Pole1 "spamować" (adj) nijaki 25 funtów a zdumiony abakus abdykacja abdykować abecadła abecadło aberracja aberracją abiogeneza abnegacja

abolicją abolicjonista abolicjonizm abonamencie abonament abonencie abonent abonent (telefoniczny) abonent wywołujący program żądający abonował aborcja aborcją aborygen abrutto absencja absencją absolutnie absolutny absolutny absolutny błąd podstawy czasu absolwencie absolwent absorbcją absorbować absorbował absorbując absorbujący absorpcja zakłóceń kosmicznych abstrahowanie abstrakcie abstrakcie abstrakcja abstrakcja abstrakcja proceduralna

Pole2 doen toekomen, sturen, opsturen nihil, nul pony ampère telraam, abacus afstand, ontslagname, ontslagneming bedanken, neerleggen, afstand doen alfabet, ABC, eerste beginselen alfabet, ABC, eerste beginselen aberratie, afwijking aberratie, afwijking abiogenesis versterving, abnegatie afschaffing tegenstander van slavernij anti-slavernijbeweging abonnement abonnement abonnee abonnee gebruiker bezoeker geabonneerd zijn op abortus provocatus, abortus abortus provocatus, abortus Australische inboorling, aboriginal vettig, vet absenteïsme afwezigheid, absentie, mangel beslist, absoluut, ten enenmale absoluut, onvermengd onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt absoluut, onvermengd afgestudeerd, gediplomeerd afgestudeerd, gediplomeerd absorptie, opslorping in beslag nemen, opslorpen, absorberen in beslag nemen, opslorpen, absorberen fascinerend, boeiend, betoverend fascinerend, boeiend, betoverend absorptie, opslorping abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract begrip, abstractie

abstrakcyjny abstrakcyjny typ danych abstynencja abstynencją abstynent absurd absurd absurdalny aby aby ostrzegać academic ACC accusativus aceton acetylen ACH ach adaptacja adaptacją adapter adapter wejścia/wyjścia adaptować adaptował adaptował adaptował adaś ADDR adepci adepcie adiectivum adiunkcie adiunkt adiutancie adiutant ADMIN administracja administracja administracja państwowa administracja publiczna administracją administracyjny administrator administrator administrator organizator administrować administrować administrowanie admirał

abstract, afgetrokken abstract, afgetrokken geheelonthouding, abstinentie terughoudendheid, onthouding knutseaar, amateur, dilettant onding, absurditeit, ongerijmdheid nonsens, onzin, zever, gekheid dwaas, ongerijmd, onzinnig, absurd gedurende, onder, terwijl, staande entstof, vaccin, vaccine trap, mate, graad accumuleren, ophopen, opeenhopen accusatief, vierde naamval aceton acetyleen och, ach, oh, ah oh, ah, och, ach modificatie, bewerking, aanpassing modificatie, bewerking, aanpassing bewerker bewerker afstemmen, aanpassen, adapteren afstemmen, aanpassen, adapteren bewerkt, aangepast arrangeren, aanrichten, ordenen Adam adresseren aanhang, leden student bijvoeglijk naamwoord, adjectief opvoeden, onderwijzen lector adjudant, ordonnansofficier adjudant, ordonnansofficier beheerder, administrateur administratiekantoor, bestuur administratiekantoor gouvernement, regering, overheid administratiekantoor, bestuur administratiekantoor bestuurlijk, administratief beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur besturen, administreren, beheren administreren, beheren, besturen administratiekantoor, bestuur admiraal, vlootvoogd

adnotacja adnotacją adnotacją adopcja adopcją adoptować adoptował adoptował adoptowany adoracja adoracją adorator ADR adrenaliną adres adres ATM adresacie adresat adresatka adresować adv adv adverbium adwent adwersarz adwersarz adwokacie adwokacie adwokat adwokat adwokaturą aeroport afekcie afekt afekt afektacja afektowany aferą aferą affront Afganistan afgańczyk afisz afisz aforyzm afront afryce Afryka

aantekening, commentaar aantekening, commentaar plaatsbewijs, biljet, kaartje adoptie, aanneming adoptie, aanneming zich eigen maken, adopteren zich eigen maken, adopteren aangenomen, geadopteerd aangenomen, geadopteerd aanbidding, adoratie aanbidding, adoratie bewonderaarster, vereerster adresseren adrenaline adresseren adresseren geadresseerde geadresseerde geadresseerde adresseren direct, overeind, rechtop helemaal, heel, finaal adverbium, bijwoord advent tegenstander tegenstander adviseren, aankondigen, bekendmaken verdediger, pleitbezorger, advocaat pleitbezorger, advocaat, verdediger verdediger, pleitbezorger, advocaat belemmeren, afsluiten, afdammen luchthaven aandoen, aangrijpen affect, emotie, aandoening droefheit, hartzeer, beproeving aanstellerij, onnatuurlijkheid aangedaan, aangegrepen zaak, aangelegenheid, ding, affaire konkelen, intrigeren, bekonkelen beledigen, krenken, affronteren Afghanistan Afghaans aanplakken aanplakbiljet, plakkaat, affiche aforisme, spreuk, kernspreuk afsnauwen Afrika Afrika

Afrykanin afrykańczyk afrykański agawa agencie agencie agencja Agencja Ochrony Środowiska agencją agendą agendą agent agent agent ubezpieczeniowy agentura agitować aglomerat agonia agonią agrafka agrariusz agrarny agregacie agregat agregat v agregować agregować agresja agresją agresor agresor agrest agresywny agresywny agromadzenie agromadzenie ah aimponować akacja akacja riusz akademia akademia akademia usz akademią akademicki akapicie akapicie akapit akceleracja

Afrikaans Afrikaans Afrikaans agave vertegenwoordiger, dealer, agent gedeputeerde, afgevaardigde agentschap agentschap agentschap tak, aftakking departement vertegenwoordiger, dealer, agent verkoper vertegenwoordiger, dealer, agent agentschap agiteren, opruien, ophitsen, opstoken agglomeraat doodsangst, doodsstrijd, agonie doodsangst, doodsstrijd, agonie veiligheidsspeld agrariër, landbouwer agrariër, landbouwer aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat agressie agressie aanvaller aanvaller kruisbes, klapbes agressief aanvallend, offensief samenscholing vergadering, zitting och, ach, oh, ah indruk maken op, imponeren acacia acacia academie, hogeschool, genootschap college academie, hogeschool, genootschap academie, hogeschool, genootschap akademisch, academisch artikel, paragraaf branche, vak, tak artikel, paragraaf versnelling, acceleratie

akceleracją akcelerator akcelerator liniowy akcencie akcent akcent akcent akcentować akcent riusz akcentować akceptacja akceptant akceptować akceptował akceptował akceptował akces akcesoria akcesoria akcesoria panelowe akcie akcie akcja akcja tunelowa akcją akcją akcją akcjonariusz akcydent akcyzą aklamacja aklamacją aklimatyzacja aklimatyzować się akolita akomodacja akomodacją akompaniamencie akompaniament akompaniator akompaniować akompaniował akompaniując akord akord akordeon akr akr (ok. 0.4 hektara) akr dytacja

versnelling, acceleratie accelerateur, gaspedaal, versneller accelerateur, gaspedaal, versneller accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen beklemtonen, accentueren accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen aanvaarding, aanneming, onthaal acceptant accepteren, aanvaarden accepteren, aanvaarden aanvaard, erkend, gangbaar beamen, billijken, goedkeuren aanwinst, acquest, buit, prooi accessoires bijkomstig, bijbehorend, bijkomend accessoires doen, bezig zijn, ageren, handelen actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe veldtocht, campagne bewerking, operatie, ingreep actie, aandeel aandeelhouder ongeluk, accident, ongeval verbruiksbelasting, accijns bijval, acclamatie, toejuiching bijval, acclamatie, toejuiching acclimatisering acclimatiseren acoliet, altaardienaar compromis aanpassing begeleiding, accompagnement begeleiding, accompagnement begeleider, metgezel vergezellen, accompagneren, begeleiden vergezellen, accompagneren, begeleiden ingesloten, bijgaand accoord, overeenstemming accoord, overeenstemming, akkoord trekharmonika, accordeon acre acre acre

akredytować akredytował akrobacie akrobata akrobatka akrobatyczny akrobatyka akronim akropol aksamicie aksamit aksjomacie aksjomat aksjomat wyboru akt akt akt przemocy akt ślubu akt urodzenia akt zgonu akt zgonu akta aktor aktor teatru kukiełkowego aktorce aktorka aktorstwa aktówka aktualnie aktualności aktualny aktualny aktywa aktywiście aktywność aktywność dysku twardego aktywny aktywny szablon aktywować akumulator akumulator akumulator litowy o dużej pojemności akumulował akupunktura akustyczny akustyczny akustyka akuszerce

accrediteren accrediteren kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat acrobatisch acrobatiek acroniem Acropolis fluwelen fluwelen grondstelling, axioma grondstelling, axioma grondstelling, axioma doen, bezig zijn, ageren, handelen aanklacht, beschuldiging huwelijk, echt, echtverbintenis doen, bezig zijn, ageren, handelen geboorte dood, overlijden, sterfgeval naakt, onopgesmukt, onbedekt, bloot dossier, bestand speler, komediant, acteur speler, komediant, acteur toneelspeelster, actrice toneelspeelster, actrice podium, bestuur, tribune, leiding boekentas, theca, aktentas tegenwoordig nieuws, nieuwigheid, nieuwtje afdoend, effectief, doeltreffend actueel, tegenwoordig bedrijvende vorm, actief, bezit onruststoker, agitator, activist actie, gedoe, optreden, handeling actie, gedoe, optreden, handeling werkzaam, actief, bedrijvig werkzaam, actief, bedrijvig wachten, afhalen, te wachten staan accumulator, accu accu, accumulator accumulator, accu accumuleren, ophopen, opeenhopen acupunctuur acoustisch, akoestisch acoustiek, geluidsleer, akoestiek acoustiek, geluidsleer, akoestiek vroedvrouw, verloskundige

akuszerka akwarela akwarium alarm alarm alarm przeciwlotniczy alarm słyszalny alarm w systemie administrowania siecią alarmować alasce Alaska Albania albanią Albańczyk albański albo albo albumina ale ale męczą wzrok) ale zgrabne) alei alei aleja aleja aleja aleja alejka Aleksandria alert alfabet alfabet brajla alfabet brajla alga algebra algebrą Algierczyk Algieria algierski algorytm alibi aligator alkohol alkoholik alkoholowy alkowa alokować alokować

vroedvrouw, verloskundige aquarel, waterverfschilderij aquarium alarmeren, aanslaan, alarm slaan kwiek, druk, kras, levendig, rap kwiek, druk, kras, levendig, rap alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan Alaska Alaska Albanië Albanië Albaans, Albanees Albaans, Albanees ander of eiwit, proteïne maar, doch nog maar, doch dreef, laan vallei, dal steeg wreken, wraak nemen dreef, laan straat steeg Alexandrië kwiek, druk, kras, levendig, rap alfabet, ABC, eerste beginselen blindenschrift, braille braille, blindenschrift alge, wier, zeewier algebra, stelkunde algebra, stelkunde Algerijns Algerije, Algerië Algerijns algoritme alibi alligator drank, alcoholische drank, alcohol alcoholist, drankzuchtige, zuiplap alcoholist, drankzuchtige, zuiplap prieel verloten, loten verzenden

Alpy altana altana altanka alternatywa alternatywą alternatywny alternatywny alternatywny aluminiowy aluminium aluminium aluzja aluzja aluzją amancie amant amator amator herbaty amazonce Amazonka ambaras ambaras ambasada ambasadą ambasador ambicja ambicją ambitny ambona amboną ambulans amer. <fagot> ameryce Ameryka Amerykanin amerykański amerykański orzech biały amfiboliczny niepewny amortyzacją amortyzator amortyzować amortyzować (wstrząsy) amper amper amputacja amputować amputował

Alpen zomerhuisje, zomerhuis zomerhuisje, zomerhuis prieel keus, alternatief, keuze keus, alternatief, keuze afwisselend afwisselend keus, alternatief, keuze aluminium aluminium aluminium toespeling, zinspeling zinspelen toespeling, zinspeling vriendin, vrijster, geliefde, minnares vriendin, vrijster, geliefde, minnares knutseaar, amateur, dilettant knutseaar, amateur, dilettant Amazone Amazone penarie, knelpunt, benardheid, hinder penarie, knelpunt, benardheid, hinder ambassade ambassade ambassadeur, gezant ambitie, eerzucht ambitie, eerzucht ambitieus, eerzuchtig kansel, leerstoel, katheder kansel, leerstoel, katheder ambulance, ziekenauto, ambulancewagen mutserd, brandstapel, mutsaard Amerika Amerika Amerikaans Amerikaans Amerikaans dubbelzinnig, dubbelslachtig aflossing, amortisatie, afschrijving schokbreker in beslag nemen, opslorpen, absorberen afbetalen, afschrijven, aflossen ampère ginds, er, aldaar, daarginds, daar wegneming, amputatie afzetten, amputeren, wegsnijden afzetten, amputeren, wegsnijden

amsterdam amulecie amunicja amunicja amunicją analfabecie analfabeta analityczny analityczny analiza analiza wrażliwości analizą analizować analizować analizował analogia analogiczny analogowocyfrowy analogowo-cyfrowy ananas AND iloczym logiczny Andy anegdocie anegdocie anegdota aneks aneks anemia anemia anemiczny anemiczny anemon angażował Angielka angielski angielski policjant Anglia Anglia (arch. lub poet.) anglią Anglicy Anglik Anglosas anglosaski Angola angolą angora angorą ANI

Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum aantrekkelijkheid ammunitie, munitie ammunitie, munitie ammunitie, munitie ongeletterd, analfabetisch ongeletterd, analfabetisch analytisch analytisch analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyseren, ontbinden, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden pariteit analoog, overeenkomend, gelijksoortig bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging ananas en Andesgebergte, Andes anekdote, anecdote etage, verdieping anekdote, anecdote bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein bloedarmoede, anemie bloedarmoede, anemie bloedarm bloedarm anemoon verloofd, geëngageerd Engelse Engels Engels Engeland, Albion Engeland, Albion Engeland, Albion Engels Engelsman Angelsaksisch Angelsaksisch Angola Angola Angora, Ankara Angora, Ankara evenmin, noch

inrichting. inrichting apparaat. niet engel engelachtig vernietigen. vernielen geest alcoholische drank. bloemlezing interval. geen. drank engel engel fotografische plaat. afkeer. naamloos. aloud. apparaat apparaat. tussenruimte antropoloog biefstuk.ani ani anielski anielski anihilować animusz animuszach anioł Anioł Pański anoda anonimowy anons anormalność anormalny antarktyczny antena antologia antologią antrakcie antropolog antrykocie antycypował antyczny antyk antyk antylopa antylopą antymilitaryzm antypatią antyseptyczny anulować anulować anulować anulować anulował anuluj Apache Apacz aparacie aparacie aparat aparat aparat telegraficzny aparatura aparaturą aparaturą apartamencie apartamencie apartament neen. hulpmiddelen. stel appartement. afgelasten afbestellen apache. ra antologie. flat appartement. ongenoemd aankondiging. verkondiging afwijking. flat . spriet. camera apparaat. straatschuimer apache. mislukken ontbinden. nee. straatschuimer apparaat. afgelasten afbestellen nihil. nul ontbinden. plaat anoniem. stelletje. alcohol. antiek ouderwets. prejudiciëren ouderwets. inrichting hulpmiddelen. bief anticiperen. verwoesten. voelhoorn. antipathie antiseptisch middel een miskraam krijgen. set. bloemlezing antologie. inrichting machinerieën complet. hulpmiddelen. tegenzin. hulpmiddelen. inrichting fototoestel. flat appartement. annuleren. hulpmiddelen. annuleren. aloud. antiek oudheid antilope antilope pacifisme hekel. kiektoestel. abnormaliteit abnormaal Zuidelijke IJszee antenne.

flat apache. roemen. afdak appartement. toepassing aanwending. vierkante decameter Arabier Arabisch Arabier Arabisch akkoord. hongerigheid. acclamatie. scheidsrechter . toepassing aanwending. verdediger apostel. een stuk of. goedkeuren farmacie. acclamatie. toepassing verzoeker. lusteloosheid flegma lusteloos. hongerigheid. circa bijval. billijken. verheerlijken. administreren. eetlust. lusteloosheid apathie. een beroep doen op mond. dofheid. advocaat. straatschuimer apathie. een beroep doen op appelleren. artsenijbereidkunde farmacie. apathisch appelleren. prijzen beamen. melig. beheren besturen. trek trek hebben in. voorvechter apostrof. afkappingsteken aanwending. toejuiching sanctioneren. maatregel arbiter. verkiezen.apartament apartament na szczycie budynku apasz apatia apatią apatią apatyczny apel apelacja apelować apertura apetycie apetyczny apetyt apetyt apetyt applaud aplikacja aplikacja zaplecza aplikacją aplikant aplikować aplikował apokalipsa apokalipsą apologią apostolskość apostoł apostoł apostrof apostrofa app approx. fijn. afkappingsteken apostrof. aanvrager besturen. artsenijbereidkunde apotheker. administreren. eetlust. hongerigheid. gat. begeren graagte. trek aanwending. zendeling pleitbezorger. eetlust. toejuiching loven. w przybliżeniu aprobacie aprobacie aprobata aprobata aprobować aptece apteka aptekarz ar (100 metrów kwadratowych) Arab arab arab (koń) arabski aranżacją arbiter arbiter luifel. trek smakelijk. lekker graagte. toepassing ongeveer. farmaceut are. bekrachtigen bijval. een beroep doen op appelleren. dofheid. scheidsrechter arbiter. beheren Openbaring van Johannes Openbaring van Johannes verontschuldiging missionaris. opening graagte.

oordelen. eigenmachtig arbiter. scheidsrechter arbiter.arbiter arbiter arbiter arbiter (w handlu) arbiter magistrali arbitralnie arbitralny arbitrator zadań archaiczny archanioł archipelag architekcie architekt archiwa archiwum archiwum archiwum dyskowe archiwum wieloczęściowe arcybiskup arena areną areną areszcie areszcie areszt areszt aresztancie aresztować aresztować aresztowanie Argentyna argentyną Argentyńczyk argentyński argumentował aria arizoną arktyczny arkusik arkusz arkusz (papieru)formularz arkusz kalkulacyjny armacie armacie armata armata armia armią beoordelen. arrestatie acht. archipel architect. bouwmeester architect. geweer heerschaar. aandacht verdenken aanhouding. berechten arbiter. verouderd aartsengel eilandengroep. scheidsrechter scheidsrechter. vel briefkaart vormen. disputeren. arrestatie reserveren. legermacht . krijt. kettingzang. leger. scheidsrechter archaïsch. beugel. kampplaats wal. ophouden. krijt. aangaan canon. vuurmond roer. kanon. scheidsrechter naar willekeur willekeurig. kampplaats arena. aanhouding aanhouding. piste. piste. Arctica. attentie. aartsbisschop arena. legermacht heerschaar. arrestatie Argentijns Argentinië Argentijns Argentijns twisten. arrestatie arrestatie. ring aanhouding. kettingzang. vuurmond roer. leger. vel blad. bouwmeester archief archief archief archief archief metropoliet. detineren aanhouding. formeren. kanon. arbitrair. Arctis blad. geweer canon. arbiter arbiter. krakelen lucht Arizona Noordpoolgebied.

arrogant geur. summa rekenkunde. kunstmatig artiest. edelen aristocraat rekenkunde. totaal. samenkomen. cijferen rekenkunde. cijferkunst. cijferkunst. arterie aderverkalking. aroma geur. bijeenkomen samenscholing asfalt asfalt asfalt betekenen. cijferen rekenkunde. aanmatiging arrogantie. cijferen somma. cijferkunst. aroma geurig. behang slagader. kunstenaar artistiek.arogancja arogancją arogancki aromacie aromat aromatyczny arras arteria arterią arterioskleroza artykuł artykuł (w czasopiśmie) artyleria artylerią artysta artysta estradowy artystyczny artyście Aryjczyk aryjski arystokracie arystokracja arystokrata arytmenyka arytmetyce arytmetyczny arytmetyka arytmetyka arytmetyka dużej precyzji arytmetyka zmiennopozycyjna arytmetyka zmiennoprzecinkowa as as far as I remember asekuracją asekurował asemblacja warunkowa asembler asembler adresowania bezwzględnego asembler skrośny asembler wbudowany asemblować asemblowanie protokół asemblowania zestaw asfalcie asfalt asfaltować ASG ASGN arrogantie. cijferkunst. dagvaarden betekenen. verzekering behoeden. aanmatiging aanmatigend. cijferen rekenkunde. arteriosclerose handelsartikel. cijferen aas aas assurantie. cijferkunst. cijferen rekenkunde. dagen. arterie slagader. artillerie artiest. cijferen rekenkunde. kunstenaar artiest. kunstenaar Arisch Arisch aristocraat adel. artillerie geschut. beschermen samenscholing assembler assembler assembler assembler vergaderen. dagen. cijferkunst. artikel bijdrage geschut. aromatisch wandtapijt. kunstig. bedrag. dagvaarden . cijferkunst. som.

aantasten. aanvallen aanvallend. atheïsme studio acht. dokument.ASM asocjacja asocjacją aspekcie aspekt aspiracje aspirancie aspirant aspirował aspiryna aspiryną asterysk astma astrolog astronaucie astronauta astronom astronomia astronomią asygnował asymilował asysta asystencie asystent asystent pokładowy asystował atak atak atak atak sieci komputerowej atak znanym tekstem jawnym atakować ateizm atelier atencją Ateny Ateńczyk ateński atest atestować atestował atlantycki Atlantyk atlas atlas atlecie atleta atletyczny assembler bond. astronomie sterrenkunde. passend. genootschap. aantasten aangrijpen. aspirant ambiëren. adjunct. aspirant kandidaat. certificeren betuigen. geschikt in zich opnemen. aamborstigheid astroloog. genootschap. stuk getuigen. sterrenwichelaar astronaut. aantasten aangrijpen. helper aanvullend helpen. astronoom sterrenkunde. associatie bond. air. aanblik aanzien. attentie. astronomie gepast. aantasten. accompagnement assistent. asterisk astma. schijn. bedrijf. schijn. sollicitant. ruimtevaarder astronaut. aandacht Athene Atheens Atheens acte. verzekeren Atlantische Oceaan Atlantische Oceaan Atlas kaartenboek. eerzucht kandidaat. offensief inblikken aanvallen. aanblik ambitie. ruimtevaarder sterrenkundige. dingen naar. adjunct. associatie aanzien. najagen aspirine aspirine sterretje. akte. bijstaan aanvallen. air. aanvallen godloochenarij. helper assistent. sollicitant. atlas atleet atleet atletisch . assimileren begeleiding. assisteren.

dampkring.atletyka atmosfera atmosfera absolutna (jednostka ciśnienia) atmosfera techniczna (jednostka ciśnienia) atom atom (podstawowe pojęcie języka Lisp) atom akceptorowy atomowy atrakcja atrakcją atrakcyjność atrakcyjny atramencie atrament atrament magnetyczny atrapą atrybucie atrybut atrybut przypisanie atrybut złożony ATTN attycki attycki attycki attyka attyka attyka atucie atut (w kartach) aucie audiencja audycja audycja radiowa audycją audyt aukcja aukcją aurą Australia australią australijczyk australijski Austria austriacki Austriak austrią atletiek. sfeer. dampkring. aangaan bijvoeglijke bepaling. omroepen checken. attribuut tekenend. weder Australië Australië Australisch Australisch Oostenrijk Oostenrijks Oostenrijks Oostenrijk . atomair aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aanlokkelijk. vendu. controleren auctie. vendu. auditorium uitzenden. veiling weer. kenmerkend. mijn. aflezen. gehoor. afslag. afslag. wagen toehoorders. sfeer. attribuut bijvoeglijke bepaling. sfeer. karakteristiek bijvoeglijke bepaling. veiling auctie. mijn. dampkring. atmosfeer lucht. aandacht dakkamertje zolderkamer Attisch dakkamertje zolderkamer Attisch troef troef auto. atmosfeer lucht. attribuut acht. attentie. atmosfeer atoom atoom acceptant atoom-. omroepen uitzenden. aantrekkelijk inkt inkt inkt aanfloepen. krachtsport lucht. weersomstandigheden. omroepen uitzenden. aanflitsen.

bedenker. echt. gezag mandaat. bedenkelijk. beïnvloeden autoriteit. toneel. automatisch werktuiglijk. onvervalst oorspronkelijk. klas soort. klasse.autentyczny autentyczny autentyk auto auto autobiografia autobiografią autobus autobus autobus piętrowy autograf autokar Automatically Programmed Tools Language automatyczny automatyczny program syntezy autonomiczny autor autor autor treści autoramencie autoramencie autoramencie autorytatywność autorytecie autorytecie autorytet autoryzacja autoryzacją autoryzować (np. catastrofe schade aanrichten. autosnelweg. onderwijzen autobus handtekening. slag. wagen autobiografie autobiografie autobus opvoeden. ondertekening opvoeden. autoriseren machtigen. bevoegdheid. onvervalst. schaden flop. bevorderen promoveren. bedenker. fiasco. bevoegdheid. machtiging machtigen. aard drukletter dictatuur autoriteit. bevorderen storing kwestie. machtiging grote weg. autoriseren mandaat. auteur. zelfwerkend. automatisch autonoom. aanpakken. zelfbesturend schrijver. machtiging mandaat. volmachtigen. schrijver. gezag invloed hebben op. twist. onderwijzen taal werktuiglijk. volmachtigen. promotie gaan naar. auto auto. tafereel. schepper stand. tableau riskant. auteur. ramp. dispuut roeien scène. strijd. dostęp) autoryzował autoryzowanie autostrada autostrada awans awansować awansować awansować (kogoś) awansował awanturą awanturą awanturą awanturą awanturniczy awaria awaria awaria awaria zasilania authentiek. origineel automobiel. naderen promoveren. bevoegdheid. waar authentiek. bevorderen promoveren. gewaagd onheil. genaken. debâcle crisis . onafhankelijk. snelweg bevordering. echec. zelfwerkend. stilist schrijver. verkeersweg autobaan. schepper auteur.

oma oma. binnen. antipathie raad. totdat. voor tot. attentie. kas. schaden tegenzin. afbeulen. kas. onderzoeken studie scanderen inspectie houden. ontleden onderzoeken. inspecteren speurwerk. binnen. asiel. fonds tot.awarią awersja awizo awizował Azja azjacie Azjata Azjata azjatycki azjatycki azyl azyl (polit. grootmoeder oma. vluchteling ergo. met vrouw koek. spoorweg Bagdad broek. examen. stam spoor. analyseren. examineren onderzoeken. grootmoeder afjakkeren. afkeer. benauwdheid ontbinden. grootmoeder grootje. nagaan. aankondigen. afmatten herder acht. dus. ook weer. voor geldkist.) azylancie aż aż aż aż do aż do aż do/o ile ażeby ażeby babą babce babce babci babcia babka babsko bacą baczność bać się badać badać badać badać badać badać sprawdzać badać zapytywać badania badanie lekarskie badanie zabezpieczeń bagaż bagaż bagażnik bagażnik bagażowy Bagdad bagna schade aanrichten. om. totdat. raadgeving. bekendmaken Azië Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch toevluchtsoord. onder. op. voor gedurende. drasland . hekel. angst. asyl uitgewekene. advies adviseren. binnen. toch geldkist. asyl toevluchtsoord. moeras. onderzoek bagage bagage laars boomstam. nagaan exploreren. exploreren. nakijken. tot. totdat. speurtocht recenseren. aandacht beklemming. asiel. jegens. moer. fonds tot. bespreken keuring. terwijl. staande te. cake oma.

troep. rotzooi moes. luchtballon janboel. afgezaagd. alledaags. danspartij bal. drasland. moeras. bekken. fladderen Balkan Baltische Zee golfslag afgodsbeeld sneeuwpop afgoderij. verband zwachtel. bende schare. afgodendienst afgoderij. bundel kussen bende. moer bajonet bajonet broek. verhaal. vijver byte byte onderwijzeres. troep. afgodendienst bamboe afgezaagd alledaags. wis. rommel. luchtballon ballon. kolk.bagna bagnecie bagnet bagno bajce bajce bajcie bajka bajora bajt bajt (8 bitów) bakałarz bakteria bakterią bal bal balast balaście balecie baleron balet balią balkon balon balon (także butla szklana) bałagan bałagan bałamuctwa Bałkany Bałtyk bałwan bałwan bałwan bałwochwalstwa bałwochwalstwo bambus banalny banalny banał banan banda bandaż bandaż bandażować bandą bandą bandą bandą broek. banaal banaal. schooljuffrouw. bende zwachtel. troep. bende bos. danspartij ballast ballast ballet ham ballet vont. brij. relaas. moer fabel vertelsel. vertelling byte fabel waterplas. moeras. verband schare. disorde. pap aan de scharrel zijn. troep. schare . lerares bacterie bacterie bal. banaan schare. afgezaagd pisang. drasland. kom balkon ballon.

keet kazerne lamsvlees schapevlees schapevlees schalks. barak. wreedaard onmens. debâcle bankroet vermorzelen. loods. ondeugend. barbaar. barbaars boot. tevreden.bandera bandyta bandzior bandzior bandzior bandżo baner (reklama na stronach WWW) bangladesz banjo bank bank bank terminologiczny bankiecie bankiet banknot banknot bankrucie bankructwa bankrut bankrutować bańka bańka (np. bijster. verbrijzelen borrelen borrelen ampul. fiasco. vlag struikrover. uitspanning belemmeren. feestmaal bankbiljet. chem. afsluiten. heel. marge. mydlana) bańka lampy elektronowej bar bar (pierw. barbaar. rand bank banket. vergenoegd jammer genoeg.) bar bistro bar samoobsługowy bar z zakąskami barak barakach baranek baranina baraniną baraszkował barbarzyńca barbarzyńcą barbarzyński barbarzyński barce bardziej bardzo bardzo bardzo dobry bardzo mała impedancja bardzo mi miło bardzo nieprzyjemny bardzo wolno się poruszać bardzo zniszczony dundoek. intrappen. dundoek. bijzonder . café schuur. heel. briefje bankbiljet. lamp. bijzonder onbetaald. echec. bar. gammel erg. bandiet struikrover. helaas smakeloos. vele erg. achterstallig voldaan. wreedaard onmenselijk. afsluiten. olijk. vaan. dartel onmens. briefje bankroet flop. peer herberg. schuit meer menig. afdammen drenkplaats. lampje. afdammen belemmeren. veel. wreedaard onmens. jammer. bijster. smaakloos aftands. uitspanning herberg. bandiet gangster rover banjo vaan. bouwvallig. gloeilamp. vlag Bengaals banjo bank kant. feestmaal banket. barbaar.

spelen. markt. aak. kleuren schakering. beugel barrière. bende belemmeren. staf stok. hek. katoen uitvoeren. marktplaats. zwembad zweminrichting. afsluiting. baseren gronden. kleuren verf bruin ton. kunde baseball reservoir. baseren gronden. kleuren verven. overgaan. bazaar. afdammen stok. hek. drukmeter verven. vat. staf baud katoenen weefsel. baseren gronden. marktplein marktplein. baseren markt. heining schouder platboomde schuit. afsluiting. heining kleppen. voorspelen sport buffel. klinken. afsluiting. marktplaats gronden. afsluiten. vergaarbak zich aaneensluiten. karbouw gronden. nuancering verven. baseren gronden. hek. gaan barrière. kennis. baseren . aansluiten zwembad dok zweminrichting. heining barrière. bazaar. zolderschuit schouder barman barometer. zwembad basisbaars toren accu.barek (taki na kółkach) bariera bariera dyfuzyjna bariera Schottky'ego barierą bark barka barki barman barometr barwa barwa barwa barwa żywa barwą barwnik barwnik brunatry baryłka bas base baza wiedzy baseball basen basen (pływacki) basen pływacki basen portowy basen w budynku basen(ik) w budynku BASIC basista baszcie bateria baterią baton batucie batuta baud bawełna bawić się bawić się bawół baza baza podstawa część podstawowa baza lotnicza baza replik baza uziemiona bazar bazar bazą trolley. fust baars bekendheid. accumulator horde. nuance. kleuren verven.

biefstuk basisbasisBeiroet boeren.bazą bąbel bąbelek bąk beczce beczka beczka befsztyk beginner's allpurpose symbolic instruction code beginner's all-purpose symbolic instruction code Bejrut beknąć bekon belą belce beletrystyka Belg Belgia belgią belgijski belgrad belka belka stropowa bełtać benzyna benzyna benzyna benzyna benzyną beret berlin Berno bessą bestia bestią bestseller beton betonować betonowy bez bez bez końca bez określonego porządku bez potrąceń bez przygotowania bez sensu grondslag. vat. onbeduidend . spaak balk. spaak balk. fust ton. extreem. beest dier. afvallen. ontbloot van tot in het oneindige buitensporig. trommel. storten dier. ribbe. aankondiging onbetekenend. netto-. paardehorzel ton. verdichtsel. net. advertentie. oprispen spek straal. grond. base blaar borrelen brems. bewegen gas benzine benzine benzine benzine bestseller Berlijn Bern vallen. verbeelding Belgisch België België Belgisch Belgrado straal. onderlegger fictie. daas. neervallen. onderlegger aangrijpen. ontroeren. bus. fust rol. vat. beest bestseller beton beton beton sering gespeend van. excessief netto. basis. trom bief. ribbe. duidelijk bericht.

overeind. rotzooi lichtzinnig. zekerheid pand. overeind. met ogenblikkelijk. ijdel. radio . geweldig anoniem. weledel. vrij. besturen ogenblikkelijk. lampepit safe. onderpand kousje.bez smaku bez szwu bez zająknienia bez zakłóceń bez znaczenia bez życia bezbarwny bezbronny bezcelowy bezcenny bezceremonialny bezeceństwa bezgłos bezgłośny bezgraniczny bezimienny bezkrwawy bezład bezład bezmyślny bezmyślny bezmyślny beznadziejny beznadziejny beznadziejny stan bezowocny bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwo bezpieczeństwo bezpieczeństwo zespołu bezpieczeństwo zespołu roboczego bezpiecznik bezpieczny bezpłatnie bezpłatny bezpłatny bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni adres pamięci bezpośredni natychmiastowy bezpośrednio bezpośrednio bezpośrednio żarzona katoda bezprzewodowy smakeloos. geruisloos. borgstelling. open. stomp verschrikking. per. prompt direct. prompt ogenblikkelijk. behouden. smaakloos naadloos tikken liefelijk. borgstelling. onwaardeerbaar bot. rustigheid. goedgehumeurd leeg. onbezet onpeilbaar. rust. recht. los. vlot. lont. zoet. live. rechtstreeks door. rechtop dadelijk. onderpand pand. wuft goedgeluimd. onbelemmerd ere-. wanhopig vergeefs. weledelgeboren mennen. richten. frivool. prompt direct. wanhopig radeloos. borgstelling. geborgen. ondoorgrondelijk radeloos. rechtop draadloze. borgstelling. stilte stil. zacht onbetekenend. open. zekerheid pand. hulpeloos nutteloos. onbruikbaar onschatbaar. nutteloos bescherming veiligheid. gruwel kalmte. onmiddellijk direct. gruweldaad. naamloos onbloedig verwardheid. disorde. onbeduidend saai. dirigeren. onderpand veiligheid. muisstil. onderpand pand. geluidloos gigantisch. lusteloos vervelend waar niet aan te doen valt. enorm. rommel. verwarring janboel. veilig ten geschenke onbezet.

trom uiterste wil. oningevuld. wit blanco. traag. hinken.in. aldoor. wit bijbel Bijbel bijbel Bijbel bibliografie boekerij. bus. kundig. werkeloos bang. bibliotheek vloeipapier beting doorroeren. onbruikbaar waardeloos. roeren toejuichen. verbond. werkloosheid werkloos. afzijdig neutraal. voor eeuwig nutteloos. mank lopen bokkig absoluut. wywołania procedur białka białko białko oka biały Biblia Biblia biblią biblią bibliografią bibliotece biblioteka bibuła bicie bicz bić waar niet aan te doen valt. nooddruftig capabel. bekwaam ouderloos eiwit. bij voortduring eeuwig. geluidloos naadloos permanent. bekwaam capabel. nietswaardig. testament nagekomen behoeftig. bezorgd. kundig. blank. vest werkeloosheid. bibliotheek boekerij. proteïne eiwit. onvermengd beige beige rol. onpartijdig.bezradny bezrękawnik bezrękawnik bezrobocia bezrobocie bezrobotny bezsenna (noc) bezsilny bezsporny bezsprzecznie bezstronny bezstronny bezszmerowy bezszwowy bezustannie bezustannie bezużyteczny bezwartościowy bezwład bezwładny bezwładny bezwstydny bezwzględny beż beżowy bęben bęben magnetyczny będą będący następstwem będący w potrzebie będący w stanie coś zr będący w stanie coś zrobić bękart (m. trom rol. klaar toegegeven neutraal. geruisloos. licht. berooid. onpartijdig stil. hulpeloos hel. blank. afzijdig. hulpeloos hemd herenvest. energieloos kreupel lopen. muisstil. oningevuld. trommel. werkloosheid werkeloosheid. bus. beducht. trommel. proteïne blanco. voos verlamming bewegingloos. ongerust waar niet aan te doen valt. omroeren. bij acclamatie benoemen .

kampen. narigheid. cursus. blank. overschot biljartspel. voorrijden ellende. biljart biljet. smulpartij. aanneming Lucifer. plaatsbewijs. spoor afdruk. beoefenaar kuil Pool buikloop. beklagenswaardig erbarmelijk. voetspoor. beoefenaar deskundig stromend. verlangen. wit blanco. beoefenaar adept. strijd voeren bikini saldo. aanstoten adept. pulseren strijden. treden strijden. armoe gebrek. schrijden. spoor stappen. blank. beklagenswaardig tracé. aanhanger. kaartje biljet. diarree polair blanco. strijd voeren afranselen aanrijden. kaartje slaperig biljet. aannemen vormsel. Satan festijn. paadje afdruk. route. zin erbarmelijk. wit linnen grote waterval.bić bić bić brawo bić się biec bieda biedą biedą biedni biedny bieg przez płotki biegacz biegać (dla zdrowia) biegły biegły biegły biegły (<in sth> w czymś) biegły w biegun biegun biegunka biegunowy biel biel równoenergetyczna bielizna bielma biernik bierzmować bierzmowania bierzmowanie bies biesiadą bieżący bieżni bieżni bieżnia bieżnik bijatyce bikini bilans bilard bilecie bilet bilet bilet wizytowy binarne (pliki) binarny wektor sterujący binary separating plane tree n drzewo afranselen kloppen. lust. kaartje binair binair boom . aanhanger. staar accusatief. toestoten. aanneming vormsel. voetspoor. vierde naamval bevestigen. oningevuld. feestmaal. leergang. misère. kampen. koers hardloper een duw geven. oningevuld. armoede wens. gelag actueel pad. begeerte. aanhanger. lopen. plaatsbewijs. plaatsbewijs. vloeiend adept.

oningevuld. rijden. vervlogen kantoor boezem. nog eens bisschop ontmoeten. beha. nazeggen beting bitmap treffen. blanco. borst Byzantijns aangelegenheid. blank vormen. levensbeschrijver bioloog ontvanger Birma bis. schriftuur bureau.h. schitteren . wit dalen. karren verloren. formeren.. ding bizon edelsteen. slag. oningevuld. aantreffen herhalen. kantoor kantoor gaan. blank vormen. formeren. bustehouder boezem. varen. verenigingsorgaan bureau. zaak. kamp treffen. vlammen zonneschijn zonlicht zonneschijn flikkeren. kantoor kantoor bediende. blanco. afnemen vervagen wit. kwijt. slag. affaire. lessenaar geschrift. kantoorbediende lezenaar. gevecht. lessenaar lezenaar. flakkeren. aangaan wit. borst b. edelgesteente. kamp bulletin. strijd. strijd. gevecht. kleiner worden. oningevuld. blank.dwójkowego podziału przestrzeni binary space partition tree biodro biograf biolog biorcą birmą bis biskup biskupstwo bisować bit bitmapa bitwa bitwą biuletyn biura biura biuraliście biurka biurko biurko biuro biuro Biuro Ochrony Rządu biuro rzeczy znalezionych biuro usług (poligraficznych) biust biustonosz biuście bizantyjski biznes bizon biżuteria blacha blady blady jak ściana blaknąć blaknąć blankiecie blankiecie blankiet blankiet blask blask klejnotów blask księżyca blask księżyca blask słońca boom heup biograaf. steen blikken verbleekt blanco. bureel. bureel. aangaan laaien.

katern blokkeren. afdammen blond blond blond blond slijkbord. boezeroen. dichtdoen Europa eerstvolgend. aflevering. dichtmaken. haast. bloes. draagbaar sluiten. dichtmaken. bijkans. aanstaand. wondteken schrift. ontheiligen. smeken. kiel. afkeuren. bijna sluiten. wondteken tweeling tweelingtweelinglitteken. dwaling. afgesloten slot afsluiten. abuis. komend eerstvolgend. komend nabijheid litteken. komend nader eerstkomend. verwant eerstvolgend. vergissing vergissing. dwaling.blaszance blaszka blejtram bliski bliski bliski Bliski Wschód Bliski Wschód i Afryka blisko blisko blisko blisko blisko kogoś blisko kogoś/czegoś bliskość blizna bliźniacy bliźniaczy bliźniak bliźnie bloczek blok blok v blokować blokada blokada ze współużytkowaniem blokadą blokować blokować się blokował blond blondyn blondynce blondynka blotnik bluszcz bluza (część munduru) bluzą bluzą bluzka bluźnierczy bład bład błaga błagać błagać błagać błagać o coś błahostce inblikken metalen brancard. dichtdoen eerstvolgend. abuis bezweren. aanstaand. spatbord. kiel ontwijden. boezeroen blouse. kiel hes. aanstaand. aanstaand. bedelen bagatel. beuzelarij . profaneren fout. naast schier. bidden afsmeken pleiten laken. komend aanverwant. gispen schooien. vastzetten blokkeren. futiliteit. spatscherm klimop tuniek blouse. vastzetten blokkade blokkade blokkade op slot. boezeroen. fout. belemmeren. bloes. berispen.

schicht. aangezien boa dashboard. fout. gloren flitsen. een blik werpen op daar. ver. drasland slik. modder. inzegenen. minder belangrijk achterdeur . fout. klappen. opvallen fout. spatbord. doordat. drek flitsen. flikkeren. gloren bliksem. flits. luizig. stip. wijden zegening. fout. wijden zegenen. moeras. flikkeren. een fout maken misleidend verkeerd. dwaling. slijk.błahość błahy błahy błazen błazeński błąd błąd błąd błąd średni kwadratowy błąd zaokrąglenia błąd zbieżności błąd zbieżności błąd zrównoważony błądź błędny błędny błędny rycerz błędny rycerz błękicie błocie błogosław błogosławić błogosławieństwa błogosławieństwo błona śluzowa błonia błotnik błotnik błotnisty błoto błoto błysk błyskawica błyskawicą błyskawiczny błyskowy błysk błysnąć błyszczący błyszczeć bo boa boazeria bobas bochenek bocian boczek boczek boczne drzwi frivoliteit onbeduidend. haastig. spoedig. spatscherm aangeschoten troebel. abuis. hemelvuur bliksem. inzegenen. modderig broek. slijk. gauw. goedaardig hansworst. modder. hemelvuur gezwind. snotterig algemeen. drek zegenen. mis foutief. dwaling. brood ooievaar spek bij-. zij-. verkeerd. beschot. omdat. abuis aderlating vergissing. onjuist. zegen zegening. dwaling. fout. onjuist. zegen slijmerig. oog mik. clown. moer. onjuist blauw slik. gloren oriënteren. schicht. flits. beuzelachtig onbelangrijk. gemeenschappelijk slijkbord. vergissing dwalen. flikkeren. inwerken een blik werpen. dwaling. abuis. mis verkeerd. harlekijn slaan. abuis Boeg wandluis fout. kloppen. snel flitsen. fout. spikkel. vergissing schuld vergissing. instrumentenbord punt.

fortuinlijkheid rijkdom rijkdom gefortuneerd. heldhaftig ketel. voucher. bokssport bokser beschuldiging. vermogend rijk. zeer doen sleutel rouwzeer. angst erop nahouden. vermogend. speelplaats beschroomd. keer bombarderen Bombay bombarderen bombarderen. stoomketel kampioen. gefortuneerd gefortuneerd. band bon. benauwdheid. zij-. voorvechter bij-.bod bod (bit na sekundę) bod jednostka szybkości modulacji telegraficznej bodziec bogaci bogactwa bogactwa bogactwa bogactwo bogaty bogaty bogaty człowiek bohater bohaterce bohaterka bohaterski boiler boiska boiska boisko bojaźliwy bojler bojownik bok boks boks bokser bolączce boleć boleć nad bolesne przeżycie bolesny bolesny boleść boli mnie głowa bolszewik bomba bomba wodorowa bomba zapalająca bomba zegarowa Bombaj bombardować bombardować bombą bon bon bonifikacie baud baud baud aansporing gefortuneerd. bang ketel. vermogend Fortuna lot. kaartje. rijk. scharrelen akker speelterrein. coupon disconto . held heldin heldin heroïsch. rijk. beschieten. benepen. ver. aanklacht pijn doen. deerlijk. rijk. pijnlijk. bekogelen bombarderen binding. titelhouder. vrijen. waterstofbom maal. hebben bolsjewiek bombarderen H-bom. zeer doen pijn doen. vermogend heros. stoomketel het hof maken. smartelijk beklemming. fortuin. minder belangrijk boksen boksen.

insteken. verwerpen. lust. kiespijn wee. aannemen. pijn God god. spartelen. zorgen voor. absentie. aanvaarden beetnemen. angst wee. begeerte. aanvallen helpen. assisteren. ontberen. kamp pijn doen. benauwdheid. bos kampen. zin . jodenkerk goddelijk bever Castor God god. zeer doen beklemming. verzorgen indoen. gemis. korten. afslaan disconto borax das woud. zeer doen maag zweer hoofdpijn tandpijn.bonifikacie bonifikata boraks borsuk bory borykać borykać się borykać się z boski Bośnia botanice botanika Boże Narodzenie bożek bożnicą boży bóbr bóbr Bóg Bóg bójce ból ból ból ból ból (fizyczny) ból (fizyczny) ból brzucha ból gardła ból ucha ból zębów bóstwo bóstwo brać brać do niewoli brać się energicznie do czegoś brać udział brać udział brać udział brać udział brać udział w brak brak szacunku brak tchu brak wody brak zahamowań moralnych brak związku brak związku aftrekken. godheid gevecht. zeer. echec. beetkrijgen aangrijpen. pijn zweer pijn doen. aantasten. debâcle afslaan. bijstaan verplegen. treffen. steken deelnemen. plantkunde Kerstfeest afgodsbeeld synagoge. verlangen. zeer. slag. plantkunde botanie. meemaken. euvel missen. strijd. meedoen deelnemen. derven schuld wens. meemaken. godheid accepteren. meedoen afwezigheid. zich aftobben nok. vorst goddelijk Bosnië botanie. pakken. worstelen worstelen. afwijzen afwezigheid. fiasco. mangel flop. gebrek.

brakować brama brama brama podstawowa brama wewnętrzna bramą bramce bramka bramka bramka koniunkcji bramka samocentrowana bramka złączowa tranzystora brandy bransolecie bransoleta bransoletka brat brat przyrodni bratanek bratanica bratanicą bratek brawurą Brazylia brazylią brazylijczyk brazylijski brąz brąz (stop metali) brązowy brązowy (kolor) bredni brednie bredzenie brew brew brezencie brnąć broda broda brodawce brodawce brodą brodzić brokuły brona bronić bronić missen. broeder. doelwit. onzin. ontberen. oomzegger nicht nicht driekleurig viooltje stoutmoedig. broer. wit. speen wrat baard spartelen. stout. brutaal Brazilië Brazilië Braziliaans Braziliaans bronzen bronzen bruin bruin rommel. buigen. prullaria. derven draaihek poort draaihek draaihek poort draaihek draaihek doelstelling. zever. doen overhellen waden. gedurfd. puin nonsens. zich aftobben. brandy armband armband armband broer. worstelen brocolie. afval. brandewijn. gekheid delirium wenkbrauw wenkbrauw neigen. honk circuit draaihek poort vuurwater. verweren. broeder zus. brocoli eggen opkomen voor. plassen baard kin tepel. beschermen . doel. flodderen. zuster neef. verdedigen behoeden.

briljant dot. bars. smerig plaveisel. klont. morsig. broche boekje. harnas. klomp. aarde wissel. beestachtig. onbehouwen. commandobrug brug. Brittannië Armorica. ingenaaid boek doorwaden fond. bodem. smerig. dot Groot-Brittannië. fronsen brug. bal. onrein. klont. nors ruw. dierlijk. vuil. broche borstspeld. afkijken diamant glanzend. lumineus. vies. cambio onrein. vies. nurks. morsig. kluit. bruut grof. brochure. prop prop. operatekst paperback. tak wapen bepantsering. klomp prop. libretto. klomp. kuras. vuil. bal. bot beestachtig. beestachtig. bal. cru. bal. kluit. commandobrug brigade leden. smerig vuil. dierlijk. klont. kluit. klont. wegdek bestraten. klomp. aanhang team. vies onrein. ondergrond. plaveien Brussel bruin bruinharig bruinharig ruw. bruut. bruut onaardig. smerig vuil. brochure. grond. Bretagne Pan Brit . onbewerkt. operatekst ordner. ingenaaid boek boekje. morsig. honds. harnas. kluit. ploeg. plaveien bestraten. dot. dot prop. pantser kuras.broń broń broń pancerna broń pancerna broszce broszka broszura broszura broszurą broszurą broszurą bród (rzeczny) brud brudnopis brudny brudny brudzić brudzić bruk brukować brukował brukselą brunatny brunetce brunetka brutal brutalny brutalny brutalny brutalny bruzda bruździe brydż brydżyście brygada brygadą brygadą bryk brylancie brylant bryła bryła (ziemi) bryła ograniczająca bryłą Brytania brytanią brytfanną Brytyjczyk aftakking. map paperback. equipe spieken. ruw. fronsen rimpelen. pantser borstspeld. libretto. dierlijk rimpelen. bepantsering. bestrating.

berkeboom berk. wal. kletteren. laden laden gewicht razen. trilgras bries. klingelen kleppen. morgenrood dageraad. loods. klikken rinkelen. gaan kleppen. zwanger drachtig. schuur. zeekust kust. rooien schoen beuk luifel. overgaan. wal. klappen. kletteren. zoom. klinken. een afschuw hebben van scheermes scheermes citroen boekhouding. trilgras aurora. berkeboom onderlijf. oever.brytyjski bryza bryzą brzask brzask brzask brzeg brzeg brzeg (morza brzeg (morza) brzeg rzeki brzemienna brzemienny brzemienny w skutki brzemię brzemię brzemię brzęczeć brzęczyk brzęczyk brzęk brzęk brzęk brzęk brzmieć brzmienie brzoskwinia brzoza brzózce brzuch brzuch brzuch Brzusiec brzuszny brzydcy brzydki brzydzić się brzytwa brzytwą bubel buchalteria buchnąć bucie buczyną buda Budapeszt budą budą Brits bries. kant kust. brommen. keet . boord. barak. gonzen zoemer klingelen. kletteren. overgaan. rinkelen klakken. kustlijn. schemer. loods barak. morgenlicht. afranselen klingelen. aanbreken van de dag halfdonker. kant bemachtigen. kletteren. afdak Boedapest schuur. klinken. kant. zeekant. boekhouden opgraven. rand. schemerdonker kust. belasten. noodlottig beladen. rinkelen afdrogen. keet. inladen. band drachtig. snorren. oever. fataal. gaan perzik berk. boord. zwanger funest. grijpen boord. kletteren. achterlijf buik buik buik onderbuiklelijk lelijk verafschuwen.

samenstelling. aanleggen oprichten. begroting budget. expediëren weefsel in een lijst zetten. bouwmeester aannemer. inlijsten. constructie bouw. verzenden. construeren bouwen. buffet buffer. telen. waarschijnlijk wekken. bouwen. bumper. fokken. vatten aanleggen. stootkussen buffer. expediëren constructie. aanstoken. afsluiten. drijven uitbundig. bar. aanbouw constructie. kazemat boeddhist boeddhisme bunker. dobberen. aanstoken. aanleggen bouw. buffet veldfles belemmeren. aanbouw aannemer. construeren bouwen. construeren. opwekken irriteren. bouw. bar. bouw. bouquet.budą budce buddyście buddyzm budka budowa budowa okrętów budowa okrętów budować budować budować budować budował budował budową budowla budownictwo budownictwo okrętowe budowniczego budowniczy budowniczy budując budulec budynek budynek budynek sądu budyń budzący zaufanie budzić budzić budzić się budzić wstręt budzić wstręt budżecie budżet bufecie bufecie bufet bufet bufor bufor wyjściowy bufor/multiplekser bujać bujny buk Bukareszt bukiet buldożer luifel. bouwondernemer constructie. aanbouw hout constructie. stichten. begroting tapkast. stootkussen buffer. bouw. verzenden. afdammen tapkast. abundant. bouwen. ruiker. kazemat afzenden. tuil bulldozer . bouw. stootkussen vlotten. copieus. opkweken aanleggen. aanbouw pudding aannemelijk. bouwondernemer architect. bouw. wakker maken. aanbouw afzenden. inrichten opfokken. rijk beuk Boekarest boeket. bumper. ophitsen budget. constructie constructie. bumper. construeren. afdak bunker. samenstelling. ophitsen afkeer inboezemen afkeer inboezemen irriteren.

kazemat muiterij. bourgeoisie burgerlijk kompas kompas heester. biet. kadet afwezige. onlusten. opstand herrie. seksclub. roerigheid. kroot. lamp. stokje. afkammen burgerij.bulwar bulwar bulwą buława buławą bułce bułgar Bułgaria bułgarią bułgarski bułka bumelancie bumelanctwa buncie buncie buncie bungalow bunkier bunt bunt bunt bunt buntować się buntować się buntować się buntował buntował buntowniczy buntownik buntownik buraczek burak burdel burmistrz burza burza z piorunami burzą burzą burzliwy burzyć burżuazja burżuazyjny busola busolą busz but but butelce boulevard. in opstand komen herrie. onlusten. roede broodje. bolletje. roerigheid. rel. muiter. getier oproerling. mangelwortel beetwortel. biet. opstand muiten. muiter. rebelleren. struik laars schoen fles . kadetje. in opstand komen herrie. wandeldek ampul. getier ophitsen. hoerenkast burgemeester. opruien oproerling. kadetje. wegblijver absenteïsme muiterij. peer stok. muiter. grof. gloeilamp. promenade. onlusten. roerigheid. bot. cru afgeven op. opstandig rebel. staf spitsroede. rel. kroot. agiteren. rebelleren. rebel muiten. onbehouwen. muiter. opstoken. kadet Bulgaars Bulgarije Bulgarije Bulgaars broodje. gard. opstand muiterij. rebel beetwortel. oproerling oproerling. afbreken. singel wandeldreef. onlusten. burgervader storm storm storm storm onbewerkt. getier bungalow bunker. mangelwortel bordeel. rel. bolletje. lampje. opstand muiterij. rebel oproerig.

niemendal. helder. in de schuld staan mogelijkerwijs. lijken lijken op. vierkante decameter zijn. mogelijkerwijs. schrander. stel schuldig zijn. wezen schuldig zijn. verkeren. intelligent bijtend. gelijken. geleiden. zoom verstrooid afspiegelen lijken op. brengen. een of ander. versleten onveilig maken afhankelijk. pienter bevattelijk. gezwind. bederven are. rugwaarts dierlijk stier stier hier of daar.butelka butelka dwukwartowa butik butla (gazowa) butwieć być być być dłużnym być do twarzy być komuś coś winnym być może być może być może że być na krawędzi być nieobecnym (na czymś) być odbiciem być podobnym być podobnym (<sb być posłusznym być posłusznym być przewodnikiem być przewodnikiem być równym być stosownym być ubranym być ubranym być utrapieniem być uzależnionym być w obfitości być w zgodzie być wystrzymałym (<against sth> na coś) być wystrzymałym na coś być zaskoczonym bydlak byk Byk (gwiazdozbiór) byle gdzie byle jaki były (szef itp) bynajmniej bystry bystry bystry bystry bystry byt bytać bytność fles fles zaak. fel. misschien. geen zier scherp. horen. mogelijk misschien. passen voeren. guur. mogelijk misschien. stelletje. set. onderhorig in overvloed aanwezig zijn accoord. tegenstreven tegenspartelen. aanzijn bestaan. doordringend haastig. betamen. gelijkmatig behoren. achterwaarts. overeenstemming tegenspartelen. acuut. vergaderen gehoorzamen de weg wijzen. eender. ergens een of andere. aanzijn logeren . in de schuld staan complet. gelijken. enig voorgaand. dragen. rotten. voorbijgaand scherpzinnig. cilinder vergaan. toongevend egaal. niets. mogelijk rand. verrotten. mogelijkerwijs. voorafgaand niks. gelijk. voorhebben op. snel. toonaangevend. lijken samenkomen. verleden. tegenstreven achteruit. winkel rol. leiden leidend. gauw. spoedig bestaan. bijeenkomen.

finaal werktuiglijk. heel. totaal. vermengen bestseller. vol geheel. geheel. over compleet.. zelfwerkend. gans. totaal omvang.bywać wśród ludzi bzik bzyczeć bzykać bzykać c dlaczego c gdzie cacka cal całka całka całkowity integralny całkiem całkiem całkiem całkiem obcy człowiek całkiem przytomny całkiem zwariowany całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie pewny całkowicie stranzystorowany całkowicie tranzystorowy całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity błąd liniowy całokształcie całokształcie całokształt całopalny) całoroczny całościowy całość całość całość łącznie całować całus cały cały cały cały tekst cały z metalu cały z metalu cap temperen. algeheel kiel. vol kelder jaarlijks redelijk. furore razen. waarom waar speelbal. ten volle. bok . vol algeheel. fluiten hoezo. speeltuig duim als lengtemaat onaangetast. vol gans. gonzen razen... geheel. geheel. hes algeheel. mixen. ongeschonden.. totaal algeheel. verwijderd. rationeel algeheel. automatisch geheel. geheel. geheel. integraal onaangetast. door compleet. boezeroen. brommen. absoluut. gans. kussen de hele . ongeschonden. stuk speelgoed. gonzen sissen. totaal gans. compleet. mengen. compleet. door compleet. vol de hele . grootte geheel gans.. ten enenmale alles wel beschouwd volkomen. totaal zoenen. totaliter. integraal alles wel beschouwd volkomen. snorren. door alles wel beschouwd beslist. heel helemaal. geheel. snorren. heel. gans. kussen zoenen. bijster de hele . bijster erg. geit. geheel. totaliter. heen. vol sik. compleet. vol gans.. finaal helemaal. volkomen vandoor. heel. compleet. bestek. heel erg. brommen.

lamp. doelstelling. kenmerkend. gelaatstrek merken. onderwerp. tekenen doelwit. wit merken. schets. gehalte prijs kosten . stenen Ceylon aanleggen werkje. tekenen kenmerken. doelstelling. kerker douane aanleggen gezicht. gelaatstrek karaktertrek. spits gelaatstrek. peer ajuin. gelaatstrek puntig. droombeeld gepast. tablet bakstenen. stenen bakstenen. lampje. peer tekenend. filteren. trek. trek. honk mikpunt. karaktertrek karaktertrek. wit cachot. cel. doelwit. lampje. ding doelwit. trek. ui ampul. doel. cel. gloeilamp. toegeven. lamp. object. tekenen afstaan. ui ajuin. plak. doel. visioen.capstrzyk car caryca ceber ceber cebula cebula cebulą cebulka cecha cecha cecha cecha cecha produktu cecha szczególna cechować cechował cedował cedr cedzak cedzak cedzić cegiełce cegła cegłą Cejlon cel cel cel cel cel cel nieosiągalny cel upuszczenia cela celą celnik celować celownik celowy Celtycki celtycki cemencie cement cementować cena cena cena okazyjna ceną taptoe tsaar tsarina emmer emmer ampul. doel. passend. honk. kerker cachot. geschikt Keltisch Keltisch cement cement cement prijs waarde. gloeilamp. karakteristiek karaktertrek. het veld ruimen ceder vergiet vergiet filtreren. wit. zijgen plaat. karakteriseren. tekening doelstelling. trek. honk.

akte. bobine ruimte. vel. plaats hut.ceną cencie cenić cenić cenić cennik cenny cenny wkład cent cent centrala telefoniczna centralny centralny system przetwarzania centrum centrum usuwania skutków awarii (centrum odtwarzania po awarii) centrum zasobów centymetr centymetr cenzor cera cera ceracie Ceramika cerata cerą cerą ceremonia ceremoniał ceremonią cerować certyfikat certyfikat uprawniający certyfikować cerując cesarstwa cesarstwo cesarz cesarzowa cesją cewce cewka cewka cewka zapłonowa cętce chałupa chałupa chałupą prijs cent achten. binnenste. bedrijf. zeildoek teint. plechtigheid bliksems. dokument. stuk acte. vel. pels. binnenste. spoel spoel. wasdoek. aanwinst cent stuiver. akte. oord. huisje hut. waardevol prooi. keuren teint. bobine spoel. centrum middelpunt. klos. klos. tint dierevel. verzekeren bliksems. imperium rijk. stulp stulp. luchtband bobine. tint dierevel. centrum middelpunt. binnenste. pels. deksels acte. centraal middelpunt. vacht ceremonie. label. keizerrijk. buit. klos. sakkerloot. imperium keizer keizerin opnemen. vacht tafelzeil. gehalte prijslijst kostbaar. centraal middelste. keizerrijk. stuk betuigen. luchtpijp. huid. huid. deksels rijk. plechtigheid etiquette. bedrijf. achting hebben voor schat waarde. dokument. hut . acquisitie. zeildoek aardewerk tafelzeil. wasdoek. etiket ceremonie. afboeken binnenband. penny centrale middelste. sakkerloot. lokaliteit. centrum centimeter centimeter censureren.

scheikunde chemie. chaos chaotisch aard. bevlieging. kenmerkend. karakteristiek tekenend. kuur gaarne. geaardheid aard. gril. zin. karakter. liefdadigheidsstulp. happig. bui. bui. belust. blanketsel. nuk. trek hebben in begerig. windhond charitatief. kenmerkend. kuur bedenken. zin uiterste wil. hazewindhond. verlangen. verbond. baaierd. zich verbeelden bevlieging. geaardheid vezel kenschets tekenend. zich onderscheidend tekenend. stulp vlegel rommel. huisje hut. testament verkiezen. scheikunde chemie. kenmerkend.chałupą chałupą cham chaos chaotyczny char charakter charakter charakterystyce charakterystyczny charakterystyczny charakterystyka charakterystyka indeksowania charakteryzacja charakteryzować charakteryzował chart charytatywny chata chata chata chcieć chcieć chcieć chciwy chciwy chemia chemia radiacyjna chemią chemik chęć chęć chęć chętce chętce chętce chętnie chętniej chętny chętny Chicago Chile chilijski chimera chimera chinina Chiny chińczyk hut. graag Chicago Chili Chileens inbeelding. karakteristiek karakteristiek. karakteriseren. trek hebben in nuk. karakter. warboel. karakteristiek schmink. neiging verkiezen. begeren aanvechting. lust. tekenen beschrijven hazewind. hersenschim. graag eer. chimera Chimaera kinine China Chinees . farmaceut trek hebben in. lust. verkiezen. huisje hut. liever gewillig. gretig. make-up kenmerken. gril. begeerte. hut hut. happig. vrijwillig gaarne. belust begerig. begeren. stulp wens. gretig chemie. begeren. scheikunde apotheker.

landman. krediet. lof.chiński chip chirurg chirurgia chirurgia stomatologiczna chirurgią chirurgiczny chlał chlapać chleb chleb z masłem chlebodawcą chlew chluba chlubą chlubą chlubny chlupocie chłeb chłodnia chłodnica chłodnicą chłodno chłodny chłodny chłodny chłodziarce chłodziarce chłodzić chłonąć chłonny chłop chłop chłop chłop chłop pańszczyźniany chłopak chłopak chłopak chłopiec chłopięcy chłostać chłostał chłód chmarą chmiel chmura chmura Chinees bikken. jongen jongensachtig. jongensafranselen afranselen koud gastheer hinkelen wolk stralenkrans. heelkunde chirurgie. co-. vriesvak koelkast. wondheelkunde. kabbelen. wondheelkunde. samen boer. wondheelkunde. glorie creditzijde. brood mik. plattelander horige. alcoholische drank. jongeling. ver. alcohol klapperen. jeugd knaap. aaneen-. jongeheer jeugdigheid. plassen. kabbelen. brood koelkast. samen-. opslorpen. klapperen mik. glorierijk. heelkunde chirurgisch drank. nimbus . tegoed. heelkunde chirurgie. afbikken heelmeester. credit trots beroemd. klotsen mik. koelcel koelen in beslag nemen. koelcel radiator radiator koud. plassen. chirurg chirurgie. brood werkgever hok roem. absorberen absorberend boer aaneen. lijfeigene boer knaap. glorieus klotsen. jongen borst. beroemdheid. kil afkoelen ververwijderd. verwijderd vriezer. kil koud.

begraven begraven. snurken. al. hoewel. gebrekkig ziek. aandoening ziekte. aandoening vakantie zeeziekte luchtziekte affect. kreupel. wegdek stoep. niet lekker kuilen. kwaal. wel stoppen. knorren.chmura punktów chmurą chochlik chociaż chociaż choć chodak chodnik chodnik chodzić chodzić ze sobą choinka cholera cholera cholerny cholerny chorągiew choroba choroba choroba choroba morska choroba powietrzna chorobą chorobą chorobą chorobą Chorwacja chory chory chory chory na płuca chory umysłowo chowa chowa chować chować chód chód chór chrap chrapać chrapanie chrapce chromy chronić chronić chroniony zabezpieczony chropowatość wolk wolk aardmannetje. krankzinnig. godverdomme vandoor. bloedend vaan. strubbeling. ronken snorken. bepalen hardvochtigheid. vlag ziekte. alhoewel ofschoon. verhinderen. tippelen. hoewel. hardheid . dichtmaken plaveisel. kwaal. moeilijkheid Kroatië ziek. heen. naar verminkt. knorren. ronken neusgat mank. emotie. voetpad. zangkoor snorken. over bloedig. lopen koor. alhoewel. bestrating. alhoewel. ter aarde bestellen vel. verdomd. hinkend beletten. aandoening ziekte. van stapel lopen. knorren. verhoeden behoeden. ofschoon. huid aanspannen treden. dol onwel. beschermen fixeren. dolzinnig. stappen. al. aandoening bezwaar. snurken. lopen kerstboom cholera verdomme. ronken snorken. schrijden. gaan marcheren. trottoir lopen. vacht. al. kobold. tippelen. verwijderd. snurken. hoewel. lopen marcheren. aandoening ziekte. dierevel. kabouter ofschoon. naar gek. kwaal. dundoek. dichten. wel wel. kwaal. bevestigen. rei. pels.

nou. bruut. gedurende enfin. grof. bluffen roem. ogenblik. tja oogwenk. wankelen. roemen. bot. glorie roem. waggelen. ogenblik. moment. komaan. peter. moment. lof. ruw. opscheppen. aarzelen wankel. lof.chropowaty chropowaty chrupce chrupiący chrypieć Chrystus chrzan chrzan chrząszcz chrzcić chrzcić chrzestny chrześcijanin chrześcijański chrześcijaństwa chrześcijaństwo chudy chudy chudy chudy chudy chuj chuligan chusteczce chustka chustka do nosa chwalić chwalić się chwalić się chwała chwałą chwast chwiać chwiał chwiał chwiejny chwil chwila chwila chwila chwila chwila chwila ciszy chwila obecna chwilą chwilą chwilą chwilą beestachtig. lang schragen. tel wiegen minuut oogwenk. verheerlijken. tel terwijl. mager penis apache. schraal. tel minuut oogwenk. juni dopen dopen peetvader. glorie wieden. dierlijk onbewerkt. pochen. mierik zomermaand. snoeven. stutten schraal. ogenblik. opscheppen pochen. naamgever. groot. mager. onbehouwen. oogwenk. nu. notulen. croquant knapperig. staande. proces-verbaal moment. cru knapperig. prijzen bluffen. ogenblik. onzeker. steunen. schraal sprietig. croquant krassen Christus mierikswortel. moment. tel moment. beroemdheid. mierik mierikswortel. wel. ogenblik. schoffelen schokken schokken wiebelen. snoeven. beroemdheid. peet christen christen christendom christendom rijzig. sprietig sprietig. oogwenk. straatschuimer zakdoek zakdoek zakdoek loven. mager. tel spellen . besluiteloos bekeuring.

aangrijpen. in het water vallen missen. grijpen klauw bemachtigen. daadwerkelijk kortstondig morrelen. moment. vlag banketbakkerij. deugdelijk. toch tenzij uitzonderen floppen. even. misgrijpen bouwvallig. friemelen. knippen. bemachtigen beetnemen. nauw dundoek. cake deeg. hand Pan bemachtigen. toog dit. stellen wel. grijpen grijpen. degelijk. scharrelen bemachtigen. vaan. staande. aangrijpen. dit hier carrosserie carrosserie flink. pakken knijper. grijpen bemachtigen. snoeien . tel korte tijd. misgrijpen missen. schaar bemachtigen. nauwsluitend. immers. bemachtigen handdruk. vermoeden. beetpakken. koekbakkerij koek. grijpen waarschijnlijk menen. bekrompen. grijpen grijpen. mislopen. gedurende oogwenk.chwilą chwilka chwilowo chwilowo chwilowy chwilowy chwycić chwycić chwycić w szpony chwycie chwycie chwyt chwyt chwyt chwyta chwytać chwytać chwytać chwytać szczypcami chyba chyba chyba chyba chyba że chybiać chybienie chybiona odpowiedź niezgodność chybotliwy chylić ci ciałka ciało ciało doskonale czarne ciało metody ciało stałe ciało stałe ciasno ciasny ciasny ciasteczko ciastkarni ciastko ciastko ciasto ciasto ciasto ciąć ciąć terwijl. aangrijpen. gammel. streng. eng. ogenblik. snoeien scheren. nauw stipt. zeker. cake zuur koek. gedegen carrosserie carrosserie vlees strak smal. aftands boog. aangrijpen. effectief. krap. mislopen. eventjes tijdelijk werkelijk. scheren. beslag. pasta aanplakken knippen.

kalm. bij voortduring bestendig. steeds permanent. kalm. curieus. aldoor. muisstil. bij voortduring permanent. schets. weetgierig interessant. aanlokken ketting. kalm liefelijk. vloeien. weetgierig vreemd.ciąć ciąć (nożycami) ciąg ciąg znakowy mieszany ciąg znakowy mieszany ciąg znaków ciągle ciągle ciągle ciągły ciągły ciągły ciągnąć ciągnąć ciągnąć ciągnąć losy o ciągnąć ściągnąć ciągnienia ciągnienia ciągnienie ciągnik cichną cicho cicho! cichy cichy cichy cichy cichy (głos) ciec ciecz ciecz cieężarówka ciekawostka ciekawość ciekawski ciekawy ciekawy ciekawy ciekawy ciekły ciekły wodór cielesny cielę cielęcina cielęciną ciemnicą ciemnicą afkraken afkeuren toelachen. kalm rustig. doorlopend gestaag. curieus. kalfsvlees somber. gerust. keten koorde. aldoor. op zijn gemak. duisternis. bekoren. constant. op zijn gemak. stemband. vrachtauto weetgierigheid. truck. vlieten vloeistof vloeistof vrachtwagen. bestendig trekken rukken rukken rukken trekken trekken rukken werkje. nieuwsgierigheid weetgierigheid. immer. rustig bedaard. gestaag. constant onafgebroken. nieuwsgierigheid nieuwsgierig. donker . geruisloos. lopen. typisch nieuwsgierig. geluidloos stil. snaar ketting. gerust. stilzwijgend. keten altijd. vreemd vloeistof vloeistof korporaal kalf kalfsbout. rustig stromen. zwijgend bedaard. belangwekkend typisch. tekening trekker. donker duister. zacht stil. zoet. tractor vervagen rustig. kalfsvlees kalfsbout.

rap. vrachtwagen vrachtwagen. nuancering gloed. nauw. plechtig. laden zwaartekracht vrachtwagen. lijdzaamheid patiënt. geheimzinnig somber. schoon. schakering. klinken. krap. schraal. fit. beugel vrachtauto. fraai schaduwen nuance.ciemnieć ciemno ciemność ciemność ciemny ciemny ciemny ciemny cieniowanie cienki cienki koncentryczny cienki papier cień cień do powiek cień do powiek cień przesłaniać cieniowany cień rówka ciepło ciepły cierń cierpieć cierpieć męczarnie cierpiętnik cierpki cierpkość cierpliwość cierpliwy cieszący się dobrym zdrowiem cieszyć się cieszyć się cieśla cieśnina cieśnina cieśniną cięciwa (matem. blij zijn genieten van. overeenstemming. schraal. dragen naar buiten brengen. blij zijn timmerman smal. donker mysterieus. nuancering schaduwen schaduwen nuance. overgaan. truck. mager net. somber schaduwen sprietig. valide genieten van. truck. nauw zeeëngte. akkoord accoord. dragen bloedgetuige. donker schemerig naargeestig. kanaal. ceremonieel . truck. vrachtauto trolley. snaar kras. akkoord koorde. donker zwartheid duister. druk beladen. vrachtwagen hard drukkend. belasten. bekrompen.) cięciwą cięciwą cięty ówka ciężar ciężar ciężarówce ciężarówce ciężarówka ciężarówka ciężarówka ciężki ciężki ciężki versomberen. fijn. levendig. stemband. mager sprietig. inladen. mooi. martelaar zuur bitsheid geduld. kwiek. vuur warm doorn naar buiten brengen. zieke gezond. overeenstemming. zwaar afgemeten. troosteloos. duisternis. schakering. truck. vrachtauto vrachtauto. donker worden somber. straat kleppen. gaan accoord. eng.

rust. bedaard. slag. vulva slingeren. grof. maagdelijk kuis. verder. daags. strelen. stil. in toenemende mate jaarlijks jaarlijks iets modelleren iets . stilte bedaard. meid hoop. flap. ordinair. zwaaien stil. maandelijks toegegeven iets bovendien. daags. rustig. kerkhof kerkhof. rustigheid. dat. gewoon afbestellen backspace backspace achteruitgaan achteruitgaan backspace iets wat dan ook college uitgebreid betuigen. stil. gewoon vulgair. begraafplaats deugdelijkheid. zedig. rustig. degelijkheid ongerept.ciężki cioci cios cios cios ciotka cipą ciska ciskać cisza cisza cisza cisza (brak wiatru) cizi ciżbą cło cmentarz cmentarz cnota cnotce cnotliwy co co miesiąc co prawda co umożliwia działanie czegoś innego co więcej codziennie codzienny codzienny codzień cofa cofacz cofać cofać się cofnąć się cofnięcie transakcji cokolwiek cokolwiek college cołościowo confirm coniunctio coraz więcej coroczny coroczny coś coś coś zwaarwichtig tante houw. rustig. ordinair. drom. wat maand-. menigte douane begraafplaats. kalm kalmte. voorts. klap fijnhakken aanhalen. massa. swingen. eerbaar hetgeen. swingen. alledaags dagelijks. alledaags vulgair. kalm meisje. verzekeren conjunctie meer en meer. aaien tante kut. rein. kalm bedaard. grof. liefkozen. mep. daarenboven dagelijks. boel. zwaaien slingeren.

verwonderend echtbreker echtbreuk. diabetes onderbinden Moriaan. oppassend suikerpot suikerpot suikerziekte. magie magisch. slim. aanbiddenswaardig wonderbaar. miraculeus wonderbaar. snoepgoed zoet. overspel buitenlander ijselijk. gewiekst. nauwelijks goochelaar toverkunst. overspel echtbreuk. diabetes suikerziekte. zich verwonderen oorspronkelijk. zoetigheid. wonder zich verbazen. listig cybernetica cijfer. afschuwelijk ijselijk. Moor aanbinden.coś innego coś koło tego coś na pocieszenie coś się święci coś w rodzaju coś) coś) córą córka cóż cud cud cuda cuda cudak cudem czegoś uniknąć cudotwórcą cudotwórstwa cudotwórstwa cudowne dziecko cudowny cudowny cudowny cudzołożnik cudzołóstwa cudzołóstwo cudzoziemiec cudzoziemka cudzoziemski cukier cukier syntaktyczny cukierek cukierek cukiernica cukiernica cukrzyca cukrzyca (choroba) cumować cumować cumować cumować curry cwał cwaniactwa cybernetyka cyferce cyferce cyferce iets iets iets iets iets aandoen. cijfer . nummer aantal. aangrijpen iets dochter dochter hetgeen. kwalijk. meren Mauretaniër kerrie galopperen doortrapt. toverachtig wonder aanbiddelijk. tal nummer. dat. zich verwonderen mirakel. afschuwelijk suiker suiker snoep. wat zich verbazen. getal. origineel amper. zich verwonderen zich verbazen.

citeren aanhalen. barbier reservoir. circulatie. soppen nummer. cycloon beklemming. wielrijden circulaire. cilinder blikken blikken cynisch zink zink kaap Kaaps Cyprus circus omloop. getal. noemen aanhalen. wielrijden afranselen fietsen. onderpand. circulatie. citaat aanhalen. rondschrijven wervelstorm. citaat citadel citadel aanhaling. noemen. citeren citroen . noemen aanhalen. nummer nummer. angst. benauwdheid lof. indopen. cijfer zigeuner zigeuner rogge Bohemen sigaar sigaar fietsen. cilinder rol. roulatie pand. cichorei rol. cijfer beting aantal. wielrijden fietsen. citeren. vergaarbak aanhaling. nummer indompelen. wielrijden fietsen. borgstelling kapper. roulatie omloop. tal cijfer.cyfra cyfra cyfra dwójkowa bit jednostka ilości informacji cyfra znacząca cyfra znaku cyfrowe przetwarzanie obrazów cyfrowy Cygan Cygan Cygan cyganeria cygara cygaro cykl cykl magistrali cykl maszynowy cykl zatwierdzania cykl życia obiektu cykliczny cyklon cykor cykoria cylinder cylinder alternatywny cyna cyną cyniczny cynk cynkowy cypel cypel Cypr cyrk cyrkulacja cyrkulacją cyrograf cyrulik cysterna cytacie cytadela cytadelą cytat cytat cytować cytować cytował cytryna cijfer. noemen. citeren.

wagenkap. innemend. tovenaar duivelskunstenaar. innemend. modelleren modelleren. trekpot ketel po pet kapotjas. kom beker.cytryną cywil cywilizacja cywilizacją cywilizować cywilizował cywilny cywilny cywilny (np. tovenares. vrachtcontract bekoorlijk. tovenaar teelaarde. keer . huid pet reiger reiger aantrekkelijkheid toverij toverij vont. kelk duivelskunstenaar. burgerlijk beschaving. horen. te wachten staan horloge. vacht. bedaagd zwart duivelskunstenaar. charmant maal. stadswachten. pels. heks kol. afhalen. tovenares. burgerlijk burger-. handvest. tovenaar feeëriek feeëriek heksen heksen kol. motorkap pet vel. charmant bekoorlijk. heks charter. humus boetseren. bloemkelk. kodeks) czacie czacie czajniczek (klasyczna graficzna baza danych) czajnik czajnik czapce czapka czapka czapka (damska) czapka futrzana z tej skóry czapla czaplą czar czar czar czarą czarą czarnoksiężnik czarnoksiężnik czarnoziem czarnoziem czarnoziem czarny czarny czarny jak smoła czarodziej czarodziejce czarodziejski czarować czarował czarownica czarownicą czarter czarując czarujący czas czas przeszły czas rzeczywisty citroen civiel. beschaven civiliseren. miskelk. toverheks. polshorloge theepot. dierevel. toverheks. beschaven civiel civiel. dienen maal. boetseren zwart hoogbejaard. keer behoren. bekken. beschaven civiliseren. beschaven beschaving. moeten.

aanbidden adoratie. dat. augustus waardig. jaartelling. eerzaam. nutteloos Boheems Tsjechisch Tsjechoslowakije Tsjechoslowakije hetgeen. praten een hinderlaag leggen item. deeltje. deeltje. brief gedurfd. wat mijden. oningevuld. epistel. aanbidding oogstmaand. kostbaar courant. blank te wachten staan. uit de weg gaan. luisteren wachten. wachten. babbelen. te wachten staan wachten. afhalen aanhoren. brutaal vergeefs. stoutmoedig. stout. afhalen. afhalen. deel item. beteugelen cheque wit.czas zapamiętywania czas zapisu czas życia nośników mniejszościowych czas życia obiektu czas życia w IP czasami czasochłonny czasopimo czasopismo czasopiśmie czasopiśmie czasownik czasy czaszce czaszka czat czaty cząstce cząsteczka cząstka cząstka na milion czcić czcić czcigodny czcigodny czcionce czcionka pogrubiona czczy Czech czech CzechoSłowacja Czecho-Słowacja czego czegoś itd. te wachten staan wachten. wielrijden maal. jaartelling. beluisteren. dagblad. te wachten staan zweven wachten. chocolade . keer op een keer. waar zendbrief. afhalen. krant blad. czegoś) czek czek czek in blanco czekać czekać czekać czekać cierpliwie czekać na czekać na aktywację przesunąć (kursor myszki) czekać oczekiwanie czekolada czekoladą plusquamperfectum plusquamperfectum fietsen. betomen. deel molecuul item. afhalen. adoreren. ontwijken aanvliegen bedwingen. deel verafgoden. jaartelling. chocolade chocola. deeltje. blanco. keer maal. te wachten staan chocola. krant krant werkwoord dag schedel schedel keuvelen. eens waardevol. ijdel. krant blad.

boezem afgrond hoezo. kledingstuk gewaad. lopen. donkerrood rood. chocolade zenuw afgrond. hecht. eredienst. pakken. ten dele ten dele. aanbidding menigmaal. juni kleuren. dikwijls. ferm zomermaand. potig. verpakken krioelen. treden bezoeken. stuk. fors. blozend rood. schrijden. gedurig behandelen. onderdeel. vaak menigmaal. motorkap pet inpakken. krielen kers zwart zwartheid zwartheid aftappen toelachen. bocht. wemelen. deels ten dele. verering adoratie. proportie. inham. partieel deel. vaak. gedeelte gewaad. kledingstuk . blozend uitkammen. gedurig. blozen. onderdeel.czekoladka czelność czeluść czeluść czeluść czemu czemuś) czepek czepek czeredą czeredą czereśnia czerń czerń czerń ec czerpać czerpać czerpać (zyski czerpać natchnienie z czerstwy stale czerwca czerwiec czerwienić się czerwienić się czerwień czerwień czerwony czesać czeski czeski czeszce cześć cześć często często częstować częstował częsty części maszyn częściowo częściowo częściowo otwarte połączenie częściowy część część część adresowa rozkazu część arytmetyczna (w komputerze) część krytyczna chocola. bekoren. begeleiden kapotjas. rood worden Vlissingen karmozijn. wriemelen. kolk golfspel. aanlokken aftappen aanboren robuust. kammen Boheems Tsjechisch Tsjechisch cultus. accompagneren. verhouding deel. deels gedeeltelijk. dikwijls. stuk. wagenkap. geregeld bezoeken prieel deels. cureren stappen. waarom vergezellen. golf. juni zomermaand. gedeelte evenredigheid.

toongevend borrel. aanhanger lid. aanhanger lidmaatschap lidmaatschap menselijk menselijk mens koopman. gedeelte hikken boeren. handelaar. een afschuw hebben van kwiek. vergaarbak kruipen kruipen wenkbrauw voorhoofd geleiden. zakenman koopman. de weg wijzen. leiden leidend. sticker reservoir. druk. schuit veertig veertig veertien vier vier stortplaats gevoelig. receptief een afschuw hebben van. zakenman majoor mens leek. ontvankelijk. stuk. knoflook boot. boeren lid.część wstępna (programu) część zapasowa czkawka czknąć czknąć czlonek człon człon człon członek członek załogi członkostwa członkostwo człowieczek człowiek człowiek człowiek energiczny człowiek interesu człowiek noszący coś na sobie człowiek pełnoletni człowiek starszy (wiekiem człowiek wytrwały czołg czołgać się czołgać się czoło czoło czoło czołowy czop czop czosnek czółno czterdziestka czterdzieści czternaście cztery cztery ściany czubek czucie czuć niechęć czuć odrazę czuć się urażonym czuć wstręt czuć wstręt czuć wstręt (do kogoś/czegoś) czujny czułek branche. bestanddeel. lidmaat. bougie look. vak. tak deel. kras. spriet. voelhoorn. aanhanger lid. lidmaat. aperitief ontstekingsbuis. een afschuw hebben van afkeer inboezemen verafschuwen. verafschuwen verafschuwen. lidmaat. oprispen oprispen. rap antenne. niet-ingewijde sluitzegel. handelaar. zetten lid. aanhanger element. toonaangevend. beginsel monteren. ra . levendig. onderdeel. lidmaat. een afschuw hebben van aanstoot nemen aan verafschuwen.

borrelen. wie d'r doen. delicaatheid. helderheid. kuisheid. netto. helder. bedrijven. rein. schoon. bedrijvig afneembaar huur ettergezwel. zindelijkheid helderheid. of. maken beëindigd. schoon. puur. fijn. onvermengd rein. etterbuil op het kookpunt zijn. licht. zindelijk gevoelig. abces. gevoeligheid fijnheid. waarvan. ingeval of tenzij hè. kiesheid aanhalig angst horloge. optreden. puur. handeling. schoon. wanneer. schoon ordelijk net. schoonmaken. koken reinigen. bezig zijn. mooi. schoonmaken. zindelijkheid absoluut. net. ageren. handelen doen. gedoe. gedoe actie. handelen doen. afgewerkt. wie z'n. delicaat. afgelopen zinspelen afschrikwekkend mest actie. nettonetto. duidelijk zindelijk. zindelijk hel. klaar duidelijk. ageren. louteren reinigen. polshorloge vierde donderdag vierde indien. fijn. aanmaken. puur. als. bezig zijn. fraai ordelijk afwasmiddel rein. netto-. gevoel. optreden. iel purgatorium. louteren kuisheid. kies. hetzij welks. handeling werkzaam. klaar.czułostce czułość czuły czupiradła czuwać czwarta (część) czwartek czwarty czy czy czy czy czyj czyn czyn wolicjonalny czynić czynić czynić aluzję czynnik ludzki czynnik zapładniający czynność czynność czynny czynny czynsz czyrak czyrak czystce czystka czystość czystość czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty dwójkowy czysty(alkohol) czyszczący czyścić czyścić czyściec czyta czytać czytance czytelnik sentiment. actief. vagevuur lezen lezen lezer lezer .

handelbaar dadel. over dahlia nader dame lady. verwijderd. materieel. cadeau geven draai om de oren. overkapping plavuis. fat. stadswijk oefenen. eerder. <datum>) leesbaar lezer werkelijk. poj. kwetteren. doorvoeren oefenen. tichel dadel. tjilpen. materiaal grondstof. tegelsteen. vooraan. stadswijk kamers. lel stortplaats schenken. kwetteren veel meest. tichel lei plavuis. materieel. echt. kwast. ververwijderd. jonkvrouw Damascus dame informatie saletjonker. naar. verwijderd verwijderd. vertrekken buurt. ver. vrouw. dactylus afstand. ververwijderd. ver vandoor. nachtvlinder uiltje. indertijd tevreden. dactylus schenken. kwetteren. nachtvlinder buurt. tegel. tjilpen sjilpen. hoogst daarvoor. consigne. ingevolge nader verwijderd. piepen. uil. tjilpen sjilpen. wijk. vergenoegd. drillen sjilpen. drillen aanwijzing. materiaal .czytelny czytnik czyżby? ćma ćma zenia ćwiartce ćwiartek ćwiartka ćwiczenia ćwiczenia ćwiczenia ćwiczyć (się) ćwierka ćwierkać ćwierkać d <much d najbardziej d poprzednio d zadowolony dach dachówce dachówka dachówka dacie dać dać klapsa dać napiwek dać za wygraną daj dający się zarządzać daktyl dal dalej dalej daleki daleki zasięg daleki zasięg daleko dalia dalszy dama dama (także w kartach i szachach) damaszek damą daną dandys ezmięsne dane dane (l. heen. piepen. ver ververwijderd. wijk. cadeau geven inschikkelijk. dam. dandy grondstof. dak. wezenlijk uiltje. instructie aanwenden. blijkens. voldaan kap. tegelsteen. uil. cadeau geven schenken. tegel. piepen. eind langs. oorveeg.

beheren dosis dosis dosis dosis daarvoor. afgelasten begenadigen. vlot. afstammen voeden berichten. voorafgaand eiken. leergang. vergeven schenken. eikehouten . eerder. madeliefje dadel. dactylus schenken.dania dania Dania dania bezmięsne danią danie danina daniną danser dar dar daremność daremny daremny darmowy darować darować darować darować darować (karę) darował daszek daszek (czapki) data data data acquisition and interpretation system data zakupu datagram kadr datek datek datować dawać dawać dowody dawać klapsa dawać na imię dawać narkozę dawać ogłoszenie dawać początek dawać sobie radę/domyślić się dawać znać dawce dawka dawka (leku) dawkować dawniej dawny dąb tracé. uitmaken voor adverteren. tentoonstellen draai om de oren. actueel ontbinden. dactylus boksen naastenliefde. nutteloos onbezet. donatie. top. vergeven straatschuimer. schaal vegetarisch Denemarken schotel. inlichten besturen. annuleren. nutteloos vergeefs. geschenk. apache piek. los. tip. onbelemmerd cadeau geven. informeren. madeliefje dadel. verleden. dactylus meizoentje. cadeau geven tegenwoordig. schatting danseres gift. vooraan. aankondigen. open. menslievendheid bijdrage dadel. ijdel. aandienen het gevolg zijn van. schaal cijns. oorveeg. benoemen. route. cursus. spits meizoentje. lel noemen. schenken begenadigen. cadeau geven belichten. neus. heten. ijdel. actueel luiheid vergeefs. indertijd voorgaand. cadeau tegenwoordig. punt. koers Denemarken schotel. administreren. schatting cijns.

voorzichtig waas. bepalen onherroepelijk. deduceren opdragen. debet dwaas. omschrijving bepaling. motie conclusie. definitie. deficit. misvormd degenereren. spanderen opdragen. nauwkeurig bepalen beslissend. zot. spenderen. slag. spenderen. beslissen. omschrijven. flap. nastreven aandachtig. uitspraak. omschrijving definiëren. verbasteren degenereren. definitief mismaakt. attent. ontaarden. afleiden. malloot idioot debugger debugger besluiten. dons debat discussie. bepalen definiëren. mep. cruciaal besluit. spanderen kastekort. definitie. definitie. nesthaar. beslissing resolutie. beslissing besluit. deduceren abstraheren. uitspraak. gebrek. gevolgtrekking abstraheren. verbasteren degraderen. uitmaken besluiten. finaal. gemis. klap najagen. beslissen. uitmaken determineren. omschrijven. bespreking debat debat debetzijde. ontaarden. declameren . definitief onherroepelijk. debet debetzijde. omschrijving bepaling. verleden tijd bepaling. verlagen decennium decennium decennium voordragen. eikehouten houw. tekort verleden.dąb nie dąć dążyć dbały dbały deaktywizować debacie debacie debata debatować debet debet ("winien" w księgowości) debil debil debuger debugger decydować decydował decydował decydujący decyzja decyzją decyzją dedukcją dedukować dedukował dedykować dedykował deficycie deficycie deficyt defilada definicja definicja typu dokumentu definicją definiować definiował definitus definitywny deformował degeneracie degenerat degradować degradował dekada dekada licząca dekadą deklamować eiken. euvel kastekort. deficit. afleiden. verlagen degraderen. oplettend behoedzaam. tekort afwezigheid.

lekkernij mildheid beminnelijk kies. lekkernij snoepen snoep. aanbesteding schuldige. delicaat. iel broos. verklaring declaratie. snoepgoed. decreteren delta delegeren. zachtmoedig. mild. afvaardigen in de plaats stellen van.deklamował deklaracja deklaracja procedury deklaracją deklarować deklarował dekodować dekodował dekomprymować dekoracja dekoracja sklepowa dekoracją dekoracją dekoracją dekoracje (tetralne) dekoracje tetralne dekoracyjny dekorować dekorować dekrecie dekret delcie delegacie delegacie delegacja delegacją delegat delegat delegować delegowanie delicją delicją delikates delikatność delikatność delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikwencie Delphi delta dementować dementował demokracie voordragen. afvaardigen subsidiair. delegatie delegeren. decoratie decor. zacht zacht. decreteren verordenen. inboeten delegeren. snoepgoed. onderscheiding. verklaring declaratie. zoet. verklaring declareren declareren decoderen decoderen afleiden decor. liefelijk gunning. zachtaardig zoet. decoratie versieren landschap landschap ornamentaal versieren versieren verordenen. gevoelig. decoratie sieraad. declameren declaratie. afvaardigen afvaardiging. zacht. onderscheiding. delegatie snoep. dader Delphi delta ontkennen ontkennen democraat . tooisel decor. breekbaar liefelijk. onderscheiding. snoepgoed. decoratie. lekkernij snoep. delegatie afvaardiging. plaatsvervangend afvaardiging.

demokracja demokracją demokratyczny demolować demon demoniczny demonstracja demonstracją demonstrować demonstrował demontować denerwował dentysta dentystyczny dentyście denuncjować denuncjował depesza depesza depeszą depeszą depeszą deportować deportował depozycie depozyt depresja depresją deptać deptak deputowany derywacja derywacja wyprowadzenie desancie desant desce desce deseń deseń deser deser deska deska deskrypcją despocie despota destrukcją destrukcją

democratie democratie democratisch afgeven op, afbreken, afkammen demon, duivel demonisch, satanisch demonstratie, vertoning, bewijs demonstratie, vertoning, bewijs demonstreren, vertonen demonstreren, vertonen afstijgen ergeren, verontwaardigen tandarts tand-, getand tandarts aangeven, aanbrengen, klikken aangeven, aanbrengen, klikken telegram, kabeltelegram telegram kabel, tros verzenden metaaldraad, draad deporteren deporteren afgeven, deponeren, in bewaring geven afgeven, deponeren, in bewaring geven afname depressie stappen, lopen, schrijden, treden marcheren, tippelen, lopen subsidiair, plaatsvervangend afleiding, afgeleid woord afleiding, afgeleid woord daling, landing daling, landing aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet werkje, schets, tekening knippatroon, patroon toetje, toespijs, nagerecht, dessert pudding aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet tafereel, schildering, beschrijving despoot, dwingeland despoot, dwingeland vernietiging ruïneren, te gronde richten

desygnował deszcz deszcz ze śniegiem deszczowiec deszczowy deszczułce deszczyk deszyfrować deszyfrował detal detalista detaliście detektyw detektywistyczny detergencie detergent detonacją dewiza dewizą dewizą dezaktualizował się dezaprobacie dezerterować dębowy dębowy dętka diabelski diabeł diablicą diaboliczny diagram diakon dialekcie dialekt dialektalny dialog dialog dialog dialog człowiek-komputer dialog użytkownikkomputer diament diament przemysłowy diecie diesel dieta dietetyczny diminutivum direktor antenowy

benoemen, aanstellen regenen regenen regenmantel nat lat motregenen ontcijferen, ontraadselen ontcijferen, ontraadselen bijzonderheid, item, detail kleinhandelaar kleinhandelaar detective, rechercheur detective, rechercheur afwasmiddel afwasmiddel informeren, berichten, inlichten leus, lijfspreuk, leuze, devies leus, lijfspreuk, leuze, devies lijfspreuk, leus, leuze, devies aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen afkeuring, verwerping, wraking wildernis, woestenij, woestijn eiken, eikehouten eiken, eikehouten binnenband, luchtpijp, luchtband duivelachtig, duivels, drommels droes, boze, duivel, drommel helleveeg, furie, haaibaai, feeks duivels, duivelachtig, drommels afbeelding, figuur, beeld diaken tongval, dialect tongval, dialect tongval, dialect tweespraak, tweegesprek, dialoog tweegesprek, tweespraak, dialoog bericht, boodschap tweespraak, tweegesprek, dialoog onderhoud, gesprek diamant diamant dieet dieselmotor, diesel dieet diëetluttel, karig, min, klein, gering directeur, bestuurder

dla dla dla siebie samej dlaczego dlatego dlatego dlatego też dlatego że dławienie (się) dławik dłoń dłoń dłucie dług długa spacja długi długi czas długo długopis długość długość długość geograficzna długotrwały dłuto dmuchać dmuchawiec dno dno statku dno statku do do do do do cna do edycji do góry nia do góry nogami do małego biura i do domu (np. oprogramowanie) do przewidzenia do przodu do przyjęcia do samolotu) do szpiku kości do twojej wiadomości do twojej wiadomości do tyłu do wglądu tylko dla ciebie (tajne

gedurende, onder, terwijl, staande saké, rijstwijn gedurende, onder, terwijl, staande hoezo, waarom ergo, dus, ook weer, toch ergo, toch, ook weer, dus daar, doordat, omdat, aangezien ergo, toch, ook weer, dus wurgen, choken, worgen wurgen, choken, worgen aanreiken, overhandigen bal, handpalm, palm beitelen schuld ruimte, bestek, wereldruim, speling lang lang lang hok lengte, langdurigheid lengte (geo.), lengte lengte (geo.), lengte blijvend, aanhoudend beitelen houw, flap, slag, mep, klap leeuwetand, paardebloem bodem, achtergrond, ondergrond, grond bodem, achtergrond, ondergrond, grond achtergrond, grond, bodem, ondergrond heel, volkomen, totaliter gedurende, onder, terwijl, staande in, te, binnen, per tegen, bij, naar, tot, aan, voor droes, boze, duivel, drommel omhoog, opwaarts, op, naar boven op, omhoog, naar boven, opwaarts on-, in-, imverkrijgbaar daarvoor, eerder, vooraan, indertijd acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk aanklampen, zich vastklampen aan betreffende, aangaande, omtrent hierheen, hier achterover achterwaarts, achteruit, rugwaarts achterlijkheid adieu, vaarwel

informacje) do widzenia do wysokości do zobaczenia do zwrotu dobiegać dobierać dobitny dobitny dobosz dobór dobre dobre stosunki dobro dobrobycie dobrobyt dobroczynność dobroczynny dobroć dobroć kondensatora dobroduszny dobrowolnie dobrowolny dobry dobry dobry dobry dobrze dobrze się rozwijać dobrze wychowany dobrze wypionowany dobrze wypionowany dobrze zbudowany dobrze! dobytek docenia doceniać docenić dochodzić do dochować dochowuj dochód dochód dociąć dociekać dociekliwie docierać docinać

vaarwel, adieu acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk geldkist, kas, fonds tegen, bij, naar, tot, aan, voor aanvliegen soort, slag, aard klaar, uitgesproken, helder nadrukkelijk trommelslager, tamboer, trommelaar keuze, keur, keus, optie, verkiezing okee, okay, goed okee, okay, goed okee, okay, goed welstand, voorspoed, geluk, bloei rijkdom naastenliefde, menslievendheid charitatief, liefdadigheidsvoorkomendheid, liefheid goedheid aardig, vriendelijk, voorkomend uit vrije wil, vrijwillig vrijwillig best beter okee, okay, goed rechter-, vandehands goed, nu goed geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel juist, gelijk hebbend, gegrond goed, okay, okee hecht, fors, potig, ferm, robuust afgesproken, akkoord, goed, in orde goed, nu goed bezitting, eigendom, bezit appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen bereiken, inhalen, behalen inmaken, konfijten, inleggen blijven inkomen, ontvangst, opbrengst verdienste, baat, winst, gewin plagen exploreren, nagaan, onderzoeken met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig bereiken, inhalen, behalen plagen

dociskać doczesny dodać dodać dodać dodać dodać domieszkę opium dodać odwagi dodać otuchy dodaj dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek (w książce) dodatek specjalny dodatkowo dodatkowy dodatkowy dodatkowy dodatkowy ruter dodatkowy zasilacz mocy dodatkowy zbiornik atramentu dodatni dodatnio dodawać dodawaćotuchy dodawanie dodawanie modulo 2 dodruk dodruk dogadzać dogmacie dogmat dogodny doić dojazd dojrzały dojrzały dojrzały dojrzano dojrzeć dojrzej dojrzewać dojrzewać dojrzewanie płciowe dojście

strakker aantrekken, aantrekken aards aanhechtsel, affix hoera roepen aanvuren, aanwakkeren, aansporen opiaat aanhechtsel, affix bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijkomstig, bijbehorend, bijkomend begeleiding, accompagnement optelling bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein optelling extra extra verder, overig assistent, adjunct, helper extra bijbehorend, bijkomend, bijkomstig bijkomstig, bijbehorend, bijkomend extra positief, constructief voorgoed, definitief bijtellen, optellen hoera roepen optelling optelling effect, indruk afdruk bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan leerstuk, dogma, leerstelling leerstuk, dogma, leerstelling doelmatig, gemakkelijk, geschikt melk oprijlaan, oprit volwassene, adult belegen, bezonken, rijp rijp, bezonken, belegen rijp, bezonken, belegen rijp worden, rijpen belegen, bezonken, rijp volwassene, adult rijp worden, rijpen puberteit oprijlaan, oprit

dojście dojście (do czegoś) dojść dojść dok dokąd dokądkolwiek doker dokładać dokładna informacja wyszczególniać dokładne badanie dokładnie dokładnie dokładnie dokładnie coś przejrzeć dokładnie zbadać (kogoś) dokładność dokładność dokładność dla pełnej skali dokładność pomiarów dokładność zapisu dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny do ntego miejsca (po przecinku) dokładny do n-tego miejsca (po przecinku) dokoła dokonać dokonany dokonuj dokonując dokonywać dokonywać dokonywać (<sth> czegoś) dokonywać zapisu na rzecz dokończyć dokręca dokręcać dokręcony dokrętce dokrętek doktor dokuczać dokuczać

aanwinst, acquest, buit, prooi oprijlaan, oprit aankomen, belanden, arriveren buit maken, verkrijgen, behalen dok waar hier of daar, ergens stouwer, stuwadoor bijtellen, optellen bijzonderheid, item, detail precies, nauwgezet, accuraat precies, nauwgezet, accuraat inhalen grondig, radicaal precies, nauwgezet, accuraat rechter-, vandehands accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid nauwkeurig, accuraat, nauwgezet nauwkeurig, accuraat, exact trouw, getrouw precies, scherp, juist, minutieus specifiek, soortelijk streng, duchtig, straf, bar, hard nauwkeurig, accuraat, nauwgezet om ... heen, omtrent, ongeveer, om behalen, bereiken, inhalen volkomen, perfect, in optima forma maken, doen, bedrijven fabricatie, aanmaak, fabricage bewerkstelligen, doorvoeren het veld ruimen, afstaan kalfateren, kalefateren, breeuwen begiftigen, meegeven aantikken strakker aantrekken, aantrekken strakker aantrekken, aantrekken stipt, nauwsluitend, streng, nauw moer bah doctor ergeren, verontwaardigen mopperen, kankeren, morren, sputteren

dokuczać dokuczać dokuczanie dokuczliwy dokuczliwy dokuczliwy dokuczyć dokuczyć dokumencie dokument dokumentacja systemowa dokumenty dolar dolą dolą dolega dolegliwość doliczać dolina dolny dolny dolny dołaczyć dołaczyć dołączać komentarz dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć się dołeczek dołeczek dołeczek dom dom czynszowy dom publiczny dom publiczny dom rodzinny dom starców dom studencki dom wypoczynkowy domagać się domagać się domagać się od kogoś zrobienia czegoś domek domek parterowy domeną

klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen plagen smart, verdriet, leed plagen saai, taai, vermoeiend, melig pijnlijk, hinderlijk, lastig, storend ergeren, verontwaardigen belemmeren, storen, hinderen bedrijf, acte, dokument, akte, stuk bedrijf, acte, dokument, akte, stuk mens bestand, dossier dollar lot, bestemming, lotsbestemming kavel, perceel pijn doen, zeer doen bezwaar, strubbeling, moeilijkheid bijtellen, optellen vallei, dal waas, nesthaar, dons laag verlagen, afdraaien zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker bevatten, inhouden, behelzen bijtellen, optellen belenden, grenzen aan aanhechtsel, affix omsluiten opiaat zich aansluiten, lid worden, toetreden groef, gracht, kuil, groeve, greppel hol, ingevallen groeve, gracht, greppel, groef, kuil geslacht, pand, huis herenhuis bordeel, seksclub, hoerenkast huiswaarts, naar huis huiswaarts, naar huis logement, herberg pakhuis, magazijn, warenhuis geslacht, pand, huis aanspraak maken op, claimen opeisen, vereisen, rekenen, eisen opeisen, vereisen, rekenen, eisen hut, huisje bungalow rijk, staat

domeną dominium dominować dominował dominujący domniemanie domowy domowy domowy domysł domyślac domyślać się domyślać się domyślić się domyślnik doniczka doniesienie donieść donieść donikąd doniosłość doniosły donosić dookoła dopasować dopasowanie szablonu dopełnia dopełniać dopełniający dopełniał dopilnować doping dopingować dopingował dopisać dopływ dopóki dopóty doprawdy doprowadza doprowadzić do szału dopuki dopuszczać dopuszczalny poziom wadliwości dopuścić dopuście doradca doradcą

kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied dominion meester zijn, de baas zijn meester zijn, de baas zijn voornaamste, hoofdvermoeden, gissen binnenlands, inheems, inlands huiswaarts, naar huis Stille Oceaan, Grote Oceaan onderstelling, hypothese, mening raden, gissen, doorzien raden, gissen, doorzien menen, vermoeden, stellen raden, gissen, doorzien zinspelen bloempot informeren, berichten, inlichten perzik informeren, berichten, inlichten nergens, in geen velden of wegen relevantie veelbetekenend, betekenisvol berichten, informeren, inlichten circulerend, in omloop aanpassen, afstemmen, adapteren lucifer compleet, volledig blok aanvullend volbracht ontmoeten, aantreffen stijving, bemoediging, aanmoediging aanvuren, aanwakkeren, aansporen aanvuren, aanwakkeren, aansporen belenden, grenzen aan fjord terwijl, staande, gedurende tot, totdat, binnen, voor werkelijk, wezenlijk aansporen, aanwakkeren, aanvuren bestseller, furore tot, totdat, binnen, voor laten, laten begaan, laten schieten acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk toegeven plaag adviseur, mentor, raadgever adviseur, mentor, raadgever

doradzić doraźny doraźny doręcza doręczyć dorobek dorobek doroczny dorosły dorożka dorsz dorzecze dosiadać dosięgać dosięgnąć doskonale doskonały doskonały dosłowny dosłowny dosłowny (raport) dostarcza dostarcza dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dowodów dostarczać żywność dostarczał dostarczanie dostarczyć dostarczyć podporządkować dostarczyć żywność dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny (stopień w szkole) dostatek dostatni dostawa dostawa oprogramowania dostawać mdłości dostawą dostęp dostęp dostęp

adviseren, bekendmaken, aankondigen ogenblikkelijk, prompt toevallig, incidenteel afleveren, leveren, bestellen brengen, aandragen, bezorgen Fortuna lot, fortuin, fortuinlijkheid jaarlijks volwassene, adult taxi kabeljauw vont, bekken, kom monteren, zetten buit maken, verkrijgen, behalen bereiken, inhalen, behalen perfectie, volkomenheid, volmaaktheid volkomen, perfect, in optima forma grandioos, groots, overweldigend woordelijk, letterlijk naar de letter, woordelijk naar de letter, woordelijk leveren, bestellen, afleveren provianderen, spekken, bevoorraden betuigen, verzekeren afleveren, leveren, bestellen eten, bikken, gebruiken, vreten afzenden, verzenden, expediëren het veld ruimen, afstaan provianderen, spekken, bevoorraden gemeubileerd aflevering, levering, inlevering knechten, onderwerpen afleveren, leveren, bestellen leveren, bestellen, afleveren adequaat, bijbehorend genoeg, voldoende bevredigend genoeg, voldoende bevredigend onbekrompenheid, overvloed uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend aanvoer, bezorging aflevering, levering, inlevering afkeer inboezemen aflevering, levering, inlevering oprijlaan, oprit aanwinst, acquest, buit, prooi aanvliegen

behalen zelfrespect. deerlijk. ontkomen. aanpassen. augustus waardig. oprit oprijlaan. toegankelijk aanspreekbaar liquide. beminnelijk. voelen. pijnlijk. afstemmen. tasten. voorbijgaand kras. adapteren afgepast in een stemming brengen. ervaren deskundig. basta heel. zelfgevoel. waardigheid oogstmaand. ingang. gewoonte. verdienen. aanpassen. instelling geruim. subsidie slecht scherp. toegang oprijlaan. oprit genaakbaar. kwiek. deftig afstemmen. voldoende tamelijk naar buiten brengen. aanmerkelijk. buit maken winnen. vrij. disponibel genaakbaar.dostęp dostęp zastrzeżony dostęp zdalny dostępny dostępny dostępny dostępny od przodu dostępny od przodu dostępny w handlu detalicznym dostępował dostępował dostojeństwa dostojny dostojny dostosować dostosować dostosować (się) dostosować (się) dostosować umieszczać dostosowanie interfejsu dostosowany do życzeń użytkownika dostosowuj dostosowywał dostroić dostrojenie dostrzegalny dostrzegalny dostrzegalny dosyć dosyć dosyć dosyć doszczętnie dość dość doświadcza doświadczać doświadczalny doświadczenie doświadczony doświadczony użytownik dotacją dotkliwie dotkliwy dotkliwy dotkliwy dotknąć dotknąć entree. tamelijk. volkomen. experimenteel belevenis. geoefend. adapteren aanpassen. adapteren afstemmen. disponibel liquide. betasten empirisch. beschikbaar. ondervinding deskundig. disponibel verkrijgen. verdriet doen vinger . voldoende tamelijk vriendelijk. zichzelf respecterend. ervaring. toegankelijk liquide. acuut. aanpassen. beschikbaar. geoefend. aanzienlijk verstandig zichtbaar genoeg. helder. adapteren ontsnappen. gebruik aanpassen. dragen bevoelen. rap. druk zeer. smartelijk beproeven. stemmen afstelling. beschikbaar. ervaren ondersteuning. aardig nogal. adapteren kleren maken afstemmen. totaliter genoeg. levendig. genoeg. afstemmen. bedroeven. ontgaan usance. stipendium.

bestendig. krakelen bevestigen. bewust. belanden. boegspriet snedig. aanvoeren. krakelen archief aanwijzend voornaamwoord aanwijzend voornaamwoord twisten. ervaring. grenzen aan aanslag aanslag mondeling. arriveren blijven nog ouder betrokken. disputeren. belang bevoelen. disputeren. ondervinding stutten. bewijs drukproef aanvoerder. gevat. kwinkslag. schertsen. geoefend. doorvoeren toelachen. eigenmachtig transporteren. steunen. tasten. commandant bevelen. aantonen bewijzen. grammofoonplaat. teken. grol. klappen. voeren drukproef discus. commanderen bevelen. overbrengen.dotknąć dotknąć nieszczęściem dotknięcie (pędzlem) dotował dotrzeć dotrzymywać dotychczas dotychczasowy dotyczenie dotyczyć dotyczyć dotyczyć dotyczyć czego dotyk dotyk dotyk dotyka dotykać dotykać palcem doustny dowcip dowcip dowcip dowcipny dowieść dowodach dowodzący dowodzenie dowodzić dowodzić dowodzić dowodzić (<sth> czegoś) dowolny dowozić dowód dowód dowód (przyjaźni) dowód wiedzy zerowej dowódca dowódca dowódcą dowództwa dowództwo doznać doznaj doznaj doznawał doznawał aanslag aanslag slaan. geestig. oraal boerten. aantonen willekeurig. schragen deskundig. kloppen. plaat. grap spriet. bekoren aangelegenheid. aanlokken. aanvoeren. voelen. commanderen belevenis. gekscheren mop. desbetreffend aanwenden. belang aangelegenheid. pots. arbitrair. schijf adstructie. ad rem twisten. ondervinding belevenis. ervaring. opvallen subsidiëren aankomen. betasten gevoel aanslag belenden. ervaren constant. commandant commodore aanvoerder. gestaag . aannemen bewijzen.

afdruipen neerdruipen. bibberen woud. bewaren controleren. zorgen afschuwelijk slingeren. checken. drama krauwen. zorgen bewaken. ongrijpbaar. aanhangen stuur. roede. portier bewaken. huiveren . de wacht hebben. aflezen steward zich bekommeren. scharrelen. bedroeven. bezorgd zijn. zich bekommeren. kregel. drama toneelstuk. gracht. krabben grendelen. ergeren baar. beugel bezorgd zijn. de wacht hebben. stuurtoestel neerdruipen. paal. afdruipen huiveren. rillen. afgrendelen draperen drastisch. auto trolley. scharrelen. oscilleren. glibberig grieven. pijp baar. groef. schommelen beven. bos hout hout hout boom hout brandhout auto. beven. klauwen. kuil ladder ladder ladder ladder toneelstuk. greppel. mijnschacht kleven. sterk werkend krauwen. bewaren pensioen groeve. bibberen. rillen. klauwen. aflezen controleren. schacht. roede. schacht. vastkleven. wagen automobiel. balorig glad. afdruipen neerdruipen. krabben vlechten slechtgehumeurd.dozorca dozorcą dozorować dozorował dozorujący dozór dozór dożywocie dół drabina drabina schodkowa drabiną drabinka dramacie dramat drapać drapak drapować drastyczny draśnięcie dratwą drażliwy drażliwy drażnić drąg drążek drążek drążek drążek sterowniczy drążek sterowy dren dren wielokrotny drenować dreszcz drewien drewna drewna drewno drewno drewno drewno na podpałkę drezyna drezyna drezyną dręczyć drętwy drga drganie conciërge. paal. stuurtoestel stuur. pijp schacht. checken.

trilling schokken kramp aanzetten tot. activeren. lief. bijkomstig maat. van klei . baan. geldstuk bagatel. klein. baan. beuzelarij microbe net. minuskuul weg. route straat grote weg. fraai propperig. mooi. aanzetten ampel. drijven afdrijven. schoon. in het klein munt. drukker boekdrukker. minuscuul. drijven boren klei-. drukker afdruk afdruk uitgeven. usance. dierbaar. duur. bijkomend. kameraad. ploeg. drukker boekdrukker. dierbaar. draad team. penning. op drift zijn. spotlachen. toevallig bijbehorend. lunch incidenteel.drganie drgawce drgawka drgnąć drobiazgowy drobniak drobnostka drobnoustrój drobny drobny droga droga droga dojazdowa droga wodna droga wodna drogerią drogi drogi drogi oddechowe drogi oddechowe drogocenny drogowskaz drozd wędrowny drożdże drożdże drób dróżka drugi drugi nadawca drugie śniadanie drugorzędny średniej klasy drugorzędowy druh drukarce drukarka drukarz drukować drukować druk odbitka drukował drut drużyna drużyną drwić drwiną dryf dryft dryl drylował vibratie. gewoonte apotheek geacht. verkeersweg weg. spotten. aarden. futiliteit. makker boekdrukker. honen grijnslachen. kornuit. duur. waard geacht. paadje tweede paren twaalfuurtje. gedetailleerd. fijn. route gebruik. gezien kostbaar. gezien kostbaar. ginnegappen afdrijven. op drift zijn. lief. waard zeldzaam wegwijzer roodborstje gist gist gevogelte pad. equipe politiepatrouille bespotten. emitteren metaaldraad.

sluimeren. bibberen dubbel. graveerwerk portier. dutten boom boom naaldboom naaldboom hout prent. dutten druilen. worgen. sluimeren. geest . trots Donau Deen Deens ezel ezel verveelvoudigen. duplex. geest geestelijke minister.drzazdze drzazga drzeć drzemać drzemce drzemka drzemka drzewa drzewo drzewo binarne drzewo dwójkowe drzewo zbalansowane drzeworyt drzwi drzwi są uchylone drżeć drżeć drżenie drżenie dublowanie duch duch duch duch wodny duchowny duchowny duchowy dudą dudnienie dukcie dukuczyć duma dumać dumny dumny Dunaj duńczyk duński dupa dupą duplikat duplikować durszlak dusić dusić dusić (się) dusić na wolnym ogniu dusza splinter splinter vaneenscheuren. geest geest blinde. geest. rillen. tabakspijp afranselen gebruik. prat. huiveren. dutten druilen. verheven fier. blinde bij kaarspel. gemoed. gewoonte trots trots muze hoog. dutten sluimeren. tweevoudig. bibberen. deur beven. huiveren rillen. bibberen. doorscheuren druilen. huiveren. druilen. multipliceren verveelvoudigen. usance. beven. onderdrukken. tweeledig verstand. bibberen beven. gemoed. deur portier. wurgen smoren. beven. intellect ziel. gravure. rillen. neerslaan pruttelen ziel. sluimeren. multipliceren zeef goulash choken. huiveren rillen. bewindsman geestelijk pijp.

diploma. vrijen. amateur. excellent.duszpasterz duża ilość dużo dużo duży duży duży system komputerowy duży system obliczeniowy duży wysiłek dwa dwa pensy dwa razy dwa tygodnie dwadzieścia dwanaście dwie dworzec dwójkowe (liczby) dwójkowy dwójnik bierny dwór dwudziestce dwudziestka dwukrotnie dwunastce dwunastka dwuznaczny dyg dygotać dykta dyktator dyktatura dyktować dyktował dyktował dylemacie dylemat dyletant dym dymek dymić dymić (się) dymisja dynamit dyni dynia dyplom dyplomat pastoor. kostelijk groot twee twee keer. vele veel groot groot lucht-. brevet diplomaat . paar stationsgebouw. grootte menig. koppel. bul. veel. pastor omvang. geestelijke. duo. scharrelen twintig twintig twee keer. dilettant smoken. dubbelslachtig nijgen. tweemaal veertien dagen. met lucht gevuld. roken uitwasemen smoken. bestek. vies ruiken gelatenheid. station binair binair netwerk. tweemaal twaalf twaalf dubbelzinnig. buigen. opgeven dilemma dilemma knutseaar. net het hof maken. tweetal. twee weken twee twintig twaalf stel. een buiging maken schokken multiplex dictator dictatuur dicteren dicteren zeggen. bovengronds tof. tiptop. roken stinken. berusting dynamiet pompoen pompoen akte.

voornaamste declaratie. commanderen. disputeren. discus. twisten disputeren.dyplomata dyplomatce dyrekcja dyrektor dyrektor dyrektor dyrektor generalny dyrektor szkoły dyrektor szkoły dyrektywa dyrektywa zapoczątkowania dyrygencie dyrygent dyrygent dyrygować dyscyplina dyscypliną dysk dysk dysk dyskietka dyskietka dyskonto dyskretny dyskryminacja rasowa dyskryminacją dyskusja dyskusyjny dyskutować dyskutować dyskutował dyslokacją dysponować dyspozycją dyspucie dysputa dystans dystans dystrybucja dystrybucja kluczy dystrybucja połączeń automatycznych dystrybucją dystrybutor dystrybutor automatycznych rozmów telefonicznych dystyngowany dystyngowany dystyngowany diplomaat boekentas. fijn. administrateur hoofd-. bestuurder bewaken. afdeling afstand. leiden discipline. discreet discriminatie discriminatie discussie. iel . krakelen. bestuurder conducteur. uitreiking verdeling. discus. ordenen zin. uitspraak aanvoeren. krakelen bespreken. tucht schijf. aktentas administratiekantoor hoofdonderwijzer. vermogen keurig gevoelig. bespreking betwistbaar. delicaat. aangifte. lust. neiging disputeren. bewaren de weg wijzen. uitreiking verdeling. grammofoonplaat. bestuurder bestuurder. bevelen conducteur. beheerder. kies. geleiden. uitreiking verdeler verdeler kapitaal. de wacht hebben. plaat discus schijf. discuteren beschikking arrangeren. hoofd der school hoofd-. discuteren bespreken. grammofoonplaat. grammofoonplaat. aanvechting. tucht discipline. onopvallend. uitreiking verdeling. plaat schijf. eind verdeling. plaat diskette disconto bescheiden. aanvechtbaar twisten. team. aanrichten. krakelen. voornaamste rector directeur. twisten detachement. theca. discus.

pul kan. kind. perceel kavel. optreden. vak. ingreep legerafdeling. gedoe actie. gedoe actie. kruik kan. tak onruststoker. perceel canon. optreden.dystynkcją dysza dyszą dyszel dyszel dyszka dywan dywersja dywizją dyżur dzban dzban dzban dzbanek dzbanek dziadek dziadostwa dział dział działacz działać cuda działać przetwarzać działać sterować działalność działalność działalność maklerska działania działania) działanie działanie działanie na minutę działanie napędu dyskietek działanie niezależne działanie wsadowe działka działka działka podziałki działo działo elektronowe dziąsło dzieciak dzieciak koszula nocna dzieciątka dziecinny dziecko dziecko dziecko bawiące się skakanką dziedzic onderscheiding spuit spuit straal. gedoe. gedoe. ingreep actie. optreden. divisie kavel. pot. bezig zijn. afstammeling borst. jong. handeling. optreden. kruik po opa. geweer tandvlees een geintje maken een geintje maken baby kinderlijk loot. het doen functioneren. agitator. handeling bewerking. spaak schacht. handeling. mijnschacht spuit tapijt. ageren. grootvader achterbuurt departement branche. operatie. gedoe bewerking. handelen actie. speelplaats actie. jongeling. handeling courtage actie. speelplaats speelterrein. activist functioneren. kruik vaas. divisie plicht. het doen doen. operatie. optreden. kettingzang. vloerkleed. vat. handeling speelterrein. jongeheer een geintje maken nazaat. kanon. handeling. kleed. vuurmond roer. karpet afleidingsmanoeuvre legerafdeling. afstammeling. nakomeling . verplichting kan. optreden. gedoe.

scheiden kloven. erven arena. erf. krant courant. splijten legerafdeling. arrondissement. ra geschiedenis. alledaags courant. vandaag morgen gisteren dag huur pachten. daags. decaan kloven. erfdeel boedel. kloek. scheiden nabijheid district. afscheiden. krant courant. overerfelijkheid beërven.dziedzictwa dziedziczenie dziedziczność dziedziczyć dziedzina dziedzina zastosowań dziedziniec dziedziniec dziedziniec kościelny dziedzińca dzieje dziejopis dziekan dziel dzielenie dzielenie przez zero dzielenie sekretu dzielić dzielić dzielić na połowę dzielić podział dzielnica dzielnica Londynu dzielnicą dzielny dzielny dzieło dziennik dziennik dziennik zdarzeń dziennik zmian dziennikarce dziennikarz dzienny dzień dzień dobry dzień dobry! dzień roboczy dzień wypłaty dzierżawa dzierżawą dzierżawca za część plonu dzierżawcą dzierżawić dzierżawić dziesiąta część dziesiątce dziesiąty boedel. in pacht hebben huurder huurder pachten. klieven. moedig. splijten actie. erfdeel erfelijkheid. ra yard. koen. daags. binnenplaats. boud afdruk dagelijks. klieven. dagblad. ra yard. in pacht hebben huurder tiende tien tiende . doorklieven. krant journaliste journaliste dagelijks. erfenis. arrondissement. chroniqueur deken. erfstuk. divisie legerafdeling. verhaal kroniekschrijver. dagblad. dagblad. gouw district. hof yard. afscheiden. erfstuk. divisie legerafdeling. erfenis. historie. krijt. alledaags dag heden. corpulent dapper. kampplaats akker plaats. gouw gezet. doorklieven. piste. divisie afzonderen. zwaarlijvig. aandeel afzonderen.

meisje meid. bedanken. bek. groeve. kuil. snater. holte stompen Jan Klaassen stompen Jan Klaassen mirakel. voorsteven. greppel hol. neb voorschip. meid negende negen negende meid. greppel groef. dankzegging woest. maagdelijk negen negentig negentien specht dank. meid dienstmeisje. vandaag vannacht vannacht groef. snater. dienares. ingevallen hol. gracht. gracht. wild woest natuurlijk wild. uitholling. ongerept ongerept.dziesięciolecie dziesięć dziewce dziewczyna dziewczyna dziewczyna dziewiąta część dziewiątce dziewiąty dziewica dziewica dziewiczy dziewiczy dziewiczy (nośnik) dziewięć dziewięćdziesiąt dziewiętnaście dzięcioł dzięki dziękować dziękował dziękuje dzik dziki dziki dziki dziki (wzrok) dzikus dzionek dziób dziób dziób dzióbek dzisiaj dzisiejszy wieczór dziś dziś wieczorem dziś wieczór dziura dziura powietrzna dziurawy dziurą dziurkarka dziurkarka dziurkarka taśmy papierowej dziurkarka taśmy papierowej dziw dziwaczny decennium tien meid. dankzegging danken. dank betuigen dank. tuit. groeve. snavel snavel. woest woest. wild wild. maagdelijk maagdelijk. vandaag vannacht heden. meisje meisje. neb. meisje ongerept. bedanken. boeg spuit heden. kuil. wonder bizar . woest dag bek. maagdelijk ongerept. tuit. dank betuigen danken.

regenworm. zich verwonderen prostituée. rimboe weergalmen.dziwaczny dziwaczny dziwce dziwić się dziwka dziwny dziwny dziwny dziwny dziwny dzwon dzwonek dzwonek do drzwi dzwonić dzwonić dzwonić dzwonić dzwonienie po umarłym dźgnięcie dźwięczeć dźwięczeć dźwięcznie dźwięk dźwięk wysokiej jakości dźwiękowy dźwiękowy dźwig dźwig dźwigni dźwignia dźwignia zwalniająca dżdżownica dżdżownicą dżem dżentelmen dżentelmeński dżersej dżin (do picia) dżojstik dżumą dżungla dżunglą echa echa echo echo echo np. hoer bizar uitheems. arbeid klingelen. overgaan. naklinken. klare stuur. akoestisch kleppen. kletteren. klinken. moes. regenworm. marmelade heer. jungle. kletteren. overgaan. jungle. rinkelen wal. galmen. oprichten. rinkelen kleppen. rimboe oerwoud. naklinken. radiolokacyjne echo np. naklinken. gaan acoustisch. amusant rum bizar klok klok klok zich aaneensluiten. echoën Echo . echoën Echo weergalmen. radiolokacyjne rum bizar prostitueren zich verbazen. klingelen rinkelen. doorklinken klingelen. stuurtoestel pest oerwoud. beugel. oprichten. gentleman keurig. aansluiten klingelen. ophalen aardworm. worm jam. kletteren. gaan kleppen. pier. ring rinkelen. heffen. kletteren. worm aardworm. klinken. karwei. oprichten. heffen. rinkelen naklinken. klinken. heffen. klingelen emplooi. kletteren. overgaan. ophalen beuren. pier. lichtekooi. ophalen beuren. beschaafd Jersey jenever. buitenlands vermakelijk. leuk. echoën Echo weergalmen. gaan krab lift beuren. werk.

uithangbord. spaarzaamheid economisch economie economie experimenteren scherm. expansie uitzetting. schut schild. aanzijn bestaan. afdruk exotisch. doeltreffend Egyptisch Egyptisch Egypte onderzoek. examineren nauwkeurig. prikkelen. keuring. accuraat. nakijken. schut gewaarwording. bord scherm. uitheems bestaan. aanzijn bestaan bemanning leden. nakijken. uitgave. exact exemplaar. expansie verkoper evenzeer. grootbrengen geleerd. prikkelen. opwinden aanwakkeren. vorming opvoeding. aandoening opwinding aanwakkeren. schut scherm. effect afdoend. meier economie economie. uitgave. effect indruk. editie uitgaaf. effect indruk. examineren onderzoeken. aanhang intendant.edukacja edukacja na odległość edukacją edukował edukował edycja w komórce edycją edytor edytować efekcie efekt efekt zniekształcenia maski kineskopu efektywny Egipcjanin egipski Egipt egzamin egzaminować egzaminował egzekwował egzemplarz egzotyczny egzystencja egzystencją egzystować ekipa ekipa ekonom ekonomia ekonomia ekonomiczny ekonomika ekonomika przedsiębiorstwa ekperymentować ekran ekran ekran (przewodu) ekran mozaikowy ekscytacją ekscytacją ekscytować ekscytował ekscytując ekskluzywny ekspansja ekspansją ekspedient ekspedycja opvoeding. opzichter. ook. bordje. ontwikkeld uitgaaf. opstellen indruk. examen onderzoeken. mede. kweken. redigeren. vorming opvoeding. editie editor opmaken. eveneens . druk. vorming dresseren. effectief. opwinden opwindend exclusief. uitsluitend uitzetting. druk.

ergst.ekspedycja ekspedycja ekspedycją ekspercie ekspert ekspert ekspert ubezpieczeniowy ustalający wartości składek i odszkodowań na podstawie częstości wypadków eksperymencie eksperyment eksperymentalny eksploatować eksploatować eksploatować nadużyć eksploatował eksplodować eksplodował eksplozja eksplozją eksponacie eksponat eksporcie eksport eksportować eksportować eksport ekspozycją ekspres ekspresją eksprymować ekstatyczny ekstaza ekstazą eksterminować ekstra ekstrakcie ekstrakt ekstraktor ekstrawagancki ekstremalny ekstremizm ekwipunek ekwiwalent elastyczny elastyczny elastyczny automatyczny układ testera elegancja elegancki expeditie aan. uitbuiten. voor. actuaris deskundig deskundig experimenteren experimenteren empirisch. losbarsten. ontploffen uitbarsting. explosie uitbarsting. extase vervoering. bij. piekfijn . exploiteren. buigbaar. experimenteel exploiteren. elastisch smijdig. naar expeditie deskundig archiefmedewerker. ontploffing. uitmelken exploderen. uitvoeren exporteren. geestvervoering. tegen. bewimpelen. uitvoeren expositie. exploiteren. tentoonstellen belichten. uitmelken uitbuiten. extase verdelgen. ontploffen exploderen. maskeren buitennissig. explosie belichten. uitmelken exploiteren. tot. ondoorgrondelijk uiterst. gezegde uitdrukken zwijmeldronken. chic. betuiging. stijl sjiek. buigzaam. tentoonstelling uitdrukken bewoording. buigzaam. buigbaar. uitbuiten. accommodatie. uitvoeren exporteren. soepel. lenig trant. geestvervoering. uitvoeren exporteren. bovenmatig uitrusting. ontploffing. inrichting equivalent. uitroeien extra afleiden afleiden bemantelen. extreem. lenig smijdig. gelijkwaardig rekbaar. tentoonstellen exporteren. uitmelken uitbuiten. buitensporig onpeilbaar. losbarsten. extatisch vervoering.

uitwijken afgezant. keus elektron electronisch. kras. geestdrift . emigreren. keuze. aanzetten enthousiast. net optie. rap. gewiekst. flink. beginsel elementair lift afvoeren. uitschakelen ontwortelen welsprekend emailleren kleur. elimineren. klem uittrekken. elegant. gezant bode. spirit. afgezant. bestanddeel. listig bevallig. arbeidsvermogen. elimineren. ferm aanwakkeren. embleem pensioentrekker. keur. krachtig. net doortrapt. gezant uitstralen encyclopedie energie. fut levendig. slim. uitschakelen afvoeren. geestdriftig krankzinnig zijn enthousiasme. fut sap energie. kwiek energiek. gepensioneerde pensioen nadrukkelijk nadruk. piekfijn. uitwijken uittrekken. elektronisch electronisch. elegant. elimineren. bestanddeel. verkiezing. embleem kleur. uitbundig. bode. aanvuren. spirit.elegancki elegancki elegant elekcją elektron elektroniczny elektroniczny zapis wizji elektronika elektronowy elektrotechnika elektryczność elektryczny element element element grupy programów element pomiarowy element z niestabilnością S elementarny elewator eliminować eliminować segregację rasową eliminował eliminował elokwentny emalia emblemacie emblemat emblemat oryginalnych produktów Microsoftu emeryt emerytura emfatyczny emfaza emigrować emigrował emisariusz emisariusz emitował encyklopedia energia energia energią energiczny energiczny entuzjasta entuzjastyczny entuzjastyczny entuzjazm bevallig. uitschakelen afvoeren. embleem kleur. druk. elektronisch elektriciteit elektriciteit elektrisch element. elektronisch elektronica electronisch. arbeidsvermogen. beginsel akker en bewerker element. emigreren. piekfijn.

wezen. zedenleer filosofie. kern essentie. zedenkunde. stelling essentie. evacueren evangelie evangelie . essence. aflevering tijdsgewricht. Amor erotisch. blanke Europeaan. wezen. accompagnement Esperanto Estlands Estlands muziektent tribune. bestuur. kluizenaar Cupido. accompagnement begeleiding. Ethiopië zedenkunde. ontgaan ineenkrimpen. blanke ontruimen. ineenkronkelen dissertatie. ontkomen. kern Eskimo begeleiding. essence. leiding. podium schavot aanplakken podium. zedenkundig ethiek. etiket label. etiket label. proefschrift.eon epicki epiczny epidemia episkopalny epistołą epizod epoce epoka epopeja era erą eremicie Eros erotyczny ESC eschnąć esej esencja esencją eskimos eskorcie eskorta esperanto Estończyk estoński estrada estrada estrada etacie etap Etiopia etyczny etyczny etyczny etyka etyka etykiecie etykieta dysku etykieta wolumenu etykietka Europa europejczyk europejski ewakuować ewakuował ewangelia ewangelią eeuwigheid episch episch pest bisschoppelijk. brief. tribune. leiding Abessinië. tijdperk tijdsgewricht. zedenleer. zwoel ontsnappen. evacueren ontruimen. zendbrief episode. tijdperk episch tijdperk. zedenleer ethiek. tijdsgewricht heremiet. zedenkunde. tijdsgewricht tijdperk. doorluchtig epistel. etiket label. wijsbegeerte label. ethiek ethisch. etiket Europa Europeaan.

wuiven. declareren inderdaad. misschien. kennelijk. zwaaien golfslag gebaren. evenement mogelijkerwijs. knul. geestig. zich ontwikkelen Exodus fabriek fabriek fabriek fabriek fabriceren. ad rem mens kerel. evident. effectief. snuiter beroep.ewangelik ewenemencie ewentualnie ewentualność ewentualność ewentualny ewidentny ewolucja ewolucja schematu ewolucją ewoluował exodus fabryce fabryczny fabryka fabryka konserw fabrykacją fabuła facecie facet znie fach fachowiec fachowiec fachowy facjacie facjacie facjacie fajerwerkach fajka fajtłapą fakcie fakt faktor faktura fakturą faktycznie faktyczny faktyczny faktyczny fakultecie fakultet fala fala troposferyczna fala typu EH fala typu H fala wsteczna fala złożona falą protestants belangrijke gebeurtenis. zwaaien gebaren. bedrijf deskundig professioneel. duidelijk evolutie. tabakspijp aangapen. aanmaken. sujet. deskundig. gapen feit feit makelaar factureren. wuiven. dom kijken. zwaaien gebaren. werkelijk. mogelijk eventualiteit eventualiteit gebeurlijk. ontwikkeling evolueren. declareren factureren. effectief virtueel faculteit faculteit gebaren. beroepscompetent. zwaaien gebaren. wuiven. bevoegd dakkamertje zolderkamer Attisch vuurwerk pijp. wuiven. metterdaad. eventueel apert. broodwinning. zwaaien . waarachtig werkelijk. zwaaien gebaren. wuiven. wuiven. daadwerkelijk daadwerkelijk. maken snedig. persoon. gevat. ontwikkeling evolutie. ontwikkeling evolutie.

vouwen. fanfare pion fantastisch. dromen fantasie. star. fanfare fanfarekorps. fanatiek. sloof. aanzetten dwepend. mijmeraar fantasie. artsenijbereidkunde farmacie. kleuren. onjuist. razend. foutief loos. vouwen. blinde bij kaarspel verven. dubbelhartig smid. aderlaten aderlating bof. huisgezin. huis. voorkant . geest. grillig. bedrieglijk. voorgevel voorzijde. gerucht. plooien omvouwen. verkeerd. façade. voorschoot voorpui. artsenijbereidkunde geneesmiddel. gevel. schort. artsenij. befaamdheid gezin. fantasierijk dromer. medicijn agrarisch boer opvulsel. plooien onduleren loos. mazzel. hondsdol dwepend. mare. vast nagemaakt vervalsing vervalsing fout. geluk. fabriceren. dweepziek pion fanfarekorps. vulling. schilderen verf verf verf bloed aftappen. buitenkansje farmacie. aanvuren. fanatiek. aanmaken nagemaakt vervalsen onbeweeglijk.fałda fałdą fałdował fałsz fałszerz fałszować fałszować (<with sth> coś fałszował fałszował fałszował fałszował fałszował fałszowanie fałszywy fałszywy fałszywy famą familią fan fanatyczny fanatyczny fanatyk fancie fanfarą fanfarą fant fantastyczny fantaście fantazja fantazjaować fantazją fantom farba farba olejna farbować farbować (się) farbował farbując farcie farmacja farmakologia farmakologiczny farmą farmer farsz fartuch fasada fasada omvouwen. ijzersmid vervalsen vervalsing maken. familie aanwakkeren. dubbelhartig faam. vulsel boezelaar. verbeeldingskracht blinde. pui. dweepziek dol. verbeeldingskracht mijmeren. bedrieglijk.

pui. boon. werken. wijs dingen. begunstiging. boon. schijngestalte. boeiend betoverend. bond federaal federaal feniks verschijning.fasadą fascynować fascynował fascynował fascynując fascynujący fasola fasolka fason fasonować faszerować fatalny fatydze fatyga faul faul faworycie faworyt faworyzować faza faza faza wykonania faza zdobywania (magistrali) fazą febra febrą federacja federacją federacyjny federalny feniks fenomen fenomen fenomenalny ferie ferma fermacie fermencie ferment fermentować ferwor festiwal festyn feudalny fiaska fiasko fidze figa voorpui. gelag feodaal flop. gisten fermenteren. debâcle. boeiend tuinboon. schijngestalte. modus. ambitie. bestuur. leiding kwartier. veldboon mode. fascinerend. gisten vuur. ondoorgrondelijk afmatten. afbeulen schuld vuil. verbluffend snipperdag. fiasco. voorgevel betoveren. fiasco. fase podium. genadigheid kwartier. verschijnen verschijnsel. bestuur. afjakkeren. werken. fase kwartier. rustdag agrarisch pauzeren fermenteren. bond federatie. gisten fermenteren. spullen onpeilbaar. wijs mode. echec vijg vijg . fenomeen fenomenaal. schijngestalte. ijver festival festijn. geboeid betoverend. fascinerend. fascineren betoveren. vakantiedag. afjakkeren. debâcle. veldboon tuinboon. modus. fase koorts koorts federatie. feestmaal. tribune. echec flop. gevel. smulpartij. façade. leiding podium. werken. fascineren gefascineerd. smerig uitverkoren uitverkoren gunst. tribune. afbeulen afmatten.

vervolgverhaal rolprent.figlarny figura wypukła figurą fikcja fikcją fikcyjny fikcyjny filar filar filatelistyka filc file allocation table filia filia filia Filipiny filipińczyk filiżance filiżanka filiżanka do herbaty film film fabularny film kolorowy film rysunkowy film trójwymiarowy (stereoskopowy) film) filmować filmowy filolog filozof filozofia filozofią filozoficzny filozofował filtr filtr ze sprzężeniem zwrotnym filtrować filtrować (się) filtrować filtr Fin finalizacją finalizował finał finanse finansować finansował finansowy finisz snaaks. linguïst. fictief. aanlegplaats. cijferen fictie. verbeelding verdicht. denkbeeldig. filteren. aftakking sociëteit. conclusie in het net schrijven. denkbeeldig verdicht. guitig. verbeelding fictie. kop kopje. zijgen filtreren. geldelijk aantikken . schelmachtig. Filippijn kopje. taalgeleerde filosoof. film film. financieren bekostigen. financieren bekostigen. pilaar filatelie vilt lijvig. wijsbegeerte filosofisch filosoferen filtreren. film taalkundige. fictief landingsplaats. steunpilaar. zijgen filtreren. film rolprent. kop kopje. club Filippijnen Filippino. filteren. verdichtsel. film film. zijgen Fin gevolgtrekking. rolprent rolprent. filteren. verdichtsel. wijsgeer filosofie. uiteindelijk bekostigen. wijsbegeerte filosofie. dik agentschap tak. financieren financieel. rolprent feuilleton. kop rolprent. zijgen filtreren. steiger colonne. filteren. kolom. film rolprent. fatsoeneren finaal. cijferen rekenen. filteren. zijgen filtreren. dartel rekenen.

doek saletjonker. fonetisch fonetiek. map ordner. hecht belasten. volkskunde de klankleer betreffend. vlag dundoek. formeren. bloot. fysiek natuurkunde. hecht gevestigd. stevig. afhandelen Fins afwikkelen violet. scherm. klinken. zeemacht zeehond. pot. map folklore. fladderen aan de scharrel zijn. paars. vat. louter fluit fluit aan de scharrel zijn. fladderen aan de scharrel zijn. vlag dundoek. rob zeehond. vast. aanslaan fysisch. klankleer kleppen. stevig. vaan. pul laaien. zeerob.Finlandia fiński fiński fiński fioletowy fiołek fiord firanka fircyk firma firma produkującu duże systemy komputerowe firmą fiskus fizyczny fizyka fladze flaga flaga zerowa flakon flamą flanela flanelą flaszka flądra flecie flet flirciarz flirt flirtować flocie Florencja Floryda flota flota flota na foce foka folder folder współużytkowany folklor fonetyczny fonetyka fonia fonograf fontanna fontanną forma Finland afdoen. pimpelpaars fjord overgordijn. paars. gaan grammofoon fontein fontein vormen. zeerob. vaan. aangaan . lichamelijk. vlag vaas. vast. dandy gevestigd. stevig. hecht gevestigd. pimpelpaars violet. overgaan. vaan. vast. kwast. fat. vlammen flanellen flanellen veldfles enkel. zeemacht marine. fladderen vloot Florence Florida vloot marine. gordijn. rob ordner. fysica dundoek.

ceremonieel. aangaan knippatroon.forma nieosobowa forma przecząca od <can> formacie formalna metoda postępowania (w kontekście działania firmy lub instytucji) przetwarzać formalny formalny format formować formował formularz formuła formułą formułować formułował forsa forsa forsą forsą forsować forsycja forteca fortecą fortel fortepian fortuna kołem się toczy fortuna kołem się toczy fortyfikacją fortyfikować fortyfikował forum forum ATM forum dyskusyjne fosfor fosforyzujący fotel fotel fotel parterowy (w teatrze) fotograf fotografia fotografia fotografia (jako dziedzina) fotografią fotografika fragmencie fragment fragment fragmentować formeren. fortuinlijkheid sterkte. plechtig omvang. Chinees klokje vesting vesting aanwensel. pasta deeg. grootte vormen. fortuin. patroon omvang. kieken fotografie fotografie fotografie fotografie jaartelling. vormen. hebbelijkheid klavier. item. kluit. prop . kletteren. inkleden. fort. deel jaartelling. vervatten afdrogen. deeltje. formeren. geld doordrukken forsythia. grootte bewerking akademisch. deeltje. armstoel box fotograaf fotograferen. armstoel zorgenstoel. bestek. bestek. deel dot. inkleden. bal. aangaan vormen. verschansing sterken sterken forum forum forum fosfor fosforescerend zorgenstoel. aangaan formule formule formuleren. beslag. aangaan formeren. beslag. klomp. pasta poen. vervatten formuleren. piano Fortuna lot. item. klont. vormen. academisch afgemeten. formeren. afranselen deeg.

rijstrook jaartelling. fractie secessie. fractie breuk. afgezaagd ten geschenke molenaar. barbier kapster kapster knipbeurt pijp. tabakspijp pond stichting stichting stichting fundamenteel behandelen. voorkant voorzijde. voorkant borstelen. zorgen muizenissen banaal. baan. trek. barbier kapper. het doen functioneren. het doen . voorkant voorzijde. het doen primitief karaktertrek. gang. deeltje. wuft kapper. frivool. zich bekommeren. alledaags. schuieren Pools schoensmeer schoencrème aanvliegen frustreren afknotten lichtzinnig. deel fragmentarisch blijdschap breuk. gelaatstrek functioneren. item. kapitaal functioneren. baan. kikvors Frans Franse. gang. Française bezorgd zijn. afscheiding Frankrijk Frans Fransman kikker. cureren fonds.fragment terenu fragment/wyjątek (dzieła) fragment/wyjątek dzieła fragmentaryczny frajdą frakcja frakcją frakcjoniście Francja francuski Francuz Francuz Francuzi Francuzka frasunek frasunkach frazes free frezarka froncie front frontowy froterka froterować froterować froterować frunąć frustrować frydze frywolny fryzer fryzjer fryzjer fryzjer męski fryzura fujarka funcie fundacja fundamencie fundament fundamentalny fundować fundusz funkcja funkcja odwrotna funkcja zagregowana funkcja zewnętrzna funkcją overloop. mulder voorzijde. rijstrook overloop.

grandioos. galactisch eerlijk. handelbaar officier ambtelijk. keuvelen spraakzaam spreken. overweldigend kar. spoorwagen bestelauto. aftakking been lid. galerie galopperen galopperen tak. heelkunde kast vitrine vitrine vleermuis reptiel kakement. wondheelkunde. galerij. dimensie etagère. gang. het doen pond pond pond oppermachtig. schertsen. wagen. spoorwagen wagon. knoeien. rek etagère. soeverein. ding aanzetten aanzetten aanzetten afmeting. galerie gaanderij. galerie gaanderij. zaak. aangelegenheid. oppermachtig groots. flink. bestelwagen achterdeur draaihek beunhazen. praten. kaak spreken. officieel functioneren. praten gaai. gekscheren melkweg-. lidmaat . dapper. rek chirurgie. braaf gaanderij. modderen voetbal affaire. galerij. karretje wagon. gang. praten babbelen. handkar. galerij. Vlaamse gaai reptiel boerten.4536 kg) funt (waluta) funt szterling funtów) fura fura furgon furgonetka furtka furtka fuszerce futbol futerał futerka futro futro z fok gabarycie gabinecie gabinet gabinet gabinet lekarski/dentystyczny gablocie gablota gacek gad gadać gadać gadanie gadatliwy gadce gaduła gadziną gag galaktyczny galancie galeria galeria obrazów galerią galop galopować gałąź gałąź gałąź inschikkelijk. gang.funkcjonalny funkcjonariusz funkcjonariusz funkcjonować funt funt (0.

lor. danspartij muskaat. gevest. leerlooien. keelgat. uitblussen ombrengen. hals. blussen. stel garnizoen. luttel. overhellen. knop vodje. gevest. turen. gispen wijd openstaan. nootmuskaat heft. troep. knop weegschaal. keel minachten. handvat. handvat. bezetting gering. aanstaren po garage garage bochel. klein handjevol. min. lomp. vod. hangkast strot. waag toonladder. keelgat. muskaatnoot. overhellen. looien gebochelde. gapen staren. kruik po afzetten. doden . gevest. scala aanslag zuilengang. hals. hals. apache berispen. stelletje. aftakking tak. hellen. gevest. handvat. bult buigen. karig. set. handvol handjevol. knop muskaat. leerlooien. muskaatnoot. garneren complet.gałąź programu gałąż gałce gałgan gałka gałka gałka muszkatołowa gałka muszkatułowa gałka oczna gałka potencjometru gałka u drzwi gam gama skala gamą ganek gang gangster gangster gani gapić się gapić się gar garaż garażować garb garbić (się) garbić się garbować garbowanie garbus garderoba gardła gardło gardzić gardź garncarstwo garncarz garnek garnek gliniany garnek gliniany garnirował garnitur garnizon garnuszek garstka garść gaś gaś tak. nootmuskaat heft. schare gangster straatschuimer. toonschaal. knop heft. keel strot. doodmaken. hals. portiek bende. knop heft. handvol doven. lap. afkeuren. gevest. bultenaar kleerkast. handvat. beslaan. aflopen buigen. aflopen tanen. verachten aardewerk pottenbakker po kan. verachten minachten. balans. hellen. handvat. hals. aftakking heft. tod. flard bal. uitdoen. laken. looien tanen.

verspuiten. keur. verhaal. bars. soortelijk keuvelen. verkiezing specifiek. jungle. edelsteen . verhaal. soortelijk keuze. wannen. praten accelerateur. wanneer. morren. relaas. babbelen. sponsachtig afsponzen eend rupsband. vertelling vertelsel. vertelling keuvelen. keus. blad blad. kankeren. als. rups rupsband. gaspedaal. ergens waar dan ook hier of daar. slag. als. relaas. voorkomend soort. aangezien ergens anders. babbelen. optie. rimboe vlegel nurks. rups oerwoud. omdat. ergens hier of daar. steen. krant krant. ingeval daar. versneller gas accelerateur. aard specifiek. elders waar waar hier of daar. doordat. krant strooibiljet frisse lucht toewaaien.gatunek gatunek gatunek drzewa cytrusowego gatunek muślinu gatunkowa (cecha) gatunkowy gatunkowy gawęda gawędziarski gawędziarski odzie) gawędzić gaz gaz gaz (w samochodzie) gaz elektronowy gaza gazą gazecie gazeta gazeta gazetce gazować (wodę) gazowy gaźnik gąbce gąbczasty gąbka gąsce gąsienica gąsienicą gąszcz gbur gburowaty gderać gdy gdyby gdyż gdzie gdzie gdzie zasadniczym elementem jest komputer główny) gdziekolwiek gdziekolwiek gdzieś gdzieś gejszą gejzer gem kalk eigenschap vriendelijk. nors. praten vertelsel. hoe. carburateur afsponzen sponzig. stuiven edelgesteente. onaardig mopperen. ergens geisha opspatten. versneller gas gaas gaas blad. bij wijze van. waaien gas vergasser. tot indien. honds. sputteren voor. gaspedaal.

geslacht generatie. aardkunde geometrie. geografisch geoloog geologie. aardrijkskundig aardrijkskundig. brems.gem (w tenisie) generacja generacja generowanie generacja systemu generacją generalny generał generator częstotliwości przestrajany cyfrowo generator o sprzężeniu zwrotnym generator oporowo-indukcyjny generator oporowo-pojemnościowy generować generować wykres generował genetyka Genewa geneza geneza geniusz geograf geografia geografią geograficzny geograficzny geolog geolog geologia geometria geometrią geranium gest gest (ruch ręką) geście gęstnieć gęstość gęsty gęś giąć gibki giełda giełdą giez giez giętki giętko gigant gigantyczny doen. herkomst genie. dik gans ombuigen. gigantisch . geografie aardrijkskunde. meetkunde geometrie. kaart verwekken natuurkunde. buigzaam. doorbuigen smijdig. bezorging reus reusachtig. paardehorzel rekbaar. geografie geografisch. lenig centrale centrale daas. aardkunde geologie. gesticuleren gebaren. gebonden. geograaf aardrijkskunde. fysica Genève Genesis. ageren. geslacht generatie. gesticuleren verdikken. aandikken dikte. soepel. buigen. meetkunde ooievaarsbek gebaren. geslacht generaal generaal oscillator oscillator oscillator oscillator verwekken landkaart. lijvigheid dicht. geslacht generatie. elastisch aanvoer. daas. Scheppingsboek oorsprong. paardehorzel brems. buigbaar. handelen generatie. afkomst. genius aardrijkskundige. beschermgeest. gesticuleren gebaren. bezig zijn.

aarde fond. glanzen fond. aarde kakement. verheerlijken. roemen. van klei. van klei. grond. prijzen glossarium binnenste. effen direct. bodem. kaak klei-. guirlande gitaar gitaar verglazen. ondergaan. ondergrond. effen appartement. recht. creperen omkomen. ondergaan. koperen bol. inwendige gelijk. verheerlijken. ondergrond. drillen omkomen. aarden klei-. kleiaardewerk roodkoperen. zwaar kolk. glanzen verglazen. zwaar diep laag. prijzen loven. diepte hongerig geeuwhonger vasten kanselredenaar. doosvrucht bol. bal. creperen gips kalken. kogel. predikant . kloot loven. bal. zwaar laag. kogel. zwaar laag. kloot kapseltje. live.gigantyczny stopień scalenia gimnastyce gimnastyka gimnastykować ginąć giń gips gips girlandą gitara gitarą glazura glazurą gleba glebą ględzić glina gliną gliniany gliniany gliniarz glob globulce globus gloryfikować gloryfikował glosariusz głab kraju gładki gładki gładki gładkie włosy gładzić gładzić gładzić głaskać głebokie głęboki głęboki głęboki ukłon głębokie głębokość głębokość monitora bez podstawy uchylno-obrotowej głodny głodować głodówce głosiciel reus gymnastiek gymnastiek oefenen. roemen. grond. vlak. aaien. aanhalen laag. van klei. rechtstreeks Pools schoensmeer schoencrème strelen. glazuren. aarden aarden. liefkozen. glazuren. aanstrijken slinger. bodem. diepte kolk. capsule. vlak. flat gelijk. slingerkrans.

prevalent. toonaangevend.głosić kazanie głosować głosowanie głośno głośno głośność głośność stała głośny głośny głośny głośny płacz głowa głową głowica głowica uniwersalna głowica zapisująco-odczytująca głowny głód głód główna kwatera główna rura wodociągowa główne biuro głównie głównie głównie główny główny główny główny główny główny główny obszar roboczy użytkownika główny organ certyfikujący główny sterownik operacyjny główny układ logiczny głuchy głuchy głupi głupi głupi głupi głupiec głupiec głupoty głupstwo gmina gmina (wyznaniowa) gminą prediken. voornaamste minister-president. leiden primair geeuwhonger honger hoofdkwartier hoofd-. stemmen hard. verheven leidend. gekheid gemeente. toongevend hoofd-. flauw. prullaria. luid geleiden. chef hoog. inhoud. leiden geleiden. onverstandig. zot. volume geluidssterkte. inhoud. malloot macaroni rommel. dodelijk doof sprakeloos. superieur hoofd-. kiezen. dom. inzonderheid in het bijzonder aanvoerder. puin nonsens. leiden geleiden. hardop hard. gemeenschap gemeente. de weg wijzen. preken balloteren. huilen hard. de weg wijzen. premier primair hoofd-. baas. afval. simpel dwaas. zever. dom. luid luid. gemeenschap . volume brullen. stemmen balloteren. hardop geluidssterkte. voornaamste opperste. voornaamste primair doods. kiezen. de weg wijzen. de weg wijzen. onzin. leiden geleiden. gemeenschap gemeente. de weg wijzen. luid luid. leiden geleiden. voornaamste hoofdkwartier inzonderheid in het bijzonder. zot sprakeloos. gebieder. stom onnozel. stom dwaas.

toorn kwaad. krik houder. voorteken. honk afscheren golf. dringen. vertrouwd het eens zijn. waar bewonderenswaardig afkeurenswaardig betreurenswaardig. keutel wildebeest. waardigheid waardig. verdriet doen knellen. merkwaardig betrouwbaar. nijdig. embleem voorbode. drukken nestelen. achtbaar merkwaardig. een nest maken houder. teken zelfrespect. zelfgevoel. boosheid. oprijlaan schonk. hem Atrecht kleur. spijtig achtenswaardig. gnoom drek. bot. doelwit. dommekracht. oblie genezen. doel. schede. bedroeven. persen. knok. gnoe hij. golfspel Goliath afscheren afscheren naaktheid naaktheid . wit. een nest maken vijzel. schede. foedraal nestelen. zelfgevoel. toornig. opmerkelijk opmerkelijk. beter maken. foedraal nestelen. oblie wafel. helen doelstelling. een nest maken kneden pers kneden gramschap. overeenstemmen uur uur wafel. eerzaam. waardigheid zelfrespect. boosheid. been aanrijden. toorn gramschap.gna gnacie gnać gnębi gnębić gniazdka gniazdko gniazdko strumieniowe gniazdo gniazdo startowej pamięci ROM gniazdo zasilające napędu gnieść gnieść gnieść się gniew gniewać się na kogoś o coś gniewny gnom gnój gnu go gobelin godło godło godność godność para godny godny podziwu godny potępienia godny pożałowania godny szacunku godny uwagi godny uwagi godny zaufania godzić się godzina godziną gofr gofry goić się gol golenie golf goliacie golić golić (się) golizna goliźnie oprit. boos aardmannetje. drol. ontlasting. voorrijden beproeven.

vuur. vrouw des huizes recipiëren reumatiek gastvrijheid gastvrijheid gastvrij. spaarzaamheid economisch economie economie. logé . drank. leeg onopgesmukt. ernstig. jagen. gloeiend. bloot. spaarzaamheid economisch agrarisch administreren. tamme duif duif. loos. onbedekt. bloot. heet koorts temperatuur koortsig. naakt onopgesmukt. onbedekt. happig.gołąb gołąb gołąbki gołosłowny goły goły goły gonić gonić goniec (w szachach) gonitwą gont gorąco mi gorący gorączka gorączka gorączkowy gorejący gorliwość gorliwy gorliwy gorszy gorszyć gorycz goryl gorzałce gorzki gospoda gospodarce gospodarczy gospodarczy gospodarka gospodarny gospodarować gospodarował gospodarstwo rolne gospodą gospodyni domowa gospodyni domowa gosposia gosposia gościć gościec gościną gościnność gościnny gość gość duif. bloot nastreven. schokken bitterheid. tamme duif kool hol. herberg economie. bona fide. belust stemmig. serieus minderwaardig opschudden. alcoholische drank bitter logement. ijver begerig. schudden. herbergzaam bezoeker gast. vrouw des huizes huishoudster huisvrouw. introducé. vuur snikheet. gretig. naakt. najagen dakplankje gloed. smoorheet. verbittering gorilla alcohol. najagen bejagen. beheren. verterend ambitie. vurig. koortsachtig gloeiend. jacht maken op bisschop nastreven. herberg huishoudster huisvrouw. onbedekt naakt. besturen agrarisch logement. onopgesmukt. verzendend. ledig. lens.

opharken plunderen. Gotisch gotisch. borrelen. snuiter bezoeker bezoeker op het kookpunt zijn. af. nalaten. bovengronds mijnbouw mijnbouw mijnbouw mijnwerker bovenste meester zijn. met lucht gevuld. afgelopen contant. rooskleurig ophopen. bezig zijn. persoon. afgelopen klaar. gereed. af. koken koken koken goulash gekookt pruttelen gekookt klaar. handelen spel pompoen haarkloven. sujet. harken. baar contant. opharken uitkammen. roven schoffel sierlijkheid . opeenhopen. bult lucht-. rozig. aanharken. af. bedillen spel uitkammen.gość gość gość (w hotelu) gotować gotować gotować bez skorupki gotować bez skorupki gotował gotował gotowany gotowy gotowy do pracy w sieci gotów gotówce gotówka gotówka gotycki gotyk goździk goździk (korzenny) góra góra góra lodowa góral górą górce górka rozrządowa górne (np. uitlaten berg berg doen. de baas zijn verzaken. buitmaken. stropen. accumuleren berg ijsberg Hooglander berg aanaarden bochel. aanharken. opharken uitkammen. knul. ageren. gereed. aanharken. harken. baar poen. Gotisch anjer. rose. harken. anjelier roze. afgelopen klaar. geld gotisch. gereed. światło) górnictwa górnictwo górniczy górnik górny górować górować nad górski góry gra gra gra podobna do tenisa gra słów gra z podziałem na role grabić grabie grabie (także krupiera) grabież gracą gracją kerel.

koorde. grafische kunst Graal gram gram frase. beknotten vislijn. zoom perk. hengelsnoer verbleekt lijntje. eerroof. bergstroom stroom. beperken. vloed. grens rand. bezig zijn. spelen.gracją grać grać (np. voorspelen harp doen. koord. grens rand. spraakkunst grammofoon granaat granaat granaatappel granaatappel achterklap. zoom perk. snoer. w karty grać na harfie grać w teatrze grad grad grad (słów grad słów graficzny grafika grafika rastrowa grafika żółwia gral gram gram gramat. laster prisma rand. voorspelen uitvoeren. volzin grammatica. vlot. begrenzen. lijn perk. zoom begrenzen. spraakkunst grammatica. zdanie gramatyce gramatyka gramofon granacie granat granat (owoc) granat owoc grandą graniastosłup granica granica granica granica granica granica granica granica plastyczności granica transakcji granica zabezpieczeń granicą granice granicie graniczący graniczny graniczny graniczyć graniczyć (z czymś) granit gratce gratis gratulacja Gratie uitvoeren. gelukwens . zoom perk. zoom belenden. gebeuren onbezet. spelen. onbelemmerd felicitatie. grenzen aan granieten incident. spraakleer. gebeurtenis. ageren. vloed. sim. beknotten granieten aangrenzend. snoer. spraakleer. aanliggend rand. open. handelen hagel stroom. los. bergstroom hagel aanschouwelijk grafiek. grens grens. zin. grens rand. perk beperken. grafische kunst bitmap grafiek.

groeve erwt grot grot stand. bos aggregatie. afleiden. spelonk. grot grotesk. waterkering afsluiting. vergaderen. gelukwens gelukwensen. graveerwerk zwaartekracht spel Griekenland Grieks grapefruit. aggregaat opeenhopen. abstraheren samenkomen. bundel. groeve graf. stapelen. bijeenkomen deduceren. accumuleren accumuleren. pompelmoes Grieks vakvereniging. krocht. barrière. pompelmoes grapefruit. ophopen roedel. ophopen samenkomen. ophopen. penny erwt grot holte. pompelmoes grapefruit. opeenhopen. kudde deduceren. potsierlijk . hol. bundel. stapelen. griffen graveren. klas groepering. feliciteren gelukwensen. grillig. dijk groeve. bijeenkomen. dam. opeenhopen opeenhopen. groep groepering. potsierlijk grotesk. abstraheren ophopen. corporatie. sperdam dijk. gravure. ophopen. sperdam waterkering.gratulacje gratulować gratulował grawerować grawerował grawerunek grawitacją grą Grecja grecki greipfrut grejpfrucie grejpfrut grek gremium Grenlandia grobla grobla groblą groblą grobowca grobowca grobowiec groch grocie grocie gromada gromada gromadą gromadce gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić zapasy grono grosz groszek grota grota grotesce groteska felicitatie. graf graf. feliciteren graveren. gilde Groenland afsluiting. barrière. grillig. dam. opeenhopen wis. groep wis. afleiden. klasse. vergaderen accumuleren. bos stuiver. griffen prent.

excellent. lijvigheid hardhandig. graf graf. lady. groep carrosserie groepering. dicht dik. grof. lomp dikte. kluit. gezichten trekken griep. dreigement. plecht. tiptop. dreiging afschuwelijk groeve. tuberculose. dicht dakplankje lijvig. Georgiër Groezië. groep opa. dot. kind. potsierlijk terreur. afstammeling meloen onbewerkt. kwartier.groteskowy grozą grozić groźba groźba groźny grób grób gród Gród obronny grubas grubasek grube zyski grubiański grubieć gruboskórny grubość gruboziarnisty gruby gruby gruby gruby Ethernet gruby papier gruby żwir grudce grudce grudnia grudzień grunt gruntach gruntownie gruntowny grupa grupa adresów grupa rozsyłania grupowego grupa wszystkich węzłów grupa zasobów klastra grupować się gruszce gruszka gruz gruz gruzin Gruzja (in Europe/not in USA) gruźlica grymas grymasić grypa grotesk. onkies. bot. vet loot. rommel Groeziër. onderkomen. grillig. kasteel. puin. onheus. omvangrijk. cru verdikken. puin prullaria. ruw uitgebreid. kostelijk dik. klomp kruimel. bal. bedreigen bedreigen. klont. burcht vettig. groep peer peer rommel. veelomvattend tof. gebonden. influenza . schrikbewind dreigen. aandikken onbeleefd. afval. Georgië tering. gebonden. onbehouwen. lomp. grootvader dam. wintermaand december. radicaal diep groepering. jonkvrouw. woning slot. honds. broodkruimel december. longtering grijnzen. vrouw groepering. dreigen bedreiging. dik prop. gezichten trekken grijnzen. prullaria. groeve logies. wintermaand aanaarden terrein grondig. jong. afval. grof.

machinatie. fijn. bed. wellevend. vriendelijk beschaafd. lief. griep griep. konkelarij perk. beitsen krauwen. donderen daveren. kikkerdril verbeurd net. achterzijde. worstelen daveren.) sinus grzęznąć grzmieć grzmocie grzmot grzmotnąć grzyb grzybnia grzywna grzywną grzywną gubić gulasz gulasz gulden gulgocie guma guma influenza. mooi. ommezijde wervelkolom. knauwen. kammen zondigen klakken. kwijtraken goulash goulash gulden murmelen. kletteren. bulderen. spin. klauwen. scharrelen. bloemperk intrige. zich aftobben. bijten. ruggegraat kuilen. braden. bulderen. donderen afranselen champignon kuit. tuinbed. begraven uitkammen. bulderen. braden. bloemperk drijfzand rugstuk. bed. fraai verbeurd opgeven. influenza happen. murmelen (v. donderen daveren. kachel verwarming. aardig. beekje) kauwgom tandvlees . klappen. ommezijde rugstuk. verbeuren. achterzijde. hoffelijkheid voorkomend. schoon. vuur warm verwarming. welgemanierd verwarming radiator zondigen zondigen spartelen. książki)s kolec (kaktusa grzebać grzebień grzech grzechotać grzeczność grzeczny grzeczny grzejąc grzejnik katody grzeszyć grzeszyćk <sine> (matem. tuinbed. klikken beleefdheid. viskuit. roosteren verwarming branden. roosteren perk. krabben knaagdier knagen gloed. kachel branden.grypa grypą gryz gryzmolić gryzoń gryźć grzać grzał grzałce grzałka grzance grzanie oporowe grzanka grządce grządce grządka grząski piasek grzbiecie grzbiet grzbiet (np.

asterisk zaadkorrel. claxon fluiten. onderwijzen blauwe plek dichtknopen prop. pit sterretje. borg staan voor luidruchtig. elastiek rubberen. brommen. gieren spijkeren. lawaaierig ster sterretje. dot tumor. zekerheid garanderen. gieren kuif. kluit. dialect jargon. gieren fluiten. nagelen . gevest. gezwel dichtknopen heft. aanranden geweldpleging. garanderen garanderen. taaltje garanderen. geweld met geweld geweldpleging. klomp. netto. knop een aanslag plegen op. klont. gouvernante opvoeden. gonzen tongval. handvat. asterisk Guinea fluiten. asterisk sterretje. toeter.guma do żucia gumą gumka do ścierania gumowy gusła gust gustowny guście guwernantce guwerner guz guz guz guz guzik guzik gwałcić gwałt gwałtownie gwałtowność gwałtowny gwałtowny gwałtowny gwałtowny spadek gwałtowny spadek gwar gwara gwara gwarancja gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarantować gwarantować rekompensatę gwarantował gwarny gwiazda gwiazdka gwiazdka gwiazdka (oficerska) gwiazdka Wojny gwinea gwizd interferencyjny gwizdać gwizdek gwizdek gwóźdź rubberen. nettosmaken huisonderwijzeres. geweld woest onweerstaanbaar duiken woest hartstochtelijk razen. elastiek bijgeloof smaken duidelijk. borg staan voor borg staan voor. gummi rubberen. borg staan voor veiligheid. korrel. rumoerig. elastiek gom. bal. snorren. hals. borg staan voor garanderen.

alp werkplaats onderrok onderrok slippen. handel luifel. rumoerig. boef haakje. herrie roeien luidruchtig. lawaaierig ophopen. handelaar. handel drijven handelen. rumoerig. ronddelen. accumuleren ophopen. rumoer. slot. uitdelen venten. betomen bedwingen. afdak schandelijk gnoom. aardmannetje padvinder. opeenhopen. arrestatie bedwingen. lawaaierig luidruchtig. zakenman handel. uitglijden zaal. remmen afremmen. lawaai. salon hal kring. beteugelen. leuren. remmen afremmen. betomen afremmen. accumuleren hamburger aanhouding. hebbelijkheid hoek haakje. slot. opeenhopen. spang. agraaf hoek vasthaken vasthaken borduren borduren ellendeling. difussiehalo ophef. verkenner aanmatigend.gwóźdź bez łba gzyms kominka habit haczyk haczyk haczyk órska) haftce haftka haftować haftował hak hak hala (górska) halą halce halka halka hall hall (teatralny) halo hałas hałas hałaśliwy hałaśliwy eumatyczny Hałda hałdą hamburger hamować hamować hamował hamulca hamulec hamulec ręczny handel handel handel elektroniczny handlować handlował handlowiec handlowy handlując hangar haniebny harcerka harcerz hardy harem harfa spijkeren. nagelen schoorsteenmantel aanwensel. schavuit. leven. nering handelen. handel drijven rondgeven. koopmanschap. ploert. beteugelen. nering handeldrijven. colporteren koopman. koopmanschap. agraaf alpenweide. spang. remmen handel. arrogant harem harp .

rooster harden. eendracht. stalen harden. toeval riskant. harmonie samenklank. houwen. harmonisch harmoniëren. bijeenpassen harmoniëren. joods vermaak. stalen leus.harfą harmider harmonia harmonią harmonijny harmonizować harmonizował harmonogram hartować hartować (stal) hasło haszysz haust Hawaje hawajski Hawana hazard hazard hazardowy hebel hebrajski hecą hegemon heksadecyntalny hełm hełm hemisferą hemoroid hemoroidy herb herbacie herbata herbatnik heretyk herezja herezją heroiczny heroiną herold heteroatomincontext index hetero-atom-in-context index heteroatomincontext index indeks heteroatomów w kontekście hetero-atom-in-context index indeks heteroatomów w kontekście hicie hiena hiena nia harp afdrogen. zestientallig kamrad. doen schommelen Hawaii Hawaiiaans Havanna dobbelen toevalligheid. leuze hasjiesj. baas hexadecimaal. menigte. afranselen samenklank. tandwiel helm hemisfeer. temperen. eendracht. amusement gebieder. kloppen. kamwiel. halfrond aambei boel. gewaagd vliegtuig. massa bewapenen. aanvoerder. harmonie eendrachtig. lijfspreuk. vliegmachine Hebreeuws. hoop. bijeenpassen dienstregeling. chef. drom. heldhaftig heroïne uitbazuinen indexeren indexeren indexeren indexeren slaan. temperen. kletteren. klappen hyena hyena . bedenkelijk. hasj balanceren. wapenen thee thee biscuit ketter ketterij ketterij heroïsch. tandrad. devies.

verhaal geschiedenis. nazihobby achterhoede opkweken. chroniqueur Spanjaard Spanje Spaans nazistisch. eerbetoon . hypocriet veinzer. fokken. telen toegaan. onderstelling hysterie hysterisch geschiedenis. overvloed royaal. genereus. opfokken. eed van trouw. gissen hypothese. Indiaas hindoeïstisch Indisch. voortgang hebben. slepen. Indiaas biologeren. historie. hypnotiseren hypnose hypnose veinzer. verdieping geschiedenis. huichelaar. verhaal kroniekschrijver. historie. historie. gebeuren onbekrompenheid. hygiënisch hindoeïstisch hindoeïstisch Indisch. onderstelling vermoeden. goedgeefs hockey lijntje. verhaal etage.hieną higiena higieną higieniczny hindus Hindus Hindus hinduski hinduski hipnotyzować hipnoza hipnozą hipokrycie hipokryta hipopotam hipoteka hipotetyczny hipotetyzować hipoteza hipoteza dopuszczalna hipotezą histeria histeryczny historia historia historią historyczny historyk hiszpan Hiszpania hiszpański hitlerowski hobby hodować hodował hodował hojność hojny hokej hol Holandia Holender holenderski holować holować holownik holownik hołd hyena hygiëne hygiëne sanitair. gul. hypocriet nijlpaard hypotheek hypothetisch veronderstellen hypothese. boegseren rukken sleepboot hulde. lijn Holland Hollander Hollands trekken trekken. snoer. koord. huichelaar. koorde.

homo goedgeluimd. schouwing. gezichtseinder horizontaal. daveren prostituée. het maken loon. hoer spel humanist menselijk. inspectie inspectie houden. homofiel. komisch. goedgehumeurd flikker. als waarheid aannemen ere-. komisch. pantserkreeft. magazijn. eren gesteld zijn. brullen.hołd homar homilią homoseksualista homoseksualiście homoseksualny honor honorarium honorarium honorować honorował honorowy hop hordą horoskop horror horyzoncie horyzont horyzont radiowy horyzontalny hospitacją hospitował host odległy hotel hotelowy hrabia hrabstwa hrabstwo hrabstwo w płzach Anglii hrabstwo w pł-zach Anglii huk huk huk hukier hulanka humanista humanistyczny humanitarny humor humoresce humoresce humorystyczny huragan hurcie hurt hurtownia hurtowy huśtać się cijns. schatting langoest. moppig. preek goedgeluimd. weledel. weledelgeboren hinkelen horde. humeur moppig. bende horoscoop gruwel. kreeft sermoen. horizon. gage. bezoldiging. humaan humor. vereren. ververwijderd. humaan menselijk. platliggend schouw. ver hotel hotel in aanmerking komen. koddig humoristisch orkaan in het groot in het groot pakhuis. waterpas. horizon. goedgehumeurd huldigen. warenhuis in het groot balanceren. gezichtseinder kim. koddig. gruweldaad. kanselrede. gemoedsgesteldheid. doen schommelen . loeien. inspecteren verwijderd. verschrikking kim. lichtekooi. salaris eerbiedigen. gezichtseinder kim. meetellen graafschap graafschap Devoon Devoon dichtslaan beuk bulderen. respecteren agnosceren. horizon. grappig grappig.

perfect.huśtawce hutnik hydrą hydrofobia hymn hymn hymn narodowy i i i tym podobne i w rozmowie przez radio: przyjąłem ich ich ich idea idealny idealny filtr dolnoprzepustowy ideał ideą identyczność identyczny identyfikator identyfikator identyfikator użytkownika identyfikować identyfikował ideologia ideologią idiom idiota idiota idiotyczny idiotyczny (np. onzinnig. het hunne aan ze. denkbeeld identiteit identiek legitimatiebewijs. ach en en haar. hymne kerkgezang. legitimatie identificeren. begrip. top. absurd idiotie. doen schommelen werker Hydra hondsdolheid. etsnaald. ah. neus. schrijfstift piek. idiotisme afgodsbeeld idylle floppen. onder tafel schuiven negeren. onder tafel schuiven pictogram pictogram . snikkel. waterschuwheid kerkgezang. ze. punt. wygląd) idiotyzm idol idylla ie zdawać iglica iglicą igła igła igła nóżka igła sortownicza igłą ignorować ignorował ikona ikona przycisku balanceren. in optima forma ideaal ideaal idee. spits naald griffel. aan hun idee. vereenzelvigen ideologie ideologie idioom. benul. benul. jongeheer idioot dwaas. och. taaleigen idioot lul. in het water vallen griffel. schrijfstift kegel naald naald negeren. hymne kerkgezang. hymne en oh. legitimatie inhalen legitimatiebewijs. vereenzelvigen identificeren. hun de hunne. begrip. ongerijmd. leuter. denkbeeld volkomen. hun. pik. etsnaald. tip.

verbeelding bedenken.ikoną ikra iloczyn iloczyn logiczny (zob. opbrengst conjunctie produktie. imitatie imiteren. boel. prent. getal hoeveelheid. boel. getal hoeveelheid. zich verbeelden gember ketel theepot. grootheid tal. naamwoord immigreren navolging. grafische kunst veraanschouwelijken. illusie drogbeeld. getal tal. illusie aan ze. verluchting beeld. plaat bloed aftappen. aan hun kakement. sterkte. aantal. illustreren drogbeeld. grootheid dakraam. luik. ze. kabouter keizer imperialist imperialist imperialist imperialisme rijk. naam. kaak inbeelding. trekpot theebus ketel theepot. sterkte. gewrocht. kaak kakement. vrijpostigheid. trekpot naamdag naamgenoot deelwoord benaming. afbeelding. nabootsen. prent. hun.AND) iloczyn produkt ilosć ilość ilość ilość danych przesyłanych siecią ilość informacji iluminator (na statku) iluminował ilustracja ilustracja ilustracja wpuszczona ilustracją ilustracją ilustracje ilustrować ilustrował iluzja iluzją im imadła imadło imaginacją imaginował imbir imbryk imbryk imbryk imbryk do herbaty imbryk do herbaty imieniny imiennik imiesłów imię imigrował imitacja imitował IMP imperator imperialista imperialistyczny imperialiście imperializm imperium impertynencja pictogram ree produktie. nadoen aardmannetje. verlichten illustratie. verluchting beeld. aderlaten illustratie. begoocheling. afbeelding. brutaliteit . plaat grafiek. nabootsing. keizerrijk. aantal. patrijspoort illumineren. illustreren veraanschouwelijken. gewrocht. aantal. kobold. imperium hondsheid. begoocheling. opbrengst tal.

inwijding inauguratie. invoeren importeren. edel importeren. Indiaas Indisch. polsslag. vuur. impliceren opdringen. aandrang pols. luchthartig in overvloed aanwezig zijn anders inauguratie. invoeren importeren. impuls. tel aandrift. invoeren impotent impressionist aandrift. mensen hoofdelijk. heftigheid aardmannetje. aantonende wijs India Indonesië Turkije kalkoen gireren. indrukwekkend nobel.impertynencki impet implikacja implikować implikował imponować imponujący imponujący imporcie import importować impotent impresjoniście impuls impuls impuls elektromagnetyczny impuls zezwalający impulsywny in sth> w coś inaczej inauguracja inauguracją inauguracyjny inaugurował incydentalny indeks indeks indeks heteroatomów w kontekście indeks tablicy indeks zagęszczony indeks zbiorowy Indianin indiański indicativus Indie Indonezja indor indor indosował indyjski indyk indyk indywidua indywidualny indywidualny indywidualny indywiduum indywiduum brutaal. vrijpostig onstuimigheid. betrekken. drang. aandrang luchtig. impuls. individueel respectief afgezonderd. forceren imponerend. tel pols. onbeschaamd. polsslag. persoon . personen. Indiaas indicatief. verstrikken insluiten. kabouter verwarren. kobold. wenden hindoeïstisch Turkije kalkoen lieden. endosseren. een lijst maken indexeren indexeren indexeren indexeren Indisch. bij-. individueel personage. inwijding inaugureel inaugureren minder belangrijk. drang. afzonderlijk hoofdelijk. zijindexeren uitlisten. ver.

intelligentie informatie informatie informatie het berichten. besmettelijk. schouwing. besmetting aanstekelijk. gezind nieuwtje. injectie incarnatie. besmetting infectie. inzamelen genegen. inspectie inspecteur inspecteur ingeving ingeving inspireren. informeren. [singularis tantum] informatyka informować informował infrastruktura infuła ingerować inicjalizować inicjał inicjał początkowy inicjały inicjatywa inicjować inicjować n procedura iniekcja (nośników) iniekcją inkarnacją inkasować inklinował innowacja inny inny inny inny inny niż inny niż insekcie insekt inskrypcją inspekcja inspektor inspektor zabezpieczeń inspiracja inspiracją inspirował infectie. injectie spuitje. ding. innen. affaire de stoot geven tot laars spuitje. verpestend infecteren. septisch inflatie inflatie informatie bevattingsvermogen. aansteken bederf veroorzakend. "information" występuje tylko w l. aangelegenheid. informeren. inlichten weefsel mijter interveniëren. inlichten berichten. nieuwigheid ander uiteenlopend. voorletter initiaal. inspuiting. ingrijpen laden initiaal. voorletter zaak. voorletter initiaal. verschillend ander ander ander ander insekt insekt inscriptie schouw. vleeswording collecteren. inspuiting. geneigd.ang. bezielen. besmetten. poj. nieuws. inboezemen .infekcja infekcją infekcyjny infekował infekował inflacja inflacją informacja informacja informacja zastrzeżona informacje informacje (uwaga: w j.

inrichting instelling instelling instelling gesticht. fitten. intelligent bedoeling. leraar. aangifte. fel. werktuig instrument. strekking sterk. inrichting insinueren insinueren onaangetast. ongeschonden. doel.inspirując inspirujący instalacja instalować instalować instalował instrukcja instrukcja instrukcja blokowa instrukcja operacji instrukcja złożona instruktor instrumencie instrument instrument z dyfrakcją elektronów instrumentarium instruować instruował instynkcie instynkt instytucie instytucja instytucja nadająca nazwy instytucją instytut insynuować insynuował integralny intelekcie intelekt intelektualista intelektualiście intelektualny inteligencja inteligencja telekomunikacyjna inteligencja warstwa społeczna inteligent inteligentny inteligentny inteligentny most inteligentny mostek intencja intencją intensywny intensywny interaktywnie interes interes bezielend bezielend gewas. muziekkorps instrueren instrueren aandrift. ding. bevattelijk. bekwaam knap. instituut. consigne. handig. intens. intelligentie bevattingsvermogen. marchanderen . instructie onderwijzer. verstandelijk intellectueel. plan. strekking bedoeling. plant aanleggen. slim. verstand. listig knap. instinct aandrift. installeren aanwijzing. werktuig instrument. installeren afhandelen. consigne. intens. intelligentie intellectueel. doel. gewiekst. aangelegenheid. instinct gesticht. verstandelijk bedreven. instituut. intelligent doortrapt. behendig. uitspraak declaratie. verstandelijk bevattingsvermogen. integraal intellect. intensief sterk. uitspraak aanwijzing. intelligentie bevattingsvermogen. fitten. instructeur instrument. orkest. verklaring declaratie. aangifte. bevattelijk. instructie declaratie. geest intellectueel. plan. geest intellect. fel. afdoen aanleggen. finaal zaak. heel. pingelen. verstand. intensief helemaal. affaire afdingen. verstandelijk intellectueel. werktuig band.

arbeid klant. afdeling interveniëren. werk. afnemer klant. uitlegging. weergeven punctuatie. raadsel intiem. koper. interpunctie branche. inval uitvinding inventaris. interpretatie interpreter interpreter uitleggen. Perzië Iraans Iraans Irene Iris . ingrijpen interveniëren. dokter. karwei. interpunctie punctuatie. koper. intrigeren. uitlegging. zaak. kudde. bekonkelen puzzel. innig. tak. boedel vee. knus invasie. afnemer belang inboezemen. ingrijpen inzetten. intrigeren. duiden reproduceren. introductie konkelen. duiden uitleggen. inval invasie. veestapel ingenieur ingenieur ingenieur affaire. belangwekkend interessant. interpreteren. belangwekkend interface interface interface storing storing tussenwerpsel medicus. ding Irak Iran. geneesheer vertolking.interes jący interesancie interesant interesować interesował interesując interesujący interfejs interfejs użytkownika interfejs wywoływalny interferencja interferencją interiectio interniście interpretacja interpretacją interpretator interpretator sesji interpretować interpretował interpretował interpunkcja interpunkcją interwał interweniować interweniował intonował introdukcją intryga intrygować intrygować intymny inwazja inwazją inwencją inwentarz inwentarz inżynier inżynier pełniący inżynier pomocy technicznej inżynieria oprogramowania wspomagana komputerowo Irak Iran Irańczyk irański ireną Iris emplooi. aangelegenheid. een lied aanheffen inleiding. bekonkelen konkelen. interpretatie vertolking. vak. belangstellend interessant. interesseren geïnteresseerd. levende have. interpreteren. arts. gezellig.

aanzijn wezen inderdaad. mohammedanisme IJslander IJsland Istanboel bestaan bestaan bestaan. kamer lokaal. feitelijk. sprank vonk. vertrek. vertrek. heel. geldig. betekenisvol essentieel. betasten voorafgaan. rijzen Italië verbleekt lokaal. droog ironisch bevloeien. vertrek.Irlandczycy Irlandczyk Irlandia irlandzki irlandzki żołnierz piechoty ironia ironią ironiczny ironiczny irygował irys irytacja irytować iskra iskrą iskrzyć Islam Islandczyk Islandia Istambuł istniał istnieć istnienie istota wszystkożerna istotnie istotny istotny istotny istotny istotny istotny materialny istotny dla działalności firmy iść iść uruchomić iść po omacku iść przed iść w górę italią iwa izba izba rozrachunkowa izbą izbą izolacja izolacja izolacja (cieplna) izolacja złącza izolacją Iers Ier Ierland Iers Iers ironie ironie dor. intrinsiek stoffelijk. sprank islam. kamer lokaal. geldend. gieten. materieel gangbaar. opstaan. wereldruim. speling. vitaal. isolering isolering. begieten. isolatie . ruimte isolering. isolering vertraging isolatie. sprank vonk. bijzonder vitaal veelbetekenend. sproeien Iris nauwkeurig bepalen. tippelen. opkomen. intrinsiek marcheren. bevoelen. vigerend erg. gaan voelen. lopen lopen. voorzijn opgaan. van stapel lopen. verontwaardigen vonk. isolatie isolatie. vitaal. kamer bestek. bijster. determineren ergeren. metterdaad essentieel. tasten.

ofschoon. een weinig iets echter. wąż) jagnię jagoda jagodą jaja jajko jak jak żywy jaki jaki jest jaki jest jakie mają np. afpellen. vergiftig. een of ander. toch wel. enigszins. enig hetwelk. welke. vergeven virus bek. afzonderen afzonderen. isoleren isoleren. wie. alhoewel voor. die. huren. dat. cider schillen. tot dusdanige. aanwerven wat dan ook een of andere. afzonderen geïsoleerd. een of ander. bij wijze van. muil eetzaal eetbaar kaart venijnig. giftig lamsvlees bes bes ei ei hoe hoe hetgeen. isoleren isoleren. vast een beetje. alleenstaand Israël. stellig.izolator izolować izolować izolował izolował izolował Izrael Izraelita ja jabłecznik jabłka itp) jabłko jabłoń jacht jad jad jadaczce jadalnia jadalny jadłospis jadowity (np. hoewel. jassen appel appelboom jacht vergiftigen. Israel Israelitisch mij. al. zeker. zo'n. welk Castor aannemen. ik. zulk een naar men zegt op de een of andere manier op de een of andere manier eigenschap eigenschap hoe . fotele czy wózki) jakieś opcje) jakikolwiek jakiś jakiś jakiś jakkolwiek jakkolwiek jakkolwiek jako jako jakoby jakoś jakoś na jakość jakość wyjściowa jakże isolator afzonderen. enig gewis. vergallen. niettemin. maar. dat. hoe. dergelijke. wat een of andere. als. me appelwijn.

zijn pit. klare jenever. verterend. zwakjes. kuil Jamaica Japans Japan Japans Japans yard. glanzend. klaar aansteken. groeve. ra marktplein.jałmużna jałowcówce jałowcówka jama Jama Jamajka japonce Japonia Japończyk japoński jard jard (91. vertoonbaar kaal. marktplaats vegetarisch vegetarisch neonaanspannen. bazaar. holte slikken. oprijlaan rijden jazz zelf. ra yard. lumineus. doorslikken. kern . greppel. klare groef. kaalhoofdig esdoorn. krocht. lichtjes. verzendend briljant. het juk opleggen ketenen. doorslikken. inslikken duidelijk. grot. groef. vanzelf haar. licht. kern pit. lumineus glanzend. aanmaken hel. briljant hel. helder zwak. licht gloeiend. rondweg aanwijsbaar. kern kern. hun. ahorn oprit. markt. gracht. boeien groente groente ranonkel grot spelonk. het juk opleggen aanspannen. gracht.44 cm) jarmark jarosz jarski jarzeniowy jarzma jarzmo jarzmo (magneto wodu) jarzyna jarzyną jaskier jaskinia jaskinia (także inne ukryte miejsce jaskółce jaskółka jasno jasno jasno świecić jasny jasny jasny jasny jasny lekki światło Java jawnie jawny jawny jawor jazda jazda jazz jaźń ją jądro jądro jądro węzła jądro wieloprocesorowe aalmoes jenever. greppel groeve. open en bloot. hol. klaar Java ronduit. licht. vurig. pit pit. kuil. doen ontbranden. inslikken slikken. aak.

samenhang. slechts. ze. slechts. eendracht zijde. eenparig ongehuwd. unit uniform. kernstamelen. eender. stotteren struikelen stotteren. stotteren stotteren. unit eenheid. aaneenvoegen eendrachtig atoom-. alleen. stamelen. alleen. ongetrouwd men elf echter. tenue eenhoorn uniform. maar pas. zij pas. enkel. hakkelen. bos eenheid. gelijkmatig niettegenstaande. spijs. tenue eenzijdig eenheid. hakkelen aan ze. tenue eensgezind. kustlijn. unit eenheid. zijn . unit wis. hakkelen stamelen. gelijk. etenswaar. spijs. louter eten. hun. bloot. gerecht eten. bundel. in weerwil van egaal. zeekant. aan hun kust. zeekust motor men ongehuwd. niettemin. ongetrouwd jaarlijks uniform. gerecht het zijne. tenue eenheid. tenue uniform.jądrowy jąkać się jąkać się jąkać się jąkanie się jąkanie się je jechać rozpędem jechać samochodem jeden jeden jeden z gatunków papug jedenaście jednak jednak jednakowy jednakże jedno jednocz jednoczyć jednoczył jednolity jednolity jednolity jednolity wzorzec półtonowy jednomyślny jednoosobowy jednoroczna (roślina) jednorodny jednorożec jednostajny jednostce jednostka jednostka alokacji jednostka zmiennoprzecinkowa jednostka żądająca jednostkowy jednostronny jedność jedwab jedwabny jedynie jedyny jedyny jedzenia jedzenie jego jego nucleair. hun. de zijne haar. stamelen. maar. maar enkel. etenswaar. in weerwil van men bijeenbrengen. enkel. aaneenvoegen bijeenbrengen. hakkelen. toch niettegenstaande. atomair naadloos uniform. zij zijde.

najaarsvallen. appendix wervelkolom. wanneer. opnieuw nog gebruiken. afvallen. eten. plas. ingeval tenzij indien. meer fjord Jezus gaan. kreunen. glijmiddel skiën fietsen. ruggegraat indien. vaccine weg. rijden. plas. als. varen. zeekant. vaccin. als. kermen kermen. spin. meer kust.jej jej jeleń jeleń jelicie jelit jelito jemioła jemiołą jen enny jeniec Jerozolima jesień jesień jesion jesionowy jesteś (archaizm) jeszcze raz jeszcze raz jeszcze raz jeść jeść bardzo delikatnie jeść lunch jeść śniadanie jeść z apetytem jeśli jeśli jeśli w ogóle jeśli zostanie on później zmodyfikowany) jezdni jeziora jeziora) jezioro jezioro (po szkocku) Jezus jeździć jeździć na łyżwach jeździć na nartach jeździć na rowerze jeździec jeża) jeżeli jeżeli Jeżeli nie podano inaczej jeżyna jeżyną jęczeć jęczeć haar. wanneer. de hare hert mannetjeshert darm ingewanden darm vogellijm. zijn het hare. als. ingeval entstof. maretak vogellijm. nogmaals van voren af aan. ingeval tenzij indien. storten as asgrauw kunst opnieuw. vreten knagen. kustlijn. karren schaats. neervallen. nogmaals. bikken. lunch ontbijt maag indien. wanneer. hun. maretak het volgende gevangene Jeruzalem herfst-. wanneer. baan. knabbelen twaalfuurtje. wielrijden aanhangsel. zeekust waterplas. route waterplas. zuchten . ingeval braam braam stenen. bijlage. van voren af aan. als. steunen.

zilverspar. feeks feeksachtig stenen. spar den. taalkundig Jiddisch jodium jodelen jodelen den. Zoeloe taal tong taalkundige. linguïst. steunen. zilverspar. HTML język programowania LISP język przetwarzania symboli język reguł język skryptowy język tablicowy język wewnętrzny komputera język wewnętrzny program maszynowy język zapytań język źródłowy język źródłowy język wyjściowy językoznawca językoznawczy jidisz jod jodlować jodlowanie jodła jodłą jodyna jodyną joga gerst helleveeg. taalgeleerde taal-. joods Spaans Hollands Iers Litouws Lets Maltezer Duits Noors Jiddisch Perzisch lispelen Russisch Roemeens Slavisch Turks Hongaars Italiaans Zoeloetaal. furie. kreunen. zuchten tong taal tong Arabisch Keltisch Deens afdoen. haaibaai. afhandelen Fins afwikkelen Frans Hebreeuws. kermen kermen.jęczmień jędza jędzowaty jęk jęk jęzor język język język APT język CCL język do zastosowań naukowych język EML język EML język EML język FORTRAN dla programowania w czasie rzeczywistym język graficzny język graficzny język hebrajski język informacyjno-wyszukiwawczy język konwersacyjny język logiczny język makroasemblera język naturalny język niskiego poziomu język niskiego poziomu język oznaczeń np. spar jodium jodium yoga .

braaf. beginnend Jupiter Jura jury arbiter. Zuid-Slavië Joegoslavië. scheidsrechter jury jurist verontschuldigen morgen morgen Aurora morgenlicht. joods Joegoslavië. alreeds heerschappij. stuurtoestel Jozef juwelier jubileumjodendom Hebreeuws. voorwaarde. hut taxi stulp. aurora. tros kabel. ferm aankomend. tros kabel. huurrijtuig. conditie . dapper. tros kabel. Zuid-Slavië Joegoslavisch Joegoslavisch flink. bestuur vissen zoenen. bewind.jogizm jogurt jota jowisz joystick józef jubiler jubileusz judaizm judejski Jugosławia jugosławią Jugosłowianin jugosłowiański junak junior Jupiter jurajski juror juror jury jurysta justować jutra jutro jutrzence jutrzence jutrzenka jutrzenka już k k <First In k <Keep It Simple kabaczek kabarecie kabaret kabel kabel okablować kabel (1/10 mili morskiej) kabel (elektryczny) kabina kabina kabina kierowcy (operatora) kabina pilota kabłąk kabzą kaczka kadencjach yoga yoghurt. joghurt jota Jupiter stuur. eerlijk. hut boog. portemonnaie. morgenrood Aurora morgenlicht. aapje stulp. kussen pompoen cabaret cabaret kabel. tros vigilante. geldbuidel eend bepaling. alvast. reeds. aurora. morgenrood al. toog beurs.

bak BTW teil plavuis. tichel scheppen. berekenen meten. keutel . stam scheepsromp. rekening rekenmachine. calculator rekenmachine. rekenen. vatten staf schoorsteenmantel wierook bak. bodem. kiel. romp. inlijsten. tegelsteen. rekenen. bek muil. casco scheepsromp. pantalon. berekenen calorie calorie radiator overschoen Golgotha drek. kuip tobbe. ontlasting. drol. creëren hes. calculator calculeren. romp.kadencją kadłub kadłub (statku itp) kadłub statku kadr kadra kadrowanie kadzidło kadź kadź kadź kadź kafel kafelkować kaftan roboczy kaganiec kagańca Kair kajak kajdany kajuta kakao kakaowy kaktus kalafior kalambur kaleczyć kaleki kalendarium kalendarz kalendarzyk kalesony kalesony kalesony Kalifornia kalkulacja kalkulacją kalkulator kalkulator stołowy kalkulować kalkulować kalkulował kaloria kalorią kaloryfer kalosz kalwarią kał term. journaal onderbroek lang lange broek. teil. beschadigen. kuip. boezeroen muil. berekenen calculeren. tegel. rekening rekenschap. gebrekkig kalender kalender dagboek. bederven verminkt. broek Californië rekenschap. hut cacao cacao cactus bloemkool woordspeling havenen. bek Caïro. casco in een lijst zetten. bodem. tobbe. Cairo plezierboot ijzeren stulp. vakterm boomstam.

aarden. camera intiem. boord. campagne maat. gracht divan. kanaal. kanaal. riool neerdruipen. kanaal vaart. innig. rustbank canapé sandwich kussen sandwich sandwich kanarie Canarisch kantoor kantig wal. oever velg . van klei hemd herenvest. camera Kameroen kamfer vrijmetselaar metselaar klei-. vest veldtocht. wijk. wijk. keisteen aanzetten mijlpaal mijlpaal edelsteen.kałuża kamasz Kambodża kameleon kamera kameralny kamerą Kamerun kamfora kamieniarz kamieniarz kamieniarz kamienna kulka do gier kamienny kamień kamień do zapalniczki kamień kotłowy kamień milowy kamień milowy kamień młyński kamień żółciowy kamizelka kamizelka kampania kamracie Kanada kanadyjczyk kanadyjski kanalik kanalizacja kanalizacja kanalizacja (rzek) kanał kanał kanał transmisji danych kanał zwrotny kanapa kanapa kanapce kanapę kanapka kanapka (do jedzenia) kanarek kanarek kancelaria kanciasty kancie kancie zich aaneensluiten. gracht monteren. vaart. zinkput. knus fototoestel. kust. kant. van klei klei-. aansluiten slobkous Cambodja kameleon fototoestel. kiektoestel. kornuit Canada Canadees Canadees vaart. kanaal. kameraad. zetten vaart. afdruipen cloaca. kiezel. aarden. van klei kiezelsteen. aarden. gracht neerdruipen. afdruipen wijk. gezellig. aarden. kiektoestel. gracht. van klei pilletje klei-. Turkse staatsraad. wijk. makker. edelgesteente. steen klei-.

rooien korporaal fantasie. apache kool gras kool straf. muziekkapel omzet opgraven. sollicitant. kapitein capituleren. voorrijden huisje. onberekenbaar nukkig. onberekenbaar pet kapseltje. bestraffing frase. zich overgeven kapel. aanvrager verzoeker. kraam. voornaamste captain. oppassend kangoeroe kannibaal. keet. menseneter cañon zwendelen. volzin roer. candela. aspirant verzoeker. doosvrucht kapseltje. kaars kroonluchter. hopman. vermogen hoofd-. kroon. grillig. roer geweer. capsule. droppelen. doosvrucht straatschuimer. bende aalmoezenier. zin. capsule. knoeien veldfles druipen. nukkig. geweer geweer. loods hardloper zoet. roer . luchter kandidaat.kandela kandelabr kandydat kandydat do archiwizacji kandydat na stanowisko kandydował kandydował kandydowanie kandyzować kangur kanibal kanion kant kantyna kapać kapela kapelan kapelusz kapelusz słomkowy kaper kapitalista kapitaliście kapitalny kapitał kapitał bez odsetek kapitan kapitulować kaplica kaplicą kapotaż kapował kapral kaprys kapryśny kapryśny kapryśny kapsel kapsuła kapsułka kaptur kapusta kapuś kapuście kara kara śmierci karabin karabin karabin maszynowy kaarsensterkte. druppelen schare. troep. frauderen. muziekkapel kapel. aanvrager aanrijden. schuur. veldprediker hoed Panama bokkesprongen maken kapitalist kapitalist aanzwellen kapitaal. verbeeldingskracht bizar grillig.

delven. vel boer. ambulancewagen affuit carrière. herberg artisjok opduikelen. aanmanen. manen. dwergachtig voeden voeden voeding. carburateur vermanen.karać karać karafka karafka karaluch karał karambol karawana karawaną karą karburator karcić karcie karczek karczma karczoch karczować karetka karetka kariera karierą kark kark karłowaty karm karmić karmidła karnawał karność karo (w kartach do gry) karoseria karp Karpaty karta karta karta(dziurkowana) kolejna(uzupełniająca informacje na kartach poprzedzających) karteluszce kartka kartka kartka zaginana od góry kartka żywnościowa kartofel karton kartoteka kartoteka kartoteka juist. handvest. voeder. loopbaan carrière. page. aardappel kartonnen catalogiseren catalogiseren bestand. bestraffing vergasser. hals minuscuul. opgraven. kost. goed bestraffen. aansporen kaart nek. ziekenauto. voedingsmiddel carnaval discipline. straffen karaf decanteren kakkerlak bestraffen. aanrijding karavaan karavaan straf. straffen botsing. loopbaan nek nek. vel blad. tucht diamant carrosserie karper Karpaten kaart charter. hals logement. vrachtcontract kaart slippen. dossier . aanvaring. uitglijden briefkaart blad. rooien ambulance. correct. edelknaap pieper.

ding dashboard. zweefmolen. pap zaadkorrel. aangelegenheid. dwergachtig minuscuul. kardoes cassette cassette patroon. korrel zaadkorrel. dwergachtig minuscuul. kastanje contact hebben. pit. pap hoesten paardekastanje. instrumentenbord. contact hebben met catalogiseren catalogiseren adresboek adresboek adresboek catalogiseren catalogiseren catarre koud niezen. met gom bestrijken afschaffen gommen.karuzela karuzela karuzela (np. brij. in het rond laakbaar minuscuul. pit. eromheen. algorytm cykliczny w systemie operacyjnym) karygodny karzeł karzeł karzełek kasa (zapomogowa) kasecie) kaseta kaseta kaseta (do wkładania modułów sprzętowych) kaseta z taśmą magnetyczną kasetce kaseton kasjer kask kaskadą kasować kasować kasować kasować przełączać(np. eromheen. proesten. niesen . gegoten voorwerp snijden. zaak. dwergachtig fonds. met gom bestrijken afgietsel. beschot kassier. kardoes patroon. kapitaal patroon. klaar gommen. korrel hoesten moes. brij. programy) zwolnić pamięć kasował kast kastrować kasyna kasyno kasyno kaszą kasze kaszel kaszka kaszleć kasztan katalizator stały katalog katalog katalog katalog bieżący (aktywny) katalog węzłów katalog zadań katalogował katar katar katar carrousel. ontmannen. in het rond daaromheen. kardoes affaire. kashouder. castreren casino casino moes. draaimolen daaromheen. licht. muntmeester helm waterval afbestellen hel.

al. enig ieder. wassen bad. alleman iedere. brok heft. vakterm categorie katholiek katholiek katholiek katholiek doodsangst. iedere. elk. pots. elk. baden. al iedere. brok beting koffie restauratie. paard in schaakspel. ramp. alleman elk. paard ruiterij. catastrofe kathedraal. agonie Kaukasus koffie paard. elk hoek accapareren. paardenvolk mop. kanselrede. kwinkslag. alleman. boon. ramp. al. veldboon bevelen. al. ridder ridder. aanbieden een of andere. alleman. paard ridder. martelen te koop aanbieden. dom categorie term. alleman. ieder. aanvoeren. restaurant. grap fragment. doodsstrijd. een of ander. gevest. incest kwellen. iedere. iedere. eethuis koffie tuinboon. baden. aanvoeren. handvat. catastrofe schipbreuk onheil. badkuip . ieder.katastrofa katastrofa morska katastrofą katedra katedra (na uniwersytecie) katedra na uniwersytecie katedrą kategoria kategoria kategorią katolicki katolicki katolik katolik katusze Kaukaz kawa kawaler kawaler kawaler orderu kawaleria kawał kawałeczek kawałek kawałek kawałek murawy wyrwany przez kij golfowy w czasie uderzenia kawą kawiarni kawowy kawy) kazać kazać komuś czekać kazanie kazirodztwa kaźń każ każdy każdy każdy każdy każdy (człowiek) każdy człowiek wszyscy kącie kącie kąpać się kąpać się (w morzu kąpiel onheil. cavalerie. wassen in bad doen. preek bloedschande. koeioneren. knop fragment. al. dom departement departement kathedraal. elk ieder. opkopen in bad doen. paard in schaakspel. hals. grol. paard in schaakspel. ieder. commanderen sermoen. commanderen bevelen.

indopen. richten. marktplaats mennen. bedorven. wassen bad. miskelk. knauwen. kuif beting hap. beklagenswaardig rot. soppen zich aaneensluiten. hap aanwakkeren. besturen conducteur. dot. stuur . bos. bazaar. richten. ooit beker. bloemkelk. bestuurder conducteur. beitsen hoek accapareren. kelk aperitief. croquant nevelig. markt. aanzetten niezen. kiemen erbarmelijk. proesten. dirigeren. besturen reglementeren. niesen een verband omleggen wanneer. toen eenmaal. badkuip indompelen. geleiden. beuling uitkomen. wel eens. toen eenmaal. mennen de weg wijzen. bestuurder conducteur. pluk. baden. bijten. borrel aperitief. mondvol mondvol. verrot hart marktplein. leiden mennen. mistig bosje. richten. borrel pudding worst.kąpiel kąpiel (w wannie) kąpiel odkażająca kąpieliska kąsać kąt kąt strat magnetycznych kątowy kciuk kelner kelnerce kelnerka kernel kędzierzawe (włosy) kędzierzawy kępka kęs kęs kęs kibic kichać kichnięcie kiecce kiedy kiedy (w pytaniach) kiedy indziej kiedykolwiek kielich kieliszeczek kieliszek do brandy kiełbasa kiełbasa kiełbasą kiełek kiełkował kiepski kiepski kier (w kartach do gry) kiermasz kierować kierować kierować bezpośredni kierować (<sth> czymś) kierował kierowca kierowca zmiennik kierowcą kierownica in bad doen. regelen besturen. eens. dampig. niesen niezen. heiig. dirigeren. ontspruiten. opkopen kantig duim kelner serveerster serveerster pessimist knapperig. aanvuren. proesten. eens. als. aansluiten happen. bestuurder stuurtoestel. ontluiken ontkiemen. kuifje. beuling worst. als. reguleren. dirigeren. wel eens. ooit wanneer.

beheerder. richting consigne. echtelieden weinig een beetje. stok kleven. klas . knikken lijm. richting polis richtlijn. instructie. volksstam. film bioscoop. leiding. vastkleven. klasse. oorveeg. knikken ja knikken. cinema box rouw darm bos. knikken ja knikken. misgrijpen kiel echtpaar. totaal. aanwijzing zak zak staf. algeheel ja knikken. lel smakken stand. kit. Schotse rok kimono kimono bioscoop. aanhangen kikkervisje missen. koers. afkluiven kilometer kilt. stam afgang draai om de oren. leiding. administrateur richtlijn. kleefmiddel. cinema rolprent. kilogram schoffel knabbelen. wis. mislopen. koers. menigvuldig kilo. een weinig weinig verschillend. enigszins. bundel luit geheel.kierownictwo kierownik kierunek kierunek kierunek wsteczny złącza p-n kierunkach kieszeń kieszeń dysku kij kij od miotły kijanka kiks kil kilka kilka kilka kilka razy kilku kilo kilof kilof kilometr kilt kimona kimono kina kinematografia kino kiosk kir kiszka kiść kit kitel kiwać kiwnąć głową kiwnięcie kiwnięcie odarzy klajster klajster klakson klamra klamra klan klapą klaps klaps klasa administratiekantoor bestuurder. kleefstof aanplakken hoorn accolade vasthaken geslacht. menigvoudig. knikken ja knikken.

aard classificeren. klassiek klassikaal. scala ketteren. boezem kooi opgang. toonladder. scala naaien. kleefmiddel. neuken toonschaal. klasse. kit. steen klak. godlasteren. klas schede. klassiek klooster. steen. vloeken ketteren. trap voorwaarde. brij. rechtzinnig classificeren. applaudisseren wis. foedraal. bepaling toetsenbord. klassiek klassikaal. indelen soort. klad. moet tikken tikken . klassiek klassikaal. edelgesteente. bij acclamatie benoemen adhesie betuigen. houder toejuichen. bundel. indelen classificeren.klasa zaprzyjaźniona klaser klaskać klaskać klaskać chodowa klaster klasy podstawowej klasyce klasyce klasyczny klasyczny klasyczny klasyfikować klasyfikować klasyfikował klasyfikwać klasyk klasyk klasztor klatce klatka klatka na sekundę klatka schodowa klatka schodowa klauzula klauzula klawiatura klawiaturą klawisz klawisz (strażnik więzienny) klawisz znakowy kląć klął klątwą klechdą kleić kleić kleik kleisty klej klej klejenie klejnot klejnot klejnoty kleks klepać klepanie stand. edelgesteente. pap plakkerig. plek. applaudisseren adhesie betuigen. klassiek orthodox. kleefstof tandvlees moes. vloeken. mop. bos basisklassikaal. kleefmiddel. kleefstof tandvlees plakkerig. klassiek klassikaal. godlasteren mythe lijm. edelsteen edelsteen. clausule. slag. godlasteren ketteren. klavier toonschaal. kit. indelen klassikaal. mannenklooster kooi kooi borst. kleverig lijm. kleverig edelgesteente. smet. toonladder. steen edelsteen. voorwaarde. klavier toetsenbord. vloeken. bepaling conditie.

sociëteit club. scala toonschaal. lampekap clown. kletteren. troep klikken. schroefsleutel moersleutel. sociëteit klaveren toonschaal. ahorn kap. scala toonschaal. een wig steken blokkeren. aak. koper. kliek. toonladder.kleszcz kleszcze klęcz klęczeć klękać klęska głodu klęska żywiołowa klice klient klient klient klient korporacyjny klient sieciowy klif klik klika kliknąć kliknąć prawym przyciskiem myszy klimacie klimat klimatyczny klimatyzacja klimatyzowany klin klin (podkładany pod koło) klinice klinika klinować kloc klon klosz klown klub klub studentek uniwersytetu klubach klucz klucz klucz klucz (do śrub) klucz (elektronowy) klucz mieszający klucz nadrzędny klucz wspólny klucz zabezpieczenia pamięci klucz zewnętrzny klucz złożony kluczowy kluczowy teek knijper. klappen kongsi. toonladder. schroefsleutel toonschaal. paljas. klakken. klappen klikken. scala toonschaal. klip klikken. klakken. scala moersleutel. toonladder. verbruiker afnemer. pal. klant klant. kliek. afnemer klif. troep klant. toonladder. toonladder. klappen klimaat klimaat klimaatsairco. afnemer klant. kletteren. toonladder. toonladder. schroefsleutel moersleutel. kletteren. klakken. afnemer consument. een wig steken kliniek kliniek een wig slaan. cliënt. air-conditioning air-conditioned een wig slaan. hachelijk toonschaal. scala . scala kritiek. vastzetten esdoorn. gebruiker. koper. scala toonschaal. een wig steken een wig slaan. pias club. schroefsleutel sleutel moersleutel. koper. schaar knielen knielen knielen geeuwhonger nederlaag kongsi. pal.

draven dribbelen. gezien katje katje ketel. steken dribbelen. lont vrouwelijk wijfje. lieverd. lastig. pit. slim pijnlijk. liefhebben aanhalig aanhalig beminnen. houden van. nauw oor kwestie. strijd. bar. bos kousje. vrijster. liefhebben vriendin. lieveling. dispuut lul. dispuut kijven. ruzie maken. dek beminnen. pit. twist. strubbeling. lampepit. schroefsleutel liggen liggen liggen aanspannen verglazen. verdriet. knoop drenkplaats. hinderen moeilijk. keteldal ketel . storend smal. dispuut smart. lid. geliefde. twist. leuter. houden van. pik. draven herberg. twist. waterketel. geleding. storen. lampepit. stoomketel ketel. lont kousje. kookketel. lastig. krakelen kwestie. café moppen tappen moppen tappen woud. determineren bezwaar. hinderlijk. krap. benadrukken kwestie. eng. strijd. brilslang deken. prikken. minnares schat. bekrompen.kluczowy kłamać kłamstwa kłamstwo kłaść kłaść glazurę kłaść nacisk kłocić się kłopot kłopot kłopot kłopotać się kłopotliwy kłopotliwy kłopoty kłos kłócić się kłótni kłótnia kłuć kłuć kłus kłusować knajpa knajpą knajpą knebel kneblować kniei knocie knot kobiecy kobieta kobieta kobra koc kochać kochajacy kochający kocham kochanek kochany kochany kociak kocię kocioł kocioł kocioł moersleutel. leed nauwkeurig bepalen. liefje geacht. glanzen met nadruk zeggen. moeilijkheid belemmeren. jongeheer pikken. strijd. uitspanning gewricht. snikkel. gelid. priemen. vrouwtje vrouw cobra. glazuren. kiften.

kappen. gevolg kinderbed zich aaneensluiten. trekpot trekken. snikkel. lul. klappernoot. hakken code bijlage. aansluiten coyote. spin. enig.kociołek kociołek koczował koczowniczy koczowniczy koczownik kod kod (program) zakodować kod generujący numer strony podczas wydruku kod przerobić jądro Linuksa kod zakodować kod) przerobić (jądro Linuksa) kodeks kodocyl kodować kodował kogo kogoś kogoś o czymś kogucie kogucie kogut kogut koherencja koja kojarzyć kojot kokaina kokainą kokarda kokon kokos kokos koktail kolacja kolacją kolana kolanko (hydrauliczne) kolano Kolba kolbą kolca kolce kolczudze kolczyk kolczykować kolebka ketel theepot. posterijen oorring uittrekken. avondeten avondmaal. ruggegraat steek post. rondreizen rondtrekkend. bestemmen wieg . toog cocon cacao klapper. avondeten knie elleboog knie veldfles veldfles wervelkolom. snikkel. rondtrekken. kokosnoot cocktail avondmaal. nomade code code slak. verzekeren jongeheer. trekkend. een of andere betuigen. prairiewolf cocaïne cocaïne boog. naaktslak houwen. wie d'r een of ander. waarvan. leuter haan jongeheer. pik. hakken code houwen. pik. nomadisch benoeming. leuter haan consequentie. kappen. appendix codificeren codificeren welks. wie z'n. aanhangsel. lul. migrerend zwervend.

veranderlijk. gemeenschappelijk collectief. colonne kolom. maat spoor. pilaar. volksplanting schakering. kornuit. kloppen. schare. samen-. kloppen. kudde. innen. nederzetting. schare. collega aaneen. aanvaring. samen ambtgenoot. overeenstemming koloniaal kolonie. vriendelijk botsing. pilaar. nuance. colonne kring. groep. spoorweg routine. ontzaglijk verdeling. kameraad. spoorweg spoor. drift hoop. aardig. steunpilaar. aanrijding Keulen kolonie. colonne kolom. spoorweg spoor. steunpilaar. kudde. afwisselend hoop.kolec kolec świdra centrującego kolega kolega kolega szkolny kolega z klasy kolegium kolego! kolei kolei koleina kolej kolej jednoszynowa kolej linowa kolejce kolejce kolejka pocztowa kolejny kolejny kolejny kolejny kolekcja kolekcja zbiór zbieranie informacji kolekcją kolekcjonować kolektyw kolektywny koleżeński kolizja kolonia Kolonia kolonia kolonialny kolonią kolor tła kolosalny kolportaż kolportować kolumna kolumna wyświetlana (w grafice komputerowej) kolumną koła kołatka kołatka (do drzwi) kołatka do drzwi kołdra kołdra pikowana doorn doorn ambtgenoot. pilaar. spoorweg ronde gevolg metro afwisselend ander veranderen. kudde. accoord. lief. cirkel slaan. gemeenschappelijk voorkomend. anders maken wisselend. inzamelen collectief. opvallen slaan. spoorweg spoor. sleur spoor. klappen. uitreiking havik kolom. steunpilaar. drift hoop. groep. kloppen. nuancering geweldig. volksplanting akkoord. aaneen-. co-. drift collecteren. schare. collega paren college makker. groep. opvallen slaan. klappen. nederzetting. kolossaal. opvallen stikken stikken . klappen.

mug muskiet komma verbinding. combineren geheel. rad hijsblok. commentaar annoteren. commentaar leveren op annoteren. boezeroen. behelzen handel. aperitief kraag. katrol. aperitief borrel. aanvoeren. cirkel circulaire. hes samenvoegen. rad kring. slingeren wiegelied. totaal. boord. combinatie verbinding. combinatie zich aaneensluiten. slaaplied wiegelied. slaaplied wieg wieg steekmug. cirkel hijsblok. rondschrijven pet wieg opgooien. verbinden. hals kraag. commanderen aanvoerder. blok. schijf wiel. blok. zwaaien. commentaar leveren op nabeschouwing annoteren. combineren blijspel. gooien balanceren. commandant bevelen. halsboord nek. katrol. komedie bevelen. comfort . combinatie verbinding. komedie blijspel. aansluiten samenvoegen.kołdrą kołek kołek falowodowy kołnierz kołnierz kołnierz golfowy koło koło koło koło zakreślić okrąg koło celowania (na ekranie dla pióra świetlnego) koło wodne koło zamachowe kołowy kołpak kołysać kołysać (się) kołysać się kołysać się kołysance kołysanka kołysce kołyska komar komar komą kombinacja kombinacja klawiszy kombinacją kombinat kombinat kombinezon kombinezon kombinować komedia komedią komenda komendant komenderować komentarz komentarz komentarz komentarz opisowy komentować komentować komercyjny komforcie stikken borrel. schijf reddingsgordel wiel. koopmanschap. zwieren. aanvoeren. gemak. commentaar leveren op bevatten. algeheel kiel. halsboord kring. verbinden. commanderen aantekening. boord. doen schommelen zwiepen. nering gerief. inhouden.

vertrek. samenstellen compileren. digereren beloning. kerker cachot. vergelding beloning. opeenhopen. accumuleren schrijden trechter haardstede. compenseren. handelsfirma. koddig schoorsteen. deskundig. vak. beschot comité reiziger lokaal. verduwen. vergelding vergoeden. komisch. afdeling huur cachot. samengesteld complimenteren emmer heel. komisch. vergelding beloning. bevoegd verzamelwerk. ingewikkeld compliceren. kerker firma. gemakkelijk. loon. totaliter compleet. kachelpijp schoorsteen. goedmaken competent. kamer branche. schouw politiepost. boodschap dashboard. tak. opdracht. samenstellen complex. compilatie compiler compileren. kachelpijp ophopen. volledig hindernis. ingewikkeld maken . hinderpaal compliceren. samenstellen compileren. comfortabel moppig. kamer ladenkast. compilatie verzamelwerk. ingewikkeld maken gecompliceerd. commode commodore lokaal. vertrek. cel. handelshuis kompas congruent verteren. loon. moppig. cel.komfortowy komiczny komiczny komin komin komin komin komin (statku kominek komisariat komisarz komisja komisją komitet komitet doradczy komiwojażer komnata komodą komodor komora komorą komorne komórka komórka znakowa kompania kompas kompatybilny kompendium kompensacja kompensacja temperaturowa kompensacją kompensować kompetentny kompilacja kompilacją kompilator kompilować kompilować zestawiać kompilował kompleks komplement komplet kompletnie kompletny komplikacja komplikować komplikować komplikował geriefelijk. boodschap commissie. schoorsteen. opdracht. gecommitteerde commissie. politiebureau lasthebber. koddig. instrumentenbord. beletsel. volkomen. loon. grappig grappig.

komplikował komponent skrośny komponować komponować komponował komponując kompozycja kompozycja pulpitu kompozycją kompozytor kompres kompresować kompromitacja komprymować komputer komputer notatnikowy komputer podręczny komputer programisty komunia komunią komunikacie komunikacja światłowodowa komunikacja w tle komunikacją komunikat komunikat komunikatywny komunikować komunikować (się) komunikować się komunikował komunista komuniście komunizm komuś komutować konać konar konar konar konar koncentrator zespołu koncentrował koncepcie koncepcja koncepcja koncept koncercie gecompliceerd. toonzetting. katern schrift. dicht. verenigingsorgaan bericht. veldboon samenstellen. naaf dik. verkondiging communiqué communiqué communiqué bulletin. compositie onderwerp. toonzetting. plooien samenstellen. zetting toondicht. aflevering. begrip opvatting. aankondigen. een of andere. sterven bewapenen. tak tak. componeren montage. apropos toondicht. meedelen. lidmaat bus. aftakking lid. mededelen communist communist communisme een of ander. overschakelen doodgaan. compositie toondichter. stof. mededelen spreken. gebonden opvatting. katern machine communie communie aankondiging. boon. aflevering. meedelen. wapenen aftakking. componist comprimeren comprimeren foei comprimeren computer schrift. componeren omvouwen. enig omleggen. boodschap aanspreekbaar aandienen. vouwen. overlijden. begrip concert . praten berichten. adverteren berichten. ingewikkeld tuinboon. begrip begrip opvatting. omschakelen. thema.

belang concert concerto rekening. uiteinde aantikken noodzaak. aanrijding conflict het hoofd bieden het hoofd bieden Kongo. combineren aangelegenheid. moes. brandy brandy. stalknecht conclusie. einde. bewaren conditie. marmelade conflict conflict botsing. aanvaring. och. confederatie bondsstaat. gevolgtrekking beton . bepaling samenhang. benodigd sprinkhaan conjunctie oh. confederatie omroepster omroepster conferentie conferentie conferentie in beslag nemen. de wacht hebben. brandewijn. cognac klaver klaver klaver schaduwen uiterste deel. Congo congres vuurwater. verbinden. koniuszek koniuszy konkluzja konkretny concerto samenvoegen. bestuurder bewaken. confisqueren in beslag nemen.koncercie koncern koncern koncert koncert koncie kondensować mały kondolencje kondom konduktor konduktor kondycja koneksja konfederacja konfederacją konfenansjer konferansjer konferencja konferencja prasowa konferencją konfiskować konfiskował konfitura konflikcie konflikt konflikt sprzętowy konflikt związany z dzieleniem zasobów konfrontować konfrontował Kongo kongres koniak koniak koniczyna koniczyna biała koniczyną koniec koniec zapisu koniec zbioru danych konieczność konieczny konik polny koniunkcja koniunkcja (zob. voorwaarde. dicht condoleantie. conto compact. verbinding bondsstaat. confisqueren jam. ach stortplaats bruidegom. ah. rouwbeklag kapotje. condoom conducteur. noodzakelijkheid nodig.

construeren. betogen. wedstrijd. bewaren haakjes vertroosten. argumenteren inmaken. ontstellen. gevolg consequentie.konkretny konkretny konkretny konkubiną konkurencja konkurować konkurs konkurs konsekwencja konsekwencją konsekwencją konsekwentny konserwa konserwatysta konserwatywny konserwować konserwować konserwować (sprzęt) pielęgnować (oprogramowanie) opiekować się (projektem) konserwował konsol konsola konsola zdalna konsolą konsolą konsolidator konsonant konsorcjum konspiracja konspiratorstwa konspirować konspirował konsternacja konsternacja konsternacją konsternacją konstrukcje z kamienia konstruktor typu konstruować konstruowanie wspomagane komputerowo konstytucja konstytucją konstytucyjny konsul konsulacie konsulat afzonderlijk. inleggen behoudend. ontsteltenis ontzetten. effectief specifiek. konfijten. onthutsen metselwerk aannemer. gevolg consequent inmaken. nietje vertroosten. conservatief behoudend. samenspanning samenspannen. bewaren behouden. vakbond komplot. evolutie grondwet. wedijveren. conservatief vertogen. aanleggen ontwikkeling. bergen. klamp. inleggen behouden. konfijten. medeklinker syndicaat. concours consequentie. onthutsen consternatie. ontstellen. samenzweren samenspannen. troosten vertroosten. bouwondernemer bouwen. samenspanning komplot. vakvereniging. constitutioneel consul consulaat consulaat . samenzweren consternatie. bergen. haakje. constitutie grondwettelijk. werkelijk. concurreren wedijver match. afgezonderd daadwerkelijk. troosten linker consonant. gevolg consequentie. ontsteltenis ontzetten. troosten kramp. constitutie grondwet. soortelijk bijvrouw wedijver meedingen.

bewind. matrix. tuberculose longtering. contrabande bouwondernemer. foedraal. consulteren consument. consumeren longtering. beteugelen schouw. contrabande smokkelwaar. dommekracht. verbruiken. keuring. conto rekening. etui. foedraal. bestuur onderzoek. aannemer bouwondernemer. consultatie raadplegen. schouwing. contrasteren afsteken. contrasteren afsteken. consultatie consult. matrijs nadenkend pot. aannemer verbintenis. bewind. koker pot. consulteren raadplegen. bak. conto smokkelwaar. dommekracht. verbruiken. contrasteren afsteken. controleren pariteit voorschrift reglement bedwingen. doos. aflezen. contact hebben met gietvorm. tering. opzichter conducteur. contract verbintenis.konsultacja konsultacją konsultować konsultował konsumencie konsument konsumować konsumował konsumpcja konsumpcją konsystencja kontakcie kontakt kontakt metal-półprzewodnik kontakt omowy kontekscie kontemplacyjny kontener kontener (złożona struktura danych realizowana jako klasa w programowaniu obiektowym) konto konto w banku kontrabanda kontrabandą kontrahencie kontrahent kontrakcie kontrakt kontralt kontrascie kontrast kontrast na poziomie szczegółów kontrastować kontrola kontrola kontrola jakości produkcji kontrola parzystości kontrola programowa kontrola programowana kontrola zapisu (atrybut pliku) kontrola zgodności typów kontrolą kontrolą kontroler kontroler kontroler kontrolerach consult. controleur. gebruiker. krik vijzel. opzichter supervisor. doos. bak. controleren heerschappij. tuberculose consequentie. inspectie heerschappij. tering. betomen. verbruiker slopen. aflezen. bestuur checken. supervisor. koker rekening. contrasteren checken. verbruiker consument. bestuurder damspel . krik contact hebben. gebruiker. gevolg contact hebben. etui. contact hebben met vijzel. contract tweede alt afsteken. consumeren slopen. examen controleur.

beteugelen heerschappij. uiteinde gebeurlijk. vasteland. bestuur controverse. voortzetting. einde. gebeurlijk bestendiging. beëindigen. uiteinde terminal uiterste deel. ros paardekracht paardekracht uiterste deel. afwikkelen.kontrolny system komputerowy kontrolować kontrolować kontrolować poprawność kontrolowanie kontrowersja kontrowersją kontur kontynencie kontynent kontynent kontyngencie kontyngent kontynuacja kontynuacją kontynuować kontynuować kontynuował kontynuował konwenans konwenanse konwencją konwersacja konwersacja podstawowa konwojent konwój konwulsja konwulsją koń koń mechaniczny koń parowy końca końcowy końcowy test po montażu końcówce końcówce końcówce końcówka końcówka końcówka typu J końcówka typu J kończ kończyć (się) kończyć (się) kończyć koniec kończyć się kończyć się kończyć się examen. kramp stuiptrekking. voortzetting. afdoen aantikken afmaken. plassertje. vasteland eventueel. pennestrijd. werelddeel. stuip. gesprek begeleiding. bewind. betomen. werelddeel continent. uiteinde terminal kegel stortplaats afhandelen. einde. vasteland continent. stuip. gebeurlijk eventueel. gesprek onderhoud. onderzoek heerschappij. pennestrijd. bewind. polemiek controverse. kramp paard. keuring. eventueel finaal. vervolg bestendiging. plasser . inspecteren bedwingen. uiteindelijk aanhechting uitgang. accompagnement stuiptrekking. accompagnement begeleiding. einde. uiteinde aantikken piemel. vervolg aanhouden te werk gaan aanhouden te werk gaan congres congres congres onderhoud. omtrek continent. werelddeel. bestuur inspectie houden. polemiek omlijning. afsluiten aantikken uiterste deel.

opeenhopen. envelop. meewerken bijeenschakelen. enveloppe couvert. afdruk verveelvoudigen. coördineren schoppen. afsluiten lid. een backup maken van exemplaar. het mijne de mijne. stop. envelop.kończyć się szpiczasto kończyna kooperował koordynować koordynował kopać kopalnia kopalnia węgla koparka kopą Kopciuszek Kopenhaga koperta koperta bezpieczeństwa koperta zabezpieczająca kopia kopia rezerwowa kopia zapasowa kopiować kopiować awaryjnie (zawartość pamięci) kopiować egzemplarz kopiować tablicę bitów kopiował kopnąć kopniak kopnięcie kopuła kopuła kopułą kopycie kora koralik Koran korą Korea Koreańczyk koreański korek korek korek uliczny korek uliczny korekta korepetytor korespondować korespondował korkociąg korkociąg korodować afmaken. schors kraal Koran boomschors. multipliceren schoppen. stop. plug. afdruk exemplaar. plug. onderwijzen corresponderen corresponderen kurketrekker spinnen corroderen. stekker. trappen schoppen. bijten . multipliceren exemplaar. trappen de mijne. opscheppen ophopen. het mijne scheppen. aantasten. afdruk een backup maken. afdruk exemplaar. coördineren bijeenschakelen. afdruk verveelvoudigen. trappen schoppen. stopmiddel kurk prop. beëindigen. enveloppe exemplaar. envelop. trappen koepel koepel koepel hoef boomschors. accumuleren Assepoester Kopenhagen couvert. schors Korea Koreaans Koreaans kurk prop. stekker. lidmaat samenwerken. stopmiddel drukproef opvoeden. enveloppe couvert.

goed baan. prooi merel. vrijen. mand ben. drenkbak. scharrelen krib. dracht. kanaal. trog. toepassing goedgezind. costuum badpak enkel banshee ben. incubus afgrijselijk nachtmerrieachtig kosten . gunstig aftappen pré. voordeel aannemen. barak. corporatie. toegenegen. nachtduivel. correct. eetbak. wortel schieten aanwending. slof. kronen kant kant kant bekronen. gracht krib. drenkbak. korf. eetbak. huren. gieteling zeis zeis maaien astronaut. bak juist. beschuldiging onkosten. voordeel pré. gewaad. wijk. gang. bak aanslaan. trog.korona korona (słoneczna) koronacja koronacją koroną koronce koronka koronka (na karcie dziurkowanej) koronować korporacja Korsyka kort korycie korygować korytarz korytko koryto korzeń korzeń palowy korzystać korzystny korzyści) korzyść korzyść korzyść korzyść kos kosa kosą kosić kosmonauta kosmyk kostce kostce kostium kostium kąpielowy kostka kostuchą kosz kosz na śmieci koszary koszary koszcie koszcie koszmar koszmarny koszmarny koszt bekronen. buit. aanwinst. kronen bekronen. kroning bekronen. kosten angstdroom. kronen vakvereniging. keet kazerne aanklacht. gilde Corsica het hof maken. stranden enkel derde macht. dobbelsteen. kroning bekroning. mand schuur. aanwerven acquest. loods. overloop. kronen bekroning. korf. ruimtevaarder aan de grond lopen. rijstrook vaart. blok klederdracht. wortel schieten aanslaan. slof.

kostbaar kostbaar.koszt koszt własny kosztach kosztorys kosztowny kosztowny koszula koszula (męska) koszula nocna koszula nocna (męska) koszulą koszyk koszykówce koszykówka koś kości do gry kościelny kościelny kościół kościół kość kość kość słoniowa kość szczękowa kot kotara kotek kotek kotlecie kotlecie kotlet kotlina kotwica kotwica (telegraficzna) kotwiczenie kowadełko kowadła kowadło kowal kowboj koza Koziorożec Koziorożec (gwiazdozbiór) kozodój koźla skóra koźlę kożuch kółka onkosten. dierbaar. kotelet. geit. geestelijk kerk bedehuis. besteding. uitgaaf schatten. waarderen. duur. korf. kosten onkosten. rib ribstuk. begroten. mand basketball basketball maaien fijnhakken kerk kerkelijk. rib vallei. aanbeeld smid. vacht rol. kosten vertering. slof. gordijn. ijzersmid cowboy sik. ivoren kakement. bok Steenbok Steenbok geitenmelker. kaak kattekop overgordijn. pels. aanbeeld aambeeld. karbonade. vulva fijnhakken ribstuk. huid. waard overhemd overhemd nachtjapon nachthemd overhemd ben. karbonade. dal anker anker anker aambeeld. bot. aanbeeld aambeeld. lief. cilinder . kerk. scherm. kotelet. been fijnhakken ivoorkleurig. kerkgebouw schonk. knok. taxeren waardevol. doek katje kut. vel. nachtzwaluw een geintje maken een geintje maken dierevel.

uithakken. spotten. honen aanfluiting aanfluiting krab geknars. verdonkeremanen sluipen open haard. kadetje. landen gewest. bobine kloot. rooster das. zinkput. kruisen circuleren. discus. rederijkerskunst achteroverdrukken. afrastering. haard. rondgaan kruisen (van schip). cirkel spoel. extreem. streek. ontvreemding aan land gaan. riool kleren maken kleren maken kring. inheems. accident. bovenmatig allemachtig uiterst. honen bespotten. ergst. uithouwen landschap landschap binnenlands. grammofoonplaat. plaat broodje. tap. gebied. klos. aangespen. in omloop zijn. bovenmatig gnoom. aardmannetje retoriek. in omloop zijn. spotten. ongeval kraan. extreem. roulatie circuleren. circulatie. bol.kółko samonastawne (takie kpi kpiarz kpić kpienie kpiną kpiny krab kracie kracz kradzież krainą krainą kraj krajać krajobraz krajobraz krajowy krajowy krakać kraksą kran kran kraniec krańcowo krańcowy krasnoludek krasomówstwo kraść kraść krata kratce krawat krawat krawca krawiec krawiec męski krąg krąg Krąg krąg cewka krążek krążek krążenie krążyć krążyć krążyć (po wodzie) kreator Castor gorden. inlands ingeboren. klos. tovenaar . stropdas stropdas. omgorden plagen bespotten. tapkraan aanboren uiterst. open veld beeldhouwen. ergst. rondgaan duivelskunstenaar. gekras krassen diefstal. omgeving. bobine schijf. kadet omloop. regio platteland. hek. aangeboren krassen ongeluk. aangorden. bolletje. sfeer. das cloaca. haardstede traliehek. gebied spoel.

treden. verband verwant. tip. stappen. sim. spits logeren punt. aaien afkraken hok mol Kreta bloed garnaal garnaal betrekking. begrenzen. strelen. spikkel. spits punt. tegoed. schijf. schrijden lopen. uithakken. schijf. familielid bowling wervelkolom. schrijden krokodillen krokus moot. krediet. verassing lijkverbranding. verassen beperken. top. credit vla vla lijkverbranding. ruggegraat schrijden beeldhouwen. tegoed. plak. stip. oog . treden. omgang. punt. verassing cremeren. filet kroniek kroniek chroniqueur. schrijden.kreatura krecie kreda kredą kredens kredens kredyt kredyt kredyt wyraz uznania krem krem do golenia kremacja kremacją kremować (spalać martwe ciało) kres kresce kreska kreska ukośna kreślak kret Kreta krew krewetce krewetka krewny krewny kręgle kręgosłup krocz kroi krok krok krok iteracji krok w bok krokodyl krokus kromce kromka kronice kronika kronikarz kropce kropce kropka kropka kropka dziesiętna kropka pozycyjna kropka znak interpunkcyjny wezen mol krijt krijt kast kast rekening. stappen. stappen. crematie. krediet. kroniekschrijver neus. beknotten vislijn. oog periode. spikkel. crematie. tijdvak neus. top. piek. hengelsnoer aanhalen. snoer. stip. snede. spikkel. schrijden lopen. treden. stip. oog punt. lopen lopen. piek. liefkozen. punt. spin. uithouwen treden. snede. plak. conto creditzijde. stappen. filet moot. credit creditzijde. tip.

kniebroek. dam. dam. waterdruppel druppel. draaischijf weefgetouw puistje. broodkruimel bloed aftappen. blozend moordziek. staat plechtstatig. lady. croquant knapperig. koninklijk konijntje konijntje konijn lady.kropkować kropla kropla w morzu kroplą kroplówka krosno krosno krosta kroście krowa krową krój król królestwa królestwo królestwo królewski królewski królewski króliczek królik królik królowa królować królową krótki krótki krótki krótki krótki opis programu krótkie streszczenie krótkowzroczny krótkowzroczny (dosł. spikkel. bewind lady. ongemeen. vrouw. waterdruppel druipen. waterdruppel druppel. bijziend kippig. vrouw koninkrijk koninkrijk rijk. i w przen. vrouw. oog druppel. schaars krekel. majestueus vorstelijk. moordlustig zeldzaam. aderlaten bloedig. broek kort abstract. slipje kort korte broek. pukkel koe koe knippatroon. afgetrokken kippig. kruisbeeld raaf raaf kruimel. patroon dam. kortzichtig. jonkvrouw bestuur. druppelen draaibank. croquant crucifix. pukkel puistje. kriek Krim . koninklijk vorstelijk. statig. broodkruimel kruimel. bloedend rood. jonkvrouw. stip. heerschappij. jonkvrouw kortstondig. kort slip.) krtań kruchy kruchy krucyfiks kruczy kruk kruszyć kruszyć się krwawić krwawy krwawy krwiożerczy krwisty krykiet Krym punt. kortzichtig. bijziend strottehoofd knapperig. droppelen.

heester snoeien gieren. hecht. keuren crisis harig. over elkaar slaan frustreren kruisen. armstoel stoel zorgenstoel. aftands ombuigen. hachelijk beoordeling. aanmerking kritiek. pastor .kryminalny krynolina kryształ kryształ o sieci regularnej płaskocentrycznej kryształowy kryta ciężarówka kryty basen krytycyzm krytyczny krytyka krytykować kryzys krzaczaaste (brwi) krzak krzak krzcie krzem na szafirze (struktura) krzemień krzepki krzesło krzesło krzesło bujane krzesło bujanes lub wyłącznik biegunowy krześle krzew krzewy) krzyczeć krzyk krzykliwy krzykliwy krzywa zdyskretyzowana krzywą krzywda krzywdą krzywdą krzywdą krzywdzenie krzywdzić krzywiczny krzywić krzyż krzyżak krzyżować krzyżować się kserografia kserograficzny ksiądz misdadig. ferm zorgenstoel. rumoerig. heester afkeuren saus. snood. ruig. over elkaar slaan fotokopie xerografisch pastoor. kritiek. geestelijke. buigen. curve kromme. jus kiezelsteen. curve blessure. lawaaierig snibbig. verwonding kwetsen. foutief. letsel toebrengen blessure. verwonding onjuist. wond. struik struik. vrouwenrok kristalhelder. doorbuigen kruisen. ruigharig heester. joelen luidruchtig. kwetsuur. zwembad beoordeling. verkeerd nadelig kwetsen. fors. over elkaar slaan kruisen. schreeuwen. armstoel stoel stoel struik. kristallen kristalhelder. schreeuwen. bestelwagen zweminrichting. kiezel. keisteen robuust. kritiek. kwetsuur. gammel. crimineel rok. bocht. kristallen bestelauto. roepen. bocht. letsel toebrengen bouwvallig. kritiseren. bits kromme. joelen gieren. potig. kristallen kristalhelder. aanmerking beoordelen. roepen. wond. sop.

ingenaaid boek. een of andere. wie. formeren. enig enig. dat. operatekst chequeboekje hertog prins. welke. enig. accountant boekerij. brochure boek aangeven boekwinkel. een of andere een of ander. bibliotheek koningsdochter. vormen. prinses koningsdochter. vormen. accountant accountancy boekhouding. aangaan formeren. welk hetwelk. een of andere. aangaan formeren. wie. lunair dresseren. welk. vorst boek adresboek adresboek paperback. kweken. dat. prinses maan maan-. brochure boek paperback. een of andere enig. die een of ander. ingenaaid boek. wie. welke. aangaan vormen. vormen. wie. welk. boekenwinkel boekhandelaar boekhoudkundige. enig. welke. een of andere. dat. libretto. welk hetwelk. vorst boekje. een of ander een of ander. voor. enig aanwezige hetwelk. naar noorden noorden . welke. tot. tegen. aangaan hetwelk. een of ander een of ander. die ouderloos aan. boekhouden boekhoudkundige. bij. grootbrengen instrueren formeren. een of andere. dat. lunair maan-. die.książce książe książeczka książeczka czekowa książę książę książka książka adresowa książka kucharska książka telefoniczna książka w papierowej okładce książka w papierowej okładce książkowy księga księgarnia księgarz księgowego księgowość księgowość księgowy księgozbiór księżna księżniczka księżyc księżycowy księżycowy lunatic kształcić kształcić kształt kształt czcionki kształt znaku w czcionce kształtować kto kto ma lekki sen kto zajął drugie miejsce ktokolwiek ktoś ktoś ktoś ktoś zajmujący (miejsce które który który zajmuje się głównie lub wyłącznie podkowami i podkuwaniem koni) których użytkownik uległ awarii ku ku pamięci ku pamięci boek prins. die.

handelaar. gebied mank. bewerken. kameraad. verering beschaving. bouw ontwikkeld. oven keuken. drom. kop kan. sfeer. in elkaar duiken in elkaar duiken. koopman koop. aanbidding cultus. aankoop koop. hinkend kruk hurken. kreupel. kookgelegenheid keuken. geleerd cultuur. teelt. koopman neringdoende. opeenhopen kunst aankopen boel. maïs eksteroog. koper. kweken paren maat. eredienst. kruik hurken. kookgelegenheid pony borst. hurken ronde kogel hagelkorrel. inkoop. likdoorn mais. likdoorn mais. hagelsteen cultus. aankoop . massa zakenman. beschaving. makker. beschaving. eelt. bouw bebouwen. eredienst. menigte. in elkaar duiken in elkaar duiken. beschaven cultuur. winkelier afnemer. boezem jongleur marionet koekoek eksteroog. omgeving. teelt. ophopen. maïs kruk kloot. handelaar. hurken koken kachel. verering adoratie. bol.ku wschodowi Kuba kubek kubek kuca kucanie kucharz kuchence kuchni kuchnia kucyk kufer kuglarz kukiełka kukułka kukurydza kukurydza kukurydzą kukurydzą kula kula armatnia kulawy kulą kulić się kulić się kulisty kulka punktor kulka gradu kult kult kultowy kultura kultura kulturalny kulturą kultywował kumpel kumpel kumulować kunszt kup kupą kupca kupca kupiec kupiec kupna kupno verzenden Cuba kopje. inkoop. hoop. klant zakenman. eelt. kornuit accumuleren.

scherm.kupon kupon (np. doek naaien. aanlokkelijk aanvechting. aflopen. klas cursor cursor circuleren. voucher. charlatan. coupon aankopen koop. coupon bon. zieke galmen. leergang. scherm. route. kwalificatie . kip behandelen. weglokken in verzoeking brengen. aankoop aankopen kippevlees. colbert. gordijn. kip kippevlees. onderschrift. stadswijk vierkant bedrieger. gordijn. behandeling patiënt. bekoren lekker. kwakzalver bedrieger. gezant patrijs patrijs tracé. kip kippevlees. tapkraan haan afgezant. kleppen. buis jasje. bode. colbert. tap. neuken stof drijfzand stof verleiden. beieren kippevlees. kip ineenkrimpen. graad stand. kaartje. voucher. cureren kuur. charlatan. temptatie. premiowy) kupować kupować kupuwać kura kuracja kuracja kuracjusz kurancie kurą kurczak kurczę kurczyć się kurek kurek zamykający kurier kuropatwa kuropatwą kurs kurs kurs waluty kursor kursor wyboru kursować kurtka kurtka dwurzędowa kurtyna kurtyną kurwa kurz kurzawą kurzyć kusić kusić kuszący kuszenie kuś kuś kuzyn kuźnia kwadracie kwadrans kwadrat kwakać kwakanie kwakier kwalifikacja bon. weglokken in verzoeking brengen. kop. verlokken. wijk. kwakzalver Quakerbevoegdheid. buis overgordijn. doek overgordijn. koers titel. ineenkronkelen kraan. rondgaan jasje. in omloop zijn. verlokken. cursus. bekoren nicht smeden vierkant buurt. kaartje. inkoop. verleiding verleiden. klasse.

nietje. summa stuiver. kustmeer lagune. vraag. kwiteren fleurig. lakken zeehond. wijk. ding. aantal. penny cactus kramp. stuiven hoer. pop . fanfare voor voldaan tekenen. aangenaam lagune. aantal. pop tonnetje. klamp. kwiteren tal. som. totaal. gieten. haakje laboratorium sauzen. zaak kwestie. vakterm zuur zuur sluw zuur zuur hoofdkwartier buurt.mnoga parentheses nawias okrągły laboratorium lać lać lać się ladacznicą ladny laguna laguną laik lak lakier lakier (bezbarwny) lakier bezbarwny lakować lalą lalka bevoegdheid. rob tonnetje. verspuiten. navraag bloem bloesem bloem bloem bloesem grasmaand. niet-ingewijde schoensmeer.kwalifikacją kwartał kwartał kwas kwas o wysokim stężeniu kwaskowaty kwaśny kwaśny kwatera główna kwatery kwestia kwestia kwiat kwiat kwiat kwiat z rodziny compositae kwiecie kwiecień kwit kwitnący kwitnąć kwitnąć kwitnąć kwitować kwocie kwocie kwota kwota kwota jednopensowa l. totaal. behaaglijk. nietje. stadswijk aangelegenheid.mnoga nawias okrągły l. mn. kwalificatie buurt. kustmeer leek. <cactuses> lub <cacti>) kaktus l. april voor voldaan tekenen. lichtekooi. som. stortregenen afranselen opspatten. stadswijk term. zeerob. lakken verlakken. summa tal. affaire. getal somma. wijk. lakken verlakken. bedrag. schoencrème verlakken. bloeiend bloem bloesem fanfarekorps. klamp. haakje kramp. bedrag. prostituée genoeglijk. getal somma.

kroost. landing aanvliegen les maar. landen daling. leven. toorts. vuurmaker latex jaar zomer wijnstok. bos belemmeren. steen en been klagen weeklagen. panter luipaard. klep luipaard. toorts. flambouw fakkel. landen aan land gaan. stok suikerriet zomer aanvliegen aanvliegen zwemmen. lichttoren. bevorderen terugvallen herrie. vuurbaak aansteker. doch kuur. drijven fakkel. wingerd nakomelingschap. behandeling . in omloop aan land gaan. steen en been klagen rouwen weeklagen. afsluiten. zaad latrine laurier. lawaai larve woud. panter lamp lamp promoveren. afdammen staf. klep schuif. lauwer lavalawine lawine circulerend.lament lamentować lamentować lamentował lampa lampa elektronowa lampa elektronowa zawór lamparcie lampart lampą lampka lansować lapsus larum larwa las laska laska laska lata latać latać przed oczami latać przed oczami latarce latarka latarni latarnia latarnia morska latarnik lateks latka lato latorośl latorośl latryna laur lawa lawina lawiną lawirować ląd lądować lądowanie lądowanie (samolotu) lecieć leckja lecz leczenie weeklagen. flambouw lantaarn lantaarn vuurtoren. rumoer. landing daling. ophef. steen en been klagen lamp schuif.

legaal legende. kwalijk amper. beter maken. kwalijk. kwalijk. drug. artsenij. medicinaal. nauwelijks amper. medicinaal. volksoverlevering legendarisch legende. helen doctor medicus. doen ontbranden. dokter. nauwelijks. genezen. vereenzelvigen spel trechter trechter dope. genezen. cureren kwalijk. aanmaken glossarium glossarium limonade limonade vlas luiheid luiheid ai. geneesheer nonchalance. drogerij. geneeskundig behandelen. helen beter maken. wettelijk. geneesmiddel helend. volksoverlevering legioen legioen recht identificeren. helen behandelen. gewettigd. kruid dope. nauwelijks. arts. cureren genezen. nalatigheid les les aansteken. doen ontbranden. certificeren wettig. kruid medicijn. drogerij. drogerij. luiaard lui lui . aanmaken atleet sport aansteken.lecznica leczniczy leczyć leczyć leczyć leczyć ledwie ledwie ledwo ledwo legalizować legalny legenda legendarny legendą legią legion legislacją legitymować legumina lej lejek lek lek lekarski lekarstwa lekarstwo lekarstwo lekarz lekarz lekceważenie lekcja lekcją lekki lekkoatleta lekkoatletyka lekkostrawny leksykon automatyczny leksykon zautomatyzowany lemoniada lemoniadą len lenistwa lenistwo lenistwo leniwiec leniwy leniwy kliniek helend. drug. geneeskundig dope. nauwelijks getuigen. luiaard ai. drug. kruid beter maken. amper amper.

afslag. averechts. vrijzinnig het hoofd bieden vergunning. Turkse staatsraad. meetellen meer meter. tal nummer. tal heel. krik linker-. getal. lethargie zoel. ah proportioneel. mijn. versmaat calculeren. lauw zoel. cijfer aantal. licentie kandelaar. horen. metrum. berekenen . tal nummer. aantal. links linker-. geheel majoor och. afslager. veilingmeester auctie. vendu. prevalent. veiling tal. blaker behoren. cijferen aantal. links kruiden divan. overvloed in aanmerking komen. getal. tegengesteld vijzel. aantal. vendu. passen auctie. rekenen. leenman leengoed. getal aantal.lennik lenno lepiej lepik lepki lepszy lepszy (zobacz <good>) leszcz leśny letarg letni letni lekko ciepły lew lewa strona lewarek lewy lewy ukośnik leżakowanie leżance leżeć lękać się Liban liberalny liberał lica licencja lichtarz licował licytacja licytator licytować liczba liczba liczba całkowita liczba dziesiętna zmiennopozycyjna liczba poza zakresem liczba rzeczywista liczba zmiennoprzecinkowa liczba zmiennoprzecinkowa liczba zwojów liczbowy liczebnik liczebnik liczebność liczenie liczniejszy (zobacz <many>) licznik liczyć vazal. getal rekenen. betamen. rustbank liggen kwartel Libanongebergte. superieur beter bramsem hout doffe onverschilligheid. veiling vendumeester. leen beter teren vochtig opperste. ach. evenredig tal. oh. dommekracht. cijfer onbekrompenheid. Libanon liberaal. vrijzinnig liberaal. lauw leeuw omgekeerd. mijn. afslag. getal.

hengelsnoer hobby vislijn. brief . liquideren. opheffen afwikkelen. hooimaand tekst vos lispelen zendbrief. chef. getal. meester worden aanslag liniaal linker kabel. hengelsnoer lijntje. liga. liga. alcoholische drank afwikkelen. taalkundig vislijn. epistel. snoer. aanvoerder. linguïst. linoleum kalk kalk juli. begrenzen. sim. koord. hengelsnoer liniaal liniaal onder de knie krijgen. meetellen aantal. snoer. beknotten beperken. berekenen in aanmerking komen. getal.liczyć liczyć liczyć liczyć (<on sb> na kogoś) liczyć na liczyć na liczydło lider lidze liga likier likier likwidować likwidować (się) likwidować się lilia lilią liman limicie limit limit czasu odpowiedzi limit liczby sesji lina holownicza lina holownicza lingwista lingwistyczny linia linia autowa linia łącze linia programu liniał linijka linijka (do rysowania) linijka z podziałką linijka z tabulatorami link editor linka linka/lina holownicza linoleum lipa lipą lipca lipiec liryczny lis Lisp list list polecający list przewozowy meten. berekenen in aanmerking komen. begrenzen. opheffen afvoeren. brief geloofsbrief zendbrief. liquideren. hooimaand juli. inham. tros trekken vloerzeil. meetellen telraam. sim. tal meten. begrenzen. snoer. beknotten vislijn. verbond bond. baas bond. taalgeleerde taal-. kreek beperken. begrenzen. verbond likeur alcohol. uitschakelen lelie lelie baai. abacus gebieder. sim. koorde. beknotten beperken. tal aantal. epistel. lijn taalkundige. snoer. beknotten beperken. elimineren. drank.

een lijst maken aangeven uitlisten. iets betreurenswaardigs liter liturgie Litouwen Litouws likken Lissabon likken linnen vlucht. blad litanie litanie zendbrief. gebladerte. ijskoud. ijs. ingenaaid boek postbeambte. slachtmaand loof. brief letterkundig.list uwierzytelniający lista lista lista związana listek listek listonosz listonosz listopad listopadowy listowia listwa liszaj liść litania litanią litera litera z literacki literal literał literał boole'owski literatura literatura literaturą literaturoznawstwo literować literować znaczyć literowy litość litr liturgia Litwa litwin lizać Lizbona liż lniany locie loczek loczek lodowaty lodowca lodowiec lodówka lody logice logiczny zendbrief. ijsje logica logisch . een lijst maken vel. literair spellen spellen woordelijk. letterlijk woordelijk. brievenbesteller november. epistel. postbode postbode. letterkunde litteratuur. literair woordelijk. literatuur. blad brochure. paperback. letterlijk letterkundig. ijsgletsjer gletsjer koelkast. letterlijk woordelijk. litterair. brief zendbrief. bladertooi lat herpes vel. literatuur. letterkunde letterkundig. brief uitlisten. epistel. koelcel ijsco. litterair. litterair. consumptie-ijs. literair litteratuur. letterlijk schade. slachtmaand november. epistel. vliegtocht krullen slot ijzig.

loyaal. incidenteel vlucht. luchvaart vlieger. vlieghaven vliegveld. ruimte situeren. vliegenier strooibiljet binnenbrengen. lot kavel. trouw. lokaliteit. lokaal plaatselijk. trouwhartig krullen plaats. lokaal. consumptie-ijs glanzend. aviatiek. plaatsen Londen graaf lord lord kijker. rolklaver boksen ijsje. leggen. leggen. plek plaats. wezenlijk getrouw. toneelkijker lotsbestemming. lokaal aanwezige huurder locomotief motorisch motorisch situeren. luchvaart vliegwezen. perceel toevallig. ruimte plaats. binocle. vlieghaven luchthaven lotus. oord. briljant . plaatsen plaatselijk. toevallig toevallig.logika logika formalna logika matematyczna logika ujemna logika większościowa lojalnie lojalny lok lokacją lokal lokalizacja lokalizować lokalny lokalny obszar danych lokator lokator lokomotywa lokomotywa lokomotywą lokować Londyn lord lord lord (jako tytuł) lornetka los los losowy losowy dowolny losowy dowolny lot lot loteria loterią lotne piaski lotnia lotnictwa lotnictwo lotnik lotnik lotnik lotniska lotnisko lotnisko lotos loża (teatr. ijsco. aviateur.) lód lśniący logica logica logica logica logica werkelijk. vliegtocht vlieg loterij. loodsen vliegveld. aviatiek. oord. oord. incidenteel incidenteel. ijs. bestemming. lokaliteit. lumineus. verloting drijfzand hang-glider vliegwezen. verloting loterij.

volk. weelderig weelderig. lomp. bij wijze van. soldeersel soldeer. flard . februari uitvoeren. volk. tot opening. rul mul. gaping soldeer. leeg. lui. vat. lunch sterrenkijker. een bres slaan in loos. voor. als. luxueus twaalfuurtje. verrekijker afspiegelen afspiegelen soldeer. mensen bevolking volk populair. vod. lap. soldeersel sprokkelmaand. lens. blanco. bij wijze van. tod. als. getapt. humaan mensdom. rul beledigen. lui. mensheid ton. soldeersel soldeer. affronteren zwaan vodje. oningevuld. soldeersel soldeer. lor. spelen. veelgeliefd lieden. bres. telescoop. soldeersel sprokkelmaand. blank glacé suiker Luxemburg weeldeartikel. hol wit. februari luit luit soldeer. voor. krenken. ledig. grauw of of of hoe.lub lub LUB wykluczające LUB wyłączające lubić lubić słodycze luce lucie lucyfer lud lud ludność ludowy ludowy ludzie ludzki ludzki ludzkość lufa luka luka luka w świadomości lukier lukier syntaktyczny Luksemburg luksus luksusowy luksusowy lunch lunecie lusterka lustro lut lut srebrowy lutego lutni lutnia lutować lutować lut lutowie luty luz luźno luźny luźny kawałek lżyć łabędź łach grijs. tot hoe. luxeartikel luxueus. fust een bres slaan. voorspelen losjes mul. mensen menselijk menselijk. soldeersel Lucifer volk lieden.

gotisch lettertype barst puzzel. ploert begerig. beschuldiging zachtjes. zachtaardig zoet. belust. stemband. lap. temperen. verbasteren. opscheppen goederen. omkopen . lomp. weekheid liefelijk. aardig laars aanklacht. behalen. happig. voorkomend verdunnen. zachtaardigheid zachtheid. schavuit. zoet. zacht gracieus. weekheid zacht. ellendeling. mild. nietje poot. behaaglijk. stalen omleggen.łachman łacina łaciński ład ładny ładny ładować ładować ładować (system) ładować do pamięci pobieranie ładować szuflą ładunek ładunek łagodnie łagodność łagodność łagodność łagodność łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny (klimat) łagodzić łagodzić łagodź łajdak łakomy łamać łamać (się) łamać zabezpieczania (w szczególności usuwać blokady przed nielegalnym użyciem programu) łamigłówka łamliwy łania łańcuch łańcuch znaków łańcuch znaków mieszanych łańcuch znaków mieszanych Łapa łapa łapać łapą łapówce vodje. lankmoedig zachtheid. commanderen. beminnelijk. buit maken scheppen. onderbeen. vod. beschuldiging laden verkrijgen. gretig afbreken breuk. aangenaam vriendelijk. klamp. keten ketting. malsheid. bevelen genoeglijk. broos achterste ketting. aangaan poot. snaar haakje. been aanfloepen. flard Latijns Latijns aanvoeren. omschakelen. tod. zachtaardigheid zachtheid. zacht. keten koorde. malsheid. liefelijk vriendelijk. mildheid. lor. onderbeen. raadsel breekbaar. carga. verzwakken harden. aanflitsen. sierlijk vriendelijk. bevallig. voorzichtig zachtaardigheid mildheid. schappelijk. keten ketting. lading aanklacht. voorkomend goedertieren. overschakelen boef. zachtmoedig. been bederven.

vlot. makkelijk dok bank. ingezet stuk lap. allicht met gemak. weiland. wei samenhang. zitbank jury bank. badplaats badhuis. omkopen wezel. badkamer. zitbank bank bank. marter gunst. trilgras met gemak. accordeon communiqué communiqué inclusief aansluiting . zitbank lezenaar. verbinding monteren. makkelijk handelbaar. zetten samenhang. ineen bewerker vislijn. lessenaar badhuis. tezamen. lapwerk. badkamer. zetten lassen. kietelen voorgaand.łapówka łasica łasicą łaska łaska łaska łaskotać łaszt łaszt łata łatać łatka łatwizna łatwo łatwo wpadający w złość łatwopalny łatwość użytkowania łatwowierny łatwy łatwy łatwy do zagrania ława oskarżonych ława przysięgłych ława przysięgłych ławą ławica ławka ławka szkolna łazience łazienka łaźnia łące łącze łącze łącze ATM łącze odbiorcze łącze typu "backhaul" łącze wsteczne łączenie w pary skręcanie wiązek parowych (przewodów) łącznie łącznik łącznik łącznik obwodów drukowanych łączność transmisja łączność zdalna łączny łączówka bederven. volgzaamheid. verbinding monteren. badkuip grasland. wellen samen. badplaats bad. genadigheid. ingezet stuk bries. begunstiging sierlijkheid Gratie kriebelen. marter wezel. allicht brandbaar meegaandheid. voorafgaand blijvend. verleden. inschikkelijk licht. weide. bijeen. beemd. vlot. hengelsnoer trekharmonika. verbasteren. lapwerk. ingezet stuk lap. lapwerk. snoer. zetten monteren. gedweeheid lichtgelovig licht. aanhoudend lap. sim. verbinding samenhang.

lemmet schouderblad kling. verbinden. verbinden. klapperen scheppen. aan elkaar vastmaken echtpaar. graven kling. steek. kietelen liggen snikken schrijden boomstam. aaneenvoegen samenvoegen. combineren zich aansluiten. afranselen zalm eland eland Lets . aansluiten samenvoegen. kletteren. spaak boezem. stoot. echtelieden wijzerplaat zich aansluiten. mengen samenvoegen. combineren vermengen. stam schrijden opslaan boomstam. stam elleboog elleboog koevoet. prik scheppen. mixen. verbinden. lid worden. beemd. combineren laden grasland. wei geleiden. zetten samenvoegen. lemmer. schoppen. lemmer. borst baarmoeder baarmoeder klotsen. toetreden lassen. lemmet afdrogen.łączówka łącznik łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć konsolidować łączyć (się) łączyć n wiązanie łączyć się łączyć się łączyć zestawiać układać (arkusze książki) kolacjonować (porównywać teksty) sortować (wydrukowane kartki) łączyć złączyć scalić mieszać łądować łąka łeb łechtać łgać łkać łodydze łodydze łodyga łodyga łodyga trzon rdzeń łokcia łokieć łom łona łona łono łono (osoby siedzącej) łopacie łopat łopata łopata łopatka (wirnika łopatka kość łopatka wirnika łoskot łosoś łoś łoś amerykański łotewski aansluiting zich aaneensluiten. plassen. de weg wijzen. lid worden. opscheppen woelen. opscheppen pek. wellen bijeenbrengen. kabbelen. spitten. weide. combineren verbinden. temperen. weiland. hefboom. leiden kriebelen. toetreden aansluiting monteren. verbinden.

bodem. doorslikken. bed. bol boot. tuinbed. pakken. rugschild. schors. aangaan hoek vissen perk. ploert. kogel. inslikken kaal. schoenhoorn . bed. illusies wekken bij toog. slurpen slikken. casco schillen. orzechy) łupież łupina orzecha łupiną łupki łusce łuska łuskać łuskać łydka łyk łyk łyk łyk łykać łysy łyżce łyżeczce łyżeczka łyżeczka do herbaty łyżka łyżka do butów rotzak. romp. hap aperitief. reuzel. schuit boot. schors. tuinbed. bed. bed. casco lei schil. opslorpen. boog boog. aanflitsen. beetkrijgen barst splinter roos schil. schuit talg. doorslikken. borrel resorberen. kaalhoofdig pollepel theelepeltje theelepeltje theelepeltje pollepel schoenlepel. dop. bloemperk begoochelen. dop. jassen kalf mondvol.łotr Łotwa Łotysz łowić łowić na wędkę łowić ryby łożko łożyska łożysko łożysko (techn. schaal scheepsromp. kaarsvet. bodem. talk ledikant perk. tuinbed. loeder Letland Lets aanfloepen. inslikken slikken.) łożysko kulkowe łódka łódź łódź żaglowa łój łóżka łóżko łóżko łóżko piętrowe łudzić się łuk łuk łuk termoelektronowy łup łup łupać łupać (np. bloemperk nageboorte perk. schoelje. bloemperk kinderbed perk. smeer. bloemperk lager kloot. romp. afpellen. schaal schild. schaal scheepsromp. toog buit beetnemen. tuinbed. schuit boot. toog boog.

automatisch aanwensel. zwaaien werktuiglijk. combinatie autobus grote weg. statig. spriet. islamiet. toverachtig goochelaar onder de knie krijgen. magie magisch. toverachtig toverkunst. moslim mohammedaan.łyżwa łza łza mach machać machinalny machlojce macica macierz macierz matryca macierzysty maciorą macka macocha Madonna madonną Madryt magazyn magazyn kolorów magazyn kolumn magazyn pocztowy magazyn wiadomości magazynek magia magia magiczny magiczny magik magister magistrala magistrala szybka magistrala szybka magnes magnesować magnetofon magnetyczny magnetyzm mahomatanin mahometański maj maj majaczyć majątek majątek majestacie majestat majestatycznie iść majestatyczny schaats. verhevenheid statigheid. magazijn. matrix. doorscheuren gescheurd mach gebaren. bezitting spul. warenhuis winkel patroon. majestueus . matrix. moslim mogen bloeimaand. glijmiddel vaneenscheuren. landgoed. zelfwerkend. krant pakhuis. verhevenheid oprijlaan. islamiet. magie magisch. bandrecorder magnetisch magnetisme mohammedaan. goedje. oprit plechtstatig. verkeersweg magneet magnetiseren magnetofoon. stof. voelhoorn. substantie statigheid. moeder uitzaaien antenne. magazijn. matrijs ouder. warenhuis opslaan blad. hebbelijkheid baarmoeder gietvorm. ra stiefmoeder Madonna Madonna Madrid pakhuis. boerderij. meester worden verbinding. kardoes toverkunst. wuiven. mei krankzinnig zijn goed. matrijs gietvorm.

jungle. verlagen verminderen. doek. dommekracht. schilderij schildering. afnemen propperig. tip. piek sententie. nee. maximaal spits. kleuren. onbekend. verver. donker aap . krik onderbroek onderbroek papaver griezelig. maximaal snelheidsgrens maximum-. afschuwelijk macaroni modelleren modelleren schmink. neus.major majówce majstrować majtek majtki majtki (damskie) mak makabra makabryczny makabryczny makaron makiecie makieta makijaż makler makler giełdowy makrela maksimum maksymalna szybkość maksymalny maksymalny maksymą malał malał malaria malaria malaria malarstwa malarstwo malarz maleć maleć maleńki malina maliną malować malował malowidło malowniczy Malta Maltańczyk maltański maltretować mało mało tego mało znany mało znany małpa majoor uitstapje. rimboe malaria schildering. kleuren. schilderij schilderachtig. schilderen schildering. toer pottenbakker vijzel. top. make-up makelaar makelaar makreel maximum-. huisschilder afdraaien. schilderij schilder. doek. zinspreuk. niet weinig obscuur. spreuk verminderen. griezelig ijselijk. geen. punt. doek. pittoresque Malta Maltezer Maltezer gescheld weinig neen. afnemen inkorten. eng eng. verminderen koorts oerwoud. schilderen verven. klein. blanketsel. minuscuul. tocht. trip. excursie. minuskuul framboos framboos verven.

manifesteren peddelen. klink omgaan met. gemalin. klein min. vrouw gemaal. man eega. mummelen morren.małpa małpa bezogonowa małpa człekokształtna małpa człekokształtna małpą małpi mały mały mały mały mały sygnał małych rozmiarów zbity małż małżeństwa małżeństwo małżonce małżonek małżonek mam mamą mamrocz mamrotać mamrotanie mamusia mamusia mamusia mandacie mandarynka mandat mandat manewr manewr manewrować manewrować manewrował mangusta mania manicure maniera manierą manifestacja manifestacja (uczuć) manifestować manifestować manipulator drążkowy manipulator kulowy manipulować manipulować aap aap aap aap aap aapachtig minder. lastbrief biljet. rangeren rangeren. ichneumon. mandaat. min gering. brommen. mompelen. hengsel. manoeuvreren manoeuvreren. gering. door het water plassen kattekop oor. echtverbintenis echtgenote. mompelen. vertoning. brommen. hebben mummie morren. man. paraderen. mompelen. mamma mummie volmacht. karig wieden. mam. ma. ma. manier trant. min. gering. echtgenote. echtgenoot. manipuleren. dicht mossel huwelijk. karig. luttel. schoffelen min. karig compact. luttel. brommen. mam mammie. mamma. mummelen mammie. lastbrief mandarijn (vrucht) volmacht. echtverbintenis huwelijk. echt. klein. bewijs pralen. eega. prijken. kruk. eega. vertonen laten blijken. klein. rangeren manoeuvreren. manoeuvreren manoeuvreren. handvat. plaatsbewijs. echt. wijze. mummelen morren. manier demonstratie. hanteren . rangeren mungo. mandaat. mangoest obsessie manicuren trant. echtgenoot erop nahouden. wijze. pronken demonstreren. luttel. kaartje rangeren.

manipuleren. baanvlak verdriet doen. kopij handschrift. bedroeven. wortel peen. doel moralist. kreukelen. tekort handschrift. marcheren rimpelen. bedoeling. opmaken. fronsen verfomfaaien. wortel margarine margarine kant. deficit. route. opmaken. verdoen goedkoop Marokko Mars lentemaand tippelen maart lopen. kaart landkaart.manipulował mankiet manko manuskrypcie manuskrypt mapa mapa mapa alokacji (pamięci) mapa bitowa mapa przydziału mapa schemat wykres mapa termiczna mapą mapce maralista marca marca marca marca marchew marchewce marchewka margaryna margaryną margines margines na spad margines zewnętrzny marionetce marionetka marka marmolada marmur marnie marnotrawstwa marnotrawstwo marnować marny Maroko Mars marsz marsz marsz marsz marszczyć marszczyć (się) marszczyć się marszrucie martwić omgaan met. manuscript. kaart landkaart. frommelen onduleren reisplan. kaart landkaart. marge. rand marionet marionet merken. manuscript. moes. rand kant. marge. verdoen verklungelen. tracé. kaart landkaart. beproeven . verdoen verklungelen. hanteren manchet kastekort. marcheren peen. kaart strekking. zedenmeester lentemaand tippelen maart lopen. opmaken. tekenen jam. marge. wortel peen. kaart bitmap landkaart. kopij bitmap landkaart. marmelade pilletje ellendig verklungelen. plan. rand kant.

marcheren dromen. colbert.martwić martwić martwić się martwić się martwy martwy sezon marynacie marynarce marynarce marynarka marynarka handlowa marynarka wojenna marynarka wojenna marynata marynować marzec marzec marzec marzec marzenia marzenie marzł marzyć marża masa masa masa masa gliniana masakra masakrą masakrować masaż masce maselnica maska maska wprowadzania maskarada maskarada IP maskaradą masła masło mason mason mason masoneria masoński masować masować beduusd. rand omvang. inmaken pekelen. grond. colbert. maskeren karnen bemantelen. zeemacht jasje. dodelijk pekelen. menigte. mijmeren kant. maskeren bemantelen. dodelijk doods. mijmeren mijmering. marge. zouten. inleggen. bestek. zouten. bloedbad masseren bemantelen. hoop. zich bekommeren. bewimpelen. bloedbad moordpartij. zich bekommeren. massa. beproeven bezorgd zijn. beteuterd bezorgd zijn. bedremmeld. buis marine. mopshond moordpartij. zorgen doods. bewimpelen. grootte achtergrond. zeemacht pekelen. zouten. overjas marine. bloedbad moordpartij. inleggen. gedroom. colbert. gemijmer vriezen dromen. bedroeven. inleggen. ondergrond drom. bodem. inmaken lentemaand tippelen maart lopen. maskeren maskering maskering maskering boter boter vrijmetselaar vrijmetselaar metselaar metselwerk vrijmetselaarskneden masseren . buis jas. inmaken jasje. zorgen verdriet doen. bewimpelen. boel mops. buis jasje.

moeder schablone. ding. zaak dingen. slachten massief mast lentemaand tippelen maart lopen. patroon. mathematica matras aangelegenheid. ding. bouw. menigte. mat ouder. nadoen paren schaakmat. werktuiglijk prieel constructie. affaire. mathematisch mathematicus. zaak verstoffelijken. materialiseren stoffelijk. nabootsen. calculator schrijfmachine naaimachine machine machine machinerieën typiste typiste machine mechanisch. marcheren mast locomotief machine rekenmachine. wiskundige wiskunde. sjabloon wiskundig. boel afslachten. affaire. hoop. massa. spullen . Macierz matematyczny matematyk matematyka materac materia materializować (się) materializował się materialny materiał materiał materiał omvang. ding. materialiseren verstoffelijken. affaire. grootte drom. bestek. materieel weefsel aangelegenheid. aanbouw prieel akkerbouw trechter vla smeersel. zaak schaakmat. mat aangelegenheid. saus imiteren.masowy masowy masowy mord masywny maszcie maszerować maszerować maszerować maszerować maszt maszyna maszyna maszyna do obliczeń maszyna do pisania maszyna do szycia maszyna wykorzystywana do budowania oprogramowania maszyną maszyneria maszynistce maszynistka maszynowy maszynowy maszyny maszyny budowlane maszyny elektryczne maszyny rolnicze maszyny) maść maść maśladować mat mata mata mata antyelektrostatyczna matce matem.

bestellen. matrijs modelleren. eega. bijtend stoffelijk. matrijs schablone.materiał do robienia worków materiał podłogowy materiał podłogowy materiał wybuchowy materiał wypełniający matka matka przełożona matni matni matowy matrona matroną matryca matryca matryca ostrzy matryca przełączająca matryca rdzeni matrycować mazać mazaniną maź mące mącić mądrość mądry mąka mąka mąż mdleć mdleć mdłości mdły meble meblować mech mechanice mechanice mechaniczny mechaniczny mechanik mechanika mechanika statystyczna mechanizm mechanizm mechanizm zegarowy mecz mecz bokserski meczący kunst doordringend. matrix. materieel dingen. matrix. afkeer poeslief huisraad. patroon. vroed. boetseren schablone. arglist slag. sauzen. bewusteloos raken misselijkheid. doorsmeren. moeder abdis valstrik. automatisch mechanisch. walg. werktuigkundige mechanica. mat intendante intendante gietvorm. fel. besmeren smeren. bloem bloem. hinderlaag. sjabloon gietvorm. inboedel leveren. matrix. handeling. doorsmeren. zelfwerkend. hinderen wijsheid verstandig. walging. gedoe machinerieën locomotief lucifer lucifer saai. man zwak bezwijmen. werktuiglijk mecanicien. taai. meel gemaal. afleveren mos mecanicien. echtgenoot. patroon. bloem storen. guur. werktuigkunde mechanica. melig . werktuigkundige mechanica. ameublement. belemmeren. sjabloon smeren. werktuigkunde werktuiglijk. spullen laken ouder. val schaakmat. vermoeiend. besmeren invetten meel. wijs meel. matrijs gietvorm. werktuigkunde actie. optreden. sauzen. valstrik.

artsenij. geneesmiddel medicijn. bijeenkomen. mixen. artsenij. meteorologie . burgervader Mercurius kwikzilver. vergaderen beeldspraak. mentaal kaart kaart burgemeester.meczecie meczet medal Mediolan medycyna medycyna nuklearna medycyna sądowa medyczny medytować mekce Meksyk Meksykanka meksykański melancholia melancholią meldować meldunek melodia melodia melodia melodią melodramat melodramatyczny melon memento menażer menażerią menedżer plików mennica mennicą mentalny menu menu skrótów mer Merkury Merkury meszek meszek met metafora metaforą metal metaliczny metalowy metamorfoza (efekt graficzny) metamorfozą meteor meteorologia moskee moskee penning. berichten. metamorfose meteoriet weerkunde. mengen gedaanteverwisseling. geneesmiddel medicijn. munt pepermunt. geneesmiddel helend. wijsje. nesthaar. inlichten lucht wijs. beeld. adverteren informeren. deun. gedenkschrift bestuurder. melancholiek aandienen. droefgeestig. melodie in een stemming brengen. nadenken Mekka Mexico Mexicaans Mexicaans weemoedig. metafoor beeldspraak. munt geestelijk. temperen. medicinaal. dutten samenkomen. deuntje. opzichter. stemmen wijs. aankondigen. dons druilen. mediteren. kruizemunt. beheerder. medaille Milaan medicijn. melancholiek weemoedig. sluimeren. meier pepermunt. melodie melodrama melodramatisch meloen aandenken. artsenij. geneeskundig peinzen. deuntje. wijsje. metafoor metalen metalen metalen vermengen. kruizemunt. kwik waas. administrateur dierentuin intendant. droefgeestig. beeld. deun.

naam. naamwoord. floers mij. dampig. in naam metriek meten . boodschap benoeming. versmaat meter. aanstelling namelijk. taai. floers. heiig. Schotse rok mannelijk mannelijk mannelijk mens flink. ferm damp. floers damp. nevelig nevel. damp. metropool hoofdstad. koeioneren. stelsel. meeuw doodsangst. salvia kwellen. drukken kwellen. metrum metro metro hoofdstad. aanstellen commissie. te weten. dapper. floers. nevel. mist nevel. eerlijk. persen. martelaar knellen. vermoeiend. schools methodistisch meter. dringen. meeuw zeemeeuw. agonie saai. naamwoord benaming. mist. melig bloedgetuige. martelen salie.meteoryt metoda metoda metoda złożona (z metod podstawowych danego obiektu) metodą metodyczny metodysta metr metr metra metro metropolia metropolią metryczny metryka mewa mewą męczarnie męczący męczennik męczyć męczyć mędrzec mędrzec hinduski męka męska spódniczka szkocka męski męski męskoosobowy mężczyzna mężny mgiełce mgiełka mgliste wspomnienie mglisty mgła mgła mgłą MI miana miano mianować mianować mianowanie mianowicie miara miara odległości meteoriet methode systeem. metropolis. me benaming. bestel bewerking methode methodisch. koeioneren. salvia salie. opdracht. bedillen vervagen mistig. mist. metrum. doodsstrijd. mist haarkloven. metropool metriek metriek zeemeeuw. nevel. versmaat. braaf. martelen kilt. damp. metropolis. naam benoemen.

plek plaats. najagen uiteenlopen. bezitting metriek regel. run vlees slagzwaard erop nahouden. bril woning. aan de hand zijn gemiddeld hopen galmen. boerderij. hebben ambiëren. stadsciviel stads-. norm . lokaal ingeboren. stadje. oord. plaats wereldstad. geneigd zijn. bedoelen afstemmen. logies. kwartier woonplaats. toeloop. kleppen. plek woonplaats. ding.miara przymiar miarą miarodajny miasteczka miasto miasto miasto (duże) miażdżyć miąższ miecz mieć mieć aspiracje mieć inne zdanie mieć miejsce mieć na myśli mieć nadzieję mieć rozgłos mieć skłonność do czegoś mieć wkład mieć zamiar mieć zastosowanie mieć znaczenie miednica miedź miedź beztlenowa o wielkiej przewodności miejsca miejsce miejsce miejsce miejsce na dysku miejsce przeznaczenia miejsce zakotwiczenia miejsce zamieszkania miejsce zamieszkania miejsce zamontowania miejsce zdalne miejsce zmieszkania miejsce zmieszkania miejscowość miejscowy miejscowy miejski miejski miejski mienia miernik miernik meten meten competent. oord. koperen plaats. dingen naar. oord. mikken op. zaak vont. beogen. lokaliteit. stadje. stand. standaardmaat. lokaal. koperen roodkoperen. beieren geneigd zijn tot. lokaal. kom roodkoperen. verschillen. status. bekken. adapteren aangelegenheid. plek ligging ruimte. domicilie ligging platteland. lokaal. affaire. domicilie ruimte. aanpassen. stedelijk. plaats bewoning zetel. onderkomen. lokaliteit. oord. oord. schelen gebeuren. plaats graad. neigen bijdragen mikken. stads landgoed. bevoegd stad. aflopen. aangeboren burger-. open veld plaatselijk. plaats wereldstad. deskundig. grote stad aandrang. grote stad stad. rang plaats.

door het water plassen bedremmeld. liefelijk zoet. flikkeren. pinken flitsen. mixen peddelen. metrum. knipperen. mixen. domicilie inwoner. voorzichtig vlees spier vlees spier pepermunt. aanbesteding zoet. vermengen temperen. beteuterd mengelmoes. flat woonplaats. versmaat lauw. gevestigd zijn. zacht. beduusd. mengen. mixen. mixen. kruizemunt. temperen. huizen resideren. zacht. gevestigd zijn. versmaat maand kneden kneden maand-. vermengen. onder internationaal internationaal zoet. resideren. temperen. bewoner. zacht. afgemeten meter. flat appartement. bewoner. mengen Filistijn huizen. onder tussen. mengen. gloren luik luik amandel . ceremonieel. gevestigd zijn resideren. ingezetene tussen tussen. ingezetene koloniaal inwoner.miernik zakłóceń mierny mierzyć mierzyć mierzyć miesiąc miesić miesić ciasto miesięcznik miesięczny mieszać mieszać mieszać mieszadło mieszał mieszaniną mieszanka mieszanka rozkazów mieszczuch mieszka mieszka mieszkać mieszkanie mieszkanie mieszkanie z utrzymaniem mieszkaniec mieszkaniec internatu mieszkaniec stolicy między między między siedzibami międzynarodowy międzynarodówce miękki miękki miękki powrót karetki miękki programowalny miękko mięsa mięsień mięso mięśnia mięta migać migać migawce migawka migdał meter. liefelijk gunning. maandelijks maand-. mengen vermengen. metrum. maandelijks karnen temperen. huizen appartement. liefelijk zachtjes. mengsel. munt knipogen. onverschillig meten plechtig. mengeling vermengen.

voorspelen flikkeren.344m) milą milczano milczący milczący milczący milczenie mile widziany milimetr milion militaria militarny milusi miłosierdzie miłosny miłość miłość miłość od pierwszego wejrzenia miłośnik miłośnik sztuk pięknych miłujący pokój miły miły miły miły miły miły mimo mimo wszystko mimo że amandel mogen bloeimaand. behaaglijk. houden van. houden van. al. pinken flikkeren. genoeglijk waard om van te houden beminnenswaardig. in weerwil van niettegenstaande. vredelievend aangenaam. minnares virtuoos vreedzaam. spelen. flakkeren uitvoeren. behaaglijk. sprakeloos nog bedaard. geliefde. knipperen. wel . zwijgend stil. mengeling bond. mengsel. verbond mijl mijl mijl stil. lief zacht. kalm feestelijk inhalen millimeter miljoen militair militair aanhalig naastenliefde. aangenaam genoeglijk. mei flikkeren. liefhebben droefheit. rustig. alhoewel. beproeving beminnen. stil. zwijgend stom. flakkeren knipogen. flakkeren flikkeren. houden van. menslievendheid beminnen. in weerwil van ofschoon.migdałek might> mogę might> mogę migocz migotać migotać migotać migotanie migotanie obrazu mijać mika mikrob mikrofilm mikrofon mikroskop mikstura mila mila mila (1609. aangenaam niettegenstaande. hartzeer. liefhebben vriendin. mild. glimmer microbe microfilm microfoon microscoop mengelmoes. vrijster. liga. stilzwijgend. beminnelijk. liefhebben beminnen. zachtmoedig. flakkeren inhalen mica. stilzwijgend. hoewel. zachtaardig genoeglijk.

maëstro onder de knie krijgen. meester worden mystiek mystiek puzzel. aanblik mineraal mineraal rok. meester worden kampioen. boodschap missie. kom bericht. onopzettelijk aanzien. zendeling vont. grootmeester. vrouwenrok miniem. minimaal minister. titelhouder. beetnemen. schijn. opdracht. bewindsman ministerie departement ministerie kantoor schat ministerie mijnbouw min. minimaal miniem. kom vont. bedotterij. bezem veger. bekken. bedotten beduvelen. air. bezem honing honing luchtspiegeling. beetnemen. opdracht. bekken. bedotten mystiek mystiek misvatten. minus minuut huwelijksweken veger. kom artiest. mystificatie beduvelen. bekken. fata morgana myriade vont. voorvechter onder de knie krijgen. zending missionaris. kunstenaar meester. zending missie. verkeerd begrijpen aanwezige .mimo że mimowolny mina mineralny minerał mini minimalny minimum minister Minister Spraw Wewnętrznych ministerstwa ministerstwo ministerstwo ministerstwo ministerstwo skarbu Ministerstwo Wojny minowanie minus minuta miodowy miesiąc miotła miotłą miód miód pitny miraż miriada Misa misja misja misją misjonarz miska miska olejowa mistrz mistrz mistrz mistrz intelektu mistrzowski mistyczny mistyczny mistyfikacja mistyfikacja mistyfikować mistyfikował mistyk mistyk misunderstood miszkaniec niettegenstaande. raadsel fopperij. bewindsman minister. in weerwil van ongewild.

boel . min minderheidsminder. jongeling. drom. beginnend beginnend. jeugd aankomend. beginnend aankomend. menigte. non in overvloed aanwezig zijn multipliceren. afranselen molen molenaar. mulder mnemonisch mnemonisch monnik minder. jeugd jeugdigheid. houden voor kloosterzuster. vermenigvuldigen aggregatie. gissen menen. menigte ophopen. vermenigvuldigen veelvoud multipliceren. jongeheer puber jeugdigheid. aankomend borst. massa. boel. drom.mit mitenka mitologia mitologią mitra mityczny mleczarnia mleczka mleć mleć/siekać mięso mleko młocie młodociany młodosć młodość młodszy młodszy urzędnik młodszy wiekiem młody młody człowiek młodzieniec młodzieniec młodzież młot młot (drewniany) młotek młócić młócić młyn młynarz mnemonik mnemonika mnich mniej mniejszość mniejszy mniemać mniemać mniszce mniszka mnożyć mnożyć mnożyć się mnożyć się mnóstwo mnóstwo mnóstwo mnóstwo mythe handschoen mythologie mythologie mijter mythisch zuivelfabriek. melkinrichting melk fijnhakken fijnhakken melk hameren puber jeugdigheid. aggregaat hoop. jeugd jeugdigheid. jeugd hameren hameren hameren afranselen dorsen. opeenhopen. hoop. beginnend aankomend. geloven. min vermoeden. afrossen. accumuleren massa. non kloosterzuster.

bepalen pies. zich aftobben fixeren. opstellen wijzigen. spartelen. macht. speling modelleren modem moderniseren moderniseren bidden gebed gebed in de mode. redigeren. beweegbaar. sterk. roerend doordrukken heerschappij. program) modyfikował modystka mogę mogę mogę mogiła mobiliseren los. mode-. mogendheid aanpassingsvermogen aanpassingsvermogen heerschappij. pis broek. macht. in zwang lork. modificeren wijzigen. wijs modelleren ruimte. urine. modemaakster inblikken mogen bloeimaand. moer. fors. straf hecht. drasland steil in de week zetten. groeve . ferm. lariks. potig. fiks. modus. wereldruim. voornaamste worstelen. bestek. modificeren modiste. lorkeboom modem ontstekingsbuis. mei graf. weken nat mode. instelling opmaken. geducht. bougie ontstekingsbuis. mogendheid heerschappij. mogendheid vasten pal. moeras. robuust hoofd-. stevig hard machtig krachtig. mobiel. weekmaken. macht. modieus. bevestigen.mobilizować (się) mobilny kod moc moc moc przetwarzania moc użyteczna moc zbioru mocarstwo mocno mocno mocno mocny mocny mocny mocodawcą mocować się mocował mocz moczary moczyć moczyć się moczyć się moda model model Luv modelka modem modernizować modernizował modlić się modlitwa modlitwą modny modrzew modulator-demodulator moduł dodatkowy moduł zarządzania pamięcią podręczną ARP modyfikacja modyfikować modyfikować modyfikować (np. modificeren wijzigen. bougie afstelling.

soeverein. geldstuk Mongolië Mongool Mongools Mongool Mongools pralen. zedenmeester zedelijkheid. eentonig monsterachtig. samenkomen. prijken. kade. tel onmiddellijk. behoorlijk. opstellen afstemmen. het mijne vochtig landingsplaats. aanpassen. steiger wal. fatsoenlijk mecanicien. paraderen. moraliteit zedelijkheid. betomen. zedelijk zedenkundig. bijeenkomen opmaken. moraliteit zedenkundig. sleur monotoon. perron. penning. aanlegplaats. monopolie accapareren. fatsoenlijk gedenkteken. saai. monoloog alleenhandel. monument monumentaal bromfiets moralist. bijeenkomen vergaderen. samenkomen. moreel. werktuigkundige vergaderen. zedelijk . adapteren monteur betamelijk. kaai. behoorlijk. aanlegplaats Moloch oogwenk. vorst oppermachtig. oppermachtig munt. redigeren. moment. pronken afluisteren bedwingen. beteugelen afluisteren alleenspraak. ogenblik. moreel. aanlegplaats.moje mokry mola molekułą molo molo moloch moment momentalnie Monako monarcha monarcha moneta moneta pięciocentowa (US) Mongolia mongolski mongolski Mongoł Mongoł monitor monitor monitorować monitorować monolog monopol monopolizować monotonna harówka monotonny monstrualny monstrum montaż montaż montaż powierzchniowy monter montować montował montował montowanie montowanie montując monumencie monumentalny moped moralist moralitecie moralność moralny morał de mijne. gedrochtelijk rotbeest. dadelijk Monaco monarch. zitting betamelijk. opkopen routine. steiger molecuul landingsplaats. geldstuk munt. penning. mormel samenscholing vergadering.

surséance moorden. zedenleer moratorium. vermoorden muil. commandobrug brug.morałach moratorium mord morda morderca mordercą morderstwo mordować mordować morela morelą morena morfem morfina morfina morfiną morfologią mormon morze mosiądz moskit Moskwa moskwianin most most drzewa częściowego most zwodzony mostek mostek pomiarowy moszcz motel motłoch motocykl motocyklista motor motor bazy danych motorówka motoryzacyjny motoryzować motoryzował motyka motyl motyw motywacją motywy graficzne mowa mowa mowa wymijająca mozaice zedenkunde. grauw. canaille. vermoorden slachten. motorfiets motorrijder locomotief motor motorboot motor motoriseren motoriseren schoffel vlinder. commandobrug luchtbrug brug. stof. commandobrug brug. speech. moraal. gespuis motor. apropos taal tong rede. bek moordenaar moordenaar moorden. kapel aanleiding aanleiding onderwerp. commandobrug horen. vermoorden abrikoos abrikoos gruiswal. dienen. thema. oratie mozaïek . moeten motel geboefte. messing muskiet Moskou Moskovitisch brug. redevoering. afslachten moorden. morene morfeem morfine morfine morfine morfologie mormoons zee geelkoper. behoren.

massa. het mijne mijn. mei misschien. podium hersenen. hoop. mogelijk mogen bloeimaand. menigte. kundigheid bekwaamheid. onnozel. beekje) flikkeren. mogelijkerwijs. hersens dom. brein. schemerdonker.mozaika mozaika (fotoelektronowa) moździerz Moźdźierz może może może być możesz możesz możliwie możliwość możliwość wyboru języka możliwość wyposażenie dodatkowe możliwość zamontowania w stojaku możliwy możliwy do pomyślenia możliwy do zdegradowania możność móc mój mój mól mów mówić powoli mówić przez nos mównicą mózg mózgownicą móżdżek (potrawa) mroczny mroczny mroczny mrok mrożonki mrożony mrówce mrówka mrównik owadożerny ssak afrykański mróz mruczeć mruganie mrużyć msza mścić się mucha mucha mucha domowa muchą mozaïek mozaïek mortier. flauw naargeestig. mogelijkerwijs. onbekend. leiding. mogelijkerwijs. spreken spreken. flakkeren knipogen. troosteloos. vijzel mogelijkerwijs. donker schemer. m'n uiltje. mogelijk misschien. murmelen (v. mogelijk incidenteel. hersens kop. misschien. vijzel mortier. praten spreken. simpel. praten tribune. boel wraak aanvliegen vlieg aanvliegen aanvliegen . mogelijk acceptabel. hoofd hersenen. mogelijk misschien. nachtvlinder praten. aanvaardbaar. brein. toevallig inblikken de mijne. krop. aannemelijk bestaanbaar. halfdonker vlees bevroren mier mier aardvarken vorst murmelen. uil. knipperen. mogelijk mogelijkheid bekwaamheid. kundigheid mogelijkheid bestaanbaar. somber obscuur. pinken drom.

moeten nodig hebben. zak muiltje. ons. de was doen . behoeven. muzikant. neteldoek mutatie mutatie muze museum mohammedaan. we het haar wassen uitwassen. muzikaal muziekwetenschap wij. muil mammie. schaal mosterd mosterd mousseline. moslim islamiet. mam mummie tuniek uniform. hoeven. mohammedaan mohammedaan. muzikaal speelman. stenen neger-. wand muur. schuimachtig. musicus muziek jazz muziek muziek-. schuimachtig. stemmen muziek-. schaal musket schild. rugschild. islamiet. vijzel bakstenen. moslim. behoren. mamma. weiden schuimend. zak tas.Muhamed mulacie multiplekser multiset multi-set muł mumia mumia mundur mundur mur mur ogniowy murować murowany Murzyn murzyński musieć musieć muskularny muskuł musnąć musowanie musujący muszelce muszkiecie muszla musztarda musztardą muślin mutacja mutacją muzą muzeum muzułmanin muzułmanin muzułmański muzyce muzyczce muzyczny muzyk muzyka muzyka jazzowa muzyka kameralna muzykalny muzykologia my mycie głowy szamponem myć Mohammed mulattin veelvoud tas. dienen. slof. zwart horen. moslim muziek in een stemming brengen. zwart neger-. wand mortier. wassen. tenue muur. ma. mousserend schild. rugschild. islamiet. mousserend schuimend. moeten spierspier grazen.

staande korte tijd. jammer genoeg. helaas . attentie. aanhang treksluiting. afzonderlijk wereldwijd wereldwijd maag daarvoor. bovengronds verontwaardigd over. afgewerkt. rits. een fout maken fout. denkbeeld afspiegeling. jegens. beëindigd aan. terwijl. eerder. op klaar. verkeerd. ontgaan indexeren linker leden. karakter. vooraan. onjuist. beëindigd te. op. beneden in het buitenland bodem. weerglans gedachte geloven. met in. indertijd daarbeneden. met klaar. te afgezonderd. om. aandacht aard. overheen. grond aftreden.myć szamponem mydlić się mydła mydło mylić się mylny mysz myszka myśl myśl przewodnia myśl przewodnia myśleć myśliwego myśliwy mżawka mżyć n n n n n n n n n na na na na na na (bardzo krótką) chwilę na (czymś) na (kimś na boku na boku na całym świecie na czatach na czele na dobre i złe na dole na dole na dziobie na gorącym uczynku na górze na kogoś na kotwicy na których gra się uderzając palcami) na niepełnym etacie het haar wassen zeep zeep zeep dwalen. eventjes te. op. foutief muis muis idee. benul. administrateur assembler acht. afgelopen. om. ondergrond. ritssluiting gedurende. van mening zijn. achtergrond. aan de overkant van vertrouwd. geaardheid ontsnappen. afgelopen. tot. jegens. even. afgewerkt. tot. ontkomen. met lucht gevuld. per. begrip. achten jager jager motregenen motregenen beheerder. onder. met pensioen gaan boven lucht-. binnen. betrouwbaar jammer.

staande aan. contract invullen. naar boven. verkrijgen. aannemen. buitenwaarts gedurende. doorgaans afgezonderd. indertijd daarvoor. opwaarts oosten oriënt oriënt. buiten. uiterlijk buiten naar buiten. kardoes wal. vooraan. opnieuw afgelegen. onder. behalen aangeleerd afnemer. achteraf. uiterlijk daarbuiten. kaai. indertijd aan boord gelukkig afgezonderd. klant . voor eeuwig daarbuiten. op verbintenis. terwijl. vast. wal. ver in het algemeen. perron acquisitie buit maken. spekken. forceren kogel patroon. buiten. behalen koop. aanlegplaats. vooraan. verkrijgen. opnieuw van voren af aan. perron. vullen een geintje maken accepteren. aanlegplaats kade. eruit. omhoog. bepaald. cliënt. kaai. koper. zeker boven aan boord aan boord aan boord noorden noorden daarvoor. dempen. kade. oosten zonsondergang eeuwig.na nowo na nowo przeliczać na nowo przetłumaczyć na odległość na osobę na pewniaka na piechotę na podstawie na pokład na pokładzie na pół na pół na przełaj na przodzie na statku na statku na uboczu na uwięzi na wprost na wprost na wprost na zachód na zakupy itp) zwykle połączone z rozrzutnym wydawaniem pieniędzy na zawsze na zewnątrz na zewnątrz na zewnątrz na żądanie na życzenie nabawić się (choroby) nabić nabierać nabierać nabierać (<on sb> kogoś) nabój nabój nabrzeże nabrzeże nabycie nabyć nabyć nabytek nabyty nabywać nabywać nabywca nabywca van voren af aan. inkoop. aanvaarden opdringen. klant afnemer. aankoop acquisitie aangeleerd buit maken. afzonderlijk wel degelijk. nogmaals. eerder. eerder. nogmaals. afzonderlijk op.

stappen. kade. glooiing aanvechting. koker benoorden. schrijden afgemeten. naasten draadloze. trap aanvechting. bak. aantasten. chef aanvoerder. naasten aanvoerder. gebieder. radio uitstralen geldig verklaren geschiktheid afzender. zin. lust. belanden. wrijven. plakkaat. met lucht gevuld. ten noorden van lucht-. schaal pot.nabywca nachylać (się) nachylenie nachylenie nachylenie nachylenie znaków (w czcionce) nacierać nacieranie nacięcie nacinać nacisk nacisk nacisk ciśnienie naciskać naciskać naciskać naciskać prasa nacjonalizacja nacjonalizować naczelnik naczelny wódz naczynia gliniane (i porcelanowe) naczynia stołowe naczynie Naczynie nad nad nad rzeką nadać coś komuś nadajnik nadal nadarzyć się nadawać coś nadawać przez radio nadawać skrośnie (artykuł do grup dyskusyjnych) nadawać ważność nadawanie się nadawca nadawca (przesyłki) nadawca wiadomości nadbieg nadbrzeże nadchodzić nadciągać nadejście nadepnąć nadęty klant. doos. foedraal. treden. afnemer geneigd zijn tot. beklemtonen neerdrukken. baas. verzender afmatten. gebieder. neigen graad. lust. ten noorden van nationaliseren. uitwrijven inspringen inspringen accentueren. aanlegplaats aankomen. afbeulen. aan de hand zijn nationaliseren. verzender nog gebeuren. aanvallen aanstrijken. perron. neiging aangrijpen. beklemtonen nadruk. deprimeren pers aanduwen pers naasting nationaliseren. kaai. afjakkeren wal. affiche afzender. mate. klem accentueren. chef aardewerk aardewerk schotel. aanvoer lopen. verzender aanplakbiljet. bovengronds benoorden. geneigd zijn. zin. ceremonieel . koper. naasten afzender. baas. neiging helling. plechtig. arriveren aanvliegen bezorging. etui.

aflezen afgezonderd. buitensporig. buitensporig buitensporig. brandend. flap. excessief houw. excessief buitennissig. buitensporig uitbundig. wraken. extreem. afjakkeren. prevalent. hoekig onopgesmukt. vermelden excessief. dringend dringend. bloot. excessief buitensporig. superieur water overigens. botweg ineens. checken. slag. onbedekt. mep. spoedeisend abrupt. uitlaten controleren. klap opblazen opgeschroefd inflatie geestelijk onder de knie krijgen. doorbuigen brandend. petroleum naftaleen afkeuren. bloot ombuigen. meester worden opperste. opeens . spoedeisend. afzonderlijk bijzonder allemachtig buitengewoon. buigen. onopgesmukt. revisor steward verzaken. nalaten. plotseling. bijzonder opmerkelijk. nadir gewag maken van. rijk extreem. trouwens gescheld gescheld gescheld afbeulen. merkwaardig lampolie olie.nadir nadmienić nadmiernie nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny ruch w sieci nadmuchać nadmuchiwać nadmuchiwać nadmuchiwanie nadprzyrodzony nadrzędny nadrzędny nadtlenek nadto nadużycie nadużycie v nadużywać nadużywać nadużywać nadużywać (<sth> czegoś) nadużywanie nadwyżka nadymać (się) nadziać coś nadzieja nadzorca nadzorca systemu nadzorować nadzorować nadzwyczajne (wydanie) nadzwyczajnie nadzwyczajnie nadzwyczajny nadzwyczajny nafta nafta naftalina naganą nagi nagi nagi naginać naglący naglący nagle nagle voetpunt. kortaf. copieus. afmatten gescheld gescheld surplus opblazen spietsen hopen inspecteur. naakt. noemen. onbedekt naakt. extreem. verwerpen hoekvormig. abundant.

abrupt. onderschrift. kop. liever best afknotten best minst minst minst aannemen. terugdoen.nagle się wydostać nagła potrzeba nagłówek nagłówek nagłówek nagłówek pliku nagłówek podstawowy nagłówek uwierzytelnienia nagły nagły nagły przypływ wody nagość nagrać nagroda nagroda nagrodzić nagromadzenie nagromadzić nagromadzić nagrywać nagrywać (na taśmę) nagrzać naiwny naiwny najada najada się najazd najbardziej najbliższy najczęściej zadawane pytania najechać najechać najechać (kraj) najemca najeżdżać najlepiej najlepiej najlepszy najlepszy najlepszy (zobacz <good>) najmniej najmniejszy najmniejszy wspólny mianownik najmować najniższy poziom najniższy punkt najpierw najwidoczniej ineens. hoogst naast. belonen meeting. waternimf invasie. steil plotseling kortaf. schijf met een band omgeven gloed. vlag titel. plotseling. bot. vuur lichtgelovig ongekunsteld. chapiter. lonen. opeens crisis hoofd. rubriek titel. graad kortaf. aanwerven. bijeenkomst accumuleren. opeenhopen agglomeraat discus. inval meest. ophopen. bot. waternimf najade. onderschrift. merendeels. belonen vergelden. kapittel vaan. dundoek. huren voetpunt. naïef. eerstkomend overwegend. nadir eerste klaarblijkelijk. grotendeels binnenvallen. bruusk. voorrijden binnenvallen. bruusk. steil naaktheid uploaden prijs. duidelijk. nadir voetpunt. argeloos najade. grammofoonplaat. binnenrukken huurder binnenvallen. blijkbaar . binnenrukken best eer. binnenrukken aanrijden. lonen. graad inscriptie hoofdstuk. terugdoen. premie vergelden. abrupt. kop. plaat. samenkomst.

aanlokken locomotief moer overlappen hoed dekken. bedekken vlijen. gebruiken. opstoken. garanderen aanschrijving. aanvuren. beleggen. vastkleven. ophitsen nauwgezet. vreten bevel recht borg staan voor. helder meest. leggen. stortregenen aandringen aanwakkeren. begrenzen overlappen overlappen opruien. editie invoer aanwenden. agiteren. commanderen kleven. bikken. sticker uitgaaf. stortregenen bijdrage. mededader opruien. aansporen aandrang label. gieten. gebrek . forceren imponerend. etiket vla sauzen. afleiden. medeplichtige medeplichtige. neerleggen sauzen. gieten. beschuldiging opdringen. bekoren. doorvoeren opdringen. blijkbaar eten. opstoken. hoogst klaarblijkelijk. agiteren. beperken. accuraat medeplichtigheid toelachen. schriftelijk bevel dicteren bevelen. nauwkeurig. forceren aanduwen ondeugd. aanhangen aanhechtsel. aanvoeren. fatsoenlijk aanklacht. affix sluitzegel. uitgave. contributie betamelijk. toedekken. concluderen mededader. duidelijk. ophitsen besluiten.najwidoczniej największa ilość najwyraźniej nakarmić nakaz nakaz nakaz nakaz sądowy nakaz urzędowy nakazać nakleić naklejać naklejka nakład nakład nakładać nakładać nakładać nakładać restrykcje ścieśniać nakładka nakładka nakładkować nakłaniać nakłaniać do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłonić nakłonić nakłonienie do przestępstwa nakreślać nakręcany nakrętka nakrycie nakrycie głowy (zwłaszcza kapelusz) nakryć nakrywać nalać nalegać nalegać nalegania nalepić etykietę naleśnik nalewać należny należyty naładować (akumulator) nałożyć nałożyć nałóg duidelijk. druk. indrukwekkend beknotten. behoorlijk.

uitschrijven . afbeelding. dempen.nam namalować namaścić namawiać namiar namiastka namiętna miłość namiętność namiętny namiot namnażać namydlić namysł namysł namysł namyślać się naokoło naokowiec naostrzyć napad napad (choroby) napadać napadać napalić naparstek naparzyć napastliwy napastnik napastnik napastnik napastnik napastować napaść napaść napełniać napełniać odrazą napełnić (się) napęd napęd dysku napędowy napędzany ropą napięcie napięcie napięcie (elektryczne) napięty napis napis napisać aan ons. oprijlaan discus aanleiding dieselmotor. tent. teken neerschrijven. vullen verdringen. prent. spekken. ons beeld. spekken. oprit aanvallen. vuur gloed. doorsmeren. overwegen. besmeren overtuigen lager peukje. vervolgen agressie aanvallen. dempen. plaat smeren. kikkerdril zeep nakomertje afspiegeling. aantasten oprijlaan. intensief inscriptie voorbode. heen. vingerhoedje aftrekken. om wetenschapper. geleerde aanzetten. aantasten aangrijpen. scherpen. aantasten. slijpen aanvallen. kampeertent kuit. sauzen. ongeveer.. fel. vuur vingerhoed. intens. diesel spanning spanning. aanvallen gloed. terugdringen invullen. voltage sterk. vuur hartstochtelijk huif. schrijven. viskuit.. voltage spanning. voorteken. weerglans gedachte beschouwen. aantasten invullen. zetten. weren. aanvaller achtervolgen. vullen oprit. peuk gloed. najagen. laten trekken agressief aanvaller aanvaller aanvaller voorspeler. omtrent. nagaan om .

vermaan. plak. drank. tegen. verontwaardigen consult. schielijk. ingevolge voorspeler. herstellen. anesthesie nationaliteit nationaal. schijf. filet moot. flikken gauw. aan de overkant van daarvoor. naar. zinspeling aanmaning. boeten. jegens voor tegenover. filet stortplaats drank. determineren lappen. degelijk werkelijk. eerzaam. accentueren spanning met. wezenlijk nauwkeurig bepalen. belichten zich wagen aan. echt. aanvaller ergeren. boeten. herstellen. raad opdrijven. snede. repareren eerlijk. blijkens. storen. oplappen. vaderlands geboorte . consultatie raadgevend lichaam. aantreffen brouwsel. determineren lappen. zuipen pimpelen. in allerijl beklemtonen. zuipen pompoen verhelpen. hinderen ergeren. schijf. aantreffen ontmoeten. alcohol zinspelen zinspelen toespeling. tegenaan. indertijd langs. vooraan. alcoholische drank. verheffen. verontwaardigen belemmeren. drankje pimpelen. drinken. oplappen. flikken nauwkeurig bepalen.napisany napisu segment procesora segmentowego przedział czasu napisu) segment (procesora segmentowego) przedział czasu napiwek napoje alkoholowe napomknąć napomknąć (<to sb napomknienie napomnienie napotkać napotykać napój napój napój gazowany napój z wyciśniętych cytryn lub pomarańczy naprawa naprawą naprawdę naprawdę naprawiać naprawiać naprawić naprawić poprawka naprędce naprężenie naprężenie naprzeciw naprzeciwko naprzeciwko naprzód naprzód naprzód naprzykrzać się naprzykrzać się naprzykrzać się komuś narada narada narastać narazić na niebezpieczeństwo narażać narażać się narkoza narodowość narodowy narodziny schriftelijk moot. snede. plak. aansporing ontmoeten. aandurven verdoving. eerder. hard. ophogen in gevaar brengen tentoonstellen. drinken. repareren verhelpen.

tandwiel werktuig. lui. galant schat. fruiten toelachen. volk lieden. een bres slaan in zonde breuk. aanklacht ablatief kamrad. vingerhoedje zaad aanhoren. zijn beklag doen beschuldiging. een bres slaan in een bres slaan. opkopen natie. relaas. zich indringen opdringen. verhaal. ontwikkeling. beluisteren. liefje. afstemmen. forceren lucht-. middel werktuig. bekoren. lieveling klagen. je vertelsel. lief. letsel toebrengen zondigen een bres slaan. verloofde bruidegom. verloofde. instelling . aan je. middel werktuig. bovengronds vingerhoed. middel opdringen. boosaardig. afstemmen. een bres slaan in een aanslag plegen op. groei kanker hatelijk. adapteren aanpassen. met lucht gevuld. ochrony) naruszenie zasad współużytkowania naruszyć naruszyć narybek narysować narząd narzeczona narzeczony narzeczony narzekać narzekanie narzędnik narzędzia programowane automatycznie narzędzie narzędzie narzędzie sprawdzające narzędzie testujące narzędzie wizualne narzędzie z interfejsem graficznym użytkownika narzucać narzucać się narzucać się komuś narzut nasadka nasienie nasłuchiwać nastają nastając nastanie nastawiać wstępnie ustalać nastawić nastawienie wasdom. mensen jou.narośl narośl rakowata narowisty narożny narożny naród naród naród narracja narta naruszać naruszać naruszenie naruszenie naruszenie (np. luisteren afstammen. kamwiel. aanranden bakken. aan jou. forceren zich opdringen. kwaadaardig kantig accapareren. het gevolg zijn van afkomstig advent aanpassen. aanlokken orgaan bruid. vertelling skiën kwetsen. adapteren afstelling. middel utility utility werktuig. meisje. tandrad. gotisch lettertype een bres slaan. volk.

nakomeling naderhand. eerstkomend puber in een stemming brengen. toelichten tentoonstellen. toevallig toegaan.nastawienie nastąpić po (<sb następca następnie następnie następny następny dzień następny etap następny przeskok następować następować następować kolejno następować kolejno następujące następujący następujący nastolatek nastroić nastrój nastrój nasturcja nasuwać myśl nasycać nasyp nasypać nasz nasz nasze naszkicować naszyjnik naśladować naśladować naśladowanie naświetlać naświetlać naświetlenie natarcie natarczywy natchnąć natchnienie natchniony native natłok natomiast w polszczyznie lepiej oddawać w l. aandrang informatie toegaan. moreel. de onze het onze. zetten. bloedaandrang. nabootsen. eerstkomend leden leden naast. handelen volgens afwisselend klaarspelen. laten trekken ingeving geestelijk huiswaarts. voortgang hebben. toch naast. waterkering sauzen. belichten tentoonstelling.) natrafić (<on/upon> sth) na coś natrafić (<upon sth> na coś) natrafić na coś houding opvolgen. spoedeisend. stemming geest Oostindische kers verwarren. dringend aftrekken. imitatie uiteenzetten. gieten. stemmen gemoedstoestand. snoer. gebeuren . voortgang hebben. omtrek halssnoer. naar huis congestie. nadoen navolging. de onze omlijning. slagen leden leden naast. afstammeling. ergo. halsketting aap imiteren. daarna ook weer. ons het onze. betrekken. handelen volgens nazaat. collier. mn. achteraf. stortregenen onze. verzadigen dijk. eerstkomend afwisselend opvolgen. verstrikken doortrekken. dan. nabootsing. expositie aangrijpen. doorkomen. dus. aantasten. gebeuren incidenteel. aanvallen brandend.

stichten spoken navigatie navigatie op een klos winden. begieten. spoel. instructie wetenschapper. schooljuffrouw. haakje kramp. dadelijk moment. origineel juist.natura naturalizacja naturalnie naturalny naturalny naturalny natychmiast natychmiast natychmiastowy natychmiastowy nauczać nauczyciel nauczyciel nauczyciel nauczyciel akademicki nauczyć się nauczyć się na pamięć nauka nauka nauka zdalna naukowiec naukowy naukowy nawa nawa boczna nawa główna nawadniać nawałnica nawet nawias nawias nawias klamrowy nawias okrągły nawias zwykły nawiązywać nawiedzać nawigacja nawigacja dalekiego zasięgu nawijać nawijać np. haakje kramp. van buiten leren wetenschap studie aanwijzing. nietje kramp. lerares leren. garen gieren. tel nauwgezet. haakje. academisch wetenschappelijk naaf naaf naaf bevloeien. onmiddellijk onmiddellijk. gieten. taśmę nawinąć nawinąć nawis (odległość między znakiem a punktem początkowym) nawlekać nawozić nawozić nawóz karakter. haakje inrichten. nauwkeurig. winden. aanleren uit het hoofd leren. klamp. winden. lerares onderwijzeres. oogwenk. vlak. natuurlijk. nietje. klamp. bobine op een klos winden. klamp. nietje kramp. accuraat afwennen. afleren Don onderwijzer. sproeien storm gelijk. effen kramp. consigne. leraar. nietje. geleerde akademisch. klamp. aard naasting van nature. gelijk hebbend. klamp. spoelen aanschieten lager draad. haakje. spoelen klos. nietje. ogenblik. gegrond dadelijk. uiteraard natuurlijk oorspronkelijk. instructeur onderwijzeres. oprichten. geaardheid. schooljuffrouw. bemesten. mesten mest mest .

afmatten wraken. aanlokkelijk verachtelijkheid ellende. naamwoord benaming. verplegen verzorgen.nawóz nawóz (sztuczny) nawóz (zwierzęcy) nawracać nawyk nazista nazistowski nazwa nazwa nazwa kwalifikowana nazwa złożona nazwa źródła danych nazwisko nazwisko nazywać Neapol nefryt negacja negacja logiczna negatyw negatywny negocjować nekrolog nektar neofit neofita neolityczny neologizm neon Neptun nerka nerw nerwowy nerwowy netto neutralny nęcący nęcący nędza nędza nędzny nędzny nędzny nękać niańczyć niańka niby NIC mest drek. naam. naam. achternaam benaming. ontlasting. naamwoord Napels afjakkeren. verwerpen niet. zaken doen necrologie nectar bekeren bekeren Neolithicum. nazinazistisch. nee. afbeulen. naamwoord benaming. geen. narigheid. neen negatief. handeldrijven. duidelijk neutraal. miserabel ergeren. slipje zenuwachtig. armoe verachtelijk. naam. aanlokkelijk lekker. cliché handelen. Jongere Steentijd neologisme neonNeptunus nier zenuw slip. verontwaardigen verzorgen. ellendig. naam benaming. net. naamwoord benaming. zorgen voor. naamwoord familienaam. nazibenaming. keutel mest bekeren aanwensel. naamwoord. hebbelijkheid nazistisch. naam benaming. netto-. misère. verplegen schier. haast. nietswaardig jammerlijk belabberd. cliché negatief. onpartijdig lekker. nerveus netto. bijna iets . drol. zorgen voor. afzijdig. naam. zenuw-. naam. bijkans. naamwoord. van.

onvolledig floppen. geen. stuk gaan hekel. afwijzen schuin. but) nie do pogodzenia nie do wybaczenia nie do złamania nie doceniać nie doceniać nie dowodzący niczego nie kończący się nie mrówkojad nie pamiętać o nie podpisany nie przepisowy nie przyjąć nie przyzwyczajony nie rzucający się w oczy nie tracić czasu nie udać się nie uszczuplony nie wypalić nie zajęty nie załatwiony nie zauważony nie zbliżać się nie zważając na nie związane nie związany nie zwracać uwagi nieba niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwo niebezpieczeństwo niks. noch neen. dringend een afschuw hebben van. gevaar crisis toevalligheid. in het water vallen ongewapend vrij. nijver. nood. oningevuld. onbezet. haperen. ijverig spoken bizar ondoorgrondelijk. op het spel zetten hachelijkheid. niets.NIC nic (w zdaniach przeczących) nic nie wiedzący nic podobnego nić NIE nie nie nie nie bez powodu nie chroniony nie cierpiący zwłoki nie dawać spokoju (o myślach) nie do pary (np. nee. nihil. nalaten. nee. afkeer. onbegrijpelijk onderschatten. neen niet. uitlaten uitvallen. open wit. perikel. verschillen. nee. blank aanhangig floppen. neen lucht. onderwaarderen onderschatten. neen niet. schunnig aanhangig incompleet. verafschuwen naarstig. perikel. nee. geen. onderwaarderen op een kier staand verzaken. verwerpen evenmin. nood. geen. vlijtig. obsceen. geen. in weerwil van niet. in het water vallen uiteenlopen. garen wraken. blanco. toeval onraad. spoedeisend. niemendal nul nul. verwerpen jubelen afslaan. nihil. onvolledig incompleet. hemel hachelijkheid. antipathie aardvarken wraken. nee. neen brandend. schelen niettegenstaande. leeg. geen. niemendal niks. tegenzin. nihil draad. niet niet. gevaar kans lopen. gevaar . niets. gevaar onraad. verwerpen.

op het spel zetten gevaarlijk. smerig. nalatig. nonchalance nonchalance. nalatigheid nalatigheid. afwezigheid. nalatig nalatig. intermitterend vervelend doods. luchtig. nonchalant. peuk onding. onvolledig ellende. misère. nalatigheid nalatigheid.niebezpieczeństwo niebezpieczny niebezpieczny niebiański niebiański niebiańsko niebieski niebieski ptak niebiosa niebo niebo nieboszczyk niebyły niech niechęć niechęć niechętnie niechętny nieciągły nieciągły nieciekawy nieczynny nieczysty nieczysty niedawno niedawno niedawno wprowadzony niedawny niedbalstwa niedbalstwa niedbalstwo niedbalstwo niedbałość niedbały niedbały niedbały niedbały niedługi niedociągnięcie niedogodność niedokończony niedola niedołężny niedopałek niedorzeczność niedorzeczny niedostatek niedostatek kans lopen. ruigharig. ontberen. dodelijk morsig. gemis . afwezigheid. ongerief incompleet. antipathie trots laat. onzinnig. onrein. link. laten begaan. hemel lucht. vers. armoe verminkt. laten tegenzin. afkeer. nonchalance nonchalant. ongerijmdheid dwaas. nul laten schieten. vies borstelig. hemel doods. derven gebrek. hemel lucht. nonchalant onachtzaam. hekel. fris. onbedorven. hemelblauw blauw lucht. hemelhemels. fris luchtig. absurd missen. vuil. gemis ongemak. hemels hemels. absurditeit. nonchalant. euvel. nalatig kort gebrek. kort geleden vers. gebrekkig peukje. onachtzaam onachtzaam. dodelijk nihil. narigheid. vergevorderd afkerig bescheiden. ongerijmd. onachtzaam. onopvallend. discreet hortend. onbedorven veronachtzamen nonchalance. rechtopstaand recentelijk. euvel. hachelijk mijnenveld hemel-. de laatste tijd onlangs.

enigszins. een weinig een beetje. verwarring lelijk schier. hard. honds. enigszins. dragen lager aanboren ongelukkige ongeletterd. desondanks niettegenstaande. bijna erg. analfabetisch onbeleefd. bars niettemin. lomp smakeloos. duister obscuur. straf goedkoop zonneschijn zondag Pinksterfeest. naakt ongehuwd. groen bar. bijkans. donker inconsequent dubbelzinnig. nurks. luchtig. fris onervaren. smaakloos onverschillig. vaag. lauw Duitsland Duits Duits onaardig. duchtig. stom kind . dubbelslachtig incompleet. een weinig puber onwaar dierlijk onmenselijk verwardheid. bloot. lauw onopgesmukt. streng. haast. onheus. bijster onverschillig. dubbelslachtig onduidelijk.niedoświadczony niedoświadczony niedoświadczony niedrogi niedziela niedziela niedziela Zielonych Świąt niedźwiedź niedźwiedź niedźwiedź niefortunny niegramotny niegrzeczny niegustowny nieistotny nieizolowany niejaki niejasny niejasny niejasny kursor niejednolity niejednoznaczny niekompletny niekonsekwentny niekorzystny niekosztowny niektóre niektóry nieletni nielojalny nieludzki nieludzki nieład nieładny niemal niemało niematerialny Niemcy Niemiec niemiecki niemiły niemniej niemniej (jednak) niemniej jednak niemniej jednak niemolę niemowa niemowlę vers. onbekend. Pinksteren naar buiten brengen. onvolledig inconsequent nadelig goedkoop een beetje. troebel. desondanks niettemin. ongetrouwd dubbelzinnig. in weerwil van kind sprakeloos. desondanks niettemin. onbedorven. onbedekt. nors. honds.

atomair elementair ondoorgrondelijk. hapering. stom sprakeloos. vrij. betwistbaar ongeletterd. bezorgd aangelegenheid. open.) niepojęty niepokaźny niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić się niepokojący niepokojący niepokojem niepokój niepokój niepokój niepoprawny nieporadny onmogelijk. krankzinnige atoom-. bijkans. twijfelachtig. getier storing verkeerd. onmisbaar bizar schier. gek. ingeboren onweerstaanbaar onontbeerlijk. onjuist. mis plomp.niemożliwie niemożliwy niemy niemy niemy terminal nienasycony nienawidzić nienawiść nienawiść nienormalność nienormalny nieobecność nieobecny nieobecny nieobecny nieobecny (proces) nieoczekiwany nieodłączny nieodparty nieodzowny nieokrzesany nieomal nieparzysta (liczba) nieparzysty niepełnoletni niepełnoletniość niepewność niepewny niepewny niepiśmienny niepoczytalny niepodzielny niepodzielny (chem. stom sprakeloos. storen. zich indringen onveilig maken bang. fout. onbegrijpelijk onbeduidend. analfabetisch bezetene. haast. log . vijandigheid haten afwijking. hinderen aan de scharrel zijn. wegblijver leeg. leuk. een afschuw hebben van vijandschap. luizig ergeren. met geen mogelijkheid onbestaanbaar. uitgesloten. stom onlesbaar verafschuwen. animositeit. ongerust vermakelijk. bezorgd. onbezet verstrooid plotseling aangeboren. belang herrie. bijna bizar bizar kind minderheidsgeweifel. absentie. abnormaliteit abnormaal afwezigheid. aarzeling discutabel. onmogelijk sprakeloos. beuzelachtig. roerigheid. verontwaardigen belemmeren. rel. mangel verstrooid afwezige. fladderen zich opdringen. dubieus aanvechtbaar. beducht. amusant ongerust.

nurks. hecht janboel. obsceen. ongeschonden. achtereenvolgens onafgebroken. griezelig bizar vlakte tot in het oneindige mislukt anoniem. onaannemelijk verrassend loos. ververwijderd. abnormaliteit abnormaal ondoordringbaar onweerstaanbaar ondoordringbaar achtereen. onverwachts bang. stevig. afgrijselijk smakeloos. schunnig grof. bot. afkeurenswaardig ongelofelijk. ruigharig. bars verwijderd. bedrieglijk. onbeweeglijk nog eng. schaden ongeluk uniek. onbewerkt.nieporozumienie nieporuszony nieporządek nieporządek nieporządny niepotrzebny niepowodzenie niepowodzenie niepowtarzalny niepozorny niepożądany nieprawdopodobny nieprawdopodobny nieprawdziwy nieprawdziwy nieprawidłowość nieprawidłowy nieprzenikliwy nieprzeparty nieprzepuszczalny nieprzerwanie nieprzerwany nieprzetworzony nieprzyjaciel nieprzyjazny nieprzyjemny nieprzyjemny nieprzystępny nieprzytomny nieprzyzwoity nierafinowany nieregularność nierozdzielny całkowitoliczbowy nierozstrzygnięty nieruchomy nieruchomy niesamowity niesamowity nieskomplikowany nieskończenie nieskuteczny niesłychany niesmaczny niesmaczny niespodzianka niespodziewanie niespokojny niespokojny misverstand gevestigd. onbewerkt. doorlopend grof. ongerust aalwarig. ver buiten kennis. integraal aanhangig roerloos. snappen eensklaps. verwarring onaangetast. brij. verrassen. onbehouwen. disorde. dubbelhartig onwaar afwijking. bewusteloos schuin. beducht. aalwaardig. cru verwardheid. gemelijk . bewegingloos. naamloos ijselijk. cru vijand vijandelijk. onbehouwen. enig vlakte laakbaar. pap borstelig. rechtopstaand onnodig schade aanrichten. honds. vijandig afschuwelijk onaardig. bot. vast. bezorgd. nors. rotzooi moes. rommel. smaakloos betrappen.

gebruik nonchalant. hol toegegeven ongetwijfeld. ferm. opstandig buitensporig. nurks. plechtig. helaas indigestie. rans. onachtzaam onachtzaam. helder onbekend onbekend ongelofelijk. gevolg usance. uitgesproken. zeker. hartzeer. voeren. haperen. timide. ceremonieel soep honds. lens. ongeval dragen. excessief verachtelijkheid droefheit. verdriet. nietswaardig ongelukkige ongelukkig ongeluk. jammer genoeg. nonchalant.niespójny niesprawność niesprzeczność niestandardowy niestaranny niestaranny niestety niestety niestrawność niestrawność niesubordynowany niesystematyczny nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęśliwie nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy wypadek nieść nieśmiały nieśmiały nieśmiały nieświadomy nieświeży nietoperz nietypowy nieudany nieugięty nieuporządkowany zbiór dokumentów nieuprzejmy nieustannie nieustraszony nieustraszony niewart nieważny nieważny niewątpliwie niewątpliwie niewątpliwy niewiadoma niewiadomy niewiarygodny niewidoczny niewidomy inconsequent uitvallen. brutaal. jammer genoeg. blo beschroomd. bedeesd. nalatig. onaannemelijk ongezien blind . brengen zwak bevangen. bewusteloos ransig. nietswaardig. ranzig. nul loos. leeg. gewoonte. gebrekkig mislukt afgemeten. aandoening leed. stout gedurfd. onaardig onophoudelijk. smart ongeluk jammer. accident. helaas jammer. stoutmoedig. bepaald klaar. nors. voos nihil. extreem. voorhebben. bars. benepen. garstig vleermuis invalide. beproeving ziekte. ledig. stout waardeloos. stuk gaan consequentie. bang buiten kennis. achtereen. onvervaard. kwaal. nalatig o wee. aldoor dapper. boud. indigestie oproerig. slechte spijsvertering slechte spijsvertering. helaas verachtelijk.

karig. bekrompen. onbedorven. onbehouwen. onbekende. onnozel. buitengewoon allemachtig buitengewoon. betrouwbaar onontbeerlijk. ongerief plomp. vaag. melig plomp. klein onnozel. duister onervaren. onbedorvenheid onschuldig. log aarzelend onwel. log ontelbaar eeuwig enorm. onmiddellijk onoverwinnelijk. nauwelijks ongehuwd. onschuldig rivier. slim bankroet anoniem. voldoende vertrouwd. onbewerkt. uiterst bijzonder. geheimzinnig onbegrijpelijk. geweldig grof. lastig. troebel. stroom laakbaar. kwalijk. onbedorven. het juk opleggen slaaf ongemak. log moeilijk. cru onbeduidend. krap. geen. afkeurenswaardig aanspannen. luizig smal. nee. naamloos onduidelijk. vreemde anoniem. beuzelachtig. een conclusie wettigend plomp. onbedwingbaar . groen amper. min.niewielki niewiniątko niewinność niewinny niewinny niewłaściwe odstępy tekstu niewłaściwy niewola niewolnik niewygoda niewygodny niewygodny niewypłacalny niewypowiedziany niewyraźny niewyrobiony niewystarczający niezamężna niezapominajka niezapomniany niezawodnie niezawodny niezbędny niezbity niezdarny niezdecydowany niezdrowy niezgrabny niezliczony niezmienny niezmiernie niezmiernie niezmiernie niezmierny niezmierny niezmodyfikowany nieznaczny nieznaczny nieznajomy nieznany nieznany nieznośny nieznośny niezręczny niezrozumiały niezrozumiały niezwłocznie niezwyciężony gering. neen genoeg. nauw vreemdeling. niet lekker plomp. onmisbaar afdoend. bot. ongetrouwd vergeet-mij-niet niet. onschuldig onschuld. eng. onbedorven onnozel. taai. bijzonder gigantisch. luttel. naamloos onbekend afschuwelijk saai. log mysterieus. ondoorgrondelijk dadelijk. enorm. vermoeiend.

mager. schraal. niemendal. ergens nergens. niets. onaardig nimmer. schaars ongewoon. nuancering laag dan dan minderwaardig nacht aanpassing po nacht nachtelijk been been benoeming. bederven klinken. luchtig verdwijnen. in geen velden of wegen hier of daar.niezwykle niezwykły niezwykły niezwykły niezwykły nieżonaty nieżyczliwy nigdy nigdzie nigdzie nigdzie (w zdaniach przeczących) nikczemny nikły niknąć nikt nikt nimb nimbus (chmura deszczowa) nimfa wodna niniejszy niski niski poziom niski ukłon niskiej nisza niszczeć niszczenie niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć nit nitka nitować niuans niż niż niż się obiecało niższy noc nocleg nocnik nocny nocny nodze noga nomad allemachtig buitengewoon. geen enkel. dun. waternimf tegenwoordig. infaam sprietig. ongebruikelijk ongehuwd. verrotten. ongemeen. geen zier stralenkrans. wijken geen. bars. bijzonder typisch. laag. schaden vernietigen. rotten. actueel laag laag laag laag nis verval aftands. vreemd zeldzaam. geen enkele. niemand niks. bouwvallig schade aanrichten. nuance. ongetrouwd honds. gemeen. doodmaken. nooit hier of daar. ergens laaghartig. garen klinken. vastklinken schakering. vernielen verdelgen. nimbus stralenkrans. verwoesten. curieus. nors. uitroeien ombrengen. nomade . vastklinken draad. gammel. nimbus najade. doden vergaan. nurks.

holte regel. commentaar agenda. standaardmaat. norm normaal. nieuwtje nieuws. aflevering. dragen voeren. gekheid spelonk. neusheimwee heimwee brancard. voertuig. dagorde blocnote schrift. kaartje aantekening. katern plaatsbewijs. voorhebben nasaal. grammofoonplaat. standaardmaat. aflevering. onzin. grot. fair. zever. dragen. nieuwigheid. nieuwtje nieuwerwets. novice nieuws. biljet. nieuws. standaardmaat. standaardnormaal. opkomend beginner. rechtvaardig nonsens. hol. wagen notaris plaatsbewijs. plaat. schijf Zeeland nieuw. standaardNormandisch Normandisch Normandisch Normandisch regel. beginneling nieuweling. standaardnormaal. bijdetijds actueel kind nieuwheid nieuwtje. standaardmaat. draagbaar vehikel. standaardmaat. katern blocnote blok schrift. modern. norm regel. nieuwigheid. brengen. krocht. norm regel.nominalny nonsens nora norma norma norma wojskowa norma wojskowa normalny normalny stan normaly Norman Normandczyk normandzki normański normą Norweg Norwegia norweski nos nosić nosić nosowy nostalgia nostalgia nosze nośnik notariusz notatka notatka u dołu strony notatnik notatnik notes notes notes notes do zapisów notować notować wyniki Nowa Zelandia nowatorski nowicjusz nowicjusz nowina nowiny nowoczesny nowoczesny noworodek nowość nowość billijk. norm regel. norm Noors Noorwegen Noors neus naar buiten brengen. biljet. nieuwigheid . kaartje discus.

nowotwór nowy nowy nabytek biblioteki nowy wiersz nowy właściciel nozdrze nożyce nożyczki nóż nóż myśliwski np. @:-)) - uśmiech Elvisa Presleya np. <we shall go> pójdziemy np. <we shall go> - pójdziemy nucić nudności nudności nudny nudny nudysta nudyzm nudziarz nudziarz nudzić nuklearny numer numer numer rejestracyjny numerale numerek numerek (w szatni) numerować numizmatyk numizmatyka nurcie nurek nurkować nurkować nurkować (także o pikującym samolocie) nurkował nurkował nurkowanie nurt nuta nuta nuta kluczowa nużący nużyć nylon

tumor, gezwel nieuw, opkomend aanwinst, acquest, buit, prooi klaarspelen, doorkomen, slagen nieuw, opkomend neusgat schaar schaar mes hartsvanger glimlachen gaan, zullen gaan, zullen snorren, gonzen, razen, brommen misselijkheid, walging, walg, afkeer vakantie vervelend dom, simpel, onnozel, flauw nudist, naaktloper nudisme, naaktloperij, naaktlopen aanboren trekken aanboren nucleair, kernuitgeven, emitteren aantal, getal, tal aantal, getal, tal aantal, getal, tal biljet, plaatsbewijs, kaartje biljet, plaatsbewijs, kaartje aantal, getal, tal muntkenner, penningkundige muntkunde, numismatiek actueel duiker duiken duiken duiken duiken duif, tamme duif duiken loop, stroom, stroming plaatsbewijs, biljet, kaartje in een stemming brengen, stemmen plaatsbewijs, biljet, kaartje vervelend vervelend nylon-

o o (kimś o burzy: szaleć o ile sobie przypominam o ile szczęście dopisze o ją o jego o jego o jej o mało o niewiele o ręcznym napędzie o sercu: kołatać o śniegu: padać o światowym zasięgu o wielu możliwościach odporny o zmaku orzechów oaza oazą oba obacz <abide> obacz <beat> obacz <crow> obacz <feel> obacz <mistake> obacz <surprise> obaj obala obala obala obala obalać obalenie obalić obalić (teorię itp) obarczyć obarczyć obawa obawa obawą obcas obcążki obcesowo obcesowy obchodzenie się obchodzić obchodzić (przepisy) obchodzić się

circulerend, in omloop circulerend, in omloop storm aas hopelijk haar, hun, zijn het zijne, de zijne haar, hun, zijn het hare, de hare schier, bijkans, haast, bijna weinig aanreiken, overhandigen aan de scharrel zijn, fladderen sneeuwen wereldwijd krachtig, geducht, sterk, fiks, straf geurig, aromatisch oase oase beide, allebei, alle twee de woonplaats, domicilie vlijen, leggen, neerleggen bemanning vilt foutief, verkeerd, fout, onjuist ampère beide, allebei, alle twee de afgeven op, afbreken, afkammen neervellen, wippen, kappen, vellen ontzenuwen, weerleggen ondergraven, ondermijnen afschaffen afschaffing afschaffen exploderen, losbarsten, ontploffen beproeven, bedroeven, verdriet doen zadel aanhouding, arrestatie beklemming, angst, benauwdheid aangelegenheid, belang hiel knijper, schaar abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil kuur, behandeling vieren, opdragen, celebreren ontwijken, mijden, uit de weg gaan aanpakken, aan komen lopen

obchodzić się (<sth> z czymś) obchodzić się z czymś) obchodź obciąć obciążać obciążać (konto obciążenie obciążenie (maszyny itp) obciążenie1 obciążyć obciążyć hipotecznie obciążyć podatkiem obcina obcinać kadrować kadrowanie obcisły obcokrajowiec obcokrajowy obcy obcy obcy obecnie obecnie obecność obecny obecny obejmować obejmować obejmował obejmował obejmował obejść się bez czegoś obelgi obelżywy Oberon obetrzeć obezwładnia obezwładnia obficie obfitość obfitować obfitować (<with obfitować (<with sth> w coś) obfity obfity obfity (posiłek) obgryzać obiad obiad

aanpakken, aan komen lopen oor, kruk, handvat, hengsel, klink rondgaan, omgaan afknotten aanklacht, beschuldiging debetzijde, debet laden plicht, verplichting laden gewicht hypotheek belasten, aanslaan maaien afknotten stipt, nauwsluitend, streng, nauw buitenlander uitheems, buitenlands ijselijk, afschuwelijk uitheems, buitenlands buitenlands, vreemd, onwennig enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig bijzijn, presentie, aanwezigheid actueel tegenwoordig, actueel omhelzen, omarmen omsluiten omvatten, beslaan omhelzen, omarmen bevatten, inhouden, behelzen rondgaan, omgaan laaien, vlammen krenkend, beledigend, grievend Oberon afvegen, wissen, afdrogen, afwissen geweld aandoen, overmeesteren bedelven, overstelpen, verpletteren in overvloed, ruimschoots, rijkelijk onbekrompenheid, overvloed in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn uitbundig, copieus, abundant, rijk uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend uitbundig, copieus, abundant, rijk knagen, knabbelen diner, middagmaal, middageten twaalfuurtje, lunch

obiecywać obieg obieg obieg obieg projektu obiekt obiekt moduł wynikowy obiektyw obierać obierać kartofle obietnica obietnicą obieżyświat obijać obijać (meble) objaśniać objaśnienie objaw objaw objazd objazd objętny objętość objętość stała oblać (egzamin) oblegać oblegać oblewanie oblężenia oblężenie oblicz obliczać obliczać obliczenie obliczyć obliczyć objętość obligacja obligacji oblodzenie obładować obławą obłąkany obłąkany obłok obłudny obłudny obmycie obmywać

beloven, toezeggen, uitloven omloop, circulatie, roulatie muntsoort, valuta klotsen, plassen, kabbelen, klapperen omloop, circulatie, roulatie mikpunt, onderwerp, object, ding mikpunt, onderwerp, object, ding lens schillen, afpellen, jassen commissie, opdracht, boodschap beloven, toezeggen, uitloven beloven, toezeggen, uitloven wereldreiziger opvullen, vullen, opzetten opvullen, vullen, opzetten uitleggen, interpreteren, duiden toelichting, explicatie voorbode, voorteken, teken teken, symptoom, verschijnsel aberratie, afwijking tournee, rondreis zoel, lauw geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume floppen, in het water vallen belegeren belegering, beleg viering belegering, beleg belegering, beleg in aanmerking komen, meetellen meten, berekenen in aanmerking komen, meetellen rekenschap, rekening derde macht, dobbelsteen, blok rekening, conto aanhechting aflossing, amortisatie, afschrijving glacé beladen, inladen, belasten, laden bejagen, jagen, jacht maken op bezetene, gek, krankzinnige dolzinnig, dol, gek, krankzinnig wolk loos, bedrieglijk, dubbelhartig gehuicheld, geveinsd, huichelachtig wassing louteren, reinigen, schoonmaken

obnażony obniżenie obniżenie obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu obniżenie wydajności obniżka obniżyć obniżyć obniżyć się obniżyć się oboje obojętność obojętny obojętny obok obok obok obok siebie obok siebie obok siebie obok siebie obołudny obopólny obora obowiązek obowiązek obowiązek obowiązkowy obowiązujący obozować obój obóstwiać obóz obóz koncentracyjnjy obrabiać obracać obracać się obrachunek obrać zawód obradował obrady obrady obramowanie obramowanie prostokątne obraz obraz obraz elektronowy

onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt afname afdraaien, verlagen depressie invloed hebben op, beïnvloeden afname kleinmaken, vernederen, verootmoedigen afdraaien, verlagen neerdrukken, deprimeren verlagen, afdraaien beide, allebei, alle twee de flegma lauw, onverschillig neutraal, afzijdig, onpartijdig naast elkaar langs, naar, blijkens, ingevolge bezijden, naast, behalve aan, nabij, bij, dichtbij, naast aan, nabij, naast, bij, dichtbij sluiten, dichtmaken, dichtdoen naast, eerstkomend gehuicheld, geveinsd, huichelachtig onderling, wederkerig, wederzijds loods, keet, schuur, barak plicht, verplichting verplichting, plicht verantwoordelijkheid bindend, dwingend, gedwongen strip, reep, band, strook, windsel legeren, kamperen hobo verafgoden, adoreren, aanbidden legeren, kamperen legeren, kamperen functioneren, het doen anders maken, veranderen anders maken, veranderen akkoord, accoord, overeenstemming zich eigen maken, adopteren koesteren, broeden, broeden op actie, handeling, optreden, gedoe conferentie schoorsteenmantel omringen, omgeven, insluiten afbeelding, prent, plaat beeld, prent, afbeelding, plaat knippatroon, patroon

obraz tytułowy obraz wizja rysunek obraz zadania obraz zadania moduł ładowania (zadania) obraza obraza obrazą obrazić się obrazowo obrazowy obraźliwy obraźliwy obraźliwy obrażać obrażać obrażać obrączka obręb obrocie obrocie obrona obrona obrona przeciwlotnicza obroną obronić obroża obrożą obrót obrót obrus obrus obryzgać obrządek obrzezać obrzeże obrzęd obrzęd obrzęk obrzydliwy obrzydliwy obrzydliwy obrzydzenie obsada obsceniczny obserwacja obserwacją obserwować

beeld, prent, afbeelding, plaat schildering, doek, schilderij beeld, prent, afbeelding, plaat afbeelding, prent, plaat beledigen, krenken, affronteren troetelen, koesteren, vertroetelen beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken oneigenlijk, figuurlijk oneigenlijk, figuurlijk krenkend, beledigend, grievend agressief aanvallend, offensief gescheld beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken wal, beugel, ring kompas fietsen, wielrijden anders maken, veranderen weer, defensie, afweer, verdediging defensie, verdediging, weer, afweer bescherming defensie, verdediging, weer, afweer opkomen voor, verweren, verdedigen kraag, boord, halsboord kraag, boord, halsboord revolutie, omwenteling omzet laken tafellaken, dekservet klapperen, plassen, kabbelen, klotsen ritueel besnijden cirkelomtrek, buitenkant ceremonie, plechtigheid ritus, kerkgebruik, rite pof, poef ijselijk, afgrijselijk misselijk, stuitend, onsmakelijk venijnig, vergiftig, giftig gruweldaad, verschrikking, gruwel afgietsel, gegoten voorwerp schuin, obsceen, schunnig berisping, aanmerking, blaam, standje berisping, aanmerking, blaam, standje opvolgen, handelen volgens

obserwował obsesja obsesją obsługa obsługiwać obsługiwał obsługiwanie obsługujący obsługujący ramki obstawać obstrukcja obsunięcie się ziemi obszar obszar obszar definiowania obrazu obszar oddziaływania obszar zapisu taśmy obszar zapisu taśmy (magnetycznej) obszar zbiorczy sumować obszerny obszerny obszerny obszerny obudowa obudowa obudowa płaska obudowa układu scalonego obudowa wieżowa obudzić obudzić obudzić obudzić (ze snu) obudzić się obudzony oburzony (<at sth> na coś oburzyć obustronny obustronny obuwie obwieszcza obwieszczać obwieszczenie obwolucie obwoluta obwód obwód obwód obwód drukowany wielowarstwowy

opvolgen, handelen volgens obsessie obsessie administratiekantoor, bestuur serveren, voorleggen functioneren, het doen actie, handeling, optreden, gedoe steward steward aanhouden, blijven aandringen verstopping, constipatie, obstipatie aardverschuiving oppervlakte, areaal, gebied territoir, ban, gebied, grondgebied gehucht, buurtschap, vlek arena, krijt, piste, kampplaats zich aaneensluiten, aansluiten klimaatzone, zone, aardgordel oppervlakte, areaal, gebied uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend lijvig, veelomvattend uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend breedvoerig, ruim, groot, royaal affaire, zaak, aangelegenheid, ding inpakken, verpakken, pakken indompelen, indopen, soppen pedestal, piëdestal, voetstuk inpakken, verpakken, pakken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken verontwaardigd muiten, rebelleren, in opstand komen wederkerig, wederzijds, onderling onderling, wederkerig, wederzijds schoeisel uitvaardigen, afkondigen adverteren, aankondigen, aandienen bericht, aankondiging, advertentie kruisband, wikkel, banderol kruisband, wikkel, banderol circuit netwerk, net omtrek circuit

obwód drukowany wielowarstwowy obwód drukowany wielowarstwowy obwód wyjściowy obwód zaporowy obwódka obyczaj obywatel obywatel obywatelski obywatelski obywatelstwo ocalać ocalić ocean oceaniczny ocena ocena ocena zawartości oceną oceną oceną oceniać ocenić ocenić ocet ochłodzić ochocie ochota ochotnik ochraniać ochrona ochrona ochrona poufność ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) ochrona zasobów ochrypły ochrzcić ochrzcić ociągać się ociekać ociemniały ocierać ocierać ocknąć się oclić octan oczarować

maas, breisteek, steek, strik omtrek circuit circuit velg usance, gewoonte, gebruik staatsburger, burger nationaal, vaderlands burger-, stadsciviel nationaliteit redden, bergen, behouden bergen, behouden, redden wereldzee, oceaan oceanisch belastingaanslag, aanslag orkestreren schatten, begroten, waarderen, taxeren belastingaanslag, aanslag graad, mate, trap gedachte, mening, opinie, dunk, visie rekening, conto schatten, taxeren, waarderen, begroten appreciëren, waarderen edik, azijn koelen wil wil vrijwilliger, volontair behoeden, beschermen bescherming pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand bescherming schor, hees, rauw dopen dopen zweven water blind schaven, afschaven afvegen, wissen, afdrogen, afwissen beter worden, genezen, helen plicht, verplichting acetaat, azijnzuur zout heksen

oczarować oczarować oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać na pakiety oczekiwać na sygnał oczekiwał oczekiwał oczekujący oczka oczko oczko (sieci itp) oczko (w kartach itp) oczko sieci itp oczyszczać oczyszczać oczyszczać kogoś z winy oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić się oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywiście oczywiście oczywiście oczywiście od od czasu do czasu od niepamiętnych czasów od nowa od nowa od piątku od siebie od święta od zewnątrz oda oda tnica odbicie odbicie zwierciadlane (w grafice) odbiera

aantrekkelijkheid betoverend anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhoren, beluisteren, luisteren aanhoren, beluisteren, luisteren anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhangig maas, breisteek, steek, strik kijker, oog maas, breisteek, steek, strik sterretje, asterisk maas, breisteek, steek, strik raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel reinigen, schoonmaken, louteren borstelen, schuieren uitleggen, duidelijk maken, beduiden rein, puur, schoon, zindelijk louteren, reinigen, schoonmaken zindelijk, puur, helder, rein, schoon louteren, reinigen, schoonmaken aanwijsbaar, vertoonbaar apert, evident, kennelijk, duidelijk laten blijken, manifesteren kennelijk, evident, apert vlakte beslist, absoluut, ten enenmale klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk gewis, zeker, vast, stellig sedert, met ingang van, vanaf op een keer, eens van voren af aan, nogmaals, opnieuw opnieuw, van voren af aan, nogmaals van voren af aan, nogmaals, opnieuw van voren af aan, nogmaals, opnieuw afgezonderd, afzonderlijk daarop, vervolgens sinds, sedert, vanaf ode ode afspiegeling, weerglans afspiegeling, weerglans ontwoekeren

nuance. afwijking afleidingsmanoeuvre afzetten. nuancering schaduwen schakering. knippen. vak. terugkaatsen ontvanger ontvanger ontvanger gebruiker luisteraar. uitladen. handvat. tasten. afhalen lossen. innen. toehoorder voor voldaan tekenen. nuancering tint abscis oor. annuïteit afdruk indruk maken op. schare. imponeren ontcijferen. kwiteren hoop. dealer. slank. rustend. tenger aberratie. snoeien branche. nuancering nuance.odbierać odbierać odbierający odbijać odbijać się szerokim echem odbiorca odbiorca danych odbiorca docelowy odbiorcą odbiornik odbiór odbiór (długu odbitce odbitka odblokować odbyt odbytnica odbytnicą odbywać odchodzenie klientów odchodził odchodź odchudzać się odchylenie odchylenie odciąć odciąć dopływ odciąg odciąg odciąga odciążyć odcień odcień odcień odcień odcień odcień barwy odcięta odcinać odcinanie odcinek odcinek (powieści) odcisk odciskać odcyfrować odczucie odczuwać odczynnik chemiczny collecteren. amputeren. sensatie bevoelen. wegsnijden afzetten. voelen. aars anus. knul. klink scheren. agent . amputeren. schakering. kruk. kudde. afladen tint schakering. rissen. tak afbetalingstermijn. wegnemen. wegsnijden kerel. drift afdruk nadruk. hengsel. groep. aars serveren. snuiter logeren ritsen. ontraadselen klapstuk. voorleggen karnen gepensioneerd. accepteren ontvanger afspiegelen reflecteren. aars anus. inzamelen aanvaarden. met pensioen gaan rank. in ruste aftreden. herdruk ontsluiten anus. aannemen. betasten vertegenwoordiger. spiegelen. persoon. nuance. sujet.

zin reproduceren. heen. verwijderd. galmen. met pensioen gaan ontsluiten verstrooien vaneenscheuren. doorzien tak. diverse aanvaarden. spenderen. voorleggen adem ademhalen. vertrek een miskraam krijgen. doorklinken isoleren. weergeven opdragen. bedreigen isoleren. een plas doen. ademen declaratie. afzonderen uittocht. piesen poepen. aangrijpen vandoor. afzonderen dreigen.odczyt odczyt z wyprzedzeniem odczytać odczytaj odczytywać elektrycznie oddać (przysługę) oddać (się czemuś) oddaj oddalony oddawać mocz oddawać stolec oddawać usługi oddech oddychać oddychanie oddział oddziaływać oddziaływanie wzajemne oddzielać oddzielać oddzielać oddzielny oddzielny odebrać odwołać unieważnić odejmij odejmować odejmowalny odejmował odejmowanie odejście odejść odejść z kwitkiem odemknąć oderwać oderwać odetchnąć odezwa odgadywać odgałęzienie odgłos odgłos odgłos odgłos kroku odgradzać odgrażać się odizolować odjazd odjeżdża college geven lezen decoderen college geven betekenis. naklinken. afzonderlijk afgezonderd. vertrek op reis gaan. kakken serveren. spanderen bemachtigen. aftakking boe weergalmen. over pissen. mislukken aftreden. aannemen. gissen. verklaring raden. grijpen. echoën Echo naklinken. doorscheuren ademhalen. ademen ademhaling agentschap aandoen. accepteren aftrekken aftrekken afneembaar aftrekken aftrekking uittocht. ontlasting hebben. afzonderlijk verscheidene. afzonderen afgezonderd. aangrijpen agentschap gescheiden isoleren. afreizen .

afkeuren . anders maken variatie. amortisatie.odjeżdżać odkazić odkąd odkąd odkładać odkładać odkładać odkrycie odkryć odkrywać odkrywać odkrywać odkrywanie urządzeń sieciowych odkupienie odlatywać odległość odległy odległy komputer macierzysty odlewać odlewać odlewać odliczyć odlot odludny odłam odłamek odłamek odłączać odłączalny odłączony odłączyć odłączyć odmalowuj odmawia odmawiać odmiana odmiana odmiana baseballu odmianą odmianą odmieniać odmienny odmienny odmowa odmową odmowny odmówić odmówić op reis gaan. afbikken splinter invalide. stem bikken. deponeren. verbeelden. loten afgezonderd. grondvesten. rissen. afhalen uittocht. verwijderd verwijderd. aanhouden ontdekking ontdekken ontdekken stutten. het verdommen. ververwijderd. vervoegen ijselijk. in bewaring geven uitstellen. als. weigering negatief. weigering afwijzing. gegoten voorwerp baseren. afschuwelijk uiteenlopend. verschillend afwijzing. heen. wegnemen. afwisseling veranderen. over afstand. vanaf wanneer. funderen modelleren. vertrek eenzaam partij. sedert. gebrekkig afneembaar afstandelijk verloten. ver. anders maken dalen. afwisseling conjugeren. afzonderlijk uitbeelden. cliché in tegenspraak zijn met. kleiner worden. afschrijving vandoor. ontsmetten sinds. afbeelden achterhouden ontkennen veranderen. afreizen desinfecteren. boetseren ritsen. eind ververwijderd. variëteit. schragen ontdekken ontdekking aflossing. steunen. ver afgietsel. tegenspreken afwijzen. variëteit. verwijderd. afnemen variatie. toen vertraging afgeven. verdagen.

uitdampen. overblijfsel. antwoorden op neerdruipen. afdruipen ebtij. renoveren verwijzing. onvatbaar. antwoorden op reageren antwoorden. overkomen. schijnen been verhalen. debiteren verwant. rommel. omtrent verwijzing. tegenkanting. resistent immuun. referentie verwijzing. referentie lijken. onvatbaar. referentie versieren vernieuwen. genezen. vertellen. bloot. aannemen. antwoorden op reageren corresponderen antwoorden. afval tegenweer. doorvoeren aanvaarden. geïsoleerd enkel. passend. geschikt . louter stinken. aangaande. afdruk antwoorden. resistent antwoorden. bijbehorend gepast. het verdommen. helen vernieuwen. afkeuren ontzetten. renoveren vernieuwen. antwoorden op corresponderen antwoorden. accepteren betreffende.odmrożenie odnajdywać odnalezienie odnaleźć odnawiać odnawiać (mieszkanie) odniesienie do obiektu odniesienie niejednoznaczne odnieść wrażenie odnoga odnosić się odnoszący się odnoś odnoś odnośnie odnośnik odnowić odnowić odosobnienie odosobniony odosobniony odór zynek odpadki odpalać odparowywać odparzyć odpaść odpis odpisać odpływ odpływ odpływ odpływ kanał odpoczynek odpoczynek odporność odporny odporny na wstrząsy odpowiada odpowiada odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać (<to sth> czemuś) odpowiadać za odpowiedni odpowiedni door bevriezing veroorzaakte wofrostbite ontdekken ontdekking beter worden. antwoorden op adequaat. ontslaan doen verdampen. getij ebrusten rest. isolering alleenstaand. vies ruiken afwijzen. royeren. familielid bewerkstelligen. tegenstand immuun. renoveren isolatie. indampen blaar terugvallen exemplaar.

royeren. behoorlijk netjes. betamelijk. antwoorden op antwoorden. verschrikking. antwoorden op antwoorden. voldoende fatsoenlijk. antwoorden op antwoorden. zich verpozen verslappen. in bewaring geven gruwel. behoorlijk landgoed. aanhouden afstand. fatsoenlijk equivalent. zich verpozen vergezellen. onderkennen . bazaar. parallel gevoeglijk. bezitting verantwoordelijkheid verantwoordelijk. antwoorden op verfomfaaien. aansprakelijk verantwoordelijk. frommelen ontzetten. boerderij. marktplaats aflaat mazelen Oder mazelen mazelen afgeven. zich verpozen verslappen. sprank uitstellen. afkeer. afgrijselijk uiteenlopend. behoorlijk betamelijk. gruweldaad walg. accompagneren. kreukelen. behoorlijk. deponeren. aansprakelijk reageren reageren antwoorden. walging. naar behoren. verdagen. onderscheid maken onderscheiden.odpowiedni odpowiedni odpowiedni odpowiednik odpowiednik odpowiednio odpowiednio odpowiednio do odpowiedniość odpowiedzialność odpowiedzialny odpowiedzialny (<for sth> za coś) odpowiedzialny za coś odpowiedzieć komuś/na coś czymś odpowiedzieć <to sb/sth> komuś/na coś <with sth> czymś odpowiedź odpowiedź odpowiedź opóźnienia grupowego odpowiedź z danymi EGP odprasować na kant odprawić odprężacć się odprężyć (się) odprężyć się odprowadzać odprysk odpust odpust odra Odra odra (choroba) odra choroba odraczać odraza odraza odrazą odrażający odrażający odrębny odrębny odrobina odrobina odrobina odroczyć odrośl odróżniać odróżniać genoeg. begeleiden splinter marktplein. op de juiste wijze netjes. aansprakelijk verantwoordelijk. naar behoren. markt. afkeer. afzonderlijk jota ons vonk. walging. misselijkheid afschuwelijk ijselijk. misselijkheid walg. ontslaan verslappen. gelijkwaardig evenwijdig. eind uit elkaar houden. verschillend afgezonderd.

tussenruimte opening. dol. opfrissen verfrissend vernieuwen. gat interval. accoord. interesseren openbaren. asterisk verwijzing. vergelding schade aanrichten. ontraadselen afpoeieren reproduceren. ontraadselen sterker worden. kenbaar maken scène. afwijzen opgooien. afwijzen evenredigheid. proportie. toneel. verwerping dalen. beschonken lef. verhouding rente. bestek. laven. moed. weergeven reproduktie. voetstuk ruimte. opfrissen ontcijferen. eind interval. laven. tussenruimte pedestal. treffen. gaping uittocht. aantreffen afbakenen ontcijferen. wereldruim. over sterretje. schaden vinden. toenemen. percent belang inboezemen. gooien afwijzing. procent. durf .odróżnić odruch odruch odryglować odrzuca odrzucać do tyłu odrzucenie odrzucić odrzucić odrzucić odsetce odsetek odsetki odsłaniać odsłona odsłoną odstęp odstęp odstęp odstęp między znakami odstęp międzywierszowy odstęp proporcjonalny odstępstwa odstrasza odsunąć odsyłacz odsyłacz odszkodowania odszkodowanie odszkodowanie odszukać odszukać odszyfrować odświeżać odświeżać odświeżanie odświeżyć odświeżyć odświeżyć odświeżyć się odtajnić odtrącać odtwarzać tok rozumowania odtworzenie oduczyć odurzyć odwadze odwaga onderscheiden. renoveren opknappen. dapperheid. tafereel. zat. laven. afschrikken vandoor. speling afstand. weergave afleren. aandrang schokken ontsluiten afslaan. impuls. afwennen dronken. afnemen afdanken afslaan. opfrissen verfrissend opknappen. kleiner worden. verwijderd. moed. drang. piëdestal. bevinden. dapperheid. vertrek verjagen. verwerpen. durf lef. onderkennen aandrift. aanwakkeren opknappen. verwerpen. tableau mond. heen. overeenstemming beloning. loon. bres. opening. referentie akkoord.

onderscheiding. beantwoorden hergeven. koen het gewicht bepalen. referentie afschaffen terugtrekken. rugstuk achterzijde. kloek. verstrooien achterzijde. dapper. moedig. insigne. koen gewicht flink. kleding gewaad. terugbetalen afbinden. afgaan. ommezijde. dooien. strijdig converseren. wederkerig. een gesprek voeren onderling. ommezijde. eerlijk. vergelden. losbinden. links converseren. kloek. ommezijde. erven kleren. gat. opening ontdooien. aanhouden adviseren. wegen. wederzijds achterzijde. rugstuk afleiden. intrekken appelleren. tegenliggend. geregeld bezoeken bezoeken. wegsmelten uitstellen. reproduceren. moedig. aandurven restitueren. aankondigen. verstrooien terugdoen. opzoeken mond. ferm dapper. rugstuk tegengesteld. boud.odwaga odważnie odważnik odważny odważny odważyć odważyć się odważyć się odwdzięczać się odwiązać odwiedzać odwiedzać odwiedziny odwiert odwilż odwlec odwokat odwołać odwołać odwołać (kogoś lub coś) odwołać skasowanie odwołanie odwołanie przez adres odwołuj odwołuj odwoływać się odwracać odwracać odwrocie odwrotne łamanie odwrotność odwrotność odwrotność odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny bez powrotu do zera (zapis) odwrócić odwzajemnić odwzajemnić się odwzorowanie odyseja odziedziczyć odziedziczyć odzież odzież odznace odznaczenie zenuw dapper. gedenken. kledingstuk wapen. de aftocht blazen linker-. verdagen. afgaan. blazoen decor. een beroep doen op afleiden. rugstuk aftrekken. teruggeven bitmap Odyssee afwisselend beërven. opzoeken bezoeken. losmaken bezoeken. bekendmaken afbestellen afdanken zich herinneren. een gesprek voeren achterzijde. onthouden afbestellen afbestellen verwijzing. ommezijde. decoratie . braaf. wagen zich wagen aan. afwegen zich vermetelen. boud.

terugkaatsen ontwoekeren beter worden. aanbieden dupe. slachtoffer opofferen. advertentie.odznaczyć odznaka odznaka odzwierciedla odzwierciedlać odzyskać odzyskać odzyskiwać odźwierny ofercie oferować oferować oferta oferta officer celny ofiara ofiara (na jakiś cel) ofiara życiowa ofiarować oficer oficjalny oficjalny ofset ogarniać ogień ogień armatni oglądać oglądać oglądać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłosić ogłosić ogłosić ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenie ogłoszenie ogłoszenie ogłoszeniodawca ogłuchnąć ogłuszał ognisko ognisko elimineren. afkondigen uitgeven. spiegelen. aankondiging bericht. expediëren te koop aanbieden. aanzoek huwelijksaanzoek. aankondigen. plechtig ambtelijk. offeren. adverteren proclameren. bedremmeld. plakkaat bericht. aankondiging. opdoeken wapen. royeren. aanplakbiljet. aandienen aandienen. eind inslikken. spiegelen. aanzoek officier afgemeten. binnenkrijgen. aanbieden huwelijksaanzoek. insigne. aankondiging bericht. indienen huwelijksaanzoek. nauwgezet opofferen. ontslaan ontzetten. afstammen uitspreken aandienen. ontslaan onderzoeken. aankondigen. aankondigen. bekendmaken het gevolg zijn van. uitvaardigen. genezen. accuraat. helen beter worden. aankondigen. ontslaan brandpunt. openbaarmaking adverteerder. aanzoek nauwkeurig. genezen. beteuterd ontzetten. advertentie. nakijken. helen uitvoeren. ceremonieel. aanbieden huwelijksaanzoek. emitteren bericht. haard . focus. aanzoek afzenden. offeren. terugkaatsen reflecteren. royeren. getroffene. advertentie afkondiging. verkondiger goed staan beduusd. examineren inspectie houden. blazoen kegel reflecteren. aankondiging. advertentie affiche. royeren. verzenden. innemen ontzetten. presenteren. afschaffen. inspecteren uitzicht adverteren. adverteren adviseren. officieel afstand.

breedvoerig. kerker monteren. ruim. cel. reusachtig royaal. begrenzen. nauw. eindig perk. tuin . eindig zeeëngte. eindig. zetten monteren. beknotten begrenzen. beperkt beknotten. grens beperken. beperkt. steg haag. heining. afsluiting. zetten afscheren schaduwen rok in het algemeen. barrière haag. beknotten beperken. focus. łańcucha) ogolić ogon ogonach ogólnie ogólnokształcący ogólnoświatowy ogólny ogólny test klasyfikacyjny ogół ogółem ogórek ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać niosłości ograniczenie ograniczenie topologii ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych ograniczony ograniczony ograniczony wejściem-wyjściem ograniczyć ograniczyć ograniczyć spożycie (zużycie) ograniczył (się) ogrodnictwo ogrodnik ogrodzenie ogrodzenie ogrodzenie ogrodzić ogrodzić (żywopłotem) ogrodzone miejsce ogromny ogromny ogromny ogromny ogromny ogród open haard. knarsen smeden brandpunt. eindig beknotten. barrière beperkt. beknotten hek. beknotten begrensd. eindig tuinieren tuinman. heining. omheind terrein afgrijselijk enorm buitengewoon gigantisch. begrenzen. beknotten beperkt. steg hek. afsluiting. begrensd. haardstede haardstede. heg. straat beperkt. begrenzen begrensd. heg. tuinier. schouw piepen. beperken. beperken. beperken. groot hof. schoorsteen. begrensd. haard. beperken. kanaal. barrière kraal. heining. omheind terrein hek. begrenzen beperken. begrensd. begrenzen. gemeenschappelijk geheel alles wel beschouwd komkommer begrenzen. hovenier kraal.ognisko ognisko domowe ognisko domowe ognisko kowalskie ogniskował ogniwo ogniwo ogniwo (np. afsluiting. haard cachot. doorgaans generaal wereldwijd generaal algemeen.

houder afdingen. foedraal. sleuf. vaartje. oog . venster luik toejuichen. venster bericht. toedekken. trek toejuichen. papa. gebeuren afdingen. marchanderen toevallig. peter. ouder pater. bij acclamatie benoemen graagte. gruwel afschuwelijk. naamgever. bedekken voering raam. vaartje. monster. oog span proef. ouder peetvader. gruweldaad. hongerigheid. tuin knagen knagen. aangeboren vaderland vaderland kijker. pit warm gloed.ogród ogród zoologiczny ogryza ogryzać ogryzek ogrzać Ogrzewać ogrzewanie ohyda ohydny ojca ojciec ojciec chrzestny ojczym ojczysty ojczyzna ojczyźnie oka okablowanie okaz okaziciel okazja okazja okazja okazją okazjonalny okazywać się okienka okienko okiennica oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwał oklepany oklepany okład okładce okładka okładziną okna okno okno dialogowe okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) okno panel pole oko dierentuin hof. alledaags. papa. vader. beleggen. eetlust. boodschap verzenden glaswaar. vensterruit. gleuf raam. afgrijselijk pater. venster raam. knabbelen kern. bij acclamatie benoemen banaal. opdagen sponning. proefstuk schede. pingelen. bij acclamatie benoemen toejuichen. gebeurtenis. specimen. gelegenheidsopdraven. afgezaagd afgezaagd comprimeren mouw dekken. vader. vuur verwarming verschrikking. peet stiefvader ingeboren. pingelen. maal incident. glaswerk kijker. marchanderen keer.

open veld oppervlakte. gelegenheidsongeluk. circa groef. foedraal. gruweldaad. bepalen determineren. een stuk of. gelegenheidsomstandigheid situatie. hoer kut. aanstaand. oppervlak platteland. leiding term. frauderen knoeien.oko magiczne okok okok ca okolica okolica okolica okolicą okolicznik okolicznosciowy okoliczności okolicznościowy okoliczność okoliczność około około okop okop okrada okradać okradać kogoś okraść okrąg okrągły okres okres okres okres okres ważności klucza kryptograficznego okres wykonania okres życia okres życia okresowy określać określenie określenie danych określenie ilościowe określenie intymnej części kobiecego ciała określić określić określony określony okręcie okręg okręgowy okręt wojenny okroić obcinać okropność kijker. naamwoord. kuil. bestuur. tribune. tijdvak periode. doos. etui. stand circulerend. ongeval toevallig. accident. arrondissement. zwendelen. vulva definiëren. regionaal pot. gouw streek-. frauderen kring. lichtekooi. vakterm periode. definitief specifiek. groeve. oog eerstvolgend. in omloop ongeveer. foedraal. vulva kut. plunderen sluipen knoeien. naam prostituée. stand van zaken. open veld bijwoordelijk toevallig. komend oppervlakte. nauwkeurig bepalen onherroepelijk. komend eerstvolgend. doos. wielrijden wiegen periode. gracht loopgraaf stropen. vakterm krant specificeren benaming. etui. bak. gewestelijk. soortelijk pot. gruwel . greppel. roven. tijdvak term. zwendelen. cirkel ronde fietsen. aanstaand. tijdvak podium. koker district. bak. koker afknotten verschrikking. buitmaken. omschrijven. gebied platteland. areaal.

broodwinning. bijna handelen. els olie olie stookmateriaal. beroep. i w przen. beleggen. ambacht beroep. bewusteloos raken . kreupel. schouwspel bril mank. afkopen handwerk. hinkend oogarts occult occult loskopen. achttallig betamelijk. bedekken hullen. brandstof olie olie olijf olie olijf olijf verblinden. gruwel kruimel. bekleden reus reusachtig. fatsoenlijk smeden spektakel. beslaan.) ołów ołówek ołtarz om omal omawiać warunki omdlenie afgrijselijk schrikaanjagend.okropny okropny okropny okropny okruch okrucieństwo okruszyna okrutny okryć okrywać oktalny okucie Okucie okulary okulary okulawić okulista okultystyczny okultyzm okup okupacja okupacja okupacją okupancie okupant okupować okupował olbrzym olbrzymi olbrzymi olcha olej olej rycynowy oleje i smary oliwa oliwą oliwą oliwić oliwka oliwny olśnić (dosł. gigantisch gigantisch. barbaars. broodkruimel verschrikking. blind maken de weg wijzen. gruweldaad. zaken doen bezwijmen. leiden potlood altaar ohm schier. ijselijk kruimel. beroep. handeldrijven. bijkans. geweldig elzeboom. toedekken. behoorlijk. bedrijf handwerk. broodkruimel wreed. beslaan. inwikkelen. wreedaardig dekken. omhullen octaal. ijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. geleiden. enorm. bekleden bezetten. haast. kijkspel. ambacht aanwezige aanwezige bezetten. vrijkopen.

afbinden een verband omleggen keus. hun hen. verpakken. bende abt abt zwachtel. verband toebinden. harnas. ingreep bewerking. ontwijken missen. looien aangebrand kuras. zij. bespreken mossig tas. alternatief. mislopen. alternatief. bepantsering. pantser haarkloven. discuteren recenseren. steunbeer. katheder . bus bespreken. troep.omen omija omit omlecie omlet omlet omnibus omówić omówienie omszały omultiset omulti-set on ona ondulacja one oni oni sami ono opactwa opactwo opada opadać opakowanie opakowanie ochronne opal opalać się opalenie opancerzenie opar oparcia oparcie opary oparzenie oparzenie słoneczne opaska opat opat tor opatrunek opatrunek opatrzyć opcja trasowania według nadawcy opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną opera operacja operacja zmiennopozycyjna operatora teken. zij. leerstoel. banderol opaal tanen. beer stutten. wikkel. ze. ze. schragen uitwasemen aanbranden in kokend water doen schare. omelet struif. zij. leerlooien. zij. zak tas. voorteken mijden. bedillen schoor. voorbode. hem haar. operatie. keuze opera bewerking. zwaaien hen. ze. uit de weg gaan. omelet struif. hun het abdij abdij hangen verval inpakken. ze gebaren. steunen. ingreep kansel. zak hij. pakken kruisband. wuiven. omelet autobus. hun hen. operatie. keuze keus. misgrijpen struif.

afbeelden beschrijven opium storten. onderwerp. ding tegenweer. grenzen aan nonchalant. beschrijving verbeelden. het doen beklemmen. uitbetalen. het maken gestroomlijnd eerstvolgend. aandacht bescherming beschermheilige. verhaal. vertelling betrekking. bezwaar hebben tegen belenden. schildering. rijk zijn acht. oppositie tegenweer. verhaal. tegenkanting. beschermheer chaperonne oppas rest. komend belasten. dokken rouwen rouwen gesteld zijn. verband vertelsel. verhaal. schildering. attentie. nonchalant gedachte. frankering. bespreken tafereel. tegenstand opportunist. visie judicium. relaas. rommel. tegenkanting.operą operować opętać opętywać opieka opieka opiekun opiekun klienta opiekunka do dziecka opierać opierać się opierać się opierać się o coś opieszały opieszały wstęp opinia opinia opis opis opis techniczny opisać opisywać opium opłacać opłakiwać opłakiwał opłata opłata (za przejazd) opłata jednostkowa opływowy opodal opodatkować opodatkowanie opona oponent oponent oponować oporność oportunista opowiadanie opowiadanie opowiadanie opowiadanie) opowieść opozycja opór opór magnetyczny opór sprzężenia zwrotnego opera functioneren. dunk. het maken port. aanstaand. tegenstand trekken tegenweer. verdieping vertelsel. onachtzaam nalatig. tegenstand . relaas. porto gesteld zijn. beschrijving recenseren. onachtzaam. afval tegenspartelen. vertelling tegenstand. obsederen bezitten. uitbeelden. erop nahouden. nalatig. vertelling etage. overblijfsel. omgang. tegenkanting. meeloper vertelsel. opinie. object. vonnis tafereel. luchtband. sententie. relaas. band tegenstander tegenstander mikpunt. aanslag pneumatiek. uitspraak. betalen. aanslaan belastingaanslag. mening. tegenstreven standhouden.

afslachten inbinden. grondvesten. besef. houder velg houder. bewustzijn daglicht opticien optimist optimistisch optimisme uitgeven. naast overigens. afdalen concessie. doch uitzonderen zich aanstellen. emitteren pof. ledig. leeg hol. binden strip. bedanken naar beneden gaan. vatten slachten. nabij. band. poef in de steek laten. samenstellen monteren. loos. bij. windsel schede. lens. afstand. zetting in een lijst zetten. reep.opóźniać się z czymś opóźnić opóźnić opóźnienie opóźnienie propagacji opóźniony zapis opóźniony zapis opracowywać oprawa oprawa okularów oprawą oprawcą oprawia oprawiający oprawka oprawka oprawka oprócz oprócz oprócz oprócz oprócz opróżniać adj pusty opróżnić opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) opryszek oprzeć oprzejmy oprzęd oprzytomnieć optyczny wskaźnik działania optyk optymista optymistyczny optymizm opublikować opuchlina opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać (się) opuszczenie opuszczenie opuszczony opuszczony vertraging vertraging achterlijk vertraging vertraging achterover achterwaarts. afreizen linker-. strook. foedraal. leeg Vlissingen gangster baseren. funderen bereidwillig. ledig. ondoorgrondelijk . onzedelijk onpeilbaar. schede. immoreel. loos. bereidvaardig cocon bezinning. zetten montage. foedraal aan. dichtbij. lens. links achterwege laten. trouwens maar. rugwaarts compileren. zich voordoen hol. laten varen op reis gaan. toegeving zonder vrienden gemeen. aftreden. achteruit. cessie. weglaten uittreden. inlijsten.

organisch organisatie organisatie administratiekantoor organisatie organisme systeem. baan oogkas. bestel uitschrijven. muziekkorps band. van oorsprong oorspronkelijk. kas. naargeestig omploegen. schrijfwijze oorspronkelijk. uitgang. boodschap orgaan orgaan organiek. spelling. zwelgpartij. beploegen geldkist. opgeven een miskraam krijgen. baan orchidee hardhandig. drinkgelag houding oosters. voorvechter bericht. verdediger apostel. somber. rechtzinnig orthografie. lomp. regelen. muziekkorps orkestreren planeet. baan oogkas. ploegen. orkest. mislukken afrit. advocaat. zwerfster versieren versieren gastheer orthodox. ruw pleitbezorger.opuszczony opuścić opuścić opuścić opuścić opuść (się) orać orać oranż oranż orator orbicie orbita orbita okołoiziemska orbitować orchidea ordynarny orędownik orędownik orędzie organ organ ds. rejestracji użytkowników organiczny organizacja organizacja firma organizacja i zarządzanie organizacją organizm organizm organizować organizował organy orgia orgia orgią orientacja w przestrzeni orientalny orkiestra orkiestra smyczkowa orkiestrować ornacie ornament ornamentacja orszak pogrzebowy ortodoksyjny ortografia oryginalnie oryginalny weggelaten prijsgeven. origineel . fonds Oranje oranje redenaar oogkas. oostelijk band. grof. uitweg op reis gaan. onkies. opstand orgie. afreizen troosteloos. drinkgelag orgie. organiseren uitschrijven. zwelgpartij. afleggen. stelsel. baan oogkas. onlusten. organiseren orgaan muiterij. regelen. orkest.

arend pinda. behalen aanspreekbaar verkrijgbaar behalen. kras. apenoot. schommeling oscillator oscillograaf oscillograaf slingeren. oscilleren. klappernoot. oordelen. kokosnoot hazelnoot walnoot. inhalen. origineel moer walnoot.oryginalny oryginał orzech orzech orzech alskowy orzech kokosowy orzech laskowy orzech nerkowca orzech orzech orzech włoski orzech ziemny orzeł orzeł czy reszka? orzeszek ziemny orzeźwiający orzeźwiający osa Osada osadzić osą osądzać oscylacja dwustanowa oscylator oscyloskop oscyloskop elektroniczny oscylować osdzczędny osiadanie na mieliźnie osiąga osiągać osiągać osiągalny osiągalny osiągnąć osiągnąć osiągnąć osiągnąć szczyt osiedle osiedlić osiem osiemdziesiąt osiemdziesiątka osiemnasta część osiemnastka osiemnasty osiemnaście osierocić osika typisch. druk. curieus. verkrijgen. behalen bereiken. bereiken. arend adelaar. okkernoot kokosnoot. bereiken. accoord. okkernoot pinda. afdoen acht tachtig tachtig achttiende achttien achttiende achttien ouderloos ratelpopulier. klappernoot. inhalen akkoord. klapper klapper. aardleiding behalen. inhalen buit maken. rap. okkernoot walnoot. accoord. zetten wesp beoordelen. behalen behalen. inhalen bereiken. apenoot. berechten geschommel. inhalen behalen. aardnoot levendig. bereiken. schommelen economisch aarding. esp . overeenstemming monteren. kwiek verfrissend wesp akkoord. aardnoot moer adelaar. inhalen. overeenstemming afhandelen. vreemd oorspronkelijk. bereiken.

bedekken schild. bekoelen. muil aard. persoon adverteerder. wikkel. capuchon. aanklagen beschuldigen. bekoelen. raam personage. mantelkap. bord toevluchtsoord. verzwakken aanlengen aanlengen aanlengen bedaren. aanklagen beklaagde. kap jasje. schort. uithangbord. toedekken. colbert. colbert. voorschoot huik. aanklacht beklaagde. esp ezel ezel afgodsbeeld knabbelen. capuchon. accompagnement muiltje. mantelkap. omlijsting. beschuldigde. bordje. humaan begeleiding. geaardheid gek. vreemd. do gazety) osoba pilnująca dziecka osoba postępująca w sposób humanitarny osoba towarzysząca osoba używana do przemycania narkotyków osobistość osobisty osobisty osobisty numer identyfikacyjny osobisty numer identyfikacyjny ratelpopulier. betichten. beleggen. betichten. buis overjas. sloof. bord bedaren. aanklagen beschuldiging. bordje. luwen schild. lijst. bord suiker boezelaar. jas bescherming kruisband. kap jasje. uithangbord. afkluiven beschuldigen. eigenaardig persoonlijk persoonlijk kegel . uithangbord.osikowy osioł osioł osioł oskard oskarżać oskarżać oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) oskarżać (kogoś o coś) oskarżenie oskarżony oskarżyciel oskarżyć przed sądem Oslo oslona osłabiać osłabiać osłabiać osłabiać osłabić osłabnąć osłaniać osłodzić osłona osłona osłona osłona osłona osłona osłona przeciwsłoneczna osłona TCP osłoną osłoną osłonić przed wiatrem osnowa tkaniny osoba osoba dająca ogłoszenie (np. betichten. beschuldigde. beschuldiger een proces aanspannen tegen Oslo schild. karakter. buis dekken. slof. aangeklaagde aanklager. luwen verdunnen. asyl kader. banderol huik. aangeklaagde beschuldigen. bordje. verkondiger oppas menselijk. asiel. raar.

guur. fel. afzonderlijk geïsoleerd. uiteindelijk voorgaand. schelheid. vreemd hoofdelijk. hardheid zachtjes. ten slotte. voorzichtig zich bekommeren. afgezonderd gek. szorstkość ostrożnie ostrożność ostrożność ostrożny ostrożny ostrożny ostrożny ostry ostry ostry ostry ostry ostry ostry (ból) ostry (np. steun de sporen geven. zorgen waarschuwen zich bekommeren. kort geleden muntstempel drager. jijzelf afzonderlijk. spits . bovenmatig finaal. veilig scherp. laat recentelijk. druk bar. dierlijk kras. prikkelen de sporen geven. fel. verleden. helder. levendig. per saldo eindelijk. bruut. eigenaardig typisch. voorzichtig verstandig safe. ten slotte. doordringend sluw steek bijtend. prikkelen hulst guurheid. lethargie druilerig. behouden. karakter. geborgen. eventueel uiterst. bezorgd zijn. geaardheid persoonlijk zouten bromfiets pokken doffe onverschilligheid. bezorgd zijn. nóż) ostry ból ostry nabój uzelf. streng. hard. curieus. guur. voorafgaand voorgaand. duchtig. rap. alleenstaand aard. voorbijgaand beestachtig. individueel afgezonderd. leuning. zorgen behoedzaam. verleden. vreemd. voorafgaand vergevorderd. stut. acuut. voorbijgaand puntig. de laatste tijd onlangs. kwiek. felheid hardvochtigheid. extreem. slaperig eindelijk. ruw. ergst. per saldo gebeurlijk. acuut. helder. raar. straf bijtend. doordringend scherp.osobiście osobliwy osobliwy osobliwy osobnik niosący trumnę osobno osobny osobowość osobowy osolić osowiały ospa ospałość ospały ostatecznie ostatecznie ostateczny ostateczny termin ostatni ostatni ostatni na wejściu—pierwszy na wyjściu ostatnie (wiadomości) ostatnio ostatnio ostemplować ostoi ostrodze ostroga ostrokrzew ostrość ostrość.

kwaadspreken. kwaadspreken. aanslag schatten. oever aanzetten. taxeren. waarderen. dresseren. begroten. kust. dresseren. hebbelijkheid . kust. tip waarschuwing. dresseren. dresseren. africhten huistemmen. frauderen. zwendelen. dresseren. taxeren bestseller. belasteren roddelen. frauderen schurkachtig handelen misleiden. bedriegen zwendelen. lemmet waarschuwen waarschuwen waarschuwing. kant. waarderen. spaarzaamheid economisch spaarzaam redden. scheren. oever kling. tip waarschuwen waarschuwen waarschuwen knippen. africhten temmen. boord. africhten schatten. begroten appreciëren. kant. waarderen belastingaanslag. snoeien maaien wal. furore duizelig roddelen. africhten temmen. africhten temmen.ostrydze ostryga ostrz ostrze ostrze ostrze noża ostrzega ostrzegać ostrzeżenia ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie o otwarciu obudowy ostrzeżenie o poziomie tuszu ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora ostrzeżenie o rozładowaniu baterii ostrzyc ostrzyc ostrzyć ostrzyć ostudzić osuwiska oswajać oswoi (się) oswoi się oswoić oswoić oswojony oszacować oszacować oszacowanie oszacowanie oszaleć oszałamiający oszczerstwa oszczerstwo oszczędność oszczędny oszczędny oszczędzać oszołomiony oszpecać oszukać oszukać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oester oester aanzetten. lemmer. aanplakbiljet. bergen. plakkaat waarschuwing. belasteren economie. slijpen kling. lemmer. lemmet wal. knoeien aanwensel. tip waarschuwen affiche. slijpen afkoelen aardverschuiving temmen. scherpen. boord. scherpen. behouden duizelig Mars schurkachtig handelen knoeien.

spil staf as. rang uitspreken uitloven. draaien as. aanwakkeren. binnenste. as as. kolk . uitspraak illumineren. verlichten illumineren. wagen claimen. verlichten illumineren. knoeien borduren prieel spil. frauderen. blind maken blind aanvuren. insluiten muur. omgeven. verlichten illumineren. bieden. aanbieden spil. spil verblinden. aansporen zich vermetelen. wand afschaving gal. galnoot afgrond. stand. bedrieger jongleur haai schurkachtig handelen jongleur zwendelen. bieden. aanspraak maken op achthoek achthoek achthoekig achtvoudig achtvoudig octopus octopus middelpunt.oszukiwał oszust oszust oszust oszustwo oszustwo oszustwo telefoniczne oszyc oś oś oś oś oś (koła) oś (obrotu) ośka oślepia oślepiać oślepić ośmielać ośmielać się ośmielić się ośmiobok ośmiokąt ośmiokątny ośmiokrotnie ośmiokrotny ośmiornica ośmiornicą ośrodek ośrodek ośrodek zdalny oświadczać się oświadczać się oświadczenie oświadczenie oświadczyć oświadczyć (się) oświadczyny oświadzenie oświeca oświecać oświecać oświetlać otaczać otaczać murem otarcie (skóry) otarcie skóry otchłań misleiden. verlichten omringen. aanbieden declaratie. spil roteren. aangifte. kwakzalver. plantengal. status. uitspraak declareren uitloven. aangifte. blind maken verblinden. bedriegen charlatan. verklaring declaratie. centrum ligging graad. as declaratie.

plantengal. opendoen. openen opener. opening mond. omstreken scheepsromp. uitlaten. opening. sleuf. omhullen haardos. opendoen.otchłań otchłań oto otoczenie otoczenie otoczenie sieciowe otoczka otoczyć otoczyć otomana otóż otruć otrzeć (odparzyć) skórę otrzeć (skórę) otrzymać otrzymać otucha otwarcie otwarcie otwartość otwarty interfejs przygotowywania do druku otwieracz do konserw otwierać otwierać (z klucza) otworzyć (spadochron) otwór otwór otwór (np. ovaal eirond. er. gat. omgeving omgeving. diepte ginds. dik insekt eirond. galnoot schaven. aldaar. nu goed vergiftigen. gat ronduit. haar harig. buit maken aanvaarden. insluiten Turkse staatsraad. lijvig lijvig. vergeven gal. gleuf mond. daar. gleuf mond. rondweg openheid openmaken. vergallen. inwikkelen. accepteren lef. do wrzucania monet) otwór do wrzucania monet otwór poczty (mechanizm komunikacji międzyprocesowej) otwór wentylacyjny otwór wiertniczy otwór wiertniczy otwór zabezpieczenia zapisu (w dyskietce) otyły otyły owad owal owalny owca owi owies owijać owłosienie owłosiony kolk. rustbank goed. opening. ovaal schaap dat. opening dik. casco omsluiten omringen. sleuf. durf mond. opening fjord sponning. romp. divan. bodem. gat. gat sponning. opening sponning. sleuf. daarginds milieu. moed. afgrond kolk. medium. openen ontsluiten loslaten. ruigharig. zulks haver hullen. gat. lossen mond. gat. dapperheid. ruig . datgene. blikopener openmaken. open en bloot. aannemen. afschaven verkrijgen. omstreken omgeving. omgeven. tappen. gleuf mond.

knus indicatief. adverteren intiem. geurig stinkend kegel lies . trouwen bezielen. aldaar. gezellig. opwerken. garneren sieraad. optreden. teken gemiddeld middel. achttallig achtste achtste dat ginds. strekking merken. flatteren versieren opgesmukt afzetten. daar oksel oksel stinkend stinken. vies ruiken aromatisch. bedoeling.owoc owoce owocny owocowy owocujący owrzodzenia ozdabia ozdabia ozdabiać ozdabiał ozdabianie ozdoba ozdoba oziębły oznace oznacza oznacza oznacza oznaczać oznaczający oznaczyć oznajmiać oznajmić oznajmić oznajmujący oznaka oznaka oznaka ozon ozór ożenić się ożywiać ożywienie ożywiony ósemka ósemkowy ósma część ósmy ów ów pacha pachą pachnący pachnąć pachniano pachniano pachołek pachwina vrucht vrucht vruchtbaar vrucht vruchtbaar zweer versieren verfraaien. beslaan. tekenen muntstempel adstructie. daarginds. er. teken. aankondigen. aantonende wijs merken. bewijs ozon tong in de echt verbinden. plan. tekenen adviseren. tooisel versieren koud voorbode. gedoe. betekenen spellen doel. innig. verlevendigen acht octaal. bekendmaken aandienen. handeling bezielen. aankondigen. werktuig beduiden. verlevendigen actie. voorteken. decoratie.

verpakken opbergen. verpakken inpakken. wis. epilepsie. spin web. menigte. pakken pakje boel. massa stijl. scheuren Pakistan inpakken. insluiten inpakken. aangelegenheid. spinneweb. bergen. zieke patiënt. drijven bakvis pacifist pacifist bundel. pakken pakje pakje pakje instorten. paal. insluiten opbergen. post. neervallen. rag affaire. zaak. bos pakje pakje inpakken. ding emmer inpakken. drom. spinrag. pakken. zieke vlotten. afvallen. bergen. storten regenen aas aas hoogte aanaarden spinnekop. hoop.paciorek pacjent pacjent stały (w szpitalu) packa murarska packa na muchy pacyfista pacyfiście paczce paczce paczce paczka paczka paczka paczka paczka błędów pad upaść pada grad padaczka padać padać padlina padliną pagórek pagórek pająk pajęczyna paka pakiet pakiet pakiet pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) pakiet żądania WE/WY Pakistan pakować pakować pakował pakunek pakunek pal pal palaczach palant palant palca palec palec (u ręki) palec u nogi kraal patiënt. ineenstorten. wis. bos barsten. deurpost rookcoupé baseball vleermuis vinger vinger vinger teen . verpakken. verpakken. vallende ziekte vallen. verpakken. splijten. dobberen. pakken. uiteenvallen hagel toevallen. pakken pakje bundel.

bij wijze van. herinnering flitsen. roken stinken. journaal . verassen schutting. handpalm. knarsen haardstede. gedenkschrift aandenken. herinnering winkel geheugen. vastkleven. leeg. palissade stookmateriaal. onthouden.palec u ręki palenie zwłok paleniska palenisko palenisko palenisko palenisko Palestyna palić palić palić palić (papierosa itp) palić na popiół palisada paliwa paliwo paliwo wysokoenergetyczne palma palto paluch pałac pałka pałka policyjna pamarańcza pamarańcza pamflet pamiątce pamiątka pamiątka pamięci pamięciowy pamięć pamięć pamięć dyskowa pamięć ekranu pamięć magnetyczna ferrytowa pamięć podręczna scalona z układem procesora pamięć podręczna z synchronicznym pamięć rdzeniowa pamięć stała pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna (pamięci) pamięć zmienialna pamięta pamiętać pamiętnik vinger lijkverbranding. jas teen paleis kleven. brandstof stookmateriaal. operatekst aandenken. brandstof bal. haardstede kachel. bochel ROM ROM verstand. gedenken dagboek. haard. geest. heugenis. oven Palestina aanbranden geroosterd. gebraden smoken. flikkeren. heugenis. herinnering geheugen. paalwerk. schoorsteen. intellect winkel geheugen. lens. schouw piepen. heugenis. tot bult. hol mnemonisch geheugen. palm overjas. als. brandstof stookmateriaal. herinnering zich herinneren. crematie. verassing piepen. onthouden. gedenkschrift aandenken. knarsen open haard. ledig. gloren ROM voor. vies ruiken cremeren. aanhangen staf Oranje oranje boekje. heugenis. libretto. gedenken zich herinneren. gedenkschrift loos. hoe.

harnas. meester worden bruidegom. papier. meisje meester zijn. harnas. mislopen. ruchtbaar. jouw moes. akte . gentleman onder de knie krijgen. jouw het jouwe. voordeel bestuur. schraal. WC-papier. bruid. de baas zijn bestuur. pantser examen. volk verzekeren. pap. luipaard pantoffel pantomime spelen je. dicht sprietig. schrikbewind paniek meid. heerschappij. kuras. publiek je. bewind heerschappij. meisje dienstmeisje. misgrijpen Maagd verloofde. aan je. mager closetpapier. dienares. pantser kuras. bestuur panter. meester worden paniek terreur. brij bescheid. keuring. aan jou. plaat dame paniek onder de knie krijgen. krant gedenkwaardig. open veld natie. je openbaar. bewind pré. bewind bestuur. meid missen. heerschappij. gebonden. lord onder de knie krijgen. de jouwe verzekeren. onderzoek fotografische plaat. meester worden dhr. papier. document. openlijk. beweren jou. heuglijk heer. dagblad. bewind. beweren platteland. bepantsering.pamiętnik pamiętny pan pan (domu) pan (przed naswiskiem) Pan Bóg pan domu pan młody pan wielkiego rodu pancerz pancerz pancerz panel pani panice panicz paniczny paniczny strach panika panna panna panna panna Panna (gwiazdozbiór) panować panować panował panowanie panowanie panowanie nad sobą pantera pantofel pantomima pański pański państwa państwo państwo państwo państwo państwowy pańtwa papce papier papier o dużej gramaturze papier o małej gramaturze papier ścierny papier wysokiej jakości courant. document. jonggehuwde edelman bepantsering. heerschappij. akte dik. toiletpapier bescheid.

kudde parochie paraffine initiaal. pronken. paraderen. stoom pakje intrige. pronken. tweetal. voorletter voor voldaan tekenen. tweetal. schut stel. papier. aanstaren. paar stoom. damp stel. wasem. paar echtpaar. kletteren. document. damp. paar turen. akte saffiaantje. duo. staren stoom. tweetal. paragraaf verlamming lamleggen. staren echtpaar.papier wysokiej rozdzielczości papieros papież paplać paproć papryka papudze papuga papugować par para para para (dwa para komplementarnych tranzystorów para uporządkowana parada paradą paradoks paradoksalny paradoksyjny paradować parafia parafialny parafianin parafią parafią parafina parafować paragon paragraf paraliż paraliżować paraliżował parametr paranoiczny paranoja parapet parasol parasol (od słońca) parawan parą parą parą parą parcela parcela park parking bescheid. echtelieden stel. koppel. aanstaren. verlammen verminkt. wasem. konkelarij parkeren parkeren . paraderen. paraderen. koppel. duo. prijken pralen. dorpel paraplu paraplu scherm. machinatie. prijken parochie parochieparochiaan roedel. gebrekkig parameter paranoïde paranoia drempel. prijken paradox paradoxaal paradoxaal pralen. sigaret paus klakken. kwiteren artikel. duo. koppel. klikken varen paprika papegaai papegaai papegaai turen. damp wasem. klappen. pronken. echtelieden pralen.

damp masseren benedenverdieping. gordel. taille gallon gallon riem.parkować parlamencie parlament parlamentarny parnik parny parodią parować parować parowca parowiec parowóz parowy parsować parter parterowy dom partia partia (produktu) partycja podział strefa partycypować partykularny partykuła partyturą paryski parytet Paryż paryżanin parzystość parzysty parzysty równy regularny pas pas pas pas pas (w kartach) pas bezpieczeństwa pas parciany pas startowy pasaż pasażer pasażer na gapę pasek pasek pasek pasek pasek pasek pasek (papieru) parkeren parlement. uitdampen. wasem. zone. perceel schifting. baan. leest. uitglijden strip. afscheiding. passagier inzittende. windsel. deeltje. reep klimaatzone. strook. windsel. aanhang kavel. volksvertegenwoordiging parlementair stoomboot vochtig travestie doen verdampen. meedoen afzonderlijk. volksvertegenwoordiging parlement. wasem. ceintuur. gang. clausuur deelnemen. parterre bungalow leden. ceintuur slippen. afsluiten. meemaken. gordel riem. gordel strip. gordel riem. damp stoomboot stoomboot motorisch stoom. passagier belemmeren. aardgordel scheerriem . reep overloop. strook. rijstrook inzittende. effen riem. vlak. jaartelling. afgezonderd item. gordel. ceintuur. ceintuur gallon middel. afdammen riem. indampen stoom. vlak. deel orkestreren van Parijs pariteit Paris van Parijs pariteit gelijk. effen gelijk. ceintuur.

dundoek. troep. beslag. aanpassen. octrooi aartsvader. pat. ellendig. weiden schreef. strook. octrooi patent. haal. miserabel schare. status. patriarch vaderlander. bewindsman pastoor herder afstemmen. bende klimaatzone. rang schare. adapteren kakement. troep. dons grazen.pasek reklamowy (na stronie WWW) pasek zębaty pasieka pasja pasjans pasjans (w kartach) pasją pasjonujący paskudny paskudny pasmo pasmo pasmo (gór) pasmo (radiowe) pasmo wizyjne pasować pasożycie pasożycie pasożyt pasta pasta pasta pasta pastel pasterz pasterz pastor pastor pastuch pasujący paszcza paszkwil paszporcie paszport pasztet paść paść (się) paśmie patelnia patelnia patencie patent patentować patentowy patriarcha patriocie patriota patriotyczny vaan. aardgordel graad. lijdzaamheid gloed. adapteren bloedzuiger parasiet. bende strip. boeiend. patriot vaderlander. reep afstemmen. streep koekepan. bijenschans gloed. kaak laaien. vuur fascinerend. klaploper deeg. tekenkrijt. vuur geduld. betoverend afschuwelijk belabberd. stand. streek. klaploper parasiet. pan Pan patent. pasta Pools schoensmeer schoencrème pastel. windsel. schrap. nesthaar. lijdzaamheid geduld. vlammen pas. aanpassen. octrooi patent. paspoort pastei waas. vlag riem bijenstal. zone. patriot vaderlandslievend . kleurkrijt pastoor herder minister. paspoort pas. octrooi patent.

loensen het uiterlijk hebben van. nagelen klauw spijkeren. oktober wijnmaand. er uitzien kleven. prikken. versneller feeëriek landschap Peking ooievaarsbek kaap Kaaps regenmantel kaap Kaaps . steken. liefkozen. botten stuwen aanduwen priemen. spruiten. vastkleven. tuinhuis spijkeren. prikken. pikken priemen. oktober uitbotten. boel. edelknaap wijnmaand. strelen. scheelkijken. drom. botten uitbotten. steken. trappen accelerateur. overblijfsel. rommel.patriotyzm patrol patrz patrzeć patrzeć na kogoś z ukosa patrzeć zezem patyk pauza pauza pauzą pauzą paw pawian pawilon paznokcia paznokieć pazur pazur ernik paź październik pażdziernik pączek pączkować pąk pchać pchać pchać pchać się pchła pchłą pchnąć pchnąć nożem pchnąć nożem/sztyletem pchnięcie pchnięcie pchnięcie nożem/sztyletem pech pedał pedał gazu pederasta pejzaż Pekin pelargonia peleryna peleryna peleryna peleryną peleryną vaderlandsliefde. er uitzien scheelzien. pikken schuiven ongeluk peddelen. nagelen spijkeren. afval pauw baviaan koepel. nagelen boer. steken. gaspedaal. patriottisme patrouilleren ontmoeten. massa. menigte vlo vlo priemen. pikken schuiven schokken priemen. aantreffen het uiterlijk hebben van. steken. page. spruiten. aaien afbreken rest. prikken. paviljoen. pikken hoop. botten uitbotten. prikken. aanhangen pauzeren aanhalen. spruiten.

perspectief. mantel pelikaan pelikaan jubelgracieus. inboeten totaal. in optima forma perfectie. innemend. volkomen. jongeheer volkomen. leiding. verraderlijk. perspectief. ten volle. volkomenheid. volmaaktheid perfectie. compleet. compleet. zielsverwant snedig. leuter. compleet.peleryną pelican pelikan pełen triumfu pełen wdzięku pełen współczucia/zrozumienia pełen życia pełnia pełno pełnoletniość pełnomocnik pełny pełny pełny wymiar czasu pełza pełzać penicylina penicyliną penis penis perfectum perfekcja pikselowa perfekcją perfidią perfidny perforator perforator perfum perfumy pergamin periodyczny periodyk perła perłą perłowy peron Pers Persja perski personalny personel personel personel informatyczny perspektywa perspektywa perspektywa podgląd perspektywą perspektywą jas. bevallig. vol kruipen kruipen penicilline penicilline penis lul. volmaaktheid verraad trouweloos. doorkijk uitzicht prospect. heel. mudvol totaal. snikkel. volkomen meerderheid. ad rem totaal. vol boordevol. dubbelhartig stompen Jan Klaassen parfumeren parfumeren perkament krant krant parel parel parel tribune. volkomenheid. perspectief. vol geheel. sierlijk sympathiek. gevat. pik. meerderjarigheid in de plaats stellen van. volkomen. afgeladen. podium Perzisch Perzië Perzisch persoonlijk personeel staf staf prospect. doorkijk uitzicht . volkomen. perfect. doorkijk prospect. geestig.

betrouwbaar gewis. zaken doen handelen. wis. zaken doen Peru pruik pruik cirkelomtrek. zeker. vast. handeldrijven. stellig. zelfbewust gewis. handeldrijven. buitenkant omtrek. vast. van klei pessimisme. bepaald. randbuiten-. zelfverzekerd vertrouwd. aanvrager petitionnement. stellig zelfverzekerd. zwaartillendheid pessimist zwaarhoofdig. randomtrek periscoop nijptang pit. korrel. krakelen overreding overreding handelen. stevig waarschijnlijk wel. moeilijkheid adressant verzoeker. pessimistisch pessimist pessimisme. zeker pal. zeker. zeker. strubbeling. vast. zwaartillendheid bezwaar.perswadować perswazja perswazją pertraktować pertraktował Peru peruce peruka peryferią peryferie peryferie peryferyczny peryferyjny peryferyjny procesor macierzowy perymetr peryskop peseta pestce pesteczka pestka pesymism pesymista pesymistyczny pesymiście pesymizm peszyć petencie petent petycja petycją pewien pewien pewnie pewnie pewnie pewnie pewny pewny pewny pewny pewny siebie pewny siebie pęcherz pęcherz pęcherz (od oparzenia itp) pęcherzyk powietrza pęczek pęd twisten. petitie gewis. buitenkant cirkelomtrek. een weinig wel degelijk. toch gewis. aarden. randbuiten-. immers. zeker. petitie petitionnement. vast een beetje. enigszins. vast zelfbewust. heftigheid . buitenkant buiten-. cirkelomtrek. vuur. stellig. pit klei-. kern zaadkorrel. zeker. bundel onstuimigheid. stellig blaas blaar blaar borrelen bos. disputeren.

pęd pędrak pędzel pędzel do golenia pędzel do malowania pęk pękać pęknął pęknięcie pępek pętać pętla pętla pętla synchronizacji fazowej pętla zamknięta pętlą piach piać piał piał piana piana piana piana (mydlana itp) piana mydlana pianą pianą pianina pianino pianista pianiście piasek piasek piasta piasta piasta piaszczysty piaszczysty piaście piaście piąć się piąć się piąta część piątek piąty pice pić piec voortmaken. mutsaard barst gebarsten barst navel ketenen. opkomen. piano klavier. zuipen aanbranden . bruisen doorroeren. chef. schuimen. roeren sop. gravel. strik zand bonte kraai. gebieder. kraai bemanning bonte kraai. mul aanvoerder. zeepsop sop. kraai tintelen. breisteek. omroeren. klauteren vijfde vrijdag vijfde snoek pimpelen. breisteek. delven. zeepsop tintelen. strik declaratie. schuimen. uitspraak maas. boeien maas. omroeren. drinken. chef. zeepkwast penseel mutserd. roeren klavier. opstaan. gebieder. steek. breisteek. bruisen doorroeren. opgraven. steek. brandstapel. steek. gruis. haast maken opduikelen. naaf naaf zand rul. aangifte. breisteek. piano pianist pianist grind. baas bus. naaf opgaan. spoed maken. schuimen. strik maas. bruisen tintelen. baas bus. rijzen klimmen. steengruis zand aanvoerder. rooien borstelen. strik maas. steek. schuieren scheerkwast.

oven oven. verzorgen pelgrim. zeepsop multipliceren. oven bakken voetvolk. piëdestal. bedevaart. oven kachel. bedevaart. kachel braden. roosteren. krocht. holte muntstempel muntstempel zeehond. pelgrimstocht pelgrimage. infanterie voetvolk. afrastering. vermenigvuldigen blokkeren. bezorgd zijn. kachel braden. verplegen verzorgen.piec piec piec piec piec (do pieczenia chleba itp) piec (mięso) piec elektronowy piec kaflowy piec mięso piec na ruszcie piechocie piechota pieco do wypalania piecyk piecza pieczara pieczątce pieczątka pieczęć pieczęć pieczętować pieczony pieczony piećdziesiąt piedestał pieg piekarni piekarnia piekarnik piekarnik gazowy piekarnik gazowy piekarz piekielny piekielny piekło pielęgniarce pielęgniarka pielęgnować pielgrzym pielgrzymce pielgrzymka pieniądz pieniądze pieniądze na życie pienić się pienić się pienić się pień kachel. geld poen. hek. pelgrimstocht poen. drommels duivels. branden bakker duivelachtig. branden rooster. zorgen voor. ontslaan zich bekommeren. zorgen voor. voetstuk sproet bakkerij bakkerij kachel. infanterie oven. zeerob. traliehek kachel. zorgen voor. afrastering. roosteren. oven kachel. geld tintelen. duivels. oven vijftig pedestal. branden kachel. rob muntstempel muntstempel rooster. kachel ontzetten. geld poen. verplegen verplegen. vastzetten . hek. hol. zorgen spelonk. hels hel verzorgen. roosteren. oven oven. grot. bruisen sop. schuimen. traliehek kachel. oven braden. royeren. bedevaartganger pelgrimage.

liefkozen. radicaal element. koesteren. strelen. aanhalen . borst boezem. origineel inboorling natuurlijk primair primair prototype eerste voorgrond prijs. aaien aanhalen. rondschrijven wal. pril. beugel. aaien gunning. premie opperste. superieur primair vroegtijdig. borst borst. bestanddeel.pień pień pień pieprz pieprzyk pieprzyk (np. liefkozen. ring element. sleutelbloem inboorling oorspronkelijk. vertroetelen aanhalen. liefkozen. stam peperen mol mol een wind laten boezem. stam opslaan boomstam. liefkozen. boezem circulaire. strelen.) pierwiosnek pierwotny pierwotny pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny program ładujący pierwotny system operacyjny pierwowzór pierwsza pomoc pierwszoplanowy pierwszorzędny pierwszorzędny pierwszorzędowy pierwszy pierwszy pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu pierwszy na wyjściu pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony pies pies myśliwski pieszczoch pieszczocie pieszczota pieszczotliwy pieszy pieszy turysta pieścić pieścić pieścić boomstam. na twarzy) pierdnąć piersi pierś pierś pierś pierścieniowy pierścień pierścionek pierwiastek pierwiastek pierwiastek (chem. beginsel primula. aaien knuffelen strelen. beginsel ingrijpend. ring wal. bestanddeel. vroeg eerste voorgrond voorgrond eerste hond hond troetelen. strelen. borst boezem. aaien. grondig. beugel. prevalent. aanbesteding voetganger voetganger aanhalen.

knap. prompt naarstig. top. etage etage. etage verdieping. urgent bestand. bazaar. spoedeisend. knapheid fraaiheid. hals gezang. zat. oplettend ijverig. zouten.pieścić się pieśń pieśń pogrzebowa pietruszce pietruszka pięć pięćdziesiąt pięćdziesiąt mil na godzinę pięknie piękno piękność piękność (kobieta) piękny piękny pięściarstwo pięściarz pięść pięta piętnaście piętno piętro piętro piętro pigułce pigułka pijany pijany jak bela pijaństwa pijaństwo pijawka pik pik (w kartach) pika pikle piknik pikować piksel pilnie pilnik pilnować pilnować swoich spraw (swojego nosa) pilny pilny pilny pilny pilny pilny pilot nek. nijver. neus. inmaken picknicken stikken pixel met spoed. fraai. bokssport bokser vuist. knapheid fraaiheid. punt. knuist hiel vijftien effect. spits snoek pekelen. lied peterselie peterselie vijf vijftig vijftig net. marktplaats boksen. ijverig brandend. vlijtig. loodsen . markt. lied gezang. schoonheid. nijver. inleggen. dossier horloge. mooi marktplein. graven piek. verdieping pil pil dronken. schoonheid. zang. beschonken blind roes roes bloedzuiger woelen. schoonheid. naarstig. indruk verdieping. zang. brandend. fijn. spoedeisend binnenbrengen. attent. spitten. polshorloge horloge. knapheid schoon. polshorloge aandachtig. tip. dringend dringend. vlijtig ogenblikkelijk. mooi fraaiheid.

zang. pen. loodsen navigeren binnenbrengen. pen. hemelvuur lied. veder zeeschuimer. geniesoldaat. danspartij zagen kegel cijfer. schrijven. schrijfstift pluim. piepen. zeerover. kwetteren kuiken kuiken . uitschrijven drukletter drukletter potlood hok auteur.pilotaż pilotować pilotować pilśniowy pił piła Piła piłce piłka piłka piłka nożna piłka nożna piłka nożna (gra) piłować PIN pionek pionek pionek (np. zuipen zagen uitzaaien bal. piraat piramide piramide piramide zeeschuimer. verticaal rechtopstaand. nummer pion pion genist. piraat zeeschuimer. veder hok griffel. tjilpen. szachowy) pionier pionowy pionowy tranzystor polowy piorun piosenka piosenka piosenkarz pióro pióro pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego pióro ultradźwiękowe piracie piramida piramida powiększania piramidą pirat pirat komputerowy Pireneje pisać pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi na inny artykuł pisać na maszynie pisać ołówkiem pisak x-y pisarz pisemny pisk pisklę pisklę (zwłaszcza kury) binnenbrengen. lied zangeres pluim. verticaal bliksem. veer. schicht. danspartij bal. zeerover. flits. piraat Pyreneeën neerschrijven. loodsen vilt pimpelen. etsnaald. chanson gezang. stilist schriftelijk sjilpen. drinken. schrijver. zeerover. danspartij voetbal voetbal voetbal bal. veer. baanbreker rechtopstaand.

plek. schriftuur pistool pistool litteratuur. letterkunde dronken. moet bezoedelen. grond. doel . speelplaats plein circus marktplaats. afkijken schreeuw. klotsen bezoedelen. mop. bedoeling. café kelder kelder bier bier bier pizza pyjama muskus muskus muskusrat circus achtergrond. zat. brief geschrift. literatuur. bodem. plan. oord. doel programmeren projecteren ontwerp. hakken zendbrief. marktplein achtergrond. beschonken bier drenkplaats. plan. klad. smet. smetten. ondergrond kavel. plassen. concept. smetten. grond. lokaal. markt. plan. bodem. mop. bar. kreet aanplakbiljet. kappen. roep. epistel.pismak pismo pismo pisanie pistolecie pistolet piśmiennictwo pity piwa piwiarnia piwnica piwnicą piwo piwo (angielskie) piwo angielskie pizza piżama piżmaczek piżmo piżmoszczur plac plac plac plac plac plac plac (okrągły) plac targowy plac zabaw placek placówka plaga plaga purpurowa plagiat plakać plakat plakat przedstawiający gwiazdę filmową plama krwi plama na słońcu plamą plamą plamce plamić plamić plan plan plan plan plan testowania houwen. moet klapperen. bekladden sproet klak. bekladden klak. blauwdruk strekking. bedoeling. bekladden strekking. klad. perceel plaats. plakkaat. affiche aanplakken bezoedelen. ondergrond pastei aanplakken pest pest spieken. kabbelen. smet. plek speelterrein. plek. smetten.

truck. bundel. boetseren wieden. warnet verwikkeling. afstaan kletsen. schaal bestand. wapenen rugstuk. plantage kwekerij. van plastic plastic. aanrichten. schijf.planeta planetarny planować planować planować planować plantacja plantacją plaster plasterek plastik plastyczny plastyk plastyka platforma platforma (sprzętowa platforma kolejowa platforma sprzętowa plazma plaża plaża plątać plątać plątanina plecak plecak plecak pleciuga plecy plecy plemienny plemię plenarny pleść pleść pleśnieć pleśń plewić plewy plik plik plik zwrócony plikach plombować (ząb) plombować ząb plon plotce plotka planeet. boetseren modelleren. schors. van plastic kunst tribune. plak. mudvol vlechten weven modelleren. plan. rooster aanwijzen. podium tribune. stranden verstrikken. volksstam. leiding. aangeven. podium plasma strand aan de grond lopen. Vlaamse gaai bewapenen. aanduiden kwekerij. aanstrijken moot. kwaadspreken kletsen. zwerfster planetair arrangeren. kwaadspreken . ordenen strekking. filet plastic. ommezijde stamstam. warboel. dop. afgeladen. dossier archief box logeren het veld ruimen. leiding. warnet knapzak. leiding. schoffelen schil. rugzak gaai. ransel knapzak. wis bestand. bedoeling. betrekken. dossier bos. verwarren verwikkeling. van plastic plastic. ransel knapzak. doel dienstregeling. podium vrachtwagen. geslacht boordevol. warboel. vrachtauto tribune. achterzijde. plantage kalken. snede.

kunne sexe. flodderen. smerig. mare. kabbelen. kwaadspreken gerucht. hier vliegtuig. afsluiting. sekse. kroonblad sneeuwvlok hofmeester afbetaling kurk vlotten. mantel jas. traanogen schreeuw. kreet resorberen. faam. betalen. jas hierheen. sekse. kroonblad bloemblad. jas regenmantel regenmantel jasje. befaamdheid spuwen. spugen. onrein. faam. jas overjas. vliegmachine bloemblad. bordes spartelen. drijven sexe. geslacht. klotsen wandluis Boeg wandluis Pluto blad. zich aftobben. rochelen vuil. vies spuwen. roep. buis mantel. huilen. morsig. befaamdheid kletsen. afwerpen . kunne vin hek.plotka plotkować plotkować pluć plugawy plunąć plus pluskać pluskać się pluskanie pluskwa pluskwa pluskwa Pluton płachta płacić płaczliwy płakać płakać płakać nad czymś płaska obudowa jednorzędowa płaski płaskowyż płastudze płastuga płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz anodowy płaszcz nieprzemakalny płaszcz przeciwdeszczowy płaszcz przeciwdeszczowy płaszczyzna obcinająca bliska płat płaszczyzna płatek płatek (kwiatu) płatek kwiatu płatnik płatność pławik pławik płciowy płeć płetwą płocie płodny płody rolne gerucht. mare. flat blad. uitbetalen. heining. worstelen schol jas. plassen. klotsen waden. vel storten. opslorpen. barrière vruchtbaar opbrengen. plassen. geslacht. plat. kabbelen. spugen. dobberen. slurpen appartement. kreet tranen. overjas mantel. plateau. dokken bedroefd schreeuw. colbert. roep. rochelen plus klapperen. plassen klapperen. opleveren.

kant stromen. zich vastklampen aan wafeltje fotografische plaat. vensterruit. vurig. beploegen omploegen. tegel. vlammen gloeiend. plaat plavuis. boord. spoelen gorgelen. tichel oppervlakkig. vlieten jacht kust. vloeien. wal. plaat wafeltje aanklampen. lopen. plaat oppervlakkig. heining. spoelen fotografische plaat. lopen. afspoelen. ploegen. slippen linnen long long slag. beploegen gorgelen. ondiep uitwassen. wassen. ploegen. zich vastklampen aan dashboard. ondiep bestand. verzendend. afspoelen.płomień płonący płot płot płotno płowy płoza płótno płuca płuco Płuczka pług pług śnieżny płukać gardło płukania płycie płycizna płyn płyn kosmetyczny płynąć płynąć płynąć jachtem płynąć wzdłuż brzegu płynny płynny płynny lek płyta płyta płyta metalowa płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) płytce Płytka płytka płytka płytka (ferromagnetyczna) z otworami płytka obwodu drukowanego płytka sygnałowa płytka wyjtrawiona płytki pływać pływać jachtem pływak pływalnia pniak po laaien. vloeiend dundoek. materiaal aanklampen. drijven zich aaneensluiten. dossier fotografische plaat. tegelsteen. beschot glaswaar. instrumentenbord. vlieten stromend. ondiep zwemmen. aansluiten peukje. dobberen. val omploegen. vaan. plaat grondstof. glaswerk oppervlakkig. vloeien. vloeiend vloeistof stromend. materieel. afsluiting. barrière verbleekt linnen linnen uitglijden. verterend hek. de was doen vloeistof stromen. peuk achter . oever. drijven jacht vlotten. valstrik. vlag fotografische plaat.

buit maken aftappen verkrijgen. aan de overkant van ten eerste. allereerst. kwartier logeren zoenen. behalen. wekken. kussen zoenen. excerpt oppervlakkig. daarnaast ontzien. bodem. overheen. ondergrond. opwekken bezielen. vertroetelen aflaat schouder godvrezend. toorts. sparen koesteren. wakker maken. troosteloos. grond. somber fakkel. rondweg achter nederlaag troef downloaden verkrijgen. cambio decoderen downloaden brengen. kussen mooiprater vleien complimenteren vleierij vleierij in zich opnemen. ondiep hiernaast. overzicht. assimileren onduidelijk. behalen. logies. buit maken brengen. ophitsen woning. verlevendigen wekken. bezorgen. afgeleid woord . bezorgen. troetelen. devoot wissel. onderkomen. opwekken stuwen irriteren. aanstoken. aandragen fond. aandragen resumé. flambouw achtergrond afleiding. ernaast. eerst stuurboord ronduit. godsdienstig. aarde aansporing aanleiding wakker maken.po drugiej stronie po otrzymaniu po południu po prawej stronie po trzecie pobić pobić atutem (w kartach) pobierać pobierać pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) pobierać (dane) pobierać dane pobieżny pobieżny pobliski pobłażać pobłażać pobłażanie pobocze pobożny pobór (do wojska) pobrać pobrać pobranie pobrudzić pobudce pobudce pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobycie pobyt pocałować pocałunek pochlebcą pochlebiać pochlebstwa pochlebstwa pochlebstwo pochłaniać pochmurny pochmurny pochodnia pochodzenia pochodzenia over. bewolkt naargeestig. open en bloot.

aantrekkelijk eirond. prijzen. stoet. vertroosting. herkomst naar beneden gaan. hellend. wrijven. optocht. uitglijden slippen. afdalen het gevolg zijn van. vagina loven. verheerlijken. uitglijden geneigd zijn tot. prijzen eerbetoon. damp zweten. glooiing indompelen. troost kogel hagel . prijzen liggen helling. op uw gezondheid. comfort heul. afkomst. geneigd zijn. afgeleid woord afdaling komaf. glooiend. roemen beamen. toejuiching loven. afkomst oorsprong. schuin scheef. verheerlijken.pochodzenia pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzić pochodzić (<from sth> od czegoś) pochować pochód pochwa pochwa pochwalać pochwalić pochwała pochwała pochwała pochwałą pochwałą pochylać się pochylać się pochylenie pochylnia pochylnia (w stoczni) pochyłość pochyłość pochyły pochyły w lewo pociąg pociąg pospieszny pociąg towarowy pociągać pociągać za sobą pociągający pociągły pociągnąć pociągnięcie pocić się pocić się pocie pocie pociecha pocierać pocieszać pocieszać pocieszać pocieszenia pocisk artyleryjski pocisków afdaling afleiding. glooiing aflopend. transpireren zweet zweten. troost aanstrijken. afstamming. vertroosting. acclamatie. aanlokken. soppen slippen. begraven processie. roemen. wasem. schuin gevolg uitdrukken gevolg toelachen. eerbetuiging loven. verheerlijken. roemen. bekoren toelachen. ovaal rukken rukken stoom. gemak. aanlokken. uitwrijven hoera roepen prosit. omgang schede schede. transpireren heul. billijken. eerbetuiging bijval. proost gerief. neigen helling. afstammen kuilen. indopen. bekoren aanlokkelijk. goedkeuren eerbetoon.

toepassing podanie petitionnement. aanslaan podatek od wartości dodanej tobbe. onder pod beneden podverzenden pod gołym niebem beneden pod prąd (rzeki gemakkelijk. vreten wprowadzane dane podawać (do stołu) serveren. onder pod znieczuleniem beneden pod żadnym warunkiem beneden. vloed. bikken. aanslaan podatny na wypadki een grotere kans op ongelukken accident-prone podawać aanhalen. aanvang. noemen podawać aanhalingstekens podawać zasilanie podawanie podajnik eten. bak podatek od wartości dodanej BTW podatek od wartości dodanej teil podatek spadkowy belasten. cadeau geven podarować tegenwoordig. posterijen poczta aanplakken poczta w kolejce post. afkomst. doelmatig. geschenk. beginneling poczekalni zaal. morgenlicht. daarbeneden. bergstroom począć in verwachting raken. petitie podarować schenken. begin. posterijen poczta wysłana aanplakken pocztówka briefkaart pod beneden. citeren. morgenrood początek oorsprong. herkomst początek transmisji ontstaan.pocisków) stroom. onder podanie aanwending. zwanger raken początek ontstaan. voorletter początkujący beginner. onderwerpen . daarbeneden. cadeau podatek belasten. actueel podarty aan flarden gescheurd podarunek gift. ontstaan początek aurora. aanvang początkowy inboorling początkowy initiaal. gebruiken. salon poczekalnia wachtkamer poczęcie begrip poczta post. donatie. kuip. geschikt pod zarzutem beneden. voorletter początkowy primair początkowy program ładujący initiaal. bezorging podbić knechten. begin. voorleggen podawać do sądu een proces aanspannen tegen podaż aanvoer. aanvang początek begin.

bloot. aanvaarden vernieuwen. wantrouwig. staande. onderwerp. ondermijnen hoefijzer . onderwerpen capituleren. zich overgeven capituleren. sectie verrichten knechten. argwanend aanvliegen opwinding gejaagd. opgewonden enkel. kwetteren podium. onderwerp. subject kin opruiend aangeschoten. tjilpen. daarentegen intussen. bestuur. staande. leiding slaperig opslaan blok ondergraven. piepen. tribune podium. kwetteren sjilpen. wantrouwen verdenken achterdochtig. gedurende doorsnijden. inmiddels. inmiddels. tjilpen. gedurende terwijl. piepen. zich overgeven accepteren. daarentegen terwijl. wantrouwig. achterdocht. louter sjilpen. argwanend verdenken argwaan. tribune. gedurende intussen. aannemen.podbijać podbity podbródek podburzający podchmielony podchodzić podciąć podczas podczas podczas (gdy) podczas gdy podczas gdy poddać drobiazgowej analizie poddać pod rozwagę poddać się poddanie się poddany poddasze poddasze poddasze poddasze poddawać kremacji poddawać się poddawać się podejmować podejmować na nowo podejmować się podejrzany podejrzany charakter podejrzenia podejrzenie podejrzewać podejrzliwy podejście podekscytowanie podekscytowany podeszwa podglądać podgładać podium podium podkład (np. renoveren ondernemen achterdochtig. verassen toegeven capituleren. achterdocht. kolejowy) podkładce podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać podkopać podkowa veroveren stof. subject dakkamertje zolderkamer Attisch zolderkamer. wantrouwen argwaan. roezig aanvliegen maaien terwijl. dakkamertje cremeren. zich overgeven stof. staande.

etage verachtelijk. subject pof. aanstoken. opkweken opblazen opgaan. ontroeren. prikkelen hoog. ondergrond. bewegen opwindend opwinding opgraven. aandikken opgraven. wees zo goed. benadrukken onderstrepen nadruk. alstublieft gelijkenis. rooien opfokken. beklemtonen beweren. opkomen. stichten. dommekracht. achtergrond. aan elkaar vastmaken verdieping. verheven opgaan. telen. rijzen vermeerderen verergeren. nietswaardig gemiddeld gronden. opkweken de sporen geven. rooien oprichten. fokken. overeenkomst . dobbelsteen. poef aanzetten. telen. onderwerp. een beroep doen op alsjeblieft. overeenkomst gelijkenis. scherpen. baseren stof. grond appelleren. montage derde macht. verzekeren met nadruk zeggen.podkreślać podkreślać podkreślać podkreślać podkreślenie podkreślenie podkreślić podkreślony podległy podległy podlewać podlizywać się podlotek podłączyć podłodze podłoga podły podły podły ić podmiocie podmuch podniecać podniecać podniecać podniecający podniecenia podniesienie podniesiony podniesiony podnieść coś/wywindować (ceny) podnieść kogoś na duchu podnieść kotwicę podnieta podniosły podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić (ceny) podnosić się podnoszący na duchu podnośnik podnóża podobać się podobać się podobieństwa podobieństwa accentueren. etage verdieping. opkomen. rijzen bezielend vijzel. opstaan. blok hijsen. opstaan. slijpen irriteren. krik bodem. fokken. klem onderstrepen onderstrepen nadrukkelijk slaaf achterstellen water kruipen kuiken verbinden. inrichten zetting. ophitsen aangrijpen. ophijsen opfokken.

aanhang opwinding maat. baseren spoor. overeenkomst hoe. ondertekening abonnement voorbode. vademecum. karren tocht. rijden. gids. toer. effen gaan. passagier gesteld zijn. rondreis gaan. steun handtekening. als. het maken toer. karren navigeren huur bijbehorend. aanhanger leden. overeenstemmend nauwgezet. karren reis. vademecum. reisgids vervalsing toer. beoefenaar. bij wijze van. passend. makker gidsboek. overeenkomst gelijkenis. varen. varen. reisgids leerboek. varen. tocht. trip tournee. reis. stut. trip reiziger inzittende. teken geabonneerd zijn op geabonneerd zijn op passen. kornuit. tot gelijksoortig. voor. wagenspoor. toer. soortgelijk onderofficier brandstichtend drager. bedaagd gronden. reis. kameraad. voorteken. bijkomstig achterstellen achterstellen hinkelen hinkelen springen afluisteren hoogbejaard.podobieństwo podobieństwo podobieństwo podobny podobny podoficer podpalacz podpierać podpis podpis ze wskazaniem potwierdzającego podpisać podpisać (dokument) podpisać dokument podporządkowywać się podporządkowywać się podpowiedź podpórce podpórek podrażnienie podręcznik podręcznik podręcznik podręcznik w formie drukowanej podrobiony podróż podróż podróż podróż podróż morska podróż morska podróż) podróżnik podróżny podróżować podróżować podróżować podróżować autostopem podrzeć podrzędny podrzędny podrzędny podległy podskakiwać podskok podskok podsłuchiwać podstarzały podstawa podstawa affiniteit. rijden. leuning. karrespoor . trip gelijk. accuraat adept. rijden. vlak. nauwkeurig. verwantschap gelijkenis. reis. in overeenstemming zijn adequaat. tocht. bijkomend. gids. schoolboek gidsboek. tocht. trip gaan.

materiaal stichting wervelkolom. bot elementair misleiden. telen. totaal. tweeledig bretels thee aankomend. cru. afscheiding. boventoon stutten. waarderen legerafdeling. een duw geven. bedriegen kunstgreep. fokken. tweeledig dubbel. omlijsting. możliwość rozruchu dwóch różnych systemów operacyjnych z różnych partycji dysku) podwórze podwyżce podwyższać podwyższyć wartość podział podział podział kompletny grondstof. tweeledig duplex. tweeledig duplex. afscheiding. clausuur . inboeten aflossing.podstawa czasu podstawa uchylnoobrotowa podstawa uchylno-obrotowa podstawą podstawić podstawienie podstawka monitora podstawowa zasada podstawowy podstawowy podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstęp podstęp podstępny podsumowanie dokumentu podsumowywać podsuwanie podszewka podszywanie się podtekscie podtrzymać podupadać poduszce poduszce poduszeczka poduszka poduszka powietrzna podwajać podwiązek podwieczorek podwładny podwładny podwodny podwoić podwójny podwójny podwójny rozruch (tj. tweevoudig. ra opfokken. spin. raam in de plaats stellen van. duplex. bedrag. beginnend achterstellen onderwaterdubbel. streek. steunen. beschot hoofdkussen luchtkussen dubbel. onbehouwen. vervanging blok fundamenteel basisfundamenteel basisgrof. schragen verval blok hoofdkussen dashboard. dubbel. instrumentenbord. opkweken verergeren. materieel. duplex. ruggegraat kader. divisie schifting. lijst. som. tweevoudig. tweevoudig. dubbel. duplex. tweevoudig. toestoten voering maskering bijtoon. summa aanstoten. kneep. overzicht. onbewerkt. aandikken appreciëren. excerpt somma. tweeledig yard. foefje arglistig resumé. clausuur schifting. tweevoudig.

stoutmoedig. dooreenhalen verwarrend weer. verachting keuvelen. meedoen het eens zijn. vers tekst gedicht. bedanken. wijk. afscheiding. poëzie heidens minachting.podział wyczerpujący podziałka podziel podzielać podzielać zdanie podzielić na cztery części podziemie podziemie podziemny podziękować podziękowanie podziękowanie podziwiać podziwiać podziwiać podziwiać ię poemacie poemat poemat poemat liryczny poeta poetycki poetyczny poezja poezją poganin pogarda pogawędce pogawędka pogawędka w czasie rzeczywistym pogląd pogląd pogląd poglądowy pogłosce pogmatwać pogmatwany pogoda pogodny pogodzić się pogoń pogrążyć pogróżce pogróżka pogrubiony pogrzebacz pogrzebacz pogrzebowy schifting. praten keuvelen. opharken necrologie . babbelen. stadswijk metro gewelf. babbelen. brutaal poker uitkammen. meemaken. dichtwerk. vers gedicht. afscheiden. scheiden deelnemen. faam van zijn stuk brengen. dichtwerk. harken. aanharken. stout. vonnis begrip zichtbaar befaamdheid. aanvaarden nastreven. bol metro danken. poëtisch dichtkunst. wonder bewonderen gedicht. cureren gedurfd. glanzend. vers dichter dichterlijk. dank betuigen bewonderen bewonderend mirakel. dichtwerk. gerucht. praten houding oordeel. poëzie dichtkunst. overeenstemmen buurt. gericht. najagen duiken bedreiging. dreiging behandelen. mare. poëtisch dichterlijk. dreigement. praten keuvelen. clausuur aanslag afzonderen. bedanken. weersomstandigheden. dank betuigen erkenning danken. judicium. schamperheid. weder briljant. babbelen. lumineus accepteren.

opdagen vehikel. bak. intelligentie beetnemen. paraderen. wagen vehikel. knap. dienares. buiging. aan de hand zijn ontstaan opdraven. informeren. bende opvatting. manifesteren geruim. bak. scheepsdek. dek verdek. meid dienstmeisje. etenswaar. ongetrouwd pot. foedraal. bij acclamatie benoemen verdek. ongetrouwd ongehuwd. dek vertrouwen. doos. pakken. nijging Stille Oceaan. tentoonstelling laten blijken. lakken appartement. koker pot. flat . onderdanig. pronken expositie. mooi poker toejuichen. strijkage. voertuig. nederigheid nederig. net. dienares. troep. etui. kost. doos. volume schare. aanmerkelijk. meid generatie. po plecach) pokład pokład spacerowy pokładać nadzieję pokłon pokojowy pokojowy pokojówce pokojówka pokojówka pokolenie pokonać pokonać przeciwnika pokorą pokorny pokost pokost pokój berichten. voeder. zwanger raken eten. dienares. koker geluidssterkte.poinformować pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawić się pojawić się wydawać się pojazd pojazd szynowy pojedynczy pojedynczy skok napięcia pojemnik na kasety pojemnik na kasety pojemnik na śmieci Pojemność pojemność pamięci pojęcie pojęcie pojętność wiadomość pojmać pojmować pokarm pokarm pokaz pokaz pokaz slajdów pokazywać pokaźny pokaźny poker poklepać (np. fraai. geslacht nederlaag likken ootmoed. schoon. begrip begrip bevattingsvermogen. scheepsdek. vertoning. bewijs pralen. lakken verlakken. deemoed. bak. etui. Grote Oceaan vredig. opdraven gebeuren. spijs. voedingsmiddel demonstratie. fiducie hebben in revérence. foedraal. foedraal. gerecht voeding. meid dienstmeisje. etui. vreedzaam dienstmeisje. aanzienlijk fijn. koker pot. inhoud. beetkrijgen in verwachting raken. inlichten ontstaan opdraven. wagen ongehuwd. voertuig. opdagen opdagen. deemoedig verlakken. prijken. doos.

wereldruim. recommanderen bevelen. temptatie. prijzen. commanderen. brandnetel snikheet. envelop. kaft. aanvoeren. commanderen aanvoeren. verwantschap wijzerplaat sproet afbeulen. deksel dekken. afmatten pluim. speling. gloeiend. toedekken. bedekken dekken. toedekken. introductie inleiding. speling. afjakkeren. bedekken emailleren couvert. brandnetel netel. verwantschap affiniteit. heet aanvechting. bevelen inleiding. schijf akker akker bouwland aanmelding akker aanbevelen. zitkamer. temptatie. verleiding voor voldaan tekenen. wereldruim. roemen .pokój pokój pokój dziecinny pokój gościnny pokój rozmów pokój zabaw dziecinnych pokrewieństwa pokrewieństwo pokrewieństwo pokrętła pokryć pokryć pokryć koszty pokryć piórami pokrywa pokrywa tylna pokrywać pokrywać emalią pokrywą pokrzywa pokrzywą pokupny pokusa pokusą pokwitować pokwitowanie pokwitowanie Polak Polak polarny polce pole pole danych w sieci Ethernet pole magnetyczne poprzeczne pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) pole typu danych w pakiecie Ethernetu pole typu EH pole typu TEM pole znaku pole źródłowe polecać polecenie polecenie polecenie (kogoś komuś) polecenie kogoś komuś polecenie zewnętrzne polecić vrede bestek. veer. blad mijnenveld hijsblok. beleggen. bedekken bedekking. verleiding aanvechting. katrol. huiskamer bestek. enveloppe netel. veder dekken. ruimte vrede bestek. pen. verheerlijken. beleggen. wereldruim. toedekken. introductie bevelen. blok. ruimte woonkamer. kwiteren recept kuil Pool polair polka akker vel. beleggen. speling. ruimte affiniteit. commanderen loven. smoorheet. omslag. verwantschap familiebetrekking. kwiteren voor voldaan tekenen. aanvoeren. aanprijzen.

lid worden. combinatie aansluiting gewricht. gelid. aan elkaar vastmaken conjunctie samenhang. knoop samenhang. jagen. glooiing Pools schoensmeer schoencrème verglazen. genootschap. klapperen klotsen. knoop conjunctie gewricht. aggregaat verbinden. gelid. glazuren. staatkunde polis polis bejagen. associatie zich aansluiten. gelid. geleding. lid. jacht maken op vuren. marynarki) połaczenie połaczenie połaczenie połaskotać połącz połączenia połączenia połączenie połączenie drukowane połączenie stałe połączenie wewnętrzne połączenie wielopunktowe połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza połączenie z Internetem połączenie z pełnym dupleksem połączenie zespołowe połączyć połączyć połowa połowa położenia helling. koon. gelid. jagen. paffen bejagen. plassen. plassen. jacht maken op Polen Pools schoensmeer schoencrème klotsen. knoop gewricht.polepszyć polerować polerować polerować Polewa polędwicą policja policjant policją policzek polisa polityczny polityk polityka polityka polityka zabezpieczenia polityka zagraniczna polować polowania polowanie Polska polski polski polski poła poła (np. lid. toetreden gewricht. lid. geleding. lende politie agent. doorsnee. politiek. geleding. kietelen verbinden. verbinding gewricht. glanzen kruis. politiek politicus. geleding. kaak polis staatkundig. verbinding aansluiting aggregatie. schieten. kabbelen. stand. geleding. knoop verbinding. gelid. aan elkaar vastmaken half gemiddeld. lid. kabbelen. klapperen bond. middelbaar houding. positie . staatsman polis beleid. knoop kriebelen. politieagent politie wang. lid.

deeltje vroedvrouw. air. inslikken glosse. stand van zaken plaats. blinken. helpen helpen. schijn. ruimte houding. famulus. bijstaan nader assisteren. aanblik item. oord. ontroeren. weglaten weggelaten . assisteren. bewegen mengen. temperen. dimensie tomaat aangrijpen. doorslikken. onder achterwege laten. kanttekening Pools schoensmeer schoencrème schijnen. middag zuidelijk noen. jaartelling. middag noen. middag zuidelijk zuidelijk slikken. vermengen aanpassing in het midden van. glanzen. stand. helper. bijstaan. mixen. middag zuidelijk zuidelijk zuidelijk noen. hulp aids helpen. medio.położenia położenie położenie położenie położenie kolumny położenie pieczątki położenie umiejscowić położna połówce południa południa południa południe południe (geograficzne) południe (pora dnia) południe (pora dnia) południe geograficzne południe pora dnia południowy południowy połykać połysk połysk połysk połysk połysk pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomoc pomarańcz pomarańcz pomarańcza pomarańcza pomarańczą pomarańczą pomiar pomidor pomieszać pomieszanie pomieszczenie sterylne pomiędzy pomiędzy pomiędzy pomijać pomijać situatie. assisteren. lokaliteit. oord. ruimte aanzien. stand van zaken plaats. schitteren assistent. midden tussen tussen. positie situatie. lokaliteit. verloskundige half noen. bijstaan Oranje oranje Oranje oranje Oranje oranje afmeting. middag noen. deel.

nagaan ontsnappen. afgelopen. apparaat idee. dwaling. bijstaan. helper. abuis foutief. famulus. onjuist vergissing. pompen oppompen. achten met goed gevolg gelukkig benoorden. helper aanvullend assistent. aromatisch vergissing. weglaten afdraaien. helper paren boer assistent. benul. hulpvaardig poort tribune. fout. pompen wreken. dwaling. helper steward assistent. wel achterwege laten. desondanks ofschoon. famulus. wraak nemen wreken. famulus. adjunct. in weerwil van niettemin. vermenigvuldigen assisteren. hoewel. hulp. wraak nemen wreken. monument multipliceren. dwaling. podium assistent. hulp oppompen. denkbeeld beschouwen. abuis geurig. fout. luister. alhoewel. overwegen. van mening zijn. begrip. beëindigd . ontkomen. al. helpen zinspelen assistent. pracht. ten noorden van verderop klaar. fout. verkeerd. wraak nemen vergissing. vermenigvuldigen in overvloed aanwezig zijn multipliceren. pompen vertoon. verlagen gedenkteken. fout. helper behulpzaam. inrichting. afgewerkt. praal oppompen. abuis hulpmiddelen. adjunct. ontgaan geniaal geloven. helper. hulp assistent. leiding. adjunct.pomimo pomimo tego pomimo że pominąć milczeniem pomniejszać zmniejszenie się pomnik pomnożyć pomnóż pomnóż pomoc pomoc pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika pomocniczy pomocniczy pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik błazna pomocny pomost pomost roboczy pomóc pompa pompą pompą pompować pomścić pomścić avenue pomścić ość pomylić pomylić pomylić się pomylony ść pomyłka pomysł pomysł pomysł itp pomysłowość pomysłowy pomyśleć pomyślnie pomyślny ponad ponad tuzin ponad wszystko niettegenstaande.

ten dele daar. onder verootmoediging. opslorpen. vernederen. vernedering verootmoediging. aflopen kleinmaken. hervormen afstelling. akelig. hellen. verootmoedigen buigen. ommezijde resorberen. achterzijde. krenken asgrauw asla. nogmaals afwisselend zwart naar. douwen beledigen.ponadto ponadto ponawiać poncz poncz ponętny poniechać poniedziałek poniekąd ponieważ poniżać (się) poniżać się poniżać się poniżej poniżej poniżej granicy dolnej poniżenia poniżenie ponowić ponownie ponownie wyznaczać trasę ponury ponury ponury ponury ponury ponury ponury pończocha pończochą pończochy nylonowe poparcia poparzenia popatrzeć popchnąć popełnić wykroczenie popielaty popielniczka popierać popierać popierać kogoś/coś popijać popijać (małymi łykami) popiół poplamić popołudnie poprawa poprawa koniunktury overigens. trouwens. overhellen. schragen rugstuk. verdediger stutten. onaangenaam afschuwelijk grimmig rouwobscuur. steunen. daarbeneden. overhellen. doordat. vernedering herhalen. trouwens overigens. middag reformeren. onbekend. aflopen beneden. plaats namiddag. mislukken maandag deels. affronteren. van voren af aan. nazeggen opnieuw. asbak pleitbezorger. gemelijk. hellen. opslorpen. giro in kokend water doen een blik werpen. aangezien buigen. aalwarig kous kous nylonendossement. omdat. verder vernieuwen. onder beneden beneden. lokaliteit. slurpen as ruimte. renoveren stompen Jan Klaassen lekker. aanlokkelijk een miskraam krijgen. oord. slurpen resorberen. stoten. dringen. donker aalwaardig. instelling . een blik werpen op duwen. advocaat.

haast maken adviseren. rail . sierlijk fatsoenlijk. voorgaand al.poprawiać poprawiać poprawiać poprawić się/wyzdrowieć poprawka poprawka wymagana równocześnie poprawny poprawny poprawny poprawny poprosić poprosić kogoś o spotkanie poprzeczny poprzedni poprzedni poprzedni poprzednio poprzednio poprzedzać poprzestać poprzez poprzez popsuć popsuty populacja populacją popularny popularny popychać popychać popyt popyt porada poradą poradnictwo poradnik poradnik poradzić poradzić sobie poranek porażce porcelana porcelaną porcie porcie porcja danych poręcz poręcz juist. veelgeliefd aanduwen schuiven opeisen. geldend. wapenen spoorstaaf. behoorlijk gangbaar. met bederven. administreren. goed verbeteren. kornuit. aankondigen ochtend. veredelen nakijken. inspecteren juist. aankondigen. aan de overkant van door. instelling nauwkeurig bepalen. bekendmaken. voorzijn logeren over. bevallig. betamelijk. beschadigen verspild bevolking bevolking algemeen. verleden. spoed maken. mennen besturen. alreeds daarvoor. determineren juist. goed gracieus. verleden. geldig. goed afstelling. dirigeren. beheren adviseren. voorafgaand verleden. indertijd voorafgaan. herzien. kameraad. correct. eerder. morgen nederlaag China China haven haven emmer bewapenen. alvast. richten. vooraan. rekenen. correct. makker besturen. overheen. vigerend vragen vragen dwars voorgaand. voorgaand voorafgaand. gemeenschappelijk populair. vereisen. bekendmaken raad. reeds. per. havenen. advies administratiekantoor maat. correct. getapt. eisen voortmaken. raadgeving.

opgewonden ontroeren. geschikt garanderen. geldbuidel evenbeeld. ontroeren. mislukken abortus provocatus. portret Portugees Portugal Portugees zuilengang. mededelen communiqué aflevering. portiek zuilengalerij. beeltenis. doelmatig. omgang. overeenstemming overeenstemming. portier beurs. betrekking overeenstemming. overeenstemmen accoord. beweging gejaagd. opruien. zuilengang luitenant agiteren. opgewonden . entree portefeuille portefeuille conciërge. portret evenbeeld. roerend. beeltenis.poręczny poręczyć pornografia pornograficzny poronić poronienie porozumieć się porozumienia porozumienia porozumienie porozumienie porozumienie dwuetapowe porozumienie trzyetapowe porozumienie trzyetapowe porozumiewać się porozumiewanie się poród porównać porównaj porównania porównanie porównanie porównywać port port port lokalny port równoległy we-wy port źródłowy nadawcy portal portfel portfel na banknoty portier portmonetka portrecie portret Portugalczyk Portugalia portugalski portyk portyk porucznik poruszać poruszać poruszać poruszać poruszenia poruszenie poruszony gemakkelijk. pornografie pornografisch een miskraam krijgen. aangrijpen. bewegen aandoenlijk. maatregel berichten. inlevering vergelijken vergelijken vergelijking vergelijken vergelijking vergelijken haven haven luchthaven interface haven ingang. toegang. opstoken gejaagd. overeenstemming communiqué verband. borg staan voor pornografisch materiaal. portemonnaie. ophitsen. samenklank akkoord. levering. agitatie. meedelen. ontroerend aangrijpen. abortus het eens zijn. samenklank accoord. bewegen beroering.

voorgaand concessie. boerderij. voeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoering afvoerder. stand van zaken bruidsschat. aalwarig. maatregel agenda. afstand. bezitten. houder rijk zijn. lunch . toegeving concessie. abductor ontvoeren agenda. garneren aalbes. eigendomsrecht bezitting. bevelen afhandelen. eigendom. cessie. aalwaardig uitzaaien. erop nahouden. bezitten. bezittingen eigendom. landgoed. afgezant.porwać porwać porwać widownię porwanie porwanie samolotu lub innego środka lokomocji porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) porywacz porywać porządek porządek porządek porządek bajtów porządek dzienny porządek zestawiania porządkować porządkować porzeczce porzeczka porzednik porzucenie porzucenie zaniechanie porzucić porzucić wszelką nadzieję porzucony posada posag posądzać posąg poselstwo poseł posępny posępny posiać posiadacz posiadać posiadać posiadać własny posiadania posiadania posiadania posiadanie posiadanie (akcji) posiadłość posiadłość ziemska posiedzenia posiłek ontvoeren transporteren. bevelen akkoord. dagorde akkoord. bezitting sessie. zitting. overbrengen. opgeven prijsgeven. eigendomsrecht bezitting. commanderen. commanderen. erop nahouden eigendom. dagorde aanvoeren. gezant afschuwelijk gemelijk. zittingsperiode twaalfuurtje. cessie. onzedelijk situatie. standbeeld legatie bode. rijk zijn rijk zijn. maatregel aanvoeren. afleggen. eigendom. toegeving prijsgeven. beslaan. afleggen. foedraal. erop nahouden bezitten. bezitting goed. boerderij. afstand. afdoen afzetten. verleden. huwelijksgift verdenken beeld. bezit landgoed. opgeven gemeen. bes aalbes. bezit boeltje. immoreel. bes voorafgaand. uitstrooien schede.

luisteren afgewerkt. rekenen. poederen afzonderlijk. geur afstemmen. afgezonderd respectief mijnbouwkundig onderzoeker speurtocht. gedoe afslaan. zich inspannen. heiig. speurwerk. onderwerpen afgezant. uitspraak. opeisen eisen. vereisen. handeling. roze. opsturen bepoederen. bode. triviaal. zoektocht . sturen. opeisen ontroeren. vereisen. roos post. beluisteren. onbenullig vasten personage. naderen verbetering. genaken. beslissen. dampig. evolutie zich gedragen actie. inschikkelijk aroma. doorvoeren invetten algemeen. toepassing willig. gehoorzaam handelbaar. halthouden. aanpakken. bewegen gaan naar. mistig eisen. bewegen ontroeren. genaken. pogen houding aard. genaken. vooruitgang. aanpakken. vulgair. naderen doen toekomen. gebruikt aanwending. gezant afgezant. meel bloem. beslissing streven. uitmaken besluit. persoon besluiten. adapteren aanwenden. gemeenschappelijk plat. karakter. aanpakken. ritssluiting nevelig. aanpassen.posiłek posiłek południowy posiniaczyć poskramiać posłaniec posłańca posłuchać posługiwać sie posługiwać się posłuszny posłuszny posmak posmarować posmarować posmarować pospolity pospolity post postać postanowić postanowienie postarać się postawa postawa postawa posterunek posterunek postęp postęp postęp arytmetyczny postępować postępowanie postój postój postrzępienie (efekt graficzny) postrzępiony postulacie postulować posunięcia posunięcie posuwać (się) naprzód posuwać się naprzód posyłać posypywać poszczególny poszczególny poszukiwacz poszukiwać bloem. naderen gaan naar. rits. beterschap ontwikkeling. blijven staan logeren treksluiting. gezant aanhoren. geaardheid rose. aangrijpen. rekenen. posterijen aanplakken gaan naar. meel blauwe plek knechten. bode. optreden. aangrijpen.

inderhaast. haast maken.poszukiwać poszukiwać pozycjonować poszukiwania poszukiwania poszukiwanie poszukiwanie poszukiwanie poszycie pościel pościg pośladek pośladkach pośladki poślizg pośliznąć się pośliźnięcie się poślubiać poślubiać poślubić pośmiertny pośpiech pośpiech pośpiech pośpiesznie pośpiesznie pośrednictwo pośredniczenie pośrednik pośrednik pośrednik pośrodku pośród pośród poświadczenie poświadczyć poświadczyć poświęcać poświęcać poświęcać poświęcający się poświęcony poświęcony pot pot potajemnie potajemny potańcówka potargać uitzien naar. certificeren certificeren. zoektocht dierevel. offeren. heilig. heilig. vagebond uitglijden. transpireren tersluiks. uitglijden gehuwd. achtervolging bil bips. uitglijden slippen. inderhaast. spoed maken. speurwerk speurtocht. zitvlak zwerver. danspartij opzetten. dealer. onder in het midden van. aanbieden aanhankelijk. kont. snorren speurwerk. gehecht opofferen. slippen slippen. vel. speurwerk. speurtocht. medio. voortmaken voortmaken. speurtocht. rechtop zetten . gewijd. geheiligd geheiligd. opdragen. sacraal zweet zweten. gehecht gewijd. trouwen in de echt verbinden. gehaast haastig. midden tussen getuige getuigen. agent makelaar in de plaats stellen van. speurwerk zoektocht. sluiks. ijl spoed maken. pels. getuigen spanderen. inboeten tussen. steelsgewijs confidentie bal. huid. vacht linnen vervolging. getrouwd in de echt verbinden. speurwerk speurwerk. sacraal. uitkijken naar. spenderen aanhankelijk. speurtocht zoektocht. gehaast agentschap agentschap vertegenwoordiger. speurtocht speurtocht. trouwen necrologie haast. haastigheid. haast maken haastig.

mogendheid afkeuren verdomme. moeten nodig. kind. aantasten controleren. kroost. stroom. stroom pijp. hoeven. afstammeling nakomelingschap. behoeven. zaad nakomelingschap. lopen. moeten behoeftig. kind. afkeuring wraking. schaal pan. verlangen. braadpan. aankomend zondvloed welbewust. nooddruftig wens. afstammeling beginnend. afkeuring machtig struikelen struikelen beekje. behoeven. noodzakelijkheid nodig hebben. nooddruftig behoeftig. macht. jong. vlieten loop. achteraf. benodigd nodig hebben. bewust besturen. beheren schotel. als waarheid aannemen erkenning erkenning erkenning . dan. godverdomme afkeuren wraking. beek stromen. afkeuring wraking. hoeven. checken. steelpan ragoût drievoudig. verdomd. stroom. jong. verwerping. begeerte. stroming vloed. hoeven. zin aanvallen. bergstroom. aflezen agnosceren. moeten nodig. stroming bult. benodigd nodig hebben. berooid. tabakspijp loop. behoeven. berooid. driedubbel schokken noodzaak. administreren.potas potem potęga potępiać potępiać potępić potępienia potępienia potępienie potężny potknąć się potknięcie potok potok potok potok potok potokowy potok rzutowania potokowym przesyłaniem pakietów potomek potomek potomek proces potomny potomny potomność potomstwo potomstwo potop potrafiący obsługiwać coś (maszyna potrafić potrawa potrawce potrawka potrójny potrząsać potrzeba potrzeba potrzeba (życiowa) potrzebą potrzebny potrzebować potrzebujący potrzebujący odbioru potrzebujesz poturbować potwierdzać potwierdzać uznać n potwierdzenie potwierdzenia potwierdzenie (odbioru) potwierdzenie (odbioru) podziękowanie kalium naderhand. bochel loot. daarna heerschappij. kroost. vloeien. lust. zaad nageslacht loot.

aannemen monsterachtigheid monsterachtig. achtbaar geruim. gebied oppervlakte. karrespoor oppervlakte. sfeer. ernstig. areaal. gezag stemmig. geheim binnenste. ernstig. aankondiging welbewust. verwantschap monteren. voornaam. omslag. aanzienlijk stemmig. mormel struikelen achterhoofd stichten aanwijzing. consigne. opdracht geven oppervlakte. zetten ooglid zeggen. aankondigen. bol. opdragen. erg aanplakken aanplakken adviseren. gedrochtelijk rotbeest. bekrachtigen.potwierdzenie odbioru potwierdzenie pozytywne potwierdzić potwierdzić potwierdzić notarialnie potworność potworny potwór potykać się potylica pouczać pouczenie poufny poufny powab powab powaga powaga powaga poważanie poważany poważny poważny poważny poważny poweron self test power-on self test powiadamiać powiadomienie powiadomiony powiat powiązania powiązanie powiece powiedzieć powieka powieka powielać powierzać powierzchnia powierzchnia powierzchnia powierzchnia czołowa powierzchnia kuli powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków powierzchnia wyświetlania powierzchnia zapisu erkenning erkenning agnosceren. serieus rouwbelangrijk. aanmerkelijk. opgeven ooglid bedekking. bevestigen bevestigen. als waarheid aannemen erkennen. gebied . areaal. inwendige aantrekkelijkheid lokken autoriteit. bona fide. bona fide. ernstig. areaal. gebied spoor. instructie vertrouwelijk. bewust graafschap familiebetrekking. kaft. oppervlak het hoofd bieden kloot. gebied het hoofd bieden oppervlakte. deksel verveelvoudigen. achting hebben voor achtenswaardig. wagenspoor. omgeving. multipliceren belasten met. serieus zwaartekracht achten. bekendmaken verkondiging.

uitbreiden uitbouwen. opkomend lucht uitbouwen. makkelijk. uitbreiden omvang. verheffen. begroeten hallo feestelijk inhalen feestelijk inhalen overlappen schild. bestek. feliciteren groeten. doorkomen. verwantschap affiniteit. uitbreiden uitbouwing. welstand. vergroten. vergroten. licht naar buiten. irriteren afstammen. zachtjes.powierzchniowy tranzystor polowy powierzchowność powierzchowność powierzchowny powierzchowny powierzchowny powierzyć (<sb with sth> komuś coś) powiesić powiesić na zawiasach powiesić się powieściopisarz powieść powieść powieść się powietrze powiększać powiększać powiększać powiększać powiększać (się) powiększenia powiększenie powiększenie powiększenie powiększyć powinność powinowactwo powinowactwo elektronowe ujemne powinszować powitać powitać powitać powitanie powlec powłoka powłoka wsadowa powodować powodować powodować powodzenia powodzenie powodzenie powodzenie (operacji) powoli powolny powolny powolny start powołanie oppervlakkig. ophitsen. aandikken uitbouwen. uitbreiden verplichting. ophogen uitbouwen. grootte verergeren. ondiep verschijning. sparen langzaam beroep . bloei geluk. bloei. opkomend klaarspelen. eruit. plicht affiniteit. vergroting wasdom. voorspoed welstand. beschuldiging hangen scharnier hangen romanschrijver nieuw. voorspoed welstand. bloei op zijn gemak. verschijnen aanblik. ondiep aanklacht. rugschild. langzaam langzaam ontzien. vlot. voorspoed. verwantschap gelukwensen. vergroten. laten aanstoken. slagen nieuw. geluk. aanschijn. groei opdrijven. buitenkant gemakkelijk. rugschild. bloei. ontwikkeling. schaal schild. maken. laten doen. vergroting uitbouwing. het gevolg zijn van geluk. schaal doen. welstand. voorspoed. geluk. buitenwaarts oppervlakkig. vergroten.

verhoeden. rebelleren. teruggeven hergeven. koorde. daarenboven daarbuiten. tegenstreven verhinderen. behelzen verhinderen. zich voordoen zich aanstellen. opwaarts benoorden. reproduceren. onderwijzen hergeven. laten aanstoken. ontmannen. begroeten . nazeggen herhaling. reproduceren. buiten. betomen herhalen. zich voordoen benoorden. ten noorden van uitzonderen snijden. ten noorden van aanstellerij. nazeggen herhalen. onnatuurlijkheid overigens. castreren afhelpen beschikking groeten. teugel. omhoog. oorzaak reden.powoływać się powoływać się powód powód powód powód (sądowy) powódź powóz powrotny powrót powrót do nowego wiersza powróz powstać powstanie powstrzymać powstrzymać/zataić powstrzymywać powstrzymywać powstrzymywać się powstrzymywać się <from sth> od czegoś powszechny powszechny powściągliwość powściągliwość powściągnąć powtarzać powtórce powtórka powtórka (np. ophitsen. teruggeven hergeven. lekcji) powtórzenia powyżej powyżej powyższy poza poza poza poza poza poza poza domem (na powietrzu) poza kolejką poza zakresem pozbawić siły pozbywać się pozbywanie się pozdrawiać pozdrawiać beweren. begroeten groeten. verzekeren aanroepen doen. zich abstineren generaal algemeen. beletten zich onthouden. universeel bespreken. beteugelen. toom bedwingen. stemband ontstaan muiten. irriteren reden. repetitie herhaling. zich abstineren zich onthouden. ten noorden van op. verder. beletten bevatten. oorzaak zondvloed opvoeden. uiterlijk zich aanstellen. teruggeven snaar. reserveren. inhouden. reproduceren. maken. in opstand komen tegenspartelen. intekenen breidel. repetitie herhaling. laten doen. trouwens verderop bovendien. verhoeden. naar boven. repetitie benoorden. voorts.

laten begaan. overblijfsel. gedogen. nablijven rest. deel. deel. lokaal. beklaagde. laten schieten laten. regering. fiat toelaten. overheid aanleggen. nablijven rest. aan de schouder brengen vergulden agnosceren. laten schieten item. rommel. plek graad. stappen. laten schieten laten. overige achterblijven. zich voordoen aanstellerij. schrijden aanleggen. groet complimenteren eerbiedigen. waterpas. aan de schouder brengen horizontaal. respecteren saluut. afval achterblijven. deel. bekend zijn met klaarblijkelijk. afreizen zich aanstellen. als waarheid aannemen samenkomen. stand. stand. onbescheidenheid toelaten. groet groeten. geding. aan de schouder brengen aanleggen. toestaan laten. deeltje houding. vertoonbaar virtueel achterblijven. jaartelling. zich voordoen verderop zich aanstellen. deeltje plaats. duidelijk. blijkbaar aanwijsbaar. oord. onnatuurlijkheid aanmatiging. laten begaan. goedvinden. stand. positie item. nablijven in tegenspraak zijn met. laten begaan. deeltje . status. positie aanmelding houding. toestaan aangeklaagde. treden. gedogen. bijeenkomen. jaartelling.pozdrawianie pozdrowienia pozdrowienia pozdrowienie pozdrowienie pozew sądowy poziom poziom poziom intensywności poziom żądania poziomnica poziomy poziomy uprzejmości pozłacać poznać poznać (kogoś) poznawać pozornie pozorny pozorny pozostać pozostać pozostać w łóżku pozostałość pozostawać pozostawać w sprzeczności pozostawiać pozować pozować pozować pozowanie pozór pozwalać pozwany pozwolenia pozwolenie pozwolić pozwolić sobie pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś pozycja pozycja pozycja pozycja cyfry pozycja wyjściowa pozycja znaku pozycja znaku pozycją saluut. tegenspreken op reis gaan. rang item. aan de schouder brengen lopen. begroeten gerechtszaak. platliggend aanleggen. jaartelling. beschuldigde toestemming. vergaderen kennen. proces gouvernement.

noordelijk noords. adieu adieu. gaan knagen. vaarwel vaarwel. adieu adieu. spijs. achteraf. laat vergevorderd. daarna later later vergevorderd. laat terminal .pozycją pozytywny pożar pożar pożarów itp pożądać pożegnać się pożegnać się pożegnania pożegnania pożegnanie pożegnanie pożegnanie pożoga pożyczać (od kogoś) pożyczać coś komuś pożyczce pożyczka pożyczka pożyczka hipotetyczna pożyczyć pożyteczny pożywienie pójść półbajt półce półka półkula półmisek północ północ północ północ (geograficzna) północ (geograficzna) północ (pora doby) północ pora doby północny północny północny północny wschód półprosta półwysep później później późniejszy późno późny Późny. brand lenen lenen. lust. schaal middernacht noorden noorden noorden noorden middernacht middernacht noorden noorden noords. plank schap. vaarwel vaarwel. van stapel lopen. voorschieten. royeren. adieu vaarwel. plank hemisfeer. halfrond schotel. hartstocht vaarwel. radius schiereiland naderhand. brand ontzetten. constructief vuurzee. uitlenen lenen lenen lenen lenen lenen bevorderlijk. spaakbeen. gerecht lopen. adieu vuurzee. noordelijk actieradius. etenswaar. dan. dienstig. końcowy stationsgebouw. ontslaan deskundig passie. nuttig eten. roes. knabbelen schap. station positief. adieu vaarwel.

wassen. doorvoeren aanwenden. oeuvre emplooi. werkman werker ingenieur werker wasvrouw uitwassen. oefenen . werker. het doen functioneren. handelbaar praktisch belevenis. verkiezen. ondervinding aanwenden. ervaring. bezorgd. vlijtig. het doen functioneren. verkiezen. smachtend dorst aanwakkeren. naarstig. het doen vlijt. begeren verlangend. ijverig kast laboratorium employé. nijver naarstig. het doen functioneren. aanwending emplooi. arbeider. arbeid functioneren. vlijtig.póżniej prac praca praca praca dorywcza praca papierowa praca z podziałem czasowym praca zawieszona praca zespołowa pracą pracą prace badawcze pracodawca pracować pracować ponad siły pracować w ogrodzie pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji pracowitość pracowity pracowity pracowity pracownia pracownia pracownik pracownik pracownik pracownik naukowobadawczy pracownik naukowo-badawczy praczka prać swoje brudy publicznie praefixus praepositio Praga pragnący pragnąć pragnąć pragnąć z całego serca pragnienia pragnienia pragnienia pragnienie praktyczny praktyczny praktyka praktyka (zawodowa) praktykować praktykować later werken. werknemer. speurtocht werkgever functioneren. het doen proefschrift. werk. werk. godsdienstoefening toepassing. begeren dorst trek hebben in. ijverig. dissertatie handwerk ter wereld brengen. ijver ijverig. bevallen eredienst. karwei. nijver. personeelslid werkkracht. begeren inschikkelijk. naarstigheid. vlijtig naarstig. karwei. de was doen voorvoegsel voorzetsel Praag bang. aansporen trek hebben in. arbeid functioneren. ongerust trek hebben in. nijver. dienst. stelling. het doen speurwerk. verkiezen. doorvoeren drillen. aanvuren. beducht.

strook. wettelijk. bijna schier. wettelijk. wettelijk. legaal copyright. gewettigd. trant juist. gewettigd. bijkans. deeltje. gelijk hebbend. voornaam normaal. waarachtigheid waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk werkelijk. advocaat wettig. vrijheid. betitelen copyright. wettelijk. wezenlijk authentiek. windsel orthodox. geregeld circulerend. haast. legaal recht strip. deel stuurboord manier. rechtzinnig . kopijrecht balloteren. gewettigd. ernstig. kiezen. bijkans. belangrijk. reep. waarachtigheid waarheid. in omloop schier. bijna schier. gegrond waarheid. eigendomsrecht wettig. effectief juist. bijna wettig. werkelijk. tituleren. bijkans. pleitbezorger. correct. onvervalst daadwerkelijk. kopijrecht vrijdom. vlotheid recht wettig. jaartelling. gelijk hebbend. legaal jurist verdediger. band. waarachtigheid waarheid. standaardgelijkmatig. wijze. haast. regelmatig. legaal titelen. gewettigd.pralni pralnia pralnia automatyczna pranie prasa prasa (ściskająca i drukowana) prasą prasować prasowy pratykuła prawa burta prawa dostępu prawda prawda prawda logiczna prawdą prawdopodobnie prawdopodobnie prawdopodobny prawdopodobny prawdziwie prawdziwy prawdziwy prawdziwy prawidłowo prawidłowy prawidłowy prawidłowy prawie prawie prawie prawie nic prawniczy prawnik prawnik prawny prawo prawo prawo prawo prawo prawo autorskie prawo autorskie prawo o podpisach cyfrowych prawo wyborcze prawo zwyczajowe prawomocny prawosławny wasserij wasserij wasserij wasserij pers zuiger pers ijzeren pers item. goed erg. stemmen eigendom. gegrond juist. haast.

accuratesse. aanstaand. nauwgezetheid stiptheid. alternatief. voorbereiding prairie keus. prijs minister-president. komend vandoor. nauwgezet stiptheid. stroming actueel actueel gallon stiptheid. rechtvaardig. over prefereren. premier abonnement abonnee geabonneerd zijn op voorbereidsel. claimen aanmatiging. fair actueel elektriciteit sap loop. nauwgezetheid precies. verwijderd. degelijk billijk. smoes. de voorkeur geven aan voorvoegsel voorvoegsel voorvoegsel bonus premie. draaierij. legitimeren recht recht eerlijk. gezag prestigieus verontschuldigen smoesje. minutieus nauwkeurig. vandehands gerechtigheid. billijkheid echten. onbescheidenheid . dekmantel klapstuk. prijs bonus premie. accuratesse. keuze autoriteit. accuratesse. heen.prawosłowny prawostronny prawość prawowity prawoznawstwo prawoznawstwo dza prawy prawy prąd prąd prąd prąd prąd (także elektryczny) prąd elektryczny przepływ bieżący prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu dyskach) precyzja wielokrotna precyzją precyzować precyzyjny precyzyjny precz precz! preferować prefiks prefiks operatora prefiks usługodawcy premia premia premią premią premier prenumerata prenumerator prenumerować preparat prerią preselekcja prestiż prestiżowy pretekst pretekst pretensja pretensja pretensja orthodox. accuraat. prestige. juist. eerzaam. scherp. stroom. rechtzinnig rechter-. rundvlees aanspraak maken op. nauwgezetheid eerstvolgend.

haar vraagstuk. president voorzitter. eliminatie produktie. geschenk. procédé. procent belang inboezemen. praeses. interesseren rente. procent. hard. navraag vraagstuk.pretensjonalny prezencją prezent prezent prezentacja przedstawienie prezentować prezes zarządu prezydencie prezydent prezydent tam był prędko prędkość pręga pręga pręt problem problem problem roku 2000 problem tłumaczenia adresu problem z bezpieczeństwem problem związany z siecią proboszcz procedura procedura pomiarowa procedura wspomagania programu procedura zagęszczania procedurą procencie procent procent procentowość proces proces proces proces rozruchu proces zatwierdzania procesja procesować się proch proch proch strzelniczy produkcja produkcja seryjna produkcja wspomagana komputerem produkcja wspomagana komputerowo produkcja wspomagana komputerowo produkcją produkcją opzichtig. aanwezigheid gift. donatie. sleur bereidingswijze. president. opleveren. poederen buskruit. probleem. praeses. eliminatie fabriceren. radheid schreef. werkwijze bereidingswijze. haal. ostentatief bijzijn. vaart. werkwijze bereidingswijze. actueel aanbieding. kruit produktie. streep gallon roede. schrap. in allerijl snelheid. probleem. presentie. voortbrenging opbrengen. procédé. proefstuk gerechtszaak. afwerpen ontwikkeling. omgang een proces aanspannen tegen buskruit. opgave rimpelen. aanmaken. president. procédé. spoed. percent gerechtszaak. preses voorzitter. optocht. vraagpunt. vraag. schielijk. optreden tegenwoordig. preses voorzitter. president. procent. werkwijze routine. gard. percent rente. kruit bepoederen. preses. vraagpunt. spitsroede. opgave kwestie. proces bewerking probeersel. procédé. fronsen haardos. cadeau tegenwoordig. actueel voorzitter. geding. geding. werkwijze rente. voortbrenging ontwikkeling. stokje vraagstuk. maken produktie. voortbrenging . percent. probleem. vraagpunt. proces bewerking processie. praeses. praeses. streek. presentatie. stoet. preses gauw. opgave pastoor bereidingswijze.

afwerpen produktie. opleveren. verwachting akkoord. prognose. leiding. schets. afwerpen opbrengen. maatregel programmeren programmeren laten blijken. profaneren professioneel. opbrengst ontwijden. bestuurder assistent. voorspellen. generatief fabriceren. beroepsprofessor karakterschets karakterschets karakterschets karakterschets voorspelling. hulp. tekening projecteren projecteren projecteren projector. gewrocht. prognose. helper programmeren programmeren programmeren aanwending. maken opbrengen. toepassing assistent. gewrocht. hulp.produkcyjny produkować produkować produkt produkt produkt zakonserwowany profanować profesjonalny profesor profil profil wykonania profil zabezpieczeń profilować prognoza prognozą prognozą program program program program program do tworzenia kopii zapasowych program interpretujący program kontrolny program obsługi urządzenia program organizacyjny program pierwotny program post-mortem program składowania program składowania (zawartości pamięci) program sterujący program testujący program typu królik program uruchomiajacy program wspomagający program zrzutu program zrzutu program źródłowy programowa programowa) programu itp. verwachting beduiden. voorzeggen voorspelling. middel aanwending. opleveren. schets.) ilustracja projekcie projekt projekt projekt pilotażowy projekt szczegółowy projektor laserowy projektować geslachtelijk. prent. aanmaken. opbrengst produktie. manifesteren vinger interpreter debugger conducteur. toepassing programmeren programmeren tribune. famulus. tekening . podium tribune. leiding. podium afbeelding. famulus. seksueel. ontheiligen. projectietoestel werkje. helper debugger konijntje debugger werktuig. plaat projecteren werkje.

naderen verspreiding. aanbod profetie. uitvaardigen. verzoeken gierst prospectus gedijen. schets. proloog overzetboot. aanpakken. beduiden. verhouding proportie. pont.) promień promień promień słońca promień zginania promocja promocją promować propaganda proponować proponować proporcja proporcja proporcjonalny propozycja wstępna propozycją propozycją proroctwa proroczy prorok prorokować prosa prosić prosić prosić proso prospekcie prosperować prostacki projecteren werkje. promotie gaan naar. aanbieding. ruw . tieren. stralen actieradius. bak wandeldreef. noodlottig voorspeller. voorslag. afkondigen proletariaat proletariër proletariaat proletariër voorrede. voorzegger voorzeggen. spaak bevordering. voorzegging funest. spaak uitstralen. verklaring declaratie. verhouding. floreren hardhandig. stralen uitstralen. propaganda uitloven. voorspelling. bloeien. aanduiden evenredigheid. pontveer. evolutie declaratie. aanbieden aanwijzen. aanzoek bod. profeet. onkies. inroepen. evenredigheid proportioneel. promotie bevordering. lomp. aanzoek huwelijksaanzoek. proportie. evenredig huwelijksaanzoek. bieden. aanvragen. radius straal. voorspellen gierst vragen bidden vragen. wandeldek zonneschijn straal. spaak zonnestraal straal. tekening ontwikkeling. spaakbeen. grof.projektować projektowanie projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) proklamacja proklamacją proklamować proletariacie proletariacki proletariat proletariusz prolog prom promenada promienie słońca promieniować promieniować promieniować rozchodzić się promieniowo promieniować (dosłownie i w przen. verklaring proclameren. promenade. fataal. aangeven. genaken. stralen uitstralen.

ophitsen. toepassing vragen. beschermheer betwisten. bestrijden protestants protestants betwisten. vermalen. makkelijk aalwarig. aalwaardig landkaart. chef. rail nul gebieder. eenvoudig aalwarig. vergenoegd behaaglijk. aanvragen. notulen proton prototype spoorstaaf. notulen slippen. rechtstreeks aalwaardig. wees zo goed. tevreden. standaardlicht. inroepen. lichtekooi. uitglijden scheuren. aanvoerder. provinciaal rente. overeind. aantrekkelijk. poederen alsjeblieft. moeite doen gehoor herhaling. rijten aalwarig. bouw. aalwaardig direct. eenvoudig. procent. prostituée bepoederen. bestrijden betwisten. eenvoudig. kwellen aanwending. bestrijden bekeuring.prosto prosto prostopadły prosty prosty prosty prosty prosty protokół zarządzania siecią prosty protokół zarządzania siecią prostytutka proszek proszę proszę proszę proszkować prośba prośba protekcja protektor protest protestancki protestant protestować proteście protokół protokół IP dla łączy szeregowych protokół odwrotnego tłumaczenia adresów protokół RARP protokół SGMP protokół z potwierdzeniem pozytywnym protokół zmiany kierunku proton prototyp prowadnica prowadzące prowadzący prowadzenie serwerów WWW prowincja prowincjonalny prowizja prowizoryczny prowokować proza prozą próba próba próba direct. vandehands normaal. rijten scheuren. eenvoudig. aalwarig. aanbouw gouvernement gewestelijk. aalwarig. pogen. proces-verbaal. trachten. eenvoudig hoer. bekoorlijk malen. recht. baas constructie. kaart bekeuring. vlot. alstublieft voldaan. irriteren proza proza streven. aalwaardig aalwaardig. repetitie . percent jury aanstoken. verzoeken bescherming beschermheilige. live. rechtop rechter-. proces-verbaal.

onheus. moeite doen moeite. trachten. moeite doen dissertatie. bot primitief onbeleefd. vacuüm luchtledige ruimte. klotsen op het kookpunt zijn. vacuüm luchtledige ruimte. betomen. ijdelheid vergeefs. specimen. specimen. privé-. trachten. proefstuk bedwingen. proefstuk streven. tonder. borrelen. lomp aanvoerder. trouwens. cru. pogen teelaarde. monster proef. beteugelen streven. proefstuk proefstuk. chef. specimen. onderzoek streven. pogen proefstuk.próba próba (teatralna) próba generalna próba generalna próba odzyskania próba teatralna próba v próbować próbą próbą próbą próbą próbce próbka próbka próbka na sekundę próbkować próbować próbować próbować próbować próchnica próchnicą próchno prócz prócz tego próg próg próg tylny próżni próżnia próżnia ultrawysoka próżność próżny próżny prymitywny prymitywny prymitywny pryncypał pryskać pryszcz prysznic prywatny pryzmat prząść przebaczać przebaczać przebaczenie przebicie dętki probeersel. stelling probeersel. begenadigen appartement. absolutie geven vergeven. moeite doen examen. zich inspannen. verder drempel. pogen. monster proefstuk. toevallig smaken streven. pogen. pogen. trachten. onbewerkt. monster. zich inspannen. baas klapperen. beteugelen streven. betomen. tondel. flat . leeg. specimen. proef. dorpel drempel. ijdel. keuring. nutteloos loos. proefstuk streven. koken een douche nemen. lens. kabbelen. proefschrift. gebieder. vacuüm nietigheid. hol grof. pogen. honds. dorpel luchtledige ruimte. trachten. monster bedwingen. moeite doen incidenteel. proef. zwam ander overigens. poging probeersel. onbehouwen. humus verval tonderzwam. plassen. particulier prisma spinnen absolveren. ledig. proef. dorpel drempel. douchen besloten. begenadigen vergeven.

tegenliggend. gewiekst. aandrang congestie. aangrijpen beetnemen. houwen. overwaarderen wandeldreef. een stuk of. kloppen. bluffen beetnemen. een lijst maken congestie. aandrang inspringen ongeveer. kloppen. tegenliggend. gloren slaan. doortrapt scherpzinnig. bloedaandrang. wekken. beetkrijgen bemachtigen. koers slim. gewiekst. tarten. listig slim. grijpen neigen. route. strijdig tegenstander afkerig tegengesteld. detineren. belemmeren uitdagen. klappen wakker maken. tegen. opwekken overschatten. strijdig tegenover. aangrijpen. leergang. overgankelijk voorbijganger voetganger vertraging reserveren. pakken. jegens tegengesteld. scheuren flitsen. buigen. cursus. steunen. wandeldek transitief. schrander. opwekken wekken. sieci) przecięcie przeciętnie przecinek przeciskać się przeciw przeciwieństwo przeciwległy przeciwnie do ruchu wskazówek zegara przeciwnik przeciwny przeciwny przeciwny przeciwny czemuś przeciwstawiać przeciwstawiać się przeciwstawiać się tracé. slim. listig. splijten. aard barsten. buigen. tegenliggend. aan de overkant van tegenstander dwarsbomen. wakker maken. uittarten standhouden. gewiekst. promenade. flikkeren. pakken. klappen. slag. grijpen bemachtigen. pienter doortrapt. per. trotseren. aangrijpen.przebieg kurs przebiegłość przebiegły przebiegły przebiegły przebierać przebijać przebłysk przebłysk przebój przebudzić przebudzony przeceniać przecenić znaczenie przechadzka przechodni przechodzień przechodzień przechowywać przenosić przechowywać w pamięci przechwalać się przechwycić przechwycić przechwycić przechwytywać przechwytywać przechylać się przechylić przechył przechył statku przeciążenie przeciążenie (np. strijdig voor tegengesteld. circa komma door. doen overhellen uitlisten. doortrapt soort. tegenwerken. stutten neigen. ophouden pochen. doen overhellen schragen. beetkrijgen bemachtigen. opvallen slaan. grijpen. opscheppen. snoeven. overwaarderen overschatten. bloedaandrang. listig. bezwaar hebben tegen . tegenaan. met met.

passage ochtend. ding handelsartikel. morgen antediluviaans. presentatie. object. oppositie tegenstand. onderwerpen aanbieding. zeer oud voorvoegsel on-. voorwoord inleiding. doorgang. belemmeren tegenstand. artikel voorrede. aan het. ten noorden van ontwijden. het. cliché borstelen. imvoorvoegsel nadruk. reflector. herdruk nadruk. lange tijd achtervoegsel. laxans voor voorafgaand. herdruk bespotten. onderwerp. rekken uitleggen. handelaar. naar de knechten. artikel mikpunt. ontheiligen een aan de. samochodu) przedpokój przedpokój przedpołudnie przedpotopowy przedrostek przedrostek negujący znaczenie wyrazów przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi przedruk przedrukować przedrzeźniać przedsiębiorca dwarsbomen. tegenspreken ontkennen laxeermiddel. onderwerpen achtervoegsel. doortrekken. in de morgen voor benoorden. strijdig negatief. schuieren in tegenspraak zijn met.przeciwstawić (się) przeciwstawienia przeciwstawienie przeciwstawny przeczący przeczesać przeczyć przeczyć przeczyszczający przed przed przed południem przed siebie przede wszystkim przedefilować przedimek nieokreślony przedimek określony przedkładać przedłożenia przedłożyć przedłużacz przedłużać przedłużenie przedłużyć przedłużyć (się) przedmieścia przedmieście przedmiot przedmiot przedmiot oceny przedmowa przedmowa przedni plan przedni plan (obrazu) przednie światło (np. rekken voorstad voorstad handelsartikel. doortrekken. lang. in-. introductie voorgrond voorgrond lichtbak. voorbericht. tegenliggend. honen koopman. profaneren. voorgaand voor de middag. optreden knechten. oppositie tegengesteld. koplamp hal overgang. suffix uitleggen. verleden. suffix langdurig. tegenwerken. de. zakenman . spotten.

vak mul. ding. onderneming Maria-Hemelvaart bedrijf. mobiel. reeds. bespreken recenseren. tak. handwortel overloop. aandurven verbeelden. tocht. tussenruimte interval. excursie toer. agent agentschap uitvoeren. onderneming zich wagen aan. branche. baan. afdeling legerafdeling. presenteren. preliminair bespreken. presenteren.przedsiębiorca (budowlany) przedsiębiorczy przedsiębiorstwa przedsiębiorstwa przedsiębiorstwo przedsiębiorstwo przedsięwziąć przedsięwziąć przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedstawiać przedstawiać (na scenie) przedstawiać obecny przedstawiający przedstawiciel przedstawicielstwo przedstawić przedstawić (kogoś) przedstawić kogoś przedstawienia przedstawienia przedtem przedtem przedwstępny przedyskutować przedział przedział przedział dla niepalących przedział kolejowy przedział synchronizacji przedziurawić przedziurawić przegapić przegląd przegląd wstępny przeglądać przeglądać przegródce przegrywać przegub przegub (dłoni) przejazd przejażdżka przejażdżka łodzią przejąć przejezdny przejęcia bouwondernemer. aannemer ondernemend firma. alreeds voor voorafgaand. expositie laten blijken. manifesteren al. handelsfirma. afgevaardigde vertegenwoordiger. vak. opdagen tegenwoordig. vak. mislopen. aangrijpen. onderneming ondernemen zich wagen aan. indienen uitvoeren. tak. tocht. gang. trip bemachtigen. bespreken afgrazen uitzicht afdeling. aandurven zaak. indienen uitvoeren. tussenruimte stompen Jan Klaassen missen. presenteren. aangelegenheid. afdeling interval. affaire bedrijf. handelshuis bedrijf. divisie branche. dealer. beweegbaar. misgrijpen recenseren. afbeelden opdraven. rul pols. indienen tentoonstelling. handwortel pols. grijpen los. uitbeelden. actueel gedeputeerde. roerend Maria-Hemelvaart . toer. trip. reis. alvast. discuteren branche. rijstrook uitstapje.

vloeken. versie kamrad. ophouden. bezwering ketteren. eindigen . afdracht transporteren. kamwiel. godverdomme eed. geweld overtreffen. godlasteren ketteren.przejęzyczenie przejścia przejścia przejście przejście kolorów przejście na emeryturę przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę przejście wielokrotne przejściówka przejść przejść się przejść się przekaz przekaz (danych) przekazanie (np. lunch ketteren. buitengewoon kronkelen beledigen. tandwiel overtuiging overtuiging gangbaar. gang. overzetting uitvoering. geldend. baan. rondtrekken. odpowiedzialności przekazywać przekazywać przebieg przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki przekąsce przekąska przekląć przekleństwo przekleństwo przekleństwo przeklinać przeklinać przeklinać przekład przekład przekładni przekonania przekonanie przekonujący przekonywać przekonywać przekonywać przekonywanie przekraczać przekraczać przekraczać przekraczająco przekręcać przekroczenie przekroczenie przekroczyć przekroczyć stan konta terugvallen steeg overloop. afboeken twaalfuurtje. gang. vloeken. passage. rijstrook overgang. verdomd. met pensioen gaan trekken. vloeken. voeren afvaardiging. godlasteren verdomme. overbrengen. doen toekomen opnemen. overtreffen bijzonder. geldig. rijstrook bewerker aftreden. doorgang pensioen metro poort overloop. te boven gaan inhalen overtroeven. disputeren. sturen. vigerend twisten. wandelen. te boven gaan aflopen. godlasteren verdomme. krakelen overtuigen overtuigen overreding overtreffen. krenken. affronteren geweldpleging. delegatie inhalen opsturen. rondreizen wandeling. baan. lunch twaalfuurtje. uitgaan. tandrad. tippel transfer. bezwering translatie. godverdomme eed. translaat. verdomd.

oratie adresseren rede. afgewerkt. aanpakken. stokje klaar. inslikken adresseren praten. gestamp gaan naar. gard. afboeken overtollig. overheerlijk geweldpleging. doorslikken. overstelpen. omkopen bloedvergieten opnemen. wassen. artsenijbereidkunde weefsel vlijt. speech. oratie smokkelen vlijt. spitsroede. spitsroede. veranderen afwisselend afwisselend getrappel. redevoering. prevalent.przekrój przekształcać przekształcać przekształcać przekształcać na postać cyfrową przekształcać transformata przekształcić przekupić przelew przelew przelew krwi przelewać przelot przelotny przełączać przełącznik zmianowy przełączyć przełączyć przełomowe wydarzenie przełożony przełykać przemawiać przemawiać przemądrzały przemienić przemienny przemienny przemierzać przemieszczenie przemieszczenie przemieścić przemijać przemiły przemoc przemóc przemówienia przemówienie przemówienie przemycać przemysł przemysł cukrowniczy przemysł stoczniowy przemysł włókienniczy przemysłowca przemysłowy przemyt przemytnik przemywać branche. sluikhandelaar uitwassen. omschakelen. overbodig vlucht. genaken. spreken geraffineerd anders maken. vak. kostelijk. industrieel smokkelwaar. beëindigd roede. redevoering. contrabande smokkelaar. naarstigheid. geweld bedelven. ontwrichten. afboeken opnemen. overschakelen roede. verpletteren rede. ijver industrieel industrie-. gard. vliegtocht een douche nemen. naderen verschuiving verrekken. ijver farmacie. douchen omleggen. verbasteren. superieur slikken. stokje mijlpaal opperste. naarstigheid. speech. de was doen . verstuiken inhalen heerlijk. tak bekeren masseren vervormen vervormen vervormen vervormen bederven. afgelopen.

vlieten voorzeggen. vloeien. ploegen. adapteren aanreiken. gieten. bocht. voorzegging zich verontschuldigen verontschuldigen zich verontschuldigen . afboeken ontroeren. clausuur kwartel patrijs kwartel recept voor voldaan tekenen. portable oneigenlijk. golf. lopen. bewegen doordringen. voeren. bits doordringen. aangeven. wigor przenajświętszy przeniesienie równoległe przenieść przenieść przenieść przeniesienie przenikać przenikliwy przenikliwy przenikliwy (ból) przeniknąć przenocować (<sb> kogoś) przenosić przenosić przenosić (na inną platformę systemową) przenośnie przenośny przenośny przenośny przenośny automatyczny system telefoniczny przeoczyć przeor przeorać przepaść przepaść przepaść przepaść przepierzenie przepiórce przepiórka przepiórka przepis przepis przepis przepis przepisach przepisy przepisy przepłukiwać przepływ przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok przepowiadać przepowiednia przepraszać przepraszam przeprosić sap oprit. aangeven. inham. binnendringen. inham. kwiek. kwiteren recept heerschappij. sproeien stromen. afdragen transporteren. voorhebben. binnendringen. oprijlaan opnemen. verleden. aanpassen. beploegen afgrond. beduiden profetie. levendig. vloeien. kolk baai.przen. voorspellen. afboeken dragen. overbrengen. uitlaten voorafgaand. fel. figuurlijk oneigenlijk. afdragen oneigenlijk. instructie reglement bevloeien. druk bijtend. vlieten stromen. boezem afgrond schifting. doordringend snibbig. bewind. rap. roerend draagbaar. consigne. nalaten. mobiel. aangrijpen. brengen opnemen. voeren aanreiken. voorgaand omploegen. lopen. voorspelling. bestuur reglement aanwijzing. begieten. figuurlijk los. doorstoten afstemmen. guur. kreek golfspel. afscheiding. beweegbaar. doorstoten kras. figuurlijk verzaken.

mislukken opvrolijken. gedogen. toestaan inhalen anders maken. onderbreken rust. schorsen. mager haan van een vuurwapen chargeren. schorsen. onderbreking hortend. onderhouden uittreden. ophouden interrumperen. gruweldaad. weken zeven. ontsteltenis gruwel. weekmaken. strumień gazu) przerabiać przerazić przerażać przerażenie przerażenie przeróbka przerwa przerwa międzyrekordowa (na nośniku informacji) przerwa start-stop przerwa w podróży przerwać przerwać przerwać przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) przerwanie przerwanie przerwanie integer liczba całkowita przerwanie zewnętrzne przerwą przerwą przerwą przerywać przerywać przerywać przerywać przerywać coś przerywać przerwanie przerywany przerzedzać przerzutnik przesadzać przesąd przesąd przesądny przesiadać się przesiąknąć przesiewać przeskoczyć verontschuldiging verontschuldiging dragen. onderbreking een miskraam krijgen. voorhebben. rust een miskraam krijgen. amuseren. voeren. aanpassing opening. schorsen. bedanken een miskraam krijgen. gaping adempauze pauzeren interruptie. schraal. aflaten. schorsing. anders maken in de week zetten. aftreden. pauze interruptie. brengen reinigen. doen schrikken schrik aanjagen. bewerking. schoonmaken. mislukken stoppen. afsluiten interrumperen. schorsing. onderbreken afmaken. schorsen. beëindigen. onderbreking pauze.przeprosiny przeproszenie przeprowadzić (plan) przeprowadzić się przeprowadzić wywiad przepustce przepustka Przepuszczać (np. ziften springen . vooringenomenheid bijgeloof bijgelovig veranderen. onderbreking afbreken interrumperen. schorsing. schorsing. gedogen. louteren interviewen toelaten. onderbreken interruptie. toestaan toelaten. doen schrikken consternatie. bres. veranderen schrik aanjagen. intermitterend sprietig. mislukken interrumperen. verschrikking modificatie. onderbreken interruptie. overdrijven vooroordeel.

bang doen schrikken. leiding ontbinden. bewegen beweging verschuiving opnemen. tribune. royaal. royaal. voeren. wachten samenkomen. groot verspreiden. nakijken. handelen volgens te wachten staan. bestuur. annuleren. aangrijpen. bestek. ontwrichten. breedvoerig. wereldruim. afboeken . tip ruim. afhalen. verbreiden. misdrijf misdaad. aftreden.przeskok przeskok przeskok przesłać przesłać dalej przesłona przesłona (falowodu) przesłonić przesłuchanie (świadka) przesłuchiwać przesmyk przespać się przestać przestankowanie przestarzały przestawić przestępca przestępczy przestępstwa przestępstwo komputerowe przestraszony przestraszyć przestraszyć przestroga przestronny przestrzec przestrzegać przestrzegać przestrzegać przestrzegać (coś) przestrzegać normy przestrzenny przestrzeń przestrzeń (także kosmiczna) przestudiować przestudzić przesunąć przesunąć przesunięcie przesunięcie przesunięcie przesunięcie logiczne przesunięcie w lewo przesunięcie w prawo przesuń przesuń w prawo przesuwać przesyłanie z potwierdzeniem hinkelen springen podium. aanvaller scherm. schut Iris afbeulen. ondervragen inhalen sluimeren. interpunctie mottig verschuiving misdadig. laf. afmatten gehoor een verhoor afnemen. schrik aanjagen verjagen. speling onderzoeken. rondreis verschuiving beweging afstand. snood. verstuiken afstand. snood. afschrikken waarschuwing. breedvoerig. bedanken punctuatie. crimineel misdadig. afgelasten voorspeler. eind verschuiving tournee. afjakkeren. examineren afkoelen dragen. eind ontroeren. bijeenkomen. voorhebben. brengen verrekken. druilen. crimineel misdaad. dutten uittreden. groot waarschuwen blijven gehoorzamen opvolgen. afgeven ruimte. vergaderen ruim. misdrijf lafhartig.

mijn. grotendeels pré. beletten beletten. obsederen achtervolgen. ophouden. speurwerk. verhinderen. vervolgen najagen. vel overtroeven. hinderen doorkruisen. voorzeggen bedacht zijn op. zoektocht scanderen blad. leest. luchten . merendeels. belemmeren. verleden. uitgaan. spuien. aanbesteding aflopen. wannen. verleden tijd kruipen speurtocht. hinderpaal verleden. waaien lucht uitluchten. te wachten staan frisse lucht toewaaien. najagen. overzetten. taille anticiperen. nastreven vervolging. overbrengen. voordeel overwegend.przesyłka przesyłka komunikat przeszkadzać przeszkadzać przeszkadzać przeszkoda przeszkoda przeszkoda przeszłość przeszły przeszukać przeszukiwać przeszukiwać przeglądać prześcieradło prześcigać prześladować prześladować prześladować prześladowania prześladowanie przetarg przetarg przeterminować się przetłumaczyć przetransportować przetrawić przetrwać przetrwać przetrząsać przetrzeć się przetrzymywać przetwarzać przetwarzać przetwarzać przetwarzać (tekst) przewaga przeważnie przeważyć przewężenie przewidywać przewidywać przewidywać przewidywanie rozgałęzienia przewidzieć przewidzieć przewietrzyć przewietrzyć przewietrzyć pakje bericht. verhoeden barrière. prejudiciëren beduiden. afhalen. afslag. voordeel middel. achtervolging vervolging. voorspellen. vertalen transporteren. heining storing hindernis. voorspellen. beleven speurtocht. zoektocht schaven. veiling gunning. voorzeggen anticiperen. digereren voorgaand. verleden tijd verleden. boodschap storen. eindigen translateren. voeren verteren. beletsel. achtervolging auctie. afschaven blijven bekeren masseren vervormen masseren pré. afsluiting. verduwen. voorafgaand doorleven. verwachten beduiden. hek. speurwerk. belemmeren. doormaken. overtreffen beklemmen. prejudiciëren wachten. vendu.

bij. praeses. president voorzitter. afzijdig. bestuurder snaar. garen lange tijd. veranderen revolutie. bak oneigenlijk. uittrekken lot. uittrekken mikken. toongevend voorzitter. geschikt bestemmen. bestemming. preses voorzitter. nabij. chef. overtreffen overtreffen. langdurig. draad neutraal. reisgids. doelwit. bestuurder besturen. vademecum gebieder. figuurlijk conducteur. passend. draad affuit beweging anders maken. gids. aanvoerder. praeses. bedoelen geabonneerd zijn op spanderen. met dwars door dwars door dwars door in. te boven gaan aan. lotsbestemming lotsbestemming. pont. omwenteling pervers. koorde. binnen. praeses. pontveer. wit. president voorzitten. beogen. onpartijdig metaaldraad. stemband metaaldraad. naast. preses. honk ontvanger verloten. te door. toonaangevend. mennen gidsboek. lang leidend. verdorven revolutie. preses.przewietrzyć się przewlec przewlekły przewodni przewodniczący przewodniczący przewodniczący Rady Nadzorczej przewodniczyć przewodnik przewodnik przewodnik przewodnik przewozić przewoźny przewód przewód przewód przewód zerowy przewód zerowy przewóz przewóz przewracać przewrocie przewrotny przewrót przewyższać przewyższać liczebnie przez przez przez całą dobę przez całą noc przez cały przez radio przez to przeziębienia przeziębienie przeznaczać przeznaczać przeznaczenie przeznaczenie przeznaczenie adresat docelowy przeznaczenie nieosiągalne przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć (coś na jakiś cel) przeznaczyć (coś na jakiś cel) lucht draad. president. bestemming. opdragen. baas overzetboot. doel. presideren conducteur. loten bestemmen. mikken op. omwenteling overtroeven. per. richten. per. spenderen geabonneerd zijn op . met koud koud gepast. dichtbij door. per. lot doelstelling. dirigeren.

ervaring. nabij. arriveren buit maken. bij. overmeesteren waarschuwen kruisen. assimileren aanhalen. voorkant voorzijde. aanlokken. bekoren. dichtbij aan. bij aan. hals. ondervinding doorleven. knop drukknoop dichtknopen dichtknopen aanhangwagen karavaan aanhangwagen aanhechten . naast.przezorny przezwyciężyć przezwyciężyć przeżegnać się przeżycie przeżyć przędza przodek przodek (w kopalni) przodkowie przód przód kompilatora przswoić prztoczyć przy przy przy forsie przy rejestracji na taśmie magnetycznej przy świetle świec przy zdrowych zmysłach przybliżony przybliżony czas przybrać postać (<sth> czegoś) przybranie przybrany przybudówce przybycie przybyć przybywać przybywać się przychodnia przychylic się przyciągać przyciągać przyciągać uwagę przyciągający uwagę przyciąganie przyciąganie przycinać przycisk przycisk przycisk przycisk z grafiką rastrową przycisk zwalniania myszki przyczepa przyczepa turystyczna przyczepą przyczepiać behoedzaam. bekoren toelachen. voorzaat het hoofd bieden afdaling voorzijde. bij beneden uur aan. behalen kliniek lid worden toelachen. nabij. handvat. aanvoer aankomen. nabij. doormaken. naast. nabij. aantrekkelijk aantrekkelijkheid zwaartekracht snoeien dichtknopen heft. afdak bezorging. verkrijgen. belanden. voorkant in zich opnemen. aanlokken. beleven kronkelen voorvader. citeren. naast. over elkaar slaan belevenis. dichtbij. dichtbij. bekoren aanlokkelijk. stamvader. aangrijpen Maria-Hemelvaart aangenomen. aanlokken toelachen. verkrijgen. dichtbij. voorzichtig geweld aandoen. behalen buit maken. naast. noemen aan. geadopteerd luifel. bij benaderen benaderen aandoen. gevest.

maken. aanvoer voorkomend. oorzaak bijdragen schemerig schemerig toegaan. aanmaken knagen. knabbelen spijkeren. bereiden. bereiden. bereiden. brommen staren. vriendelijk vriendschap . boegseren voorzetsel bakstenen. voorbereiding voorafgaand. voorbereiding achtergrond voorbereidsel. aandragen. naamwoord verloten. aardig. nuttig benaming. bezorgen naargeestig. aardig. kameraad. aanstaren. preliminair voorafgaand. vriendelijk bezorging. disponibel bevorderlijk. laten reden. gebeurlijk toebereiden. lief. dagvaarden betekenen. loten gepast. aanvoer bezorging. dagen. voortgang hebben. lotgeval eventualiteit eventueel. aanmaken voorbereidsel. nagelen trekken. zwaar avontuur. razen. naam.przyczepić przyczepność przyczyna przyczyna przyczyniać się przyćmiewać przyćmiony przydarzyć się przydatność przydatność przydatny przydatny przydomek przydzielać przydzielać przydzielać przydzielać (środki) adj odpowiedni przydzielić przydźwięk przyglądać się dokonywać przeglądu przygnać przygnębiony przygniatający przygoda przygodą przygodność przygodny przygotować przygotować (się) przygotowania przygotowanie przygotowanie przygotowawczy przygotowawczy przygotowujący przygotowywać przygryzać przygwoździć przyholować przyimek przyjaciel przyjaciel przyjaciel przyjacielski przyjazd przyjazdach przyjazny przyjaźń aanhechten grip. maat vriendin voorkomend. dienstig. lief. somber drukkend. gebeuren geschiktheid geschiktheid liquide. passend. beschikbaar. preliminair voorafgaand. dagen. dagvaarden snorren. troosteloos. laten doen. perikel. turen brengen. perikel. gonzen. lotgeval avontuur. geschikt verzenden betekenen. aanmaken toebereiden. preliminair toebereiden. slepen. kornuit. adhesie doen. stenen makker.

aanneming. aanvaarden toejuichen. affiliëren claimen. het gevolg zijn van toonbeeld. voorbeeld smart. aanliggend bezorging. toetreden aanfloepen. adopteren aannemen. lid worden. aangaan aanhechten aanhechting aanhechten monteren. eerbetuiging aankomen. aangenaam. toepassing . aanflitsen. honds. belanden. behaaglijk. belanden. arriveren afstammen. grenzen aan belenden. bars in elkaar duiken. bij acclamatie benoemen toegeven zich eigen maken. plezier behaaglijk. aanvaarden eerbetoon. aangenaam behaaglijk. onthaal aanvaarding. grof. genoeglijk vreemdeling. grenzen aan grip. vastklinken kaap Kaaps belenden. aanspraak maken op aanvaarden. aanvaarden accepteren. onbekende. genoeglijk behaaglijk. aan elkaar vastmaken aanwending. aangenaam. aanneming. bot. vreemde aanvaarding. leed afschuwelijk onbewerkt. onthaal accepteren. genoegen. genoeglijk genoeglijk. adhesie aangrenzend. aanvoer zich aansluiten. hurken klinken.przyjąć przyjąć standard przyjechać przyjemność przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny (zapach) przyjemny (zapach) przyjezdny przyjęcia przyjęcie przerwania przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować jako członka (<sb> kogoś) przyjmować uznaniem przyjmować w poczet członków przyjmować z uznaniem przyjść przyjść przykład przykrość przykry przykry przykry przykucnąć przykuwać przylądek przylądek przylegać przylegać (do czegoś) przyleganie przyległy przylot przyłaczyć przyłapać przyłączać przyłączanie przyłączyć przyłączyć przyłączyć nawiązać łączność przyłożenie zich eigen maken. behaaglijk. verdriet. adopteren toegeven aankomen. cru onaardig. nors. arriveren pret. nurks. aantrekkelijk. accepteren aannemen. bekoorlijk aangenaam. aannemen. aangenaam genoeglijk. onbehouwen. affiliëren accepteren. zetten verbinden. vermaak.

gedenken. heel. bezorgen. attribuut aan de scharrel zijn. gebeurlijk toevallig. doorvoeren meten heerschappij. leed bevestigen. ten volle. aandragen. accident. aandragen. commentaar nabeschouwing betekenen. gedwongen aanwakkeren. accident. dagvaarden bijvoeglijke bepaling. onthouden . dagen. fatsoenlijk bijvoeglijke bepaling. bezorgen. incidenteel droefheit. bewind. dwingend. bezorgen brengen. ongeval eventualiteit incidenteel.przyłożyć przymiar przymiar przymiarka przymiot ik przymiotnik przymiotnikowy przymocować przymocować przymocować przymocowywać przymusowy przynaglać przynajmniej przynależność przynęcie przynęcie przynęta przynęta przynęta przynieść przynieść pożytek przynosić przynosić przynosić plon przypadek przypadek użycia przypadek wcielenie przypadkowość przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadłość przypiąć przypiekać na ruszcie przypis przypis końcowy przypisać przypisywać (<sth to sb przypływ przypływ przypominać przypominać przypominać przypomnieć przypomnieć sobie aanwenden. aanvuren. lokaas lokken aas. lokaas lokken lokken brengen. hartzeer. beproeving kegel rooster. gedenken. toevallig incidenteel. fladderen tij. aansporen geheel. bestuur betamelijk. ongeval ongeluk. gedenken herinneren herinneren zich herinneren. affix smart. aandragen het veld ruimen. bepalen aanhechten bindend. afstaan incidenteel. onthouden zich herinneren. hek. aandragen brengen. toevallig ongeluk. attribuut bijvoeglijk naamwoord. volkomen lidmaatschap aas. behoorlijk. onthouden. toevallig chaotisch eventueel. fixeren. bezorgen brengen. traliehek aantekening. afrastering. verdriet. getij zich herinneren. adjectief bijvoeglijk aanhechtsel.

verbeelding onderstelling. stellen toegegeven vermoeden. hypothese. verbeelding onderstelling. uitbreiden opdrijven. geaardheid. uitloven eed. toezeggen. mening karakter. gedenken op smaak brengen. verheffen. toezeggen. mening gissen. acceleratie versnelling. bespoedigen. toedekken. op smaak brengen accapareren. bereiden. spoed maken. vloeken dekken. dienst. uitloven plechtig beloven beloven. aard uitbouwen. gissen gissing arrogantie. beleggen. kruiden kruiden kruiden kruiden. fruiten verhaasten. hypothese.przypomnieć sobie przyprawa przyprawa przyprawą przyprawiać (potrawę) przyprzeć do muru przypuszczać przypuszczalnie przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenie przypuszczenie przypuszczenie przyroda przyrost naturalny przyrost naturalny przyrostek przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku przyrząd) przyrządzać przyrządzanie przyrzec przyrzeczenia przyrzeczenie przyrzekać przysiędze przysięga przysięgać przysłaniać przysłowie przysłówek przysłówkowy przysługa przysmak przysmażyć przyspieszać przyspieszenie przyspieszenie ziemskie przyspieszyć przysposobić przysposobienie przystanek przystań przystawać na przystąpić zich herinneren. vergroten. onthouden. accelereren versnelling. bedekken spreekwoord adverbium. aanlegplaats. toezeggen. godsdienstoefening beminnelijk bakken. ophogen suffix. aanmaken voorbereidsel. uitloven beloven. bezwering ketteren. bezwering eed. vermoeden. werktuig aanhechting toebereiden. achtervoegsel instrument. haast maken zich eigen maken. bijwoord bijwoordelijk eredienst. acceleratie voortmaken. steiger lid worden te werk gaan . opkopen menen. adopteren afstelling. vermoeden Maria-Hemelvaart arrogantie. godlasteren. voorbereiding beloven. instelling logeren landingsplaats.

aankomend beginnend. onderwerpen schemerig welbewust. net. gebrek aanhechten aanhechten affect. asiel. accelereren afdoen. adapteren geschiktheid modificatie. aanpassing aanpassing congruent afzetten. opslorping beginnend. schoon. noemen ja knikken. emotie. geschikt . afwikkelen het veld ruimen. knap. passend. bespoedigen. garneren in beslag nemen. adapteren toegevend. meegaand afstemmen. disponibel goeduitziend fijn. absorberen absorptie. privilege. handvest. bewerking. arrestatie armhuis. prae titelen. inschikkelijk. vrachtcontract preferentie. afstaan aanhalen. fraai. kazemat aalmoezeniershuis. citeren. aandoening aanhechting aanhechting aanhalig aanhalig opdraven. aflossen. bewust aanhouding.przystępny przystępny przystępny przystojny przystojny przystosować przystosować przystosować przystosować (się) przystosowania przystosowanie przystosowanie się przystosowany przystrzyc przyswajać przyswajanie przyszłość przyszły przyśpieszać przyśpieszać przytaczać przytaczać apostrof cudzysłów przytakiwać przytępiać przytłumić przytłumiony przytomny przytrzymanie do czegoś przytułek przytułek przytułek przytułek przytułek przywarą przywiązać przywiązać się do kogoś przywiązanie przywiązanie przywiązanie do czegoś przywiązany przywiązany do czegoś przywidzieć się przywilej przywilej przywilej przywitania przywitanie przywłaszczyć sobie genaakbaar. armhuis ondeugd. aanpassen. aanpassen. aanpassen. afhandelen. groet gepast. opslorpen. aankomend verhaasten. beschikbaar. tituleren. asyl toevlucht bunker. afbetalen knechten. toegankelijk aanspreekbaar liquide. knikken afschrijven. mooi afstemmen. adapteren afstemmen. beslaan. opdagen charter. aalmoezeniershuis toevluchtsoord. betitelen feestelijk inhalen saluut.

przywoływanie przywozić przywódca przywracać przyznać przyznać przyznać się przyznać się do czegoś przyznać że przyznawać przyznawać rentę przyzwalać przyzwalający przyzwoicie przyzwoitce przyzwoitka przyzwoitość przyzwoity przyzwolenie przyzwyczaić przyzwyczaić przyzwyczaić się przyzwyczajać przyzwyczajenie przyzwyczajony przyzwyczajony przyzywać psalm pseudonim psi psikus psocie psotny pstrąg psucie się psuć psuć się psychiatra psychiatria psychiatryczny psychice psychice psychiczny psycholog psychologia psychologią psychologiczny pszczelarstwo

zich herinneren, gedenken, onthouden importeren, invoeren aanvoerder, baas, gebieder, chef beter worden, genezen, helen toegeven verloten, loten toegeven toegeven agnosceren, als waarheid aannemen pensioen erkennen, bekennen, biechten, toegeven het eens zijn, toegeven, goedvinden aangenaam, behaaglijk, genoeglijk naar behoren, netjes, behoorlijk chaperonne chaperonne landgoed, boerderij, bezitting betamelijk, fatsoenlijk toestemming, goedvinden, fiat gewend zijn, plegen, gewoon zijn gewoon, gebruikelijk acclimatiseren gewend zijn, plegen, gewoon zijn aanwensel, hebbelijkheid gewoon, gebruikelijk afgewerkt, gebruikt noemen, heten, benoemen, uitmaken voor psalm pseudoniem, schuilnaam honden-, hondeaanwensel, hebbelijkheid tuigen, optakelen, optuigen boosaardig, hatelijk, kwaadaardig forel vergaan, verrotten, rotten, bederven bederven, havenen, beschadigen vergaan, bederven, verrotten, rotten psychiater psychiatrie psychiatrisch psyche Psyche psychisch psycholoog, zielkundige zielkunde, psychologie zielkunde, psychologie psychologisch bijenteelt

pszczoła pszenica pszenicą ptactwa ptak ptak drapieżny ptakach publiczność publiczność publiczność (wywołujący interfejs usługi) publiczny publiczny publikacja publikować publikować artykuł na ten sam temat publikować kanał informacyjny publikować w Internecie puchar puchnąć pudding pudełko pudełko/pudło tekturowe puder puderniczce puderniczka puduszka na fotel pukać pukiel pula pula pula zmiennych aplikacji pulower pulpit pulpit pulpit sterowniczy puls pulsować pulsowania pułap pułapce pułapka pułapka jonowa pułapka sygnału dźwięku pułapka śledzenia pułk pułkownik punkt punkt (np. opatrunkowy)

honingbij, bij weit, tarwe weit, tarwe gevogelte vogel gevogelte vogelstand, gevogelte, vogelwereld toehoorders, gehoor, auditorium openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek toehoorders, gehoor, auditorium algemeen, gemeenschappelijk openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek afkondiging, openbaarmaking uitgeven, emitteren drukletter uitgeven, emitteren uitgeven, emitteren vont, bekken, kom aanzwellen pudding boksen boksen bepoederen, poederen compact, dicht compact, dicht kussen slaan, klappen, kloppen, opvallen krullen bank zich aaneensluiten, aansluiten zich aaneensluiten, aansluiten Jersey vertroosten, troosten huisje, schuur, keet, kraam, loods lezenaar, lessenaar pols, polsslag, tel kloppen, pulseren kloppen, pulseren plafon, hoogtegrens, plafond een hinderlaag leggen slag, valstrik, val muizeval gewas, plant slag, valstrik, val regiment kolonel merken, tekenen stationsgebouw, station

punkt centralny punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) punkt kulminacyjny punkt łączenia punkt montowania punkt obserwacji punkt odniesienia punkt odniesienia punkt przyciągania punkt szczytowy punkt środkowy punkt węzłowy punkt widzenia punkt wyjściowy punkt zaczepienia punkt zbiegu punkt zwrotny punktualny pupa purpura purpurą purpurowy purytanin purytański pustce pustelnik pustka pustka pustkowie pustoszyć pusty pusty pusty pusty pusty pusty wiersz pustyni pustynia puszce puszcza puszczać pąki puszczać strugę puszczać w ruch puszkować puścić bąka pycha

roteren, draaien huiswaarts, naar huis standpunt, gezichtspunt huiswaarts, naar huis ruimte, lokaliteit, oord, plaats mijlpaal mijlpaal neus, punt, piek, tip, top, spits nachtevening, dag- en nachtevening hoogte middelpunt, binnenste, centrum hoek aanzien, air, schijn, aanblik oorsprong, afkomst, herkomst haakje, slot, spang, agraaf neutraal, afzijdig, onpartijdig neus, punt, piek, tip, top, spits nauwgezet, nauwkeurig, accuraat bips, kont, zitvlak purperen purperen purperen puriteins puriteins leegte, leegheid heremiet, kluizenaar wit, blanco, oningevuld, blank wildernis, woestenij, woestijn woest, wild verklungelen, opmaken, verdoen wit, blanco, oningevuld, blank hol, ledig, lens, loos, leeg nihil, nul leeg, vrij, open, onbezet vergeefs, ijdel, nutteloos nihil, nul wildernis, woestenij, woestijn wildernis, woestenij, woestijn waas, dons, nesthaar oerwoud, jungle, rimboe uitbotten, spruiten, botten spuiten, sproeien, uitspuiten uitschrijven, lanceren, ontketenen blikken een wind laten trots

pykać (z fajki) pył pył pysznić pyszny pytać pytać pytanie pytanie otwarte pyton pzez pzować pzować (w banku) quiz nek (w banku) r poniżej rabat rabat rabin rabować rabunek rachmistrz rachunek rachunek rachunek (w banku) rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) racja rozum wnioskować racjonalny raczej RAD rada rada rada przetwarzania transakcyjnego rada przetwarzania transakcyjnego radar radą radą radia radio radio amatorskie na balonie radio amatorskie na balonie radio z gramofonem radioamator radiofonia radiolokator o fali ciągłej radiotechnika radny miejski radosny

pof, poef stof bepoederen, poederen trots heerlijk, kostelijk, overheerlijk vragen kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag Python in, binnen, per, te aandoen, aangrijpen aandoen, aangrijpen puzzel, raadsel daarbeneden, beneden, onder disconto aftrekken, korten, afslaan rabbijn, rabbi stropen, buitmaken, roven, plunderen plunderen, buitmaken, stropen, roven boekhoudkundige, accountant snavel, tuit, bek, snater, neb voorschip, voorsteven, boeg rekening, conto boekhouding, boekhouden doen, maken, laten doen, laten redelijk, rationeel een klein beetje, lichtelijk, ietwat radium raad, raadgeving, advies raadgevend lichaam, raad raad, raadgeving, advies adviseren, aankondigen, bekendmaken raderwerk, radar raadgevend lichaam, raad sovjetdraadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio ham draadloze, radio raderwerk, radar draadloze, radio wethouder, schepen lustig, vrolijk, monter

radosny radosny radosny radość radość radość radość radował radował radowanie radykalnie radykalny radzić radzić radzić się radzić sobie z rafa rafą rafineria rafinerią rafinować rafinowany (cukier) raj raj rajstopy Rak rak rakiecie rakieta rakieta (ale nie tenisowa) rakieta świetlna rakietka ralizm rama rama czasowa ramiączko ramię ramię ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) ramię w ramię ramię wybiorcze ramka ramka widoku ramka zaznaczania rana rana ranczo

goedgeluimd, goedgehumeurd jubelgoedgeluimd, goedgehumeurd amusement, vermaak verrukken, in verrukking brengen flikkeren, flakkeren, schitteren blijdschap verrukt genieten van, blij zijn gejubel grondig, radicaal ingrijpend, grondig, radicaal adviseren, bekendmaken, aankondigen aanwijzen, aangeven, aanduiden raadplegen, consulteren rondgeven, ronddelen, uitdelen klip, rif klip, rif raffinaderij raffinaderij raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel Eden paradijs paradijs kanker zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft vuurpijl, raket vuurpijl, raket vuurpijl, raket flikkeren, flakkeren, schitteren peddelen, door het water plassen realiteit kader, omlijsting, lijst, raam in een lijst zetten, inlijsten, vatten riem bewapenen, wapenen schouder naast elkaar bewapenen, wapenen schouder boksen in een lijst zetten, inlijsten, vatten rand, zoom ochtend, morgen zweer landgoed, goed, bezitting, boerderij

randka randka randka z nieznajomym randze ranek ranga ranga (w wojsku) ranić ranić ranić ranny rano rano rapier raport raport kontrolny raport o stanie niezawodności urządzenia raptownie raptowny rasa rasa rasą rata rata roczna ratować ratować ratował ratownictwa ratunek ratunek ratusz raz razem razem rąbać rączce rdza rdzą rdzenny rdzeń rdzeń pamięciowy rdzeń systemu operacyjnego rdzewieć read only memory reagować reagować reakcja

benoeming, aanstelling dadel, dactylus benoeming, aanstelling graad, stand, status, rang ochtend, morgen graad, stand, status, rang graad, mate, trap havenen, beschadigen, bederven gewond aanschieten aangeschoten voor de middag, in de morgen ochtend, morgen degen informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil opkweken, fokken, opfokken, telen geslacht, stam, volksstam geslacht, stam, volksstam afbetalingstermijn, annuïteit afbetalingstermijn, annuïteit bergen, behouden, redden redden, bergen, behouden vrijkopen, loskopen, afkopen bergen, behouden, redden ontsnappen, ontkomen, ontgaan bergen, behouden, redden wereldstad, grote stad eens, op een keer alles wel beschouwd samen, tezamen, bijeen, ineen fijnhakken oor, kruk, handvat, hengsel, klink verroesten, roesten verroesten, roesten inboorling kern, pit pit, kern kern, pit verroesten, roesten ROM reageren reageren reactie

reakcja reakcją reakcjonista reakcjoniście reakcyjny realiście realizacja realizować realizować realizować realizowalny realny recenzja recenzje prasowe recepcie recepcjonista recepcjonistka recepta recepta receptura recytować redagować redagować wstępnie redaktor redaktor naczelny redukcją redukować redukował redukował referencja refleksja refleksją reflektor reforma reformacją reformą refren regał region region dostępu regionalny registrator reglamentował regulacja regulacja obciążenia regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych regularnie

antwoorden, antwoorden op reactie reactionair reactionair reactionair realist verlichten, vergemakkelijken behalen, bereiken, inhalen aanwenden, doorvoeren beseffen, bevatten, begrijpen handelbaar, inschikkelijk praktisch recenseren, bespreken zuiger recept receptioniste receptioniste recept recept recept voordragen, declameren opmaken, redigeren, opstellen opmaken, redigeren, opstellen editor editor afname reduceren, inkrimpen, herleiden inkrimpen, korten, verkorten reduceren, inkrimpen, herleiden verwijzing, referentie afspiegeling, weerglans nakomertje lichtbak, reflector, koplamp reformeren, hervormen Hervorming, Reformatie reformeren, hervormen koor, rei, zangkoor schap, plank gewest, gebied, streek, regio gewest, gebied, streek, regio streek-, gewestelijk, regionaal bestand, dossier reglementeren, reguleren, regelen afstelling, instelling leidend, toonaangevend, toongevend voorschrift vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal

regularny regulator regulator regulator szybkości regulować regulować kontrolować regulowalny reguła reguła aktywna reguła wyzwalania rejent rejestr rejestr wyjściowy rejestrować rejestrować (się) rejestrować dziennik rejestrował rejon rejs rejs wycieczkowy rekin reklama reklama docelowa reklamacja reklamą reklamować reklamował reklamujący rekomendacja rekomendacją rekomendować rekomendował rekomendował rekompensata rekompensował rekontrować (w kartach) rekord rekord odniesienia rekord zasobów rekordzista rekrucie rekrut rekrutować rektor rektor rekwizyty w teatrze relacja relacja

gelijkmatig, regelmatig, geregeld afstelling, instelling conducteur, bestuurder supervisor, controleur, opzichter reglementeren, reguleren, regelen richten, besturen, dirigeren, mennen inschikkelijk, handelbaar heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur notaris aangeven aangeven aangeven aangeven plaatsbewijs, biljet, kaartje geregistreerd gewest, gebied, streek, regio kruisen (van schip), kruisen circuleren, in omloop zijn, rondgaan haai bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging beschuldiging, aanklacht propaganda, verspreiding adverteren, aankondigen, aandienen adverteren, aankondigen, aandienen adverteerder, verkondiger recommandatie, aanbeveling recommandatie, aanbeveling aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevolen beloning, loon, vergelding vergoeden, compenseren, goedmaken dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig discus, plaat, grammofoonplaat, schijf gebieder, chef, aanvoerder, baas discus, plaat, grammofoonplaat, schijf kampioen, titelhouder, voorvechter recruteren recruteren recruteren burgemeester, burgervader rector drager, stut, leuning, steun rekening, conto betrekking, omgang, verband

relacja relacja zwrotna relacją relacjonować relacjonował relacjonował relativum relatywnie relatywny relewancja religia religią religijny religijny remanent remanent remis remisował remisując remont remont rendering renomą renta reorganizować reperować repertuar reprezentacja reprezentacja tablicy reprezentacją reprezentant reprezentować reprodukcja reprodukować reprodukował republice republika republikanin reputacja reputacja reputacja reputacją resonans respekt restauracja reszcie reszta reszta także z dzielenia

informeren, berichten, inlichten betrekking, omgang, verband betrekking, omgang, verband verhalen, vertellen, debiteren verhalen, vertellen, debiteren aanverwant, verwant verwant, familielid tamelijk verwant, familielid relevantie religie, geloof, godsdienst religie, geloof, godsdienst gewijd, heilig, sacraal, geheiligd religieus, godsdienstig, gelovig heerschappij, bewind, bestuur vee, kudde, levende have, veestapel stropdas, das toelachen, bekoren, aanlokken werkje, schets, tekening inhalen verhelpen, herstellen, repareren treksluiting, rits, ritssluiting lichaamsbouw, gestalte, figuur pensioen comprimeren verhelpen, herstellen, repareren repertoire beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur gedeputeerde, afgevaardigde verbeelden, uitbeelden, afbeelden reproduktie, weergave reproduceren, weergeven reproduceren, weergeven republiek, vrijstaat republiek, vrijstaat republikeins lucht, reuk, luchtje, geur reputatie, faam, roep, naam faam, befaamdheid, mare, gerucht reputatie, faam, roep, naam resonantie, naklank, galm eerbiedigen, respecteren restauratie, restaurant, eethuis rest, overige rest, overige rest, overblijfsel, rommel, afval

afstand doen afstaan. vergelden. naklank. retoriek bijwerken.resztki resztki retoryce retoryka Retusz reumatyzm rewanż rewanżować (się) rewers rewers (monety itp) rewia rewidencie rewident rewident księgowy rewidować rewidować księgi rewizja rewizja rewizja kodu rewizją rewolcie rewolucja rewolucjonista rewolucjoniście rewolucyjny rewolwer rezerwa dynamiczna rezerwa gorąca rezerwa statyczna rezerwowa rezerwować rezerwowy kontroler domeny rezolucja rezonans rezultat rezultat rezultat przekształcenia rezydencja rezydencja rezydencją rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) rezygnacja także jako pogodzenie się z losem rezygnacją rezygnować rezygnował rezystancja achterblijven. een backup maken van resolutie. revisor checken. berusting gelatenheid. onderkomen. motie resonantie. berusting gelatenheid. rugstuk achterzijde. rebelleren. logies. inspecteren checken. controleren nakijken. het gevolg zijn van vervormen afstammen. revisor inspecteur. retoucheren reumatiek wraak terugdoen. het veld ruimen. in opstand komen revolutie. speurtocht. periodiek inspecteur. reserveren. aflezen. retoriek rederijkerskunst. boedel bespreken. galm afstammen. reserveren. ommezijde. tijdschrift. revisor inspecteur. speurwerk checken. het gevolg zijn van herenhuis woning. aflezen. controleren zoektocht. nablijven afkeuren rederijkerskunst. aflezen. controleren speurtocht. tegenstand . tegenkanting. een backup maken van bespreken. intekenen een backup maken. bedanken. herzien. rugstuk revue. intekenen een backup maken. ommezijde. toegeven tegenweer. kwartier herenhuis gelatenheid. omwenteling revolutionair revolutionair revolutionair revolver een backup maken. berusting neerleggen. speurwerk. een backup maken van inventaris. zoektocht muiten. beantwoorden achterzijde.

aandienen verkrijgen. gids. imponeren winkel. aanmaak. wapenen aanreiken. naderen breien gaan naar. administrateur handdoek aanreiken. behalen. kruk. handwerk oor. overhandigen bewapenen. scharrelen. aanpakken. tegenkanting. karwei. staatsvorm. reisgids bewapenen. tegenkanting. beheerder. aankondigen. klauwen. werk.rezystancja dynamiczna rezystancja statyczna reżim reżyser reżyser ręcznik ręczny ręczny ręka ręka ręka w rękę rękaw rękawica rękawica (z jednym palcem) rękawiczka rękawiczka rękodzieło Rękojeść noża rękopis rękopis robactwo robaczek (program rozmnażający się w sieci) robaczek (program rozmnażający się w sieci) robak robak robak robak rober w brydżu robić (stroić) miny robić aluzje robić aluzję do robić na drutach robić na drutach robić postępy robić postępy robić pranie mózgu robić się robić sztuczki kuglarskie robić wrażenie robić z kogoś idiotę robić zdjęcia robienie robocie robocizna roboczy robot tegenweer. overhandigen gidsboek. zaak fotograferen. wurm kauwgom zinspelen zinspelen zinspelen gaan naar. kieken fabricatie. tegenstand stelsel. manuscript. afkeuren. vademecum. buit maken laken. hengsel. arbeid krauwen. bestuurder bestuurder. gispen indruk maken op. kopij draaiboek. fabricage robot emplooi. tegenstand tegenweer. krabben robot . genaken. berispen. aanpakken. scenario. genaken. veredelen adverteren. wapenen mouw handschoen handschoen handschoen handschoen ambacht. naderen verbeteren. handvat. beroep. script ongedierte Boeg wandluis wandluis Boeg wandluis worm. klink handschrift. regime directeur.

karwei. werk. ouders ingeboren. karakter. artikel aan de. arbeid emplooi. dommekracht. genrestuk karakter. werkkracht. naaikunst. wemelen. arbeid werker werkman. wriemelen. familie gezin. karwei. landman rododendron ingeboren. bevelen handelsartikel. verjaardag herdenkingsdag. de. verjaardag jaarlijks jaarlijks bewoner van een land boer. krielen . huisgezin. het. huis. werk. gedenkdag. werk. verwantschap gezin. naar de vrouwelijk ouder ouderpaar. naaivak herdenkingsdag. naaikunst. krik mannelijk mannelijk geestelijk vrouwelijk karakter. familie Natal aalbes. aangeboren affiniteit. gedenkdag. geaardheid. aan het. huis. karwei. huis. stuwadoor werkman. werkkracht. bes pruim in overvloed aanwezig zijn krioelen. arbeider stouwer. huisgezin. aard vijzel. arbeid metselwerk emplooi. geaardheid.robota robota robota kamieniarska robota szydełkowa robotnik robotnik robotnik fizyczny robotnik rolny robótka (na drutach) robótki robótki ręczne rocznica rocznicą roczny roczny rodak rodak rododendron rodowity rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj fali rodzaj gniazda wtykowego rodzaj męski rodzaj nijaki liczba mnoga rodzaj tkaniny bawełnianej rodzaj żeński rodzaj żeński liczba mnoga rodzajnik rodzajnik określony: ten rodzaju żeńskiego rodzic rodzic rodzic (ojciec lub matka) rodzic ojciec lub matka rodzice rodzimy rodzina rodzina rodzina protokołów rodzinny rodzinny rodzynek rodzynek (w cieście) roić się roić się emplooi. aard aanvoeren. aard soort. plattelander. naaivak naaien. commanderen. huisgezin. slag. ouders ouder ouder ouderpaar. werker. naaikunst. naaivak naaien. aangeboren aard. werker. geaardheid genre. arbeider naaien. familie gezin.

rand. spinneweb. plant gewas. tweewieler . vleesnat Russisch aanspraak maken op. co-. petroleum olie.rok rok itp) rok przestępny rokrocznie rola rola papieru rolka zwój zwijać rolnictwa rolnictwo rolniczy rolnik rolnik rolny romans romans romans czny romans czny romantyczny romantyk romantyzm romb ronda rondel rondo rondo (kapelusza) ropa ropa naftowa ropień ropucha rosa rosą Rosja Rosjanin rosnąć rosnąć rosnąć jak grzyby po deszczu rosół rosyjski roszczenie rościć pretensje roślina roślina zimozielona rośliną roślinność roślinny rotacja rowek rower jaar dwars door schrikkeljaar jaarlijks rol web. in het rond braadpan. doen alsof gewas. kadetje. pan circus boord. plant plant. vegeteren champignon bouillon. etterbuil pad dauw dauw Rusland Russisch toegaan. kant. rag broodje. eromheen. samen agrariër. abces. zoom. tarbot daaromheen. griet. kadet akkerbouw akkerbouw agrarisch boer aaneen. gewas groente krullen fluit fiets. claimen voorgeven. steelpan. spinrag. rijwiel. petroleum ettergezwel. landbouwer Romaans romance Romaans romance romantisch romantisch romantiek ruit. bolletje. gebeuren groeien. voortgang hebben. band olie. samen-. voorwenden. aaneen-. plant gewas.

ronddelen. ontleding. tweewieler. kapittel clausuur. ochtendjas. motie verloten. verbrijzelen negligé. formeren doorsnijden. kleppen. rijwiel clausuur. doorklinken achtervoegsel. afscheiding eenheid. beieren naklinken. peignoir. loten . afscheiding schipbreuk schipbreuk vermorzelen. ronddelen. verzwakken aanlengen maaien tegenvallen. verzwakken aanlengen verdunnen. schifting. peignoir. suffix doen ontstaan. sloop ontwapenen ontwapenen ontwapenen galmen. rijten rondgeven. kregel scheiden hoofdstuk. leed. chapiter. galmen. maken. strook. uitdelen scheppen. windsel. tweewieler. schifting. duster strip. ronddelen. sectie verrichten omvang. ontgoochelen smart. rondgeven resolutie. aflopen. ontbinding analyse. unit verdeler uitdelen. ronddelen. bestek. rondgeven uitdelen. creëren afbrokkelen. ontbinding afbraak. ochtendjas. wielrijden fiets. verdriet kneden rondgeven. soepel. ontleding. grootte omvang. grootte rekbaar. bestek. balorig. reep analyse. gruizelen slechtgehumeurd. elastisch verdunnen. intrappen. ontmanteling. duster negligé.rower rower rower spacerowy rozbarwienie oddzielenie rozbicie (się) statku rozbić rozbić się na kawałki rozbierać (na części) rozbierać (urządzenia) rozbierać się rozbiór rozbiór składniowy rozbiórce rozbrajać rozbroić rozbroić (się) rozbrzmiewać rozbrzmiewać rozbudowa rozbudować rozciąć rozciągać rozciągać (się) rozciągliwy rozcieńczać rozcieńczać rozcieńczony rozcieńczyć rozcinać rozczarować rozczarowanie rozczochrać się rozdaj rozdarcia rozdawać rozdrabniać rozdrabniać rozdrażniony rozdrobnić rozdział rozdział rozdział rozdzielacz rozdzielać rozdzielać proporcjonalnie rozdzielczość rozdzielczość odwzorowywanie rozdzielić fiets. rijwiel fietsen. motie resolutie. uitdelen scheuren.

duster opvrolijken. onderbreken rose.rozdzielić (się) rozebrać rozerwać rozerwać się rozerwanie rozeta rozgałęziacz rozgałęziacz rozgłaszający rozgłaszanie (np. onberekenbaar aanwijzing. gammel. amuseren. roos bewerker bewerker adverteerder. betoverend. rooster oplossen. aanvoeren. groot. zich verpozen lossen. afladen actie. veelomvattend breedvoerig. amuseren. schorsen. verkondiger uitzenden. absolutie geven kwijstschelding. fanfare morsen uitgebreid. eigenmachtig grillig. in verrukking brengen aanbiddelijk. ruim. absolutie kwijstschelding. rooster dienstregeling. absolutie geven warm aansluiting willekeurig. roze. verspreiding onderscheiding aandrang. vrijspraak. toeloop. onderhouden interrumperen. uitreiking verspreiden. peignoir. omroepen propaganda. usług sieciowych przez ruter) reklama rozgłos rozgłos rozgnieść rozgrzeszać rozgrzeszenia rozgrzeszenie rozgrzeszyć rozgrzewać rozjazd rozjemczy rozkapryszony rozkaz rozkaz zatrzymania rozkaz zatrzymania warunkowego rozkazywać rozklekotany rozkład rozkład rozkład (jazdy rozkład statystyczny częstotliwości rozkładać (się) rozkosz rozkoszny rozkoszny rozkruszyć rozkwitać rozlać rozległy rozległy (widok) rozlepiać plakaty rozlew krwi rozliczenie rozluźnić rozładować rozłam rozłączenia rozłączenie actie. overeenstemming verslappen. aftands verdeling. accoord. commanderen bevelen. arbitrair. commanderen bouwvallig. run absolveren. consigne. instructie aanwijzing. consigne. omvangrijk. gruizelen fanfarekorps. royaal aanplakken bloedvergieten akkoord. aanvoeren. afgeven dienstregeling. verbreiden. absolutie absolveren. opgelost worden verrukken. nukkig. ochtendjas. aandeel negligé. echtscheiding . instructie bevelen. onderhouden opvrolijken. beeldig afbrokkelen. aanbiddenswaardig heerlijk. aandeel oplossing scheiding. vrijspraak. uitladen.

praten onderhoud. voorhebben. gesprek aanspreekbaar spraakzaam vervagen peinzen. een gesprek voeren grootte. schifting. mistig dragen. wanhopen radeloos. bestek. voeren. grootte omvang. grootte omvang. spiegelen. aanmaken . rondgeven vertwijfelen. nadenken reflecteren. menigvuldig converseren. menigvoudig verschillend. wanhopen vertwijfelen. vermenigvuldigen kuit. babbelen. diverse menigvuldig. rustbank variatie.rozłączyć rozłąka rozłożyć rozmaitość rozmaity rozmaity rozmaity rozmaity rozmawiać rozmiar rozmiar rozmiar słowa rozmiar wartość bezwzględna rozmieniać rozmieniać rozmieszczenie rozmieszczenie rozmieszczenie pliku rozmieścić rozminać się rozmnażać rozmnażać rozmnażania rozmowa rozmowa rozmowa w czasie rzeczywistym rozmową rozmowny rozmowny rozmycie rozmyślać rozmyślać rozmyślanie rozmyślnie rozmyty wątpliwy roznosić roznosić rozpacz rozpaczać rozpaczliwy rozpad rozpadać się rozpakować rozpakować (dane) rozpakować (skompresowane archiwum) rozpakowywać rozpalać rozpalać afslaan. aanmaken aansteken. grootte afwisselend veranderen. dampig. ronddelen. aanvechting. Turkse staatsraad. met opzet. variëteit. moedwillig. misgrijpen multipliceren. afscheiding divan. wanhopig verval instorten. halthouden. blijven staan clausuur. lust. viskuit. verschillend verscheidene. babbelen. aanrichten. maatregel zin. ordenen missen. doen ontbranden. anders maken akkoord. neiging situatie. afwisseling uiteenlopend. verschillend. mediteren. weergave keuvelen. bestek. stand van zaken arrangeren. terugkaatsen nadenkend expres. wetens nevelig. kikkerdril reproduktie. uiteenvallen uitpakken uitpakken afleiden uitpakken aansteken. praten keuvelen. brengen uitdelen. menigvoudig. praten spreken. bestek. ineenstorten. heiig. doen ontbranden. mislopen. bestek. omvang omvang.

verbreiden. onderkennen uiteenjagen. opgelost worden ontdooien. verbrijzelen beschouwen. vertroetelen verspild verspreiden. ronddelen. aanvang aanvangen. uitreiking uiteenjagen. onderscheid maken onderscheiding versnelling. ontketenen ontstaan. afleiding . verterend vermorzelen. rondstrooien uitzaaien. troetelen. activeren. wegsmelten uitspatting akkoord. beginnen uitschrijven. uiteendrijven strooien. starter verstrooiing. rondgeven bezoeken. dooien. rijten uitspatting goedgeluimd. commanderen. afgeven aanvangen. lanceren. goedgehumeurd oplossen. intrappen. examineren aanzetten tot. bij acclamatie benoemen onderscheiden. uitstrooien scheuren. beginnen ontstaan. begin. uiteendrijven verstrooien afgetrokken. overwegen. vertroetelen koesteren. opgelost worden oplossen. aanbinden. rijten scheuren. aanzetten troetelen. nagaan onderzoeken. uitstrooien uitdelen. aanvang aanvliegen bevelen. verzendend. ronddelen. verstrooid uitdelen. koesteren. begin. accoord. discuteren verdeling. acceleratie aanzetschakelaar. aanvoeren. aanbinden. commanderen aanvoeren.rozpalony rozpaść się rozpatruj rozpatrywać rozpęd rozpieszczać rozpieszczać rozpieszczony rozpiętość rozpocząć rozpocząć rozpoczęcie rozpoczynać rozpoczynać rozporek rozporządzać rozporządzać rozpowszechniać rozpowszechniać rozpowszechniony rozpoznanie rozpoznawać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszanie rozprawa naukowa rozprawiać rozproszenie rozproszyć (się) rozproszyć (się) rozprowadzać rozprucie rozpruć rozpusta rozpustny rozpuszczać rozpuszczać (się) rozpuszczać się rozpuście rozrachunek rozradowany rozróżniać rozróżnienie rozruch rozrusznik rozrywce gloeiend. overeenstemming overgelukkig uit elkaar houden. vurig. bevelen uitzaaien. rondgeven uitspatting verhandeling bespreken. geregeld bezoeken toejuichen. nakijken.

verbrijzelen oplossing buffer. schieten. vurig. cruciaal morsen omvang. bumper. suffix ontcijferen. afgeven doortrapt. intrappen. amusement aanlengen verspreiden. expansie begeleiding. rondstrooien verspreiden. finaal. opmaken. verbrijzelen vermorzelen. accompagnement optelling achtervoegsel. listig reden. paffen determineren. pretje. geur. verbreiden. boegspriet in verwachting raken. lucht deel. verstrooid afgetrokken.rozrywce rozrywka rozrzedzać łagodzić rozrzedzić rozrzewniający rozrzucać rozrzucać rozrzut rozsadzający rozsądek rozsądek rozsądny rozsiewać zapach rozstawać się rozstrzelać rozstrzygać rozstrzygający rozstrzygający rozsypać rozszerz rozszerzalność rozszerzanie rozszerzanie (się) rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie wejścia analogowego rozszyfrowywać rozświetlony roztargnienie roztargniony roztargniony roztargniony roztropny roztropny roztropny roztrwonić roztrzaskać roztrzaskać roztwór roztwór buforowy rozum rozumieć rozumieć rozumieć rozumny rozumny rozumowo aardigheid. stuk. roerend uiteenjagen. bescheiden reuk. afleiding verstrooid. gematigd. luchtje. gewiekst. slim. gedeelte vuren. zwanger raken bevatten. pretje. bestek. ontraadselen gloeiend. verstrooid raadzaam verstandig nadenkend verklungelen. verdunnen emotioneel. aangrijpend. nauwkeurig bepalen kritiek. begrijpen. intrappen. onderdeel. beseffen verband. amusement aardigheid. grootte uitzetting. betrekking verstandig nadenkend uitgebreid . verdoen vermorzelen. omgang. afgetrokken afgetrokken. verterend. verzendend verstrooiing. stootkussen spriet. uiteendrijven strooien. oorzaak betekenis. suffix achtervoegsel. expansie uitzetting. zin matig. hachelijk beslissend. expansie uitzetting.

nagaan verstandig nadenkend opvrolijken. losmaken kruis. vermaak witgloeiend aanboren geboorte boomstam. echtscheiding doen ontstaan. diarree scheiding. gelijkmatig voor. kuil. als. equator vlakte vlakte . dof beschouwen. antwoorden op afbinden. toch evenaar. eender. ook weer. onderhouden antwoorden. staren egaal. laxans gesmoord. ontwikkeling verbetering. beterschap wasdom. ontwikkeling. antwoorden op oplossing oplossing antwoorden. gelijk evenzeer. even. losbinden. evolutie evolutie. evennachtslijn. greppel. stomp. aanstaren. mede. groeve. opkopen hoorn hoorn krioelen. hoe. stam opslaan accapareren. ook. vork kruis. eveneens ergo. maken. rationeel laxeermiddel. formeren afwikkelen. dus. bij wijze van. groei wierook amusement. vork gescheiden scheiding. veelomvattend redelijk. overwegen. gelijkelijk. vooruitgang. uitrollen buikloop. ontrollen. krielen groef. toonloos. echtscheiding ontwikkeling. amuseren. wemelen. wriemelen.rozumowy rozumowy rozwalniający rozwarty rozważać jakieś zagadnienie rozważny rozważny rozweselać rozwiązanie rozwiązanie rozwiązanie osobliwe rozwiązanie sieciowe rozwiązywać węzły rozwidlenia rozwidlić rozwiedziony rozwieść się rozwijać rozwijać rozwolnienie rozwód rozwój rozwój rozwój rozwój oprogramowania rozwścieczać rozwywka rozżarzony rożen ród ród ród róg róg róg zwierzyny płowej rój rów rów (odwadniający) rów (odwadniający) rówieśnik równać się równie równie również również równik równina równiną lijvig. gelijk. tot evenzeer. dijk loopgraaf turen. gracht waterkering.

effen gelijk. balans. menigvuldig roze. roos kraal rozenkrans.równo równo równoczesny równoległy równoległy system przetwarzania równoleżnik równonoc równoprawny równorzędny równorzędny równość równość równowadze równowaga równowaga równowaga sił równoważny równoważny średni czas do uszkodzenia równoważyć równy równy równy (<with sb rózga róż róż (kolor różowy) róża różaniec różaniec różańca różnica różnica poglądów różnica symetryczna różnica symetryczna (zob. werken verschillend. pijp krokus anjer. onkies. bidsnoer. gelijkelijk. grof. menigvoudig. parallel nachtevening. vlak. onderscheid maken menigvuldig. rist verschil. reeks. balans. menigvuldig menigvuldig. compenseren. verschillend. rozig. reeks. verschillend klaar. menigvoudig. vlak. rist rozenkrans. gelijk gelijk. gelijk. goedmaken egaal. ruw roebel robijn . menigvoudig uiteenlopend. schacht. gelijkwaardig equivalent. overschot saldo. schelen uit elkaar houden.XOR) różnić (się) różnić się różnić się różnić się różnorodny różnorodny różny różny różny różowy rtęć rtęć rubaszny rubel rubin evenzeer. kwik hardhandig. parallel evenwijdig. vlak. verschillen. evenwicht equivalent. gelijkwaardig vergoeden. eigentijds. rooskleurig Mercurius kwikzilver. menigvoudig variëren. dag. staren gelijkheid. onderscheid onderscheiding of uiteenlopen. verschillend. staren equivalent. bidsnoer. anjelier rose. pariteit pariteit saldo. aanstaren. parallel evenwijdig. effen baar. helder verschillend. lomp. aanstaren.en nachtevening turen. paal. gelijkwaardig turen. gelijkmatig gelijk. overschot evenwichtstoestand. onderscheid verschil. evenwicht evenwichtstoestand. effen simultaan. even. afwisselen. gelijktijdig evenwijdig. roze. uitgesproken. roede. eender. rose.

sleur vaneenscheuren. afgrendelen op slot. intrappen.ruch ruch ruch oporu ruch powrotny ruch społeczny ruch uliczny ruch w sieci ruchliwy ruchliwy ruchomości ruchomy ruchomy ruchomy ruchomy rufa rufą ruina rujnować rujnował rulon rum rumienić się (ze wstydu) rumieniec rumieńca rumowisko Rumun Rumunia rura rura itp. kadetje. hek. handkar. rood worden kleuren. tabakspijp binnenband. bedrijvig druk. spiegel achtersteven. visverkoper vissen paard. resolutie muntsoort. rood worden kleuren. bezet aandoenlijk. afgesloten . roerend. bewegen rooster. verbrijzelen broodje. luchtband ontroeren. kadet rum kleuren. beweegbaar. traliehek prieel schavot routine. roerend. prullaria Roemeens Roemenië pijp. rood worden puin. ontroeren. afval. te gronde richten ruïneren. ridder ridder. doorscheuren vissen visser. bewegen aangrijpen. mobiel. traliehek rooster. tabakspijp ebpijp. afrastering. te gronde richten vermorzelen. actief. roerend aandoenlijk. ontroerend resideren. bolletje. resolutie circulatie. rommel. paard karretje. omloop beweging motie. gevestigd zijn. umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu rura wydechowa rura wydechowa ruszać ruszać ruszcie ruszt rusztowanie rusztowanie rutyna rwać ryba rybak rybą rycerz rycerz rydwan rygiel ryglować motie. blozen. afrastering. wagen. kar grendelen. hek. roulatie. blozen. aangrijpen. ontroerend afneembaar achtersteven. omloop circulatie. paard in schaakspel. roulatie. luchtpijp. paard in schaakspel. blozen. spiegel ruïneren. valuta beweging werkzaam. huizen los.

bekoren. ongemeen. gravure. grommen. op het spel zetten kans lopen. schets. brullen. blèren. markt. knul. concurreren meedingen. bulderen. balken. markt. blaten gillen. schrijfstift rijmen. bedenkelijk. marktplaats marktplein. wedijveren. bazaar. bulderen. markt. wedijveren wedijver wedijver meedingen. brullen griffel. sujet. bazaar. daveren gillen. concurreren kans lopen. marktplaats barst kerel. markt. loeien. schets. paal. snuiter barst toelachen.rygor rygorystyczny ryk ryk ryknąć ryknąć rylec rym rynce rynce rynek rynek rynek (handlowy) rynek branżowy rynek rozwijający się rysa rysą rysą rysować rysownica dźwiękowa rysownicy rysownik rysunek rysunek rysunek odręczny rysunek techniczny rysy twarzy rytm rytmiczny rytowanie rytownictwo rywal rywalizacja (o dostęp) rywalizacją rywalizować rywalizować rywalizował ryzyko ryzyko naruszenia bezpieczeństwa ryzyko utraty zabezpieczeń ryzykować ryzykować ryzykowny ryzykowny ryzykowny ryż ryż rzadki stijfheid streng. post. la. lade werkje. op het spel zetten dobbelen kans lopen. markt. markt. bazaar. tekening karaktertrek. lijst onderbroek schuiflade. cijferen rekenen. glibberig rijst opstaan. persoon. strikt bulderen. marktplein marktplein. gestreng. blèren. bedenkelijk glad. berijmen marktplein. ongrijpbaar. deurpost riskant. gelaatstrek ritme ritmisch ets prent. gewaagd riskant. markt. op het spel zetten stijl. bazaar. graveerwerk meedingen. trek. marktplaats marktplaats. gaan staan zeldzaam. concurreren. aanlokken tafel. tabel. marktplein marktplein. wedijveren. etsnaald. gewaagd. wedijveren meedingen. marktplein marktplaats. cijferen werkje. wettisch. concurreren. schaars . marktplaats marktplaats. brullen brullen. tekening rekenen.

fair. affaire. daadwerkelijk virtueel werkelijk. knol. voorwerp substantief. ding. overheid roeien federaal bestuur. effectief. daadwerkelijk inderdaad. uithouwen. besturen. uithakken beeldhouwen. voorwerp dingen. daadwerkelijk daadwerkelijk. wassen aangelegenheid. echt. zelfstandig naamwoord substantief. zaak ding. kwiek snedig. wezenlijk werkelijk. aanvoeren rivier. kwalijk. nauwelijks zelden bestand. handel drijven raap. bewind aanvoerder. gevat. dossier gouvernement. gebieder. feitelijk deskundig republiek.rzadki rzadko rząd rząd rząd wielkości rządowy rządy rządzić rządzić rzece rzece itp) rzecz rzecz rzecz rzecz konieczna rzeczownik rzeczownik rzeczownik rodzaju męskiego rzeczownik rodzaju żeńskiego rzeczowy rzeczoznawca rzeczpospolita rzeczywistość rzeczywisty rzeczywisty rzeczywisty czas ekspozycji rzeczywisty czas naświetlania rzeczywisty czas pracy rzeczywiście rzeczywiście rzeczywiście rzeka rzekomo rzemień rzemiosło rzemiosło rzepa rześki rześki rzetelny rzetelny rzeź rzeź rzeźba rzeźba rzeźba nad ołtarzem rzeźbiarstwo rzeźbiarstwo amper. uithouwen. metterdaad. effectief. kras. uithouwen. baden. uithakken . waarachtig werkelijk. rap. slachten altaar beeldhouwen. regering. stroom in bad doen. effectief. ad rem raadzaam billijk. wezenlijk rivier. koolzaad levendig. geestig. werkelijk. heerschappij. uithakken altaar beeldhouwen. rechtvaardig moordpartij. bloedbad afslachten. chef. knolraap. effectief werkelijk. druk. stroom naar men zegt riem kunst handelen. baas regeren. vrijstaat realiteit werkelijk. spullen ding. zelfstandig naamwoord mannelijk vrouwelijk werkelijk.

rzeźbić rzeźbić rzeźnia rzeźnia rzeźnik rzeżnik rzodkiewce rzodkiewka rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać oszczerstwa rzucać się rzucić rzucić wyzwanie rzucić zgłosić (wyjątek) rzucić zgłosić wyjątek rzut rzut oka Rzut poziomy rzutki rzutnik rzutować rzutowanie rzutowanie Rzym rzymski rżeć rżenie s (tryb) oznajmujący (gram. aaien. werpen. gooien keilen. bongerd lijvig. oord. schriftuur vissen sap sap zouten snoeien snikken boomgaard. liefkozen. huiveren zondigen wervelkolom. uitspelen. abattoir. werpen. uitspelen. grommen. lokaal. balken. aantonende wijs beven. werpen. slachterij slachten. uitspelen. een blik werpen op omlijning. werpen. uithakken. domicilie sadist sadistisch . omtrek werkzaam. afslachten slachten. werpen. balken. tarten. uittarten keilen. afslachten radijs radijs afgietsel. ruggegraat geschrift. gegoten voorwerp Rome Romeins brullen. gooien een blik werpen. gooien opgooien. blaten indicatief. aanvaarden woonplaats. abattoir. aanhalen afgietsel. aanhalen keilen. aanhalen schadelijk keilen. slachterij slachthuis. aaien. bibberen. rillen. gegoten voorwerp strelen. gooien opgooien. uithouwen beitelen slachthuis. grommen. gooien strelen. uitdagen. aaien. projectietoestel strelen. blaten brullen. plek accepteren. uitspelen.) s drżenie s grzech s kręgosłup s pismo s ryba s sok (soki) roślin (zwłaszcza drzew) s sok soki roślin zwłaszcza drzew s sól s suszona śliwka s szloch sad sadło sadowić sadowić się sadyba sadysta sadystyczny beeldhouwen. aannemen. dik plaats. uitspelen. actief. bedrijvig projector. liefkozen. gooien keilen. spin. gooien trotseren. liefkozen.

huiskamer. enig louter. salade slaatje. latuw. zelfbewustheid vliegtuig. vliegtuig vliegmachine. verlaten. vliegtuig vliegtuig. plant Marokko Sahara geheiligd. salade louter. sacraal sacrament sacrament saxofoon hal bestek. gewijd. latuw. wagen automobiel. wagen vocaal. vliegmachine vliegmachine. auto auto. vliegmachine . kropsla. alleen. aplomb. vliegmachine vliegmachine. sla salade.sadyście sadyzm sadza sadzą sadzić safian Sahara sakralna muzyka sakramencie sakrament saksofon sala sala sala recepcyjna saldo saldo balans (dotyczy dźwięku stereofonicznego) salon salon wystawowy salut salutować salutowanie salwą sałacie sałata sałata sałatce sałatka sam sam jeden Samarytanin samca samica samicą samiec samochód samochód samochód samochód czteroosobowy samogłosce samogłoska samokontrolą samolocie samolocie samolot samolot samolot samolot pasażerski sadist sadisme roet roet gewas. salon zitkamer. vliegtuig vliegtuig. groet stroom. begroeten saluut. vokaal. woonkamer groeten. heilig. bergstroom salade. vokaal. verlaten. kropsla. alleen. klinker vocaal. overschot saldo. enig Samaritaans mannelijk wijfje. salade slaatje. auto auto. vloed. vrouwtje wijfje. wereldruim. begroeten groeten. overschot zaal. sla slaatje. speling. vrouwtje mannelijk automobiel. ruimte rechtszaal saldo. klinker gewicht.

vierkante decameter neerdruipen. verlaten. satelliet Saturnus tevredenheid tevredenheid vergenoegd. pantalon. licentie willekeurig. poef naar adem snakken lange broek. sączek sąd sąd aperitief. verlaten. bloot. stemming louter. in ruste enkel. sauna are. satelliet trawant. scharrelen . enig eenzaam gepensioneerd. moreel. zitbank het hof maken. paaien. zijgen bank. voldaan bevredigen.samoodnawiająca się pamięć DRAM samopoczucie samotnie samotny samotny samotny samotny samowar samowola samowolny samozapłon samuraj sandał sankcja saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) sapać sapać sapał sapie sapnięcie sardela sardelą sardynce Sardynia sardynka sarkastyczny sarkazm sarna sarna Sas saski sataniczny satelicie satelita Saturn satysfakcja satysfakcją satysfakcjonować satysfakcjonować sauna są sączyć Sączyć. borrel gemoedstoestand. rustend. poef ansjovis ansjovis sardine Sardinië sardine sarcastisch sarcasme hert ree Saksisch Saksisch satanisch trawant. enig louter. tegemoetkomen aan zweetkamer. bekrachtigen supermarkt supermarkt naar adem snakken pof. vrijen. filteren. arbitrair. louter samovar vergunning. alleen. afdruipen filtreren. eigenmachtig spontaan samoerai sandaal sanctioneren. broek pof. tevreden. alleen.

naburig aangrenzend. raam kerkscheuring. pogen claimen. vrijen. oordelen. kwijnen. kazemat vlees . kazemat logement. droog verflensen. opstapje. naburig nabijheid nabuurschap omstreken. buurman. emotie. netto. herberg bunker. tableau draaiboek. scheuring. tribune. trap roltrap naar beneden gaan. scharrelen beoordelen. buurman. nettodor. script landschap scepticus ontwerp. zich inspannen. schisma vleien duidelijk. omtrek. buur. aanliggend aanliggend. tafereel. blauwdruk kader. aangrenzend. omgeving nabijheid nabijheid nabijheid podium. omlijsting. trap opgang. opstap. bestuur. asyl toevlucht bunker. afdalen affect. gerechtsgebouw het hof maken. leiding scène. tree opgang. gebuur buur. verdorren treeplank. gebuur belenden. grenzen aan aanliggend. buurman. nabuur. asiel. asyl bunker. aandoening winkel toevluchtsoord. concept. kazemat toevluchtsoord. berechten streven. scenario. plan. aandoening droefheit. kwaal.sąd sąd ostateczny sądzić sądzić sądzić o czymś sąsiad sąsiad sąsiad zewnętrzny sąsiadować sąsiadujący sąsiedni sąsiedni sąsiedzi sąsiedztwa sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo scana scena scenariusz sceneria sceptyczny schemat przetwarzania danych schemat węzła schizma schlebiać schludny schnąć schnąć schodek schodkach schody schody schody ruchome schodzić schorzenie schorzenie schorzenie schowek schron schron schronienie schronienie schronienie schronisko schronisko schudnąć gerecht. nabuur buur. asiel. trap opgang. lijst. aanspraak maken op gebuur. hartzeer. aangrenzend. nabuur. beproeving ziekte. toneel. balie.

gevoel. gematigd. plan. volksvertegenwoordiging parlementair hof. behouden. seksueel sekte sector sector tweede tweede manen. afscheiding clausuur. bederf veroorzakend kaas Servisch Servië Servisch hart . sensatie sensationeel. veilig dieet parlement.schudnąć secesją sedna sedno sejf sejm sejm sejmowy sekator sekcie sekcja zwłok sekret sekretarce sekretarka sekretarz sekretarzyk seksualny sekta sektor sektor uszkodzony sekunda sekundą sekutnicą seler semantyka semicki Semita sen sen sens sens sens sensacja sensacyjny sensowny sentyment sentyment sentymentalny separacja separacja impulsów synchronizujących seplenić seplenienie septyczny ser Serb Serbia serbski serce reduceren. mijmeren slapen. gevoeligheid sentimenteel clausuur. geborgen. wezen. bescheiden affect. kern safe. betekenisleer Semitisch Semiet dromen. afscheiding lispelen lispelen septisch. aandoening sentiment. zin wijsheid klapstuk. schifting. essence pit. maffen doel. selderij semantiek. emotie. inkrimpen. geslachtelijk. vak. kern. schifting. aansporen selderie. tak confidentie secretaresse secretaresse secretaresse etagère. bedoeling. geruchtmakend matig. tuin sekte branche. vermanen. strekking betekenis. aanmanen. herleiden secessie essentie. rek generatief.

gebied inpakken. oordelen. perceel nestelen. knus hartelijk. aloud. vervolgverhaal feuilleton. dienst. hartelijk hartelijk. een knoop leggen aasgier vervalsen kloot. apparaat. zittingsperiode inrichting. berechten arbiter. oordelen. ouderwets knopen. voorleggen feuilleton. opstap. staat kloot.sercowy serdeczny serdeczny serdeczny serdeczny przyjaciel serenada seria seria seria seria serial serial (powieść Serial Line IP serwer serwer źródłowy serwetce serwetka serwis serwować seryjny sesja set setka sezon sezonowy (robotnik) sędzi sędzi sędzia sędzia sędzia sędzia (w sporcie) sędzia pokoju sędzia rozjemca sędziwy sędziwy sęk sęp sfałszować sfera sfera kontroli sfera sterowania sfora (psów) shell zgłoszony powłoka logowania sherry shodek siać siano siarka hartinnig. innig serenade ketting. omgeving. schare kavel. omgeving. xeres treeplank. gelegenheidsbeoordelen. tree uitzaaien hooi zwavel . berechten arbiter. sfeer. pakken. bol. scheidsrechter arbiter. sfeer. troep. godsdienstoefening serveren. gebied rijk. zitting. vervolgverhaal sessie. verpakken interpreter sherry. innig. een nest maken feuilleton. bol. op smaak brengen toevallig. hulpmiddelen honderd kruiden. scheidsrechter beoordelen. innig intiem. opstapje. keten bende. scheidsrechter arbiter. gezellig. scheidsrechter scheidsrechter. scheidsrechter arbiter. uitglijden server server servet servet eredienst. vervolgverhaal slippen. arbiter oud antiek.

bijl ouderloos ouderloos ouderloos sikkel. afrastering. hek. gat. woning ligging koesteren. net netwerk.siarka siatka siatka siatka kierunkowa siatka znakowa siatkówka sicie sidła siebie sieć sieć sieć (np. duidelijk bal. vanzelf mezelf. potig. afrastering. duidelijk netwerk. klare uzelf. mijzelf uzelf. afrastering. rooster netto. hecht. bril zetel. bibs zetel. rooster netto. danspartij puzzel. bril logies. fit. vanzelf zelf. net zeven zeventig zeventien nestelen. net traliehek. netto-. een nest maken achterste. net. broeden op fijnhakken fijnhakken houwen. netto-. ferm . jijzelf locomotief locomotief vasten gezond. hek. fors. bril zetel. netto-. net. hakken fijnhakken hakbijl. kappen. rooster mens netwerk. raadsel jenever. onderkomen. duidelijk traliehek. haar sergeant sergeant zelf. augustus haardos. zicht oogstmaand. kont. kolejowa) sieć elektryczna sieć miejska sieć połączeń siedem siedemdziesiąt siedemnaście siedlisko siedzenia siedzenia siedzenie siedziba siedziba archiwum siedziba WWW siedzieć siekać siekać siekać mięso siekane/mielone mięso siekiera sierocie sierota sierotka sierp sierpień sierść sierżancie sierżant się się się się silnik silnik lotniczy silny silny silny zwavel traliehek. net. valide robuust. jijzelf netto. hek. broeden. kwartier.

snoer. accentueren doordrukken sterkte Singapore resorberen. broeder. haast maken grijs. laster schandelijk scanderen Scandinavisch Scandinavië . doen schommelen balanceren. oomzegger zevende zevende vergiet zeef zeef voortmaken. eerroof. sterk. zus intendante zuster. fiks. fossiel verstening. fossiel achterklap. opwellen. zus zus. geducht. slurpen blauwe plek zadel zadel zadel zuster. broer. opslorpen. grauw opborrelen. doen schommelen verstening. opslorpen. koorde. lijn aanslag aanslag aanslag aanslag klif. klip balanceren. straf doordrukken sterkte sterkte doordrukken beklemtonen. grauw grijs. spoed maken. zuster nicht neef. ontspringen hinkelen springen hinkelen lijntje. koord. slurpen resorberen.silny siła siła siła przeciwelektromotoryczna siła robocza siła robocza siłą siłą Singapur single inline package single in-line package siniak siodła siodłać siodło siostra siostra przełożona siostrą siostrzany siostrzenica siostrzeniec siódma część siódmy sitko sito sito kwadratowe sitowie siwy siwy skacz skakać skakać skakać w górę skakanka skala skala odległość skala szarości skalować się skała skała skałą skamielina skamieliną skandal skandaliczny skandował Skandynaw Skandynawia krachtig.

sparen pinnig. gierig. kleefstof multiplex multiplex kast winkel. twijg. toonzetting. kas. rijs schat schat fonds. afgelasten afbestellen uitwissen. zin. aansporen beschuldiging. afkeuring schuldig bevinden schuldig bevinden ruimte. geldkist manen. gierig ontzien. inhalig adresseren aanleggen ja knikken. zijn beklag doen ontbinden. vermanen. aanklacht sok sok sok een proces aanspannen tegen klagen. annuleren. inhalig gemiddeld hebzuchtig. melkinrichting winkel. zaak gewelf. plaats frase. pinnig. volzin gierig. oord. uitbannen wraking. uitvegen. pinnig.skandynawski skanować skanować wyszukiwać skapować skarb skarb państwa skarbonka skarcić skarga skarpecie skarpeta skarpetka skarżyć skarżyć się skasować skasować skasować skasować skazać skazać skazać na wygnanie skazanie skazany skazańca skazić skazywać skąpy skąpy skąpy skąpy skąpy skierować skierować skinąć głową sklejać sklejce sklejka sklep sklep sklep sklep mięsny sklep nabiałowy sklep ze słodyczami sklepienie łukowe sklepikarz sklepikarz skład skład Scandinavisch scanderen scanderen rank. wegvagen gommen. aanmanen. lokaliteit. hebzuchtig. winkelier toondicht. knikken lijm. kit. inhalig. bol kruidenier neringdoende. kleefmiddel. met gom bestrijken afkeuren schuldig bevinden verbannen. hebzuchtig. melkinrichting zuivelfabriek. zaak winkel zuivelfabriek. compositie stortplaats .

casco schild. ad rem levendig. gesteldheid. maken. ontspringen springen springen ontzetten. ontstellen. haastig. formeren raadplegen. sedert. zinsleer. coördineren sinds. klaar bijeenschakelen. associatie tak. glooiing wilsbeschikking. zinsleer. romp. klamp tak. syntaxis zinsbouw. compositie toondicht. krom aanleg. vormen samenstellen. componeren omvouwen. beslaan uitmaken. druk.skład kolumn skład komputerowy składać składać składać komuś kondolencja składać się składać się na składać się na składać się z składanie składanie podpisu składka składni składnia składnia wiersza polecenia składnik skłonność skłonność skłonność skłonność skłonność skobel skocz skoczna (muzyka) skoczny skoczyć skojarzenie skojarzenie przyporządkowanie skok skok skok skok o tyczce skok w dal skok warunkowy skok wzwyż skok zony skonsternować skonstruować skonsultować się skończony skoordynowany skoro skoroszyt skorpion skorupa skorupa skory skorygowanie toondicht. aanhanger gebogen. aanleg marmeren. aderen haakje. gauw afstelling. afgewerkt. plooien bestaan uit bestaan uit omvatten. kwiek springen bond. gesteldheid. ontspringen opborrelen. onthutsen doen ontstaan. bodem. kramp. samenkomst hoop. toonzetting. opwellen. spoedig. gezwind. zinsleer. compositie samenstellen. aftakking snedig. rap. lidmaat. vanaf ordner. genootschap. afgelopen. rugschild. drift zinsbouw. kras. gevat. kudde. opwellen. consulteren beëindigd. vouwen. syntaxis lid. genootschap. componeren samenscholing bijeenkomst. schaal snel. map schorpioen scheepsromp. toonzetting. syntaxis zinsbouw. wilsbeschikking helling. meeting. geestig. schare. aftakking springen springen springen opborrelen. instelling . associatie bond. nietje. groep.

beperken afkorting. inkorten inkrimpen. bekorten. klauwen. valies taai. lederen. dierevel. pels. pels. ergst. leren schillen. ergst. bovenmatig jammerlijk afkeuren krauwen. jassen nagelriem handkoffer. korten. bekorten. extreem. verkorten beknotten. vacht. mislukken uitwissen. ophijsen . scharrelen. bekorten. begrenzen. scharrelen. klauwen. huid dierevel. uitvegen. zich aftobben. begrenzen. huid vel. słowo) skracania skraj skraj skrajność skrajny skrajny skrawek skreślać tymczasowy skreślić skreślić skręcać się skręcie skrępowany skręt skrobać skrobać skrobać skrobał skromność skromny skromny skroń skrócić skrócić skrócić coś skrócić się skrócie skrócie skrót skrót skrót skrót scheef. leerachtig.skośny skowronek skóra skóra kozłowa skóra niedźwiedzia skóra wołowa skórą skórce skórka (chleba) skórka (kartofla skórzana torba podróżna skórzany skracać skracać skracać skracać (np. spartelen kronkelen plomp. oever uiterst. huid. lederen. jassen schillen. deemoedig bescheiden. afpellen. begrenzen. kant. krabben een miskraam krijgen. discreet. verkorting rand. koffer. extreem. ingetogen slaap inkorten. log kronkelen raspen afkrabben krauwen. overzicht. beperken kort beknotten. krabben afkrabben bescheidenheid. afgetrokken acroniem hijsen. kust. boord. wegvagen worstelen. huid. zoom wal. beperken afkorting resumé. schuin leeuwerik dierevel. pels. excerpt afkorting abstract. pels. afkorten beknotten. vacht taai. vacht. discretie nederig. afkorten afkorten. leren inkorten. vel. dierevel. afpellen. vacht vel. bovenmatig uiterst. vel. onderdanig. leerachtig.

contract ineenkrimpen. inkoop. manuscript. bos verbintenis. piepen achtergrond. rand. verbuigen. doeltreffend arbeider. zoom. afdoen boord. befaamdheid . script draaiboek. binnenste. bederven twijnen. bodem. brievenbus viool knarsen. script confidentie babbelen. zwakjes aflaat lichtjes. timide. zwak. afbreken koop. piepen knarsen. werker. grond. gleuf Slaaf bedaren. vlerk borst. bedeesd. sleuf. mare.skrót (drogi) skrót klawiaturowy skruszyć skruszyć skrypt skrypt skrypt wsadowy skryty skrzeczeć skrzek skrzele skrzyczeć skrzydła skrzydła skrzydło skrzynia skrzynia na popiół skrzynka na listy skrzynka pocztowa skrzypce skrzypieć skrzypienie skrzywdzić skrzywić skubać skubać (pióra) skup skupiać skupiać skupiać skupisko alertów skurczyć (się) skurczyć się skuteczny skuteczny skutek slipy slogan slot wbudowane gniazdo rozszerzeń slowiański słabnąć słabnąć słabo słabostce słabowity słaby słaby sława byte mnemonisch knarsen. gerucht. haard wis. piepen havenen. vlerk vleugel. plukken. leuze. scenario. devies sponning. keuvelen kuit. verdraaien knagen. aankoop agglomeraat middelpunt. kopij draaiboek. ondergrond handschrift. blo zwak. werkkracht indruk. centrum brandpunt. werkman. brievenbus bus. effectief. kant. beschadigen. band vleugel. praten. viskuit. bundel. zwakjes bevangen. focus. boezem bus. kikkerdril kieuw afhandelen. scenario. ineenkronkelen afdoend. bekoelen. licht faam. leus. boezem borst. zwak. effect slip. luwen aanlengen lichtjes. slipje lijfspreuk. knabbelen afrukken.

lieftalligheid snoep. befaamd. glorierijk. revisor luisteraar. woordenschat glossarium woord. hoorn telefoonhoorn. beroemdheid beroemd. gerucht beroemd persoon. luisteren hallo telefoonhoorn. bewoording woord. befaamdheid. oppassend zoet. hoorn dienstmeisje. dienares. naam onderscheiding faam. snoepgoed stro stro stro zonnebloem zouten zout olifant zonneschijn Slowakije Slaaf Slavisch Slavonisch nachtegaal vocabulaire. beluisteren.sława sławą sławą sławna osoba sławny sławny słodki słodki sos śmietankowy słodki ziemniak słodkogorzki słodko-gorzki słodycz słodycze słoma słomą słomka słonecznik słony słony słoń słońce Słowacja Słowianin słowiański słowiański słowik słownictwo słowniczek słownik słownik słownik (obejmujący hasła z jakiejś dziedziny) słowo słowo wyrównane słowo zastrzeżone słód słuch słuchacz słuchacz słuchać słucham słuchawce słuchawka słudze słup słup słup słup oświetleniowy reputatie. roep. toehoorder aanhoren. mare. woordenschat glossarium woordenboek vocabulaire. oppassend zoet. bewoording woord. alom bekend beroemd. oppassend bitterzoet bitterzoet beminnelijkheid. glorieus zoet. faam. bewoording mout gehoor inspecteur. zoetigheid. meid mijlpaal kuil Pool kuil .

vernemen gehoor gehoor smakelijk. leiden boog. wagenspoor. slank. dienst. verdriet. vlieger teren stank stinken. smart. alom bekend verstaan. zelf . befaamd. kruiden snoepen smaken op smaak brengen. verzorgen serveren. mager. karrespoor sprietig. toepassing bakken. melancholiek rouwbedroefd de weg wijzen. godsdienstoefening eredienst. luchtig rank. dienares. dienst. smart bedroefdheid. fair dienstmeisje. fruiten draak. meid eredienst. triest. geleiden. kruiden smaken smakelijk. verdrietig blauw weemoedig. schraal. rechtvaardig rechter-. dienares. rechtvaardig. lekker invetten boter aanwending. vandehands billijk. jijzelf vanzelf.słup oświetleniowy słuszny słuszny słuszny słuszny służąca służący służba służbą służyć służyć słynny słyszeć słyszeć słyszenie smaczny smak smak smak smakołyk smakować smakowity smar smarować (smarem) smarowanie(maścią) smażyć smażyć (się) smok smoła smród smród smudze smukły smukły smutek smutek smutek smutno smutny smutny smutny smutny smycz smyczek snob snobistyczny sobie sobie samej Pool raadzaam billijk. meid dienstmeisje. fijn. fruiten bakken. vies ruiken spoor. zorgen voor. droefgeestig. lekker op smaak brengen. tenger leed. droefheid droevig. toog snob snobistisch uzelf. fijn. zieleleed bedroefdheid. godsdienstoefening verplegen. fair. dun. voorleggen beroemd. horen.

sop. maatschappelijk socioloog sociologie. louter plechtig. hecht. cider sap sap havik enkel. wereldruim. slag. betrouwbaar robuust. saus jus. aard saus. hunkeren. maffen slapen. straf solist solo nacht sonate sopraan soort. fors. sop. piëdestal. kleiner worden. ferm krachtig. aard soort. sterk. Vlaamse gaai zouten wandelaar pedestal. geducht. maatschappijleer linze linze lens lens canapé Sofia appelwijn. voetstuk ruimte. den. fiks. speling ruimte. maatschappijleer sociologie. bloot. wereldruim. afnemen . plechtstatig zouten gemeenschapszin. reikhalzen vertrouwd. sop. saus denneboom. Vlaamse gaai gaai. bestek. bestek. statig. maffen dalen. slag. speling slapen. pijnboom uil sovjetgaai. potig. jus jus.socjalista socjalistyczny socjalizm socjalny socjolog socjologia socjologią soczewica soczewicą soczewka soczewka magnetyczna sofa Sofia sok sok sok sokół sola (gatunek ryby) solenny solić solidarność solidaryzować się solidny solidny solidny solista solo somnambulizm sonacie sopran sortować sortować sortowanie gatunek sos sos sos z fasoli sojowej sosna sowa sowiecki sójce sójka sól spacerowicz spacja spacja nierozdzielająca spacja światło (na stronie) spać spać alnie spadek socialist socialist socialisme sociaal. saamhorigheid verlangen.

eigenaardig specifiek. spanderen accolade contant. vreemd. tegemoetkomen aan opdraven. afdraaien lasser lassen. erfenis. vergaderen vergadering. nesthaar. tak afzonderlijk. modderen afraffelen netel. wellen zich aansluiten. bedeesd beschamen. brandnetel aanbranden verlagen. erfstuk. begrijpen . erfdeel valscherm. soortelijk samenkomen. pakken. deskundige. vooral. verassen verbranding verbranding uitwasemen lamleggen. afzonderlijk ellendeling. parachute. verpakken aanbranden verbranden. verlammen beunhazen. expert inzonderheid. stuip. bijeenkomen. schavuit. ploert. deskundige. spenderen. sperma blo.spadek spadek spadek spadek napięcia anodowego spadek wydajności spadochron spajać spajać nie spakować się spalać spalać spalania spalanie spalina sparaliżować spartaczyć spartaczyć sparzyć pokrzywą sparzyć się spaść spawacz spawać spawarka spazm spazm specjalista specjaliście specjalnie specjalność specjalny specjalny speculator specyficzny specyficzny specyfik spełniać spełniać spełniać zachcianki spełniać zachcianki spełnić spełnić się spermą speszony speszyć się spędzać spiąć spieniężyć spieniężyć waas. paaien. waterdruppel boedel. opdagen zaad. beschaamd maken besteden. in het bijzonder afdeling. baar beseffen. erfdeel druppel. zitting humeur. knoeien. humor. waterdruppel boedel. vak. boef gek. branche. bevatten. afgezonderd afgezonderd. erfenis. toetreden inpakken. lid worden. raar. dons druppel. erfstuk. kramp kramp kenner. soortelijk specifiek. timide. expert kenner. bevangen. springscherm lassen. wellen lasser stuiptrekking. gemoedsgesteldheid gehoorzamen bevredigen.

er uitzien staren. kwispedoor afvoeren. turen het uiterlijk hebben van. tjilpen. twisten spoed maken. samenspanning intrige. rommel. broek pantalon.spierać się spierać się z kimś o coś spieszyć się spiker spin spinacz spinać spirala spiralny spirytus spirytyzm spis spis spis ulic spisek spisek spiżarka spiżarni spiżarni spiżarnia spiżarnia splatać się spleśniały splunąć spluwaczka spłacać zobowiązania spłacać zobowiązania spłata spławik spłukać spłukany spłukiwanie spocić się spoczywać spodek spodnie spodnie spodobać się spodziewać (się) spoglądać spoina spojenie spojrzenia spojrzenia spojrzenie spojrzenie spojrzenie spokojny disputeren. kwetteren stil. elimineren. rustig. overblijfsel. boedel aangeven dienstregeling. pantalon. spoelen defect. krakelen. aanstaren. piepen. een beroep doen op te wachten staan. kapot Vlissingen zweten. drijven gorgelen. afval schoteltje. wellen zich aansluiten. krakelen. rochelen spuugbak. duf spuwen. rooster komplot. er uitzien sjilpen. spuwbak. stuk. voortmaken omroepster spinnen knippen. wachten. aanstaren staren. scheren. muf. toetreden het uiterlijk hebben van. schotel lange broek. transpireren rest. afhalen een blik werpen. twisten disputeren. haast maken. bedaard. turen. dobberen. lange broek appelleren. liquideren. afspoelen. snoeien knippen. broek. opheffen afbetaling vlotten. snoeien spiraal spiraal geest spiritisme inventaris. scheren. vunzig. een blik werpen op lassen. machinatie. spugen. konkelarij provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast kronkelen vuns. lid worden. kalm . uitschakelen afwikkelen.

rustig Stille Oceaan. club gemeente. maatschappelijk spontaan hortend. bijeenkomen. aanmerking. ruimte aanverwant. gemeenschap sociaal. trant ontdekken affiche. vele sport atleet sportman. laten doen. op zijn gemak. sportsman atletisch sport afdingen. plakkaat opvolgen. gemeenschap gemeente. stil. rustig. usance. vergaderen ontmoeten. handelen volgens berisping. baan. aantreffen erkennen. wijze. blaam. standje berisping. veel. laten . maken. aantreffen ontmoeten.spokojny spokojny spokojny spokojny spokój spokój spokrewniony społeczeństwa społeczeństwo społeczeństwo społeczność społeczność (w protokole SNMP) społeczny spontaniczny sporadyczny sporcie sporny sporo sport sportowiec sportowiec sportowy sportowy sposobność sposobność sposobność sposób sposób sposób sposób mówienia sposób obsługi datagramu sposób postępowania sposób postępowania spostrzec spostrzec spostrzec spostrzegać spostrzegawczość spostrzeżenie spostrzeżenie spotkać spotkanie spotykać spotykać (się) spotykać się spowiadać się spowodować spowodować kalm. rustig. wereldruim. aanplakbiljet. kalm bestek. gebeurtenis. handelen volgens opvolgen. manier weg. gebeuren trant. gemeenschap sociëteit. aanmerking. speling. biechten. vergaderen benoeming. bijeenkomen. standje berisping. bedaard. bekennen. Grote Oceaan vredig. gewoonte polis trant. blaam samenkomen. vreedzaam bedaard. toegeven verwekken doen. kalm stil. blaam. betwistbaar menig. marchanderen keer. aanstelling samenkomen. aanmerking. wijze. manier aanvliegen manier. standje. route gebruik. club gemeente. maal incident. verwant sociëteit. wijze. intermitterend sport aanvechtbaar. pingelen.

betomen. effectief. klus. vrouwenrok rok. inlichten rekening. checken. Schotse rok conjunctie consequentie. mennen controleren. dirigeren. ontspringen springen vettig. medeklinker controverse. rijstwijn bedwingen. grond bodem. opwellen. exploiteren. commentaar informeren. grond rok. besturen. berichten. opgave. gezag rekening. fair. conto aantekening. doeltreffend autoriteit. taak karwei. ding zaak. achtergrond. tering. uitmelken aannemen. vrouwenrok kilt. gevolg consonant. gerecht bodem. bestuur speurtocht.spożycie spożytkować spożytkowywać (coś spożywać spożywczy spód spód stosu spódnica spódnicą spódniczka szkocka spójnik spójność spółgłoska spór spór spóźniony spragniony sprawa sprawa (rzecz) obojętna sprawa (sądowa) sprawa do zrobienia sprawa rzecz obojętna sprawą sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać (księgi sprawdzić dokładnie sprawdzony zaznaczony sprawiać sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwy sprawiedliwy sprawiedliwy sprawny sprawować władzę sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie z testowania sprawy wojskowe sprecyzować sprężyna sprężyna łóżka sprośny longtering. aangelegenheid. geblokt doen. conto militair specificeren opborrelen. huren. achterstallig dorstig zaak. bazaar. aangelegenheid. markt. bewind. verbruiken. zoektocht richten. krakelen. marktplaats billijk. ondergrond. affaire karwei. affaire saké. achtergrond. speurwerk. ondergrond. ding. rechtvaardig afdoend. beteugelen heerschappij. laten Justitia billijkheid gerechtigheid raadzaam marktplein. maken. laten doen. etenswaar. opgave. consumeren eten. affaire. klus. ding. vet . aflezen geldig verklaren geruit. twisten onbetaald. aanwerven slopen. polemiek disputeren. spijs. tuberculose uitbuiten. pennestrijd. taak aangelegenheid. zaak.

handelaar. aandragen. vervreemding uitrusting. bijbehorend. accommodatie. twist. verhandelen. bekwaam gespen. vervoegen gunst. verhandelen. aan komen lopen aanpakken. inrichting interface interface grijpen. noch tegenspartelen. handeldrijven. waterdruppel bulldozer zilveren zilveren Argentijns zilveren zilveren . invoeren downloaden trekken bedreven. vervreemding in het groot verkoop. inrichting conjugeren. koopman zakenman. gunstig aanzwellen haan van een vuurwapen druppel. dichtgespen gespen. genadigheid goedgezind. toegenegen. accommodatie.sprośny sprowadzać sprowadzać sprowadzać sprowadzić sprowadzić z serwera sprytny sprzączce sprzączka sprzątać sprzeciw się sprzeciwić sie sprzeczka sprzeczny sprzedaj sprzedawać sprzedawać sprzedawać (papiery wartościowe) sprzedawca sprzedawca sprzedawca gazet i czasopism sprzedawca kwiatów sprzedaż sprzedaż sprzedaż detaliczna sprzedaż wiązana sprzęcie sprzęg sprzęg równoległy wewy sprzęgło sprzęt sprzęt sprzęt kryptograficzny sprzęt stacji roboczej sprzęt zboża sprzęt zbrojeniowy sprzężony sprzyjać sprzyjający spuchnąć spust spuszczać spychacz srebny srebra srebrny srebro srebro w sztabach schuin. strijd. dichtgespen ordelijk evenmin. bijkomend aanpakken. tappen handelen. bemachtigen uitrusting. vastgespen. handelaar. accommodatie. begunstiging. inrichting ijzeren bijkomstig. obsceen. handig. vastgespen. tappen verkoop. licht. dispuut inconsequent overdoen. klaar importeren. schunnig brengen. tegenstreven kwestie. aan komen lopen uitrusting. zaken doen kruidenier zakenman. behendig. bezorgen hel. vervreemding overdoen. koopman verkoper beschikking verkoop.

permanent. constant. aanhoudend beschermheilige. steken. vast. roedel bruidegom. beschermheer gestaag. roedel roedel. aldoor staal bestendig. blijvend. gestaag aanhoudend. gestaag bestendig. vandaar. gestaag bestendig. onbewerkt. vast. stadswijk ontsteking. spiegel opzuigen. constant. pikken priemen. wijk. gedegen bestendig.. etappe. kudde kudde. ontbranding goed staan gepast. betamelijk. cru bar. kudde. steken.srebrzysty srogi srogi srogi ssać ssak ssania stabilizacja stabilization stabilny stacja stacja bazowa z dwoma fizycznymi połączeniami z siecią stacja konwersacyjna stacja nadrzędna stacja zdalna stacjonować stacyjka stać stać stada stadion stadko stado stado stado (gęsi) stado (lecących ptaków stajenny stajnia stajnia stal stale stalowy stała stała stały stała (wielkość) stały stały stały stały stały stały stały stały dostęp do Internetu stały gość/klient stały obwód wirtualny stamtąd stan Argentijns grof. vandaan. bot. hard. stalknecht stevig. gevestigd box staal bij voortduring. vliegtocht kudde. lurken zoogdier wurgen. daarvan conditie. station stationsgebouw. gedegen stevig. hecht. vast. degelijk. worgen priemen. bestendig flink. choken. streng. onbehouwen. constant. voorwaarde. constant. station gastheer terminal stationsgebouw. gestaag blijvend. deugdelijk.. bepaling . prikken. overnachtingsplaats groep. hecht. bestendig bestendig. roedel stadie. passend kudde. schare. hoop. gevestigd flink. straf achtersteven. zuigen. pikken stevig. constant. gestaag aanhoudend. duchtig. deugdelijk. drift vlucht. constant. blijvend. degelijk. station buurt. bestendig daar . prikken. gevestigd stationsgebouw. hecht.

positie verzekeren. norm proportie. hecht positief. benauwd.stan stan końcowy stan wyjątkowy stan zawieszenia stanąć standard standard szyfrowania agend rządu USA standard zastrzeżony stanik stanik (ale nie biustonosz!) stanowczość stanowczy stanowczy stanowić stanowić (całość) stanowić zagadkę dla stanowiska stanowisko stanowisko stanowisko pracy stanowisko pracy stanowisko) Stany Zjednoczone stapiać starać się staranny starcie starodawny staroświecki starożytność starożytność starożytny starożytny starszawy starszy start start start of header start zimny startować ponownie startujący stary stary jak świat starzeć się statek statek statek) statua verzekeren. aloud. beweren zich gedragen werkplaats. gedateerd. bejaard muf. goor. scharrelen. gortig afzenden. station Verenigde Staten van Amerika alliage. standaardmaat. activeren. ouderwets oudheid antiek. klaar aanzetschakelaar. koker afzenden. netto. plooien afsluiten. beweren huwelijk. belemmeren. oud. expediëren pot. aloud. beha. buit. stand. vormen aanwinst. klauwen. ouderwets ouderwets.h. standbeeld . verzenden. bustehouder b. streven duidelijk. activeren. aloud. foedraal. starter vergevorderd. adellijk. activeren. licht. bedaagd ouder krauwen. trachten. motie gevestigd. ouderwets ouderwets. krabben aanzetten tot. verhouding. aanzetten aanzetten tot. bustehouder resolutie. doos. atelier stationsgebouw. beweren logeren regel. acquest. stevig. expediëren beeld. standaardmaat. echt crisis verzekeren. norm b..h. moeite doen. legering. bejaard vergevorderd. aanzetten hel. vouwen. aloud. prooi houding. vast. afdammen uitmaken. bak. metaalmengsel pogen. oud.. constructief omvouwen. echtverbintenis. verzenden. evenredigheid regel. aanzetten aanzetten tot. etui. beha. nettoafschaving antiek. uit de mode antiek. antiek hoogbejaard.

opzichter ophopen. bestuurder supervisor. post. bestuur conducteur. bewind. steno snelschrift. bewind. keet. opdagen stijl. bestuur heerschappij. accumuleren steriliseren steriliseren intendant. enkel. deurpost premie. vijver waterplas. hanteren navigeren richten. meier stewardess stewardess . tijdvak hiervandaan. kraam. bestuur omgaan met. loodsen binnenbrengen. woordelijk steppe stuur. halthouden. steno naar de letter. cliché binnenbrengen. vanhier als volgt biefstuk. post. kolk. paal. dirigeren. roer gemeenplaats. schuur. mennen heerschappij. bestuur heerschappij. prijs periode. bewind. bestuurder conducteur. bief muntstempel muntstempel stenografie. stenografie stenografie. deurpost mijnenlegger het hoofd bieden stijl. kolk. manipuleren. loodsen heerschappij. controleur. opeenhopen. bloot waterplas. handvest. besturen. vijver afslaan. blijven staan opdraven.statucie statut statystyczny statystyka Statyw staw staw staw (akwen) stawać stawać (w sądzie) stawce stawiacz min stawiać czoła stawka stawka ubezpieczeniowa staż stąd stąd stek stempel stempel pocztowy stenografia stenografia stenografią stenograficzny step ster ster stereotyp sternik (na statku) sternik na statku sterować sterować sterować sterować sterowanie sterowanie zaprogramowane w pamięci sterowanie ze sprzężeniem zwrotnym sterownik sterownik wzmacniacza mocy sterownik zegara sterta sterta sterylizować sterylizował steward stewardesa stewardessa charter. opzichter. roer stuur. opeenhopen. vrachtcontract recht statistiek statistiek huisje. accumuleren ophopen. loods louter. paal. bewind.

metaalmengsel voet proportie. verwoesten. pilaar. vlak. uit de weg gaan. begeleiden met. toetreden afbreken bult. standaardmaat. stichten. gelijken. barak stoïsch. inrichten glooiing. lid worden. vernielen onderdrukken. lijken achter opvolgen. leuning. stoïcijns huisje. norm oprichten. colonne drager. kraam. attribuut aanvliegen lijken op. stomp bot. keet. kreunen. verdringen. effen zinspelen aandachtig. keet. stomp kiel sterkte verafschuwen. een afschuw hebben van bijvoeglijke bepaling. stijl. oplettend mijden. schuur. tegenaan. tafel. paal. legering. accompagneren. opkroppen honderd loods. verhouding. vermogen tabel. bochel vernietigen. evenredigheid . helling helling. stut. jegens gelijk. zich vastklampen aan duizendpoot alliage. steun post. stoïcijns stoïsch. ontwijken zich aansluiten. steunpilaar. madeliefje meizoentje. attent. lijst kruk. madeliefje timmerman kapitaal. vunzig. schuur. muf. handelen volgens vergezellen. tegen. duf stenen. deurpost regel. glooiing meizoentje. kermen kiel bot.stęchły stękać stępce stępiać stępić stępka Stężenie (roztworu) sth do kogoś sth> coś komuś sth> do kogoś sth> do kogoś sth> kimś sth> kimś sth> komuś sth> komuś sth> komuś sth> o kimś sth> o kogoś sth> od kogoś sth> z kimś stłuc stłuczce stłumić stłumić sto stodoła stoik stoik stoisko stoisko z gazetami stojak stojak stojak stojak stojący stok stok stokrotce stokrotka stolarz stolica stoł stołek stołować (się) stonoga stop stopa stopa procentowa vuns. loods box kolom. steunen. taboeret aanklampen.

naar. hooimijt. bij. schade. dons boel. drom. vervlogen kloppen. verbeuren. slaan. beheren. graad trap. kwijt. genootschap. menigte. aan. vervlogen nadeel. geschikt gepast. kwijtraken verloren. klappen . houwen. accumuleren boel. graad drukproef schaduwen afgestudeerd. toepassing opvolgen. deficit. tafel. opper ophopen. massa aanwenden. passend. voor gepast. massa kelder ophopen. hoop. langzamerhand geleidelijk orchidee kelder waas. accumuleren ophopen. opeenhopen. angst. betamelijk. vandehands naaien. verwantschap vergelijkenderwijs aannemen. genootschap. hoop. handelen volgens krachtsinspanning aanwending. opeenhopen. opeenhopen. tafel. mate. kwijt. strop verloren. doorvoeren administreren. besturen aanwending. lijst beklemming.stopą stopień stopień (również naukowy) stopień zawartości alkoholu stopka (listy) stopniować stopniowo stopniowy storczyk stos stos stos stos pogrzebowy stos w pamięci stos wywołań stosować stosować stosować stosował stosowania stosowania stosownie do tego stosowny stosowny stosowny stosowny stosunek płciowy stosunek zwarcia stosunkowo stowarzyszać się stowarzyszenie Stowarzyszenie Producentów Maszyn Cyfrowych stożek stóg stóg stóg siana stół stół montażowy strach strach strach na wróble stracić stracić stracić stracie stracony strajk voet trap. benauwdheid angst beklemming. tot. affiliëren bond. associatie bond. drom. angst. benauwdheid verbeurd opgeven. nesthaar. accumuleren tabel. lijst tabel. geschikt. toepassing tegen. neuken familiebetrekking. gediplomeerd geleidelijk. doelmatig rechter-. associatie kegel hooiberg. passend gemakkelijk. mate. menigte.

partieel adept. minder belangrijk leden. afschrikken spoken nadeel. verdoen strategie. samenstelling. ceintuur. krijgskunde strategie. steil steil leden. de wacht hebben. samenvatten resumeren. aanhang eenzijdig. edelknaap boer. klepperman bikken. plafond klederdracht. hoogtegrens. page. ijselijk afschuwelijk. partijdig gedeeltelijk. schrik aanjagen verjagen. gordel klimaatzone. aanhang boer. listig doen schrikken. aanhanger plafon. bewaren bewaken. omlijsting. bewaren riem. de wacht hebben. page. edelknaap aanplakken achterban. afbikken kader. beoefenaar. schade. gewaad. zone. costuum waker. gewiekst. strategisch bewaken. excerpt riet kortaf. abrupt. lijst. bot. de wacht hebben. samenvatten verteren. krijgskunde strategie. zij-. zij-. afgrijselijk doortrapt. nachtwacht. verduwen. raam bouw. zone. aardgordel beklemtonen. krijgskunde krijgskundig. constructie . accentueren resumeren. aardgordel klimaatzone. ver. beproeven afgrijselijk afgrijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. dracht. ver. digereren resumé. bewaren bewaken. minder belangrijk aanblik. aanhang bij-. overzicht. deficit. strop verklungelen. opmaken.strapienie straszliwy strasznie straszny straszny straszny straszny straszyć straszyć straszyć (o duchu) strata strata strategia strategia przydziału miejsca strategią strategiczny straż strażnik strażnik więzienny strefa strefa strefa wpływów stres streszczać streszczać się streszczenie streszczenie stroik stromy stromy strona strona strona tytułowa strona wzorcowa strona zawietrzna strona zewnętrzna stroną stronę WWW) zaksięgować stronnicy stronniczy stronniczy stronnik Strop strój wieczorowy (smoking stróż struktura struktura struktura verdriet doen. bruusk. bedroeven. aanschijn. slim. buitenkant bij-.

constructie actueel loop. kletteren. beek accoord. scheut pijl. klappen. stroom. het juk opleggen maaien injectiespuit injectiespuit winterkoninkje student student student studio studie studie goed. scheut behoeden. opvallen klakken. kletteren. koorde. klappen. stroming loop. samenstelling. kloppen. stemband koorde. stroom. klakken. omtrek bouw. kloppen. stroming beekje.struktura z kontaktem sferycznym struktura) MOS z kanałem typu n strumień strumień strumień drukowanych danych strumień klucza strumień ruchu (między węzłami w sieciach telekomunikacyjnych) strumyk struna struna struna struś strych strych strych stryj strzała strzałce strzałka strzec strzec się strzelać Strzelec Strzelec (gwiazdozbiór) Strzelec gwiazdozbiór strzemię strzyc strzykawce strzykawka strzyżyk student student seminarium studentka studio studiować studiowanie studnia stukać stukać stukać nie stuknięcie stuknięcie stukot stukotać stulecie stulecie stusunek omlijning. opvallen klikken. aanlokken loop. bewaren ontzetten. kloppen. stroming toelachen. klikken afdrogen. opvallen slaan. klappen. akkoord snaar. beschermen bewaken. tap. scheut pijl. stroom. klappen. snaar struisvogel. afranselen eeuw eeuw houding . ontslaan Boogschutter Boogschutter Boogschutter aanspannen. overeenstemming. kletteren. struis dakkamertje zolderkamer Attisch oom pijl. de wacht hebben. klappen slaan. bekoren. nu goed kraan. stemband. royeren. tapkraan slaan.

japon sultan somma. vaststellen. componeren scheppen. subtiel. knoop contact hebben. summa algeheel. hoogtegrens. plafond souffleur aanwijzen. inboeten spitsvondig. gelid. totaal unie checksum keus. hoogtegrens. voorspoed zegevieren. totaal. januari aangrenzend. stijl trant. keuze unie . bedrag. stijl abonnement spul. stof. goedkeuren constateren. fijn biscuit dor. vaststellen. grenzen aan contact hebben. voorslag. contact hebben met contact hebben.stusunek nie stwierdzać stwierdzać stwierdzić stworzenia stworzyć stworzyć styczeń styczny styk styk podwójny stykać się stykać się stykać się z styl styl styl życia subskrypcja substancja substancja pochłaniająca substancją substytut subtelny suchar sucho suchy suchy (klimat) Sudan suficie sufiks sufit sufler sugerować sugestia suicie sukces sukces sukienka sukinsyn suknia suknia sułtan suma suma (msza) suma częściowa suma kontrolna suma logiczna suma logiczna zmiana houding beamen. som. bevinden wezen samenstellen. substantie in de plaats stellen van. contact hebben met belenden. droog dor. aanbod gevolg geluk. goedje. geleding. stof. aanbieding. jurk. droog Soedan plafon. substantie absorberend spul. triomferen een verband omleggen snikken een verband omleggen toga. contact hebben met taal trant. aangeven. aanliggend gewricht. plafond suffix. lid. billijken. alternatief. welstand. creëren louwmaand. zegepralen. bevinden constateren. achtervoegsel plafon. aanduiden bod. goedje. droog dor. bloei.

onbewerkt. vrijheid. jeuken kriebelen. omvangrijk. afgrendelen je. totaal. aanduiden daglicht een sein geven. lont. bot. duchtig. seinen intonatie. middel. lampepit tepel. subsidie Sicilië Siciliaans sissen. onbelemmerd toevallig. open. jouw ondersteuning. los. cru bar. bedrag. toon alarmeren. oppermachtig Jersey Jersey kriebelen. streng. alarm slaan invoer . droog kousje. speen kelder uitgebreid. rits. onbewerkt. jeuken vrijdom. hard. los. medium. krieuwelen. vlot. open. summa tal. weg grof. aantal. ritssluiting treksluiting. onbehouwen. gewetensvol optelling knopen. incidenteel grendelen. krieuwelen. vlotheid onbezet. rits. cru. vlot. totaal zomer geweten geweten consciëntieus. onbehouwen. getal algeheel. veelomvattend treksluiting. som. ritssluiting oppermachtig. aanwijzen.suma modulo 2 suma montażowa suma zbiorów unia złącze suma brył sumator amplitudowy sumienia sumienie sumienny sumowanie supeł supermarket (duży supersam supła surowa bawełna surowcach surowy surowy surowy suszka suszyć Suszyć sutek suterena suty suwak suwak przewijania suweren (moneta) suweren moneta sweter sweter zapinany swędzenia swędzenie swędzić swoboda swobodnie swobodny swobodny sworzeń swój sybwencja Sycylia sycylijski syczeć sygnalizował sygnalizuje pracę urządzenia sygnał sygnał sygnał ostrzegawczy sygnał wejściowy somma. bot grof. stipendium. soeverein. warnet watten remedie. warboel. fluiten aangeven. oppermachtig oppermachtig. een knoop leggen supermarkt supermarkt verwikkeling. onbelemmerd onbezet. jeuken kriebelen. straf vloeipapier dor. krieuwelen. soeverein. aanslaan.

vakvereniging. behaaglijk. deelneming smaken medegevoel. karakter. verschijnsel teken. verschijnsel voorgeven. figuurlijk symboliseren symboliseren symmetrie symmetrie regelmatig. claxon kuif. fluiten lettergreep. overhandigen nauwgezet. ondertekening Thailand. toeter. nauwkeurig. jodenkerk synchronisch syndroom syndicaat. symbool aanreiken. accuraat aard. gewrongen.sygnał zerowy na wejściu sygnał zerowy na wejściu sygnał zezwalający sygnatura sygnatura zachowania Syjam syk sylaba sylwetce sylwetka sylwetka symbol symbol celowania(na ekranie dla pióra świetlnego) symbol niezdefiniowany symbol ogólny symbol waluty symbol zaznaczenia symboliczny translator programu symbolizować symbolizował symetria symetrią symetryczny symfonia symfonią sympatia sympatia sympatią sympatyczny sympatyzował symptom symptom nienormalnego zachowania symulować udawać chorego symulowany syn synagoga synchroniczny syndrom syndykacie syndykat sypać sypialni sypialnia sypki sypki syrena syreną invoer uitgeven. rul mul kuif. nauwkeurig. emitteren een sein geven. vakbond syndicaat. ondertekening handtekening. gemaakt zoon synagoge. syllabe silhouet. voorwenden. symmetrisch symfonie symfonie medegevoel. schaduwbeeld rekenen. accuraat zinnebeeld. toeter. seinen handtekening. deelneming genoeglijk. aangenaam meevoelen teken. rondstrooien slaapkamer slaapkamer mul. schaduwbeeld zinnebeeld. symbool oneigenlijk. vakvereniging. vakbond strooien. symptoom. cijferen silhouet. symptoom. claxon . geaardheid nauwgezet. Siam sissen. doen alsof gekunsteld.

schare jakhals aasgier jakhals das. afdak bunker. dol maan-. dolzinnig gek. regelmatig. dol. waarderen. bestel meizoentje. sjaal Pan aanslag krankzinnig. schaak schaakspel. stand van zaken slagzwaard patroon. lanceren. madeliefje antwoorden. schaak schatten. ontketenen kinderbed luifel. respecteren kleerkast. rek kast schavot bende. taxeren. dolzinnig. bouffante. schablone sjah schaakbord schaakspel. begroten achten. gek. taxeren waarde. krankzinnig uitschrijven. stand van zaken situatie. geregeld systematisch uitzondering situatie. halsdoek. hangkast etagère. bestel gelijkmatig. elektronisch systeem. stelsel. hangkast kast kleerkast. krankzinnig. stroop Syrisch Syrisch systeem. troep. achting hebben voor tel. achting eerbiedigen.Syria syrop Syryjczyk syryjski system system gromadzenia i interpretacji danych system sieciowy system telewizji kasetowej system zero-jedynkowy systematyczny systematyczny sytuacja sytuacja sytuacja wyjątkowa szabla szablon szach (Iranu) szachownica szachowy szachy szacować szacować szacował szacunek szacunek szacunek szafa szafa ścienna szafą szafka szafka szafocie szajka szakal szakal szakal rz szal szala (wagi) szalka (wagi) szalony szalony szalony szalony szalupą szałas szałas Szałas Syrië siroop. sjabloon. begroten. lunair dolzinnig. dol. stelsel. waarderen. antwoorden op electronisch. gek. kazemat . gehalte schatten.

vaccin. gleuf barst stipt. charlatan. garderobe puin. in het klein stiptheid. vaccin. vooral. afzonderlijk specifiek. sleuf. vaccine . afgezonderd gek. vaccin. vak. keuvelen overeind gaan staan afdeling. bedrieger bedrieger. prullaria necrologie opstap. vestiaire. streng. vestiaire. treeplank babbelen. sleuf. sleuf. japon. vreemd. grauw een verband omleggen toga. praten. raar. inzonderheid inzonderheid. vaccine entstof. opening sponning. vaccineren entstof. charlatan. kwakzalver vaneenscheuren. nauwsluitend. schors mond. rommel. accuratesse. achting hebben voor sprinkhaan kwakzalver. jurk satanisch kleedkamer. vaccineren inenten. detail ampel. tak in het bijzonder. gleuf sponning. nauw inenten. branche. opstapje. vaccine entstof. garderobe kleedkamer. grauw grijs. afval.szampan szampon Szanghaj szanował szarańcza szarlatan szarlatan szarpać szarpnąć szarpnięcie szarpnięcie szary szary szata szata szatański szatni szatnia szczątki szczątkowy szczebel szczebiotać szczeciną szczególna cecha szczególnie szczególnie w USA szczególny szczególny szczególny szczególny szczegół szczegółowy szczegółowy szczekać szczelina szczelina szczelina do ręcznego podawania papieru szczelina sprzęgająca szczelina środkowa szczeliną szczelny szczepić szczepić (przeciwko chorobie) szczepionka szczepionka (program tworzący sygnaturę programu wykonywalnego szczepionka program tworzący champagne het haar wassen Sjanghai achten. doorscheuren schokken aardbeving schokken grijs. gedetailleerd. soortelijk bijzonderheid. eigenaardig afgezonderd. gat. item. gleuf sponning. sleuf. gleuf sponning. tree. nauwgezetheid boomschors. in het bijzonder afzonderlijk.

degelijk natuurlijk oprecht. tip. open en bloot. piek afknotten hoogtepunt. tokkelen. tip. goedgeefs borstelen. klikken geluk Fortuna lot. besturen authentiek. punt. rat hoogtepunt. borrel doortrapt. fortuinlijkheid geluk gelukkig gelukkig royaal. toppunt spits. spits spits. piek klemmen. zenit monteren. aalwarig. schuieren borstelen. tenger rot. kletteren. zetten spits. slank. punt. punt. gewiekst. rondweg ronduit. kaak kakement. nijpen hoogtepunt. listig knijper. schraal. knijpen. neus. top. schuieren snoek sprietig. tokkelen. kaak klikken. rondweg wang. neus. gegrond rein. eenvoudig ronduit. nijpen aperitief. doskonałości) szczyt (stosu) szczyt stosu szczytowy szczytowy poziom openheid oprechtheid. kletteren. koon. eerzaam. zindelijk mennen. mager. neus. punt. innig aalwaardig. luchtig rank. top. openhartigheid juist. dirigeren. top. fortuin. richten. ongeveinsd. dun. knijpen. klakken. toppunt afknotten . slim. schoon. gul. genereus. open en bloot. piek afknotten hoogtepunt.sygnaturę programu wykonywalnego szczerość szczerość szczerość szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczerze szczerze mówiąc szczęka szczęka szczękać szczękać szczęścia szczęście szczęście szczęście szczęśliwie szczęśliwy szczodry szczotka szczotka porównawcza szczupak szczupły szczupły szczur szczycie szczycie szczypać szczypał szczypał szczypce szczypce do cukru (w kostkach) szczypcie szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt (np. toppunt piek. tip. schaar nijptang klemmen. top. puur. onvervalst eerlijk. klappen. tip. neus. gelijk hebbend. klappen klakken.

afbeulen. afgeven verspreiden. verbreiden. reeks graad. afgeven hexadecimaal. wijd breedvoerig. blok derde macht. boezem afschaduwing wissel. verbreiden. murmelen (v. donkerrood karmozijn. afmatten karmozijn. kwaadspreken. groot. particulier feuilleton. fluistering murmelen. baas. ruisen ritselen. privé-. chef aanvoerder. fluistering murmelen. chef aanvoerder. donkerrood borst. vervolgverhaal breed. breedte sheriff. ruim. dobbelsteen. baas sjeik span ritselen. hechten schoenmaker roddelen. groot. chef. zestientallig zestien derde macht. royaal wijdte.szef szef szef (w firmach polskich prezes) szef kuchni szejk szelce szelescie szelest szeleścić szelma szepcie szept szept szeptać szeptać szereg szereg szereg zbieżny bezwzględnie szeregowiec szeregowy szeroki szeroki szeroko szerokość szeryf szerzenie szerzyć szesnastkowy szesnaście sześcian sześcian kierunkowy sześcian wokseli sześć sześć pensów sześćdziesiąt sześćdziesiątka sześćdziesiąty szew szew szewc szkalować szkapa szkarłat szkarłatny szkatułka szkic szkic szkic chefkok. ruim. gebieder. landrechter verspreiden. ris. status. belasteren afjakkeren. schavuit. chef aanvoerder. blok derde macht. set. beekje) gefluister. stand. beekje) gefluister. dobbelsteen. gebieder. schetsen. baas. ontwerpen . ruisen boef. ruimheid. blok zes zes zestig zestig zestigste naad. voeg dichtnaaien. dobbelsteen. ploert gefluister. ruisen ritselen. rist. ellendeling. gebieder. royaal breedvoerig. murmelen (v. rang besloten. cambio uitstippelen. fluistering roeien serie.

raam schavot skelet. iets betreurenswaardigs schade aanrichten. inval invasie. gebeente. school Schot Schotse barrière. foutief. lijst. verwonding schade. edel adel. drek. slijk snikken snikken . letsel toebrengen onjuist. glanzen emailleren emailleren drinkglas. kwetsuur. glas bril drinkglas. ontwerpen skelet. glas verglazen. verkeerd duim als lengtemaat gevolg leerschool. gebeente. school leerschool. omlijsting. glas Schotland Schot Schots schade aanrichten. hek. letsel toebrengen blessure. inval invasie. schetsen. heining nobel. glazuren. schaden kwetsen. omlijsting. modder. edelen edelheid nobel. raam drinkglas. afsluiting. lijst. geraamte kader. edel adel. geraamte kader.szkicować szkielecie szkielet szkielet szkielet szkielet (konstrukcji) szklanka szklić szkliwa szkliwo szkło szkło szkło powiększające Szkocja szkocki Szkocki szkoda szkoda szkoda szkoda szkoda następcza szkodliwa inwazja szkodliwe naruszenie ochrony szkodliwe włamanie szkodliwy szkodliwy szkodnik szkodzić szkodzić szkolenie wspomagane komputerowo szkolić szkolny szkoła szkoła (średnia lub wyższa) szkoła z internatem szkoła zawodowa Szkot Szkotka szlaban szlachecki szlachetność szlachetność szlachetny szlachta szlafrok szlam szloch szlochać uitstippelen. edelen kamerjas slib. wond. schaden invasie. school leerschool. school college leerschool. inval afkerig schadelijk ongedierte kwetsen.

beloeren. spoel. pilaar. cru korte broek. schudden. stokje puntig. broek weg.szlochaćSOB> szmaragd szmaragdowy szmata szmer sznur połączeniowy sznurek sznurowadło sznurowadło sznurowadło sznycel szofer szofer szok szopa szorstki szorstki szorty szosa szowinista szowinizm szósta część szósty szpadel szpagat szpak szpalta szpara szparag szparą szperać szpicruta szpiczasty szpieg szpiegować Szpila szpilce szpilka do włosów szpinak szpital szpon szpon szpula szpula taśmy szpulce szpulce szrama szrapnel snikken smaragd smaragd vodje. spits spieden. bobine bobine. bestuurder opschudden. schokken luifel. speling morrelen. ziekenhuis klauw spijkeren. bobine litteken. lap. route chauvinist chauvinisme zesde zesde woelen. bijtend onbewerkt. klos. guur. colonne barst asperge ruimte. spoel bobine. veter. wondteken granaatkartets. bespieden spieden. flard murmelen. klos. lomp. bestek. stemband. afdak doordringend. vod. nagelen klos. tod. beloeren. fel. scharrelen roede. shrapnel . baan. stemband. beekje) koorde. graven vlechten spreeuw kolom. gasthuis. bespieden kegel kegel kegel spinazie hospitaal. grof. bot. spoel. spitsroede. chauffeur conducteur. snaar met een band omgeven kant rijgveter. lor. nestel koorde. spitten. steunpilaar. kniebroek. murmelen (v. friemelen. spoel klos. snaar fijnhakken bestuurder. gard. wereldruim. onbehouwen.

lawaai. herrie snorren. toestoten. krijg kunst een duw geven. bank rek. bobine mengen.sztab sztaba sztacheta sztaludze sztaluga sztandar sztandar Sztokholm sztolnia sztuce sztuczka sztuczne ognie sztuczność sztuczny sztuczny sztuczny satelita ziemi sztuka sztuka sztuka sztuka panowania sztuka wojny szturchnięcie sztyft sztylecie sztylet sztywny sztywny szufla szuflada szukać szum szum szum śrutowy szum zka szumieć szupla szurać nogami szuranie (nogami) szwaczka szwajcar Szwajcaria szwajcarski Szwajcarzy Szwecja Szwed szwedzki szwindel szwindel staf belemmeren. razen. galerie kunst aanwensel. gang. afdammen verbleekt rek. gemaakt gekunsteld. aangegrepen gekunsteld. leven. klos. houterig. opscheppen schuiflade. gewrongen. ceremonieel scheppen. gonzen. plechtig. vermengen naaister Zwitsers Zwitserland Zwitsers Zwitsers Zweden Zweed Zweeds zwendelen. brommen ophef. frauderen. rumoer. aanstoten kegel dolk dolk stram. razen. stijf. ezel. brok oorlog. dundoek. gemaakt kunst toneelstuk. onnatuurlijkheid aangedaan. bok. schraag. hebbelijkheid vuurwerk aanstellerij. bok. drama fragment. schraag. lade het uiterlijk hebben van. vermengen mengen. temperen. brommen spoel. mixen. gewrongen. er uitzien snorren. streek. leven. gonzen. afsluiten. rumoer. bank vaan. mixen. star. herrie snorren. ezel. temperen. lawaai. razen. gonzen. galerij. norm Stockholm gaanderij. knoeien foefje. kunstgreep . la. standaardmaat. vlag regel. brommen ophef. kneep. stug afgemeten.

zweefvliegtuig aanzetten. nummer versleutelen versleutelen nek. gezwind. radheid snelheidsgrens snelheid. piekfijn shilling chimpansee opvoeden. spoedig. ginnegappen bespotten. vaart. vensterruit. spoed. aannaaien. gevecht. spoed. schielijk. onderwijzen spoorstaaf. glaswerk vasten snel. gezwind. arbeid grijnslachen. zweefvliegen een glijvlucht maken. frauderen. hard. vaart. kamp sjiek. honen grijnslachen. spoedig. vensterruit. gauw snel. schielijk. kuil drinkglas. groef. snel spoedig afgrazen gauw. chic. hard.szwindlować szyb szyba szyba (okienna) szybą szybki szybki szybki układ logiczny tranzystorowotranzystorowy szybki układ scalony TTL szybki układ scalony TTL szybki zarobek szybko szybko szybko schnący szybkość szybkość szybkość klatek szybkość zapisu szybkość zapisywania szybować szybować szybowanie szybowca szybowiec szybowiec szyć szyć szydełkować szyderczy uśmiech szydzić szydzić szyfr z bieżącym kluczem szyfr złożeniowy szyfrować szyfrować szyfrował szyja szyk bojowy szyk bojowy szykowny szyling szympans szyna szyna szyna pamięciowa szyna sterująca szynka zwendelen. gezwind. zweefvliegen zeilvliegtuig. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. stam ham . knoeien groeve. evenredigheid snelheid. vastnaaien steek emplooi. glas glaswaar. karwei. in allerijl proportie. radheid vliegmachine. chic. glaswerk glaswaar. haastig. rail boomstam. spotlachen. greppel. spoed. vliegtuig een glijvlucht maken. ginnegappen cijfer. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. gauw snel. werk. in allerijl gauw. haastig. radheid snelheid. strijd. piekfijn sjiek. haastig. spotten. rail spoorstaaf. gauw. nummer code cijfer. spoedig. gracht. hals treffen. spoedig. vaart. spotlachen. haastig. slag. gauw gezwind. verhouding.

straf. metterdaad. spoor steeg pad. intrappen. precisie precies. knellen strakker aantrekken. aantrekken drukken. wagenspoor. tekenen pad. hard jam. dringen. verbrijzelen najagen. paadje vermorzelen. voetspoor. stug specifiek. fel. druppelen afvegen.szyszka ściągać ściągać dane z serwera ściągnąć ścieg ścieg wsteczny ściek ściek ściekać ścierać ścieranie się ściereczka ścierka ścierny ścieżka ścieżka ścieżka wyszukiwania ścieżka zapisu ścieżka zastępcza ścięcia ścigać ścigać sądownie ścigać się ścisk ścisk ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać kurczowo ścisłość ścisłość ścisłość ścisły ścisły ścisły ścisły ścisły ścisnąć ścisnąć ściśle ściśle ściśnięcie ślad ślad ślad ślad kegel collecteren. knellen merken. fair. rechtvaardig drukken. riool druipen. karrespoor . spoor spoor. afdrogen. juist. knellen accuratesse. afwissen afschaving flanellen laken doordringend. moes. accuraat precies. moes. innen. toeloop. nauwgezet. houterig. soortelijk streng. dringen. nauwgezetheid nauwgezetheid. persen. marmelade aperitief. accuratesse nauwkeurigheid. stiptheid. stijf. inzamelen downloaden rukken steek steek neerdruipen. minutieus stram. bemachtigen comprimeren knuffelen drukken. stiptheid. run jam. dringen. duchtig. droppelen. volksstam aandrang. stam. voetspoor. zinkput. waarachtig billijk. borrel inderdaad. bijtend merken. afdruipen cloaca. persen. wissen. marmelade grijpen. scherp. tekenen afbakenen afdruk. nastreven een proces aanspannen tegen geslacht. stiptheid. bar. guur. persen. star. paadje afdruk.

haring bijlage. lachbui. appendix. wagen moorddadig. onderzoek keuring. blank behaaglijk. blanco. stoutmoedig. stout gedurfd. sterfgeval . vliegtuig een glijvlucht maken.ślad rewizji Śląsk śledzić śledzić śledzić śledztwa śledztwa śledztwo śledź ślepa kiszka ślepa uliczka ślepota ślepy ślepy nabój śliczny ślimak ślimak ślimak (współpracujący z kołem zębatym) ślina śliniaczek ślinić się śliski śliwce śliwka ślizg ślizgać się ślizgać się po wodzie ślub ślub ślubny ślusarz śluz śluza śmiać się śmiało śmiało śmiały śmiały śmiały śmiały śmiech śmiech śmieci śmiecie śmieć śmiercionośny śmierć afbakenen Silezië afluisteren afbakenen afdruk. ongrijpbaar. schroefdraad slak. genoeglijk schroef. drek. echtverbintenis bruiloftsfeest. propeller. stout. echt. stoutmoedig. spoor enquête keuring. huisjesslak worm. modder. puin zich vermetelen. prullaria. dodelijk dood. zweefvliegen huwelijk. overlijden. kwijlen glad. afval. brutaal stoutmoedig. oningevuld. het verdommen. gedurfd. aanvaller lachen gelach. hilariteit afwijzen. wurm kwijl. allicht gespeend van. bruiloft echten. zeveren. brutaal voorspeler. onderzoek zeebanket. spuug slabbetje speeksel afscheiden. speeksel. voetspoor. ontbloot van brutaal. gedurfd. examen. slijk slot lachen met gemak. examen. legitimeren slotenmaker slib. aanhangsel doodlopende weg blindheid blind wit. stout. afkeuren rommel. zweefvliegen vliegmachine. glibberig pruim pruim een glijvlucht maken. zever.

dodelijk sterfelijk sterfelijk vermakelijk. voortmaken haastig. belachelijk. binnenste.śmierdzący śmierdzieć śmierdzieć śmiertelnie śmiertelnik śmiertelny śmieszny śmieszny śmieszny śmieszyć śmieszyć śmietana śmietanka śmietanka (towarzyska) śmigło śniadania śniadanie śnieg śnieżenie śnieżyć śpiący śpiący śpieszyć (się) śpieszyć się śpieszyć się śpiew śpiewaczka śpiewać śpiewak śpiewnik średni średni stopień scalenia średnica średnicą środa środą środek środek środek środek ośrodek środek antyelektrostatyczny środek chwastobójczy środek miotający do broni palnej środek znieczulający środki środkowy środkowy środowiska stinkend smoken. lied zangeres zingen. leuk. centrum beter maken. laxans gemiddeld. mal opvrolijken. haast maken. doorsnee. diameter woensdag woensdag middelpunt. lachwekkend. bezingen zangeres gezangboek. omgeving . helen gemiddeld antiseptisch middel afwasmiddel laxeermiddel. middelbaar middel. centrum middelpunt. doorsnee. haast maken. gehaast spoed maken. schroefdraad. binnenlands. vermakelijk vla vla bloesem propeller. schroef ontbijt ontbijt sneeuwen sneeuwen sneeuwen druilerig. binnenste. zangboek gemiddeld gemiddeld middellijn. diameter middellijn. gezangbundel. roken stinken. binnenste gemiddeld. amusant. slaperig slaperig spoed maken. onderhouden aardig. leuk. middelbaar milieu. werktuig intern. voortmaken gezang. medium. genezen. amuseren. zang. amusant belachelijk gek. vies ruiken moorddadig.

medium. kaars kaarsensterkte. doen ontbranden. świadczyć świadczyć świadectwa świadectwa świadectwo świadectwo odporności na promienie Rentgena świadek świadek naoczny świadomość świadomość świadomość istnienia produktu świadomość przekazu reklamy świadomy świadomy świadomy (<of sth> czegoś) świat światło światło działania światło punktowe światło stopu w samochodzie światłoczułość światłowód światowy świąteczny świątobliwy świątyni świder świder świdrach świeca świecą świeczka gemeente. omgeving milieu. bewust welbewust. besef. stuk getuige getuige bezinning. akte. candela. stuk certificaat. kaars . omgeving Middellandse Zee propeller. candela. acte. dokument. besef.środowisko środowisko CDE środowisko graficzne środowisko grupy roboczej środowisko zabezpieczeń środowisko zespołowe śródziemnomorski śruba śruba śruba (statku) śrubą śrubokręcie śrubokręt śrubowaty świadczenie (z tytułu polisy ubezp. neuken naaien. attest. akte. gemeenschap tafereel. candela. bewustzijn bezinning. verhouding. akte. bewust welbewust. getuigenis acte. heilig. beschrijving milieu. getuigen getuige acte. medium. omgeving milieu. bewustzijn bezinning. bedrijf. wereld aansteken. dokument. evenredigheid vezel wereldwijd festival gewijd. bewust aardrijk. medium. aanmaken daglicht zonlicht aansteken. schroef naaien. bedrijf. neuken schroevedraaier schroevedraaier spiraal pré. dokument. geheiligd slaap beting accolade bretels kaarsensterkte. bewustzijn welbewust. schildering. stuk acte. sacraal. kaars kaarsensterkte. bewustzijn bezinning. besef. bedrijf. besef. voordeel certificeren. omgeving milieu. schroefdraad. medium. doen ontbranden. neuken naaien. aanmaken proportie.

świecznik świecznik świergocie świergot świergot świergotać świerszcz świetlik świetlik świetnie się bawić świetność świetny świetny świeży świeży święcie świętej pamięci świętej pamięci święto święto świętować świętował święty święty święty Mikołaj świni świnia świnka morska świscie świst świt świt świt świtać tabela tabela woluminu tabernakulum tabletce tabletka tablica tablica tablica (szczególnie pamiątkowa) tablica autoreferencyjna tablica odwołująca się do siebie tablica odwzorowanie tablica ogłoszeń tablica rozmieszczenia pliku tablica samoodniesieniowa

kandelaar, blaker kroonluchter, kroon, luchter piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen krekel, kriek vuurvliegje dakraam, patrijspoort, luik net, mooi gezag, prestige, autoriteit groots, grandioos, overweldigend tof, tiptop, excellent, kostelijk vers, onbedorven, luchtig, fris luchtig, fris, vers, onbedorven snipperdag, vakantiedag, rustdag vergevorderd, laat later festijn, feestmaal, smulpartij, gelag snipperdag, vakantiedag, rustdag vieren, opdragen, celebreren vieren, opdragen, celebreren gewijd, heilig, sacraal, geheiligd heilige geheiligd, gewijd, heilig, sacraal zwijn, varken zwijn, varken Guinees biggetje, cavia ritselen, ruisen fluiten, gieren aurora, morgenlicht, morgenrood dageraad, aanbreken van de dag zonsopgang aurora, morgenlicht, morgenrood tabel, tafel, lijst tabel, tafel, lijst tabernakel tafel, tabel, lijst tafel, tabel, lijst aanklampen, zich vastklampen aan dashboard, instrumentenbord, beschot tafel, tabel, lijst aanplakbord aanplakbord landkaart, kaart aanplakbord lijvig, dik aanplakbord

tabliczka tabliczka tabliczka dźwiękowa taborecie tabulacja tabulator tabulogram informować tabulowanie taca taca taca zabezpieczająca tacą taczka tajać tajemnica tajemniczy tajemny tajfun tajny tajny agent tak tak jak tak jest tak samo tak samo jak tak więc tak! wiele takcie taki taki taki owaki taksometr taksówce taksówce taksówka taksówka takt takt takt takt takt zegara taktyczny taktyczny taktyka także także także także <casement window>

belemmeren, afsluiten, afdammen fotografische plaat, plaat tafel, tabel, lijst kruk, taboeret tafel, tabel machine informeren, berichten, inlichten tafel, tabel schotel, schaal dienblad, presenteerblad bakvis dienblad, presenteerblad kruiwagen wegsmelten, dooien, ontdooien mysterie, raadsel, geheimenis mysterieus, geheimzinnig occult tyfoon confidentie verstand, geest, intellect ja, jawel ja, jawel voor, als, bij wijze van, hoe, tot dito, identiek als volgt als volgt ergo, dus, ook weer, toch ritme, tact, maat, beleid ergo, dus, ook weer, toch dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een uurwerk, klok vigilante, huurrijtuig, aapje taxi vigilante, huurrijtuig, aapje taxi afranselen verzekeren, beweren ritme, tact, maat, beleid teek teek tactiek tactiek tactiek evenzeer, ook, mede, eveneens verzenden evenzeer, mede, eveneens, ook aan, tegen, voor, tot, bij, naar

także <fag> także celny strzał w to miejsce talencie talent talent talerz z tworzywa do rzucania talia talia talia kart talon tam tam tam i z powrotem tama tamci Tamiza tamować tamować tampon tampon tamte tamten tamten tancerz tandeta tango tani tani hotel/pensjonat tani jak barszcz taniec tankwać tańczyć tańczyć tango tańczyć walca tapczan tapeta taras tarcie tarcza (telefonu targ targi targnięcie targować się targować się tarka tarsować taryfa taryfa

verzenden evenzeer, ook, mede, eveneens talent, gave, aanleg, begaafdheid gift, geschenk, donatie, cadeau talent, gave, aanleg, begaafdheid fotografische plaat, plaat verdek, scheepsdek, dek middel, leest, taille middel, leest, taille bon, voucher, kaartje, coupon ginds, aldaar, daar, er, daarginds ginds, er, aldaar, daarginds, daar ginds, aldaar, daar, er, daarginds afsluiting, barrière, dam, sperdam dat, datgene, zulks Theems blokkeren, vastzetten afsluiten, belemmeren, afdammen blok tampon dat, datgene, zulks dat ginds, er, aldaar, daarginds, daar danseres rommel, afval, prullaria, puin tango, stampen goedkoop goedkoop goedkoop bal, danspartij reservoir, vergaarbak bal, danspartij tango, stampen wals divan, Turkse staatsraad, rustbank behang terras wrijving wijzerplaat marktplein, markt, bazaar, marktplaats marktplein, markt, bazaar, marktplaats schokken afdingen, pingelen, marchanderen pingelen, afdingen, marchanderen raspen afsluiten, belemmeren, afdammen proportie, verhouding, evenredigheid dienstregeling, rooster

tarzać tasiemka tasować tasowanie (kart) taśma taśma taśma taśma poprawkowa taśma zmian taśma źródłowa systemu tato tato tatuaż tatuować tatuś tatuś tawerna tawerna tawerną tchawica tchórzliwy tchórzostwa tchórzostwo te teatr teatr rewiowy teatralność teatralny teatralny technice techniczny techniczny ośrodek przetwarzania danych technika technika technika technika grubowarstwowa technika cienkowarstwowa technika rozpoznawania obrazów technika światłowodowa technika wykrywania błędów technologia technologia) drop-on-demand technologią teczka teczka teczka konfiguracyjna teka

broodje, bolletje, kadetje, kadet band, lint mengen, temperen, mixen, vermengen mengen, temperen, mixen, vermengen schare, troep, bende band, lint met een band omgeven videoband met een band omgeven schare, troep, bende pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie taptoe taptoe pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie drenkplaats, bar, café herberg, uitspanning herberg, uitspanning luchtpijp geel lafhartigheid, lafheid lafhartigheid, lafheid dit, dit hier schouwburg, toneel, theater schouwburg, toneel, theater melodrama schouwburg, toneel, theater schouwburg-, toneel-, theatertechniek technisch technisch techniek techniek technologie techniek techniek doortrapt, slim, gewiekst, listig schouwburg, toneel, theater technologie techniek technologie technologie boekentas, theca, aktentas portefeuille leden, aanhang boekentas, theca, aktentas

tekscie tekst tekstylia tekstylny tektura teledysk telefon telefon wewnętrzne telefon wewnętrzny telefoniczna pomoc techniczna telefonujący telegraf telegraf Baudot—Verdan telegraficzny telegrafować telegram telegram teleJkomunikacja telemetria teleskop telewizja telewizja telewizją temacie temacie temat temat temat temat podmiot tempa temperamencie temperament temperatura temperatura złącza p-n temperaturą tempo tempo tempo wielkość (miara względna) ten ten ten kto przeżył ten zielony tendencja tendencja tenis tenor teologia teologia theorem

tekst tekst weefsel weefsel kartonnen knippen, scheren, snoeien opbellen, telefoneren opbellen, telefoneren achtervoegsel, suffix adresboek bezoeker overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen telegram metaaldraad, draad communiqué telemetrie sterrenkijker, telescoop, verrekijker televisie televisie televisie onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit stof, onderwerp, subject onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit iets actueels, actualiteit treden, schrijden, stappen, lopen temperament temperament temperatuur temperatuur temperatuur proportie, verhouding, evenredigheid snelheid, vaart, spoed, radheid lopen, stappen, treden, schrijden dat dit, dit hier dito, identiek dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een afdrijven, op drift zijn, drijven wilsbeschikking, gesteldheid, aanleg tennis tenorstem, tenor theologie, godgeleerdheid theologie, godgeleerdheid

teologią teoretyczny teoria teorią terapia terapią Terasa teraz teraz gdy teraźniejszy teren teren termin termin termin termin termin amerykański termin brytyjski termin prawniczy termin przeciwstawny terminal wizyjny terminal znakowy prosty terminologią termometr termos termostacie termostat terror terrorysta terroryście terroryzm terroryzować terytorialny terytorium test test wewnętrzny test zgodności testamencie testament testament testować teza tezą też też nie też nie też nie tęcza

theologie, godgeleerdheid akademisch, academisch theorie theorie therapie therapie terras enfin, komaan, nou, nu, wel, tja enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig, actueel achtergrond, grond, bodem, ondergrond terrein benaming, naamwoord, naam dadel, dactylus affiche, aanplakbiljet, plakkaat term, vakterm Amerikaans Brits wettig, wettelijk, gewettigd, legaal tegenover, aan de overkant van scherm, schut terminal terminologie, vakwoordenboek warmtemeter, thermometer thermosfles thermostaat thermostaat terreur, schrikbewind terrorist terrorist terrorisme schrik aanjagen, doen schrikken territoriaal territoir, ban, gebied, grondgebied examen, keuring, onderzoek binnenste, binnenlands, intern examen, keuring, onderzoek verbond, uiterste wil, testament verbond, uiterste wil, testament uiterste wil, verbond, testament examen, keuring, onderzoek proefschrift, stelling, dissertatie proefschrift, stelling, dissertatie evenzeer, ook, mede, eveneens evenmin, noch neen, geen, nee, niet evenzeer, mede, eveneens, ook regenboog

tęczą tęczówka (oka) tęczówka oka tęgi tępić tępy tępy tępy ić tęsknić tęsknota tęsknota tęsknota za krajem tętnica tętno the former>ten pierwszy tkać tkanina tkanina do robienia worków tkanina nieprzemakalna tkwiący tkwić tlen tlen cz tlenić (włosy) tło tło okna tłoczyć się tłoczyć się tłok tłok tłok tłuc Tłuczek tłum tłum tłum tłumacz tłumaczenia tłumaczenie tłumaczenie (tekstu) translacja tłumaczenie języka symbolicznego tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć język symboliczny zestawić tłumaczyć się tłumaczyć się

regenboog Iris Iris gezet, zwaarlijvig, corpulent verdelgen, uitroeien bot, stomp gesmoord, toonloos, stomp, dof bot, stomp verlangen, hunkeren, reikhalzen verlangend, smachtend heimwee verlangend, smachtend slagader, arterie pols, polsslag, tel daarvoor, vooraan, eerder, indertijd weven weefsel weefsel weefsel aangeboren, ingeboren kleven, vastkleven, aanhangen zuurstof zuurstof water achtergrond achtergrond hoop, boel, drom, massa, menigte kudde, roedel hoop, boel, drom, massa, menigte zuiger pers temperen, mengen, mixen, vermengen stamper, vijzelstamper hoop, boel, drom, massa, menigte gastheer massa, drom, hoop, menigte, boel interpreter uitvoering, versie translatie, translaat, overzetting translatie, translaat, overzetting samenscholing vergaderen, samenkomen, bijeenkomen uitleggen, interpreteren, duiden pleiten translateren, overzetten, vertalen translateren, overzetten, vertalen uitleggen, interpreteren, duiden reproduceren, weergeven

tłumaczyć z języka programowania na język angielski tłumić tłumić tłusty tłusty tłusty tłusty tłuszcz tłuszcz wielorybi tłuszczowy to to to to samo toalecie toaleta toaletka toast tobołek todze todze toga tok tokarka tokarnia token tolerować tolerować tolerował tolerował tolerując tom tom (dyskowy)objętość głośność ton ton odcień tona toną tonąć tonąć topić Topić topić się topnieć topnieć topola topór tor

translateren, overzetten, vertalen doven, blussen, uitdoen, uitblussen onderdrukken, smoren, neerslaan gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal lijvig, dik vettig, vet dik, vettig, vet lijvig, dik invetten lijvig, dik best het dat dito, identiek privaat, secreet, toilet privaat, secreet, toilet ladenkast, commode branden, braden, roosteren bundel, wis, bos toga, jurk, japon toga, japon, jurk toga, jurk, japon tracé, route, leergang, cursus, koers draaibank, draaischijf draaibank, draaischijf adstructie, teken, bewijs te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten aanhoudend, blijvend, bestendig geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume intonatie, toon intonatie, toon ton ton verdrinken, verloren gaan, vergaan zinken, aan de grond raken verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien dooi peppel, populier hakbijl, bijl afdruk, voetspoor, spoor

tor żużlowy tor/szlak wodny torba torba (foliowa torba na zakupy torbą torebka torebka damska torf torfowiska torfowiska torfowiska torfowiska tornister tornister torować drogę torpeda torpedą torpedować tors tort tortura torturą torturować tortury tory kolejowe totalny towar towar towar towar na składzie towar wyrzucony za burtę towar wyrzucony za burtę towarach towarzyatwo towarzyski towarzystwo akcyjne towarzysz towarzysz towarzysz towarzysz zabaw dziecinnych towarzyszący towarzyszący towarzyszący towarzyszyć towarzyszyć tożsamość tracić zabarwienie

steeg afdruk, voetspoor, spoor tas, zak consument, gebruiker, verbruiker tas, zak tas, zak beurs, portemonnaie, geldbuidel tasje, reticule, handtasje turf onderbinden Moriaan, Moor aanbinden, meren Mauretaniër knapzak, ransel knapzak, ransel genist, geniesoldaat, baanbreker torpederen torpederen torpederen boomstam, stam koek, cake folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen spoor, spoorweg algeheel, totaal handelsartikel, artikel colli, goederen koopwaar, handelswaar, waar handelsartikel, artikel mikpunt, onderwerp, object, ding dingen, spullen handelswaar, koopwaar sociëteit, club sociaal, maatschappelijk firma, handelsfirma, handelshuis zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker maat, kornuit, kameraad, makker zich aaneensluiten, aansluiten ingesloten, bijgaand zich aaneensluiten, aansluiten steward vergezellen, accompagneren, begeleiden verplegen, zorgen voor, verzorgen identiteit dalen, kleiner worden, afnemen

voeren . bij uitzenden. mazzel. toevallig Fortuna lot. dundoek. dichtbij. doen toekomen opsturen. motie aan. overlevering gewoon. nabij. uitdelen behandelen. buitenkansje slaan. uitwendig. geluk. ronddelen. portier tragisch tragisch tragisch afdruk. omroepen uitzenden. overlevering traditie. cureren behandelen. naast. verhandeling verdrag. uiterlijk vervormen resolutie. doen toekomen vaan. affaire. omroepen uitzenden. kloppen. gebruikelijk ouder traditioneel incidenteel.tradycja tradycją tradycyjny tradycyjny tradycyjny traf traf traf traf trafić trafić się trafienie trafna odpowiedź trafienie trafny tragarz tragedia tragedią tragiczny trakt traktacie traktat traktor traktor do transporu drewna traktować traktować traktować na serio traktowania traktowanie tramwaj tramwaj transakcja transakcja transakcja globalna transakcją transcendentny transformować translacja translator adresów transmisja pojedyncza na żądanie transmisja radiofoniczna transmisja radiowa transmitować transmitować transmitować (do wszystkich węzłów sieci) transmitował transparencie transport traditie. omroepen opsturen. fortuin. tractor trekker. fortuinlijkheid bof. sturen. kloppen. voetspoor. sturen. spoor verdrag. behandeling tram tram aangelegenheid. omroepen uitzenden. ding transactie transactie transactie extern. doen toekomen opsturen. tractor rondgeven. houwen. behandeling kuur. houwen. houwen. vlag transporteren. klappen slaan. sturen. traktaat. aan de hand zijn slaan. overbrengen. klappen rechter-. buiten-. vandehands conciërge. traktaat. klappen gebeuren. zaak. cureren kuur. kloppen. verhandeling trekker.

een duw geven. voeren tor. lepra eczeem. route. verticaal transitief. dauwworm club. toeten toeteren. baanvlak vlotten. passage. substantie lepralijder. melaatse gejubel . toeten toeteren. leproos. gazon. acne. toestoten aanstoten. een duw geven. dobberen. overbrengen. toeten een duw geven. tracé. bondig. klappen. spijsvertering digestie. kloppen. stof. overbrengen. tracé. doorgang reisplan. digereren digestie. spijsvertering ets perk. aanstoten slaan. oefenen boren tevreden. drijven vlot boot. transistor rechtopstaand. route. goedje. grasveld. schuit vlot gras gras gras verteren. overgankelijk overgang. tenor aanklacht. sociëteit angst drillen. route. toestoten melaatsheid. tracé. de trompet steken. grasmat toeteren. vergenoegd. kort. beknopt inhoud tenorstem. baanvlak reisplan. baanvlak luchtweg reisplan. de trompet steken. voeren trekken transporteren. de trompet steken. voldaan inhoud kernachtig. beschuldiging spul. verduwen. toestoten.transport klucza transportować transportować tranzystor tranzystor polowy z rowkiem w ksztaJcie V tranzytywny trap trasa trasa domyślna trasa zastępcza ścieżka zastępcza trasować tratwa tratwa tratwa ratunkowa tratwą trawa trawa rosnąca na wydmach trawą trawić trawienia trawienie trawienie światłem przechodzącym trawnik trąba trąbce trąbka trącać trącać trącać łokciem trącenie łokciem trącić łokciem trąd trądzik trefl trema trenować tresować treśc treśc treściwy treść treść treść ruchu pakietów treść zasadnicza (dane właściwe przesyłane w pakietach sieciowych) trędowaty triumf transporteren. opvallen stortplaats aanstoten.

bezorgd zijn. luttel. drank. moeilijkheid. giftig doodkist. triangel driehoek. klein trolleybus troon afbakenen aanhangwagen afdruk. voetspoor. bestendig volhardend vasthoudend gestaag. kreng. constant.triumf triumfować triumfowanie trochę trolejbus tron trop tropiciel stopka(listy) tropić tropikalny troska troska troska troskliwie troskliwy troskliwy troskliwy troszczyć się trójca trójkącie trójkąt trucht trucizna truciźnie trudność trudność trudność trudny trudny trujący trumna trunek trup trupa trupa trupą truskawce truskawka trwać dłużej niż trwała ondulacja trwałość poprzez dziedziczenie trwały trwały trwały trwały trwały trwały identyfikator trwoga zegevieren. lastig. vergeven smart. attentie. blijven aandringen Perm leven. vergeven vergiftigen. slim hard venijnig. aandacht zich bekommeren. leed bezwaar. zegepralen. kadaver horde. vergiftig. een knoop leggen zwaar. bestendig angst . zegepralen. alcoholische drank lijk. lijk aardbei aardbei aanhouden. vergallen. zorgen Drieëenheid driehoek. spoor tropisch acht. triomferen zegevieren. toestoten. triangel een duw geven. strubbeling knopen. karig. achting zachtjes. moeilijk. bestendig blijvend. triomferen gejubel gering. voorzichtig aandachtig. constant. voorzichtig nadenkend zich bekommeren. zorgen tel. attent. min. kadaver. bende troep kreng. blijvend. verdriet. aanstoten vergiftigen. kist alcohol. vergallen. bezorgd zijn. aanhoudend gestaag. oplettend behoedzaam. hachje aanhoudend.

kletteren. bibberen staf. opspatten. mijnschacht drie drie dertig dertig drievoudig. beven. leiding. huiveren knapperen. stuiven dichtslaan barst knapperen. wijze. opmaken. trigonometrie trillers maken triljoen verspuiten. verdoen manier. rillen. aantonende wijs uitzenden. driedubbel . wijze. wrijven. podium driehoeksmeting. kletteren. huiveren. knetteren nuchter aardbeving hommel schacht. uitwrijven adhesie betuigen. trant gemoedstoestand. trant conjunctief. stok toegegeven derde derde aanstrijken. moreel.trwonić tryb tryb tryb (pracy) rodzaj uprawnienia tryb dostępu (w Uniksie) tryb łączący tryb oznajmiający tryb oznajmujący tryb przezroczysty (wykonywania operacji) trybuna trygonometria trygonometrią tryl trylion tryskać trzask trzaskać trzaskać trzaskać trzaskanie trzaśnięcie trząść trząść się trząść się trząść się trzcina trzcina trzcina trzcina cukrowa trzciną trzeba przyznać że trzeci trzeci migdał trzeć trzepnięcie trzepotać skrzydłami trzepotanie trzeszczeć trzeźwy trzęsienie ziemi trzmiel trzon trzy trzy pensy trzydziestka trzydzieści trzykrotny verklungelen. trant manier. stemming manier. knetteren dichtslaan aardbeving schokken opgooien. fladderen beven. stok staf. bibberen. stok riet suikerriet staf. kletteren. omroepen tribune. trigonometrie driehoeksmeting. aantonende wijs indicatief. aanvoegende wijs indicatief. gooien rillen. wijze. knetteren dichtslaan knapperen. applaudisseren aan de scharrel zijn.

reserveren. aangeboren ingeboren. ceremonieel hard het hoofd bieden gepast. rel. galnoot wang. scharrelen bespreken. vast. intekenen blijven dertien verband. sterk. betrekking hier. stevig. straf gevestigd. koon. tabakspijp ingeboren. luchtpijp. stalen stugheid. stam herrie. hierheen dozijn. hecht afgemeten. saus anders maken. plantengal. geducht. hardheid hard krachtig. roerigheid. roerigheid. twaalftal harden. struik mouw knuffelen tulp boomstam. friemelen. steekspel toerist toerist toerisme toerist hier. plechtig. sop. omgang. veranderen Turkije kalkoen Turks Turk alpenweide. temperen.trzymać trzymać się z dala od trzymać w rezerwie trzynaście trzystopniowa wymiana komunikató tu tuba tuba elektromagnetyczna tubylca tubylec tuleja tuleja tulić tulipan tułów tumulcie tumult tunel tunel tunice tunika tuńczyk tupecie tupet tupet tupet tura Turcja Turcja turecki Turek turnia turniej turysta turystyczny turystyka turyście tutaj tuzin twardnieć twardość twardy twardy twardy koniec wiersza twardy myślnik twardy orzech do zgryzienia twarz twarzowy morrelen. geschikt . rel. kaak zenuw jus. luchtband pijp. getier metro tunnel tuniek tuniek tonijn gal. aangeboren heester. getier herrie. hierheen binnenband. passend. alp toernooi. fiks.

slechts. bezoldiging. aan je. elke week wekelijks. aanstrijken kalken. rechtvaardig pas. verlaten. creëren stoffelijk. hoewel. jijzelf jou. aan jou. loon. componeren verwekken verstoffelijken. je kuil Pool week wekelijks.twierdzenie twierdzenie twierdzenie twierdzić twierdzić (bezpodstawnie) twoj tworzenie serwerów WWW tworzyć tworzyć tworzyć tworzyć kopię zapasową tworzyć mozaikę tworzywa twój twój twór twórca twórca v pisać ty ty ty sam tyczka tyczka tydzień tygodnik tygodniowo tygodniowy tygodniówka tygrys tykwa tykwą tylko tylko tylko wstęgi boczne tylko z nazwy tylne światło (samochodu) tylne wejście tylny tył tył kompilatora tym niemniej tymczasem tymczasowy tymczasowy tynk tynkować typ typ źródłowy spil. stilist jou. alhoewel intussen. elke week wekelijks. verzekeren het jouwe. salaris tijger kalebas kalebas billijk. materieel je. daarentegen tijdelijk. enkel. bouw. alleen. jouw het jouwe. aanstrijken drukletter drukletter . aan je. fair. schrijver. fair. alleen. elke week gage. theorema beweren. as theologie. godgeleerdheid stelling. verzekeren betuigen. bouwmeester auteur. voorlopig tijdelijk kalken. ofschoon. rechtvaardig louter. maar billijk. aanbouw samenstellen. aan jou. je uzelf. de jouwe wezen architect. al. creëren scheppen. de jouwe constructie. inmiddels. enig achterlicht achterdeur achterhoede achterhoede achterhoede wel. materialiseren scheppen.

voorwerp verminderen. grandioos. aangrijpen.typowy tyran tysiąc tysiąc (dolarów tysiąc instrukcji na sekundę Tysiąclecie tysiąclecie tytan tytoń tytuł tytuł szlachecki tytuł własności tytułować u góry ubawić ubezpieczać ubezpieczenia ubezpieczenie ubezpieczenie na życie ubezpieczyć ubezpieczyć ubiegać się o posadę ubierać (się) ubierać się ubijać ubikacja ubiór uboczny ubogi ubój ubóstwo ubrać ubrać ubrać ubranie ubranie ubranie ubranie ubranie (męskie) ubranie cywilne ubywać ucho uchodźca uchwalać uchwała uchwała uchwycić sens uchwyt eigenaardig. watercloset een verband omleggen minder belangrijk. assureren assurantie. betitelen adresseren afknotten opvrolijken. armoede aankleden. grijpen oor. assureren match. verzekeren. kleden. verzekeren. klink . hengsel. verzekering assurantie. kleren complet. uitspraak. verzekeren veilig stellen. wedstrijd. ver. onderhouden veilig stellen. stelletje. decreteren doen. slachten gebrek. tituleren. vluchteling verordenen. beklagenswaardig afslachten. geweldenaar. omkleden. kruk. omkleden. set. overweldigend duizend duizendjarig tijdperk. verzekering betuigen. bij-. set. bekleden kleding. handelen besluit. voorwerp kleren. concours een verband omleggen een verband omleggen woordspeling WC. stuk titelen. tituleren. zijerbarmelijk. amuseren. kleden. handvat. typisch dwingeland. tiran duizend groots. acte. stel ding. kleding ding. bezig zijn. bekleden kleding. ageren. betitelen bedrijf. beslissing bemachtigen. millennium millennium Titan tabak titelen. stel aankleden. afnemen oor uitgewekene. stelletje. akte. kleren complet. dokument. verzekering assurantie.

ontkomen appelleren. scheren. feestmaal. doen alsof voorgeven. ontgaan ontsnappen. een beroep doen op knellen. rust. raak . ontwikkeld. genootschap college student verplegen. ontwikkeld. geleerde festijn. drukken pers stil. dringen. snoeien oor. afgrendelen ontsnappen. aangrijpen fingeren. ontkomen. deftig eerlijk. zichzelf respecterend. afleren leren.uchwyt powiązania uchwyt środowiska uchylać się uchylać się uchylony uciążliwy uciec uciec uciec ucieczce ucieczka ucieczka uciekać uciekać się uciskać uciskać uciszyć uciszyć się uczcić uczciwy uczelnia uczelnia uczeń uczęszczać uczęszczać uczony uczony uczta ucztować uczucie uczucie uczucie uczucie) uczyć uczyć uczyć się uczyć się uczynny uda udaj udaj udawać udawać udawanie udawanie uderzać uderzać uderzający knippen. aanleren knap. afgrendelen ontsnappen. bedaard. doen alsof aanstellerij. afbreken snedig. geprononceerd. ontgaan ontsnappen. gelag affect. simuleren. smulpartij. aandoening instrueren afwennen. emotie. onnatuurlijkheid aanmatiging. wegrennen. geregeld bezoeken knap. ontkomen. ontwijken ontwijken. plukken. zorgen voor. inschikkelijk. degelijk academie. voorwenden. kalm kalmte. zwaar weglopen. hogeschool. aandoening recipiëren gevoel gewaarwording. drossen grendelen. persen. uit de weg gaan. hengsel. rustigheid. geleerd toegevend. dij fingeren. smulpartij. stilte waardig. ontgaan grendelen. feestmaal. ontkomen. juist. onbescheidenheid hameren afrukken. mijden. meegaand bovenbeen. gelag festijn. verzorgen bezoeken. doen alsof aandoen. ontgaan. rustig. eerzaam. kruk. handvat. geleerd wetenschapper. klink mijden. uit de weg gaan op een kier staand drukkend. simuleren.

het juk opleggen stutten. loten college geven stortplaats accoord. inham. klappen. geloof vertrouwen. disputeren. lossen twisten. steunen. vergemakkelijken loslaten. inham. bocht. aantonen schuldig bevinden beklemming. aaien slaan. grondvesten. klappen. gedeelte bijdrage verloten. agonie beklemming. vergemakkelijken verlichten. tappen. juist. krakelen bewijzen. raak slaan. fiducie hebben in zelfbewust. uitlaten. fiducie hebben in vertrouwen. steunen. dij tentoonstellen. opvallen bovenbeen. angst smoren. liefkozen. strelen. kloppen. geprononceerd. angst doodsangst. schragen laten blijken. eren golfspel. manifesteren . vereren. kloppen. belichten stutten. vertrouwen. onderdeel. benauwdheid.uderzający kontrast uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie serca uderzenie takie j. overeenstemming vertrouwen. kloppen. uderzyć uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem udo udostępniać udostępniać udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc techniczna obsługa udostępnić udostępnienia udowadniać udowadniać udowodnić udręczenie udręka udręka udusić udział udział udział udział dyskowy udzielać udzielić udzielić nagany udzielić poufnej informacji ufać ufać komuś/być zwolennikiem czegoś ufność ufność ufny ufundować Uganda ugniatać ugoda uhonorować ujadać ujadanie ujarzmiać ujawniać ujawnić snedig. samenklank huldigen. onderdrukken. doodsstrijd. schragen verlichten. bocht. benauwdheid. golf. klappen. opvallen aanhalen. boezem golfspel. zelfverzekerd baseren. klappen. golf. neerslaan invoer belang inboezemen. stuk. fiducie hebben in fiducie. interesseren deel. kloppen. boezem aanspannen. opvallen stompen Jan Klaassen aanspannen slaan. funderen Oeganda kneden overeenstemming.w. opvallen slaan.

aan de grond raken bek. maatregel circuit bende. liefje. pik. lieveling schat. citeren. lief. muil zinken. ordenen puzzel. steelsgewijs Oekraïens Oekraïens achteroverdrukken. lieveling compleet. afbikken montuur. schuin tersluiks. lieveling. lieverd. liefje schat. minus negatief. liefje. steken pikken. ingang. leuter. hierzo entree. samenklank bikken. priemen. bedrieglijk opdraven. pik. aanrichten. volledig afgestudeerd. priemen. schare circuit logica overeenstemming. toog lul. troep. ordenen ophopen. snikkel. liefje. noemen bekoorlijk. verdonkeremanen . muil slinks. prikken. prikken. jongeheer lul. arrestatie aanhalen. snikkel. opdagen akkoord. aanrichten. lief. bedrijven ontkennend min. maatregel circuit arrangeren. lieveling schat. ziedaar. scheelkijken. hier. jongeheer pikken. lief. toegang bek. leuter. loensen afkraken afkraken scheef. cliché aanhouding. doen. gediplomeerd scheelzien. vatting akkoord. innemend. kijk. sluiks. charmant ziehier. accumuleren arrangeren. raadsel boog. steken schat.ujednolicić ujemnie ujemny ujemny ujęcia ujmować w cudzysłów ujmujący ujrzeć ujście ujście ujście danych ujście zdarzeń ukartować ukazać się układ układ układ logiczny odporny na szumy układ komplementarny MOS układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy układ mikroprocesorowy układ RTL układ zerojedynkowy układ żądania i przyznania magistrali układ żądania i przyznania magistrali układać układać układać w stos układance ukłonić się ukłucia ukłucie ukłucie ukłuć ukochana ukochana osoba ukochany ukochona ukończyć ukończyć studia ukośnie ukośnik ukośnik (prawy) ukośny ukradkiem Ukrainiec ukraiński ukraść maken. opeenhopen.

dierevel. knijpen. huid verborgen. kruisigen bijenkorf bijenkorf floppen. belichten verlichten. dierevel. vergemakkelijken arrangeren. zachtmoedig. verdekt. laan steeg straat afstemmen. verdekt. ordenen drogbeeld. verhelen kruisen. verhelen veinzen. huid verbergen. mantel vel. vertroetelen uitverkoren uitverkoren troetelen. huichelen verborgen. ordenen arrangeren. vertroetelen afgezonderd. tokkelen. dodelijk gemeubileerd kruisen.ukraść ukraść ukryć ukryć ukryć ukryty ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać się ukrzyżować ul ul ulegać awarii ulepszać ulepszyć ulewa ulica ulica ulicą uliczka uliczka uliczka uliczny ulokować ulotka ulotny ultimatum ulubienica ulubieniec ulubieniec ulubiony ulubiony ulubiony ulubiony ułamek ułatwiać ułatwiać ułożyć ułożyć się z wierzycielami ułuda umarli umarły umeblowany umęczyć umiar umiarkowany klemmen. illusie doods. pels. paperback. nijpen sluipen blind jas. adapteren brochure. ontveinzen. fractie tentoonstellen. veredelen verbeteren. kruisigen matigheid zacht. laan straat straat steeg dreef. zachtaardig . ingenaaid boek zwak ultimatum uitverkoren uitverkoren troetelen. koesteren. ontveinzen. aanpassen. veredelen storm dreef. clandestien vel. clandestien verbergen. vacht. vacht. pels. dodelijk doods. afzonderlijk breuk. mild. begoocheling. aanrichten. in het water vallen verbeteren. koesteren. aanrichten.

universeel academie. universiteit krankzinnig zijn zweven immuun. uit de weg gaan. enig vernietigen. enig uniek. samenklank akkoord. overlijden. wasgelegenheid ons ons unie vernietigen. vernielen algemeen. oord. stand.35 grama) unia unieważniać unieważnić unikać unikalny unikat unikat unikatowy uniważnić uniwersalny uniwersalny system przetwarzania informacji uniwersytecki uniwersytet unosić się unosić się w powietrzu uodporniony nuchter. ontwijken typisch. maatregel verbintenis. vatting situeren. ondervinding bekwaamheid. arbitrair. annuleren. plaatsen plaats. contract congres willekeurig. afgelasten overeenstemming. universeel algemeen. aanstelling wassing het haar wassen geestelijk. kom wasinrichting. curieus. washok. matig belevenis. afgelasten mijden. eigenmachtig benoeming. kundigheid geschiktheid wetenschappelijk situeren. onvatbaar. verwoesten. lokaal. vernielen ontbinden. bekken. verwoesten. annuleren. bepalen vasten ontbinden. sterven montuur. positie doodgaan. leggen. aanneming fixeren. vreemd weetgierigheid. plek aanspannen vormsel.umiarkowany umiejętności umiejętność umiejętność umiejętny umiejscawiać umiejscowienia umiejscowienie umierać umieszczenia umieścić umieścić umieścić umocnienie umocować umocowany umorzyć (dług) umowa umowa umowa licencyjna umowa obustronna umowny umówione spotkanie umówiony termin umycie umyć sobie włosy umysłowy umywalnia umywalnia uncja uncja (28. sober. bevestigen. resistent . aanstelling benoeming. leggen. nieuwsgierigheid uniek. ervaring. plaatsen ligging houding. universiteit academie. mentaal vont. bezadigd.

halsstarrig. bevoegdheid. zich verbeelden hoe. hardnekkig halsstarrig. adapteren afstelling. verzekeren. naasten koppig. afstemmen. manen. bekorten. afvallen. ophouden. beschaving. afvallen. er uitzien afgrijselijk blinde. vaststellen. assureren constateren. vernedering nederig. storten instorten. als. bouw . vaststellen. pakken. verpakken gloed. aanmanen. autoriseren mandaat. deemoedig vermanen. eindigen bedenken. bij wijze van. gedenkschrift aandenken. neervallen. hardnekkig. volmachtigen. vuur nationaliseren. halsstarrig. plechtig. bevinden bakken aandringen aanhouden.upadać upadać upadek upadek upadek upadek upakować upał upaństwawiać upaństwowić uparty uparty uparty uparty się upewniać upewniać się upewniać się (<sth> co do czegoś) upewnić się upiec upierać się upierać się upilnować upiorny upiór upload upływać upodobanie upodobanie upokarzać się upokorzenie upokorzyć upominać upominek upominek uporczywa (walka) uporczywy uporczywy uporządkować coś uporządkowanie uporządkowany upoważniać upoważnić upoważnienie upraszczać upraszczać uprawa uprawa drzew uprawa ogrodu druppel. duchtig. beschaving. neervallen. instelling systematisch machtigen. aansporen aandenken. hard. blijven aandringen het uiterlijk hebben van. hardnekkig afgemeten. teelt. streng. verootmoedigen verootmoediging. koppig koppig. uitgaan. naasten nationaliseren. machtiging inkorten. volmachtigen. afkorten vereenvoudigen. bouw tuinieren cultuur. gedenkschrift bar. tot kleinmaken. simplificeren cultuur. geest uploaden aflopen. halsstarrig. ineenstorten. koppig aanpassen. bevinden constateren. ceremonieel halsstarrig. storten afgang inpakken. straf koppig. voor. vernederen. uiteenvallen ebvallen. autoriseren machtigen. waterdruppel vallen. hardnekkig. onderdanig. hardnekkig betuigen. blinde bij kaarspel. verzekeren veilig stellen. teelt.

aardig. eerder. kweken drillen. waterdruppel verrukt jubeluranium Uranus . alvast. opdoeken span al. reeds. kweken mandaat. voorrangsdisconto druppel. vlotheid titelen. privilege. kas. beschaafd. bevoegdheid. wellevend. fonds dobbelen hof. vooringenomenheid anticiperen. vrijheid. prejudiciëren zachtjes. alreeds daarvoor. prejudiciëren vooroordeel. vooringenomenheid anticiperen. voorzichtig gunst. hoffelijkheid voorkomend. tituleren. vooringenomenheid vooroordeel. welgemanierd vriendelijk. machtiging vrijdom. oefenen geldkist. prae bevoorrecht. machtiging mandaat.uprawiać uprawiać uprawiać uprawiać autostop uprawiać hazard uprawiać stręczycielstwo uprawiać zapasy uprawiać ziemię uprawnianie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie do zarządzania zadaniami uprawnienie do zmiany uprawnienie publiczne uprawnienie zdolność uprościć uprowadzać uprowadzenia uprowadzenie uprowadzić uprzątać uprząż uprzednio uprzednio uprzedzać uprzedzać (<against sb> do kogoś) uprzedzenia uprzedzenie uprzedzić uprzejmie uprzejmość uprzejmość uprzejmość uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzywilejować uprzywilejowany upust upuść uradowany uradowany Uran uran bebouwen. genadigheid voorkomendheid. bewerken. liefheid beleefdheid. bevoegdheid. indertijd vooroordeel. machtiging autoriteit. vooraan. vriendelijk wellevend. betitelen geschiktheid mandaat. bewerken. begunstiging. worstelen agrarisch bebouwen. tuin kampen. bevoegdheid. gezag vereenvoudigen. afschaffen. bereidvaardig beschaafd. welgemanierd preferentie. bevoegdheid. gezag mandaat. machtiging autoriteit. voorkomend bereidwillig. lief. simplificeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoeren elimineren.

voorrijden uitschrijven. genoeglijk viering fraaiheid. inrichting. overvloed vruchtbaar geboorte geboorte verjaardag. krenken afhandelen. verjaring appelleren. vrijaf vakantie vakantie aanbiddelijk. bijkomend akkoord. behouden blessure. denkbeeld uitrusting. bijbehorend. ontketenen executeren. afdoen verlof. maatregel hulpmiddelen. schoonheid. accommodatie. benul. organiseren bijkomstig. redden redden. affronteren. aanzetten klif. rachunek) urlop urlop urlop chorobowy sickness uroczy uroczy uroczy uroczystość uroda urodzaj urodzajny urodzenia urodzenie urodziny urok urok urok urozmaicenia uruchamiać uruchamiać uruchamiać (program) uruchomić uruchomić w tle urwisko urząd celny urząd celny urząd pocztowy urząd pocztowy urządzać urządzać urządzenia pomocnicze urządzenie urządzenie urządzenie peryferyjne urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela urządzenie zewnętrzne urzeczywistniać urzędnik urzędnik urzędnik państwowy urzędnik stanu cywilnego urzędowy bergen. officieel bediende. aanrichten. klip usance. innemend. kwetsuur. inrichting beseffen. regelen. ordenen uitschrijven. geboortedag. officieel . charmant behaaglijk. bergen. kantoorbediende officier ambtelijk. gewoonte. kantoorbediende ambtelijk. apparaat slaaf idee.uratować uratować uraz uraza urazić uregulować (np. aanbiddenswaardig bekoorlijk. grenskantoor aanplakken postkantoor arrangeren. een beroep doen op aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid afleidingsmanoeuvre ontzetten. knapheid onbekrompenheid. lanceren. ter dood brengen aanzetten tot. wond. behouden. begrijpen bediende. verwonding trots beledigen. begrip. gebruik douanekantoor. bevatten. activeren. ontslaan aanrijden. royeren.

speurwerk. matig bedaard.usankcjonować usilny usłuchać usługa elektroniczna usługa o najwyższej możliwej jakości usługa uaktualniania sterowników usługa uwierzytelniania usługa zabezpieczenia usługi maklerskie usługiwać usługiwać usługodawca sieciowy usłużny uspokajać uspokoić uspokoić uspokoić uspokoić się usposobienia usposobienie usposobienie usposobiony usprawiedliwiać usprawiedliwić usprawnić usta ustalać ustalać z góry ustalić ustalony ustanawiać ustanowić ustanowić ustanowienie ustanowienie ustawa ustawa ustawać ustawą ustawiać ustawianie ustawić ustawienie. stichten inrichten. stil. instituut. oprichten. hulpmiddelen inrichting. geaardheid. stichten gesticht. bedaard. oprichten. rustig. aard harden. dienst. aangegrepen verontschuldigen verontschuldigen wijzigen. zoektocht eredienst. oprichten. paragraaf neerleggen. oplettend gematigd. paragraaf artikel. hulpmiddelen arrangeren. beamen. wachten. star. inrichting grondwet. kalm wiegen harden. stalen aangedaan. modificeren bek. constitutie instelling recht statuut stoppen. apparaat. aflaten. temperen. rustig. godsdienstoefening vinger speurtocht. układ ustąpić ustęp ustęp (w książce) ustęp w książce ustępował ja zeggen. ophouden statuut inrichting. zoektocht eredienst. godsdienstoefening courtage te wachten staan. afstand doen . bescheiden. speurwerk. stalen karakter. aanrichten. afhalen serveren. bedanken. matig stil. maatregel toegeven kast artikel. muil determineren. nauwkeurig bepalen onbeweeglijk. nauwkeurig bepalen inrichten. dienst. bescheiden. vast inrichten. attent. stichten determineren. spoedeisend gehoorzamen speurtocht. ordenen akkoord. bevestigen dringend. temperen. voorleggen server aandachtig. brandend. apparaat. kalm gematigd.

gewijd. gehavend.ustępował ustnie ustny ustronne (miejsce) ustrój usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć przekrwienie usunąć usuwanie (z IRC) usunąć zaznaczenie usuń usuwalny usuwanie źródeł zakłóceń radiowych usychać uszanowanie uszczelniać uszczelnić uszczypliwy uszczypnąć uszko uszkodzenie uszkodzenie styku uszkodzić uszkodzić uszkodzony uszkodzony sektor uścisk uścisk uścisk uścisk uścisk dłoni uściskać uścisnąć (rękę) uśmiech uśmiech sieciowy uśmiechać się uśmiercać uśredniać uświadomić uświęcać uświęcony utalentowany utalentowany utalentowany utknąć bekoelen. klink schuld verval schade aanrichten. regime uitwissen. kaduuk kwalijk. stuk. persen. talentvol logeren . kruk. respecteren strakker aantrekken. defect. sacraal capabel. trappen elimineren. uitstekend. borrel oor. verlichten heiligen geheiligd. kwaad omhelzen. kwijnen. wegvagen afneembaar akkoord. hand drukken. schaden havenen. aanzienlijk getalenteerd. heilig. opdoeken elimineren. bloot. louteren elimineren. louter stelsel. staatsvorm. knellen vasthaken knuffelen drukken. luwen mondeling mondeling. spits aperitief. vernielen gemiddeld illumineren. bederven kapot. afschaffen. omarmen bemachtigen. persen. handvat. grijpen handdruk. aantrekken kalfateren. opdoeken uitwissen. kalefateren. slecht. oraal enkel. bekwaam eminent. wegvagen vernietigen. opdoeken schoppen. afschaffen. verdorren eerbiedigen. dringen. beschadigen. kundig. schoonmaken. uitvegen. uitvegen. verwoesten. hengsel. bedaren. verwoesten. afschaffen. met gom bestrijken reinigen. maatregel verflensen. dringen. knellen glimlachen glimlachen glimlachen vernietigen. beroerd. breeuwen puntig. vernielen gommen.

adoreren. utopisch aflopen. beklemtonen met nadruk zeggen. steunen. attentie. uitgaan. waterdruppel vertogen. oordelen. componeren doen ontstaan. verlokken. lust. mank lopen zin. schragen stutten. brok tekst scheppen. steunen. aanstaren Utopia utopistisch. aandacht beoordelen. attentie. aanmerking. oplettend ouverture ouverture affect. kwijt. betogen. neiging acht. turen. nor vrijstellen. adoratie geloofsbrief verleiden. maken. vervlogen hoofdpijn pest druppel. aanbidding aanbidding. aanbidden adoratie. schragen harden. benadrukken . emotie. tappen. aanvechting. temperen. creëren kreupel lopen. stalen samenstellen. uitlaten. voorzichtig aandachtig. standje. argumenteren blijven vertogen. attent. opsluiten gevangenis. weglokken gevangen zetten. ophouden. lossen vermeerderen accentueren. kerker. eindigen verloren. aandacht berisping. mank lopen kreupel lopen. formeren fragment. hinken. met aandacht. betogen. ontslaan afhelpen loslaten. hinken. attent aandachtig. blaam bevrijden acht. argumenteren zich gedragen stutten. berechten behoedzaam. aandoening aanhechting verafgoden.utkwiony wzrok utopią utopijny utracić ważność utracony utrapienia utrapienie utrata wydajności utrzymać utrzymywać utrzymywać (coś w ruchu) utrzymywać (stosunki utrzymywanie utrzymywanie się utwardzać utworzyć utworzyć utwór (muzyczny utwór liryczny utwórz utykać utykanie (na nogę) utylizacja uwaga uwaga uwalniać uważać uważać uważający (<of sth> na coś) uważnie uważny uwertura uwerturą uwiązanie uwiązanie uwielbiać uwielbiać uwielbienie uwierzytelnienie uwieść uwięzić uwięzić uwolnić uwolnić uwolnienie uwydatniać uwypuklać uwypuklać staren.

buit maken verkrijgen. bij acclamatie benoemen eerbetoon. nuttig behulpzaam. begaafdheid. star. tering. laten begaan. hand in orde. vast aanaarden aanaarden aanaarden aarding. exploiteren. onpartijdig aanaarden agnosceren. hulpvaardig aannemen. usurperen verkrijgen. laten schieten menen. betomen talent. beoefenen . toepassing utility bevorderlijk. ondergrond neutraal. uitmelken gebruiker gebruiker betrachten. eerbetuiging erkenning compleet. bij acclamatie benoemen toejuichen. begaafdheid. capabel. klem afhankelijkheid verontschuldigen garanderen. huren. dienstig. bodem. overeenstemming handdruk. als waarheid aannemen laten. aanwerven uitbuiten. tuberculose aanwending. overeenstemmen in orde. als waarheid aannemen agnosceren. gave. overweldigen. overeenstemming handdruk. hand accoord. borg staan voor bedwingen. aanleg bekwaam. afgesproken. grond. buit maken longtering. aanleg talent. afboeken accoord. afzijdig. akkoord opnemen. gave. volledig aanvullend kraken. houden voor toejuichen. aardleiding achtergrond. kundig het eens zijn. geloven. beteugelen.uwypuklać wzmagać uwypuklenie uzależnienia uzasadniać uzasadniać uzdą uzdolnienia uzdolnienie uzdolniony uzgadniać uzgadniać uzgadnianie uzgodnić uzgodnienia uzgodnienie uzgodnienie włączania i wyłączania uzgodniony uzgodniony uziemiać uziemienia uziemienie uziemienie uziemienie uziemiony uziom uznać uznaj uznaj uznaj uznania uznanie uznanie uznanie uzupełniać uzupełniający uzurpował uzyskać uzyskiwać użycie użycie użyteczność użyteczny użyteczny rozmiar ekranu: 13 użytek użytkować użytkownik użytkownik zaawansowany używać vermeerderen nadruk. afgesproken. akkoord onbeweeglijk.

huren. afgelopen. overheen. vanhier gloeiend. naar met de klok mee. nesthaar. geblokt geruit. aanvaller geruit. bemesten. tezamen.używać używać powtórnie używać życia używany używany do tworzenia czasu przyszłego użyźniać v V (<spill v całować (się) v leżeć v przycinać (drzewa v zaopatrywać verbum verte w w (pewnych) granicach w biedzie w budowie w charakterze w czasie w dobrym guście w domu w dół w dużej mierze w dużym stopniu w gniewie w gotowości w górę w górę i w dół w górze w każdym wypadku w każdym wypadku w kierunku obrotu wskazówek zegara w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara w końcu w kraju i za granicą w kropki w którym w którym najwięcej się przebywa w lombardzie w napięciu w plamy/cętki w płomieniach w płomieniach w pobliżu w połowie drogi w porównaniu z aanwending. zwanger aanhangig ander waas. woonkamer archief op bed hiervandaan. bezorging werkwoord klaar. toepassing tweedehands gaan. verterend. dons tegenwoordig tegenwoordig op. opwaarts. in. naar boven. nesthaar. hol. enig over. verlaten. naar boven met de klok mee. bijeen. aanwerven aanwending. tot. heel drachtig. alleen. omhoog. ineen volkomen. holte zitkamer. krocht. grot. opeenhopen morsen zoenen. aan de overkant van goed. verzendend circulerend. ernaast. rechtsom aan. binnen feeëriek samen. te. toepassing aannemen. dons waas. opwaarts omhoog. geblokt spelonk. ophopen. mesten accumuleren. huiskamer. voor. rechtsom voorspeler. opwaarts. vurig. zullen gieren. afgewerkt. in omloop hiernaast. daarnaast louter. tegen. op. op. naar boven boven boven omhoog. totaliter. bij. beëindigd per. okee . okay. kussen rusten snoeien aanvoer.

dus. balans. daarentegen intussen. zodoende hierbij intussen. symbool van middelbare leeftijd per. hatelijk wafeltje weegschaal. circa bijgevolg. te. minpunt schuld nadeel. binnen iets achteruit. binnen per. schaduwzijde. afwegen gewicht saldo. inbegrepen. per per. aanlokkelijk lokken aas. rugwaarts achteruit. waarachtig lafhartig. spoorwagen bagagewagen . te. verleiden lekker. schaduwzijde. dus. derhalve. overschot gewicht automobiel. te. waag het gewicht bepalen. boosaardig. in. binnen. achterwaarts.w międzyczasie w żadnym wypadku w żałobie wabić wabić wabić wabik wachlarz wada wada wada w zabezpieczeniach wada wymowy również jąkanie wadą wadliwe działanie wadliwy wafel waga waga waga waga półciężka (w boksie) waga półciężka (w boksie) wagon wagon wagon wagon (towarowy) wagon bagażowy rechter-. te. laf. weglokken. in. te. inmiddels. stuk gaan kwaadaardig. in. inmiddels. zodoende inderdaad. aanvuren. auto affuit bestelauto. metterdaad. een stuk of. rugwaarts inclusief. schaduwzijde. vandehands ander ongeveer. bestelwagen wagon. incluis bijgevolg. wegen. bang zinnebeeld. derhalve. daarentegen per. aanzetten nadeel. minpunt uitvallen. binnen verlokken. achterwaarts. lokaas aanwakkeren. binnen in. minpunt schuld nadeel. haperen.w potrzebie w przeciwieństwie do w przybliżeniu w razie uszkodzenia niektórych elementów) w rzeczywistości w stosunku do w strachu w systemie AutoCAD w środku w tej chwili w twoim wieku w tyle w tym celu w wielu wypadkach w wyniku w zwrocie <with arms akimbo> podparłszy się pod boki w zwrocie <without demur> bez sprzeciwu w zwrocie: <in the meantime> w międzyczasie w zwrocie: <in the meantime> . in.

dubben zweven aarzelen. beugel aarzelen. morren lip lip dalen. teil. ferm vijzel. sputteren. eerlijk. slaapwagen wagon. gehalte kankeren. vuur damspel waarde. cilinder flink. mopperen. spartelen. mopperen. dommekracht. strijd voeren beetnemen. kuip kalk kalk gloed. wal. zich aftobben muntsoort. dijk loopgraaf rol. valuta dijk. schommeling vakantie verlof. spartelen. zich aftobben strijden. krik Wales dichtslaan Welshman Wels valies. handkoffer. krankzinnige kankeren. afnemen bezetene. aarzeling geschommel. omwalling waterkering. straatschender vanille vanille bad. schoorvoeten. kleiner worden. cilinder vandaal. beetpakken. morren vlechten . waterkering bastion. kampen. badkuip bak. pakken worstelen. braaf. koffer strijden. gek. sputteren. strijd voeren rol. tobbe. dapper. vrijaf wals worstelen. schoorvoeten. handkoffer. spoorwagen trolley. hapering. kampen.wagon sypialny wagon towarowy wagonik wahać się wahać się wahać się (w podjęciu decyzji) wahania wahanie się wakacje wakacje (ferie) walc walce walczyć walec waleczny walet Walia walić głową w mur Walijczyk walijski walizce walizka walka walka wręcz walka wręcz waluta Wał wał obronny wał ochronny wał ochronny wałek do włosów wandal wanilia wanilią wanna wanna wapno wapno palone war warcaby warcie warczeć wardze warga wariant wariantowy (typ danych) wariat warknąć warkocz slaaprijtuig. bolwerk. dubben geweifel. koffer valies.

voorwaarde. piek waard zijn. waar bewaken. neus. kwalificatie kwestie. gehalte waarde. bekken. bank. juffertje .warkocz warstwa warstwa warstwa zubożona warstwą warszat programisty środowisko robocze Warszawa warsztacie warsztat warsztat wart wart warta wartki wartościowa cecha wartościowy wartościowy wartość wartość wartość skuteczna wartość systemowa wartość wyjściowa wartość znamionowa wartość źródłowa porządku wartownik warunek warunek warunek warunek warunek wstępny (konieczny) warunek wystąpienia błędu warunek wyszukiwania warunek złożony warunkować wasoryt wasz wasz wat wat wata watolina watroba wawrzyn waza wazelina wazon wazon ważce vlechten jas. gehalte schildwacht. gehalte gemiddeld spits. vraag. de jouwe watt watt watten watten lever laurier. overjas aardlaag aardlaag dikte. schraag. jouw het jouwe. waterjuffer. kom vaseline vont. vat. ezel. spoedig. buit. aanwinst zeldzaam kostbaar. lauwer vont. zaak werkplaats waarde. bewaren gezwind. clausule. waardevol overschatten. wacht conditie. bok Warschau rek. ezel. top. pot. toekomen. de wacht hebben. bekken. bepaling conditie. bank. gauw. pul libel. voorwaarde. voorwaarde. bepaling conditie. tip. vakterm verzekeren. gehalte waardig. bepaling bevoegdheid. bepaling ets je. schraag. punt. overwaarderen waarde. verdienen waarde. eerzaam. kom vaas. navraag term. lijvigheid rek. bepaling voorwaarde. acquisitie. bok winkel. clausule. haastig. beweren voorwaarde. snel prooi.

watercloset erg. zich vastklampen aan aanklampen. lucht snor. vroeg voorafgaand. eng. voorgaand gisteren gisteren gisteren . bijster in beslag nemen. twijfelen. pril. opslorpen. twijfelachtig. in dubio staan discutabel. geldig. vigerend relevantie erg. afwegen reuk. absorberen absorberend absorptie. vroeg jeugdigheid. voornaam gangbaar. meermaals nog drachtig. pril. steeds herhaaldelijk. straat snor. kanaal. geldig. vigerend stoffelijk. betwistbaar lever slang slang WC. zich vastklampen aan uitlisten. wegen. nauw. twijfelen. knevel draad. licht dubben. dubieus aanvechtbaar. opslorping aanklampen. vakantiedag. immer. verleden. krap. zbiór przeszukiwanych informacji) wąsy wątek wątek zablokowany wątły wątpić wątpliwość wątpliwy wątpliwy wątroba wąż wąż WC wcale iać wchłaniać wchłaniający wchłanianie wchodzić (na statek wchodzić na pokład wciągać na listę wciągnąć w zasadzkę wciąż wciąż wciąż wciąży wcięcie wciskać kit wczasy wczesny wczesny wczesny rozwój talentów wcześnie wcześniejszy wczoraj wczoraj wieczorem wczorajszy dzień libel. opsturen snipperdag. nauw zeeëngte. zwanger inspringen doen toekomen. bekrompen. een lijst maken een hinderlaag leggen altijd. geldend. geur. rustdag vroegtijdig. belangrijk. vroeg vroegtijdig. waterjuffer. ernstig. luchtje. garen draad. knevel smal. juffertje gangbaar. garen zwak. kanaal. jeugd vroegtijdig. geldend. straat zeeëngte.ważka ważki ważność ważny ważny ważny (posiadający moc prawną) ważyć wąchać wąs wąski wąski wąski zawęzić (np. pril. sturen. materieel het gewicht bepalen. nauw. in dubio staan dubben.

uitspraak. versie . met ingang van. sententie. sluieren wollen wollen Venetiaans verhandelen. cambio omsluieren. bezielen. aflopen veranda dienst nemen dienst nemen judicium. aanzetten ventilator. vanaf uur doordringen. ingang. overhellen. hellen. afdalen indoen.wdowa wdowca wdowiec wdychać wdychać wdzięczność wdzięczność wdzięczny wdzięczny wdzięk wdzięk wdzięk według według stałych kursów walut wedrzeć się wegetariański wejścia wejścia wejścia wejście wejście wejście wejście wejście radaru dalekiego zasięgu wejście z klawiatury wejście zegarowe wejście zerowe wejście/wyjście danych wejście/wyjście danych wejść wejść w życie weksel welon wełna wełną wenecjanin wentyl wentylator wentylator Wenus weranda werandą werandą werbować werbował werdykcie werdykt wersja weduwe weduwnaar weduwnaar ophalen. insteken. tappen. uitspraak. vonnis judicium. sententie. toegang aanmelding deuropening entree. dankbaarheid gracieus. ingang. toegang naar beneden gaan. vonnis uitvoering. doorstoten vegetarisch deuropening entree. inboezemen erkenning erkentelijkheid. toegang aanmelding invoer invoer uitgeven. erkentelijk sierlijkheid Gratie sierlijkheid sedert. emitteren invoer aanmelding deuropening entree. bevallig. ingang. inademen inspireren. overdoen aanwakkeren. sierlijk dankbaar. wan Venus veranda buigen. steken wissel. binnendringen. aanvuren.

checken. vrolijk. westen westen westers. rondreizen rondtrekken. te. exploot. te per.wersja o średniej szybkości wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza weryfikować weryfikował wesele wesoły wesoły wesoły wesoły wesoły westchienie westchnąć westchnienie western western western western wesz weteran weterynarz wewnątrz wewnątrz wewnątrz ośrodka wewnątrz siedziby wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny test po włączeniu wewnętrzny test po włączeniu wewy odwzorowane w pamięci we-wy odwzorowane w pamięci wezwania wezwanie wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) węch wędrować wędrować wędrować wędrował wędrowiec wędrownik wędrówka węgiel węgiel drzewny afkorting. binnenlands. goedgehumeurd snaaks. monter goedgeluimd. kruiden aroma. aflezen bruiloftsfeest. rondtrekken. trekkend. kreunen zuchten. goedgehumeurd keurig. te binnenlands. inheems. exploot. houtskool . trekken rondtrekken. trekken. kreunen zuchten. assignatie dagvaarding. dartel zuchten. binnen binnen. in. rondtrekken. te. vies ruiken trekken. binnenlands. steenkool dovekool. in. monter goedgeluimd. per. geur uitvoering. migrerend rondreizen. tarten. rondreizen rondreizen. in. verkorting op smaak brengen. in. binnenlands. westelijk luis veteraan. uitdagen. versie controleren. Westers. trekken. trekken rondtrekkend. uittarten stinken. checken. oudgediende dierenarts per. intern aanplakken Io Io dagvaarding. inlands intern. schelmachtig. trekken kool. rondtrekken. binnen binnen. bruiloft lustig. rondtrekken. per. kreunen west west. aflezen controleren. guitig. assignatie trotseren. rondreizen rondreizen. intern binnenste. binnenste binnenste. inwendige binnenste.

binden stropdas. boodschap nieuws. slag. olm inbinden. boodschap communiqué emmer emmer emmer overtuiging geloof. band. een knoop leggen knopen. windsel strip. nieuwigheid. winden. klos. winden. winden. bobine whisky whisky mout houw. onvervalst. paling Hongarije hoek knopen. nieuwtje woord. windsel . een knoop leggen aansluiting gastheer knopen. geheimzinnig spoel. een knoop leggen mysterieus. een knoop leggen geleding. vertrouwen overtuiging geloof. reep. flap. knoop. spoelen luchtdrukgeweer iep. strook. waar op een klos winden. boodschap bericht. vertrouwen authentiek. spoelen op een klos winden. een knoop leggen stropdas. mep. grijpen. reep. das knopen. band.) wiadomość jawna wiadomość odbita Wiadro wiadro na węgiel wiadro na węgiel wiara wiara wiarą wiarą wiarygodny wiatr wiatr północnozachodni wiatr północno-zachodni wiatrówka wiąz wiązać wiązać wiązać koniec z końcem wiązanie wiązanie walencyjne Hongaars Hongaars aal. knooppunt knopen. boodschap bericht. strook.Węgier węgierski węgorz Węgry węzeł węzeł węzeł węzeł (graficzny na krzywej składanej) węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) węzeł graficzny na krzywej składanej węzeł kolejowy węzeł o wielu podłączeniach węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę węzłowaty wężownica whisky whisky whisky słodowa wiać wiadomości wiadomość wiadomość wiadomość wiadomość dnia wiadomość itp. nieuwtje bericht. aangrijpen strip. spoelen op een klos winden. klap nieuws. fiducie. knoest. echt. fiducie. nieuwigheid. bewoording bericht. das bemachtigen.

brandstapel. vibreren subsidiair. ondervoorzitter kruis. chrustu) wiązka elektronów wiązka światłowodowa wiążący wibracja wibracją wibrować wibrował wice wiceprezes wiceprezydent widelec widełki widły widnokrąg widocznie widocznie widocznie widoczny widoczny widoczny dostępny widok widok widok widokówka widowisk widowiska widowisko historyczne widownia widownia (w teatrze) widz widzenie widzieć widzieć się widzowie wieczne pióro wieczność wieczność wieczny wieczór wieczór Wiedeń wiedeński wiedza bos. nakijken. bundel bundel. examineren richtmiddel. huis toeschouwer gezicht. reep. visioen. wis. gehoor. duidelijk. ondervoorzitter vice-president. trilling trillen. bundel strip. droombeeld ontmoeten. gezichtseinder klaarblijkelijk. band. plaatsvervangend vice-president. bos mutserd. wis. mutsaard straal. naar het schijnt aanwijsbaar. blijkbaar klaarblijkelijk. vork kruis. vizier gezicht. visioen. trilling vibratie.wiązanka wiązka wiązka wiązka wiązka (np. kijkspel. vertoonbaar zichtbaar naar buiten. horizon. duidelijk in schijn. pand. wis. buitenwaarts onderzoeken. schouwspel spektakel. mutsaard mutserd. wis. auditorium vulpen eeuwigheid onvergankelijkheid. vork kruis. gehoor. vork kim. vibreren trillen. kijkspel. brandstapel. eeuwigheid eeuwig avond nacht Wenen Weens bekendheid. windsel vibratie. zoeker. kunde . bundel bos. kennis. blijkbaar. schouwspel toehoorders. spaak bos. droombeeld briefkaart bril spektakel. strook. aantreffen interviewen toehoorders. auditorium geslacht. eruit.

onnozel. tovenares. boel. kameel kavel. bestek. nauwgezetheid . veel. edel hoeveelheid. gegrond accuratesse. toverheks. guirlande. slingerkrans grip. slingerkrans varkensvlees varkensvlees dom. heks ergo. bestek. bekend zijn met kol. grootheid omvang. banderol veelvoud walvis multitasking bekronen. minnares bewonderaarster.wiedzą wiedzieć wiedźma wieę wiejski wiek wiek wiek dojrzewania wiekowy wielbiciel wielbiciel wielbiciel wielbiciel corridy wielbłąd wiele wiele wiele Wielkanoc wielki wielki stopień scalenia wielki stopień scalenia wielkoduszny wielkość wielkość wielkość wejściowa równoważna szumom wielkość wyjściowa wielokrotnie wielokrotność multiplexer wielokrotny wielokrotny strumień rozkazów wielokrotny strumień danych wielonarodowy wielopak wieloraki wieloryb wielozadaniowość wieniec wieniec wieność (zasadom) wieńca wieprzowina wieprzowiną wiercenie wiercić wiercić się wierna (kopia) wierność (odtwarzania) bekendheid. flauw aanboren boren juist. tiptop. grootte omvang. overweldigend groot nobel. ook weer. kostelijk groots. aanbidster vriendin. vrijster. excellent. perceel menig. dus. kennis. bestek. kronen slinger. kunde kennen. omvang herhaaldelijk. gelijk hebbend. geliefde. vereerster kemel. vele veel Pasen tof. sterkte. wikkel. toch landelijk. vereerster vereerster. stiptheid. simpel. grootte grootte. meermaals veelvoud veelvoud veelvoud multinationaal kruisband. boers leeftijd. adhesie slinger. guirlande. ouderdom oud bewonderaarster. grandioos. ouderdom eeuw leeftijd.

aangeven. landman boer. constant. band nor. knoop. blanco. więdnąć większość więzienia więzienia więzienie więzienie więzienie więzień więź więź więź więź enie więźienie bestendig. ook weer. gevangenis gevangenis. dus. kerker gevangenis. gestaag trouw. nor nor. toch. zetten stropdas. plattelander. blank strofe. ook weer. dorp boer. oningevuld. gevangenis gevangene aanhechting monteren. knoest. trilgras zefier eekhoorn eekhoorn aanreiken. afdragen toren toren toren ergo. top. geloven hangen platteland. snoer. kerker.. kerker. gevangenis . waaien bries. menen. couplet rijmen. dus meer meer vervagen meerderheid. toch ergo. landman. neus. kerker. knooppunt overtuiging houden voor. das binding. tip. spits geleding. getrouw vislijn. sim.wierny wierny wiersz wiersz wiersz wiersz na minutę wiersz zależny wierszyk wiertarka wierzba wierzbą wierzch wierzch górny wierzchołek Wierzenie wierzyć wieszać wieś wieś wieśniak wieśniak wietrzyć wietrzyk wietrzyk wiewiórce wiewiórka wieźć wieża wieża metalowa wieża strzelista więc więc więcej więcej informacji na ten temat można znaleźć w. nor nor. kerker. kerker. meerderjarigheid gevangenis. berijmen boren wilg wilg bovenste piek. punt. nor. plattelander frisse lucht toewaaien. wannen. couplet wit. hengelsnoer roeien strofe. open veld plaats..

xeres druif wijnstok. buiten. lemmer. wijnberg schuldige. door het water plassen riem. roeiriem. kolken virtueel . door het water plassen vlek. lemmet bikken. landhuis schuld schuld aanrekenen. wervelen. buurtschap riem. dader cello. cel. roeiriem. aanslag vochtig vochtig nat wolf buitenverblijf. kolken hardloper spinnen warrelen. roeren. roeispaan peddelen.wigor wij wikary wilczur wilgoć wilgoć wilgoć wilgotny wilgotny wilgotny wilk willa wina wina winą winą winda winić winien winnica winnicą winny wino wino hiszpańskie winogrono winorośl winorośl winowajca wiolonczela wiosce wiosełko wioska wiosło wiosło wiosłować wiosłować wiosna wiosna wiosna wioślarz Wiór wiór wir wir (efekt graficzny) wirnik wirować wirowania wirtualny sap duizendpoot pastoor Elzassisch vochtig vochtig maken. gehucht. voorjaar riem. ontspringen lente. gehucht. toeschrijven. toedichten schuld lift aanrekenen. roeispaan peddelen. wingerd wijngaard. dwarrelen. roeiriem. toeschrijven. toedichten schuldig wijngaard wijngaard schuldig wijn sherry. buurtschap peddelen. dwarrelen. opwellen. omroeren warrelen. roeispaan kling. violoncel vlek. bevochtigen condens. wervelen. afbikken doorroeren. door het water plassen springen opborrelen.

wirtualny terminal sieciowy wirus wirus utajniony wisieć wist (gra w karty) wist gra w karty wiśnia witać witać witalny witamina wiwatować wiza wizą wizerunek wizja wizja wizja na fali ciągłej wizować wizualny wizycie wizyta wizyta (na stronie WWW) wizyta powtórna wizyta próbna wizytator wizytator wkleić wkleić wklęsłość wklęsły wklęsły wkład wkład wkład wkładce wkładka wkoło wkoło wkrótce wlec wliczając w to wliczyć władać władca władca władca władca werkelijk. foedraal ingevallen. inhouden. incluis bevatten. prent.. omtrent. kloppen. droombeeld gezicht. heerschappij. schede. begroeten feestelijk inhalen vitaal vitamine aanhechtsel. klappen bezoeken. afgaan. afgaan. steken. inbegrepen. affix visum visum afbeelding. visioen. bewind lord onder de knie krijgen. daadwerkelijk virus virus hangen whist whist kers groeten. meester worden liniaal oppermachtig. afgaan. opzoeken slaan. houwen. plaat uitzicht gezicht. in bewaring geven invoer insteken. indoen om . alras. visioen. opzoeken inspecteur bezoeker in. gauw. behelzen bestuur. opzoeken bezoeken. binnen. haast. steken.. indoen insteken. opzoeken bezoeken. om ronde dra. oppermachtig . heen. ingevallen bijdrage afgeven. soeverein. droombeeld visum zichtbaar bezoeken. effectief. afgaan. spoedig trekken inclusief. per aanplakken houder. ongeveer. te. hol hol. deponeren.

eigendom. pit. hebbelijkheid eigenschap adequaat. geschikt. foedraal. rondtrekken. lichtelijk. waarachtig een klein beetje. jijzelf Italiaans harig. erop nahouden eigenaar schede. haar Italiaans haardos. stranden baai. vagebond rondreizen. gezag heerschappij. gewoonte. eigendomsrecht usance. macht. haar blond zwerver. korrel aan de grond lopen. gezag afvaardiging. radicaal nestelen. bezit landgoed. inclusief. metterdaad. nauwgezet. kreek . boerderij. houder eigenaar chaperonneren inderdaad. mogendheid autoriteit. boerderij.władza władza władza kierownicza władzy) włamywacz własne dzieło własność własność domkniętości własność gwiazdy własność obiektu własność otaczająca własny własny właściciel właściciel ziemski właściciel ziemski właściciel ziemski właściwie właściwie właściwość właściwość właściwość charakterystyka właściwość obiektu właściwy właściwy właściwy właśnie właśnie włączać grupa włącznie włączyć włąsnoręcznie Włoch włochaty Włochy włos włoski włosy włosy blond włóczędze włóczęga włóczyć się włókno włókno włókno włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona wnęka autoriteit. bezitten. inham. gebruik rijk zijn. ruigharig Italië haardos. accuraat grondig. vagebond zwerver. vandehands precies. attribuut landgoed. bezitting eigendom. een nest maken incluis. ruig. attribuut landgoed. ietwat bijvoeglijke bepaling. trekken vezel vezel zaadkorrel. bijbehorend gemakkelijk. bezitting aanwensel. bezitting bijvoeglijke bepaling. inbegrepen smeden uzelf. delegatie inbreker handwerk bezitting. doelmatig rechter-. boerderij.

heen. uitholling. omtrent. verbond. wier waterval uitschrijven. felheid scherp. om om . zeewier zeewier. conclusie uitgang. gevolgtrekking conclusie. concluderen conclusie. acuut. heen.. mening deduceren. aanvragen. ongeveer. afleiden. te.wnęka wnęka na moduły wnęka napędów wnęka wstąpienie wnętrze wnętrze wnieść udział wnikać wnikliwość wnikliwy wniosek wniosek wniosek wniosek wnioskować wnioskować wnioskowanie wnioskowanie wniosek wnosić udział wnuczce wnuczka wnuk woda woda utleniona wodą Wodnik Wodnik (znak zodiaku) wodny wodny wodorost wodorosty wodospad wodować (statek) wodować statek wojenny województwa województwo wojna wojna domowa Wojna Światowa wojsko wojsko wojskowość wojskowy wokoło wokół wola wolcie hol. binnen binnenste. legermacht troep militair militair om . rust per. binnendringen.. krijg gouvernement gouvernement oorlog.. uiteinde vragen. abstraheren besluiten. om uiterste wil. wier. schelheid. helder. kleinzoon water water water Waterman Waterman waterwater alge. inroepen. lanceren. doorstoten guurheid. hypothese. voorbijgaand gevolgtrekking. inwendige bijdragen doordringen. lanceren. gevolgtrekking bijdragen kleindochter kleindochter kleinkind. ontketenen oorlog. in. holte zak nis pauze. wereld heerschaar. verzoeken onderstelling.. afleiden. testament volt . omtrent. krijg civiel aardrijk. ontketenen uitschrijven. alge. leger. ongeveer.

voeren. chef richten. karretje trolley. beugel vrachtauto. afdracht aandoen. los. speling. auto affuit affuit kar. klamp. schoencrème schoensmeer. wagen. vlot. zachtjes. vlotheid onbezet. schoencrème dragen. rund stinkend geur. sparen immuun. handkar. open volt geluidssterkte. los. schriftuur verwarren.woleć wolna przestrzeń wolno wolnonośny wolność wolny wolny wolny od cła wolny od cła wolny od podatków wolny od podatków wolt wolumen wolumin wołać wołowina wołowiną wołowy wonny woń worek worek wosk wosk wosk pszczeli woskować wozić wódka wódz wódz (plemienia) wół wówczas wóz wóz wózek wózek wózek wózek inwalidzki wpajać wpatrywać się wpisać wpisywać wpisywanie wplątać wplątywać (kogoś w coś) wpłata wpłata wpływ prefereren. volume geluidssterkte. dus. wereldruim. truck. de voorkeur geven aan bestek. vlot. onbelemmerd ontzien. baas. benoemen. onbezet. heten. inhoud. insteken. open. aanstaren indoen. ruimte op zijn gemak. ergo. verzadigen staren. aangrijpen . langzaam kramp. steken drukletter geschrift. royeren bijenwas schoensmeer. uitmaken voor klapstuk. aroma tas. voorhebben. verstrikken verwarren. zak ontzetten. betrekken. volume noemen. commandant aanvoerder. rundvlees koe. inhoud. onvatbaar. verstrikken afbetaling transfer. besturen. schoencrème schoensmeer. nietje vrijdom. gebieder. dirigeren. vrijheid. vrachtwagen doortrekken. onbelemmerd vrij. resistent langzaam onbezet. turen. haakje. betrekken. ontslaan. brengen wodka aanvoerder. rundvlees klapstuk. open. mennen ook weer. leeg. toch automobiel.

voorbode. bevreemden. vijandigheid bonte kraai. slingeren aandoen. schreeuw. vijandig vijandschap. animositeit. bestellen aangeboren. indertijd uitvoeren. doorvoeren toegegeven verwonderen. het doen in verlegenheid brengen daarvoor. gevoelig. presenteren. steken inleiding. ingeboren ingeboren natuurlijk vijandelijk. ophef. insteken. ingeboren aangeboren. receptief gunning. introductie inleiding. verbazen functioneren. introductie inleiding. presenteren. introductie indoen. krijs gillen. zwieren. indienen klapstuk. teruggeven vijand teken. aanbesteding eindelijk.wpływ na wydajność (zwykle ujemny) wpływać wpływać wpływać na wprawa wprawdzie wprawiać w zdumienie wprawić w ruch wprawić w zakłopotanie wprost wprowadzać wprowadzać w błąd wprowadzać w błąd wprowadzenie wprowadzenie na urząd wprowadzenie w życie realizacja wprowadzić wprowadzić wprowadzić w życie wrażenia wrażenie wrażenie wrażliwy wrażliwy wrażliwy wrażliwy wreszcie wręczać wrodzony wrodzony wrodzony wrodzony wrogi wrogość wrona wrota wrota wróbel wrócić wróg wróżba wrzask wrzask wrzawa wrzeciono wrzeć wrzesień wrzeszczeć invloed hebben op. rumoer spoel op het kookpunt zijn. blèren. zwaaien. beïnvloeden invloed hebben op. bulderen. voorteken gil. koken september. kraai draaihek haven mus hergeven. herrie. herfstmaand gil. schreeuw. vooraan. krijs . leveren. insteken. eerder. illusies wekken bij indoen. effect effect. beïnvloeden zwiepen. reproduceren. borrelen. brullen lawaai. ten slotte. sensatie indruk. aangrijpen aanwenden. ontvankelijk verstandig gevoelig. per saldo afleveren. indienen begoochelen. indruk receptief. steken aanspannen uitvoeren. ontvankelijk. leven.

goedgeefs grootmoedig. dophei heideveld. verdediger . dirigeren. oostelijk oosten oriënt oriënt. etterbuil zweer uploaden schild. bijstaan pleitbezorger. genereus. voorteken. oostelijk oosters. rugschild. gard. inwerken oosten oriënt oriënt. teken besturen. herfstmaand dopheide. voorteken. groots helpen.wrześien wrzos wrzosowiska wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzód wrzód wrzucić(np. scheep gaan identificeren. heide onderbinden Moriaan. overhandigen zinspelen voorbode. oosten oriënteren. meren Mauretaniër ettergezwel. oosten zonsopgang aan boord gaan. scheep gaan aan boord gaan. aanduiden dundoek. vereenzelvigen voorbode. glorieus groots. oosten oosters. mennen aanwijzend voornaamwoord aangeven. vaan. Moor aanbinden. vlag spitsroede. glorierijk. overweldigend overweldigend. plik na serwer) wsadowy interpreter poleceń wschodni wschodni wschodni wschodni wschodni wschód wschód wschód wschód wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód słońca wsiadać wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) wskazać wskazanie wskazany wskazówka wskazówka wskazówka projektowa wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) wskazujący wskazywać wskaźnik ruchu wskaźnik stosu wspaniałomyślny wspaniałomyślny wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspierać wspierać się september. abces. stokje. assisteren. roede royaal. grandioos. gul. teken raadzaam aanreiken. grandioos. aanwijzen. richten. schaal oosten oriënt oriënt. advocaat. edelmoedig bewonderenswaardig groot beroemd.

makker bijkomstig. na tron) wstążce wstążka wstecz montage. buit. indoen insteken. nietje vertroosten. medeplichtige bijkomstig. bijbehorend. vermelden zich herinneren. geleding. herinnering kramp. liefheid samenwerken. prooi band. verhouding. gemeenschappelijk gewricht. indoen insteken. aansluiten gemeente. haakje. hunkeren. zetting alpinisme. bijkomend mededader. zielsverwant proportie. onthouden. onderling algemeen. evenredigheid voorkomendheid. kornuit. meewerken meewerken. aansluiten maat. klamp. klauteren gewag maken van. associatie algemeen. gemeenschappelijk actueel. gemeenschap bond. knoop wederkerig. echtgenoot bijdrage samenwerken. kameraad. mededogen. nietje mededader. alpensport klimmen. wedijveren.wspinaczce wspinaczka górska wspinać się wspominać wspominać wspominać wspomnienia wspornik wspornik montażowy wspornikowy wspólnik wspólnik wspólnota brytyjska wspólny wspólny wspólny wspólny współbieżny częsty powszechny współczesny współczucia współczucie współczucie współczuć współczuć komuś współczujący współczynnik współczynnik dobroci współdziałać współdziałać współmałżonek współpraca współpracować współpracownik współpracownik współsprawca współsprawca współwinny współwinny współzawodnictwa współzawodnictwo współzawodniczyć wstaw wstawiać wstawić wstąpienie (np. tegenwoordig erbarmen. heugenis. acquest. echtgenote. lid. gedenken zich herinneren. klamp. indoen aanwinst. medelijden erbarmen. genootschap. wederzijds. steken. concurreren insteken. steken. onthouden. bijbehorend. innemend. samenwerken eega. steken. medelijden medegevoel. medeplichtige wedijver wedijver meedingen. troosten kramp. reikhalzen meevoelen sympathiek. medeplichtige zich aaneensluiten. noemen. lint achterover . gelid. gedenken geheugen. lint band. bergbeklimming. mededogen. bijkomend mededader. man. haakje. deelneming verlangen. meewerken zich aaneensluiten.

opstaan. matig. injecteren aanhouding. gruweldaad gruweldaad. zich abstineren verhinderen. hekel. bedeesd. achteruit. beteugelen reserveren. opruien. rugstuk achterover achterwaarts. ophouden zich onthouden. timide. bobine band. beletten terughoudendheid. privé-.wstecz wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny odnośnik wsteczny odnośnik wstędze Wstęga wstęp wstęp wzbroniony wstęp wzbroniony wstępny wstępować (np. verschrikking. opkroppen bedwingen. rugwaarts achterover achterwaarts. rugwaarts spoel. preliminair opgaan. na tron) wstręt wstręt wstręt wstręt wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrząs wstrząs wstrząs wstrząsać wstrząśnięty wstrzemięźliwość wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzyknąć wstrzymać wstrzymać wstrzymać wstrzymać się wstrzymać zatrzymanie wstrzymywać wstrzymywać wstrzymywanie się wstrzymywanie się od głosu wstyd wstydliwy wstydzić się wszechmocny wszechmogący achterwaarts. lint inleiding. achteruit. introductie inleiding. stuitend. verschrikking. verhoeden. werelddeel gematigd. detineren. verafschuwen afschuwelijk ijselijk. ophitsen. opkomen. afgrijselijk misselijk. vergiftig. gruwel tegenzin. matig inspuiten. achteruit. verdringen. betomen. klos. blo foei almachtig almachtig . rijzen gruwel. opstoken gejaagd. bezadigd. vasteland. arrestatie slapen. afkeer. introductie besloten. onsmakelijk vuil. giftig aardbeving schokken opschudden. schudden. ommezijde. smerig afschuwelijk venijnig. schokken agiteren. sober continent. abstinentie nuchter. rugwaarts achterwaarts achterzijde. onthouding foei bevangen. opgewonden geheelonthouding. maffen onderdrukken. particulier voorafgaand. antipathie een afschuw hebben van. onthouding terughoudendheid. bescheiden.

overheen. uitkiezen knabbelen. indoen storing spuitje. onbenullig vuurspuwende berg. bougie ontstekingsbuis. hondsdolheid. midden tussen de stoot geven tot de stoot geven tot binnenvallen. bijkomend. kiezen uitlezen. dolheid doldriftig. dol in het midden van. aan je. bougie oom oom plat. wijd en zijd de hele . aan jou. verwoed. inspuiting. uitlezen. medio. iedere. hals. buitenkansje de hele . onbenullig plat.) wuj wujek wulgarnie wulgarny wulkan wupykłość wy wyasfaltować wyasygnować fundusze wyasygnowane fundusze wybaczać wybaczenie wybaczyć wybawca wybawcą wybawiciel wybierać wybierać (numer) wybierać (w wyborach) lijvig.. woedend. afkluiven . steken. gevest. alles razernij. regering. begenadigen vergeven.. overheid doordrukken dinsdag bijbehorend. knop jou. veelomvattend algemeen. vergeven vergeven. je asfalt budget.. alleman. mazzel. schepping elk. vulkaan heft. injectie ontstekingsbuis... toch gouvernement. door allemaal. bijkomstig insteken. begroting Maria-Hemelvaart begenadigen. handvat. aan de overkant van alom... vulgair. ergo. universeel heelal. overal. kiezen. triviaal. allerwegen. al over. binnenrukken ook weer. door de hele . geluk. vulgair. universum. dus.. triviaal.wszechstronny wszechstronny wszechświat wszelki wszerz wszędzie wszyscy wszystek wszystkie wszystkiego najlepszego wszystko wszystko wścieklizna wściekły wśród wśród wtajemniczać wtajemniczyć kogoś wtargnąć wtedy wtedy <the Government> wtłoczyć wtorek wtórny wtrącać wtrącanie się wtrysk wtyczka wtyczka (elektr. begenadigen Verlosser Verlosser Verlosser uitkiezen. door de hele . door bof. ieder.

scheuren afbraak.wybierać/nakręcać numer telefonu wybierak wybierak igłowy wybierz wybitny wybitny wybitny wybitny wybitny wyborny wyborowy wybory wybój (na drodze) wybór adresu wiersza wybór trasy przez źródło wybór trasy zastępczej wybór trasy zastępczej trasa zastępcza wybór układu wybór wstępny wybór z menu wybrany wybredny wybrzeże wybrzeże wybuch wybuchnąć wyburzanie wycena wyceniać wychłostać wychowawca wychwycić wycia wyciąć wyciąg wyciąg wyciągać (coś z czegoś) wyciągnąć (coś z czegoś) wycie wycie iwania wycieczce wycieczce wycieczka wycieczka wycieczka wycinać lasy wycinek wycinek (tablicy wijzerplaat schouder naald uitkiezen. keuze. kiezen kapitaal. toer. keuze. sloop belastingaanslag. excursie. toer. pakken. splijten. optie. plak. ontmanteling. keur. achterstallig opmerkelijk. alternatief. huilen uitstapje. keur. zeekant. filet . afgetrokken gillen. keus verteren. brullen brullen. digereren knabbelen. ontploffing. explosie barsten. keur. verkiezing. keus. keuze keus. toer. schijf. rondreis afzetten. verkiezing optie. verduwen. tocht. ophijsen abstract. afgetrokken abstract. reis. beetkrijgen steen en been klagen. trip. bochel keus. alternatief. optie. opmerkelijk onbetaald. zeekust kust. aanzienlijk merkwaardig. snede. trip uitstapje. kustlijn uitbarsting. uitlezen. kustlijn. aanslag prijs afranselen opvoeden. vermogen eminent. afgezonderd kust. tocht. afkluiven keuze. beslaan. trip. keuze keuze. overheerlijk keuze. blèren. tocht. keur. kostelijk. excursie uitstapje. verkiezing knabbelen. weeklagen maaien abstract. afgetrokken hijsen. keur. keus. verkiezing optie. zeekust. garneren afkeuren moot. toer tournee. trip. zeekant. excursie tocht. optie. onderwijzen beetnemen. bulderen. merkwaardig heerlijk. keus. uitstekend. verkiezing. keus bult. afkluiven afzonderlijk.

oordelen. uitmelken brullen. uitlaten. opdagen beoordelen. brullen gillen. op. op. opleveren. openbaarmaking vlijen. brullen gevolg besteden. uitbuiten. snede. filet sprakeloos. blèren. voortbrenging het veld ruimen. voortgang hebben. uitmelken exploiteren. afstaan abstract. huilen gillen. schijnen uitstralen uitgeverij uitgeverij afkondiging. schijf. eliminatie het veld ruimen. uitgeput reuk. neerleggen ontwikkeling. afstaan opdraven. tappen. syreny) wyćwiczyć wydaj wydaj wydajność Wydajność wydalać wydalić wydanie wydanie wydarzać się wydarzenia wydatek wydawac z siebie wydawać wydawać wydawać wydawać się wydawać się wydawać się wydawać z siebie wydawca wydawcą wydawnictwa wydeptany wydobycie wydobycie wydobyć wydobywać wydrążenie wydruk próbny wydrzeć moot. ingevallen wissel. verdrijven. royeren verjagen. ontzetten. knevelen. betasten verstandig exploiteren. geur. plak. maal onkosten. leggen. lucht bevoelen. afstaan ontslaan.wycinek tablicy wyciszanie wyciśnięta masa wycofać wycofywać się wyczerpany wyczerpujący wyczerpywał wyczuć wyczuwać wyczuwalny wyczyn wyczyn (bohaterski) wyczyn bohaterski wyć wyć wyć (dot. lossen toegaan. bulderen. kosten het veld ruimen. spenderen. gebeuren keer. uitdrijven uitgaaf. cambio afpersen. druk. uitgave. afstaan uitdrukken opbrengen. overkomen. intrekken ontwoekeren uitverkocht. uitbrengen. bulderen. uitbuiten. uitgeput lijvig. slaken produktie. luchtje. afwerpen het veld ruimen. veelomvattend uitverkocht. afdwingen . uitmelken exploiteren. editie loslaten. uitbuiten. stom pompoen terugtrekken. berechten lijken. afgetrokken afleiden hol. voelen. blèren. spanderen ontlokken. tasten.

gemakkelijk. aftreden. blussen. preken uitspreken afleveren. vlak.wydychać wydychać wydzialać wydział wydział wydział (na uczelni) wydział humanistyczny wydział ik wydzielać rozpakowywać wydzielić wydzieliną wydzierżawić wyekspediować wyekspediować wygasić wygasnąć wygląd wygląd przycisku wyglądać (prezentować się) wygładzać wygłaszać wygłosić wygłosić (mowę) wygnać wygnanie wygodnie wygodny wygodny wygonić wygrywać wygwizdania wyjaławiać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśnić wyjaśnić wyjaśnić coś z kimś wyjaśnienie wyjawić wyjawić (sekret) wyjazd wyjątek wyjątek wyjątek arytmetyczny wyjątkowy wyjechać wyjścia getuigen van. toelichten uitleggen. schijn. eveneens aan. verdienen. bij. bestellen verjagen. beduiden uiteenzetten. tegen. ophouden. uitgang. uitweg . in pacht hebben evenzeer. duidelijk maken. leveren. ook. verschijnen aanzien. toelichten uiteenzetten. uitademen. uitgaan. verdrijven. naar doven. bedanken afrit. conto uitleggen. behalen boe steriliseren rekening. explicatie morsen openbaren. toelichten toelichting. gemakkelijk. effen prediken. dagen. eindigen bevrijden departement faculteit kast departement departement afleiden betekenen. vertrek uitzondering afleiden uitzondering uitzonderlijk uittreden. uitdoen. comfortabel doelmatig. uitgaan. uitblussen aflopen. duidelijk maken. ophouden. tot. eindigen verschijning. kenbaar maken uittocht. air. voor. dagvaarden afscheiding pachten. verdrijven. ademen aflopen. beduiden uiteenzetten. aanblik het uiterlijk hebben van. geschikt verjagen. uitbannen aangenaam geriefelijk. mede. uitdrijven winnen. er uitzien gelijk. uitdrijven verbannen.

uitmelken gescheld sluipen intrige. rooien opduikelen. delven. opdagen kleren maken executeren. tering. eliminatie ontwikkeling. drillen executeren. toepassing uitbuiten. ter dood brengen executeren. rooien exploiteren. figuur. muil ontwikkeling. ter dood brengen loopgraaf opduikelen. karpet voering executeren. aannemer opdraven. opgraven. konkelarij afbeelding. gewrocht. emitteren bek. maken. opdagen oefenen. tuberculose doen ontstaan. handelbaar produktie. ter dood brengen afdruk spinnen executeren. exploiteren. opgeven uittreden. bedanken tandenstoker tandenstoker aangeven uitzonderen uitsluiten uitsluiten college geven college geven lector lezer lector tapijt. beeld wijzerplaat .wyjście wyjście wyjście wyjście uniwersalne wyjście zerowe wyjść wyjść po angielsku wykałaczce wykałaczka wykaz wykluczać wykluczać wykluczyć wykład wykładać wykładowca wykładowca wykładowcą wykładzina wykładzina wykonać wykonać wykonać wykonać działać wykonaj wykonalny wykonanie wykonawca wykonuj wykonywać wykonywać egzekucję wykonywać krok wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów wykonywać rozkazy Wykop wykopuj wykopywać wykorzystać w praktyce wykorzystanie wykorzystuj wykorzystywać wykorzystywać wykorzysywać wykradać wykres wykres słupkowy wykręcić numer uitgeven. kleed. vloerkleed. ter dood brengen inschikkelijk. opgraven. aftreden. formeren aanwending. uitweg prijsgeven. machinatie. afleggen. delven. uitbuiten. ter dood brengen opdraven. eliminatie afrit. uitgang. opbrengst bouwondernemer. uitmelken longtering.

ondergrond. amortisatie. ontslaan. helen op verhaal komen. dons uitsluitend. slechts roede. liefkozen. vorming aflossing. wisselen . uitsluitend enkel. opdraven waas. toer. stokje tocht. afladen opdagen. kronen ontslaan. gard. afladen bekronen.wykręcie wykręt wykrycie obiektu i ustalenie jego uspółrzędnych w radiolokacji wykrywanie wykrzykiwać wykrzyknik wykształcenie wykup weksla wykwintny wylać z posady wylać z pracy wyleczyć wyleczyć Wylew wyładować wyładować wyładować wyładowane koronowe wyładowanie (elektryczne) wyładowanie (towaru) wyładowywać wyłaniać (pojawiać wyłączać wyłącznie wyłącznie wyłącznik wyłącznik przyciskowy wyłącznik temperaturowy wyłączny wyłączny wyłączony niestandardowy wyłudzić wymachiwać wymagać wymagać wymawiać wymawiać niewyraźnie wymazać wymazać wymazać prawiedliwości wymazywać wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny wymazywać ekran wymiana wymiana stron wymianą haarkloven. royeren van boord gaan lossen. behoeven. wegvagen gommen. met gom bestrijken uitwissen uitwissen. wissen. hoeven uitspreken uitspreken gommen. reis. gard. ontzetten. exclusief maar. aaien. uitladen. hebbelijkheid fanfarekorps. rekenen. aanhalen ontzetten. fanfare opeisen. afschrijving beminnelijk strelen. royeren genezen. met gom bestrijken afvegen. achtergrond. gebrekkig aanwensel. aansterken bodem. royeren lossen. spitsroede. stokje exclusief. wisselen centrale inruilen. spitsroede. beter maken. bedillen verschuiving acquisitie ontdekking gieren. vereisen. eisen nodig hebben. uitladen. trip roede. royeren ontslaan. afdrogen. grond ontslaan. ruilen. moeten. nesthaar. bloot. roepen. alleen. louter invalide. schreeuwen. ontzetten. inruilen. met gom bestrijken ruilen. ontzetten. uitvegen. afwissen gommen. joelen tussenwerpsel opvoeding.

bekokstoven. het gevolg zijn van uitgeven. wisselen belastingaanslag. inruilen. verdichtsel.wymiar wymiar sprawiedliwości wymieniać wymieniać wymieniać (walutę) wymieniać się wymienić wymienić (jakieś elementy na nowe) wymień wymierzenie wymię wymijać wymiotować wymowa wymówce wymusić wymuszać wymuszanie wymuszenia wymysł wymyślać (<sb> komuś) wynagradzać wynagrodzenie wynajem wynajęcia wynajmować wynajmować wynajmował wynajmowanie w DHCP wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP wynalazca wynalazcą wynalazek uchylać wynaleźć wynik wynik wynik polecenia wynikać wyniknąć wyniosły wynosić wynosić średnio wynurzać) się wyobrazić sobie wyobrazić sobie wyobraźnia wyobraźnia grootte. in pacht hebben pachten. aanwerven. zich verbeelden bedenken. wisselen inruilen. huren aannemen. in pacht hebben aannemen. omvang afmeting. verbeelding . overgeven. in pacht hebben uitvinder uitvinder uitvinding uitdenken. belonen loon. inruilen. laten begaan. ruilen. dimensie ruilen. berispen. verbeelding gescheld vergelden. bestek. terugdoen. dwingen. aantal. kotsen uitspraak laken. noodzaken afpersing. wisselen afwisselend centrale centrale centrale ruilen. opdraven in verwachting raken. pram inhalen spugen. salaris pachten. laten pachten. afpersing fictie. zwanger raken bedenken. bedenken produktie. bezoldiging. huren huur laten schieten. emitteren afstammen. aanslag uier. afkeuren. gage. knevelarij knevelarij. zich verbeelden inbeelding. gewrocht. getal opdagen. lonen. het gevolg zijn van ontstaan hoog. opbrengst afstammen. braken. gispen doordrukken verplichten. aanwerven. verheven gemiddeld tal.

spoelen uitgeven. afbeelding. dempen. schriftuur schriftelijk afbetaling transfer. aanbrengen. uitschrijven geschrift. ongeval omstandigheid affaire. ding omstandigheid belangrijke gebeurtenis. indampen opvulsel. aangifte. vulling. inrichting complet. uitrusten. zich verbeelden bedenken. spekken. plaat begrip beeld. vulsel invullen. stelletje. uitdampen. emitteren rest. klikken declaratie. accident.wyobrażać wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyodrębniać wyolbrzymiać wypaczenie wypadek wypadek wypadek wystąpienie wypadek śmiertelny wypadek śmiertelny wypalać wypalać (pamięć stałą) wypalać (płyty CD) wyparcie się wyparować wypchanie (zwierzęcia) wypełniać zerami przypisywać wartość zerową wypiekać wypierać się wypierać się wypisuj wypisując wypisywany wypłacie wypłata wypłukanie wypływ wypoczynek wyposażać wyposażenia wyposażenie wyposażenie wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażeń wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów wypowiedzieć (umowę) wypowiedź wypożyczać wypracowanie wyprawa wyprostowany bedenken. bijkomend bijkomstig. afdracht gorgelen. aangelegenheid. stichten. afval toerusten. uitspraak huur toondicht. lijst. schrijven. inrichten . vullen bakken afzweren ontkennen neerschrijven. uitvoeren bijkomstig. zaak. inrichting bijkomstig. stel accessoires toerusten. omlijsting. uitrusten. bijbehorend. compositie reis. afspoelen. prent. zich verbeelden afbeelding. toer. afzonderen chargeren. overblijfsel. figuur isoleren. toonzetting. rommel. set. tocht. accommodatie. bijkomend uitrusting. raam ongeluk. overdrijven kader. evenement bakken aanbranden aanbranden afzwering doen verdampen. accommodatie. bijbehorend. bijbehorend. trip oprichten. bijkomend uitrusting. uitvoeren aangeven.

handvat. uitgesproken. aanhangsel derde goedertieren. griffen knijper. lankmoedig fabricatie. opbrengst gelijk. vervreemding voorafgaan. klem op reis gaan. uitvallen. klem jaartelling. uitbrengen. leeg afzweren verkoop. afpersen. loos. evident.wyprowadzać wypróbować wypróżniać wyprzeć się wyprzedaż wyprzedzać wyprzedzenie wyprzedzić wypukłość wypuścić nowe wydanie wypytywać wyrabiać wyraz wyrazić podziękowanie wyrazić zgodę (<to sth> na coś) wyrazisty wyrazy uznania wyraźny wyrażać wyrażać wyrażenie wyrażenie znakowe wyregulować wyregulowanie wyrobnik wyroby garncarskie wyrocznia wyrok wyrok wyrostek robaczkowy wyrośle adenoidalne wyrozumiały wyrób wyrób wyrównać do prawego marginesu wyróżniać wyróżnienie wyróżniona część (np. fabricage produktie. slaken bewoording. afdwingen graveren. afbreken versterving. herdruk een verhoor afnemen. uitspraak. gewrocht. schaar afrukken. vonnis bijlage. effen onderscheiden. ledig. gevest. instelling werkkracht. gezegde aanpassen. knop nadruk. voorzijn gaan naar. pogen hol. adapteren afstelling. betuiging. deel nadruk. zin. zich inspannen. beamen. bedrijven bewoording. prejudiciëren heft. gezegde agnosceren. werkman. aanpakken. arbeider aardewerk orakel frase. aanmaak. betuiging. gezegde bewoording. als waarheid aannemen ja zeggen. hals. afstemmen. deeltje. schappelijk. doen. genaken. kennelijk. bevestigen klaar. afreizen knevelen. sententie. lens. item. duidelijk uitdrukken ontlokken. plukken. zichzelf verloochenen opgeven. betuiging. vlak. werker. appendix. onderkennen nadruk. abnegatie afzweren abnegeren. helder erkenning apert. volzin judicium. naderen anticiperen. na listingu) wyróżniony druk wyruszać wyrwać coś komuś wyryć wyrywać wyrywać (włosy) wyrzeczenie się wyrzekać się wyrzekać się wyrzekać się aftappen streven. afstand doen van . ondervragen maken.

tentoonstellen podium. ontzetten. stof. voorafgaand pralen. pronken tentoonstelling. verheven hoog. aan de hand zijn doen schrikken. apropos . verheven verheven. schrik aanjagen onderwerp. gezant woord. voortbrenging exemplaar. betuiging. afdruk gebeuren. lade tentoonstellen. asiel. hoogte hoogte stand. dun. gezegde sprietig. belichten belichten. koesteren. bijbehorend gevoeglijk. tribune. broeden moeite. ontslaan ontslaan. royeren. verheven hoog. veelomvattend genoeg. voldoende voorgaand. op de juiste wijze adequaat. hoogte hoogte hoogte eiland eiland onbetaald. beamen.wyrzić zgodę wyrzucać sobie wysadzić na ląd wysepka wysepka (uliczna) wysiaduj wysiłek wyskok wysłać wysłać wysłać pocztą wysłanie (towaru) wysłannik wysłowić coś wysłowienie się wysmukły wysoki wysoki wysoki poziom logiczny Wysoki sądzie wysoki stan logiczny wysokość wysokość wysokość bariery potencjału wysokość bariery potencjału wysokość stosu wyspa wyspą wystający wystapić wystarczająco wystarczająco wystarczający wystarczający wystarczający wystarczający wystarczyć wystawa wystawa sklepowa wystawca czeku wystawiać wystawić (na pokaz) wystawić na scenie wystawienie (sztuki) wystąpienie występować wystraszyć wystrój pulpitu ja zeggen. bode. bevestigen ontzetten. verheven stand. asyl broeden op. paraderen. prijken. thema. royeren toonschaal. leiding produktie. mager. luchtig hoog. voldoende genoeg. scala toevluchtsoord. bestuur. poging springen verzenden voorspeler. la. aan de hand zijn adequaat. toonladder. achterstallig gebeuren. omvangrijk. verleden. bijbehorend uitgebreid. hoog hoog. expositie schuiflade. aanvaller aanplakken pakje afgezant. schraal. bewoording bewoording.

sproeien. bedrijven verwekken generatie. paraderen. paraderen. duren. slingeren. afwikkelen. intelligentie zwaaien. aanhouden sterkte te wachten staan. prijken. afleiden. adapteren pralen. uitspuiten beklijven. geslacht bevallig. lijdzaamheid vasthoudendheid volhardend opspatten. dooien.wysychać wysyłać pocztą wysyłać reklamy wysyłanie wysyłka wysypisko (śmieci itp) wysypisko śmieci wyszczególniać wyszczególnić wyszczupleć wyszukać informacje pełzać wyszukany wyszywać wyściełanie wyścig wyścig wyświadczyć przysługę (<sb> komuś) wyświetlacz wyświetlacz z matrycą aktywną wyświetlać wyświetlić wyświęcać wytarcie wytępić wytłumaczyć wytop wytrwać wytrwałość wytrwałość wytrwały wytrysk wytrysk wytrzymać wytrzymałość wytrzymywać wytwarzać wytwarzać egzemplarz wytwarzanie wytworny wytworny wytwórnia wywatować wyważenie wywiad wywiad wojskowy wywijać wywnioskować wywnioskować dor. ontdooien blijven aandringen geduld. paraderen. tenger kruipen geraffineerd borduren opvulsel. pronken pralen. overschot interviewen bevattingsvermogen. afdoen besluiten. uittrekken afschaving verdelgen. vulling. stuiven spuiten. uitroeien uiteenzetten. vulsel wedijver geslacht. prijken. posterijen doen toekomen. prijken. swingen afhandelen. elegant. verspuiten. aanpassen. doen. pronken bestemmen. wachten maken. afhalen. stam. sturen. prijken. uitvoeren verzenden stortplaats stortplaats specificeren specificeren rank. toelichten wegsmelten. volksstam afstemmen. pronken pralen. droog post. pronken pralen. concluderen . net keurig fabriek stikken saldo. slank. opsturen exporteren. paraderen. piekfijn.

uitmaken voor keer. toer. bekennen. dagen. uitdagen. vast divan. tarten. erkennen geloof. niettegenstaande benoorden. dagvaarden pensioen erkennen. dagvaarden administreren. accumuleren noemen. uitdagen. uitbuiten. heten. licht. dagen. tracé.wywodzić (ród) wywołać wywołać coś wywołania odłożone na stosie wywołanie zwrotne wywołuj wywołuj wywołuj wywoływać wywoływać wywoływać wywoływanie wywrotowy wywrócić wyzdrowieć wyzerować wyzerować zerowy wyzeruj sprzęg wyznaczać wyznaczać wyznaczać drogę trasa wyznaczać trasy wyznaczenie wyznaczony wyznaczyc wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć emeryturę/rentę wyznać wyznaj wyznaj wyznanie wyznanie wyzwalacz wyzwalacz wyzwania wyzwanie wyzwanie wyzwolić wyzwolić się od czegoś wyzyskiwać wyzywająco wyżej wyżej wyżej wymieniony wyżej wymieniony wyżerać aftappen noemen. ten noorden van bovengenoemd corroderen. fiducie. baanvlak reisplan. uittarten trots ontzetten. concluderen naar buiten roepen aanroepen aanrijden. aantasten. Turkse staatsraad. maal ophopen. ondermijnend kiel beter worden. uitmaken voor scheppen. opeenhopen. ontslaan bevrijden exploiteren. beroep. beheren. heten. tracé. ambacht haan van een vuurwapen tocht. uittarten trotseren. toegeven erkennen. uitmelken in weerwil van. trip trotseren. star. evolutie subversief. ten noorden van bovengenoemd benoorden. besturen reisplan. benoemen. aanstelling onbeweeglijk. nihil nul hel. route. royeren. reis. helen nul. bekennen. tarten. baanvlak benoeming. biechten. vertrouwen handwerk. klaar betekenen. voorrijden ontwikkeling. route. creëren naar buiten roepen besluiten. aanstellen betekenen. afleiden. genezen. bijten . biechten. loten benoemen. toegeven bekennen. benoemen. biechten. rustbank verloten.

cru langs. daarlangs bezijden. daarlangs ineenkrimpen. aanvaarden schouder beschouwen. overwegen. prooi helling. familielid verwant. gedenken acquest. onthouden. behalve in de lengte. patroon. superieur medegevoel. nagaan deelnemen. speen branden. kreunen aanvoerder. opkomen. renoveren modelleren kunst schablone. referentie gewag maken van. respecteren saké. bot. aanwinst. buit. blijkens. vermelden zich herinneren. achting eerbiedigen. daarlangs in de lengte. grof. meedoen raadzaam uitbouwen. edel opgaan. prevalent. stichten. braden. vermelden verwijzing. ineenkronkelen zuchten. gebieder. naar. baas. vergroten.wyższy wzajemne zrozumienie wzbraniać się wzbudzić wzburzony wzdłuż wzdłuż wzdłuż wzdłuż całej drogi wzdłuż dłuższego boku wzdłużny wzdrygać się wzdychać wzgl. uitbreiden vermeerderen gewag maken van. naast. sjabloon . wakend onbewerkt. klauteren vernieuwen. ingevolge bezijden. rijzen oprichten. het verdommen. glooiing tepel. behalve in de lengte. inrichten toren klimmen. chef tel. noemen. familielid aanaarden accepteren. opstaan. afkeuren wakker. deelneming afwijzen. noemen. duży numer urządzenia wzgląd wzgląd wzgląd względnie względny względny numer pozycji wzgórze wziąć wziąć na swoje barki wziąć pod uwagę wziąć udział wzkazany wzmagać wzmagać wzmiance wzmiance wzmianka wzmiankować wzmocnienie wzniesienie wzniesienie wznieść toast wznoisły wznosić wznosić wznosić się wznoszenie (samolotu) wznowić pracę komputera wzorcowy wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) wzornik pisma matryca do powielania szablon opperste. meemaken. naast. aannemen. roosteren nobel. rijstwijn tamelijk verwant. onbehouwen.

patroon regel. roze. evolutie wasdom. patroon modelleren formeren. gestalte. vooraan. stijl knippatroon. turen richtmiddel.wzorzec wzorzec slajdów wzorzec zmienny Wzór wzór wzór wzór kreskowania wzór model wzór punktowy wzrastać wzrok wzrok wzrok wzrokowy wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost globalny wzruszać wzruszać wzruszać ramionami wzruszający wzruszający wzruszenie wzruszenie ramionami wzruszony wzruszyć (<one's shoulders> ramionami) X z z z z biegiem czasu z drogi! z konieczności z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) z obawy przed z oburzeniem z perspektywy czasu z podziwem z poważaniem z przerwami z trudem gromadzić z trudem wywalczony z tyłu z tyłu kiem knippatroon. roerend gewaarwording. toch met overgave sedert. vanaf daarvoor. zeker. indertijd pruttelen ongerust. standaardmaat. verheffen. patroon trant. bezorgd aan het einde. ophogen staren. samen met schier. aangaan opdrijven. vanaf met. ontwikkeling. met ingang van. vizier gezicht. groei opstaan. aandoening de schouders ophalen gejaagd. patroon formule knippatroon. bijna tweedehands ongerust. zoeker. norm knippatroon. inclusief. ophitsen. aanstaren. inbegrepen beperkt. bezorgd incluis. stootkussen sedert. aangrijpend. begrensd. immers. vormen. eerder. opgewonden de schouders ophalen indexeren buffer. haast. eindig wel. figuur de schouders ophalen aanslag agiteren. opstoken resideren. bijkans. bumper. met ingang van. visioen. roos lichaamsbouw. geheimzinnig . achteraan mysterieus. bezorgd ongerust. droombeeld zichtbaar ontwikkeling. huizen emotioneel. gevestigd zijn. opruien. gaan staan opklimmend rose.

leuk kriebelen. uiterlijk sedert. nuance. vermaak spel verstoppertje vermaak. belachelijk. beschermen bescherming pand. bevestigen. lanceren. borgstelling. onderpand betuigen. konfijten. bepalen inmaken. doden blokkade jam. doodmaken. borgstelling. doodmaken. marmelade troebel. ook geabonneerd zijn op accentueren. met ingang van. verband schakering. ontketenen aan. vanaf achter aan het einde. konfijten. stuk speelgoed. doden chirurgie. beklemtonen accepteren. dichtbij. vermakelijk humoristisch gek. onderpand pand. modderig . speeltuig aardig. verzekeren blind inmaken. amusant. buiten-. nabij. aanvaarden acclimatiseren alarmeren. nuancering tint schakering. kietelen speelbal. inleggen fixeren. alarm slaan uitschrijven. achteraan in het buitenland in het buitenland achter evenzeer. inleggen ombrengen. mal behoeden. bij zwachtel. amusement opvrolijken. aanslaan. onderhouden recipiëren vermakelijk. amusant. naast. wondheelkunde. moes. lachwekkend. nuancering amusement. amuseren. nuance.z wielkim nosem z zegarkiem w ręku z zimną krwią za za za duży za granicą za wszelką cenę za wszelką cenę zaabonować zaakcentować zaakceptować zaaklimatyzować zaalarmować zaangażować się zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych zabandażować zabarwić zabarwienie zabarwienie zabawa zabawa zabawa zabawa w chowanego zabawiać zabawiać zabawiać zabawiać zabawka zabawny zabawny zabawny zabezpieczać zabezpieczenie zabezpieczenie zabezpieczenie w architekturze zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć przechowywać zachować zabić zabieg chirurgiczny zabijać zablokować zablokować zabłocony uitzonderen extern. leuk. heelkunde ombrengen. eveneens. uitwendig. mede.

argumenteren zonsondergang west west. bevorderen voorbode. gril. zich voordoen zich gedragen blijven zich aanstellen. gedrag. westen westen west west. bergen. westelijk redden. bewolkt wolk zonsondergang west west. strubbeling. houding. argumenteren vertogen. reserveren. aansporen ophitsen. westen . vragen. aanranden bezwaar. aanwakkeren. belust. noden promoveren. opruien aanvuren. moeilijkheid oudheid bevlieging. aansporen uitnodigen. aanwakkeren.zabójca zabrać się (<sth> do czegoś) zabrać się do czegoś) zabraknąć zabraniać zabraniać zabronić zabronić zaburzać zaburzenie zabytki zachcianka zachęcać zachęcać zachęcić zachęcić zachęcić zachęta zachłanny zachmurzony zachmurzyć zachodni zachodni zachodni zachodni zachodni zachować zachować jako zachować w pamięci zachowania zachowanie zachowanie zachowanie mediów zachowuj zachowywać zachowywać zachowywać zachowywać sie nienaturalnie zachowywać sie nienaturalnie zachowywać się (dobrze) zachowywać się cicho zachowywać się źle zachód zachód zachód zachód zachód słońca zachód słońca moordenaar aanpakken. inviteren. marmelade verbieden een aanslag plegen op. behouden schat bespreken. Westers. konfijten. teken begerig. kuur aanvuren. zich voordoen zich gedragen blijven vertogen. gretig onduidelijk. agiteren. leiden houding. bui. aan komen lopen aanpakken. nuk. betogen. betogen. inleggen zich aanstellen. westen westen westers. geleiden. voorteken. aan komen lopen floppen. wandel gedrag. happig. in het water vallen verbieden verbieden jam. opstoken. moes. wandel lager inmaken. intekenen de weg wijzen.

nietje beurs. opgave karwei. hardnekkig. nietje oor. pijn vragen aangeven. klikken wurgen. werk. probleem. aanvallen aanbinden. taak oefenen. wanhopig versomberen. klus. taak wee. zeer. moes. arbeid karwei. in verrukking brengen bewonderenswaardig verrukt jam. gedateerd. hees. citeren. opgave. raadsel radeloos. opgave. te wachten staan aangrijpen. beginnen. drillen vraagstuk. leiden terminal haakje. bibs. achterste vragen karwei. rugwaarts ouderwets. hand de weg wijzen. uit de mode aanhalen. aanvangen pit. rauw verrukken. donker worden uitwissen halsstarrig. achteruit. koppig haakje. citaat een hinderlaag leggen aanbinden. choken. klink handdruk. klus. vraagpunt. opgave. noemen aanhaling. karwei. geldbuidel achterover achterwaarts. geleiden. klamp. aantasten. handvat. afhalen. aanbrengen. beginnen. aanvangen gat. kruk. kern wachten. hengsel. drillen emplooi.zachód słońca zachrypnięty zachwycać się zachwycający zachwycony zaciąć się zaciągnąć (się) do wojska zaciekawić zaciekły (bój) zaciemniać (się) zacierać zacięty zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk źródła zacisnąć (usta) zacofany zacofany zacofany zacytować zacytowanie zaczaić się zacząć zaczątek zaczekać zaczepka zaczynać (się) zad zadaj zadania zadanie zadanie zadanie zadanie wsadowe zadanie wydruku zadanie zawieszające zadawać ból zadawać pytanie zadenuncjować zadławić się zadośćuczynienie zadowalający zadowolenia zadowolenia zadowolenie westen schor. marmelade dienst nemen puzzel. kont. worgen verontschuldiging bevredigend tevredenheid blijdschap tevredenheid . klus. klamp. taak oefenen. portemonnaie.

geheimzinnig uitgeven. scharrelen. aangrijpen dreigen. probleem. navraag haakje. tegemoetkomen aan verheugd. aandikken ellendeling. ploert. bedreigen bedreiging. klauwen. tevreden. borrelen. paaien. krabben krauwen. belangstellend Congo. bevreemdend bevreemdend. moes. vouwen. dreigen dreigen. dreigement. dreiging borg staan voor.zadowolić zadowolony zadowolony zadrapania zadraśnięcie zadrżećs kołczan zadziwiać zadziwiać zadziwiający zadziwiający zafakturować zagadce zagadka zagadka zagadkowy zagadnienie zagadnienie zagajnik zagęszczać zagęszczać zagęścić zagięcie zaginać zagłada zagłuszać (radio) zagniecenia zagniewany zagnieździć zagorzały konserwatysta Zagotować. krabben beven. fronsen kwaad. bibberen. spang. huiveren verwonderen. schavuit. emitteren vraagstuk. buitenlands in gevaar brengen bedreigen. dicht comprimeren verdikken. toornig. raadsel mysterieus. vraagpunt. boef omvouwen. agraaf de stoot geven tot belang inboezemen. verbazen verbazingwekkend. te gronde richten jam. plooien ruïneren. klauwen. slot. probleem. interesseren belang inboezemen. bosjes compact. declareren puzzel. raadsel puzzel. opgave kwestie. vergenoegd krauwen. koken uitheems. bevreemden. verbazingwekkend verbazingwekkend. marmelade rimpelen. verblijd. bevreemdend factureren. garanderen vraagstuk. nijdig. stal hok bemachtigen. grijpen. vraagpunt. scharrelen. Kongo . vraag. een nest maken keihard op het kookpunt zijn. raadsel puzzel. blij voldaan. rillen. interesseren geïnteresseerd. opgave struikgewas. wrzenie zagraniczny zagrażać zagrażać zagrażać zagroda zagroda zagrodzić zagrozić zagrożenie zagwarantować zagwozdka zagwozdka zahaczyć zainicjować zainteresowania zainteresowanie zainteresowany Zair bevredigen. bedreigen paardestal. boos nestelen.

veelomvattend toe. vullen rondgeven. beletten infecteren. meedelen. zaak. bedrijf handelen. uitdelen bezetten. herberg haas stamelen. commanderen. dicht. bevelen kloosterzuster. herrie storing storing storing storing moppen tappen codificeren berichten. bekleden liggen invullen. lunch wedden wedden wedden wedden insluiten. besmetting twaalfuurtje. besmetten. stotteren actie. non monnik verbintenis. dempen. ambacht uitgebreid.zaiteresowanie zajazd zając zająkiwał się zajęcie zajęcie zajęcie zajęcie zajęć) zajęty zajęty zajmować zajmować zajmować (stanowisko) zajmować się zajmować stanowisko zajmowanie zajmujący dużo miejsca zakańczać zakaz hamować zakazić zakazywać zakazywać zakazywać zakaźny zakażenie zakąska zakład zakład zakład (założenie się) zakładać zakładać klamrę zaciskającą zakładać się zakładnik zakłopotać zakłócenia zakłócenia (sygnału) zakłócenie zakłócenie programu radiowego zakłócenie spokoju publicznrgo zakneblować zakodować zakomunikować zakon zakonnica zakonnik zakontraktować zakończenie belang inboezemen. geëngageerd bezetten. contract uitgang. gesloten verhinderen. aansteken verbieden afschrikwekkend verbieden aanstekelijk. uiteinde . gedoe. installeren gijzelaar. broodwinning. impliceren aanleggen. garant in verlegenheid brengen ophef. verpestend. ding beroep. beroep. omvangrijk. bezet verloofd. lawaai. hakkelen. spekken. rooster druk. handel drijven dienstregeling. ronddelen. optreden. verhoeden. bekleden handwerk. leven. fitten. affaire. besmettelijk infectie. mededelen aanvoeren. rumoer. beslaan. beslaan. handeling aangelegenheid. interesseren logement.

verdienen zondvloed afhankelijk zijn.) zakwaterowanie zakwestionować zalać zalecać zalecać zalecać się zalecany zalecenie zalecie zaledwie zaledwie zaległy zaległy zaległy wysunięty naprzód znakomity zalet zaleta zaleta zalewać zależeć zależeć zależeć od zależeć od czego zależnośc zależność zależny zaliczać zaliczać załadować gevolgtrekking. vrijen aanbevolen recommandatie. tal laden . conclusie uitgang. bekendmaken. toekomen. inkoop. afgewerkt. achterstallig onbetaald. klaar afhandelen. nauwelijks. aanbeveling prooi. bezit pré. onderhorig classificeren. rang ombuigen.zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg zakończenie sygnału przerwania transmisji zakończenie wskazówka zakończony zakończyć zakończyć zakopać zakorkować zakorzeniać się zakotwiczyć zakres ultrakrótkofalowy zakres współrzędnych osi zakręt zakup zakurzony zakwas zakwaterować zakwaterować (wojsk. aankondigen aanbevelen. verwantschap afhankelijkheid afhankelijk. bol. kwalijk onbetaald. afgelopen. afsluiten kuilen. afwikkelen. achterstallig onbetaald. sfeer. voordeel waard zijn. adapteren buurt. status. actief. nauwelijks. amper amper. stand. beëindigen. getal. stopmiddel anker anker kloot. afhangen scharnier afhankelijk zijn. verpletteren adviseren. aanprijzen. stekker. buigen. wijk. aankoop stoffig gist afstemmen. gebied graad. doorbuigen koop. het hof maken. recommanderen scharrelen. begraven prop. indelen aantal. stadswijk aanpassing procederen bedelven. aanwinst kwalijk. afhangen familiebetrekking. afhangen afhankelijk zijn. overstelpen. uiteinde terminal beëindigd. omgeving. achterstallig bedrijvende vorm. aanpassen. afdoen afmaken. buit. stop. acquisitie. plug.

doel. oprichten. bewegen beroering. leven. beogen. etablissement. lokaas inrichten. oprit ruilen. etablissement. liefkozen. ruilen. ordenen afhandelen. doel. dichtmaken. wisselen anticiperen. honk. ophef. opzettelijk. lawaai verwardheid. rel. omheind terrein omsluiten bemanning vestiging. besmeren slot. uiteenvallen afpersen. aanrichten. knevelen arrangeren. ontroeren. ritssluiting veranderen. stichten aanhalen. instelling Maria-Hemelvaart vestiging. verzenden. bevelen vervagen smeren. wit bedoeld. wisselen centrale in de plaats stellen van. doelstelling. instelling achtergrond aas. inboeten inruilen. afdoen omsluiten aanhechting kraal. doorsmeren. commanderen. sauzen. mikken op. burcht slot slot treksluiting. kasteel. prejudiciëren mikken. getier smaken slot kooi sluiten. expediëren instorten. rumoer. verwarring herrie. agitatie. afdwingen. strelen. inruilen. ineenstorten. bedoelen gemiddeld doelwit. moedwillig aangrijpen. strekking in plaats daarvan in plaats daarvan oprijlaan. beweging herrie. plecht.załadować ponownie załamanie załamuj załatwiać załatwić (sprawę) załączać załącznik załącznik załączyć (w przesyłce itp) załoga założenia założenie założenie założenie (firmy) założyć przynętę założyć się zamachnięcie zamaskować zamawiać zamazać zamazanie zamek zamek zamek (u drzwi) zamek błyskawiczny zamiana zamiar zamiast zamiast tego zamiatać zamieniać zamienić zamienić zamienić zamierzać zamierzać zamierzać zamierzać zamierzony zamieszać zamieszania zamieszanie zamieszanie zamieszki zamiłowanie zamknąć zamknąć na klucz zamknięcia afzenden. anders maken bedoeling. roerigheid. dichtdoen . plan. rits. aaien blind aanvoeren.

nakijken. afnemen voor indompelen. bedanken concessie. aftreden. cessie. afstand. bezorging aflevering. levering. doden afbetalen. dichtmaken. indopen. afnemen. doodmaken. dichtdoen grendelen. afgrendelen werkje. beperkt indompelen. gammel. vriesvak vriezen vriezen bevroren sluiten. uitvoeren aanvoer. mislukken afdanken uittreden. soppen monteren. rijk. dichtmaken. bevelen koelen vriezer. inlevering . examineren prijsgeven. afleggen.zamknięty zamknięty zamoczyć zamontować (dysk w systemie) zamordować zamortyzować zamożny zamówić zamówienie zamrażać zamrażarka zamrozić zamrożenie zamrożony zamykać zamykać na zasuwę zamysł zamyślony zamyślony zanalizować zaniechać zaniechać zaniechać zaniechać zaniechanie enia zaniedbać zaniedbać zaniedbać zaniedbanie zaniedbanie zaniedbywać zaniedbywał zaniedbywanie zaniepokoić zaniepokojenia zaniepokojony zanikać zanikać zanikać płowieć zanim zanurzenie zanurzyć zanurzyć (się) zanurzyć coś w zaokrąglać zaopatruj zaopatrywać zaopatrzenie sluiten. dichtdoen begrensd. aftands nonchalance. eindig. indompelen ronde toerusten. vermogend aanvoeren. soppen onderdompelen. bang vervagen kleiner worden. kleiner worden. zetten ombrengen. opgeven een miskraam krijgen. bevelen aanvoeren. indopen. afschrijven. nalatigheid storing veroorzaken storing veroorzaken lafhartig. uitrusten. toegeving terugvallen veronachtzamen achterwege laten. commanderen. schets. tekening nadenkend nadenkend onderzoeken. weglaten veronachtzamen nonchalance. nalatigheid veronachtzamen bouwvallig. laf. indompelen duiken onderdompelen. commanderen. aflossen gefortuneerd. dalen dalen.

geestdrift ambitie. behouden geur. ontbranding ontsteking ontsteking. reserveren. aanmaken aansteker. sparen instorten. vuur. sparen ontzien. vuurmaker aansteker. gezichtspunt waarschijnlijk beweren. intekenen winkel een backup maken. obstipatie inventaris. ploegen. luchtje. aroma reuk. vies ruiken haan van een vuurwapen achterdeur ontzetten. doen ontbranden. een backup maken van tweede ontzien. verzekeren bevestigen. geur parfumeren reuk. ontbranding ontsteking keelontsteking longontsteking blindedarmontsteking aansteken. ontslaan. royeren ontsteking. lucht stinken. constipatie. doen ontbranden. luchtje. aanmaken aansteken. aanmaken aansteken. ineenstorten. vuurmaker enthousiasme. aannemen provianderen. aanmaken aansteken. aanmaken aansteken. beploegen aanzetten. uiteenvallen standpunt. bezorging omploegen. ijver lucifer uit het hoofd leren. verzekeren betuigen. reuk. geur. geur lucht. bevoorraden betuigen. bergen. boedel bespreken. van buiten leren uit het hoofd leren. lucht. slijpen redden. doen ontbranden. spekken. doen ontbranden. van buiten leren verstopping. scherpen.zaopatrzenie w żywność zaorać zaostrzyć zaoszczędzić zapach zapach zapach zapach zapach zapach zapadce zapadnia zapakować do worków zapalanie zapalenia zapalenie zapalenie zapalenie zapalenie opon mózgowych zapalenie płuc zapalić zapalić zapalić (się) zapalić papierosa zapalić się zapalniczce zapalniczka zapał zapał zapałka zapamiętać zapamiętywać zaparcie zapas zapas zapas zapasowy zapasowy zapasowy zapasowy wkład zapaść zapatrywania zapewne zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać (<sth> o czymś) aanvoer. luchtje. verzekeren . doen ontbranden.

uitschrijven nalaten discus. verhoeden de stoot geven tot het gevolg zijn van. inviteren. verleren vergeetachtig vorderen. bergen. ding routine. schijf gebieder. inviteren. verzekeren fixeren. afstammen afleren. vergeten. plaat. chef. doen ontbranden. bevestigen. dichtmaken . doen ontbranden. plaat. ontbranding ontsteking. noden uitnodiging. opvorderen beduiden. aankondigen. vragen. onderwerp. invitatie uitnodiging. sleur in tegenspraak zijn met. noden vragen uitnodigen. baas redden. verhinderen. adverteren uitloven. afkopen afbetaling ontsteking. rekwireren. rekwireren. vrijkopen. tegenspreken ontkennen span stortplaats stoppen. vastgespen. verzekeren betuigen. aanbieden afschaduwing aandienen. voorzeggen aandienen. opvorderen vorderen. verkondiging uitnodigen. invitatie mikpunt. bieden. een backup maken van loskopen. object. grammofoonplaat. aankondigen. aanrichten. aanmaken beletten.zapewnić zapewnić zapewnić zapinać zapinać (się) Zapinka zapis zapis piątkowy zapisać zapisać (dane) pisać zapisać w testamencie zapisanie zapisywać zapisywać zaplanować zaplecza zapłacić okup zapłata zapłon zapłon (silnika) zapłon silnika zapłonąć zapłonąć zapobiegać zapoczątkować zapoczątkować zapominać zapominalski zapotrzebowania zapotrzebowanie żądanie zapowiadać zapowiedzieć zapowiedzieć zapowiedź zapowiedź zapowiedź zapraszać zaprosić zaprosić zaproszenia zaproszenie zaprotestować zaprowadzony porządek zaprzeczyć zaprzeczyć zaprzęgać zapuszczone mieszkanie itp zapychać (się) beweren. behouden neerschrijven. aanvoerder. bepalen dichtknopen gespen. grammofoonplaat. adverteren aankondiging. schijf boek jota arrangeren. ontbranding aansteken. ordenen een backup maken. dichtgespen vasthaken discus. vragen. aanmaken aansteken. voorspellen. schrijven. ontbranding ontsteking. dichten.

omtrek administratiekantoor. begrenzen. administreren. besmetten. besmetting pest pest microbe infecteren. commanderen. meier besturen. besturen bestemmen. grondbeginsel heerschappij. bestuur administratiekantoor. toeschrijven. beginsel. toedichten gronden. administrateur bestuurder. besturen administratiekantoor. beginsel. winnen. bestuur administratiekantoor administratiekantoor. beheren. uittrekken administreren. helen infectie. ijdel. bezoldiging. grondbeginsel fundamenteel primair ingrijpend. ondervragen verdienen.zapytać zapytanie z podpowiedzią zapytywać zarabiać zaradzić zaraza zaraza zarazą zarazek zarazić zaraźliwy zarażenie zardzewiały zareagować na coś w jakiś sposób zareagować <to sth> na coś <with sth> w jakiś sposób zarejestrować zaręczony zarobek zarobić zarobkach zarodek zarozumiały Zarys zarys zarząd miasta zarządca zarządca zarządca plików zarządzać zarządzać zarządzać zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia zarządzanie zarządzanie zarządzanie automatyczne zarządzanie zautomatyzowane zarządzenie zarządzić zarzut Zasada zasada spokoju zasada superpozycji zasadą zasadniczy zasadniczy zasadniczy vragen enquête een verhoor afnemen. beheerder. behalen beter maken. salaris. administrateur intendant. bestuur aanvoeren. geëngageerd gage. behalen gage. beknotten omlijning. besmettelijk. loon verdienen. winnen. beheren administreren. bestuur principe. verpestend infectie. bevelen benoemen. grondig. opzichter. genezen. loon. salaris microbe nietig. bewind. besmetting roestig reageren reageren aangeven verloofd. beheren. aanstellen aanrekenen. bezoldiging. baseren principe. onbelangrijk beperken. aansteken aanstekelijk. radicaal . bestuur beheerder.

krediet. scherm. bedaard. proces-verbaal. toekomen. val schuif. behalen waard zijn. winnen. aanwinst stil. doek mantel. snappen betrappen. in de plaats stellen van inboeten. maffen bunker. snappen betrappen. mantel waard zijn. valstrik. kazemat dienblad. toekomen. in de plaats stellen van . onderpand. verdienen creditzijde. verdienen waard zijn. toekomen. klep inboeten. toekomen. krant opslaan prooi. weerglans nakomertje cijfer. verdienen waard zijn. krijgskunde een hinderlaag leggen bewerker eten. rustig. verdienen waard zijn. jas jas. notulen strategie. macht. bezorging heerschappij. vreten aanvoer. mogendheid aanvoer. zich verwonderen afspiegeling. nummer pion pand. tegoed. verrassen. bezorging aanvoer. gebruiken. bezorging ondersteuning. verrassen. bikken. verdienen slapen. subsidie inhalen geschrokken ontstellend een proces aanspannen tegen betrappen. buit. kalm zich verbazen. klep slag. waar verdienen. stipendium. waardig.zasadowy zasady zasady postępowania zasadzka zasilacz samochodowy/lotniczy zasilać zasilać zasilanie zasilanie moc zdolność władza zasilanie zaopatrzenie zasiłek zaskakiwał zaskakiwał zaskakując zaskarżać zaskoczenia zaskoczenie zaskoczyć zasłona zasłona dymna zasłonić zasłudze zasługa zasługa zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasłużyć (się) zasłużyć się zasnąć zasobnik zasobnik kart zasobnik kart (dziurkowanych) zasób zasób środek trwały zaspokoić zastanawiać się zastanawianie się zastanowienie zastaw zastaw zastaw zastawce zastawić pułapkę/sidła zastawka zastąpić zastąpić kogoś basisbekeuring. snappen overgordijn. gordijn. borgstelling schuif. verdienen eerzaam. toekomen. toekomen. verrassen. presenteerblad blad. acquisitie. credit waard zijn.

eren maar. prae creditzijde. dichten. reserveren. dichten. adjunct. navraag spuitje. vet baai. verpletteren congestie. aflossing assistent. vereren. credit huldigen. inham. toepassing koe doen schrikken. enten inenten. certificeren betuigen. intekenen bevoegdheid. inboeten afwisselend vernietigen. verhelen verdrinken. krediet. in de plaats stellen van vervanging. kwalificatie bevoegdheid. kreek golfspel.zastąpienie zastępca zastępca zastępca zastępca zastępczy zastępować nowszą wersją zastępował zastępowanie zastępstwa zastępstwa zastępujący zastosować zastosować zastosowanie zastraszyć zastraszyć zastrzec sobie prawo autorskie zastrzegać zastrzerzenie zastrzeżenie zastrzeżenie zastrzyk zasymilować zasypać zasypuj zasypuj zaszczepić zaszczepić (przeciw chorobie) zaszczycie zaszczycie zaszczyt zaszczyt zaś zaświadczać zaświadczać legalizować zaświadczyć zaświadczyć zataić zatapiać zatarg zatem zatkać zatkać się zatłoczenia zatłuszczony zatoka zatoka vervanging. vettig. verzekeren verbergen. doch getuigen. verzadigen inenten. vernielen inboeten. verwoesten. golf. aflossing aflossing. privilege. adapteren aanwenden. toch stoppen. certificeren getuigen. oculeren. vraag. kopijrecht bespreken. inspuiting. aanpassen. tegoed. dichtmaken belegeren doortrekken. dichtmaken bedelven. ontveinzen. huldigen. overstelpen. helper steward subsidiair. doorvoeren aanwending. schrik aanjagen copyright. enten vereren. vergaan conflict ook weer. plaatsvervangend in de plaats stellen van. oculeren. bloedaandrang. dus. boezem . injectie in zich opnemen. ergo. vervanging afwisselend afstemmen. bocht. kwalificatie kwestie. certificeren getuigen. verloren gaan. eren preferentie. assimileren stoppen. aandrang dik. aflossing vervanging. inham.

aankondigen. aankondigen adviseren. dichtmaken ontstekingsbuis. toepassing aannemen. vergeven aannemen. aanmerking. moes. fiducie hebben in vertrouwd. betrouwbaar zelfbewust. detineren. aankondigen. aanwending aanhouding. billijken. bevestigen vormsel. kaartje affiche. acclamatie. goedkeuren ontstekingsbuis. zelfverzekerd steeg plaatsbewijs. bekendmaken. aanwerven aanwending. aan de grond raken zondvloed jam. geloof fiducie. vertrouwen. marmelade vergiftigen. biljet. aanwerven toepassing. arrestatie reserveren. geloof creditzijde. halthouden. standje. verzekeren bevestigen. uiteinde inhoud inhoud adviseren. constipatie. vertrouwen. adverteren verkondiging. detineren afslaan. aankondiging . aanwending toepassing. ophouden verstopping. bougie stoppen. beamen. blijven staan logeren box reserveren. toejuiching ja zeggen. aannemen bijval. credit vertrouwen. ophouden. aanplakbiljet. krediet. bougie fiducie. aanneming beamen. bekendmaken aanplakken aandienen. huren. blijven staan logeren box logeren logeren afslaan. tegoed. halthouden. blaam uitgang. huren. plakkaat berisping. vergallen. dichten. obstipatie beweren.zatonąć zatopić zator zatruć zatrudniać zatrudniać zatrudniać (pracownika) wykorzystywać zatrudnienia zatrudnienie zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać (się) zatrzymać (się) zatrzymać się zatrzymanie zatrzymanie pracy procesora zatrzymanie ze względu na adres zatrzymuj zatwardzenie zatwierdzać zatwierdzać zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzić zatyczka zatykać zatykać zaufania zaufanie zaufanie zaufanie zaufany zaufany człowiek zaułek zauważyć zauważyć zauważyć uwaga zawarcie (umowy) zawartość zawartość łyżeczki do herbaty zawiadamiać zawiadamiać zawiadamiać zawiadomić zawiadomienia zinken.

broodwinning. leed. inhouden. bos jaloezie. aanplakbiljet. jaloers zijn op. steeds permanent. verkondiging affiche. naijver ijverzuchtig. grijpen. afwikkelen. afgunstig. jaloers. laten merken anemoon anemoon mysterieus. immer. aldoor. verdriet handwerk. eens. bedrijf schuif. steeds koppig. immer. halthouden. wel eens. plakkaat stationschef scharnier afhandelen. ijverzuchtig benijden. beroepsprofessioneel. wis. beroep. beschaamd maken beschaamd altijd. ooit altijd. beroepswedijver smart. afdoen bevatten. misgunnen bemachtigen. ambacht beroep. klep duizelig duizeling. duizeligheid foei penarie. behelzen omvatten. behelzen smeden bevatten. blijven staan hangen hangen monteren. ingewikkeld maken gecompliceerd. beslaan inclusief afslaan. knelpunt. zetten in de steek laten. beroep. ambacht handwerk. bij voortduring eenmaal.zawiadomienie zawiadomienie zawiadowca stacji zawias zawierać zawierać zawierać zawierać zawierać (umowę) zawierający wszystkie funkcje zawiesić zawiesić się zawieszać zawieszenie zawieść zawilca zawilec zawiły zawiły zawiły zawiniątko zawisć zawistny zawistny zawiść zawładnąć zawodowiec zawodowiec (w sporcie) zawodowy zawody zawód zawód zawód pisarza zawód pisarza zawór zawrotny zawrót głowy zawstydzać zawstydzenie zawstydzić zawstydzić się zawstydzony zawsze zawsze zawsze zawsze dostępny zawzięty zawzięty aankondiging. aangrijpen professioneel. geheimzinnig compliceren. inhouden. afgunstig jaloers. hardnekkig volhardend . hinder foei beschamen. ingewikkeld bundel. halsstarrig. beroepsprofessioneel. benardheid.

bos ordner. hulpmiddelen inrichting. misgunnen jaloezie. jaloers zijn op. moeten. breisteek. map inrichting. steek. afleiden. behoeven. samenkomst collecteren. dossier inrichting. afgunstig. abstraheren vergaderen. bewust gewoonlijk gewoonlijk beschuldiging. drift bestand. loskopen. inzamelen deduceren. gemeenschappelijk oogst hoop. bijeenkomen samenkomen. bijeenkomen scheren oogst acquisitie hutspot analoog. samenlopen. afleiden. gelijksoortig collectief. aanklacht doldriftig. groep. gezellig. afkopen onnodig overtollig. convergeren elkaar dekken. afgunstig benijden. strik merken. apparaat. kudde. overbodig weglopen. innen. samenkomen. tekenen welbewust. vergaderen. rose. rozig. drossen uitgewekene. congruent zijn bijeenkomst. innig. schare. verwoed. vluchteling elkaar dekken. hoeven in verlegenheid brengen intiem. apparaat. hulpmiddelen woud. jaloers. dol nodig hebben. ijverzuchtig geel ijverzuchtig. nakijken. jaloers zijn op. hulpmiddelen .zazdrosny zazdrosny zazdrosny (<of sb> o kogoś) zazdrościć zazdrość zazdrość zazębienie zaznaczyć zaznajomiony z czym (człowiek) zazwyczaj zazwyczaj zażalenie zażarty zażądać zażenować zażyły ząb ząbek (czosnku) zbadać zbawca zbawiać zbędny zbędny zbiec zbieg zbiegać się zbiegać się zbiegać się nadawać zbieżność zbiegowisko zbierać zbierać zbierać oklaski zbierać się zbierać się zbierać sumować zbierać wierzchnią warstwę zbieranie danych o wydajności zbieraniną zbieżny zbiorowy zbiory zbiór zbiór zbiór zbiór danych gotowy zbiór docelowy zbiór drzew (w teorii grafów) zbiór zmian po wykonaniu operacji jaloers. overeenkomend. naijver maas. abstraheren deduceren. apparaat. woedend. rooskleurig onderzoeken. knus tand roze. examineren Verlosser vrijkopen. wegrennen. misgunnen benijden. congruent zijn samenkomen. meeting.

uitmaken definitief. evenement belangrijke gebeurtenis. ververwijderd. oever bombarderen eksteroog. glooiing wal. zin. uitspraak belangrijke gebeurtenis. wis. ontaarden. bos uitgebreid. apache bepantsering. dunk. opwekken evenzeer. overwaarderen onnodig inhalen verwijderd. ontaarden. bundel. vervreemding overschatten. zenuw-. veelomvattend benaderen aanvliegen benaderen benaderen aanvliegen helling. bos gevolg samenscholing wis. pantser koek. wakker maken. verbasteren afstandelijk afstijgen zenuwachtig. voorrijden slaan. pit. ver voorwaarde. brassen. opvallen . opinie. likdoorn zaadkorrel. bepaling gedachte. clausule. wakend wekken. harnas. mening. evenement toegaan. kloppen. visie frase. harnas. aan de hand zijn besluiten. nerveus boemelen. omvangrijk. korrel straatschuimer. bepantsering. voortgang hebben. voorgoed degenereren. kant. klappen. ook verkoop. boord. aangifte. aan de rol zijn aanrijden. mede. eveneens. volzin declaratie. kust. gebeuren gebeuren. eelt. verbasteren degenereren. beslissen. cake wakker. kuras.zbiór znaków kodowanych alfabetycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiórka zbitka rejon zbity zbliżać się zbliżać się zbliżony zbliżyć zbliżyć się zbocze zbocze (impulsu) krawędź (grafu) zbombardować zboże zboże zbój zbroja zbroja zbrylić się zbudzić any zbudzony zbyt zbyt towarów zbyt wysoka ocena zbyteczny zdać zdalny zdanie zdanie zdanie zdanie (twierdzące) zdarzenie zdarzenie zaszłość zdarzyć się zdarzyć się zdecydować zdecydowanie zdegenerować się zdegenerowany zdejmował zdemontować zdenerwowany zdeprawować zderzać się zderzać się repertoire bundel. pantser kuras.

prent. plaat luik fotograferen. loshaken fotograferen. verkrijgen. kundig administreren. min. besturen verraad verraad verraad in de steek laten. tooisel beetnemen. buffer botsing. kieken fotografie beeld.zderzak zderzenia zderzenie zderzyć się zdjąć zdjąć z haka zdjęcia zdjęcia (w filmie) zdjęcie zdjęcie (fot. klein. beheren. voorrijden reinigen. gering luttel. behalen verkrijgen. aanvaring. karig. aanrijding aanrijden. capabel. karig. bekwaam bekwaam. karig. laten merken in de steek laten. decoratie. kundigheid aanpassingsvermogen geschiktheid aanpassingsvermogen bekwaamheid. pakken. neerslaan versieren sieraad. bekwaam bedreven. stootkussen. verstrekken aanpassingsvermogen bekwaamheid. kundigheid faculteit capabel. kundigheid bekwaamheid.) zdjęcie migawkowe zdławić zdobić zdobienie zdobycia zdobycz zdobyć zdobyć wewnętrzną świadomość zdobyć wewnętrzną świadomość zdobywać zdobywać zdolności przetwarzania zdolność zdolność zdolność zdolność adresowania zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie zdolność przystosowania się zdolność przystosowawcza zdolny zdolny zdolny do narzucenia zdołać zdrada zdrada zdradą zdradzać zdradzić tajemnicę/oddać coś zdrętwiały zdrętwiały zdrobniały zdrobnienia zdrobnienie zdrowie zdrowy zdrowy na umyśle bumper. louteren afhaken. klein. laten merken verdoofd afgemeten. schoonmaken. kieken onderdrukken. aanvaring. handig. min. gering luttel. plechtig. verkrijgen. afbeelding. aanrijding botsing. valide gezond van lijf en leden . fit. smoren. beetkrijgen raaf buit maken. ceremonieel luttel. behalen uitreiken. gering gezondheid gezond. min. behalen buit maken. behendig. verschaffen. buit maken buit maken. verkrijgen. klein. kundig.

samenkomst vergadering. overlijden. uitstekend. louter bedaren. bedorven. bewusteloos raken wraak wraak wraak hoogtepunt. dutten vernietigen. zenit defect. samenkomst samenscholing bijeenkomst.zdrój zdrzemnąć się zdrzemnąć się zduciś zdumieć zdumieć zdumiewać zdumiewający zdumiewający zdusić się zdychać zdyszany zebra zebrać zebrać zebrania zebranie zebranie zebranie zechcieć zefir zegar zegara zegarek zegarmistrz zejście na ląd (ze statku) Zelandia zelówka zelżeć zemdleć zemdleć zemdlenia zemsta zemsta zemścić się na kimś zenit zepsuty zepsuty zepsuty zepsuty fabrycznie zera zera zerkać zero zero zero zero nastawiaine zero nieznaczące badplaats druilen. lust. vernielen verwonderen. meeting. aggregaat vergaderen. polshorloge horlogemaker. nihil nihil. bedorven. Kaapse ezel aggregatie. kapot rot. verbazingwekkend eminent. bevreemden. druilen. zitting wens. nihil nul scheelzien. klokkenmaker daling. scheelkijken. nul nul nul nihil. samenkomen. loensen nul. bloot. bevreemden. verrot nul. bijeenkomen bijeenkomst. verbazen bevreemdend. luwen zwak bezwijmen. aanzienlijk onderdrukken. landing Zeeland enkel. verlangen. verwoesten. sterven ademloos. begeerte. nul . amechtig. smoren. verrot verspild rot. verbazingwekkend verwonderen. sluimeren. bekoelen. klok wijzerplaat horloge. neerslaan doodgaan. meeting. buiten adem zebra. dutten sluimeren. zin zefier uurwerk. verbazen bevreemdend. bewusteloos raken bezwijmen. stuk.

bos bijeenkomst. onpartijdig een miskraam krijgen. scheelkijken. schrift. toestaan toestemming. laten schieten toelaten. loensen laten. schare groepering. gedogen. laten begaan. groep complex. uiterlijk daarbuiten. troep. buiten. buitenwaarts leden. mislukken een miskraam krijgen. afzijdig. bedroeven. afschaven stijfheid oefenen. uitwendig. uiterlijk buiten-. gedogen. nul hel.zero nieznaczące zero początkowe zerować zerowy zerowy (przewód elektr. buiten-. aflevering katern. samenkomst gevolg blokkeren. vastzetten schaven. heen. samengesteld gevolg bende. aanhang scheelzien.) zerwać zerwanie zesłać (nieszczęście) zespół zespół Zespół budynków zespół odczytującodziurkujący zespół projektowy zespół serwerów zestaw znaków kodowanych alfabetycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestawiać w bloki zeszlifować zesztywnienie zeszyt zeszyt zeszyt (szkolny) ześlizgnąć się zetrzeć zetrzeć zewnątrz zewnętrzna strona zewnętrzna strona zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zez zeznaj zeznania zeznanie zezowaty zezwalać zezwalać zezwolenie zezwolenie nul nihil. meeting. getuigen hergeven. oppervlak extern. aflevering slippen. verwijderd. uiterlijk buiten naar buiten. loensen certificeren. uitwendig. aggregaat repertoire bundel. toestaan . schrift. drillen katern. eruit. scheelkijken. uitglijden vandoor. licht. mislukken beproeven. wis. goedvinden. reproduceren. klaar nul neutraal. fiat toelaten. schare aggregatie. troep. extern. over uitwissen buiten buiten oppervlakte. verdriet doen bende. teruggeven getuige scheelzien.

vouwen. rechtsom aangenaam. syllabe aanwending. doorbuigen gebogen. herrie verfomfaaien. overeenstemmend congruent consequent consonant. overeenstemming het eens zijn. medeklinker lid worden het eens zijn. overeenstemmen maagbrand. goedvinden toestemming. ons. plooien vrijwilliger. leven. krom omvouwen. beamen. volontair verzoeker. nagaan lettergreep. exploreren. buigen. genoeglijk congruent adequaat. we toestemming. schavuit. frommelen ellendeling. toestaan gebit gebit raden. zuur ophef. aanvrager onderzoeken. lossen toelaten. overeenstemmen passen. onthaal accoord. bedorven. maagzuur. overeenstemmen bitter beminnelijk . uitlaten. goedvinden. gedogen. samenklank ja zeggen. tappen. run rot. ons.zezwolenie na zapis zezwolenie zapisu zezwolenie zdalne zezwolić zezwolić na opublikowanie zębach zęby zgadywać zgadzać się zgadzać się zgadzać się zgadzać się (<to sth> na coś) zgaga zgiełk zgięcia zgięcia zginać zginać zginać zgłaszać się na ochotnika zgłaszajacy się zgłębiać zgłosce zgłoska zgłoszenie zgnieść zgniły zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara zgodnie z obrotem wskazówek zegara zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny ze standardami branżowymi zgodzić się zgodzić się zgorzkniały zgrabny wij. aanneming. rumoer. goedvinden. fiat bescherming met de klok mee. doorzien accoord. passend. toepassing aandrang. toeloop. in overeenstemming zijn het eens zijn. rechtsom met de klok mee. verrot aanvaarding. behaaglijk. lawaai. overeenstemming overeenstemming. ploert. toegeven. gissen. we wij. bevestigen concert het eens zijn. boef ombuigen. fiat loslaten. kreukelen. syllabe lettergreep.

knauwen. bijeenkomst meeting. samenkomen. gapen wijd openstaan. pit. opdagen verschijning. aarden aards wijd openstaan. rimboe koud koud koud ijsvogel blinde. fenomeen gezicht. gapen wijd openstaan. nors. pit. aardappel aards. bodem. bijeenkomst samenscholing vergaderen. strop zaadkorrel. bits bars. korrel zaad identificeren. vereenzelvigen groen groen aanaarden achtergrond. veldboon zaadkorrel.zgromadzenia zgromadzenie zgromadzenie zgromadzić zgryz zgryźliwość zgryźliwy zgryźliwy zgrzeszyć zgrzewarka zgrzytać zgrzytania zguba ziarnistość ziarnko (grochu ziarnko (klasa JavaBeans) ziarno ziarno zidentyfikować zieleń zielony ziemia Ziemia (jako planeta) ziemianin ziemniak ziemski ziemski ziewać ziewać ziewanie ziewnięcie zima zimą zimnica zimno zimny zimny zimorodek zjawa zjawa zjawiać się zjawianie się zjawienie się zjawiska zjawisko zjazd zjednoczenia zjednoczenie meeting. samenkomst. geest. jungle. beitsen bitsheid snibbig. droombeeld congres unie unie . samenkomst. korrel tuinboon. boon. schade. boon. ondergrond chaperonneren pieper. onaardig zondigen lasser piepen. nurks. knarsen raspen nadeel. visioen. gapen wijd openstaan. gapen winter winter oerwoud. droombeeld opdraven. bijeenkomen happen. verschijnen verschijnsel. deficit. visioen. veldboon tuinboon. blinde bij kaarspel gezicht. bijten. honds. verschijnen verschijning. grond.

aanvragen. verzoeken opdracht. gotisch lettertype breuk. bedroeven. boosheid. liquideren. kapot aanfloepen. gelid. gortig kwartel in aanmerking komen. aangaan spijkeren. grijpen. boosheid. gotisch lettertype breuk. steler diefstal. afvaardigen nonchalance. toorn bijeenkomst. goor. knoop aansluiting houder. ergeren . ranzig. lid. nalatigheid koek. geleding. lid worden. adellijk. ontvreemding afkeuren ergeren. leggen. aan de grond raken muf. rans. aangrijpen gewricht. knoop kwetsen. benauwd. verontwaardigen grieven. boodschap. letsel toebrengen gulden. hakken houwen. stuk. meeting. aanflitsen. nagelen bemachtigen. meetellen afwikkelen. kappen. samenkomst afbreken houwen. gotisch lettertype defect. commissie aanvoeren. geleding. garstig opdracht. toetreden gewricht.zjednoczony zjedzony przez mole zjełczały zlecenia zlecenie zlecenie zlecenie zakupu zlecić zlecić delegat zlekceważenie zlepiać (się) zlew zleżały zlęknąć się zliczanie zlikwidować zlokalizować zlość zlość zenie zlot złamać złamać (zabezpieczenie złamać zabezpieczenie złamania złamanie złamanie ochrony pamięci złamany złapać złapać złapać kogoś na gorącym uczynku złącze złącze złącze złącze złącze p-n stopniowe złącze przelotowe portu równoległego złącze punkt połączenia złącze żeńskie złącze) ceramika—metal złączenie Złączka zło złocie złodziej złodziejstwo złom złościć złościć verenigd mottig ransig. bevelen vragen. aanstellen delegeren. hakken breuk. cake zinken. lid. boodschap. gelid. plaatsen gramschap. foedraal unie aansluiting haven interface aansluiting aanhechting zich aansluiten. kappen. gouden dief. commissie benoemen. opheffen situeren. schede. inroepen. commanderen. toorn gramschap.

samengesteld toondicht. leed leed. grond. gouden gulden. hatelijk boosaardig. beproeving smart. hatelijk. defect. bergen. aanflitsen. anders maken opmaken. afbeulen vermoeid. illusie kwaad. gehavend. insluiten opbergen. anders maken verschuiving afleidingsmanoeuvre ergo. redigeren. bodem. boosheid. afnemen verspild rimpelen. in bewaring geven complex. aangaan afgeven. arend goudvis gulden. slecht. nijdig. mat. samengesteld vergaderen. samenkomen. bergen. begoocheling. verdriet. gouden gulden. bedroeven droefheit. deponeren. afjakkeren. toch ontsnappen. toornig. hartzeer. kaduuk worstelen. ook weer. ontgaan verschuiving achtergrond. toorn trots kwaadaardig. stuk. zich aftobben verminderen. toonzetting. składany stolik w pociągu) złożyć składany stolik w pociągu złudzenie zły zły zły zmagać się zmaleć zmarnowany zmarszczka zmartwienia zmartwienie zmartwienie zmartwienie zmarznąć zmęczenie zmęczony zmiana zmiana zmiana adresu zmiana kierunku zmiana strumienia magnetycznego na cal zmianą zmielony zmieniać zmieniać zmieniać gramschap. spartelen. kwaadaardig adelaar. verdriet. boosaardig. dus. kwaad kapot. insluiten drogbeeld. ondergrond afwisselend veranderen. boosaardig. smart vriezen afmatten. samengesteld complex. opstellen . fronsen verdriet. boos kwalijk.złość złośliwość złośliwy złośliwy złośliwy złośliwy złota moneta dziesięciodolarowa złota rybka złoto złoty złoty złoty (polska waluta) złowić złoże złożenie złożenie skład złożony złożony z dwóch jednakowych elementów złożyć złożyć (np. gouden aanfloepen. bijeenkomen opbergen. gouden gulden. beroerd. kwaadaardig afschuwelijk hatelijk. ontkomen. moe veranderen. compositie complex.

timide. afgelasten in de week zetten. sensueel verdicht. verlagen afname dalen. afwisselend dageraad. bedeesd temperen. schemerdonker. modificeren afwisselend klaarspelen. bevangen. mengen. veranderen afwisselend bekeren anders maken. matverplichten. illusoir betekenis. annuleren. halfdonker halfdonker. veranderen anders maken. verstrooien wisselend. nachtduivel. knelpunt. bijeenkomst angstdroom. veranderlijk. wellustig. afwisselend afwisselend afwisselend veranderen. fictief . benardheid. bevangen. inkrimpen. schemerdonker blo. anders maken wisselend. bekoelen. veranderen afleiden. beschaamd maken penarie. weken accapareren. bijeenkomen meeting. timide. verlagen inkorten. herleiden afdraaien. zich verpozen bedaren. veranderen anders maken. doorkomen. bedeesd reduceren. opkopen vergaderen. samenkomst. vermengen. mixen beschamen. schemerdonker mat. dwingen. weekmaken. aanbreken van de dag schemer. luwen ontbinden. afnemen afdraaien. zin zinnelijk. schemer. samenkomen.zmieniać zmieniać (się) zmieniać kolejno zmieniać liczbę zmieniać się zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) zmienić zmienić się zmienić (się) zmienić kierunek zmienna związana zmienny zmienny zmienny zmienny zmierzch zmierzch zmierzch zmieszać zmieszać zmieszać się zmieszanie zmieszany zmniejszać zmniejszać się zmniejszenia zmniejszenie się zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć (się) zmniejszyć napięcie zmoczyć zmonopolizować zmontować zmontować (urządzenie) zmontowanie zmora zmowa zmrok zmrożony zmuszać zmuszać zmylić zmysł zmysłowy zmyślony wijzigen. samenkomen. verminderen verslappen. kleiner worden. hinder blo. incubus komplot. bijeenkomen vergaderen. veranderlijk. slagen anders maken. denkbeeldig. noodzaken stuwen bedrieglijk. samenspanning halfdonker. schemer.

leggen. bekende bekendheid. voorteken. vlag dundoek. aantal. strekking oogwenk. treffen. teken kogel voorbode. invoeren gemiddeld kennen. plan. vermogen eminent. aanzienlijk . plan. voorteken. getal oneigenlijk. aanmerkelijk. relatie. voorteken. korrel. karakter. aanzienlijk importeren. vaan. ogenblik. bekende aard. kennis. vaan. betekenisvol voorbode. vlag geruim. geaardheid merken. voorteken. asterisk sterretje. hash table mieszać znak nowej linii znak odstępu znak sterujący transmisją znak unikowy znak wodny znak zabezpieczający znak zapytania znak zastępowania znak zastrzeżony usługi znak zgłoszenia znakomitość znakomity znakomity bedrieger. tekenen zaadkorrel. geaardheid voorbode. kwakzalver doel. bekende kennis. bedoeling. teken nauwgezet. porto muntstempel tal. relatie. plaatsen toegaan. tekenen dundoek. vlag merken. bekend zijn met vinden.znachor znaczący znaczący znaczek znaczek pocztowy znaczek pocztowy znaczenie znaczenie znaczenie znaczenie przenośne znacznie znacznik znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) znacznik stanu klienta znacznik znak towarowy znaczny znaczyć znaczyć znać znać się na znajdować znajdować lokalizować znajdować się znajomość znajomość lokalnych warunków znajomość rzeczy znajomy znak znak znak znak znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. bekend zijn met kennen. aantreffen situeren. charlatan. voortgang hebben. beroemdheid kapitaal. pit voorbode. bevinden. voorteken. bedoeling. gebeuren kennis. frankering. nauwkeurig. voorteken. vaan. teken port. relatie. asterisk mijlpaal aard. accuraat voorbode. uitstekend. strekking veelbetekenend. kunde kennis. teken voorbode. karakter. teken sterretje. moment. tel aanzienlijk dundoek. teken aanleggen beroemd persoon. figuurlijk doel.

bevinden. oordelen. van voren af aan. wachten beklijven. treffen. aantreffen merken. blussen. affronteren gescheld beledigen. krenken. beuzelachtig. vierkante decameter tevreden. aantreffen baseren. kwaadspreken. verwoesten. vernielen afname te wachten staan. ontmanteling. plicht bereidwillig. luizig afbraak. afhalen. krenken. uitdoen. berechten gescheld gescheld afschrikken. verwoesten. verbeelden. aanhouden opnieuw. voldaan ontmoeten. uitblussen vernietigen. achterstallig vinden. opnieuw vervelend ontmoeten. sloop vernietiging vernietigen. vergenoegd. aantreffen verplichting. duren. nogmaals van voren af aan. funderen vinden. zoöloog zoölogie. bereidvaardig uitbeelden. affronteren lijfeigenschap. verjagen afschaffing roddelen. afbeelden zodiak. grondvesten. wijken verdwijning verdwijning onbeduidend. treffen. bevinden. dierkunde . nogmaals. vernielen doven. verjagen afschrikken. herendienst verdwijnen. aantreffen are. plicht verplichting. tekenen deskundig beoordelen.znakomity znaleźć znaleźć znaleźć ukojenie w czymś znamię znawca znawca znęcać się znęcanie się zniechęcać zniechęcić zniesienie zniesławić znieść znieść (na dół) znieść niewolnictwo znieść yć zniewaga znieważać znieważać zniewolenia znikać zniknięcia zniknięcie znikomy zniszczenie zniszczenie zniszczyć zniszczyć zniweczyć zniżka znosić znosić znowu znowu znużony zobacz zobacz <be> zobacz <content> zobaczyć zobowiązanie zobowiązanie bitowe zobowiązując zobrazować zodiak zoo zoolog zoologia onbetaald. dierenriem dierentuin dierkundige. belasteren afschaffen afschaffen afschaffen maag beledigen.

kramp. aurora. aftreden. stoutmoedig. ontslagneming bedanken. gedurfd. neerleggen. examineren inspuiten. verder op reis gaan. lijst. nablijven overig. begrijpen. beschadigen. bederven biefstuk. afleggen. mislukken uittreden. nietje. toekomen. odpowiedzialności) zrzekać się zrzekać się (sterowania) zrzeszać się zrzędzić zrzut zmian (zawartości pamięci) zsiadać zsługa zsumować dodać zszyć zszywka zuchwały Zulus zoölogie. het veld ruimen. omlijsting. aanmaken. bevattelijk bevatten. ontslagname. uitspraak pauzeren onderzoeken. dierkunde uitschrijven. organiseren Aurora morgenlicht. verjagen kader. aangifte. afstand doen afstand. nakijken. morgenrood Aurora morgenlicht. morgenrood logeren achterblijven. stout Zoeloetaal. aansluiten mopperen. ontslagneming afstand. vastnaaien haakje. arrestatie aanleggen. bedanken prijsgeven. aanwakkeren. aan de schouder brengen nuchter barsten. aansporen aanzetten. immoreel. injecteren doen. lot bedanken. afbreken lotsbestemming. ontslagname. splijten. scheuren afrukken. toegeven zich aaneensluiten. onzedelijk afsnauwen declaratie. afreizen havenen. opgeven gemeen. kankeren. sputteren stortplaats afstijgen waard zijn.zoologiczny zorganizować zorza zorza zorza polarna zorza polarna zostać zostawać zostawać zostawić zranić zraz zrazić zrąb aplikacji zrezygnować zrezygnować zrezygnował zrezygnował zrobić afront zrobić pętlę zrobić przerwę zrobić sekcję zrobić zapas zrobić zrzutkę zrozumiałem zrozumiały zrozumieć zrozumienie zrównać zrównoważony zryw zrywać (kwiaty) zrządzenie losu zrzec się tronu zrzeczenie się zrzeczenie się (np. maken en begrijpelijk. verdienen aanvuren. neerleggen. regelen. bief afschrikken. afstand doen afstaan. morren. aannaaien. plukken. beseffen aanhouding. raam een miskraam krijgen. Zoeloe . klamp brutaal. bedrijven. bestemming. aurora.

geest. dragen. verwant bond. toevertrouwen spel verflensen. toevertrouwen dominion dierlijk dier. bloot compleet. verbruiken. volledig uitdrukken volkomen. respecteren verrekken. nauw. luchtband vertrouwen. belemmeren geurig. afgaan. rondreis bezoeken. afwegen Zweeds zeeëngte. koesteren.zupa zupą zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie obcy człowiek zupełny zupełny zupełny zużycie zużycie energii zużywać zwabić zwabić zwalczać zwariowany zwarty zważać Zważyć. aanlokkelijk lokken dwarsbomen. berichten. Maria-Boodschap voorbode. intellect het gewicht bepalen. opzoeken binnenband. verwantschap informeren. referentie eerbiedigen. inlichten bond. luchtpijp. consumeren lekker. brengen. radicaal helemaal. verstuiken spoken tournee. verdorren . vertroetelen dierlijk dierlijk vertrouwen. finaal louter. odważyć zwedzki zwężać (się) Zwiastowanie zwiastun związany związek związek związek związek typu "jeden do wielu" związek typu "jeden do wielu" związek zawodowy zwichnąć (staw) zwiedzać zwiedzać zwiedzać zwiedzanie zwierak anty nadawanieodbiór zwierak anty nadawanie-odbiór zwierzać się zwierzchnictwo zwierzę zwierzę zwierzę zwierzę pociągowe zwierzęcy zwierzyć się zwierzyna zwiędnąć soep soep alles wel beschouwd heel. enkel. associatie verwijzing. luchtpijp. kwijnen. voorhebben slopen. genootschap. tuberculose voeren. volkomen. genootschap. tering. opzoeken bezoeken. tegenwerken. associatie familiebetrekking. voorteken aanverwant. ontwrichten. aromatisch compact. kanaal. afgaan. totaliter grondig. in optima forma longtering. dicht verstand. perfect. luchtband binnenband. heel. straat Annunciatie. beest troetelen. wegen.

het juk opleggen gedachte spoel. beknopt vochtig instorten. bobine klos. gebruikelijk louter. expansie kortstondig. teruggeven adresseren keerkring affiche. illusoir begoochelen. bijeenroepen. convoceren aanspannen. los. klos. bloot gewoonlijk . inzonderheid neiging tot uitstellen vertraging lijk. aanhouden. kort. spoel. bobine hergeven. schoorvoeten. lossen ontslaan. ontzetten. verheffen. reproduceren. zege. reproduceren. convoceren aanschrijven uitschrijven. dubben verdagen. plakkaat hergeven. illusies wekken bij leden onbezet. weergeven victorie. aanplakbiljet. overwinning victorie. uitlaten.zwiększać zwiększać (się) zwiększanie wyposażenia zwięzły zwięzły zwilżyć zwinąć zwinny zwlekać zwlekać zwłaszcza zwłaszcza zwłaszcza zwłoce zwłoka zwłoki zwodniczy zwodzić kogoś zwolennik zwolnic wolny zwolnić zwolnić (tempo) zwolnić kogoś z pracy zwolnienie zwołać zwołuj zwołuj zwoływać zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) zwornik zwój zwój zwracać powrót zwracać się (<sb> do kogoś) zwrotnikach zwrócić (do repozytorium) zgłosić się zwrócić pieniądze zwrócić uwagę zwycięstwa zwycięstwo zwyciężyć zwyczaj zwyczaj zwyczajnie zwyczajny zwyczajny zwykle vermeerderen opdrijven. overwinning veroveren usance. uiteenvallen bijtend. royeren aanschrijven uitschrijven. enkel. ontslaan loslaten. in het bijzonder in het bijzonder. bijeenroepen. tappen. ophogen uitzetting. kadaver bedrieglijk. guur. vooral. open. zich verpozen ontzetten. gebruik douane gewoonlijk gewoon. fel. vlot. royeren. kreng. teruggeven reproduceren. onbelemmerd verslappen. zege. bondig. gewoonte. ineenstorten. kort kernachtig. uitstellen inzonderheid inzonderheid. doordringend aarzelen.

welput aanslaan. prooi verdienste. baat. kwel. onbedekt. baat. kikvors kikker. buit. verkeerd misverstand misvatten. kikvors een of andere. kotsen degenereren. baat. buis leed. smart . lemmer. prooi acquest. kwel. gebruikelijk spugen. wortel schieten bron. geen. winst. geen. een of ander. niets. verkrijgen. braken. lemmet schrijden slecht onjuist. gewin buit maken. lemmer. gewin kling. wel. herkomst aanslaan. verkeerd begrijpen slecht pony oorsprong. winst. wel. ontaarden. buit. winst. aanwinst. kwel. niet niks. naakt algemeen. niets. kwel. nee. bloot. vrouwtje kikker. gewin acquest. verbasteren inflatie zaagvormig zaagvormig verdienste. gebruikelijk algemeen. gemeenschappelijk gewoon. aanwinst. welput bron. geen zier neen. niet neen. lemmer. verdriet. niemendal. geen zier zeilen jasje. welput bron. lemmet kling. colbert. wortel schieten wijfje. afkomst. aanwinst. lemmet kling. aangeboren gewoon.zwykle tekstowe zwykły zwykły zwykły zwykły zwykły papier zwykły tekst zwymiotować zwyrodnieć zwyżka (cen) zygzak zygzakowaty zysk zysk na akcję zysk na akcję i ekwiwalent akcji zysk na akcję i ekwiwalent akcji zyskać zyskać zyskać na czasie źdźbła źdźbło źdźbło (trawy) źdźbło trawy źle źle źle zastosować źle zrozumieć źle/nieudolnie kierować (instytucją itp) źrebak źródła źródła źródła źródło źródło mocy sterowane cyfrowo źródło upuszczania źródło zasilania ż żaba żabą żaden żaden żaden żaden (w zdaniach przeczących) żaden z dwóch żaden z nas żagiel żakiet żal gewoonlijk onopgesmukt. noch niks. foutief. welput bron. buit. behalen acquest. overgeven. niemendal. wel. enig evenmin. prooi verdienste. nee. wel. gemeenschappelijk ingeboren.

steken pikken. clown. verzoeken opeisen. prikken. claimen inspectie houden. eisen vragen. bejammeren tot inkeer komen. happig. behoeven. blaken opduikelen. priemen. rekenen. verterend begerig. kwinkslag. inspecteren nodig hebben. harlekijn in gloed staan. berouw hebben betreuren. beklagenswaardig betreurenswaardig. beuzelarij boerten. grol. eisen opeisen. lamp. aanvragen. blaken aanspraak maken op. grol. schertsen. bejammeren berouw. begeren . rekenen. hoeven aanspraak maken op. prikken. vereisen. verzoeken vragen. aanvragen. droefheid klagen. gloeien. vereisen. gekscheren mop. grap mop. grap bagatel. kwinkslag. grol. vurig. taaltje jargon. schertsen. belust. pots. inkeer bedroefdheid. gekscheren mop. pots. lampje. smart. zijn beklag doen luik rouw erbarmelijk. verkiezen. boetvaardigheid. pots. verzoeken aanspraak maken op. taaltje gloeiend. gretig ampul. gekscheren hansworst. wee betreuren. grap jargon. bepaling aanspraak maken op. gloeilamp. hoeven nodig hebben. conditie. claimen opeisen. kwinkslag. eetlust. futiliteit. priemen. steken dorstig graagte. hongerigheid. behoeven. bejammeren tot inkeer komen. vereisen. peer boerten. rekenen. inroepen. inroepen. trek trek hebben in.żal żal żal żalić się żaluzja żałoba żałosny żałosny żałość żałować żałować żałował żałował żar żarcia żarcie żarcie żargon żargon techniczny żarliwy żarłoczny żarówka żart żart żartować żartować żartować z kogoś żartowniś żarzyć się żądać żądać żądać żądać informacji żądania żądania żądania żądanie żądanie żądanie danych żądanie informacji dochodzenie żądanie zaprzestania EGP żądanie zaprzestania EGP żądanie znacznika czasu żądła żądło żądny żądza żądza betreuren. verzendend. opgraven. spijtig ach. delven. berouw hebben in gloed staan. moeten. rooien boerten. inroepen. eisen voorwaarde. schertsen. claimen vragen. aanvragen. moeten. claimen pikken. gloeien.

smartelijk oogst oogst maag eikel storten. zeeman navigeren zeilen navigeren navigatie adieu. afkijken spieken. pijnlijk. bak. voor navigatie varensgezel. bedelen schooier. betalen. aan. kaartje menen. roes. vermoeden. teken. ribbel. hartstocht plaatsbewijs. roes. afkijken drenkbak. naar. vrouwtje raaf bikken. getrouwd van zijn stuk brengen. vaarwel ijzeren ijzeren ijzeren ijzeren gehuwd. tot.żądza żądzą że że że żeberka żebrać żebrak żebro żeby żeglarstwo żeglarz żeglować żeglować żeglował żegluga żegnaj żelastwo żelazka żelazko żelazo żenić się żenował żenując żeński żerować żeton żeton żeton żeton kontrolny żłobek żłób żłób żmija żmudny żniwa żniwo żołądek żołądź żołd żołnierz żona żona prowadząca dom żonaty żonaty facet/domator żongler żonglerka żonglować passie. stranden schooien. lust. nerf. uitbetalen. ribbe tegen. dooreenhalen verwarrend wijfje. bij. biljet. janmaat. getrouwd gehuwd. afbikken slak. gemalin. teken. hartstocht passie. krib. stellen dat aan de grond lopen. getrouwd jongleur jongleren jongleren . vrouw des huizes gehuwd. dokken soldaat echtgenote. naaktslak adstructie. bewijs spieken. eega. vrouw huisvrouw. eetbak. bedelaar rib. deerlijk. bewijs adstructie. trog adder zeer. lust.

haastig. kwik . gezwind. toegenegen. veestapel scheermes marmeren. kroon. rap snedig. onschuldig goedgezind. begeren. wenden rogge kwikzilver. levendig. hachje vitaal trek hebben in. liefheid goedaardig. kraan hijskraan. krant as snel. druk. verkiezen. aderen giraffe giraffe kroonluchter. trek hebben in voorkomendheid. begeren. misgunnen geel schildpad schildpad beestachtig. aderen marmeren. gunstig vriendelijk. begeren verkiezen. joods levend vee. trek hebben in bestaan resideren. kras. endosseren. gevat. luchter endossant. spoedig. grind leven. begeren. steengruis. joods jood. schildvleugelige hijskraan. ruw. gravel.żonglowanie żólty żółć żółtaczka żółty żółw żółw (kursor w języku Logo) żrący żubr żuć żuć gumę bez przerwy żuk żuraw żuraw (także ptak) żurnal żużel żwawo żwawy żwawy żwir życie życiowy życzenie życzenie życzliwość życzliwy życzliwy życzliwy życzyć życzyć sobie żyć żyć z kimś w niezgodzie Żyd Żyd żydowski żyjący żyjący żyletka żyła żyłą żyrafa żyrafą żyrandol żyrant żyroskop żyrować (weksel) żyto żywe srebro jongleren geel gal benijden. geestig. Hebreeër Hebreeuws. voorkomend verkiezen. kraan courant. kudde. tor. overdrager gyroscoop gireren. huizen Hebreeuws. gauw kwiek. dierlijk oeros kauwen kauwen kever. bruut. ad rem gruis. dagblad. gevestigd zijn. jaloers zijn op. levende have. trek hebben in verkiezen.

kudde. heg. vreten voeden voeden element. levende have. verlevendigen vee. hachje vitaal levend bezielen.żywica żywicą żywiciel rodziny żywić żywić żywić żywić do kogoś urazę żywioł żywiołowy żywiołowy żywność żywność żywopłocie żywopłot żywot żywotny żywy żywy żywy żywy inwentarz żyzny hars hars kostwinner recipiëren eten. etenswaar. bestanddeel. steg haag. meeslepend. gerecht haag. veestapel smeuïg. steg leven. heg. pittig vruchtbaar . gebruiken. bikken. spijs. beginsel elementair spontaan eetbaar eten. vurig.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful