P. 1
słownik polsko-holenderski

słownik polsko-holenderski

|Views: 5,558|Likes:
Published by Blazej Slezak

More info:

Published by: Blazej Slezak on Nov 07, 2010
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

09/04/2012

pdf

text

original

Pole1 "spamować" (adj) nijaki 25 funtów a zdumiony abakus abdykacja abdykować abecadła abecadło aberracja aberracją abiogeneza abnegacja

abolicją abolicjonista abolicjonizm abonamencie abonament abonencie abonent abonent (telefoniczny) abonent wywołujący program żądający abonował aborcja aborcją aborygen abrutto absencja absencją absolutnie absolutny absolutny absolutny błąd podstawy czasu absolwencie absolwent absorbcją absorbować absorbował absorbując absorbujący absorpcja zakłóceń kosmicznych abstrahowanie abstrakcie abstrakcie abstrakcja abstrakcja abstrakcja proceduralna

Pole2 doen toekomen, sturen, opsturen nihil, nul pony ampère telraam, abacus afstand, ontslagname, ontslagneming bedanken, neerleggen, afstand doen alfabet, ABC, eerste beginselen alfabet, ABC, eerste beginselen aberratie, afwijking aberratie, afwijking abiogenesis versterving, abnegatie afschaffing tegenstander van slavernij anti-slavernijbeweging abonnement abonnement abonnee abonnee gebruiker bezoeker geabonneerd zijn op abortus provocatus, abortus abortus provocatus, abortus Australische inboorling, aboriginal vettig, vet absenteïsme afwezigheid, absentie, mangel beslist, absoluut, ten enenmale absoluut, onvermengd onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt absoluut, onvermengd afgestudeerd, gediplomeerd afgestudeerd, gediplomeerd absorptie, opslorping in beslag nemen, opslorpen, absorberen in beslag nemen, opslorpen, absorberen fascinerend, boeiend, betoverend fascinerend, boeiend, betoverend absorptie, opslorping abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract begrip, abstractie

abstrakcyjny abstrakcyjny typ danych abstynencja abstynencją abstynent absurd absurd absurdalny aby aby ostrzegać academic ACC accusativus aceton acetylen ACH ach adaptacja adaptacją adapter adapter wejścia/wyjścia adaptować adaptował adaptował adaptował adaś ADDR adepci adepcie adiectivum adiunkcie adiunkt adiutancie adiutant ADMIN administracja administracja administracja państwowa administracja publiczna administracją administracyjny administrator administrator administrator organizator administrować administrować administrowanie admirał

abstract, afgetrokken abstract, afgetrokken geheelonthouding, abstinentie terughoudendheid, onthouding knutseaar, amateur, dilettant onding, absurditeit, ongerijmdheid nonsens, onzin, zever, gekheid dwaas, ongerijmd, onzinnig, absurd gedurende, onder, terwijl, staande entstof, vaccin, vaccine trap, mate, graad accumuleren, ophopen, opeenhopen accusatief, vierde naamval aceton acetyleen och, ach, oh, ah oh, ah, och, ach modificatie, bewerking, aanpassing modificatie, bewerking, aanpassing bewerker bewerker afstemmen, aanpassen, adapteren afstemmen, aanpassen, adapteren bewerkt, aangepast arrangeren, aanrichten, ordenen Adam adresseren aanhang, leden student bijvoeglijk naamwoord, adjectief opvoeden, onderwijzen lector adjudant, ordonnansofficier adjudant, ordonnansofficier beheerder, administrateur administratiekantoor, bestuur administratiekantoor gouvernement, regering, overheid administratiekantoor, bestuur administratiekantoor bestuurlijk, administratief beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur besturen, administreren, beheren administreren, beheren, besturen administratiekantoor, bestuur admiraal, vlootvoogd

adnotacja adnotacją adnotacją adopcja adopcją adoptować adoptował adoptował adoptowany adoracja adoracją adorator ADR adrenaliną adres adres ATM adresacie adresat adresatka adresować adv adv adverbium adwent adwersarz adwersarz adwokacie adwokacie adwokat adwokat adwokaturą aeroport afekcie afekt afekt afektacja afektowany aferą aferą affront Afganistan afgańczyk afisz afisz aforyzm afront afryce Afryka

aantekening, commentaar aantekening, commentaar plaatsbewijs, biljet, kaartje adoptie, aanneming adoptie, aanneming zich eigen maken, adopteren zich eigen maken, adopteren aangenomen, geadopteerd aangenomen, geadopteerd aanbidding, adoratie aanbidding, adoratie bewonderaarster, vereerster adresseren adrenaline adresseren adresseren geadresseerde geadresseerde geadresseerde adresseren direct, overeind, rechtop helemaal, heel, finaal adverbium, bijwoord advent tegenstander tegenstander adviseren, aankondigen, bekendmaken verdediger, pleitbezorger, advocaat pleitbezorger, advocaat, verdediger verdediger, pleitbezorger, advocaat belemmeren, afsluiten, afdammen luchthaven aandoen, aangrijpen affect, emotie, aandoening droefheit, hartzeer, beproeving aanstellerij, onnatuurlijkheid aangedaan, aangegrepen zaak, aangelegenheid, ding, affaire konkelen, intrigeren, bekonkelen beledigen, krenken, affronteren Afghanistan Afghaans aanplakken aanplakbiljet, plakkaat, affiche aforisme, spreuk, kernspreuk afsnauwen Afrika Afrika

Afrykanin afrykańczyk afrykański agawa agencie agencie agencja Agencja Ochrony Środowiska agencją agendą agendą agent agent agent ubezpieczeniowy agentura agitować aglomerat agonia agonią agrafka agrariusz agrarny agregacie agregat agregat v agregować agregować agresja agresją agresor agresor agrest agresywny agresywny agromadzenie agromadzenie ah aimponować akacja akacja riusz akademia akademia akademia usz akademią akademicki akapicie akapicie akapit akceleracja

Afrikaans Afrikaans Afrikaans agave vertegenwoordiger, dealer, agent gedeputeerde, afgevaardigde agentschap agentschap agentschap tak, aftakking departement vertegenwoordiger, dealer, agent verkoper vertegenwoordiger, dealer, agent agentschap agiteren, opruien, ophitsen, opstoken agglomeraat doodsangst, doodsstrijd, agonie doodsangst, doodsstrijd, agonie veiligheidsspeld agrariër, landbouwer agrariër, landbouwer aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat agressie agressie aanvaller aanvaller kruisbes, klapbes agressief aanvallend, offensief samenscholing vergadering, zitting och, ach, oh, ah indruk maken op, imponeren acacia acacia academie, hogeschool, genootschap college academie, hogeschool, genootschap academie, hogeschool, genootschap akademisch, academisch artikel, paragraaf branche, vak, tak artikel, paragraaf versnelling, acceleratie

akceleracją akcelerator akcelerator liniowy akcencie akcent akcent akcent akcentować akcent riusz akcentować akceptacja akceptant akceptować akceptował akceptował akceptował akces akcesoria akcesoria akcesoria panelowe akcie akcie akcja akcja tunelowa akcją akcją akcją akcjonariusz akcydent akcyzą aklamacja aklamacją aklimatyzacja aklimatyzować się akolita akomodacja akomodacją akompaniamencie akompaniament akompaniator akompaniować akompaniował akompaniując akord akord akordeon akr akr (ok. 0.4 hektara) akr dytacja

versnelling, acceleratie accelerateur, gaspedaal, versneller accelerateur, gaspedaal, versneller accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen beklemtonen, accentueren accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen aanvaarding, aanneming, onthaal acceptant accepteren, aanvaarden accepteren, aanvaarden aanvaard, erkend, gangbaar beamen, billijken, goedkeuren aanwinst, acquest, buit, prooi accessoires bijkomstig, bijbehorend, bijkomend accessoires doen, bezig zijn, ageren, handelen actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe veldtocht, campagne bewerking, operatie, ingreep actie, aandeel aandeelhouder ongeluk, accident, ongeval verbruiksbelasting, accijns bijval, acclamatie, toejuiching bijval, acclamatie, toejuiching acclimatisering acclimatiseren acoliet, altaardienaar compromis aanpassing begeleiding, accompagnement begeleiding, accompagnement begeleider, metgezel vergezellen, accompagneren, begeleiden vergezellen, accompagneren, begeleiden ingesloten, bijgaand accoord, overeenstemming accoord, overeenstemming, akkoord trekharmonika, accordeon acre acre acre

akredytować akredytował akrobacie akrobata akrobatka akrobatyczny akrobatyka akronim akropol aksamicie aksamit aksjomacie aksjomat aksjomat wyboru akt akt akt przemocy akt ślubu akt urodzenia akt zgonu akt zgonu akta aktor aktor teatru kukiełkowego aktorce aktorka aktorstwa aktówka aktualnie aktualności aktualny aktualny aktywa aktywiście aktywność aktywność dysku twardego aktywny aktywny szablon aktywować akumulator akumulator akumulator litowy o dużej pojemności akumulował akupunktura akustyczny akustyczny akustyka akuszerce

accrediteren accrediteren kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat acrobatisch acrobatiek acroniem Acropolis fluwelen fluwelen grondstelling, axioma grondstelling, axioma grondstelling, axioma doen, bezig zijn, ageren, handelen aanklacht, beschuldiging huwelijk, echt, echtverbintenis doen, bezig zijn, ageren, handelen geboorte dood, overlijden, sterfgeval naakt, onopgesmukt, onbedekt, bloot dossier, bestand speler, komediant, acteur speler, komediant, acteur toneelspeelster, actrice toneelspeelster, actrice podium, bestuur, tribune, leiding boekentas, theca, aktentas tegenwoordig nieuws, nieuwigheid, nieuwtje afdoend, effectief, doeltreffend actueel, tegenwoordig bedrijvende vorm, actief, bezit onruststoker, agitator, activist actie, gedoe, optreden, handeling actie, gedoe, optreden, handeling werkzaam, actief, bedrijvig werkzaam, actief, bedrijvig wachten, afhalen, te wachten staan accumulator, accu accu, accumulator accumulator, accu accumuleren, ophopen, opeenhopen acupunctuur acoustisch, akoestisch acoustiek, geluidsleer, akoestiek acoustiek, geluidsleer, akoestiek vroedvrouw, verloskundige

akuszerka akwarela akwarium alarm alarm alarm przeciwlotniczy alarm słyszalny alarm w systemie administrowania siecią alarmować alasce Alaska Albania albanią Albańczyk albański albo albo albumina ale ale męczą wzrok) ale zgrabne) alei alei aleja aleja aleja aleja alejka Aleksandria alert alfabet alfabet brajla alfabet brajla alga algebra algebrą Algierczyk Algieria algierski algorytm alibi aligator alkohol alkoholik alkoholowy alkowa alokować alokować

vroedvrouw, verloskundige aquarel, waterverfschilderij aquarium alarmeren, aanslaan, alarm slaan kwiek, druk, kras, levendig, rap kwiek, druk, kras, levendig, rap alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan Alaska Alaska Albanië Albanië Albaans, Albanees Albaans, Albanees ander of eiwit, proteïne maar, doch nog maar, doch dreef, laan vallei, dal steeg wreken, wraak nemen dreef, laan straat steeg Alexandrië kwiek, druk, kras, levendig, rap alfabet, ABC, eerste beginselen blindenschrift, braille braille, blindenschrift alge, wier, zeewier algebra, stelkunde algebra, stelkunde Algerijns Algerije, Algerië Algerijns algoritme alibi alligator drank, alcoholische drank, alcohol alcoholist, drankzuchtige, zuiplap alcoholist, drankzuchtige, zuiplap prieel verloten, loten verzenden

Alpy altana altana altanka alternatywa alternatywą alternatywny alternatywny alternatywny aluminiowy aluminium aluminium aluzja aluzja aluzją amancie amant amator amator herbaty amazonce Amazonka ambaras ambaras ambasada ambasadą ambasador ambicja ambicją ambitny ambona amboną ambulans amer. <fagot> ameryce Ameryka Amerykanin amerykański amerykański orzech biały amfiboliczny niepewny amortyzacją amortyzator amortyzować amortyzować (wstrząsy) amper amper amputacja amputować amputował

Alpen zomerhuisje, zomerhuis zomerhuisje, zomerhuis prieel keus, alternatief, keuze keus, alternatief, keuze afwisselend afwisselend keus, alternatief, keuze aluminium aluminium aluminium toespeling, zinspeling zinspelen toespeling, zinspeling vriendin, vrijster, geliefde, minnares vriendin, vrijster, geliefde, minnares knutseaar, amateur, dilettant knutseaar, amateur, dilettant Amazone Amazone penarie, knelpunt, benardheid, hinder penarie, knelpunt, benardheid, hinder ambassade ambassade ambassadeur, gezant ambitie, eerzucht ambitie, eerzucht ambitieus, eerzuchtig kansel, leerstoel, katheder kansel, leerstoel, katheder ambulance, ziekenauto, ambulancewagen mutserd, brandstapel, mutsaard Amerika Amerika Amerikaans Amerikaans Amerikaans dubbelzinnig, dubbelslachtig aflossing, amortisatie, afschrijving schokbreker in beslag nemen, opslorpen, absorberen afbetalen, afschrijven, aflossen ampère ginds, er, aldaar, daarginds, daar wegneming, amputatie afzetten, amputeren, wegsnijden afzetten, amputeren, wegsnijden

amsterdam amulecie amunicja amunicja amunicją analfabecie analfabeta analityczny analityczny analiza analiza wrażliwości analizą analizować analizować analizował analogia analogiczny analogowocyfrowy analogowo-cyfrowy ananas AND iloczym logiczny Andy anegdocie anegdocie anegdota aneks aneks anemia anemia anemiczny anemiczny anemon angażował Angielka angielski angielski policjant Anglia Anglia (arch. lub poet.) anglią Anglicy Anglik Anglosas anglosaski Angola angolą angora angorą ANI

Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum aantrekkelijkheid ammunitie, munitie ammunitie, munitie ammunitie, munitie ongeletterd, analfabetisch ongeletterd, analfabetisch analytisch analytisch analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyseren, ontbinden, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden pariteit analoog, overeenkomend, gelijksoortig bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging ananas en Andesgebergte, Andes anekdote, anecdote etage, verdieping anekdote, anecdote bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein bloedarmoede, anemie bloedarmoede, anemie bloedarm bloedarm anemoon verloofd, geëngageerd Engelse Engels Engels Engeland, Albion Engeland, Albion Engeland, Albion Engels Engelsman Angelsaksisch Angelsaksisch Angola Angola Angora, Ankara Angora, Ankara evenmin, noch

nee. ongenoemd aankondiging. camera apparaat. stelletje. annuleren. drank engel engel fotografische plaat. aloud. hulpmiddelen.ani ani anielski anielski anihilować animusz animuszach anioł Anioł Pański anoda anonimowy anons anormalność anormalny antarktyczny antena antologia antologią antrakcie antropolog antrykocie antycypował antyczny antyk antyk antylopa antylopą antymilitaryzm antypatią antyseptyczny anulować anulować anulować anulować anulował anuluj Apache Apacz aparacie aparacie aparat aparat aparat telegraficzny aparatura aparaturą aparaturą apartamencie apartamencie apartament neen. antiek oudheid antilope antilope pacifisme hekel. bloemlezing interval. abnormaliteit abnormaal Zuidelijke IJszee antenne. flat . hulpmiddelen. bief anticiperen. verkondiging afwijking. annuleren. set. afgelasten afbestellen nihil. nul ontbinden. verwoesten. bloemlezing antologie. inrichting fototoestel. antiek ouderwets. prejudiciëren ouderwets. flat appartement. vernielen geest alcoholische drank. niet engel engelachtig vernietigen. mislukken ontbinden. inrichting. hulpmiddelen. stel appartement. tussenruimte antropoloog biefstuk. apparaat apparaat. afgelasten afbestellen apache. inrichting hulpmiddelen. hulpmiddelen. inrichting machinerieën complet. afkeer. plaat anoniem. inrichting apparaat. straatschuimer apache. naamloos. tegenzin. flat appartement. geen. voelhoorn. ra antologie. antipathie antiseptisch middel een miskraam krijgen. alcohol. kiektoestel. aloud. straatschuimer apparaat. spriet.

acclamatie. dofheid. artsenijbereidkunde farmacie. lusteloosheid apathie. roemen. maatregel arbiter. dofheid. artsenijbereidkunde apotheker. toejuiching sanctioneren. bekrachtigen bijval. farmaceut are. straatschuimer apathie. hongerigheid. een beroep doen op appelleren. toepassing verzoeker. opening graagte. toepassing aanwending. zendeling pleitbezorger. scheidsrechter arbiter. lusteloosheid flegma lusteloos. aanvrager besturen. een beroep doen op appelleren. verkiezen. prijzen beamen. verheerlijken. verdediger apostel.apartament apartament na szczycie budynku apasz apatia apatią apatią apatyczny apel apelacja apelować apertura apetycie apetyczny apetyt apetyt apetyt applaud aplikacja aplikacja zaplecza aplikacją aplikant aplikować aplikował apokalipsa apokalipsą apologią apostolskość apostoł apostoł apostrof apostrofa app approx. eetlust. hongerigheid. goedkeuren farmacie. administreren. trek trek hebben in. toepassing aanwending. melig. administreren. scheidsrechter . afkappingsteken aanwending. toejuiching loven. beheren besturen. voorvechter apostrof. vierkante decameter Arabier Arabisch Arabier Arabisch akkoord. beheren Openbaring van Johannes Openbaring van Johannes verontschuldiging missionaris. toepassing ongeveer. afdak appartement. trek smakelijk. flat apache. een stuk of. gat. lekker graagte. advocaat. trek aanwending. hongerigheid. eetlust. w przybliżeniu aprobacie aprobacie aprobata aprobata aprobować aptece apteka aptekarz ar (100 metrów kwadratowych) Arab arab arab (koń) arabski aranżacją arbiter arbiter luifel. circa bijval. acclamatie. billijken. een beroep doen op mond. begeren graagte. eetlust. fijn. apathisch appelleren. afkappingsteken apostrof.

krijt. formeren. vuurmond roer. kanon. kanon. attentie. bouwmeester archief archief archief archief archief metropoliet. aartsbisschop arena. ring aanhouding. archipel architect. legermacht heerschaar. arrestatie reserveren. scheidsrechter arbiter. detineren aanhouding. berechten arbiter. vel blad. beugel. Arctis blad. scheidsrechter scheidsrechter. geweer canon. krijt. verouderd aartsengel eilandengroep. scheidsrechter naar willekeur willekeurig. leger. ophouden.arbiter arbiter arbiter arbiter (w handlu) arbiter magistrali arbitralnie arbitralny arbitrator zadań archaiczny archanioł archipelag architekcie architekt archiwa archiwum archiwum archiwum dyskowe archiwum wieloczęściowe arcybiskup arena areną areną areszcie areszcie areszt areszt aresztancie aresztować aresztować aresztowanie Argentyna argentyną Argentyńczyk argentyński argumentował aria arizoną arktyczny arkusik arkusz arkusz (papieru)formularz arkusz kalkulacyjny armacie armacie armata armata armia armią beoordelen. scheidsrechter archaïsch. oordelen. legermacht . arbitrair. aanhouding aanhouding. kampplaats wal. leger. kampplaats arena. piste. bouwmeester architect. vuurmond roer. piste. Arctica. vel briefkaart vormen. arrestatie acht. arbiter arbiter. disputeren. geweer heerschaar. arrestatie arrestatie. eigenmachtig arbiter. aangaan canon. aandacht verdenken aanhouding. krakelen lucht Arizona Noordpoolgebied. arrestatie Argentijns Argentinië Argentijns Argentijns twisten. kettingzang. kettingzang.

edelen aristocraat rekenkunde. behang slagader. dagvaarden . dagvaarden betekenen. arteriosclerose handelsartikel. aanmatiging arrogantie. kunstenaar artistiek. cijferen rekenkunde. cijferen rekenkunde. kunstenaar artiest. aanmatiging aanmatigend. samenkomen. bijeenkomen samenscholing asfalt asfalt asfalt betekenen. cijferkunst. cijferkunst. cijferen somma. kunstig. cijferen rekenkunde. aroma geur. artillerie geschut. verzekering behoeden. cijferkunst. artillerie artiest. cijferen aas aas assurantie. cijferkunst. cijferen rekenkunde. kunstmatig artiest. beschermen samenscholing assembler assembler assembler assembler vergaderen. summa rekenkunde. arrogant geur. bedrag. cijferkunst. arterie aderverkalking. dagen. kunstenaar Arisch Arisch aristocraat adel. aroma geurig. aromatisch wandtapijt. cijferkunst.arogancja arogancją arogancki aromacie aromat aromatyczny arras arteria arterią arterioskleroza artykuł artykuł (w czasopiśmie) artyleria artylerią artysta artysta estradowy artystyczny artyście Aryjczyk aryjski arystokracie arystokracja arystokrata arytmenyka arytmetyce arytmetyczny arytmetyka arytmetyka arytmetyka dużej precyzji arytmetyka zmiennopozycyjna arytmetyka zmiennoprzecinkowa as as far as I remember asekuracją asekurował asemblacja warunkowa asembler asembler adresowania bezwzględnego asembler skrośny asembler wbudowany asemblować asemblowanie protokół asemblowania zestaw asfalcie asfalt asfaltować ASG ASGN arrogantie. totaal. cijferen rekenkunde. som. artikel bijdrage geschut. cijferkunst. arterie slagader. dagen.

genootschap. aanblik aanzien. ruimtevaarder astronaut. genootschap. adjunct. asterisk astma. dingen naar. astronomie gepast. aantasten. accompagnement assistent.ASM asocjacja asocjacją aspekcie aspekt aspiracje aspirancie aspirant aspirował aspiryna aspiryną asterysk astma astrolog astronaucie astronauta astronom astronomia astronomią asygnował asymilował asysta asystencie asystent asystent pokładowy asystował atak atak atak atak sieci komputerowej atak znanym tekstem jawnym atakować ateizm atelier atencją Ateny Ateńczyk ateński atest atestować atestował atlantycki Atlantyk atlas atlas atlecie atleta atletyczny assembler bond. sollicitant. geschikt in zich opnemen. aspirant kandidaat. adjunct. aanvallen aanvallend. akte. helper assistent. associatie bond. najagen aspirine aspirine sterretje. atheïsme studio acht. astronoom sterrenkunde. offensief inblikken aanvallen. eerzucht kandidaat. sollicitant. schijn. dokument. stuk getuigen. sterrenwichelaar astronaut. assisteren. aamborstigheid astroloog. aantasten aangrijpen. helper aanvullend helpen. bijstaan aanvallen. aanblik ambitie. passend. bedrijf. aspirant ambiëren. verzekeren Atlantische Oceaan Atlantische Oceaan Atlas kaartenboek. aantasten. certificeren betuigen. air. aandacht Athene Atheens Atheens acte. assimileren begeleiding. associatie aanzien. astronomie sterrenkunde. aantasten aangrijpen. schijn. air. aanvallen godloochenarij. attentie. ruimtevaarder sterrenkundige. atlas atleet atleet atletisch .

sfeer. afslag. omroepen uitzenden. aanflitsen. atmosfeer lucht. veiling auctie. attribuut bijvoeglijke bepaling. attribuut acht. krachtsport lucht. attribuut tekenend. weder Australië Australië Australisch Australisch Oostenrijk Oostenrijks Oostenrijks Oostenrijk . aandacht dakkamertje zolderkamer Attisch dakkamertje zolderkamer Attisch troef troef auto. mijn.atletyka atmosfera atmosfera absolutna (jednostka ciśnienia) atmosfera techniczna (jednostka ciśnienia) atom atom (podstawowe pojęcie języka Lisp) atom akceptorowy atomowy atrakcja atrakcją atrakcyjność atrakcyjny atramencie atrament atrament magnetyczny atrapą atrybucie atrybut atrybut przypisanie atrybut złożony ATTN attycki attycki attycki attyka attyka attyka atucie atut (w kartach) aucie audiencja audycja audycja radiowa audycją audyt aukcja aukcją aurą Australia australią australijczyk australijski Austria austriacki Austriak austrią atletiek. karakteristiek bijvoeglijke bepaling. attentie. afslag. kenmerkend. dampkring. sfeer. aflezen. dampkring. atmosfeer lucht. gehoor. sfeer. wagen toehoorders. dampkring. mijn. omroepen checken. vendu. controleren auctie. auditorium uitzenden. atomair aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aanlokkelijk. omroepen uitzenden. veiling weer. aantrekkelijk inkt inkt inkt aanfloepen. vendu. atmosfeer atoom atoom acceptant atoom-. aangaan bijvoeglijke bepaling. weersomstandigheden.

beïnvloeden autoriteit. dispuut roeien scène. gezag invloed hebben op. onvervalst oorspronkelijk. fiasco. bevorderen storing kwestie. schepper auteur. bevorderen promoveren. bevorderen promoveren. machtiging grote weg. onderwijzen autobus handtekening. toneel. twist. dostęp) autoryzował autoryzowanie autostrada autostrada awans awansować awansować awansować (kogoś) awansował awanturą awanturą awanturą awanturą awanturniczy awaria awaria awaria awaria zasilania authentiek. bevoegdheid. gezag mandaat. echec. klas soort. autosnelweg. automatisch autonoom. bedenker. schrijver. aard drukletter dictatuur autoriteit. automatisch werktuiglijk. onderwijzen taal werktuiglijk. genaken. autoriseren mandaat. slag. gewaagd onheil. onafhankelijk. volmachtigen. waar authentiek. zelfwerkend. machtiging machtigen. aanpakken. auteur. naderen promoveren. onvervalst. schaden flop. auto auto. zelfbesturend schrijver. verkeersweg autobaan. bevoegdheid. zelfwerkend. ondertekening opvoeden. stilist schrijver. machtiging mandaat. bevoegdheid. bedenkelijk. volmachtigen. catastrofe schade aanrichten.autentyczny autentyczny autentyk auto auto autobiografia autobiografią autobus autobus autobus piętrowy autograf autokar Automatically Programmed Tools Language automatyczny automatyczny program syntezy autonomiczny autor autor autor treści autoramencie autoramencie autoramencie autorytatywność autorytecie autorytecie autorytet autoryzacja autoryzacją autoryzować (np. bedenker. debâcle crisis . strijd. schepper stand. tafereel. klasse. tableau riskant. auteur. snelweg bevordering. autoriseren machtigen. wagen autobiografie autobiografie autobus opvoeden. origineel automobiel. echt. ramp. promotie gaan naar.

oma oma. raadgeving. schaden tegenzin. asyl toevluchtsoord. inspecteren speurwerk. jegens. hekel. aankondigen. asiel. toch geldkist. asyl uitgewekene. op. nagaan exploreren. voor tot. binnen. examineren onderzoeken. analyseren. grootmoeder afjakkeren. bekendmaken Azië Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch toevluchtsoord. grootmoeder grootje.) azylancie aż aż aż aż do aż do aż do/o ile ażeby ażeby babą babce babce babci babcia babka babsko bacą baczność bać się badać badać badać badać badać badać sprawdzać badać zapytywać badania badanie lekarskie badanie zabezpieczeń bagaż bagaż bagażnik bagażnik bagażowy Bagdad bagna schade aanrichten. attentie. drasland . afkeer. antipathie raad. nagaan. tot. om. met vrouw koek. binnen. bespreken keuring. angst. fonds tot. staande te. fonds tot. benauwdheid ontbinden. nakijken. grootmoeder oma. onderzoek bagage bagage laars boomstam. totdat. stam spoor. examen. totdat. afmatten herder acht. binnen. cake oma. terwijl. onder. kas. voor geldkist. moeras. ook weer.awarią awersja awizo awizował Azja azjacie Azjata Azjata azjatycki azjatycki azyl azyl (polit. spoorweg Bagdad broek. moer. vluchteling ergo. voor gedurende. advies adviseren. speurtocht recenseren. aandacht beklemming. onderzoeken studie scanderen inspectie houden. afbeulen. dus. asiel. exploreren. kas. totdat. ontleden onderzoeken.

pap aan de scharrel zijn. wis. banaal banaal. verband zwachtel. afgodendienst afgoderij. drasland. luchtballon ballon. schare .bagna bagnecie bagnet bagno bajce bajce bajcie bajka bajora bajt bajt (8 bitów) bakałarz bakteria bakterią bal bal balast balaście balecie baleron balet balią balkon balon balon (także butla szklana) bałagan bałagan bałamuctwa Bałkany Bałtyk bałwan bałwan bałwan bałwochwalstwa bałwochwalstwo bambus banalny banalny banał banan banda bandaż bandaż bandażować bandą bandą bandą bandą broek. luchtballon janboel. rommel. kom balkon ballon. vertelling byte fabel waterplas. bundel kussen bende. afgezaagd pisang. bekken. moer fabel vertelsel. afgezaagd. bende zwachtel. banaan schare. afgodendienst bamboe afgezaagd alledaags. disorde. troep. schooljuffrouw. moeras. vijver byte byte onderwijzeres. troep. verband schare. troep. moeras. fladderen Balkan Baltische Zee golfslag afgodsbeeld sneeuwpop afgoderij. brij. troep. alledaags. kolk. rotzooi moes. bende schare. moer bajonet bajonet broek. danspartij bal. drasland. verhaal. lerares bacterie bacterie bal. danspartij ballast ballast ballet ham ballet vont. bende bos. relaas.

briefje bankbiljet. intrappen. barbaar. feestmaal bankbiljet. bandiet gangster rover banjo vaan. echec. achterstallig voldaan. olijk. tevreden. feestmaal banket. marge. bijster. wreedaard onmenselijk. veel. wreedaard onmens. barbaars boot. ondeugend. rand bank banket. bouwvallig. uitspanning belemmeren. smaakloos aftands. dundoek. gloeilamp. vlag Bengaals banjo bank kant. afdammen belemmeren. briefje bankroet flop. bijzonder . vele erg. vaan. helaas smakeloos. dartel onmens. fiasco. vlag struikrover. bandiet struikrover. gammel erg. barbaar. schuit meer menig. café schuur.) bar bistro bar samoobsługowy bar z zakąskami barak barakach baranek baranina baraniną baraszkował barbarzyńca barbarzyńcą barbarzyński barbarzyński barce bardziej bardzo bardzo bardzo dobry bardzo mała impedancja bardzo mi miło bardzo nieprzyjemny bardzo wolno się poruszać bardzo zniszczony dundoek. keet kazerne lamsvlees schapevlees schapevlees schalks. lampje. barak. afdammen drenkplaats. debâcle bankroet vermorzelen. verbrijzelen borrelen borrelen ampul. lamp. bijzonder onbetaald. bijster. barbaar. bar. jammer.bandera bandyta bandzior bandzior bandzior bandżo baner (reklama na stronach WWW) bangladesz banjo bank bank bank terminologiczny bankiecie bankiet banknot banknot bankrucie bankructwa bankrut bankrutować bańka bańka (np. afsluiten. peer herberg. vergenoegd jammer genoeg. loods. afsluiten. heel. uitspanning herberg. heel. mydlana) bańka lampy elektronowej bar bar (pierw. wreedaard onmens. chem.

hek. bazaar. accumulator horde. kleuren verven.barek (taki na kółkach) bariera bariera dyfuzyjna bariera Schottky'ego barierą bark barka barki barman barometr barwa barwa barwa barwa żywa barwą barwnik barwnik brunatry baryłka bas base baza wiedzy baseball basen basen (pływacki) basen pływacki basen portowy basen w budynku basen(ik) w budynku BASIC basista baszcie bateria baterią baton batucie batuta baud bawełna bawić się bawić się bawół baza baza podstawa część podstawowa baza lotnicza baza replik baza uziemiona bazar bazar bazą trolley. hek. baseren gronden. karbouw gronden. bende belemmeren. afsluiten. baseren gronden. aak. markt. hek. fust baars bekendheid. klinken. kennis. beugel barrière. voorspelen sport buffel. baseren gronden. afsluiting. nuancering verven. kleuren verven. kleuren verf bruin ton. vat. kunde baseball reservoir. afdammen stok. heining barrière. vergaarbak zich aaneensluiten. gaan barrière. staf stok. heining kleppen. drukmeter verven. nuance. marktplaats. zwembad basisbaars toren accu. afsluiting. afsluiting. kleuren schakering. baseren gronden. baseren . marktplaats gronden. marktplein marktplein. aansluiten zwembad dok zweminrichting. katoen uitvoeren. spelen. zolderschuit schouder barman barometer. baseren markt. bazaar. heining schouder platboomde schuit. zwembad zweminrichting. staf baud katoenen weefsel. overgaan.

trom bief. advertentie. spaak balk. base blaar borrelen brems. excessief netto. vat. duidelijk bericht. verbeelding Belgisch België België Belgisch Belgrado straal. ontbloot van tot in het oneindige buitensporig. basis. onderlegger aangrijpen. paardehorzel ton. bus. ontroeren. onbeduidend . grond. fust ton. spaak balk.bazą bąbel bąbelek bąk beczce beczka beczka befsztyk beginner's allpurpose symbolic instruction code beginner's all-purpose symbolic instruction code Bejrut beknąć bekon belą belce beletrystyka Belg Belgia belgią belgijski belgrad belka belka stropowa bełtać benzyna benzyna benzyna benzyna benzyną beret berlin Berno bessą bestia bestią bestseller beton betonować betonowy bez bez bez końca bez określonego porządku bez potrąceń bez przygotowania bez sensu grondslag. biefstuk basisbasisBeiroet boeren. aankondiging onbetekenend. netto-. extreem. neervallen. afvallen. daas. storten dier. fust rol. net. beest bestseller beton beton beton sering gespeend van. ribbe. onderlegger fictie. trommel. bewegen gas benzine benzine benzine benzine bestseller Berlijn Bern vallen. verdichtsel. beest dier. oprispen spek straal. vat. ribbe.

stilte stil. muisstil. geruisloos. ijdel. frivool. onderpand kousje. borgstelling. wanhopig radeloos. onbeduidend saai. los. richten. onmiddellijk direct. rommel. lusteloos vervelend waar niet aan te doen valt. prompt direct. rustigheid. wanhopig vergeefs. onderpand pand. ondoorgrondelijk radeloos. geluidloos gigantisch. weledelgeboren mennen. nutteloos bescherming veiligheid. open. borgstelling. rust. rechtstreeks door. behouden. onderpand veiligheid. zekerheid pand. rotzooi lichtzinnig. overeind. vrij. geweldig anoniem. onbelemmerd ere-. rechtop dadelijk. borgstelling. onbruikbaar onschatbaar. hulpeloos nutteloos. rechtop draadloze. recht. gruwel kalmte. geborgen. onbezet onpeilbaar. zoet. vlot. weledel. zekerheid pand. overeind. prompt direct. veilig ten geschenke onbezet. onwaardeerbaar bot. dirigeren. borgstelling. gruweldaad. smaakloos naadloos tikken liefelijk. stomp verschrikking. live. per. verwarring janboel. met ogenblikkelijk. radio . enorm. besturen ogenblikkelijk. onderpand pand. goedgehumeurd leeg. lampepit safe. open. wuft goedgeluimd. disorde. lont. prompt ogenblikkelijk. zacht onbetekenend. naamloos onbloedig verwardheid.bez smaku bez szwu bez zająknienia bez zakłóceń bez znaczenia bez życia bezbarwny bezbronny bezcelowy bezcenny bezceremonialny bezeceństwa bezgłos bezgłośny bezgraniczny bezimienny bezkrwawy bezład bezład bezmyślny bezmyślny bezmyślny beznadziejny beznadziejny beznadziejny stan bezowocny bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwo bezpieczeństwo bezpieczeństwo zespołu bezpieczeństwo zespołu roboczego bezpiecznik bezpieczny bezpłatnie bezpłatny bezpłatny bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni adres pamięci bezpośredni natychmiastowy bezpośrednio bezpośrednio bezpośrednio żarzona katoda bezprzewodowy smakeloos.

trommel. kundig. hulpeloos hel. bekwaam capabel. onpartijdig stil. vest werkeloosheid. afzijdig. trom rol. trom uiterste wil. bekwaam ouderloos eiwit. aldoor. testament nagekomen behoeftig. proteïne eiwit. hinken. hulpeloos hemd herenvest. bij acclamatie benoemen . onpartijdig. beducht. verbond. voor eeuwig nutteloos. roeren toejuichen. kundig. nooddruftig capabel. bibliotheek boekerij. blank. bij voortduring eeuwig. wit bijbel Bijbel bijbel Bijbel bibliografie boekerij. mank lopen bokkig absoluut. werkloosheid werkloos. afzijdig neutraal. ongerust waar niet aan te doen valt. voos verlamming bewegingloos.in. onvermengd beige beige rol. klaar toegegeven neutraal. proteïne blanco. bus. geruisloos. blank. nietswaardig. traag. wywołania procedur białka białko białko oka biały Biblia Biblia biblią biblią bibliografią bibliotece biblioteka bibuła bicie bicz bić waar niet aan te doen valt. bus. oningevuld. bezorgd. energieloos kreupel lopen. muisstil. berooid. wit blanco. werkloosheid werkeloosheid. onbruikbaar waardeloos.bezradny bezrękawnik bezrękawnik bezrobocia bezrobocie bezrobotny bezsenna (noc) bezsilny bezsporny bezsprzecznie bezstronny bezstronny bezszmerowy bezszwowy bezustannie bezustannie bezużyteczny bezwartościowy bezwład bezwładny bezwładny bezwstydny bezwzględny beż beżowy bęben bęben magnetyczny będą będący następstwem będący w potrzebie będący w stanie coś zr będący w stanie coś zrobić bękart (m. trommel. oningevuld. geluidloos naadloos permanent. bibliotheek vloeipapier beting doorroeren. omroeren. licht. werkeloos bang.

vloeiend adept. verlangen. kaartje biljet. voetspoor. aanneming vormsel. armoe gebrek. kaartje slaperig biljet. lust. staar accusatief. feestmaal. toestoten. aanhanger. narigheid. cursus. beklagenswaardig tracé. pulseren strijden. plaatsbewijs. wit blanco. beoefenaar deskundig stromend. overschot biljartspel. koers hardloper een duw geven. gelag actueel pad. kampen.bić bić bić brawo bić się biec bieda biedą biedą biedni biedny bieg przez płotki biegacz biegać (dla zdrowia) biegły biegły biegły biegły (<in sth> w czymś) biegły w biegun biegun biegunka biegunowy biel biel równoenergetyczna bielizna bielma biernik bierzmować bierzmowania bierzmowanie bies biesiadą bieżący bieżni bieżni bieżnia bieżnik bijatyce bikini bilans bilard bilecie bilet bilet bilet wizytowy binarne (pliki) binarny wektor sterujący binary separating plane tree n drzewo afranselen kloppen. oningevuld. strijd voeren afranselen aanrijden. beoefenaar kuil Pool buikloop. aanneming Lucifer. kaartje binair binair boom . spoor afdruk. aanhanger. begeerte. oningevuld. voorrijden ellende. plaatsbewijs. aanstoten adept. Satan festijn. voetspoor. aannemen vormsel. beklagenswaardig erbarmelijk. kampen. armoede wens. route. strijd voeren bikini saldo. paadje afdruk. treden strijden. biljart biljet. blank. wit linnen grote waterval. spoor stappen. lopen. vierde naamval bevestigen. misère. smulpartij. blank. diarree polair blanco. leergang. zin erbarmelijk. schrijden. aanhanger. plaatsbewijs. beoefenaar adept.

beha. bureel. oningevuld. aangaan wit. rijden. oningevuld. afnemen vervagen wit.h. blanco. affaire. formeren. kantoorbediende lezenaar. nazeggen beting bitmap treffen. blanco. lessenaar lezenaar. wit dalen. strijd. aangaan laaien.dwójkowego podziału przestrzeni binary space partition tree biodro biograf biolog biorcą birmą bis biskup biskupstwo bisować bit bitmapa bitwa bitwą biuletyn biura biura biuraliście biurka biurko biurko biuro biuro Biuro Ochrony Rządu biuro rzeczy znalezionych biuro usług (poligraficznych) biust biustonosz biuście bizantyjski biznes bizon biżuteria blacha blady blady jak ściana blaknąć blaknąć blankiecie blankiecie blankiet blankiet blask blask klejnotów blask księżyca blask księżyca blask słońca boom heup biograaf. nog eens bisschop ontmoeten. borst b. vervlogen kantoor boezem. edelgesteente. borst Byzantijns aangelegenheid. oningevuld. bustehouder boezem. strijd. lessenaar geschrift. flakkeren. varen. zaak. aantreffen herhalen. blank vormen. verenigingsorgaan bureau. gevecht. blank. kantoor kantoor bediende. kamp treffen. formeren. schriftuur bureau. steen blikken verbleekt blanco. vlammen zonneschijn zonlicht zonneschijn flikkeren. kwijt. blank vormen. bureel. kamp bulletin. gevecht. karren verloren. schitteren .. slag. kleiner worden. slag. levensbeschrijver bioloog ontvanger Birma bis. ding bizon edelsteen. kantoor kantoor gaan.

ontheiligen. abuis. dwaling. naast schier. komend nader eerstkomend. dichtdoen Europa eerstvolgend.blaszance blaszka blejtram bliski bliski bliski Bliski Wschód Bliski Wschód i Afryka blisko blisko blisko blisko blisko kogoś blisko kogoś/czegoś bliskość blizna bliźniacy bliźniaczy bliźniak bliźnie bloczek blok blok v blokować blokada blokada ze współużytkowaniem blokadą blokować blokować się blokował blond blondyn blondynce blondynka blotnik bluszcz bluza (część munduru) bluzą bluzą bluzka bluźnierczy bład bład błaga błagać błagać błagać błagać o coś błahostce inblikken metalen brancard. draagbaar sluiten. bijkans. vastzetten blokkade blokkade blokkade op slot. katern blokkeren. abuis bezweren. dichtmaken. aanstaand. dwaling. kiel ontwijden. bidden afsmeken pleiten laken. haast. kiel hes. afgesloten slot afsluiten. aanstaand. afkeuren. bloes. aanstaand. komend aanverwant. bloes. futiliteit. belemmeren. aanstaand. komend eerstvolgend. fout. boezeroen. bijna sluiten. dichtmaken. afdammen blond blond blond blond slijkbord. gispen schooien. vastzetten blokkeren. berispen. beuzelarij . boezeroen. wondteken tweeling tweelingtweelinglitteken. verwant eerstvolgend. boezeroen blouse. dichtdoen eerstvolgend. smeken. bedelen bagatel. aflevering. spatbord. komend nabijheid litteken. kiel. spatscherm klimop tuniek blouse. profaneren fout. vergissing vergissing. wondteken schrift.

błahość błahy błahy błazen błazeński błąd błąd błąd błąd średni kwadratowy błąd zaokrąglenia błąd zbieżności błąd zbieżności błąd zrównoważony błądź błędny błędny błędny rycerz błędny rycerz błękicie błocie błogosław błogosławić błogosławieństwa błogosławieństwo błona śluzowa błonia błotnik błotnik błotnisty błoto błoto błysk błyskawica błyskawicą błyskawiczny błyskowy błysk błysnąć błyszczący błyszczeć bo boa boazeria bobas bochenek bocian boczek boczek boczne drzwi frivoliteit onbeduidend. flikkeren. modderig broek. zegen slijmerig. drek zegenen. goedaardig hansworst. modder. vergissing schuld vergissing. flikkeren. gloren flitsen. fout. mis verkeerd. snotterig algemeen. onjuist. slijk. spatbord. drasland slik. stip. moer. spikkel. kloppen. oog mik. flits. een blik werpen op daar. inzegenen. moeras. brood ooievaar spek bij-. aangezien boa dashboard. inwerken een blik werpen. vergissing dwalen. spoedig. wijden zegenen. gauw. abuis aderlating vergissing. wijden zegening. gloren oriënteren. zegen zegening. drek flitsen. schicht. dwaling. inzegenen. klappen. snel flitsen. gemeenschappelijk slijkbord. flits. beuzelachtig onbelangrijk. onjuist. een fout maken misleidend verkeerd. flikkeren. instrumentenbord punt. modder. hemelvuur bliksem. luizig. gloren bliksem. doordat. harlekijn slaan. abuis. zij-. verkeerd. fout. onjuist blauw slik. haastig. ver. spatscherm aangeschoten troebel. omdat. fout. dwaling. fout. minder belangrijk achterdeur . mis foutief. dwaling. hemelvuur gezwind. clown. abuis Boeg wandluis fout. opvallen fout. dwaling. abuis. fout. slijk. schicht. beschot.

benepen. rijk. voucher.bod bod (bit na sekundę) bod jednostka szybkości modulacji telegraficznej bodziec bogaci bogactwa bogactwa bogactwa bogactwo bogaty bogaty bogaty człowiek bohater bohaterce bohaterka bohaterski boiler boiska boiska boisko bojaźliwy bojler bojownik bok boks boks bokser bolączce boleć boleć nad bolesne przeżycie bolesny bolesny boleść boli mnie głowa bolszewik bomba bomba wodorowa bomba zapalająca bomba zegarowa Bombaj bombardować bombardować bombą bon bon bonifikacie baud baud baud aansporing gefortuneerd. titelhouder. voorvechter bij-. vrijen. scharrelen akker speelterrein. waterstofbom maal. beschieten. bekogelen bombarderen binding. heldhaftig ketel. gefortuneerd gefortuneerd. keer bombarderen Bombay bombarderen bombarderen. hebben bolsjewiek bombarderen H-bom. band bon. benauwdheid. ver. speelplaats beschroomd. vermogend heros. zeer doen sleutel rouwzeer. fortuin. smartelijk beklemming. fortuinlijkheid rijkdom rijkdom gefortuneerd. deerlijk. zeer doen pijn doen. vermogend rijk. stoomketel kampioen. minder belangrijk boksen boksen. bang ketel. rijk. bokssport bokser beschuldiging. rijk. coupon disconto . stoomketel het hof maken. vermogend Fortuna lot. kaartje. angst erop nahouden. held heldin heldin heroïsch. zij-. pijnlijk. vermogend. aanklacht pijn doen.

zin . kiespijn wee. treffen. lust. worstelen worstelen. jodenkerk goddelijk bever Castor God god. angst wee. zorgen voor. korten. godheid gevecht. ontberen. zeer. zeer. aantasten. assisteren. meemaken. plantkunde Kerstfeest afgodsbeeld synagoge. pijn God god. euvel missen. steken deelnemen. debâcle afslaan. meemaken. aanvaarden beetnemen. verzorgen indoen. gemis. benauwdheid. derven schuld wens. aanvallen helpen. kamp pijn doen. plantkunde botanie. absentie. meedoen deelnemen. bijstaan verplegen. godheid accepteren. begeerte. insteken. vorst goddelijk Bosnië botanie. verwerpen. bos kampen. gebrek. zeer doen maag zweer hoofdpijn tandpijn.bonifikacie bonifikata boraks borsuk bory borykać borykać się borykać się z boski Bośnia botanice botanika Boże Narodzenie bożek bożnicą boży bóbr bóbr Bóg Bóg bójce ból ból ból ból ból (fizyczny) ból (fizyczny) ból brzucha ból gardła ból ucha ból zębów bóstwo bóstwo brać brać do niewoli brać się energicznie do czegoś brać udział brać udział brać udział brać udział brać udział w brak brak szacunku brak tchu brak wody brak zahamowań moralnych brak związku brak związku aftrekken. verlangen. fiasco. zeer doen beklemming. afwijzen afwezigheid. pakken. meedoen afwezigheid. pijn zweer pijn doen. beetkrijgen aangrijpen. mangel flop. strijd. echec. aannemen. zich aftobben nok. spartelen. slag. afslaan disconto borax das woud.

honk circuit draaihek poort vuurwater. brandy armband armband armband broer. oomzegger nicht nicht driekleurig viooltje stoutmoedig. brocoli eggen opkomen voor. afval. doen overhellen waden. zever. zuster neef. doel. worstelen brocolie. buigen. broeder. plassen baard kin tepel. ontberen. doelwit. stout. brandewijn. broeder zus. flodderen.brakować brama brama brama podstawowa brama wewnętrzna bramą bramce bramka bramka bramka koniunkcji bramka samocentrowana bramka złączowa tranzystora brandy bransolecie bransoleta bransoletka brat brat przyrodni bratanek bratanica bratanicą bratek brawurą Brazylia brazylią brazylijczyk brazylijski brąz brąz (stop metali) brązowy brązowy (kolor) bredni brednie bredzenie brew brew brezencie brnąć broda broda brodawce brodawce brodą brodzić brokuły brona bronić bronić missen. prullaria. verdedigen behoeden. speen wrat baard spartelen. puin nonsens. beschermen . gedurfd. onzin. brutaal Brazilië Brazilië Braziliaans Braziliaans bronzen bronzen bruin bruin rommel. verweren. zich aftobben. gekheid delirium wenkbrauw wenkbrauw neigen. wit. broer. derven draaihek poort draaihek draaihek poort draaihek draaihek doelstelling.

operatekst paperback. onbewerkt. bodem. smerig vuil. klont. kluit. libretto. map paperback. cambio onrein. onrein. plaveien bestraten. ingenaaid boek doorwaden fond. harnas. kluit. dot Groot-Brittannië. klomp. bruut grof. afkijken diamant glanzend. commandobrug brug. kuras. vies. kluit. aarde wissel. bruut onaardig. bal. Brittannië Armorica. klomp prop. nors ruw. dierlijk. klont. dierlijk. smerig plaveisel. klont. cru.broń broń broń pancerna broń pancerna broszce broszka broszura broszura broszurą broszurą broszurą bród (rzeczny) brud brudnopis brudny brudny brudzić brudzić bruk brukować brukował brukselą brunatny brunetce brunetka brutal brutalny brutalny brutalny brutalny bruzda bruździe brydż brydżyście brygada brygadą brygadą bryk brylancie brylant bryła bryła (ziemi) bryła ograniczająca bryłą Brytania brytanią brytfanną Brytyjczyk aftakking. bal. dot. bestrating. brochure. fronsen rimpelen. fronsen brug. harnas. nurks. brochure. bot beestachtig. kluit. bepantsering. beestachtig. tak wapen bepantsering. dierlijk rimpelen. bars. honds. klont. equipe spieken. operatekst ordner. ruw. morsig. lumineus. klomp. plaveien Brussel bruin bruinharig bruinharig ruw. commandobrug brigade leden. libretto. vies. ploeg. bal. briljant dot. dot prop. broche boekje. vuil. morsig. pantser borstspeld. bruut. klomp. prop prop. beestachtig. vies onrein. ondergrond. onbehouwen. grond. ingenaaid boek boekje. bal. morsig. pantser kuras. smerig. Bretagne Pan Brit . broche borstspeld. wegdek bestraten. vuil. smerig vuil. aanhang team.

boord. gaan kleppen. inladen. een afschuw hebben van scheermes scheermes citroen boekhouding. kletteren. morgenlicht. keet . rand. zoom. gonzen zoemer klingelen. overgaan. grijpen boord. zwanger drachtig. aanbreken van de dag halfdonker. belasten. kletteren. wal. zeekust kust. boekhouden opgraven. kletteren. overgaan. brommen. rinkelen afdrogen. klikken rinkelen. loods barak. snorren. noodlottig beladen. afdak Boedapest schuur. schemer. rooien schoen beuk luifel. klingelen kleppen. berkeboom berk. gaan perzik berk. kletteren. kustlijn. band drachtig. loods. trilgras bries. laden laden gewicht razen. schuur. klinken. zwanger funest. barak. keet. rinkelen klakken. wal. kant bemachtigen. klappen. boord. klinken.brytyjski bryza bryzą brzask brzask brzask brzeg brzeg brzeg (morza brzeg (morza) brzeg rzeki brzemienna brzemienny brzemienny w skutki brzemię brzemię brzemię brzęczeć brzęczyk brzęczyk brzęk brzęk brzęk brzęk brzmieć brzmienie brzoskwinia brzoza brzózce brzuch brzuch brzuch Brzusiec brzuszny brzydcy brzydki brzydzić się brzytwa brzytwą bubel buchalteria buchnąć bucie buczyną buda Budapeszt budą budą Brits bries. zeekant. oever. fataal. morgenrood dageraad. kant. kletteren. kant kust. schemerdonker kust. oever. achterlijf buik buik buik onderbuiklelijk lelijk verafschuwen. trilgras aurora. afranselen klingelen. berkeboom onderlijf.

aanstoken. copieus. construeren. aanbouw hout constructie. dobberen. ophitsen afkeer inboezemen afkeer inboezemen irriteren. waarschijnlijk wekken. verzenden. bumper. begroting budget. abundant. inrichten opfokken. bouw. tuil bulldozer . stootkussen buffer. ruiker. drijven uitbundig. samenstelling. aanleggen oprichten. aanleggen bouw. bumper. kazemat boeddhist boeddhisme bunker. inlijsten. expediëren weefsel in een lijst zetten. aanstoken. telen. bumper. begroting tapkast. samenstelling. vatten aanleggen. bouwen. afdak bunker. bouw. buffet buffer. construeren bouwen. construeren. kazemat afzenden. bouquet.budą budce buddyście buddyzm budka budowa budowa okrętów budowa okrętów budować budować budować budować budował budował budową budowla budownictwo budownictwo okrętowe budowniczego budowniczy budowniczy budując budulec budynek budynek budynek sądu budyń budzący zaufanie budzić budzić budzić się budzić wstręt budzić wstręt budżecie budżet bufecie bufecie bufet bufet bufor bufor wyjściowy bufor/multiplekser bujać bujny buk Bukareszt bukiet buldożer luifel. opwekken irriteren. aanbouw constructie. aanbouw pudding aannemelijk. afsluiten. wakker maken. verzenden. bouw. bouw. stootkussen vlotten. buffet veldfles belemmeren. rijk beuk Boekarest boeket. bouw. aanbouw aannemer. aanbouw afzenden. opkweken aanleggen. stichten. afdammen tapkast. bar. constructie constructie. bouwondernemer constructie. fokken. ophitsen budget. expediëren constructie. stootkussen buffer. bouwondernemer architect. bar. construeren bouwen. bouwen. bouwmeester aannemer. constructie bouw.

onlusten. onlusten. onlusten. opruien oproerling. agiteren. staf spitsroede. hoerenkast burgemeester. bolletje. muiter. cru afgeven op. biet. muiter. grof. roerigheid. kroot. roede broodje. rebelleren. getier oproerling. rebel muiten. opstand herrie. opstand muiterij. gloeilamp. rebelleren. mangelwortel beetwortel. kadetje. kadet afwezige. oproerling oproerling. opstand muiterij. bolletje. seksclub. kadet Bulgaars Bulgarije Bulgarije Bulgaars broodje. kroot. lamp. kazemat muiterij. opstandig rebel. getier ophitsen. roerigheid. promenade. onbehouwen. rel. mangelwortel bordeel. singel wandeldreef. stokje. burgervader storm storm storm storm onbewerkt. rel. biet. wegblijver absenteïsme muiterij. afkammen burgerij. roerigheid. onlusten. wandeldek ampul. lampje. peer stok. getier bungalow bunker. rebel beetwortel. opstoken. in opstand komen herrie. struik laars schoen fles . kadetje.bulwar bulwar bulwą buława buławą bułce bułgar Bułgaria bułgarią bułgarski bułka bumelancie bumelanctwa buncie buncie buncie bungalow bunkier bunt bunt bunt bunt buntować się buntować się buntować się buntował buntował buntowniczy buntownik buntownik buraczek burak burdel burmistrz burza burza z piorunami burzą burzą burzliwy burzyć burżuazja burżuazyjny busola busolą busz but but butelce boulevard. muiter. bot. gard. rel. rebel oproerig. bourgeoisie burgerlijk kompas kompas heester. in opstand komen herrie. muiter. opstand muiten. afbreken.

niets. schrander. snel. cilinder vergaan. bijeenkomen. onderhorig in overvloed aanwezig zijn accoord. gelijken. lijken samenkomen. in de schuld staan complet. voorhebben op. mogelijkerwijs. ergens een of andere. set. winkel rol. betamen. pienter bevattelijk. guur. gelijken. stelletje. leiden leidend. gezwind. lijken lijken op. geen zier scherp. vierkante decameter zijn. helder. tegenstreven achteruit. in de schuld staan mogelijkerwijs. gelijk. gelijkmatig behoren. horen. bederven are. brengen.butelka butelka dwukwartowa butik butla (gazowa) butwieć być być być dłużnym być do twarzy być komuś coś winnym być może być może być może że być na krawędzi być nieobecnym (na czymś) być odbiciem być podobnym być podobnym (<sb być posłusznym być posłusznym być przewodnikiem być przewodnikiem być równym być stosownym być ubranym być ubranym być utrapieniem być uzależnionym być w obfitości być w zgodzie być wystrzymałym (<against sth> na coś) być wystrzymałym na coś być zaskoczonym bydlak byk Byk (gwiazdozbiór) byle gdzie byle jaki były (szef itp) bynajmniej bystry bystry bystry bystry bystry byt bytać bytność fles fles zaak. eender. mogelijk misschien. voorbijgaand scherpzinnig. geleiden. passen voeren. niemendal. stel schuldig zijn. zoom verstrooid afspiegelen lijken op. versleten onveilig maken afhankelijk. tegenstreven tegenspartelen. aanzijn bestaan. verrotten. mogelijk misschien. rotten. gauw. toonaangevend. dragen. fel. mogelijkerwijs. verkeren. toongevend egaal. vergaderen gehoorzamen de weg wijzen. doordringend haastig. misschien. acuut. intelligent bijtend. rugwaarts dierlijk stier stier hier of daar. voorafgaand niks. spoedig bestaan. overeenstemming tegenspartelen. een of ander. wezen schuldig zijn. enig voorgaand. achterwaarts. verleden. mogelijk rand. aanzijn logeren .

heel. vol kelder jaarlijks redelijk. mixen.. bestek. over compleet. gans. totaal gans. zelfwerkend. verwijderd. finaal helemaal.. snorren. kussen de hele . heel. compleet. heel. vol geheel. gans. geheel. geheel. gonzen razen. totaliter. vol de hele . compleet. volkomen vandoor. heel helemaal. vol gans. grootte geheel gans.. integraal alles wel beschouwd volkomen. brommen. speeltuig duim als lengtemaat onaangetast. gans.. totaal zoenen. bok . ongeschonden. compleet. heen. gonzen sissen. stuk speelgoed. integraal onaangetast. geheel. boezeroen. heel erg. snorren. bijster erg. algeheel kiel. door compleet. furore razen.. totaal. totaliter. absoluut. vol algeheel. geit. ten enenmale alles wel beschouwd volkomen. geheel. fluiten hoezo. geheel. brommen. door compleet. geheel.. bijster de hele . compleet. totaal omvang. vol gans. ongeschonden. geheel. kussen zoenen. totaal algeheel. automatisch geheel. door alles wel beschouwd beslist. waarom waar speelbal.bywać wśród ludzi bzik bzyczeć bzykać bzykać c dlaczego c gdzie cacka cal całka całka całkowity integralny całkiem całkiem całkiem całkiem obcy człowiek całkiem przytomny całkiem zwariowany całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie pewny całkowicie stranzystorowany całkowicie tranzystorowy całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity błąd liniowy całokształcie całokształcie całokształt całopalny) całoroczny całościowy całość całość całość łącznie całować całus cały cały cały cały tekst cały z metalu cały z metalu cap temperen. finaal werktuiglijk. vermengen bestseller. ten volle. vol sik. mengen. rationeel algeheel. hes algeheel.

visioen. gehalte prijs kosten . passend. doel. doel. ui ampul. zijgen plaat.capstrzyk car caryca ceber ceber cebula cebula cebulą cebulka cecha cecha cecha cecha cecha produktu cecha szczególna cechować cechował cedował cedr cedzak cedzak cedzić cegiełce cegła cegłą Cejlon cel cel cel cel cel cel nieosiągalny cel upuszczenia cela celą celnik celować celownik celowy Celtycki celtycki cemencie cement cementować cena cena cena okazyjna ceną taptoe tsaar tsarina emmer emmer ampul. gelaatstrek puntig. peer tekenend. kerker cachot. lampje. tekenen afstaan. peer ajuin. kenmerkend. plak. gelaatstrek karaktertrek. trek. ui ajuin. honk mikpunt. droombeeld gepast. spits gelaatstrek. filteren. tekening doelstelling. doel. gelaatstrek merken. tablet bakstenen. geschikt Keltisch Keltisch cement cement cement prijs waarde. cel. onderwerp. trek. karakteriseren. gloeilamp. doelwit. stenen bakstenen. wit. honk. doelstelling. gloeilamp. karaktertrek karaktertrek. trek. lampje. wit cachot. object. toegeven. stenen Ceylon aanleggen werkje. schets. ding doelwit. trek. tekenen doelwit. kerker douane aanleggen gezicht. honk. doelstelling. tekenen kenmerken. cel. lamp. lamp. wit merken. karakteristiek karaktertrek. het veld ruimen ceder vergiet vergiet filtreren.

vel. huid. dokument. akte. acquisitie. plaats hut. bedrijf. stuk acte. tint dierevel. lokaliteit. klos. pels. centrum centimeter centimeter censureren. huid. bobine spoel. penny centrale middelste. gehalte prijslijst kostbaar. luchtband bobine. oord. akte. centraal middelpunt. aanwinst cent stuiver. plechtigheid etiquette. klos. centrum middelpunt. centrum middelpunt. stulp stulp. waardevol prooi. keizerrijk. deksels acte. deksels rijk. binnenste.ceną cencie cenić cenić cenić cennik cenny cenny wkład cent cent centrala telefoniczna centralny centralny system przetwarzania centrum centrum usuwania skutków awarii (centrum odtwarzania po awarii) centrum zasobów centymetr centymetr cenzor cera cera ceracie Ceramika cerata cerą cerą ceremonia ceremoniał ceremonią cerować certyfikat certyfikat uprawniający certyfikować cerując cesarstwa cesarstwo cesarz cesarzowa cesją cewce cewka cewka cewka zapłonowa cętce chałupa chałupa chałupą prijs cent achten. huisje hut. verzekeren bliksems. sakkerloot. klos. bobine ruimte. keuren teint. binnenste. etiket ceremonie. sakkerloot. imperium keizer keizerin opnemen. plechtigheid bliksems. achting hebben voor schat waarde. stuk betuigen. luchtpijp. buit. wasdoek. bedrijf. vacht tafelzeil. pels. imperium rijk. dokument. keizerrijk. centraal middelste. zeildoek teint. hut . vacht ceremonie. zeildoek aardewerk tafelzeil. afboeken binnenband. vel. binnenste. label. spoel spoel. wasdoek. tint dierevel.

scheikunde chemie. make-up kenmerken. testament verkiezen. vrijwillig gaarne. tekenen beschrijven hazewind. belust begerig. begeren aanvechting. happig. graag Chicago Chili Chileens inbeelding. baaierd. scheikunde apotheker. stulp vlegel rommel. verlangen. begeren. warboel. karakteristiek tekenend. lust. hazewindhond. huisje hut. karakter. windhond charitatief. zin. graag eer. kenmerkend. bui. trek hebben in begerig.chałupą chałupą cham chaos chaotyczny char charakter charakter charakterystyce charakterystyczny charakterystyczny charakterystyka charakterystyka indeksowania charakteryzacja charakteryzować charakteryzował chart charytatywny chata chata chata chcieć chcieć chcieć chciwy chciwy chemia chemia radiacyjna chemią chemik chęć chęć chęć chętce chętce chętce chętnie chętniej chętny chętny Chicago Chile chilijski chimera chimera chinina Chiny chińczyk hut. nuk. zich verbeelden bevlieging. gretig chemie. geaardheid vezel kenschets tekenend. kuur bedenken. begeerte. karakteristiek karakteristiek. farmaceut trek hebben in. trek hebben in nuk. zich onderscheidend tekenend. happig. kuur gaarne. gretig. zin uiterste wil. liever gewillig. blanketsel. begeren. verkiezen. kenmerkend. bui. verbond. scheikunde chemie. chimera Chimaera kinine China Chinees . gril. neiging verkiezen. hersenschim. liefdadigheidsstulp. hut hut. karakteristiek schmink. belust. bevlieging. karakter. kenmerkend. karakteriseren. gril. chaos chaotisch aard. geaardheid aard. stulp wens. huisje hut. lust.

heelkunde chirurgie. heelkunde chirurgie. jeugd knaap. brood koelkast. plattelander horige. kil afkoelen ververwijderd. jongensafranselen afranselen koud gastheer hinkelen wolk stralenkrans. brood werkgever hok roem. afbikken heelmeester. plassen. credit trots beroemd. samen-. opslorpen. chirurg chirurgie. glorie creditzijde.chiński chip chirurg chirurgia chirurgia stomatologiczna chirurgią chirurgiczny chlał chlapać chleb chleb z masłem chlebodawcą chlew chluba chlubą chlubą chlubny chlupocie chłeb chłodnia chłodnica chłodnicą chłodno chłodny chłodny chłodny chłodziarce chłodziarce chłodzić chłonąć chłonny chłop chłop chłop chłop chłop pańszczyźniany chłopak chłopak chłopak chłopiec chłopięcy chłostać chłostał chłód chmarą chmiel chmura chmura Chinees bikken. tegoed. co-. wondheelkunde. kil koud. koelcel radiator radiator koud. glorierijk. aaneen-. beroemdheid. lof. plassen. alcoholische drank. wondheelkunde. nimbus . glorieus klotsen. jongeheer jeugdigheid. krediet. klotsen mik. jongen borst. kabbelen. koelcel koelen in beslag nemen. vriesvak koelkast. samen boer. landman. wondheelkunde. ver. jongen jongensachtig. kabbelen. lijfeigene boer knaap. verwijderd vriezer. heelkunde chirurgisch drank. brood mik. jongeling. alcohol klapperen. absorberen absorberend boer aaneen. klapperen mik.

alhoewel. moeilijkheid Kroatië ziek. pels. snurken. tippelen. tippelen. emotie. wegdek stoep. verhinderen. ronken snorken. ronken neusgat mank. voetpad. dol onwel. bepalen hardvochtigheid. kobold. bestrating. wel stoppen. aandoening ziekte. godverdomme vandoor. al. dolzinnig. strubbeling. hardheid . beschermen fixeren. alhoewel ofschoon. huid aanspannen treden. naar verminkt. schrijden. over bloedig. kwaal. bloedend vaan. verwijderd. ofschoon. van stapel lopen. aandoening bezwaar. stappen. lopen marcheren. kwaal. kwaal. hoewel. niet lekker kuilen. dundoek. al. hinkend beletten. gebrekkig ziek. kabouter ofschoon. bevestigen. begraven begraven. al. hoewel. ronken snorken. vacht. dichtmaken plaveisel. alhoewel. hoewel. vlag ziekte. aandoening ziekte. verhoeden behoeden. zangkoor snorken. ter aarde bestellen vel. trottoir lopen. dichten. knorren. krankzinnig. lopen kerstboom cholera verdomme. verdomd. rei. wel wel. aandoening vakantie zeeziekte luchtziekte affect. dierevel. lopen koor. aandoening ziekte. snurken.chmura punktów chmurą chochlik chociaż chociaż choć chodak chodnik chodnik chodzić chodzić ze sobą choinka cholera cholera cholerny cholerny chorągiew choroba choroba choroba choroba morska choroba powietrzna chorobą chorobą chorobą chorobą Chorwacja chory chory chory chory na płuca chory umysłowo chowa chowa chować chować chód chód chór chrap chrapać chrapanie chrapce chromy chronić chronić chroniony zabezpieczony chropowatość wolk wolk aardmannetje. kwaal. kreupel. knorren. gaan marcheren. heen. naar gek. knorren. snurken.

moment. tel minuut oogwenk. lof. tel terwijl. schraal sprietig. opscheppen pochen. glorie wieden. ogenblik. tel wiegen minuut oogwenk. proces-verbaal moment. lof. straatschuimer zakdoek zakdoek zakdoek loven. cru knapperig. snoeven. schoffelen schokken schokken wiebelen. juni dopen dopen peetvader. lang schragen. ogenblik. tja oogwenk. ruw. nou. aarzelen wankel. beroemdheid. beroemdheid. mierik mierikswortel. tel moment. croquant knapperig. oogwenk. bluffen roem. steunen. peter. mager. schraal. wankelen. waggelen. bruut. croquant krassen Christus mierikswortel. sprietig sprietig. onbehouwen. ogenblik. komaan. stutten schraal. glorie roem. staande. tel spellen . moment.chropowaty chropowaty chrupce chrupiący chrypieć Chrystus chrzan chrzan chrząszcz chrzcić chrzcić chrzestny chrześcijanin chrześcijański chrześcijaństwa chrześcijaństwo chudy chudy chudy chudy chudy chuj chuligan chusteczce chustka chustka do nosa chwalić chwalić się chwalić się chwała chwałą chwast chwiać chwiał chwiał chwiejny chwil chwila chwila chwila chwila chwila chwila ciszy chwila obecna chwilą chwilą chwilą chwilą beestachtig. mager. wel. pochen. oogwenk. nu. snoeven. onzeker. prijzen bluffen. opscheppen. peet christen christen christendom christendom rijzig. ogenblik. moment. dierlijk onbewerkt. gedurende enfin. verheerlijken. roemen. ogenblik. mierik zomermaand. bot. besluiteloos bekeuring. naamgever. groot. mager penis apache. notulen. grof.

immers. gedegen carrosserie carrosserie vlees strak smal. gammel. ogenblik. aangrijpen. misgrijpen missen. eng. pasta aanplakken knippen. misgrijpen bouwvallig. pakken knijper. mislopen. bemachtigen handdruk. even. moment. aangrijpen.chwilą chwilka chwilowo chwilowo chwilowy chwilowy chwycić chwycić chwycić w szpony chwycie chwycie chwyt chwyt chwyt chwyta chwytać chwytać chwytać chwytać szczypcami chyba chyba chyba chyba chyba że chybiać chybienie chybiona odpowiedź niezgodność chybotliwy chylić ci ciałka ciało ciało doskonale czarne ciało metody ciało stałe ciało stałe ciasno ciasny ciasny ciasteczko ciastkarni ciastko ciastko ciasto ciasto ciasto ciąć ciąć terwijl. grijpen bemachtigen. in het water vallen missen. nauwsluitend. snoeien scheren. vlag banketbakkerij. friemelen. tel korte tijd. daadwerkelijk kortstondig morrelen. staande. deugdelijk. mislopen. scheren. eventjes tijdelijk werkelijk. cake deeg. degelijk. stellen wel. beslag. grijpen grijpen. beetpakken. cake zuur koek. aangrijpen. vermoeden. grijpen waarschijnlijk menen. effectief. grijpen grijpen. koekbakkerij koek. bekrompen. toog dit. schaar bemachtigen. dit hier carrosserie carrosserie flink. aftands boog. gedurende oogwenk. nauw stipt. knippen. vaan. zeker. nauw dundoek. snoeien . hand Pan bemachtigen. aangrijpen. bemachtigen beetnemen. grijpen klauw bemachtigen. toch tenzij uitzonderen floppen. scharrelen bemachtigen. krap. streng.

vreemd vloeistof vloeistof korporaal kalf kalfsbout. kalm. bij voortduring permanent. nieuwsgierigheid nieuwsgierig. aldoor. kalfsvlees somber. keten koorde. keten altijd. duisternis. donker . kalm rustig. geluidloos stil. muisstil. truck. snaar ketting. rustig bedaard. weetgierig vreemd. curieus. steeds permanent. aanlokken ketting. schets. gerust. vloeien. vrachtauto weetgierigheid. weetgierig interessant. kalfsvlees kalfsbout. constant onafgebroken. constant. zoet. bekoren. geruisloos. kalm liefelijk.ciąć ciąć (nożycami) ciąg ciąg znakowy mieszany ciąg znakowy mieszany ciąg znaków ciągle ciągle ciągle ciągły ciągły ciągły ciągnąć ciągnąć ciągnąć ciągnąć losy o ciągnąć ściągnąć ciągnienia ciągnienia ciągnienie ciągnik cichną cicho cicho! cichy cichy cichy cichy cichy (głos) ciec ciecz ciecz cieężarówka ciekawostka ciekawość ciekawski ciekawy ciekawy ciekawy ciekawy ciekły ciekły wodór cielesny cielę cielęcina cielęciną ciemnicą ciemnicą afkraken afkeuren toelachen. curieus. stemband. doorlopend gestaag. stilzwijgend. gerust. zacht stil. vlieten vloeistof vloeistof vrachtwagen. zwijgend bedaard. op zijn gemak. typisch nieuwsgierig. belangwekkend typisch. tekening trekker. rustig stromen. immer. tractor vervagen rustig. bij voortduring bestendig. nieuwsgierigheid weetgierigheid. lopen. op zijn gemak. gestaag. kalm. bestendig trekken rukken rukken rukken trekken trekken rukken werkje. donker duister. aldoor.

dragen bloedgetuige. schraal. akkoord accoord. laden zwaartekracht vrachtwagen. snaar kras. blij zijn genieten van. vrachtwagen hard drukkend. donker zwartheid duister. gaan accoord. nauw zeeëngte. krap. blij zijn timmerman smal. overeenstemming. vrachtauto vrachtauto. lijdzaamheid patiënt. truck. rap. levendig. mooi. donker schemerig naargeestig. overeenstemming. donker worden somber. vrachtwagen vrachtwagen. donker mysterieus. schakering. truck. belasten. plechtig. nuancering schaduwen schaduwen nuance. truck. schoon. fraai schaduwen nuance. ceremonieel . stemband. inladen. zwaar afgemeten. dragen naar buiten brengen. schakering. somber schaduwen sprietig. mager sprietig. bekrompen. vrachtauto trolley. schraal. kanaal. zieke gezond. eng. overgaan. nuancering gloed. martelaar zuur bitsheid geduld. kwiek. troosteloos. beugel vrachtauto. klinken. vuur warm doorn naar buiten brengen. druk beladen. truck. valide genieten van. fijn. geheimzinnig somber.) cięciwą cięciwą cięty ówka ciężar ciężar ciężarówce ciężarówce ciężarówka ciężarówka ciężarówka ciężki ciężki ciężki versomberen. duisternis. mager net. nauw. fit. akkoord koorde. straat kleppen.ciemnieć ciemno ciemność ciemność ciemny ciemny ciemny ciemny cieniowanie cienki cienki koncentryczny cienki papier cień cień do powiek cień do powiek cień przesłaniać cieniowany cień rówka ciepło ciepły cierń cierpieć cierpieć męczarnie cierpiętnik cierpki cierpkość cierpliwość cierpliwy cieszący się dobrym zdrowiem cieszyć się cieszyć się cieśla cieśnina cieśnina cieśniną cięciwa (matem.

begraafplaats deugdelijkheid. menigte douane begraafplaats. drom. boel. daarenboven dagelijks. swingen. zwaaien slingeren. zedig. alledaags vulgair. stil. voorts. meid hoop. stil. rust. kalm bedaard. wat maand-. gewoon vulgair. verzekeren conjunctie meer en meer. degelijkheid ongerept. liefkozen. mep. verder. massa. maandelijks toegegeven iets bovendien. in toenemende mate jaarlijks jaarlijks iets modelleren iets . kalm meisje. strelen. maagdelijk kuis. flap. daags. rustig. daags. klap fijnhakken aanhalen. slag. grof. zwaaien stil. ordinair. kerkhof kerkhof. ordinair. grof.ciężki cioci cios cios cios ciotka cipą ciska ciskać cisza cisza cisza cisza (brak wiatru) cizi ciżbą cło cmentarz cmentarz cnota cnotce cnotliwy co co miesiąc co prawda co umożliwia działanie czegoś innego co więcej codziennie codzienny codzienny codzień cofa cofacz cofać cofać się cofnąć się cofnięcie transakcji cokolwiek cokolwiek college cołościowo confirm coniunctio coraz więcej coroczny coroczny coś coś coś zwaarwichtig tante houw. aaien tante kut. rustigheid. swingen. kalm kalmte. vulva slingeren. rein. stilte bedaard. alledaags dagelijks. rustig. dat. eerbaar hetgeen. bedaard. gewoon afbestellen backspace backspace achteruitgaan achteruitgaan backspace iets wat dan ook college uitgebreid betuigen. rustig.

Moor aanbinden. overspel echtbreuk. miraculeus wonderbaar. gewiekst. getal. listig cybernetica cijfer. verwonderend echtbreker echtbreuk. nauwelijks goochelaar toverkunst. dat. wat zich verbazen. zich verwonderen oorspronkelijk. cijfer . wonder zich verbazen. afschuwelijk ijselijk. slim. toverachtig wonder aanbiddelijk. snoepgoed zoet. diabetes suikerziekte. afschuwelijk suiker suiker snoep. magie magisch. aangrijpen iets dochter dochter hetgeen.coś innego coś koło tego coś na pocieszenie coś się święci coś w rodzaju coś) coś) córą córka cóż cud cud cuda cuda cudak cudem czegoś uniknąć cudotwórcą cudotwórstwa cudotwórstwa cudowne dziecko cudowny cudowny cudowny cudzołożnik cudzołóstwa cudzołóstwo cudzoziemiec cudzoziemka cudzoziemski cukier cukier syntaktyczny cukierek cukierek cukiernica cukiernica cukrzyca cukrzyca (choroba) cumować cumować cumować cumować curry cwał cwaniactwa cybernetyka cyferce cyferce cyferce iets iets iets iets iets aandoen. oppassend suikerpot suikerpot suikerziekte. origineel amper. kwalijk. overspel buitenlander ijselijk. nummer aantal. meren Mauretaniër kerrie galopperen doortrapt. zich verwonderen mirakel. tal nummer. zich verwonderen zich verbazen. aanbiddenswaardig wonderbaar. diabetes onderbinden Moriaan. zoetigheid.

onderpand. benauwdheid lof. circulatie. circulatie. cijfer beting aantal. citeren. noemen. roulatie omloop. roulatie pand. borgstelling kapper. noemen aanhalen. cichorei rol. vergaarbak aanhaling. cycloon beklemming. wielrijden circulaire. cijfer zigeuner zigeuner rogge Bohemen sigaar sigaar fietsen. getal. noemen. nummer indompelen. citaat citadel citadel aanhaling. noemen aanhalen. wielrijden fietsen. citeren citroen . rondschrijven wervelstorm. soppen nummer. nummer nummer. cilinder rol. indopen. cilinder blikken blikken cynisch zink zink kaap Kaaps Cyprus circus omloop. angst. citeren. citaat aanhalen. wielrijden fietsen. tal cijfer. barbier reservoir.cyfra cyfra cyfra dwójkowa bit jednostka ilości informacji cyfra znacząca cyfra znaku cyfrowe przetwarzanie obrazów cyfrowy Cygan Cygan Cygan cyganeria cygara cygaro cykl cykl magistrali cykl maszynowy cykl zatwierdzania cykl życia obiektu cykliczny cyklon cykor cykoria cylinder cylinder alternatywny cyna cyną cyniczny cynk cynkowy cypel cypel Cypr cyrk cyrkulacja cyrkulacją cyrograf cyrulik cysterna cytacie cytadela cytadelą cytat cytat cytować cytować cytował cytryna cijfer. citeren aanhalen. wielrijden afranselen fietsen.

polshorloge theepot. tovenaar duivelskunstenaar. tovenaar feeëriek feeëriek heksen heksen kol. heks kol. innemend. pels. horen. stadswachten. dienen maal. afhalen. bedaagd zwart duivelskunstenaar. innemend.cytryną cywil cywilizacja cywilizacją cywilizować cywilizował cywilny cywilny cywilny (np. charmant bekoorlijk. toverheks. keer . te wachten staan horloge. trekpot ketel po pet kapotjas. heks charter. bloemkelk. beschaven civiliseren. boetseren zwart hoogbejaard. bekken. burgerlijk beschaving. dierevel. tovenaar teelaarde. burgerlijk burger-. huid pet reiger reiger aantrekkelijkheid toverij toverij vont. charmant maal. beschaven civiliseren. kom beker. keer behoren. kelk duivelskunstenaar. motorkap pet vel. beschaven civiel civiel. beschaven beschaving. handvest. modelleren modelleren. toverheks. humus boetseren. miskelk. tovenares. vacht. kodeks) czacie czacie czajniczek (klasyczna graficzna baza danych) czajnik czajnik czapce czapka czapka czapka (damska) czapka futrzana z tej skóry czapla czaplą czar czar czar czarą czarą czarnoksiężnik czarnoksiężnik czarnoziem czarnoziem czarnoziem czarny czarny czarny jak smoła czarodziej czarodziejce czarodziejski czarować czarował czarownica czarownicą czarter czarując czarujący czas czas przeszły czas rzeczywisty citroen civiel. wagenkap. moeten. tovenares. vrachtcontract bekoorlijk.

te wachten staan zweven wachten. praten een hinderlaag leggen item. oningevuld. ontwijken aanvliegen bedwingen. deeltje. afhalen. afhalen. wielrijden maal. krant blad. deel item. jaartelling.czas zapamiętywania czas zapisu czas życia nośników mniejszościowych czas życia obiektu czas życia w IP czasami czasochłonny czasopimo czasopismo czasopiśmie czasopiśmie czasownik czasy czaszce czaszka czat czaty cząstce cząsteczka cząstka cząstka na milion czcić czcić czcigodny czcigodny czcionce czcionka pogrubiona czczy Czech czech CzechoSłowacja Czecho-Słowacja czego czegoś itd. uit de weg gaan. epistel. waar zendbrief. jaartelling. keer op een keer. brutaal vergeefs. kostbaar courant. beteugelen cheque wit. aanbidding oogstmaand. te wachten staan chocola. deeltje. dat. beluisteren. brief gedurfd. te wachten staan wachten. czegoś) czek czek czek in blanco czekać czekać czekać czekać cierpliwie czekać na czekać na aktywację przesunąć (kursor myszki) czekać oczekiwanie czekolada czekoladą plusquamperfectum plusquamperfectum fietsen. chocolade . chocolade chocola. krant krant werkwoord dag schedel schedel keuvelen. luisteren wachten. blank te wachten staan. keer maal. deeltje. afhalen. te wachten staan wachten. wachten. jaartelling. nutteloos Boheems Tsjechisch Tsjechoslowakije Tsjechoslowakije hetgeen. wat mijden. dagblad. eens waardevol. adoreren. eerzaam. babbelen. deel molecuul item. augustus waardig. krant blad. stout. betomen. aanbidden adoratie. afhalen. blanco. stoutmoedig. afhalen aanhoren. deel verafgoden. ijdel.

czekoladka czelność czeluść czeluść czeluść czemu czemuś) czepek czepek czeredą czeredą czereśnia czerń czerń czerń ec czerpać czerpać czerpać (zyski czerpać natchnienie z czerstwy stale czerwca czerwiec czerwienić się czerwienić się czerwień czerwień czerwony czesać czeski czeski czeszce cześć cześć często często częstować częstował częsty części maszyn częściowo częściowo częściowo otwarte połączenie częściowy część część część adresowa rozkazu część arytmetyczna (w komputerze) część krytyczna chocola. proportie. kammen Boheems Tsjechisch Tsjechisch cultus. blozen. wemelen. potig. wriemelen. juni kleuren. rood worden Vlissingen karmozijn. onderdeel. fors. gedeelte evenredigheid. blozend rood. begeleiden kapotjas. deels gedeeltelijk. wagenkap. gedurig behandelen. kledingstuk gewaad. krielen kers zwart zwartheid zwartheid aftappen toelachen. aanlokken aftappen aanboren robuust. deels ten dele. dikwijls. ten dele ten dele. geregeld bezoeken prieel deels. stuk. pakken. ferm zomermaand. partieel deel. bocht. dikwijls. schrijden. bekoren. vaak. kolk golfspel. donkerrood rood. accompagneren. blozend uitkammen. gedeelte gewaad. verpakken krioelen. eredienst. kledingstuk . stuk. aanbidding menigmaal. cureren stappen. vaak menigmaal. chocolade zenuw afgrond. verhouding deel. waarom vergezellen. gedurig. golf. juni zomermaand. motorkap pet inpakken. verering adoratie. lopen. boezem afgrond hoezo. hecht. treden bezoeken. inham. onderdeel.

toongevend borrel. leiden leidend. spriet. aanhanger lid. onderdeel. een afschuw hebben van kwiek. schuit veertig veertig veertien vier vier stortplaats gevoelig. ra . lidmaat. voelhoorn. zakenman koopman. zetten lid. bestanddeel. aanhanger element. aanhanger lid. kras. beginsel monteren. zakenman majoor mens leek. druk. gedeelte hikken boeren. aanhanger lidmaatschap lidmaatschap menselijk menselijk mens koopman. receptief een afschuw hebben van. lidmaat. toonaangevend. vak.część wstępna (programu) część zapasowa czkawka czknąć czknąć czlonek człon człon człon członek członek załogi członkostwa członkostwo człowieczek człowiek człowiek człowiek energiczny człowiek interesu człowiek noszący coś na sobie człowiek pełnoletni człowiek starszy (wiekiem człowiek wytrwały czołg czołgać się czołgać się czoło czoło czoło czołowy czop czop czosnek czółno czterdziestka czterdzieści czternaście cztery cztery ściany czubek czucie czuć niechęć czuć odrazę czuć się urażonym czuć wstręt czuć wstręt czuć wstręt (do kogoś/czegoś) czujny czułek branche. handelaar. vergaarbak kruipen kruipen wenkbrauw voorhoofd geleiden. verafschuwen verafschuwen. bougie look. de weg wijzen. stuk. sticker reservoir. knoflook boot. aperitief ontstekingsbuis. tak deel. niet-ingewijde sluitzegel. handelaar. ontvankelijk. boeren lid. rap antenne. een afschuw hebben van aanstoot nemen aan verafschuwen. oprispen oprispen. lidmaat. een afschuw hebben van afkeer inboezemen verafschuwen. levendig. lidmaat.

duidelijk zindelijk. schoonmaken. iel purgatorium. abces. net. schoon. kuisheid. handeling. delicaat.czułostce czułość czuły czupiradła czuwać czwarta (część) czwartek czwarty czy czy czy czy czyj czyn czyn wolicjonalny czynić czynić czynić aluzję czynnik ludzki czynnik zapładniający czynność czynność czynny czynny czynsz czyrak czyrak czystce czystka czystość czystość czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty dwójkowy czysty(alkohol) czyszczący czyścić czyścić czyściec czyta czytać czytance czytelnik sentiment. optreden. of. schoonmaken. rein. gedoe. aanmaken. schoon ordelijk net. ageren. handelen doen. schoon. ageren. vagevuur lezen lezen lezer lezer . puur. ingeval of tenzij hè. optreden. etterbuil op het kookpunt zijn. klaar duidelijk. helderheid. bezig zijn. bedrijvig afneembaar huur ettergezwel. puur. mooi. louteren kuisheid. onvermengd rein. polshorloge vierde donderdag vierde indien. actief. koken reinigen. als. gevoel. fraai ordelijk afwasmiddel rein. handelen doen. louteren reinigen. netto. zindelijkheid absoluut. fijn. handeling werkzaam. netto-. klaar. fijn. zindelijkheid helderheid. bedrijven. maken beëindigd. gedoe actie. zindelijk gevoelig. waarvan. gevoeligheid fijnheid. puur. borrelen. schoon. hetzij welks. zindelijk hel. wie z'n. licht. wie d'r doen. wanneer. afgewerkt. nettonetto. kiesheid aanhalig angst horloge. delicaatheid. kies. afgelopen zinspelen afschrikwekkend mest actie. bezig zijn. helder.

dandy grondstof. tjilpen sjilpen. wijk. ververwijderd. piepen. overkapping plavuis. tjilpen sjilpen. hoogst daarvoor. ver. dactylus schenken. fat. oorveeg. stadswijk kamers. indertijd tevreden. cadeau geven schenken. jonkvrouw Damascus dame informatie saletjonker. verwijderd verwijderd. tegel. vergenoegd.czytelny czytnik czyżby? ćma ćma zenia ćwiartce ćwiartek ćwiartka ćwiczenia ćwiczenia ćwiczenia ćwiczyć (się) ćwierka ćwierkać ćwierkać d <much d najbardziej d poprzednio d zadowolony dach dachówce dachówka dachówka dacie dać dać klapsa dać napiwek dać za wygraną daj dający się zarządzać daktyl dal dalej dalej daleki daleki zasięg daleki zasięg daleko dalia dalszy dama dama (także w kartach i szachach) damaszek damą daną dandys ezmięsne dane dane (l. kwetteren. instructie aanwenden. ver vandoor. voldaan kap. kwetteren. tichel dadel. materieel. dak. eerder. nachtvlinder buurt. <datum>) leesbaar lezer werkelijk. heen. dam. materiaal . drillen aanwijzing. uil. cadeau geven inschikkelijk. ver ververwijderd. tegel. nachtvlinder uiltje. cadeau geven draai om de oren. eind langs. lel stortplaats schenken. vooraan. piepen. tichel lei plavuis. poj. doorvoeren oefenen. tjilpen. naar. ververwijderd. kwast. tegelsteen. verwijderd. vrouw. blijkens. echt. ingevolge nader verwijderd. wijk. uil. piepen. tegelsteen. stadswijk oefenen. kwetteren veel meest. dactylus afstand. vertrekken buurt. consigne. over dahlia nader dame lady. handelbaar dadel. materieel. wezenlijk uiltje. drillen sjilpen. materiaal grondstof.

top. voorafgaand eiken. ijdel. geschenk. heten. neus. cadeau tegenwoordig. open. ijdel. tip. aankondigen. afgelasten begenadigen. eikehouten . actueel luiheid vergeefs. cursus. cadeau geven belichten. vlot. tentoonstellen draai om de oren. informeren. madeliefje dadel. schatting danseres gift. afstammen voeden berichten. aandienen het gevolg zijn van. actueel ontbinden. benoemen. indertijd voorgaand. beheren dosis dosis dosis dosis daarvoor. administreren. uitmaken voor adverteren. vooraan. schatting cijns. schenken begenadigen. leergang. madeliefje dadel.dania dania Dania dania bezmięsne danią danie danina daniną danser dar dar daremność daremny daremny darmowy darować darować darować darować darować (karę) darował daszek daszek (czapki) data data data acquisition and interpretation system data zakupu datagram kadr datek datek datować dawać dawać dowody dawać klapsa dawać na imię dawać narkozę dawać ogłoszenie dawać początek dawać sobie radę/domyślić się dawać znać dawce dawka dawka (leku) dawkować dawniej dawny dąb tracé. koers Denemarken schotel. schaal vegetarisch Denemarken schotel. apache piek. donatie. cadeau geven tegenwoordig. los. nutteloos onbezet. annuleren. eerder. lel noemen. spits meizoentje. oorveeg. nutteloos vergeefs. vergeven schenken. vergeven straatschuimer. onbelemmerd cadeau geven. dactylus schenken. inlichten besturen. punt. verleden. schaal cijns. dactylus meizoentje. route. dactylus boksen naastenliefde. menslievendheid bijdrage dadel.

spenderen. dons debat discussie. declameren . verlagen degraderen. tekort verleden.dąb nie dąć dążyć dbały dbały deaktywizować debacie debacie debata debatować debet debet ("winien" w księgowości) debil debil debuger debugger decydować decydował decydował decydujący decyzja decyzją decyzją dedukcją dedukować dedukował dedykować dedykował deficycie deficycie deficyt defilada definicja definicja typu dokumentu definicją definiować definiował definitus definitywny deformował degeneracie degenerat degradować degradował dekada dekada licząca dekadą deklamować eiken. gebrek. ontaarden. beslissen. debet debetzijde. deduceren abstraheren. bepalen onherroepelijk. beslissing resolutie. omschrijving definiëren. verleden tijd bepaling. verbasteren degraderen. definitie. bepalen definiëren. verbasteren degenereren. ontaarden. spanderen opdragen. oplettend behoedzaam. uitmaken besluiten. flap. gevolgtrekking abstraheren. malloot idioot debugger debugger besluiten. deficit. omschrijving bepaling. eikehouten houw. afleiden. debet dwaas. mep. misvormd degenereren. motie conclusie. definitie. omschrijven. tekort afwezigheid. nauwkeurig bepalen beslissend. bespreking debat debat debetzijde. klap najagen. definitief onherroepelijk. gemis. beslissen. uitmaken determineren. nesthaar. uitspraak. beslissing besluit. definitie. deduceren opdragen. finaal. slag. euvel kastekort. nastreven aandachtig. omschrijving bepaling. deficit. voorzichtig waas. omschrijven. cruciaal besluit. spenderen. attent. uitspraak. zot. verlagen decennium decennium decennium voordragen. afleiden. definitief mismaakt. spanderen kastekort.

afvaardigen afvaardiging. breekbaar liefelijk. snoepgoed. verklaring declaratie. lekkernij mildheid beminnelijk kies. snoepgoed. delegatie delegeren. iel broos. delegatie snoep. decoratie versieren landschap landschap ornamentaal versieren versieren verordenen. dader Delphi delta ontkennen ontkennen democraat . declameren declaratie. onderscheiding. lekkernij snoep. onderscheiding. zacht zacht. verklaring declaratie. gevoelig. afvaardigen subsidiair. zachtmoedig. tooisel decor. mild. inboeten delegeren. verklaring declareren declareren decoderen decoderen afleiden decor. aanbesteding schuldige. snoepgoed.deklamował deklaracja deklaracja procedury deklaracją deklarować deklarował dekodować dekodował dekomprymować dekoracja dekoracja sklepowa dekoracją dekoracją dekoracją dekoracje (tetralne) dekoracje tetralne dekoracyjny dekorować dekorować dekrecie dekret delcie delegacie delegacie delegacja delegacją delegat delegat delegować delegowanie delicją delicją delikates delikatność delikatność delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikwencie Delphi delta dementować dementował demokracie voordragen. liefelijk gunning. afvaardigen in de plaats stellen van. plaatsvervangend afvaardiging. decoratie sieraad. lekkernij snoepen snoep. zoet. decreteren delta delegeren. decreteren verordenen. decoratie. delegatie afvaardiging. decoratie decor. zachtaardig zoet. zacht. onderscheiding. delicaat.

demokracja demokracją demokratyczny demolować demon demoniczny demonstracja demonstracją demonstrować demonstrował demontować denerwował dentysta dentystyczny dentyście denuncjować denuncjował depesza depesza depeszą depeszą depeszą deportować deportował depozycie depozyt depresja depresją deptać deptak deputowany derywacja derywacja wyprowadzenie desancie desant desce desce deseń deseń deser deser deska deska deskrypcją despocie despota destrukcją destrukcją

democratie democratie democratisch afgeven op, afbreken, afkammen demon, duivel demonisch, satanisch demonstratie, vertoning, bewijs demonstratie, vertoning, bewijs demonstreren, vertonen demonstreren, vertonen afstijgen ergeren, verontwaardigen tandarts tand-, getand tandarts aangeven, aanbrengen, klikken aangeven, aanbrengen, klikken telegram, kabeltelegram telegram kabel, tros verzenden metaaldraad, draad deporteren deporteren afgeven, deponeren, in bewaring geven afgeven, deponeren, in bewaring geven afname depressie stappen, lopen, schrijden, treden marcheren, tippelen, lopen subsidiair, plaatsvervangend afleiding, afgeleid woord afleiding, afgeleid woord daling, landing daling, landing aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet werkje, schets, tekening knippatroon, patroon toetje, toespijs, nagerecht, dessert pudding aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet tafereel, schildering, beschrijving despoot, dwingeland despoot, dwingeland vernietiging ruïneren, te gronde richten

desygnował deszcz deszcz ze śniegiem deszczowiec deszczowy deszczułce deszczyk deszyfrować deszyfrował detal detalista detaliście detektyw detektywistyczny detergencie detergent detonacją dewiza dewizą dewizą dezaktualizował się dezaprobacie dezerterować dębowy dębowy dętka diabelski diabeł diablicą diaboliczny diagram diakon dialekcie dialekt dialektalny dialog dialog dialog dialog człowiek-komputer dialog użytkownikkomputer diament diament przemysłowy diecie diesel dieta dietetyczny diminutivum direktor antenowy

benoemen, aanstellen regenen regenen regenmantel nat lat motregenen ontcijferen, ontraadselen ontcijferen, ontraadselen bijzonderheid, item, detail kleinhandelaar kleinhandelaar detective, rechercheur detective, rechercheur afwasmiddel afwasmiddel informeren, berichten, inlichten leus, lijfspreuk, leuze, devies leus, lijfspreuk, leuze, devies lijfspreuk, leus, leuze, devies aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen afkeuring, verwerping, wraking wildernis, woestenij, woestijn eiken, eikehouten eiken, eikehouten binnenband, luchtpijp, luchtband duivelachtig, duivels, drommels droes, boze, duivel, drommel helleveeg, furie, haaibaai, feeks duivels, duivelachtig, drommels afbeelding, figuur, beeld diaken tongval, dialect tongval, dialect tongval, dialect tweespraak, tweegesprek, dialoog tweegesprek, tweespraak, dialoog bericht, boodschap tweespraak, tweegesprek, dialoog onderhoud, gesprek diamant diamant dieet dieselmotor, diesel dieet diëetluttel, karig, min, klein, gering directeur, bestuurder

dla dla dla siebie samej dlaczego dlatego dlatego dlatego też dlatego że dławienie (się) dławik dłoń dłoń dłucie dług długa spacja długi długi czas długo długopis długość długość długość geograficzna długotrwały dłuto dmuchać dmuchawiec dno dno statku dno statku do do do do do cna do edycji do góry nia do góry nogami do małego biura i do domu (np. oprogramowanie) do przewidzenia do przodu do przyjęcia do samolotu) do szpiku kości do twojej wiadomości do twojej wiadomości do tyłu do wglądu tylko dla ciebie (tajne

gedurende, onder, terwijl, staande saké, rijstwijn gedurende, onder, terwijl, staande hoezo, waarom ergo, dus, ook weer, toch ergo, toch, ook weer, dus daar, doordat, omdat, aangezien ergo, toch, ook weer, dus wurgen, choken, worgen wurgen, choken, worgen aanreiken, overhandigen bal, handpalm, palm beitelen schuld ruimte, bestek, wereldruim, speling lang lang lang hok lengte, langdurigheid lengte (geo.), lengte lengte (geo.), lengte blijvend, aanhoudend beitelen houw, flap, slag, mep, klap leeuwetand, paardebloem bodem, achtergrond, ondergrond, grond bodem, achtergrond, ondergrond, grond achtergrond, grond, bodem, ondergrond heel, volkomen, totaliter gedurende, onder, terwijl, staande in, te, binnen, per tegen, bij, naar, tot, aan, voor droes, boze, duivel, drommel omhoog, opwaarts, op, naar boven op, omhoog, naar boven, opwaarts on-, in-, imverkrijgbaar daarvoor, eerder, vooraan, indertijd acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk aanklampen, zich vastklampen aan betreffende, aangaande, omtrent hierheen, hier achterover achterwaarts, achteruit, rugwaarts achterlijkheid adieu, vaarwel

informacje) do widzenia do wysokości do zobaczenia do zwrotu dobiegać dobierać dobitny dobitny dobosz dobór dobre dobre stosunki dobro dobrobycie dobrobyt dobroczynność dobroczynny dobroć dobroć kondensatora dobroduszny dobrowolnie dobrowolny dobry dobry dobry dobry dobrze dobrze się rozwijać dobrze wychowany dobrze wypionowany dobrze wypionowany dobrze zbudowany dobrze! dobytek docenia doceniać docenić dochodzić do dochować dochowuj dochód dochód dociąć dociekać dociekliwie docierać docinać

vaarwel, adieu acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk geldkist, kas, fonds tegen, bij, naar, tot, aan, voor aanvliegen soort, slag, aard klaar, uitgesproken, helder nadrukkelijk trommelslager, tamboer, trommelaar keuze, keur, keus, optie, verkiezing okee, okay, goed okee, okay, goed okee, okay, goed welstand, voorspoed, geluk, bloei rijkdom naastenliefde, menslievendheid charitatief, liefdadigheidsvoorkomendheid, liefheid goedheid aardig, vriendelijk, voorkomend uit vrije wil, vrijwillig vrijwillig best beter okee, okay, goed rechter-, vandehands goed, nu goed geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel juist, gelijk hebbend, gegrond goed, okay, okee hecht, fors, potig, ferm, robuust afgesproken, akkoord, goed, in orde goed, nu goed bezitting, eigendom, bezit appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen bereiken, inhalen, behalen inmaken, konfijten, inleggen blijven inkomen, ontvangst, opbrengst verdienste, baat, winst, gewin plagen exploreren, nagaan, onderzoeken met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig bereiken, inhalen, behalen plagen

dociskać doczesny dodać dodać dodać dodać dodać domieszkę opium dodać odwagi dodać otuchy dodaj dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek (w książce) dodatek specjalny dodatkowo dodatkowy dodatkowy dodatkowy dodatkowy ruter dodatkowy zasilacz mocy dodatkowy zbiornik atramentu dodatni dodatnio dodawać dodawaćotuchy dodawanie dodawanie modulo 2 dodruk dodruk dogadzać dogmacie dogmat dogodny doić dojazd dojrzały dojrzały dojrzały dojrzano dojrzeć dojrzej dojrzewać dojrzewać dojrzewanie płciowe dojście

strakker aantrekken, aantrekken aards aanhechtsel, affix hoera roepen aanvuren, aanwakkeren, aansporen opiaat aanhechtsel, affix bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijkomstig, bijbehorend, bijkomend begeleiding, accompagnement optelling bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein optelling extra extra verder, overig assistent, adjunct, helper extra bijbehorend, bijkomend, bijkomstig bijkomstig, bijbehorend, bijkomend extra positief, constructief voorgoed, definitief bijtellen, optellen hoera roepen optelling optelling effect, indruk afdruk bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan leerstuk, dogma, leerstelling leerstuk, dogma, leerstelling doelmatig, gemakkelijk, geschikt melk oprijlaan, oprit volwassene, adult belegen, bezonken, rijp rijp, bezonken, belegen rijp, bezonken, belegen rijp worden, rijpen belegen, bezonken, rijp volwassene, adult rijp worden, rijpen puberteit oprijlaan, oprit

dojście dojście (do czegoś) dojść dojść dok dokąd dokądkolwiek doker dokładać dokładna informacja wyszczególniać dokładne badanie dokładnie dokładnie dokładnie dokładnie coś przejrzeć dokładnie zbadać (kogoś) dokładność dokładność dokładność dla pełnej skali dokładność pomiarów dokładność zapisu dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny do ntego miejsca (po przecinku) dokładny do n-tego miejsca (po przecinku) dokoła dokonać dokonany dokonuj dokonując dokonywać dokonywać dokonywać (<sth> czegoś) dokonywać zapisu na rzecz dokończyć dokręca dokręcać dokręcony dokrętce dokrętek doktor dokuczać dokuczać

aanwinst, acquest, buit, prooi oprijlaan, oprit aankomen, belanden, arriveren buit maken, verkrijgen, behalen dok waar hier of daar, ergens stouwer, stuwadoor bijtellen, optellen bijzonderheid, item, detail precies, nauwgezet, accuraat precies, nauwgezet, accuraat inhalen grondig, radicaal precies, nauwgezet, accuraat rechter-, vandehands accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid nauwkeurig, accuraat, nauwgezet nauwkeurig, accuraat, exact trouw, getrouw precies, scherp, juist, minutieus specifiek, soortelijk streng, duchtig, straf, bar, hard nauwkeurig, accuraat, nauwgezet om ... heen, omtrent, ongeveer, om behalen, bereiken, inhalen volkomen, perfect, in optima forma maken, doen, bedrijven fabricatie, aanmaak, fabricage bewerkstelligen, doorvoeren het veld ruimen, afstaan kalfateren, kalefateren, breeuwen begiftigen, meegeven aantikken strakker aantrekken, aantrekken strakker aantrekken, aantrekken stipt, nauwsluitend, streng, nauw moer bah doctor ergeren, verontwaardigen mopperen, kankeren, morren, sputteren

dokuczać dokuczać dokuczanie dokuczliwy dokuczliwy dokuczliwy dokuczyć dokuczyć dokumencie dokument dokumentacja systemowa dokumenty dolar dolą dolą dolega dolegliwość doliczać dolina dolny dolny dolny dołaczyć dołaczyć dołączać komentarz dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć się dołeczek dołeczek dołeczek dom dom czynszowy dom publiczny dom publiczny dom rodzinny dom starców dom studencki dom wypoczynkowy domagać się domagać się domagać się od kogoś zrobienia czegoś domek domek parterowy domeną

klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen plagen smart, verdriet, leed plagen saai, taai, vermoeiend, melig pijnlijk, hinderlijk, lastig, storend ergeren, verontwaardigen belemmeren, storen, hinderen bedrijf, acte, dokument, akte, stuk bedrijf, acte, dokument, akte, stuk mens bestand, dossier dollar lot, bestemming, lotsbestemming kavel, perceel pijn doen, zeer doen bezwaar, strubbeling, moeilijkheid bijtellen, optellen vallei, dal waas, nesthaar, dons laag verlagen, afdraaien zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker bevatten, inhouden, behelzen bijtellen, optellen belenden, grenzen aan aanhechtsel, affix omsluiten opiaat zich aansluiten, lid worden, toetreden groef, gracht, kuil, groeve, greppel hol, ingevallen groeve, gracht, greppel, groef, kuil geslacht, pand, huis herenhuis bordeel, seksclub, hoerenkast huiswaarts, naar huis huiswaarts, naar huis logement, herberg pakhuis, magazijn, warenhuis geslacht, pand, huis aanspraak maken op, claimen opeisen, vereisen, rekenen, eisen opeisen, vereisen, rekenen, eisen hut, huisje bungalow rijk, staat

domeną dominium dominować dominował dominujący domniemanie domowy domowy domowy domysł domyślac domyślać się domyślać się domyślić się domyślnik doniczka doniesienie donieść donieść donikąd doniosłość doniosły donosić dookoła dopasować dopasowanie szablonu dopełnia dopełniać dopełniający dopełniał dopilnować doping dopingować dopingował dopisać dopływ dopóki dopóty doprawdy doprowadza doprowadzić do szału dopuki dopuszczać dopuszczalny poziom wadliwości dopuścić dopuście doradca doradcą

kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied dominion meester zijn, de baas zijn meester zijn, de baas zijn voornaamste, hoofdvermoeden, gissen binnenlands, inheems, inlands huiswaarts, naar huis Stille Oceaan, Grote Oceaan onderstelling, hypothese, mening raden, gissen, doorzien raden, gissen, doorzien menen, vermoeden, stellen raden, gissen, doorzien zinspelen bloempot informeren, berichten, inlichten perzik informeren, berichten, inlichten nergens, in geen velden of wegen relevantie veelbetekenend, betekenisvol berichten, informeren, inlichten circulerend, in omloop aanpassen, afstemmen, adapteren lucifer compleet, volledig blok aanvullend volbracht ontmoeten, aantreffen stijving, bemoediging, aanmoediging aanvuren, aanwakkeren, aansporen aanvuren, aanwakkeren, aansporen belenden, grenzen aan fjord terwijl, staande, gedurende tot, totdat, binnen, voor werkelijk, wezenlijk aansporen, aanwakkeren, aanvuren bestseller, furore tot, totdat, binnen, voor laten, laten begaan, laten schieten acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk toegeven plaag adviseur, mentor, raadgever adviseur, mentor, raadgever

doradzić doraźny doraźny doręcza doręczyć dorobek dorobek doroczny dorosły dorożka dorsz dorzecze dosiadać dosięgać dosięgnąć doskonale doskonały doskonały dosłowny dosłowny dosłowny (raport) dostarcza dostarcza dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dowodów dostarczać żywność dostarczał dostarczanie dostarczyć dostarczyć podporządkować dostarczyć żywność dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny (stopień w szkole) dostatek dostatni dostawa dostawa oprogramowania dostawać mdłości dostawą dostęp dostęp dostęp

adviseren, bekendmaken, aankondigen ogenblikkelijk, prompt toevallig, incidenteel afleveren, leveren, bestellen brengen, aandragen, bezorgen Fortuna lot, fortuin, fortuinlijkheid jaarlijks volwassene, adult taxi kabeljauw vont, bekken, kom monteren, zetten buit maken, verkrijgen, behalen bereiken, inhalen, behalen perfectie, volkomenheid, volmaaktheid volkomen, perfect, in optima forma grandioos, groots, overweldigend woordelijk, letterlijk naar de letter, woordelijk naar de letter, woordelijk leveren, bestellen, afleveren provianderen, spekken, bevoorraden betuigen, verzekeren afleveren, leveren, bestellen eten, bikken, gebruiken, vreten afzenden, verzenden, expediëren het veld ruimen, afstaan provianderen, spekken, bevoorraden gemeubileerd aflevering, levering, inlevering knechten, onderwerpen afleveren, leveren, bestellen leveren, bestellen, afleveren adequaat, bijbehorend genoeg, voldoende bevredigend genoeg, voldoende bevredigend onbekrompenheid, overvloed uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend aanvoer, bezorging aflevering, levering, inlevering afkeer inboezemen aflevering, levering, inlevering oprijlaan, oprit aanwinst, acquest, buit, prooi aanvliegen

voldoende tamelijk naar buiten brengen. beschikbaar. rap. basta heel. aardig nogal. zichzelf respecterend. totaliter genoeg. afstemmen. dragen bevoelen. smartelijk beproeven. genoeg. oprit genaakbaar. aanzienlijk verstandig zichtbaar genoeg. toegang oprijlaan. beminnelijk. ondervinding deskundig. experimenteel belevenis. ontkomen. adapteren afstemmen. augustus waardig. waardigheid oogstmaand. buit maken winnen. beschikbaar. voelen. disponibel liquide. toegankelijk aanspreekbaar liquide. aanpassen. helder. gebruik aanpassen. disponibel genaakbaar. geoefend. deerlijk. subsidie slecht scherp. stemmen afstelling. beschikbaar. ervaren deskundig. ingang. druk zeer. ervaren ondersteuning. oprit oprijlaan. bedroeven. adapteren kleren maken afstemmen. deftig afstemmen. ontgaan usance. geoefend. tamelijk. kwiek. volkomen. voorbijgaand kras. afstemmen. voldoende tamelijk vriendelijk. adapteren afgepast in een stemming brengen. aanmerkelijk. ervaring. aanpassen. gewoonte. behalen zelfrespect. levendig. zelfgevoel. acuut. vrij. toegankelijk liquide. tasten. adapteren aanpassen. stipendium.dostęp dostęp zastrzeżony dostęp zdalny dostępny dostępny dostępny dostępny od przodu dostępny od przodu dostępny w handlu detalicznym dostępował dostępował dostojeństwa dostojny dostojny dostosować dostosować dostosować (się) dostosować (się) dostosować umieszczać dostosowanie interfejsu dostosowany do życzeń użytkownika dostosowuj dostosowywał dostroić dostrojenie dostrzegalny dostrzegalny dostrzegalny dosyć dosyć dosyć dosyć doszczętnie dość dość doświadcza doświadczać doświadczalny doświadczenie doświadczony doświadczony użytownik dotacją dotkliwie dotkliwy dotkliwy dotkliwy dotknąć dotknąć entree. adapteren ontsnappen. betasten empirisch. instelling geruim. disponibel verkrijgen. verdienen. pijnlijk. verdriet doen vinger . aanpassen.

belanden. arbitrair. krakelen bevestigen. tasten.dotknąć dotknąć nieszczęściem dotknięcie (pędzlem) dotował dotrzeć dotrzymywać dotychczas dotychczasowy dotyczenie dotyczyć dotyczyć dotyczyć dotyczyć czego dotyk dotyk dotyk dotyka dotykać dotykać palcem doustny dowcip dowcip dowcip dowcipny dowieść dowodach dowodzący dowodzenie dowodzić dowodzić dowodzić dowodzić (<sth> czegoś) dowolny dowozić dowód dowód dowód (przyjaźni) dowód wiedzy zerowej dowódca dowódca dowódcą dowództwa dowództwo doznać doznaj doznaj doznawał doznawał aanslag aanslag slaan. voeren drukproef discus. commanderen bevelen. belang bevoelen. geestig. ervaren constant. disputeren. ervaring. teken. krakelen archief aanwijzend voornaamwoord aanwijzend voornaamwoord twisten. bewijs drukproef aanvoerder. geoefend. bekoren aangelegenheid. grenzen aan aanslag aanslag mondeling. aantonen bewijzen. kwinkslag. voelen. grol. klappen. kloppen. betasten gevoel aanslag belenden. schertsen. ervaring. schragen deskundig. ad rem twisten. bestendig. arriveren blijven nog ouder betrokken. opvallen subsidiëren aankomen. aanlokken. plaat. pots. ondervinding belevenis. steunen. commandant bevelen. bewust. desbetreffend aanwenden. gestaag . doorvoeren toelachen. gekscheren mop. aannemen bewijzen. ondervinding stutten. disputeren. oraal boerten. overbrengen. commanderen belevenis. gevat. grammofoonplaat. aanvoeren. belang aangelegenheid. boegspriet snedig. commandant commodore aanvoerder. schijf adstructie. grap spriet. eigenmachtig transporteren. aantonen willekeurig. aanvoeren.

sterk werkend krauwen. de wacht hebben. aflezen steward zich bekommeren. groef. bewaren pensioen groeve. bewaren controleren. krabben vlechten slechtgehumeurd. huiveren . zich bekommeren. afgrendelen draperen drastisch. ongrijpbaar. checken. schommelen beven. glibberig grieven. drama toneelstuk. roede. zorgen afschuwelijk slingeren. afdruipen neerdruipen. kuil ladder ladder ladder ladder toneelstuk. de wacht hebben. scharrelen. krabben grendelen. zorgen bewaken. wagen automobiel. rillen. kregel. bibberen woud. oscilleren. rillen. portier bewaken. paal. ergeren baar. checken. stuurtoestel stuur. gracht. auto trolley. beven. aflezen controleren. klauwen. schacht. schacht. balorig glad. afdruipen neerdruipen. bos hout hout hout boom hout brandhout auto.dozorca dozorcą dozorować dozorował dozorujący dozór dozór dożywocie dół drabina drabina schodkowa drabiną drabinka dramacie dramat drapać drapak drapować drastyczny draśnięcie dratwą drażliwy drażliwy drażnić drąg drążek drążek drążek drążek sterowniczy drążek sterowy dren dren wielokrotny drenować dreszcz drewien drewna drewna drewno drewno drewno drewno na podpałkę drezyna drezyna drezyną dręczyć drętwy drga drganie conciërge. afdruipen huiveren. stuurtoestel neerdruipen. bezorgd zijn. greppel. bibberen. bedroeven. scharrelen. mijnschacht kleven. beugel bezorgd zijn. roede. vastkleven. aanhangen stuur. paal. klauwen. drama krauwen. pijp baar. pijp schacht.

drijven boren klei-. lunch incidenteel. baan. spotten. lief. bijkomstig maat. aarden. trilling schokken kramp aanzetten tot. honen grijnslachen. gezien kostbaar. op drift zijn. verkeersweg weg. drukker boekdrukker. gewoonte apotheek geacht. waard zeldzaam wegwijzer roodborstje gist gist gevogelte pad. aanzetten ampel. bijkomend. baan. route gebruik. waard geacht. op drift zijn. schoon. lief. fijn. usance. gezien kostbaar. ginnegappen afdrijven. paadje tweede paren twaalfuurtje. geldstuk bagatel. toevallig bijbehorend.drganie drgawce drgawka drgnąć drobiazgowy drobniak drobnostka drobnoustrój drobny drobny droga droga droga dojazdowa droga wodna droga wodna drogerią drogi drogi drogi oddechowe drogi oddechowe drogocenny drogowskaz drozd wędrowny drożdże drożdże drób dróżka drugi drugi nadawca drugie śniadanie drugorzędny średniej klasy drugorzędowy druh drukarce drukarka drukarz drukować drukować druk odbitka drukował drut drużyna drużyną drwić drwiną dryf dryft dryl drylował vibratie. drukker afdruk afdruk uitgeven. duur. fraai propperig. van klei . equipe politiepatrouille bespotten. klein. mooi. draad team. makker boekdrukker. route straat grote weg. emitteren metaaldraad. drukker boekdrukker. kornuit. ploeg. in het klein munt. dierbaar. minuskuul weg. penning. minuscuul. drijven afdrijven. beuzelarij microbe net. gedetailleerd. futiliteit. kameraad. duur. activeren. dierbaar. spotlachen.

prat. dutten druilen. blinde bij kaarspel. duplex. intellect ziel. dutten boom boom naaldboom naaldboom hout prent. doorscheuren druilen. huiveren rillen. gemoed. beven. onderdrukken. gewoonte trots trots muze hoog. gravure. deur beven. worgen. tabakspijp afranselen gebruik. huiveren. neerslaan pruttelen ziel. dutten sluimeren. bibberen. trots Donau Deen Deens ezel ezel verveelvoudigen. sluimeren. wurgen smoren. geest .drzazdze drzazga drzeć drzemać drzemce drzemka drzemka drzewa drzewo drzewo binarne drzewo dwójkowe drzewo zbalansowane drzeworyt drzwi drzwi są uchylone drżeć drżeć drżenie drżenie dublowanie duch duch duch duch wodny duchowny duchowny duchowy dudą dudnienie dukcie dukuczyć duma dumać dumny dumny Dunaj duńczyk duński dupa dupą duplikat duplikować durszlak dusić dusić dusić (się) dusić na wolnym ogniu dusza splinter splinter vaneenscheuren. multipliceren verveelvoudigen. gemoed. geest. huiveren. dutten druilen. usance. rillen. huiveren rillen. deur portier. bibberen. bewindsman geestelijk pijp. bibberen beven. sluimeren. tweevoudig. rillen. beven. sluimeren. bibberen dubbel. graveerwerk portier. druilen. verheven fier. tweeledig verstand. geest geest blinde. multipliceren zeef goulash choken. geest geestelijke minister.

roken uitwasemen smoken. tweemaal veertien dagen. een buiging maken schokken multiplex dictator dictatuur dicteren dicteren zeggen. kostelijk groot twee twee keer. koppel. berusting dynamiet pompoen pompoen akte. bul. dubbelslachtig nijgen. tiptop. geestelijke. amateur. net het hof maken. vrijen. bovengronds tof. excellent. bestek. diploma. twee weken twee twintig twaalf stel. tweemaal twaalf twaalf dubbelzinnig. roken stinken. opgeven dilemma dilemma knutseaar. veel. station binair binair netwerk. pastor omvang. scharrelen twintig twintig twee keer. duo. dilettant smoken.duszpasterz duża ilość dużo dużo duży duży duży system komputerowy duży system obliczeniowy duży wysiłek dwa dwa pensy dwa razy dwa tygodnie dwadzieścia dwanaście dwie dworzec dwójkowe (liczby) dwójkowy dwójnik bierny dwór dwudziestce dwudziestka dwukrotnie dwunastce dwunastka dwuznaczny dyg dygotać dykta dyktator dyktatura dyktować dyktował dyktował dylemacie dylemat dyletant dym dymek dymić dymić (się) dymisja dynamit dyni dynia dyplom dyplomat pastoor. met lucht gevuld. brevet diplomaat . paar stationsgebouw. buigen. vele veel groot groot lucht-. vies ruiken gelatenheid. tweetal. grootte menig.

uitreiking verdeler verdeler kapitaal. delicaat. afdeling afstand. aanrichten. discus. discreet discriminatie discriminatie discussie. uitspraak aanvoeren. discus. plaat schijf. administrateur hoofd-. commanderen. onopvallend. ordenen zin. aanvechting. neiging disputeren. team. grammofoonplaat. aangifte. beheerder. lust. bevelen conducteur. vermogen keurig gevoelig. krakelen. krakelen bespreken. uitreiking verdeling. bespreking betwistbaar. tucht discipline. plaat discus schijf. de wacht hebben. geleiden. twisten disputeren. grammofoonplaat. discuteren beschikking arrangeren.dyplomata dyplomatce dyrekcja dyrektor dyrektor dyrektor dyrektor generalny dyrektor szkoły dyrektor szkoły dyrektywa dyrektywa zapoczątkowania dyrygencie dyrygent dyrygent dyrygować dyscyplina dyscypliną dysk dysk dysk dyskietka dyskietka dyskonto dyskretny dyskryminacja rasowa dyskryminacją dyskusja dyskusyjny dyskutować dyskutować dyskutował dyslokacją dysponować dyspozycją dyspucie dysputa dystans dystans dystrybucja dystrybucja kluczy dystrybucja połączeń automatycznych dystrybucją dystrybutor dystrybutor automatycznych rozmów telefonicznych dystyngowany dystyngowany dystyngowany diplomaat boekentas. bestuurder conducteur. bewaren de weg wijzen. disputeren. discus. uitreiking verdeling. bestuurder bewaken. eind verdeling. fijn. leiden discipline. iel . kies. voornaamste declaratie. bestuurder bestuurder. aktentas administratiekantoor hoofdonderwijzer. tucht schijf. grammofoonplaat. voornaamste rector directeur. uitreiking verdeling. krakelen. discuteren bespreken. twisten detachement. hoofd der school hoofd-. plaat diskette disconto bescheiden. theca. aanvechtbaar twisten.

handeling. gedoe. kruik po opa. optreden. gedoe. grootvader achterbuurt departement branche. vloerkleed. afstammeling borst. perceel kavel. vuurmond roer. ageren. divisie plicht. kruik vaas. kind. pul kan. mijnschacht spuit tapijt. speelplaats speelterrein. vat. jongeheer een geintje maken nazaat. pot. vak. afstammeling. handeling bewerking. gedoe actie. verplichting kan. het doen functioneren. gedoe actie.dystynkcją dysza dyszą dyszel dyszel dyszka dywan dywersja dywizją dyżur dzban dzban dzban dzbanek dzbanek dziadek dziadostwa dział dział działacz działać cuda działać przetwarzać działać sterować działalność działalność działalność maklerska działania działania) działanie działanie działanie na minutę działanie napędu dyskietek działanie niezależne działanie wsadowe działka działka działka podziałki działo działo elektronowe dziąsło dzieciak dzieciak koszula nocna dzieciątka dziecinny dziecko dziecko dziecko bawiące się skakanką dziedzic onderscheiding spuit spuit straal. handeling. jong. operatie. activist functioneren. handeling courtage actie. kleed. optreden. kettingzang. ingreep actie. jongeling. agitator. bezig zijn. speelplaats actie. kruik kan. spaak schacht. kanon. gedoe bewerking. het doen doen. geweer tandvlees een geintje maken een geintje maken baby kinderlijk loot. nakomeling . optreden. tak onruststoker. ingreep legerafdeling. handelen actie. handeling. handeling speelterrein. optreden. divisie kavel. gedoe. optreden. operatie. perceel canon. karpet afleidingsmanoeuvre legerafdeling. optreden.

scheiden nabijheid district. aandeel afzonderen. arrondissement. alledaags dag heden. scheiden kloven. moedig. krant courant. kloek. klieven. in pacht hebben huurder tiende tien tiende . in pacht hebben huurder huurder pachten. erfdeel erfelijkheid. erfdeel boedel. divisie legerafdeling. dagblad. erfenis. ra yard. doorklieven. splijten actie. dagblad. alledaags courant. arrondissement. krijt. dagblad. koen. divisie legerafdeling. overerfelijkheid beërven. ra yard. ra geschiedenis. klieven. vandaag morgen gisteren dag huur pachten. kampplaats akker plaats. doorklieven. gouw district. chroniqueur deken. krant courant. boud afdruk dagelijks. historie. splijten legerafdeling. daags. krant journaliste journaliste dagelijks. decaan kloven. daags. afscheiden. erf. gouw gezet. erfstuk. hof yard. erfstuk. erfenis. binnenplaats. erven arena. piste. verhaal kroniekschrijver. divisie afzonderen. corpulent dapper.dziedzictwa dziedziczenie dziedziczność dziedziczyć dziedzina dziedzina zastosowań dziedziniec dziedziniec dziedziniec kościelny dziedzińca dzieje dziejopis dziekan dziel dzielenie dzielenie przez zero dzielenie sekretu dzielić dzielić dzielić na połowę dzielić podział dzielnica dzielnica Londynu dzielnicą dzielny dzielny dzieło dziennik dziennik dziennik zdarzeń dziennik zmian dziennikarce dziennikarz dzienny dzień dzień dobry dzień dobry! dzień roboczy dzień wypłaty dzierżawa dzierżawą dzierżawca za część plonu dzierżawcą dzierżawić dzierżawić dziesiąta część dziesiątce dziesiąty boedel. zwaarlijvig. afscheiden.

dienares. vandaag vannacht heden. dankzegging danken. neb voorschip. holte stompen Jan Klaassen stompen Jan Klaassen mirakel. uitholling. ingevallen hol. voorsteven. tuit. gracht. bek. woest woest. wild woest natuurlijk wild. greppel hol. greppel groef. kuil. ongerept ongerept. snavel snavel. bedanken. dankzegging woest. maagdelijk negen negentig negentien specht dank. groeve. kuil. wild wild. meisje ongerept. meid dienstmeisje. maagdelijk maagdelijk. meisje meisje.dziesięciolecie dziesięć dziewce dziewczyna dziewczyna dziewczyna dziewiąta część dziewiątce dziewiąty dziewica dziewica dziewiczy dziewiczy dziewiczy (nośnik) dziewięć dziewięćdziesiąt dziewiętnaście dzięcioł dzięki dziękować dziękował dziękuje dzik dziki dziki dziki dziki (wzrok) dzikus dzionek dziób dziób dziób dzióbek dzisiaj dzisiejszy wieczór dziś dziś wieczorem dziś wieczór dziura dziura powietrzna dziurawy dziurą dziurkarka dziurkarka dziurkarka taśmy papierowej dziurkarka taśmy papierowej dziw dziwaczny decennium tien meid. gracht. snater. meid negende negen negende meid. maagdelijk ongerept. vandaag vannacht vannacht groef. groeve. dank betuigen dank. woest dag bek. dank betuigen danken. neb. wonder bizar . boeg spuit heden. tuit. snater. meisje meid. bedanken.

buitenlands vermakelijk. kletteren. echoën Echo weergalmen. pier. ophalen aardworm. oprichten. arbeid klingelen. ring rinkelen. rinkelen naklinken. naklinken. beschaafd Jersey jenever. jungle. worm aardworm. lichtekooi. naklinken. heffen. kletteren. radiolokacyjne rum bizar prostitueren zich verbazen. klingelen emplooi. worm jam. jungle. kletteren. regenworm. klinken. gaan acoustisch. doorklinken klingelen. zich verwonderen prostituée. naklinken. regenworm. karwei. ophalen beuren. leuk. kletteren. echoën Echo . klinken. overgaan. oprichten. rinkelen kleppen. gaan kleppen. rimboe oerwoud. pier. hoer bizar uitheems. aansluiten klingelen. werk. oprichten. marmelade heer. gentleman keurig. klare stuur. amusant rum bizar klok klok klok zich aaneensluiten. heffen. ophalen beuren. rinkelen wal. overgaan. stuurtoestel pest oerwoud. overgaan. akoestisch kleppen. galmen. moes. echoën Echo weergalmen.dziwaczny dziwaczny dziwce dziwić się dziwka dziwny dziwny dziwny dziwny dziwny dzwon dzwonek dzwonek do drzwi dzwonić dzwonić dzwonić dzwonić dzwonienie po umarłym dźgnięcie dźwięczeć dźwięczeć dźwięcznie dźwięk dźwięk wysokiej jakości dźwiękowy dźwiękowy dźwig dźwig dźwigni dźwignia dźwignia zwalniająca dżdżownica dżdżownicą dżem dżentelmen dżentelmeński dżersej dżin (do picia) dżojstik dżumą dżungla dżunglą echa echa echo echo echo np. kletteren. radiolokacyjne echo np. klingelen rinkelen. heffen. gaan krab lift beuren. beugel. rimboe weergalmen. klinken.

examen onderzoeken. schut schild. nakijken. doeltreffend Egyptisch Egyptisch Egypte onderzoek. redigeren. aandoening opwinding aanwakkeren. ontwikkeld uitgaaf. aanzijn bestaan. examineren onderzoeken. uitgave. bordje.edukacja edukacja na odległość edukacją edukował edukował edycja w komórce edycją edytor edytować efekcie efekt efekt zniekształcenia maski kineskopu efektywny Egipcjanin egipski Egipt egzamin egzaminować egzaminował egzekwował egzemplarz egzotyczny egzystencja egzystencją egzystować ekipa ekipa ekonom ekonomia ekonomia ekonomiczny ekonomika ekonomika przedsiębiorstwa ekperymentować ekran ekran ekran (przewodu) ekran mozaikowy ekscytacją ekscytacją ekscytować ekscytował ekscytując ekskluzywny ekspansja ekspansją ekspedient ekspedycja opvoeding. keuring. grootbrengen geleerd. meier economie economie. opzichter. vorming opvoeding. spaarzaamheid economisch economie economie experimenteren scherm. editie uitgaaf. examineren nauwkeurig. opstellen indruk. ook. opwinden opwindend exclusief. nakijken. editie editor opmaken. accuraat. druk. druk. prikkelen. uitsluitend uitzetting. bord scherm. effect indruk. effect afdoend. eveneens . uitheems bestaan. opwinden aanwakkeren. vorming opvoeding. effect indruk. schut scherm. vorming dresseren. uithangbord. kweken. schut gewaarwording. expansie verkoper evenzeer. aanzijn bestaan bemanning leden. afdruk exotisch. aanhang intendant. expansie uitzetting. uitgave. mede. exact exemplaar. prikkelen. effectief.

ontploffen exploderen. accommodatie. naar expeditie deskundig archiefmedewerker. bewimpelen. tentoonstellen belichten. tentoonstelling uitdrukken bewoording.ekspedycja ekspedycja ekspedycją ekspercie ekspert ekspert ekspert ubezpieczeniowy ustalający wartości składek i odszkodowań na podstawie częstości wypadków eksperymencie eksperyment eksperymentalny eksploatować eksploatować eksploatować nadużyć eksploatował eksplodować eksplodował eksplozja eksplozją eksponacie eksponat eksporcie eksport eksportować eksportować eksport ekspozycją ekspres ekspresją eksprymować ekstatyczny ekstaza ekstazą eksterminować ekstra ekstrakcie ekstrakt ekstraktor ekstrawagancki ekstremalny ekstremizm ekwipunek ekwiwalent elastyczny elastyczny elastyczny automatyczny układ testera elegancja elegancki expeditie aan. uitvoeren exporteren. piekfijn . losbarsten. bij. geestvervoering. buigzaam. buigbaar. exploiteren. extase verdelgen. inrichting equivalent. extase vervoering. geestvervoering. ontploffing. uitvoeren expositie. ondoorgrondelijk uiterst. tegen. uitmelken uitbuiten. exploiteren. explosie belichten. lenig smijdig. uitbuiten. uitvoeren exporteren. explosie uitbarsting. stijl sjiek. uitmelken uitbuiten. buitensporig onpeilbaar. uitmelken exploiteren. betuiging. buigzaam. ontploffing. tentoonstellen exporteren. chic. uitmelken exploderen. ontploffen uitbarsting. losbarsten. ergst. lenig trant. voor. soepel. extatisch vervoering. bovenmatig uitrusting. gezegde uitdrukken zwijmeldronken. tot. elastisch smijdig. experimenteel exploiteren. buigbaar. extreem. actuaris deskundig deskundig experimenteren experimenteren empirisch. uitroeien extra afleiden afleiden bemantelen. uitbuiten. uitvoeren exporteren. gelijkwaardig rekbaar. maskeren buitennissig.

elimineren. keur. ferm aanwakkeren. uitwijken afgezant.elegancki elegancki elegant elekcją elektron elektroniczny elektroniczny zapis wizji elektronika elektronowy elektrotechnika elektryczność elektryczny element element element grupy programów element pomiarowy element z niestabilnością S elementarny elewator eliminować eliminować segregację rasową eliminował eliminował elokwentny emalia emblemacie emblemat emblemat oryginalnych produktów Microsoftu emeryt emerytura emfatyczny emfaza emigrować emigrował emisariusz emisariusz emitował encyklopedia energia energia energią energiczny energiczny entuzjasta entuzjastyczny entuzjastyczny entuzjazm bevallig. net doortrapt. uitschakelen ontwortelen welsprekend emailleren kleur. elegant. emigreren. druk. elektronisch elektronica electronisch. flink. spirit. afgezant. gezant bode. elimineren. keuze. net optie. bestanddeel. fut sap energie. beginsel akker en bewerker element. piekfijn. elimineren. uitschakelen afvoeren. klem uittrekken. beginsel elementair lift afvoeren. embleem kleur. slim. elegant. bode. uitwijken uittrekken. gepensioneerde pensioen nadrukkelijk nadruk. aanzetten enthousiast. kwiek energiek. embleem kleur. keus elektron electronisch. elektronisch elektriciteit elektriciteit elektrisch element. gewiekst. arbeidsvermogen. emigreren. embleem pensioentrekker. geestdriftig krankzinnig zijn enthousiasme. uitschakelen afvoeren. listig bevallig. krachtig. elektronisch electronisch. verkiezing. piekfijn. kras. bestanddeel. spirit. rap. gezant uitstralen encyclopedie energie. arbeidsvermogen. geestdrift . uitbundig. aanvuren. fut levendig.

blanke Europeaan.eon epicki epiczny epidemia episkopalny epistołą epizod epoce epoka epopeja era erą eremicie Eros erotyczny ESC eschnąć esej esencja esencją eskimos eskorcie eskorta esperanto Estończyk estoński estrada estrada estrada etacie etap Etiopia etyczny etyczny etyczny etyka etyka etykiecie etykieta dysku etykieta wolumenu etykietka Europa europejczyk europejski ewakuować ewakuował ewangelia ewangelią eeuwigheid episch episch pest bisschoppelijk. aflevering tijdsgewricht. zedenkunde. zedenleer. podium schavot aanplakken podium. zedenleer filosofie. zedenkundig ethiek. etiket label. tijdsgewricht tijdperk. zedenkunde. wezen. ineenkronkelen dissertatie. tribune. wezen. evacueren evangelie evangelie . bestuur. stelling essentie. tijdperk tijdsgewricht. etiket label. kluizenaar Cupido. wijsbegeerte label. ethiek ethisch. Amor erotisch. blanke ontruimen. ontkomen. etiket Europa Europeaan. zendbrief episode. tijdsgewricht heremiet. Ethiopië zedenkunde. zedenleer ethiek. essence. accompagnement begeleiding. accompagnement Esperanto Estlands Estlands muziektent tribune. leiding Abessinië. evacueren ontruimen. zwoel ontsnappen. kern Eskimo begeleiding. doorluchtig epistel. tijdperk episch tijdperk. essence. ontgaan ineenkrimpen. kern essentie. brief. etiket label. leiding. proefschrift.

ontwikkeling evolueren. gevat. gapen feit feit makelaar factureren. waarachtig werkelijk. declareren inderdaad. kennelijk. ontwikkeling evolutie. duidelijk evolutie. bedrijf deskundig professioneel. metterdaad. zwaaien gebaren. snuiter beroep. wuiven. eventueel apert. misschien. maken snedig. mogelijk eventualiteit eventualiteit gebeurlijk. wuiven. sujet. evident. knul. deskundig. ontwikkeling evolutie. evenement mogelijkerwijs. declareren factureren. geestig. dom kijken. effectief virtueel faculteit faculteit gebaren. wuiven. wuiven. werkelijk. broodwinning. wuiven. daadwerkelijk daadwerkelijk. zwaaien golfslag gebaren. zwaaien gebaren. zwaaien .ewangelik ewenemencie ewentualnie ewentualność ewentualność ewentualny ewidentny ewolucja ewolucja schematu ewolucją ewoluował exodus fabryce fabryczny fabryka fabryka konserw fabrykacją fabuła facecie facet znie fach fachowiec fachowiec fachowy facjacie facjacie facjacie fajerwerkach fajka fajtłapą fakcie fakt faktor faktura fakturą faktycznie faktyczny faktyczny faktyczny fakultecie fakultet fala fala troposferyczna fala typu EH fala typu H fala wsteczna fala złożona falą protestants belangrijke gebeurtenis. zwaaien gebaren. zwaaien gebaren. aanmaken. effectief. ad rem mens kerel. zich ontwikkelen Exodus fabriek fabriek fabriek fabriek fabriceren. persoon. wuiven. bevoegd dakkamertje zolderkamer Attisch vuurwerk pijp. beroepscompetent. tabakspijp aangapen.

kleuren. artsenijbereidkunde farmacie. voorgevel voorzijde. huis. vast nagemaakt vervalsing vervalsing fout. aderlaten aderlating bof. vulsel boezelaar. familie aanwakkeren. verbeeldingskracht mijmeren. plooien omvouwen. schilderen verf verf verf bloed aftappen. artsenijbereidkunde geneesmiddel. dweepziek dol. onjuist. sloof. fanatiek. mare. bedrieglijk. plooien onduleren loos. razend. mijmeraar fantasie. foutief loos. star.fałda fałdą fałdował fałsz fałszerz fałszować fałszować (<with sth> coś fałszował fałszował fałszował fałszował fałszował fałszowanie fałszywy fałszywy fałszywy famą familią fan fanatyczny fanatyczny fanatyk fancie fanfarą fanfarą fant fantastyczny fantaście fantazja fantazjaować fantazją fantom farba farba olejna farbować farbować (się) farbował farbując farcie farmacja farmakologia farmakologiczny farmą farmer farsz fartuch fasada fasada omvouwen. fantasierijk dromer. schort. vulling. aanvuren. bedrieglijk. voorschoot voorpui. ijzersmid vervalsen vervalsing maken. grillig. geluk. voorkant . huisgezin. aanzetten dwepend. dubbelhartig smid. verbeeldingskracht blinde. fanfare pion fantastisch. fabriceren. vouwen. medicijn agrarisch boer opvulsel. dweepziek pion fanfarekorps. gevel. fanfare fanfarekorps. pui. geest. artsenij. fanatiek. façade. vouwen. hondsdol dwepend. dromen fantasie. buitenkansje farmacie. befaamdheid gezin. dubbelhartig faam. blinde bij kaarspel verven. mazzel. gerucht. verkeerd. aanmaken nagemaakt vervalsen onbeweeglijk.

echec vijg vijg . afjakkeren. werken. boeiend betoverend. boon. vakantiedag. veldboon mode. gisten fermenteren. schijngestalte. tribune. fase koorts koorts federatie. modus. façade. ijver festival festijn. ondoorgrondelijk afmatten. genadigheid kwartier. schijngestalte. spullen onpeilbaar. geboeid betoverend. werken. ambitie. bestuur. debâcle. wijs dingen. werken. bestuur. verschijnen verschijnsel. fase kwartier.fasadą fascynować fascynował fascynował fascynując fascynujący fasola fasolka fason fasonować faszerować fatalny fatydze fatyga faul faul faworycie faworyt faworyzować faza faza faza wykonania faza zdobywania (magistrali) fazą febra febrą federacja federacją federacyjny federalny feniks fenomen fenomen fenomenalny ferie ferma fermacie fermencie ferment fermentować ferwor festiwal festyn feudalny fiaska fiasko fidze figa voorpui. wijs mode. echec flop. debâcle. leiding kwartier. fiasco. boon. tribune. fase podium. fiasco. feestmaal. gisten fermenteren. boeiend tuinboon. bond federaal federaal feniks verschijning. fascineren betoveren. bond federatie. fascineren gefascineerd. afjakkeren. fenomeen fenomenaal. begunstiging. gisten vuur. gelag feodaal flop. fascinerend. gevel. leiding podium. afbeulen schuld vuil. fascinerend. modus. verbluffend snipperdag. voorgevel betoveren. veldboon tuinboon. smulpartij. afbeulen afmatten. pui. schijngestalte. smerig uitverkoren uitverkoren gunst. rustdag agrarisch pauzeren fermenteren.

dik agentschap tak. fictief landingsplaats. verdichtsel. verdichtsel. zijgen Fin gevolgtrekking. kop kopje. filteren. wijsbegeerte filosofie. cijferen rekenen. Filippijn kopje. club Filippijnen Filippino. film rolprent. denkbeeldig verdicht. vervolgverhaal rolprent. financieren financieel. rolprent feuilleton. film film. rolprent rolprent. schelmachtig. filteren. kop rolprent. fatsoeneren finaal. guitig. denkbeeldig. pilaar filatelie vilt lijvig. geldelijk aantikken .figlarny figura wypukła figurą fikcja fikcją fikcyjny fikcyjny filar filar filatelistyka filc file allocation table filia filia filia Filipiny filipińczyk filiżance filiżanka filiżanka do herbaty film film fabularny film kolorowy film rysunkowy film trójwymiarowy (stereoskopowy) film) filmować filmowy filolog filozof filozofia filozofią filozoficzny filozofował filtr filtr ze sprzężeniem zwrotnym filtrować filtrować (się) filtrować filtr Fin finalizacją finalizował finał finanse finansować finansował finansowy finisz snaaks. filteren. fictief. kolom. zijgen filtreren. wijsbegeerte filosofisch filosoferen filtreren. film rolprent. financieren bekostigen. taalgeleerde filosoof. zijgen filtreren. kop kopje. cijferen fictie. dartel rekenen. financieren bekostigen. aftakking sociëteit. zijgen filtreren. aanlegplaats. filteren. zijgen filtreren. film film. verbeelding verdicht. conclusie in het net schrijven. wijsgeer filosofie. linguïst. film taalkundige. filteren. steunpilaar. verbeelding fictie. steiger colonne. uiteindelijk bekostigen.

klinken. fysiek natuurkunde. formeren. bloot. pot. vlammen flanellen flanellen veldfles enkel. dandy gevestigd. vat. kwast. doek saletjonker. vlag dundoek. gaan grammofoon fontein fontein vormen. scherm. vaan. fladderen vloot Florence Florida vloot marine. hecht gevestigd. rob ordner. vast. map folklore. rob zeehond. zeemacht marine. fladderen aan de scharrel zijn. afhandelen Fins afwikkelen violet. louter fluit fluit aan de scharrel zijn. vast. hecht gevestigd. stevig. map ordner. fysica dundoek.Finlandia fiński fiński fiński fioletowy fiołek fiord firanka fircyk firma firma produkującu duże systemy komputerowe firmą fiskus fizyczny fizyka fladze flaga flaga zerowa flakon flamą flanela flanelą flaszka flądra flecie flet flirciarz flirt flirtować flocie Florencja Floryda flota flota flota na foce foka folder folder współużytkowany folklor fonetyczny fonetyka fonia fonograf fontanna fontanną forma Finland afdoen. vlag dundoek. paars. pimpelpaars violet. aanslaan fysisch. klankleer kleppen. vaan. vlag vaas. gordijn. zeemacht zeehond. aangaan . fonetisch fonetiek. lichamelijk. vast. fat. paars. zeerob. stevig. volkskunde de klankleer betreffend. zeerob. hecht belasten. vaan. fladderen aan de scharrel zijn. pul laaien. overgaan. pimpelpaars fjord overgordijn. stevig.

vormen. ceremonieel. geld doordrukken forsythia. plechtig omvang. grootte bewerking akademisch. bestek. klont. armstoel box fotograaf fotograferen. aangaan knippatroon. vormen. aangaan formule formule formuleren. patroon omvang. klomp. beslag. formeren. pasta poen. inkleden. kletteren. bestek. aangaan formeren. deeltje. fortuinlijkheid sterkte. deel jaartelling. verschansing sterken sterken forum forum forum fosfor fosforescerend zorgenstoel. inkleden. bal. afranselen deeg. academisch afgemeten. pasta deeg. aangaan vormen. formeren. kieken fotografie fotografie fotografie fotografie jaartelling. beslag. vervatten formuleren. grootte vormen. fort. item. item. deeltje. deel dot. prop .forma nieosobowa forma przecząca od <can> formacie formalna metoda postępowania (w kontekście działania firmy lub instytucji) przetwarzać formalny formalny format formować formował formularz formuła formułą formułować formułował forsa forsa forsą forsą forsować forsycja forteca fortecą fortel fortepian fortuna kołem się toczy fortuna kołem się toczy fortyfikacją fortyfikować fortyfikował forum forum ATM forum dyskusyjne fosfor fosforyzujący fotel fotel fotel parterowy (w teatrze) fotograf fotografia fotografia fotografia (jako dziedzina) fotografią fotografika fragmencie fragment fragment fragmentować formeren. Chinees klokje vesting vesting aanwensel. armstoel zorgenstoel. hebbelijkheid klavier. fortuin. piano Fortuna lot. vervatten afdrogen. kluit.

rijstrook jaartelling.fragment terenu fragment/wyjątek (dzieła) fragment/wyjątek dzieła fragmentaryczny frajdą frakcja frakcją frakcjoniście Francja francuski Francuz Francuz Francuzi Francuzka frasunek frasunkach frazes free frezarka froncie front frontowy froterka froterować froterować froterować frunąć frustrować frydze frywolny fryzer fryzjer fryzjer fryzjer męski fryzura fujarka funcie fundacja fundamencie fundament fundamentalny fundować fundusz funkcja funkcja odwrotna funkcja zagregowana funkcja zewnętrzna funkcją overloop. Française bezorgd zijn. alledaags. wuft kapper. frivool. het doen . gang. voorkant voorzijde. tabakspijp pond stichting stichting stichting fundamenteel behandelen. kikvors Frans Franse. rijstrook overloop. baan. afgezaagd ten geschenke molenaar. mulder voorzijde. deel fragmentarisch blijdschap breuk. het doen primitief karaktertrek. baan. schuieren Pools schoensmeer schoencrème aanvliegen frustreren afknotten lichtzinnig. zich bekommeren. cureren fonds. trek. voorkant voorzijde. deeltje. gelaatstrek functioneren. fractie secessie. gang. barbier kapper. kapitaal functioneren. het doen functioneren. zorgen muizenissen banaal. barbier kapster kapster knipbeurt pijp. item. voorkant borstelen. afscheiding Frankrijk Frans Fransman kikker. fractie breuk.

flink. zaak. het doen pond pond pond oppermachtig. rek etagère. wagen. gang. oppermachtig groots. lidmaat . praten babbelen. officieel functioneren. aftakking been lid. soeverein.funkcjonalny funkcjonariusz funkcjonariusz funkcjonować funt funt (0. galerie gaanderij. gang. galerij. aangelegenheid. handkar. schertsen. galactisch eerlijk. rek chirurgie. dimensie etagère. galerij. modderen voetbal affaire. galerij. galerie gaanderij. dapper.4536 kg) funt (waluta) funt szterling funtów) fura fura furgon furgonetka furtka furtka fuszerce futbol futerał futerka futro futro z fok gabarycie gabinecie gabinet gabinet gabinet lekarski/dentystyczny gablocie gablota gacek gad gadać gadać gadanie gadatliwy gadce gaduła gadziną gag galaktyczny galancie galeria galeria obrazów galerią galop galopować gałąź gałąź gałąź inschikkelijk. wondheelkunde. praten. ding aanzetten aanzetten aanzetten afmeting. gekscheren melkweg-. praten gaai. gang. braaf gaanderij. galerie galopperen galopperen tak. handelbaar officier ambtelijk. Vlaamse gaai reptiel boerten. heelkunde kast vitrine vitrine vleermuis reptiel kakement. spoorwagen bestelauto. spoorwagen wagon. knoeien. kaak spreken. grandioos. karretje wagon. overweldigend kar. keuvelen spraakzaam spreken. bestelwagen achterdeur draaihek beunhazen.

luttel. tod. hangkast strot. aflopen buigen. keel minachten. bultenaar kleerkast. gevest. muskaatnoot. knop heft. karig. bult buigen. hals. hellen. lor. danspartij muskaat. gevest. knop heft. hellen. min. knop weegschaal. hals. scala aanslag zuilengang. knop vodje. handvol handjevol. beslaan. vod. handvat. doden . troep. keelgat. looien gebochelde. lap. afkeuren. turen. leerlooien. aanstaren po garage garage bochel. flard bal. handvat. handvol doven. stel garnizoen. toonschaal. hals.gałąź programu gałąż gałce gałgan gałka gałka gałka muszkatołowa gałka muszkatułowa gałka oczna gałka potencjometru gałka u drzwi gam gama skala gamą ganek gang gangster gangster gani gapić się gapić się gar garaż garażować garb garbić (się) garbić się garbować garbowanie garbus garderoba gardła gardło gardzić gardź garncarstwo garncarz garnek garnek gliniany garnek gliniany garnirował garnitur garnizon garnuszek garstka garść gaś gaś tak. garneren complet. keel strot. gevest. overhellen. keelgat. bezetting gering. laken. handvat. gispen wijd openstaan. portiek bende. looien tanen. aftakking heft. overhellen. balans. muskaatnoot. stelletje. doodmaken. kruik po afzetten. gapen staren. apache berispen. klein handjevol. gevest. verachten minachten. set. uitblussen ombrengen. knop muskaat. leerlooien. hals. waag toonladder. blussen. lomp. aftakking tak. aflopen tanen. nootmuskaat heft. nootmuskaat heft. handvat. uitdoen. gevest. handvat. hals. verachten aardewerk pottenbakker po kan. schare gangster straatschuimer.

rups oerwoud. praten vertelsel. verhaal. aard specifiek. omdat. als. vertelling keuvelen. bars. voorkomend soort. versneller gas accelerateur. ergens geisha opspatten. elders waar waar hier of daar. tot indien. sputteren voor. rimboe vlegel nurks. wannen. hoe. krant krant. relaas. optie. steen. verhaal. edelsteen . stuiven edelgesteente. onaardig mopperen. gaspedaal. relaas. jungle. keus. praten accelerateur. soortelijk keuvelen. waaien gas vergasser. ingeval daar. keur. slag. versneller gas gaas gaas blad. verkiezing specifiek. vertelling vertelsel. soortelijk keuze. honds. verspuiten. morren. bij wijze van. sponsachtig afsponzen eend rupsband. babbelen. nors. gaspedaal. ergens waar dan ook hier of daar. blad blad.gatunek gatunek gatunek drzewa cytrusowego gatunek muślinu gatunkowa (cecha) gatunkowy gatunkowy gawęda gawędziarski gawędziarski odzie) gawędzić gaz gaz gaz (w samochodzie) gaz elektronowy gaza gazą gazecie gazeta gazeta gazetce gazować (wodę) gazowy gaźnik gąbce gąbczasty gąbka gąsce gąsienica gąsienicą gąszcz gbur gburowaty gderać gdy gdyby gdyż gdzie gdzie gdzie zasadniczym elementem jest komputer główny) gdziekolwiek gdziekolwiek gdzieś gdzieś gejszą gejzer gem kalk eigenschap vriendelijk. carburateur afsponzen sponzig. wanneer. aangezien ergens anders. als. babbelen. doordat. kankeren. krant strooibiljet frisse lucht toewaaien. ergens hier of daar. rups rupsband.

fysica Genève Genesis. geslacht generatie. lenig centrale centrale daas. geslacht generaal generaal oscillator oscillator oscillator oscillator verwekken landkaart. afkomst. buigbaar. geografie aardrijkskunde. geograaf aardrijkskunde. bezig zijn. gesticuleren gebaren. aardkunde geologie. genius aardrijkskundige. paardehorzel rekbaar. Scheppingsboek oorsprong. herkomst genie. dik gans ombuigen. bezorging reus reusachtig. aardrijkskundig aardrijkskundig. elastisch aanvoer. aandikken dikte. brems. aardkunde geometrie. soepel. geografie geografisch. geslacht generatie.gem (w tenisie) generacja generacja generowanie generacja systemu generacją generalny generał generator częstotliwości przestrajany cyfrowo generator o sprzężeniu zwrotnym generator oporowo-indukcyjny generator oporowo-pojemnościowy generować generować wykres generował genetyka Genewa geneza geneza geniusz geograf geografia geografią geograficzny geograficzny geolog geolog geologia geometria geometrią geranium gest gest (ruch ręką) geście gęstnieć gęstość gęsty gęś giąć gibki giełda giełdą giez giez giętki giętko gigant gigantyczny doen. beschermgeest. buigen. doorbuigen smijdig. gesticuleren gebaren. lijvigheid dicht. geslacht generatie. gebonden. paardehorzel brems. geografisch geoloog geologie. buigzaam. handelen generatie. gesticuleren verdikken. kaart verwekken natuurkunde. gigantisch . daas. meetkunde ooievaarsbek gebaren. ageren. meetkunde geometrie.

aarden klei-. zwaar laag. flat gelijk. zwaar laag. bodem. prijzen glossarium binnenste. aanstrijken slinger. aarden aarden. ondergrond. kloot loven. aarde kakement. inwendige gelijk. glanzen fond. bodem. roemen. prijzen loven. glazuren. ondergaan. vlak. bal. doosvrucht bol. grond. kloot kapseltje. guirlande gitaar gitaar verglazen. kogel. verheerlijken. verheerlijken. ondergaan. creperen omkomen. glazuren. aaien. zwaar kolk. rechtstreeks Pools schoensmeer schoencrème strelen. diepte kolk. grond. ondergrond. kleiaardewerk roodkoperen. van klei. glanzen verglazen. koperen bol. aarde fond. kogel. bal. creperen gips kalken. effen direct. capsule. liefkozen. predikant . van klei. live. van klei. diepte hongerig geeuwhonger vasten kanselredenaar. recht. vlak. roemen. drillen omkomen.gigantyczny stopień scalenia gimnastyce gimnastyka gimnastykować ginąć giń gips gips girlandą gitara gitarą glazura glazurą gleba glebą ględzić glina gliną gliniany gliniany gliniarz glob globulce globus gloryfikować gloryfikował glosariusz głab kraju gładki gładki gładki gładkie włosy gładzić gładzić gładzić głaskać głebokie głęboki głęboki głęboki ukłon głębokie głębokość głębokość monitora bez podstawy uchylno-obrotowej głodny głodować głodówce głosiciel reus gymnastiek gymnastiek oefenen. slingerkrans. kaak klei-. aanhalen laag. effen appartement. zwaar diep laag.

leiden primair geeuwhonger honger hoofdkwartier hoofd-. onzin. volume geluidssterkte. kiezen. kiezen. toongevend hoofd-. volume brullen. hardop geluidssterkte. inhoud. malloot macaroni rommel. de weg wijzen. dom. voornaamste minister-president. stemmen hard. voornaamste opperste. puin nonsens. gemeenschap . gemeenschap gemeente. superieur hoofd-. de weg wijzen. preken balloteren. premier primair hoofd-. de weg wijzen. gebieder. dom. zot sprakeloos. luid luid.głosić kazanie głosować głosowanie głośno głośno głośność głośność stała głośny głośny głośny głośny płacz głowa głową głowica głowica uniwersalna głowica zapisująco-odczytująca głowny głód głód główna kwatera główna rura wodociągowa główne biuro głównie głównie głównie główny główny główny główny główny główny główny obszar roboczy użytkownika główny organ certyfikujący główny sterownik operacyjny główny układ logiczny głuchy głuchy głupi głupi głupi głupi głupiec głupiec głupoty głupstwo gmina gmina (wyznaniowa) gminą prediken. prullaria. leiden geleiden. chef hoog. huilen hard. afval. prevalent. inzonderheid in het bijzonder aanvoerder. voornaamste hoofdkwartier inzonderheid in het bijzonder. stom dwaas. leiden geleiden. dodelijk doof sprakeloos. verheven leidend. hardop hard. inhoud. zot. zever. simpel dwaas. toonaangevend. leiden geleiden. gemeenschap gemeente. onverstandig. voornaamste primair doods. luid geleiden. luid luid. leiden geleiden. de weg wijzen. de weg wijzen. gekheid gemeente. flauw. stemmen balloteren. stom onnozel. baas.

schede. waardigheid zelfrespect. toorn gramschap. voorteken. toornig. merkwaardig betrouwbaar. een nest maken kneden pers kneden gramschap. golfspel Goliath afscheren afscheren naaktheid naaktheid . toorn kwaad. boos aardmannetje. keutel wildebeest. wit. achtbaar merkwaardig. hem Atrecht kleur. waar bewonderenswaardig afkeurenswaardig betreurenswaardig. drol. honk afscheren golf. een nest maken houder. helen doelstelling. been aanrijden. schede. gnoe hij. opmerkelijk opmerkelijk. foedraal nestelen. teken zelfrespect. dommekracht. bedroeven. bot. beter maken. persen. dringen. foedraal nestelen. verdriet doen knellen.gna gnacie gnać gnębi gnębić gniazdka gniazdko gniazdko strumieniowe gniazdo gniazdo startowej pamięci ROM gniazdo zasilające napędu gnieść gnieść gnieść się gniew gniewać się na kogoś o coś gniewny gnom gnój gnu go gobelin godło godło godność godność para godny godny podziwu godny potępienia godny pożałowania godny szacunku godny uwagi godny uwagi godny zaufania godzić się godzina godziną gofr gofry goić się gol golenie golf goliacie golić golić (się) golizna goliźnie oprit. oblie wafel. boosheid. boosheid. voorrijden beproeven. zelfgevoel. doelwit. overeenstemmen uur uur wafel. eerzaam. knok. zelfgevoel. vertrouwd het eens zijn. ontlasting. krik houder. nijdig. drukken nestelen. oprijlaan schonk. spijtig achtenswaardig. doel. gnoom drek. waardigheid waardig. oblie genezen. embleem voorbode. een nest maken vijzel.

serieus minderwaardig opschudden. bloot. jacht maken op bisschop nastreven. introducé. spaarzaamheid economisch agrarisch administreren. najagen bejagen. naakt onopgesmukt. belust stemmig. lens. vurig. bona fide. drank. alcoholische drank bitter logement. najagen dakplankje gloed. heet koorts temperatuur koortsig. jagen. ernstig. onbedekt naakt. herberg economie. onopgesmukt. vrouw des huizes huishoudster huisvrouw. loos. verbittering gorilla alcohol. ijver begerig. spaarzaamheid economisch economie economie. tamme duif kool hol. vrouw des huizes recipiëren reumatiek gastvrijheid gastvrijheid gastvrij. ledig. bloot nastreven. schudden. herberg huishoudster huisvrouw. logé . koortsachtig gloeiend. gretig. gloeiend. herbergzaam bezoeker gast. happig. besturen agrarisch logement. naakt.gołąb gołąb gołąbki gołosłowny goły goły goły gonić gonić goniec (w szachach) gonitwą gont gorąco mi gorący gorączka gorączka gorączkowy gorejący gorliwość gorliwy gorliwy gorszy gorszyć gorycz goryl gorzałce gorzki gospoda gospodarce gospodarczy gospodarczy gospodarka gospodarny gospodarować gospodarował gospodarstwo rolne gospodą gospodyni domowa gospodyni domowa gosposia gosposia gościć gościec gościną gościnność gościnny gość gość duif. verzendend. vuur snikheet. schokken bitterheid. beheren. bloot. vuur. onbedekt. tamme duif duif. smoorheet. onbedekt. leeg onopgesmukt. verterend ambitie.

rose. sujet. stropen. harken. afgelopen klaar. harken. baar contant. bovengronds mijnbouw mijnbouw mijnbouw mijnwerker bovenste meester zijn. borrelen. gereed. gereed. baar poen. Gotisch anjer. opeenhopen. anjelier roze. af. rozig. roven schoffel sierlijkheid . bezig zijn. opharken plunderen. Gotisch gotisch. gereed. harken. handelen spel pompoen haarkloven. światło) górnictwa górnictwo górniczy górnik górny górować górować nad górski góry gra gra gra podobna do tenisa gra słów gra z podziałem na role grabić grabie grabie (także krupiera) grabież gracą gracją kerel. snuiter bezoeker bezoeker op het kookpunt zijn. knul. de baas zijn verzaken. opharken uitkammen. persoon. afgelopen contant. bult lucht-. rooskleurig ophopen. accumuleren berg ijsberg Hooglander berg aanaarden bochel. aanharken. af.gość gość gość (w hotelu) gotować gotować gotować bez skorupki gotować bez skorupki gotował gotował gotowany gotowy gotowy do pracy w sieci gotów gotówce gotówka gotówka gotycki gotyk goździk goździk (korzenny) góra góra góra lodowa góral górą górce górka rozrządowa górne (np. af. aanharken. ageren. met lucht gevuld. afgelopen klaar. opharken uitkammen. uitlaten berg berg doen. aanharken. nalaten. bedillen spel uitkammen. koken koken koken goulash gekookt pruttelen gekookt klaar. buitmaken. geld gotisch.

zoom begrenzen. vloed. sim. grens grens. spelen. begrenzen. gelukwens . los. aanliggend rand. bergstroom stroom. zoom perk. w karty grać na harfie grać w teatrze grad grad grad (słów grad słów graficzny grafika grafika rastrowa grafika żółwia gral gram gram gramat. zdanie gramatyce gramatyka gramofon granacie granat granat (owoc) granat owoc grandą graniastosłup granica granica granica granica granica granica granica granica plastyczności granica transakcji granica zabezpieczeń granicą granice granicie graniczący graniczny graniczny graniczyć graniczyć (z czymś) granit gratce gratis gratulacja Gratie uitvoeren. bezig zijn. beknotten granieten aangrenzend. gebeuren onbezet. handelen hagel stroom. gebeurtenis. hengelsnoer verbleekt lijntje. snoer. volzin grammatica. vlot. vloed. voorspelen uitvoeren. perk beperken. grens rand. spraakkunst grammofoon granaat granaat granaatappel granaatappel achterklap. zoom perk. snoer. spraakleer. lijn perk. koord. beknotten vislijn. grafische kunst bitmap grafiek. bergstroom hagel aanschouwelijk grafiek. spraakleer. koorde. onbelemmerd felicitatie. ageren. grafische kunst Graal gram gram frase. grenzen aan granieten incident. beperken. open. zin. spelen. grens rand. laster prisma rand. zoom perk.gracją grać grać (np. grens rand. eerroof. voorspelen harp doen. spraakkunst grammatica. zoom belenden.

pompelmoes grapefruit. penny erwt grot holte. graveerwerk zwaartekracht spel Griekenland Grieks grapefruit. feliciteren gelukwensen. groep wis. bos stuiver.gratulacje gratulować gratulował grawerować grawerował grawerunek grawitacją grą Grecja grecki greipfrut grejpfrucie grejpfrut grek gremium Grenlandia grobla grobla groblą groblą grobowca grobowca grobowiec groch grocie grocie gromada gromada gromadą gromadce gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić zapasy grono grosz groszek grota grota grotesce groteska felicitatie. grillig. potsierlijk grotesk. waterkering afsluiting. pompelmoes Grieks vakvereniging. ophopen roedel. vergaderen. grot grotesk. ophopen. opeenhopen wis. abstraheren samenkomen. opeenhopen. graf graf. barrière. vergaderen accumuleren. bijeenkomen deduceren. sperdam waterkering. gelukwens gelukwensen. griffen graveren. afleiden. bundel. pompelmoes grapefruit. potsierlijk . kudde deduceren. dam. dijk groeve. bos aggregatie. bijeenkomen. groeve graf. abstraheren ophopen. ophopen samenkomen. sperdam dijk. klas groepering. spelonk. barrière. bundel. aggregaat opeenhopen. groeve erwt grot grot stand. gilde Groenland afsluiting. groep groepering. stapelen. ophopen. stapelen. dam. krocht. gravure. corporatie. opeenhopen opeenhopen. afleiden. griffen prent. accumuleren accumuleren. hol. feliciteren graveren. grillig. klasse.

onderkomen. graf graf. veelomvattend tof. potsierlijk terreur. kostelijk dik. honds. wintermaand aanaarden terrein grondig. klomp kruimel. onbehouwen. afval. klont. lady. lijvigheid hardhandig. kluit. tiptop. broodkruimel december. influenza . dicht dik. groeve logies. grootvader dam. afval. bal. plecht. dreiging afschuwelijk groeve. bedreigen bedreigen. excellent. jonkvrouw. vrouw groepering. groep peer peer rommel. bot. dreigen bedreiging. Georgië tering. aandikken onbeleefd. kasteel. lomp. gebonden. vet loot. gezichten trekken grijnzen. prullaria. dicht dakplankje lijvig. kind. Georgiër Groezië. omvangrijk. kwartier. dik prop. tuberculose. wintermaand december. grof.groteskowy grozą grozić groźba groźba groźny grób grób gród Gród obronny grubas grubasek grube zyski grubiański grubieć gruboskórny grubość gruboziarnisty gruby gruby gruby gruby Ethernet gruby papier gruby żwir grudce grudce grudnia grudzień grunt gruntach gruntownie gruntowny grupa grupa adresów grupa rozsyłania grupowego grupa wszystkich węzłów grupa zasobów klastra grupować się gruszce gruszka gruz gruz gruzin Gruzja (in Europe/not in USA) gruźlica grymas grymasić grypa grotesk. cru verdikken. gezichten trekken griep. afstammeling meloen onbewerkt. onkies. puin. jong. groep opa. radicaal diep groepering. rommel Groeziër. longtering grijnzen. dot. groep carrosserie groepering. puin prullaria. woning slot. onheus. ruw uitgebreid. burcht vettig. gebonden. lomp dikte. dreigement. schrikbewind dreigen. grillig. grof.

vriendelijk beschaafd. hoffelijkheid voorkomend. vuur warm verwarming. kikkerdril verbeurd net. beekje) kauwgom tandvlees . influenza happen. achterzijde. donderen daveren. klauwen. lief. machinatie. beitsen krauwen. konkelarij perk. ommezijde wervelkolom. worstelen daveren. fijn. bed. achterzijde. kachel verwarming. roosteren verwarming branden. knauwen. bulderen. bulderen. tuinbed. braden. griep griep. kachel branden. bulderen. bijten. mooi. krabben knaagdier knagen gloed. bed. kammen zondigen klakken. welgemanierd verwarming radiator zondigen zondigen spartelen. zich aftobben. bloemperk drijfzand rugstuk. książki)s kolec (kaktusa grzebać grzebień grzech grzechotać grzeczność grzeczny grzeczny grzejąc grzejnik katody grzeszyć grzeszyćk <sine> (matem. klikken beleefdheid. spin.) sinus grzęznąć grzmieć grzmocie grzmot grzmotnąć grzyb grzybnia grzywna grzywną grzywną gubić gulasz gulasz gulden gulgocie guma guma influenza. kwijtraken goulash goulash gulden murmelen. scharrelen. begraven uitkammen. bloemperk intrige. braden. ommezijde rugstuk. roosteren perk. tuinbed. schoon. verbeuren. ruggegraat kuilen. kletteren.grypa grypą gryz gryzmolić gryzoń gryźć grzać grzał grzałce grzałka grzance grzanie oporowe grzanka grządce grządce grządka grząski piasek grzbiecie grzbiet grzbiet (np. klappen. aardig. viskuit. donderen daveren. donderen afranselen champignon kuit. wellevend. fraai verbeurd opgeven. murmelen (v.

asterisk sterretje. gieren kuif. geweld met geweld geweldpleging. rumoerig. gevest. gonzen tongval. borg staan voor borg staan voor. lawaaierig ster sterretje. borg staan voor luidruchtig. nagelen . gouvernante opvoeden. zekerheid garanderen. gieren fluiten. netto. pit sterretje. garanderen garanderen. bal. asterisk zaadkorrel. korrel. borg staan voor garanderen. geweld woest onweerstaanbaar duiken woest hartstochtelijk razen. asterisk Guinea fluiten. taaltje garanderen. snorren. elastiek rubberen. gezwel dichtknopen heft. dialect jargon. knop een aanslag plegen op. brommen. hals. claxon fluiten. elastiek gom. gieren spijkeren. onderwijzen blauwe plek dichtknopen prop. gummi rubberen. dot tumor. elastiek bijgeloof smaken duidelijk. kluit.guma do żucia gumą gumka do ścierania gumowy gusła gust gustowny guście guwernantce guwerner guz guz guz guz guzik guzik gwałcić gwałt gwałtownie gwałtowność gwałtowny gwałtowny gwałtowny gwałtowny spadek gwałtowny spadek gwar gwara gwara gwarancja gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarantować gwarantować rekompensatę gwarantował gwarny gwiazda gwiazdka gwiazdka gwiazdka (oficerska) gwiazdka Wojny gwinea gwizd interferencyjny gwizdać gwizdek gwizdek gwóźdź rubberen. klont. klomp. toeter. handvat. nettosmaken huisonderwijzeres. borg staan voor veiligheid. aanranden geweldpleging.

ploert. slot. salon hal kring. leven. remmen afremmen. lawaai.gwóźdź bez łba gzyms kominka habit haczyk haczyk haczyk órska) haftce haftka haftować haftował hak hak hala (górska) halą halce halka halka hall hall (teatralny) halo hałas hałas hałaśliwy hałaśliwy eumatyczny Hałda hałdą hamburger hamować hamować hamował hamulca hamulec hamulec ręczny handel handel handel elektroniczny handlować handlował handlowiec handlowy handlując hangar haniebny harcerka harcerz hardy harem harfa spijkeren. accumuleren ophopen. arrogant harem harp . handel luifel. verkenner aanmatigend. herrie roeien luidruchtig. betomen afremmen. agraaf hoek vasthaken vasthaken borduren borduren ellendeling. rumoerig. hebbelijkheid hoek haakje. lawaaierig ophopen. accumuleren hamburger aanhouding. agraaf alpenweide. rumoerig. rumoer. spang. arrestatie bedwingen. difussiehalo ophef. beteugelen. nering handeldrijven. zakenman handel. handelaar. leuren. beteugelen. opeenhopen. koopmanschap. schavuit. opeenhopen. nering handelen. koopmanschap. handel drijven handelen. remmen handel. remmen afremmen. boef haakje. alp werkplaats onderrok onderrok slippen. betomen bedwingen. nagelen schoorsteenmantel aanwensel. afdak schandelijk gnoom. colporteren koopman. spang. handel drijven rondgeven. uitglijden zaal. slot. uitdelen venten. lawaaierig luidruchtig. ronddelen. aardmannetje padvinder.

kletteren. drom. toeval riskant. stalen leus. joods vermaak. bedenkelijk. vliegmachine Hebreeuws. tandwiel helm hemisfeer. wapenen thee thee biscuit ketter ketterij ketterij heroïsch. amusement gebieder. afranselen samenklank. chef. rooster harden. harmonie samenklank. zestientallig kamrad. bijeenpassen dienstregeling. hoop. stalen harden. tandrad. lijfspreuk. halfrond aambei boel. eendracht.harfą harmider harmonia harmonią harmonijny harmonizować harmonizował harmonogram hartować hartować (stal) hasło haszysz haust Hawaje hawajski Hawana hazard hazard hazardowy hebel hebrajski hecą hegemon heksadecyntalny hełm hełm hemisferą hemoroid hemoroidy herb herbacie herbata herbatnik heretyk herezja herezją heroiczny heroiną herold heteroatomincontext index hetero-atom-in-context index heteroatomincontext index indeks heteroatomów w kontekście hetero-atom-in-context index indeks heteroatomów w kontekście hicie hiena hiena nia harp afdrogen. devies. menigte. aanvoerder. bijeenpassen harmoniëren. baas hexadecimaal. gewaagd vliegtuig. massa bewapenen. houwen. harmonie eendrachtig. eendracht. doen schommelen Hawaii Hawaiiaans Havanna dobbelen toevalligheid. harmonisch harmoniëren. klappen hyena hyena . hasj balanceren. temperen. temperen. leuze hasjiesj. kamwiel. heldhaftig heroïne uitbazuinen indexeren indexeren indexeren indexeren slaan. kloppen.

lijn Holland Hollander Hollands trekken trekken. chroniqueur Spanjaard Spanje Spaans nazistisch. Indiaas biologeren. verdieping geschiedenis. boegseren rukken sleepboot hulde.hieną higiena higieną higieniczny hindus Hindus Hindus hinduski hinduski hipnotyzować hipnoza hipnozą hipokrycie hipokryta hipopotam hipoteka hipotetyczny hipotetyzować hipoteza hipoteza dopuszczalna hipotezą histeria histeryczny historia historia historią historyczny historyk hiszpan Hiszpania hiszpański hitlerowski hobby hodować hodował hodował hojność hojny hokej hol Holandia Holender holenderski holować holować holownik holownik hołd hyena hygiëne hygiëne sanitair. overvloed royaal. goedgeefs hockey lijntje. verhaal etage. nazihobby achterhoede opkweken. historie. verhaal geschiedenis. hypocriet veinzer. hygiënisch hindoeïstisch hindoeïstisch Indisch. onderstelling vermoeden. historie. slepen. voortgang hebben. koorde. gebeuren onbekrompenheid. hypnotiseren hypnose hypnose veinzer. historie. telen toegaan. verhaal kroniekschrijver. onderstelling hysterie hysterisch geschiedenis. gul. hypocriet nijlpaard hypotheek hypothetisch veronderstellen hypothese. gissen hypothese. huichelaar. eed van trouw. snoer. genereus. eerbetoon . huichelaar. opfokken. koord. fokken. Indiaas hindoeïstisch Indisch.

respecteren agnosceren. horizon. koddig humoristisch orkaan in het groot in het groot pakhuis. humaan humor. gezichtseinder kim. grappig grappig. hoer spel humanist menselijk. als waarheid aannemen ere-. inspecteren verwijderd. salaris eerbiedigen. homofiel. bende horoscoop gruwel. platliggend schouw. homo goedgeluimd. goedgehumeurd flikker. weledelgeboren hinkelen horde. ver hotel hotel in aanmerking komen. humaan menselijk. preek goedgeluimd. loeien. gezichtseinder kim. moppig. pantserkreeft. schatting langoest. komisch. kanselrede. verschrikking kim. waterpas. gezichtseinder horizontaal. het maken loon. horizon. gage. schouwing. koddig. humeur moppig.hołd homar homilią homoseksualista homoseksualiście homoseksualny honor honorarium honorarium honorować honorował honorowy hop hordą horoskop horror horyzoncie horyzont horyzont radiowy horyzontalny hospitacją hospitował host odległy hotel hotelowy hrabia hrabstwa hrabstwo hrabstwo w płzach Anglii hrabstwo w pł-zach Anglii huk huk huk hukier hulanka humanista humanistyczny humanitarny humor humoresce humoresce humorystyczny huragan hurcie hurt hurtownia hurtowy huśtać się cijns. goedgehumeurd huldigen. vereren. daveren prostituée. warenhuis in het groot balanceren. horizon. brullen. gruweldaad. gemoedsgesteldheid. lichtekooi. komisch. kreeft sermoen. inspectie inspectie houden. bezoldiging. eren gesteld zijn. weledel. meetellen graafschap graafschap Devoon Devoon dichtslaan beuk bulderen. ververwijderd. magazijn. doen schommelen .

benul. pik. spits naald griffel. neus. taaleigen idioot lul. legitimatie inhalen legitimatiebewijs. jongeheer idioot dwaas. och. perfect. schrijfstift piek. hymne kerkgezang. snikkel. ze. aan hun idee. benul. schrijfstift kegel naald naald negeren. begrip. punt. etsnaald. denkbeeld volkomen. wygląd) idiotyzm idol idylla ie zdawać iglica iglicą igła igła igła nóżka igła sortownicza igłą ignorować ignorował ikona ikona przycisku balanceren. hymne kerkgezang. ah. ach en en haar. hun de hunne. in het water vallen griffel. etsnaald. vereenzelvigen ideologie ideologie idioom. in optima forma ideaal ideaal idee. het hunne aan ze.huśtawce hutnik hydrą hydrofobia hymn hymn hymn narodowy i i i tym podobne i w rozmowie przez radio: przyjąłem ich ich ich idea idealny idealny filtr dolnoprzepustowy ideał ideą identyczność identyczny identyfikator identyfikator identyfikator użytkownika identyfikować identyfikował ideologia ideologią idiom idiota idiota idiotyczny idiotyczny (np. legitimatie identificeren. waterschuwheid kerkgezang. begrip. leuter. hun. denkbeeld identiteit identiek legitimatiebewijs. tip. absurd idiotie. ongerijmd. top. doen schommelen werker Hydra hondsdolheid. onder tafel schuiven negeren. onder tafel schuiven pictogram pictogram . hymne en oh. vereenzelvigen identificeren. idiotisme afgodsbeeld idylle floppen. onzinnig.

begoocheling. ze. verbeelding bedenken. prent. hun. afbeelding. nabootsing. illustreren drogbeeld. aan hun kakement. grootheid tal. sterkte. verluchting beeld. sterkte. prent. luik. kabouter keizer imperialist imperialist imperialist imperialisme rijk. plaat grafiek. kobold. plaat bloed aftappen. boel. aderlaten illustratie. keizerrijk. imperium hondsheid. kaak kakement. kaak inbeelding. aantal. brutaliteit . getal tal. verluchting beeld. afbeelding. naam. nadoen aardmannetje. illustreren veraanschouwelijken.AND) iloczyn produkt ilosć ilość ilość ilość danych przesyłanych siecią ilość informacji iluminator (na statku) iluminował ilustracja ilustracja ilustracja wpuszczona ilustracją ilustracją ilustracje ilustrować ilustrował iluzja iluzją im imadła imadło imaginacją imaginował imbir imbryk imbryk imbryk imbryk do herbaty imbryk do herbaty imieniny imiennik imiesłów imię imigrował imitacja imitował IMP imperator imperialista imperialistyczny imperialiście imperializm imperium impertynencja pictogram ree produktie. zich verbeelden gember ketel theepot. patrijspoort illumineren. naamwoord immigreren navolging.ikoną ikra iloczyn iloczyn logiczny (zob. trekpot theebus ketel theepot. aantal. vrijpostigheid. nabootsen. verlichten illustratie. begoocheling. illusie aan ze. grafische kunst veraanschouwelijken. gewrocht. trekpot naamdag naamgenoot deelwoord benaming. aantal. imitatie imiteren. getal hoeveelheid. opbrengst tal. getal hoeveelheid. grootheid dakraam. illusie drogbeeld. gewrocht. boel. opbrengst conjunctie produktie.

ver. inwijding inaugureel inaugureren minder belangrijk. vuur. edel importeren. polsslag. individueel personage. individueel respectief afgezonderd. invoeren importeren. endosseren. betrekken. persoon . forceren imponerend. heftigheid aardmannetje. impliceren opdringen. verstrikken insluiten. aandrang luchtig. personen.impertynencki impet implikacja implikować implikował imponować imponujący imponujący imporcie import importować impotent impresjoniście impuls impuls impuls elektromagnetyczny impuls zezwalający impulsywny in sth> w coś inaczej inauguracja inauguracją inauguracyjny inaugurował incydentalny indeks indeks indeks heteroatomów w kontekście indeks tablicy indeks zagęszczony indeks zbiorowy Indianin indiański indicativus Indie Indonezja indor indor indosował indyjski indyk indyk indywidua indywidualny indywidualny indywidualny indywiduum indywiduum brutaal. impuls. tel aandrift. zijindexeren uitlisten. afzonderlijk hoofdelijk. aandrang pols. mensen hoofdelijk. drang. luchthartig in overvloed aanwezig zijn anders inauguratie. bij-. vrijpostig onstuimigheid. polsslag. impuls. drang. tel pols. invoeren importeren. kobold. Indiaas Indisch. indrukwekkend nobel. aantonende wijs India Indonesië Turkije kalkoen gireren. inwijding inauguratie. Indiaas indicatief. een lijst maken indexeren indexeren indexeren indexeren Indisch. onbeschaamd. invoeren impotent impressionist aandrift. kabouter verwarren. wenden hindoeïstisch Turkije kalkoen lieden.

ang. [singularis tantum] informatyka informować informował infrastruktura infuła ingerować inicjalizować inicjał inicjał początkowy inicjały inicjatywa inicjować inicjować n procedura iniekcja (nośników) iniekcją inkarnacją inkasować inklinował innowacja inny inny inny inny inny niż inny niż insekcie insekt inskrypcją inspekcja inspektor inspektor zabezpieczeń inspiracja inspiracją inspirował infectie. inzamelen genegen.infekcja infekcją infekcyjny infekował infekował inflacja inflacją informacja informacja informacja zastrzeżona informacje informacje (uwaga: w j. nieuws. voorletter initiaal. inlichten weefsel mijter interveniëren. besmettelijk. "information" występuje tylko w l. affaire de stoot geven tot laars spuitje. verpestend infecteren. inspectie inspecteur inspecteur ingeving ingeving inspireren. nieuwigheid ander uiteenlopend. inspuiting. voorletter initiaal. ding. bezielen. gezind nieuwtje. schouwing. geneigd. inlichten berichten. septisch inflatie inflatie informatie bevattingsvermogen. inspuiting. besmetting aanstekelijk. vleeswording collecteren. informeren. besmetten. intelligentie informatie informatie informatie het berichten. besmetting infectie. inboezemen . poj. innen. ingrijpen laden initiaal. informeren. verschillend ander ander ander ander insekt insekt inscriptie schouw. injectie incarnatie. aangelegenheid. voorletter zaak. aansteken bederf veroorzakend. injectie spuitje.

plan. instructie onderwijzer. intens. inrichting instelling instelling instelling gesticht. verstandelijk bevattingsvermogen. bevattelijk. bevattelijk. aangifte. intens. verstandelijk bedreven. strekking bedoeling. plan. consigne. intensief sterk. doel. fitten. verstand. afdoen aanleggen. heel. verklaring declaratie. verstandelijk intellectueel. geest intellect. fel. consigne. instituut. marchanderen . fel. geest intellectueel.inspirując inspirujący instalacja instalować instalować instalował instrukcja instrukcja instrukcja blokowa instrukcja operacji instrukcja złożona instruktor instrumencie instrument instrument z dyfrakcją elektronów instrumentarium instruować instruował instynkcie instynkt instytucie instytucja instytucja nadająca nazwy instytucją instytut insynuować insynuował integralny intelekcie intelekt intelektualista intelektualiście intelektualny inteligencja inteligencja telekomunikacyjna inteligencja warstwa społeczna inteligent inteligentny inteligentny inteligentny most inteligentny mostek intencja intencją intensywny intensywny interaktywnie interes interes bezielend bezielend gewas. fitten. installeren aanwijzing. slim. behendig. uitspraak declaratie. intelligent doortrapt. werktuig instrument. doel. bekwaam knap. verstandelijk intellectueel. pingelen. uitspraak aanwijzing. finaal zaak. instituut. intelligentie bevattingsvermogen. verstand. instinct aandrift. instructie declaratie. intelligent bedoeling. strekking sterk. aangelegenheid. werktuig instrument. inrichting insinueren insinueren onaangetast. aangifte. intensief helemaal. affaire afdingen. gewiekst. leraar. instructeur instrument. orkest. listig knap. installeren afhandelen. ding. werktuig band. integraal intellect. plant aanleggen. handig. intelligentie bevattingsvermogen. instinct gesticht. muziekkorps instrueren instrueren aandrift. ongeschonden. intelligentie intellectueel.

zaak.interes jący interesancie interesant interesować interesował interesując interesujący interfejs interfejs użytkownika interfejs wywoływalny interferencja interferencją interiectio interniście interpretacja interpretacją interpretator interpretator sesji interpretować interpretował interpretował interpunkcja interpunkcją interwał interweniować interweniował intonował introdukcją intryga intrygować intrygować intymny inwazja inwazją inwencją inwentarz inwentarz inżynier inżynier pełniący inżynier pomocy technicznej inżynieria oprogramowania wspomagana komputerowo Irak Iran Irańczyk irański ireną Iris emplooi. bekonkelen puzzel. interpreteren. geneesheer vertolking. aangelegenheid. gezellig. een lied aanheffen inleiding. ding Irak Iran. duiden reproduceren. afnemer klant. tak. knus invasie. arts. afnemer belang inboezemen. interpretatie vertolking. intrigeren. dokter. koper. intrigeren. belangwekkend interessant. uitlegging. boedel vee. levende have. interpunctie punctuatie. duiden uitleggen. interpretatie interpreter interpreter uitleggen. werk. vak. interpunctie branche. karwei. veestapel ingenieur ingenieur ingenieur affaire. ingrijpen inzetten. innig. interpreteren. belangwekkend interface interface interface storing storing tussenwerpsel medicus. interesseren geïnteresseerd. koper. belangstellend interessant. afdeling interveniëren. bekonkelen konkelen. inval uitvinding inventaris. inval invasie. Perzië Iraans Iraans Irene Iris . arbeid klant. weergeven punctuatie. raadsel intiem. introductie konkelen. kudde. uitlegging. ingrijpen interveniëren.

feitelijk. aanzijn wezen inderdaad. tasten. bijster. vigerend erg. wereldruim. begieten. opkomen. bijzonder vitaal veelbetekenend. vertrek. geldig. mohammedanisme IJslander IJsland Istanboel bestaan bestaan bestaan. geldend. sproeien Iris nauwkeurig bepalen. materieel gangbaar. sprank vonk. speling. isolatie . droog ironisch bevloeien. lopen lopen. sprank vonk. isolering vertraging isolatie. isolatie isolatie. van stapel lopen. metterdaad essentieel. bevoelen. gieten. kamer bestek. betasten voorafgaan. vertrek. betekenisvol essentieel.Irlandczycy Irlandczyk Irlandia irlandzki irlandzki żołnierz piechoty ironia ironią ironiczny ironiczny irygował irys irytacja irytować iskra iskrą iskrzyć Islam Islandczyk Islandia Istambuł istniał istnieć istnienie istota wszystkożerna istotnie istotny istotny istotny istotny istotny istotny materialny istotny dla działalności firmy iść iść uruchomić iść po omacku iść przed iść w górę italią iwa izba izba rozrachunkowa izbą izbą izolacja izolacja izolacja (cieplna) izolacja złącza izolacją Iers Ier Ierland Iers Iers ironie ironie dor. tippelen. verontwaardigen vonk. vertrek. isolering isolering. vitaal. gaan voelen. rijzen Italië verbleekt lokaal. sprank islam. vitaal. opstaan. kamer lokaal. intrinsiek marcheren. heel. intrinsiek stoffelijk. voorzijn opgaan. kamer lokaal. determineren ergeren. ruimte isolering.

maar. vergiftig. hoewel. zeker. vergeven virus bek. ofschoon. afzonderen afzonderen. enig hetwelk. isoleren isoleren. aanwerven wat dan ook een of andere. afzonderen geïsoleerd. ik. die. zulk een naar men zegt op de een of andere manier op de een of andere manier eigenschap eigenschap hoe . dat. me appelwijn. alleenstaand Israël. dergelijke. wie. vergallen. jassen appel appelboom jacht vergiftigen. fotele czy wózki) jakieś opcje) jakikolwiek jakiś jakiś jakiś jakkolwiek jakkolwiek jakkolwiek jako jako jakoby jakoś jakoś na jakość jakość wyjściowa jakże isolator afzonderen. huren. tot dusdanige. welke. een weinig iets echter. vast een beetje. enig gewis. afpellen. stellig. wat een of andere. Israel Israelitisch mij. alhoewel voor. toch wel.izolator izolować izolować izolował izolował izolował Izrael Izraelita ja jabłecznik jabłka itp) jabłko jabłoń jacht jad jad jadaczce jadalnia jadalny jadłospis jadowity (np. een of ander. als. cider schillen. muil eetzaal eetbaar kaart venijnig. bij wijze van. al. wąż) jagnię jagoda jagodą jaja jajko jak jak żywy jaki jaki jest jaki jest jakie mają np. giftig lamsvlees bes bes ei ei hoe hoe hetgeen. hoe. dat. zo'n. welk Castor aannemen. niettemin. enigszins. isoleren isoleren. een of ander.

kern kern. greppel groeve. markt. kern pit. zijn pit. ahorn oprit. klare groef. open en bloot. lichtjes. het juk opleggen ketenen. gracht. aanmaken hel. kuil. groeve. pit pit. ra yard. briljant hel. kern .jałmużna jałowcówce jałowcówka jama Jama Jamajka japonce Japonia Japończyk japoński jard jard (91. greppel. klaar Java ronduit. zwakjes. bazaar. inslikken duidelijk. kuil Jamaica Japans Japan Japans Japans yard. aak. groef. ra marktplein. boeien groente groente ranonkel grot spelonk. licht. verterend. doorslikken. het juk opleggen aanspannen. vertoonbaar kaal. lumineus glanzend. gracht. verzendend briljant. krocht. rondweg aanwijsbaar. vanzelf haar. oprijlaan rijden jazz zelf. licht. klare jenever. glanzend. doen ontbranden. hun. licht gloeiend. helder zwak. klaar aansteken. inslikken slikken. marktplaats vegetarisch vegetarisch neonaanspannen. grot.44 cm) jarmark jarosz jarski jarzeniowy jarzma jarzmo jarzmo (magneto wodu) jarzyna jarzyną jaskier jaskinia jaskinia (także inne ukryte miejsce jaskółce jaskółka jasno jasno jasno świecić jasny jasny jasny jasny jasny lekki światło Java jawnie jawny jawny jawor jazda jazda jazz jaźń ją jądro jądro jądro węzła jądro wieloprocesorowe aalmoes jenever. kaalhoofdig esdoorn. hol. lumineus. holte slikken. doorslikken. vurig.

ze. hun. bloot. hun. etenswaar. maar pas. eendracht zijde. zeekust motor men ongehuwd. enkel. stamelen. unit wis. aaneenvoegen eendrachtig atoom-. hakkelen aan ze. eenparig ongehuwd. tenue eenzijdig eenheid. aan hun kust. in weerwil van egaal. zij zijde. slechts. etenswaar. ongetrouwd jaarlijks uniform. hakkelen stamelen. stotteren stotteren. alleen. gerecht eten. stamelen. bos eenheid. atomair naadloos uniform. samenhang. zeekant. eender. maar. aaneenvoegen bijeenbrengen. tenue eenhoorn uniform. unit eenheid. ongetrouwd men elf echter. unit eenheid. gerecht het zijne. tenue eenheid. tenue eensgezind. maar enkel. stotteren struikelen stotteren. alleen. hakkelen. louter eten. toch niettegenstaande.jądrowy jąkać się jąkać się jąkać się jąkanie się jąkanie się je jechać rozpędem jechać samochodem jeden jeden jeden z gatunków papug jedenaście jednak jednak jednakowy jednakże jedno jednocz jednoczyć jednoczył jednolity jednolity jednolity jednolity wzorzec półtonowy jednomyślny jednoosobowy jednoroczna (roślina) jednorodny jednorożec jednostajny jednostce jednostka jednostka alokacji jednostka zmiennoprzecinkowa jednostka żądająca jednostkowy jednostronny jedność jedwab jedwabny jedynie jedyny jedyny jedzenia jedzenie jego jego nucleair. enkel. kernstamelen. slechts. zijn . niettemin. hakkelen. spijs. in weerwil van men bijeenbrengen. tenue uniform. unit uniform. gelijk. bundel. de zijne haar. gelijkmatig niettegenstaande. zij pas. kustlijn. spijs.

wanneer. eten. route waterplas. zijn het hare. ingeval entstof. zeekust waterplas. opnieuw nog gebruiken. kustlijn. ingeval braam braam stenen. vaccin. zuchten . ruggegraat indien. meer kust. ingeval tenzij indien. lunch ontbijt maag indien. spin. baan. bikken. najaarsvallen. ingeval tenzij indien. afvallen. appendix wervelkolom. plas. karren schaats. varen. glijmiddel skiën fietsen. bijlage. nogmaals van voren af aan. hun. wielrijden aanhangsel. als. van voren af aan. neervallen. als. kermen kermen. wanneer. maretak het volgende gevangene Jeruzalem herfst-. als. maretak vogellijm. meer fjord Jezus gaan. vreten knagen. nogmaals. als. plas. wanneer. steunen. de hare hert mannetjeshert darm ingewanden darm vogellijm. rijden.jej jej jeleń jeleń jelicie jelit jelito jemioła jemiołą jen enny jeniec Jerozolima jesień jesień jesion jesionowy jesteś (archaizm) jeszcze raz jeszcze raz jeszcze raz jeść jeść bardzo delikatnie jeść lunch jeść śniadanie jeść z apetytem jeśli jeśli jeśli w ogóle jeśli zostanie on później zmodyfikowany) jezdni jeziora jeziora) jezioro jezioro (po szkocku) Jezus jeździć jeździć na łyżwach jeździć na nartach jeździć na rowerze jeździec jeża) jeżeli jeżeli Jeżeli nie podano inaczej jeżyna jeżyną jęczeć jęczeć haar. zeekant. wanneer. kreunen. knabbelen twaalfuurtje. vaccine weg. storten as asgrauw kunst opnieuw.

zuchten tong taal tong Arabisch Keltisch Deens afdoen. afhandelen Fins afwikkelen Frans Hebreeuws. joods Spaans Hollands Iers Litouws Lets Maltezer Duits Noors Jiddisch Perzisch lispelen Russisch Roemeens Slavisch Turks Hongaars Italiaans Zoeloetaal. taalkundig Jiddisch jodium jodelen jodelen den.jęczmień jędza jędzowaty jęk jęk jęzor język język język APT język CCL język do zastosowań naukowych język EML język EML język EML język FORTRAN dla programowania w czasie rzeczywistym język graficzny język graficzny język hebrajski język informacyjno-wyszukiwawczy język konwersacyjny język logiczny język makroasemblera język naturalny język niskiego poziomu język niskiego poziomu język oznaczeń np. spar jodium jodium yoga . zilverspar. linguïst. furie. kreunen. kermen kermen. feeks feeksachtig stenen. HTML język programowania LISP język przetwarzania symboli język reguł język skryptowy język tablicowy język wewnętrzny komputera język wewnętrzny program maszynowy język zapytań język źródłowy język źródłowy język wyjściowy językoznawca językoznawczy jidisz jod jodlować jodlowanie jodła jodłą jodyna jodyną joga gerst helleveeg. zilverspar. spar den. steunen. Zoeloe taal tong taalkundige. taalgeleerde taal-. haaibaai.

jogizm jogurt jota jowisz joystick józef jubiler jubileusz judaizm judejski Jugosławia jugosławią Jugosłowianin jugosłowiański junak junior Jupiter jurajski juror juror jury jurysta justować jutra jutro jutrzence jutrzence jutrzenka jutrzenka już k k <First In k <Keep It Simple kabaczek kabarecie kabaret kabel kabel okablować kabel (1/10 mili morskiej) kabel (elektryczny) kabina kabina kabina kierowcy (operatora) kabina pilota kabłąk kabzą kaczka kadencjach yoga yoghurt. reeds. Zuid-Slavië Joegoslavië. portemonnaie. alreeds heerschappij. tros kabel. toog beurs. hut taxi stulp. stuurtoestel Jozef juwelier jubileumjodendom Hebreeuws. eerlijk. scheidsrechter jury jurist verontschuldigen morgen morgen Aurora morgenlicht. bewind. voorwaarde. bestuur vissen zoenen. morgenrood Aurora morgenlicht. morgenrood al. ferm aankomend. tros vigilante. dapper. conditie . alvast. hut boog. joghurt jota Jupiter stuur. geldbuidel eend bepaling. tros kabel. huurrijtuig. Zuid-Slavië Joegoslavisch Joegoslavisch flink. aurora. aurora. joods Joegoslavië. braaf. tros kabel. beginnend Jupiter Jura jury arbiter. kussen pompoen cabaret cabaret kabel. aapje stulp.

kiel. bodem. romp. journaal onderbroek lang lange broek. vakterm boomstam. bederven verminkt. keutel . stam scheepsromp. pantalon. berekenen calculeren. inlijsten. calculator calculeren. tegel. tobbe. creëren hes. bak BTW teil plavuis. Cairo plezierboot ijzeren stulp. berekenen calorie calorie radiator overschoen Golgotha drek. berekenen meten. kuip tobbe. rekenen. casco in een lijst zetten. bodem. boezeroen muil. ontlasting. bek muil. tegelsteen. kuip. teil. beschadigen. drol. rekenen. broek Californië rekenschap. hut cacao cacao cactus bloemkool woordspeling havenen. vatten staf schoorsteenmantel wierook bak.kadencją kadłub kadłub (statku itp) kadłub statku kadr kadra kadrowanie kadzidło kadź kadź kadź kadź kafel kafelkować kaftan roboczy kaganiec kagańca Kair kajak kajdany kajuta kakao kakaowy kaktus kalafior kalambur kaleczyć kaleki kalendarium kalendarz kalendarzyk kalesony kalesony kalesony Kalifornia kalkulacja kalkulacją kalkulator kalkulator stołowy kalkulować kalkulować kalkulował kaloria kalorią kaloryfer kalosz kalwarią kał term. casco scheepsromp. romp. bek Caïro. rekening rekenschap. calculator rekenmachine. gebrekkig kalender kalender dagboek. rekening rekenmachine. tichel scheppen.

gezellig. gracht divan. wijk.kałuża kamasz Kambodża kameleon kamera kameralny kamerą Kamerun kamfora kamieniarz kamieniarz kamieniarz kamienna kulka do gier kamienny kamień kamień do zapalniczki kamień kotłowy kamień milowy kamień milowy kamień młyński kamień żółciowy kamizelka kamizelka kampania kamracie Kanada kanadyjczyk kanadyjski kanalik kanalizacja kanalizacja kanalizacja (rzek) kanał kanał kanał transmisji danych kanał zwrotny kanapa kanapa kanapce kanapę kanapka kanapka (do jedzenia) kanarek kanarek kancelaria kanciasty kancie kancie zich aaneensluiten. campagne maat. knus fototoestel. boord. riool neerdruipen. camera Kameroen kamfer vrijmetselaar metselaar klei-. kant. kanaal. kanaal. gracht. edelgesteente. van klei kiezelsteen. vaart. kanaal. gracht monteren. kiektoestel. zetten vaart. steen klei-. kornuit Canada Canadees Canadees vaart. kanaal vaart. aarden. makker. innig. kiektoestel. kust. van klei pilletje klei-. van klei hemd herenvest. kiezel. aarden. wijk. aansluiten slobkous Cambodja kameleon fototoestel. kameraad. afdruipen cloaca. aarden. keisteen aanzetten mijlpaal mijlpaal edelsteen. afdruipen wijk. vest veldtocht. gracht neerdruipen. van klei klei-. wijk. zinkput. oever velg . Turkse staatsraad. camera intiem. rustbank canapé sandwich kussen sandwich sandwich kanarie Canarisch kantoor kantig wal. aarden.

knoeien veldfles druipen. aspirant verzoeker. druppelen schare. volzin roer. doosvrucht straatschuimer. oppassend kangoeroe kannibaal. roer . kroon. sollicitant.kandela kandelabr kandydat kandydat do archiwizacji kandydat na stanowisko kandydował kandydował kandydowanie kandyzować kangur kanibal kanion kant kantyna kapać kapela kapelan kapelusz kapelusz słomkowy kaper kapitalista kapitaliście kapitalny kapitał kapitał bez odsetek kapitan kapitulować kaplica kaplicą kapotaż kapował kapral kaprys kapryśny kapryśny kapryśny kapsel kapsuła kapsułka kaptur kapusta kapuś kapuście kara kara śmierci karabin karabin karabin maszynowy kaarsensterkte. kaars kroonluchter. luchter kandidaat. menseneter cañon zwendelen. onberekenbaar nukkig. frauderen. nukkig. geweer geweer. capsule. schuur. verbeeldingskracht bizar grillig. voornaamste captain. grillig. apache kool gras kool straf. candela. zin. aanvrager verzoeker. troep. capsule. doosvrucht kapseltje. vermogen hoofd-. onberekenbaar pet kapseltje. keet. bestraffing frase. droppelen. loods hardloper zoet. bende aalmoezenier. hopman. zich overgeven kapel. veldprediker hoed Panama bokkesprongen maken kapitalist kapitalist aanzwellen kapitaal. muziekkapel omzet opgraven. roer geweer. rooien korporaal fantasie. voorrijden huisje. kraam. aanvrager aanrijden. muziekkapel kapel. kapitein capituleren.

goed bestraffen. opgraven. vel blad. aardappel kartonnen catalogiseren catalogiseren bestand. bestraffing vergasser. ziekenauto. kost. aanmanen. correct. aanvaring. carburateur vermanen. straffen botsing. rooien ambulance.karać karać karafka karafka karaluch karał karambol karawana karawaną karą karburator karcić karcie karczek karczma karczoch karczować karetka karetka kariera karierą kark kark karłowaty karm karmić karmidła karnawał karność karo (w kartach do gry) karoseria karp Karpaty karta karta karta(dziurkowana) kolejna(uzupełniająca informacje na kartach poprzedzających) karteluszce kartka kartka kartka zaginana od góry kartka żywnościowa kartofel karton kartoteka kartoteka kartoteka juist. tucht diamant carrosserie karper Karpaten kaart charter. hals logement. aansporen kaart nek. hals minuscuul. vel boer. edelknaap pieper. uitglijden briefkaart blad. aanrijding karavaan karavaan straf. delven. ambulancewagen affuit carrière. dossier . dwergachtig voeden voeden voeding. page. loopbaan carrière. loopbaan nek nek. voedingsmiddel carnaval discipline. herberg artisjok opduikelen. handvest. straffen karaf decanteren kakkerlak bestraffen. manen. vrachtcontract kaart slippen. voeder.

pit. kashouder. instrumentenbord. met gom bestrijken afschaffen gommen.karuzela karuzela karuzela (np. met gom bestrijken afgietsel. kapitaal patroon. aangelegenheid. in het rond daaromheen. dwergachtig minuscuul. pit. korrel zaadkorrel. in het rond laakbaar minuscuul. kardoes affaire. brij. zaak. kardoes patroon. castreren casino casino moes. beschot kassier. muntmeester helm waterval afbestellen hel. pap zaadkorrel. ontmannen. gegoten voorwerp snijden. dwergachtig fonds. contact hebben met catalogiseren catalogiseren adresboek adresboek adresboek catalogiseren catalogiseren catarre koud niezen. zweefmolen. kastanje contact hebben. dwergachtig minuscuul. pap hoesten paardekastanje. ding dashboard. licht. korrel hoesten moes. eromheen. kardoes cassette cassette patroon. proesten. klaar gommen. draaimolen daaromheen. eromheen. algorytm cykliczny w systemie operacyjnym) karygodny karzeł karzeł karzełek kasa (zapomogowa) kasecie) kaseta kaseta kaseta (do wkładania modułów sprzętowych) kaseta z taśmą magnetyczną kasetce kaseton kasjer kask kaskadą kasować kasować kasować kasować przełączać(np. programy) zwolnić pamięć kasował kast kastrować kasyna kasyno kasyno kaszą kasze kaszel kaszka kaszleć kasztan katalizator stały katalog katalog katalog katalog bieżący (aktywny) katalog węzłów katalog zadań katalogował katar katar katar carrousel. niesen . brij.

paard in schaakspel. gevest. eethuis koffie tuinboon. elk hoek accapareren. brok beting koffie restauratie. wassen in bad doen. agonie Kaukasus koffie paard. koeioneren. enig ieder. restaurant. iedere. al. iedere. elk ieder. een of ander. ridder ridder. ieder. vakterm categorie katholiek katholiek katholiek katholiek doodsangst. aanvoeren. grol. dom departement departement kathedraal. catastrofe kathedraal. ramp. grap fragment. kwinkslag. cavalerie. brok heft. paard in schaakspel. alleman. knop fragment. alleman iedere. paard in schaakspel. hals. commanderen bevelen. paard ruiterij. martelen te koop aanbieden. al. paard ridder. wassen bad. alleman elk. aanbieden een of andere. incest kwellen. badkuip . dom categorie term. al. handvat. elk. catastrofe schipbreuk onheil. baden. pots. alleman. veldboon bevelen.katastrofa katastrofa morska katastrofą katedra katedra (na uniwersytecie) katedra na uniwersytecie katedrą kategoria kategoria kategorią katolicki katolicki katolik katolik katusze Kaukaz kawa kawaler kawaler kawaler orderu kawaleria kawał kawałeczek kawałek kawałek kawałek murawy wyrwany przez kij golfowy w czasie uderzenia kawą kawiarni kawowy kawy) kazać kazać komuś czekać kazanie kazirodztwa kaźń każ każdy każdy każdy każdy każdy (człowiek) każdy człowiek wszyscy kącie kącie kąpać się kąpać się (w morzu kąpiel onheil. elk. commanderen sermoen. ramp. baden. paardenvolk mop. iedere. ieder. preek bloedschande. opkopen in bad doen. ieder. al iedere. kanselrede. doodsstrijd. alleman. boon. al. aanvoeren.

bestuurder conducteur. dot. regelen besturen. beklagenswaardig rot. soppen zich aaneensluiten.kąpiel kąpiel (w wannie) kąpiel odkażająca kąpieliska kąsać kąt kąt strat magnetycznych kątowy kciuk kelner kelnerce kelnerka kernel kędzierzawe (włosy) kędzierzawy kępka kęs kęs kęs kibic kichać kichnięcie kiecce kiedy kiedy (w pytaniach) kiedy indziej kiedykolwiek kielich kieliszeczek kieliszek do brandy kiełbasa kiełbasa kiełbasą kiełek kiełkował kiepski kiepski kier (w kartach do gry) kiermasz kierować kierować kierować bezpośredni kierować (<sth> czymś) kierował kierowca kierowca zmiennik kierowcą kierownica in bad doen. hap aanwakkeren. knauwen. dirigeren. dampig. als. ontspruiten. niesen niezen. richten. besturen reglementeren. bloemkelk. kiemen erbarmelijk. ooit beker. kelk aperitief. stuur . bazaar. bestuurder conducteur. beuling uitkomen. niesen een verband omleggen wanneer. richten. indopen. geleiden. markt. als. kuif beting hap. bijten. leiden mennen. bos. eens. opkopen kantig duim kelner serveerster serveerster pessimist knapperig. toen eenmaal. dirigeren. beitsen hoek accapareren. wel eens. ontluiken ontkiemen. proesten. heiig. wassen bad. croquant nevelig. bestuurder stuurtoestel. miskelk. pluk. mistig bosje. borrel aperitief. bedorven. mennen de weg wijzen. baden. proesten. richten. aansluiten happen. badkuip indompelen. wel eens. kuifje. beuling worst. reguleren. borrel pudding worst. ooit wanneer. eens. verrot hart marktplein. aanvuren. mondvol mondvol. dirigeren. besturen conducteur. marktplaats mennen. aanzetten niezen. toen eenmaal.

echtelieden weinig een beetje. knikken ja knikken. kleefmiddel. vastkleven. leiding.kierownictwo kierownik kierunek kierunek kierunek wsteczny złącza p-n kierunkach kieszeń kieszeń dysku kij kij od miotły kijanka kiks kil kilka kilka kilka kilka razy kilku kilo kilof kilof kilometr kilt kimona kimono kina kinematografia kino kiosk kir kiszka kiść kit kitel kiwać kiwnąć głową kiwnięcie kiwnięcie odarzy klajster klajster klakson klamra klamra klan klapą klaps klaps klasa administratiekantoor bestuurder. koers. stam afgang draai om de oren. volksstam. bundel luit geheel. kit. aanhangen kikkervisje missen. beheerder. administrateur richtlijn. knikken ja knikken. Schotse rok kimono kimono bioscoop. cinema box rouw darm bos. richting polis richtlijn. afkluiven kilometer kilt. klasse. kleefstof aanplakken hoorn accolade vasthaken geslacht. klas . menigvoudig. misgrijpen kiel echtpaar. kilogram schoffel knabbelen. een weinig weinig verschillend. cinema rolprent. algeheel ja knikken. instructie. koers. wis. enigszins. menigvuldig kilo. knikken ja knikken. stok kleven. aanwijzing zak zak staf. oorveeg. richting consigne. mislopen. totaal. knikken lijm. lel smakken stand. leiding. film bioscoop.

klasse. godlasteren. toonladder. brij. kleefmiddel. kit. vloeken. trap voorwaarde. klassiek orthodox. steen. klassiek klassikaal. bij acclamatie benoemen adhesie betuigen. kleefstof tandvlees moes. bundel. applaudisseren adhesie betuigen. kit. neuken toonschaal. aard classificeren. scala ketteren. mop. mannenklooster kooi kooi borst. klassiek klooster. kleverig lijm. edelgesteente. bos basisklassikaal. applaudisseren wis. houder toejuichen. plek. godlasteren ketteren. kleefstof tandvlees plakkerig. indelen klassikaal. smet. bepaling conditie. rechtzinnig classificeren. edelsteen edelsteen. bepaling toetsenbord. godlasteren mythe lijm. vloeken. scala naaien. klad. kleefmiddel. klavier toonschaal. kleverig edelgesteente. klas schede. boezem kooi opgang. indelen soort. klassiek klassikaal. foedraal. vloeken ketteren. clausule. steen klak. indelen classificeren. pap plakkerig. edelgesteente. moet tikken tikken . toonladder. klassiek klassikaal. voorwaarde. steen edelsteen. klassiek klassikaal. slag. klavier toetsenbord.klasa zaprzyjaźniona klaser klaskać klaskać klaskać chodowa klaster klasy podstawowej klasyce klasyce klasyczny klasyczny klasyczny klasyfikować klasyfikować klasyfikował klasyfikwać klasyk klasyk klasztor klatce klatka klatka na sekundę klatka schodowa klatka schodowa klauzula klauzula klawiatura klawiaturą klawisz klawisz (strażnik więzienny) klawisz znakowy kląć klął klątwą klechdą kleić kleić kleik kleisty klej klej klejenie klejnot klejnot klejnoty kleks klepać klepanie stand.

kliek.kleszcz kleszcze klęcz klęczeć klękać klęska głodu klęska żywiołowa klice klient klient klient klient korporacyjny klient sieciowy klif klik klika kliknąć kliknąć prawym przyciskiem myszy klimacie klimat klimatyczny klimatyzacja klimatyzowany klin klin (podkładany pod koło) klinice klinika klinować kloc klon klosz klown klub klub studentek uniwersytetu klubach klucz klucz klucz klucz (do śrub) klucz (elektronowy) klucz mieszający klucz nadrzędny klucz wspólny klucz zabezpieczenia pamięci klucz zewnętrzny klucz złożony kluczowy kluczowy teek knijper. afnemer consument. air-conditioning air-conditioned een wig slaan. schaar knielen knielen knielen geeuwhonger nederlaag kongsi. klappen klikken. een wig steken blokkeren. toonladder. klappen kongsi. een wig steken een wig slaan. kletteren. pal. scala . koper. schroefsleutel moersleutel. klakken. een wig steken kliniek kliniek een wig slaan. toonladder. cliënt. toonladder. sociëteit club. scala toonschaal. scala moersleutel. toonladder. scala toonschaal. lampekap clown. koper. schroefsleutel toonschaal. kliek. aak. schroefsleutel moersleutel. vastzetten esdoorn. pal. verbruiker afnemer. kletteren. klant klant. toonladder. pias club. kletteren. toonladder. afnemer klant. klakken. scala toonschaal. klappen klimaat klimaat klimaatsairco. schroefsleutel sleutel moersleutel. sociëteit klaveren toonschaal. scala toonschaal. toonladder. klip klikken. afnemer klif. paljas. troep klikken. klakken. gebruiker. scala kritiek. hachelijk toonschaal. troep klant. ahorn kap. koper.

strijd. slim pijnlijk. twist. lieverd. pit. twist. lastig. determineren bezwaar. storen. liefje geacht. moeilijkheid belemmeren. leuter. lid. schroefsleutel liggen liggen liggen aanspannen verglazen. keteldal ketel . draven herberg. brilslang deken. strijd. bekrompen. glanzen met nadruk zeggen. minnares schat. draven dribbelen. priemen. storend smal. liefhebben aanhalig aanhalig beminnen. prikken. krap. gezien katje katje ketel. lastig. café moppen tappen moppen tappen woud. stoomketel ketel. lampepit. vrijster. benadrukken kwestie. lont vrouwelijk wijfje. leed nauwkeurig bepalen. lampepit. twist. geleding. kiften. liefhebben vriendin. krakelen kwestie. pik. jongeheer pikken. strubbeling. dispuut kijven. steken dribbelen. gelid. eng. houden van. ruzie maken. snikkel. knoop drenkplaats. dek beminnen. vrouwtje vrouw cobra. dispuut smart. pit. waterketel. bar.kluczowy kłamać kłamstwa kłamstwo kłaść kłaść glazurę kłaść nacisk kłocić się kłopot kłopot kłopot kłopotać się kłopotliwy kłopotliwy kłopoty kłos kłócić się kłótni kłótnia kłuć kłuć kłus kłusować knajpa knajpą knajpą knebel kneblować kniei knocie knot kobiecy kobieta kobieta kobra koc kochać kochajacy kochający kocham kochanek kochany kochany kociak kocię kocioł kocioł kocioł moersleutel. houden van. glazuren. uitspanning gewricht. nauw oor kwestie. bos kousje. lont kousje. lieveling. hinderlijk. kookketel. verdriet. hinderen moeilijk. geliefde. strijd. dispuut lul.

nomadisch benoeming. migrerend zwervend. kappen. aansluiten coyote. leuter haan jongeheer. wie z'n. bestemmen wieg . prairiewolf cocaïne cocaïne boog. gevolg kinderbed zich aaneensluiten. trekpot trekken. posterijen oorring uittrekken. waarvan. trekkend. snikkel.kociołek kociołek koczował koczowniczy koczowniczy koczownik kod kod (program) zakodować kod generujący numer strony podczas wydruku kod przerobić jądro Linuksa kod zakodować kod) przerobić (jądro Linuksa) kodeks kodocyl kodować kodował kogo kogoś kogoś o czymś kogucie kogucie kogut kogut koherencja koja kojarzyć kojot kokaina kokainą kokarda kokon kokos kokos koktail kolacja kolacją kolana kolanko (hydrauliczne) kolano Kolba kolbą kolca kolce kolczudze kolczyk kolczykować kolebka ketel theepot. enig. klappernoot. rondreizen rondtrekkend. verzekeren jongeheer. rondtrekken. pik. lul. wie d'r een of ander. nomade code code slak. avondeten knie elleboog knie veldfles veldfles wervelkolom. appendix codificeren codificeren welks. leuter haan consequentie. spin. hakken code houwen. toog cocon cacao klapper. hakken code bijlage. ruggegraat steek post. snikkel. kokosnoot cocktail avondmaal. pik. kappen. een of andere betuigen. avondeten avondmaal. naaktslak houwen. lul. aanhangsel.

kolossaal. gemeenschappelijk voorkomend. groep. pilaar. kloppen. accoord. colonne kolom. nuancering geweldig. colonne kolom. steunpilaar. groep. aanvaring. schare. drift hoop. volksplanting schakering. overeenstemming koloniaal kolonie. aaneen-. spoorweg spoor. drift hoop. volksplanting akkoord. samen-. veranderlijk. opvallen stikken stikken . schare. vriendelijk botsing. inzamelen collectief. maat spoor. klappen. cirkel slaan. aanrijding Keulen kolonie. aardig. kloppen. afwisselend hoop. collega paren college makker. kloppen. nederzetting. klappen. groep. nederzetting. sleur spoor. drift collecteren. pilaar. kudde. spoorweg ronde gevolg metro afwisselend ander veranderen. gemeenschappelijk collectief.kolec kolec świdra centrującego kolega kolega kolega szkolny kolega z klasy kolegium kolego! kolei kolei koleina kolej kolej jednoszynowa kolej linowa kolejce kolejce kolejka pocztowa kolejny kolejny kolejny kolejny kolekcja kolekcja zbiór zbieranie informacji kolekcją kolekcjonować kolektyw kolektywny koleżeński kolizja kolonia Kolonia kolonia kolonialny kolonią kolor tła kolosalny kolportaż kolportować kolumna kolumna wyświetlana (w grafice komputerowej) kolumną koła kołatka kołatka (do drzwi) kołatka do drzwi kołdra kołdra pikowana doorn doorn ambtgenoot. kornuit. lief. anders maken wisselend. opvallen slaan. samen ambtgenoot. spoorweg routine. uitreiking havik kolom. ontzaglijk verdeling. schare. kudde. spoorweg spoor. pilaar. spoorweg spoor. klappen. kameraad. innen. co-. opvallen slaan. kudde. steunpilaar. collega aaneen. colonne kring. nuance. steunpilaar.

komedie blijspel. commentaar leveren op annoteren. combinatie zich aaneensluiten. blok. aanvoeren. commentaar leveren op bevatten. doen schommelen zwiepen.kołdrą kołek kołek falowodowy kołnierz kołnierz kołnierz golfowy koło koło koło koło zakreślić okrąg koło celowania (na ekranie dla pióra świetlnego) koło wodne koło zamachowe kołowy kołpak kołysać kołysać (się) kołysać się kołysać się kołysance kołysanka kołysce kołyska komar komar komą kombinacja kombinacja klawiszy kombinacją kombinat kombinat kombinezon kombinezon kombinować komedia komedią komenda komendant komenderować komentarz komentarz komentarz komentarz opisowy komentować komentować komercyjny komforcie stikken borrel. aanvoeren. commanderen aantekening. komedie bevelen. katrol. totaal. nering gerief. inhouden. aperitief borrel. koopmanschap. combineren geheel. aansluiten samenvoegen. cirkel circulaire. commentaar annoteren. schijf reddingsgordel wiel. behelzen handel. verbinden. katrol. mug muskiet komma verbinding. boezeroen. combineren blijspel. halsboord kring. boord. gooien balanceren. commentaar leveren op nabeschouwing annoteren. rad kring. combinatie verbinding. slingeren wiegelied. cirkel hijsblok. boord. blok. verbinden. slaaplied wiegelied. hes samenvoegen. commandant bevelen. aperitief kraag. schijf wiel. gemak. commanderen aanvoerder. combinatie verbinding. algeheel kiel. rad hijsblok. rondschrijven pet wieg opgooien. comfort . halsboord nek. slaaplied wieg wieg steekmug. zwieren. hals kraag. zwaaien.

bevoegd verzamelwerk. koddig. samenstellen compileren. ingewikkeld maken . beschot comité reiziger lokaal. boodschap commissie. opeenhopen. vertrek. digereren beloning. kachelpijp ophopen. opdracht. totaliter compleet. comfortabel moppig. volkomen. cel. ingewikkeld compliceren. grappig grappig. schoorsteen. compilatie verzamelwerk. volledig hindernis. loon. kachelpijp schoorsteen. kerker cachot. komisch. kamer branche. instrumentenbord. goedmaken competent. moppig. cel. vergelding beloning. compilatie compiler compileren. vergelding beloning. komisch. samengesteld complimenteren emmer heel. vak. koddig schoorsteen. politiebureau lasthebber.komfortowy komiczny komiczny komin komin komin komin komin (statku kominek komisariat komisarz komisja komisją komitet komitet doradczy komiwojażer komnata komodą komodor komora komorą komorne komórka komórka znakowa kompania kompas kompatybilny kompendium kompensacja kompensacja temperaturowa kompensacją kompensować kompetentny kompilacja kompilacją kompilator kompilować kompilować zestawiać kompilował kompleks komplement komplet kompletnie kompletny komplikacja komplikować komplikować komplikował geriefelijk. commode commodore lokaal. schouw politiepost. handelsfirma. gecommitteerde commissie. samenstellen compileren. samenstellen complex. tak. accumuleren schrijden trechter haardstede. deskundig. verduwen. vergelding vergoeden. boodschap dashboard. compenseren. handelshuis kompas congruent verteren. opdracht. afdeling huur cachot. gemakkelijk. hinderpaal compliceren. loon. ingewikkeld maken gecompliceerd. kerker firma. beletsel. loon. vertrek. kamer ladenkast.

adverteren berichten. naaf dik. enig omleggen. sterven bewapenen. veldboon samenstellen. mededelen spreken. plooien samenstellen. lidmaat bus. meedelen. tak tak. toonzetting. compositie toondichter. aflevering. praten berichten. aflevering. overlijden. boodschap aanspreekbaar aandienen. een of andere. boon. stof. componeren omvouwen. vouwen. katern schrift. apropos toondicht. thema. verkondiging communiqué communiqué communiqué bulletin. compositie onderwerp. aftakking lid. wapenen aftakking. overschakelen doodgaan. dicht. zetting toondicht. mededelen communist communist communisme een of ander. toonzetting. ingewikkeld tuinboon. componeren montage. katern machine communie communie aankondiging. begrip begrip opvatting. omschakelen. verenigingsorgaan bericht. meedelen. componist comprimeren comprimeren foei comprimeren computer schrift. begrip opvatting. begrip concert .komplikował komponent skrośny komponować komponować komponował komponując kompozycja kompozycja pulpitu kompozycją kompozytor kompres kompresować kompromitacja komprymować komputer komputer notatnikowy komputer podręczny komputer programisty komunia komunią komunikacie komunikacja światłowodowa komunikacja w tle komunikacją komunikat komunikat komunikatywny komunikować komunikować (się) komunikować się komunikował komunista komuniście komunizm komuś komutować konać konar konar konar konar koncentrator zespołu koncentrował koncepcie koncepcja koncepcja koncept koncercie gecompliceerd. gebonden opvatting. aankondigen.

brandewijn. verbinden. och. bestuurder bewaken. noodzakelijkheid nodig. benodigd sprinkhaan conjunctie oh. bewaren conditie. uiteinde aantikken noodzaak. cognac klaver klaver klaver schaduwen uiterste deel. confederatie omroepster omroepster conferentie conferentie conferentie in beslag nemen. belang concert concerto rekening. brandy brandy. confisqueren in beslag nemen. de wacht hebben. condoom conducteur. confisqueren jam. aanrijding conflict het hoofd bieden het hoofd bieden Kongo. dicht condoleantie. Congo congres vuurwater. voorwaarde. ach stortplaats bruidegom. conto compact.koncercie koncern koncern koncert koncert koncie kondensować mały kondolencje kondom konduktor konduktor kondycja koneksja konfederacja konfederacją konfenansjer konferansjer konferencja konferencja prasowa konferencją konfiskować konfiskował konfitura konflikcie konflikt konflikt sprzętowy konflikt związany z dzieleniem zasobów konfrontować konfrontował Kongo kongres koniak koniak koniczyna koniczyna biała koniczyną koniec koniec zapisu koniec zbioru danych konieczność konieczny konik polny koniunkcja koniunkcja (zob. combineren aangelegenheid. koniuszek koniuszy konkluzja konkretny concerto samenvoegen. ah. verbinding bondsstaat. confederatie bondsstaat. rouwbeklag kapotje. stalknecht conclusie. aanvaring. einde. moes. marmelade conflict conflict botsing. gevolgtrekking beton . bepaling samenhang.

konkretny konkretny konkretny konkubiną konkurencja konkurować konkurs konkurs konsekwencja konsekwencją konsekwencją konsekwentny konserwa konserwatysta konserwatywny konserwować konserwować konserwować (sprzęt) pielęgnować (oprogramowanie) opiekować się (projektem) konserwował konsol konsola konsola zdalna konsolą konsolą konsolidator konsonant konsorcjum konspiracja konspiratorstwa konspirować konspirował konsternacja konsternacja konsternacją konsternacją konstrukcje z kamienia konstruktor typu konstruować konstruowanie wspomagane komputerowo konstytucja konstytucją konstytucyjny konsul konsulacie konsulat afzonderlijk. constitutie grondwettelijk. inleggen behoudend. concours consequentie. klamp. onthutsen consternatie. samenspanning komplot. vakvereniging. medeklinker syndicaat. gevolg consequentie. samenzweren consternatie. troosten linker consonant. nietje vertroosten. gevolg consequentie. troosten vertroosten. bergen. conservatief vertogen. evolutie grondwet. gevolg consequent inmaken. betogen. argumenteren inmaken. onthutsen metselwerk aannemer. concurreren wedijver match. konfijten. bergen. haakje. inleggen behouden. ontstellen. ontsteltenis ontzetten. konfijten. bewaren haakjes vertroosten. ontsteltenis ontzetten. constitutioneel consul consulaat consulaat . aanleggen ontwikkeling. samenspanning samenspannen. wedijveren. samenzweren samenspannen. effectief specifiek. afgezonderd daadwerkelijk. troosten kramp. construeren. bewaren behouden. ontstellen. constitutie grondwet. soortelijk bijvrouw wedijver meedingen. conservatief behoudend. vakbond komplot. werkelijk. bouwondernemer bouwen. wedstrijd.

tuberculose consequentie. verbruiker consument. tuberculose longtering. verbruiken. contrasteren afsteken. matrijs nadenkend pot. keuring. krik contact hebben. gebruiker. koker rekening. contrabande bouwondernemer. contrabande smokkelwaar. consumeren longtering. contact hebben met gietvorm. verbruiken. consultatie consult. verbruiker slopen. doos. etui. foedraal. consultatie raadplegen. aannemer verbintenis. bestuurder damspel . bestuur onderzoek. matrix. contrasteren afsteken. foedraal. contract verbintenis. contrasteren checken. gevolg contact hebben. bewind. contact hebben met vijzel. gebruiker. etui. bak. doos. supervisor. controleur. controleren pariteit voorschrift reglement bedwingen. aflezen. controleren heerschappij. dommekracht.konsultacja konsultacją konsultować konsultował konsumencie konsument konsumować konsumował konsumpcja konsumpcją konsystencja kontakcie kontakt kontakt metal-półprzewodnik kontakt omowy kontekscie kontemplacyjny kontener kontener (złożona struktura danych realizowana jako klasa w programowaniu obiektowym) konto konto w banku kontrabanda kontrabandą kontrahencie kontrahent kontrakcie kontrakt kontralt kontrascie kontrast kontrast na poziomie szczegółów kontrastować kontrola kontrola kontrola jakości produkcji kontrola parzystości kontrola programowa kontrola programowana kontrola zapisu (atrybut pliku) kontrola zgodności typów kontrolą kontrolą kontroler kontroler kontroler kontrolerach consult. krik vijzel. beteugelen schouw. consulteren consument. tering. bestuur checken. tering. inspectie heerschappij. bewind. contrasteren afsteken. consulteren raadplegen. contract tweede alt afsteken. opzichter conducteur. koker pot. conto rekening. dommekracht. consumeren slopen. conto smokkelwaar. aflezen. bak. examen controleur. schouwing. aannemer bouwondernemer. betomen. opzichter supervisor.

uiteinde terminal kegel stortplaats afhandelen. kramp stuiptrekking. onderzoek heerschappij. werelddeel continent. voortzetting. polemiek controverse. werelddeel. beëindigen. bestuur controverse. vasteland eventueel. polemiek omlijning. plassertje. bewind. afwikkelen. gebeurlijk bestendiging. bestuur inspectie houden. eventueel finaal. accompagnement begeleiding. vervolg bestendiging. pennestrijd. gesprek begeleiding. uiteindelijk aanhechting uitgang. stuip. bewind. afdoen aantikken afmaken. beteugelen heerschappij. ros paardekracht paardekracht uiterste deel. vasteland continent. betomen. accompagnement stuiptrekking. gesprek onderhoud. uiteinde terminal uiterste deel. uiteinde gebeurlijk. werelddeel. pennestrijd. uiteinde aantikken piemel. gebeurlijk eventueel. voortzetting. vervolg aanhouden te werk gaan aanhouden te werk gaan congres congres congres onderhoud.kontrolny system komputerowy kontrolować kontrolować kontrolować poprawność kontrolowanie kontrowersja kontrowersją kontur kontynencie kontynent kontynent kontyngencie kontyngent kontynuacja kontynuacją kontynuować kontynuować kontynuował kontynuował konwenans konwenanse konwencją konwersacja konwersacja podstawowa konwojent konwój konwulsja konwulsją koń koń mechaniczny koń parowy końca końcowy końcowy test po montażu końcówce końcówce końcówce końcówka końcówka końcówka typu J końcówka typu J kończ kończyć (się) kończyć (się) kończyć koniec kończyć się kończyć się kończyć się examen. omtrek continent. kramp paard. keuring. einde. afsluiten aantikken uiterste deel. einde. inspecteren bedwingen. einde. vasteland. plasser . stuip.

afdruk verveelvoudigen. aantasten. bijten . multipliceren schoppen. envelop. het mijne de mijne. stekker. stopmiddel kurk prop. lidmaat samenwerken. stekker. enveloppe couvert. coördineren schoppen. meewerken bijeenschakelen. schors Korea Koreaans Koreaans kurk prop. afsluiten lid. stop. multipliceren exemplaar. afdruk verveelvoudigen. trappen de mijne. trappen koepel koepel koepel hoef boomschors. accumuleren Assepoester Kopenhagen couvert. beëindigen. envelop. opeenhopen. plug.kończyć się szpiczasto kończyna kooperował koordynować koordynował kopać kopalnia kopalnia węgla koparka kopą Kopciuszek Kopenhaga koperta koperta bezpieczeństwa koperta zabezpieczająca kopia kopia rezerwowa kopia zapasowa kopiować kopiować awaryjnie (zawartość pamięci) kopiować egzemplarz kopiować tablicę bitów kopiował kopnąć kopniak kopnięcie kopuła kopuła kopułą kopycie kora koralik Koran korą Korea Koreańczyk koreański korek korek korek uliczny korek uliczny korekta korepetytor korespondować korespondował korkociąg korkociąg korodować afmaken. opscheppen ophopen. onderwijzen corresponderen corresponderen kurketrekker spinnen corroderen. stopmiddel drukproef opvoeden. envelop. afdruk exemplaar. een backup maken van exemplaar. afdruk een backup maken. afdruk exemplaar. het mijne scheppen. trappen schoppen. enveloppe couvert. coördineren bijeenschakelen. plug. trappen schoppen. stop. schors kraal Koran boomschors. enveloppe exemplaar.

korf. dobbelsteen. rijstrook vaart. eetbak. wortel schieten aanwending. wortel schieten aanslaan. kroning bekronen. loods. gilde Corsica het hof maken. ruimtevaarder aan de grond lopen. kroning bekroning. huren. eetbak. beschuldiging onkosten. mand schuur. toegenegen. voordeel pré. kronen bekroning. kronen kant kant kant bekronen. trog. buit. prooi merel. scharrelen krib. corporatie. trog. blok klederdracht. vrijen. kronen vakvereniging. keet kazerne aanklacht. gracht krib. bak aanslaan. aanwinst. gunstig aftappen pré. overloop. nachtduivel. kanaal. drenkbak. kosten angstdroom. stranden enkel derde macht. slof. gewaad. gang. wijk. mand ben. costuum badpak enkel banshee ben. aanwerven acquest. correct. gieteling zeis zeis maaien astronaut. voordeel aannemen. kronen bekronen. barak. dracht. goed baan. drenkbak.korona korona (słoneczna) koronacja koronacją koroną koronce koronka koronka (na karcie dziurkowanej) koronować korporacja Korsyka kort korycie korygować korytarz korytko koryto korzeń korzeń palowy korzystać korzystny korzyści) korzyść korzyść korzyść korzyść kos kosa kosą kosić kosmonauta kosmyk kostce kostce kostium kostium kąpielowy kostka kostuchą kosz kosz na śmieci koszary koszary koszcie koszcie koszmar koszmarny koszmarny koszt bekronen. incubus afgrijselijk nachtmerrieachtig kosten . bak juist. toepassing goedgezind. slof. korf.

scherm. kosten vertering. rib ribstuk. vel. aanbeeld smid. geestelijk kerk bedehuis. duur. waard overhemd overhemd nachtjapon nachthemd overhemd ben. bok Steenbok Steenbok geitenmelker. pels. been fijnhakken ivoorkleurig. waarderen. uitgaaf schatten. besteding. geit. kostbaar kostbaar. bot. dal anker anker anker aambeeld. huid. doek katje kut. karbonade.koszt koszt własny kosztach kosztorys kosztowny kosztowny koszula koszula (męska) koszula nocna koszula nocna (męska) koszulą koszyk koszykówce koszykówka koś kości do gry kościelny kościelny kościół kościół kość kość kość słoniowa kość szczękowa kot kotara kotek kotek kotlecie kotlecie kotlet kotlina kotwica kotwica (telegraficzna) kotwiczenie kowadełko kowadła kowadło kowal kowboj koza Koziorożec Koziorożec (gwiazdozbiór) kozodój koźla skóra koźlę kożuch kółka onkosten. vulva fijnhakken ribstuk. cilinder . kaak kattekop overgordijn. aanbeeld aambeeld. kerkgebouw schonk. karbonade. kerk. dierbaar. kotelet. kotelet. korf. lief. gordijn. begroten. mand basketball basketball maaien fijnhakken kerk kerkelijk. rib vallei. taxeren waardevol. knok. slof. nachtzwaluw een geintje maken een geintje maken dierevel. aanbeeld aambeeld. vacht rol. ivoren kakement. kosten onkosten. ijzersmid cowboy sik.

hek. cirkel spoel. extreem. grammofoonplaat. honen aanfluiting aanfluiting krab geknars. uithouwen landschap landschap binnenlands. roulatie circuleren. inheems. rederijkerskunst achteroverdrukken. omgeving. kadet omloop. regio platteland. spotten. plaat broodje. circulatie. omgorden plagen bespotten. rondgaan duivelskunstenaar. verdonkeremanen sluipen open haard. streek. ergst. stropdas stropdas. landen gewest. riool kleren maken kleren maken kring. tovenaar . discus. rooster das. open veld beeldhouwen. aangeboren krassen ongeluk. aardmannetje retoriek. bol. das cloaca. haard. ergst. bovenmatig allemachtig uiterst. tapkraan aanboren uiterst. ontvreemding aan land gaan. kadetje. in omloop zijn.kółko samonastawne (takie kpi kpiarz kpić kpienie kpiną kpiny krab kracie kracz kradzież krainą krainą kraj krajać krajobraz krajobraz krajowy krajowy krakać kraksą kran kran kraniec krańcowo krańcowy krasnoludek krasomówstwo kraść kraść krata kratce krawat krawat krawca krawiec krawiec męski krąg krąg Krąg krąg cewka krążek krążek krążenie krążyć krążyć krążyć (po wodzie) kreator Castor gorden. gebied. ongeval kraan. honen bespotten. klos. klos. inlands ingeboren. bolletje. aangespen. bobine schijf. uithakken. accident. bovenmatig gnoom. rondgaan kruisen (van schip). in omloop zijn. gekras krassen diefstal. aangorden. extreem. gebied spoel. afrastering. tap. kruisen circuleren. sfeer. spotten. bobine kloot. zinkput. haardstede traliehek.

treden. stappen. treden. stappen. strelen. piek. top. omgang. uithouwen treden. treden. crematie. hengelsnoer aanhalen. stip. verassen beperken. verband verwant. oog . liefkozen. punt. krediet. spits logeren punt. crematie. spits punt. krediet. beknotten vislijn. lopen lopen. spin. stip. plak. schrijden. spikkel. schrijden lopen. tijdvak neus. conto creditzijde. filet moot. schrijden krokodillen krokus moot. kroniekschrijver neus. ruggegraat schrijden beeldhouwen. top. tip. sim. snede. schijf. credit creditzijde. oog periode. tip. spikkel. aaien afkraken hok mol Kreta bloed garnaal garnaal betrekking. piek. schijf. spikkel. plak. stip. stappen. punt. schrijden lopen. begrenzen. familielid bowling wervelkolom. verassing cremeren. tegoed. credit vla vla lijkverbranding. snoer. oog punt. tegoed.kreatura krecie kreda kredą kredens kredens kredyt kredyt kredyt wyraz uznania krem krem do golenia kremacja kremacją kremować (spalać martwe ciało) kres kresce kreska kreska ukośna kreślak kret Kreta krew krewetce krewetka krewny krewny kręgle kręgosłup krocz kroi krok krok krok iteracji krok w bok krokodyl krokus kromce kromka kronice kronika kronikarz kropce kropce kropka kropka kropka dziesiętna kropka pozycyjna kropka znak interpunkcyjny wezen mol krijt krijt kast kast rekening. stappen. verassing lijkverbranding. snede. uithakken. filet kroniek kroniek chroniqueur.

koninklijk vorstelijk. kriek Krim . bijziend kippig. oog druppel. croquant knapperig. jonkvrouw kortstondig. schaars krekel. dam. bijziend strottehoofd knapperig. i w przen. broodkruimel bloed aftappen. waterdruppel druipen. pukkel puistje. kortzichtig. afgetrokken kippig. blozend moordziek. waterdruppel druppel. bloedend rood. draaischijf weefgetouw puistje. spikkel. broek kort abstract. stip. druppelen draaibank. jonkvrouw. waterdruppel druppel. majestueus vorstelijk.) krtań kruchy kruchy krucyfiks kruczy kruk kruszyć kruszyć się krwawić krwawy krwawy krwiożerczy krwisty krykiet Krym punt. broodkruimel kruimel. kort slip. croquant crucifix. slipje kort korte broek. jonkvrouw bestuur. patroon dam. aderlaten bloedig.kropkować kropla kropla w morzu kroplą kroplówka krosno krosno krosta kroście krowa krową krój król królestwa królestwo królestwo królewski królewski królewski króliczek królik królik królowa królować królową krótki krótki krótki krótki krótki opis programu krótkie streszczenie krótkowzroczny krótkowzroczny (dosł. kruisbeeld raaf raaf kruimel. ongemeen. droppelen. vrouw. kortzichtig. lady. staat plechtstatig. moordlustig zeldzaam. kniebroek. dam. vrouw koninkrijk koninkrijk rijk. vrouw. pukkel koe koe knippatroon. bewind lady. statig. koninklijk konijntje konijntje konijn lady. heerschappij.

aftands ombuigen. schreeuwen. kritiseren. verkeerd nadelig kwetsen. keisteen robuust. bocht. roepen. zwembad beoordeling. bestelwagen zweminrichting. aanmerking beoordelen. jus kiezelsteen. curve blessure. letsel toebrengen blessure. curve kromme. potig. lawaaierig snibbig.kryminalny krynolina kryształ kryształ o sieci regularnej płaskocentrycznej kryształowy kryta ciężarówka kryty basen krytycyzm krytyczny krytyka krytykować kryzys krzaczaaste (brwi) krzak krzak krzcie krzem na szafirze (struktura) krzemień krzepki krzesło krzesło krzesło bujane krzesło bujanes lub wyłącznik biegunowy krześle krzew krzewy) krzyczeć krzyk krzykliwy krzykliwy krzywa zdyskretyzowana krzywą krzywda krzywdą krzywdą krzywdą krzywdzenie krzywdzić krzywiczny krzywić krzyż krzyżak krzyżować krzyżować się kserografia kserograficzny ksiądz misdadig. ruig. kiezel. foutief. wond. wond. crimineel rok. schreeuwen. roepen. snood. gammel. over elkaar slaan fotokopie xerografisch pastoor. vrouwenrok kristalhelder. kristallen bestelauto. sop. ferm zorgenstoel. aanmerking kritiek. kristallen kristalhelder. kritiek. heester snoeien gieren. joelen luidruchtig. hecht. ruigharig heester. kritiek. geestelijke. hachelijk beoordeling. struik struik. over elkaar slaan frustreren kruisen. armstoel stoel stoel struik. over elkaar slaan kruisen. armstoel stoel zorgenstoel. kwetsuur. pastor . letsel toebrengen bouwvallig. heester afkeuren saus. rumoerig. joelen gieren. buigen. verwonding kwetsen. bits kromme. bocht. kristallen kristalhelder. kwetsuur. doorbuigen kruisen. keuren crisis harig. verwonding onjuist. fors.

welke. welke. een of andere. prinses maan maan-. een of ander een of ander. lunair dresseren. enig. operatekst chequeboekje hertog prins. aangaan hetwelk. welk hetwelk. boekhouden boekhoudkundige. een of andere. welke. tegen. aangaan formeren. dat. kweken. dat. een of ander een of ander. aangaan vormen. ingenaaid boek. die. welk. die. voor. grootbrengen instrueren formeren. welke. brochure boek paperback. enig aanwezige hetwelk. die ouderloos aan. wie. vorst boekje. die een of ander. wie. accountant boekerij. naar noorden noorden . bij. ingenaaid boek. brochure boek aangeven boekwinkel. vorst boek adresboek adresboek paperback. accountant accountancy boekhouding. een of andere. een of andere enig. tot. bibliotheek koningsdochter. dat. aangaan formeren. wie. lunair maan-. enig. een of andere een of ander. een of andere. boekenwinkel boekhandelaar boekhoudkundige. welk hetwelk. welk. wie. vormen. libretto. formeren. vormen. prinses koningsdochter.książce książe książeczka książeczka czekowa książę książę książka książka adresowa książka kucharska książka telefoniczna książka w papierowej okładce książka w papierowej okładce książkowy księga księgarnia księgarz księgowego księgowość księgowość księgowy księgozbiór księżna księżniczka księżyc księżycowy księżycowy lunatic kształcić kształcić kształt kształt czcionki kształt znaku w czcionce kształtować kto kto ma lekki sen kto zajął drugie miejsce ktokolwiek ktoś ktoś ktoś ktoś zajmujący (miejsce które który który zajmuje się głównie lub wyłącznie podkowami i podkuwaniem koni) których użytkownik uległ awarii ku ku pamięci ku pamięci boek prins. vormen. enig enig. dat.

koopman koop. inkoop. hurken ronde kogel hagelkorrel. opeenhopen kunst aankopen boel. beschaven cultuur. kornuit accumuleren. koper. hagelsteen cultus. kop kan. aankoop koop. koopman neringdoende. makker. oven keuken. bouw bebouwen. maïs kruk kloot. omgeving. kookgelegenheid pony borst. eredienst. beschaving. eelt. aanbidding cultus. kameraad. in elkaar duiken in elkaar duiken. inkoop. klant zakenman. bewerken. eelt. sfeer. boezem jongleur marionet koekoek eksteroog. kookgelegenheid keuken. handelaar. gebied mank. kreupel. teelt. hinkend kruk hurken. verering beschaving. massa zakenman. drom. teelt. verering adoratie. winkelier afnemer. menigte. ophopen. handelaar. aankoop . likdoorn mais. kruik hurken. likdoorn mais. in elkaar duiken in elkaar duiken. geleerd cultuur. beschaving. kweken paren maat. eredienst. hurken koken kachel. bol. bouw ontwikkeld. maïs eksteroog.ku wschodowi Kuba kubek kubek kuca kucanie kucharz kuchence kuchni kuchnia kucyk kufer kuglarz kukiełka kukułka kukurydza kukurydza kukurydzą kukurydzą kula kula armatnia kulawy kulą kulić się kulić się kulisty kulka punktor kulka gradu kult kult kultowy kultura kultura kulturalny kulturą kultywował kumpel kumpel kumulować kunszt kup kupą kupca kupca kupiec kupiec kupna kupno verzenden Cuba kopje. hoop.

scherm. charlatan. buis overgordijn. kip kippevlees. bekoren lekker. rondgaan jasje. coupon bon. voucher. klas cursor cursor circuleren. verleiding verleiden. kip ineenkrimpen. zieke galmen. cursus. verlokken. cureren kuur. inkoop. verlokken. ineenkronkelen kraan. bode. gordijn. graad stand. tap. kaartje. aankoop aankopen kippevlees. wijk. aanlokkelijk aanvechting. gordijn. scherm. doek naaien. stadswijk vierkant bedrieger. kip behandelen. buis jasje. colbert. doek overgordijn. kwalificatie . aflopen. kwakzalver bedrieger. kleppen. koers titel. beieren kippevlees. tapkraan haan afgezant. klasse. kwakzalver Quakerbevoegdheid. leergang. weglokken in verzoeking brengen. voucher. onderschrift. charlatan. neuken stof drijfzand stof verleiden. kop. bekoren nicht smeden vierkant buurt. temptatie. route. kip kippevlees. in omloop zijn.kupon kupon (np. colbert. coupon aankopen koop. kaartje. premiowy) kupować kupować kupuwać kura kuracja kuracja kuracjusz kurancie kurą kurczak kurczę kurczyć się kurek kurek zamykający kurier kuropatwa kuropatwą kurs kurs kurs waluty kursor kursor wyboru kursować kurtka kurtka dwurzędowa kurtyna kurtyną kurwa kurz kurzawą kurzyć kusić kusić kuszący kuszenie kuś kuś kuzyn kuźnia kwadracie kwadrans kwadrat kwakać kwakanie kwakier kwalifikacja bon. behandeling patiënt. weglokken in verzoeking brengen. gezant patrijs patrijs tracé.

prostituée genoeglijk. lakken zeehond. klamp. lichtekooi.kwalifikacją kwartał kwartał kwas kwas o wysokim stężeniu kwaskowaty kwaśny kwaśny kwatera główna kwatery kwestia kwestia kwiat kwiat kwiat kwiat z rodziny compositae kwiecie kwiecień kwit kwitnący kwitnąć kwitnąć kwitnąć kwitować kwocie kwocie kwota kwota kwota jednopensowa l. kustmeer lagune. vakterm zuur zuur sluw zuur zuur hoofdkwartier buurt. kwalificatie buurt. wijk. summa tal. aantal. klamp. totaal. wijk. behaaglijk. aangenaam lagune. bedrag. kustmeer leek. ding.mnoga nawias okrągły l. april voor voldaan tekenen. lakken verlakken. haakje laboratorium sauzen. navraag bloem bloesem bloem bloem bloesem grasmaand. lakken verlakken. affaire. bedrag. mn. haakje kramp. niet-ingewijde schoensmeer. stadswijk aangelegenheid. vraag. totaal. penny cactus kramp. nietje. fanfare voor voldaan tekenen. getal somma. stortregenen afranselen opspatten. getal somma. gieten.mnoga parentheses nawias okrągły laboratorium lać lać lać się ladacznicą ladny laguna laguną laik lak lakier lakier (bezbarwny) lakier bezbarwny lakować lalą lalka bevoegdheid. zaak kwestie. rob tonnetje. summa stuiver. zeerob. nietje. schoencrème verlakken. stuiven hoer. verspuiten. kwiteren tal. som. som. pop . aantal. bloeiend bloem bloesem fanfarekorps. stadswijk term. kwiteren fleurig. pop tonnetje. <cactuses> lub <cacti>) kaktus l.

doch kuur. bevorderen terugvallen herrie.lament lamentować lamentować lamentował lampa lampa elektronowa lampa elektronowa zawór lamparcie lampart lampą lampka lansować lapsus larum larwa las laska laska laska lata latać latać przed oczami latać przed oczami latarce latarka latarni latarnia latarnia morska latarnik lateks latka lato latorośl latorośl latryna laur lawa lawina lawiną lawirować ląd lądować lądowanie lądowanie (samolotu) lecieć leckja lecz leczenie weeklagen. kroost. lawaai larve woud. zaad latrine laurier. landing daling. steen en been klagen lamp schuif. behandeling . steen en been klagen rouwen weeklagen. vuurmaker latex jaar zomer wijnstok. steen en been klagen weeklagen. wingerd nakomelingschap. ophef. klep schuif. lauwer lavalawine lawine circulerend. panter luipaard. leven. drijven fakkel. panter lamp lamp promoveren. bos belemmeren. afsluiten. flambouw fakkel. vuurbaak aansteker. toorts. stok suikerriet zomer aanvliegen aanvliegen zwemmen. flambouw lantaarn lantaarn vuurtoren. landen daling. landing aanvliegen les maar. afdammen staf. klep luipaard. lichttoren. toorts. in omloop aan land gaan. landen aan land gaan. rumoer.

genezen. kwalijk. medicinaal. amper amper. nauwelijks. certificeren wettig. helen behandelen. geneeskundig dope.lecznica leczniczy leczyć leczyć leczyć leczyć ledwie ledwie ledwo ledwo legalizować legalny legenda legendarny legendą legią legion legislacją legitymować legumina lej lejek lek lek lekarski lekarstwa lekarstwo lekarstwo lekarz lekarz lekceważenie lekcja lekcją lekki lekkoatleta lekkoatletyka lekkostrawny leksykon automatyczny leksykon zautomatyzowany lemoniada lemoniadą len lenistwa lenistwo lenistwo leniwiec leniwy leniwy kliniek helend. gewettigd. nalatigheid les les aansteken. luiaard ai. kwalijk. kruid dope. luiaard lui lui . helen doctor medicus. helen beter maken. cureren genezen. nauwelijks. geneesheer nonchalance. medicinaal. kruid medicijn. nauwelijks getuigen. drug. geneesmiddel helend. kwalijk amper. drogerij. legaal legende. kruid beter maken. drogerij. drogerij. doen ontbranden. beter maken. wettelijk. dokter. genezen. nauwelijks amper. drug. artsenij. vereenzelvigen spel trechter trechter dope. volksoverlevering legioen legioen recht identificeren. geneeskundig behandelen. cureren kwalijk. drug. volksoverlevering legendarisch legende. doen ontbranden. aanmaken atleet sport aansteken. aanmaken glossarium glossarium limonade limonade vlas luiheid luiheid ai. arts.

metrum. Libanon liberaal. mijn. afslag. vendu. lauw zoel. tegengesteld vijzel. meetellen meer meter. veilingmeester auctie. getal. lauw leeuw omgekeerd. veiling vendumeester. ah proportioneel. aantal. afslag. vrijzinnig het hoofd bieden vergunning. getal. leenman leengoed. getal. geheel majoor och. evenredig tal. Turkse staatsraad. betamen. overvloed in aanmerking komen. oh. getal aantal. horen. berekenen . tal nummer. tal heel.lennik lenno lepiej lepik lepki lepszy lepszy (zobacz <good>) leszcz leśny letarg letni letni lekko ciepły lew lewa strona lewarek lewy lewy ukośnik leżakowanie leżance leżeć lękać się Liban liberalny liberał lica licencja lichtarz licował licytacja licytator licytować liczba liczba liczba całkowita liczba dziesiętna zmiennopozycyjna liczba poza zakresem liczba rzeczywista liczba zmiennoprzecinkowa liczba zmiennoprzecinkowa liczba zwojów liczbowy liczebnik liczebnik liczebność liczenie liczniejszy (zobacz <many>) licznik liczyć vazal. licentie kandelaar. blaker behoren. lethargie zoel. superieur beter bramsem hout doffe onverschilligheid. passen auctie. cijfer onbekrompenheid. cijferen aantal. ach. versmaat calculeren. krik linker-. vrijzinnig liberaal. links kruiden divan. getal rekenen. leen beter teren vochtig opperste. rekenen. dommekracht. prevalent. rustbank liggen kwartel Libanongebergte. vendu. links linker-. aantal. tal nummer. averechts. veiling tal. mijn. afslager. cijfer aantal.

begrenzen. snoer. beknotten beperken. meester worden aanslag liniaal linker kabel. liga. liquideren. sim. linoleum kalk kalk juli. abacus gebieder. tal aantal. beknotten beperken. sim. verbond likeur alcohol. sim. opheffen afvoeren.liczyć liczyć liczyć liczyć (<on sb> na kogoś) liczyć na liczyć na liczydło lider lidze liga likier likier likwidować likwidować (się) likwidować się lilia lilią liman limicie limit limit czasu odpowiedzi limit liczby sesji lina holownicza lina holownicza lingwista lingwistyczny linia linia autowa linia łącze linia programu liniał linijka linijka (do rysowania) linijka z podziałką linijka z tabulatorami link editor linka linka/lina holownicza linoleum lipa lipą lipca lipiec liryczny lis Lisp list list polecający list przewozowy meten. hooimaand tekst vos lispelen zendbrief. getal. liquideren. begrenzen. brief geloofsbrief zendbrief. alcoholische drank afwikkelen. begrenzen. koord. beknotten vislijn. meetellen telraam. snoer. taalgeleerde taal-. inham. begrenzen. hengelsnoer lijntje. berekenen in aanmerking komen. lijn taalkundige. aanvoerder. taalkundig vislijn. liga. chef. hengelsnoer liniaal liniaal onder de knie krijgen. epistel. verbond bond. hengelsnoer hobby vislijn. snoer. getal. snoer. baas bond. kreek beperken. opheffen afwikkelen. drank. epistel. berekenen in aanmerking komen. uitschakelen lelie lelie baai. tros trekken vloerzeil. koorde. elimineren. linguïst. tal meten. beknotten beperken. meetellen aantal. brief . hooimaand juli.

litterair. ingenaaid boek postbeambte. letterkunde litteratuur. letterlijk woordelijk. litterair. brief uitlisten. slachtmaand november. epistel. literair spellen spellen woordelijk. ijs. literair woordelijk. litterair. literatuur. brief zendbrief. gebladerte. brievenbesteller november. een lijst maken vel. literair litteratuur.list uwierzytelniający lista lista lista związana listek listek listonosz listonosz listopad listopadowy listowia listwa liszaj liść litania litanią litera litera z literacki literal literał literał boole'owski literatura literatura literaturą literaturoznawstwo literować literować znaczyć literowy litość litr liturgia Litwa litwin lizać Lizbona liż lniany locie loczek loczek lodowaty lodowca lodowiec lodówka lody logice logiczny zendbrief. paperback. slachtmaand loof. vliegtocht krullen slot ijzig. letterlijk woordelijk. literatuur. blad litanie litanie zendbrief. postbode postbode. epistel. brief letterkundig. letterlijk letterkundig. epistel. iets betreurenswaardigs liter liturgie Litouwen Litouws likken Lissabon likken linnen vlucht. letterlijk schade. consumptie-ijs. letterkunde letterkundig. bladertooi lat herpes vel. koelcel ijsco. ijskoud. blad brochure. een lijst maken aangeven uitlisten. ijsje logica logisch . ijsgletsjer gletsjer koelkast.

ijsco. lokaal. wezenlijk getrouw. consumptie-ijs glanzend. aviatiek. perceel toevallig.logika logika formalna logika matematyczna logika ujemna logika większościowa lojalnie lojalny lok lokacją lokal lokalizacja lokalizować lokalny lokalny obszar danych lokator lokator lokomotywa lokomotywa lokomotywą lokować Londyn lord lord lord (jako tytuł) lornetka los los losowy losowy dowolny losowy dowolny lot lot loteria loterią lotne piaski lotnia lotnictwa lotnictwo lotnik lotnik lotnik lotniska lotnisko lotnisko lotos loża (teatr. lokaliteit. bestemming. trouw. vliegenier strooibiljet binnenbrengen. plaatsen Londen graaf lord lord kijker. plaatsen plaatselijk. toevallig toevallig. lot kavel. lokaal aanwezige huurder locomotief motorisch motorisch situeren. verloting loterij. loyaal. aviateur. lokaliteit. loodsen vliegveld. leggen. luchvaart vliegwezen. lokaal plaatselijk. vlieghaven vliegveld. oord. lumineus. verloting drijfzand hang-glider vliegwezen. trouwhartig krullen plaats. luchvaart vlieger. incidenteel vlucht. ruimte situeren. plek plaats. binocle. aviatiek. ruimte plaats. oord. rolklaver boksen ijsje. incidenteel incidenteel. leggen. briljant .) lód lśniący logica logica logica logica logica werkelijk. ijs. toneelkijker lotsbestemming. vlieghaven luchthaven lotus. vliegtocht vlieg loterij. oord.

februari uitvoeren. blank glacé suiker Luxemburg weeldeartikel. voorspelen losjes mul. lor. grauw of of of hoe. volk. tod. lui. soldeersel sprokkelmaand. telescoop. krenken. als. mensheid ton. oningevuld. veelgeliefd lieden. soldeersel soldeer. affronteren zwaan vodje. gaping soldeer.lub lub LUB wykluczające LUB wyłączające lubić lubić słodycze luce lucie lucyfer lud lud ludność ludowy ludowy ludzie ludzki ludzki ludzkość lufa luka luka luka w świadomości lukier lukier syntaktyczny Luksemburg luksus luksusowy luksusowy lunch lunecie lusterka lustro lut lut srebrowy lutego lutni lutnia lutować lutować lut lutowie luty luz luźno luźny luźny kawałek lżyć łabędź łach grijs. februari luit luit soldeer. blanco. getapt. mensen menselijk menselijk. een bres slaan in loos. verrekijker afspiegelen afspiegelen soldeer. lap. ledig. volk. soldeersel soldeer. voor. soldeersel Lucifer volk lieden. spelen. fust een bres slaan. bij wijze van. luxueus twaalfuurtje. als. rul mul. vat. soldeersel soldeer. tot opening. lunch sterrenkijker. vod. hol wit. bij wijze van. leeg. weelderig weelderig. bres. flard . lens. lui. soldeersel sprokkelmaand. humaan mensdom. luxeartikel luxueus. lomp. mensen bevolking volk populair. tot hoe. rul beledigen. voor.

commanderen. lor. belust. lap. behalen. nietje poot. beschuldiging zachtjes. raadsel breekbaar. gotisch lettertype barst puzzel. malsheid. flard Latijns Latijns aanvoeren. zachtaardig zoet. klamp.łachman łacina łaciński ład ładny ładny ładować ładować ładować (system) ładować do pamięci pobieranie ładować szuflą ładunek ładunek łagodnie łagodność łagodność łagodność łagodność łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny (klimat) łagodzić łagodzić łagodź łajdak łakomy łamać łamać (się) łamać zabezpieczania (w szczególności usuwać blokady przed nielegalnym użyciem programu) łamigłówka łamliwy łania łańcuch łańcuch znaków łańcuch znaków mieszanych łańcuch znaków mieszanych Łapa łapa łapać łapą łapówce vodje. zachtmoedig. zachtaardigheid zachtheid. aangaan poot. liefelijk vriendelijk. keten ketting. aanflitsen. malsheid. onderbeen. buit maken scheppen. beschuldiging laden verkrijgen. voorkomend goedertieren. sierlijk vriendelijk. gretig afbreken breuk. weekheid zacht. aardig laars aanklacht. voorkomend verdunnen. bevallig. mild. ellendeling. schavuit. snaar haakje. verbasteren. lankmoedig zachtheid. bevelen genoeglijk. onderbeen. beminnelijk. broos achterste ketting. stemband. weekheid liefelijk. zoet. stalen omleggen. ploert begerig. vod. lading aanklacht. zachtaardigheid zachtheid. been bederven. been aanfloepen. verzwakken harden. overschakelen boef. keten ketting. lomp. carga. zacht gracieus. omkopen . temperen. tod. behaaglijk. zacht. opscheppen goederen. omschakelen. keten koorde. aangenaam vriendelijk. voorzichtig zachtaardigheid mildheid. schappelijk. mildheid. happig.

volgzaamheid. sim. vlot. makkelijk handelbaar. marter gunst. hengelsnoer trekharmonika. wellen samen. inschikkelijk licht. badplaats badhuis. verbinding samenhang. ingezet stuk bries. genadigheid. zetten monteren. gedweeheid lichtgelovig licht. ingezet stuk lap. badkamer. bijeen. beemd. marter wezel. badkamer. snoer. allicht met gemak. verbasteren. omkopen wezel. zitbank jury bank. vlot. weiland. zetten lassen. makkelijk dok bank. begunstiging sierlijkheid Gratie kriebelen. wei samenhang. ineen bewerker vislijn. zitbank lezenaar. verleden. verbinding monteren. allicht brandbaar meegaandheid. zitbank bank bank. lapwerk. ingezet stuk lap. accordeon communiqué communiqué inclusief aansluiting . tezamen. verbinding monteren.łapówka łasica łasicą łaska łaska łaska łaskotać łaszt łaszt łata łatać łatka łatwizna łatwo łatwo wpadający w złość łatwopalny łatwość użytkowania łatwowierny łatwy łatwy łatwy do zagrania ława oskarżonych ława przysięgłych ława przysięgłych ławą ławica ławka ławka szkolna łazience łazienka łaźnia łące łącze łącze łącze ATM łącze odbiorcze łącze typu "backhaul" łącze wsteczne łączenie w pary skręcanie wiązek parowych (przewodów) łącznie łącznik łącznik łącznik obwodów drukowanych łączność transmisja łączność zdalna łączny łączówka bederven. weide. voorafgaand blijvend. lapwerk. kietelen voorgaand. lessenaar badhuis. zetten samenhang. trilgras met gemak. badplaats bad. aanhoudend lap. badkuip grasland. lapwerk.

wellen bijeenbrengen. toetreden lassen. verbinden. hefboom. kabbelen. leiden kriebelen. stam schrijden opslaan boomstam. lemmer. echtelieden wijzerplaat zich aansluiten. borst baarmoeder baarmoeder klotsen. kietelen liggen snikken schrijden boomstam. graven kling. verbinden. wei geleiden. aan elkaar vastmaken echtpaar. verbinden. aansluiten samenvoegen. mixen. verbinden. lid worden. combineren zich aansluiten. toetreden aansluiting monteren. lemmer. stoot. prik scheppen. weiland. temperen. spitten. spaak boezem. steek. mengen samenvoegen. afranselen zalm eland eland Lets . combineren vermengen. kletteren. combineren verbinden. plassen. weide. zetten samenvoegen. lemmet afdrogen. stam elleboog elleboog koevoet. beemd. schoppen. de weg wijzen. opscheppen woelen.łączówka łącznik łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć konsolidować łączyć (się) łączyć n wiązanie łączyć się łączyć się łączyć zestawiać układać (arkusze książki) kolacjonować (porównywać teksty) sortować (wydrukowane kartki) łączyć złączyć scalić mieszać łądować łąka łeb łechtać łgać łkać łodydze łodydze łodyga łodyga łodyga trzon rdzeń łokcia łokieć łom łona łona łono łono (osoby siedzącej) łopacie łopat łopata łopata łopatka (wirnika łopatka kość łopatka wirnika łoskot łosoś łoś łoś amerykański łotewski aansluiting zich aaneensluiten. combineren laden grasland. opscheppen pek. lid worden. lemmet schouderblad kling. klapperen scheppen. aaneenvoegen samenvoegen.

bed. inslikken slikken. beetkrijgen barst splinter roos schil. casco lei schil. aangaan hoek vissen perk. smeer. toog boog.) łożysko kulkowe łódka łódź łódź żaglowa łój łóżka łóżko łóżko łóżko piętrowe łudzić się łuk łuk łuk termoelektronowy łup łup łupać łupać (np. bed. reuzel. aanflitsen.łotr Łotwa Łotysz łowić łowić na wędkę łowić ryby łożko łożyska łożysko łożysko (techn. tuinbed. schuit boot. schuit talg. borrel resorberen. boog boog. kogel. schaal schild. kaalhoofdig pollepel theelepeltje theelepeltje theelepeltje pollepel schoenlepel. bed. casco schillen. schoelje. hap aperitief. tuinbed. schors. opslorpen. rugschild. doorslikken. doorslikken. tuinbed. bodem. schuit boot. bloemperk kinderbed perk. inslikken kaal. toog buit beetnemen. jassen kalf mondvol. kaarsvet. ploert. schoenhoorn . pakken. bloemperk nageboorte perk. schaal scheepsromp. illusies wekken bij toog. bloemperk begoochelen. bloemperk lager kloot. dop. romp. orzechy) łupież łupina orzecha łupiną łupki łusce łuska łuskać łuskać łydka łyk łyk łyk łyk łykać łysy łyżce łyżeczce łyżeczka łyżeczka do herbaty łyżka łyżka do butów rotzak. slurpen slikken. romp. tuinbed. schaal scheepsromp. bed. bol boot. dop. loeder Letland Lets aanfloepen. bodem. talk ledikant perk. schors. afpellen.

kardoes toverkunst. matrix. hebbelijkheid baarmoeder gietvorm. zelfwerkend. substantie statigheid.łyżwa łza łza mach machać machinalny machlojce macica macierz macierz matryca macierzysty maciorą macka macocha Madonna madonną Madryt magazyn magazyn kolorów magazyn kolumn magazyn pocztowy magazyn wiadomości magazynek magia magia magiczny magiczny magik magister magistrala magistrala szybka magistrala szybka magnes magnesować magnetofon magnetyczny magnetyzm mahomatanin mahometański maj maj majaczyć majątek majątek majestacie majestat majestatycznie iść majestatyczny schaats. voelhoorn. ra stiefmoeder Madonna Madonna Madrid pakhuis. meester worden verbinding. magie magisch. moslim mohammedaan. krant pakhuis. magie magisch. moeder uitzaaien antenne. islamiet. verkeersweg magneet magnetiseren magnetofoon. statig. oprit plechtstatig. warenhuis opslaan blad. magazijn. verhevenheid oprijlaan. verhevenheid statigheid. landgoed. moslim mogen bloeimaand. goedje. matrijs ouder. bandrecorder magnetisch magnetisme mohammedaan. automatisch aanwensel. warenhuis winkel patroon. toverachtig goochelaar onder de knie krijgen. bezitting spul. stof. matrijs gietvorm. matrix. wuiven. mei krankzinnig zijn goed. spriet. zwaaien werktuiglijk. doorscheuren gescheurd mach gebaren. magazijn. boerderij. combinatie autobus grote weg. toverachtig toverkunst. islamiet. majestueus . glijmiddel vaneenscheuren.

major majówce majstrować majtek majtki majtki (damskie) mak makabra makabryczny makabryczny makaron makiecie makieta makijaż makler makler giełdowy makrela maksimum maksymalna szybkość maksymalny maksymalny maksymą malał malał malaria malaria malaria malarstwa malarstwo malarz maleć maleć maleńki malina maliną malować malował malowidło malowniczy Malta Maltańczyk maltański maltretować mało mało tego mało znany mało znany małpa majoor uitstapje. schilderen schildering. doek. afnemen propperig. kleuren. maximaal spits. zinspreuk. schilderij schilder. verminderen koorts oerwoud. minuscuul. doek. blanketsel. afnemen inkorten. niet weinig obscuur. spreuk verminderen. doek. dommekracht. verlagen verminderen. verver. tip. jungle. klein. neus. trip. schilderij schilderachtig. donker aap . excursie. piek sententie. schilderen verven. toer pottenbakker vijzel. afschuwelijk macaroni modelleren modelleren schmink. eng eng. schilderij schildering. geen. nee. top. punt. pittoresque Malta Maltezer Maltezer gescheld weinig neen. rimboe malaria schildering. tocht. kleuren. huisschilder afdraaien. griezelig ijselijk. krik onderbroek onderbroek papaver griezelig. make-up makelaar makelaar makreel maximum-. onbekend. minuskuul framboos framboos verven. maximaal snelheidsgrens maximum-.

paraderen. ma. man. man eega. vrouw gemaal. hengsel. brommen. rangeren manoeuvreren. kaartje rangeren. bewijs pralen. min. klein. dicht mossel huwelijk. luttel. ichneumon. karig. door het water plassen kattekop oor. lastbrief biljet. echtgenoot erop nahouden. mam mammie. mandaat. lastbrief mandarijn (vrucht) volmacht. mompelen. wijze. mompelen. gemalin. vertoning. eega. echtverbintenis huwelijk. mamma. manoeuvreren manoeuvreren. manoeuvreren manoeuvreren. karig compact. hebben mummie morren. brommen. rangeren mungo. kruk. manier trant. echtgenoot. plaatsbewijs. gering. wijze. mompelen. schoffelen min. manifesteren peddelen. hanteren . prijken. manipuleren. echt. mangoest obsessie manicuren trant. vertonen laten blijken. rangeren rangeren. eega. luttel. karig wieden. klink omgaan met. ma. luttel. echtverbintenis echtgenote. mamma mummie volmacht. mummelen morren. mandaat. brommen. min gering. pronken demonstreren. handvat. echtgenote. echt. mummelen morren. klein min. mam. klein. gering.małpa małpa bezogonowa małpa człekokształtna małpa człekokształtna małpą małpi mały mały mały mały mały sygnał małych rozmiarów zbity małż małżeństwa małżeństwo małżonce małżonek małżonek mam mamą mamrocz mamrotać mamrotanie mamusia mamusia mamusia mandacie mandarynka mandat mandat manewr manewr manewrować manewrować manewrował mangusta mania manicure maniera manierą manifestacja manifestacja (uczuć) manifestować manifestować manipulator drążkowy manipulator kulowy manipulować manipulować aap aap aap aap aap aapachtig minder. mummelen mammie. manier demonstratie.

wortel peen. bedoeling. opmaken.manipulował mankiet manko manuskrypcie manuskrypt mapa mapa mapa alokacji (pamięci) mapa bitowa mapa przydziału mapa schemat wykres mapa termiczna mapą mapce maralista marca marca marca marca marchew marchewce marchewka margaryna margaryną margines margines na spad margines zewnętrzny marionetce marionetka marka marmolada marmur marnie marnotrawstwa marnotrawstwo marnować marny Maroko Mars marsz marsz marsz marsz marszczyć marszczyć (się) marszczyć się marszrucie martwić omgaan met. manuscript. marmelade pilletje ellendig verklungelen. marcheren peen. kaart strekking. kaart landkaart. manuscript. verdoen goedkoop Marokko Mars lentemaand tippelen maart lopen. moes. marge. rand kant. marcheren rimpelen. plan. frommelen onduleren reisplan. wortel peen. opmaken. kaart landkaart. opmaken. wortel margarine margarine kant. kreukelen. tekort handschrift. verdoen verklungelen. kopij handschrift. kaart bitmap landkaart. tekenen jam. route. beproeven . fronsen verfomfaaien. kopij bitmap landkaart. manipuleren. kaart landkaart. rand kant. baanvlak verdriet doen. doel moralist. marge. marge. deficit. kaart landkaart. hanteren manchet kastekort. tracé. zedenmeester lentemaand tippelen maart lopen. verdoen verklungelen. rand marionet marionet merken. bedroeven.

marcheren dromen. gedroom.martwić martwić martwić się martwić się martwy martwy sezon marynacie marynarce marynarce marynarka marynarka handlowa marynarka wojenna marynarka wojenna marynata marynować marzec marzec marzec marzec marzenia marzenie marzł marzyć marża masa masa masa masa gliniana masakra masakrą masakrować masaż masce maselnica maska maska wprowadzania maskarada maskarada IP maskaradą masła masło mason mason mason masoneria masoński masować masować beduusd. marge. buis marine. grond. zorgen verdriet doen. zorgen doods. grootte achtergrond. maskeren bemantelen. zouten. inmaken jasje. inmaken lentemaand tippelen maart lopen. bodem. inleggen. maskeren maskering maskering maskering boter boter vrijmetselaar vrijmetselaar metselaar metselwerk vrijmetselaarskneden masseren . bestek. inmaken pekelen. bewimpelen. bewimpelen. bewimpelen. mijmeren mijmering. maskeren karnen bemantelen. zouten. boel mops. dodelijk doods. zouten. zeemacht jasje. beproeven bezorgd zijn. hoop. zich bekommeren. inleggen. bedroeven. colbert. mijmeren kant. beteuterd bezorgd zijn. menigte. overjas marine. gemijmer vriezen dromen. dodelijk pekelen. colbert. zich bekommeren. buis jasje. bedremmeld. bloedbad masseren bemantelen. bloedbad moordpartij. mopshond moordpartij. colbert. rand omvang. bloedbad moordpartij. buis jas. inleggen. zeemacht pekelen. massa. ondergrond drom.

mathematisch mathematicus. aanbouw prieel akkerbouw trechter vla smeersel. materieel weefsel aangelegenheid. wiskundige wiskunde. marcheren mast locomotief machine rekenmachine. affaire. werktuiglijk prieel constructie. massa. saus imiteren. ding. Macierz matematyczny matematyk matematyka materac materia materializować (się) materializował się materialny materiał materiał materiał omvang. boel afslachten. nabootsen. spullen . grootte drom.masowy masowy masowy mord masywny maszcie maszerować maszerować maszerować maszerować maszt maszyna maszyna maszyna do obliczeń maszyna do pisania maszyna do szycia maszyna wykorzystywana do budowania oprogramowania maszyną maszyneria maszynistce maszynistka maszynowy maszynowy maszyny maszyny budowlane maszyny elektryczne maszyny rolnicze maszyny) maść maść maśladować mat mata mata mata antyelektrostatyczna matce matem. mat ouder. zaak verstoffelijken. nadoen paren schaakmat. materialiseren verstoffelijken. slachten massief mast lentemaand tippelen maart lopen. bestek. calculator schrijfmachine naaimachine machine machine machinerieën typiste typiste machine mechanisch. ding. zaak schaakmat. patroon. zaak dingen. bouw. materialiseren stoffelijk. hoop. sjabloon wiskundig. mat aangelegenheid. affaire. menigte. moeder schablone. mathematica matras aangelegenheid. ding. affaire.

walg. valstrik. hinderlaag. matrijs schablone. melig . matrix. zelfwerkend. boetseren schablone. materieel dingen. matrix. werktuigkunde werktuiglijk. meel gemaal. mat intendante intendante gietvorm. guur. taai. sjabloon smeren. gedoe machinerieën locomotief lucifer lucifer saai.materiał do robienia worków materiał podłogowy materiał podłogowy materiał wybuchowy materiał wypełniający matka matka przełożona matni matni matowy matrona matroną matryca matryca matryca ostrzy matryca przełączająca matryca rdzeni matrycować mazać mazaniną maź mące mącić mądrość mądry mąka mąka mąż mdleć mdleć mdłości mdły meble meblować mech mechanice mechanice mechaniczny mechaniczny mechanik mechanika mechanika statystyczna mechanizm mechanizm mechanizm zegarowy mecz mecz bokserski meczący kunst doordringend. arglist slag. moeder abdis valstrik. hinderen wijsheid verstandig. bijtend stoffelijk. matrix. sjabloon gietvorm. werktuigkunde actie. patroon. werktuigkundige mechanica. afkeer poeslief huisraad. man zwak bezwijmen. matrijs modelleren. ameublement. automatisch mechanisch. belemmeren. echtgenoot. doorsmeren. besmeren invetten meel. vroed. walging. werktuigkundige mechanica. werktuigkunde mechanica. handeling. spullen laken ouder. inboedel leveren. bloem bloem. afleveren mos mecanicien. optreden. bloem storen. fel. besmeren smeren. werktuiglijk mecanicien. vermoeiend. matrijs gietvorm. eega. bewusteloos raken misselijkheid. sauzen. doorsmeren. wijs meel. bestellen. val schaakmat. patroon. sauzen.

geneesmiddel medicijn. mentaal kaart kaart burgemeester. deun. berichten. wijsje. burgervader Mercurius kwikzilver. artsenij. geneesmiddel helend. mediteren. melodie melodrama melodramatisch meloen aandenken. melancholiek aandienen. beheerder. droefgeestig. kruizemunt. medaille Milaan medicijn. dutten samenkomen. stemmen wijs. vergaderen beeldspraak. medicinaal. geneesmiddel medicijn. bijeenkomen. kwik waas. melodie in een stemming brengen. artsenij. geneeskundig peinzen. metamorfose meteoriet weerkunde. temperen. nadenken Mekka Mexico Mexicaans Mexicaans weemoedig. gedenkschrift bestuurder. melancholiek weemoedig. deuntje. nesthaar. artsenij. dons druilen. opzichter. deun. mixen. meier pepermunt. administrateur dierentuin intendant. munt geestelijk. beeld. deuntje. munt pepermunt. beeld. sluimeren.meczecie meczet medal Mediolan medycyna medycyna nuklearna medycyna sądowa medyczny medytować mekce Meksyk Meksykanka meksykański melancholia melancholią meldować meldunek melodia melodia melodia melodią melodramat melodramatyczny melon memento menażer menażerią menedżer plików mennica mennicą mentalny menu menu skrótów mer Merkury Merkury meszek meszek met metafora metaforą metal metaliczny metalowy metamorfoza (efekt graficzny) metamorfozą meteor meteorologia moskee moskee penning. adverteren informeren. meteorologie . metafoor beeldspraak. mengen gedaanteverwisseling. inlichten lucht wijs. wijsje. metafoor metalen metalen metalen vermengen. kruizemunt. aankondigen. droefgeestig.

boodschap benoeming. bedillen vervagen mistig. opdracht. koeioneren. persen. martelen kilt. metrum metro metro hoofdstad. koeioneren. martelaar knellen. metropolis. vermoeiend. salvia salie. agonie saai. naamwoord. salvia kwellen. meeuw doodsangst. martelen salie. taai. stelsel. naamwoord benaming. braaf. metropool hoofdstad. floers damp. melig bloedgetuige. dapper. versmaat meter. drukken kwellen. Schotse rok mannelijk mannelijk mannelijk mens flink. nevelig nevel. damp.meteoryt metoda metoda metoda złożona (z metod podstawowych danego obiektu) metodą metodyczny metodysta metr metr metra metro metropolia metropolią metryczny metryka mewa mewą męczarnie męczący męczennik męczyć męczyć mędrzec mędrzec hinduski męka męska spódniczka szkocka męski męski męskoosobowy mężczyzna mężny mgiełce mgiełka mgliste wspomnienie mglisty mgła mgła mgłą MI miana miano mianować mianować mianowanie mianowicie miara miara odległości meteoriet methode systeem. dampig. me benaming. aanstellen commissie. eerlijk. nevel. metropool metriek metriek zeemeeuw. naam. bestel bewerking methode methodisch. damp. in naam metriek meten . doodsstrijd. floers. te weten. heiig. mist. versmaat. floers mij. aanstelling namelijk. floers. metrum. dringen. schools methodistisch meter. metropolis. mist. mist nevel. mist haarkloven. meeuw zeemeeuw. nevel. ferm damp. naam benoemen.

zaak vont. rang plaats. grote stad aandrang.miara przymiar miarą miarodajny miasteczka miasto miasto miasto (duże) miażdżyć miąższ miecz mieć mieć aspiracje mieć inne zdanie mieć miejsce mieć na myśli mieć nadzieję mieć rozgłos mieć skłonność do czegoś mieć wkład mieć zamiar mieć zastosowanie mieć znaczenie miednica miedź miedź beztlenowa o wielkiej przewodności miejsca miejsce miejsce miejsce miejsce na dysku miejsce przeznaczenia miejsce zakotwiczenia miejsce zamieszkania miejsce zamieszkania miejsce zamontowania miejsce zdalne miejsce zmieszkania miejsce zmieszkania miejscowość miejscowy miejscowy miejski miejski miejski mienia miernik miernik meten meten competent. beieren geneigd zijn tot. status. stadje. kleppen. plaats wereldstad. beogen. kwartier woonplaats. stadje. plek ligging ruimte. stand. stedelijk. bezitting metriek regel. plaats wereldstad. boerderij. standaardmaat. hebben ambiëren. oord. dingen naar. bevoegd stad. lokaliteit. domicilie ligging platteland. lokaal. neigen bijdragen mikken. aangeboren burger-. run vlees slagzwaard erop nahouden. oord. aanpassen. lokaal. plek plaats. geneigd zijn. stadsciviel stads-. plaats bewoning zetel. affaire. plaats graad. lokaliteit. koperen roodkoperen. stads landgoed. schelen gebeuren. najagen uiteenlopen. norm . oord. oord. adapteren aangelegenheid. lokaal ingeboren. plek woonplaats. oord. open veld plaatselijk. lokaal. deskundig. grote stad stad. ding. bril woning. aan de hand zijn gemiddeld hopen galmen. onderkomen. domicilie ruimte. logies. kom roodkoperen. aflopen. mikken op. koperen plaats. bekken. verschillen. bedoelen afstemmen. toeloop.

mengsel. vermengen. flat appartement. mixen. gevestigd zijn resideren. liefelijk zoet. gevestigd zijn. mengen. flikkeren. ingezetene koloniaal inwoner. gloren luik luik amandel . resideren. temperen. liefelijk zachtjes. maandelijks maand-. temperen. mengen vermengen. mengen. aanbesteding zoet. kruizemunt. zacht. voorzichtig vlees spier vlees spier pepermunt. knipperen. domicilie inwoner. maandelijks karnen temperen. mengen Filistijn huizen. zacht. metrum. mixen. ingezetene tussen tussen. mixen peddelen. versmaat maand kneden kneden maand-. bewoner. onder internationaal internationaal zoet. flat woonplaats. afgemeten meter. huizen resideren. versmaat lauw. zacht. pinken flitsen. bewoner. vermengen temperen. metrum. onder tussen. munt knipogen. mengeling vermengen. beteuterd mengelmoes. ceremonieel. door het water plassen bedremmeld. beduusd. mixen. onverschillig meten plechtig. huizen appartement.miernik zakłóceń mierny mierzyć mierzyć mierzyć miesiąc miesić miesić ciasto miesięcznik miesięczny mieszać mieszać mieszać mieszadło mieszał mieszaniną mieszanka mieszanka rozkazów mieszczuch mieszka mieszka mieszkać mieszkanie mieszkanie mieszkanie z utrzymaniem mieszkaniec mieszkaniec internatu mieszkaniec stolicy między między między siedzibami międzynarodowy międzynarodówce miękki miękki miękki powrót karetki miękki programowalny miękko mięsa mięsień mięso mięśnia mięta migać migać migawce migawka migdał meter. gevestigd zijn. liefelijk gunning.

alhoewel. pinken flikkeren. stil. voorspelen flikkeren. aangenaam genoeglijk. verbond mijl mijl mijl stil. sprakeloos nog bedaard. mei flikkeren. glimmer microbe microfilm microfoon microscoop mengelmoes. liefhebben beminnen. behaaglijk. zachtmoedig. knipperen. stilzwijgend. mengsel. behaaglijk. houden van. wel . flakkeren knipogen.344m) milą milczano milczący milczący milczący milczenie mile widziany milimetr milion militaria militarny milusi miłosierdzie miłosny miłość miłość miłość od pierwszego wejrzenia miłośnik miłośnik sztuk pięknych miłujący pokój miły miły miły miły miły miły mimo mimo wszystko mimo że amandel mogen bloeimaand. beproeving beminnen. stilzwijgend. kalm feestelijk inhalen millimeter miljoen militair militair aanhalig naastenliefde. vredelievend aangenaam. in weerwil van niettegenstaande. mild. flakkeren uitvoeren. zwijgend stil. flakkeren flikkeren. geliefde. mengeling bond. houden van. zachtaardig genoeglijk. al. lief zacht.migdałek might> mogę might> mogę migocz migotać migotać migotać migotanie migotanie obrazu mijać mika mikrob mikrofilm mikrofon mikroskop mikstura mila mila mila (1609. genoeglijk waard om van te houden beminnenswaardig. liefhebben vriendin. vrijster. houden van. rustig. hartzeer. beminnelijk. menslievendheid beminnen. minnares virtuoos vreedzaam. spelen. flakkeren inhalen mica. zwijgend stom. in weerwil van ofschoon. liefhebben droefheit. aangenaam niettegenstaande. liga. hoewel.

bezem veger. in weerwil van ongewild. grootmeester. boodschap missie. bekken. bewindsman ministerie departement ministerie kantoor schat ministerie mijnbouw min. mystificatie beduvelen. air. kom vont. bekken. zending missionaris. vrouwenrok miniem. raadsel fopperij. zending missie. meester worden mystiek mystiek puzzel. verkeerd begrijpen aanwezige . fata morgana myriade vont. bezem honing honing luchtspiegeling. kunstenaar meester. bedotten beduvelen. bedotten mystiek mystiek misvatten.mimo że mimowolny mina mineralny minerał mini minimalny minimum minister Minister Spraw Wewnętrznych ministerstwa ministerstwo ministerstwo ministerstwo ministerstwo skarbu Ministerstwo Wojny minowanie minus minuta miodowy miesiąc miotła miotłą miód miód pitny miraż miriada Misa misja misja misją misjonarz miska miska olejowa mistrz mistrz mistrz mistrz intelektu mistrzowski mistyczny mistyczny mistyfikacja mistyfikacja mistyfikować mistyfikował mistyk mistyk misunderstood miszkaniec niettegenstaande. schijn. onopzettelijk aanzien. bekken. voorvechter onder de knie krijgen. minus minuut huwelijksweken veger. beetnemen. opdracht. zendeling vont. titelhouder. kom bericht. minimaal minister. opdracht. minimaal miniem. kom artiest. maëstro onder de knie krijgen. meester worden kampioen. bewindsman minister. beetnemen. aanblik mineraal mineraal rok. bedotterij.

jongeling. min vermoeden. gissen menen. massa. min minderheidsminder. vermenigvuldigen veelvoud multipliceren. afranselen molen molenaar. afrossen. accumuleren massa. melkinrichting melk fijnhakken fijnhakken melk hameren puber jeugdigheid. opeenhopen. beginnend beginnend. geloven. drom. menigte. houden voor kloosterzuster. jeugd jeugdigheid. non in overvloed aanwezig zijn multipliceren. jongeheer puber jeugdigheid. mulder mnemonisch mnemonisch monnik minder. drom. aggregaat hoop. jeugd aankomend. non kloosterzuster. boel . jeugd hameren hameren hameren afranselen dorsen. boel. vermenigvuldigen aggregatie. jeugd jeugdigheid. menigte ophopen. beginnend aankomend.mit mitenka mitologia mitologią mitra mityczny mleczarnia mleczka mleć mleć/siekać mięso mleko młocie młodociany młodosć młodość młodszy młodszy urzędnik młodszy wiekiem młody młody człowiek młodzieniec młodzieniec młodzież młot młot (drewniany) młotek młócić młócić młyn młynarz mnemonik mnemonika mnich mniej mniejszość mniejszy mniemać mniemać mniszce mniszka mnożyć mnożyć mnożyć się mnożyć się mnóstwo mnóstwo mnóstwo mnóstwo mythe handschoen mythologie mythologie mijter mythisch zuivelfabriek. beginnend aankomend. aankomend borst. hoop.

macht. spartelen. macht. robuust hoofd-. weekmaken. mei graf. bepalen pies. bougie ontstekingsbuis. opstellen wijzigen. sterk. moeras. fors. bougie afstelling. modificeren modiste. pis broek. mogendheid vasten pal. groeve . stevig hard machtig krachtig. mogendheid aanpassingsvermogen aanpassingsvermogen heerschappij. weken nat mode. modieus.mobilizować (się) mobilny kod moc moc moc przetwarzania moc użyteczna moc zbioru mocarstwo mocno mocno mocno mocny mocny mocny mocodawcą mocować się mocował mocz moczary moczyć moczyć się moczyć się moda model model Luv modelka modem modernizować modernizował modlić się modlitwa modlitwą modny modrzew modulator-demodulator moduł dodatkowy moduł zarządzania pamięcią podręczną ARP modyfikacja modyfikować modyfikować modyfikować (np. moer. modificeren wijzigen. modus. program) modyfikował modystka mogę mogę mogę mogiła mobiliseren los. zich aftobben fixeren. urine. wereldruim. modificeren wijzigen. modemaakster inblikken mogen bloeimaand. bestek. ferm. voornaamste worstelen. wijs modelleren ruimte. mode-. mogendheid heerschappij. redigeren. roerend doordrukken heerschappij. fiks. straf hecht. in zwang lork. mobiel. potig. beweegbaar. macht. bevestigen. geducht. drasland steil in de week zetten. lariks. lorkeboom modem ontstekingsbuis. speling modelleren modem moderniseren moderniseren bidden gebed gebed in de mode. instelling opmaken.

kade. geldstuk munt. kaai. gedrochtelijk rotbeest. steiger wal. mormel samenscholing vergadering. bijeenkomen opmaken. monument monumentaal bromfiets moralist. eentonig monsterachtig. oppermachtig munt. beteugelen afluisteren alleenspraak. saai. opstellen afstemmen. aanlegplaats Moloch oogwenk. het mijne vochtig landingsplaats. moreel. werktuigkundige vergaderen. moreel. opkopen routine. pronken afluisteren bedwingen. perron. samenkomen. zedenmeester zedelijkheid. monopolie accapareren. adapteren monteur betamelijk. soeverein. monoloog alleenhandel. zedelijk zedenkundig. zitting betamelijk. prijken. behoorlijk. dadelijk Monaco monarch. penning. sleur monotoon. steiger molecuul landingsplaats. paraderen. fatsoenlijk gedenkteken. ogenblik. bijeenkomen vergaderen. fatsoenlijk mecanicien. tel onmiddellijk. moraliteit zedelijkheid. samenkomen. aanpassen. zedelijk . penning.moje mokry mola molekułą molo molo moloch moment momentalnie Monako monarcha monarcha moneta moneta pięciocentowa (US) Mongolia mongolski mongolski Mongoł Mongoł monitor monitor monitorować monitorować monolog monopol monopolizować monotonna harówka monotonny monstrualny monstrum montaż montaż montaż powierzchniowy monter montować montował montował montowanie montowanie montując monumencie monumentalny moped moralist moralitecie moralność moralny morał de mijne. redigeren. betomen. moraliteit zedenkundig. behoorlijk. geldstuk Mongolië Mongool Mongools Mongool Mongools pralen. aanlegplaats. aanlegplaats. moment. vorst oppermachtig.

commandobrug horen. commandobrug luchtbrug brug. behoren. grauw. motorfiets motorrijder locomotief motor motorboot motor motoriseren motoriseren schoffel vlinder. bek moordenaar moordenaar moorden. thema. moeten motel geboefte. vermoorden muil. canaille. morene morfeem morfine morfine morfine morfologie mormoons zee geelkoper. vermoorden slachten. surséance moorden. kapel aanleiding aanleiding onderwerp.morałach moratorium mord morda morderca mordercą morderstwo mordować mordować morela morelą morena morfem morfina morfina morfiną morfologią mormon morze mosiądz moskit Moskwa moskwianin most most drzewa częściowego most zwodzony mostek mostek pomiarowy moszcz motel motłoch motocykl motocyklista motor motor bazy danych motorówka motoryzacyjny motoryzować motoryzował motyka motyl motyw motywacją motywy graficzne mowa mowa mowa wymijająca mozaice zedenkunde. dienen. zedenleer moratorium. moraal. apropos taal tong rede. oratie mozaïek . commandobrug brug. gespuis motor. vermoorden abrikoos abrikoos gruiswal. commandobrug brug. afslachten moorden. messing muskiet Moskou Moskovitisch brug. stof. speech. redevoering.

aanvaardbaar. massa. praten spreken. vijzel mogelijkerwijs. flauw naargeestig. mogelijk mogen bloeimaand. kundigheid bekwaamheid. mogelijk misschien. brein. het mijne mijn. schemerdonker. podium hersenen. mogelijkerwijs. mogelijk acceptabel. menigte. beekje) flikkeren. mogelijk incidenteel. mogelijk misschien.mozaika mozaika (fotoelektronowa) moździerz Moźdźierz może może może być możesz możesz możliwie możliwość możliwość wyboru języka możliwość wyposażenie dodatkowe możliwość zamontowania w stojaku możliwy możliwy do pomyślenia możliwy do zdegradowania możność móc mój mój mól mów mówić powoli mówić przez nos mównicą mózg mózgownicą móżdżek (potrawa) mroczny mroczny mroczny mrok mrożonki mrożony mrówce mrówka mrównik owadożerny ssak afrykański mróz mruczeć mruganie mrużyć msza mścić się mucha mucha mucha domowa muchą mozaïek mozaïek mortier. misschien. toevallig inblikken de mijne. pinken drom. praten tribune. halfdonker vlees bevroren mier mier aardvarken vorst murmelen. boel wraak aanvliegen vlieg aanvliegen aanvliegen . onnozel. knipperen. troosteloos. m'n uiltje. flakkeren knipogen. brein. uil. hersens dom. mei misschien. krop. simpel. kundigheid mogelijkheid bestaanbaar. somber obscuur. mogelijk mogelijkheid bekwaamheid. spreken spreken. hoop. vijzel mortier. hersens kop. mogelijkerwijs. aannemelijk bestaanbaar. mogelijkerwijs. leiding. onbekend. donker schemer. murmelen (v. hoofd hersenen. nachtvlinder praten.

vijzel bakstenen. rugschild. schaal mosterd mosterd mousseline. musicus muziek jazz muziek muziek-. neteldoek mutatie mutatie muze museum mohammedaan. zak tas. stemmen muziek-. moslim muziek in een stemming brengen. behoeven. mamma. zwart neger-. schuimachtig. moeten spierspier grazen. wand muur. wand mortier. muzikaal muziekwetenschap wij. hoeven. muzikant. stenen neger-. muzikaal speelman. moslim islamiet. schuimachtig. muil mammie. we het haar wassen uitwassen. slof. schaal musket schild. islamiet. tenue muur. islamiet. behoren.Muhamed mulacie multiplekser multiset multi-set muł mumia mumia mundur mundur mur mur ogniowy murować murowany Murzyn murzyński musieć musieć muskularny muskuł musnąć musowanie musujący muszelce muszkiecie muszla musztarda musztardą muślin mutacja mutacją muzą muzeum muzułmanin muzułmanin muzułmański muzyce muzyczce muzyczny muzyk muzyka muzyka jazzowa muzyka kameralna muzykalny muzykologia my mycie głowy szamponem myć Mohammed mulattin veelvoud tas. moeten nodig hebben. mousserend schild. mam mummie tuniek uniform. mohammedaan mohammedaan. ons. moslim. de was doen . dienen. ma. mousserend schuimend. weiden schuimend. rugschild. zak muiltje. wassen. zwart horen.

overheen. te afgezonderd. afgewerkt. verkeerd. administrateur assembler acht. vooraan. afgelopen. tot. indertijd daarbeneden. op klaar. beëindigd aan. van mening zijn. op. bovengronds verontwaardigd over. afgelopen. geaardheid ontsnappen. ontkomen. rits. begrip. tot. met pensioen gaan boven lucht-. eerder. op. helaas . om. aan de overkant van vertrouwd. een fout maken fout. grond aftreden. ondergrond. aandacht aard. denkbeeld afspiegeling. achtergrond. attentie. afzonderlijk wereldwijd wereldwijd maag daarvoor. ontgaan indexeren linker leden. afgewerkt. weerglans gedachte geloven. per. even.myć szamponem mydlić się mydła mydło mylić się mylny mysz myszka myśl myśl przewodnia myśl przewodnia myśleć myśliwego myśliwy mżawka mżyć n n n n n n n n n na na na na na na (bardzo krótką) chwilę na (czymś) na (kimś na boku na boku na całym świecie na czatach na czele na dobre i złe na dole na dole na dziobie na gorącym uczynku na górze na kogoś na kotwicy na których gra się uderzając palcami) na niepełnym etacie het haar wassen zeep zeep zeep dwalen. met in. betrouwbaar jammer. terwijl. foutief muis muis idee. karakter. eventjes te. jegens. staande korte tijd. beëindigd te. met klaar. beneden in het buitenland bodem. ritssluiting gedurende. achten jager jager motregenen motregenen beheerder. jegens. onjuist. jammer genoeg. onder. binnen. benul. aanhang treksluiting. met lucht gevuld. om.

aanlegplaats. inkoop. aankoop acquisitie aangeleerd buit maken. indertijd daarvoor. achteraf. cliënt. afzonderlijk wel degelijk. onder. forceren kogel patroon. naar boven. behalen koop. buitenwaarts gedurende. op verbintenis. nogmaals. oosten zonsondergang eeuwig. spekken. opwaarts oosten oriënt oriënt. indertijd aan boord gelukkig afgezonderd. klant . uiterlijk buiten naar buiten. kaai. kaai. buiten. aanvaarden opdringen. kardoes wal. vooraan. voor eeuwig daarbuiten. aanlegplaats kade. kade. opnieuw afgelegen. contract invullen. vooraan. koper. buiten. dempen. omhoog. doorgaans afgezonderd. bepaald. perron.na nowo na nowo przeliczać na nowo przetłumaczyć na odległość na osobę na pewniaka na piechotę na podstawie na pokład na pokładzie na pół na pół na przełaj na przodzie na statku na statku na uboczu na uwięzi na wprost na wprost na wprost na zachód na zakupy itp) zwykle połączone z rozrzutnym wydawaniem pieniędzy na zawsze na zewnątrz na zewnątrz na zewnątrz na żądanie na życzenie nabawić się (choroby) nabić nabierać nabierać nabierać (<on sb> kogoś) nabój nabój nabrzeże nabrzeże nabycie nabyć nabyć nabytek nabyty nabywać nabywać nabywca nabywca van voren af aan. eruit. vullen een geintje maken accepteren. terwijl. verkrijgen. opnieuw van voren af aan. uiterlijk daarbuiten. behalen aangeleerd afnemer. staande aan. ver in het algemeen. eerder. afzonderlijk op. aannemen. eerder. verkrijgen. klant afnemer. perron acquisitie buit maken. nogmaals. zeker boven aan boord aan boord aan boord noorden noorden daarvoor. vast. wal.

ten noorden van lucht-. schrijden afgemeten. uitwrijven inspringen inspringen accentueren. plechtig. mate. lust. schaal pot. gebieder. stappen. chef aardewerk aardewerk schotel. naasten afzender. naasten aanvoerder. kade. treden. klem accentueren. neigen graad. beklemtonen nadruk. kaai. beklemtonen neerdrukken. baas. neiging helling. chef aanvoerder. aanlegplaats aankomen. afbeulen. baas. verzender afmatten. radio uitstralen geldig verklaren geschiktheid afzender. ten noorden van nationaliseren. aan de hand zijn nationaliseren. lust. glooiing aanvechting. aanvallen aanstrijken. perron. arriveren aanvliegen bezorging. aanvoer lopen. zin. geneigd zijn. koker benoorden. affiche afzender. deprimeren pers aanduwen pers naasting nationaliseren. neiging aangrijpen. trap aanvechting. doos. verzender aanplakbiljet. belanden. met lucht gevuld. gebieder. aantasten. afjakkeren wal. afnemer geneigd zijn tot. zin. ceremonieel . verzender nog gebeuren. etui. koper. wrijven. bovengronds benoorden. bak. foedraal. naasten draadloze. plakkaat.nabywca nachylać (się) nachylenie nachylenie nachylenie nachylenie znaków (w czcionce) nacierać nacieranie nacięcie nacinać nacisk nacisk nacisk ciśnienie naciskać naciskać naciskać naciskać prasa nacjonalizacja nacjonalizować naczelnik naczelny wódz naczynia gliniane (i porcelanowe) naczynia stołowe naczynie Naczynie nad nad nad rzeką nadać coś komuś nadajnik nadal nadarzyć się nadawać coś nadawać przez radio nadawać skrośnie (artykuł do grup dyskusyjnych) nadawać ważność nadawanie się nadawca nadawca (przesyłki) nadawca wiadomości nadbieg nadbrzeże nadchodzić nadciągać nadejście nadepnąć nadęty klant.

merkwaardig lampolie olie. extreem. buitensporig. noemen. klap opblazen opgeschroefd inflatie geestelijk onder de knie krijgen. buitensporig buitensporig. bijzonder opmerkelijk. hoekig onopgesmukt. excessief buitennissig. afmatten gescheld gescheld surplus opblazen spietsen hopen inspecteur. spoedeisend abrupt. rijk extreem. spoedeisend. afzonderlijk bijzonder allemachtig buitengewoon. abundant. flap. uitlaten controleren. buigen. meester worden opperste. onbedekt naakt. superieur water overigens. kortaf. doorbuigen brandend. excessief buitensporig. verwerpen hoekvormig. slag. prevalent. afjakkeren. nadir gewag maken van. buitensporig uitbundig. brandend. extreem. plotseling. bloot ombuigen. botweg ineens. petroleum naftaleen afkeuren. naakt. wraken. aflezen afgezonderd. mep. checken. onopgesmukt. vermelden excessief. copieus. onbedekt. revisor steward verzaken. nalaten. bloot. dringend dringend. excessief houw. trouwens gescheld gescheld gescheld afbeulen.nadir nadmienić nadmiernie nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny ruch w sieci nadmuchać nadmuchiwać nadmuchiwać nadmuchiwanie nadprzyrodzony nadrzędny nadrzędny nadtlenek nadto nadużycie nadużycie v nadużywać nadużywać nadużywać nadużywać (<sth> czegoś) nadużywanie nadwyżka nadymać (się) nadziać coś nadzieja nadzorca nadzorca systemu nadzorować nadzorować nadzwyczajne (wydanie) nadzwyczajnie nadzwyczajnie nadzwyczajny nadzwyczajny nafta nafta naftalina naganą nagi nagi nagi naginać naglący naglący nagle nagle voetpunt. opeens .

hoogst naast. liever best afknotten best minst minst minst aannemen. grammofoonplaat. kop. waternimf najade. argeloos najade. binnenrukken best eer. belonen vergelden. graad inscriptie hoofdstuk. abrupt. belonen meeting. onderschrift. plaat. vuur lichtgelovig ongekunsteld. binnenrukken aanrijden. merendeels. ophopen. inval meest. nadir eerste klaarblijkelijk. voorrijden binnenvallen. bruusk. abrupt. bot. bot. kop. nadir voetpunt. blijkbaar . huren voetpunt. duidelijk. dundoek. steil naaktheid uploaden prijs. waternimf invasie. rubriek titel. onderschrift. terugdoen. bruusk. chapiter. grotendeels binnenvallen. graad kortaf. plotseling. terugdoen. steil plotseling kortaf. opeens crisis hoofd. samenkomst. lonen. opeenhopen agglomeraat discus. lonen. binnenrukken huurder binnenvallen.nagle się wydostać nagła potrzeba nagłówek nagłówek nagłówek nagłówek pliku nagłówek podstawowy nagłówek uwierzytelnienia nagły nagły nagły przypływ wody nagość nagrać nagroda nagroda nagrodzić nagromadzenie nagromadzić nagromadzić nagrywać nagrywać (na taśmę) nagrzać naiwny naiwny najada najada się najazd najbardziej najbliższy najczęściej zadawane pytania najechać najechać najechać (kraj) najemca najeżdżać najlepiej najlepiej najlepszy najlepszy najlepszy (zobacz <good>) najmniej najmniejszy najmniejszy wspólny mianownik najmować najniższy poziom najniższy punkt najpierw najwidoczniej ineens. premie vergelden. aanwerven. kapittel vaan. eerstkomend overwegend. naïef. bijeenkomst accumuleren. vlag titel. schijf met een band omgeven gloed.

indrukwekkend beknotten.najwidoczniej największa ilość najwyraźniej nakarmić nakaz nakaz nakaz nakaz sądowy nakaz urzędowy nakazać nakleić naklejać naklejka nakład nakład nakładać nakładać nakładać nakładać restrykcje ścieśniać nakładka nakładka nakładkować nakłaniać nakłaniać do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłonić nakłonić nakłonienie do przestępstwa nakreślać nakręcany nakrętka nakrycie nakrycie głowy (zwłaszcza kapelusz) nakryć nakrywać nalać nalegać nalegać nalegania nalepić etykietę naleśnik nalewać należny należyty naładować (akumulator) nałożyć nałożyć nałóg duidelijk. gebrek . bekoren. afleiden. ophitsen besluiten. beperken. concluderen mededader. garanderen aanschrijving. vastkleven. aansporen aandrang label. opstoken. beleggen. forceren imponerend. affix sluitzegel. schriftelijk bevel dicteren bevelen. mededader opruien. bedekken vlijen. fatsoenlijk aanklacht. etiket vla sauzen. gieten. ophitsen nauwgezet. beschuldiging opdringen. aanlokken locomotief moer overlappen hoed dekken. agiteren. gebruiken. gieten. aanvoeren. nauwkeurig. neerleggen sauzen. uitgave. doorvoeren opdringen. leggen. stortregenen bijdrage. commanderen kleven. agiteren. duidelijk. stortregenen aandringen aanwakkeren. accuraat medeplichtigheid toelachen. forceren aanduwen ondeugd. behoorlijk. toedekken. medeplichtige medeplichtige. helder meest. vreten bevel recht borg staan voor. hoogst klaarblijkelijk. druk. sticker uitgaaf. begrenzen overlappen overlappen opruien. blijkbaar eten. contributie betamelijk. bikken. opstoken. aanvuren. editie invoer aanwenden. aanhangen aanhechtsel.

uitschrijven . teken neerschrijven. peuk gloed. vullen oprit. doorsmeren. heen. diesel spanning spanning. ongeveer. voltage sterk. aanvaller achtervolgen. scherpen. omtrent. voorteken. terugdringen invullen. spekken. dempen. vuur vingerhoed. intensief inscriptie voorbode. prent. spekken. ons beeld. weren. weerglans gedachte beschouwen. oprit aanvallen. voltage spanning. slijpen aanvallen. najagen. dempen. om wetenschapper. fel. vervolgen agressie aanvallen.. tent. intens. vuur hartstochtelijk huif. aantasten oprijlaan. viskuit. vullen verdringen. aantasten. laten trekken agressief aanvaller aanvaller aanvaller voorspeler. overwegen. vingerhoedje aftrekken. vuur gloed. oprijlaan discus aanleiding dieselmotor. sauzen. plaat smeren. nagaan om . geleerde aanzetten. schrijven.. besmeren overtuigen lager peukje. afbeelding. kikkerdril zeep nakomertje afspiegeling. aantasten invullen.nam namalować namaścić namawiać namiar namiastka namiętna miłość namiętność namiętny namiot namnażać namydlić namysł namysł namysł namyślać się naokoło naokowiec naostrzyć napad napad (choroby) napadać napadać napalić naparstek naparzyć napastliwy napastnik napastnik napastnik napastnik napastować napaść napaść napełniać napełniać odrazą napełnić (się) napęd napęd dysku napędowy napędzany ropą napięcie napięcie napięcie (elektryczne) napięty napis napis napisać aan ons. aanvallen gloed. aantasten aangrijpen. zetten. kampeertent kuit.

accentueren spanning met. eerder. filet stortplaats drank. alcohol zinspelen zinspelen toespeling. oplappen. in allerijl beklemtonen. alcoholische drank. herstellen. boeten. snede. vermaan. plak. raad opdrijven. determineren lappen. belichten zich wagen aan. flikken gauw. aantreffen ontmoeten. schijf. echt. verontwaardigen consult. plak. aanvaller ergeren. flikken nauwkeurig bepalen. vaderlands geboorte . aan de overkant van daarvoor. repareren verhelpen. verheffen. naar. wezenlijk nauwkeurig bepalen. anesthesie nationaliteit nationaal. repareren eerlijk. eerzaam. tegenaan. drinken. zuipen pompoen verhelpen. herstellen.napisany napisu segment procesora segmentowego przedział czasu napisu) segment (procesora segmentowego) przedział czasu napiwek napoje alkoholowe napomknąć napomknąć (<to sb napomknienie napomnienie napotkać napotykać napój napój napój gazowany napój z wyciśniętych cytryn lub pomarańczy naprawa naprawą naprawdę naprawdę naprawiać naprawiać naprawić naprawić poprawka naprędce naprężenie naprężenie naprzeciw naprzeciwko naprzeciwko naprzód naprzód naprzód naprzykrzać się naprzykrzać się naprzykrzać się komuś narada narada narastać narazić na niebezpieczeństwo narażać narażać się narkoza narodowość narodowy narodziny schriftelijk moot. drank. drinken. zinspeling aanmaning. aantreffen brouwsel. indertijd langs. verontwaardigen belemmeren. tegen. boeten. zuipen pimpelen. blijkens. schielijk. drankje pimpelen. vooraan. filet moot. hinderen ergeren. ophogen in gevaar brengen tentoonstellen. hard. degelijk werkelijk. aansporing ontmoeten. jegens voor tegenover. ingevolge voorspeler. schijf. determineren lappen. oplappen. aandurven verdoving. consultatie raadgevend lichaam. storen. snede.

volk lieden. vertelling skiën kwetsen. letsel toebrengen zondigen een bres slaan. vingerhoedje zaad aanhoren. adapteren afstelling. het gevolg zijn van afkomstig advent aanpassen. forceren zich opdringen. een bres slaan in een bres slaan. een bres slaan in zonde breuk. gotisch lettertype een bres slaan. fruiten toelachen. beluisteren. tandwiel werktuig. aan jou. ochrony) naruszenie zasad współużytkowania naruszyć naruszyć narybek narysować narząd narzeczona narzeczony narzeczony narzekać narzekanie narzędnik narzędzia programowane automatycznie narzędzie narzędzie narzędzie sprawdzające narzędzie testujące narzędzie wizualne narzędzie z interfejsem graficznym użytkownika narzucać narzucać się narzucać się komuś narzut nasadka nasienie nasłuchiwać nastają nastając nastanie nastawiać wstępnie ustalać nastawić nastawienie wasdom. relaas. zijn beklag doen beschuldiging. afstemmen. lief. verloofde bruidegom. mensen jou. met lucht gevuld. ontwikkeling. kamwiel. zich indringen opdringen. middel werktuig. aanklacht ablatief kamrad. verhaal. je vertelsel. liefje. galant schat. luisteren afstammen. forceren lucht-. aanlokken orgaan bruid. volk.narośl narośl rakowata narowisty narożny narożny naród naród naród narracja narta naruszać naruszać naruszenie naruszenie naruszenie (np. opkopen natie. groei kanker hatelijk. verloofde. middel opdringen. een bres slaan in een aanslag plegen op. afstemmen. aanranden bakken. tandrad. boosaardig. instelling . lieveling klagen. kwaadaardig kantig accapareren. middel utility utility werktuig. adapteren aanpassen. aan je. bovengronds vingerhoed. bekoren. middel werktuig. meisje. lui.

de onze omlijning. gebeuren . toelichten tentoonstellen. moreel. dan. aandrang informatie toegaan. handelen volgens nazaat. dus. laten trekken ingeving geestelijk huiswaarts. verzadigen dijk. achteraf. eerstkomend afwisselend opvolgen. daarna ook weer. doorkomen. stemming geest Oostindische kers verwarren. stemmen gemoedstoestand. nadoen navolging. nabootsing. eerstkomend puber in een stemming brengen. halsketting aap imiteren. toevallig toegaan. collier. voortgang hebben. ergo. zetten. mn. dringend aftrekken. stortregenen onze.nastawienie nastąpić po (<sb następca następnie następnie następny następny dzień następny etap następny przeskok następować następować następować kolejno następować kolejno następujące następujący następujący nastolatek nastroić nastrój nastrój nasturcja nasuwać myśl nasycać nasyp nasypać nasz nasz nasze naszkicować naszyjnik naśladować naśladować naśladowanie naświetlać naświetlać naświetlenie natarcie natarczywy natchnąć natchnienie natchniony native natłok natomiast w polszczyznie lepiej oddawać w l. toch naast. gebeuren incidenteel.) natrafić (<on/upon> sth) na coś natrafić (<upon sth> na coś) natrafić na coś houding opvolgen. snoer. slagen leden leden naast. bloedaandrang. de onze het onze. handelen volgens afwisselend klaarspelen. ons het onze. nabootsen. aanvallen brandend. gieten. voortgang hebben. belichten tentoonstelling. betrekken. nakomeling naderhand. aantasten. eerstkomend leden leden naast. verstrikken doortrekken. spoedeisend. expositie aangrijpen. omtrek halssnoer. naar huis congestie. waterkering sauzen. imitatie uiteenzetten. afstammeling.

geleerde akademisch. aanleren uit het hoofd leren. academisch wetenschappelijk naaf naaf naaf bevloeien. taśmę nawinąć nawinąć nawis (odległość między znakiem a punktem początkowym) nawlekać nawozić nawozić nawóz karakter. nietje kramp. bemesten. uiteraard natuurlijk oorspronkelijk. onmiddellijk onmiddellijk. winden. consigne. spoel. sproeien storm gelijk. vlak. lerares leren. haakje. begieten. geaardheid. haakje inrichten. klamp. nietje. klamp. oprichten. dadelijk moment. winden. klamp. nietje. haakje kramp. spoelen klos. effen kramp. afleren Don onderwijzer. nietje kramp. klamp. accuraat afwennen.natura naturalizacja naturalnie naturalny naturalny naturalny natychmiast natychmiast natychmiastowy natychmiastowy nauczać nauczyciel nauczyciel nauczyciel nauczyciel akademicki nauczyć się nauczyć się na pamięć nauka nauka nauka zdalna naukowiec naukowy naukowy nawa nawa boczna nawa główna nawadniać nawałnica nawet nawias nawias nawias klamrowy nawias okrągły nawias zwykły nawiązywać nawiedzać nawigacja nawigacja dalekiego zasięgu nawijać nawijać np. spoelen aanschieten lager draad. aard naasting van nature. nietje. stichten spoken navigatie navigatie op een klos winden. lerares onderwijzeres. instructie wetenschapper. gegrond dadelijk. haakje kramp. bobine op een klos winden. garen gieren. ogenblik. leraar. gelijk hebbend. natuurlijk. klamp. schooljuffrouw. mesten mest mest . gieten. nauwkeurig. oogwenk. schooljuffrouw. origineel juist. van buiten leren wetenschap studie aanwijzing. instructeur onderwijzeres. haakje. tel nauwgezet.

handeldrijven. aanlokkelijk lekker. naamwoord benaming. verontwaardigen verzorgen. slipje zenuwachtig. cliché handelen. naam benaming. nazinazistisch. naamwoord benaming. naam benaming. haast. naamwoord Napels afjakkeren. verplegen schier. armoe verachtelijk.nawóz nawóz (sztuczny) nawóz (zwierzęcy) nawracać nawyk nazista nazistowski nazwa nazwa nazwa kwalifikowana nazwa złożona nazwa źródła danych nazwisko nazwisko nazywać Neapol nefryt negacja negacja logiczna negatyw negatywny negocjować nekrolog nektar neofit neofita neolityczny neologizm neon Neptun nerka nerw nerwowy nerwowy netto neutralny nęcący nęcący nędza nędza nędzny nędzny nędzny nękać niańczyć niańka niby NIC mest drek. naamwoord. onpartijdig lekker. zenuw-. achternaam benaming. miserabel ergeren. hebbelijkheid nazistisch. afzijdig. duidelijk neutraal. afmatten wraken. naam. netto-. naam. nietswaardig jammerlijk belabberd. verplegen verzorgen. naamwoord familienaam. ontlasting. narigheid. zaken doen necrologie nectar bekeren bekeren Neolithicum. Jongere Steentijd neologisme neonNeptunus nier zenuw slip. naam. nerveus netto. zorgen voor. keutel mest bekeren aanwensel. bijkans. afbeulen. drol. misère. naamwoord. geen. van. aanlokkelijk verachtelijkheid ellende. net. neen negatief. naam. naamwoord benaming. verwerpen niet. nazibenaming. cliché negatief. bijna iets . ellendig. nee. zorgen voor. naam.

dringend een afschuw hebben van. blanco. neen brandend. noch neen. uitlaten uitvallen. gevaar . leeg. tegenzin. vlijtig. antipathie aardvarken wraken. nee. oningevuld. onderwaarderen onderschatten. ijverig spoken bizar ondoorgrondelijk. afkeer. onbegrijpelijk onderschatten. open wit. toeval onraad. niets. geen. nalaten. geen. niets. nee. haperen. op het spel zetten hachelijkheid. schelen niettegenstaande. nee. spoedeisend. garen wraken. onbezet. blank aanhangig floppen. niemendal niks. in het water vallen uiteenlopen. gevaar kans lopen. schunnig aanhangig incompleet. neen niet. afwijzen schuin. nihil. geen. niemendal nul nul. perikel. verafschuwen naarstig. neen lucht. nee.NIC nic (w zdaniach przeczących) nic nie wiedzący nic podobnego nić NIE nie nie nie nie bez powodu nie chroniony nie cierpiący zwłoki nie dawać spokoju (o myślach) nie do pary (np. nihil. nijver. gevaar onraad. verwerpen evenmin. perikel. nihil draad. geen. gevaar crisis toevalligheid. nood. niet niet. hemel hachelijkheid. onderwaarderen op een kier staand verzaken. in weerwil van niet. stuk gaan hekel. but) nie do pogodzenia nie do wybaczenia nie do złamania nie doceniać nie doceniać nie dowodzący niczego nie kończący się nie mrówkojad nie pamiętać o nie podpisany nie przepisowy nie przyjąć nie przyzwyczajony nie rzucający się w oczy nie tracić czasu nie udać się nie uszczuplony nie wypalić nie zajęty nie załatwiony nie zauważony nie zbliżać się nie zważając na nie związane nie związany nie zwracać uwagi nieba niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwo niebezpieczeństwo niks. obsceen. verwerpen. verschillen. nood. onvolledig incompleet. geen. neen niet. in het water vallen ongewapend vrij. onvolledig floppen. verwerpen jubelen afslaan. nee.

gemis ongemak. nonchalance nonchalance. onzinnig. nonchalance nonchalant. afkeer. narigheid. nalatigheid nalatigheid. ontberen. nonchalant. hemel doods. hemelblauw blauw lucht. fris.niebezpieczeństwo niebezpieczny niebezpieczny niebiański niebiański niebiańsko niebieski niebieski ptak niebiosa niebo niebo nieboszczyk niebyły niech niechęć niechęć niechętnie niechętny nieciągły nieciągły nieciekawy nieczynny nieczysty nieczysty niedawno niedawno niedawno wprowadzony niedawny niedbalstwa niedbalstwa niedbalstwo niedbalstwo niedbałość niedbały niedbały niedbały niedbały niedługi niedociągnięcie niedogodność niedokończony niedola niedołężny niedopałek niedorzeczność niedorzeczny niedostatek niedostatek kans lopen. intermitterend vervelend doods. peuk onding. link. gebrekkig peukje. vies borstelig. dodelijk nihil. laten begaan. dodelijk morsig. hemelhemels. antipathie trots laat. nalatig nalatig. smerig. afwezigheid. armoe verminkt. de laatste tijd onlangs. onbedorven veronachtzamen nonchalance. nul laten schieten. onbedorven. hekel. ongerijmd. vergevorderd afkerig bescheiden. kort geleden vers. derven gebrek. absurd missen. absurditeit. hemel lucht. discreet hortend. rechtopstaand recentelijk. op het spel zetten gevaarlijk. nalatig. nalatigheid nalatigheid. nalatig kort gebrek. laten tegenzin. hachelijk mijnenveld hemel-. nonchalant. euvel. hemels hemels. gemis . onvolledig ellende. hemel lucht. ruigharig. onachtzaam. luchtig. misère. afwezigheid. vuil. nonchalant onachtzaam. onopvallend. onrein. fris luchtig. ongerief incompleet. onachtzaam onachtzaam. euvel. vers. ongerijmdheid dwaas.

duchtig. ongetrouwd dubbelzinnig. een weinig puber onwaar dierlijk onmenselijk verwardheid. bijster onverschillig. bijna erg. fris onervaren. duister obscuur. honds. stom kind . onvolledig inconsequent nadelig goedkoop een beetje. smaakloos onverschillig. onbedorven. een weinig een beetje. verwarring lelijk schier. nurks. honds. analfabetisch onbeleefd. troebel. lauw onopgesmukt. Pinksteren naar buiten brengen. lomp smakeloos. donker inconsequent dubbelzinnig. bijkans. desondanks niettemin. desondanks niettegenstaande. enigszins. straf goedkoop zonneschijn zondag Pinksterfeest. dubbelslachtig onduidelijk. hard. bloot. enigszins. streng. dragen lager aanboren ongelukkige ongeletterd.niedoświadczony niedoświadczony niedoświadczony niedrogi niedziela niedziela niedziela Zielonych Świąt niedźwiedź niedźwiedź niedźwiedź niefortunny niegramotny niegrzeczny niegustowny nieistotny nieizolowany niejaki niejasny niejasny niejasny kursor niejednolity niejednoznaczny niekompletny niekonsekwentny niekorzystny niekosztowny niektóre niektóry nieletni nielojalny nieludzki nieludzki nieład nieładny niemal niemało niematerialny Niemcy Niemiec niemiecki niemiły niemniej niemniej (jednak) niemniej jednak niemniej jednak niemolę niemowa niemowlę vers. onbekend. vaag. luchtig. onheus. haast. naakt ongehuwd. bars niettemin. dubbelslachtig incompleet. onbedekt. desondanks niettemin. groen bar. nors. lauw Duitsland Duits Duits onaardig. in weerwil van kind sprakeloos.

storen. mangel verstrooid afwezige. rel. krankzinnige atoom-. bijkans. hapering. hinderen aan de scharrel zijn. wegblijver leeg. haast. zich indringen onveilig maken bang. bezorgd. dubieus aanvechtbaar. onbegrijpelijk onbeduidend. aarzeling discutabel. amusant ongerust. beuzelachtig. mis plomp. animositeit. bezorgd aangelegenheid. ongerust vermakelijk. roerigheid. fladderen zich opdringen. analfabetisch bezetene. atomair elementair ondoorgrondelijk. leuk. gek. ingeboren onweerstaanbaar onontbeerlijk. luizig ergeren. een afschuw hebben van vijandschap.niemożliwie niemożliwy niemy niemy niemy terminal nienasycony nienawidzić nienawiść nienawiść nienormalność nienormalny nieobecność nieobecny nieobecny nieobecny nieobecny (proces) nieoczekiwany nieodłączny nieodparty nieodzowny nieokrzesany nieomal nieparzysta (liczba) nieparzysty niepełnoletni niepełnoletniość niepewność niepewny niepewny niepiśmienny niepoczytalny niepodzielny niepodzielny (chem. beducht. stom sprakeloos. absentie. abnormaliteit abnormaal afwezigheid. belang herrie. open. stom onlesbaar verafschuwen. vrij. onbezet verstrooid plotseling aangeboren.) niepojęty niepokaźny niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić się niepokojący niepokojący niepokojem niepokój niepokój niepokój niepoprawny nieporadny onmogelijk. twijfelachtig. getier storing verkeerd. bijna bizar bizar kind minderheidsgeweifel. log . vijandigheid haten afwijking. fout. onmogelijk sprakeloos. met geen mogelijkheid onbestaanbaar. onjuist. betwistbaar ongeletterd. stom sprakeloos. onmisbaar bizar schier. uitgesloten. verontwaardigen belemmeren.

gemelijk . ververwijderd. ver buiten kennis. verrassen. smaakloos betrappen. onbewerkt. nors. bedrieglijk. naamloos ijselijk. nurks. bot. ruigharig. rommel. ongerust aalwarig.nieporozumienie nieporuszony nieporządek nieporządek nieporządny niepotrzebny niepowodzenie niepowodzenie niepowtarzalny niepozorny niepożądany nieprawdopodobny nieprawdopodobny nieprawdziwy nieprawdziwy nieprawidłowość nieprawidłowy nieprzenikliwy nieprzeparty nieprzepuszczalny nieprzerwanie nieprzerwany nieprzetworzony nieprzyjaciel nieprzyjazny nieprzyjemny nieprzyjemny nieprzystępny nieprzytomny nieprzyzwoity nierafinowany nieregularność nierozdzielny całkowitoliczbowy nierozstrzygnięty nieruchomy nieruchomy niesamowity niesamowity nieskomplikowany nieskończenie nieskuteczny niesłychany niesmaczny niesmaczny niespodzianka niespodziewanie niespokojny niespokojny misverstand gevestigd. brij. cru verwardheid. schaden ongeluk uniek. bars verwijderd. abnormaliteit abnormaal ondoordringbaar onweerstaanbaar ondoordringbaar achtereen. bewusteloos schuin. rechtopstaand onnodig schade aanrichten. afgrijselijk smakeloos. doorlopend grof. beducht. bot. verwarring onaangetast. aalwaardig. onverwachts bang. onbehouwen. vijandig afschuwelijk onaardig. bezorgd. stevig. ongeschonden. vast. disorde. schunnig grof. achtereenvolgens onafgebroken. enig vlakte laakbaar. integraal aanhangig roerloos. onbewerkt. onbeweeglijk nog eng. bewegingloos. hecht janboel. onaannemelijk verrassend loos. snappen eensklaps. honds. dubbelhartig onwaar afwijking. onbehouwen. griezelig bizar vlakte tot in het oneindige mislukt anoniem. afkeurenswaardig ongelofelijk. cru vijand vijandelijk. obsceen. rotzooi moes. pap borstelig.

bepaald klaar. nietswaardig. slechte spijsvertering slechte spijsvertering. onvervaard. nors. achtereen. stout waardeloos. benepen. blo beschroomd.niespójny niesprawność niesprzeczność niestandardowy niestaranny niestaranny niestety niestety niestrawność niestrawność niesubordynowany niesystematyczny nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęśliwie nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy wypadek nieść nieśmiały nieśmiały nieśmiały nieświadomy nieświeży nietoperz nietypowy nieudany nieugięty nieuporządkowany zbiór dokumentów nieuprzejmy nieustannie nieustraszony nieustraszony niewart nieważny nieważny niewątpliwie niewątpliwie niewątpliwy niewiadoma niewiadomy niewiarygodny niewidoczny niewidomy inconsequent uitvallen. bewusteloos ransig. hol toegegeven ongetwijfeld. haperen. nurks. rans. nul loos. helaas indigestie. ledig. onachtzaam onachtzaam. gevolg usance. uitgesproken. gebrekkig mislukt afgemeten. gebruik nonchalant. plechtig. kwaal. voorhebben. jammer genoeg. stuk gaan consequentie. brutaal. excessief verachtelijkheid droefheit. onaannemelijk ongezien blind . timide. bang buiten kennis. bedeesd. boud. stoutmoedig. verdriet. nonchalant. nalatig o wee. ranzig. ongeval dragen. brengen zwak bevangen. hartzeer. accident. stout gedurfd. garstig vleermuis invalide. nalatig. aldoor dapper. helder onbekend onbekend ongelofelijk. opstandig buitensporig. aandoening leed. beproeving ziekte. ferm. leeg. nietswaardig ongelukkige ongelukkig ongeluk. lens. onaardig onophoudelijk. ceremonieel soep honds. indigestie oproerig. zeker. gewoonte. helaas verachtelijk. voos nihil. bars. helaas jammer. jammer genoeg. smart ongeluk jammer. extreem. voeren.

luttel. afkeurenswaardig aanspannen. log moeilijk. onbedorven. kwalijk. onbedorven onnozel. eng. niet lekker plomp. onschuldig rivier. onbedorven. taai. naamloos onduidelijk. melig plomp. vreemde anoniem. karig. slim bankroet anoniem. buitengewoon allemachtig buitengewoon. krap. duister onervaren.niewielki niewiniątko niewinność niewinny niewinny niewłaściwe odstępy tekstu niewłaściwy niewola niewolnik niewygoda niewygodny niewygodny niewypłacalny niewypowiedziany niewyraźny niewyrobiony niewystarczający niezamężna niezapominajka niezapomniany niezawodnie niezawodny niezbędny niezbity niezdarny niezdecydowany niezdrowy niezgrabny niezliczony niezmienny niezmiernie niezmiernie niezmiernie niezmierny niezmierny niezmodyfikowany nieznaczny nieznaczny nieznajomy nieznany nieznany nieznośny nieznośny niezręczny niezrozumiały niezrozumiały niezwłocznie niezwyciężony gering. log ontelbaar eeuwig enorm. onbewerkt. ongetrouwd vergeet-mij-niet niet. luizig smal. uiterst bijzonder. onmisbaar afdoend. betrouwbaar onontbeerlijk. log mysterieus. neen genoeg. groen amper. troebel. ongerief plomp. nauwelijks ongehuwd. nee. geen. onschuldig onschuld. geweldig grof. stroom laakbaar. onnozel. min. cru onbeduidend. onmiddellijk onoverwinnelijk. vaag. onbekende. lastig. bijzonder gigantisch. nauw vreemdeling. ondoorgrondelijk dadelijk. enorm. naamloos onbekend afschuwelijk saai. klein onnozel. bot. onbedwingbaar . voldoende vertrouwd. bekrompen. een conclusie wettigend plomp. log aarzelend onwel. het juk opleggen slaaf ongemak. onbedorvenheid onschuldig. geheimzinnig onbegrijpelijk. beuzelachtig. onbehouwen. vermoeiend.

rotten. geen enkele. verwoesten. laag. doodmaken. bouwvallig schade aanrichten. gemeen. onaardig nimmer. nomade . nuance. vreemd zeldzaam. ergens laaghartig.niezwykle niezwykły niezwykły niezwykły niezwykły nieżonaty nieżyczliwy nigdy nigdzie nigdzie nigdzie (w zdaniach przeczących) nikczemny nikły niknąć nikt nikt nimb nimbus (chmura deszczowa) nimfa wodna niniejszy niski niski poziom niski ukłon niskiej nisza niszczeć niszczenie niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć nit nitka nitować niuans niż niż niż się obiecało niższy noc nocleg nocnik nocny nocny nodze noga nomad allemachtig buitengewoon. schraal. garen klinken. gammel. nurks. verrotten. nuancering laag dan dan minderwaardig nacht aanpassing po nacht nachtelijk been been benoeming. bars. niemand niks. actueel laag laag laag laag nis verval aftands. niets. ergens nergens. nors. dun. curieus. bederven klinken. geen enkel. geen zier stralenkrans. ongetrouwd honds. niemendal. uitroeien ombrengen. luchtig verdwijnen. vastklinken schakering. wijken geen. doden vergaan. schaars ongewoon. ongebruikelijk ongehuwd. infaam sprietig. nimbus stralenkrans. nimbus najade. bijzonder typisch. vernielen verdelgen. waternimf tegenwoordig. vastklinken draad. in geen velden of wegen hier of daar. mager. nooit hier of daar. schaden vernietigen. ongemeen.

dragen. wagen notaris plaatsbewijs. onzin. norm regel. katern plaatsbewijs. standaardmaat. katern blocnote blok schrift. grot. kaartje aantekening. nieuwtje nieuwerwets. standaardnormaal. biljet. zever. beginneling nieuweling. plaat. nieuwigheid . standaardnormaal. standaardmaat. novice nieuws. opkomend beginner. nieuwtje nieuws.nominalny nonsens nora norma norma norma wojskowa norma wojskowa normalny normalny stan normaly Norman Normandczyk normandzki normański normą Norweg Norwegia norweski nos nosić nosić nosowy nostalgia nostalgia nosze nośnik notariusz notatka notatka u dołu strony notatnik notatnik notes notes notes notes do zapisów notować notować wyniki Nowa Zelandia nowatorski nowicjusz nowicjusz nowina nowiny nowoczesny nowoczesny noworodek nowość nowość billijk. norm Noors Noorwegen Noors neus naar buiten brengen. norm regel. standaardmaat. gekheid spelonk. modern. fair. grammofoonplaat. norm regel. aflevering. hol. norm normaal. dagorde blocnote schrift. aflevering. biljet. bijdetijds actueel kind nieuwheid nieuwtje. draagbaar vehikel. dragen voeren. standaardNormandisch Normandisch Normandisch Normandisch regel. nieuwigheid. voorhebben nasaal. nieuws. brengen. holte regel. schijf Zeeland nieuw. standaardmaat. kaartje discus. neusheimwee heimwee brancard. krocht. nieuwigheid. commentaar agenda. standaardmaat. rechtvaardig nonsens. voertuig.

nowotwór nowy nowy nabytek biblioteki nowy wiersz nowy właściciel nozdrze nożyce nożyczki nóż nóż myśliwski np. @:-)) - uśmiech Elvisa Presleya np. <we shall go> pójdziemy np. <we shall go> - pójdziemy nucić nudności nudności nudny nudny nudysta nudyzm nudziarz nudziarz nudzić nuklearny numer numer numer rejestracyjny numerale numerek numerek (w szatni) numerować numizmatyk numizmatyka nurcie nurek nurkować nurkować nurkować (także o pikującym samolocie) nurkował nurkował nurkowanie nurt nuta nuta nuta kluczowa nużący nużyć nylon

tumor, gezwel nieuw, opkomend aanwinst, acquest, buit, prooi klaarspelen, doorkomen, slagen nieuw, opkomend neusgat schaar schaar mes hartsvanger glimlachen gaan, zullen gaan, zullen snorren, gonzen, razen, brommen misselijkheid, walging, walg, afkeer vakantie vervelend dom, simpel, onnozel, flauw nudist, naaktloper nudisme, naaktloperij, naaktlopen aanboren trekken aanboren nucleair, kernuitgeven, emitteren aantal, getal, tal aantal, getal, tal aantal, getal, tal biljet, plaatsbewijs, kaartje biljet, plaatsbewijs, kaartje aantal, getal, tal muntkenner, penningkundige muntkunde, numismatiek actueel duiker duiken duiken duiken duiken duif, tamme duif duiken loop, stroom, stroming plaatsbewijs, biljet, kaartje in een stemming brengen, stemmen plaatsbewijs, biljet, kaartje vervelend vervelend nylon-

o o (kimś o burzy: szaleć o ile sobie przypominam o ile szczęście dopisze o ją o jego o jego o jej o mało o niewiele o ręcznym napędzie o sercu: kołatać o śniegu: padać o światowym zasięgu o wielu możliwościach odporny o zmaku orzechów oaza oazą oba obacz <abide> obacz <beat> obacz <crow> obacz <feel> obacz <mistake> obacz <surprise> obaj obala obala obala obala obalać obalenie obalić obalić (teorię itp) obarczyć obarczyć obawa obawa obawą obcas obcążki obcesowo obcesowy obchodzenie się obchodzić obchodzić (przepisy) obchodzić się

circulerend, in omloop circulerend, in omloop storm aas hopelijk haar, hun, zijn het zijne, de zijne haar, hun, zijn het hare, de hare schier, bijkans, haast, bijna weinig aanreiken, overhandigen aan de scharrel zijn, fladderen sneeuwen wereldwijd krachtig, geducht, sterk, fiks, straf geurig, aromatisch oase oase beide, allebei, alle twee de woonplaats, domicilie vlijen, leggen, neerleggen bemanning vilt foutief, verkeerd, fout, onjuist ampère beide, allebei, alle twee de afgeven op, afbreken, afkammen neervellen, wippen, kappen, vellen ontzenuwen, weerleggen ondergraven, ondermijnen afschaffen afschaffing afschaffen exploderen, losbarsten, ontploffen beproeven, bedroeven, verdriet doen zadel aanhouding, arrestatie beklemming, angst, benauwdheid aangelegenheid, belang hiel knijper, schaar abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil kuur, behandeling vieren, opdragen, celebreren ontwijken, mijden, uit de weg gaan aanpakken, aan komen lopen

obchodzić się (<sth> z czymś) obchodzić się z czymś) obchodź obciąć obciążać obciążać (konto obciążenie obciążenie (maszyny itp) obciążenie1 obciążyć obciążyć hipotecznie obciążyć podatkiem obcina obcinać kadrować kadrowanie obcisły obcokrajowiec obcokrajowy obcy obcy obcy obecnie obecnie obecność obecny obecny obejmować obejmować obejmował obejmował obejmował obejść się bez czegoś obelgi obelżywy Oberon obetrzeć obezwładnia obezwładnia obficie obfitość obfitować obfitować (<with obfitować (<with sth> w coś) obfity obfity obfity (posiłek) obgryzać obiad obiad

aanpakken, aan komen lopen oor, kruk, handvat, hengsel, klink rondgaan, omgaan afknotten aanklacht, beschuldiging debetzijde, debet laden plicht, verplichting laden gewicht hypotheek belasten, aanslaan maaien afknotten stipt, nauwsluitend, streng, nauw buitenlander uitheems, buitenlands ijselijk, afschuwelijk uitheems, buitenlands buitenlands, vreemd, onwennig enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig bijzijn, presentie, aanwezigheid actueel tegenwoordig, actueel omhelzen, omarmen omsluiten omvatten, beslaan omhelzen, omarmen bevatten, inhouden, behelzen rondgaan, omgaan laaien, vlammen krenkend, beledigend, grievend Oberon afvegen, wissen, afdrogen, afwissen geweld aandoen, overmeesteren bedelven, overstelpen, verpletteren in overvloed, ruimschoots, rijkelijk onbekrompenheid, overvloed in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn uitbundig, copieus, abundant, rijk uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend uitbundig, copieus, abundant, rijk knagen, knabbelen diner, middagmaal, middageten twaalfuurtje, lunch

obiecywać obieg obieg obieg obieg projektu obiekt obiekt moduł wynikowy obiektyw obierać obierać kartofle obietnica obietnicą obieżyświat obijać obijać (meble) objaśniać objaśnienie objaw objaw objazd objazd objętny objętość objętość stała oblać (egzamin) oblegać oblegać oblewanie oblężenia oblężenie oblicz obliczać obliczać obliczenie obliczyć obliczyć objętość obligacja obligacji oblodzenie obładować obławą obłąkany obłąkany obłok obłudny obłudny obmycie obmywać

beloven, toezeggen, uitloven omloop, circulatie, roulatie muntsoort, valuta klotsen, plassen, kabbelen, klapperen omloop, circulatie, roulatie mikpunt, onderwerp, object, ding mikpunt, onderwerp, object, ding lens schillen, afpellen, jassen commissie, opdracht, boodschap beloven, toezeggen, uitloven beloven, toezeggen, uitloven wereldreiziger opvullen, vullen, opzetten opvullen, vullen, opzetten uitleggen, interpreteren, duiden toelichting, explicatie voorbode, voorteken, teken teken, symptoom, verschijnsel aberratie, afwijking tournee, rondreis zoel, lauw geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume floppen, in het water vallen belegeren belegering, beleg viering belegering, beleg belegering, beleg in aanmerking komen, meetellen meten, berekenen in aanmerking komen, meetellen rekenschap, rekening derde macht, dobbelsteen, blok rekening, conto aanhechting aflossing, amortisatie, afschrijving glacé beladen, inladen, belasten, laden bejagen, jagen, jacht maken op bezetene, gek, krankzinnige dolzinnig, dol, gek, krankzinnig wolk loos, bedrieglijk, dubbelhartig gehuicheld, geveinsd, huichelachtig wassing louteren, reinigen, schoonmaken

obnażony obniżenie obniżenie obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu obniżenie wydajności obniżka obniżyć obniżyć obniżyć się obniżyć się oboje obojętność obojętny obojętny obok obok obok obok siebie obok siebie obok siebie obok siebie obołudny obopólny obora obowiązek obowiązek obowiązek obowiązkowy obowiązujący obozować obój obóstwiać obóz obóz koncentracyjnjy obrabiać obracać obracać się obrachunek obrać zawód obradował obrady obrady obramowanie obramowanie prostokątne obraz obraz obraz elektronowy

onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt afname afdraaien, verlagen depressie invloed hebben op, beïnvloeden afname kleinmaken, vernederen, verootmoedigen afdraaien, verlagen neerdrukken, deprimeren verlagen, afdraaien beide, allebei, alle twee de flegma lauw, onverschillig neutraal, afzijdig, onpartijdig naast elkaar langs, naar, blijkens, ingevolge bezijden, naast, behalve aan, nabij, bij, dichtbij, naast aan, nabij, naast, bij, dichtbij sluiten, dichtmaken, dichtdoen naast, eerstkomend gehuicheld, geveinsd, huichelachtig onderling, wederkerig, wederzijds loods, keet, schuur, barak plicht, verplichting verplichting, plicht verantwoordelijkheid bindend, dwingend, gedwongen strip, reep, band, strook, windsel legeren, kamperen hobo verafgoden, adoreren, aanbidden legeren, kamperen legeren, kamperen functioneren, het doen anders maken, veranderen anders maken, veranderen akkoord, accoord, overeenstemming zich eigen maken, adopteren koesteren, broeden, broeden op actie, handeling, optreden, gedoe conferentie schoorsteenmantel omringen, omgeven, insluiten afbeelding, prent, plaat beeld, prent, afbeelding, plaat knippatroon, patroon

obraz tytułowy obraz wizja rysunek obraz zadania obraz zadania moduł ładowania (zadania) obraza obraza obrazą obrazić się obrazowo obrazowy obraźliwy obraźliwy obraźliwy obrażać obrażać obrażać obrączka obręb obrocie obrocie obrona obrona obrona przeciwlotnicza obroną obronić obroża obrożą obrót obrót obrus obrus obryzgać obrządek obrzezać obrzeże obrzęd obrzęd obrzęk obrzydliwy obrzydliwy obrzydliwy obrzydzenie obsada obsceniczny obserwacja obserwacją obserwować

beeld, prent, afbeelding, plaat schildering, doek, schilderij beeld, prent, afbeelding, plaat afbeelding, prent, plaat beledigen, krenken, affronteren troetelen, koesteren, vertroetelen beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken oneigenlijk, figuurlijk oneigenlijk, figuurlijk krenkend, beledigend, grievend agressief aanvallend, offensief gescheld beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken wal, beugel, ring kompas fietsen, wielrijden anders maken, veranderen weer, defensie, afweer, verdediging defensie, verdediging, weer, afweer bescherming defensie, verdediging, weer, afweer opkomen voor, verweren, verdedigen kraag, boord, halsboord kraag, boord, halsboord revolutie, omwenteling omzet laken tafellaken, dekservet klapperen, plassen, kabbelen, klotsen ritueel besnijden cirkelomtrek, buitenkant ceremonie, plechtigheid ritus, kerkgebruik, rite pof, poef ijselijk, afgrijselijk misselijk, stuitend, onsmakelijk venijnig, vergiftig, giftig gruweldaad, verschrikking, gruwel afgietsel, gegoten voorwerp schuin, obsceen, schunnig berisping, aanmerking, blaam, standje berisping, aanmerking, blaam, standje opvolgen, handelen volgens

obserwował obsesja obsesją obsługa obsługiwać obsługiwał obsługiwanie obsługujący obsługujący ramki obstawać obstrukcja obsunięcie się ziemi obszar obszar obszar definiowania obrazu obszar oddziaływania obszar zapisu taśmy obszar zapisu taśmy (magnetycznej) obszar zbiorczy sumować obszerny obszerny obszerny obszerny obudowa obudowa obudowa płaska obudowa układu scalonego obudowa wieżowa obudzić obudzić obudzić obudzić (ze snu) obudzić się obudzony oburzony (<at sth> na coś oburzyć obustronny obustronny obuwie obwieszcza obwieszczać obwieszczenie obwolucie obwoluta obwód obwód obwód obwód drukowany wielowarstwowy

opvolgen, handelen volgens obsessie obsessie administratiekantoor, bestuur serveren, voorleggen functioneren, het doen actie, handeling, optreden, gedoe steward steward aanhouden, blijven aandringen verstopping, constipatie, obstipatie aardverschuiving oppervlakte, areaal, gebied territoir, ban, gebied, grondgebied gehucht, buurtschap, vlek arena, krijt, piste, kampplaats zich aaneensluiten, aansluiten klimaatzone, zone, aardgordel oppervlakte, areaal, gebied uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend lijvig, veelomvattend uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend breedvoerig, ruim, groot, royaal affaire, zaak, aangelegenheid, ding inpakken, verpakken, pakken indompelen, indopen, soppen pedestal, piëdestal, voetstuk inpakken, verpakken, pakken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken verontwaardigd muiten, rebelleren, in opstand komen wederkerig, wederzijds, onderling onderling, wederkerig, wederzijds schoeisel uitvaardigen, afkondigen adverteren, aankondigen, aandienen bericht, aankondiging, advertentie kruisband, wikkel, banderol kruisband, wikkel, banderol circuit netwerk, net omtrek circuit

obwód drukowany wielowarstwowy obwód drukowany wielowarstwowy obwód wyjściowy obwód zaporowy obwódka obyczaj obywatel obywatel obywatelski obywatelski obywatelstwo ocalać ocalić ocean oceaniczny ocena ocena ocena zawartości oceną oceną oceną oceniać ocenić ocenić ocet ochłodzić ochocie ochota ochotnik ochraniać ochrona ochrona ochrona poufność ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) ochrona zasobów ochrypły ochrzcić ochrzcić ociągać się ociekać ociemniały ocierać ocierać ocknąć się oclić octan oczarować

maas, breisteek, steek, strik omtrek circuit circuit velg usance, gewoonte, gebruik staatsburger, burger nationaal, vaderlands burger-, stadsciviel nationaliteit redden, bergen, behouden bergen, behouden, redden wereldzee, oceaan oceanisch belastingaanslag, aanslag orkestreren schatten, begroten, waarderen, taxeren belastingaanslag, aanslag graad, mate, trap gedachte, mening, opinie, dunk, visie rekening, conto schatten, taxeren, waarderen, begroten appreciëren, waarderen edik, azijn koelen wil wil vrijwilliger, volontair behoeden, beschermen bescherming pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand bescherming schor, hees, rauw dopen dopen zweven water blind schaven, afschaven afvegen, wissen, afdrogen, afwissen beter worden, genezen, helen plicht, verplichting acetaat, azijnzuur zout heksen

oczarować oczarować oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać na pakiety oczekiwać na sygnał oczekiwał oczekiwał oczekujący oczka oczko oczko (sieci itp) oczko (w kartach itp) oczko sieci itp oczyszczać oczyszczać oczyszczać kogoś z winy oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić się oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywiście oczywiście oczywiście oczywiście od od czasu do czasu od niepamiętnych czasów od nowa od nowa od piątku od siebie od święta od zewnątrz oda oda tnica odbicie odbicie zwierciadlane (w grafice) odbiera

aantrekkelijkheid betoverend anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhoren, beluisteren, luisteren aanhoren, beluisteren, luisteren anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhangig maas, breisteek, steek, strik kijker, oog maas, breisteek, steek, strik sterretje, asterisk maas, breisteek, steek, strik raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel reinigen, schoonmaken, louteren borstelen, schuieren uitleggen, duidelijk maken, beduiden rein, puur, schoon, zindelijk louteren, reinigen, schoonmaken zindelijk, puur, helder, rein, schoon louteren, reinigen, schoonmaken aanwijsbaar, vertoonbaar apert, evident, kennelijk, duidelijk laten blijken, manifesteren kennelijk, evident, apert vlakte beslist, absoluut, ten enenmale klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk gewis, zeker, vast, stellig sedert, met ingang van, vanaf op een keer, eens van voren af aan, nogmaals, opnieuw opnieuw, van voren af aan, nogmaals van voren af aan, nogmaals, opnieuw van voren af aan, nogmaals, opnieuw afgezonderd, afzonderlijk daarop, vervolgens sinds, sedert, vanaf ode ode afspiegeling, weerglans afspiegeling, weerglans ontwoekeren

amputeren. sujet. slank. voelen. nuance. wegsnijden afzetten. kwiteren hoop. snuiter logeren ritsen. terugkaatsen ontvanger ontvanger ontvanger gebruiker luisteraar. afwijking afleidingsmanoeuvre afzetten. sensatie bevoelen. groep. persoon. agent . innen. aars serveren. handvat. herdruk ontsluiten anus. aars anus. imponeren ontcijferen. afhalen lossen. tak afbetalingstermijn. wegnemen. ontraadselen klapstuk. afladen tint schakering. kudde. in ruste aftreden. snoeien branche. aannemen. dealer.odbierać odbierać odbierający odbijać odbijać się szerokim echem odbiorca odbiorca danych odbiorca docelowy odbiorcą odbiornik odbiór odbiór (długu odbitce odbitka odblokować odbyt odbytnica odbytnicą odbywać odchodzenie klientów odchodził odchodź odchudzać się odchylenie odchylenie odciąć odciąć dopływ odciąg odciąg odciąga odciążyć odcień odcień odcień odcień odcień odcień barwy odcięta odcinać odcinanie odcinek odcinek (powieści) odcisk odciskać odcyfrować odczucie odczuwać odczynnik chemiczny collecteren. voorleggen karnen gepensioneerd. met pensioen gaan rank. knul. betasten vertegenwoordiger. uitladen. schare. spiegelen. nuancering tint abscis oor. vak. nuancering nuance. inzamelen aanvaarden. accepteren ontvanger afspiegelen reflecteren. hengsel. nuancering schaduwen schakering. aars anus. amputeren. wegsnijden kerel. rissen. kruk. tasten. rustend. schakering. nuance. knippen. drift afdruk nadruk. annuïteit afdruk indruk maken op. klink scheren. toehoorder voor voldaan tekenen. tenger aberratie.

kakken serveren. doorklinken isoleren. bedreigen isoleren. grijpen. afreizen . naklinken. afzonderen afgezonderd. piesen poepen.odczyt odczyt z wyprzedzeniem odczytać odczytaj odczytywać elektrycznie oddać (przysługę) oddać (się czemuś) oddaj oddalony oddawać mocz oddawać stolec oddawać usługi oddech oddychać oddychanie oddział oddziaływać oddziaływanie wzajemne oddzielać oddzielać oddzielać oddzielny oddzielny odebrać odwołać unieważnić odejmij odejmować odejmowalny odejmował odejmowanie odejście odejść odejść z kwitkiem odemknąć oderwać oderwać odetchnąć odezwa odgadywać odgałęzienie odgłos odgłos odgłos odgłos kroku odgradzać odgrażać się odizolować odjazd odjeżdża college geven lezen decoderen college geven betekenis. verklaring raden. ademen declaratie. vertrek een miskraam krijgen. verwijderd. spanderen bemachtigen. afzonderen uittocht. voorleggen adem ademhalen. diverse aanvaarden. afzonderen dreigen. accepteren aftrekken aftrekken afneembaar aftrekken aftrekking uittocht. aftakking boe weergalmen. met pensioen gaan ontsluiten verstrooien vaneenscheuren. afzonderlijk verscheidene. een plas doen. ontlasting hebben. aannemen. aangrijpen agentschap gescheiden isoleren. spenderen. mislukken aftreden. over pissen. weergeven opdragen. aangrijpen vandoor. galmen. echoën Echo naklinken. doorscheuren ademhalen. gissen. afzonderlijk afgezonderd. ademen ademhaling agentschap aandoen. heen. doorzien tak. vertrek op reis gaan. zin reproduceren.

afzonderlijk uitbeelden. afbikken splinter invalide. afreizen desinfecteren. ontsmetten sinds. afschuwelijk uiteenlopend. vervoegen ijselijk. ver afgietsel. afnemen variatie. heen. gegoten voorwerp baseren. steunen. vanaf wanneer. stem bikken. afbeelden achterhouden ontkennen veranderen. weigering negatief. anders maken dalen. aanhouden ontdekking ontdekken ontdekken stutten. boetseren ritsen. wegnemen. verschillend afwijzing. cliché in tegenspraak zijn met. sedert. variëteit. als. ver. het verdommen. verwijderd verwijderd. variëteit. kleiner worden. afwisseling veranderen. schragen ontdekken ontdekking aflossing. tegenspreken afwijzen. verwijderd. gebrekkig afneembaar afstandelijk verloten. verbeelden. funderen modelleren. anders maken variatie. amortisatie. verdagen. ververwijderd. toen vertraging afgeven. in bewaring geven uitstellen. afhalen uittocht. loten afgezonderd. eind ververwijderd. vertrek eenzaam partij. weigering afwijzing. deponeren. afschrijving vandoor. afkeuren .odjeżdżać odkazić odkąd odkąd odkładać odkładać odkładać odkrycie odkryć odkrywać odkrywać odkrywać odkrywanie urządzeń sieciowych odkupienie odlatywać odległość odległy odległy komputer macierzysty odlewać odlewać odlewać odliczyć odlot odludny odłam odłamek odłamek odłączać odłączalny odłączony odłączyć odłączyć odmalowuj odmawia odmawiać odmiana odmiana odmiana baseballu odmianą odmianą odmieniać odmienny odmienny odmowa odmową odmowny odmówić odmówić op reis gaan. over afstand. afwisseling conjugeren. rissen. grondvesten.

rommel. aannemen. resistent antwoorden. referentie lijken. ontslaan doen verdampen.odmrożenie odnajdywać odnalezienie odnaleźć odnawiać odnawiać (mieszkanie) odniesienie do obiektu odniesienie niejednoznaczne odnieść wrażenie odnoga odnosić się odnoszący się odnoś odnoś odnośnie odnośnik odnowić odnowić odosobnienie odosobniony odosobniony odór zynek odpadki odpalać odparowywać odparzyć odpaść odpis odpisać odpływ odpływ odpływ odpływ kanał odpoczynek odpoczynek odporność odporny odporny na wstrząsy odpowiada odpowiada odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać (<to sth> czemuś) odpowiadać za odpowiedni odpowiedni door bevriezing veroorzaakte wofrostbite ontdekken ontdekking beter worden. onvatbaar. familielid bewerkstelligen. bijbehorend gepast. renoveren vernieuwen. overkomen. helen vernieuwen. aangaande. geschikt . vertellen. antwoorden op reageren antwoorden. resistent immuun. antwoorden op neerdruipen. antwoorden op corresponderen antwoorden. louter stinken. doorvoeren aanvaarden. genezen. indampen blaar terugvallen exemplaar. accepteren betreffende. tegenkanting. referentie verwijzing. uitdampen. overblijfsel. bloot. omtrent verwijzing. afdruipen ebtij. renoveren verwijzing. het verdommen. getij ebrusten rest. geïsoleerd enkel. antwoorden op reageren corresponderen antwoorden. schijnen been verhalen. onvatbaar. isolering alleenstaand. referentie versieren vernieuwen. debiteren verwant. renoveren isolatie. afdruk antwoorden. tegenstand immuun. afval tegenweer. vies ruiken afwijzen. antwoorden op adequaat. royeren. passend. afkeuren ontzetten.

misselijkheid afschuwelijk ijselijk. misselijkheid walg. deponeren. antwoorden op antwoorden. marktplaats aflaat mazelen Oder mazelen mazelen afgeven. afkeer.odpowiedni odpowiedni odpowiedni odpowiednik odpowiednik odpowiednio odpowiednio odpowiednio do odpowiedniość odpowiedzialność odpowiedzialny odpowiedzialny (<for sth> za coś) odpowiedzialny za coś odpowiedzieć komuś/na coś czymś odpowiedzieć <to sb/sth> komuś/na coś <with sth> czymś odpowiedź odpowiedź odpowiedź opóźnienia grupowego odpowiedź z danymi EGP odprasować na kant odprawić odprężacć się odprężyć (się) odprężyć się odprowadzać odprysk odpust odpust odra Odra odra (choroba) odra choroba odraczać odraza odraza odrazą odrażający odrażający odrębny odrębny odrobina odrobina odrobina odroczyć odrośl odróżniać odróżniać genoeg. voldoende fatsoenlijk. op de juiste wijze netjes. aansprakelijk reageren reageren antwoorden. royeren. aansprakelijk verantwoordelijk. verdagen. bazaar. parallel gevoeglijk. eind uit elkaar houden. sprank uitstellen. accompagneren. zich verpozen vergezellen. bezitting verantwoordelijkheid verantwoordelijk. afkeer. aanhouden afstand. onderscheid maken onderscheiden. aansprakelijk verantwoordelijk. fatsoenlijk equivalent. gruweldaad walg. antwoorden op verfomfaaien. in bewaring geven gruwel. ontslaan verslappen. verschillend afgezonderd. antwoorden op antwoorden. zich verpozen verslappen. boerderij. naar behoren. walging. kreukelen. frommelen ontzetten. walging. antwoorden op antwoorden. behoorlijk. afzonderlijk jota ons vonk. gelijkwaardig evenwijdig. verschrikking. zich verpozen verslappen. afgrijselijk uiteenlopend. behoorlijk betamelijk. onderkennen . behoorlijk netjes. markt. behoorlijk landgoed. naar behoren. begeleiden splinter marktplein. betamelijk.

odróżnić odruch odruch odryglować odrzuca odrzucać do tyłu odrzucenie odrzucić odrzucić odrzucić odsetce odsetek odsetki odsłaniać odsłona odsłoną odstęp odstęp odstęp odstęp między znakami odstęp międzywierszowy odstęp proporcjonalny odstępstwa odstrasza odsunąć odsyłacz odsyłacz odszkodowania odszkodowanie odszkodowanie odszukać odszukać odszyfrować odświeżać odświeżać odświeżanie odświeżyć odświeżyć odświeżyć odświeżyć się odtajnić odtrącać odtwarzać tok rozumowania odtworzenie oduczyć odurzyć odwadze odwaga onderscheiden. schaden vinden. weergave afleren. verhouding rente. verwerping dalen. tafereel. opfrissen verfrissend opknappen. overeenstemming beloning. verwerpen. toneel. aandrang schokken ontsluiten afslaan. durf . verwijderd. bestek. treffen. wereldruim. beschonken lef. bres. aantreffen afbakenen ontcijferen. verwerpen. afwijzen opgooien. renoveren opknappen. over sterretje. gat interval. opfrissen ontcijferen. eind interval. kleiner worden. dol. toenemen. accoord. asterisk verwijzing. zat. bevinden. interesseren openbaren. proportie. drang. tableau mond. aanwakkeren opknappen. gaping uittocht. durf lef. tussenruimte opening. afschrikken vandoor. afnemen afdanken afslaan. voetstuk ruimte. heen. afwennen dronken. onderkennen aandrift. vergelding schade aanrichten. laven. ontraadselen sterker worden. weergeven reproduktie. speling afstand. impuls. tussenruimte pedestal. opfrissen verfrissend vernieuwen. ontraadselen afpoeieren reproduceren. referentie akkoord. procent. laven. opening. moed. kenbaar maken scène. piëdestal. dapperheid. percent belang inboezemen. gooien afwijzing. afwijzen evenredigheid. moed. loon. vertrek verjagen. laven. dapperheid.

verstrooien achterzijde. boud. kleding gewaad. links converseren. insigne. moedig. geregeld bezoeken bezoeken. ommezijde. afgaan. ommezijde. koen gewicht flink. ommezijde. aanhouden adviseren. reproduceren. strijdig converseren.odwaga odważnie odważnik odważny odważny odważyć odważyć się odważyć się odwdzięczać się odwiązać odwiedzać odwiedzać odwiedziny odwiert odwilż odwlec odwokat odwołać odwołać odwołać (kogoś lub coś) odwołać skasowanie odwołanie odwołanie przez adres odwołuj odwołuj odwoływać się odwracać odwracać odwrocie odwrotne łamanie odwrotność odwrotność odwrotność odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny bez powrotu do zera (zapis) odwrócić odwzajemnić odwzajemnić się odwzorowanie odyseja odziedziczyć odziedziczyć odzież odzież odznace odznaczenie zenuw dapper. beantwoorden hergeven. losmaken bezoeken. wagen zich wagen aan. opening ontdooien. ommezijde. wederzijds achterzijde. opzoeken mond. aandurven restitueren. aankondigen. eerlijk. een gesprek voeren achterzijde. gat. teruggeven bitmap Odyssee afwisselend beërven. vergelden. erven kleren. een beroep doen op afleiden. wederkerig. verdagen. terugbetalen afbinden. losbinden. rugstuk afleiden. dooien. gedenken. verstrooien terugdoen. rugstuk achterzijde. blazoen decor. wegsmelten uitstellen. rugstuk aftrekken. kloek. decoratie . referentie afschaffen terugtrekken. bekendmaken afbestellen afdanken zich herinneren. intrekken appelleren. onderscheiding. boud. wegen. ferm dapper. opzoeken bezoeken. de aftocht blazen linker-. tegenliggend. dapper. afgaan. kledingstuk wapen. onthouden afbestellen afbestellen verwijzing. braaf. moedig. een gesprek voeren onderling. koen het gewicht bepalen. rugstuk tegengesteld. afwegen zich vermetelen. kloek.

spiegelen. genezen. insigne. expediëren te koop aanbieden. accuraat. aankondiging. aankondiging bericht. aankondiging bericht. aankondigen. terugkaatsen ontwoekeren beter worden. aankondigen. binnenkrijgen. officieel afstand. ceremonieel. helen beter worden. ontslaan ontzetten. plakkaat bericht. aanplakbiljet. advertentie affiche. nauwgezet opofferen. royeren. eind inslikken. slachtoffer opofferen. offeren. plechtig ambtelijk. genezen. royeren. bekendmaken het gevolg zijn van. inspecteren uitzicht adverteren. royeren. spiegelen. beteuterd ontzetten. aanbieden huwelijksaanzoek. offeren. afschaffen. afkondigen uitgeven. focus. getroffene. helen uitvoeren. openbaarmaking adverteerder. aanzoek huwelijksaanzoek. adverteren adviseren. nakijken. aanzoek afzenden. aanbieden dupe. blazoen kegel reflecteren.odznaczyć odznaka odznaka odzwierciedla odzwierciedlać odzyskać odzyskać odzyskiwać odźwierny ofercie oferować oferować oferta oferta officer celny ofiara ofiara (na jakiś cel) ofiara życiowa ofiarować oficer oficjalny oficjalny ofset ogarniać ogień ogień armatni oglądać oglądać oglądać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłosić ogłosić ogłosić ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenie ogłoszenie ogłoszenie ogłoszeniodawca ogłuchnąć ogłuszał ognisko ognisko elimineren. aankondiging. indienen huwelijksaanzoek. aanbieden huwelijksaanzoek. aandienen aandienen. verzenden. aankondigen. uitvaardigen. adverteren proclameren. advertentie. ontslaan brandpunt. examineren inspectie houden. afstammen uitspreken aandienen. haard . emitteren bericht. bedremmeld. terugkaatsen reflecteren. aanzoek nauwkeurig. advertentie afkondiging. opdoeken wapen. aankondigen. ontslaan onderzoeken. presenteren. innemen ontzetten. verkondiger goed staan beduusd. advertentie. aanzoek officier afgemeten.

barrière kraal. afsluiting. beperken. barrière haag. beperkt beknotten. kanaal. begrensd. heg. steg haag. eindig. omheind terrein afgrijselijk enorm buitengewoon gigantisch. begrensd. heining. tuinier. schouw piepen. zetten afscheren schaduwen rok in het algemeen. afsluiting. tuin . beknotten begrensd. begrenzen begrensd. ruim. beperken. cel. eindig perk. eindig beknotten. gemeenschappelijk geheel alles wel beschouwd komkommer begrenzen. begrenzen. beknotten hek. afsluiting. haardstede haardstede. doorgaans generaal wereldwijd generaal algemeen. beperkt. kerker monteren. breedvoerig. beperken. schoorsteen.ognisko ognisko domowe ognisko domowe ognisko kowalskie ogniskował ogniwo ogniwo ogniwo (np. barrière beperkt. heining. heg. omheind terrein hek. reusachtig royaal. begrenzen beperken. begrensd. hovenier kraal. knarsen smeden brandpunt. grens beperken. groot hof. eindig zeeëngte. begrenzen. beknotten begrenzen. focus. begrenzen. haard. straat beperkt. nauw. steg hek. haard cachot. beknotten beperkt. beknotten beperken. eindig tuinieren tuinman. łańcucha) ogolić ogon ogonach ogólnie ogólnokształcący ogólnoświatowy ogólny ogólny test klasyfikacyjny ogół ogółem ogórek ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać niosłości ograniczenie ograniczenie topologii ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych ograniczony ograniczony ograniczony wejściem-wyjściem ograniczyć ograniczyć ograniczyć spożycie (zużycie) ograniczył (się) ogrodnictwo ogrodnik ogrodzenie ogrodzenie ogrodzenie ogrodzić ogrodzić (żywopłotem) ogrodzone miejsce ogromny ogromny ogromny ogromny ogromny ogród open haard. beperken. zetten monteren. heining.

peet stiefvader ingeboren. oog span proef. gebeuren afdingen. vaartje. papa. bij acclamatie benoemen banaal. boodschap verzenden glaswaar.ogród ogród zoologiczny ogryza ogryzać ogryzek ogrzać Ogrzewać ogrzewanie ohyda ohydny ojca ojciec ojciec chrzestny ojczym ojczysty ojczyzna ojczyźnie oka okablowanie okaz okaziciel okazja okazja okazja okazją okazjonalny okazywać się okienka okienko okiennica oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwał oklepany oklepany okład okładce okładka okładziną okna okno okno dialogowe okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) okno panel pole oko dierentuin hof. gruweldaad. afgrijselijk pater. venster bericht. proefstuk schede. aangeboren vaderland vaderland kijker. maal incident. gruwel afschuwelijk. alledaags. pingelen. vaartje. gebeurtenis. marchanderen keer. afgezaagd afgezaagd comprimeren mouw dekken. peter. pit warm gloed. gleuf raam. toedekken. marchanderen toevallig. venster raam. ouder peetvader. vensterruit. houder afdingen. knabbelen kern. bij acclamatie benoemen graagte. foedraal. opdagen sponning. papa. monster. sleuf. naamgever. tuin knagen knagen. bij acclamatie benoemen toejuichen. trek toejuichen. pingelen. beleggen. venster luik toejuichen. hongerigheid. vader. glaswerk kijker. bedekken voering raam. specimen. ouder pater. oog . vader. vuur verwarming verschrikking. eetlust. gelegenheidsopdraven.

foedraal. roven. tribune. open veld oppervlakte. vakterm krant specificeren benaming. in omloop ongeveer. greppel. nauwkeurig bepalen onherroepelijk. gruwel . komend eerstvolgend. leiding term. aanstaand. bak. etui. stand van zaken. areaal. open veld bijwoordelijk toevallig. oog eerstvolgend. regionaal pot. hoer kut. definitief specifiek. bestuur. vulva definiëren. circa groef. bak. gebied platteland. vulva kut. doos. lichtekooi. frauderen kring. cirkel ronde fietsen. oppervlak platteland. komend oppervlakte. frauderen knoeien. groeve. naamwoord. accident. omschrijven. tijdvak periode.oko magiczne okok okok ca okolica okolica okolica okolicą okolicznik okolicznosciowy okoliczności okolicznościowy okoliczność okoliczność około około okop okop okrada okradać okradać kogoś okraść okrąg okrągły okres okres okres okres okres ważności klucza kryptograficznego okres wykonania okres życia okres życia okresowy określać określenie określenie danych określenie ilościowe określenie intymnej części kobiecego ciała określić określić określony określony okręcie okręg okręgowy okręt wojenny okroić obcinać okropność kijker. etui. soortelijk pot. kuil. naam prostituée. gelegenheidsongeluk. koker district. wielrijden wiegen periode. gewestelijk. foedraal. plunderen sluipen knoeien. doos. zwendelen. vakterm periode. tijdvak podium. stand circulerend. zwendelen. aanstaand. tijdvak term. arrondissement. ongeval toevallig. gracht loopgraaf stropen. bepalen determineren. gouw streek-. koker afknotten verschrikking. gruweldaad. buitmaken. gelegenheidsomstandigheid situatie. een stuk of.

fatsoenlijk smeden spektakel. broodkruimel verschrikking. vrijkopen. afkopen handwerk. toedekken. kijkspel. schouwspel bril mank. inwikkelen. beleggen. beslaan. geweldig elzeboom. omhullen octaal. ambacht aanwezige aanwezige bezetten. blind maken de weg wijzen.) ołów ołówek ołtarz om omal omawiać warunki omdlenie afgrijselijk schrikaanjagend. achttallig betamelijk. bekleden reus reusachtig. geleiden. els olie olie stookmateriaal. ambacht beroep. haast. i w przen. beroep. bijkans. ijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. bekleden bezetten. gruwel kruimel. bewusteloos raken . beslaan. broodwinning. enorm. behoorlijk. beroep.okropny okropny okropny okropny okruch okrucieństwo okruszyna okrutny okryć okrywać oktalny okucie Okucie okulary okulary okulawić okulista okultystyczny okultyzm okup okupacja okupacja okupacją okupancie okupant okupować okupował olbrzym olbrzymi olbrzymi olcha olej olej rycynowy oleje i smary oliwa oliwą oliwą oliwić oliwka oliwny olśnić (dosł. zaken doen bezwijmen. bijna handelen. gruweldaad. wreedaardig dekken. gigantisch gigantisch. barbaars. bedrijf handwerk. hinkend oogarts occult occult loskopen. handeldrijven. ijselijk kruimel. kreupel. bedekken hullen. leiden potlood altaar ohm schier. brandstof olie olie olijf olie olijf olijf verblinden. broodkruimel wreed.

discuteren recenseren. zwaaien hen. pakken kruisband. alternatief. afbinden een verband omleggen keus. hun het abdij abdij hangen verval inpakken. katheder . leerstoel. harnas. omelet autobus. troep. voorteken mijden. looien aangebrand kuras. zij. hun hen.omen omija omit omlecie omlet omlet omnibus omówić omówienie omszały omultiset omulti-set on ona ondulacja one oni oni sami ono opactwa opactwo opada opadać opakowanie opakowanie ochronne opal opalać się opalenie opancerzenie opar oparcia oparcie opary oparzenie oparzenie słoneczne opaska opat opat tor opatrunek opatrunek opatrzyć opcja trasowania według nadawcy opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną opera operacja operacja zmiennopozycyjna operatora teken. alternatief. leerlooien. bende abt abt zwachtel. wuiven. wikkel. ze. ze gebaren. ze. zij. bespreken mossig tas. keuze opera bewerking. verpakken. verband toebinden. keuze keus. misgrijpen struif. zak hij. operatie. hem haar. hun hen. zij. ontwijken missen. omelet struif. omelet struif. steunbeer. beer stutten. pantser haarkloven. uit de weg gaan. mislopen. operatie. ze. voorbode. bepantsering. banderol opaal tanen. zij. bus bespreken. schragen uitwasemen aanbranden in kokend water doen schare. bedillen schoor. steunen. ingreep bewerking. ingreep kansel. zak tas.

verhaal. porto gesteld zijn. relaas. meeloper vertelsel.operą operować opętać opętywać opieka opieka opiekun opiekun klienta opiekunka do dziecka opierać opierać się opierać się opierać się o coś opieszały opieszały wstęp opinia opinia opis opis opis techniczny opisać opisywać opium opłacać opłakiwać opłakiwał opłata opłata (za przejazd) opłata jednostkowa opływowy opodal opodatkować opodatkowanie opona oponent oponent oponować oporność oportunista opowiadanie opowiadanie opowiadanie opowiadanie) opowieść opozycja opór opór magnetyczny opór sprzężenia zwrotnego opera functioneren. schildering. tegenstand opportunist. dunk. obsederen bezitten. tegenkanting. rijk zijn acht. tegenkanting. vonnis tafereel. grenzen aan nonchalant. dokken rouwen rouwen gesteld zijn. object. beschrijving verbeelden. beschermheer chaperonne oppas rest. tegenstand . tegenstand trekken tegenweer. overblijfsel. aanstaand. mening. het maken port. vertelling betrekking. band tegenstander tegenstander mikpunt. uitbetalen. betalen. aanslaan belastingaanslag. onderwerp. onachtzaam nalatig. tegenkanting. tegenstreven standhouden. oppositie tegenweer. het doen beklemmen. relaas. aandacht bescherming beschermheilige. ding tegenweer. frankering. komend belasten. erop nahouden. uitbeelden. vertelling tegenstand. verhaal. verhaal. luchtband. verdieping vertelsel. bezwaar hebben tegen belenden. nalatig. het maken gestroomlijnd eerstvolgend. relaas. afbeelden beschrijven opium storten. afval tegenspartelen. beschrijving recenseren. onachtzaam. sententie. attentie. aanslag pneumatiek. vertelling etage. bespreken tafereel. nonchalant gedachte. rommel. visie judicium. uitspraak. opinie. omgang. schildering. verband vertelsel.

lens. links achterwege laten. zich voordoen hol. windsel schede. rugwaarts compileren. grondvesten. immoreel. strook. dichtbij. bereidvaardig cocon bezinning. ledig. bewustzijn daglicht opticien optimist optimistisch optimisme uitgeven. ledig. inlijsten. binden strip. afdalen concessie. bedanken naar beneden gaan. ondoorgrondelijk . achteruit. naast overigens. trouwens maar. aftreden. foedraal aan. reep. nabij. doch uitzonderen zich aanstellen. lens.opóźniać się z czymś opóźnić opóźnić opóźnienie opóźnienie propagacji opóźniony zapis opóźniony zapis opracowywać oprawa oprawa okularów oprawą oprawcą oprawia oprawiający oprawka oprawka oprawka oprócz oprócz oprócz oprócz oprócz opróżniać adj pusty opróżnić opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) opryszek oprzeć oprzejmy oprzęd oprzytomnieć optyczny wskaźnik działania optyk optymista optymistyczny optymizm opublikować opuchlina opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać (się) opuszczenie opuszczenie opuszczony opuszczony vertraging vertraging achterlijk vertraging vertraging achterover achterwaarts. emitteren pof. poef in de steek laten. bij. weglaten uittreden. besef. funderen bereidwillig. loos. afstand. foedraal. afreizen linker-. zetting in een lijst zetten. onzedelijk onpeilbaar. loos. cessie. toegeving zonder vrienden gemeen. leeg hol. schede. laten varen op reis gaan. afslachten inbinden. zetten montage. band. samenstellen monteren. vatten slachten. houder velg houder. leeg Vlissingen gangster baseren.

origineel . baan oogkas. opgeven een miskraam krijgen. mislukken afrit. zwelgpartij. orkest. afleggen. drinkgelag orgie. orkest. naargeestig omploegen. fonds Oranje oranje redenaar oogkas.opuszczony opuścić opuścić opuścić opuścić opuść (się) orać orać oranż oranż orator orbicie orbita orbita okołoiziemska orbitować orchidea ordynarny orędownik orędownik orędzie organ organ ds. stelsel. afreizen troosteloos. ruw pleitbezorger. lomp. somber. kas. regelen. opstand orgie. baan oogkas. boodschap orgaan orgaan organiek. onkies. grof. drinkgelag houding oosters. zwelgpartij. organiseren orgaan muiterij. organiseren uitschrijven. bestel uitschrijven. muziekkorps orkestreren planeet. muziekkorps band. onlusten. zwerfster versieren versieren gastheer orthodox. beploegen geldkist. advocaat. baan orchidee hardhandig. ploegen. baan oogkas. spelling. van oorsprong oorspronkelijk. verdediger apostel. voorvechter bericht. regelen. rechtzinnig orthografie. schrijfwijze oorspronkelijk. uitweg op reis gaan. organisch organisatie organisatie administratiekantoor organisatie organisme systeem. rejestracji użytkowników organiczny organizacja organizacja firma organizacja i zarządzanie organizacją organizm organizm organizować organizował organy orgia orgia orgią orientacja w przestrzeni orientalny orkiestra orkiestra smyczkowa orkiestrować ornacie ornament ornamentacja orszak pogrzebowy ortodoksyjny ortografia oryginalnie oryginalny weggelaten prijsgeven. oostelijk band. uitgang.

overeenstemming afhandelen. overeenstemming monteren. behalen aanspreekbaar verkrijgbaar behalen. apenoot. druk. kokosnoot hazelnoot walnoot. oordelen. inhalen bereiken. rap. verkrijgen. berechten geschommel. behalen behalen. bereiken. schommelen economisch aarding. okkernoot kokosnoot. klappernoot. esp . arend adelaar. okkernoot walnoot. afdoen acht tachtig tachtig achttiende achttien achttiende achttien ouderloos ratelpopulier. aardnoot moer adelaar. inhalen buit maken.oryginalny oryginał orzech orzech orzech alskowy orzech kokosowy orzech laskowy orzech nerkowca orzech orzech orzech włoski orzech ziemny orzeł orzeł czy reszka? orzeszek ziemny orzeźwiający orzeźwiający osa Osada osadzić osą osądzać oscylacja dwustanowa oscylator oscyloskop oscyloskop elektroniczny oscylować osdzczędny osiadanie na mieliźnie osiąga osiągać osiągać osiągalny osiągalny osiągnąć osiągnąć osiągnąć osiągnąć szczyt osiedle osiedlić osiem osiemdziesiąt osiemdziesiątka osiemnasta część osiemnastka osiemnasty osiemnaście osierocić osika typisch. inhalen. bereiken. behalen bereiken. apenoot. okkernoot pinda. kwiek verfrissend wesp akkoord. kras. curieus. zetten wesp beoordelen. klappernoot. bereiken. schommeling oscillator oscillograaf oscillograaf slingeren. aardnoot levendig. oscilleren. inhalen. bereiken. inhalen behalen. arend pinda. accoord. accoord. aardleiding behalen. vreemd oorspronkelijk. origineel moer walnoot. inhalen akkoord. klapper klapper.

uithangbord. geaardheid gek. humaan begeleiding. aanklacht beklaagde. aangeklaagde aanklager. uithangbord. esp ezel ezel afgodsbeeld knabbelen. bedekken schild. beschuldigde. bordje. bord bedaren. luwen verdunnen. aanklagen beschuldiging. buis dekken. beschuldiger een proces aanspannen tegen Oslo schild. capuchon. slof. persoon adverteerder. capuchon. mantelkap. banderol huik. vreemd. schort.osikowy osioł osioł osioł oskard oskarżać oskarżać oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) oskarżać (kogoś o coś) oskarżenie oskarżony oskarżyciel oskarżyć przed sądem Oslo oslona osłabiać osłabiać osłabiać osłabiać osłabić osłabnąć osłaniać osłodzić osłona osłona osłona osłona osłona osłona osłona przeciwsłoneczna osłona TCP osłoną osłoną osłonić przed wiatrem osnowa tkaniny osoba osoba dająca ogłoszenie (np. bordje. asyl kader. wikkel. verkondiger oppas menselijk. kap jasje. raam personage. colbert. toedekken. bekoelen. beleggen. mantelkap. uithangbord. aanklagen beschuldigen. verzwakken aanlengen aanlengen aanlengen bedaren. bekoelen. bord suiker boezelaar. eigenaardig persoonlijk persoonlijk kegel . muil aard. afkluiven beschuldigen. buis overjas. karakter. betichten. raar. omlijsting. do gazety) osoba pilnująca dziecka osoba postępująca w sposób humanitarny osoba towarzysząca osoba używana do przemycania narkotyków osobistość osobisty osobisty osobisty numer identyfikacyjny osobisty numer identyfikacyjny ratelpopulier. lijst. accompagnement muiltje. luwen schild. kap jasje. aanklagen beklaagde. voorschoot huik. bordje. betichten. colbert. sloof. jas bescherming kruisband. aangeklaagde beschuldigen. bord toevluchtsoord. betichten. beschuldigde. asiel.

geborgen. verleden. individueel afgezonderd. ten slotte. acuut. eventueel uiterst. rap. felheid hardvochtigheid. steun de sporen geven. guur. bezorgd zijn. streng. de laatste tijd onlangs. voorafgaand voorgaand. curieus.osobiście osobliwy osobliwy osobliwy osobnik niosący trumnę osobno osobny osobowość osobowy osolić osowiały ospa ospałość ospały ostatecznie ostatecznie ostateczny ostateczny termin ostatni ostatni ostatni na wejściu—pierwszy na wyjściu ostatnie (wiadomości) ostatnio ostatnio ostemplować ostoi ostrodze ostroga ostrokrzew ostrość ostrość. alleenstaand aard. levendig. uiteindelijk voorgaand. doordringend sluw steek bijtend. druk bar. voorafgaand vergevorderd. voorzichtig zich bekommeren. stut. extreem. ruw. helder. laat recentelijk. eigenaardig typisch. bovenmatig finaal. zorgen waarschuwen zich bekommeren. prikkelen hulst guurheid. schelheid. voorbijgaand puntig. duchtig. afgezonderd gek. zorgen behoedzaam. per saldo eindelijk. karakter. verleden. kwiek. bruut. doordringend scherp. behouden. jijzelf afzonderlijk. prikkelen de sporen geven. vreemd. geaardheid persoonlijk zouten bromfiets pokken doffe onverschilligheid. straf bijtend. leuning. hardheid zachtjes. helder. lethargie druilerig. ten slotte. bezorgd zijn. fel. hard. slaperig eindelijk. dierlijk kras. voorzichtig verstandig safe. spits . afzonderlijk geïsoleerd. ergst. per saldo gebeurlijk. vreemd hoofdelijk. kort geleden muntstempel drager. nóż) ostry ból ostry nabój uzelf. raar. veilig scherp. guur. voorbijgaand beestachtig. fel. acuut. szorstkość ostrożnie ostrożność ostrożność ostrożny ostrożny ostrożny ostrożny ostry ostry ostry ostry ostry ostry ostry (ból) ostry (np.

slijpen kling. belasteren economie. oever kling. africhten temmen. boord. kwaadspreken. waarderen. africhten huistemmen. spaarzaamheid economisch spaarzaam redden. dresseren. scherpen. furore duizelig roddelen.ostrydze ostryga ostrz ostrze ostrze ostrze noża ostrzega ostrzegać ostrzeżenia ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie o otwarciu obudowy ostrzeżenie o poziomie tuszu ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora ostrzeżenie o rozładowaniu baterii ostrzyc ostrzyc ostrzyć ostrzyć ostudzić osuwiska oswajać oswoi (się) oswoi się oswoić oswoić oswojony oszacować oszacować oszacowanie oszacowanie oszaleć oszałamiający oszczerstwa oszczerstwo oszczędność oszczędny oszczędny oszczędzać oszołomiony oszpecać oszukać oszukać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oester oester aanzetten. dresseren. taxeren bestseller. kant. kust. africhten temmen. boord. kant. frauderen schurkachtig handelen misleiden. africhten temmen. dresseren. begroten. africhten schatten. waarderen. lemmet wal. kust. oever aanzetten. plakkaat waarschuwing. lemmer. scherpen. bedriegen zwendelen. lemmer. hebbelijkheid . bergen. aanplakbiljet. zwendelen. belasteren roddelen. waarderen belastingaanslag. scheren. tip waarschuwing. begroten appreciëren. lemmet waarschuwen waarschuwen waarschuwing. dresseren. dresseren. snoeien maaien wal. kwaadspreken. tip waarschuwen affiche. aanslag schatten. tip waarschuwen waarschuwen waarschuwen knippen. taxeren. frauderen. knoeien aanwensel. behouden duizelig Mars schurkachtig handelen knoeien. slijpen afkoelen aardverschuiving temmen.

as as. aangifte. spil roteren. bedrieger jongleur haai schurkachtig handelen jongleur zwendelen. spil verblinden. wand afschaving gal. rang uitspreken uitloven. as declaratie. aansporen zich vermetelen. plantengal. blind maken verblinden. verlichten illumineren. aanbieden declaratie. kwakzalver. galnoot afgrond. bieden. omgeven. blind maken blind aanvuren. binnenste. knoeien borduren prieel spil. spil staf as. frauderen. draaien as. aangifte. uitspraak declareren uitloven. kolk .oszukiwał oszust oszust oszust oszustwo oszustwo oszustwo telefoniczne oszyc oś oś oś oś oś (koła) oś (obrotu) ośka oślepia oślepiać oślepić ośmielać ośmielać się ośmielić się ośmiobok ośmiokąt ośmiokątny ośmiokrotnie ośmiokrotny ośmiornica ośmiornicą ośrodek ośrodek ośrodek zdalny oświadczać się oświadczać się oświadczenie oświadczenie oświadczyć oświadczyć (się) oświadczyny oświadzenie oświeca oświecać oświecać oświetlać otaczać otaczać murem otarcie (skóry) otarcie skóry otchłań misleiden. verlichten illumineren. aanspraak maken op achthoek achthoek achthoekig achtvoudig achtvoudig octopus octopus middelpunt. bieden. verlichten omringen. uitspraak illumineren. stand. verklaring declaratie. verlichten illumineren. status. centrum ligging graad. aanbieden spil. wagen claimen. insluiten muur. bedriegen charlatan. aanwakkeren.

afgrond kolk. gat. omgeven. gat ronduit. rustbank goed. gat. opening mond. casco omsluiten omringen. daar. plantengal. omstreken scheepsromp. gleuf mond. opening. ruig . sleuf. vergallen. ruigharig. blikopener openmaken. uitlaten. er. moed. opendoen. gleuf mond. gat sponning. open en bloot. opening. ovaal eirond. bodem. romp. lijvig lijvig.otchłań otchłań oto otoczenie otoczenie otoczenie sieciowe otoczka otoczyć otoczyć otomana otóż otruć otrzeć (odparzyć) skórę otrzeć (skórę) otrzymać otrzymać otucha otwarcie otwarcie otwartość otwarty interfejs przygotowywania do druku otwieracz do konserw otwierać otwierać (z klucza) otworzyć (spadochron) otwór otwór otwór (np. buit maken aanvaarden. datgene. aannemen. opening sponning. omhullen haardos. gat. dik insekt eirond. ovaal schaap dat. nu goed vergiftigen. aldaar. accepteren lef. insluiten Turkse staatsraad. inwikkelen. daarginds milieu. omgeving omgeving. haar harig. durf mond. openen opener. opening dik. diepte ginds. vergeven gal. gat. afschaven verkrijgen. sleuf. sleuf. do wrzucania monet) otwór do wrzucania monet otwór poczty (mechanizm komunikacji międzyprocesowej) otwór wentylacyjny otwór wiertniczy otwór wiertniczy otwór zabezpieczenia zapisu (w dyskietce) otyły otyły owad owal owalny owca owi owies owijać owłosienie owłosiony kolk. galnoot schaven. lossen mond. openen ontsluiten loslaten. medium. tappen. opendoen. gleuf mond. zulks haver hullen. omstreken omgeving. opening fjord sponning. dapperheid. divan. rondweg openheid openmaken.

tekenen adviseren. adverteren intiem. beslaan. verlevendigen acht octaal. betekenen spellen doel. opwerken. handeling bezielen. garneren sieraad. bedoeling. daar oksel oksel stinkend stinken. daarginds. knus indicatief. aantonende wijs merken. werktuig beduiden. achttallig achtste achtste dat ginds. flatteren versieren opgesmukt afzetten. decoratie. optreden. trouwen bezielen.owoc owoce owocny owocowy owocujący owrzodzenia ozdabia ozdabia ozdabiać ozdabiał ozdabianie ozdoba ozdoba oziębły oznace oznacza oznacza oznacza oznaczać oznaczający oznaczyć oznajmiać oznajmić oznajmić oznajmujący oznaka oznaka oznaka ozon ozór ożenić się ożywiać ożywienie ożywiony ósemka ósemkowy ósma część ósmy ów ów pacha pachą pachnący pachnąć pachniano pachniano pachołek pachwina vrucht vrucht vruchtbaar vrucht vruchtbaar zweer versieren verfraaien. gezellig. teken. voorteken. geurig stinkend kegel lies . tekenen muntstempel adstructie. bekendmaken aandienen. gedoe. strekking merken. verlevendigen actie. bewijs ozon tong in de echt verbinden. er. aankondigen. aankondigen. innig. teken gemiddeld middel. plan. vies ruiken aromatisch. tooisel versieren koud voorbode. aldaar.

pakken pakje bundel. massa stijl. dobberen. deurpost rookcoupé baseball vleermuis vinger vinger vinger teen . hoop. drom.paciorek pacjent pacjent stały (w szpitalu) packa murarska packa na muchy pacyfista pacyfiście paczce paczce paczce paczka paczka paczka paczka paczka błędów pad upaść pada grad padaczka padać padać padlina padliną pagórek pagórek pająk pajęczyna paka pakiet pakiet pakiet pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) pakiet żądania WE/WY Pakistan pakować pakować pakował pakunek pakunek pal pal palaczach palant palant palca palec palec (u ręki) palec u nogi kraal patiënt. pakken. menigte. vallende ziekte vallen. storten regenen aas aas hoogte aanaarden spinnekop. bergen. insluiten opbergen. spin web. pakken pakje pakje pakje instorten. bos barsten. spinrag. verpakken opbergen. splijten. uiteenvallen hagel toevallen. bergen. pakken. zieke vlotten. zieke patiënt. afvallen. aangelegenheid. wis. pakken pakje boel. post. verpakken. paal. ding emmer inpakken. verpakken. bos pakje pakje inpakken. spinneweb. ineenstorten. insluiten inpakken. neervallen. scheuren Pakistan inpakken. verpakken. wis. rag affaire. epilepsie. verpakken inpakken. drijven bakvis pacifist pacifist bundel. zaak.

gedenkschrift aandenken. als. heugenis. gloren ROM voor. leeg. knarsen open haard. lens. gedenkschrift aandenken. geest. jas teen paleis kleven. heugenis. heugenis. haardstede kachel. schoorsteen. vastkleven. gedenken dagboek. bochel ROM ROM verstand. hoe. gedenkschrift loos. herinnering flitsen. operatekst aandenken. tot bult. brandstof stookmateriaal. journaal . bij wijze van. verassing piepen. aanhangen staf Oranje oranje boekje. libretto. knarsen haardstede. onthouden. herinnering geheugen. onthouden. gedenken zich herinneren. handpalm. schouw piepen. intellect winkel geheugen. vies ruiken cremeren. roken stinken. herinnering zich herinneren. ledig. verassen schutting. paalwerk. palissade stookmateriaal. heugenis. oven Palestina aanbranden geroosterd. gebraden smoken. flikkeren.palec u ręki palenie zwłok paleniska palenisko palenisko palenisko palenisko Palestyna palić palić palić palić (papierosa itp) palić na popiół palisada paliwa paliwo paliwo wysokoenergetyczne palma palto paluch pałac pałka pałka policyjna pamarańcza pamarańcza pamflet pamiątce pamiątka pamiątka pamięci pamięciowy pamięć pamięć pamięć dyskowa pamięć ekranu pamięć magnetyczna ferrytowa pamięć podręczna scalona z układem procesora pamięć podręczna z synchronicznym pamięć rdzeniowa pamięć stała pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna (pamięci) pamięć zmienialna pamięta pamiętać pamiętnik vinger lijkverbranding. haard. palm overjas. brandstof bal. brandstof stookmateriaal. hol mnemonisch geheugen. herinnering winkel geheugen. crematie.

pap. bruid. ruchtbaar. heerschappij. meester worden paniek terreur. bepantsering. dienares. mager closetpapier. document. dicht sprietig. jouw het jouwe. openlijk. papier. document. kuras. publiek je. heerschappij. bestuur panter. harnas. bewind pré. heuglijk heer. volk verzekeren. toiletpapier bescheid.pamiętnik pamiętny pan pan (domu) pan (przed naswiskiem) Pan Bóg pan domu pan młody pan wielkiego rodu pancerz pancerz pancerz panel pani panice panicz paniczny paniczny strach panika panna panna panna panna Panna (gwiazdozbiór) panować panować panował panowanie panowanie panowanie nad sobą pantera pantofel pantomima pański pański państwa państwo państwo państwo państwo państwowy pańtwa papce papier papier o dużej gramaturze papier o małej gramaturze papier ścierny papier wysokiej jakości courant. de jouwe verzekeren. schraal. akte . luipaard pantoffel pantomime spelen je. gentleman onder de knie krijgen. jonggehuwde edelman bepantsering. dagblad. pantser examen. de baas zijn bestuur. jouw moes. keuring. plaat dame paniek onder de knie krijgen. brij bescheid. bewind. papier. bewind heerschappij. heerschappij. akte dik. aan je. krant gedenkwaardig. misgrijpen Maagd verloofde. onderzoek fotografische plaat. voordeel bestuur. pantser kuras. open veld natie. je openbaar. schrikbewind paniek meid. mislopen. beweren jou. aan jou. meester worden dhr. lord onder de knie krijgen. meisje meester zijn. harnas. gebonden. meester worden bruidegom. meisje dienstmeisje. meid missen. WC-papier. bewind bestuur. beweren platteland.

paar turen. koppel. duo. klikken varen paprika papegaai papegaai papegaai turen. verlammen verminkt. sigaret paus klakken. damp. paraderen.papier wysokiej rozdzielczości papieros papież paplać paproć papryka papudze papuga papugować par para para para (dwa para komplementarnych tranzystorów para uporządkowana parada paradą paradoks paradoksalny paradoksyjny paradować parafia parafialny parafianin parafią parafią parafina parafować paragon paragraf paraliż paraliżować paraliżował parametr paranoiczny paranoja parapet parasol parasol (od słońca) parawan parą parą parą parą parcela parcela park parking bescheid. damp stel. wasem. gebrekkig parameter paranoïde paranoia drempel. tweetal. damp wasem. akte saffiaantje. kletteren. echtelieden stel. prijken paradox paradoxaal paradoxaal pralen. kwiteren artikel. stoom pakje intrige. papier. pronken. wasem. konkelarij parkeren parkeren . machinatie. prijken pralen. koppel. paragraaf verlamming lamleggen. duo. schut stel. paar stoom. duo. paraderen. paraderen. kudde parochie paraffine initiaal. klappen. voorletter voor voldaan tekenen. prijken parochie parochieparochiaan roedel. paar echtpaar. pronken. aanstaren. dorpel paraplu paraplu scherm. pronken. staren echtpaar. koppel. tweetal. tweetal. echtelieden pralen. aanstaren. staren stoom. document.

aardgordel scheerriem . gang. reep klimaatzone. passagier belemmeren.parkować parlamencie parlament parlamentarny parnik parny parodią parować parować parowca parowiec parowóz parowy parsować parter parterowy dom partia partia (produktu) partycja podział strefa partycypować partykularny partykuła partyturą paryski parytet Paryż paryżanin parzystość parzysty parzysty równy regularny pas pas pas pas pas (w kartach) pas bezpieczeństwa pas parciany pas startowy pasaż pasażer pasażer na gapę pasek pasek pasek pasek pasek pasek pasek (papieru) parkeren parlement. volksvertegenwoordiging parlement. windsel. effen riem. aanhang kavel. taille gallon gallon riem. damp masseren benedenverdieping. passagier inzittende. afscheiding. damp stoomboot stoomboot motorisch stoom. deeltje. leest. baan. afsluiten. ceintuur. deel orkestreren van Parijs pariteit Paris van Parijs pariteit gelijk. zone. effen gelijk. gordel. meemaken. gordel riem. perceel schifting. jaartelling. gordel. ceintuur. ceintuur. strook. clausuur deelnemen. gordel riem. meedoen afzonderlijk. uitdampen. indampen stoom. wasem. uitglijden strip. parterre bungalow leden. ceintuur gallon middel. windsel. rijstrook inzittende. strook. gordel strip. afgezonderd item. vlak. afdammen riem. vlak. volksvertegenwoordiging parlementair stoomboot vochtig travestie doen verdampen. ceintuur slippen. wasem. reep overloop.

bijenschans gloed. patriot vaderlander. troep. vlammen pas. schrap. pan Pan patent. strook. dons grazen. bewindsman pastoor herder afstemmen. aanpassen. kaak laaien. streek. pasta Pools schoensmeer schoencrème pastel. beslag. dundoek. aardgordel graad. adapteren bloedzuiger parasiet. octrooi aartsvader. reep afstemmen. adapteren kakement. streep koekepan. paspoort pastei waas. status. vlag riem bijenstal. octrooi patent. paspoort pas. klaploper parasiet. tekenkrijt. zone. klaploper deeg. lijdzaamheid geduld. haal. vuur geduld. boeiend. pat. lijdzaamheid gloed. nesthaar. rang schare. miserabel schare. kleurkrijt pastoor herder minister. vuur fascinerend. bende klimaatzone. octrooi patent. troep. patriot vaderlandslievend . octrooi patent. windsel.pasek reklamowy (na stronie WWW) pasek zębaty pasieka pasja pasjans pasjans (w kartach) pasją pasjonujący paskudny paskudny pasmo pasmo pasmo (gór) pasmo (radiowe) pasmo wizyjne pasować pasożycie pasożycie pasożyt pasta pasta pasta pasta pastel pasterz pasterz pastor pastor pastuch pasujący paszcza paszkwil paszporcie paszport pasztet paść paść (się) paśmie patelnia patelnia patencie patent patentować patentowy patriarcha patriocie patriota patriotyczny vaan. weiden schreef. patriarch vaderlander. stand. betoverend afschuwelijk belabberd. aanpassen. bende strip. ellendig.

menigte vlo vlo priemen. steken. aanhangen pauzeren aanhalen. strelen. gaspedaal. oktober wijnmaand. pikken hoop. steken. aaien afbreken rest.patriotyzm patrol patrz patrzeć patrzeć na kogoś z ukosa patrzeć zezem patyk pauza pauza pauzą pauzą paw pawian pawilon paznokcia paznokieć pazur pazur ernik paź październik pażdziernik pączek pączkować pąk pchać pchać pchać pchać się pchła pchłą pchnąć pchnąć nożem pchnąć nożem/sztyletem pchnięcie pchnięcie pchnięcie nożem/sztyletem pech pedał pedał gazu pederasta pejzaż Pekin pelargonia peleryna peleryna peleryna peleryną peleryną vaderlandsliefde. patriottisme patrouilleren ontmoeten. versneller feeëriek landschap Peking ooievaarsbek kaap Kaaps regenmantel kaap Kaaps . vastkleven. botten uitbotten. boel. prikken. nagelen boer. prikken. nagelen klauw spijkeren. steken. scheelkijken. er uitzien kleven. edelknaap wijnmaand. tuinhuis spijkeren. er uitzien scheelzien. botten stuwen aanduwen priemen. oktober uitbotten. massa. trappen accelerateur. spruiten. paviljoen. pikken schuiven schokken priemen. steken. page. spruiten. afval pauw baviaan koepel. botten uitbotten. aantreffen het uiterlijk hebben van. prikken. loensen het uiterlijk hebben van. prikken. pikken schuiven ongeluk peddelen. pikken priemen. drom. spruiten. liefkozen. nagelen spijkeren. overblijfsel. rommel.

volkomenheid. ten volle. perspectief. compleet. perspectief. bevallig. ad rem totaal. pik. afgeladen. zielsverwant snedig. vol boordevol. volkomen. leuter. perspectief. perfect. gevat. jongeheer volkomen. volkomenheid. snikkel. vol geheel. podium Perzisch Perzië Perzisch persoonlijk personeel staf staf prospect. doorkijk uitzicht . innemend. volkomen. geestig. dubbelhartig stompen Jan Klaassen parfumeren parfumeren perkament krant krant parel parel parel tribune. mantel pelikaan pelikaan jubelgracieus. sierlijk sympathiek. heel. mudvol totaal.peleryną pelican pelikan pełen triumfu pełen wdzięku pełen współczucia/zrozumienia pełen życia pełnia pełno pełnoletniość pełnomocnik pełny pełny pełny wymiar czasu pełza pełzać penicylina penicyliną penis penis perfectum perfekcja pikselowa perfekcją perfidią perfidny perforator perforator perfum perfumy pergamin periodyczny periodyk perła perłą perłowy peron Pers Persja perski personalny personel personel personel informatyczny perspektywa perspektywa perspektywa podgląd perspektywą perspektywą jas. volkomen meerderheid. compleet. leiding. doorkijk prospect. meerderjarigheid in de plaats stellen van. volmaaktheid verraad trouweloos. verraderlijk. volmaaktheid perfectie. vol kruipen kruipen penicilline penicilline penis lul. compleet. volkomen. doorkijk uitzicht prospect. in optima forma perfectie. inboeten totaal.

vast. randbuiten-. petitie petitionnement. petitie gewis. zaken doen handelen. stellig. zeker. stevig waarschijnlijk wel. disputeren. vast een beetje. toch gewis. bepaald. stellig zelfverzekerd. zwaartillendheid bezwaar. stellig. buitenkant omtrek. handeldrijven. vast. moeilijkheid adressant verzoeker. zwaartillendheid pessimist zwaarhoofdig. zeker pal. zeker. van klei pessimisme. kern zaadkorrel. buitenkant buiten-. cirkelomtrek. zelfbewust gewis. zeker. stellig blaas blaar blaar borrelen bos. zelfverzekerd vertrouwd. een weinig wel degelijk. strubbeling. handeldrijven. zeker. vast. korrel.perswadować perswazja perswazją pertraktować pertraktował Peru peruce peruka peryferią peryferie peryferie peryferyczny peryferyjny peryferyjny procesor macierzowy perymetr peryskop peseta pestce pesteczka pestka pesymism pesymista pesymistyczny pesymiście pesymizm peszyć petencie petent petycja petycją pewien pewien pewnie pewnie pewnie pewnie pewny pewny pewny pewny pewny siebie pewny siebie pęcherz pęcherz pęcherz (od oparzenia itp) pęcherzyk powietrza pęczek pęd twisten. aarden. zeker. vuur. buitenkant cirkelomtrek. vast zelfbewust. krakelen overreding overreding handelen. pit klei-. bundel onstuimigheid. enigszins. betrouwbaar gewis. aanvrager petitionnement. immers. wis. pessimistisch pessimist pessimisme. zaken doen Peru pruik pruik cirkelomtrek. heftigheid . randomtrek periscoop nijptang pit. randbuiten-.

bruisen doorroeren. boeien maas. kraai tintelen. bruisen tintelen. gravel. naaf naaf zand rul. schuimen. omroeren. steengruis zand aanvoerder. breisteek. gebieder. schuieren scheerkwast. naaf opgaan. mul aanvoerder. mutsaard barst gebarsten barst navel ketenen. breisteek. klauteren vijfde vrijdag vijfde snoek pimpelen. opkomen. opstaan. breisteek. baas bus. chef. steek. piano klavier. gruis. delven. schuimen. zeepkwast penseel mutserd.pęd pędrak pędzel pędzel do golenia pędzel do malowania pęk pękać pęknął pęknięcie pępek pętać pętla pętla pętla synchronizacji fazowej pętla zamknięta pętlą piach piać piał piał piana piana piana piana (mydlana itp) piana mydlana pianą pianą pianina pianino pianista pianiście piasek piasek piasta piasta piasta piaszczysty piaszczysty piaście piaście piąć się piąć się piąta część piątek piąty pice pić piec voortmaken. zeepsop tintelen. chef. opgraven. spoed maken. zuipen aanbranden . steek. zeepsop sop. strik maas. uitspraak maas. aangifte. strik declaratie. roeren sop. strik zand bonte kraai. kraai bemanning bonte kraai. strik maas. brandstapel. bruisen doorroeren. schuimen. piano pianist pianist grind. baas bus. omroeren. steek. breisteek. gebieder. rooien borstelen. steek. rijzen klimmen. haast maken opduikelen. drinken. roeren klavier.

hek. kachel braden. geld poen. royeren. holte muntstempel muntstempel zeehond. geld poen. verplegen verplegen. pelgrimstocht poen. branden kachel. oven bakken voetvolk. zorgen voor. zeerob. bezorgd zijn. grot. afrastering. zorgen voor. traliehek kachel. bedevaart. zorgen spelonk. verzorgen pelgrim. oven kachel. schuimen. duivels. kachel ontzetten. hek. krocht. roosteren. hol. oven oven. bedevaartganger pelgrimage. oven kachel. roosteren.piec piec piec piec piec (do pieczenia chleba itp) piec (mięso) piec elektronowy piec kaflowy piec mięso piec na ruszcie piechocie piechota pieco do wypalania piecyk piecza pieczara pieczątce pieczątka pieczęć pieczęć pieczętować pieczony pieczony piećdziesiąt piedestał pieg piekarni piekarnia piekarnik piekarnik gazowy piekarnik gazowy piekarz piekielny piekielny piekło pielęgniarce pielęgniarka pielęgnować pielgrzym pielgrzymce pielgrzymka pieniądz pieniądze pieniądze na życie pienić się pienić się pienić się pień kachel. drommels duivels. voetstuk sproet bakkerij bakkerij kachel. zeepsop multipliceren. vastzetten . infanterie oven. oven vijftig pedestal. vermenigvuldigen blokkeren. rob muntstempel muntstempel rooster. infanterie voetvolk. branden bakker duivelachtig. pelgrimstocht pelgrimage. roosteren. traliehek kachel. oven oven. geld tintelen. ontslaan zich bekommeren. bruisen sop. verplegen verzorgen. oven braden. kachel braden. branden rooster. hels hel verzorgen. piëdestal. afrastering. bedevaart. zorgen voor.

aanhalen . liefkozen. rondschrijven wal. beginsel primula. ring element. bestanddeel. superieur primair vroegtijdig. borst borst. liefkozen. aanbesteding voetganger voetganger aanhalen. stam opslaan boomstam. beginsel ingrijpend. pril. na twarzy) pierdnąć piersi pierś pierś pierś pierścieniowy pierścień pierścionek pierwiastek pierwiastek pierwiastek (chem. koesteren. aaien knuffelen strelen. boezem circulaire. aaien gunning. radicaal element. aaien aanhalen. vroeg eerste voorgrond voorgrond eerste hond hond troetelen. grondig. borst boezem. beugel. liefkozen. strelen. borst boezem. origineel inboorling natuurlijk primair primair prototype eerste voorgrond prijs. strelen. prevalent. vertroetelen aanhalen. beugel. premie opperste. aaien. liefkozen.) pierwiosnek pierwotny pierwotny pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny program ładujący pierwotny system operacyjny pierwowzór pierwsza pomoc pierwszoplanowy pierwszorzędny pierwszorzędny pierwszorzędowy pierwszy pierwszy pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu pierwszy na wyjściu pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony pies pies myśliwski pieszczoch pieszczocie pieszczota pieszczotliwy pieszy pieszy turysta pieścić pieścić pieścić boomstam. stam peperen mol mol een wind laten boezem. ring wal. sleutelbloem inboorling oorspronkelijk. bestanddeel. strelen.pień pień pień pieprz pieprzyk pieprzyk (np.

lied gezang. knapheid fraaiheid. loodsen .pieścić się pieśń pieśń pogrzebowa pietruszce pietruszka pięć pięćdziesiąt pięćdziesiąt mil na godzinę pięknie piękno piękność piękność (kobieta) piękny piękny pięściarstwo pięściarz pięść pięta piętnaście piętno piętro piętro piętro pigułce pigułka pijany pijany jak bela pijaństwa pijaństwo pijawka pik pik (w kartach) pika pikle piknik pikować piksel pilnie pilnik pilnować pilnować swoich spraw (swojego nosa) pilny pilny pilny pilny pilny pilny pilot nek. schoonheid. knuist hiel vijftien effect. brandend. attent. zouten. oplettend ijverig. indruk verdieping. knapheid fraaiheid. zat. vlijtig ogenblikkelijk. polshorloge aandachtig. neus. urgent bestand. markt. bokssport bokser vuist. zang. polshorloge horloge. mooi fraaiheid. nijver. verdieping pil pil dronken. beschonken blind roes roes bloedzuiger woelen. knap. spoedeisend binnenbrengen. prompt naarstig. dossier horloge. fijn. schoonheid. lied peterselie peterselie vijf vijftig vijftig net. nijver. etage verdieping. marktplaats boksen. inmaken picknicken stikken pixel met spoed. dringend dringend. vlijtig. spitten. top. graven piek. knapheid schoon. bazaar. punt. spoedeisend. naarstig. zang. mooi marktplein. fraai. ijverig brandend. schoonheid. inleggen. spits snoek pekelen. etage etage. tip. hals gezang.

nummer pion pion genist. zeerover. veder hok griffel. lied zangeres pluim. zuipen zagen uitzaaien bal. etsnaald. schrijfstift pluim. danspartij bal. uitschrijven drukletter drukletter potlood hok auteur. piepen. veer. piraat zeeschuimer. danspartij zagen kegel cijfer. szachowy) pionier pionowy pionowy tranzystor polowy piorun piosenka piosenka piosenkarz pióro pióro pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego pióro ultradźwiękowe piracie piramida piramida powiększania piramidą pirat pirat komputerowy Pireneje pisać pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi na inny artykuł pisać na maszynie pisać ołówkiem pisak x-y pisarz pisemny pisk pisklę pisklę (zwłaszcza kury) binnenbrengen. flits. zeerover. pen. drinken. pen. veder zeeschuimer. zang. tjilpen. schrijver. baanbreker rechtopstaand. danspartij voetbal voetbal voetbal bal. piraat piramide piramide piramide zeeschuimer. piraat Pyreneeën neerschrijven. verticaal bliksem. loodsen navigeren binnenbrengen. hemelvuur lied.pilotaż pilotować pilotować pilśniowy pił piła Piła piłce piłka piłka piłka nożna piłka nożna piłka nożna (gra) piłować PIN pionek pionek pionek (np. kwetteren kuiken kuiken . zeerover. geniesoldaat. schrijven. veer. chanson gezang. stilist schriftelijk sjilpen. verticaal rechtopstaand. loodsen vilt pimpelen. schicht.

plek speelterrein. perceel plaats. mop. plakkaat. roep. doel programmeren projecteren ontwerp. letterkunde dronken.pismak pismo pismo pisanie pistolecie pistolet piśmiennictwo pity piwa piwiarnia piwnica piwnicą piwo piwo (angielskie) piwo angielskie pizza piżama piżmaczek piżmo piżmoszczur plac plac plac plac plac plac plac (okrągły) plac targowy plac zabaw placek placówka plaga plaga purpurowa plagiat plakać plakat plakat przedstawiający gwiazdę filmową plama krwi plama na słońcu plamą plamą plamce plamić plamić plan plan plan plan plan testowania houwen. bekladden klak. hakken zendbrief. bedoeling. smet. mop. epistel. plan. blauwdruk strekking. klotsen bezoedelen. grond. café kelder kelder bier bier bier pizza pyjama muskus muskus muskusrat circus achtergrond. oord. lokaal. brief geschrift. kappen. moet klapperen. plassen. bodem. afkijken schreeuw. bar. bekladden strekking. smet. literatuur. beschonken bier drenkplaats. bedoeling. klad. speelplaats plein circus marktplaats. plan. markt. ondergrond pastei aanplakken pest pest spieken. ondergrond kavel. bodem. klad. concept. affiche aanplakken bezoedelen. moet bezoedelen. plek. marktplein achtergrond. schriftuur pistool pistool litteratuur. kreet aanplakbiljet. smetten. grond. bekladden sproet klak. plek. zat. smetten. kabbelen. doel . smetten. plan.

boetseren wieden. van plastic plastic. dop. betrekken. afstaan kletsen. zwerfster planetair arrangeren. kwaadspreken kletsen. ommezijde stamstam. verwarren verwikkeling. volksstam. truck. snede. warnet knapzak. bedoeling. geslacht boordevol. schijf. podium vrachtwagen. van plastic kunst tribune. ordenen strekking. bundel. doel dienstregeling. kwaadspreken . plantage kwekerij. filet plastic. schaal bestand. boetseren modelleren. wapenen rugstuk. van plastic plastic. dossier bos. warboel. vrachtauto tribune.planeta planetarny planować planować planować planować plantacja plantacją plaster plasterek plastik plastyczny plastyk plastyka platforma platforma (sprzętowa platforma kolejowa platforma sprzętowa plazma plaża plaża plątać plątać plątanina plecak plecak plecak pleciuga plecy plecy plemienny plemię plenarny pleść pleść pleśnieć pleśń plewić plewy plik plik plik zwrócony plikach plombować (ząb) plombować ząb plon plotce plotka planeet. podium tribune. aanstrijken moot. plak. ransel knapzak. afgeladen. plantage kalken. plan. ransel knapzak. aangeven. podium plasma strand aan de grond lopen. leiding. rugzak gaai. warnet verwikkeling. wis bestand. aanduiden kwekerij. warboel. aanrichten. leiding. mudvol vlechten weven modelleren. Vlaamse gaai bewapenen. achterzijde. schoffelen schil. schors. stranden verstrikken. dossier archief box logeren het veld ruimen. leiding. rooster aanwijzen.

uitbetalen. mantel jas. kabbelen. barrière vruchtbaar opbrengen. jas hierheen. onrein. bordes spartelen. colbert. kwaadspreken gerucht. befaamdheid kletsen. kroonblad bloemblad. plateau. roep. traanogen schreeuw. worstelen schol jas. morsig. betalen.plotka plotkować plotkować pluć plugawy plunąć plus pluskać pluskać się pluskanie pluskwa pluskwa pluskwa Pluton płachta płacić płaczliwy płakać płakać płakać nad czymś płaska obudowa jednorzędowa płaski płaskowyż płastudze płastuga płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz anodowy płaszcz nieprzemakalny płaszcz przeciwdeszczowy płaszcz przeciwdeszczowy płaszczyzna obcinająca bliska płat płaszczyzna płatek płatek (kwiatu) płatek kwiatu płatnik płatność pławik pławik płciowy płeć płetwą płocie płodny płody rolne gerucht. overjas mantel. opslorpen. klotsen waden. kabbelen. flodderen. drijven sexe. spugen. klotsen wandluis Boeg wandluis Pluto blad. kunne vin hek. faam. jas overjas. hier vliegtuig. plassen klapperen. buis mantel. slurpen appartement. dokken bedroefd schreeuw. rochelen plus klapperen. vel storten. dobberen. huilen. spugen. sekse. plassen. afsluiting. geslacht. kunne sexe. zich aftobben. vies spuwen. faam. afwerpen . flat blad. befaamdheid spuwen. plassen. sekse. kreet resorberen. jas regenmantel regenmantel jasje. vliegmachine bloemblad. opleveren. plat. geslacht. heining. kroonblad sneeuwvlok hofmeester afbetaling kurk vlotten. kreet tranen. mare. mare. rochelen vuil. smerig. roep.

peuk achter . vloeiend vloeistof stromend. beploegen gorgelen. beschot glaswaar. vloeien. zich vastklampen aan wafeltje fotografische plaat. lopen. plaat plavuis. vlag fotografische plaat. afspoelen. oever. ondiep zwemmen. plaat wafeltje aanklampen. vurig. instrumentenbord. de was doen vloeistof stromen. beploegen omploegen. dossier fotografische plaat. vlieten jacht kust. vloeiend dundoek. dobberen. kant stromen. materiaal aanklampen.płomień płonący płot płot płotno płowy płoza płótno płuca płuco Płuczka pług pług śnieżny płukać gardło płukania płycie płycizna płyn płyn kosmetyczny płynąć płynąć płynąć jachtem płynąć wzdłuż brzegu płynny płynny płynny lek płyta płyta płyta metalowa płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) płytce Płytka płytka płytka płytka (ferromagnetyczna) z otworami płytka obwodu drukowanego płytka sygnałowa płytka wyjtrawiona płytki pływać pływać jachtem pływak pływalnia pniak po laaien. ploegen. vloeien. boord. vlammen gloeiend. vensterruit. val omploegen. vaan. ondiep bestand. tichel oppervlakkig. plaat oppervlakkig. verterend hek. drijven jacht vlotten. aansluiten peukje. tegel. spoelen fotografische plaat. afsluiting. materieel. heining. spoelen gorgelen. vlieten stromend. verzendend. glaswerk oppervlakkig. lopen. drijven zich aaneensluiten. valstrik. wassen. barrière verbleekt linnen linnen uitglijden. slippen linnen long long slag. plaat grondstof. wal. zich vastklampen aan dashboard. tegelsteen. ploegen. ondiep uitwassen. afspoelen.

buit maken aftappen verkrijgen. opwekken stuwen irriteren. kussen zoenen. bewolkt naargeestig. flambouw achtergrond afleiding. troetelen. afgeleid woord . bezorgen. sparen koesteren. onderkomen. kussen mooiprater vleien complimenteren vleierij vleierij in zich opnemen.po drugiej stronie po otrzymaniu po południu po prawej stronie po trzecie pobić pobić atutem (w kartach) pobierać pobierać pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) pobierać (dane) pobierać dane pobieżny pobieżny pobliski pobłażać pobłażać pobłażanie pobocze pobożny pobór (do wojska) pobrać pobrać pobranie pobrudzić pobudce pobudce pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobycie pobyt pocałować pocałunek pochlebcą pochlebiać pochlebstwa pochlebstwa pochlebstwo pochłaniać pochmurny pochmurny pochodnia pochodzenia pochodzenia over. overheen. rondweg achter nederlaag troef downloaden verkrijgen. grond. aan de overkant van ten eerste. daarnaast ontzien. aarde aansporing aanleiding wakker maken. aandragen resumé. logies. bezorgen. behalen. vertroetelen aflaat schouder godvrezend. verlevendigen wekken. excerpt oppervlakkig. opwekken bezielen. overzicht. cambio decoderen downloaden brengen. godsdienstig. open en bloot. eerst stuurboord ronduit. behalen. troosteloos. ondergrond. buit maken brengen. ophitsen woning. wekken. toorts. assimileren onduidelijk. kwartier logeren zoenen. ondiep hiernaast. bodem. aandragen fond. devoot wissel. ernaast. wakker maken. aanstoken. allereerst. somber fakkel.

wrijven. afgeleid woord afdaling komaf. optocht. prijzen eerbetoon. vertroosting. eerbetuiging loven. schuin gevolg uitdrukken gevolg toelachen. begraven processie. bekoren aanlokkelijk. schuin scheef. aantrekkelijk eirond. soppen slippen. omgang schede schede. stoet. proost gerief. troost aanstrijken.pochodzenia pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzić pochodzić (<from sth> od czegoś) pochować pochód pochwa pochwa pochwalać pochwalić pochwała pochwała pochwała pochwałą pochwałą pochylać się pochylać się pochylenie pochylnia pochylnia (w stoczni) pochyłość pochyłość pochyły pochyły w lewo pociąg pociąg pospieszny pociąg towarowy pociągać pociągać za sobą pociągający pociągły pociągnąć pociągnięcie pocić się pocić się pocie pocie pociecha pocierać pocieszać pocieszać pocieszać pocieszenia pocisk artyleryjski pocisków afdaling afleiding. goedkeuren eerbetoon. afkomst. transpireren zweet zweten. hellend. roemen. damp zweten. afstammen kuilen. vertroosting. afstamming. billijken. verheerlijken. gemak. herkomst naar beneden gaan. aanlokken. uitglijden geneigd zijn tot. roemen beamen. ovaal rukken rukken stoom. glooiing indompelen. neigen helling. vagina loven. uitwrijven hoera roepen prosit. afdalen het gevolg zijn van. op uw gezondheid. bekoren toelachen. roemen. glooiend. afkomst oorsprong. acclamatie. verheerlijken. comfort heul. uitglijden slippen. verheerlijken. eerbetuiging bijval. troost kogel hagel . aanlokken. prijzen. glooiing aflopend. indopen. prijzen liggen helling. wasem. transpireren heul. toejuiching loven. geneigd zijn.

geschenk. begin. onder pod znieczuleniem beneden pod żadnym warunkiem beneden. salon poczekalnia wachtkamer poczęcie begrip poczta post. daarbeneden. aanslaan podatny na wypadki een grotere kans op ongelukken accident-prone podawać aanhalen. posterijen poczta aanplakken poczta w kolejce post. zwanger raken początek ontstaan. beginneling poczekalni zaal. aanslaan podatek od wartości dodanej tobbe. ontstaan początek aurora. begin. posterijen poczta wysłana aanplakken pocztówka briefkaart pod beneden. geschikt pod zarzutem beneden. aanvang początkowy inboorling początkowy initiaal. voorleggen podawać do sądu een proces aanspannen tegen podaż aanvoer. kuip. onder pod beneden podverzenden pod gołym niebem beneden pod prąd (rzeki gemakkelijk. onder podanie aanwending. actueel podarty aan flarden gescheurd podarunek gift. vreten wprowadzane dane podawać (do stołu) serveren. onderwerpen . cadeau podatek belasten. herkomst początek transmisji ontstaan. bergstroom począć in verwachting raken. vloed.pocisków) stroom. petitie podarować schenken. aanvang. bak podatek od wartości dodanej BTW podatek od wartości dodanej teil podatek spadkowy belasten. bikken. voorletter początkowy primair początkowy program ładujący initiaal. toepassing podanie petitionnement. gebruiken. citeren. bezorging podbić knechten. voorletter początkujący beginner. afkomst. daarbeneden. aanvang początek begin. morgenlicht. doelmatig. cadeau geven podarować tegenwoordig. donatie. morgenrood początek oorsprong. noemen podawać aanhalingstekens podawać zasilanie podawanie podajnik eten.

piepen. kwetteren sjilpen. ondermijnen hoefijzer . verassen toegeven capituleren. subject dakkamertje zolderkamer Attisch zolderkamer. argwanend aanvliegen opwinding gejaagd. wantrouwen argwaan. sectie verrichten knechten. argwanend verdenken argwaan. subject kin opruiend aangeschoten. tjilpen. leiding slaperig opslaan blok ondergraven. zich overgeven accepteren. achterdocht. achterdocht. bloot. staande. louter sjilpen. zich overgeven stof. staande. renoveren ondernemen achterdochtig. kwetteren podium. onderwerp. roezig aanvliegen maaien terwijl. daarentegen terwijl. gedurende intussen. inmiddels. onderwerp. zich overgeven capituleren. aanvaarden vernieuwen.podbijać podbity podbródek podburzający podchmielony podchodzić podciąć podczas podczas podczas (gdy) podczas gdy podczas gdy poddać drobiazgowej analizie poddać pod rozwagę poddać się poddanie się poddany poddasze poddasze poddasze poddasze poddawać kremacji poddawać się poddawać się podejmować podejmować na nowo podejmować się podejrzany podejrzany charakter podejrzenia podejrzenie podejrzewać podejrzliwy podejście podekscytowanie podekscytowany podeszwa podglądać podgładać podium podium podkład (np. tribune. tjilpen. kolejowy) podkładce podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać podkopać podkowa veroveren stof. tribune podium. bestuur. dakkamertje cremeren. inmiddels. staande. daarentegen intussen. wantrouwen verdenken achterdochtig. wantrouwig. gedurende doorsnijden. gedurende terwijl. onderwerpen capituleren. piepen. aannemen. opgewonden enkel. wantrouwig.

overeenkomst . rooien opfokken. opkweken opblazen opgaan. aandikken opgraven. opkomen. fokken. ophijsen opfokken.podkreślać podkreślać podkreślać podkreślać podkreślenie podkreślenie podkreślić podkreślony podległy podległy podlewać podlizywać się podlotek podłączyć podłodze podłoga podły podły podły ić podmiocie podmuch podniecać podniecać podniecać podniecający podniecenia podniesienie podniesiony podniesiony podnieść coś/wywindować (ceny) podnieść kogoś na duchu podnieść kotwicę podnieta podniosły podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić (ceny) podnosić się podnoszący na duchu podnośnik podnóża podobać się podobać się podobieństwa podobieństwa accentueren. scherpen. overeenkomst gelijkenis. opstaan. ophitsen aangrijpen. benadrukken onderstrepen nadruk. klem onderstrepen onderstrepen nadrukkelijk slaaf achterstellen water kruipen kuiken verbinden. verheven opgaan. ondergrond. blok hijsen. verzekeren met nadruk zeggen. subject pof. bewegen opwindend opwinding opgraven. opkomen. een beroep doen op alsjeblieft. onderwerp. alstublieft gelijkenis. aanstoken. nietswaardig gemiddeld gronden. rijzen bezielend vijzel. baseren stof. aan elkaar vastmaken verdieping. ontroeren. montage derde macht. wees zo goed. fokken. opkweken de sporen geven. dommekracht. slijpen irriteren. achtergrond. etage verdieping. dobbelsteen. stichten. prikkelen hoog. grond appelleren. telen. inrichten zetting. rijzen vermeerderen verergeren. rooien oprichten. poef aanzetten. telen. krik bodem. etage verachtelijk. opstaan. beklemtonen beweren.

rijden. aanhanger leden. stut. varen. rijden. voor. varen. trip gelijk. teken geabonneerd zijn op geabonneerd zijn op passen. wagenspoor. reis. karren tocht. vlak. karren reis. toer. passagier gesteld zijn. vademecum. gids. overeenkomst hoe. vademecum. bedaagd gronden. reisgids leerboek. bij wijze van. voorteken. bijkomend. kameraad.podobieństwo podobieństwo podobieństwo podobny podobny podoficer podpalacz podpierać podpis podpis ze wskazaniem potwierdzającego podpisać podpisać (dokument) podpisać dokument podporządkowywać się podporządkowywać się podpowiedź podpórce podpórek podrażnienie podręcznik podręcznik podręcznik podręcznik w formie drukowanej podrobiony podróż podróż podróż podróż podróż morska podróż morska podróż) podróżnik podróżny podróżować podróżować podróżować podróżować autostopem podrzeć podrzędny podrzędny podrzędny podległy podskakiwać podskok podskok podsłuchiwać podstarzały podstawa podstawa affiniteit. makker gidsboek. trip gaan. verwantschap gelijkenis. reis. beoefenaar. schoolboek gidsboek. effen gaan. bijkomstig achterstellen achterstellen hinkelen hinkelen springen afluisteren hoogbejaard. reis. karrespoor . nauwkeurig. karren navigeren huur bijbehorend. reisgids vervalsing toer. trip tournee. ondertekening abonnement voorbode. in overeenstemming zijn adequaat. accuraat adept. toer. trip reiziger inzittende. leuning. steun handtekening. overeenkomst gelijkenis. aanhang opwinding maat. overeenstemmend nauwgezet. als. tocht. tot gelijksoortig. tocht. tocht. het maken toer. rijden. soortgelijk onderofficier brandstichtend drager. rondreis gaan. kornuit. gids. baseren spoor. passend. varen.

divisie schifting. tweeledig duplex. omlijsting. toestoten voering maskering bijtoon. tweevoudig. beschot hoofdkussen luchtkussen dubbel. ra opfokken. beginnend achterstellen onderwaterdubbel. spin. tweevoudig. tweeledig yard. raam in de plaats stellen van. ruggegraat kader. een duw geven. tweevoudig. kneep. tweeledig duplex. bedrag. som. inboeten aflossing. duplex. onbewerkt. bedriegen kunstgreep. schragen verval blok hoofdkussen dashboard. clausuur schifting. bot elementair misleiden. afscheiding. summa aanstoten. onbehouwen. afscheiding. totaal. materieel. duplex. tweevoudig. opkweken verergeren. tweeledig dubbel. streek.podstawa czasu podstawa uchylnoobrotowa podstawa uchylno-obrotowa podstawą podstawić podstawienie podstawka monitora podstawowa zasada podstawowy podstawowy podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstęp podstęp podstępny podsumowanie dokumentu podsumowywać podsuwanie podszewka podszywanie się podtekscie podtrzymać podupadać poduszce poduszce poduszeczka poduszka poduszka powietrzna podwajać podwiązek podwieczorek podwładny podwładny podwodny podwoić podwójny podwójny podwójny rozruch (tj. steunen. materiaal stichting wervelkolom. overzicht. możliwość rozruchu dwóch różnych systemów operacyjnych z różnych partycji dysku) podwórze podwyżce podwyższać podwyższyć wartość podział podział podział kompletny grondstof. boventoon stutten. duplex. waarderen legerafdeling. tweevoudig. excerpt somma. aandikken appreciëren. instrumentenbord. clausuur . cru. vervanging blok fundamenteel basisfundamenteel basisgrof. dubbel. foefje arglistig resumé. lijst. fokken. telen. dubbel. tweeledig bretels thee aankomend.

overeenstemmen buurt. stout. poëzie heidens minachting. dreiging behandelen. vers tekst gedicht. vers gedicht. meemaken. praten keuvelen. najagen duiken bedreiging. scheiden deelnemen. poëtisch dichterlijk. wijk. dichtwerk. judicium. babbelen. weersomstandigheden. dooreenhalen verwarrend weer. vers dichter dichterlijk. bedanken. afscheiding. schamperheid. babbelen.podział wyczerpujący podziałka podziel podzielać podzielać zdanie podzielić na cztery części podziemie podziemie podziemny podziękować podziękowanie podziękowanie podziwiać podziwiać podziwiać podziwiać ię poemacie poemat poemat poemat liryczny poeta poetycki poetyczny poezja poezją poganin pogarda pogawędce pogawędka pogawędka w czasie rzeczywistym pogląd pogląd pogląd poglądowy pogłosce pogmatwać pogmatwany pogoda pogodny pogodzić się pogoń pogrążyć pogróżce pogróżka pogrubiony pogrzebacz pogrzebacz pogrzebowy schifting. harken. vonnis begrip zichtbaar befaamdheid. glanzend. gerucht. bol metro danken. mare. dichtwerk. stadswijk metro gewelf. cureren gedurfd. opharken necrologie . dichtwerk. praten keuvelen. aanvaarden nastreven. poëtisch dichtkunst. afscheiden. clausuur aanslag afzonderen. verachting keuvelen. poëzie dichtkunst. brutaal poker uitkammen. aanharken. meedoen het eens zijn. gericht. weder briljant. dreigement. praten houding oordeel. bedanken. babbelen. faam van zijn stuk brengen. wonder bewonderen gedicht. stoutmoedig. dank betuigen bewonderen bewonderend mirakel. lumineus accepteren. dank betuigen erkenning danken.

voeder. dienares. vreedzaam dienstmeisje. meid dienstmeisje. Grote Oceaan vredig. knap. koker geluidssterkte. inlichten ontstaan opdraven. wagen vehikel. foedraal. foedraal. scheepsdek. bij acclamatie benoemen verdek. begrip begrip bevattingsvermogen. etui. inhoud. etenswaar. schoon. onderdanig. tentoonstelling laten blijken. nijging Stille Oceaan. doos. bende opvatting. voertuig. volume schare. opdagen vehikel. bak. lakken verlakken. ongetrouwd pot. nederigheid nederig. pakken. bak. bak. dienares. paraderen.poinformować pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawić się pojawić się wydawać się pojazd pojazd szynowy pojedynczy pojedynczy skok napięcia pojemnik na kasety pojemnik na kasety pojemnik na śmieci Pojemność pojemność pamięci pojęcie pojęcie pojętność wiadomość pojmać pojmować pokarm pokarm pokaz pokaz pokaz slajdów pokazywać pokaźny pokaźny poker poklepać (np. troep. koker pot. po plecach) pokład pokład spacerowy pokładać nadzieję pokłon pokojowy pokojowy pokojówce pokojówka pokojówka pokolenie pokonać pokonać przeciwnika pokorą pokorny pokost pokost pokój berichten. wagen ongehuwd. mooi poker toejuichen. opdagen opdagen. net. doos. intelligentie beetnemen. fraai. prijken. zwanger raken eten. scheepsdek. foedraal. aanzienlijk fijn. bewijs pralen. meid dienstmeisje. vertoning. dek vertrouwen. buiging. etui. aan de hand zijn ontstaan opdraven. koker pot. opdraven gebeuren. beetkrijgen in verwachting raken. aanmerkelijk. dienares. dek verdek. fiducie hebben in revérence. voedingsmiddel demonstratie. meid generatie. gerecht voeding. manifesteren geruim. ongetrouwd ongehuwd. kost. flat . lakken appartement. strijkage. deemoedig verlakken. pronken expositie. informeren. deemoed. geslacht nederlaag likken ootmoed. etui. spijs. voertuig. doos.

pen. kwiteren voor voldaan tekenen. gloeiend. introductie inleiding. commanderen loven. verwantschap wijzerplaat sproet afbeulen. heet aanvechting. huiskamer bestek. speling. beleggen. brandnetel snikheet. toedekken. speling. ruimte woonkamer. omslag. bedekken dekken. afjakkeren. prijzen. blok. zitkamer. bedekken bedekking. verwantschap affiniteit. enveloppe netel. deksel dekken. wereldruim. commanderen. aanprijzen. bevelen inleiding. beleggen. kwiteren recept kuil Pool polair polka akker vel. commanderen aanvoeren. wereldruim. roemen . verwantschap familiebetrekking. speling. verleiding aanvechting. temptatie. recommanderen bevelen.pokój pokój pokój dziecinny pokój gościnny pokój rozmów pokój zabaw dziecinnych pokrewieństwa pokrewieństwo pokrewieństwo pokrętła pokryć pokryć pokryć koszty pokryć piórami pokrywa pokrywa tylna pokrywać pokrywać emalią pokrywą pokrzywa pokrzywą pokupny pokusa pokusą pokwitować pokwitowanie pokwitowanie Polak Polak polarny polce pole pole danych w sieci Ethernet pole magnetyczne poprzeczne pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) pole typu danych w pakiecie Ethernetu pole typu EH pole typu TEM pole znaku pole źródłowe polecać polecenie polecenie polecenie (kogoś komuś) polecenie kogoś komuś polecenie zewnętrzne polecić vrede bestek. afmatten pluim. envelop. kaft. introductie bevelen. wereldruim. aanvoeren. ruimte vrede bestek. veder dekken. blad mijnenveld hijsblok. verleiding voor voldaan tekenen. toedekken. schijf akker akker bouwland aanmelding akker aanbevelen. smoorheet. veer. ruimte affiniteit. temptatie. aanvoeren. beleggen. verheerlijken. toedekken. katrol. bedekken emailleren couvert. brandnetel netel.

plassen. politieagent politie wang. verbinding gewricht. positie . marynarki) połaczenie połaczenie połaczenie połaskotać połącz połączenia połączenia połączenie połączenie drukowane połączenie stałe połączenie wewnętrzne połączenie wielopunktowe połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza połączenie z Internetem połączenie z pełnym dupleksem połączenie zespołowe połączyć połączyć połowa połowa położenia helling. stand. glazuren. genootschap. knoop gewricht. glooiing Pools schoensmeer schoencrème verglazen. combinatie aansluiting gewricht. toetreden gewricht. knoop conjunctie gewricht. gelid. kabbelen. koon. gelid. jacht maken op vuren. paffen bejagen. knoop verbinding. aan elkaar vastmaken conjunctie samenhang. knoop kriebelen. aan elkaar vastmaken half gemiddeld. gelid. klapperen bond. geleding. verbinding aansluiting aggregatie. knoop samenhang. gelid. aggregaat verbinden. doorsnee. klapperen klotsen. lid. lid. kaak polis staatkundig. lende politie agent. glanzen kruis. jacht maken op Polen Pools schoensmeer schoencrème klotsen. lid worden. politiek politicus. geleding. schieten. plassen. middelbaar houding. lid. geleding. staatkunde polis polis bejagen. lid. kietelen verbinden. jagen. geleding. staatsman polis beleid. politiek. gelid. kabbelen. geleding. lid. jagen.polepszyć polerować polerować polerować Polewa polędwicą policja policjant policją policzek polisa polityczny polityk polityka polityka polityka zabezpieczenia polityka zagraniczna polować polowania polowanie Polska polski polski polski poła poła (np. associatie zich aansluiten.

middag noen. aanblik item. bijstaan Oranje oranje Oranje oranje Oranje oranje afmeting. blinken. oord. middag zuidelijk zuidelijk zuidelijk noen. helpen helpen. inslikken glosse. doorslikken. assisteren. dimensie tomaat aangrijpen. oord. bijstaan. mixen. middag zuidelijk zuidelijk slikken. glanzen. middag noen. positie situatie. kanttekening Pools schoensmeer schoencrème schijnen. hulp aids helpen. temperen. ontroeren. lokaliteit. stand van zaken plaats. bewegen mengen. medio. middag zuidelijk noen. stand. schijn. onder achterwege laten. air. vermengen aanpassing in het midden van. midden tussen tussen. assisteren. deeltje vroedvrouw. ruimte aanzien. bijstaan nader assisteren. schitteren assistent. jaartelling. ruimte houding. deel.położenia położenie położenie położenie położenie kolumny położenie pieczątki położenie umiejscowić położna połówce południa południa południa południe południe (geograficzne) południe (pora dnia) południe (pora dnia) południe geograficzne południe pora dnia południowy południowy połykać połysk połysk połysk połysk połysk pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomoc pomarańcz pomarańcz pomarańcza pomarańcza pomarańczą pomarańczą pomiar pomidor pomieszać pomieszanie pomieszczenie sterylne pomiędzy pomiędzy pomiędzy pomijać pomijać situatie. famulus. lokaliteit. helper. weglaten weggelaten . verloskundige half noen. stand van zaken plaats.

wraak nemen wreken. denkbeeld beschouwen. famulus. podium assistent. adjunct. fout. famulus. vermenigvuldigen in overvloed aanwezig zijn multipliceren. apparaat idee. helpen zinspelen assistent. verkeerd. helper behulpzaam. adjunct. dwaling. pompen oppompen. monument multipliceren. ontgaan geniaal geloven. ontkomen. hulp. ten noorden van verderop klaar. dwaling. helper paren boer assistent. helper steward assistent. pracht. abuis geurig. begrip. adjunct. aromatisch vergissing. van mening zijn. fout. hoewel. helper. inrichting. abuis foutief. beëindigd . afgewerkt. abuis hulpmiddelen. dwaling. luister. nagaan ontsnappen. wraak nemen vergissing. achten met goed gevolg gelukkig benoorden. wraak nemen wreken. praal oppompen. in weerwil van niettemin. verlagen gedenkteken. pompen wreken. bijstaan. benul. helper aanvullend assistent. leiding. weglaten afdraaien. alhoewel. wel achterwege laten. hulpvaardig poort tribune. afgelopen. desondanks ofschoon. fout. onjuist vergissing. pompen vertoon.pomimo pomimo tego pomimo że pominąć milczeniem pomniejszać zmniejszenie się pomnik pomnożyć pomnóż pomnóż pomoc pomoc pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika pomocniczy pomocniczy pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik błazna pomocny pomost pomost roboczy pomóc pompa pompą pompą pompować pomścić pomścić avenue pomścić ość pomylić pomylić pomylić się pomylony ść pomyłka pomysł pomysł pomysł itp pomysłowość pomysłowy pomyśleć pomyślnie pomyślny ponad ponad tuzin ponad wszystko niettegenstaande. al. vermenigvuldigen assisteren. hulp assistent. helper. overwegen. fout. famulus. hulp oppompen.

mislukken maandag deels. nogmaals afwisselend zwart naar. stoten. trouwens. van voren af aan. slurpen resorberen. plaats namiddag. onaangenaam afschuwelijk grimmig rouwobscuur. lokaliteit. dringen. akelig. slurpen as ruimte. krenken asgrauw asla. hellen. omdat. nazeggen opnieuw. aalwarig kous kous nylonendossement. steunen. verdediger stutten. overhellen. daarbeneden. renoveren stompen Jan Klaassen lekker. hellen. ommezijde resorberen. opslorpen. aangezien buigen. onbekend. aflopen beneden. trouwens overigens. instelling . opslorpen. doordat. oord. vernedering verootmoediging. aanlokkelijk een miskraam krijgen. gemelijk.ponadto ponadto ponawiać poncz poncz ponętny poniechać poniedziałek poniekąd ponieważ poniżać (się) poniżać się poniżać się poniżej poniżej poniżej granicy dolnej poniżenia poniżenie ponowić ponownie ponownie wyznaczać trasę ponury ponury ponury ponury ponury ponury ponury pończocha pończochą pończochy nylonowe poparcia poparzenia popatrzeć popchnąć popełnić wykroczenie popielaty popielniczka popierać popierać popierać kogoś/coś popijać popijać (małymi łykami) popiół poplamić popołudnie poprawa poprawa koniunktury overigens. advocaat. overhellen. hervormen afstelling. middag reformeren. ten dele daar. verder vernieuwen. onder beneden beneden. douwen beledigen. affronteren. een blik werpen op duwen. schragen rugstuk. achterzijde. asbak pleitbezorger. donker aalwaardig. onder verootmoediging. verootmoedigen buigen. aflopen kleinmaken. giro in kokend water doen een blik werpen. vernederen. vernedering herhalen.

voorafgaand verleden. goed gracieus. alvast. dirigeren. beheren adviseren. eerder. correct. sierlijk fatsoenlijk. geldig. richten. rail . aankondigen. geldend. verleden. vooraan. overheen. raadgeving. herzien. getapt. goed verbeteren. advies administratiekantoor maat. mennen besturen. voorzijn logeren over. indertijd voorafgaan. spoed maken. beschadigen verspild bevolking bevolking algemeen. voorgaand al. correct. behoorlijk gangbaar. bekendmaken. kameraad. met bederven. wapenen spoorstaaf. gemeenschappelijk populair. aankondigen ochtend. havenen. goed afstelling.poprawiać poprawiać poprawiać poprawić się/wyzdrowieć poprawka poprawka wymagana równocześnie poprawny poprawny poprawny poprawny poprosić poprosić kogoś o spotkanie poprzeczny poprzedni poprzedni poprzedni poprzednio poprzednio poprzedzać poprzestać poprzez poprzez popsuć popsuty populacja populacją popularny popularny popychać popychać popyt popyt porada poradą poradnictwo poradnik poradnik poradzić poradzić sobie poranek porażce porcelana porcelaną porcie porcie porcja danych poręcz poręcz juist. voorgaand voorafgaand. bevallig. aan de overkant van door. administreren. reeds. vigerend vragen vragen dwars voorgaand. determineren juist. instelling nauwkeurig bepalen. betamelijk. morgen nederlaag China China haven haven emmer bewapenen. correct. vereisen. eisen voortmaken. inspecteren juist. veelgeliefd aanduwen schuiven opeisen. bekendmaken raad. kornuit. verleden. makker besturen. rekenen. alreeds daarvoor. per. haast maken adviseren. veredelen nakijken.

beweging gejaagd. mislukken abortus provocatus. toegang. agitatie. entree portefeuille portefeuille conciërge. roerend. omgang. pornografie pornografisch een miskraam krijgen. borg staan voor pornografisch materiaal. ontroeren. aangrijpen. doelmatig. portiek zuilengalerij. portret evenbeeld. abortus het eens zijn. portier beurs. samenklank akkoord. inlevering vergelijken vergelijken vergelijking vergelijken vergelijking vergelijken haven haven luchthaven interface haven ingang. overeenstemming overeenstemming. maatregel berichten. opruien. meedelen. bewegen aandoenlijk. portemonnaie. opgewonden . samenklank accoord.poręczny poręczyć pornografia pornograficzny poronić poronienie porozumieć się porozumienia porozumienia porozumienie porozumienie porozumienie dwuetapowe porozumienie trzyetapowe porozumienie trzyetapowe porozumiewać się porozumiewanie się poród porównać porównaj porównania porównanie porównanie porównywać port port port lokalny port równoległy we-wy port źródłowy nadawcy portal portfel portfel na banknoty portier portmonetka portrecie portret Portugalczyk Portugalia portugalski portyk portyk porucznik poruszać poruszać poruszać poruszać poruszenia poruszenie poruszony gemakkelijk. portret Portugees Portugal Portugees zuilengang. overeenstemming communiqué verband. beeltenis. overeenstemmen accoord. zuilengang luitenant agiteren. beeltenis. levering. opgewonden ontroeren. bewegen beroering. ophitsen. mededelen communiqué aflevering. geschikt garanderen. opstoken gejaagd. betrekking overeenstemming. geldbuidel evenbeeld. ontroerend aangrijpen.

bes aalbes. afgezant. cessie. dagorde akkoord. garneren aalbes. bevelen akkoord. verleden. bevelen afhandelen. lunch . gezant afschuwelijk gemelijk. eigendom. foedraal. maatregel agenda. voorgaand concessie. abductor ontvoeren agenda. bezitten. afstand. eigendom. afleggen. aalwarig. houder rijk zijn. eigendomsrecht bezitting. onzedelijk situatie. huwelijksgift verdenken beeld. toegeving concessie. dagorde aanvoeren. bezitting sessie. voeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoering afvoerder. bezit landgoed. uitstrooien schede. opgeven prijsgeven. stand van zaken bruidsschat. afleggen. commanderen. toegeving prijsgeven. standbeeld legatie bode. erop nahouden. overbrengen. immoreel. bes voorafgaand. commanderen.porwać porwać porwać widownię porwanie porwanie samolotu lub innego środka lokomocji porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) porywacz porywać porządek porządek porządek porządek bajtów porządek dzienny porządek zestawiania porządkować porządkować porzeczce porzeczka porzednik porzucenie porzucenie zaniechanie porzucić porzucić wszelką nadzieję porzucony posada posag posądzać posąg poselstwo poseł posępny posępny posiać posiadacz posiadać posiadać posiadać własny posiadania posiadania posiadania posiadanie posiadanie (akcji) posiadłość posiadłość ziemska posiedzenia posiłek ontvoeren transporteren. boerderij. bezit boeltje. landgoed. maatregel aanvoeren. afstand. cessie. afdoen afzetten. aalwaardig uitzaaien. eigendomsrecht bezitting. zitting. bezitting goed. boerderij. bezittingen eigendom. beslaan. erop nahouden eigendom. erop nahouden bezitten. rijk zijn rijk zijn. zittingsperiode twaalfuurtje. bezitten. opgeven gemeen.

beterschap ontwikkeling. dampig. aanpakken. gemeenschappelijk plat. halthouden. beluisteren. bewegen ontroeren. meel blauwe plek knechten. roze. opeisen eisen. rekenen. meel bloem. gezant afgezant. zich inspannen. speurwerk. gezant aanhoren. toepassing willig. vereisen. bewegen gaan naar. bode. mistig eisen. uitmaken besluit. beslissen. optreden. genaken. blijven staan logeren treksluiting. aangrijpen. aanpassen. geur afstemmen. naderen doen toekomen. triviaal. gedoe afslaan. handeling. opeisen ontroeren.posiłek posiłek południowy posiniaczyć poskramiać posłaniec posłańca posłuchać posługiwać sie posługiwać się posłuszny posłuszny posmak posmarować posmarować posmarować pospolity pospolity post postać postanowić postanowienie postarać się postawa postawa postawa posterunek posterunek postęp postęp postęp arytmetyczny postępować postępowanie postój postój postrzępienie (efekt graficzny) postrzępiony postulacie postulować posunięcia posunięcie posuwać (się) naprzód posuwać się naprzód posyłać posypywać poszczególny poszczególny poszukiwacz poszukiwać bloem. beslissing streven. inschikkelijk aroma. persoon besluiten. posterijen aanplakken gaan naar. ritssluiting nevelig. uitspraak. genaken. onderwerpen afgezant. naderen verbetering. afgezonderd respectief mijnbouwkundig onderzoeker speurtocht. gebruikt aanwending. doorvoeren invetten algemeen. rits. vulgair. bode. genaken. sturen. rekenen. gehoorzaam handelbaar. roos post. opsturen bepoederen. aanpakken. evolutie zich gedragen actie. aanpakken. luisteren afgewerkt. naderen gaan naar. karakter. aangrijpen. heiig. onbenullig vasten personage. vereisen. adapteren aanwenden. geaardheid rose. vooruitgang. poederen afzonderlijk. pogen houding aard. zoektocht .

speurtocht speurtocht. kont. speurtocht zoektocht. sluiks. uitglijden slippen. trouwen necrologie haast. sacraal. ijl spoed maken. vel. rechtop zetten . aanbieden aanhankelijk. getuigen spanderen. spoed maken. slippen slippen. speurwerk speurwerk. inderhaast. steelsgewijs confidentie bal. speurwerk speurtocht. spenderen aanhankelijk. midden tussen getuige getuigen. transpireren tersluiks. speurwerk. speurtocht. onder in het midden van. gehaast agentschap agentschap vertegenwoordiger. pels. heilig. speurwerk zoektocht. snorren speurwerk. gehecht gewijd. vacht linnen vervolging. inderhaast. certificeren certificeren. voortmaken voortmaken. huid. uitkijken naar. agent makelaar in de plaats stellen van. inboeten tussen. getrouwd in de echt verbinden. gehaast haastig. achtervolging bil bips. sacraal zweet zweten. speurtocht. haast maken. haastigheid. haast maken haastig. offeren. medio. geheiligd geheiligd. trouwen in de echt verbinden. zoektocht dierevel. dealer. gewijd. opdragen. vagebond uitglijden. heilig.poszukiwać poszukiwać pozycjonować poszukiwania poszukiwania poszukiwanie poszukiwanie poszukiwanie poszycie pościel pościg pośladek pośladkach pośladki poślizg pośliznąć się pośliźnięcie się poślubiać poślubiać poślubić pośmiertny pośpiech pośpiech pośpiech pośpiesznie pośpiesznie pośrednictwo pośredniczenie pośrednik pośrednik pośrednik pośrodku pośród pośród poświadczenie poświadczyć poświadczyć poświęcać poświęcać poświęcać poświęcający się poświęcony poświęcony pot pot potajemnie potajemny potańcówka potargać uitzien naar. zitvlak zwerver. uitglijden gehuwd. danspartij opzetten. gehecht opofferen.

stroming vloed. noodzakelijkheid nodig hebben. bewust besturen. moeten nodig. driedubbel schokken noodzaak. jong. verdomd. daarna heerschappij. afstammeling beginnend. afkeuring wraking. afkeuring machtig struikelen struikelen beekje. achteraf. behoeven. moeten behoeftig. lopen. hoeven. afstammeling nakomelingschap. schaal pan. zin aanvallen. administreren. moeten nodig. aankomend zondvloed welbewust. aantasten controleren. beek stromen. stroom pijp. vloeien. steelpan ragoût drievoudig. kroost.potas potem potęga potępiać potępiać potępić potępienia potępienia potępienie potężny potknąć się potknięcie potok potok potok potok potok potokowy potok rzutowania potokowym przesyłaniem pakietów potomek potomek potomek proces potomny potomny potomność potomstwo potomstwo potop potrafiący obsługiwać coś (maszyna potrafić potrawa potrawce potrawka potrójny potrząsać potrzeba potrzeba potrzeba (życiowa) potrzebą potrzebny potrzebować potrzebujący potrzebujący odbioru potrzebujesz poturbować potwierdzać potwierdzać uznać n potwierdzenie potwierdzenia potwierdzenie (odbioru) potwierdzenie (odbioru) podziękowanie kalium naderhand. berooid. lust. kind. begeerte. jong. stroom. benodigd nodig hebben. aflezen agnosceren. verwerping. kroost. als waarheid aannemen erkenning erkenning erkenning . afkeuring wraking. checken. hoeven. stroming bult. macht. tabakspijp loop. braadpan. zaad nakomelingschap. mogendheid afkeuren verdomme. bochel loot. bergstroom. vlieten loop. beheren schotel. berooid. kind. dan. godverdomme afkeuren wraking. behoeven. zaad nageslacht loot. behoeven. nooddruftig behoeftig. nooddruftig wens. verlangen. hoeven. benodigd nodig hebben. stroom.

karrespoor oppervlakte. bol. areaal. bewust graafschap familiebetrekking. aankondiging welbewust. bona fide. gebied spoor. oppervlak het hoofd bieden kloot. instructie vertrouwelijk. sfeer. deksel verveelvoudigen. aankondigen. achting hebben voor achtenswaardig. erg aanplakken aanplakken adviseren. gebied oppervlakte. multipliceren belasten met. aanzienlijk stemmig. wagenspoor. gebied . opdracht geven oppervlakte. bekrachtigen. kaft. aannemen monsterachtigheid monsterachtig. bevestigen bevestigen. consigne. areaal. areaal. bona fide. gezag stemmig. opgeven ooglid bedekking. serieus zwaartekracht achten. voornaam. serieus rouwbelangrijk. als waarheid aannemen erkennen. aanmerkelijk. bekendmaken verkondiging. opdragen. omslag.potwierdzenie odbioru potwierdzenie pozytywne potwierdzić potwierdzić potwierdzić notarialnie potworność potworny potwór potykać się potylica pouczać pouczenie poufny poufny powab powab powaga powaga powaga poważanie poważany poważny poważny poważny poważny poweron self test power-on self test powiadamiać powiadomienie powiadomiony powiat powiązania powiązanie powiece powiedzieć powieka powieka powielać powierzać powierzchnia powierzchnia powierzchnia powierzchnia czołowa powierzchnia kuli powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków powierzchnia wyświetlania powierzchnia zapisu erkenning erkenning agnosceren. omgeving. achtbaar geruim. zetten ooglid zeggen. ernstig. geheim binnenste. gedrochtelijk rotbeest. ernstig. verwantschap monteren. ernstig. gebied het hoofd bieden oppervlakte. mormel struikelen achterhoofd stichten aanwijzing. inwendige aantrekkelijkheid lokken autoriteit.

voorspoed welstand. slagen nieuw. plicht affiniteit. verwantschap affiniteit. uitbreiden uitbouwen. opkomend lucht uitbouwen. vergroting uitbouwing. rugschild. verschijnen aanblik. vlot. makkelijk. doorkomen. welstand. uitbreiden verplichting. welstand. feliciteren groeten. maken. buitenkant gemakkelijk. schaal schild. ontwikkeling. vergroten.powierzchniowy tranzystor polowy powierzchowność powierzchowność powierzchowny powierzchowny powierzchowny powierzyć (<sb with sth> komuś coś) powiesić powiesić na zawiasach powiesić się powieściopisarz powieść powieść powieść się powietrze powiększać powiększać powiększać powiększać powiększać (się) powiększenia powiększenie powiększenie powiększenie powiększyć powinność powinowactwo powinowactwo elektronowe ujemne powinszować powitać powitać powitać powitanie powlec powłoka powłoka wsadowa powodować powodować powodować powodzenia powodzenie powodzenie powodzenie (operacji) powoli powolny powolny powolny start powołanie oppervlakkig. opkomend klaarspelen. langzaam langzaam ontzien. laten aanstoken. groei opdrijven. rugschild. ophitsen. voorspoed. irriteren afstammen. geluk. grootte verergeren. ondiep aanklacht. voorspoed welstand. schaal doen. beschuldiging hangen scharnier hangen romanschrijver nieuw. laten doen. uitbreiden omvang. zachtjes. vergroten. verheffen. begroeten hallo feestelijk inhalen feestelijk inhalen overlappen schild. licht naar buiten. vergroten. verwantschap gelukwensen. eruit. aanschijn. bloei geluk. geluk. sparen langzaam beroep . het gevolg zijn van geluk. bloei. vergroten. vergroting wasdom. uitbreiden uitbouwing. bloei op zijn gemak. bestek. ondiep verschijning. buitenwaarts oppervlakkig. aandikken uitbouwen. bloei. voorspoed. ophogen uitbouwen.

reproduceren. trouwens verderop bovendien. ontmannen. voorts. nazeggen herhalen. oorzaak reden. in opstand komen tegenspartelen. ten noorden van aanstellerij. beteugelen. naar boven. teruggeven hergeven. teugel. reserveren. lekcji) powtórzenia powyżej powyżej powyższy poza poza poza poza poza poza poza domem (na powietrzu) poza kolejką poza zakresem pozbawić siły pozbywać się pozbywanie się pozdrawiać pozdrawiać beweren. laten doen. repetitie herhaling. reproduceren. begroeten groeten. uiterlijk zich aanstellen. toom bedwingen. ten noorden van op. betomen herhalen. omhoog. onnatuurlijkheid overigens. teruggeven hergeven. teruggeven snaar. verder. buiten. koorde. behelzen verhinderen. nazeggen herhaling. verhoeden. opwaarts benoorden. irriteren reden. inhouden. beletten zich onthouden. zich abstineren zich onthouden. universeel bespreken. onderwijzen hergeven. daarenboven daarbuiten. zich voordoen zich aanstellen. maken. rebelleren. begroeten .powoływać się powoływać się powód powód powód powód (sądowy) powódź powóz powrotny powrót powrót do nowego wiersza powróz powstać powstanie powstrzymać powstrzymać/zataić powstrzymywać powstrzymywać powstrzymywać się powstrzymywać się <from sth> od czegoś powszechny powszechny powściągliwość powściągliwość powściągnąć powtarzać powtórce powtórka powtórka (np. ophitsen. verzekeren aanroepen doen. castreren afhelpen beschikking groeten. tegenstreven verhinderen. zich abstineren generaal algemeen. laten aanstoken. verhoeden. beletten bevatten. repetitie herhaling. repetitie benoorden. ten noorden van uitzonderen snijden. oorzaak zondvloed opvoeden. intekenen breidel. reproduceren. zich voordoen benoorden. stemband ontstaan muiten.

gedogen. positie aanmelding houding. onbescheidenheid toelaten. als waarheid aannemen samenkomen. overblijfsel. beklaagde. lokaal. deeltje houding. afreizen zich aanstellen. overige achterblijven. deel. deel. goedvinden. overheid aanleggen. treden. regering. blijkbaar aanwijsbaar. laten begaan.pozdrawianie pozdrowienia pozdrowienia pozdrowienie pozdrowienie pozew sądowy poziom poziom poziom intensywności poziom żądania poziomnica poziomy poziomy uprzejmości pozłacać poznać poznać (kogoś) poznawać pozornie pozorny pozorny pozostać pozostać pozostać w łóżku pozostałość pozostawać pozostawać w sprzeczności pozostawiać pozować pozować pozować pozowanie pozór pozwalać pozwany pozwolenia pozwolenie pozwolić pozwolić sobie pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś pozycja pozycja pozycja pozycja cyfry pozycja wyjściowa pozycja znaku pozycja znaku pozycją saluut. schrijden aanleggen. status. deeltje plaats. fiat toelaten. stand. nablijven rest. toestaan laten. aan de schouder brengen horizontaal. rang item. vertoonbaar virtueel achterblijven. jaartelling. plek graad. groet groeten. proces gouvernement. bekend zijn met klaarblijkelijk. vergaderen kennen. zich voordoen aanstellerij. tegenspreken op reis gaan. stappen. bijeenkomen. stand. duidelijk. laten schieten laten. deeltje . oord. platliggend aanleggen. laten schieten item. jaartelling. aan de schouder brengen vergulden agnosceren. aan de schouder brengen aanleggen. laten begaan. geding. beschuldigde toestemming. rommel. positie item. nablijven in tegenspraak zijn met. respecteren saluut. afval achterblijven. onnatuurlijkheid aanmatiging. jaartelling. groet complimenteren eerbiedigen. zich voordoen verderop zich aanstellen. waterpas. begroeten gerechtszaak. gedogen. aan de schouder brengen lopen. stand. deel. laten schieten laten. nablijven rest. toestaan aangeklaagde. laten begaan.

etenswaar. dienstig. knabbelen schap. noordelijk noords. laat terminal . station positief. roes. radius schiereiland naderhand. constructief vuurzee. brand ontzetten. nuttig eten. gerecht lopen. hartstocht vaarwel. spijs. plank schap. vaarwel vaarwel. schaal middernacht noorden noorden noorden noorden middernacht middernacht noorden noorden noords. voorschieten. daarna later later vergevorderd. uitlenen lenen lenen lenen lenen lenen bevorderlijk. noordelijk actieradius. plank hemisfeer. ontslaan deskundig passie. gaan knagen. końcowy stationsgebouw. halfrond schotel. lust. adieu vuurzee. dan. royeren. laat vergevorderd. vaarwel vaarwel. van stapel lopen. adieu vaarwel. adieu adieu.pozycją pozytywny pożar pożar pożarów itp pożądać pożegnać się pożegnać się pożegnania pożegnania pożegnanie pożegnanie pożegnanie pożoga pożyczać (od kogoś) pożyczać coś komuś pożyczce pożyczka pożyczka pożyczka hipotetyczna pożyczyć pożyteczny pożywienie pójść półbajt półce półka półkula półmisek północ północ północ północ (geograficzna) północ (geograficzna) północ (pora doby) północ pora doby północny północny północny północny wschód półprosta półwysep później później późniejszy późno późny Późny. spaakbeen. brand lenen lenen. adieu vaarwel. adieu adieu. achteraf.

naarstig. het doen proefschrift. handelbaar praktisch belevenis. bevallen eredienst. werk. doorvoeren drillen. ongerust trek hebben in. werker. nijver. ijver ijverig. ijverig kast laboratorium employé. begeren verlangend. verkiezen. het doen functioneren. verkiezen. arbeider. ijverig. aansporen trek hebben in. verkiezen. karwei. aanwending emplooi. vlijtig. het doen vlijt. nijver naarstig. werk. het doen speurwerk. begeren inschikkelijk. stelling. oeuvre emplooi. het doen functioneren. vlijtig. aanvuren. personeelslid werkkracht. arbeid functioneren. begeren dorst trek hebben in. werkman werker ingenieur werker wasvrouw uitwassen. ondervinding aanwenden. godsdienstoefening toepassing. beducht. dienst. de was doen voorvoegsel voorzetsel Praag bang. het doen functioneren. dissertatie handwerk ter wereld brengen. speurtocht werkgever functioneren. vlijtig naarstig. karwei. doorvoeren aanwenden. oefenen . ervaring. werknemer.póżniej prac praca praca praca dorywcza praca papierowa praca z podziałem czasowym praca zawieszona praca zespołowa pracą pracą prace badawcze pracodawca pracować pracować ponad siły pracować w ogrodzie pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji pracowitość pracowity pracowity pracowity pracownia pracownia pracownik pracownik pracownik pracownik naukowobadawczy pracownik naukowo-badawczy praczka prać swoje brudy publicznie praefixus praepositio Praga pragnący pragnąć pragnąć pragnąć z całego serca pragnienia pragnienia pragnienia pragnienie praktyczny praktyczny praktyka praktyka (zawodowa) praktykować praktykować later werken. nijver. arbeid functioneren. bezorgd. wassen. naarstigheid. smachtend dorst aanwakkeren.

gelijk hebbend. onvervalst daadwerkelijk. in omloop schier. gewettigd. pleitbezorger. wettelijk. belangrijk. standaardgelijkmatig. reep. gegrond juist. waarachtigheid waarheid. legaal copyright. kopijrecht vrijdom. trant juist. wettelijk. bijkans. correct. bijkans. gegrond waarheid. legaal titelen. haast. betitelen copyright. gewettigd. deel stuurboord manier. waarachtigheid waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk werkelijk. legaal recht strip. haast. wezenlijk authentiek. eigendomsrecht wettig. legaal jurist verdediger. bijna wettig. werkelijk. effectief juist. gewettigd. tituleren.pralni pralnia pralnia automatyczna pranie prasa prasa (ściskająca i drukowana) prasą prasować prasowy pratykuła prawa burta prawa dostępu prawda prawda prawda logiczna prawdą prawdopodobnie prawdopodobnie prawdopodobny prawdopodobny prawdziwie prawdziwy prawdziwy prawdziwy prawidłowo prawidłowy prawidłowy prawidłowy prawie prawie prawie prawie nic prawniczy prawnik prawnik prawny prawo prawo prawo prawo prawo prawo autorskie prawo autorskie prawo o podpisach cyfrowych prawo wyborcze prawo zwyczajowe prawomocny prawosławny wasserij wasserij wasserij wasserij pers zuiger pers ijzeren pers item. vlotheid recht wettig. windsel orthodox. bijna schier. geregeld circulerend. ernstig. gewettigd. rechtzinnig . kiezen. kopijrecht balloteren. bijkans. waarachtigheid waarheid. bijna schier. deeltje. wettelijk. voornaam normaal. jaartelling. stemmen eigendom. band. advocaat wettig. vrijheid. haast. wettelijk. goed erg. strook. gelijk hebbend. wijze. regelmatig.

billijkheid echten. nauwgezetheid stiptheid. heen. rechtzinnig rechter-. claimen aanmatiging. scherp. voorbereiding prairie keus. keuze autoriteit.prawosłowny prawostronny prawość prawowity prawoznawstwo prawoznawstwo dza prawy prawy prąd prąd prąd prąd prąd (także elektryczny) prąd elektryczny przepływ bieżący prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu dyskach) precyzja wielokrotna precyzją precyzować precyzyjny precyzyjny precz precz! preferować prefiks prefiks operatora prefiks usługodawcy premia premia premią premią premier prenumerata prenumerator prenumerować preparat prerią preselekcja prestiż prestiżowy pretekst pretekst pretensja pretensja pretensja orthodox. prijs bonus premie. stroom. nauwgezetheid precies. juist. gezag prestigieus verontschuldigen smoesje. accuratesse. premier abonnement abonnee geabonneerd zijn op voorbereidsel. eerzaam. de voorkeur geven aan voorvoegsel voorvoegsel voorvoegsel bonus premie. over prefereren. accuratesse. prijs minister-president. draaierij. stroming actueel actueel gallon stiptheid. onbescheidenheid . aanstaand. nauwgezetheid eerstvolgend. smoes. legitimeren recht recht eerlijk. verwijderd. rundvlees aanspraak maken op. accuratesse. minutieus nauwkeurig. prestige. accuraat. komend vandoor. fair actueel elektriciteit sap loop. degelijk billijk. alternatief. nauwgezet stiptheid. vandehands gerechtigheid. dekmantel klapstuk. rechtvaardig.

navraag vraagstuk. actueel voorzitter. procédé. werkwijze rente. preses gauw. spitsroede. gard. vraagpunt. presentatie. fronsen haardos. probleem. afwerpen ontwikkeling. geding. in allerijl snelheid. opgave kwestie. praeses. spoed. preses voorzitter. percent. stokje vraagstuk. preses voorzitter. werkwijze bereidingswijze. probleem. vraagpunt. radheid schreef. hard. opgave pastoor bereidingswijze. haal. praeses. ostentatief bijzijn. president. eliminatie fabriceren.pretensjonalny prezencją prezent prezent prezentacja przedstawienie prezentować prezes zarządu prezydencie prezydent prezydent tam był prędko prędkość pręga pręga pręt problem problem problem roku 2000 problem tłumaczenia adresu problem z bezpieczeństwem problem związany z siecią proboszcz procedura procedura pomiarowa procedura wspomagania programu procedura zagęszczania procedurą procencie procent procent procentowość proces proces proces proces rozruchu proces zatwierdzania procesja procesować się proch proch proch strzelniczy produkcja produkcja seryjna produkcja wspomagana komputerem produkcja wspomagana komputerowo produkcja wspomagana komputerowo produkcją produkcją opzichtig. procédé. werkwijze routine. procent. haar vraagstuk. vraag. vraagpunt. president voorzitter. optreden tegenwoordig. praeses. procent. schrap. procent belang inboezemen. proefstuk gerechtszaak. poederen buskruit. proces bewerking probeersel. actueel aanbieding. probleem. presentie. vaart. cadeau tegenwoordig. aanwezigheid gift. geschenk. schielijk. kruit produktie. streek. voortbrenging ontwikkeling. president. interesseren rente. donatie. proces bewerking processie. preses. procédé. opleveren. werkwijze bereidingswijze. percent rente. voortbrenging . stoet. procédé. streep gallon roede. aanmaken. omgang een proces aanspannen tegen buskruit. percent gerechtszaak. sleur bereidingswijze. president. kruit bepoederen. opgave rimpelen. eliminatie produktie. maken produktie. optocht. praeses. voortbrenging opbrengen. geding.

beroepsprofessor karakterschets karakterschets karakterschets karakterschets voorspelling. leiding. schets. verwachting beduiden. toepassing assistent. prent. voorzeggen voorspelling. maken opbrengen. opbrengst produktie. tekening projecteren projecteren projecteren projector. gewrocht. schets. afwerpen opbrengen. ontheiligen. toepassing programmeren programmeren tribune. tekening . podium afbeelding. seksueel. voorspellen. opbrengst ontwijden. opleveren. aanmaken.) ilustracja projekcie projekt projekt projekt pilotażowy projekt szczegółowy projektor laserowy projektować geslachtelijk. prognose. verwachting akkoord. podium tribune. opleveren. profaneren professioneel. afwerpen produktie. prognose. gewrocht. plaat projecteren werkje. leiding. hulp. middel aanwending. maatregel programmeren programmeren laten blijken. hulp. bestuurder assistent. generatief fabriceren. helper debugger konijntje debugger werktuig. helper programmeren programmeren programmeren aanwending.produkcyjny produkować produkować produkt produkt produkt zakonserwowany profanować profesjonalny profesor profil profil wykonania profil zabezpieczeń profilować prognoza prognozą prognozą program program program program program do tworzenia kopii zapasowych program interpretujący program kontrolny program obsługi urządzenia program organizacyjny program pierwotny program post-mortem program składowania program składowania (zawartości pamięci) program sterujący program testujący program typu królik program uruchomiajacy program wspomagający program zrzutu program zrzutu program źródłowy programowa programowa) programu itp. famulus. manifesteren vinger interpreter debugger conducteur. famulus. projectietoestel werkje.

profeet. promotie gaan naar. wandeldek zonneschijn straal. bieden. stralen uitstralen. schets. aanbieding. aanpakken. proloog overzetboot. floreren hardhandig. lomp. spaak bevordering. voorzegger voorzeggen. inroepen. aanbieden aanwijzen. tieren. promotie bevordering. spaakbeen. pontveer.) promień promień promień słońca promień zginania promocja promocją promować propaganda proponować proponować proporcja proporcja proporcjonalny propozycja wstępna propozycją propozycją proroctwa proroczy prorok prorokować prosa prosić prosić prosić proso prospekcie prosperować prostacki projecteren werkje. genaken. stralen actieradius. pont. verhouding proportie. promenade. afkondigen proletariaat proletariër proletariaat proletariër voorrede. stralen uitstralen. voorspellen gierst vragen bidden vragen. bak wandeldreef. aanbod profetie. propaganda uitloven. aanvragen. fataal. naderen verspreiding. beduiden. grof. uitvaardigen. aanzoek huwelijksaanzoek. voorslag. spaak zonnestraal straal. noodlottig voorspeller. verhouding. aangeven. aanduiden evenredigheid. evolutie declaratie. evenredigheid proportioneel. tekening ontwikkeling. aanzoek bod. evenredig huwelijksaanzoek. verklaring declaratie. verklaring proclameren. verzoeken gierst prospectus gedijen. radius straal. bloeien. onkies. proportie. ruw . voorzegging funest.projektować projektowanie projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) proklamacja proklamacją proklamować proletariacie proletariacki proletariat proletariusz prolog prom promenada promienie słońca promieniować promieniować promieniować rozchodzić się promieniowo promieniować (dosłownie i w przen. spaak uitstralen. voorspelling.

makkelijk aalwarig. eenvoudig. procent. bestrijden protestants protestants betwisten. eenvoudig aalwarig. rijten scheuren. alstublieft voldaan. aalwaardig landkaart. aalwarig. chef. eenvoudig. baas constructie. overeind. pogen. trachten. toepassing vragen. vermalen. wees zo goed. rijten aalwarig. eenvoudig hoer. notulen slippen. vandehands normaal. standaardlicht. aalwaardig direct.prosto prosto prostopadły prosty prosty prosty prosty prosty protokół zarządzania siecią prosty protokół zarządzania siecią prostytutka proszek proszę proszę proszę proszkować prośba prośba protekcja protektor protest protestancki protestant protestować proteście protokół protokół IP dla łączy szeregowych protokół odwrotnego tłumaczenia adresów protokół RARP protokół SGMP protokół z potwierdzeniem pozytywnym protokół zmiany kierunku proton prototyp prowadnica prowadzące prowadzący prowadzenie serwerów WWW prowincja prowincjonalny prowizja prowizoryczny prowokować proza prozą próba próba próba direct. prostituée bepoederen. proces-verbaal. aanvoerder. beschermheer betwisten. aanvragen. lichtekooi. bestrijden bekeuring. eenvoudig. inroepen. recht. rechtop rechter-. provinciaal rente. vergenoegd behaaglijk. aalwaardig aalwaardig. irriteren proza proza streven. bekoorlijk malen. notulen proton prototype spoorstaaf. vlot. aantrekkelijk. aalwarig. repetitie . rail nul gebieder. bestrijden betwisten. moeite doen gehoor herhaling. percent jury aanstoken. kaart bekeuring. proces-verbaal. uitglijden scheuren. kwellen aanwending. verzoeken bescherming beschermheilige. aanbouw gouvernement gewestelijk. tevreden. poederen alsjeblieft. live. bouw. ophitsen. rechtstreeks aalwaardig.

toevallig smaken streven. monster bedwingen. proef. baas klapperen. ijdelheid vergeefs. proefstuk streven. specimen. moeite doen dissertatie. plassen. humus verval tonderzwam. proefstuk bedwingen. particulier prisma spinnen absolveren. trachten. monster proefstuk. lens. kabbelen. dorpel luchtledige ruimte. absolutie geven vergeven. chef. proefstuk proefstuk. zich inspannen. onbewerkt. tonder. honds. vacuüm luchtledige ruimte. begenadigen appartement. hol grof. proef. pogen proefstuk. betomen. bot primitief onbeleefd. trouwens. proefstuk streven. pogen. moeite doen examen. dorpel drempel. begenadigen vergeven. verder drempel. keuring. gebieder. moeite doen moeite. douchen besloten. monster. onbehouwen. zich inspannen. specimen. pogen. vacuüm luchtledige ruimte. stelling probeersel. betomen. borrelen. klotsen op het kookpunt zijn. koken een douche nemen. nutteloos loos. proefschrift. trachten. lomp aanvoerder. onheus. specimen. monster proef. specimen. moeite doen incidenteel. ledig. pogen. beteugelen streven. leeg. tondel.próba próba (teatralna) próba generalna próba generalna próba odzyskania próba teatralna próba v próbować próbą próbą próbą próbą próbce próbka próbka próbka na sekundę próbkować próbować próbować próbować próbować próchnica próchnicą próchno prócz prócz tego próg próg próg tylny próżni próżnia próżnia ultrawysoka próżność próżny próżny prymitywny prymitywny prymitywny pryncypał pryskać pryszcz prysznic prywatny pryzmat prząść przebaczać przebaczać przebaczenie przebicie dętki probeersel. zwam ander overigens. trachten. pogen teelaarde. poging probeersel. privé-. ijdel. dorpel drempel. vacuüm nietigheid. beteugelen streven. flat . pogen. onderzoek streven. proef. cru. trachten.

kloppen. opwekken overschatten. doortrapt soort. pakken. slag. klappen wakker maken. tegenliggend. aan de overkant van tegenstander dwarsbomen. een lijst maken congestie. steunen. bluffen beetnemen. gloren slaan. tegenliggend. uittarten standhouden. aandrang inspringen ongeveer. promenade. bezwaar hebben tegen . beetkrijgen bemachtigen. doortrapt scherpzinnig. route. tegen. wakker maken. belemmeren uitdagen. leergang. houwen. cursus. tegenwerken. slim. bloedaandrang. per. trotseren. gewiekst. wandeldek transitief. circa komma door. strijdig tegenover. flikkeren. pakken. opwekken wekken. overwaarderen overschatten. bloedaandrang. jegens tegengesteld. snoeven. splijten. tegenaan. pienter doortrapt. een stuk of. opvallen slaan. overwaarderen wandeldreef. detineren. koers slim. doen overhellen uitlisten. gewiekst. ophouden pochen. aard barsten. tarten. stutten neigen. grijpen bemachtigen. strijdig voor tegengesteld. aangrijpen. scheuren flitsen. aangrijpen beetnemen. kloppen. met met. aangrijpen.przebieg kurs przebiegłość przebiegły przebiegły przebiegły przebierać przebijać przebłysk przebłysk przebój przebudzić przebudzony przeceniać przecenić znaczenie przechadzka przechodni przechodzień przechodzień przechowywać przenosić przechowywać w pamięci przechwalać się przechwycić przechwycić przechwycić przechwytywać przechwytywać przechylać się przechylić przechył przechył statku przeciążenie przeciążenie (np. aandrang congestie. grijpen neigen. buigen. klappen. doen overhellen schragen. schrander. overgankelijk voorbijganger voetganger vertraging reserveren. strijdig tegenstander afkerig tegengesteld. listig slim. wekken. sieci) przecięcie przeciętnie przecinek przeciskać się przeciw przeciwieństwo przeciwległy przeciwnie do ruchu wskazówek zegara przeciwnik przeciwny przeciwny przeciwny przeciwny czemuś przeciwstawiać przeciwstawiać się przeciwstawiać się tracé. grijpen. opscheppen. listig. listig. buigen. beetkrijgen bemachtigen. tegenliggend. gewiekst.

profaneren. artikel voorrede. tegenliggend. suffix uitleggen. onderwerpen aanbieding. belemmeren tegenstand. object. verleden. presentatie. tegenwerken. lange tijd achtervoegsel. zakenman . optreden knechten. samochodu) przedpokój przedpokój przedpołudnie przedpotopowy przedrostek przedrostek negujący znaczenie wyrazów przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi przedruk przedrukować przedrzeźniać przedsiębiorca dwarsbomen. onderwerp. spotten. in de morgen voor benoorden. honen koopman. introductie voorgrond voorgrond lichtbak. laxans voor voorafgaand. oppositie tegenstand. passage ochtend. ontheiligen een aan de. onderwerpen achtervoegsel. koplamp hal overgang. de. artikel mikpunt. oppositie tegengesteld. het. voorwoord inleiding. ten noorden van ontwijden. imvoorvoegsel nadruk. doortrekken. ding handelsartikel.przeciwstawić (się) przeciwstawienia przeciwstawienie przeciwstawny przeczący przeczesać przeczyć przeczyć przeczyszczający przed przed przed południem przed siebie przede wszystkim przedefilować przedimek nieokreślony przedimek określony przedkładać przedłożenia przedłożyć przedłużacz przedłużać przedłużenie przedłużyć przedłużyć (się) przedmieścia przedmieście przedmiot przedmiot przedmiot oceny przedmowa przedmowa przedni plan przedni plan (obrazu) przednie światło (np. herdruk bespotten. zeer oud voorvoegsel on-. lang. tegenspreken ontkennen laxeermiddel. schuieren in tegenspraak zijn met. voorbericht. herdruk nadruk. aan het. rekken uitleggen. cliché borstelen. doortrekken. rekken voorstad voorstad handelsartikel. suffix langdurig. voorgaand voor de middag. morgen antediluviaans. strijdig negatief. in-. reflector. naar de knechten. doorgang. handelaar.

grijpen los. ding. manifesteren al. bespreken recenseren. preliminair bespreken. baan. aandurven verbeelden. afdeling interval. tocht. vak mul. dealer. bespreken afgrazen uitzicht afdeling. divisie branche. handelsfirma. mobiel. misgrijpen recenseren. indienen uitvoeren. discuteren branche. onderneming ondernemen zich wagen aan. opdagen tegenwoordig. presenteren. tak. gang. excursie toer. presenteren. handwortel overloop. toer. tussenruimte interval. alreeds voor voorafgaand. indienen tentoonstelling. agent agentschap uitvoeren. afgevaardigde vertegenwoordiger. branche. indienen uitvoeren. reeds. rul pols. handwortel pols. trip bemachtigen. trip. onderneming Maria-Hemelvaart bedrijf. aangelegenheid. expositie laten blijken. vak. afbeelden opdraven. onderneming zich wagen aan. uitbeelden. rijstrook uitstapje. aandurven zaak. beweegbaar.przedsiębiorca (budowlany) przedsiębiorczy przedsiębiorstwa przedsiębiorstwa przedsiębiorstwo przedsiębiorstwo przedsięwziąć przedsięwziąć przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedstawiać przedstawiać (na scenie) przedstawiać obecny przedstawiający przedstawiciel przedstawicielstwo przedstawić przedstawić (kogoś) przedstawić kogoś przedstawienia przedstawienia przedtem przedtem przedwstępny przedyskutować przedział przedział przedział dla niepalących przedział kolejowy przedział synchronizacji przedziurawić przedziurawić przegapić przegląd przegląd wstępny przeglądać przeglądać przegródce przegrywać przegub przegub (dłoni) przejazd przejażdżka przejażdżka łodzią przejąć przejezdny przejęcia bouwondernemer. presenteren. tak. mislopen. vak. handelshuis bedrijf. tocht. reis. aannemer ondernemend firma. alvast. tussenruimte stompen Jan Klaassen missen. actueel gedeputeerde. roerend Maria-Hemelvaart . affaire bedrijf. aangrijpen. afdeling legerafdeling.

te boven gaan aflopen. buitengewoon kronkelen beledigen. geldend. vigerend twisten. versie kamrad. baan. delegatie inhalen opsturen. tandwiel overtuiging overtuiging gangbaar. lunch twaalfuurtje. vloeken. rondtrekken. lunch ketteren. tandrad. godverdomme eed. odpowiedzialności przekazywać przekazywać przebieg przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki przekąsce przekąska przekląć przekleństwo przekleństwo przekleństwo przeklinać przeklinać przeklinać przekład przekład przekładni przekonania przekonanie przekonujący przekonywać przekonywać przekonywać przekonywanie przekraczać przekraczać przekraczać przekraczająco przekręcać przekroczenie przekroczenie przekroczyć przekroczyć stan konta terugvallen steeg overloop. krakelen overtuigen overtuigen overreding overtreffen. gang. uitgaan. ophouden. godlasteren verdomme. bezwering translatie. krenken. overzetting uitvoering. vloeken. verdomd. afdracht transporteren. rondreizen wandeling. overbrengen. afboeken twaalfuurtje. kamwiel. geldig. disputeren.przejęzyczenie przejścia przejścia przejście przejście kolorów przejście na emeryturę przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę przejście wielokrotne przejściówka przejść przejść się przejść się przekaz przekaz (danych) przekazanie (np. bezwering ketteren. affronteren geweldpleging. rijstrook bewerker aftreden. voeren afvaardiging. tippel transfer. doorgang pensioen metro poort overloop. doen toekomen opnemen. sturen. overtreffen bijzonder. godverdomme eed. met pensioen gaan trekken. eindigen . geweld overtreffen. rijstrook overgang. wandelen. passage. translaat. gang. te boven gaan inhalen overtroeven. baan. godlasteren verdomme. vloeken. godlasteren ketteren. verdomd.

afboeken overtollig. overheerlijk geweldpleging. overschakelen roede. gestamp gaan naar. geweld bedelven. stokje mijlpaal opperste. gard. sluikhandelaar uitwassen. vliegtocht een douche nemen. genaken. aanpakken. veranderen afwisselend afwisselend getrappel. doorslikken. naarstigheid. verbasteren. inslikken adresseren praten. artsenijbereidkunde weefsel vlijt.przekrój przekształcać przekształcać przekształcać przekształcać na postać cyfrową przekształcać transformata przekształcić przekupić przelew przelew przelew krwi przelewać przelot przelotny przełączać przełącznik zmianowy przełączyć przełączyć przełomowe wydarzenie przełożony przełykać przemawiać przemawiać przemądrzały przemienić przemienny przemienny przemierzać przemieszczenie przemieszczenie przemieścić przemijać przemiły przemoc przemóc przemówienia przemówienie przemówienie przemycać przemysł przemysł cukrowniczy przemysł stoczniowy przemysł włókienniczy przemysłowca przemysłowy przemyt przemytnik przemywać branche. de was doen . redevoering. afboeken opnemen. wassen. overstelpen. naarstigheid. verpletteren rede. omkopen bloedvergieten opnemen. ijver industrieel industrie-. redevoering. verstuiken inhalen heerlijk. stokje klaar. speech. prevalent. ijver farmacie. ontwrichten. omschakelen. contrabande smokkelaar. spitsroede. vak. douchen omleggen. afgewerkt. oratie adresseren rede. oratie smokkelen vlijt. kostelijk. tak bekeren masseren vervormen vervormen vervormen vervormen bederven. speech. afgelopen. superieur slikken. industrieel smokkelwaar. overbodig vlucht. spreken geraffineerd anders maken. beëindigd roede. spitsroede. gard. naderen verschuiving verrekken.

mobiel. nalaten.przen. brengen opnemen. voorspellen. voorhebben. verleden. clausuur kwartel patrijs kwartel recept voor voldaan tekenen. beweegbaar. inham. levendig. inham. kwiteren recept heerschappij. beploegen afgrond. oprijlaan opnemen. afdragen oneigenlijk. bits doordringen. voeren. begieten. consigne. lopen. instructie reglement bevloeien. binnendringen. afboeken ontroeren. kreek golfspel. roerend draagbaar. voeren aanreiken. lopen. kwiek. figuurlijk oneigenlijk. adapteren aanreiken. bewind. aangeven. afdragen transporteren. afscheiding. beduiden profetie. guur. vlieten voorzeggen. aanpassen. overbrengen. afboeken dragen. doordringend snibbig. vlieten stromen. voorgaand omploegen. portable oneigenlijk. wigor przenajświętszy przeniesienie równoległe przenieść przenieść przenieść przeniesienie przenikać przenikliwy przenikliwy przenikliwy (ból) przeniknąć przenocować (<sb> kogoś) przenosić przenosić przenosić (na inną platformę systemową) przenośnie przenośny przenośny przenośny przenośny automatyczny system telefoniczny przeoczyć przeor przeorać przepaść przepaść przepaść przepaść przepierzenie przepiórce przepiórka przepiórka przepis przepis przepis przepis przepisach przepisy przepisy przepłukiwać przepływ przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok przepowiadać przepowiednia przepraszać przepraszam przeprosić sap oprit. voorspelling. figuurlijk verzaken. vloeien. gieten. aangeven. bewegen doordringen. boezem afgrond schifting. aangrijpen. figuurlijk los. vloeien. bestuur reglement aanwijzing. sproeien stromen. uitlaten voorafgaand. golf. fel. doorstoten afstemmen. doorstoten kras. druk bijtend. kolk baai. ploegen. binnendringen. bocht. rap. voorzegging zich verontschuldigen verontschuldigen zich verontschuldigen .

przeprosiny przeproszenie przeprowadzić (plan) przeprowadzić się przeprowadzić wywiad przepustce przepustka Przepuszczać (np. toestaan inhalen anders maken. doen schrikken schrik aanjagen. weken zeven. onderbreken interruptie. pauze interruptie. onderbreking pauze. schorsen. aftreden. mager haan van een vuurwapen chargeren. mislukken interrumperen. louteren interviewen toelaten. schorsen. ontsteltenis gruwel. gruweldaad. overdrijven vooroordeel. ophouden interrumperen. vooringenomenheid bijgeloof bijgelovig veranderen. schoonmaken. schorsing. bewerking. bedanken een miskraam krijgen. weekmaken. schraal. voeren. intermitterend sprietig. voorhebben. schorsing. ziften springen . onderhouden uittreden. onderbreken rust. afsluiten interrumperen. schorsing. onderbreking hortend. aanpassing opening. veranderen schrik aanjagen. strumień gazu) przerabiać przerazić przerażać przerażenie przerażenie przeróbka przerwa przerwa międzyrekordowa (na nośniku informacji) przerwa start-stop przerwa w podróży przerwać przerwać przerwać przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) przerwanie przerwanie przerwanie integer liczba całkowita przerwanie zewnętrzne przerwą przerwą przerwą przerywać przerywać przerywać przerywać przerywać coś przerywać przerwanie przerywany przerzedzać przerzutnik przesadzać przesąd przesąd przesądny przesiadać się przesiąknąć przesiewać przeskoczyć verontschuldiging verontschuldiging dragen. mislukken opvrolijken. amuseren. verschrikking modificatie. beëindigen. aflaten. schorsen. mislukken stoppen. gedogen. onderbreking een miskraam krijgen. onderbreking afbreken interrumperen. schorsen. brengen reinigen. schorsing. gedogen. doen schrikken consternatie. anders maken in de week zetten. bres. onderbreken interruptie. toestaan toelaten. onderbreken afmaken. rust een miskraam krijgen. gaping adempauze pauzeren interruptie.

crimineel misdadig. rondreis verschuiving beweging afstand. ontwrichten. verstuiken afstand. schrik aanjagen verjagen. breedvoerig. snood. nakijken. schut Iris afbeulen. wachten samenkomen. examineren afkoelen dragen. aftreden. afmatten gehoor een verhoor afnemen. bedanken punctuatie. tribune. afgelasten voorspeler. leiding ontbinden. laf. royaal. eind verschuiving tournee. misdrijf misdaad. bewegen beweging verschuiving opnemen. snood. afgeven ruimte. bijeenkomen. bestuur. speling onderzoeken. druilen. brengen verrekken. groot verspreiden.przeskok przeskok przeskok przesłać przesłać dalej przesłona przesłona (falowodu) przesłonić przesłuchanie (świadka) przesłuchiwać przesmyk przespać się przestać przestankowanie przestarzały przestawić przestępca przestępczy przestępstwa przestępstwo komputerowe przestraszony przestraszyć przestraszyć przestroga przestronny przestrzec przestrzegać przestrzegać przestrzegać przestrzegać (coś) przestrzegać normy przestrzenny przestrzeń przestrzeń (także kosmiczna) przestudiować przestudzić przesunąć przesunąć przesunięcie przesunięcie przesunięcie przesunięcie logiczne przesunięcie w lewo przesunięcie w prawo przesuń przesuń w prawo przesuwać przesyłanie z potwierdzeniem hinkelen springen podium. voorhebben. ondervragen inhalen sluimeren. royaal. groot waarschuwen blijven gehoorzamen opvolgen. voeren. handelen volgens te wachten staan. crimineel misdaad. afhalen. bang doen schrikken. annuleren. tip ruim. misdrijf lafhartig. verbreiden. bestek. interpunctie mottig verschuiving misdadig. breedvoerig. aangrijpen. afschrikken waarschuwing. dutten uittreden. eind ontroeren. afboeken . afjakkeren. aanvaller scherm. wereldruim. vergaderen ruim.

luchten . voeren verteren. vertalen transporteren. najagen. nastreven vervolging. speurwerk. voorzeggen bedacht zijn op. vervolgen najagen. veiling gunning. verhinderen. hinderen doorkruisen. verhoeden barrière. verleden. heining storing hindernis. voorafgaand doorleven. vendu. digereren voorgaand. verwachten beduiden. overzetten. verleden tijd kruipen speurtocht. belemmeren. verleden tijd verleden. te wachten staan frisse lucht toewaaien. wannen. vel overtroeven. overbrengen. belemmeren. hinderpaal verleden. achtervolging auctie. afsluiting. afhalen. overtreffen beklemmen. aanbesteding aflopen. mijn. achtervolging vervolging. zoektocht scanderen blad. ophouden. prejudiciëren beduiden. merendeels. boodschap storen. speurwerk. afslag. zoektocht schaven. beletsel. voorspellen. voorzeggen anticiperen. eindigen translateren. voorspellen. voordeel overwegend. verduwen. grotendeels pré. prejudiciëren wachten. taille anticiperen. voordeel middel. spuien. doormaken. uitgaan. beleven speurtocht. afschaven blijven bekeren masseren vervormen masseren pré. leest. waaien lucht uitluchten. obsederen achtervolgen.przesyłka przesyłka komunikat przeszkadzać przeszkadzać przeszkadzać przeszkoda przeszkoda przeszkoda przeszłość przeszły przeszukać przeszukiwać przeszukiwać przeglądać prześcieradło prześcigać prześladować prześladować prześladować prześladowania prześladowanie przetarg przetarg przeterminować się przetłumaczyć przetransportować przetrawić przetrwać przetrwać przetrząsać przetrzeć się przetrzymywać przetwarzać przetwarzać przetwarzać przetwarzać (tekst) przewaga przeważnie przeważyć przewężenie przewidywać przewidywać przewidywać przewidywanie rozgałęzienia przewidzieć przewidzieć przewietrzyć przewietrzyć przewietrzyć pakje bericht. hek. beletten beletten.

bestemming. president. loten bestemmen.przewietrzyć się przewlec przewlekły przewodni przewodniczący przewodniczący przewodniczący Rady Nadzorczej przewodniczyć przewodnik przewodnik przewodnik przewodnik przewozić przewoźny przewód przewód przewód przewód zerowy przewód zerowy przewóz przewóz przewracać przewrocie przewrotny przewrót przewyższać przewyższać liczebnie przez przez przez całą dobę przez całą noc przez cały przez radio przez to przeziębienia przeziębienie przeznaczać przeznaczać przeznaczenie przeznaczenie przeznaczenie adresat docelowy przeznaczenie nieosiągalne przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć (coś na jakiś cel) przeznaczyć (coś na jakiś cel) lucht draad. praeses. bestuurder snaar. draad neutraal. bij. te door. toonaangevend. bak oneigenlijk. langdurig. uittrekken lot. preses. verdorven revolutie. lang leidend. met koud koud gepast. geschikt bestemmen. lot doelstelling. te boven gaan aan. binnen. chef. bestuurder besturen. doelwit. vademecum gebieder. aanvoerder. gids. wit. pont. met dwars door dwars door dwars door in. toongevend voorzitter. honk ontvanger verloten. draad affuit beweging anders maken. president voorzitter. omwenteling overtroeven. omwenteling pervers. naast. onpartijdig metaaldraad. koorde. per. mikken op. veranderen revolutie. doel. dirigeren. uittrekken mikken. bedoelen geabonneerd zijn op spanderen. garen lange tijd. president voorzitten. bestemming. stemband metaaldraad. nabij. passend. preses. richten. praeses. per. praeses. preses voorzitter. baas overzetboot. pontveer. figuurlijk conducteur. dichtbij door. reisgids. beogen. per. lotsbestemming lotsbestemming. mennen gidsboek. opdragen. overtreffen overtreffen. afzijdig. spenderen geabonneerd zijn op . presideren conducteur.

przezorny przezwyciężyć przezwyciężyć przeżegnać się przeżycie przeżyć przędza przodek przodek (w kopalni) przodkowie przód przód kompilatora przswoić prztoczyć przy przy przy forsie przy rejestracji na taśmie magnetycznej przy świetle świec przy zdrowych zmysłach przybliżony przybliżony czas przybrać postać (<sth> czegoś) przybranie przybrany przybudówce przybycie przybyć przybywać przybywać się przychodnia przychylic się przyciągać przyciągać przyciągać uwagę przyciągający uwagę przyciąganie przyciąganie przycinać przycisk przycisk przycisk przycisk z grafiką rastrową przycisk zwalniania myszki przyczepa przyczepa turystyczna przyczepą przyczepiać behoedzaam. nabij. bij. overmeesteren waarschuwen kruisen. nabij. geadopteerd luifel. beleven kronkelen voorvader. behalen kliniek lid worden toelachen. noemen aan. dichtbij. verkrijgen. bij beneden uur aan. bij benaderen benaderen aandoen. dichtbij aan. nabij. assimileren aanhalen. aanvoer aankomen. aanlokken. aangrijpen Maria-Hemelvaart aangenomen. voorzichtig geweld aandoen. bekoren. afdak bezorging. gevest. naast. aantrekkelijk aantrekkelijkheid zwaartekracht snoeien dichtknopen heft. over elkaar slaan belevenis. handvat. naast. voorkant voorzijde. voorzaat het hoofd bieden afdaling voorzijde. aanlokken toelachen. bij aan. behalen buit maken. citeren. voorkant in zich opnemen. knop drukknoop dichtknopen dichtknopen aanhangwagen karavaan aanhangwagen aanhechten . ondervinding doorleven. bekoren aanlokkelijk. belanden. aanlokken. bekoren toelachen. nabij. naast. ervaring. dichtbij. doormaken. dichtbij. arriveren buit maken. stamvader. hals. naast. verkrijgen.

perikel. aanmaken toebereiden. bezorgen naargeestig. voorbereiding achtergrond voorbereidsel. bereiden. passend. loten gepast. aanstaren. geschikt verzenden betekenen. lief. vriendelijk vriendschap . naamwoord verloten. nuttig benaming. boegseren voorzetsel bakstenen. lotgeval avontuur. voortgang hebben. troosteloos. nagelen trekken. vriendelijk bezorging. knabbelen spijkeren. beschikbaar. aanmaken voorbereidsel. disponibel bevorderlijk. voorbereiding voorafgaand. slepen. zwaar avontuur. preliminair voorafgaand. preliminair toebereiden. preliminair voorafgaand. laten doen. laten reden. maat vriendin voorkomend. stenen makker. kameraad. gebeuren geschiktheid geschiktheid liquide. dagen. bereiden. dagvaarden betekenen. lotgeval eventualiteit eventueel. dagvaarden snorren. bereiden. kornuit. aanvoer voorkomend. aardig. gebeurlijk toebereiden. razen. maken. aandragen. lief. perikel. dienstig. oorzaak bijdragen schemerig schemerig toegaan. adhesie doen. turen brengen. aardig. brommen staren. aanmaken knagen. dagen. gonzen.przyczepić przyczepność przyczyna przyczyna przyczyniać się przyćmiewać przyćmiony przydarzyć się przydatność przydatność przydatny przydatny przydomek przydzielać przydzielać przydzielać przydzielać (środki) adj odpowiedni przydzielić przydźwięk przyglądać się dokonywać przeglądu przygnać przygnębiony przygniatający przygoda przygodą przygodność przygodny przygotować przygotować (się) przygotowania przygotowanie przygotowanie przygotowawczy przygotowawczy przygotowujący przygotowywać przygryzać przygwoździć przyholować przyimek przyjaciel przyjaciel przyjaciel przyjacielski przyjazd przyjazdach przyjazny przyjaźń aanhechten grip. aanvoer bezorging. somber drukkend. naam.

bij acclamatie benoemen toegeven zich eigen maken. arriveren pret. toetreden aanfloepen. hurken klinken. grenzen aan grip. leed afschuwelijk onbewerkt. adhesie aangrenzend. voorbeeld smart. bot. aangenaam genoeglijk. verdriet. aangenaam behaaglijk. vastklinken kaap Kaaps belenden. aangenaam. grof. aanvaarden accepteren. bekoorlijk aangenaam. onbehouwen. genoegen. eerbetuiging aankomen. aanvaarden eerbetoon. belanden. grenzen aan belenden. genoeglijk genoeglijk. aanneming. nurks. zetten verbinden. accepteren aannemen. aannemen. aan elkaar vastmaken aanwending. belanden. honds. aangaan aanhechten aanhechting aanhechten monteren. aanflitsen. arriveren afstammen. plezier behaaglijk. aanvaarden toejuichen. aantrekkelijk. het gevolg zijn van toonbeeld. nors. genoeglijk behaaglijk. aanspraak maken op aanvaarden. vermaak. bars in elkaar duiken.przyjąć przyjąć standard przyjechać przyjemność przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny (zapach) przyjemny (zapach) przyjezdny przyjęcia przyjęcie przerwania przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować jako członka (<sb> kogoś) przyjmować uznaniem przyjmować w poczet członków przyjmować z uznaniem przyjść przyjść przykład przykrość przykry przykry przykry przykucnąć przykuwać przylądek przylądek przylegać przylegać (do czegoś) przyleganie przyległy przylot przyłaczyć przyłapać przyłączać przyłączanie przyłączyć przyłączyć przyłączyć nawiązać łączność przyłożenie zich eigen maken. onthaal aanvaarding. vreemde aanvaarding. aanvoer zich aansluiten. adopteren aannemen. behaaglijk. onthaal accepteren. affiliëren accepteren. genoeglijk vreemdeling. toepassing . behaaglijk. adopteren toegeven aankomen. lid worden. aanliggend bezorging. affiliëren claimen. aanneming. cru onaardig. aangenaam. onbekende.

toevallig incidenteel. onthouden zich herinneren. toevallig chaotisch eventueel.przyłożyć przymiar przymiar przymiarka przymiot ik przymiotnik przymiotnikowy przymocować przymocować przymocować przymocowywać przymusowy przynaglać przynajmniej przynależność przynęcie przynęcie przynęta przynęta przynęta przynieść przynieść pożytek przynosić przynosić przynosić plon przypadek przypadek użycia przypadek wcielenie przypadkowość przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadłość przypiąć przypiekać na ruszcie przypis przypis końcowy przypisać przypisywać (<sth to sb przypływ przypływ przypominać przypominać przypominać przypomnieć przypomnieć sobie aanwenden. attribuut bijvoeglijk naamwoord. aanvuren. bezorgen brengen. fixeren. afstaan incidenteel. dagen. incidenteel droefheit. doorvoeren meten heerschappij. dagvaarden bijvoeglijke bepaling. beproeving kegel rooster. leed bevestigen. traliehek aantekening. verdriet. onthouden . bezorgen. afrastering. dwingend. commentaar nabeschouwing betekenen. fatsoenlijk bijvoeglijke bepaling. lokaas lokken lokken brengen. aandragen het veld ruimen. ten volle. accident. volkomen lidmaatschap aas. bepalen aanhechten bindend. bezorgen. gedwongen aanwakkeren. getij zich herinneren. accident. gedenken herinneren herinneren zich herinneren. adjectief bijvoeglijk aanhechtsel. hek. ongeval ongeluk. bezorgen brengen. hartzeer. heel. onthouden. affix smart. toevallig ongeluk. aandragen. bestuur betamelijk. behoorlijk. fladderen tij. bewind. gebeurlijk toevallig. aansporen geheel. aandragen brengen. attribuut aan de scharrel zijn. gedenken. lokaas lokken aas. aandragen. ongeval eventualiteit incidenteel. gedenken.

gedenken op smaak brengen. toezeggen. bereiden. bezwering ketteren. toezeggen. spoed maken. geaardheid. aanmaken voorbereidsel. verbeelding onderstelling. kruiden kruiden kruiden kruiden. aard uitbouwen. vermoeden Maria-Hemelvaart arrogantie. uitloven plechtig beloven beloven. haast maken zich eigen maken. bedekken spreekwoord adverbium. bespoedigen. godsdienstoefening beminnelijk bakken. opkopen menen.przypomnieć sobie przyprawa przyprawa przyprawą przyprawiać (potrawę) przyprzeć do muru przypuszczać przypuszczalnie przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenie przypuszczenie przypuszczenie przyroda przyrost naturalny przyrost naturalny przyrostek przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku przyrząd) przyrządzać przyrządzanie przyrzec przyrzeczenia przyrzeczenie przyrzekać przysiędze przysięga przysięgać przysłaniać przysłowie przysłówek przysłówkowy przysługa przysmak przysmażyć przyspieszać przyspieszenie przyspieszenie ziemskie przyspieszyć przysposobić przysposobienie przystanek przystań przystawać na przystąpić zich herinneren. hypothese. bijwoord bijwoordelijk eredienst. toedekken. werktuig aanhechting toebereiden. vergroten. uitbreiden opdrijven. voorbereiding beloven. onthouden. acceleratie versnelling. hypothese. vloeken dekken. steiger lid worden te werk gaan . accelereren versnelling. verheffen. godlasteren. bezwering eed. fruiten verhaasten. beleggen. mening karakter. vermoeden. acceleratie voortmaken. stellen toegegeven vermoeden. adopteren afstelling. verbeelding onderstelling. gissen gissing arrogantie. toezeggen. op smaak brengen accapareren. dienst. mening gissen. uitloven beloven. instelling logeren landingsplaats. achtervoegsel instrument. aanlegplaats. ophogen suffix. uitloven eed.

tituleren. passend. betitelen feestelijk inhalen saluut. bespoedigen. asiel. adapteren geschiktheid modificatie. aankomend beginnend. arrestatie armhuis. aanpassen. onderwerpen schemerig welbewust. kazemat aalmoezeniershuis. handvest. citeren. meegaand afstemmen. opslorpen. beschikbaar. aanpassen. toegankelijk aanspreekbaar liquide. fraai. afwikkelen het veld ruimen. net. adapteren afstemmen. aankomend verhaasten. bewerking. aflossen. schoon. armhuis ondeugd. emotie. asyl toevlucht bunker. adapteren toegevend. disponibel goeduitziend fijn. afstaan aanhalen. inschikkelijk. afhandelen. aalmoezeniershuis toevluchtsoord. bewust aanhouding. vrachtcontract preferentie. aanpassen. accelereren afdoen. noemen ja knikken.przystępny przystępny przystępny przystojny przystojny przystosować przystosować przystosować przystosować (się) przystosowania przystosowanie przystosowanie się przystosowany przystrzyc przyswajać przyswajanie przyszłość przyszły przyśpieszać przyśpieszać przytaczać przytaczać apostrof cudzysłów przytakiwać przytępiać przytłumić przytłumiony przytomny przytrzymanie do czegoś przytułek przytułek przytułek przytułek przytułek przywarą przywiązać przywiązać się do kogoś przywiązanie przywiązanie przywiązanie do czegoś przywiązany przywiązany do czegoś przywidzieć się przywilej przywilej przywilej przywitania przywitanie przywłaszczyć sobie genaakbaar. prae titelen. absorberen absorptie. beslaan. opslorping beginnend. gebrek aanhechten aanhechten affect. garneren in beslag nemen. afbetalen knechten. opdagen charter. geschikt . groet gepast. privilege. aanpassing aanpassing congruent afzetten. aandoening aanhechting aanhechting aanhalig aanhalig opdraven. knikken afschrijven. mooi afstemmen. knap.

przywoływanie przywozić przywódca przywracać przyznać przyznać przyznać się przyznać się do czegoś przyznać że przyznawać przyznawać rentę przyzwalać przyzwalający przyzwoicie przyzwoitce przyzwoitka przyzwoitość przyzwoity przyzwolenie przyzwyczaić przyzwyczaić przyzwyczaić się przyzwyczajać przyzwyczajenie przyzwyczajony przyzwyczajony przyzywać psalm pseudonim psi psikus psocie psotny pstrąg psucie się psuć psuć się psychiatra psychiatria psychiatryczny psychice psychice psychiczny psycholog psychologia psychologią psychologiczny pszczelarstwo

zich herinneren, gedenken, onthouden importeren, invoeren aanvoerder, baas, gebieder, chef beter worden, genezen, helen toegeven verloten, loten toegeven toegeven agnosceren, als waarheid aannemen pensioen erkennen, bekennen, biechten, toegeven het eens zijn, toegeven, goedvinden aangenaam, behaaglijk, genoeglijk naar behoren, netjes, behoorlijk chaperonne chaperonne landgoed, boerderij, bezitting betamelijk, fatsoenlijk toestemming, goedvinden, fiat gewend zijn, plegen, gewoon zijn gewoon, gebruikelijk acclimatiseren gewend zijn, plegen, gewoon zijn aanwensel, hebbelijkheid gewoon, gebruikelijk afgewerkt, gebruikt noemen, heten, benoemen, uitmaken voor psalm pseudoniem, schuilnaam honden-, hondeaanwensel, hebbelijkheid tuigen, optakelen, optuigen boosaardig, hatelijk, kwaadaardig forel vergaan, verrotten, rotten, bederven bederven, havenen, beschadigen vergaan, bederven, verrotten, rotten psychiater psychiatrie psychiatrisch psyche Psyche psychisch psycholoog, zielkundige zielkunde, psychologie zielkunde, psychologie psychologisch bijenteelt

pszczoła pszenica pszenicą ptactwa ptak ptak drapieżny ptakach publiczność publiczność publiczność (wywołujący interfejs usługi) publiczny publiczny publikacja publikować publikować artykuł na ten sam temat publikować kanał informacyjny publikować w Internecie puchar puchnąć pudding pudełko pudełko/pudło tekturowe puder puderniczce puderniczka puduszka na fotel pukać pukiel pula pula pula zmiennych aplikacji pulower pulpit pulpit pulpit sterowniczy puls pulsować pulsowania pułap pułapce pułapka pułapka jonowa pułapka sygnału dźwięku pułapka śledzenia pułk pułkownik punkt punkt (np. opatrunkowy)

honingbij, bij weit, tarwe weit, tarwe gevogelte vogel gevogelte vogelstand, gevogelte, vogelwereld toehoorders, gehoor, auditorium openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek toehoorders, gehoor, auditorium algemeen, gemeenschappelijk openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek afkondiging, openbaarmaking uitgeven, emitteren drukletter uitgeven, emitteren uitgeven, emitteren vont, bekken, kom aanzwellen pudding boksen boksen bepoederen, poederen compact, dicht compact, dicht kussen slaan, klappen, kloppen, opvallen krullen bank zich aaneensluiten, aansluiten zich aaneensluiten, aansluiten Jersey vertroosten, troosten huisje, schuur, keet, kraam, loods lezenaar, lessenaar pols, polsslag, tel kloppen, pulseren kloppen, pulseren plafon, hoogtegrens, plafond een hinderlaag leggen slag, valstrik, val muizeval gewas, plant slag, valstrik, val regiment kolonel merken, tekenen stationsgebouw, station

punkt centralny punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) punkt kulminacyjny punkt łączenia punkt montowania punkt obserwacji punkt odniesienia punkt odniesienia punkt przyciągania punkt szczytowy punkt środkowy punkt węzłowy punkt widzenia punkt wyjściowy punkt zaczepienia punkt zbiegu punkt zwrotny punktualny pupa purpura purpurą purpurowy purytanin purytański pustce pustelnik pustka pustka pustkowie pustoszyć pusty pusty pusty pusty pusty pusty wiersz pustyni pustynia puszce puszcza puszczać pąki puszczać strugę puszczać w ruch puszkować puścić bąka pycha

roteren, draaien huiswaarts, naar huis standpunt, gezichtspunt huiswaarts, naar huis ruimte, lokaliteit, oord, plaats mijlpaal mijlpaal neus, punt, piek, tip, top, spits nachtevening, dag- en nachtevening hoogte middelpunt, binnenste, centrum hoek aanzien, air, schijn, aanblik oorsprong, afkomst, herkomst haakje, slot, spang, agraaf neutraal, afzijdig, onpartijdig neus, punt, piek, tip, top, spits nauwgezet, nauwkeurig, accuraat bips, kont, zitvlak purperen purperen purperen puriteins puriteins leegte, leegheid heremiet, kluizenaar wit, blanco, oningevuld, blank wildernis, woestenij, woestijn woest, wild verklungelen, opmaken, verdoen wit, blanco, oningevuld, blank hol, ledig, lens, loos, leeg nihil, nul leeg, vrij, open, onbezet vergeefs, ijdel, nutteloos nihil, nul wildernis, woestenij, woestijn wildernis, woestenij, woestijn waas, dons, nesthaar oerwoud, jungle, rimboe uitbotten, spruiten, botten spuiten, sproeien, uitspuiten uitschrijven, lanceren, ontketenen blikken een wind laten trots

pykać (z fajki) pył pył pysznić pyszny pytać pytać pytanie pytanie otwarte pyton pzez pzować pzować (w banku) quiz nek (w banku) r poniżej rabat rabat rabin rabować rabunek rachmistrz rachunek rachunek rachunek (w banku) rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) racja rozum wnioskować racjonalny raczej RAD rada rada rada przetwarzania transakcyjnego rada przetwarzania transakcyjnego radar radą radą radia radio radio amatorskie na balonie radio amatorskie na balonie radio z gramofonem radioamator radiofonia radiolokator o fali ciągłej radiotechnika radny miejski radosny

pof, poef stof bepoederen, poederen trots heerlijk, kostelijk, overheerlijk vragen kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag Python in, binnen, per, te aandoen, aangrijpen aandoen, aangrijpen puzzel, raadsel daarbeneden, beneden, onder disconto aftrekken, korten, afslaan rabbijn, rabbi stropen, buitmaken, roven, plunderen plunderen, buitmaken, stropen, roven boekhoudkundige, accountant snavel, tuit, bek, snater, neb voorschip, voorsteven, boeg rekening, conto boekhouding, boekhouden doen, maken, laten doen, laten redelijk, rationeel een klein beetje, lichtelijk, ietwat radium raad, raadgeving, advies raadgevend lichaam, raad raad, raadgeving, advies adviseren, aankondigen, bekendmaken raderwerk, radar raadgevend lichaam, raad sovjetdraadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio ham draadloze, radio raderwerk, radar draadloze, radio wethouder, schepen lustig, vrolijk, monter

radosny radosny radosny radość radość radość radość radował radował radowanie radykalnie radykalny radzić radzić radzić się radzić sobie z rafa rafą rafineria rafinerią rafinować rafinowany (cukier) raj raj rajstopy Rak rak rakiecie rakieta rakieta (ale nie tenisowa) rakieta świetlna rakietka ralizm rama rama czasowa ramiączko ramię ramię ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) ramię w ramię ramię wybiorcze ramka ramka widoku ramka zaznaczania rana rana ranczo

goedgeluimd, goedgehumeurd jubelgoedgeluimd, goedgehumeurd amusement, vermaak verrukken, in verrukking brengen flikkeren, flakkeren, schitteren blijdschap verrukt genieten van, blij zijn gejubel grondig, radicaal ingrijpend, grondig, radicaal adviseren, bekendmaken, aankondigen aanwijzen, aangeven, aanduiden raadplegen, consulteren rondgeven, ronddelen, uitdelen klip, rif klip, rif raffinaderij raffinaderij raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel Eden paradijs paradijs kanker zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft vuurpijl, raket vuurpijl, raket vuurpijl, raket flikkeren, flakkeren, schitteren peddelen, door het water plassen realiteit kader, omlijsting, lijst, raam in een lijst zetten, inlijsten, vatten riem bewapenen, wapenen schouder naast elkaar bewapenen, wapenen schouder boksen in een lijst zetten, inlijsten, vatten rand, zoom ochtend, morgen zweer landgoed, goed, bezitting, boerderij

randka randka randka z nieznajomym randze ranek ranga ranga (w wojsku) ranić ranić ranić ranny rano rano rapier raport raport kontrolny raport o stanie niezawodności urządzenia raptownie raptowny rasa rasa rasą rata rata roczna ratować ratować ratował ratownictwa ratunek ratunek ratusz raz razem razem rąbać rączce rdza rdzą rdzenny rdzeń rdzeń pamięciowy rdzeń systemu operacyjnego rdzewieć read only memory reagować reagować reakcja

benoeming, aanstelling dadel, dactylus benoeming, aanstelling graad, stand, status, rang ochtend, morgen graad, stand, status, rang graad, mate, trap havenen, beschadigen, bederven gewond aanschieten aangeschoten voor de middag, in de morgen ochtend, morgen degen informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil opkweken, fokken, opfokken, telen geslacht, stam, volksstam geslacht, stam, volksstam afbetalingstermijn, annuïteit afbetalingstermijn, annuïteit bergen, behouden, redden redden, bergen, behouden vrijkopen, loskopen, afkopen bergen, behouden, redden ontsnappen, ontkomen, ontgaan bergen, behouden, redden wereldstad, grote stad eens, op een keer alles wel beschouwd samen, tezamen, bijeen, ineen fijnhakken oor, kruk, handvat, hengsel, klink verroesten, roesten verroesten, roesten inboorling kern, pit pit, kern kern, pit verroesten, roesten ROM reageren reageren reactie

reakcja reakcją reakcjonista reakcjoniście reakcyjny realiście realizacja realizować realizować realizować realizowalny realny recenzja recenzje prasowe recepcie recepcjonista recepcjonistka recepta recepta receptura recytować redagować redagować wstępnie redaktor redaktor naczelny redukcją redukować redukował redukował referencja refleksja refleksją reflektor reforma reformacją reformą refren regał region region dostępu regionalny registrator reglamentował regulacja regulacja obciążenia regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych regularnie

antwoorden, antwoorden op reactie reactionair reactionair reactionair realist verlichten, vergemakkelijken behalen, bereiken, inhalen aanwenden, doorvoeren beseffen, bevatten, begrijpen handelbaar, inschikkelijk praktisch recenseren, bespreken zuiger recept receptioniste receptioniste recept recept recept voordragen, declameren opmaken, redigeren, opstellen opmaken, redigeren, opstellen editor editor afname reduceren, inkrimpen, herleiden inkrimpen, korten, verkorten reduceren, inkrimpen, herleiden verwijzing, referentie afspiegeling, weerglans nakomertje lichtbak, reflector, koplamp reformeren, hervormen Hervorming, Reformatie reformeren, hervormen koor, rei, zangkoor schap, plank gewest, gebied, streek, regio gewest, gebied, streek, regio streek-, gewestelijk, regionaal bestand, dossier reglementeren, reguleren, regelen afstelling, instelling leidend, toonaangevend, toongevend voorschrift vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal

regularny regulator regulator regulator szybkości regulować regulować kontrolować regulowalny reguła reguła aktywna reguła wyzwalania rejent rejestr rejestr wyjściowy rejestrować rejestrować (się) rejestrować dziennik rejestrował rejon rejs rejs wycieczkowy rekin reklama reklama docelowa reklamacja reklamą reklamować reklamował reklamujący rekomendacja rekomendacją rekomendować rekomendował rekomendował rekompensata rekompensował rekontrować (w kartach) rekord rekord odniesienia rekord zasobów rekordzista rekrucie rekrut rekrutować rektor rektor rekwizyty w teatrze relacja relacja

gelijkmatig, regelmatig, geregeld afstelling, instelling conducteur, bestuurder supervisor, controleur, opzichter reglementeren, reguleren, regelen richten, besturen, dirigeren, mennen inschikkelijk, handelbaar heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur notaris aangeven aangeven aangeven aangeven plaatsbewijs, biljet, kaartje geregistreerd gewest, gebied, streek, regio kruisen (van schip), kruisen circuleren, in omloop zijn, rondgaan haai bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging beschuldiging, aanklacht propaganda, verspreiding adverteren, aankondigen, aandienen adverteren, aankondigen, aandienen adverteerder, verkondiger recommandatie, aanbeveling recommandatie, aanbeveling aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevolen beloning, loon, vergelding vergoeden, compenseren, goedmaken dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig discus, plaat, grammofoonplaat, schijf gebieder, chef, aanvoerder, baas discus, plaat, grammofoonplaat, schijf kampioen, titelhouder, voorvechter recruteren recruteren recruteren burgemeester, burgervader rector drager, stut, leuning, steun rekening, conto betrekking, omgang, verband

relacja relacja zwrotna relacją relacjonować relacjonował relacjonował relativum relatywnie relatywny relewancja religia religią religijny religijny remanent remanent remis remisował remisując remont remont rendering renomą renta reorganizować reperować repertuar reprezentacja reprezentacja tablicy reprezentacją reprezentant reprezentować reprodukcja reprodukować reprodukował republice republika republikanin reputacja reputacja reputacja reputacją resonans respekt restauracja reszcie reszta reszta także z dzielenia

informeren, berichten, inlichten betrekking, omgang, verband betrekking, omgang, verband verhalen, vertellen, debiteren verhalen, vertellen, debiteren aanverwant, verwant verwant, familielid tamelijk verwant, familielid relevantie religie, geloof, godsdienst religie, geloof, godsdienst gewijd, heilig, sacraal, geheiligd religieus, godsdienstig, gelovig heerschappij, bewind, bestuur vee, kudde, levende have, veestapel stropdas, das toelachen, bekoren, aanlokken werkje, schets, tekening inhalen verhelpen, herstellen, repareren treksluiting, rits, ritssluiting lichaamsbouw, gestalte, figuur pensioen comprimeren verhelpen, herstellen, repareren repertoire beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur gedeputeerde, afgevaardigde verbeelden, uitbeelden, afbeelden reproduktie, weergave reproduceren, weergeven reproduceren, weergeven republiek, vrijstaat republiek, vrijstaat republikeins lucht, reuk, luchtje, geur reputatie, faam, roep, naam faam, befaamdheid, mare, gerucht reputatie, faam, roep, naam resonantie, naklank, galm eerbiedigen, respecteren restauratie, restaurant, eethuis rest, overige rest, overige rest, overblijfsel, rommel, afval

zoektocht muiten.resztki resztki retoryce retoryka Retusz reumatyzm rewanż rewanżować (się) rewers rewers (monety itp) rewia rewidencie rewident rewident księgowy rewidować rewidować księgi rewizja rewizja rewizja kodu rewizją rewolcie rewolucja rewolucjonista rewolucjoniście rewolucyjny rewolwer rezerwa dynamiczna rezerwa gorąca rezerwa statyczna rezerwowa rezerwować rezerwowy kontroler domeny rezolucja rezonans rezultat rezultat rezultat przekształcenia rezydencja rezydencja rezydencją rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) rezygnacja także jako pogodzenie się z losem rezygnacją rezygnować rezygnował rezystancja achterblijven. kwartier herenhuis gelatenheid. intekenen een backup maken. het gevolg zijn van herenhuis woning. ommezijde. reserveren. controleren zoektocht. inspecteren checken. berusting gelatenheid. rugstuk revue. toegeven tegenweer. speurtocht. retoucheren reumatiek wraak terugdoen. afstand doen afstaan. berusting gelatenheid. speurwerk checken. bedanken. retoriek rederijkerskunst. aflezen. rugstuk achterzijde. herzien. rebelleren. tegenkanting. vergelden. een backup maken van inventaris. controleren speurtocht. boedel bespreken. in opstand komen revolutie. logies. naklank. nablijven afkeuren rederijkerskunst. intekenen een backup maken. omwenteling revolutionair revolutionair revolutionair revolver een backup maken. revisor inspecteur. controleren nakijken. retoriek bijwerken. het veld ruimen. het gevolg zijn van vervormen afstammen. een backup maken van bespreken. berusting neerleggen. revisor checken. aflezen. periodiek inspecteur. aflezen. galm afstammen. motie resonantie. ommezijde. reserveren. revisor inspecteur. beantwoorden achterzijde. tegenstand . een backup maken van resolutie. onderkomen. tijdschrift. speurwerk.

tegenstand stelsel. beheerder. beroep. afkeuren. zaak fotograferen. genaken. wurm kauwgom zinspelen zinspelen zinspelen gaan naar. aanmaak. overhandigen bewapenen. fabricage robot emplooi. scenario. behalen. berispen. reisgids bewapenen. naderen verbeteren. administrateur handdoek aanreiken.rezystancja dynamiczna rezystancja statyczna reżim reżyser reżyser ręcznik ręczny ręczny ręka ręka ręka w rękę rękaw rękawica rękawica (z jednym palcem) rękawiczka rękawiczka rękodzieło Rękojeść noża rękopis rękopis robactwo robaczek (program rozmnażający się w sieci) robaczek (program rozmnażający się w sieci) robak robak robak robak rober w brydżu robić (stroić) miny robić aluzje robić aluzję do robić na drutach robić na drutach robić postępy robić postępy robić pranie mózgu robić się robić sztuczki kuglarskie robić wrażenie robić z kogoś idiotę robić zdjęcia robienie robocie robocizna roboczy robot tegenweer. krabben robot . naderen breien gaan naar. gids. wapenen mouw handschoen handschoen handschoen handschoen ambacht. kruk. hengsel. vademecum. tegenkanting. manuscript. tegenkanting. overhandigen gidsboek. aankondigen. klauwen. imponeren winkel. veredelen adverteren. karwei. staatsvorm. kieken fabricatie. gispen indruk maken op. aanpakken. aandienen verkrijgen. script ongedierte Boeg wandluis wandluis Boeg wandluis worm. tegenstand tegenweer. arbeid krauwen. aanpakken. buit maken laken. scharrelen. handwerk oor. bestuurder bestuurder. regime directeur. handvat. wapenen aanreiken. kopij draaiboek. werk. genaken. klink handschrift.

artikel aan de. landman rododendron ingeboren. aangeboren affiniteit. werker.robota robota robota kamieniarska robota szydełkowa robotnik robotnik robotnik fizyczny robotnik rolny robótka (na drutach) robótki robótki ręczne rocznica rocznicą roczny roczny rodak rodak rododendron rodowity rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj fali rodzaj gniazda wtykowego rodzaj męski rodzaj nijaki liczba mnoga rodzaj tkaniny bawełnianej rodzaj żeński rodzaj żeński liczba mnoga rodzajnik rodzajnik określony: ten rodzaju żeńskiego rodzic rodzic rodzic (ojciec lub matka) rodzic ojciec lub matka rodzice rodzimy rodzina rodzina rodzina protokołów rodzinny rodzinny rodzynek rodzynek (w cieście) roić się roić się emplooi. naaivak naaien. arbeid emplooi. naaikunst. stuwadoor werkman. familie gezin. verjaardag jaarlijks jaarlijks bewoner van een land boer. familie Natal aalbes. werkkracht. karwei. ouders ouder ouder ouderpaar. krielen . naar de vrouwelijk ouder ouderpaar. naaivak naaien. wemelen. huis. huisgezin. verjaardag herdenkingsdag. naaivak herdenkingsdag. bevelen handelsartikel. slag. familie gezin. geaardheid. karakter. huisgezin. plattelander. aard vijzel. geaardheid genre. ouders ingeboren. gedenkdag. werk. het. huisgezin. arbeider naaien. geaardheid. commanderen. werk. arbeid werker werkman. naaikunst. huis. werkkracht. dommekracht. bes pruim in overvloed aanwezig zijn krioelen. huis. aan het. karwei. werker. krik mannelijk mannelijk geestelijk vrouwelijk karakter. aangeboren aard. arbeid metselwerk emplooi. verwantschap gezin. de. genrestuk karakter. aard aanvoeren. karwei. gedenkdag. naaikunst. werk. aard soort. wriemelen. arbeider stouwer.

zoom. samen-. vleesnat Russisch aanspraak maken op. plant gewas. spinrag. co-. tweewieler . vegeteren champignon bouillon. tarbot daaromheen. etterbuil pad dauw dauw Rusland Russisch toegaan. bolletje. doen alsof gewas. voorwenden. spinneweb. abces. rijwiel. kadet akkerbouw akkerbouw agrarisch boer aaneen.rok rok itp) rok przestępny rokrocznie rola rola papieru rolka zwój zwijać rolnictwa rolnictwo rolniczy rolnik rolnik rolny romans romans romans czny romans czny romantyczny romantyk romantyzm romb ronda rondel rondo rondo (kapelusza) ropa ropa naftowa ropień ropucha rosa rosą Rosja Rosjanin rosnąć rosnąć rosnąć jak grzyby po deszczu rosół rosyjski roszczenie rościć pretensje roślina roślina zimozielona rośliną roślinność roślinny rotacja rowek rower jaar dwars door schrikkeljaar jaarlijks rol web. kadetje. griet. samen agrariër. steelpan. pan circus boord. eromheen. landbouwer Romaans romance Romaans romance romantisch romantisch romantiek ruit. claimen voorgeven. rand. in het rond braadpan. voortgang hebben. petroleum olie. rag broodje. band olie. gewas groente krullen fluit fiets. plant plant. petroleum ettergezwel. aaneen-. plant gewas. kant. gebeuren groeien.

tweewieler. doorklinken achtervoegsel. bestek. peignoir. verdriet kneden rondgeven. duster negligé. motie resolutie. windsel. motie verloten. formeren doorsnijden. verzwakken aanlengen maaien tegenvallen. ontgoochelen smart. uitdelen scheuren. ochtendjas. intrappen. beieren naklinken. afscheiding eenheid. sectie verrichten omvang. loten .rower rower rower spacerowy rozbarwienie oddzielenie rozbicie (się) statku rozbić rozbić się na kawałki rozbierać (na części) rozbierać (urządzenia) rozbierać się rozbiór rozbiór składniowy rozbiórce rozbrajać rozbroić rozbroić (się) rozbrzmiewać rozbrzmiewać rozbudowa rozbudować rozciąć rozciągać rozciągać (się) rozciągliwy rozcieńczać rozcieńczać rozcieńczony rozcieńczyć rozcinać rozczarować rozczarowanie rozczochrać się rozdaj rozdarcia rozdawać rozdrabniać rozdrabniać rozdrażniony rozdrobnić rozdział rozdział rozdział rozdzielacz rozdzielać rozdzielać proporcjonalnie rozdzielczość rozdzielczość odwzorowywanie rozdzielić fiets. kregel scheiden hoofdstuk. aflopen. ontleding. schifting. ronddelen. chapiter. leed. sloop ontwapenen ontwapenen ontwapenen galmen. grootte omvang. unit verdeler uitdelen. reep analyse. ontbinding analyse. rondgeven resolutie. rijwiel clausuur. peignoir. kapittel clausuur. rondgeven uitdelen. rijwiel fietsen. ronddelen. elastisch verdunnen. soepel. bestek. tweewieler. balorig. suffix doen ontstaan. wielrijden fiets. ronddelen. strook. schifting. grootte rekbaar. kleppen. ronddelen. verbrijzelen negligé. duster strip. ochtendjas. ontmanteling. ontbinding afbraak. gruizelen slechtgehumeurd. verzwakken aanlengen verdunnen. creëren afbrokkelen. maken. ontleding. rijten rondgeven. galmen. uitdelen scheppen. afscheiding schipbreuk schipbreuk vermorzelen.

aanbiddenswaardig heerlijk. commanderen bouwvallig. absolutie absolveren. gruizelen fanfarekorps. absolutie geven warm aansluiting willekeurig. groot. vrijspraak. afladen actie. aftands verdeling. uitladen. roze. consigne. usług sieciowych przez ruter) reklama rozgłos rozgłos rozgnieść rozgrzeszać rozgrzeszenia rozgrzeszenie rozgrzeszyć rozgrzewać rozjazd rozjemczy rozkapryszony rozkaz rozkaz zatrzymania rozkaz zatrzymania warunkowego rozkazywać rozklekotany rozkład rozkład rozkład (jazdy rozkład statystyczny częstotliwości rozkładać (się) rozkosz rozkoszny rozkoszny rozkruszyć rozkwitać rozlać rozległy rozległy (widok) rozlepiać plakaty rozlew krwi rozliczenie rozluźnić rozładować rozłam rozłączenia rozłączenie actie. in verrukking brengen aanbiddelijk. rooster oplossen. opgelost worden verrukken. commanderen bevelen. eigenmachtig grillig. echtscheiding . ruim. roos bewerker bewerker adverteerder. zich verpozen lossen. overeenstemming verslappen. aandeel oplossing scheiding. accoord.rozdzielić (się) rozebrać rozerwać rozerwać się rozerwanie rozeta rozgałęziacz rozgałęziacz rozgłaszający rozgłaszanie (np. onderbreken rose. verspreiding onderscheiding aandrang. uitreiking verspreiden. afgeven dienstregeling. consigne. schorsen. gammel. aanvoeren. aanvoeren. beeldig afbrokkelen. nukkig. rooster dienstregeling. arbitrair. duster opvrolijken. royaal aanplakken bloedvergieten akkoord. omvangrijk. verkondiger uitzenden. absolutie kwijstschelding. peignoir. onderhouden interrumperen. toeloop. run absolveren. instructie bevelen. onderhouden opvrolijken. onberekenbaar aanwijzing. ochtendjas. verbreiden. absolutie geven kwijstschelding. omroepen propaganda. vrijspraak. amuseren. instructie aanwijzing. veelomvattend breedvoerig. amuseren. fanfare morsen uitgebreid. betoverend. aandeel negligé.

menigvoudig. variëteit. mediteren. rustbank variatie. bestek. nadenken reflecteren. Turkse staatsraad. viskuit. babbelen. lust. afscheiding divan. terugkaatsen nadenkend expres. weergave keuvelen. menigvoudig verschillend. voeren. voorhebben. kikkerdril reproduktie. neiging situatie. maatregel zin. verschillend verscheidene. wanhopen radeloos. spiegelen. aanmaken aansteken. verschillend. diverse menigvuldig. vermenigvuldigen kuit. heiig. omvang omvang. bestek. mislopen. ordenen missen. schifting.rozłączyć rozłąka rozłożyć rozmaitość rozmaity rozmaity rozmaity rozmaity rozmawiać rozmiar rozmiar rozmiar słowa rozmiar wartość bezwzględna rozmieniać rozmieniać rozmieszczenie rozmieszczenie rozmieszczenie pliku rozmieścić rozminać się rozmnażać rozmnażać rozmnażania rozmowa rozmowa rozmowa w czasie rzeczywistym rozmową rozmowny rozmowny rozmycie rozmyślać rozmyślać rozmyślanie rozmyślnie rozmyty wątpliwy roznosić roznosić rozpacz rozpaczać rozpaczliwy rozpad rozpadać się rozpakować rozpakować (dane) rozpakować (skompresowane archiwum) rozpakowywać rozpalać rozpalać afslaan. blijven staan clausuur. grootte omvang. bestek. rondgeven vertwijfelen. gesprek aanspreekbaar spraakzaam vervagen peinzen. moedwillig. bestek. misgrijpen multipliceren. uiteenvallen uitpakken uitpakken afleiden uitpakken aansteken. praten spreken. wetens nevelig. met opzet. doen ontbranden. halthouden. doen ontbranden. ronddelen. aanmaken . een gesprek voeren grootte. grootte afwisselend veranderen. mistig dragen. menigvuldig converseren. babbelen. praten onderhoud. aanrichten. aanvechting. dampig. praten keuvelen. brengen uitdelen. ineenstorten. wanhopig verval instorten. wanhopen vertwijfelen. grootte omvang. afwisseling uiteenlopend. anders maken akkoord. stand van zaken arrangeren.

bevelen uitzaaien. overeenstemming overgelukkig uit elkaar houden. vertroetelen verspild verspreiden. aanvang aanvliegen bevelen. uitstrooien uitdelen. aanzetten troetelen. rondgeven uitspatting verhandeling bespreken. starter verstrooiing. verbreiden. beginnen uitschrijven. nagaan onderzoeken. overwegen. rondgeven bezoeken. rijten scheuren. lanceren. uiteendrijven strooien. aanvoeren. verzendend. afgeven aanvangen. goedgehumeurd oplossen. geregeld bezoeken toejuichen. afleiding .rozpalony rozpaść się rozpatruj rozpatrywać rozpęd rozpieszczać rozpieszczać rozpieszczony rozpiętość rozpocząć rozpocząć rozpoczęcie rozpoczynać rozpoczynać rozporek rozporządzać rozporządzać rozpowszechniać rozpowszechniać rozpowszechniony rozpoznanie rozpoznawać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszanie rozprawa naukowa rozprawiać rozproszenie rozproszyć (się) rozproszyć (się) rozprowadzać rozprucie rozpruć rozpusta rozpustny rozpuszczać rozpuszczać (się) rozpuszczać się rozpuście rozrachunek rozradowany rozróżniać rozróżnienie rozruch rozrusznik rozrywce gloeiend. aanbinden. acceleratie aanzetschakelaar. vurig. verbrijzelen beschouwen. dooien. uitstrooien scheuren. begin. aanvang aanvangen. aanbinden. koesteren. bij acclamatie benoemen onderscheiden. opgelost worden oplossen. troetelen. ontketenen ontstaan. ronddelen. beginnen ontstaan. begin. uitreiking uiteenjagen. discuteren verdeling. rondstrooien uitzaaien. opgelost worden ontdooien. onderscheid maken onderscheiding versnelling. commanderen aanvoeren. examineren aanzetten tot. ronddelen. verterend vermorzelen. uiteendrijven verstrooien afgetrokken. rijten uitspatting goedgeluimd. commanderen. wegsmelten uitspatting akkoord. vertroetelen koesteren. intrappen. nakijken. verstrooid uitdelen. accoord. activeren. onderkennen uiteenjagen.

gematigd. afleiding verstrooid. opmaken. betrekking verstandig nadenkend uitgebreid . omgang. verstrooid raadzaam verstandig nadenkend verklungelen. roerend uiteenjagen. ontraadselen gloeiend. accompagnement optelling achtervoegsel. oorzaak betekenis. verterend. stootkussen spriet. grootte uitzetting. verdoen vermorzelen. aangrijpend. amusement aanlengen verspreiden. lucht deel. bestek. zwanger raken bevatten. bumper. pretje. listig reden. rondstrooien verspreiden. amusement aardigheid. nauwkeurig bepalen kritiek. verzendend verstrooiing. schieten. gewiekst. onderdeel. verdunnen emotioneel. afgetrokken afgetrokken. expansie uitzetting. verbreiden.rozrywce rozrywka rozrzedzać łagodzić rozrzedzić rozrzewniający rozrzucać rozrzucać rozrzut rozsadzający rozsądek rozsądek rozsądny rozsiewać zapach rozstawać się rozstrzelać rozstrzygać rozstrzygający rozstrzygający rozsypać rozszerz rozszerzalność rozszerzanie rozszerzanie (się) rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie wejścia analogowego rozszyfrowywać rozświetlony roztargnienie roztargniony roztargniony roztargniony roztropny roztropny roztropny roztrwonić roztrzaskać roztrzaskać roztwór roztwór buforowy rozum rozumieć rozumieć rozumieć rozumny rozumny rozumowo aardigheid. bescheiden reuk. hachelijk beslissend. gedeelte vuren. suffix ontcijferen. zin matig. afgeven doortrapt. intrappen. finaal. geur. slim. intrappen. luchtje. pretje. expansie uitzetting. expansie begeleiding. paffen determineren. beseffen verband. cruciaal morsen omvang. begrijpen. verbrijzelen oplossing buffer. boegspriet in verwachting raken. verbrijzelen vermorzelen. vurig. stuk. uiteendrijven strooien. suffix achtervoegsel. verstrooid afgetrokken.

opkopen hoorn hoorn krioelen. gelijkelijk. greppel. even. gracht waterkering. veelomvattend redelijk. gelijk evenzeer. losbinden. als. ook weer. ontwikkeling verbetering. stomp. evolutie evolutie. wriemelen. laxans gesmoord. ook. vork kruis. uitrollen buikloop. toonloos. echtscheiding doen ontstaan. dus. overwegen. equator vlakte vlakte . echtscheiding ontwikkeling. antwoorden op afbinden. beterschap wasdom.rozumowy rozumowy rozwalniający rozwarty rozważać jakieś zagadnienie rozważny rozważny rozweselać rozwiązanie rozwiązanie rozwiązanie osobliwe rozwiązanie sieciowe rozwiązywać węzły rozwidlenia rozwidlić rozwiedziony rozwieść się rozwijać rozwijać rozwolnienie rozwód rozwój rozwój rozwój rozwój oprogramowania rozwścieczać rozwywka rozżarzony rożen ród ród ród róg róg róg zwierzyny płowej rój rów rów (odwadniający) rów (odwadniający) rówieśnik równać się równie równie również również równik równina równiną lijvig. losmaken kruis. aanstaren. tot evenzeer. eveneens ergo. kuil. onderhouden antwoorden. groeve. toch evenaar. formeren afwikkelen. staren egaal. gelijkmatig voor. mede. rationeel laxeermiddel. groei wierook amusement. gelijk. diarree scheiding. ontrollen. antwoorden op oplossing oplossing antwoorden. nagaan verstandig nadenkend opvrolijken. bij wijze van. maken. vermaak witgloeiend aanboren geboorte boomstam. dof beschouwen. krielen groef. amuseren. ontwikkeling. hoe. vork gescheiden scheiding. wemelen. evennachtslijn. vooruitgang. eender. dijk loopgraaf turen. stam opslaan accapareren.

bidsnoer. onderscheid onderscheiding of uiteenlopen. gelijktijdig evenwijdig. gelijk gelijk. menigvuldig roze. overschot evenwichtstoestand. balans.XOR) różnić (się) różnić się różnić się różnić się różnorodny różnorodny różny różny różny różowy rtęć rtęć rubaszny rubel rubin evenzeer. overschot saldo. menigvoudig. balans. anjelier rose. pijp krokus anjer. aanstaren. vlak. afwisselen. verschillend klaar. rooskleurig Mercurius kwikzilver. verschillend.en nachtevening turen. gelijkwaardig equivalent. roos kraal rozenkrans. bidsnoer. kwik hardhandig. menigvoudig. effen baar. rose. gelijkelijk. schelen uit elkaar houden. even. onkies. staren gelijkheid. ruw roebel robijn . eigentijds. verschillend. effen gelijk. gelijkwaardig vergoeden. rist rozenkrans. dag. grof. vlak. uitgesproken. aanstaren. paal. evenwicht evenwichtstoestand. gelijkwaardig turen. lomp. rist verschil. evenwicht equivalent. werken verschillend. pariteit pariteit saldo. verschillen. parallel evenwijdig. parallel nachtevening. parallel evenwijdig. effen simultaan. helder verschillend. goedmaken egaal. compenseren. roze. onderscheid maken menigvuldig. schacht. gelijk. roede. gelijkmatig gelijk. menigvoudig uiteenlopend. rozig. menigvuldig menigvuldig. eender. reeks. staren equivalent. vlak. menigvoudig variëren. onderscheid verschil.równo równo równoczesny równoległy równoległy system przetwarzania równoleżnik równonoc równoprawny równorzędny równorzędny równość równość równowadze równowaga równowaga równowaga sił równoważny równoważny średni czas do uszkodzenia równoważyć równy równy równy (<with sb rózga róż róż (kolor różowy) róża różaniec różaniec różańca różnica różnica poglądów różnica symetryczna różnica symetryczna (zob. reeks.

kar grendelen. valuta beweging werkzaam. roulatie. spiegel ruïneren. kadetje. sleur vaneenscheuren. wagen. luchtband ontroeren. resolutie circulatie. blozen. mobiel. paard in schaakspel. umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu rura wydechowa rura wydechowa ruszać ruszać ruszcie ruszt rusztowanie rusztowanie rutyna rwać ryba rybak rybą rycerz rycerz rydwan rygiel ryglować motie. rood worden kleuren. prullaria Roemeens Roemenië pijp. hek. spiegel achtersteven. doorscheuren vissen visser. gevestigd zijn. rood worden kleuren.ruch ruch ruch oporu ruch powrotny ruch społeczny ruch uliczny ruch w sieci ruchliwy ruchliwy ruchomości ruchomy ruchomy ruchomy ruchomy rufa rufą ruina rujnować rujnował rulon rum rumienić się (ze wstydu) rumieniec rumieńca rumowisko Rumun Rumunia rura rura itp. te gronde richten ruïneren. aangrijpen. blozen. tabakspijp binnenband. bewegen aangrijpen. traliehek rooster. intrappen. bewegen rooster. paard karretje. kadet rum kleuren. te gronde richten vermorzelen. paard in schaakspel. luchtpijp. bedrijvig druk. afrastering. resolutie muntsoort. ontroerend resideren. tabakspijp ebpijp. verbrijzelen broodje. afrastering. rood worden puin. blozen. huizen los. roulatie. afgesloten . rommel. hek. afval. bezet aandoenlijk. bolletje. roerend aandoenlijk. afgrendelen op slot. roerend. handkar. actief. beweegbaar. ontroeren. roerend. visverkoper vissen paard. omloop circulatie. traliehek prieel schavot routine. omloop beweging motie. ridder ridder. ontroerend afneembaar achtersteven.

post. marktplein marktplaats. aanlokken tafel. wettisch. marktplein marktplein. wedijveren meedingen. lijst onderbroek schuiflade. tekening rekenen. schets. op het spel zetten dobbelen kans lopen. wedijveren. op het spel zetten kans lopen. blaten gillen. marktplaats marktplaats. schaars . graveerwerk meedingen. markt. marktplaats barst kerel. marktplein marktplein. trek. markt. markt. ongrijpbaar. strikt bulderen. la. snuiter barst toelachen. concurreren. bedenkelijk glad.rygor rygorystyczny ryk ryk ryknąć ryknąć rylec rym rynce rynce rynek rynek rynek (handlowy) rynek branżowy rynek rozwijający się rysa rysą rysą rysować rysownica dźwiękowa rysownicy rysownik rysunek rysunek rysunek odręczny rysunek techniczny rysy twarzy rytm rytmiczny rytowanie rytownictwo rywal rywalizacja (o dostęp) rywalizacją rywalizować rywalizować rywalizował ryzyko ryzyko naruszenia bezpieczeństwa ryzyko utraty zabezpieczeń ryzykować ryzykować ryzykowny ryzykowny ryzykowny ryż ryż rzadki stijfheid streng. bazaar. blèren. berijmen marktplein. bazaar. tekening karaktertrek. markt. bulderen. concurreren meedingen. wedijveren. deurpost riskant. paal. daveren gillen. persoon. concurreren kans lopen. sujet. blèren. wedijveren wedijver wedijver meedingen. brullen brullen. markt. balken. gravure. grommen. bazaar. schrijfstift rijmen. bekoren. glibberig rijst opstaan. gelaatstrek ritme ritmisch ets prent. tabel. gestreng. markt. gewaagd riskant. bulderen. brullen. concurreren. op het spel zetten stijl. gaan staan zeldzaam. gewaagd. cijferen rekenen. marktplaats marktplaats. bedenkelijk. marktplaats marktplein. etsnaald. ongemeen. lade werkje. knul. schets. loeien. markt. cijferen werkje. brullen griffel. bazaar.

rechtvaardig moordpartij. regering. voorwerp substantief. handel drijven raap. waarachtig werkelijk. knol. affaire. metterdaad. slachten altaar beeldhouwen. zelfstandig naamwoord mannelijk vrouwelijk werkelijk. uithakken . overheid roeien federaal bestuur. chef. ding. dossier gouvernement. nauwelijks zelden bestand. druk. effectief. ad rem raadzaam billijk. bloedbad afslachten. kras. vrijstaat realiteit werkelijk. wezenlijk werkelijk. kwalijk. werkelijk. effectief. baas regeren. uithakken beeldhouwen. effectief werkelijk. gevat. baden. daadwerkelijk inderdaad. effectief. uithakken altaar beeldhouwen. fair. uithouwen. daadwerkelijk virtueel werkelijk. besturen. uithouwen. bewind aanvoerder. echt. kwiek snedig. stroom naar men zegt riem kunst handelen. heerschappij. gebieder. aanvoeren rivier. wassen aangelegenheid. koolzaad levendig. voorwerp dingen. zelfstandig naamwoord substantief. stroom in bad doen. uithouwen. geestig. rap. zaak ding.rzadki rzadko rząd rząd rząd wielkości rządowy rządy rządzić rządzić rzece rzece itp) rzecz rzecz rzecz rzecz konieczna rzeczownik rzeczownik rzeczownik rodzaju męskiego rzeczownik rodzaju żeńskiego rzeczowy rzeczoznawca rzeczpospolita rzeczywistość rzeczywisty rzeczywisty rzeczywisty czas ekspozycji rzeczywisty czas naświetlania rzeczywisty czas pracy rzeczywiście rzeczywiście rzeczywiście rzeka rzekomo rzemień rzemiosło rzemiosło rzepa rześki rześki rzetelny rzetelny rzeź rzeź rzeźba rzeźba rzeźba nad ołtarzem rzeźbiarstwo rzeźbiarstwo amper. daadwerkelijk daadwerkelijk. spullen ding. feitelijk deskundig republiek. wezenlijk rivier. knolraap.

uithouwen beitelen slachthuis. liefkozen. balken. aaien. werpen. werpen.rzeźbić rzeźbić rzeźnia rzeźnia rzeźnik rzeżnik rzodkiewce rzodkiewka rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać oszczerstwa rzucać się rzucić rzucić wyzwanie rzucić zgłosić (wyjątek) rzucić zgłosić wyjątek rzut rzut oka Rzut poziomy rzutki rzutnik rzutować rzutowanie rzutowanie Rzym rzymski rżeć rżenie s (tryb) oznajmujący (gram. gooien opgooien. dik plaats. aanhalen keilen. tarten. plek accepteren. uitspelen.) s drżenie s grzech s kręgosłup s pismo s ryba s sok (soki) roślin (zwłaszcza drzew) s sok soki roślin zwłaszcza drzew s sól s suszona śliwka s szloch sad sadło sadowić sadowić się sadyba sadysta sadystyczny beeldhouwen. uitspelen. domicilie sadist sadistisch . slachterij slachten. ruggegraat geschrift. aanvaarden woonplaats. spin. aaien. oord. balken. aanhalen afgietsel. aantonende wijs beven. uitspelen. rillen. gooien trotseren. gegoten voorwerp strelen. abattoir. aannemen. actief. liefkozen. uithakken. gooien opgooien. projectietoestel strelen. schriftuur vissen sap sap zouten snoeien snikken boomgaard. omtrek werkzaam. gegoten voorwerp Rome Romeins brullen. gooien een blik werpen. uittarten keilen. gooien keilen. bibberen. aanhalen schadelijk keilen. uitspelen. abattoir. uitdagen. gooien keilen. liefkozen. lokaal. grommen. afslachten slachten. blaten brullen. grommen. uitspelen. slachterij slachthuis. bedrijvig projector. werpen. blaten indicatief. bongerd lijvig. gooien strelen. werpen. huiveren zondigen wervelkolom. werpen. aaien. afslachten radijs radijs afgietsel. een blik werpen op omlijning.

vliegmachine vliegmachine. alleen. verlaten. huiskamer. vokaal. latuw. wereldruim. wagen vocaal. sla slaatje. begroeten groeten. enig Samaritaans mannelijk wijfje. aplomb. vrouwtje wijfje. gewijd. vliegmachine vliegmachine. wagen automobiel. alleen. vliegtuig vliegtuig. latuw.sadyście sadyzm sadza sadzą sadzić safian Sahara sakralna muzyka sakramencie sakrament saksofon sala sala sala recepcyjna saldo saldo balans (dotyczy dźwięku stereofonicznego) salon salon wystawowy salut salutować salutowanie salwą sałacie sałata sałata sałatce sałatka sam sam jeden Samarytanin samca samica samicą samiec samochód samochód samochód samochód czteroosobowy samogłosce samogłoska samokontrolą samolocie samolocie samolot samolot samolot samolot pasażerski sadist sadisme roet roet gewas. speling. zelfbewustheid vliegtuig. vliegtuig vliegtuig. sla salade. groet stroom. auto auto. begroeten saluut. vloed. overschot saldo. salade louter. verlaten. salon zitkamer. enig louter. vokaal. woonkamer groeten. vliegtuig vliegmachine. overschot zaal. salade slaatje. vrouwtje mannelijk automobiel. bergstroom salade. heilig. plant Marokko Sahara geheiligd. ruimte rechtszaal saldo. vliegmachine . klinker vocaal. auto auto. kropsla. salade slaatje. kropsla. sacraal sacrament sacrament saxofoon hal bestek. klinker gewicht.

afdruipen filtreren. poef naar adem snakken lange broek. arbitrair. rustend. zitbank het hof maken. enig louter. voldaan bevredigen. bekrachtigen supermarkt supermarkt naar adem snakken pof. sauna are. pantalon. tegemoetkomen aan zweetkamer. enig eenzaam gepensioneerd. borrel gemoedstoestand. bloot. filteren. in ruste enkel. moreel. satelliet trawant. vierkante decameter neerdruipen. eigenmachtig spontaan samoerai sandaal sanctioneren. sączek sąd sąd aperitief. alleen. alleen. satelliet Saturnus tevredenheid tevredenheid vergenoegd. verlaten. tevreden. broek pof.samoodnawiająca się pamięć DRAM samopoczucie samotnie samotny samotny samotny samotny samowar samowola samowolny samozapłon samuraj sandał sankcja saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) sapać sapać sapał sapie sapnięcie sardela sardelą sardynce Sardynia sardynka sarkastyczny sarkazm sarna sarna Sas saski sataniczny satelicie satelita Saturn satysfakcja satysfakcją satysfakcjonować satysfakcjonować sauna są sączyć Sączyć. poef ansjovis ansjovis sardine Sardinië sardine sarcastisch sarcasme hert ree Saksisch Saksisch satanisch trawant. verlaten. scharrelen . paaien. licentie willekeurig. stemming louter. zijgen bank. louter samovar vergunning. vrijen.

scheuring. kazemat toevluchtsoord. blauwdruk kader. omtrek. scenario. trap opgang. asyl bunker. aandoening droefheit. naburig aangrenzend. aanliggend aanliggend. omlijsting. aangrenzend. droog verflensen. hartzeer. kwijnen. gerechtsgebouw het hof maken. netto. afdalen affect. omgeving nabijheid nabijheid nabijheid podium. beproeving ziekte. leiding scène. bestuur. kazemat logement. kazemat vlees . trap roltrap naar beneden gaan. scharrelen beoordelen. oordelen. zich inspannen. buurman. nabuur. plan. opstapje. trap opgang. nettodor. emotie. nabuur buur. toneel. buur. concept. aandoening winkel toevluchtsoord. herberg bunker. buurman. raam kerkscheuring. script landschap scepticus ontwerp. berechten streven. schisma vleien duidelijk. kwaal. balie. nabuur. aangrenzend.sąd sąd ostateczny sądzić sądzić sądzić o czymś sąsiad sąsiad sąsiad zewnętrzny sąsiadować sąsiadujący sąsiedni sąsiedni sąsiedzi sąsiedztwa sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo scana scena scenariusz sceneria sceptyczny schemat przetwarzania danych schemat węzła schizma schlebiać schludny schnąć schnąć schodek schodkach schody schody schody ruchome schodzić schorzenie schorzenie schorzenie schowek schron schron schronienie schronienie schronienie schronisko schronisko schudnąć gerecht. asiel. gebuur buur. pogen claimen. tafereel. gebuur belenden. asiel. vrijen. opstap. naburig nabijheid nabuurschap omstreken. buurman. lijst. verdorren treeplank. aanspraak maken op gebuur. tableau draaiboek. grenzen aan aanliggend. asyl toevlucht bunker. tree opgang. tribune.

volksvertegenwoordiging parlementair hof. behouden. kern. bederf veroorzakend kaas Servisch Servië Servisch hart . strekking betekenis. afscheiding clausuur. schifting. seksueel sekte sector sector tweede tweede manen. herleiden secessie essentie. aanmanen. afscheiding lispelen lispelen septisch. aandoening sentiment. geborgen. geslachtelijk. gevoel.schudnąć secesją sedna sedno sejf sejm sejm sejmowy sekator sekcie sekcja zwłok sekret sekretarce sekretarka sekretarz sekretarzyk seksualny sekta sektor sektor uszkodzony sekunda sekundą sekutnicą seler semantyka semicki Semita sen sen sens sens sens sensacja sensacyjny sensowny sentyment sentyment sentymentalny separacja separacja impulsów synchronizujących seplenić seplenienie septyczny ser Serb Serbia serbski serce reduceren. tuin sekte branche. wezen. tak confidentie secretaresse secretaresse secretaresse etagère. schifting. gevoeligheid sentimenteel clausuur. plan. veilig dieet parlement. bescheiden affect. bedoeling. gematigd. kern safe. maffen doel. rek generatief. vak. geruchtmakend matig. aansporen selderie. sensatie sensationeel. vermanen. essence pit. emotie. mijmeren slapen. selderij semantiek. betekenisleer Semitisch Semiet dromen. zin wijsheid klapstuk. inkrimpen.

gebied inpakken. een knoop leggen aasgier vervalsen kloot. gelegenheidsbeoordelen. omgeving. oordelen. dienst. scheidsrechter arbiter. bol. schare kavel. scheidsrechter scheidsrechter. keten bende. op smaak brengen toevallig.sercowy serdeczny serdeczny serdeczny serdeczny przyjaciel serenada seria seria seria seria serial serial (powieść Serial Line IP serwer serwer źródłowy serwetce serwetka serwis serwować seryjny sesja set setka sezon sezonowy (robotnik) sędzi sędzi sędzia sędzia sędzia sędzia (w sporcie) sędzia pokoju sędzia rozjemca sędziwy sędziwy sęk sęp sfałszować sfera sfera kontroli sfera sterowania sfora (psów) shell zgłoszony powłoka logowania sherry shodek siać siano siarka hartinnig. troep. scheidsrechter beoordelen. berechten arbiter. perceel nestelen. innig intiem. zitting. scheidsrechter arbiter. godsdienstoefening serveren. ouderwets knopen. apparaat. gebied rijk. innig serenade ketting. vervolgverhaal feuilleton. verpakken interpreter sherry. gezellig. knus hartelijk. een nest maken feuilleton. opstap. uitglijden server server servet servet eredienst. vervolgverhaal slippen. pakken. omgeving. zittingsperiode inrichting. sfeer. staat kloot. voorleggen feuilleton. oordelen. vervolgverhaal sessie. innig. xeres treeplank. scheidsrechter arbiter. aloud. arbiter oud antiek. tree uitzaaien hooi zwavel . hulpmiddelen honderd kruiden. opstapje. bol. sfeer. hartelijk hartelijk. berechten arbiter.

net traliehek. zicht oogstmaand. potig. raadsel jenever. fit. duidelijk traliehek.siarka siatka siatka siatka kierunkowa siatka znakowa siatkówka sicie sidła siebie sieć sieć sieć (np. hek. hecht. net. valide robuust. afrastering. netto-. rooster netto. onderkomen. vanzelf mezelf. woning ligging koesteren. een nest maken achterste. jijzelf netto. vanzelf zelf. augustus haardos. afrastering. kappen. rooster netto. ferm . klare uzelf. gat. bril zetel. bril logies. net netwerk. net. danspartij puzzel. bril zetel. kolejowa) sieć elektryczna sieć miejska sieć połączeń siedem siedemdziesiąt siedemnaście siedlisko siedzenia siedzenia siedzenie siedziba siedziba archiwum siedziba WWW siedzieć siekać siekać siekać mięso siekane/mielone mięso siekiera sierocie sierota sierotka sierp sierpień sierść sierżancie sierżant się się się się silnik silnik lotniczy silny silny silny zwavel traliehek. net. broeden op fijnhakken fijnhakken houwen. kont. fors. afrastering. hakken fijnhakken hakbijl. hek. bibs zetel. netto-. bijl ouderloos ouderloos ouderloos sikkel. net zeven zeventig zeventien nestelen. haar sergeant sergeant zelf. broeden. hek. rooster mens netwerk. duidelijk bal. netto-. jijzelf locomotief locomotief vasten gezond. duidelijk netwerk. mijzelf uzelf. kwartier.

oomzegger zevende zevende vergiet zeef zeef voortmaken. koorde. laster schandelijk scanderen Scandinavisch Scandinavië . slurpen blauwe plek zadel zadel zadel zuster. koord.silny siła siła siła przeciwelektromotoryczna siła robocza siła robocza siłą siłą Singapur single inline package single in-line package siniak siodła siodłać siodło siostra siostra przełożona siostrą siostrzany siostrzenica siostrzeniec siódma część siódmy sitko sito sito kwadratowe sitowie siwy siwy skacz skakać skakać skakać w górę skakanka skala skala odległość skala szarości skalować się skała skała skałą skamielina skamieliną skandal skandaliczny skandował Skandynaw Skandynawia krachtig. geducht. zus intendante zuster. zuster nicht neef. grauw opborrelen. straf doordrukken sterkte sterkte doordrukken beklemtonen. slurpen resorberen. fossiel verstening. spoed maken. grauw grijs. fiks. broer. snoer. ontspringen hinkelen springen hinkelen lijntje. doen schommelen verstening. zus zus. broeder. haast maken grijs. accentueren doordrukken sterkte Singapore resorberen. sterk. klip balanceren. opslorpen. eerroof. opwellen. doen schommelen balanceren. opslorpen. lijn aanslag aanslag aanslag aanslag klif. fossiel achterklap.

melkinrichting winkel. volzin gierig. aanklacht sok sok sok een proces aanspannen tegen klagen. annuleren. compositie stortplaats . sparen pinnig. hebzuchtig. toonzetting. aansporen beschuldiging. rijs schat schat fonds. bol kruidenier neringdoende. wegvagen gommen. lokaliteit. gierig ontzien. winkelier toondicht. gierig. zaak gewelf. geldkist manen. kleefstof multiplex multiplex kast winkel.skandynawski skanować skanować wyszukiwać skapować skarb skarb państwa skarbonka skarcić skarga skarpecie skarpeta skarpetka skarżyć skarżyć się skasować skasować skasować skasować skazać skazać skazać na wygnanie skazanie skazany skazańca skazić skazywać skąpy skąpy skąpy skąpy skąpy skierować skierować skinąć głową sklejać sklejce sklejka sklep sklep sklep sklep mięsny sklep nabiałowy sklep ze słodyczami sklepienie łukowe sklepikarz sklepikarz skład skład Scandinavisch scanderen scanderen rank. plaats frase. melkinrichting zuivelfabriek. pinnig. kit. twijg. zijn beklag doen ontbinden. pinnig. uitbannen wraking. hebzuchtig. vermanen. inhalig. met gom bestrijken afkeuren schuldig bevinden verbannen. uitvegen. aanmanen. knikken lijm. zin. inhalig adresseren aanleggen ja knikken. afkeuring schuldig bevinden schuldig bevinden ruimte. kleefmiddel. oord. afgelasten afbestellen uitwissen. kas. inhalig gemiddeld hebzuchtig. zaak winkel zuivelfabriek.

kwiek springen bond. casco schild. syntaxis zinsbouw. genootschap. aanleg marmeren. genootschap. geestig. map schorpioen scheepsromp. beslaan uitmaken. syntaxis lid. kramp. drift zinsbouw. gezwind. instelling . associatie tak. schare. maken. meeting. groep. kras. lidmaat. nietje. schaal snel. componeren omvouwen. onthutsen doen ontstaan. syntaxis zinsbouw. formeren raadplegen. kudde. gevat. vanaf ordner. associatie bond. aftakking snedig. componeren samenscholing bijeenkomst. plooien bestaan uit bestaan uit omvatten. zinsleer. krom aanleg. vouwen. consulteren beëindigd. samenkomst hoop. ontspringen opborrelen. ontstellen. compositie toondicht. gesteldheid. afgewerkt. toonzetting. klamp tak. opwellen. compositie samenstellen.skład kolumn skład komputerowy składać składać składać komuś kondolencja składać się składać się na składać się na składać się z składanie składanie podpisu składka składni składnia składnia wiersza polecenia składnik skłonność skłonność skłonność skłonność skłonność skobel skocz skoczna (muzyka) skoczny skoczyć skojarzenie skojarzenie przyporządkowanie skok skok skok skok o tyczce skok w dal skok warunkowy skok wzwyż skok zony skonsternować skonstruować skonsultować się skończony skoordynowany skoro skoroszyt skorpion skorupa skorupa skory skorygowanie toondicht. gauw afstelling. klaar bijeenschakelen. rugschild. druk. glooiing wilsbeschikking. rap. ontspringen springen springen ontzetten. sedert. aanhanger gebogen. coördineren sinds. gesteldheid. opwellen. ad rem levendig. romp. haastig. vormen samenstellen. toonzetting. afgelopen. bodem. zinsleer. spoedig. zinsleer. aderen haakje. aftakking springen springen springen opborrelen. wilsbeschikking helling.

pels. ergst. vacht. bekorten. klauwen. scharrelen. overzicht. wegvagen worstelen. bekorten. deemoedig bescheiden. ergst. huid vel. vel. kant. leren inkorten. oever uiterst. krabben afkrabben bescheidenheid. beperken afkorting. dierevel. vacht. onderdanig. bovenmatig jammerlijk afkeuren krauwen. leerachtig. scharrelen. pels. korten. leerachtig. discretie nederig. verkorting rand. huid. schuin leeuwerik dierevel. afpellen. leren schillen. słowo) skracania skraj skraj skrajność skrajny skrajny skrawek skreślać tymczasowy skreślić skreślić skręcać się skręcie skrępowany skręt skrobać skrobać skrobać skrobał skromność skromny skromny skroń skrócić skrócić skrócić coś skrócić się skrócie skrócie skrót skrót skrót skrót scheef. excerpt afkorting abstract. inkorten inkrimpen. begrenzen. vacht taai. ingetogen slaap inkorten. beperken kort beknotten. klauwen. afkorten afkorten. vacht vel. lederen. mislukken uitwissen. zoom wal. valies taai. zich aftobben. bovenmatig uiterst. beperken afkorting resumé. uitvegen. boord. huid. dierevel. ophijsen . discreet. spartelen kronkelen plomp. afgetrokken acroniem hijsen. huid dierevel. pels. begrenzen. vel. afkorten beknotten. extreem. extreem. begrenzen.skośny skowronek skóra skóra kozłowa skóra niedźwiedzia skóra wołowa skórą skórce skórka (chleba) skórka (kartofla skórzana torba podróżna skórzany skracać skracać skracać skracać (np. kust. lederen. koffer. krabben een miskraam krijgen. bekorten. pels. afpellen. verkorten beknotten. jassen schillen. log kronkelen raspen afkrabben krauwen. jassen nagelriem handkoffer.

gerucht. haard wis. bedeesd. befaamdheid . brievenbus viool knarsen. scenario. aankoop agglomeraat middelpunt. bundel. effect slip. piepen achtergrond. rand. gleuf Slaaf bedaren. blo zwak. keuvelen kuit. piepen havenen. afbreken koop. licht faam. effectief. ineenkronkelen afdoend. zwak. devies sponning. contract ineenkrimpen. verbuigen. brievenbus bus. vlerk vleugel. focus. binnenste. piepen knarsen. boezem borst. knabbelen afrukken. bekoelen. bodem. ondergrond handschrift. leuze. kant. bos verbintenis. luwen aanlengen lichtjes. zwak. afdoen boord.skrót (drogi) skrót klawiaturowy skruszyć skruszyć skrypt skrypt skrypt wsadowy skryty skrzeczeć skrzek skrzele skrzyczeć skrzydła skrzydła skrzydło skrzynia skrzynia na popiół skrzynka na listy skrzynka pocztowa skrzypce skrzypieć skrzypienie skrzywdzić skrzywić skubać skubać (pióra) skup skupiać skupiać skupiać skupisko alertów skurczyć (się) skurczyć się skuteczny skuteczny skutek slipy slogan slot wbudowane gniazdo rozszerzeń slowiański słabnąć słabnąć słabo słabostce słabowity słaby słaby sława byte mnemonisch knarsen. kopij draaiboek. zwakjes bevangen. werkkracht indruk. script draaiboek. script confidentie babbelen. viskuit. zoom. manuscript. centrum brandpunt. vlerk borst. werker. beschadigen. grond. band vleugel. werkman. doeltreffend arbeider. kikkerdril kieuw afhandelen. mare. scenario. boezem bus. praten. slipje lijfspreuk. verdraaien knagen. bederven twijnen. plukken. inkoop. leus. zwakjes aflaat lichtjes. timide. sleuf.

luisteren hallo telefoonhoorn. roep. oppassend zoet. meid mijlpaal kuil Pool kuil . revisor luisteraar. woordenschat glossarium woord. oppassend zoet. befaamd. toehoorder aanhoren. dienares. snoepgoed stro stro stro zonnebloem zouten zout olifant zonneschijn Slowakije Slaaf Slavisch Slavonisch nachtegaal vocabulaire. bewoording woord. gerucht beroemd persoon. hoorn telefoonhoorn. glorieus zoet. naam onderscheiding faam. bewoording mout gehoor inspecteur. beluisteren. hoorn dienstmeisje. glorierijk. zoetigheid. befaamdheid. oppassend bitterzoet bitterzoet beminnelijkheid. bewoording woord. woordenschat glossarium woordenboek vocabulaire. beroemdheid beroemd. faam. lieftalligheid snoep. alom bekend beroemd. mare.sława sławą sławą sławna osoba sławny sławny słodki słodki sos śmietankowy słodki ziemniak słodkogorzki słodko-gorzki słodycz słodycze słoma słomą słomka słonecznik słony słony słoń słońce Słowacja Słowianin słowiański słowiański słowik słownictwo słowniczek słownik słownik słownik (obejmujący hasła z jakiejś dziedziny) słowo słowo wyrównane słowo zastrzeżone słód słuch słuchacz słuchacz słuchać słucham słuchawce słuchawka słudze słup słup słup słup oświetleniowy reputatie.

leiden boog. kruiden snoepen smaken op smaak brengen. fair dienstmeisje. tenger leed.słup oświetleniowy słuszny słuszny słuszny słuszny służąca służący służba służbą służyć służyć słynny słyszeć słyszeć słyszenie smaczny smak smak smak smakołyk smakować smakowity smar smarować (smarem) smarowanie(maścią) smażyć smażyć (się) smok smoła smród smród smudze smukły smukły smutek smutek smutek smutno smutny smutny smutny smutny smycz smyczek snob snobistyczny sobie sobie samej Pool raadzaam billijk. fair. wagenspoor. alom bekend verstaan. vandehands billijk. dienares. karrespoor sprietig. fruiten draak. fruiten bakken. droefheid droevig. kruiden smaken smakelijk. fijn. rechtvaardig rechter-. godsdienstoefening eredienst. zelf . mager. dienares. toepassing bakken. vlieger teren stank stinken. droefgeestig. vernemen gehoor gehoor smakelijk. verdrietig blauw weemoedig. melancholiek rouwbedroefd de weg wijzen. dienst. verzorgen serveren. slank. dienst. befaamd. verdriet. horen. zieleleed bedroefdheid. geleiden. lekker op smaak brengen. luchtig rank. zorgen voor. smart. toog snob snobistisch uzelf. godsdienstoefening verplegen. meid dienstmeisje. triest. lekker invetten boter aanwending. fijn. jijzelf vanzelf. dun. schraal. voorleggen beroemd. meid eredienst. vies ruiken spoor. rechtvaardig. smart bedroefdheid.

slag.socjalista socjalistyczny socjalizm socjalny socjolog socjologia socjologią soczewica soczewicą soczewka soczewka magnetyczna sofa Sofia sok sok sok sokół sola (gatunek ryby) solenny solić solidarność solidaryzować się solidny solidny solidny solista solo somnambulizm sonacie sopran sortować sortować sortowanie gatunek sos sos sos z fasoli sojowej sosna sowa sowiecki sójce sójka sól spacerowicz spacja spacja nierozdzielająca spacja światło (na stronie) spać spać alnie spadek socialist socialist socialisme sociaal. wereldruim. hunkeren. ferm krachtig. sop. straf solist solo nacht sonate sopraan soort. jus jus. maffen dalen. speling slapen. reikhalzen vertrouwd. speling ruimte. sterk. plechtstatig zouten gemeenschapszin. aard soort. louter plechtig. fiks. sop. fors. maatschappijleer linze linze lens lens canapé Sofia appelwijn. bestek. saamhorigheid verlangen. bestek. slag. den. geducht. pijnboom uil sovjetgaai. sop. afnemen . betrouwbaar robuust. maffen slapen. piëdestal. cider sap sap havik enkel. wereldruim. hecht. potig. statig. maatschappijleer sociologie. bloot. saus denneboom. maatschappelijk socioloog sociologie. Vlaamse gaai zouten wandelaar pedestal. voetstuk ruimte. kleiner worden. Vlaamse gaai gaai. aard saus. saus jus.

soortelijk samenkomen. dons druppel. beschaamd maken besteden. soortelijk specifiek. stuip. kramp kramp kenner. opdagen zaad. modderen afraffelen netel. eigenaardig specifiek. ploert. bijeenkomen. vooral. paaien. parachute. nesthaar. zitting humeur. erfstuk. vreemd. waterdruppel boedel. deskundige. expert kenner. erfenis. wellen zich aansluiten. sperma blo. wellen lasser stuiptrekking. bevangen. deskundige. bedeesd beschamen. erfstuk. branche. spenderen. tak afzonderlijk. knoeien. springscherm lassen. pakken. verassen verbranding verbranding uitwasemen lamleggen. spanderen accolade contant. erfdeel druppel. afgezonderd afgezonderd. verpakken aanbranden verbranden. begrijpen . gemoedsgesteldheid gehoorzamen bevredigen. brandnetel aanbranden verlagen. timide. verlammen beunhazen. toetreden inpakken. vergaderen vergadering. expert inzonderheid. humor. baar beseffen. tegemoetkomen aan opdraven. afzonderlijk ellendeling. bevatten. waterdruppel boedel. boef gek. erfenis.spadek spadek spadek spadek napięcia anodowego spadek wydajności spadochron spajać spajać nie spakować się spalać spalać spalania spalanie spalina sparaliżować spartaczyć spartaczyć sparzyć pokrzywą sparzyć się spaść spawacz spawać spawarka spazm spazm specjalista specjaliście specjalnie specjalność specjalny specjalny speculator specyficzny specyficzny specyfik spełniać spełniać spełniać zachcianki spełniać zachcianki spełnić spełnić się spermą speszony speszyć się spędzać spiąć spieniężyć spieniężyć waas. schavuit. afdraaien lasser lassen. in het bijzonder afdeling. vak. erfdeel valscherm. raar. lid worden.

snoeien knippen. aanstaren. stuk. lid worden. broek pantalon. er uitzien sjilpen. tjilpen. samenspanning intrige. duf spuwen. liquideren. kapot Vlissingen zweten. twisten spoed maken. snoeien spiraal spiraal geest spiritisme inventaris. elimineren. konkelarij provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast kronkelen vuns. toetreden het uiterlijk hebben van. kalm . afspoelen. boedel aangeven dienstregeling. pantalon. rooster komplot. muf. er uitzien staren. turen. voortmaken omroepster spinnen knippen. vunzig. krakelen. een blik werpen op lassen. piepen. twisten disputeren. krakelen. scheren. opheffen afbetaling vlotten. broek. rommel. lange broek appelleren. bedaard. een beroep doen op te wachten staan. rustig. wellen zich aansluiten. wachten. kwispedoor afvoeren. schotel lange broek. haast maken. machinatie. uitschakelen afwikkelen. dobberen.spierać się spierać się z kimś o coś spieszyć się spiker spin spinacz spinać spirala spiralny spirytus spirytyzm spis spis spis ulic spisek spisek spiżarka spiżarni spiżarni spiżarnia spiżarnia splatać się spleśniały splunąć spluwaczka spłacać zobowiązania spłacać zobowiązania spłata spławik spłukać spłukany spłukiwanie spocić się spoczywać spodek spodnie spodnie spodobać się spodziewać (się) spoglądać spoina spojenie spojrzenia spojrzenia spojrzenie spojrzenie spojrzenie spokojny disputeren. afval schoteltje. scheren. spoelen defect. turen het uiterlijk hebben van. kwetteren stil. drijven gorgelen. aanstaren staren. rochelen spuugbak. spugen. spuwbak. afhalen een blik werpen. overblijfsel. transpireren rest.

intermitterend sport aanvechtbaar. manier aanvliegen manier. betwistbaar menig. usance. pingelen. manier weg. Grote Oceaan vredig. standje berisping. ruimte aanverwant. standje. aanmerking. gewoonte polis trant. club gemeente. kalm stil. bijeenkomen. wijze. gemeenschap gemeente. blaam. marchanderen keer. vreedzaam bedaard. gebeurtenis. veel. rustig. biechten. verwant sociëteit. rustig Stille Oceaan. bijeenkomen.spokojny spokojny spokojny spokojny spokój spokój spokrewniony społeczeństwa społeczeństwo społeczeństwo społeczność społeczność (w protokole SNMP) społeczny spontaniczny sporadyczny sporcie sporny sporo sport sportowiec sportowiec sportowy sportowy sposobność sposobność sposobność sposób sposób sposób sposób mówienia sposób obsługi datagramu sposób postępowania sposób postępowania spostrzec spostrzec spostrzec spostrzegać spostrzegawczość spostrzeżenie spostrzeżenie spotkać spotkanie spotykać spotykać (się) spotykać się spowiadać się spowodować spowodować kalm. baan. handelen volgens berisping. toegeven verwekken doen. aantreffen ontmoeten. laten . stil. sportsman atletisch sport afdingen. club gemeente. handelen volgens opvolgen. vergaderen benoeming. aantreffen erkennen. blaam. gemeenschap sociëteit. standje berisping. rustig. aanmerking. bekennen. maken. wereldruim. trant ontdekken affiche. wijze. maatschappelijk spontaan hortend. kalm bestek. bedaard. speling. route gebruik. gemeenschap sociaal. aanmerking. gebeuren trant. wijze. aanplakbiljet. maal incident. laten doen. vele sport atleet sportman. plakkaat opvolgen. blaam samenkomen. vergaderen ontmoeten. op zijn gemak. aanstelling samenkomen.

aflezen geldig verklaren geruit. laten Justitia billijkheid gerechtigheid raadzaam marktplein. affaire saké. aangelegenheid. vrouwenrok rok. doeltreffend autoriteit. polemiek disputeren. commentaar informeren. opwellen. consumeren eten. gerecht bodem. marktplaats billijk. achtergrond. inlichten rekening. opgave. tuberculose uitbuiten. tering. zoektocht richten. achterstallig dorstig zaak. uitmelken aannemen. opgave. beteugelen heerschappij. conto militair specificeren opborrelen. aanwerven slopen. bazaar. rechtvaardig afdoend. klus. krakelen. taak aangelegenheid. spijs. laten doen. taak karwei. ding. vrouwenrok kilt. effectief. ontspringen springen vettig. dirigeren. etenswaar. achtergrond. vet . ondergrond. ondergrond. gezag rekening. gevolg consonant. verbruiken. bewind. maken. zaak. klus. affaire. mennen controleren. geblokt doen. berichten. conto aantekening. speurwerk. medeklinker controverse. grond bodem. Schotse rok conjunctie consequentie. ding zaak. rijstwijn bedwingen. grond rok. betomen. affaire karwei. twisten onbetaald. aangelegenheid. pennestrijd. bestuur speurtocht. markt. fair. huren. checken. besturen. exploiteren.spożycie spożytkować spożytkowywać (coś spożywać spożywczy spód spód stosu spódnica spódnicą spódniczka szkocka spójnik spójność spółgłoska spór spór spóźniony spragniony sprawa sprawa (rzecz) obojętna sprawa (sądowa) sprawa do zrobienia sprawa rzecz obojętna sprawą sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać (księgi sprawdzić dokładnie sprawdzony zaznaczony sprawiać sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwy sprawiedliwy sprawiedliwy sprawny sprawować władzę sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie z testowania sprawy wojskowe sprecyzować sprężyna sprężyna łóżka sprośny longtering. ding.

licht. verhandelen. klaar importeren. accommodatie. bezorgen hel. schunnig brengen. aan komen lopen aanpakken. verhandelen.sprośny sprowadzać sprowadzać sprowadzać sprowadzić sprowadzić z serwera sprytny sprzączce sprzączka sprzątać sprzeciw się sprzeciwić sie sprzeczka sprzeczny sprzedaj sprzedawać sprzedawać sprzedawać (papiery wartościowe) sprzedawca sprzedawca sprzedawca gazet i czasopism sprzedawca kwiatów sprzedaż sprzedaż sprzedaż detaliczna sprzedaż wiązana sprzęcie sprzęg sprzęg równoległy wewy sprzęgło sprzęt sprzęt sprzęt kryptograficzny sprzęt stacji roboczej sprzęt zboża sprzęt zbrojeniowy sprzężony sprzyjać sprzyjający spuchnąć spust spuszczać spychacz srebny srebra srebrny srebro srebro w sztabach schuin. handeldrijven. vervreemding in het groot verkoop. waterdruppel bulldozer zilveren zilveren Argentijns zilveren zilveren . inrichting ijzeren bijkomstig. dichtgespen ordelijk evenmin. vervreemding uitrusting. vastgespen. begunstiging. aandragen. bekwaam gespen. vastgespen. vervreemding overdoen. accommodatie. accommodatie. dispuut inconsequent overdoen. bijkomend aanpakken. aan komen lopen uitrusting. toegenegen. noch tegenspartelen. koopman zakenman. genadigheid goedgezind. tappen verkoop. twist. bemachtigen uitrusting. inrichting interface interface grijpen. gunstig aanzwellen haan van een vuurwapen druppel. dichtgespen gespen. obsceen. handig. tegenstreven kwestie. vervoegen gunst. bijbehorend. behendig. strijd. handelaar. inrichting conjugeren. koopman verkoper beschikking verkoop. tappen handelen. zaken doen kruidenier zakenman. handelaar. invoeren downloaden trekken bedreven.

roedel stadie. steken. spiegel opzuigen. blijvend. beschermheer gestaag. station stationsgebouw. vandaar. vandaan. vast. hoop. hecht. constant.. hecht. stadswijk ontsteking. degelijk. etappe. vliegtocht kudde. schare. bot. aanhoudend beschermheilige. aldoor staal bestendig. gevestigd stationsgebouw. gevestigd box staal bij voortduring. worgen priemen. hecht. daarvan conditie. onbehouwen. constant. gestaag aanhoudend. deugdelijk. permanent. betamelijk. stalknecht stevig. gestaag bestendig.. passend kudde. onbewerkt. roedel roedel. deugdelijk. steken. bestendig bestendig. vast. bestendig daar . vast. ontbranding goed staan gepast. lurken zoogdier wurgen. roedel bruidegom. straf achtersteven. pikken priemen. choken. gedegen stevig. cru bar. station gastheer terminal stationsgebouw. bepaling . overnachtingsplaats groep. wijk. hard. constant. kudde. constant. gedegen bestendig. duchtig. voorwaarde. prikken. gevestigd flink. degelijk. blijvend. constant. streng.srebrzysty srogi srogi srogi ssać ssak ssania stabilizacja stabilization stabilny stacja stacja bazowa z dwoma fizycznymi połączeniami z siecią stacja konwersacyjna stacja nadrzędna stacja zdalna stacjonować stacyjka stać stać stada stadion stadko stado stado stado (gęsi) stado (lecących ptaków stajenny stajnia stajnia stal stale stalowy stała stała stały stała (wielkość) stały stały stały stały stały stały stały stały dostęp do Internetu stały gość/klient stały obwód wirtualny stamtąd stan Argentijns grof. gestaag bestendig. gestaag aanhoudend. pikken stevig. kudde kudde. drift vlucht. prikken. zuigen. bestendig flink. constant. station buurt. gestaag blijvend.

prooi houding. evenredigheid regel. uit de mode antiek. oud. aanzetten aanzetten tot.h. station Verenigde Staten van Amerika alliage. trachten. verhouding. licht. beweren huwelijk. expediëren pot. ouderwets ouderwets. afdammen uitmaken. metaalmengsel pogen. norm b.. vast. bustehouder resolutie. aanzetten aanzetten tot. standbeeld . buit.h. netto. motie gevestigd. klauwen. activeren. echtverbintenis. activeren. foedraal. beha. koker afzenden. gortig afzenden. klaar aanzetschakelaar. bustehouder b. stand. hecht positief. moeite doen. doos.. aloud. vormen aanwinst. scharrelen. legering. adellijk. standaardmaat. beweren logeren regel. expediëren beeld. aloud. vouwen. goor. bedaagd ouder krauwen. beweren zich gedragen werkplaats.stan stan końcowy stan wyjątkowy stan zawieszenia stanąć standard standard szyfrowania agend rządu USA standard zastrzeżony stanik stanik (ale nie biustonosz!) stanowczość stanowczy stanowczy stanowić stanowić (całość) stanowić zagadkę dla stanowiska stanowisko stanowisko stanowisko pracy stanowisko pracy stanowisko) Stany Zjednoczone stapiać starać się staranny starcie starodawny staroświecki starożytność starożytność starożytny starożytny starszawy starszy start start start of header start zimny startować ponownie startujący stary stary jak świat starzeć się statek statek statek) statua verzekeren. activeren. streven duidelijk. atelier stationsgebouw. plooien afsluiten. ouderwets oudheid antiek. aanzetten hel. verzenden. constructief omvouwen. aloud. bak. stevig. aloud. beha. oud. ouderwets ouderwets. krabben aanzetten tot. belemmeren. benauwd. gedateerd. bejaard vergevorderd. echt crisis verzekeren. nettoafschaving antiek. positie verzekeren. starter vergevorderd. bejaard muf. etui. norm proportie. verzenden. acquest. antiek hoogbejaard. standaardmaat.

kolk. enkel. loodsen heerschappij. dirigeren. bewind. bestuur conducteur. vrachtcontract recht statistiek statistiek huisje. bewind. roer gemeenplaats. stenografie stenografie. bestuurder supervisor. bestuur heerschappij. post. vanhier als volgt biefstuk. prijs periode. paal. opzichter ophopen. mennen heerschappij. kolk. deurpost premie. bief muntstempel muntstempel stenografie. besturen. manipuleren. meier stewardess stewardess . bestuur heerschappij. cliché binnenbrengen. steno snelschrift. blijven staan opdraven. controleur. bewind. vijver waterplas.statucie statut statystyczny statystyka Statyw staw staw staw (akwen) stawać stawać (w sądzie) stawce stawiacz min stawiać czoła stawka stawka ubezpieczeniowa staż stąd stąd stek stempel stempel pocztowy stenografia stenografia stenografią stenograficzny step ster ster stereotyp sternik (na statku) sternik na statku sterować sterować sterować sterować sterowanie sterowanie zaprogramowane w pamięci sterowanie ze sprzężeniem zwrotnym sterownik sterownik wzmacniacza mocy sterownik zegara sterta sterta sterylizować sterylizował steward stewardesa stewardessa charter. roer stuur. woordelijk steppe stuur. vijver afslaan. bestuur omgaan met. halthouden. schuur. bloot waterplas. deurpost mijnenlegger het hoofd bieden stijl. steno naar de letter. accumuleren ophopen. kraam. opeenhopen. accumuleren steriliseren steriliseren intendant. paal. opzichter. post. loods louter. bewind. handvest. bestuurder conducteur. opdagen stijl. keet. hanteren navigeren richten. opeenhopen. tijdvak hiervandaan. loodsen binnenbrengen.

taboeret aanklampen.stęchły stękać stępce stępiać stępić stępka Stężenie (roztworu) sth do kogoś sth> coś komuś sth> do kogoś sth> do kogoś sth> kimś sth> kimś sth> komuś sth> komuś sth> komuś sth> o kimś sth> o kogoś sth> od kogoś sth> z kimś stłuc stłuczce stłumić stłumić sto stodoła stoik stoik stoisko stoisko z gazetami stojak stojak stojak stojak stojący stok stok stokrotce stokrotka stolarz stolica stoł stołek stołować (się) stonoga stop stopa stopa procentowa vuns. muf. norm oprichten. helling helling. madeliefje meizoentje. handelen volgens vergezellen. kermen kiel bot. vunzig. kreunen. opkroppen honderd loods. stichten. stoïcijns huisje. legering. stut. verdringen. stomp bot. jegens gelijk. glooiing meizoentje. inrichten glooiing. steunpilaar. duf stenen. effen zinspelen aandachtig. barak stoïsch. evenredigheid . vermogen tabel. standaardmaat. schuur. verhouding. tafel. vernielen onderdrukken. gelijken. een afschuw hebben van bijvoeglijke bepaling. toetreden afbreken bult. tegenaan. lid worden. stijl. colonne drager. leuning. steunen. schuur. attent. kraam. lijken achter opvolgen. pilaar. keet. verwoesten. bochel vernietigen. ontwijken zich aansluiten. uit de weg gaan. lijst kruk. accompagneren. metaalmengsel voet proportie. paal. tegen. loods box kolom. vlak. steun post. zich vastklampen aan duizendpoot alliage. stoïcijns stoïsch. deurpost regel. keet. begeleiden met. stomp kiel sterkte verafschuwen. oplettend mijden. attribuut aanvliegen lijken op. madeliefje timmerman kapitaal.

betamelijk. kwijt. vervlogen kloppen. toepassing opvolgen. langzamerhand geleidelijk orchidee kelder waas. angst. hoop. geschikt gepast. doelmatig rechter-. schade. klappen . gediplomeerd geleidelijk. graad drukproef schaduwen afgestudeerd. kwijt. verbeuren. opeenhopen. tafel. tot. associatie bond. besturen aanwending. angst. doorvoeren administreren. geschikt. slaan. aan. mate. graad trap. menigte. affiliëren bond. benauwdheid angst beklemming. toepassing tegen. neuken familiebetrekking. bij. genootschap. houwen. accumuleren boel. genootschap. menigte. accumuleren tabel. mate. massa kelder ophopen. vervlogen nadeel. hoop. massa aanwenden. hooimijt. opeenhopen.stopą stopień stopień (również naukowy) stopień zawartości alkoholu stopka (listy) stopniować stopniowo stopniowy storczyk stos stos stos stos pogrzebowy stos w pamięci stos wywołań stosować stosować stosować stosował stosowania stosowania stosownie do tego stosowny stosowny stosowny stosowny stosunek płciowy stosunek zwarcia stosunkowo stowarzyszać się stowarzyszenie Stowarzyszenie Producentów Maszyn Cyfrowych stożek stóg stóg stóg siana stół stół montażowy strach strach strach na wróble stracić stracić stracić stracie stracony strajk voet trap. drom. benauwdheid verbeurd opgeven. associatie kegel hooiberg. opeenhopen. opper ophopen. tafel. lijst beklemming. handelen volgens krachtsinspanning aanwending. passend. lijst tabel. nesthaar. beheren. vandehands naaien. naar. dons boel. strop verloren. deficit. accumuleren ophopen. drom. voor gepast. verwantschap vergelijkenderwijs aannemen. passend gemakkelijk. kwijtraken verloren.

afgrijselijk doortrapt. klepperman bikken. buitenkant bij-. gordel klimaatzone. overzicht. aanschijn. gewaad. aanhang eenzijdig. de wacht hebben. accentueren resumeren. page. bewaren bewaken. schrik aanjagen verjagen. slim. plafond klederdracht. aanhang boer. lijst. minder belangrijk leden. page. zone. edelknaap aanplakken achterban. strop verklungelen. aardgordel beklemtonen. verdoen strategie. strategisch bewaken. afbikken kader. samenvatten resumeren. de wacht hebben. ijselijk afschuwelijk. aanhang bij-. bedroeven. de wacht hebben. krijgskunde strategie. krijgskunde strategie. ver. aardgordel klimaatzone. bewaren bewaken. zone. hoogtegrens. beoefenaar. ver. digereren resumé.strapienie straszliwy strasznie straszny straszny straszny straszny straszyć straszyć straszyć (o duchu) strata strata strategia strategia przydziału miejsca strategią strategiczny straż strażnik strażnik więzienny strefa strefa strefa wpływów stres streszczać streszczać się streszczenie streszczenie stroik stromy stromy strona strona strona tytułowa strona wzorcowa strona zawietrzna strona zewnętrzna stroną stronę WWW) zaksięgować stronnicy stronniczy stronniczy stronnik Strop strój wieczorowy (smoking stróż struktura struktura struktura verdriet doen. beproeven afgrijselijk afgrijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. schade. excerpt riet kortaf. abrupt. nachtwacht. afschrikken spoken nadeel. gewiekst. bewaren riem. costuum waker. partieel adept. aanhanger plafon. raam bouw. krijgskunde krijgskundig. verduwen. zij-. ceintuur. partijdig gedeeltelijk. edelknaap boer. minder belangrijk aanblik. listig doen schrikken. samenstelling. deficit. bruusk. constructie . steil steil leden. omlijsting. bot. zij-. samenvatten verteren. dracht. opmaken.

afranselen eeuw eeuw houding . klappen. stroming toelachen. stemband. ontslaan Boogschutter Boogschutter Boogschutter aanspannen. de wacht hebben. klakken. aanlokken loop. kletteren. kletteren. klappen. bewaren ontzetten. omtrek bouw. stroming beekje. klappen. beek accoord. stemband koorde. bekoren. tap. akkoord snaar. stroom. tapkraan slaan. nu goed kraan. snaar struisvogel. scheut pijl. constructie actueel loop. koorde. beschermen bewaken.struktura z kontaktem sferycznym struktura) MOS z kanałem typu n strumień strumień strumień drukowanych danych strumień klucza strumień ruchu (między węzłami w sieciach telekomunikacyjnych) strumyk struna struna struna struś strych strych strych stryj strzała strzałce strzałka strzec strzec się strzelać Strzelec Strzelec (gwiazdozbiór) Strzelec gwiazdozbiór strzemię strzyc strzykawce strzykawka strzyżyk student student seminarium studentka studio studiować studiowanie studnia stukać stukać stukać nie stuknięcie stuknięcie stukot stukotać stulecie stulecie stusunek omlijning. scheut behoeden. kletteren. het juk opleggen maaien injectiespuit injectiespuit winterkoninkje student student student studio studie studie goed. overeenstemming. opvallen klikken. stroom. klappen. struis dakkamertje zolderkamer Attisch oom pijl. kloppen. scheut pijl. klappen slaan. kloppen. samenstelling. opvallen slaan. klikken afdrogen. royeren. opvallen klakken. stroming loop. stroom. kloppen.

jurk. fijn biscuit dor. aanliggend gewricht. aangeven. plafond suffix. som. bevinden wezen samenstellen. contact hebben met contact hebben. achtervoegsel plafon. subtiel. stof. contact hebben met taal trant. bevinden constateren. lid. gelid. keuze unie . stof. grenzen aan contact hebben. knoop contact hebben. droog dor. hoogtegrens. summa algeheel. inboeten spitsvondig. contact hebben met belenden. plafond souffleur aanwijzen. voorspoed zegevieren. vaststellen. substantie in de plaats stellen van. triomferen een verband omleggen snikken een verband omleggen toga. creëren louwmaand. goedje. goedje. japon sultan somma. droog dor. bloei. aanduiden bod. stijl trant. januari aangrenzend. goedkeuren constateren. bedrag. welstand. vaststellen. zegepralen. aanbieding. totaal. totaal unie checksum keus. hoogtegrens. geleding. billijken. stijl abonnement spul. droog Soedan plafon. alternatief. componeren scheppen.stusunek nie stwierdzać stwierdzać stwierdzić stworzenia stworzyć stworzyć styczeń styczny styk styk podwójny stykać się stykać się stykać się z styl styl styl życia subskrypcja substancja substancja pochłaniająca substancją substytut subtelny suchar sucho suchy suchy (klimat) Sudan suficie sufiks sufit sufler sugerować sugestia suicie sukces sukces sukienka sukinsyn suknia suknia sułtan suma suma (msza) suma częściowa suma kontrolna suma logiczna suma logiczna zmiana houding beamen. voorslag. substantie absorberend spul. aanbod gevolg geluk.

aantal. middel. incidenteel grendelen. gewetensvol optelling knopen. soeverein. ritssluiting oppermachtig. veelomvattend treksluiting. hard. een knoop leggen supermarkt supermarkt verwikkeling. oppermachtig Jersey Jersey kriebelen. bedrag. jouw ondersteuning. droog kousje. aanwijzen. warnet watten remedie. rits. stipendium. subsidie Sicilië Siciliaans sissen. totaal. krieuwelen. som. speen kelder uitgebreid. omvangrijk. totaal zomer geweten geweten consciëntieus. jeuken kriebelen. vrijheid. jeuken vrijdom. aanslaan. onbelemmerd onbezet. aanduiden daglicht een sein geven. bot grof. medium. soeverein. oppermachtig oppermachtig. vlot. onbelemmerd toevallig. weg grof. afgrendelen je. ritssluiting treksluiting. onbewerkt. lampepit tepel. warboel. onbehouwen. getal algeheel. krieuwelen. onbewerkt. duchtig. rits. vlot. jeuken kriebelen. cru bar. krieuwelen. straf vloeipapier dor.suma modulo 2 suma montażowa suma zbiorów unia złącze suma brył sumator amplitudowy sumienia sumienie sumienny sumowanie supeł supermarket (duży supersam supła surowa bawełna surowcach surowy surowy surowy suszka suszyć Suszyć sutek suterena suty suwak suwak przewijania suweren (moneta) suweren moneta sweter sweter zapinany swędzenia swędzenie swędzić swoboda swobodnie swobodny swobodny sworzeń swój sybwencja Sycylia sycylijski syczeć sygnalizował sygnalizuje pracę urządzenia sygnał sygnał sygnał ostrzegawczy sygnał wejściowy somma. lont. fluiten aangeven. onbehouwen. toon alarmeren. seinen intonatie. bot. los. summa tal. cru. streng. open. los. alarm slaan invoer . vlotheid onbezet. open.

vakvereniging. nauwkeurig. verschijnsel teken. accuraat aard. symbool aanreiken. rul mul kuif. vakbond strooien. voorwenden. claxon . toeter. figuurlijk symboliseren symboliseren symmetrie symmetrie regelmatig. accuraat zinnebeeld. fluiten lettergreep. gemaakt zoon synagoge. toeter. syllabe silhouet. vakbond syndicaat. rondstrooien slaapkamer slaapkamer mul. doen alsof gekunsteld. symmetrisch symfonie symfonie medegevoel. schaduwbeeld rekenen. symptoom. symptoom. claxon kuif. vakvereniging. cijferen silhouet. schaduwbeeld zinnebeeld. geaardheid nauwgezet. gewrongen. ondertekening handtekening. nauwkeurig. deelneming genoeglijk. Siam sissen. symbool oneigenlijk. deelneming smaken medegevoel.sygnał zerowy na wejściu sygnał zerowy na wejściu sygnał zezwalający sygnatura sygnatura zachowania Syjam syk sylaba sylwetce sylwetka sylwetka symbol symbol celowania(na ekranie dla pióra świetlnego) symbol niezdefiniowany symbol ogólny symbol waluty symbol zaznaczenia symboliczny translator programu symbolizować symbolizował symetria symetrią symetryczny symfonia symfonią sympatia sympatia sympatią sympatyczny sympatyzował symptom symptom nienormalnego zachowania symulować udawać chorego symulowany syn synagoga synchroniczny syndrom syndykacie syndykat sypać sypialni sypialnia sypki sypki syrena syreną invoer uitgeven. overhandigen nauwgezet. verschijnsel voorgeven. seinen handtekening. behaaglijk. karakter. jodenkerk synchronisch syndroom syndicaat. ondertekening Thailand. aangenaam meevoelen teken. emitteren een sein geven.

ontketenen kinderbed luifel. geregeld systematisch uitzondering situatie. achting eerbiedigen. antwoorden op electronisch. regelmatig. dol. schablone sjah schaakbord schaakspel. respecteren kleerkast. begroten. bestel meizoentje. stand van zaken situatie. madeliefje antwoorden. hangkast etagère. hangkast kast kleerkast. gek. gek. krankzinnig. rek kast schavot bende. schaak schaakspel. dolzinnig. krankzinnig uitschrijven. stroop Syrisch Syrisch systeem. troep. lunair dolzinnig. stelsel. begroten achten. lanceren. achting hebben voor tel. sjabloon. bestel gelijkmatig. elektronisch systeem. taxeren waarde. sjaal Pan aanslag krankzinnig. afdak bunker. schaak schatten. stelsel. taxeren. bouffante. halsdoek. kazemat . waarderen. dolzinnig gek. waarderen. stand van zaken slagzwaard patroon.Syria syrop Syryjczyk syryjski system system gromadzenia i interpretacji danych system sieciowy system telewizji kasetowej system zero-jedynkowy systematyczny systematyczny sytuacja sytuacja sytuacja wyjątkowa szabla szablon szach (Iranu) szachownica szachowy szachy szacować szacować szacował szacunek szacunek szacunek szafa szafa ścienna szafą szafka szafka szafocie szajka szakal szakal szakal rz szal szala (wagi) szalka (wagi) szalony szalony szalony szalony szalupą szałas szałas Szałas Syrië siroop. gehalte schatten. dol maan-. schare jakhals aasgier jakhals das. dol.

vestiaire. vooral. in het klein stiptheid. raar. gleuf barst stipt. vaccine . vaccineren entstof. doorscheuren schokken aardbeving schokken grijs.szampan szampon Szanghaj szanował szarańcza szarlatan szarlatan szarpać szarpnąć szarpnięcie szarpnięcie szary szary szata szata szatański szatni szatnia szczątki szczątkowy szczebel szczebiotać szczeciną szczególna cecha szczególnie szczególnie w USA szczególny szczególny szczególny szczególny szczegół szczegółowy szczegółowy szczekać szczelina szczelina szczelina do ręcznego podawania papieru szczelina sprzęgająca szczelina środkowa szczeliną szczelny szczepić szczepić (przeciwko chorobie) szczepionka szczepionka (program tworzący sygnaturę programu wykonywalnego szczepionka program tworzący champagne het haar wassen Sjanghai achten. gat. vaccin. afval. japon. garderobe puin. nauwsluitend. prullaria necrologie opstap. vreemd. sleuf. item. vestiaire. nauwgezetheid boomschors. kwakzalver vaneenscheuren. garderobe kleedkamer. vaccin. vak. detail ampel. vaccineren inenten. achting hebben voor sprinkhaan kwakzalver. opstapje. afzonderlijk specifiek. schors mond. streng. soortelijk bijzonderheid. sleuf. tak in het bijzonder. charlatan. sleuf. sleuf. rommel. afgezonderd gek. bedrieger bedrieger. charlatan. treeplank babbelen. keuvelen overeind gaan staan afdeling. gedetailleerd. inzonderheid inzonderheid. in het bijzonder afzonderlijk. jurk satanisch kleedkamer. grauw een verband omleggen toga. nauw inenten. accuratesse. opening sponning. vaccine entstof. tree. grauw grijs. gleuf sponning. gleuf sponning. eigenaardig afgezonderd. gleuf sponning. vaccine entstof. praten. branche. vaccin.

tip. open en bloot. schuieren snoek sprietig. slim. tip. nijpen hoogtepunt. doskonałości) szczyt (stosu) szczyt stosu szczytowy szczytowy poziom openheid oprechtheid. goedgeefs borstelen. gegrond rein. mager. aalwarig. schoon. eenvoudig ronduit.sygnaturę programu wykonywalnego szczerość szczerość szczerość szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczerze szczerze mówiąc szczęka szczęka szczękać szczękać szczęścia szczęście szczęście szczęście szczęśliwie szczęśliwy szczodry szczotka szczotka porównawcza szczupak szczupły szczupły szczur szczycie szczycie szczypać szczypał szczypał szczypce szczypce do cukru (w kostkach) szczypcie szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt (np. fortuinlijkheid geluk gelukkig gelukkig royaal. schraal. toppunt spits. rondweg ronduit. gewiekst. spits spits. openhartigheid juist. gul. kaak klikken. kaak kakement. neus. neus. besturen authentiek. klappen. rat hoogtepunt. koon. open en bloot. piek afknotten hoogtepunt. klakken. gelijk hebbend. punt. schaar nijptang klemmen. listig knijper. punt. puur. top. top. tokkelen. zenit monteren. piek afknotten hoogtepunt. tenger rot. eerzaam. knijpen. kletteren. piek klemmen. richten. nijpen aperitief. ongeveinsd. tokkelen. neus. fortuin. rondweg wang. top. innig aalwaardig. genereus. onvervalst eerlijk. neus. zetten spits. schuieren borstelen. punt. kletteren. borrel doortrapt. top. klappen klakken. knijpen. klikken geluk Fortuna lot. dirigeren. slank. degelijk natuurlijk oprecht. toppunt afknotten . tip. tip. dun. toppunt piek. zindelijk mennen. luchtig rank. punt.

royaal wijdte. chef aanvoerder. privé-. baas sjeik span ritselen. ris. baas. rang besloten. ontwerpen . ruisen ritselen. dobbelsteen. landrechter verspreiden. ruimheid. baas. boezem afschaduwing wissel. cambio uitstippelen. particulier feuilleton. stand. donkerrood karmozijn. afgeven verspreiden. voeg dichtnaaien. beekje) gefluister. belasteren afjakkeren. ploert gefluister. afmatten karmozijn. reeks graad. donkerrood borst. kwaadspreken. gebieder.szef szef szef (w firmach polskich prezes) szef kuchni szejk szelce szelescie szelest szeleścić szelma szepcie szept szept szeptać szeptać szereg szereg szereg zbieżny bezwzględnie szeregowiec szeregowy szeroki szeroki szeroko szerokość szeryf szerzenie szerzyć szesnastkowy szesnaście sześcian sześcian kierunkowy sześcian wokseli sześć sześć pensów sześćdziesiąt sześćdziesiątka sześćdziesiąty szew szew szewc szkalować szkapa szkarłat szkarłatny szkatułka szkic szkic szkic chefkok. verbreiden. royaal breedvoerig. fluistering murmelen. afgeven hexadecimaal. hechten schoenmaker roddelen. ruisen boef. murmelen (v. gebieder. schetsen. breedte sheriff. chef. dobbelsteen. schavuit. groot. chef aanvoerder. blok derde macht. fluistering roeien serie. gebieder. murmelen (v. verbreiden. set. ruisen ritselen. afbeulen. dobbelsteen. wijd breedvoerig. ruim. chef aanvoerder. ruim. status. rist. blok derde macht. beekje) gefluister. groot. ellendeling. blok zes zes zestig zestig zestigste naad. vervolgverhaal breed. zestientallig zestien derde macht. fluistering murmelen.

ontwerpen skelet. edel adel. schaden invasie. wond. raam drinkglas. edelen kamerjas slib. glas Schotland Schot Schots schade aanrichten. glas bril drinkglas. lijst. geraamte kader. glanzen emailleren emailleren drinkglas. schetsen. geraamte kader. omlijsting. modder. letsel toebrengen blessure.szkicować szkielecie szkielet szkielet szkielet szkielet (konstrukcji) szklanka szklić szkliwa szkliwo szkło szkło szkło powiększające Szkocja szkocki Szkocki szkoda szkoda szkoda szkoda szkoda następcza szkodliwa inwazja szkodliwe naruszenie ochrony szkodliwe włamanie szkodliwy szkodliwy szkodnik szkodzić szkodzić szkolenie wspomagane komputerowo szkolić szkolny szkoła szkoła (średnia lub wyższa) szkoła z internatem szkoła zawodowa Szkot Szkotka szlaban szlachecki szlachetność szlachetność szlachetny szlachta szlafrok szlam szloch szlochać uitstippelen. verkeerd duim als lengtemaat gevolg leerschool. school college leerschool. kwetsuur. glazuren. iets betreurenswaardigs schade aanrichten. inval invasie. school leerschool. heining nobel. afsluiting. glas verglazen. edel adel. foutief. omlijsting. inval invasie. lijst. raam schavot skelet. drek. gebeente. edelen edelheid nobel. slijk snikken snikken . letsel toebrengen onjuist. schaden kwetsen. school Schot Schotse barrière. verwonding schade. hek. school leerschool. inval afkerig schadelijk ongedierte kwetsen. gebeente.

spoel. baan. murmelen (v. graven vlechten spreeuw kolom. gard. wondteken granaatkartets. shrapnel . cru korte broek. spoel bobine. wereldruim. schokken luifel. bobine bobine. vod. speling morrelen. nestel koorde. stokje puntig. nagelen klos. lap. spitten. scharrelen roede. spoel. grof. schudden. afdak doordringend. steunpilaar. kniebroek. snaar met een band omgeven kant rijgveter. bestuurder opschudden. broek weg. bobine litteken. stemband. bot. bestek. beloeren. bespieden kegel kegel kegel spinazie hospitaal. lomp. pilaar. bespieden spieden. spits spieden. friemelen. onbehouwen. spoel klos. beloeren. bijtend onbewerkt. klos. lor. gasthuis. veter. colonne barst asperge ruimte. beekje) koorde. chauffeur conducteur. route chauvinist chauvinisme zesde zesde woelen.szlochaćSOB> szmaragd szmaragdowy szmata szmer sznur połączeniowy sznurek sznurowadło sznurowadło sznurowadło sznycel szofer szofer szok szopa szorstki szorstki szorty szosa szowinista szowinizm szósta część szósty szpadel szpagat szpak szpalta szpara szparag szparą szperać szpicruta szpiczasty szpieg szpiegować Szpila szpilce szpilka do włosów szpinak szpital szpon szpon szpula szpula taśmy szpulce szpulce szrama szrapnel snikken smaragd smaragd vodje. spitsroede. tod. klos. snaar fijnhakken bestuurder. fel. flard murmelen. guur. stemband. ziekenhuis klauw spijkeren.

lawaai. herrie snorren. houterig. schraag. gonzen. leven. leven. brommen ophef. razen. krijg kunst een duw geven. star. brok oorlog. bok. kneep. bok. plechtig. stug afgemeten. razen. gewrongen. ceremonieel scheppen. standaardmaat. schraag. er uitzien snorren. frauderen. drama fragment. hebbelijkheid vuurwerk aanstellerij. afdammen verbleekt rek. streek. aangegrepen gekunsteld. kunstgreep . bobine mengen. afsluiten. galerij. vermengen mengen. temperen. aanstoten kegel dolk dolk stram. razen. brommen spoel. la. brommen ophef. bank vaan. vermengen naaister Zwitsers Zwitserland Zwitsers Zwitsers Zweden Zweed Zweeds zwendelen. mixen. gemaakt kunst toneelstuk. galerie kunst aanwensel. gonzen. vlag regel. mixen. knoeien foefje. rumoer. klos. lade het uiterlijk hebben van. gewrongen. onnatuurlijkheid aangedaan. lawaai.sztab sztaba sztacheta sztaludze sztaluga sztandar sztandar Sztokholm sztolnia sztuce sztuczka sztuczne ognie sztuczność sztuczny sztuczny sztuczny satelita ziemi sztuka sztuka sztuka sztuka panowania sztuka wojny szturchnięcie sztyft sztylecie sztylet sztywny sztywny szufla szuflada szukać szum szum szum śrutowy szum zka szumieć szupla szurać nogami szuranie (nogami) szwaczka szwajcar Szwajcaria szwajcarski Szwajcarzy Szwecja Szwed szwedzki szwindel szwindel staf belemmeren. gonzen. dundoek. opscheppen schuiflade. rumoer. herrie snorren. temperen. norm Stockholm gaanderij. gemaakt gekunsteld. stijf. gang. ezel. toestoten. bank rek. ezel.

slag. glaswerk glaswaar. strijd. spotten. piekfijn sjiek. aannaaien. piekfijn shilling chimpansee opvoeden. snel spoedig afgrazen gauw. haastig. spoedig. glas glaswaar. verhouding. zweefvliegtuig aanzetten. gauw gezwind. chic. gauw. hard. spoed. haastig. vensterruit. groef. vliegtuig een glijvlucht maken. greppel. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. spotlachen. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. spoed. radheid snelheidsgrens snelheid. haastig. frauderen. ginnegappen cijfer. chic. radheid vliegmachine. gauw snel. gezwind. nummer code cijfer. nummer versleutelen versleutelen nek. in allerijl proportie. evenredigheid snelheid. schielijk. zweefvliegen een glijvlucht maken. schielijk. haastig. gezwind. arbeid grijnslachen. honen grijnslachen. vensterruit. vastnaaien steek emplooi. spotlachen. spoedig. knoeien groeve. werk. hard. rail spoorstaaf. vaart. kamp sjiek. gauw snel. radheid snelheid. vaart. spoedig. gezwind. vaart. gevecht. spoed. gracht. glaswerk vasten snel. stam ham . kuil drinkglas.szwindlować szyb szyba szyba (okienna) szybą szybki szybki szybki układ logiczny tranzystorowotranzystorowy szybki układ scalony TTL szybki układ scalony TTL szybki zarobek szybko szybko szybko schnący szybkość szybkość szybkość klatek szybkość zapisu szybkość zapisywania szybować szybować szybowanie szybowca szybowiec szybowiec szyć szyć szydełkować szyderczy uśmiech szydzić szydzić szyfr z bieżącym kluczem szyfr złożeniowy szyfrować szyfrować szyfrował szyja szyk bojowy szyk bojowy szykowny szyling szympans szyna szyna szyna pamięciowa szyna sterująca szynka zwendelen. hals treffen. in allerijl gauw. rail boomstam. ginnegappen bespotten. spoedig. zweefvliegen zeilvliegtuig. onderwijzen spoorstaaf. karwei.

moes. stiptheid. straf. bemachtigen comprimeren knuffelen drukken. knellen accuratesse. persen. paadje afdruk. minutieus stram. juist. druppelen afvegen. afwissen afschaving flanellen laken doordringend. scherp. hard jam. voetspoor. volksstam aandrang. dringen. houterig. knellen merken. verbrijzelen najagen. stiptheid. accuratesse nauwkeurigheid. fair. tekenen afbakenen afdruk. droppelen. stug specifiek. moes. metterdaad. spoor spoor. dringen. zinkput. nauwgezet. wagenspoor. intrappen. karrespoor . persen. toeloop. rechtvaardig drukken. soortelijk streng. bijtend merken. accuraat precies. riool druipen. run jam. guur. precisie precies. waarachtig billijk. nastreven een proces aanspannen tegen geslacht. dringen. innen. duchtig. borrel inderdaad. nauwgezetheid nauwgezetheid. paadje vermorzelen. aantrekken drukken. voetspoor. afdrogen. marmelade aperitief. inzamelen downloaden rukken steek steek neerdruipen. knellen strakker aantrekken. wissen. tekenen pad. fel. bar. afdruipen cloaca. stiptheid. spoor steeg pad. star. stam. stijf.szyszka ściągać ściągać dane z serwera ściągnąć ścieg ścieg wsteczny ściek ściek ściekać ścierać ścieranie się ściereczka ścierka ścierny ścieżka ścieżka ścieżka wyszukiwania ścieżka zapisu ścieżka zastępcza ścięcia ścigać ścigać sądownie ścigać się ścisk ścisk ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać kurczowo ścisłość ścisłość ścisłość ścisły ścisły ścisły ścisły ścisły ścisnąć ścisnąć ściśle ściśle ściśnięcie ślad ślad ślad ślad kegel collecteren. persen. marmelade grijpen.

ongrijpbaar. stout gedurfd. echt. blank behaaglijk. vliegtuig een glijvlucht maken. appendix. ontbloot van brutaal. afval. gedurfd. slijk slot lachen met gemak. overlijden. legitimeren slotenmaker slib. aanhangsel doodlopende weg blindheid blind wit. afkeuren rommel. brutaal stoutmoedig. kwijlen glad. stoutmoedig. drek. onderzoek zeebanket. hilariteit afwijzen. dodelijk dood. echtverbintenis bruiloftsfeest. zever. bruiloft echten. brutaal voorspeler. propeller. examen.ślad rewizji Śląsk śledzić śledzić śledzić śledztwa śledztwa śledztwo śledź ślepa kiszka ślepa uliczka ślepota ślepy ślepy nabój śliczny ślimak ślimak ślimak (współpracujący z kołem zębatym) ślina śliniaczek ślinić się śliski śliwce śliwka ślizg ślizgać się ślizgać się po wodzie ślub ślub ślubny ślusarz śluz śluza śmiać się śmiało śmiało śmiały śmiały śmiały śmiały śmiech śmiech śmieci śmiecie śmieć śmiercionośny śmierć afbakenen Silezië afluisteren afbakenen afdruk. aanvaller lachen gelach. spuug slabbetje speeksel afscheiden. oningevuld. zeveren. allicht gespeend van. onderzoek keuring. spoor enquête keuring. schroefdraad slak. zweefvliegen huwelijk. blanco. modder. stout. haring bijlage. stout. lachbui. het verdommen. sterfgeval . speeksel. huisjesslak worm. genoeglijk schroef. zweefvliegen vliegmachine. voetspoor. stoutmoedig. examen. gedurfd. wurm kwijl. glibberig pruim pruim een glijvlucht maken. puin zich vermetelen. wagen moorddadig. prullaria.

binnenste. middelbaar milieu. slaperig slaperig spoed maken. gezangbundel. bezingen zangeres gezangboek.śmierdzący śmierdzieć śmierdzieć śmiertelnie śmiertelnik śmiertelny śmieszny śmieszny śmieszny śmieszyć śmieszyć śmietana śmietanka śmietanka (towarzyska) śmigło śniadania śniadanie śnieg śnieżenie śnieżyć śpiący śpiący śpieszyć (się) śpieszyć się śpieszyć się śpiew śpiewaczka śpiewać śpiewak śpiewnik średni średni stopień scalenia średnica średnicą środa środą środek środek środek środek ośrodek środek antyelektrostatyczny środek chwastobójczy środek miotający do broni palnej środek znieczulający środki środkowy środkowy środowiska stinkend smoken. haast maken. roken stinken. voortmaken gezang. centrum beter maken. diameter middellijn. diameter woensdag woensdag middelpunt. doorsnee. binnenlands. omgeving . zangboek gemiddeld gemiddeld middellijn. lied zangeres zingen. middelbaar middel. lachwekkend. amuseren. werktuig intern. belachelijk. laxans gemiddeld. vermakelijk vla vla bloesem propeller. dodelijk sterfelijk sterfelijk vermakelijk. genezen. amusant belachelijk gek. leuk. helen gemiddeld antiseptisch middel afwasmiddel laxeermiddel. amusant. leuk. schroefdraad. binnenste gemiddeld. schroef ontbijt ontbijt sneeuwen sneeuwen sneeuwen druilerig. onderhouden aardig. voortmaken haastig. gehaast spoed maken. binnenste. medium. mal opvrolijken. zang. vies ruiken moorddadig. haast maken. centrum middelpunt. doorsnee.

medium. beschrijving milieu. akte. aanmaken proportie. candela. neuken naaien. candela. stuk acte. verhouding. neuken naaien. kaars kaarsensterkte. bedrijf. bewustzijn welbewust. getuigenis acte. aanmaken daglicht zonlicht aansteken. omgeving Middellandse Zee propeller. bedrijf. heilig. bedrijf. getuigen getuige acte. medium. medium. stuk certificaat. bewustzijn bezinning. candela. doen ontbranden. bewust welbewust. omgeving milieu. medium. besef. akte. voordeel certificeren. dokument. omgeving milieu. besef. geheiligd slaap beting accolade bretels kaarsensterkte. bewustzijn bezinning. neuken schroevedraaier schroevedraaier spiraal pré. wereld aansteken.środowisko środowisko CDE środowisko graficzne środowisko grupy roboczej środowisko zabezpieczeń środowisko zespołowe śródziemnomorski śruba śruba śruba (statku) śrubą śrubokręcie śrubokręt śrubowaty świadczenie (z tytułu polisy ubezp. akte. kaars kaarsensterkte. kaars . doen ontbranden. besef. schroef naaien. gemeenschap tafereel. dokument. bewust welbewust. omgeving milieu. sacraal. stuk getuige getuige bezinning. besef. schildering. evenredigheid vezel wereldwijd festival gewijd. attest. acte. bewust aardrijk. schroefdraad. świadczyć świadczyć świadectwa świadectwa świadectwo świadectwo odporności na promienie Rentgena świadek świadek naoczny świadomość świadomość świadomość istnienia produktu świadomość przekazu reklamy świadomy świadomy świadomy (<of sth> czegoś) świat światło światło działania światło punktowe światło stopu w samochodzie światłoczułość światłowód światowy świąteczny świątobliwy świątyni świder świder świdrach świeca świecą świeczka gemeente. dokument. bewustzijn bezinning.

świecznik świecznik świergocie świergot świergot świergotać świerszcz świetlik świetlik świetnie się bawić świetność świetny świetny świeży świeży święcie świętej pamięci świętej pamięci święto święto świętować świętował święty święty święty Mikołaj świni świnia świnka morska świscie świst świt świt świt świtać tabela tabela woluminu tabernakulum tabletce tabletka tablica tablica tablica (szczególnie pamiątkowa) tablica autoreferencyjna tablica odwołująca się do siebie tablica odwzorowanie tablica ogłoszeń tablica rozmieszczenia pliku tablica samoodniesieniowa

kandelaar, blaker kroonluchter, kroon, luchter piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen krekel, kriek vuurvliegje dakraam, patrijspoort, luik net, mooi gezag, prestige, autoriteit groots, grandioos, overweldigend tof, tiptop, excellent, kostelijk vers, onbedorven, luchtig, fris luchtig, fris, vers, onbedorven snipperdag, vakantiedag, rustdag vergevorderd, laat later festijn, feestmaal, smulpartij, gelag snipperdag, vakantiedag, rustdag vieren, opdragen, celebreren vieren, opdragen, celebreren gewijd, heilig, sacraal, geheiligd heilige geheiligd, gewijd, heilig, sacraal zwijn, varken zwijn, varken Guinees biggetje, cavia ritselen, ruisen fluiten, gieren aurora, morgenlicht, morgenrood dageraad, aanbreken van de dag zonsopgang aurora, morgenlicht, morgenrood tabel, tafel, lijst tabel, tafel, lijst tabernakel tafel, tabel, lijst tafel, tabel, lijst aanklampen, zich vastklampen aan dashboard, instrumentenbord, beschot tafel, tabel, lijst aanplakbord aanplakbord landkaart, kaart aanplakbord lijvig, dik aanplakbord

tabliczka tabliczka tabliczka dźwiękowa taborecie tabulacja tabulator tabulogram informować tabulowanie taca taca taca zabezpieczająca tacą taczka tajać tajemnica tajemniczy tajemny tajfun tajny tajny agent tak tak jak tak jest tak samo tak samo jak tak więc tak! wiele takcie taki taki taki owaki taksometr taksówce taksówce taksówka taksówka takt takt takt takt takt zegara taktyczny taktyczny taktyka także także także także <casement window>

belemmeren, afsluiten, afdammen fotografische plaat, plaat tafel, tabel, lijst kruk, taboeret tafel, tabel machine informeren, berichten, inlichten tafel, tabel schotel, schaal dienblad, presenteerblad bakvis dienblad, presenteerblad kruiwagen wegsmelten, dooien, ontdooien mysterie, raadsel, geheimenis mysterieus, geheimzinnig occult tyfoon confidentie verstand, geest, intellect ja, jawel ja, jawel voor, als, bij wijze van, hoe, tot dito, identiek als volgt als volgt ergo, dus, ook weer, toch ritme, tact, maat, beleid ergo, dus, ook weer, toch dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een uurwerk, klok vigilante, huurrijtuig, aapje taxi vigilante, huurrijtuig, aapje taxi afranselen verzekeren, beweren ritme, tact, maat, beleid teek teek tactiek tactiek tactiek evenzeer, ook, mede, eveneens verzenden evenzeer, mede, eveneens, ook aan, tegen, voor, tot, bij, naar

także <fag> także celny strzał w to miejsce talencie talent talent talerz z tworzywa do rzucania talia talia talia kart talon tam tam tam i z powrotem tama tamci Tamiza tamować tamować tampon tampon tamte tamten tamten tancerz tandeta tango tani tani hotel/pensjonat tani jak barszcz taniec tankwać tańczyć tańczyć tango tańczyć walca tapczan tapeta taras tarcie tarcza (telefonu targ targi targnięcie targować się targować się tarka tarsować taryfa taryfa

verzenden evenzeer, ook, mede, eveneens talent, gave, aanleg, begaafdheid gift, geschenk, donatie, cadeau talent, gave, aanleg, begaafdheid fotografische plaat, plaat verdek, scheepsdek, dek middel, leest, taille middel, leest, taille bon, voucher, kaartje, coupon ginds, aldaar, daar, er, daarginds ginds, er, aldaar, daarginds, daar ginds, aldaar, daar, er, daarginds afsluiting, barrière, dam, sperdam dat, datgene, zulks Theems blokkeren, vastzetten afsluiten, belemmeren, afdammen blok tampon dat, datgene, zulks dat ginds, er, aldaar, daarginds, daar danseres rommel, afval, prullaria, puin tango, stampen goedkoop goedkoop goedkoop bal, danspartij reservoir, vergaarbak bal, danspartij tango, stampen wals divan, Turkse staatsraad, rustbank behang terras wrijving wijzerplaat marktplein, markt, bazaar, marktplaats marktplein, markt, bazaar, marktplaats schokken afdingen, pingelen, marchanderen pingelen, afdingen, marchanderen raspen afsluiten, belemmeren, afdammen proportie, verhouding, evenredigheid dienstregeling, rooster

tarzać tasiemka tasować tasowanie (kart) taśma taśma taśma taśma poprawkowa taśma zmian taśma źródłowa systemu tato tato tatuaż tatuować tatuś tatuś tawerna tawerna tawerną tchawica tchórzliwy tchórzostwa tchórzostwo te teatr teatr rewiowy teatralność teatralny teatralny technice techniczny techniczny ośrodek przetwarzania danych technika technika technika technika grubowarstwowa technika cienkowarstwowa technika rozpoznawania obrazów technika światłowodowa technika wykrywania błędów technologia technologia) drop-on-demand technologią teczka teczka teczka konfiguracyjna teka

broodje, bolletje, kadetje, kadet band, lint mengen, temperen, mixen, vermengen mengen, temperen, mixen, vermengen schare, troep, bende band, lint met een band omgeven videoband met een band omgeven schare, troep, bende pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie taptoe taptoe pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie drenkplaats, bar, café herberg, uitspanning herberg, uitspanning luchtpijp geel lafhartigheid, lafheid lafhartigheid, lafheid dit, dit hier schouwburg, toneel, theater schouwburg, toneel, theater melodrama schouwburg, toneel, theater schouwburg-, toneel-, theatertechniek technisch technisch techniek techniek technologie techniek techniek doortrapt, slim, gewiekst, listig schouwburg, toneel, theater technologie techniek technologie technologie boekentas, theca, aktentas portefeuille leden, aanhang boekentas, theca, aktentas

tekscie tekst tekstylia tekstylny tektura teledysk telefon telefon wewnętrzne telefon wewnętrzny telefoniczna pomoc techniczna telefonujący telegraf telegraf Baudot—Verdan telegraficzny telegrafować telegram telegram teleJkomunikacja telemetria teleskop telewizja telewizja telewizją temacie temacie temat temat temat temat podmiot tempa temperamencie temperament temperatura temperatura złącza p-n temperaturą tempo tempo tempo wielkość (miara względna) ten ten ten kto przeżył ten zielony tendencja tendencja tenis tenor teologia teologia theorem

tekst tekst weefsel weefsel kartonnen knippen, scheren, snoeien opbellen, telefoneren opbellen, telefoneren achtervoegsel, suffix adresboek bezoeker overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen telegram metaaldraad, draad communiqué telemetrie sterrenkijker, telescoop, verrekijker televisie televisie televisie onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit stof, onderwerp, subject onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit iets actueels, actualiteit treden, schrijden, stappen, lopen temperament temperament temperatuur temperatuur temperatuur proportie, verhouding, evenredigheid snelheid, vaart, spoed, radheid lopen, stappen, treden, schrijden dat dit, dit hier dito, identiek dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een afdrijven, op drift zijn, drijven wilsbeschikking, gesteldheid, aanleg tennis tenorstem, tenor theologie, godgeleerdheid theologie, godgeleerdheid

teologią teoretyczny teoria teorią terapia terapią Terasa teraz teraz gdy teraźniejszy teren teren termin termin termin termin termin amerykański termin brytyjski termin prawniczy termin przeciwstawny terminal wizyjny terminal znakowy prosty terminologią termometr termos termostacie termostat terror terrorysta terroryście terroryzm terroryzować terytorialny terytorium test test wewnętrzny test zgodności testamencie testament testament testować teza tezą też też nie też nie też nie tęcza

theologie, godgeleerdheid akademisch, academisch theorie theorie therapie therapie terras enfin, komaan, nou, nu, wel, tja enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig, actueel achtergrond, grond, bodem, ondergrond terrein benaming, naamwoord, naam dadel, dactylus affiche, aanplakbiljet, plakkaat term, vakterm Amerikaans Brits wettig, wettelijk, gewettigd, legaal tegenover, aan de overkant van scherm, schut terminal terminologie, vakwoordenboek warmtemeter, thermometer thermosfles thermostaat thermostaat terreur, schrikbewind terrorist terrorist terrorisme schrik aanjagen, doen schrikken territoriaal territoir, ban, gebied, grondgebied examen, keuring, onderzoek binnenste, binnenlands, intern examen, keuring, onderzoek verbond, uiterste wil, testament verbond, uiterste wil, testament uiterste wil, verbond, testament examen, keuring, onderzoek proefschrift, stelling, dissertatie proefschrift, stelling, dissertatie evenzeer, ook, mede, eveneens evenmin, noch neen, geen, nee, niet evenzeer, mede, eveneens, ook regenboog

tęczą tęczówka (oka) tęczówka oka tęgi tępić tępy tępy tępy ić tęsknić tęsknota tęsknota tęsknota za krajem tętnica tętno the former>ten pierwszy tkać tkanina tkanina do robienia worków tkanina nieprzemakalna tkwiący tkwić tlen tlen cz tlenić (włosy) tło tło okna tłoczyć się tłoczyć się tłok tłok tłok tłuc Tłuczek tłum tłum tłum tłumacz tłumaczenia tłumaczenie tłumaczenie (tekstu) translacja tłumaczenie języka symbolicznego tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć język symboliczny zestawić tłumaczyć się tłumaczyć się

regenboog Iris Iris gezet, zwaarlijvig, corpulent verdelgen, uitroeien bot, stomp gesmoord, toonloos, stomp, dof bot, stomp verlangen, hunkeren, reikhalzen verlangend, smachtend heimwee verlangend, smachtend slagader, arterie pols, polsslag, tel daarvoor, vooraan, eerder, indertijd weven weefsel weefsel weefsel aangeboren, ingeboren kleven, vastkleven, aanhangen zuurstof zuurstof water achtergrond achtergrond hoop, boel, drom, massa, menigte kudde, roedel hoop, boel, drom, massa, menigte zuiger pers temperen, mengen, mixen, vermengen stamper, vijzelstamper hoop, boel, drom, massa, menigte gastheer massa, drom, hoop, menigte, boel interpreter uitvoering, versie translatie, translaat, overzetting translatie, translaat, overzetting samenscholing vergaderen, samenkomen, bijeenkomen uitleggen, interpreteren, duiden pleiten translateren, overzetten, vertalen translateren, overzetten, vertalen uitleggen, interpreteren, duiden reproduceren, weergeven

tłumaczyć z języka programowania na język angielski tłumić tłumić tłusty tłusty tłusty tłusty tłuszcz tłuszcz wielorybi tłuszczowy to to to to samo toalecie toaleta toaletka toast tobołek todze todze toga tok tokarka tokarnia token tolerować tolerować tolerował tolerował tolerując tom tom (dyskowy)objętość głośność ton ton odcień tona toną tonąć tonąć topić Topić topić się topnieć topnieć topola topór tor

translateren, overzetten, vertalen doven, blussen, uitdoen, uitblussen onderdrukken, smoren, neerslaan gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal lijvig, dik vettig, vet dik, vettig, vet lijvig, dik invetten lijvig, dik best het dat dito, identiek privaat, secreet, toilet privaat, secreet, toilet ladenkast, commode branden, braden, roosteren bundel, wis, bos toga, jurk, japon toga, japon, jurk toga, jurk, japon tracé, route, leergang, cursus, koers draaibank, draaischijf draaibank, draaischijf adstructie, teken, bewijs te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten aanhoudend, blijvend, bestendig geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume intonatie, toon intonatie, toon ton ton verdrinken, verloren gaan, vergaan zinken, aan de grond raken verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien dooi peppel, populier hakbijl, bijl afdruk, voetspoor, spoor

tor żużlowy tor/szlak wodny torba torba (foliowa torba na zakupy torbą torebka torebka damska torf torfowiska torfowiska torfowiska torfowiska tornister tornister torować drogę torpeda torpedą torpedować tors tort tortura torturą torturować tortury tory kolejowe totalny towar towar towar towar na składzie towar wyrzucony za burtę towar wyrzucony za burtę towarach towarzyatwo towarzyski towarzystwo akcyjne towarzysz towarzysz towarzysz towarzysz zabaw dziecinnych towarzyszący towarzyszący towarzyszący towarzyszyć towarzyszyć tożsamość tracić zabarwienie

steeg afdruk, voetspoor, spoor tas, zak consument, gebruiker, verbruiker tas, zak tas, zak beurs, portemonnaie, geldbuidel tasje, reticule, handtasje turf onderbinden Moriaan, Moor aanbinden, meren Mauretaniër knapzak, ransel knapzak, ransel genist, geniesoldaat, baanbreker torpederen torpederen torpederen boomstam, stam koek, cake folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen spoor, spoorweg algeheel, totaal handelsartikel, artikel colli, goederen koopwaar, handelswaar, waar handelsartikel, artikel mikpunt, onderwerp, object, ding dingen, spullen handelswaar, koopwaar sociëteit, club sociaal, maatschappelijk firma, handelsfirma, handelshuis zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker maat, kornuit, kameraad, makker zich aaneensluiten, aansluiten ingesloten, bijgaand zich aaneensluiten, aansluiten steward vergezellen, accompagneren, begeleiden verplegen, zorgen voor, verzorgen identiteit dalen, kleiner worden, afnemen

verhandeling trekker. dundoek. bij uitzenden. sturen. affaire. overlevering traditie. verhandeling verdrag. omroepen uitzenden. uiterlijk vervormen resolutie. omroepen opsturen. vandehands conciërge. tractor trekker. buitenkansje slaan. traktaat. buiten-. voeren . ding transactie transactie transactie extern. toevallig Fortuna lot. overbrengen. houwen. geluk. doen toekomen opsturen. behandeling kuur. overlevering gewoon. uitwendig. behandeling tram tram aangelegenheid. zaak. klappen rechter-. vlag transporteren. kloppen. cureren behandelen. motie aan. uitdelen behandelen. sturen. fortuinlijkheid bof. spoor verdrag. gebruikelijk ouder traditioneel incidenteel. fortuin. klappen slaan. mazzel.tradycja tradycją tradycyjny tradycyjny tradycyjny traf traf traf traf trafić trafić się trafienie trafna odpowiedź trafienie trafny tragarz tragedia tragedią tragiczny trakt traktacie traktat traktor traktor do transporu drewna traktować traktować traktować na serio traktowania traktowanie tramwaj tramwaj transakcja transakcja transakcja globalna transakcją transcendentny transformować translacja translator adresów transmisja pojedyncza na żądanie transmisja radiofoniczna transmisja radiowa transmitować transmitować transmitować (do wszystkich węzłów sieci) transmitował transparencie transport traditie. traktaat. houwen. nabij. tractor rondgeven. doen toekomen vaan. dichtbij. naast. kloppen. kloppen. ronddelen. houwen. portier tragisch tragisch tragisch afdruk. aan de hand zijn slaan. sturen. klappen gebeuren. omroepen uitzenden. voetspoor. omroepen uitzenden. doen toekomen opsturen. cureren kuur.

dauwworm club. drijven vlot boot. stof. overbrengen. bondig. klappen. voldaan inhoud kernachtig. een duw geven. transistor rechtopstaand. baanvlak reisplan. dobberen. spijsvertering digestie. tenor aanklacht. beschuldiging spul. toestoten. aanstoten slaan. overgankelijk overgang. de trompet steken. digereren digestie. toeten toeteren. baanvlak luchtweg reisplan. oefenen boren tevreden. de trompet steken. passage. route. overbrengen. route. toeten toeteren. baanvlak vlotten. verticaal transitief. opvallen stortplaats aanstoten. route. toestoten melaatsheid. doorgang reisplan. verduwen. kort.transport klucza transportować transportować tranzystor tranzystor polowy z rowkiem w ksztaJcie V tranzytywny trap trasa trasa domyślna trasa zastępcza ścieżka zastępcza trasować tratwa tratwa tratwa ratunkowa tratwą trawa trawa rosnąca na wydmach trawą trawić trawienia trawienie trawienie światłem przechodzącym trawnik trąba trąbce trąbka trącać trącać trącać łokciem trącenie łokciem trącić łokciem trąd trądzik trefl trema trenować tresować treśc treśc treściwy treść treść treść ruchu pakietów treść zasadnicza (dane właściwe przesyłane w pakietach sieciowych) trędowaty triumf transporteren. voeren tor. melaatse gejubel . een duw geven. spijsvertering ets perk. beknopt inhoud tenorstem. grasveld. sociëteit angst drillen. vergenoegd. grasmat toeteren. leproos. toeten een duw geven. toestoten aanstoten. goedje. kloppen. gazon. de trompet steken. schuit vlot gras gras gras verteren. lepra eczeem. tracé. substantie lepralijder. acne. voeren trekken transporteren. tracé. tracé.

bende troep kreng. een knoop leggen zwaar. verdriet. triangel een duw geven. attent. moeilijk. aanstoten vergiftigen. karig. aandacht zich bekommeren. achting zachtjes. kadaver horde. attentie. leed bezwaar. vergallen. spoor tropisch acht. bezorgd zijn. lijk aardbei aardbei aanhouden. drank. triomferen gejubel gering. kist alcohol. bestendig blijvend. vergiftig. giftig doodkist.triumf triumfować triumfowanie trochę trolejbus tron trop tropiciel stopka(listy) tropić tropikalny troska troska troska troskliwie troskliwy troskliwy troskliwy troszczyć się trójca trójkącie trójkąt trucht trucizna truciźnie trudność trudność trudność trudny trudny trujący trumna trunek trup trupa trupa trupą truskawce truskawka trwać dłużej niż trwała ondulacja trwałość poprzez dziedziczenie trwały trwały trwały trwały trwały trwały identyfikator trwoga zegevieren. blijven aandringen Perm leven. moeilijkheid. alcoholische drank lijk. aanhoudend gestaag. min. zorgen Drieëenheid driehoek. kreng. zegepralen. lastig. voorzichtig aandachtig. voetspoor. bestendig angst . oplettend behoedzaam. constant. zegepralen. constant. klein trolleybus troon afbakenen aanhangwagen afdruk. vergallen. bestendig volhardend vasthoudend gestaag. slim hard venijnig. bezorgd zijn. triomferen zegevieren. vergeven smart. luttel. voorzichtig nadenkend zich bekommeren. vergeven vergiftigen. kadaver. hachje aanhoudend. blijvend. strubbeling knopen. triangel driehoek. zorgen tel. toestoten.

verdoen manier. kletteren. uitwrijven adhesie betuigen. gooien rillen. kletteren. knetteren dichtslaan knapperen. moreel. trant gemoedstoestand. bibberen. trant conjunctief. rillen. trant manier.trwonić tryb tryb tryb (pracy) rodzaj uprawnienia tryb dostępu (w Uniksie) tryb łączący tryb oznajmiający tryb oznajmujący tryb przezroczysty (wykonywania operacji) trybuna trygonometria trygonometrią tryl trylion tryskać trzask trzaskać trzaskać trzaskać trzaskanie trzaśnięcie trząść trząść się trząść się trząść się trzcina trzcina trzcina trzcina cukrowa trzciną trzeba przyznać że trzeci trzeci migdał trzeć trzepnięcie trzepotać skrzydłami trzepotanie trzeszczeć trzeźwy trzęsienie ziemi trzmiel trzon trzy trzy pensy trzydziestka trzydzieści trzykrotny verklungelen. knetteren dichtslaan aardbeving schokken opgooien. podium driehoeksmeting. stemming manier. opmaken. omroepen tribune. wijze. wrijven. mijnschacht drie drie dertig dertig drievoudig. driedubbel . stuiven dichtslaan barst knapperen. fladderen beven. huiveren. leiding. stok staf. wijze. wijze. trigonometrie driehoeksmeting. aantonende wijs uitzenden. stok riet suikerriet staf. bibberen staf. kletteren. opspatten. beven. stok toegegeven derde derde aanstrijken. huiveren knapperen. aantonende wijs indicatief. knetteren nuchter aardbeving hommel schacht. applaudisseren aan de scharrel zijn. trigonometrie trillers maken triljoen verspuiten. aanvoegende wijs indicatief.

sop. twaalftal harden. scharrelen bespreken. roerigheid. stalen stugheid. koon. passend. fiks. aangeboren heester. stam herrie. kaak zenuw jus. steekspel toerist toerist toerisme toerist hier. getier herrie. straf gevestigd. hecht afgemeten. rel. aangeboren ingeboren. friemelen. plantengal.trzymać trzymać się z dala od trzymać w rezerwie trzynaście trzystopniowa wymiana komunikató tu tuba tuba elektromagnetyczna tubylca tubylec tuleja tuleja tulić tulipan tułów tumulcie tumult tunel tunel tunice tunika tuńczyk tupecie tupet tupet tupet tura Turcja Turcja turecki Turek turnia turniej turysta turystyczny turystyka turyście tutaj tuzin twardnieć twardość twardy twardy twardy koniec wiersza twardy myślnik twardy orzech do zgryzienia twarz twarzowy morrelen. betrekking hier. reserveren. sterk. galnoot wang. hierheen dozijn. luchtpijp. stevig. temperen. saus anders maken. tabakspijp ingeboren. hardheid hard krachtig. roerigheid. ceremonieel hard het hoofd bieden gepast. alp toernooi. rel. hierheen binnenband. veranderen Turkije kalkoen Turks Turk alpenweide. geschikt . luchtband pijp. vast. struik mouw knuffelen tulp boomstam. intekenen blijven dertien verband. plechtig. getier metro tunnel tuniek tuniek tonijn gal. omgang. geducht.

materieel je. elke week gage. aanbouw samenstellen. jouw het jouwe. bezoldiging. jijzelf jou. inmiddels. aan je. aan jou. maar billijk. voorlopig tijdelijk kalken. enkel. theorema beweren. alleen. loon. componeren verwekken verstoffelijken. aanstrijken drukletter drukletter . je uzelf. materialiseren scheppen. hoewel. aan jou. as theologie. je kuil Pool week wekelijks. creëren stoffelijk. aanstrijken kalken.twierdzenie twierdzenie twierdzenie twierdzić twierdzić (bezpodstawnie) twoj tworzenie serwerów WWW tworzyć tworzyć tworzyć tworzyć kopię zapasową tworzyć mozaikę tworzywa twój twój twór twórca twórca v pisać ty ty ty sam tyczka tyczka tydzień tygodnik tygodniowo tygodniowy tygodniówka tygrys tykwa tykwą tylko tylko tylko wstęgi boczne tylko z nazwy tylne światło (samochodu) tylne wejście tylny tył tył kompilatora tym niemniej tymczasem tymczasowy tymczasowy tynk tynkować typ typ źródłowy spil. verzekeren betuigen. rechtvaardig louter. fair. rechtvaardig pas. verzekeren het jouwe. schrijver. enig achterlicht achterdeur achterhoede achterhoede achterhoede wel. alleen. bouw. slechts. salaris tijger kalebas kalebas billijk. aan je. verlaten. godgeleerdheid stelling. ofschoon. fair. alhoewel intussen. de jouwe wezen architect. de jouwe constructie. elke week wekelijks. daarentegen tijdelijk. stilist jou. al. elke week wekelijks. creëren scheppen. bouwmeester auteur.

betitelen adresseren afknotten opvrolijken. voorwerp kleren. akte. armoede aankleden. stelletje. kleren complet. overweldigend duizend duizendjarig tijdperk. bekleden kleding. uitspraak. omkleden. verzekeren. ver. verzekering assurantie. onderhouden veilig stellen. kruk. beklagenswaardig afslachten. hengsel. verzekering betuigen. watercloset een verband omleggen minder belangrijk. slachten gebrek. verzekeren. zijerbarmelijk. afnemen oor uitgewekene. bekleden kleding. omkleden. stuk titelen. stel ding. handvat. beslissing bemachtigen. tituleren. grandioos. assureren assurantie. assureren match. handelen besluit. stelletje. verzekering assurantie. concours een verband omleggen een verband omleggen woordspeling WC. tituleren. amuseren. bij-. voorwerp verminderen. tiran duizend groots. aangrijpen.typowy tyran tysiąc tysiąc (dolarów tysiąc instrukcji na sekundę Tysiąclecie tysiąclecie tytan tytoń tytuł tytuł szlachecki tytuł własności tytułować u góry ubawić ubezpieczać ubezpieczenia ubezpieczenie ubezpieczenie na życie ubezpieczyć ubezpieczyć ubiegać się o posadę ubierać (się) ubierać się ubijać ubikacja ubiór uboczny ubogi ubój ubóstwo ubrać ubrać ubrać ubranie ubranie ubranie ubranie ubranie (męskie) ubranie cywilne ubywać ucho uchodźca uchwalać uchwała uchwała uchwycić sens uchwyt eigenaardig. ageren. vluchteling verordenen. geweldenaar. set. kleden. set. betitelen bedrijf. kleding ding. typisch dwingeland. stel aankleden. kleden. klink . acte. wedstrijd. verzekeren veilig stellen. bezig zijn. decreteren doen. dokument. millennium millennium Titan tabak titelen. kleren complet. grijpen oor.

geleerd wetenschapper. deftig eerlijk.uchwyt powiązania uchwyt środowiska uchylać się uchylać się uchylony uciążliwy uciec uciec uciec ucieczce ucieczka ucieczka uciekać uciekać się uciskać uciskać uciszyć uciszyć się uczcić uczciwy uczelnia uczelnia uczeń uczęszczać uczęszczać uczony uczony uczta ucztować uczucie uczucie uczucie uczucie) uczyć uczyć uczyć się uczyć się uczynny uda udaj udaj udawać udawać udawanie udawanie uderzać uderzać uderzający knippen. genootschap college student verplegen. ontgaan ontsnappen. ontkomen. ontwikkeld. gelag affect. raak . drukken pers stil. afgrendelen ontsnappen. simuleren. zichzelf respecterend. dringen. afgrendelen ontsnappen. aandoening instrueren afwennen. uit de weg gaan op een kier staand drukkend. doen alsof voorgeven. simuleren. handvat. klink mijden. feestmaal. rust. smulpartij. smulpartij. wegrennen. aandoening recipiëren gevoel gewaarwording. ontkomen appelleren. juist. dij fingeren. persen. doen alsof aanstellerij. plukken. uit de weg gaan. snoeien oor. scheren. geleerde festijn. ontgaan grendelen. gelag festijn. inschikkelijk. drossen grendelen. zwaar weglopen. rustigheid. ontgaan. aanleren knap. doen alsof aandoen. stilte waardig. zorgen voor. feestmaal. aangrijpen fingeren. emotie. geprononceerd. afleren leren. ontwikkeld. hengsel. rustig. geregeld bezoeken knap. kalm kalmte. verzorgen bezoeken. onnatuurlijkheid aanmatiging. mijden. eerzaam. meegaand bovenbeen. voorwenden. onbescheidenheid hameren afrukken. hogeschool. degelijk academie. ontkomen. een beroep doen op knellen. ontkomen. geleerd toegevend. kruk. bedaard. ontgaan ontsnappen. ontwijken ontwijken. afbreken snedig.

eren golfspel. vereren. krakelen bewijzen. tappen. lossen twisten. schragen verlichten.uderzający kontrast uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie serca uderzenie takie j. kloppen. fiducie hebben in fiducie. grondvesten. overeenstemming vertrouwen. belichten stutten. het juk opleggen stutten. uderzyć uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem udo udostępniać udostępniać udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc techniczna obsługa udostępnić udostępnienia udowadniać udowadniać udowodnić udręczenie udręka udręka udusić udział udział udział udział dyskowy udzielać udzielić udzielić nagany udzielić poufnej informacji ufać ufać komuś/być zwolennikiem czegoś ufność ufność ufny ufundować Uganda ugniatać ugoda uhonorować ujadać ujadanie ujarzmiać ujawniać ujawnić snedig. kloppen. stuk. bocht. aaien slaan. disputeren.w. klappen. golf. agonie beklemming. liefkozen. steunen. aantonen schuldig bevinden beklemming. kloppen. vergemakkelijken loslaten. interesseren deel. dij tentoonstellen. vergemakkelijken verlichten. funderen Oeganda kneden overeenstemming. geloof vertrouwen. benauwdheid. opvallen slaan. doodsstrijd. raak slaan. opvallen bovenbeen. angst smoren. fiducie hebben in vertrouwen. onderdeel. zelfverzekerd baseren. klappen. vertrouwen. opvallen stompen Jan Klaassen aanspannen slaan. juist. gedeelte bijdrage verloten. boezem golfspel. kloppen. samenklank huldigen. fiducie hebben in zelfbewust. manifesteren . inham. bocht. schragen laten blijken. uitlaten. angst doodsangst. klappen. klappen. golf. opvallen aanhalen. steunen. strelen. geprononceerd. inham. neerslaan invoer belang inboezemen. onderdrukken. loten college geven stortplaats accoord. boezem aanspannen. benauwdheid.

citeren. liefje. innemend. lieverd. gediplomeerd scheelzien. opdagen akkoord. lieveling schat. minus negatief. lief. ordenen ophopen. snikkel. schuin tersluiks. priemen. charmant ziehier. liefje. aanrichten. pik. loensen afkraken afkraken scheef. maatregel circuit arrangeren. steken pikken. ordenen puzzel. cliché aanhouding. lief. lieveling compleet. scheelkijken. toegang bek.ujednolicić ujemnie ujemny ujemny ujęcia ujmować w cudzysłów ujmujący ujrzeć ujście ujście ujście danych ujście zdarzeń ukartować ukazać się układ układ układ logiczny odporny na szumy układ komplementarny MOS układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy układ mikroprocesorowy układ RTL układ zerojedynkowy układ żądania i przyznania magistrali układ żądania i przyznania magistrali układać układać układać w stos układance ukłonić się ukłucia ukłucie ukłucie ukłuć ukochana ukochana osoba ukochany ukochona ukończyć ukończyć studia ukośnie ukośnik ukośnik (prawy) ukośny ukradkiem Ukrainiec ukraiński ukraść maken. bedrieglijk opdraven. volledig afgestudeerd. liefje schat. prikken. doen. muil zinken. jongeheer lul. steken schat. hierzo entree. priemen. lieveling. steelsgewijs Oekraïens Oekraïens achteroverdrukken. troep. lieveling schat. jongeheer pikken. ingang. arrestatie aanhalen. opeenhopen. prikken. ziedaar. aan de grond raken bek. hier. vatting akkoord. raadsel boog. afbikken montuur. verdonkeremanen . kijk. lief. accumuleren arrangeren. samenklank bikken. aanrichten. toog lul. noemen bekoorlijk. snikkel. maatregel circuit bende. leuter. liefje. leuter. sluiks. schare circuit logica overeenstemming. pik. muil slinks. bedrijven ontkennend min.

huid verborgen. dierevel. pels. mantel vel. koesteren. verhelen veinzen. veredelen verbeteren. mild. veredelen storm dreef. laan steeg straat afstemmen. verdekt. ingenaaid boek zwak ultimatum uitverkoren uitverkoren troetelen. vacht. illusie doods. vergemakkelijken arrangeren. adapteren brochure. zachtmoedig. aanrichten. dodelijk gemeubileerd kruisen. vertroetelen afgezonderd. vacht. in het water vallen verbeteren. huichelen verborgen. kruisigen matigheid zacht. verdekt. belichten verlichten. ordenen arrangeren. ordenen drogbeeld. ontveinzen. zachtaardig . paperback. ontveinzen. aanrichten. nijpen sluipen blind jas. tokkelen. dodelijk doods. fractie tentoonstellen. kruisigen bijenkorf bijenkorf floppen.ukraść ukraść ukryć ukryć ukryć ukryty ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać się ukrzyżować ul ul ulegać awarii ulepszać ulepszyć ulewa ulica ulica ulicą uliczka uliczka uliczka uliczny ulokować ulotka ulotny ultimatum ulubienica ulubieniec ulubieniec ulubiony ulubiony ulubiony ulubiony ułamek ułatwiać ułatwiać ułożyć ułożyć się z wierzycielami ułuda umarli umarły umeblowany umęczyć umiar umiarkowany klemmen. huid verbergen. clandestien verbergen. vertroetelen uitverkoren uitverkoren troetelen. knijpen. clandestien vel. koesteren. aanpassen. begoocheling. verhelen kruisen. laan straat straat steeg dreef. dierevel. pels. afzonderlijk breuk.

plaatsen plaats. uit de weg gaan. annuleren. lokaal. contract congres willekeurig. matig belevenis. leggen. afgelasten overeenstemming. enig vernietigen. overlijden. samenklank akkoord. afgelasten mijden. universiteit krankzinnig zijn zweven immuun. kundigheid geschiktheid wetenschappelijk situeren. enig uniek. leggen. vatting situeren. universiteit academie. bekken. universeel algemeen. mentaal vont. verwoesten. universeel academie. washok. bevestigen. ondervinding bekwaamheid. positie doodgaan. aanstelling wassing het haar wassen geestelijk. resistent . bezadigd. annuleren. verwoesten. sterven montuur. stand. aanneming fixeren. ervaring. eigenmachtig benoeming. vernielen algemeen. aanstelling benoeming. ontwijken typisch.35 grama) unia unieważniać unieważnić unikać unikalny unikat unikat unikatowy uniważnić uniwersalny uniwersalny system przetwarzania informacji uniwersytecki uniwersytet unosić się unosić się w powietrzu uodporniony nuchter. vreemd weetgierigheid. nieuwsgierigheid uniek. bepalen vasten ontbinden. oord. curieus. plaatsen ligging houding.umiarkowany umiejętności umiejętność umiejętność umiejętny umiejscawiać umiejscowienia umiejscowienie umierać umieszczenia umieścić umieścić umieścić umocnienie umocować umocowany umorzyć (dług) umowa umowa umowa licencyjna umowa obustronna umowny umówione spotkanie umówiony termin umycie umyć sobie włosy umysłowy umywalnia umywalnia uncja uncja (28. sober. maatregel verbintenis. wasgelegenheid ons ons unie vernietigen. plek aanspannen vormsel. kom wasinrichting. arbitrair. onvatbaar. vernielen ontbinden.

verootmoedigen verootmoediging. zich verbeelden hoe. ineenstorten.upadać upadać upadek upadek upadek upadek upakować upał upaństwawiać upaństwowić uparty uparty uparty uparty się upewniać upewniać się upewniać się (<sth> co do czegoś) upewnić się upiec upierać się upierać się upilnować upiorny upiór upload upływać upodobanie upodobanie upokarzać się upokorzenie upokorzyć upominać upominek upominek uporczywa (walka) uporczywy uporczywy uporządkować coś uporządkowanie uporządkowany upoważniać upoważnić upoważnienie upraszczać upraszczać uprawa uprawa drzew uprawa ogrodu druppel. hardnekkig afgemeten. afstemmen. er uitzien afgrijselijk blinde. pakken. blinde bij kaarspel. deemoedig vermanen. volmachtigen. halsstarrig. plechtig. autoriseren mandaat. bouw tuinieren cultuur. instelling systematisch machtigen. halsstarrig. duchtig. halsstarrig. volmachtigen. verzekeren. vuur nationaliseren. storten instorten. teelt. hardnekkig betuigen. bevinden bakken aandringen aanhouden. adapteren afstelling. koppig koppig. vaststellen. ceremonieel halsstarrig. vernederen. afkorten vereenvoudigen. bevinden constateren. bekorten. beschaving. autoriseren machtigen. naasten koppig. storten afgang inpakken. manen. neervallen. straf koppig. aansporen aandenken. beschaving. tot kleinmaken. waterdruppel vallen. geest uploaden aflopen. ophouden. streng. afvallen. neervallen. assureren constateren. gedenkschrift bar. onderdanig. bevoegdheid. hardnekkig halsstarrig. hardnekkig. simplificeren cultuur. teelt. als. eindigen bedenken. hard. naasten nationaliseren. bouw . voor. verpakken gloed. vaststellen. koppig aanpassen. uitgaan. vernedering nederig. gedenkschrift aandenken. aanmanen. bij wijze van. uiteenvallen ebvallen. hardnekkig. machtiging inkorten. afvallen. blijven aandringen het uiterlijk hebben van. verzekeren veilig stellen.

prejudiciëren vooroordeel. bevoegdheid. reeds. prae bevoorrecht. welgemanierd preferentie. machtiging vrijdom. afschaffen. bewerken. vooraan. machtiging mandaat. kweken mandaat. voorzichtig gunst. simplificeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoeren elimineren. indertijd vooroordeel. betitelen geschiktheid mandaat. kas. voorkomend bereidwillig. oefenen geldkist. bevoegdheid. worstelen agrarisch bebouwen. tituleren. hoffelijkheid voorkomend. bereidvaardig beschaafd. voorrangsdisconto druppel. gezag mandaat. vriendelijk wellevend. prejudiciëren zachtjes. privilege. begunstiging. fonds dobbelen hof.uprawiać uprawiać uprawiać uprawiać autostop uprawiać hazard uprawiać stręczycielstwo uprawiać zapasy uprawiać ziemię uprawnianie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie do zarządzania zadaniami uprawnienie do zmiany uprawnienie publiczne uprawnienie zdolność uprościć uprowadzać uprowadzenia uprowadzenie uprowadzić uprzątać uprząż uprzednio uprzednio uprzedzać uprzedzać (<against sb> do kogoś) uprzedzenia uprzedzenie uprzedzić uprzejmie uprzejmość uprzejmość uprzejmość uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzywilejować uprzywilejowany upust upuść uradowany uradowany Uran uran bebouwen. beschaafd. bevoegdheid. eerder. genadigheid voorkomendheid. opdoeken span al. bewerken. tuin kampen. liefheid beleefdheid. aardig. waterdruppel verrukt jubeluranium Uranus . alreeds daarvoor. gezag vereenvoudigen. lief. vooringenomenheid vooroordeel. vooringenomenheid anticiperen. vrijheid. wellevend. bevoegdheid. machtiging autoriteit. alvast. welgemanierd vriendelijk. kweken drillen. machtiging autoriteit. vooringenomenheid anticiperen. vlotheid titelen.

wond. schoonheid. gewoonte. aanzetten klif. ordenen uitschrijven. gebruik douanekantoor. inrichting beseffen. kwetsuur. behouden. activeren. bevatten. benul. aanrichten. klip usance. apparaat slaaf idee.uratować uratować uraz uraza urazić uregulować (np. begrip. redden redden. een beroep doen op aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid afleidingsmanoeuvre ontzetten. inrichting. afdoen verlof. voorrijden uitschrijven. ontketenen executeren. overvloed vruchtbaar geboorte geboorte verjaardag. begrijpen bediende. ter dood brengen aanzetten tot. organiseren bijkomstig. kantoorbediende ambtelijk. verjaring appelleren. royeren. bijkomend akkoord. grenskantoor aanplakken postkantoor arrangeren. charmant behaaglijk. geboortedag. knapheid onbekrompenheid. accommodatie. maatregel hulpmiddelen. regelen. behouden blessure. denkbeeld uitrusting. officieel . officieel bediende. aanbiddenswaardig bekoorlijk. bergen. lanceren. ontslaan aanrijden. genoeglijk viering fraaiheid. verwonding trots beledigen. vrijaf vakantie vakantie aanbiddelijk. innemend. kantoorbediende officier ambtelijk. krenken afhandelen. bijbehorend. rachunek) urlop urlop urlop chorobowy sickness uroczy uroczy uroczy uroczystość uroda urodzaj urodzajny urodzenia urodzenie urodziny urok urok urok urozmaicenia uruchamiać uruchamiać uruchamiać (program) uruchomić uruchomić w tle urwisko urząd celny urząd celny urząd pocztowy urząd pocztowy urządzać urządzać urządzenia pomocnicze urządzenie urządzenie urządzenie peryferyjne urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela urządzenie zewnętrzne urzeczywistniać urzędnik urzędnik urzędnik państwowy urzędnik stanu cywilnego urzędowy bergen. affronteren.

bescheiden. beamen. oprichten. temperen. speurwerk. aanrichten. bedaard. bevestigen dringend. afhalen serveren. zoektocht eredienst. godsdienstoefening courtage te wachten staan. vast inrichten.usankcjonować usilny usłuchać usługa elektroniczna usługa o najwyższej możliwej jakości usługa uaktualniania sterowników usługa uwierzytelniania usługa zabezpieczenia usługi maklerskie usługiwać usługiwać usługodawca sieciowy usłużny uspokajać uspokoić uspokoić uspokoić uspokoić się usposobienia usposobienie usposobienie usposobiony usprawiedliwiać usprawiedliwić usprawnić usta ustalać ustalać z góry ustalić ustalony ustanawiać ustanowić ustanowić ustanowienie ustanowienie ustawa ustawa ustawać ustawą ustawiać ustawianie ustawić ustawienie. muil determineren. stichten gesticht. nauwkeurig bepalen onbeweeglijk. ordenen akkoord. speurwerk. oprichten. stalen aangedaan. rustig. paragraaf artikel. aard harden. brandend. star. stil. kalm wiegen harden. oplettend gematigd. kalm gematigd. godsdienstoefening vinger speurtocht. aflaten. dienst. bedanken. oprichten. modificeren bek. bescheiden. ophouden statuut inrichting. stalen karakter. apparaat. temperen. instituut. stichten determineren. paragraaf neerleggen. rustig. matig stil. zoektocht eredienst. matig bedaard. spoedeisend gehoorzamen speurtocht. nauwkeurig bepalen inrichten. geaardheid. aangegrepen verontschuldigen verontschuldigen wijzigen. hulpmiddelen inrichting. attent. inrichting grondwet. dienst. wachten. apparaat. hulpmiddelen arrangeren. voorleggen server aandachtig. maatregel toegeven kast artikel. układ ustąpić ustęp ustęp (w książce) ustęp w książce ustępował ja zeggen. stichten inrichten. constitutie instelling recht statuut stoppen. afstand doen .

bekwaam eminent. verdorren eerbiedigen. knellen vasthaken knuffelen drukken. breeuwen puntig. hand drukken. afschaffen. slecht. opdoeken uitwissen.ustępował ustnie ustny ustronne (miejsce) ustrój usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć przekrwienie usunąć usuwanie (z IRC) usunąć zaznaczenie usuń usuwalny usuwanie źródeł zakłóceń radiowych usychać uszanowanie uszczelniać uszczelnić uszczypliwy uszczypnąć uszko uszkodzenie uszkodzenie styku uszkodzić uszkodzić uszkodzony uszkodzony sektor uścisk uścisk uścisk uścisk uścisk dłoni uściskać uścisnąć (rękę) uśmiech uśmiech sieciowy uśmiechać się uśmiercać uśredniać uświadomić uświęcać uświęcony utalentowany utalentowany utalentowany utknąć bekoelen. kruk. omarmen bemachtigen. grijpen handdruk. kalefateren. louteren elimineren. heilig. vernielen gommen. kwaad omhelzen. uitstekend. uitvegen. persen. aantrekken kalfateren. schoonmaken. beschadigen. kundig. hengsel. klink schuld verval schade aanrichten. staatsvorm. aanzienlijk getalenteerd. louter stelsel. verwoesten. beroerd. trappen elimineren. defect. opdoeken elimineren. dringen. afschaffen. wegvagen vernietigen. maatregel verflensen. knellen glimlachen glimlachen glimlachen vernietigen. persen. vernielen gemiddeld illumineren. oraal enkel. bloot. schaden havenen. afschaffen. kwijnen. wegvagen afneembaar akkoord. bedaren. dringen. verlichten heiligen geheiligd. respecteren strakker aantrekken. handvat. verwoesten. uitvegen. met gom bestrijken reinigen. spits aperitief. talentvol logeren . opdoeken schoppen. regime uitwissen. luwen mondeling mondeling. borrel oor. bederven kapot. sacraal capabel. gewijd. kaduuk kwalijk. gehavend. stuk.

oplettend ouverture ouverture affect. schragen stutten. weglokken gevangen zetten. ophouden. tappen. eindigen verloren. emotie. beklemtonen met nadruk zeggen. aandacht beoordelen. attentie. voorzichtig aandachtig. steunen. mank lopen zin. argumenteren zich gedragen stutten. steunen. brok tekst scheppen. oordelen. verlokken. betogen. aandacht berisping.utkwiony wzrok utopią utopijny utracić ważność utracony utrapienia utrapienie utrata wydajności utrzymać utrzymywać utrzymywać (coś w ruchu) utrzymywać (stosunki utrzymywanie utrzymywanie się utwardzać utworzyć utworzyć utwór (muzyczny utwór liryczny utwórz utykać utykanie (na nogę) utylizacja uwaga uwaga uwalniać uważać uważać uważający (<of sth> na coś) uważnie uważny uwertura uwerturą uwiązanie uwiązanie uwielbiać uwielbiać uwielbienie uwierzytelnienie uwieść uwięzić uwięzić uwolnić uwolnić uwolnienie uwydatniać uwypuklać uwypuklać staren. adoratie geloofsbrief verleiden. blaam bevrijden acht. aanstaren Utopia utopistisch. aanmerking. berechten behoedzaam. benadrukken . attent aandachtig. aandoening aanhechting verafgoden. aanvechting. adoreren. creëren kreupel lopen. uitgaan. kerker. hinken. aanbidden adoratie. betogen. schragen harden. componeren doen ontstaan. temperen. waterdruppel vertogen. aanbidding aanbidding. mank lopen kreupel lopen. lossen vermeerderen accentueren. hinken. standje. kwijt. nor vrijstellen. vervlogen hoofdpijn pest druppel. met aandacht. attentie. attent. argumenteren blijven vertogen. neiging acht. opsluiten gevangenis. turen. formeren fragment. ontslaan afhelpen loslaten. uitlaten. lust. stalen samenstellen. maken. utopisch aflopen.

akkoord onbeweeglijk. afzijdig. hulpvaardig aannemen. laten schieten menen.uwypuklać wzmagać uwypuklenie uzależnienia uzasadniać uzasadniać uzdą uzdolnienia uzdolnienie uzdolniony uzgadniać uzgadniać uzgadnianie uzgodnić uzgodnienia uzgodnienie uzgodnienie włączania i wyłączania uzgodniony uzgodniony uziemiać uziemienia uziemienie uziemienie uziemienie uziemiony uziom uznać uznaj uznaj uznaj uznania uznanie uznanie uznanie uzupełniać uzupełniający uzurpował uzyskać uzyskiwać użycie użycie użyteczność użyteczny użyteczny rozmiar ekranu: 13 użytek użytkować użytkownik użytkownik zaawansowany używać vermeerderen nadruk. uitmelken gebruiker gebruiker betrachten. afgesproken. capabel. houden voor toejuichen. geloven. kundig het eens zijn. usurperen verkrijgen. ondergrond neutraal. begaafdheid. nuttig behulpzaam. buit maken longtering. vast aanaarden aanaarden aanaarden aarding. gave. afgesproken. gave. bij acclamatie benoemen eerbetoon. toepassing utility bevorderlijk. beteugelen. afboeken accoord. tuberculose aanwending. aanleg bekwaam. laten begaan. begaafdheid. exploiteren. akkoord opnemen. bodem. star. buit maken verkrijgen. aardleiding achtergrond. aanleg talent. overweldigen. overeenstemmen in orde. klem afhankelijkheid verontschuldigen garanderen. bij acclamatie benoemen toejuichen. dienstig. volledig aanvullend kraken. als waarheid aannemen laten. als waarheid aannemen agnosceren. tering. aanwerven uitbuiten. hand in orde. overeenstemming handdruk. hand accoord. onpartijdig aanaarden agnosceren. beoefenen . overeenstemming handdruk. betomen talent. borg staan voor bedwingen. huren. grond. eerbetuiging erkenning compleet.

okee . aanvaller geruit.używać używać powtórnie używać życia używany używany do tworzenia czasu przyszłego użyźniać v V (<spill v całować (się) v leżeć v przycinać (drzewa v zaopatrywać verbum verte w w (pewnych) granicach w biedzie w budowie w charakterze w czasie w dobrym guście w domu w dół w dużej mierze w dużym stopniu w gniewie w gotowości w górę w górę i w dół w górze w każdym wypadku w każdym wypadku w kierunku obrotu wskazówek zegara w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara w końcu w kraju i za granicą w kropki w którym w którym najwięcej się przebywa w lombardzie w napięciu w plamy/cętki w płomieniach w płomieniach w pobliżu w połowie drogi w porównaniu z aanwending. hol. ernaast. geblokt geruit. zwanger aanhangig ander waas. totaliter. ophopen. okay. toepassing aannemen. bezorging werkwoord klaar. krocht. in. grot. naar boven met de klok mee. dons waas. overheen. afgelopen. nesthaar. huren. naar boven boven boven omhoog. verterend. ineen volkomen. enig over. rechtsom aan. opeenhopen morsen zoenen. kussen rusten snoeien aanvoer. bijeen. heel drachtig. holte zitkamer. zullen gieren. rechtsom voorspeler. verlaten. opwaarts omhoog. verzendend circulerend. beëindigd per. opwaarts. op. dons tegenwoordig tegenwoordig op. alleen. daarnaast louter. afgewerkt. tot. omhoog. geblokt spelonk. mesten accumuleren. aanwerven aanwending. naar met de klok mee. woonkamer archief op bed hiervandaan. vanhier gloeiend. in omloop hiernaast. te. tezamen. voor. nesthaar. naar boven. bemesten. binnen feeëriek samen. op. opwaarts. toepassing tweedehands gaan. tegen. huiskamer. aan de overkant van goed. vurig. bij.

laf. inbegrepen. spoorwagen bagagewagen . bang zinnebeeld.w międzyczasie w żadnym wypadku w żałobie wabić wabić wabić wabik wachlarz wada wada wada w zabezpieczeniach wada wymowy również jąkanie wadą wadliwe działanie wadliwy wafel waga waga waga waga półciężka (w boksie) waga półciężka (w boksie) wagon wagon wagon wagon (towarowy) wagon bagażowy rechter-. te. overschot gewicht automobiel. symbool van middelbare leeftijd per. daarentegen intussen. aanzetten nadeel. zodoende hierbij intussen. rugwaarts achteruit. hatelijk wafeltje weegschaal. dus. binnen per. wegen. waarachtig lafhartig. te. in. binnen. binnen in. per per. minpunt schuld nadeel. lokaas aanwakkeren. binnen verlokken. haperen. achterwaarts. zodoende inderdaad. derhalve. aanlokkelijk lokken aas. aanvuren. circa bijgevolg. binnen iets achteruit. verleiden lekker. te. boosaardig. auto affuit bestelauto. metterdaad. derhalve. weglokken. te. in. incluis bijgevolg. in. dus. achterwaarts. rugwaarts inclusief. minpunt schuld nadeel. minpunt uitvallen. schaduwzijde. waag het gewicht bepalen. stuk gaan kwaadaardig. bestelwagen wagon. in. een stuk of. te.w potrzebie w przeciwieństwie do w przybliżeniu w razie uszkodzenia niektórych elementów) w rzeczywistości w stosunku do w strachu w systemie AutoCAD w środku w tej chwili w twoim wieku w tyle w tym celu w wielu wypadkach w wyniku w zwrocie <with arms akimbo> podparłszy się pod boki w zwrocie <without demur> bez sprzeciwu w zwrocie: <in the meantime> w międzyczasie w zwrocie: <in the meantime> . afwegen gewicht saldo. inmiddels. vandehands ander ongeveer. schaduwzijde. daarentegen per. schaduwzijde. balans. inmiddels.

vuur damspel waarde. schommeling vakantie verlof. straatschender vanille vanille bad. badkuip bak. koffer valies. mopperen. braaf. cilinder flink. hapering. morren vlechten . dijk loopgraaf rol. cilinder vandaal. zich aftobben muntsoort. waterkering bastion. schoorvoeten. dommekracht. eerlijk. spoorwagen trolley. spartelen. teil. spartelen. zich aftobben strijden. sputteren. wal. dapper. krik Wales dichtslaan Welshman Wels valies. kampen. omwalling waterkering. strijd voeren rol. gek. beugel aarzelen. ferm vijzel. pakken worstelen. valuta dijk. vrijaf wals worstelen. handkoffer. sputteren. strijd voeren beetnemen. afnemen bezetene.wagon sypialny wagon towarowy wagonik wahać się wahać się wahać się (w podjęciu decyzji) wahania wahanie się wakacje wakacje (ferie) walc walce walczyć walec waleczny walet Walia walić głową w mur Walijczyk walijski walizce walizka walka walka wręcz walka wręcz waluta Wał wał obronny wał ochronny wał ochronny wałek do włosów wandal wanilia wanilią wanna wanna wapno wapno palone war warcaby warcie warczeć wardze warga wariant wariantowy (typ danych) wariat warknąć warkocz slaaprijtuig. gehalte kankeren. kuip kalk kalk gloed. morren lip lip dalen. dubben zweven aarzelen. krankzinnige kankeren. kampen. bolwerk. kleiner worden. mopperen. tobbe. beetpakken. dubben geweifel. schoorvoeten. handkoffer. koffer strijden. aarzeling geschommel. slaapwagen wagon.

schraag. ezel. kom vaas. bok winkel. bank. gehalte waardig. bekken. de jouwe watt watt watten watten lever laurier. gehalte schildwacht. pul libel.warkocz warstwa warstwa warstwa zubożona warstwą warszat programisty środowisko robocze Warszawa warsztacie warsztat warsztat wart wart warta wartki wartościowa cecha wartościowy wartościowy wartość wartość wartość skuteczna wartość systemowa wartość wyjściowa wartość znamionowa wartość źródłowa porządku wartownik warunek warunek warunek warunek warunek wstępny (konieczny) warunek wystąpienia błędu warunek wyszukiwania warunek złożony warunkować wasoryt wasz wasz wat wat wata watolina watroba wawrzyn waza wazelina wazon wazon ważce vlechten jas. punt. lauwer vont. top. waar bewaken. tip. vat. gehalte gemiddeld spits. pot. waterjuffer. eerzaam. aanwinst zeldzaam kostbaar. gauw. kom vaseline vont. overjas aardlaag aardlaag dikte. bepaling voorwaarde. bepaling bevoegdheid. bepaling ets je. jouw het jouwe. bekken. voorwaarde. spoedig. neus. bok Warschau rek. snel prooi. overwaarderen waarde. vakterm verzekeren. vraag. clausule. verdienen waarde. acquisitie. clausule. de wacht hebben. bepaling conditie. juffertje . bepaling conditie. lijvigheid rek. bank. navraag term. ezel. buit. schraag. zaak werkplaats waarde. toekomen. piek waard zijn. haastig. kwalificatie kwestie. waardevol overschatten. bewaren gezwind. wacht conditie. gehalte waarde. voorwaarde. voorwaarde. beweren voorwaarde.

twijfelachtig. krap. voorgaand gisteren gisteren gisteren .ważka ważki ważność ważny ważny ważny (posiadający moc prawną) ważyć wąchać wąs wąski wąski wąski zawęzić (np. nauw zeeëngte. licht dubben. jeugd vroegtijdig. zwanger inspringen doen toekomen. vakantiedag. knevel draad. garen zwak. materieel het gewicht bepalen. geldend. in dubio staan discutabel. lucht snor. zich vastklampen aan uitlisten. nauw. vroeg vroegtijdig. watercloset erg. een lijst maken een hinderlaag leggen altijd. twijfelen. garen draad. meermaals nog drachtig. straat zeeëngte. steeds herhaaldelijk. eng. opslorpen. immer. sturen. afwegen reuk. in dubio staan dubben. zich vastklampen aan aanklampen. straat snor. twijfelen. absorberen absorberend absorptie. vigerend relevantie erg. bijster in beslag nemen. voornaam gangbaar. rustdag vroegtijdig. vigerend stoffelijk. opsturen snipperdag. ernstig. luchtje. bekrompen. juffertje gangbaar. zbiór przeszukiwanych informacji) wąsy wątek wątek zablokowany wątły wątpić wątpliwość wątpliwy wątpliwy wątroba wąż wąż WC wcale iać wchłaniać wchłaniający wchłanianie wchodzić (na statek wchodzić na pokład wciągać na listę wciągnąć w zasadzkę wciąż wciąż wciąż wciąży wcięcie wciskać kit wczasy wczesny wczesny wczesny rozwój talentów wcześnie wcześniejszy wczoraj wczoraj wieczorem wczorajszy dzień libel. vroeg voorafgaand. vroeg jeugdigheid. betwistbaar lever slang slang WC. pril. wegen. pril. pril. nauw. verleden. knevel smal. geldend. waterjuffer. kanaal. belangrijk. dubieus aanvechtbaar. kanaal. geldig. opslorping aanklampen. geldig. geur.

hellen. inademen inspireren.wdowa wdowca wdowiec wdychać wdychać wdzięczność wdzięczność wdzięczny wdzięczny wdzięk wdzięk wdzięk według według stałych kursów walut wedrzeć się wegetariański wejścia wejścia wejścia wejście wejście wejście wejście wejście radaru dalekiego zasięgu wejście z klawiatury wejście zegarowe wejście zerowe wejście/wyjście danych wejście/wyjście danych wejść wejść w życie weksel welon wełna wełną wenecjanin wentyl wentylator wentylator Wenus weranda werandą werandą werbować werbował werdykcie werdykt wersja weduwe weduwnaar weduwnaar ophalen. wan Venus veranda buigen. bezielen. afdalen indoen. vanaf uur doordringen. aanvuren. inboezemen erkenning erkentelijkheid. tappen. binnendringen. ingang. insteken. overdoen aanwakkeren. uitspraak. met ingang van. ingang. aanzetten ventilator. sierlijk dankbaar. cambio omsluieren. sententie. toegang aanmelding deuropening entree. sluieren wollen wollen Venetiaans verhandelen. versie . doorstoten vegetarisch deuropening entree. overhellen. steken wissel. uitspraak. vonnis judicium. erkentelijk sierlijkheid Gratie sierlijkheid sedert. sententie. bevallig. aflopen veranda dienst nemen dienst nemen judicium. dankbaarheid gracieus. toegang naar beneden gaan. ingang. toegang aanmelding invoer invoer uitgeven. emitteren invoer aanmelding deuropening entree. vonnis uitvoering.

dartel zuchten. migrerend rondreizen. per. assignatie dagvaarding. aflezen controleren. trekken. rondreizen rondreizen. monter goedgeluimd.wersja o średniej szybkości wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza weryfikować weryfikował wesele wesoły wesoły wesoły wesoły wesoły westchienie westchnąć westchnienie western western western western wesz weteran weterynarz wewnątrz wewnątrz wewnątrz ośrodka wewnątrz siedziby wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny test po włączeniu wewnętrzny test po włączeniu wewy odwzorowane w pamięci we-wy odwzorowane w pamięci wezwania wezwanie wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) węch wędrować wędrować wędrować wędrował wędrowiec wędrownik wędrówka węgiel węgiel drzewny afkorting. in. monter goedgeluimd. kruiden aroma. rondtrekken. schelmachtig. in. binnenlands. binnen binnen. vrolijk. Westers. uitdagen. trekken rondtrekken. te per. checken. westelijk luis veteraan. oudgediende dierenarts per. trekken. inheems. exploot. geur uitvoering. in. binnenlands. checken. kreunen zuchten. rondtrekken. trekken kool. trekkend. binnenlands. guitig. rondtrekken. binnenste binnenste. inwendige binnenste. per. binnen binnen. versie controleren. rondtrekken. exploot. te. kreunen west west. goedgehumeurd keurig. bruiloft lustig. goedgehumeurd snaaks. assignatie trotseren. kreunen zuchten. houtskool . verkorting op smaak brengen. inlands intern. rondreizen rondreizen. intern binnenste. westen westen westers. trekken rondtrekkend. te. te binnenlands. rondreizen rondtrekken. intern aanplakken Io Io dagvaarding. tarten. in. uittarten stinken. steenkool dovekool. aflezen bruiloftsfeest. vies ruiken trekken.

klap nieuws. spoelen luchtdrukgeweer iep. mep. band. echt. reep. een knoop leggen mysterieus. spoelen op een klos winden. nieuwtje woord.Węgier węgierski węgorz Węgry węzeł węzeł węzeł węzeł (graficzny na krzywej składanej) węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) węzeł graficzny na krzywej składanej węzeł kolejowy węzeł o wielu podłączeniach węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę węzłowaty wężownica whisky whisky whisky słodowa wiać wiadomości wiadomość wiadomość wiadomość wiadomość dnia wiadomość itp. boodschap nieuws. das bemachtigen. slag. winden. bobine whisky whisky mout houw. een knoop leggen stropdas. windsel . knooppunt knopen. boodschap communiqué emmer emmer emmer overtuiging geloof. bewoording bericht. onvervalst. winden. binden stropdas. spoelen op een klos winden. fiducie. strook. een knoop leggen aansluiting gastheer knopen.) wiadomość jawna wiadomość odbita Wiadro wiadro na węgiel wiadro na węgiel wiara wiara wiarą wiarą wiarygodny wiatr wiatr północnozachodni wiatr północno-zachodni wiatrówka wiąz wiązać wiązać wiązać koniec z końcem wiązanie wiązanie walencyjne Hongaars Hongaars aal. vertrouwen authentiek. nieuwigheid. grijpen. nieuwtje bericht. waar op een klos winden. winden. knoest. vertrouwen overtuiging geloof. reep. flap. boodschap bericht. een knoop leggen geleding. paling Hongarije hoek knopen. boodschap bericht. geheimzinnig spoel. knoop. een knoop leggen knopen. band. windsel strip. strook. das knopen. nieuwigheid. aangrijpen strip. klos. olm inbinden. fiducie.

kijkspel. mutsaard straal. reep. chrustu) wiązka elektronów wiązka światłowodowa wiążący wibracja wibracją wibrować wibrował wice wiceprezes wiceprezydent widelec widełki widły widnokrąg widocznie widocznie widocznie widoczny widoczny widoczny dostępny widok widok widok widokówka widowisk widowiska widowisko historyczne widownia widownia (w teatrze) widz widzenie widzieć widzieć się widzowie wieczne pióro wieczność wieczność wieczny wieczór wieczór Wiedeń wiedeński wiedza bos. wis. spaak bos. wis. zoeker. vork kruis. droombeeld ontmoeten. wis. vibreren subsidiair. vork kim. ondervoorzitter kruis. auditorium vulpen eeuwigheid onvergankelijkheid. ondervoorzitter vice-president. band. windsel vibratie. eruit. pand. droombeeld briefkaart bril spektakel. brandstapel. kijkspel. buitenwaarts onderzoeken. blijkbaar klaarblijkelijk. bundel strip. horizon. duidelijk in schijn. schouwspel toehoorders. gehoor. blijkbaar.wiązanka wiązka wiązka wiązka wiązka (np. gezichtseinder klaarblijkelijk. schouwspel spektakel. strook. eeuwigheid eeuwig avond nacht Wenen Weens bekendheid. duidelijk. brandstapel. gehoor. kunde . vertoonbaar zichtbaar naar buiten. huis toeschouwer gezicht. kennis. visioen. vibreren trillen. bundel bos. bundel bundel. vork kruis. auditorium geslacht. vizier gezicht. trilling vibratie. naar het schijnt aanwijsbaar. nakijken. examineren richtmiddel. bos mutserd. aantreffen interviewen toehoorders. trilling trillen. plaatsvervangend vice-president. mutsaard mutserd. wis. visioen.

meermaals veelvoud veelvoud veelvoud multinationaal kruisband. adhesie slinger. toch landelijk. grootte omvang. gegrond accuratesse. vele veel Pasen tof. toverheks. ook weer. ouderdom eeuw leeftijd. wikkel. heks ergo. overweldigend groot nobel. kameel kavel. omvang herhaaldelijk. slingerkrans grip. excellent. dus. kostelijk groots. ouderdom oud bewonderaarster. boel. flauw aanboren boren juist. bestek. onnozel. bestek. perceel menig. gelijk hebbend. veel. kronen slinger. nauwgezetheid . edel hoeveelheid. guirlande. bekend zijn met kol. grootte grootte. stiptheid.wiedzą wiedzieć wiedźma wieę wiejski wiek wiek wiek dojrzewania wiekowy wielbiciel wielbiciel wielbiciel wielbiciel corridy wielbłąd wiele wiele wiele Wielkanoc wielki wielki stopień scalenia wielki stopień scalenia wielkoduszny wielkość wielkość wielkość wejściowa równoważna szumom wielkość wyjściowa wielokrotnie wielokrotność multiplexer wielokrotny wielokrotny strumień rozkazów wielokrotny strumień danych wielonarodowy wielopak wieloraki wieloryb wielozadaniowość wieniec wieniec wieność (zasadom) wieńca wieprzowina wieprzowiną wiercenie wiercić wiercić się wierna (kopia) wierność (odtwarzania) bekendheid. tiptop. grootheid omvang. sterkte. vereerster kemel. bestek. guirlande. vrijster. vereerster vereerster. aanbidster vriendin. boers leeftijd. tovenares. kunde kennen. minnares bewonderaarster. banderol veelvoud walvis multitasking bekronen. geliefde. simpel. slingerkrans varkensvlees varkensvlees dom. grandioos. kennis.

dus. nor nor. trilgras zefier eekhoorn eekhoorn aanreiken. kerker gevangenis. snoer. plattelander. plattelander frisse lucht toewaaien. toch ergo. nor nor. kerker. geloven hangen platteland. landman. oningevuld. sim. gevangenis gevangene aanhechting monteren. dorp boer. top. kerker. dus meer meer vervagen meerderheid. gestaag trouw. landman boer. berijmen boren wilg wilg bovenste piek. couplet rijmen. blank strofe. spits geleding. das binding. zetten stropdas.. aangeven. kerker. hengelsnoer roeien strofe. band nor. kerker. neus. getrouw vislijn. gevangenis . tip. constant. menen. meerderjarigheid gevangenis. więdnąć większość więzienia więzienia więzienie więzienie więzienie więzień więź więź więź więź enie więźienie bestendig. waaien bries. open veld plaats. knoest. ook weer. punt. afdragen toren toren toren ergo. knoop.wierny wierny wiersz wiersz wiersz wiersz na minutę wiersz zależny wierszyk wiertarka wierzba wierzbą wierzch wierzch górny wierzchołek Wierzenie wierzyć wieszać wieś wieś wieśniak wieśniak wietrzyć wietrzyk wietrzyk wiewiórce wiewiórka wieźć wieża wieża metalowa wieża strzelista więc więc więcej więcej informacji na ten temat można znaleźć w. toch. wannen. couplet wit. gevangenis gevangenis. nor. blanco. ook weer. kerker. knooppunt overtuiging houden voor..

door het water plassen springen opborrelen. door het water plassen vlek. toedichten schuld lift aanrekenen. voorjaar riem. ontspringen lente. wervelen. roeispaan peddelen. roeispaan kling. kolken hardloper spinnen warrelen. toedichten schuldig wijngaard wijngaard schuldig wijn sherry. landhuis schuld schuld aanrekenen. dader cello. toeschrijven. buurtschap peddelen. dwarrelen.wigor wij wikary wilczur wilgoć wilgoć wilgoć wilgotny wilgotny wilgotny wilk willa wina wina winą winą winda winić winien winnica winnicą winny wino wino hiszpańskie winogrono winorośl winorośl winowajca wiolonczela wiosce wiosełko wioska wiosło wiosło wiosłować wiosłować wiosna wiosna wiosna wioślarz Wiór wiór wir wir (efekt graficzny) wirnik wirować wirowania wirtualny sap duizendpoot pastoor Elzassisch vochtig vochtig maken. afbikken doorroeren. gehucht. kolken virtueel . door het water plassen riem. wingerd wijngaard. violoncel vlek. buiten. roeren. wijnberg schuldige. toeschrijven. xeres druif wijnstok. lemmer. dwarrelen. cel. roeispaan peddelen. bevochtigen condens. roeiriem. roeiriem. omroeren warrelen. wervelen. roeiriem. gehucht. opwellen. buurtschap riem. aanslag vochtig vochtig nat wolf buitenverblijf. lemmet bikken.

indoen om . heerschappij.. affix visum visum afbeelding. ingevallen bijdrage afgeven. meester worden liniaal oppermachtig. oppermachtig . hol hol. droombeeld visum zichtbaar bezoeken. houwen. afgaan. afgaan. omtrent. inbegrepen. incluis bevatten. schede. opzoeken bezoeken. opzoeken inspecteur bezoeker in. haast. ongeveer. begroeten feestelijk inhalen vitaal vitamine aanhechtsel. afgaan. prent. plaat uitzicht gezicht.wirtualny terminal sieciowy wirus wirus utajniony wisieć wist (gra w karty) wist gra w karty wiśnia witać witać witalny witamina wiwatować wiza wizą wizerunek wizja wizja wizja na fali ciągłej wizować wizualny wizycie wizyta wizyta (na stronie WWW) wizyta powtórna wizyta próbna wizytator wizytator wkleić wkleić wklęsłość wklęsły wklęsły wkład wkład wkład wkładce wkładka wkoło wkoło wkrótce wlec wliczając w to wliczyć władać władca władca władca władca werkelijk. om ronde dra. te. deponeren. heen.. spoedig trekken inclusief. klappen bezoeken. daadwerkelijk virus virus hangen whist whist kers groeten. binnen. opzoeken bezoeken. foedraal ingevallen. visioen. afgaan. behelzen bestuur. visioen. kloppen. gauw. alras. soeverein. inhouden. bewind lord onder de knie krijgen. steken. per aanplakken houder. effectief. in bewaring geven invoer insteken. droombeeld gezicht. indoen insteken. opzoeken slaan. steken.

vandehands precies. een nest maken incluis. inclusief. houder eigenaar chaperonneren inderdaad. rondtrekken. bezitting eigendom. haar Italiaans haardos. korrel aan de grond lopen. gezag heerschappij. nauwgezet. inham. eigendom. geschikt. pit. foedraal. metterdaad. inbegrepen smeden uzelf. attribuut landgoed. erop nahouden eigenaar schede. boerderij. kreek . macht. stranden baai. delegatie inbreker handwerk bezitting. bijbehorend gemakkelijk. boerderij. ruigharig Italië haardos. vagebond rondreizen. haar blond zwerver. trekken vezel vezel zaadkorrel. mogendheid autoriteit. accuraat grondig. jijzelf Italiaans harig. bezitting aanwensel. attribuut landgoed. doelmatig rechter-. hebbelijkheid eigenschap adequaat. bezitting bijvoeglijke bepaling. gezag afvaardiging. gewoonte. lichtelijk. eigendomsrecht usance. waarachtig een klein beetje. ietwat bijvoeglijke bepaling. gebruik rijk zijn. bezit landgoed. boerderij. bezitten. radicaal nestelen. vagebond zwerver.władza władza władza kierownicza władzy) włamywacz własne dzieło własność własność domkniętości własność gwiazdy własność obiektu własność otaczająca własny własny właściciel właściciel ziemski właściciel ziemski właściciel ziemski właściwie właściwie właściwość właściwość właściwość charakterystyka właściwość obiektu właściwy właściwy właściwy właśnie właśnie włączać grupa włącznie włączyć włąsnoręcznie Włoch włochaty Włochy włos włoski włosy włosy blond włóczędze włóczęga włóczyć się włókno włókno włókno włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona wnęka autoriteit. ruig.

om om . helder. uiteinde vragen. hypothese. lanceren. wereld heerschaar. schelheid. abstraheren besluiten. leger. legermacht troep militair militair om .. felheid scherp. lanceren. verbond. conclusie uitgang. ontketenen oorlog. mening deduceren. inwendige bijdragen doordringen. heen..wnęka wnęka na moduły wnęka napędów wnęka wstąpienie wnętrze wnętrze wnieść udział wnikać wnikliwość wnikliwy wniosek wniosek wniosek wniosek wnioskować wnioskować wnioskowanie wnioskowanie wniosek wnosić udział wnuczce wnuczka wnuk woda woda utleniona wodą Wodnik Wodnik (znak zodiaku) wodny wodny wodorost wodorosty wodospad wodować (statek) wodować statek wojenny województwa województwo wojna wojna domowa Wojna Światowa wojsko wojsko wojskowość wojskowy wokoło wokół wola wolcie hol. in. afleiden. krijg civiel aardrijk.. wier waterval uitschrijven. rust per. aanvragen. binnen binnenste. kleinzoon water water water Waterman Waterman waterwater alge. doorstoten guurheid. ongeveer. gevolgtrekking bijdragen kleindochter kleindochter kleinkind. verzoeken onderstelling. uitholling. te. ontketenen uitschrijven. testament volt . ongeveer. heen. acuut. inroepen. gevolgtrekking conclusie. om uiterste wil. holte zak nis pauze. zeewier zeewier. afleiden. concluderen conclusie. krijg gouvernement gouvernement oorlog. voorbijgaand gevolgtrekking. binnendringen. omtrent. alge.. wier. omtrent.

aangrijpen . leeg. truck. schoencrème dragen. ontslaan. vlot. beugel vrachtauto. de voorkeur geven aan bestek. rund stinkend geur. dirigeren. verzadigen staren. turen. royeren bijenwas schoensmeer. chef richten. wereldruim. besturen. karretje trolley.woleć wolna przestrzeń wolno wolnonośny wolność wolny wolny wolny od cła wolny od cła wolny od podatków wolny od podatków wolt wolumen wolumin wołać wołowina wołowiną wołowy wonny woń worek worek wosk wosk wosk pszczeli woskować wozić wódka wódz wódz (plemienia) wół wówczas wóz wóz wózek wózek wózek wózek inwalidzki wpajać wpatrywać się wpisać wpisywać wpisywanie wplątać wplątywać (kogoś w coś) wpłata wpłata wpływ prefereren. speling. toch automobiel. betrekken. ergo. open. uitmaken voor klapstuk. open volt geluidssterkte. heten. auto affuit affuit kar. brengen wodka aanvoerder. schoencrème schoensmeer. zak ontzetten. los. zachtjes. volume geluidssterkte. aanstaren indoen. afdracht aandoen. betrekken. schriftuur verwarren. wagen. nietje vrijdom. commandant aanvoerder. langzaam kramp. vlot. inhoud. verstrikken afbetaling transfer. open. vrachtwagen doortrekken. vrijheid. onbezet. voorhebben. aroma tas. volume noemen. onvatbaar. haakje. resistent langzaam onbezet. onbelemmerd vrij. ruimte op zijn gemak. rundvlees klapstuk. benoemen. klamp. mennen ook weer. insteken. baas. voeren. schoencrème schoensmeer. vlotheid onbezet. los. handkar. rundvlees koe. dus. inhoud. onbelemmerd ontzien. verstrikken verwarren. sparen immuun. steken drukletter geschrift. gebieder.

insteken. insteken. slingeren aandoen. sensatie indruk. animositeit. bulderen. leven. indertijd uitvoeren. vijandigheid bonte kraai. ingeboren aangeboren. indienen klapstuk. beïnvloeden invloed hebben op. leveren. introductie indoen. aangrijpen aanwenden. illusies wekken bij indoen. steken inleiding. bevreemden. ontvankelijk. aanbesteding eindelijk. verbazen functioneren. zwaaien. reproduceren. ophef. presenteren. schreeuw. beïnvloeden zwiepen. indienen begoochelen. herrie. bestellen aangeboren. ontvankelijk verstandig gevoelig. brullen lawaai. eerder. introductie inleiding. koken september. schreeuw. per saldo afleveren. zwieren. voorteken gil. blèren. het doen in verlegenheid brengen daarvoor. borrelen. herfstmaand gil. presenteren. vooraan. doorvoeren toegegeven verwonderen. ten slotte. teruggeven vijand teken. gevoelig. effect effect. voorbode. introductie inleiding. indruk receptief.wpływ na wydajność (zwykle ujemny) wpływać wpływać wpływać na wprawa wprawdzie wprawiać w zdumienie wprawić w ruch wprawić w zakłopotanie wprost wprowadzać wprowadzać w błąd wprowadzać w błąd wprowadzenie wprowadzenie na urząd wprowadzenie w życie realizacja wprowadzić wprowadzić wprowadzić w życie wrażenia wrażenie wrażenie wrażliwy wrażliwy wrażliwy wrażliwy wreszcie wręczać wrodzony wrodzony wrodzony wrodzony wrogi wrogość wrona wrota wrota wróbel wrócić wróg wróżba wrzask wrzask wrzawa wrzeciono wrzeć wrzesień wrzeszczeć invloed hebben op. vijandig vijandschap. krijs . steken aanspannen uitvoeren. receptief gunning. krijs gillen. ingeboren ingeboren natuurlijk vijandelijk. rumoer spoel op het kookpunt zijn. kraai draaihek haven mus hergeven.

vaan. advocaat. mennen aanwijzend voornaamwoord aangeven. oostelijk oosten oriënt oriënt. vlag spitsroede. vereenzelvigen voorbode. grandioos. grandioos. oosten oriënteren. overhandigen zinspelen voorbode. Moor aanbinden.wrześien wrzos wrzosowiska wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzód wrzód wrzucić(np. groots helpen. plik na serwer) wsadowy interpreter poleceń wschodni wschodni wschodni wschodni wschodni wschód wschód wschód wschód wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód słońca wsiadać wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) wskazać wskazanie wskazany wskazówka wskazówka wskazówka projektowa wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) wskazujący wskazywać wskaźnik ruchu wskaźnik stosu wspaniałomyślny wspaniałomyślny wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspierać wspierać się september. inwerken oosten oriënt oriënt. glorierijk. herfstmaand dopheide. roede royaal. genereus. teken raadzaam aanreiken. gard. dophei heideveld. schaal oosten oriënt oriënt. scheep gaan identificeren. oostelijk oosters. goedgeefs grootmoedig. gul. dirigeren. meren Mauretaniër ettergezwel. glorieus groots. verdediger . teken besturen. etterbuil zweer uploaden schild. bijstaan pleitbezorger. oosten zonsopgang aan boord gaan. voorteken. aanwijzen. stokje. scheep gaan aan boord gaan. abces. heide onderbinden Moriaan. aanduiden dundoek. overweldigend overweldigend. rugschild. assisteren. oosten oosters. richten. edelmoedig bewonderenswaardig groot beroemd. voorteken.

meewerken meewerken. medelijden erbarmen. lint band. reikhalzen meevoelen sympathiek. medeplichtige wedijver wedijver meedingen. heugenis. klamp. herinnering kramp. bergbeklimming. geleding. hunkeren. gemeenschap bond. deelneming verlangen. bijbehorend. onthouden. indoen aanwinst. steken. prooi band. verhouding. gemeenschappelijk gewricht. medelijden medegevoel. bijbehorend. wedijveren. acquest. knoop wederkerig. lid. evenredigheid voorkomendheid. noemen. indoen insteken. aansluiten gemeente. tegenwoordig erbarmen. klamp. nietje vertroosten. gedenken zich herinneren. bijkomend mededader. associatie algemeen. mededogen. nietje mededader. medeplichtige zich aaneensluiten. meewerken zich aaneensluiten. samenwerken eega. gedenken geheugen. lint achterover . kornuit. onderling algemeen. vermelden zich herinneren. man. zielsverwant proportie. echtgenote. echtgenoot bijdrage samenwerken. steken. gelid. concurreren insteken. liefheid samenwerken. bijkomend mededader. troosten kramp. na tron) wstążce wstążka wstecz montage. makker bijkomstig. klauteren gewag maken van. indoen insteken. buit.wspinaczce wspinaczka górska wspinać się wspominać wspominać wspominać wspomnienia wspornik wspornik montażowy wspornikowy wspólnik wspólnik wspólnota brytyjska wspólny wspólny wspólny wspólny współbieżny częsty powszechny współczesny współczucia współczucie współczucie współczuć współczuć komuś współczujący współczynnik współczynnik dobroci współdziałać współdziałać współmałżonek współpraca współpracować współpracownik współpracownik współsprawca współsprawca współwinny współwinny współzawodnictwa współzawodnictwo współzawodniczyć wstaw wstawiać wstawić wstąpienie (np. kameraad. genootschap. onthouden. medeplichtige bijkomstig. steken. gemeenschappelijk actueel. wederzijds. mededogen. haakje. haakje. zetting alpinisme. aansluiten maat. innemend. alpensport klimmen.

opgewonden geheelonthouding. verschrikking. opstoken gejaagd. timide. introductie inleiding. onsmakelijk vuil. ophitsen. lint inleiding. werelddeel gematigd. vasteland. hekel. arrestatie slapen. opruien. onthouding terughoudendheid. rijzen gruwel. afgrijselijk misselijk. introductie besloten. rugwaarts spoel. verhoeden. zich abstineren verhinderen. achteruit. onthouding foei bevangen. vergiftig. beteugelen reserveren. smerig afschuwelijk venijnig. betomen. ophouden zich onthouden. bezadigd. rugwaarts achterover achterwaarts. preliminair opgaan. achteruit. bedeesd. klos. blo foei almachtig almachtig . maffen onderdrukken. achteruit. ommezijde. na tron) wstręt wstręt wstręt wstręt wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrząs wstrząs wstrząs wstrząsać wstrząśnięty wstrzemięźliwość wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzyknąć wstrzymać wstrzymać wstrzymać wstrzymać się wstrzymać zatrzymanie wstrzymywać wstrzymywać wstrzymywanie się wstrzymywanie się od głosu wstyd wstydliwy wstydzić się wszechmocny wszechmogący achterwaarts. schudden. verdringen. verafschuwen afschuwelijk ijselijk. giftig aardbeving schokken opschudden.wstecz wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny odnośnik wsteczny odnośnik wstędze Wstęga wstęp wstęp wzbroniony wstęp wzbroniony wstępny wstępować (np. particulier voorafgaand. sober continent. rugwaarts achterwaarts achterzijde. stuitend. schokken agiteren. opkroppen bedwingen. verschrikking. gruweldaad gruweldaad. matig inspuiten. opkomen. abstinentie nuchter. opstaan. matig. afkeer. bobine band. beletten terughoudendheid. bescheiden. antipathie een afschuw hebben van. privé-. rugstuk achterover achterwaarts. detineren. gruwel tegenzin. injecteren aanhouding.

alles razernij. begenadigen vergeven. inspuiting.. allerwegen. knop jou. al over. je asfalt budget. hondsdolheid. uitkiezen knabbelen. medio. onbenullig vuurspuwende berg. onbenullig plat. steken. alleman. aan je. veelomvattend algemeen. geluk.. gevest. verwoed. bougie oom oom plat. toch gouvernement. ieder. vulgair.. begenadigen Verlosser Verlosser Verlosser uitkiezen. midden tussen de stoot geven tot de stoot geven tot binnenvallen. dolheid doldriftig. uitlezen. regering. overal. door de hele . bijkomstig insteken. bougie ontstekingsbuis. afkluiven . indoen storing spuitje. iedere. hals. dus. kiezen.) wuj wujek wulgarnie wulgarny wulkan wupykłość wy wyasfaltować wyasygnować fundusze wyasygnowane fundusze wybaczać wybaczenie wybaczyć wybawca wybawcą wybawiciel wybierać wybierać (numer) wybierać (w wyborach) lijvig. bijkomend. vergeven vergeven.. vulgair. triviaal. vulkaan heft.wszechstronny wszechstronny wszechświat wszelki wszerz wszędzie wszyscy wszystek wszystkie wszystkiego najlepszego wszystko wszystko wścieklizna wściekły wśród wśród wtajemniczać wtajemniczyć kogoś wtargnąć wtedy wtedy <the Government> wtłoczyć wtorek wtórny wtrącać wtrącanie się wtrysk wtyczka wtyczka (elektr. universum. door de hele .. door bof. overheen. kiezen uitlezen. woedend. triviaal. aan jou. dol in het midden van.. ergo. universeel heelal. schepping elk. wijd en zijd de hele . aan de overkant van alom. binnenrukken ook weer. overheid doordrukken dinsdag bijbehorend. injectie ontstekingsbuis.. door allemaal. handvat. begroting Maria-Hemelvaart begenadigen.. mazzel. buitenkansje de hele .

zeekust. afgezonderd kust. ontmanteling. bulderen. filet . aanzienlijk merkwaardig. keur. kustlijn. tocht. keuze keus. kostelijk. keuze keuze. beetkrijgen steen en been klagen. alternatief. zeekant. verkiezing optie. verkiezing knabbelen. onderwijzen beetnemen. keur. ophijsen abstract. blèren. afgetrokken gillen. beslaan. verduwen. splijten. tocht. trip. trip. weeklagen maaien abstract. keuze. verkiezing. keus. snede. trip. scheuren afbraak.wybierać/nakręcać numer telefonu wybierak wybierak igłowy wybierz wybitny wybitny wybitny wybitny wybitny wyborny wyborowy wybory wybój (na drodze) wybór adresu wiersza wybór trasy przez źródło wybór trasy zastępczej wybór trasy zastępczej trasa zastępcza wybór układu wybór wstępny wybór z menu wybrany wybredny wybrzeże wybrzeże wybuch wybuchnąć wyburzanie wycena wyceniać wychłostać wychowawca wychwycić wycia wyciąć wyciąg wyciąg wyciągać (coś z czegoś) wyciągnąć (coś z czegoś) wycie wycie iwania wycieczce wycieczce wycieczka wycieczka wycieczka wycinać lasy wycinek wycinek (tablicy wijzerplaat schouder naald uitkiezen. achterstallig opmerkelijk. excursie. keuze. uitlezen. keus. tocht. aanslag prijs afranselen opvoeden. plak. keur. excursie uitstapje. zeekant. brullen brullen. trip uitstapje. rondreis afzetten. vermogen eminent. toer. merkwaardig heerlijk. keur. reis. explosie barsten. overheerlijk keuze. huilen uitstapje. sloop belastingaanslag. optie. excursie tocht. opmerkelijk onbetaald. kustlijn uitbarsting. optie. toer. kiezen kapitaal. toer. afgetrokken hijsen. garneren afkeuren moot. keus. zeekust kust. pakken. schijf. ontploffing. digereren knabbelen. keus verteren. optie. verkiezing optie. alternatief. afkluiven afzonderlijk. keus bult. verkiezing. keur. bochel keus. toer tournee. afgetrokken abstract. uitstekend. afkluiven keuze.

schijf. voortbrenging het veld ruimen. slaken produktie. voelen. uitbrengen. eliminatie het veld ruimen. uitbuiten. lossen toegaan. oordelen. plak. bulderen. knevelen. ontzetten. voortgang hebben. uitmelken exploiteren. luchtje. druk. berechten lijken. huilen gillen. lucht bevoelen. leggen. blèren. afgetrokken afleiden hol. filet sprakeloos. uitbuiten.wycinek tablicy wyciszanie wyciśnięta masa wycofać wycofywać się wyczerpany wyczerpujący wyczerpywał wyczuć wyczuwać wyczuwalny wyczyn wyczyn (bohaterski) wyczyn bohaterski wyć wyć wyć (dot. op. spanderen ontlokken. brullen gillen. geur. opleveren. schijnen uitstralen uitgeverij uitgeverij afkondiging. uitdrijven uitgaaf. spenderen. uitgeput lijvig. uitlaten. uitgeput reuk. afstaan uitdrukken opbrengen. openbaarmaking vlijen. bulderen. betasten verstandig exploiteren. cambio afpersen. snede. tasten. maal onkosten. afstaan opdraven. opdagen beoordelen. op. overkomen. neerleggen ontwikkeling. editie loslaten. afstaan abstract. kosten het veld ruimen. gebeuren keer. syreny) wyćwiczyć wydaj wydaj wydajność Wydajność wydalać wydalić wydanie wydanie wydarzać się wydarzenia wydatek wydawac z siebie wydawać wydawać wydawać wydawać się wydawać się wydawać się wydawać z siebie wydawca wydawcą wydawnictwa wydeptany wydobycie wydobycie wydobyć wydobywać wydrążenie wydruk próbny wydrzeć moot. brullen gevolg besteden. uitmelken exploiteren. uitgave. veelomvattend uitverkocht. verdrijven. royeren verjagen. blèren. uitbuiten. afwerpen het veld ruimen. stom pompoen terugtrekken. ingevallen wissel. intrekken ontwoekeren uitverkocht. tappen. afstaan ontslaan. uitmelken brullen. afdwingen .

vlak. ook. duidelijk maken. aftreden. eindigen verschijning. uitbannen aangenaam geriefelijk. tegen. uitgang. vertrek uitzondering afleiden uitzondering uitzonderlijk uittreden. dagvaarden afscheiding pachten. uitdoen. ophouden. uitgaan. uitademen. uitdrijven winnen. voor. toelichten uiteenzetten. ophouden. bestellen verjagen. tot. aanblik het uiterlijk hebben van. uitgaan. naar doven. mede. bij. toelichten toelichting. in pacht hebben evenzeer. leveren. dagen. kenbaar maken uittocht. er uitzien gelijk. duidelijk maken. verdrijven. verschijnen aanzien. eindigen bevrijden departement faculteit kast departement departement afleiden betekenen. verdienen. beduiden uiteenzetten. geschikt verjagen. ademen aflopen. conto uitleggen. bedanken afrit. toelichten uitleggen. blussen. verdrijven. gemakkelijk. preken uitspreken afleveren. comfortabel doelmatig. eveneens aan.wydychać wydychać wydzialać wydział wydział wydział (na uczelni) wydział humanistyczny wydział ik wydzielać rozpakowywać wydzielić wydzieliną wydzierżawić wyekspediować wyekspediować wygasić wygasnąć wygląd wygląd przycisku wyglądać (prezentować się) wygładzać wygłaszać wygłosić wygłosić (mowę) wygnać wygnanie wygodnie wygodny wygodny wygonić wygrywać wygwizdania wyjaławiać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśnić wyjaśnić wyjaśnić coś z kimś wyjaśnienie wyjawić wyjawić (sekret) wyjazd wyjątek wyjątek wyjątek arytmetyczny wyjątkowy wyjechać wyjścia getuigen van. uitweg . schijn. uitblussen aflopen. explicatie morsen openbaren. effen prediken. behalen boe steriliseren rekening. gemakkelijk. air. uitdrijven verbannen. beduiden uiteenzetten.

opdagen kleren maken executeren. beeld wijzerplaat . ter dood brengen executeren. opdagen oefenen. maken. muil ontwikkeling. kleed. toepassing uitbuiten. uitbuiten. tuberculose doen ontstaan. rooien opduikelen. exploiteren. opgraven. uitgang. aannemer opdraven.wyjście wyjście wyjście wyjście uniwersalne wyjście zerowe wyjść wyjść po angielsku wykałaczce wykałaczka wykaz wykluczać wykluczać wykluczyć wykład wykładać wykładowca wykładowca wykładowcą wykładzina wykładzina wykonać wykonać wykonać wykonać działać wykonaj wykonalny wykonanie wykonawca wykonuj wykonywać wykonywać egzekucję wykonywać krok wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów wykonywać rozkazy Wykop wykopuj wykopywać wykorzystać w praktyce wykorzystanie wykorzystuj wykorzystywać wykorzystywać wykorzysywać wykradać wykres wykres słupkowy wykręcić numer uitgeven. delven. eliminatie afrit. afleggen. ter dood brengen opdraven. emitteren bek. uitmelken gescheld sluipen intrige. ter dood brengen afdruk spinnen executeren. opgraven. delven. vloerkleed. opbrengst bouwondernemer. ter dood brengen inschikkelijk. handelbaar produktie. bedanken tandenstoker tandenstoker aangeven uitzonderen uitsluiten uitsluiten college geven college geven lector lezer lector tapijt. karpet voering executeren. uitmelken longtering. rooien exploiteren. eliminatie ontwikkeling. uitweg prijsgeven. formeren aanwending. figuur. gewrocht. aftreden. konkelarij afbeelding. drillen executeren. opgeven uittreden. machinatie. ter dood brengen loopgraaf opduikelen. tering.

uitsluitend enkel. met gom bestrijken ruilen. ondergrond. alleen. stokje tocht. ontslaan. nesthaar. spitsroede. wegvagen gommen. ontzetten. afladen opdagen. gebrekkig aanwensel. royeren ontslaan. wisselen . joelen tussenwerpsel opvoeding. met gom bestrijken uitwissen uitwissen. gard. louter invalide. kronen ontslaan. uitladen. behoeven. uitvegen. dons uitsluitend. ontzetten. inruilen. aanhalen ontzetten. helen op verhaal komen. afschrijving beminnelijk strelen. met gom bestrijken afvegen. eisen nodig hebben. aaien. vereisen. toer. exclusief maar. royeren genezen. reis. vorming aflossing. schreeuwen. amortisatie. uitladen. afwissen gommen. royeren lossen. trip roede.wykręcie wykręt wykrycie obiektu i ustalenie jego uspółrzędnych w radiolokacji wykrywanie wykrzykiwać wykrzyknik wykształcenie wykup weksla wykwintny wylać z posady wylać z pracy wyleczyć wyleczyć Wylew wyładować wyładować wyładować wyładowane koronowe wyładowanie (elektryczne) wyładowanie (towaru) wyładowywać wyłaniać (pojawiać wyłączać wyłącznie wyłącznie wyłącznik wyłącznik przyciskowy wyłącznik temperaturowy wyłączny wyłączny wyłączony niestandardowy wyłudzić wymachiwać wymagać wymagać wymawiać wymawiać niewyraźnie wymazać wymazać wymazać prawiedliwości wymazywać wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny wymazywać ekran wymiana wymiana stron wymianą haarkloven. aansterken bodem. bloot. wissen. royeren van boord gaan lossen. grond ontslaan. fanfare opeisen. wisselen centrale inruilen. stokje exclusief. rekenen. afladen bekronen. roepen. ruilen. ontzetten. liefkozen. bedillen verschuiving acquisitie ontdekking gieren. spitsroede. opdraven waas. beter maken. achtergrond. gard. afdrogen. slechts roede. hoeven uitspreken uitspreken gommen. moeten. hebbelijkheid fanfarekorps.

aanwerven. getal opdagen. het gevolg zijn van uitgeven. aanwerven. zich verbeelden bedenken. wisselen afwisselend centrale centrale centrale ruilen. bezoldiging. verbeelding gescheld vergelden. emitteren afstammen. dwingen. inruilen. gewrocht. gage. in pacht hebben uitvinder uitvinder uitvinding uitdenken. braken. lonen. omvang afmeting. zwanger raken bedenken. pram inhalen spugen. wisselen inruilen. verdichtsel. salaris pachten. zich verbeelden inbeelding. wisselen belastingaanslag. bestek. aanslag uier. dimensie ruilen. laten begaan. opbrengst afstammen. aantal. verbeelding .wymiar wymiar sprawiedliwości wymieniać wymieniać wymieniać (walutę) wymieniać się wymienić wymienić (jakieś elementy na nowe) wymień wymierzenie wymię wymijać wymiotować wymowa wymówce wymusić wymuszać wymuszanie wymuszenia wymysł wymyślać (<sb> komuś) wynagradzać wynagrodzenie wynajem wynajęcia wynajmować wynajmować wynajmował wynajmowanie w DHCP wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP wynalazca wynalazcą wynalazek uchylać wynaleźć wynik wynik wynik polecenia wynikać wyniknąć wyniosły wynosić wynosić średnio wynurzać) się wyobrazić sobie wyobrazić sobie wyobraźnia wyobraźnia grootte. in pacht hebben aannemen. noodzaken afpersing. huren aannemen. belonen loon. overgeven. bedenken produktie. huren huur laten schieten. het gevolg zijn van ontstaan hoog. terugdoen. laten pachten. afkeuren. gispen doordrukken verplichten. berispen. opdraven in verwachting raken. in pacht hebben pachten. kotsen uitspraak laken. inruilen. knevelarij knevelarij. ruilen. verheven gemiddeld tal. bekokstoven. afpersing fictie.

accident. spekken. afbeelding. prent. uitschrijven geschrift. overdrijven kader. set. uitvoeren bijkomstig. afval toerusten. vulsel invullen. inrichting bijkomstig. toonzetting. bijkomend uitrusting. plaat begrip beeld. afspoelen. uitspraak huur toondicht. zich verbeelden bedenken. bijbehorend. schriftuur schriftelijk afbetaling transfer. evenement bakken aanbranden aanbranden afzwering doen verdampen. afdracht gorgelen. accommodatie. omlijsting. ding omstandigheid belangrijke gebeurtenis. bijbehorend. spoelen uitgeven. uitrusten. emitteren rest. stelletje. bijkomend uitrusting. raam ongeluk. figuur isoleren. uitvoeren aangeven. vulling.wyobrażać wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyodrębniać wyolbrzymiać wypaczenie wypadek wypadek wypadek wystąpienie wypadek śmiertelny wypadek śmiertelny wypalać wypalać (pamięć stałą) wypalać (płyty CD) wyparcie się wyparować wypchanie (zwierzęcia) wypełniać zerami przypisywać wartość zerową wypiekać wypierać się wypierać się wypisuj wypisując wypisywany wypłacie wypłata wypłukanie wypływ wypoczynek wyposażać wyposażenia wyposażenie wyposażenie wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażeń wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów wypowiedzieć (umowę) wypowiedź wypożyczać wypracowanie wyprawa wyprostowany bedenken. stichten. accommodatie. lijst. rommel. uitrusten. zich verbeelden afbeelding. stel accessoires toerusten. klikken declaratie. aangelegenheid. vullen bakken afzweren ontkennen neerschrijven. indampen opvulsel. schrijven. inrichten . bijbehorend. dempen. trip oprichten. zaak. bijkomend bijkomstig. compositie reis. ongeval omstandigheid affaire. tocht. toer. inrichting complet. afzonderen chargeren. aanbrengen. overblijfsel. aangifte. uitdampen.

afstemmen. herdruk een verhoor afnemen. vonnis bijlage. ledig. lens. betuiging. appendix. klem jaartelling. griffen knijper. ondervragen maken. loos. sententie. deel nadruk. schaar afrukken. uitbrengen. zich inspannen. instelling werkkracht. afreizen knevelen. fabricage produktie. voorzijn gaan naar. bevestigen klaar. gezegde aanpassen. gevest. adapteren afstelling. afpersen. genaken. afdwingen graveren. gezegde agnosceren. naderen anticiperen. werker. uitspraak. leeg afzweren verkoop. aanhangsel derde goedertieren. slaken bewoording. abnegatie afzweren abnegeren. gezegde bewoording. vlak. doen. helder erkenning apert. gewrocht. uitgesproken. hals. kennelijk. opbrengst gelijk. afbreken versterving. uitvallen. prejudiciëren heft. bedrijven bewoording. aanmaak. evident. afstand doen van . zichzelf verloochenen opgeven. aanpakken. na listingu) wyróżniony druk wyruszać wyrwać coś komuś wyryć wyrywać wyrywać (włosy) wyrzeczenie się wyrzekać się wyrzekać się wyrzekać się aftappen streven. duidelijk uitdrukken ontlokken. pogen hol. plukken. schappelijk. werkman. effen onderscheiden. beamen. onderkennen nadruk. knop nadruk. handvat. item. als waarheid aannemen ja zeggen. deeltje. arbeider aardewerk orakel frase. vervreemding voorafgaan. lankmoedig fabricatie. klem op reis gaan. zin. betuiging. volzin judicium. betuiging.wyprowadzać wypróbować wypróżniać wyprzeć się wyprzedaż wyprzedzać wyprzedzenie wyprzedzić wypukłość wypuścić nowe wydanie wypytywać wyrabiać wyraz wyrazić podziękowanie wyrazić zgodę (<to sth> na coś) wyrazisty wyrazy uznania wyraźny wyrażać wyrażać wyrażenie wyrażenie znakowe wyregulować wyregulowanie wyrobnik wyroby garncarskie wyrocznia wyrok wyrok wyrostek robaczkowy wyrośle adenoidalne wyrozumiały wyrób wyrób wyrównać do prawego marginesu wyróżniać wyróżnienie wyróżniona część (np.

verheven hoog. verleden. asyl broeden op. thema. toonladder. bestuur. betuiging. aanvaller aanplakken pakje afgezant. verheven stand. voortbrenging exemplaar. dun. voorafgaand pralen. omvangrijk. bewoording bewoording. la. achterstallig gebeuren. apropos . veelomvattend genoeg. royeren toonschaal. aan de hand zijn doen schrikken. ontslaan ontslaan. aan de hand zijn adequaat. gezegde sprietig. gezant woord. luchtig hoog. stof. pronken tentoonstelling. leiding produktie. royeren. tentoonstellen podium. scala toevluchtsoord. bijbehorend gevoeglijk. lade tentoonstellen. bevestigen ontzetten. op de juiste wijze adequaat. afdruk gebeuren. expositie schuiflade. ontzetten. prijken.wyrzić zgodę wyrzucać sobie wysadzić na ląd wysepka wysepka (uliczna) wysiaduj wysiłek wyskok wysłać wysłać wysłać pocztą wysłanie (towaru) wysłannik wysłowić coś wysłowienie się wysmukły wysoki wysoki wysoki poziom logiczny Wysoki sądzie wysoki stan logiczny wysokość wysokość wysokość bariery potencjału wysokość bariery potencjału wysokość stosu wyspa wyspą wystający wystapić wystarczająco wystarczająco wystarczający wystarczający wystarczający wystarczający wystarczyć wystawa wystawa sklepowa wystawca czeku wystawiać wystawić (na pokaz) wystawić na scenie wystawienie (sztuki) wystąpienie występować wystraszyć wystrój pulpitu ja zeggen. hoog hoog. poging springen verzenden voorspeler. verheven verheven. hoogte hoogte hoogte eiland eiland onbetaald. schrik aanjagen onderwerp. asiel. mager. beamen. koesteren. bijbehorend uitgebreid. schraal. tribune. hoogte hoogte stand. bode. broeden moeite. voldoende genoeg. belichten belichten. verheven hoog. paraderen. voldoende voorgaand.

wachten maken. prijken. slingeren. ontdooien blijven aandringen geduld. doen. net keurig fabriek stikken saldo. elegant. bedrijven verwekken generatie. pronken bestemmen. toelichten wegsmelten. sturen. posterijen doen toekomen. aanhouden sterkte te wachten staan. geslacht bevallig. pronken pralen. vulsel wedijver geslacht. paraderen. concluderen . uittrekken afschaving verdelgen. slank. afhalen. uitvoeren verzenden stortplaats stortplaats specificeren specificeren rank. afwikkelen. overschot interviewen bevattingsvermogen. volksstam afstemmen. afdoen besluiten. paraderen. verspuiten.wysychać wysyłać pocztą wysyłać reklamy wysyłanie wysyłka wysypisko (śmieci itp) wysypisko śmieci wyszczególniać wyszczególnić wyszczupleć wyszukać informacje pełzać wyszukany wyszywać wyściełanie wyścig wyścig wyświadczyć przysługę (<sb> komuś) wyświetlacz wyświetlacz z matrycą aktywną wyświetlać wyświetlić wyświęcać wytarcie wytępić wytłumaczyć wytop wytrwać wytrwałość wytrwałość wytrwały wytrysk wytrysk wytrzymać wytrzymałość wytrzymywać wytwarzać wytwarzać egzemplarz wytwarzanie wytworny wytworny wytwórnia wywatować wyważenie wywiad wywiad wojskowy wywijać wywnioskować wywnioskować dor. uitspuiten beklijven. sproeien. vulling. prijken. aanpassen. paraderen. adapteren pralen. pronken pralen. swingen afhandelen. intelligentie zwaaien. prijken. piekfijn. afleiden. opsturen exporteren. pronken pralen. tenger kruipen geraffineerd borduren opvulsel. paraderen. lijdzaamheid vasthoudendheid volhardend opspatten. prijken. droog post. stuiven spuiten. duren. dooien. uitroeien uiteenzetten. stam.

vast divan. genezen. uitmelken in weerwil van. bijten . route. uitmaken voor scheppen. uitmaken voor keer. uittarten trots ontzetten. bekennen. ten noorden van bovengenoemd benoorden. maal ophopen. biechten. ontslaan bevrijden exploiteren. ambacht haan van een vuurwapen tocht. vertrouwen handwerk. aanstelling onbeweeglijk. ondermijnend kiel beter worden. fiducie. aanstellen betekenen. baanvlak benoeming. heten. biechten. licht. baanvlak reisplan. opeenhopen. besturen reisplan. uitbuiten. bekennen. toegeven erkennen. erkennen geloof. dagen. tarten. nihil nul hel. helen nul. toegeven bekennen. tracé. uitdagen. dagvaarden pensioen erkennen. niettegenstaande benoorden. voorrijden ontwikkeling. creëren naar buiten roepen besluiten. loten benoemen. afleiden. tracé. Turkse staatsraad. toer. reis. biechten. aantasten. tarten. trip trotseren. ten noorden van bovengenoemd corroderen. rustbank verloten. royeren. heten.wywodzić (ród) wywołać wywołać coś wywołania odłożone na stosie wywołanie zwrotne wywołuj wywołuj wywołuj wywoływać wywoływać wywoływać wywoływanie wywrotowy wywrócić wyzdrowieć wyzerować wyzerować zerowy wyzeruj sprzęg wyznaczać wyznaczać wyznaczać drogę trasa wyznaczać trasy wyznaczenie wyznaczony wyznaczyc wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć emeryturę/rentę wyznać wyznaj wyznaj wyznanie wyznanie wyzwalacz wyzwalacz wyzwania wyzwanie wyzwanie wyzwolić wyzwolić się od czegoś wyzyskiwać wyzywająco wyżej wyżej wyżej wymieniony wyżej wymieniony wyżerać aftappen noemen. dagen. accumuleren noemen. uitdagen. beheren. dagvaarden administreren. benoemen. route. concluderen naar buiten roepen aanroepen aanrijden. evolutie subversief. star. klaar betekenen. uittarten trotseren. beroep. benoemen.

grof. vermelden zich herinneren. duży numer urządzenia wzgląd wzgląd wzgląd względnie względny względny numer pozycji wzgórze wziąć wziąć na swoje barki wziąć pod uwagę wziąć udział wzkazany wzmagać wzmagać wzmiance wzmiance wzmianka wzmiankować wzmocnienie wzniesienie wzniesienie wznieść toast wznoisły wznosić wznosić wznosić się wznoszenie (samolotu) wznowić pracę komputera wzorcowy wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) wzornik pisma matryca do powielania szablon opperste. chef tel. afkeuren wakker. cru langs. naast. aannemen. respecteren saké. gebieder. superieur medegevoel. aanwinst. aanvaarden schouder beschouwen. ineenkronkelen zuchten. gedenken acquest. achting eerbiedigen. roosteren nobel. patroon. rijstwijn tamelijk verwant. baas. renoveren modelleren kunst schablone. naar. sjabloon . stichten. naast. noemen. klauteren vernieuwen. onthouden. buit. opstaan. prooi helling. referentie gewag maken van. vermelden verwijzing. noemen. speen branden. behalve in de lengte. kreunen aanvoerder. meemaken. daarlangs ineenkrimpen. edel opgaan. braden. glooiing tepel. inrichten toren klimmen. meedoen raadzaam uitbouwen. daarlangs bezijden. behalve in de lengte. rijzen oprichten. nagaan deelnemen. deelneming afwijzen. daarlangs in de lengte. uitbreiden vermeerderen gewag maken van. overwegen. familielid verwant. blijkens. opkomen. vergroten. ingevolge bezijden. wakend onbewerkt. familielid aanaarden accepteren.wyższy wzajemne zrozumienie wzbraniać się wzbudzić wzburzony wzdłuż wzdłuż wzdłuż wzdłuż całej drogi wzdłuż dłuższego boku wzdłużny wzdrygać się wzdychać wzgl. onbehouwen. het verdommen. prevalent. bot.

stijl knippatroon. zoeker. eerder. groei opstaan. standaardmaat. achteraan mysterieus. aandoening de schouders ophalen gejaagd. roos lichaamsbouw. opruien. haast. samen met schier. opstoken resideren. vormen. droombeeld zichtbaar ontwikkeling. inbegrepen beperkt. vooraan. ophogen staren. huizen emotioneel. indertijd pruttelen ongerust. vizier gezicht. vanaf daarvoor. verheffen. zeker. norm knippatroon. aangaan opdrijven. bezorgd ongerust. roze. turen richtmiddel. patroon formule knippatroon. aanstaren.wzorzec wzorzec slajdów wzorzec zmienny Wzór wzór wzór wzór kreskowania wzór model wzór punktowy wzrastać wzrok wzrok wzrok wzrokowy wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost globalny wzruszać wzruszać wzruszać ramionami wzruszający wzruszający wzruszenie wzruszenie ramionami wzruszony wzruszyć (<one's shoulders> ramionami) X z z z z biegiem czasu z drogi! z konieczności z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) z obawy przed z oburzeniem z perspektywy czasu z podziwem z poważaniem z przerwami z trudem gromadzić z trudem wywalczony z tyłu z tyłu kiem knippatroon. visioen. immers. roerend gewaarwording. bijkans. bezorgd incluis. opgewonden de schouders ophalen indexeren buffer. bumper. gestalte. evolutie wasdom. toch met overgave sedert. begrensd. bezorgd aan het einde. ontwikkeling. met ingang van. patroon regel. gaan staan opklimmend rose. eindig wel. patroon trant. vanaf met. stootkussen sedert. bijna tweedehands ongerust. geheimzinnig . inclusief. met ingang van. figuur de schouders ophalen aanslag agiteren. ophitsen. aangrijpend. patroon modelleren formeren. gevestigd zijn.

nuancering tint schakering. amuseren. nuancering amusement. mede. beschermen bescherming pand. heelkunde ombrengen. bepalen inmaken. alarm slaan uitschrijven.z wielkim nosem z zegarkiem w ręku z zimną krwią za za za duży za granicą za wszelką cenę za wszelką cenę zaabonować zaakcentować zaakceptować zaaklimatyzować zaalarmować zaangażować się zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych zabandażować zabarwić zabarwienie zabarwienie zabawa zabawa zabawa zabawa w chowanego zabawiać zabawiać zabawiać zabawiać zabawka zabawny zabawny zabawny zabezpieczać zabezpieczenie zabezpieczenie zabezpieczenie w architekturze zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć przechowywać zachować zabić zabieg chirurgiczny zabijać zablokować zablokować zabłocony uitzonderen extern. beklemtonen accepteren. bij zwachtel. vermaak spel verstoppertje vermaak. uitwendig. ontketenen aan. borgstelling. doden blokkade jam. onderhouden recipiëren vermakelijk. doden chirurgie. lanceren. bevestigen. konfijten. belachelijk. lachwekkend. buiten-. inleggen fixeren. marmelade troebel. speeltuig aardig. doodmaken. leuk kriebelen. naast. eveneens. borgstelling. dichtbij. wondheelkunde. inleggen ombrengen. mal behoeden. uiterlijk sedert. verband schakering. aanslaan. achteraan in het buitenland in het buitenland achter evenzeer. konfijten. nuance. met ingang van. aanvaarden acclimatiseren alarmeren. leuk. onderpand betuigen. ook geabonneerd zijn op accentueren. vanaf achter aan het einde. amusement opvrolijken. kietelen speelbal. moes. doodmaken. verzekeren blind inmaken. amusant. onderpand pand. nabij. modderig . nuance. amusant. vermakelijk humoristisch gek. stuk speelgoed.

marmelade verbieden een aanslag plegen op. bui. wandel lager inmaken. argumenteren zonsondergang west west. inleggen zich aanstellen. strubbeling. aanranden bezwaar. gril. aanwakkeren. noden promoveren. bevorderen voorbode. opstoken. aanwakkeren.zabójca zabrać się (<sth> do czegoś) zabrać się do czegoś) zabraknąć zabraniać zabraniać zabronić zabronić zaburzać zaburzenie zabytki zachcianka zachęcać zachęcać zachęcić zachęcić zachęcić zachęta zachłanny zachmurzony zachmurzyć zachodni zachodni zachodni zachodni zachodni zachować zachować jako zachować w pamięci zachowania zachowanie zachowanie zachowanie mediów zachowuj zachowywać zachowywać zachowywać zachowywać sie nienaturalnie zachowywać sie nienaturalnie zachowywać się (dobrze) zachowywać się cicho zachowywać się źle zachód zachód zachód zachód zachód słońca zachód słońca moordenaar aanpakken. aan komen lopen floppen. westen westen west west. westen westen westers. argumenteren vertogen. Westers. moeilijkheid oudheid bevlieging. geleiden. nuk. aansporen uitnodigen. leiden houding. happig. gedrag. intekenen de weg wijzen. bewolkt wolk zonsondergang west west. zich voordoen zich gedragen blijven vertogen. zich voordoen zich gedragen blijven zich aanstellen. wandel gedrag. betogen. westen . kuur aanvuren. gretig onduidelijk. houding. westelijk redden. belust. betogen. agiteren. aan komen lopen aanpakken. in het water vallen verbieden verbieden jam. teken begerig. inviteren. voorteken. reserveren. behouden schat bespreken. aansporen ophitsen. moes. opruien aanvuren. konfijten. vragen. bergen.

raadsel radeloos. opgave. te wachten staan aangrijpen. rugwaarts ouderwets. klikken wurgen. aantasten. klus. drillen emplooi. donker worden uitwissen halsstarrig. opgave. portemonnaie. geleiden. probleem. citaat een hinderlaag leggen aanbinden. klus. afhalen. taak oefenen. klus. aanvangen pit. nietje oor. klamp. uit de mode aanhalen. noemen aanhaling. handvat. arbeid karwei. beginnen. wanhopig versomberen. choken. hand de weg wijzen. achterste vragen karwei. kern wachten. in verrukking brengen bewonderenswaardig verrukt jam. moes. hees. kruk. aanvallen aanbinden. taak wee. marmelade dienst nemen puzzel. karwei. aanvangen gat. beginnen. citeren.zachód słońca zachrypnięty zachwycać się zachwycający zachwycony zaciąć się zaciągnąć (się) do wojska zaciekawić zaciekły (bój) zaciemniać (się) zacierać zacięty zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk źródła zacisnąć (usta) zacofany zacofany zacofany zacytować zacytowanie zaczaić się zacząć zaczątek zaczekać zaczepka zaczynać (się) zad zadaj zadania zadanie zadanie zadanie zadanie wsadowe zadanie wydruku zadanie zawieszające zadawać ból zadawać pytanie zadenuncjować zadławić się zadośćuczynienie zadowalający zadowolenia zadowolenia zadowolenie westen schor. bibs. gedateerd. hardnekkig. geldbuidel achterover achterwaarts. vraagpunt. aanbrengen. klink handdruk. leiden terminal haakje. opgave karwei. pijn vragen aangeven. opgave. rauw verrukken. drillen vraagstuk. achteruit. werk. worgen verontschuldiging bevredigend tevredenheid blijdschap tevredenheid . koppig haakje. zeer. nietje beurs. kont. hengsel. taak oefenen. klamp.

bibberen. geheimzinnig uitgeven. schavuit. tegemoetkomen aan verheugd. nijdig.zadowolić zadowolony zadowolony zadrapania zadraśnięcie zadrżećs kołczan zadziwiać zadziwiać zadziwiający zadziwiający zafakturować zagadce zagadka zagadka zagadkowy zagadnienie zagadnienie zagajnik zagęszczać zagęszczać zagęścić zagięcie zaginać zagłada zagłuszać (radio) zagniecenia zagniewany zagnieździć zagorzały konserwatysta Zagotować. opgave kwestie. scharrelen. rillen. klauwen. declareren puzzel. vergenoegd krauwen. agraaf de stoot geven tot belang inboezemen. bedreigen paardestal. navraag haakje. spang. dreigement. stal hok bemachtigen. interesseren geïnteresseerd. fronsen kwaad. huiveren verwonderen. boef omvouwen. paaien. interesseren belang inboezemen. raadsel puzzel. tevreden. slot. bedreigen bedreiging. vraagpunt. belangstellend Congo. opgave struikgewas. blij voldaan. plooien ruïneren. moes. vouwen. vraagpunt. marmelade rimpelen. koken uitheems. verbazen verbazingwekkend. aandikken ellendeling. verblijd. klauwen. buitenlands in gevaar brengen bedreigen. wrzenie zagraniczny zagrażać zagrażać zagrażać zagroda zagroda zagrodzić zagrozić zagrożenie zagwarantować zagwozdka zagwozdka zahaczyć zainicjować zainteresowania zainteresowanie zainteresowany Zair bevredigen. bevreemdend bevreemdend. ploert. dreiging borg staan voor. raadsel mysterieus. toornig. verbazingwekkend verbazingwekkend. scharrelen. bosjes compact. bevreemdend factureren. dreigen dreigen. vraag. krabben beven. aangrijpen dreigen. probleem. dicht comprimeren verdikken. boos nestelen. grijpen. bevreemden. borrelen. garanderen vraagstuk. emitteren vraagstuk. probleem. te gronde richten jam. krabben krauwen. Kongo . raadsel puzzel. een nest maken keihard op het kookpunt zijn.

bekleden handwerk. optreden. leven. bekleden liggen invullen. rooster druk. uiteinde . zaak. uitdelen bezetten. installeren gijzelaar. dicht. beroep. verpestend. gesloten verhinderen. rumoer. bevelen kloosterzuster. verhoeden. handeling aangelegenheid. herrie storing storing storing storing moppen tappen codificeren berichten. contract uitgang. broodwinning. ambacht uitgebreid. affaire. bedrijf handelen.zaiteresowanie zajazd zając zająkiwał się zajęcie zajęcie zajęcie zajęcie zajęć) zajęty zajęty zajmować zajmować zajmować (stanowisko) zajmować się zajmować stanowisko zajmowanie zajmujący dużo miejsca zakańczać zakaz hamować zakazić zakazywać zakazywać zakazywać zakaźny zakażenie zakąska zakład zakład zakład (założenie się) zakładać zakładać klamrę zaciskającą zakładać się zakładnik zakłopotać zakłócenia zakłócenia (sygnału) zakłócenie zakłócenie programu radiowego zakłócenie spokoju publicznrgo zakneblować zakodować zakomunikować zakon zakonnica zakonnik zakontraktować zakończenie belang inboezemen. geëngageerd bezetten. aansteken verbieden afschrikwekkend verbieden aanstekelijk. handel drijven dienstregeling. veelomvattend toe. fitten. ding beroep. gedoe. besmetten. hakkelen. beslaan. bezet verloofd. omvangrijk. mededelen aanvoeren. stotteren actie. commanderen. spekken. besmettelijk infectie. ronddelen. interesseren logement. herberg haas stamelen. dempen. lunch wedden wedden wedden wedden insluiten. vullen rondgeven. beslaan. besmetting twaalfuurtje. impliceren aanleggen. lawaai. meedelen. beletten infecteren. non monnik verbintenis. garant in verlegenheid brengen ophef.

bezit pré. conclusie uitgang. nauwelijks. gebied graad. uiteinde terminal beëindigd. verwantschap afhankelijkheid afhankelijk.) zakwaterowanie zakwestionować zalać zalecać zalecać zalecać się zalecany zalecenie zalecie zaledwie zaledwie zaległy zaległy zaległy wysunięty naprzód znakomity zalet zaleta zaleta zalewać zależeć zależeć zależeć od zależeć od czego zależnośc zależność zależny zaliczać zaliczać załadować gevolgtrekking. getal. nauwelijks. bekendmaken. verdienen zondvloed afhankelijk zijn. aanbeveling prooi. recommanderen scharrelen. acquisitie. verpletteren adviseren. stand. afwikkelen. amper amper. aankoop stoffig gist afstemmen. omgeving. afhangen afhankelijk zijn. plug. adapteren buurt. begraven prop. bol. klaar afhandelen. status. afsluiten kuilen. vrijen aanbevolen recommandatie. onderhorig classificeren. afgelopen. buigen. buit. rang ombuigen. afhangen scharnier afhankelijk zijn. achterstallig onbetaald. indelen aantal. aanprijzen.zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg zakończenie sygnału przerwania transmisji zakończenie wskazówka zakończony zakończyć zakończyć zakopać zakorkować zakorzeniać się zakotwiczyć zakres ultrakrótkofalowy zakres współrzędnych osi zakręt zakup zakurzony zakwas zakwaterować zakwaterować (wojsk. kwalijk onbetaald. achterstallig onbetaald. sfeer. aanwinst kwalijk. toekomen. beëindigen. stop. aanpassen. actief. overstelpen. het hof maken. afgewerkt. inkoop. afhangen familiebetrekking. afdoen afmaken. tal laden . doorbuigen koop. wijk. voordeel waard zijn. stopmiddel anker anker kloot. achterstallig bedrijvende vorm. stekker. stadswijk aanpassing procederen bedelven. aankondigen aanbevelen.

doel. ineenstorten. oprichten. liefkozen. etablissement. ordenen afhandelen. afdwingen. sauzen. burcht slot slot treksluiting. plan. beogen. commanderen. getier smaken slot kooi sluiten. wit bedoeld. oprit ruilen. agitatie. lokaas inrichten. dichtdoen . omheind terrein omsluiten bemanning vestiging. doel. plecht. bedoelen gemiddeld doelwit. ophef. inboeten inruilen. rits. besmeren slot. ontroeren. doelstelling. verzenden. bevelen vervagen smeren. instelling achtergrond aas. expediëren instorten. afdoen omsluiten aanhechting kraal. rumoer. prejudiciëren mikken. etablissement. bewegen beroering. inruilen. moedwillig aangrijpen. mikken op. roerigheid. verwarring herrie. kasteel. aanrichten. instelling Maria-Hemelvaart vestiging. leven. lawaai verwardheid. ruilen. stichten aanhalen. honk. uiteenvallen afpersen. wisselen anticiperen. opzettelijk. beweging herrie. knevelen arrangeren. strekking in plaats daarvan in plaats daarvan oprijlaan. wisselen centrale in de plaats stellen van. rel. ritssluiting veranderen. dichtmaken.załadować ponownie załamanie załamuj załatwiać załatwić (sprawę) załączać załącznik załącznik załączyć (w przesyłce itp) załoga założenia założenie założenie założenie (firmy) założyć przynętę założyć się zamachnięcie zamaskować zamawiać zamazać zamazanie zamek zamek zamek (u drzwi) zamek błyskawiczny zamiana zamiar zamiast zamiast tego zamiatać zamieniać zamienić zamienić zamienić zamierzać zamierzać zamierzać zamierzać zamierzony zamieszać zamieszania zamieszanie zamieszanie zamieszki zamiłowanie zamknąć zamknąć na klucz zamknięcia afzenden. aaien blind aanvoeren. anders maken bedoeling. doorsmeren. strelen.

soppen monteren. uitvoeren aanvoer. afschrijven. uitrusten. toegeving terugvallen veronachtzamen achterwege laten. vriesvak vriezen vriezen bevroren sluiten. schets. inlevering . bevelen koelen vriezer. nalatigheid veronachtzamen bouwvallig. doodmaken. cessie. indompelen ronde toerusten. afleggen. dichtmaken. afnemen. bevelen aanvoeren. levering. indompelen duiken onderdompelen. opgeven een miskraam krijgen. commanderen. gammel. indopen. bedanken concessie. zetten ombrengen. bang vervagen kleiner worden. afgrendelen werkje. rijk. eindig. dichtdoen grendelen. dichtmaken. soppen onderdompelen. examineren prijsgeven. laf. nalatigheid storing veroorzaken storing veroorzaken lafhartig. vermogend aanvoeren. dalen dalen. bezorging aflevering. aflossen gefortuneerd. aftreden. mislukken afdanken uittreden.zamknięty zamknięty zamoczyć zamontować (dysk w systemie) zamordować zamortyzować zamożny zamówić zamówienie zamrażać zamrażarka zamrozić zamrożenie zamrożony zamykać zamykać na zasuwę zamysł zamyślony zamyślony zanalizować zaniechać zaniechać zaniechać zaniechać zaniechanie enia zaniedbać zaniedbać zaniedbać zaniedbanie zaniedbanie zaniedbywać zaniedbywał zaniedbywanie zaniepokoić zaniepokojenia zaniepokojony zanikać zanikać zanikać płowieć zanim zanurzenie zanurzyć zanurzyć (się) zanurzyć coś w zaokrąglać zaopatruj zaopatrywać zaopatrzenie sluiten. indopen. doden afbetalen. tekening nadenkend nadenkend onderzoeken. afnemen voor indompelen. kleiner worden. dichtdoen begrensd. afstand. aftands nonchalance. nakijken. commanderen. beperkt indompelen. weglaten veronachtzamen nonchalance.

doen ontbranden. reuk. ijver lucifer uit het hoofd leren. ineenstorten. spekken. aanmaken aansteker. uiteenvallen standpunt. verzekeren bevestigen. reserveren. luchtje. behouden geur. vuurmaker enthousiasme. ontslaan. vuur. luchtje. verzekeren betuigen. vies ruiken haan van een vuurwapen achterdeur ontzetten. aanmaken aansteken. van buiten leren uit het hoofd leren. verzekeren . ontbranding ontsteking keelontsteking longontsteking blindedarmontsteking aansteken. aroma reuk. geur parfumeren reuk. gezichtspunt waarschijnlijk beweren. geur. boedel bespreken. doen ontbranden. ontbranding ontsteking ontsteking. intekenen winkel een backup maken. lucht stinken. constipatie. scherpen. een backup maken van tweede ontzien.zaopatrzenie w żywność zaorać zaostrzyć zaoszczędzić zapach zapach zapach zapach zapach zapach zapadce zapadnia zapakować do worków zapalanie zapalenia zapalenie zapalenie zapalenie zapalenie opon mózgowych zapalenie płuc zapalić zapalić zapalić (się) zapalić papierosa zapalić się zapalniczce zapalniczka zapał zapał zapałka zapamiętać zapamiętywać zaparcie zapas zapas zapas zapasowy zapasowy zapasowy zapasowy wkład zapaść zapatrywania zapewne zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać (<sth> o czymś) aanvoer. aanmaken aansteken. aannemen provianderen. bergen. luchtje. obstipatie inventaris. royeren ontsteking. slijpen redden. ploegen. doen ontbranden. doen ontbranden. aanmaken aansteken. vuurmaker aansteker. bevoorraden betuigen. bezorging omploegen. doen ontbranden. sparen instorten. beploegen aanzetten. geestdrift ambitie. aanmaken aansteken. van buiten leren verstopping. lucht. sparen ontzien. geur lucht.

object. afstammen afleren. bergen. grammofoonplaat. schijf boek jota arrangeren. opvorderen beduiden. chef. bepalen dichtknopen gespen. bevestigen. verhoeden de stoot geven tot het gevolg zijn van. adverteren uitloven. uitschrijven nalaten discus. adverteren aankondiging. doen ontbranden. afkopen afbetaling ontsteking. doen ontbranden. onderwerp. verkondiging uitnodigen.zapewnić zapewnić zapewnić zapinać zapinać (się) Zapinka zapis zapis piątkowy zapisać zapisać (dane) pisać zapisać w testamencie zapisanie zapisywać zapisywać zaplanować zaplecza zapłacić okup zapłata zapłon zapłon (silnika) zapłon silnika zapłonąć zapłonąć zapobiegać zapoczątkować zapoczątkować zapominać zapominalski zapotrzebowania zapotrzebowanie żądanie zapowiadać zapowiedzieć zapowiedzieć zapowiedź zapowiedź zapowiedź zapraszać zaprosić zaprosić zaproszenia zaproszenie zaprotestować zaprowadzony porządek zaprzeczyć zaprzeczyć zaprzęgać zapuszczone mieszkanie itp zapychać (się) beweren. aanrichten. aanbieden afschaduwing aandienen. vastgespen. vragen. plaat. verzekeren fixeren. vrijkopen. ontbranding ontsteking. voorzeggen aandienen. rekwireren. aanmaken aansteken. vergeten. noden uitnodiging. rekwireren. behouden neerschrijven. tegenspreken ontkennen span stortplaats stoppen. verhinderen. inviteren. verzekeren betuigen. ding routine. invitatie uitnodiging. noden vragen uitnodigen. inviteren. sleur in tegenspraak zijn met. ordenen een backup maken. schijf gebieder. ontbranding ontsteking. bieden. plaat. opvorderen vorderen. baas redden. invitatie mikpunt. dichten. verleren vergeetachtig vorderen. dichtgespen vasthaken discus. een backup maken van loskopen. grammofoonplaat. ontbranding aansteken. dichtmaken . aankondigen. aanmaken beletten. aankondigen. voorspellen. vragen. aanvoerder. schrijven.

omtrek administratiekantoor. begrenzen. aanstellen aanrekenen.zapytać zapytanie z podpowiedzią zapytywać zarabiać zaradzić zaraza zaraza zarazą zarazek zarazić zaraźliwy zarażenie zardzewiały zareagować na coś w jakiś sposób zareagować <to sth> na coś <with sth> w jakiś sposób zarejestrować zaręczony zarobek zarobić zarobkach zarodek zarozumiały Zarys zarys zarząd miasta zarządca zarządca zarządca plików zarządzać zarządzać zarządzać zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia zarządzanie zarządzanie zarządzanie automatyczne zarządzanie zautomatyzowane zarządzenie zarządzić zarzut Zasada zasada spokoju zasada superpozycji zasadą zasadniczy zasadniczy zasadniczy vragen enquête een verhoor afnemen. baseren principe. beginsel. verpestend infectie. grondbeginsel heerschappij. bezoldiging. beheren. loon. behalen beter maken. besmetting pest pest microbe infecteren. grondig. salaris. besmettelijk. bestuur aanvoeren. beheerder. winnen. winnen. grondbeginsel fundamenteel primair ingrijpend. beginsel. ijdel. besmetting roestig reageren reageren aangeven verloofd. bestuur administratiekantoor. beheren administreren. bestuur beheerder. bewind. aansteken aanstekelijk. besturen administratiekantoor. ondervragen verdienen. uittrekken administreren. meier besturen. behalen gage. bezoldiging. helen infectie. administrateur bestuurder. beheren. beknotten omlijning. administrateur intendant. toeschrijven. bevelen benoemen. administreren. bestuur principe. geëngageerd gage. commanderen. salaris microbe nietig. radicaal . genezen. besmetten. loon verdienen. besturen bestemmen. onbelangrijk beperken. toedichten gronden. bestuur administratiekantoor administratiekantoor. opzichter.

behalen waard zijn. winnen. verdienen creditzijde. maffen bunker. in de plaats stellen van inboeten. rustig. macht. buit. klep slag. verdienen eerzaam. verdienen slapen. proces-verbaal. scherm. jas jas. nummer pion pand. gordijn. bikken. snappen overgordijn. waar verdienen. mantel waard zijn. onderpand. klep inboeten. acquisitie. toekomen. krijgskunde een hinderlaag leggen bewerker eten. verdienen waard zijn. snappen betrappen. doek mantel. tegoed. valstrik. stipendium. val schuif. presenteerblad blad. zich verwonderen afspiegeling. waardig. weerglans nakomertje cijfer. bezorging aanvoer. vreten aanvoer. credit waard zijn. bezorging heerschappij. aanwinst stil. krediet. snappen betrappen. gebruiken. verrassen. bezorging ondersteuning. verdienen waard zijn. toekomen. toekomen. subsidie inhalen geschrokken ontstellend een proces aanspannen tegen betrappen. krant opslaan prooi. toekomen. borgstelling schuif. toekomen. verdienen waard zijn. mogendheid aanvoer. bedaard. verrassen. toekomen. kazemat dienblad. kalm zich verbazen. in de plaats stellen van .zasadowy zasady zasady postępowania zasadzka zasilacz samochodowy/lotniczy zasilać zasilać zasilanie zasilanie moc zdolność władza zasilanie zaopatrzenie zasiłek zaskakiwał zaskakiwał zaskakując zaskarżać zaskoczenia zaskoczenie zaskoczyć zasłona zasłona dymna zasłonić zasłudze zasługa zasługa zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasłużyć (się) zasłużyć się zasnąć zasobnik zasobnik kart zasobnik kart (dziurkowanych) zasób zasób środek trwały zaspokoić zastanawiać się zastanawianie się zastanowienie zastaw zastaw zastaw zastawce zastawić pułapkę/sidła zastawka zastąpić zastąpić kogoś basisbekeuring. notulen strategie. verrassen.

vet baai. doorvoeren aanwending. plaatsvervangend in de plaats stellen van. inspuiting. kopijrecht bespreken. aflossing aflossing. dus. toepassing koe doen schrikken. bocht. vereren. dichtmaken bedelven. aandrang dik. in de plaats stellen van vervanging. boezem . eren maar. verloren gaan. overstelpen. kreek golfspel.zastąpienie zastępca zastępca zastępca zastępca zastępczy zastępować nowszą wersją zastępował zastępowanie zastępstwa zastępstwa zastępujący zastosować zastosować zastosowanie zastraszyć zastraszyć zastrzec sobie prawo autorskie zastrzegać zastrzerzenie zastrzeżenie zastrzeżenie zastrzyk zasymilować zasypać zasypuj zasypuj zaszczepić zaszczepić (przeciw chorobie) zaszczycie zaszczycie zaszczyt zaszczyt zaś zaświadczać zaświadczać legalizować zaświadczyć zaświadczyć zataić zatapiać zatarg zatem zatkać zatkać się zatłoczenia zatłuszczony zatoka zatoka vervanging. injectie in zich opnemen. inham. assimileren stoppen. reserveren. aanpassen. schrik aanjagen copyright. vernielen inboeten. toch stoppen. helper steward subsidiair. vraag. verwoesten. vergaan conflict ook weer. intekenen bevoegdheid. huldigen. inham. verhelen verdrinken. verzekeren verbergen. oculeren. enten vereren. eren preferentie. krediet. vettig. vervanging afwisselend afstemmen. doch getuigen. dichten. dichten. enten inenten. golf. navraag spuitje. oculeren. certificeren betuigen. aflossing vervanging. bloedaandrang. prae creditzijde. adjunct. ontveinzen. credit huldigen. verzadigen inenten. ergo. dichtmaken belegeren doortrekken. verpletteren congestie. adapteren aanwenden. tegoed. inboeten afwisselend vernietigen. certificeren getuigen. kwalificatie bevoegdheid. kwalificatie kwestie. aflossing assistent. certificeren getuigen. privilege.

aanwending toepassing. goedkeuren ontstekingsbuis. obstipatie beweren. aankondigen. marmelade vergiftigen. toepassing aannemen.zatonąć zatopić zator zatruć zatrudniać zatrudniać zatrudniać (pracownika) wykorzystywać zatrudnienia zatrudnienie zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać (się) zatrzymać (się) zatrzymać się zatrzymanie zatrzymanie pracy procesora zatrzymanie ze względu na adres zatrzymuj zatwardzenie zatwierdzać zatwierdzać zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzić zatyczka zatykać zatykać zaufania zaufanie zaufanie zaufanie zaufany zaufany człowiek zaułek zauważyć zauważyć zauważyć uwaga zawarcie (umowy) zawartość zawartość łyżeczki do herbaty zawiadamiać zawiadamiać zawiadamiać zawiadomić zawiadomienia zinken. adverteren verkondiging. ophouden. fiducie hebben in vertrouwd. aankondigen. halthouden. constipatie. aanmerking. geloof creditzijde. toejuiching ja zeggen. huren. aanneming beamen. blijven staan logeren box logeren logeren afslaan. aankondiging . moes. aanwending aanhouding. huren. uiteinde inhoud inhoud adviseren. aanplakbiljet. kaartje affiche. aannemen bijval. bevestigen vormsel. plakkaat berisping. aan de grond raken zondvloed jam. ophouden verstopping. billijken. bekendmaken aanplakken aandienen. arrestatie reserveren. krediet. vergeven aannemen. blaam uitgang. vergallen. acclamatie. beamen. vertrouwen. bougie fiducie. dichtmaken ontstekingsbuis. credit vertrouwen. bougie stoppen. aankondigen adviseren. aanwerven toepassing. tegoed. biljet. verzekeren bevestigen. geloof fiducie. aanwerven aanwending. standje. zelfverzekerd steeg plaatsbewijs. blijven staan logeren box reserveren. bekendmaken. dichten. betrouwbaar zelfbewust. detineren afslaan. halthouden. detineren. vertrouwen.

halsstarrig.zawiadomienie zawiadomienie zawiadowca stacji zawias zawierać zawierać zawierać zawierać zawierać (umowę) zawierający wszystkie funkcje zawiesić zawiesić się zawieszać zawieszenie zawieść zawilca zawilec zawiły zawiły zawiły zawiniątko zawisć zawistny zawistny zawiść zawładnąć zawodowiec zawodowiec (w sporcie) zawodowy zawody zawód zawód zawód pisarza zawód pisarza zawór zawrotny zawrót głowy zawstydzać zawstydzenie zawstydzić zawstydzić się zawstydzony zawsze zawsze zawsze zawsze dostępny zawzięty zawzięty aankondiging. plakkaat stationschef scharnier afhandelen. benardheid. geheimzinnig compliceren. jaloers. broodwinning. beroepsprofessioneel. klep duizelig duizeling. steeds permanent. hinder foei beschamen. afdoen bevatten. verdriet handwerk. laten merken anemoon anemoon mysterieus. aldoor. immer. verkondiging affiche. wis. wel eens. beroep. bij voortduring eenmaal. leed. knelpunt. ingewikkeld maken gecompliceerd. behelzen omvatten. beroepsprofessioneel. aangrijpen professioneel. ijverzuchtig benijden. afgunstig. steeds koppig. afgunstig jaloers. behelzen smeden bevatten. duizeligheid foei penarie. beroepswedijver smart. grijpen. inhouden. beslaan inclusief afslaan. ambacht handwerk. misgunnen bemachtigen. bedrijf schuif. bos jaloezie. aanplakbiljet. afwikkelen. jaloers zijn op. hardnekkig volhardend . zetten in de steek laten. eens. blijven staan hangen hangen monteren. immer. ooit altijd. naijver ijverzuchtig. beroep. beschaamd maken beschaamd altijd. ingewikkeld bundel. inhouden. ambacht beroep. halthouden.

nakijken. innen. breisteek. vluchteling elkaar dekken. vergaderen. samenkomen. apparaat. afleiden. bewust gewoonlijk gewoonlijk beschuldiging. afgunstig benijden. congruent zijn samenkomen. examineren Verlosser vrijkopen. schare. kudde. hulpmiddelen . steek. bijeenkomen scheren oogst acquisitie hutspot analoog. congruent zijn bijeenkomst. rooskleurig onderzoeken. strik merken. misgunnen jaloezie. woedend. bijeenkomen samenkomen. rose. abstraheren deduceren. dol nodig hebben. groep. afleiden. rozig. gelijksoortig collectief. behoeven. innig. overeenkomend. moeten.zazdrosny zazdrosny zazdrosny (<of sb> o kogoś) zazdrościć zazdrość zazdrość zazębienie zaznaczyć zaznajomiony z czym (człowiek) zazwyczaj zazwyczaj zażalenie zażarty zażądać zażenować zażyły ząb ząbek (czosnku) zbadać zbawca zbawiać zbędny zbędny zbiec zbieg zbiegać się zbiegać się zbiegać się nadawać zbieżność zbiegowisko zbierać zbierać zbierać oklaski zbierać się zbierać się zbierać sumować zbierać wierzchnią warstwę zbieranie danych o wydajności zbieraniną zbieżny zbiorowy zbiory zbiór zbiór zbiór zbiór danych gotowy zbiór docelowy zbiór drzew (w teorii grafów) zbiór zmian po wykonaniu operacji jaloers. naijver maas. hoeven in verlegenheid brengen intiem. afgunstig. abstraheren vergaderen. drossen uitgewekene. convergeren elkaar dekken. jaloers zijn op. verwoed. drift bestand. afkopen onnodig overtollig. jaloers. aanklacht doldriftig. apparaat. samenkomst collecteren. tekenen welbewust. hulpmiddelen woud. jaloers zijn op. ijverzuchtig geel ijverzuchtig. map inrichting. apparaat. wegrennen. gezellig. samenlopen. misgunnen benijden. gemeenschappelijk oogst hoop. inzamelen deduceren. hulpmiddelen inrichting. loskopen. overbodig weglopen. meeting. bos ordner. knus tand roze. dossier inrichting.

eelt. bos uitgebreid. glooiing wal. bos gevolg samenscholing wis. likdoorn zaadkorrel. evenement toegaan. pantser koek. ontaarden. uitmaken definitief. kuras. gebeuren gebeuren. opwekken evenzeer. kust. verbasteren afstandelijk afstijgen zenuwachtig. cake wakker. bepaling gedachte. uitspraak belangrijke gebeurtenis. kloppen. korrel straatschuimer.zbiór znaków kodowanych alfabetycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiórka zbitka rejon zbity zbliżać się zbliżać się zbliżony zbliżyć zbliżyć się zbocze zbocze (impulsu) krawędź (grafu) zbombardować zboże zboże zbój zbroja zbroja zbrylić się zbudzić any zbudzony zbyt zbyt towarów zbyt wysoka ocena zbyteczny zdać zdalny zdanie zdanie zdanie zdanie (twierdzące) zdarzenie zdarzenie zaszłość zdarzyć się zdarzyć się zdecydować zdecydowanie zdegenerować się zdegenerowany zdejmował zdemontować zdenerwowany zdeprawować zderzać się zderzać się repertoire bundel. klappen. opvallen . clausule. harnas. pantser kuras. nerveus boemelen. aangifte. volzin declaratie. brassen. evenement belangrijke gebeurtenis. bundel. voortgang hebben. mede. wakend wekken. wakker maken. voorgoed degenereren. apache bepantsering. zenuw-. aan de rol zijn aanrijden. ver voorwaarde. voorrijden slaan. kant. ook verkoop. wis. zin. visie frase. oever bombarderen eksteroog. vervreemding overschatten. pit. ontaarden. bepantsering. beslissen. veelomvattend benaderen aanvliegen benaderen benaderen aanvliegen helling. mening. eveneens. aan de hand zijn besluiten. boord. verbasteren degenereren. harnas. omvangrijk. ververwijderd. overwaarderen onnodig inhalen verwijderd. opinie. dunk.

klein. behalen buit maken. karig. ceremonieel luttel. schoonmaken. gering gezondheid gezond. laten merken verdoofd afgemeten. klein.zderzak zderzenia zderzenie zderzyć się zdjąć zdjąć z haka zdjęcia zdjęcia (w filmie) zdjęcie zdjęcie (fot. min. valide gezond van lijf en leden . tooisel beetnemen. min. plechtig. kieken fotografie beeld. afbeelding. verschaffen. plaat luik fotograferen. smoren. buffer botsing. beheren. louteren afhaken. aanrijding aanrijden. behalen uitreiken. capabel. kundigheid faculteit capabel. kundig administreren. min. laten merken in de steek laten. besturen verraad verraad verraad in de steek laten. decoratie. bekwaam bedreven. verkrijgen. neerslaan versieren sieraad. kundigheid bekwaamheid. gering luttel. behalen verkrijgen.) zdjęcie migawkowe zdławić zdobić zdobienie zdobycia zdobycz zdobyć zdobyć wewnętrzną świadomość zdobyć wewnętrzną świadomość zdobywać zdobywać zdolności przetwarzania zdolność zdolność zdolność zdolność adresowania zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie zdolność przystosowania się zdolność przystosowawcza zdolny zdolny zdolny do narzucenia zdołać zdrada zdrada zdradą zdradzać zdradzić tajemnicę/oddać coś zdrętwiały zdrętwiały zdrobniały zdrobnienia zdrobnienie zdrowie zdrowy zdrowy na umyśle bumper. karig. klein. verstrekken aanpassingsvermogen bekwaamheid. kieken onderdrukken. verkrijgen. kundigheid aanpassingsvermogen geschiktheid aanpassingsvermogen bekwaamheid. kundig. buit maken buit maken. fit. voorrijden reinigen. behendig. gering luttel. aanvaring. pakken. bekwaam bekwaam. aanrijding botsing. karig. beetkrijgen raaf buit maken. stootkussen. loshaken fotograferen. aanvaring. prent. handig. verkrijgen.

meeting. landing Zeeland enkel. samenkomst samenscholing bijeenkomst. buiten adem zebra. bedorven. smoren. aggregaat vergaderen. nul . dutten sluimeren. verbazen bevreemdend. nihil nihil. bloot. bevreemden. bevreemden. Kaapse ezel aggregatie. bedorven. luwen zwak bezwijmen. lust. sluimeren. meeting. druilen. zenit defect. verbazen bevreemdend. klokkenmaker daling. verbazingwekkend eminent. bijeenkomen bijeenkomst. nul nul nul nihil. zitting wens. louter bedaren. stuk. verrot verspild rot. amechtig. loensen nul. polshorloge horlogemaker. verrot nul. bewusteloos raken bezwijmen. bekoelen. samenkomen. begeerte. zin zefier uurwerk. neerslaan doodgaan. overlijden. vernielen verwonderen. verlangen. scheelkijken. verbazingwekkend verwonderen. dutten vernietigen. sterven ademloos. uitstekend. aanzienlijk onderdrukken. bewusteloos raken wraak wraak wraak hoogtepunt.zdrój zdrzemnąć się zdrzemnąć się zduciś zdumieć zdumieć zdumiewać zdumiewający zdumiewający zdusić się zdychać zdyszany zebra zebrać zebrać zebrania zebranie zebranie zebranie zechcieć zefir zegar zegara zegarek zegarmistrz zejście na ląd (ze statku) Zelandia zelówka zelżeć zemdleć zemdleć zemdlenia zemsta zemsta zemścić się na kimś zenit zepsuty zepsuty zepsuty zepsuty fabrycznie zera zera zerkać zero zero zero zero nastawiaine zero nieznaczące badplaats druilen. nihil nul scheelzien. verwoesten. kapot rot. klok wijzerplaat horloge. samenkomst vergadering.

uitwendig. uiterlijk buiten-. buitenwaarts leden. laten schieten toelaten. scheelkijken. loensen laten. schrift. meeting. loensen certificeren. aggregaat repertoire bundel.) zerwać zerwanie zesłać (nieszczęście) zespół zespół Zespół budynków zespół odczytującodziurkujący zespół projektowy zespół serwerów zestaw znaków kodowanych alfabetycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestawiać w bloki zeszlifować zesztywnienie zeszyt zeszyt zeszyt (szkolny) ześlizgnąć się zetrzeć zetrzeć zewnątrz zewnętrzna strona zewnętrzna strona zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zez zeznaj zeznania zeznanie zezowaty zezwalać zezwalać zezwolenie zezwolenie nul nihil. troep. buiten. over uitwissen buiten buiten oppervlakte. reproduceren. oppervlak extern. troep. klaar nul neutraal. mislukken beproeven. eruit. toestaan . scheelkijken. groep complex. mislukken een miskraam krijgen. getuigen hergeven. fiat toelaten. aflevering slippen. afzijdig. extern. gedogen. drillen katern. teruggeven getuige scheelzien. uitwendig. onpartijdig een miskraam krijgen. uitglijden vandoor. aflevering katern. uiterlijk daarbuiten. afschaven stijfheid oefenen. bos bijeenkomst. licht. toestaan toestemming. buiten-. nul hel. laten begaan. verdriet doen bende. verwijderd. samenkomst gevolg blokkeren. uiterlijk buiten naar buiten.zero nieznaczące zero początkowe zerować zerowy zerowy (przewód elektr. wis. schare aggregatie. vastzetten schaven. schare groepering. schrift. goedvinden. heen. aanhang scheelzien. bedroeven. samengesteld gevolg bende. gedogen.

beamen. ons. goedvinden. ons. fiat loslaten. in overeenstemming zijn het eens zijn. nagaan lettergreep. overeenstemming overeenstemming. we wij. toeloop. toegeven. genoeglijk congruent adequaat. plooien vrijwilliger. aanneming. behaaglijk. goedvinden toestemming. overeenstemmen bitter beminnelijk . maagzuur. fiat bescherming met de klok mee. verrot aanvaarding. vouwen. overeenstemmen maagbrand. tappen. kreukelen. schavuit. rechtsom aangenaam. volontair verzoeker. rechtsom met de klok mee. syllabe aanwending. goedvinden. gedogen. rumoer. herrie verfomfaaien. bedorven. ploert. doorbuigen gebogen. gissen. medeklinker lid worden het eens zijn. frommelen ellendeling. aanvrager onderzoeken. uitlaten. exploreren. passend. run rot. doorzien accoord. leven. bevestigen concert het eens zijn. overeenstemming het eens zijn. lossen toelaten. buigen. onthaal accoord. toepassing aandrang. krom omvouwen. samenklank ja zeggen. syllabe lettergreep. toestaan gebit gebit raden. overeenstemmen passen.zezwolenie na zapis zezwolenie zapisu zezwolenie zdalne zezwolić zezwolić na opublikowanie zębach zęby zgadywać zgadzać się zgadzać się zgadzać się zgadzać się (<to sth> na coś) zgaga zgiełk zgięcia zgięcia zginać zginać zginać zgłaszać się na ochotnika zgłaszajacy się zgłębiać zgłosce zgłoska zgłoszenie zgnieść zgniły zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara zgodnie z obrotem wskazówek zegara zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny ze standardami branżowymi zgodzić się zgodzić się zgorzkniały zgrabny wij. zuur ophef. we toestemming. lawaai. boef ombuigen. overeenstemmend congruent consequent consonant.

samenkomst. gapen wijd openstaan. gapen wijd openstaan. opdagen verschijning. samenkomst. fenomeen gezicht. rimboe koud koud koud ijsvogel blinde. honds. beitsen bitsheid snibbig. droombeeld opdraven. boon. droombeeld congres unie unie . grond.zgromadzenia zgromadzenie zgromadzenie zgromadzić zgryz zgryźliwość zgryźliwy zgryźliwy zgrzeszyć zgrzewarka zgrzytać zgrzytania zguba ziarnistość ziarnko (grochu ziarnko (klasa JavaBeans) ziarno ziarno zidentyfikować zieleń zielony ziemia Ziemia (jako planeta) ziemianin ziemniak ziemski ziemski ziewać ziewać ziewanie ziewnięcie zima zimą zimnica zimno zimny zimny zimorodek zjawa zjawa zjawiać się zjawianie się zjawienie się zjawiska zjawisko zjazd zjednoczenia zjednoczenie meeting. gapen winter winter oerwoud. boon. gapen wijd openstaan. bijeenkomst samenscholing vergaderen. bijeenkomst meeting. bodem. blinde bij kaarspel gezicht. aardappel aards. visioen. nors. veldboon zaadkorrel. onaardig zondigen lasser piepen. nurks. ondergrond chaperonneren pieper. pit. knauwen. knarsen raspen nadeel. bijeenkomen happen. korrel tuinboon. samenkomen. schade. vereenzelvigen groen groen aanaarden achtergrond. veldboon tuinboon. korrel zaad identificeren. verschijnen verschijning. pit. aarden aards wijd openstaan. strop zaadkorrel. visioen. geest. jungle. verschijnen verschijnsel. bits bars. deficit. bijten.

hakken houwen. geleding. boodschap. bevelen vragen. gelid. leggen. aangaan spijkeren. steler diefstal. knoop kwetsen. gortig kwartel in aanmerking komen. ergeren . foedraal unie aansluiting haven interface aansluiting aanhechting zich aansluiten. samenkomst afbreken houwen. aanvragen. gouden dief. commanderen. lid worden. gelid. nagelen bemachtigen. adellijk. rans. ranzig. letsel toebrengen gulden. toorn bijeenkomst. meeting. commissie aanvoeren. knoop aansluiting houder. gotisch lettertype defect. kapot aanfloepen. meetellen afwikkelen. plaatsen gramschap. gotisch lettertype breuk. opheffen situeren. garstig opdracht. hakken breuk. ontvreemding afkeuren ergeren. verontwaardigen grieven. liquideren. kappen. verzoeken opdracht. stuk. inroepen. aan de grond raken muf. grijpen. aanflitsen. nalatigheid koek. schede. lid. toorn gramschap. goor. boosheid. cake zinken. toetreden gewricht. lid. bedroeven. commissie benoemen. geleding. aanstellen delegeren. aangrijpen gewricht. gotisch lettertype breuk. afvaardigen nonchalance. kappen. boosheid. boodschap. benauwd.zjednoczony zjedzony przez mole zjełczały zlecenia zlecenie zlecenie zlecenie zakupu zlecić zlecić delegat zlekceważenie zlepiać (się) zlew zleżały zlęknąć się zliczanie zlikwidować zlokalizować zlość zlość zenie zlot złamać złamać (zabezpieczenie złamać zabezpieczenie złamania złamanie złamanie ochrony pamięci złamany złapać złapać złapać kogoś na gorącym uczynku złącze złącze złącze złącze złącze p-n stopniowe złącze przelotowe portu równoległego złącze punkt połączenia złącze żeńskie złącze) ceramika—metal złączenie Złączka zło złocie złodziej złodziejstwo złom złościć złościć verenigd mottig ransig.

defect. illusie kwaad. mat. ontgaan verschuiving achtergrond. hatelijk. gehavend. leed leed. opstellen . samengesteld vergaderen. toch ontsnappen. in bewaring geven complex.złość złośliwość złośliwy złośliwy złośliwy złośliwy złota moneta dziesięciodolarowa złota rybka złoto złoty złoty złoty (polska waluta) złowić złoże złożenie złożenie skład złożony złożony z dwóch jednakowych elementów złożyć złożyć (np. deponeren. moe veranderen. bijeenkomen opbergen. kaduuk worstelen. boos kwalijk. grond. redigeren. compositie complex. kwaadaardig afschuwelijk hatelijk. arend goudvis gulden. anders maken opmaken. verdriet. boosaardig. ontkomen. składany stolik w pociągu) złożyć składany stolik w pociągu złudzenie zły zły zły zmagać się zmaleć zmarnowany zmarszczka zmartwienia zmartwienie zmartwienie zmartwienie zmarznąć zmęczenie zmęczony zmiana zmiana zmiana adresu zmiana kierunku zmiana strumienia magnetycznego na cal zmianą zmielony zmieniać zmieniać zmieniać gramschap. boosaardig. kwaad kapot. stuk. gouden aanfloepen. zich aftobben verminderen. hartzeer. begoocheling. samenkomen. afjakkeren. beproeving smart. insluiten opbergen. insluiten drogbeeld. nijdig. toorn trots kwaadaardig. bodem. spartelen. bergen. ook weer. aangaan afgeven. dus. samengesteld complex. samengesteld toondicht. toonzetting. slecht. afbeulen vermoeid. smart vriezen afmatten. ondergrond afwisselend veranderen. boosheid. kwaadaardig adelaar. hatelijk boosaardig. gouden gulden. anders maken verschuiving afleidingsmanoeuvre ergo. bedroeven droefheit. fronsen verdriet. gouden gulden. gouden gulden. bergen. aanflitsen. verdriet. afnemen verspild rimpelen. beroerd. toornig.

dwingen. doorkomen. bedeesd temperen. aanbreken van de dag schemer. schemer. verminderen verslappen. afwisselend afwisselend afwisselend veranderen. weekmaken. beschaamd maken penarie. slagen anders maken. bijeenkomen vergaderen. samenkomen. kleiner worden. timide. verstrooien wisselend. noodzaken stuwen bedrieglijk. schemerdonker blo.zmieniać zmieniać (się) zmieniać kolejno zmieniać liczbę zmieniać się zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) zmienić zmienić się zmienić (się) zmienić kierunek zmienna związana zmienny zmienny zmienny zmienny zmierzch zmierzch zmierzch zmieszać zmieszać zmieszać się zmieszanie zmieszany zmniejszać zmniejszać się zmniejszenia zmniejszenie się zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć (się) zmniejszyć napięcie zmoczyć zmonopolizować zmontować zmontować (urządzenie) zmontowanie zmora zmowa zmrok zmrożony zmuszać zmuszać zmylić zmysł zmysłowy zmyślony wijzigen. benardheid. bedeesd reduceren. inkrimpen. anders maken wisselend. incubus komplot. bijeenkomen meeting. denkbeeldig. opkopen vergaderen. bekoelen. veranderen anders maken. illusoir betekenis. weken accapareren. annuleren. verlagen inkorten. afwisselend dageraad. knelpunt. verlagen afname dalen. matverplichten. fictief . bijeenkomst angstdroom. afnemen afdraaien. modificeren afwisselend klaarspelen. luwen ontbinden. veranderen afleiden. herleiden afdraaien. zich verpozen bedaren. halfdonker halfdonker. zin zinnelijk. wellustig. samenkomen. samenkomst. veranderen anders maken. schemerdonker. veranderlijk. schemer. timide. samenspanning halfdonker. afgelasten in de week zetten. veranderlijk. mixen beschamen. hinder blo. vermengen. mengen. bevangen. nachtduivel. veranderen afwisselend bekeren anders maken. sensueel verdicht. bevangen. schemerdonker mat.

bevinden. plaatsen toegaan. relatie. relatie. strekking oogwenk. aanzienlijk importeren. teken voorbode. getal oneigenlijk. vlag dundoek. pit voorbode. geaardheid voorbode. frankering. porto muntstempel tal. betekenisvol voorbode. aanzienlijk . invoeren gemiddeld kennen. voorteken.znachor znaczący znaczący znaczek znaczek pocztowy znaczek pocztowy znaczenie znaczenie znaczenie znaczenie przenośne znacznie znacznik znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) znacznik stanu klienta znacznik znak towarowy znaczny znaczyć znaczyć znać znać się na znajdować znajdować lokalizować znajdować się znajomość znajomość lokalnych warunków znajomość rzeczy znajomy znak znak znak znak znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. aanmerkelijk. bekende bekendheid. bekende kennis. plan. bedoeling. plan. vaan. voorteken. voortgang hebben. korrel. teken port. karakter. tekenen dundoek. leggen. vaan. teken sterretje. moment. vlag merken. voorteken. teken kogel voorbode. asterisk sterretje. aantal. bekende aard. gebeuren kennis. vlag geruim. charlatan. figuurlijk doel. beroemdheid kapitaal. ogenblik. geaardheid merken. voorteken. bedoeling. accuraat voorbode. voorteken. tel aanzienlijk dundoek. hash table mieszać znak nowej linii znak odstępu znak sterujący transmisją znak unikowy znak wodny znak zabezpieczający znak zapytania znak zastępowania znak zastrzeżony usługi znak zgłoszenia znakomitość znakomity znakomity bedrieger. voorteken. kwakzalver doel. asterisk mijlpaal aard. kunde kennis. bekend zijn met kennen. kennis. uitstekend. vermogen eminent. karakter. bekend zijn met vinden. teken nauwgezet. nauwkeurig. teken aanleggen beroemd persoon. strekking veelbetekenend. vaan. aantreffen situeren. tekenen zaadkorrel. relatie. treffen.

verjagen afschaffing roddelen. vierkante decameter tevreden. berechten gescheld gescheld afschrikken. afbeelden zodiak. voldaan ontmoeten. vernielen afname te wachten staan. funderen vinden.znakomity znaleźć znaleźć znaleźć ukojenie w czymś znamię znawca znawca znęcać się znęcanie się zniechęcać zniechęcić zniesienie zniesławić znieść znieść (na dół) znieść niewolnictwo znieść yć zniewaga znieważać znieważać zniewolenia znikać zniknięcia zniknięcie znikomy zniszczenie zniszczenie zniszczyć zniszczyć zniweczyć zniżka znosić znosić znowu znowu znużony zobacz zobacz <be> zobacz <content> zobaczyć zobowiązanie zobowiązanie bitowe zobowiązując zobrazować zodiak zoo zoolog zoologia onbetaald. affronteren gescheld beledigen. uitblussen vernietigen. aantreffen verplichting. vergenoegd. aantreffen baseren. verbeelden. treffen. kwaadspreken. wachten beklijven. grondvesten. luizig afbraak. aanhouden opnieuw. verwoesten. bevinden. dierkunde . herendienst verdwijnen. verjagen afschrikken. treffen. sloop vernietiging vernietigen. zoöloog zoölogie. blussen. beuzelachtig. bevinden. krenken. nogmaals. opnieuw vervelend ontmoeten. afhalen. tekenen deskundig beoordelen. van voren af aan. krenken. wijken verdwijning verdwijning onbeduidend. plicht bereidwillig. dierenriem dierentuin dierkundige. oordelen. belasteren afschaffen afschaffen afschaffen maag beledigen. nogmaals van voren af aan. affronteren lijfeigenschap. ontmanteling. vernielen doven. uitdoen. verwoesten. plicht verplichting. aantreffen are. duren. achterstallig vinden. aantreffen merken. bereidvaardig uitbeelden.

toegeven zich aaneensluiten. aurora. beschadigen. gedurfd. splijten. aanwakkeren. immoreel.zoologiczny zorganizować zorza zorza zorza polarna zorza polarna zostać zostawać zostawać zostawić zranić zraz zrazić zrąb aplikacji zrezygnować zrezygnować zrezygnował zrezygnował zrobić afront zrobić pętlę zrobić przerwę zrobić sekcję zrobić zapas zrobić zrzutkę zrozumiałem zrozumiały zrozumieć zrozumienie zrównać zrównoważony zryw zrywać (kwiaty) zrządzenie losu zrzec się tronu zrzeczenie się zrzeczenie się (np. ontslagname. raam een miskraam krijgen. verdienen aanvuren. morren. aansluiten mopperen. verjagen kader. examineren inspuiten. sputteren stortplaats afstijgen waard zijn. bederven biefstuk. nakijken. onzedelijk afsnauwen declaratie. kramp. toekomen. vastnaaien haakje. verder op reis gaan. injecteren doen. organiseren Aurora morgenlicht. aansporen aanzetten. kankeren. afstand doen afstaan. bief afschrikken. bestemming. scheuren afrukken. uitspraak pauzeren onderzoeken. aannaaien. beseffen aanhouding. stoutmoedig. bedanken prijsgeven. plukken. aangifte. dierkunde uitschrijven. begrijpen. ontslagname. aurora. nablijven overig. Zoeloe . afstand doen afstand. regelen. omlijsting. stout Zoeloetaal. ontslagneming afstand. afreizen havenen. odpowiedzialności) zrzekać się zrzekać się (sterowania) zrzeszać się zrzędzić zrzut zmian (zawartości pamięci) zsiadać zsługa zsumować dodać zszyć zszywka zuchwały Zulus zoölogie. lot bedanken. neerleggen. maken en begrijpelijk. afleggen. ontslagneming bedanken. mislukken uittreden. klamp brutaal. aanmaken. morgenrood logeren achterblijven. neerleggen. bedrijven. nietje. het veld ruimen. morgenrood Aurora morgenlicht. lijst. afbreken lotsbestemming. aan de schouder brengen nuchter barsten. arrestatie aanleggen. opgeven gemeen. aftreden. bevattelijk bevatten.

volledig uitdrukken volkomen. odważyć zwedzki zwężać (się) Zwiastowanie zwiastun związany związek związek związek związek typu "jeden do wielu" związek typu "jeden do wielu" związek zawodowy zwichnąć (staw) zwiedzać zwiedzać zwiedzać zwiedzanie zwierak anty nadawanieodbiór zwierak anty nadawanie-odbiór zwierzać się zwierzchnictwo zwierzę zwierzę zwierzę zwierzę pociągowe zwierzęcy zwierzyć się zwierzyna zwiędnąć soep soep alles wel beschouwd heel. verstuiken spoken tournee. brengen. inlichten bond. in optima forma longtering. luchtpijp. toevertrouwen dominion dierlijk dier. volkomen. referentie eerbiedigen. aanlokkelijk lokken dwarsbomen. belemmeren geurig. verbruiken. dragen. geest. verwant bond. afwegen Zweeds zeeëngte. voorteken aanverwant. bloot compleet. vertroetelen dierlijk dierlijk vertrouwen. luchtband vertrouwen. heel. tegenwerken. berichten. totaliter grondig. dicht verstand. luchtband binnenband. associatie verwijzing. ontwrichten. kanaal. enkel. nauw. radicaal helemaal. toevertrouwen spel verflensen. afgaan. tuberculose voeren. consumeren lekker. genootschap. kwijnen. verwantschap informeren. rondreis bezoeken. opzoeken bezoeken. voorhebben slopen.zupa zupą zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie obcy człowiek zupełny zupełny zupełny zużycie zużycie energii zużywać zwabić zwabić zwalczać zwariowany zwarty zważać Zważyć. tering. verdorren . koesteren. associatie familiebetrekking. genootschap. aromatisch compact. opzoeken binnenband. afgaan. luchtpijp. intellect het gewicht bepalen. finaal louter. perfect. Maria-Boodschap voorbode. wegen. straat Annunciatie. respecteren verrekken. beest troetelen.

in het bijzonder in het bijzonder. inzonderheid neiging tot uitstellen vertraging lijk. bloot gewoonlijk . fel. los. schoorvoeten. convoceren aanschrijven uitschrijven. bondig. spoel. kort. bijeenroepen. kadaver bedrieglijk. onbelemmerd verslappen. ineenstorten. zege. teruggeven reproduceren. overwinning victorie. het juk opleggen gedachte spoel. expansie kortstondig. zege. illusoir begoochelen. ontzetten. zich verpozen ontzetten. bobine klos. gebruik douane gewoonlijk gewoon. kort kernachtig. reproduceren. weergeven victorie. ophogen uitzetting. aanplakbiljet. overwinning veroveren usance. aanhouden. convoceren aanspannen. royeren aanschrijven uitschrijven. bijeenroepen. uitstellen inzonderheid inzonderheid. uitlaten. gebruikelijk louter. kreng. vlot. beknopt vochtig instorten. tappen. teruggeven adresseren keerkring affiche.zwiększać zwiększać (się) zwiększanie wyposażenia zwięzły zwięzły zwilżyć zwinąć zwinny zwlekać zwlekać zwłaszcza zwłaszcza zwłaszcza zwłoce zwłoka zwłoki zwodniczy zwodzić kogoś zwolennik zwolnic wolny zwolnić zwolnić (tempo) zwolnić kogoś z pracy zwolnienie zwołać zwołuj zwołuj zwoływać zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) zwornik zwój zwój zwracać powrót zwracać się (<sb> do kogoś) zwrotnikach zwrócić (do repozytorium) zgłosić się zwrócić pieniądze zwrócić uwagę zwycięstwa zwycięstwo zwyciężyć zwyczaj zwyczaj zwyczajnie zwyczajny zwyczajny zwykle vermeerderen opdrijven. plakkaat hergeven. royeren. guur. ontslaan loslaten. illusies wekken bij leden onbezet. bobine hergeven. doordringend aarzelen. dubben verdagen. lossen ontslaan. enkel. uiteenvallen bijtend. klos. verheffen. reproduceren. gewoonte. vooral. open.

wel. niet niks. lemmet kling. aanwinst. nee. niets. vrouwtje kikker. gebruikelijk spugen. ontaarden. geen zier zeilen jasje. braken. enig evenmin. buis leed. kwel. prooi acquest. niet neen. naakt algemeen. geen. prooi verdienste. nee. welput bron. verdriet. buit. welput bron. baat. winst. gebruikelijk algemeen. gewin acquest. kikvors kikker. gewin buit maken. winst. baat. kikvors een of andere. verkeerd misverstand misvatten. lemmer. wortel schieten bron. behalen acquest. herkomst aanslaan. buit. smart . niemendal. kwel. onbedekt. colbert. kwel. lemmet kling. noch niks. bloot. welput bron. lemmet schrijden slecht onjuist. aangeboren gewoon. niets. wel. overgeven. lemmer.zwykle tekstowe zwykły zwykły zwykły zwykły zwykły papier zwykły tekst zwymiotować zwyrodnieć zwyżka (cen) zygzak zygzakowaty zysk zysk na akcję zysk na akcję i ekwiwalent akcji zysk na akcję i ekwiwalent akcji zyskać zyskać zyskać na czasie źdźbła źdźbło źdźbło (trawy) źdźbło trawy źle źle źle zastosować źle zrozumieć źle/nieudolnie kierować (instytucją itp) źrebak źródła źródła źródła źródło źródło mocy sterowane cyfrowo źródło upuszczania źródło zasilania ż żaba żabą żaden żaden żaden żaden (w zdaniach przeczących) żaden z dwóch żaden z nas żagiel żakiet żal gewoonlijk onopgesmukt. wel. aanwinst. gemeenschappelijk gewoon. verbasteren inflatie zaagvormig zaagvormig verdienste. kwel. geen. een of ander. wel. niemendal. aanwinst. prooi verdienste. welput aanslaan. verkeerd begrijpen slecht pony oorsprong. wortel schieten wijfje. kotsen degenereren. baat. foutief. winst. geen zier neen. lemmer. gewin kling. afkomst. verkrijgen. gemeenschappelijk ingeboren. buit.

happig. rooien boerten. hongerigheid. verzoeken aanspraak maken op. spijtig ach. grol. inroepen. clown. moeten. moeten. behoeven. rekenen. belust. behoeven.żal żal żal żalić się żaluzja żałoba żałosny żałosny żałość żałować żałować żałował żałował żar żarcia żarcie żarcie żargon żargon techniczny żarliwy żarłoczny żarówka żart żart żartować żartować żartować z kogoś żartowniś żarzyć się żądać żądać żądać żądać informacji żądania żądania żądania żądanie żądanie żądanie danych żądanie informacji dochodzenie żądanie zaprzestania EGP żądanie zaprzestania EGP żądanie znacznika czasu żądła żądło żądny żądza żądza betreuren. verterend begerig. beklagenswaardig betreurenswaardig. berouw hebben betreuren. futiliteit. bejammeren berouw. verzoeken opeisen. verkiezen. steken dorstig graagte. peer boerten. schertsen. verzendend. bejammeren tot inkeer komen. inroepen. smart. zijn beklag doen luik rouw erbarmelijk. blaken opduikelen. beuzelarij boerten. vereisen. pots. claimen inspectie houden. lamp. hoeven nodig hebben. priemen. boetvaardigheid. grol. pots. aanvragen. conditie. rekenen. priemen. gloeien. grol. inkeer bedroefdheid. taaltje gloeiend. kwinkslag. blaken aanspraak maken op. trek trek hebben in. inroepen. claimen vragen. gekscheren hansworst. kwinkslag. eisen voorwaarde. grap mop. taaltje jargon. eisen opeisen. vurig. kwinkslag. wee betreuren. harlekijn in gloed staan. bepaling aanspraak maken op. inspecteren nodig hebben. opgraven. eetlust. claimen opeisen. hoeven aanspraak maken op. bejammeren tot inkeer komen. delven. vereisen. gekscheren mop. begeren . prikken. aanvragen. verzoeken vragen. steken pikken. schertsen. pots. berouw hebben in gloed staan. grap bagatel. schertsen. eisen vragen. droefheid klagen. gloeien. gloeilamp. lampje. gekscheren mop. vereisen. gretig ampul. rekenen. aanvragen. prikken. claimen pikken. grap jargon.

roes. roes. getrouwd van zijn stuk brengen. biljet. afbikken slak. teken. bewijs spieken. teken. janmaat. dokken soldaat echtgenote. uitbetalen. eetbak. bewijs adstructie. vrouw des huizes gehuwd. hartstocht passie. afkijken drenkbak. vrouw huisvrouw. naar. bedelen schooier. hartstocht plaatsbewijs. gemalin. stranden schooien. zeeman navigeren zeilen navigeren navigatie adieu. vermoeden. naaktslak adstructie. afkijken spieken. getrouwd jongleur jongleren jongleren . voor navigatie varensgezel. lust. krib. stellen dat aan de grond lopen. betalen. smartelijk oogst oogst maag eikel storten. bak. eega. tot. dooreenhalen verwarrend wijfje. getrouwd gehuwd. ribbel. ribbe tegen. vaarwel ijzeren ijzeren ijzeren ijzeren gehuwd. bij. lust. nerf.żądza żądzą że że że żeberka żebrać żebrak żebro żeby żeglarstwo żeglarz żeglować żeglować żeglował żegluga żegnaj żelastwo żelazka żelazko żelazo żenić się żenował żenując żeński żerować żeton żeton żeton żeton kontrolny żłobek żłób żłób żmija żmudny żniwa żniwo żołądek żołądź żołd żołnierz żona żona prowadząca dom żonaty żonaty facet/domator żongler żonglerka żonglować passie. aan. kaartje menen. vrouwtje raaf bikken. trog adder zeer. deerlijk. pijnlijk. bedelaar rib.

overdrager gyroscoop gireren. gevestigd zijn. begeren. haastig. steengruis. veestapel scheermes marmeren. onschuldig goedgezind. rap snedig. trek hebben in bestaan resideren. gunstig vriendelijk. hachje vitaal trek hebben in. luchter endossant. krant as snel. tor. voorkomend verkiezen. kudde. begeren.żonglowanie żólty żółć żółtaczka żółty żółw żółw (kursor w języku Logo) żrący żubr żuć żuć gumę bez przerwy żuk żuraw żuraw (także ptak) żurnal żużel żwawo żwawy żwawy żwir życie życiowy życzenie życzenie życzliwość życzliwy życzliwy życzliwy życzyć życzyć sobie żyć żyć z kimś w niezgodzie Żyd Żyd żydowski żyjący żyjący żyletka żyła żyłą żyrafa żyrafą żyrandol żyrant żyroskop żyrować (weksel) żyto żywe srebro jongleren geel gal benijden. ruw. levende have. trek hebben in verkiezen. begeren. joods levend vee. gevat. grind leven. kraan hijskraan. levendig. druk. bruut. gravel. aderen marmeren. endosseren. kras. begeren verkiezen. dagblad. geestig. joods jood. wenden rogge kwikzilver. liefheid goedaardig. schildvleugelige hijskraan. toegenegen. misgunnen geel schildpad schildpad beestachtig. aderen giraffe giraffe kroonluchter. verkiezen. ad rem gruis. kwik . Hebreeër Hebreeuws. gezwind. spoedig. gauw kwiek. kraan courant. trek hebben in voorkomendheid. dierlijk oeros kauwen kauwen kever. jaloers zijn op. huizen Hebreeuws. kroon.

bestanddeel. verlevendigen vee. vreten voeden voeden element. steg haag. beginsel elementair spontaan eetbaar eten. vurig. heg. meeslepend. steg leven. gerecht haag. veestapel smeuïg. hachje vitaal levend bezielen. pittig vruchtbaar .żywica żywicą żywiciel rodziny żywić żywić żywić żywić do kogoś urazę żywioł żywiołowy żywiołowy żywność żywność żywopłocie żywopłot żywot żywotny żywy żywy żywy żywy inwentarz żyzny hars hars kostwinner recipiëren eten. spijs. heg. levende have. gebruiken. kudde. bikken. etenswaar.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->