Pole1 "spamować" (adj) nijaki 25 funtów a zdumiony abakus abdykacja abdykować abecadła abecadło aberracja aberracją abiogeneza abnegacja

abolicją abolicjonista abolicjonizm abonamencie abonament abonencie abonent abonent (telefoniczny) abonent wywołujący program żądający abonował aborcja aborcją aborygen abrutto absencja absencją absolutnie absolutny absolutny absolutny błąd podstawy czasu absolwencie absolwent absorbcją absorbować absorbował absorbując absorbujący absorpcja zakłóceń kosmicznych abstrahowanie abstrakcie abstrakcie abstrakcja abstrakcja abstrakcja proceduralna

Pole2 doen toekomen, sturen, opsturen nihil, nul pony ampère telraam, abacus afstand, ontslagname, ontslagneming bedanken, neerleggen, afstand doen alfabet, ABC, eerste beginselen alfabet, ABC, eerste beginselen aberratie, afwijking aberratie, afwijking abiogenesis versterving, abnegatie afschaffing tegenstander van slavernij anti-slavernijbeweging abonnement abonnement abonnee abonnee gebruiker bezoeker geabonneerd zijn op abortus provocatus, abortus abortus provocatus, abortus Australische inboorling, aboriginal vettig, vet absenteïsme afwezigheid, absentie, mangel beslist, absoluut, ten enenmale absoluut, onvermengd onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt absoluut, onvermengd afgestudeerd, gediplomeerd afgestudeerd, gediplomeerd absorptie, opslorping in beslag nemen, opslorpen, absorberen in beslag nemen, opslorpen, absorberen fascinerend, boeiend, betoverend fascinerend, boeiend, betoverend absorptie, opslorping abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract begrip, abstractie

abstrakcyjny abstrakcyjny typ danych abstynencja abstynencją abstynent absurd absurd absurdalny aby aby ostrzegać academic ACC accusativus aceton acetylen ACH ach adaptacja adaptacją adapter adapter wejścia/wyjścia adaptować adaptował adaptował adaptował adaś ADDR adepci adepcie adiectivum adiunkcie adiunkt adiutancie adiutant ADMIN administracja administracja administracja państwowa administracja publiczna administracją administracyjny administrator administrator administrator organizator administrować administrować administrowanie admirał

abstract, afgetrokken abstract, afgetrokken geheelonthouding, abstinentie terughoudendheid, onthouding knutseaar, amateur, dilettant onding, absurditeit, ongerijmdheid nonsens, onzin, zever, gekheid dwaas, ongerijmd, onzinnig, absurd gedurende, onder, terwijl, staande entstof, vaccin, vaccine trap, mate, graad accumuleren, ophopen, opeenhopen accusatief, vierde naamval aceton acetyleen och, ach, oh, ah oh, ah, och, ach modificatie, bewerking, aanpassing modificatie, bewerking, aanpassing bewerker bewerker afstemmen, aanpassen, adapteren afstemmen, aanpassen, adapteren bewerkt, aangepast arrangeren, aanrichten, ordenen Adam adresseren aanhang, leden student bijvoeglijk naamwoord, adjectief opvoeden, onderwijzen lector adjudant, ordonnansofficier adjudant, ordonnansofficier beheerder, administrateur administratiekantoor, bestuur administratiekantoor gouvernement, regering, overheid administratiekantoor, bestuur administratiekantoor bestuurlijk, administratief beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur besturen, administreren, beheren administreren, beheren, besturen administratiekantoor, bestuur admiraal, vlootvoogd

adnotacja adnotacją adnotacją adopcja adopcją adoptować adoptował adoptował adoptowany adoracja adoracją adorator ADR adrenaliną adres adres ATM adresacie adresat adresatka adresować adv adv adverbium adwent adwersarz adwersarz adwokacie adwokacie adwokat adwokat adwokaturą aeroport afekcie afekt afekt afektacja afektowany aferą aferą affront Afganistan afgańczyk afisz afisz aforyzm afront afryce Afryka

aantekening, commentaar aantekening, commentaar plaatsbewijs, biljet, kaartje adoptie, aanneming adoptie, aanneming zich eigen maken, adopteren zich eigen maken, adopteren aangenomen, geadopteerd aangenomen, geadopteerd aanbidding, adoratie aanbidding, adoratie bewonderaarster, vereerster adresseren adrenaline adresseren adresseren geadresseerde geadresseerde geadresseerde adresseren direct, overeind, rechtop helemaal, heel, finaal adverbium, bijwoord advent tegenstander tegenstander adviseren, aankondigen, bekendmaken verdediger, pleitbezorger, advocaat pleitbezorger, advocaat, verdediger verdediger, pleitbezorger, advocaat belemmeren, afsluiten, afdammen luchthaven aandoen, aangrijpen affect, emotie, aandoening droefheit, hartzeer, beproeving aanstellerij, onnatuurlijkheid aangedaan, aangegrepen zaak, aangelegenheid, ding, affaire konkelen, intrigeren, bekonkelen beledigen, krenken, affronteren Afghanistan Afghaans aanplakken aanplakbiljet, plakkaat, affiche aforisme, spreuk, kernspreuk afsnauwen Afrika Afrika

Afrykanin afrykańczyk afrykański agawa agencie agencie agencja Agencja Ochrony Środowiska agencją agendą agendą agent agent agent ubezpieczeniowy agentura agitować aglomerat agonia agonią agrafka agrariusz agrarny agregacie agregat agregat v agregować agregować agresja agresją agresor agresor agrest agresywny agresywny agromadzenie agromadzenie ah aimponować akacja akacja riusz akademia akademia akademia usz akademią akademicki akapicie akapicie akapit akceleracja

Afrikaans Afrikaans Afrikaans agave vertegenwoordiger, dealer, agent gedeputeerde, afgevaardigde agentschap agentschap agentschap tak, aftakking departement vertegenwoordiger, dealer, agent verkoper vertegenwoordiger, dealer, agent agentschap agiteren, opruien, ophitsen, opstoken agglomeraat doodsangst, doodsstrijd, agonie doodsangst, doodsstrijd, agonie veiligheidsspeld agrariër, landbouwer agrariër, landbouwer aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat agressie agressie aanvaller aanvaller kruisbes, klapbes agressief aanvallend, offensief samenscholing vergadering, zitting och, ach, oh, ah indruk maken op, imponeren acacia acacia academie, hogeschool, genootschap college academie, hogeschool, genootschap academie, hogeschool, genootschap akademisch, academisch artikel, paragraaf branche, vak, tak artikel, paragraaf versnelling, acceleratie

akceleracją akcelerator akcelerator liniowy akcencie akcent akcent akcent akcentować akcent riusz akcentować akceptacja akceptant akceptować akceptował akceptował akceptował akces akcesoria akcesoria akcesoria panelowe akcie akcie akcja akcja tunelowa akcją akcją akcją akcjonariusz akcydent akcyzą aklamacja aklamacją aklimatyzacja aklimatyzować się akolita akomodacja akomodacją akompaniamencie akompaniament akompaniator akompaniować akompaniował akompaniując akord akord akordeon akr akr (ok. 0.4 hektara) akr dytacja

versnelling, acceleratie accelerateur, gaspedaal, versneller accelerateur, gaspedaal, versneller accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen beklemtonen, accentueren accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen aanvaarding, aanneming, onthaal acceptant accepteren, aanvaarden accepteren, aanvaarden aanvaard, erkend, gangbaar beamen, billijken, goedkeuren aanwinst, acquest, buit, prooi accessoires bijkomstig, bijbehorend, bijkomend accessoires doen, bezig zijn, ageren, handelen actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe veldtocht, campagne bewerking, operatie, ingreep actie, aandeel aandeelhouder ongeluk, accident, ongeval verbruiksbelasting, accijns bijval, acclamatie, toejuiching bijval, acclamatie, toejuiching acclimatisering acclimatiseren acoliet, altaardienaar compromis aanpassing begeleiding, accompagnement begeleiding, accompagnement begeleider, metgezel vergezellen, accompagneren, begeleiden vergezellen, accompagneren, begeleiden ingesloten, bijgaand accoord, overeenstemming accoord, overeenstemming, akkoord trekharmonika, accordeon acre acre acre

akredytować akredytował akrobacie akrobata akrobatka akrobatyczny akrobatyka akronim akropol aksamicie aksamit aksjomacie aksjomat aksjomat wyboru akt akt akt przemocy akt ślubu akt urodzenia akt zgonu akt zgonu akta aktor aktor teatru kukiełkowego aktorce aktorka aktorstwa aktówka aktualnie aktualności aktualny aktualny aktywa aktywiście aktywność aktywność dysku twardego aktywny aktywny szablon aktywować akumulator akumulator akumulator litowy o dużej pojemności akumulował akupunktura akustyczny akustyczny akustyka akuszerce

accrediteren accrediteren kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat acrobatisch acrobatiek acroniem Acropolis fluwelen fluwelen grondstelling, axioma grondstelling, axioma grondstelling, axioma doen, bezig zijn, ageren, handelen aanklacht, beschuldiging huwelijk, echt, echtverbintenis doen, bezig zijn, ageren, handelen geboorte dood, overlijden, sterfgeval naakt, onopgesmukt, onbedekt, bloot dossier, bestand speler, komediant, acteur speler, komediant, acteur toneelspeelster, actrice toneelspeelster, actrice podium, bestuur, tribune, leiding boekentas, theca, aktentas tegenwoordig nieuws, nieuwigheid, nieuwtje afdoend, effectief, doeltreffend actueel, tegenwoordig bedrijvende vorm, actief, bezit onruststoker, agitator, activist actie, gedoe, optreden, handeling actie, gedoe, optreden, handeling werkzaam, actief, bedrijvig werkzaam, actief, bedrijvig wachten, afhalen, te wachten staan accumulator, accu accu, accumulator accumulator, accu accumuleren, ophopen, opeenhopen acupunctuur acoustisch, akoestisch acoustiek, geluidsleer, akoestiek acoustiek, geluidsleer, akoestiek vroedvrouw, verloskundige

akuszerka akwarela akwarium alarm alarm alarm przeciwlotniczy alarm słyszalny alarm w systemie administrowania siecią alarmować alasce Alaska Albania albanią Albańczyk albański albo albo albumina ale ale męczą wzrok) ale zgrabne) alei alei aleja aleja aleja aleja alejka Aleksandria alert alfabet alfabet brajla alfabet brajla alga algebra algebrą Algierczyk Algieria algierski algorytm alibi aligator alkohol alkoholik alkoholowy alkowa alokować alokować

vroedvrouw, verloskundige aquarel, waterverfschilderij aquarium alarmeren, aanslaan, alarm slaan kwiek, druk, kras, levendig, rap kwiek, druk, kras, levendig, rap alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan Alaska Alaska Albanië Albanië Albaans, Albanees Albaans, Albanees ander of eiwit, proteïne maar, doch nog maar, doch dreef, laan vallei, dal steeg wreken, wraak nemen dreef, laan straat steeg Alexandrië kwiek, druk, kras, levendig, rap alfabet, ABC, eerste beginselen blindenschrift, braille braille, blindenschrift alge, wier, zeewier algebra, stelkunde algebra, stelkunde Algerijns Algerije, Algerië Algerijns algoritme alibi alligator drank, alcoholische drank, alcohol alcoholist, drankzuchtige, zuiplap alcoholist, drankzuchtige, zuiplap prieel verloten, loten verzenden

Alpy altana altana altanka alternatywa alternatywą alternatywny alternatywny alternatywny aluminiowy aluminium aluminium aluzja aluzja aluzją amancie amant amator amator herbaty amazonce Amazonka ambaras ambaras ambasada ambasadą ambasador ambicja ambicją ambitny ambona amboną ambulans amer. <fagot> ameryce Ameryka Amerykanin amerykański amerykański orzech biały amfiboliczny niepewny amortyzacją amortyzator amortyzować amortyzować (wstrząsy) amper amper amputacja amputować amputował

Alpen zomerhuisje, zomerhuis zomerhuisje, zomerhuis prieel keus, alternatief, keuze keus, alternatief, keuze afwisselend afwisselend keus, alternatief, keuze aluminium aluminium aluminium toespeling, zinspeling zinspelen toespeling, zinspeling vriendin, vrijster, geliefde, minnares vriendin, vrijster, geliefde, minnares knutseaar, amateur, dilettant knutseaar, amateur, dilettant Amazone Amazone penarie, knelpunt, benardheid, hinder penarie, knelpunt, benardheid, hinder ambassade ambassade ambassadeur, gezant ambitie, eerzucht ambitie, eerzucht ambitieus, eerzuchtig kansel, leerstoel, katheder kansel, leerstoel, katheder ambulance, ziekenauto, ambulancewagen mutserd, brandstapel, mutsaard Amerika Amerika Amerikaans Amerikaans Amerikaans dubbelzinnig, dubbelslachtig aflossing, amortisatie, afschrijving schokbreker in beslag nemen, opslorpen, absorberen afbetalen, afschrijven, aflossen ampère ginds, er, aldaar, daarginds, daar wegneming, amputatie afzetten, amputeren, wegsnijden afzetten, amputeren, wegsnijden

amsterdam amulecie amunicja amunicja amunicją analfabecie analfabeta analityczny analityczny analiza analiza wrażliwości analizą analizować analizować analizował analogia analogiczny analogowocyfrowy analogowo-cyfrowy ananas AND iloczym logiczny Andy anegdocie anegdocie anegdota aneks aneks anemia anemia anemiczny anemiczny anemon angażował Angielka angielski angielski policjant Anglia Anglia (arch. lub poet.) anglią Anglicy Anglik Anglosas anglosaski Angola angolą angora angorą ANI

Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum aantrekkelijkheid ammunitie, munitie ammunitie, munitie ammunitie, munitie ongeletterd, analfabetisch ongeletterd, analfabetisch analytisch analytisch analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyseren, ontbinden, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden pariteit analoog, overeenkomend, gelijksoortig bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging ananas en Andesgebergte, Andes anekdote, anecdote etage, verdieping anekdote, anecdote bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein bloedarmoede, anemie bloedarmoede, anemie bloedarm bloedarm anemoon verloofd, geëngageerd Engelse Engels Engels Engeland, Albion Engeland, Albion Engeland, Albion Engels Engelsman Angelsaksisch Angelsaksisch Angola Angola Angora, Ankara Angora, Ankara evenmin, noch

aloud. tegenzin. voelhoorn. hulpmiddelen. flat . inrichting apparaat. drank engel engel fotografische plaat. bloemlezing antologie. inrichting fototoestel. nee. verkondiging afwijking. hulpmiddelen. antipathie antiseptisch middel een miskraam krijgen. naamloos. inrichting machinerieën complet. abnormaliteit abnormaal Zuidelijke IJszee antenne. camera apparaat. stel appartement. set. straatschuimer apparaat. kiektoestel. mislukken ontbinden. flat appartement. apparaat apparaat. bief anticiperen. flat appartement. hulpmiddelen. ongenoemd aankondiging. verwoesten. antiek ouderwets. afgelasten afbestellen nihil. inrichting hulpmiddelen. straatschuimer apache. afkeer. niet engel engelachtig vernietigen. nul ontbinden. hulpmiddelen. ra antologie. aloud. antiek oudheid antilope antilope pacifisme hekel. bloemlezing interval. tussenruimte antropoloog biefstuk. vernielen geest alcoholische drank. prejudiciëren ouderwets. plaat anoniem. geen. annuleren. afgelasten afbestellen apache. annuleren. spriet. alcohol. inrichting. stelletje.ani ani anielski anielski anihilować animusz animuszach anioł Anioł Pański anoda anonimowy anons anormalność anormalny antarktyczny antena antologia antologią antrakcie antropolog antrykocie antycypował antyczny antyk antyk antylopa antylopą antymilitaryzm antypatią antyseptyczny anulować anulować anulować anulować anulował anuluj Apache Apacz aparacie aparacie aparat aparat aparat telegraficzny aparatura aparaturą aparaturą apartamencie apartamencie apartament neen.

w przybliżeniu aprobacie aprobacie aprobata aprobata aprobować aptece apteka aptekarz ar (100 metrów kwadratowych) Arab arab arab (koń) arabski aranżacją arbiter arbiter luifel. lusteloosheid flegma lusteloos. toejuiching sanctioneren. eetlust. trek aanwending. artsenijbereidkunde farmacie. aanvrager besturen. administreren. lekker graagte. voorvechter apostrof. maatregel arbiter. verdediger apostel. apathisch appelleren. hongerigheid. advocaat. goedkeuren farmacie. een beroep doen op appelleren. bekrachtigen bijval. prijzen beamen. hongerigheid. dofheid. roemen. billijken. eetlust. afdak appartement. verkiezen. een beroep doen op appelleren. een beroep doen op mond. lusteloosheid apathie. scheidsrechter arbiter. scheidsrechter . hongerigheid. fijn. trek trek hebben in. beheren besturen. flat apache. toejuiching loven. een stuk of. beheren Openbaring van Johannes Openbaring van Johannes verontschuldiging missionaris. begeren graagte. artsenijbereidkunde apotheker. toepassing aanwending. melig. opening graagte. acclamatie. administreren. acclamatie.apartament apartament na szczycie budynku apasz apatia apatią apatią apatyczny apel apelacja apelować apertura apetycie apetyczny apetyt apetyt apetyt applaud aplikacja aplikacja zaplecza aplikacją aplikant aplikować aplikował apokalipsa apokalipsą apologią apostolskość apostoł apostoł apostrof apostrofa app approx. verheerlijken. straatschuimer apathie. toepassing verzoeker. zendeling pleitbezorger. eetlust. vierkante decameter Arabier Arabisch Arabier Arabisch akkoord. afkappingsteken aanwending. farmaceut are. circa bijval. toepassing aanwending. afkappingsteken apostrof. gat. toepassing ongeveer. trek smakelijk. dofheid.

legermacht heerschaar. scheidsrechter scheidsrechter. piste. arrestatie reserveren. aangaan canon. oordelen. disputeren. attentie. leger.arbiter arbiter arbiter arbiter (w handlu) arbiter magistrali arbitralnie arbitralny arbitrator zadań archaiczny archanioł archipelag architekcie architekt archiwa archiwum archiwum archiwum dyskowe archiwum wieloczęściowe arcybiskup arena areną areną areszcie areszcie areszt areszt aresztancie aresztować aresztować aresztowanie Argentyna argentyną Argentyńczyk argentyński argumentował aria arizoną arktyczny arkusik arkusz arkusz (papieru)formularz arkusz kalkulacyjny armacie armacie armata armata armia armią beoordelen. geweer heerschaar. leger. krijt. arbitrair. berechten arbiter. kettingzang. ring aanhouding. arrestatie Argentijns Argentinië Argentijns Argentijns twisten. arrestatie arrestatie. Arctica. ophouden. aandacht verdenken aanhouding. eigenmachtig arbiter. krakelen lucht Arizona Noordpoolgebied. scheidsrechter arbiter. vel blad. kampplaats arena. kettingzang. verouderd aartsengel eilandengroep. kampplaats wal. arrestatie acht. krijt. beugel. scheidsrechter archaïsch. aartsbisschop arena. detineren aanhouding. vuurmond roer. piste. bouwmeester architect. arbiter arbiter. vuurmond roer. kanon. formeren. scheidsrechter naar willekeur willekeurig. geweer canon. vel briefkaart vormen. aanhouding aanhouding. bouwmeester archief archief archief archief archief metropoliet. kanon. Arctis blad. archipel architect. legermacht .

arogancja arogancją arogancki aromacie aromat aromatyczny arras arteria arterią arterioskleroza artykuł artykuł (w czasopiśmie) artyleria artylerią artysta artysta estradowy artystyczny artyście Aryjczyk aryjski arystokracie arystokracja arystokrata arytmenyka arytmetyce arytmetyczny arytmetyka arytmetyka arytmetyka dużej precyzji arytmetyka zmiennopozycyjna arytmetyka zmiennoprzecinkowa as as far as I remember asekuracją asekurował asemblacja warunkowa asembler asembler adresowania bezwzględnego asembler skrośny asembler wbudowany asemblować asemblowanie protokół asemblowania zestaw asfalcie asfalt asfaltować ASG ASGN arrogantie. cijferkunst. cijferen somma. aanmatiging arrogantie. cijferkunst. artikel bijdrage geschut. verzekering behoeden. beschermen samenscholing assembler assembler assembler assembler vergaderen. artillerie geschut. dagvaarden betekenen. aroma geurig. arterie aderverkalking. behang slagader. totaal. cijferkunst. cijferen rekenkunde. dagen. som. artillerie artiest. cijferkunst. arrogant geur. cijferen rekenkunde. cijferen rekenkunde. cijferen aas aas assurantie. bedrag. dagvaarden . cijferkunst. arteriosclerose handelsartikel. aanmatiging aanmatigend. bijeenkomen samenscholing asfalt asfalt asfalt betekenen. kunstmatig artiest. summa rekenkunde. aromatisch wandtapijt. dagen. cijferkunst. arterie slagader. cijferkunst. cijferen rekenkunde. kunstenaar artiest. cijferen rekenkunde. samenkomen. edelen aristocraat rekenkunde. kunstig. kunstenaar artistiek. kunstenaar Arisch Arisch aristocraat adel. aroma geur.

adjunct. schijn. aanvallen aanvallend. air. assimileren begeleiding. sollicitant. associatie bond. aspirant ambiëren. helper assistent. eerzucht kandidaat. aspirant kandidaat. verzekeren Atlantische Oceaan Atlantische Oceaan Atlas kaartenboek. aamborstigheid astroloog. aantasten. sollicitant. atheïsme studio acht. najagen aspirine aspirine sterretje. sterrenwichelaar astronaut. offensief inblikken aanvallen. bedrijf.ASM asocjacja asocjacją aspekcie aspekt aspiracje aspirancie aspirant aspirował aspiryna aspiryną asterysk astma astrolog astronaucie astronauta astronom astronomia astronomią asygnował asymilował asysta asystencie asystent asystent pokładowy asystował atak atak atak atak sieci komputerowej atak znanym tekstem jawnym atakować ateizm atelier atencją Ateny Ateńczyk ateński atest atestować atestował atlantycki Atlantyk atlas atlas atlecie atleta atletyczny assembler bond. astronomie sterrenkunde. aanblik aanzien. bijstaan aanvallen. asterisk astma. akte. geschikt in zich opnemen. genootschap. associatie aanzien. passend. astronoom sterrenkunde. assisteren. aantasten. air. stuk getuigen. aanvallen godloochenarij. astronomie gepast. aanblik ambitie. dokument. schijn. atlas atleet atleet atletisch . dingen naar. adjunct. ruimtevaarder astronaut. accompagnement assistent. aantasten aangrijpen. attentie. aantasten aangrijpen. aandacht Athene Atheens Atheens acte. genootschap. ruimtevaarder sterrenkundige. certificeren betuigen. helper aanvullend helpen.

aflezen. aangaan bijvoeglijke bepaling. controleren auctie. krachtsport lucht. dampkring.atletyka atmosfera atmosfera absolutna (jednostka ciśnienia) atmosfera techniczna (jednostka ciśnienia) atom atom (podstawowe pojęcie języka Lisp) atom akceptorowy atomowy atrakcja atrakcją atrakcyjność atrakcyjny atramencie atrament atrament magnetyczny atrapą atrybucie atrybut atrybut przypisanie atrybut złożony ATTN attycki attycki attycki attyka attyka attyka atucie atut (w kartach) aucie audiencja audycja audycja radiowa audycją audyt aukcja aukcją aurą Australia australią australijczyk australijski Austria austriacki Austriak austrią atletiek. sfeer. veiling weer. weder Australië Australië Australisch Australisch Oostenrijk Oostenrijks Oostenrijks Oostenrijk . aandacht dakkamertje zolderkamer Attisch dakkamertje zolderkamer Attisch troef troef auto. omroepen checken. karakteristiek bijvoeglijke bepaling. mijn. vendu. aantrekkelijk inkt inkt inkt aanfloepen. atmosfeer atoom atoom acceptant atoom-. aanflitsen. attribuut tekenend. mijn. atmosfeer lucht. atmosfeer lucht. auditorium uitzenden. sfeer. attribuut acht. sfeer. attribuut bijvoeglijke bepaling. atomair aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aanlokkelijk. gehoor. wagen toehoorders. dampkring. vendu. dampkring. veiling auctie. attentie. weersomstandigheden. omroepen uitzenden. kenmerkend. afslag. afslag. omroepen uitzenden.

dostęp) autoryzował autoryzowanie autostrada autostrada awans awansować awansować awansować (kogoś) awansował awanturą awanturą awanturą awanturą awanturniczy awaria awaria awaria awaria zasilania authentiek. volmachtigen. machtiging mandaat. bevorderen storing kwestie. autosnelweg. origineel automobiel. bevorderen promoveren. fiasco. aanpakken. zelfwerkend. strijd. slag. bedenkelijk. twist. autoriseren machtigen. gezag invloed hebben op. schepper auteur. promotie gaan naar. onderwijzen autobus handtekening. verkeersweg autobaan. aard drukletter dictatuur autoriteit. debâcle crisis . onvervalst oorspronkelijk. auto auto. automatisch werktuiglijk. machtiging grote weg. tableau riskant. zelfbesturend schrijver. wagen autobiografie autobiografie autobus opvoeden. gezag mandaat. waar authentiek. bedenker. schaden flop. onvervalst. volmachtigen. genaken. automatisch autonoom. auteur. bevorderen promoveren. machtiging machtigen. echec. toneel. dispuut roeien scène. tafereel. beïnvloeden autoriteit. stilist schrijver. auteur. onafhankelijk. catastrofe schade aanrichten. bevoegdheid. echt. klas soort. zelfwerkend. onderwijzen taal werktuiglijk. ondertekening opvoeden. schepper stand. autoriseren mandaat. bevoegdheid. bevoegdheid. bedenker. klasse.autentyczny autentyczny autentyk auto auto autobiografia autobiografią autobus autobus autobus piętrowy autograf autokar Automatically Programmed Tools Language automatyczny automatyczny program syntezy autonomiczny autor autor autor treści autoramencie autoramencie autoramencie autorytatywność autorytecie autorytecie autorytet autoryzacja autoryzacją autoryzować (np. naderen promoveren. schrijver. ramp. snelweg bevordering. gewaagd onheil.

tot. advies adviseren. met vrouw koek. fonds tot. examen. bekendmaken Azië Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch toevluchtsoord. angst. grootmoeder oma. exploreren. aankondigen. speurtocht recenseren. bespreken keuring. asiel. staande te. analyseren. fonds tot. totdat. kas. binnen. moeras. benauwdheid ontbinden. op. ook weer. spoorweg Bagdad broek. afbeulen. aandacht beklemming.awarią awersja awizo awizował Azja azjacie Azjata Azjata azjatycki azjatycki azyl azyl (polit. inspecteren speurwerk. asyl toevluchtsoord. totdat. moer. vluchteling ergo. nagaan exploreren. ontleden onderzoeken. onder. oma oma. nagaan. onderzoek bagage bagage laars boomstam. schaden tegenzin. cake oma. voor gedurende. toch geldkist.) azylancie aż aż aż aż do aż do aż do/o ile ażeby ażeby babą babce babce babci babcia babka babsko bacą baczność bać się badać badać badać badać badać badać sprawdzać badać zapytywać badania badanie lekarskie badanie zabezpieczeń bagaż bagaż bagażnik bagażnik bagażowy Bagdad bagna schade aanrichten. drasland . kas. voor geldkist. terwijl. voor tot. stam spoor. examineren onderzoeken. raadgeving. grootmoeder grootje. nakijken. afmatten herder acht. asyl uitgewekene. totdat. antipathie raad. grootmoeder afjakkeren. afkeer. om. attentie. asiel. hekel. jegens. onderzoeken studie scanderen inspectie houden. binnen. dus. binnen.

rotzooi moes. wis. vertelling byte fabel waterplas. kolk. moeras. danspartij ballast ballast ballet ham ballet vont. bende schare. luchtballon ballon. pap aan de scharrel zijn. schare . disorde. moeras. troep. relaas. verband schare. bende bos. afgodendienst afgoderij. danspartij bal. banaan schare. bekken. alledaags. banaal banaal. bende zwachtel. verband zwachtel. moer bajonet bajonet broek. drasland. afgezaagd. rommel. kom balkon ballon. troep. troep. lerares bacterie bacterie bal. drasland. afgodendienst bamboe afgezaagd alledaags. luchtballon janboel. moer fabel vertelsel. bundel kussen bende. brij. troep. afgezaagd pisang. fladderen Balkan Baltische Zee golfslag afgodsbeeld sneeuwpop afgoderij.bagna bagnecie bagnet bagno bajce bajce bajcie bajka bajora bajt bajt (8 bitów) bakałarz bakteria bakterią bal bal balast balaście balecie baleron balet balią balkon balon balon (także butla szklana) bałagan bałagan bałamuctwa Bałkany Bałtyk bałwan bałwan bałwan bałwochwalstwa bałwochwalstwo bambus banalny banalny banał banan banda bandaż bandaż bandażować bandą bandą bandą bandą broek. verhaal. vijver byte byte onderwijzeres. schooljuffrouw.

) bar bistro bar samoobsługowy bar z zakąskami barak barakach baranek baranina baraniną baraszkował barbarzyńca barbarzyńcą barbarzyński barbarzyński barce bardziej bardzo bardzo bardzo dobry bardzo mała impedancja bardzo mi miło bardzo nieprzyjemny bardzo wolno się poruszać bardzo zniszczony dundoek. ondeugend. afdammen drenkplaats. uitspanning herberg. vele erg. briefje bankroet flop. bijster. bijzonder onbetaald. bandiet struikrover. echec. peer herberg. veel. dundoek. vergenoegd jammer genoeg. helaas smakeloos. smaakloos aftands. afdammen belemmeren. lampje. olijk. gammel erg. bijster. afsluiten. feestmaal banket. café schuur. barbaars boot. dartel onmens.bandera bandyta bandzior bandzior bandzior bandżo baner (reklama na stronach WWW) bangladesz banjo bank bank bank terminologiczny bankiecie bankiet banknot banknot bankrucie bankructwa bankrut bankrutować bańka bańka (np. heel. gloeilamp. wreedaard onmenselijk. barbaar. jammer. heel. chem. mydlana) bańka lampy elektronowej bar bar (pierw. verbrijzelen borrelen borrelen ampul. fiasco. barak. wreedaard onmens. vlag struikrover. briefje bankbiljet. tevreden. afsluiten. bandiet gangster rover banjo vaan. bouwvallig. intrappen. keet kazerne lamsvlees schapevlees schapevlees schalks. loods. vaan. lamp. achterstallig voldaan. debâcle bankroet vermorzelen. rand bank banket. wreedaard onmens. bijzonder . bar. barbaar. marge. feestmaal bankbiljet. vlag Bengaals banjo bank kant. schuit meer menig. uitspanning belemmeren. barbaar.

afsluiten. vat. marktplein marktplein. aak. hek. aansluiten zwembad dok zweminrichting. baseren gronden. karbouw gronden. afsluiting. drukmeter verven. baseren . bende belemmeren. kleuren verven. marktplaats. nuancering verven. baseren gronden. klinken. afsluiting. hek. staf baud katoenen weefsel. zwembad zweminrichting. nuance. baseren gronden. markt. baseren markt. afsluiting. fust baars bekendheid. hek. afdammen stok. kunde baseball reservoir. vergaarbak zich aaneensluiten. kleuren verven. overgaan. staf stok. marktplaats gronden. bazaar. spelen. katoen uitvoeren. baseren gronden. kennis. bazaar. voorspelen sport buffel. beugel barrière. heining schouder platboomde schuit. zolderschuit schouder barman barometer. kleuren schakering. heining kleppen. zwembad basisbaars toren accu. accumulator horde. gaan barrière. kleuren verf bruin ton. heining barrière.barek (taki na kółkach) bariera bariera dyfuzyjna bariera Schottky'ego barierą bark barka barki barman barometr barwa barwa barwa barwa żywa barwą barwnik barwnik brunatry baryłka bas base baza wiedzy baseball basen basen (pływacki) basen pływacki basen portowy basen w budynku basen(ik) w budynku BASIC basista baszcie bateria baterią baton batucie batuta baud bawełna bawić się bawić się bawół baza baza podstawa część podstawowa baza lotnicza baza replik baza uziemiona bazar bazar bazą trolley.

net. fust rol. basis. biefstuk basisbasisBeiroet boeren. ontbloot van tot in het oneindige buitensporig. trommel. daas. spaak balk. storten dier. fust ton. onderlegger aangrijpen. vat. beest dier. netto-. advertentie. onbeduidend . extreem. afvallen. ribbe.bazą bąbel bąbelek bąk beczce beczka beczka befsztyk beginner's allpurpose symbolic instruction code beginner's all-purpose symbolic instruction code Bejrut beknąć bekon belą belce beletrystyka Belg Belgia belgią belgijski belgrad belka belka stropowa bełtać benzyna benzyna benzyna benzyna benzyną beret berlin Berno bessą bestia bestią bestseller beton betonować betonowy bez bez bez końca bez określonego porządku bez potrąceń bez przygotowania bez sensu grondslag. neervallen. oprispen spek straal. verbeelding Belgisch België België Belgisch Belgrado straal. grond. verdichtsel. onderlegger fictie. spaak balk. duidelijk bericht. vat. paardehorzel ton. bewegen gas benzine benzine benzine benzine bestseller Berlijn Bern vallen. bus. aankondiging onbetekenend. beest bestseller beton beton beton sering gespeend van. base blaar borrelen brems. ontroeren. trom bief. excessief netto. ribbe.

rustigheid. onderpand pand. onmiddellijk direct. rotzooi lichtzinnig. nutteloos bescherming veiligheid. geluidloos gigantisch. naamloos onbloedig verwardheid. zekerheid pand. weledelgeboren mennen. rechtstreeks door. smaakloos naadloos tikken liefelijk. stilte stil. zacht onbetekenend. behouden. borgstelling. borgstelling. onderpand kousje. overeind. veilig ten geschenke onbezet. los. weledel. frivool. hulpeloos nutteloos. lusteloos vervelend waar niet aan te doen valt. vlot. vrij. geborgen. onbeduidend saai. recht. per. disorde. rechtop dadelijk. gruweldaad. ondoorgrondelijk radeloos. richten. stomp verschrikking. lont. gruwel kalmte. rust. rechtop draadloze. borgstelling. onderpand pand. geruisloos. ijdel.bez smaku bez szwu bez zająknienia bez zakłóceń bez znaczenia bez życia bezbarwny bezbronny bezcelowy bezcenny bezceremonialny bezeceństwa bezgłos bezgłośny bezgraniczny bezimienny bezkrwawy bezład bezład bezmyślny bezmyślny bezmyślny beznadziejny beznadziejny beznadziejny stan bezowocny bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwo bezpieczeństwo bezpieczeństwo zespołu bezpieczeństwo zespołu roboczego bezpiecznik bezpieczny bezpłatnie bezpłatny bezpłatny bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni adres pamięci bezpośredni natychmiastowy bezpośrednio bezpośrednio bezpośrednio żarzona katoda bezprzewodowy smakeloos. lampepit safe. wanhopig radeloos. borgstelling. open. muisstil. met ogenblikkelijk. overeind. prompt ogenblikkelijk. besturen ogenblikkelijk. wuft goedgeluimd. geweldig anoniem. prompt direct. wanhopig vergeefs. enorm. live. verwarring janboel. radio . onbruikbaar onschatbaar. open. dirigeren. onbelemmerd ere-. prompt direct. onderpand veiligheid. onwaardeerbaar bot. goedgehumeurd leeg. zekerheid pand. rommel. zoet. onbezet onpeilbaar.

blank. trommel. hinken. trom uiterste wil. nietswaardig. bekwaam ouderloos eiwit. blank. onbruikbaar waardeloos. bij acclamatie benoemen . voor eeuwig nutteloos. bus. oningevuld.bezradny bezrękawnik bezrękawnik bezrobocia bezrobocie bezrobotny bezsenna (noc) bezsilny bezsporny bezsprzecznie bezstronny bezstronny bezszmerowy bezszwowy bezustannie bezustannie bezużyteczny bezwartościowy bezwład bezwładny bezwładny bezwstydny bezwzględny beż beżowy bęben bęben magnetyczny będą będący następstwem będący w potrzebie będący w stanie coś zr będący w stanie coś zrobić bękart (m. muisstil. testament nagekomen behoeftig. bezorgd. verbond. ongerust waar niet aan te doen valt. bibliotheek boekerij. roeren toejuichen. proteïne blanco. voos verlamming bewegingloos. omroeren. kundig. proteïne eiwit. trommel. beducht. afzijdig neutraal. licht. wywołania procedur białka białko białko oka biały Biblia Biblia biblią biblią bibliografią bibliotece biblioteka bibuła bicie bicz bić waar niet aan te doen valt. klaar toegegeven neutraal. bekwaam capabel. traag. onpartijdig. afzijdig. geruisloos. wit blanco. bus. werkloosheid werkeloosheid.in. werkloosheid werkloos. aldoor. bibliotheek vloeipapier beting doorroeren. energieloos kreupel lopen. oningevuld. wit bijbel Bijbel bijbel Bijbel bibliografie boekerij. berooid. kundig. onvermengd beige beige rol. werkeloos bang. trom rol. mank lopen bokkig absoluut. vest werkeloosheid. geluidloos naadloos permanent. onpartijdig stil. hulpeloos hemd herenvest. nooddruftig capabel. bij voortduring eeuwig. hulpeloos hel.

biljart biljet. spoor afdruk. beklagenswaardig tracé. wit linnen grote waterval. oningevuld. kaartje slaperig biljet. aannemen vormsel. Satan festijn. zin erbarmelijk. beoefenaar deskundig stromend. lust. begeerte. plaatsbewijs. aanhanger. pulseren strijden.bić bić bić brawo bić się biec bieda biedą biedą biedni biedny bieg przez płotki biegacz biegać (dla zdrowia) biegły biegły biegły biegły (<in sth> w czymś) biegły w biegun biegun biegunka biegunowy biel biel równoenergetyczna bielizna bielma biernik bierzmować bierzmowania bierzmowanie bies biesiadą bieżący bieżni bieżni bieżnia bieżnik bijatyce bikini bilans bilard bilecie bilet bilet bilet wizytowy binarne (pliki) binarny wektor sterujący binary separating plane tree n drzewo afranselen kloppen. aanhanger. blank. plaatsbewijs. kaartje biljet. armoe gebrek. aanstoten adept. kaartje binair binair boom . overschot biljartspel. voetspoor. kampen. lopen. misère. aanneming vormsel. oningevuld. blank. voetspoor. plaatsbewijs. paadje afdruk. staar accusatief. leergang. beoefenaar kuil Pool buikloop. narigheid. spoor stappen. koers hardloper een duw geven. feestmaal. verlangen. schrijden. aanhanger. diarree polair blanco. vloeiend adept. strijd voeren bikini saldo. smulpartij. toestoten. kampen. beklagenswaardig erbarmelijk. beoefenaar adept. vierde naamval bevestigen. route. voorrijden ellende. armoede wens. strijd voeren afranselen aanrijden. cursus. wit blanco. aanneming Lucifer. treden strijden. gelag actueel pad.

formeren. wit dalen. levensbeschrijver bioloog ontvanger Birma bis. schriftuur bureau. aangaan wit. kantoor kantoor bediende. kleiner worden. strijd. bustehouder boezem. gevecht. slag. blank vormen. oningevuld. oningevuld. steen blikken verbleekt blanco. kamp bulletin. nazeggen beting bitmap treffen. afnemen vervagen wit. affaire.. kamp treffen. oningevuld. zaak. blank vormen. gevecht. blanco. karren verloren. lessenaar lezenaar. nog eens bisschop ontmoeten. edelgesteente. blank. vlammen zonneschijn zonlicht zonneschijn flikkeren. kantoorbediende lezenaar. bureel. ding bizon edelsteen. blanco. kwijt. schitteren . flakkeren. vervlogen kantoor boezem. aantreffen herhalen. borst b. rijden. formeren. beha. borst Byzantijns aangelegenheid. bureel.dwójkowego podziału przestrzeni binary space partition tree biodro biograf biolog biorcą birmą bis biskup biskupstwo bisować bit bitmapa bitwa bitwą biuletyn biura biura biuraliście biurka biurko biurko biuro biuro Biuro Ochrony Rządu biuro rzeczy znalezionych biuro usług (poligraficznych) biust biustonosz biuście bizantyjski biznes bizon biżuteria blacha blady blady jak ściana blaknąć blaknąć blankiecie blankiecie blankiet blankiet blask blask klejnotów blask księżyca blask księżyca blask słońca boom heup biograaf. aangaan laaien. varen. kantoor kantoor gaan. strijd. verenigingsorgaan bureau. slag.h. lessenaar geschrift.

vergissing vergissing. profaneren fout. belemmeren. bijkans. kiel ontwijden. vastzetten blokkeren. dichtmaken. kiel hes. dichtdoen Europa eerstvolgend. boezeroen blouse. aanstaand. beuzelarij . dwaling. komend nabijheid litteken. verwant eerstvolgend. afgesloten slot afsluiten. aanstaand. wondteken tweeling tweelingtweelinglitteken. dwaling. futiliteit. bedelen bagatel. haast. komend nader eerstkomend. bidden afsmeken pleiten laken. gispen schooien. boezeroen. dichtmaken. smeken. dichtdoen eerstvolgend. komend eerstvolgend. aanstaand. aflevering. wondteken schrift. kiel. spatscherm klimop tuniek blouse. afkeuren. bijna sluiten. abuis. boezeroen. abuis bezweren. naast schier. komend aanverwant. ontheiligen. bloes. afdammen blond blond blond blond slijkbord. vastzetten blokkade blokkade blokkade op slot. fout. katern blokkeren. draagbaar sluiten.blaszance blaszka blejtram bliski bliski bliski Bliski Wschód Bliski Wschód i Afryka blisko blisko blisko blisko blisko kogoś blisko kogoś/czegoś bliskość blizna bliźniacy bliźniaczy bliźniak bliźnie bloczek blok blok v blokować blokada blokada ze współużytkowaniem blokadą blokować blokować się blokował blond blondyn blondynce blondynka blotnik bluszcz bluza (część munduru) bluzą bluzą bluzka bluźnierczy bład bład błaga błagać błagać błagać błagać o coś błahostce inblikken metalen brancard. berispen. bloes. spatbord. aanstaand.

flikkeren. hemelvuur bliksem. moeras. beuzelachtig onbelangrijk. abuis. clown. doordat. inzegenen. wijden zegening. abuis. modder. fout. spoedig. goedaardig hansworst. dwaling. fout. dwaling. stip. beschot. onjuist blauw slik. abuis Boeg wandluis fout. haastig. opvallen fout. flits. gauw. hemelvuur gezwind. fout. gloren bliksem. een fout maken misleidend verkeerd. spatbord. omdat. minder belangrijk achterdeur . drasland slik. drek zegenen. abuis aderlating vergissing. dwaling. spatscherm aangeschoten troebel. luizig. aangezien boa dashboard. brood ooievaar spek bij-. zij-. flits. slijk. vergissing schuld vergissing. gemeenschappelijk slijkbord. oog mik. snel flitsen. inzegenen. spikkel. inwerken een blik werpen. onjuist. schicht. slijk. ver. een blik werpen op daar. moer. fout. snotterig algemeen. instrumentenbord punt. harlekijn slaan. modderig broek. verkeerd.błahość błahy błahy błazen błazeński błąd błąd błąd błąd średni kwadratowy błąd zaokrąglenia błąd zbieżności błąd zbieżności błąd zrównoważony błądź błędny błędny błędny rycerz błędny rycerz błękicie błocie błogosław błogosławić błogosławieństwa błogosławieństwo błona śluzowa błonia błotnik błotnik błotnisty błoto błoto błysk błyskawica błyskawicą błyskawiczny błyskowy błysk błysnąć błyszczący błyszczeć bo boa boazeria bobas bochenek bocian boczek boczek boczne drzwi frivoliteit onbeduidend. gloren oriënteren. flikkeren. klappen. dwaling. zegen slijmerig. schicht. flikkeren. drek flitsen. gloren flitsen. fout. wijden zegenen. vergissing dwalen. mis foutief. modder. kloppen. zegen zegening. mis verkeerd. onjuist.

zij-. rijk. bekogelen bombarderen binding. smartelijk beklemming. zeer doen sleutel rouwzeer.bod bod (bit na sekundę) bod jednostka szybkości modulacji telegraficznej bodziec bogaci bogactwa bogactwa bogactwa bogactwo bogaty bogaty bogaty człowiek bohater bohaterce bohaterka bohaterski boiler boiska boiska boisko bojaźliwy bojler bojownik bok boks boks bokser bolączce boleć boleć nad bolesne przeżycie bolesny bolesny boleść boli mnie głowa bolszewik bomba bomba wodorowa bomba zapalająca bomba zegarowa Bombaj bombardować bombardować bombą bon bon bonifikacie baud baud baud aansporing gefortuneerd. held heldin heldin heroïsch. coupon disconto . fortuin. ver. waterstofbom maal. benauwdheid. keer bombarderen Bombay bombarderen bombarderen. stoomketel kampioen. vermogend heros. bang ketel. vermogend Fortuna lot. vrijen. heldhaftig ketel. scharrelen akker speelterrein. minder belangrijk boksen boksen. band bon. gefortuneerd gefortuneerd. benepen. pijnlijk. stoomketel het hof maken. beschieten. titelhouder. fortuinlijkheid rijkdom rijkdom gefortuneerd. angst erop nahouden. hebben bolsjewiek bombarderen H-bom. vermogend rijk. rijk. bokssport bokser beschuldiging. aanklacht pijn doen. voucher. rijk. zeer doen pijn doen. kaartje. deerlijk. speelplaats beschroomd. voorvechter bij-. vermogend.

plantkunde botanie. meemaken. godheid accepteren. echec. zorgen voor. insteken. bijstaan verplegen. debâcle afslaan. meedoen afwezigheid. bos kampen. pakken. verwerpen. zeer doen maag zweer hoofdpijn tandpijn. zeer. derven schuld wens. strijd. treffen. fiasco. vorst goddelijk Bosnië botanie. afslaan disconto borax das woud. euvel missen. aanvaarden beetnemen. zeer. slag. meedoen deelnemen. kiespijn wee. zin . godheid gevecht.bonifikacie bonifikata boraks borsuk bory borykać borykać się borykać się z boski Bośnia botanice botanika Boże Narodzenie bożek bożnicą boży bóbr bóbr Bóg Bóg bójce ból ból ból ból ból (fizyczny) ból (fizyczny) ból brzucha ból gardła ból ucha ból zębów bóstwo bóstwo brać brać do niewoli brać się energicznie do czegoś brać udział brać udział brać udział brać udział brać udział w brak brak szacunku brak tchu brak wody brak zahamowań moralnych brak związku brak związku aftrekken. worstelen worstelen. meemaken. zeer doen beklemming. pijn God god. angst wee. lust. steken deelnemen. gemis. aannemen. korten. ontberen. gebrek. zich aftobben nok. begeerte. pijn zweer pijn doen. afwijzen afwezigheid. assisteren. kamp pijn doen. jodenkerk goddelijk bever Castor God god. verzorgen indoen. absentie. mangel flop. benauwdheid. verlangen. aantasten. plantkunde Kerstfeest afgodsbeeld synagoge. aanvallen helpen. beetkrijgen aangrijpen. spartelen.

broer. brandewijn. onzin. worstelen brocolie. gekheid delirium wenkbrauw wenkbrauw neigen. doelwit. zich aftobben. broeder zus. ontberen. plassen baard kin tepel. derven draaihek poort draaihek draaihek poort draaihek draaihek doelstelling. zuster neef. speen wrat baard spartelen. flodderen. wit. gedurfd. brocoli eggen opkomen voor. oomzegger nicht nicht driekleurig viooltje stoutmoedig. honk circuit draaihek poort vuurwater. prullaria. beschermen . doen overhellen waden. verdedigen behoeden. brutaal Brazilië Brazilië Braziliaans Braziliaans bronzen bronzen bruin bruin rommel. verweren. afval. brandy armband armband armband broer. zever. broeder. puin nonsens. stout.brakować brama brama brama podstawowa brama wewnętrzna bramą bramce bramka bramka bramka koniunkcji bramka samocentrowana bramka złączowa tranzystora brandy bransolecie bransoleta bransoletka brat brat przyrodni bratanek bratanica bratanicą bratek brawurą Brazylia brazylią brazylijczyk brazylijski brąz brąz (stop metali) brązowy brązowy (kolor) bredni brednie bredzenie brew brew brezencie brnąć broda broda brodawce brodawce brodą brodzić brokuły brona bronić bronić missen. doel. buigen.

fronsen brug. fronsen rimpelen. ingenaaid boek boekje. equipe spieken. cru. ploeg. aanhang team. onbewerkt. klomp. smerig vuil. klont. broche boekje. Brittannië Armorica. klont. pantser borstspeld. klomp prop. ingenaaid boek doorwaden fond. prop prop. aarde wissel. kluit. tak wapen bepantsering. kluit. vies. smerig vuil. wegdek bestraten. broche borstspeld. bot beestachtig. bal. dierlijk. bruut grof. dot prop. bal. brochure. briljant dot. beestachtig. kluit. dot. vuil. harnas. ondergrond.broń broń broń pancerna broń pancerna broszce broszka broszura broszura broszurą broszurą broszurą bród (rzeczny) brud brudnopis brudny brudny brudzić brudzić bruk brukować brukował brukselą brunatny brunetce brunetka brutal brutalny brutalny brutalny brutalny bruzda bruździe brydż brydżyście brygada brygadą brygadą bryk brylancie brylant bryła bryła (ziemi) bryła ograniczająca bryłą Brytania brytanią brytfanną Brytyjczyk aftakking. bars. commandobrug brug. dierlijk rimpelen. onrein. operatekst ordner. bruut onaardig. smerig plaveisel. kluit. ruw. klont. bepantsering. klomp. morsig. smerig. brochure. commandobrug brigade leden. plaveien bestraten. harnas. operatekst paperback. bruut. dot Groot-Brittannië. afkijken diamant glanzend. morsig. cambio onrein. bestrating. vies. vuil. bodem. grond. nurks. plaveien Brussel bruin bruinharig bruinharig ruw. klomp. beestachtig. morsig. honds. dierlijk. lumineus. vies onrein. kuras. nors ruw. map paperback. bal. pantser kuras. onbehouwen. bal. libretto. klont. libretto. Bretagne Pan Brit .

klingelen kleppen. overgaan. inladen. boord. aanbreken van de dag halfdonker. schemerdonker kust. loods barak. trilgras aurora. brommen. grijpen boord. klikken rinkelen. rinkelen klakken. loods. kletteren. morgenlicht. zeekant. rinkelen afdrogen. kant bemachtigen. zeekust kust. overgaan. oever. afdak Boedapest schuur. kant. gaan perzik berk. kletteren. keet . gonzen zoemer klingelen. wal. fataal. trilgras bries. wal. berkeboom onderlijf. boekhouden opgraven. morgenrood dageraad. schuur. schemer. berkeboom berk. band drachtig. klinken. boord. zwanger funest. klinken. snorren. oever. kletteren. rand. achterlijf buik buik buik onderbuiklelijk lelijk verafschuwen. zoom. keet. zwanger drachtig. rooien schoen beuk luifel. kletteren. klappen. laden laden gewicht razen. belasten. een afschuw hebben van scheermes scheermes citroen boekhouding. barak. kant kust. gaan kleppen.brytyjski bryza bryzą brzask brzask brzask brzeg brzeg brzeg (morza brzeg (morza) brzeg rzeki brzemienna brzemienny brzemienny w skutki brzemię brzemię brzemię brzęczeć brzęczyk brzęczyk brzęk brzęk brzęk brzęk brzmieć brzmienie brzoskwinia brzoza brzózce brzuch brzuch brzuch Brzusiec brzuszny brzydcy brzydki brzydzić się brzytwa brzytwą bubel buchalteria buchnąć bucie buczyną buda Budapeszt budą budą Brits bries. noodlottig beladen. kustlijn. kletteren. afranselen klingelen.

bar. waarschijnlijk wekken. bouwen. aanbouw constructie. fokken. constructie constructie. telen. opkweken aanleggen. construeren bouwen. inlijsten. bouw. aanbouw aannemer. aanbouw afzenden. abundant. rijk beuk Boekarest boeket. bouwen. ruiker. constructie bouw. copieus. aanleggen bouw. bouw. expediëren weefsel in een lijst zetten. drijven uitbundig. aanbouw hout constructie. dobberen. bouwondernemer architect. bumper. bumper. buffet buffer. bumper. bouw. bouw. bar. bouwmeester aannemer. buffet veldfles belemmeren. wakker maken. construeren bouwen. aanstoken. samenstelling.budą budce buddyście buddyzm budka budowa budowa okrętów budowa okrętów budować budować budować budować budował budował budową budowla budownictwo budownictwo okrętowe budowniczego budowniczy budowniczy budując budulec budynek budynek budynek sądu budyń budzący zaufanie budzić budzić budzić się budzić wstręt budzić wstręt budżecie budżet bufecie bufecie bufet bufet bufor bufor wyjściowy bufor/multiplekser bujać bujny buk Bukareszt bukiet buldożer luifel. stootkussen buffer. begroting budget. tuil bulldozer . ophitsen budget. stichten. aanstoken. expediëren constructie. kazemat boeddhist boeddhisme bunker. bouwondernemer constructie. aanleggen oprichten. verzenden. verzenden. afdammen tapkast. inrichten opfokken. bouw. afsluiten. stootkussen vlotten. construeren. construeren. afdak bunker. vatten aanleggen. samenstelling. stootkussen buffer. opwekken irriteren. begroting tapkast. bouquet. aanbouw pudding aannemelijk. kazemat afzenden. ophitsen afkeer inboezemen afkeer inboezemen irriteren.

kadet Bulgaars Bulgarije Bulgarije Bulgaars broodje. singel wandeldreef. biet.bulwar bulwar bulwą buława buławą bułce bułgar Bułgaria bułgarią bułgarski bułka bumelancie bumelanctwa buncie buncie buncie bungalow bunkier bunt bunt bunt bunt buntować się buntować się buntować się buntował buntował buntowniczy buntownik buntownik buraczek burak burdel burmistrz burza burza z piorunami burzą burzą burzliwy burzyć burżuazja burżuazyjny busola busolą busz but but butelce boulevard. rel. struik laars schoen fles . onbehouwen. promenade. lamp. mangelwortel beetwortel. kroot. roerigheid. rebelleren. opstandig rebel. wegblijver absenteïsme muiterij. stokje. peer stok. kazemat muiterij. getier oproerling. afbreken. rel. kadet afwezige. opstand muiterij. staf spitsroede. rebel oproerig. muiter. opstand muiterij. agiteren. muiter. cru afgeven op. opstand herrie. kadetje. onlusten. afkammen burgerij. rebelleren. rel. mangelwortel bordeel. bot. lampje. getier bungalow bunker. muiter. bolletje. getier ophitsen. kroot. roede broodje. biet. roerigheid. opstand muiten. oproerling oproerling. burgervader storm storm storm storm onbewerkt. wandeldek ampul. opstoken. grof. opruien oproerling. in opstand komen herrie. seksclub. onlusten. onlusten. gloeilamp. onlusten. bourgeoisie burgerlijk kompas kompas heester. kadetje. roerigheid. muiter. hoerenkast burgemeester. in opstand komen herrie. bolletje. gard. rebel beetwortel. rebel muiten.

toongevend egaal. in de schuld staan complet. geleiden. fel. verleden. tegenstreven achteruit. set. dragen. mogelijk misschien. mogelijk misschien. niemendal. voorhebben op. rugwaarts dierlijk stier stier hier of daar. gelijkmatig behoren. leiden leidend. versleten onveilig maken afhankelijk. geen zier scherp. vergaderen gehoorzamen de weg wijzen. winkel rol. ergens een of andere. gelijken.butelka butelka dwukwartowa butik butla (gazowa) butwieć być być być dłużnym być do twarzy być komuś coś winnym być może być może być może że być na krawędzi być nieobecnym (na czymś) być odbiciem być podobnym być podobnym (<sb być posłusznym być posłusznym być przewodnikiem być przewodnikiem być równym być stosownym być ubranym być ubranym być utrapieniem być uzależnionym być w obfitości być w zgodzie być wystrzymałym (<against sth> na coś) być wystrzymałym na coś być zaskoczonym bydlak byk Byk (gwiazdozbiór) byle gdzie byle jaki były (szef itp) bynajmniej bystry bystry bystry bystry bystry byt bytać bytność fles fles zaak. helder. verkeren. zoom verstrooid afspiegelen lijken op. verrotten. stel schuldig zijn. gezwind. guur. onderhorig in overvloed aanwezig zijn accoord. lijken samenkomen. wezen schuldig zijn. rotten. lijken lijken op. tegenstreven tegenspartelen. schrander. eender. gelijken. spoedig bestaan. horen. betamen. doordringend haastig. passen voeren. stelletje. bijeenkomen. cilinder vergaan. vierkante decameter zijn. mogelijkerwijs. niets. aanzijn bestaan. brengen. gauw. mogelijkerwijs. in de schuld staan mogelijkerwijs. voorafgaand niks. voorbijgaand scherpzinnig. achterwaarts. acuut. aanzijn logeren . bederven are. enig voorgaand. een of ander. mogelijk rand. gelijk. misschien. intelligent bijtend. pienter bevattelijk. overeenstemming tegenspartelen. snel. toonaangevend.

heel. totaal zoenen. gonzen razen. heel helemaal. vermengen bestseller. gans. vol gans. totaal.. totaliter. integraal onaangetast. boezeroen. snorren. totaliter. door compleet.. ten enenmale alles wel beschouwd volkomen. vol algeheel. heel. totaal gans. grootte geheel gans...bywać wśród ludzi bzik bzyczeć bzykać bzykać c dlaczego c gdzie cacka cal całka całka całkowity integralny całkiem całkiem całkiem całkiem obcy człowiek całkiem przytomny całkiem zwariowany całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie pewny całkowicie stranzystorowany całkowicie tranzystorowy całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity błąd liniowy całokształcie całokształcie całokształt całopalny) całoroczny całościowy całość całość całość łącznie całować całus cały cały cały cały tekst cały z metalu cały z metalu cap temperen. geit. rationeel algeheel. totaal omvang. brommen. geheel.. door compleet. integraal alles wel beschouwd volkomen. stuk speelgoed. vol gans. gonzen sissen. geheel. geheel. mixen. finaal helemaal. over compleet. algeheel kiel. compleet. mengen. gans. heel erg. heen. geheel. geheel. compleet. geheel. totaal algeheel. ten volle. furore razen. bijster de hele . vol kelder jaarlijks redelijk. vol geheel. bijster erg. compleet. vol de hele . vol sik. kussen de hele . gans. compleet. heel. fluiten hoezo. speeltuig duim als lengtemaat onaangetast. finaal werktuiglijk. volkomen vandoor. automatisch geheel. kussen zoenen. bestek. ongeschonden. absoluut. geheel. bok . zelfwerkend. hes algeheel. brommen.. snorren. verwijderd. waarom waar speelbal. door alles wel beschouwd beslist. ongeschonden.

lampje. tekenen doelwit. het veld ruimen ceder vergiet vergiet filtreren. doelwit. stenen bakstenen. gehalte prijs kosten . object. stenen Ceylon aanleggen werkje. doel. tekenen afstaan. droombeeld gepast. gloeilamp. schets. peer tekenend. lamp. geschikt Keltisch Keltisch cement cement cement prijs waarde. ding doelwit. trek. karaktertrek karaktertrek. onderwerp. karakteriseren. kerker cachot. filteren. zijgen plaat. tekenen kenmerken. wit cachot. gelaatstrek merken. karakteristiek karaktertrek. doelstelling. trek. visioen. cel. cel. toegeven. gloeilamp. gelaatstrek puntig. peer ajuin. tablet bakstenen. passend. doel. kerker douane aanleggen gezicht. doel. wit merken. lamp. tekening doelstelling. doelstelling. spits gelaatstrek.capstrzyk car caryca ceber ceber cebula cebula cebulą cebulka cecha cecha cecha cecha cecha produktu cecha szczególna cechować cechował cedował cedr cedzak cedzak cedzić cegiełce cegła cegłą Cejlon cel cel cel cel cel cel nieosiągalny cel upuszczenia cela celą celnik celować celownik celowy Celtycki celtycki cemencie cement cementować cena cena cena okazyjna ceną taptoe tsaar tsarina emmer emmer ampul. ui ajuin. lampje. ui ampul. honk. plak. honk mikpunt. kenmerkend. trek. gelaatstrek karaktertrek. wit. honk. trek.

centraal middelpunt. vacht tafelzeil. plechtigheid etiquette. sakkerloot. binnenste. vel. centraal middelste. pels. imperium keizer keizerin opnemen. stuk acte. bobine ruimte. tint dierevel. centrum middelpunt. klos. huisje hut. zeildoek teint. bobine spoel. oord. akte. imperium rijk. tint dierevel. keuren teint. akte. luchtband bobine. aanwinst cent stuiver. gehalte prijslijst kostbaar. waardevol prooi. wasdoek. penny centrale middelste. spoel spoel. keizerrijk. plaats hut. klos. hut . centrum middelpunt. bedrijf. etiket ceremonie. stulp stulp. stuk betuigen. centrum centimeter centimeter censureren. vel. binnenste. dokument. vacht ceremonie. zeildoek aardewerk tafelzeil. label. dokument. verzekeren bliksems. sakkerloot. achting hebben voor schat waarde. buit. huid. pels. bedrijf. lokaliteit. acquisitie. huid. binnenste. deksels rijk.ceną cencie cenić cenić cenić cennik cenny cenny wkład cent cent centrala telefoniczna centralny centralny system przetwarzania centrum centrum usuwania skutków awarii (centrum odtwarzania po awarii) centrum zasobów centymetr centymetr cenzor cera cera ceracie Ceramika cerata cerą cerą ceremonia ceremoniał ceremonią cerować certyfikat certyfikat uprawniający certyfikować cerując cesarstwa cesarstwo cesarz cesarzowa cesją cewce cewka cewka cewka zapłonowa cętce chałupa chałupa chałupą prijs cent achten. deksels acte. plechtigheid bliksems. luchtpijp. afboeken binnenband. klos. keizerrijk. wasdoek.

huisje hut. testament verkiezen. begeren. lust. lust.chałupą chałupą cham chaos chaotyczny char charakter charakter charakterystyce charakterystyczny charakterystyczny charakterystyka charakterystyka indeksowania charakteryzacja charakteryzować charakteryzował chart charytatywny chata chata chata chcieć chcieć chcieć chciwy chciwy chemia chemia radiacyjna chemią chemik chęć chęć chęć chętce chętce chętce chętnie chętniej chętny chętny Chicago Chile chilijski chimera chimera chinina Chiny chińczyk hut. verbond. happig. farmaceut trek hebben in. karakteristiek karakteristiek. verlangen. stulp vlegel rommel. trek hebben in begerig. scheikunde chemie. begeerte. belust. hazewindhond. huisje hut. vrijwillig gaarne. nuk. bui. verkiezen. graag eer. karakter. liefdadigheidsstulp. geaardheid vezel kenschets tekenend. happig. geaardheid aard. zich onderscheidend tekenend. karakteriseren. zin. baaierd. zich verbeelden bevlieging. begeren aanvechting. neiging verkiezen. hersenschim. liever gewillig. kenmerkend. karakter. warboel. make-up kenmerken. zin uiterste wil. karakteristiek schmink. tekenen beschrijven hazewind. begeren. gril. bui. hut hut. stulp wens. scheikunde apotheker. gretig. trek hebben in nuk. scheikunde chemie. graag Chicago Chili Chileens inbeelding. blanketsel. chaos chaotisch aard. kuur gaarne. kenmerkend. gretig chemie. belust begerig. gril. kuur bedenken. bevlieging. chimera Chimaera kinine China Chinees . karakteristiek tekenend. windhond charitatief. kenmerkend.

jongeheer jeugdigheid. heelkunde chirurgie. jongen jongensachtig. glorieus klotsen. krediet. koelcel radiator radiator koud. wondheelkunde. nimbus . landman. kabbelen. plassen. jeugd knaap. brood koelkast. verwijderd vriezer. brood werkgever hok roem. jongensafranselen afranselen koud gastheer hinkelen wolk stralenkrans. plattelander horige. klapperen mik. samen boer. heelkunde chirurgie. afbikken heelmeester. jongeling. kil koud. brood mik. aaneen-. kabbelen. alcoholische drank. chirurg chirurgie. absorberen absorberend boer aaneen. vriesvak koelkast. wondheelkunde. koelcel koelen in beslag nemen. opslorpen. co-. alcohol klapperen. klotsen mik. samen-. glorie creditzijde.chiński chip chirurg chirurgia chirurgia stomatologiczna chirurgią chirurgiczny chlał chlapać chleb chleb z masłem chlebodawcą chlew chluba chlubą chlubą chlubny chlupocie chłeb chłodnia chłodnica chłodnicą chłodno chłodny chłodny chłodny chłodziarce chłodziarce chłodzić chłonąć chłonny chłop chłop chłop chłop chłop pańszczyźniany chłopak chłopak chłopak chłopiec chłopięcy chłostać chłostał chłód chmarą chmiel chmura chmura Chinees bikken. ver. lijfeigene boer knaap. wondheelkunde. plassen. lof. credit trots beroemd. kil afkoelen ververwijderd. glorierijk. jongen borst. tegoed. beroemdheid. heelkunde chirurgisch drank.

krankzinnig. aandoening ziekte. dundoek. kobold. vacht. al. tippelen. verdomd. snurken. aandoening vakantie zeeziekte luchtziekte affect. verhoeden behoeden. moeilijkheid Kroatië ziek. ter aarde bestellen vel. niet lekker kuilen. wel wel. pels. tippelen. snurken. dierevel. godverdomme vandoor. rei. hoewel. begraven begraven. dol onwel. verhinderen. bloedend vaan. naar verminkt. schrijden. vlag ziekte. kwaal. beschermen fixeren. zangkoor snorken. snurken. huid aanspannen treden. ofschoon. aandoening ziekte. hoewel. aandoening ziekte. knorren. al. wegdek stoep. kreupel. lopen kerstboom cholera verdomme. alhoewel. kwaal. voetpad. gebrekkig ziek. aandoening bezwaar. dichtmaken plaveisel. bepalen hardvochtigheid. dichten. lopen marcheren. naar gek. bevestigen. hinkend beletten. alhoewel ofschoon. knorren. kabouter ofschoon. ronken neusgat mank. over bloedig. alhoewel. hoewel. van stapel lopen. strubbeling. gaan marcheren. kwaal. ronken snorken. bestrating.chmura punktów chmurą chochlik chociaż chociaż choć chodak chodnik chodnik chodzić chodzić ze sobą choinka cholera cholera cholerny cholerny chorągiew choroba choroba choroba choroba morska choroba powietrzna chorobą chorobą chorobą chorobą Chorwacja chory chory chory chory na płuca chory umysłowo chowa chowa chować chować chód chód chór chrap chrapać chrapanie chrapce chromy chronić chronić chroniony zabezpieczony chropowatość wolk wolk aardmannetje. emotie. wel stoppen. lopen koor. kwaal. heen. stappen. ronken snorken. trottoir lopen. al. dolzinnig. verwijderd. hardheid . knorren.

aarzelen wankel. bluffen roem. lof. beroemdheid. grof. croquant krassen Christus mierikswortel. moment. snoeven. tja oogwenk. wankelen.chropowaty chropowaty chrupce chrupiący chrypieć Chrystus chrzan chrzan chrząszcz chrzcić chrzcić chrzestny chrześcijanin chrześcijański chrześcijaństwa chrześcijaństwo chudy chudy chudy chudy chudy chuj chuligan chusteczce chustka chustka do nosa chwalić chwalić się chwalić się chwała chwałą chwast chwiać chwiał chwiał chwiejny chwil chwila chwila chwila chwila chwila chwila ciszy chwila obecna chwilą chwilą chwilą chwilą beestachtig. moment. sprietig sprietig. bruut. tel terwijl. peter. oogwenk. mager. mager. ogenblik. glorie wieden. lang schragen. tel spellen . snoeven. groot. tel minuut oogwenk. ogenblik. dierlijk onbewerkt. nou. gedurende enfin. pochen. onzeker. nu. besluiteloos bekeuring. roemen. peet christen christen christendom christendom rijzig. ogenblik. schraal. juni dopen dopen peetvader. beroemdheid. waggelen. mierik mierikswortel. onbehouwen. opscheppen pochen. staande. mierik zomermaand. oogwenk. stutten schraal. schoffelen schokken schokken wiebelen. notulen. schraal sprietig. steunen. tel wiegen minuut oogwenk. ogenblik. croquant knapperig. mager penis apache. glorie roem. straatschuimer zakdoek zakdoek zakdoek loven. ruw. prijzen bluffen. cru knapperig. ogenblik. opscheppen. proces-verbaal moment. wel. verheerlijken. bot. komaan. naamgever. lof. moment. tel moment.

misgrijpen missen. vlag banketbakkerij. streng. nauwsluitend. eng. effectief. aftands boog. eventjes tijdelijk werkelijk. beslag. tel korte tijd. grijpen waarschijnlijk menen. toch tenzij uitzonderen floppen. zeker. snoeien scheren. grijpen klauw bemachtigen. misgrijpen bouwvallig. vaan. stellen wel. even. snoeien . aangrijpen. mislopen. deugdelijk. gedegen carrosserie carrosserie vlees strak smal. knippen. bemachtigen handdruk. grijpen grijpen. gammel. nauw dundoek. pasta aanplakken knippen. moment. cake zuur koek. cake deeg. pakken knijper. aangrijpen. schaar bemachtigen. krap. mislopen. scheren. bekrompen. beetpakken. toog dit. dit hier carrosserie carrosserie flink. staande. aangrijpen. in het water vallen missen. aangrijpen. bemachtigen beetnemen. degelijk. nauw stipt. friemelen. gedurende oogwenk. grijpen grijpen. koekbakkerij koek. hand Pan bemachtigen. grijpen bemachtigen. ogenblik. vermoeden. scharrelen bemachtigen. immers. daadwerkelijk kortstondig morrelen.chwilą chwilka chwilowo chwilowo chwilowy chwilowy chwycić chwycić chwycić w szpony chwycie chwycie chwyt chwyt chwyt chwyta chwytać chwytać chwytać chwytać szczypcami chyba chyba chyba chyba chyba że chybiać chybienie chybiona odpowiedź niezgodność chybotliwy chylić ci ciałka ciało ciało doskonale czarne ciało metody ciało stałe ciało stałe ciasno ciasny ciasny ciasteczko ciastkarni ciastko ciastko ciasto ciasto ciasto ciąć ciąć terwijl.

belangwekkend typisch. stilzwijgend. weetgierig interessant. tractor vervagen rustig. kalm rustig. steeds permanent. schets. bij voortduring bestendig. constant. lopen. zwijgend bedaard. curieus. geluidloos stil. doorlopend gestaag. rustig bedaard. muisstil. nieuwsgierigheid weetgierigheid. vreemd vloeistof vloeistof korporaal kalf kalfsbout. op zijn gemak. geruisloos. gestaag. vlieten vloeistof vloeistof vrachtwagen. vrachtauto weetgierigheid. snaar ketting. bij voortduring permanent. donker duister.ciąć ciąć (nożycami) ciąg ciąg znakowy mieszany ciąg znakowy mieszany ciąg znaków ciągle ciągle ciągle ciągły ciągły ciągły ciągnąć ciągnąć ciągnąć ciągnąć losy o ciągnąć ściągnąć ciągnienia ciągnienia ciągnienie ciągnik cichną cicho cicho! cichy cichy cichy cichy cichy (głos) ciec ciecz ciecz cieężarówka ciekawostka ciekawość ciekawski ciekawy ciekawy ciekawy ciekawy ciekły ciekły wodór cielesny cielę cielęcina cielęciną ciemnicą ciemnicą afkraken afkeuren toelachen. kalm liefelijk. curieus. kalm. keten koorde. aldoor. immer. gerust. op zijn gemak. zacht stil. bestendig trekken rukken rukken rukken trekken trekken rukken werkje. aanlokken ketting. constant onafgebroken. rustig stromen. truck. zoet. tekening trekker. donker . kalfsvlees kalfsbout. kalfsvlees somber. duisternis. gerust. vloeien. kalm. typisch nieuwsgierig. bekoren. aldoor. stemband. weetgierig vreemd. nieuwsgierigheid nieuwsgierig. keten altijd.

geheimzinnig somber. zieke gezond. snaar kras. martelaar zuur bitsheid geduld. schakering. truck. duisternis. kanaal. nauw zeeëngte. truck. druk beladen. schraal. mooi. blij zijn timmerman smal. dragen naar buiten brengen. vrachtwagen hard drukkend. rap. ceremonieel . schraal. levendig. plechtig. akkoord accoord. schoon. troosteloos. laden zwaartekracht vrachtwagen. somber schaduwen sprietig. zwaar afgemeten. vrachtwagen vrachtwagen. donker worden somber. klinken.ciemnieć ciemno ciemność ciemność ciemny ciemny ciemny ciemny cieniowanie cienki cienki koncentryczny cienki papier cień cień do powiek cień do powiek cień przesłaniać cieniowany cień rówka ciepło ciepły cierń cierpieć cierpieć męczarnie cierpiętnik cierpki cierpkość cierpliwość cierpliwy cieszący się dobrym zdrowiem cieszyć się cieszyć się cieśla cieśnina cieśnina cieśniną cięciwa (matem. truck. schakering. fraai schaduwen nuance. nuancering schaduwen schaduwen nuance. overgaan. donker mysterieus. mager sprietig. inladen. kwiek. straat kleppen. fijn. vuur warm doorn naar buiten brengen. nuancering gloed. gaan accoord. overeenstemming. lijdzaamheid patiënt. donker zwartheid duister. vrachtauto trolley. donker schemerig naargeestig. blij zijn genieten van. mager net. stemband. belasten. truck. vrachtauto vrachtauto. fit. krap. akkoord koorde. overeenstemming. nauw. dragen bloedgetuige. eng. beugel vrachtauto.) cięciwą cięciwą cięty ówka ciężar ciężar ciężarówce ciężarówce ciężarówka ciężarówka ciężarówka ciężki ciężki ciężki versomberen. valide genieten van. bekrompen.

drom. daarenboven dagelijks. rein. wat maand-. dat. meid hoop. kalm kalmte. swingen. strelen. grof. bedaard. zedig. alledaags vulgair. begraafplaats deugdelijkheid. voorts. liefkozen. slag. rustig. verzekeren conjunctie meer en meer. zwaaien stil. stil. gewoon afbestellen backspace backspace achteruitgaan achteruitgaan backspace iets wat dan ook college uitgebreid betuigen. verder. vulva slingeren. kalm meisje. aaien tante kut. alledaags dagelijks.ciężki cioci cios cios cios ciotka cipą ciska ciskać cisza cisza cisza cisza (brak wiatru) cizi ciżbą cło cmentarz cmentarz cnota cnotce cnotliwy co co miesiąc co prawda co umożliwia działanie czegoś innego co więcej codziennie codzienny codzienny codzień cofa cofacz cofać cofać się cofnąć się cofnięcie transakcji cokolwiek cokolwiek college cołościowo confirm coniunctio coraz więcej coroczny coroczny coś coś coś zwaarwichtig tante houw. ordinair. flap. in toenemende mate jaarlijks jaarlijks iets modelleren iets . grof. rustigheid. maandelijks toegegeven iets bovendien. kalm bedaard. klap fijnhakken aanhalen. daags. rustig. ordinair. menigte douane begraafplaats. stilte bedaard. rust. gewoon vulgair. stil. massa. degelijkheid ongerept. boel. daags. zwaaien slingeren. eerbaar hetgeen. rustig. maagdelijk kuis. kerkhof kerkhof. mep. swingen.

magie magisch. wonder zich verbazen. kwalijk. cijfer .coś innego coś koło tego coś na pocieszenie coś się święci coś w rodzaju coś) coś) córą córka cóż cud cud cuda cuda cudak cudem czegoś uniknąć cudotwórcą cudotwórstwa cudotwórstwa cudowne dziecko cudowny cudowny cudowny cudzołożnik cudzołóstwa cudzołóstwo cudzoziemiec cudzoziemka cudzoziemski cukier cukier syntaktyczny cukierek cukierek cukiernica cukiernica cukrzyca cukrzyca (choroba) cumować cumować cumować cumować curry cwał cwaniactwa cybernetyka cyferce cyferce cyferce iets iets iets iets iets aandoen. zoetigheid. gewiekst. afschuwelijk ijselijk. meren Mauretaniër kerrie galopperen doortrapt. slim. miraculeus wonderbaar. zich verwonderen oorspronkelijk. verwonderend echtbreker echtbreuk. aanbiddenswaardig wonderbaar. getal. listig cybernetica cijfer. oppassend suikerpot suikerpot suikerziekte. zich verwonderen zich verbazen. afschuwelijk suiker suiker snoep. Moor aanbinden. diabetes suikerziekte. aangrijpen iets dochter dochter hetgeen. dat. overspel echtbreuk. toverachtig wonder aanbiddelijk. diabetes onderbinden Moriaan. zich verwonderen mirakel. nummer aantal. tal nummer. snoepgoed zoet. origineel amper. overspel buitenlander ijselijk. wat zich verbazen. nauwelijks goochelaar toverkunst.

cyfra cyfra cyfra dwójkowa bit jednostka ilości informacji cyfra znacząca cyfra znaku cyfrowe przetwarzanie obrazów cyfrowy Cygan Cygan Cygan cyganeria cygara cygaro cykl cykl magistrali cykl maszynowy cykl zatwierdzania cykl życia obiektu cykliczny cyklon cykor cykoria cylinder cylinder alternatywny cyna cyną cyniczny cynk cynkowy cypel cypel Cypr cyrk cyrkulacja cyrkulacją cyrograf cyrulik cysterna cytacie cytadela cytadelą cytat cytat cytować cytować cytował cytryna cijfer. indopen. noemen aanhalen. citaat citadel citadel aanhaling. wielrijden fietsen. benauwdheid lof. vergaarbak aanhaling. circulatie. cijfer beting aantal. nummer nummer. wielrijden circulaire. cichorei rol. roulatie pand. noemen aanhalen. citeren citroen . rondschrijven wervelstorm. wielrijden afranselen fietsen. cijfer zigeuner zigeuner rogge Bohemen sigaar sigaar fietsen. citaat aanhalen. noemen. nummer indompelen. citeren aanhalen. cilinder blikken blikken cynisch zink zink kaap Kaaps Cyprus circus omloop. angst. wielrijden fietsen. borgstelling kapper. barbier reservoir. citeren. soppen nummer. citeren. tal cijfer. roulatie omloop. noemen. getal. circulatie. onderpand. cilinder rol. cycloon beklemming.

beschaven civiel civiel. modelleren modelleren. tovenaar teelaarde. burgerlijk beschaving. trekpot ketel po pet kapotjas. vacht. keer behoren. beschaven civiliseren. kodeks) czacie czacie czajniczek (klasyczna graficzna baza danych) czajnik czajnik czapce czapka czapka czapka (damska) czapka futrzana z tej skóry czapla czaplą czar czar czar czarą czarą czarnoksiężnik czarnoksiężnik czarnoziem czarnoziem czarnoziem czarny czarny czarny jak smoła czarodziej czarodziejce czarodziejski czarować czarował czarownica czarownicą czarter czarując czarujący czas czas przeszły czas rzeczywisty citroen civiel. te wachten staan horloge. handvest. keer . tovenares. heks charter. toverheks. kom beker. wagenkap. charmant bekoorlijk. horen. heks kol. toverheks. vrachtcontract bekoorlijk. tovenares. burgerlijk burger-. beschaven beschaving. bloemkelk. innemend. stadswachten. moeten. motorkap pet vel. polshorloge theepot. humus boetseren. tovenaar feeëriek feeëriek heksen heksen kol. pels. miskelk. innemend. boetseren zwart hoogbejaard. beschaven civiliseren. huid pet reiger reiger aantrekkelijkheid toverij toverij vont. charmant maal. kelk duivelskunstenaar. bekken. dienen maal. dierevel.cytryną cywil cywilizacja cywilizacją cywilizować cywilizował cywilny cywilny cywilny (np. bedaagd zwart duivelskunstenaar. tovenaar duivelskunstenaar. afhalen.

krant blad. dagblad. deeltje. oningevuld. jaartelling. dat. afhalen aanhoren. wielrijden maal. te wachten staan wachten. deel molecuul item. keer op een keer. afhalen. deel item. babbelen. jaartelling. eens waardevol. beteugelen cheque wit. brutaal vergeefs. ontwijken aanvliegen bedwingen. keer maal. deeltje. brief gedurfd. wachten. epistel. blanco. czegoś) czek czek czek in blanco czekać czekać czekać czekać cierpliwie czekać na czekać na aktywację przesunąć (kursor myszki) czekać oczekiwanie czekolada czekoladą plusquamperfectum plusquamperfectum fietsen. uit de weg gaan. aanbidding oogstmaand.czas zapamiętywania czas zapisu czas życia nośników mniejszościowych czas życia obiektu czas życia w IP czasami czasochłonny czasopimo czasopismo czasopiśmie czasopiśmie czasownik czasy czaszce czaszka czat czaty cząstce cząsteczka cząstka cząstka na milion czcić czcić czcigodny czcigodny czcionce czcionka pogrubiona czczy Czech czech CzechoSłowacja Czecho-Słowacja czego czegoś itd. stout. beluisteren. te wachten staan zweven wachten. blank te wachten staan. afhalen. krant blad. luisteren wachten. jaartelling. nutteloos Boheems Tsjechisch Tsjechoslowakije Tsjechoslowakije hetgeen. praten een hinderlaag leggen item. afhalen. krant krant werkwoord dag schedel schedel keuvelen. kostbaar courant. eerzaam. te wachten staan chocola. deeltje. deel verafgoden. augustus waardig. wat mijden. afhalen. chocolade . ijdel. te wachten staan wachten. waar zendbrief. chocolade chocola. betomen. stoutmoedig. adoreren. aanbidden adoratie.

vaak. vaak menigmaal. juni zomermaand. verpakken krioelen. deels gedeeltelijk. eredienst. gedurig. schrijden. geregeld bezoeken prieel deels. stuk. boezem afgrond hoezo. ten dele ten dele.czekoladka czelność czeluść czeluść czeluść czemu czemuś) czepek czepek czeredą czeredą czereśnia czerń czerń czerń ec czerpać czerpać czerpać (zyski czerpać natchnienie z czerstwy stale czerwca czerwiec czerwienić się czerwienić się czerwień czerwień czerwony czesać czeski czeski czeszce cześć cześć często często częstować częstował częsty części maszyn częściowo częściowo częściowo otwarte połączenie częściowy część część część adresowa rozkazu część arytmetyczna (w komputerze) część krytyczna chocola. dikwijls. onderdeel. partieel deel. pakken. rood worden Vlissingen karmozijn. hecht. verhouding deel. bocht. kammen Boheems Tsjechisch Tsjechisch cultus. donkerrood rood. wemelen. blozend rood. verering adoratie. motorkap pet inpakken. dikwijls. gedurig behandelen. stuk. juni kleuren. chocolade zenuw afgrond. wagenkap. onderdeel. kolk golfspel. waarom vergezellen. potig. aanbidding menigmaal. deels ten dele. wriemelen. inham. krielen kers zwart zwartheid zwartheid aftappen toelachen. ferm zomermaand. cureren stappen. kledingstuk gewaad. kledingstuk . proportie. accompagneren. blozend uitkammen. lopen. aanlokken aftappen aanboren robuust. golf. fors. begeleiden kapotjas. treden bezoeken. gedeelte evenredigheid. bekoren. blozen. gedeelte gewaad.

zakenman koopman. sticker reservoir. voelhoorn. de weg wijzen. toonaangevend. tak deel. beginsel monteren. lidmaat. ra . kras.część wstępna (programu) część zapasowa czkawka czknąć czknąć czlonek człon człon człon członek członek załogi członkostwa członkostwo człowieczek człowiek człowiek człowiek energiczny człowiek interesu człowiek noszący coś na sobie człowiek pełnoletni człowiek starszy (wiekiem człowiek wytrwały czołg czołgać się czołgać się czoło czoło czoło czołowy czop czop czosnek czółno czterdziestka czterdzieści czternaście cztery cztery ściany czubek czucie czuć niechęć czuć odrazę czuć się urażonym czuć wstręt czuć wstręt czuć wstręt (do kogoś/czegoś) czujny czułek branche. schuit veertig veertig veertien vier vier stortplaats gevoelig. aanhanger element. onderdeel. gedeelte hikken boeren. aanhanger lid. aanhanger lid. verafschuwen verafschuwen. lidmaat. zakenman majoor mens leek. druk. aperitief ontstekingsbuis. vak. receptief een afschuw hebben van. levendig. zetten lid. bougie look. bestanddeel. boeren lid. vergaarbak kruipen kruipen wenkbrauw voorhoofd geleiden. toongevend borrel. lidmaat. handelaar. knoflook boot. rap antenne. handelaar. aanhanger lidmaatschap lidmaatschap menselijk menselijk mens koopman. ontvankelijk. stuk. lidmaat. een afschuw hebben van afkeer inboezemen verafschuwen. oprispen oprispen. leiden leidend. een afschuw hebben van aanstoot nemen aan verafschuwen. niet-ingewijde sluitzegel. spriet. een afschuw hebben van kwiek.

zindelijkheid absoluut. als. afgewerkt. borrelen. iel purgatorium. fijn. onvermengd rein. optreden. duidelijk zindelijk. ageren. schoon. ageren. netto-. louteren reinigen. mooi. ingeval of tenzij hè. wie d'r doen. handeling werkzaam. klaar duidelijk. nettonetto. maken beëindigd. fijn. puur. schoon. bezig zijn. wanneer. gevoeligheid fijnheid.czułostce czułość czuły czupiradła czuwać czwarta (część) czwartek czwarty czy czy czy czy czyj czyn czyn wolicjonalny czynić czynić czynić aluzję czynnik ludzki czynnik zapładniający czynność czynność czynny czynny czynsz czyrak czyrak czystce czystka czystość czystość czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty dwójkowy czysty(alkohol) czyszczący czyścić czyścić czyściec czyta czytać czytance czytelnik sentiment. bedrijven. handeling. schoonmaken. etterbuil op het kookpunt zijn. bedrijvig afneembaar huur ettergezwel. bezig zijn. zindelijkheid helderheid. zindelijk hel. rein. helderheid. delicaatheid. zindelijk gevoelig. abces. fraai ordelijk afwasmiddel rein. kiesheid aanhalig angst horloge. puur. gevoel. hetzij welks. licht. kies. schoonmaken. delicaat. klaar. afgelopen zinspelen afschrikwekkend mest actie. of. vagevuur lezen lezen lezer lezer . polshorloge vierde donderdag vierde indien. gedoe. kuisheid. wie z'n. gedoe actie. schoon ordelijk net. actief. netto. puur. aanmaken. handelen doen. helder. schoon. optreden. waarvan. louteren kuisheid. koken reinigen. net. handelen doen.

materiaal . materieel. kwetteren. dactylus schenken. heen. kwetteren veel meest. vrouw.czytelny czytnik czyżby? ćma ćma zenia ćwiartce ćwiartek ćwiartka ćwiczenia ćwiczenia ćwiczenia ćwiczyć (się) ćwierka ćwierkać ćwierkać d <much d najbardziej d poprzednio d zadowolony dach dachówce dachówka dachówka dacie dać dać klapsa dać napiwek dać za wygraną daj dający się zarządzać daktyl dal dalej dalej daleki daleki zasięg daleki zasięg daleko dalia dalszy dama dama (także w kartach i szachach) damaszek damą daną dandys ezmięsne dane dane (l. wezenlijk uiltje. over dahlia nader dame lady. ver vandoor. uil. dam. wijk. tjilpen sjilpen. dak. eind langs. tjilpen sjilpen. tegelsteen. handelbaar dadel. kwetteren. jonkvrouw Damascus dame informatie saletjonker. uil. cadeau geven inschikkelijk. lel stortplaats schenken. cadeau geven schenken. consigne. tichel dadel. ver. blijkens. drillen aanwijzing. vergenoegd. doorvoeren oefenen. dactylus afstand. stadswijk oefenen. materiaal grondstof. drillen sjilpen. overkapping plavuis. eerder. ververwijderd. instructie aanwenden. tegel. ingevolge nader verwijderd. cadeau geven draai om de oren. naar. voldaan kap. tjilpen. piepen. ver ververwijderd. tichel lei plavuis. piepen. nachtvlinder uiltje. vooraan. ververwijderd. verwijderd verwijderd. poj. vertrekken buurt. tegel. stadswijk kamers. fat. nachtvlinder buurt. kwast. tegelsteen. wijk. echt. <datum>) leesbaar lezer werkelijk. verwijderd. dandy grondstof. piepen. materieel. hoogst daarvoor. indertijd tevreden. oorveeg.

vergeven schenken. spits meizoentje. oorveeg. onbelemmerd cadeau geven. schenken begenadigen. nutteloos vergeefs. uitmaken voor adverteren. punt. schaal cijns. afstammen voeden berichten. tentoonstellen draai om de oren. vooraan. madeliefje dadel. afgelasten begenadigen. apache piek. schatting danseres gift. beheren dosis dosis dosis dosis daarvoor. actueel luiheid vergeefs.dania dania Dania dania bezmięsne danią danie danina daniną danser dar dar daremność daremny daremny darmowy darować darować darować darować darować (karę) darował daszek daszek (czapki) data data data acquisition and interpretation system data zakupu datagram kadr datek datek datować dawać dawać dowody dawać klapsa dawać na imię dawać narkozę dawać ogłoszenie dawać początek dawać sobie radę/domyślić się dawać znać dawce dawka dawka (leku) dawkować dawniej dawny dąb tracé. open. ijdel. dactylus meizoentje. cadeau tegenwoordig. geschenk. madeliefje dadel. cadeau geven belichten. cursus. inlichten besturen. tip. annuleren. vlot. vergeven straatschuimer. eerder. cadeau geven tegenwoordig. neus. verleden. leergang. koers Denemarken schotel. indertijd voorgaand. los. voorafgaand eiken. schaal vegetarisch Denemarken schotel. lel noemen. heten. aandienen het gevolg zijn van. nutteloos onbezet. dactylus schenken. top. menslievendheid bijdrage dadel. donatie. ijdel. actueel ontbinden. benoemen. route. dactylus boksen naastenliefde. eikehouten . informeren. schatting cijns. aankondigen. administreren.

declameren . misvormd degenereren. definitief onherroepelijk. euvel kastekort. definitie. definitie. nauwkeurig bepalen beslissend. beslissing besluit. deduceren opdragen. omschrijving bepaling. definitief mismaakt. bepalen onherroepelijk. verlagen decennium decennium decennium voordragen. uitspraak. gemis. verleden tijd bepaling. deficit. afleiden. malloot idioot debugger debugger besluiten. omschrijving bepaling. verbasteren degraderen. beslissen. definitie.dąb nie dąć dążyć dbały dbały deaktywizować debacie debacie debata debatować debet debet ("winien" w księgowości) debil debil debuger debugger decydować decydował decydował decydujący decyzja decyzją decyzją dedukcją dedukować dedukował dedykować dedykował deficycie deficycie deficyt defilada definicja definicja typu dokumentu definicją definiować definiował definitus definitywny deformował degeneracie degenerat degradować degradował dekada dekada licząca dekadą deklamować eiken. ontaarden. gevolgtrekking abstraheren. slag. cruciaal besluit. voorzichtig waas. finaal. dons debat discussie. mep. zot. klap najagen. debet debetzijde. ontaarden. flap. nastreven aandachtig. uitmaken determineren. deficit. gebrek. verlagen degraderen. spenderen. spanderen kastekort. beslissen. afleiden. bepalen definiëren. omschrijving definiëren. verbasteren degenereren. attent. beslissing resolutie. uitmaken besluiten. spenderen. omschrijven. uitspraak. debet dwaas. tekort afwezigheid. motie conclusie. omschrijven. deduceren abstraheren. spanderen opdragen. eikehouten houw. bespreking debat debat debetzijde. tekort verleden. nesthaar. oplettend behoedzaam.

decoratie decor. mild. zachtaardig zoet. iel broos. inboeten delegeren. onderscheiding.deklamował deklaracja deklaracja procedury deklaracją deklarować deklarował dekodować dekodował dekomprymować dekoracja dekoracja sklepowa dekoracją dekoracją dekoracją dekoracje (tetralne) dekoracje tetralne dekoracyjny dekorować dekorować dekrecie dekret delcie delegacie delegacie delegacja delegacją delegat delegat delegować delegowanie delicją delicją delikates delikatność delikatność delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikwencie Delphi delta dementować dementował demokracie voordragen. afvaardigen afvaardiging. delicaat. zachtmoedig. lekkernij snoepen snoep. afvaardigen in de plaats stellen van. delegatie afvaardiging. declameren declaratie. decreteren verordenen. delegatie snoep. snoepgoed. decoratie. verklaring declaratie. aanbesteding schuldige. zacht zacht. snoepgoed. plaatsvervangend afvaardiging. decoratie versieren landschap landschap ornamentaal versieren versieren verordenen. decoratie sieraad. liefelijk gunning. decreteren delta delegeren. verklaring declaratie. verklaring declareren declareren decoderen decoderen afleiden decor. dader Delphi delta ontkennen ontkennen democraat . onderscheiding. gevoelig. zoet. afvaardigen subsidiair. delegatie delegeren. breekbaar liefelijk. zacht. snoepgoed. lekkernij snoep. tooisel decor. onderscheiding. lekkernij mildheid beminnelijk kies.

demokracja demokracją demokratyczny demolować demon demoniczny demonstracja demonstracją demonstrować demonstrował demontować denerwował dentysta dentystyczny dentyście denuncjować denuncjował depesza depesza depeszą depeszą depeszą deportować deportował depozycie depozyt depresja depresją deptać deptak deputowany derywacja derywacja wyprowadzenie desancie desant desce desce deseń deseń deser deser deska deska deskrypcją despocie despota destrukcją destrukcją

democratie democratie democratisch afgeven op, afbreken, afkammen demon, duivel demonisch, satanisch demonstratie, vertoning, bewijs demonstratie, vertoning, bewijs demonstreren, vertonen demonstreren, vertonen afstijgen ergeren, verontwaardigen tandarts tand-, getand tandarts aangeven, aanbrengen, klikken aangeven, aanbrengen, klikken telegram, kabeltelegram telegram kabel, tros verzenden metaaldraad, draad deporteren deporteren afgeven, deponeren, in bewaring geven afgeven, deponeren, in bewaring geven afname depressie stappen, lopen, schrijden, treden marcheren, tippelen, lopen subsidiair, plaatsvervangend afleiding, afgeleid woord afleiding, afgeleid woord daling, landing daling, landing aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet werkje, schets, tekening knippatroon, patroon toetje, toespijs, nagerecht, dessert pudding aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet tafereel, schildering, beschrijving despoot, dwingeland despoot, dwingeland vernietiging ruïneren, te gronde richten

desygnował deszcz deszcz ze śniegiem deszczowiec deszczowy deszczułce deszczyk deszyfrować deszyfrował detal detalista detaliście detektyw detektywistyczny detergencie detergent detonacją dewiza dewizą dewizą dezaktualizował się dezaprobacie dezerterować dębowy dębowy dętka diabelski diabeł diablicą diaboliczny diagram diakon dialekcie dialekt dialektalny dialog dialog dialog dialog człowiek-komputer dialog użytkownikkomputer diament diament przemysłowy diecie diesel dieta dietetyczny diminutivum direktor antenowy

benoemen, aanstellen regenen regenen regenmantel nat lat motregenen ontcijferen, ontraadselen ontcijferen, ontraadselen bijzonderheid, item, detail kleinhandelaar kleinhandelaar detective, rechercheur detective, rechercheur afwasmiddel afwasmiddel informeren, berichten, inlichten leus, lijfspreuk, leuze, devies leus, lijfspreuk, leuze, devies lijfspreuk, leus, leuze, devies aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen afkeuring, verwerping, wraking wildernis, woestenij, woestijn eiken, eikehouten eiken, eikehouten binnenband, luchtpijp, luchtband duivelachtig, duivels, drommels droes, boze, duivel, drommel helleveeg, furie, haaibaai, feeks duivels, duivelachtig, drommels afbeelding, figuur, beeld diaken tongval, dialect tongval, dialect tongval, dialect tweespraak, tweegesprek, dialoog tweegesprek, tweespraak, dialoog bericht, boodschap tweespraak, tweegesprek, dialoog onderhoud, gesprek diamant diamant dieet dieselmotor, diesel dieet diëetluttel, karig, min, klein, gering directeur, bestuurder

dla dla dla siebie samej dlaczego dlatego dlatego dlatego też dlatego że dławienie (się) dławik dłoń dłoń dłucie dług długa spacja długi długi czas długo długopis długość długość długość geograficzna długotrwały dłuto dmuchać dmuchawiec dno dno statku dno statku do do do do do cna do edycji do góry nia do góry nogami do małego biura i do domu (np. oprogramowanie) do przewidzenia do przodu do przyjęcia do samolotu) do szpiku kości do twojej wiadomości do twojej wiadomości do tyłu do wglądu tylko dla ciebie (tajne

gedurende, onder, terwijl, staande saké, rijstwijn gedurende, onder, terwijl, staande hoezo, waarom ergo, dus, ook weer, toch ergo, toch, ook weer, dus daar, doordat, omdat, aangezien ergo, toch, ook weer, dus wurgen, choken, worgen wurgen, choken, worgen aanreiken, overhandigen bal, handpalm, palm beitelen schuld ruimte, bestek, wereldruim, speling lang lang lang hok lengte, langdurigheid lengte (geo.), lengte lengte (geo.), lengte blijvend, aanhoudend beitelen houw, flap, slag, mep, klap leeuwetand, paardebloem bodem, achtergrond, ondergrond, grond bodem, achtergrond, ondergrond, grond achtergrond, grond, bodem, ondergrond heel, volkomen, totaliter gedurende, onder, terwijl, staande in, te, binnen, per tegen, bij, naar, tot, aan, voor droes, boze, duivel, drommel omhoog, opwaarts, op, naar boven op, omhoog, naar boven, opwaarts on-, in-, imverkrijgbaar daarvoor, eerder, vooraan, indertijd acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk aanklampen, zich vastklampen aan betreffende, aangaande, omtrent hierheen, hier achterover achterwaarts, achteruit, rugwaarts achterlijkheid adieu, vaarwel

informacje) do widzenia do wysokości do zobaczenia do zwrotu dobiegać dobierać dobitny dobitny dobosz dobór dobre dobre stosunki dobro dobrobycie dobrobyt dobroczynność dobroczynny dobroć dobroć kondensatora dobroduszny dobrowolnie dobrowolny dobry dobry dobry dobry dobrze dobrze się rozwijać dobrze wychowany dobrze wypionowany dobrze wypionowany dobrze zbudowany dobrze! dobytek docenia doceniać docenić dochodzić do dochować dochowuj dochód dochód dociąć dociekać dociekliwie docierać docinać

vaarwel, adieu acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk geldkist, kas, fonds tegen, bij, naar, tot, aan, voor aanvliegen soort, slag, aard klaar, uitgesproken, helder nadrukkelijk trommelslager, tamboer, trommelaar keuze, keur, keus, optie, verkiezing okee, okay, goed okee, okay, goed okee, okay, goed welstand, voorspoed, geluk, bloei rijkdom naastenliefde, menslievendheid charitatief, liefdadigheidsvoorkomendheid, liefheid goedheid aardig, vriendelijk, voorkomend uit vrije wil, vrijwillig vrijwillig best beter okee, okay, goed rechter-, vandehands goed, nu goed geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel juist, gelijk hebbend, gegrond goed, okay, okee hecht, fors, potig, ferm, robuust afgesproken, akkoord, goed, in orde goed, nu goed bezitting, eigendom, bezit appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen bereiken, inhalen, behalen inmaken, konfijten, inleggen blijven inkomen, ontvangst, opbrengst verdienste, baat, winst, gewin plagen exploreren, nagaan, onderzoeken met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig bereiken, inhalen, behalen plagen

dociskać doczesny dodać dodać dodać dodać dodać domieszkę opium dodać odwagi dodać otuchy dodaj dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek (w książce) dodatek specjalny dodatkowo dodatkowy dodatkowy dodatkowy dodatkowy ruter dodatkowy zasilacz mocy dodatkowy zbiornik atramentu dodatni dodatnio dodawać dodawaćotuchy dodawanie dodawanie modulo 2 dodruk dodruk dogadzać dogmacie dogmat dogodny doić dojazd dojrzały dojrzały dojrzały dojrzano dojrzeć dojrzej dojrzewać dojrzewać dojrzewanie płciowe dojście

strakker aantrekken, aantrekken aards aanhechtsel, affix hoera roepen aanvuren, aanwakkeren, aansporen opiaat aanhechtsel, affix bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijkomstig, bijbehorend, bijkomend begeleiding, accompagnement optelling bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein optelling extra extra verder, overig assistent, adjunct, helper extra bijbehorend, bijkomend, bijkomstig bijkomstig, bijbehorend, bijkomend extra positief, constructief voorgoed, definitief bijtellen, optellen hoera roepen optelling optelling effect, indruk afdruk bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan leerstuk, dogma, leerstelling leerstuk, dogma, leerstelling doelmatig, gemakkelijk, geschikt melk oprijlaan, oprit volwassene, adult belegen, bezonken, rijp rijp, bezonken, belegen rijp, bezonken, belegen rijp worden, rijpen belegen, bezonken, rijp volwassene, adult rijp worden, rijpen puberteit oprijlaan, oprit

dojście dojście (do czegoś) dojść dojść dok dokąd dokądkolwiek doker dokładać dokładna informacja wyszczególniać dokładne badanie dokładnie dokładnie dokładnie dokładnie coś przejrzeć dokładnie zbadać (kogoś) dokładność dokładność dokładność dla pełnej skali dokładność pomiarów dokładność zapisu dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny do ntego miejsca (po przecinku) dokładny do n-tego miejsca (po przecinku) dokoła dokonać dokonany dokonuj dokonując dokonywać dokonywać dokonywać (<sth> czegoś) dokonywać zapisu na rzecz dokończyć dokręca dokręcać dokręcony dokrętce dokrętek doktor dokuczać dokuczać

aanwinst, acquest, buit, prooi oprijlaan, oprit aankomen, belanden, arriveren buit maken, verkrijgen, behalen dok waar hier of daar, ergens stouwer, stuwadoor bijtellen, optellen bijzonderheid, item, detail precies, nauwgezet, accuraat precies, nauwgezet, accuraat inhalen grondig, radicaal precies, nauwgezet, accuraat rechter-, vandehands accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid nauwkeurig, accuraat, nauwgezet nauwkeurig, accuraat, exact trouw, getrouw precies, scherp, juist, minutieus specifiek, soortelijk streng, duchtig, straf, bar, hard nauwkeurig, accuraat, nauwgezet om ... heen, omtrent, ongeveer, om behalen, bereiken, inhalen volkomen, perfect, in optima forma maken, doen, bedrijven fabricatie, aanmaak, fabricage bewerkstelligen, doorvoeren het veld ruimen, afstaan kalfateren, kalefateren, breeuwen begiftigen, meegeven aantikken strakker aantrekken, aantrekken strakker aantrekken, aantrekken stipt, nauwsluitend, streng, nauw moer bah doctor ergeren, verontwaardigen mopperen, kankeren, morren, sputteren

dokuczać dokuczać dokuczanie dokuczliwy dokuczliwy dokuczliwy dokuczyć dokuczyć dokumencie dokument dokumentacja systemowa dokumenty dolar dolą dolą dolega dolegliwość doliczać dolina dolny dolny dolny dołaczyć dołaczyć dołączać komentarz dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć się dołeczek dołeczek dołeczek dom dom czynszowy dom publiczny dom publiczny dom rodzinny dom starców dom studencki dom wypoczynkowy domagać się domagać się domagać się od kogoś zrobienia czegoś domek domek parterowy domeną

klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen plagen smart, verdriet, leed plagen saai, taai, vermoeiend, melig pijnlijk, hinderlijk, lastig, storend ergeren, verontwaardigen belemmeren, storen, hinderen bedrijf, acte, dokument, akte, stuk bedrijf, acte, dokument, akte, stuk mens bestand, dossier dollar lot, bestemming, lotsbestemming kavel, perceel pijn doen, zeer doen bezwaar, strubbeling, moeilijkheid bijtellen, optellen vallei, dal waas, nesthaar, dons laag verlagen, afdraaien zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker bevatten, inhouden, behelzen bijtellen, optellen belenden, grenzen aan aanhechtsel, affix omsluiten opiaat zich aansluiten, lid worden, toetreden groef, gracht, kuil, groeve, greppel hol, ingevallen groeve, gracht, greppel, groef, kuil geslacht, pand, huis herenhuis bordeel, seksclub, hoerenkast huiswaarts, naar huis huiswaarts, naar huis logement, herberg pakhuis, magazijn, warenhuis geslacht, pand, huis aanspraak maken op, claimen opeisen, vereisen, rekenen, eisen opeisen, vereisen, rekenen, eisen hut, huisje bungalow rijk, staat

domeną dominium dominować dominował dominujący domniemanie domowy domowy domowy domysł domyślac domyślać się domyślać się domyślić się domyślnik doniczka doniesienie donieść donieść donikąd doniosłość doniosły donosić dookoła dopasować dopasowanie szablonu dopełnia dopełniać dopełniający dopełniał dopilnować doping dopingować dopingował dopisać dopływ dopóki dopóty doprawdy doprowadza doprowadzić do szału dopuki dopuszczać dopuszczalny poziom wadliwości dopuścić dopuście doradca doradcą

kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied dominion meester zijn, de baas zijn meester zijn, de baas zijn voornaamste, hoofdvermoeden, gissen binnenlands, inheems, inlands huiswaarts, naar huis Stille Oceaan, Grote Oceaan onderstelling, hypothese, mening raden, gissen, doorzien raden, gissen, doorzien menen, vermoeden, stellen raden, gissen, doorzien zinspelen bloempot informeren, berichten, inlichten perzik informeren, berichten, inlichten nergens, in geen velden of wegen relevantie veelbetekenend, betekenisvol berichten, informeren, inlichten circulerend, in omloop aanpassen, afstemmen, adapteren lucifer compleet, volledig blok aanvullend volbracht ontmoeten, aantreffen stijving, bemoediging, aanmoediging aanvuren, aanwakkeren, aansporen aanvuren, aanwakkeren, aansporen belenden, grenzen aan fjord terwijl, staande, gedurende tot, totdat, binnen, voor werkelijk, wezenlijk aansporen, aanwakkeren, aanvuren bestseller, furore tot, totdat, binnen, voor laten, laten begaan, laten schieten acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk toegeven plaag adviseur, mentor, raadgever adviseur, mentor, raadgever

doradzić doraźny doraźny doręcza doręczyć dorobek dorobek doroczny dorosły dorożka dorsz dorzecze dosiadać dosięgać dosięgnąć doskonale doskonały doskonały dosłowny dosłowny dosłowny (raport) dostarcza dostarcza dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dowodów dostarczać żywność dostarczał dostarczanie dostarczyć dostarczyć podporządkować dostarczyć żywność dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny (stopień w szkole) dostatek dostatni dostawa dostawa oprogramowania dostawać mdłości dostawą dostęp dostęp dostęp

adviseren, bekendmaken, aankondigen ogenblikkelijk, prompt toevallig, incidenteel afleveren, leveren, bestellen brengen, aandragen, bezorgen Fortuna lot, fortuin, fortuinlijkheid jaarlijks volwassene, adult taxi kabeljauw vont, bekken, kom monteren, zetten buit maken, verkrijgen, behalen bereiken, inhalen, behalen perfectie, volkomenheid, volmaaktheid volkomen, perfect, in optima forma grandioos, groots, overweldigend woordelijk, letterlijk naar de letter, woordelijk naar de letter, woordelijk leveren, bestellen, afleveren provianderen, spekken, bevoorraden betuigen, verzekeren afleveren, leveren, bestellen eten, bikken, gebruiken, vreten afzenden, verzenden, expediëren het veld ruimen, afstaan provianderen, spekken, bevoorraden gemeubileerd aflevering, levering, inlevering knechten, onderwerpen afleveren, leveren, bestellen leveren, bestellen, afleveren adequaat, bijbehorend genoeg, voldoende bevredigend genoeg, voldoende bevredigend onbekrompenheid, overvloed uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend aanvoer, bezorging aflevering, levering, inlevering afkeer inboezemen aflevering, levering, inlevering oprijlaan, oprit aanwinst, acquest, buit, prooi aanvliegen

instelling geruim. stemmen afstelling. voelen. beschikbaar. afstemmen. levendig. zelfgevoel. augustus waardig. toegankelijk aanspreekbaar liquide. oprit genaakbaar. helder. basta heel. toegang oprijlaan. gebruik aanpassen. beschikbaar. totaliter genoeg. rap. oprit oprijlaan. bedroeven. beschikbaar. disponibel liquide. deerlijk. aanzienlijk verstandig zichtbaar genoeg. adapteren kleren maken afstemmen. toegankelijk liquide. aanpassen. adapteren ontsnappen. adapteren aanpassen. verdienen. deftig afstemmen. ervaren ondersteuning. subsidie slecht scherp. vrij. ontgaan usance. beminnelijk. geoefend. betasten empirisch. ontkomen. ervaren deskundig. stipendium. adapteren afstemmen. dragen bevoelen. aanpassen. aanmerkelijk. tamelijk. smartelijk beproeven. voldoende tamelijk vriendelijk. buit maken winnen. pijnlijk. gewoonte. adapteren afgepast in een stemming brengen. volkomen. verdriet doen vinger . geoefend. ingang. experimenteel belevenis. aanpassen.dostęp dostęp zastrzeżony dostęp zdalny dostępny dostępny dostępny dostępny od przodu dostępny od przodu dostępny w handlu detalicznym dostępował dostępował dostojeństwa dostojny dostojny dostosować dostosować dostosować (się) dostosować (się) dostosować umieszczać dostosowanie interfejsu dostosowany do życzeń użytkownika dostosowuj dostosowywał dostroić dostrojenie dostrzegalny dostrzegalny dostrzegalny dosyć dosyć dosyć dosyć doszczętnie dość dość doświadcza doświadczać doświadczalny doświadczenie doświadczony doświadczony użytownik dotacją dotkliwie dotkliwy dotkliwy dotkliwy dotknąć dotknąć entree. behalen zelfrespect. genoeg. ervaring. acuut. druk zeer. disponibel verkrijgen. voorbijgaand kras. waardigheid oogstmaand. aardig nogal. disponibel genaakbaar. ondervinding deskundig. voldoende tamelijk naar buiten brengen. zichzelf respecterend. kwiek. afstemmen. tasten.

bewust. schijf adstructie. grol. betasten gevoel aanslag belenden. aannemen bewijzen. gevat. pots. opvallen subsidiëren aankomen. grammofoonplaat. gestaag . krakelen bevestigen. bewijs drukproef aanvoerder. belanden. gekscheren mop. geestig. ondervinding belevenis. ervaring. ad rem twisten. schertsen. commandant commodore aanvoerder. kloppen. klappen. bestendig. arriveren blijven nog ouder betrokken.dotknąć dotknąć nieszczęściem dotknięcie (pędzlem) dotował dotrzeć dotrzymywać dotychczas dotychczasowy dotyczenie dotyczyć dotyczyć dotyczyć dotyczyć czego dotyk dotyk dotyk dotyka dotykać dotykać palcem doustny dowcip dowcip dowcip dowcipny dowieść dowodach dowodzący dowodzenie dowodzić dowodzić dowodzić dowodzić (<sth> czegoś) dowolny dowozić dowód dowód dowód (przyjaźni) dowód wiedzy zerowej dowódca dowódca dowódcą dowództwa dowództwo doznać doznaj doznaj doznawał doznawał aanslag aanslag slaan. aanvoeren. ondervinding stutten. belang aangelegenheid. aanvoeren. eigenmachtig transporteren. disputeren. disputeren. krakelen archief aanwijzend voornaamwoord aanwijzend voornaamwoord twisten. commanderen belevenis. arbitrair. desbetreffend aanwenden. tasten. geoefend. grap spriet. voelen. ervaring. commanderen bevelen. teken. aantonen willekeurig. voeren drukproef discus. belang bevoelen. bekoren aangelegenheid. grenzen aan aanslag aanslag mondeling. ervaren constant. steunen. oraal boerten. schragen deskundig. boegspriet snedig. overbrengen. aantonen bewijzen. plaat. doorvoeren toelachen. kwinkslag. aanlokken. commandant bevelen.

krabben grendelen. checken. bibberen. pijp baar. huiveren . schacht. paal. bedroeven. de wacht hebben. aflezen controleren. gracht. greppel. klauwen. auto trolley. rillen. bewaren pensioen groeve. sterk werkend krauwen. zorgen afschuwelijk slingeren. portier bewaken. zorgen bewaken. mijnschacht kleven. kregel. wagen automobiel. aflezen steward zich bekommeren. kuil ladder ladder ladder ladder toneelstuk. roede. bos hout hout hout boom hout brandhout auto. afdruipen neerdruipen. beven. ergeren baar. beugel bezorgd zijn. bewaren controleren. de wacht hebben. ongrijpbaar. vastkleven. paal. drama toneelstuk. klauwen. rillen. bibberen woud. aanhangen stuur. stuurtoestel stuur. zich bekommeren. scharrelen. oscilleren. groef. checken.dozorca dozorcą dozorować dozorował dozorujący dozór dozór dożywocie dół drabina drabina schodkowa drabiną drabinka dramacie dramat drapać drapak drapować drastyczny draśnięcie dratwą drażliwy drażliwy drażnić drąg drążek drążek drążek drążek sterowniczy drążek sterowy dren dren wielokrotny drenować dreszcz drewien drewna drewna drewno drewno drewno drewno na podpałkę drezyna drezyna drezyną dręczyć drętwy drga drganie conciërge. schacht. glibberig grieven. roede. stuurtoestel neerdruipen. pijp schacht. schommelen beven. drama krauwen. afdruipen huiveren. balorig glad. scharrelen. afdruipen neerdruipen. bezorgd zijn. afgrendelen draperen drastisch. krabben vlechten slechtgehumeurd.

drukker boekdrukker. fraai propperig. spotlachen. bijkomend. kameraad. paadje tweede paren twaalfuurtje. lief. waard geacht. schoon. activeren. penning. aanzetten ampel. drukker afdruk afdruk uitgeven. draad team. drijven boren klei-. route straat grote weg. futiliteit. ploeg. dierbaar. van klei . aarden. minuscuul. gezien kostbaar. kornuit. equipe politiepatrouille bespotten. gewoonte apotheek geacht. mooi. emitteren metaaldraad. toevallig bijbehorend. ginnegappen afdrijven. drukker boekdrukker. minuskuul weg. fijn. geldstuk bagatel. usance. in het klein munt. klein. drijven afdrijven. gezien kostbaar. honen grijnslachen. verkeersweg weg. bijkomstig maat. op drift zijn. waard zeldzaam wegwijzer roodborstje gist gist gevogelte pad. lunch incidenteel. duur. route gebruik.drganie drgawce drgawka drgnąć drobiazgowy drobniak drobnostka drobnoustrój drobny drobny droga droga droga dojazdowa droga wodna droga wodna drogerią drogi drogi drogi oddechowe drogi oddechowe drogocenny drogowskaz drozd wędrowny drożdże drożdże drób dróżka drugi drugi nadawca drugie śniadanie drugorzędny średniej klasy drugorzędowy druh drukarce drukarka drukarz drukować drukować druk odbitka drukował drut drużyna drużyną drwić drwiną dryf dryft dryl drylował vibratie. op drift zijn. spotten. makker boekdrukker. gedetailleerd. lief. dierbaar. trilling schokken kramp aanzetten tot. duur. baan. baan. beuzelarij microbe net.

druilen. dutten boom boom naaldboom naaldboom hout prent. doorscheuren druilen. graveerwerk portier. huiveren. multipliceren zeef goulash choken. huiveren rillen.drzazdze drzazga drzeć drzemać drzemce drzemka drzemka drzewa drzewo drzewo binarne drzewo dwójkowe drzewo zbalansowane drzeworyt drzwi drzwi są uchylone drżeć drżeć drżenie drżenie dublowanie duch duch duch duch wodny duchowny duchowny duchowy dudą dudnienie dukcie dukuczyć duma dumać dumny dumny Dunaj duńczyk duński dupa dupą duplikat duplikować durszlak dusić dusić dusić (się) dusić na wolnym ogniu dusza splinter splinter vaneenscheuren. gewoonte trots trots muze hoog. duplex. bibberen dubbel. prat. geest geestelijke minister. tweeledig verstand. gemoed. deur portier. huiveren rillen. worgen. beven. bewindsman geestelijk pijp. gravure. dutten sluimeren. geest geest blinde. dutten druilen. onderdrukken. beven. sluimeren. tabakspijp afranselen gebruik. bibberen. tweevoudig. blinde bij kaarspel. sluimeren. dutten druilen. usance. neerslaan pruttelen ziel. geest . verheven fier. bibberen beven. deur beven. rillen. intellect ziel. huiveren. rillen. sluimeren. gemoed. trots Donau Deen Deens ezel ezel verveelvoudigen. bibberen. multipliceren verveelvoudigen. wurgen smoren. geest.

berusting dynamiet pompoen pompoen akte. net het hof maken. bul. veel. roken uitwasemen smoken. met lucht gevuld. vies ruiken gelatenheid. paar stationsgebouw. bovengronds tof. grootte menig. bestek. buigen. vele veel groot groot lucht-. geestelijke. excellent. tweemaal twaalf twaalf dubbelzinnig. scharrelen twintig twintig twee keer. vrijen. station binair binair netwerk. amateur. brevet diplomaat . opgeven dilemma dilemma knutseaar. tweetal. tweemaal veertien dagen. koppel.duszpasterz duża ilość dużo dużo duży duży duży system komputerowy duży system obliczeniowy duży wysiłek dwa dwa pensy dwa razy dwa tygodnie dwadzieścia dwanaście dwie dworzec dwójkowe (liczby) dwójkowy dwójnik bierny dwór dwudziestce dwudziestka dwukrotnie dwunastce dwunastka dwuznaczny dyg dygotać dykta dyktator dyktatura dyktować dyktował dyktował dylemacie dylemat dyletant dym dymek dymić dymić (się) dymisja dynamit dyni dynia dyplom dyplomat pastoor. dubbelslachtig nijgen. duo. twee weken twee twintig twaalf stel. roken stinken. kostelijk groot twee twee keer. een buiging maken schokken multiplex dictator dictatuur dicteren dicteren zeggen. pastor omvang. tiptop. diploma. dilettant smoken.

aanrichten. geleiden. bestuurder bestuurder. bewaren de weg wijzen. twisten detachement. plaat discus schijf. krakelen. iel . discus. neiging disputeren. aangifte. team. fijn. aanvechtbaar twisten. de wacht hebben. voornaamste declaratie. discuteren bespreken. disputeren. grammofoonplaat. bespreking betwistbaar. uitreiking verdeling. lust. hoofd der school hoofd-.dyplomata dyplomatce dyrekcja dyrektor dyrektor dyrektor dyrektor generalny dyrektor szkoły dyrektor szkoły dyrektywa dyrektywa zapoczątkowania dyrygencie dyrygent dyrygent dyrygować dyscyplina dyscypliną dysk dysk dysk dyskietka dyskietka dyskonto dyskretny dyskryminacja rasowa dyskryminacją dyskusja dyskusyjny dyskutować dyskutować dyskutował dyslokacją dysponować dyspozycją dyspucie dysputa dystans dystans dystrybucja dystrybucja kluczy dystrybucja połączeń automatycznych dystrybucją dystrybutor dystrybutor automatycznych rozmów telefonicznych dystyngowany dystyngowany dystyngowany diplomaat boekentas. grammofoonplaat. bestuurder bewaken. vermogen keurig gevoelig. kies. voornaamste rector directeur. ordenen zin. leiden discipline. krakelen bespreken. tucht schijf. bestuurder conducteur. eind verdeling. commanderen. plaat schijf. administrateur hoofd-. plaat diskette disconto bescheiden. discus. beheerder. krakelen. uitreiking verdeling. grammofoonplaat. afdeling afstand. theca. aanvechting. uitreiking verdeling. aktentas administratiekantoor hoofdonderwijzer. twisten disputeren. tucht discipline. delicaat. discus. bevelen conducteur. onopvallend. uitspraak aanvoeren. discreet discriminatie discriminatie discussie. discuteren beschikking arrangeren. uitreiking verdeler verdeler kapitaal.

jong. operatie. gedoe bewerking. handeling. tak onruststoker. activist functioneren. handeling bewerking. kanon. operatie. gedoe.dystynkcją dysza dyszą dyszel dyszel dyszka dywan dywersja dywizją dyżur dzban dzban dzban dzbanek dzbanek dziadek dziadostwa dział dział działacz działać cuda działać przetwarzać działać sterować działalność działalność działalność maklerska działania działania) działanie działanie działanie na minutę działanie napędu dyskietek działanie niezależne działanie wsadowe działka działka działka podziałki działo działo elektronowe dziąsło dzieciak dzieciak koszula nocna dzieciątka dziecinny dziecko dziecko dziecko bawiące się skakanką dziedzic onderscheiding spuit spuit straal. speelplaats actie. het doen doen. kruik vaas. divisie kavel. verplichting kan. handelen actie. vuurmond roer. vat. pul kan. kettingzang. optreden. vak. optreden. gedoe actie. spaak schacht. het doen functioneren. divisie plicht. vloerkleed. perceel canon. karpet afleidingsmanoeuvre legerafdeling. gedoe. kruik po opa. geweer tandvlees een geintje maken een geintje maken baby kinderlijk loot. ageren. jongeling. ingreep legerafdeling. kind. jongeheer een geintje maken nazaat. optreden. optreden. kleed. kruik kan. afstammeling borst. ingreep actie. bezig zijn. optreden. gedoe actie. perceel kavel. agitator. handeling. handeling courtage actie. gedoe. grootvader achterbuurt departement branche. pot. handeling. nakomeling . handeling speelterrein. speelplaats speelterrein. optreden. afstammeling. mijnschacht spuit tapijt.

klieven. erfstuk. zwaarlijvig. scheiden kloven. binnenplaats. erfdeel erfelijkheid. corpulent dapper. doorklieven. verhaal kroniekschrijver. dagblad. erfenis. scheiden nabijheid district. kloek. erven arena. arrondissement. divisie afzonderen. krant courant. decaan kloven. divisie legerafdeling. dagblad. kampplaats akker plaats. chroniqueur deken. arrondissement. afscheiden. erf. alledaags dag heden. krijt. moedig. ra yard. erfenis. ra yard. daags. erfstuk. aandeel afzonderen. divisie legerafdeling.dziedzictwa dziedziczenie dziedziczność dziedziczyć dziedzina dziedzina zastosowań dziedziniec dziedziniec dziedziniec kościelny dziedzińca dzieje dziejopis dziekan dziel dzielenie dzielenie przez zero dzielenie sekretu dzielić dzielić dzielić na połowę dzielić podział dzielnica dzielnica Londynu dzielnicą dzielny dzielny dzieło dziennik dziennik dziennik zdarzeń dziennik zmian dziennikarce dziennikarz dzienny dzień dzień dobry dzień dobry! dzień roboczy dzień wypłaty dzierżawa dzierżawą dzierżawca za część plonu dzierżawcą dzierżawić dzierżawić dziesiąta część dziesiątce dziesiąty boedel. boud afdruk dagelijks. in pacht hebben huurder huurder pachten. afscheiden. in pacht hebben huurder tiende tien tiende . alledaags courant. klieven. overerfelijkheid beërven. splijten actie. splijten legerafdeling. gouw district. daags. piste. dagblad. koen. doorklieven. gouw gezet. vandaag morgen gisteren dag huur pachten. ra geschiedenis. krant journaliste journaliste dagelijks. hof yard. historie. erfdeel boedel. krant courant.

wild woest natuurlijk wild.dziesięciolecie dziesięć dziewce dziewczyna dziewczyna dziewczyna dziewiąta część dziewiątce dziewiąty dziewica dziewica dziewiczy dziewiczy dziewiczy (nośnik) dziewięć dziewięćdziesiąt dziewiętnaście dzięcioł dzięki dziękować dziękował dziękuje dzik dziki dziki dziki dziki (wzrok) dzikus dzionek dziób dziób dziób dzióbek dzisiaj dzisiejszy wieczór dziś dziś wieczorem dziś wieczór dziura dziura powietrzna dziurawy dziurą dziurkarka dziurkarka dziurkarka taśmy papierowej dziurkarka taśmy papierowej dziw dziwaczny decennium tien meid. dienares. woest woest. neb. bedanken. voorsteven. boeg spuit heden. greppel hol. gracht. ingevallen hol. wonder bizar . dank betuigen dank. kuil. greppel groef. snater. meid negende negen negende meid. woest dag bek. uitholling. wild wild. meid dienstmeisje. maagdelijk maagdelijk. vandaag vannacht vannacht groef. snavel snavel. vandaag vannacht heden. holte stompen Jan Klaassen stompen Jan Klaassen mirakel. groeve. bek. maagdelijk negen negentig negentien specht dank. groeve. dankzegging danken. meisje meid. dank betuigen danken. dankzegging woest. tuit. meisje ongerept. kuil. gracht. snater. tuit. ongerept ongerept. maagdelijk ongerept. bedanken. meisje meisje. neb voorschip.

jungle. aansluiten klingelen. oprichten. regenworm. echoën Echo . ring rinkelen. klingelen rinkelen. akoestisch kleppen. rimboe oerwoud. gentleman keurig. gaan kleppen. heffen. klinken. ophalen beuren. galmen. echoën Echo weergalmen. gaan acoustisch. kletteren. kletteren. heffen. radiolokacyjne echo np. beugel. overgaan. zich verwonderen prostituée. heffen. amusant rum bizar klok klok klok zich aaneensluiten. werk.dziwaczny dziwaczny dziwce dziwić się dziwka dziwny dziwny dziwny dziwny dziwny dzwon dzwonek dzwonek do drzwi dzwonić dzwonić dzwonić dzwonić dzwonienie po umarłym dźgnięcie dźwięczeć dźwięczeć dźwięcznie dźwięk dźwięk wysokiej jakości dźwiękowy dźwiękowy dźwig dźwig dźwigni dźwignia dźwignia zwalniająca dżdżownica dżdżownicą dżem dżentelmen dżentelmeński dżersej dżin (do picia) dżojstik dżumą dżungla dżunglą echa echa echo echo echo np. oprichten. hoer bizar uitheems. kletteren. worm aardworm. marmelade heer. klinken. buitenlands vermakelijk. naklinken. kletteren. overgaan. klinken. echoën Echo weergalmen. rinkelen naklinken. doorklinken klingelen. karwei. pier. overgaan. radiolokacyjne rum bizar prostitueren zich verbazen. moes. lichtekooi. oprichten. stuurtoestel pest oerwoud. ophalen beuren. naklinken. rinkelen kleppen. rinkelen wal. naklinken. arbeid klingelen. worm jam. ophalen aardworm. jungle. klare stuur. leuk. gaan krab lift beuren. kletteren. regenworm. pier. rimboe weergalmen. beschaafd Jersey jenever. klingelen emplooi.

uitsluitend uitzetting.edukacja edukacja na odległość edukacją edukował edukował edycja w komórce edycją edytor edytować efekcie efekt efekt zniekształcenia maski kineskopu efektywny Egipcjanin egipski Egipt egzamin egzaminować egzaminował egzekwował egzemplarz egzotyczny egzystencja egzystencją egzystować ekipa ekipa ekonom ekonomia ekonomia ekonomiczny ekonomika ekonomika przedsiębiorstwa ekperymentować ekran ekran ekran (przewodu) ekran mozaikowy ekscytacją ekscytacją ekscytować ekscytował ekscytując ekskluzywny ekspansja ekspansją ekspedient ekspedycja opvoeding. opwinden opwindend exclusief. aanzijn bestaan bemanning leden. vorming opvoeding. spaarzaamheid economisch economie economie experimenteren scherm. uitgave. afdruk exotisch. editie uitgaaf. uitheems bestaan. aanhang intendant. effect afdoend. meier economie economie. grootbrengen geleerd. effect indruk. druk. prikkelen. expansie verkoper evenzeer. opzichter. redigeren. mede. schut schild. schut gewaarwording. vorming dresseren. examen onderzoeken. examineren nauwkeurig. prikkelen. expansie uitzetting. effect indruk. kweken. nakijken. ontwikkeld uitgaaf. opwinden aanwakkeren. ook. accuraat. vorming opvoeding. uitgave. aandoening opwinding aanwakkeren. schut scherm. bord scherm. eveneens . druk. examineren onderzoeken. bordje. doeltreffend Egyptisch Egyptisch Egypte onderzoek. editie editor opmaken. uithangbord. keuring. aanzijn bestaan. effectief. opstellen indruk. nakijken. exact exemplaar.

buigbaar. tentoonstelling uitdrukken bewoording. uitmelken exploiteren. piekfijn . buigzaam. naar expeditie deskundig archiefmedewerker. tentoonstellen belichten. tentoonstellen exporteren. maskeren buitennissig. betuiging. bij. chic. losbarsten. uitvoeren exporteren. uitroeien extra afleiden afleiden bemantelen. gezegde uitdrukken zwijmeldronken. extase verdelgen. uitvoeren exporteren. voor. ontploffing. uitvoeren exporteren. geestvervoering. tegen. ergst. uitmelken exploderen. losbarsten. buigbaar. explosie belichten. explosie uitbarsting. tot. buitensporig onpeilbaar. gelijkwaardig rekbaar. bovenmatig uitrusting. stijl sjiek. lenig smijdig. bewimpelen. exploiteren. ontploffing. experimenteel exploiteren.ekspedycja ekspedycja ekspedycją ekspercie ekspert ekspert ekspert ubezpieczeniowy ustalający wartości składek i odszkodowań na podstawie częstości wypadków eksperymencie eksperyment eksperymentalny eksploatować eksploatować eksploatować nadużyć eksploatował eksplodować eksplodował eksplozja eksplozją eksponacie eksponat eksporcie eksport eksportować eksportować eksport ekspozycją ekspres ekspresją eksprymować ekstatyczny ekstaza ekstazą eksterminować ekstra ekstrakcie ekstrakt ekstraktor ekstrawagancki ekstremalny ekstremizm ekwipunek ekwiwalent elastyczny elastyczny elastyczny automatyczny układ testera elegancja elegancki expeditie aan. extreem. actuaris deskundig deskundig experimenteren experimenteren empirisch. uitvoeren expositie. uitmelken uitbuiten. elastisch smijdig. accommodatie. soepel. ontploffen uitbarsting. ondoorgrondelijk uiterst. uitmelken uitbuiten. uitbuiten. exploiteren. inrichting equivalent. geestvervoering. extatisch vervoering. lenig trant. extase vervoering. uitbuiten. buigzaam. ontploffen exploderen.

ferm aanwakkeren. beginsel akker en bewerker element. uitschakelen ontwortelen welsprekend emailleren kleur. bestanddeel. verkiezing. elegant.elegancki elegancki elegant elekcją elektron elektroniczny elektroniczny zapis wizji elektronika elektronowy elektrotechnika elektryczność elektryczny element element element grupy programów element pomiarowy element z niestabilnością S elementarny elewator eliminować eliminować segregację rasową eliminował eliminował elokwentny emalia emblemacie emblemat emblemat oryginalnych produktów Microsoftu emeryt emerytura emfatyczny emfaza emigrować emigrował emisariusz emisariusz emitował encyklopedia energia energia energią energiczny energiczny entuzjasta entuzjastyczny entuzjastyczny entuzjazm bevallig. net optie. gepensioneerde pensioen nadrukkelijk nadruk. arbeidsvermogen. embleem pensioentrekker. aanvuren. gezant bode. emigreren. elegant. elektronisch elektronica electronisch. fut sap energie. uitbundig. keur. elimineren. uitwijken uittrekken. kras. elimineren. keuze. elektronisch elektriciteit elektriciteit elektrisch element. klem uittrekken. aanzetten enthousiast. flink. spirit. emigreren. spirit. beginsel elementair lift afvoeren. krachtig. rap. fut levendig. elimineren. arbeidsvermogen. piekfijn. gewiekst. kwiek energiek. geestdriftig krankzinnig zijn enthousiasme. druk. uitwijken afgezant. bestanddeel. geestdrift . uitschakelen afvoeren. listig bevallig. slim. elektronisch electronisch. net doortrapt. uitschakelen afvoeren. embleem kleur. piekfijn. embleem kleur. gezant uitstralen encyclopedie energie. afgezant. bode. keus elektron electronisch.

ontkomen. wijsbegeerte label. zedenleer. bestuur. evacueren ontruimen. zedenleer ethiek. blanke ontruimen. ontgaan ineenkrimpen. tijdsgewricht heremiet. zwoel ontsnappen. Amor erotisch. etiket Europa Europeaan. essence. leiding. brief. blanke Europeaan. wezen. tijdsgewricht tijdperk. etiket label. aflevering tijdsgewricht. accompagnement Esperanto Estlands Estlands muziektent tribune. evacueren evangelie evangelie . tribune. tijdperk tijdsgewricht. ethiek ethisch. zedenkunde. zedenkundig ethiek.eon epicki epiczny epidemia episkopalny epistołą epizod epoce epoka epopeja era erą eremicie Eros erotyczny ESC eschnąć esej esencja esencją eskimos eskorcie eskorta esperanto Estończyk estoński estrada estrada estrada etacie etap Etiopia etyczny etyczny etyczny etyka etyka etykiecie etykieta dysku etykieta wolumenu etykietka Europa europejczyk europejski ewakuować ewakuował ewangelia ewangelią eeuwigheid episch episch pest bisschoppelijk. doorluchtig epistel. proefschrift. zendbrief episode. podium schavot aanplakken podium. etiket label. kluizenaar Cupido. essence. stelling essentie. zedenkunde. leiding Abessinië. Ethiopië zedenkunde. zedenleer filosofie. tijdperk episch tijdperk. ineenkronkelen dissertatie. kern Eskimo begeleiding. kern essentie. accompagnement begeleiding. wezen. etiket label.

evenement mogelijkerwijs. ontwikkeling evolutie. metterdaad. effectief virtueel faculteit faculteit gebaren. gapen feit feit makelaar factureren. ad rem mens kerel. bedrijf deskundig professioneel. wuiven. snuiter beroep. maken snedig. tabakspijp aangapen. ontwikkeling evolutie. zwaaien gebaren. wuiven. gevat. werkelijk. misschien. zwaaien golfslag gebaren. bevoegd dakkamertje zolderkamer Attisch vuurwerk pijp. zwaaien gebaren. zwaaien .ewangelik ewenemencie ewentualnie ewentualność ewentualność ewentualny ewidentny ewolucja ewolucja schematu ewolucją ewoluował exodus fabryce fabryczny fabryka fabryka konserw fabrykacją fabuła facecie facet znie fach fachowiec fachowiec fachowy facjacie facjacie facjacie fajerwerkach fajka fajtłapą fakcie fakt faktor faktura fakturą faktycznie faktyczny faktyczny faktyczny fakultecie fakultet fala fala troposferyczna fala typu EH fala typu H fala wsteczna fala złożona falą protestants belangrijke gebeurtenis. wuiven. sujet. kennelijk. effectief. wuiven. beroepscompetent. knul. zich ontwikkelen Exodus fabriek fabriek fabriek fabriek fabriceren. eventueel apert. broodwinning. zwaaien gebaren. ontwikkeling evolueren. duidelijk evolutie. declareren factureren. persoon. daadwerkelijk daadwerkelijk. aanmaken. mogelijk eventualiteit eventualiteit gebeurlijk. zwaaien gebaren. dom kijken. waarachtig werkelijk. geestig. declareren inderdaad. evident. wuiven. deskundig. wuiven.

voorkant . bedrieglijk. befaamdheid gezin. fanatiek. vouwen. geluk. foutief loos. artsenij. façade. mijmeraar fantasie. schort. vast nagemaakt vervalsing vervalsing fout. bedrieglijk. dubbelhartig smid. aanzetten dwepend. artsenijbereidkunde farmacie. razend. geest. blinde bij kaarspel verven. vulling. kleuren. huis. mazzel. sloof. fantasierijk dromer. gevel. voorgevel voorzijde. aanmaken nagemaakt vervalsen onbeweeglijk.fałda fałdą fałdował fałsz fałszerz fałszować fałszować (<with sth> coś fałszował fałszował fałszował fałszował fałszował fałszowanie fałszywy fałszywy fałszywy famą familią fan fanatyczny fanatyczny fanatyk fancie fanfarą fanfarą fant fantastyczny fantaście fantazja fantazjaować fantazją fantom farba farba olejna farbować farbować (się) farbował farbując farcie farmacja farmakologia farmakologiczny farmą farmer farsz fartuch fasada fasada omvouwen. verkeerd. fanfare pion fantastisch. fanatiek. hondsdol dwepend. dweepziek pion fanfarekorps. artsenijbereidkunde geneesmiddel. dromen fantasie. vouwen. onjuist. verbeeldingskracht mijmeren. ijzersmid vervalsen vervalsing maken. huisgezin. gerucht. aderlaten aderlating bof. pui. plooien omvouwen. dubbelhartig faam. aanvuren. familie aanwakkeren. grillig. star. dweepziek dol. voorschoot voorpui. medicijn agrarisch boer opvulsel. vulsel boezelaar. buitenkansje farmacie. mare. fanfare fanfarekorps. schilderen verf verf verf bloed aftappen. plooien onduleren loos. fabriceren. verbeeldingskracht blinde.

bond federatie. leiding kwartier. fiasco. smulpartij. echec flop. geboeid betoverend. fase podium. fase koorts koorts federatie. tribune. veldboon tuinboon. begunstiging. gisten fermenteren. schijngestalte. modus. schijngestalte. bestuur. pui. afjakkeren. tribune. debâcle. gisten fermenteren. fascineren gefascineerd. debâcle. verschijnen verschijnsel.fasadą fascynować fascynował fascynował fascynując fascynujący fasola fasolka fason fasonować faszerować fatalny fatydze fatyga faul faul faworycie faworyt faworyzować faza faza faza wykonania faza zdobywania (magistrali) fazą febra febrą federacja federacją federacyjny federalny feniks fenomen fenomen fenomenalny ferie ferma fermacie fermencie ferment fermentować ferwor festiwal festyn feudalny fiaska fiasko fidze figa voorpui. boon. fascinerend. genadigheid kwartier. boeiend tuinboon. bond federaal federaal feniks verschijning. feestmaal. veldboon mode. boon. gevel. spullen onpeilbaar. fascineren betoveren. fenomeen fenomenaal. leiding podium. fase kwartier. wijs dingen. schijngestalte. smerig uitverkoren uitverkoren gunst. gelag feodaal flop. façade. werken. rustdag agrarisch pauzeren fermenteren. afjakkeren. echec vijg vijg . bestuur. voorgevel betoveren. ambitie. ijver festival festijn. verbluffend snipperdag. gisten vuur. vakantiedag. werken. boeiend betoverend. fascinerend. afbeulen afmatten. afbeulen schuld vuil. wijs mode. fiasco. ondoorgrondelijk afmatten. modus. werken.

denkbeeldig verdicht. denkbeeldig.figlarny figura wypukła figurą fikcja fikcją fikcyjny fikcyjny filar filar filatelistyka filc file allocation table filia filia filia Filipiny filipińczyk filiżance filiżanka filiżanka do herbaty film film fabularny film kolorowy film rysunkowy film trójwymiarowy (stereoskopowy) film) filmować filmowy filolog filozof filozofia filozofią filozoficzny filozofował filtr filtr ze sprzężeniem zwrotnym filtrować filtrować (się) filtrować filtr Fin finalizacją finalizował finał finanse finansować finansował finansowy finisz snaaks. fictief. filteren. taalgeleerde filosoof. film taalkundige. zijgen filtreren. filteren. geldelijk aantikken . kop kopje. aanlegplaats. schelmachtig. wijsgeer filosofie. rolprent feuilleton. financieren bekostigen. financieren financieel. kop rolprent. wijsbegeerte filosofie. club Filippijnen Filippino. wijsbegeerte filosofisch filosoferen filtreren. film film. zijgen filtreren. filteren. verdichtsel. film rolprent. steunpilaar. verbeelding fictie. kop kopje. dartel rekenen. uiteindelijk bekostigen. pilaar filatelie vilt lijvig. kolom. financieren bekostigen. conclusie in het net schrijven. film rolprent. steiger colonne. vervolgverhaal rolprent. fictief landingsplaats. Filippijn kopje. verdichtsel. zijgen filtreren. zijgen Fin gevolgtrekking. fatsoeneren finaal. rolprent rolprent. filteren. verbeelding verdicht. guitig. film film. linguïst. cijferen fictie. aftakking sociëteit. cijferen rekenen. dik agentschap tak. zijgen filtreren. filteren.

hecht gevestigd. pimpelpaars violet. louter fluit fluit aan de scharrel zijn. formeren. lichamelijk. pul laaien. bloot. vlag dundoek. hecht gevestigd. vlag vaas. pimpelpaars fjord overgordijn. klinken. rob zeehond. vlammen flanellen flanellen veldfles enkel. map ordner. afhandelen Fins afwikkelen violet. fonetisch fonetiek. fladderen vloot Florence Florida vloot marine. gordijn. dandy gevestigd. paars. fysica dundoek. vat. zeemacht zeehond. volkskunde de klankleer betreffend. stevig. vaan. map folklore. fysiek natuurkunde. vast.Finlandia fiński fiński fiński fioletowy fiołek fiord firanka fircyk firma firma produkującu duże systemy komputerowe firmą fiskus fizyczny fizyka fladze flaga flaga zerowa flakon flamą flanela flanelą flaszka flądra flecie flet flirciarz flirt flirtować flocie Florencja Floryda flota flota flota na foce foka folder folder współużytkowany folklor fonetyczny fonetyka fonia fonograf fontanna fontanną forma Finland afdoen. overgaan. fladderen aan de scharrel zijn. aanslaan fysisch. hecht belasten. paars. aangaan . vaan. klankleer kleppen. zeemacht marine. vast. gaan grammofoon fontein fontein vormen. zeerob. fladderen aan de scharrel zijn. pot. stevig. rob ordner. fat. stevig. scherm. vlag dundoek. kwast. vaan. vast. zeerob. doek saletjonker.

ceremonieel. prop . armstoel box fotograaf fotograferen. geld doordrukken forsythia. vervatten afdrogen. deeltje. fort. bal. aangaan formeren. beslag. pasta poen. aangaan vormen. patroon omvang. aangaan knippatroon. plechtig omvang. fortuin. inkleden. deeltje. armstoel zorgenstoel. piano Fortuna lot. kletteren. vormen. deel jaartelling. academisch afgemeten. aangaan formule formule formuleren. klont. kieken fotografie fotografie fotografie fotografie jaartelling. beslag. item. fortuinlijkheid sterkte. klomp. bestek. grootte vormen. grootte bewerking akademisch. Chinees klokje vesting vesting aanwensel. formeren. bestek. afranselen deeg. vormen. item. formeren. hebbelijkheid klavier.forma nieosobowa forma przecząca od <can> formacie formalna metoda postępowania (w kontekście działania firmy lub instytucji) przetwarzać formalny formalny format formować formował formularz formuła formułą formułować formułował forsa forsa forsą forsą forsować forsycja forteca fortecą fortel fortepian fortuna kołem się toczy fortuna kołem się toczy fortyfikacją fortyfikować fortyfikował forum forum ATM forum dyskusyjne fosfor fosforyzujący fotel fotel fotel parterowy (w teatrze) fotograf fotografia fotografia fotografia (jako dziedzina) fotografią fotografika fragmencie fragment fragment fragmentować formeren. kluit. pasta deeg. inkleden. vervatten formuleren. deel dot. verschansing sterken sterken forum forum forum fosfor fosforescerend zorgenstoel.

het doen primitief karaktertrek. schuieren Pools schoensmeer schoencrème aanvliegen frustreren afknotten lichtzinnig. item. fractie breuk. het doen . gelaatstrek functioneren. rijstrook jaartelling. voorkant borstelen. rijstrook overloop. tabakspijp pond stichting stichting stichting fundamenteel behandelen. trek. wuft kapper. barbier kapper. voorkant voorzijde. cureren fonds. deel fragmentarisch blijdschap breuk. gang. kapitaal functioneren. gang. deeltje. alledaags. het doen functioneren. voorkant voorzijde. Française bezorgd zijn. afscheiding Frankrijk Frans Fransman kikker. zich bekommeren.fragment terenu fragment/wyjątek (dzieła) fragment/wyjątek dzieła fragmentaryczny frajdą frakcja frakcją frakcjoniście Francja francuski Francuz Francuz Francuzi Francuzka frasunek frasunkach frazes free frezarka froncie front frontowy froterka froterować froterować froterować frunąć frustrować frydze frywolny fryzer fryzjer fryzjer fryzjer męski fryzura fujarka funcie fundacja fundamencie fundament fundamentalny fundować fundusz funkcja funkcja odwrotna funkcja zagregowana funkcja zewnętrzna funkcją overloop. barbier kapster kapster knipbeurt pijp. baan. frivool. afgezaagd ten geschenke molenaar. fractie secessie. mulder voorzijde. kikvors Frans Franse. zorgen muizenissen banaal. baan.

rek chirurgie. handkar. lidmaat . knoeien. galerij.4536 kg) funt (waluta) funt szterling funtów) fura fura furgon furgonetka furtka furtka fuszerce futbol futerał futerka futro futro z fok gabarycie gabinecie gabinet gabinet gabinet lekarski/dentystyczny gablocie gablota gacek gad gadać gadać gadanie gadatliwy gadce gaduła gadziną gag galaktyczny galancie galeria galeria obrazów galerią galop galopować gałąź gałąź gałąź inschikkelijk. spoorwagen wagon. modderen voetbal affaire. dimensie etagère. galerij. galactisch eerlijk. soeverein. praten gaai. wondheelkunde. aftakking been lid. karretje wagon. officieel functioneren. galerie gaanderij. grandioos. keuvelen spraakzaam spreken. ding aanzetten aanzetten aanzetten afmeting. aangelegenheid. het doen pond pond pond oppermachtig. gang. flink. handelbaar officier ambtelijk. heelkunde kast vitrine vitrine vleermuis reptiel kakement. kaak spreken.funkcjonalny funkcjonariusz funkcjonariusz funkcjonować funt funt (0. Vlaamse gaai reptiel boerten. wagen. praten. gekscheren melkweg-. rek etagère. dapper. overweldigend kar. zaak. galerie galopperen galopperen tak. gang. schertsen. bestelwagen achterdeur draaihek beunhazen. braaf gaanderij. galerij. praten babbelen. galerie gaanderij. spoorwagen bestelauto. gang. oppermachtig groots.

tod. uitblussen ombrengen. hellen. gevest. beslaan.gałąź programu gałąż gałce gałgan gałka gałka gałka muszkatołowa gałka muszkatułowa gałka oczna gałka potencjometru gałka u drzwi gam gama skala gamą ganek gang gangster gangster gani gapić się gapić się gar garaż garażować garb garbić (się) garbić się garbować garbowanie garbus garderoba gardła gardło gardzić gardź garncarstwo garncarz garnek garnek gliniany garnek gliniany garnirował garnitur garnizon garnuszek garstka garść gaś gaś tak. portiek bende. stelletje. karig. hellen. balans. gevest. nootmuskaat heft. gevest. knop weegschaal. handvol doven. handvat. doden . handvat. knop muskaat. laken. uitdoen. garneren complet. knop heft. bezetting gering. handvat. verachten aardewerk pottenbakker po kan. hangkast strot. gevest. vod. gapen staren. bult buigen. flard bal. lap. min. hals. stel garnizoen. hals. bultenaar kleerkast. danspartij muskaat. hals. handvol handjevol. doodmaken. turen. troep. hals. lor. gevest. scala aanslag zuilengang. leerlooien. aflopen buigen. nootmuskaat heft. keelgat. lomp. verachten minachten. knop vodje. muskaatnoot. klein handjevol. leerlooien. kruik po afzetten. aftakking tak. blussen. knop heft. aanstaren po garage garage bochel. looien gebochelde. apache berispen. luttel. toonschaal. muskaatnoot. looien tanen. gispen wijd openstaan. aflopen tanen. overhellen. set. afkeuren. keel minachten. hals. handvat. overhellen. keelgat. schare gangster straatschuimer. aftakking heft. handvat. waag toonladder. keel strot.

relaas. nors. elders waar waar hier of daar. sputteren voor. relaas. morren. vertelling keuvelen. bij wijze van. wannen. als. rups oerwoud. hoe. slag.gatunek gatunek gatunek drzewa cytrusowego gatunek muślinu gatunkowa (cecha) gatunkowy gatunkowy gawęda gawędziarski gawędziarski odzie) gawędzić gaz gaz gaz (w samochodzie) gaz elektronowy gaza gazą gazecie gazeta gazeta gazetce gazować (wodę) gazowy gaźnik gąbce gąbczasty gąbka gąsce gąsienica gąsienicą gąszcz gbur gburowaty gderać gdy gdyby gdyż gdzie gdzie gdzie zasadniczym elementem jest komputer główny) gdziekolwiek gdziekolwiek gdzieś gdzieś gejszą gejzer gem kalk eigenschap vriendelijk. stuiven edelgesteente. onaardig mopperen. jungle. omdat. babbelen. waaien gas vergasser. doordat. tot indien. gaspedaal. gaspedaal. verkiezing specifiek. ergens waar dan ook hier of daar. aard specifiek. versneller gas accelerateur. bars. wanneer. krant krant. praten accelerateur. rups rupsband. versneller gas gaas gaas blad. kankeren. aangezien ergens anders. babbelen. optie. edelsteen . keur. als. carburateur afsponzen sponzig. ergens hier of daar. keus. vertelling vertelsel. blad blad. honds. ergens geisha opspatten. verspuiten. soortelijk keuze. sponsachtig afsponzen eend rupsband. ingeval daar. rimboe vlegel nurks. steen. krant strooibiljet frisse lucht toewaaien. verhaal. verhaal. soortelijk keuvelen. voorkomend soort. praten vertelsel.

geografisch geoloog geologie. herkomst genie. geslacht generatie. aardrijkskundig aardrijkskundig. geslacht generatie. kaart verwekken natuurkunde. geografie aardrijkskunde. gesticuleren verdikken. paardehorzel brems. aandikken dikte. buigbaar. elastisch aanvoer. fysica Genève Genesis. brems. geslacht generatie. dik gans ombuigen.gem (w tenisie) generacja generacja generowanie generacja systemu generacją generalny generał generator częstotliwości przestrajany cyfrowo generator o sprzężeniu zwrotnym generator oporowo-indukcyjny generator oporowo-pojemnościowy generować generować wykres generował genetyka Genewa geneza geneza geniusz geograf geografia geografią geograficzny geograficzny geolog geolog geologia geometria geometrią geranium gest gest (ruch ręką) geście gęstnieć gęstość gęsty gęś giąć gibki giełda giełdą giez giez giętki giętko gigant gigantyczny doen. daas. soepel. aardkunde geologie. gesticuleren gebaren. gesticuleren gebaren. beschermgeest. ageren. handelen generatie. meetkunde ooievaarsbek gebaren. gigantisch . geslacht generaal generaal oscillator oscillator oscillator oscillator verwekken landkaart. afkomst. geografie geografisch. paardehorzel rekbaar. Scheppingsboek oorsprong. genius aardrijkskundige. lenig centrale centrale daas. doorbuigen smijdig. bezorging reus reusachtig. buigzaam. meetkunde geometrie. bezig zijn. aardkunde geometrie. buigen. geograaf aardrijkskunde. lijvigheid dicht. gebonden.

zwaar laag. predikant . drillen omkomen.gigantyczny stopień scalenia gimnastyce gimnastyka gimnastykować ginąć giń gips gips girlandą gitara gitarą glazura glazurą gleba glebą ględzić glina gliną gliniany gliniany gliniarz glob globulce globus gloryfikować gloryfikował glosariusz głab kraju gładki gładki gładki gładkie włosy gładzić gładzić gładzić głaskać głebokie głęboki głęboki głęboki ukłon głębokie głębokość głębokość monitora bez podstawy uchylno-obrotowej głodny głodować głodówce głosiciel reus gymnastiek gymnastiek oefenen. glazuren. koperen bol. ondergrond. live. vlak. creperen omkomen. kloot loven. aanstrijken slinger. bal. kogel. bodem. verheerlijken. ondergaan. glanzen verglazen. bodem. aarde kakement. diepte kolk. zwaar laag. roemen. kleiaardewerk roodkoperen. flat gelijk. van klei. aarde fond. glanzen fond. kaak klei-. ondergrond. kogel. vlak. recht. liefkozen. verheerlijken. bal. zwaar kolk. inwendige gelijk. kloot kapseltje. doosvrucht bol. aanhalen laag. zwaar diep laag. guirlande gitaar gitaar verglazen. van klei. rechtstreeks Pools schoensmeer schoencrème strelen. van klei. prijzen glossarium binnenste. effen appartement. effen direct. glazuren. aaien. aarden aarden. aarden klei-. slingerkrans. grond. prijzen loven. capsule. grond. creperen gips kalken. diepte hongerig geeuwhonger vasten kanselredenaar. roemen. ondergaan.

volume geluidssterkte. superieur hoofd-.głosić kazanie głosować głosowanie głośno głośno głośność głośność stała głośny głośny głośny głośny płacz głowa głową głowica głowica uniwersalna głowica zapisująco-odczytująca głowny głód głód główna kwatera główna rura wodociągowa główne biuro głównie głównie głównie główny główny główny główny główny główny główny obszar roboczy użytkownika główny organ certyfikujący główny sterownik operacyjny główny układ logiczny głuchy głuchy głupi głupi głupi głupi głupiec głupiec głupoty głupstwo gmina gmina (wyznaniowa) gminą prediken. puin nonsens. leiden geleiden. volume brullen. dom. inhoud. verheven leidend. gebieder. voornaamste opperste. hardop geluidssterkte. flauw. baas. luid luid. prullaria. leiden geleiden. de weg wijzen. voornaamste primair doods. kiezen. chef hoog. toongevend hoofd-. gekheid gemeente. inhoud. zot sprakeloos. dodelijk doof sprakeloos. dom. afval. gemeenschap gemeente. voornaamste minister-president. leiden geleiden. toonaangevend. simpel dwaas. stom onnozel. huilen hard. inzonderheid in het bijzonder aanvoerder. onverstandig. preken balloteren. prevalent. voornaamste hoofdkwartier inzonderheid in het bijzonder. malloot macaroni rommel. onzin. leiden primair geeuwhonger honger hoofdkwartier hoofd-. de weg wijzen. de weg wijzen. gemeenschap . de weg wijzen. hardop hard. gemeenschap gemeente. luid geleiden. luid luid. de weg wijzen. leiden geleiden. stemmen hard. premier primair hoofd-. stom dwaas. kiezen. stemmen balloteren. zever. zot.

overeenstemmen uur uur wafel. achtbaar merkwaardig. spijtig achtenswaardig. toornig. doel. waar bewonderenswaardig afkeurenswaardig betreurenswaardig.gna gnacie gnać gnębi gnębić gniazdka gniazdko gniazdko strumieniowe gniazdo gniazdo startowej pamięci ROM gniazdo zasilające napędu gnieść gnieść gnieść się gniew gniewać się na kogoś o coś gniewny gnom gnój gnu go gobelin godło godło godność godność para godny godny podziwu godny potępienia godny pożałowania godny szacunku godny uwagi godny uwagi godny zaufania godzić się godzina godziną gofr gofry goić się gol golenie golf goliacie golić golić (się) golizna goliźnie oprit. nijdig. waardigheid waardig. golfspel Goliath afscheren afscheren naaktheid naaktheid . knok. toorn gramschap. dommekracht. bedroeven. helen doelstelling. vertrouwd het eens zijn. honk afscheren golf. embleem voorbode. boosheid. een nest maken houder. oprijlaan schonk. krik houder. foedraal nestelen. boosheid. zelfgevoel. verdriet doen knellen. been aanrijden. ontlasting. bot. teken zelfrespect. een nest maken kneden pers kneden gramschap. waardigheid zelfrespect. wit. zelfgevoel. foedraal nestelen. persen. drol. drukken nestelen. schede. toorn kwaad. oblie wafel. keutel wildebeest. boos aardmannetje. voorrijden beproeven. eerzaam. gnoom drek. gnoe hij. merkwaardig betrouwbaar. voorteken. beter maken. schede. dringen. oblie genezen. doelwit. hem Atrecht kleur. opmerkelijk opmerkelijk. een nest maken vijzel.

jacht maken op bisschop nastreven. alcoholische drank bitter logement. drank. spaarzaamheid economisch agrarisch administreren. verbittering gorilla alcohol.gołąb gołąb gołąbki gołosłowny goły goły goły gonić gonić goniec (w szachach) gonitwą gont gorąco mi gorący gorączka gorączka gorączkowy gorejący gorliwość gorliwy gorliwy gorszy gorszyć gorycz goryl gorzałce gorzki gospoda gospodarce gospodarczy gospodarczy gospodarka gospodarny gospodarować gospodarował gospodarstwo rolne gospodą gospodyni domowa gospodyni domowa gosposia gosposia gościć gościec gościną gościnność gościnny gość gość duif. onbedekt. happig. ledig. gloeiend. besturen agrarisch logement. vrouw des huizes huishoudster huisvrouw. heet koorts temperatuur koortsig. onbedekt. herbergzaam bezoeker gast. onbedekt naakt. ijver begerig. bloot. tamme duif duif. herberg huishoudster huisvrouw. beheren. naakt onopgesmukt. koortsachtig gloeiend. smoorheet. najagen dakplankje gloed. vurig. schokken bitterheid. vrouw des huizes recipiëren reumatiek gastvrijheid gastvrijheid gastvrij. herberg economie. verterend ambitie. leeg onopgesmukt. verzendend. belust stemmig. naakt. serieus minderwaardig opschudden. vuur. bona fide. lens. loos. spaarzaamheid economisch economie economie. schudden. logé . najagen bejagen. introducé. jagen. gretig. vuur snikheet. tamme duif kool hol. onopgesmukt. bloot nastreven. bloot. ernstig.

geld gotisch. afgelopen klaar. opharken uitkammen. aanharken. harken. aanharken. harken. met lucht gevuld. anjelier roze. handelen spel pompoen haarkloven. bult lucht-. rose. afgelopen contant.gość gość gość (w hotelu) gotować gotować gotować bez skorupki gotować bez skorupki gotował gotował gotowany gotowy gotowy do pracy w sieci gotów gotówce gotówka gotówka gotycki gotyk goździk goździk (korzenny) góra góra góra lodowa góral górą górce górka rozrządowa górne (np. baar poen. knul. harken. de baas zijn verzaken. af. persoon. af. sujet. aanharken. bezig zijn. opharken plunderen. accumuleren berg ijsberg Hooglander berg aanaarden bochel. opharken uitkammen. borrelen. uitlaten berg berg doen. rozig. ageren. nalaten. Gotisch anjer. koken koken koken goulash gekookt pruttelen gekookt klaar. Gotisch gotisch. roven schoffel sierlijkheid . opeenhopen. gereed. stropen. buitmaken. afgelopen klaar. snuiter bezoeker bezoeker op het kookpunt zijn. rooskleurig ophopen. bovengronds mijnbouw mijnbouw mijnbouw mijnwerker bovenste meester zijn. af. baar contant. światło) górnictwa górnictwo górniczy górnik górny górować górować nad górski góry gra gra gra podobna do tenisa gra słów gra z podziałem na role grabić grabie grabie (także krupiera) grabież gracą gracją kerel. gereed. gereed. bedillen spel uitkammen.

grens grens. w karty grać na harfie grać w teatrze grad grad grad (słów grad słów graficzny grafika grafika rastrowa grafika żółwia gral gram gram gramat. zoom perk. zoom belenden. onbelemmerd felicitatie. voorspelen uitvoeren. zin. spelen. los. zoom begrenzen. spraakkunst grammatica. aanliggend rand. vlot. beknotten granieten aangrenzend. bergstroom stroom. ageren. grafische kunst bitmap grafiek. grens rand. bezig zijn. grens rand. bergstroom hagel aanschouwelijk grafiek. hengelsnoer verbleekt lijntje. zdanie gramatyce gramatyka gramofon granacie granat granat (owoc) granat owoc grandą graniastosłup granica granica granica granica granica granica granica granica plastyczności granica transakcji granica zabezpieczeń granicą granice granicie graniczący graniczny graniczny graniczyć graniczyć (z czymś) granit gratce gratis gratulacja Gratie uitvoeren. grenzen aan granieten incident. sim. laster prisma rand. grafische kunst Graal gram gram frase. gelukwens . begrenzen. grens rand. handelen hagel stroom. spraakleer. koorde. snoer. beknotten vislijn. eerroof. vloed. spelen. spraakleer. spraakkunst grammofoon granaat granaat granaatappel granaatappel achterklap. beperken. open. gebeuren onbezet. zoom perk. perk beperken. koord. lijn perk. vloed. snoer. gebeurtenis.gracją grać grać (np. zoom perk. voorspelen harp doen. volzin grammatica.

ophopen samenkomen. pompelmoes grapefruit. opeenhopen wis. corporatie. klas groepering. potsierlijk . feliciteren graveren. waterkering afsluiting. gilde Groenland afsluiting. graf graf. aggregaat opeenhopen. sperdam dijk. sperdam waterkering. bijeenkomen. opeenhopen opeenhopen. groeve erwt grot grot stand. opeenhopen. vergaderen accumuleren. stapelen. griffen graveren. bos stuiver. gravure. penny erwt grot holte. vergaderen. bundel. kudde deduceren. ophopen. gelukwens gelukwensen. afleiden. groep wis.gratulacje gratulować gratulował grawerować grawerował grawerunek grawitacją grą Grecja grecki greipfrut grejpfrucie grejpfrut grek gremium Grenlandia grobla grobla groblą groblą grobowca grobowca grobowiec groch grocie grocie gromada gromada gromadą gromadce gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić zapasy grono grosz groszek grota grota grotesce groteska felicitatie. afleiden. dijk groeve. bijeenkomen deduceren. bundel. pompelmoes Grieks vakvereniging. abstraheren ophopen. groeve graf. accumuleren accumuleren. groep groepering. barrière. grillig. hol. grot grotesk. dam. stapelen. graveerwerk zwaartekracht spel Griekenland Grieks grapefruit. pompelmoes grapefruit. dam. ophopen. barrière. klasse. feliciteren gelukwensen. griffen prent. ophopen roedel. potsierlijk grotesk. abstraheren samenkomen. grillig. bos aggregatie. krocht. spelonk.

honds. dreiging afschuwelijk groeve. woning slot. klomp kruimel. prullaria. influenza . bot. klont. grillig. dicht dik. bal. groep carrosserie groepering. dicht dakplankje lijvig. jonkvrouw. kostelijk dik. lomp dikte. veelomvattend tof. kluit. dik prop. ruw uitgebreid. gebonden. grof. longtering grijnzen. graf graf. puin. bedreigen bedreigen. potsierlijk terreur. groep peer peer rommel. lady. onbehouwen. afval. onderkomen. radicaal diep groepering. dreigen bedreiging. onheus. gezichten trekken griep. kasteel. rommel Groeziër. gezichten trekken grijnzen. dot. groep opa. onkies.groteskowy grozą grozić groźba groźba groźny grób grób gród Gród obronny grubas grubasek grube zyski grubiański grubieć gruboskórny grubość gruboziarnisty gruby gruby gruby gruby Ethernet gruby papier gruby żwir grudce grudce grudnia grudzień grunt gruntach gruntownie gruntowny grupa grupa adresów grupa rozsyłania grupowego grupa wszystkich węzłów grupa zasobów klastra grupować się gruszce gruszka gruz gruz gruzin Gruzja (in Europe/not in USA) gruźlica grymas grymasić grypa grotesk. wintermaand december. grootvader dam. cru verdikken. aandikken onbeleefd. tiptop. vrouw groepering. plecht. grof. puin prullaria. Georgië tering. vet loot. kind. dreigement. burcht vettig. excellent. Georgiër Groezië. schrikbewind dreigen. lomp. gebonden. groeve logies. tuberculose. omvangrijk. lijvigheid hardhandig. afstammeling meloen onbewerkt. jong. wintermaand aanaarden terrein grondig. kwartier. afval. broodkruimel december.

klauwen. roosteren perk. kwijtraken goulash goulash gulden murmelen. bloemperk intrige. griep griep. ommezijde wervelkolom. aardig. kachel verwarming. achterzijde. vriendelijk beschaafd. książki)s kolec (kaktusa grzebać grzebień grzech grzechotać grzeczność grzeczny grzeczny grzejąc grzejnik katody grzeszyć grzeszyćk <sine> (matem. bloemperk drijfzand rugstuk. klappen. beekje) kauwgom tandvlees . scharrelen. donderen daveren. roosteren verwarming branden. zich aftobben. fraai verbeurd opgeven. viskuit. spin.) sinus grzęznąć grzmieć grzmocie grzmot grzmotnąć grzyb grzybnia grzywna grzywną grzywną gubić gulasz gulasz gulden gulgocie guma guma influenza. braden. ruggegraat kuilen. klikken beleefdheid. braden. begraven uitkammen. worstelen daveren. tuinbed. hoffelijkheid voorkomend. machinatie. konkelarij perk. ommezijde rugstuk. schoon. bulderen. bulderen. lief. welgemanierd verwarming radiator zondigen zondigen spartelen. bed. kachel branden. vuur warm verwarming. bijten. bulderen. kammen zondigen klakken. kikkerdril verbeurd net. murmelen (v. kletteren. donderen afranselen champignon kuit. wellevend. donderen daveren. verbeuren. bed. achterzijde.grypa grypą gryz gryzmolić gryzoń gryźć grzać grzał grzałce grzałka grzance grzanie oporowe grzanka grządce grządce grządka grząski piasek grzbiecie grzbiet grzbiet (np. krabben knaagdier knagen gloed. beitsen krauwen. fijn. mooi. influenza happen. tuinbed. knauwen.

netto. dot tumor. gieren fluiten. aanranden geweldpleging. gezwel dichtknopen heft. asterisk Guinea fluiten. gevest. pit sterretje. knop een aanslag plegen op. nagelen .guma do żucia gumą gumka do ścierania gumowy gusła gust gustowny guście guwernantce guwerner guz guz guz guz guzik guzik gwałcić gwałt gwałtownie gwałtowność gwałtowny gwałtowny gwałtowny gwałtowny spadek gwałtowny spadek gwar gwara gwara gwarancja gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarantować gwarantować rekompensatę gwarantował gwarny gwiazda gwiazdka gwiazdka gwiazdka (oficerska) gwiazdka Wojny gwinea gwizd interferencyjny gwizdać gwizdek gwizdek gwóźdź rubberen. zekerheid garanderen. geweld met geweld geweldpleging. gonzen tongval. geweld woest onweerstaanbaar duiken woest hartstochtelijk razen. claxon fluiten. gieren spijkeren. rumoerig. borg staan voor borg staan voor. toeter. hals. brommen. onderwijzen blauwe plek dichtknopen prop. borg staan voor luidruchtig. gieren kuif. korrel. elastiek rubberen. handvat. elastiek bijgeloof smaken duidelijk. gouvernante opvoeden. bal. klomp. gummi rubberen. borg staan voor veiligheid. nettosmaken huisonderwijzeres. dialect jargon. asterisk sterretje. klont. elastiek gom. snorren. garanderen garanderen. lawaaierig ster sterretje. taaltje garanderen. asterisk zaadkorrel. kluit. borg staan voor garanderen.

rumoerig. schavuit. afdak schandelijk gnoom. betomen afremmen. handel drijven rondgeven. lawaaierig luidruchtig. handelaar. handel drijven handelen. leven. accumuleren hamburger aanhouding. remmen afremmen. ronddelen. colporteren koopman. aardmannetje padvinder. opeenhopen. slot. nering handeldrijven. rumoerig. zakenman handel. boef haakje. handel luifel. agraaf alpenweide. agraaf hoek vasthaken vasthaken borduren borduren ellendeling. arrogant harem harp . herrie roeien luidruchtig. accumuleren ophopen. difussiehalo ophef. spang. lawaai. betomen bedwingen. uitdelen venten. nering handelen. beteugelen. spang. slot. lawaaierig ophopen. verkenner aanmatigend. opeenhopen. nagelen schoorsteenmantel aanwensel. beteugelen. koopmanschap. uitglijden zaal. ploert. remmen handel.gwóźdź bez łba gzyms kominka habit haczyk haczyk haczyk órska) haftce haftka haftować haftował hak hak hala (górska) halą halce halka halka hall hall (teatralny) halo hałas hałas hałaśliwy hałaśliwy eumatyczny Hałda hałdą hamburger hamować hamować hamował hamulca hamulec hamulec ręczny handel handel handel elektroniczny handlować handlował handlowiec handlowy handlując hangar haniebny harcerka harcerz hardy harem harfa spijkeren. leuren. rumoer. hebbelijkheid hoek haakje. alp werkplaats onderrok onderrok slippen. arrestatie bedwingen. remmen afremmen. koopmanschap. salon hal kring.

houwen. eendracht. toeval riskant. zestientallig kamrad. amusement gebieder. bedenkelijk. vliegmachine Hebreeuws. heldhaftig heroïne uitbazuinen indexeren indexeren indexeren indexeren slaan. harmonisch harmoniëren. klappen hyena hyena . hasj balanceren. leuze hasjiesj. tandwiel helm hemisfeer.harfą harmider harmonia harmonią harmonijny harmonizować harmonizował harmonogram hartować hartować (stal) hasło haszysz haust Hawaje hawajski Hawana hazard hazard hazardowy hebel hebrajski hecą hegemon heksadecyntalny hełm hełm hemisferą hemoroid hemoroidy herb herbacie herbata herbatnik heretyk herezja herezją heroiczny heroiną herold heteroatomincontext index hetero-atom-in-context index heteroatomincontext index indeks heteroatomów w kontekście hetero-atom-in-context index indeks heteroatomów w kontekście hicie hiena hiena nia harp afdrogen. temperen. massa bewapenen. joods vermaak. menigte. drom. doen schommelen Hawaii Hawaiiaans Havanna dobbelen toevalligheid. chef. hoop. afranselen samenklank. wapenen thee thee biscuit ketter ketterij ketterij heroïsch. bijeenpassen dienstregeling. devies. baas hexadecimaal. gewaagd vliegtuig. temperen. aanvoerder. kamwiel. kletteren. halfrond aambei boel. stalen harden. harmonie eendrachtig. lijfspreuk. bijeenpassen harmoniëren. tandrad. harmonie samenklank. stalen leus. kloppen. eendracht. rooster harden.

nazihobby achterhoede opkweken. eed van trouw. hygiënisch hindoeïstisch hindoeïstisch Indisch. historie. chroniqueur Spanjaard Spanje Spaans nazistisch. huichelaar. historie. verdieping geschiedenis. voortgang hebben. fokken. verhaal geschiedenis. huichelaar. onderstelling vermoeden. koord. gebeuren onbekrompenheid. slepen. opfokken. hypocriet nijlpaard hypotheek hypothetisch veronderstellen hypothese. koorde. Indiaas hindoeïstisch Indisch. lijn Holland Hollander Hollands trekken trekken. telen toegaan. eerbetoon . gissen hypothese. hypnotiseren hypnose hypnose veinzer. goedgeefs hockey lijntje.hieną higiena higieną higieniczny hindus Hindus Hindus hinduski hinduski hipnotyzować hipnoza hipnozą hipokrycie hipokryta hipopotam hipoteka hipotetyczny hipotetyzować hipoteza hipoteza dopuszczalna hipotezą histeria histeryczny historia historia historią historyczny historyk hiszpan Hiszpania hiszpański hitlerowski hobby hodować hodował hodował hojność hojny hokej hol Holandia Holender holenderski holować holować holownik holownik hołd hyena hygiëne hygiëne sanitair. snoer. verhaal kroniekschrijver. gul. overvloed royaal. hypocriet veinzer. genereus. Indiaas biologeren. boegseren rukken sleepboot hulde. verhaal etage. onderstelling hysterie hysterisch geschiedenis. historie.

inspecteren verwijderd. humaan menselijk. grappig grappig. meetellen graafschap graafschap Devoon Devoon dichtslaan beuk bulderen. gage. verschrikking kim. koddig. weledelgeboren hinkelen horde. moppig. ver hotel hotel in aanmerking komen. hoer spel humanist menselijk. daveren prostituée. kreeft sermoen. humaan humor. het maken loon. goedgehumeurd huldigen. loeien. komisch. bende horoscoop gruwel. eren gesteld zijn. gemoedsgesteldheid. bezoldiging. warenhuis in het groot balanceren. inspectie inspectie houden. humeur moppig. homofiel. koddig humoristisch orkaan in het groot in het groot pakhuis. goedgehumeurd flikker. brullen. ververwijderd. komisch. waterpas. doen schommelen . horizon. salaris eerbiedigen. platliggend schouw. als waarheid aannemen ere-. schouwing. magazijn. vereren. lichtekooi. gezichtseinder kim. homo goedgeluimd. respecteren agnosceren. schatting langoest. horizon. gezichtseinder kim. gezichtseinder horizontaal. preek goedgeluimd. weledel. pantserkreeft.hołd homar homilią homoseksualista homoseksualiście homoseksualny honor honorarium honorarium honorować honorował honorowy hop hordą horoskop horror horyzoncie horyzont horyzont radiowy horyzontalny hospitacją hospitował host odległy hotel hotelowy hrabia hrabstwa hrabstwo hrabstwo w płzach Anglii hrabstwo w pł-zach Anglii huk huk huk hukier hulanka humanista humanistyczny humanitarny humor humoresce humoresce humorystyczny huragan hurcie hurt hurtownia hurtowy huśtać się cijns. horizon. kanselrede. gruweldaad.

etsnaald. doen schommelen werker Hydra hondsdolheid. idiotisme afgodsbeeld idylle floppen. punt. denkbeeld volkomen. neus. begrip. vereenzelvigen ideologie ideologie idioom. legitimatie inhalen legitimatiebewijs. in optima forma ideaal ideaal idee. jongeheer idioot dwaas. vereenzelvigen identificeren. denkbeeld identiteit identiek legitimatiebewijs. begrip. snikkel. spits naald griffel. pik. hun. hymne kerkgezang. tip. het hunne aan ze. wygląd) idiotyzm idol idylla ie zdawać iglica iglicą igła igła igła nóżka igła sortownicza igłą ignorować ignorował ikona ikona przycisku balanceren. ah. hymne en oh. ach en en haar. onzinnig. waterschuwheid kerkgezang. leuter. ze. etsnaald. taaleigen idioot lul. schrijfstift kegel naald naald negeren. ongerijmd. perfect.huśtawce hutnik hydrą hydrofobia hymn hymn hymn narodowy i i i tym podobne i w rozmowie przez radio: przyjąłem ich ich ich idea idealny idealny filtr dolnoprzepustowy ideał ideą identyczność identyczny identyfikator identyfikator identyfikator użytkownika identyfikować identyfikował ideologia ideologią idiom idiota idiota idiotyczny idiotyczny (np. legitimatie identificeren. schrijfstift piek. hun de hunne. absurd idiotie. onder tafel schuiven pictogram pictogram . onder tafel schuiven negeren. in het water vallen griffel. aan hun idee. top. och. benul. benul. hymne kerkgezang.

verbeelding bedenken. gewrocht. aantal. getal hoeveelheid. sterkte. keizerrijk. verlichten illustratie. kabouter keizer imperialist imperialist imperialist imperialisme rijk. prent. sterkte. aantal. vrijpostigheid. boel.ikoną ikra iloczyn iloczyn logiczny (zob. imperium hondsheid. grootheid tal. illusie drogbeeld. nadoen aardmannetje. zich verbeelden gember ketel theepot. aan hun kakement. plaat grafiek. imitatie imiteren. trekpot theebus ketel theepot. luik. aantal. naamwoord immigreren navolging. getal hoeveelheid. plaat bloed aftappen. aderlaten illustratie. verluchting beeld. opbrengst conjunctie produktie. opbrengst tal. patrijspoort illumineren. kobold. gewrocht. illustreren veraanschouwelijken. trekpot naamdag naamgenoot deelwoord benaming. begoocheling. nabootsen. afbeelding. afbeelding. naam. boel. prent. kaak kakement.AND) iloczyn produkt ilosć ilość ilość ilość danych przesyłanych siecią ilość informacji iluminator (na statku) iluminował ilustracja ilustracja ilustracja wpuszczona ilustracją ilustracją ilustracje ilustrować ilustrował iluzja iluzją im imadła imadło imaginacją imaginował imbir imbryk imbryk imbryk imbryk do herbaty imbryk do herbaty imieniny imiennik imiesłów imię imigrował imitacja imitował IMP imperator imperialista imperialistyczny imperialiście imperializm imperium impertynencja pictogram ree produktie. illustreren drogbeeld. illusie aan ze. grafische kunst veraanschouwelijken. nabootsing. kaak inbeelding. grootheid dakraam. getal tal. brutaliteit . hun. verluchting beeld. begoocheling. ze.

impuls. persoon . polsslag. kabouter verwarren. zijindexeren uitlisten. invoeren impotent impressionist aandrift. wenden hindoeïstisch Turkije kalkoen lieden. edel importeren. personen.impertynencki impet implikacja implikować implikował imponować imponujący imponujący imporcie import importować impotent impresjoniście impuls impuls impuls elektromagnetyczny impuls zezwalający impulsywny in sth> w coś inaczej inauguracja inauguracją inauguracyjny inaugurował incydentalny indeks indeks indeks heteroatomów w kontekście indeks tablicy indeks zagęszczony indeks zbiorowy Indianin indiański indicativus Indie Indonezja indor indor indosował indyjski indyk indyk indywidua indywidualny indywidualny indywidualny indywiduum indywiduum brutaal. onbeschaamd. individueel respectief afgezonderd. endosseren. drang. vrijpostig onstuimigheid. afzonderlijk hoofdelijk. indrukwekkend nobel. Indiaas Indisch. heftigheid aardmannetje. impliceren opdringen. mensen hoofdelijk. betrekken. impuls. vuur. aandrang pols. luchthartig in overvloed aanwezig zijn anders inauguratie. invoeren importeren. inwijding inauguratie. tel pols. forceren imponerend. aandrang luchtig. ver. aantonende wijs India Indonesië Turkije kalkoen gireren. tel aandrift. verstrikken insluiten. een lijst maken indexeren indexeren indexeren indexeren Indisch. invoeren importeren. bij-. Indiaas indicatief. inwijding inaugureel inaugureren minder belangrijk. polsslag. kobold. drang. individueel personage.

vleeswording collecteren. injectie spuitje. verpestend infecteren. inlichten weefsel mijter interveniëren. inspuiting. inspectie inspecteur inspecteur ingeving ingeving inspireren. nieuwigheid ander uiteenlopend. besmetten. inlichten berichten. voorletter zaak. inboezemen . besmetting aanstekelijk. besmettelijk. affaire de stoot geven tot laars spuitje. bezielen. besmetting infectie. poj. gezind nieuwtje. [singularis tantum] informatyka informować informował infrastruktura infuła ingerować inicjalizować inicjał inicjał początkowy inicjały inicjatywa inicjować inicjować n procedura iniekcja (nośników) iniekcją inkarnacją inkasować inklinował innowacja inny inny inny inny inny niż inny niż insekcie insekt inskrypcją inspekcja inspektor inspektor zabezpieczeń inspiracja inspiracją inspirował infectie. injectie incarnatie. aansteken bederf veroorzakend.infekcja infekcją infekcyjny infekował infekował inflacja inflacją informacja informacja informacja zastrzeżona informacje informacje (uwaga: w j. inspuiting. voorletter initiaal. ding. ingrijpen laden initiaal. inzamelen genegen. intelligentie informatie informatie informatie het berichten. innen. verschillend ander ander ander ander insekt insekt inscriptie schouw. geneigd. aangelegenheid. "information" występuje tylko w l. informeren. septisch inflatie inflatie informatie bevattingsvermogen.ang. schouwing. nieuws. informeren. voorletter initiaal.

marchanderen . listig knap. leraar. ding. handig. afdoen aanleggen. instinct aandrift.inspirując inspirujący instalacja instalować instalować instalował instrukcja instrukcja instrukcja blokowa instrukcja operacji instrukcja złożona instruktor instrumencie instrument instrument z dyfrakcją elektronów instrumentarium instruować instruował instynkcie instynkt instytucie instytucja instytucja nadająca nazwy instytucją instytut insynuować insynuował integralny intelekcie intelekt intelektualista intelektualiście intelektualny inteligencja inteligencja telekomunikacyjna inteligencja warstwa społeczna inteligent inteligentny inteligentny inteligentny most inteligentny mostek intencja intencją intensywny intensywny interaktywnie interes interes bezielend bezielend gewas. plant aanleggen. doel. gewiekst. intensief sterk. intelligentie bevattingsvermogen. muziekkorps instrueren instrueren aandrift. geest intellectueel. verstandelijk bedreven. plan. intens. verstandelijk bevattingsvermogen. verstandelijk intellectueel. strekking sterk. bekwaam knap. instructie onderwijzer. pingelen. strekking bedoeling. slim. aangifte. inrichting insinueren insinueren onaangetast. uitspraak declaratie. instinct gesticht. intelligent doortrapt. instructeur instrument. doel. installeren afhandelen. integraal intellect. aangelegenheid. bevattelijk. verstand. verstand. fel. verklaring declaratie. intens. bevattelijk. heel. intelligentie bevattingsvermogen. consigne. aangifte. fitten. consigne. intelligent bedoeling. plan. inrichting instelling instelling instelling gesticht. intelligentie intellectueel. intensief helemaal. installeren aanwijzing. behendig. instituut. werktuig instrument. orkest. werktuig band. uitspraak aanwijzing. fitten. ongeschonden. werktuig instrument. fel. instituut. instructie declaratie. geest intellect. finaal zaak. verstandelijk intellectueel. affaire afdingen.

interpunctie branche. arts. ding Irak Iran. kudde. vak. belangstellend interessant. tak. duiden uitleggen. innig. boedel vee. weergeven punctuatie. knus invasie. koper. inval uitvinding inventaris. interesseren geïnteresseerd. introductie konkelen. interpunctie punctuatie. belangwekkend interface interface interface storing storing tussenwerpsel medicus. uitlegging.interes jący interesancie interesant interesować interesował interesując interesujący interfejs interfejs użytkownika interfejs wywoływalny interferencja interferencją interiectio interniście interpretacja interpretacją interpretator interpretator sesji interpretować interpretował interpretował interpunkcja interpunkcją interwał interweniować interweniował intonował introdukcją intryga intrygować intrygować intymny inwazja inwazją inwencją inwentarz inwentarz inżynier inżynier pełniący inżynier pomocy technicznej inżynieria oprogramowania wspomagana komputerowo Irak Iran Irańczyk irański ireną Iris emplooi. duiden reproduceren. zaak. geneesheer vertolking. interpretatie vertolking. Perzië Iraans Iraans Irene Iris . inval invasie. interpreteren. dokter. werk. belangwekkend interessant. afnemer belang inboezemen. afnemer klant. karwei. arbeid klant. intrigeren. bekonkelen puzzel. ingrijpen inzetten. uitlegging. een lied aanheffen inleiding. interpreteren. koper. gezellig. aangelegenheid. raadsel intiem. veestapel ingenieur ingenieur ingenieur affaire. levende have. ingrijpen interveniëren. bekonkelen konkelen. afdeling interveniëren. interpretatie interpreter interpreter uitleggen. intrigeren.

opstaan. vertrek. kamer lokaal. betekenisvol essentieel.Irlandczycy Irlandczyk Irlandia irlandzki irlandzki żołnierz piechoty ironia ironią ironiczny ironiczny irygował irys irytacja irytować iskra iskrą iskrzyć Islam Islandczyk Islandia Istambuł istniał istnieć istnienie istota wszystkożerna istotnie istotny istotny istotny istotny istotny istotny materialny istotny dla działalności firmy iść iść uruchomić iść po omacku iść przed iść w górę italią iwa izba izba rozrachunkowa izbą izbą izolacja izolacja izolacja (cieplna) izolacja złącza izolacją Iers Ier Ierland Iers Iers ironie ironie dor. verontwaardigen vonk. bijster. bijzonder vitaal veelbetekenend. metterdaad essentieel. determineren ergeren. rijzen Italië verbleekt lokaal. vigerend erg. voorzijn opgaan. sproeien Iris nauwkeurig bepalen. vitaal. opkomen. heel. kamer lokaal. ruimte isolering. tasten. speling. isolatie isolatie. gieten. sprank vonk. wereldruim. intrinsiek stoffelijk. mohammedanisme IJslander IJsland Istanboel bestaan bestaan bestaan. vertrek. vitaal. begieten. sprank islam. geldig. isolering isolering. betasten voorafgaan. sprank vonk. feitelijk. vertrek. aanzijn wezen inderdaad. gaan voelen. isolatie . lopen lopen. geldend. kamer bestek. bevoelen. materieel gangbaar. intrinsiek marcheren. isolering vertraging isolatie. tippelen. van stapel lopen. droog ironisch bevloeien.

hoe. die. maar. vergallen. enig hetwelk. tot dusdanige. dergelijke. een of ander. dat. stellig. bij wijze van. zeker. al. muil eetzaal eetbaar kaart venijnig. vergeven virus bek.izolator izolować izolować izolował izolował izolował Izrael Izraelita ja jabłecznik jabłka itp) jabłko jabłoń jacht jad jad jadaczce jadalnia jadalny jadłospis jadowity (np. een weinig iets echter. dat. ik. wąż) jagnię jagoda jagodą jaja jajko jak jak żywy jaki jaki jest jaki jest jakie mają np. een of ander. toch wel. aanwerven wat dan ook een of andere. giftig lamsvlees bes bes ei ei hoe hoe hetgeen. fotele czy wózki) jakieś opcje) jakikolwiek jakiś jakiś jakiś jakkolwiek jakkolwiek jakkolwiek jako jako jakoby jakoś jakoś na jakość jakość wyjściowa jakże isolator afzonderen. niettemin. Israel Israelitisch mij. ofschoon. vergiftig. als. isoleren isoleren. afzonderen geïsoleerd. jassen appel appelboom jacht vergiftigen. enigszins. huren. zulk een naar men zegt op de een of andere manier op de een of andere manier eigenschap eigenschap hoe . me appelwijn. cider schillen. wat een of andere. vast een beetje. welk Castor aannemen. afzonderen afzonderen. alleenstaand Israël. enig gewis. alhoewel voor. hoewel. wie. zo'n. welke. afpellen. isoleren isoleren.

licht.44 cm) jarmark jarosz jarski jarzeniowy jarzma jarzmo jarzmo (magneto wodu) jarzyna jarzyną jaskier jaskinia jaskinia (także inne ukryte miejsce jaskółce jaskółka jasno jasno jasno świecić jasny jasny jasny jasny jasny lekki światło Java jawnie jawny jawny jawor jazda jazda jazz jaźń ją jądro jądro jądro węzła jądro wieloprocesorowe aalmoes jenever. ra marktplein. aanmaken hel. groeve. licht gloeiend. kern pit. doorslikken. krocht. inslikken slikken. lichtjes. markt. hun. marktplaats vegetarisch vegetarisch neonaanspannen. open en bloot. gracht. het juk opleggen ketenen. lumineus. klaar Java ronduit. ra yard. ahorn oprit. holte slikken. greppel groeve. groef. kuil Jamaica Japans Japan Japans Japans yard. klare groef. bazaar. kaalhoofdig esdoorn. briljant hel. verzendend briljant. klare jenever. zwakjes. kern . rondweg aanwijsbaar. vertoonbaar kaal. aak. doen ontbranden. glanzend. licht. gracht. kuil. vanzelf haar. doorslikken. greppel. verterend. lumineus glanzend. zijn pit. hol. klaar aansteken. grot. pit pit. vurig. helder zwak. inslikken duidelijk. het juk opleggen aanspannen. kern kern. boeien groente groente ranonkel grot spelonk.jałmużna jałowcówce jałowcówka jama Jama Jamajka japonce Japonia Japończyk japoński jard jard (91. oprijlaan rijden jazz zelf.

in weerwil van egaal. tenue eensgezind. aaneenvoegen eendrachtig atoom-. ongetrouwd men elf echter. niettemin. hakkelen. spijs. atomair naadloos uniform. gelijkmatig niettegenstaande. zeekust motor men ongehuwd. maar pas. ongetrouwd jaarlijks uniform. stamelen. hakkelen stamelen. aaneenvoegen bijeenbrengen. etenswaar. etenswaar. eenparig ongehuwd. hakkelen. kustlijn. bos eenheid. in weerwil van men bijeenbrengen. alleen. spijs. gerecht eten. slechts. zijn . maar enkel. tenue eenhoorn uniform. tenue eenzijdig eenheid. eendracht zijde. bloot. aan hun kust. stotteren struikelen stotteren. maar. tenue uniform. gelijk. stamelen. enkel. bundel. unit eenheid. tenue eenheid. de zijne haar. unit wis. louter eten. ze. zij pas. enkel. stotteren stotteren. toch niettegenstaande. hakkelen aan ze. gerecht het zijne. samenhang.jądrowy jąkać się jąkać się jąkać się jąkanie się jąkanie się je jechać rozpędem jechać samochodem jeden jeden jeden z gatunków papug jedenaście jednak jednak jednakowy jednakże jedno jednocz jednoczyć jednoczył jednolity jednolity jednolity jednolity wzorzec półtonowy jednomyślny jednoosobowy jednoroczna (roślina) jednorodny jednorożec jednostajny jednostce jednostka jednostka alokacji jednostka zmiennoprzecinkowa jednostka żądająca jednostkowy jednostronny jedność jedwab jedwabny jedynie jedyny jedyny jedzenia jedzenie jego jego nucleair. zeekant. hun. unit eenheid. kernstamelen. alleen. zij zijde. eender. slechts. hun. unit uniform.

glijmiddel skiën fietsen. wanneer. karren schaats. appendix wervelkolom. kermen kermen. zeekust waterplas. plas. als. najaarsvallen. eten. storten as asgrauw kunst opnieuw. vaccine weg. opnieuw nog gebruiken. wielrijden aanhangsel. route waterplas. kustlijn. meer fjord Jezus gaan. vaccin. wanneer.jej jej jeleń jeleń jelicie jelit jelito jemioła jemiołą jen enny jeniec Jerozolima jesień jesień jesion jesionowy jesteś (archaizm) jeszcze raz jeszcze raz jeszcze raz jeść jeść bardzo delikatnie jeść lunch jeść śniadanie jeść z apetytem jeśli jeśli jeśli w ogóle jeśli zostanie on później zmodyfikowany) jezdni jeziora jeziora) jezioro jezioro (po szkocku) Jezus jeździć jeździć na łyżwach jeździć na nartach jeździć na rowerze jeździec jeża) jeżeli jeżeli Jeżeli nie podano inaczej jeżyna jeżyną jęczeć jęczeć haar. wanneer. bikken. als. ingeval braam braam stenen. ingeval tenzij indien. als. zeekant. kreunen. neervallen. bijlage. maretak vogellijm. steunen. maretak het volgende gevangene Jeruzalem herfst-. nogmaals. plas. ingeval tenzij indien. varen. nogmaals van voren af aan. lunch ontbijt maag indien. spin. van voren af aan. knabbelen twaalfuurtje. meer kust. afvallen. ingeval entstof. hun. wanneer. rijden. ruggegraat indien. als. de hare hert mannetjeshert darm ingewanden darm vogellijm. vreten knagen. zuchten . zijn het hare. baan.

zilverspar. steunen. furie. Zoeloe taal tong taalkundige. spar jodium jodium yoga . kreunen. linguïst. feeks feeksachtig stenen. kermen kermen. haaibaai. taalgeleerde taal-. HTML język programowania LISP język przetwarzania symboli język reguł język skryptowy język tablicowy język wewnętrzny komputera język wewnętrzny program maszynowy język zapytań język źródłowy język źródłowy język wyjściowy językoznawca językoznawczy jidisz jod jodlować jodlowanie jodła jodłą jodyna jodyną joga gerst helleveeg. spar den. zilverspar. joods Spaans Hollands Iers Litouws Lets Maltezer Duits Noors Jiddisch Perzisch lispelen Russisch Roemeens Slavisch Turks Hongaars Italiaans Zoeloetaal.jęczmień jędza jędzowaty jęk jęk jęzor język język język APT język CCL język do zastosowań naukowych język EML język EML język EML język FORTRAN dla programowania w czasie rzeczywistym język graficzny język graficzny język hebrajski język informacyjno-wyszukiwawczy język konwersacyjny język logiczny język makroasemblera język naturalny język niskiego poziomu język niskiego poziomu język oznaczeń np. afhandelen Fins afwikkelen Frans Hebreeuws. taalkundig Jiddisch jodium jodelen jodelen den. zuchten tong taal tong Arabisch Keltisch Deens afdoen.

morgenrood al. geldbuidel eend bepaling. aapje stulp. bestuur vissen zoenen. tros kabel. hut taxi stulp. stuurtoestel Jozef juwelier jubileumjodendom Hebreeuws. bewind. scheidsrechter jury jurist verontschuldigen morgen morgen Aurora morgenlicht. voorwaarde. toog beurs. alvast. tros kabel. tros vigilante. beginnend Jupiter Jura jury arbiter. kussen pompoen cabaret cabaret kabel. conditie . joods Joegoslavië. eerlijk. joghurt jota Jupiter stuur. aurora. hut boog. Zuid-Slavië Joegoslavisch Joegoslavisch flink.jogizm jogurt jota jowisz joystick józef jubiler jubileusz judaizm judejski Jugosławia jugosławią Jugosłowianin jugosłowiański junak junior Jupiter jurajski juror juror jury jurysta justować jutra jutro jutrzence jutrzence jutrzenka jutrzenka już k k <First In k <Keep It Simple kabaczek kabarecie kabaret kabel kabel okablować kabel (1/10 mili morskiej) kabel (elektryczny) kabina kabina kabina kierowcy (operatora) kabina pilota kabłąk kabzą kaczka kadencjach yoga yoghurt. dapper. Zuid-Slavië Joegoslavië. alreeds heerschappij. braaf. portemonnaie. ferm aankomend. morgenrood Aurora morgenlicht. reeds. tros kabel. huurrijtuig. aurora.

kuip tobbe. gebrekkig kalender kalender dagboek. calculator calculeren. bek Caïro. tichel scheppen. berekenen meten. keutel . beschadigen. bak BTW teil plavuis. drol. calculator rekenmachine. casco in een lijst zetten. stam scheepsromp. berekenen calculeren. kuip. pantalon. broek Californië rekenschap. tobbe. kiel. bodem. inlijsten. bederven verminkt. hut cacao cacao cactus bloemkool woordspeling havenen. tegelsteen. berekenen calorie calorie radiator overschoen Golgotha drek. boezeroen muil. bek muil.kadencją kadłub kadłub (statku itp) kadłub statku kadr kadra kadrowanie kadzidło kadź kadź kadź kadź kafel kafelkować kaftan roboczy kaganiec kagańca Kair kajak kajdany kajuta kakao kakaowy kaktus kalafior kalambur kaleczyć kaleki kalendarium kalendarz kalendarzyk kalesony kalesony kalesony Kalifornia kalkulacja kalkulacją kalkulator kalkulator stołowy kalkulować kalkulować kalkulował kaloria kalorią kaloryfer kalosz kalwarią kał term. vakterm boomstam. bodem. rekening rekenmachine. teil. Cairo plezierboot ijzeren stulp. romp. creëren hes. rekenen. rekening rekenschap. vatten staf schoorsteenmantel wierook bak. rekenen. casco scheepsromp. journaal onderbroek lang lange broek. ontlasting. romp. tegel.

zetten vaart. gezellig. steen klei-. van klei kiezelsteen. keisteen aanzetten mijlpaal mijlpaal edelsteen. innig. knus fototoestel. wijk. boord. van klei pilletje klei-. kanaal. gracht. afdruipen wijk. gracht neerdruipen. makker. kanaal. vest veldtocht. aarden. campagne maat. camera intiem. kornuit Canada Canadees Canadees vaart. kanaal. van klei hemd herenvest. gracht monteren. wijk. wijk. aansluiten slobkous Cambodja kameleon fototoestel. kameraad. vaart. kanaal vaart. oever velg . kiektoestel. afdruipen cloaca. camera Kameroen kamfer vrijmetselaar metselaar klei-. riool neerdruipen. gracht divan. edelgesteente. rustbank canapé sandwich kussen sandwich sandwich kanarie Canarisch kantoor kantig wal. aarden. kust. kiektoestel. kiezel. van klei klei-.kałuża kamasz Kambodża kameleon kamera kameralny kamerą Kamerun kamfora kamieniarz kamieniarz kamieniarz kamienna kulka do gier kamienny kamień kamień do zapalniczki kamień kotłowy kamień milowy kamień milowy kamień młyński kamień żółciowy kamizelka kamizelka kampania kamracie Kanada kanadyjczyk kanadyjski kanalik kanalizacja kanalizacja kanalizacja (rzek) kanał kanał kanał transmisji danych kanał zwrotny kanapa kanapa kanapce kanapę kanapka kanapka (do jedzenia) kanarek kanarek kancelaria kanciasty kancie kancie zich aaneensluiten. zinkput. Turkse staatsraad. aarden. aarden. kant.

volzin roer. bestraffing frase. grillig. capsule. rooien korporaal fantasie. luchter kandidaat. knoeien veldfles druipen. voornaamste captain. oppassend kangoeroe kannibaal. kaars kroonluchter. zich overgeven kapel. verbeeldingskracht bizar grillig. geweer geweer. droppelen. nukkig. veldprediker hoed Panama bokkesprongen maken kapitalist kapitalist aanzwellen kapitaal. troep. menseneter cañon zwendelen. druppelen schare. muziekkapel omzet opgraven. zin. muziekkapel kapel. capsule. bende aalmoezenier. sollicitant. keet. kapitein capituleren. roer geweer. doosvrucht straatschuimer. hopman. kraam. aspirant verzoeker. voorrijden huisje. schuur. candela. apache kool gras kool straf. aanvrager verzoeker.kandela kandelabr kandydat kandydat do archiwizacji kandydat na stanowisko kandydował kandydował kandydowanie kandyzować kangur kanibal kanion kant kantyna kapać kapela kapelan kapelusz kapelusz słomkowy kaper kapitalista kapitaliście kapitalny kapitał kapitał bez odsetek kapitan kapitulować kaplica kaplicą kapotaż kapował kapral kaprys kapryśny kapryśny kapryśny kapsel kapsuła kapsułka kaptur kapusta kapuś kapuście kara kara śmierci karabin karabin karabin maszynowy kaarsensterkte. aanvrager aanrijden. frauderen. kroon. vermogen hoofd-. doosvrucht kapseltje. onberekenbaar pet kapseltje. onberekenbaar nukkig. roer . loods hardloper zoet.

straffen botsing. hals logement. loopbaan nek nek. opgraven. aansporen kaart nek. uitglijden briefkaart blad. handvest. carburateur vermanen.karać karać karafka karafka karaluch karał karambol karawana karawaną karą karburator karcić karcie karczek karczma karczoch karczować karetka karetka kariera karierą kark kark karłowaty karm karmić karmidła karnawał karność karo (w kartach do gry) karoseria karp Karpaty karta karta karta(dziurkowana) kolejna(uzupełniająca informacje na kartach poprzedzających) karteluszce kartka kartka kartka zaginana od góry kartka żywnościowa kartofel karton kartoteka kartoteka kartoteka juist. herberg artisjok opduikelen. edelknaap pieper. straffen karaf decanteren kakkerlak bestraffen. voedingsmiddel carnaval discipline. rooien ambulance. hals minuscuul. bestraffing vergasser. aanvaring. vel blad. loopbaan carrière. dwergachtig voeden voeden voeding. dossier . vrachtcontract kaart slippen. aanmanen. goed bestraffen. voeder. aanrijding karavaan karavaan straf. vel boer. correct. kost. ambulancewagen affuit carrière. aardappel kartonnen catalogiseren catalogiseren bestand. ziekenauto. manen. tucht diamant carrosserie karper Karpaten kaart charter. delven. page.

pap hoesten paardekastanje. zweefmolen. kardoes patroon. licht. brij. beschot kassier. brij. dwergachtig minuscuul. muntmeester helm waterval afbestellen hel. dwergachtig minuscuul. klaar gommen. eromheen. instrumentenbord. kardoes cassette cassette patroon. in het rond laakbaar minuscuul. met gom bestrijken afschaffen gommen. pit. ontmannen. kashouder. draaimolen daaromheen. contact hebben met catalogiseren catalogiseren adresboek adresboek adresboek catalogiseren catalogiseren catarre koud niezen. ding dashboard. kastanje contact hebben. korrel hoesten moes. zaak. gegoten voorwerp snijden. algorytm cykliczny w systemie operacyjnym) karygodny karzeł karzeł karzełek kasa (zapomogowa) kasecie) kaseta kaseta kaseta (do wkładania modułów sprzętowych) kaseta z taśmą magnetyczną kasetce kaseton kasjer kask kaskadą kasować kasować kasować kasować przełączać(np. pap zaadkorrel. kardoes affaire.karuzela karuzela karuzela (np. programy) zwolnić pamięć kasował kast kastrować kasyna kasyno kasyno kaszą kasze kaszel kaszka kaszleć kasztan katalizator stały katalog katalog katalog katalog bieżący (aktywny) katalog węzłów katalog zadań katalogował katar katar katar carrousel. pit. kapitaal patroon. met gom bestrijken afgietsel. niesen . proesten. korrel zaadkorrel. castreren casino casino moes. in het rond daaromheen. aangelegenheid. dwergachtig fonds. eromheen.

al. doodsstrijd. alleman elk. ramp. incest kwellen. elk hoek accapareren. alleman. dom departement departement kathedraal. handvat. brok beting koffie restauratie. paard in schaakspel. paardenvolk mop. eethuis koffie tuinboon. opkopen in bad doen. knop fragment. al. veldboon bevelen. alleman iedere. kanselrede. aanbieden een of andere. restaurant.katastrofa katastrofa morska katastrofą katedra katedra (na uniwersytecie) katedra na uniwersytecie katedrą kategoria kategoria kategorią katolicki katolicki katolik katolik katusze Kaukaz kawa kawaler kawaler kawaler orderu kawaleria kawał kawałeczek kawałek kawałek kawałek murawy wyrwany przez kij golfowy w czasie uderzenia kawą kawiarni kawowy kawy) kazać kazać komuś czekać kazanie kazirodztwa kaźń każ każdy każdy każdy każdy każdy (człowiek) każdy człowiek wszyscy kącie kącie kąpać się kąpać się (w morzu kąpiel onheil. pots. dom categorie term. iedere. elk ieder. gevest. wassen in bad doen. preek bloedschande. catastrofe kathedraal. paard in schaakspel. paard ruiterij. brok heft. iedere. een of ander. al iedere. alleman. ieder. al. vakterm categorie katholiek katholiek katholiek katholiek doodsangst. kwinkslag. alleman. elk. boon. enig ieder. wassen bad. grol. grap fragment. paard in schaakspel. hals. iedere. badkuip . catastrofe schipbreuk onheil. ridder ridder. cavalerie. paard ridder. aanvoeren. al. elk. baden. martelen te koop aanbieden. agonie Kaukasus koffie paard. ieder. ieder. ramp. baden. commanderen sermoen. commanderen bevelen. koeioneren. aanvoeren.

richten. borrel aperitief. baden. beuling uitkomen. markt. hap aanwakkeren. proesten. toen eenmaal. eens. wassen bad. beklagenswaardig rot. mennen de weg wijzen. proesten. mondvol mondvol. leiden mennen. kuifje. besturen reglementeren. bloemkelk. dirigeren. marktplaats mennen. kuif beting hap. toen eenmaal. verrot hart marktplein. beitsen hoek accapareren. geleiden. opkopen kantig duim kelner serveerster serveerster pessimist knapperig. eens. beuling worst. bestuurder stuurtoestel. als. bedorven. mistig bosje. ontluiken ontkiemen. aanvuren. miskelk. borrel pudding worst. bijten. bestuurder conducteur. dot. wel eens. dirigeren. dampig. kelk aperitief. dirigeren. bestuurder conducteur. niesen een verband omleggen wanneer. kiemen erbarmelijk.kąpiel kąpiel (w wannie) kąpiel odkażająca kąpieliska kąsać kąt kąt strat magnetycznych kątowy kciuk kelner kelnerce kelnerka kernel kędzierzawe (włosy) kędzierzawy kępka kęs kęs kęs kibic kichać kichnięcie kiecce kiedy kiedy (w pytaniach) kiedy indziej kiedykolwiek kielich kieliszeczek kieliszek do brandy kiełbasa kiełbasa kiełbasą kiełek kiełkował kiepski kiepski kier (w kartach do gry) kiermasz kierować kierować kierować bezpośredni kierować (<sth> czymś) kierował kierowca kierowca zmiennik kierowcą kierownica in bad doen. bazaar. niesen niezen. als. indopen. heiig. ooit beker. bos. aansluiten happen. richten. reguleren. croquant nevelig. stuur . ooit wanneer. richten. knauwen. pluk. badkuip indompelen. besturen conducteur. regelen besturen. wel eens. soppen zich aaneensluiten. aanzetten niezen. ontspruiten.

leiding. stok kleven. menigvuldig kilo. aanhangen kikkervisje missen. Schotse rok kimono kimono bioscoop. echtelieden weinig een beetje. richting polis richtlijn. een weinig weinig verschillend. instructie. knikken ja knikken. administrateur richtlijn. beheerder. afkluiven kilometer kilt. algeheel ja knikken. leiding. volksstam. oorveeg.kierownictwo kierownik kierunek kierunek kierunek wsteczny złącza p-n kierunkach kieszeń kieszeń dysku kij kij od miotły kijanka kiks kil kilka kilka kilka kilka razy kilku kilo kilof kilof kilometr kilt kimona kimono kina kinematografia kino kiosk kir kiszka kiść kit kitel kiwać kiwnąć głową kiwnięcie kiwnięcie odarzy klajster klajster klakson klamra klamra klan klapą klaps klaps klasa administratiekantoor bestuurder. stam afgang draai om de oren. cinema box rouw darm bos. cinema rolprent. koers. kit. lel smakken stand. enigszins. kleefmiddel. klasse. film bioscoop. kilogram schoffel knabbelen. mislopen. vastkleven. wis. aanwijzing zak zak staf. richting consigne. knikken lijm. misgrijpen kiel echtpaar. totaal. koers. kleefstof aanplakken hoorn accolade vasthaken geslacht. bundel luit geheel. klas . knikken ja knikken. knikken ja knikken. menigvoudig.

bepaling conditie. vloeken ketteren. edelsteen edelsteen. brij. moet tikken tikken . scala naaien. houder toejuichen. kleefstof tandvlees moes. slag. kit. scala ketteren. klassiek klassikaal. klassiek klassikaal. smet. klassiek klassikaal. boezem kooi opgang. clausule. bos basisklassikaal. godlasteren mythe lijm. mannenklooster kooi kooi borst. mop. godlasteren. kit. steen edelsteen. klassiek klooster. edelgesteente. kleefstof tandvlees plakkerig. toonladder. steen klak. bundel. klas schede. rechtzinnig classificeren. vloeken. voorwaarde. indelen classificeren. steen. klavier toonschaal. klad. plek. kleverig edelgesteente. kleverig lijm. pap plakkerig. applaudisseren wis. vloeken. kleefmiddel. klassiek klassikaal. kleefmiddel. aard classificeren. godlasteren ketteren. toonladder. klassiek orthodox. bepaling toetsenbord. indelen klassikaal. klavier toetsenbord. indelen soort. neuken toonschaal. trap voorwaarde. edelgesteente. applaudisseren adhesie betuigen. bij acclamatie benoemen adhesie betuigen. foedraal. klasse.klasa zaprzyjaźniona klaser klaskać klaskać klaskać chodowa klaster klasy podstawowej klasyce klasyce klasyczny klasyczny klasyczny klasyfikować klasyfikować klasyfikował klasyfikwać klasyk klasyk klasztor klatce klatka klatka na sekundę klatka schodowa klatka schodowa klauzula klauzula klawiatura klawiaturą klawisz klawisz (strażnik więzienny) klawisz znakowy kląć klął klątwą klechdą kleić kleić kleik kleisty klej klej klejenie klejnot klejnot klejnoty kleks klepać klepanie stand.

sociëteit club. pal. toonladder. kletteren.kleszcz kleszcze klęcz klęczeć klękać klęska głodu klęska żywiołowa klice klient klient klient klient korporacyjny klient sieciowy klif klik klika kliknąć kliknąć prawym przyciskiem myszy klimacie klimat klimatyczny klimatyzacja klimatyzowany klin klin (podkładany pod koło) klinice klinika klinować kloc klon klosz klown klub klub studentek uniwersytetu klubach klucz klucz klucz klucz (do śrub) klucz (elektronowy) klucz mieszający klucz nadrzędny klucz wspólny klucz zabezpieczenia pamięci klucz zewnętrzny klucz złożony kluczowy kluczowy teek knijper. toonladder. verbruiker afnemer. toonladder. scala moersleutel. schaar knielen knielen knielen geeuwhonger nederlaag kongsi. scala kritiek. schroefsleutel moersleutel. kletteren. scala toonschaal. scala . koper. klakken. cliënt. afnemer consument. sociëteit klaveren toonschaal. klappen klikken. vastzetten esdoorn. koper. klant klant. koper. air-conditioning air-conditioned een wig slaan. aak. klakken. een wig steken kliniek kliniek een wig slaan. lampekap clown. een wig steken blokkeren. paljas. klip klikken. pias club. kliek. afnemer klant. klappen klimaat klimaat klimaatsairco. klakken. kletteren. een wig steken een wig slaan. ahorn kap. schroefsleutel sleutel moersleutel. kliek. toonladder. pal. schroefsleutel toonschaal. toonladder. troep klikken. troep klant. scala toonschaal. gebruiker. klappen kongsi. afnemer klif. toonladder. scala toonschaal. toonladder. schroefsleutel moersleutel. hachelijk toonschaal. scala toonschaal.

vrouwtje vrouw cobra. kiften. strijd. uitspanning gewricht. storen. stoomketel ketel. waterketel. slim pijnlijk. geliefde. schroefsleutel liggen liggen liggen aanspannen verglazen. liefhebben aanhalig aanhalig beminnen. geleding. pik. twist. dispuut kijven. priemen. houden van. bar. brilslang deken. twist. lieveling. benadrukken kwestie.kluczowy kłamać kłamstwa kłamstwo kłaść kłaść glazurę kłaść nacisk kłocić się kłopot kłopot kłopot kłopotać się kłopotliwy kłopotliwy kłopoty kłos kłócić się kłótni kłótnia kłuć kłuć kłus kłusować knajpa knajpą knajpą knebel kneblować kniei knocie knot kobiecy kobieta kobieta kobra koc kochać kochajacy kochający kocham kochanek kochany kochany kociak kocię kocioł kocioł kocioł moersleutel. draven dribbelen. snikkel. dispuut smart. houden van. strijd. determineren bezwaar. storend smal. strubbeling. glazuren. hinderen moeilijk. hinderlijk. leed nauwkeurig bepalen. bos kousje. dispuut lul. nauw oor kwestie. liefhebben vriendin. liefje geacht. pit. lampepit. keteldal ketel . café moppen tappen moppen tappen woud. krakelen kwestie. minnares schat. lont kousje. lampepit. lieverd. dek beminnen. moeilijkheid belemmeren. draven herberg. lastig. bekrompen. ruzie maken. gezien katje katje ketel. knoop drenkplaats. steken dribbelen. strijd. gelid. pit. jongeheer pikken. leuter. prikken. lastig. eng. lont vrouwelijk wijfje. lid. twist. kookketel. verdriet. glanzen met nadruk zeggen. vrijster. krap.

trekpot trekken. enig. pik. snikkel. rondreizen rondtrekkend. posterijen oorring uittrekken. kokosnoot cocktail avondmaal. leuter haan consequentie. snikkel. lul. wie d'r een of ander. klappernoot. aanhangsel. trekkend. rondtrekken. toog cocon cacao klapper. verzekeren jongeheer. gevolg kinderbed zich aaneensluiten. kappen. wie z'n. aansluiten coyote. hakken code houwen. hakken code bijlage. appendix codificeren codificeren welks. waarvan. avondeten avondmaal. ruggegraat steek post. leuter haan jongeheer. pik.kociołek kociołek koczował koczowniczy koczowniczy koczownik kod kod (program) zakodować kod generujący numer strony podczas wydruku kod przerobić jądro Linuksa kod zakodować kod) przerobić (jądro Linuksa) kodeks kodocyl kodować kodował kogo kogoś kogoś o czymś kogucie kogucie kogut kogut koherencja koja kojarzyć kojot kokaina kokainą kokarda kokon kokos kokos koktail kolacja kolacją kolana kolanko (hydrauliczne) kolano Kolba kolbą kolca kolce kolczudze kolczyk kolczykować kolebka ketel theepot. spin. avondeten knie elleboog knie veldfles veldfles wervelkolom. prairiewolf cocaïne cocaïne boog. nomade code code slak. een of andere betuigen. migrerend zwervend. lul. naaktslak houwen. bestemmen wieg . nomadisch benoeming. kappen.

colonne kring. groep. kloppen. nuancering geweldig. maat spoor. opvallen stikken stikken . aanrijding Keulen kolonie. drift hoop. co-. opvallen slaan. spoorweg spoor. inzamelen collectief. klappen. vriendelijk botsing. schare. uitreiking havik kolom. steunpilaar. kolossaal. groep. steunpilaar. volksplanting akkoord. spoorweg spoor. drift hoop. colonne kolom. kloppen. sleur spoor. nederzetting. aaneen-. kloppen. samen ambtgenoot. spoorweg ronde gevolg metro afwisselend ander veranderen. afwisselend hoop. kornuit. steunpilaar. colonne kolom. anders maken wisselend. kudde. schare. nederzetting. collega paren college makker. spoorweg spoor. collega aaneen. volksplanting schakering. overeenstemming koloniaal kolonie. pilaar. kudde. spoorweg routine. groep. gemeenschappelijk voorkomend. opvallen slaan. pilaar. cirkel slaan. ontzaglijk verdeling. veranderlijk. accoord. nuance. kameraad. aanvaring. lief. gemeenschappelijk collectief. pilaar. samen-. aardig. klappen.kolec kolec świdra centrującego kolega kolega kolega szkolny kolega z klasy kolegium kolego! kolei kolei koleina kolej kolej jednoszynowa kolej linowa kolejce kolejce kolejka pocztowa kolejny kolejny kolejny kolejny kolekcja kolekcja zbiór zbieranie informacji kolekcją kolekcjonować kolektyw kolektywny koleżeński kolizja kolonia Kolonia kolonia kolonialny kolonią kolor tła kolosalny kolportaż kolportować kolumna kolumna wyświetlana (w grafice komputerowej) kolumną koła kołatka kołatka (do drzwi) kołatka do drzwi kołdra kołdra pikowana doorn doorn ambtgenoot. drift collecteren. innen. schare. kudde. klappen.

verbinden. aanvoeren. verbinden. katrol. doen schommelen zwiepen. halsboord kring. slaaplied wiegelied. commentaar leveren op nabeschouwing annoteren. combinatie verbinding. slingeren wiegelied. rad hijsblok. behelzen handel. boord. katrol. inhouden. gooien balanceren. slaaplied wieg wieg steekmug. gemak. algeheel kiel. combineren blijspel. zwieren. zwaaien. commanderen aantekening. hals kraag. combineren geheel. halsboord nek. komedie bevelen. commandant bevelen. blok. blok. aanvoeren. combinatie verbinding. rad kring. aansluiten samenvoegen. schijf reddingsgordel wiel. comfort . koopmanschap. rondschrijven pet wieg opgooien. combinatie zich aaneensluiten. totaal. cirkel hijsblok. mug muskiet komma verbinding.kołdrą kołek kołek falowodowy kołnierz kołnierz kołnierz golfowy koło koło koło koło zakreślić okrąg koło celowania (na ekranie dla pióra świetlnego) koło wodne koło zamachowe kołowy kołpak kołysać kołysać (się) kołysać się kołysać się kołysance kołysanka kołysce kołyska komar komar komą kombinacja kombinacja klawiszy kombinacją kombinat kombinat kombinezon kombinezon kombinować komedia komedią komenda komendant komenderować komentarz komentarz komentarz komentarz opisowy komentować komentować komercyjny komforcie stikken borrel. cirkel circulaire. schijf wiel. commentaar annoteren. hes samenvoegen. aperitief kraag. commanderen aanvoerder. commentaar leveren op annoteren. aperitief borrel. komedie blijspel. boezeroen. boord. commentaar leveren op bevatten. nering gerief.

komfortowy komiczny komiczny komin komin komin komin komin (statku kominek komisariat komisarz komisja komisją komitet komitet doradczy komiwojażer komnata komodą komodor komora komorą komorne komórka komórka znakowa kompania kompas kompatybilny kompendium kompensacja kompensacja temperaturowa kompensacją kompensować kompetentny kompilacja kompilacją kompilator kompilować kompilować zestawiać kompilował kompleks komplement komplet kompletnie kompletny komplikacja komplikować komplikować komplikował geriefelijk. verduwen. schouw politiepost. kerker cachot. koddig. afdeling huur cachot. volkomen. schoorsteen. koddig schoorsteen. commode commodore lokaal. kamer ladenkast. cel. loon. bevoegd verzamelwerk. vak. vertrek. digereren beloning. compenseren. vertrek. accumuleren schrijden trechter haardstede. komisch. ingewikkeld maken . kerker firma. vergelding vergoeden. samenstellen complex. beletsel. ingewikkeld compliceren. loon. cel. totaliter compleet. volledig hindernis. tak. opeenhopen. opdracht. comfortabel moppig. deskundig. politiebureau lasthebber. samengesteld complimenteren emmer heel. compilatie compiler compileren. samenstellen compileren. grappig grappig. opdracht. ingewikkeld maken gecompliceerd. vergelding beloning. samenstellen compileren. gecommitteerde commissie. hinderpaal compliceren. kamer branche. gemakkelijk. loon. kachelpijp schoorsteen. kachelpijp ophopen. compilatie verzamelwerk. handelshuis kompas congruent verteren. vergelding beloning. moppig. handelsfirma. komisch. boodschap commissie. instrumentenbord. goedmaken competent. boodschap dashboard. beschot comité reiziger lokaal.

adverteren berichten. katern machine communie communie aankondiging. praten berichten. componist comprimeren comprimeren foei comprimeren computer schrift. een of andere. overschakelen doodgaan. meedelen. begrip concert . toonzetting. naaf dik. aankondigen. thema. dicht. boodschap aanspreekbaar aandienen. zetting toondicht.komplikował komponent skrośny komponować komponować komponował komponując kompozycja kompozycja pulpitu kompozycją kompozytor kompres kompresować kompromitacja komprymować komputer komputer notatnikowy komputer podręczny komputer programisty komunia komunią komunikacie komunikacja światłowodowa komunikacja w tle komunikacją komunikat komunikat komunikatywny komunikować komunikować (się) komunikować się komunikował komunista komuniście komunizm komuś komutować konać konar konar konar konar koncentrator zespołu koncentrował koncepcie koncepcja koncepcja koncept koncercie gecompliceerd. verenigingsorgaan bericht. aflevering. vouwen. mededelen communist communist communisme een of ander. meedelen. katern schrift. sterven bewapenen. stof. gebonden opvatting. veldboon samenstellen. wapenen aftakking. begrip begrip opvatting. ingewikkeld tuinboon. plooien samenstellen. aftakking lid. boon. compositie toondichter. apropos toondicht. componeren omvouwen. compositie onderwerp. enig omleggen. overlijden. tak tak. toonzetting. verkondiging communiqué communiqué communiqué bulletin. mededelen spreken. lidmaat bus. begrip opvatting. aflevering. omschakelen. componeren montage.

och. bewaren conditie. belang concert concerto rekening. confisqueren in beslag nemen. noodzakelijkheid nodig. moes. condoom conducteur. verbinding bondsstaat. gevolgtrekking beton . Congo congres vuurwater. conto compact. benodigd sprinkhaan conjunctie oh.koncercie koncern koncern koncert koncert koncie kondensować mały kondolencje kondom konduktor konduktor kondycja koneksja konfederacja konfederacją konfenansjer konferansjer konferencja konferencja prasowa konferencją konfiskować konfiskował konfitura konflikcie konflikt konflikt sprzętowy konflikt związany z dzieleniem zasobów konfrontować konfrontował Kongo kongres koniak koniak koniczyna koniczyna biała koniczyną koniec koniec zapisu koniec zbioru danych konieczność konieczny konik polny koniunkcja koniunkcja (zob. verbinden. brandewijn. ach stortplaats bruidegom. koniuszek koniuszy konkluzja konkretny concerto samenvoegen. bestuurder bewaken. uiteinde aantikken noodzaak. aanrijding conflict het hoofd bieden het hoofd bieden Kongo. confederatie omroepster omroepster conferentie conferentie conferentie in beslag nemen. rouwbeklag kapotje. marmelade conflict conflict botsing. bepaling samenhang. confederatie bondsstaat. voorwaarde. cognac klaver klaver klaver schaduwen uiterste deel. de wacht hebben. ah. stalknecht conclusie. aanvaring. combineren aangelegenheid. confisqueren jam. einde. dicht condoleantie. brandy brandy.

gevolg consequentie. concurreren wedijver match. samenzweren consternatie. samenspanning komplot. troosten kramp. effectief specifiek. vakbond komplot.konkretny konkretny konkretny konkubiną konkurencja konkurować konkurs konkurs konsekwencja konsekwencją konsekwencją konsekwentny konserwa konserwatysta konserwatywny konserwować konserwować konserwować (sprzęt) pielęgnować (oprogramowanie) opiekować się (projektem) konserwował konsol konsola konsola zdalna konsolą konsolą konsolidator konsonant konsorcjum konspiracja konspiratorstwa konspirować konspirował konsternacja konsternacja konsternacją konsternacją konstrukcje z kamienia konstruktor typu konstruować konstruowanie wspomagane komputerowo konstytucja konstytucją konstytucyjny konsul konsulacie konsulat afzonderlijk. bergen. nietje vertroosten. inleggen behouden. konfijten. ontstellen. aanleggen ontwikkeling. bewaren haakjes vertroosten. konfijten. gevolg consequent inmaken. constitutie grondwet. troosten linker consonant. ontstellen. medeklinker syndicaat. bergen. evolutie grondwet. vakvereniging. constitutie grondwettelijk. wedstrijd. concours consequentie. gevolg consequentie. wedijveren. haakje. troosten vertroosten. samenspanning samenspannen. onthutsen metselwerk aannemer. samenzweren samenspannen. ontsteltenis ontzetten. onthutsen consternatie. argumenteren inmaken. werkelijk. inleggen behoudend. bouwondernemer bouwen. klamp. betogen. conservatief vertogen. soortelijk bijvrouw wedijver meedingen. ontsteltenis ontzetten. construeren. bewaren behouden. conservatief behoudend. constitutioneel consul consulaat consulaat . afgezonderd daadwerkelijk.

gebruiker. tuberculose longtering. matrijs nadenkend pot. tering. keuring. aflezen. bewind. contrabande bouwondernemer. opzichter conducteur. etui. verbruiker slopen. tering. controleren heerschappij. doos. examen controleur. bak. verbruiken. opzichter supervisor. contrabande smokkelwaar. contrasteren afsteken. dommekracht. contact hebben met gietvorm. controleren pariteit voorschrift reglement bedwingen. krik vijzel.konsultacja konsultacją konsultować konsultował konsumencie konsument konsumować konsumował konsumpcja konsumpcją konsystencja kontakcie kontakt kontakt metal-półprzewodnik kontakt omowy kontekscie kontemplacyjny kontener kontener (złożona struktura danych realizowana jako klasa w programowaniu obiektowym) konto konto w banku kontrabanda kontrabandą kontrahencie kontrahent kontrakcie kontrakt kontralt kontrascie kontrast kontrast na poziomie szczegółów kontrastować kontrola kontrola kontrola jakości produkcji kontrola parzystości kontrola programowa kontrola programowana kontrola zapisu (atrybut pliku) kontrola zgodności typów kontrolą kontrolą kontroler kontroler kontroler kontrolerach consult. consulteren raadplegen. dommekracht. contrasteren afsteken. koker pot. supervisor. betomen. bestuur checken. bak. consumeren longtering. bewind. contact hebben met vijzel. schouwing. tuberculose consequentie. contrasteren checken. krik contact hebben. consultatie raadplegen. inspectie heerschappij. verbruiker consument. consulteren consument. conto smokkelwaar. aannemer bouwondernemer. gevolg contact hebben. matrix. foedraal. verbruiken. foedraal. controleur. aflezen. aannemer verbintenis. koker rekening. consumeren slopen. contract tweede alt afsteken. beteugelen schouw. contrasteren afsteken. conto rekening. gebruiker. bestuurder damspel . doos. contract verbintenis. consultatie consult. etui. bestuur onderzoek.

gebeurlijk bestendiging. accompagnement begeleiding. afsluiten aantikken uiterste deel. bewind. plasser . einde. ros paardekracht paardekracht uiterste deel. pennestrijd. plassertje. vasteland. beteugelen heerschappij. uiteinde terminal uiterste deel. vervolg bestendiging. stuip. onderzoek heerschappij. bestuur controverse. einde. werelddeel. kramp stuiptrekking. inspecteren bedwingen. uiteinde terminal kegel stortplaats afhandelen. gesprek onderhoud. betomen.kontrolny system komputerowy kontrolować kontrolować kontrolować poprawność kontrolowanie kontrowersja kontrowersją kontur kontynencie kontynent kontynent kontyngencie kontyngent kontynuacja kontynuacją kontynuować kontynuować kontynuował kontynuował konwenans konwenanse konwencją konwersacja konwersacja podstawowa konwojent konwój konwulsja konwulsją koń koń mechaniczny koń parowy końca końcowy końcowy test po montażu końcówce końcówce końcówce końcówka końcówka końcówka typu J końcówka typu J kończ kończyć (się) kończyć (się) kończyć koniec kończyć się kończyć się kończyć się examen. afwikkelen. keuring. afdoen aantikken afmaken. polemiek omlijning. voortzetting. polemiek controverse. gesprek begeleiding. accompagnement stuiptrekking. vasteland eventueel. voortzetting. omtrek continent. bestuur inspectie houden. gebeurlijk eventueel. stuip. uiteindelijk aanhechting uitgang. werelddeel continent. vasteland continent. kramp paard. eventueel finaal. bewind. werelddeel. pennestrijd. vervolg aanhouden te werk gaan aanhouden te werk gaan congres congres congres onderhoud. uiteinde gebeurlijk. uiteinde aantikken piemel. beëindigen. einde.

afdruk exemplaar. lidmaat samenwerken. trappen schoppen. onderwijzen corresponderen corresponderen kurketrekker spinnen corroderen. envelop. plug. het mijne scheppen. het mijne de mijne. coördineren schoppen.kończyć się szpiczasto kończyna kooperował koordynować koordynował kopać kopalnia kopalnia węgla koparka kopą Kopciuszek Kopenhaga koperta koperta bezpieczeństwa koperta zabezpieczająca kopia kopia rezerwowa kopia zapasowa kopiować kopiować awaryjnie (zawartość pamięci) kopiować egzemplarz kopiować tablicę bitów kopiował kopnąć kopniak kopnięcie kopuła kopuła kopułą kopycie kora koralik Koran korą Korea Koreańczyk koreański korek korek korek uliczny korek uliczny korekta korepetytor korespondować korespondował korkociąg korkociąg korodować afmaken. stopmiddel kurk prop. stekker. stopmiddel drukproef opvoeden. stekker. trappen de mijne. opscheppen ophopen. envelop. multipliceren exemplaar. aantasten. coördineren bijeenschakelen. afsluiten lid. stop. opeenhopen. trappen schoppen. een backup maken van exemplaar. plug. enveloppe couvert. enveloppe exemplaar. trappen koepel koepel koepel hoef boomschors. afdruk een backup maken. enveloppe couvert. afdruk exemplaar. schors kraal Koran boomschors. afdruk verveelvoudigen. beëindigen. multipliceren schoppen. afdruk verveelvoudigen. meewerken bijeenschakelen. bijten . accumuleren Assepoester Kopenhagen couvert. envelop. stop. schors Korea Koreaans Koreaans kurk prop.

mand schuur. kronen bekronen. gewaad. korf. wortel schieten aanslaan. costuum badpak enkel banshee ben. eetbak. loods. kronen bekroning. trog. gilde Corsica het hof maken. stranden enkel derde macht. kroning bekroning.korona korona (słoneczna) koronacja koronacją koroną koronce koronka koronka (na karcie dziurkowanej) koronować korporacja Korsyka kort korycie korygować korytarz korytko koryto korzeń korzeń palowy korzystać korzystny korzyści) korzyść korzyść korzyść korzyść kos kosa kosą kosić kosmonauta kosmyk kostce kostce kostium kostium kąpielowy kostka kostuchą kosz kosz na śmieci koszary koszary koszcie koszcie koszmar koszmarny koszmarny koszt bekronen. drenkbak. toegenegen. eetbak. gracht krib. kanaal. corporatie. rijstrook vaart. bak aanslaan. correct. beschuldiging onkosten. kronen vakvereniging. slof. wortel schieten aanwending. voordeel aannemen. scharrelen krib. nachtduivel. kronen kant kant kant bekronen. mand ben. slof. kroning bekronen. gang. dobbelsteen. vrijen. kosten angstdroom. huren. blok klederdracht. gieteling zeis zeis maaien astronaut. gunstig aftappen pré. overloop. toepassing goedgezind. aanwinst. incubus afgrijselijk nachtmerrieachtig kosten . buit. korf. goed baan. drenkbak. voordeel pré. wijk. dracht. keet kazerne aanklacht. barak. ruimtevaarder aan de grond lopen. prooi merel. aanwerven acquest. trog. bak juist.

scherm. aanbeeld aambeeld. geit. huid.koszt koszt własny kosztach kosztorys kosztowny kosztowny koszula koszula (męska) koszula nocna koszula nocna (męska) koszulą koszyk koszykówce koszykówka koś kości do gry kościelny kościelny kościół kościół kość kość kość słoniowa kość szczękowa kot kotara kotek kotek kotlecie kotlecie kotlet kotlina kotwica kotwica (telegraficzna) kotwiczenie kowadełko kowadła kowadło kowal kowboj koza Koziorożec Koziorożec (gwiazdozbiór) kozodój koźla skóra koźlę kożuch kółka onkosten. dierbaar. ijzersmid cowboy sik. vel. knok. nachtzwaluw een geintje maken een geintje maken dierevel. aanbeeld smid. pels. karbonade. bot. vulva fijnhakken ribstuk. kerk. kosten vertering. kerkgebouw schonk. kotelet. cilinder . begroten. karbonade. doek katje kut. rib ribstuk. mand basketball basketball maaien fijnhakken kerk kerkelijk. kaak kattekop overgordijn. besteding. taxeren waardevol. been fijnhakken ivoorkleurig. uitgaaf schatten. rib vallei. vacht rol. gordijn. geestelijk kerk bedehuis. slof. kosten onkosten. waarderen. kostbaar kostbaar. duur. korf. dal anker anker anker aambeeld. bok Steenbok Steenbok geitenmelker. kotelet. aanbeeld aambeeld. waard overhemd overhemd nachtjapon nachthemd overhemd ben. lief. ivoren kakement.

accident. kruisen circuleren. bolletje. discus. cirkel spoel. tapkraan aanboren uiterst. spotten. grammofoonplaat. klos. plaat broodje. kadet omloop. landen gewest. uithouwen landschap landschap binnenlands. bobine kloot. aangeboren krassen ongeluk. honen bespotten. bovenmatig gnoom. gebied. extreem. extreem. uithakken. omgorden plagen bespotten.kółko samonastawne (takie kpi kpiarz kpić kpienie kpiną kpiny krab kracie kracz kradzież krainą krainą kraj krajać krajobraz krajobraz krajowy krajowy krakać kraksą kran kran kraniec krańcowo krańcowy krasnoludek krasomówstwo kraść kraść krata kratce krawat krawat krawca krawiec krawiec męski krąg krąg Krąg krąg cewka krążek krążek krążenie krążyć krążyć krążyć (po wodzie) kreator Castor gorden. rondgaan kruisen (van schip). inheems. rondgaan duivelskunstenaar. rooster das. riool kleren maken kleren maken kring. aangespen. rederijkerskunst achteroverdrukken. bobine schijf. bovenmatig allemachtig uiterst. inlands ingeboren. omgeving. roulatie circuleren. hek. spotten. ontvreemding aan land gaan. haard. ergst. bol. haardstede traliehek. tovenaar . klos. aardmannetje retoriek. verdonkeremanen sluipen open haard. regio platteland. zinkput. das cloaca. gebied spoel. honen aanfluiting aanfluiting krab geknars. ongeval kraan. tap. gekras krassen diefstal. circulatie. afrastering. stropdas stropdas. sfeer. in omloop zijn. open veld beeldhouwen. in omloop zijn. aangorden. streek. ergst. kadetje.

omgang. tegoed. treden. punt. stappen. oog periode. verassing lijkverbranding. begrenzen. spikkel. uithouwen treden. treden. schrijden. spikkel. spikkel. lopen lopen. plak. spin. verassing cremeren. schijf. uithakken. verband verwant. schrijden lopen. stappen. stappen. crematie. tijdvak neus. snoer. oog punt. tip. verassen beperken. credit creditzijde. schijf. krediet. top.kreatura krecie kreda kredą kredens kredens kredyt kredyt kredyt wyraz uznania krem krem do golenia kremacja kremacją kremować (spalać martwe ciało) kres kresce kreska kreska ukośna kreślak kret Kreta krew krewetce krewetka krewny krewny kręgle kręgosłup krocz kroi krok krok krok iteracji krok w bok krokodyl krokus kromce kromka kronice kronika kronikarz kropce kropce kropka kropka kropka dziesiętna kropka pozycyjna kropka znak interpunkcyjny wezen mol krijt krijt kast kast rekening. krediet. familielid bowling wervelkolom. beknotten vislijn. spits logeren punt. spits punt. kroniekschrijver neus. tegoed. hengelsnoer aanhalen. sim. ruggegraat schrijden beeldhouwen. filet kroniek kroniek chroniqueur. snede. piek. punt. credit vla vla lijkverbranding. stip. filet moot. liefkozen. stip. schrijden lopen. aaien afkraken hok mol Kreta bloed garnaal garnaal betrekking. strelen. snede. top. schrijden krokodillen krokus moot. conto creditzijde. plak. crematie. piek. tip. treden. oog . stappen. stip.

i w przen. heerschappij. afgetrokken kippig. jonkvrouw bestuur. broek kort abstract. broodkruimel kruimel. kniebroek. spikkel. patroon dam. pukkel koe koe knippatroon. vrouw koninkrijk koninkrijk rijk. stip. lady. jonkvrouw.kropkować kropla kropla w morzu kroplą kroplówka krosno krosno krosta kroście krowa krową krój król królestwa królestwo królestwo królewski królewski królewski króliczek królik królik królowa królować królową krótki krótki krótki krótki krótki opis programu krótkie streszczenie krótkowzroczny krótkowzroczny (dosł. staat plechtstatig. ongemeen. waterdruppel druppel. kort slip. bloedend rood. majestueus vorstelijk. kruisbeeld raaf raaf kruimel. vrouw. bewind lady. slipje kort korte broek. jonkvrouw kortstondig. dam. draaischijf weefgetouw puistje. pukkel puistje. droppelen. kriek Krim . waterdruppel druppel. koninklijk konijntje konijntje konijn lady. kortzichtig. broodkruimel bloed aftappen. oog druppel. blozend moordziek. druppelen draaibank. dam. schaars krekel. bijziend strottehoofd knapperig. aderlaten bloedig.) krtań kruchy kruchy krucyfiks kruczy kruk kruszyć kruszyć się krwawić krwawy krwawy krwiożerczy krwisty krykiet Krym punt. moordlustig zeldzaam. vrouw. kortzichtig. croquant knapperig. statig. croquant crucifix. waterdruppel druipen. koninklijk vorstelijk. bijziend kippig.

heester afkeuren saus. joelen luidruchtig. letsel toebrengen bouwvallig. gammel. schreeuwen. kristallen bestelauto. kristallen kristalhelder. aanmerking kritiek. foutief. bocht. aftands ombuigen. kritiseren. letsel toebrengen blessure. roepen. curve blessure. ferm zorgenstoel. bestelwagen zweminrichting. doorbuigen kruisen. kritiek. over elkaar slaan frustreren kruisen. over elkaar slaan fotokopie xerografisch pastoor. lawaaierig snibbig. crimineel rok. kwetsuur. kwetsuur. over elkaar slaan kruisen. verwonding onjuist. keisteen robuust. kritiek. snood. heester snoeien gieren. buigen. jus kiezelsteen. aanmerking beoordelen. roepen. ruigharig heester. verkeerd nadelig kwetsen. zwembad beoordeling. ruig. armstoel stoel zorgenstoel. potig. hecht. geestelijke.kryminalny krynolina kryształ kryształ o sieci regularnej płaskocentrycznej kryształowy kryta ciężarówka kryty basen krytycyzm krytyczny krytyka krytykować kryzys krzaczaaste (brwi) krzak krzak krzcie krzem na szafirze (struktura) krzemień krzepki krzesło krzesło krzesło bujane krzesło bujanes lub wyłącznik biegunowy krześle krzew krzewy) krzyczeć krzyk krzykliwy krzykliwy krzywa zdyskretyzowana krzywą krzywda krzywdą krzywdą krzywdą krzywdzenie krzywdzić krzywiczny krzywić krzyż krzyżak krzyżować krzyżować się kserografia kserograficzny ksiądz misdadig. keuren crisis harig. verwonding kwetsen. armstoel stoel stoel struik. joelen gieren. wond. vrouwenrok kristalhelder. hachelijk beoordeling. kiezel. struik struik. bocht. wond. pastor . fors. bits kromme. schreeuwen. kristallen kristalhelder. curve kromme. rumoerig. sop.

een of ander een of ander. boekenwinkel boekhandelaar boekhoudkundige. ingenaaid boek.książce książe książeczka książeczka czekowa książę książę książka książka adresowa książka kucharska książka telefoniczna książka w papierowej okładce książka w papierowej okładce książkowy księga księgarnia księgarz księgowego księgowość księgowość księgowy księgozbiór księżna księżniczka księżyc księżycowy księżycowy lunatic kształcić kształcić kształt kształt czcionki kształt znaku w czcionce kształtować kto kto ma lekki sen kto zajął drugie miejsce ktokolwiek ktoś ktoś ktoś ktoś zajmujący (miejsce które który który zajmuje się głównie lub wyłącznie podkowami i podkuwaniem koni) których użytkownik uległ awarii ku ku pamięci ku pamięci boek prins. aangaan formeren. enig aanwezige hetwelk. een of andere een of ander. tot. vorst boekje. kweken. enig enig. vormen. accountant boekerij. wie. libretto. boekhouden boekhoudkundige. naar noorden noorden . dat. wie. welk hetwelk. een of andere. dat. welke. lunair dresseren. aangaan vormen. dat. een of andere. bij. wie. een of ander een of ander. welk. een of andere. aangaan hetwelk. enig. lunair maan-. prinses koningsdochter. welk hetwelk. welke. brochure boek paperback. welk. die. operatekst chequeboekje hertog prins. grootbrengen instrueren formeren. formeren. welke. accountant accountancy boekhouding. die. voor. die een of ander. vormen. prinses maan maan-. die ouderloos aan. wie. ingenaaid boek. tegen. aangaan formeren. vorst boek adresboek adresboek paperback. brochure boek aangeven boekwinkel. een of andere. dat. een of andere enig. welke. bibliotheek koningsdochter. enig. vormen.

handelaar. beschaving. opeenhopen kunst aankopen boel. teelt. boezem jongleur marionet koekoek eksteroog. kookgelegenheid pony borst. bouw bebouwen. geleerd cultuur. koopman neringdoende. kornuit accumuleren. hagelsteen cultus. oven keuken. beschaven cultuur.ku wschodowi Kuba kubek kubek kuca kucanie kucharz kuchence kuchni kuchnia kucyk kufer kuglarz kukiełka kukułka kukurydza kukurydza kukurydzą kukurydzą kula kula armatnia kulawy kulą kulić się kulić się kulisty kulka punktor kulka gradu kult kult kultowy kultura kultura kulturalny kulturą kultywował kumpel kumpel kumulować kunszt kup kupą kupca kupca kupiec kupiec kupna kupno verzenden Cuba kopje. kookgelegenheid keuken. eredienst. kweken paren maat. in elkaar duiken in elkaar duiken. winkelier afnemer. likdoorn mais. verering adoratie. eelt. eelt. likdoorn mais. bol. beschaving. drom. hoop. inkoop. koopman koop. hurken ronde kogel hagelkorrel. omgeving. maïs kruk kloot. kop kan. handelaar. inkoop. makker. aankoop . in elkaar duiken in elkaar duiken. maïs eksteroog. eredienst. hinkend kruk hurken. gebied mank. sfeer. massa zakenman. menigte. ophopen. teelt. kruik hurken. verering beschaving. hurken koken kachel. bewerken. aankoop koop. kameraad. aanbidding cultus. klant zakenman. koper. kreupel. bouw ontwikkeld.

tap. cureren kuur. colbert. beieren kippevlees. bekoren lekker. scherm. wijk. verlokken. kaartje. kip kippevlees. zieke galmen. voucher. aflopen. kop. rondgaan jasje. koers titel. buis overgordijn. klasse. kwakzalver Quakerbevoegdheid. voucher. route. tapkraan haan afgezant. kip behandelen. doek overgordijn. verleiding verleiden. coupon aankopen koop. graad stand.kupon kupon (np. gordijn. inkoop. charlatan. kaartje. ineenkronkelen kraan. bode. kwalificatie . in omloop zijn. gordijn. stadswijk vierkant bedrieger. premiowy) kupować kupować kupuwać kura kuracja kuracja kuracjusz kurancie kurą kurczak kurczę kurczyć się kurek kurek zamykający kurier kuropatwa kuropatwą kurs kurs kurs waluty kursor kursor wyboru kursować kurtka kurtka dwurzędowa kurtyna kurtyną kurwa kurz kurzawą kurzyć kusić kusić kuszący kuszenie kuś kuś kuzyn kuźnia kwadracie kwadrans kwadrat kwakać kwakanie kwakier kwalifikacja bon. aankoop aankopen kippevlees. weglokken in verzoeking brengen. weglokken in verzoeking brengen. kleppen. doek naaien. kip kippevlees. scherm. onderschrift. klas cursor cursor circuleren. leergang. gezant patrijs patrijs tracé. temptatie. verlokken. coupon bon. bekoren nicht smeden vierkant buurt. buis jasje. aanlokkelijk aanvechting. kip ineenkrimpen. neuken stof drijfzand stof verleiden. behandeling patiënt. charlatan. kwakzalver bedrieger. cursus. colbert.

som. klamp. klamp. gieten. april voor voldaan tekenen. stadswijk term. bedrag. vraag. niet-ingewijde schoensmeer. haakje kramp. ding. prostituée genoeglijk. penny cactus kramp. vakterm zuur zuur sluw zuur zuur hoofdkwartier buurt. affaire. haakje laboratorium sauzen. zaak kwestie. navraag bloem bloesem bloem bloem bloesem grasmaand. totaal. zeerob. pop . kwalificatie buurt. aantal. wijk. stuiven hoer. mn. fanfare voor voldaan tekenen. bloeiend bloem bloesem fanfarekorps. kwiteren tal. wijk. <cactuses> lub <cacti>) kaktus l.mnoga parentheses nawias okrągły laboratorium lać lać lać się ladacznicą ladny laguna laguną laik lak lakier lakier (bezbarwny) lakier bezbarwny lakować lalą lalka bevoegdheid. getal somma. lichtekooi. stadswijk aangelegenheid. totaal. aangenaam lagune. lakken verlakken. som. kustmeer lagune. stortregenen afranselen opspatten. verspuiten. behaaglijk. lakken verlakken. aantal. bedrag. summa stuiver. nietje. kwiteren fleurig. schoencrème verlakken. pop tonnetje. nietje. lakken zeehond.mnoga nawias okrągły l. rob tonnetje. getal somma. kustmeer leek.kwalifikacją kwartał kwartał kwas kwas o wysokim stężeniu kwaskowaty kwaśny kwaśny kwatera główna kwatery kwestia kwestia kwiat kwiat kwiat kwiat z rodziny compositae kwiecie kwiecień kwit kwitnący kwitnąć kwitnąć kwitnąć kwitować kwocie kwocie kwota kwota kwota jednopensowa l. summa tal.

vuurmaker latex jaar zomer wijnstok. doch kuur. behandeling . panter lamp lamp promoveren. klep schuif. bos belemmeren. bevorderen terugvallen herrie. ophef. landen daling. flambouw fakkel. kroost. vuurbaak aansteker. landen aan land gaan. landing daling. toorts.lament lamentować lamentować lamentował lampa lampa elektronowa lampa elektronowa zawór lamparcie lampart lampą lampka lansować lapsus larum larwa las laska laska laska lata latać latać przed oczami latać przed oczami latarce latarka latarni latarnia latarnia morska latarnik lateks latka lato latorośl latorośl latryna laur lawa lawina lawiną lawirować ląd lądować lądowanie lądowanie (samolotu) lecieć leckja lecz leczenie weeklagen. steen en been klagen weeklagen. flambouw lantaarn lantaarn vuurtoren. lauwer lavalawine lawine circulerend. wingerd nakomelingschap. afdammen staf. rumoer. toorts. klep luipaard. afsluiten. lichttoren. drijven fakkel. panter luipaard. steen en been klagen lamp schuif. landing aanvliegen les maar. in omloop aan land gaan. zaad latrine laurier. leven. stok suikerriet zomer aanvliegen aanvliegen zwemmen. lawaai larve woud. steen en been klagen rouwen weeklagen.

volksoverlevering legendarisch legende. nauwelijks. amper amper. kwalijk amper. nauwelijks amper. geneesmiddel helend. helen beter maken. legaal legende. aanmaken glossarium glossarium limonade limonade vlas luiheid luiheid ai. nauwelijks. drogerij. drug. medicinaal. nauwelijks getuigen. doen ontbranden. geneesheer nonchalance. helen doctor medicus. beter maken. kwalijk. cureren genezen. aanmaken atleet sport aansteken. cureren kwalijk. geneeskundig dope. artsenij. luiaard ai. certificeren wettig. kruid medicijn. kruid dope. drug. nalatigheid les les aansteken. vereenzelvigen spel trechter trechter dope. drug. drogerij. kwalijk. luiaard lui lui . wettelijk. arts. medicinaal. drogerij. geneeskundig behandelen. helen behandelen. genezen. kruid beter maken. volksoverlevering legioen legioen recht identificeren. dokter. genezen. doen ontbranden.lecznica leczniczy leczyć leczyć leczyć leczyć ledwie ledwie ledwo ledwo legalizować legalny legenda legendarny legendą legią legion legislacją legitymować legumina lej lejek lek lek lekarski lekarstwa lekarstwo lekarstwo lekarz lekarz lekceważenie lekcja lekcją lekki lekkoatleta lekkoatletyka lekkostrawny leksykon automatyczny leksykon zautomatyzowany lemoniada lemoniadą len lenistwa lenistwo lenistwo leniwiec leniwy leniwy kliniek helend. gewettigd.

horen. getal aantal. getal. tal heel. cijfer aantal. mijn. rekenen. aantal. Turkse staatsraad. getal. evenredig tal. tal nummer. metrum. averechts. dommekracht. leenman leengoed. getal rekenen. mijn. superieur beter bramsem hout doffe onverschilligheid. tegengesteld vijzel. Libanon liberaal.lennik lenno lepiej lepik lepki lepszy lepszy (zobacz <good>) leszcz leśny letarg letni letni lekko ciepły lew lewa strona lewarek lewy lewy ukośnik leżakowanie leżance leżeć lękać się Liban liberalny liberał lica licencja lichtarz licował licytacja licytator licytować liczba liczba liczba całkowita liczba dziesiętna zmiennopozycyjna liczba poza zakresem liczba rzeczywista liczba zmiennoprzecinkowa liczba zmiennoprzecinkowa liczba zwojów liczbowy liczebnik liczebnik liczebność liczenie liczniejszy (zobacz <many>) licznik liczyć vazal. veiling vendumeester. blaker behoren. tal nummer. afslag. vendu. cijferen aantal. overvloed in aanmerking komen. licentie kandelaar. oh. vrijzinnig het hoofd bieden vergunning. afslager. meetellen meer meter. prevalent. veilingmeester auctie. berekenen . veiling tal. passen auctie. afslag. geheel majoor och. leen beter teren vochtig opperste. lethargie zoel. versmaat calculeren. ah proportioneel. links kruiden divan. betamen. rustbank liggen kwartel Libanongebergte. lauw leeuw omgekeerd. vendu. lauw zoel. vrijzinnig liberaal. ach. getal. links linker-. krik linker-. aantal. cijfer onbekrompenheid.

brief geloofsbrief zendbrief. chef. epistel. liga. linoleum kalk kalk juli. hengelsnoer hobby vislijn. snoer. liquideren. begrenzen. meetellen telraam. lijn taalkundige. alcoholische drank afwikkelen. koorde. meester worden aanslag liniaal linker kabel. snoer. drank. beknotten beperken. begrenzen. berekenen in aanmerking komen. baas bond. hooimaand tekst vos lispelen zendbrief. snoer. koord. tal aantal. linguïst. liga. begrenzen. hooimaand juli. elimineren. beknotten vislijn. hengelsnoer lijntje. beknotten beperken. aanvoerder. meetellen aantal. begrenzen. sim. beknotten beperken.liczyć liczyć liczyć liczyć (<on sb> na kogoś) liczyć na liczyć na liczydło lider lidze liga likier likier likwidować likwidować (się) likwidować się lilia lilią liman limicie limit limit czasu odpowiedzi limit liczby sesji lina holownicza lina holownicza lingwista lingwistyczny linia linia autowa linia łącze linia programu liniał linijka linijka (do rysowania) linijka z podziałką linijka z tabulatorami link editor linka linka/lina holownicza linoleum lipa lipą lipca lipiec liryczny lis Lisp list list polecający list przewozowy meten. snoer. uitschakelen lelie lelie baai. tros trekken vloerzeil. epistel. opheffen afwikkelen. kreek beperken. verbond likeur alcohol. getal. berekenen in aanmerking komen. liquideren. inham. taalgeleerde taal-. opheffen afvoeren. abacus gebieder. verbond bond. tal meten. sim. taalkundig vislijn. getal. brief . hengelsnoer liniaal liniaal onder de knie krijgen. sim.

vliegtocht krullen slot ijzig. koelcel ijsco. letterkunde letterkundig. blad brochure. literatuur. epistel. literair woordelijk. paperback. slachtmaand loof. brief zendbrief. letterlijk schade. bladertooi lat herpes vel. literair litteratuur. letterlijk woordelijk. ijsgletsjer gletsjer koelkast. epistel. ijs. slachtmaand november. ijskoud.list uwierzytelniający lista lista lista związana listek listek listonosz listonosz listopad listopadowy listowia listwa liszaj liść litania litanią litera litera z literacki literal literał literał boole'owski literatura literatura literaturą literaturoznawstwo literować literować znaczyć literowy litość litr liturgia Litwa litwin lizać Lizbona liż lniany locie loczek loczek lodowaty lodowca lodowiec lodówka lody logice logiczny zendbrief. letterlijk letterkundig. blad litanie litanie zendbrief. letterkunde litteratuur. postbode postbode. literair spellen spellen woordelijk. literatuur. epistel. gebladerte. brief letterkundig. iets betreurenswaardigs liter liturgie Litouwen Litouws likken Lissabon likken linnen vlucht. een lijst maken aangeven uitlisten. letterlijk woordelijk. litterair. brief uitlisten. ijsje logica logisch . litterair. een lijst maken vel. ingenaaid boek postbeambte. litterair. consumptie-ijs. brievenbesteller november.

ijs. ijsco. luchvaart vlieger. plek plaats.logika logika formalna logika matematyczna logika ujemna logika większościowa lojalnie lojalny lok lokacją lokal lokalizacja lokalizować lokalny lokalny obszar danych lokator lokator lokomotywa lokomotywa lokomotywą lokować Londyn lord lord lord (jako tytuł) lornetka los los losowy losowy dowolny losowy dowolny lot lot loteria loterią lotne piaski lotnia lotnictwa lotnictwo lotnik lotnik lotnik lotniska lotnisko lotnisko lotos loża (teatr. verloting loterij. toneelkijker lotsbestemming. lumineus. toevallig toevallig. verloting drijfzand hang-glider vliegwezen. aviatiek. consumptie-ijs glanzend. briljant . vlieghaven luchthaven lotus. aviatiek. oord. lokaal plaatselijk. binocle. plaatsen plaatselijk. perceel toevallig. trouwhartig krullen plaats. lot kavel. loodsen vliegveld. incidenteel incidenteel. rolklaver boksen ijsje. plaatsen Londen graaf lord lord kijker. incidenteel vlucht. luchvaart vliegwezen. oord. wezenlijk getrouw. lokaliteit. leggen. leggen. trouw. lokaal aanwezige huurder locomotief motorisch motorisch situeren. aviateur. vliegtocht vlieg loterij. lokaal. ruimte situeren. vliegenier strooibiljet binnenbrengen. ruimte plaats. lokaliteit. bestemming. oord. loyaal. vlieghaven vliegveld.) lód lśniący logica logica logica logica logica werkelijk.

blank glacé suiker Luxemburg weeldeartikel.lub lub LUB wykluczające LUB wyłączające lubić lubić słodycze luce lucie lucyfer lud lud ludność ludowy ludowy ludzie ludzki ludzki ludzkość lufa luka luka luka w świadomości lukier lukier syntaktyczny Luksemburg luksus luksusowy luksusowy lunch lunecie lusterka lustro lut lut srebrowy lutego lutni lutnia lutować lutować lut lutowie luty luz luźno luźny luźny kawałek lżyć łabędź łach grijs. voor. mensheid ton. tod. flard . fust een bres slaan. verrekijker afspiegelen afspiegelen soldeer. getapt. als. veelgeliefd lieden. blanco. lor. lomp. mensen bevolking volk populair. februari uitvoeren. februari luit luit soldeer. spelen. gaping soldeer. bij wijze van. soldeersel soldeer. weelderig weelderig. voorspelen losjes mul. lui. ledig. soldeersel sprokkelmaand. bres. vat. lap. hol wit. tot opening. soldeersel Lucifer volk lieden. lunch sterrenkijker. vod. volk. oningevuld. volk. mensen menselijk menselijk. grauw of of of hoe. leeg. luxeartikel luxueus. rul mul. bij wijze van. telescoop. luxueus twaalfuurtje. soldeersel soldeer. humaan mensdom. als. rul beledigen. soldeersel soldeer. affronteren zwaan vodje. voor. soldeersel sprokkelmaand. krenken. lui. tot hoe. een bres slaan in loos. lens.

lap. zachtaardigheid zachtheid. buit maken scheppen. been bederven. gotisch lettertype barst puzzel. zachtmoedig.łachman łacina łaciński ład ładny ładny ładować ładować ładować (system) ładować do pamięci pobieranie ładować szuflą ładunek ładunek łagodnie łagodność łagodność łagodność łagodność łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny (klimat) łagodzić łagodzić łagodź łajdak łakomy łamać łamać (się) łamać zabezpieczania (w szczególności usuwać blokady przed nielegalnym użyciem programu) łamigłówka łamliwy łania łańcuch łańcuch znaków łańcuch znaków mieszanych łańcuch znaków mieszanych Łapa łapa łapać łapą łapówce vodje. beminnelijk. snaar haakje. voorzichtig zachtaardigheid mildheid. aardig laars aanklacht. onderbeen. verzwakken harden. behalen. verbasteren. mild. belust. tod. aangenaam vriendelijk. commanderen. aangaan poot. sierlijk vriendelijk. aanflitsen. beschuldiging zachtjes. schappelijk. behaaglijk. bevallig. keten ketting. zacht gracieus. malsheid. ploert begerig. weekheid liefelijk. stalen omleggen. stemband. ellendeling. zacht. omkopen . lor. broos achterste ketting. keten ketting. overschakelen boef. mildheid. klamp. zachtaardigheid zachtheid. weekheid zacht. voorkomend goedertieren. gretig afbreken breuk. beschuldiging laden verkrijgen. zachtaardig zoet. lading aanklacht. omschakelen. onderbeen. carga. bevelen genoeglijk. flard Latijns Latijns aanvoeren. happig. nietje poot. opscheppen goederen. schavuit. voorkomend verdunnen. malsheid. raadsel breekbaar. been aanfloepen. lankmoedig zachtheid. lomp. vod. liefelijk vriendelijk. keten koorde. temperen. zoet.

hengelsnoer trekharmonika. lessenaar badhuis. verbinding monteren. wei samenhang. bijeen. zetten monteren. volgzaamheid. weiland. ineen bewerker vislijn. verbinding samenhang. badplaats badhuis. weide. aanhoudend lap. ingezet stuk bries. verbasteren. badkuip grasland. tezamen. trilgras met gemak. inschikkelijk licht.łapówka łasica łasicą łaska łaska łaska łaskotać łaszt łaszt łata łatać łatka łatwizna łatwo łatwo wpadający w złość łatwopalny łatwość użytkowania łatwowierny łatwy łatwy łatwy do zagrania ława oskarżonych ława przysięgłych ława przysięgłych ławą ławica ławka ławka szkolna łazience łazienka łaźnia łące łącze łącze łącze ATM łącze odbiorcze łącze typu "backhaul" łącze wsteczne łączenie w pary skręcanie wiązek parowych (przewodów) łącznie łącznik łącznik łącznik obwodów drukowanych łączność transmisja łączność zdalna łączny łączówka bederven. snoer. allicht brandbaar meegaandheid. voorafgaand blijvend. verleden. makkelijk handelbaar. zitbank bank bank. zetten samenhang. sim. badkamer. badkamer. accordeon communiqué communiqué inclusief aansluiting . wellen samen. zetten lassen. vlot. lapwerk. begunstiging sierlijkheid Gratie kriebelen. marter wezel. lapwerk. vlot. beemd. allicht met gemak. zitbank lezenaar. badplaats bad. kietelen voorgaand. zitbank jury bank. lapwerk. gedweeheid lichtgelovig licht. genadigheid. verbinding monteren. makkelijk dok bank. marter gunst. ingezet stuk lap. omkopen wezel. ingezet stuk lap.

kletteren. lemmet afdrogen. steek. verbinden. afranselen zalm eland eland Lets . lid worden. borst baarmoeder baarmoeder klotsen. verbinden.łączówka łącznik łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć konsolidować łączyć (się) łączyć n wiązanie łączyć się łączyć się łączyć zestawiać układać (arkusze książki) kolacjonować (porównywać teksty) sortować (wydrukowane kartki) łączyć złączyć scalić mieszać łądować łąka łeb łechtać łgać łkać łodydze łodydze łodyga łodyga łodyga trzon rdzeń łokcia łokieć łom łona łona łono łono (osoby siedzącej) łopacie łopat łopata łopata łopatka (wirnika łopatka kość łopatka wirnika łoskot łosoś łoś łoś amerykański łotewski aansluiting zich aaneensluiten. temperen. hefboom. opscheppen pek. weide. spitten. lemmer. verbinden. toetreden lassen. mixen. stoot. weiland. lid worden. aan elkaar vastmaken echtpaar. lemmer. kietelen liggen snikken schrijden boomstam. spaak boezem. opscheppen woelen. beemd. aaneenvoegen samenvoegen. kabbelen. graven kling. echtelieden wijzerplaat zich aansluiten. plassen. combineren verbinden. mengen samenvoegen. de weg wijzen. stam schrijden opslaan boomstam. combineren zich aansluiten. klapperen scheppen. toetreden aansluiting monteren. zetten samenvoegen. stam elleboog elleboog koevoet. combineren vermengen. aansluiten samenvoegen. prik scheppen. schoppen. leiden kriebelen. wellen bijeenbrengen. combineren laden grasland. verbinden. lemmet schouderblad kling. wei geleiden.

casco lei schil. bol boot. talk ledikant perk. reuzel.) łożysko kulkowe łódka łódź łódź żaglowa łój łóżka łóżko łóżko łóżko piętrowe łudzić się łuk łuk łuk termoelektronowy łup łup łupać łupać (np. boog boog. schors. kogel. tuinbed. dop. beetkrijgen barst splinter roos schil. bloemperk nageboorte perk. schoenhoorn . tuinbed. schaal schild. dop. bed. bodem. aanflitsen. schuit boot. inslikken kaal. casco schillen. toog boog. tuinbed. bloemperk begoochelen. bloemperk kinderbed perk. schoelje. bed. pakken. tuinbed. doorslikken. bed. bodem. slurpen slikken. bed. orzechy) łupież łupina orzecha łupiną łupki łusce łuska łuskać łuskać łydka łyk łyk łyk łyk łykać łysy łyżce łyżeczce łyżeczka łyżeczka do herbaty łyżka łyżka do butów rotzak. opslorpen. toog buit beetnemen. romp. romp.łotr Łotwa Łotysz łowić łowić na wędkę łowić ryby łożko łożyska łożysko łożysko (techn. bloemperk lager kloot. aangaan hoek vissen perk. schors. schaal scheepsromp. afpellen. schuit boot. borrel resorberen. jassen kalf mondvol. rugschild. schuit talg. loeder Letland Lets aanfloepen. ploert. smeer. kaarsvet. doorslikken. schaal scheepsromp. inslikken slikken. hap aperitief. kaalhoofdig pollepel theelepeltje theelepeltje theelepeltje pollepel schoenlepel. illusies wekken bij toog.

warenhuis opslaan blad. ra stiefmoeder Madonna Madonna Madrid pakhuis. bezitting spul. moslim mohammedaan. krant pakhuis. moslim mogen bloeimaand. goedje. automatisch aanwensel. landgoed. meester worden verbinding. verkeersweg magneet magnetiseren magnetofoon. islamiet. matrijs ouder. matrix. islamiet.łyżwa łza łza mach machać machinalny machlojce macica macierz macierz matryca macierzysty maciorą macka macocha Madonna madonną Madryt magazyn magazyn kolorów magazyn kolumn magazyn pocztowy magazyn wiadomości magazynek magia magia magiczny magiczny magik magister magistrala magistrala szybka magistrala szybka magnes magnesować magnetofon magnetyczny magnetyzm mahomatanin mahometański maj maj majaczyć majątek majątek majestacie majestat majestatycznie iść majestatyczny schaats. matrijs gietvorm. mei krankzinnig zijn goed. bandrecorder magnetisch magnetisme mohammedaan. spriet. verhevenheid statigheid. warenhuis winkel patroon. combinatie autobus grote weg. magazijn. oprit plechtstatig. kardoes toverkunst. wuiven. magazijn. stof. magie magisch. majestueus . toverachtig goochelaar onder de knie krijgen. hebbelijkheid baarmoeder gietvorm. magie magisch. zelfwerkend. moeder uitzaaien antenne. substantie statigheid. zwaaien werktuiglijk. matrix. voelhoorn. toverachtig toverkunst. verhevenheid oprijlaan. glijmiddel vaneenscheuren. statig. doorscheuren gescheurd mach gebaren. boerderij.

klein. verlagen verminderen. schilderij schildering. doek. piek sententie. onbekend. punt. maximaal spits. afnemen propperig. eng eng. schilderen schildering. maximaal snelheidsgrens maximum-. pittoresque Malta Maltezer Maltezer gescheld weinig neen. kleuren. dommekracht. rimboe malaria schildering. tocht. jungle. schilderen verven. make-up makelaar makelaar makreel maximum-. toer pottenbakker vijzel. minuskuul framboos framboos verven. spreuk verminderen. trip. geen. zinspreuk. huisschilder afdraaien. tip. afschuwelijk macaroni modelleren modelleren schmink. neus. blanketsel. verminderen koorts oerwoud. doek. nee. griezelig ijselijk. niet weinig obscuur. schilderij schilderachtig.major majówce majstrować majtek majtki majtki (damskie) mak makabra makabryczny makabryczny makaron makiecie makieta makijaż makler makler giełdowy makrela maksimum maksymalna szybkość maksymalny maksymalny maksymą malał malał malaria malaria malaria malarstwa malarstwo malarz maleć maleć maleńki malina maliną malować malował malowidło malowniczy Malta Maltańczyk maltański maltretować mało mało tego mało znany mało znany małpa majoor uitstapje. verver. minuscuul. donker aap . top. krik onderbroek onderbroek papaver griezelig. afnemen inkorten. schilderij schilder. doek. kleuren. excursie.

gering. mamma mummie volmacht. door het water plassen kattekop oor. hanteren . dicht mossel huwelijk. rangeren mungo. hengsel. manoeuvreren manoeuvreren. karig compact. echt. klein min. manier demonstratie. brommen. mompelen. klink omgaan met. schoffelen min. man. ma. rangeren manoeuvreren. handvat. wijze. manipuleren. mompelen. mummelen morren. prijken. mummelen mammie. vertoning. brommen. rangeren rangeren. hebben mummie morren. brommen. min. mamma. klein. echtgenote. ichneumon. vertonen laten blijken. luttel. man eega. echtverbintenis echtgenote. mompelen. echtverbintenis huwelijk. mam. paraderen. manier trant. lastbrief mandarijn (vrucht) volmacht. eega. mandaat. pronken demonstreren. vrouw gemaal. karig wieden. manoeuvreren manoeuvreren. lastbrief biljet. eega. kruk. luttel. karig. kaartje rangeren. echtgenoot erop nahouden. min gering. echtgenoot. wijze. klein.małpa małpa bezogonowa małpa człekokształtna małpa człekokształtna małpą małpi mały mały mały mały mały sygnał małych rozmiarów zbity małż małżeństwa małżeństwo małżonce małżonek małżonek mam mamą mamrocz mamrotać mamrotanie mamusia mamusia mamusia mandacie mandarynka mandat mandat manewr manewr manewrować manewrować manewrował mangusta mania manicure maniera manierą manifestacja manifestacja (uczuć) manifestować manifestować manipulator drążkowy manipulator kulowy manipulować manipulować aap aap aap aap aap aapachtig minder. plaatsbewijs. mummelen morren. mangoest obsessie manicuren trant. echt. luttel. bewijs pralen. ma. gering. mandaat. gemalin. mam mammie. manifesteren peddelen.

zedenmeester lentemaand tippelen maart lopen. opmaken. plan. manuscript. beproeven . marge. rand marionet marionet merken. marge. verdoen verklungelen. rand kant. hanteren manchet kastekort. frommelen onduleren reisplan. wortel margarine margarine kant.manipulował mankiet manko manuskrypcie manuskrypt mapa mapa mapa alokacji (pamięci) mapa bitowa mapa przydziału mapa schemat wykres mapa termiczna mapą mapce maralista marca marca marca marca marchew marchewce marchewka margaryna margaryną margines margines na spad margines zewnętrzny marionetce marionetka marka marmolada marmur marnie marnotrawstwa marnotrawstwo marnować marny Maroko Mars marsz marsz marsz marsz marszczyć marszczyć (się) marszczyć się marszrucie martwić omgaan met. bedoeling. marcheren peen. kaart landkaart. route. tekort handschrift. opmaken. tekenen jam. marge. marcheren rimpelen. moes. kaart landkaart. wortel peen. kopij bitmap landkaart. kaart landkaart. baanvlak verdriet doen. deficit. kreukelen. wortel peen. rand kant. marmelade pilletje ellendig verklungelen. kaart bitmap landkaart. kaart landkaart. verdoen verklungelen. tracé. kopij handschrift. fronsen verfomfaaien. bedroeven. doel moralist. manuscript. kaart strekking. manipuleren. verdoen goedkoop Marokko Mars lentemaand tippelen maart lopen. opmaken.

menigte. zich bekommeren. colbert. rand omvang. zouten. inleggen. zich bekommeren. bedremmeld. mopshond moordpartij. bloedbad moordpartij. mijmeren kant. boel mops. bewimpelen. hoop. bodem. inmaken pekelen. zorgen doods. massa. zouten. bestek. inmaken jasje. beteuterd bezorgd zijn. inleggen. bedroeven. grootte achtergrond. bewimpelen. bloedbad masseren bemantelen. zouten. dodelijk pekelen. bewimpelen. colbert. marge. beproeven bezorgd zijn. inmaken lentemaand tippelen maart lopen. buis marine. zeemacht pekelen. marcheren dromen. gemijmer vriezen dromen. buis jasje. grond. mijmeren mijmering. overjas marine. ondergrond drom. bloedbad moordpartij. zeemacht jasje. gedroom. zorgen verdriet doen. maskeren maskering maskering maskering boter boter vrijmetselaar vrijmetselaar metselaar metselwerk vrijmetselaarskneden masseren . inleggen. maskeren bemantelen. dodelijk doods. buis jas. colbert.martwić martwić martwić się martwić się martwy martwy sezon marynacie marynarce marynarce marynarka marynarka handlowa marynarka wojenna marynarka wojenna marynata marynować marzec marzec marzec marzec marzenia marzenie marzł marzyć marża masa masa masa masa gliniana masakra masakrą masakrować masaż masce maselnica maska maska wprowadzania maskarada maskarada IP maskaradą masła masło mason mason mason masoneria masoński masować masować beduusd. maskeren karnen bemantelen.

affaire. mathematisch mathematicus. affaire. ding.masowy masowy masowy mord masywny maszcie maszerować maszerować maszerować maszerować maszt maszyna maszyna maszyna do obliczeń maszyna do pisania maszyna do szycia maszyna wykorzystywana do budowania oprogramowania maszyną maszyneria maszynistce maszynistka maszynowy maszynowy maszyny maszyny budowlane maszyny elektryczne maszyny rolnicze maszyny) maść maść maśladować mat mata mata mata antyelektrostatyczna matce matem. slachten massief mast lentemaand tippelen maart lopen. calculator schrijfmachine naaimachine machine machine machinerieën typiste typiste machine mechanisch. zaak verstoffelijken. ding. materieel weefsel aangelegenheid. affaire. materialiseren verstoffelijken. bestek. ding. hoop. wiskundige wiskunde. zaak schaakmat. saus imiteren. nadoen paren schaakmat. marcheren mast locomotief machine rekenmachine. aanbouw prieel akkerbouw trechter vla smeersel. werktuiglijk prieel constructie. zaak dingen. bouw. spullen . menigte. materialiseren stoffelijk. nabootsen. mat ouder. mat aangelegenheid. mathematica matras aangelegenheid. sjabloon wiskundig. patroon. boel afslachten. Macierz matematyczny matematyk matematyka materac materia materializować (się) materializował się materialny materiał materiał materiał omvang. massa. moeder schablone. grootte drom.

mat intendante intendante gietvorm. boetseren schablone. taai. vroed. hinderlaag. werktuigkunde werktuiglijk. patroon. guur. matrix. bloem storen. automatisch mechanisch. eega. melig . sjabloon gietvorm. matrijs modelleren. ameublement. sauzen. belemmeren. matrix. afkeer poeslief huisraad. spullen laken ouder. walg. val schaakmat. afleveren mos mecanicien. echtgenoot. werktuigkunde actie. besmeren invetten meel. vermoeiend. valstrik. bijtend stoffelijk. doorsmeren. sauzen. arglist slag. fel. wijs meel. handeling. bestellen. werktuigkundige mechanica. werktuigkundige mechanica. hinderen wijsheid verstandig. besmeren smeren. matrijs schablone. walging. optreden. meel gemaal. materieel dingen. matrix. zelfwerkend. werktuiglijk mecanicien. sjabloon smeren.materiał do robienia worków materiał podłogowy materiał podłogowy materiał wybuchowy materiał wypełniający matka matka przełożona matni matni matowy matrona matroną matryca matryca matryca ostrzy matryca przełączająca matryca rdzeni matrycować mazać mazaniną maź mące mącić mądrość mądry mąka mąka mąż mdleć mdleć mdłości mdły meble meblować mech mechanice mechanice mechaniczny mechaniczny mechanik mechanika mechanika statystyczna mechanizm mechanizm mechanizm zegarowy mecz mecz bokserski meczący kunst doordringend. inboedel leveren. werktuigkunde mechanica. gedoe machinerieën locomotief lucifer lucifer saai. moeder abdis valstrik. bewusteloos raken misselijkheid. bloem bloem. patroon. matrijs gietvorm. doorsmeren. man zwak bezwijmen.

mixen. munt pepermunt. munt geestelijk. medicinaal. aankondigen. artsenij. temperen. metafoor metalen metalen metalen vermengen. adverteren informeren. droefgeestig. melancholiek aandienen. meteorologie . kruizemunt. dons druilen. artsenij. melodie in een stemming brengen. beheerder. administrateur dierentuin intendant. melodie melodrama melodramatisch meloen aandenken. dutten samenkomen. meier pepermunt. artsenij. nadenken Mekka Mexico Mexicaans Mexicaans weemoedig. melancholiek weemoedig. deuntje. deuntje. stemmen wijs. metafoor beeldspraak. geneesmiddel medicijn. gedenkschrift bestuurder. nesthaar. mengen gedaanteverwisseling. wijsje. berichten. beeld. deun. medaille Milaan medicijn. droefgeestig. opzichter.meczecie meczet medal Mediolan medycyna medycyna nuklearna medycyna sądowa medyczny medytować mekce Meksyk Meksykanka meksykański melancholia melancholią meldować meldunek melodia melodia melodia melodią melodramat melodramatyczny melon memento menażer menażerią menedżer plików mennica mennicą mentalny menu menu skrótów mer Merkury Merkury meszek meszek met metafora metaforą metal metaliczny metalowy metamorfoza (efekt graficzny) metamorfozą meteor meteorologia moskee moskee penning. wijsje. vergaderen beeldspraak. kruizemunt. geneesmiddel helend. bijeenkomen. deun. mentaal kaart kaart burgemeester. beeld. inlichten lucht wijs. mediteren. geneeskundig peinzen. burgervader Mercurius kwikzilver. metamorfose meteoriet weerkunde. kwik waas. sluimeren. geneesmiddel medicijn.

metropolis. doodsstrijd. heiig. dapper. taai. floers. koeioneren. ferm damp. martelen salie. meeuw doodsangst. naamwoord benaming. eerlijk. floers mij. metropool hoofdstad. stelsel. naam. dampig. metrum. mist. nevel. salvia salie. aanstelling namelijk. schools methodistisch meter. bedillen vervagen mistig. opdracht. mist haarkloven. braaf. damp. aanstellen commissie. floers damp. metrum metro metro hoofdstad. Schotse rok mannelijk mannelijk mannelijk mens flink. me benaming. martelen kilt. metropool metriek metriek zeemeeuw. boodschap benoeming. versmaat meter. in naam metriek meten .meteoryt metoda metoda metoda złożona (z metod podstawowych danego obiektu) metodą metodyczny metodysta metr metr metra metro metropolia metropolią metryczny metryka mewa mewą męczarnie męczący męczennik męczyć męczyć mędrzec mędrzec hinduski męka męska spódniczka szkocka męski męski męskoosobowy mężczyzna mężny mgiełce mgiełka mgliste wspomnienie mglisty mgła mgła mgłą MI miana miano mianować mianować mianowanie mianowicie miara miara odległości meteoriet methode systeem. melig bloedgetuige. naam benoemen. koeioneren. mist nevel. meeuw zeemeeuw. agonie saai. nevel. martelaar knellen. naamwoord. te weten. dringen. persen. damp. floers. mist. bestel bewerking methode methodisch. nevelig nevel. metropolis. versmaat. drukken kwellen. vermoeiend. salvia kwellen.

norm . aan de hand zijn gemiddeld hopen galmen. lokaal. aangeboren burger-. mikken op. bevoegd stad. domicilie ruimte. run vlees slagzwaard erop nahouden. plek ligging ruimte. kom roodkoperen. oord. hebben ambiëren. lokaal. logies. plaats bewoning zetel. kwartier woonplaats. stand. koperen plaats. neigen bijdragen mikken. boerderij. oord. deskundig. koperen roodkoperen. dingen naar. plaats wereldstad. aflopen. domicilie ligging platteland. geneigd zijn. grote stad stad. kleppen. rang plaats. stadje. affaire. plaats graad. stads landgoed. open veld plaatselijk. lokaal. status. lokaliteit. plek woonplaats. stedelijk. adapteren aangelegenheid. oord. toeloop. oord. schelen gebeuren. beieren geneigd zijn tot. plek plaats. aanpassen. standaardmaat.miara przymiar miarą miarodajny miasteczka miasto miasto miasto (duże) miażdżyć miąższ miecz mieć mieć aspiracje mieć inne zdanie mieć miejsce mieć na myśli mieć nadzieję mieć rozgłos mieć skłonność do czegoś mieć wkład mieć zamiar mieć zastosowanie mieć znaczenie miednica miedź miedź beztlenowa o wielkiej przewodności miejsca miejsce miejsce miejsce miejsce na dysku miejsce przeznaczenia miejsce zakotwiczenia miejsce zamieszkania miejsce zamieszkania miejsce zamontowania miejsce zdalne miejsce zmieszkania miejsce zmieszkania miejscowość miejscowy miejscowy miejski miejski miejski mienia miernik miernik meten meten competent. grote stad aandrang. onderkomen. oord. lokaal ingeboren. najagen uiteenlopen. bekken. bezitting metriek regel. verschillen. stadje. lokaliteit. beogen. bedoelen afstemmen. ding. zaak vont. plaats wereldstad. bril woning. stadsciviel stads-.

mengeling vermengen. temperen. aanbesteding zoet. gevestigd zijn. mengen. domicilie inwoner. huizen resideren. liefelijk zoet. mixen. bewoner. liefelijk gunning. metrum. temperen. mengen vermengen. flat woonplaats. afgemeten meter. versmaat lauw. knipperen. onder tussen. zacht. mixen. pinken flitsen. gevestigd zijn. door het water plassen bedremmeld. mengsel. resideren. huizen appartement. kruizemunt. flikkeren. gloren luik luik amandel . zacht. vermengen. mengen. mixen peddelen. ceremonieel. beduusd. maandelijks maand-. liefelijk zachtjes. mixen. zacht. ingezetene tussen tussen. flat appartement. munt knipogen. ingezetene koloniaal inwoner. vermengen temperen. bewoner. onder internationaal internationaal zoet. mengen Filistijn huizen. versmaat maand kneden kneden maand-. voorzichtig vlees spier vlees spier pepermunt. metrum.miernik zakłóceń mierny mierzyć mierzyć mierzyć miesiąc miesić miesić ciasto miesięcznik miesięczny mieszać mieszać mieszać mieszadło mieszał mieszaniną mieszanka mieszanka rozkazów mieszczuch mieszka mieszka mieszkać mieszkanie mieszkanie mieszkanie z utrzymaniem mieszkaniec mieszkaniec internatu mieszkaniec stolicy między między między siedzibami międzynarodowy międzynarodówce miękki miękki miękki powrót karetki miękki programowalny miękko mięsa mięsień mięso mięśnia mięta migać migać migawce migawka migdał meter. beteuterd mengelmoes. gevestigd zijn resideren. maandelijks karnen temperen. onverschillig meten plechtig.

lief zacht. mengsel.344m) milą milczano milczący milczący milczący milczenie mile widziany milimetr milion militaria militarny milusi miłosierdzie miłosny miłość miłość miłość od pierwszego wejrzenia miłośnik miłośnik sztuk pięknych miłujący pokój miły miły miły miły miły miły mimo mimo wszystko mimo że amandel mogen bloeimaand. geliefde. flakkeren uitvoeren. liefhebben beminnen. aangenaam niettegenstaande. liefhebben vriendin. aangenaam genoeglijk. flakkeren knipogen. zachtaardig genoeglijk. hartzeer. glimmer microbe microfilm microfoon microscoop mengelmoes. houden van. vredelievend aangenaam. rustig. minnares virtuoos vreedzaam. kalm feestelijk inhalen millimeter miljoen militair militair aanhalig naastenliefde. mei flikkeren. behaaglijk. beproeving beminnen. stilzwijgend. al. behaaglijk. zwijgend stom. in weerwil van ofschoon. zachtmoedig. stilzwijgend. mengeling bond. voorspelen flikkeren. houden van. in weerwil van niettegenstaande. alhoewel. flakkeren flikkeren. houden van. spelen. zwijgend stil. menslievendheid beminnen. flakkeren inhalen mica. stil. liga. wel . genoeglijk waard om van te houden beminnenswaardig. hoewel. verbond mijl mijl mijl stil. sprakeloos nog bedaard. liefhebben droefheit. mild. knipperen. pinken flikkeren. vrijster. beminnelijk.migdałek might> mogę might> mogę migocz migotać migotać migotać migotanie migotanie obrazu mijać mika mikrob mikrofilm mikrofon mikroskop mikstura mila mila mila (1609.

kom vont. mystificatie beduvelen. schijn. vrouwenrok miniem. raadsel fopperij. boodschap missie. opdracht. verkeerd begrijpen aanwezige . minus minuut huwelijksweken veger. bekken. zendeling vont. kunstenaar meester. grootmeester. in weerwil van ongewild. voorvechter onder de knie krijgen. bedotten mystiek mystiek misvatten. onopzettelijk aanzien. maëstro onder de knie krijgen. beetnemen. minimaal minister. zending missie. bezem veger. meester worden mystiek mystiek puzzel. zending missionaris. bedotten beduvelen. kom bericht. bewindsman ministerie departement ministerie kantoor schat ministerie mijnbouw min. bekken. minimaal miniem. bewindsman minister. titelhouder. kom artiest. bedotterij. meester worden kampioen.mimo że mimowolny mina mineralny minerał mini minimalny minimum minister Minister Spraw Wewnętrznych ministerstwa ministerstwo ministerstwo ministerstwo ministerstwo skarbu Ministerstwo Wojny minowanie minus minuta miodowy miesiąc miotła miotłą miód miód pitny miraż miriada Misa misja misja misją misjonarz miska miska olejowa mistrz mistrz mistrz mistrz intelektu mistrzowski mistyczny mistyczny mistyfikacja mistyfikacja mistyfikować mistyfikował mistyk mistyk misunderstood miszkaniec niettegenstaande. bekken. fata morgana myriade vont. aanblik mineraal mineraal rok. beetnemen. opdracht. air. bezem honing honing luchtspiegeling.

gissen menen. jeugd hameren hameren hameren afranselen dorsen. vermenigvuldigen veelvoud multipliceren. vermenigvuldigen aggregatie. non in overvloed aanwezig zijn multipliceren. min vermoeden. afranselen molen molenaar. beginnend beginnend. opeenhopen. drom. boel. drom. menigte. beginnend aankomend. houden voor kloosterzuster. afrossen. hoop.mit mitenka mitologia mitologią mitra mityczny mleczarnia mleczka mleć mleć/siekać mięso mleko młocie młodociany młodosć młodość młodszy młodszy urzędnik młodszy wiekiem młody młody człowiek młodzieniec młodzieniec młodzież młot młot (drewniany) młotek młócić młócić młyn młynarz mnemonik mnemonika mnich mniej mniejszość mniejszy mniemać mniemać mniszce mniszka mnożyć mnożyć mnożyć się mnożyć się mnóstwo mnóstwo mnóstwo mnóstwo mythe handschoen mythologie mythologie mijter mythisch zuivelfabriek. non kloosterzuster. jongeling. aankomend borst. mulder mnemonisch mnemonisch monnik minder. min minderheidsminder. jeugd jeugdigheid. beginnend aankomend. melkinrichting melk fijnhakken fijnhakken melk hameren puber jeugdigheid. menigte ophopen. accumuleren massa. aggregaat hoop. jongeheer puber jeugdigheid. massa. geloven. boel . jeugd aankomend. jeugd jeugdigheid.

fors. modemaakster inblikken mogen bloeimaand. bepalen pies. moer. mogendheid vasten pal. wijs modelleren ruimte. zich aftobben fixeren. modificeren modiste. drasland steil in de week zetten. lariks. sterk. bougie ontstekingsbuis. stevig hard machtig krachtig. geducht. macht. pis broek. robuust hoofd-. speling modelleren modem moderniseren moderniseren bidden gebed gebed in de mode. modificeren wijzigen. weekmaken.mobilizować (się) mobilny kod moc moc moc przetwarzania moc użyteczna moc zbioru mocarstwo mocno mocno mocno mocny mocny mocny mocodawcą mocować się mocował mocz moczary moczyć moczyć się moczyć się moda model model Luv modelka modem modernizować modernizował modlić się modlitwa modlitwą modny modrzew modulator-demodulator moduł dodatkowy moduł zarządzania pamięcią podręczną ARP modyfikacja modyfikować modyfikować modyfikować (np. opstellen wijzigen. bougie afstelling. instelling opmaken. lorkeboom modem ontstekingsbuis. modus. modificeren wijzigen. groeve . mobiel. roerend doordrukken heerschappij. potig. in zwang lork. macht. straf hecht. redigeren. wereldruim. mei graf. moeras. fiks. ferm. modieus. program) modyfikował modystka mogę mogę mogę mogiła mobiliseren los. weken nat mode. bestek. mogendheid heerschappij. bevestigen. beweegbaar. macht. mode-. voornaamste worstelen. mogendheid aanpassingsvermogen aanpassingsvermogen heerschappij. urine. spartelen.

moreel. dadelijk Monaco monarch. redigeren. oppermachtig munt. gedrochtelijk rotbeest. perron. moraliteit zedenkundig. aanlegplaats. zedelijk . aanpassen. paraderen. mormel samenscholing vergadering. opkopen routine. zitting betamelijk. moment. steiger molecuul landingsplaats. werktuigkundige vergaderen. saai. fatsoenlijk mecanicien. samenkomen. prijken. pronken afluisteren bedwingen. steiger wal. betomen. aanlegplaats. fatsoenlijk gedenkteken. sleur monotoon. soeverein. zedenmeester zedelijkheid. adapteren monteur betamelijk. ogenblik. monoloog alleenhandel. penning. samenkomen. geldstuk munt. moreel. moraliteit zedelijkheid. opstellen afstemmen. monument monumentaal bromfiets moralist. aanlegplaats Moloch oogwenk. geldstuk Mongolië Mongool Mongools Mongool Mongools pralen. bijeenkomen opmaken. bijeenkomen vergaderen. zedelijk zedenkundig. tel onmiddellijk.moje mokry mola molekułą molo molo moloch moment momentalnie Monako monarcha monarcha moneta moneta pięciocentowa (US) Mongolia mongolski mongolski Mongoł Mongoł monitor monitor monitorować monitorować monolog monopol monopolizować monotonna harówka monotonny monstrualny monstrum montaż montaż montaż powierzchniowy monter montować montował montował montowanie montowanie montując monumencie monumentalny moped moralist moralitecie moralność moralny morał de mijne. behoorlijk. het mijne vochtig landingsplaats. behoorlijk. penning. eentonig monsterachtig. monopolie accapareren. beteugelen afluisteren alleenspraak. kade. kaai. vorst oppermachtig.

vermoorden slachten. vermoorden abrikoos abrikoos gruiswal. apropos taal tong rede. messing muskiet Moskou Moskovitisch brug. commandobrug horen. commandobrug brug. surséance moorden. speech. morene morfeem morfine morfine morfine morfologie mormoons zee geelkoper. oratie mozaïek . behoren. vermoorden muil. stof. gespuis motor. canaille. motorfiets motorrijder locomotief motor motorboot motor motoriseren motoriseren schoffel vlinder. redevoering. grauw. commandobrug luchtbrug brug. dienen. kapel aanleiding aanleiding onderwerp. thema. bek moordenaar moordenaar moorden. moeten motel geboefte. afslachten moorden.morałach moratorium mord morda morderca mordercą morderstwo mordować mordować morela morelą morena morfem morfina morfina morfiną morfologią mormon morze mosiądz moskit Moskwa moskwianin most most drzewa częściowego most zwodzony mostek mostek pomiarowy moszcz motel motłoch motocykl motocyklista motor motor bazy danych motorówka motoryzacyjny motoryzować motoryzował motyka motyl motyw motywacją motywy graficzne mowa mowa mowa wymijająca mozaice zedenkunde. zedenleer moratorium. moraal. commandobrug brug.

mogelijk misschien. flakkeren knipogen. hoop. mogelijk mogen bloeimaand. donker schemer. mogelijkerwijs. mogelijk misschien. misschien. nachtvlinder praten. onnozel. beekje) flikkeren. uil. vijzel mogelijkerwijs. mogelijkerwijs. kundigheid mogelijkheid bestaanbaar. hoofd hersenen. praten tribune. flauw naargeestig. vijzel mortier. knipperen. leiding.mozaika mozaika (fotoelektronowa) moździerz Moźdźierz może może może być możesz możesz możliwie możliwość możliwość wyboru języka możliwość wyposażenie dodatkowe możliwość zamontowania w stojaku możliwy możliwy do pomyślenia możliwy do zdegradowania możność móc mój mój mól mów mówić powoli mówić przez nos mównicą mózg mózgownicą móżdżek (potrawa) mroczny mroczny mroczny mrok mrożonki mrożony mrówce mrówka mrównik owadożerny ssak afrykański mróz mruczeć mruganie mrużyć msza mścić się mucha mucha mucha domowa muchą mozaïek mozaïek mortier. aannemelijk bestaanbaar. aanvaardbaar. simpel. pinken drom. schemerdonker. brein. onbekend. halfdonker vlees bevroren mier mier aardvarken vorst murmelen. het mijne mijn. kundigheid bekwaamheid. mogelijk mogelijkheid bekwaamheid. praten spreken. somber obscuur. mei misschien. mogelijk incidenteel. krop. m'n uiltje. toevallig inblikken de mijne. murmelen (v. hersens kop. massa. brein. troosteloos. podium hersenen. spreken spreken. mogelijk acceptabel. mogelijkerwijs. hersens dom. menigte. boel wraak aanvliegen vlieg aanvliegen aanvliegen .

hoeven. zak muiltje. wand mortier. zwart neger-. stemmen muziek-. mousserend schuimend. dienen. moeten nodig hebben. schaal mosterd mosterd mousseline. neteldoek mutatie mutatie muze museum mohammedaan. mohammedaan mohammedaan. schuimachtig. schuimachtig. islamiet. zwart horen. rugschild. moslim islamiet. wassen. moeten spierspier grazen. mamma. muzikaal muziekwetenschap wij. vijzel bakstenen. slof. ons. stenen neger-. muzikaal speelman. moslim muziek in een stemming brengen. musicus muziek jazz muziek muziek-. tenue muur. we het haar wassen uitwassen. rugschild. mam mummie tuniek uniform. ma. behoeven. zak tas.Muhamed mulacie multiplekser multiset multi-set muł mumia mumia mundur mundur mur mur ogniowy murować murowany Murzyn murzyński musieć musieć muskularny muskuł musnąć musowanie musujący muszelce muszkiecie muszla musztarda musztardą muślin mutacja mutacją muzą muzeum muzułmanin muzułmanin muzułmański muzyce muzyczce muzyczny muzyk muzyka muzyka jazzowa muzyka kameralna muzykalny muzykologia my mycie głowy szamponem myć Mohammed mulattin veelvoud tas. de was doen . behoren. wand muur. weiden schuimend. muzikant. schaal musket schild. mousserend schild. moslim. islamiet. muil mammie.

ritssluiting gedurende. helaas . geaardheid ontsnappen. afgewerkt. onder. even. aan de overkant van vertrouwd. jegens. verkeerd. afzonderlijk wereldwijd wereldwijd maag daarvoor. jammer genoeg. begrip. met pensioen gaan boven lucht-. rits. om. ontgaan indexeren linker leden. weerglans gedachte geloven. staande korte tijd. ontkomen. achtergrond. indertijd daarbeneden. overheen. betrouwbaar jammer. op. eventjes te. per. een fout maken fout. tot. afgelopen. beneden in het buitenland bodem. eerder. aanhang treksluiting. grond aftreden. vooraan. onjuist. te afgezonderd. terwijl. om. binnen. op. tot. afgewerkt. bovengronds verontwaardigd over. van mening zijn. op klaar. aandacht aard. met in. karakter. jegens. benul. met klaar. met lucht gevuld. achten jager jager motregenen motregenen beheerder. denkbeeld afspiegeling. attentie.myć szamponem mydlić się mydła mydło mylić się mylny mysz myszka myśl myśl przewodnia myśl przewodnia myśleć myśliwego myśliwy mżawka mżyć n n n n n n n n n na na na na na na (bardzo krótką) chwilę na (czymś) na (kimś na boku na boku na całym świecie na czatach na czele na dobre i złe na dole na dole na dziobie na gorącym uczynku na górze na kogoś na kotwicy na których gra się uderzając palcami) na niepełnym etacie het haar wassen zeep zeep zeep dwalen. ondergrond. administrateur assembler acht. beëindigd aan. foutief muis muis idee. beëindigd te. afgelopen.

bepaald. zeker boven aan boord aan boord aan boord noorden noorden daarvoor. terwijl. spekken. aannemen. opnieuw afgelegen. buiten. vast. afzonderlijk wel degelijk. verkrijgen. aanvaarden opdringen. vooraan. voor eeuwig daarbuiten. doorgaans afgezonderd. achteraf. naar boven. vooraan. oosten zonsondergang eeuwig. kaai. verkrijgen. nogmaals. wal. cliënt. afzonderlijk op. opnieuw van voren af aan. staande aan. kaai. indertijd daarvoor. kade. uiterlijk buiten naar buiten. opwaarts oosten oriënt oriënt. indertijd aan boord gelukkig afgezonderd.na nowo na nowo przeliczać na nowo przetłumaczyć na odległość na osobę na pewniaka na piechotę na podstawie na pokład na pokładzie na pół na pół na przełaj na przodzie na statku na statku na uboczu na uwięzi na wprost na wprost na wprost na zachód na zakupy itp) zwykle połączone z rozrzutnym wydawaniem pieniędzy na zawsze na zewnątrz na zewnątrz na zewnątrz na żądanie na życzenie nabawić się (choroby) nabić nabierać nabierać nabierać (<on sb> kogoś) nabój nabój nabrzeże nabrzeże nabycie nabyć nabyć nabytek nabyty nabywać nabywać nabywca nabywca van voren af aan. inkoop. aankoop acquisitie aangeleerd buit maken. perron acquisitie buit maken. onder. behalen aangeleerd afnemer. behalen koop. dempen. op verbintenis. aanlegplaats kade. kardoes wal. vullen een geintje maken accepteren. buitenwaarts gedurende. perron. nogmaals. aanlegplaats. buiten. ver in het algemeen. koper. eerder. uiterlijk daarbuiten. contract invullen. klant afnemer. forceren kogel patroon. omhoog. klant . eruit. eerder.

treden. aan de hand zijn nationaliseren. naasten afzender. klem accentueren. arriveren aanvliegen bezorging.nabywca nachylać (się) nachylenie nachylenie nachylenie nachylenie znaków (w czcionce) nacierać nacieranie nacięcie nacinać nacisk nacisk nacisk ciśnienie naciskać naciskać naciskać naciskać prasa nacjonalizacja nacjonalizować naczelnik naczelny wódz naczynia gliniane (i porcelanowe) naczynia stołowe naczynie Naczynie nad nad nad rzeką nadać coś komuś nadajnik nadal nadarzyć się nadawać coś nadawać przez radio nadawać skrośnie (artykuł do grup dyskusyjnych) nadawać ważność nadawanie się nadawca nadawca (przesyłki) nadawca wiadomości nadbieg nadbrzeże nadchodzić nadciągać nadejście nadepnąć nadęty klant. radio uitstralen geldig verklaren geschiktheid afzender. afnemer geneigd zijn tot. met lucht gevuld. foedraal. baas. chef aardewerk aardewerk schotel. bak. bovengronds benoorden. verzender nog gebeuren. baas. beklemtonen neerdrukken. plechtig. verzender afmatten. uitwrijven inspringen inspringen accentueren. chef aanvoerder. koker benoorden. ten noorden van lucht-. wrijven. neiging helling. doos. lust. verzender aanplakbiljet. afbeulen. ten noorden van nationaliseren. naasten aanvoerder. schaal pot. perron. beklemtonen nadruk. aanlegplaats aankomen. aanvallen aanstrijken. etui. zin. mate. trap aanvechting. kaai. gebieder. kade. ceremonieel . gebieder. zin. afjakkeren wal. belanden. koper. aantasten. neigen graad. neiging aangrijpen. glooiing aanvechting. naasten draadloze. schrijden afgemeten. plakkaat. aanvoer lopen. stappen. geneigd zijn. lust. affiche afzender. deprimeren pers aanduwen pers naasting nationaliseren.

opeens . petroleum naftaleen afkeuren. onbedekt. vermelden excessief. nadir gewag maken van. prevalent. buitensporig uitbundig. merkwaardig lampolie olie. aflezen afgezonderd. excessief buitensporig. plotseling. buigen. naakt. excessief houw. hoekig onopgesmukt. revisor steward verzaken. verwerpen hoekvormig. bijzonder opmerkelijk. spoedeisend. bloot ombuigen. extreem. onbedekt naakt. brandend. dringend dringend. checken. superieur water overigens. meester worden opperste. buitensporig. afmatten gescheld gescheld surplus opblazen spietsen hopen inspecteur. kortaf. slag. bloot. botweg ineens. onopgesmukt. trouwens gescheld gescheld gescheld afbeulen. afjakkeren. buitensporig buitensporig. rijk extreem. excessief buitennissig. mep. wraken.nadir nadmienić nadmiernie nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny ruch w sieci nadmuchać nadmuchiwać nadmuchiwać nadmuchiwanie nadprzyrodzony nadrzędny nadrzędny nadtlenek nadto nadużycie nadużycie v nadużywać nadużywać nadużywać nadużywać (<sth> czegoś) nadużywanie nadwyżka nadymać (się) nadziać coś nadzieja nadzorca nadzorca systemu nadzorować nadzorować nadzwyczajne (wydanie) nadzwyczajnie nadzwyczajnie nadzwyczajny nadzwyczajny nafta nafta naftalina naganą nagi nagi nagi naginać naglący naglący nagle nagle voetpunt. nalaten. noemen. abundant. uitlaten controleren. doorbuigen brandend. klap opblazen opgeschroefd inflatie geestelijk onder de knie krijgen. spoedeisend abrupt. afzonderlijk bijzonder allemachtig buitengewoon. copieus. flap. extreem.

steil naaktheid uploaden prijs. onderschrift. onderschrift. abrupt. lonen. nadir voetpunt. aanwerven. waternimf najade. plaat. rubriek titel. ophopen. plotseling. binnenrukken huurder binnenvallen. waternimf invasie. hoogst naast. grammofoonplaat. blijkbaar . belonen vergelden. duidelijk. kapittel vaan. naïef. liever best afknotten best minst minst minst aannemen.nagle się wydostać nagła potrzeba nagłówek nagłówek nagłówek nagłówek pliku nagłówek podstawowy nagłówek uwierzytelnienia nagły nagły nagły przypływ wody nagość nagrać nagroda nagroda nagrodzić nagromadzenie nagromadzić nagromadzić nagrywać nagrywać (na taśmę) nagrzać naiwny naiwny najada najada się najazd najbardziej najbliższy najczęściej zadawane pytania najechać najechać najechać (kraj) najemca najeżdżać najlepiej najlepiej najlepszy najlepszy najlepszy (zobacz <good>) najmniej najmniejszy najmniejszy wspólny mianownik najmować najniższy poziom najniższy punkt najpierw najwidoczniej ineens. bijeenkomst accumuleren. bot. opeens crisis hoofd. belonen meeting. graad inscriptie hoofdstuk. lonen. dundoek. schijf met een band omgeven gloed. bruusk. vlag titel. bruusk. eerstkomend overwegend. bot. opeenhopen agglomeraat discus. grotendeels binnenvallen. abrupt. steil plotseling kortaf. graad kortaf. inval meest. samenkomst. nadir eerste klaarblijkelijk. binnenrukken aanrijden. terugdoen. kop. huren voetpunt. vuur lichtgelovig ongekunsteld. chapiter. argeloos najade. binnenrukken best eer. merendeels. voorrijden binnenvallen. kop. premie vergelden. terugdoen.

ophitsen nauwgezet. nauwkeurig. beleggen. contributie betamelijk.najwidoczniej największa ilość najwyraźniej nakarmić nakaz nakaz nakaz nakaz sądowy nakaz urzędowy nakazać nakleić naklejać naklejka nakład nakład nakładać nakładać nakładać nakładać restrykcje ścieśniać nakładka nakładka nakładkować nakłaniać nakłaniać do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłonić nakłonić nakłonienie do przestępstwa nakreślać nakręcany nakrętka nakrycie nakrycie głowy (zwłaszcza kapelusz) nakryć nakrywać nalać nalegać nalegać nalegania nalepić etykietę naleśnik nalewać należny należyty naładować (akumulator) nałożyć nałożyć nałóg duidelijk. stortregenen bijdrage. duidelijk. druk. vreten bevel recht borg staan voor. behoorlijk. commanderen kleven. leggen. hoogst klaarblijkelijk. blijkbaar eten. bikken. aanhangen aanhechtsel. forceren aanduwen ondeugd. agiteren. aanvuren. beperken. opstoken. aanvoeren. sticker uitgaaf. begrenzen overlappen overlappen opruien. accuraat medeplichtigheid toelachen. forceren imponerend. etiket vla sauzen. concluderen mededader. garanderen aanschrijving. stortregenen aandringen aanwakkeren. bekoren. uitgave. aansporen aandrang label. afleiden. toedekken. affix sluitzegel. medeplichtige medeplichtige. gieten. helder meest. schriftelijk bevel dicteren bevelen. gebrek . bedekken vlijen. mededader opruien. gebruiken. agiteren. indrukwekkend beknotten. aanlokken locomotief moer overlappen hoed dekken. gieten. beschuldiging opdringen. vastkleven. doorvoeren opdringen. fatsoenlijk aanklacht. neerleggen sauzen. ophitsen besluiten. editie invoer aanwenden. opstoken.

fel. voltage spanning. dempen.. heen. voltage sterk. dempen. laten trekken agressief aanvaller aanvaller aanvaller voorspeler. vuur vingerhoed. teken neerschrijven. plaat smeren. scherpen. voorteken. terugdringen invullen. diesel spanning spanning. prent. aanvallen gloed. vullen oprit. oprit aanvallen. vullen verdringen. aantasten aangrijpen. uitschrijven . oprijlaan discus aanleiding dieselmotor.nam namalować namaścić namawiać namiar namiastka namiętna miłość namiętność namiętny namiot namnażać namydlić namysł namysł namysł namyślać się naokoło naokowiec naostrzyć napad napad (choroby) napadać napadać napalić naparstek naparzyć napastliwy napastnik napastnik napastnik napastnik napastować napaść napaść napełniać napełniać odrazą napełnić (się) napęd napęd dysku napędowy napędzany ropą napięcie napięcie napięcie (elektryczne) napięty napis napis napisać aan ons. viskuit. weren. kampeertent kuit. ons beeld. afbeelding. geleerde aanzetten. aantasten oprijlaan. vervolgen agressie aanvallen. aantasten invullen. schrijven. spekken. sauzen. overwegen. vuur hartstochtelijk huif. ongeveer. vuur gloed. omtrent. aantasten. vingerhoedje aftrekken. tent. intens. aanvaller achtervolgen. peuk gloed. spekken. besmeren overtuigen lager peukje. doorsmeren. zetten. weerglans gedachte beschouwen. kikkerdril zeep nakomertje afspiegeling. nagaan om . intensief inscriptie voorbode. najagen.. om wetenschapper. slijpen aanvallen.

in allerijl beklemtonen. zuipen pimpelen. drinken. schijf. alcoholische drank. boeten. raad opdrijven. repareren eerlijk. aantreffen ontmoeten. aan de overkant van daarvoor. storen. ophogen in gevaar brengen tentoonstellen. zuipen pompoen verhelpen. eerzaam. aandurven verdoving. hinderen ergeren. aansporing ontmoeten. verontwaardigen belemmeren. alcohol zinspelen zinspelen toespeling. boeten. flikken nauwkeurig bepalen. tegen. eerder. wezenlijk nauwkeurig bepalen. anesthesie nationaliteit nationaal. oplappen. degelijk werkelijk. blijkens. schielijk. plak. verontwaardigen consult. zinspeling aanmaning. tegenaan. herstellen. verheffen. herstellen. schijf. repareren verhelpen. ingevolge voorspeler. drankje pimpelen. aantreffen brouwsel. filet moot. consultatie raadgevend lichaam. naar. determineren lappen. aanvaller ergeren. plak. oplappen. flikken gauw. echt. indertijd langs. hard. filet stortplaats drank. snede. drank. accentueren spanning met. jegens voor tegenover.napisany napisu segment procesora segmentowego przedział czasu napisu) segment (procesora segmentowego) przedział czasu napiwek napoje alkoholowe napomknąć napomknąć (<to sb napomknienie napomnienie napotkać napotykać napój napój napój gazowany napój z wyciśniętych cytryn lub pomarańczy naprawa naprawą naprawdę naprawdę naprawiać naprawiać naprawić naprawić poprawka naprędce naprężenie naprężenie naprzeciw naprzeciwko naprzeciwko naprzód naprzód naprzód naprzykrzać się naprzykrzać się naprzykrzać się komuś narada narada narastać narazić na niebezpieczeństwo narażać narażać się narkoza narodowość narodowy narodziny schriftelijk moot. drinken. determineren lappen. vermaan. vooraan. belichten zich wagen aan. snede. vaderlands geboorte .

zijn beklag doen beschuldiging. kwaadaardig kantig accapareren. lief. meisje. afstemmen. instelling . relaas. een bres slaan in een aanslag plegen op. kamwiel. zich indringen opdringen. volk. met lucht gevuld. ochrony) naruszenie zasad współużytkowania naruszyć naruszyć narybek narysować narząd narzeczona narzeczony narzeczony narzekać narzekanie narzędnik narzędzia programowane automatycznie narzędzie narzędzie narzędzie sprawdzające narzędzie testujące narzędzie wizualne narzędzie z interfejsem graficznym użytkownika narzucać narzucać się narzucać się komuś narzut nasadka nasienie nasłuchiwać nastają nastając nastanie nastawiać wstępnie ustalać nastawić nastawienie wasdom. forceren zich opdringen. vingerhoedje zaad aanhoren. groei kanker hatelijk. je vertelsel.narośl narośl rakowata narowisty narożny narożny naród naród naród narracja narta naruszać naruszać naruszenie naruszenie naruszenie (np. ontwikkeling. verloofde bruidegom. aan jou. tandrad. gotisch lettertype een bres slaan. adapteren afstelling. middel werktuig. tandwiel werktuig. opkopen natie. forceren lucht-. bovengronds vingerhoed. beluisteren. verhaal. aan je. liefje. bekoren. het gevolg zijn van afkomstig advent aanpassen. luisteren afstammen. fruiten toelachen. middel werktuig. lui. volk lieden. letsel toebrengen zondigen een bres slaan. een bres slaan in een bres slaan. verloofde. een bres slaan in zonde breuk. vertelling skiën kwetsen. aanranden bakken. galant schat. afstemmen. aanklacht ablatief kamrad. mensen jou. aanlokken orgaan bruid. adapteren aanpassen. middel utility utility werktuig. boosaardig. middel opdringen. lieveling klagen.

toch naast. mn. aanvallen brandend. ergo. achteraf. aandrang informatie toegaan. zetten. collier. dan. afstammeling. nabootsing. handelen volgens afwisselend klaarspelen. handelen volgens nazaat. eerstkomend afwisselend opvolgen. eerstkomend puber in een stemming brengen. aantasten. snoer. gieten. moreel. spoedeisend. dus. expositie aangrijpen. halsketting aap imiteren. voortgang hebben. bloedaandrang.nastawienie nastąpić po (<sb następca następnie następnie następny następny dzień następny etap następny przeskok następować następować następować kolejno następować kolejno następujące następujący następujący nastolatek nastroić nastrój nastrój nasturcja nasuwać myśl nasycać nasyp nasypać nasz nasz nasze naszkicować naszyjnik naśladować naśladować naśladowanie naświetlać naświetlać naświetlenie natarcie natarczywy natchnąć natchnienie natchniony native natłok natomiast w polszczyznie lepiej oddawać w l. betrekken. imitatie uiteenzetten. stemming geest Oostindische kers verwarren. laten trekken ingeving geestelijk huiswaarts. omtrek halssnoer. belichten tentoonstelling. daarna ook weer. nadoen navolging. nakomeling naderhand. gebeuren incidenteel. naar huis congestie. waterkering sauzen. de onze het onze. stemmen gemoedstoestand. gebeuren . de onze omlijning. doorkomen. dringend aftrekken. nabootsen.) natrafić (<on/upon> sth) na coś natrafić (<upon sth> na coś) natrafić na coś houding opvolgen. eerstkomend leden leden naast. toelichten tentoonstellen. ons het onze. verzadigen dijk. slagen leden leden naast. toevallig toegaan. verstrikken doortrekken. stortregenen onze. voortgang hebben.

nietje. bemesten. klamp. spoelen klos. nietje. gegrond dadelijk. spoel. schooljuffrouw. lerares leren. stichten spoken navigatie navigatie op een klos winden. haakje. aanleren uit het hoofd leren. onmiddellijk onmiddellijk. klamp. klamp. spoelen aanschieten lager draad. haakje kramp. winden. nauwkeurig. dadelijk moment. garen gieren. mesten mest mest . leraar. haakje kramp. gelijk hebbend. nietje. bobine op een klos winden. van buiten leren wetenschap studie aanwijzing. oprichten. uiteraard natuurlijk oorspronkelijk.natura naturalizacja naturalnie naturalny naturalny naturalny natychmiast natychmiast natychmiastowy natychmiastowy nauczać nauczyciel nauczyciel nauczyciel nauczyciel akademicki nauczyć się nauczyć się na pamięć nauka nauka nauka zdalna naukowiec naukowy naukowy nawa nawa boczna nawa główna nawadniać nawałnica nawet nawias nawias nawias klamrowy nawias okrągły nawias zwykły nawiązywać nawiedzać nawigacja nawigacja dalekiego zasięgu nawijać nawijać np. geaardheid. sproeien storm gelijk. geleerde akademisch. begieten. haakje. vlak. afleren Don onderwijzer. consigne. accuraat afwennen. natuurlijk. winden. origineel juist. instructeur onderwijzeres. ogenblik. academisch wetenschappelijk naaf naaf naaf bevloeien. instructie wetenschapper. oogwenk. effen kramp. klamp. taśmę nawinąć nawinąć nawis (odległość między znakiem a punktem początkowym) nawlekać nawozić nawozić nawóz karakter. klamp. gieten. aard naasting van nature. nietje kramp. lerares onderwijzeres. haakje inrichten. nietje kramp. schooljuffrouw. tel nauwgezet.

naam. hebbelijkheid nazistisch. afbeulen. naam. drol. nerveus netto. Jongere Steentijd neologisme neonNeptunus nier zenuw slip. achternaam benaming. cliché negatief. naamwoord benaming. aanlokkelijk lekker. verwerpen niet. zorgen voor. zenuw-. afmatten wraken. slipje zenuwachtig. verontwaardigen verzorgen. van. geen. naam. netto-. naamwoord. naamwoord benaming. net. bijkans. cliché handelen. verplegen verzorgen. haast. afzijdig. nietswaardig jammerlijk belabberd. naam. naamwoord familienaam. naam. armoe verachtelijk. keutel mest bekeren aanwensel. bijna iets . onpartijdig lekker.nawóz nawóz (sztuczny) nawóz (zwierzęcy) nawracać nawyk nazista nazistowski nazwa nazwa nazwa kwalifikowana nazwa złożona nazwa źródła danych nazwisko nazwisko nazywać Neapol nefryt negacja negacja logiczna negatyw negatywny negocjować nekrolog nektar neofit neofita neolityczny neologizm neon Neptun nerka nerw nerwowy nerwowy netto neutralny nęcący nęcący nędza nędza nędzny nędzny nędzny nękać niańczyć niańka niby NIC mest drek. nazibenaming. ontlasting. neen negatief. naamwoord Napels afjakkeren. duidelijk neutraal. ellendig. handeldrijven. nee. zaken doen necrologie nectar bekeren bekeren Neolithicum. miserabel ergeren. zorgen voor. naamwoord. naamwoord benaming. misère. aanlokkelijk verachtelijkheid ellende. verplegen schier. naam benaming. naam benaming. narigheid. nazinazistisch.

nood. nijver. obsceen. op het spel zetten hachelijkheid. uitlaten uitvallen. gevaar onraad. antipathie aardvarken wraken. onvolledig incompleet. leeg. oningevuld. but) nie do pogodzenia nie do wybaczenia nie do złamania nie doceniać nie doceniać nie dowodzący niczego nie kończący się nie mrówkojad nie pamiętać o nie podpisany nie przepisowy nie przyjąć nie przyzwyczajony nie rzucający się w oczy nie tracić czasu nie udać się nie uszczuplony nie wypalić nie zajęty nie załatwiony nie zauważony nie zbliżać się nie zważając na nie związane nie związany nie zwracać uwagi nieba niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwo niebezpieczeństwo niks. afwijzen schuin. nihil draad. in het water vallen uiteenlopen. nihil. schelen niettegenstaande. verschillen. in weerwil van niet. noch neen. nee. geen. neen lucht. spoedeisend. niets. nee. onvolledig floppen. geen. niets. ijverig spoken bizar ondoorgrondelijk. tegenzin. verwerpen jubelen afslaan. niemendal niks. toeval onraad. niet niet. dringend een afschuw hebben van. gevaar kans lopen. nee. blank aanhangig floppen. schunnig aanhangig incompleet. hemel hachelijkheid. gevaar . afkeer. verwerpen evenmin. geen. verwerpen. vlijtig. geen. in het water vallen ongewapend vrij. nalaten. open wit. nee. neen brandend. onderwaarderen onderschatten. nee. neen niet. onderwaarderen op een kier staand verzaken. gevaar crisis toevalligheid. verafschuwen naarstig. onbegrijpelijk onderschatten. blanco.NIC nic (w zdaniach przeczących) nic nie wiedzący nic podobnego nić NIE nie nie nie nie bez powodu nie chroniony nie cierpiący zwłoki nie dawać spokoju (o myślach) nie do pary (np. perikel. onbezet. haperen. neen niet. stuk gaan hekel. nihil. geen. perikel. niemendal nul nul. nood. garen wraken.

vuil. hemelhemels. luchtig. peuk onding. onrein. vies borstelig. nalatig kort gebrek. kort geleden vers. ontberen. afwezigheid. onachtzaam. rechtopstaand recentelijk. hekel. discreet hortend. gemis . hemels hemels. absurd missen. onbedorven veronachtzamen nonchalance. link. hemel lucht. dodelijk morsig. nonchalance nonchalant. absurditeit. fris. nalatig. misère. ongerijmdheid dwaas. hemelblauw blauw lucht. laten begaan. antipathie trots laat. hemel lucht. onbedorven. smerig. narigheid. ongerief incompleet. onopvallend. onzinnig. derven gebrek. ongerijmd. nonchalance nonchalance. onvolledig ellende. de laatste tijd onlangs. nul laten schieten. vergevorderd afkerig bescheiden. afwezigheid. op het spel zetten gevaarlijk. hachelijk mijnenveld hemel-. gebrekkig peukje. gemis ongemak. nalatigheid nalatigheid. nonchalant. laten tegenzin. afkeer. euvel.niebezpieczeństwo niebezpieczny niebezpieczny niebiański niebiański niebiańsko niebieski niebieski ptak niebiosa niebo niebo nieboszczyk niebyły niech niechęć niechęć niechętnie niechętny nieciągły nieciągły nieciekawy nieczynny nieczysty nieczysty niedawno niedawno niedawno wprowadzony niedawny niedbalstwa niedbalstwa niedbalstwo niedbalstwo niedbałość niedbały niedbały niedbały niedbały niedługi niedociągnięcie niedogodność niedokończony niedola niedołężny niedopałek niedorzeczność niedorzeczny niedostatek niedostatek kans lopen. armoe verminkt. nalatigheid nalatigheid. onachtzaam onachtzaam. nonchalant onachtzaam. ruigharig. fris luchtig. nalatig nalatig. vers. hemel doods. nonchalant. intermitterend vervelend doods. euvel. dodelijk nihil.

duchtig. onbedekt. verwarring lelijk schier. haast. dragen lager aanboren ongelukkige ongeletterd. enigszins. honds. ongetrouwd dubbelzinnig. fris onervaren. lomp smakeloos. onbekend. honds. nurks. straf goedkoop zonneschijn zondag Pinksterfeest. lauw Duitsland Duits Duits onaardig. enigszins. dubbelslachtig onduidelijk. luchtig. lauw onopgesmukt. duister obscuur. een weinig puber onwaar dierlijk onmenselijk verwardheid. Pinksteren naar buiten brengen. onbedorven. stom kind .niedoświadczony niedoświadczony niedoświadczony niedrogi niedziela niedziela niedziela Zielonych Świąt niedźwiedź niedźwiedź niedźwiedź niefortunny niegramotny niegrzeczny niegustowny nieistotny nieizolowany niejaki niejasny niejasny niejasny kursor niejednolity niejednoznaczny niekompletny niekonsekwentny niekorzystny niekosztowny niektóre niektóry nieletni nielojalny nieludzki nieludzki nieład nieładny niemal niemało niematerialny Niemcy Niemiec niemiecki niemiły niemniej niemniej (jednak) niemniej jednak niemniej jednak niemolę niemowa niemowlę vers. nors. smaakloos onverschillig. naakt ongehuwd. groen bar. een weinig een beetje. bijna erg. streng. bars niettemin. bloot. desondanks niettegenstaande. onheus. vaag. bijster onverschillig. desondanks niettemin. donker inconsequent dubbelzinnig. dubbelslachtig incompleet. onvolledig inconsequent nadelig goedkoop een beetje. analfabetisch onbeleefd. hard. desondanks niettemin. bijkans. troebel. in weerwil van kind sprakeloos.

luizig ergeren. vijandigheid haten afwijking. zich indringen onveilig maken bang. onmisbaar bizar schier. bijna bizar bizar kind minderheidsgeweifel. dubieus aanvechtbaar. krankzinnige atoom-. fout. atomair elementair ondoorgrondelijk. ongerust vermakelijk. verontwaardigen belemmeren. rel. twijfelachtig. vrij. analfabetisch bezetene. abnormaliteit abnormaal afwezigheid. hapering. wegblijver leeg.niemożliwie niemożliwy niemy niemy niemy terminal nienasycony nienawidzić nienawiść nienawiść nienormalność nienormalny nieobecność nieobecny nieobecny nieobecny nieobecny (proces) nieoczekiwany nieodłączny nieodparty nieodzowny nieokrzesany nieomal nieparzysta (liczba) nieparzysty niepełnoletni niepełnoletniość niepewność niepewny niepewny niepiśmienny niepoczytalny niepodzielny niepodzielny (chem. storen. absentie. een afschuw hebben van vijandschap. stom sprakeloos. onmogelijk sprakeloos. fladderen zich opdringen. belang herrie. roerigheid. open. getier storing verkeerd. beuzelachtig. bijkans. leuk. ingeboren onweerstaanbaar onontbeerlijk. uitgesloten. onbegrijpelijk onbeduidend. stom onlesbaar verafschuwen. bezorgd. beducht. met geen mogelijkheid onbestaanbaar. bezorgd aangelegenheid. hinderen aan de scharrel zijn. stom sprakeloos.) niepojęty niepokaźny niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić się niepokojący niepokojący niepokojem niepokój niepokój niepokój niepoprawny nieporadny onmogelijk. haast. onjuist. aarzeling discutabel. gek. log . onbezet verstrooid plotseling aangeboren. mis plomp. betwistbaar ongeletterd. animositeit. amusant ongerust. mangel verstrooid afwezige.

ongerust aalwarig. vijandig afschuwelijk onaardig. ruigharig. onaannemelijk verrassend loos. onbeweeglijk nog eng. cru vijand vijandelijk. ongeschonden. obsceen. doorlopend grof. ver buiten kennis. rechtopstaand onnodig schade aanrichten. gemelijk . achtereenvolgens onafgebroken. bot. honds. onbewerkt. ververwijderd. bewegingloos. verrassen. cru verwardheid. smaakloos betrappen. rotzooi moes. bot. onbewerkt. rommel. bezorgd. bewusteloos schuin. bedrieglijk. abnormaliteit abnormaal ondoordringbaar onweerstaanbaar ondoordringbaar achtereen. brij. onverwachts bang. vast. nurks. pap borstelig. hecht janboel. naamloos ijselijk. aalwaardig. schaden ongeluk uniek.nieporozumienie nieporuszony nieporządek nieporządek nieporządny niepotrzebny niepowodzenie niepowodzenie niepowtarzalny niepozorny niepożądany nieprawdopodobny nieprawdopodobny nieprawdziwy nieprawdziwy nieprawidłowość nieprawidłowy nieprzenikliwy nieprzeparty nieprzepuszczalny nieprzerwanie nieprzerwany nieprzetworzony nieprzyjaciel nieprzyjazny nieprzyjemny nieprzyjemny nieprzystępny nieprzytomny nieprzyzwoity nierafinowany nieregularność nierozdzielny całkowitoliczbowy nierozstrzygnięty nieruchomy nieruchomy niesamowity niesamowity nieskomplikowany nieskończenie nieskuteczny niesłychany niesmaczny niesmaczny niespodzianka niespodziewanie niespokojny niespokojny misverstand gevestigd. nors. verwarring onaangetast. onbehouwen. afkeurenswaardig ongelofelijk. afgrijselijk smakeloos. stevig. integraal aanhangig roerloos. dubbelhartig onwaar afwijking. enig vlakte laakbaar. schunnig grof. disorde. griezelig bizar vlakte tot in het oneindige mislukt anoniem. beducht. onbehouwen. bars verwijderd. snappen eensklaps.

jammer genoeg. accident. nietswaardig ongelukkige ongelukkig ongeluk. timide. nurks. voorhebben. rans. excessief verachtelijkheid droefheit. voos nihil. ceremonieel soep honds. achtereen. benepen. garstig vleermuis invalide. blo beschroomd. nalatig o wee. beproeving ziekte. jammer genoeg. voeren. aandoening leed. brengen zwak bevangen. kwaal. bang buiten kennis. stoutmoedig. stout gedurfd. gebruik nonchalant. nors. helaas verachtelijk. gevolg usance. nalatig. bars. onvervaard. onaardig onophoudelijk. ongeval dragen. leeg. bepaald klaar. onaannemelijk ongezien blind . helaas indigestie. helaas jammer. brutaal. ledig. uitgesproken. hartzeer. zeker. ranzig. verdriet. gebrekkig mislukt afgemeten. ferm. extreem. lens. bewusteloos ransig. haperen. nul loos. gewoonte. stuk gaan consequentie. bedeesd. helder onbekend onbekend ongelofelijk. nonchalant. slechte spijsvertering slechte spijsvertering.niespójny niesprawność niesprzeczność niestandardowy niestaranny niestaranny niestety niestety niestrawność niestrawność niesubordynowany niesystematyczny nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęśliwie nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy wypadek nieść nieśmiały nieśmiały nieśmiały nieświadomy nieświeży nietoperz nietypowy nieudany nieugięty nieuporządkowany zbiór dokumentów nieuprzejmy nieustannie nieustraszony nieustraszony niewart nieważny nieważny niewątpliwie niewątpliwie niewątpliwy niewiadoma niewiadomy niewiarygodny niewidoczny niewidomy inconsequent uitvallen. aldoor dapper. nietswaardig. smart ongeluk jammer. indigestie oproerig. plechtig. stout waardeloos. opstandig buitensporig. boud. onachtzaam onachtzaam. hol toegegeven ongetwijfeld.

stroom laakbaar. krap. beuzelachtig. onmisbaar afdoend. groen amper. bijzonder gigantisch. geweldig grof. onbekende. kwalijk. buitengewoon allemachtig buitengewoon. log mysterieus. cru onbeduidend. lastig. ongerief plomp. min. onschuldig rivier. vaag. onmiddellijk onoverwinnelijk. enorm. onbewerkt. betrouwbaar onontbeerlijk. bot. nee. onbedorven onnozel. ongetrouwd vergeet-mij-niet niet. onbedorven. een conclusie wettigend plomp. onnozel. nauwelijks ongehuwd. afkeurenswaardig aanspannen. geheimzinnig onbegrijpelijk. luttel. neen genoeg. uiterst bijzonder. duister onervaren. geen. onschuldig onschuld. vreemde anoniem. voldoende vertrouwd. melig plomp.niewielki niewiniątko niewinność niewinny niewinny niewłaściwe odstępy tekstu niewłaściwy niewola niewolnik niewygoda niewygodny niewygodny niewypłacalny niewypowiedziany niewyraźny niewyrobiony niewystarczający niezamężna niezapominajka niezapomniany niezawodnie niezawodny niezbędny niezbity niezdarny niezdecydowany niezdrowy niezgrabny niezliczony niezmienny niezmiernie niezmiernie niezmiernie niezmierny niezmierny niezmodyfikowany nieznaczny nieznaczny nieznajomy nieznany nieznany nieznośny nieznośny niezręczny niezrozumiały niezrozumiały niezwłocznie niezwyciężony gering. bekrompen. naamloos onduidelijk. klein onnozel. log moeilijk. slim bankroet anoniem. niet lekker plomp. onbedwingbaar . onbedorven. eng. log ontelbaar eeuwig enorm. nauw vreemdeling. naamloos onbekend afschuwelijk saai. karig. het juk opleggen slaaf ongemak. luizig smal. ondoorgrondelijk dadelijk. onbedorvenheid onschuldig. vermoeiend. taai. log aarzelend onwel. onbehouwen. troebel.

bouwvallig schade aanrichten. nimbus najade. schaden vernietigen. rotten. verrotten. nimbus stralenkrans. mager. geen enkel. vastklinken schakering. ongebruikelijk ongehuwd. wijken geen. ergens laaghartig. geen enkele. waternimf tegenwoordig. nooit hier of daar. nomade . bijzonder typisch. doden vergaan. gemeen. niemand niks. in geen velden of wegen hier of daar.niezwykle niezwykły niezwykły niezwykły niezwykły nieżonaty nieżyczliwy nigdy nigdzie nigdzie nigdzie (w zdaniach przeczących) nikczemny nikły niknąć nikt nikt nimb nimbus (chmura deszczowa) nimfa wodna niniejszy niski niski poziom niski ukłon niskiej nisza niszczeć niszczenie niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć nit nitka nitować niuans niż niż niż się obiecało niższy noc nocleg nocnik nocny nocny nodze noga nomad allemachtig buitengewoon. uitroeien ombrengen. ergens nergens. doodmaken. schaars ongewoon. curieus. nurks. nors. onaardig nimmer. bars. nuance. ongemeen. schraal. luchtig verdwijnen. laag. dun. bederven klinken. ongetrouwd honds. vreemd zeldzaam. vernielen verdelgen. gammel. nuancering laag dan dan minderwaardig nacht aanpassing po nacht nachtelijk been been benoeming. geen zier stralenkrans. niemendal. actueel laag laag laag laag nis verval aftands. verwoesten. infaam sprietig. garen klinken. niets. vastklinken draad.

biljet. grot. fair. norm regel. norm regel. standaardnormaal. aflevering.nominalny nonsens nora norma norma norma wojskowa norma wojskowa normalny normalny stan normaly Norman Normandczyk normandzki normański normą Norweg Norwegia norweski nos nosić nosić nosowy nostalgia nostalgia nosze nośnik notariusz notatka notatka u dołu strony notatnik notatnik notes notes notes notes do zapisów notować notować wyniki Nowa Zelandia nowatorski nowicjusz nowicjusz nowina nowiny nowoczesny nowoczesny noworodek nowość nowość billijk. voertuig. dagorde blocnote schrift. brengen. aflevering. nieuwtje nieuwerwets. nieuwtje nieuws. opkomend beginner. plaat. holte regel. nieuwigheid . nieuwigheid. schijf Zeeland nieuw. norm regel. biljet. wagen notaris plaatsbewijs. commentaar agenda. kaartje aantekening. novice nieuws. standaardmaat. neusheimwee heimwee brancard. kaartje discus. zever. standaardmaat. standaardNormandisch Normandisch Normandisch Normandisch regel. katern blocnote blok schrift. gekheid spelonk. standaardmaat. modern. nieuws. dragen voeren. norm Noors Noorwegen Noors neus naar buiten brengen. grammofoonplaat. voorhebben nasaal. draagbaar vehikel. standaardmaat. beginneling nieuweling. rechtvaardig nonsens. katern plaatsbewijs. nieuwigheid. krocht. hol. standaardnormaal. dragen. norm normaal. bijdetijds actueel kind nieuwheid nieuwtje. onzin. standaardmaat.

nowotwór nowy nowy nabytek biblioteki nowy wiersz nowy właściciel nozdrze nożyce nożyczki nóż nóż myśliwski np. @:-)) - uśmiech Elvisa Presleya np. <we shall go> pójdziemy np. <we shall go> - pójdziemy nucić nudności nudności nudny nudny nudysta nudyzm nudziarz nudziarz nudzić nuklearny numer numer numer rejestracyjny numerale numerek numerek (w szatni) numerować numizmatyk numizmatyka nurcie nurek nurkować nurkować nurkować (także o pikującym samolocie) nurkował nurkował nurkowanie nurt nuta nuta nuta kluczowa nużący nużyć nylon

tumor, gezwel nieuw, opkomend aanwinst, acquest, buit, prooi klaarspelen, doorkomen, slagen nieuw, opkomend neusgat schaar schaar mes hartsvanger glimlachen gaan, zullen gaan, zullen snorren, gonzen, razen, brommen misselijkheid, walging, walg, afkeer vakantie vervelend dom, simpel, onnozel, flauw nudist, naaktloper nudisme, naaktloperij, naaktlopen aanboren trekken aanboren nucleair, kernuitgeven, emitteren aantal, getal, tal aantal, getal, tal aantal, getal, tal biljet, plaatsbewijs, kaartje biljet, plaatsbewijs, kaartje aantal, getal, tal muntkenner, penningkundige muntkunde, numismatiek actueel duiker duiken duiken duiken duiken duif, tamme duif duiken loop, stroom, stroming plaatsbewijs, biljet, kaartje in een stemming brengen, stemmen plaatsbewijs, biljet, kaartje vervelend vervelend nylon-

o o (kimś o burzy: szaleć o ile sobie przypominam o ile szczęście dopisze o ją o jego o jego o jej o mało o niewiele o ręcznym napędzie o sercu: kołatać o śniegu: padać o światowym zasięgu o wielu możliwościach odporny o zmaku orzechów oaza oazą oba obacz <abide> obacz <beat> obacz <crow> obacz <feel> obacz <mistake> obacz <surprise> obaj obala obala obala obala obalać obalenie obalić obalić (teorię itp) obarczyć obarczyć obawa obawa obawą obcas obcążki obcesowo obcesowy obchodzenie się obchodzić obchodzić (przepisy) obchodzić się

circulerend, in omloop circulerend, in omloop storm aas hopelijk haar, hun, zijn het zijne, de zijne haar, hun, zijn het hare, de hare schier, bijkans, haast, bijna weinig aanreiken, overhandigen aan de scharrel zijn, fladderen sneeuwen wereldwijd krachtig, geducht, sterk, fiks, straf geurig, aromatisch oase oase beide, allebei, alle twee de woonplaats, domicilie vlijen, leggen, neerleggen bemanning vilt foutief, verkeerd, fout, onjuist ampère beide, allebei, alle twee de afgeven op, afbreken, afkammen neervellen, wippen, kappen, vellen ontzenuwen, weerleggen ondergraven, ondermijnen afschaffen afschaffing afschaffen exploderen, losbarsten, ontploffen beproeven, bedroeven, verdriet doen zadel aanhouding, arrestatie beklemming, angst, benauwdheid aangelegenheid, belang hiel knijper, schaar abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil kuur, behandeling vieren, opdragen, celebreren ontwijken, mijden, uit de weg gaan aanpakken, aan komen lopen

obchodzić się (<sth> z czymś) obchodzić się z czymś) obchodź obciąć obciążać obciążać (konto obciążenie obciążenie (maszyny itp) obciążenie1 obciążyć obciążyć hipotecznie obciążyć podatkiem obcina obcinać kadrować kadrowanie obcisły obcokrajowiec obcokrajowy obcy obcy obcy obecnie obecnie obecność obecny obecny obejmować obejmować obejmował obejmował obejmował obejść się bez czegoś obelgi obelżywy Oberon obetrzeć obezwładnia obezwładnia obficie obfitość obfitować obfitować (<with obfitować (<with sth> w coś) obfity obfity obfity (posiłek) obgryzać obiad obiad

aanpakken, aan komen lopen oor, kruk, handvat, hengsel, klink rondgaan, omgaan afknotten aanklacht, beschuldiging debetzijde, debet laden plicht, verplichting laden gewicht hypotheek belasten, aanslaan maaien afknotten stipt, nauwsluitend, streng, nauw buitenlander uitheems, buitenlands ijselijk, afschuwelijk uitheems, buitenlands buitenlands, vreemd, onwennig enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig bijzijn, presentie, aanwezigheid actueel tegenwoordig, actueel omhelzen, omarmen omsluiten omvatten, beslaan omhelzen, omarmen bevatten, inhouden, behelzen rondgaan, omgaan laaien, vlammen krenkend, beledigend, grievend Oberon afvegen, wissen, afdrogen, afwissen geweld aandoen, overmeesteren bedelven, overstelpen, verpletteren in overvloed, ruimschoots, rijkelijk onbekrompenheid, overvloed in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn uitbundig, copieus, abundant, rijk uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend uitbundig, copieus, abundant, rijk knagen, knabbelen diner, middagmaal, middageten twaalfuurtje, lunch

obiecywać obieg obieg obieg obieg projektu obiekt obiekt moduł wynikowy obiektyw obierać obierać kartofle obietnica obietnicą obieżyświat obijać obijać (meble) objaśniać objaśnienie objaw objaw objazd objazd objętny objętość objętość stała oblać (egzamin) oblegać oblegać oblewanie oblężenia oblężenie oblicz obliczać obliczać obliczenie obliczyć obliczyć objętość obligacja obligacji oblodzenie obładować obławą obłąkany obłąkany obłok obłudny obłudny obmycie obmywać

beloven, toezeggen, uitloven omloop, circulatie, roulatie muntsoort, valuta klotsen, plassen, kabbelen, klapperen omloop, circulatie, roulatie mikpunt, onderwerp, object, ding mikpunt, onderwerp, object, ding lens schillen, afpellen, jassen commissie, opdracht, boodschap beloven, toezeggen, uitloven beloven, toezeggen, uitloven wereldreiziger opvullen, vullen, opzetten opvullen, vullen, opzetten uitleggen, interpreteren, duiden toelichting, explicatie voorbode, voorteken, teken teken, symptoom, verschijnsel aberratie, afwijking tournee, rondreis zoel, lauw geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume floppen, in het water vallen belegeren belegering, beleg viering belegering, beleg belegering, beleg in aanmerking komen, meetellen meten, berekenen in aanmerking komen, meetellen rekenschap, rekening derde macht, dobbelsteen, blok rekening, conto aanhechting aflossing, amortisatie, afschrijving glacé beladen, inladen, belasten, laden bejagen, jagen, jacht maken op bezetene, gek, krankzinnige dolzinnig, dol, gek, krankzinnig wolk loos, bedrieglijk, dubbelhartig gehuicheld, geveinsd, huichelachtig wassing louteren, reinigen, schoonmaken

obnażony obniżenie obniżenie obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu obniżenie wydajności obniżka obniżyć obniżyć obniżyć się obniżyć się oboje obojętność obojętny obojętny obok obok obok obok siebie obok siebie obok siebie obok siebie obołudny obopólny obora obowiązek obowiązek obowiązek obowiązkowy obowiązujący obozować obój obóstwiać obóz obóz koncentracyjnjy obrabiać obracać obracać się obrachunek obrać zawód obradował obrady obrady obramowanie obramowanie prostokątne obraz obraz obraz elektronowy

onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt afname afdraaien, verlagen depressie invloed hebben op, beïnvloeden afname kleinmaken, vernederen, verootmoedigen afdraaien, verlagen neerdrukken, deprimeren verlagen, afdraaien beide, allebei, alle twee de flegma lauw, onverschillig neutraal, afzijdig, onpartijdig naast elkaar langs, naar, blijkens, ingevolge bezijden, naast, behalve aan, nabij, bij, dichtbij, naast aan, nabij, naast, bij, dichtbij sluiten, dichtmaken, dichtdoen naast, eerstkomend gehuicheld, geveinsd, huichelachtig onderling, wederkerig, wederzijds loods, keet, schuur, barak plicht, verplichting verplichting, plicht verantwoordelijkheid bindend, dwingend, gedwongen strip, reep, band, strook, windsel legeren, kamperen hobo verafgoden, adoreren, aanbidden legeren, kamperen legeren, kamperen functioneren, het doen anders maken, veranderen anders maken, veranderen akkoord, accoord, overeenstemming zich eigen maken, adopteren koesteren, broeden, broeden op actie, handeling, optreden, gedoe conferentie schoorsteenmantel omringen, omgeven, insluiten afbeelding, prent, plaat beeld, prent, afbeelding, plaat knippatroon, patroon

obraz tytułowy obraz wizja rysunek obraz zadania obraz zadania moduł ładowania (zadania) obraza obraza obrazą obrazić się obrazowo obrazowy obraźliwy obraźliwy obraźliwy obrażać obrażać obrażać obrączka obręb obrocie obrocie obrona obrona obrona przeciwlotnicza obroną obronić obroża obrożą obrót obrót obrus obrus obryzgać obrządek obrzezać obrzeże obrzęd obrzęd obrzęk obrzydliwy obrzydliwy obrzydliwy obrzydzenie obsada obsceniczny obserwacja obserwacją obserwować

beeld, prent, afbeelding, plaat schildering, doek, schilderij beeld, prent, afbeelding, plaat afbeelding, prent, plaat beledigen, krenken, affronteren troetelen, koesteren, vertroetelen beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken oneigenlijk, figuurlijk oneigenlijk, figuurlijk krenkend, beledigend, grievend agressief aanvallend, offensief gescheld beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken wal, beugel, ring kompas fietsen, wielrijden anders maken, veranderen weer, defensie, afweer, verdediging defensie, verdediging, weer, afweer bescherming defensie, verdediging, weer, afweer opkomen voor, verweren, verdedigen kraag, boord, halsboord kraag, boord, halsboord revolutie, omwenteling omzet laken tafellaken, dekservet klapperen, plassen, kabbelen, klotsen ritueel besnijden cirkelomtrek, buitenkant ceremonie, plechtigheid ritus, kerkgebruik, rite pof, poef ijselijk, afgrijselijk misselijk, stuitend, onsmakelijk venijnig, vergiftig, giftig gruweldaad, verschrikking, gruwel afgietsel, gegoten voorwerp schuin, obsceen, schunnig berisping, aanmerking, blaam, standje berisping, aanmerking, blaam, standje opvolgen, handelen volgens

obserwował obsesja obsesją obsługa obsługiwać obsługiwał obsługiwanie obsługujący obsługujący ramki obstawać obstrukcja obsunięcie się ziemi obszar obszar obszar definiowania obrazu obszar oddziaływania obszar zapisu taśmy obszar zapisu taśmy (magnetycznej) obszar zbiorczy sumować obszerny obszerny obszerny obszerny obudowa obudowa obudowa płaska obudowa układu scalonego obudowa wieżowa obudzić obudzić obudzić obudzić (ze snu) obudzić się obudzony oburzony (<at sth> na coś oburzyć obustronny obustronny obuwie obwieszcza obwieszczać obwieszczenie obwolucie obwoluta obwód obwód obwód obwód drukowany wielowarstwowy

opvolgen, handelen volgens obsessie obsessie administratiekantoor, bestuur serveren, voorleggen functioneren, het doen actie, handeling, optreden, gedoe steward steward aanhouden, blijven aandringen verstopping, constipatie, obstipatie aardverschuiving oppervlakte, areaal, gebied territoir, ban, gebied, grondgebied gehucht, buurtschap, vlek arena, krijt, piste, kampplaats zich aaneensluiten, aansluiten klimaatzone, zone, aardgordel oppervlakte, areaal, gebied uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend lijvig, veelomvattend uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend breedvoerig, ruim, groot, royaal affaire, zaak, aangelegenheid, ding inpakken, verpakken, pakken indompelen, indopen, soppen pedestal, piëdestal, voetstuk inpakken, verpakken, pakken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken verontwaardigd muiten, rebelleren, in opstand komen wederkerig, wederzijds, onderling onderling, wederkerig, wederzijds schoeisel uitvaardigen, afkondigen adverteren, aankondigen, aandienen bericht, aankondiging, advertentie kruisband, wikkel, banderol kruisband, wikkel, banderol circuit netwerk, net omtrek circuit

obwód drukowany wielowarstwowy obwód drukowany wielowarstwowy obwód wyjściowy obwód zaporowy obwódka obyczaj obywatel obywatel obywatelski obywatelski obywatelstwo ocalać ocalić ocean oceaniczny ocena ocena ocena zawartości oceną oceną oceną oceniać ocenić ocenić ocet ochłodzić ochocie ochota ochotnik ochraniać ochrona ochrona ochrona poufność ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) ochrona zasobów ochrypły ochrzcić ochrzcić ociągać się ociekać ociemniały ocierać ocierać ocknąć się oclić octan oczarować

maas, breisteek, steek, strik omtrek circuit circuit velg usance, gewoonte, gebruik staatsburger, burger nationaal, vaderlands burger-, stadsciviel nationaliteit redden, bergen, behouden bergen, behouden, redden wereldzee, oceaan oceanisch belastingaanslag, aanslag orkestreren schatten, begroten, waarderen, taxeren belastingaanslag, aanslag graad, mate, trap gedachte, mening, opinie, dunk, visie rekening, conto schatten, taxeren, waarderen, begroten appreciëren, waarderen edik, azijn koelen wil wil vrijwilliger, volontair behoeden, beschermen bescherming pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand bescherming schor, hees, rauw dopen dopen zweven water blind schaven, afschaven afvegen, wissen, afdrogen, afwissen beter worden, genezen, helen plicht, verplichting acetaat, azijnzuur zout heksen

oczarować oczarować oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać na pakiety oczekiwać na sygnał oczekiwał oczekiwał oczekujący oczka oczko oczko (sieci itp) oczko (w kartach itp) oczko sieci itp oczyszczać oczyszczać oczyszczać kogoś z winy oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić się oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywiście oczywiście oczywiście oczywiście od od czasu do czasu od niepamiętnych czasów od nowa od nowa od piątku od siebie od święta od zewnątrz oda oda tnica odbicie odbicie zwierciadlane (w grafice) odbiera

aantrekkelijkheid betoverend anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhoren, beluisteren, luisteren aanhoren, beluisteren, luisteren anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhangig maas, breisteek, steek, strik kijker, oog maas, breisteek, steek, strik sterretje, asterisk maas, breisteek, steek, strik raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel reinigen, schoonmaken, louteren borstelen, schuieren uitleggen, duidelijk maken, beduiden rein, puur, schoon, zindelijk louteren, reinigen, schoonmaken zindelijk, puur, helder, rein, schoon louteren, reinigen, schoonmaken aanwijsbaar, vertoonbaar apert, evident, kennelijk, duidelijk laten blijken, manifesteren kennelijk, evident, apert vlakte beslist, absoluut, ten enenmale klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk gewis, zeker, vast, stellig sedert, met ingang van, vanaf op een keer, eens van voren af aan, nogmaals, opnieuw opnieuw, van voren af aan, nogmaals van voren af aan, nogmaals, opnieuw van voren af aan, nogmaals, opnieuw afgezonderd, afzonderlijk daarop, vervolgens sinds, sedert, vanaf ode ode afspiegeling, weerglans afspiegeling, weerglans ontwoekeren

terugkaatsen ontvanger ontvanger ontvanger gebruiker luisteraar. innen. spiegelen. agent . vak. persoon. knippen. rissen. amputeren. sensatie bevoelen. kwiteren hoop. voelen. ontraadselen klapstuk. met pensioen gaan rank. in ruste aftreden. hengsel. annuïteit afdruk indruk maken op. accepteren ontvanger afspiegelen reflecteren. voorleggen karnen gepensioneerd. dealer. snoeien branche. aannemen. nuancering schaduwen schakering. nuancering tint abscis oor. drift afdruk nadruk. wegsnijden kerel. aars serveren.odbierać odbierać odbierający odbijać odbijać się szerokim echem odbiorca odbiorca danych odbiorca docelowy odbiorcą odbiornik odbiór odbiór (długu odbitce odbitka odblokować odbyt odbytnica odbytnicą odbywać odchodzenie klientów odchodził odchodź odchudzać się odchylenie odchylenie odciąć odciąć dopływ odciąg odciąg odciąga odciążyć odcień odcień odcień odcień odcień odcień barwy odcięta odcinać odcinanie odcinek odcinek (powieści) odcisk odciskać odcyfrować odczucie odczuwać odczynnik chemiczny collecteren. aars anus. kruk. inzamelen aanvaarden. nuance. groep. nuance. handvat. aars anus. toehoorder voor voldaan tekenen. klink scheren. sujet. imponeren ontcijferen. schakering. tenger aberratie. uitladen. herdruk ontsluiten anus. wegnemen. tak afbetalingstermijn. tasten. snuiter logeren ritsen. nuancering nuance. schare. afhalen lossen. kudde. slank. afwijking afleidingsmanoeuvre afzetten. knul. betasten vertegenwoordiger. afladen tint schakering. wegsnijden afzetten. rustend. amputeren.

spanderen bemachtigen. ademen declaratie. ademen ademhaling agentschap aandoen. verwijderd. vertrek een miskraam krijgen. grijpen. doorklinken isoleren. bedreigen isoleren. afreizen . ontlasting hebben. afzonderen afgezonderd. zin reproduceren. een plas doen. aftakking boe weergalmen. doorscheuren ademhalen. weergeven opdragen. verklaring raden. accepteren aftrekken aftrekken afneembaar aftrekken aftrekking uittocht. aangrijpen vandoor. met pensioen gaan ontsluiten verstrooien vaneenscheuren. galmen. afzonderen dreigen. gissen. afzonderen uittocht. echoën Echo naklinken. naklinken. aannemen. kakken serveren. over pissen. afzonderlijk afgezonderd. spenderen. doorzien tak. voorleggen adem ademhalen. afzonderlijk verscheidene. heen. aangrijpen agentschap gescheiden isoleren. diverse aanvaarden. piesen poepen. vertrek op reis gaan.odczyt odczyt z wyprzedzeniem odczytać odczytaj odczytywać elektrycznie oddać (przysługę) oddać (się czemuś) oddaj oddalony oddawać mocz oddawać stolec oddawać usługi oddech oddychać oddychanie oddział oddziaływać oddziaływanie wzajemne oddzielać oddzielać oddzielać oddzielny oddzielny odebrać odwołać unieważnić odejmij odejmować odejmowalny odejmował odejmowanie odejście odejść odejść z kwitkiem odemknąć oderwać oderwać odetchnąć odezwa odgadywać odgałęzienie odgłos odgłos odgłos odgłos kroku odgradzać odgrażać się odizolować odjazd odjeżdża college geven lezen decoderen college geven betekenis. mislukken aftreden.

het verdommen. boetseren ritsen. variëteit. als. steunen. stem bikken. afschrijving vandoor. in bewaring geven uitstellen. sedert. afkeuren . verbeelden. afnemen variatie. variëteit. kleiner worden.odjeżdżać odkazić odkąd odkąd odkładać odkładać odkładać odkrycie odkryć odkrywać odkrywać odkrywać odkrywanie urządzeń sieciowych odkupienie odlatywać odległość odległy odległy komputer macierzysty odlewać odlewać odlewać odliczyć odlot odludny odłam odłamek odłamek odłączać odłączalny odłączony odłączyć odłączyć odmalowuj odmawia odmawiać odmiana odmiana odmiana baseballu odmianą odmianą odmieniać odmienny odmienny odmowa odmową odmowny odmówić odmówić op reis gaan. verschillend afwijzing. heen. gebrekkig afneembaar afstandelijk verloten. verwijderd verwijderd. weigering negatief. aanhouden ontdekking ontdekken ontdekken stutten. rissen. afwisseling veranderen. anders maken dalen. vertrek eenzaam partij. over afstand. gegoten voorwerp baseren. cliché in tegenspraak zijn met. tegenspreken afwijzen. toen vertraging afgeven. afbikken splinter invalide. schragen ontdekken ontdekking aflossing. afhalen uittocht. funderen modelleren. ver afgietsel. grondvesten. afschuwelijk uiteenlopend. deponeren. afwisseling conjugeren. amortisatie. afbeelden achterhouden ontkennen veranderen. ontsmetten sinds. afreizen desinfecteren. weigering afwijzing. wegnemen. vanaf wanneer. afzonderlijk uitbeelden. eind ververwijderd. ver. loten afgezonderd. verwijderd. ververwijderd. verdagen. vervoegen ijselijk. anders maken variatie.

antwoorden op corresponderen antwoorden. accepteren betreffende. referentie verwijzing. antwoorden op reageren corresponderen antwoorden. het verdommen. vies ruiken afwijzen. renoveren vernieuwen. renoveren isolatie. afdruk antwoorden. tegenstand immuun. helen vernieuwen. overblijfsel. vertellen. doorvoeren aanvaarden. bloot. omtrent verwijzing. onvatbaar. afdruipen ebtij. afkeuren ontzetten. aannemen. isolering alleenstaand. passend. antwoorden op adequaat. rommel. familielid bewerkstelligen. antwoorden op reageren antwoorden.odmrożenie odnajdywać odnalezienie odnaleźć odnawiać odnawiać (mieszkanie) odniesienie do obiektu odniesienie niejednoznaczne odnieść wrażenie odnoga odnosić się odnoszący się odnoś odnoś odnośnie odnośnik odnowić odnowić odosobnienie odosobniony odosobniony odór zynek odpadki odpalać odparowywać odparzyć odpaść odpis odpisać odpływ odpływ odpływ odpływ kanał odpoczynek odpoczynek odporność odporny odporny na wstrząsy odpowiada odpowiada odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać (<to sth> czemuś) odpowiadać za odpowiedni odpowiedni door bevriezing veroorzaakte wofrostbite ontdekken ontdekking beter worden. aangaande. tegenkanting. onvatbaar. uitdampen. genezen. overkomen. indampen blaar terugvallen exemplaar. geschikt . renoveren verwijzing. royeren. referentie versieren vernieuwen. geïsoleerd enkel. ontslaan doen verdampen. schijnen been verhalen. debiteren verwant. afval tegenweer. resistent immuun. antwoorden op neerdruipen. referentie lijken. louter stinken. getij ebrusten rest. resistent antwoorden. bijbehorend gepast.

aansprakelijk reageren reageren antwoorden. parallel gevoeglijk. zich verpozen verslappen. in bewaring geven gruwel. royeren. aansprakelijk verantwoordelijk. antwoorden op antwoorden. misselijkheid afschuwelijk ijselijk. behoorlijk netjes.odpowiedni odpowiedni odpowiedni odpowiednik odpowiednik odpowiednio odpowiednio odpowiednio do odpowiedniość odpowiedzialność odpowiedzialny odpowiedzialny (<for sth> za coś) odpowiedzialny za coś odpowiedzieć komuś/na coś czymś odpowiedzieć <to sb/sth> komuś/na coś <with sth> czymś odpowiedź odpowiedź odpowiedź opóźnienia grupowego odpowiedź z danymi EGP odprasować na kant odprawić odprężacć się odprężyć (się) odprężyć się odprowadzać odprysk odpust odpust odra Odra odra (choroba) odra choroba odraczać odraza odraza odrazą odrażający odrażający odrębny odrębny odrobina odrobina odrobina odroczyć odrośl odróżniać odróżniać genoeg. onderscheid maken onderscheiden. antwoorden op antwoorden. kreukelen. antwoorden op antwoorden. bazaar. misselijkheid walg. ontslaan verslappen. afgrijselijk uiteenlopend. accompagneren. walging. gruweldaad walg. behoorlijk landgoed. verdagen. begeleiden splinter marktplein. walging. behoorlijk. afkeer. aanhouden afstand. afkeer. betamelijk. marktplaats aflaat mazelen Oder mazelen mazelen afgeven. naar behoren. voldoende fatsoenlijk. aansprakelijk verantwoordelijk. antwoorden op verfomfaaien. sprank uitstellen. naar behoren. verschillend afgezonderd. zich verpozen verslappen. afzonderlijk jota ons vonk. bezitting verantwoordelijkheid verantwoordelijk. zich verpozen vergezellen. behoorlijk betamelijk. fatsoenlijk equivalent. frommelen ontzetten. markt. onderkennen . eind uit elkaar houden. boerderij. deponeren. op de juiste wijze netjes. gelijkwaardig evenwijdig. verschrikking.

loon. interesseren openbaren. bres. verwerping dalen. dol. wereldruim. laven. verwerpen. bevinden. over sterretje. piëdestal. afwennen dronken. vertrek verjagen.odróżnić odruch odruch odryglować odrzuca odrzucać do tyłu odrzucenie odrzucić odrzucić odrzucić odsetce odsetek odsetki odsłaniać odsłona odsłoną odstęp odstęp odstęp odstęp między znakami odstęp międzywierszowy odstęp proporcjonalny odstępstwa odstrasza odsunąć odsyłacz odsyłacz odszkodowania odszkodowanie odszkodowanie odszukać odszukać odszyfrować odświeżać odświeżać odświeżanie odświeżyć odświeżyć odświeżyć odświeżyć się odtajnić odtrącać odtwarzać tok rozumowania odtworzenie oduczyć odurzyć odwadze odwaga onderscheiden. moed. afschrikken vandoor. vergelding schade aanrichten. tussenruimte opening. moed. ontraadselen sterker worden. opfrissen verfrissend vernieuwen. kleiner worden. gooien afwijzing. weergave afleren. speling afstand. tafereel. schaden vinden. opening. gaping uittocht. heen. bestek. treffen. aandrang schokken ontsluiten afslaan. procent. ontraadselen afpoeieren reproduceren. eind interval. verwerpen. laven. toenemen. zat. gat interval. weergeven reproduktie. toneel. laven. impuls. durf lef. renoveren opknappen. aantreffen afbakenen ontcijferen. onderkennen aandrift. opfrissen ontcijferen. durf . aanwakkeren opknappen. voetstuk ruimte. tussenruimte pedestal. verhouding rente. afwijzen evenredigheid. verwijderd. afwijzen opgooien. proportie. afnemen afdanken afslaan. drang. tableau mond. dapperheid. dapperheid. referentie akkoord. beschonken lef. percent belang inboezemen. opfrissen verfrissend opknappen. overeenstemming beloning. kenbaar maken scène. accoord. asterisk verwijzing.

kleding gewaad. kloek. afgaan. ommezijde. vergelden. referentie afschaffen terugtrekken. teruggeven bitmap Odyssee afwisselend beërven. beantwoorden hergeven. ommezijde. losmaken bezoeken. koen het gewicht bepalen. rugstuk aftrekken. verdagen. terugbetalen afbinden. kloek. intrekken appelleren. strijdig converseren. boud. wegen. een gesprek voeren onderling. gedenken. rugstuk afleiden. moedig. insigne. dapper. aandurven restitueren. eerlijk. links converseren. onthouden afbestellen afbestellen verwijzing. aankondigen. reproduceren. een beroep doen op afleiden. gat.odwaga odważnie odważnik odważny odważny odważyć odważyć się odważyć się odwdzięczać się odwiązać odwiedzać odwiedzać odwiedziny odwiert odwilż odwlec odwokat odwołać odwołać odwołać (kogoś lub coś) odwołać skasowanie odwołanie odwołanie przez adres odwołuj odwołuj odwoływać się odwracać odwracać odwrocie odwrotne łamanie odwrotność odwrotność odwrotność odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny bez powrotu do zera (zapis) odwrócić odwzajemnić odwzajemnić się odwzorowanie odyseja odziedziczyć odziedziczyć odzież odzież odznace odznaczenie zenuw dapper. bekendmaken afbestellen afdanken zich herinneren. afwegen zich vermetelen. een gesprek voeren achterzijde. ommezijde. wagen zich wagen aan. koen gewicht flink. erven kleren. opzoeken mond. blazoen decor. opzoeken bezoeken. aanhouden adviseren. boud. losbinden. opening ontdooien. geregeld bezoeken bezoeken. de aftocht blazen linker-. dooien. verstrooien terugdoen. onderscheiding. tegenliggend. decoratie . wederzijds achterzijde. afgaan. ommezijde. rugstuk achterzijde. ferm dapper. wegsmelten uitstellen. wederkerig. braaf. rugstuk tegengesteld. verstrooien achterzijde. kledingstuk wapen. moedig.

beteuterd ontzetten. bekendmaken het gevolg zijn van. verzenden. afkondigen uitgeven. bedremmeld. offeren. advertentie afkondiging. aanzoek huwelijksaanzoek. offeren. aanbieden huwelijksaanzoek. haard . binnenkrijgen. aanzoek officier afgemeten. spiegelen. aanbieden huwelijksaanzoek. aanzoek afzenden. helen beter worden. presenteren. openbaarmaking adverteerder. innemen ontzetten. aankondiging bericht. ceremonieel. emitteren bericht. royeren. advertentie affiche. examineren inspectie houden. genezen. afschaffen. eind inslikken. afstammen uitspreken aandienen. uitvaardigen. aankondigen. aandienen aandienen. terugkaatsen ontwoekeren beter worden. insigne. aankondigen. opdoeken wapen. indienen huwelijksaanzoek. ontslaan onderzoeken. ontslaan brandpunt. inspecteren uitzicht adverteren. officieel afstand.odznaczyć odznaka odznaka odzwierciedla odzwierciedlać odzyskać odzyskać odzyskiwać odźwierny ofercie oferować oferować oferta oferta officer celny ofiara ofiara (na jakiś cel) ofiara życiowa ofiarować oficer oficjalny oficjalny ofset ogarniać ogień ogień armatni oglądać oglądać oglądać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłosić ogłosić ogłosić ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenie ogłoszenie ogłoszenie ogłoszeniodawca ogłuchnąć ogłuszał ognisko ognisko elimineren. aanzoek nauwkeurig. aanplakbiljet. getroffene. royeren. helen uitvoeren. plechtig ambtelijk. aankondiging bericht. blazoen kegel reflecteren. accuraat. focus. aanbieden dupe. slachtoffer opofferen. nauwgezet opofferen. terugkaatsen reflecteren. aankondigen. adverteren proclameren. advertentie. expediëren te koop aanbieden. aankondiging. aankondigen. nakijken. ontslaan ontzetten. royeren. verkondiger goed staan beduusd. adverteren adviseren. aankondiging. advertentie. genezen. plakkaat bericht. spiegelen.

schouw piepen. beperken. gemeenschappelijk geheel alles wel beschouwd komkommer begrenzen. eindig tuinieren tuinman. heg. afsluiting. haard cachot. tuin . steg haag. beperkt beknotten. barrière haag. eindig beknotten. beperkt. eindig zeeëngte. begrensd. eindig perk. heining. beperken. afsluiting. breedvoerig. barrière kraal. schoorsteen. haardstede haardstede. barrière beperkt. begrensd. beknotten beperken. steg hek. begrenzen.ognisko ognisko domowe ognisko domowe ognisko kowalskie ogniskował ogniwo ogniwo ogniwo (np. nauw. beperken. heining. beknotten hek. beknotten beperkt. omheind terrein afgrijselijk enorm buitengewoon gigantisch. straat beperkt. zetten monteren. eindig. grens beperken. reusachtig royaal. kanaal. knarsen smeden brandpunt. tuinier. begrenzen beperken. begrenzen. beperken. begrenzen. łańcucha) ogolić ogon ogonach ogólnie ogólnokształcący ogólnoświatowy ogólny ogólny test klasyfikacyjny ogół ogółem ogórek ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać niosłości ograniczenie ograniczenie topologii ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych ograniczony ograniczony ograniczony wejściem-wyjściem ograniczyć ograniczyć ograniczyć spożycie (zużycie) ograniczył (się) ogrodnictwo ogrodnik ogrodzenie ogrodzenie ogrodzenie ogrodzić ogrodzić (żywopłotem) ogrodzone miejsce ogromny ogromny ogromny ogromny ogromny ogród open haard. begrensd. beknotten begrensd. haard. zetten afscheren schaduwen rok in het algemeen. hovenier kraal. kerker monteren. heining. omheind terrein hek. doorgaans generaal wereldwijd generaal algemeen. focus. heg. cel. ruim. begrenzen begrensd. groot hof. afsluiting. beknotten begrenzen.

venster luik toejuichen. marchanderen keer. opdagen sponning. sleuf. toedekken. boodschap verzenden glaswaar. knabbelen kern. vaartje. bij acclamatie benoemen banaal. vader. afgrijselijk pater. glaswerk kijker. maal incident. oog . gruwel afschuwelijk. pingelen. bij acclamatie benoemen toejuichen. houder afdingen. hongerigheid. afgezaagd afgezaagd comprimeren mouw dekken. foedraal. vaartje. marchanderen toevallig. alledaags. vader. bij acclamatie benoemen graagte. pit warm gloed. vuur verwarming verschrikking. papa. specimen. beleggen. eetlust. pingelen.ogród ogród zoologiczny ogryza ogryzać ogryzek ogrzać Ogrzewać ogrzewanie ohyda ohydny ojca ojciec ojciec chrzestny ojczym ojczysty ojczyzna ojczyźnie oka okablowanie okaz okaziciel okazja okazja okazja okazją okazjonalny okazywać się okienka okienko okiennica oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwał oklepany oklepany okład okładce okładka okładziną okna okno okno dialogowe okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) okno panel pole oko dierentuin hof. monster. gebeurtenis. venster raam. oog span proef. tuin knagen knagen. peter. trek toejuichen. gleuf raam. naamgever. aangeboren vaderland vaderland kijker. vensterruit. gebeuren afdingen. gelegenheidsopdraven. ouder pater. gruweldaad. papa. ouder peetvader. proefstuk schede. bedekken voering raam. peet stiefvader ingeboren. venster bericht.

zwendelen. foedraal. cirkel ronde fietsen. hoer kut. doos. circa groef. tijdvak podium. groeve. oog eerstvolgend. stand circulerend. frauderen knoeien. stand van zaken. tribune. nauwkeurig bepalen onherroepelijk. vulva definiëren. lichtekooi. vakterm periode. areaal. gewestelijk. accident. omschrijven. een stuk of. gelegenheidsongeluk. frauderen kring. bestuur. gelegenheidsomstandigheid situatie. kuil. open veld bijwoordelijk toevallig. doos. arrondissement. gruweldaad. vakterm krant specificeren benaming. bepalen determineren. koker afknotten verschrikking. in omloop ongeveer. tijdvak periode. gebied platteland. gruwel . zwendelen. gracht loopgraaf stropen. wielrijden wiegen periode. open veld oppervlakte. soortelijk pot. ongeval toevallig. roven. regionaal pot. bak. komend eerstvolgend. koker district. etui. bak. aanstaand. definitief specifiek. naamwoord. aanstaand.oko magiczne okok okok ca okolica okolica okolica okolicą okolicznik okolicznosciowy okoliczności okolicznościowy okoliczność okoliczność około około okop okop okrada okradać okradać kogoś okraść okrąg okrągły okres okres okres okres okres ważności klucza kryptograficznego okres wykonania okres życia okres życia okresowy określać określenie określenie danych określenie ilościowe określenie intymnej części kobiecego ciała określić określić określony określony okręcie okręg okręgowy okręt wojenny okroić obcinać okropność kijker. tijdvak term. leiding term. buitmaken. greppel. foedraal. etui. naam prostituée. plunderen sluipen knoeien. gouw streek-. oppervlak platteland. komend oppervlakte. vulva kut.

behoorlijk.) ołów ołówek ołtarz om omal omawiać warunki omdlenie afgrijselijk schrikaanjagend. omhullen octaal. geweldig elzeboom. els olie olie stookmateriaal. ijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. gigantisch gigantisch. bedekken hullen. beroep. leiden potlood altaar ohm schier. broodkruimel wreed. blind maken de weg wijzen. gruwel kruimel. brandstof olie olie olijf olie olijf olijf verblinden. fatsoenlijk smeden spektakel. kijkspel. achttallig betamelijk. i w przen. haast. bekleden bezetten. vrijkopen. broodwinning. beleggen. hinkend oogarts occult occult loskopen. broodkruimel verschrikking. bijna handelen. enorm. beroep. afkopen handwerk.okropny okropny okropny okropny okruch okrucieństwo okruszyna okrutny okryć okrywać oktalny okucie Okucie okulary okulary okulawić okulista okultystyczny okultyzm okup okupacja okupacja okupacją okupancie okupant okupować okupował olbrzym olbrzymi olbrzymi olcha olej olej rycynowy oleje i smary oliwa oliwą oliwą oliwić oliwka oliwny olśnić (dosł. ambacht aanwezige aanwezige bezetten. ambacht beroep. wreedaardig dekken. inwikkelen. handeldrijven. beslaan. barbaars. bewusteloos raken . bijkans. ijselijk kruimel. gruweldaad. kreupel. zaken doen bezwijmen. toedekken. geleiden. bedrijf handwerk. beslaan. bekleden reus reusachtig. schouwspel bril mank.

omelet struif. katheder . zij. verpakken. zij. zwaaien hen. keuze opera bewerking. zak tas. bedillen schoor. ontwijken missen. pantser haarkloven. troep. hun hen. steunbeer. omelet struif. operatie. ze. bespreken mossig tas. ingreep kansel. verband toebinden. alternatief. harnas. zij. voorbode. hun hen. ze. zij. leerlooien. bepantsering. steunen. wikkel. ingreep bewerking. voorteken mijden. hem haar. alternatief. keuze keus. wuiven. discuteren recenseren. leerstoel. banderol opaal tanen.omen omija omit omlecie omlet omlet omnibus omówić omówienie omszały omultiset omulti-set on ona ondulacja one oni oni sami ono opactwa opactwo opada opadać opakowanie opakowanie ochronne opal opalać się opalenie opancerzenie opar oparcia oparcie opary oparzenie oparzenie słoneczne opaska opat opat tor opatrunek opatrunek opatrzyć opcja trasowania według nadawcy opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną opera operacja operacja zmiennopozycyjna operatora teken. bende abt abt zwachtel. schragen uitwasemen aanbranden in kokend water doen schare. omelet autobus. pakken kruisband. uit de weg gaan. beer stutten. mislopen. bus bespreken. operatie. misgrijpen struif. afbinden een verband omleggen keus. zak hij. ze. ze gebaren. hun het abdij abdij hangen verval inpakken. looien aangebrand kuras.

komend belasten. opinie. ding tegenweer. grenzen aan nonchalant. onderwerp. bespreken tafereel. band tegenstander tegenstander mikpunt. vertelling etage. tegenstand opportunist. beschrijving verbeelden. het doen beklemmen. afbeelden beschrijven opium storten. onachtzaam nalatig. oppositie tegenweer.operą operować opętać opętywać opieka opieka opiekun opiekun klienta opiekunka do dziecka opierać opierać się opierać się opierać się o coś opieszały opieszały wstęp opinia opinia opis opis opis techniczny opisać opisywać opium opłacać opłakiwać opłakiwał opłata opłata (za przejazd) opłata jednostkowa opływowy opodal opodatkować opodatkowanie opona oponent oponent oponować oporność oportunista opowiadanie opowiadanie opowiadanie opowiadanie) opowieść opozycja opór opór magnetyczny opór sprzężenia zwrotnego opera functioneren. aanstaand. vertelling betrekking. dokken rouwen rouwen gesteld zijn. sententie. aanslag pneumatiek. tegenstreven standhouden. rijk zijn acht. omgang. aanslaan belastingaanslag. tegenkanting. verhaal. tegenkanting. onachtzaam. tegenstand . beschermheer chaperonne oppas rest. verband vertelsel. overblijfsel. meeloper vertelsel. het maken port. dunk. rommel. visie judicium. object. relaas. schildering. relaas. obsederen bezitten. luchtband. mening. afval tegenspartelen. relaas. vonnis tafereel. betalen. verhaal. beschrijving recenseren. tegenkanting. uitspraak. nonchalant gedachte. verdieping vertelsel. verhaal. uitbetalen. porto gesteld zijn. erop nahouden. uitbeelden. aandacht bescherming beschermheilige. schildering. nalatig. het maken gestroomlijnd eerstvolgend. vertelling tegenstand. tegenstand trekken tegenweer. bezwaar hebben tegen belenden. frankering. attentie.

vatten slachten. schede. foedraal. houder velg houder. loos. leeg hol. foedraal aan. bereidvaardig cocon bezinning. laten varen op reis gaan. naast overigens.opóźniać się z czymś opóźnić opóźnić opóźnienie opóźnienie propagacji opóźniony zapis opóźniony zapis opracowywać oprawa oprawa okularów oprawą oprawcą oprawia oprawiający oprawka oprawka oprawka oprócz oprócz oprócz oprócz oprócz opróżniać adj pusty opróżnić opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) opryszek oprzeć oprzejmy oprzęd oprzytomnieć optyczny wskaźnik działania optyk optymista optymistyczny optymizm opublikować opuchlina opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać (się) opuszczenie opuszczenie opuszczony opuszczony vertraging vertraging achterlijk vertraging vertraging achterover achterwaarts. band. besef. weglaten uittreden. onzedelijk onpeilbaar. rugwaarts compileren. lens. bedanken naar beneden gaan. afdalen concessie. nabij. leeg Vlissingen gangster baseren. zetten montage. funderen bereidwillig. toegeving zonder vrienden gemeen. doch uitzonderen zich aanstellen. emitteren pof. windsel schede. cessie. reep. dichtbij. ledig. aftreden. ondoorgrondelijk . bij. grondvesten. bewustzijn daglicht opticien optimist optimistisch optimisme uitgeven. links achterwege laten. zich voordoen hol. ledig. lens. strook. loos. afreizen linker-. inlijsten. zetting in een lijst zetten. samenstellen monteren. afslachten inbinden. binden strip. afstand. trouwens maar. poef in de steek laten. immoreel. achteruit.

grof. organiseren uitschrijven. baan orchidee hardhandig. muziekkorps orkestreren planeet. regelen. zwelgpartij. orkest. beploegen geldkist. afreizen troosteloos. ruw pleitbezorger. zwelgpartij. organisch organisatie organisatie administratiekantoor organisatie organisme systeem. ploegen. drinkgelag houding oosters. boodschap orgaan orgaan organiek. rejestracji użytkowników organiczny organizacja organizacja firma organizacja i zarządzanie organizacją organizm organizm organizować organizował organy orgia orgia orgią orientacja w przestrzeni orientalny orkiestra orkiestra smyczkowa orkiestrować ornacie ornament ornamentacja orszak pogrzebowy ortodoksyjny ortografia oryginalnie oryginalny weggelaten prijsgeven. uitweg op reis gaan. kas. onlusten. baan oogkas. opgeven een miskraam krijgen. organiseren orgaan muiterij. onkies. spelling. lomp. baan oogkas. origineel . afleggen. rechtzinnig orthografie.opuszczony opuścić opuścić opuścić opuścić opuść (się) orać orać oranż oranż orator orbicie orbita orbita okołoiziemska orbitować orchidea ordynarny orędownik orędownik orędzie organ organ ds. bestel uitschrijven. uitgang. drinkgelag orgie. regelen. schrijfwijze oorspronkelijk. van oorsprong oorspronkelijk. zwerfster versieren versieren gastheer orthodox. verdediger apostel. opstand orgie. somber. mislukken afrit. muziekkorps band. voorvechter bericht. baan oogkas. oostelijk band. advocaat. stelsel. orkest. fonds Oranje oranje redenaar oogkas. naargeestig omploegen.

kokosnoot hazelnoot walnoot. apenoot. inhalen behalen. druk. esp . apenoot. inhalen akkoord. aardleiding behalen. overeenstemming afhandelen. schommelen economisch aarding. inhalen. rap. arend pinda. klappernoot. klapper klapper. bereiken. overeenstemming monteren. curieus.oryginalny oryginał orzech orzech orzech alskowy orzech kokosowy orzech laskowy orzech nerkowca orzech orzech orzech włoski orzech ziemny orzeł orzeł czy reszka? orzeszek ziemny orzeźwiający orzeźwiający osa Osada osadzić osą osądzać oscylacja dwustanowa oscylator oscyloskop oscyloskop elektroniczny oscylować osdzczędny osiadanie na mieliźnie osiąga osiągać osiągać osiągalny osiągalny osiągnąć osiągnąć osiągnąć osiągnąć szczyt osiedle osiedlić osiem osiemdziesiąt osiemdziesiątka osiemnasta część osiemnastka osiemnasty osiemnaście osierocić osika typisch. accoord. bereiken. origineel moer walnoot. vreemd oorspronkelijk. zetten wesp beoordelen. inhalen buit maken. kwiek verfrissend wesp akkoord. okkernoot pinda. bereiken. behalen aanspreekbaar verkrijgbaar behalen. oscilleren. oordelen. inhalen bereiken. afdoen acht tachtig tachtig achttiende achttien achttiende achttien ouderloos ratelpopulier. okkernoot kokosnoot. berechten geschommel. inhalen. kras. okkernoot walnoot. bereiken. aardnoot moer adelaar. behalen behalen. klappernoot. verkrijgen. aardnoot levendig. behalen bereiken. schommeling oscillator oscillograaf oscillograaf slingeren. arend adelaar. accoord.

voorschoot huik. raam personage. aanklagen beklaagde. capuchon. bord toevluchtsoord. vreemd. uithangbord. aangeklaagde aanklager. aangeklaagde beschuldigen. beschuldigde. bord suiker boezelaar. humaan begeleiding. colbert. uithangbord. buis dekken. schort. accompagnement muiltje. kap jasje. bedekken schild. verzwakken aanlengen aanlengen aanlengen bedaren. omlijsting. banderol huik. asiel. bordje. buis overjas. betichten. uithangbord. muil aard. aanklacht beklaagde. bekoelen. bordje. kap jasje. raar. karakter. aanklagen beschuldigen. bord bedaren. toedekken. aanklagen beschuldiging. luwen verdunnen. betichten. geaardheid gek. capuchon. persoon adverteerder. eigenaardig persoonlijk persoonlijk kegel . mantelkap. do gazety) osoba pilnująca dziecka osoba postępująca w sposób humanitarny osoba towarzysząca osoba używana do przemycania narkotyków osobistość osobisty osobisty osobisty numer identyfikacyjny osobisty numer identyfikacyjny ratelpopulier. jas bescherming kruisband. verkondiger oppas menselijk. asyl kader. afkluiven beschuldigen. wikkel. bordje. betichten. esp ezel ezel afgodsbeeld knabbelen. beschuldiger een proces aanspannen tegen Oslo schild. bekoelen. beschuldigde. lijst. colbert. sloof. beleggen. luwen schild.osikowy osioł osioł osioł oskard oskarżać oskarżać oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) oskarżać (kogoś o coś) oskarżenie oskarżony oskarżyciel oskarżyć przed sądem Oslo oslona osłabiać osłabiać osłabiać osłabiać osłabić osłabnąć osłaniać osłodzić osłona osłona osłona osłona osłona osłona osłona przeciwsłoneczna osłona TCP osłoną osłoną osłonić przed wiatrem osnowa tkaniny osoba osoba dająca ogłoszenie (np. mantelkap. slof.

kwiek. streng. prikkelen de sporen geven. guur. geborgen. bruut. druk bar. uiteindelijk voorgaand. per saldo gebeurlijk. lethargie druilerig. zorgen behoedzaam. spits . ten slotte. acuut. behouden. steun de sporen geven. alleenstaand aard. voorbijgaand puntig. acuut. fel. zorgen waarschuwen zich bekommeren. straf bijtend. jijzelf afzonderlijk. prikkelen hulst guurheid. geaardheid persoonlijk zouten bromfiets pokken doffe onverschilligheid. voorafgaand vergevorderd. kort geleden muntstempel drager. verleden. bezorgd zijn. voorafgaand voorgaand. leuning. verleden. ergst. voorbijgaand beestachtig. bezorgd zijn. afzonderlijk geïsoleerd. levendig. ten slotte. szorstkość ostrożnie ostrożność ostrożność ostrożny ostrożny ostrożny ostrożny ostry ostry ostry ostry ostry ostry ostry (ból) ostry (np. doordringend scherp. voorzichtig verstandig safe. doordringend sluw steek bijtend. afgezonderd gek. fel. raar. schelheid. curieus. veilig scherp. laat recentelijk. extreem. vreemd. helder. vreemd hoofdelijk. dierlijk kras. helder. individueel afgezonderd. eventueel uiterst. rap. de laatste tijd onlangs. karakter. hardheid zachtjes. felheid hardvochtigheid.osobiście osobliwy osobliwy osobliwy osobnik niosący trumnę osobno osobny osobowość osobowy osolić osowiały ospa ospałość ospały ostatecznie ostatecznie ostateczny ostateczny termin ostatni ostatni ostatni na wejściu—pierwszy na wyjściu ostatnie (wiadomości) ostatnio ostatnio ostemplować ostoi ostrodze ostroga ostrokrzew ostrość ostrość. bovenmatig finaal. slaperig eindelijk. nóż) ostry ból ostry nabój uzelf. hard. stut. per saldo eindelijk. ruw. guur. voorzichtig zich bekommeren. duchtig. eigenaardig typisch.

kust. lemmer. africhten schatten. kant.ostrydze ostryga ostrz ostrze ostrze ostrze noża ostrzega ostrzegać ostrzeżenia ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie o otwarciu obudowy ostrzeżenie o poziomie tuszu ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora ostrzeżenie o rozładowaniu baterii ostrzyc ostrzyc ostrzyć ostrzyć ostudzić osuwiska oswajać oswoi (się) oswoi się oswoić oswoić oswojony oszacować oszacować oszacowanie oszacowanie oszaleć oszałamiający oszczerstwa oszczerstwo oszczędność oszczędny oszczędny oszczędzać oszołomiony oszpecać oszukać oszukać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oester oester aanzetten. tip waarschuwen affiche. scherpen. kwaadspreken. bedriegen zwendelen. scheren. scherpen. waarderen. waarderen. plakkaat waarschuwing. hebbelijkheid . lemmet waarschuwen waarschuwen waarschuwing. waarderen belastingaanslag. zwendelen. aanplakbiljet. africhten temmen. belasteren roddelen. taxeren. kust. frauderen schurkachtig handelen misleiden. frauderen. dresseren. slijpen kling. africhten temmen. begroten. furore duizelig roddelen. kwaadspreken. taxeren bestseller. africhten temmen. slijpen afkoelen aardverschuiving temmen. knoeien aanwensel. lemmer. bergen. tip waarschuwen waarschuwen waarschuwen knippen. kant. dresseren. dresseren. spaarzaamheid economisch spaarzaam redden. oever kling. boord. africhten huistemmen. dresseren. tip waarschuwing. behouden duizelig Mars schurkachtig handelen knoeien. begroten appreciëren. dresseren. boord. oever aanzetten. aanslag schatten. belasteren economie. lemmet wal. snoeien maaien wal.

uitspraak declareren uitloven. bieden. verlichten illumineren. verlichten illumineren. wand afschaving gal. as as. bieden. aanbieden spil. kolk . as declaratie. aansporen zich vermetelen. verlichten illumineren. spil verblinden. stand.oszukiwał oszust oszust oszust oszustwo oszustwo oszustwo telefoniczne oszyc oś oś oś oś oś (koła) oś (obrotu) ośka oślepia oślepiać oślepić ośmielać ośmielać się ośmielić się ośmiobok ośmiokąt ośmiokątny ośmiokrotnie ośmiokrotny ośmiornica ośmiornicą ośrodek ośrodek ośrodek zdalny oświadczać się oświadczać się oświadczenie oświadczenie oświadczyć oświadczyć (się) oświadczyny oświadzenie oświeca oświecać oświecać oświetlać otaczać otaczać murem otarcie (skóry) otarcie skóry otchłań misleiden. wagen claimen. status. aanbieden declaratie. frauderen. knoeien borduren prieel spil. plantengal. bedrieger jongleur haai schurkachtig handelen jongleur zwendelen. kwakzalver. verlichten omringen. binnenste. aangifte. aangifte. blind maken verblinden. uitspraak illumineren. aanwakkeren. spil staf as. verklaring declaratie. rang uitspreken uitloven. draaien as. blind maken blind aanvuren. insluiten muur. aanspraak maken op achthoek achthoek achthoekig achtvoudig achtvoudig octopus octopus middelpunt. galnoot afgrond. bedriegen charlatan. centrum ligging graad. omgeven. spil roteren.

gat. aldaar. inwikkelen. vergeven gal. insluiten Turkse staatsraad. dapperheid. ovaal schaap dat. gat sponning. openen ontsluiten loslaten. do wrzucania monet) otwór do wrzucania monet otwór poczty (mechanizm komunikacji międzyprocesowej) otwór wentylacyjny otwór wiertniczy otwór wiertniczy otwór zabezpieczenia zapisu (w dyskietce) otyły otyły owad owal owalny owca owi owies owijać owłosienie owłosiony kolk. buit maken aanvaarden.otchłań otchłań oto otoczenie otoczenie otoczenie sieciowe otoczka otoczyć otoczyć otomana otóż otruć otrzeć (odparzyć) skórę otrzeć (skórę) otrzymać otrzymać otucha otwarcie otwarcie otwartość otwarty interfejs przygotowywania do druku otwieracz do konserw otwierać otwierać (z klucza) otworzyć (spadochron) otwór otwór otwór (np. tappen. lijvig lijvig. ruigharig. daar. gleuf mond. omgeven. accepteren lef. diepte ginds. dik insekt eirond. opening. afgrond kolk. gat. opening sponning. omstreken omgeving. omstreken scheepsromp. opendoen. uitlaten. opening mond. sleuf. er. rondweg openheid openmaken. gat ronduit. opening. durf mond. datgene. casco omsluiten omringen. bodem. rustbank goed. daarginds milieu. aannemen. gleuf mond. ruig . blikopener openmaken. gat. opendoen. afschaven verkrijgen. plantengal. medium. galnoot schaven. sleuf. ovaal eirond. opening fjord sponning. gleuf mond. haar harig. zulks haver hullen. omhullen haardos. lossen mond. moed. divan. openen opener. omgeving omgeving. nu goed vergiftigen. vergallen. opening dik. open en bloot. gat. romp. sleuf.

verlevendigen actie. bewijs ozon tong in de echt verbinden. decoratie. voorteken. strekking merken. opwerken. beslaan. daarginds. trouwen bezielen. aankondigen. aantonende wijs merken. gezellig. aldaar. innig. flatteren versieren opgesmukt afzetten. bedoeling. optreden. tekenen adviseren. geurig stinkend kegel lies . bekendmaken aandienen.owoc owoce owocny owocowy owocujący owrzodzenia ozdabia ozdabia ozdabiać ozdabiał ozdabianie ozdoba ozdoba oziębły oznace oznacza oznacza oznacza oznaczać oznaczający oznaczyć oznajmiać oznajmić oznajmić oznajmujący oznaka oznaka oznaka ozon ozór ożenić się ożywiać ożywienie ożywiony ósemka ósemkowy ósma część ósmy ów ów pacha pachą pachnący pachnąć pachniano pachniano pachołek pachwina vrucht vrucht vruchtbaar vrucht vruchtbaar zweer versieren verfraaien. plan. handeling bezielen. teken. achttallig achtste achtste dat ginds. daar oksel oksel stinkend stinken. vies ruiken aromatisch. gedoe. tekenen muntstempel adstructie. verlevendigen acht octaal. teken gemiddeld middel. tooisel versieren koud voorbode. werktuig beduiden. aankondigen. betekenen spellen doel. knus indicatief. adverteren intiem. garneren sieraad. er.

bergen. paal. bergen. drom. spinrag. post. verpakken. aangelegenheid. uiteenvallen hagel toevallen. splijten. bos pakje pakje inpakken. verpakken inpakken. verpakken. deurpost rookcoupé baseball vleermuis vinger vinger vinger teen . menigte. bos barsten. ineenstorten. zieke patiënt. pakken pakje boel. dobberen. insluiten inpakken. drijven bakvis pacifist pacifist bundel. epilepsie. zieke vlotten. spin web. rag affaire. neervallen. verpakken. scheuren Pakistan inpakken. verpakken opbergen. pakken. pakken pakje pakje pakje instorten. pakken. wis.paciorek pacjent pacjent stały (w szpitalu) packa murarska packa na muchy pacyfista pacyfiście paczce paczce paczce paczka paczka paczka paczka paczka błędów pad upaść pada grad padaczka padać padać padlina padliną pagórek pagórek pająk pajęczyna paka pakiet pakiet pakiet pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) pakiet żądania WE/WY Pakistan pakować pakować pakował pakunek pakunek pal pal palaczach palant palant palca palec palec (u ręki) palec u nogi kraal patiënt. zaak. storten regenen aas aas hoogte aanaarden spinnekop. insluiten opbergen. pakken pakje bundel. hoop. wis. ding emmer inpakken. afvallen. vallende ziekte vallen. spinneweb. massa stijl.

palm overjas. intellect winkel geheugen. vies ruiken cremeren. geest. herinnering zich herinneren. palissade stookmateriaal. journaal . knarsen haardstede. haard. heugenis. hoe. aanhangen staf Oranje oranje boekje. verassen schutting. heugenis. herinnering flitsen. gedenken zich herinneren. hol mnemonisch geheugen. onthouden. oven Palestina aanbranden geroosterd. operatekst aandenken. haardstede kachel. handpalm. gedenkschrift loos. knarsen open haard. brandstof bal. tot bult. crematie. gedenkschrift aandenken. jas teen paleis kleven.palec u ręki palenie zwłok paleniska palenisko palenisko palenisko palenisko Palestyna palić palić palić palić (papierosa itp) palić na popiół palisada paliwa paliwo paliwo wysokoenergetyczne palma palto paluch pałac pałka pałka policyjna pamarańcza pamarańcza pamflet pamiątce pamiątka pamiątka pamięci pamięciowy pamięć pamięć pamięć dyskowa pamięć ekranu pamięć magnetyczna ferrytowa pamięć podręczna scalona z układem procesora pamięć podręczna z synchronicznym pamięć rdzeniowa pamięć stała pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna (pamięci) pamięć zmienialna pamięta pamiętać pamiętnik vinger lijkverbranding. schoorsteen. flikkeren. schouw piepen. heugenis. herinnering winkel geheugen. gebraden smoken. brandstof stookmateriaal. gedenkschrift aandenken. vastkleven. onthouden. gedenken dagboek. leeg. heugenis. ledig. als. lens. paalwerk. bochel ROM ROM verstand. roken stinken. libretto. herinnering geheugen. brandstof stookmateriaal. gloren ROM voor. verassing piepen. bij wijze van.

publiek je. brij bescheid. volk verzekeren. pantser kuras. pap. document. heerschappij. bruid. WC-papier. mislopen. open veld natie. dienares. beweren platteland. papier. heuglijk heer. bewind bestuur. jouw het jouwe. de baas zijn bestuur. bewind. onderzoek fotografische plaat. bewind heerschappij. akte . dagblad. pantser examen. schraal. schrikbewind paniek meid. harnas. meester worden paniek terreur. meid missen. openlijk. toiletpapier bescheid. bepantsering. ruchtbaar. gentleman onder de knie krijgen. bewind pré. misgrijpen Maagd verloofde. heerschappij. aan je. bestuur panter. meester worden bruidegom. plaat dame paniek onder de knie krijgen. jonggehuwde edelman bepantsering. papier. meisje dienstmeisje. luipaard pantoffel pantomime spelen je. dicht sprietig. harnas. jouw moes. beweren jou. de jouwe verzekeren.pamiętnik pamiętny pan pan (domu) pan (przed naswiskiem) Pan Bóg pan domu pan młody pan wielkiego rodu pancerz pancerz pancerz panel pani panice panicz paniczny paniczny strach panika panna panna panna panna Panna (gwiazdozbiór) panować panować panował panowanie panowanie panowanie nad sobą pantera pantofel pantomima pański pański państwa państwo państwo państwo państwo państwowy pańtwa papce papier papier o dużej gramaturze papier o małej gramaturze papier ścierny papier wysokiej jakości courant. krant gedenkwaardig. gebonden. kuras. aan jou. meisje meester zijn. voordeel bestuur. keuring. mager closetpapier. meester worden dhr. document. je openbaar. heerschappij. akte dik. lord onder de knie krijgen.

echtelieden stel. kwiteren artikel. aanstaren. pronken. machinatie. wasem. aanstaren. prijken parochie parochieparochiaan roedel. staren stoom. paar turen. damp wasem. paraderen. staren echtpaar. paar echtpaar. papier. duo. damp. koppel. duo. prijken pralen. damp stel. prijken paradox paradoxaal paradoxaal pralen. schut stel. voorletter voor voldaan tekenen. sigaret paus klakken. tweetal. klikken varen paprika papegaai papegaai papegaai turen. paraderen. klappen. pronken. wasem. echtelieden pralen. kudde parochie paraffine initiaal. stoom pakje intrige. kletteren. akte saffiaantje. paraderen. gebrekkig parameter paranoïde paranoia drempel. verlammen verminkt. document. paar stoom. paragraaf verlamming lamleggen. dorpel paraplu paraplu scherm.papier wysokiej rozdzielczości papieros papież paplać paproć papryka papudze papuga papugować par para para para (dwa para komplementarnych tranzystorów para uporządkowana parada paradą paradoks paradoksalny paradoksyjny paradować parafia parafialny parafianin parafią parafią parafina parafować paragon paragraf paraliż paraliżować paraliżował parametr paranoiczny paranoja parapet parasol parasol (od słońca) parawan parą parą parą parą parcela parcela park parking bescheid. koppel. tweetal. pronken. konkelarij parkeren parkeren . duo. koppel. tweetal.

passagier belemmeren. volksvertegenwoordiging parlement. effen riem. zone. passagier inzittende. vlak. jaartelling. strook. effen gelijk. volksvertegenwoordiging parlementair stoomboot vochtig travestie doen verdampen. afdammen riem. damp masseren benedenverdieping. meedoen afzonderlijk. gordel. ceintuur. afsluiten. wasem. uitdampen. reep klimaatzone.parkować parlamencie parlament parlamentarny parnik parny parodią parować parować parowca parowiec parowóz parowy parsować parter parterowy dom partia partia (produktu) partycja podział strefa partycypować partykularny partykuła partyturą paryski parytet Paryż paryżanin parzystość parzysty parzysty równy regularny pas pas pas pas pas (w kartach) pas bezpieczeństwa pas parciany pas startowy pasaż pasażer pasażer na gapę pasek pasek pasek pasek pasek pasek pasek (papieru) parkeren parlement. ceintuur. reep overloop. rijstrook inzittende. gordel riem. deeltje. clausuur deelnemen. meemaken. aanhang kavel. perceel schifting. gordel riem. strook. gordel. taille gallon gallon riem. indampen stoom. parterre bungalow leden. deel orkestreren van Parijs pariteit Paris van Parijs pariteit gelijk. wasem. damp stoomboot stoomboot motorisch stoom. gordel strip. ceintuur. afgezonderd item. afscheiding. vlak. ceintuur gallon middel. windsel. aardgordel scheerriem . baan. uitglijden strip. gang. leest. ceintuur slippen. windsel.

lijdzaamheid geduld. pasta Pools schoensmeer schoencrème pastel. patriot vaderlandslievend . schrap. rang schare. vuur fascinerend. kleurkrijt pastoor herder minister. octrooi patent. streek. dundoek. kaak laaien. pan Pan patent. bende klimaatzone. aanpassen. boeiend. troep. status. bijenschans gloed. aanpassen. bende strip. haal. vlammen pas. vlag riem bijenstal. patriot vaderlander. paspoort pastei waas. troep. streep koekepan. weiden schreef. octrooi patent.pasek reklamowy (na stronie WWW) pasek zębaty pasieka pasja pasjans pasjans (w kartach) pasją pasjonujący paskudny paskudny pasmo pasmo pasmo (gór) pasmo (radiowe) pasmo wizyjne pasować pasożycie pasożycie pasożyt pasta pasta pasta pasta pastel pasterz pasterz pastor pastor pastuch pasujący paszcza paszkwil paszporcie paszport pasztet paść paść (się) paśmie patelnia patelnia patencie patent patentować patentowy patriarcha patriocie patriota patriotyczny vaan. klaploper deeg. stand. adapteren bloedzuiger parasiet. windsel. vuur geduld. bewindsman pastoor herder afstemmen. octrooi aartsvader. octrooi patent. zone. beslag. ellendig. pat. paspoort pas. tekenkrijt. nesthaar. betoverend afschuwelijk belabberd. lijdzaamheid gloed. dons grazen. miserabel schare. klaploper parasiet. strook. reep afstemmen. aardgordel graad. patriarch vaderlander. adapteren kakement.

pikken hoop. er uitzien kleven. liefkozen. nagelen boer. trappen accelerateur. overblijfsel. spruiten. prikken. pikken priemen. patriottisme patrouilleren ontmoeten. steken. strelen. steken. drom. botten uitbotten. aaien afbreken rest. pikken schuiven ongeluk peddelen. steken. page. prikken. prikken. tuinhuis spijkeren. prikken. massa. gaspedaal. aantreffen het uiterlijk hebben van. aanhangen pauzeren aanhalen. botten stuwen aanduwen priemen. loensen het uiterlijk hebben van. vastkleven. spruiten. oktober uitbotten. nagelen klauw spijkeren. menigte vlo vlo priemen. spruiten. boel. er uitzien scheelzien. pikken schuiven schokken priemen. botten uitbotten. versneller feeëriek landschap Peking ooievaarsbek kaap Kaaps regenmantel kaap Kaaps . scheelkijken. nagelen spijkeren. steken. edelknaap wijnmaand. rommel. afval pauw baviaan koepel. oktober wijnmaand.patriotyzm patrol patrz patrzeć patrzeć na kogoś z ukosa patrzeć zezem patyk pauza pauza pauzą pauzą paw pawian pawilon paznokcia paznokieć pazur pazur ernik paź październik pażdziernik pączek pączkować pąk pchać pchać pchać pchać się pchła pchłą pchnąć pchnąć nożem pchnąć nożem/sztyletem pchnięcie pchnięcie pchnięcie nożem/sztyletem pech pedał pedał gazu pederasta pejzaż Pekin pelargonia peleryna peleryna peleryna peleryną peleryną vaderlandsliefde. paviljoen.

doorkijk prospect. compleet. heel. volkomen. perspectief. volkomen meerderheid. meerderjarigheid in de plaats stellen van. doorkijk uitzicht prospect. volkomen. volkomenheid. perspectief. innemend.peleryną pelican pelikan pełen triumfu pełen wdzięku pełen współczucia/zrozumienia pełen życia pełnia pełno pełnoletniość pełnomocnik pełny pełny pełny wymiar czasu pełza pełzać penicylina penicyliną penis penis perfectum perfekcja pikselowa perfekcją perfidią perfidny perforator perforator perfum perfumy pergamin periodyczny periodyk perła perłą perłowy peron Pers Persja perski personalny personel personel personel informatyczny perspektywa perspektywa perspektywa podgląd perspektywą perspektywą jas. snikkel. volkomenheid. ten volle. geestig. mudvol totaal. doorkijk uitzicht . vol kruipen kruipen penicilline penicilline penis lul. ad rem totaal. perspectief. pik. compleet. podium Perzisch Perzië Perzisch persoonlijk personeel staf staf prospect. vol geheel. zielsverwant snedig. leuter. vol boordevol. volmaaktheid verraad trouweloos. sierlijk sympathiek. leiding. inboeten totaal. bevallig. gevat. perfect. compleet. in optima forma perfectie. mantel pelikaan pelikaan jubelgracieus. volkomen. dubbelhartig stompen Jan Klaassen parfumeren parfumeren perkament krant krant parel parel parel tribune. volmaaktheid perfectie. afgeladen. verraderlijk. jongeheer volkomen.

stevig waarschijnlijk wel. stellig. pessimistisch pessimist pessimisme. zwaartillendheid pessimist zwaarhoofdig. randomtrek periscoop nijptang pit. petitie petitionnement. buitenkant buiten-. betrouwbaar gewis. stellig zelfverzekerd. heftigheid . bepaald.perswadować perswazja perswazją pertraktować pertraktował Peru peruce peruka peryferią peryferie peryferie peryferyczny peryferyjny peryferyjny procesor macierzowy perymetr peryskop peseta pestce pesteczka pestka pesymism pesymista pesymistyczny pesymiście pesymizm peszyć petencie petent petycja petycją pewien pewien pewnie pewnie pewnie pewnie pewny pewny pewny pewny pewny siebie pewny siebie pęcherz pęcherz pęcherz (od oparzenia itp) pęcherzyk powietrza pęczek pęd twisten. moeilijkheid adressant verzoeker. zeker. enigszins. krakelen overreding overreding handelen. korrel. wis. buitenkant omtrek. een weinig wel degelijk. stellig blaas blaar blaar borrelen bos. zeker. zeker. randbuiten-. van klei pessimisme. buitenkant cirkelomtrek. randbuiten-. disputeren. immers. vast. kern zaadkorrel. strubbeling. handeldrijven. zeker. handeldrijven. petitie gewis. zeker pal. aarden. vast. zwaartillendheid bezwaar. pit klei-. zeker. zaken doen Peru pruik pruik cirkelomtrek. bundel onstuimigheid. vast een beetje. cirkelomtrek. zelfverzekerd vertrouwd. zelfbewust gewis. vuur. aanvrager petitionnement. stellig. toch gewis. zaken doen handelen. vast. vast zelfbewust.

kraai tintelen. mutsaard barst gebarsten barst navel ketenen. naaf naaf zand rul. piano klavier. gravel. steengruis zand aanvoerder. drinken. opkomen. omroeren. opstaan. bruisen doorroeren. zuipen aanbranden . steek. breisteek. zeepkwast penseel mutserd. strik declaratie. breisteek. boeien maas. strik zand bonte kraai. spoed maken. haast maken opduikelen. steek. baas bus. uitspraak maas. gebieder. naaf opgaan. aangifte. delven. steek. zeepsop tintelen. schuimen. strik maas. kraai bemanning bonte kraai. schuimen. gebieder.pęd pędrak pędzel pędzel do golenia pędzel do malowania pęk pękać pęknął pęknięcie pępek pętać pętla pętla pętla synchronizacji fazowej pętla zamknięta pętlą piach piać piał piał piana piana piana piana (mydlana itp) piana mydlana pianą pianą pianina pianino pianista pianiście piasek piasek piasta piasta piasta piaszczysty piaszczysty piaście piaście piąć się piąć się piąta część piątek piąty pice pić piec voortmaken. roeren sop. opgraven. chef. bruisen tintelen. schuieren scheerkwast. gruis. bruisen doorroeren. breisteek. chef. baas bus. strik maas. rijzen klimmen. steek. rooien borstelen. breisteek. piano pianist pianist grind. brandstapel. zeepsop sop. roeren klavier. schuimen. mul aanvoerder. omroeren. klauteren vijfde vrijdag vijfde snoek pimpelen.

zeepsop multipliceren. roosteren. oven kachel. grot. branden rooster. hol. bedevaart. branden bakker duivelachtig.piec piec piec piec piec (do pieczenia chleba itp) piec (mięso) piec elektronowy piec kaflowy piec mięso piec na ruszcie piechocie piechota pieco do wypalania piecyk piecza pieczara pieczątce pieczątka pieczęć pieczęć pieczętować pieczony pieczony piećdziesiąt piedestał pieg piekarni piekarnia piekarnik piekarnik gazowy piekarnik gazowy piekarz piekielny piekielny piekło pielęgniarce pielęgniarka pielęgnować pielgrzym pielgrzymce pielgrzymka pieniądz pieniądze pieniądze na życie pienić się pienić się pienić się pień kachel. oven oven. piëdestal. hek. roosteren. royeren. bezorgd zijn. pelgrimstocht pelgrimage. zorgen spelonk. roosteren. traliehek kachel. branden kachel. oven braden. kachel ontzetten. zeerob. bedevaartganger pelgrimage. oven vijftig pedestal. duivels. krocht. traliehek kachel. zorgen voor. afrastering. bedevaart. hels hel verzorgen. infanterie voetvolk. oven oven. hek. zorgen voor. rob muntstempel muntstempel rooster. pelgrimstocht poen. verzorgen pelgrim. kachel braden. verplegen verzorgen. oven bakken voetvolk. verplegen verplegen. zorgen voor. holte muntstempel muntstempel zeehond. geld poen. geld poen. bruisen sop. voetstuk sproet bakkerij bakkerij kachel. afrastering. schuimen. vastzetten . ontslaan zich bekommeren. kachel braden. vermenigvuldigen blokkeren. drommels duivels. oven kachel. geld tintelen. infanterie oven.

beugel. pril. sleutelbloem inboorling oorspronkelijk. strelen. strelen. bestanddeel. radicaal element. aaien gunning. aaien knuffelen strelen. liefkozen. rondschrijven wal.pień pień pień pieprz pieprzyk pieprzyk (np. boezem circulaire. stam peperen mol mol een wind laten boezem. na twarzy) pierdnąć piersi pierś pierś pierś pierścieniowy pierścień pierścionek pierwiastek pierwiastek pierwiastek (chem. liefkozen.) pierwiosnek pierwotny pierwotny pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny program ładujący pierwotny system operacyjny pierwowzór pierwsza pomoc pierwszoplanowy pierwszorzędny pierwszorzędny pierwszorzędowy pierwszy pierwszy pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu pierwszy na wyjściu pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony pies pies myśliwski pieszczoch pieszczocie pieszczota pieszczotliwy pieszy pieszy turysta pieścić pieścić pieścić boomstam. ring wal. aaien aanhalen. aanhalen . vertroetelen aanhalen. borst boezem. origineel inboorling natuurlijk primair primair prototype eerste voorgrond prijs. superieur primair vroegtijdig. borst boezem. prevalent. koesteren. liefkozen. stam opslaan boomstam. beugel. strelen. premie opperste. beginsel primula. aaien. vroeg eerste voorgrond voorgrond eerste hond hond troetelen. ring element. grondig. borst borst. bestanddeel. aanbesteding voetganger voetganger aanhalen. liefkozen. beginsel ingrijpend.

beschonken blind roes roes bloedzuiger woelen. knap. bazaar. dringend dringend. spoedeisend binnenbrengen.pieścić się pieśń pieśń pogrzebowa pietruszce pietruszka pięć pięćdziesiąt pięćdziesiąt mil na godzinę pięknie piękno piękność piękność (kobieta) piękny piękny pięściarstwo pięściarz pięść pięta piętnaście piętno piętro piętro piętro pigułce pigułka pijany pijany jak bela pijaństwa pijaństwo pijawka pik pik (w kartach) pika pikle piknik pikować piksel pilnie pilnik pilnować pilnować swoich spraw (swojego nosa) pilny pilny pilny pilny pilny pilny pilot nek. graven piek. vlijtig. vlijtig ogenblikkelijk. mooi fraaiheid. schoonheid. knapheid schoon. fraai. neus. naarstig. hals gezang. spoedeisend. zat. lied peterselie peterselie vijf vijftig vijftig net. zouten. loodsen . schoonheid. inmaken picknicken stikken pixel met spoed. nijver. zang. etage etage. oplettend ijverig. lied gezang. punt. markt. schoonheid. knapheid fraaiheid. dossier horloge. knapheid fraaiheid. nijver. urgent bestand. ijverig brandend. spitten. etage verdieping. zang. inleggen. attent. tip. polshorloge horloge. mooi marktplein. marktplaats boksen. bokssport bokser vuist. brandend. indruk verdieping. spits snoek pekelen. fijn. knuist hiel vijftien effect. prompt naarstig. verdieping pil pil dronken. top. polshorloge aandachtig.

pen. schicht. verticaal bliksem. schrijver. veder zeeschuimer. drinken. veer. veder hok griffel. danspartij zagen kegel cijfer. stilist schriftelijk sjilpen. etsnaald. piepen. loodsen vilt pimpelen. loodsen navigeren binnenbrengen.pilotaż pilotować pilotować pilśniowy pił piła Piła piłce piłka piłka piłka nożna piłka nożna piłka nożna (gra) piłować PIN pionek pionek pionek (np. verticaal rechtopstaand. zeerover. nummer pion pion genist. piraat piramide piramide piramide zeeschuimer. zeerover. flits. szachowy) pionier pionowy pionowy tranzystor polowy piorun piosenka piosenka piosenkarz pióro pióro pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego pióro ultradźwiękowe piracie piramida piramida powiększania piramidą pirat pirat komputerowy Pireneje pisać pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi na inny artykuł pisać na maszynie pisać ołówkiem pisak x-y pisarz pisemny pisk pisklę pisklę (zwłaszcza kury) binnenbrengen. lied zangeres pluim. danspartij bal. zang. danspartij voetbal voetbal voetbal bal. schrijfstift pluim. veer. uitschrijven drukletter drukletter potlood hok auteur. pen. tjilpen. hemelvuur lied. kwetteren kuiken kuiken . geniesoldaat. piraat Pyreneeën neerschrijven. chanson gezang. piraat zeeschuimer. baanbreker rechtopstaand. zeerover. schrijven. zuipen zagen uitzaaien bal.

doel programmeren projecteren ontwerp. plek speelterrein. blauwdruk strekking. hakken zendbrief. beschonken bier drenkplaats. mop. bedoeling. ondergrond pastei aanplakken pest pest spieken. speelplaats plein circus marktplaats. bekladden sproet klak. bedoeling. grond. perceel plaats. smetten. smet. smetten. café kelder kelder bier bier bier pizza pyjama muskus muskus muskusrat circus achtergrond. zat. mop. plek. literatuur. plakkaat. kappen. epistel. bodem. concept. bekladden klak. roep. bar. plan. klad. bodem. markt. lokaal. marktplein achtergrond. klotsen bezoedelen. plan. bekladden strekking. doel . affiche aanplakken bezoedelen. kreet aanplakbiljet. ondergrond kavel. letterkunde dronken. oord. plan. smet. moet klapperen. brief geschrift. kabbelen. schriftuur pistool pistool litteratuur. grond. afkijken schreeuw.pismak pismo pismo pisanie pistolecie pistolet piśmiennictwo pity piwa piwiarnia piwnica piwnicą piwo piwo (angielskie) piwo angielskie pizza piżama piżmaczek piżmo piżmoszczur plac plac plac plac plac plac plac (okrągły) plac targowy plac zabaw placek placówka plaga plaga purpurowa plagiat plakać plakat plakat przedstawiający gwiazdę filmową plama krwi plama na słońcu plamą plamą plamce plamić plamić plan plan plan plan plan testowania houwen. smetten. plassen. plek. moet bezoedelen. klad.

dossier bos. ordenen strekking. afgeladen. plantage kwekerij. van plastic plastic. rugzak gaai. dossier archief box logeren het veld ruimen. geslacht boordevol. leiding. podium tribune. dop. bedoeling. rooster aanwijzen. afstaan kletsen. wapenen rugstuk. boetseren wieden. van plastic kunst tribune. schijf. stranden verstrikken.planeta planetarny planować planować planować planować plantacja plantacją plaster plasterek plastik plastyczny plastyk plastyka platforma platforma (sprzętowa platforma kolejowa platforma sprzętowa plazma plaża plaża plątać plątać plątanina plecak plecak plecak pleciuga plecy plecy plemienny plemię plenarny pleść pleść pleśnieć pleśń plewić plewy plik plik plik zwrócony plikach plombować (ząb) plombować ząb plon plotce plotka planeet. warboel. ransel knapzak. filet plastic. mudvol vlechten weven modelleren. vrachtauto tribune. wis bestand. truck. achterzijde. podium plasma strand aan de grond lopen. Vlaamse gaai bewapenen. van plastic plastic. doel dienstregeling. schaal bestand. plantage kalken. zwerfster planetair arrangeren. warnet knapzak. ommezijde stamstam. kwaadspreken kletsen. bundel. ransel knapzak. podium vrachtwagen. schoffelen schil. leiding. boetseren modelleren. schors. betrekken. warboel. plak. aanrichten. kwaadspreken . warnet verwikkeling. aangeven. snede. plan. volksstam. verwarren verwikkeling. leiding. aanduiden kwekerij. aanstrijken moot.

bordes spartelen. opleveren. afsluiting. mare.plotka plotkować plotkować pluć plugawy plunąć plus pluskać pluskać się pluskanie pluskwa pluskwa pluskwa Pluton płachta płacić płaczliwy płakać płakać płakać nad czymś płaska obudowa jednorzędowa płaski płaskowyż płastudze płastuga płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz anodowy płaszcz nieprzemakalny płaszcz przeciwdeszczowy płaszcz przeciwdeszczowy płaszczyzna obcinająca bliska płat płaszczyzna płatek płatek (kwiatu) płatek kwiatu płatnik płatność pławik pławik płciowy płeć płetwą płocie płodny płody rolne gerucht. kroonblad bloemblad. smerig. spugen. befaamdheid kletsen. klotsen wandluis Boeg wandluis Pluto blad. betalen. vies spuwen. faam. dokken bedroefd schreeuw. jas overjas. jas regenmantel regenmantel jasje. flodderen. jas hierheen. worstelen schol jas. drijven sexe. geslacht. plateau. klotsen waden. kunne sexe. rochelen plus klapperen. rochelen vuil. slurpen appartement. kreet resorberen. flat blad. roep. kunne vin hek. barrière vruchtbaar opbrengen. kwaadspreken gerucht. huilen. colbert. dobberen. sekse. kreet tranen. uitbetalen. kabbelen. plassen. spugen. zich aftobben. befaamdheid spuwen. plassen klapperen. vel storten. opslorpen. kroonblad sneeuwvlok hofmeester afbetaling kurk vlotten. heining. geslacht. kabbelen. vliegmachine bloemblad. faam. afwerpen . onrein. traanogen schreeuw. sekse. hier vliegtuig. morsig. overjas mantel. mare. plassen. roep. buis mantel. mantel jas. plat.

kant stromen. beploegen gorgelen. vlammen gloeiend. materieel. oever. instrumentenbord. lopen. afspoelen. ondiep zwemmen. ploegen. ploegen. plaat plavuis. wal. afspoelen. spoelen fotografische plaat. dossier fotografische plaat. peuk achter . zich vastklampen aan wafeltje fotografische plaat. beschot glaswaar. barrière verbleekt linnen linnen uitglijden. vloeien. materiaal aanklampen. zich vastklampen aan dashboard. ondiep bestand. vloeiend dundoek. ondiep uitwassen. plaat grondstof. drijven zich aaneensluiten. vlieten stromend. vlag fotografische plaat. dobberen. vloeien. afsluiting. verterend hek. tichel oppervlakkig. val omploegen. plaat wafeltje aanklampen. de was doen vloeistof stromen. beploegen omploegen. vloeiend vloeistof stromend. wassen. spoelen gorgelen. tegel.płomień płonący płot płot płotno płowy płoza płótno płuca płuco Płuczka pług pług śnieżny płukać gardło płukania płycie płycizna płyn płyn kosmetyczny płynąć płynąć płynąć jachtem płynąć wzdłuż brzegu płynny płynny płynny lek płyta płyta płyta metalowa płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) płytce Płytka płytka płytka płytka (ferromagnetyczna) z otworami płytka obwodu drukowanego płytka sygnałowa płytka wyjtrawiona płytki pływać pływać jachtem pływak pływalnia pniak po laaien. lopen. boord. vaan. vensterruit. glaswerk oppervlakkig. tegelsteen. heining. verzendend. drijven jacht vlotten. vurig. aansluiten peukje. slippen linnen long long slag. plaat oppervlakkig. valstrik. vlieten jacht kust.

open en bloot. aanstoken.po drugiej stronie po otrzymaniu po południu po prawej stronie po trzecie pobić pobić atutem (w kartach) pobierać pobierać pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) pobierać (dane) pobierać dane pobieżny pobieżny pobliski pobłażać pobłażać pobłażanie pobocze pobożny pobór (do wojska) pobrać pobrać pobranie pobrudzić pobudce pobudce pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobycie pobyt pocałować pocałunek pochlebcą pochlebiać pochlebstwa pochlebstwa pochlebstwo pochłaniać pochmurny pochmurny pochodnia pochodzenia pochodzenia over. afgeleid woord . bezorgen. behalen. aarde aansporing aanleiding wakker maken. allereerst. opwekken bezielen. ophitsen woning. onderkomen. wakker maken. eerst stuurboord ronduit. buit maken brengen. kwartier logeren zoenen. aandragen resumé. kussen mooiprater vleien complimenteren vleierij vleierij in zich opnemen. troetelen. bodem. bezorgen. rondweg achter nederlaag troef downloaden verkrijgen. assimileren onduidelijk. logies. toorts. bewolkt naargeestig. sparen koesteren. wekken. aandragen fond. somber fakkel. godsdienstig. troosteloos. daarnaast ontzien. grond. excerpt oppervlakkig. verlevendigen wekken. vertroetelen aflaat schouder godvrezend. cambio decoderen downloaden brengen. ernaast. ondergrond. buit maken aftappen verkrijgen. ondiep hiernaast. opwekken stuwen irriteren. behalen. flambouw achtergrond afleiding. overzicht. kussen zoenen. aan de overkant van ten eerste. overheen. devoot wissel.

vagina loven. schuin scheef. prijzen. aantrekkelijk eirond. vertroosting. toejuiching loven. stoet. wrijven. glooiing indompelen. hellend. afdalen het gevolg zijn van. vertroosting. damp zweten. transpireren heul. afstamming. aanlokken.pochodzenia pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzić pochodzić (<from sth> od czegoś) pochować pochód pochwa pochwa pochwalać pochwalić pochwała pochwała pochwała pochwałą pochwałą pochylać się pochylać się pochylenie pochylnia pochylnia (w stoczni) pochyłość pochyłość pochyły pochyły w lewo pociąg pociąg pospieszny pociąg towarowy pociągać pociągać za sobą pociągający pociągły pociągnąć pociągnięcie pocić się pocić się pocie pocie pociecha pocierać pocieszać pocieszać pocieszać pocieszenia pocisk artyleryjski pocisków afdaling afleiding. afgeleid woord afdaling komaf. bekoren aanlokkelijk. verheerlijken. herkomst naar beneden gaan. optocht. ovaal rukken rukken stoom. troost aanstrijken. prijzen liggen helling. verheerlijken. troost kogel hagel . uitwrijven hoera roepen prosit. roemen. eerbetuiging bijval. eerbetuiging loven. bekoren toelachen. acclamatie. glooiend. afkomst oorsprong. glooiing aflopend. schuin gevolg uitdrukken gevolg toelachen. neigen helling. proost gerief. transpireren zweet zweten. verheerlijken. comfort heul. roemen. gemak. afkomst. geneigd zijn. soppen slippen. omgang schede schede. begraven processie. wasem. aanlokken. billijken. afstammen kuilen. indopen. goedkeuren eerbetoon. op uw gezondheid. prijzen eerbetoon. uitglijden geneigd zijn tot. uitglijden slippen. roemen beamen.

voorletter początkujący beginner. daarbeneden. begin. geschikt pod zarzutem beneden. posterijen poczta aanplakken poczta w kolejce post. herkomst początek transmisji ontstaan. morgenlicht. cadeau geven podarować tegenwoordig. onder pod beneden podverzenden pod gołym niebem beneden pod prąd (rzeki gemakkelijk. vloed. citeren.pocisków) stroom. bak podatek od wartości dodanej BTW podatek od wartości dodanej teil podatek spadkowy belasten. noemen podawać aanhalingstekens podawać zasilanie podawanie podajnik eten. vreten wprowadzane dane podawać (do stołu) serveren. onder pod znieczuleniem beneden pod żadnym warunkiem beneden. gebruiken. actueel podarty aan flarden gescheurd podarunek gift. aanvang. aanvang początkowy inboorling początkowy initiaal. bergstroom począć in verwachting raken. beginneling poczekalni zaal. bezorging podbić knechten. onder podanie aanwending. geschenk. aanvang początek begin. afkomst. aanslaan podatek od wartości dodanej tobbe. ontstaan początek aurora. onderwerpen . petitie podarować schenken. kuip. daarbeneden. zwanger raken początek ontstaan. voorleggen podawać do sądu een proces aanspannen tegen podaż aanvoer. posterijen poczta wysłana aanplakken pocztówka briefkaart pod beneden. toepassing podanie petitionnement. doelmatig. cadeau podatek belasten. bikken. salon poczekalnia wachtkamer poczęcie begrip poczta post. donatie. morgenrood początek oorsprong. aanslaan podatny na wypadki een grotere kans op ongelukken accident-prone podawać aanhalen. begin. voorletter początkowy primair początkowy program ładujący initiaal.

tribune. tribune podium.podbijać podbity podbródek podburzający podchmielony podchodzić podciąć podczas podczas podczas (gdy) podczas gdy podczas gdy poddać drobiazgowej analizie poddać pod rozwagę poddać się poddanie się poddany poddasze poddasze poddasze poddasze poddawać kremacji poddawać się poddawać się podejmować podejmować na nowo podejmować się podejrzany podejrzany charakter podejrzenia podejrzenie podejrzewać podejrzliwy podejście podekscytowanie podekscytowany podeszwa podglądać podgładać podium podium podkład (np. sectie verrichten knechten. kolejowy) podkładce podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać podkopać podkowa veroveren stof. piepen. wantrouwen verdenken achterdochtig. daarentegen intussen. wantrouwig. staande. argwanend aanvliegen opwinding gejaagd. zich overgeven capituleren. aanvaarden vernieuwen. subject kin opruiend aangeschoten. zich overgeven accepteren. daarentegen terwijl. verassen toegeven capituleren. inmiddels. gedurende terwijl. achterdocht. wantrouwig. ondermijnen hoefijzer . onderwerp. leiding slaperig opslaan blok ondergraven. gedurende doorsnijden. tjilpen. gedurende intussen. roezig aanvliegen maaien terwijl. wantrouwen argwaan. kwetteren sjilpen. louter sjilpen. aannemen. bloot. kwetteren podium. opgewonden enkel. tjilpen. renoveren ondernemen achterdochtig. zich overgeven stof. staande. onderwerp. argwanend verdenken argwaan. bestuur. achterdocht. piepen. subject dakkamertje zolderkamer Attisch zolderkamer. dakkamertje cremeren. inmiddels. onderwerpen capituleren. staande.

stichten. grond appelleren. wees zo goed. opkweken de sporen geven. benadrukken onderstrepen nadruk. krik bodem. ophijsen opfokken. baseren stof. aan elkaar vastmaken verdieping. opkweken opblazen opgaan. bewegen opwindend opwinding opgraven. verzekeren met nadruk zeggen. opstaan. een beroep doen op alsjeblieft. ondergrond. slijpen irriteren. onderwerp. etage verdieping. scherpen. ontroeren. opkomen. alstublieft gelijkenis. ophitsen aangrijpen. subject pof. klem onderstrepen onderstrepen nadrukkelijk slaaf achterstellen water kruipen kuiken verbinden. aanstoken. dobbelsteen. aandikken opgraven. rooien opfokken. inrichten zetting. fokken. telen. overeenkomst gelijkenis. beklemtonen beweren. blok hijsen.podkreślać podkreślać podkreślać podkreślać podkreślenie podkreślenie podkreślić podkreślony podległy podległy podlewać podlizywać się podlotek podłączyć podłodze podłoga podły podły podły ić podmiocie podmuch podniecać podniecać podniecać podniecający podniecenia podniesienie podniesiony podniesiony podnieść coś/wywindować (ceny) podnieść kogoś na duchu podnieść kotwicę podnieta podniosły podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić (ceny) podnosić się podnoszący na duchu podnośnik podnóża podobać się podobać się podobieństwa podobieństwa accentueren. poef aanzetten. verheven opgaan. prikkelen hoog. rijzen vermeerderen verergeren. rijzen bezielend vijzel. overeenkomst . etage verachtelijk. achtergrond. montage derde macht. opkomen. dommekracht. fokken. nietswaardig gemiddeld gronden. rooien oprichten. telen. opstaan.

aanhang opwinding maat. voor. baseren spoor. varen. kornuit. kameraad. gids. beoefenaar. overeenkomst gelijkenis. in overeenstemming zijn adequaat. trip reiziger inzittende. bedaagd gronden. tocht. als. verwantschap gelijkenis. reisgids leerboek. reis. steun handtekening. leuning. tocht. nauwkeurig. reis. overeenkomst hoe. overeenstemmend nauwgezet. passagier gesteld zijn. makker gidsboek. wagenspoor. accuraat adept. karren reis. rijden. bijkomend. soortgelijk onderofficier brandstichtend drager. vlak. ondertekening abonnement voorbode. reis. rondreis gaan. toer. tocht. reisgids vervalsing toer. stut. trip gelijk. toer. passend. karrespoor . tot gelijksoortig. bijkomstig achterstellen achterstellen hinkelen hinkelen springen afluisteren hoogbejaard. varen. trip gaan. vademecum. schoolboek gidsboek. teken geabonneerd zijn op geabonneerd zijn op passen.podobieństwo podobieństwo podobieństwo podobny podobny podoficer podpalacz podpierać podpis podpis ze wskazaniem potwierdzającego podpisać podpisać (dokument) podpisać dokument podporządkowywać się podporządkowywać się podpowiedź podpórce podpórek podrażnienie podręcznik podręcznik podręcznik podręcznik w formie drukowanej podrobiony podróż podróż podróż podróż podróż morska podróż morska podróż) podróżnik podróżny podróżować podróżować podróżować podróżować autostopem podrzeć podrzędny podrzędny podrzędny podległy podskakiwać podskok podskok podsłuchiwać podstarzały podstawa podstawa affiniteit. karren navigeren huur bijbehorend. effen gaan. het maken toer. trip tournee. rijden. varen. gids. vademecum. rijden. bij wijze van. voorteken. karren tocht. aanhanger leden.

boventoon stutten. tweeledig duplex. tweevoudig. afscheiding. een duw geven. możliwość rozruchu dwóch różnych systemów operacyjnych z różnych partycji dysku) podwórze podwyżce podwyższać podwyższyć wartość podział podział podział kompletny grondstof. tweevoudig.podstawa czasu podstawa uchylnoobrotowa podstawa uchylno-obrotowa podstawą podstawić podstawienie podstawka monitora podstawowa zasada podstawowy podstawowy podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstęp podstęp podstępny podsumowanie dokumentu podsumowywać podsuwanie podszewka podszywanie się podtekscie podtrzymać podupadać poduszce poduszce poduszeczka poduszka poduszka powietrzna podwajać podwiązek podwieczorek podwładny podwładny podwodny podwoić podwójny podwójny podwójny rozruch (tj. omlijsting. bot elementair misleiden. tweeledig yard. spin. divisie schifting. tweevoudig. toestoten voering maskering bijtoon. fokken. steunen. summa aanstoten. inboeten aflossing. beschot hoofdkussen luchtkussen dubbel. overzicht. som. cru. materieel. onbehouwen. tweeledig duplex. tweeledig dubbel. schragen verval blok hoofdkussen dashboard. waarderen legerafdeling. materiaal stichting wervelkolom. instrumentenbord. telen. raam in de plaats stellen van. duplex. totaal. duplex. tweevoudig. ra opfokken. tweeledig bretels thee aankomend. streek. ruggegraat kader. tweevoudig. bedriegen kunstgreep. beginnend achterstellen onderwaterdubbel. duplex. lijst. clausuur schifting. foefje arglistig resumé. dubbel. dubbel. afscheiding. excerpt somma. aandikken appreciëren. onbewerkt. bedrag. clausuur . vervanging blok fundamenteel basisfundamenteel basisgrof. opkweken verergeren. kneep.

praten houding oordeel. aanharken. vonnis begrip zichtbaar befaamdheid. vers gedicht. dreigement. praten keuvelen. vers dichter dichterlijk. stout. dreiging behandelen. opharken necrologie . dichtwerk. stadswijk metro gewelf. praten keuvelen. poëtisch dichtkunst. clausuur aanslag afzonderen. babbelen. weersomstandigheden. mare. judicium. babbelen. bol metro danken. wonder bewonderen gedicht. afscheiden. vers tekst gedicht. dank betuigen erkenning danken. dooreenhalen verwarrend weer. gericht. dichtwerk. lumineus accepteren. stoutmoedig. harken. faam van zijn stuk brengen. afscheiding. poëzie dichtkunst. poëtisch dichterlijk. weder briljant. aanvaarden nastreven. meemaken. glanzend. meedoen het eens zijn. schamperheid. overeenstemmen buurt. bedanken. dichtwerk. poëzie heidens minachting. cureren gedurfd. babbelen. wijk. brutaal poker uitkammen.podział wyczerpujący podziałka podziel podzielać podzielać zdanie podzielić na cztery części podziemie podziemie podziemny podziękować podziękowanie podziękowanie podziwiać podziwiać podziwiać podziwiać ię poemacie poemat poemat poemat liryczny poeta poetycki poetyczny poezja poezją poganin pogarda pogawędce pogawędka pogawędka w czasie rzeczywistym pogląd pogląd pogląd poglądowy pogłosce pogmatwać pogmatwany pogoda pogodny pogodzić się pogoń pogrążyć pogróżce pogróżka pogrubiony pogrzebacz pogrzebacz pogrzebowy schifting. najagen duiken bedreiging. bedanken. dank betuigen bewonderen bewonderend mirakel. verachting keuvelen. scheiden deelnemen. gerucht.

kost. begrip begrip bevattingsvermogen. fiducie hebben in revérence. pronken expositie. doos. scheepsdek. etui. Grote Oceaan vredig. dek verdek. meid dienstmeisje. strijkage. bewijs pralen. mooi poker toejuichen. voertuig. geslacht nederlaag likken ootmoed. koker pot. beetkrijgen in verwachting raken. etui. doos. wagen vehikel. dienares. lakken verlakken. tentoonstelling laten blijken. buiging. ongetrouwd pot. pakken. nederigheid nederig. knap. etenswaar. paraderen. foedraal. po plecach) pokład pokład spacerowy pokładać nadzieję pokłon pokojowy pokojowy pokojówce pokojówka pokojówka pokolenie pokonać pokonać przeciwnika pokorą pokorny pokost pokost pokój berichten. vreedzaam dienstmeisje. aan de hand zijn ontstaan opdraven. volume schare. voeder. meid generatie. opdraven gebeuren. bende opvatting. informeren. onderdanig. inlichten ontstaan opdraven. intelligentie beetnemen. etui. meid dienstmeisje. deemoedig verlakken. prijken. dienares. net. nijging Stille Oceaan. schoon. manifesteren geruim. fraai. bak. doos. aanzienlijk fijn. bak. foedraal. opdagen opdagen. zwanger raken eten. spijs. koker pot. flat . koker geluidssterkte. voedingsmiddel demonstratie. scheepsdek. troep. opdagen vehikel. deemoed. inhoud. voertuig. ongetrouwd ongehuwd. lakken appartement. wagen ongehuwd. gerecht voeding. dienares. vertoning. dek vertrouwen.poinformować pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawić się pojawić się wydawać się pojazd pojazd szynowy pojedynczy pojedynczy skok napięcia pojemnik na kasety pojemnik na kasety pojemnik na śmieci Pojemność pojemność pamięci pojęcie pojęcie pojętność wiadomość pojmać pojmować pokarm pokarm pokaz pokaz pokaz slajdów pokazywać pokaźny pokaźny poker poklepać (np. foedraal. aanmerkelijk. bak. bij acclamatie benoemen verdek.

brandnetel netel. beleggen. temptatie. afjakkeren. verleiding voor voldaan tekenen.pokój pokój pokój dziecinny pokój gościnny pokój rozmów pokój zabaw dziecinnych pokrewieństwa pokrewieństwo pokrewieństwo pokrętła pokryć pokryć pokryć koszty pokryć piórami pokrywa pokrywa tylna pokrywać pokrywać emalią pokrywą pokrzywa pokrzywą pokupny pokusa pokusą pokwitować pokwitowanie pokwitowanie Polak Polak polarny polce pole pole danych w sieci Ethernet pole magnetyczne poprzeczne pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) pole typu danych w pakiecie Ethernetu pole typu EH pole typu TEM pole znaku pole źródłowe polecać polecenie polecenie polecenie (kogoś komuś) polecenie kogoś komuś polecenie zewnętrzne polecić vrede bestek. pen. huiskamer bestek. wereldruim. prijzen. toedekken. afmatten pluim. blad mijnenveld hijsblok. temptatie. kwiteren voor voldaan tekenen. bevelen inleiding. katrol. veer. veder dekken. verwantschap affiniteit. beleggen. bedekken emailleren couvert. ruimte vrede bestek. omslag. bedekken dekken. schijf akker akker bouwland aanmelding akker aanbevelen. zitkamer. recommanderen bevelen. smoorheet. blok. aanvoeren. verwantschap wijzerplaat sproet afbeulen. brandnetel snikheet. introductie inleiding. wereldruim. aanprijzen. kaft. toedekken. verleiding aanvechting. verwantschap familiebetrekking. commanderen loven. speling. commanderen. commanderen aanvoeren. speling. heet aanvechting. beleggen. speling. ruimte affiniteit. introductie bevelen. ruimte woonkamer. enveloppe netel. deksel dekken. bedekken bedekking. wereldruim. aanvoeren. roemen . kwiteren recept kuil Pool polair polka akker vel. verheerlijken. envelop. gloeiend. toedekken.

verbinding gewricht. geleding. glazuren. knoop verbinding. knoop conjunctie gewricht. geleding. knoop kriebelen. gelid. stand. kabbelen. middelbaar houding. politiek. positie . lid. geleding. gelid. klapperen klotsen. geleding. staatkunde polis polis bejagen. lid worden. marynarki) połaczenie połaczenie połaczenie połaskotać połącz połączenia połączenia połączenie połączenie drukowane połączenie stałe połączenie wewnętrzne połączenie wielopunktowe połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza połączenie z Internetem połączenie z pełnym dupleksem połączenie zespołowe połączyć połączyć połowa połowa położenia helling. gelid. gelid. glanzen kruis. gelid. jacht maken op Polen Pools schoensmeer schoencrème klotsen. glooiing Pools schoensmeer schoencrème verglazen. toetreden gewricht. klapperen bond. knoop gewricht. doorsnee. lende politie agent. paffen bejagen. jacht maken op vuren. geleding. koon. jagen. plassen. genootschap. politieagent politie wang. combinatie aansluiting gewricht. verbinding aansluiting aggregatie. jagen. lid. kabbelen. lid. plassen.polepszyć polerować polerować polerować Polewa polędwicą policja policjant policją policzek polisa polityczny polityk polityka polityka polityka zabezpieczenia polityka zagraniczna polować polowania polowanie Polska polski polski polski poła poła (np. lid. associatie zich aansluiten. lid. staatsman polis beleid. kietelen verbinden. aan elkaar vastmaken conjunctie samenhang. aggregaat verbinden. kaak polis staatkundig. knoop samenhang. politiek politicus. aan elkaar vastmaken half gemiddeld. schieten.

ruimte aanzien. blinken. aanblik item. stand van zaken plaats. famulus. midden tussen tussen. lokaliteit. hulp aids helpen. doorslikken. schijn. verloskundige half noen. weglaten weggelaten . middag zuidelijk noen. oord. schitteren assistent. helper. assisteren. bijstaan. stand. stand van zaken plaats. oord. middag noen. inslikken glosse. bewegen mengen. lokaliteit. medio. jaartelling. glanzen.położenia położenie położenie położenie położenie kolumny położenie pieczątki położenie umiejscowić położna połówce południa południa południa południe południe (geograficzne) południe (pora dnia) południe (pora dnia) południe geograficzne południe pora dnia południowy południowy połykać połysk połysk połysk połysk połysk pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomoc pomarańcz pomarańcz pomarańcza pomarańcza pomarańczą pomarańczą pomiar pomidor pomieszać pomieszanie pomieszczenie sterylne pomiędzy pomiędzy pomiędzy pomijać pomijać situatie. helpen helpen. onder achterwege laten. bijstaan Oranje oranje Oranje oranje Oranje oranje afmeting. positie situatie. assisteren. mixen. middag noen. kanttekening Pools schoensmeer schoencrème schijnen. vermengen aanpassing in het midden van. deeltje vroedvrouw. dimensie tomaat aangrijpen. ruimte houding. deel. ontroeren. air. bijstaan nader assisteren. temperen. middag zuidelijk zuidelijk zuidelijk noen. middag zuidelijk zuidelijk slikken.

alhoewel. wraak nemen wreken. helpen zinspelen assistent. abuis foutief. adjunct. pompen vertoon. dwaling. hulp. fout. onjuist vergissing. adjunct. helper behulpzaam. vermenigvuldigen assisteren. famulus. denkbeeld beschouwen. verlagen gedenkteken. dwaling. ontgaan geniaal geloven. luister. abuis geurig. podium assistent. al. achten met goed gevolg gelukkig benoorden. hulp oppompen. aromatisch vergissing. fout. overwegen. inrichting. fout. begrip. beëindigd . monument multipliceren. leiding. desondanks ofschoon. hulpvaardig poort tribune. abuis hulpmiddelen.pomimo pomimo tego pomimo że pominąć milczeniem pomniejszać zmniejszenie się pomnik pomnożyć pomnóż pomnóż pomoc pomoc pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika pomocniczy pomocniczy pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik błazna pomocny pomost pomost roboczy pomóc pompa pompą pompą pompować pomścić pomścić avenue pomścić ość pomylić pomylić pomylić się pomylony ść pomyłka pomysł pomysł pomysł itp pomysłowość pomysłowy pomyśleć pomyślnie pomyślny ponad ponad tuzin ponad wszystko niettegenstaande. benul. pompen oppompen. afgelopen. nagaan ontsnappen. in weerwil van niettemin. hulp assistent. afgewerkt. van mening zijn. helper steward assistent. helper aanvullend assistent. adjunct. helper. apparaat idee. helper paren boer assistent. wraak nemen wreken. dwaling. pompen wreken. ten noorden van verderop klaar. weglaten afdraaien. hoewel. fout. helper. wraak nemen vergissing. ontkomen. verkeerd. praal oppompen. vermenigvuldigen in overvloed aanwezig zijn multipliceren. famulus. famulus. wel achterwege laten. pracht. bijstaan.

vernedering verootmoediging. achterzijde. hellen. giro in kokend water doen een blik werpen. renoveren stompen Jan Klaassen lekker. aangezien buigen. douwen beledigen. onder verootmoediging. doordat. lokaliteit. aalwarig kous kous nylonendossement. overhellen.ponadto ponadto ponawiać poncz poncz ponętny poniechać poniedziałek poniekąd ponieważ poniżać (się) poniżać się poniżać się poniżej poniżej poniżej granicy dolnej poniżenia poniżenie ponowić ponownie ponownie wyznaczać trasę ponury ponury ponury ponury ponury ponury ponury pończocha pończochą pończochy nylonowe poparcia poparzenia popatrzeć popchnąć popełnić wykroczenie popielaty popielniczka popierać popierać popierać kogoś/coś popijać popijać (małymi łykami) popiół poplamić popołudnie poprawa poprawa koniunktury overigens. trouwens. schragen rugstuk. hervormen afstelling. middag reformeren. dringen. steunen. hellen. affronteren. advocaat. slurpen as ruimte. vernedering herhalen. stoten. mislukken maandag deels. onbekend. verder vernieuwen. krenken asgrauw asla. donker aalwaardig. een blik werpen op duwen. opslorpen. ommezijde resorberen. onaangenaam afschuwelijk grimmig rouwobscuur. slurpen resorberen. onder beneden beneden. trouwens overigens. van voren af aan. oord. omdat. asbak pleitbezorger. verdediger stutten. vernederen. plaats namiddag. gemelijk. nogmaals afwisselend zwart naar. daarbeneden. ten dele daar. instelling . verootmoedigen buigen. aflopen kleinmaken. nazeggen opnieuw. opslorpen. overhellen. akelig. aflopen beneden. aanlokkelijk een miskraam krijgen.

voorgaand voorafgaand. goed gracieus. bevallig. beheren adviseren. voorafgaand verleden. aankondigen ochtend. geldig. instelling nauwkeurig bepalen. gemeenschappelijk populair. vooraan. havenen. correct. bekendmaken raad. eerder. sierlijk fatsoenlijk. haast maken adviseren. vereisen. alvast. inspecteren juist. geldend. goed afstelling. aan de overkant van door. dirigeren. per. kameraad. voorgaand al. rekenen. eisen voortmaken. advies administratiekantoor maat. correct. mennen besturen. makker besturen. reeds. beschadigen verspild bevolking bevolking algemeen.poprawiać poprawiać poprawiać poprawić się/wyzdrowieć poprawka poprawka wymagana równocześnie poprawny poprawny poprawny poprawny poprosić poprosić kogoś o spotkanie poprzeczny poprzedni poprzedni poprzedni poprzednio poprzednio poprzedzać poprzestać poprzez poprzez popsuć popsuty populacja populacją popularny popularny popychać popychać popyt popyt porada poradą poradnictwo poradnik poradnik poradzić poradzić sobie poranek porażce porcelana porcelaną porcie porcie porcja danych poręcz poręcz juist. goed verbeteren. morgen nederlaag China China haven haven emmer bewapenen. correct. behoorlijk gangbaar. veredelen nakijken. spoed maken. raadgeving. voorzijn logeren over. aankondigen. administreren. determineren juist. veelgeliefd aanduwen schuiven opeisen. vigerend vragen vragen dwars voorgaand. herzien. indertijd voorafgaan. kornuit. rail . wapenen spoorstaaf. alreeds daarvoor. richten. overheen. bekendmaken. betamelijk. getapt. met bederven. verleden. verleden.

beeltenis. aangrijpen. ontroeren. levering. ophitsen. overeenstemmen accoord. omgang. entree portefeuille portefeuille conciërge. doelmatig. meedelen. portiek zuilengalerij. opstoken gejaagd. opruien. bewegen beroering. mislukken abortus provocatus. portret Portugees Portugal Portugees zuilengang. portemonnaie. geschikt garanderen. samenklank akkoord.poręczny poręczyć pornografia pornograficzny poronić poronienie porozumieć się porozumienia porozumienia porozumienie porozumienie porozumienie dwuetapowe porozumienie trzyetapowe porozumienie trzyetapowe porozumiewać się porozumiewanie się poród porównać porównaj porównania porównanie porównanie porównywać port port port lokalny port równoległy we-wy port źródłowy nadawcy portal portfel portfel na banknoty portier portmonetka portrecie portret Portugalczyk Portugalia portugalski portyk portyk porucznik poruszać poruszać poruszać poruszać poruszenia poruszenie poruszony gemakkelijk. pornografie pornografisch een miskraam krijgen. borg staan voor pornografisch materiaal. inlevering vergelijken vergelijken vergelijking vergelijken vergelijking vergelijken haven haven luchthaven interface haven ingang. overeenstemming communiqué verband. abortus het eens zijn. agitatie. portret evenbeeld. opgewonden ontroeren. opgewonden . betrekking overeenstemming. samenklank accoord. geldbuidel evenbeeld. mededelen communiqué aflevering. overeenstemming overeenstemming. portier beurs. zuilengang luitenant agiteren. ontroerend aangrijpen. bewegen aandoenlijk. beeltenis. roerend. maatregel berichten. beweging gejaagd. toegang.

boerderij. beslaan. voeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoering afvoerder. afleggen. dagorde aanvoeren. afleggen. bevelen afhandelen. zitting. bezitting goed. eigendom. afstand. eigendomsrecht bezitting. bezitting sessie. erop nahouden eigendom. standbeeld legatie bode. houder rijk zijn. opgeven prijsgeven. stand van zaken bruidsschat. toegeving concessie. foedraal. cessie. lunch . rijk zijn rijk zijn. landgoed. bezittingen eigendom. eigendom. afdoen afzetten.porwać porwać porwać widownię porwanie porwanie samolotu lub innego środka lokomocji porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) porywacz porywać porządek porządek porządek porządek bajtów porządek dzienny porządek zestawiania porządkować porządkować porzeczce porzeczka porzednik porzucenie porzucenie zaniechanie porzucić porzucić wszelką nadzieję porzucony posada posag posądzać posąg poselstwo poseł posępny posępny posiać posiadacz posiadać posiadać posiadać własny posiadania posiadania posiadania posiadanie posiadanie (akcji) posiadłość posiadłość ziemska posiedzenia posiłek ontvoeren transporteren. bezit landgoed. toegeving prijsgeven. onzedelijk situatie. maatregel aanvoeren. boerderij. commanderen. zittingsperiode twaalfuurtje. cessie. dagorde akkoord. aalwaardig uitzaaien. opgeven gemeen. bezit boeltje. voorgaand concessie. gezant afschuwelijk gemelijk. uitstrooien schede. bes voorafgaand. garneren aalbes. eigendomsrecht bezitting. aalwarig. bezitten. huwelijksgift verdenken beeld. abductor ontvoeren agenda. maatregel agenda. afgezant. afstand. bezitten. bevelen akkoord. bes aalbes. immoreel. overbrengen. erop nahouden bezitten. verleden. erop nahouden. commanderen.

naderen verbetering. bode. beslissen. rekenen. karakter. rits. gebruikt aanwending. beterschap ontwikkeling. blijven staan logeren treksluiting. vereisen. pogen houding aard. bode. beluisteren. aangrijpen. adapteren aanwenden. aanpassen. uitspraak. ritssluiting nevelig. zich inspannen. halthouden. naderen gaan naar. gezant afgezant. posterijen aanplakken gaan naar. mistig eisen. geaardheid rose. opeisen eisen. inschikkelijk aroma. opsturen bepoederen. aangrijpen. toepassing willig. sturen. speurwerk. opeisen ontroeren. gehoorzaam handelbaar. handeling. aanpakken. roze. geur afstemmen. vulgair. aanpakken. afgezonderd respectief mijnbouwkundig onderzoeker speurtocht. zoektocht . luisteren afgewerkt. doorvoeren invetten algemeen. triviaal. persoon besluiten. naderen doen toekomen. genaken. genaken. onbenullig vasten personage. gedoe afslaan. onderwerpen afgezant. meel blauwe plek knechten. beslissing streven. rekenen. heiig. roos post. bewegen ontroeren. gemeenschappelijk plat. vereisen. gezant aanhoren. evolutie zich gedragen actie. genaken.posiłek posiłek południowy posiniaczyć poskramiać posłaniec posłańca posłuchać posługiwać sie posługiwać się posłuszny posłuszny posmak posmarować posmarować posmarować pospolity pospolity post postać postanowić postanowienie postarać się postawa postawa postawa posterunek posterunek postęp postęp postęp arytmetyczny postępować postępowanie postój postój postrzępienie (efekt graficzny) postrzępiony postulacie postulować posunięcia posunięcie posuwać (się) naprzód posuwać się naprzód posyłać posypywać poszczególny poszczególny poszukiwacz poszukiwać bloem. dampig. optreden. bewegen gaan naar. vooruitgang. uitmaken besluit. poederen afzonderlijk. aanpakken. meel bloem.

speurwerk speurwerk. trouwen in de echt verbinden. getuigen spanderen. speurtocht. inderhaast. sacraal zweet zweten. geheiligd geheiligd. slippen slippen. speurwerk. midden tussen getuige getuigen.poszukiwać poszukiwać pozycjonować poszukiwania poszukiwania poszukiwanie poszukiwanie poszukiwanie poszycie pościel pościg pośladek pośladkach pośladki poślizg pośliznąć się pośliźnięcie się poślubiać poślubiać poślubić pośmiertny pośpiech pośpiech pośpiech pośpiesznie pośpiesznie pośrednictwo pośredniczenie pośrednik pośrednik pośrednik pośrodku pośród pośród poświadczenie poświadczyć poświadczyć poświęcać poświęcać poświęcać poświęcający się poświęcony poświęcony pot pot potajemnie potajemny potańcówka potargać uitzien naar. gehaast agentschap agentschap vertegenwoordiger. trouwen necrologie haast. offeren. voortmaken voortmaken. gewijd. speurtocht speurtocht. danspartij opzetten. inderhaast. zoektocht dierevel. inboeten tussen. steelsgewijs confidentie bal. heilig. opdragen. uitkijken naar. speurwerk zoektocht. agent makelaar in de plaats stellen van. vel. medio. vagebond uitglijden. transpireren tersluiks. huid. speurwerk speurtocht. heilig. aanbieden aanhankelijk. kont. getrouwd in de echt verbinden. ijl spoed maken. uitglijden slippen. vacht linnen vervolging. gehaast haastig. gehecht opofferen. onder in het midden van. certificeren certificeren. dealer. pels. rechtop zetten . spoed maken. sacraal. haast maken haastig. uitglijden gehuwd. sluiks. snorren speurwerk. speurtocht zoektocht. gehecht gewijd. haastigheid. achtervolging bil bips. zitvlak zwerver. spenderen aanhankelijk. speurtocht. haast maken.

nooddruftig wens. begeerte. benodigd nodig hebben. zaad nakomelingschap. kind. afkeuring wraking. zaad nageslacht loot. nooddruftig behoeftig. checken. zin aanvallen. stroom pijp. dan. daarna heerschappij. beek stromen. behoeven. tabakspijp loop. lopen. jong. hoeven. achteraf. godverdomme afkeuren wraking. driedubbel schokken noodzaak. hoeven. bewust besturen. behoeven. stroom. kroost. macht. stroming bult. afkeuring wraking. bergstroom. afkeuring machtig struikelen struikelen beekje. noodzakelijkheid nodig hebben. kind.potas potem potęga potępiać potępiać potępić potępienia potępienia potępienie potężny potknąć się potknięcie potok potok potok potok potok potokowy potok rzutowania potokowym przesyłaniem pakietów potomek potomek potomek proces potomny potomny potomność potomstwo potomstwo potop potrafiący obsługiwać coś (maszyna potrafić potrawa potrawce potrawka potrójny potrząsać potrzeba potrzeba potrzeba (życiowa) potrzebą potrzebny potrzebować potrzebujący potrzebujący odbioru potrzebujesz poturbować potwierdzać potwierdzać uznać n potwierdzenie potwierdzenia potwierdzenie (odbioru) potwierdzenie (odbioru) podziękowanie kalium naderhand. hoeven. vlieten loop. vloeien. aflezen agnosceren. administreren. afstammeling beginnend. beheren schotel. verlangen. mogendheid afkeuren verdomme. afstammeling nakomelingschap. schaal pan. berooid. behoeven. aankomend zondvloed welbewust. verwerping. verdomd. bochel loot. stroming vloed. moeten behoeftig. berooid. stroom. braadpan. benodigd nodig hebben. kroost. steelpan ragoût drievoudig. moeten nodig. lust. als waarheid aannemen erkenning erkenning erkenning . moeten nodig. aantasten controleren. jong.

karrespoor oppervlakte. instructie vertrouwelijk. ernstig. serieus rouwbelangrijk. bona fide. aanmerkelijk. gebied . gezag stemmig. als waarheid aannemen erkennen. achting hebben voor achtenswaardig. bekrachtigen. sfeer. zetten ooglid zeggen. kaft. gebied oppervlakte. voornaam. consigne. areaal. aanzienlijk stemmig. deksel verveelvoudigen. erg aanplakken aanplakken adviseren. bewust graafschap familiebetrekking. gebied het hoofd bieden oppervlakte. aankondiging welbewust. opdracht geven oppervlakte. ernstig. omslag. geheim binnenste. achtbaar geruim. bol. ernstig. gedrochtelijk rotbeest. serieus zwaartekracht achten. mormel struikelen achterhoofd stichten aanwijzing. opdragen. areaal. gebied spoor. inwendige aantrekkelijkheid lokken autoriteit. bona fide. multipliceren belasten met. bekendmaken verkondiging. verwantschap monteren. areaal.potwierdzenie odbioru potwierdzenie pozytywne potwierdzić potwierdzić potwierdzić notarialnie potworność potworny potwór potykać się potylica pouczać pouczenie poufny poufny powab powab powaga powaga powaga poważanie poważany poważny poważny poważny poważny poweron self test power-on self test powiadamiać powiadomienie powiadomiony powiat powiązania powiązanie powiece powiedzieć powieka powieka powielać powierzać powierzchnia powierzchnia powierzchnia powierzchnia czołowa powierzchnia kuli powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków powierzchnia wyświetlania powierzchnia zapisu erkenning erkenning agnosceren. omgeving. bevestigen bevestigen. aankondigen. aannemen monsterachtigheid monsterachtig. oppervlak het hoofd bieden kloot. opgeven ooglid bedekking. wagenspoor.

zachtjes. groei opdrijven. welstand. verheffen. uitbreiden omvang. laten doen. bloei. schaal schild. vlot. rugschild. verwantschap gelukwensen. begroeten hallo feestelijk inhalen feestelijk inhalen overlappen schild. vergroten. slagen nieuw. voorspoed welstand. rugschild. sparen langzaam beroep . doorkomen. plicht affiniteit. welstand. ontwikkeling. makkelijk. bloei op zijn gemak. vergroten. voorspoed welstand. aandikken uitbouwen. beschuldiging hangen scharnier hangen romanschrijver nieuw. aanschijn. vergroting uitbouwing. verwantschap affiniteit. vergroten. uitbreiden uitbouwen. vergroting wasdom. langzaam langzaam ontzien. verschijnen aanblik. bloei. uitbreiden uitbouwing. maken. ondiep aanklacht. eruit. grootte verergeren. licht naar buiten. het gevolg zijn van geluk. uitbreiden verplichting. bestek. ondiep verschijning. bloei geluk. buitenkant gemakkelijk. schaal doen.powierzchniowy tranzystor polowy powierzchowność powierzchowność powierzchowny powierzchowny powierzchowny powierzyć (<sb with sth> komuś coś) powiesić powiesić na zawiasach powiesić się powieściopisarz powieść powieść powieść się powietrze powiększać powiększać powiększać powiększać powiększać (się) powiększenia powiększenie powiększenie powiększenie powiększyć powinność powinowactwo powinowactwo elektronowe ujemne powinszować powitać powitać powitać powitanie powlec powłoka powłoka wsadowa powodować powodować powodować powodzenia powodzenie powodzenie powodzenie (operacji) powoli powolny powolny powolny start powołanie oppervlakkig. ophitsen. geluk. ophogen uitbouwen. feliciteren groeten. voorspoed. irriteren afstammen. laten aanstoken. buitenwaarts oppervlakkig. opkomend lucht uitbouwen. geluk. opkomend klaarspelen. vergroten. voorspoed.

reproduceren. beteugelen. behelzen verhinderen. laten doen. stemband ontstaan muiten. verhoeden. zich abstineren generaal algemeen. lekcji) powtórzenia powyżej powyżej powyższy poza poza poza poza poza poza poza domem (na powietrzu) poza kolejką poza zakresem pozbawić siły pozbywać się pozbywanie się pozdrawiać pozdrawiać beweren. onderwijzen hergeven. laten aanstoken. ten noorden van op. oorzaak reden. teugel. repetitie herhaling. trouwens verderop bovendien. onnatuurlijkheid overigens. reproduceren. nazeggen herhalen. zich voordoen benoorden. rebelleren. betomen herhalen. verhoeden. oorzaak zondvloed opvoeden. intekenen breidel. teruggeven snaar. verzekeren aanroepen doen. zich abstineren zich onthouden. zich voordoen zich aanstellen. repetitie benoorden. repetitie herhaling. irriteren reden. in opstand komen tegenspartelen. begroeten groeten. begroeten . reserveren. ten noorden van aanstellerij. toom bedwingen. reproduceren. teruggeven hergeven. daarenboven daarbuiten. nazeggen herhaling. naar boven. tegenstreven verhinderen. inhouden. uiterlijk zich aanstellen. ten noorden van uitzonderen snijden. castreren afhelpen beschikking groeten. beletten zich onthouden. teruggeven hergeven. universeel bespreken. voorts.powoływać się powoływać się powód powód powód powód (sądowy) powódź powóz powrotny powrót powrót do nowego wiersza powróz powstać powstanie powstrzymać powstrzymać/zataić powstrzymywać powstrzymywać powstrzymywać się powstrzymywać się <from sth> od czegoś powszechny powszechny powściągliwość powściągliwość powściągnąć powtarzać powtórce powtórka powtórka (np. omhoog. ophitsen. maken. koorde. beletten bevatten. buiten. ontmannen. verder. opwaarts benoorden.

onnatuurlijkheid aanmatiging. plek graad. tegenspreken op reis gaan. deel. zich voordoen verderop zich aanstellen. rang item. laten schieten laten. jaartelling. duidelijk. goedvinden. respecteren saluut. nablijven rest.pozdrawianie pozdrowienia pozdrowienia pozdrowienie pozdrowienie pozew sądowy poziom poziom poziom intensywności poziom żądania poziomnica poziomy poziomy uprzejmości pozłacać poznać poznać (kogoś) poznawać pozornie pozorny pozorny pozostać pozostać pozostać w łóżku pozostałość pozostawać pozostawać w sprzeczności pozostawiać pozować pozować pozować pozowanie pozór pozwalać pozwany pozwolenia pozwolenie pozwolić pozwolić sobie pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś pozycja pozycja pozycja pozycja cyfry pozycja wyjściowa pozycja znaku pozycja znaku pozycją saluut. stand. overige achterblijven. oord. zich voordoen aanstellerij. stappen. gedogen. schrijden aanleggen. bijeenkomen. laten schieten item. beschuldigde toestemming. als waarheid aannemen samenkomen. overblijfsel. deeltje plaats. waterpas. bekend zijn met klaarblijkelijk. geding. deel. jaartelling. proces gouvernement. toestaan aangeklaagde. beklaagde. treden. groet groeten. afval achterblijven. nablijven in tegenspraak zijn met. lokaal. gedogen. positie item. regering. laten schieten laten. jaartelling. aan de schouder brengen vergulden agnosceren. vergaderen kennen. groet complimenteren eerbiedigen. stand. onbescheidenheid toelaten. laten begaan. vertoonbaar virtueel achterblijven. begroeten gerechtszaak. fiat toelaten. deeltje . platliggend aanleggen. positie aanmelding houding. laten begaan. deel. rommel. aan de schouder brengen horizontaal. nablijven rest. laten begaan. afreizen zich aanstellen. deeltje houding. aan de schouder brengen lopen. blijkbaar aanwijsbaar. toestaan laten. aan de schouder brengen aanleggen. overheid aanleggen. status. stand.

gerecht lopen. voorschieten. brand lenen lenen. plank hemisfeer. constructief vuurzee. dienstig. daarna later later vergevorderd. plank schap. uitlenen lenen lenen lenen lenen lenen bevorderlijk. royeren. laat terminal . adieu adieu. spijs. adieu vaarwel. knabbelen schap. dan. schaal middernacht noorden noorden noorden noorden middernacht middernacht noorden noorden noords. lust. adieu vaarwel. hartstocht vaarwel. ontslaan deskundig passie. nuttig eten. adieu vuurzee. halfrond schotel. station positief. vaarwel vaarwel. noordelijk actieradius. etenswaar. końcowy stationsgebouw. noordelijk noords. gaan knagen. brand ontzetten. van stapel lopen. adieu adieu. laat vergevorderd. roes. achteraf. spaakbeen. vaarwel vaarwel.pozycją pozytywny pożar pożar pożarów itp pożądać pożegnać się pożegnać się pożegnania pożegnania pożegnanie pożegnanie pożegnanie pożoga pożyczać (od kogoś) pożyczać coś komuś pożyczce pożyczka pożyczka pożyczka hipotetyczna pożyczyć pożyteczny pożywienie pójść półbajt półce półka półkula półmisek północ północ północ północ (geograficzna) północ (geograficzna) północ (pora doby) północ pora doby północny północny północny północny wschód półprosta półwysep później później późniejszy późno późny Późny. radius schiereiland naderhand.

verkiezen. karwei. smachtend dorst aanwakkeren. het doen proefschrift. het doen functioneren. stelling. karwei.póżniej prac praca praca praca dorywcza praca papierowa praca z podziałem czasowym praca zawieszona praca zespołowa pracą pracą prace badawcze pracodawca pracować pracować ponad siły pracować w ogrodzie pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji pracowitość pracowity pracowity pracowity pracownia pracownia pracownik pracownik pracownik pracownik naukowobadawczy pracownik naukowo-badawczy praczka prać swoje brudy publicznie praefixus praepositio Praga pragnący pragnąć pragnąć pragnąć z całego serca pragnienia pragnienia pragnienia pragnienie praktyczny praktyczny praktyka praktyka (zawodowa) praktykować praktykować later werken. handelbaar praktisch belevenis. beducht. vlijtig. arbeider. doorvoeren aanwenden. het doen speurwerk. aansporen trek hebben in. werkman werker ingenieur werker wasvrouw uitwassen. speurtocht werkgever functioneren. verkiezen. ongerust trek hebben in. de was doen voorvoegsel voorzetsel Praag bang. ondervinding aanwenden. het doen functioneren. werknemer. doorvoeren drillen. vlijtig. dienst. naarstigheid. vlijtig naarstig. begeren inschikkelijk. bevallen eredienst. werk. naarstig. begeren dorst trek hebben in. personeelslid werkkracht. verkiezen. godsdienstoefening toepassing. nijver. arbeid functioneren. ijverig. ijverig kast laboratorium employé. begeren verlangend. nijver. het doen functioneren. oefenen . oeuvre emplooi. ijver ijverig. arbeid functioneren. dissertatie handwerk ter wereld brengen. het doen vlijt. aanvuren. bezorgd. nijver naarstig. werk. ervaring. wassen. werker. aanwending emplooi.

wettelijk. gegrond juist. waarachtigheid waarheid. bijna schier. kiezen. gewettigd. voornaam normaal. wettelijk. wettelijk. betitelen copyright. reep. band. ernstig. deel stuurboord manier. pleitbezorger. haast. belangrijk. windsel orthodox. wettelijk. eigendomsrecht wettig. legaal jurist verdediger. haast. bijkans. legaal titelen. bijkans. bijna schier. wezenlijk authentiek. kopijrecht balloteren. geregeld circulerend. gelijk hebbend. waarachtigheid waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk werkelijk. advocaat wettig. gewettigd. bijkans. kopijrecht vrijdom. strook. tituleren. deeltje. haast. regelmatig. correct. legaal recht strip. goed erg. wijze. legaal copyright. stemmen eigendom. bijna wettig. rechtzinnig . jaartelling. vlotheid recht wettig. standaardgelijkmatig. in omloop schier. onvervalst daadwerkelijk. gewettigd. vrijheid. effectief juist. gegrond waarheid. gewettigd. gelijk hebbend. trant juist. waarachtigheid waarheid. werkelijk.pralni pralnia pralnia automatyczna pranie prasa prasa (ściskająca i drukowana) prasą prasować prasowy pratykuła prawa burta prawa dostępu prawda prawda prawda logiczna prawdą prawdopodobnie prawdopodobnie prawdopodobny prawdopodobny prawdziwie prawdziwy prawdziwy prawdziwy prawidłowo prawidłowy prawidłowy prawidłowy prawie prawie prawie prawie nic prawniczy prawnik prawnik prawny prawo prawo prawo prawo prawo prawo autorskie prawo autorskie prawo o podpisach cyfrowych prawo wyborcze prawo zwyczajowe prawomocny prawosławny wasserij wasserij wasserij wasserij pers zuiger pers ijzeren pers item.

de voorkeur geven aan voorvoegsel voorvoegsel voorvoegsel bonus premie.prawosłowny prawostronny prawość prawowity prawoznawstwo prawoznawstwo dza prawy prawy prąd prąd prąd prąd prąd (także elektryczny) prąd elektryczny przepływ bieżący prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu dyskach) precyzja wielokrotna precyzją precyzować precyzyjny precyzyjny precz precz! preferować prefiks prefiks operatora prefiks usługodawcy premia premia premią premią premier prenumerata prenumerator prenumerować preparat prerią preselekcja prestiż prestiżowy pretekst pretekst pretensja pretensja pretensja orthodox. nauwgezetheid stiptheid. nauwgezetheid eerstvolgend. accuratesse. accuratesse. voorbereiding prairie keus. dekmantel klapstuk. eerzaam. onbescheidenheid . over prefereren. premier abonnement abonnee geabonneerd zijn op voorbereidsel. claimen aanmatiging. prestige. rechtzinnig rechter-. rundvlees aanspraak maken op. billijkheid echten. rechtvaardig. stroming actueel actueel gallon stiptheid. heen. stroom. scherp. aanstaand. juist. prijs bonus premie. nauwgezetheid precies. legitimeren recht recht eerlijk. gezag prestigieus verontschuldigen smoesje. minutieus nauwkeurig. alternatief. draaierij. keuze autoriteit. accuraat. vandehands gerechtigheid. nauwgezet stiptheid. prijs minister-president. komend vandoor. smoes. fair actueel elektriciteit sap loop. accuratesse. verwijderd. degelijk billijk.

schielijk. vaart. cadeau tegenwoordig. opgave rimpelen. voortbrenging ontwikkeling. gard. geschenk. percent rente. schrap. vraagpunt. optreden tegenwoordig. voortbrenging . actueel voorzitter. in allerijl snelheid. werkwijze routine. president voorzitter. procédé. procédé. streek. preses voorzitter. navraag vraagstuk. president. opgave pastoor bereidingswijze. procent. probleem. spoed. poederen buskruit. probleem. presentie. interesseren rente. stoet. geding. fronsen haardos. werkwijze bereidingswijze. maken produktie. geding. optocht. percent. sleur bereidingswijze. donatie. hard. spitsroede. eliminatie fabriceren. werkwijze bereidingswijze. kruit produktie. preses. eliminatie produktie. procent. preses voorzitter. vraagpunt. preses gauw. proefstuk gerechtszaak. probleem. haal. president. opleveren. percent gerechtszaak. kruit bepoederen. opgave kwestie. proces bewerking probeersel. presentatie. stokje vraagstuk. procédé. aanmaken. omgang een proces aanspannen tegen buskruit. ostentatief bijzijn. werkwijze rente. procent belang inboezemen. actueel aanbieding. streep gallon roede. procédé. voortbrenging opbrengen. aanwezigheid gift. radheid schreef. afwerpen ontwikkeling. praeses.pretensjonalny prezencją prezent prezent prezentacja przedstawienie prezentować prezes zarządu prezydencie prezydent prezydent tam był prędko prędkość pręga pręga pręt problem problem problem roku 2000 problem tłumaczenia adresu problem z bezpieczeństwem problem związany z siecią proboszcz procedura procedura pomiarowa procedura wspomagania programu procedura zagęszczania procedurą procencie procent procent procentowość proces proces proces proces rozruchu proces zatwierdzania procesja procesować się proch proch proch strzelniczy produkcja produkcja seryjna produkcja wspomagana komputerem produkcja wspomagana komputerowo produkcja wspomagana komputerowo produkcją produkcją opzichtig. praeses. haar vraagstuk. praeses. vraag. president. praeses. vraagpunt. proces bewerking processie.

leiding. maatregel programmeren programmeren laten blijken.produkcyjny produkować produkować produkt produkt produkt zakonserwowany profanować profesjonalny profesor profil profil wykonania profil zabezpieczeń profilować prognoza prognozą prognozą program program program program program do tworzenia kopii zapasowych program interpretujący program kontrolny program obsługi urządzenia program organizacyjny program pierwotny program post-mortem program składowania program składowania (zawartości pamięci) program sterujący program testujący program typu królik program uruchomiajacy program wspomagający program zrzutu program zrzutu program źródłowy programowa programowa) programu itp.) ilustracja projekcie projekt projekt projekt pilotażowy projekt szczegółowy projektor laserowy projektować geslachtelijk. hulp. leiding. maken opbrengen. aanmaken. gewrocht. opbrengst ontwijden. tekening . schets. voorzeggen voorspelling. helper programmeren programmeren programmeren aanwending. hulp. verwachting akkoord. middel aanwending. generatief fabriceren. projectietoestel werkje. opleveren. prognose. voorspellen. helper debugger konijntje debugger werktuig. famulus. afwerpen opbrengen. verwachting beduiden. plaat projecteren werkje. podium tribune. toepassing assistent. opbrengst produktie. podium afbeelding. seksueel. profaneren professioneel. beroepsprofessor karakterschets karakterschets karakterschets karakterschets voorspelling. gewrocht. afwerpen produktie. bestuurder assistent. tekening projecteren projecteren projecteren projector. opleveren. prognose. famulus. toepassing programmeren programmeren tribune. schets. prent. manifesteren vinger interpreter debugger conducteur. ontheiligen.

projektować projektowanie projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) proklamacja proklamacją proklamować proletariacie proletariacki proletariat proletariusz prolog prom promenada promienie słońca promieniować promieniować promieniować rozchodzić się promieniowo promieniować (dosłownie i w przen. aanvragen. promotie bevordering. voorzegger voorzeggen. tekening ontwikkeling. fataal. noodlottig voorspeller. uitvaardigen. spaak zonnestraal straal. inroepen. evolutie declaratie. promotie gaan naar.) promień promień promień słońca promień zginania promocja promocją promować propaganda proponować proponować proporcja proporcja proporcjonalny propozycja wstępna propozycją propozycją proroctwa proroczy prorok prorokować prosa prosić prosić prosić proso prospekcie prosperować prostacki projecteren werkje. verhouding. afkondigen proletariaat proletariër proletariaat proletariër voorrede. aangeven. proportie. wandeldek zonneschijn straal. aanpakken. floreren hardhandig. stralen actieradius. aanbod profetie. bak wandeldreef. spaak uitstralen. aanzoek bod. voorspelling. radius straal. schets. evenredigheid proportioneel. voorspellen gierst vragen bidden vragen. tieren. voorslag. spaakbeen. promenade. aanzoek huwelijksaanzoek. verklaring proclameren. profeet. beduiden. verhouding proportie. naderen verspreiding. pontveer. pont. onkies. verzoeken gierst prospectus gedijen. verklaring declaratie. aanbieding. aanduiden evenredigheid. bieden. stralen uitstralen. voorzegging funest. lomp. evenredig huwelijksaanzoek. spaak bevordering. ruw . proloog overzetboot. aanbieden aanwijzen. genaken. propaganda uitloven. stralen uitstralen. grof. bloeien.

beschermheer betwisten. eenvoudig.prosto prosto prostopadły prosty prosty prosty prosty prosty protokół zarządzania siecią prosty protokół zarządzania siecią prostytutka proszek proszę proszę proszę proszkować prośba prośba protekcja protektor protest protestancki protestant protestować proteście protokół protokół IP dla łączy szeregowych protokół odwrotnego tłumaczenia adresów protokół RARP protokół SGMP protokół z potwierdzeniem pozytywnym protokół zmiany kierunku proton prototyp prowadnica prowadzące prowadzący prowadzenie serwerów WWW prowincja prowincjonalny prowizja prowizoryczny prowokować proza prozą próba próba próba direct. repetitie . wees zo goed. trachten. vandehands normaal. live. eenvoudig. ophitsen. procent. aanvoerder. eenvoudig. provinciaal rente. aantrekkelijk. uitglijden scheuren. bestrijden bekeuring. chef. lichtekooi. rechtstreeks aalwaardig. inroepen. rail nul gebieder. aalwaardig aalwaardig. proces-verbaal. recht. moeite doen gehoor herhaling. tevreden. bestrijden betwisten. vermalen. notulen slippen. kwellen aanwending. bekoorlijk malen. baas constructie. aalwaardig landkaart. eenvoudig hoer. notulen proton prototype spoorstaaf. poederen alsjeblieft. pogen. bouw. alstublieft voldaan. kaart bekeuring. toepassing vragen. percent jury aanstoken. rijten scheuren. verzoeken bescherming beschermheilige. bestrijden protestants protestants betwisten. makkelijk aalwarig. rijten aalwarig. aalwaardig direct. vlot. aalwarig. overeind. aanbouw gouvernement gewestelijk. proces-verbaal. irriteren proza proza streven. rechtop rechter-. standaardlicht. prostituée bepoederen. aalwarig. vergenoegd behaaglijk. eenvoudig aalwarig. aanvragen.

pogen. dorpel drempel. particulier prisma spinnen absolveren. nutteloos loos. douchen besloten. poging probeersel. borrelen. begenadigen appartement. gebieder. baas klapperen. zwam ander overigens. specimen. leeg. tondel. hol grof. betomen. privé-. cru. pogen. specimen. moeite doen dissertatie. onheus. proefstuk streven. beteugelen streven. monster proefstuk. proefstuk proefstuk. moeite doen examen. moeite doen incidenteel. pogen. trachten. betomen. ijdel. proef. monster proef. proefschrift. dorpel drempel. proef. proef. monster. specimen. humus verval tonderzwam. monster bedwingen. zich inspannen. moeite doen moeite. beteugelen streven. onderzoek streven. toevallig smaken streven. specimen. proefstuk streven. pogen. pogen proefstuk. honds. vacuüm luchtledige ruimte. klotsen op het kookpunt zijn. kabbelen. stelling probeersel. tonder. trachten. vacuüm luchtledige ruimte. vacuüm nietigheid. onbehouwen. lomp aanvoerder.próba próba (teatralna) próba generalna próba generalna próba odzyskania próba teatralna próba v próbować próbą próbą próbą próbą próbce próbka próbka próbka na sekundę próbkować próbować próbować próbować próbować próchnica próchnicą próchno prócz prócz tego próg próg próg tylny próżni próżnia próżnia ultrawysoka próżność próżny próżny prymitywny prymitywny prymitywny pryncypał pryskać pryszcz prysznic prywatny pryzmat prząść przebaczać przebaczać przebaczenie przebicie dętki probeersel. trouwens. flat . trachten. zich inspannen. lens. onbewerkt. keuring. koken een douche nemen. ijdelheid vergeefs. trachten. chef. absolutie geven vergeven. dorpel luchtledige ruimte. bot primitief onbeleefd. plassen. proefstuk bedwingen. verder drempel. pogen teelaarde. ledig. begenadigen vergeven.

przebieg kurs przebiegłość przebiegły przebiegły przebiegły przebierać przebijać przebłysk przebłysk przebój przebudzić przebudzony przeceniać przecenić znaczenie przechadzka przechodni przechodzień przechodzień przechowywać przenosić przechowywać w pamięci przechwalać się przechwycić przechwycić przechwycić przechwytywać przechwytywać przechylać się przechylić przechył przechył statku przeciążenie przeciążenie (np. grijpen. overgankelijk voorbijganger voetganger vertraging reserveren. aan de overkant van tegenstander dwarsbomen. slag. sieci) przecięcie przeciętnie przecinek przeciskać się przeciw przeciwieństwo przeciwległy przeciwnie do ruchu wskazówek zegara przeciwnik przeciwny przeciwny przeciwny przeciwny czemuś przeciwstawiać przeciwstawiać się przeciwstawiać się tracé. opwekken overschatten. strijdig tegenover. listig. wakker maken. circa komma door. tarten. stutten neigen. koers slim. flikkeren. klappen. grijpen neigen. per. strijdig voor tegengesteld. doen overhellen uitlisten. listig. jegens tegengesteld. houwen. buigen. slim. kloppen. schrander. een lijst maken congestie. wekken. aandrang congestie. detineren. pienter doortrapt. doortrapt soort. bezwaar hebben tegen . opscheppen. overwaarderen overschatten. gewiekst. steunen. met met. tegenwerken. grijpen bemachtigen. trotseren. tegenliggend. cursus. aangrijpen beetnemen. opvallen slaan. aangrijpen. tegen. gloren slaan. pakken. buigen. tegenliggend. gewiekst. bluffen beetnemen. doortrapt scherpzinnig. snoeven. bloedaandrang. strijdig tegenstander afkerig tegengesteld. doen overhellen schragen. aandrang inspringen ongeveer. bloedaandrang. route. ophouden pochen. belemmeren uitdagen. wandeldek transitief. promenade. een stuk of. tegenliggend. gewiekst. overwaarderen wandeldreef. kloppen. listig slim. scheuren flitsen. aard barsten. opwekken wekken. beetkrijgen bemachtigen. splijten. leergang. beetkrijgen bemachtigen. tegenaan. uittarten standhouden. klappen wakker maken. aangrijpen. pakken.

oppositie tegengesteld. object. lang. handelaar. in-. doortrekken. herdruk bespotten. rekken uitleggen. tegenspreken ontkennen laxeermiddel. introductie voorgrond voorgrond lichtbak. laxans voor voorafgaand. morgen antediluviaans. doorgang. schuieren in tegenspraak zijn met. onderwerpen achtervoegsel. honen koopman. in de morgen voor benoorden. optreden knechten. de. lange tijd achtervoegsel. voorwoord inleiding. tegenliggend. verleden. cliché borstelen. spotten. het. tegenwerken. strijdig negatief. voorgaand voor de middag. profaneren. herdruk nadruk. zeer oud voorvoegsel on-. reflector. ten noorden van ontwijden. voorbericht. presentatie. passage ochtend. ontheiligen een aan de. imvoorvoegsel nadruk. samochodu) przedpokój przedpokój przedpołudnie przedpotopowy przedrostek przedrostek negujący znaczenie wyrazów przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi przedruk przedrukować przedrzeźniać przedsiębiorca dwarsbomen. onderwerpen aanbieding. zakenman . rekken voorstad voorstad handelsartikel. onderwerp. naar de knechten. suffix langdurig. doortrekken. belemmeren tegenstand. aan het. artikel mikpunt. oppositie tegenstand. suffix uitleggen. koplamp hal overgang.przeciwstawić (się) przeciwstawienia przeciwstawienie przeciwstawny przeczący przeczesać przeczyć przeczyć przeczyszczający przed przed przed południem przed siebie przede wszystkim przedefilować przedimek nieokreślony przedimek określony przedkładać przedłożenia przedłożyć przedłużacz przedłużać przedłużenie przedłużyć przedłużyć (się) przedmieścia przedmieście przedmiot przedmiot przedmiot oceny przedmowa przedmowa przedni plan przedni plan (obrazu) przednie światło (np. ding handelsartikel. artikel voorrede.

vak. vak. toer. agent agentschap uitvoeren. trip.przedsiębiorca (budowlany) przedsiębiorczy przedsiębiorstwa przedsiębiorstwa przedsiębiorstwo przedsiębiorstwo przedsięwziąć przedsięwziąć przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedstawiać przedstawiać (na scenie) przedstawiać obecny przedstawiający przedstawiciel przedstawicielstwo przedstawić przedstawić (kogoś) przedstawić kogoś przedstawienia przedstawienia przedtem przedtem przedwstępny przedyskutować przedział przedział przedział dla niepalących przedział kolejowy przedział synchronizacji przedziurawić przedziurawić przegapić przegląd przegląd wstępny przeglądać przeglądać przegródce przegrywać przegub przegub (dłoni) przejazd przejażdżka przejażdżka łodzią przejąć przejezdny przejęcia bouwondernemer. dealer. rul pols. discuteren branche. handelsfirma. preliminair bespreken. roerend Maria-Hemelvaart . excursie toer. branche. affaire bedrijf. handwortel pols. tocht. onderneming Maria-Hemelvaart bedrijf. ding. reeds. onderneming zich wagen aan. actueel gedeputeerde. afdeling legerafdeling. beweegbaar. aannemer ondernemend firma. afdeling interval. reis. tocht. tak. expositie laten blijken. tussenruimte interval. divisie branche. trip bemachtigen. presenteren. vak mul. afbeelden opdraven. aangrijpen. misgrijpen recenseren. mislopen. handelshuis bedrijf. handwortel overloop. opdagen tegenwoordig. rijstrook uitstapje. uitbeelden. bespreken recenseren. alreeds voor voorafgaand. presenteren. aandurven zaak. onderneming ondernemen zich wagen aan. alvast. indienen uitvoeren. tussenruimte stompen Jan Klaassen missen. afgevaardigde vertegenwoordiger. baan. tak. aangelegenheid. manifesteren al. presenteren. indienen tentoonstelling. indienen uitvoeren. aandurven verbeelden. gang. bespreken afgrazen uitzicht afdeling. mobiel. grijpen los.

rijstrook overgang. delegatie inhalen opsturen. doen toekomen opnemen. buitengewoon kronkelen beledigen. godverdomme eed. affronteren geweldpleging. geldig. geweld overtreffen. wandelen. godverdomme eed. te boven gaan inhalen overtroeven. rondtrekken. met pensioen gaan trekken. vigerend twisten. gang. vloeken. verdomd. kamwiel. geldend. krakelen overtuigen overtuigen overreding overtreffen. te boven gaan aflopen. baan. voeren afvaardiging. tandwiel overtuiging overtuiging gangbaar. afdracht transporteren. odpowiedzialności przekazywać przekazywać przebieg przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki przekąsce przekąska przekląć przekleństwo przekleństwo przekleństwo przeklinać przeklinać przeklinać przekład przekład przekładni przekonania przekonanie przekonujący przekonywać przekonywać przekonywać przekonywanie przekraczać przekraczać przekraczać przekraczająco przekręcać przekroczenie przekroczenie przekroczyć przekroczyć stan konta terugvallen steeg overloop. vloeken. rijstrook bewerker aftreden. eindigen .przejęzyczenie przejścia przejścia przejście przejście kolorów przejście na emeryturę przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę przejście wielokrotne przejściówka przejść przejść się przejść się przekaz przekaz (danych) przekazanie (np. krenken. overbrengen. lunch twaalfuurtje. bezwering translatie. baan. godlasteren ketteren. lunch ketteren. uitgaan. overzetting uitvoering. sturen. tippel transfer. bezwering ketteren. gang. tandrad. rondreizen wandeling. ophouden. afboeken twaalfuurtje. versie kamrad. vloeken. translaat. disputeren. overtreffen bijzonder. godlasteren verdomme. godlasteren verdomme. passage. verdomd. doorgang pensioen metro poort overloop.

prevalent. ontwrichten. oratie adresseren rede. sluikhandelaar uitwassen. naderen verschuiving verrekken. aanpakken. overschakelen roede. de was doen . stokje mijlpaal opperste. afgelopen.przekrój przekształcać przekształcać przekształcać przekształcać na postać cyfrową przekształcać transformata przekształcić przekupić przelew przelew przelew krwi przelewać przelot przelotny przełączać przełącznik zmianowy przełączyć przełączyć przełomowe wydarzenie przełożony przełykać przemawiać przemawiać przemądrzały przemienić przemienny przemienny przemierzać przemieszczenie przemieszczenie przemieścić przemijać przemiły przemoc przemóc przemówienia przemówienie przemówienie przemycać przemysł przemysł cukrowniczy przemysł stoczniowy przemysł włókienniczy przemysłowca przemysłowy przemyt przemytnik przemywać branche. omkopen bloedvergieten opnemen. gestamp gaan naar. verbasteren. gard. industrieel smokkelwaar. overstelpen. overbodig vlucht. wassen. douchen omleggen. redevoering. tak bekeren masseren vervormen vervormen vervormen vervormen bederven. ijver industrieel industrie-. speech. inslikken adresseren praten. beëindigd roede. stokje klaar. contrabande smokkelaar. veranderen afwisselend afwisselend getrappel. vak. afboeken overtollig. spitsroede. kostelijk. spreken geraffineerd anders maken. naarstigheid. verstuiken inhalen heerlijk. speech. afgewerkt. artsenijbereidkunde weefsel vlijt. gard. geweld bedelven. vliegtocht een douche nemen. verpletteren rede. oratie smokkelen vlijt. omschakelen. afboeken opnemen. naarstigheid. ijver farmacie. spitsroede. overheerlijk geweldpleging. doorslikken. genaken. redevoering. superieur slikken.

levendig. vloeien. brengen opnemen. rap. figuurlijk verzaken. begieten. wigor przenajświętszy przeniesienie równoległe przenieść przenieść przenieść przeniesienie przenikać przenikliwy przenikliwy przenikliwy (ból) przeniknąć przenocować (<sb> kogoś) przenosić przenosić przenosić (na inną platformę systemową) przenośnie przenośny przenośny przenośny przenośny automatyczny system telefoniczny przeoczyć przeor przeorać przepaść przepaść przepaść przepaść przepierzenie przepiórce przepiórka przepiórka przepis przepis przepis przepis przepisach przepisy przepisy przepłukiwać przepływ przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok przepowiadać przepowiednia przepraszać przepraszam przeprosić sap oprit. beploegen afgrond. bewegen doordringen. afboeken ontroeren.przen. clausuur kwartel patrijs kwartel recept voor voldaan tekenen. afscheiding. fel. voorzegging zich verontschuldigen verontschuldigen zich verontschuldigen . beweegbaar. bits doordringen. voeren aanreiken. aangeven. guur. druk bijtend. golf. bewind. doorstoten afstemmen. voorspellen. sproeien stromen. afdragen transporteren. bocht. voorspelling. kwiek. lopen. roerend draagbaar. aanpassen. portable oneigenlijk. lopen. adapteren aanreiken. binnendringen. voorgaand omploegen. kreek golfspel. beduiden profetie. nalaten. uitlaten voorafgaand. inham. afdragen oneigenlijk. aangrijpen. gieten. vloeien. overbrengen. verleden. oprijlaan opnemen. doordringend snibbig. voeren. consigne. bestuur reglement aanwijzing. vlieten voorzeggen. instructie reglement bevloeien. mobiel. figuurlijk los. afboeken dragen. figuurlijk oneigenlijk. aangeven. voorhebben. vlieten stromen. boezem afgrond schifting. binnendringen. ploegen. kwiteren recept heerschappij. kolk baai. doorstoten kras. inham.

verschrikking modificatie. mager haan van een vuurwapen chargeren. schraal. schorsing. onderbreking een miskraam krijgen. vooringenomenheid bijgeloof bijgelovig veranderen. onderbreking pauze. onderbreking hortend. aftreden. afsluiten interrumperen. onderbreken interruptie. bres. gruweldaad. schoonmaken. onderbreken afmaken. toestaan toelaten. weken zeven. louteren interviewen toelaten. beëindigen. ziften springen . mislukken stoppen. onderhouden uittreden. schorsing. schorsen. ontsteltenis gruwel. mislukken interrumperen. rust een miskraam krijgen. schorsen. bewerking. onderbreken rust. strumień gazu) przerabiać przerazić przerażać przerażenie przerażenie przeróbka przerwa przerwa międzyrekordowa (na nośniku informacji) przerwa start-stop przerwa w podróży przerwać przerwać przerwać przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) przerwanie przerwanie przerwanie integer liczba całkowita przerwanie zewnętrzne przerwą przerwą przerwą przerywać przerywać przerywać przerywać przerywać coś przerywać przerwanie przerywany przerzedzać przerzutnik przesadzać przesąd przesąd przesądny przesiadać się przesiąknąć przesiewać przeskoczyć verontschuldiging verontschuldiging dragen. aanpassing opening. gedogen. pauze interruptie. doen schrikken schrik aanjagen. intermitterend sprietig. mislukken opvrolijken. weekmaken. overdrijven vooroordeel. voeren. toestaan inhalen anders maken. voorhebben. onderbreken interruptie. anders maken in de week zetten. amuseren. bedanken een miskraam krijgen. gaping adempauze pauzeren interruptie. veranderen schrik aanjagen. gedogen. doen schrikken consternatie. schorsing. onderbreking afbreken interrumperen. schorsing. schorsen.przeprosiny przeproszenie przeprowadzić (plan) przeprowadzić się przeprowadzić wywiad przepustce przepustka Przepuszczać (np. schorsen. brengen reinigen. aflaten. ophouden interrumperen.

dutten uittreden. verstuiken afstand. eind ontroeren. bang doen schrikken. schrik aanjagen verjagen. vergaderen ruim. breedvoerig. afgeven ruimte. groot verspreiden. misdrijf lafhartig. voorhebben. afmatten gehoor een verhoor afnemen. eind verschuiving tournee. breedvoerig. bewegen beweging verschuiving opnemen. bestuur. royaal. snood. aanvaller scherm. rondreis verschuiving beweging afstand. snood. afboeken . groot waarschuwen blijven gehoorzamen opvolgen. verbreiden. tip ruim. aftreden. crimineel misdadig. leiding ontbinden. bedanken punctuatie. speling onderzoeken. afjakkeren. druilen. ontwrichten. bestek. aangrijpen. voeren. tribune. afgelasten voorspeler. afhalen. examineren afkoelen dragen. laf. royaal. brengen verrekken. schut Iris afbeulen. wereldruim. interpunctie mottig verschuiving misdadig. afschrikken waarschuwing. nakijken.przeskok przeskok przeskok przesłać przesłać dalej przesłona przesłona (falowodu) przesłonić przesłuchanie (świadka) przesłuchiwać przesmyk przespać się przestać przestankowanie przestarzały przestawić przestępca przestępczy przestępstwa przestępstwo komputerowe przestraszony przestraszyć przestraszyć przestroga przestronny przestrzec przestrzegać przestrzegać przestrzegać przestrzegać (coś) przestrzegać normy przestrzenny przestrzeń przestrzeń (także kosmiczna) przestudiować przestudzić przesunąć przesunąć przesunięcie przesunięcie przesunięcie przesunięcie logiczne przesunięcie w lewo przesunięcie w prawo przesuń przesuń w prawo przesuwać przesyłanie z potwierdzeniem hinkelen springen podium. handelen volgens te wachten staan. annuleren. crimineel misdaad. ondervragen inhalen sluimeren. bijeenkomen. wachten samenkomen. misdrijf misdaad.

luchten . aanbesteding aflopen. grotendeels pré. hek. achtervolging vervolging. nastreven vervolging. boodschap storen. zoektocht scanderen blad. verleden tijd kruipen speurtocht. speurwerk. voorzeggen bedacht zijn op. spuien. ophouden. digereren voorgaand. hinderpaal verleden. vel overtroeven. vervolgen najagen. zoektocht schaven. speurwerk. verduwen. eindigen translateren. merendeels. overtreffen beklemmen. prejudiciëren beduiden. mijn. doormaken. belemmeren. leest. vertalen transporteren. voorspellen. waaien lucht uitluchten. afslag. beletsel. beletten beletten. belemmeren. te wachten staan frisse lucht toewaaien. voordeel middel. verhinderen. wannen. voordeel overwegend. achtervolging auctie. afsluiting. voorspellen. voorzeggen anticiperen. vendu. prejudiciëren wachten. voorafgaand doorleven. obsederen achtervolgen. veiling gunning. heining storing hindernis. verleden tijd verleden. verleden. afschaven blijven bekeren masseren vervormen masseren pré. beleven speurtocht. voeren verteren. hinderen doorkruisen. afhalen. verwachten beduiden. uitgaan. najagen. overzetten. verhoeden barrière. overbrengen. taille anticiperen.przesyłka przesyłka komunikat przeszkadzać przeszkadzać przeszkadzać przeszkoda przeszkoda przeszkoda przeszłość przeszły przeszukać przeszukiwać przeszukiwać przeglądać prześcieradło prześcigać prześladować prześladować prześladować prześladowania prześladowanie przetarg przetarg przeterminować się przetłumaczyć przetransportować przetrawić przetrwać przetrwać przetrząsać przetrzeć się przetrzymywać przetwarzać przetwarzać przetwarzać przetwarzać (tekst) przewaga przeważnie przeważyć przewężenie przewidywać przewidywać przewidywać przewidywanie rozgałęzienia przewidzieć przewidzieć przewietrzyć przewietrzyć przewietrzyć pakje bericht.

langdurig. lotsbestemming lotsbestemming. toongevend voorzitter. spenderen geabonneerd zijn op . dichtbij door. uittrekken mikken. per. doel. mikken op. bestuurder besturen. bestemming. baas overzetboot. beogen. chef. verdorven revolutie. president voorzitter. omwenteling pervers. nabij. lang leidend. overtreffen overtreffen. binnen. stemband metaaldraad. opdragen. lot doelstelling. preses. bestuurder snaar. praeses. president voorzitten. wit. mennen gidsboek. preses voorzitter. honk ontvanger verloten. bedoelen geabonneerd zijn op spanderen. aanvoerder. toonaangevend. naast. uittrekken lot. geschikt bestemmen. loten bestemmen. met dwars door dwars door dwars door in. per. bij. figuurlijk conducteur. praeses.przewietrzyć się przewlec przewlekły przewodni przewodniczący przewodniczący przewodniczący Rady Nadzorczej przewodniczyć przewodnik przewodnik przewodnik przewodnik przewozić przewoźny przewód przewód przewód przewód zerowy przewód zerowy przewóz przewóz przewracać przewrocie przewrotny przewrót przewyższać przewyższać liczebnie przez przez przez całą dobę przez całą noc przez cały przez radio przez to przeziębienia przeziębienie przeznaczać przeznaczać przeznaczenie przeznaczenie przeznaczenie adresat docelowy przeznaczenie nieosiągalne przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć (coś na jakiś cel) przeznaczyć (coś na jakiś cel) lucht draad. met koud koud gepast. reisgids. omwenteling overtroeven. draad neutraal. garen lange tijd. doelwit. onpartijdig metaaldraad. koorde. praeses. bestemming. richten. preses. presideren conducteur. president. te door. pontveer. afzijdig. draad affuit beweging anders maken. gids. dirigeren. vademecum gebieder. pont. te boven gaan aan. bak oneigenlijk. per. passend. veranderen revolutie.

bekoren aanlokkelijk. bekoren. behalen buit maken. nabij. bij beneden uur aan. voorzaat het hoofd bieden afdaling voorzijde. ondervinding doorleven. aanlokken. belanden. over elkaar slaan belevenis. handvat. arriveren buit maken. dichtbij. afdak bezorging. verkrijgen. nabij. nabij. aanlokken. dichtbij aan. aanvoer aankomen. bij benaderen benaderen aandoen. hals. overmeesteren waarschuwen kruisen. behalen kliniek lid worden toelachen. aanlokken toelachen. dichtbij. naast. naast. voorkant voorzijde. beleven kronkelen voorvader. verkrijgen. ervaring. dichtbij. geadopteerd luifel.przezorny przezwyciężyć przezwyciężyć przeżegnać się przeżycie przeżyć przędza przodek przodek (w kopalni) przodkowie przód przód kompilatora przswoić prztoczyć przy przy przy forsie przy rejestracji na taśmie magnetycznej przy świetle świec przy zdrowych zmysłach przybliżony przybliżony czas przybrać postać (<sth> czegoś) przybranie przybrany przybudówce przybycie przybyć przybywać przybywać się przychodnia przychylic się przyciągać przyciągać przyciągać uwagę przyciągający uwagę przyciąganie przyciąganie przycinać przycisk przycisk przycisk przycisk z grafiką rastrową przycisk zwalniania myszki przyczepa przyczepa turystyczna przyczepą przyczepiać behoedzaam. stamvader. naast. naast. voorzichtig geweld aandoen. citeren. nabij. bekoren toelachen. aantrekkelijk aantrekkelijkheid zwaartekracht snoeien dichtknopen heft. aangrijpen Maria-Hemelvaart aangenomen. assimileren aanhalen. knop drukknoop dichtknopen dichtknopen aanhangwagen karavaan aanhangwagen aanhechten . bij. doormaken. noemen aan. voorkant in zich opnemen. bij aan. gevest.

dienstig. geschikt verzenden betekenen. aanmaken toebereiden. laten reden. naam. bezorgen naargeestig.przyczepić przyczepność przyczyna przyczyna przyczyniać się przyćmiewać przyćmiony przydarzyć się przydatność przydatność przydatny przydatny przydomek przydzielać przydzielać przydzielać przydzielać (środki) adj odpowiedni przydzielić przydźwięk przyglądać się dokonywać przeglądu przygnać przygnębiony przygniatający przygoda przygodą przygodność przygodny przygotować przygotować (się) przygotowania przygotowanie przygotowanie przygotowawczy przygotowawczy przygotowujący przygotowywać przygryzać przygwoździć przyholować przyimek przyjaciel przyjaciel przyjaciel przyjacielski przyjazd przyjazdach przyjazny przyjaźń aanhechten grip. bereiden. voorbereiding achtergrond voorbereidsel. lief. knabbelen spijkeren. boegseren voorzetsel bakstenen. kornuit. kameraad. aandragen. bereiden. oorzaak bijdragen schemerig schemerig toegaan. aardig. lotgeval avontuur. aanmaken voorbereidsel. maat vriendin voorkomend. dagen. vriendelijk vriendschap . lotgeval eventualiteit eventueel. perikel. vriendelijk bezorging. beschikbaar. dagen. turen brengen. aanvoer voorkomend. naamwoord verloten. perikel. dagvaarden snorren. preliminair voorafgaand. lief. gonzen. loten gepast. nagelen trekken. aanmaken knagen. bereiden. brommen staren. gebeuren geschiktheid geschiktheid liquide. voortgang hebben. slepen. aanstaren. preliminair toebereiden. aardig. razen. troosteloos. passend. disponibel bevorderlijk. nuttig benaming. zwaar avontuur. gebeurlijk toebereiden. stenen makker. aanvoer bezorging. somber drukkend. adhesie doen. preliminair voorafgaand. voorbereiding voorafgaand. laten doen. maken. dagvaarden betekenen.

adopteren aannemen. onbehouwen. bij acclamatie benoemen toegeven zich eigen maken.przyjąć przyjąć standard przyjechać przyjemność przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny (zapach) przyjemny (zapach) przyjezdny przyjęcia przyjęcie przerwania przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować jako członka (<sb> kogoś) przyjmować uznaniem przyjmować w poczet członków przyjmować z uznaniem przyjść przyjść przykład przykrość przykry przykry przykry przykucnąć przykuwać przylądek przylądek przylegać przylegać (do czegoś) przyleganie przyległy przylot przyłaczyć przyłapać przyłączać przyłączanie przyłączyć przyłączyć przyłączyć nawiązać łączność przyłożenie zich eigen maken. genoeglijk behaaglijk. aantrekkelijk. aangaan aanhechten aanhechting aanhechten monteren. aanvaarden accepteren. hurken klinken. aanvaarden toejuichen. arriveren pret. bekoorlijk aangenaam. eerbetuiging aankomen. grenzen aan grip. grenzen aan belenden. adopteren toegeven aankomen. aangenaam. aanvoer zich aansluiten. lid worden. belanden. voorbeeld smart. cru onaardig. accepteren aannemen. onthaal aanvaarding. bot. aangenaam. onthaal accepteren. vastklinken kaap Kaaps belenden. aanvaarden eerbetoon. affiliëren accepteren. aangenaam genoeglijk. genoeglijk vreemdeling. aanneming. grof. plezier behaaglijk. vermaak. aannemen. onbekende. honds. aangenaam behaaglijk. genoegen. nors. genoeglijk genoeglijk. adhesie aangrenzend. zetten verbinden. aanspraak maken op aanvaarden. aanflitsen. toepassing . affiliëren claimen. arriveren afstammen. aanliggend bezorging. behaaglijk. toetreden aanfloepen. leed afschuwelijk onbewerkt. het gevolg zijn van toonbeeld. aan elkaar vastmaken aanwending. nurks. bars in elkaar duiken. verdriet. belanden. aanneming. behaaglijk. vreemde aanvaarding.

bezorgen brengen. doorvoeren meten heerschappij. bezorgen. gebeurlijk toevallig. dagvaarden bijvoeglijke bepaling. adjectief bijvoeglijk aanhechtsel. lokaas lokken lokken brengen. onthouden zich herinneren.przyłożyć przymiar przymiar przymiarka przymiot ik przymiotnik przymiotnikowy przymocować przymocować przymocować przymocowywać przymusowy przynaglać przynajmniej przynależność przynęcie przynęcie przynęta przynęta przynęta przynieść przynieść pożytek przynosić przynosić przynosić plon przypadek przypadek użycia przypadek wcielenie przypadkowość przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadłość przypiąć przypiekać na ruszcie przypis przypis końcowy przypisać przypisywać (<sth to sb przypływ przypływ przypominać przypominać przypominać przypomnieć przypomnieć sobie aanwenden. aandragen. ongeval eventualiteit incidenteel. hek. incidenteel droefheit. ten volle. accident. commentaar nabeschouwing betekenen. fatsoenlijk bijvoeglijke bepaling. fladderen tij. bewind. dwingend. aandragen het veld ruimen. heel. verdriet. lokaas lokken aas. bezorgen brengen. attribuut bijvoeglijk naamwoord. afrastering. toevallig ongeluk. gedenken. attribuut aan de scharrel zijn. behoorlijk. bepalen aanhechten bindend. affix smart. bestuur betamelijk. hartzeer. traliehek aantekening. gedenken. volkomen lidmaatschap aas. onthouden . beproeving kegel rooster. gedwongen aanwakkeren. aansporen geheel. ongeval ongeluk. bezorgen. afstaan incidenteel. aanvuren. fixeren. aandragen brengen. gedenken herinneren herinneren zich herinneren. getij zich herinneren. leed bevestigen. accident. toevallig chaotisch eventueel. dagen. aandragen. toevallig incidenteel. onthouden.

uitloven plechtig beloven beloven. mening karakter. opkopen menen. spoed maken. mening gissen. beleggen. uitloven beloven. toezeggen. uitbreiden opdrijven. vloeken dekken. instelling logeren landingsplaats. vergroten.przypomnieć sobie przyprawa przyprawa przyprawą przyprawiać (potrawę) przyprzeć do muru przypuszczać przypuszczalnie przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenie przypuszczenie przypuszczenie przyroda przyrost naturalny przyrost naturalny przyrostek przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku przyrząd) przyrządzać przyrządzanie przyrzec przyrzeczenia przyrzeczenie przyrzekać przysiędze przysięga przysięgać przysłaniać przysłowie przysłówek przysłówkowy przysługa przysmak przysmażyć przyspieszać przyspieszenie przyspieszenie ziemskie przyspieszyć przysposobić przysposobienie przystanek przystań przystawać na przystąpić zich herinneren. aanmaken voorbereidsel. verheffen. adopteren afstelling. dienst. hypothese. fruiten verhaasten. bespoedigen. gedenken op smaak brengen. vermoeden. haast maken zich eigen maken. voorbereiding beloven. aanlegplaats. bezwering ketteren. toedekken. bezwering eed. acceleratie versnelling. stellen toegegeven vermoeden. vermoeden Maria-Hemelvaart arrogantie. steiger lid worden te werk gaan . bijwoord bijwoordelijk eredienst. ophogen suffix. hypothese. uitloven eed. gissen gissing arrogantie. werktuig aanhechting toebereiden. op smaak brengen accapareren. bereiden. godsdienstoefening beminnelijk bakken. acceleratie voortmaken. accelereren versnelling. aard uitbouwen. verbeelding onderstelling. toezeggen. geaardheid. toezeggen. kruiden kruiden kruiden kruiden. godlasteren. onthouden. bedekken spreekwoord adverbium. achtervoegsel instrument. verbeelding onderstelling.

asiel. afwikkelen het veld ruimen. absorberen absorptie. inschikkelijk. aflossen. aalmoezeniershuis toevluchtsoord. aandoening aanhechting aanhechting aanhalig aanhalig opdraven. garneren in beslag nemen. toegankelijk aanspreekbaar liquide. groet gepast. asyl toevlucht bunker. emotie. fraai. geschikt . aanpassen. betitelen feestelijk inhalen saluut. beschikbaar.przystępny przystępny przystępny przystojny przystojny przystosować przystosować przystosować przystosować (się) przystosowania przystosowanie przystosowanie się przystosowany przystrzyc przyswajać przyswajanie przyszłość przyszły przyśpieszać przyśpieszać przytaczać przytaczać apostrof cudzysłów przytakiwać przytępiać przytłumić przytłumiony przytomny przytrzymanie do czegoś przytułek przytułek przytułek przytułek przytułek przywarą przywiązać przywiązać się do kogoś przywiązanie przywiązanie przywiązanie do czegoś przywiązany przywiązany do czegoś przywidzieć się przywilej przywilej przywilej przywitania przywitanie przywłaszczyć sobie genaakbaar. handvest. kazemat aalmoezeniershuis. passend. arrestatie armhuis. gebrek aanhechten aanhechten affect. noemen ja knikken. bewerking. armhuis ondeugd. afstaan aanhalen. aanpassen. afhandelen. adapteren geschiktheid modificatie. adapteren toegevend. net. aankomend verhaasten. schoon. opslorpen. opslorping beginnend. aanpassing aanpassing congruent afzetten. knikken afschrijven. afbetalen knechten. disponibel goeduitziend fijn. onderwerpen schemerig welbewust. prae titelen. accelereren afdoen. beslaan. vrachtcontract preferentie. adapteren afstemmen. meegaand afstemmen. aankomend beginnend. aanpassen. bespoedigen. bewust aanhouding. privilege. opdagen charter. tituleren. knap. citeren. mooi afstemmen.

przywoływanie przywozić przywódca przywracać przyznać przyznać przyznać się przyznać się do czegoś przyznać że przyznawać przyznawać rentę przyzwalać przyzwalający przyzwoicie przyzwoitce przyzwoitka przyzwoitość przyzwoity przyzwolenie przyzwyczaić przyzwyczaić przyzwyczaić się przyzwyczajać przyzwyczajenie przyzwyczajony przyzwyczajony przyzywać psalm pseudonim psi psikus psocie psotny pstrąg psucie się psuć psuć się psychiatra psychiatria psychiatryczny psychice psychice psychiczny psycholog psychologia psychologią psychologiczny pszczelarstwo

zich herinneren, gedenken, onthouden importeren, invoeren aanvoerder, baas, gebieder, chef beter worden, genezen, helen toegeven verloten, loten toegeven toegeven agnosceren, als waarheid aannemen pensioen erkennen, bekennen, biechten, toegeven het eens zijn, toegeven, goedvinden aangenaam, behaaglijk, genoeglijk naar behoren, netjes, behoorlijk chaperonne chaperonne landgoed, boerderij, bezitting betamelijk, fatsoenlijk toestemming, goedvinden, fiat gewend zijn, plegen, gewoon zijn gewoon, gebruikelijk acclimatiseren gewend zijn, plegen, gewoon zijn aanwensel, hebbelijkheid gewoon, gebruikelijk afgewerkt, gebruikt noemen, heten, benoemen, uitmaken voor psalm pseudoniem, schuilnaam honden-, hondeaanwensel, hebbelijkheid tuigen, optakelen, optuigen boosaardig, hatelijk, kwaadaardig forel vergaan, verrotten, rotten, bederven bederven, havenen, beschadigen vergaan, bederven, verrotten, rotten psychiater psychiatrie psychiatrisch psyche Psyche psychisch psycholoog, zielkundige zielkunde, psychologie zielkunde, psychologie psychologisch bijenteelt

pszczoła pszenica pszenicą ptactwa ptak ptak drapieżny ptakach publiczność publiczność publiczność (wywołujący interfejs usługi) publiczny publiczny publikacja publikować publikować artykuł na ten sam temat publikować kanał informacyjny publikować w Internecie puchar puchnąć pudding pudełko pudełko/pudło tekturowe puder puderniczce puderniczka puduszka na fotel pukać pukiel pula pula pula zmiennych aplikacji pulower pulpit pulpit pulpit sterowniczy puls pulsować pulsowania pułap pułapce pułapka pułapka jonowa pułapka sygnału dźwięku pułapka śledzenia pułk pułkownik punkt punkt (np. opatrunkowy)

honingbij, bij weit, tarwe weit, tarwe gevogelte vogel gevogelte vogelstand, gevogelte, vogelwereld toehoorders, gehoor, auditorium openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek toehoorders, gehoor, auditorium algemeen, gemeenschappelijk openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek afkondiging, openbaarmaking uitgeven, emitteren drukletter uitgeven, emitteren uitgeven, emitteren vont, bekken, kom aanzwellen pudding boksen boksen bepoederen, poederen compact, dicht compact, dicht kussen slaan, klappen, kloppen, opvallen krullen bank zich aaneensluiten, aansluiten zich aaneensluiten, aansluiten Jersey vertroosten, troosten huisje, schuur, keet, kraam, loods lezenaar, lessenaar pols, polsslag, tel kloppen, pulseren kloppen, pulseren plafon, hoogtegrens, plafond een hinderlaag leggen slag, valstrik, val muizeval gewas, plant slag, valstrik, val regiment kolonel merken, tekenen stationsgebouw, station

punkt centralny punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) punkt kulminacyjny punkt łączenia punkt montowania punkt obserwacji punkt odniesienia punkt odniesienia punkt przyciągania punkt szczytowy punkt środkowy punkt węzłowy punkt widzenia punkt wyjściowy punkt zaczepienia punkt zbiegu punkt zwrotny punktualny pupa purpura purpurą purpurowy purytanin purytański pustce pustelnik pustka pustka pustkowie pustoszyć pusty pusty pusty pusty pusty pusty wiersz pustyni pustynia puszce puszcza puszczać pąki puszczać strugę puszczać w ruch puszkować puścić bąka pycha

roteren, draaien huiswaarts, naar huis standpunt, gezichtspunt huiswaarts, naar huis ruimte, lokaliteit, oord, plaats mijlpaal mijlpaal neus, punt, piek, tip, top, spits nachtevening, dag- en nachtevening hoogte middelpunt, binnenste, centrum hoek aanzien, air, schijn, aanblik oorsprong, afkomst, herkomst haakje, slot, spang, agraaf neutraal, afzijdig, onpartijdig neus, punt, piek, tip, top, spits nauwgezet, nauwkeurig, accuraat bips, kont, zitvlak purperen purperen purperen puriteins puriteins leegte, leegheid heremiet, kluizenaar wit, blanco, oningevuld, blank wildernis, woestenij, woestijn woest, wild verklungelen, opmaken, verdoen wit, blanco, oningevuld, blank hol, ledig, lens, loos, leeg nihil, nul leeg, vrij, open, onbezet vergeefs, ijdel, nutteloos nihil, nul wildernis, woestenij, woestijn wildernis, woestenij, woestijn waas, dons, nesthaar oerwoud, jungle, rimboe uitbotten, spruiten, botten spuiten, sproeien, uitspuiten uitschrijven, lanceren, ontketenen blikken een wind laten trots

pykać (z fajki) pył pył pysznić pyszny pytać pytać pytanie pytanie otwarte pyton pzez pzować pzować (w banku) quiz nek (w banku) r poniżej rabat rabat rabin rabować rabunek rachmistrz rachunek rachunek rachunek (w banku) rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) racja rozum wnioskować racjonalny raczej RAD rada rada rada przetwarzania transakcyjnego rada przetwarzania transakcyjnego radar radą radą radia radio radio amatorskie na balonie radio amatorskie na balonie radio z gramofonem radioamator radiofonia radiolokator o fali ciągłej radiotechnika radny miejski radosny

pof, poef stof bepoederen, poederen trots heerlijk, kostelijk, overheerlijk vragen kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag Python in, binnen, per, te aandoen, aangrijpen aandoen, aangrijpen puzzel, raadsel daarbeneden, beneden, onder disconto aftrekken, korten, afslaan rabbijn, rabbi stropen, buitmaken, roven, plunderen plunderen, buitmaken, stropen, roven boekhoudkundige, accountant snavel, tuit, bek, snater, neb voorschip, voorsteven, boeg rekening, conto boekhouding, boekhouden doen, maken, laten doen, laten redelijk, rationeel een klein beetje, lichtelijk, ietwat radium raad, raadgeving, advies raadgevend lichaam, raad raad, raadgeving, advies adviseren, aankondigen, bekendmaken raderwerk, radar raadgevend lichaam, raad sovjetdraadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio ham draadloze, radio raderwerk, radar draadloze, radio wethouder, schepen lustig, vrolijk, monter

radosny radosny radosny radość radość radość radość radował radował radowanie radykalnie radykalny radzić radzić radzić się radzić sobie z rafa rafą rafineria rafinerią rafinować rafinowany (cukier) raj raj rajstopy Rak rak rakiecie rakieta rakieta (ale nie tenisowa) rakieta świetlna rakietka ralizm rama rama czasowa ramiączko ramię ramię ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) ramię w ramię ramię wybiorcze ramka ramka widoku ramka zaznaczania rana rana ranczo

goedgeluimd, goedgehumeurd jubelgoedgeluimd, goedgehumeurd amusement, vermaak verrukken, in verrukking brengen flikkeren, flakkeren, schitteren blijdschap verrukt genieten van, blij zijn gejubel grondig, radicaal ingrijpend, grondig, radicaal adviseren, bekendmaken, aankondigen aanwijzen, aangeven, aanduiden raadplegen, consulteren rondgeven, ronddelen, uitdelen klip, rif klip, rif raffinaderij raffinaderij raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel Eden paradijs paradijs kanker zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft vuurpijl, raket vuurpijl, raket vuurpijl, raket flikkeren, flakkeren, schitteren peddelen, door het water plassen realiteit kader, omlijsting, lijst, raam in een lijst zetten, inlijsten, vatten riem bewapenen, wapenen schouder naast elkaar bewapenen, wapenen schouder boksen in een lijst zetten, inlijsten, vatten rand, zoom ochtend, morgen zweer landgoed, goed, bezitting, boerderij

randka randka randka z nieznajomym randze ranek ranga ranga (w wojsku) ranić ranić ranić ranny rano rano rapier raport raport kontrolny raport o stanie niezawodności urządzenia raptownie raptowny rasa rasa rasą rata rata roczna ratować ratować ratował ratownictwa ratunek ratunek ratusz raz razem razem rąbać rączce rdza rdzą rdzenny rdzeń rdzeń pamięciowy rdzeń systemu operacyjnego rdzewieć read only memory reagować reagować reakcja

benoeming, aanstelling dadel, dactylus benoeming, aanstelling graad, stand, status, rang ochtend, morgen graad, stand, status, rang graad, mate, trap havenen, beschadigen, bederven gewond aanschieten aangeschoten voor de middag, in de morgen ochtend, morgen degen informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil opkweken, fokken, opfokken, telen geslacht, stam, volksstam geslacht, stam, volksstam afbetalingstermijn, annuïteit afbetalingstermijn, annuïteit bergen, behouden, redden redden, bergen, behouden vrijkopen, loskopen, afkopen bergen, behouden, redden ontsnappen, ontkomen, ontgaan bergen, behouden, redden wereldstad, grote stad eens, op een keer alles wel beschouwd samen, tezamen, bijeen, ineen fijnhakken oor, kruk, handvat, hengsel, klink verroesten, roesten verroesten, roesten inboorling kern, pit pit, kern kern, pit verroesten, roesten ROM reageren reageren reactie

reakcja reakcją reakcjonista reakcjoniście reakcyjny realiście realizacja realizować realizować realizować realizowalny realny recenzja recenzje prasowe recepcie recepcjonista recepcjonistka recepta recepta receptura recytować redagować redagować wstępnie redaktor redaktor naczelny redukcją redukować redukował redukował referencja refleksja refleksją reflektor reforma reformacją reformą refren regał region region dostępu regionalny registrator reglamentował regulacja regulacja obciążenia regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych regularnie

antwoorden, antwoorden op reactie reactionair reactionair reactionair realist verlichten, vergemakkelijken behalen, bereiken, inhalen aanwenden, doorvoeren beseffen, bevatten, begrijpen handelbaar, inschikkelijk praktisch recenseren, bespreken zuiger recept receptioniste receptioniste recept recept recept voordragen, declameren opmaken, redigeren, opstellen opmaken, redigeren, opstellen editor editor afname reduceren, inkrimpen, herleiden inkrimpen, korten, verkorten reduceren, inkrimpen, herleiden verwijzing, referentie afspiegeling, weerglans nakomertje lichtbak, reflector, koplamp reformeren, hervormen Hervorming, Reformatie reformeren, hervormen koor, rei, zangkoor schap, plank gewest, gebied, streek, regio gewest, gebied, streek, regio streek-, gewestelijk, regionaal bestand, dossier reglementeren, reguleren, regelen afstelling, instelling leidend, toonaangevend, toongevend voorschrift vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal

regularny regulator regulator regulator szybkości regulować regulować kontrolować regulowalny reguła reguła aktywna reguła wyzwalania rejent rejestr rejestr wyjściowy rejestrować rejestrować (się) rejestrować dziennik rejestrował rejon rejs rejs wycieczkowy rekin reklama reklama docelowa reklamacja reklamą reklamować reklamował reklamujący rekomendacja rekomendacją rekomendować rekomendował rekomendował rekompensata rekompensował rekontrować (w kartach) rekord rekord odniesienia rekord zasobów rekordzista rekrucie rekrut rekrutować rektor rektor rekwizyty w teatrze relacja relacja

gelijkmatig, regelmatig, geregeld afstelling, instelling conducteur, bestuurder supervisor, controleur, opzichter reglementeren, reguleren, regelen richten, besturen, dirigeren, mennen inschikkelijk, handelbaar heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur notaris aangeven aangeven aangeven aangeven plaatsbewijs, biljet, kaartje geregistreerd gewest, gebied, streek, regio kruisen (van schip), kruisen circuleren, in omloop zijn, rondgaan haai bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging beschuldiging, aanklacht propaganda, verspreiding adverteren, aankondigen, aandienen adverteren, aankondigen, aandienen adverteerder, verkondiger recommandatie, aanbeveling recommandatie, aanbeveling aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevolen beloning, loon, vergelding vergoeden, compenseren, goedmaken dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig discus, plaat, grammofoonplaat, schijf gebieder, chef, aanvoerder, baas discus, plaat, grammofoonplaat, schijf kampioen, titelhouder, voorvechter recruteren recruteren recruteren burgemeester, burgervader rector drager, stut, leuning, steun rekening, conto betrekking, omgang, verband

relacja relacja zwrotna relacją relacjonować relacjonował relacjonował relativum relatywnie relatywny relewancja religia religią religijny religijny remanent remanent remis remisował remisując remont remont rendering renomą renta reorganizować reperować repertuar reprezentacja reprezentacja tablicy reprezentacją reprezentant reprezentować reprodukcja reprodukować reprodukował republice republika republikanin reputacja reputacja reputacja reputacją resonans respekt restauracja reszcie reszta reszta także z dzielenia

informeren, berichten, inlichten betrekking, omgang, verband betrekking, omgang, verband verhalen, vertellen, debiteren verhalen, vertellen, debiteren aanverwant, verwant verwant, familielid tamelijk verwant, familielid relevantie religie, geloof, godsdienst religie, geloof, godsdienst gewijd, heilig, sacraal, geheiligd religieus, godsdienstig, gelovig heerschappij, bewind, bestuur vee, kudde, levende have, veestapel stropdas, das toelachen, bekoren, aanlokken werkje, schets, tekening inhalen verhelpen, herstellen, repareren treksluiting, rits, ritssluiting lichaamsbouw, gestalte, figuur pensioen comprimeren verhelpen, herstellen, repareren repertoire beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur gedeputeerde, afgevaardigde verbeelden, uitbeelden, afbeelden reproduktie, weergave reproduceren, weergeven reproduceren, weergeven republiek, vrijstaat republiek, vrijstaat republikeins lucht, reuk, luchtje, geur reputatie, faam, roep, naam faam, befaamdheid, mare, gerucht reputatie, faam, roep, naam resonantie, naklank, galm eerbiedigen, respecteren restauratie, restaurant, eethuis rest, overige rest, overige rest, overblijfsel, rommel, afval

beantwoorden achterzijde. rugstuk revue. kwartier herenhuis gelatenheid. aflezen. controleren speurtocht. naklank. aflezen. het gevolg zijn van vervormen afstammen. boedel bespreken. afstand doen afstaan. aflezen. een backup maken van bespreken. motie resonantie. intekenen een backup maken. inspecteren checken. retoucheren reumatiek wraak terugdoen. het gevolg zijn van herenhuis woning. retoriek rederijkerskunst. speurwerk checken. een backup maken van resolutie. toegeven tegenweer. controleren nakijken. rugstuk achterzijde. revisor inspecteur. logies. revisor inspecteur. omwenteling revolutionair revolutionair revolutionair revolver een backup maken. in opstand komen revolutie. onderkomen. revisor checken. galm afstammen. reserveren. berusting gelatenheid. periodiek inspecteur. intekenen een backup maken. herzien. ommezijde. speurwerk. het veld ruimen. berusting gelatenheid. rebelleren. bedanken. nablijven afkeuren rederijkerskunst. controleren zoektocht. een backup maken van inventaris. vergelden. zoektocht muiten. tegenstand . tijdschrift. tegenkanting. speurtocht. reserveren. retoriek bijwerken.resztki resztki retoryce retoryka Retusz reumatyzm rewanż rewanżować (się) rewers rewers (monety itp) rewia rewidencie rewident rewident księgowy rewidować rewidować księgi rewizja rewizja rewizja kodu rewizją rewolcie rewolucja rewolucjonista rewolucjoniście rewolucyjny rewolwer rezerwa dynamiczna rezerwa gorąca rezerwa statyczna rezerwowa rezerwować rezerwowy kontroler domeny rezolucja rezonans rezultat rezultat rezultat przekształcenia rezydencja rezydencja rezydencją rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) rezygnacja także jako pogodzenie się z losem rezygnacją rezygnować rezygnował rezystancja achterblijven. berusting neerleggen. ommezijde.

klink handschrift. arbeid krauwen. regime directeur. aankondigen. naderen breien gaan naar. behalen. werk. vademecum. scharrelen. afkeuren. staatsvorm. tegenstand tegenweer. veredelen adverteren. manuscript. wapenen aanreiken. wurm kauwgom zinspelen zinspelen zinspelen gaan naar. gids. beroep. klauwen. scenario. krabben robot . tegenstand stelsel. fabricage robot emplooi. reisgids bewapenen. overhandigen bewapenen. tegenkanting. aanpakken. handvat. script ongedierte Boeg wandluis wandluis Boeg wandluis worm. genaken. aanpakken.rezystancja dynamiczna rezystancja statyczna reżim reżyser reżyser ręcznik ręczny ręczny ręka ręka ręka w rękę rękaw rękawica rękawica (z jednym palcem) rękawiczka rękawiczka rękodzieło Rękojeść noża rękopis rękopis robactwo robaczek (program rozmnażający się w sieci) robaczek (program rozmnażający się w sieci) robak robak robak robak rober w brydżu robić (stroić) miny robić aluzje robić aluzję do robić na drutach robić na drutach robić postępy robić postępy robić pranie mózgu robić się robić sztuczki kuglarskie robić wrażenie robić z kogoś idiotę robić zdjęcia robienie robocie robocizna roboczy robot tegenweer. handwerk oor. berispen. aandienen verkrijgen. imponeren winkel. bestuurder bestuurder. wapenen mouw handschoen handschoen handschoen handschoen ambacht. hengsel. kopij draaiboek. karwei. naderen verbeteren. aanmaak. kieken fabricatie. gispen indruk maken op. genaken. beheerder. tegenkanting. zaak fotograferen. buit maken laken. administrateur handdoek aanreiken. kruk. overhandigen gidsboek.

aard soort. huisgezin. arbeid metselwerk emplooi. huis. aangeboren affiniteit. slag. gedenkdag. genrestuk karakter. familie Natal aalbes. ouders ingeboren. artikel aan de. krielen . werker. karakter. werk. arbeider naaien. karwei. geaardheid genre. verjaardag jaarlijks jaarlijks bewoner van een land boer. verwantschap gezin. stuwadoor werkman. naaikunst. huis. de. naaikunst. arbeid werker werkman. huis. gedenkdag. werk. aard aanvoeren. arbeider stouwer. werkkracht. naaivak naaien. aan het. ouders ouder ouder ouderpaar. krik mannelijk mannelijk geestelijk vrouwelijk karakter. karwei. bes pruim in overvloed aanwezig zijn krioelen. commanderen.robota robota robota kamieniarska robota szydełkowa robotnik robotnik robotnik fizyczny robotnik rolny robótka (na drutach) robótki robótki ręczne rocznica rocznicą roczny roczny rodak rodak rododendron rodowity rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj fali rodzaj gniazda wtykowego rodzaj męski rodzaj nijaki liczba mnoga rodzaj tkaniny bawełnianej rodzaj żeński rodzaj żeński liczba mnoga rodzajnik rodzajnik określony: ten rodzaju żeńskiego rodzic rodzic rodzic (ojciec lub matka) rodzic ojciec lub matka rodzice rodzimy rodzina rodzina rodzina protokołów rodzinny rodzinny rodzynek rodzynek (w cieście) roić się roić się emplooi. bevelen handelsartikel. naar de vrouwelijk ouder ouderpaar. wemelen. naaikunst. werkkracht. karwei. familie gezin. geaardheid. werker. dommekracht. naaivak naaien. werk. naaivak herdenkingsdag. huisgezin. aard vijzel. verjaardag herdenkingsdag. landman rododendron ingeboren. arbeid emplooi. aangeboren aard. plattelander. het. wriemelen. huisgezin. familie gezin. geaardheid.

zoom. rijwiel. in het rond braadpan. gebeuren groeien. petroleum ettergezwel. voorwenden. spinneweb.rok rok itp) rok przestępny rokrocznie rola rola papieru rolka zwój zwijać rolnictwa rolnictwo rolniczy rolnik rolnik rolny romans romans romans czny romans czny romantyczny romantyk romantyzm romb ronda rondel rondo rondo (kapelusza) ropa ropa naftowa ropień ropucha rosa rosą Rosja Rosjanin rosnąć rosnąć rosnąć jak grzyby po deszczu rosół rosyjski roszczenie rościć pretensje roślina roślina zimozielona rośliną roślinność roślinny rotacja rowek rower jaar dwars door schrikkeljaar jaarlijks rol web. eromheen. pan circus boord. band olie. doen alsof gewas. vegeteren champignon bouillon. vleesnat Russisch aanspraak maken op. landbouwer Romaans romance Romaans romance romantisch romantisch romantiek ruit. gewas groente krullen fluit fiets. co-. plant plant. tarbot daaromheen. abces. plant gewas. kadet akkerbouw akkerbouw agrarisch boer aaneen. kant. rag broodje. claimen voorgeven. samen-. tweewieler . samen agrariër. rand. kadetje. bolletje. griet. plant gewas. petroleum olie. voortgang hebben. steelpan. aaneen-. etterbuil pad dauw dauw Rusland Russisch toegaan. spinrag.

tweewieler. formeren doorsnijden. ontleding. bestek. beieren naklinken. elastisch verdunnen. gruizelen slechtgehumeurd. loten . rondgeven uitdelen. balorig. ronddelen. peignoir. intrappen. rijwiel fietsen. afscheiding schipbreuk schipbreuk vermorzelen. chapiter. duster negligé. wielrijden fiets. strook. motie resolutie. galmen.rower rower rower spacerowy rozbarwienie oddzielenie rozbicie (się) statku rozbić rozbić się na kawałki rozbierać (na części) rozbierać (urządzenia) rozbierać się rozbiór rozbiór składniowy rozbiórce rozbrajać rozbroić rozbroić (się) rozbrzmiewać rozbrzmiewać rozbudowa rozbudować rozciąć rozciągać rozciągać (się) rozciągliwy rozcieńczać rozcieńczać rozcieńczony rozcieńczyć rozcinać rozczarować rozczarowanie rozczochrać się rozdaj rozdarcia rozdawać rozdrabniać rozdrabniać rozdrażniony rozdrobnić rozdział rozdział rozdział rozdzielacz rozdzielać rozdzielać proporcjonalnie rozdzielczość rozdzielczość odwzorowywanie rozdzielić fiets. ontmanteling. soepel. verzwakken aanlengen maaien tegenvallen. duster strip. schifting. schifting. suffix doen ontstaan. ontleding. ronddelen. peignoir. verbrijzelen negligé. tweewieler. rondgeven resolutie. ochtendjas. ontbinding afbraak. reep analyse. verzwakken aanlengen verdunnen. uitdelen scheppen. rijwiel clausuur. bestek. ronddelen. unit verdeler uitdelen. rijten rondgeven. leed. aflopen. windsel. kapittel clausuur. maken. ochtendjas. grootte rekbaar. grootte omvang. verdriet kneden rondgeven. ontgoochelen smart. uitdelen scheuren. sloop ontwapenen ontwapenen ontwapenen galmen. kleppen. creëren afbrokkelen. ronddelen. doorklinken achtervoegsel. ontbinding analyse. sectie verrichten omvang. motie verloten. kregel scheiden hoofdstuk. afscheiding eenheid.

absolutie geven warm aansluiting willekeurig. consigne. aanvoeren. uitladen. toeloop. gammel. rooster oplossen. aandeel oplossing scheiding. instructie aanwijzing. duster opvrolijken.rozdzielić (się) rozebrać rozerwać rozerwać się rozerwanie rozeta rozgałęziacz rozgałęziacz rozgłaszający rozgłaszanie (np. vrijspraak. opgelost worden verrukken. usług sieciowych przez ruter) reklama rozgłos rozgłos rozgnieść rozgrzeszać rozgrzeszenia rozgrzeszenie rozgrzeszyć rozgrzewać rozjazd rozjemczy rozkapryszony rozkaz rozkaz zatrzymania rozkaz zatrzymania warunkowego rozkazywać rozklekotany rozkład rozkład rozkład (jazdy rozkład statystyczny częstotliwości rozkładać (się) rozkosz rozkoszny rozkoszny rozkruszyć rozkwitać rozlać rozległy rozległy (widok) rozlepiać plakaty rozlew krwi rozliczenie rozluźnić rozładować rozłam rozłączenia rozłączenie actie. afgeven dienstregeling. aftands verdeling. amuseren. aanvoeren. amuseren. roze. overeenstemming verslappen. eigenmachtig grillig. ruim. consigne. peignoir. omroepen propaganda. verbreiden. fanfare morsen uitgebreid. zich verpozen lossen. onderhouden interrumperen. onderbreken rose. betoverend. veelomvattend breedvoerig. onderhouden opvrolijken. roos bewerker bewerker adverteerder. in verrukking brengen aanbiddelijk. absolutie absolveren. aandeel negligé. uitreiking verspreiden. nukkig. verkondiger uitzenden. instructie bevelen. rooster dienstregeling. omvangrijk. arbitrair. royaal aanplakken bloedvergieten akkoord. commanderen bevelen. echtscheiding . absolutie geven kwijstschelding. commanderen bouwvallig. beeldig afbrokkelen. run absolveren. gruizelen fanfarekorps. absolutie kwijstschelding. accoord. afladen actie. vrijspraak. ochtendjas. groot. verspreiding onderscheiding aandrang. onberekenbaar aanwijzing. aanbiddenswaardig heerlijk. schorsen.

ineenstorten. gesprek aanspreekbaar spraakzaam vervagen peinzen. schifting. heiig. maatregel zin. ordenen missen. verschillend. wanhopen radeloos. viskuit. lust. mislopen. grootte afwisselend veranderen. halthouden. afscheiding divan. nadenken reflecteren. aanmaken . praten keuvelen. aanvechting. kikkerdril reproduktie. ronddelen. mediteren. variëteit. diverse menigvuldig. misgrijpen multipliceren. voorhebben. dampig. moedwillig. uiteenvallen uitpakken uitpakken afleiden uitpakken aansteken. grootte omvang. omvang omvang. praten spreken. rondgeven vertwijfelen. verschillend verscheidene. bestek. aanmaken aansteken. wetens nevelig. grootte omvang. blijven staan clausuur. menigvoudig. stand van zaken arrangeren. vermenigvuldigen kuit. bestek. Turkse staatsraad.rozłączyć rozłąka rozłożyć rozmaitość rozmaity rozmaity rozmaity rozmaity rozmawiać rozmiar rozmiar rozmiar słowa rozmiar wartość bezwzględna rozmieniać rozmieniać rozmieszczenie rozmieszczenie rozmieszczenie pliku rozmieścić rozminać się rozmnażać rozmnażać rozmnażania rozmowa rozmowa rozmowa w czasie rzeczywistym rozmową rozmowny rozmowny rozmycie rozmyślać rozmyślać rozmyślanie rozmyślnie rozmyty wątpliwy roznosić roznosić rozpacz rozpaczać rozpaczliwy rozpad rozpadać się rozpakować rozpakować (dane) rozpakować (skompresowane archiwum) rozpakowywać rozpalać rozpalać afslaan. voeren. menigvuldig converseren. wanhopen vertwijfelen. doen ontbranden. brengen uitdelen. aanrichten. spiegelen. een gesprek voeren grootte. bestek. babbelen. neiging situatie. wanhopig verval instorten. menigvoudig verschillend. praten onderhoud. weergave keuvelen. mistig dragen. bestek. afwisseling uiteenlopend. babbelen. doen ontbranden. met opzet. terugkaatsen nadenkend expres. anders maken akkoord. rustbank variatie.

uitstrooien uitdelen. rijten uitspatting goedgeluimd. discuteren verdeling. aanvoeren.rozpalony rozpaść się rozpatruj rozpatrywać rozpęd rozpieszczać rozpieszczać rozpieszczony rozpiętość rozpocząć rozpocząć rozpoczęcie rozpoczynać rozpoczynać rozporek rozporządzać rozporządzać rozpowszechniać rozpowszechniać rozpowszechniony rozpoznanie rozpoznawać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszanie rozprawa naukowa rozprawiać rozproszenie rozproszyć (się) rozproszyć (się) rozprowadzać rozprucie rozpruć rozpusta rozpustny rozpuszczać rozpuszczać (się) rozpuszczać się rozpuście rozrachunek rozradowany rozróżniać rozróżnienie rozruch rozrusznik rozrywce gloeiend. begin. ronddelen. rondstrooien uitzaaien. rondgeven bezoeken. vertroetelen verspild verspreiden. rondgeven uitspatting verhandeling bespreken. bij acclamatie benoemen onderscheiden. ontketenen ontstaan. overeenstemming overgelukkig uit elkaar houden. aanvang aanvangen. dooien. opgelost worden ontdooien. verbreiden. aanbinden. ronddelen. accoord. commanderen. onderkennen uiteenjagen. begin. verterend vermorzelen. aanvang aanvliegen bevelen. intrappen. afleiding . verzendend. nagaan onderzoeken. aanbinden. verstrooid uitdelen. uiteendrijven verstrooien afgetrokken. nakijken. examineren aanzetten tot. beginnen ontstaan. opgelost worden oplossen. wegsmelten uitspatting akkoord. rijten scheuren. troetelen. uitreiking uiteenjagen. onderscheid maken onderscheiding versnelling. aanzetten troetelen. koesteren. beginnen uitschrijven. vertroetelen koesteren. bevelen uitzaaien. acceleratie aanzetschakelaar. afgeven aanvangen. overwegen. goedgehumeurd oplossen. vurig. starter verstrooiing. activeren. lanceren. uiteendrijven strooien. uitstrooien scheuren. geregeld bezoeken toejuichen. verbrijzelen beschouwen. commanderen aanvoeren.

verbrijzelen vermorzelen. amusement aardigheid. geur. grootte uitzetting. pretje. expansie uitzetting. lucht deel. afleiding verstrooid. afgeven doortrapt. bestek. omgang. intrappen. gedeelte vuren. verdoen vermorzelen. begrijpen. opmaken. vurig. expansie begeleiding. aangrijpend. verdunnen emotioneel. bumper. nauwkeurig bepalen kritiek. expansie uitzetting. suffix achtervoegsel. roerend uiteenjagen. boegspriet in verwachting raken. slim. accompagnement optelling achtervoegsel. luchtje. paffen determineren. verzendend verstrooiing. gematigd. amusement aanlengen verspreiden. schieten. oorzaak betekenis. intrappen. beseffen verband. verbreiden. stootkussen spriet. verstrooid raadzaam verstandig nadenkend verklungelen. bescheiden reuk. afgetrokken afgetrokken. rondstrooien verspreiden. ontraadselen gloeiend. cruciaal morsen omvang. verstrooid afgetrokken. uiteendrijven strooien. onderdeel. verbrijzelen oplossing buffer. verterend. suffix ontcijferen. listig reden. gewiekst. hachelijk beslissend. finaal. betrekking verstandig nadenkend uitgebreid .rozrywce rozrywka rozrzedzać łagodzić rozrzedzić rozrzewniający rozrzucać rozrzucać rozrzut rozsadzający rozsądek rozsądek rozsądny rozsiewać zapach rozstawać się rozstrzelać rozstrzygać rozstrzygający rozstrzygający rozsypać rozszerz rozszerzalność rozszerzanie rozszerzanie (się) rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie wejścia analogowego rozszyfrowywać rozświetlony roztargnienie roztargniony roztargniony roztargniony roztropny roztropny roztropny roztrwonić roztrzaskać roztrzaskać roztwór roztwór buforowy rozum rozumieć rozumieć rozumieć rozumny rozumny rozumowo aardigheid. pretje. zin matig. stuk. zwanger raken bevatten.

ontwikkeling verbetering. veelomvattend redelijk. krielen groef. echtscheiding ontwikkeling. groei wierook amusement. groeve. opkopen hoorn hoorn krioelen. ook weer. dof beschouwen.rozumowy rozumowy rozwalniający rozwarty rozważać jakieś zagadnienie rozważny rozważny rozweselać rozwiązanie rozwiązanie rozwiązanie osobliwe rozwiązanie sieciowe rozwiązywać węzły rozwidlenia rozwidlić rozwiedziony rozwieść się rozwijać rozwijać rozwolnienie rozwód rozwój rozwój rozwój rozwój oprogramowania rozwścieczać rozwywka rozżarzony rożen ród ród ród róg róg róg zwierzyny płowej rój rów rów (odwadniający) rów (odwadniający) rówieśnik równać się równie równie również również równik równina równiną lijvig. losmaken kruis. eveneens ergo. equator vlakte vlakte . even. gelijkmatig voor. als. echtscheiding doen ontstaan. stam opslaan accapareren. dijk loopgraaf turen. wriemelen. gelijk. dus. beterschap wasdom. eender. ook. vermaak witgloeiend aanboren geboorte boomstam. toonloos. gelijkelijk. evolutie evolutie. vork kruis. uitrollen buikloop. evennachtslijn. laxans gesmoord. maken. losbinden. vooruitgang. hoe. staren egaal. onderhouden antwoorden. stomp. antwoorden op afbinden. gelijk evenzeer. antwoorden op oplossing oplossing antwoorden. ontwikkeling. gracht waterkering. mede. amuseren. bij wijze van. greppel. kuil. wemelen. aanstaren. diarree scheiding. formeren afwikkelen. overwegen. rationeel laxeermiddel. tot evenzeer. toch evenaar. nagaan verstandig nadenkend opvrolijken. vork gescheiden scheiding. ontrollen.

reeks. reeks. overschot saldo. uitgesproken. menigvoudig variëren. onderscheid verschil. anjelier rose. helder verschillend. vlak. parallel nachtevening. gelijkmatig gelijk. effen simultaan. onderscheid maken menigvuldig. effen baar. gelijk. rozig. staren equivalent. goedmaken egaal. gelijkwaardig turen. roos kraal rozenkrans. lomp. eigentijds. effen gelijk. evenwicht equivalent. vlak. pariteit pariteit saldo. parallel evenwijdig. bidsnoer. menigvoudig. verschillend. gelijkelijk. verschillend klaar. onkies. gelijkwaardig vergoeden. evenwicht evenwichtstoestand. gelijk gelijk. vlak. verschillend.XOR) różnić (się) różnić się różnić się różnić się różnorodny różnorodny różny różny różny różowy rtęć rtęć rubaszny rubel rubin evenzeer. staren gelijkheid. menigvuldig menigvuldig. balans. roze. afwisselen. rist verschil. even. overschot evenwichtstoestand. paal. balans. verschillen. eender. menigvoudig. gelijktijdig evenwijdig. parallel evenwijdig. schelen uit elkaar houden. menigvoudig uiteenlopend.równo równo równoczesny równoległy równoległy system przetwarzania równoleżnik równonoc równoprawny równorzędny równorzędny równość równość równowadze równowaga równowaga równowaga sił równoważny równoważny średni czas do uszkodzenia równoważyć równy równy równy (<with sb rózga róż róż (kolor różowy) róża różaniec różaniec różańca różnica różnica poglądów różnica symetryczna różnica symetryczna (zob. rose. rooskleurig Mercurius kwikzilver. aanstaren. schacht. roede. bidsnoer. grof. ruw roebel robijn . menigvuldig roze. aanstaren. werken verschillend. dag. kwik hardhandig. pijp krokus anjer. onderscheid onderscheiding of uiteenlopen.en nachtevening turen. compenseren. rist rozenkrans. gelijkwaardig equivalent.

te gronde richten ruïneren. rood worden kleuren. prullaria Roemeens Roemenië pijp. bewegen aangrijpen. mobiel. rood worden puin. bewegen rooster. doorscheuren vissen visser. umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu rura wydechowa rura wydechowa ruszać ruszać ruszcie ruszt rusztowanie rusztowanie rutyna rwać ryba rybak rybą rycerz rycerz rydwan rygiel ryglować motie. verbrijzelen broodje. blozen. roerend. paard in schaakspel. valuta beweging werkzaam. handkar. afgesloten . beweegbaar. hek. bedrijvig druk. afval. afrastering. spiegel achtersteven. hek. roulatie. intrappen. resolutie muntsoort. actief. traliehek rooster. aangrijpen. tabakspijp ebpijp. luchtpijp. afgrendelen op slot. spiegel ruïneren. bezet aandoenlijk. paard in schaakspel. bolletje. paard karretje. kar grendelen.ruch ruch ruch oporu ruch powrotny ruch społeczny ruch uliczny ruch w sieci ruchliwy ruchliwy ruchomości ruchomy ruchomy ruchomy ruchomy rufa rufą ruina rujnować rujnował rulon rum rumienić się (ze wstydu) rumieniec rumieńca rumowisko Rumun Rumunia rura rura itp. roerend. resolutie circulatie. ontroerend afneembaar achtersteven. kadetje. ontroeren. afrastering. huizen los. traliehek prieel schavot routine. ontroerend resideren. tabakspijp binnenband. wagen. omloop circulatie. roerend aandoenlijk. roulatie. visverkoper vissen paard. gevestigd zijn. te gronde richten vermorzelen. blozen. blozen. sleur vaneenscheuren. luchtband ontroeren. rommel. ridder ridder. rood worden kleuren. omloop beweging motie. kadet rum kleuren.

gravure. ongemeen. marktplaats marktplein. markt. bazaar. bulderen. marktplein marktplein. cijferen rekenen. lade werkje. markt. gewaagd. trek. berijmen marktplein. tekening rekenen. aanlokken tafel. strikt bulderen. gewaagd riskant. markt. bedenkelijk glad. schets. blèren. wedijveren. marktplaats barst kerel. knul. markt. persoon. blèren. bazaar. bazaar. markt. marktplein marktplein. tekening karaktertrek. graveerwerk meedingen. snuiter barst toelachen. post. marktplaats marktplaats. concurreren. bazaar. wedijveren meedingen. gelaatstrek ritme ritmisch ets prent. bedenkelijk. marktplaats marktplaats. schrijfstift rijmen. wettisch. deurpost riskant. tabel. gestreng. gaan staan zeldzaam. brullen. wedijveren wedijver wedijver meedingen. glibberig rijst opstaan. lijst onderbroek schuiflade. blaten gillen. concurreren meedingen. cijferen werkje. marktplein marktplaats. bekoren. etsnaald. loeien. schets. op het spel zetten kans lopen. markt. markt. brullen brullen. ongrijpbaar. wedijveren.rygor rygorystyczny ryk ryk ryknąć ryknąć rylec rym rynce rynce rynek rynek rynek (handlowy) rynek branżowy rynek rozwijający się rysa rysą rysą rysować rysownica dźwiękowa rysownicy rysownik rysunek rysunek rysunek odręczny rysunek techniczny rysy twarzy rytm rytmiczny rytowanie rytownictwo rywal rywalizacja (o dostęp) rywalizacją rywalizować rywalizować rywalizował ryzyko ryzyko naruszenia bezpieczeństwa ryzyko utraty zabezpieczeń ryzykować ryzykować ryzykowny ryzykowny ryzykowny ryż ryż rzadki stijfheid streng. la. brullen griffel. grommen. concurreren kans lopen. op het spel zetten dobbelen kans lopen. op het spel zetten stijl. sujet. concurreren. daveren gillen. paal. schaars . balken. bulderen.

uithouwen.rzadki rzadko rząd rząd rząd wielkości rządowy rządy rządzić rządzić rzece rzece itp) rzecz rzecz rzecz rzecz konieczna rzeczownik rzeczownik rzeczownik rodzaju męskiego rzeczownik rodzaju żeńskiego rzeczowy rzeczoznawca rzeczpospolita rzeczywistość rzeczywisty rzeczywisty rzeczywisty czas ekspozycji rzeczywisty czas naświetlania rzeczywisty czas pracy rzeczywiście rzeczywiście rzeczywiście rzeka rzekomo rzemień rzemiosło rzemiosło rzepa rześki rześki rzetelny rzetelny rzeź rzeź rzeźba rzeźba rzeźba nad ołtarzem rzeźbiarstwo rzeźbiarstwo amper. zelfstandig naamwoord substantief. knol. daadwerkelijk virtueel werkelijk. gebieder. zaak ding. feitelijk deskundig republiek. druk. rap. werkelijk. aanvoeren rivier. kwiek snedig. nauwelijks zelden bestand. kras. effectief werkelijk. zelfstandig naamwoord mannelijk vrouwelijk werkelijk. uithouwen. vrijstaat realiteit werkelijk. dossier gouvernement. rechtvaardig moordpartij. voorwerp dingen. wezenlijk werkelijk. spullen ding. slachten altaar beeldhouwen. wezenlijk rivier. uithakken altaar beeldhouwen. metterdaad. uithakken . uithouwen. waarachtig werkelijk. echt. gevat. effectief. wassen aangelegenheid. daadwerkelijk inderdaad. ad rem raadzaam billijk. bewind aanvoerder. uithakken beeldhouwen. baden. effectief. koolzaad levendig. chef. effectief. geestig. overheid roeien federaal bestuur. daadwerkelijk daadwerkelijk. besturen. bloedbad afslachten. handel drijven raap. voorwerp substantief. ding. stroom naar men zegt riem kunst handelen. kwalijk. affaire. fair. regering. stroom in bad doen. baas regeren. heerschappij. knolraap.

liefkozen. slachterij slachthuis. uitspelen. slachterij slachten. gooien keilen. werpen. liefkozen. afslachten radijs radijs afgietsel. gegoten voorwerp strelen. ruggegraat geschrift. gegoten voorwerp Rome Romeins brullen. gooien trotseren. uitdagen. aaien. aantonende wijs beven. werpen. gooien een blik werpen. balken. gooien strelen. spin.rzeźbić rzeźbić rzeźnia rzeźnia rzeźnik rzeżnik rzodkiewce rzodkiewka rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać oszczerstwa rzucać się rzucić rzucić wyzwanie rzucić zgłosić (wyjątek) rzucić zgłosić wyjątek rzut rzut oka Rzut poziomy rzutki rzutnik rzutować rzutowanie rzutowanie Rzym rzymski rżeć rżenie s (tryb) oznajmujący (gram. aanhalen schadelijk keilen. dik plaats. bedrijvig projector. uithakken. uitspelen. domicilie sadist sadistisch . lokaal. liefkozen. uitspelen. plek accepteren. omtrek werkzaam. afslachten slachten. uittarten keilen. een blik werpen op omlijning. aaien. aanhalen afgietsel. uitspelen. blaten brullen. abattoir. aannemen. werpen. actief. aaien. werpen. bongerd lijvig. gooien keilen. aanvaarden woonplaats.) s drżenie s grzech s kręgosłup s pismo s ryba s sok (soki) roślin (zwłaszcza drzew) s sok soki roślin zwłaszcza drzew s sól s suszona śliwka s szloch sad sadło sadowić sadowić się sadyba sadysta sadystyczny beeldhouwen. werpen. bibberen. gooien opgooien. blaten indicatief. balken. rillen. uithouwen beitelen slachthuis. oord. tarten. projectietoestel strelen. schriftuur vissen sap sap zouten snoeien snikken boomgaard. abattoir. gooien opgooien. huiveren zondigen wervelkolom. uitspelen. grommen. aanhalen keilen. grommen.

bergstroom salade. zelfbewustheid vliegtuig. vokaal. overschot zaal. vliegtuig vliegmachine. alleen. vokaal. klinker gewicht. vliegtuig vliegtuig. begroeten groeten. begroeten saluut. aplomb. alleen. vliegmachine vliegmachine. vliegmachine vliegmachine. klinker vocaal. vloed. plant Marokko Sahara geheiligd. salon zitkamer. sla salade. sacraal sacrament sacrament saxofoon hal bestek. groet stroom. salade slaatje. huiskamer. enig louter. vliegmachine . enig Samaritaans mannelijk wijfje. speling. kropsla. ruimte rechtszaal saldo. wagen automobiel. latuw. vliegtuig vliegtuig.sadyście sadyzm sadza sadzą sadzić safian Sahara sakralna muzyka sakramencie sakrament saksofon sala sala sala recepcyjna saldo saldo balans (dotyczy dźwięku stereofonicznego) salon salon wystawowy salut salutować salutowanie salwą sałacie sałata sałata sałatce sałatka sam sam jeden Samarytanin samca samica samicą samiec samochód samochód samochód samochód czteroosobowy samogłosce samogłoska samokontrolą samolocie samolocie samolot samolot samolot samolot pasażerski sadist sadisme roet roet gewas. auto auto. latuw. sla slaatje. wagen vocaal. salade slaatje. woonkamer groeten. salade louter. wereldruim. auto auto. verlaten. gewijd. verlaten. vrouwtje mannelijk automobiel. heilig. overschot saldo. vrouwtje wijfje. kropsla.

borrel gemoedstoestand. vierkante decameter neerdruipen. vrijen. zijgen bank. paaien.samoodnawiająca się pamięć DRAM samopoczucie samotnie samotny samotny samotny samotny samowar samowola samowolny samozapłon samuraj sandał sankcja saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) sapać sapać sapał sapie sapnięcie sardela sardelą sardynce Sardynia sardynka sarkastyczny sarkazm sarna sarna Sas saski sataniczny satelicie satelita Saturn satysfakcja satysfakcją satysfakcjonować satysfakcjonować sauna są sączyć Sączyć. in ruste enkel. moreel. bloot. zitbank het hof maken. enig louter. afdruipen filtreren. verlaten. broek pof. louter samovar vergunning. filteren. sauna are. satelliet Saturnus tevredenheid tevredenheid vergenoegd. voldaan bevredigen. satelliet trawant. verlaten. licentie willekeurig. bekrachtigen supermarkt supermarkt naar adem snakken pof. scharrelen . poef naar adem snakken lange broek. tegemoetkomen aan zweetkamer. eigenmachtig spontaan samoerai sandaal sanctioneren. pantalon. alleen. sączek sąd sąd aperitief. alleen. tevreden. arbitrair. poef ansjovis ansjovis sardine Sardinië sardine sarcastisch sarcasme hert ree Saksisch Saksisch satanisch trawant. stemming louter. rustend. enig eenzaam gepensioneerd.

naburig aangrenzend. nabuur buur. tafereel. omgeving nabijheid nabijheid nabijheid podium. beproeving ziekte. bestuur. vrijen. aanspraak maken op gebuur. gebuur buur. opstap. raam kerkscheuring. zich inspannen. blauwdruk kader. scheuring. trap roltrap naar beneden gaan. aandoening droefheit. opstapje. oordelen. schisma vleien duidelijk. buurman. buur. nettodor. omlijsting. verdorren treeplank. droog verflensen. aangrenzend. trap opgang. scenario. asyl bunker. netto. aanliggend aanliggend. pogen claimen. naburig nabijheid nabuurschap omstreken. kazemat vlees . script landschap scepticus ontwerp. leiding scène. trap opgang. aangrenzend. kwaal. buurman. kwijnen. hartzeer. berechten streven. gebuur belenden. asiel. gerechtsgebouw het hof maken. lijst. asyl toevlucht bunker. afdalen affect. aandoening winkel toevluchtsoord. tribune. asiel. nabuur. herberg bunker. plan. tree opgang. emotie. scharrelen beoordelen. balie. kazemat logement.sąd sąd ostateczny sądzić sądzić sądzić o czymś sąsiad sąsiad sąsiad zewnętrzny sąsiadować sąsiadujący sąsiedni sąsiedni sąsiedzi sąsiedztwa sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo scana scena scenariusz sceneria sceptyczny schemat przetwarzania danych schemat węzła schizma schlebiać schludny schnąć schnąć schodek schodkach schody schody schody ruchome schodzić schorzenie schorzenie schorzenie schowek schron schron schronienie schronienie schronienie schronisko schronisko schudnąć gerecht. tableau draaiboek. kazemat toevluchtsoord. toneel. concept. omtrek. nabuur. grenzen aan aanliggend. buurman.

seksueel sekte sector sector tweede tweede manen. rek generatief. vak. geruchtmakend matig. strekking betekenis. kern safe. behouden. geborgen. aandoening sentiment. selderij semantiek. aansporen selderie. schifting. emotie. afscheiding clausuur. zin wijsheid klapstuk. sensatie sensationeel. schifting. plan. aanmanen. maffen doel. inkrimpen. gevoel. veilig dieet parlement. kern. geslachtelijk. gevoeligheid sentimenteel clausuur. tak confidentie secretaresse secretaresse secretaresse etagère. bescheiden affect. herleiden secessie essentie. mijmeren slapen. bederf veroorzakend kaas Servisch Servië Servisch hart . betekenisleer Semitisch Semiet dromen. wezen. essence pit. bedoeling. volksvertegenwoordiging parlementair hof. vermanen.schudnąć secesją sedna sedno sejf sejm sejm sejmowy sekator sekcie sekcja zwłok sekret sekretarce sekretarka sekretarz sekretarzyk seksualny sekta sektor sektor uszkodzony sekunda sekundą sekutnicą seler semantyka semicki Semita sen sen sens sens sens sensacja sensacyjny sensowny sentyment sentyment sentymentalny separacja separacja impulsów synchronizujących seplenić seplenienie septyczny ser Serb Serbia serbski serce reduceren. tuin sekte branche. afscheiding lispelen lispelen septisch. gematigd.

knus hartelijk. tree uitzaaien hooi zwavel . een nest maken feuilleton. troep. xeres treeplank. apparaat. zitting. oordelen. gebied inpakken. staat kloot. gebied rijk. zittingsperiode inrichting. innig serenade ketting. gezellig. een knoop leggen aasgier vervalsen kloot. ouderwets knopen. innig intiem. uitglijden server server servet servet eredienst. gelegenheidsbeoordelen. pakken. opstapje. berechten arbiter. omgeving. op smaak brengen toevallig. omgeving. perceel nestelen. scheidsrechter arbiter. vervolgverhaal slippen. schare kavel. verpakken interpreter sherry. scheidsrechter arbiter. oordelen. hulpmiddelen honderd kruiden. sfeer. godsdienstoefening serveren. dienst. scheidsrechter beoordelen. voorleggen feuilleton. opstap. scheidsrechter arbiter. sfeer. vervolgverhaal feuilleton. keten bende. innig.sercowy serdeczny serdeczny serdeczny serdeczny przyjaciel serenada seria seria seria seria serial serial (powieść Serial Line IP serwer serwer źródłowy serwetce serwetka serwis serwować seryjny sesja set setka sezon sezonowy (robotnik) sędzi sędzi sędzia sędzia sędzia sędzia (w sporcie) sędzia pokoju sędzia rozjemca sędziwy sędziwy sęk sęp sfałszować sfera sfera kontroli sfera sterowania sfora (psów) shell zgłoszony powłoka logowania sherry shodek siać siano siarka hartinnig. aloud. bol. vervolgverhaal sessie. hartelijk hartelijk. scheidsrechter scheidsrechter. bol. berechten arbiter. arbiter oud antiek.

net. hek. broeden. haar sergeant sergeant zelf. kont. net zeven zeventig zeventien nestelen. bril zetel. jijzelf locomotief locomotief vasten gezond. kwartier. augustus haardos. duidelijk netwerk. netto-. kolejowa) sieć elektryczna sieć miejska sieć połączeń siedem siedemdziesiąt siedemnaście siedlisko siedzenia siedzenia siedzenie siedziba siedziba archiwum siedziba WWW siedzieć siekać siekać siekać mięso siekane/mielone mięso siekiera sierocie sierota sierotka sierp sierpień sierść sierżancie sierżant się się się się silnik silnik lotniczy silny silny silny zwavel traliehek. vanzelf zelf. bril zetel. mijzelf uzelf. gat. netto-. afrastering. rooster netto. bibs zetel. net. jijzelf netto. netto-.siarka siatka siatka siatka kierunkowa siatka znakowa siatkówka sicie sidła siebie sieć sieć sieć (np. woning ligging koesteren. hek. onderkomen. rooster netto. kappen. hek. een nest maken achterste. raadsel jenever. vanzelf mezelf. zicht oogstmaand. bijl ouderloos ouderloos ouderloos sikkel. fit. broeden op fijnhakken fijnhakken houwen. afrastering. afrastering. net. net netwerk. ferm . danspartij puzzel. rooster mens netwerk. klare uzelf. fors. potig. valide robuust. net traliehek. bril logies. duidelijk bal. hecht. duidelijk traliehek. hakken fijnhakken hakbijl.

grauw opborrelen. ontspringen hinkelen springen hinkelen lijntje. koorde. doen schommelen balanceren. opslorpen. klip balanceren. oomzegger zevende zevende vergiet zeef zeef voortmaken. slurpen blauwe plek zadel zadel zadel zuster. zus zus. geducht. doen schommelen verstening. zuster nicht neef. zus intendante zuster. haast maken grijs. koord. broer. snoer. fossiel verstening. sterk. opwellen. eerroof. straf doordrukken sterkte sterkte doordrukken beklemtonen. laster schandelijk scanderen Scandinavisch Scandinavië . fiks. fossiel achterklap. slurpen resorberen. broeder.silny siła siła siła przeciwelektromotoryczna siła robocza siła robocza siłą siłą Singapur single inline package single in-line package siniak siodła siodłać siodło siostra siostra przełożona siostrą siostrzany siostrzenica siostrzeniec siódma część siódmy sitko sito sito kwadratowe sitowie siwy siwy skacz skakać skakać skakać w górę skakanka skala skala odległość skala szarości skalować się skała skała skałą skamielina skamieliną skandal skandaliczny skandował Skandynaw Skandynawia krachtig. lijn aanslag aanslag aanslag aanslag klif. spoed maken. opslorpen. grauw grijs. accentueren doordrukken sterkte Singapore resorberen.

winkelier toondicht. afkeuring schuldig bevinden schuldig bevinden ruimte. pinnig. uitvegen. compositie stortplaats . melkinrichting winkel. sparen pinnig.skandynawski skanować skanować wyszukiwać skapować skarb skarb państwa skarbonka skarcić skarga skarpecie skarpeta skarpetka skarżyć skarżyć się skasować skasować skasować skasować skazać skazać skazać na wygnanie skazanie skazany skazańca skazić skazywać skąpy skąpy skąpy skąpy skąpy skierować skierować skinąć głową sklejać sklejce sklejka sklep sklep sklep sklep mięsny sklep nabiałowy sklep ze słodyczami sklepienie łukowe sklepikarz sklepikarz skład skład Scandinavisch scanderen scanderen rank. geldkist manen. knikken lijm. uitbannen wraking. annuleren. wegvagen gommen. kleefmiddel. inhalig gemiddeld hebzuchtig. twijg. zaak gewelf. hebzuchtig. inhalig adresseren aanleggen ja knikken. hebzuchtig. vermanen. zin. melkinrichting zuivelfabriek. gierig ontzien. kas. gierig. plaats frase. aanmanen. met gom bestrijken afkeuren schuldig bevinden verbannen. kleefstof multiplex multiplex kast winkel. aanklacht sok sok sok een proces aanspannen tegen klagen. oord. toonzetting. afgelasten afbestellen uitwissen. inhalig. aansporen beschuldiging. volzin gierig. pinnig. kit. bol kruidenier neringdoende. rijs schat schat fonds. zaak winkel zuivelfabriek. lokaliteit. zijn beklag doen ontbinden.

glooiing wilsbeschikking. aanleg marmeren. bodem. consulteren beëindigd. componeren omvouwen. instelling . syntaxis zinsbouw. wilsbeschikking helling. vouwen. plooien bestaan uit bestaan uit omvatten. afgelopen. ontspringen opborrelen. vanaf ordner. samenkomst hoop. formeren raadplegen. genootschap. compositie samenstellen.skład kolumn skład komputerowy składać składać składać komuś kondolencja składać się składać się na składać się na składać się z składanie składanie podpisu składka składni składnia składnia wiersza polecenia składnik skłonność skłonność skłonność skłonność skłonność skobel skocz skoczna (muzyka) skoczny skoczyć skojarzenie skojarzenie przyporządkowanie skok skok skok skok o tyczce skok w dal skok warunkowy skok wzwyż skok zony skonsternować skonstruować skonsultować się skończony skoordynowany skoro skoroszyt skorpion skorupa skorupa skory skorygowanie toondicht. schaal snel. associatie bond. lidmaat. meeting. gesteldheid. toonzetting. aanhanger gebogen. sedert. nietje. rap. haastig. casco schild. syntaxis zinsbouw. aftakking snedig. rugschild. vormen samenstellen. map schorpioen scheepsromp. toonzetting. zinsleer. kudde. druk. spoedig. kras. componeren samenscholing bijeenkomst. klaar bijeenschakelen. gevat. compositie toondicht. maken. onthutsen doen ontstaan. genootschap. zinsleer. associatie tak. beslaan uitmaken. gezwind. aftakking springen springen springen opborrelen. schare. gauw afstelling. kramp. aderen haakje. opwellen. krom aanleg. opwellen. ontstellen. kwiek springen bond. zinsleer. groep. gesteldheid. ad rem levendig. drift zinsbouw. syntaxis lid. coördineren sinds. geestig. romp. klamp tak. ontspringen springen springen ontzetten. afgewerkt.

ingetogen slaap inkorten. pels. discreet. huid vel.skośny skowronek skóra skóra kozłowa skóra niedźwiedzia skóra wołowa skórą skórce skórka (chleba) skórka (kartofla skórzana torba podróżna skórzany skracać skracać skracać skracać (np. bovenmatig jammerlijk afkeuren krauwen. huid dierevel. inkorten inkrimpen. huid. log kronkelen raspen afkrabben krauwen. kant. vel. vacht vel. ergst. deemoedig bescheiden. klauwen. vel. beperken afkorting. lederen. valies taai. leerachtig. begrenzen. vacht. kust. słowo) skracania skraj skraj skrajność skrajny skrajny skrawek skreślać tymczasowy skreślić skreślić skręcać się skręcie skrępowany skręt skrobać skrobać skrobać skrobał skromność skromny skromny skroń skrócić skrócić skrócić coś skrócić się skrócie skrócie skrót skrót skrót skrót scheef. jassen nagelriem handkoffer. begrenzen. afkorten beknotten. zich aftobben. pels. schuin leeuwerik dierevel. korten. vacht. dierevel. extreem. bekorten. lederen. pels. extreem. afgetrokken acroniem hijsen. afkorten afkorten. pels. afpellen. wegvagen worstelen. huid. koffer. mislukken uitwissen. verkorten beknotten. begrenzen. discretie nederig. ergst. klauwen. zoom wal. uitvegen. jassen schillen. onderdanig. leren inkorten. ophijsen . bekorten. boord. overzicht. scharrelen. beperken kort beknotten. bovenmatig uiterst. scharrelen. beperken afkorting resumé. vacht taai. krabben een miskraam krijgen. afpellen. leerachtig. excerpt afkorting abstract. spartelen kronkelen plomp. krabben afkrabben bescheidenheid. bekorten. leren schillen. verkorting rand. dierevel. oever uiterst.

haard wis. grond. viskuit. focus. kopij draaiboek. blo zwak. beschadigen. script draaiboek. aankoop agglomeraat middelpunt. rand. effect slip. gerucht. ondergrond handschrift. werker. befaamdheid . brievenbus viool knarsen. piepen achtergrond. vlerk borst. boezem borst. ineenkronkelen afdoend. gleuf Slaaf bedaren. afbreken koop. script confidentie babbelen. leus. bederven twijnen. piepen knarsen. brievenbus bus. zwakjes aflaat lichtjes. zwak. zwak. zwakjes bevangen. effectief. kant. licht faam. luwen aanlengen lichtjes. band vleugel. slipje lijfspreuk. scenario. werkman. praten. werkkracht indruk. binnenste. contract ineenkrimpen. bedeesd. leuze. devies sponning. doeltreffend arbeider. mare. inkoop. bos verbintenis. manuscript. verbuigen. bekoelen. sleuf. afdoen boord.skrót (drogi) skrót klawiaturowy skruszyć skruszyć skrypt skrypt skrypt wsadowy skryty skrzeczeć skrzek skrzele skrzyczeć skrzydła skrzydła skrzydło skrzynia skrzynia na popiół skrzynka na listy skrzynka pocztowa skrzypce skrzypieć skrzypienie skrzywdzić skrzywić skubać skubać (pióra) skup skupiać skupiać skupiać skupisko alertów skurczyć (się) skurczyć się skuteczny skuteczny skutek slipy slogan slot wbudowane gniazdo rozszerzeń slowiański słabnąć słabnąć słabo słabostce słabowity słaby słaby sława byte mnemonisch knarsen. scenario. piepen havenen. centrum brandpunt. zoom. boezem bus. bundel. bodem. knabbelen afrukken. vlerk vleugel. verdraaien knagen. keuvelen kuit. plukken. timide. kikkerdril kieuw afhandelen.

beroemdheid beroemd. woordenschat glossarium woordenboek vocabulaire. revisor luisteraar. dienares. glorierijk.sława sławą sławą sławna osoba sławny sławny słodki słodki sos śmietankowy słodki ziemniak słodkogorzki słodko-gorzki słodycz słodycze słoma słomą słomka słonecznik słony słony słoń słońce Słowacja Słowianin słowiański słowiański słowik słownictwo słowniczek słownik słownik słownik (obejmujący hasła z jakiejś dziedziny) słowo słowo wyrównane słowo zastrzeżone słód słuch słuchacz słuchacz słuchać słucham słuchawce słuchawka słudze słup słup słup słup oświetleniowy reputatie. befaamdheid. bewoording woord. gerucht beroemd persoon. zoetigheid. hoorn telefoonhoorn. faam. mare. lieftalligheid snoep. woordenschat glossarium woord. oppassend zoet. oppassend bitterzoet bitterzoet beminnelijkheid. snoepgoed stro stro stro zonnebloem zouten zout olifant zonneschijn Slowakije Slaaf Slavisch Slavonisch nachtegaal vocabulaire. hoorn dienstmeisje. toehoorder aanhoren. naam onderscheiding faam. befaamd. roep. bewoording woord. bewoording mout gehoor inspecteur. beluisteren. luisteren hallo telefoonhoorn. oppassend zoet. glorieus zoet. alom bekend beroemd. meid mijlpaal kuil Pool kuil .

droefheid droevig. vernemen gehoor gehoor smakelijk. dienst. schraal. geleiden. dienst. verdrietig blauw weemoedig. toog snob snobistisch uzelf. luchtig rank. tenger leed. verdriet. verzorgen serveren. fijn. toepassing bakken. fruiten draak. leiden boog. jijzelf vanzelf. dun. vlieger teren stank stinken.słup oświetleniowy słuszny słuszny słuszny słuszny służąca służący służba służbą służyć służyć słynny słyszeć słyszeć słyszenie smaczny smak smak smak smakołyk smakować smakowity smar smarować (smarem) smarowanie(maścią) smażyć smażyć (się) smok smoła smród smród smudze smukły smukły smutek smutek smutek smutno smutny smutny smutny smutny smycz smyczek snob snobistyczny sobie sobie samej Pool raadzaam billijk. fruiten bakken. befaamd. rechtvaardig rechter-. meid eredienst. triest. melancholiek rouwbedroefd de weg wijzen. kruiden smaken smakelijk. fair dienstmeisje. fijn. smart bedroefdheid. godsdienstoefening verplegen. fair. karrespoor sprietig. voorleggen beroemd. droefgeestig. vies ruiken spoor. alom bekend verstaan. vandehands billijk. lekker op smaak brengen. zorgen voor. kruiden snoepen smaken op smaak brengen. meid dienstmeisje. mager. lekker invetten boter aanwending. rechtvaardig. slank. dienares. horen. smart. zieleleed bedroefdheid. godsdienstoefening eredienst. dienares. zelf . wagenspoor.

statig. speling slapen. pijnboom uil sovjetgaai. aard soort. bloot. piëdestal. plechtstatig zouten gemeenschapszin. Vlaamse gaai gaai. louter plechtig. fiks. ferm krachtig. sterk. sop. kleiner worden. reikhalzen vertrouwd. bestek. jus jus. sop. hunkeren. maatschappelijk socioloog sociologie. saamhorigheid verlangen. betrouwbaar robuust. maffen dalen. saus denneboom. wereldruim. voetstuk ruimte. slag. straf solist solo nacht sonate sopraan soort. cider sap sap havik enkel. maatschappijleer sociologie. den. wereldruim. maatschappijleer linze linze lens lens canapé Sofia appelwijn. saus jus. slag. geducht. sop. potig. speling ruimte. hecht. Vlaamse gaai zouten wandelaar pedestal.socjalista socjalistyczny socjalizm socjalny socjolog socjologia socjologią soczewica soczewicą soczewka soczewka magnetyczna sofa Sofia sok sok sok sokół sola (gatunek ryby) solenny solić solidarność solidaryzować się solidny solidny solidny solista solo somnambulizm sonacie sopran sortować sortować sortowanie gatunek sos sos sos z fasoli sojowej sosna sowa sowiecki sójce sójka sól spacerowicz spacja spacja nierozdzielająca spacja światło (na stronie) spać spać alnie spadek socialist socialist socialisme sociaal. fors. aard saus. bestek. maffen slapen. afnemen .

tak afzonderlijk. raar. timide. spanderen accolade contant. erfenis. humor. sperma blo. erfdeel valscherm. spenderen. afzonderlijk ellendeling. bevangen. boef gek. wellen lasser stuiptrekking.spadek spadek spadek spadek napięcia anodowego spadek wydajności spadochron spajać spajać nie spakować się spalać spalać spalania spalanie spalina sparaliżować spartaczyć spartaczyć sparzyć pokrzywą sparzyć się spaść spawacz spawać spawarka spazm spazm specjalista specjaliście specjalnie specjalność specjalny specjalny speculator specyficzny specyficzny specyfik spełniać spełniać spełniać zachcianki spełniać zachcianki spełnić spełnić się spermą speszony speszyć się spędzać spiąć spieniężyć spieniężyć waas. ploert. schavuit. wellen zich aansluiten. nesthaar. erfdeel druppel. in het bijzonder afdeling. deskundige. waterdruppel boedel. dons druppel. soortelijk specifiek. erfstuk. deskundige. expert inzonderheid. tegemoetkomen aan opdraven. erfenis. branche. brandnetel aanbranden verlagen. afdraaien lasser lassen. parachute. vak. afgezonderd afgezonderd. expert kenner. zitting humeur. bevatten. opdagen zaad. erfstuk. kramp kramp kenner. verlammen beunhazen. toetreden inpakken. gemoedsgesteldheid gehoorzamen bevredigen. eigenaardig specifiek. knoeien. springscherm lassen. vooral. begrijpen . paaien. waterdruppel boedel. bedeesd beschamen. vergaderen vergadering. vreemd. verassen verbranding verbranding uitwasemen lamleggen. verpakken aanbranden verbranden. baar beseffen. pakken. beschaamd maken besteden. stuip. lid worden. modderen afraffelen netel. bijeenkomen. soortelijk samenkomen.

turen het uiterlijk hebben van. boedel aangeven dienstregeling. een beroep doen op te wachten staan. spugen. afval schoteltje. rustig. machinatie. krakelen. rooster komplot. drijven gorgelen. scheren. er uitzien sjilpen. konkelarij provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast kronkelen vuns. rochelen spuugbak. kapot Vlissingen zweten. tjilpen. kwetteren stil. turen. pantalon. wellen zich aansluiten. toetreden het uiterlijk hebben van. scheren. lange broek appelleren. bedaard. dobberen. broek. kalm . opheffen afbetaling vlotten. broek pantalon. wachten. voortmaken omroepster spinnen knippen. stuk. twisten disputeren. lid worden. aanstaren. overblijfsel. rommel.spierać się spierać się z kimś o coś spieszyć się spiker spin spinacz spinać spirala spiralny spirytus spirytyzm spis spis spis ulic spisek spisek spiżarka spiżarni spiżarni spiżarnia spiżarnia splatać się spleśniały splunąć spluwaczka spłacać zobowiązania spłacać zobowiązania spłata spławik spłukać spłukany spłukiwanie spocić się spoczywać spodek spodnie spodnie spodobać się spodziewać (się) spoglądać spoina spojenie spojrzenia spojrzenia spojrzenie spojrzenie spojrzenie spokojny disputeren. spoelen defect. transpireren rest. snoeien knippen. spuwbak. haast maken. uitschakelen afwikkelen. er uitzien staren. liquideren. krakelen. twisten spoed maken. afspoelen. kwispedoor afvoeren. schotel lange broek. duf spuwen. muf. vunzig. piepen. aanstaren staren. elimineren. afhalen een blik werpen. snoeien spiraal spiraal geest spiritisme inventaris. samenspanning intrige. een blik werpen op lassen.

gebeurtenis. bijeenkomen. handelen volgens opvolgen. blaam. kalm bestek. sportsman atletisch sport afdingen. handelen volgens berisping. marchanderen keer. manier aanvliegen manier. standje. gemeenschap sociëteit. gemeenschap sociaal. aanmerking. usance. stil. speling. trant ontdekken affiche. wijze. club gemeente. veel. rustig. laten . manier weg. maken. rustig. bijeenkomen. wijze. gebeuren trant. aanmerking. intermitterend sport aanvechtbaar. kalm stil. pingelen. aantreffen ontmoeten. ruimte aanverwant. rustig Stille Oceaan. blaam samenkomen. club gemeente. biechten. toegeven verwekken doen. gewoonte polis trant. wereldruim.spokojny spokojny spokojny spokojny spokój spokój spokrewniony społeczeństwa społeczeństwo społeczeństwo społeczność społeczność (w protokole SNMP) społeczny spontaniczny sporadyczny sporcie sporny sporo sport sportowiec sportowiec sportowy sportowy sposobność sposobność sposobność sposób sposób sposób sposób mówienia sposób obsługi datagramu sposób postępowania sposób postępowania spostrzec spostrzec spostrzec spostrzegać spostrzegawczość spostrzeżenie spostrzeżenie spotkać spotkanie spotykać spotykać (się) spotykać się spowiadać się spowodować spowodować kalm. laten doen. betwistbaar menig. vreedzaam bedaard. baan. maal incident. standje berisping. standje berisping. blaam. vergaderen benoeming. aanplakbiljet. Grote Oceaan vredig. maatschappelijk spontaan hortend. bekennen. bedaard. route gebruik. op zijn gemak. aantreffen erkennen. aanstelling samenkomen. gemeenschap gemeente. vele sport atleet sportman. verwant sociëteit. plakkaat opvolgen. aanmerking. vergaderen ontmoeten. wijze.

beteugelen heerschappij. besturen. fair. tuberculose uitbuiten. mennen controleren. spijs. bestuur speurtocht. klus. pennestrijd. zoektocht richten. bewind. aangelegenheid. uitmelken aannemen. aangelegenheid. affaire. twisten onbetaald. exploiteren. opwellen. gezag rekening. dirigeren. markt. effectief. ding. vet . krakelen. zaak. rijstwijn bedwingen. polemiek disputeren. betomen. ondergrond.spożycie spożytkować spożytkowywać (coś spożywać spożywczy spód spód stosu spódnica spódnicą spódniczka szkocka spójnik spójność spółgłoska spór spór spóźniony spragniony sprawa sprawa (rzecz) obojętna sprawa (sądowa) sprawa do zrobienia sprawa rzecz obojętna sprawą sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać (księgi sprawdzić dokładnie sprawdzony zaznaczony sprawiać sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwy sprawiedliwy sprawiedliwy sprawny sprawować władzę sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie z testowania sprawy wojskowe sprecyzować sprężyna sprężyna łóżka sprośny longtering. medeklinker controverse. maken. ding. conto aantekening. ding zaak. berichten. aanwerven slopen. bazaar. conto militair specificeren opborrelen. consumeren eten. grond rok. speurwerk. taak karwei. checken. etenswaar. affaire saké. affaire karwei. achterstallig dorstig zaak. vrouwenrok rok. rechtvaardig afdoend. ondergrond. opgave. aflezen geldig verklaren geruit. commentaar informeren. geblokt doen. laten Justitia billijkheid gerechtigheid raadzaam marktplein. ontspringen springen vettig. laten doen. huren. gerecht bodem. inlichten rekening. gevolg consonant. tering. verbruiken. grond bodem. Schotse rok conjunctie consequentie. klus. achtergrond. achtergrond. marktplaats billijk. doeltreffend autoriteit. opgave. taak aangelegenheid. vrouwenrok kilt.

toegenegen. handelaar. verhandelen. verhandelen. vastgespen. aan komen lopen uitrusting. handig. bijkomend aanpakken. koopman zakenman. accommodatie. inrichting interface interface grijpen. vastgespen. koopman verkoper beschikking verkoop. noch tegenspartelen. vervoegen gunst. behendig. schunnig brengen. strijd. bekwaam gespen. invoeren downloaden trekken bedreven. inrichting ijzeren bijkomstig. twist. inrichting conjugeren. klaar importeren. gunstig aanzwellen haan van een vuurwapen druppel. handelaar. accommodatie.sprośny sprowadzać sprowadzać sprowadzać sprowadzić sprowadzić z serwera sprytny sprzączce sprzączka sprzątać sprzeciw się sprzeciwić sie sprzeczka sprzeczny sprzedaj sprzedawać sprzedawać sprzedawać (papiery wartościowe) sprzedawca sprzedawca sprzedawca gazet i czasopism sprzedawca kwiatów sprzedaż sprzedaż sprzedaż detaliczna sprzedaż wiązana sprzęcie sprzęg sprzęg równoległy wewy sprzęgło sprzęt sprzęt sprzęt kryptograficzny sprzęt stacji roboczej sprzęt zboża sprzęt zbrojeniowy sprzężony sprzyjać sprzyjający spuchnąć spust spuszczać spychacz srebny srebra srebrny srebro srebro w sztabach schuin. begunstiging. tappen verkoop. waterdruppel bulldozer zilveren zilveren Argentijns zilveren zilveren . dichtgespen ordelijk evenmin. aandragen. bijbehorend. vervreemding overdoen. accommodatie. obsceen. licht. zaken doen kruidenier zakenman. dispuut inconsequent overdoen. handeldrijven. tegenstreven kwestie. vervreemding in het groot verkoop. dichtgespen gespen. aan komen lopen aanpakken. bezorgen hel. genadigheid goedgezind. bemachtigen uitrusting. tappen handelen. vervreemding uitrusting.

aldoor staal bestendig. lurken zoogdier wurgen. blijvend. streng. hecht. bestendig bestendig. cru bar.. gevestigd box staal bij voortduring. gedegen stevig. etappe. blijvend. worgen priemen. vandaar. beschermheer gestaag. steken. stadswijk ontsteking. constant. passend kudde. deugdelijk. roedel roedel. spiegel opzuigen. vliegtocht kudde. schare. ontbranding goed staan gepast. constant. hard. station stationsgebouw. constant. choken. deugdelijk. gestaag blijvend. voorwaarde. betamelijk. gestaag aanhoudend. gevestigd flink.. zuigen. hoop. straf achtersteven. pikken stevig. bestendig flink. wijk. duchtig. vast. roedel bruidegom. hecht. degelijk. hecht. vandaan. prikken. roedel stadie. prikken.srebrzysty srogi srogi srogi ssać ssak ssania stabilizacja stabilization stabilny stacja stacja bazowa z dwoma fizycznymi połączeniami z siecią stacja konwersacyjna stacja nadrzędna stacja zdalna stacjonować stacyjka stać stać stada stadion stadko stado stado stado (gęsi) stado (lecących ptaków stajenny stajnia stajnia stal stale stalowy stała stała stały stała (wielkość) stały stały stały stały stały stały stały stały dostęp do Internetu stały gość/klient stały obwód wirtualny stamtąd stan Argentijns grof. permanent. gedegen bestendig. onbewerkt. gestaag bestendig. vast. kudde kudde. stalknecht stevig. bot. steken. aanhoudend beschermheilige. constant. daarvan conditie. gestaag bestendig. degelijk. bestendig daar . constant. station gastheer terminal stationsgebouw. gevestigd stationsgebouw. pikken priemen. station buurt. bepaling . onbehouwen. gestaag aanhoudend. kudde. constant. overnachtingsplaats groep. vast. drift vlucht.

vast.h. klauwen. koker afzenden. bak. bedaagd ouder krauwen. bustehouder b.. uit de mode antiek. standaardmaat. hecht positief. aanzetten hel. bejaard vergevorderd. acquest. norm b. beweren logeren regel. plooien afsluiten. motie gevestigd. krabben aanzetten tot. stevig. adellijk. aloud. activeren. antiek hoogbejaard. station Verenigde Staten van Amerika alliage. constructief omvouwen. vormen aanwinst. buit. netto. expediëren beeld.h. oud. echt crisis verzekeren. goor.. prooi houding. echtverbintenis. ouderwets ouderwets. scharrelen. trachten. expediëren pot. beha. belemmeren. klaar aanzetschakelaar. beweren zich gedragen werkplaats. nettoafschaving antiek. metaalmengsel pogen. bustehouder resolutie. aloud. standaardmaat. oud. vouwen. beha. evenredigheid regel. licht. verzenden. standbeeld . etui. aanzetten aanzetten tot. verzenden. streven duidelijk. moeite doen. gortig afzenden. bejaard muf. stand. aanzetten aanzetten tot. afdammen uitmaken. positie verzekeren. legering.stan stan końcowy stan wyjątkowy stan zawieszenia stanąć standard standard szyfrowania agend rządu USA standard zastrzeżony stanik stanik (ale nie biustonosz!) stanowczość stanowczy stanowczy stanowić stanowić (całość) stanowić zagadkę dla stanowiska stanowisko stanowisko stanowisko pracy stanowisko pracy stanowisko) Stany Zjednoczone stapiać starać się staranny starcie starodawny staroświecki starożytność starożytność starożytny starożytny starszawy starszy start start start of header start zimny startować ponownie startujący stary stary jak świat starzeć się statek statek statek) statua verzekeren. aloud. benauwd. aloud. ouderwets ouderwets. activeren. doos. atelier stationsgebouw. foedraal. norm proportie. activeren. verhouding. starter vergevorderd. ouderwets oudheid antiek. gedateerd. beweren huwelijk.

opeenhopen.statucie statut statystyczny statystyka Statyw staw staw staw (akwen) stawać stawać (w sądzie) stawce stawiacz min stawiać czoła stawka stawka ubezpieczeniowa staż stąd stąd stek stempel stempel pocztowy stenografia stenografia stenografią stenograficzny step ster ster stereotyp sternik (na statku) sternik na statku sterować sterować sterować sterować sterowanie sterowanie zaprogramowane w pamięci sterowanie ze sprzężeniem zwrotnym sterownik sterownik wzmacniacza mocy sterownik zegara sterta sterta sterylizować sterylizował steward stewardesa stewardessa charter. bestuurder supervisor. halthouden. steno naar de letter. tijdvak hiervandaan. cliché binnenbrengen. opdagen stijl. bief muntstempel muntstempel stenografie. bestuur heerschappij. bestuur heerschappij. controleur. deurpost premie. mennen heerschappij. bewind. opzichter. schuur. post. vanhier als volgt biefstuk. bestuurder conducteur. bewind. steno snelschrift. keet. paal. vijver waterplas. loods louter. bloot waterplas. woordelijk steppe stuur. opeenhopen. bestuur omgaan met. enkel. roer gemeenplaats. roer stuur. dirigeren. paal. kolk. bewind. vijver afslaan. kraam. besturen. vrachtcontract recht statistiek statistiek huisje. loodsen binnenbrengen. loodsen heerschappij. bewind. stenografie stenografie. meier stewardess stewardess . manipuleren. blijven staan opdraven. kolk. accumuleren steriliseren steriliseren intendant. hanteren navigeren richten. prijs periode. bestuur conducteur. handvest. opzichter ophopen. accumuleren ophopen. post. deurpost mijnenlegger het hoofd bieden stijl.

kreunen. taboeret aanklampen. vlak. lid worden. gelijken. uit de weg gaan. stichten. loods box kolom. ontwijken zich aansluiten. metaalmengsel voet proportie. tegen. duf stenen.stęchły stękać stępce stępiać stępić stępka Stężenie (roztworu) sth do kogoś sth> coś komuś sth> do kogoś sth> do kogoś sth> kimś sth> kimś sth> komuś sth> komuś sth> komuś sth> o kimś sth> o kogoś sth> od kogoś sth> z kimś stłuc stłuczce stłumić stłumić sto stodoła stoik stoik stoisko stoisko z gazetami stojak stojak stojak stojak stojący stok stok stokrotce stokrotka stolarz stolica stoł stołek stołować (się) stonoga stop stopa stopa procentowa vuns. bochel vernietigen. attent. schuur. keet. jegens gelijk. oplettend mijden. inrichten glooiing. tegenaan. stomp bot. een afschuw hebben van bijvoeglijke bepaling. madeliefje meizoentje. stut. vunzig. schuur. lijken achter opvolgen. verhouding. attribuut aanvliegen lijken op. begeleiden met. evenredigheid . zich vastklampen aan duizendpoot alliage. effen zinspelen aandachtig. opkroppen honderd loods. madeliefje timmerman kapitaal. stoïcijns stoïsch. leuning. standaardmaat. steunpilaar. barak stoïsch. colonne drager. glooiing meizoentje. deurpost regel. stijl. steunen. muf. stoïcijns huisje. verdringen. legering. norm oprichten. verwoesten. vermogen tabel. pilaar. helling helling. toetreden afbreken bult. stomp kiel sterkte verafschuwen. accompagneren. keet. paal. steun post. vernielen onderdrukken. kraam. kermen kiel bot. tafel. lijst kruk. handelen volgens vergezellen.

deficit. drom. hoop. passend gemakkelijk. passend. opeenhopen. massa aanwenden. accumuleren tabel. graad drukproef schaduwen afgestudeerd. benauwdheid angst beklemming. doelmatig rechter-. geschikt gepast. gediplomeerd geleidelijk. strop verloren. verbeuren. beheren. tot. associatie kegel hooiberg. verwantschap vergelijkenderwijs aannemen. lijst tabel. slaan. associatie bond. besturen aanwending. accumuleren boel. kwijtraken verloren. opper ophopen. accumuleren ophopen. graad trap. benauwdheid verbeurd opgeven. voor gepast. vandehands naaien. angst. mate. schade. tafel. vervlogen nadeel.stopą stopień stopień (również naukowy) stopień zawartości alkoholu stopka (listy) stopniować stopniowo stopniowy storczyk stos stos stos stos pogrzebowy stos w pamięci stos wywołań stosować stosować stosować stosował stosowania stosowania stosownie do tego stosowny stosowny stosowny stosowny stosunek płciowy stosunek zwarcia stosunkowo stowarzyszać się stowarzyszenie Stowarzyszenie Producentów Maszyn Cyfrowych stożek stóg stóg stóg siana stół stół montażowy strach strach strach na wróble stracić stracić stracić stracie stracony strajk voet trap. tafel. toepassing opvolgen. mate. angst. drom. affiliëren bond. genootschap. massa kelder ophopen. genootschap. geschikt. naar. nesthaar. handelen volgens krachtsinspanning aanwending. langzamerhand geleidelijk orchidee kelder waas. houwen. klappen . kwijt. opeenhopen. hoop. lijst beklemming. doorvoeren administreren. bij. kwijt. dons boel. aan. opeenhopen. betamelijk. neuken familiebetrekking. hooimijt. toepassing tegen. vervlogen kloppen. menigte. menigte.

aanschijn. schrik aanjagen verjagen. opmaken. afgrijselijk doortrapt. partieel adept. gewaad. lijst. gordel klimaatzone. krijgskunde strategie. samenstelling. constructie . edelknaap boer. zij-. zone. aanhang boer. krijgskunde krijgskundig. samenvatten resumeren.strapienie straszliwy strasznie straszny straszny straszny straszny straszyć straszyć straszyć (o duchu) strata strata strategia strategia przydziału miejsca strategią strategiczny straż strażnik strażnik więzienny strefa strefa strefa wpływów stres streszczać streszczać się streszczenie streszczenie stroik stromy stromy strona strona strona tytułowa strona wzorcowa strona zawietrzna strona zewnętrzna stroną stronę WWW) zaksięgować stronnicy stronniczy stronniczy stronnik Strop strój wieczorowy (smoking stróż struktura struktura struktura verdriet doen. omlijsting. gewiekst. krijgskunde strategie. verduwen. edelknaap aanplakken achterban. aardgordel beklemtonen. bewaren riem. bewaren bewaken. abrupt. page. schade. bruusk. bedroeven. raam bouw. beoefenaar. partijdig gedeeltelijk. nachtwacht. aanhang bij-. strategisch bewaken. zij-. buitenkant bij-. excerpt riet kortaf. minder belangrijk leden. de wacht hebben. accentueren resumeren. aanhanger plafon. de wacht hebben. steil steil leden. ver. hoogtegrens. afbikken kader. beproeven afgrijselijk afgrijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. verdoen strategie. digereren resumé. afschrikken spoken nadeel. ceintuur. minder belangrijk aanblik. aardgordel klimaatzone. plafond klederdracht. bot. ver. klepperman bikken. deficit. costuum waker. aanhang eenzijdig. slim. bewaren bewaken. page. dracht. overzicht. samenvatten verteren. listig doen schrikken. zone. de wacht hebben. ijselijk afschuwelijk. strop verklungelen.

akkoord snaar. kletteren. scheut pijl. samenstelling. bewaren ontzetten. koorde. stroom. klappen. tap. klappen. scheut behoeden. opvallen klikken. constructie actueel loop. stroming loop. ontslaan Boogschutter Boogschutter Boogschutter aanspannen. tapkraan slaan. stroom. klappen. bekoren. aanlokken loop. omtrek bouw. overeenstemming. stemband koorde. klappen slaan. opvallen klakken. opvallen slaan. kloppen. kloppen. het juk opleggen maaien injectiespuit injectiespuit winterkoninkje student student student studio studie studie goed. nu goed kraan. kletteren. stroming beekje. klappen. beschermen bewaken. snaar struisvogel. kletteren. kloppen. klakken. struis dakkamertje zolderkamer Attisch oom pijl. scheut pijl. stroom. afranselen eeuw eeuw houding .struktura z kontaktem sferycznym struktura) MOS z kanałem typu n strumień strumień strumień drukowanych danych strumień klucza strumień ruchu (między węzłami w sieciach telekomunikacyjnych) strumyk struna struna struna struś strych strych strych stryj strzała strzałce strzałka strzec strzec się strzelać Strzelec Strzelec (gwiazdozbiór) Strzelec gwiazdozbiór strzemię strzyc strzykawce strzykawka strzyżyk student student seminarium studentka studio studiować studiowanie studnia stukać stukać stukać nie stuknięcie stuknięcie stukot stukotać stulecie stulecie stusunek omlijning. stemband. beek accoord. klikken afdrogen. stroming toelachen. de wacht hebben. royeren.

contact hebben met taal trant.stusunek nie stwierdzać stwierdzać stwierdzić stworzenia stworzyć stworzyć styczeń styczny styk styk podwójny stykać się stykać się stykać się z styl styl styl życia subskrypcja substancja substancja pochłaniająca substancją substytut subtelny suchar sucho suchy suchy (klimat) Sudan suficie sufiks sufit sufler sugerować sugestia suicie sukces sukces sukienka sukinsyn suknia suknia sułtan suma suma (msza) suma częściowa suma kontrolna suma logiczna suma logiczna zmiana houding beamen. droog Soedan plafon. totaal. zegepralen. grenzen aan contact hebben. alternatief. welstand. plafond souffleur aanwijzen. stof. bloei. hoogtegrens. substantie absorberend spul. jurk. creëren louwmaand. achtervoegsel plafon. japon sultan somma. lid. summa algeheel. keuze unie . aanbieding. subtiel. geleding. bevinden wezen samenstellen. aanbod gevolg geluk. droog dor. vaststellen. substantie in de plaats stellen van. stijl abonnement spul. totaal unie checksum keus. fijn biscuit dor. inboeten spitsvondig. aanduiden bod. contact hebben met contact hebben. aanliggend gewricht. voorspoed zegevieren. billijken. stof. triomferen een verband omleggen snikken een verband omleggen toga. bedrag. aangeven. hoogtegrens. goedje. contact hebben met belenden. knoop contact hebben. januari aangrenzend. voorslag. vaststellen. som. goedkeuren constateren. goedje. bevinden constateren. droog dor. stijl trant. gelid. plafond suffix. componeren scheppen.

krieuwelen. krieuwelen. vlotheid onbezet. vlot. duchtig. afgrendelen je. aantal. som. krieuwelen. omvangrijk. straf vloeipapier dor. aanwijzen. jouw ondersteuning. weg grof. los. alarm slaan invoer . seinen intonatie. fluiten aangeven. summa tal. jeuken vrijdom. oppermachtig oppermachtig. medium. soeverein. rits. aanduiden daglicht een sein geven. onbelemmerd toevallig. gewetensvol optelling knopen. onbehouwen. bedrag. veelomvattend treksluiting. bot grof. open. aanslaan. onbewerkt. toon alarmeren. onbewerkt.suma modulo 2 suma montażowa suma zbiorów unia złącze suma brył sumator amplitudowy sumienia sumienie sumienny sumowanie supeł supermarket (duży supersam supła surowa bawełna surowcach surowy surowy surowy suszka suszyć Suszyć sutek suterena suty suwak suwak przewijania suweren (moneta) suweren moneta sweter sweter zapinany swędzenia swędzenie swędzić swoboda swobodnie swobodny swobodny sworzeń swój sybwencja Sycylia sycylijski syczeć sygnalizował sygnalizuje pracę urządzenia sygnał sygnał sygnał ostrzegawczy sygnał wejściowy somma. jeuken kriebelen. speen kelder uitgebreid. jeuken kriebelen. warboel. los. streng. droog kousje. subsidie Sicilië Siciliaans sissen. vlot. warnet watten remedie. incidenteel grendelen. vrijheid. ritssluiting treksluiting. open. soeverein. een knoop leggen supermarkt supermarkt verwikkeling. totaal zomer geweten geweten consciëntieus. totaal. middel. bot. rits. lont. onbehouwen. hard. onbelemmerd onbezet. lampepit tepel. cru bar. ritssluiting oppermachtig. oppermachtig Jersey Jersey kriebelen. stipendium. getal algeheel. cru.

ondertekening Thailand. schaduwbeeld rekenen. symbool oneigenlijk. symptoom. fluiten lettergreep. vakvereniging. gewrongen. symbool aanreiken. overhandigen nauwgezet. verschijnsel voorgeven. accuraat zinnebeeld. toeter. aangenaam meevoelen teken. nauwkeurig. verschijnsel teken. deelneming smaken medegevoel. jodenkerk synchronisch syndroom syndicaat. rul mul kuif. schaduwbeeld zinnebeeld. doen alsof gekunsteld. vakbond strooien. voorwenden. figuurlijk symboliseren symboliseren symmetrie symmetrie regelmatig. emitteren een sein geven. rondstrooien slaapkamer slaapkamer mul. vakbond syndicaat. nauwkeurig. geaardheid nauwgezet. cijferen silhouet. toeter.sygnał zerowy na wejściu sygnał zerowy na wejściu sygnał zezwalający sygnatura sygnatura zachowania Syjam syk sylaba sylwetce sylwetka sylwetka symbol symbol celowania(na ekranie dla pióra świetlnego) symbol niezdefiniowany symbol ogólny symbol waluty symbol zaznaczenia symboliczny translator programu symbolizować symbolizował symetria symetrią symetryczny symfonia symfonią sympatia sympatia sympatią sympatyczny sympatyzował symptom symptom nienormalnego zachowania symulować udawać chorego symulowany syn synagoga synchroniczny syndrom syndykacie syndykat sypać sypialni sypialnia sypki sypki syrena syreną invoer uitgeven. claxon . seinen handtekening. vakvereniging. accuraat aard. gemaakt zoon synagoge. ondertekening handtekening. claxon kuif. behaaglijk. symmetrisch symfonie symfonie medegevoel. karakter. deelneming genoeglijk. symptoom. syllabe silhouet. Siam sissen.

gek. krankzinnig. sjaal Pan aanslag krankzinnig. stroop Syrisch Syrisch systeem. schare jakhals aasgier jakhals das. regelmatig. taxeren waarde. begroten achten. dolzinnig gek. geregeld systematisch uitzondering situatie. schaak schaakspel. bouffante. krankzinnig uitschrijven. stelsel. begroten. afdak bunker. kazemat . stelsel. dol maan-. troep. waarderen. madeliefje antwoorden. taxeren. lanceren. dol. schaak schatten. bestel gelijkmatig. halsdoek.Syria syrop Syryjczyk syryjski system system gromadzenia i interpretacji danych system sieciowy system telewizji kasetowej system zero-jedynkowy systematyczny systematyczny sytuacja sytuacja sytuacja wyjątkowa szabla szablon szach (Iranu) szachownica szachowy szachy szacować szacować szacował szacunek szacunek szacunek szafa szafa ścienna szafą szafka szafka szafocie szajka szakal szakal szakal rz szal szala (wagi) szalka (wagi) szalony szalony szalony szalony szalupą szałas szałas Szałas Syrië siroop. stand van zaken slagzwaard patroon. gehalte schatten. rek kast schavot bende. achting eerbiedigen. sjabloon. antwoorden op electronisch. stand van zaken situatie. elektronisch systeem. dol. schablone sjah schaakbord schaakspel. hangkast etagère. lunair dolzinnig. achting hebben voor tel. dolzinnig. bestel meizoentje. waarderen. gek. ontketenen kinderbed luifel. hangkast kast kleerkast. respecteren kleerkast.

sleuf. kwakzalver vaneenscheuren. vak. vaccineren entstof. in het bijzonder afzonderlijk. gedetailleerd. charlatan. schors mond. opstapje. bedrieger bedrieger. branche. gat. vaccin. treeplank babbelen. grauw een verband omleggen toga.szampan szampon Szanghaj szanował szarańcza szarlatan szarlatan szarpać szarpnąć szarpnięcie szarpnięcie szary szary szata szata szatański szatni szatnia szczątki szczątkowy szczebel szczebiotać szczeciną szczególna cecha szczególnie szczególnie w USA szczególny szczególny szczególny szczególny szczegół szczegółowy szczegółowy szczekać szczelina szczelina szczelina do ręcznego podawania papieru szczelina sprzęgająca szczelina środkowa szczeliną szczelny szczepić szczepić (przeciwko chorobie) szczepionka szczepionka (program tworzący sygnaturę programu wykonywalnego szczepionka program tworzący champagne het haar wassen Sjanghai achten. rommel. vaccine entstof. tak in het bijzonder. vestiaire. raar. tree. inzonderheid inzonderheid. nauwgezetheid boomschors. keuvelen overeind gaan staan afdeling. detail ampel. afzonderlijk specifiek. gleuf barst stipt. opening sponning. sleuf. sleuf. charlatan. garderobe puin. sleuf. vaccineren inenten. eigenaardig afgezonderd. vreemd. nauwsluitend. item. nauw inenten. vestiaire. praten. gleuf sponning. vaccine . afval. gleuf sponning. accuratesse. grauw grijs. soortelijk bijzonderheid. gleuf sponning. jurk satanisch kleedkamer. in het klein stiptheid. doorscheuren schokken aardbeving schokken grijs. vaccin. afgezonderd gek. vaccine entstof. garderobe kleedkamer. streng. vaccin. achting hebben voor sprinkhaan kwakzalver. vooral. prullaria necrologie opstap. japon.

punt. punt. klappen. dun. goedgeefs borstelen. toppunt afknotten . dirigeren. degelijk natuurlijk oprecht. gul. kaak klikken. borrel doortrapt. fortuinlijkheid geluk gelukkig gelukkig royaal. gelijk hebbend. top. klikken geluk Fortuna lot. schraal. puur. mager. piek afknotten hoogtepunt. schuieren snoek sprietig. rondweg wang. richten. toppunt spits. top. tokkelen. knijpen. neus. neus. toppunt piek. tenger rot. ongeveinsd. rondweg ronduit. slank. schoon. piek klemmen. neus. zenit monteren. doskonałości) szczyt (stosu) szczyt stosu szczytowy szczytowy poziom openheid oprechtheid. schaar nijptang klemmen. punt. tokkelen. genereus. zindelijk mennen. knijpen. top. gewiekst. schuieren borstelen. innig aalwaardig.sygnaturę programu wykonywalnego szczerość szczerość szczerość szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczerze szczerze mówiąc szczęka szczęka szczękać szczękać szczęścia szczęście szczęście szczęście szczęśliwie szczęśliwy szczodry szczotka szczotka porównawcza szczupak szczupły szczupły szczur szczycie szczycie szczypać szczypał szczypał szczypce szczypce do cukru (w kostkach) szczypcie szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt (np. eenvoudig ronduit. kletteren. openhartigheid juist. nijpen aperitief. piek afknotten hoogtepunt. zetten spits. gegrond rein. tip. tip. tip. fortuin. koon. spits spits. top. rat hoogtepunt. kletteren. open en bloot. punt. listig knijper. eerzaam. kaak kakement. open en bloot. neus. besturen authentiek. luchtig rank. klappen klakken. tip. onvervalst eerlijk. aalwarig. nijpen hoogtepunt. klakken. slim.

royaal breedvoerig. blok derde macht. afmatten karmozijn. voeg dichtnaaien. donkerrood borst. groot. ploert gefluister. vervolgverhaal breed. blok zes zes zestig zestig zestigste naad. gebieder. ruimheid. kwaadspreken. beekje) gefluister. particulier feuilleton. royaal wijdte. ruisen ritselen. stand. baas. ontwerpen . fluistering roeien serie. baas sjeik span ritselen. schavuit. privé-. ruisen ritselen. dobbelsteen. chef aanvoerder. baas. blok derde macht. verbreiden. breedte sheriff. verbreiden. rist. rang besloten. gebieder. ellendeling. ruim. afbeulen. set. wijd breedvoerig.szef szef szef (w firmach polskich prezes) szef kuchni szejk szelce szelescie szelest szeleścić szelma szepcie szept szept szeptać szeptać szereg szereg szereg zbieżny bezwzględnie szeregowiec szeregowy szeroki szeroki szeroko szerokość szeryf szerzenie szerzyć szesnastkowy szesnaście sześcian sześcian kierunkowy sześcian wokseli sześć sześć pensów sześćdziesiąt sześćdziesiątka sześćdziesiąty szew szew szewc szkalować szkapa szkarłat szkarłatny szkatułka szkic szkic szkic chefkok. zestientallig zestien derde macht. dobbelsteen. chef aanvoerder. ris. status. belasteren afjakkeren. groot. beekje) gefluister. hechten schoenmaker roddelen. afgeven hexadecimaal. murmelen (v. ruim. murmelen (v. fluistering murmelen. ruisen boef. donkerrood karmozijn. dobbelsteen. chef. reeks graad. fluistering murmelen. schetsen. cambio uitstippelen. chef aanvoerder. gebieder. boezem afschaduwing wissel. landrechter verspreiden. afgeven verspreiden.

raam drinkglas. modder. school Schot Schotse barrière. drek. gebeente. verkeerd duim als lengtemaat gevolg leerschool. hek. schaden invasie. glas bril drinkglas. wond. kwetsuur. edel adel. lijst. letsel toebrengen onjuist. omlijsting. schetsen. inval invasie. edelen kamerjas slib. heining nobel. glanzen emailleren emailleren drinkglas. school college leerschool. verwonding schade. inval afkerig schadelijk ongedierte kwetsen.szkicować szkielecie szkielet szkielet szkielet szkielet (konstrukcji) szklanka szklić szkliwa szkliwo szkło szkło szkło powiększające Szkocja szkocki Szkocki szkoda szkoda szkoda szkoda szkoda następcza szkodliwa inwazja szkodliwe naruszenie ochrony szkodliwe włamanie szkodliwy szkodliwy szkodnik szkodzić szkodzić szkolenie wspomagane komputerowo szkolić szkolny szkoła szkoła (średnia lub wyższa) szkoła z internatem szkoła zawodowa Szkot Szkotka szlaban szlachecki szlachetność szlachetność szlachetny szlachta szlafrok szlam szloch szlochać uitstippelen. omlijsting. glas verglazen. glazuren. geraamte kader. gebeente. foutief. inval invasie. ontwerpen skelet. edelen edelheid nobel. lijst. school leerschool. school leerschool. slijk snikken snikken . raam schavot skelet. iets betreurenswaardigs schade aanrichten. geraamte kader. letsel toebrengen blessure. afsluiting. schaden kwetsen. glas Schotland Schot Schots schade aanrichten. edel adel.

route chauvinist chauvinisme zesde zesde woelen. spitten. lap. klos. spits spieden. beloeren. fel. snaar fijnhakken bestuurder. afdak doordringend. beekje) koorde. kniebroek.szlochaćSOB> szmaragd szmaragdowy szmata szmer sznur połączeniowy sznurek sznurowadło sznurowadło sznurowadło sznycel szofer szofer szok szopa szorstki szorstki szorty szosa szowinista szowinizm szósta część szósty szpadel szpagat szpak szpalta szpara szparag szparą szperać szpicruta szpiczasty szpieg szpiegować Szpila szpilce szpilka do włosów szpinak szpital szpon szpon szpula szpula taśmy szpulce szpulce szrama szrapnel snikken smaragd smaragd vodje. bespieden kegel kegel kegel spinazie hospitaal. bestuurder opschudden. spitsroede. grof. schudden. bot. cru korte broek. bobine bobine. ziekenhuis klauw spijkeren. shrapnel . onbehouwen. vod. lomp. graven vlechten spreeuw kolom. bestek. pilaar. guur. bijtend onbewerkt. beloeren. flard murmelen. bespieden spieden. schokken luifel. lor. snaar met een band omgeven kant rijgveter. spoel klos. baan. murmelen (v. bobine litteken. veter. nestel koorde. stokje puntig. colonne barst asperge ruimte. stemband. klos. nagelen klos. steunpilaar. speling morrelen. stemband. broek weg. wondteken granaatkartets. gard. tod. gasthuis. spoel. chauffeur conducteur. spoel. wereldruim. spoel bobine. scharrelen roede. friemelen.

schraag. leven. bok. gemaakt gekunsteld. bobine mengen. opscheppen schuiflade. norm Stockholm gaanderij. standaardmaat. brok oorlog. dundoek. gonzen. brommen ophef. mixen. razen. klos. gewrongen. brommen spoel. gang. streek. afdammen verbleekt rek. plechtig. lade het uiterlijk hebben van. toestoten. schraag. aanstoten kegel dolk dolk stram. gonzen.sztab sztaba sztacheta sztaludze sztaluga sztandar sztandar Sztokholm sztolnia sztuce sztuczka sztuczne ognie sztuczność sztuczny sztuczny sztuczny satelita ziemi sztuka sztuka sztuka sztuka panowania sztuka wojny szturchnięcie sztyft sztylecie sztylet sztywny sztywny szufla szuflada szukać szum szum szum śrutowy szum zka szumieć szupla szurać nogami szuranie (nogami) szwaczka szwajcar Szwajcaria szwajcarski Szwajcarzy Szwecja Szwed szwedzki szwindel szwindel staf belemmeren. kunstgreep . la. hebbelijkheid vuurwerk aanstellerij. ezel. er uitzien snorren. lawaai. leven. gemaakt kunst toneelstuk. bok. herrie snorren. afsluiten. mixen. ezel. ceremonieel scheppen. temperen. rumoer. onnatuurlijkheid aangedaan. krijg kunst een duw geven. brommen ophef. gonzen. frauderen. houterig. vlag regel. rumoer. kneep. bank vaan. razen. razen. vermengen naaister Zwitsers Zwitserland Zwitsers Zwitsers Zweden Zweed Zweeds zwendelen. temperen. gewrongen. lawaai. star. drama fragment. stug afgemeten. bank rek. galerij. vermengen mengen. aangegrepen gekunsteld. stijf. knoeien foefje. herrie snorren. galerie kunst aanwensel.

honen grijnslachen. vaart. glas glaswaar. gezwind. arbeid grijnslachen. hard. onderwijzen spoorstaaf. evenredigheid snelheid. snel spoedig afgrazen gauw. vastnaaien steek emplooi. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. aannaaien. rail spoorstaaf. frauderen. vaart. vensterruit. spoedig. in allerijl proportie. gauw gezwind. groef. werk. spoed. haastig. vliegtuig een glijvlucht maken. haastig. vaart. spotlachen. spotten. nummer versleutelen versleutelen nek. karwei. in allerijl gauw. stam ham . glaswerk glaswaar. ginnegappen cijfer. ginnegappen bespotten. radheid snelheidsgrens snelheid. strijd.szwindlować szyb szyba szyba (okienna) szybą szybki szybki szybki układ logiczny tranzystorowotranzystorowy szybki układ scalony TTL szybki układ scalony TTL szybki zarobek szybko szybko szybko schnący szybkość szybkość szybkość klatek szybkość zapisu szybkość zapisywania szybować szybować szybowanie szybowca szybowiec szybowiec szyć szyć szydełkować szyderczy uśmiech szydzić szydzić szyfr z bieżącym kluczem szyfr złożeniowy szyfrować szyfrować szyfrował szyja szyk bojowy szyk bojowy szykowny szyling szympans szyna szyna szyna pamięciowa szyna sterująca szynka zwendelen. gezwind. kamp sjiek. piekfijn sjiek. gauw. nummer code cijfer. spoedig. haastig. glaswerk vasten snel. gevecht. radheid vliegmachine. haastig. gezwind. hals treffen. radheid snelheid. gauw snel. gracht. kuil drinkglas. spoedig. schielijk. chic. vensterruit. greppel. knoeien groeve. piekfijn shilling chimpansee opvoeden. zweefvliegen zeilvliegtuig. hard. verhouding. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. slag. zweefvliegen een glijvlucht maken. chic. schielijk. spoed. spoed. spotlachen. spoedig. rail boomstam. gauw snel. zweefvliegtuig aanzetten.

moes. stam. nastreven een proces aanspannen tegen geslacht. dringen. nauwgezet. voetspoor. tekenen afbakenen afdruk. houterig. spoor steeg pad. stiptheid. accuraat precies. dringen. tekenen pad. bijtend merken. persen. paadje vermorzelen. waarachtig billijk. wissen. scherp. marmelade aperitief. nauwgezetheid nauwgezetheid. inzamelen downloaden rukken steek steek neerdruipen. knellen accuratesse. bar.szyszka ściągać ściągać dane z serwera ściągnąć ścieg ścieg wsteczny ściek ściek ściekać ścierać ścieranie się ściereczka ścierka ścierny ścieżka ścieżka ścieżka wyszukiwania ścieżka zapisu ścieżka zastępcza ścięcia ścigać ścigać sądownie ścigać się ścisk ścisk ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać kurczowo ścisłość ścisłość ścisłość ścisły ścisły ścisły ścisły ścisły ścisnąć ścisnąć ściśle ściśle ściśnięcie ślad ślad ślad ślad kegel collecteren. fair. voetspoor. knellen merken. wagenspoor. persen. afdruipen cloaca. knellen strakker aantrekken. dringen. toeloop. marmelade grijpen. paadje afdruk. rechtvaardig drukken. afdrogen. volksstam aandrang. metterdaad. karrespoor . bemachtigen comprimeren knuffelen drukken. intrappen. soortelijk streng. duchtig. innen. zinkput. stiptheid. aantrekken drukken. riool druipen. persen. druppelen afvegen. stijf. minutieus stram. stiptheid. moes. borrel inderdaad. guur. juist. straf. precisie precies. accuratesse nauwkeurigheid. hard jam. afwissen afschaving flanellen laken doordringend. verbrijzelen najagen. stug specifiek. run jam. droppelen. fel. spoor spoor. star.

echt. prullaria. wurm kwijl. propeller. afkeuren rommel. vliegtuig een glijvlucht maken. legitimeren slotenmaker slib. dodelijk dood. puin zich vermetelen. sterfgeval . blank behaaglijk. drek. brutaal voorspeler. voetspoor. oningevuld. stout. onderzoek keuring. modder. huisjesslak worm. schroefdraad slak. spoor enquête keuring. stoutmoedig. onderzoek zeebanket. zweefvliegen vliegmachine. glibberig pruim pruim een glijvlucht maken. speeksel. aanvaller lachen gelach. lachbui. ongrijpbaar. haring bijlage. examen. stout gedurfd. afval. examen. brutaal stoutmoedig. het verdommen. overlijden.ślad rewizji Śląsk śledzić śledzić śledzić śledztwa śledztwa śledztwo śledź ślepa kiszka ślepa uliczka ślepota ślepy ślepy nabój śliczny ślimak ślimak ślimak (współpracujący z kołem zębatym) ślina śliniaczek ślinić się śliski śliwce śliwka ślizg ślizgać się ślizgać się po wodzie ślub ślub ślubny ślusarz śluz śluza śmiać się śmiało śmiało śmiały śmiały śmiały śmiały śmiech śmiech śmieci śmiecie śmieć śmiercionośny śmierć afbakenen Silezië afluisteren afbakenen afdruk. genoeglijk schroef. spuug slabbetje speeksel afscheiden. gedurfd. zweefvliegen huwelijk. blanco. aanhangsel doodlopende weg blindheid blind wit. stoutmoedig. ontbloot van brutaal. wagen moorddadig. echtverbintenis bruiloftsfeest. zeveren. appendix. allicht gespeend van. zever. stout. hilariteit afwijzen. kwijlen glad. slijk slot lachen met gemak. bruiloft echten. gedurfd.

werktuig intern. vermakelijk vla vla bloesem propeller. belachelijk. slaperig slaperig spoed maken. centrum middelpunt. vies ruiken moorddadig. doorsnee. amuseren. centrum beter maken. middelbaar milieu. omgeving . lachwekkend. diameter middellijn. schroefdraad. haast maken. middelbaar middel. lied zangeres zingen. schroef ontbijt ontbijt sneeuwen sneeuwen sneeuwen druilerig. amusant belachelijk gek. voortmaken gezang.śmierdzący śmierdzieć śmierdzieć śmiertelnie śmiertelnik śmiertelny śmieszny śmieszny śmieszny śmieszyć śmieszyć śmietana śmietanka śmietanka (towarzyska) śmigło śniadania śniadanie śnieg śnieżenie śnieżyć śpiący śpiący śpieszyć (się) śpieszyć się śpieszyć się śpiew śpiewaczka śpiewać śpiewak śpiewnik średni średni stopień scalenia średnica średnicą środa środą środek środek środek środek ośrodek środek antyelektrostatyczny środek chwastobójczy środek miotający do broni palnej środek znieczulający środki środkowy środkowy środowiska stinkend smoken. amusant. mal opvrolijken. zang. dodelijk sterfelijk sterfelijk vermakelijk. laxans gemiddeld. gezangbundel. medium. gehaast spoed maken. leuk. bezingen zangeres gezangboek. roken stinken. haast maken. voortmaken haastig. leuk. binnenste gemiddeld. binnenste. genezen. binnenlands. onderhouden aardig. diameter woensdag woensdag middelpunt. doorsnee. zangboek gemiddeld gemiddeld middellijn. helen gemiddeld antiseptisch middel afwasmiddel laxeermiddel. binnenste.

bewustzijn bezinning. stuk acte. dokument. akte. candela. dokument. attest. kaars . neuken naaien. doen ontbranden. aanmaken daglicht zonlicht aansteken. voordeel certificeren. neuken naaien. akte. omgeving milieu. schroefdraad.środowisko środowisko CDE środowisko graficzne środowisko grupy roboczej środowisko zabezpieczeń środowisko zespołowe śródziemnomorski śruba śruba śruba (statku) śrubą śrubokręcie śrubokręt śrubowaty świadczenie (z tytułu polisy ubezp. sacraal. aanmaken proportie. stuk certificaat. dokument. neuken schroevedraaier schroevedraaier spiraal pré. kaars kaarsensterkte. omgeving milieu. bedrijf. besef. schroef naaien. gemeenschap tafereel. medium. geheiligd slaap beting accolade bretels kaarsensterkte. medium. bewustzijn bezinning. bewust welbewust. beschrijving milieu. besef. schildering. świadczyć świadczyć świadectwa świadectwa świadectwo świadectwo odporności na promienie Rentgena świadek świadek naoczny świadomość świadomość świadomość istnienia produktu świadomość przekazu reklamy świadomy świadomy świadomy (<of sth> czegoś) świat światło światło działania światło punktowe światło stopu w samochodzie światłoczułość światłowód światowy świąteczny świątobliwy świątyni świder świder świdrach świeca świecą świeczka gemeente. omgeving milieu. stuk getuige getuige bezinning. wereld aansteken. candela. getuigenis acte. verhouding. kaars kaarsensterkte. bewust aardrijk. bedrijf. bewustzijn welbewust. besef. bedrijf. medium. akte. acte. doen ontbranden. bewust welbewust. evenredigheid vezel wereldwijd festival gewijd. getuigen getuige acte. medium. candela. heilig. bewustzijn bezinning. besef. omgeving Middellandse Zee propeller.

świecznik świecznik świergocie świergot świergot świergotać świerszcz świetlik świetlik świetnie się bawić świetność świetny świetny świeży świeży święcie świętej pamięci świętej pamięci święto święto świętować świętował święty święty święty Mikołaj świni świnia świnka morska świscie świst świt świt świt świtać tabela tabela woluminu tabernakulum tabletce tabletka tablica tablica tablica (szczególnie pamiątkowa) tablica autoreferencyjna tablica odwołująca się do siebie tablica odwzorowanie tablica ogłoszeń tablica rozmieszczenia pliku tablica samoodniesieniowa

kandelaar, blaker kroonluchter, kroon, luchter piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen krekel, kriek vuurvliegje dakraam, patrijspoort, luik net, mooi gezag, prestige, autoriteit groots, grandioos, overweldigend tof, tiptop, excellent, kostelijk vers, onbedorven, luchtig, fris luchtig, fris, vers, onbedorven snipperdag, vakantiedag, rustdag vergevorderd, laat later festijn, feestmaal, smulpartij, gelag snipperdag, vakantiedag, rustdag vieren, opdragen, celebreren vieren, opdragen, celebreren gewijd, heilig, sacraal, geheiligd heilige geheiligd, gewijd, heilig, sacraal zwijn, varken zwijn, varken Guinees biggetje, cavia ritselen, ruisen fluiten, gieren aurora, morgenlicht, morgenrood dageraad, aanbreken van de dag zonsopgang aurora, morgenlicht, morgenrood tabel, tafel, lijst tabel, tafel, lijst tabernakel tafel, tabel, lijst tafel, tabel, lijst aanklampen, zich vastklampen aan dashboard, instrumentenbord, beschot tafel, tabel, lijst aanplakbord aanplakbord landkaart, kaart aanplakbord lijvig, dik aanplakbord

tabliczka tabliczka tabliczka dźwiękowa taborecie tabulacja tabulator tabulogram informować tabulowanie taca taca taca zabezpieczająca tacą taczka tajać tajemnica tajemniczy tajemny tajfun tajny tajny agent tak tak jak tak jest tak samo tak samo jak tak więc tak! wiele takcie taki taki taki owaki taksometr taksówce taksówce taksówka taksówka takt takt takt takt takt zegara taktyczny taktyczny taktyka także także także także <casement window>

belemmeren, afsluiten, afdammen fotografische plaat, plaat tafel, tabel, lijst kruk, taboeret tafel, tabel machine informeren, berichten, inlichten tafel, tabel schotel, schaal dienblad, presenteerblad bakvis dienblad, presenteerblad kruiwagen wegsmelten, dooien, ontdooien mysterie, raadsel, geheimenis mysterieus, geheimzinnig occult tyfoon confidentie verstand, geest, intellect ja, jawel ja, jawel voor, als, bij wijze van, hoe, tot dito, identiek als volgt als volgt ergo, dus, ook weer, toch ritme, tact, maat, beleid ergo, dus, ook weer, toch dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een uurwerk, klok vigilante, huurrijtuig, aapje taxi vigilante, huurrijtuig, aapje taxi afranselen verzekeren, beweren ritme, tact, maat, beleid teek teek tactiek tactiek tactiek evenzeer, ook, mede, eveneens verzenden evenzeer, mede, eveneens, ook aan, tegen, voor, tot, bij, naar

także <fag> także celny strzał w to miejsce talencie talent talent talerz z tworzywa do rzucania talia talia talia kart talon tam tam tam i z powrotem tama tamci Tamiza tamować tamować tampon tampon tamte tamten tamten tancerz tandeta tango tani tani hotel/pensjonat tani jak barszcz taniec tankwać tańczyć tańczyć tango tańczyć walca tapczan tapeta taras tarcie tarcza (telefonu targ targi targnięcie targować się targować się tarka tarsować taryfa taryfa

verzenden evenzeer, ook, mede, eveneens talent, gave, aanleg, begaafdheid gift, geschenk, donatie, cadeau talent, gave, aanleg, begaafdheid fotografische plaat, plaat verdek, scheepsdek, dek middel, leest, taille middel, leest, taille bon, voucher, kaartje, coupon ginds, aldaar, daar, er, daarginds ginds, er, aldaar, daarginds, daar ginds, aldaar, daar, er, daarginds afsluiting, barrière, dam, sperdam dat, datgene, zulks Theems blokkeren, vastzetten afsluiten, belemmeren, afdammen blok tampon dat, datgene, zulks dat ginds, er, aldaar, daarginds, daar danseres rommel, afval, prullaria, puin tango, stampen goedkoop goedkoop goedkoop bal, danspartij reservoir, vergaarbak bal, danspartij tango, stampen wals divan, Turkse staatsraad, rustbank behang terras wrijving wijzerplaat marktplein, markt, bazaar, marktplaats marktplein, markt, bazaar, marktplaats schokken afdingen, pingelen, marchanderen pingelen, afdingen, marchanderen raspen afsluiten, belemmeren, afdammen proportie, verhouding, evenredigheid dienstregeling, rooster

tarzać tasiemka tasować tasowanie (kart) taśma taśma taśma taśma poprawkowa taśma zmian taśma źródłowa systemu tato tato tatuaż tatuować tatuś tatuś tawerna tawerna tawerną tchawica tchórzliwy tchórzostwa tchórzostwo te teatr teatr rewiowy teatralność teatralny teatralny technice techniczny techniczny ośrodek przetwarzania danych technika technika technika technika grubowarstwowa technika cienkowarstwowa technika rozpoznawania obrazów technika światłowodowa technika wykrywania błędów technologia technologia) drop-on-demand technologią teczka teczka teczka konfiguracyjna teka

broodje, bolletje, kadetje, kadet band, lint mengen, temperen, mixen, vermengen mengen, temperen, mixen, vermengen schare, troep, bende band, lint met een band omgeven videoband met een band omgeven schare, troep, bende pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie taptoe taptoe pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie drenkplaats, bar, café herberg, uitspanning herberg, uitspanning luchtpijp geel lafhartigheid, lafheid lafhartigheid, lafheid dit, dit hier schouwburg, toneel, theater schouwburg, toneel, theater melodrama schouwburg, toneel, theater schouwburg-, toneel-, theatertechniek technisch technisch techniek techniek technologie techniek techniek doortrapt, slim, gewiekst, listig schouwburg, toneel, theater technologie techniek technologie technologie boekentas, theca, aktentas portefeuille leden, aanhang boekentas, theca, aktentas

tekscie tekst tekstylia tekstylny tektura teledysk telefon telefon wewnętrzne telefon wewnętrzny telefoniczna pomoc techniczna telefonujący telegraf telegraf Baudot—Verdan telegraficzny telegrafować telegram telegram teleJkomunikacja telemetria teleskop telewizja telewizja telewizją temacie temacie temat temat temat temat podmiot tempa temperamencie temperament temperatura temperatura złącza p-n temperaturą tempo tempo tempo wielkość (miara względna) ten ten ten kto przeżył ten zielony tendencja tendencja tenis tenor teologia teologia theorem

tekst tekst weefsel weefsel kartonnen knippen, scheren, snoeien opbellen, telefoneren opbellen, telefoneren achtervoegsel, suffix adresboek bezoeker overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen telegram metaaldraad, draad communiqué telemetrie sterrenkijker, telescoop, verrekijker televisie televisie televisie onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit stof, onderwerp, subject onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit iets actueels, actualiteit treden, schrijden, stappen, lopen temperament temperament temperatuur temperatuur temperatuur proportie, verhouding, evenredigheid snelheid, vaart, spoed, radheid lopen, stappen, treden, schrijden dat dit, dit hier dito, identiek dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een afdrijven, op drift zijn, drijven wilsbeschikking, gesteldheid, aanleg tennis tenorstem, tenor theologie, godgeleerdheid theologie, godgeleerdheid

teologią teoretyczny teoria teorią terapia terapią Terasa teraz teraz gdy teraźniejszy teren teren termin termin termin termin termin amerykański termin brytyjski termin prawniczy termin przeciwstawny terminal wizyjny terminal znakowy prosty terminologią termometr termos termostacie termostat terror terrorysta terroryście terroryzm terroryzować terytorialny terytorium test test wewnętrzny test zgodności testamencie testament testament testować teza tezą też też nie też nie też nie tęcza

theologie, godgeleerdheid akademisch, academisch theorie theorie therapie therapie terras enfin, komaan, nou, nu, wel, tja enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig, actueel achtergrond, grond, bodem, ondergrond terrein benaming, naamwoord, naam dadel, dactylus affiche, aanplakbiljet, plakkaat term, vakterm Amerikaans Brits wettig, wettelijk, gewettigd, legaal tegenover, aan de overkant van scherm, schut terminal terminologie, vakwoordenboek warmtemeter, thermometer thermosfles thermostaat thermostaat terreur, schrikbewind terrorist terrorist terrorisme schrik aanjagen, doen schrikken territoriaal territoir, ban, gebied, grondgebied examen, keuring, onderzoek binnenste, binnenlands, intern examen, keuring, onderzoek verbond, uiterste wil, testament verbond, uiterste wil, testament uiterste wil, verbond, testament examen, keuring, onderzoek proefschrift, stelling, dissertatie proefschrift, stelling, dissertatie evenzeer, ook, mede, eveneens evenmin, noch neen, geen, nee, niet evenzeer, mede, eveneens, ook regenboog

tęczą tęczówka (oka) tęczówka oka tęgi tępić tępy tępy tępy ić tęsknić tęsknota tęsknota tęsknota za krajem tętnica tętno the former>ten pierwszy tkać tkanina tkanina do robienia worków tkanina nieprzemakalna tkwiący tkwić tlen tlen cz tlenić (włosy) tło tło okna tłoczyć się tłoczyć się tłok tłok tłok tłuc Tłuczek tłum tłum tłum tłumacz tłumaczenia tłumaczenie tłumaczenie (tekstu) translacja tłumaczenie języka symbolicznego tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć język symboliczny zestawić tłumaczyć się tłumaczyć się

regenboog Iris Iris gezet, zwaarlijvig, corpulent verdelgen, uitroeien bot, stomp gesmoord, toonloos, stomp, dof bot, stomp verlangen, hunkeren, reikhalzen verlangend, smachtend heimwee verlangend, smachtend slagader, arterie pols, polsslag, tel daarvoor, vooraan, eerder, indertijd weven weefsel weefsel weefsel aangeboren, ingeboren kleven, vastkleven, aanhangen zuurstof zuurstof water achtergrond achtergrond hoop, boel, drom, massa, menigte kudde, roedel hoop, boel, drom, massa, menigte zuiger pers temperen, mengen, mixen, vermengen stamper, vijzelstamper hoop, boel, drom, massa, menigte gastheer massa, drom, hoop, menigte, boel interpreter uitvoering, versie translatie, translaat, overzetting translatie, translaat, overzetting samenscholing vergaderen, samenkomen, bijeenkomen uitleggen, interpreteren, duiden pleiten translateren, overzetten, vertalen translateren, overzetten, vertalen uitleggen, interpreteren, duiden reproduceren, weergeven

tłumaczyć z języka programowania na język angielski tłumić tłumić tłusty tłusty tłusty tłusty tłuszcz tłuszcz wielorybi tłuszczowy to to to to samo toalecie toaleta toaletka toast tobołek todze todze toga tok tokarka tokarnia token tolerować tolerować tolerował tolerował tolerując tom tom (dyskowy)objętość głośność ton ton odcień tona toną tonąć tonąć topić Topić topić się topnieć topnieć topola topór tor

translateren, overzetten, vertalen doven, blussen, uitdoen, uitblussen onderdrukken, smoren, neerslaan gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal lijvig, dik vettig, vet dik, vettig, vet lijvig, dik invetten lijvig, dik best het dat dito, identiek privaat, secreet, toilet privaat, secreet, toilet ladenkast, commode branden, braden, roosteren bundel, wis, bos toga, jurk, japon toga, japon, jurk toga, jurk, japon tracé, route, leergang, cursus, koers draaibank, draaischijf draaibank, draaischijf adstructie, teken, bewijs te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten aanhoudend, blijvend, bestendig geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume intonatie, toon intonatie, toon ton ton verdrinken, verloren gaan, vergaan zinken, aan de grond raken verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien dooi peppel, populier hakbijl, bijl afdruk, voetspoor, spoor

tor żużlowy tor/szlak wodny torba torba (foliowa torba na zakupy torbą torebka torebka damska torf torfowiska torfowiska torfowiska torfowiska tornister tornister torować drogę torpeda torpedą torpedować tors tort tortura torturą torturować tortury tory kolejowe totalny towar towar towar towar na składzie towar wyrzucony za burtę towar wyrzucony za burtę towarach towarzyatwo towarzyski towarzystwo akcyjne towarzysz towarzysz towarzysz towarzysz zabaw dziecinnych towarzyszący towarzyszący towarzyszący towarzyszyć towarzyszyć tożsamość tracić zabarwienie

steeg afdruk, voetspoor, spoor tas, zak consument, gebruiker, verbruiker tas, zak tas, zak beurs, portemonnaie, geldbuidel tasje, reticule, handtasje turf onderbinden Moriaan, Moor aanbinden, meren Mauretaniër knapzak, ransel knapzak, ransel genist, geniesoldaat, baanbreker torpederen torpederen torpederen boomstam, stam koek, cake folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen spoor, spoorweg algeheel, totaal handelsartikel, artikel colli, goederen koopwaar, handelswaar, waar handelsartikel, artikel mikpunt, onderwerp, object, ding dingen, spullen handelswaar, koopwaar sociëteit, club sociaal, maatschappelijk firma, handelsfirma, handelshuis zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker maat, kornuit, kameraad, makker zich aaneensluiten, aansluiten ingesloten, bijgaand zich aaneensluiten, aansluiten steward vergezellen, accompagneren, begeleiden verplegen, zorgen voor, verzorgen identiteit dalen, kleiner worden, afnemen

bij uitzenden. cureren behandelen. ding transactie transactie transactie extern. affaire. klappen slaan. doen toekomen vaan. klappen gebeuren. doen toekomen opsturen. dichtbij. toevallig Fortuna lot. uiterlijk vervormen resolutie. verhandeling verdrag. traktaat. nabij.tradycja tradycją tradycyjny tradycyjny tradycyjny traf traf traf traf trafić trafić się trafienie trafna odpowiedź trafienie trafny tragarz tragedia tragedią tragiczny trakt traktacie traktat traktor traktor do transporu drewna traktować traktować traktować na serio traktowania traktowanie tramwaj tramwaj transakcja transakcja transakcja globalna transakcją transcendentny transformować translacja translator adresów transmisja pojedyncza na żądanie transmisja radiofoniczna transmisja radiowa transmitować transmitować transmitować (do wszystkich węzłów sieci) transmitował transparencie transport traditie. aan de hand zijn slaan. geluk. uitdelen behandelen. klappen rechter-. behandeling tram tram aangelegenheid. omroepen opsturen. dundoek. overlevering traditie. houwen. sturen. mazzel. behandeling kuur. cureren kuur. fortuin. kloppen. tractor rondgeven. doen toekomen opsturen. omroepen uitzenden. voetspoor. uitwendig. omroepen uitzenden. buitenkansje slaan. sturen. kloppen. vlag transporteren. ronddelen. overlevering gewoon. fortuinlijkheid bof. voeren . tractor trekker. portier tragisch tragisch tragisch afdruk. spoor verdrag. houwen. vandehands conciërge. houwen. sturen. motie aan. naast. kloppen. traktaat. gebruikelijk ouder traditioneel incidenteel. buiten-. overbrengen. zaak. verhandeling trekker. omroepen uitzenden.

aanstoten slaan. de trompet steken. melaatse gejubel . dauwworm club. doorgang reisplan. kort. digereren digestie. route. passage. acne. toestoten aanstoten. toeten toeteren. tracé. substantie lepralijder. voeren trekken transporteren. overgankelijk overgang. toeten een duw geven. schuit vlot gras gras gras verteren. sociëteit angst drillen. voldaan inhoud kernachtig. oefenen boren tevreden. goedje. toestoten. baanvlak luchtweg reisplan. opvallen stortplaats aanstoten. grasveld. toestoten melaatsheid. baanvlak reisplan. een duw geven. dobberen. voeren tor. klappen. verticaal transitief. beknopt inhoud tenorstem. leproos. spijsvertering ets perk. de trompet steken. route. kloppen.transport klucza transportować transportować tranzystor tranzystor polowy z rowkiem w ksztaJcie V tranzytywny trap trasa trasa domyślna trasa zastępcza ścieżka zastępcza trasować tratwa tratwa tratwa ratunkowa tratwą trawa trawa rosnąca na wydmach trawą trawić trawienia trawienie trawienie światłem przechodzącym trawnik trąba trąbce trąbka trącać trącać trącać łokciem trącenie łokciem trącić łokciem trąd trądzik trefl trema trenować tresować treśc treśc treściwy treść treść treść ruchu pakietów treść zasadnicza (dane właściwe przesyłane w pakietach sieciowych) trędowaty triumf transporteren. een duw geven. stof. de trompet steken. baanvlak vlotten. toeten toeteren. tracé. tenor aanklacht. verduwen. vergenoegd. bondig. beschuldiging spul. spijsvertering digestie. grasmat toeteren. drijven vlot boot. overbrengen. route. lepra eczeem. overbrengen. gazon. transistor rechtopstaand. tracé.

aanhoudend gestaag. leed bezwaar. bestendig volhardend vasthoudend gestaag. vergallen. alcoholische drank lijk. triomferen zegevieren. triangel een duw geven. blijven aandringen Perm leven.triumf triumfować triumfowanie trochę trolejbus tron trop tropiciel stopka(listy) tropić tropikalny troska troska troska troskliwie troskliwy troskliwy troskliwy troszczyć się trójca trójkącie trójkąt trucht trucizna truciźnie trudność trudność trudność trudny trudny trujący trumna trunek trup trupa trupa trupą truskawce truskawka trwać dłużej niż trwała ondulacja trwałość poprzez dziedziczenie trwały trwały trwały trwały trwały trwały identyfikator trwoga zegevieren. bestendig angst . bestendig blijvend. een knoop leggen zwaar. attentie. zorgen Drieëenheid driehoek. strubbeling knopen. aanstoten vergiftigen. lastig. verdriet. aandacht zich bekommeren. attent. moeilijkheid. min. kadaver. oplettend behoedzaam. bezorgd zijn. constant. triomferen gejubel gering. bende troep kreng. kreng. drank. spoor tropisch acht. voetspoor. triangel driehoek. hachje aanhoudend. achting zachtjes. luttel. lijk aardbei aardbei aanhouden. vergeven smart. kist alcohol. moeilijk. toestoten. slim hard venijnig. voorzichtig aandachtig. zegepralen. bezorgd zijn. giftig doodkist. zegepralen. constant. karig. kadaver horde. zorgen tel. vergeven vergiftigen. vergallen. klein trolleybus troon afbakenen aanhangwagen afdruk. voorzichtig nadenkend zich bekommeren. vergiftig. blijvend.

wrijven. trant gemoedstoestand. opmaken. bibberen. stok staf. kletteren. bibberen staf.trwonić tryb tryb tryb (pracy) rodzaj uprawnienia tryb dostępu (w Uniksie) tryb łączący tryb oznajmiający tryb oznajmujący tryb przezroczysty (wykonywania operacji) trybuna trygonometria trygonometrią tryl trylion tryskać trzask trzaskać trzaskać trzaskać trzaskanie trzaśnięcie trząść trząść się trząść się trząść się trzcina trzcina trzcina trzcina cukrowa trzciną trzeba przyznać że trzeci trzeci migdał trzeć trzepnięcie trzepotać skrzydłami trzepotanie trzeszczeć trzeźwy trzęsienie ziemi trzmiel trzon trzy trzy pensy trzydziestka trzydzieści trzykrotny verklungelen. stemming manier. huiveren knapperen. rillen. knetteren nuchter aardbeving hommel schacht. knetteren dichtslaan knapperen. trigonometrie driehoeksmeting. omroepen tribune. podium driehoeksmeting. fladderen beven. moreel. opspatten. kletteren. stuiven dichtslaan barst knapperen. wijze. trant manier. driedubbel . trigonometrie trillers maken triljoen verspuiten. gooien rillen. stok toegegeven derde derde aanstrijken. verdoen manier. aantonende wijs indicatief. aanvoegende wijs indicatief. beven. knetteren dichtslaan aardbeving schokken opgooien. applaudisseren aan de scharrel zijn. wijze. leiding. aantonende wijs uitzenden. mijnschacht drie drie dertig dertig drievoudig. huiveren. kletteren. trant conjunctief. uitwrijven adhesie betuigen. stok riet suikerriet staf. wijze.

hierheen binnenband. aangeboren heester. betrekking hier. straf gevestigd. stevig. twaalftal harden. kaak zenuw jus. friemelen. rel. tabakspijp ingeboren. alp toernooi. ceremonieel hard het hoofd bieden gepast. hardheid hard krachtig. luchtpijp. intekenen blijven dertien verband. geducht. steekspel toerist toerist toerisme toerist hier. geschikt . saus anders maken. struik mouw knuffelen tulp boomstam. stalen stugheid.trzymać trzymać się z dala od trzymać w rezerwie trzynaście trzystopniowa wymiana komunikató tu tuba tuba elektromagnetyczna tubylca tubylec tuleja tuleja tulić tulipan tułów tumulcie tumult tunel tunel tunice tunika tuńczyk tupecie tupet tupet tupet tura Turcja Turcja turecki Turek turnia turniej turysta turystyczny turystyka turyście tutaj tuzin twardnieć twardość twardy twardy twardy koniec wiersza twardy myślnik twardy orzech do zgryzienia twarz twarzowy morrelen. omgang. reserveren. koon. getier herrie. temperen. aangeboren ingeboren. sterk. rel. galnoot wang. stam herrie. luchtband pijp. veranderen Turkije kalkoen Turks Turk alpenweide. hecht afgemeten. hierheen dozijn. fiks. roerigheid. plantengal. passend. vast. roerigheid. sop. scharrelen bespreken. plechtig. getier metro tunnel tuniek tuniek tonijn gal.

as theologie. materialiseren scheppen. aanbouw samenstellen. bouwmeester auteur. materieel je. rechtvaardig louter. aanstrijken drukletter drukletter . je uzelf. de jouwe constructie. aanstrijken kalken. alleen. je kuil Pool week wekelijks. aan je. stilist jou. creëren scheppen. loon. ofschoon. creëren stoffelijk. godgeleerdheid stelling. maar billijk. elke week gage. alleen. aan jou. theorema beweren. voorlopig tijdelijk kalken. verzekeren betuigen. hoewel. elke week wekelijks. fair. de jouwe wezen architect. jijzelf jou. aan je.twierdzenie twierdzenie twierdzenie twierdzić twierdzić (bezpodstawnie) twoj tworzenie serwerów WWW tworzyć tworzyć tworzyć tworzyć kopię zapasową tworzyć mozaikę tworzywa twój twój twór twórca twórca v pisać ty ty ty sam tyczka tyczka tydzień tygodnik tygodniowo tygodniowy tygodniówka tygrys tykwa tykwą tylko tylko tylko wstęgi boczne tylko z nazwy tylne światło (samochodu) tylne wejście tylny tył tył kompilatora tym niemniej tymczasem tymczasowy tymczasowy tynk tynkować typ typ źródłowy spil. componeren verwekken verstoffelijken. fair. enkel. bezoldiging. rechtvaardig pas. jouw het jouwe. salaris tijger kalebas kalebas billijk. inmiddels. verlaten. verzekeren het jouwe. alhoewel intussen. al. schrijver. elke week wekelijks. bouw. aan jou. slechts. enig achterlicht achterdeur achterhoede achterhoede achterhoede wel. daarentegen tijdelijk.

stel aankleden. grandioos. set. afnemen oor uitgewekene. verzekeren veilig stellen. verzekering assurantie. handvat. verzekeren. betitelen adresseren afknotten opvrolijken. kleren complet. omkleden. watercloset een verband omleggen minder belangrijk. concours een verband omleggen een verband omleggen woordspeling WC. verzekering assurantie. decreteren doen. verzekeren. ageren.typowy tyran tysiąc tysiąc (dolarów tysiąc instrukcji na sekundę Tysiąclecie tysiąclecie tytan tytoń tytuł tytuł szlachecki tytuł własności tytułować u góry ubawić ubezpieczać ubezpieczenia ubezpieczenie ubezpieczenie na życie ubezpieczyć ubezpieczyć ubiegać się o posadę ubierać (się) ubierać się ubijać ubikacja ubiór uboczny ubogi ubój ubóstwo ubrać ubrać ubrać ubranie ubranie ubranie ubranie ubranie (męskie) ubranie cywilne ubywać ucho uchodźca uchwalać uchwała uchwała uchwycić sens uchwyt eigenaardig. akte. overweldigend duizend duizendjarig tijdperk. tiran duizend groots. kruk. handelen besluit. set. omkleden. assureren match. assureren assurantie. stuk titelen. aangrijpen. betitelen bedrijf. stelletje. millennium millennium Titan tabak titelen. kleding ding. tituleren. stel ding. voorwerp kleren. kleden. onderhouden veilig stellen. bij-. bezig zijn. kleren complet. tituleren. hengsel. klink . acte. geweldenaar. amuseren. dokument. slachten gebrek. armoede aankleden. stelletje. typisch dwingeland. verzekering betuigen. beklagenswaardig afslachten. grijpen oor. bekleden kleding. zijerbarmelijk. uitspraak. voorwerp verminderen. kleden. beslissing bemachtigen. ver. vluchteling verordenen. wedstrijd. bekleden kleding.

plukken. voorwenden. hengsel. simuleren. dringen. persen. hogeschool. feestmaal. meegaand bovenbeen. klink mijden. rustigheid. snoeien oor. afgrendelen ontsnappen. deftig eerlijk. juist. rustig. verzorgen bezoeken. afbreken snedig. ontkomen appelleren.uchwyt powiązania uchwyt środowiska uchylać się uchylać się uchylony uciążliwy uciec uciec uciec ucieczce ucieczka ucieczka uciekać uciekać się uciskać uciskać uciszyć uciszyć się uczcić uczciwy uczelnia uczelnia uczeń uczęszczać uczęszczać uczony uczony uczta ucztować uczucie uczucie uczucie uczucie) uczyć uczyć uczyć się uczyć się uczynny uda udaj udaj udawać udawać udawanie udawanie uderzać uderzać uderzający knippen. uit de weg gaan. smulpartij. stilte waardig. ontgaan ontsnappen. genootschap college student verplegen. ontgaan grendelen. aanleren knap. ontkomen. handvat. geleerde festijn. gelag festijn. geleerd wetenschapper. afleren leren. dij fingeren. inschikkelijk. kalm kalmte. ontwikkeld. zorgen voor. een beroep doen op knellen. aandoening recipiëren gevoel gewaarwording. geleerd toegevend. mijden. geregeld bezoeken knap. onnatuurlijkheid aanmatiging. smulpartij. ontgaan. aandoening instrueren afwennen. kruk. ontwikkeld. drossen grendelen. geprononceerd. eerzaam. scheren. uit de weg gaan op een kier staand drukkend. ontkomen. doen alsof voorgeven. zwaar weglopen. feestmaal. doen alsof aandoen. afgrendelen ontsnappen. simuleren. ontgaan ontsnappen. bedaard. onbescheidenheid hameren afrukken. ontkomen. gelag affect. doen alsof aanstellerij. zichzelf respecterend. wegrennen. aangrijpen fingeren. ontwijken ontwijken. rust. degelijk academie. emotie. drukken pers stil. raak .

klappen. kloppen. het juk opleggen stutten. golf. klappen. steunen. inham. vergemakkelijken loslaten. zelfverzekerd baseren. kloppen. strelen. interesseren deel. angst smoren. benauwdheid. boezem golfspel. kloppen. bocht. overeenstemming vertrouwen.w. loten college geven stortplaats accoord. opvallen bovenbeen. aantonen schuldig bevinden beklemming. benauwdheid. schragen verlichten. fiducie hebben in fiducie. geloof vertrouwen. vereren. boezem aanspannen. krakelen bewijzen.uderzający kontrast uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie serca uderzenie takie j. agonie beklemming. neerslaan invoer belang inboezemen. onderdrukken. manifesteren . vergemakkelijken verlichten. gedeelte bijdrage verloten. opvallen slaan. juist. grondvesten. uderzyć uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem udo udostępniać udostępniać udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc techniczna obsługa udostępnić udostępnienia udowadniać udowadniać udowodnić udręczenie udręka udręka udusić udział udział udział udział dyskowy udzielać udzielić udzielić nagany udzielić poufnej informacji ufać ufać komuś/być zwolennikiem czegoś ufność ufność ufny ufundować Uganda ugniatać ugoda uhonorować ujadać ujadanie ujarzmiać ujawniać ujawnić snedig. uitlaten. vertrouwen. geprononceerd. liefkozen. angst doodsangst. eren golfspel. dij tentoonstellen. opvallen aanhalen. samenklank huldigen. bocht. raak slaan. kloppen. schragen laten blijken. fiducie hebben in zelfbewust. onderdeel. disputeren. klappen. inham. doodsstrijd. lossen twisten. stuk. fiducie hebben in vertrouwen. opvallen stompen Jan Klaassen aanspannen slaan. steunen. klappen. aaien slaan. belichten stutten. funderen Oeganda kneden overeenstemming. tappen. golf.

aan de grond raken bek. maatregel circuit arrangeren. muil slinks. samenklank bikken. prikken.ujednolicić ujemnie ujemny ujemny ujęcia ujmować w cudzysłów ujmujący ujrzeć ujście ujście ujście danych ujście zdarzeń ukartować ukazać się układ układ układ logiczny odporny na szumy układ komplementarny MOS układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy układ mikroprocesorowy układ RTL układ zerojedynkowy układ żądania i przyznania magistrali układ żądania i przyznania magistrali układać układać układać w stos układance ukłonić się ukłucia ukłucie ukłucie ukłuć ukochana ukochana osoba ukochany ukochona ukończyć ukończyć studia ukośnie ukośnik ukośnik (prawy) ukośny ukradkiem Ukrainiec ukraiński ukraść maken. steken schat. ordenen puzzel. accumuleren arrangeren. lieverd. snikkel. doen. toegang bek. citeren. cliché aanhouding. muil zinken. ingang. leuter. priemen. toog lul. hierzo entree. liefje. steelsgewijs Oekraïens Oekraïens achteroverdrukken. scheelkijken. bedrijven ontkennend min. pik. raadsel boog. lieveling schat. noemen bekoorlijk. jongeheer pikken. gediplomeerd scheelzien. leuter. innemend. troep. opdagen akkoord. schare circuit logica overeenstemming. ordenen ophopen. sluiks. bedrieglijk opdraven. pik. loensen afkraken afkraken scheef. lief. steken pikken. vatting akkoord. schuin tersluiks. aanrichten. opeenhopen. afbikken montuur. ziedaar. verdonkeremanen . liefje. prikken. arrestatie aanhalen. volledig afgestudeerd. minus negatief. lieveling schat. lieveling compleet. charmant ziehier. priemen. aanrichten. kijk. jongeheer lul. lief. liefje. liefje schat. maatregel circuit bende. hier. snikkel. lieveling. lief.

huid verbergen. veredelen verbeteren. aanpassen. clandestien vel. zachtmoedig. kruisigen bijenkorf bijenkorf floppen. ordenen drogbeeld. vertroetelen afgezonderd. tokkelen. ingenaaid boek zwak ultimatum uitverkoren uitverkoren troetelen. verdekt. nijpen sluipen blind jas. pels. vergemakkelijken arrangeren. belichten verlichten. kruisigen matigheid zacht. vacht. afzonderlijk breuk. dierevel. zachtaardig . pels. begoocheling. fractie tentoonstellen. aanrichten. aanrichten. in het water vallen verbeteren. koesteren. knijpen. koesteren. dodelijk gemeubileerd kruisen. dierevel. ontveinzen. laan steeg straat afstemmen. dodelijk doods. huid verborgen. verhelen veinzen. mantel vel. huichelen verborgen. paperback. vertroetelen uitverkoren uitverkoren troetelen. laan straat straat steeg dreef.ukraść ukraść ukryć ukryć ukryć ukryty ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać się ukrzyżować ul ul ulegać awarii ulepszać ulepszyć ulewa ulica ulica ulicą uliczka uliczka uliczka uliczny ulokować ulotka ulotny ultimatum ulubienica ulubieniec ulubieniec ulubiony ulubiony ulubiony ulubiony ułamek ułatwiać ułatwiać ułożyć ułożyć się z wierzycielami ułuda umarli umarły umeblowany umęczyć umiar umiarkowany klemmen. veredelen storm dreef. mild. verdekt. verhelen kruisen. clandestien verbergen. illusie doods. ordenen arrangeren. vacht. ontveinzen. adapteren brochure.

enig vernietigen. aanstelling benoeming. uit de weg gaan. nieuwsgierigheid uniek. universeel academie. universiteit academie. universeel algemeen. stand. samenklank akkoord. vatting situeren.umiarkowany umiejętności umiejętność umiejętność umiejętny umiejscawiać umiejscowienia umiejscowienie umierać umieszczenia umieścić umieścić umieścić umocnienie umocować umocowany umorzyć (dług) umowa umowa umowa licencyjna umowa obustronna umowny umówione spotkanie umówiony termin umycie umyć sobie włosy umysłowy umywalnia umywalnia uncja uncja (28. eigenmachtig benoeming. bezadigd. washok. vreemd weetgierigheid. plek aanspannen vormsel. mentaal vont. ontwijken typisch. sober. ervaring. onvatbaar. kundigheid geschiktheid wetenschappelijk situeren. sterven montuur. aanstelling wassing het haar wassen geestelijk. overlijden. kom wasinrichting. bepalen vasten ontbinden. vernielen algemeen. contract congres willekeurig. leggen. resistent . annuleren. leggen.35 grama) unia unieważniać unieważnić unikać unikalny unikat unikat unikatowy uniważnić uniwersalny uniwersalny system przetwarzania informacji uniwersytecki uniwersytet unosić się unosić się w powietrzu uodporniony nuchter. enig uniek. annuleren. ondervinding bekwaamheid. maatregel verbintenis. vernielen ontbinden. plaatsen ligging houding. afgelasten mijden. aanneming fixeren. afgelasten overeenstemming. oord. lokaal. bekken. verwoesten. plaatsen plaats. bevestigen. arbitrair. curieus. verwoesten. universiteit krankzinnig zijn zweven immuun. positie doodgaan. wasgelegenheid ons ons unie vernietigen. matig belevenis.

hardnekkig halsstarrig. afvallen. hardnekkig. ophouden. aanmanen. halsstarrig. blinde bij kaarspel. uiteenvallen ebvallen. hard.upadać upadać upadek upadek upadek upadek upakować upał upaństwawiać upaństwowić uparty uparty uparty uparty się upewniać upewniać się upewniać się (<sth> co do czegoś) upewnić się upiec upierać się upierać się upilnować upiorny upiór upload upływać upodobanie upodobanie upokarzać się upokorzenie upokorzyć upominać upominek upominek uporczywa (walka) uporczywy uporczywy uporządkować coś uporządkowanie uporządkowany upoważniać upoważnić upoważnienie upraszczać upraszczać uprawa uprawa drzew uprawa ogrodu druppel. bouw . vuur nationaliseren. afvallen. teelt. halsstarrig. beschaving. storten instorten. volmachtigen. neervallen. assureren constateren. verzekeren veilig stellen. plechtig. autoriseren mandaat. als. vaststellen. vernedering nederig. teelt. vernederen. koppig koppig. er uitzien afgrijselijk blinde. adapteren afstelling. duchtig. storten afgang inpakken. onderdanig. voor. beschaving. straf koppig. autoriseren machtigen. gedenkschrift bar. hardnekkig. geest uploaden aflopen. bij wijze van. aansporen aandenken. hardnekkig afgemeten. zich verbeelden hoe. naasten nationaliseren. pakken. instelling systematisch machtigen. koppig aanpassen. manen. volmachtigen. uitgaan. bouw tuinieren cultuur. afkorten vereenvoudigen. machtiging inkorten. hardnekkig betuigen. neervallen. blijven aandringen het uiterlijk hebben van. verootmoedigen verootmoediging. tot kleinmaken. afstemmen. verpakken gloed. bevinden bakken aandringen aanhouden. bevinden constateren. eindigen bedenken. gedenkschrift aandenken. bekorten. vaststellen. verzekeren. naasten koppig. ineenstorten. ceremonieel halsstarrig. simplificeren cultuur. bevoegdheid. streng. waterdruppel vallen. deemoedig vermanen. halsstarrig.

kweken drillen. afschaffen. vrijheid. vooringenomenheid vooroordeel. genadigheid voorkomendheid. vooringenomenheid anticiperen. tituleren. simplificeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoeren elimineren. wellevend. vooraan. fonds dobbelen hof. begunstiging. bevoegdheid. voorrangsdisconto druppel. reeds. machtiging vrijdom. betitelen geschiktheid mandaat. tuin kampen. worstelen agrarisch bebouwen. indertijd vooroordeel. gezag vereenvoudigen. vooringenomenheid anticiperen. bewerken. bereidvaardig beschaafd. hoffelijkheid voorkomend. lief. welgemanierd preferentie. kas. machtiging mandaat. gezag mandaat. bevoegdheid. alvast. machtiging autoriteit. alreeds daarvoor. oefenen geldkist. beschaafd. voorkomend bereidwillig. bevoegdheid. welgemanierd vriendelijk. kweken mandaat. vlotheid titelen. eerder. bewerken. opdoeken span al. prae bevoorrecht. waterdruppel verrukt jubeluranium Uranus . machtiging autoriteit. aardig. vriendelijk wellevend. liefheid beleefdheid.uprawiać uprawiać uprawiać uprawiać autostop uprawiać hazard uprawiać stręczycielstwo uprawiać zapasy uprawiać ziemię uprawnianie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie do zarządzania zadaniami uprawnienie do zmiany uprawnienie publiczne uprawnienie zdolność uprościć uprowadzać uprowadzenia uprowadzenie uprowadzić uprzątać uprząż uprzednio uprzednio uprzedzać uprzedzać (<against sb> do kogoś) uprzedzenia uprzedzenie uprzedzić uprzejmie uprzejmość uprzejmość uprzejmość uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzywilejować uprzywilejowany upust upuść uradowany uradowany Uran uran bebouwen. prejudiciëren zachtjes. voorzichtig gunst. privilege. bevoegdheid. prejudiciëren vooroordeel.

charmant behaaglijk. ontslaan aanrijden.uratować uratować uraz uraza urazić uregulować (np. officieel bediende. denkbeeld uitrusting. kantoorbediende ambtelijk. geboortedag. een beroep doen op aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid afleidingsmanoeuvre ontzetten. regelen. benul. inrichting. officieel . apparaat slaaf idee. behouden blessure. verjaring appelleren. rachunek) urlop urlop urlop chorobowy sickness uroczy uroczy uroczy uroczystość uroda urodzaj urodzajny urodzenia urodzenie urodziny urok urok urok urozmaicenia uruchamiać uruchamiać uruchamiać (program) uruchomić uruchomić w tle urwisko urząd celny urząd celny urząd pocztowy urząd pocztowy urządzać urządzać urządzenia pomocnicze urządzenie urządzenie urządzenie peryferyjne urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela urządzenie zewnętrzne urzeczywistniać urzędnik urzędnik urzędnik państwowy urzędnik stanu cywilnego urzędowy bergen. begrip. aanzetten klif. innemend. bijbehorend. redden redden. afdoen verlof. accommodatie. bijkomend akkoord. behouden. affronteren. lanceren. activeren. begrijpen bediende. klip usance. gewoonte. kantoorbediende officier ambtelijk. schoonheid. knapheid onbekrompenheid. krenken afhandelen. aanbiddenswaardig bekoorlijk. gebruik douanekantoor. bergen. organiseren bijkomstig. maatregel hulpmiddelen. bevatten. ter dood brengen aanzetten tot. verwonding trots beledigen. ordenen uitschrijven. vrijaf vakantie vakantie aanbiddelijk. genoeglijk viering fraaiheid. kwetsuur. royeren. wond. overvloed vruchtbaar geboorte geboorte verjaardag. ontketenen executeren. grenskantoor aanplakken postkantoor arrangeren. inrichting beseffen. aanrichten. voorrijden uitschrijven.

temperen. układ ustąpić ustęp ustęp (w książce) ustęp w książce ustępował ja zeggen.usankcjonować usilny usłuchać usługa elektroniczna usługa o najwyższej możliwej jakości usługa uaktualniania sterowników usługa uwierzytelniania usługa zabezpieczenia usługi maklerskie usługiwać usługiwać usługodawca sieciowy usłużny uspokajać uspokoić uspokoić uspokoić uspokoić się usposobienia usposobienie usposobienie usposobiony usprawiedliwiać usprawiedliwić usprawnić usta ustalać ustalać z góry ustalić ustalony ustanawiać ustanowić ustanowić ustanowienie ustanowienie ustawa ustawa ustawać ustawą ustawiać ustawianie ustawić ustawienie. dienst. hulpmiddelen arrangeren. constitutie instelling recht statuut stoppen. zoektocht eredienst. stichten determineren. hulpmiddelen inrichting. apparaat. speurwerk. beamen. paragraaf artikel. rustig. muil determineren. bescheiden. afhalen serveren. stalen karakter. instituut. aflaten. bescheiden. maatregel toegeven kast artikel. aard harden. ophouden statuut inrichting. stil. kalm wiegen harden. star. matig bedaard. brandend. godsdienstoefening courtage te wachten staan. kalm gematigd. speurwerk. matig stil. temperen. nauwkeurig bepalen inrichten. ordenen akkoord. aangegrepen verontschuldigen verontschuldigen wijzigen. wachten. attent. modificeren bek. geaardheid. stichten gesticht. inrichting grondwet. oprichten. godsdienstoefening vinger speurtocht. afstand doen . paragraaf neerleggen. bedaard. stichten inrichten. voorleggen server aandachtig. spoedeisend gehoorzamen speurtocht. oprichten. rustig. aanrichten. apparaat. zoektocht eredienst. oprichten. vast inrichten. bedanken. nauwkeurig bepalen onbeweeglijk. dienst. oplettend gematigd. bevestigen dringend. stalen aangedaan.

wegvagen vernietigen. heilig. persen. uitvegen. luwen mondeling mondeling. bekwaam eminent. kalefateren. regime uitwissen. verlichten heiligen geheiligd. dringen. klink schuld verval schade aanrichten. gewijd. talentvol logeren . knellen glimlachen glimlachen glimlachen vernietigen. breeuwen puntig. schaden havenen. omarmen bemachtigen. uitstekend. maatregel verflensen. vernielen gemiddeld illumineren. bedaren. kwaad omhelzen. opdoeken schoppen. trappen elimineren. oraal enkel. beschadigen. afschaffen. met gom bestrijken reinigen. gehavend.ustępował ustnie ustny ustronne (miejsce) ustrój usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć przekrwienie usunąć usuwanie (z IRC) usunąć zaznaczenie usuń usuwalny usuwanie źródeł zakłóceń radiowych usychać uszanowanie uszczelniać uszczelnić uszczypliwy uszczypnąć uszko uszkodzenie uszkodzenie styku uszkodzić uszkodzić uszkodzony uszkodzony sektor uścisk uścisk uścisk uścisk uścisk dłoni uściskać uścisnąć (rękę) uśmiech uśmiech sieciowy uśmiechać się uśmiercać uśredniać uświadomić uświęcać uświęcony utalentowany utalentowany utalentowany utknąć bekoelen. uitvegen. hengsel. bloot. handvat. borrel oor. afschaffen. hand drukken. vernielen gommen. grijpen handdruk. kaduuk kwalijk. aantrekken kalfateren. knellen vasthaken knuffelen drukken. stuk. opdoeken uitwissen. schoonmaken. defect. verdorren eerbiedigen. louter stelsel. opdoeken elimineren. kundig. verwoesten. persen. staatsvorm. dringen. afschaffen. aanzienlijk getalenteerd. kruk. bederven kapot. slecht. wegvagen afneembaar akkoord. spits aperitief. sacraal capabel. kwijnen. respecteren strakker aantrekken. louteren elimineren. verwoesten. beroerd.

nor vrijstellen.utkwiony wzrok utopią utopijny utracić ważność utracony utrapienia utrapienie utrata wydajności utrzymać utrzymywać utrzymywać (coś w ruchu) utrzymywać (stosunki utrzymywanie utrzymywanie się utwardzać utworzyć utworzyć utwór (muzyczny utwór liryczny utwórz utykać utykanie (na nogę) utylizacja uwaga uwaga uwalniać uważać uważać uważający (<of sth> na coś) uważnie uważny uwertura uwerturą uwiązanie uwiązanie uwielbiać uwielbiać uwielbienie uwierzytelnienie uwieść uwięzić uwięzić uwolnić uwolnić uwolnienie uwydatniać uwypuklać uwypuklać staren. hinken. uitgaan. aandoening aanhechting verafgoden. aanstaren Utopia utopistisch. schragen stutten. aanbidding aanbidding. temperen. waterdruppel vertogen. adoreren. schragen harden. lossen vermeerderen accentueren. lust. beklemtonen met nadruk zeggen. betogen. ontslaan afhelpen loslaten. kwijt. oordelen. standje. formeren fragment. attent. aanmerking. uitlaten. hinken. brok tekst scheppen. attent aandachtig. adoratie geloofsbrief verleiden. neiging acht. berechten behoedzaam. mank lopen kreupel lopen. componeren doen ontstaan. vervlogen hoofdpijn pest druppel. met aandacht. stalen samenstellen. kerker. steunen. mank lopen zin. attentie. voorzichtig aandachtig. turen. argumenteren zich gedragen stutten. attentie. aanbidden adoratie. tappen. oplettend ouverture ouverture affect. aandacht beoordelen. aandacht berisping. utopisch aflopen. betogen. steunen. emotie. verlokken. creëren kreupel lopen. benadrukken . aanvechting. argumenteren blijven vertogen. maken. eindigen verloren. ophouden. opsluiten gevangenis. weglokken gevangen zetten. blaam bevrijden acht.

aanwerven uitbuiten. beoefenen . begaafdheid. nuttig behulpzaam. houden voor toejuichen. dienstig. aardleiding achtergrond. overeenstemming handdruk. overeenstemming handdruk. hand accoord. gave. tuberculose aanwending. afgesproken. bij acclamatie benoemen eerbetoon. buit maken longtering. akkoord onbeweeglijk. grond. kundig het eens zijn. laten begaan. vast aanaarden aanaarden aanaarden aarding. tering. hulpvaardig aannemen. onpartijdig aanaarden agnosceren. star. eerbetuiging erkenning compleet. begaafdheid. volledig aanvullend kraken. exploiteren. borg staan voor bedwingen. afzijdig. ondergrond neutraal. betomen talent. hand in orde. als waarheid aannemen laten. overeenstemmen in orde. als waarheid aannemen agnosceren. beteugelen. bodem. huren. aanleg talent. usurperen verkrijgen.uwypuklać wzmagać uwypuklenie uzależnienia uzasadniać uzasadniać uzdą uzdolnienia uzdolnienie uzdolniony uzgadniać uzgadniać uzgadnianie uzgodnić uzgodnienia uzgodnienie uzgodnienie włączania i wyłączania uzgodniony uzgodniony uziemiać uziemienia uziemienie uziemienie uziemienie uziemiony uziom uznać uznaj uznaj uznaj uznania uznanie uznanie uznanie uzupełniać uzupełniający uzurpował uzyskać uzyskiwać użycie użycie użyteczność użyteczny użyteczny rozmiar ekranu: 13 użytek użytkować użytkownik użytkownik zaawansowany używać vermeerderen nadruk. bij acclamatie benoemen toejuichen. toepassing utility bevorderlijk. afgesproken. aanleg bekwaam. laten schieten menen. buit maken verkrijgen. capabel. gave. akkoord opnemen. afboeken accoord. overweldigen. geloven. klem afhankelijkheid verontschuldigen garanderen. uitmelken gebruiker gebruiker betrachten.

naar boven. mesten accumuleren.używać używać powtórnie używać życia używany używany do tworzenia czasu przyszłego użyźniać v V (<spill v całować (się) v leżeć v przycinać (drzewa v zaopatrywać verbum verte w w (pewnych) granicach w biedzie w budowie w charakterze w czasie w dobrym guście w domu w dół w dużej mierze w dużym stopniu w gniewie w gotowości w górę w górę i w dół w górze w każdym wypadku w każdym wypadku w kierunku obrotu wskazówek zegara w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara w końcu w kraju i za granicą w kropki w którym w którym najwięcej się przebywa w lombardzie w napięciu w plamy/cętki w płomieniach w płomieniach w pobliżu w połowie drogi w porównaniu z aanwending. rechtsom aan. bijeen. okay. enig over. vurig. tot. dons waas. aanwerven aanwending. verzendend circulerend. tegen. beëindigd per. rechtsom voorspeler. afgelopen. toepassing aannemen. hol. ineen volkomen. opeenhopen morsen zoenen. zwanger aanhangig ander waas. aanvaller geruit. bezorging werkwoord klaar. omhoog. huiskamer. opwaarts omhoog. naar boven boven boven omhoog. okee . bemesten. in omloop hiernaast. naar met de klok mee. krocht. overheen. verterend. geblokt spelonk. huren. te. geblokt geruit. opwaarts. kussen rusten snoeien aanvoer. ernaast. opwaarts. naar boven met de klok mee. totaliter. grot. in. afgewerkt. holte zitkamer. heel drachtig. nesthaar. aan de overkant van goed. daarnaast louter. tezamen. voor. woonkamer archief op bed hiervandaan. toepassing tweedehands gaan. bij. dons tegenwoordig tegenwoordig op. binnen feeëriek samen. zullen gieren. verlaten. nesthaar. op. vanhier gloeiend. alleen. op. ophopen.

zodoende hierbij intussen. aanlokkelijk lokken aas. bang zinnebeeld. aanzetten nadeel. minpunt uitvallen. daarentegen per. lokaas aanwakkeren. schaduwzijde. daarentegen intussen.w potrzebie w przeciwieństwie do w przybliżeniu w razie uszkodzenia niektórych elementów) w rzeczywistości w stosunku do w strachu w systemie AutoCAD w środku w tej chwili w twoim wieku w tyle w tym celu w wielu wypadkach w wyniku w zwrocie <with arms akimbo> podparłszy się pod boki w zwrocie <without demur> bez sprzeciwu w zwrocie: <in the meantime> w międzyczasie w zwrocie: <in the meantime> . per per. rugwaarts achteruit. incluis bijgevolg. schaduwzijde. binnen verlokken. dus.w międzyczasie w żadnym wypadku w żałobie wabić wabić wabić wabik wachlarz wada wada wada w zabezpieczeniach wada wymowy również jąkanie wadą wadliwe działanie wadliwy wafel waga waga waga waga półciężka (w boksie) waga półciężka (w boksie) wagon wagon wagon wagon (towarowy) wagon bagażowy rechter-. te. zodoende inderdaad. boosaardig. afwegen gewicht saldo. stuk gaan kwaadaardig. inmiddels. achterwaarts. te. aanvuren. minpunt schuld nadeel. auto affuit bestelauto. in. verleiden lekker. wegen. rugwaarts inclusief. weglokken. hatelijk wafeltje weegschaal. waag het gewicht bepalen. symbool van middelbare leeftijd per. metterdaad. achterwaarts. haperen. inmiddels. binnen iets achteruit. inbegrepen. binnen in. binnen per. vandehands ander ongeveer. in. waarachtig lafhartig. binnen. dus. derhalve. een stuk of. te. te. spoorwagen bagagewagen . in. derhalve. schaduwzijde. minpunt schuld nadeel. te. bestelwagen wagon. laf. circa bijgevolg. balans. in. overschot gewicht automobiel.

spartelen. omwalling waterkering. krankzinnige kankeren. schoorvoeten. braaf. badkuip bak. hapering. eerlijk. vuur damspel waarde. pakken worstelen. straatschender vanille vanille bad. teil. dubben zweven aarzelen. morren lip lip dalen. bolwerk. sputteren. dommekracht. koffer strijden. schommeling vakantie verlof. dubben geweifel. mopperen. gehalte kankeren. kampen. vrijaf wals worstelen. kleiner worden. valuta dijk. handkoffer. sputteren. aarzeling geschommel. morren vlechten . beugel aarzelen. zich aftobben muntsoort. beetpakken. gek. handkoffer. schoorvoeten. krik Wales dichtslaan Welshman Wels valies. wal. ferm vijzel. kuip kalk kalk gloed. strijd voeren beetnemen.wagon sypialny wagon towarowy wagonik wahać się wahać się wahać się (w podjęciu decyzji) wahania wahanie się wakacje wakacje (ferie) walc walce walczyć walec waleczny walet Walia walić głową w mur Walijczyk walijski walizce walizka walka walka wręcz walka wręcz waluta Wał wał obronny wał ochronny wał ochronny wałek do włosów wandal wanilia wanilią wanna wanna wapno wapno palone war warcaby warcie warczeć wardze warga wariant wariantowy (typ danych) wariat warknąć warkocz slaaprijtuig. mopperen. zich aftobben strijden. cilinder flink. tobbe. slaapwagen wagon. strijd voeren rol. dapper. afnemen bezetene. spartelen. cilinder vandaal. spoorwagen trolley. koffer valies. kampen. waterkering bastion. dijk loopgraaf rol.

bank. wacht conditie. tip. voorwaarde. bepaling conditie. buit. zaak werkplaats waarde. gehalte waardig. gehalte gemiddeld spits. clausule. beweren voorwaarde. spoedig. ezel. bewaren gezwind. bepaling ets je. lijvigheid rek. schraag. vraag. top. waterjuffer. bok winkel. schraag. waardevol overschatten. vakterm verzekeren. kom vaas. clausule. acquisitie. punt. de jouwe watt watt watten watten lever laurier. jouw het jouwe. navraag term. ezel. piek waard zijn. lauwer vont. gehalte schildwacht. gehalte waarde. voorwaarde. bank.warkocz warstwa warstwa warstwa zubożona warstwą warszat programisty środowisko robocze Warszawa warsztacie warsztat warsztat wart wart warta wartki wartościowa cecha wartościowy wartościowy wartość wartość wartość skuteczna wartość systemowa wartość wyjściowa wartość znamionowa wartość źródłowa porządku wartownik warunek warunek warunek warunek warunek wstępny (konieczny) warunek wystąpienia błędu warunek wyszukiwania warunek złożony warunkować wasoryt wasz wasz wat wat wata watolina watroba wawrzyn waza wazelina wazon wazon ważce vlechten jas. eerzaam. aanwinst zeldzaam kostbaar. bekken. de wacht hebben. pot. kom vaseline vont. neus. haastig. overjas aardlaag aardlaag dikte. verdienen waarde. waar bewaken. snel prooi. bepaling bevoegdheid. bok Warschau rek. overwaarderen waarde. bekken. vat. bepaling conditie. voorwaarde. pul libel. juffertje . toekomen. kwalificatie kwestie. gauw. bepaling voorwaarde.

dubieus aanvechtbaar. geur. steeds herhaaldelijk. meermaals nog drachtig. vigerend relevantie erg. knevel smal. vakantiedag. belangrijk. garen zwak. absorberen absorberend absorptie. immer. lucht snor. jeugd vroegtijdig. in dubio staan dubben. zich vastklampen aan aanklampen. opslorping aanklampen. licht dubben. nauw. kanaal. pril. kanaal. eng. nauw. pril. opslorpen. voornaam gangbaar. vroeg jeugdigheid. geldig. geldend. rustdag vroegtijdig. geldig. krap. pril. opsturen snipperdag. voorgaand gisteren gisteren gisteren . waterjuffer. verleden. betwistbaar lever slang slang WC. knevel draad. vigerend stoffelijk. luchtje. materieel het gewicht bepalen. zbiór przeszukiwanych informacji) wąsy wątek wątek zablokowany wątły wątpić wątpliwość wątpliwy wątpliwy wątroba wąż wąż WC wcale iać wchłaniać wchłaniający wchłanianie wchodzić (na statek wchodzić na pokład wciągać na listę wciągnąć w zasadzkę wciąż wciąż wciąż wciąży wcięcie wciskać kit wczasy wczesny wczesny wczesny rozwój talentów wcześnie wcześniejszy wczoraj wczoraj wieczorem wczorajszy dzień libel. zich vastklampen aan uitlisten. afwegen reuk. een lijst maken een hinderlaag leggen altijd. geldend. bijster in beslag nemen. straat zeeëngte.ważka ważki ważność ważny ważny ważny (posiadający moc prawną) ważyć wąchać wąs wąski wąski wąski zawęzić (np. sturen. vroeg voorafgaand. nauw zeeëngte. twijfelachtig. juffertje gangbaar. in dubio staan discutabel. straat snor. ernstig. vroeg vroegtijdig. garen draad. twijfelen. twijfelen. zwanger inspringen doen toekomen. watercloset erg. bekrompen. wegen.

vonnis uitvoering. tappen. erkentelijk sierlijkheid Gratie sierlijkheid sedert. sierlijk dankbaar. uitspraak. aanzetten ventilator. bezielen. hellen. ingang. toegang naar beneden gaan. insteken. uitspraak. versie . aflopen veranda dienst nemen dienst nemen judicium. emitteren invoer aanmelding deuropening entree. inboezemen erkenning erkentelijkheid. afdalen indoen. toegang aanmelding invoer invoer uitgeven. vanaf uur doordringen. cambio omsluieren. binnendringen.wdowa wdowca wdowiec wdychać wdychać wdzięczność wdzięczność wdzięczny wdzięczny wdzięk wdzięk wdzięk według według stałych kursów walut wedrzeć się wegetariański wejścia wejścia wejścia wejście wejście wejście wejście wejście radaru dalekiego zasięgu wejście z klawiatury wejście zegarowe wejście zerowe wejście/wyjście danych wejście/wyjście danych wejść wejść w życie weksel welon wełna wełną wenecjanin wentyl wentylator wentylator Wenus weranda werandą werandą werbować werbował werdykcie werdykt wersja weduwe weduwnaar weduwnaar ophalen. sententie. inademen inspireren. overhellen. ingang. sluieren wollen wollen Venetiaans verhandelen. dankbaarheid gracieus. aanvuren. wan Venus veranda buigen. bevallig. sententie. steken wissel. ingang. toegang aanmelding deuropening entree. met ingang van. doorstoten vegetarisch deuropening entree. vonnis judicium. overdoen aanwakkeren.

in. binnen binnen.wersja o średniej szybkości wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza weryfikować weryfikował wesele wesoły wesoły wesoły wesoły wesoły westchienie westchnąć westchnienie western western western western wesz weteran weterynarz wewnątrz wewnątrz wewnątrz ośrodka wewnątrz siedziby wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny test po włączeniu wewnętrzny test po włączeniu wewy odwzorowane w pamięci we-wy odwzorowane w pamięci wezwania wezwanie wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) węch wędrować wędrować wędrować wędrował wędrowiec wędrownik wędrówka węgiel węgiel drzewny afkorting. inwendige binnenste. te. uittarten stinken. aflezen bruiloftsfeest. trekken. checken. monter goedgeluimd. westelijk luis veteraan. westen westen westers. binnen binnen. kruiden aroma. aflezen controleren. tarten. guitig. inlands intern. te binnenlands. migrerend rondreizen. per. oudgediende dierenarts per. kreunen west west. monter goedgeluimd. rondtrekken. geur uitvoering. kreunen zuchten. in. per. rondreizen rondtrekken. checken. rondtrekken. intern aanplakken Io Io dagvaarding. assignatie trotseren. in. rondreizen rondreizen. binnenlands. verkorting op smaak brengen. steenkool dovekool. in. rondtrekken. inheems. intern binnenste. exploot. trekkend. assignatie dagvaarding. uitdagen. binnenlands. versie controleren. binnenste binnenste. houtskool . goedgehumeurd keurig. trekken kool. Westers. vies ruiken trekken. dartel zuchten. bruiloft lustig. te per. trekken rondtrekkend. schelmachtig. trekken rondtrekken. kreunen zuchten. goedgehumeurd snaaks. vrolijk. binnenlands. trekken. te. rondreizen rondreizen. exploot. rondtrekken.

paling Hongarije hoek knopen. nieuwigheid. reep. olm inbinden. boodschap bericht. binden stropdas. winden. bewoording bericht. windsel strip. een knoop leggen knopen. onvervalst. knooppunt knopen. spoelen op een klos winden. bobine whisky whisky mout houw. windsel . slag. reep. vertrouwen overtuiging geloof. boodschap bericht.Węgier węgierski węgorz Węgry węzeł węzeł węzeł węzeł (graficzny na krzywej składanej) węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) węzeł graficzny na krzywej składanej węzeł kolejowy węzeł o wielu podłączeniach węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę węzłowaty wężownica whisky whisky whisky słodowa wiać wiadomości wiadomość wiadomość wiadomość wiadomość dnia wiadomość itp. vertrouwen authentiek. spoelen luchtdrukgeweer iep. band. waar op een klos winden. mep. winden. das knopen. flap. boodschap nieuws. boodschap communiqué emmer emmer emmer overtuiging geloof. nieuwtje bericht. een knoop leggen aansluiting gastheer knopen. een knoop leggen mysterieus. strook. spoelen op een klos winden. knoest. nieuwtje woord.) wiadomość jawna wiadomość odbita Wiadro wiadro na węgiel wiadro na węgiel wiara wiara wiarą wiarą wiarygodny wiatr wiatr północnozachodni wiatr północno-zachodni wiatrówka wiąz wiązać wiązać wiązać koniec z końcem wiązanie wiązanie walencyjne Hongaars Hongaars aal. echt. een knoop leggen stropdas. een knoop leggen geleding. grijpen. nieuwigheid. fiducie. fiducie. klap nieuws. das bemachtigen. knoop. aangrijpen strip. band. geheimzinnig spoel. winden. klos. strook.

windsel vibratie. brandstapel. strook. bos mutserd. vizier gezicht. zoeker. horizon. eeuwigheid eeuwig avond nacht Wenen Weens bekendheid. wis. wis. visioen. vibreren subsidiair. visioen. ondervoorzitter vice-president. blijkbaar klaarblijkelijk. band. mutsaard mutserd. vertoonbaar zichtbaar naar buiten. reep. vibreren trillen. kunde . bundel bos. auditorium geslacht. droombeeld briefkaart bril spektakel. ondervoorzitter kruis. examineren richtmiddel. duidelijk in schijn. bundel strip. kijkspel. aantreffen interviewen toehoorders. blijkbaar. vork kruis. vork kim. kennis. schouwspel spektakel. gehoor. mutsaard straal. plaatsvervangend vice-president. spaak bos. trilling trillen. buitenwaarts onderzoeken. pand. bundel bundel. huis toeschouwer gezicht. wis. gehoor. auditorium vulpen eeuwigheid onvergankelijkheid. vork kruis. droombeeld ontmoeten. gezichtseinder klaarblijkelijk. chrustu) wiązka elektronów wiązka światłowodowa wiążący wibracja wibracją wibrować wibrował wice wiceprezes wiceprezydent widelec widełki widły widnokrąg widocznie widocznie widocznie widoczny widoczny widoczny dostępny widok widok widok widokówka widowisk widowiska widowisko historyczne widownia widownia (w teatrze) widz widzenie widzieć widzieć się widzowie wieczne pióro wieczność wieczność wieczny wieczór wieczór Wiedeń wiedeński wiedza bos. wis. naar het schijnt aanwijsbaar. kijkspel. duidelijk. schouwspel toehoorders. trilling vibratie. brandstapel.wiązanka wiązka wiązka wiązka wiązka (np. nakijken. eruit.

vrijster. stiptheid. bestek. perceel menig. toverheks. edel hoeveelheid. banderol veelvoud walvis multitasking bekronen. boers leeftijd. dus. simpel. aanbidster vriendin. geliefde. vereerster vereerster. omvang herhaaldelijk. grootte omvang. gegrond accuratesse. adhesie slinger. veel. gelijk hebbend. grootte grootte. minnares bewonderaarster. ook weer. bestek. nauwgezetheid . kronen slinger. tiptop. guirlande. bekend zijn met kol. ouderdom oud bewonderaarster. slingerkrans varkensvlees varkensvlees dom. flauw aanboren boren juist. meermaals veelvoud veelvoud veelvoud multinationaal kruisband. kunde kennen. grandioos. guirlande. slingerkrans grip. grootheid omvang. kennis. bestek. kameel kavel. vereerster kemel. heks ergo. overweldigend groot nobel. boel. wikkel. kostelijk groots. sterkte. excellent.wiedzą wiedzieć wiedźma wieę wiejski wiek wiek wiek dojrzewania wiekowy wielbiciel wielbiciel wielbiciel wielbiciel corridy wielbłąd wiele wiele wiele Wielkanoc wielki wielki stopień scalenia wielki stopień scalenia wielkoduszny wielkość wielkość wielkość wejściowa równoważna szumom wielkość wyjściowa wielokrotnie wielokrotność multiplexer wielokrotny wielokrotny strumień rozkazów wielokrotny strumień danych wielonarodowy wielopak wieloraki wieloryb wielozadaniowość wieniec wieniec wieność (zasadom) wieńca wieprzowina wieprzowiną wiercenie wiercić wiercić się wierna (kopia) wierność (odtwarzania) bekendheid. onnozel. toch landelijk. tovenares. ouderdom eeuw leeftijd. vele veel Pasen tof.

meerderjarigheid gevangenis. trilgras zefier eekhoorn eekhoorn aanreiken. nor. knoop. zetten stropdas. top.. constant. band nor. afdragen toren toren toren ergo. plattelander. dus. toch. wannen. berijmen boren wilg wilg bovenste piek.. plattelander frisse lucht toewaaien. gevangenis gevangenis. neus. ook weer. kerker. landman. spits geleding. blank strofe. więdnąć większość więzienia więzienia więzienie więzienie więzienie więzień więź więź więź więź enie więźienie bestendig. punt.wierny wierny wiersz wiersz wiersz wiersz na minutę wiersz zależny wierszyk wiertarka wierzba wierzbą wierzch wierzch górny wierzchołek Wierzenie wierzyć wieszać wieś wieś wieśniak wieśniak wietrzyć wietrzyk wietrzyk wiewiórce wiewiórka wieźć wieża wieża metalowa wieża strzelista więc więc więcej więcej informacji na ten temat można znaleźć w. kerker. open veld plaats. kerker. hengelsnoer roeien strofe. gevangenis . geloven hangen platteland. snoer. das binding. dus meer meer vervagen meerderheid. nor nor. aangeven. knoest. knooppunt overtuiging houden voor. oningevuld. getrouw vislijn. ook weer. landman boer. tip. kerker. blanco. kerker gevangenis. kerker. waaien bries. toch ergo. menen. dorp boer. gestaag trouw. gevangenis gevangene aanhechting monteren. couplet rijmen. couplet wit. sim. nor nor.

wijnberg schuldige. dwarrelen. door het water plassen springen opborrelen. cel. ontspringen lente. toeschrijven. dwarrelen. bevochtigen condens.wigor wij wikary wilczur wilgoć wilgoć wilgoć wilgotny wilgotny wilgotny wilk willa wina wina winą winą winda winić winien winnica winnicą winny wino wino hiszpańskie winogrono winorośl winorośl winowajca wiolonczela wiosce wiosełko wioska wiosło wiosło wiosłować wiosłować wiosna wiosna wiosna wioślarz Wiór wiór wir wir (efekt graficzny) wirnik wirować wirowania wirtualny sap duizendpoot pastoor Elzassisch vochtig vochtig maken. xeres druif wijnstok. roeiriem. buurtschap riem. omroeren warrelen. lemmer. roeispaan peddelen. door het water plassen riem. buiten. dader cello. toedichten schuld lift aanrekenen. gehucht. toedichten schuldig wijngaard wijngaard schuldig wijn sherry. roeren. roeispaan kling. lemmet bikken. violoncel vlek. buurtschap peddelen. afbikken doorroeren. wervelen. roeiriem. wervelen. aanslag vochtig vochtig nat wolf buitenverblijf. landhuis schuld schuld aanrekenen. wingerd wijngaard. opwellen. kolken hardloper spinnen warrelen. door het water plassen vlek. toeschrijven. kolken virtueel . gehucht. voorjaar riem. roeiriem. roeispaan peddelen.

afgaan. per aanplakken houder. inhouden. afgaan. alras. deponeren. plaat uitzicht gezicht.wirtualny terminal sieciowy wirus wirus utajniony wisieć wist (gra w karty) wist gra w karty wiśnia witać witać witalny witamina wiwatować wiza wizą wizerunek wizja wizja wizja na fali ciągłej wizować wizualny wizycie wizyta wizyta (na stronie WWW) wizyta powtórna wizyta próbna wizytator wizytator wkleić wkleić wklęsłość wklęsły wklęsły wkład wkład wkład wkładce wkładka wkoło wkoło wkrótce wlec wliczając w to wliczyć władać władca władca władca władca werkelijk. steken. bewind lord onder de knie krijgen. heen. affix visum visum afbeelding. opzoeken bezoeken. behelzen bestuur. omtrent. om ronde dra.. inbegrepen.. spoedig trekken inclusief. afgaan. ingevallen bijdrage afgeven. foedraal ingevallen. ongeveer. binnen. indoen insteken. daadwerkelijk virus virus hangen whist whist kers groeten. gauw. afgaan. indoen om . effectief. in bewaring geven invoer insteken. heerschappij. kloppen. oppermachtig . meester worden liniaal oppermachtig. prent. opzoeken inspecteur bezoeker in. visioen. haast. droombeeld gezicht. schede. droombeeld visum zichtbaar bezoeken. opzoeken slaan. soeverein. incluis bevatten. houwen. opzoeken bezoeken. te. steken. visioen. begroeten feestelijk inhalen vitaal vitamine aanhechtsel. klappen bezoeken. hol hol.

boerderij. bezitting bijvoeglijke bepaling. rondtrekken. gewoonte. houder eigenaar chaperonneren inderdaad. foedraal. haar blond zwerver. vagebond zwerver. lichtelijk. erop nahouden eigenaar schede. gezag heerschappij. gebruik rijk zijn. ruig. bezitten. nauwgezet. inclusief. ruigharig Italië haardos. vagebond rondreizen. boerderij. metterdaad. bezitting eigendom. bezit landgoed. kreek . inham.władza władza władza kierownicza władzy) włamywacz własne dzieło własność własność domkniętości własność gwiazdy własność obiektu własność otaczająca własny własny właściciel właściciel ziemski właściciel ziemski właściciel ziemski właściwie właściwie właściwość właściwość właściwość charakterystyka właściwość obiektu właściwy właściwy właściwy właśnie właśnie włączać grupa włącznie włączyć włąsnoręcznie Włoch włochaty Włochy włos włoski włosy włosy blond włóczędze włóczęga włóczyć się włókno włókno włókno włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona wnęka autoriteit. trekken vezel vezel zaadkorrel. delegatie inbreker handwerk bezitting. bijbehorend gemakkelijk. inbegrepen smeden uzelf. geschikt. attribuut landgoed. macht. bezitting aanwensel. hebbelijkheid eigenschap adequaat. haar Italiaans haardos. pit. boerderij. eigendomsrecht usance. korrel aan de grond lopen. doelmatig rechter-. radicaal nestelen. stranden baai. attribuut landgoed. jijzelf Italiaans harig. ietwat bijvoeglijke bepaling. mogendheid autoriteit. een nest maken incluis. eigendom. gezag afvaardiging. vandehands precies. accuraat grondig. waarachtig een klein beetje.

ontketenen oorlog. helder. wier. binnendringen. te. omtrent. verzoeken onderstelling. krijg gouvernement gouvernement oorlog.. uitholling. uiteinde vragen.... afleiden. legermacht troep militair militair om . acuut. testament volt . inroepen.wnęka wnęka na moduły wnęka napędów wnęka wstąpienie wnętrze wnętrze wnieść udział wnikać wnikliwość wnikliwy wniosek wniosek wniosek wniosek wnioskować wnioskować wnioskowanie wnioskowanie wniosek wnosić udział wnuczce wnuczka wnuk woda woda utleniona wodą Wodnik Wodnik (znak zodiaku) wodny wodny wodorost wodorosty wodospad wodować (statek) wodować statek wojenny województwa województwo wojna wojna domowa Wojna Światowa wojsko wojsko wojskowość wojskowy wokoło wokół wola wolcie hol. ongeveer. schelheid. doorstoten guurheid. om om . inwendige bijdragen doordringen. heen. lanceren. om uiterste wil. abstraheren besluiten. hypothese. ontketenen uitschrijven. holte zak nis pauze. voorbijgaand gevolgtrekking. mening deduceren. leger. heen. alge. concluderen conclusie. in. krijg civiel aardrijk. felheid scherp. lanceren. wereld heerschaar. aanvragen. zeewier zeewier. omtrent. wier waterval uitschrijven. verbond. ongeveer. binnen binnenste. rust per. kleinzoon water water water Waterman Waterman waterwater alge. gevolgtrekking conclusie. afleiden. gevolgtrekking bijdragen kleindochter kleindochter kleinkind. conclusie uitgang.

toch automobiel. vlot. sparen immuun. rund stinkend geur. aanstaren indoen. brengen wodka aanvoerder. chef richten. vlotheid onbezet. schoencrème schoensmeer. karretje trolley. verstrikken verwarren. uitmaken voor klapstuk. handkar. ontslaan. rundvlees koe. schriftuur verwarren. dirigeren. mennen ook weer. speling. inhoud. verstrikken afbetaling transfer. schoencrème schoensmeer. los. dus. langzaam kramp. betrekken. steken drukletter geschrift. onbelemmerd vrij. leeg. haakje. aangrijpen . wereldruim. vrijheid. vlot. voorhebben. open. betrekken. vrachtwagen doortrekken. onbezet. ergo. beugel vrachtauto. resistent langzaam onbezet. wagen. nietje vrijdom. insteken. aroma tas. inhoud. heten. zachtjes. auto affuit affuit kar. afdracht aandoen. open volt geluidssterkte. gebieder. benoemen. baas. voeren. turen. schoencrème dragen. besturen. verzadigen staren. volume geluidssterkte. onvatbaar.woleć wolna przestrzeń wolno wolnonośny wolność wolny wolny wolny od cła wolny od cła wolny od podatków wolny od podatków wolt wolumen wolumin wołać wołowina wołowiną wołowy wonny woń worek worek wosk wosk wosk pszczeli woskować wozić wódka wódz wódz (plemienia) wół wówczas wóz wóz wózek wózek wózek wózek inwalidzki wpajać wpatrywać się wpisać wpisywać wpisywanie wplątać wplątywać (kogoś w coś) wpłata wpłata wpływ prefereren. commandant aanvoerder. ruimte op zijn gemak. royeren bijenwas schoensmeer. zak ontzetten. los. truck. klamp. open. rundvlees klapstuk. onbelemmerd ontzien. volume noemen. de voorkeur geven aan bestek.

effect effect. koken september. vooraan. gevoelig. slingeren aandoen. leven. herrie. herfstmaand gil. presenteren. reproduceren. animositeit. het doen in verlegenheid brengen daarvoor. borrelen. vijandigheid bonte kraai. schreeuw.wpływ na wydajność (zwykle ujemny) wpływać wpływać wpływać na wprawa wprawdzie wprawiać w zdumienie wprawić w ruch wprawić w zakłopotanie wprost wprowadzać wprowadzać w błąd wprowadzać w błąd wprowadzenie wprowadzenie na urząd wprowadzenie w życie realizacja wprowadzić wprowadzić wprowadzić w życie wrażenia wrażenie wrażenie wrażliwy wrażliwy wrażliwy wrażliwy wreszcie wręczać wrodzony wrodzony wrodzony wrodzony wrogi wrogość wrona wrota wrota wróbel wrócić wróg wróżba wrzask wrzask wrzawa wrzeciono wrzeć wrzesień wrzeszczeć invloed hebben op. eerder. ontvankelijk. rumoer spoel op het kookpunt zijn. krijs gillen. illusies wekken bij indoen. indienen begoochelen. brullen lawaai. voorbode. aanbesteding eindelijk. doorvoeren toegegeven verwonderen. per saldo afleveren. kraai draaihek haven mus hergeven. beïnvloeden invloed hebben op. zwieren. zwaaien. aangrijpen aanwenden. schreeuw. insteken. bulderen. ontvankelijk verstandig gevoelig. ingeboren ingeboren natuurlijk vijandelijk. introductie indoen. receptief gunning. ingeboren aangeboren. krijs . introductie inleiding. beïnvloeden zwiepen. bestellen aangeboren. verbazen functioneren. steken aanspannen uitvoeren. indienen klapstuk. vijandig vijandschap. teruggeven vijand teken. presenteren. voorteken gil. leveren. indertijd uitvoeren. steken inleiding. insteken. ophef. blèren. bevreemden. introductie inleiding. sensatie indruk. indruk receptief. ten slotte.

aanwijzen. scheep gaan aan boord gaan. aanduiden dundoek. rugschild. teken besturen. gard. overweldigend overweldigend. dirigeren. heide onderbinden Moriaan. Moor aanbinden. roede royaal. grandioos. plik na serwer) wsadowy interpreter poleceń wschodni wschodni wschodni wschodni wschodni wschód wschód wschód wschód wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód słońca wsiadać wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) wskazać wskazanie wskazany wskazówka wskazówka wskazówka projektowa wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) wskazujący wskazywać wskaźnik ruchu wskaźnik stosu wspaniałomyślny wspaniałomyślny wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspierać wspierać się september. vlag spitsroede. abces. groots helpen. inwerken oosten oriënt oriënt. oostelijk oosten oriënt oriënt. dophei heideveld. etterbuil zweer uploaden schild. gul. meren Mauretaniër ettergezwel. glorieus groots. oostelijk oosters. assisteren.wrześien wrzos wrzosowiska wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzód wrzód wrzucić(np. stokje. schaal oosten oriënt oriënt. oosten zonsopgang aan boord gaan. edelmoedig bewonderenswaardig groot beroemd. grandioos. vaan. voorteken. herfstmaand dopheide. goedgeefs grootmoedig. advocaat. genereus. richten. teken raadzaam aanreiken. mennen aanwijzend voornaamwoord aangeven. oosten oosters. overhandigen zinspelen voorbode. verdediger . voorteken. glorierijk. bijstaan pleitbezorger. oosten oriënteren. scheep gaan identificeren. vereenzelvigen voorbode.

prooi band. nietje mededader. klamp. deelneming verlangen. medelijden erbarmen. genootschap. onthouden. haakje. meewerken meewerken. steken. kameraad. medelijden medegevoel. indoen insteken. bergbeklimming. aansluiten gemeente. geleding. klamp. nietje vertroosten. wederzijds. bijbehorend. hunkeren. wedijveren. gedenken geheugen. onthouden. steken. bijkomend mededader. vermelden zich herinneren. gemeenschappelijk gewricht. kornuit. acquest. indoen insteken. lint achterover . liefheid samenwerken. bijkomend mededader. meewerken zich aaneensluiten. herinnering kramp. man. haakje. buit. knoop wederkerig. gedenken zich herinneren. makker bijkomstig. klauteren gewag maken van. medeplichtige bijkomstig. lid. evenredigheid voorkomendheid. troosten kramp. noemen. alpensport klimmen. verhouding. zielsverwant proportie. gemeenschap bond. medeplichtige wedijver wedijver meedingen. mededogen. samenwerken eega. steken. echtgenoot bijdrage samenwerken. bijbehorend. tegenwoordig erbarmen. zetting alpinisme. mededogen. na tron) wstążce wstążka wstecz montage. heugenis. gemeenschappelijk actueel. innemend. associatie algemeen. lint band. gelid. concurreren insteken. echtgenote.wspinaczce wspinaczka górska wspinać się wspominać wspominać wspominać wspomnienia wspornik wspornik montażowy wspornikowy wspólnik wspólnik wspólnota brytyjska wspólny wspólny wspólny wspólny współbieżny częsty powszechny współczesny współczucia współczucie współczucie współczuć współczuć komuś współczujący współczynnik współczynnik dobroci współdziałać współdziałać współmałżonek współpraca współpracować współpracownik współpracownik współsprawca współsprawca współwinny współwinny współzawodnictwa współzawodnictwo współzawodniczyć wstaw wstawiać wstawić wstąpienie (np. onderling algemeen. reikhalzen meevoelen sympathiek. medeplichtige zich aaneensluiten. indoen aanwinst. aansluiten maat.

sober continent. beteugelen reserveren. verafschuwen afschuwelijk ijselijk. opstaan. rugwaarts spoel. opgewonden geheelonthouding. verschrikking. vasteland. rugwaarts achterwaarts achterzijde. verdringen. preliminair opgaan. vergiftig. blo foei almachtig almachtig . gruwel tegenzin. verschrikking. ophouden zich onthouden. betomen. klos. onthouding foei bevangen. rijzen gruwel. onsmakelijk vuil. privé-. hekel. afkeer. injecteren aanhouding. opstoken gejaagd. particulier voorafgaand. introductie inleiding. stuitend. achteruit. antipathie een afschuw hebben van. rugstuk achterover achterwaarts. detineren. beletten terughoudendheid. timide. arrestatie slapen. na tron) wstręt wstręt wstręt wstręt wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrząs wstrząs wstrząs wstrząsać wstrząśnięty wstrzemięźliwość wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzyknąć wstrzymać wstrzymać wstrzymać wstrzymać się wstrzymać zatrzymanie wstrzymywać wstrzymywać wstrzymywanie się wstrzymywanie się od głosu wstyd wstydliwy wstydzić się wszechmocny wszechmogący achterwaarts. achteruit. schudden. smerig afschuwelijk venijnig. opkomen. bezadigd. rugwaarts achterover achterwaarts. gruweldaad gruweldaad. ommezijde. bedeesd. matig. afgrijselijk misselijk. maffen onderdrukken. matig inspuiten. ophitsen. opkroppen bedwingen. bescheiden. abstinentie nuchter. onthouding terughoudendheid. schokken agiteren. achteruit. opruien. werelddeel gematigd. verhoeden.wstecz wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny odnośnik wsteczny odnośnik wstędze Wstęga wstęp wstęp wzbroniony wstęp wzbroniony wstępny wstępować (np. zich abstineren verhinderen. lint inleiding. giftig aardbeving schokken opschudden. bobine band. introductie besloten.

onbenullig plat. dol in het midden van. schepping elk. aan de overkant van alom.. universum. je asfalt budget. binnenrukken ook weer. vergeven vergeven. aan jou. vulkaan heft. begroting Maria-Hemelvaart begenadigen. handvat. dolheid doldriftig. afkluiven .. indoen storing spuitje.. bijkomend. onbenullig vuurspuwende berg. ergo.. begenadigen Verlosser Verlosser Verlosser uitkiezen. iedere. overal.. medio. aan je. dus. kiezen. kiezen uitlezen.wszechstronny wszechstronny wszechświat wszelki wszerz wszędzie wszyscy wszystek wszystkie wszystkiego najlepszego wszystko wszystko wścieklizna wściekły wśród wśród wtajemniczać wtajemniczyć kogoś wtargnąć wtedy wtedy <the Government> wtłoczyć wtorek wtórny wtrącać wtrącanie się wtrysk wtyczka wtyczka (elektr. woedend. triviaal. uitlezen. inspuiting. vulgair. midden tussen de stoot geven tot de stoot geven tot binnenvallen. hondsdolheid. door de hele . door allemaal. uitkiezen knabbelen. toch gouvernement. gevest. begenadigen vergeven.. overheid doordrukken dinsdag bijbehorend. door bof. al over. door de hele .. buitenkansje de hele . bougie oom oom plat. vulgair. hals. regering. allerwegen. injectie ontstekingsbuis. mazzel. steken. triviaal. veelomvattend algemeen. bijkomstig insteken. alles razernij. geluk.) wuj wujek wulgarnie wulgarny wulkan wupykłość wy wyasfaltować wyasygnować fundusze wyasygnowane fundusze wybaczać wybaczenie wybaczyć wybawca wybawcą wybawiciel wybierać wybierać (numer) wybierać (w wyborach) lijvig. ieder. knop jou. bougie ontstekingsbuis.. wijd en zijd de hele . overheen. universeel heelal. verwoed. alleman.

aanslag prijs afranselen opvoeden. verkiezing. plak. afgetrokken abstract. optie. keus bult. verduwen. beslaan. schijf. excursie. optie. toer. toer tournee. alternatief. kostelijk. keur. zeekust kust. blèren. afkluiven keuze. pakken.wybierać/nakręcać numer telefonu wybierak wybierak igłowy wybierz wybitny wybitny wybitny wybitny wybitny wyborny wyborowy wybory wybój (na drodze) wybór adresu wiersza wybór trasy przez źródło wybór trasy zastępczej wybór trasy zastępczej trasa zastępcza wybór układu wybór wstępny wybór z menu wybrany wybredny wybrzeże wybrzeże wybuch wybuchnąć wyburzanie wycena wyceniać wychłostać wychowawca wychwycić wycia wyciąć wyciąg wyciąg wyciągać (coś z czegoś) wyciągnąć (coś z czegoś) wycie wycie iwania wycieczce wycieczce wycieczka wycieczka wycieczka wycinać lasy wycinek wycinek (tablicy wijzerplaat schouder naald uitkiezen. digereren knabbelen. overheerlijk keuze. ontploffing. weeklagen maaien abstract. achterstallig opmerkelijk. zeekant. excursie tocht. uitlezen. rondreis afzetten. ophijsen abstract. keur. kiezen kapitaal. keur. afgetrokken gillen. keuze keus. verkiezing. tocht. opmerkelijk onbetaald. alternatief. keur. tocht. vermogen eminent. trip. bochel keus. huilen uitstapje. merkwaardig heerlijk. afgetrokken hijsen. trip. keus. beetkrijgen steen en been klagen. sloop belastingaanslag. trip uitstapje. keuze. zeekust. verkiezing optie. afgezonderd kust. keus verteren. keus. trip. tocht. bulderen. brullen brullen. scheuren afbraak. filet . garneren afkeuren moot. onderwijzen beetnemen. explosie barsten. toer. ontmanteling. snede. uitstekend. keuze keuze. verkiezing optie. keur. toer. verkiezing knabbelen. zeekant. afkluiven afzonderlijk. aanzienlijk merkwaardig. kustlijn uitbarsting. keus. splijten. optie. keuze. reis. excursie uitstapje. kustlijn.

uitgeput reuk. voortbrenging het veld ruimen. brullen gillen. berechten lijken. druk. slaken produktie. afstaan uitdrukken opbrengen. schijnen uitstralen uitgeverij uitgeverij afkondiging. uitdrijven uitgaaf. verdrijven. geur. bulderen. syreny) wyćwiczyć wydaj wydaj wydajność Wydajność wydalać wydalić wydanie wydanie wydarzać się wydarzenia wydatek wydawac z siebie wydawać wydawać wydawać wydawać się wydawać się wydawać się wydawać z siebie wydawca wydawcą wydawnictwa wydeptany wydobycie wydobycie wydobyć wydobywać wydrążenie wydruk próbny wydrzeć moot. uitgave. leggen. brullen gevolg besteden. cambio afpersen. op. spanderen ontlokken. maal onkosten. blèren. uitlaten. overkomen. royeren verjagen. afstaan abstract. voortgang hebben. plak. oordelen. afstaan opdraven. blèren. eliminatie het veld ruimen. spenderen. afgetrokken afleiden hol. filet sprakeloos. huilen gillen. uitbuiten. voelen. gebeuren keer. uitmelken exploiteren. uitbuiten. uitbuiten. neerleggen ontwikkeling. afwerpen het veld ruimen. editie loslaten. uitmelken brullen. uitmelken exploiteren. ontzetten. uitbrengen. op. afdwingen . intrekken ontwoekeren uitverkocht. schijf. bulderen. luchtje. betasten verstandig exploiteren.wycinek tablicy wyciszanie wyciśnięta masa wycofać wycofywać się wyczerpany wyczerpujący wyczerpywał wyczuć wyczuwać wyczuwalny wyczyn wyczyn (bohaterski) wyczyn bohaterski wyć wyć wyć (dot. veelomvattend uitverkocht. snede. lucht bevoelen. tasten. ingevallen wissel. tappen. uitgeput lijvig. opleveren. afstaan ontslaan. kosten het veld ruimen. lossen toegaan. opdagen beoordelen. openbaarmaking vlijen. stom pompoen terugtrekken. knevelen.

blussen. duidelijk maken. eindigen verschijning. conto uitleggen. ophouden. uitademen. uitgaan. effen prediken. mede. ook. vertrek uitzondering afleiden uitzondering uitzonderlijk uittreden. schijn. toelichten uitleggen.wydychać wydychać wydzialać wydział wydział wydział (na uczelni) wydział humanistyczny wydział ik wydzielać rozpakowywać wydzielić wydzieliną wydzierżawić wyekspediować wyekspediować wygasić wygasnąć wygląd wygląd przycisku wyglądać (prezentować się) wygładzać wygłaszać wygłosić wygłosić (mowę) wygnać wygnanie wygodnie wygodny wygodny wygonić wygrywać wygwizdania wyjaławiać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśnić wyjaśnić wyjaśnić coś z kimś wyjaśnienie wyjawić wyjawić (sekret) wyjazd wyjątek wyjątek wyjątek arytmetyczny wyjątkowy wyjechać wyjścia getuigen van. verschijnen aanzien. bestellen verjagen. in pacht hebben evenzeer. uitbannen aangenaam geriefelijk. uitdoen. ophouden. aanblik het uiterlijk hebben van. naar doven. uitgang. vlak. explicatie morsen openbaren. eindigen bevrijden departement faculteit kast departement departement afleiden betekenen. verdienen. leveren. verdrijven. beduiden uiteenzetten. kenbaar maken uittocht. gemakkelijk. ademen aflopen. dagen. uitdrijven verbannen. dagvaarden afscheiding pachten. behalen boe steriliseren rekening. preken uitspreken afleveren. gemakkelijk. aftreden. uitdrijven winnen. comfortabel doelmatig. uitgaan. geschikt verjagen. eveneens aan. voor. duidelijk maken. uitweg . uitblussen aflopen. air. er uitzien gelijk. tot. beduiden uiteenzetten. tegen. bedanken afrit. verdrijven. toelichten toelichting. bij. toelichten uiteenzetten.

ter dood brengen opdraven. opgeven uittreden. uitbuiten. emitteren bek. opgraven. rooien exploiteren. tering. drillen executeren. machinatie. uitmelken gescheld sluipen intrige. kleed. delven. eliminatie afrit. ter dood brengen executeren. karpet voering executeren. exploiteren. formeren aanwending. opdagen oefenen. muil ontwikkeling. ter dood brengen afdruk spinnen executeren. uitgang. aannemer opdraven. vloerkleed. rooien opduikelen. opbrengst bouwondernemer. ter dood brengen inschikkelijk. opgraven. tuberculose doen ontstaan. handelbaar produktie. eliminatie ontwikkeling. beeld wijzerplaat . uitmelken longtering. toepassing uitbuiten. konkelarij afbeelding. maken. bedanken tandenstoker tandenstoker aangeven uitzonderen uitsluiten uitsluiten college geven college geven lector lezer lector tapijt. gewrocht. afleggen. uitweg prijsgeven.wyjście wyjście wyjście wyjście uniwersalne wyjście zerowe wyjść wyjść po angielsku wykałaczce wykałaczka wykaz wykluczać wykluczać wykluczyć wykład wykładać wykładowca wykładowca wykładowcą wykładzina wykładzina wykonać wykonać wykonać wykonać działać wykonaj wykonalny wykonanie wykonawca wykonuj wykonywać wykonywać egzekucję wykonywać krok wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów wykonywać rozkazy Wykop wykopuj wykopywać wykorzystać w praktyce wykorzystanie wykorzystuj wykorzystywać wykorzystywać wykorzysywać wykradać wykres wykres słupkowy wykręcić numer uitgeven. figuur. aftreden. opdagen kleren maken executeren. ter dood brengen loopgraaf opduikelen. delven.

wykręcie wykręt wykrycie obiektu i ustalenie jego uspółrzędnych w radiolokacji wykrywanie wykrzykiwać wykrzyknik wykształcenie wykup weksla wykwintny wylać z posady wylać z pracy wyleczyć wyleczyć Wylew wyładować wyładować wyładować wyładowane koronowe wyładowanie (elektryczne) wyładowanie (towaru) wyładowywać wyłaniać (pojawiać wyłączać wyłącznie wyłącznie wyłącznik wyłącznik przyciskowy wyłącznik temperaturowy wyłączny wyłączny wyłączony niestandardowy wyłudzić wymachiwać wymagać wymagać wymawiać wymawiać niewyraźnie wymazać wymazać wymazać prawiedliwości wymazywać wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny wymazywać ekran wymiana wymiana stron wymianą haarkloven. bedillen verschuiving acquisitie ontdekking gieren. royeren ontslaan. met gom bestrijken uitwissen uitwissen. aanhalen ontzetten. hoeven uitspreken uitspreken gommen. wissen. aaien. bloot. inruilen. ontzetten. uitladen. aansterken bodem. royeren van boord gaan lossen. roepen. behoeven. afdrogen. beter maken. eisen nodig hebben. gard. met gom bestrijken afvegen. afwissen gommen. met gom bestrijken ruilen. ondergrond. joelen tussenwerpsel opvoeding. kronen ontslaan. nesthaar. dons uitsluitend. hebbelijkheid fanfarekorps. exclusief maar. stokje exclusief. ontzetten. vereisen. schreeuwen. fanfare opeisen. uitvegen. wisselen . trip roede. louter invalide. gebrekkig aanwensel. wisselen centrale inruilen. rekenen. uitladen. reis. afladen opdagen. gard. royeren lossen. slechts roede. moeten. ruilen. toer. afladen bekronen. royeren genezen. vorming aflossing. stokje tocht. ontslaan. spitsroede. afschrijving beminnelijk strelen. amortisatie. achtergrond. ontzetten. opdraven waas. helen op verhaal komen. uitsluitend enkel. alleen. liefkozen. wegvagen gommen. grond ontslaan. spitsroede.

aantal. opbrengst afstammen. omvang afmeting. huren aannemen. bedenken produktie. inruilen. zwanger raken bedenken. dwingen. noodzaken afpersing. wisselen inruilen. huren huur laten schieten. opdraven in verwachting raken. laten pachten. wisselen afwisselend centrale centrale centrale ruilen. salaris pachten. knevelarij knevelarij. aanwerven. verdichtsel. aanwerven. braken. emitteren afstammen. verbeelding gescheld vergelden. bezoldiging. wisselen belastingaanslag. inruilen. belonen loon. getal opdagen.wymiar wymiar sprawiedliwości wymieniać wymieniać wymieniać (walutę) wymieniać się wymienić wymienić (jakieś elementy na nowe) wymień wymierzenie wymię wymijać wymiotować wymowa wymówce wymusić wymuszać wymuszanie wymuszenia wymysł wymyślać (<sb> komuś) wynagradzać wynagrodzenie wynajem wynajęcia wynajmować wynajmować wynajmował wynajmowanie w DHCP wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP wynalazca wynalazcą wynalazek uchylać wynaleźć wynik wynik wynik polecenia wynikać wyniknąć wyniosły wynosić wynosić średnio wynurzać) się wyobrazić sobie wyobrazić sobie wyobraźnia wyobraźnia grootte. gispen doordrukken verplichten. verheven gemiddeld tal. het gevolg zijn van ontstaan hoog. het gevolg zijn van uitgeven. lonen. in pacht hebben aannemen. laten begaan. bestek. afpersing fictie. in pacht hebben pachten. gewrocht. aanslag uier. terugdoen. afkeuren. pram inhalen spugen. gage. ruilen. overgeven. berispen. kotsen uitspraak laken. zich verbeelden bedenken. in pacht hebben uitvinder uitvinder uitvinding uitdenken. bekokstoven. verbeelding . zich verbeelden inbeelding. dimensie ruilen.

afbeelding. zaak. raam ongeluk. uitvoeren bijkomstig. figuur isoleren. evenement bakken aanbranden aanbranden afzwering doen verdampen. vulsel invullen. schrijven. aanbrengen. inrichting complet. stelletje. uitspraak huur toondicht. inrichting bijkomstig. emitteren rest. uitdampen. bijkomend uitrusting. aangifte. compositie reis. ongeval omstandigheid affaire. indampen opvulsel. uitrusten. toonzetting. stichten. vullen bakken afzweren ontkennen neerschrijven. accommodatie. stel accessoires toerusten. accident. schriftuur schriftelijk afbetaling transfer. rommel. bijbehorend. bijbehorend. overblijfsel. plaat begrip beeld. overdrijven kader. inrichten . zich verbeelden bedenken. bijbehorend. spekken. klikken declaratie. omlijsting. uitrusten. dempen. accommodatie. lijst.wyobrażać wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyodrębniać wyolbrzymiać wypaczenie wypadek wypadek wypadek wystąpienie wypadek śmiertelny wypadek śmiertelny wypalać wypalać (pamięć stałą) wypalać (płyty CD) wyparcie się wyparować wypchanie (zwierzęcia) wypełniać zerami przypisywać wartość zerową wypiekać wypierać się wypierać się wypisuj wypisując wypisywany wypłacie wypłata wypłukanie wypływ wypoczynek wyposażać wyposażenia wyposażenie wyposażenie wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażeń wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów wypowiedzieć (umowę) wypowiedź wypożyczać wypracowanie wyprawa wyprostowany bedenken. uitschrijven geschrift. bijkomend uitrusting. afval toerusten. spoelen uitgeven. uitvoeren aangeven. aangelegenheid. toer. afdracht gorgelen. tocht. set. prent. vulling. ding omstandigheid belangrijke gebeurtenis. afzonderen chargeren. trip oprichten. zich verbeelden afbeelding. afspoelen. bijkomend bijkomstig.

adapteren afstelling. bedrijven bewoording. zin. gewrocht. afdwingen graveren. loos. abnegatie afzweren abnegeren. vonnis bijlage. appendix. uitvallen. lankmoedig fabricatie. duidelijk uitdrukken ontlokken. griffen knijper. schappelijk.wyprowadzać wypróbować wypróżniać wyprzeć się wyprzedaż wyprzedzać wyprzedzenie wyprzedzić wypukłość wypuścić nowe wydanie wypytywać wyrabiać wyraz wyrazić podziękowanie wyrazić zgodę (<to sth> na coś) wyrazisty wyrazy uznania wyraźny wyrażać wyrażać wyrażenie wyrażenie znakowe wyregulować wyregulowanie wyrobnik wyroby garncarskie wyrocznia wyrok wyrok wyrostek robaczkowy wyrośle adenoidalne wyrozumiały wyrób wyrób wyrównać do prawego marginesu wyróżniać wyróżnienie wyróżniona część (np. gevest. plukken. evident. afstand doen van . slaken bewoording. naderen anticiperen. ledig. schaar afrukken. als waarheid aannemen ja zeggen. afreizen knevelen. betuiging. afpersen. kennelijk. instelling werkkracht. leeg afzweren verkoop. deel nadruk. onderkennen nadruk. item. pogen hol. lens. uitspraak. aanpakken. aanhangsel derde goedertieren. klem jaartelling. fabricage produktie. zichzelf verloochenen opgeven. deeltje. doen. gezegde bewoording. werker. handvat. helder erkenning apert. gezegde agnosceren. bevestigen klaar. uitgesproken. zich inspannen. betuiging. prejudiciëren heft. werkman. vervreemding voorafgaan. hals. uitbrengen. arbeider aardewerk orakel frase. klem op reis gaan. beamen. voorzijn gaan naar. volzin judicium. aanmaak. afbreken versterving. betuiging. genaken. herdruk een verhoor afnemen. ondervragen maken. vlak. opbrengst gelijk. sententie. na listingu) wyróżniony druk wyruszać wyrwać coś komuś wyryć wyrywać wyrywać (włosy) wyrzeczenie się wyrzekać się wyrzekać się wyrzekać się aftappen streven. knop nadruk. afstemmen. effen onderscheiden. gezegde aanpassen.

omvangrijk. gezant woord. dun.wyrzić zgodę wyrzucać sobie wysadzić na ląd wysepka wysepka (uliczna) wysiaduj wysiłek wyskok wysłać wysłać wysłać pocztą wysłanie (towaru) wysłannik wysłowić coś wysłowienie się wysmukły wysoki wysoki wysoki poziom logiczny Wysoki sądzie wysoki stan logiczny wysokość wysokość wysokość bariery potencjału wysokość bariery potencjału wysokość stosu wyspa wyspą wystający wystapić wystarczająco wystarczająco wystarczający wystarczający wystarczający wystarczający wystarczyć wystawa wystawa sklepowa wystawca czeku wystawiać wystawić (na pokaz) wystawić na scenie wystawienie (sztuki) wystąpienie występować wystraszyć wystrój pulpitu ja zeggen. schrik aanjagen onderwerp. pronken tentoonstelling. ontzetten. apropos . paraderen. verheven hoog. asiel. verheven hoog. stof. mager. ontslaan ontslaan. luchtig hoog. beamen. voortbrenging exemplaar. veelomvattend genoeg. verheven verheven. leiding produktie. aan de hand zijn doen schrikken. tentoonstellen podium. bijbehorend gevoeglijk. gezegde sprietig. betuiging. achterstallig gebeuren. bevestigen ontzetten. voorafgaand pralen. poging springen verzenden voorspeler. broeden moeite. schraal. asyl broeden op. bijbehorend uitgebreid. bewoording bewoording. aanvaller aanplakken pakje afgezant. hoogte hoogte stand. verleden. la. voldoende voorgaand. tribune. voldoende genoeg. bode. royeren. hoog hoog. afdruk gebeuren. koesteren. bestuur. hoogte hoogte hoogte eiland eiland onbetaald. toonladder. aan de hand zijn adequaat. prijken. thema. expositie schuiflade. verheven stand. scala toevluchtsoord. belichten belichten. royeren toonschaal. op de juiste wijze adequaat. lade tentoonstellen.

ontdooien blijven aandringen geduld. uitvoeren verzenden stortplaats stortplaats specificeren specificeren rank. wachten maken. vulsel wedijver geslacht. uitroeien uiteenzetten. geslacht bevallig. toelichten wegsmelten. adapteren pralen. slank. paraderen. intelligentie zwaaien. duren. afleiden. prijken. aanpassen. pronken pralen. piekfijn. uitspuiten beklijven. afhalen. sturen. tenger kruipen geraffineerd borduren opvulsel. stam. concluderen .wysychać wysyłać pocztą wysyłać reklamy wysyłanie wysyłka wysypisko (śmieci itp) wysypisko śmieci wyszczególniać wyszczególnić wyszczupleć wyszukać informacje pełzać wyszukany wyszywać wyściełanie wyścig wyścig wyświadczyć przysługę (<sb> komuś) wyświetlacz wyświetlacz z matrycą aktywną wyświetlać wyświetlić wyświęcać wytarcie wytępić wytłumaczyć wytop wytrwać wytrwałość wytrwałość wytrwały wytrysk wytrysk wytrzymać wytrzymałość wytrzymywać wytwarzać wytwarzać egzemplarz wytwarzanie wytworny wytworny wytwórnia wywatować wyważenie wywiad wywiad wojskowy wywijać wywnioskować wywnioskować dor. dooien. stuiven spuiten. net keurig fabriek stikken saldo. paraderen. prijken. afwikkelen. bedrijven verwekken generatie. pronken pralen. posterijen doen toekomen. lijdzaamheid vasthoudendheid volhardend opspatten. sproeien. paraderen. prijken. vulling. volksstam afstemmen. aanhouden sterkte te wachten staan. prijken. pronken pralen. paraderen. droog post. verspuiten. doen. slingeren. overschot interviewen bevattingsvermogen. elegant. swingen afhandelen. uittrekken afschaving verdelgen. opsturen exporteren. pronken bestemmen. afdoen besluiten.

Turkse staatsraad. ten noorden van bovengenoemd corroderen. tarten. rustbank verloten. licht. concluderen naar buiten roepen aanroepen aanrijden. toegeven bekennen. ambacht haan van een vuurwapen tocht. dagen. tracé. star. genezen. tarten. nihil nul hel. tracé. afleiden. dagen. ondermijnend kiel beter worden. reis. toegeven erkennen. niettegenstaande benoorden. benoemen. uitmelken in weerwil van. uitdagen. voorrijden ontwikkeling. benoemen. fiducie. beheren. evolutie subversief. dagvaarden administreren. royeren. toer. route. biechten. creëren naar buiten roepen besluiten. erkennen geloof. aantasten. uitmaken voor scheppen. besturen reisplan. dagvaarden pensioen erkennen. helen nul. uitdagen. uitmaken voor keer. maal ophopen. vast divan. biechten. uittarten trotseren. aanstelling onbeweeglijk. route. opeenhopen. beroep. bijten . aanstellen betekenen. bekennen. baanvlak benoeming. heten. trip trotseren. biechten. ten noorden van bovengenoemd benoorden. bekennen. uittarten trots ontzetten. vertrouwen handwerk. heten. ontslaan bevrijden exploiteren. uitbuiten. loten benoemen. accumuleren noemen. baanvlak reisplan.wywodzić (ród) wywołać wywołać coś wywołania odłożone na stosie wywołanie zwrotne wywołuj wywołuj wywołuj wywoływać wywoływać wywoływać wywoływanie wywrotowy wywrócić wyzdrowieć wyzerować wyzerować zerowy wyzeruj sprzęg wyznaczać wyznaczać wyznaczać drogę trasa wyznaczać trasy wyznaczenie wyznaczony wyznaczyc wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć emeryturę/rentę wyznać wyznaj wyznaj wyznanie wyznanie wyzwalacz wyzwalacz wyzwania wyzwanie wyzwanie wyzwolić wyzwolić się od czegoś wyzyskiwać wyzywająco wyżej wyżej wyżej wymieniony wyżej wymieniony wyżerać aftappen noemen. klaar betekenen.

noemen. naast. referentie gewag maken van. behalve in de lengte. achting eerbiedigen. klauteren vernieuwen. patroon. chef tel. ingevolge bezijden. vermelden zich herinneren. overwegen. blijkens. renoveren modelleren kunst schablone. prevalent. wakend onbewerkt. deelneming afwijzen. ineenkronkelen zuchten. cru langs. roosteren nobel. familielid aanaarden accepteren. respecteren saké. braden. daarlangs ineenkrimpen. baas. familielid verwant. vergroten. aanvaarden schouder beschouwen. inrichten toren klimmen. rijstwijn tamelijk verwant. meemaken. aannemen. kreunen aanvoerder. noemen. sjabloon . bot. opkomen. rijzen oprichten. nagaan deelnemen. edel opgaan. het verdommen. uitbreiden vermeerderen gewag maken van. behalve in de lengte. superieur medegevoel.wyższy wzajemne zrozumienie wzbraniać się wzbudzić wzburzony wzdłuż wzdłuż wzdłuż wzdłuż całej drogi wzdłuż dłuższego boku wzdłużny wzdrygać się wzdychać wzgl. gebieder. grof. onbehouwen. afkeuren wakker. opstaan. buit. glooiing tepel. daarlangs bezijden. vermelden verwijzing. naar. prooi helling. onthouden. gedenken acquest. naast. speen branden. aanwinst. meedoen raadzaam uitbouwen. stichten. daarlangs in de lengte. duży numer urządzenia wzgląd wzgląd wzgląd względnie względny względny numer pozycji wzgórze wziąć wziąć na swoje barki wziąć pod uwagę wziąć udział wzkazany wzmagać wzmagać wzmiance wzmiance wzmianka wzmiankować wzmocnienie wzniesienie wzniesienie wznieść toast wznoisły wznosić wznosić wznosić się wznoszenie (samolotu) wznowić pracę komputera wzorcowy wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) wzornik pisma matryca do powielania szablon opperste.

met ingang van. aanstaren. achteraan mysterieus. zoeker. roos lichaamsbouw. visioen. patroon trant. geheimzinnig . toch met overgave sedert. aandoening de schouders ophalen gejaagd. bijna tweedehands ongerust. opstoken resideren. zeker. figuur de schouders ophalen aanslag agiteren. gevestigd zijn. vizier gezicht. huizen emotioneel. norm knippatroon. vanaf met. gaan staan opklimmend rose. ophitsen. haast. indertijd pruttelen ongerust. opruien. samen met schier. vormen. vanaf daarvoor. bezorgd aan het einde. eerder. evolutie wasdom. roerend gewaarwording. inclusief. patroon regel. immers. begrensd. patroon formule knippatroon. stijl knippatroon. patroon modelleren formeren. bijkans. gestalte. groei opstaan. aangrijpend. met ingang van.wzorzec wzorzec slajdów wzorzec zmienny Wzór wzór wzór wzór kreskowania wzór model wzór punktowy wzrastać wzrok wzrok wzrok wzrokowy wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost globalny wzruszać wzruszać wzruszać ramionami wzruszający wzruszający wzruszenie wzruszenie ramionami wzruszony wzruszyć (<one's shoulders> ramionami) X z z z z biegiem czasu z drogi! z konieczności z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) z obawy przed z oburzeniem z perspektywy czasu z podziwem z poważaniem z przerwami z trudem gromadzić z trudem wywalczony z tyłu z tyłu kiem knippatroon. aangaan opdrijven. bumper. droombeeld zichtbaar ontwikkeling. roze. vooraan. opgewonden de schouders ophalen indexeren buffer. eindig wel. ontwikkeling. bezorgd incluis. turen richtmiddel. ophogen staren. inbegrepen beperkt. bezorgd ongerust. stootkussen sedert. verheffen. standaardmaat.

onderpand betuigen. inleggen ombrengen. mal behoeden. marmelade troebel. leuk kriebelen. eveneens. naast. konfijten. beklemtonen accepteren. dichtbij.z wielkim nosem z zegarkiem w ręku z zimną krwią za za za duży za granicą za wszelką cenę za wszelką cenę zaabonować zaakcentować zaakceptować zaaklimatyzować zaalarmować zaangażować się zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych zabandażować zabarwić zabarwienie zabarwienie zabawa zabawa zabawa zabawa w chowanego zabawiać zabawiać zabawiać zabawiać zabawka zabawny zabawny zabawny zabezpieczać zabezpieczenie zabezpieczenie zabezpieczenie w architekturze zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć przechowywać zachować zabić zabieg chirurgiczny zabijać zablokować zablokować zabłocony uitzonderen extern. vermaak spel verstoppertje vermaak. bevestigen. vermakelijk humoristisch gek. uitwendig. verzekeren blind inmaken. nuance. nuancering tint schakering. borgstelling. doden chirurgie. modderig . doodmaken. achteraan in het buitenland in het buitenland achter evenzeer. ook geabonneerd zijn op accentueren. uiterlijk sedert. inleggen fixeren. heelkunde ombrengen. nuancering amusement. amuseren. amusant. bij zwachtel. doodmaken. konfijten. alarm slaan uitschrijven. moes. lanceren. nabij. met ingang van. verband schakering. bepalen inmaken. onderpand pand. amusant. lachwekkend. mede. nuance. belachelijk. aanvaarden acclimatiseren alarmeren. speeltuig aardig. onderhouden recipiëren vermakelijk. kietelen speelbal. beschermen bescherming pand. buiten-. leuk. borgstelling. doden blokkade jam. ontketenen aan. amusement opvrolijken. stuk speelgoed. vanaf achter aan het einde. aanslaan. wondheelkunde.

wandel lager inmaken. aan komen lopen aanpakken. leiden houding. happig.zabójca zabrać się (<sth> do czegoś) zabrać się do czegoś) zabraknąć zabraniać zabraniać zabronić zabronić zaburzać zaburzenie zabytki zachcianka zachęcać zachęcać zachęcić zachęcić zachęcić zachęta zachłanny zachmurzony zachmurzyć zachodni zachodni zachodni zachodni zachodni zachować zachować jako zachować w pamięci zachowania zachowanie zachowanie zachowanie mediów zachowuj zachowywać zachowywać zachowywać zachowywać sie nienaturalnie zachowywać sie nienaturalnie zachowywać się (dobrze) zachowywać się cicho zachowywać się źle zachód zachód zachód zachód zachód słońca zachód słońca moordenaar aanpakken. wandel gedrag. geleiden. westen westen westers. aanwakkeren. marmelade verbieden een aanslag plegen op. strubbeling. aanranden bezwaar. intekenen de weg wijzen. voorteken. westen westen west west. reserveren. aan komen lopen floppen. opstoken. aansporen ophitsen. bewolkt wolk zonsondergang west west. gretig onduidelijk. gedrag. nuk. argumenteren vertogen. houding. belust. zich voordoen zich gedragen blijven zich aanstellen. aansporen uitnodigen. gril. westelijk redden. moeilijkheid oudheid bevlieging. opruien aanvuren. betogen. inviteren. kuur aanvuren. agiteren. bergen. in het water vallen verbieden verbieden jam. teken begerig. inleggen zich aanstellen. behouden schat bespreken. argumenteren zonsondergang west west. zich voordoen zich gedragen blijven vertogen. westen . betogen. bevorderen voorbode. moes. aanwakkeren. noden promoveren. konfijten. Westers. bui. vragen.

opgave. portemonnaie. probleem. bibs. achterste vragen karwei. taak oefenen. marmelade dienst nemen puzzel. taak oefenen. klus. klamp. noemen aanhaling. leiden terminal haakje. zeer. donker worden uitwissen halsstarrig. opgave. taak wee. koppig haakje. moes. beginnen. rugwaarts ouderwets. worgen verontschuldiging bevredigend tevredenheid blijdschap tevredenheid . wanhopig versomberen. in verrukking brengen bewonderenswaardig verrukt jam. klamp. karwei. achteruit. klus. kern wachten. opgave karwei. geldbuidel achterover achterwaarts. geleiden. klikken wurgen. aanvangen pit. te wachten staan aangrijpen. aanbrengen. hees. beginnen. choken. aanvallen aanbinden. klink handdruk. afhalen. klus. uit de mode aanhalen. handvat. nietje beurs. drillen emplooi. aanvangen gat. citaat een hinderlaag leggen aanbinden. pijn vragen aangeven. werk. citeren. raadsel radeloos. kont. arbeid karwei. rauw verrukken. drillen vraagstuk.zachód słońca zachrypnięty zachwycać się zachwycający zachwycony zaciąć się zaciągnąć (się) do wojska zaciekawić zaciekły (bój) zaciemniać (się) zacierać zacięty zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk źródła zacisnąć (usta) zacofany zacofany zacofany zacytować zacytowanie zaczaić się zacząć zaczątek zaczekać zaczepka zaczynać (się) zad zadaj zadania zadanie zadanie zadanie zadanie wsadowe zadanie wydruku zadanie zawieszające zadawać ból zadawać pytanie zadenuncjować zadławić się zadośćuczynienie zadowalający zadowolenia zadowolenia zadowolenie westen schor. hardnekkig. aantasten. hand de weg wijzen. hengsel. opgave. vraagpunt. kruk. nietje oor. gedateerd.

verbazen verbazingwekkend. verblijd. raadsel puzzel. interesseren belang inboezemen. een nest maken keihard op het kookpunt zijn.zadowolić zadowolony zadowolony zadrapania zadraśnięcie zadrżećs kołczan zadziwiać zadziwiać zadziwiający zadziwiający zafakturować zagadce zagadka zagadka zagadkowy zagadnienie zagadnienie zagajnik zagęszczać zagęszczać zagęścić zagięcie zaginać zagłada zagłuszać (radio) zagniecenia zagniewany zagnieździć zagorzały konserwatysta Zagotować. krabben beven. stal hok bemachtigen. boef omvouwen. vraagpunt. interesseren geïnteresseerd. rillen. vouwen. opgave struikgewas. buitenlands in gevaar brengen bedreigen. paaien. krabben krauwen. tevreden. raadsel puzzel. bedreigen paardestal. bevreemden. dreiging borg staan voor. garanderen vraagstuk. dicht comprimeren verdikken. emitteren vraagstuk. Kongo . klauwen. huiveren verwonderen. moes. aandikken ellendeling. aangrijpen dreigen. wrzenie zagraniczny zagrażać zagrażać zagrażać zagroda zagroda zagrodzić zagrozić zagrożenie zagwarantować zagwozdka zagwozdka zahaczyć zainicjować zainteresowania zainteresowanie zainteresowany Zair bevredigen. vergenoegd krauwen. marmelade rimpelen. agraaf de stoot geven tot belang inboezemen. bevreemdend bevreemdend. boos nestelen. bedreigen bedreiging. schavuit. opgave kwestie. slot. spang. bibberen. borrelen. probleem. vraag. scharrelen. te gronde richten jam. geheimzinnig uitgeven. klauwen. raadsel mysterieus. bosjes compact. vraagpunt. scharrelen. probleem. declareren puzzel. ploert. tegemoetkomen aan verheugd. grijpen. fronsen kwaad. verbazingwekkend verbazingwekkend. dreigement. toornig. nijdig. blij voldaan. plooien ruïneren. bevreemdend factureren. navraag haakje. dreigen dreigen. koken uitheems. belangstellend Congo.

vullen rondgeven. zaak. gedoe. besmettelijk infectie. garant in verlegenheid brengen ophef. dicht. commanderen. gesloten verhinderen. stotteren actie. meedelen. mededelen aanvoeren. spekken. bezet verloofd. bekleden liggen invullen. omvangrijk. herberg haas stamelen. bevelen kloosterzuster. veelomvattend toe. verhoeden. handeling aangelegenheid. contract uitgang. herrie storing storing storing storing moppen tappen codificeren berichten. broodwinning. bekleden handwerk.zaiteresowanie zajazd zając zająkiwał się zajęcie zajęcie zajęcie zajęcie zajęć) zajęty zajęty zajmować zajmować zajmować (stanowisko) zajmować się zajmować stanowisko zajmowanie zajmujący dużo miejsca zakańczać zakaz hamować zakazić zakazywać zakazywać zakazywać zakaźny zakażenie zakąska zakład zakład zakład (założenie się) zakładać zakładać klamrę zaciskającą zakładać się zakładnik zakłopotać zakłócenia zakłócenia (sygnału) zakłócenie zakłócenie programu radiowego zakłócenie spokoju publicznrgo zakneblować zakodować zakomunikować zakon zakonnica zakonnik zakontraktować zakończenie belang inboezemen. rumoer. impliceren aanleggen. leven. beslaan. fitten. besmetting twaalfuurtje. bedrijf handelen. lunch wedden wedden wedden wedden insluiten. verpestend. dempen. beslaan. non monnik verbintenis. besmetten. ambacht uitgebreid. uiteinde . ding beroep. aansteken verbieden afschrikwekkend verbieden aanstekelijk. beroep. uitdelen bezetten. hakkelen. affaire. optreden. beletten infecteren. geëngageerd bezetten. interesseren logement. ronddelen. installeren gijzelaar. rooster druk. handel drijven dienstregeling. lawaai.

bol. stadswijk aanpassing procederen bedelven. bezit pré. aanprijzen. getal. aanpassen. verwantschap afhankelijkheid afhankelijk. recommanderen scharrelen. afhangen familiebetrekking. beëindigen. indelen aantal. aankoop stoffig gist afstemmen. verpletteren adviseren. het hof maken. amper amper. sfeer. afgewerkt. plug. stop. achterstallig onbetaald. vrijen aanbevolen recommandatie. overstelpen. aanwinst kwalijk. afwikkelen. kwalijk onbetaald. afhangen afhankelijk zijn. klaar afhandelen. bekendmaken. nauwelijks. nauwelijks. gebied graad. achterstallig bedrijvende vorm. stand. achterstallig onbetaald. status. conclusie uitgang. actief. onderhorig classificeren. tal laden . toekomen. wijk. begraven prop. buit. stekker. rang ombuigen. voordeel waard zijn. afsluiten kuilen.) zakwaterowanie zakwestionować zalać zalecać zalecać zalecać się zalecany zalecenie zalecie zaledwie zaledwie zaległy zaległy zaległy wysunięty naprzód znakomity zalet zaleta zaleta zalewać zależeć zależeć zależeć od zależeć od czego zależnośc zależność zależny zaliczać zaliczać załadować gevolgtrekking. aanbeveling prooi. uiteinde terminal beëindigd. acquisitie. omgeving. afhangen scharnier afhankelijk zijn. inkoop. afdoen afmaken. stopmiddel anker anker kloot. buigen. doorbuigen koop.zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg zakończenie sygnału przerwania transmisji zakończenie wskazówka zakończony zakończyć zakończyć zakopać zakorkować zakorzeniać się zakotwiczyć zakres ultrakrótkofalowy zakres współrzędnych osi zakręt zakup zakurzony zakwas zakwaterować zakwaterować (wojsk. adapteren buurt. afgelopen. aankondigen aanbevelen. verdienen zondvloed afhankelijk zijn.

aanrichten.załadować ponownie załamanie załamuj załatwiać załatwić (sprawę) załączać załącznik załącznik załączyć (w przesyłce itp) załoga założenia założenie założenie założenie (firmy) założyć przynętę założyć się zamachnięcie zamaskować zamawiać zamazać zamazanie zamek zamek zamek (u drzwi) zamek błyskawiczny zamiana zamiar zamiast zamiast tego zamiatać zamieniać zamienić zamienić zamienić zamierzać zamierzać zamierzać zamierzać zamierzony zamieszać zamieszania zamieszanie zamieszanie zamieszki zamiłowanie zamknąć zamknąć na klucz zamknięcia afzenden. doorsmeren. afdoen omsluiten aanhechting kraal. etablissement. plecht. inruilen. expediëren instorten. plan. roerigheid. dichtdoen . liefkozen. beogen. honk. aaien blind aanvoeren. anders maken bedoeling. agitatie. lawaai verwardheid. sauzen. leven. rumoer. ophef. ordenen afhandelen. opzettelijk. doelstelling. afdwingen. bedoelen gemiddeld doelwit. strekking in plaats daarvan in plaats daarvan oprijlaan. dichtmaken. moedwillig aangrijpen. getier smaken slot kooi sluiten. stichten aanhalen. inboeten inruilen. verzenden. rits. commanderen. instelling Maria-Hemelvaart vestiging. mikken op. ritssluiting veranderen. besmeren slot. wisselen centrale in de plaats stellen van. beweging herrie. kasteel. lokaas inrichten. wit bedoeld. wisselen anticiperen. uiteenvallen afpersen. ineenstorten. rel. doel. bevelen vervagen smeren. knevelen arrangeren. ruilen. omheind terrein omsluiten bemanning vestiging. oprit ruilen. instelling achtergrond aas. doel. prejudiciëren mikken. bewegen beroering. oprichten. ontroeren. strelen. verwarring herrie. etablissement. burcht slot slot treksluiting.

doodmaken. opgeven een miskraam krijgen. laf. aftands nonchalance. indompelen duiken onderdompelen. vermogend aanvoeren. bevelen aanvoeren. beperkt indompelen. zetten ombrengen. bedanken concessie. inlevering . aflossen gefortuneerd. dichtmaken. uitvoeren aanvoer. afstand. dalen dalen. schets. afleggen. kleiner worden. nakijken. rijk. bang vervagen kleiner worden. cessie. indopen. mislukken afdanken uittreden. bezorging aflevering. nalatigheid storing veroorzaken storing veroorzaken lafhartig. gammel. indompelen ronde toerusten. dichtmaken. dichtdoen grendelen. commanderen. afnemen voor indompelen. doden afbetalen. eindig. soppen onderdompelen. levering. weglaten veronachtzamen nonchalance. vriesvak vriezen vriezen bevroren sluiten. commanderen. aftreden. tekening nadenkend nadenkend onderzoeken. dichtdoen begrensd. uitrusten. bevelen koelen vriezer. nalatigheid veronachtzamen bouwvallig. afnemen. indopen.zamknięty zamknięty zamoczyć zamontować (dysk w systemie) zamordować zamortyzować zamożny zamówić zamówienie zamrażać zamrażarka zamrozić zamrożenie zamrożony zamykać zamykać na zasuwę zamysł zamyślony zamyślony zanalizować zaniechać zaniechać zaniechać zaniechać zaniechanie enia zaniedbać zaniedbać zaniedbać zaniedbanie zaniedbanie zaniedbywać zaniedbywał zaniedbywanie zaniepokoić zaniepokojenia zaniepokojony zanikać zanikać zanikać płowieć zanim zanurzenie zanurzyć zanurzyć (się) zanurzyć coś w zaokrąglać zaopatruj zaopatrywać zaopatrzenie sluiten. soppen monteren. afgrendelen werkje. examineren prijsgeven. afschrijven. toegeving terugvallen veronachtzamen achterwege laten.

bergen. verzekeren bevestigen. vuurmaker enthousiasme. beploegen aanzetten. slijpen redden. van buiten leren uit het hoofd leren. bezorging omploegen. royeren ontsteking. een backup maken van tweede ontzien. reserveren. geur parfumeren reuk. aanmaken aansteken. intekenen winkel een backup maken. ineenstorten. aanmaken aansteker. van buiten leren verstopping. ijver lucifer uit het hoofd leren. gezichtspunt waarschijnlijk beweren. aanmaken aansteken. uiteenvallen standpunt. luchtje. ontbranding ontsteking keelontsteking longontsteking blindedarmontsteking aansteken. vies ruiken haan van een vuurwapen achterdeur ontzetten. aannemen provianderen. verzekeren betuigen. constipatie. sparen instorten. verzekeren . doen ontbranden. ploegen. boedel bespreken. doen ontbranden. aroma reuk. ontbranding ontsteking ontsteking.zaopatrzenie w żywność zaorać zaostrzyć zaoszczędzić zapach zapach zapach zapach zapach zapach zapadce zapadnia zapakować do worków zapalanie zapalenia zapalenie zapalenie zapalenie zapalenie opon mózgowych zapalenie płuc zapalić zapalić zapalić (się) zapalić papierosa zapalić się zapalniczce zapalniczka zapał zapał zapałka zapamiętać zapamiętywać zaparcie zapas zapas zapas zapasowy zapasowy zapasowy zapasowy wkład zapaść zapatrywania zapewne zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać (<sth> o czymś) aanvoer. aanmaken aansteken. reuk. doen ontbranden. bevoorraden betuigen. luchtje. lucht. geur. lucht stinken. scherpen. vuurmaker aansteker. doen ontbranden. geur lucht. luchtje. doen ontbranden. aanmaken aansteken. sparen ontzien. vuur. behouden geur. spekken. obstipatie inventaris. geestdrift ambitie. ontslaan.

zapewnić zapewnić zapewnić zapinać zapinać (się) Zapinka zapis zapis piątkowy zapisać zapisać (dane) pisać zapisać w testamencie zapisanie zapisywać zapisywać zaplanować zaplecza zapłacić okup zapłata zapłon zapłon (silnika) zapłon silnika zapłonąć zapłonąć zapobiegać zapoczątkować zapoczątkować zapominać zapominalski zapotrzebowania zapotrzebowanie żądanie zapowiadać zapowiedzieć zapowiedzieć zapowiedź zapowiedź zapowiedź zapraszać zaprosić zaprosić zaproszenia zaproszenie zaprotestować zaprowadzony porządek zaprzeczyć zaprzeczyć zaprzęgać zapuszczone mieszkanie itp zapychać (się) beweren. dichtmaken . sleur in tegenspraak zijn met. schrijven. tegenspreken ontkennen span stortplaats stoppen. schijf boek jota arrangeren. opvorderen vorderen. noden vragen uitnodigen. opvorderen beduiden. ontbranding ontsteking. onderwerp. een backup maken van loskopen. object. aanmaken beletten. plaat. dichtgespen vasthaken discus. noden uitnodiging. voorzeggen aandienen. adverteren aankondiging. grammofoonplaat. aanmaken aansteken. chef. vastgespen. doen ontbranden. doen ontbranden. verkondiging uitnodigen. verzekeren betuigen. vergeten. grammofoonplaat. aanvoerder. aanbieden afschaduwing aandienen. vragen. aanrichten. vrijkopen. verleren vergeetachtig vorderen. bergen. ontbranding aansteken. behouden neerschrijven. verzekeren fixeren. invitatie mikpunt. plaat. voorspellen. uitschrijven nalaten discus. inviteren. adverteren uitloven. ontbranding ontsteking. aankondigen. rekwireren. rekwireren. bieden. verhoeden de stoot geven tot het gevolg zijn van. inviteren. invitatie uitnodiging. bepalen dichtknopen gespen. afkopen afbetaling ontsteking. bevestigen. baas redden. ding routine. ordenen een backup maken. afstammen afleren. aankondigen. verhinderen. schijf gebieder. dichten. vragen.

administreren. bestuur beheerder. beheren administreren. bestuur administratiekantoor. beginsel. grondig. radicaal . winnen. helen infectie. begrenzen. administrateur bestuurder. loon verdienen. besturen administratiekantoor. geëngageerd gage. baseren principe. meier besturen. beginsel. bewind. besmettelijk. ijdel. salaris microbe nietig. commanderen. bestuur administratiekantoor administratiekantoor. besmetting roestig reageren reageren aangeven verloofd. aanstellen aanrekenen. grondbeginsel heerschappij. onbelangrijk beperken. bezoldiging. opzichter. toeschrijven. besmetten. bestuur aanvoeren. administrateur intendant. besmetting pest pest microbe infecteren. besturen bestemmen. toedichten gronden. bezoldiging. omtrek administratiekantoor. beheren. verpestend infectie.zapytać zapytanie z podpowiedzią zapytywać zarabiać zaradzić zaraza zaraza zarazą zarazek zarazić zaraźliwy zarażenie zardzewiały zareagować na coś w jakiś sposób zareagować <to sth> na coś <with sth> w jakiś sposób zarejestrować zaręczony zarobek zarobić zarobkach zarodek zarozumiały Zarys zarys zarząd miasta zarządca zarządca zarządca plików zarządzać zarządzać zarządzać zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia zarządzanie zarządzanie zarządzanie automatyczne zarządzanie zautomatyzowane zarządzenie zarządzić zarzut Zasada zasada spokoju zasada superpozycji zasadą zasadniczy zasadniczy zasadniczy vragen enquête een verhoor afnemen. bevelen benoemen. genezen. uittrekken administreren. behalen gage. aansteken aanstekelijk. bestuur principe. winnen. beheerder. loon. beheren. beknotten omlijning. behalen beter maken. ondervragen verdienen. grondbeginsel fundamenteel primair ingrijpend. salaris.

tegoed. subsidie inhalen geschrokken ontstellend een proces aanspannen tegen betrappen. verdienen waard zijn. jas jas. valstrik. scherm. snappen overgordijn. notulen strategie. toekomen. toekomen. val schuif. krant opslaan prooi. klep slag. kalm zich verbazen. klep inboeten. bedaard. macht. toekomen. behalen waard zijn. nummer pion pand. winnen. bezorging aanvoer. verrassen. kazemat dienblad. waardig. acquisitie. onderpand. verrassen. bikken. mogendheid aanvoer. vreten aanvoer. maffen bunker. verdienen waard zijn. bezorging ondersteuning. verdienen creditzijde.zasadowy zasady zasady postępowania zasadzka zasilacz samochodowy/lotniczy zasilać zasilać zasilanie zasilanie moc zdolność władza zasilanie zaopatrzenie zasiłek zaskakiwał zaskakiwał zaskakując zaskarżać zaskoczenia zaskoczenie zaskoczyć zasłona zasłona dymna zasłonić zasłudze zasługa zasługa zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasłużyć (się) zasłużyć się zasnąć zasobnik zasobnik kart zasobnik kart (dziurkowanych) zasób zasób środek trwały zaspokoić zastanawiać się zastanawianie się zastanowienie zastaw zastaw zastaw zastawce zastawić pułapkę/sidła zastawka zastąpić zastąpić kogoś basisbekeuring. weerglans nakomertje cijfer. presenteerblad blad. mantel waard zijn. krediet. doek mantel. snappen betrappen. krijgskunde een hinderlaag leggen bewerker eten. gebruiken. waar verdienen. toekomen. snappen betrappen. credit waard zijn. in de plaats stellen van . toekomen. aanwinst stil. proces-verbaal. zich verwonderen afspiegeling. bezorging heerschappij. borgstelling schuif. verrassen. gordijn. stipendium. verdienen eerzaam. rustig. toekomen. verdienen slapen. in de plaats stellen van inboeten. buit. verdienen waard zijn.

verzadigen inenten. dichten. verzekeren verbergen. verhelen verdrinken. plaatsvervangend in de plaats stellen van. oculeren. oculeren. enten inenten. krediet. vernielen inboeten. aflossing vervanging. in de plaats stellen van vervanging. dichtmaken bedelven. assimileren stoppen. adjunct. vervanging afwisselend afstemmen. dus. inham. certificeren getuigen. certificeren getuigen. eren maar. bloedaandrang. adapteren aanwenden. certificeren betuigen. verwoesten. vergaan conflict ook weer. toch stoppen. boezem . toepassing koe doen schrikken. aanpassen. tegoed. enten vereren. privilege. kreek golfspel. golf. dichtmaken belegeren doortrekken.zastąpienie zastępca zastępca zastępca zastępca zastępczy zastępować nowszą wersją zastępował zastępowanie zastępstwa zastępstwa zastępujący zastosować zastosować zastosowanie zastraszyć zastraszyć zastrzec sobie prawo autorskie zastrzegać zastrzerzenie zastrzeżenie zastrzeżenie zastrzyk zasymilować zasypać zasypuj zasypuj zaszczepić zaszczepić (przeciw chorobie) zaszczycie zaszczycie zaszczyt zaszczyt zaś zaświadczać zaświadczać legalizować zaświadczyć zaświadczyć zataić zatapiać zatarg zatem zatkać zatkać się zatłoczenia zatłuszczony zatoka zatoka vervanging. kwalificatie bevoegdheid. inboeten afwisselend vernietigen. aandrang dik. kwalificatie kwestie. aflossing assistent. doorvoeren aanwending. intekenen bevoegdheid. schrik aanjagen copyright. inham. huldigen. vraag. navraag spuitje. helper steward subsidiair. bocht. overstelpen. inspuiting. prae creditzijde. doch getuigen. verloren gaan. credit huldigen. eren preferentie. injectie in zich opnemen. verpletteren congestie. vettig. vereren. reserveren. ontveinzen. vet baai. dichten. ergo. aflossing aflossing. kopijrecht bespreken.

krediet. bougie fiducie. aanwerven toepassing. goedkeuren ontstekingsbuis. aan de grond raken zondvloed jam. obstipatie beweren. ophouden. aankondiging . aanwerven aanwending. geloof creditzijde. dichten. marmelade vergiftigen. uiteinde inhoud inhoud adviseren. bekendmaken. aankondigen. vergallen. toejuiching ja zeggen. biljet. bekendmaken aanplakken aandienen. acclamatie. betrouwbaar zelfbewust. plakkaat berisping. huren. arrestatie reserveren. blijven staan logeren box logeren logeren afslaan.zatonąć zatopić zator zatruć zatrudniać zatrudniać zatrudniać (pracownika) wykorzystywać zatrudnienia zatrudnienie zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać (się) zatrzymać (się) zatrzymać się zatrzymanie zatrzymanie pracy procesora zatrzymanie ze względu na adres zatrzymuj zatwardzenie zatwierdzać zatwierdzać zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzić zatyczka zatykać zatykać zaufania zaufanie zaufanie zaufanie zaufany zaufany człowiek zaułek zauważyć zauważyć zauważyć uwaga zawarcie (umowy) zawartość zawartość łyżeczki do herbaty zawiadamiać zawiadamiać zawiadamiać zawiadomić zawiadomienia zinken. geloof fiducie. detineren afslaan. dichtmaken ontstekingsbuis. blaam uitgang. halthouden. moes. adverteren verkondiging. halthouden. verzekeren bevestigen. zelfverzekerd steeg plaatsbewijs. aanwending aanhouding. vertrouwen. aankondigen adviseren. aankondigen. kaartje affiche. blijven staan logeren box reserveren. aanwending toepassing. detineren. vergeven aannemen. bougie stoppen. bevestigen vormsel. ophouden verstopping. toepassing aannemen. tegoed. aanplakbiljet. aannemen bijval. huren. standje. fiducie hebben in vertrouwd. billijken. beamen. constipatie. aanmerking. aanneming beamen. vertrouwen. credit vertrouwen.

afdoen bevatten. aangrijpen professioneel. hinder foei beschamen. immer. ambacht handwerk. behelzen omvatten. beroepsprofessioneel. ijverzuchtig benijden. beroep. leed. beschaamd maken beschaamd altijd. steeds permanent. plakkaat stationschef scharnier afhandelen. behelzen smeden bevatten. knelpunt. afgunstig jaloers. blijven staan hangen hangen monteren. klep duizelig duizeling. beroepswedijver smart. verdriet handwerk. wel eens. aanplakbiljet. halsstarrig. broodwinning. zetten in de steek laten. halthouden. immer. jaloers. hardnekkig volhardend . ingewikkeld maken gecompliceerd. ambacht beroep. beroep. beroepsprofessioneel. ingewikkeld bundel. aldoor. eens. geheimzinnig compliceren.zawiadomienie zawiadomienie zawiadowca stacji zawias zawierać zawierać zawierać zawierać zawierać (umowę) zawierający wszystkie funkcje zawiesić zawiesić się zawieszać zawieszenie zawieść zawilca zawilec zawiły zawiły zawiły zawiniątko zawisć zawistny zawistny zawiść zawładnąć zawodowiec zawodowiec (w sporcie) zawodowy zawody zawód zawód zawód pisarza zawód pisarza zawór zawrotny zawrót głowy zawstydzać zawstydzenie zawstydzić zawstydzić się zawstydzony zawsze zawsze zawsze zawsze dostępny zawzięty zawzięty aankondiging. afwikkelen. laten merken anemoon anemoon mysterieus. misgunnen bemachtigen. inhouden. bij voortduring eenmaal. beslaan inclusief afslaan. bedrijf schuif. bos jaloezie. steeds koppig. wis. benardheid. duizeligheid foei penarie. grijpen. jaloers zijn op. ooit altijd. inhouden. afgunstig. naijver ijverzuchtig. verkondiging affiche.

drift bestand. apparaat. wegrennen. bos ordner. breisteek. congruent zijn bijeenkomst. jaloers zijn op. afleiden. woedend. bijeenkomen samenkomen. vergaderen. bijeenkomen scheren oogst acquisitie hutspot analoog. afleiden. hulpmiddelen inrichting. groep. naijver maas. overeenkomend. rose. gemeenschappelijk oogst hoop.zazdrosny zazdrosny zazdrosny (<of sb> o kogoś) zazdrościć zazdrość zazdrość zazębienie zaznaczyć zaznajomiony z czym (człowiek) zazwyczaj zazwyczaj zażalenie zażarty zażądać zażenować zażyły ząb ząbek (czosnku) zbadać zbawca zbawiać zbędny zbędny zbiec zbieg zbiegać się zbiegać się zbiegać się nadawać zbieżność zbiegowisko zbierać zbierać zbierać oklaski zbierać się zbierać się zbierać sumować zbierać wierzchnią warstwę zbieranie danych o wydajności zbieraniną zbieżny zbiorowy zbiory zbiór zbiór zbiór zbiór danych gotowy zbiór docelowy zbiór drzew (w teorii grafów) zbiór zmian po wykonaniu operacji jaloers. innig. hulpmiddelen . convergeren elkaar dekken. tekenen welbewust. afgunstig benijden. abstraheren vergaderen. inzamelen deduceren. innen. gelijksoortig collectief. moeten. apparaat. ijverzuchtig geel ijverzuchtig. bewust gewoonlijk gewoonlijk beschuldiging. dol nodig hebben. aanklacht doldriftig. hoeven in verlegenheid brengen intiem. loskopen. overbodig weglopen. afkopen onnodig overtollig. meeting. apparaat. steek. misgunnen benijden. jaloers zijn op. knus tand roze. rooskleurig onderzoeken. verwoed. samenlopen. congruent zijn samenkomen. samenkomst collecteren. drossen uitgewekene. gezellig. vluchteling elkaar dekken. dossier inrichting. hulpmiddelen woud. examineren Verlosser vrijkopen. kudde. rozig. afgunstig. misgunnen jaloezie. schare. jaloers. strik merken. samenkomen. map inrichting. abstraheren deduceren. behoeven. nakijken.

dunk. likdoorn zaadkorrel. harnas. evenement belangrijke gebeurtenis. mede. kust. klappen. verbasteren afstandelijk afstijgen zenuwachtig. visie frase. aan de hand zijn besluiten. voorgoed degenereren. zin. volzin declaratie. eelt. opvallen . mening. bepantsering. bos uitgebreid. beslissen. brassen. overwaarderen onnodig inhalen verwijderd. clausule. wakker maken. ververwijderd. zenuw-. apache bepantsering. bundel. pantser koek. glooiing wal. uitmaken definitief. aan de rol zijn aanrijden. korrel straatschuimer. kant. voortgang hebben. ook verkoop. kuras. kloppen. ontaarden. verbasteren degenereren. gebeuren gebeuren. wis. wakend wekken. boord. bepaling gedachte. ontaarden. voorrijden slaan. veelomvattend benaderen aanvliegen benaderen benaderen aanvliegen helling. pantser kuras. evenement toegaan. cake wakker. aangifte. omvangrijk. uitspraak belangrijke gebeurtenis. eveneens. oever bombarderen eksteroog. vervreemding overschatten. opwekken evenzeer. bos gevolg samenscholing wis. pit.zbiór znaków kodowanych alfabetycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiórka zbitka rejon zbity zbliżać się zbliżać się zbliżony zbliżyć zbliżyć się zbocze zbocze (impulsu) krawędź (grafu) zbombardować zboże zboże zbój zbroja zbroja zbrylić się zbudzić any zbudzony zbyt zbyt towarów zbyt wysoka ocena zbyteczny zdać zdalny zdanie zdanie zdanie zdanie (twierdzące) zdarzenie zdarzenie zaszłość zdarzyć się zdarzyć się zdecydować zdecydowanie zdegenerować się zdegenerowany zdejmował zdemontować zdenerwowany zdeprawować zderzać się zderzać się repertoire bundel. nerveus boemelen. ver voorwaarde. harnas. opinie.

kundig administreren. behalen verkrijgen. handig. besturen verraad verraad verraad in de steek laten. fit. buit maken buit maken. voorrijden reinigen. gering luttel. bekwaam bedreven. afbeelding. buffer botsing. kieken onderdrukken. pakken. laten merken verdoofd afgemeten. aanvaring. aanrijding botsing. behalen buit maken. min. laten merken in de steek laten. aanrijding aanrijden. behalen uitreiken. kundigheid bekwaamheid. ceremonieel luttel. kundigheid faculteit capabel. klein. kundigheid aanpassingsvermogen geschiktheid aanpassingsvermogen bekwaamheid.zderzak zderzenia zderzenie zderzyć się zdjąć zdjąć z haka zdjęcia zdjęcia (w filmie) zdjęcie zdjęcie (fot. stootkussen. beetkrijgen raaf buit maken. valide gezond van lijf en leden . prent. min. karig. klein. kundig. karig. tooisel beetnemen. verschaffen. karig. decoratie. gering gezondheid gezond. verstrekken aanpassingsvermogen bekwaamheid.) zdjęcie migawkowe zdławić zdobić zdobienie zdobycia zdobycz zdobyć zdobyć wewnętrzną świadomość zdobyć wewnętrzną świadomość zdobywać zdobywać zdolności przetwarzania zdolność zdolność zdolność zdolność adresowania zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie zdolność przystosowania się zdolność przystosowawcza zdolny zdolny zdolny do narzucenia zdołać zdrada zdrada zdradą zdradzać zdradzić tajemnicę/oddać coś zdrętwiały zdrętwiały zdrobniały zdrobnienia zdrobnienie zdrowie zdrowy zdrowy na umyśle bumper. behendig. verkrijgen. bekwaam bekwaam. neerslaan versieren sieraad. kieken fotografie beeld. klein. verkrijgen. aanvaring. plechtig. beheren. schoonmaken. gering luttel. verkrijgen. capabel. loshaken fotograferen. min. plaat luik fotograferen. louteren afhaken. smoren.

druilen. sluimeren. zin zefier uurwerk. verwoesten. aggregaat vergaderen. begeerte. luwen zwak bezwijmen. verrot verspild rot. louter bedaren. lust. bloot. loensen nul. neerslaan doodgaan. zitting wens. verrot nul. polshorloge horlogemaker. bijeenkomen bijeenkomst. vernielen verwonderen. verbazen bevreemdend. verbazingwekkend verwonderen. smoren. landing Zeeland enkel. bedorven. verbazingwekkend eminent. sterven ademloos. aanzienlijk onderdrukken. amechtig. samenkomen. stuk. samenkomst samenscholing bijeenkomst. nul nul nul nihil. bedorven. verbazen bevreemdend. Kaapse ezel aggregatie. samenkomst vergadering. dutten vernietigen. zenit defect. scheelkijken. buiten adem zebra. klokkenmaker daling. verlangen. bevreemden. nihil nihil. nul . nihil nul scheelzien. overlijden. uitstekend. bevreemden. dutten sluimeren. kapot rot. bewusteloos raken bezwijmen. bewusteloos raken wraak wraak wraak hoogtepunt.zdrój zdrzemnąć się zdrzemnąć się zduciś zdumieć zdumieć zdumiewać zdumiewający zdumiewający zdusić się zdychać zdyszany zebra zebrać zebrać zebrania zebranie zebranie zebranie zechcieć zefir zegar zegara zegarek zegarmistrz zejście na ląd (ze statku) Zelandia zelówka zelżeć zemdleć zemdleć zemdlenia zemsta zemsta zemścić się na kimś zenit zepsuty zepsuty zepsuty zepsuty fabrycznie zera zera zerkać zero zero zero zero nastawiaine zero nieznaczące badplaats druilen. bekoelen. meeting. klok wijzerplaat horloge. meeting.

scheelkijken. troep. wis.) zerwać zerwanie zesłać (nieszczęście) zespół zespół Zespół budynków zespół odczytującodziurkujący zespół projektowy zespół serwerów zestaw znaków kodowanych alfabetycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestawiać w bloki zeszlifować zesztywnienie zeszyt zeszyt zeszyt (szkolny) ześlizgnąć się zetrzeć zetrzeć zewnątrz zewnętrzna strona zewnętrzna strona zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zez zeznaj zeznania zeznanie zezowaty zezwalać zezwalać zezwolenie zezwolenie nul nihil. afzijdig. licht. loensen certificeren. vastzetten schaven. oppervlak extern. reproduceren. uitglijden vandoor. buiten-. laten begaan. aanhang scheelzien. aggregaat repertoire bundel. goedvinden. samenkomst gevolg blokkeren. schrift. gedogen. uitwendig. bos bijeenkomst. uitwendig. afschaven stijfheid oefenen. drillen katern. samengesteld gevolg bende. nul hel. bedroeven. scheelkijken. troep. uiterlijk buiten naar buiten. getuigen hergeven. mislukken een miskraam krijgen.zero nieznaczące zero początkowe zerować zerowy zerowy (przewód elektr. laten schieten toelaten. verwijderd. over uitwissen buiten buiten oppervlakte. schrift. mislukken beproeven. extern. toestaan . heen. aflevering slippen. buiten. aflevering katern. teruggeven getuige scheelzien. klaar nul neutraal. eruit. gedogen. fiat toelaten. buitenwaarts leden. loensen laten. uiterlijk buiten-. verdriet doen bende. groep complex. schare groepering. uiterlijk daarbuiten. onpartijdig een miskraam krijgen. meeting. toestaan toestemming. schare aggregatie.

fiat bescherming met de klok mee. genoeglijk congruent adequaat. syllabe aanwending. goedvinden toestemming. plooien vrijwilliger. overeenstemmen bitter beminnelijk . samenklank ja zeggen. schavuit. bevestigen concert het eens zijn. beamen. overeenstemmend congruent consequent consonant. lawaai. buigen. gissen. aanvrager onderzoeken. onthaal accoord. volontair verzoeker. frommelen ellendeling. toepassing aandrang. run rot. lossen toelaten. aanneming. goedvinden. ons. toegeven. medeklinker lid worden het eens zijn. overeenstemmen maagbrand. kreukelen. ons. krom omvouwen. goedvinden. gedogen. in overeenstemming zijn het eens zijn. vouwen. tappen. rechtsom met de klok mee. exploreren. herrie verfomfaaien. syllabe lettergreep. toestaan gebit gebit raden. we wij. verrot aanvaarding. rechtsom aangenaam. boef ombuigen. fiat loslaten. doorzien accoord. rumoer. leven. we toestemming. zuur ophef. ploert. overeenstemming overeenstemming. toeloop.zezwolenie na zapis zezwolenie zapisu zezwolenie zdalne zezwolić zezwolić na opublikowanie zębach zęby zgadywać zgadzać się zgadzać się zgadzać się zgadzać się (<to sth> na coś) zgaga zgiełk zgięcia zgięcia zginać zginać zginać zgłaszać się na ochotnika zgłaszajacy się zgłębiać zgłosce zgłoska zgłoszenie zgnieść zgniły zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara zgodnie z obrotem wskazówek zegara zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny ze standardami branżowymi zgodzić się zgodzić się zgorzkniały zgrabny wij. nagaan lettergreep. passend. overeenstemmen passen. doorbuigen gebogen. behaaglijk. bedorven. overeenstemming het eens zijn. maagzuur. uitlaten.

droombeeld congres unie unie . korrel zaad identificeren. grond. gapen wijd openstaan. vereenzelvigen groen groen aanaarden achtergrond. visioen. jungle. fenomeen gezicht. ondergrond chaperonneren pieper. visioen. beitsen bitsheid snibbig. aarden aards wijd openstaan. bijeenkomst samenscholing vergaderen. knarsen raspen nadeel. samenkomen. samenkomst. boon. schade. verschijnen verschijnsel. onaardig zondigen lasser piepen. verschijnen verschijning. aardappel aards. veldboon tuinboon. nors. rimboe koud koud koud ijsvogel blinde. boon. bijeenkomen happen. bijten.zgromadzenia zgromadzenie zgromadzenie zgromadzić zgryz zgryźliwość zgryźliwy zgryźliwy zgrzeszyć zgrzewarka zgrzytać zgrzytania zguba ziarnistość ziarnko (grochu ziarnko (klasa JavaBeans) ziarno ziarno zidentyfikować zieleń zielony ziemia Ziemia (jako planeta) ziemianin ziemniak ziemski ziemski ziewać ziewać ziewanie ziewnięcie zima zimą zimnica zimno zimny zimny zimorodek zjawa zjawa zjawiać się zjawianie się zjawienie się zjawiska zjawisko zjazd zjednoczenia zjednoczenie meeting. honds. pit. droombeeld opdraven. nurks. gapen wijd openstaan. samenkomst. deficit. korrel tuinboon. pit. bits bars. geest. gapen wijd openstaan. opdagen verschijning. bodem. knauwen. strop zaadkorrel. blinde bij kaarspel gezicht. gapen winter winter oerwoud. bijeenkomst meeting. veldboon zaadkorrel.

leggen. verontwaardigen grieven. toetreden gewricht. letsel toebrengen gulden. aanstellen delegeren. steler diefstal. aangrijpen gewricht. geleding. garstig opdracht. stuk. inroepen. lid worden. nagelen bemachtigen. commissie benoemen. verzoeken opdracht. aanflitsen. schede. knoop kwetsen. meeting. nalatigheid koek. liquideren. foedraal unie aansluiting haven interface aansluiting aanhechting zich aansluiten. ergeren . lid. gelid. boosheid. samenkomst afbreken houwen. bedroeven.zjednoczony zjedzony przez mole zjełczały zlecenia zlecenie zlecenie zlecenie zakupu zlecić zlecić delegat zlekceważenie zlepiać (się) zlew zleżały zlęknąć się zliczanie zlikwidować zlokalizować zlość zlość zenie zlot złamać złamać (zabezpieczenie złamać zabezpieczenie złamania złamanie złamanie ochrony pamięci złamany złapać złapać złapać kogoś na gorącym uczynku złącze złącze złącze złącze złącze p-n stopniowe złącze przelotowe portu równoległego złącze punkt połączenia złącze żeńskie złącze) ceramika—metal złączenie Złączka zło złocie złodziej złodziejstwo złom złościć złościć verenigd mottig ransig. gouden dief. gotisch lettertype breuk. meetellen afwikkelen. goor. opheffen situeren. ontvreemding afkeuren ergeren. geleding. boosheid. plaatsen gramschap. kappen. aanvragen. afvaardigen nonchalance. aan de grond raken muf. bevelen vragen. lid. grijpen. boodschap. gotisch lettertype defect. gortig kwartel in aanmerking komen. toorn bijeenkomst. boodschap. kappen. rans. kapot aanfloepen. ranzig. toorn gramschap. knoop aansluiting houder. hakken breuk. aangaan spijkeren. benauwd. cake zinken. adellijk. commissie aanvoeren. hakken houwen. gotisch lettertype breuk. commanderen. gelid.

boos kwalijk. samengesteld complex. gouden aanfloepen. kaduuk worstelen. compositie complex. arend goudvis gulden. toonzetting. dus. mat. smart vriezen afmatten. bedroeven droefheit. kwaad kapot. samengesteld toondicht. verdriet. fronsen verdriet. zich aftobben verminderen.złość złośliwość złośliwy złośliwy złośliwy złośliwy złota moneta dziesięciodolarowa złota rybka złoto złoty złoty złoty (polska waluta) złowić złoże złożenie złożenie skład złożony złożony z dwóch jednakowych elementów złożyć złożyć (np. ontkomen. gouden gulden. składany stolik w pociągu) złożyć składany stolik w pociągu złudzenie zły zły zły zmagać się zmaleć zmarnowany zmarszczka zmartwienia zmartwienie zmartwienie zmartwienie zmarznąć zmęczenie zmęczony zmiana zmiana zmiana adresu zmiana kierunku zmiana strumienia magnetycznego na cal zmianą zmielony zmieniać zmieniać zmieniać gramschap. redigeren. toch ontsnappen. hartzeer. bergen. ook weer. insluiten opbergen. boosaardig. afbeulen vermoeid. gouden gulden. aangaan afgeven. begoocheling. aanflitsen. beproeving smart. bodem. slecht. ontgaan verschuiving achtergrond. moe veranderen. illusie kwaad. opstellen . deponeren. anders maken verschuiving afleidingsmanoeuvre ergo. ondergrond afwisselend veranderen. in bewaring geven complex. boosheid. spartelen. boosaardig. verdriet. grond. toorn trots kwaadaardig. gehavend. afjakkeren. toornig. kwaadaardig adelaar. nijdig. samenkomen. kwaadaardig afschuwelijk hatelijk. bijeenkomen opbergen. hatelijk boosaardig. bergen. anders maken opmaken. insluiten drogbeeld. gouden gulden. samengesteld vergaderen. hatelijk. beroerd. defect. leed leed. stuk. afnemen verspild rimpelen.

mengen. afnemen afdraaien. veranderen afleiden. bevangen. nachtduivel. sensueel verdicht. verlagen afname dalen. verlagen inkorten. illusoir betekenis. beschaamd maken penarie. schemerdonker. slagen anders maken. samenkomst. knelpunt. bedeesd temperen. kleiner worden. samenspanning halfdonker. afwisselend dageraad. veranderlijk. bijeenkomen vergaderen. veranderen afwisselend bekeren anders maken. weekmaken. bedeesd reduceren.zmieniać zmieniać (się) zmieniać kolejno zmieniać liczbę zmieniać się zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) zmienić zmienić się zmienić (się) zmienić kierunek zmienna związana zmienny zmienny zmienny zmienny zmierzch zmierzch zmierzch zmieszać zmieszać zmieszać się zmieszanie zmieszany zmniejszać zmniejszać się zmniejszenia zmniejszenie się zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć (się) zmniejszyć napięcie zmoczyć zmonopolizować zmontować zmontować (urządzenie) zmontowanie zmora zmowa zmrok zmrożony zmuszać zmuszać zmylić zmysł zmysłowy zmyślony wijzigen. hinder blo. schemerdonker blo. modificeren afwisselend klaarspelen. bevangen. noodzaken stuwen bedrieglijk. dwingen. matverplichten. zich verpozen bedaren. bijeenkomen meeting. opkopen vergaderen. afgelasten in de week zetten. verstrooien wisselend. incubus komplot. luwen ontbinden. samenkomen. denkbeeldig. wellustig. mixen beschamen. halfdonker halfdonker. vermengen. bekoelen. veranderen anders maken. doorkomen. zin zinnelijk. herleiden afdraaien. veranderen anders maken. schemerdonker mat. annuleren. fictief . timide. timide. aanbreken van de dag schemer. inkrimpen. schemer. anders maken wisselend. veranderlijk. benardheid. weken accapareren. afwisselend afwisselend afwisselend veranderen. bijeenkomst angstdroom. schemer. verminderen verslappen. samenkomen.

voorteken. beroemdheid kapitaal. voorteken. invoeren gemiddeld kennen. teken port. relatie. asterisk mijlpaal aard. figuurlijk doel. kennis. teken kogel voorbode. voorteken. asterisk sterretje. teken nauwgezet. vaan. voorteken. frankering. tel aanzienlijk dundoek. relatie. teken sterretje. betekenisvol voorbode. porto muntstempel tal. accuraat voorbode. vlag geruim. voorteken. karakter. uitstekend. karakter. kwakzalver doel. geaardheid voorbode. bekend zijn met vinden. tekenen dundoek. treffen. voortgang hebben. aantreffen situeren. kunde kennis. pit voorbode. tekenen zaadkorrel. geaardheid merken. korrel. nauwkeurig. hash table mieszać znak nowej linii znak odstępu znak sterujący transmisją znak unikowy znak wodny znak zabezpieczający znak zapytania znak zastępowania znak zastrzeżony usługi znak zgłoszenia znakomitość znakomity znakomity bedrieger. voorteken. moment. plan. teken aanleggen beroemd persoon. strekking veelbetekenend. leggen. gebeuren kennis. aanzienlijk importeren. plaatsen toegaan. bekend zijn met kennen. aanmerkelijk. bekende aard. aantal. bevinden. relatie. vermogen eminent. aanzienlijk . bedoeling. vaan. plan. ogenblik. getal oneigenlijk.znachor znaczący znaczący znaczek znaczek pocztowy znaczek pocztowy znaczenie znaczenie znaczenie znaczenie przenośne znacznie znacznik znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) znacznik stanu klienta znacznik znak towarowy znaczny znaczyć znaczyć znać znać się na znajdować znajdować lokalizować znajdować się znajomość znajomość lokalnych warunków znajomość rzeczy znajomy znak znak znak znak znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. bekende bekendheid. vaan. strekking oogwenk. charlatan. vlag merken. teken voorbode. bekende kennis. bedoeling. vlag dundoek.

afhalen. krenken. achterstallig vinden. vergenoegd.znakomity znaleźć znaleźć znaleźć ukojenie w czymś znamię znawca znawca znęcać się znęcanie się zniechęcać zniechęcić zniesienie zniesławić znieść znieść (na dół) znieść niewolnictwo znieść yć zniewaga znieważać znieważać zniewolenia znikać zniknięcia zniknięcie znikomy zniszczenie zniszczenie zniszczyć zniszczyć zniweczyć zniżka znosić znosić znowu znowu znużony zobacz zobacz <be> zobacz <content> zobaczyć zobowiązanie zobowiązanie bitowe zobowiązując zobrazować zodiak zoo zoolog zoologia onbetaald. beuzelachtig. luizig afbraak. aantreffen baseren. blussen. bereidvaardig uitbeelden. affronteren gescheld beledigen. oordelen. dierenriem dierentuin dierkundige. opnieuw vervelend ontmoeten. voldaan ontmoeten. aantreffen are. vierkante decameter tevreden. verjagen afschrikken. plicht bereidwillig. belasteren afschaffen afschaffen afschaffen maag beledigen. wijken verdwijning verdwijning onbeduidend. affronteren lijfeigenschap. berechten gescheld gescheld afschrikken. aantreffen verplichting. plicht verplichting. duren. krenken. vernielen afname te wachten staan. ontmanteling. verjagen afschaffing roddelen. nogmaals van voren af aan. wachten beklijven. grondvesten. treffen. bevinden. dierkunde . verwoesten. van voren af aan. verbeelden. vernielen doven. nogmaals. kwaadspreken. uitdoen. aantreffen merken. herendienst verdwijnen. sloop vernietiging vernietigen. verwoesten. bevinden. treffen. zoöloog zoölogie. tekenen deskundig beoordelen. funderen vinden. afbeelden zodiak. aanhouden opnieuw. uitblussen vernietigen.

nakijken. raam een miskraam krijgen. odpowiedzialności) zrzekać się zrzekać się (sterowania) zrzeszać się zrzędzić zrzut zmian (zawartości pamięci) zsiadać zsługa zsumować dodać zszyć zszywka zuchwały Zulus zoölogie. examineren inspuiten. klamp brutaal. afreizen havenen. afbreken lotsbestemming. aansluiten mopperen. opgeven gemeen. regelen. injecteren doen. toekomen. aan de schouder brengen nuchter barsten. aanwakkeren. het veld ruimen. lijst. neerleggen. plukken. bestemming. lot bedanken. omlijsting. ontslagname. verdienen aanvuren. splijten. begrijpen. vastnaaien haakje. kramp. bedrijven. aurora. scheuren afrukken. stout Zoeloetaal. aansporen aanzetten. organiseren Aurora morgenlicht. beseffen aanhouding. ontslagneming afstand. morren. arrestatie aanleggen. afleggen. morgenrood Aurora morgenlicht. aangifte. aanmaken. ontslagneming bedanken. bief afschrikken. stoutmoedig. toegeven zich aaneensluiten. beschadigen. afstand doen afstaan. bederven biefstuk. mislukken uittreden. aftreden. Zoeloe . ontslagname. bedanken prijsgeven. maken en begrijpelijk. onzedelijk afsnauwen declaratie.zoologiczny zorganizować zorza zorza zorza polarna zorza polarna zostać zostawać zostawać zostawić zranić zraz zrazić zrąb aplikacji zrezygnować zrezygnować zrezygnował zrezygnował zrobić afront zrobić pętlę zrobić przerwę zrobić sekcję zrobić zapas zrobić zrzutkę zrozumiałem zrozumiały zrozumieć zrozumienie zrównać zrównoważony zryw zrywać (kwiaty) zrządzenie losu zrzec się tronu zrzeczenie się zrzeczenie się (np. neerleggen. verjagen kader. morgenrood logeren achterblijven. verder op reis gaan. bevattelijk bevatten. kankeren. nablijven overig. afstand doen afstand. sputteren stortplaats afstijgen waard zijn. gedurfd. aannaaien. aurora. nietje. uitspraak pauzeren onderzoeken. dierkunde uitschrijven. immoreel.

verwantschap informeren. afgaan. referentie eerbiedigen. tuberculose voeren. luchtband binnenband. beest troetelen. wegen.zupa zupą zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie obcy człowiek zupełny zupełny zupełny zużycie zużycie energii zużywać zwabić zwabić zwalczać zwariowany zwarty zważać Zważyć. verdorren . verwant bond. toevertrouwen spel verflensen. perfect. respecteren verrekken. volledig uitdrukken volkomen. kwijnen. dragen. radicaal helemaal. koesteren. berichten. straat Annunciatie. afwegen Zweeds zeeëngte. vertroetelen dierlijk dierlijk vertrouwen. associatie familiebetrekking. intellect het gewicht bepalen. associatie verwijzing. heel. inlichten bond. consumeren lekker. Maria-Boodschap voorbode. luchtband vertrouwen. in optima forma longtering. totaliter grondig. dicht verstand. belemmeren geurig. voorhebben slopen. tegenwerken. toevertrouwen dominion dierlijk dier. voorteken aanverwant. opzoeken binnenband. enkel. bloot compleet. kanaal. nauw. aromatisch compact. ontwrichten. volkomen. afgaan. genootschap. tering. genootschap. verstuiken spoken tournee. finaal louter. luchtpijp. geest. rondreis bezoeken. aanlokkelijk lokken dwarsbomen. luchtpijp. opzoeken bezoeken. verbruiken. brengen. odważyć zwedzki zwężać (się) Zwiastowanie zwiastun związany związek związek związek związek typu "jeden do wielu" związek typu "jeden do wielu" związek zawodowy zwichnąć (staw) zwiedzać zwiedzać zwiedzać zwiedzanie zwierak anty nadawanieodbiór zwierak anty nadawanie-odbiór zwierzać się zwierzchnictwo zwierzę zwierzę zwierzę zwierzę pociągowe zwierzęcy zwierzyć się zwierzyna zwiędnąć soep soep alles wel beschouwd heel.

teruggeven reproduceren.zwiększać zwiększać (się) zwiększanie wyposażenia zwięzły zwięzły zwilżyć zwinąć zwinny zwlekać zwlekać zwłaszcza zwłaszcza zwłaszcza zwłoce zwłoka zwłoki zwodniczy zwodzić kogoś zwolennik zwolnic wolny zwolnić zwolnić (tempo) zwolnić kogoś z pracy zwolnienie zwołać zwołuj zwołuj zwoływać zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) zwornik zwój zwój zwracać powrót zwracać się (<sb> do kogoś) zwrotnikach zwrócić (do repozytorium) zgłosić się zwrócić pieniądze zwrócić uwagę zwycięstwa zwycięstwo zwyciężyć zwyczaj zwyczaj zwyczajnie zwyczajny zwyczajny zwykle vermeerderen opdrijven. ineenstorten. uitlaten. beknopt vochtig instorten. convoceren aanspannen. doordringend aarzelen. vooral. guur. teruggeven adresseren keerkring affiche. overwinning victorie. enkel. los. bijeenroepen. zege. bobine hergeven. bloot gewoonlijk . ontzetten. ophogen uitzetting. uiteenvallen bijtend. tappen. weergeven victorie. dubben verdagen. reproduceren. verheffen. klos. gewoonte. zich verpozen ontzetten. onbelemmerd verslappen. reproduceren. plakkaat hergeven. royeren. overwinning veroveren usance. convoceren aanschrijven uitschrijven. bijeenroepen. bondig. kadaver bedrieglijk. gebruikelijk louter. lossen ontslaan. aanhouden. illusoir begoochelen. royeren aanschrijven uitschrijven. kreng. vlot. kort kernachtig. schoorvoeten. uitstellen inzonderheid inzonderheid. bobine klos. zege. aanplakbiljet. open. kort. expansie kortstondig. illusies wekken bij leden onbezet. ontslaan loslaten. fel. het juk opleggen gedachte spoel. spoel. inzonderheid neiging tot uitstellen vertraging lijk. gebruik douane gewoonlijk gewoon. in het bijzonder in het bijzonder.

verbasteren inflatie zaagvormig zaagvormig verdienste. prooi verdienste. wel.zwykle tekstowe zwykły zwykły zwykły zwykły zwykły papier zwykły tekst zwymiotować zwyrodnieć zwyżka (cen) zygzak zygzakowaty zysk zysk na akcję zysk na akcję i ekwiwalent akcji zysk na akcję i ekwiwalent akcji zyskać zyskać zyskać na czasie źdźbła źdźbło źdźbło (trawy) źdźbło trawy źle źle źle zastosować źle zrozumieć źle/nieudolnie kierować (instytucją itp) źrebak źródła źródła źródła źródło źródło mocy sterowane cyfrowo źródło upuszczania źródło zasilania ż żaba żabą żaden żaden żaden żaden (w zdaniach przeczących) żaden z dwóch żaden z nas żagiel żakiet żal gewoonlijk onopgesmukt. foutief. colbert. kwel. wortel schieten bron. gewin kling. buit. niet niks. gebruikelijk spugen. buit. wortel schieten wijfje. onbedekt. gewin buit maken. nee. naakt algemeen. wel. kotsen degenereren. ontaarden. verdriet. een of ander. wel. lemmet kling. behalen acquest. welput bron. winst. gewin acquest. bloot. buit. winst. winst. lemmet schrijden slecht onjuist. gemeenschappelijk gewoon. welput bron. nee. geen zier zeilen jasje. geen. lemmer. aangeboren gewoon. kwel. geen zier neen. niet neen. lemmer. lemmer. wel. afkomst. kwel. niets. welput bron. gemeenschappelijk ingeboren. aanwinst. kikvors een of andere. niets. baat. noch niks. aanwinst. aanwinst. verkeerd begrijpen slecht pony oorsprong. niemendal. baat. niemendal. prooi verdienste. lemmet kling. welput aanslaan. herkomst aanslaan. kikvors kikker. buis leed. enig evenmin. kwel. vrouwtje kikker. verkeerd misverstand misvatten. baat. braken. gebruikelijk algemeen. geen. smart . overgeven. prooi acquest. verkrijgen.

claimen opeisen. trek trek hebben in. verzoeken opeisen. prikken. beuzelarij boerten. verzendend. aanvragen.żal żal żal żalić się żaluzja żałoba żałosny żałosny żałość żałować żałować żałował żałował żar żarcia żarcie żarcie żargon żargon techniczny żarliwy żarłoczny żarówka żart żart żartować żartować żartować z kogoś żartowniś żarzyć się żądać żądać żądać żądać informacji żądania żądania żądania żądanie żądanie żądanie danych żądanie informacji dochodzenie żądanie zaprzestania EGP żądanie zaprzestania EGP żądanie znacznika czasu żądła żądło żądny żądza żądza betreuren. peer boerten. vurig. droefheid klagen. harlekijn in gloed staan. schertsen. verzoeken vragen. happig. rekenen. bejammeren tot inkeer komen. lampje. steken pikken. priemen. pots. grol. rooien boerten. grap bagatel. moeten. claimen inspectie houden. inroepen. pots. bepaling aanspraak maken op. begeren . rekenen. behoeven. grol. inkeer bedroefdheid. steken dorstig graagte. hoeven aanspraak maken op. bejammeren berouw. berouw hebben betreuren. smart. wee betreuren. delven. lamp. grap jargon. beklagenswaardig betreurenswaardig. gekscheren mop. bejammeren tot inkeer komen. vereisen. claimen vragen. blaken opduikelen. spijtig ach. futiliteit. schertsen. aanvragen. grol. taaltje gloeiend. gloeilamp. priemen. kwinkslag. eisen vragen. prikken. inroepen. gretig ampul. conditie. boetvaardigheid. kwinkslag. verterend begerig. gloeien. behoeven. eisen voorwaarde. verzoeken aanspraak maken op. opgraven. vereisen. gloeien. zijn beklag doen luik rouw erbarmelijk. clown. belust. claimen pikken. gekscheren hansworst. taaltje jargon. grap mop. gekscheren mop. blaken aanspraak maken op. hongerigheid. eetlust. eisen opeisen. pots. inroepen. moeten. kwinkslag. vereisen. berouw hebben in gloed staan. inspecteren nodig hebben. schertsen. rekenen. hoeven nodig hebben. aanvragen. verkiezen.

bedelen schooier. vrouw huisvrouw. teken. bewijs spieken. zeeman navigeren zeilen navigeren navigatie adieu. lust. hartstocht passie. afkijken spieken. kaartje menen. pijnlijk. teken. naaktslak adstructie. deerlijk. smartelijk oogst oogst maag eikel storten. roes. ribbel. vrouwtje raaf bikken. getrouwd van zijn stuk brengen. tot. eega. vaarwel ijzeren ijzeren ijzeren ijzeren gehuwd. nerf. hartstocht plaatsbewijs. roes. bewijs adstructie. lust. janmaat.żądza żądzą że że że żeberka żebrać żebrak żebro żeby żeglarstwo żeglarz żeglować żeglować żeglował żegluga żegnaj żelastwo żelazka żelazko żelazo żenić się żenował żenując żeński żerować żeton żeton żeton żeton kontrolny żłobek żłób żłób żmija żmudny żniwa żniwo żołądek żołądź żołd żołnierz żona żona prowadząca dom żonaty żonaty facet/domator żongler żonglerka żonglować passie. ribbe tegen. getrouwd gehuwd. stranden schooien. stellen dat aan de grond lopen. dooreenhalen verwarrend wijfje. dokken soldaat echtgenote. voor navigatie varensgezel. bedelaar rib. vermoeden. naar. bak. afkijken drenkbak. biljet. aan. krib. gemalin. getrouwd jongleur jongleren jongleren . afbikken slak. betalen. vrouw des huizes gehuwd. uitbetalen. eetbak. bij. trog adder zeer.

kraan courant. gunstig vriendelijk. levende have. krant as snel. bruut. toegenegen. druk. tor. dierlijk oeros kauwen kauwen kever. kudde. endosseren. begeren.żonglowanie żólty żółć żółtaczka żółty żółw żółw (kursor w języku Logo) żrący żubr żuć żuć gumę bez przerwy żuk żuraw żuraw (także ptak) żurnal żużel żwawo żwawy żwawy żwir życie życiowy życzenie życzenie życzliwość życzliwy życzliwy życzliwy życzyć życzyć sobie żyć żyć z kimś w niezgodzie Żyd Żyd żydowski żyjący żyjący żyletka żyła żyłą żyrafa żyrafą żyrandol żyrant żyroskop żyrować (weksel) żyto żywe srebro jongleren geel gal benijden. luchter endossant. onschuldig goedgezind. kraan hijskraan. veestapel scheermes marmeren. grind leven. geestig. kras. rap snedig. spoedig. dagblad. trek hebben in voorkomendheid. aderen giraffe giraffe kroonluchter. haastig. wenden rogge kwikzilver. trek hebben in verkiezen. trek hebben in bestaan resideren. joods levend vee. jaloers zijn op. gevestigd zijn. gezwind. ad rem gruis. Hebreeër Hebreeuws. kroon. kwik . gravel. liefheid goedaardig. joods jood. huizen Hebreeuws. schildvleugelige hijskraan. begeren. steengruis. gevat. begeren verkiezen. levendig. hachje vitaal trek hebben in. verkiezen. gauw kwiek. aderen marmeren. voorkomend verkiezen. begeren. overdrager gyroscoop gireren. misgunnen geel schildpad schildpad beestachtig. ruw.

vurig.żywica żywicą żywiciel rodziny żywić żywić żywić żywić do kogoś urazę żywioł żywiołowy żywiołowy żywność żywność żywopłocie żywopłot żywot żywotny żywy żywy żywy żywy inwentarz żyzny hars hars kostwinner recipiëren eten. gerecht haag. bestanddeel. verlevendigen vee. vreten voeden voeden element. heg. hachje vitaal levend bezielen. steg leven. kudde. meeslepend. bikken. heg. veestapel smeuïg. spijs. pittig vruchtbaar . steg haag. beginsel elementair spontaan eetbaar eten. etenswaar. gebruiken. levende have.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful