpowiedź odpowiedź odpowiedź opóźnienia grupowego odpowiedź z danymi EGP odprasować na kant odprawić odprężacć się odprężyć (się) odprężyć się odprowadzać odprysk odpust odpust odra Odra odra (choroba) odra choroba odraczać odraza odraza odrazą odrażający odrażający odrębny odrębny odrobina odrobina odrobina odroczyć odrośl odróżniać odróżniać genoeg. aansprakelijk reageren reageren antwoorden. afkeer. op de juiste wijze netjes. parallel gevoeglijk. aansprakelijk verantwoordelijk. naar behoren. frommelen ontzetten. walging. behoorlijk landgoed. bezitting verantwoordelijkheid verantwoordelijk. markt. royeren. verschillend afgezonderd. deponeren. gruweldaad walg. misselijkheid walg. onderscheid maken onderscheiden. voldoende fatsoenlijk. verschrikking. zich verpozen vergezellen. bazaar. afkeer.

odróżnić odruch odruch odryglować odrzuca odrzucać do tyłu odrzucenie odrzucić odrzucić odrzucić odsetce odsetek odsetki odsłaniać odsłona odsłoną odstęp odstęp odstęp odstęp między znakami odstęp międzywierszowy odstęp proporcjonalny odstępstwa odstrasza odsunąć odsyłacz odsyłacz odszkodowania odszkodowanie odszkodowanie odszukać odszukać odszyfrować odświeżać odświeżać odświeżanie odświeżyć odświeżyć odświeżyć odświeżyć się odtajnić odtrącać odtwarzać tok rozumowania odtworzenie oduczyć odurzyć odwadze odwaga onderscheiden. gaping uittocht. loon. afnemen afdanken afslaan. dol. beschonken lef. schaden vinden. aanwakkeren opknappen. weergave afleren. aantreffen afbakenen ontcijferen. wereldruim. opfrissen ontcijferen. voetstuk ruimte. overeenstemming beloning. durf lef. afwennen dronken. bestek. durf . afschrikken vandoor. accoord. verhouding rente. zat. ontraadselen sterker worden. verwijderd. laven. over sterretje. afwijzen opgooien. dapperheid. moed. referentie akkoord. ontraadselen afpoeieren reproduceren. renoveren opknappen. proportie. treffen. speling afstand. gooien afwijzing. bres. toneel. vertrek verjagen. opening. asterisk verwijzing. procent. heen. eind interval. opfrissen verfrissend opknappen. laven. dapperheid. verwerping dalen. moed. afwijzen evenredigheid. gat interval. weergeven reproduktie. opfrissen verfrissend vernieuwen. vergelding schade aanrichten. kleiner worden. impuls. tussenruimte opening. piëdestal. laven. interesseren openbaren. percent belang inboezemen. verwerpen. kenbaar maken scène. tussenruimte pedestal. onderkennen aandrift. verwerpen. bevinden. tafereel. toenemen. drang. aandrang schokken ontsluiten afslaan. tableau mond.

ferm dapper. links converseren. decoratie . kledingstuk wapen. intrekken appelleren. rugstuk aftrekken. dooien. wederkerig. ommezijde. wegsmelten uitstellen. reproduceren. koen gewicht flink. eerlijk. geregeld bezoeken bezoeken. wagen zich wagen aan. onthouden afbestellen afbestellen verwijzing. kleding gewaad. erven kleren. blazoen decor. rugstuk achterzijde. een gesprek voeren onderling. ommezijde. verdagen. strijdig converseren. insigne. gat. ommezijde. braaf. bekendmaken afbestellen afdanken zich herinneren. boud. opzoeken mond. aandurven restitueren. vergelden. beantwoorden hergeven. opzoeken bezoeken. een beroep doen op afleiden. dapper. boud. afgaan. moedig. koen het gewicht bepalen. de aftocht blazen linker-. kloek.odwaga odważnie odważnik odważny odważny odważyć odważyć się odważyć się odwdzięczać się odwiązać odwiedzać odwiedzać odwiedziny odwiert odwilż odwlec odwokat odwołać odwołać odwołać (kogoś lub coś) odwołać skasowanie odwołanie odwołanie przez adres odwołuj odwołuj odwoływać się odwracać odwracać odwrocie odwrotne łamanie odwrotność odwrotność odwrotność odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny bez powrotu do zera (zapis) odwrócić odwzajemnić odwzajemnić się odwzorowanie odyseja odziedziczyć odziedziczyć odzież odzież odznace odznaczenie zenuw dapper. afwegen zich vermetelen. terugbetalen afbinden. tegenliggend. wederzijds achterzijde. rugstuk afleiden. verstrooien terugdoen. onderscheiding. teruggeven bitmap Odyssee afwisselend beërven. een gesprek voeren achterzijde. aankondigen. losmaken bezoeken. opening ontdooien. gedenken. ommezijde. rugstuk tegengesteld. aanhouden adviseren. verstrooien achterzijde. losbinden. wegen. moedig. afgaan. kloek. referentie afschaffen terugtrekken.

slachtoffer opofferen.odznaczyć odznaka odznaka odzwierciedla odzwierciedlać odzyskać odzyskać odzyskiwać odźwierny ofercie oferować oferować oferta oferta officer celny ofiara ofiara (na jakiś cel) ofiara życiowa ofiarować oficer oficjalny oficjalny ofset ogarniać ogień ogień armatni oglądać oglądać oglądać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłosić ogłosić ogłosić ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenie ogłoszenie ogłoszenie ogłoszeniodawca ogłuchnąć ogłuszał ognisko ognisko elimineren. getroffene. aanplakbiljet. beteuterd ontzetten. aankondiging bericht. adverteren adviseren. eind inslikken. aankondigen. bedremmeld. presenteren. terugkaatsen ontwoekeren beter worden. aanzoek officier afgemeten. aankondiging. aanzoek huwelijksaanzoek. terugkaatsen reflecteren. helen uitvoeren. aanbieden huwelijksaanzoek. afstammen uitspreken aandienen. binnenkrijgen. royeren. nauwgezet opofferen. nakijken. aankondigen. aanzoek nauwkeurig. focus. genezen. advertentie affiche. ontslaan ontzetten. indienen huwelijksaanzoek. aanbieden dupe. royeren. opdoeken wapen. openbaarmaking adverteerder. bekendmaken het gevolg zijn van. uitvaardigen. ontslaan onderzoeken. officieel afstand. advertentie. afkondigen uitgeven. aandienen aandienen. advertentie afkondiging. aankondigen. helen beter worden. aankondigen. blazoen kegel reflecteren. examineren inspectie houden. innemen ontzetten. expediëren te koop aanbieden. spiegelen. afschaffen. verkondiger goed staan beduusd. haard . offeren. plakkaat bericht. ontslaan brandpunt. advertentie. genezen. aankondiging. inspecteren uitzicht adverteren. verzenden. royeren. ceremonieel. spiegelen. accuraat. adverteren proclameren. aanzoek afzenden. plechtig ambtelijk. insigne. aankondiging bericht. emitteren bericht. aanbieden huwelijksaanzoek. offeren.

zetten monteren. tuinier. beknotten begrensd. begrenzen beperken. heg. begrenzen. afsluiting. ruim. eindig tuinieren tuinman. beknotten hek. begrenzen. beperkt. hovenier kraal. barrière haag. kanaal. beperken.ognisko ognisko domowe ognisko domowe ognisko kowalskie ogniskował ogniwo ogniwo ogniwo (np. grens beperken. reusachtig royaal. begrenzen. begrensd. beperken. omheind terrein afgrijselijk enorm buitengewoon gigantisch. schouw piepen. łańcucha) ogolić ogon ogonach ogólnie ogólnokształcący ogólnoświatowy ogólny ogólny test klasyfikacyjny ogół ogółem ogórek ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać niosłości ograniczenie ograniczenie topologii ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych ograniczony ograniczony ograniczony wejściem-wyjściem ograniczyć ograniczyć ograniczyć spożycie (zużycie) ograniczył (się) ogrodnictwo ogrodnik ogrodzenie ogrodzenie ogrodzenie ogrodzić ogrodzić (żywopłotem) ogrodzone miejsce ogromny ogromny ogromny ogromny ogromny ogród open haard. zetten afscheren schaduwen rok in het algemeen. eindig. beknotten beperken. straat beperkt. beperkt beknotten. heining. beperken. begrenzen begrensd. begrensd. groot hof. eindig beknotten. kerker monteren. cel. knarsen smeden brandpunt. tuin . heg. barrière beperkt. doorgaans generaal wereldwijd generaal algemeen. afsluiting. steg haag. haard. nauw. beknotten beperkt. gemeenschappelijk geheel alles wel beschouwd komkommer begrenzen. breedvoerig. begrensd. afsluiting. beknotten begrenzen. eindig zeeëngte. beperken. steg hek. haard cachot. focus. heining. haardstede haardstede. barrière kraal. schoorsteen. omheind terrein hek. eindig perk. heining.

knabbelen kern. vuur verwarming verschrikking. gelegenheidsopdraven. sleuf. vaartje. hongerigheid. beleggen. houder afdingen. gruweldaad. vaartje. opdagen sponning. alledaags. bij acclamatie benoemen graagte. gleuf raam. trek toejuichen. vader. bedekken voering raam. papa. specimen. bij acclamatie benoemen banaal. naamgever. eetlust.ogród ogród zoologiczny ogryza ogryzać ogryzek ogrzać Ogrzewać ogrzewanie ohyda ohydny ojca ojciec ojciec chrzestny ojczym ojczysty ojczyzna ojczyźnie oka okablowanie okaz okaziciel okazja okazja okazja okazją okazjonalny okazywać się okienka okienko okiennica oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwał oklepany oklepany okład okładce okładka okładziną okna okno okno dialogowe okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) okno panel pole oko dierentuin hof. maal incident. peet stiefvader ingeboren. toedekken. foedraal. oog . papa. gebeuren afdingen. marchanderen toevallig. venster raam. monster. aangeboren vaderland vaderland kijker. afgrijselijk pater. venster luik toejuichen. venster bericht. glaswerk kijker. gebeurtenis. boodschap verzenden glaswaar. peter. proefstuk schede. gruwel afschuwelijk. vensterruit. ouder pater. pingelen. pingelen. marchanderen keer. ouder peetvader. oog span proef. pit warm gloed. afgezaagd afgezaagd comprimeren mouw dekken. bij acclamatie benoemen toejuichen. vader. tuin knagen knagen.

bepalen determineren. aanstaand. soortelijk pot. roven. een stuk of. zwendelen. etui.oko magiczne okok okok ca okolica okolica okolica okolicą okolicznik okolicznosciowy okoliczności okolicznościowy okoliczność okoliczność około około okop okop okrada okradać okradać kogoś okraść okrąg okrągły okres okres okres okres okres ważności klucza kryptograficznego okres wykonania okres życia okres życia okresowy określać określenie określenie danych określenie ilościowe określenie intymnej części kobiecego ciała określić określić określony określony okręcie okręg okręgowy okręt wojenny okroić obcinać okropność kijker. frauderen knoeien. vakterm krant specificeren benaming. accident. komend eerstvolgend. foedraal. definitief specifiek. komend oppervlakte. gruwel . tijdvak podium. gracht loopgraaf stropen. open veld bijwoordelijk toevallig. bak. stand van zaken. tribune. kuil. gruweldaad. leiding term. bak. foedraal. naam prostituée. zwendelen. ongeval toevallig. wielrijden wiegen periode. tijdvak term. doos. hoer kut. omschrijven. tijdvak periode. plunderen sluipen knoeien. groeve. etui. gouw streek-. aanstaand. nauwkeurig bepalen onherroepelijk. greppel. frauderen kring. oppervlak platteland. arrondissement. gebied platteland. naamwoord. gewestelijk. stand circulerend. areaal. regionaal pot. gelegenheidsongeluk. buitmaken. in omloop ongeveer. lichtekooi. open veld oppervlakte. oog eerstvolgend. vulva kut. bestuur. vakterm periode. cirkel ronde fietsen. gelegenheidsomstandigheid situatie. vulva definiëren. koker district. circa groef. koker afknotten verschrikking. doos.

gruwel kruimel. bekleden bezetten. handeldrijven. i w przen. beleggen. kreupel. gigantisch gigantisch. hinkend oogarts occult occult loskopen. gruweldaad. bekleden reus reusachtig. bijkans. kijkspel. broodwinning. beslaan. haast. fatsoenlijk smeden spektakel. geleiden. bedrijf handwerk. bijna handelen. behoorlijk. toedekken. wreedaardig dekken. barbaars. leiden potlood altaar ohm schier. bewusteloos raken . broodkruimel wreed. afkopen handwerk. inwikkelen. blind maken de weg wijzen. omhullen octaal. enorm. brandstof olie olie olijf olie olijf olijf verblinden. beslaan. bedekken hullen. ambacht beroep. ambacht aanwezige aanwezige bezetten. els olie olie stookmateriaal. broodkruimel verschrikking.okropny okropny okropny okropny okruch okrucieństwo okruszyna okrutny okryć okrywać oktalny okucie Okucie okulary okulary okulawić okulista okultystyczny okultyzm okup okupacja okupacja okupacją okupancie okupant okupować okupował olbrzym olbrzymi olbrzymi olcha olej olej rycynowy oleje i smary oliwa oliwą oliwą oliwić oliwka oliwny olśnić (dosł. zaken doen bezwijmen. vrijkopen. beroep. beroep. ijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. ijselijk kruimel.) ołów ołówek ołtarz om omal omawiać warunki omdlenie afgrijselijk schrikaanjagend. achttallig betamelijk. geweldig elzeboom. schouwspel bril mank.

schragen uitwasemen aanbranden in kokend water doen schare. operatie. ze. pakken kruisband. wuiven. keuze keus. ingreep kansel. bedillen schoor.omen omija omit omlecie omlet omlet omnibus omówić omówienie omszały omultiset omulti-set on ona ondulacja one oni oni sami ono opactwa opactwo opada opadać opakowanie opakowanie ochronne opal opalać się opalenie opancerzenie opar oparcia oparcie opary oparzenie oparzenie słoneczne opaska opat opat tor opatrunek opatrunek opatrzyć opcja trasowania według nadawcy opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną opera operacja operacja zmiennopozycyjna operatora teken. steunbeer. omelet struif. alternatief. zij. zak hij. troep. hun hen. hun het abdij abdij hangen verval inpakken. zwaaien hen. zak tas. voorteken mijden. discuteren recenseren. keuze opera bewerking. ontwijken missen. katheder . hun hen. looien aangebrand kuras. misgrijpen struif. bus bespreken. bespreken mossig tas. voorbode. operatie. hem haar. banderol opaal tanen. omelet struif. beer stutten. mislopen. bepantsering. omelet autobus. pantser haarkloven. ingreep bewerking. leerstoel. zij. ze. leerlooien. zij. afbinden een verband omleggen keus. wikkel. ze. bende abt abt zwachtel. harnas. uit de weg gaan. alternatief. verband toebinden. steunen. ze gebaren. verpakken. zij.

verhaal. grenzen aan nonchalant. onderwerp. afval tegenspartelen. tegenstand trekken tegenweer. vertelling betrekking. vonnis tafereel. aandacht bescherming beschermheilige. verhaal. visie judicium. tegenkanting. ding tegenweer. obsederen bezitten. tegenkanting. verhaal. uitbetalen. tegenstand opportunist. relaas. het doen beklemmen. het maken gestroomlijnd eerstvolgend. mening. nonchalant gedachte. betalen. uitbeelden. object. afbeelden beschrijven opium storten. verdieping vertelsel. sententie. schildering. aanslaan belastingaanslag. oppositie tegenweer. bezwaar hebben tegen belenden. vertelling etage. erop nahouden. rommel. aanstaand. beschrijving verbeelden. band tegenstander tegenstander mikpunt. porto gesteld zijn. verband vertelsel. dokken rouwen rouwen gesteld zijn. onachtzaam nalatig.operą operować opętać opętywać opieka opieka opiekun opiekun klienta opiekunka do dziecka opierać opierać się opierać się opierać się o coś opieszały opieszały wstęp opinia opinia opis opis opis techniczny opisać opisywać opium opłacać opłakiwać opłakiwał opłata opłata (za przejazd) opłata jednostkowa opływowy opodal opodatkować opodatkowanie opona oponent oponent oponować oporność oportunista opowiadanie opowiadanie opowiadanie opowiadanie) opowieść opozycja opór opór magnetyczny opór sprzężenia zwrotnego opera functioneren. komend belasten. beschermheer chaperonne oppas rest. nalatig. beschrijving recenseren. dunk. meeloper vertelsel. tegenkanting. relaas. uitspraak. tegenstreven standhouden. frankering. luchtband. het maken port. tegenstand . schildering. relaas. onachtzaam. attentie. aanslag pneumatiek. opinie. vertelling tegenstand. bespreken tafereel. rijk zijn acht. omgang. overblijfsel.

reep. cessie. foedraal. zich voordoen hol. bedanken naar beneden gaan. schede. ledig. loos. afslachten inbinden. windsel schede. links achterwege laten. binden strip. laten varen op reis gaan. zetten montage. grondvesten. bij. afdalen concessie. afreizen linker-. funderen bereidwillig. doch uitzonderen zich aanstellen. rugwaarts compileren. samenstellen monteren. toegeving zonder vrienden gemeen. loos. leeg hol.opóźniać się z czymś opóźnić opóźnić opóźnienie opóźnienie propagacji opóźniony zapis opóźniony zapis opracowywać oprawa oprawa okularów oprawą oprawcą oprawia oprawiający oprawka oprawka oprawka oprócz oprócz oprócz oprócz oprócz opróżniać adj pusty opróżnić opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) opryszek oprzeć oprzejmy oprzęd oprzytomnieć optyczny wskaźnik działania optyk optymista optymistyczny optymizm opublikować opuchlina opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać (się) opuszczenie opuszczenie opuszczony opuszczony vertraging vertraging achterlijk vertraging vertraging achterover achterwaarts. weglaten uittreden. houder velg houder. achteruit. afstand. ledig. poef in de steek laten. naast overigens. dichtbij. strook. besef. trouwens maar. band. bereidvaardig cocon bezinning. foedraal aan. immoreel. ondoorgrondelijk . emitteren pof. leeg Vlissingen gangster baseren. bewustzijn daglicht opticien optimist optimistisch optimisme uitgeven. vatten slachten. aftreden. lens. lens. inlijsten. zetting in een lijst zetten. onzedelijk onpeilbaar. nabij.

zwelgpartij. drinkgelag orgie. beploegen geldkist. ploegen. baan orchidee hardhandig. verdediger apostel. schrijfwijze oorspronkelijk. orkest. organisch organisatie organisatie administratiekantoor organisatie organisme systeem. regelen. bestel uitschrijven. onlusten. somber. fonds Oranje oranje redenaar oogkas. uitweg op reis gaan. muziekkorps orkestreren planeet. grof. onkies.opuszczony opuścić opuścić opuścić opuścić opuść (się) orać orać oranż oranż orator orbicie orbita orbita okołoiziemska orbitować orchidea ordynarny orędownik orędownik orędzie organ organ ds. kas. oostelijk band. afleggen. organiseren uitschrijven. van oorsprong oorspronkelijk. mislukken afrit. boodschap orgaan orgaan organiek. muziekkorps band. opgeven een miskraam krijgen. rejestracji użytkowników organiczny organizacja organizacja firma organizacja i zarządzanie organizacją organizm organizm organizować organizował organy orgia orgia orgią orientacja w przestrzeni orientalny orkiestra orkiestra smyczkowa orkiestrować ornacie ornament ornamentacja orszak pogrzebowy ortodoksyjny ortografia oryginalnie oryginalny weggelaten prijsgeven. baan oogkas. voorvechter bericht. lomp. zwerfster versieren versieren gastheer orthodox. ruw pleitbezorger. spelling. zwelgpartij. uitgang. baan oogkas. rechtzinnig orthografie. origineel . regelen. opstand orgie. drinkgelag houding oosters. baan oogkas. stelsel. advocaat. naargeestig omploegen. organiseren orgaan muiterij. afreizen troosteloos. orkest.

bereiken. schommelen economisch aarding. origineel moer walnoot. berechten geschommel. inhalen akkoord. okkernoot kokosnoot. bereiken. klapper klapper. bereiken. kwiek verfrissend wesp akkoord. klappernoot. esp . inhalen. schommeling oscillator oscillograaf oscillograaf slingeren. druk. aardnoot levendig. apenoot. kokosnoot hazelnoot walnoot. overeenstemming monteren. accoord. arend pinda. oscilleren. rap. behalen bereiken. bereiken. zetten wesp beoordelen. klappernoot. aardnoot moer adelaar. inhalen bereiken. vreemd oorspronkelijk. verkrijgen. okkernoot pinda. kras. arend adelaar. aardleiding behalen. afdoen acht tachtig tachtig achttiende achttien achttiende achttien ouderloos ratelpopulier. inhalen. inhalen behalen. okkernoot walnoot. accoord. oordelen. inhalen buit maken. overeenstemming afhandelen. curieus. behalen behalen. apenoot.oryginalny oryginał orzech orzech orzech alskowy orzech kokosowy orzech laskowy orzech nerkowca orzech orzech orzech włoski orzech ziemny orzeł orzeł czy reszka? orzeszek ziemny orzeźwiający orzeźwiający osa Osada osadzić osą osądzać oscylacja dwustanowa oscylator oscyloskop oscyloskop elektroniczny oscylować osdzczędny osiadanie na mieliźnie osiąga osiągać osiągać osiągalny osiągalny osiągnąć osiągnąć osiągnąć osiągnąć szczyt osiedle osiedlić osiem osiemdziesiąt osiemdziesiątka osiemnasta część osiemnastka osiemnasty osiemnaście osierocić osika typisch. behalen aanspreekbaar verkrijgbaar behalen.

kap jasje. lijst. bordje. bord bedaren. raam personage. banderol huik.osikowy osioł osioł osioł oskard oskarżać oskarżać oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) oskarżać (kogoś o coś) oskarżenie oskarżony oskarżyciel oskarżyć przed sądem Oslo oslona osłabiać osłabiać osłabiać osłabiać osłabić osłabnąć osłaniać osłodzić osłona osłona osłona osłona osłona osłona osłona przeciwsłoneczna osłona TCP osłoną osłoną osłonić przed wiatrem osnowa tkaniny osoba osoba dająca ogłoszenie (np. toedekken. mantelkap. uithangbord. colbert. bordje. aanklagen beschuldiging. luwen verdunnen. bord toevluchtsoord. capuchon. bord suiker boezelaar. bordje. afkluiven beschuldigen. luwen schild. uithangbord. slof. bekoelen. sloof. voorschoot huik. asyl kader. beschuldigde. verkondiger oppas menselijk. persoon adverteerder. capuchon. betichten. schort. eigenaardig persoonlijk persoonlijk kegel . esp ezel ezel afgodsbeeld knabbelen. buis overjas. aangeklaagde beschuldigen. geaardheid gek. omlijsting. vreemd. bekoelen. karakter. beleggen. beschuldigde. aanklagen beklaagde. betichten. accompagnement muiltje. beschuldiger een proces aanspannen tegen Oslo schild. aanklacht beklaagde. jas bescherming kruisband. colbert. raar. betichten. mantelkap. buis dekken. verzwakken aanlengen aanlengen aanlengen bedaren. humaan begeleiding. do gazety) osoba pilnująca dziecka osoba postępująca w sposób humanitarny osoba towarzysząca osoba używana do przemycania narkotyków osobistość osobisty osobisty osobisty numer identyfikacyjny osobisty numer identyfikacyjny ratelpopulier. bedekken schild. wikkel. uithangbord. aanklagen beschuldigen. muil aard. asiel. aangeklaagde aanklager. kap jasje.

behouden. leuning. ten slotte. afgezonderd gek. acuut. voorafgaand vergevorderd. levendig. voorzichtig verstandig safe. afzonderlijk geïsoleerd. per saldo eindelijk. uiteindelijk voorgaand. voorbijgaand puntig. bovenmatig finaal. eigenaardig typisch. kort geleden muntstempel drager. prikkelen hulst guurheid. geaardheid persoonlijk zouten bromfiets pokken doffe onverschilligheid. voorafgaand voorgaand. kwiek. nóż) ostry ból ostry nabój uzelf. schelheid. fel. vreemd hoofdelijk. ergst. de laatste tijd onlangs. laat recentelijk. helder. doordringend sluw steek bijtend. verleden. dierlijk kras. zorgen behoedzaam. druk bar. curieus. prikkelen de sporen geven. felheid hardvochtigheid. spits . lethargie druilerig. voorbijgaand beestachtig. ruw. vreemd. slaperig eindelijk. raar. bruut. zorgen waarschuwen zich bekommeren. ten slotte. verleden. helder. alleenstaand aard. jijzelf afzonderlijk. bezorgd zijn. eventueel uiterst. guur. veilig scherp. voorzichtig zich bekommeren. extreem. doordringend scherp. geborgen. karakter.osobiście osobliwy osobliwy osobliwy osobnik niosący trumnę osobno osobny osobowość osobowy osolić osowiały ospa ospałość ospały ostatecznie ostatecznie ostateczny ostateczny termin ostatni ostatni ostatni na wejściu—pierwszy na wyjściu ostatnie (wiadomości) ostatnio ostatnio ostemplować ostoi ostrodze ostroga ostrokrzew ostrość ostrość. szorstkość ostrożnie ostrożność ostrożność ostrożny ostrożny ostrożny ostrożny ostry ostry ostry ostry ostry ostry ostry (ból) ostry (np. guur. acuut. steun de sporen geven. straf bijtend. individueel afgezonderd. stut. bezorgd zijn. streng. hardheid zachtjes. per saldo gebeurlijk. fel. duchtig. hard. rap.

tip waarschuwing. oever kling. taxeren bestseller. oever aanzetten. bergen. africhten temmen. africhten schatten. boord. africhten temmen. lemmet waarschuwen waarschuwen waarschuwing. tip waarschuwen affiche. dresseren. lemmet wal. taxeren. belasteren roddelen. waarderen belastingaanslag. snoeien maaien wal. furore duizelig roddelen. aanslag schatten. dresseren. waarderen. kant. dresseren. tip waarschuwen waarschuwen waarschuwen knippen. kust. waarderen. hebbelijkheid . scherpen. bedriegen zwendelen. plakkaat waarschuwing. kwaadspreken. zwendelen. frauderen. africhten temmen. lemmer. scheren. begroten. dresseren. behouden duizelig Mars schurkachtig handelen knoeien. begroten appreciëren. kust. africhten huistemmen. frauderen schurkachtig handelen misleiden. slijpen afkoelen aardverschuiving temmen. kwaadspreken.ostrydze ostryga ostrz ostrze ostrze ostrze noża ostrzega ostrzegać ostrzeżenia ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie o otwarciu obudowy ostrzeżenie o poziomie tuszu ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora ostrzeżenie o rozładowaniu baterii ostrzyc ostrzyc ostrzyć ostrzyć ostudzić osuwiska oswajać oswoi (się) oswoi się oswoić oswoić oswojony oszacować oszacować oszacowanie oszacowanie oszaleć oszałamiający oszczerstwa oszczerstwo oszczędność oszczędny oszczędny oszczędzać oszołomiony oszpecać oszukać oszukać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oester oester aanzetten. scherpen. belasteren economie. dresseren. aanplakbiljet. slijpen kling. kant. lemmer. boord. knoeien aanwensel. spaarzaamheid economisch spaarzaam redden.

galnoot afgrond. bedrieger jongleur haai schurkachtig handelen jongleur zwendelen. rang uitspreken uitloven. insluiten muur. verlichten illumineren. uitspraak declareren uitloven.oszukiwał oszust oszust oszust oszustwo oszustwo oszustwo telefoniczne oszyc oś oś oś oś oś (koła) oś (obrotu) ośka oślepia oślepiać oślepić ośmielać ośmielać się ośmielić się ośmiobok ośmiokąt ośmiokątny ośmiokrotnie ośmiokrotny ośmiornica ośmiornicą ośrodek ośrodek ośrodek zdalny oświadczać się oświadczać się oświadczenie oświadczenie oświadczyć oświadczyć (się) oświadczyny oświadzenie oświeca oświecać oświecać oświetlać otaczać otaczać murem otarcie (skóry) otarcie skóry otchłań misleiden. uitspraak illumineren. verlichten illumineren. status. aansporen zich vermetelen. blind maken verblinden. kwakzalver. draaien as. aanwakkeren. binnenste. verklaring declaratie. spil verblinden. bedriegen charlatan. bieden. as as. bieden. omgeven. verlichten illumineren. knoeien borduren prieel spil. kolk . as declaratie. aanbieden declaratie. verlichten omringen. aangifte. aangifte. stand. aanbieden spil. blind maken blind aanvuren. spil roteren. aanspraak maken op achthoek achthoek achthoekig achtvoudig achtvoudig octopus octopus middelpunt. frauderen. wagen claimen. wand afschaving gal. centrum ligging graad. spil staf as. plantengal.

blikopener openmaken. zulks haver hullen. gat sponning. dapperheid. er. gat. durf mond. datgene. vergeven gal. rondweg openheid openmaken. opening. opening. plantengal. gleuf mond. gat. opendoen. rustbank goed. nu goed vergiftigen. opening sponning. tappen. dik insekt eirond. haar harig. ruig . inwikkelen. gleuf mond. buit maken aanvaarden. medium. casco omsluiten omringen.otchłań otchłań oto otoczenie otoczenie otoczenie sieciowe otoczka otoczyć otoczyć otomana otóż otruć otrzeć (odparzyć) skórę otrzeć (skórę) otrzymać otrzymać otucha otwarcie otwarcie otwartość otwarty interfejs przygotowywania do druku otwieracz do konserw otwierać otwierać (z klucza) otworzyć (spadochron) otwór otwór otwór (np. bodem. diepte ginds. aldaar. opening fjord sponning. afgrond kolk. sleuf. omstreken omgeving. ruigharig. accepteren lef. gat ronduit. sleuf. omstreken scheepsromp. vergallen. openen ontsluiten loslaten. do wrzucania monet) otwór do wrzucania monet otwór poczty (mechanizm komunikacji międzyprocesowej) otwór wentylacyjny otwór wiertniczy otwór wiertniczy otwór zabezpieczenia zapisu (w dyskietce) otyły otyły owad owal owalny owca owi owies owijać owłosienie owłosiony kolk. uitlaten. openen opener. lossen mond. insluiten Turkse staatsraad. ovaal eirond. lijvig lijvig. daarginds milieu. divan. omgeven. opening dik. opening mond. open en bloot. sleuf. omhullen haardos. gleuf mond. ovaal schaap dat. afschaven verkrijgen. aannemen. gat. gat. opendoen. daar. omgeving omgeving. moed. romp. galnoot schaven.

bekendmaken aandienen. opwerken. beslaan. knus indicatief. innig. gedoe. tekenen adviseren. werktuig beduiden. er. gezellig. decoratie. handeling bezielen. daar oksel oksel stinkend stinken. geurig stinkend kegel lies . tekenen muntstempel adstructie. vies ruiken aromatisch. aankondigen. voorteken. daarginds. verlevendigen acht octaal. aldaar. flatteren versieren opgesmukt afzetten. verlevendigen actie.owoc owoce owocny owocowy owocujący owrzodzenia ozdabia ozdabia ozdabiać ozdabiał ozdabianie ozdoba ozdoba oziębły oznace oznacza oznacza oznacza oznaczać oznaczający oznaczyć oznajmiać oznajmić oznajmić oznajmujący oznaka oznaka oznaka ozon ozór ożenić się ożywiać ożywienie ożywiony ósemka ósemkowy ósma część ósmy ów ów pacha pachą pachnący pachnąć pachniano pachniano pachołek pachwina vrucht vrucht vruchtbaar vrucht vruchtbaar zweer versieren verfraaien. tooisel versieren koud voorbode. betekenen spellen doel. plan. teken gemiddeld middel. optreden. bedoeling. strekking merken. aankondigen. trouwen bezielen. aantonende wijs merken. teken. bewijs ozon tong in de echt verbinden. garneren sieraad. achttallig achtste achtste dat ginds. adverteren intiem.

ineenstorten. insluiten inpakken. pakken pakje bundel. storten regenen aas aas hoogte aanaarden spinnekop. bos barsten. splijten. pakken. neervallen. uiteenvallen hagel toevallen. afvallen. bos pakje pakje inpakken. menigte. insluiten opbergen. spinneweb. ding emmer inpakken. deurpost rookcoupé baseball vleermuis vinger vinger vinger teen . verpakken. paal. pakken. drijven bakvis pacifist pacifist bundel. zaak. massa stijl. hoop. wis. zieke patiënt. verpakken inpakken. aangelegenheid. spinrag. bergen. scheuren Pakistan inpakken. dobberen. bergen. drom. verpakken. verpakken opbergen. epilepsie. rag affaire. pakken pakje pakje pakje instorten.paciorek pacjent pacjent stały (w szpitalu) packa murarska packa na muchy pacyfista pacyfiście paczce paczce paczce paczka paczka paczka paczka paczka błędów pad upaść pada grad padaczka padać padać padlina padliną pagórek pagórek pająk pajęczyna paka pakiet pakiet pakiet pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) pakiet żądania WE/WY Pakistan pakować pakować pakował pakunek pakunek pal pal palaczach palant palant palca palec palec (u ręki) palec u nogi kraal patiënt. post. spin web. zieke vlotten. pakken pakje boel. vallende ziekte vallen. wis. verpakken.

palec u ręki palenie zwłok paleniska palenisko palenisko palenisko palenisko Palestyna palić palić palić palić (papierosa itp) palić na popiół palisada paliwa paliwo paliwo wysokoenergetyczne palma palto paluch pałac pałka pałka policyjna pamarańcza pamarańcza pamflet pamiątce pamiątka pamiątka pamięci pamięciowy pamięć pamięć pamięć dyskowa pamięć ekranu pamięć magnetyczna ferrytowa pamięć podręczna scalona z układem procesora pamięć podręczna z synchronicznym pamięć rdzeniowa pamięć stała pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna (pamięci) pamięć zmienialna pamięta pamiętać pamiętnik vinger lijkverbranding. flikkeren. vies ruiken cremeren. schouw piepen. verassing piepen. palissade stookmateriaal. knarsen haardstede. gedenkschrift loos. herinnering zich herinneren. herinnering geheugen. gedenkschrift aandenken. gedenken dagboek. brandstof stookmateriaal. bochel ROM ROM verstand. leeg. verassen schutting. heugenis. knarsen open haard. lens. oven Palestina aanbranden geroosterd. ledig. heugenis. geest. haardstede kachel. onthouden. herinnering winkel geheugen. onthouden. hoe. brandstof bal. herinnering flitsen. paalwerk. als. crematie. journaal . hol mnemonisch geheugen. gedenkschrift aandenken. heugenis. libretto. gebraden smoken. haard. intellect winkel geheugen. jas teen paleis kleven. vastkleven. heugenis. schoorsteen. tot bult. operatekst aandenken. palm overjas. gedenken zich herinneren. gloren ROM voor. roken stinken. bij wijze van. handpalm. brandstof stookmateriaal. aanhangen staf Oranje oranje boekje.

heuglijk heer. beweren platteland. schrikbewind paniek meid. akte dik. schraal. de baas zijn bestuur. bruid. kuras. jonggehuwde edelman bepantsering. luipaard pantoffel pantomime spelen je. lord onder de knie krijgen. bestuur panter. mislopen. volk verzekeren. gebonden. aan jou. harnas. de jouwe verzekeren. publiek je. mager closetpapier. meid missen. WC-papier. voordeel bestuur. open veld natie. toiletpapier bescheid. meisje meester zijn. dienares. document. bewind. ruchtbaar. papier. onderzoek fotografische plaat. misgrijpen Maagd verloofde. bewind bestuur. pap. openlijk. beweren jou. dagblad. meester worden paniek terreur. akte . krant gedenkwaardig. pantser examen. je openbaar. dicht sprietig. keuring. document. meester worden dhr. heerschappij. bewind heerschappij. meisje dienstmeisje. jouw moes. aan je. jouw het jouwe. heerschappij.pamiętnik pamiętny pan pan (domu) pan (przed naswiskiem) Pan Bóg pan domu pan młody pan wielkiego rodu pancerz pancerz pancerz panel pani panice panicz paniczny paniczny strach panika panna panna panna panna Panna (gwiazdozbiór) panować panować panował panowanie panowanie panowanie nad sobą pantera pantofel pantomima pański pański państwa państwo państwo państwo państwo państwowy pańtwa papce papier papier o dużej gramaturze papier o małej gramaturze papier ścierny papier wysokiej jakości courant. bewind pré. gentleman onder de knie krijgen. pantser kuras. meester worden bruidegom. bepantsering. brij bescheid. papier. heerschappij. harnas. plaat dame paniek onder de knie krijgen.

aanstaren. paar stoom. duo. duo. echtelieden stel. konkelarij parkeren parkeren . gebrekkig parameter paranoïde paranoia drempel. prijken pralen. akte saffiaantje. paraderen. tweetal. koppel. paraderen. schut stel.papier wysokiej rozdzielczości papieros papież paplać paproć papryka papudze papuga papugować par para para para (dwa para komplementarnych tranzystorów para uporządkowana parada paradą paradoks paradoksalny paradoksyjny paradować parafia parafialny parafianin parafią parafią parafina parafować paragon paragraf paraliż paraliżować paraliżował parametr paranoiczny paranoja parapet parasol parasol (od słońca) parawan parą parą parą parą parcela parcela park parking bescheid. pronken. prijken paradox paradoxaal paradoxaal pralen. kudde parochie paraffine initiaal. staren stoom. damp wasem. duo. paar turen. paragraaf verlamming lamleggen. tweetal. stoom pakje intrige. paraderen. aanstaren. klikken varen paprika papegaai papegaai papegaai turen. document. paar echtpaar. pronken. verlammen verminkt. damp stel. echtelieden pralen. damp. prijken parochie parochieparochiaan roedel. tweetal. koppel. machinatie. staren echtpaar. sigaret paus klakken. kletteren. kwiteren artikel. wasem. klappen. wasem. voorletter voor voldaan tekenen. papier. pronken. koppel. dorpel paraplu paraplu scherm.

strook. gordel. gordel. gordel riem. ceintuur.parkować parlamencie parlament parlamentarny parnik parny parodią parować parować parowca parowiec parowóz parowy parsować parter parterowy dom partia partia (produktu) partycja podział strefa partycypować partykularny partykuła partyturą paryski parytet Paryż paryżanin parzystość parzysty parzysty równy regularny pas pas pas pas pas (w kartach) pas bezpieczeństwa pas parciany pas startowy pasaż pasażer pasażer na gapę pasek pasek pasek pasek pasek pasek pasek (papieru) parkeren parlement. ceintuur gallon middel. afgezonderd item. windsel. gordel strip. passagier belemmeren. baan. ceintuur. afsluiten. taille gallon gallon riem. jaartelling. wasem. windsel. vlak. afdammen riem. vlak. damp masseren benedenverdieping. wasem. volksvertegenwoordiging parlement. uitglijden strip. leest. ceintuur slippen. damp stoomboot stoomboot motorisch stoom. rijstrook inzittende. meemaken. uitdampen. strook. ceintuur. deel orkestreren van Parijs pariteit Paris van Parijs pariteit gelijk. gang. deeltje. volksvertegenwoordiging parlementair stoomboot vochtig travestie doen verdampen. indampen stoom. effen gelijk. parterre bungalow leden. passagier inzittende. afscheiding. reep overloop. zone. aanhang kavel. effen riem. gordel riem. meedoen afzonderlijk. aardgordel scheerriem . clausuur deelnemen. perceel schifting. reep klimaatzone.

pasek reklamowy (na stronie WWW) pasek zębaty pasieka pasja pasjans pasjans (w kartach) pasją pasjonujący paskudny paskudny pasmo pasmo pasmo (gór) pasmo (radiowe) pasmo wizyjne pasować pasożycie pasożycie pasożyt pasta pasta pasta pasta pastel pasterz pasterz pastor pastor pastuch pasujący paszcza paszkwil paszporcie paszport pasztet paść paść (się) paśmie patelnia patelnia patencie patent patentować patentowy patriarcha patriocie patriota patriotyczny vaan. zone. octrooi patent. streek. strook. windsel. vuur geduld. weiden schreef. beslag. betoverend afschuwelijk belabberd. vlag riem bijenstal. octrooi aartsvader. aanpassen. pasta Pools schoensmeer schoencrème pastel. haal. schrap. vuur fascinerend. klaploper parasiet. troep. pat. octrooi patent. nesthaar. bende strip. octrooi patent. streep koekepan. troep. aanpassen. patriarch vaderlander. vlammen pas. stand. patriot vaderlandslievend . dons grazen. rang schare. klaploper deeg. adapteren bloedzuiger parasiet. bewindsman pastoor herder afstemmen. reep afstemmen. paspoort pas. pan Pan patent. status. lijdzaamheid geduld. kaak laaien. ellendig. boeiend. patriot vaderlander. paspoort pastei waas. bende klimaatzone. bijenschans gloed. miserabel schare. lijdzaamheid gloed. kleurkrijt pastoor herder minister. tekenkrijt. dundoek. aardgordel graad. adapteren kakement.

paviljoen. nagelen boer. nagelen spijkeren. afval pauw baviaan koepel. botten stuwen aanduwen priemen. spruiten. edelknaap wijnmaand. prikken. liefkozen. aanhangen pauzeren aanhalen. rommel. patriottisme patrouilleren ontmoeten. pikken priemen. overblijfsel. botten uitbotten. pikken schuiven schokken priemen. loensen het uiterlijk hebben van. steken. oktober wijnmaand. oktober uitbotten. nagelen klauw spijkeren. boel. menigte vlo vlo priemen. drom. massa. trappen accelerateur. versneller feeëriek landschap Peking ooievaarsbek kaap Kaaps regenmantel kaap Kaaps . botten uitbotten. pikken hoop. page. spruiten. er uitzien kleven. strelen.patriotyzm patrol patrz patrzeć patrzeć na kogoś z ukosa patrzeć zezem patyk pauza pauza pauzą pauzą paw pawian pawilon paznokcia paznokieć pazur pazur ernik paź październik pażdziernik pączek pączkować pąk pchać pchać pchać pchać się pchła pchłą pchnąć pchnąć nożem pchnąć nożem/sztyletem pchnięcie pchnięcie pchnięcie nożem/sztyletem pech pedał pedał gazu pederasta pejzaż Pekin pelargonia peleryna peleryna peleryna peleryną peleryną vaderlandsliefde. prikken. prikken. steken. steken. steken. pikken schuiven ongeluk peddelen. aaien afbreken rest. gaspedaal. tuinhuis spijkeren. er uitzien scheelzien. scheelkijken. aantreffen het uiterlijk hebben van. prikken. vastkleven. spruiten.

dubbelhartig stompen Jan Klaassen parfumeren parfumeren perkament krant krant parel parel parel tribune. vol kruipen kruipen penicilline penicilline penis lul. volkomen meerderheid. pik. volmaaktheid verraad trouweloos. jongeheer volkomen. innemend. compleet. vol geheel. doorkijk uitzicht . heel. leiding. mantel pelikaan pelikaan jubelgracieus. volmaaktheid perfectie. perspectief. meerderjarigheid in de plaats stellen van. gevat. zielsverwant snedig. afgeladen. doorkijk prospect. in optima forma perfectie. verraderlijk. volkomenheid. bevallig. compleet. ad rem totaal. sierlijk sympathiek. snikkel. vol boordevol. volkomen. leuter. volkomenheid. volkomen. perfect. compleet. mudvol totaal. doorkijk uitzicht prospect. perspectief. podium Perzisch Perzië Perzisch persoonlijk personeel staf staf prospect. ten volle. inboeten totaal. geestig. volkomen.peleryną pelican pelikan pełen triumfu pełen wdzięku pełen współczucia/zrozumienia pełen życia pełnia pełno pełnoletniość pełnomocnik pełny pełny pełny wymiar czasu pełza pełzać penicylina penicyliną penis penis perfectum perfekcja pikselowa perfekcją perfidią perfidny perforator perforator perfum perfumy pergamin periodyczny periodyk perła perłą perłowy peron Pers Persja perski personalny personel personel personel informatyczny perspektywa perspektywa perspektywa podgląd perspektywą perspektywą jas. perspectief.

vast. enigszins. zwaartillendheid pessimist zwaarhoofdig. buitenkant omtrek. aanvrager petitionnement. zeker. cirkelomtrek. zeker. bundel onstuimigheid. petitie petitionnement. zeker. randbuiten-. randbuiten-. zeker. pit klei-. vast. aarden. zeker pal. stellig zelfverzekerd. bepaald. vast een beetje. kern zaadkorrel. zaken doen Peru pruik pruik cirkelomtrek. handeldrijven. heftigheid . handeldrijven. stevig waarschijnlijk wel. pessimistisch pessimist pessimisme.perswadować perswazja perswazją pertraktować pertraktował Peru peruce peruka peryferią peryferie peryferie peryferyczny peryferyjny peryferyjny procesor macierzowy perymetr peryskop peseta pestce pesteczka pestka pesymism pesymista pesymistyczny pesymiście pesymizm peszyć petencie petent petycja petycją pewien pewien pewnie pewnie pewnie pewnie pewny pewny pewny pewny pewny siebie pewny siebie pęcherz pęcherz pęcherz (od oparzenia itp) pęcherzyk powietrza pęczek pęd twisten. disputeren. vuur. vast zelfbewust. wis. korrel. stellig. zaken doen handelen. toch gewis. zelfverzekerd vertrouwd. strubbeling. stellig. zwaartillendheid bezwaar. vast. immers. buitenkant cirkelomtrek. stellig blaas blaar blaar borrelen bos. van klei pessimisme. zeker. buitenkant buiten-. zelfbewust gewis. moeilijkheid adressant verzoeker. krakelen overreding overreding handelen. petitie gewis. een weinig wel degelijk. betrouwbaar gewis. randomtrek periscoop nijptang pit.

breisteek. rooien borstelen. zuipen aanbranden . breisteek. zeepkwast penseel mutserd. opstaan. piano pianist pianist grind. aangifte. gebieder. opgraven. schuieren scheerkwast. strik declaratie. uitspraak maas. strik zand bonte kraai. schuimen. delven. roeren klavier. brandstapel. kraai tintelen. steek. mutsaard barst gebarsten barst navel ketenen. kraai bemanning bonte kraai. zeepsop sop. bruisen doorroeren. strik maas. schuimen. steek. strik maas. zeepsop tintelen. haast maken opduikelen. gruis. bruisen tintelen. spoed maken. steengruis zand aanvoerder. bruisen doorroeren. roeren sop. gebieder. chef. rijzen klimmen. baas bus. baas bus. breisteek. gravel. boeien maas. naaf opgaan. breisteek. omroeren. klauteren vijfde vrijdag vijfde snoek pimpelen. steek. chef. piano klavier. schuimen. naaf naaf zand rul. steek.pęd pędrak pędzel pędzel do golenia pędzel do malowania pęk pękać pęknął pęknięcie pępek pętać pętla pętla pętla synchronizacji fazowej pętla zamknięta pętlą piach piać piał piał piana piana piana piana (mydlana itp) piana mydlana pianą pianą pianina pianino pianista pianiście piasek piasek piasta piasta piasta piaszczysty piaszczysty piaście piaście piąć się piąć się piąta część piątek piąty pice pić piec voortmaken. omroeren. mul aanvoerder. opkomen. drinken.

traliehek kachel. grot. zeepsop multipliceren. oven vijftig pedestal. piëdestal. schuimen. bedevaart. hek. zorgen voor. ontslaan zich bekommeren. duivels. roosteren. zorgen voor. oven oven. vermenigvuldigen blokkeren. hels hel verzorgen. infanterie voetvolk. oven kachel. branden kachel. branden bakker duivelachtig. zorgen voor. oven oven. bezorgd zijn. kachel ontzetten. hek. zorgen spelonk. traliehek kachel. bedevaart. bruisen sop. branden rooster. holte muntstempel muntstempel zeehond. verplegen verplegen. afrastering. voetstuk sproet bakkerij bakkerij kachel. zeerob. geld poen. verplegen verzorgen. hol. vastzetten . verzorgen pelgrim. pelgrimstocht poen. rob muntstempel muntstempel rooster. kachel braden. afrastering. bedevaartganger pelgrimage. oven braden. geld tintelen. royeren. oven bakken voetvolk.piec piec piec piec piec (do pieczenia chleba itp) piec (mięso) piec elektronowy piec kaflowy piec mięso piec na ruszcie piechocie piechota pieco do wypalania piecyk piecza pieczara pieczątce pieczątka pieczęć pieczęć pieczętować pieczony pieczony piećdziesiąt piedestał pieg piekarni piekarnia piekarnik piekarnik gazowy piekarnik gazowy piekarz piekielny piekielny piekło pielęgniarce pielęgniarka pielęgnować pielgrzym pielgrzymce pielgrzymka pieniądz pieniądze pieniądze na życie pienić się pienić się pienić się pień kachel. geld poen. oven kachel. kachel braden. pelgrimstocht pelgrimage. roosteren. roosteren. drommels duivels. infanterie oven. krocht.

liefkozen. boezem circulaire. ring element. liefkozen. liefkozen. beugel. bestanddeel. prevalent. superieur primair vroegtijdig. borst boezem. radicaal element. aanhalen . vroeg eerste voorgrond voorgrond eerste hond hond troetelen. aaien. stam opslaan boomstam. strelen. beugel. origineel inboorling natuurlijk primair primair prototype eerste voorgrond prijs. vertroetelen aanhalen. aanbesteding voetganger voetganger aanhalen. grondig. aaien knuffelen strelen. pril. borst borst. stam peperen mol mol een wind laten boezem. aaien aanhalen. koesteren. beginsel primula. na twarzy) pierdnąć piersi pierś pierś pierś pierścieniowy pierścień pierścionek pierwiastek pierwiastek pierwiastek (chem. bestanddeel. liefkozen.) pierwiosnek pierwotny pierwotny pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny program ładujący pierwotny system operacyjny pierwowzór pierwsza pomoc pierwszoplanowy pierwszorzędny pierwszorzędny pierwszorzędowy pierwszy pierwszy pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu pierwszy na wyjściu pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony pies pies myśliwski pieszczoch pieszczocie pieszczota pieszczotliwy pieszy pieszy turysta pieścić pieścić pieścić boomstam. strelen. strelen. ring wal. rondschrijven wal. beginsel ingrijpend. borst boezem. sleutelbloem inboorling oorspronkelijk. premie opperste. aaien gunning.pień pień pień pieprz pieprzyk pieprzyk (np.

prompt naarstig. fijn. inmaken picknicken stikken pixel met spoed. bazaar. mooi fraaiheid. inleggen. knapheid fraaiheid. dringend dringend. polshorloge aandachtig. schoonheid. zang. etage verdieping. marktplaats boksen. knuist hiel vijftien effect. knapheid fraaiheid. lied gezang. spoedeisend binnenbrengen. polshorloge horloge. indruk verdieping. nijver.pieścić się pieśń pieśń pogrzebowa pietruszce pietruszka pięć pięćdziesiąt pięćdziesiąt mil na godzinę pięknie piękno piękność piękność (kobieta) piękny piękny pięściarstwo pięściarz pięść pięta piętnaście piętno piętro piętro piętro pigułce pigułka pijany pijany jak bela pijaństwa pijaństwo pijawka pik pik (w kartach) pika pikle piknik pikować piksel pilnie pilnik pilnować pilnować swoich spraw (swojego nosa) pilny pilny pilny pilny pilny pilny pilot nek. verdieping pil pil dronken. dossier horloge. oplettend ijverig. schoonheid. beschonken blind roes roes bloedzuiger woelen. spitten. mooi marktplein. schoonheid. ijverig brandend. lied peterselie peterselie vijf vijftig vijftig net. zat. naarstig. zang. spoedeisend. knap. brandend. zouten. attent. vlijtig ogenblikkelijk. vlijtig. top. etage etage. bokssport bokser vuist. fraai. markt. punt. knapheid schoon. graven piek. spits snoek pekelen. urgent bestand. nijver. tip. loodsen . hals gezang. neus.

zeerover. etsnaald. piepen. drinken. veer.pilotaż pilotować pilotować pilśniowy pił piła Piła piłce piłka piłka piłka nożna piłka nożna piłka nożna (gra) piłować PIN pionek pionek pionek (np. schrijver. chanson gezang. loodsen navigeren binnenbrengen. zuipen zagen uitzaaien bal. schicht. nummer pion pion genist. hemelvuur lied. verticaal bliksem. zeerover. veder zeeschuimer. stilist schriftelijk sjilpen. piraat Pyreneeën neerschrijven. piraat piramide piramide piramide zeeschuimer. danspartij voetbal voetbal voetbal bal. lied zangeres pluim. zang. pen. flits. piraat zeeschuimer. danspartij bal. szachowy) pionier pionowy pionowy tranzystor polowy piorun piosenka piosenka piosenkarz pióro pióro pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego pióro ultradźwiękowe piracie piramida piramida powiększania piramidą pirat pirat komputerowy Pireneje pisać pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi na inny artykuł pisać na maszynie pisać ołówkiem pisak x-y pisarz pisemny pisk pisklę pisklę (zwłaszcza kury) binnenbrengen. uitschrijven drukletter drukletter potlood hok auteur. schrijfstift pluim. tjilpen. verticaal rechtopstaand. danspartij zagen kegel cijfer. schrijven. loodsen vilt pimpelen. geniesoldaat. baanbreker rechtopstaand. pen. veer. zeerover. kwetteren kuiken kuiken . veder hok griffel.

affiche aanplakken bezoedelen. letterkunde dronken. plek speelterrein. brief geschrift. ondergrond pastei aanplakken pest pest spieken. café kelder kelder bier bier bier pizza pyjama muskus muskus muskusrat circus achtergrond. bekladden klak. mop.pismak pismo pismo pisanie pistolecie pistolet piśmiennictwo pity piwa piwiarnia piwnica piwnicą piwo piwo (angielskie) piwo angielskie pizza piżama piżmaczek piżmo piżmoszczur plac plac plac plac plac plac plac (okrągły) plac targowy plac zabaw placek placówka plaga plaga purpurowa plagiat plakać plakat plakat przedstawiający gwiazdę filmową plama krwi plama na słońcu plamą plamą plamce plamić plamić plan plan plan plan plan testowania houwen. zat. plek. plassen. kabbelen. plan. plan. plek. bedoeling. markt. bodem. doel programmeren projecteren ontwerp. moet bezoedelen. smetten. mop. kappen. lokaal. bekladden strekking. concept. smetten. speelplaats plein circus marktplaats. moet klapperen. grond. afkijken schreeuw. ondergrond kavel. smetten. kreet aanplakbiljet. perceel plaats. klad. epistel. smet. roep. marktplein achtergrond. beschonken bier drenkplaats. grond. blauwdruk strekking. literatuur. oord. klotsen bezoedelen. bar. plan. klad. bekladden sproet klak. plakkaat. schriftuur pistool pistool litteratuur. bodem. bedoeling. smet. doel . hakken zendbrief.

podium vrachtwagen.planeta planetarny planować planować planować planować plantacja plantacją plaster plasterek plastik plastyczny plastyk plastyka platforma platforma (sprzętowa platforma kolejowa platforma sprzętowa plazma plaża plaża plątać plątać plątanina plecak plecak plecak pleciuga plecy plecy plemienny plemię plenarny pleść pleść pleśnieć pleśń plewić plewy plik plik plik zwrócony plikach plombować (ząb) plombować ząb plon plotce plotka planeet. plan. truck. dossier archief box logeren het veld ruimen. achterzijde. zwerfster planetair arrangeren. leiding. rooster aanwijzen. warboel. aanduiden kwekerij. mudvol vlechten weven modelleren. aangeven. vrachtauto tribune. van plastic kunst tribune. schijf. dossier bos. schaal bestand. rugzak gaai. leiding. warnet knapzak. afgeladen. bundel. warnet verwikkeling. volksstam. wis bestand. ransel knapzak. doel dienstregeling. kwaadspreken . plantage kalken. aanrichten. ommezijde stamstam. warboel. filet plastic. plak. van plastic plastic. podium plasma strand aan de grond lopen. podium tribune. snede. schoffelen schil. dop. betrekken. ransel knapzak. van plastic plastic. afstaan kletsen. boetseren modelleren. schors. boetseren wieden. Vlaamse gaai bewapenen. plantage kwekerij. verwarren verwikkeling. ordenen strekking. bedoeling. leiding. kwaadspreken kletsen. stranden verstrikken. wapenen rugstuk. aanstrijken moot. geslacht boordevol.

kroonblad sneeuwvlok hofmeester afbetaling kurk vlotten. roep. betalen. kunne sexe. onrein. slurpen appartement. plat. afsluiting. faam. befaamdheid kletsen. barrière vruchtbaar opbrengen. kreet resorberen. roep. mantel jas. mare. dobberen. jas hierheen. faam. sekse. sekse. flat blad.plotka plotkować plotkować pluć plugawy plunąć plus pluskać pluskać się pluskanie pluskwa pluskwa pluskwa Pluton płachta płacić płaczliwy płakać płakać płakać nad czymś płaska obudowa jednorzędowa płaski płaskowyż płastudze płastuga płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz anodowy płaszcz nieprzemakalny płaszcz przeciwdeszczowy płaszcz przeciwdeszczowy płaszczyzna obcinająca bliska płat płaszczyzna płatek płatek (kwiatu) płatek kwiatu płatnik płatność pławik pławik płciowy płeć płetwą płocie płodny płody rolne gerucht. mare. opleveren. plassen. morsig. kunne vin hek. kabbelen. vel storten. kwaadspreken gerucht. geslacht. vies spuwen. klotsen wandluis Boeg wandluis Pluto blad. kabbelen. flodderen. bordes spartelen. plassen klapperen. kreet tranen. traanogen schreeuw. huilen. spugen. hier vliegtuig. uitbetalen. vliegmachine bloemblad. jas overjas. plassen. klotsen waden. jas regenmantel regenmantel jasje. kroonblad bloemblad. drijven sexe. worstelen schol jas. rochelen plus klapperen. dokken bedroefd schreeuw. afwerpen . zich aftobben. buis mantel. geslacht. heining. colbert. smerig. befaamdheid spuwen. overjas mantel. plateau. opslorpen. spugen. rochelen vuil.

afspoelen. boord. lopen. glaswerk oppervlakkig. tichel oppervlakkig. vloeiend vloeistof stromend. dobberen. wal. wassen.płomień płonący płot płot płotno płowy płoza płótno płuca płuco Płuczka pług pług śnieżny płukać gardło płukania płycie płycizna płyn płyn kosmetyczny płynąć płynąć płynąć jachtem płynąć wzdłuż brzegu płynny płynny płynny lek płyta płyta płyta metalowa płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) płytce Płytka płytka płytka płytka (ferromagnetyczna) z otworami płytka obwodu drukowanego płytka sygnałowa płytka wyjtrawiona płytki pływać pływać jachtem pływak pływalnia pniak po laaien. afsluiting. vaan. slippen linnen long long slag. materiaal aanklampen. beschot glaswaar. plaat plavuis. zich vastklampen aan wafeltje fotografische plaat. ploegen. beploegen gorgelen. kant stromen. plaat grondstof. beploegen omploegen. oever. spoelen fotografische plaat. drijven jacht vlotten. vurig. ondiep bestand. heining. vlieten stromend. aansluiten peukje. vlammen gloeiend. tegel. ploegen. val omploegen. tegelsteen. vloeien. verterend hek. dossier fotografische plaat. de was doen vloeistof stromen. materieel. afspoelen. barrière verbleekt linnen linnen uitglijden. valstrik. peuk achter . zich vastklampen aan dashboard. lopen. vlieten jacht kust. drijven zich aaneensluiten. ondiep zwemmen. vloeiend dundoek. vloeien. vlag fotografische plaat. spoelen gorgelen. plaat oppervlakkig. ondiep uitwassen. verzendend. plaat wafeltje aanklampen. instrumentenbord. vensterruit.

cambio decoderen downloaden brengen. aan de overkant van ten eerste. bezorgen. opwekken stuwen irriteren. eerst stuurboord ronduit. daarnaast ontzien. rondweg achter nederlaag troef downloaden verkrijgen. wekken. godsdienstig. afgeleid woord . behalen. bewolkt naargeestig. ondergrond. excerpt oppervlakkig. verlevendigen wekken. ophitsen woning. overzicht. devoot wissel. vertroetelen aflaat schouder godvrezend. aandragen fond. open en bloot. ernaast. overheen. assimileren onduidelijk. somber fakkel. aandragen resumé. bodem. allereerst. sparen koesteren. toorts. flambouw achtergrond afleiding. onderkomen. bezorgen. behalen. opwekken bezielen. buit maken aftappen verkrijgen. logies. grond. kussen zoenen. aanstoken. ondiep hiernaast. buit maken brengen. kwartier logeren zoenen. wakker maken. troetelen. aarde aansporing aanleiding wakker maken.po drugiej stronie po otrzymaniu po południu po prawej stronie po trzecie pobić pobić atutem (w kartach) pobierać pobierać pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) pobierać (dane) pobierać dane pobieżny pobieżny pobliski pobłażać pobłażać pobłażanie pobocze pobożny pobór (do wojska) pobrać pobrać pobranie pobrudzić pobudce pobudce pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobycie pobyt pocałować pocałunek pochlebcą pochlebiać pochlebstwa pochlebstwa pochlebstwo pochłaniać pochmurny pochmurny pochodnia pochodzenia pochodzenia over. kussen mooiprater vleien complimenteren vleierij vleierij in zich opnemen. troosteloos.

toejuiching loven. optocht. prijzen liggen helling. wasem. damp zweten. afstamming. transpireren zweet zweten. herkomst naar beneden gaan. troost aanstrijken. schuin gevolg uitdrukken gevolg toelachen. afgeleid woord afdaling komaf. roemen beamen. vagina loven. bekoren aanlokkelijk. schuin scheef. comfort heul. afkomst. uitwrijven hoera roepen prosit. verheerlijken. soppen slippen. ovaal rukken rukken stoom. glooiend. gemak. goedkeuren eerbetoon.pochodzenia pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzić pochodzić (<from sth> od czegoś) pochować pochód pochwa pochwa pochwalać pochwalić pochwała pochwała pochwała pochwałą pochwałą pochylać się pochylać się pochylenie pochylnia pochylnia (w stoczni) pochyłość pochyłość pochyły pochyły w lewo pociąg pociąg pospieszny pociąg towarowy pociągać pociągać za sobą pociągający pociągły pociągnąć pociągnięcie pocić się pocić się pocie pocie pociecha pocierać pocieszać pocieszać pocieszać pocieszenia pocisk artyleryjski pocisków afdaling afleiding. verheerlijken. acclamatie. roemen. eerbetuiging loven. omgang schede schede. afstammen kuilen. troost kogel hagel . uitglijden slippen. aanlokken. geneigd zijn. proost gerief. afdalen het gevolg zijn van. roemen. stoet. begraven processie. glooiing aflopend. prijzen. uitglijden geneigd zijn tot. op uw gezondheid. aanlokken. indopen. vertroosting. eerbetuiging bijval. bekoren toelachen. glooiing indompelen. verheerlijken. wrijven. neigen helling. vertroosting. billijken. prijzen eerbetoon. aantrekkelijk eirond. hellend. afkomst oorsprong. transpireren heul.

daarbeneden. afkomst. vloed. aanslaan podatek od wartości dodanej tobbe. aanvang początek begin. onder podanie aanwending. vreten wprowadzane dane podawać (do stołu) serveren. aanvang początkowy inboorling początkowy initiaal. aanvang. geschenk. voorletter początkowy primair początkowy program ładujący initiaal. geschikt pod zarzutem beneden. begin. beginneling poczekalni zaal. posterijen poczta aanplakken poczta w kolejce post. noemen podawać aanhalingstekens podawać zasilanie podawanie podajnik eten. cadeau geven podarować tegenwoordig. voorletter początkujący beginner. onderwerpen . gebruiken. daarbeneden. cadeau podatek belasten. zwanger raken początek ontstaan. ontstaan początek aurora. bergstroom począć in verwachting raken. citeren. petitie podarować schenken. posterijen poczta wysłana aanplakken pocztówka briefkaart pod beneden. morgenrood początek oorsprong. begin. herkomst początek transmisji ontstaan. doelmatig. salon poczekalnia wachtkamer poczęcie begrip poczta post. voorleggen podawać do sądu een proces aanspannen tegen podaż aanvoer. bezorging podbić knechten. onder pod znieczuleniem beneden pod żadnym warunkiem beneden. actueel podarty aan flarden gescheurd podarunek gift. kuip. bikken.pocisków) stroom. onder pod beneden podverzenden pod gołym niebem beneden pod prąd (rzeki gemakkelijk. morgenlicht. aanslaan podatny na wypadki een grotere kans op ongelukken accident-prone podawać aanhalen. donatie. bak podatek od wartości dodanej BTW podatek od wartości dodanej teil podatek spadkowy belasten. toepassing podanie petitionnement.

kwetteren sjilpen. aannemen. zich overgeven capituleren. onderwerpen capituleren. zich overgeven accepteren. roezig aanvliegen maaien terwijl. daarentegen terwijl. piepen. kwetteren podium. wantrouwen verdenken achterdochtig. wantrouwig. zich overgeven stof. achterdocht. gedurende terwijl. onderwerp. wantrouwen argwaan. tjilpen. daarentegen intussen. renoveren ondernemen achterdochtig. bloot. argwanend verdenken argwaan. argwanend aanvliegen opwinding gejaagd. subject dakkamertje zolderkamer Attisch zolderkamer. staande. staande. piepen. leiding slaperig opslaan blok ondergraven. onderwerp. gedurende doorsnijden. staande. tribune podium. achterdocht. ondermijnen hoefijzer . tribune. bestuur. dakkamertje cremeren. subject kin opruiend aangeschoten. inmiddels. wantrouwig. gedurende intussen. verassen toegeven capituleren.podbijać podbity podbródek podburzający podchmielony podchodzić podciąć podczas podczas podczas (gdy) podczas gdy podczas gdy poddać drobiazgowej analizie poddać pod rozwagę poddać się poddanie się poddany poddasze poddasze poddasze poddasze poddawać kremacji poddawać się poddawać się podejmować podejmować na nowo podejmować się podejrzany podejrzany charakter podejrzenia podejrzenie podejrzewać podejrzliwy podejście podekscytowanie podekscytowany podeszwa podglądać podgładać podium podium podkład (np. aanvaarden vernieuwen. inmiddels. tjilpen. louter sjilpen. sectie verrichten knechten. opgewonden enkel. kolejowy) podkładce podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać podkopać podkowa veroveren stof.

aanstoken. etage verachtelijk. telen. grond appelleren. bewegen opwindend opwinding opgraven. rooien opfokken. benadrukken onderstrepen nadruk. rijzen vermeerderen verergeren. overeenkomst gelijkenis. dobbelsteen. ophitsen aangrijpen. nietswaardig gemiddeld gronden. achtergrond. fokken.podkreślać podkreślać podkreślać podkreślać podkreślenie podkreślenie podkreślić podkreślony podległy podległy podlewać podlizywać się podlotek podłączyć podłodze podłoga podły podły podły ić podmiocie podmuch podniecać podniecać podniecać podniecający podniecenia podniesienie podniesiony podniesiony podnieść coś/wywindować (ceny) podnieść kogoś na duchu podnieść kotwicę podnieta podniosły podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić (ceny) podnosić się podnoszący na duchu podnośnik podnóża podobać się podobać się podobieństwa podobieństwa accentueren. ontroeren. opkweken opblazen opgaan. stichten. ophijsen opfokken. fokken. etage verdieping. aan elkaar vastmaken verdieping. scherpen. opkomen. subject pof. beklemtonen beweren. dommekracht. verheven opgaan. alstublieft gelijkenis. wees zo goed. aandikken opgraven. montage derde macht. inrichten zetting. poef aanzetten. rooien oprichten. slijpen irriteren. opstaan. opkomen. krik bodem. opstaan. verzekeren met nadruk zeggen. baseren stof. klem onderstrepen onderstrepen nadrukkelijk slaaf achterstellen water kruipen kuiken verbinden. onderwerp. ondergrond. rijzen bezielend vijzel. prikkelen hoog. blok hijsen. een beroep doen op alsjeblieft. overeenkomst . telen. opkweken de sporen geven.

varen.podobieństwo podobieństwo podobieństwo podobny podobny podoficer podpalacz podpierać podpis podpis ze wskazaniem potwierdzającego podpisać podpisać (dokument) podpisać dokument podporządkowywać się podporządkowywać się podpowiedź podpórce podpórek podrażnienie podręcznik podręcznik podręcznik podręcznik w formie drukowanej podrobiony podróż podróż podróż podróż podróż morska podróż morska podróż) podróżnik podróżny podróżować podróżować podróżować podróżować autostopem podrzeć podrzędny podrzędny podrzędny podległy podskakiwać podskok podskok podsłuchiwać podstarzały podstawa podstawa affiniteit. bijkomstig achterstellen achterstellen hinkelen hinkelen springen afluisteren hoogbejaard. passagier gesteld zijn. ondertekening abonnement voorbode. aanhang opwinding maat. kameraad. rijden. tocht. gids. beoefenaar. steun handtekening. rondreis gaan. aanhanger leden. varen. stut. nauwkeurig. reisgids leerboek. leuning. gids. karren navigeren huur bijbehorend. toer. soortgelijk onderofficier brandstichtend drager. baseren spoor. trip gelijk. als. karren reis. reis. passend. trip tournee. tot gelijksoortig. verwantschap gelijkenis. toer. varen. teken geabonneerd zijn op geabonneerd zijn op passen. kornuit. bij wijze van. reis. in overeenstemming zijn adequaat. karren tocht. bijkomend. tocht. bedaagd gronden. vlak. karrespoor . schoolboek gidsboek. reisgids vervalsing toer. rijden. rijden. trip reiziger inzittende. tocht. effen gaan. overeenstemmend nauwgezet. voor. vademecum. overeenkomst gelijkenis. trip gaan. makker gidsboek. overeenkomst hoe. wagenspoor. voorteken. reis. vademecum. accuraat adept. het maken toer.

een duw geven. tweeledig duplex. kneep. tweevoudig. clausuur schifting. excerpt somma. aandikken appreciëren. tweevoudig. streek. materieel. duplex. bot elementair misleiden. toestoten voering maskering bijtoon. afscheiding. lijst. beschot hoofdkussen luchtkussen dubbel. opkweken verergeren. steunen. som. inboeten aflossing. vervanging blok fundamenteel basisfundamenteel basisgrof. onbewerkt. onbehouwen. waarderen legerafdeling. tweeledig duplex. dubbel. telen. afscheiding. clausuur . duplex. duplex. tweeledig yard. instrumentenbord. spin.podstawa czasu podstawa uchylnoobrotowa podstawa uchylno-obrotowa podstawą podstawić podstawienie podstawka monitora podstawowa zasada podstawowy podstawowy podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstęp podstęp podstępny podsumowanie dokumentu podsumowywać podsuwanie podszewka podszywanie się podtekscie podtrzymać podupadać poduszce poduszce poduszeczka poduszka poduszka powietrzna podwajać podwiązek podwieczorek podwładny podwładny podwodny podwoić podwójny podwójny podwójny rozruch (tj. cru. divisie schifting. materiaal stichting wervelkolom. tweevoudig. bedrag. totaal. raam in de plaats stellen van. dubbel. boventoon stutten. tweeledig dubbel. omlijsting. bedriegen kunstgreep. tweevoudig. ruggegraat kader. tweeledig bretels thee aankomend. beginnend achterstellen onderwaterdubbel. możliwość rozruchu dwóch różnych systemów operacyjnych z różnych partycji dysku) podwórze podwyżce podwyższać podwyższyć wartość podział podział podział kompletny grondstof. overzicht. schragen verval blok hoofdkussen dashboard. summa aanstoten. tweevoudig. ra opfokken. fokken. foefje arglistig resumé.

babbelen. vers gedicht. stout. harken. afscheiden. dichtwerk.podział wyczerpujący podziałka podziel podzielać podzielać zdanie podzielić na cztery części podziemie podziemie podziemny podziękować podziękowanie podziękowanie podziwiać podziwiać podziwiać podziwiać ię poemacie poemat poemat poemat liryczny poeta poetycki poetyczny poezja poezją poganin pogarda pogawędce pogawędka pogawędka w czasie rzeczywistym pogląd pogląd pogląd poglądowy pogłosce pogmatwać pogmatwany pogoda pogodny pogodzić się pogoń pogrążyć pogróżce pogróżka pogrubiony pogrzebacz pogrzebacz pogrzebowy schifting. schamperheid. dank betuigen erkenning danken. vonnis begrip zichtbaar befaamdheid. dreigement. dichtwerk. lumineus accepteren. gericht. glanzend. stadswijk metro gewelf. praten houding oordeel. praten keuvelen. dooreenhalen verwarrend weer. babbelen. wonder bewonderen gedicht. poëtisch dichtkunst. overeenstemmen buurt. cureren gedurfd. aanharken. praten keuvelen. aanvaarden nastreven. afscheiding. mare. weder briljant. meedoen het eens zijn. najagen duiken bedreiging. bedanken. weersomstandigheden. dreiging behandelen. poëzie heidens minachting. wijk. verachting keuvelen. vers tekst gedicht. scheiden deelnemen. vers dichter dichterlijk. meemaken. judicium. babbelen. opharken necrologie . bedanken. bol metro danken. clausuur aanslag afzonderen. faam van zijn stuk brengen. poëzie dichtkunst. dank betuigen bewonderen bewonderend mirakel. stoutmoedig. brutaal poker uitkammen. poëtisch dichterlijk. gerucht. dichtwerk.

voedingsmiddel demonstratie. onderdanig. pakken. tentoonstelling laten blijken. wagen vehikel. bewijs pralen. voertuig. meid dienstmeisje. lakken appartement. deemoed. foedraal. paraderen. prijken. dienares. vertoning. foedraal. kost. doos. troep. koker pot. nijging Stille Oceaan. doos. zwanger raken eten. net. ongetrouwd pot. foedraal. knap. etui. bak. fiducie hebben in revérence. inhoud. informeren. ongetrouwd ongehuwd. scheepsdek. gerecht voeding. etui. bende opvatting. vreedzaam dienstmeisje. pronken expositie. etenswaar. dek vertrouwen. intelligentie beetnemen. aanzienlijk fijn. meid dienstmeisje. flat . wagen ongehuwd. opdagen vehikel. etui. scheepsdek. volume schare. aanmerkelijk. opdraven gebeuren. voertuig. spijs. begrip begrip bevattingsvermogen. koker geluidssterkte. Grote Oceaan vredig. schoon. bak. buiging. opdagen opdagen. fraai. lakken verlakken. beetkrijgen in verwachting raken. dek verdek. manifesteren geruim. geslacht nederlaag likken ootmoed. inlichten ontstaan opdraven. mooi poker toejuichen. po plecach) pokład pokład spacerowy pokładać nadzieję pokłon pokojowy pokojowy pokojówce pokojówka pokojówka pokolenie pokonać pokonać przeciwnika pokorą pokorny pokost pokost pokój berichten. bij acclamatie benoemen verdek. aan de hand zijn ontstaan opdraven. bak. nederigheid nederig.poinformować pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawić się pojawić się wydawać się pojazd pojazd szynowy pojedynczy pojedynczy skok napięcia pojemnik na kasety pojemnik na kasety pojemnik na śmieci Pojemność pojemność pamięci pojęcie pojęcie pojętność wiadomość pojmać pojmować pokarm pokarm pokaz pokaz pokaz slajdów pokazywać pokaźny pokaźny poker poklepać (np. koker pot. deemoedig verlakken. dienares. strijkage. dienares. voeder. doos. meid generatie.

toedekken. bedekken bedekking. zitkamer. toedekken. envelop. gloeiend. wereldruim. bedekken dekken. verwantschap affiniteit. brandnetel snikheet. commanderen aanvoeren. beleggen. aanprijzen. blad mijnenveld hijsblok. recommanderen bevelen. verleiding aanvechting. kaft. temptatie. introductie bevelen. veer. aanvoeren. introductie inleiding. wereldruim. beleggen. omslag. temptatie. afmatten pluim. deksel dekken. huiskamer bestek. bedekken emailleren couvert. verwantschap wijzerplaat sproet afbeulen. enveloppe netel. ruimte woonkamer. kwiteren voor voldaan tekenen. kwiteren recept kuil Pool polair polka akker vel. bevelen inleiding.pokój pokój pokój dziecinny pokój gościnny pokój rozmów pokój zabaw dziecinnych pokrewieństwa pokrewieństwo pokrewieństwo pokrętła pokryć pokryć pokryć koszty pokryć piórami pokrywa pokrywa tylna pokrywać pokrywać emalią pokrywą pokrzywa pokrzywą pokupny pokusa pokusą pokwitować pokwitowanie pokwitowanie Polak Polak polarny polce pole pole danych w sieci Ethernet pole magnetyczne poprzeczne pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) pole typu danych w pakiecie Ethernetu pole typu EH pole typu TEM pole znaku pole źródłowe polecać polecenie polecenie polecenie (kogoś komuś) polecenie kogoś komuś polecenie zewnętrzne polecić vrede bestek. ruimte affiniteit. verheerlijken. prijzen. veder dekken. aanvoeren. brandnetel netel. beleggen. commanderen. verwantschap familiebetrekking. speling. speling. blok. heet aanvechting. afjakkeren. verleiding voor voldaan tekenen. roemen . ruimte vrede bestek. speling. pen. katrol. schijf akker akker bouwland aanmelding akker aanbevelen. toedekken. smoorheet. commanderen loven. wereldruim.

geleding. kabbelen. lid. gelid. combinatie aansluiting gewricht. lid worden. positie . aan elkaar vastmaken half gemiddeld. politieagent politie wang. knoop conjunctie gewricht. toetreden gewricht. geleding. associatie zich aansluiten. knoop kriebelen. politiek politicus. marynarki) połaczenie połaczenie połaczenie połaskotać połącz połączenia połączenia połączenie połączenie drukowane połączenie stałe połączenie wewnętrzne połączenie wielopunktowe połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza połączenie z Internetem połączenie z pełnym dupleksem połączenie zespołowe połączyć połączyć połowa połowa położenia helling. geleding. schieten. kaak polis staatkundig. staatsman polis beleid. stand. genootschap. lid. aggregaat verbinden. jacht maken op Polen Pools schoensmeer schoencrème klotsen. gelid. staatkunde polis polis bejagen. verbinding aansluiting aggregatie. glanzen kruis. plassen. klapperen bond. knoop gewricht. gelid. lende politie agent. glazuren. paffen bejagen. doorsnee. gelid. glooiing Pools schoensmeer schoencrème verglazen. lid. knoop samenhang. geleding. politiek. aan elkaar vastmaken conjunctie samenhang. koon. klapperen klotsen. verbinding gewricht. lid. kietelen verbinden. jagen. jagen. kabbelen. plassen. gelid. geleding. jacht maken op vuren. knoop verbinding.polepszyć polerować polerować polerować Polewa polędwicą policja policjant policją policzek polisa polityczny polityk polityka polityka polityka zabezpieczenia polityka zagraniczna polować polowania polowanie Polska polski polski polski poła poła (np. middelbaar houding. lid.

medio. middag zuidelijk zuidelijk zuidelijk noen. vermengen aanpassing in het midden van. bijstaan nader assisteren. dimensie tomaat aangrijpen. temperen. schijn. stand. midden tussen tussen. middag noen. lokaliteit. jaartelling. doorslikken. assisteren. stand van zaken plaats. middag noen. deel. kanttekening Pools schoensmeer schoencrème schijnen. positie situatie. oord. lokaliteit. blinken. assisteren. deeltje vroedvrouw. helper. middag zuidelijk noen. oord. glanzen. hulp aids helpen. stand van zaken plaats. famulus. helpen helpen. bijstaan. onder achterwege laten. ontroeren. ruimte houding. aanblik item.położenia położenie położenie położenie położenie kolumny położenie pieczątki położenie umiejscowić położna połówce południa południa południa południe południe (geograficzne) południe (pora dnia) południe (pora dnia) południe geograficzne południe pora dnia południowy południowy połykać połysk połysk połysk połysk połysk pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomoc pomarańcz pomarańcz pomarańcza pomarańcza pomarańczą pomarańczą pomiar pomidor pomieszać pomieszanie pomieszczenie sterylne pomiędzy pomiędzy pomiędzy pomijać pomijać situatie. schitteren assistent. verloskundige half noen. mixen. air. bijstaan Oranje oranje Oranje oranje Oranje oranje afmeting. inslikken glosse. weglaten weggelaten . ruimte aanzien. bewegen mengen. middag zuidelijk zuidelijk slikken.

helpen zinspelen assistent. famulus. famulus. adjunct. helper paren boer assistent. desondanks ofschoon. nagaan ontsnappen. pompen vertoon. leiding. podium assistent. adjunct. wraak nemen wreken. benul. abuis geurig. wel achterwege laten. hoewel. van mening zijn. hulpvaardig poort tribune. dwaling. begrip. denkbeeld beschouwen. hulp oppompen. adjunct. abuis foutief. afgelopen. afgewerkt. dwaling. inrichting. fout. abuis hulpmiddelen. fout. helper. verlagen gedenkteken. in weerwil van niettemin. wraak nemen wreken. weglaten afdraaien. pompen wreken. pracht. onjuist vergissing. helper steward assistent. beëindigd . pompen oppompen. praal oppompen. luister. helper behulpzaam.pomimo pomimo tego pomimo że pominąć milczeniem pomniejszać zmniejszenie się pomnik pomnożyć pomnóż pomnóż pomoc pomoc pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika pomocniczy pomocniczy pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik błazna pomocny pomost pomost roboczy pomóc pompa pompą pompą pompować pomścić pomścić avenue pomścić ość pomylić pomylić pomylić się pomylony ść pomyłka pomysł pomysł pomysł itp pomysłowość pomysłowy pomyśleć pomyślnie pomyślny ponad ponad tuzin ponad wszystko niettegenstaande. overwegen. monument multipliceren. wraak nemen vergissing. vermenigvuldigen in overvloed aanwezig zijn multipliceren. al. vermenigvuldigen assisteren. helper. fout. alhoewel. apparaat idee. dwaling. hulp assistent. verkeerd. ontkomen. ontgaan geniaal geloven. achten met goed gevolg gelukkig benoorden. ten noorden van verderop klaar. helper aanvullend assistent. bijstaan. aromatisch vergissing. famulus. fout. hulp.

ommezijde resorberen. instelling . vernedering verootmoediging. omdat. aalwarig kous kous nylonendossement. douwen beledigen. middag reformeren. aflopen kleinmaken. onder verootmoediging. trouwens overigens. steunen. onder beneden beneden. hervormen afstelling. daarbeneden. onbekend. aanlokkelijk een miskraam krijgen. krenken asgrauw asla. ten dele daar. lokaliteit. nazeggen opnieuw. vernedering herhalen. een blik werpen op duwen. gemelijk. giro in kokend water doen een blik werpen. achterzijde. aangezien buigen. schragen rugstuk. nogmaals afwisselend zwart naar. slurpen as ruimte. hellen. dringen. overhellen. van voren af aan. plaats namiddag. akelig. vernederen. renoveren stompen Jan Klaassen lekker. doordat. verootmoedigen buigen. aflopen beneden. asbak pleitbezorger. mislukken maandag deels. overhellen. donker aalwaardig. hellen. opslorpen. verder vernieuwen. opslorpen. advocaat.ponadto ponadto ponawiać poncz poncz ponętny poniechać poniedziałek poniekąd ponieważ poniżać (się) poniżać się poniżać się poniżej poniżej poniżej granicy dolnej poniżenia poniżenie ponowić ponownie ponownie wyznaczać trasę ponury ponury ponury ponury ponury ponury ponury pończocha pończochą pończochy nylonowe poparcia poparzenia popatrzeć popchnąć popełnić wykroczenie popielaty popielniczka popierać popierać popierać kogoś/coś popijać popijać (małymi łykami) popiół poplamić popołudnie poprawa poprawa koniunktury overigens. verdediger stutten. stoten. trouwens. oord. affronteren. slurpen resorberen. onaangenaam afschuwelijk grimmig rouwobscuur.

bevallig. reeds. bekendmaken.poprawiać poprawiać poprawiać poprawić się/wyzdrowieć poprawka poprawka wymagana równocześnie poprawny poprawny poprawny poprawny poprosić poprosić kogoś o spotkanie poprzeczny poprzedni poprzedni poprzedni poprzednio poprzednio poprzedzać poprzestać poprzez poprzez popsuć popsuty populacja populacją popularny popularny popychać popychać popyt popyt porada poradą poradnictwo poradnik poradnik poradzić poradzić sobie poranek porażce porcelana porcelaną porcie porcie porcja danych poręcz poręcz juist. alreeds daarvoor. beschadigen verspild bevolking bevolking algemeen. veelgeliefd aanduwen schuiven opeisen. correct. voorgaand voorafgaand. haast maken adviseren. eisen voortmaken. herzien. correct. mennen besturen. kornuit. geldend. vooraan. advies administratiekantoor maat. alvast. aankondigen ochtend. administreren. verleden. morgen nederlaag China China haven haven emmer bewapenen. getapt. rail . geldig. determineren juist. goed verbeteren. indertijd voorafgaan. sierlijk fatsoenlijk. vigerend vragen vragen dwars voorgaand. veredelen nakijken. makker besturen. raadgeving. verleden. voorzijn logeren over. met bederven. aankondigen. gemeenschappelijk populair. goed gracieus. betamelijk. bekendmaken raad. kameraad. goed afstelling. overheen. eerder. instelling nauwkeurig bepalen. per. wapenen spoorstaaf. dirigeren. beheren adviseren. behoorlijk gangbaar. voorgaand al. correct. havenen. aan de overkant van door. spoed maken. voorafgaand verleden. richten. vereisen. rekenen. inspecteren juist.

mededelen communiqué aflevering. roerend. aangrijpen. overeenstemmen accoord. betrekking overeenstemming. abortus het eens zijn. overeenstemming overeenstemming. omgang. entree portefeuille portefeuille conciërge. zuilengang luitenant agiteren. opgewonden ontroeren. bewegen aandoenlijk. toegang. meedelen. beeltenis. portier beurs. doelmatig. ontroeren. beweging gejaagd. mislukken abortus provocatus. samenklank akkoord. portiek zuilengalerij. ontroerend aangrijpen. ophitsen. opgewonden . agitatie. samenklank accoord. opruien. overeenstemming communiqué verband. portret evenbeeld. beeltenis. maatregel berichten.poręczny poręczyć pornografia pornograficzny poronić poronienie porozumieć się porozumienia porozumienia porozumienie porozumienie porozumienie dwuetapowe porozumienie trzyetapowe porozumienie trzyetapowe porozumiewać się porozumiewanie się poród porównać porównaj porównania porównanie porównanie porównywać port port port lokalny port równoległy we-wy port źródłowy nadawcy portal portfel portfel na banknoty portier portmonetka portrecie portret Portugalczyk Portugalia portugalski portyk portyk porucznik poruszać poruszać poruszać poruszać poruszenia poruszenie poruszony gemakkelijk. levering. geldbuidel evenbeeld. pornografie pornografisch een miskraam krijgen. geschikt garanderen. portemonnaie. inlevering vergelijken vergelijken vergelijking vergelijken vergelijking vergelijken haven haven luchthaven interface haven ingang. opstoken gejaagd. portret Portugees Portugal Portugees zuilengang. bewegen beroering. borg staan voor pornografisch materiaal.

boerderij. garneren aalbes. afdoen afzetten. dagorde aanvoeren. bezittingen eigendom. gezant afschuwelijk gemelijk. rijk zijn rijk zijn. boerderij. erop nahouden. bevelen afhandelen. voeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoering afvoerder. opgeven prijsgeven. afleggen. bes voorafgaand. huwelijksgift verdenken beeld. afleggen. eigendom. afstand. cessie. onzedelijk situatie. bezit boeltje. afstand. erop nahouden bezitten. stand van zaken bruidsschat.porwać porwać porwać widownię porwanie porwanie samolotu lub innego środka lokomocji porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) porywacz porywać porządek porządek porządek porządek bajtów porządek dzienny porządek zestawiania porządkować porządkować porzeczce porzeczka porzednik porzucenie porzucenie zaniechanie porzucić porzucić wszelką nadzieję porzucony posada posag posądzać posąg poselstwo poseł posępny posępny posiać posiadacz posiadać posiadać posiadać własny posiadania posiadania posiadania posiadanie posiadanie (akcji) posiadłość posiadłość ziemska posiedzenia posiłek ontvoeren transporteren. eigendomsrecht bezitting. commanderen. opgeven gemeen. landgoed. aalwaardig uitzaaien. bezitting goed. zittingsperiode twaalfuurtje. bezitten. eigendomsrecht bezitting. abductor ontvoeren agenda. aalwarig. cessie. bes aalbes. afgezant. overbrengen. verleden. eigendom. toegeving concessie. beslaan. uitstrooien schede. foedraal. maatregel aanvoeren. commanderen. toegeving prijsgeven. dagorde akkoord. immoreel. erop nahouden eigendom. bezit landgoed. lunch . bezitten. standbeeld legatie bode. voorgaand concessie. bevelen akkoord. houder rijk zijn. zitting. maatregel agenda. bezitting sessie.

handeling. beslissing streven. opeisen ontroeren. poederen afzonderlijk. mistig eisen. optreden. rekenen. uitspraak. roos post. aanpakken. vereisen. vooruitgang. genaken. gebruikt aanwending. opsturen bepoederen. beterschap ontwikkeling. meel bloem. afgezonderd respectief mijnbouwkundig onderzoeker speurtocht. vereisen. triviaal. roze. ritssluiting nevelig. luisteren afgewerkt. naderen verbetering. onbenullig vasten personage. rekenen. bewegen ontroeren. aanpakken. gezant afgezant. sturen. toepassing willig. dampig. aangrijpen. inschikkelijk aroma. halthouden. heiig. vulgair. genaken. onderwerpen afgezant. bode. geur afstemmen. speurwerk. zich inspannen. meel blauwe plek knechten. zoektocht . opeisen eisen. blijven staan logeren treksluiting. gezant aanhoren. uitmaken besluit. naderen doen toekomen. bewegen gaan naar. aanpakken. evolutie zich gedragen actie. geaardheid rose. genaken. rits. adapteren aanwenden. gehoorzaam handelbaar. beluisteren. bode. persoon besluiten. pogen houding aard. doorvoeren invetten algemeen. beslissen.posiłek posiłek południowy posiniaczyć poskramiać posłaniec posłańca posłuchać posługiwać sie posługiwać się posłuszny posłuszny posmak posmarować posmarować posmarować pospolity pospolity post postać postanowić postanowienie postarać się postawa postawa postawa posterunek posterunek postęp postęp postęp arytmetyczny postępować postępowanie postój postój postrzępienie (efekt graficzny) postrzępiony postulacie postulować posunięcia posunięcie posuwać (się) naprzód posuwać się naprzód posyłać posypywać poszczególny poszczególny poszukiwacz poszukiwać bloem. naderen gaan naar. aanpassen. gedoe afslaan. posterijen aanplakken gaan naar. gemeenschappelijk plat. karakter. aangrijpen.

getuigen spanderen. speurwerk zoektocht. slippen slippen. snorren speurwerk. inderhaast. uitkijken naar. steelsgewijs confidentie bal. aanbieden aanhankelijk. vacht linnen vervolging. haastigheid.poszukiwać poszukiwać pozycjonować poszukiwania poszukiwania poszukiwanie poszukiwanie poszukiwanie poszycie pościel pościg pośladek pośladkach pośladki poślizg pośliznąć się pośliźnięcie się poślubiać poślubiać poślubić pośmiertny pośpiech pośpiech pośpiech pośpiesznie pośpiesznie pośrednictwo pośredniczenie pośrednik pośrednik pośrednik pośrodku pośród pośród poświadczenie poświadczyć poświadczyć poświęcać poświęcać poświęcać poświęcający się poświęcony poświęcony pot pot potajemnie potajemny potańcówka potargać uitzien naar. opdragen. medio. inboeten tussen. gewijd. haast maken. sacraal zweet zweten. speurtocht zoektocht. offeren. vagebond uitglijden. speurtocht. gehecht gewijd. spoed maken. gehaast haastig. geheiligd geheiligd. gehecht opofferen. uitglijden slippen. onder in het midden van. sluiks. speurtocht. kont. zoektocht dierevel. agent makelaar in de plaats stellen van. heilig. trouwen in de echt verbinden. speurwerk. speurwerk speurwerk. huid. trouwen necrologie haast. haast maken haastig. voortmaken voortmaken. achtervolging bil bips. spenderen aanhankelijk. getrouwd in de echt verbinden. uitglijden gehuwd. rechtop zetten . transpireren tersluiks. inderhaast. speurtocht speurtocht. heilig. certificeren certificeren. speurwerk speurtocht. ijl spoed maken. danspartij opzetten. dealer. gehaast agentschap agentschap vertegenwoordiger. vel. zitvlak zwerver. pels. sacraal. midden tussen getuige getuigen.

hoeven. hoeven. administreren. beheren schotel. zaad nakomelingschap. als waarheid aannemen erkenning erkenning erkenning . kind. hoeven. braadpan. lopen. vloeien. aantasten controleren. behoeven. achteraf. daarna heerschappij. lust. begeerte. bochel loot. mogendheid afkeuren verdomme. behoeven. stroming vloed. macht. stroming bult. moeten nodig. afstammeling nakomelingschap. verlangen. zaad nageslacht loot. verwerping.potas potem potęga potępiać potępiać potępić potępienia potępienia potępienie potężny potknąć się potknięcie potok potok potok potok potok potokowy potok rzutowania potokowym przesyłaniem pakietów potomek potomek potomek proces potomny potomny potomność potomstwo potomstwo potop potrafiący obsługiwać coś (maszyna potrafić potrawa potrawce potrawka potrójny potrząsać potrzeba potrzeba potrzeba (życiowa) potrzebą potrzebny potrzebować potrzebujący potrzebujący odbioru potrzebujesz poturbować potwierdzać potwierdzać uznać n potwierdzenie potwierdzenia potwierdzenie (odbioru) potwierdzenie (odbioru) podziękowanie kalium naderhand. aflezen agnosceren. kroost. jong. bewust besturen. jong. tabakspijp loop. stroom. vlieten loop. kroost. moeten nodig. berooid. aankomend zondvloed welbewust. verdomd. checken. noodzakelijkheid nodig hebben. nooddruftig behoeftig. kind. driedubbel schokken noodzaak. stroom pijp. moeten behoeftig. godverdomme afkeuren wraking. beek stromen. afkeuring machtig struikelen struikelen beekje. nooddruftig wens. afkeuring wraking. afstammeling beginnend. schaal pan. behoeven. afkeuring wraking. dan. steelpan ragoût drievoudig. benodigd nodig hebben. stroom. berooid. benodigd nodig hebben. zin aanvallen. bergstroom.

zetten ooglid zeggen. voornaam. gebied . aankondiging welbewust. karrespoor oppervlakte. areaal. als waarheid aannemen erkennen. ernstig. instructie vertrouwelijk. aanzienlijk stemmig. gebied spoor. inwendige aantrekkelijkheid lokken autoriteit. gezag stemmig. verwantschap monteren. aankondigen. areaal. mormel struikelen achterhoofd stichten aanwijzing. kaft. oppervlak het hoofd bieden kloot. bekendmaken verkondiging. multipliceren belasten met. ernstig. omgeving. serieus rouwbelangrijk.potwierdzenie odbioru potwierdzenie pozytywne potwierdzić potwierdzić potwierdzić notarialnie potworność potworny potwór potykać się potylica pouczać pouczenie poufny poufny powab powab powaga powaga powaga poważanie poważany poważny poważny poważny poważny poweron self test power-on self test powiadamiać powiadomienie powiadomiony powiat powiązania powiązanie powiece powiedzieć powieka powieka powielać powierzać powierzchnia powierzchnia powierzchnia powierzchnia czołowa powierzchnia kuli powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków powierzchnia wyświetlania powierzchnia zapisu erkenning erkenning agnosceren. ernstig. wagenspoor. omslag. areaal. bona fide. gedrochtelijk rotbeest. achting hebben voor achtenswaardig. sfeer. gebied oppervlakte. bekrachtigen. opgeven ooglid bedekking. serieus zwaartekracht achten. consigne. gebied het hoofd bieden oppervlakte. bevestigen bevestigen. geheim binnenste. opdragen. aannemen monsterachtigheid monsterachtig. opdracht geven oppervlakte. bewust graafschap familiebetrekking. bona fide. erg aanplakken aanplakken adviseren. deksel verveelvoudigen. bol. achtbaar geruim. aanmerkelijk.

voorspoed welstand. verschijnen aanblik. grootte verergeren. doorkomen. ondiep verschijning. beschuldiging hangen scharnier hangen romanschrijver nieuw. plicht affiniteit. begroeten hallo feestelijk inhalen feestelijk inhalen overlappen schild. geluk. aandikken uitbouwen. verwantschap gelukwensen. ontwikkeling. verwantschap affiniteit. irriteren afstammen. laten aanstoken. vergroting wasdom. bestek. voorspoed. licht naar buiten. groei opdrijven. welstand. aanschijn. rugschild. het gevolg zijn van geluk. slagen nieuw. bloei. ophitsen. vergroten. vergroten. uitbreiden omvang. sparen langzaam beroep . makkelijk. vergroten. eruit.powierzchniowy tranzystor polowy powierzchowność powierzchowność powierzchowny powierzchowny powierzchowny powierzyć (<sb with sth> komuś coś) powiesić powiesić na zawiasach powiesić się powieściopisarz powieść powieść powieść się powietrze powiększać powiększać powiększać powiększać powiększać (się) powiększenia powiększenie powiększenie powiększenie powiększyć powinność powinowactwo powinowactwo elektronowe ujemne powinszować powitać powitać powitać powitanie powlec powłoka powłoka wsadowa powodować powodować powodować powodzenia powodzenie powodzenie powodzenie (operacji) powoli powolny powolny powolny start powołanie oppervlakkig. buitenkant gemakkelijk. vergroten. maken. rugschild. feliciteren groeten. uitbreiden uitbouwing. bloei. vergroting uitbouwing. bloei geluk. ophogen uitbouwen. langzaam langzaam ontzien. uitbreiden verplichting. zachtjes. opkomend klaarspelen. schaal doen. opkomend lucht uitbouwen. vlot. bloei op zijn gemak. welstand. verheffen. buitenwaarts oppervlakkig. schaal schild. voorspoed. voorspoed welstand. ondiep aanklacht. uitbreiden uitbouwen. geluk. laten doen.

omhoog. teruggeven hergeven. irriteren reden. verder. buiten. trouwens verderop bovendien. teruggeven hergeven. intekenen breidel. verzekeren aanroepen doen. repetitie herhaling. zich voordoen zich aanstellen. inhouden. oorzaak zondvloed opvoeden. ten noorden van uitzonderen snijden. beteugelen. begroeten . oorzaak reden. teugel. repetitie benoorden. universeel bespreken.powoływać się powoływać się powód powód powód powód (sądowy) powódź powóz powrotny powrót powrót do nowego wiersza powróz powstać powstanie powstrzymać powstrzymać/zataić powstrzymywać powstrzymywać powstrzymywać się powstrzymywać się <from sth> od czegoś powszechny powszechny powściągliwość powściągliwość powściągnąć powtarzać powtórce powtórka powtórka (np. toom bedwingen. repetitie herhaling. ophitsen. in opstand komen tegenspartelen. verhoeden. tegenstreven verhinderen. voorts. teruggeven snaar. beletten bevatten. zich voordoen benoorden. reproduceren. nazeggen herhalen. maken. reproduceren. begroeten groeten. naar boven. stemband ontstaan muiten. zich abstineren generaal algemeen. koorde. laten doen. betomen herhalen. ontmannen. laten aanstoken. ten noorden van aanstellerij. daarenboven daarbuiten. behelzen verhinderen. verhoeden. reserveren. onderwijzen hergeven. castreren afhelpen beschikking groeten. ten noorden van op. zich abstineren zich onthouden. lekcji) powtórzenia powyżej powyżej powyższy poza poza poza poza poza poza poza domem (na powietrzu) poza kolejką poza zakresem pozbawić siły pozbywać się pozbywanie się pozdrawiać pozdrawiać beweren. beletten zich onthouden. nazeggen herhaling. rebelleren. onnatuurlijkheid overigens. reproduceren. uiterlijk zich aanstellen. opwaarts benoorden.

toestaan aangeklaagde. aan de schouder brengen horizontaal. onnatuurlijkheid aanmatiging. laten begaan. beschuldigde toestemming. fiat toelaten. laten begaan.pozdrawianie pozdrowienia pozdrowienia pozdrowienie pozdrowienie pozew sądowy poziom poziom poziom intensywności poziom żądania poziomnica poziomy poziomy uprzejmości pozłacać poznać poznać (kogoś) poznawać pozornie pozorny pozorny pozostać pozostać pozostać w łóżku pozostałość pozostawać pozostawać w sprzeczności pozostawiać pozować pozować pozować pozowanie pozór pozwalać pozwany pozwolenia pozwolenie pozwolić pozwolić sobie pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś pozycja pozycja pozycja pozycja cyfry pozycja wyjściowa pozycja znaku pozycja znaku pozycją saluut. groet groeten. nablijven in tegenspraak zijn met. rommel. rang item. lokaal. goedvinden. zich voordoen aanstellerij. overheid aanleggen. nablijven rest. deeltje houding. jaartelling. deel. stand. platliggend aanleggen. afreizen zich aanstellen. positie item. groet complimenteren eerbiedigen. gedogen. begroeten gerechtszaak. deel. respecteren saluut. bijeenkomen. aan de schouder brengen lopen. laten schieten item. deeltje plaats. laten begaan. vertoonbaar virtueel achterblijven. status. treden. toestaan laten. onbescheidenheid toelaten. plek graad. stand. tegenspreken op reis gaan. bekend zijn met klaarblijkelijk. laten schieten laten. afval achterblijven. zich voordoen verderop zich aanstellen. oord. positie aanmelding houding. jaartelling. beklaagde. duidelijk. nablijven rest. deeltje . blijkbaar aanwijsbaar. geding. aan de schouder brengen aanleggen. vergaderen kennen. regering. overblijfsel. proces gouvernement. aan de schouder brengen vergulden agnosceren. jaartelling. overige achterblijven. als waarheid aannemen samenkomen. stappen. schrijden aanleggen. deel. gedogen. waterpas. stand. laten schieten laten.

noordelijk noords. radius schiereiland naderhand. voorschieten. plank schap. nuttig eten. royeren. lust. knabbelen schap. achteraf. adieu adieu. roes. spaakbeen. etenswaar. brand ontzetten. vaarwel vaarwel. hartstocht vaarwel. adieu adieu. uitlenen lenen lenen lenen lenen lenen bevorderlijk. końcowy stationsgebouw. station positief. noordelijk actieradius. plank hemisfeer. adieu vaarwel. dienstig. daarna later later vergevorderd. dan. laat terminal . ontslaan deskundig passie. laat vergevorderd. adieu vaarwel. gaan knagen. halfrond schotel. constructief vuurzee.pozycją pozytywny pożar pożar pożarów itp pożądać pożegnać się pożegnać się pożegnania pożegnania pożegnanie pożegnanie pożegnanie pożoga pożyczać (od kogoś) pożyczać coś komuś pożyczce pożyczka pożyczka pożyczka hipotetyczna pożyczyć pożyteczny pożywienie pójść półbajt półce półka półkula półmisek północ północ północ północ (geograficzna) północ (geograficzna) północ (pora doby) północ pora doby północny północny północny północny wschód półprosta półwysep później później późniejszy późno późny Późny. schaal middernacht noorden noorden noorden noorden middernacht middernacht noorden noorden noords. spijs. van stapel lopen. adieu vuurzee. gerecht lopen. brand lenen lenen. vaarwel vaarwel.

ongerust trek hebben in. speurtocht werkgever functioneren. werkman werker ingenieur werker wasvrouw uitwassen. bezorgd. oefenen . werker. het doen speurwerk. verkiezen. smachtend dorst aanwakkeren. het doen functioneren. werk. werknemer. ijver ijverig. aanvuren. arbeid functioneren. ondervinding aanwenden. bevallen eredienst. begeren verlangend. het doen vlijt. nijver. nijver. ijverig kast laboratorium employé. karwei. ervaring. de was doen voorvoegsel voorzetsel Praag bang.póżniej prac praca praca praca dorywcza praca papierowa praca z podziałem czasowym praca zawieszona praca zespołowa pracą pracą prace badawcze pracodawca pracować pracować ponad siły pracować w ogrodzie pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji pracowitość pracowity pracowity pracowity pracownia pracownia pracownik pracownik pracownik pracownik naukowobadawczy pracownik naukowo-badawczy praczka prać swoje brudy publicznie praefixus praepositio Praga pragnący pragnąć pragnąć pragnąć z całego serca pragnienia pragnienia pragnienia pragnienie praktyczny praktyczny praktyka praktyka (zawodowa) praktykować praktykować later werken. vlijtig. dienst. arbeid functioneren. handelbaar praktisch belevenis. het doen proefschrift. doorvoeren aanwenden. personeelslid werkkracht. verkiezen. dissertatie handwerk ter wereld brengen. godsdienstoefening toepassing. arbeider. vlijtig. ijverig. stelling. het doen functioneren. vlijtig naarstig. werk. naarstigheid. wassen. verkiezen. aansporen trek hebben in. oeuvre emplooi. doorvoeren drillen. begeren inschikkelijk. nijver naarstig. begeren dorst trek hebben in. het doen functioneren. naarstig. karwei. aanwending emplooi. beducht.

waarachtigheid waarheid. pleitbezorger. vrijheid. bijna wettig. gegrond juist. strook. bijkans.pralni pralnia pralnia automatyczna pranie prasa prasa (ściskająca i drukowana) prasą prasować prasowy pratykuła prawa burta prawa dostępu prawda prawda prawda logiczna prawdą prawdopodobnie prawdopodobnie prawdopodobny prawdopodobny prawdziwie prawdziwy prawdziwy prawdziwy prawidłowo prawidłowy prawidłowy prawidłowy prawie prawie prawie prawie nic prawniczy prawnik prawnik prawny prawo prawo prawo prawo prawo prawo autorskie prawo autorskie prawo o podpisach cyfrowych prawo wyborcze prawo zwyczajowe prawomocny prawosławny wasserij wasserij wasserij wasserij pers zuiger pers ijzeren pers item. waarachtigheid waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk werkelijk. voornaam normaal. stemmen eigendom. belangrijk. wettelijk. waarachtigheid waarheid. gewettigd. onvervalst daadwerkelijk. wijze. wettelijk. advocaat wettig. reep. gelijk hebbend. gelijk hebbend. kopijrecht balloteren. betitelen copyright. gewettigd. gegrond waarheid. gewettigd. gewettigd. tituleren. windsel orthodox. haast. bijna schier. haast. geregeld circulerend. in omloop schier. jaartelling. wettelijk. legaal copyright. kopijrecht vrijdom. legaal recht strip. eigendomsrecht wettig. band. trant juist. werkelijk. bijkans. effectief juist. bijkans. haast. deeltje. deel stuurboord manier. kiezen. bijna schier. vlotheid recht wettig. regelmatig. wezenlijk authentiek. ernstig. rechtzinnig . legaal jurist verdediger. wettelijk. goed erg. legaal titelen. correct. standaardgelijkmatig.

minutieus nauwkeurig. vandehands gerechtigheid. heen. accuratesse. komend vandoor. voorbereiding prairie keus. stroming actueel actueel gallon stiptheid. prijs bonus premie. rechtvaardig. eerzaam. stroom. degelijk billijk. accuratesse. nauwgezetheid precies. onbescheidenheid . rechtzinnig rechter-. billijkheid echten. premier abonnement abonnee geabonneerd zijn op voorbereidsel. verwijderd.prawosłowny prawostronny prawość prawowity prawoznawstwo prawoznawstwo dza prawy prawy prąd prąd prąd prąd prąd (także elektryczny) prąd elektryczny przepływ bieżący prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu dyskach) precyzja wielokrotna precyzją precyzować precyzyjny precyzyjny precz precz! preferować prefiks prefiks operatora prefiks usługodawcy premia premia premią premią premier prenumerata prenumerator prenumerować preparat prerią preselekcja prestiż prestiżowy pretekst pretekst pretensja pretensja pretensja orthodox. gezag prestigieus verontschuldigen smoesje. accuraat. accuratesse. scherp. nauwgezetheid eerstvolgend. legitimeren recht recht eerlijk. alternatief. nauwgezet stiptheid. keuze autoriteit. nauwgezetheid stiptheid. claimen aanmatiging. draaierij. prestige. aanstaand. de voorkeur geven aan voorvoegsel voorvoegsel voorvoegsel bonus premie. juist. over prefereren. dekmantel klapstuk. rundvlees aanspraak maken op. fair actueel elektriciteit sap loop. prijs minister-president. smoes.

proces bewerking processie. haal. geding. praeses. percent gerechtszaak. vraagpunt. presentatie. president. cadeau tegenwoordig. werkwijze bereidingswijze. streep gallon roede. vraagpunt. vaart. procent. vraag. poederen buskruit. schielijk. kruit produktie. preses voorzitter. spitsroede. navraag vraagstuk. werkwijze bereidingswijze. opgave pastoor bereidingswijze.pretensjonalny prezencją prezent prezent prezentacja przedstawienie prezentować prezes zarządu prezydencie prezydent prezydent tam był prędko prędkość pręga pręga pręt problem problem problem roku 2000 problem tłumaczenia adresu problem z bezpieczeństwem problem związany z siecią proboszcz procedura procedura pomiarowa procedura wspomagania programu procedura zagęszczania procedurą procencie procent procent procentowość proces proces proces proces rozruchu proces zatwierdzania procesja procesować się proch proch proch strzelniczy produkcja produkcja seryjna produkcja wspomagana komputerem produkcja wspomagana komputerowo produkcja wspomagana komputerowo produkcją produkcją opzichtig. omgang een proces aanspannen tegen buskruit. voortbrenging opbrengen. preses. president. in allerijl snelheid. afwerpen ontwikkeling. vraagpunt. werkwijze routine. actueel aanbieding. percent rente. actueel voorzitter. voortbrenging . geschenk. schrap. radheid schreef. hard. aanwezigheid gift. percent. sleur bereidingswijze. kruit bepoederen. praeses. werkwijze rente. presentie. interesseren rente. procent belang inboezemen. preses voorzitter. stoet. probleem. opleveren. praeses. ostentatief bijzijn. proefstuk gerechtszaak. streek. donatie. aanmaken. maken produktie. president. procédé. voortbrenging ontwikkeling. probleem. procédé. gard. eliminatie fabriceren. eliminatie produktie. opgave rimpelen. spoed. fronsen haardos. president voorzitter. proces bewerking probeersel. praeses. optocht. haar vraagstuk. opgave kwestie. probleem. procédé. procédé. optreden tegenwoordig. procent. geding. preses gauw. stokje vraagstuk.

hulp. bestuurder assistent. opleveren. schets. seksueel.produkcyjny produkować produkować produkt produkt produkt zakonserwowany profanować profesjonalny profesor profil profil wykonania profil zabezpieczeń profilować prognoza prognozą prognozą program program program program program do tworzenia kopii zapasowych program interpretujący program kontrolny program obsługi urządzenia program organizacyjny program pierwotny program post-mortem program składowania program składowania (zawartości pamięci) program sterujący program testujący program typu królik program uruchomiajacy program wspomagający program zrzutu program zrzutu program źródłowy programowa programowa) programu itp. opleveren. aanmaken. middel aanwending. hulp. prognose. gewrocht. voorzeggen voorspelling. gewrocht. opbrengst ontwijden. prent. ontheiligen. plaat projecteren werkje. leiding. toepassing assistent. podium afbeelding. famulus.) ilustracja projekcie projekt projekt projekt pilotażowy projekt szczegółowy projektor laserowy projektować geslachtelijk. manifesteren vinger interpreter debugger conducteur. verwachting akkoord. verwachting beduiden. tekening projecteren projecteren projecteren projector. helper debugger konijntje debugger werktuig. afwerpen produktie. projectietoestel werkje. toepassing programmeren programmeren tribune. tekening . afwerpen opbrengen. beroepsprofessor karakterschets karakterschets karakterschets karakterschets voorspelling. leiding. famulus. voorspellen. opbrengst produktie. profaneren professioneel. helper programmeren programmeren programmeren aanwending. maatregel programmeren programmeren laten blijken. schets. podium tribune. maken opbrengen. prognose. generatief fabriceren.

voorspellen gierst vragen bidden vragen. tieren. propaganda uitloven.) promień promień promień słońca promień zginania promocja promocją promować propaganda proponować proponować proporcja proporcja proporcjonalny propozycja wstępna propozycją propozycją proroctwa proroczy prorok prorokować prosa prosić prosić prosić proso prospekcie prosperować prostacki projecteren werkje. verzoeken gierst prospectus gedijen. grof. beduiden. fataal. aangeven.projektować projektowanie projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) proklamacja proklamacją proklamować proletariacie proletariacki proletariat proletariusz prolog prom promenada promienie słońca promieniować promieniować promieniować rozchodzić się promieniowo promieniować (dosłownie i w przen. verklaring declaratie. spaak bevordering. onkies. bloeien. voorzegging funest. profeet. aanvragen. promotie gaan naar. schets. aanbieding. verhouding proportie. aanbod profetie. aanzoek bod. pont. proloog overzetboot. promenade. inroepen. radius straal. afkondigen proletariaat proletariër proletariaat proletariër voorrede. wandeldek zonneschijn straal. ruw . evenredigheid proportioneel. tekening ontwikkeling. verklaring proclameren. voorzegger voorzeggen. voorslag. promotie bevordering. lomp. noodlottig voorspeller. stralen uitstralen. aanduiden evenredigheid. genaken. evenredig huwelijksaanzoek. bak wandeldreef. stralen actieradius. verhouding. aanpakken. proportie. pontveer. voorspelling. floreren hardhandig. naderen verspreiding. bieden. spaakbeen. stralen uitstralen. aanzoek huwelijksaanzoek. aanbieden aanwijzen. spaak uitstralen. uitvaardigen. spaak zonnestraal straal. evolutie declaratie.

alstublieft voldaan. live. eenvoudig hoer. eenvoudig. irriteren proza proza streven. rechtop rechter-. tevreden. vandehands normaal. bestrijden protestants protestants betwisten. repetitie . chef. trachten. toepassing vragen. bestrijden bekeuring. rechtstreeks aalwaardig. procent. aanvragen. rijten scheuren. proces-verbaal. prostituée bepoederen. notulen slippen. pogen. lichtekooi. proces-verbaal. aalwarig. rijten aalwarig. aalwaardig direct. wees zo goed. recht. eenvoudig aalwarig. notulen proton prototype spoorstaaf. verzoeken bescherming beschermheilige. eenvoudig. beschermheer betwisten. baas constructie. kwellen aanwending. aantrekkelijk. aanbouw gouvernement gewestelijk. standaardlicht. moeite doen gehoor herhaling. percent jury aanstoken. vergenoegd behaaglijk. vlot. aalwaardig aalwaardig. overeind. inroepen. bouw. kaart bekeuring. uitglijden scheuren. aalwaardig landkaart. makkelijk aalwarig. bekoorlijk malen. rail nul gebieder. aanvoerder. aalwarig. provinciaal rente. vermalen. bestrijden betwisten. ophitsen. poederen alsjeblieft. eenvoudig.prosto prosto prostopadły prosty prosty prosty prosty prosty protokół zarządzania siecią prosty protokół zarządzania siecią prostytutka proszek proszę proszę proszę proszkować prośba prośba protekcja protektor protest protestancki protestant protestować proteście protokół protokół IP dla łączy szeregowych protokół odwrotnego tłumaczenia adresów protokół RARP protokół SGMP protokół z potwierdzeniem pozytywnym protokół zmiany kierunku proton prototyp prowadnica prowadzące prowadzący prowadzenie serwerów WWW prowincja prowincjonalny prowizja prowizoryczny prowokować proza prozą próba próba próba direct.

douchen besloten. lomp aanvoerder. trachten. vacuüm luchtledige ruimte. specimen. begenadigen vergeven. chef. proef. onheus. moeite doen moeite. betomen. toevallig smaken streven. plassen. monster bedwingen. koken een douche nemen. baas klapperen. trachten. proefstuk proefstuk. leeg. pogen. proefstuk streven. zich inspannen. flat . dorpel luchtledige ruimte. nutteloos loos.próba próba (teatralna) próba generalna próba generalna próba odzyskania próba teatralna próba v próbować próbą próbą próbą próbą próbce próbka próbka próbka na sekundę próbkować próbować próbować próbować próbować próchnica próchnicą próchno prócz prócz tego próg próg próg tylny próżni próżnia próżnia ultrawysoka próżność próżny próżny prymitywny prymitywny prymitywny pryncypał pryskać pryszcz prysznic prywatny pryzmat prząść przebaczać przebaczać przebaczenie przebicie dętki probeersel. gebieder. trachten. vacuüm nietigheid. kabbelen. stelling probeersel. klotsen op het kookpunt zijn. pogen. bot primitief onbeleefd. ijdelheid vergeefs. specimen. tonder. keuring. specimen. pogen. trouwens. monster. zich inspannen. ledig. borrelen. proefschrift. lens. cru. ijdel. honds. specimen. hol grof. trachten. verder drempel. zwam ander overigens. monster proefstuk. onbehouwen. dorpel drempel. begenadigen appartement. moeite doen examen. monster proef. onderzoek streven. betomen. particulier prisma spinnen absolveren. proefstuk streven. onbewerkt. humus verval tonderzwam. beteugelen streven. proef. absolutie geven vergeven. pogen teelaarde. dorpel drempel. moeite doen dissertatie. poging probeersel. pogen proefstuk. privé-. beteugelen streven. tondel. proef. proefstuk bedwingen. moeite doen incidenteel. pogen. vacuüm luchtledige ruimte.

flikkeren. wandeldek transitief. aangrijpen. overwaarderen overschatten. pakken. splijten. overwaarderen wandeldreef. wekken. sieci) przecięcie przeciętnie przecinek przeciskać się przeciw przeciwieństwo przeciwległy przeciwnie do ruchu wskazówek zegara przeciwnik przeciwny przeciwny przeciwny przeciwny czemuś przeciwstawiać przeciwstawiać się przeciwstawiać się tracé. grijpen. bezwaar hebben tegen . gewiekst. slag. tegen. snoeven. listig slim. buigen. tegenliggend. gloren slaan. beetkrijgen bemachtigen. doortrapt soort. grijpen neigen. doen overhellen schragen. aandrang congestie.przebieg kurs przebiegłość przebiegły przebiegły przebiegły przebierać przebijać przebłysk przebłysk przebój przebudzić przebudzony przeceniać przecenić znaczenie przechadzka przechodni przechodzień przechodzień przechowywać przenosić przechowywać w pamięci przechwalać się przechwycić przechwycić przechwycić przechwytywać przechwytywać przechylać się przechylić przechył przechył statku przeciążenie przeciążenie (np. opscheppen. jegens tegengesteld. bloedaandrang. tegenliggend. gewiekst. aan de overkant van tegenstander dwarsbomen. kloppen. met met. kloppen. detineren. overgankelijk voorbijganger voetganger vertraging reserveren. klappen. aandrang inspringen ongeveer. promenade. strijdig voor tegengesteld. opvallen slaan. bloedaandrang. per. listig. doen overhellen uitlisten. strijdig tegenstander afkerig tegengesteld. strijdig tegenover. aangrijpen. belemmeren uitdagen. steunen. houwen. wakker maken. koers slim. doortrapt scherpzinnig. pienter doortrapt. uittarten standhouden. aangrijpen beetnemen. grijpen bemachtigen. trotseren. scheuren flitsen. tegenaan. tegenliggend. bluffen beetnemen. gewiekst. opwekken overschatten. tegenwerken. route. buigen. beetkrijgen bemachtigen. listig. klappen wakker maken. ophouden pochen. slim. stutten neigen. schrander. opwekken wekken. pakken. circa komma door. een stuk of. cursus. leergang. een lijst maken congestie. tarten. aard barsten.

lang. rekken voorstad voorstad handelsartikel. suffix langdurig. doortrekken. morgen antediluviaans. imvoorvoegsel nadruk. handelaar.przeciwstawić (się) przeciwstawienia przeciwstawienie przeciwstawny przeczący przeczesać przeczyć przeczyć przeczyszczający przed przed przed południem przed siebie przede wszystkim przedefilować przedimek nieokreślony przedimek określony przedkładać przedłożenia przedłożyć przedłużacz przedłużać przedłużenie przedłużyć przedłużyć (się) przedmieścia przedmieście przedmiot przedmiot przedmiot oceny przedmowa przedmowa przedni plan przedni plan (obrazu) przednie światło (np. tegenliggend. herdruk bespotten. cliché borstelen. tegenwerken. aan het. oppositie tegengesteld. voorwoord inleiding. spotten. onderwerp. honen koopman. suffix uitleggen. lange tijd achtervoegsel. ten noorden van ontwijden. zakenman . oppositie tegenstand. in de morgen voor benoorden. doortrekken. schuieren in tegenspraak zijn met. koplamp hal overgang. samochodu) przedpokój przedpokój przedpołudnie przedpotopowy przedrostek przedrostek negujący znaczenie wyrazów przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi przedruk przedrukować przedrzeźniać przedsiębiorca dwarsbomen. verleden. presentatie. optreden knechten. ding handelsartikel. zeer oud voorvoegsel on-. herdruk nadruk. profaneren. artikel voorrede. reflector. object. artikel mikpunt. onderwerpen achtervoegsel. ontheiligen een aan de. laxans voor voorafgaand. in-. het. de. onderwerpen aanbieding. strijdig negatief. tegenspreken ontkennen laxeermiddel. belemmeren tegenstand. voorbericht. passage ochtend. rekken uitleggen. introductie voorgrond voorgrond lichtbak. doorgang. voorgaand voor de middag. naar de knechten.

trip bemachtigen. beweegbaar. tak. vak. mobiel.przedsiębiorca (budowlany) przedsiębiorczy przedsiębiorstwa przedsiębiorstwa przedsiębiorstwo przedsiębiorstwo przedsięwziąć przedsięwziąć przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedstawiać przedstawiać (na scenie) przedstawiać obecny przedstawiający przedstawiciel przedstawicielstwo przedstawić przedstawić (kogoś) przedstawić kogoś przedstawienia przedstawienia przedtem przedtem przedwstępny przedyskutować przedział przedział przedział dla niepalących przedział kolejowy przedział synchronizacji przedziurawić przedziurawić przegapić przegląd przegląd wstępny przeglądać przeglądać przegródce przegrywać przegub przegub (dłoni) przejazd przejażdżka przejażdżka łodzią przejąć przejezdny przejęcia bouwondernemer. tocht. aandurven zaak. handwortel overloop. divisie branche. presenteren. mislopen. roerend Maria-Hemelvaart . preliminair bespreken. excursie toer. misgrijpen recenseren. dealer. tak. reis. onderneming ondernemen zich wagen aan. agent agentschap uitvoeren. branche. presenteren. aannemer ondernemend firma. discuteren branche. ding. handwortel pols. baan. opdagen tegenwoordig. grijpen los. actueel gedeputeerde. presenteren. afbeelden opdraven. indienen uitvoeren. bespreken afgrazen uitzicht afdeling. toer. tocht. handelsfirma. aandurven verbeelden. vak mul. manifesteren al. onderneming zich wagen aan. afdeling interval. aangelegenheid. indienen tentoonstelling. vak. onderneming Maria-Hemelvaart bedrijf. alvast. aangrijpen. indienen uitvoeren. rul pols. afdeling legerafdeling. afgevaardigde vertegenwoordiger. alreeds voor voorafgaand. tussenruimte stompen Jan Klaassen missen. expositie laten blijken. uitbeelden. trip. gang. tussenruimte interval. reeds. bespreken recenseren. handelshuis bedrijf. affaire bedrijf. rijstrook uitstapje.

verdomd. overbrengen. gang. rijstrook bewerker aftreden. voeren afvaardiging. wandelen. vloeken. uitgaan. met pensioen gaan trekken. buitengewoon kronkelen beledigen. geweld overtreffen. geldend.przejęzyczenie przejścia przejścia przejście przejście kolorów przejście na emeryturę przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę przejście wielokrotne przejściówka przejść przejść się przejść się przekaz przekaz (danych) przekazanie (np. rondtrekken. baan. afboeken twaalfuurtje. godlasteren verdomme. lunch twaalfuurtje. translaat. krenken. versie kamrad. verdomd. gang. vloeken. doorgang pensioen metro poort overloop. ophouden. delegatie inhalen opsturen. te boven gaan inhalen overtroeven. lunch ketteren. tippel transfer. vloeken. godverdomme eed. bezwering translatie. odpowiedzialności przekazywać przekazywać przebieg przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki przekąsce przekąska przekląć przekleństwo przekleństwo przekleństwo przeklinać przeklinać przeklinać przekład przekład przekładni przekonania przekonanie przekonujący przekonywać przekonywać przekonywać przekonywanie przekraczać przekraczać przekraczać przekraczająco przekręcać przekroczenie przekroczenie przekroczyć przekroczyć stan konta terugvallen steeg overloop. passage. tandrad. kamwiel. baan. eindigen . tandwiel overtuiging overtuiging gangbaar. godlasteren verdomme. afdracht transporteren. overtreffen bijzonder. overzetting uitvoering. krakelen overtuigen overtuigen overreding overtreffen. disputeren. vigerend twisten. doen toekomen opnemen. geldig. rondreizen wandeling. godlasteren ketteren. rijstrook overgang. bezwering ketteren. godverdomme eed. sturen. affronteren geweldpleging. te boven gaan aflopen.

ontwrichten. geweld bedelven. afgelopen. industrieel smokkelwaar.przekrój przekształcać przekształcać przekształcać przekształcać na postać cyfrową przekształcać transformata przekształcić przekupić przelew przelew przelew krwi przelewać przelot przelotny przełączać przełącznik zmianowy przełączyć przełączyć przełomowe wydarzenie przełożony przełykać przemawiać przemawiać przemądrzały przemienić przemienny przemienny przemierzać przemieszczenie przemieszczenie przemieścić przemijać przemiły przemoc przemóc przemówienia przemówienie przemówienie przemycać przemysł przemysł cukrowniczy przemysł stoczniowy przemysł włókienniczy przemysłowca przemysłowy przemyt przemytnik przemywać branche. gard. overstelpen. oratie smokkelen vlijt. genaken. afboeken opnemen. overheerlijk geweldpleging. omschakelen. vliegtocht een douche nemen. speech. spitsroede. gard. beëindigd roede. veranderen afwisselend afwisselend getrappel. gestamp gaan naar. speech. aanpakken. de was doen . afboeken overtollig. overbodig vlucht. prevalent. kostelijk. naderen verschuiving verrekken. verpletteren rede. naarstigheid. stokje mijlpaal opperste. oratie adresseren rede. sluikhandelaar uitwassen. inslikken adresseren praten. redevoering. vak. tak bekeren masseren vervormen vervormen vervormen vervormen bederven. overschakelen roede. doorslikken. wassen. verstuiken inhalen heerlijk. ijver farmacie. ijver industrieel industrie-. contrabande smokkelaar. spreken geraffineerd anders maken. stokje klaar. superieur slikken. artsenijbereidkunde weefsel vlijt. spitsroede. redevoering. verbasteren. afgewerkt. douchen omleggen. naarstigheid. omkopen bloedvergieten opnemen.

bits doordringen. beploegen afgrond. doorstoten afstemmen. aanpassen. afdragen transporteren. consigne. bocht. afdragen oneigenlijk. aangrijpen. inham. doordringend snibbig. brengen opnemen. vloeien. beweegbaar. uitlaten voorafgaand. roerend draagbaar. fel. kwiek. portable oneigenlijk. instructie reglement bevloeien. kwiteren recept heerschappij. voorspelling. afboeken dragen. levendig. lopen. ploegen. sproeien stromen. voorzegging zich verontschuldigen verontschuldigen zich verontschuldigen . oprijlaan opnemen. nalaten. voorgaand omploegen. figuurlijk los. wigor przenajświętszy przeniesienie równoległe przenieść przenieść przenieść przeniesienie przenikać przenikliwy przenikliwy przenikliwy (ból) przeniknąć przenocować (<sb> kogoś) przenosić przenosić przenosić (na inną platformę systemową) przenośnie przenośny przenośny przenośny przenośny automatyczny system telefoniczny przeoczyć przeor przeorać przepaść przepaść przepaść przepaść przepierzenie przepiórce przepiórka przepiórka przepis przepis przepis przepis przepisach przepisy przepisy przepłukiwać przepływ przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok przepowiadać przepowiednia przepraszać przepraszam przeprosić sap oprit. lopen. binnendringen. vloeien. afscheiding. voeren. guur. mobiel. afboeken ontroeren. golf. vlieten voorzeggen. gieten. overbrengen. druk bijtend. doorstoten kras. bestuur reglement aanwijzing. figuurlijk oneigenlijk. aangeven. boezem afgrond schifting. rap. vlieten stromen. voeren aanreiken. bewind. kreek golfspel. beduiden profetie. voorspellen. aangeven. voorhebben. inham. begieten. bewegen doordringen. adapteren aanreiken. kolk baai.przen. verleden. clausuur kwartel patrijs kwartel recept voor voldaan tekenen. binnendringen. figuurlijk verzaken.

doen schrikken schrik aanjagen. gedogen. schraal. rust een miskraam krijgen. mislukken stoppen. gedogen. ziften springen . schorsen. aanpassing opening. voeren. overdrijven vooroordeel. gaping adempauze pauzeren interruptie. anders maken in de week zetten. onderbreking hortend. intermitterend sprietig. toestaan toelaten. onderbreken afmaken. onderbreken interruptie. bedanken een miskraam krijgen. schorsing. mager haan van een vuurwapen chargeren. ophouden interrumperen. voorhebben. schorsing. aflaten. louteren interviewen toelaten. toestaan inhalen anders maken. onderhouden uittreden. schorsen. schoonmaken. doen schrikken consternatie. onderbreking pauze. onderbreking een miskraam krijgen. onderbreking afbreken interrumperen. pauze interruptie. mislukken interrumperen. schorsen. amuseren. beëindigen.przeprosiny przeproszenie przeprowadzić (plan) przeprowadzić się przeprowadzić wywiad przepustce przepustka Przepuszczać (np. aftreden. onderbreken interruptie. schorsen. afsluiten interrumperen. strumień gazu) przerabiać przerazić przerażać przerażenie przerażenie przeróbka przerwa przerwa międzyrekordowa (na nośniku informacji) przerwa start-stop przerwa w podróży przerwać przerwać przerwać przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) przerwanie przerwanie przerwanie integer liczba całkowita przerwanie zewnętrzne przerwą przerwą przerwą przerywać przerywać przerywać przerywać przerywać coś przerywać przerwanie przerywany przerzedzać przerzutnik przesadzać przesąd przesąd przesądny przesiadać się przesiąknąć przesiewać przeskoczyć verontschuldiging verontschuldiging dragen. onderbreken rust. bres. weken zeven. ontsteltenis gruwel. schorsing. vooringenomenheid bijgeloof bijgelovig veranderen. gruweldaad. schorsing. verschrikking modificatie. mislukken opvrolijken. veranderen schrik aanjagen. brengen reinigen. weekmaken. bewerking.

dutten uittreden. schut Iris afbeulen. handelen volgens te wachten staan. nakijken. eind verschuiving tournee. tribune. leiding ontbinden. afgelasten voorspeler. aftreden. schrik aanjagen verjagen. snood. misdrijf misdaad. breedvoerig. bewegen beweging verschuiving opnemen. aangrijpen. afschrikken waarschuwing. misdrijf lafhartig. rondreis verschuiving beweging afstand. bestek. afgeven ruimte. voorhebben. verbreiden. druilen. snood. ontwrichten. breedvoerig. bang doen schrikken. royaal. vergaderen ruim. groot verspreiden. wereldruim. bestuur. wachten samenkomen. groot waarschuwen blijven gehoorzamen opvolgen. ondervragen inhalen sluimeren. brengen verrekken. afjakkeren. interpunctie mottig verschuiving misdadig.przeskok przeskok przeskok przesłać przesłać dalej przesłona przesłona (falowodu) przesłonić przesłuchanie (świadka) przesłuchiwać przesmyk przespać się przestać przestankowanie przestarzały przestawić przestępca przestępczy przestępstwa przestępstwo komputerowe przestraszony przestraszyć przestraszyć przestroga przestronny przestrzec przestrzegać przestrzegać przestrzegać przestrzegać (coś) przestrzegać normy przestrzenny przestrzeń przestrzeń (także kosmiczna) przestudiować przestudzić przesunąć przesunąć przesunięcie przesunięcie przesunięcie przesunięcie logiczne przesunięcie w lewo przesunięcie w prawo przesuń przesuń w prawo przesuwać przesyłanie z potwierdzeniem hinkelen springen podium. tip ruim. afmatten gehoor een verhoor afnemen. royaal. bijeenkomen. verstuiken afstand. laf. crimineel misdaad. voeren. aanvaller scherm. crimineel misdadig. afboeken . examineren afkoelen dragen. eind ontroeren. annuleren. afhalen. speling onderzoeken. bedanken punctuatie.

merendeels. overtreffen beklemmen. verhoeden barrière. vertalen transporteren. vel overtroeven. achtervolging vervolging. hek. zoektocht schaven. najagen. verleden tijd kruipen speurtocht. wannen. voordeel overwegend. grotendeels pré. hinderpaal verleden. speurwerk. verleden tijd verleden. zoektocht scanderen blad. verhinderen. voorspellen. taille anticiperen. boodschap storen. eindigen translateren. afhalen. leest. te wachten staan frisse lucht toewaaien. belemmeren. overbrengen. beletten beletten. voeren verteren. obsederen achtervolgen. uitgaan. verwachten beduiden. voordeel middel. ophouden.przesyłka przesyłka komunikat przeszkadzać przeszkadzać przeszkadzać przeszkoda przeszkoda przeszkoda przeszłość przeszły przeszukać przeszukiwać przeszukiwać przeglądać prześcieradło prześcigać prześladować prześladować prześladować prześladowania prześladowanie przetarg przetarg przeterminować się przetłumaczyć przetransportować przetrawić przetrwać przetrwać przetrząsać przetrzeć się przetrzymywać przetwarzać przetwarzać przetwarzać przetwarzać (tekst) przewaga przeważnie przeważyć przewężenie przewidywać przewidywać przewidywać przewidywanie rozgałęzienia przewidzieć przewidzieć przewietrzyć przewietrzyć przewietrzyć pakje bericht. nastreven vervolging. veiling gunning. voorzeggen bedacht zijn op. verleden. prejudiciëren beduiden. beletsel. overzetten. prejudiciëren wachten. afslag. verduwen. afschaven blijven bekeren masseren vervormen masseren pré. hinderen doorkruisen. voorspellen. afsluiting. digereren voorgaand. vendu. spuien. mijn. luchten . speurwerk. doormaken. waaien lucht uitluchten. belemmeren. voorafgaand doorleven. beleven speurtocht. aanbesteding aflopen. heining storing hindernis. voorzeggen anticiperen. achtervolging auctie. vervolgen najagen.

uittrekken lot. garen lange tijd. mikken op. pontveer. te boven gaan aan. mennen gidsboek. opdragen. chef. honk ontvanger verloten. wit. nabij. overtreffen overtreffen. onpartijdig metaaldraad. passend. beogen. aanvoerder. president voorzitten. gids. lot doelstelling. preses. omwenteling pervers. met koud koud gepast. president voorzitter. vademecum gebieder. loten bestemmen. verdorven revolutie. dichtbij door. bedoelen geabonneerd zijn op spanderen. toonaangevend. koorde. bestuurder snaar. bak oneigenlijk. bestemming. baas overzetboot. afzijdig. president. te door. doelwit. draad affuit beweging anders maken. doel. per. draad neutraal. binnen. praeses. stemband metaaldraad. geschikt bestemmen. reisgids. presideren conducteur. bestemming. met dwars door dwars door dwars door in. praeses. figuurlijk conducteur. veranderen revolutie. naast. pont. lang leidend. praeses. bij.przewietrzyć się przewlec przewlekły przewodni przewodniczący przewodniczący przewodniczący Rady Nadzorczej przewodniczyć przewodnik przewodnik przewodnik przewodnik przewozić przewoźny przewód przewód przewód przewód zerowy przewód zerowy przewóz przewóz przewracać przewrocie przewrotny przewrót przewyższać przewyższać liczebnie przez przez przez całą dobę przez całą noc przez cały przez radio przez to przeziębienia przeziębienie przeznaczać przeznaczać przeznaczenie przeznaczenie przeznaczenie adresat docelowy przeznaczenie nieosiągalne przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć (coś na jakiś cel) przeznaczyć (coś na jakiś cel) lucht draad. dirigeren. richten. toongevend voorzitter. preses voorzitter. preses. per. bestuurder besturen. omwenteling overtroeven. uittrekken mikken. langdurig. lotsbestemming lotsbestemming. spenderen geabonneerd zijn op . per.

geadopteerd luifel. aangrijpen Maria-Hemelvaart aangenomen. beleven kronkelen voorvader. aanlokken. dichtbij. bij. gevest. voorkant in zich opnemen. noemen aan. bij aan. assimileren aanhalen. naast. naast. dichtbij. behalen kliniek lid worden toelachen. naast.przezorny przezwyciężyć przezwyciężyć przeżegnać się przeżycie przeżyć przędza przodek przodek (w kopalni) przodkowie przód przód kompilatora przswoić prztoczyć przy przy przy forsie przy rejestracji na taśmie magnetycznej przy świetle świec przy zdrowych zmysłach przybliżony przybliżony czas przybrać postać (<sth> czegoś) przybranie przybrany przybudówce przybycie przybyć przybywać przybywać się przychodnia przychylic się przyciągać przyciągać przyciągać uwagę przyciągający uwagę przyciąganie przyciąganie przycinać przycisk przycisk przycisk przycisk z grafiką rastrową przycisk zwalniania myszki przyczepa przyczepa turystyczna przyczepą przyczepiać behoedzaam. aantrekkelijk aantrekkelijkheid zwaartekracht snoeien dichtknopen heft. verkrijgen. bekoren toelachen. overmeesteren waarschuwen kruisen. handvat. ondervinding doorleven. behalen buit maken. citeren. belanden. dichtbij. bekoren aanlokkelijk. nabij. dichtbij aan. doormaken. knop drukknoop dichtknopen dichtknopen aanhangwagen karavaan aanhangwagen aanhechten . verkrijgen. voorzichtig geweld aandoen. over elkaar slaan belevenis. nabij. aanlokken toelachen. afdak bezorging. bekoren. ervaring. nabij. bij beneden uur aan. bij benaderen benaderen aandoen. voorkant voorzijde. hals. voorzaat het hoofd bieden afdaling voorzijde. nabij. stamvader. arriveren buit maken. aanvoer aankomen. naast. aanlokken.

aanvoer voorkomend. zwaar avontuur. maken. kameraad. adhesie doen. lief. razen. bereiden. preliminair voorafgaand. aardig. voorbereiding achtergrond voorbereidsel.przyczepić przyczepność przyczyna przyczyna przyczyniać się przyćmiewać przyćmiony przydarzyć się przydatność przydatność przydatny przydatny przydomek przydzielać przydzielać przydzielać przydzielać (środki) adj odpowiedni przydzielić przydźwięk przyglądać się dokonywać przeglądu przygnać przygnębiony przygniatający przygoda przygodą przygodność przygodny przygotować przygotować (się) przygotowania przygotowanie przygotowanie przygotowawczy przygotowawczy przygotowujący przygotowywać przygryzać przygwoździć przyholować przyimek przyjaciel przyjaciel przyjaciel przyjacielski przyjazd przyjazdach przyjazny przyjaźń aanhechten grip. dagvaarden snorren. disponibel bevorderlijk. preliminair toebereiden. aardig. vriendelijk vriendschap . geschikt verzenden betekenen. aandragen. voortgang hebben. vriendelijk bezorging. bereiden. preliminair voorafgaand. aanmaken knagen. slepen. bereiden. troosteloos. bezorgen naargeestig. oorzaak bijdragen schemerig schemerig toegaan. dagvaarden betekenen. laten doen. laten reden. kornuit. dagen. lotgeval avontuur. gebeuren geschiktheid geschiktheid liquide. perikel. knabbelen spijkeren. maat vriendin voorkomend. naam. aanmaken toebereiden. lotgeval eventualiteit eventueel. brommen staren. passend. perikel. beschikbaar. gonzen. nuttig benaming. voorbereiding voorafgaand. nagelen trekken. somber drukkend. turen brengen. boegseren voorzetsel bakstenen. stenen makker. aanvoer bezorging. dagen. aanmaken voorbereidsel. aanstaren. lief. dienstig. loten gepast. gebeurlijk toebereiden. naamwoord verloten.

lid worden. onthaal aanvaarding. aangaan aanhechten aanhechting aanhechten monteren. zetten verbinden. grof. adopteren toegeven aankomen. nors. aangenaam genoeglijk. onbekende. het gevolg zijn van toonbeeld. accepteren aannemen. bekoorlijk aangenaam. bot. bij acclamatie benoemen toegeven zich eigen maken. honds. aanflitsen. vermaak. voorbeeld smart. aantrekkelijk. aannemen. onbehouwen. eerbetuiging aankomen. aanneming. toetreden aanfloepen. adopteren aannemen. genoeglijk genoeglijk. aangenaam. onthaal accepteren. arriveren pret. aangenaam. genoegen. belanden. nurks.przyjąć przyjąć standard przyjechać przyjemność przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny (zapach) przyjemny (zapach) przyjezdny przyjęcia przyjęcie przerwania przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować jako członka (<sb> kogoś) przyjmować uznaniem przyjmować w poczet członków przyjmować z uznaniem przyjść przyjść przykład przykrość przykry przykry przykry przykucnąć przykuwać przylądek przylądek przylegać przylegać (do czegoś) przyleganie przyległy przylot przyłaczyć przyłapać przyłączać przyłączanie przyłączyć przyłączyć przyłączyć nawiązać łączność przyłożenie zich eigen maken. aanvaarden accepteren. cru onaardig. plezier behaaglijk. aanvaarden toejuichen. vreemde aanvaarding. grenzen aan grip. affiliëren claimen. adhesie aangrenzend. aangenaam behaaglijk. toepassing . grenzen aan belenden. aanvaarden eerbetoon. aanvoer zich aansluiten. leed afschuwelijk onbewerkt. aanneming. arriveren afstammen. behaaglijk. aan elkaar vastmaken aanwending. aanspraak maken op aanvaarden. genoeglijk vreemdeling. belanden. hurken klinken. vastklinken kaap Kaaps belenden. aanliggend bezorging. bars in elkaar duiken. genoeglijk behaaglijk. verdriet. behaaglijk. affiliëren accepteren.

attribuut aan de scharrel zijn. behoorlijk. bepalen aanhechten bindend. ongeval ongeluk. aandragen het veld ruimen. onthouden zich herinneren. onthouden . dagen. bezorgen brengen. gedenken. afstaan incidenteel. bezorgen. lokaas lokken lokken brengen. affix smart. dagvaarden bijvoeglijke bepaling. adjectief bijvoeglijk aanhechtsel. doorvoeren meten heerschappij. ten volle. aandragen. bewind. onthouden. bezorgen. hek. aandragen brengen. fladderen tij. leed bevestigen. commentaar nabeschouwing betekenen.przyłożyć przymiar przymiar przymiarka przymiot ik przymiotnik przymiotnikowy przymocować przymocować przymocować przymocowywać przymusowy przynaglać przynajmniej przynależność przynęcie przynęcie przynęta przynęta przynęta przynieść przynieść pożytek przynosić przynosić przynosić plon przypadek przypadek użycia przypadek wcielenie przypadkowość przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadłość przypiąć przypiekać na ruszcie przypis przypis końcowy przypisać przypisywać (<sth to sb przypływ przypływ przypominać przypominać przypominać przypomnieć przypomnieć sobie aanwenden. aanvuren. hartzeer. accident. incidenteel droefheit. toevallig chaotisch eventueel. gebeurlijk toevallig. toevallig ongeluk. bestuur betamelijk. gedenken. dwingend. afrastering. heel. ongeval eventualiteit incidenteel. toevallig incidenteel. bezorgen brengen. fixeren. getij zich herinneren. gedwongen aanwakkeren. gedenken herinneren herinneren zich herinneren. volkomen lidmaatschap aas. traliehek aantekening. aansporen geheel. aandragen. accident. fatsoenlijk bijvoeglijke bepaling. verdriet. attribuut bijvoeglijk naamwoord. lokaas lokken aas. beproeving kegel rooster.

bezwering ketteren. bezwering eed. toezeggen. toedekken. accelereren versnelling. bedekken spreekwoord adverbium. toezeggen. opkopen menen. godlasteren. onthouden. achtervoegsel instrument. dienst. acceleratie versnelling. hypothese. verbeelding onderstelling. vermoeden Maria-Hemelvaart arrogantie. instelling logeren landingsplaats. voorbereiding beloven. haast maken zich eigen maken. bereiden. godsdienstoefening beminnelijk bakken. ophogen suffix. mening gissen. spoed maken. gissen gissing arrogantie. aard uitbouwen. uitloven plechtig beloven beloven. acceleratie voortmaken. steiger lid worden te werk gaan . werktuig aanhechting toebereiden. vermoeden. bespoedigen. hypothese. vergroten. kruiden kruiden kruiden kruiden. gedenken op smaak brengen. bijwoord bijwoordelijk eredienst. uitbreiden opdrijven.przypomnieć sobie przyprawa przyprawa przyprawą przyprawiać (potrawę) przyprzeć do muru przypuszczać przypuszczalnie przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenie przypuszczenie przypuszczenie przyroda przyrost naturalny przyrost naturalny przyrostek przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku przyrząd) przyrządzać przyrządzanie przyrzec przyrzeczenia przyrzeczenie przyrzekać przysiędze przysięga przysięgać przysłaniać przysłowie przysłówek przysłówkowy przysługa przysmak przysmażyć przyspieszać przyspieszenie przyspieszenie ziemskie przyspieszyć przysposobić przysposobienie przystanek przystań przystawać na przystąpić zich herinneren. uitloven beloven. stellen toegegeven vermoeden. beleggen. verheffen. fruiten verhaasten. geaardheid. aanmaken voorbereidsel. op smaak brengen accapareren. verbeelding onderstelling. aanlegplaats. vloeken dekken. toezeggen. uitloven eed. adopteren afstelling. mening karakter.

adapteren toegevend. arrestatie armhuis. absorberen absorptie. net. toegankelijk aanspreekbaar liquide. aankomend verhaasten. vrachtcontract preferentie. emotie. aandoening aanhechting aanhechting aanhalig aanhalig opdraven. meegaand afstemmen. opslorpen. citeren. bewerking. adapteren afstemmen. opdagen charter. handvest. afbetalen knechten. knikken afschrijven. onderwerpen schemerig welbewust. garneren in beslag nemen. gebrek aanhechten aanhechten affect. prae titelen. noemen ja knikken. opslorping beginnend. privilege. armhuis ondeugd. fraai. groet gepast. afhandelen. knap. betitelen feestelijk inhalen saluut. aankomend beginnend. kazemat aalmoezeniershuis. asyl toevlucht bunker. asiel. aalmoezeniershuis toevluchtsoord. tituleren. bewust aanhouding. aanpassen. schoon. beschikbaar. beslaan. inschikkelijk. aflossen. passend. accelereren afdoen. aanpassen. bespoedigen. geschikt . aanpassen. mooi afstemmen. disponibel goeduitziend fijn. adapteren geschiktheid modificatie. aanpassing aanpassing congruent afzetten.przystępny przystępny przystępny przystojny przystojny przystosować przystosować przystosować przystosować (się) przystosowania przystosowanie przystosowanie się przystosowany przystrzyc przyswajać przyswajanie przyszłość przyszły przyśpieszać przyśpieszać przytaczać przytaczać apostrof cudzysłów przytakiwać przytępiać przytłumić przytłumiony przytomny przytrzymanie do czegoś przytułek przytułek przytułek przytułek przytułek przywarą przywiązać przywiązać się do kogoś przywiązanie przywiązanie przywiązanie do czegoś przywiązany przywiązany do czegoś przywidzieć się przywilej przywilej przywilej przywitania przywitanie przywłaszczyć sobie genaakbaar. afstaan aanhalen. afwikkelen het veld ruimen.

przywoływanie przywozić przywódca przywracać przyznać przyznać przyznać się przyznać się do czegoś przyznać że przyznawać przyznawać rentę przyzwalać przyzwalający przyzwoicie przyzwoitce przyzwoitka przyzwoitość przyzwoity przyzwolenie przyzwyczaić przyzwyczaić przyzwyczaić się przyzwyczajać przyzwyczajenie przyzwyczajony przyzwyczajony przyzywać psalm pseudonim psi psikus psocie psotny pstrąg psucie się psuć psuć się psychiatra psychiatria psychiatryczny psychice psychice psychiczny psycholog psychologia psychologią psychologiczny pszczelarstwo

zich herinneren, gedenken, onthouden importeren, invoeren aanvoerder, baas, gebieder, chef beter worden, genezen, helen toegeven verloten, loten toegeven toegeven agnosceren, als waarheid aannemen pensioen erkennen, bekennen, biechten, toegeven het eens zijn, toegeven, goedvinden aangenaam, behaaglijk, genoeglijk naar behoren, netjes, behoorlijk chaperonne chaperonne landgoed, boerderij, bezitting betamelijk, fatsoenlijk toestemming, goedvinden, fiat gewend zijn, plegen, gewoon zijn gewoon, gebruikelijk acclimatiseren gewend zijn, plegen, gewoon zijn aanwensel, hebbelijkheid gewoon, gebruikelijk afgewerkt, gebruikt noemen, heten, benoemen, uitmaken voor psalm pseudoniem, schuilnaam honden-, hondeaanwensel, hebbelijkheid tuigen, optakelen, optuigen boosaardig, hatelijk, kwaadaardig forel vergaan, verrotten, rotten, bederven bederven, havenen, beschadigen vergaan, bederven, verrotten, rotten psychiater psychiatrie psychiatrisch psyche Psyche psychisch psycholoog, zielkundige zielkunde, psychologie zielkunde, psychologie psychologisch bijenteelt

pszczoła pszenica pszenicą ptactwa ptak ptak drapieżny ptakach publiczność publiczność publiczność (wywołujący interfejs usługi) publiczny publiczny publikacja publikować publikować artykuł na ten sam temat publikować kanał informacyjny publikować w Internecie puchar puchnąć pudding pudełko pudełko/pudło tekturowe puder puderniczce puderniczka puduszka na fotel pukać pukiel pula pula pula zmiennych aplikacji pulower pulpit pulpit pulpit sterowniczy puls pulsować pulsowania pułap pułapce pułapka pułapka jonowa pułapka sygnału dźwięku pułapka śledzenia pułk pułkownik punkt punkt (np. opatrunkowy)

honingbij, bij weit, tarwe weit, tarwe gevogelte vogel gevogelte vogelstand, gevogelte, vogelwereld toehoorders, gehoor, auditorium openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek toehoorders, gehoor, auditorium algemeen, gemeenschappelijk openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek afkondiging, openbaarmaking uitgeven, emitteren drukletter uitgeven, emitteren uitgeven, emitteren vont, bekken, kom aanzwellen pudding boksen boksen bepoederen, poederen compact, dicht compact, dicht kussen slaan, klappen, kloppen, opvallen krullen bank zich aaneensluiten, aansluiten zich aaneensluiten, aansluiten Jersey vertroosten, troosten huisje, schuur, keet, kraam, loods lezenaar, lessenaar pols, polsslag, tel kloppen, pulseren kloppen, pulseren plafon, hoogtegrens, plafond een hinderlaag leggen slag, valstrik, val muizeval gewas, plant slag, valstrik, val regiment kolonel merken, tekenen stationsgebouw, station

punkt centralny punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) punkt kulminacyjny punkt łączenia punkt montowania punkt obserwacji punkt odniesienia punkt odniesienia punkt przyciągania punkt szczytowy punkt środkowy punkt węzłowy punkt widzenia punkt wyjściowy punkt zaczepienia punkt zbiegu punkt zwrotny punktualny pupa purpura purpurą purpurowy purytanin purytański pustce pustelnik pustka pustka pustkowie pustoszyć pusty pusty pusty pusty pusty pusty wiersz pustyni pustynia puszce puszcza puszczać pąki puszczać strugę puszczać w ruch puszkować puścić bąka pycha

roteren, draaien huiswaarts, naar huis standpunt, gezichtspunt huiswaarts, naar huis ruimte, lokaliteit, oord, plaats mijlpaal mijlpaal neus, punt, piek, tip, top, spits nachtevening, dag- en nachtevening hoogte middelpunt, binnenste, centrum hoek aanzien, air, schijn, aanblik oorsprong, afkomst, herkomst haakje, slot, spang, agraaf neutraal, afzijdig, onpartijdig neus, punt, piek, tip, top, spits nauwgezet, nauwkeurig, accuraat bips, kont, zitvlak purperen purperen purperen puriteins puriteins leegte, leegheid heremiet, kluizenaar wit, blanco, oningevuld, blank wildernis, woestenij, woestijn woest, wild verklungelen, opmaken, verdoen wit, blanco, oningevuld, blank hol, ledig, lens, loos, leeg nihil, nul leeg, vrij, open, onbezet vergeefs, ijdel, nutteloos nihil, nul wildernis, woestenij, woestijn wildernis, woestenij, woestijn waas, dons, nesthaar oerwoud, jungle, rimboe uitbotten, spruiten, botten spuiten, sproeien, uitspuiten uitschrijven, lanceren, ontketenen blikken een wind laten trots

pykać (z fajki) pył pył pysznić pyszny pytać pytać pytanie pytanie otwarte pyton pzez pzować pzować (w banku) quiz nek (w banku) r poniżej rabat rabat rabin rabować rabunek rachmistrz rachunek rachunek rachunek (w banku) rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) racja rozum wnioskować racjonalny raczej RAD rada rada rada przetwarzania transakcyjnego rada przetwarzania transakcyjnego radar radą radą radia radio radio amatorskie na balonie radio amatorskie na balonie radio z gramofonem radioamator radiofonia radiolokator o fali ciągłej radiotechnika radny miejski radosny

pof, poef stof bepoederen, poederen trots heerlijk, kostelijk, overheerlijk vragen kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag Python in, binnen, per, te aandoen, aangrijpen aandoen, aangrijpen puzzel, raadsel daarbeneden, beneden, onder disconto aftrekken, korten, afslaan rabbijn, rabbi stropen, buitmaken, roven, plunderen plunderen, buitmaken, stropen, roven boekhoudkundige, accountant snavel, tuit, bek, snater, neb voorschip, voorsteven, boeg rekening, conto boekhouding, boekhouden doen, maken, laten doen, laten redelijk, rationeel een klein beetje, lichtelijk, ietwat radium raad, raadgeving, advies raadgevend lichaam, raad raad, raadgeving, advies adviseren, aankondigen, bekendmaken raderwerk, radar raadgevend lichaam, raad sovjetdraadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio ham draadloze, radio raderwerk, radar draadloze, radio wethouder, schepen lustig, vrolijk, monter

radosny radosny radosny radość radość radość radość radował radował radowanie radykalnie radykalny radzić radzić radzić się radzić sobie z rafa rafą rafineria rafinerią rafinować rafinowany (cukier) raj raj rajstopy Rak rak rakiecie rakieta rakieta (ale nie tenisowa) rakieta świetlna rakietka ralizm rama rama czasowa ramiączko ramię ramię ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) ramię w ramię ramię wybiorcze ramka ramka widoku ramka zaznaczania rana rana ranczo

goedgeluimd, goedgehumeurd jubelgoedgeluimd, goedgehumeurd amusement, vermaak verrukken, in verrukking brengen flikkeren, flakkeren, schitteren blijdschap verrukt genieten van, blij zijn gejubel grondig, radicaal ingrijpend, grondig, radicaal adviseren, bekendmaken, aankondigen aanwijzen, aangeven, aanduiden raadplegen, consulteren rondgeven, ronddelen, uitdelen klip, rif klip, rif raffinaderij raffinaderij raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel Eden paradijs paradijs kanker zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft vuurpijl, raket vuurpijl, raket vuurpijl, raket flikkeren, flakkeren, schitteren peddelen, door het water plassen realiteit kader, omlijsting, lijst, raam in een lijst zetten, inlijsten, vatten riem bewapenen, wapenen schouder naast elkaar bewapenen, wapenen schouder boksen in een lijst zetten, inlijsten, vatten rand, zoom ochtend, morgen zweer landgoed, goed, bezitting, boerderij

randka randka randka z nieznajomym randze ranek ranga ranga (w wojsku) ranić ranić ranić ranny rano rano rapier raport raport kontrolny raport o stanie niezawodności urządzenia raptownie raptowny rasa rasa rasą rata rata roczna ratować ratować ratował ratownictwa ratunek ratunek ratusz raz razem razem rąbać rączce rdza rdzą rdzenny rdzeń rdzeń pamięciowy rdzeń systemu operacyjnego rdzewieć read only memory reagować reagować reakcja

benoeming, aanstelling dadel, dactylus benoeming, aanstelling graad, stand, status, rang ochtend, morgen graad, stand, status, rang graad, mate, trap havenen, beschadigen, bederven gewond aanschieten aangeschoten voor de middag, in de morgen ochtend, morgen degen informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil opkweken, fokken, opfokken, telen geslacht, stam, volksstam geslacht, stam, volksstam afbetalingstermijn, annuïteit afbetalingstermijn, annuïteit bergen, behouden, redden redden, bergen, behouden vrijkopen, loskopen, afkopen bergen, behouden, redden ontsnappen, ontkomen, ontgaan bergen, behouden, redden wereldstad, grote stad eens, op een keer alles wel beschouwd samen, tezamen, bijeen, ineen fijnhakken oor, kruk, handvat, hengsel, klink verroesten, roesten verroesten, roesten inboorling kern, pit pit, kern kern, pit verroesten, roesten ROM reageren reageren reactie

reakcja reakcją reakcjonista reakcjoniście reakcyjny realiście realizacja realizować realizować realizować realizowalny realny recenzja recenzje prasowe recepcie recepcjonista recepcjonistka recepta recepta receptura recytować redagować redagować wstępnie redaktor redaktor naczelny redukcją redukować redukował redukował referencja refleksja refleksją reflektor reforma reformacją reformą refren regał region region dostępu regionalny registrator reglamentował regulacja regulacja obciążenia regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych regularnie

antwoorden, antwoorden op reactie reactionair reactionair reactionair realist verlichten, vergemakkelijken behalen, bereiken, inhalen aanwenden, doorvoeren beseffen, bevatten, begrijpen handelbaar, inschikkelijk praktisch recenseren, bespreken zuiger recept receptioniste receptioniste recept recept recept voordragen, declameren opmaken, redigeren, opstellen opmaken, redigeren, opstellen editor editor afname reduceren, inkrimpen, herleiden inkrimpen, korten, verkorten reduceren, inkrimpen, herleiden verwijzing, referentie afspiegeling, weerglans nakomertje lichtbak, reflector, koplamp reformeren, hervormen Hervorming, Reformatie reformeren, hervormen koor, rei, zangkoor schap, plank gewest, gebied, streek, regio gewest, gebied, streek, regio streek-, gewestelijk, regionaal bestand, dossier reglementeren, reguleren, regelen afstelling, instelling leidend, toonaangevend, toongevend voorschrift vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal

regularny regulator regulator regulator szybkości regulować regulować kontrolować regulowalny reguła reguła aktywna reguła wyzwalania rejent rejestr rejestr wyjściowy rejestrować rejestrować (się) rejestrować dziennik rejestrował rejon rejs rejs wycieczkowy rekin reklama reklama docelowa reklamacja reklamą reklamować reklamował reklamujący rekomendacja rekomendacją rekomendować rekomendował rekomendował rekompensata rekompensował rekontrować (w kartach) rekord rekord odniesienia rekord zasobów rekordzista rekrucie rekrut rekrutować rektor rektor rekwizyty w teatrze relacja relacja

gelijkmatig, regelmatig, geregeld afstelling, instelling conducteur, bestuurder supervisor, controleur, opzichter reglementeren, reguleren, regelen richten, besturen, dirigeren, mennen inschikkelijk, handelbaar heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur notaris aangeven aangeven aangeven aangeven plaatsbewijs, biljet, kaartje geregistreerd gewest, gebied, streek, regio kruisen (van schip), kruisen circuleren, in omloop zijn, rondgaan haai bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging beschuldiging, aanklacht propaganda, verspreiding adverteren, aankondigen, aandienen adverteren, aankondigen, aandienen adverteerder, verkondiger recommandatie, aanbeveling recommandatie, aanbeveling aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevolen beloning, loon, vergelding vergoeden, compenseren, goedmaken dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig discus, plaat, grammofoonplaat, schijf gebieder, chef, aanvoerder, baas discus, plaat, grammofoonplaat, schijf kampioen, titelhouder, voorvechter recruteren recruteren recruteren burgemeester, burgervader rector drager, stut, leuning, steun rekening, conto betrekking, omgang, verband

relacja relacja zwrotna relacją relacjonować relacjonował relacjonował relativum relatywnie relatywny relewancja religia religią religijny religijny remanent remanent remis remisował remisując remont remont rendering renomą renta reorganizować reperować repertuar reprezentacja reprezentacja tablicy reprezentacją reprezentant reprezentować reprodukcja reprodukować reprodukował republice republika republikanin reputacja reputacja reputacja reputacją resonans respekt restauracja reszcie reszta reszta także z dzielenia

informeren, berichten, inlichten betrekking, omgang, verband betrekking, omgang, verband verhalen, vertellen, debiteren verhalen, vertellen, debiteren aanverwant, verwant verwant, familielid tamelijk verwant, familielid relevantie religie, geloof, godsdienst religie, geloof, godsdienst gewijd, heilig, sacraal, geheiligd religieus, godsdienstig, gelovig heerschappij, bewind, bestuur vee, kudde, levende have, veestapel stropdas, das toelachen, bekoren, aanlokken werkje, schets, tekening inhalen verhelpen, herstellen, repareren treksluiting, rits, ritssluiting lichaamsbouw, gestalte, figuur pensioen comprimeren verhelpen, herstellen, repareren repertoire beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur gedeputeerde, afgevaardigde verbeelden, uitbeelden, afbeelden reproduktie, weergave reproduceren, weergeven reproduceren, weergeven republiek, vrijstaat republiek, vrijstaat republikeins lucht, reuk, luchtje, geur reputatie, faam, roep, naam faam, befaamdheid, mare, gerucht reputatie, faam, roep, naam resonantie, naklank, galm eerbiedigen, respecteren restauratie, restaurant, eethuis rest, overige rest, overige rest, overblijfsel, rommel, afval

berusting gelatenheid. in opstand komen revolutie. retoriek rederijkerskunst. reserveren. speurtocht. rugstuk revue. rugstuk achterzijde. rebelleren. aflezen. revisor inspecteur. omwenteling revolutionair revolutionair revolutionair revolver een backup maken. tegenstand . onderkomen. een backup maken van inventaris. boedel bespreken. galm afstammen. vergelden. het gevolg zijn van herenhuis woning. controleren nakijken. het gevolg zijn van vervormen afstammen. reserveren. intekenen een backup maken. ommezijde. logies. nablijven afkeuren rederijkerskunst. retoucheren reumatiek wraak terugdoen. toegeven tegenweer. revisor checken. aflezen. berusting neerleggen. berusting gelatenheid. speurwerk checken. beantwoorden achterzijde. afstand doen afstaan. controleren zoektocht.resztki resztki retoryce retoryka Retusz reumatyzm rewanż rewanżować (się) rewers rewers (monety itp) rewia rewidencie rewident rewident księgowy rewidować rewidować księgi rewizja rewizja rewizja kodu rewizją rewolcie rewolucja rewolucjonista rewolucjoniście rewolucyjny rewolwer rezerwa dynamiczna rezerwa gorąca rezerwa statyczna rezerwowa rezerwować rezerwowy kontroler domeny rezolucja rezonans rezultat rezultat rezultat przekształcenia rezydencja rezydencja rezydencją rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) rezygnacja także jako pogodzenie się z losem rezygnacją rezygnować rezygnował rezystancja achterblijven. bedanken. een backup maken van bespreken. zoektocht muiten. motie resonantie. periodiek inspecteur. aflezen. tijdschrift. kwartier herenhuis gelatenheid. speurwerk. revisor inspecteur. het veld ruimen. inspecteren checken. herzien. ommezijde. retoriek bijwerken. tegenkanting. een backup maken van resolutie. naklank. intekenen een backup maken. controleren speurtocht.

beheerder. kieken fabricatie. naderen breien gaan naar. tegenkanting. werk. tegenstand stelsel. krabben robot . genaken. naderen verbeteren. imponeren winkel. scenario. handvat. gids. beroep. gispen indruk maken op. aanpakken. handwerk oor. bestuurder bestuurder. aankondigen. arbeid krauwen. reisgids bewapenen. aanpakken. staatsvorm. wapenen mouw handschoen handschoen handschoen handschoen ambacht. wapenen aanreiken. aandienen verkrijgen. karwei. kruk. overhandigen gidsboek. overhandigen bewapenen. aanmaak. tegenkanting. administrateur handdoek aanreiken. script ongedierte Boeg wandluis wandluis Boeg wandluis worm. kopij draaiboek. afkeuren. tegenstand tegenweer. behalen.rezystancja dynamiczna rezystancja statyczna reżim reżyser reżyser ręcznik ręczny ręczny ręka ręka ręka w rękę rękaw rękawica rękawica (z jednym palcem) rękawiczka rękawiczka rękodzieło Rękojeść noża rękopis rękopis robactwo robaczek (program rozmnażający się w sieci) robaczek (program rozmnażający się w sieci) robak robak robak robak rober w brydżu robić (stroić) miny robić aluzje robić aluzję do robić na drutach robić na drutach robić postępy robić postępy robić pranie mózgu robić się robić sztuczki kuglarskie robić wrażenie robić z kogoś idiotę robić zdjęcia robienie robocie robocizna roboczy robot tegenweer. manuscript. berispen. klink handschrift. klauwen. fabricage robot emplooi. hengsel. vademecum. wurm kauwgom zinspelen zinspelen zinspelen gaan naar. scharrelen. veredelen adverteren. genaken. regime directeur. buit maken laken. zaak fotograferen.

huis. werkkracht. geaardheid genre. verwantschap gezin. aard soort. bes pruim in overvloed aanwezig zijn krioelen. familie gezin. karwei. plattelander. karakter. werk. werk. arbeid werker werkman. aard aanvoeren. dommekracht. huisgezin. naaivak herdenkingsdag. naaikunst. karwei. ouders ingeboren. huis. aan het. wemelen. naar de vrouwelijk ouder ouderpaar. genrestuk karakter. gedenkdag. werker. commanderen. naaikunst. karwei. werk. bevelen handelsartikel. landman rododendron ingeboren. arbeider stouwer. wriemelen. krik mannelijk mannelijk geestelijk vrouwelijk karakter. krielen . naaivak naaien. familie gezin. aangeboren aard. verjaardag herdenkingsdag. huisgezin. stuwadoor werkman. huisgezin. ouders ouder ouder ouderpaar. verjaardag jaarlijks jaarlijks bewoner van een land boer. naaivak naaien. werker. werkkracht. arbeid metselwerk emplooi.robota robota robota kamieniarska robota szydełkowa robotnik robotnik robotnik fizyczny robotnik rolny robótka (na drutach) robótki robótki ręczne rocznica rocznicą roczny roczny rodak rodak rododendron rodowity rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj fali rodzaj gniazda wtykowego rodzaj męski rodzaj nijaki liczba mnoga rodzaj tkaniny bawełnianej rodzaj żeński rodzaj żeński liczba mnoga rodzajnik rodzajnik określony: ten rodzaju żeńskiego rodzic rodzic rodzic (ojciec lub matka) rodzic ojciec lub matka rodzice rodzimy rodzina rodzina rodzina protokołów rodzinny rodzinny rodzynek rodzynek (w cieście) roić się roić się emplooi. arbeider naaien. aard vijzel. slag. gedenkdag. naaikunst. aangeboren affiniteit. arbeid emplooi. familie Natal aalbes. geaardheid. artikel aan de. het. de. huis. geaardheid.

landbouwer Romaans romance Romaans romance romantisch romantisch romantiek ruit. pan circus boord. vegeteren champignon bouillon. spinneweb. kadet akkerbouw akkerbouw agrarisch boer aaneen. eromheen. griet. samen-. samen agrariër. claimen voorgeven. band olie. rand. gewas groente krullen fluit fiets. plant gewas. petroleum ettergezwel. rijwiel. tweewieler . tarbot daaromheen. gebeuren groeien. etterbuil pad dauw dauw Rusland Russisch toegaan. voortgang hebben. aaneen-. voorwenden. zoom. in het rond braadpan. rag broodje. vleesnat Russisch aanspraak maken op. steelpan. kant.rok rok itp) rok przestępny rokrocznie rola rola papieru rolka zwój zwijać rolnictwa rolnictwo rolniczy rolnik rolnik rolny romans romans romans czny romans czny romantyczny romantyk romantyzm romb ronda rondel rondo rondo (kapelusza) ropa ropa naftowa ropień ropucha rosa rosą Rosja Rosjanin rosnąć rosnąć rosnąć jak grzyby po deszczu rosół rosyjski roszczenie rościć pretensje roślina roślina zimozielona rośliną roślinność roślinny rotacja rowek rower jaar dwars door schrikkeljaar jaarlijks rol web. abces. plant plant. spinrag. bolletje. plant gewas. petroleum olie. kadetje. doen alsof gewas. co-.

rondgeven resolutie. windsel. loten . elastisch verdunnen. verzwakken aanlengen verdunnen. ochtendjas. unit verdeler uitdelen. rijwiel fietsen. verbrijzelen negligé. verdriet kneden rondgeven. rijten rondgeven. schifting. uitdelen scheuren. grootte omvang. maken. bestek. ontleding. reep analyse. suffix doen ontstaan. balorig. kleppen. aflopen. afscheiding schipbreuk schipbreuk vermorzelen. beieren naklinken. ontbinding afbraak. chapiter. leed. motie resolutie. motie verloten. ontbinding analyse. ronddelen. sloop ontwapenen ontwapenen ontwapenen galmen. ontmanteling. peignoir. ontleding. peignoir. duster strip. ronddelen. doorklinken achtervoegsel. strook. rondgeven uitdelen. gruizelen slechtgehumeurd. formeren doorsnijden. duster negligé. schifting. ochtendjas. afscheiding eenheid. tweewieler. ronddelen. verzwakken aanlengen maaien tegenvallen. kapittel clausuur. ontgoochelen smart. intrappen. bestek. soepel. grootte rekbaar. sectie verrichten omvang. ronddelen. kregel scheiden hoofdstuk. creëren afbrokkelen.rower rower rower spacerowy rozbarwienie oddzielenie rozbicie (się) statku rozbić rozbić się na kawałki rozbierać (na części) rozbierać (urządzenia) rozbierać się rozbiór rozbiór składniowy rozbiórce rozbrajać rozbroić rozbroić (się) rozbrzmiewać rozbrzmiewać rozbudowa rozbudować rozciąć rozciągać rozciągać (się) rozciągliwy rozcieńczać rozcieńczać rozcieńczony rozcieńczyć rozcinać rozczarować rozczarowanie rozczochrać się rozdaj rozdarcia rozdawać rozdrabniać rozdrabniać rozdrażniony rozdrobnić rozdział rozdział rozdział rozdzielacz rozdzielać rozdzielać proporcjonalnie rozdzielczość rozdzielczość odwzorowywanie rozdzielić fiets. wielrijden fiets. rijwiel clausuur. uitdelen scheppen. galmen. tweewieler.

accoord. royaal aanplakken bloedvergieten akkoord. uitreiking verspreiden. aandeel oplossing scheiding. veelomvattend breedvoerig. absolutie geven kwijstschelding. absolutie kwijstschelding. instructie aanwijzing. verbreiden. rooster dienstregeling. verspreiding onderscheiding aandrang. roos bewerker bewerker adverteerder.rozdzielić (się) rozebrać rozerwać rozerwać się rozerwanie rozeta rozgałęziacz rozgałęziacz rozgłaszający rozgłaszanie (np. opgelost worden verrukken. onderbreken rose. aanbiddenswaardig heerlijk. aftands verdeling. omvangrijk. betoverend. vrijspraak. omroepen propaganda. schorsen. duster opvrolijken. vrijspraak. eigenmachtig grillig. instructie bevelen. ochtendjas. consigne. toeloop. echtscheiding . gruizelen fanfarekorps. absolutie absolveren. usług sieciowych przez ruter) reklama rozgłos rozgłos rozgnieść rozgrzeszać rozgrzeszenia rozgrzeszenie rozgrzeszyć rozgrzewać rozjazd rozjemczy rozkapryszony rozkaz rozkaz zatrzymania rozkaz zatrzymania warunkowego rozkazywać rozklekotany rozkład rozkład rozkład (jazdy rozkład statystyczny częstotliwości rozkładać (się) rozkosz rozkoszny rozkoszny rozkruszyć rozkwitać rozlać rozległy rozległy (widok) rozlepiać plakaty rozlew krwi rozliczenie rozluźnić rozładować rozłam rozłączenia rozłączenie actie. gammel. aandeel negligé. amuseren. consigne. peignoir. commanderen bevelen. rooster oplossen. groot. afladen actie. amuseren. run absolveren. onderhouden opvrolijken. aanvoeren. afgeven dienstregeling. zich verpozen lossen. onberekenbaar aanwijzing. fanfare morsen uitgebreid. verkondiger uitzenden. onderhouden interrumperen. in verrukking brengen aanbiddelijk. ruim. uitladen. overeenstemming verslappen. aanvoeren. arbitrair. commanderen bouwvallig. roze. beeldig afbrokkelen. nukkig. absolutie geven warm aansluiting willekeurig.

verschillend. diverse menigvuldig. met opzet. babbelen. bestek. variëteit. weergave keuvelen. aanmaken . nadenken reflecteren. aanvechting. lust. voorhebben. babbelen. wanhopen vertwijfelen. praten keuvelen. viskuit. wanhopig verval instorten. neiging situatie. bestek.rozłączyć rozłąka rozłożyć rozmaitość rozmaity rozmaity rozmaity rozmaity rozmawiać rozmiar rozmiar rozmiar słowa rozmiar wartość bezwzględna rozmieniać rozmieniać rozmieszczenie rozmieszczenie rozmieszczenie pliku rozmieścić rozminać się rozmnażać rozmnażać rozmnażania rozmowa rozmowa rozmowa w czasie rzeczywistym rozmową rozmowny rozmowny rozmycie rozmyślać rozmyślać rozmyślanie rozmyślnie rozmyty wątpliwy roznosić roznosić rozpacz rozpaczać rozpaczliwy rozpad rozpadać się rozpakować rozpakować (dane) rozpakować (skompresowane archiwum) rozpakowywać rozpalać rozpalać afslaan. aanmaken aansteken. wanhopen radeloos. misgrijpen multipliceren. doen ontbranden. heiig. terugkaatsen nadenkend expres. anders maken akkoord. ronddelen. Turkse staatsraad. menigvuldig converseren. moedwillig. grootte omvang. schifting. dampig. bestek. uiteenvallen uitpakken uitpakken afleiden uitpakken aansteken. aanrichten. ineenstorten. rondgeven vertwijfelen. menigvoudig verschillend. stand van zaken arrangeren. doen ontbranden. praten spreken. mistig dragen. omvang omvang. ordenen missen. kikkerdril reproduktie. verschillend verscheidene. rustbank variatie. afscheiding divan. mediteren. grootte omvang. vermenigvuldigen kuit. praten onderhoud. menigvoudig. brengen uitdelen. grootte afwisselend veranderen. maatregel zin. wetens nevelig. een gesprek voeren grootte. blijven staan clausuur. mislopen. halthouden. gesprek aanspreekbaar spraakzaam vervagen peinzen. voeren. afwisseling uiteenlopend. spiegelen. bestek.

aanbinden. rondstrooien uitzaaien. verzendend. acceleratie aanzetschakelaar. accoord. rijten uitspatting goedgeluimd. uitreiking uiteenjagen. begin. verbrijzelen beschouwen. aanvang aanvangen. troetelen. intrappen. afleiding . onderscheid maken onderscheiding versnelling. goedgehumeurd oplossen. koesteren. opgelost worden oplossen. ronddelen. begin. beginnen uitschrijven. commanderen. bevelen uitzaaien. overwegen. ronddelen. aanvoeren. aanbinden. uitstrooien scheuren. vertroetelen verspild verspreiden. discuteren verdeling. geregeld bezoeken toejuichen. rondgeven bezoeken. nakijken. wegsmelten uitspatting akkoord. uitstrooien uitdelen. commanderen aanvoeren. verstrooid uitdelen. ontketenen ontstaan. rijten scheuren.rozpalony rozpaść się rozpatruj rozpatrywać rozpęd rozpieszczać rozpieszczać rozpieszczony rozpiętość rozpocząć rozpocząć rozpoczęcie rozpoczynać rozpoczynać rozporek rozporządzać rozporządzać rozpowszechniać rozpowszechniać rozpowszechniony rozpoznanie rozpoznawać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszanie rozprawa naukowa rozprawiać rozproszenie rozproszyć (się) rozproszyć (się) rozprowadzać rozprucie rozpruć rozpusta rozpustny rozpuszczać rozpuszczać (się) rozpuszczać się rozpuście rozrachunek rozradowany rozróżniać rozróżnienie rozruch rozrusznik rozrywce gloeiend. activeren. vurig. starter verstrooiing. lanceren. beginnen ontstaan. vertroetelen koesteren. aanvang aanvliegen bevelen. aanzetten troetelen. rondgeven uitspatting verhandeling bespreken. afgeven aanvangen. dooien. verbreiden. verterend vermorzelen. overeenstemming overgelukkig uit elkaar houden. uiteendrijven strooien. nagaan onderzoeken. opgelost worden ontdooien. onderkennen uiteenjagen. bij acclamatie benoemen onderscheiden. examineren aanzetten tot. uiteendrijven verstrooien afgetrokken.

verdoen vermorzelen. expansie uitzetting. slim. bescheiden reuk. afgetrokken afgetrokken. verterend. afgeven doortrapt. aangrijpend. amusement aardigheid. accompagnement optelling achtervoegsel. paffen determineren. uiteendrijven strooien. pretje. stuk. beseffen verband. hachelijk beslissend.rozrywce rozrywka rozrzedzać łagodzić rozrzedzić rozrzewniający rozrzucać rozrzucać rozrzut rozsadzający rozsądek rozsądek rozsądny rozsiewać zapach rozstawać się rozstrzelać rozstrzygać rozstrzygający rozstrzygający rozsypać rozszerz rozszerzalność rozszerzanie rozszerzanie (się) rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie wejścia analogowego rozszyfrowywać rozświetlony roztargnienie roztargniony roztargniony roztargniony roztropny roztropny roztropny roztrwonić roztrzaskać roztrzaskać roztwór roztwór buforowy rozum rozumieć rozumieć rozumieć rozumny rozumny rozumowo aardigheid. zwanger raken bevatten. intrappen. schieten. lucht deel. luchtje. roerend uiteenjagen. suffix ontcijferen. suffix achtervoegsel. betrekking verstandig nadenkend uitgebreid . begrijpen. verbrijzelen oplossing buffer. zin matig. opmaken. verbreiden. stootkussen spriet. bestek. bumper. finaal. gematigd. ontraadselen gloeiend. intrappen. expansie uitzetting. gedeelte vuren. onderdeel. geur. cruciaal morsen omvang. gewiekst. oorzaak betekenis. verstrooid afgetrokken. verstrooid raadzaam verstandig nadenkend verklungelen. verbrijzelen vermorzelen. verdunnen emotioneel. nauwkeurig bepalen kritiek. vurig. verzendend verstrooiing. grootte uitzetting. expansie begeleiding. omgang. amusement aanlengen verspreiden. afleiding verstrooid. rondstrooien verspreiden. pretje. boegspriet in verwachting raken. listig reden.

evolutie evolutie. ontwikkeling verbetering. equator vlakte vlakte . dof beschouwen.rozumowy rozumowy rozwalniający rozwarty rozważać jakieś zagadnienie rozważny rozważny rozweselać rozwiązanie rozwiązanie rozwiązanie osobliwe rozwiązanie sieciowe rozwiązywać węzły rozwidlenia rozwidlić rozwiedziony rozwieść się rozwijać rozwijać rozwolnienie rozwód rozwój rozwój rozwój rozwój oprogramowania rozwścieczać rozwywka rozżarzony rożen ród ród ród róg róg róg zwierzyny płowej rój rów rów (odwadniający) rów (odwadniający) rówieśnik równać się równie równie również również równik równina równiną lijvig. gelijkelijk. greppel. echtscheiding doen ontstaan. amuseren. nagaan verstandig nadenkend opvrolijken. even. gelijkmatig voor. ontrollen. gelijk evenzeer. tot evenzeer. staren egaal. aanstaren. overwegen. toonloos. antwoorden op afbinden. vork kruis. laxans gesmoord. opkopen hoorn hoorn krioelen. maken. toch evenaar. veelomvattend redelijk. als. dus. eender. hoe. wriemelen. ontwikkeling. rationeel laxeermiddel. groeve. dijk loopgraaf turen. antwoorden op oplossing oplossing antwoorden. diarree scheiding. gelijk. echtscheiding ontwikkeling. evennachtslijn. kuil. eveneens ergo. mede. vermaak witgloeiend aanboren geboorte boomstam. uitrollen buikloop. stomp. krielen groef. vork gescheiden scheiding. losbinden. beterschap wasdom. wemelen. onderhouden antwoorden. formeren afwikkelen. ook weer. vooruitgang. bij wijze van. ook. losmaken kruis. gracht waterkering. groei wierook amusement. stam opslaan accapareren.

goedmaken egaal. pariteit pariteit saldo. menigvoudig. rooskleurig Mercurius kwikzilver. parallel nachtevening. eender. uitgesproken. vlak. effen baar. anjelier rose. helder verschillend. reeks. vlak. onderscheid maken menigvuldig. ruw roebel robijn . paal. eigentijds. reeks. onderscheid verschil. gelijkmatig gelijk. gelijkelijk. verschillend klaar. afwisselen. staren equivalent. evenwicht equivalent. lomp. verschillend. grof. gelijkwaardig turen. evenwicht evenwichtstoestand. bidsnoer. staren gelijkheid. rist verschil. dag.XOR) różnić (się) różnić się różnić się różnić się różnorodny różnorodny różny różny różny różowy rtęć rtęć rubaszny rubel rubin evenzeer. balans. gelijktijdig evenwijdig. werken verschillend. verschillend. roze. rist rozenkrans. effen simultaan. even. schelen uit elkaar houden. balans. overschot saldo. menigvoudig. rose. bidsnoer. menigvuldig roze. effen gelijk. verschillen. onkies. aanstaren. menigvoudig variëren. gelijkwaardig equivalent. parallel evenwijdig. roede. aanstaren. parallel evenwijdig. overschot evenwichtstoestand. gelijk gelijk.en nachtevening turen. onderscheid onderscheiding of uiteenlopen. roos kraal rozenkrans.równo równo równoczesny równoległy równoległy system przetwarzania równoleżnik równonoc równoprawny równorzędny równorzędny równość równość równowadze równowaga równowaga równowaga sił równoważny równoważny średni czas do uszkodzenia równoważyć równy równy równy (<with sb rózga róż róż (kolor różowy) róża różaniec różaniec różańca różnica różnica poglądów różnica symetryczna różnica symetryczna (zob. menigvuldig menigvuldig. schacht. gelijkwaardig vergoeden. pijp krokus anjer. rozig. compenseren. kwik hardhandig. vlak. menigvoudig uiteenlopend. gelijk.

rood worden puin. ontroerend afneembaar achtersteven. bewegen aangrijpen. traliehek prieel schavot routine. hek. prullaria Roemeens Roemenië pijp. beweegbaar. hek. rommel. gevestigd zijn. te gronde richten vermorzelen. kar grendelen. ontroeren. omloop beweging motie. blozen. rood worden kleuren. wagen. afgesloten . luchtpijp. tabakspijp ebpijp. bedrijvig druk. roerend aandoenlijk. spiegel ruïneren. afrastering. roerend. mobiel. paard karretje. paard in schaakspel. roulatie. resolutie circulatie. ontroerend resideren. resolutie muntsoort. roulatie. actief.ruch ruch ruch oporu ruch powrotny ruch społeczny ruch uliczny ruch w sieci ruchliwy ruchliwy ruchomości ruchomy ruchomy ruchomy ruchomy rufa rufą ruina rujnować rujnował rulon rum rumienić się (ze wstydu) rumieniec rumieńca rumowisko Rumun Rumunia rura rura itp. intrappen. spiegel achtersteven. omloop circulatie. bolletje. handkar. traliehek rooster. umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu rura wydechowa rura wydechowa ruszać ruszać ruszcie ruszt rusztowanie rusztowanie rutyna rwać ryba rybak rybą rycerz rycerz rydwan rygiel ryglować motie. tabakspijp binnenband. blozen. bewegen rooster. doorscheuren vissen visser. visverkoper vissen paard. te gronde richten ruïneren. sleur vaneenscheuren. blozen. paard in schaakspel. ridder ridder. luchtband ontroeren. verbrijzelen broodje. kadet rum kleuren. afgrendelen op slot. kadetje. afval. aangrijpen. rood worden kleuren. roerend. bezet aandoenlijk. huizen los. valuta beweging werkzaam. afrastering.

knul. markt. markt. marktplaats barst kerel. ongemeen. bulderen. bazaar. glibberig rijst opstaan.rygor rygorystyczny ryk ryk ryknąć ryknąć rylec rym rynce rynce rynek rynek rynek (handlowy) rynek branżowy rynek rozwijający się rysa rysą rysą rysować rysownica dźwiękowa rysownicy rysownik rysunek rysunek rysunek odręczny rysunek techniczny rysy twarzy rytm rytmiczny rytowanie rytownictwo rywal rywalizacja (o dostęp) rywalizacją rywalizować rywalizować rywalizował ryzyko ryzyko naruszenia bezpieczeństwa ryzyko utraty zabezpieczeń ryzykować ryzykować ryzykowny ryzykowny ryzykowny ryż ryż rzadki stijfheid streng. bedenkelijk glad. wedijveren wedijver wedijver meedingen. blaten gillen. cijferen rekenen. balken. marktplein marktplein. concurreren. sujet. blèren. marktplaats marktplaats. loeien. blèren. schaars . grommen. op het spel zetten kans lopen. markt. graveerwerk meedingen. schrijfstift rijmen. strikt bulderen. schets. tekening rekenen. bekoren. marktplaats marktplaats. deurpost riskant. post. brullen griffel. tekening karaktertrek. op het spel zetten dobbelen kans lopen. gestreng. gelaatstrek ritme ritmisch ets prent. bazaar. wedijveren. brullen. wettisch. tabel. ongrijpbaar. brullen brullen. cijferen werkje. marktplaats marktplein. markt. op het spel zetten stijl. schets. concurreren meedingen. lade werkje. concurreren. bazaar. wedijveren. bulderen. markt. lijst onderbroek schuiflade. paal. snuiter barst toelachen. gewaagd. gravure. bedenkelijk. trek. etsnaald. persoon. berijmen marktplein. marktplein marktplaats. marktplein marktplein. aanlokken tafel. la. gaan staan zeldzaam. wedijveren meedingen. markt. bazaar. gewaagd riskant. markt. daveren gillen. concurreren kans lopen.

uithouwen. uithouwen. zelfstandig naamwoord substantief. daadwerkelijk daadwerkelijk. kwalijk. baden. voorwerp substantief. besturen. rechtvaardig moordpartij. uithouwen. effectief.rzadki rzadko rząd rząd rząd wielkości rządowy rządy rządzić rządzić rzece rzece itp) rzecz rzecz rzecz rzecz konieczna rzeczownik rzeczownik rzeczownik rodzaju męskiego rzeczownik rodzaju żeńskiego rzeczowy rzeczoznawca rzeczpospolita rzeczywistość rzeczywisty rzeczywisty rzeczywisty czas ekspozycji rzeczywisty czas naświetlania rzeczywisty czas pracy rzeczywiście rzeczywiście rzeczywiście rzeka rzekomo rzemień rzemiosło rzemiosło rzepa rześki rześki rzetelny rzetelny rzeź rzeź rzeźba rzeźba rzeźba nad ołtarzem rzeźbiarstwo rzeźbiarstwo amper. uithakken altaar beeldhouwen. baas regeren. nauwelijks zelden bestand. stroom in bad doen. daadwerkelijk virtueel werkelijk. echt. knolraap. effectief werkelijk. slachten altaar beeldhouwen. metterdaad. rap. effectief. effectief. chef. uithakken beeldhouwen. aanvoeren rivier. wezenlijk rivier. spullen ding. heerschappij. stroom naar men zegt riem kunst handelen. zelfstandig naamwoord mannelijk vrouwelijk werkelijk. knol. kras. wezenlijk werkelijk. werkelijk. feitelijk deskundig republiek. ad rem raadzaam billijk. ding. voorwerp dingen. handel drijven raap. overheid roeien federaal bestuur. affaire. wassen aangelegenheid. koolzaad levendig. bloedbad afslachten. kwiek snedig. vrijstaat realiteit werkelijk. gevat. uithakken . geestig. daadwerkelijk inderdaad. waarachtig werkelijk. regering. zaak ding. druk. gebieder. dossier gouvernement. bewind aanvoerder. fair.

uitspelen. projectietoestel strelen. blaten brullen. werpen. gegoten voorwerp strelen. tarten. oord. bibberen. balken. huiveren zondigen wervelkolom. schriftuur vissen sap sap zouten snoeien snikken boomgaard. bedrijvig projector. aannemen. gegoten voorwerp Rome Romeins brullen. werpen. gooien strelen. liefkozen. bongerd lijvig. gooien keilen. aaien. gooien keilen. afslachten radijs radijs afgietsel. aanhalen keilen. uitspelen. gooien opgooien. aantonende wijs beven. werpen. uitspelen. abattoir. aaien. uitspelen. uittarten keilen. dik plaats. uitdagen. slachterij slachthuis. uithouwen beitelen slachthuis. domicilie sadist sadistisch . uitspelen. liefkozen. rillen. grommen. omtrek werkzaam. uithakken. balken.) s drżenie s grzech s kręgosłup s pismo s ryba s sok (soki) roślin (zwłaszcza drzew) s sok soki roślin zwłaszcza drzew s sól s suszona śliwka s szloch sad sadło sadowić sadowić się sadyba sadysta sadystyczny beeldhouwen. liefkozen. gooien opgooien. gooien een blik werpen. een blik werpen op omlijning. blaten indicatief. aanhalen afgietsel. plek accepteren. werpen. gooien trotseren. slachterij slachten. aanvaarden woonplaats. aaien. abattoir. spin. actief. afslachten slachten. aanhalen schadelijk keilen. werpen.rzeźbić rzeźbić rzeźnia rzeźnia rzeźnik rzeżnik rzodkiewce rzodkiewka rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać oszczerstwa rzucać się rzucić rzucić wyzwanie rzucić zgłosić (wyjątek) rzucić zgłosić wyjątek rzut rzut oka Rzut poziomy rzutki rzutnik rzutować rzutowanie rzutowanie Rzym rzymski rżeć rżenie s (tryb) oznajmujący (gram. grommen. ruggegraat geschrift. lokaal.

vrouwtje wijfje.sadyście sadyzm sadza sadzą sadzić safian Sahara sakralna muzyka sakramencie sakrament saksofon sala sala sala recepcyjna saldo saldo balans (dotyczy dźwięku stereofonicznego) salon salon wystawowy salut salutować salutowanie salwą sałacie sałata sałata sałatce sałatka sam sam jeden Samarytanin samca samica samicą samiec samochód samochód samochód samochód czteroosobowy samogłosce samogłoska samokontrolą samolocie samolocie samolot samolot samolot samolot pasażerski sadist sadisme roet roet gewas. vliegtuig vliegmachine. bergstroom salade. vokaal. begroeten groeten. huiskamer. wereldruim. latuw. gewijd. alleen. sacraal sacrament sacrament saxofoon hal bestek. vliegtuig vliegtuig. vrouwtje mannelijk automobiel. plant Marokko Sahara geheiligd. vloed. salade louter. overschot zaal. woonkamer groeten. sla slaatje. kropsla. zelfbewustheid vliegtuig. enig louter. wagen vocaal. begroeten saluut. verlaten. vliegmachine vliegmachine. speling. vliegmachine . heilig. auto auto. klinker vocaal. overschot saldo. vliegtuig vliegtuig. enig Samaritaans mannelijk wijfje. wagen automobiel. salade slaatje. vliegmachine vliegmachine. salade slaatje. verlaten. auto auto. vokaal. klinker gewicht. sla salade. aplomb. groet stroom. kropsla. latuw. alleen. ruimte rechtszaal saldo. salon zitkamer.

paaien. alleen. bloot. zijgen bank. vrijen. verlaten. satelliet trawant. poef naar adem snakken lange broek. filteren. verlaten. sączek sąd sąd aperitief. sauna are. enig eenzaam gepensioneerd. poef ansjovis ansjovis sardine Sardinië sardine sarcastisch sarcasme hert ree Saksisch Saksisch satanisch trawant. satelliet Saturnus tevredenheid tevredenheid vergenoegd. in ruste enkel. vierkante decameter neerdruipen. tegemoetkomen aan zweetkamer. arbitrair. stemming louter. louter samovar vergunning. afdruipen filtreren. licentie willekeurig. tevreden. broek pof. eigenmachtig spontaan samoerai sandaal sanctioneren. zitbank het hof maken. rustend. voldaan bevredigen. scharrelen . bekrachtigen supermarkt supermarkt naar adem snakken pof.samoodnawiająca się pamięć DRAM samopoczucie samotnie samotny samotny samotny samotny samowar samowola samowolny samozapłon samuraj sandał sankcja saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) sapać sapać sapał sapie sapnięcie sardela sardelą sardynce Sardynia sardynka sarkastyczny sarkazm sarna sarna Sas saski sataniczny satelicie satelita Saturn satysfakcja satysfakcją satysfakcjonować satysfakcjonować sauna są sączyć Sączyć. pantalon. borrel gemoedstoestand. moreel. alleen. enig louter.

buur. herberg bunker. kwijnen. trap opgang. toneel. opstapje. hartzeer. buurman. vrijen. pogen claimen. asiel. tableau draaiboek. kazemat logement. gebuur buur. grenzen aan aanliggend. aanliggend aanliggend. scharrelen beoordelen. zich inspannen. asiel. buurman. script landschap scepticus ontwerp. verdorren treeplank. opstap. omgeving nabijheid nabijheid nabijheid podium. tree opgang. concept.sąd sąd ostateczny sądzić sądzić sądzić o czymś sąsiad sąsiad sąsiad zewnętrzny sąsiadować sąsiadujący sąsiedni sąsiedni sąsiedzi sąsiedztwa sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo scana scena scenariusz sceneria sceptyczny schemat przetwarzania danych schemat węzła schizma schlebiać schludny schnąć schnąć schodek schodkach schody schody schody ruchome schodzić schorzenie schorzenie schorzenie schowek schron schron schronienie schronienie schronienie schronisko schronisko schudnąć gerecht. trap roltrap naar beneden gaan. aangrenzend. oordelen. omlijsting. schisma vleien duidelijk. leiding scène. buurman. gerechtsgebouw het hof maken. netto. aandoening droefheit. bestuur. beproeving ziekte. naburig aangrenzend. scenario. aangrenzend. balie. naburig nabijheid nabuurschap omstreken. berechten streven. lijst. aanspraak maken op gebuur. droog verflensen. omtrek. tribune. tafereel. nabuur buur. nabuur. nabuur. plan. asyl toevlucht bunker. emotie. raam kerkscheuring. blauwdruk kader. scheuring. afdalen affect. kazemat toevluchtsoord. trap opgang. kwaal. gebuur belenden. nettodor. kazemat vlees . asyl bunker. aandoening winkel toevluchtsoord.

veilig dieet parlement. aansporen selderie. afscheiding lispelen lispelen septisch. wezen. mijmeren slapen. gevoel. vak. gevoeligheid sentimenteel clausuur. zin wijsheid klapstuk. rek generatief. bedoeling. herleiden secessie essentie. volksvertegenwoordiging parlementair hof. schifting. afscheiding clausuur. geruchtmakend matig. tak confidentie secretaresse secretaresse secretaresse etagère. kern. seksueel sekte sector sector tweede tweede manen. emotie. strekking betekenis. bescheiden affect. bederf veroorzakend kaas Servisch Servië Servisch hart . kern safe. gematigd.schudnąć secesją sedna sedno sejf sejm sejm sejmowy sekator sekcie sekcja zwłok sekret sekretarce sekretarka sekretarz sekretarzyk seksualny sekta sektor sektor uszkodzony sekunda sekundą sekutnicą seler semantyka semicki Semita sen sen sens sens sens sensacja sensacyjny sensowny sentyment sentyment sentymentalny separacja separacja impulsów synchronizujących seplenić seplenienie septyczny ser Serb Serbia serbski serce reduceren. maffen doel. aanmanen. vermanen. geborgen. behouden. essence pit. betekenisleer Semitisch Semiet dromen. inkrimpen. geslachtelijk. schifting. selderij semantiek. tuin sekte branche. sensatie sensationeel. aandoening sentiment. plan.

gebied rijk. apparaat. sfeer. innig.sercowy serdeczny serdeczny serdeczny serdeczny przyjaciel serenada seria seria seria seria serial serial (powieść Serial Line IP serwer serwer źródłowy serwetce serwetka serwis serwować seryjny sesja set setka sezon sezonowy (robotnik) sędzi sędzi sędzia sędzia sędzia sędzia (w sporcie) sędzia pokoju sędzia rozjemca sędziwy sędziwy sęk sęp sfałszować sfera sfera kontroli sfera sterowania sfora (psów) shell zgłoszony powłoka logowania sherry shodek siać siano siarka hartinnig. gebied inpakken. gezellig. omgeving. gelegenheidsbeoordelen. omgeving. berechten arbiter. scheidsrechter arbiter. vervolgverhaal slippen. xeres treeplank. tree uitzaaien hooi zwavel . scheidsrechter arbiter. zittingsperiode inrichting. opstapje. innig intiem. perceel nestelen. scheidsrechter arbiter. godsdienstoefening serveren. keten bende. vervolgverhaal sessie. pakken. scheidsrechter scheidsrechter. bol. ouderwets knopen. opstap. troep. uitglijden server server servet servet eredienst. staat kloot. voorleggen feuilleton. knus hartelijk. verpakken interpreter sherry. aloud. hartelijk hartelijk. hulpmiddelen honderd kruiden. een knoop leggen aasgier vervalsen kloot. innig serenade ketting. arbiter oud antiek. oordelen. sfeer. zitting. bol. dienst. vervolgverhaal feuilleton. op smaak brengen toevallig. oordelen. een nest maken feuilleton. schare kavel. berechten arbiter. scheidsrechter beoordelen.

bibs zetel. kwartier. kont. netto-. broeden op fijnhakken fijnhakken houwen. rooster netto. hek. danspartij puzzel. valide robuust. woning ligging koesteren. zicht oogstmaand. duidelijk netwerk. fit. jijzelf locomotief locomotief vasten gezond. afrastering. afrastering. broeden. vanzelf zelf. net. ferm . bril logies. een nest maken achterste. bril zetel. onderkomen. hek. vanzelf mezelf. net. haar sergeant sergeant zelf. rooster mens netwerk. net traliehek. potig. duidelijk traliehek. kappen. rooster netto. bijl ouderloos ouderloos ouderloos sikkel. hek. netto-. hakken fijnhakken hakbijl.siarka siatka siatka siatka kierunkowa siatka znakowa siatkówka sicie sidła siebie sieć sieć sieć (np. fors. mijzelf uzelf. raadsel jenever. net zeven zeventig zeventien nestelen. netto-. duidelijk bal. afrastering. jijzelf netto. hecht. gat. klare uzelf. net. bril zetel. augustus haardos. kolejowa) sieć elektryczna sieć miejska sieć połączeń siedem siedemdziesiąt siedemnaście siedlisko siedzenia siedzenia siedzenie siedziba siedziba archiwum siedziba WWW siedzieć siekać siekać siekać mięso siekane/mielone mięso siekiera sierocie sierota sierotka sierp sierpień sierść sierżancie sierżant się się się się silnik silnik lotniczy silny silny silny zwavel traliehek. net netwerk.

zus intendante zuster. slurpen resorberen. geducht. fossiel verstening. broeder. spoed maken. doen schommelen verstening. opslorpen. zus zus. lijn aanslag aanslag aanslag aanslag klif. grauw grijs. fossiel achterklap.silny siła siła siła przeciwelektromotoryczna siła robocza siła robocza siłą siłą Singapur single inline package single in-line package siniak siodła siodłać siodło siostra siostra przełożona siostrą siostrzany siostrzenica siostrzeniec siódma część siódmy sitko sito sito kwadratowe sitowie siwy siwy skacz skakać skakać skakać w górę skakanka skala skala odległość skala szarości skalować się skała skała skałą skamielina skamieliną skandal skandaliczny skandował Skandynaw Skandynawia krachtig. slurpen blauwe plek zadel zadel zadel zuster. opwellen. snoer. ontspringen hinkelen springen hinkelen lijntje. grauw opborrelen. doen schommelen balanceren. zuster nicht neef. eerroof. laster schandelijk scanderen Scandinavisch Scandinavië . klip balanceren. haast maken grijs. fiks. accentueren doordrukken sterkte Singapore resorberen. sterk. opslorpen. koord. oomzegger zevende zevende vergiet zeef zeef voortmaken. broer. koorde. straf doordrukken sterkte sterkte doordrukken beklemtonen.

afgelasten afbestellen uitwissen. geldkist manen. uitvegen. vermanen. zaak gewelf. pinnig. inhalig adresseren aanleggen ja knikken. melkinrichting winkel. zijn beklag doen ontbinden. gierig. wegvagen gommen. plaats frase. inhalig. kit. zaak winkel zuivelfabriek. inhalig gemiddeld hebzuchtig. twijg.skandynawski skanować skanować wyszukiwać skapować skarb skarb państwa skarbonka skarcić skarga skarpecie skarpeta skarpetka skarżyć skarżyć się skasować skasować skasować skasować skazać skazać skazać na wygnanie skazanie skazany skazańca skazić skazywać skąpy skąpy skąpy skąpy skąpy skierować skierować skinąć głową sklejać sklejce sklejka sklep sklep sklep sklep mięsny sklep nabiałowy sklep ze słodyczami sklepienie łukowe sklepikarz sklepikarz skład skład Scandinavisch scanderen scanderen rank. rijs schat schat fonds. compositie stortplaats . kleefmiddel. volzin gierig. hebzuchtig. knikken lijm. toonzetting. aansporen beschuldiging. winkelier toondicht. pinnig. zin. kleefstof multiplex multiplex kast winkel. afkeuring schuldig bevinden schuldig bevinden ruimte. aanmanen. lokaliteit. hebzuchtig. melkinrichting zuivelfabriek. met gom bestrijken afkeuren schuldig bevinden verbannen. kas. aanklacht sok sok sok een proces aanspannen tegen klagen. uitbannen wraking. oord. bol kruidenier neringdoende. gierig ontzien. sparen pinnig. annuleren.

aftakking springen springen springen opborrelen. schare. vanaf ordner. romp.skład kolumn skład komputerowy składać składać składać komuś kondolencja składać się składać się na składać się na składać się z składanie składanie podpisu składka składni składnia składnia wiersza polecenia składnik skłonność skłonność skłonność skłonność skłonność skobel skocz skoczna (muzyka) skoczny skoczyć skojarzenie skojarzenie przyporządkowanie skok skok skok skok o tyczce skok w dal skok warunkowy skok wzwyż skok zony skonsternować skonstruować skonsultować się skończony skoordynowany skoro skoroszyt skorpion skorupa skorupa skory skorygowanie toondicht. gauw afstelling. onthutsen doen ontstaan. glooiing wilsbeschikking. componeren samenscholing bijeenkomst. afgewerkt. plooien bestaan uit bestaan uit omvatten. syntaxis zinsbouw. syntaxis zinsbouw. zinsleer. zinsleer. syntaxis lid. vormen samenstellen. genootschap. spoedig. ontspringen springen springen ontzetten. druk. instelling . gesteldheid. ontspringen opborrelen. consulteren beëindigd. toonzetting. kudde. gevat. opwellen. componeren omvouwen. casco schild. gesteldheid. sedert. map schorpioen scheepsromp. zinsleer. opwellen. aftakking snedig. aanhanger gebogen. rap. samenkomst hoop. ontstellen. krom aanleg. aderen haakje. kras. kwiek springen bond. gezwind. aanleg marmeren. maken. compositie toondicht. haastig. associatie tak. toonzetting. vouwen. drift zinsbouw. afgelopen. bodem. geestig. klamp tak. ad rem levendig. wilsbeschikking helling. coördineren sinds. rugschild. genootschap. groep. kramp. meeting. associatie bond. beslaan uitmaken. schaal snel. lidmaat. compositie samenstellen. formeren raadplegen. klaar bijeenschakelen. nietje.

kust. onderdanig. dierevel. bekorten. klauwen. zich aftobben. leren inkorten. bekorten. ergst. ophijsen . vacht vel. afpellen. scharrelen. afkorten beknotten. dierevel. schuin leeuwerik dierevel. pels. lederen. deemoedig bescheiden. huid vel. beperken afkorting. pels. scharrelen. kant. beperken kort beknotten. begrenzen. log kronkelen raspen afkrabben krauwen. jassen nagelriem handkoffer. zoom wal. vacht. ergst. extreem. boord. verkorting rand. spartelen kronkelen plomp. vacht. beperken afkorting resumé. koffer. jassen schillen. bovenmatig jammerlijk afkeuren krauwen. afgetrokken acroniem hijsen. discreet. ingetogen slaap inkorten. huid. lederen. leerachtig. wegvagen worstelen. huid dierevel. overzicht. leren schillen. słowo) skracania skraj skraj skrajność skrajny skrajny skrawek skreślać tymczasowy skreślić skreślić skręcać się skręcie skrępowany skręt skrobać skrobać skrobać skrobał skromność skromny skromny skroń skrócić skrócić skrócić coś skrócić się skrócie skrócie skrót skrót skrót skrót scheef. oever uiterst. korten. bekorten. vel. bovenmatig uiterst. begrenzen. afkorten afkorten. vacht taai. pels. klauwen. vel. huid. inkorten inkrimpen. leerachtig. begrenzen. krabben een miskraam krijgen. krabben afkrabben bescheidenheid. extreem. verkorten beknotten. pels. valies taai. mislukken uitwissen.skośny skowronek skóra skóra kozłowa skóra niedźwiedzia skóra wołowa skórą skórce skórka (chleba) skórka (kartofla skórzana torba podróżna skórzany skracać skracać skracać skracać (np. discretie nederig. afpellen. uitvegen. excerpt afkorting abstract.

contract ineenkrimpen. haard wis. kopij draaiboek. piepen achtergrond. grond. manuscript. zoom. werker. brievenbus bus. zwak. praten.skrót (drogi) skrót klawiaturowy skruszyć skruszyć skrypt skrypt skrypt wsadowy skryty skrzeczeć skrzek skrzele skrzyczeć skrzydła skrzydła skrzydło skrzynia skrzynia na popiół skrzynka na listy skrzynka pocztowa skrzypce skrzypieć skrzypienie skrzywdzić skrzywić skubać skubać (pióra) skup skupiać skupiać skupiać skupisko alertów skurczyć (się) skurczyć się skuteczny skuteczny skutek slipy slogan slot wbudowane gniazdo rozszerzeń slowiański słabnąć słabnąć słabo słabostce słabowity słaby słaby sława byte mnemonisch knarsen. zwakjes aflaat lichtjes. bedeesd. werkman. afdoen boord. bekoelen. plukken. vlerk borst. bodem. luwen aanlengen lichtjes. leuze. effectief. licht faam. bundel. inkoop. centrum brandpunt. vlerk vleugel. boezem borst. script confidentie babbelen. boezem bus. bederven twijnen. verbuigen. doeltreffend arbeider. beschadigen. piepen knarsen. slipje lijfspreuk. zwakjes bevangen. viskuit. effect slip. ondergrond handschrift. keuvelen kuit. knabbelen afrukken. kikkerdril kieuw afhandelen. bos verbintenis. afbreken koop. ineenkronkelen afdoend. binnenste. sleuf. script draaiboek. kant. leus. scenario. mare. scenario. focus. blo zwak. brievenbus viool knarsen. piepen havenen. band vleugel. timide. verdraaien knagen. devies sponning. zwak. gleuf Slaaf bedaren. gerucht. rand. befaamdheid . werkkracht indruk. aankoop agglomeraat middelpunt.

roep. glorieus zoet. dienares. bewoording mout gehoor inspecteur. alom bekend beroemd. glorierijk. lieftalligheid snoep. naam onderscheiding faam. oppassend zoet. befaamd. befaamdheid. luisteren hallo telefoonhoorn.sława sławą sławą sławna osoba sławny sławny słodki słodki sos śmietankowy słodki ziemniak słodkogorzki słodko-gorzki słodycz słodycze słoma słomą słomka słonecznik słony słony słoń słońce Słowacja Słowianin słowiański słowiański słowik słownictwo słowniczek słownik słownik słownik (obejmujący hasła z jakiejś dziedziny) słowo słowo wyrównane słowo zastrzeżone słód słuch słuchacz słuchacz słuchać słucham słuchawce słuchawka słudze słup słup słup słup oświetleniowy reputatie. snoepgoed stro stro stro zonnebloem zouten zout olifant zonneschijn Slowakije Slaaf Slavisch Slavonisch nachtegaal vocabulaire. oppassend bitterzoet bitterzoet beminnelijkheid. oppassend zoet. beluisteren. meid mijlpaal kuil Pool kuil . hoorn telefoonhoorn. mare. bewoording woord. beroemdheid beroemd. woordenschat glossarium woord. revisor luisteraar. hoorn dienstmeisje. faam. woordenschat glossarium woordenboek vocabulaire. gerucht beroemd persoon. zoetigheid. toehoorder aanhoren. bewoording woord.

smart. vandehands billijk. toepassing bakken. fruiten bakken. verdriet. toog snob snobistisch uzelf. lekker invetten boter aanwending. schraal. kruiden snoepen smaken op smaak brengen. rechtvaardig rechter-. alom bekend verstaan. horen. fijn. vlieger teren stank stinken. dienares. kruiden smaken smakelijk. melancholiek rouwbedroefd de weg wijzen. slank. zelf . geleiden. leiden boog. dienst. vernemen gehoor gehoor smakelijk. jijzelf vanzelf. fijn. zieleleed bedroefdheid. godsdienstoefening eredienst. verzorgen serveren. verdrietig blauw weemoedig. vies ruiken spoor. tenger leed. zorgen voor. befaamd. triest. voorleggen beroemd. droefheid droevig. rechtvaardig. dienst. droefgeestig. fair. lekker op smaak brengen. fair dienstmeisje. wagenspoor. godsdienstoefening verplegen. mager. dun. smart bedroefdheid. karrespoor sprietig. meid eredienst. fruiten draak. dienares. luchtig rank.słup oświetleniowy słuszny słuszny słuszny słuszny służąca służący służba służbą służyć służyć słynny słyszeć słyszeć słyszenie smaczny smak smak smak smakołyk smakować smakowity smar smarować (smarem) smarowanie(maścią) smażyć smażyć (się) smok smoła smród smród smudze smukły smukły smutek smutek smutek smutno smutny smutny smutny smutny smycz smyczek snob snobistyczny sobie sobie samej Pool raadzaam billijk. meid dienstmeisje.

voetstuk ruimte. maatschappijleer sociologie. cider sap sap havik enkel. fiks. maatschappijleer linze linze lens lens canapé Sofia appelwijn. geducht. slag. aard soort. louter plechtig.socjalista socjalistyczny socjalizm socjalny socjolog socjologia socjologią soczewica soczewicą soczewka soczewka magnetyczna sofa Sofia sok sok sok sokół sola (gatunek ryby) solenny solić solidarność solidaryzować się solidny solidny solidny solista solo somnambulizm sonacie sopran sortować sortować sortowanie gatunek sos sos sos z fasoli sojowej sosna sowa sowiecki sójce sójka sól spacerowicz spacja spacja nierozdzielająca spacja światło (na stronie) spać spać alnie spadek socialist socialist socialisme sociaal. saamhorigheid verlangen. straf solist solo nacht sonate sopraan soort. bestek. wereldruim. maatschappelijk socioloog sociologie. sop. bloot. aard saus. Vlaamse gaai gaai. Vlaamse gaai zouten wandelaar pedestal. wereldruim. hecht. den. fors. maffen slapen. maffen dalen. jus jus. sterk. reikhalzen vertrouwd. saus jus. speling ruimte. betrouwbaar robuust. piëdestal. hunkeren. saus denneboom. ferm krachtig. pijnboom uil sovjetgaai. bestek. potig. sop. slag. kleiner worden. sop. statig. afnemen . speling slapen. plechtstatig zouten gemeenschapszin.

wellen lasser stuiptrekking. springscherm lassen. schavuit. vooral. expert inzonderheid. stuip. spenderen. in het bijzonder afdeling. modderen afraffelen netel. beschaamd maken besteden. sperma blo. nesthaar. soortelijk samenkomen. knoeien. waterdruppel boedel. begrijpen . lid worden. raar. dons druppel. ploert. deskundige. bedeesd beschamen. zitting humeur. eigenaardig specifiek. expert kenner. baar beseffen. humor. afzonderlijk ellendeling. vreemd. erfdeel valscherm. erfenis. erfstuk. gemoedsgesteldheid gehoorzamen bevredigen. soortelijk specifiek. brandnetel aanbranden verlagen. tak afzonderlijk. afgezonderd afgezonderd. waterdruppel boedel. spanderen accolade contant. opdagen zaad. verlammen beunhazen.spadek spadek spadek spadek napięcia anodowego spadek wydajności spadochron spajać spajać nie spakować się spalać spalać spalania spalanie spalina sparaliżować spartaczyć spartaczyć sparzyć pokrzywą sparzyć się spaść spawacz spawać spawarka spazm spazm specjalista specjaliście specjalnie specjalność specjalny specjalny speculator specyficzny specyficzny specyfik spełniać spełniać spełniać zachcianki spełniać zachcianki spełnić spełnić się spermą speszony speszyć się spędzać spiąć spieniężyć spieniężyć waas. deskundige. verpakken aanbranden verbranden. vak. vergaderen vergadering. branche. bijeenkomen. verassen verbranding verbranding uitwasemen lamleggen. erfstuk. erfdeel druppel. tegemoetkomen aan opdraven. boef gek. afdraaien lasser lassen. bevatten. erfenis. parachute. paaien. timide. pakken. kramp kramp kenner. toetreden inpakken. wellen zich aansluiten. bevangen.

konkelarij provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast kronkelen vuns. dobberen. transpireren rest. rommel. turen het uiterlijk hebben van. pantalon. stuk. krakelen. turen. lange broek appelleren. scheren. opheffen afbetaling vlotten. schotel lange broek. broek pantalon. snoeien knippen. muf. broek. aanstaren. toetreden het uiterlijk hebben van. haast maken. kapot Vlissingen zweten. een beroep doen op te wachten staan. er uitzien staren. kwispedoor afvoeren. rooster komplot. snoeien spiraal spiraal geest spiritisme inventaris. twisten disputeren. drijven gorgelen. duf spuwen. piepen.spierać się spierać się z kimś o coś spieszyć się spiker spin spinacz spinać spirala spiralny spirytus spirytyzm spis spis spis ulic spisek spisek spiżarka spiżarni spiżarni spiżarnia spiżarnia splatać się spleśniały splunąć spluwaczka spłacać zobowiązania spłacać zobowiązania spłata spławik spłukać spłukany spłukiwanie spocić się spoczywać spodek spodnie spodnie spodobać się spodziewać (się) spoglądać spoina spojenie spojrzenia spojrzenia spojrzenie spojrzenie spojrzenie spokojny disputeren. wachten. twisten spoed maken. spuwbak. krakelen. rustig. kalm . een blik werpen op lassen. tjilpen. vunzig. samenspanning intrige. kwetteren stil. spoelen defect. boedel aangeven dienstregeling. wellen zich aansluiten. liquideren. overblijfsel. er uitzien sjilpen. voortmaken omroepster spinnen knippen. rochelen spuugbak. bedaard. machinatie. uitschakelen afwikkelen. spugen. aanstaren staren. lid worden. scheren. afspoelen. afval schoteltje. afhalen een blik werpen. elimineren.

aanmerking. usance. maal incident. gemeenschap sociaal. club gemeente. wijze. stil. bekennen. standje. intermitterend sport aanvechtbaar. ruimte aanverwant. sportsman atletisch sport afdingen. laten . club gemeente. blaam. standje berisping. rustig. baan. standje berisping. vele sport atleet sportman. aantreffen ontmoeten. toegeven verwekken doen. handelen volgens opvolgen. vergaderen benoeming. marchanderen keer. aanmerking. manier weg. wereldruim. gemeenschap gemeente. bedaard. speling. biechten. maken. gemeenschap sociëteit. aanmerking. laten doen. kalm stil. wijze. aanplakbiljet. kalm bestek. gebeurtenis. aanstelling samenkomen. rustig. Grote Oceaan vredig. route gebruik. gebeuren trant. veel. blaam samenkomen.spokojny spokojny spokojny spokojny spokój spokój spokrewniony społeczeństwa społeczeństwo społeczeństwo społeczność społeczność (w protokole SNMP) społeczny spontaniczny sporadyczny sporcie sporny sporo sport sportowiec sportowiec sportowy sportowy sposobność sposobność sposobność sposób sposób sposób sposób mówienia sposób obsługi datagramu sposób postępowania sposób postępowania spostrzec spostrzec spostrzec spostrzegać spostrzegawczość spostrzeżenie spostrzeżenie spotkać spotkanie spotykać spotykać (się) spotykać się spowiadać się spowodować spowodować kalm. pingelen. aantreffen erkennen. handelen volgens berisping. vreedzaam bedaard. op zijn gemak. trant ontdekken affiche. blaam. maatschappelijk spontaan hortend. rustig Stille Oceaan. vergaderen ontmoeten. verwant sociëteit. manier aanvliegen manier. plakkaat opvolgen. bijeenkomen. betwistbaar menig. gewoonte polis trant. bijeenkomen. wijze.

ding. consumeren eten. klus. affaire karwei. etenswaar. ding zaak. spijs. inlichten rekening. bewind. conto militair specificeren opborrelen. ondergrond. laten Justitia billijkheid gerechtigheid raadzaam marktplein. effectief. zoektocht richten. aangelegenheid. aangelegenheid. taak aangelegenheid. besturen. fair. vrouwenrok kilt. vrouwenrok rok. marktplaats billijk. ding. rechtvaardig afdoend. bazaar. checken. commentaar informeren. markt. aanwerven slopen. aflezen geldig verklaren geruit. vet . doeltreffend autoriteit. exploiteren. betomen. dirigeren. opwellen. affaire saké. twisten onbetaald. huren. speurwerk. gerecht bodem. tuberculose uitbuiten. medeklinker controverse. opgave. zaak. mennen controleren. achtergrond. klus. polemiek disputeren. Schotse rok conjunctie consequentie. uitmelken aannemen. ondergrond.spożycie spożytkować spożytkowywać (coś spożywać spożywczy spód spód stosu spódnica spódnicą spódniczka szkocka spójnik spójność spółgłoska spór spór spóźniony spragniony sprawa sprawa (rzecz) obojętna sprawa (sądowa) sprawa do zrobienia sprawa rzecz obojętna sprawą sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać (księgi sprawdzić dokładnie sprawdzony zaznaczony sprawiać sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwy sprawiedliwy sprawiedliwy sprawny sprawować władzę sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie z testowania sprawy wojskowe sprecyzować sprężyna sprężyna łóżka sprośny longtering. opgave. gevolg consonant. pennestrijd. affaire. taak karwei. achterstallig dorstig zaak. rijstwijn bedwingen. berichten. krakelen. grond rok. beteugelen heerschappij. ontspringen springen vettig. tering. laten doen. maken. verbruiken. grond bodem. bestuur speurtocht. gezag rekening. geblokt doen. achtergrond. conto aantekening.

dichtgespen gespen. dichtgespen ordelijk evenmin. bijkomend aanpakken. vervreemding in het groot verkoop. accommodatie. vastgespen. koopman verkoper beschikking verkoop. noch tegenspartelen. inrichting conjugeren. obsceen. begunstiging. accommodatie. toegenegen. verhandelen. bemachtigen uitrusting. vervreemding overdoen. handig. invoeren downloaden trekken bedreven. twist. koopman zakenman.sprośny sprowadzać sprowadzać sprowadzać sprowadzić sprowadzić z serwera sprytny sprzączce sprzączka sprzątać sprzeciw się sprzeciwić sie sprzeczka sprzeczny sprzedaj sprzedawać sprzedawać sprzedawać (papiery wartościowe) sprzedawca sprzedawca sprzedawca gazet i czasopism sprzedawca kwiatów sprzedaż sprzedaż sprzedaż detaliczna sprzedaż wiązana sprzęcie sprzęg sprzęg równoległy wewy sprzęgło sprzęt sprzęt sprzęt kryptograficzny sprzęt stacji roboczej sprzęt zboża sprzęt zbrojeniowy sprzężony sprzyjać sprzyjający spuchnąć spust spuszczać spychacz srebny srebra srebrny srebro srebro w sztabach schuin. aan komen lopen aanpakken. inrichting interface interface grijpen. vervoegen gunst. verhandelen. dispuut inconsequent overdoen. zaken doen kruidenier zakenman. aan komen lopen uitrusting. accommodatie. tappen handelen. bekwaam gespen. genadigheid goedgezind. tappen verkoop. aandragen. waterdruppel bulldozer zilveren zilveren Argentijns zilveren zilveren . handelaar. handeldrijven. handelaar. vastgespen. tegenstreven kwestie. behendig. vervreemding uitrusting. schunnig brengen. klaar importeren. gunstig aanzwellen haan van een vuurwapen druppel. bijbehorend. inrichting ijzeren bijkomstig. bezorgen hel. strijd. licht.

roedel roedel. blijvend. lurken zoogdier wurgen. steken. gevestigd stationsgebouw. degelijk. aldoor staal bestendig. pikken stevig. station gastheer terminal stationsgebouw. vast.. gestaag bestendig. kudde. constant. vast. constant. onbewerkt. vast. constant. pikken priemen. deugdelijk. overnachtingsplaats groep. passend kudde. drift vlucht. gevestigd flink. station buurt. bestendig flink. vandaan. degelijk. worgen priemen. choken. gestaag blijvend. onbehouwen. roedel bruidegom. hard. steken. gevestigd box staal bij voortduring. schare. stalknecht stevig. constant. bestendig bestendig. constant. bot. beschermheer gestaag. duchtig. bepaling . prikken. gestaag bestendig. gedegen bestendig. blijvend. straf achtersteven. deugdelijk. cru bar. betamelijk. roedel stadie. hoop. permanent. hecht.. spiegel opzuigen. constant. station stationsgebouw. hecht. zuigen. gestaag aanhoudend. aanhoudend beschermheilige. bestendig daar . ontbranding goed staan gepast. daarvan conditie. wijk. stadswijk ontsteking. hecht. kudde kudde. streng.srebrzysty srogi srogi srogi ssać ssak ssania stabilizacja stabilization stabilny stacja stacja bazowa z dwoma fizycznymi połączeniami z siecią stacja konwersacyjna stacja nadrzędna stacja zdalna stacjonować stacyjka stać stać stada stadion stadko stado stado stado (gęsi) stado (lecących ptaków stajenny stajnia stajnia stal stale stalowy stała stała stały stała (wielkość) stały stały stały stały stały stały stały stały dostęp do Internetu stały gość/klient stały obwód wirtualny stamtąd stan Argentijns grof. vliegtocht kudde. voorwaarde. etappe. gestaag aanhoudend. vandaar. gedegen stevig. prikken.

h. standbeeld . klaar aanzetschakelaar. streven duidelijk. oud. motie gevestigd.stan stan końcowy stan wyjątkowy stan zawieszenia stanąć standard standard szyfrowania agend rządu USA standard zastrzeżony stanik stanik (ale nie biustonosz!) stanowczość stanowczy stanowczy stanowić stanowić (całość) stanowić zagadkę dla stanowiska stanowisko stanowisko stanowisko pracy stanowisko pracy stanowisko) Stany Zjednoczone stapiać starać się staranny starcie starodawny staroświecki starożytność starożytność starożytny starożytny starszawy starszy start start start of header start zimny startować ponownie startujący stary stary jak świat starzeć się statek statek statek) statua verzekeren. licht. aloud. aloud. buit. hecht positief. starter vergevorderd. positie verzekeren. aloud. scharrelen. prooi houding. trachten. beweren zich gedragen werkplaats. activeren. aanzetten hel. evenredigheid regel. beha. vormen aanwinst. koker afzenden. verhouding. ouderwets ouderwets. expediëren beeld. adellijk. activeren. acquest. gedateerd. legering. station Verenigde Staten van Amerika alliage. verzenden. etui. beweren logeren regel. uit de mode antiek. plooien afsluiten. antiek hoogbejaard. netto. beweren huwelijk. vast. bustehouder resolutie. krabben aanzetten tot. oud. doos. ouderwets oudheid antiek. stevig. bak. verzenden. bejaard vergevorderd. norm b. bedaagd ouder krauwen. goor. atelier stationsgebouw. beha... expediëren pot. activeren. bejaard muf. aloud. ouderwets ouderwets. nettoafschaving antiek. bustehouder b. gortig afzenden. moeite doen. belemmeren. foedraal. standaardmaat. aanzetten aanzetten tot. benauwd. echt crisis verzekeren. klauwen. vouwen. constructief omvouwen. aanzetten aanzetten tot. stand.h. standaardmaat. norm proportie. metaalmengsel pogen. echtverbintenis. afdammen uitmaken.

bief muntstempel muntstempel stenografie. paal. opzichter ophopen. bestuur heerschappij. roer gemeenplaats. bestuur omgaan met. bewind. woordelijk steppe stuur. post. opzichter. manipuleren. opdagen stijl. opeenhopen. kolk. bewind. keet.statucie statut statystyczny statystyka Statyw staw staw staw (akwen) stawać stawać (w sądzie) stawce stawiacz min stawiać czoła stawka stawka ubezpieczeniowa staż stąd stąd stek stempel stempel pocztowy stenografia stenografia stenografią stenograficzny step ster ster stereotyp sternik (na statku) sternik na statku sterować sterować sterować sterować sterowanie sterowanie zaprogramowane w pamięci sterowanie ze sprzężeniem zwrotnym sterownik sterownik wzmacniacza mocy sterownik zegara sterta sterta sterylizować sterylizował steward stewardesa stewardessa charter. stenografie stenografie. blijven staan opdraven. vijver waterplas. besturen. post. bestuur conducteur. bestuurder supervisor. tijdvak hiervandaan. schuur. halthouden. bloot waterplas. bestuurder conducteur. accumuleren ophopen. bewind. paal. bestuur heerschappij. kolk. vijver afslaan. handvest. vrachtcontract recht statistiek statistiek huisje. bewind. opeenhopen. hanteren navigeren richten. loods louter. prijs periode. loodsen binnenbrengen. deurpost mijnenlegger het hoofd bieden stijl. kraam. vanhier als volgt biefstuk. accumuleren steriliseren steriliseren intendant. enkel. deurpost premie. controleur. dirigeren. steno naar de letter. roer stuur. mennen heerschappij. loodsen heerschappij. cliché binnenbrengen. meier stewardess stewardess . steno snelschrift.

stomp bot. paal. madeliefje timmerman kapitaal. kreunen. tegen. tegenaan. helling helling. een afschuw hebben van bijvoeglijke bepaling. vernielen onderdrukken. metaalmengsel voet proportie. effen zinspelen aandachtig. pilaar. uit de weg gaan. lijken achter opvolgen. steunpilaar. oplettend mijden. toetreden afbreken bult. vunzig. begeleiden met. steun post. stomp kiel sterkte verafschuwen. jegens gelijk. schuur. barak stoïsch. norm oprichten. taboeret aanklampen. zich vastklampen aan duizendpoot alliage. bochel vernietigen. loods box kolom. steunen. legering. leuning. verdringen. schuur. ontwijken zich aansluiten. vermogen tabel. handelen volgens vergezellen. gelijken. verhouding. lijst kruk. keet. madeliefje meizoentje. deurpost regel. evenredigheid . inrichten glooiing. glooiing meizoentje. kraam. standaardmaat. attribuut aanvliegen lijken op. attent. keet. colonne drager. vlak. stijl. duf stenen. muf. stoïcijns stoïsch. lid worden. tafel. opkroppen honderd loods. stichten.stęchły stękać stępce stępiać stępić stępka Stężenie (roztworu) sth do kogoś sth> coś komuś sth> do kogoś sth> do kogoś sth> kimś sth> kimś sth> komuś sth> komuś sth> komuś sth> o kimś sth> o kogoś sth> od kogoś sth> z kimś stłuc stłuczce stłumić stłumić sto stodoła stoik stoik stoisko stoisko z gazetami stojak stojak stojak stojak stojący stok stok stokrotce stokrotka stolarz stolica stoł stołek stołować (się) stonoga stop stopa stopa procentowa vuns. accompagneren. verwoesten. stoïcijns huisje. kermen kiel bot. stut.

associatie bond. verwantschap vergelijkenderwijs aannemen. associatie kegel hooiberg. toepassing tegen. genootschap. passend gemakkelijk. deficit. geschikt. opeenhopen. menigte. vandehands naaien. gediplomeerd geleidelijk. klappen . bij. kwijt. verbeuren. accumuleren boel.stopą stopień stopień (również naukowy) stopień zawartości alkoholu stopka (listy) stopniować stopniowo stopniowy storczyk stos stos stos stos pogrzebowy stos w pamięci stos wywołań stosować stosować stosować stosował stosowania stosowania stosownie do tego stosowny stosowny stosowny stosowny stosunek płciowy stosunek zwarcia stosunkowo stowarzyszać się stowarzyszenie Stowarzyszenie Producentów Maszyn Cyfrowych stożek stóg stóg stóg siana stół stół montażowy strach strach strach na wróble stracić stracić stracić stracie stracony strajk voet trap. angst. drom. accumuleren ophopen. massa kelder ophopen. lijst tabel. benauwdheid angst beklemming. naar. accumuleren tabel. tafel. doorvoeren administreren. dons boel. neuken familiebetrekking. nesthaar. passend. kwijtraken verloren. opeenhopen. vervlogen kloppen. handelen volgens krachtsinspanning aanwending. doelmatig rechter-. mate. aan. angst. graad trap. genootschap. houwen. toepassing opvolgen. voor gepast. schade. benauwdheid verbeurd opgeven. opper ophopen. menigte. lijst beklemming. tot. geschikt gepast. hooimijt. tafel. langzamerhand geleidelijk orchidee kelder waas. kwijt. betamelijk. hoop. beheren. affiliëren bond. mate. besturen aanwending. graad drukproef schaduwen afgestudeerd. massa aanwenden. hoop. vervlogen nadeel. strop verloren. drom. slaan. opeenhopen.

aanhang eenzijdig. edelknaap boer. edelknaap aanplakken achterban. opmaken. bruusk. de wacht hebben. de wacht hebben. raam bouw. aanhang bij-. aanhanger plafon. bewaren bewaken. minder belangrijk leden. zone. afbikken kader. bewaren riem. samenstelling. bewaren bewaken. gordel klimaatzone.strapienie straszliwy strasznie straszny straszny straszny straszny straszyć straszyć straszyć (o duchu) strata strata strategia strategia przydziału miejsca strategią strategiczny straż strażnik strażnik więzienny strefa strefa strefa wpływów stres streszczać streszczać się streszczenie streszczenie stroik stromy stromy strona strona strona tytułowa strona wzorcowa strona zawietrzna strona zewnętrzna stroną stronę WWW) zaksięgować stronnicy stronniczy stronniczy stronnik Strop strój wieczorowy (smoking stróż struktura struktura struktura verdriet doen. samenvatten verteren. steil steil leden. constructie . gewiekst. afgrijselijk doortrapt. aardgordel klimaatzone. nachtwacht. page. krijgskunde krijgskundig. afschrikken spoken nadeel. excerpt riet kortaf. zij-. lijst. aanhang boer. zij-. abrupt. ceintuur. buitenkant bij-. minder belangrijk aanblik. plafond klederdracht. aanschijn. zone. krijgskunde strategie. ijselijk afschuwelijk. deficit. overzicht. hoogtegrens. gewaad. schrik aanjagen verjagen. samenvatten resumeren. dracht. costuum waker. verdoen strategie. beoefenaar. accentueren resumeren. aardgordel beklemtonen. schade. verduwen. ver. strategisch bewaken. listig doen schrikken. slim. digereren resumé. strop verklungelen. page. krijgskunde strategie. bedroeven. klepperman bikken. omlijsting. partieel adept. ver. bot. partijdig gedeeltelijk. beproeven afgrijselijk afgrijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. de wacht hebben.

samenstelling. nu goed kraan. bekoren. klappen slaan. beek accoord. royeren. afranselen eeuw eeuw houding . aanlokken loop. akkoord snaar. kloppen. scheut behoeden. kletteren. klappen. stroming beekje. opvallen klakken. scheut pijl. het juk opleggen maaien injectiespuit injectiespuit winterkoninkje student student student studio studie studie goed. stroom. stroom. klakken. kletteren. snaar struisvogel. stemband koorde.struktura z kontaktem sferycznym struktura) MOS z kanałem typu n strumień strumień strumień drukowanych danych strumień klucza strumień ruchu (między węzłami w sieciach telekomunikacyjnych) strumyk struna struna struna struś strych strych strych stryj strzała strzałce strzałka strzec strzec się strzelać Strzelec Strzelec (gwiazdozbiór) Strzelec gwiazdozbiór strzemię strzyc strzykawce strzykawka strzyżyk student student seminarium studentka studio studiować studiowanie studnia stukać stukać stukać nie stuknięcie stuknięcie stukot stukotać stulecie stulecie stusunek omlijning. klappen. stroming loop. klappen. tap. stroming toelachen. tapkraan slaan. stemband. ontslaan Boogschutter Boogschutter Boogschutter aanspannen. klappen. opvallen slaan. klikken afdrogen. struis dakkamertje zolderkamer Attisch oom pijl. beschermen bewaken. overeenstemming. koorde. bewaren ontzetten. kloppen. omtrek bouw. de wacht hebben. kloppen. constructie actueel loop. kletteren. stroom. opvallen klikken. scheut pijl.

hoogtegrens. aanbod gevolg geluk. alternatief. aanduiden bod. gelid. componeren scheppen. droog Soedan plafon. substantie absorberend spul.stusunek nie stwierdzać stwierdzać stwierdzić stworzenia stworzyć stworzyć styczeń styczny styk styk podwójny stykać się stykać się stykać się z styl styl styl życia subskrypcja substancja substancja pochłaniająca substancją substytut subtelny suchar sucho suchy suchy (klimat) Sudan suficie sufiks sufit sufler sugerować sugestia suicie sukces sukces sukienka sukinsyn suknia suknia sułtan suma suma (msza) suma częściowa suma kontrolna suma logiczna suma logiczna zmiana houding beamen. vaststellen. hoogtegrens. welstand. januari aangrenzend. bloei. aangeven. grenzen aan contact hebben. bedrag. totaal. droog dor. subtiel. totaal unie checksum keus. contact hebben met contact hebben. stijl abonnement spul. substantie in de plaats stellen van. stof. achtervoegsel plafon. japon sultan somma. bevinden constateren. fijn biscuit dor. goedkeuren constateren. lid. voorspoed zegevieren. billijken. voorslag. jurk. triomferen een verband omleggen snikken een verband omleggen toga. keuze unie . knoop contact hebben. summa algeheel. vaststellen. bevinden wezen samenstellen. inboeten spitsvondig. droog dor. aanliggend gewricht. goedje. stijl trant. plafond souffleur aanwijzen. goedje. aanbieding. creëren louwmaand. contact hebben met taal trant. zegepralen. contact hebben met belenden. som. plafond suffix. geleding. stof.

alarm slaan invoer . onbewerkt. gewetensvol optelling knopen. cru. soeverein. bot grof. rits. totaal. onbelemmerd toevallig. aanduiden daglicht een sein geven. weg grof. onbelemmerd onbezet. aanwijzen. oppermachtig oppermachtig. open. onbehouwen. bot. speen kelder uitgebreid. hard. ritssluiting oppermachtig. soeverein. summa tal. aanslaan. medium. jeuken kriebelen. vlotheid onbezet. vlot. jouw ondersteuning. jeuken kriebelen. lampepit tepel. jeuken vrijdom. los. subsidie Sicilië Siciliaans sissen. toon alarmeren. veelomvattend treksluiting. krieuwelen. oppermachtig Jersey Jersey kriebelen. onbehouwen. vlot. een knoop leggen supermarkt supermarkt verwikkeling. streng. lont. getal algeheel.suma modulo 2 suma montażowa suma zbiorów unia złącze suma brył sumator amplitudowy sumienia sumienie sumienny sumowanie supeł supermarket (duży supersam supła surowa bawełna surowcach surowy surowy surowy suszka suszyć Suszyć sutek suterena suty suwak suwak przewijania suweren (moneta) suweren moneta sweter sweter zapinany swędzenia swędzenie swędzić swoboda swobodnie swobodny swobodny sworzeń swój sybwencja Sycylia sycylijski syczeć sygnalizował sygnalizuje pracę urządzenia sygnał sygnał sygnał ostrzegawczy sygnał wejściowy somma. duchtig. bedrag. aantal. warnet watten remedie. cru bar. straf vloeipapier dor. ritssluiting treksluiting. krieuwelen. som. onbewerkt. fluiten aangeven. stipendium. warboel. seinen intonatie. omvangrijk. middel. totaal zomer geweten geweten consciëntieus. vrijheid. rits. krieuwelen. droog kousje. incidenteel grendelen. los. open. afgrendelen je.

Siam sissen. doen alsof gekunsteld. accuraat aard. claxon . fluiten lettergreep. vakbond syndicaat. accuraat zinnebeeld.sygnał zerowy na wejściu sygnał zerowy na wejściu sygnał zezwalający sygnatura sygnatura zachowania Syjam syk sylaba sylwetce sylwetka sylwetka symbol symbol celowania(na ekranie dla pióra świetlnego) symbol niezdefiniowany symbol ogólny symbol waluty symbol zaznaczenia symboliczny translator programu symbolizować symbolizował symetria symetrią symetryczny symfonia symfonią sympatia sympatia sympatią sympatyczny sympatyzował symptom symptom nienormalnego zachowania symulować udawać chorego symulowany syn synagoga synchroniczny syndrom syndykacie syndykat sypać sypialni sypialnia sypki sypki syrena syreną invoer uitgeven. toeter. nauwkeurig. deelneming smaken medegevoel. syllabe silhouet. vakvereniging. ondertekening Thailand. aangenaam meevoelen teken. symmetrisch symfonie symfonie medegevoel. toeter. schaduwbeeld zinnebeeld. vakbond strooien. seinen handtekening. voorwenden. symptoom. karakter. overhandigen nauwgezet. cijferen silhouet. verschijnsel teken. rondstrooien slaapkamer slaapkamer mul. figuurlijk symboliseren symboliseren symmetrie symmetrie regelmatig. verschijnsel voorgeven. symbool aanreiken. vakvereniging. symptoom. deelneming genoeglijk. behaaglijk. emitteren een sein geven. claxon kuif. schaduwbeeld rekenen. geaardheid nauwgezet. jodenkerk synchronisch syndroom syndicaat. symbool oneigenlijk. gemaakt zoon synagoge. nauwkeurig. gewrongen. ondertekening handtekening. rul mul kuif.

gek. stelsel. dolzinnig gek. geregeld systematisch uitzondering situatie. respecteren kleerkast. schaak schatten. achting hebben voor tel. schare jakhals aasgier jakhals das. schaak schaakspel. begroten achten. rek kast schavot bende. taxeren. waarderen. hangkast kast kleerkast. madeliefje antwoorden. ontketenen kinderbed luifel. stroop Syrisch Syrisch systeem. dol. elektronisch systeem. dolzinnig. krankzinnig uitschrijven. dol maan-. lunair dolzinnig. sjaal Pan aanslag krankzinnig. halsdoek. schablone sjah schaakbord schaakspel. stelsel. sjabloon. lanceren. stand van zaken slagzwaard patroon. taxeren waarde.Syria syrop Syryjczyk syryjski system system gromadzenia i interpretacji danych system sieciowy system telewizji kasetowej system zero-jedynkowy systematyczny systematyczny sytuacja sytuacja sytuacja wyjątkowa szabla szablon szach (Iranu) szachownica szachowy szachy szacować szacować szacował szacunek szacunek szacunek szafa szafa ścienna szafą szafka szafka szafocie szajka szakal szakal szakal rz szal szala (wagi) szalka (wagi) szalony szalony szalony szalony szalupą szałas szałas Szałas Syrië siroop. bestel gelijkmatig. troep. gehalte schatten. waarderen. afdak bunker. krankzinnig. achting eerbiedigen. dol. bestel meizoentje. gek. kazemat . bouffante. antwoorden op electronisch. begroten. hangkast etagère. stand van zaken situatie. regelmatig.

gleuf sponning. vaccine entstof. raar. accuratesse. inzonderheid inzonderheid. vaccin. sleuf. vreemd. prullaria necrologie opstap. vaccine . gleuf barst stipt. rommel. branche. afval. vaccineren inenten. jurk satanisch kleedkamer. streng. japon. gat. nauwgezetheid boomschors. item. gleuf sponning. eigenaardig afgezonderd. charlatan. garderobe kleedkamer. vaccineren entstof. detail ampel. grauw een verband omleggen toga. tree. gedetailleerd. opening sponning. vaccine entstof. soortelijk bijzonderheid. treeplank babbelen. garderobe puin. doorscheuren schokken aardbeving schokken grijs. in het klein stiptheid. bedrieger bedrieger. kwakzalver vaneenscheuren. afgezonderd gek. gleuf sponning. opstapje. grauw grijs. nauwsluitend. keuvelen overeind gaan staan afdeling. tak in het bijzonder. vestiaire. schors mond. achting hebben voor sprinkhaan kwakzalver. sleuf. vaccin. sleuf.szampan szampon Szanghaj szanował szarańcza szarlatan szarlatan szarpać szarpnąć szarpnięcie szarpnięcie szary szary szata szata szatański szatni szatnia szczątki szczątkowy szczebel szczebiotać szczeciną szczególna cecha szczególnie szczególnie w USA szczególny szczególny szczególny szczególny szczegół szczegółowy szczegółowy szczekać szczelina szczelina szczelina do ręcznego podawania papieru szczelina sprzęgająca szczelina środkowa szczeliną szczelny szczepić szczepić (przeciwko chorobie) szczepionka szczepionka (program tworzący sygnaturę programu wykonywalnego szczepionka program tworzący champagne het haar wassen Sjanghai achten. charlatan. vak. vaccin. afzonderlijk specifiek. nauw inenten. vestiaire. vooral. in het bijzonder afzonderlijk. praten. sleuf.

schraal. kaak kakement. tip. knijpen. fortuinlijkheid geluk gelukkig gelukkig royaal. kletteren. koon. richten. nijpen aperitief. top. klappen. schuieren snoek sprietig. toppunt afknotten . degelijk natuurlijk oprecht. besturen authentiek. top. eerzaam. neus. tip. slim. tip. top. piek afknotten hoogtepunt. dirigeren. toppunt piek.sygnaturę programu wykonywalnego szczerość szczerość szczerość szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczerze szczerze mówiąc szczęka szczęka szczękać szczękać szczęścia szczęście szczęście szczęście szczęśliwie szczęśliwy szczodry szczotka szczotka porównawcza szczupak szczupły szczupły szczur szczycie szczycie szczypać szczypał szczypał szczypce szczypce do cukru (w kostkach) szczypcie szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt (np. top. goedgeefs borstelen. ongeveinsd. open en bloot. onvervalst eerlijk. listig knijper. punt. spits spits. schoon. tenger rot. schuieren borstelen. tip. gul. punt. punt. luchtig rank. piek klemmen. nijpen hoogtepunt. klikken geluk Fortuna lot. zetten spits. genereus. gelijk hebbend. openhartigheid juist. piek afknotten hoogtepunt. rondweg wang. fortuin. neus. eenvoudig ronduit. borrel doortrapt. tokkelen. punt. innig aalwaardig. zenit monteren. rat hoogtepunt. rondweg ronduit. aalwarig. neus. gegrond rein. kaak klikken. klappen klakken. open en bloot. neus. klakken. gewiekst. doskonałości) szczyt (stosu) szczyt stosu szczytowy szczytowy poziom openheid oprechtheid. mager. toppunt spits. zindelijk mennen. slank. knijpen. schaar nijptang klemmen. puur. dun. kletteren. tokkelen.

murmelen (v. privé-. donkerrood karmozijn. baas. set. chef aanvoerder. ontwerpen . dobbelsteen. royaal breedvoerig. dobbelsteen. afgeven verspreiden. reeks graad. ruisen ritselen. gebieder. groot. belasteren afjakkeren. status. fluistering murmelen. ruim. fluistering roeien serie. chef aanvoerder. hechten schoenmaker roddelen. baas. ruimheid. ris.szef szef szef (w firmach polskich prezes) szef kuchni szejk szelce szelescie szelest szeleścić szelma szepcie szept szept szeptać szeptać szereg szereg szereg zbieżny bezwzględnie szeregowiec szeregowy szeroki szeroki szeroko szerokość szeryf szerzenie szerzyć szesnastkowy szesnaście sześcian sześcian kierunkowy sześcian wokseli sześć sześć pensów sześćdziesiąt sześćdziesiątka sześćdziesiąty szew szew szewc szkalować szkapa szkarłat szkarłatny szkatułka szkic szkic szkic chefkok. gebieder. dobbelsteen. zestientallig zestien derde macht. blok derde macht. ellendeling. beekje) gefluister. kwaadspreken. ploert gefluister. rist. rang besloten. voeg dichtnaaien. cambio uitstippelen. ruisen boef. verbreiden. donkerrood borst. boezem afschaduwing wissel. ruim. wijd breedvoerig. blok derde macht. gebieder. chef aanvoerder. baas sjeik span ritselen. murmelen (v. schavuit. beekje) gefluister. vervolgverhaal breed. royaal wijdte. landrechter verspreiden. afbeulen. chef. verbreiden. particulier feuilleton. schetsen. afmatten karmozijn. groot. stand. ruisen ritselen. fluistering murmelen. breedte sheriff. blok zes zes zestig zestig zestigste naad. afgeven hexadecimaal.

edel adel. glazuren. schetsen. omlijsting. school leerschool. gebeente. edelen edelheid nobel. edelen kamerjas slib. geraamte kader. ontwerpen skelet. geraamte kader. heining nobel. schaden invasie. lijst. glanzen emailleren emailleren drinkglas. slijk snikken snikken . glas verglazen. gebeente.szkicować szkielecie szkielet szkielet szkielet szkielet (konstrukcji) szklanka szklić szkliwa szkliwo szkło szkło szkło powiększające Szkocja szkocki Szkocki szkoda szkoda szkoda szkoda szkoda następcza szkodliwa inwazja szkodliwe naruszenie ochrony szkodliwe włamanie szkodliwy szkodliwy szkodnik szkodzić szkodzić szkolenie wspomagane komputerowo szkolić szkolny szkoła szkoła (średnia lub wyższa) szkoła z internatem szkoła zawodowa Szkot Szkotka szlaban szlachecki szlachetność szlachetność szlachetny szlachta szlafrok szlam szloch szlochać uitstippelen. iets betreurenswaardigs schade aanrichten. afsluiting. edel adel. drek. glas bril drinkglas. school Schot Schotse barrière. letsel toebrengen blessure. verwonding schade. foutief. wond. omlijsting. glas Schotland Schot Schots schade aanrichten. modder. schaden kwetsen. inval invasie. kwetsuur. hek. raam schavot skelet. verkeerd duim als lengtemaat gevolg leerschool. raam drinkglas. school college leerschool. school leerschool. inval afkerig schadelijk ongedierte kwetsen. inval invasie. lijst. letsel toebrengen onjuist.

beloeren. stemband. baan. wereldruim. gard. wondteken granaatkartets. afdak doordringend. klos. bespieden kegel kegel kegel spinazie hospitaal. tod. spitten. gasthuis. lomp. spoel bobine.szlochaćSOB> szmaragd szmaragdowy szmata szmer sznur połączeniowy sznurek sznurowadło sznurowadło sznurowadło sznycel szofer szofer szok szopa szorstki szorstki szorty szosa szowinista szowinizm szósta część szósty szpadel szpagat szpak szpalta szpara szparag szparą szperać szpicruta szpiczasty szpieg szpiegować Szpila szpilce szpilka do włosów szpinak szpital szpon szpon szpula szpula taśmy szpulce szpulce szrama szrapnel snikken smaragd smaragd vodje. nestel koorde. bijtend onbewerkt. lor. bot. grof. kniebroek. spoel klos. speling morrelen. schudden. bobine bobine. chauffeur conducteur. lap. spitsroede. murmelen (v. colonne barst asperge ruimte. beekje) koorde. spits spieden. beloeren. snaar met een band omgeven kant rijgveter. broek weg. steunpilaar. shrapnel . spoel. pilaar. stokje puntig. bobine litteken. onbehouwen. bespieden spieden. nagelen klos. graven vlechten spreeuw kolom. veter. friemelen. fel. bestuurder opschudden. schokken luifel. flard murmelen. stemband. vod. ziekenhuis klauw spijkeren. route chauvinist chauvinisme zesde zesde woelen. guur. scharrelen roede. spoel. snaar fijnhakken bestuurder. bestek. klos. cru korte broek.

houterig. drama fragment. afdammen verbleekt rek. razen. ezel. schraag. star. temperen. streek. aanstoten kegel dolk dolk stram. standaardmaat. rumoer. kunstgreep . hebbelijkheid vuurwerk aanstellerij. la. krijg kunst een duw geven. klos. leven. gonzen. afsluiten. frauderen. bobine mengen. brommen spoel. razen. brommen ophef. galerie kunst aanwensel. vermengen naaister Zwitsers Zwitserland Zwitsers Zwitsers Zweden Zweed Zweeds zwendelen. gemaakt gekunsteld. brommen ophef. ezel. rumoer. aangegrepen gekunsteld. herrie snorren. gemaakt kunst toneelstuk. knoeien foefje. lawaai. lade het uiterlijk hebben van. razen. onnatuurlijkheid aangedaan. mixen. temperen. er uitzien snorren.sztab sztaba sztacheta sztaludze sztaluga sztandar sztandar Sztokholm sztolnia sztuce sztuczka sztuczne ognie sztuczność sztuczny sztuczny sztuczny satelita ziemi sztuka sztuka sztuka sztuka panowania sztuka wojny szturchnięcie sztyft sztylecie sztylet sztywny sztywny szufla szuflada szukać szum szum szum śrutowy szum zka szumieć szupla szurać nogami szuranie (nogami) szwaczka szwajcar Szwajcaria szwajcarski Szwajcarzy Szwecja Szwed szwedzki szwindel szwindel staf belemmeren. galerij. stijf. leven. ceremonieel scheppen. stug afgemeten. schraag. opscheppen schuiflade. gang. bank rek. lawaai. vlag regel. mixen. plechtig. dundoek. toestoten. brok oorlog. bok. bank vaan. herrie snorren. gonzen. vermengen mengen. kneep. gewrongen. norm Stockholm gaanderij. bok. gewrongen. gonzen.

vaart. vliegtuig een glijvlucht maken. gauw gezwind. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. knoeien groeve. snel spoedig afgrazen gauw. kamp sjiek.szwindlować szyb szyba szyba (okienna) szybą szybki szybki szybki układ logiczny tranzystorowotranzystorowy szybki układ scalony TTL szybki układ scalony TTL szybki zarobek szybko szybko szybko schnący szybkość szybkość szybkość klatek szybkość zapisu szybkość zapisywania szybować szybować szybowanie szybowca szybowiec szybowiec szyć szyć szydełkować szyderczy uśmiech szydzić szydzić szyfr z bieżącym kluczem szyfr złożeniowy szyfrować szyfrować szyfrował szyja szyk bojowy szyk bojowy szykowny szyling szympans szyna szyna szyna pamięciowa szyna sterująca szynka zwendelen. karwei. aannaaien. werk. rail boomstam. piekfijn sjiek. spoedig. rail spoorstaaf. ginnegappen bespotten. chic. spoed. ginnegappen cijfer. spoedig. groef. stam ham . onderwijzen spoorstaaf. vastnaaien steek emplooi. hard. spotlachen. greppel. in allerijl proportie. chic. slag. verhouding. radheid vliegmachine. gauw snel. spoed. hals treffen. gracht. nummer versleutelen versleutelen nek. gezwind. frauderen. haastig. hard. haastig. kuil drinkglas. haastig. zweefvliegen zeilvliegtuig. vensterruit. gauw snel. spotlachen. schielijk. evenredigheid snelheid. spoedig. strijd. arbeid grijnslachen. gezwind. glaswerk glaswaar. spotten. gauw. radheid snelheidsgrens snelheid. zweefvliegtuig aanzetten. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. glaswerk vasten snel. gezwind. vaart. in allerijl gauw. glas glaswaar. vaart. piekfijn shilling chimpansee opvoeden. honen grijnslachen. schielijk. gevecht. nummer code cijfer. vensterruit. haastig. radheid snelheid. spoed. zweefvliegen een glijvlucht maken. spoedig.

persen. soortelijk streng. tekenen pad. bemachtigen comprimeren knuffelen drukken. minutieus stram. juist. stijf. accuraat precies. verbrijzelen najagen. riool druipen. run jam. bar. spoor spoor. bijtend merken. wissen. stam. waarachtig billijk. houterig. volksstam aandrang. marmelade aperitief. accuratesse nauwkeurigheid. tekenen afbakenen afdruk. borrel inderdaad. moes. guur. persen. afdruipen cloaca. inzamelen downloaden rukken steek steek neerdruipen. metterdaad. zinkput. paadje afdruk. dringen. spoor steeg pad. droppelen. marmelade grijpen. nauwgezetheid nauwgezetheid. stiptheid. moes. intrappen. rechtvaardig drukken. star. dringen. precisie precies. stug specifiek. karrespoor . innen. hard jam. stiptheid. druppelen afvegen. wagenspoor. voetspoor. afdrogen. dringen. straf. paadje vermorzelen. duchtig. stiptheid. afwissen afschaving flanellen laken doordringend. voetspoor. knellen strakker aantrekken. aantrekken drukken. toeloop. fair. nauwgezet. nastreven een proces aanspannen tegen geslacht. persen. knellen merken.szyszka ściągać ściągać dane z serwera ściągnąć ścieg ścieg wsteczny ściek ściek ściekać ścierać ścieranie się ściereczka ścierka ścierny ścieżka ścieżka ścieżka wyszukiwania ścieżka zapisu ścieżka zastępcza ścięcia ścigać ścigać sądownie ścigać się ścisk ścisk ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać kurczowo ścisłość ścisłość ścisłość ścisły ścisły ścisły ścisły ścisły ścisnąć ścisnąć ściśle ściśle ściśnięcie ślad ślad ślad ślad kegel collecteren. knellen accuratesse. fel. scherp.

glibberig pruim pruim een glijvlucht maken. kwijlen glad. bruiloft echten. brutaal stoutmoedig. stoutmoedig. wagen moorddadig. echtverbintenis bruiloftsfeest.ślad rewizji Śląsk śledzić śledzić śledzić śledztwa śledztwa śledztwo śledź ślepa kiszka ślepa uliczka ślepota ślepy ślepy nabój śliczny ślimak ślimak ślimak (współpracujący z kołem zębatym) ślina śliniaczek ślinić się śliski śliwce śliwka ślizg ślizgać się ślizgać się po wodzie ślub ślub ślubny ślusarz śluz śluza śmiać się śmiało śmiało śmiały śmiały śmiały śmiały śmiech śmiech śmieci śmiecie śmieć śmiercionośny śmierć afbakenen Silezië afluisteren afbakenen afdruk. allicht gespeend van. lachbui. stoutmoedig. oningevuld. overlijden. puin zich vermetelen. blank behaaglijk. modder. aanvaller lachen gelach. onderzoek zeebanket. wurm kwijl. ontbloot van brutaal. dodelijk dood. het verdommen. zever. brutaal voorspeler. blanco. stout gedurfd. ongrijpbaar. huisjesslak worm. hilariteit afwijzen. sterfgeval . afkeuren rommel. onderzoek keuring. zeveren. gedurfd. examen. zweefvliegen huwelijk. examen. voetspoor. aanhangsel doodlopende weg blindheid blind wit. spuug slabbetje speeksel afscheiden. gedurfd. legitimeren slotenmaker slib. zweefvliegen vliegmachine. appendix. vliegtuig een glijvlucht maken. stout. spoor enquête keuring. speeksel. schroefdraad slak. haring bijlage. drek. echt. prullaria. genoeglijk schroef. propeller. stout. slijk slot lachen met gemak. afval.

dodelijk sterfelijk sterfelijk vermakelijk. voortmaken haastig. centrum middelpunt. lied zangeres zingen. belachelijk. binnenlands. bezingen zangeres gezangboek. roken stinken. leuk. haast maken. gehaast spoed maken. werktuig intern. amusant. binnenste. omgeving . haast maken. medium. vermakelijk vla vla bloesem propeller. binnenste gemiddeld. doorsnee. doorsnee. amusant belachelijk gek. centrum beter maken. diameter woensdag woensdag middelpunt. leuk. zang. genezen. binnenste. vies ruiken moorddadig. amuseren. schroef ontbijt ontbijt sneeuwen sneeuwen sneeuwen druilerig. lachwekkend. diameter middellijn. laxans gemiddeld. mal opvrolijken. middelbaar middel. voortmaken gezang. gezangbundel. helen gemiddeld antiseptisch middel afwasmiddel laxeermiddel. middelbaar milieu. zangboek gemiddeld gemiddeld middellijn.śmierdzący śmierdzieć śmierdzieć śmiertelnie śmiertelnik śmiertelny śmieszny śmieszny śmieszny śmieszyć śmieszyć śmietana śmietanka śmietanka (towarzyska) śmigło śniadania śniadanie śnieg śnieżenie śnieżyć śpiący śpiący śpieszyć (się) śpieszyć się śpieszyć się śpiew śpiewaczka śpiewać śpiewak śpiewnik średni średni stopień scalenia średnica średnicą środa środą środek środek środek środek ośrodek środek antyelektrostatyczny środek chwastobójczy środek miotający do broni palnej środek znieczulający środki środkowy środkowy środowiska stinkend smoken. onderhouden aardig. schroefdraad. slaperig slaperig spoed maken.

bedrijf. dokument. bewust welbewust. getuigen getuige acte. acte. medium. candela. evenredigheid vezel wereldwijd festival gewijd. omgeving milieu. schroefdraad. dokument. bewust aardrijk. voordeel certificeren. kaars . gemeenschap tafereel. bedrijf. omgeving Middellandse Zee propeller. świadczyć świadczyć świadectwa świadectwa świadectwo świadectwo odporności na promienie Rentgena świadek świadek naoczny świadomość świadomość świadomość istnienia produktu świadomość przekazu reklamy świadomy świadomy świadomy (<of sth> czegoś) świat światło światło działania światło punktowe światło stopu w samochodzie światłoczułość światłowód światowy świąteczny świątobliwy świątyni świder świder świdrach świeca świecą świeczka gemeente. stuk acte. akte. stuk certificaat. aanmaken daglicht zonlicht aansteken. beschrijving milieu. akte. omgeving milieu. dokument. besef. wereld aansteken. besef. neuken schroevedraaier schroevedraaier spiraal pré. heilig. bewustzijn bezinning. neuken naaien. omgeving milieu. bewust welbewust. besef. medium. bewustzijn welbewust. getuigenis acte. kaars kaarsensterkte. bewustzijn bezinning. bewustzijn bezinning. doen ontbranden. attest. bedrijf. schroef naaien. doen ontbranden. sacraal. aanmaken proportie. verhouding. medium. geheiligd slaap beting accolade bretels kaarsensterkte. stuk getuige getuige bezinning. besef. akte. neuken naaien. schildering.środowisko środowisko CDE środowisko graficzne środowisko grupy roboczej środowisko zabezpieczeń środowisko zespołowe śródziemnomorski śruba śruba śruba (statku) śrubą śrubokręcie śrubokręt śrubowaty świadczenie (z tytułu polisy ubezp. candela. kaars kaarsensterkte. candela. medium.

świecznik świecznik świergocie świergot świergot świergotać świerszcz świetlik świetlik świetnie się bawić świetność świetny świetny świeży świeży święcie świętej pamięci świętej pamięci święto święto świętować świętował święty święty święty Mikołaj świni świnia świnka morska świscie świst świt świt świt świtać tabela tabela woluminu tabernakulum tabletce tabletka tablica tablica tablica (szczególnie pamiątkowa) tablica autoreferencyjna tablica odwołująca się do siebie tablica odwzorowanie tablica ogłoszeń tablica rozmieszczenia pliku tablica samoodniesieniowa

kandelaar, blaker kroonluchter, kroon, luchter piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen krekel, kriek vuurvliegje dakraam, patrijspoort, luik net, mooi gezag, prestige, autoriteit groots, grandioos, overweldigend tof, tiptop, excellent, kostelijk vers, onbedorven, luchtig, fris luchtig, fris, vers, onbedorven snipperdag, vakantiedag, rustdag vergevorderd, laat later festijn, feestmaal, smulpartij, gelag snipperdag, vakantiedag, rustdag vieren, opdragen, celebreren vieren, opdragen, celebreren gewijd, heilig, sacraal, geheiligd heilige geheiligd, gewijd, heilig, sacraal zwijn, varken zwijn, varken Guinees biggetje, cavia ritselen, ruisen fluiten, gieren aurora, morgenlicht, morgenrood dageraad, aanbreken van de dag zonsopgang aurora, morgenlicht, morgenrood tabel, tafel, lijst tabel, tafel, lijst tabernakel tafel, tabel, lijst tafel, tabel, lijst aanklampen, zich vastklampen aan dashboard, instrumentenbord, beschot tafel, tabel, lijst aanplakbord aanplakbord landkaart, kaart aanplakbord lijvig, dik aanplakbord

tabliczka tabliczka tabliczka dźwiękowa taborecie tabulacja tabulator tabulogram informować tabulowanie taca taca taca zabezpieczająca tacą taczka tajać tajemnica tajemniczy tajemny tajfun tajny tajny agent tak tak jak tak jest tak samo tak samo jak tak więc tak! wiele takcie taki taki taki owaki taksometr taksówce taksówce taksówka taksówka takt takt takt takt takt zegara taktyczny taktyczny taktyka także także także także <casement window>

belemmeren, afsluiten, afdammen fotografische plaat, plaat tafel, tabel, lijst kruk, taboeret tafel, tabel machine informeren, berichten, inlichten tafel, tabel schotel, schaal dienblad, presenteerblad bakvis dienblad, presenteerblad kruiwagen wegsmelten, dooien, ontdooien mysterie, raadsel, geheimenis mysterieus, geheimzinnig occult tyfoon confidentie verstand, geest, intellect ja, jawel ja, jawel voor, als, bij wijze van, hoe, tot dito, identiek als volgt als volgt ergo, dus, ook weer, toch ritme, tact, maat, beleid ergo, dus, ook weer, toch dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een uurwerk, klok vigilante, huurrijtuig, aapje taxi vigilante, huurrijtuig, aapje taxi afranselen verzekeren, beweren ritme, tact, maat, beleid teek teek tactiek tactiek tactiek evenzeer, ook, mede, eveneens verzenden evenzeer, mede, eveneens, ook aan, tegen, voor, tot, bij, naar

także <fag> także celny strzał w to miejsce talencie talent talent talerz z tworzywa do rzucania talia talia talia kart talon tam tam tam i z powrotem tama tamci Tamiza tamować tamować tampon tampon tamte tamten tamten tancerz tandeta tango tani tani hotel/pensjonat tani jak barszcz taniec tankwać tańczyć tańczyć tango tańczyć walca tapczan tapeta taras tarcie tarcza (telefonu targ targi targnięcie targować się targować się tarka tarsować taryfa taryfa

verzenden evenzeer, ook, mede, eveneens talent, gave, aanleg, begaafdheid gift, geschenk, donatie, cadeau talent, gave, aanleg, begaafdheid fotografische plaat, plaat verdek, scheepsdek, dek middel, leest, taille middel, leest, taille bon, voucher, kaartje, coupon ginds, aldaar, daar, er, daarginds ginds, er, aldaar, daarginds, daar ginds, aldaar, daar, er, daarginds afsluiting, barrière, dam, sperdam dat, datgene, zulks Theems blokkeren, vastzetten afsluiten, belemmeren, afdammen blok tampon dat, datgene, zulks dat ginds, er, aldaar, daarginds, daar danseres rommel, afval, prullaria, puin tango, stampen goedkoop goedkoop goedkoop bal, danspartij reservoir, vergaarbak bal, danspartij tango, stampen wals divan, Turkse staatsraad, rustbank behang terras wrijving wijzerplaat marktplein, markt, bazaar, marktplaats marktplein, markt, bazaar, marktplaats schokken afdingen, pingelen, marchanderen pingelen, afdingen, marchanderen raspen afsluiten, belemmeren, afdammen proportie, verhouding, evenredigheid dienstregeling, rooster

tarzać tasiemka tasować tasowanie (kart) taśma taśma taśma taśma poprawkowa taśma zmian taśma źródłowa systemu tato tato tatuaż tatuować tatuś tatuś tawerna tawerna tawerną tchawica tchórzliwy tchórzostwa tchórzostwo te teatr teatr rewiowy teatralność teatralny teatralny technice techniczny techniczny ośrodek przetwarzania danych technika technika technika technika grubowarstwowa technika cienkowarstwowa technika rozpoznawania obrazów technika światłowodowa technika wykrywania błędów technologia technologia) drop-on-demand technologią teczka teczka teczka konfiguracyjna teka

broodje, bolletje, kadetje, kadet band, lint mengen, temperen, mixen, vermengen mengen, temperen, mixen, vermengen schare, troep, bende band, lint met een band omgeven videoband met een band omgeven schare, troep, bende pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie taptoe taptoe pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie drenkplaats, bar, café herberg, uitspanning herberg, uitspanning luchtpijp geel lafhartigheid, lafheid lafhartigheid, lafheid dit, dit hier schouwburg, toneel, theater schouwburg, toneel, theater melodrama schouwburg, toneel, theater schouwburg-, toneel-, theatertechniek technisch technisch techniek techniek technologie techniek techniek doortrapt, slim, gewiekst, listig schouwburg, toneel, theater technologie techniek technologie technologie boekentas, theca, aktentas portefeuille leden, aanhang boekentas, theca, aktentas

tekscie tekst tekstylia tekstylny tektura teledysk telefon telefon wewnętrzne telefon wewnętrzny telefoniczna pomoc techniczna telefonujący telegraf telegraf Baudot—Verdan telegraficzny telegrafować telegram telegram teleJkomunikacja telemetria teleskop telewizja telewizja telewizją temacie temacie temat temat temat temat podmiot tempa temperamencie temperament temperatura temperatura złącza p-n temperaturą tempo tempo tempo wielkość (miara względna) ten ten ten kto przeżył ten zielony tendencja tendencja tenis tenor teologia teologia theorem

tekst tekst weefsel weefsel kartonnen knippen, scheren, snoeien opbellen, telefoneren opbellen, telefoneren achtervoegsel, suffix adresboek bezoeker overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen telegram metaaldraad, draad communiqué telemetrie sterrenkijker, telescoop, verrekijker televisie televisie televisie onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit stof, onderwerp, subject onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit iets actueels, actualiteit treden, schrijden, stappen, lopen temperament temperament temperatuur temperatuur temperatuur proportie, verhouding, evenredigheid snelheid, vaart, spoed, radheid lopen, stappen, treden, schrijden dat dit, dit hier dito, identiek dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een afdrijven, op drift zijn, drijven wilsbeschikking, gesteldheid, aanleg tennis tenorstem, tenor theologie, godgeleerdheid theologie, godgeleerdheid

teologią teoretyczny teoria teorią terapia terapią Terasa teraz teraz gdy teraźniejszy teren teren termin termin termin termin termin amerykański termin brytyjski termin prawniczy termin przeciwstawny terminal wizyjny terminal znakowy prosty terminologią termometr termos termostacie termostat terror terrorysta terroryście terroryzm terroryzować terytorialny terytorium test test wewnętrzny test zgodności testamencie testament testament testować teza tezą też też nie też nie też nie tęcza

theologie, godgeleerdheid akademisch, academisch theorie theorie therapie therapie terras enfin, komaan, nou, nu, wel, tja enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig, actueel achtergrond, grond, bodem, ondergrond terrein benaming, naamwoord, naam dadel, dactylus affiche, aanplakbiljet, plakkaat term, vakterm Amerikaans Brits wettig, wettelijk, gewettigd, legaal tegenover, aan de overkant van scherm, schut terminal terminologie, vakwoordenboek warmtemeter, thermometer thermosfles thermostaat thermostaat terreur, schrikbewind terrorist terrorist terrorisme schrik aanjagen, doen schrikken territoriaal territoir, ban, gebied, grondgebied examen, keuring, onderzoek binnenste, binnenlands, intern examen, keuring, onderzoek verbond, uiterste wil, testament verbond, uiterste wil, testament uiterste wil, verbond, testament examen, keuring, onderzoek proefschrift, stelling, dissertatie proefschrift, stelling, dissertatie evenzeer, ook, mede, eveneens evenmin, noch neen, geen, nee, niet evenzeer, mede, eveneens, ook regenboog

tęczą tęczówka (oka) tęczówka oka tęgi tępić tępy tępy tępy ić tęsknić tęsknota tęsknota tęsknota za krajem tętnica tętno the former>ten pierwszy tkać tkanina tkanina do robienia worków tkanina nieprzemakalna tkwiący tkwić tlen tlen cz tlenić (włosy) tło tło okna tłoczyć się tłoczyć się tłok tłok tłok tłuc Tłuczek tłum tłum tłum tłumacz tłumaczenia tłumaczenie tłumaczenie (tekstu) translacja tłumaczenie języka symbolicznego tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć język symboliczny zestawić tłumaczyć się tłumaczyć się

regenboog Iris Iris gezet, zwaarlijvig, corpulent verdelgen, uitroeien bot, stomp gesmoord, toonloos, stomp, dof bot, stomp verlangen, hunkeren, reikhalzen verlangend, smachtend heimwee verlangend, smachtend slagader, arterie pols, polsslag, tel daarvoor, vooraan, eerder, indertijd weven weefsel weefsel weefsel aangeboren, ingeboren kleven, vastkleven, aanhangen zuurstof zuurstof water achtergrond achtergrond hoop, boel, drom, massa, menigte kudde, roedel hoop, boel, drom, massa, menigte zuiger pers temperen, mengen, mixen, vermengen stamper, vijzelstamper hoop, boel, drom, massa, menigte gastheer massa, drom, hoop, menigte, boel interpreter uitvoering, versie translatie, translaat, overzetting translatie, translaat, overzetting samenscholing vergaderen, samenkomen, bijeenkomen uitleggen, interpreteren, duiden pleiten translateren, overzetten, vertalen translateren, overzetten, vertalen uitleggen, interpreteren, duiden reproduceren, weergeven

tłumaczyć z języka programowania na język angielski tłumić tłumić tłusty tłusty tłusty tłusty tłuszcz tłuszcz wielorybi tłuszczowy to to to to samo toalecie toaleta toaletka toast tobołek todze todze toga tok tokarka tokarnia token tolerować tolerować tolerował tolerował tolerując tom tom (dyskowy)objętość głośność ton ton odcień tona toną tonąć tonąć topić Topić topić się topnieć topnieć topola topór tor

translateren, overzetten, vertalen doven, blussen, uitdoen, uitblussen onderdrukken, smoren, neerslaan gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal lijvig, dik vettig, vet dik, vettig, vet lijvig, dik invetten lijvig, dik best het dat dito, identiek privaat, secreet, toilet privaat, secreet, toilet ladenkast, commode branden, braden, roosteren bundel, wis, bos toga, jurk, japon toga, japon, jurk toga, jurk, japon tracé, route, leergang, cursus, koers draaibank, draaischijf draaibank, draaischijf adstructie, teken, bewijs te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten aanhoudend, blijvend, bestendig geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume intonatie, toon intonatie, toon ton ton verdrinken, verloren gaan, vergaan zinken, aan de grond raken verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien dooi peppel, populier hakbijl, bijl afdruk, voetspoor, spoor

tor żużlowy tor/szlak wodny torba torba (foliowa torba na zakupy torbą torebka torebka damska torf torfowiska torfowiska torfowiska torfowiska tornister tornister torować drogę torpeda torpedą torpedować tors tort tortura torturą torturować tortury tory kolejowe totalny towar towar towar towar na składzie towar wyrzucony za burtę towar wyrzucony za burtę towarach towarzyatwo towarzyski towarzystwo akcyjne towarzysz towarzysz towarzysz towarzysz zabaw dziecinnych towarzyszący towarzyszący towarzyszący towarzyszyć towarzyszyć tożsamość tracić zabarwienie

steeg afdruk, voetspoor, spoor tas, zak consument, gebruiker, verbruiker tas, zak tas, zak beurs, portemonnaie, geldbuidel tasje, reticule, handtasje turf onderbinden Moriaan, Moor aanbinden, meren Mauretaniër knapzak, ransel knapzak, ransel genist, geniesoldaat, baanbreker torpederen torpederen torpederen boomstam, stam koek, cake folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen spoor, spoorweg algeheel, totaal handelsartikel, artikel colli, goederen koopwaar, handelswaar, waar handelsartikel, artikel mikpunt, onderwerp, object, ding dingen, spullen handelswaar, koopwaar sociëteit, club sociaal, maatschappelijk firma, handelsfirma, handelshuis zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker maat, kornuit, kameraad, makker zich aaneensluiten, aansluiten ingesloten, bijgaand zich aaneensluiten, aansluiten steward vergezellen, accompagneren, begeleiden verplegen, zorgen voor, verzorgen identiteit dalen, kleiner worden, afnemen

overlevering traditie. gebruikelijk ouder traditioneel incidenteel. voeren . behandeling kuur. naast. traktaat. omroepen uitzenden. klappen slaan. tractor trekker. fortuin. uitwendig. vlag transporteren. klappen gebeuren. sturen. cureren behandelen. zaak. tractor rondgeven. kloppen. houwen. spoor verdrag. buiten-. fortuinlijkheid bof. motie aan. portier tragisch tragisch tragisch afdruk. omroepen uitzenden. verhandeling verdrag. kloppen. ronddelen. traktaat. mazzel. overlevering gewoon. houwen. omroepen uitzenden. behandeling tram tram aangelegenheid. uiterlijk vervormen resolutie. uitdelen behandelen. sturen. doen toekomen vaan.tradycja tradycją tradycyjny tradycyjny tradycyjny traf traf traf traf trafić trafić się trafienie trafna odpowiedź trafienie trafny tragarz tragedia tragedią tragiczny trakt traktacie traktat traktor traktor do transporu drewna traktować traktować traktować na serio traktowania traktowanie tramwaj tramwaj transakcja transakcja transakcja globalna transakcją transcendentny transformować translacja translator adresów transmisja pojedyncza na żądanie transmisja radiofoniczna transmisja radiowa transmitować transmitować transmitować (do wszystkich węzłów sieci) transmitował transparencie transport traditie. geluk. verhandeling trekker. aan de hand zijn slaan. omroepen opsturen. doen toekomen opsturen. vandehands conciërge. voetspoor. klappen rechter-. affaire. toevallig Fortuna lot. buitenkansje slaan. dichtbij. overbrengen. nabij. dundoek. doen toekomen opsturen. houwen. kloppen. cureren kuur. ding transactie transactie transactie extern. sturen. bij uitzenden.

route. overgankelijk overgang. de trompet steken. sociëteit angst drillen. aanstoten slaan. overbrengen. voeren tor. stof. klappen. voeren trekken transporteren. substantie lepralijder. transistor rechtopstaand. toeten een duw geven. een duw geven. route. beschuldiging spul. spijsvertering digestie. passage. grasveld. tracé. route. gazon. spijsvertering ets perk. toeten toeteren. overbrengen. opvallen stortplaats aanstoten. dauwworm club. kloppen. lepra eczeem. toeten toeteren. toestoten melaatsheid. dobberen. baanvlak luchtweg reisplan. leproos. tenor aanklacht. toestoten. melaatse gejubel . de trompet steken. acne. oefenen boren tevreden.transport klucza transportować transportować tranzystor tranzystor polowy z rowkiem w ksztaJcie V tranzytywny trap trasa trasa domyślna trasa zastępcza ścieżka zastępcza trasować tratwa tratwa tratwa ratunkowa tratwą trawa trawa rosnąca na wydmach trawą trawić trawienia trawienie trawienie światłem przechodzącym trawnik trąba trąbce trąbka trącać trącać trącać łokciem trącenie łokciem trącić łokciem trąd trądzik trefl trema trenować tresować treśc treśc treściwy treść treść treść ruchu pakietów treść zasadnicza (dane właściwe przesyłane w pakietach sieciowych) trędowaty triumf transporteren. baanvlak vlotten. voldaan inhoud kernachtig. goedje. digereren digestie. bondig. verduwen. schuit vlot gras gras gras verteren. een duw geven. verticaal transitief. tracé. doorgang reisplan. drijven vlot boot. grasmat toeteren. tracé. vergenoegd. toestoten aanstoten. baanvlak reisplan. kort. beknopt inhoud tenorstem. de trompet steken.

zegepralen. vergallen. kist alcohol. vergeven smart. kreng. spoor tropisch acht. karig. vergiftig. bestendig angst . attentie. alcoholische drank lijk. vergeven vergiftigen.triumf triumfować triumfowanie trochę trolejbus tron trop tropiciel stopka(listy) tropić tropikalny troska troska troska troskliwie troskliwy troskliwy troskliwy troszczyć się trójca trójkącie trójkąt trucht trucizna truciźnie trudność trudność trudność trudny trudny trujący trumna trunek trup trupa trupa trupą truskawce truskawka trwać dłużej niż trwała ondulacja trwałość poprzez dziedziczenie trwały trwały trwały trwały trwały trwały identyfikator trwoga zegevieren. aanstoten vergiftigen. kadaver horde. luttel. moeilijkheid. aandacht zich bekommeren. kadaver. voorzichtig aandachtig. verdriet. zorgen Drieëenheid driehoek. achting zachtjes. lijk aardbei aardbei aanhouden. bende troep kreng. oplettend behoedzaam. een knoop leggen zwaar. giftig doodkist. slim hard venijnig. strubbeling knopen. lastig. vergallen. bezorgd zijn. leed bezwaar. triomferen gejubel gering. moeilijk. constant. hachje aanhoudend. constant. triomferen zegevieren. toestoten. zegepralen. voetspoor. drank. aanhoudend gestaag. bestendig blijvend. min. bezorgd zijn. voorzichtig nadenkend zich bekommeren. klein trolleybus troon afbakenen aanhangwagen afdruk. triangel driehoek. triangel een duw geven. zorgen tel. blijvend. attent. blijven aandringen Perm leven. bestendig volhardend vasthoudend gestaag.

uitwrijven adhesie betuigen. kletteren. wijze. moreel. trant manier. verdoen manier. applaudisseren aan de scharrel zijn. wijze. mijnschacht drie drie dertig dertig drievoudig. driedubbel . stok staf. trant gemoedstoestand. knetteren dichtslaan knapperen. bibberen. kletteren. rillen. beven. fladderen beven. opspatten. knetteren nuchter aardbeving hommel schacht. knetteren dichtslaan aardbeving schokken opgooien. huiveren knapperen. aantonende wijs indicatief. stok toegegeven derde derde aanstrijken. stuiven dichtslaan barst knapperen. trant conjunctief. trigonometrie trillers maken triljoen verspuiten. huiveren. wijze. omroepen tribune. opmaken. aanvoegende wijs indicatief. stemming manier.trwonić tryb tryb tryb (pracy) rodzaj uprawnienia tryb dostępu (w Uniksie) tryb łączący tryb oznajmiający tryb oznajmujący tryb przezroczysty (wykonywania operacji) trybuna trygonometria trygonometrią tryl trylion tryskać trzask trzaskać trzaskać trzaskać trzaskanie trzaśnięcie trząść trząść się trząść się trząść się trzcina trzcina trzcina trzcina cukrowa trzciną trzeba przyznać że trzeci trzeci migdał trzeć trzepnięcie trzepotać skrzydłami trzepotanie trzeszczeć trzeźwy trzęsienie ziemi trzmiel trzon trzy trzy pensy trzydziestka trzydzieści trzykrotny verklungelen. gooien rillen. wrijven. trigonometrie driehoeksmeting. podium driehoeksmeting. bibberen staf. stok riet suikerriet staf. aantonende wijs uitzenden. leiding. kletteren.

hierheen dozijn. sterk. geducht. struik mouw knuffelen tulp boomstam. roerigheid. kaak zenuw jus. alp toernooi. geschikt . stalen stugheid. hecht afgemeten. scharrelen bespreken. fiks. friemelen. sop. reserveren. intekenen blijven dertien verband. stevig. tabakspijp ingeboren. galnoot wang. stam herrie.trzymać trzymać się z dala od trzymać w rezerwie trzynaście trzystopniowa wymiana komunikató tu tuba tuba elektromagnetyczna tubylca tubylec tuleja tuleja tulić tulipan tułów tumulcie tumult tunel tunel tunice tunika tuńczyk tupecie tupet tupet tupet tura Turcja Turcja turecki Turek turnia turniej turysta turystyczny turystyka turyście tutaj tuzin twardnieć twardość twardy twardy twardy koniec wiersza twardy myślnik twardy orzech do zgryzienia twarz twarzowy morrelen. aangeboren ingeboren. vast. roerigheid. plantengal. rel. koon. hardheid hard krachtig. plechtig. getier metro tunnel tuniek tuniek tonijn gal. rel. temperen. betrekking hier. luchtpijp. passend. veranderen Turkije kalkoen Turks Turk alpenweide. saus anders maken. straf gevestigd. aangeboren heester. ceremonieel hard het hoofd bieden gepast. omgang. hierheen binnenband. getier herrie. steekspel toerist toerist toerisme toerist hier. luchtband pijp. twaalftal harden.

bouw. slechts. materialiseren scheppen. schrijver. elke week wekelijks. verlaten. salaris tijger kalebas kalebas billijk. alhoewel intussen. as theologie. ofschoon. aanbouw samenstellen. elke week gage. voorlopig tijdelijk kalken. godgeleerdheid stelling. enkel. stilist jou. jijzelf jou. al. hoewel. inmiddels. aan jou. materieel je. aan jou. aanstrijken drukletter drukletter . alleen. enig achterlicht achterdeur achterhoede achterhoede achterhoede wel. rechtvaardig louter. fair. verzekeren het jouwe. je kuil Pool week wekelijks. bezoldiging. componeren verwekken verstoffelijken. jouw het jouwe.twierdzenie twierdzenie twierdzenie twierdzić twierdzić (bezpodstawnie) twoj tworzenie serwerów WWW tworzyć tworzyć tworzyć tworzyć kopię zapasową tworzyć mozaikę tworzywa twój twój twór twórca twórca v pisać ty ty ty sam tyczka tyczka tydzień tygodnik tygodniowo tygodniowy tygodniówka tygrys tykwa tykwą tylko tylko tylko wstęgi boczne tylko z nazwy tylne światło (samochodu) tylne wejście tylny tył tył kompilatora tym niemniej tymczasem tymczasowy tymczasowy tynk tynkować typ typ źródłowy spil. theorema beweren. creëren scheppen. maar billijk. verzekeren betuigen. de jouwe constructie. loon. creëren stoffelijk. je uzelf. elke week wekelijks. alleen. aan je. bouwmeester auteur. fair. aanstrijken kalken. aan je. daarentegen tijdelijk. de jouwe wezen architect. rechtvaardig pas.

tiran duizend groots. omkleden. bij-. verzekering assurantie. assureren assurantie. voorwerp kleren. bekleden kleding. verzekering assurantie. dokument. stuk titelen. bekleden kleding. hengsel. uitspraak. tituleren. armoede aankleden. acte. set. betitelen bedrijf. assureren match. kleden. verzekeren. aangrijpen. bezig zijn. zijerbarmelijk. voorwerp verminderen.typowy tyran tysiąc tysiąc (dolarów tysiąc instrukcji na sekundę Tysiąclecie tysiąclecie tytan tytoń tytuł tytuł szlachecki tytuł własności tytułować u góry ubawić ubezpieczać ubezpieczenia ubezpieczenie ubezpieczenie na życie ubezpieczyć ubezpieczyć ubiegać się o posadę ubierać (się) ubierać się ubijać ubikacja ubiór uboczny ubogi ubój ubóstwo ubrać ubrać ubrać ubranie ubranie ubranie ubranie ubranie (męskie) ubranie cywilne ubywać ucho uchodźca uchwalać uchwała uchwała uchwycić sens uchwyt eigenaardig. tituleren. handvat. slachten gebrek. kleren complet. beslissing bemachtigen. kleren complet. beklagenswaardig afslachten. decreteren doen. afnemen oor uitgewekene. amuseren. verzekeren. stel aankleden. stelletje. kruk. verzekering betuigen. concours een verband omleggen een verband omleggen woordspeling WC. betitelen adresseren afknotten opvrolijken. overweldigend duizend duizendjarig tijdperk. klink . millennium millennium Titan tabak titelen. watercloset een verband omleggen minder belangrijk. omkleden. stelletje. set. stel ding. grandioos. kleden. geweldenaar. handelen besluit. akte. verzekeren veilig stellen. typisch dwingeland. grijpen oor. onderhouden veilig stellen. wedstrijd. ver. ageren. kleding ding. vluchteling verordenen.

ontkomen appelleren. doen alsof aanstellerij. wegrennen. uit de weg gaan op een kier staand drukkend. ontgaan grendelen. onbescheidenheid hameren afrukken. drukken pers stil. gelag affect. ontwikkeld. geleerd toegevend. deftig eerlijk. ontgaan ontsnappen. ontgaan ontsnappen. onnatuurlijkheid aanmatiging. verzorgen bezoeken. juist. meegaand bovenbeen. hogeschool. genootschap college student verplegen. geprononceerd. geleerd wetenschapper. doen alsof voorgeven. zorgen voor. feestmaal. scheren. klink mijden. ontkomen. inschikkelijk. dij fingeren. handvat. ontwijken ontwijken. feestmaal. afgrendelen ontsnappen. snoeien oor. aandoening instrueren afwennen. drossen grendelen. geregeld bezoeken knap. simuleren.uchwyt powiązania uchwyt środowiska uchylać się uchylać się uchylony uciążliwy uciec uciec uciec ucieczce ucieczka ucieczka uciekać uciekać się uciskać uciskać uciszyć uciszyć się uczcić uczciwy uczelnia uczelnia uczeń uczęszczać uczęszczać uczony uczony uczta ucztować uczucie uczucie uczucie uczucie) uczyć uczyć uczyć się uczyć się uczynny uda udaj udaj udawać udawać udawanie udawanie uderzać uderzać uderzający knippen. raak . bedaard. afbreken snedig. smulpartij. geleerde festijn. mijden. een beroep doen op knellen. ontkomen. doen alsof aandoen. hengsel. kruk. uit de weg gaan. degelijk academie. rust. kalm kalmte. persen. emotie. aandoening recipiëren gevoel gewaarwording. zwaar weglopen. ontwikkeld. aanleren knap. afleren leren. stilte waardig. rustig. aangrijpen fingeren. ontkomen. ontgaan. plukken. eerzaam. dringen. simuleren. afgrendelen ontsnappen. voorwenden. zichzelf respecterend. rustigheid. smulpartij. gelag festijn.

neerslaan invoer belang inboezemen. steunen. samenklank huldigen. angst smoren. bocht. klappen. loten college geven stortplaats accoord. kloppen. uitlaten. het juk opleggen stutten. kloppen. steunen. opvallen stompen Jan Klaassen aanspannen slaan. golf. fiducie hebben in fiducie. belichten stutten. kloppen. schragen laten blijken. tappen. zelfverzekerd baseren.uderzający kontrast uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie serca uderzenie takie j. uderzyć uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem udo udostępniać udostępniać udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc techniczna obsługa udostępnić udostępnienia udowadniać udowadniać udowodnić udręczenie udręka udręka udusić udział udział udział udział dyskowy udzielać udzielić udzielić nagany udzielić poufnej informacji ufać ufać komuś/być zwolennikiem czegoś ufność ufność ufny ufundować Uganda ugniatać ugoda uhonorować ujadać ujadanie ujarzmiać ujawniać ujawnić snedig.w. gedeelte bijdrage verloten. interesseren deel. angst doodsangst. grondvesten. boezem aanspannen. fiducie hebben in zelfbewust. kloppen. overeenstemming vertrouwen. juist. krakelen bewijzen. raak slaan. onderdeel. vergemakkelijken loslaten. klappen. aantonen schuldig bevinden beklemming. geprononceerd. aaien slaan. opvallen slaan. vergemakkelijken verlichten. opvallen aanhalen. stuk. dij tentoonstellen. vereren. funderen Oeganda kneden overeenstemming. fiducie hebben in vertrouwen. eren golfspel. klappen. schragen verlichten. doodsstrijd. inham. lossen twisten. klappen. bocht. strelen. agonie beklemming. benauwdheid. liefkozen. geloof vertrouwen. onderdrukken. vertrouwen. manifesteren . inham. benauwdheid. boezem golfspel. disputeren. golf. opvallen bovenbeen.

lieveling schat. steelsgewijs Oekraïens Oekraïens achteroverdrukken. schare circuit logica overeenstemming. volledig afgestudeerd. lieveling compleet. maatregel circuit bende. jongeheer pikken. sluiks. scheelkijken. toegang bek. bedrijven ontkennend min. lieveling schat. priemen. ziedaar. hier. liefje. opeenhopen. aanrichten. prikken. snikkel. priemen. jongeheer lul. aanrichten. lief. gediplomeerd scheelzien. hierzo entree. doen. cliché aanhouding. pik. afbikken montuur. steken schat. troep. lief. verdonkeremanen .ujednolicić ujemnie ujemny ujemny ujęcia ujmować w cudzysłów ujmujący ujrzeć ujście ujście ujście danych ujście zdarzeń ukartować ukazać się układ układ układ logiczny odporny na szumy układ komplementarny MOS układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy układ mikroprocesorowy układ RTL układ zerojedynkowy układ żądania i przyznania magistrali układ żądania i przyznania magistrali układać układać układać w stos układance ukłonić się ukłucia ukłucie ukłucie ukłuć ukochana ukochana osoba ukochany ukochona ukończyć ukończyć studia ukośnie ukośnik ukośnik (prawy) ukośny ukradkiem Ukrainiec ukraiński ukraść maken. minus negatief. ordenen ophopen. steken pikken. bedrieglijk opdraven. muil zinken. ordenen puzzel. loensen afkraken afkraken scheef. aan de grond raken bek. pik. lieverd. toog lul. leuter. charmant ziehier. liefje. leuter. maatregel circuit arrangeren. ingang. innemend. snikkel. liefje schat. vatting akkoord. opdagen akkoord. kijk. samenklank bikken. lief. raadsel boog. noemen bekoorlijk. liefje. prikken. citeren. arrestatie aanhalen. lieveling. accumuleren arrangeren. muil slinks. schuin tersluiks.

verdekt. in het water vallen verbeteren. aanpassen. huid verborgen. ontveinzen. mild. nijpen sluipen blind jas. verhelen veinzen. huichelen verborgen. knijpen. dierevel. ordenen drogbeeld. aanrichten. kruisigen matigheid zacht. zachtaardig . laan steeg straat afstemmen. afzonderlijk breuk. huid verbergen. adapteren brochure. ontveinzen. vergemakkelijken arrangeren. koesteren. belichten verlichten. vertroetelen uitverkoren uitverkoren troetelen. dodelijk doods. vertroetelen afgezonderd. verhelen kruisen. mantel vel. veredelen storm dreef. koesteren. dierevel. tokkelen. clandestien verbergen. fractie tentoonstellen. illusie doods. ingenaaid boek zwak ultimatum uitverkoren uitverkoren troetelen. kruisigen bijenkorf bijenkorf floppen. pels. veredelen verbeteren. vacht. begoocheling. aanrichten. zachtmoedig. paperback. vacht. clandestien vel. pels.ukraść ukraść ukryć ukryć ukryć ukryty ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać się ukrzyżować ul ul ulegać awarii ulepszać ulepszyć ulewa ulica ulica ulicą uliczka uliczka uliczka uliczny ulokować ulotka ulotny ultimatum ulubienica ulubieniec ulubieniec ulubiony ulubiony ulubiony ulubiony ułamek ułatwiać ułatwiać ułożyć ułożyć się z wierzycielami ułuda umarli umarły umeblowany umęczyć umiar umiarkowany klemmen. dodelijk gemeubileerd kruisen. ordenen arrangeren. laan straat straat steeg dreef. verdekt.

oord. afgelasten mijden. stand. vernielen algemeen. universeel algemeen. bevestigen. ondervinding bekwaamheid. arbitrair. bekken. wasgelegenheid ons ons unie vernietigen. universiteit academie. vernielen ontbinden. annuleren. universeel academie. mentaal vont. uit de weg gaan. matig belevenis. enig uniek. samenklank akkoord. leggen. resistent .35 grama) unia unieważniać unieważnić unikać unikalny unikat unikat unikatowy uniważnić uniwersalny uniwersalny system przetwarzania informacji uniwersytecki uniwersytet unosić się unosić się w powietrzu uodporniony nuchter. universiteit krankzinnig zijn zweven immuun. ontwijken typisch. onvatbaar. aanstelling benoeming. ervaring. sterven montuur. vatting situeren. plaatsen ligging houding. aanstelling wassing het haar wassen geestelijk. eigenmachtig benoeming. aanneming fixeren. plaatsen plaats. sober. bepalen vasten ontbinden. bezadigd. enig vernietigen. kundigheid geschiktheid wetenschappelijk situeren. leggen. contract congres willekeurig. washok. overlijden. kom wasinrichting. positie doodgaan. afgelasten overeenstemming. verwoesten. vreemd weetgierigheid. nieuwsgierigheid uniek. maatregel verbintenis. curieus. verwoesten.umiarkowany umiejętności umiejętność umiejętność umiejętny umiejscawiać umiejscowienia umiejscowienie umierać umieszczenia umieścić umieścić umieścić umocnienie umocować umocowany umorzyć (dług) umowa umowa umowa licencyjna umowa obustronna umowny umówione spotkanie umówiony termin umycie umyć sobie włosy umysłowy umywalnia umywalnia uncja uncja (28. plek aanspannen vormsel. annuleren. lokaal.

neervallen. straf koppig. onderdanig. halsstarrig.upadać upadać upadek upadek upadek upadek upakować upał upaństwawiać upaństwowić uparty uparty uparty uparty się upewniać upewniać się upewniać się (<sth> co do czegoś) upewnić się upiec upierać się upierać się upilnować upiorny upiór upload upływać upodobanie upodobanie upokarzać się upokorzenie upokorzyć upominać upominek upominek uporczywa (walka) uporczywy uporczywy uporządkować coś uporządkowanie uporządkowany upoważniać upoważnić upoważnienie upraszczać upraszczać uprawa uprawa drzew uprawa ogrodu druppel. machtiging inkorten. verpakken gloed. aansporen aandenken. afvallen. hardnekkig. als. koppig aanpassen. verzekeren veilig stellen. assureren constateren. pakken. afkorten vereenvoudigen. vernedering nederig. hardnekkig betuigen. adapteren afstelling. zich verbeelden hoe. plechtig. hardnekkig halsstarrig. beschaving. bevoegdheid. uitgaan. verootmoedigen verootmoediging. afvallen. eindigen bedenken. bouw tuinieren cultuur. hardnekkig afgemeten. geest uploaden aflopen. naasten koppig. simplificeren cultuur. bouw . bekorten. vernederen. autoriseren machtigen. bij wijze van. autoriseren mandaat. gedenkschrift bar. vaststellen. duchtig. tot kleinmaken. blinde bij kaarspel. ineenstorten. streng. teelt. storten instorten. volmachtigen. gedenkschrift aandenken. bevinden bakken aandringen aanhouden. vuur nationaliseren. halsstarrig. voor. ceremonieel halsstarrig. instelling systematisch machtigen. naasten nationaliseren. hardnekkig. storten afgang inpakken. teelt. aanmanen. er uitzien afgrijselijk blinde. verzekeren. ophouden. koppig koppig. halsstarrig. manen. uiteenvallen ebvallen. hard. bevinden constateren. volmachtigen. neervallen. beschaving. afstemmen. waterdruppel vallen. blijven aandringen het uiterlijk hebben van. deemoedig vermanen. vaststellen.

liefheid beleefdheid. alvast. welgemanierd vriendelijk. tuin kampen. hoffelijkheid voorkomend. vooringenomenheid anticiperen. oefenen geldkist. bevoegdheid. beschaafd. tituleren. welgemanierd preferentie. bevoegdheid. bereidvaardig beschaafd. bewerken. indertijd vooroordeel. machtiging vrijdom. gezag mandaat. bevoegdheid. bevoegdheid. machtiging autoriteit. gezag vereenvoudigen. machtiging mandaat. fonds dobbelen hof. lief. begunstiging. vriendelijk wellevend. voorkomend bereidwillig. wellevend. alreeds daarvoor. vlotheid titelen. vooringenomenheid anticiperen. bewerken. aardig. prejudiciëren zachtjes. worstelen agrarisch bebouwen. kweken mandaat. opdoeken span al. kas. eerder. afschaffen. genadigheid voorkomendheid. vrijheid. vooraan. prejudiciëren vooroordeel. voorrangsdisconto druppel. waterdruppel verrukt jubeluranium Uranus . reeds. machtiging autoriteit. vooringenomenheid vooroordeel. betitelen geschiktheid mandaat. simplificeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoeren elimineren. voorzichtig gunst.uprawiać uprawiać uprawiać uprawiać autostop uprawiać hazard uprawiać stręczycielstwo uprawiać zapasy uprawiać ziemię uprawnianie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie do zarządzania zadaniami uprawnienie do zmiany uprawnienie publiczne uprawnienie zdolność uprościć uprowadzać uprowadzenia uprowadzenie uprowadzić uprzątać uprząż uprzednio uprzednio uprzedzać uprzedzać (<against sb> do kogoś) uprzedzenia uprzedzenie uprzedzić uprzejmie uprzejmość uprzejmość uprzejmość uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzywilejować uprzywilejowany upust upuść uradowany uradowany Uran uran bebouwen. kweken drillen. prae bevoorrecht. privilege.

afdoen verlof. bergen. ontslaan aanrijden. accommodatie. regelen. ontketenen executeren. organiseren bijkomstig. aanrichten. maatregel hulpmiddelen. schoonheid. bijkomend akkoord. behouden. een beroep doen op aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid afleidingsmanoeuvre ontzetten. affronteren. denkbeeld uitrusting. genoeglijk viering fraaiheid. bevatten. overvloed vruchtbaar geboorte geboorte verjaardag. vrijaf vakantie vakantie aanbiddelijk. apparaat slaaf idee. lanceren. redden redden. verjaring appelleren. ordenen uitschrijven. inrichting beseffen. inrichting. knapheid onbekrompenheid. ter dood brengen aanzetten tot. grenskantoor aanplakken postkantoor arrangeren. geboortedag. voorrijden uitschrijven. kantoorbediende officier ambtelijk. verwonding trots beledigen. rachunek) urlop urlop urlop chorobowy sickness uroczy uroczy uroczy uroczystość uroda urodzaj urodzajny urodzenia urodzenie urodziny urok urok urok urozmaicenia uruchamiać uruchamiać uruchamiać (program) uruchomić uruchomić w tle urwisko urząd celny urząd celny urząd pocztowy urząd pocztowy urządzać urządzać urządzenia pomocnicze urządzenie urządzenie urządzenie peryferyjne urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela urządzenie zewnętrzne urzeczywistniać urzędnik urzędnik urzędnik państwowy urzędnik stanu cywilnego urzędowy bergen. gewoonte. wond. krenken afhandelen. begrijpen bediende. aanbiddenswaardig bekoorlijk. royeren. kantoorbediende ambtelijk. aanzetten klif. gebruik douanekantoor. benul. officieel bediende. bijbehorend. activeren. begrip. kwetsuur. charmant behaaglijk.uratować uratować uraz uraza urazić uregulować (np. officieel . behouden blessure. klip usance. innemend.

matig bedaard. beamen. instituut. temperen. ordenen akkoord. modificeren bek. apparaat. stichten inrichten. inrichting grondwet. bevestigen dringend. wachten. bescheiden. dienst. muil determineren. nauwkeurig bepalen onbeweeglijk. nauwkeurig bepalen inrichten. układ ustąpić ustęp ustęp (w książce) ustęp w książce ustępował ja zeggen. kalm gematigd. speurwerk. aard harden. stichten determineren. dienst. star. voorleggen server aandachtig. rustig. speurwerk. bedanken. stalen aangedaan. stil. hulpmiddelen inrichting. zoektocht eredienst. aangegrepen verontschuldigen verontschuldigen wijzigen. afstand doen . maatregel toegeven kast artikel. matig stil. brandend. oprichten. afhalen serveren. spoedeisend gehoorzamen speurtocht. oprichten. oplettend gematigd. paragraaf neerleggen. aflaten. bescheiden. ophouden statuut inrichting. temperen. oprichten. paragraaf artikel. rustig. apparaat. geaardheid. godsdienstoefening vinger speurtocht. zoektocht eredienst. bedaard. constitutie instelling recht statuut stoppen. hulpmiddelen arrangeren.usankcjonować usilny usłuchać usługa elektroniczna usługa o najwyższej możliwej jakości usługa uaktualniania sterowników usługa uwierzytelniania usługa zabezpieczenia usługi maklerskie usługiwać usługiwać usługodawca sieciowy usłużny uspokajać uspokoić uspokoić uspokoić uspokoić się usposobienia usposobienie usposobienie usposobiony usprawiedliwiać usprawiedliwić usprawnić usta ustalać ustalać z góry ustalić ustalony ustanawiać ustanowić ustanowić ustanowienie ustanowienie ustawa ustawa ustawać ustawą ustawiać ustawianie ustawić ustawienie. stichten gesticht. kalm wiegen harden. godsdienstoefening courtage te wachten staan. stalen karakter. vast inrichten. aanrichten. attent.

knellen glimlachen glimlachen glimlachen vernietigen. stuk. louteren elimineren. verwoesten. knellen vasthaken knuffelen drukken. kwaad omhelzen. aantrekken kalfateren. verlichten heiligen geheiligd. vernielen gommen.ustępował ustnie ustny ustronne (miejsce) ustrój usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć przekrwienie usunąć usuwanie (z IRC) usunąć zaznaczenie usuń usuwalny usuwanie źródeł zakłóceń radiowych usychać uszanowanie uszczelniać uszczelnić uszczypliwy uszczypnąć uszko uszkodzenie uszkodzenie styku uszkodzić uszkodzić uszkodzony uszkodzony sektor uścisk uścisk uścisk uścisk uścisk dłoni uściskać uścisnąć (rękę) uśmiech uśmiech sieciowy uśmiechać się uśmiercać uśredniać uświadomić uświęcać uświęcony utalentowany utalentowany utalentowany utknąć bekoelen. bloot. grijpen handdruk. oraal enkel. bekwaam eminent. borrel oor. breeuwen puntig. regime uitwissen. trappen elimineren. bedaren. wegvagen vernietigen. beschadigen. sacraal capabel. afschaffen. dringen. schaden havenen. talentvol logeren . spits aperitief. persen. maatregel verflensen. uitstekend. vernielen gemiddeld illumineren. bederven kapot. met gom bestrijken reinigen. verwoesten. gewijd. persen. hand drukken. omarmen bemachtigen. slecht. beroerd. kundig. kalefateren. verdorren eerbiedigen. staatsvorm. opdoeken uitwissen. klink schuld verval schade aanrichten. kruk. luwen mondeling mondeling. opdoeken schoppen. gehavend. afschaffen. dringen. opdoeken elimineren. afschaffen. respecteren strakker aantrekken. louter stelsel. uitvegen. schoonmaken. kaduuk kwalijk. heilig. handvat. uitvegen. defect. kwijnen. wegvagen afneembaar akkoord. aanzienlijk getalenteerd. hengsel.

weglokken gevangen zetten. mank lopen zin. vervlogen hoofdpijn pest druppel. aandoening aanhechting verafgoden. stalen samenstellen. maken. hinken. attent aandachtig. aanbidding aanbidding. attentie. kwijt. attent. formeren fragment. neiging acht. lossen vermeerderen accentueren. aandacht berisping. benadrukken . oordelen. eindigen verloren. lust. adoratie geloofsbrief verleiden. waterdruppel vertogen. adoreren. aanvechting. schragen harden. betogen. utopisch aflopen. temperen.utkwiony wzrok utopią utopijny utracić ważność utracony utrapienia utrapienie utrata wydajności utrzymać utrzymywać utrzymywać (coś w ruchu) utrzymywać (stosunki utrzymywanie utrzymywanie się utwardzać utworzyć utworzyć utwór (muzyczny utwór liryczny utwórz utykać utykanie (na nogę) utylizacja uwaga uwaga uwalniać uważać uważać uważający (<of sth> na coś) uważnie uważny uwertura uwerturą uwiązanie uwiązanie uwielbiać uwielbiać uwielbienie uwierzytelnienie uwieść uwięzić uwięzić uwolnić uwolnić uwolnienie uwydatniać uwypuklać uwypuklać staren. nor vrijstellen. met aandacht. schragen stutten. verlokken. betogen. attentie. oplettend ouverture ouverture affect. aanbidden adoratie. uitlaten. argumenteren blijven vertogen. brok tekst scheppen. ontslaan afhelpen loslaten. componeren doen ontstaan. standje. blaam bevrijden acht. uitgaan. hinken. steunen. beklemtonen met nadruk zeggen. tappen. voorzichtig aandachtig. turen. aanmerking. opsluiten gevangenis. argumenteren zich gedragen stutten. creëren kreupel lopen. emotie. berechten behoedzaam. aandacht beoordelen. steunen. aanstaren Utopia utopistisch. mank lopen kreupel lopen. kerker. ophouden.

overeenstemming handdruk. bij acclamatie benoemen eerbetoon. afzijdig. toepassing utility bevorderlijk. star. hand accoord. akkoord onbeweeglijk. als waarheid aannemen agnosceren. kundig het eens zijn. aardleiding achtergrond. overweldigen. dienstig. houden voor toejuichen. betomen talent. usurperen verkrijgen. begaafdheid. overeenstemming handdruk. onpartijdig aanaarden agnosceren. afboeken accoord. klem afhankelijkheid verontschuldigen garanderen. buit maken longtering. tuberculose aanwending. hulpvaardig aannemen. gave. ondergrond neutraal. beteugelen. overeenstemmen in orde. bij acclamatie benoemen toejuichen. huren. grond. eerbetuiging erkenning compleet. nuttig behulpzaam. akkoord opnemen. aanwerven uitbuiten. gave. beoefenen . als waarheid aannemen laten. exploiteren. begaafdheid. buit maken verkrijgen. bodem. borg staan voor bedwingen. uitmelken gebruiker gebruiker betrachten. afgesproken. afgesproken. volledig aanvullend kraken. vast aanaarden aanaarden aanaarden aarding. laten schieten menen.uwypuklać wzmagać uwypuklenie uzależnienia uzasadniać uzasadniać uzdą uzdolnienia uzdolnienie uzdolniony uzgadniać uzgadniać uzgadnianie uzgodnić uzgodnienia uzgodnienie uzgodnienie włączania i wyłączania uzgodniony uzgodniony uziemiać uziemienia uziemienie uziemienie uziemienie uziemiony uziom uznać uznaj uznaj uznaj uznania uznanie uznanie uznanie uzupełniać uzupełniający uzurpował uzyskać uzyskiwać użycie użycie użyteczność użyteczny użyteczny rozmiar ekranu: 13 użytek użytkować użytkownik użytkownik zaawansowany używać vermeerderen nadruk. aanleg talent. geloven. tering. aanleg bekwaam. capabel. hand in orde. laten begaan.

heel drachtig. huiskamer. beëindigd per. ernaast. ineen volkomen. naar boven boven boven omhoog. verlaten. mesten accumuleren. bemesten. binnen feeëriek samen. verzendend circulerend. tezamen. okee . huren. voor. aanvaller geruit. opwaarts omhoog. nesthaar. vanhier gloeiend. zullen gieren. opwaarts. krocht. tegen. zwanger aanhangig ander waas. bezorging werkwoord klaar. rechtsom aan. dons tegenwoordig tegenwoordig op. te. holte zitkamer. enig over. geblokt spelonk. opwaarts. aanwerven aanwending. omhoog. verterend. grot. kussen rusten snoeien aanvoer. vurig. overheen. daarnaast louter. in omloop hiernaast. op. alleen. dons waas. toepassing aannemen. aan de overkant van goed. toepassing tweedehands gaan. opeenhopen morsen zoenen. naar boven met de klok mee. geblokt geruit. in. afgewerkt.używać używać powtórnie używać życia używany używany do tworzenia czasu przyszłego użyźniać v V (<spill v całować (się) v leżeć v przycinać (drzewa v zaopatrywać verbum verte w w (pewnych) granicach w biedzie w budowie w charakterze w czasie w dobrym guście w domu w dół w dużej mierze w dużym stopniu w gniewie w gotowości w górę w górę i w dół w górze w każdym wypadku w każdym wypadku w kierunku obrotu wskazówek zegara w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara w końcu w kraju i za granicą w kropki w którym w którym najwięcej się przebywa w lombardzie w napięciu w plamy/cętki w płomieniach w płomieniach w pobliżu w połowie drogi w porównaniu z aanwending. woonkamer archief op bed hiervandaan. naar boven. hol. afgelopen. tot. naar met de klok mee. op. bij. nesthaar. okay. bijeen. totaliter. rechtsom voorspeler. ophopen.

wegen. metterdaad. zodoende inderdaad. binnen in. te. te. laf. circa bijgevolg. in. derhalve. binnen verlokken. zodoende hierbij intussen. bang zinnebeeld.w potrzebie w przeciwieństwie do w przybliżeniu w razie uszkodzenia niektórych elementów) w rzeczywistości w stosunku do w strachu w systemie AutoCAD w środku w tej chwili w twoim wieku w tyle w tym celu w wielu wypadkach w wyniku w zwrocie <with arms akimbo> podparłszy się pod boki w zwrocie <without demur> bez sprzeciwu w zwrocie: <in the meantime> w międzyczasie w zwrocie: <in the meantime> . minpunt schuld nadeel. te. achterwaarts. rugwaarts inclusief. dus. incluis bijgevolg. binnen per. boosaardig. inbegrepen. symbool van middelbare leeftijd per. waarachtig lafhartig. derhalve. achterwaarts. te. weglokken. daarentegen per. hatelijk wafeltje weegschaal. lokaas aanwakkeren. schaduwzijde. in. inmiddels. spoorwagen bagagewagen . afwegen gewicht saldo. per per. te. inmiddels. vandehands ander ongeveer. overschot gewicht automobiel. verleiden lekker. auto affuit bestelauto. binnen. stuk gaan kwaadaardig. daarentegen intussen. aanlokkelijk lokken aas. een stuk of. balans. dus. binnen iets achteruit. bestelwagen wagon. aanvuren. rugwaarts achteruit.w międzyczasie w żadnym wypadku w żałobie wabić wabić wabić wabik wachlarz wada wada wada w zabezpieczeniach wada wymowy również jąkanie wadą wadliwe działanie wadliwy wafel waga waga waga waga półciężka (w boksie) waga półciężka (w boksie) wagon wagon wagon wagon (towarowy) wagon bagażowy rechter-. minpunt uitvallen. waag het gewicht bepalen. in. in. aanzetten nadeel. schaduwzijde. minpunt schuld nadeel. haperen. schaduwzijde.

sputteren. slaapwagen wagon. braaf. morren lip lip dalen. schommeling vakantie verlof. dommekracht. beetpakken. kleiner worden. teil. dubben geweifel. badkuip bak. bolwerk. koffer valies. mopperen. vrijaf wals worstelen. waterkering bastion. dapper. dubben zweven aarzelen. afnemen bezetene. cilinder flink. koffer strijden. zich aftobben muntsoort. vuur damspel waarde. schoorvoeten. straatschender vanille vanille bad. valuta dijk. wal. mopperen. beugel aarzelen. strijd voeren beetnemen. pakken worstelen. schoorvoeten. handkoffer. kuip kalk kalk gloed. krik Wales dichtslaan Welshman Wels valies. eerlijk. cilinder vandaal. tobbe. kampen. gek. strijd voeren rol. morren vlechten . spartelen. kampen. aarzeling geschommel.wagon sypialny wagon towarowy wagonik wahać się wahać się wahać się (w podjęciu decyzji) wahania wahanie się wakacje wakacje (ferie) walc walce walczyć walec waleczny walet Walia walić głową w mur Walijczyk walijski walizce walizka walka walka wręcz walka wręcz waluta Wał wał obronny wał ochronny wał ochronny wałek do włosów wandal wanilia wanilią wanna wanna wapno wapno palone war warcaby warcie warczeć wardze warga wariant wariantowy (typ danych) wariat warknąć warkocz slaaprijtuig. handkoffer. hapering. omwalling waterkering. sputteren. dijk loopgraaf rol. spoorwagen trolley. spartelen. gehalte kankeren. ferm vijzel. zich aftobben strijden. krankzinnige kankeren.

vraag. bok winkel. bepaling voorwaarde. tip. lijvigheid rek. bepaling ets je. wacht conditie.warkocz warstwa warstwa warstwa zubożona warstwą warszat programisty środowisko robocze Warszawa warsztacie warsztat warsztat wart wart warta wartki wartościowa cecha wartościowy wartościowy wartość wartość wartość skuteczna wartość systemowa wartość wyjściowa wartość znamionowa wartość źródłowa porządku wartownik warunek warunek warunek warunek warunek wstępny (konieczny) warunek wystąpienia błędu warunek wyszukiwania warunek złożony warunkować wasoryt wasz wasz wat wat wata watolina watroba wawrzyn waza wazelina wazon wazon ważce vlechten jas. piek waard zijn. gehalte waarde. bepaling conditie. de wacht hebben. bepaling conditie. gauw. pul libel. waar bewaken. buit. acquisitie. bepaling bevoegdheid. clausule. lauwer vont. bank. gehalte gemiddeld spits. bank. kwalificatie kwestie. ezel. snel prooi. kom vaseline vont. voorwaarde. bok Warschau rek. waterjuffer. schraag. schraag. vakterm verzekeren. kom vaas. de jouwe watt watt watten watten lever laurier. voorwaarde. gehalte waardig. ezel. clausule. top. aanwinst zeldzaam kostbaar. voorwaarde. navraag term. bekken. haastig. spoedig. toekomen. overwaarderen waarde. pot. eerzaam. bewaren gezwind. jouw het jouwe. verdienen waarde. gehalte schildwacht. waardevol overschatten. neus. punt. overjas aardlaag aardlaag dikte. beweren voorwaarde. zaak werkplaats waarde. vat. bekken. juffertje .

pril. belangrijk. betwistbaar lever slang slang WC. zich vastklampen aan aanklampen. geldig. afwegen reuk. jeugd vroegtijdig.ważka ważki ważność ważny ważny ważny (posiadający moc prawną) ważyć wąchać wąs wąski wąski wąski zawęzić (np. opslorpen. krap. in dubio staan discutabel. voorgaand gisteren gisteren gisteren . nauw zeeëngte. rustdag vroegtijdig. twijfelen. vigerend relevantie erg. een lijst maken een hinderlaag leggen altijd. steeds herhaaldelijk. meermaals nog drachtig. geldend. eng. geldig. bekrompen. garen zwak. nauw. knevel smal. vroeg jeugdigheid. straat zeeëngte. zwanger inspringen doen toekomen. dubieus aanvechtbaar. in dubio staan dubben. ernstig. geur. lucht snor. sturen. materieel het gewicht bepalen. absorberen absorberend absorptie. vakantiedag. opslorping aanklampen. nauw. straat snor. kanaal. vroeg vroegtijdig. pril. vigerend stoffelijk. waterjuffer. juffertje gangbaar. watercloset erg. geldend. licht dubben. knevel draad. immer. voornaam gangbaar. opsturen snipperdag. twijfelachtig. garen draad. zbiór przeszukiwanych informacji) wąsy wątek wątek zablokowany wątły wątpić wątpliwość wątpliwy wątpliwy wątroba wąż wąż WC wcale iać wchłaniać wchłaniający wchłanianie wchodzić (na statek wchodzić na pokład wciągać na listę wciągnąć w zasadzkę wciąż wciąż wciąż wciąży wcięcie wciskać kit wczasy wczesny wczesny wczesny rozwój talentów wcześnie wcześniejszy wczoraj wczoraj wieczorem wczorajszy dzień libel. verleden. luchtje. bijster in beslag nemen. zich vastklampen aan uitlisten. pril. vroeg voorafgaand. kanaal. wegen. twijfelen.

steken wissel. ingang. insteken. emitteren invoer aanmelding deuropening entree. erkentelijk sierlijkheid Gratie sierlijkheid sedert. ingang. wan Venus veranda buigen. vonnis judicium. overhellen. hellen. binnendringen. toegang aanmelding invoer invoer uitgeven. sententie. afdalen indoen. sierlijk dankbaar. inademen inspireren. uitspraak. cambio omsluieren. sententie. ingang. tappen. aanzetten ventilator. bezielen. bevallig.wdowa wdowca wdowiec wdychać wdychać wdzięczność wdzięczność wdzięczny wdzięczny wdzięk wdzięk wdzięk według według stałych kursów walut wedrzeć się wegetariański wejścia wejścia wejścia wejście wejście wejście wejście wejście radaru dalekiego zasięgu wejście z klawiatury wejście zegarowe wejście zerowe wejście/wyjście danych wejście/wyjście danych wejść wejść w życie weksel welon wełna wełną wenecjanin wentyl wentylator wentylator Wenus weranda werandą werandą werbować werbował werdykcie werdykt wersja weduwe weduwnaar weduwnaar ophalen. dankbaarheid gracieus. inboezemen erkenning erkentelijkheid. overdoen aanwakkeren. toegang naar beneden gaan. versie . vanaf uur doordringen. met ingang van. vonnis uitvoering. toegang aanmelding deuropening entree. aflopen veranda dienst nemen dienst nemen judicium. doorstoten vegetarisch deuropening entree. uitspraak. aanvuren. sluieren wollen wollen Venetiaans verhandelen.

exploot. per. westelijk luis veteraan. aflezen controleren. oudgediende dierenarts per. binnen binnen. trekken. inwendige binnenste. kreunen zuchten. kreunen west west. schelmachtig. rondreizen rondreizen. assignatie trotseren. trekken. rondtrekken. trekken rondtrekken. trekkend. goedgehumeurd keurig. binnenste binnenste. rondtrekken. inheems. bruiloft lustig. binnen binnen. migrerend rondreizen. dartel zuchten.wersja o średniej szybkości wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza weryfikować weryfikował wesele wesoły wesoły wesoły wesoły wesoły westchienie westchnąć westchnienie western western western western wesz weteran weterynarz wewnątrz wewnątrz wewnątrz ośrodka wewnątrz siedziby wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny test po włączeniu wewnętrzny test po włączeniu wewy odwzorowane w pamięci we-wy odwzorowane w pamięci wezwania wezwanie wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) węch wędrować wędrować wędrować wędrował wędrowiec wędrownik wędrówka węgiel węgiel drzewny afkorting. kreunen zuchten. binnenlands. monter goedgeluimd. te. in. per. guitig. steenkool dovekool. checken. in. assignatie dagvaarding. kruiden aroma. versie controleren. aflezen bruiloftsfeest. checken. vies ruiken trekken. Westers. westen westen westers. te. inlands intern. binnenlands. tarten. exploot. rondtrekken. rondtrekken. in. rondreizen rondreizen. te per. te binnenlands. trekken rondtrekkend. vrolijk. rondreizen rondtrekken. goedgehumeurd snaaks. intern aanplakken Io Io dagvaarding. geur uitvoering. monter goedgeluimd. in. intern binnenste. trekken kool. houtskool . binnenlands. uittarten stinken. verkorting op smaak brengen. uitdagen.

een knoop leggen stropdas. een knoop leggen knopen. nieuwtje bericht. een knoop leggen aansluiting gastheer knopen. een knoop leggen geleding. slag.Węgier węgierski węgorz Węgry węzeł węzeł węzeł węzeł (graficzny na krzywej składanej) węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) węzeł graficzny na krzywej składanej węzeł kolejowy węzeł o wielu podłączeniach węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę węzłowaty wężownica whisky whisky whisky słodowa wiać wiadomości wiadomość wiadomość wiadomość wiadomość dnia wiadomość itp.) wiadomość jawna wiadomość odbita Wiadro wiadro na węgiel wiadro na węgiel wiara wiara wiarą wiarą wiarygodny wiatr wiatr północnozachodni wiatr północno-zachodni wiatrówka wiąz wiązać wiązać wiązać koniec z końcem wiązanie wiązanie walencyjne Hongaars Hongaars aal. winden. strook. aangrijpen strip. bewoording bericht. grijpen. das bemachtigen. band. binden stropdas. klos. spoelen op een klos winden. spoelen op een klos winden. onvervalst. boodschap bericht. bobine whisky whisky mout houw. strook. mep. vertrouwen authentiek. geheimzinnig spoel. reep. fiducie. flap. knooppunt knopen. winden. paling Hongarije hoek knopen. nieuwtje woord. windsel . olm inbinden. windsel strip. winden. boodschap bericht. reep. nieuwigheid. boodschap communiqué emmer emmer emmer overtuiging geloof. das knopen. klap nieuws. waar op een klos winden. een knoop leggen mysterieus. fiducie. nieuwigheid. band. boodschap nieuws. spoelen luchtdrukgeweer iep. knoop. echt. knoest. vertrouwen overtuiging geloof.

aantreffen interviewen toehoorders. visioen. gezichtseinder klaarblijkelijk. naar het schijnt aanwijsbaar. pand. gehoor. droombeeld briefkaart bril spektakel. gehoor. auditorium vulpen eeuwigheid onvergankelijkheid. trilling vibratie. examineren richtmiddel. zoeker. ondervoorzitter vice-president. vibreren trillen. huis toeschouwer gezicht. vibreren subsidiair. band. wis. brandstapel. plaatsvervangend vice-president. reep. nakijken. visioen. windsel vibratie. kennis. vork kruis. strook.wiązanka wiązka wiązka wiązka wiązka (np. bos mutserd. bundel bos. vork kruis. kunde . schouwspel toehoorders. wis. duidelijk. kijkspel. buitenwaarts onderzoeken. chrustu) wiązka elektronów wiązka światłowodowa wiążący wibracja wibracją wibrować wibrował wice wiceprezes wiceprezydent widelec widełki widły widnokrąg widocznie widocznie widocznie widoczny widoczny widoczny dostępny widok widok widok widokówka widowisk widowiska widowisko historyczne widownia widownia (w teatrze) widz widzenie widzieć widzieć się widzowie wieczne pióro wieczność wieczność wieczny wieczór wieczór Wiedeń wiedeński wiedza bos. vertoonbaar zichtbaar naar buiten. auditorium geslacht. bundel strip. eeuwigheid eeuwig avond nacht Wenen Weens bekendheid. wis. mutsaard straal. blijkbaar. kijkspel. horizon. ondervoorzitter kruis. eruit. droombeeld ontmoeten. wis. mutsaard mutserd. brandstapel. duidelijk in schijn. vork kim. trilling trillen. spaak bos. vizier gezicht. schouwspel spektakel. bundel bundel. blijkbaar klaarblijkelijk.

tovenares. stiptheid. vereerster vereerster. bekend zijn met kol. kennis. bestek. veel. toch landelijk. wikkel. dus. ouderdom eeuw leeftijd. kronen slinger. simpel. vereerster kemel. slingerkrans varkensvlees varkensvlees dom. onnozel. omvang herhaaldelijk. excellent. guirlande. boel. adhesie slinger.wiedzą wiedzieć wiedźma wieę wiejski wiek wiek wiek dojrzewania wiekowy wielbiciel wielbiciel wielbiciel wielbiciel corridy wielbłąd wiele wiele wiele Wielkanoc wielki wielki stopień scalenia wielki stopień scalenia wielkoduszny wielkość wielkość wielkość wejściowa równoważna szumom wielkość wyjściowa wielokrotnie wielokrotność multiplexer wielokrotny wielokrotny strumień rozkazów wielokrotny strumień danych wielonarodowy wielopak wieloraki wieloryb wielozadaniowość wieniec wieniec wieność (zasadom) wieńca wieprzowina wieprzowiną wiercenie wiercić wiercić się wierna (kopia) wierność (odtwarzania) bekendheid. toverheks. banderol veelvoud walvis multitasking bekronen. ouderdom oud bewonderaarster. ook weer. slingerkrans grip. nauwgezetheid . grootte omvang. grandioos. vele veel Pasen tof. kameel kavel. heks ergo. overweldigend groot nobel. edel hoeveelheid. tiptop. gelijk hebbend. boers leeftijd. bestek. kunde kennen. flauw aanboren boren juist. sterkte. grootte grootte. gegrond accuratesse. geliefde. grootheid omvang. kostelijk groots. guirlande. vrijster. aanbidster vriendin. perceel menig. minnares bewonderaarster. bestek. meermaals veelvoud veelvoud veelvoud multinationaal kruisband.

open veld plaats. landman boer. spits geleding. knoest. dorp boer. menen. blanco. getrouw vislijn. tip. oningevuld... zetten stropdas. nor. knooppunt overtuiging houden voor. toch. kerker. dus. knoop. band nor. das binding. kerker. aangeven. kerker gevangenis. gevangenis . berijmen boren wilg wilg bovenste piek. toch ergo. gevangenis gevangene aanhechting monteren. couplet rijmen. wannen.wierny wierny wiersz wiersz wiersz wiersz na minutę wiersz zależny wierszyk wiertarka wierzba wierzbą wierzch wierzch górny wierzchołek Wierzenie wierzyć wieszać wieś wieś wieśniak wieśniak wietrzyć wietrzyk wietrzyk wiewiórce wiewiórka wieźć wieża wieża metalowa wieża strzelista więc więc więcej więcej informacji na ten temat można znaleźć w. nor nor. dus meer meer vervagen meerderheid. trilgras zefier eekhoorn eekhoorn aanreiken. punt. plattelander frisse lucht toewaaien. plattelander. nor nor. couplet wit. ook weer. constant. waaien bries. neus. sim. landman. geloven hangen platteland. kerker. kerker. snoer. kerker. więdnąć większość więzienia więzienia więzienie więzienie więzienie więzień więź więź więź więź enie więźienie bestendig. blank strofe. gevangenis gevangenis. afdragen toren toren toren ergo. meerderjarigheid gevangenis. hengelsnoer roeien strofe. gestaag trouw. ook weer. top.

opwellen. bevochtigen condens. aanslag vochtig vochtig nat wolf buitenverblijf. door het water plassen vlek. roeispaan peddelen. roeiriem. roeispaan peddelen. wervelen. roeren. buurtschap peddelen. violoncel vlek.wigor wij wikary wilczur wilgoć wilgoć wilgoć wilgotny wilgotny wilgotny wilk willa wina wina winą winą winda winić winien winnica winnicą winny wino wino hiszpańskie winogrono winorośl winorośl winowajca wiolonczela wiosce wiosełko wioska wiosło wiosło wiosłować wiosłować wiosna wiosna wiosna wioślarz Wiór wiór wir wir (efekt graficzny) wirnik wirować wirowania wirtualny sap duizendpoot pastoor Elzassisch vochtig vochtig maken. lemmer. door het water plassen springen opborrelen. cel. dwarrelen. afbikken doorroeren. kolken virtueel . roeiriem. roeispaan kling. xeres druif wijnstok. toeschrijven. gehucht. landhuis schuld schuld aanrekenen. wijnberg schuldige. toedichten schuld lift aanrekenen. voorjaar riem. buurtschap riem. wingerd wijngaard. toedichten schuldig wijngaard wijngaard schuldig wijn sherry. buiten. gehucht. omroeren warrelen. roeiriem. lemmet bikken. dader cello. dwarrelen. toeschrijven. door het water plassen riem. ontspringen lente. wervelen. kolken hardloper spinnen warrelen.

om ronde dra. soeverein. in bewaring geven invoer insteken. houwen. indoen om . bewind lord onder de knie krijgen. opzoeken bezoeken. schede.. opzoeken inspecteur bezoeker in. oppermachtig . droombeeld visum zichtbaar bezoeken. affix visum visum afbeelding. deponeren. visioen. kloppen. klappen bezoeken.wirtualny terminal sieciowy wirus wirus utajniony wisieć wist (gra w karty) wist gra w karty wiśnia witać witać witalny witamina wiwatować wiza wizą wizerunek wizja wizja wizja na fali ciągłej wizować wizualny wizycie wizyta wizyta (na stronie WWW) wizyta powtórna wizyta próbna wizytator wizytator wkleić wkleić wklęsłość wklęsły wklęsły wkład wkład wkład wkładce wkładka wkoło wkoło wkrótce wlec wliczając w to wliczyć władać władca władca władca władca werkelijk. behelzen bestuur. effectief. heerschappij. begroeten feestelijk inhalen vitaal vitamine aanhechtsel. haast. afgaan. foedraal ingevallen. steken. plaat uitzicht gezicht. opzoeken bezoeken. opzoeken slaan. inhouden. afgaan. prent. ongeveer. omtrent. daadwerkelijk virus virus hangen whist whist kers groeten. spoedig trekken inclusief. alras. inbegrepen. ingevallen bijdrage afgeven. hol hol. afgaan. te. steken. gauw. indoen insteken. binnen. afgaan. droombeeld gezicht.. visioen. per aanplakken houder. incluis bevatten. meester worden liniaal oppermachtig. heen.

geschikt. gewoonte. boerderij. attribuut landgoed. inclusief. bezitting eigendom. eigendom. vagebond rondreizen. gezag heerschappij. pit. jijzelf Italiaans harig. boerderij. trekken vezel vezel zaadkorrel. mogendheid autoriteit. foedraal. vagebond zwerver. kreek . erop nahouden eigenaar schede. accuraat grondig. bezitting aanwensel.władza władza władza kierownicza władzy) włamywacz własne dzieło własność własność domkniętości własność gwiazdy własność obiektu własność otaczająca własny własny właściciel właściciel ziemski właściciel ziemski właściciel ziemski właściwie właściwie właściwość właściwość właściwość charakterystyka właściwość obiektu właściwy właściwy właściwy właśnie właśnie włączać grupa włącznie włączyć włąsnoręcznie Włoch włochaty Włochy włos włoski włosy włosy blond włóczędze włóczęga włóczyć się włókno włókno włókno włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona wnęka autoriteit. eigendomsrecht usance. bezitten. hebbelijkheid eigenschap adequaat. inham. radicaal nestelen. attribuut landgoed. gebruik rijk zijn. delegatie inbreker handwerk bezitting. lichtelijk. vandehands precies. houder eigenaar chaperonneren inderdaad. rondtrekken. nauwgezet. bezitting bijvoeglijke bepaling. ruig. macht. bijbehorend gemakkelijk. haar Italiaans haardos. een nest maken incluis. bezit landgoed. ietwat bijvoeglijke bepaling. korrel aan de grond lopen. stranden baai. metterdaad. ruigharig Italië haardos. waarachtig een klein beetje. boerderij. doelmatig rechter-. gezag afvaardiging. inbegrepen smeden uzelf. haar blond zwerver.

omtrent. om uiterste wil.. heen. uitholling. in. aanvragen. uiteinde vragen. ontketenen oorlog. omtrent. legermacht troep militair militair om . conclusie uitgang. zeewier zeewier.. afleiden. gevolgtrekking bijdragen kleindochter kleindochter kleinkind. lanceren. verzoeken onderstelling. afleiden. krijg gouvernement gouvernement oorlog. kleinzoon water water water Waterman Waterman waterwater alge. binnendringen. gevolgtrekking conclusie. concluderen conclusie.wnęka wnęka na moduły wnęka napędów wnęka wstąpienie wnętrze wnętrze wnieść udział wnikać wnikliwość wnikliwy wniosek wniosek wniosek wniosek wnioskować wnioskować wnioskowanie wnioskowanie wniosek wnosić udział wnuczce wnuczka wnuk woda woda utleniona wodą Wodnik Wodnik (znak zodiaku) wodny wodny wodorost wodorosty wodospad wodować (statek) wodować statek wojenny województwa województwo wojna wojna domowa Wojna Światowa wojsko wojsko wojskowość wojskowy wokoło wokół wola wolcie hol. leger. heen. abstraheren besluiten. wier. wereld heerschaar. acuut. ontketenen uitschrijven. verbond. inwendige bijdragen doordringen. om om . wier waterval uitschrijven. felheid scherp. holte zak nis pauze. krijg civiel aardrijk. rust per. mening deduceren. ongeveer. ongeveer. testament volt .. doorstoten guurheid. schelheid.. inroepen. voorbijgaand gevolgtrekking. te. alge. helder. lanceren. binnen binnenste. hypothese.

voeren. turen. commandant aanvoerder. besturen. verzadigen staren. aroma tas. royeren bijenwas schoensmeer. vrijheid. heten. speling. truck. onbezet. mennen ook weer. open. klamp. dus. brengen wodka aanvoerder. beugel vrachtauto. aangrijpen . vlot.woleć wolna przestrzeń wolno wolnonośny wolność wolny wolny wolny od cła wolny od cła wolny od podatków wolny od podatków wolt wolumen wolumin wołać wołowina wołowiną wołowy wonny woń worek worek wosk wosk wosk pszczeli woskować wozić wódka wódz wódz (plemienia) wół wówczas wóz wóz wózek wózek wózek wózek inwalidzki wpajać wpatrywać się wpisać wpisywać wpisywanie wplątać wplątywać (kogoś w coś) wpłata wpłata wpływ prefereren. schoencrème schoensmeer. betrekken. afdracht aandoen. volume noemen. rundvlees klapstuk. voorhebben. betrekken. open volt geluidssterkte. vlotheid onbezet. benoemen. steken drukletter geschrift. vlot. volume geluidssterkte. inhoud. wereldruim. resistent langzaam onbezet. ergo. handkar. onbelemmerd vrij. toch automobiel. onvatbaar. leeg. ruimte op zijn gemak. zachtjes. open. vrachtwagen doortrekken. de voorkeur geven aan bestek. sparen immuun. los. schoencrème schoensmeer. karretje trolley. insteken. baas. zak ontzetten. verstrikken afbetaling transfer. ontslaan. inhoud. chef richten. gebieder. onbelemmerd ontzien. nietje vrijdom. los. auto affuit affuit kar. rundvlees koe. schriftuur verwarren. rund stinkend geur. langzaam kramp. wagen. verstrikken verwarren. haakje. dirigeren. aanstaren indoen. schoencrème dragen. uitmaken voor klapstuk.

bulderen. zwaaien. steken aanspannen uitvoeren. herfstmaand gil. brullen lawaai. borrelen. illusies wekken bij indoen. animositeit. aangrijpen aanwenden. leven. insteken. rumoer spoel op het kookpunt zijn. indruk receptief. ingeboren aangeboren. ten slotte. krijs . leveren. het doen in verlegenheid brengen daarvoor. introductie inleiding. schreeuw. per saldo afleveren. doorvoeren toegegeven verwonderen. ophef. herrie. eerder. ontvankelijk. beïnvloeden zwiepen. blèren. presenteren. steken inleiding. zwieren.wpływ na wydajność (zwykle ujemny) wpływać wpływać wpływać na wprawa wprawdzie wprawiać w zdumienie wprawić w ruch wprawić w zakłopotanie wprost wprowadzać wprowadzać w błąd wprowadzać w błąd wprowadzenie wprowadzenie na urząd wprowadzenie w życie realizacja wprowadzić wprowadzić wprowadzić w życie wrażenia wrażenie wrażenie wrażliwy wrażliwy wrażliwy wrażliwy wreszcie wręczać wrodzony wrodzony wrodzony wrodzony wrogi wrogość wrona wrota wrota wróbel wrócić wróg wróżba wrzask wrzask wrzawa wrzeciono wrzeć wrzesień wrzeszczeć invloed hebben op. introductie inleiding. gevoelig. vijandigheid bonte kraai. reproduceren. schreeuw. presenteren. indienen klapstuk. aanbesteding eindelijk. krijs gillen. indertijd uitvoeren. bevreemden. introductie indoen. beïnvloeden invloed hebben op. vooraan. voorbode. bestellen aangeboren. insteken. receptief gunning. voorteken gil. ingeboren ingeboren natuurlijk vijandelijk. vijandig vijandschap. verbazen functioneren. ontvankelijk verstandig gevoelig. kraai draaihek haven mus hergeven. indienen begoochelen. effect effect. slingeren aandoen. koken september. sensatie indruk. teruggeven vijand teken.

oostelijk oosten oriënt oriënt. vereenzelvigen voorbode.wrześien wrzos wrzosowiska wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzód wrzód wrzucić(np. vaan. overweldigend overweldigend. glorieus groots. scheep gaan identificeren. heide onderbinden Moriaan. voorteken. abces. oostelijk oosters. richten. oosten oosters. dophei heideveld. genereus. vlag spitsroede. stokje. groots helpen. herfstmaand dopheide. scheep gaan aan boord gaan. grandioos. goedgeefs grootmoedig. gard. oosten oriënteren. aanwijzen. edelmoedig bewonderenswaardig groot beroemd. Moor aanbinden. dirigeren. bijstaan pleitbezorger. voorteken. meren Mauretaniër ettergezwel. gul. advocaat. oosten zonsopgang aan boord gaan. grandioos. teken besturen. etterbuil zweer uploaden schild. inwerken oosten oriënt oriënt. verdediger . plik na serwer) wsadowy interpreter poleceń wschodni wschodni wschodni wschodni wschodni wschód wschód wschód wschód wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód słońca wsiadać wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) wskazać wskazanie wskazany wskazówka wskazówka wskazówka projektowa wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) wskazujący wskazywać wskaźnik ruchu wskaźnik stosu wspaniałomyślny wspaniałomyślny wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspierać wspierać się september. teken raadzaam aanreiken. glorierijk. overhandigen zinspelen voorbode. assisteren. roede royaal. aanduiden dundoek. mennen aanwijzend voornaamwoord aangeven. schaal oosten oriënt oriënt. rugschild.

vermelden zich herinneren. troosten kramp. echtgenoot bijdrage samenwerken. concurreren insteken. medeplichtige wedijver wedijver meedingen. innemend. alpensport klimmen. kornuit. gemeenschappelijk gewricht. prooi band. wedijveren. meewerken zich aaneensluiten. mededogen. bijbehorend. klamp. zetting alpinisme. gedenken geheugen. lint achterover . samenwerken eega. gemeenschap bond. gelid. aansluiten gemeente. geleding. verhouding. medeplichtige zich aaneensluiten. haakje. noemen. makker bijkomstig. nietje mededader. indoen insteken. heugenis. bergbeklimming. genootschap. wederzijds. onthouden. nietje vertroosten. bijbehorend. onderling algemeen. na tron) wstążce wstążka wstecz montage. haakje. gedenken zich herinneren. klamp. associatie algemeen. bijkomend mededader. kameraad. hunkeren. mededogen. medeplichtige bijkomstig. herinnering kramp. tegenwoordig erbarmen. aansluiten maat. indoen aanwinst. reikhalzen meevoelen sympathiek. meewerken meewerken. indoen insteken. knoop wederkerig. zielsverwant proportie. liefheid samenwerken. acquest. steken. lid. buit. lint band. bijkomend mededader. man. evenredigheid voorkomendheid. onthouden. medelijden erbarmen. gemeenschappelijk actueel. steken. echtgenote.wspinaczce wspinaczka górska wspinać się wspominać wspominać wspominać wspomnienia wspornik wspornik montażowy wspornikowy wspólnik wspólnik wspólnota brytyjska wspólny wspólny wspólny wspólny współbieżny częsty powszechny współczesny współczucia współczucie współczucie współczuć współczuć komuś współczujący współczynnik współczynnik dobroci współdziałać współdziałać współmałżonek współpraca współpracować współpracownik współpracownik współsprawca współsprawca współwinny współwinny współzawodnictwa współzawodnictwo współzawodniczyć wstaw wstawiać wstawić wstąpienie (np. deelneming verlangen. medelijden medegevoel. steken. klauteren gewag maken van.

beletten terughoudendheid. onthouding foei bevangen. ophouden zich onthouden. sober continent. particulier voorafgaand. stuitend. na tron) wstręt wstręt wstręt wstręt wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrząs wstrząs wstrząs wstrząsać wstrząśnięty wstrzemięźliwość wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzyknąć wstrzymać wstrzymać wstrzymać wstrzymać się wstrzymać zatrzymanie wstrzymywać wstrzymywać wstrzymywanie się wstrzymywanie się od głosu wstyd wstydliwy wstydzić się wszechmocny wszechmogący achterwaarts. matig inspuiten. abstinentie nuchter. bescheiden. achteruit. rugwaarts spoel. opkroppen bedwingen. introductie besloten. afgrijselijk misselijk. werelddeel gematigd. opruien. bobine band. klos. preliminair opgaan. onthouding terughoudendheid. introductie inleiding. hekel. opkomen. bezadigd. achteruit. betomen. verhoeden. timide. opstoken gejaagd. vasteland. gruweldaad gruweldaad. maffen onderdrukken. verschrikking. privé-. vergiftig. beteugelen reserveren. rugwaarts achterwaarts achterzijde. opgewonden geheelonthouding. blo foei almachtig almachtig . rugwaarts achterover achterwaarts. ophitsen. detineren. schudden. lint inleiding. giftig aardbeving schokken opschudden.wstecz wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny odnośnik wsteczny odnośnik wstędze Wstęga wstęp wstęp wzbroniony wstęp wzbroniony wstępny wstępować (np. afkeer. verschrikking. rijzen gruwel. achteruit. zich abstineren verhinderen. arrestatie slapen. smerig afschuwelijk venijnig. rugstuk achterover achterwaarts. matig. opstaan. bedeesd. verafschuwen afschuwelijk ijselijk. injecteren aanhouding. schokken agiteren. gruwel tegenzin. ommezijde. onsmakelijk vuil. verdringen. antipathie een afschuw hebben van.

overheid doordrukken dinsdag bijbehorend. indoen storing spuitje.. bougie ontstekingsbuis. begenadigen vergeven. midden tussen de stoot geven tot de stoot geven tot binnenvallen. regering. binnenrukken ook weer. onbenullig vuurspuwende berg. medio. bijkomend. overal.. door allemaal. inspuiting. woedend. buitenkansje de hele . steken. schepping elk.) wuj wujek wulgarnie wulgarny wulkan wupykłość wy wyasfaltować wyasygnować fundusze wyasygnowane fundusze wybaczać wybaczenie wybaczyć wybawca wybawcą wybawiciel wybierać wybierać (numer) wybierać (w wyborach) lijvig. dol in het midden van. dolheid doldriftig. kiezen. vulkaan heft. hondsdolheid. uitkiezen knabbelen. kiezen uitlezen. afkluiven . injectie ontstekingsbuis. universeel heelal. vulgair. al over. alleman. gevest.. ergo. door de hele . hals. universum.. verwoed.. knop jou. begroting Maria-Hemelvaart begenadigen.. veelomvattend algemeen. triviaal. begenadigen Verlosser Verlosser Verlosser uitkiezen. aan jou. mazzel. wijd en zijd de hele . aan je. uitlezen. dus. geluk. handvat. triviaal. overheen. aan de overkant van alom. vulgair. iedere. onbenullig plat.. bijkomstig insteken. bougie oom oom plat. je asfalt budget. door bof. door de hele .. ieder. vergeven vergeven.wszechstronny wszechstronny wszechświat wszelki wszerz wszędzie wszyscy wszystek wszystkie wszystkiego najlepszego wszystko wszystko wścieklizna wściekły wśród wśród wtajemniczać wtajemniczyć kogoś wtargnąć wtedy wtedy <the Government> wtłoczyć wtorek wtórny wtrącać wtrącanie się wtrysk wtyczka wtyczka (elektr. alles razernij. allerwegen. toch gouvernement.

uitstekend. excursie. ontploffing. tocht. keus. afkluiven keuze. alternatief. keuze keuze. ontmanteling. kustlijn. uitlezen. keur. beslaan. onderwijzen beetnemen. alternatief. plak. zeekust. trip. zeekant. garneren afkeuren moot. vermogen eminent. keus. zeekant. rondreis afzetten. reis. toer. bulderen. splijten. optie. optie. keuze. ophijsen abstract. explosie barsten. sloop belastingaanslag. aanslag prijs afranselen opvoeden. verkiezing knabbelen. kustlijn uitbarsting. verduwen. keur. verkiezing. huilen uitstapje. aanzienlijk merkwaardig. trip uitstapje. verkiezing optie. snede. keuze keus. trip. keur. zeekust kust. toer. kiezen kapitaal. kostelijk. scheuren afbraak.wybierać/nakręcać numer telefonu wybierak wybierak igłowy wybierz wybitny wybitny wybitny wybitny wybitny wyborny wyborowy wybory wybój (na drodze) wybór adresu wiersza wybór trasy przez źródło wybór trasy zastępczej wybór trasy zastępczej trasa zastępcza wybór układu wybór wstępny wybór z menu wybrany wybredny wybrzeże wybrzeże wybuch wybuchnąć wyburzanie wycena wyceniać wychłostać wychowawca wychwycić wycia wyciąć wyciąg wyciąg wyciągać (coś z czegoś) wyciągnąć (coś z czegoś) wycie wycie iwania wycieczce wycieczce wycieczka wycieczka wycieczka wycinać lasy wycinek wycinek (tablicy wijzerplaat schouder naald uitkiezen. optie. verkiezing. beetkrijgen steen en been klagen. toer tournee. achterstallig opmerkelijk. blèren. tocht. pakken. schijf. opmerkelijk onbetaald. excursie uitstapje. afgetrokken gillen. afgetrokken abstract. keuze. bochel keus. keus bult. brullen brullen. toer. excursie tocht. overheerlijk keuze. merkwaardig heerlijk. keur. verkiezing optie. weeklagen maaien abstract. filet . tocht. afgezonderd kust. keus verteren. keus. afkluiven afzonderlijk. trip. keur. digereren knabbelen. afgetrokken hijsen.

druk. plak. uitlaten. afgetrokken afleiden hol. schijf. bulderen. kosten het veld ruimen. stom pompoen terugtrekken. tasten.wycinek tablicy wyciszanie wyciśnięta masa wycofać wycofywać się wyczerpany wyczerpujący wyczerpywał wyczuć wyczuwać wyczuwalny wyczyn wyczyn (bohaterski) wyczyn bohaterski wyć wyć wyć (dot. op. uitbrengen. betasten verstandig exploiteren. uitbuiten. lossen toegaan. blèren. snede. overkomen. tappen. uitdrijven uitgaaf. gebeuren keer. brullen gillen. schijnen uitstralen uitgeverij uitgeverij afkondiging. leggen. uitmelken exploiteren. veelomvattend uitverkocht. oordelen. brullen gevolg besteden. slaken produktie. uitgeput reuk. filet sprakeloos. syreny) wyćwiczyć wydaj wydaj wydajność Wydajność wydalać wydalić wydanie wydanie wydarzać się wydarzenia wydatek wydawac z siebie wydawać wydawać wydawać wydawać się wydawać się wydawać się wydawać z siebie wydawca wydawcą wydawnictwa wydeptany wydobycie wydobycie wydobyć wydobywać wydrążenie wydruk próbny wydrzeć moot. maal onkosten. luchtje. voelen. uitgeput lijvig. uitmelken exploiteren. royeren verjagen. uitbuiten. uitgave. intrekken ontwoekeren uitverkocht. voortbrenging het veld ruimen. knevelen. geur. afstaan abstract. spenderen. berechten lijken. op. cambio afpersen. blèren. neerleggen ontwikkeling. bulderen. afdwingen . editie loslaten. afstaan ontslaan. uitbuiten. afwerpen het veld ruimen. openbaarmaking vlijen. verdrijven. voortgang hebben. opdagen beoordelen. huilen gillen. eliminatie het veld ruimen. afstaan uitdrukken opbrengen. spanderen ontlokken. ingevallen wissel. opleveren. ontzetten. afstaan opdraven. uitmelken brullen. lucht bevoelen.

leveren. uitweg . air. verschijnen aanzien. uitademen. uitgaan. duidelijk maken. gemakkelijk. toelichten uitleggen. dagen. eindigen verschijning. aftreden. geschikt verjagen. vlak. eindigen bevrijden departement faculteit kast departement departement afleiden betekenen. beduiden uiteenzetten. toelichten uiteenzetten. ophouden. kenbaar maken uittocht. uitgaan. beduiden uiteenzetten. tegen. verdienen. naar doven. eveneens aan. uitgang. aanblik het uiterlijk hebben van. ademen aflopen.wydychać wydychać wydzialać wydział wydział wydział (na uczelni) wydział humanistyczny wydział ik wydzielać rozpakowywać wydzielić wydzieliną wydzierżawić wyekspediować wyekspediować wygasić wygasnąć wygląd wygląd przycisku wyglądać (prezentować się) wygładzać wygłaszać wygłosić wygłosić (mowę) wygnać wygnanie wygodnie wygodny wygodny wygonić wygrywać wygwizdania wyjaławiać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśnić wyjaśnić wyjaśnić coś z kimś wyjaśnienie wyjawić wyjawić (sekret) wyjazd wyjątek wyjątek wyjątek arytmetyczny wyjątkowy wyjechać wyjścia getuigen van. preken uitspreken afleveren. effen prediken. behalen boe steriliseren rekening. uitdrijven winnen. toelichten toelichting. uitdrijven verbannen. schijn. bedanken afrit. voor. ophouden. mede. bij. tot. uitdoen. verdrijven. comfortabel doelmatig. ook. er uitzien gelijk. explicatie morsen openbaren. blussen. conto uitleggen. in pacht hebben evenzeer. verdrijven. dagvaarden afscheiding pachten. bestellen verjagen. gemakkelijk. vertrek uitzondering afleiden uitzondering uitzonderlijk uittreden. uitbannen aangenaam geriefelijk. uitblussen aflopen. duidelijk maken.

uitmelken longtering. opgraven. eliminatie afrit. bedanken tandenstoker tandenstoker aangeven uitzonderen uitsluiten uitsluiten college geven college geven lector lezer lector tapijt. delven. karpet voering executeren. opgeven uittreden. ter dood brengen afdruk spinnen executeren. uitmelken gescheld sluipen intrige. opdagen oefenen. aftreden. beeld wijzerplaat . ter dood brengen executeren. opdagen kleren maken executeren. opbrengst bouwondernemer. konkelarij afbeelding. figuur. aannemer opdraven. drillen executeren. ter dood brengen inschikkelijk. uitweg prijsgeven. rooien exploiteren. uitbuiten. exploiteren. muil ontwikkeling. formeren aanwending. kleed. eliminatie ontwikkeling. tuberculose doen ontstaan. machinatie. uitgang. ter dood brengen loopgraaf opduikelen. delven.wyjście wyjście wyjście wyjście uniwersalne wyjście zerowe wyjść wyjść po angielsku wykałaczce wykałaczka wykaz wykluczać wykluczać wykluczyć wykład wykładać wykładowca wykładowca wykładowcą wykładzina wykładzina wykonać wykonać wykonać wykonać działać wykonaj wykonalny wykonanie wykonawca wykonuj wykonywać wykonywać egzekucję wykonywać krok wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów wykonywać rozkazy Wykop wykopuj wykopywać wykorzystać w praktyce wykorzystanie wykorzystuj wykorzystywać wykorzystywać wykorzysywać wykradać wykres wykres słupkowy wykręcić numer uitgeven. handelbaar produktie. vloerkleed. ter dood brengen opdraven. rooien opduikelen. tering. maken. gewrocht. opgraven. afleggen. emitteren bek. toepassing uitbuiten.

inruilen. vereisen. achtergrond. afwissen gommen. afdrogen. met gom bestrijken uitwissen uitwissen. joelen tussenwerpsel opvoeding. gebrekkig aanwensel. uitladen. royeren van boord gaan lossen. dons uitsluitend. royeren ontslaan. wegvagen gommen. wisselen centrale inruilen. royeren lossen. nesthaar. behoeven. stokje tocht. roepen. ontslaan. ontzetten. bloot. afladen bekronen. exclusief maar. vorming aflossing. schreeuwen. louter invalide. afschrijving beminnelijk strelen. aanhalen ontzetten. liefkozen. hebbelijkheid fanfarekorps.wykręcie wykręt wykrycie obiektu i ustalenie jego uspółrzędnych w radiolokacji wykrywanie wykrzykiwać wykrzyknik wykształcenie wykup weksla wykwintny wylać z posady wylać z pracy wyleczyć wyleczyć Wylew wyładować wyładować wyładować wyładowane koronowe wyładowanie (elektryczne) wyładowanie (towaru) wyładowywać wyłaniać (pojawiać wyłączać wyłącznie wyłącznie wyłącznik wyłącznik przyciskowy wyłącznik temperaturowy wyłączny wyłączny wyłączony niestandardowy wyłudzić wymachiwać wymagać wymagać wymawiać wymawiać niewyraźnie wymazać wymazać wymazać prawiedliwości wymazywać wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny wymazywać ekran wymiana wymiana stron wymianą haarkloven. beter maken. uitvegen. helen op verhaal komen. hoeven uitspreken uitspreken gommen. met gom bestrijken ruilen. bedillen verschuiving acquisitie ontdekking gieren. moeten. stokje exclusief. amortisatie. afladen opdagen. ondergrond. ruilen. fanfare opeisen. wisselen . aansterken bodem. slechts roede. aaien. trip roede. eisen nodig hebben. uitladen. wissen. spitsroede. grond ontslaan. reis. opdraven waas. alleen. met gom bestrijken afvegen. ontzetten. gard. royeren genezen. kronen ontslaan. toer. spitsroede. gard. uitsluitend enkel. ontzetten. rekenen.

wisselen belastingaanslag. het gevolg zijn van ontstaan hoog. gispen doordrukken verplichten. inruilen. berispen. zich verbeelden inbeelding. kotsen uitspraak laken. huren huur laten schieten. ruilen. afpersing fictie. opbrengst afstammen. dimensie ruilen.wymiar wymiar sprawiedliwości wymieniać wymieniać wymieniać (walutę) wymieniać się wymienić wymienić (jakieś elementy na nowe) wymień wymierzenie wymię wymijać wymiotować wymowa wymówce wymusić wymuszać wymuszanie wymuszenia wymysł wymyślać (<sb> komuś) wynagradzać wynagrodzenie wynajem wynajęcia wynajmować wynajmować wynajmował wynajmowanie w DHCP wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP wynalazca wynalazcą wynalazek uchylać wynaleźć wynik wynik wynik polecenia wynikać wyniknąć wyniosły wynosić wynosić średnio wynurzać) się wyobrazić sobie wyobrazić sobie wyobraźnia wyobraźnia grootte. inruilen. gage. wisselen afwisselend centrale centrale centrale ruilen. aanwerven. braken. laten pachten. omvang afmeting. belonen loon. in pacht hebben pachten. verheven gemiddeld tal. opdraven in verwachting raken. bedenken produktie. het gevolg zijn van uitgeven. bekokstoven. aanwerven. lonen. aanslag uier. laten begaan. gewrocht. afkeuren. emitteren afstammen. getal opdagen. wisselen inruilen. in pacht hebben aannemen. zich verbeelden bedenken. noodzaken afpersing. pram inhalen spugen. zwanger raken bedenken. dwingen. verbeelding gescheld vergelden. terugdoen. bestek. overgeven. verdichtsel. aantal. knevelarij knevelarij. salaris pachten. huren aannemen. in pacht hebben uitvinder uitvinder uitvinding uitdenken. bezoldiging. verbeelding .

afspoelen. aanbrengen. accommodatie. tocht. set. stel accessoires toerusten. inrichting complet. aangelegenheid. emitteren rest. uitrusten. bijbehorend. raam ongeluk. zaak. klikken declaratie. zich verbeelden bedenken. vullen bakken afzweren ontkennen neerschrijven. ding omstandigheid belangrijke gebeurtenis. uitdampen. bijbehorend. uitvoeren aangeven. figuur isoleren. lijst. schriftuur schriftelijk afbetaling transfer. accident. overblijfsel. inrichten . afval toerusten. inrichting bijkomstig. aangifte. bijkomend uitrusting. uitvoeren bijkomstig. rommel. spekken. vulsel invullen. indampen opvulsel. stichten. stelletje. vulling. toer. omlijsting. schrijven. toonzetting. plaat begrip beeld. evenement bakken aanbranden aanbranden afzwering doen verdampen. prent. afbeelding. bijkomend uitrusting. uitschrijven geschrift. dempen.wyobrażać wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyodrębniać wyolbrzymiać wypaczenie wypadek wypadek wypadek wystąpienie wypadek śmiertelny wypadek śmiertelny wypalać wypalać (pamięć stałą) wypalać (płyty CD) wyparcie się wyparować wypchanie (zwierzęcia) wypełniać zerami przypisywać wartość zerową wypiekać wypierać się wypierać się wypisuj wypisując wypisywany wypłacie wypłata wypłukanie wypływ wypoczynek wyposażać wyposażenia wyposażenie wyposażenie wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażeń wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów wypowiedzieć (umowę) wypowiedź wypożyczać wypracowanie wyprawa wyprostowany bedenken. bijbehorend. afzonderen chargeren. bijkomend bijkomstig. uitrusten. spoelen uitgeven. ongeval omstandigheid affaire. overdrijven kader. uitspraak huur toondicht. compositie reis. accommodatie. zich verbeelden afbeelding. trip oprichten. afdracht gorgelen.

betuiging. handvat. betuiging. gevest. voorzijn gaan naar. vonnis bijlage. klem jaartelling. afstand doen van . uitbrengen. pogen hol. vlak. aanmaak. als waarheid aannemen ja zeggen. kennelijk. appendix. helder erkenning apert. doen. uitgesproken. uitspraak. duidelijk uitdrukken ontlokken. slaken bewoording. bedrijven bewoording. schappelijk. afbreken versterving. item. vervreemding voorafgaan.wyprowadzać wypróbować wypróżniać wyprzeć się wyprzedaż wyprzedzać wyprzedzenie wyprzedzić wypukłość wypuścić nowe wydanie wypytywać wyrabiać wyraz wyrazić podziękowanie wyrazić zgodę (<to sth> na coś) wyrazisty wyrazy uznania wyraźny wyrażać wyrażać wyrażenie wyrażenie znakowe wyregulować wyregulowanie wyrobnik wyroby garncarskie wyrocznia wyrok wyrok wyrostek robaczkowy wyrośle adenoidalne wyrozumiały wyrób wyrób wyrównać do prawego marginesu wyróżniać wyróżnienie wyróżniona część (np. arbeider aardewerk orakel frase. klem op reis gaan. uitvallen. bevestigen klaar. ondervragen maken. na listingu) wyróżniony druk wyruszać wyrwać coś komuś wyryć wyrywać wyrywać (włosy) wyrzeczenie się wyrzekać się wyrzekać się wyrzekać się aftappen streven. betuiging. loos. herdruk een verhoor afnemen. deeltje. gewrocht. afstemmen. beamen. afreizen knevelen. effen onderscheiden. naderen anticiperen. werkman. afdwingen graveren. gezegde bewoording. gezegde agnosceren. prejudiciëren heft. opbrengst gelijk. aanhangsel derde goedertieren. lankmoedig fabricatie. plukken. evident. werker. griffen knijper. genaken. ledig. onderkennen nadruk. instelling werkkracht. sententie. leeg afzweren verkoop. fabricage produktie. hals. afpersen. zichzelf verloochenen opgeven. knop nadruk. lens. adapteren afstelling. abnegatie afzweren abnegeren. zich inspannen. gezegde aanpassen. volzin judicium. aanpakken. deel nadruk. schaar afrukken. zin.

apropos . verheven hoog. achterstallig gebeuren. broeden moeite. betuiging. aan de hand zijn adequaat. pronken tentoonstelling. thema. voortbrenging exemplaar. aanvaller aanplakken pakje afgezant. bewoording bewoording. verheven stand. bijbehorend gevoeglijk. tentoonstellen podium. voldoende voorgaand. prijken. veelomvattend genoeg. bijbehorend uitgebreid. verheven hoog. luchtig hoog. toonladder. hoogte hoogte hoogte eiland eiland onbetaald. bevestigen ontzetten. schrik aanjagen onderwerp. royeren. schraal. royeren toonschaal. verheven verheven. hoog hoog. expositie schuiflade. tribune. la. afdruk gebeuren. leiding produktie.wyrzić zgodę wyrzucać sobie wysadzić na ląd wysepka wysepka (uliczna) wysiaduj wysiłek wyskok wysłać wysłać wysłać pocztą wysłanie (towaru) wysłannik wysłowić coś wysłowienie się wysmukły wysoki wysoki wysoki poziom logiczny Wysoki sądzie wysoki stan logiczny wysokość wysokość wysokość bariery potencjału wysokość bariery potencjału wysokość stosu wyspa wyspą wystający wystapić wystarczająco wystarczająco wystarczający wystarczający wystarczający wystarczający wystarczyć wystawa wystawa sklepowa wystawca czeku wystawiać wystawić (na pokaz) wystawić na scenie wystawienie (sztuki) wystąpienie występować wystraszyć wystrój pulpitu ja zeggen. lade tentoonstellen. bestuur. paraderen. voorafgaand pralen. aan de hand zijn doen schrikken. gezegde sprietig. omvangrijk. verleden. asyl broeden op. ontzetten. asiel. ontslaan ontslaan. hoogte hoogte stand. belichten belichten. dun. beamen. bode. stof. op de juiste wijze adequaat. voldoende genoeg. gezant woord. scala toevluchtsoord. mager. koesteren. poging springen verzenden voorspeler.

lijdzaamheid vasthoudendheid volhardend opspatten. pronken pralen. vulsel wedijver geslacht. verspuiten. ontdooien blijven aandringen geduld. paraderen. concluderen . tenger kruipen geraffineerd borduren opvulsel. uitroeien uiteenzetten. uittrekken afschaving verdelgen. afdoen besluiten. afleiden. doen. stuiven spuiten. swingen afhandelen. pronken bestemmen.wysychać wysyłać pocztą wysyłać reklamy wysyłanie wysyłka wysypisko (śmieci itp) wysypisko śmieci wyszczególniać wyszczególnić wyszczupleć wyszukać informacje pełzać wyszukany wyszywać wyściełanie wyścig wyścig wyświadczyć przysługę (<sb> komuś) wyświetlacz wyświetlacz z matrycą aktywną wyświetlać wyświetlić wyświęcać wytarcie wytępić wytłumaczyć wytop wytrwać wytrwałość wytrwałość wytrwały wytrysk wytrysk wytrzymać wytrzymałość wytrzymywać wytwarzać wytwarzać egzemplarz wytwarzanie wytworny wytworny wytwórnia wywatować wyważenie wywiad wywiad wojskowy wywijać wywnioskować wywnioskować dor. prijken. prijken. pronken pralen. prijken. aanhouden sterkte te wachten staan. duren. toelichten wegsmelten. afhalen. volksstam afstemmen. opsturen exporteren. bedrijven verwekken generatie. pronken pralen. overschot interviewen bevattingsvermogen. afwikkelen. elegant. geslacht bevallig. wachten maken. paraderen. posterijen doen toekomen. dooien. slingeren. aanpassen. paraderen. adapteren pralen. prijken. paraderen. piekfijn. stam. vulling. uitvoeren verzenden stortplaats stortplaats specificeren specificeren rank. net keurig fabriek stikken saldo. uitspuiten beklijven. intelligentie zwaaien. droog post. slank. sproeien. sturen.

uitmaken voor keer. niettegenstaande benoorden. aanstellen betekenen. trip trotseren. uitdagen. aantasten. reis. nihil nul hel. evolutie subversief. baanvlak reisplan. dagen. route. ten noorden van bovengenoemd benoorden. tracé. vertrouwen handwerk. bekennen. erkennen geloof. creëren naar buiten roepen besluiten. biechten. uittarten trots ontzetten. bekennen. vast divan. dagvaarden administreren. accumuleren noemen. tarten. ten noorden van bovengenoemd corroderen. beroep. benoemen. ambacht haan van een vuurwapen tocht. uitmelken in weerwil van. afleiden. rustbank verloten. route. fiducie. royeren. uitbuiten. uittarten trotseren. loten benoemen. toegeven bekennen. beheren. heten. benoemen. concluderen naar buiten roepen aanroepen aanrijden. heten. bijten . maal ophopen. dagvaarden pensioen erkennen. uitdagen. dagen. biechten. ondermijnend kiel beter worden. opeenhopen. licht. klaar betekenen. voorrijden ontwikkeling. baanvlak benoeming. genezen. biechten. besturen reisplan.wywodzić (ród) wywołać wywołać coś wywołania odłożone na stosie wywołanie zwrotne wywołuj wywołuj wywołuj wywoływać wywoływać wywoływać wywoływanie wywrotowy wywrócić wyzdrowieć wyzerować wyzerować zerowy wyzeruj sprzęg wyznaczać wyznaczać wyznaczać drogę trasa wyznaczać trasy wyznaczenie wyznaczony wyznaczyc wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć emeryturę/rentę wyznać wyznaj wyznaj wyznanie wyznanie wyzwalacz wyzwalacz wyzwania wyzwanie wyzwanie wyzwolić wyzwolić się od czegoś wyzyskiwać wyzywająco wyżej wyżej wyżej wymieniony wyżej wymieniony wyżerać aftappen noemen. tracé. ontslaan bevrijden exploiteren. toegeven erkennen. aanstelling onbeweeglijk. star. helen nul. toer. uitmaken voor scheppen. tarten. Turkse staatsraad.

patroon. edel opgaan. prevalent. vermelden zich herinneren. aanwinst. het verdommen. onthouden. daarlangs in de lengte. renoveren modelleren kunst schablone. meedoen raadzaam uitbouwen. deelneming afwijzen. referentie gewag maken van. overwegen. behalve in de lengte. behalve in de lengte. cru langs. onbehouwen. bot. kreunen aanvoerder. superieur medegevoel. ingevolge bezijden. opstaan. braden. chef tel. naar. grof. nagaan deelnemen. ineenkronkelen zuchten. daarlangs ineenkrimpen. naast. achting eerbiedigen. gedenken acquest. respecteren saké. wakend onbewerkt. uitbreiden vermeerderen gewag maken van. rijzen oprichten. vergroten. glooiing tepel. buit. familielid aanaarden accepteren. sjabloon . gebieder. noemen. noemen. duży numer urządzenia wzgląd wzgląd wzgląd względnie względny względny numer pozycji wzgórze wziąć wziąć na swoje barki wziąć pod uwagę wziąć udział wzkazany wzmagać wzmagać wzmiance wzmiance wzmianka wzmiankować wzmocnienie wzniesienie wzniesienie wznieść toast wznoisły wznosić wznosić wznosić się wznoszenie (samolotu) wznowić pracę komputera wzorcowy wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) wzornik pisma matryca do powielania szablon opperste. prooi helling. afkeuren wakker. opkomen. rijstwijn tamelijk verwant. speen branden. vermelden verwijzing. blijkens. daarlangs bezijden. meemaken. aannemen. stichten. aanvaarden schouder beschouwen. familielid verwant. klauteren vernieuwen. roosteren nobel. baas.wyższy wzajemne zrozumienie wzbraniać się wzbudzić wzburzony wzdłuż wzdłuż wzdłuż wzdłuż całej drogi wzdłuż dłuższego boku wzdłużny wzdrygać się wzdychać wzgl. inrichten toren klimmen. naast.

visioen. met ingang van. standaardmaat. bezorgd ongerust. opgewonden de schouders ophalen indexeren buffer. zoeker. figuur de schouders ophalen aanslag agiteren. bumper. samen met schier. begrensd. vormen. indertijd pruttelen ongerust. ontwikkeling. gestalte. huizen emotioneel. roze. zeker. verheffen. stootkussen sedert. ophogen staren. aangrijpend. aangaan opdrijven.wzorzec wzorzec slajdów wzorzec zmienny Wzór wzór wzór wzór kreskowania wzór model wzór punktowy wzrastać wzrok wzrok wzrok wzrokowy wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost globalny wzruszać wzruszać wzruszać ramionami wzruszający wzruszający wzruszenie wzruszenie ramionami wzruszony wzruszyć (<one's shoulders> ramionami) X z z z z biegiem czasu z drogi! z konieczności z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) z obawy przed z oburzeniem z perspektywy czasu z podziwem z poważaniem z przerwami z trudem gromadzić z trudem wywalczony z tyłu z tyłu kiem knippatroon. gaan staan opklimmend rose. norm knippatroon. haast. gevestigd zijn. turen richtmiddel. patroon modelleren formeren. stijl knippatroon. patroon formule knippatroon. vooraan. immers. vizier gezicht. opruien. vanaf met. inbegrepen beperkt. droombeeld zichtbaar ontwikkeling. opstoken resideren. inclusief. evolutie wasdom. roos lichaamsbouw. patroon regel. bijna tweedehands ongerust. eerder. aanstaren. bezorgd aan het einde. patroon trant. roerend gewaarwording. bezorgd incluis. bijkans. groei opstaan. eindig wel. aandoening de schouders ophalen gejaagd. met ingang van. toch met overgave sedert. geheimzinnig . ophitsen. achteraan mysterieus. vanaf daarvoor.

achteraan in het buitenland in het buitenland achter evenzeer. mal behoeden. bij zwachtel. nabij. verband schakering. uitwendig. inleggen fixeren. onderpand betuigen. aanslaan. nuancering amusement. amuseren. amusant. speeltuig aardig. nuance. stuk speelgoed. vermaak spel verstoppertje vermaak. buiten-. onderhouden recipiëren vermakelijk. ontketenen aan. borgstelling. inleggen ombrengen. leuk. leuk kriebelen. konfijten. doden chirurgie. marmelade troebel. borgstelling. doodmaken. heelkunde ombrengen. bevestigen. ook geabonneerd zijn op accentueren. verzekeren blind inmaken. naast. konfijten. aanvaarden acclimatiseren alarmeren. dichtbij. beklemtonen accepteren.z wielkim nosem z zegarkiem w ręku z zimną krwią za za za duży za granicą za wszelką cenę za wszelką cenę zaabonować zaakcentować zaakceptować zaaklimatyzować zaalarmować zaangażować się zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych zabandażować zabarwić zabarwienie zabarwienie zabawa zabawa zabawa zabawa w chowanego zabawiać zabawiać zabawiać zabawiać zabawka zabawny zabawny zabawny zabezpieczać zabezpieczenie zabezpieczenie zabezpieczenie w architekturze zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć przechowywać zachować zabić zabieg chirurgiczny zabijać zablokować zablokować zabłocony uitzonderen extern. nuance. alarm slaan uitschrijven. lachwekkend. doden blokkade jam. kietelen speelbal. mede. amusement opvrolijken. eveneens. amusant. modderig . onderpand pand. lanceren. wondheelkunde. uiterlijk sedert. met ingang van. belachelijk. vermakelijk humoristisch gek. vanaf achter aan het einde. bepalen inmaken. moes. doodmaken. beschermen bescherming pand. nuancering tint schakering.

aan komen lopen aanpakken. houding. konfijten. aanranden bezwaar. moeilijkheid oudheid bevlieging. bevorderen voorbode. aan komen lopen floppen. gril. aansporen uitnodigen. vragen. aanwakkeren. marmelade verbieden een aanslag plegen op. betogen. gedrag. bui. argumenteren vertogen. inleggen zich aanstellen. westen westen westers. westen westen west west. happig. argumenteren zonsondergang west west. belust. opruien aanvuren. bewolkt wolk zonsondergang west west. Westers. westelijk redden. opstoken. aanwakkeren. zich voordoen zich gedragen blijven vertogen. teken begerig. zich voordoen zich gedragen blijven zich aanstellen. in het water vallen verbieden verbieden jam. kuur aanvuren. noden promoveren. nuk.zabójca zabrać się (<sth> do czegoś) zabrać się do czegoś) zabraknąć zabraniać zabraniać zabronić zabronić zaburzać zaburzenie zabytki zachcianka zachęcać zachęcać zachęcić zachęcić zachęcić zachęta zachłanny zachmurzony zachmurzyć zachodni zachodni zachodni zachodni zachodni zachować zachować jako zachować w pamięci zachowania zachowanie zachowanie zachowanie mediów zachowuj zachowywać zachowywać zachowywać zachowywać sie nienaturalnie zachowywać sie nienaturalnie zachowywać się (dobrze) zachowywać się cicho zachowywać się źle zachód zachód zachód zachód zachód słońca zachód słońca moordenaar aanpakken. leiden houding. strubbeling. geleiden. reserveren. inviteren. wandel gedrag. agiteren. aansporen ophitsen. westen . voorteken. gretig onduidelijk. bergen. wandel lager inmaken. behouden schat bespreken. moes. intekenen de weg wijzen. betogen.

hand de weg wijzen. gedateerd. klikken wurgen. arbeid karwei. taak oefenen. marmelade dienst nemen puzzel. moes. portemonnaie. klus. nietje beurs. koppig haakje. citaat een hinderlaag leggen aanbinden. klamp. aanbrengen. pijn vragen aangeven. handvat. opgave. zeer. achteruit. karwei. raadsel radeloos. kont. bibs. te wachten staan aangrijpen. nietje oor. uit de mode aanhalen. leiden terminal haakje. opgave karwei. noemen aanhaling. probleem. drillen emplooi. beginnen. klamp. worgen verontschuldiging bevredigend tevredenheid blijdschap tevredenheid . aanvallen aanbinden. hardnekkig. kruk. opgave. klus. opgave. kern wachten. wanhopig versomberen. aanvangen pit. geldbuidel achterover achterwaarts. vraagpunt. donker worden uitwissen halsstarrig.zachód słońca zachrypnięty zachwycać się zachwycający zachwycony zaciąć się zaciągnąć (się) do wojska zaciekawić zaciekły (bój) zaciemniać (się) zacierać zacięty zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk źródła zacisnąć (usta) zacofany zacofany zacofany zacytować zacytowanie zaczaić się zacząć zaczątek zaczekać zaczepka zaczynać (się) zad zadaj zadania zadanie zadanie zadanie zadanie wsadowe zadanie wydruku zadanie zawieszające zadawać ból zadawać pytanie zadenuncjować zadławić się zadośćuczynienie zadowalający zadowolenia zadowolenia zadowolenie westen schor. geleiden. achterste vragen karwei. aanvangen gat. beginnen. klus. choken. aantasten. klink handdruk. citeren. afhalen. rugwaarts ouderwets. in verrukking brengen bewonderenswaardig verrukt jam. werk. rauw verrukken. taak wee. drillen vraagstuk. hengsel. hees. taak oefenen.

paaien. krabben beven. wrzenie zagraniczny zagrażać zagrażać zagrażać zagroda zagroda zagrodzić zagrozić zagrożenie zagwarantować zagwozdka zagwozdka zahaczyć zainicjować zainteresowania zainteresowanie zainteresowany Zair bevredigen. blij voldaan. een nest maken keihard op het kookpunt zijn. declareren puzzel. probleem. bevreemdend bevreemdend. dreiging borg staan voor. spang. boef omvouwen. krabben krauwen. stal hok bemachtigen. bevreemden. slot. aangrijpen dreigen. vouwen. dicht comprimeren verdikken. dreigement. koken uitheems. vergenoegd krauwen. garanderen vraagstuk. boos nestelen. verblijd. te gronde richten jam. klauwen. vraag. klauwen. Kongo . navraag haakje. tegemoetkomen aan verheugd. bosjes compact. dreigen dreigen. tevreden. scharrelen. moes. emitteren vraagstuk. rillen. verbazen verbazingwekkend. bedreigen bedreiging. verbazingwekkend verbazingwekkend. huiveren verwonderen. borrelen. schavuit. plooien ruïneren. probleem. geheimzinnig uitgeven. raadsel puzzel. interesseren geïnteresseerd. raadsel mysterieus. fronsen kwaad. agraaf de stoot geven tot belang inboezemen.zadowolić zadowolony zadowolony zadrapania zadraśnięcie zadrżećs kołczan zadziwiać zadziwiać zadziwiający zadziwiający zafakturować zagadce zagadka zagadka zagadkowy zagadnienie zagadnienie zagajnik zagęszczać zagęszczać zagęścić zagięcie zaginać zagłada zagłuszać (radio) zagniecenia zagniewany zagnieździć zagorzały konserwatysta Zagotować. bibberen. raadsel puzzel. opgave struikgewas. bedreigen paardestal. ploert. scharrelen. vraagpunt. interesseren belang inboezemen. bevreemdend factureren. grijpen. vraagpunt. opgave kwestie. aandikken ellendeling. nijdig. toornig. buitenlands in gevaar brengen bedreigen. belangstellend Congo. marmelade rimpelen.

lawaai. ding beroep. bekleden handwerk. bedrijf handelen. spekken. dicht. hakkelen. bevelen kloosterzuster. omvangrijk. optreden. dempen. ambacht uitgebreid. impliceren aanleggen. beslaan. uiteinde . gedoe. commanderen. zaak. leven. uitdelen bezetten. garant in verlegenheid brengen ophef. ronddelen. besmetting twaalfuurtje. lunch wedden wedden wedden wedden insluiten. verpestend. installeren gijzelaar. beslaan. broodwinning. herberg haas stamelen. rumoer. besmetten. beroep. non monnik verbintenis. fitten. vullen rondgeven. beletten infecteren. bekleden liggen invullen. stotteren actie. mededelen aanvoeren. besmettelijk infectie. contract uitgang. affaire. meedelen.zaiteresowanie zajazd zając zająkiwał się zajęcie zajęcie zajęcie zajęcie zajęć) zajęty zajęty zajmować zajmować zajmować (stanowisko) zajmować się zajmować stanowisko zajmowanie zajmujący dużo miejsca zakańczać zakaz hamować zakazić zakazywać zakazywać zakazywać zakaźny zakażenie zakąska zakład zakład zakład (założenie się) zakładać zakładać klamrę zaciskającą zakładać się zakładnik zakłopotać zakłócenia zakłócenia (sygnału) zakłócenie zakłócenie programu radiowego zakłócenie spokoju publicznrgo zakneblować zakodować zakomunikować zakon zakonnica zakonnik zakontraktować zakończenie belang inboezemen. herrie storing storing storing storing moppen tappen codificeren berichten. verhoeden. handel drijven dienstregeling. geëngageerd bezetten. veelomvattend toe. aansteken verbieden afschrikwekkend verbieden aanstekelijk. handeling aangelegenheid. interesseren logement. gesloten verhinderen. bezet verloofd. rooster druk.

bekendmaken. achterstallig bedrijvende vorm. conclusie uitgang. afhangen afhankelijk zijn. nauwelijks. aanbeveling prooi. aanwinst kwalijk. buigen. afwikkelen. verwantschap afhankelijkheid afhankelijk. stand. adapteren buurt. stop. vrijen aanbevolen recommandatie. afgelopen. afdoen afmaken. toekomen. aankondigen aanbevelen. voordeel waard zijn.zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg zakończenie sygnału przerwania transmisji zakończenie wskazówka zakończony zakończyć zakończyć zakopać zakorkować zakorzeniać się zakotwiczyć zakres ultrakrótkofalowy zakres współrzędnych osi zakręt zakup zakurzony zakwas zakwaterować zakwaterować (wojsk. sfeer. klaar afhandelen. overstelpen. buit. wijk. uiteinde terminal beëindigd. doorbuigen koop. aanpassen. acquisitie. inkoop. plug. amper amper. bol. tal laden . afgewerkt. stadswijk aanpassing procederen bedelven.) zakwaterowanie zakwestionować zalać zalecać zalecać zalecać się zalecany zalecenie zalecie zaledwie zaledwie zaległy zaległy zaległy wysunięty naprzód znakomity zalet zaleta zaleta zalewać zależeć zależeć zależeć od zależeć od czego zależnośc zależność zależny zaliczać zaliczać załadować gevolgtrekking. verdienen zondvloed afhankelijk zijn. recommanderen scharrelen. afhangen scharnier afhankelijk zijn. stopmiddel anker anker kloot. getal. kwalijk onbetaald. verpletteren adviseren. gebied graad. achterstallig onbetaald. actief. beëindigen. het hof maken. rang ombuigen. begraven prop. omgeving. stekker. afsluiten kuilen. aanprijzen. bezit pré. status. onderhorig classificeren. indelen aantal. afhangen familiebetrekking. achterstallig onbetaald. aankoop stoffig gist afstemmen. nauwelijks.

commanderen. mikken op. dichtmaken. knevelen arrangeren. bedoelen gemiddeld doelwit. afdoen omsluiten aanhechting kraal. besmeren slot. wisselen centrale in de plaats stellen van. lawaai verwardheid. oprichten. prejudiciëren mikken. bewegen beroering. plecht. uiteenvallen afpersen. sauzen. beogen. ineenstorten. ordenen afhandelen. leven. doel. burcht slot slot treksluiting. afdwingen. wisselen anticiperen. inruilen. getier smaken slot kooi sluiten. dichtdoen . etablissement. ruilen. rits. verzenden. moedwillig aangrijpen. etablissement. verwarring herrie. rel. doel. bevelen vervagen smeren. ritssluiting veranderen. aanrichten. agitatie. wit bedoeld. oprit ruilen. doorsmeren. strelen. honk. inboeten inruilen. ontroeren. omheind terrein omsluiten bemanning vestiging. aaien blind aanvoeren. roerigheid. lokaas inrichten. beweging herrie. anders maken bedoeling. instelling achtergrond aas. instelling Maria-Hemelvaart vestiging. ophef.załadować ponownie załamanie załamuj załatwiać załatwić (sprawę) załączać załącznik załącznik załączyć (w przesyłce itp) załoga założenia założenie założenie założenie (firmy) założyć przynętę założyć się zamachnięcie zamaskować zamawiać zamazać zamazanie zamek zamek zamek (u drzwi) zamek błyskawiczny zamiana zamiar zamiast zamiast tego zamiatać zamieniać zamienić zamienić zamienić zamierzać zamierzać zamierzać zamierzać zamierzony zamieszać zamieszania zamieszanie zamieszanie zamieszki zamiłowanie zamknąć zamknąć na klucz zamknięcia afzenden. liefkozen. plan. stichten aanhalen. strekking in plaats daarvan in plaats daarvan oprijlaan. kasteel. doelstelling. opzettelijk. expediëren instorten. rumoer.

nalatigheid veronachtzamen bouwvallig. schets. soppen monteren. mislukken afdanken uittreden. nalatigheid storing veroorzaken storing veroorzaken lafhartig. bevelen koelen vriezer. tekening nadenkend nadenkend onderzoeken. afnemen voor indompelen. indompelen ronde toerusten. aftreden. bevelen aanvoeren. dichtdoen begrensd. indopen. inlevering . aftands nonchalance. toegeving terugvallen veronachtzamen achterwege laten. uitvoeren aanvoer. nakijken. doden afbetalen. cessie. dichtmaken. opgeven een miskraam krijgen. levering. bang vervagen kleiner worden. doodmaken. afleggen. dalen dalen. zetten ombrengen.zamknięty zamknięty zamoczyć zamontować (dysk w systemie) zamordować zamortyzować zamożny zamówić zamówienie zamrażać zamrażarka zamrozić zamrożenie zamrożony zamykać zamykać na zasuwę zamysł zamyślony zamyślony zanalizować zaniechać zaniechać zaniechać zaniechać zaniechanie enia zaniedbać zaniedbać zaniedbać zaniedbanie zaniedbanie zaniedbywać zaniedbywał zaniedbywanie zaniepokoić zaniepokojenia zaniepokojony zanikać zanikać zanikać płowieć zanim zanurzenie zanurzyć zanurzyć (się) zanurzyć coś w zaokrąglać zaopatruj zaopatrywać zaopatrzenie sluiten. bedanken concessie. soppen onderdompelen. indompelen duiken onderdompelen. bezorging aflevering. afgrendelen werkje. kleiner worden. gammel. commanderen. examineren prijsgeven. indopen. aflossen gefortuneerd. dichtmaken. eindig. vermogend aanvoeren. weglaten veronachtzamen nonchalance. uitrusten. vriesvak vriezen vriezen bevroren sluiten. afstand. dichtdoen grendelen. commanderen. afnemen. beperkt indompelen. laf. afschrijven. rijk.

ploegen. ijver lucifer uit het hoofd leren. ontbranding ontsteking ontsteking. doen ontbranden. boedel bespreken. behouden geur. luchtje. aanmaken aansteken. aanmaken aansteken. bevoorraden betuigen. van buiten leren verstopping. verzekeren . geur lucht. luchtje. een backup maken van tweede ontzien. uiteenvallen standpunt. vuur. vuurmaker aansteker. lucht stinken. doen ontbranden. royeren ontsteking. intekenen winkel een backup maken. obstipatie inventaris. geestdrift ambitie. aanmaken aansteken.zaopatrzenie w żywność zaorać zaostrzyć zaoszczędzić zapach zapach zapach zapach zapach zapach zapadce zapadnia zapakować do worków zapalanie zapalenia zapalenie zapalenie zapalenie zapalenie opon mózgowych zapalenie płuc zapalić zapalić zapalić (się) zapalić papierosa zapalić się zapalniczce zapalniczka zapał zapał zapałka zapamiętać zapamiętywać zaparcie zapas zapas zapas zapasowy zapasowy zapasowy zapasowy wkład zapaść zapatrywania zapewne zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać (<sth> o czymś) aanvoer. aanmaken aansteker. lucht. gezichtspunt waarschijnlijk beweren. ontbranding ontsteking keelontsteking longontsteking blindedarmontsteking aansteken. reuk. vuurmaker enthousiasme. geur parfumeren reuk. aanmaken aansteken. bergen. doen ontbranden. aroma reuk. beploegen aanzetten. spekken. scherpen. van buiten leren uit het hoofd leren. ineenstorten. ontslaan. constipatie. bezorging omploegen. verzekeren bevestigen. geur. sparen instorten. slijpen redden. verzekeren betuigen. doen ontbranden. doen ontbranden. vies ruiken haan van een vuurwapen achterdeur ontzetten. aannemen provianderen. reserveren. sparen ontzien. luchtje.

sleur in tegenspraak zijn met. dichtgespen vasthaken discus. verleren vergeetachtig vorderen. afstammen afleren.zapewnić zapewnić zapewnić zapinać zapinać (się) Zapinka zapis zapis piątkowy zapisać zapisać (dane) pisać zapisać w testamencie zapisanie zapisywać zapisywać zaplanować zaplecza zapłacić okup zapłata zapłon zapłon (silnika) zapłon silnika zapłonąć zapłonąć zapobiegać zapoczątkować zapoczątkować zapominać zapominalski zapotrzebowania zapotrzebowanie żądanie zapowiadać zapowiedzieć zapowiedzieć zapowiedź zapowiedź zapowiedź zapraszać zaprosić zaprosić zaproszenia zaproszenie zaprotestować zaprowadzony porządek zaprzeczyć zaprzeczyć zaprzęgać zapuszczone mieszkanie itp zapychać (się) beweren. aanbieden afschaduwing aandienen. bepalen dichtknopen gespen. grammofoonplaat. chef. aanmaken beletten. ding routine. dichten. noden uitnodiging. vastgespen. behouden neerschrijven. object. uitschrijven nalaten discus. ontbranding ontsteking. verhoeden de stoot geven tot het gevolg zijn van. tegenspreken ontkennen span stortplaats stoppen. aanvoerder. aanmaken aansteken. rekwireren. vragen. schijf gebieder. voorspellen. verzekeren fixeren. aanrichten. ordenen een backup maken. vrijkopen. verzekeren betuigen. schijf boek jota arrangeren. invitatie mikpunt. vergeten. doen ontbranden. inviteren. baas redden. invitatie uitnodiging. adverteren aankondiging. bieden. noden vragen uitnodigen. plaat. vragen. schrijven. rekwireren. ontbranding ontsteking. verhinderen. onderwerp. bergen. adverteren uitloven. grammofoonplaat. ontbranding aansteken. een backup maken van loskopen. plaat. opvorderen vorderen. aankondigen. voorzeggen aandienen. doen ontbranden. opvorderen beduiden. afkopen afbetaling ontsteking. bevestigen. aankondigen. inviteren. dichtmaken . verkondiging uitnodigen.

beginsel. beheren administreren. bewind. geëngageerd gage. genezen. administrateur intendant. winnen. besturen administratiekantoor. uittrekken administreren. administreren. besturen bestemmen. bestuur administratiekantoor administratiekantoor. aanstellen aanrekenen. beginsel. aansteken aanstekelijk. salaris microbe nietig. grondig. onbelangrijk beperken. bestuur beheerder. verpestend infectie. baseren principe. winnen. behalen gage. besmetting pest pest microbe infecteren. grondbeginsel fundamenteel primair ingrijpend. beheren. bevelen benoemen. beheerder. loon verdienen. salaris. omtrek administratiekantoor. bezoldiging. bestuur principe. administrateur bestuurder. bestuur aanvoeren. toeschrijven. beknotten omlijning. begrenzen. behalen beter maken. toedichten gronden. radicaal . ondervragen verdienen. bestuur administratiekantoor. opzichter. bezoldiging. meier besturen. ijdel. beheren. besmetting roestig reageren reageren aangeven verloofd.zapytać zapytanie z podpowiedzią zapytywać zarabiać zaradzić zaraza zaraza zarazą zarazek zarazić zaraźliwy zarażenie zardzewiały zareagować na coś w jakiś sposób zareagować <to sth> na coś <with sth> w jakiś sposób zarejestrować zaręczony zarobek zarobić zarobkach zarodek zarozumiały Zarys zarys zarząd miasta zarządca zarządca zarządca plików zarządzać zarządzać zarządzać zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia zarządzanie zarządzanie zarządzanie automatyczne zarządzanie zautomatyzowane zarządzenie zarządzić zarzut Zasada zasada spokoju zasada superpozycji zasadą zasadniczy zasadniczy zasadniczy vragen enquête een verhoor afnemen. helen infectie. loon. grondbeginsel heerschappij. besmetten. besmettelijk. commanderen.

tegoed. klep inboeten. macht.zasadowy zasady zasady postępowania zasadzka zasilacz samochodowy/lotniczy zasilać zasilać zasilanie zasilanie moc zdolność władza zasilanie zaopatrzenie zasiłek zaskakiwał zaskakiwał zaskakując zaskarżać zaskoczenia zaskoczenie zaskoczyć zasłona zasłona dymna zasłonić zasłudze zasługa zasługa zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasłużyć (się) zasłużyć się zasnąć zasobnik zasobnik kart zasobnik kart (dziurkowanych) zasób zasób środek trwały zaspokoić zastanawiać się zastanawianie się zastanowienie zastaw zastaw zastaw zastawce zastawić pułapkę/sidła zastawka zastąpić zastąpić kogoś basisbekeuring. stipendium. aanwinst stil. toekomen. acquisitie. credit waard zijn. bezorging aanvoer. verdienen creditzijde. rustig. verdienen slapen. subsidie inhalen geschrokken ontstellend een proces aanspannen tegen betrappen. behalen waard zijn. weerglans nakomertje cijfer. bedaard. nummer pion pand. verrassen. kalm zich verbazen. verdienen waard zijn. toekomen. snappen betrappen. krediet. verdienen waard zijn. in de plaats stellen van inboeten. waar verdienen. onderpand. toekomen. gebruiken. snappen overgordijn. bezorging heerschappij. bikken. mogendheid aanvoer. verrassen. verdienen waard zijn. klep slag. toekomen. zich verwonderen afspiegeling. kazemat dienblad. mantel waard zijn. waardig. vreten aanvoer. maffen bunker. krant opslaan prooi. krijgskunde een hinderlaag leggen bewerker eten. proces-verbaal. jas jas. toekomen. presenteerblad blad. bezorging ondersteuning. verdienen eerzaam. borgstelling schuif. winnen. valstrik. verrassen. in de plaats stellen van . toekomen. scherm. val schuif. snappen betrappen. doek mantel. buit. gordijn. notulen strategie.

vervanging afwisselend afstemmen. verpletteren congestie. eren preferentie. aandrang dik. verzadigen inenten.zastąpienie zastępca zastępca zastępca zastępca zastępczy zastępować nowszą wersją zastępował zastępowanie zastępstwa zastępstwa zastępujący zastosować zastosować zastosowanie zastraszyć zastraszyć zastrzec sobie prawo autorskie zastrzegać zastrzerzenie zastrzeżenie zastrzeżenie zastrzyk zasymilować zasypać zasypuj zasypuj zaszczepić zaszczepić (przeciw chorobie) zaszczycie zaszczycie zaszczyt zaszczyt zaś zaświadczać zaświadczać legalizować zaświadczyć zaświadczyć zataić zatapiać zatarg zatem zatkać zatkać się zatłoczenia zatłuszczony zatoka zatoka vervanging. credit huldigen. inboeten afwisselend vernietigen. adjunct. in de plaats stellen van vervanging. doorvoeren aanwending. assimileren stoppen. tegoed. kopijrecht bespreken. vergaan conflict ook weer. ergo. vernielen inboeten. oculeren. certificeren betuigen. aflossing aflossing. kwalificatie kwestie. verhelen verdrinken. eren maar. injectie in zich opnemen. dus. overstelpen. navraag spuitje. dichten. dichtmaken belegeren doortrekken. certificeren getuigen. adapteren aanwenden. inspuiting. certificeren getuigen. inham. inham. intekenen bevoegdheid. verwoesten. enten vereren. aflossing vervanging. plaatsvervangend in de plaats stellen van. enten inenten. boezem . bocht. helper steward subsidiair. privilege. vettig. prae creditzijde. oculeren. dichtmaken bedelven. bloedaandrang. ontveinzen. huldigen. schrik aanjagen copyright. kreek golfspel. aflossing assistent. krediet. doch getuigen. toch stoppen. kwalificatie bevoegdheid. reserveren. golf. aanpassen. toepassing koe doen schrikken. verloren gaan. vet baai. verzekeren verbergen. vereren. dichten. vraag.

bekendmaken aanplakken aandienen. constipatie. bougie fiducie. vertrouwen. beamen. obstipatie beweren. zelfverzekerd steeg plaatsbewijs. aanwerven toepassing. biljet. betrouwbaar zelfbewust. aankondigen adviseren. ophouden. aanmerking. aannemen bijval. geloof fiducie. krediet. blaam uitgang. toepassing aannemen. detineren. vertrouwen. halthouden. aankondiging . acclamatie. dichten. blijven staan logeren box reserveren. billijken. geloof creditzijde. aanwending aanhouding. aanwerven aanwending. bekendmaken.zatonąć zatopić zator zatruć zatrudniać zatrudniać zatrudniać (pracownika) wykorzystywać zatrudnienia zatrudnienie zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać (się) zatrzymać (się) zatrzymać się zatrzymanie zatrzymanie pracy procesora zatrzymanie ze względu na adres zatrzymuj zatwardzenie zatwierdzać zatwierdzać zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzić zatyczka zatykać zatykać zaufania zaufanie zaufanie zaufanie zaufany zaufany człowiek zaułek zauważyć zauważyć zauważyć uwaga zawarcie (umowy) zawartość zawartość łyżeczki do herbaty zawiadamiać zawiadamiać zawiadamiać zawiadomić zawiadomienia zinken. tegoed. goedkeuren ontstekingsbuis. adverteren verkondiging. halthouden. aanplakbiljet. toejuiching ja zeggen. plakkaat berisping. bougie stoppen. blijven staan logeren box logeren logeren afslaan. fiducie hebben in vertrouwd. bevestigen vormsel. moes. aan de grond raken zondvloed jam. arrestatie reserveren. aankondigen. huren. credit vertrouwen. detineren afslaan. marmelade vergiftigen. dichtmaken ontstekingsbuis. aanwending toepassing. aanneming beamen. vergallen. uiteinde inhoud inhoud adviseren. standje. kaartje affiche. vergeven aannemen. aankondigen. ophouden verstopping. huren. verzekeren bevestigen.

beroep. steeds permanent. beroepswedijver smart. klep duizelig duizeling. immer. halsstarrig. wis. ooit altijd. bedrijf schuif. ijverzuchtig benijden. behelzen omvatten. afgunstig. beschaamd maken beschaamd altijd. inhouden. geheimzinnig compliceren. afwikkelen. leed. aldoor. beslaan inclusief afslaan. zetten in de steek laten. eens. bij voortduring eenmaal. beroepsprofessioneel. hinder foei beschamen. immer. laten merken anemoon anemoon mysterieus. steeds koppig. hardnekkig volhardend . knelpunt. ambacht handwerk. benardheid. blijven staan hangen hangen monteren. inhouden. afdoen bevatten. aangrijpen professioneel. ingewikkeld maken gecompliceerd. aanplakbiljet. bos jaloezie. wel eens. beroep. halthouden. grijpen. ingewikkeld bundel. jaloers zijn op. beroepsprofessioneel. verdriet handwerk. afgunstig jaloers. misgunnen bemachtigen. ambacht beroep. plakkaat stationschef scharnier afhandelen. naijver ijverzuchtig. duizeligheid foei penarie.zawiadomienie zawiadomienie zawiadowca stacji zawias zawierać zawierać zawierać zawierać zawierać (umowę) zawierający wszystkie funkcje zawiesić zawiesić się zawieszać zawieszenie zawieść zawilca zawilec zawiły zawiły zawiły zawiniątko zawisć zawistny zawistny zawiść zawładnąć zawodowiec zawodowiec (w sporcie) zawodowy zawody zawód zawód zawód pisarza zawód pisarza zawór zawrotny zawrót głowy zawstydzać zawstydzenie zawstydzić zawstydzić się zawstydzony zawsze zawsze zawsze zawsze dostępny zawzięty zawzięty aankondiging. verkondiging affiche. broodwinning. jaloers. behelzen smeden bevatten.

gezellig. behoeven. naijver maas. overbodig weglopen. samenkomen. rooskleurig onderzoeken. convergeren elkaar dekken. vluchteling elkaar dekken. jaloers zijn op. nakijken. verwoed. abstraheren vergaderen. rose. moeten. ijverzuchtig geel ijverzuchtig. afgunstig. innen. breisteek. knus tand roze. abstraheren deduceren. apparaat. loskopen. gelijksoortig collectief. groep. gemeenschappelijk oogst hoop.zazdrosny zazdrosny zazdrosny (<of sb> o kogoś) zazdrościć zazdrość zazdrość zazębienie zaznaczyć zaznajomiony z czym (człowiek) zazwyczaj zazwyczaj zażalenie zażarty zażądać zażenować zażyły ząb ząbek (czosnku) zbadać zbawca zbawiać zbędny zbędny zbiec zbieg zbiegać się zbiegać się zbiegać się nadawać zbieżność zbiegowisko zbierać zbierać zbierać oklaski zbierać się zbierać się zbierać sumować zbierać wierzchnią warstwę zbieranie danych o wydajności zbieraniną zbieżny zbiorowy zbiory zbiór zbiór zbiór zbiór danych gotowy zbiór docelowy zbiór drzew (w teorii grafów) zbiór zmian po wykonaniu operacji jaloers. map inrichting. hulpmiddelen . bijeenkomen scheren oogst acquisitie hutspot analoog. dossier inrichting. apparaat. vergaderen. hulpmiddelen inrichting. afgunstig benijden. congruent zijn bijeenkomst. rozig. kudde. samenkomst collecteren. hulpmiddelen woud. samenlopen. dol nodig hebben. hoeven in verlegenheid brengen intiem. strik merken. misgunnen benijden. tekenen welbewust. schare. misgunnen jaloezie. bewust gewoonlijk gewoonlijk beschuldiging. overeenkomend. afleiden. afleiden. apparaat. examineren Verlosser vrijkopen. aanklacht doldriftig. bos ordner. woedend. meeting. drift bestand. afkopen onnodig overtollig. drossen uitgewekene. steek. inzamelen deduceren. congruent zijn samenkomen. wegrennen. jaloers. jaloers zijn op. innig. bijeenkomen samenkomen.

voortgang hebben. ontaarden. klappen. zin. opvallen . vervreemding overschatten. opinie. aan de rol zijn aanrijden. evenement belangrijke gebeurtenis. kuras. korrel straatschuimer. gebeuren gebeuren. uitmaken definitief. likdoorn zaadkorrel. bepaling gedachte. uitspraak belangrijke gebeurtenis. pantser koek. ontaarden. bundel. mening. bepantsering. wakker maken. oever bombarderen eksteroog. kust. pit. ook verkoop. opwekken evenzeer. dunk. bos uitgebreid. zenuw-. omvangrijk. verbasteren degenereren. bos gevolg samenscholing wis.zbiór znaków kodowanych alfabetycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiórka zbitka rejon zbity zbliżać się zbliżać się zbliżony zbliżyć zbliżyć się zbocze zbocze (impulsu) krawędź (grafu) zbombardować zboże zboże zbój zbroja zbroja zbrylić się zbudzić any zbudzony zbyt zbyt towarów zbyt wysoka ocena zbyteczny zdać zdalny zdanie zdanie zdanie zdanie (twierdzące) zdarzenie zdarzenie zaszłość zdarzyć się zdarzyć się zdecydować zdecydowanie zdegenerować się zdegenerowany zdejmował zdemontować zdenerwowany zdeprawować zderzać się zderzać się repertoire bundel. pantser kuras. wis. eveneens. mede. voorrijden slaan. ververwijderd. harnas. clausule. glooiing wal. voorgoed degenereren. nerveus boemelen. aangifte. veelomvattend benaderen aanvliegen benaderen benaderen aanvliegen helling. evenement toegaan. volzin declaratie. cake wakker. verbasteren afstandelijk afstijgen zenuwachtig. kant. visie frase. harnas. apache bepantsering. boord. beslissen. aan de hand zijn besluiten. ver voorwaarde. wakend wekken. overwaarderen onnodig inhalen verwijderd. kloppen. eelt. brassen.

klein. buit maken buit maken. verkrijgen. aanrijding aanrijden. kundigheid aanpassingsvermogen geschiktheid aanpassingsvermogen bekwaamheid.) zdjęcie migawkowe zdławić zdobić zdobienie zdobycia zdobycz zdobyć zdobyć wewnętrzną świadomość zdobyć wewnętrzną świadomość zdobywać zdobywać zdolności przetwarzania zdolność zdolność zdolność zdolność adresowania zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie zdolność przystosowania się zdolność przystosowawcza zdolny zdolny zdolny do narzucenia zdołać zdrada zdrada zdradą zdradzać zdradzić tajemnicę/oddać coś zdrętwiały zdrętwiały zdrobniały zdrobnienia zdrobnienie zdrowie zdrowy zdrowy na umyśle bumper. behendig. kundigheid faculteit capabel. behalen verkrijgen. plaat luik fotograferen. karig. aanvaring. capabel. aanrijding botsing. valide gezond van lijf en leden . plechtig. verkrijgen. beetkrijgen raaf buit maken. kundig administreren. stootkussen. fit. klein. prent. louteren afhaken. loshaken fotograferen. buffer botsing. kieken fotografie beeld. kieken onderdrukken. ceremonieel luttel. aanvaring. decoratie. min. kundig. afbeelding. behalen uitreiken. pakken. karig. karig. laten merken in de steek laten. verschaffen. neerslaan versieren sieraad. bekwaam bekwaam. bekwaam bedreven. behalen buit maken. verkrijgen. laten merken verdoofd afgemeten. gering luttel. klein. besturen verraad verraad verraad in de steek laten. gering luttel. min. schoonmaken. kundigheid bekwaamheid. tooisel beetnemen. handig. gering gezondheid gezond. verstrekken aanpassingsvermogen bekwaamheid. beheren. smoren.zderzak zderzenia zderzenie zderzyć się zdjąć zdjąć z haka zdjęcia zdjęcia (w filmie) zdjęcie zdjęcie (fot. min. voorrijden reinigen.

stuk. nihil nul scheelzien. polshorloge horlogemaker. zenit defect. sterven ademloos. lust. dutten vernietigen. zin zefier uurwerk. verwoesten. aggregaat vergaderen. Kaapse ezel aggregatie. sluimeren. dutten sluimeren. smoren. bewusteloos raken bezwijmen. luwen zwak bezwijmen. bewusteloos raken wraak wraak wraak hoogtepunt. overlijden. neerslaan doodgaan. bedorven. buiten adem zebra. loensen nul. samenkomst vergadering. aanzienlijk onderdrukken. meeting. nul nul nul nihil. scheelkijken. verbazen bevreemdend. nul . bloot. nihil nihil. klok wijzerplaat horloge. klokkenmaker daling. landing Zeeland enkel. verlangen. kapot rot. amechtig.zdrój zdrzemnąć się zdrzemnąć się zduciś zdumieć zdumieć zdumiewać zdumiewający zdumiewający zdusić się zdychać zdyszany zebra zebrać zebrać zebrania zebranie zebranie zebranie zechcieć zefir zegar zegara zegarek zegarmistrz zejście na ląd (ze statku) Zelandia zelówka zelżeć zemdleć zemdleć zemdlenia zemsta zemsta zemścić się na kimś zenit zepsuty zepsuty zepsuty zepsuty fabrycznie zera zera zerkać zero zero zero zero nastawiaine zero nieznaczące badplaats druilen. samenkomen. verrot nul. bekoelen. uitstekend. begeerte. verbazingwekkend eminent. bevreemden. zitting wens. vernielen verwonderen. verbazen bevreemdend. bijeenkomen bijeenkomst. druilen. meeting. bedorven. bevreemden. samenkomst samenscholing bijeenkomst. louter bedaren. verrot verspild rot. verbazingwekkend verwonderen.

zero nieznaczące zero początkowe zerować zerowy zerowy (przewód elektr. laten begaan. uitglijden vandoor. toestaan . onpartijdig een miskraam krijgen. gedogen. heen. laten schieten toelaten. toestaan toestemming. afzijdig. aflevering katern. uiterlijk buiten naar buiten. uiterlijk daarbuiten. afschaven stijfheid oefenen.) zerwać zerwanie zesłać (nieszczęście) zespół zespół Zespół budynków zespół odczytującodziurkujący zespół projektowy zespół serwerów zestaw znaków kodowanych alfabetycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestawiać w bloki zeszlifować zesztywnienie zeszyt zeszyt zeszyt (szkolny) ześlizgnąć się zetrzeć zetrzeć zewnątrz zewnętrzna strona zewnętrzna strona zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zez zeznaj zeznania zeznanie zezowaty zezwalać zezwalać zezwolenie zezwolenie nul nihil. buiten. scheelkijken. meeting. verwijderd. aggregaat repertoire bundel. verdriet doen bende. teruggeven getuige scheelzien. licht. wis. loensen certificeren. schrift. reproduceren. uitwendig. mislukken een miskraam krijgen. extern. schrift. schare groepering. klaar nul neutraal. schare aggregatie. samenkomst gevolg blokkeren. loensen laten. buitenwaarts leden. oppervlak extern. uitwendig. bedroeven. mislukken beproeven. bos bijeenkomst. getuigen hergeven. uiterlijk buiten-. scheelkijken. vastzetten schaven. aflevering slippen. aanhang scheelzien. drillen katern. nul hel. samengesteld gevolg bende. goedvinden. over uitwissen buiten buiten oppervlakte. fiat toelaten. eruit. troep. gedogen. buiten-. groep complex. troep.

medeklinker lid worden het eens zijn. ons. leven. goedvinden toestemming. rechtsom aangenaam. lossen toelaten. syllabe lettergreep. nagaan lettergreep. aanvrager onderzoeken. lawaai. tappen. herrie verfomfaaien. overeenstemming overeenstemming. toegeven. doorbuigen gebogen. kreukelen. we wij. rumoer. boef ombuigen. passend. overeenstemmen passen. run rot. frommelen ellendeling. schavuit. toeloop. goedvinden. we toestemming. in overeenstemming zijn het eens zijn. aanneming. plooien vrijwilliger. ploert. maagzuur. behaaglijk. fiat bescherming met de klok mee. gissen. toestaan gebit gebit raden. exploreren. rechtsom met de klok mee. buigen. overeenstemmend congruent consequent consonant. overeenstemmen maagbrand. ons. bedorven. overeenstemming het eens zijn. toepassing aandrang. uitlaten. syllabe aanwending. goedvinden. zuur ophef. volontair verzoeker. bevestigen concert het eens zijn.zezwolenie na zapis zezwolenie zapisu zezwolenie zdalne zezwolić zezwolić na opublikowanie zębach zęby zgadywać zgadzać się zgadzać się zgadzać się zgadzać się (<to sth> na coś) zgaga zgiełk zgięcia zgięcia zginać zginać zginać zgłaszać się na ochotnika zgłaszajacy się zgłębiać zgłosce zgłoska zgłoszenie zgnieść zgniły zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara zgodnie z obrotem wskazówek zegara zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny ze standardami branżowymi zgodzić się zgodzić się zgorzkniały zgrabny wij. gedogen. fiat loslaten. vouwen. genoeglijk congruent adequaat. samenklank ja zeggen. beamen. overeenstemmen bitter beminnelijk . onthaal accoord. verrot aanvaarding. krom omvouwen. doorzien accoord.

geest. jungle. knarsen raspen nadeel. bodem. nurks. bijeenkomst samenscholing vergaderen. beitsen bitsheid snibbig. bijeenkomst meeting. vereenzelvigen groen groen aanaarden achtergrond. aardappel aards. verschijnen verschijning. korrel tuinboon. rimboe koud koud koud ijsvogel blinde.zgromadzenia zgromadzenie zgromadzenie zgromadzić zgryz zgryźliwość zgryźliwy zgryźliwy zgrzeszyć zgrzewarka zgrzytać zgrzytania zguba ziarnistość ziarnko (grochu ziarnko (klasa JavaBeans) ziarno ziarno zidentyfikować zieleń zielony ziemia Ziemia (jako planeta) ziemianin ziemniak ziemski ziemski ziewać ziewać ziewanie ziewnięcie zima zimą zimnica zimno zimny zimny zimorodek zjawa zjawa zjawiać się zjawianie się zjawienie się zjawiska zjawisko zjazd zjednoczenia zjednoczenie meeting. pit. samenkomst. knauwen. droombeeld opdraven. gapen wijd openstaan. pit. korrel zaad identificeren. gapen wijd openstaan. gapen wijd openstaan. droombeeld congres unie unie . schade. bijeenkomen happen. veldboon tuinboon. nors. blinde bij kaarspel gezicht. opdagen verschijning. samenkomst. honds. bijten. onaardig zondigen lasser piepen. fenomeen gezicht. samenkomen. aarden aards wijd openstaan. veldboon zaadkorrel. deficit. verschijnen verschijnsel. gapen winter winter oerwoud. visioen. strop zaadkorrel. grond. boon. ondergrond chaperonneren pieper. boon. bits bars. visioen.

toorn gramschap. nalatigheid koek. meetellen afwikkelen. aanvragen. steler diefstal. aan de grond raken muf. gelid. lid worden. opheffen situeren. benauwd. aangrijpen gewricht. gotisch lettertype breuk.zjednoczony zjedzony przez mole zjełczały zlecenia zlecenie zlecenie zlecenie zakupu zlecić zlecić delegat zlekceważenie zlepiać (się) zlew zleżały zlęknąć się zliczanie zlikwidować zlokalizować zlość zlość zenie zlot złamać złamać (zabezpieczenie złamać zabezpieczenie złamania złamanie złamanie ochrony pamięci złamany złapać złapać złapać kogoś na gorącym uczynku złącze złącze złącze złącze złącze p-n stopniowe złącze przelotowe portu równoległego złącze punkt połączenia złącze żeńskie złącze) ceramika—metal złączenie Złączka zło złocie złodziej złodziejstwo złom złościć złościć verenigd mottig ransig. letsel toebrengen gulden. boodschap. bevelen vragen. boosheid. verzoeken opdracht. afvaardigen nonchalance. commanderen. hakken breuk. geleding. grijpen. ontvreemding afkeuren ergeren. schede. toorn bijeenkomst. commissie benoemen. foedraal unie aansluiting haven interface aansluiting aanhechting zich aansluiten. liquideren. rans. commissie aanvoeren. knoop aansluiting houder. aangaan spijkeren. leggen. lid. knoop kwetsen. plaatsen gramschap. gouden dief. gotisch lettertype defect. aanstellen delegeren. meeting. ergeren . kappen. hakken houwen. lid. boosheid. geleding. gortig kwartel in aanmerking komen. boodschap. verontwaardigen grieven. gotisch lettertype breuk. inroepen. stuk. garstig opdracht. goor. adellijk. cake zinken. nagelen bemachtigen. kapot aanfloepen. ranzig. gelid. samenkomst afbreken houwen. aanflitsen. bedroeven. toetreden gewricht. kappen.

nijdig. mat. toorn trots kwaadaardig. deponeren. aangaan afgeven. illusie kwaad. fronsen verdriet. samengesteld toondicht. anders maken opmaken. in bewaring geven complex. gouden aanfloepen. bergen. ook weer. bodem. redigeren. kwaadaardig afschuwelijk hatelijk. afjakkeren. bedroeven droefheit.złość złośliwość złośliwy złośliwy złośliwy złośliwy złota moneta dziesięciodolarowa złota rybka złoto złoty złoty złoty (polska waluta) złowić złoże złożenie złożenie skład złożony złożony z dwóch jednakowych elementów złożyć złożyć (np. stuk. gehavend. kwaad kapot. defect. gouden gulden. samengesteld vergaderen. afnemen verspild rimpelen. leed leed. beproeving smart. hatelijk boosaardig. bijeenkomen opbergen. hatelijk. begoocheling. hartzeer. moe veranderen. samenkomen. bergen. zich aftobben verminderen. toornig. afbeulen vermoeid. arend goudvis gulden. anders maken verschuiving afleidingsmanoeuvre ergo. kwaadaardig adelaar. insluiten opbergen. kaduuk worstelen. dus. verdriet. boosaardig. boos kwalijk. toch ontsnappen. ontgaan verschuiving achtergrond. grond. aanflitsen. spartelen. boosheid. compositie complex. boosaardig. opstellen . gouden gulden. ontkomen. slecht. insluiten drogbeeld. składany stolik w pociągu) złożyć składany stolik w pociągu złudzenie zły zły zły zmagać się zmaleć zmarnowany zmarszczka zmartwienia zmartwienie zmartwienie zmartwienie zmarznąć zmęczenie zmęczony zmiana zmiana zmiana adresu zmiana kierunku zmiana strumienia magnetycznego na cal zmianą zmielony zmieniać zmieniać zmieniać gramschap. toonzetting. beroerd. ondergrond afwisselend veranderen. verdriet. smart vriezen afmatten. samengesteld complex. gouden gulden.

sensueel verdicht. matverplichten. veranderen anders maken. doorkomen. nachtduivel. samenkomst. verlagen afname dalen. herleiden afdraaien. weken accapareren. zin zinnelijk. bevangen. veranderen anders maken. dwingen. schemerdonker mat. afnemen afdraaien. verlagen inkorten. veranderlijk. samenkomen. vermengen. anders maken wisselend. bevangen. annuleren. verstrooien wisselend. bedeesd reduceren. mengen. verminderen verslappen. samenkomen. bijeenkomst angstdroom. bijeenkomen meeting. wellustig. mixen beschamen. bedeesd temperen. schemerdonker blo. benardheid. halfdonker halfdonker. afwisselend afwisselend afwisselend veranderen. beschaamd maken penarie. aanbreken van de dag schemer. bijeenkomen vergaderen. denkbeeldig. knelpunt. veranderen afwisselend bekeren anders maken. samenspanning halfdonker. veranderlijk. bekoelen. slagen anders maken. zich verpozen bedaren. timide. afwisselend dageraad. schemerdonker. afgelasten in de week zetten. luwen ontbinden. fictief . hinder blo. noodzaken stuwen bedrieglijk.zmieniać zmieniać (się) zmieniać kolejno zmieniać liczbę zmieniać się zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) zmienić zmienić się zmienić (się) zmienić kierunek zmienna związana zmienny zmienny zmienny zmienny zmierzch zmierzch zmierzch zmieszać zmieszać zmieszać się zmieszanie zmieszany zmniejszać zmniejszać się zmniejszenia zmniejszenie się zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć (się) zmniejszyć napięcie zmoczyć zmonopolizować zmontować zmontować (urządzenie) zmontowanie zmora zmowa zmrok zmrożony zmuszać zmuszać zmylić zmysł zmysłowy zmyślony wijzigen. timide. illusoir betekenis. modificeren afwisselend klaarspelen. opkopen vergaderen. inkrimpen. veranderen afleiden. kleiner worden. schemer. weekmaken. incubus komplot. schemer.

relatie. betekenisvol voorbode. vaan. tekenen zaadkorrel. voorteken. voorteken. korrel. bekend zijn met vinden. figuurlijk doel. treffen. moment. karakter. plaatsen toegaan. vlag merken. porto muntstempel tal. bekende kennis. bekende aard. aantal. accuraat voorbode. bedoeling. voorteken. aanmerkelijk. relatie. tekenen dundoek. geaardheid voorbode. voorteken. vaan. vermogen eminent. leggen. vlag dundoek. teken voorbode. strekking veelbetekenend. vaan. gebeuren kennis. teken kogel voorbode. beroemdheid kapitaal. teken port. voortgang hebben. getal oneigenlijk. bedoeling. invoeren gemiddeld kennen. kunde kennis. charlatan. aantreffen situeren. bekende bekendheid. ogenblik. kwakzalver doel. nauwkeurig. asterisk sterretje. plan. teken sterretje. plan. frankering. bekend zijn met kennen. vlag geruim. geaardheid merken. tel aanzienlijk dundoek. hash table mieszać znak nowej linii znak odstępu znak sterujący transmisją znak unikowy znak wodny znak zabezpieczający znak zapytania znak zastępowania znak zastrzeżony usługi znak zgłoszenia znakomitość znakomity znakomity bedrieger. kennis. teken aanleggen beroemd persoon. aanzienlijk . karakter. aanzienlijk importeren. bevinden.znachor znaczący znaczący znaczek znaczek pocztowy znaczek pocztowy znaczenie znaczenie znaczenie znaczenie przenośne znacznie znacznik znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) znacznik stanu klienta znacznik znak towarowy znaczny znaczyć znaczyć znać znać się na znajdować znajdować lokalizować znajdować się znajomość znajomość lokalnych warunków znajomość rzeczy znajomy znak znak znak znak znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. asterisk mijlpaal aard. relatie. voorteken. voorteken. pit voorbode. strekking oogwenk. teken nauwgezet. uitstekend.

grondvesten. nogmaals van voren af aan. uitdoen. herendienst verdwijnen. vierkante decameter tevreden. voldaan ontmoeten. aanhouden opnieuw. blussen. duren. plicht bereidwillig. sloop vernietiging vernietigen. verwoesten. vergenoegd. affronteren gescheld beledigen. ontmanteling. verjagen afschrikken. bereidvaardig uitbeelden. krenken. affronteren lijfeigenschap. kwaadspreken. verjagen afschaffing roddelen.znakomity znaleźć znaleźć znaleźć ukojenie w czymś znamię znawca znawca znęcać się znęcanie się zniechęcać zniechęcić zniesienie zniesławić znieść znieść (na dół) znieść niewolnictwo znieść yć zniewaga znieważać znieważać zniewolenia znikać zniknięcia zniknięcie znikomy zniszczenie zniszczenie zniszczyć zniszczyć zniweczyć zniżka znosić znosić znowu znowu znużony zobacz zobacz <be> zobacz <content> zobaczyć zobowiązanie zobowiązanie bitowe zobowiązując zobrazować zodiak zoo zoolog zoologia onbetaald. treffen. wachten beklijven. oordelen. vernielen doven. opnieuw vervelend ontmoeten. vernielen afname te wachten staan. belasteren afschaffen afschaffen afschaffen maag beledigen. treffen. van voren af aan. berechten gescheld gescheld afschrikken. beuzelachtig. afbeelden zodiak. nogmaals. aantreffen verplichting. bevinden. plicht verplichting. tekenen deskundig beoordelen. funderen vinden. afhalen. verbeelden. aantreffen are. luizig afbraak. uitblussen vernietigen. bevinden. dierenriem dierentuin dierkundige. aantreffen baseren. krenken. zoöloog zoölogie. achterstallig vinden. wijken verdwijning verdwijning onbeduidend. verwoesten. dierkunde . aantreffen merken.

morren. aannaaien. nakijken. regelen. aurora. stoutmoedig. lijst. organiseren Aurora morgenlicht. maken en begrijpelijk. aurora. bief afschrikken. verder op reis gaan. neerleggen. nablijven overig. arrestatie aanleggen. toegeven zich aaneensluiten. aanwakkeren. gedurfd. examineren inspuiten. bedanken prijsgeven. ontslagneming afstand. immoreel. afbreken lotsbestemming. toekomen. nietje. afreizen havenen. aan de schouder brengen nuchter barsten. bestemming. ontslagname. verjagen kader. raam een miskraam krijgen. klamp brutaal. kankeren. plukken. begrijpen. bevattelijk bevatten. verdienen aanvuren.zoologiczny zorganizować zorza zorza zorza polarna zorza polarna zostać zostawać zostawać zostawić zranić zraz zrazić zrąb aplikacji zrezygnować zrezygnować zrezygnował zrezygnował zrobić afront zrobić pętlę zrobić przerwę zrobić sekcję zrobić zapas zrobić zrzutkę zrozumiałem zrozumiały zrozumieć zrozumienie zrównać zrównoważony zryw zrywać (kwiaty) zrządzenie losu zrzec się tronu zrzeczenie się zrzeczenie się (np. morgenrood logeren achterblijven. Zoeloe . sputteren stortplaats afstijgen waard zijn. uitspraak pauzeren onderzoeken. aanmaken. beseffen aanhouding. afstand doen afstaan. splijten. injecteren doen. vastnaaien haakje. aftreden. mislukken uittreden. stout Zoeloetaal. opgeven gemeen. het veld ruimen. bedrijven. onzedelijk afsnauwen declaratie. omlijsting. ontslagneming bedanken. aansporen aanzetten. beschadigen. aangifte. ontslagname. neerleggen. afstand doen afstand. lot bedanken. afleggen. scheuren afrukken. kramp. aansluiten mopperen. odpowiedzialności) zrzekać się zrzekać się (sterowania) zrzeszać się zrzędzić zrzut zmian (zawartości pamięci) zsiadać zsługa zsumować dodać zszyć zszywka zuchwały Zulus zoölogie. morgenrood Aurora morgenlicht. bederven biefstuk. dierkunde uitschrijven.

dicht verstand. voorhebben slopen. luchtband binnenband. Maria-Boodschap voorbode. tegenwerken. kanaal. volledig uitdrukken volkomen. kwijnen. verstuiken spoken tournee. beest troetelen. tering. intellect het gewicht bepalen. finaal louter. consumeren lekker. afgaan. brengen. opzoeken binnenband. dragen. verdorren . totaliter grondig. inlichten bond. rondreis bezoeken. verbruiken. opzoeken bezoeken. voorteken aanverwant. genootschap. enkel. toevertrouwen spel verflensen. straat Annunciatie. luchtband vertrouwen. wegen. afgaan. perfect. aanlokkelijk lokken dwarsbomen. odważyć zwedzki zwężać (się) Zwiastowanie zwiastun związany związek związek związek związek typu "jeden do wielu" związek typu "jeden do wielu" związek zawodowy zwichnąć (staw) zwiedzać zwiedzać zwiedzać zwiedzanie zwierak anty nadawanieodbiór zwierak anty nadawanie-odbiór zwierzać się zwierzchnictwo zwierzę zwierzę zwierzę zwierzę pociągowe zwierzęcy zwierzyć się zwierzyna zwiędnąć soep soep alles wel beschouwd heel. genootschap. geest. nauw. referentie eerbiedigen. associatie familiebetrekking. koesteren. in optima forma longtering. radicaal helemaal. volkomen. aromatisch compact. verwantschap informeren. luchtpijp. verwant bond. vertroetelen dierlijk dierlijk vertrouwen. luchtpijp.zupa zupą zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie obcy człowiek zupełny zupełny zupełny zużycie zużycie energii zużywać zwabić zwabić zwalczać zwariowany zwarty zważać Zważyć. heel. belemmeren geurig. berichten. associatie verwijzing. afwegen Zweeds zeeëngte. toevertrouwen dominion dierlijk dier. respecteren verrekken. bloot compleet. ontwrichten. tuberculose voeren.

kort kernachtig. dubben verdagen. ophogen uitzetting. convoceren aanspannen. zege. open. teruggeven reproduceren. uitstellen inzonderheid inzonderheid. fel. vooral. spoel. vlot. weergeven victorie. ontslaan loslaten. guur. bijeenroepen. reproduceren. aanhouden. klos. lossen ontslaan. gebruik douane gewoonlijk gewoon. uitlaten. reproduceren. royeren aanschrijven uitschrijven. illusoir begoochelen. tappen. bondig. bloot gewoonlijk . schoorvoeten. ontzetten. gewoonte. bobine hergeven. kadaver bedrieglijk. ineenstorten. overwinning veroveren usance. bijeenroepen. zege. plakkaat hergeven. beknopt vochtig instorten. doordringend aarzelen. los. aanplakbiljet. onbelemmerd verslappen. gebruikelijk louter. royeren. enkel. teruggeven adresseren keerkring affiche. expansie kortstondig. kreng.zwiększać zwiększać (się) zwiększanie wyposażenia zwięzły zwięzły zwilżyć zwinąć zwinny zwlekać zwlekać zwłaszcza zwłaszcza zwłaszcza zwłoce zwłoka zwłoki zwodniczy zwodzić kogoś zwolennik zwolnic wolny zwolnić zwolnić (tempo) zwolnić kogoś z pracy zwolnienie zwołać zwołuj zwołuj zwoływać zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) zwornik zwój zwój zwracać powrót zwracać się (<sb> do kogoś) zwrotnikach zwrócić (do repozytorium) zgłosić się zwrócić pieniądze zwrócić uwagę zwycięstwa zwycięstwo zwyciężyć zwyczaj zwyczaj zwyczajnie zwyczajny zwyczajny zwykle vermeerderen opdrijven. verheffen. inzonderheid neiging tot uitstellen vertraging lijk. illusies wekken bij leden onbezet. convoceren aanschrijven uitschrijven. zich verpozen ontzetten. overwinning victorie. in het bijzonder in het bijzonder. het juk opleggen gedachte spoel. uiteenvallen bijtend. bobine klos. kort.

verkeerd misverstand misvatten. lemmet kling. baat. welput bron. kwel. nee. buit. gewin acquest. welput bron. buis leed. verbasteren inflatie zaagvormig zaagvormig verdienste. nee. colbert. niet niks. gemeenschappelijk ingeboren.zwykle tekstowe zwykły zwykły zwykły zwykły zwykły papier zwykły tekst zwymiotować zwyrodnieć zwyżka (cen) zygzak zygzakowaty zysk zysk na akcję zysk na akcję i ekwiwalent akcji zysk na akcję i ekwiwalent akcji zyskać zyskać zyskać na czasie źdźbła źdźbło źdźbło (trawy) źdźbło trawy źle źle źle zastosować źle zrozumieć źle/nieudolnie kierować (instytucją itp) źrebak źródła źródła źródła źródło źródło mocy sterowane cyfrowo źródło upuszczania źródło zasilania ż żaba żabą żaden żaden żaden żaden (w zdaniach przeczących) żaden z dwóch żaden z nas żagiel żakiet żal gewoonlijk onopgesmukt. wel. niet neen. naakt algemeen. lemmer. geen zier neen. lemmet schrijden slecht onjuist. lemmer. prooi verdienste. niemendal. aangeboren gewoon. geen. kwel. ontaarden. niets. wel. kotsen degenereren. een of ander. braken. baat. onbedekt. buit. gemeenschappelijk gewoon. welput bron. winst. winst. gewin kling. herkomst aanslaan. kikvors een of andere. lemmet kling. verkeerd begrijpen slecht pony oorsprong. wel. noch niks. gebruikelijk algemeen. lemmer. prooi verdienste. verdriet. wel. foutief. vrouwtje kikker. afkomst. niets. kwel. kwel. bloot. behalen acquest. gewin buit maken. gebruikelijk spugen. buit. kikvors kikker. niemendal. geen. prooi acquest. baat. overgeven. aanwinst. aanwinst. geen zier zeilen jasje. enig evenmin. verkrijgen. wortel schieten wijfje. smart . aanwinst. wortel schieten bron. welput aanslaan. winst.

grap jargon. vereisen. kwinkslag. gloeien. inkeer bedroefdheid. hongerigheid. clown. opgraven. kwinkslag. pots. pots. delven. hoeven aanspraak maken op. grol. grap mop. inroepen. bepaling aanspraak maken op. bejammeren tot inkeer komen. futiliteit. grol. eisen voorwaarde. eisen opeisen. vereisen. beuzelarij boerten. bejammeren berouw. moeten. aanvragen. priemen. rekenen. verzoeken vragen. gloeilamp. smart. beklagenswaardig betreurenswaardig.żal żal żal żalić się żaluzja żałoba żałosny żałosny żałość żałować żałować żałował żałował żar żarcia żarcie żarcie żargon żargon techniczny żarliwy żarłoczny żarówka żart żart żartować żartować żartować z kogoś żartowniś żarzyć się żądać żądać żądać żądać informacji żądania żądania żądania żądanie żądanie żądanie danych żądanie informacji dochodzenie żądanie zaprzestania EGP żądanie zaprzestania EGP żądanie znacznika czasu żądła żądło żądny żądza żądza betreuren. prikken. hoeven nodig hebben. wee betreuren. pots. verzoeken opeisen. gloeien. eisen vragen. verterend begerig. inroepen. verkiezen. behoeven. gretig ampul. grol. priemen. schertsen. blaken opduikelen. rekenen. inroepen. moeten. gekscheren mop. behoeven. belust. happig. eetlust. spijtig ach. vurig. bejammeren tot inkeer komen. steken dorstig graagte. gekscheren hansworst. harlekijn in gloed staan. verzoeken aanspraak maken op. aanvragen. peer boerten. aanvragen. gekscheren mop. rooien boerten. prikken. zijn beklag doen luik rouw erbarmelijk. lampje. rekenen. trek trek hebben in. claimen pikken. berouw hebben betreuren. schertsen. begeren . schertsen. verzendend. lamp. droefheid klagen. claimen vragen. claimen inspectie houden. conditie. berouw hebben in gloed staan. grap bagatel. taaltje jargon. boetvaardigheid. kwinkslag. claimen opeisen. vereisen. blaken aanspraak maken op. steken pikken. inspecteren nodig hebben. taaltje gloeiend.

eetbak. bak. deerlijk. pijnlijk. lust. dokken soldaat echtgenote. afbikken slak. dooreenhalen verwarrend wijfje. aan. hartstocht plaatsbewijs. bewijs spieken. smartelijk oogst oogst maag eikel storten. lust.żądza żądzą że że że żeberka żebrać żebrak żebro żeby żeglarstwo żeglarz żeglować żeglować żeglował żegluga żegnaj żelastwo żelazka żelazko żelazo żenić się żenował żenując żeński żerować żeton żeton żeton żeton kontrolny żłobek żłób żłób żmija żmudny żniwa żniwo żołądek żołądź żołd żołnierz żona żona prowadząca dom żonaty żonaty facet/domator żongler żonglerka żonglować passie. afkijken drenkbak. vaarwel ijzeren ijzeren ijzeren ijzeren gehuwd. ribbel. ribbe tegen. biljet. eega. vrouwtje raaf bikken. bedelaar rib. roes. bij. getrouwd van zijn stuk brengen. hartstocht passie. uitbetalen. vrouw des huizes gehuwd. nerf. gemalin. stellen dat aan de grond lopen. teken. zeeman navigeren zeilen navigeren navigatie adieu. vermoeden. vrouw huisvrouw. roes. afkijken spieken. janmaat. kaartje menen. bedelen schooier. betalen. trog adder zeer. bewijs adstructie. getrouwd gehuwd. naaktslak adstructie. getrouwd jongleur jongleren jongleren . teken. voor navigatie varensgezel. tot. naar. krib. stranden schooien.

toegenegen. tor.żonglowanie żólty żółć żółtaczka żółty żółw żółw (kursor w języku Logo) żrący żubr żuć żuć gumę bez przerwy żuk żuraw żuraw (także ptak) żurnal żużel żwawo żwawy żwawy żwir życie życiowy życzenie życzenie życzliwość życzliwy życzliwy życzliwy życzyć życzyć sobie żyć żyć z kimś w niezgodzie Żyd Żyd żydowski żyjący żyjący żyletka żyła żyłą żyrafa żyrafą żyrandol żyrant żyroskop żyrować (weksel) żyto żywe srebro jongleren geel gal benijden. begeren. kras. begeren verkiezen. gravel. verkiezen. spoedig. steengruis. dagblad. rap snedig. begeren. Hebreeër Hebreeuws. joods levend vee. haastig. gezwind. geestig. gauw kwiek. wenden rogge kwikzilver. begeren. aderen giraffe giraffe kroonluchter. veestapel scheermes marmeren. krant as snel. kraan courant. hachje vitaal trek hebben in. levende have. kwik . grind leven. luchter endossant. kudde. overdrager gyroscoop gireren. gevat. schildvleugelige hijskraan. onschuldig goedgezind. trek hebben in voorkomendheid. huizen Hebreeuws. voorkomend verkiezen. aderen marmeren. endosseren. misgunnen geel schildpad schildpad beestachtig. trek hebben in verkiezen. druk. gunstig vriendelijk. trek hebben in bestaan resideren. ad rem gruis. kroon. joods jood. kraan hijskraan. bruut. gevestigd zijn. jaloers zijn op. dierlijk oeros kauwen kauwen kever. ruw. liefheid goedaardig. levendig.

spijs. meeslepend. heg. levende have. vreten voeden voeden element. steg leven. heg. verlevendigen vee. beginsel elementair spontaan eetbaar eten.żywica żywicą żywiciel rodziny żywić żywić żywić żywić do kogoś urazę żywioł żywiołowy żywiołowy żywność żywność żywopłocie żywopłot żywot żywotny żywy żywy żywy żywy inwentarz żyzny hars hars kostwinner recipiëren eten. hachje vitaal levend bezielen. gebruiken. pittig vruchtbaar . veestapel smeuïg. vurig. gerecht haag. bestanddeel. etenswaar. kudde. steg haag. bikken.