Pole1 "spamować" (adj) nijaki 25 funtów a zdumiony abakus abdykacja abdykować abecadła abecadło aberracja aberracją abiogeneza abnegacja

abolicją abolicjonista abolicjonizm abonamencie abonament abonencie abonent abonent (telefoniczny) abonent wywołujący program żądający abonował aborcja aborcją aborygen abrutto absencja absencją absolutnie absolutny absolutny absolutny błąd podstawy czasu absolwencie absolwent absorbcją absorbować absorbował absorbując absorbujący absorpcja zakłóceń kosmicznych abstrahowanie abstrakcie abstrakcie abstrakcja abstrakcja abstrakcja proceduralna

Pole2 doen toekomen, sturen, opsturen nihil, nul pony ampère telraam, abacus afstand, ontslagname, ontslagneming bedanken, neerleggen, afstand doen alfabet, ABC, eerste beginselen alfabet, ABC, eerste beginselen aberratie, afwijking aberratie, afwijking abiogenesis versterving, abnegatie afschaffing tegenstander van slavernij anti-slavernijbeweging abonnement abonnement abonnee abonnee gebruiker bezoeker geabonneerd zijn op abortus provocatus, abortus abortus provocatus, abortus Australische inboorling, aboriginal vettig, vet absenteïsme afwezigheid, absentie, mangel beslist, absoluut, ten enenmale absoluut, onvermengd onopgesmukt, onbedekt, bloot, naakt absoluut, onvermengd afgestudeerd, gediplomeerd afgestudeerd, gediplomeerd absorptie, opslorping in beslag nemen, opslorpen, absorberen in beslag nemen, opslorpen, absorberen fascinerend, boeiend, betoverend fascinerend, boeiend, betoverend absorptie, opslorping abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract, afgetrokken abstract begrip, abstractie abstract begrip, abstractie

abstrakcyjny abstrakcyjny typ danych abstynencja abstynencją abstynent absurd absurd absurdalny aby aby ostrzegać academic ACC accusativus aceton acetylen ACH ach adaptacja adaptacją adapter adapter wejścia/wyjścia adaptować adaptował adaptował adaptował adaś ADDR adepci adepcie adiectivum adiunkcie adiunkt adiutancie adiutant ADMIN administracja administracja administracja państwowa administracja publiczna administracją administracyjny administrator administrator administrator organizator administrować administrować administrowanie admirał

abstract, afgetrokken abstract, afgetrokken geheelonthouding, abstinentie terughoudendheid, onthouding knutseaar, amateur, dilettant onding, absurditeit, ongerijmdheid nonsens, onzin, zever, gekheid dwaas, ongerijmd, onzinnig, absurd gedurende, onder, terwijl, staande entstof, vaccin, vaccine trap, mate, graad accumuleren, ophopen, opeenhopen accusatief, vierde naamval aceton acetyleen och, ach, oh, ah oh, ah, och, ach modificatie, bewerking, aanpassing modificatie, bewerking, aanpassing bewerker bewerker afstemmen, aanpassen, adapteren afstemmen, aanpassen, adapteren bewerkt, aangepast arrangeren, aanrichten, ordenen Adam adresseren aanhang, leden student bijvoeglijk naamwoord, adjectief opvoeden, onderwijzen lector adjudant, ordonnansofficier adjudant, ordonnansofficier beheerder, administrateur administratiekantoor, bestuur administratiekantoor gouvernement, regering, overheid administratiekantoor, bestuur administratiekantoor bestuurlijk, administratief beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur bestuurder, beheerder, administrateur besturen, administreren, beheren administreren, beheren, besturen administratiekantoor, bestuur admiraal, vlootvoogd

adnotacja adnotacją adnotacją adopcja adopcją adoptować adoptował adoptował adoptowany adoracja adoracją adorator ADR adrenaliną adres adres ATM adresacie adresat adresatka adresować adv adv adverbium adwent adwersarz adwersarz adwokacie adwokacie adwokat adwokat adwokaturą aeroport afekcie afekt afekt afektacja afektowany aferą aferą affront Afganistan afgańczyk afisz afisz aforyzm afront afryce Afryka

aantekening, commentaar aantekening, commentaar plaatsbewijs, biljet, kaartje adoptie, aanneming adoptie, aanneming zich eigen maken, adopteren zich eigen maken, adopteren aangenomen, geadopteerd aangenomen, geadopteerd aanbidding, adoratie aanbidding, adoratie bewonderaarster, vereerster adresseren adrenaline adresseren adresseren geadresseerde geadresseerde geadresseerde adresseren direct, overeind, rechtop helemaal, heel, finaal adverbium, bijwoord advent tegenstander tegenstander adviseren, aankondigen, bekendmaken verdediger, pleitbezorger, advocaat pleitbezorger, advocaat, verdediger verdediger, pleitbezorger, advocaat belemmeren, afsluiten, afdammen luchthaven aandoen, aangrijpen affect, emotie, aandoening droefheit, hartzeer, beproeving aanstellerij, onnatuurlijkheid aangedaan, aangegrepen zaak, aangelegenheid, ding, affaire konkelen, intrigeren, bekonkelen beledigen, krenken, affronteren Afghanistan Afghaans aanplakken aanplakbiljet, plakkaat, affiche aforisme, spreuk, kernspreuk afsnauwen Afrika Afrika

Afrykanin afrykańczyk afrykański agawa agencie agencie agencja Agencja Ochrony Środowiska agencją agendą agendą agent agent agent ubezpieczeniowy agentura agitować aglomerat agonia agonią agrafka agrariusz agrarny agregacie agregat agregat v agregować agregować agresja agresją agresor agresor agrest agresywny agresywny agromadzenie agromadzenie ah aimponować akacja akacja riusz akademia akademia akademia usz akademią akademicki akapicie akapicie akapit akceleracja

Afrikaans Afrikaans Afrikaans agave vertegenwoordiger, dealer, agent gedeputeerde, afgevaardigde agentschap agentschap agentschap tak, aftakking departement vertegenwoordiger, dealer, agent verkoper vertegenwoordiger, dealer, agent agentschap agiteren, opruien, ophitsen, opstoken agglomeraat doodsangst, doodsstrijd, agonie doodsangst, doodsstrijd, agonie veiligheidsspeld agrariër, landbouwer agrariër, landbouwer aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat aggregatie, aggregaat agressie agressie aanvaller aanvaller kruisbes, klapbes agressief aanvallend, offensief samenscholing vergadering, zitting och, ach, oh, ah indruk maken op, imponeren acacia acacia academie, hogeschool, genootschap college academie, hogeschool, genootschap academie, hogeschool, genootschap akademisch, academisch artikel, paragraaf branche, vak, tak artikel, paragraaf versnelling, acceleratie

akceleracją akcelerator akcelerator liniowy akcencie akcent akcent akcent akcentować akcent riusz akcentować akceptacja akceptant akceptować akceptował akceptował akceptował akces akcesoria akcesoria akcesoria panelowe akcie akcie akcja akcja tunelowa akcją akcją akcją akcjonariusz akcydent akcyzą aklamacja aklamacją aklimatyzacja aklimatyzować się akolita akomodacja akomodacją akompaniamencie akompaniament akompaniator akompaniować akompaniował akompaniując akord akord akordeon akr akr (ok. 0.4 hektara) akr dytacja

versnelling, acceleratie accelerateur, gaspedaal, versneller accelerateur, gaspedaal, versneller accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen beklemtonen, accentueren accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen accentueren, beklemtonen aanvaarding, aanneming, onthaal acceptant accepteren, aanvaarden accepteren, aanvaarden aanvaard, erkend, gangbaar beamen, billijken, goedkeuren aanwinst, acquest, buit, prooi accessoires bijkomstig, bijbehorend, bijkomend accessoires doen, bezig zijn, ageren, handelen actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe actie, handeling, optreden, gedoe veldtocht, campagne bewerking, operatie, ingreep actie, aandeel aandeelhouder ongeluk, accident, ongeval verbruiksbelasting, accijns bijval, acclamatie, toejuiching bijval, acclamatie, toejuiching acclimatisering acclimatiseren acoliet, altaardienaar compromis aanpassing begeleiding, accompagnement begeleiding, accompagnement begeleider, metgezel vergezellen, accompagneren, begeleiden vergezellen, accompagneren, begeleiden ingesloten, bijgaand accoord, overeenstemming accoord, overeenstemming, akkoord trekharmonika, accordeon acre acre acre

akredytować akredytował akrobacie akrobata akrobatka akrobatyczny akrobatyka akronim akropol aksamicie aksamit aksjomacie aksjomat aksjomat wyboru akt akt akt przemocy akt ślubu akt urodzenia akt zgonu akt zgonu akta aktor aktor teatru kukiełkowego aktorce aktorka aktorstwa aktówka aktualnie aktualności aktualny aktualny aktywa aktywiście aktywność aktywność dysku twardego aktywny aktywny szablon aktywować akumulator akumulator akumulator litowy o dużej pojemności akumulował akupunktura akustyczny akustyczny akustyka akuszerce

accrediteren accrediteren kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat kunstenmaker, acrobaat acrobatisch acrobatiek acroniem Acropolis fluwelen fluwelen grondstelling, axioma grondstelling, axioma grondstelling, axioma doen, bezig zijn, ageren, handelen aanklacht, beschuldiging huwelijk, echt, echtverbintenis doen, bezig zijn, ageren, handelen geboorte dood, overlijden, sterfgeval naakt, onopgesmukt, onbedekt, bloot dossier, bestand speler, komediant, acteur speler, komediant, acteur toneelspeelster, actrice toneelspeelster, actrice podium, bestuur, tribune, leiding boekentas, theca, aktentas tegenwoordig nieuws, nieuwigheid, nieuwtje afdoend, effectief, doeltreffend actueel, tegenwoordig bedrijvende vorm, actief, bezit onruststoker, agitator, activist actie, gedoe, optreden, handeling actie, gedoe, optreden, handeling werkzaam, actief, bedrijvig werkzaam, actief, bedrijvig wachten, afhalen, te wachten staan accumulator, accu accu, accumulator accumulator, accu accumuleren, ophopen, opeenhopen acupunctuur acoustisch, akoestisch acoustiek, geluidsleer, akoestiek acoustiek, geluidsleer, akoestiek vroedvrouw, verloskundige

akuszerka akwarela akwarium alarm alarm alarm przeciwlotniczy alarm słyszalny alarm w systemie administrowania siecią alarmować alasce Alaska Albania albanią Albańczyk albański albo albo albumina ale ale męczą wzrok) ale zgrabne) alei alei aleja aleja aleja aleja alejka Aleksandria alert alfabet alfabet brajla alfabet brajla alga algebra algebrą Algierczyk Algieria algierski algorytm alibi aligator alkohol alkoholik alkoholowy alkowa alokować alokować

vroedvrouw, verloskundige aquarel, waterverfschilderij aquarium alarmeren, aanslaan, alarm slaan kwiek, druk, kras, levendig, rap kwiek, druk, kras, levendig, rap alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan alarmeren, aanslaan, alarm slaan Alaska Alaska Albanië Albanië Albaans, Albanees Albaans, Albanees ander of eiwit, proteïne maar, doch nog maar, doch dreef, laan vallei, dal steeg wreken, wraak nemen dreef, laan straat steeg Alexandrië kwiek, druk, kras, levendig, rap alfabet, ABC, eerste beginselen blindenschrift, braille braille, blindenschrift alge, wier, zeewier algebra, stelkunde algebra, stelkunde Algerijns Algerije, Algerië Algerijns algoritme alibi alligator drank, alcoholische drank, alcohol alcoholist, drankzuchtige, zuiplap alcoholist, drankzuchtige, zuiplap prieel verloten, loten verzenden

Alpy altana altana altanka alternatywa alternatywą alternatywny alternatywny alternatywny aluminiowy aluminium aluminium aluzja aluzja aluzją amancie amant amator amator herbaty amazonce Amazonka ambaras ambaras ambasada ambasadą ambasador ambicja ambicją ambitny ambona amboną ambulans amer. <fagot> ameryce Ameryka Amerykanin amerykański amerykański orzech biały amfiboliczny niepewny amortyzacją amortyzator amortyzować amortyzować (wstrząsy) amper amper amputacja amputować amputował

Alpen zomerhuisje, zomerhuis zomerhuisje, zomerhuis prieel keus, alternatief, keuze keus, alternatief, keuze afwisselend afwisselend keus, alternatief, keuze aluminium aluminium aluminium toespeling, zinspeling zinspelen toespeling, zinspeling vriendin, vrijster, geliefde, minnares vriendin, vrijster, geliefde, minnares knutseaar, amateur, dilettant knutseaar, amateur, dilettant Amazone Amazone penarie, knelpunt, benardheid, hinder penarie, knelpunt, benardheid, hinder ambassade ambassade ambassadeur, gezant ambitie, eerzucht ambitie, eerzucht ambitieus, eerzuchtig kansel, leerstoel, katheder kansel, leerstoel, katheder ambulance, ziekenauto, ambulancewagen mutserd, brandstapel, mutsaard Amerika Amerika Amerikaans Amerikaans Amerikaans dubbelzinnig, dubbelslachtig aflossing, amortisatie, afschrijving schokbreker in beslag nemen, opslorpen, absorberen afbetalen, afschrijven, aflossen ampère ginds, er, aldaar, daarginds, daar wegneming, amputatie afzetten, amputeren, wegsnijden afzetten, amputeren, wegsnijden

amsterdam amulecie amunicja amunicja amunicją analfabecie analfabeta analityczny analityczny analiza analiza wrażliwości analizą analizować analizować analizował analogia analogiczny analogowocyfrowy analogowo-cyfrowy ananas AND iloczym logiczny Andy anegdocie anegdocie anegdota aneks aneks anemia anemia anemiczny anemiczny anemon angażował Angielka angielski angielski policjant Anglia Anglia (arch. lub poet.) anglią Anglicy Anglik Anglosas anglosaski Angola angolą angora angorą ANI

Amsterdam, Mokum, Groot-Mokum aantrekkelijkheid ammunitie, munitie ammunitie, munitie ammunitie, munitie ongeletterd, analfabetisch ongeletterd, analfabetisch analytisch analytisch analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyse, ontleding, ontbinding analyseren, ontbinden, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden ontbinden, analyseren, ontleden pariteit analoog, overeenkomend, gelijksoortig bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging ananas en Andesgebergte, Andes anekdote, anecdote etage, verdieping anekdote, anecdote bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein bloedarmoede, anemie bloedarmoede, anemie bloedarm bloedarm anemoon verloofd, geëngageerd Engelse Engels Engels Engeland, Albion Engeland, Albion Engeland, Albion Engels Engelsman Angelsaksisch Angelsaksisch Angola Angola Angora, Ankara Angora, Ankara evenmin, noch

mislukken ontbinden. tegenzin. ongenoemd aankondiging. voelhoorn. prejudiciëren ouderwets.ani ani anielski anielski anihilować animusz animuszach anioł Anioł Pański anoda anonimowy anons anormalność anormalny antarktyczny antena antologia antologią antrakcie antropolog antrykocie antycypował antyczny antyk antyk antylopa antylopą antymilitaryzm antypatią antyseptyczny anulować anulować anulować anulować anulował anuluj Apache Apacz aparacie aparacie aparat aparat aparat telegraficzny aparatura aparaturą aparaturą apartamencie apartamencie apartament neen. stelletje. nul ontbinden. annuleren. bief anticiperen. apparaat apparaat. vernielen geest alcoholische drank. hulpmiddelen. hulpmiddelen. niet engel engelachtig vernietigen. inrichting apparaat. straatschuimer apache. inrichting machinerieën complet. abnormaliteit abnormaal Zuidelijke IJszee antenne. kiektoestel. hulpmiddelen. inrichting fototoestel. camera apparaat. verwoesten. nee. tussenruimte antropoloog biefstuk. stel appartement. naamloos. antiek oudheid antilope antilope pacifisme hekel. afgelasten afbestellen apache. hulpmiddelen. aloud. plaat anoniem. flat appartement. antipathie antiseptisch middel een miskraam krijgen. verkondiging afwijking. inrichting. annuleren. drank engel engel fotografische plaat. bloemlezing antologie. afkeer. flat . bloemlezing interval. flat appartement. ra antologie. antiek ouderwets. aloud. inrichting hulpmiddelen. straatschuimer apparaat. afgelasten afbestellen nihil. set. alcohol. spriet. geen.

administreren. roemen. toepassing aanwending. toepassing aanwending. advocaat. een beroep doen op appelleren. w przybliżeniu aprobacie aprobacie aprobata aprobata aprobować aptece apteka aptekarz ar (100 metrów kwadratowych) Arab arab arab (koń) arabski aranżacją arbiter arbiter luifel. bekrachtigen bijval. een stuk of. eetlust. opening graagte. flat apache. trek aanwending. maatregel arbiter. aanvrager besturen. zendeling pleitbezorger. straatschuimer apathie. vierkante decameter Arabier Arabisch Arabier Arabisch akkoord. goedkeuren farmacie. beheren besturen. begeren graagte. administreren. farmaceut are. toejuiching loven. apathisch appelleren. acclamatie. verheerlijken. dofheid. verkiezen. billijken. acclamatie. melig. lusteloosheid flegma lusteloos. afkappingsteken aanwending. voorvechter apostrof. dofheid. lekker graagte. eetlust. verdediger apostel. lusteloosheid apathie. toepassing verzoeker. scheidsrechter arbiter.apartament apartament na szczycie budynku apasz apatia apatią apatią apatyczny apel apelacja apelować apertura apetycie apetyczny apetyt apetyt apetyt applaud aplikacja aplikacja zaplecza aplikacją aplikant aplikować aplikował apokalipsa apokalipsą apologią apostolskość apostoł apostoł apostrof apostrofa app approx. trek trek hebben in. artsenijbereidkunde apotheker. circa bijval. hongerigheid. afkappingsteken apostrof. een beroep doen op appelleren. hongerigheid. eetlust. beheren Openbaring van Johannes Openbaring van Johannes verontschuldiging missionaris. artsenijbereidkunde farmacie. toepassing ongeveer. fijn. prijzen beamen. scheidsrechter . hongerigheid. een beroep doen op mond. toejuiching sanctioneren. afdak appartement. trek smakelijk. gat.

arrestatie reserveren. bouwmeester architect. kanon. leger. kettingzang. kanon. detineren aanhouding. aandacht verdenken aanhouding. piste. arrestatie arrestatie. aangaan canon. krakelen lucht Arizona Noordpoolgebied. berechten arbiter. scheidsrechter arbiter. legermacht heerschaar. ring aanhouding. krijt. vel briefkaart vormen. eigenmachtig arbiter. scheidsrechter archaïsch. aanhouding aanhouding. legermacht . archipel architect. piste. arbitrair. krijt. vuurmond roer. aartsbisschop arena. kampplaats wal. kampplaats arena. leger. ophouden. Arctica. Arctis blad. verouderd aartsengel eilandengroep. vuurmond roer. scheidsrechter scheidsrechter. bouwmeester archief archief archief archief archief metropoliet. disputeren. kettingzang. geweer heerschaar. arbiter arbiter. oordelen. attentie.arbiter arbiter arbiter arbiter (w handlu) arbiter magistrali arbitralnie arbitralny arbitrator zadań archaiczny archanioł archipelag architekcie architekt archiwa archiwum archiwum archiwum dyskowe archiwum wieloczęściowe arcybiskup arena areną areną areszcie areszcie areszt areszt aresztancie aresztować aresztować aresztowanie Argentyna argentyną Argentyńczyk argentyński argumentował aria arizoną arktyczny arkusik arkusz arkusz (papieru)formularz arkusz kalkulacyjny armacie armacie armata armata armia armią beoordelen. beugel. geweer canon. formeren. arrestatie Argentijns Argentinië Argentijns Argentijns twisten. arrestatie acht. vel blad. scheidsrechter naar willekeur willekeurig.

cijferen rekenkunde. artikel bijdrage geschut. bijeenkomen samenscholing asfalt asfalt asfalt betekenen. cijferen rekenkunde. cijferkunst. kunstenaar Arisch Arisch aristocraat adel. kunstenaar artistiek. behang slagader. artillerie artiest. arterie aderverkalking. aromatisch wandtapijt. edelen aristocraat rekenkunde. som. cijferkunst. kunstmatig artiest. dagvaarden . dagen. aanmatiging arrogantie. cijferen rekenkunde. kunstenaar artiest. aroma geur. cijferen rekenkunde. aanmatiging aanmatigend. cijferen somma. arteriosclerose handelsartikel. cijferkunst.arogancja arogancją arogancki aromacie aromat aromatyczny arras arteria arterią arterioskleroza artykuł artykuł (w czasopiśmie) artyleria artylerią artysta artysta estradowy artystyczny artyście Aryjczyk aryjski arystokracie arystokracja arystokrata arytmenyka arytmetyce arytmetyczny arytmetyka arytmetyka arytmetyka dużej precyzji arytmetyka zmiennopozycyjna arytmetyka zmiennoprzecinkowa as as far as I remember asekuracją asekurował asemblacja warunkowa asembler asembler adresowania bezwzględnego asembler skrośny asembler wbudowany asemblować asemblowanie protokół asemblowania zestaw asfalcie asfalt asfaltować ASG ASGN arrogantie. cijferkunst. aroma geurig. cijferkunst. samenkomen. arterie slagader. kunstig. arrogant geur. dagvaarden betekenen. dagen. totaal. cijferkunst. beschermen samenscholing assembler assembler assembler assembler vergaderen. artillerie geschut. cijferen rekenkunde. bedrag. verzekering behoeden. summa rekenkunde. cijferkunst. cijferen aas aas assurantie.

aantasten. atlas atleet atleet atletisch . atheïsme studio acht. bijstaan aanvallen. helper assistent. dingen naar.ASM asocjacja asocjacją aspekcie aspekt aspiracje aspirancie aspirant aspirował aspiryna aspiryną asterysk astma astrolog astronaucie astronauta astronom astronomia astronomią asygnował asymilował asysta asystencie asystent asystent pokładowy asystował atak atak atak atak sieci komputerowej atak znanym tekstem jawnym atakować ateizm atelier atencją Ateny Ateńczyk ateński atest atestować atestował atlantycki Atlantyk atlas atlas atlecie atleta atletyczny assembler bond. aantasten aangrijpen. akte. passend. attentie. helper aanvullend helpen. asterisk astma. assimileren begeleiding. dokument. sterrenwichelaar astronaut. najagen aspirine aspirine sterretje. geschikt in zich opnemen. genootschap. eerzucht kandidaat. astronomie gepast. aantasten. aandacht Athene Atheens Atheens acte. schijn. ruimtevaarder sterrenkundige. associatie aanzien. aspirant ambiëren. offensief inblikken aanvallen. aanvallen godloochenarij. air. sollicitant. aanblik ambitie. adjunct. associatie bond. genootschap. aamborstigheid astroloog. sollicitant. certificeren betuigen. aantasten aangrijpen. air. verzekeren Atlantische Oceaan Atlantische Oceaan Atlas kaartenboek. adjunct. schijn. aspirant kandidaat. bedrijf. astronomie sterrenkunde. assisteren. accompagnement assistent. ruimtevaarder astronaut. aanvallen aanvallend. stuk getuigen. astronoom sterrenkunde. aanblik aanzien.

atomair aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid aanlokkelijk. attribuut bijvoeglijke bepaling. wagen toehoorders. afslag. atmosfeer lucht. vendu. krachtsport lucht. gehoor. auditorium uitzenden. afslag. attribuut tekenend. weder Australië Australië Australisch Australisch Oostenrijk Oostenrijks Oostenrijks Oostenrijk . omroepen uitzenden. aangaan bijvoeglijke bepaling. omroepen uitzenden. veiling auctie. aanflitsen. controleren auctie. weersomstandigheden. dampkring. sfeer. mijn. aandacht dakkamertje zolderkamer Attisch dakkamertje zolderkamer Attisch troef troef auto. aflezen. dampkring. atmosfeer atoom atoom acceptant atoom-.atletyka atmosfera atmosfera absolutna (jednostka ciśnienia) atmosfera techniczna (jednostka ciśnienia) atom atom (podstawowe pojęcie języka Lisp) atom akceptorowy atomowy atrakcja atrakcją atrakcyjność atrakcyjny atramencie atrament atrament magnetyczny atrapą atrybucie atrybut atrybut przypisanie atrybut złożony ATTN attycki attycki attycki attyka attyka attyka atucie atut (w kartach) aucie audiencja audycja audycja radiowa audycją audyt aukcja aukcją aurą Australia australią australijczyk australijski Austria austriacki Austriak austrią atletiek. atmosfeer lucht. kenmerkend. attentie. mijn. aantrekkelijk inkt inkt inkt aanfloepen. sfeer. omroepen checken. dampkring. veiling weer. sfeer. karakteristiek bijvoeglijke bepaling. attribuut acht. vendu.

bevorderen promoveren. gezag mandaat. bevorderen promoveren. ondertekening opvoeden. strijd. echec. catastrofe schade aanrichten. waar authentiek. gezag invloed hebben op.autentyczny autentyczny autentyk auto auto autobiografia autobiografią autobus autobus autobus piętrowy autograf autokar Automatically Programmed Tools Language automatyczny automatyczny program syntezy autonomiczny autor autor autor treści autoramencie autoramencie autoramencie autorytatywność autorytecie autorytecie autorytet autoryzacja autoryzacją autoryzować (np. origineel automobiel. schaden flop. bedenkelijk. bevoegdheid. zelfwerkend. aard drukletter dictatuur autoriteit. tafereel. verkeersweg autobaan. volmachtigen. gewaagd onheil. zelfbesturend schrijver. fiasco. echt. onafhankelijk. dispuut roeien scène. autosnelweg. onderwijzen taal werktuiglijk. schepper stand. klas soort. bedenker. machtiging mandaat. snelweg bevordering. onvervalst oorspronkelijk. machtiging grote weg. tableau riskant. auteur. automatisch werktuiglijk. promotie gaan naar. klasse. autoriseren mandaat. onvervalst. dostęp) autoryzował autoryzowanie autostrada autostrada awans awansować awansować awansować (kogoś) awansował awanturą awanturą awanturą awanturą awanturniczy awaria awaria awaria awaria zasilania authentiek. schepper auteur. toneel. auteur. wagen autobiografie autobiografie autobus opvoeden. zelfwerkend. auto auto. debâcle crisis . automatisch autonoom. twist. beïnvloeden autoriteit. machtiging machtigen. genaken. bevoegdheid. naderen promoveren. bedenker. autoriseren machtigen. volmachtigen. schrijver. onderwijzen autobus handtekening. ramp. stilist schrijver. slag. aanpakken. bevoegdheid. bevorderen storing kwestie.

aandacht beklemming. binnen.) azylancie aż aż aż aż do aż do aż do/o ile ażeby ażeby babą babce babce babci babcia babka babsko bacą baczność bać się badać badać badać badać badać badać sprawdzać badać zapytywać badania badanie lekarskie badanie zabezpieczeń bagaż bagaż bagażnik bagażnik bagażowy Bagdad bagna schade aanrichten. vluchteling ergo. analyseren. spoorweg Bagdad broek. bespreken keuring. asyl uitgewekene. grootmoeder oma. totdat. grootmoeder grootje. ook weer. antipathie raad. advies adviseren. hekel. fonds tot. onder.awarią awersja awizo awizował Azja azjacie Azjata Azjata azjatycki azjatycki azyl azyl (polit. asiel. asyl toevluchtsoord. oma oma. op. bekendmaken Azië Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch Aziatisch toevluchtsoord. schaden tegenzin. cake oma. speurtocht recenseren. inspecteren speurwerk. moer. exploreren. jegens. binnen. kas. raadgeving. attentie. examineren onderzoeken. afmatten herder acht. afkeer. afbeulen. grootmoeder afjakkeren. om. benauwdheid ontbinden. angst. onderzoeken studie scanderen inspectie houden. asiel. dus. nakijken. drasland . kas. examen. moeras. terwijl. voor gedurende. staande te. onderzoek bagage bagage laars boomstam. voor tot. toch geldkist. fonds tot. nagaan. nagaan exploreren. stam spoor. voor geldkist. met vrouw koek. binnen. totdat. aankondigen. ontleden onderzoeken. tot. totdat.

schooljuffrouw. afgodendienst afgoderij. verband schare. alledaags.bagna bagnecie bagnet bagno bajce bajce bajcie bajka bajora bajt bajt (8 bitów) bakałarz bakteria bakterią bal bal balast balaście balecie baleron balet balią balkon balon balon (także butla szklana) bałagan bałagan bałamuctwa Bałkany Bałtyk bałwan bałwan bałwan bałwochwalstwa bałwochwalstwo bambus banalny banalny banał banan banda bandaż bandaż bandażować bandą bandą bandą bandą broek. schare . kom balkon ballon. moeras. rotzooi moes. lerares bacterie bacterie bal. luchtballon ballon. afgezaagd. troep. banaan schare. relaas. pap aan de scharrel zijn. verhaal. banaal banaal. moeras. drasland. vijver byte byte onderwijzeres. bende zwachtel. troep. moer fabel vertelsel. bekken. disorde. troep. afgodendienst bamboe afgezaagd alledaags. danspartij ballast ballast ballet ham ballet vont. luchtballon janboel. brij. vertelling byte fabel waterplas. afgezaagd pisang. troep. bundel kussen bende. verband zwachtel. bende schare. bende bos. fladderen Balkan Baltische Zee golfslag afgodsbeeld sneeuwpop afgoderij. drasland. kolk. danspartij bal. rommel. wis. moer bajonet bajonet broek.

) bar bistro bar samoobsługowy bar z zakąskami barak barakach baranek baranina baraniną baraszkował barbarzyńca barbarzyńcą barbarzyński barbarzyński barce bardziej bardzo bardzo bardzo dobry bardzo mała impedancja bardzo mi miło bardzo nieprzyjemny bardzo wolno się poruszać bardzo zniszczony dundoek. veel. loods. barak. barbaars boot. briefje bankbiljet. schuit meer menig. vaan. vele erg. dundoek. olijk. intrappen. vergenoegd jammer genoeg. bandiet struikrover. dartel onmens. lamp. wreedaard onmenselijk. fiasco.bandera bandyta bandzior bandzior bandzior bandżo baner (reklama na stronach WWW) bangladesz banjo bank bank bank terminologiczny bankiecie bankiet banknot banknot bankrucie bankructwa bankrut bankrutować bańka bańka (np. achterstallig voldaan. bijzonder onbetaald. afdammen drenkplaats. barbaar. bijster. smaakloos aftands. wreedaard onmens. briefje bankroet flop. peer herberg. gloeilamp. marge. ondeugend. heel. lampje. vlag Bengaals banjo bank kant. bouwvallig. helaas smakeloos. mydlana) bańka lampy elektronowej bar bar (pierw. bijzonder . barbaar. jammer. afsluiten. rand bank banket. uitspanning herberg. echec. uitspanning belemmeren. keet kazerne lamsvlees schapevlees schapevlees schalks. vlag struikrover. café schuur. wreedaard onmens. heel. afsluiten. afdammen belemmeren. bandiet gangster rover banjo vaan. bar. verbrijzelen borrelen borrelen ampul. debâcle bankroet vermorzelen. tevreden. chem. feestmaal banket. barbaar. gammel erg. feestmaal bankbiljet. bijster.

hek. baseren gronden. fust baars bekendheid. beugel barrière. bazaar. marktplein marktplein. zwembad zweminrichting. marktplaats gronden. aak. overgaan. bazaar. afsluiting. baseren gronden. baseren . heining kleppen. kleuren verf bruin ton. spelen. aansluiten zwembad dok zweminrichting. hek. afsluiting. staf stok. afsluiting. gaan barrière. zolderschuit schouder barman barometer. markt. voorspelen sport buffel. baseren markt. bende belemmeren. zwembad basisbaars toren accu. kleuren verven. kleuren verven. afsluiten. nuancering verven. hek. staf baud katoenen weefsel. heining schouder platboomde schuit. afdammen stok. kennis. baseren gronden. kunde baseball reservoir. katoen uitvoeren. vat. karbouw gronden. accumulator horde. kleuren schakering. drukmeter verven.barek (taki na kółkach) bariera bariera dyfuzyjna bariera Schottky'ego barierą bark barka barki barman barometr barwa barwa barwa barwa żywa barwą barwnik barwnik brunatry baryłka bas base baza wiedzy baseball basen basen (pływacki) basen pływacki basen portowy basen w budynku basen(ik) w budynku BASIC basista baszcie bateria baterią baton batucie batuta baud bawełna bawić się bawić się bawół baza baza podstawa część podstawowa baza lotnicza baza replik baza uziemiona bazar bazar bazą trolley. baseren gronden. vergaarbak zich aaneensluiten. marktplaats. nuance. klinken. heining barrière.

verbeelding Belgisch België België Belgisch Belgrado straal. paardehorzel ton. duidelijk bericht. grond. aankondiging onbetekenend. netto-. beest bestseller beton beton beton sering gespeend van. excessief netto. ontroeren. oprispen spek straal. neervallen. fust ton. beest dier. afvallen. trommel. ontbloot van tot in het oneindige buitensporig. biefstuk basisbasisBeiroet boeren. onderlegger aangrijpen. ribbe. advertentie. verdichtsel. trom bief. onderlegger fictie. vat.bazą bąbel bąbelek bąk beczce beczka beczka befsztyk beginner's allpurpose symbolic instruction code beginner's all-purpose symbolic instruction code Bejrut beknąć bekon belą belce beletrystyka Belg Belgia belgią belgijski belgrad belka belka stropowa bełtać benzyna benzyna benzyna benzyna benzyną beret berlin Berno bessą bestia bestią bestseller beton betonować betonowy bez bez bez końca bez określonego porządku bez potrąceń bez przygotowania bez sensu grondslag. net. base blaar borrelen brems. daas. ribbe. basis. storten dier. extreem. bus. spaak balk. spaak balk. vat. fust rol. onbeduidend . bewegen gas benzine benzine benzine benzine bestseller Berlijn Bern vallen.

onbeduidend saai. onderpand kousje. overeind. behouden. stomp verschrikking. frivool. recht. geluidloos gigantisch. geweldig anoniem. verwarring janboel. wanhopig radeloos. los. rust. live. nutteloos bescherming veiligheid. zekerheid pand. vlot. richten. met ogenblikkelijk. lont. wanhopig vergeefs. borgstelling. lampepit safe.bez smaku bez szwu bez zająknienia bez zakłóceń bez znaczenia bez życia bezbarwny bezbronny bezcelowy bezcenny bezceremonialny bezeceństwa bezgłos bezgłośny bezgraniczny bezimienny bezkrwawy bezład bezład bezmyślny bezmyślny bezmyślny beznadziejny beznadziejny beznadziejny stan bezowocny bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwa bezpieczeństwo bezpieczeństwo bezpieczeństwo zespołu bezpieczeństwo zespołu roboczego bezpiecznik bezpieczny bezpłatnie bezpłatny bezpłatny bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni bezpośredni adres pamięci bezpośredni natychmiastowy bezpośrednio bezpośrednio bezpośrednio żarzona katoda bezprzewodowy smakeloos. prompt direct. enorm. overeind. goedgehumeurd leeg. hulpeloos nutteloos. gruwel kalmte. onderpand veiligheid. open. rustigheid. onbruikbaar onschatbaar. zekerheid pand. rommel. borgstelling. besturen ogenblikkelijk. vrij. naamloos onbloedig verwardheid. per. radio . dirigeren. weledelgeboren mennen. rotzooi lichtzinnig. prompt direct. prompt ogenblikkelijk. onbezet onpeilbaar. onwaardeerbaar bot. lusteloos vervelend waar niet aan te doen valt. onbelemmerd ere-. open. geruisloos. onmiddellijk direct. borgstelling. onderpand pand. stilte stil. onderpand pand. zacht onbetekenend. gruweldaad. rechtop draadloze. geborgen. ijdel. smaakloos naadloos tikken liefelijk. rechtstreeks door. borgstelling. rechtop dadelijk. veilig ten geschenke onbezet. muisstil. weledel. wuft goedgeluimd. zoet. ondoorgrondelijk radeloos. disorde.

hulpeloos hel. bibliotheek boekerij. oningevuld. oningevuld. vest werkeloosheid. wywołania procedur białka białko białko oka biały Biblia Biblia biblią biblią bibliografią bibliotece biblioteka bibuła bicie bicz bić waar niet aan te doen valt. wit blanco. nooddruftig capabel. hulpeloos hemd herenvest. nietswaardig. blank. geluidloos naadloos permanent. proteïne eiwit. kundig.in. blank.bezradny bezrękawnik bezrękawnik bezrobocia bezrobocie bezrobotny bezsenna (noc) bezsilny bezsporny bezsprzecznie bezstronny bezstronny bezszmerowy bezszwowy bezustannie bezustannie bezużyteczny bezwartościowy bezwład bezwładny bezwładny bezwstydny bezwzględny beż beżowy bęben bęben magnetyczny będą będący następstwem będący w potrzebie będący w stanie coś zr będący w stanie coś zrobić bękart (m. licht. testament nagekomen behoeftig. trommel. ongerust waar niet aan te doen valt. werkloosheid werkloos. trommel. traag. aldoor. bekwaam ouderloos eiwit. kundig. afzijdig neutraal. proteïne blanco. hinken. onpartijdig. bus. muisstil. onpartijdig stil. afzijdig. berooid. beducht. bibliotheek vloeipapier beting doorroeren. onbruikbaar waardeloos. bij acclamatie benoemen . trom rol. bekwaam capabel. bus. trom uiterste wil. werkeloos bang. voor eeuwig nutteloos. bezorgd. wit bijbel Bijbel bijbel Bijbel bibliografie boekerij. werkloosheid werkeloosheid. klaar toegegeven neutraal. verbond. onvermengd beige beige rol. energieloos kreupel lopen. roeren toejuichen. geruisloos. omroeren. voos verlamming bewegingloos. bij voortduring eeuwig. mank lopen bokkig absoluut.

misère. beoefenaar adept. voorrijden ellende. beoefenaar deskundig stromend. voetspoor. blank. beoefenaar kuil Pool buikloop. plaatsbewijs. strijd voeren bikini saldo. feestmaal. beklagenswaardig tracé. aanneming Lucifer. kaartje binair binair boom . vierde naamval bevestigen. oningevuld. aannemen vormsel. aanhanger. beklagenswaardig erbarmelijk. overschot biljartspel. aanstoten adept. aanhanger. Satan festijn. wit blanco. gelag actueel pad. cursus. leergang. aanhanger. armoede wens. kampen. blank. kaartje slaperig biljet. begeerte. strijd voeren afranselen aanrijden. oningevuld. lust. toestoten. diarree polair blanco. lopen. kaartje biljet. aanneming vormsel. staar accusatief. paadje afdruk. zin erbarmelijk. vloeiend adept. schrijden. plaatsbewijs. verlangen. kampen. wit linnen grote waterval. smulpartij. spoor afdruk. narigheid. voetspoor. route. spoor stappen. pulseren strijden. biljart biljet. plaatsbewijs.bić bić bić brawo bić się biec bieda biedą biedą biedni biedny bieg przez płotki biegacz biegać (dla zdrowia) biegły biegły biegły biegły (<in sth> w czymś) biegły w biegun biegun biegunka biegunowy biel biel równoenergetyczna bielizna bielma biernik bierzmować bierzmowania bierzmowanie bies biesiadą bieżący bieżni bieżni bieżnia bieżnik bijatyce bikini bilans bilard bilecie bilet bilet bilet wizytowy binarne (pliki) binarny wektor sterujący binary separating plane tree n drzewo afranselen kloppen. treden strijden. armoe gebrek. koers hardloper een duw geven.

nazeggen beting bitmap treffen. levensbeschrijver bioloog ontvanger Birma bis. afnemen vervagen wit. bustehouder boezem. schitteren . blank vormen.h. gevecht. flakkeren. oningevuld.. kleiner worden. blanco. strijd. borst Byzantijns aangelegenheid. edelgesteente. varen. vervlogen kantoor boezem. ding bizon edelsteen. bureel. kantoorbediende lezenaar. karren verloren. blanco.dwójkowego podziału przestrzeni binary space partition tree biodro biograf biolog biorcą birmą bis biskup biskupstwo bisować bit bitmapa bitwa bitwą biuletyn biura biura biuraliście biurka biurko biurko biuro biuro Biuro Ochrony Rządu biuro rzeczy znalezionych biuro usług (poligraficznych) biust biustonosz biuście bizantyjski biznes bizon biżuteria blacha blady blady jak ściana blaknąć blaknąć blankiecie blankiecie blankiet blankiet blask blask klejnotów blask księżyca blask księżyca blask słońca boom heup biograaf. lessenaar geschrift. kamp treffen. slag. steen blikken verbleekt blanco. kantoor kantoor bediende. formeren. beha. oningevuld. aangaan laaien. gevecht. vlammen zonneschijn zonlicht zonneschijn flikkeren. aantreffen herhalen. kamp bulletin. affaire. formeren. zaak. oningevuld. lessenaar lezenaar. strijd. borst b. blank vormen. kantoor kantoor gaan. verenigingsorgaan bureau. wit dalen. rijden. aangaan wit. slag. schriftuur bureau. nog eens bisschop ontmoeten. bureel. blank. kwijt.

ontheiligen. kiel. afkeuren. spatscherm klimop tuniek blouse. profaneren fout. kiel hes. verwant eerstvolgend. bijkans. vastzetten blokkeren. dichtdoen Europa eerstvolgend. fout. spatbord. aanstaand. wondteken tweeling tweelingtweelinglitteken. boezeroen. gispen schooien. dichtmaken. katern blokkeren. berispen. bidden afsmeken pleiten laken. boezeroen. komend aanverwant. wondteken schrift. bijna sluiten. boezeroen blouse. beuzelarij . komend nabijheid litteken. dichtmaken. aanstaand. dichtdoen eerstvolgend. komend eerstvolgend. dwaling. abuis bezweren. abuis. dwaling. aanstaand. aflevering. komend nader eerstkomend. draagbaar sluiten. bedelen bagatel. smeken. vergissing vergissing. bloes. afdammen blond blond blond blond slijkbord. belemmeren. kiel ontwijden. bloes. haast. vastzetten blokkade blokkade blokkade op slot. aanstaand.blaszance blaszka blejtram bliski bliski bliski Bliski Wschód Bliski Wschód i Afryka blisko blisko blisko blisko blisko kogoś blisko kogoś/czegoś bliskość blizna bliźniacy bliźniaczy bliźniak bliźnie bloczek blok blok v blokować blokada blokada ze współużytkowaniem blokadą blokować blokować się blokował blond blondyn blondynce blondynka blotnik bluszcz bluza (część munduru) bluzą bluzą bluzka bluźnierczy bład bład błaga błagać błagać błagać błagać o coś błahostce inblikken metalen brancard. naast schier. afgesloten slot afsluiten. futiliteit.

klappen. gauw. onjuist. zegen slijmerig. beschot. gloren flitsen. een blik werpen op daar. snotterig algemeen. aangezien boa dashboard. slijk. drek flitsen. gloren bliksem. vergissing schuld vergissing. fout. flits. verkeerd. abuis. slijk. abuis. flikkeren. wijden zegening. spoedig. schicht. drasland slik. onjuist blauw slik. flits. spikkel. inzegenen. doordat. fout. moeras. modder. inwerken een blik werpen. hemelvuur bliksem. hemelvuur gezwind. ver. instrumentenbord punt. onjuist. dwaling. mis foutief. abuis Boeg wandluis fout. drek zegenen. gloren oriënteren. haastig. omdat. fout. stip. een fout maken misleidend verkeerd. minder belangrijk achterdeur . vergissing dwalen. clown. spatbord. modderig broek. schicht. spatscherm aangeschoten troebel. flikkeren. gemeenschappelijk slijkbord. beuzelachtig onbelangrijk. flikkeren. wijden zegenen. modder. dwaling. zegen zegening. kloppen. mis verkeerd. oog mik. goedaardig hansworst. abuis aderlating vergissing. zij-. moer. snel flitsen. fout. harlekijn slaan. inzegenen. dwaling. dwaling. brood ooievaar spek bij-.błahość błahy błahy błazen błazeński błąd błąd błąd błąd średni kwadratowy błąd zaokrąglenia błąd zbieżności błąd zbieżności błąd zrównoważony błądź błędny błędny błędny rycerz błędny rycerz błękicie błocie błogosław błogosławić błogosławieństwa błogosławieństwo błona śluzowa błonia błotnik błotnik błotnisty błoto błoto błysk błyskawica błyskawicą błyskawiczny błyskowy błysk błysnąć błyszczący błyszczeć bo boa boazeria bobas bochenek bocian boczek boczek boczne drzwi frivoliteit onbeduidend. fout. luizig. opvallen fout.

vermogend rijk. smartelijk beklemming. aanklacht pijn doen. deerlijk.bod bod (bit na sekundę) bod jednostka szybkości modulacji telegraficznej bodziec bogaci bogactwa bogactwa bogactwa bogactwo bogaty bogaty bogaty człowiek bohater bohaterce bohaterka bohaterski boiler boiska boiska boisko bojaźliwy bojler bojownik bok boks boks bokser bolączce boleć boleć nad bolesne przeżycie bolesny bolesny boleść boli mnie głowa bolszewik bomba bomba wodorowa bomba zapalająca bomba zegarowa Bombaj bombardować bombardować bombą bon bon bonifikacie baud baud baud aansporing gefortuneerd. held heldin heldin heroïsch. keer bombarderen Bombay bombarderen bombarderen. rijk. fortuinlijkheid rijkdom rijkdom gefortuneerd. voorvechter bij-. gefortuneerd gefortuneerd. kaartje. fortuin. voucher. vermogend heros. pijnlijk. benauwdheid. vrijen. bokssport bokser beschuldiging. bang ketel. band bon. beschieten. vermogend. zeer doen pijn doen. speelplaats beschroomd. heldhaftig ketel. coupon disconto . waterstofbom maal. rijk. benepen. stoomketel het hof maken. minder belangrijk boksen boksen. vermogend Fortuna lot. zij-. ver. scharrelen akker speelterrein. stoomketel kampioen. hebben bolsjewiek bombarderen H-bom. zeer doen sleutel rouwzeer. titelhouder. bekogelen bombarderen binding. rijk. angst erop nahouden.

bijstaan verplegen. slag. afwijzen afwezigheid. worstelen worstelen. zich aftobben nok. assisteren. mangel flop. meemaken. treffen. zeer. meedoen deelnemen. echec. afslaan disconto borax das woud. lust. beetkrijgen aangrijpen. godheid accepteren. angst wee. spartelen. aanvaarden beetnemen. pijn God god. verwerpen. zeer. meedoen afwezigheid. gemis. verzorgen indoen. vorst goddelijk Bosnië botanie. godheid gevecht. meemaken. pakken. gebrek. derven schuld wens. kamp pijn doen. zeer doen maag zweer hoofdpijn tandpijn. bos kampen. plantkunde Kerstfeest afgodsbeeld synagoge. benauwdheid. begeerte. aantasten. insteken. zorgen voor.bonifikacie bonifikata boraks borsuk bory borykać borykać się borykać się z boski Bośnia botanice botanika Boże Narodzenie bożek bożnicą boży bóbr bóbr Bóg Bóg bójce ból ból ból ból ból (fizyczny) ból (fizyczny) ból brzucha ból gardła ból ucha ból zębów bóstwo bóstwo brać brać do niewoli brać się energicznie do czegoś brać udział brać udział brać udział brać udział brać udział w brak brak szacunku brak tchu brak wody brak zahamowań moralnych brak związku brak związku aftrekken. verlangen. aannemen. korten. ontberen. fiasco. jodenkerk goddelijk bever Castor God god. pijn zweer pijn doen. zin . aanvallen helpen. kiespijn wee. strijd. zeer doen beklemming. steken deelnemen. euvel missen. absentie. debâcle afslaan. plantkunde botanie.

brandewijn. broeder zus. stout. brandy armband armband armband broer. prullaria.brakować brama brama brama podstawowa brama wewnętrzna bramą bramce bramka bramka bramka koniunkcji bramka samocentrowana bramka złączowa tranzystora brandy bransolecie bransoleta bransoletka brat brat przyrodni bratanek bratanica bratanicą bratek brawurą Brazylia brazylią brazylijczyk brazylijski brąz brąz (stop metali) brązowy brązowy (kolor) bredni brednie bredzenie brew brew brezencie brnąć broda broda brodawce brodawce brodą brodzić brokuły brona bronić bronić missen. zever. flodderen. brocoli eggen opkomen voor. doelwit. speen wrat baard spartelen. plassen baard kin tepel. gedurfd. onzin. puin nonsens. oomzegger nicht nicht driekleurig viooltje stoutmoedig. worstelen brocolie. broeder. buigen. verdedigen behoeden. broer. doen overhellen waden. derven draaihek poort draaihek draaihek poort draaihek draaihek doelstelling. afval. brutaal Brazilië Brazilië Braziliaans Braziliaans bronzen bronzen bruin bruin rommel. zich aftobben. honk circuit draaihek poort vuurwater. zuster neef. verweren. ontberen. wit. beschermen . gekheid delirium wenkbrauw wenkbrauw neigen. doel.

harnas. dot Groot-Brittannië. grond. cambio onrein. prop prop. afkijken diamant glanzend. brochure. klomp. kluit. equipe spieken. bal. smerig plaveisel. bruut. kuras. kluit. bars. klont. kluit. ondergrond. vies onrein. klont. wegdek bestraten. fronsen rimpelen. pantser kuras. nurks. commandobrug brug. morsig. dierlijk. fronsen brug. smerig vuil. smerig vuil. ingenaaid boek doorwaden fond. broche borstspeld. smerig. cru. libretto. broche boekje. klont. operatekst paperback. bot beestachtig. harnas. bal. ingenaaid boek boekje. beestachtig. vies. briljant dot. dierlijk. commandobrug brigade leden. tak wapen bepantsering. bruut onaardig. morsig.broń broń broń pancerna broń pancerna broszce broszka broszura broszura broszurą broszurą broszurą bród (rzeczny) brud brudnopis brudny brudny brudzić brudzić bruk brukować brukował brukselą brunatny brunetce brunetka brutal brutalny brutalny brutalny brutalny bruzda bruździe brydż brydżyście brygada brygadą brygadą bryk brylancie brylant bryła bryła (ziemi) bryła ograniczająca bryłą Brytania brytanią brytfanną Brytyjczyk aftakking. beestachtig. plaveien Brussel bruin bruinharig bruinharig ruw. honds. brochure. vuil. ploeg. lumineus. onbehouwen. klomp. nors ruw. klomp. bestrating. Bretagne Pan Brit . dot prop. Brittannië Armorica. bal. aarde wissel. aanhang team. bodem. dot. plaveien bestraten. libretto. ruw. dierlijk rimpelen. bepantsering. onbewerkt. klomp prop. map paperback. bruut grof. morsig. bal. kluit. vies. pantser borstspeld. klont. onrein. operatekst ordner. vuil.

aanbreken van de dag halfdonker. schuur. oever. wal. afranselen klingelen. zeekant. oever. trilgras aurora. kletteren. kletteren. zeekust kust. loods barak. gonzen zoemer klingelen. brommen. laden laden gewicht razen. kant. schemerdonker kust. kustlijn.brytyjski bryza bryzą brzask brzask brzask brzeg brzeg brzeg (morza brzeg (morza) brzeg rzeki brzemienna brzemienny brzemienny w skutki brzemię brzemię brzemię brzęczeć brzęczyk brzęczyk brzęk brzęk brzęk brzęk brzmieć brzmienie brzoskwinia brzoza brzózce brzuch brzuch brzuch Brzusiec brzuszny brzydcy brzydki brzydzić się brzytwa brzytwą bubel buchalteria buchnąć bucie buczyną buda Budapeszt budą budą Brits bries. boord. kant bemachtigen. kletteren. klikken rinkelen. overgaan. barak. zoom. afdak Boedapest schuur. klingelen kleppen. zwanger drachtig. belasten. keet. morgenlicht. klappen. gaan kleppen. snorren. een afschuw hebben van scheermes scheermes citroen boekhouding. achterlijf buik buik buik onderbuiklelijk lelijk verafschuwen. band drachtig. boord. inladen. klinken. grijpen boord. wal. klinken. zwanger funest. overgaan. trilgras bries. berkeboom berk. boekhouden opgraven. rinkelen afdrogen. gaan perzik berk. morgenrood dageraad. keet . rinkelen klakken. schemer. rooien schoen beuk luifel. berkeboom onderlijf. kant kust. kletteren. kletteren. loods. fataal. noodlottig beladen. rand.

budą budce buddyście buddyzm budka budowa budowa okrętów budowa okrętów budować budować budować budować budował budował budową budowla budownictwo budownictwo okrętowe budowniczego budowniczy budowniczy budując budulec budynek budynek budynek sądu budyń budzący zaufanie budzić budzić budzić się budzić wstręt budzić wstręt budżecie budżet bufecie bufecie bufet bufet bufor bufor wyjściowy bufor/multiplekser bujać bujny buk Bukareszt bukiet buldożer luifel. opkweken aanleggen. aanbouw afzenden. ruiker. construeren. inlijsten. ophitsen budget. copieus. afdak bunker. expediëren constructie. constructie constructie. bouwondernemer constructie. expediëren weefsel in een lijst zetten. bouwen. opwekken irriteren. telen. construeren. bar. bumper. stootkussen buffer. aanbouw aannemer. aanbouw hout constructie. waarschijnlijk wekken. construeren bouwen. aanstoken. samenstelling. afdammen tapkast. abundant. bouw. bar. bumper. aanstoken. bouw. rijk beuk Boekarest boeket. bouw. ophitsen afkeer inboezemen afkeer inboezemen irriteren. inrichten opfokken. kazemat afzenden. bouwmeester aannemer. bouquet. aanleggen oprichten. begroting budget. aanleggen bouw. vatten aanleggen. construeren bouwen. stootkussen vlotten. aanbouw pudding aannemelijk. tuil bulldozer . bouw. bouwen. wakker maken. afsluiten. stootkussen buffer. fokken. bumper. bouw. verzenden. samenstelling. begroting tapkast. drijven uitbundig. constructie bouw. verzenden. stichten. buffet veldfles belemmeren. buffet buffer. kazemat boeddhist boeddhisme bunker. aanbouw constructie. bouwondernemer architect. dobberen.

rebelleren. kadet afwezige. kadetje. roerigheid. mangelwortel bordeel. onbehouwen. gloeilamp. rebel beetwortel. bolletje. stokje. rel. bot. cru afgeven op. kroot. rel. muiter. muiter. kadetje. getier oproerling. roede broodje. singel wandeldreef. opstand muiterij. bourgeoisie burgerlijk kompas kompas heester. opstand herrie. afkammen burgerij. opruien oproerling. lampje. kroot. promenade. opstand muiten. peer stok. roerigheid. biet. oproerling oproerling. rebel oproerig. gard. wandeldek ampul. wegblijver absenteïsme muiterij.bulwar bulwar bulwą buława buławą bułce bułgar Bułgaria bułgarią bułgarski bułka bumelancie bumelanctwa buncie buncie buncie bungalow bunkier bunt bunt bunt bunt buntować się buntować się buntować się buntował buntował buntowniczy buntownik buntownik buraczek burak burdel burmistrz burza burza z piorunami burzą burzą burzliwy burzyć burżuazja burżuazyjny busola busolą busz but but butelce boulevard. rebelleren. getier bungalow bunker. struik laars schoen fles . lamp. onlusten. afbreken. in opstand komen herrie. kazemat muiterij. hoerenkast burgemeester. agiteren. biet. opstoken. kadet Bulgaars Bulgarije Bulgarije Bulgaars broodje. in opstand komen herrie. roerigheid. grof. bolletje. rel. burgervader storm storm storm storm onbewerkt. staf spitsroede. muiter. rebel muiten. mangelwortel beetwortel. seksclub. muiter. onlusten. opstand muiterij. opstandig rebel. onlusten. onlusten. getier ophitsen.

set. lijken lijken op. snel. eender. guur. gelijken. ergens een of andere. acuut. misschien. stelletje. in de schuld staan mogelijkerwijs. aanzijn logeren . mogelijk rand. mogelijk misschien. voorhebben op. geleiden. toongevend egaal. doordringend haastig. betamen. gauw. versleten onveilig maken afhankelijk. een of ander. spoedig bestaan. rugwaarts dierlijk stier stier hier of daar. niemendal. bijeenkomen. wezen schuldig zijn. voorbijgaand scherpzinnig. brengen. zoom verstrooid afspiegelen lijken op. mogelijkerwijs. lijken samenkomen. gelijkmatig behoren. onderhorig in overvloed aanwezig zijn accoord. toonaangevend. in de schuld staan complet. vergaderen gehoorzamen de weg wijzen. bederven are. helder. rotten. verrotten. passen voeren. dragen. verleden. gezwind. gelijken. gelijk. achterwaarts. intelligent bijtend.butelka butelka dwukwartowa butik butla (gazowa) butwieć być być być dłużnym być do twarzy być komuś coś winnym być może być może być może że być na krawędzi być nieobecnym (na czymś) być odbiciem być podobnym być podobnym (<sb być posłusznym być posłusznym być przewodnikiem być przewodnikiem być równym być stosownym być ubranym być ubranym być utrapieniem być uzależnionym być w obfitości być w zgodzie być wystrzymałym (<against sth> na coś) być wystrzymałym na coś być zaskoczonym bydlak byk Byk (gwiazdozbiór) byle gdzie byle jaki były (szef itp) bynajmniej bystry bystry bystry bystry bystry byt bytać bytność fles fles zaak. tegenstreven tegenspartelen. niets. tegenstreven achteruit. voorafgaand niks. mogelijkerwijs. schrander. stel schuldig zijn. horen. fel. mogelijk misschien. aanzijn bestaan. vierkante decameter zijn. geen zier scherp. cilinder vergaan. winkel rol. overeenstemming tegenspartelen. verkeren. pienter bevattelijk. enig voorgaand. leiden leidend.

. ongeschonden. bijster de hele . totaal algeheel. volkomen vandoor. geheel. gonzen razen. brommen. zelfwerkend. absoluut. door compleet. finaal werktuiglijk. brommen. kussen de hele .. compleet. kussen zoenen. rationeel algeheel. compleet. geheel. vol kelder jaarlijks redelijk. geheel. furore razen. mixen. fluiten hoezo. boezeroen. heel erg. ten volle. vol de hele . vol algeheel. grootte geheel gans. geheel. compleet. totaal. heel. over compleet. heen. vol geheel. geit.. ongeschonden. gonzen sissen. ten enenmale alles wel beschouwd volkomen. geheel.. heel. stuk speelgoed. bijster erg. door compleet. speeltuig duim als lengtemaat onaangetast. bok . totaal zoenen. integraal alles wel beschouwd volkomen. vol gans. vol sik.. compleet. geheel. vermengen bestseller. automatisch geheel. bestek. waarom waar speelbal. totaliter. snorren. verwijderd. integraal onaangetast. gans. hes algeheel. mengen. heel. totaal gans. door alles wel beschouwd beslist. totaal omvang. gans. finaal helemaal. snorren.bywać wśród ludzi bzik bzyczeć bzykać bzykać c dlaczego c gdzie cacka cal całka całka całkowity integralny całkiem całkiem całkiem całkiem obcy człowiek całkiem przytomny całkiem zwariowany całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie całkowicie pewny całkowicie stranzystorowany całkowicie tranzystorowy całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity całkowity błąd liniowy całokształcie całokształcie całokształt całopalny) całoroczny całościowy całość całość całość łącznie całować całus cały cały cały cały tekst cały z metalu cały z metalu cap temperen. gans. geheel. algeheel kiel.. heel helemaal. totaliter. vol gans.

cel. plak. tekenen doelwit. spits gelaatstrek. stenen Ceylon aanleggen werkje. gloeilamp. object. tekenen kenmerken. wit. doel. geschikt Keltisch Keltisch cement cement cement prijs waarde. gelaatstrek karaktertrek. honk mikpunt. lampje. ui ampul. trek. filteren. trek. cel. kenmerkend. peer ajuin. ding doelwit. tekening doelstelling. lamp. doelstelling. karaktertrek karaktertrek. tablet bakstenen. karakteristiek karaktertrek. kerker douane aanleggen gezicht. doel. gloeilamp. trek. toegeven. gelaatstrek puntig. visioen. schets. honk. doelstelling. het veld ruimen ceder vergiet vergiet filtreren. droombeeld gepast. lampje. tekenen afstaan. doelwit. trek. gehalte prijs kosten . peer tekenend. stenen bakstenen. wit cachot. doel. ui ajuin. wit merken. lamp. gelaatstrek merken. zijgen plaat. honk. onderwerp.capstrzyk car caryca ceber ceber cebula cebula cebulą cebulka cecha cecha cecha cecha cecha produktu cecha szczególna cechować cechował cedował cedr cedzak cedzak cedzić cegiełce cegła cegłą Cejlon cel cel cel cel cel cel nieosiągalny cel upuszczenia cela celą celnik celować celownik celowy Celtycki celtycki cemencie cement cementować cena cena cena okazyjna ceną taptoe tsaar tsarina emmer emmer ampul. kerker cachot. karakteriseren. passend.

binnenste. keizerrijk. pels. bedrijf. etiket ceremonie. huid. afboeken binnenband. klos. centraal middelpunt. centrum middelpunt. binnenste. buit. deksels acte. stulp stulp.ceną cencie cenić cenić cenić cennik cenny cenny wkład cent cent centrala telefoniczna centralny centralny system przetwarzania centrum centrum usuwania skutków awarii (centrum odtwarzania po awarii) centrum zasobów centymetr centymetr cenzor cera cera ceracie Ceramika cerata cerą cerą ceremonia ceremoniał ceremonią cerować certyfikat certyfikat uprawniający certyfikować cerując cesarstwa cesarstwo cesarz cesarzowa cesją cewce cewka cewka cewka zapłonowa cętce chałupa chałupa chałupą prijs cent achten. dokument. vel. klos. centrum centimeter centimeter censureren. oord. huisje hut. dokument. plechtigheid bliksems. pels. plaats hut. tint dierevel. aanwinst cent stuiver. centraal middelste. achting hebben voor schat waarde. gehalte prijslijst kostbaar. vacht tafelzeil. stuk acte. lokaliteit. bedrijf. hut . deksels rijk. wasdoek. penny centrale middelste. label. verzekeren bliksems. akte. sakkerloot. vacht ceremonie. klos. keizerrijk. vel. binnenste. zeildoek aardewerk tafelzeil. plechtigheid etiquette. luchtband bobine. acquisitie. zeildoek teint. waardevol prooi. sakkerloot. wasdoek. bobine ruimte. luchtpijp. centrum middelpunt. spoel spoel. imperium rijk. bobine spoel. akte. huid. stuk betuigen. keuren teint. tint dierevel. imperium keizer keizerin opnemen.

karakteristiek schmink. begeren. lust. vrijwillig gaarne. verkiezen. karakteristiek karakteristiek. gretig chemie. hersenschim. graag Chicago Chili Chileens inbeelding. geaardheid vezel kenschets tekenend. karakter. lust. kenmerkend. kuur gaarne. stulp wens.chałupą chałupą cham chaos chaotyczny char charakter charakter charakterystyce charakterystyczny charakterystyczny charakterystyka charakterystyka indeksowania charakteryzacja charakteryzować charakteryzował chart charytatywny chata chata chata chcieć chcieć chcieć chciwy chciwy chemia chemia radiacyjna chemią chemik chęć chęć chęć chętce chętce chętce chętnie chętniej chętny chętny Chicago Chile chilijski chimera chimera chinina Chiny chińczyk hut. chaos chaotisch aard. hazewindhond. liever gewillig. bui. gril. gretig. zich verbeelden bevlieging. scheikunde apotheker. graag eer. karakteriseren. testament verkiezen. gril. farmaceut trek hebben in. kenmerkend. bui. hut hut. verlangen. scheikunde chemie. blanketsel. karakteristiek tekenend. make-up kenmerken. zin. scheikunde chemie. karakter. liefdadigheidsstulp. trek hebben in nuk. belust. tekenen beschrijven hazewind. happig. nuk. chimera Chimaera kinine China Chinees . kenmerkend. neiging verkiezen. warboel. baaierd. belust begerig. zich onderscheidend tekenend. begeerte. kuur bedenken. begeren aanvechting. begeren. stulp vlegel rommel. geaardheid aard. huisje hut. zin uiterste wil. happig. huisje hut. trek hebben in begerig. verbond. bevlieging. windhond charitatief.

samen-. credit trots beroemd. heelkunde chirurgisch drank. lof. plassen. glorierijk. koelcel radiator radiator koud. brood koelkast. heelkunde chirurgie. krediet. plattelander horige. tegoed. wondheelkunde. lijfeigene boer knaap. jongen jongensachtig. jongensafranselen afranselen koud gastheer hinkelen wolk stralenkrans. kabbelen. samen boer. verwijderd vriezer. co-. jeugd knaap. koelcel koelen in beslag nemen. jongen borst. nimbus . absorberen absorberend boer aaneen. vriesvak koelkast. beroemdheid. opslorpen. kil afkoelen ververwijderd. chirurg chirurgie. glorie creditzijde. brood mik. glorieus klotsen. alcohol klapperen. klapperen mik. alcoholische drank. kil koud. heelkunde chirurgie. jongeling. ver. landman. brood werkgever hok roem. afbikken heelmeester.chiński chip chirurg chirurgia chirurgia stomatologiczna chirurgią chirurgiczny chlał chlapać chleb chleb z masłem chlebodawcą chlew chluba chlubą chlubą chlubny chlupocie chłeb chłodnia chłodnica chłodnicą chłodno chłodny chłodny chłodny chłodziarce chłodziarce chłodzić chłonąć chłonny chłop chłop chłop chłop chłop pańszczyźniany chłopak chłopak chłopak chłopiec chłopięcy chłostać chłostał chłód chmarą chmiel chmura chmura Chinees bikken. klotsen mik. wondheelkunde. jongeheer jeugdigheid. kabbelen. wondheelkunde. aaneen-. plassen.

heen. wel wel. kwaal. gebrekkig ziek. verdomd. begraven begraven. alhoewel. alhoewel ofschoon. snurken. kobold. voetpad. alhoewel. stappen. emotie. verwijderd. beschermen fixeren. aandoening vakantie zeeziekte luchtziekte affect. wegdek stoep. ofschoon. pels. bloedend vaan. moeilijkheid Kroatië ziek. al. over bloedig. zangkoor snorken. krankzinnig. aandoening ziekte. al. bevestigen. kabouter ofschoon. kwaal. snurken. hoewel. lopen kerstboom cholera verdomme. verhoeden behoeden. lopen koor. snurken. dundoek. knorren. aandoening bezwaar. strubbeling. hoewel. naar verminkt. knorren. hinkend beletten. aandoening ziekte. dierevel. vlag ziekte. kreupel. kwaal. niet lekker kuilen. naar gek. godverdomme vandoor. verhinderen. ter aarde bestellen vel. hardheid . ronken neusgat mank. huid aanspannen treden. schrijden. al. knorren. hoewel. van stapel lopen. aandoening ziekte. dichtmaken plaveisel. ronken snorken. bepalen hardvochtigheid. vacht. gaan marcheren. dolzinnig. rei. dichten.chmura punktów chmurą chochlik chociaż chociaż choć chodak chodnik chodnik chodzić chodzić ze sobą choinka cholera cholera cholerny cholerny chorągiew choroba choroba choroba choroba morska choroba powietrzna chorobą chorobą chorobą chorobą Chorwacja chory chory chory chory na płuca chory umysłowo chowa chowa chować chować chód chód chór chrap chrapać chrapanie chrapce chromy chronić chronić chroniony zabezpieczony chropowatość wolk wolk aardmannetje. dol onwel. trottoir lopen. kwaal. bestrating. lopen marcheren. ronken snorken. tippelen. tippelen. wel stoppen.

moment. nou. sprietig sprietig. komaan. steunen. mager. mierik mierikswortel. oogwenk. aarzelen wankel. mager penis apache. gedurende enfin. roemen. wankelen. straatschuimer zakdoek zakdoek zakdoek loven. nu. mager. moment. pochen. schraal. tja oogwenk. tel minuut oogwenk. cru knapperig. naamgever. verheerlijken. stutten schraal. beroemdheid. grof. oogwenk. peter. ogenblik. snoeven. dierlijk onbewerkt. croquant krassen Christus mierikswortel. ogenblik. juni dopen dopen peetvader. bot. mierik zomermaand. tel spellen . glorie roem. peet christen christen christendom christendom rijzig. bluffen roem. lof. snoeven. tel moment. prijzen bluffen. proces-verbaal moment. opscheppen pochen. waggelen. ogenblik. opscheppen. tel wiegen minuut oogwenk. groot.chropowaty chropowaty chrupce chrupiący chrypieć Chrystus chrzan chrzan chrząszcz chrzcić chrzcić chrzestny chrześcijanin chrześcijański chrześcijaństwa chrześcijaństwo chudy chudy chudy chudy chudy chuj chuligan chusteczce chustka chustka do nosa chwalić chwalić się chwalić się chwała chwałą chwast chwiać chwiał chwiał chwiejny chwil chwila chwila chwila chwila chwila chwila ciszy chwila obecna chwilą chwilą chwilą chwilą beestachtig. bruut. glorie wieden. notulen. staande. lang schragen. tel terwijl. ogenblik. schoffelen schokken schokken wiebelen. croquant knapperig. moment. beroemdheid. schraal sprietig. ruw. ogenblik. onbehouwen. onzeker. wel. lof. besluiteloos bekeuring.

toog dit. pakken knijper. mislopen. hand Pan bemachtigen. gammel. nauw stipt. grijpen grijpen. beetpakken. koekbakkerij koek. stellen wel. misgrijpen missen. pasta aanplakken knippen. eng. aangrijpen. beslag. grijpen klauw bemachtigen. nauwsluitend. vaan. cake deeg. aangrijpen. snoeien . effectief. schaar bemachtigen. snoeien scheren. nauw dundoek. cake zuur koek. aftands boog. scheren. even. gedurende oogwenk. knippen. eventjes tijdelijk werkelijk. krap. toch tenzij uitzonderen floppen. grijpen grijpen. ogenblik. bemachtigen beetnemen. scharrelen bemachtigen. zeker. grijpen waarschijnlijk menen. moment. mislopen. staande. streng. gedegen carrosserie carrosserie vlees strak smal. tel korte tijd. dit hier carrosserie carrosserie flink. bekrompen. vlag banketbakkerij. bemachtigen handdruk. deugdelijk.chwilą chwilka chwilowo chwilowo chwilowy chwilowy chwycić chwycić chwycić w szpony chwycie chwycie chwyt chwyt chwyt chwyta chwytać chwytać chwytać chwytać szczypcami chyba chyba chyba chyba chyba że chybiać chybienie chybiona odpowiedź niezgodność chybotliwy chylić ci ciałka ciało ciało doskonale czarne ciało metody ciało stałe ciało stałe ciasno ciasny ciasny ciasteczko ciastkarni ciastko ciastko ciasto ciasto ciasto ciąć ciąć terwijl. immers. friemelen. misgrijpen bouwvallig. in het water vallen missen. aangrijpen. daadwerkelijk kortstondig morrelen. aangrijpen. degelijk. vermoeden. grijpen bemachtigen.

weetgierig interessant. steeds permanent. kalfsvlees somber. zoet. rustig stromen. donker duister. constant onafgebroken. kalfsvlees kalfsbout. muisstil. keten altijd. doorlopend gestaag. schets. aanlokken ketting. geluidloos stil. bij voortduring permanent. stilzwijgend. geruisloos. duisternis. bekoren. nieuwsgierigheid nieuwsgierig.ciąć ciąć (nożycami) ciąg ciąg znakowy mieszany ciąg znakowy mieszany ciąg znaków ciągle ciągle ciągle ciągły ciągły ciągły ciągnąć ciągnąć ciągnąć ciągnąć losy o ciągnąć ściągnąć ciągnienia ciągnienia ciągnienie ciągnik cichną cicho cicho! cichy cichy cichy cichy cichy (głos) ciec ciecz ciecz cieężarówka ciekawostka ciekawość ciekawski ciekawy ciekawy ciekawy ciekawy ciekły ciekły wodór cielesny cielę cielęcina cielęciną ciemnicą ciemnicą afkraken afkeuren toelachen. bij voortduring bestendig. curieus. curieus. weetgierig vreemd. rustig bedaard. gestaag. snaar ketting. aldoor. lopen. op zijn gemak. vreemd vloeistof vloeistof korporaal kalf kalfsbout. donker . kalm rustig. zacht stil. nieuwsgierigheid weetgierigheid. keten koorde. typisch nieuwsgierig. gerust. tekening trekker. immer. op zijn gemak. vrachtauto weetgierigheid. stemband. bestendig trekken rukken rukken rukken trekken trekken rukken werkje. gerust. truck. vlieten vloeistof vloeistof vrachtwagen. aldoor. tractor vervagen rustig. belangwekkend typisch. constant. vloeien. kalm. kalm. kalm liefelijk. zwijgend bedaard.

mager net. vrachtwagen vrachtwagen. nuancering schaduwen schaduwen nuance. nauw. ceremonieel . druk beladen. beugel vrachtauto. snaar kras. fijn. gaan accoord. vrachtauto vrachtauto. geheimzinnig somber. donker zwartheid duister. kanaal. somber schaduwen sprietig. blij zijn timmerman smal. overeenstemming. laden zwaartekracht vrachtwagen. overeenstemming. martelaar zuur bitsheid geduld. nuancering gloed. kwiek. akkoord accoord. duisternis. rap. vuur warm doorn naar buiten brengen. troosteloos. vrachtwagen hard drukkend. overgaan. stemband. klinken. dragen bloedgetuige. akkoord koorde. dragen naar buiten brengen. fit. schakering. vrachtauto trolley. donker schemerig naargeestig. zwaar afgemeten. straat kleppen. donker worden somber. blij zijn genieten van.ciemnieć ciemno ciemność ciemność ciemny ciemny ciemny ciemny cieniowanie cienki cienki koncentryczny cienki papier cień cień do powiek cień do powiek cień przesłaniać cieniowany cień rówka ciepło ciepły cierń cierpieć cierpieć męczarnie cierpiętnik cierpki cierpkość cierpliwość cierpliwy cieszący się dobrym zdrowiem cieszyć się cieszyć się cieśla cieśnina cieśnina cieśniną cięciwa (matem. mooi. belasten. truck. schraal. zieke gezond. lijdzaamheid patiënt. mager sprietig. truck. eng. inladen. krap. bekrompen. nauw zeeëngte. truck. schakering. fraai schaduwen nuance. schraal. truck. levendig.) cięciwą cięciwą cięty ówka ciężar ciężar ciężarówce ciężarówce ciężarówka ciężarówka ciężarówka ciężki ciężki ciężki versomberen. schoon. plechtig. donker mysterieus. valide genieten van.

zwaaien stil. maagdelijk kuis. stil. eerbaar hetgeen. rustig. grof. massa. verder. swingen. bedaard. drom. kerkhof kerkhof. daags. daarenboven dagelijks. liefkozen. slag. flap. swingen. rustig. boel. dat. alledaags dagelijks. ordinair. rustig. in toenemende mate jaarlijks jaarlijks iets modelleren iets . zedig. strelen. maandelijks toegegeven iets bovendien. voorts. mep. wat maand-. begraafplaats deugdelijkheid.ciężki cioci cios cios cios ciotka cipą ciska ciskać cisza cisza cisza cisza (brak wiatru) cizi ciżbą cło cmentarz cmentarz cnota cnotce cnotliwy co co miesiąc co prawda co umożliwia działanie czegoś innego co więcej codziennie codzienny codzienny codzień cofa cofacz cofać cofać się cofnąć się cofnięcie transakcji cokolwiek cokolwiek college cołościowo confirm coniunctio coraz więcej coroczny coroczny coś coś coś zwaarwichtig tante houw. daags. klap fijnhakken aanhalen. grof. stil. ordinair. stilte bedaard. gewoon vulgair. verzekeren conjunctie meer en meer. vulva slingeren. kalm bedaard. kalm meisje. alledaags vulgair. zwaaien slingeren. menigte douane begraafplaats. rustigheid. meid hoop. rust. degelijkheid ongerept. rein. aaien tante kut. gewoon afbestellen backspace backspace achteruitgaan achteruitgaan backspace iets wat dan ook college uitgebreid betuigen. kalm kalmte.

afschuwelijk suiker suiker snoep. oppassend suikerpot suikerpot suikerziekte. diabetes onderbinden Moriaan. afschuwelijk ijselijk. zich verwonderen mirakel. getal. overspel echtbreuk. nauwelijks goochelaar toverkunst. snoepgoed zoet. overspel buitenlander ijselijk. wonder zich verbazen.coś innego coś koło tego coś na pocieszenie coś się święci coś w rodzaju coś) coś) córą córka cóż cud cud cuda cuda cudak cudem czegoś uniknąć cudotwórcą cudotwórstwa cudotwórstwa cudowne dziecko cudowny cudowny cudowny cudzołożnik cudzołóstwa cudzołóstwo cudzoziemiec cudzoziemka cudzoziemski cukier cukier syntaktyczny cukierek cukierek cukiernica cukiernica cukrzyca cukrzyca (choroba) cumować cumować cumować cumować curry cwał cwaniactwa cybernetyka cyferce cyferce cyferce iets iets iets iets iets aandoen. zoetigheid. meren Mauretaniër kerrie galopperen doortrapt. miraculeus wonderbaar. cijfer . aangrijpen iets dochter dochter hetgeen. verwonderend echtbreker echtbreuk. listig cybernetica cijfer. slim. gewiekst. magie magisch. aanbiddenswaardig wonderbaar. diabetes suikerziekte. kwalijk. Moor aanbinden. wat zich verbazen. toverachtig wonder aanbiddelijk. tal nummer. zich verwonderen oorspronkelijk. zich verwonderen zich verbazen. nummer aantal. dat. origineel amper.

vergaarbak aanhaling. cijfer zigeuner zigeuner rogge Bohemen sigaar sigaar fietsen. citeren. citaat aanhalen. citeren. roulatie omloop. wielrijden afranselen fietsen. rondschrijven wervelstorm. wielrijden fietsen. cijfer beting aantal. cilinder blikken blikken cynisch zink zink kaap Kaaps Cyprus circus omloop. citeren aanhalen. getal. roulatie pand. citaat citadel citadel aanhaling. noemen aanhalen. citeren citroen . cycloon beklemming. noemen. barbier reservoir. noemen. circulatie. nummer nummer. tal cijfer. cilinder rol. benauwdheid lof. nummer indompelen.cyfra cyfra cyfra dwójkowa bit jednostka ilości informacji cyfra znacząca cyfra znaku cyfrowe przetwarzanie obrazów cyfrowy Cygan Cygan Cygan cyganeria cygara cygaro cykl cykl magistrali cykl maszynowy cykl zatwierdzania cykl życia obiektu cykliczny cyklon cykor cykoria cylinder cylinder alternatywny cyna cyną cyniczny cynk cynkowy cypel cypel Cypr cyrk cyrkulacja cyrkulacją cyrograf cyrulik cysterna cytacie cytadela cytadelą cytat cytat cytować cytować cytował cytryna cijfer. circulatie. noemen aanhalen. wielrijden circulaire. cichorei rol. angst. soppen nummer. borgstelling kapper. wielrijden fietsen. indopen. onderpand.

beschaven civiliseren. humus boetseren. wagenkap. dierevel. bloemkelk. toverheks. tovenaar teelaarde. heks kol. kodeks) czacie czacie czajniczek (klasyczna graficzna baza danych) czajnik czajnik czapce czapka czapka czapka (damska) czapka futrzana z tej skóry czapla czaplą czar czar czar czarą czarą czarnoksiężnik czarnoksiężnik czarnoziem czarnoziem czarnoziem czarny czarny czarny jak smoła czarodziej czarodziejce czarodziejski czarować czarował czarownica czarownicą czarter czarując czarujący czas czas przeszły czas rzeczywisty citroen civiel. tovenares. toverheks. innemend. pels. modelleren modelleren. miskelk. bedaagd zwart duivelskunstenaar. bekken. kelk duivelskunstenaar. handvest. moeten. tovenaar duivelskunstenaar. trekpot ketel po pet kapotjas. vrachtcontract bekoorlijk. te wachten staan horloge. burgerlijk beschaving. keer . boetseren zwart hoogbejaard. beschaven beschaving. motorkap pet vel. polshorloge theepot. vacht. innemend. beschaven civiel civiel. stadswachten. horen. afhalen. beschaven civiliseren.cytryną cywil cywilizacja cywilizacją cywilizować cywilizował cywilny cywilny cywilny (np. charmant bekoorlijk. charmant maal. huid pet reiger reiger aantrekkelijkheid toverij toverij vont. burgerlijk burger-. heks charter. dienen maal. tovenares. keer behoren. tovenaar feeëriek feeëriek heksen heksen kol. kom beker.

blanco. wat mijden. nutteloos Boheems Tsjechisch Tsjechoslowakije Tsjechoslowakije hetgeen. kostbaar courant. te wachten staan zweven wachten. uit de weg gaan. chocolade . blank te wachten staan. wachten. dat. eerzaam. aanbidding oogstmaand. te wachten staan wachten. jaartelling. afhalen. krant blad. dagblad. deeltje. afhalen. jaartelling. czegoś) czek czek czek in blanco czekać czekać czekać czekać cierpliwie czekać na czekać na aktywację przesunąć (kursor myszki) czekać oczekiwanie czekolada czekoladą plusquamperfectum plusquamperfectum fietsen. te wachten staan chocola. wielrijden maal. deel molecuul item. te wachten staan wachten. keer op een keer. chocolade chocola. afhalen aanhoren. brutaal vergeefs. oningevuld. praten een hinderlaag leggen item. waar zendbrief. brief gedurfd. babbelen. deeltje. luisteren wachten. betomen. aanbidden adoratie. beteugelen cheque wit. beluisteren. epistel. krant krant werkwoord dag schedel schedel keuvelen. deel verafgoden. jaartelling. afhalen. ijdel. ontwijken aanvliegen bedwingen. stout. deel item. stoutmoedig. afhalen. krant blad. keer maal.czas zapamiętywania czas zapisu czas życia nośników mniejszościowych czas życia obiektu czas życia w IP czasami czasochłonny czasopimo czasopismo czasopiśmie czasopiśmie czasownik czasy czaszce czaszka czat czaty cząstce cząsteczka cząstka cząstka na milion czcić czcić czcigodny czcigodny czcionce czcionka pogrubiona czczy Czech czech CzechoSłowacja Czecho-Słowacja czego czegoś itd. deeltje. adoreren. eens waardevol. augustus waardig.

onderdeel. accompagneren. aanbidding menigmaal. wriemelen. hecht. donkerrood rood. dikwijls. gedeelte evenredigheid. kledingstuk gewaad. stuk. ferm zomermaand. lopen. geregeld bezoeken prieel deels. onderdeel. wagenkap. cureren stappen. dikwijls. wemelen. blozend uitkammen. gedeelte gewaad. verhouding deel. boezem afgrond hoezo. aanlokken aftappen aanboren robuust. stuk. motorkap pet inpakken. treden bezoeken. begeleiden kapotjas. rood worden Vlissingen karmozijn. kolk golfspel. bocht. eredienst. fors. golf. juni zomermaand. potig. kammen Boheems Tsjechisch Tsjechisch cultus. gedurig behandelen. blozend rood. ten dele ten dele. bekoren. vaak menigmaal. verering adoratie. juni kleuren. kledingstuk . gedurig. deels ten dele. krielen kers zwart zwartheid zwartheid aftappen toelachen. inham. proportie.czekoladka czelność czeluść czeluść czeluść czemu czemuś) czepek czepek czeredą czeredą czereśnia czerń czerń czerń ec czerpać czerpać czerpać (zyski czerpać natchnienie z czerstwy stale czerwca czerwiec czerwienić się czerwienić się czerwień czerwień czerwony czesać czeski czeski czeszce cześć cześć często często częstować częstował częsty części maszyn częściowo częściowo częściowo otwarte połączenie częściowy część część część adresowa rozkazu część arytmetyczna (w komputerze) część krytyczna chocola. blozen. verpakken krioelen. partieel deel. chocolade zenuw afgrond. schrijden. waarom vergezellen. vaak. deels gedeeltelijk. pakken.

toonaangevend. vak. onderdeel. beginsel monteren. aanhanger lidmaatschap lidmaatschap menselijk menselijk mens koopman. een afschuw hebben van aanstoot nemen aan verafschuwen. vergaarbak kruipen kruipen wenkbrauw voorhoofd geleiden. tak deel. spriet. zakenman koopman. bestanddeel. boeren lid. schuit veertig veertig veertien vier vier stortplaats gevoelig. ontvankelijk. sticker reservoir. lidmaat. verafschuwen verafschuwen. aanhanger lid. zetten lid. rap antenne. gedeelte hikken boeren. receptief een afschuw hebben van. aanhanger element. lidmaat. knoflook boot. handelaar. aperitief ontstekingsbuis. een afschuw hebben van kwiek. de weg wijzen. ra . een afschuw hebben van afkeer inboezemen verafschuwen. druk. voelhoorn. kras. aanhanger lid. levendig. stuk. zakenman majoor mens leek. toongevend borrel. lidmaat.część wstępna (programu) część zapasowa czkawka czknąć czknąć czlonek człon człon człon członek członek załogi członkostwa członkostwo człowieczek człowiek człowiek człowiek energiczny człowiek interesu człowiek noszący coś na sobie człowiek pełnoletni człowiek starszy (wiekiem człowiek wytrwały czołg czołgać się czołgać się czoło czoło czoło czołowy czop czop czosnek czółno czterdziestka czterdzieści czternaście cztery cztery ściany czubek czucie czuć niechęć czuć odrazę czuć się urażonym czuć wstręt czuć wstręt czuć wstręt (do kogoś/czegoś) czujny czułek branche. niet-ingewijde sluitzegel. leiden leidend. bougie look. handelaar. lidmaat. oprispen oprispen.

handeling. zindelijk hel. kiesheid aanhalig angst horloge. duidelijk zindelijk. optreden. gevoeligheid fijnheid. bedrijven. bezig zijn. kuisheid. ageren. gedoe actie. gedoe. optreden. maken beëindigd. koken reinigen. zindelijkheid absoluut. louteren kuisheid. mooi. delicaatheid. handeling werkzaam. abces. schoonmaken. zindelijk gevoelig. aanmaken. fijn. etterbuil op het kookpunt zijn. schoonmaken. vagevuur lezen lezen lezer lezer . klaar. borrelen. licht. polshorloge vierde donderdag vierde indien. netto-. of. hetzij welks. wanneer. handelen doen. actief. handelen doen. wie d'r doen. puur. schoon. louteren reinigen. waarvan. gevoel. onvermengd rein. schoon ordelijk net. klaar duidelijk. iel purgatorium. rein. bezig zijn. delicaat. kies. fijn. zindelijkheid helderheid. puur. net. ingeval of tenzij hè. helder. afgelopen zinspelen afschrikwekkend mest actie. ageren. puur. fraai ordelijk afwasmiddel rein.czułostce czułość czuły czupiradła czuwać czwarta (część) czwartek czwarty czy czy czy czy czyj czyn czyn wolicjonalny czynić czynić czynić aluzję czynnik ludzki czynnik zapładniający czynność czynność czynny czynny czynsz czyrak czyrak czystce czystka czystość czystość czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty czysty dwójkowy czysty(alkohol) czyszczący czyścić czyścić czyściec czyta czytać czytance czytelnik sentiment. bedrijvig afneembaar huur ettergezwel. nettonetto. wie z'n. als. schoon. afgewerkt. schoon. netto. helderheid.

ververwijderd. materiaal grondstof. wezenlijk uiltje. naar. blijkens. indertijd tevreden. stadswijk kamers. kwetteren. doorvoeren oefenen. nachtvlinder uiltje. heen. over dahlia nader dame lady. tjilpen sjilpen. verwijderd. cadeau geven draai om de oren. wijk. piepen. vrouw. dactylus afstand. echt. cadeau geven inschikkelijk. fat. tjilpen. kwetteren. piepen. lel stortplaats schenken. uil. materiaal . vooraan. kwast. tegel. ver vandoor. uil. handelbaar dadel. dandy grondstof. instructie aanwenden. dactylus schenken. materieel. dak. kwetteren veel meest. vertrekken buurt. consigne. piepen. oorveeg. nachtvlinder buurt. verwijderd verwijderd. jonkvrouw Damascus dame informatie saletjonker. tegelsteen. poj. drillen sjilpen. dam. stadswijk oefenen. voldaan kap. ingevolge nader verwijderd. ver. tichel lei plavuis. cadeau geven schenken. tichel dadel. drillen aanwijzing. <datum>) leesbaar lezer werkelijk. tegel.czytelny czytnik czyżby? ćma ćma zenia ćwiartce ćwiartek ćwiartka ćwiczenia ćwiczenia ćwiczenia ćwiczyć (się) ćwierka ćwierkać ćwierkać d <much d najbardziej d poprzednio d zadowolony dach dachówce dachówka dachówka dacie dać dać klapsa dać napiwek dać za wygraną daj dający się zarządzać daktyl dal dalej dalej daleki daleki zasięg daleki zasięg daleko dalia dalszy dama dama (także w kartach i szachach) damaszek damą daną dandys ezmięsne dane dane (l. ver ververwijderd. hoogst daarvoor. tjilpen sjilpen. overkapping plavuis. eind langs. eerder. wijk. vergenoegd. tegelsteen. materieel. ververwijderd.

nutteloos onbezet. annuleren. koers Denemarken schotel. leergang. spits meizoentje. top. vlot. eerder. dactylus schenken. lel noemen. oorveeg. cadeau geven belichten. tip. inlichten besturen. actueel ontbinden. actueel luiheid vergeefs. apache piek. madeliefje dadel. geschenk. ijdel. open. cursus. punt. verleden. benoemen. schaal cijns. schatting danseres gift. cadeau geven tegenwoordig. vergeven straatschuimer. menslievendheid bijdrage dadel. tentoonstellen draai om de oren. nutteloos vergeefs. neus. informeren. los. schaal vegetarisch Denemarken schotel. indertijd voorgaand. schatting cijns.dania dania Dania dania bezmięsne danią danie danina daniną danser dar dar daremność daremny daremny darmowy darować darować darować darować darować (karę) darował daszek daszek (czapki) data data data acquisition and interpretation system data zakupu datagram kadr datek datek datować dawać dawać dowody dawać klapsa dawać na imię dawać narkozę dawać ogłoszenie dawać początek dawać sobie radę/domyślić się dawać znać dawce dawka dawka (leku) dawkować dawniej dawny dąb tracé. route. madeliefje dadel. cadeau tegenwoordig. vergeven schenken. donatie. onbelemmerd cadeau geven. dactylus meizoentje. voorafgaand eiken. heten. dactylus boksen naastenliefde. beheren dosis dosis dosis dosis daarvoor. afgelasten begenadigen. aandienen het gevolg zijn van. schenken begenadigen. aankondigen. administreren. uitmaken voor adverteren. eikehouten . vooraan. ijdel. afstammen voeden berichten.

verleden tijd bepaling. spenderen. omschrijven. beslissing besluit. debet dwaas. ontaarden. misvormd degenereren. tekort afwezigheid. flap. definitie. uitmaken besluiten. omschrijving bepaling. deduceren abstraheren. verlagen decennium decennium decennium voordragen. spanderen kastekort.dąb nie dąć dążyć dbały dbały deaktywizować debacie debacie debata debatować debet debet ("winien" w księgowości) debil debil debuger debugger decydować decydował decydował decydujący decyzja decyzją decyzją dedukcją dedukować dedukował dedykować dedykował deficycie deficycie deficyt defilada definicja definicja typu dokumentu definicją definiować definiował definitus definitywny deformował degeneracie degenerat degradować degradował dekada dekada licząca dekadą deklamować eiken. attent. bepalen definiëren. omschrijving bepaling. mep. ontaarden. deficit. gebrek. uitmaken determineren. beslissen. afleiden. bespreking debat debat debetzijde. gevolgtrekking abstraheren. definitief onherroepelijk. definitie. afleiden. zot. gemis. cruciaal besluit. deficit. oplettend behoedzaam. nesthaar. declameren . nastreven aandachtig. spanderen opdragen. definitief mismaakt. malloot idioot debugger debugger besluiten. verlagen degraderen. omschrijven. bepalen onherroepelijk. slag. uitspraak. tekort verleden. debet debetzijde. nauwkeurig bepalen beslissend. spenderen. klap najagen. eikehouten houw. dons debat discussie. deduceren opdragen. uitspraak. verbasteren degraderen. euvel kastekort. motie conclusie. omschrijving definiëren. finaal. voorzichtig waas. definitie. verbasteren degenereren. beslissing resolutie. beslissen.

decreteren delta delegeren. breekbaar liefelijk. delegatie delegeren. afvaardigen afvaardiging. snoepgoed. decoratie sieraad. aanbesteding schuldige. zachtmoedig. gevoelig. afvaardigen subsidiair. zacht. dader Delphi delta ontkennen ontkennen democraat . decoratie. mild. snoepgoed. iel broos. lekkernij snoep. lekkernij mildheid beminnelijk kies. decoratie versieren landschap landschap ornamentaal versieren versieren verordenen. liefelijk gunning. zacht zacht. decreteren verordenen. inboeten delegeren. afvaardigen in de plaats stellen van. decoratie decor. snoepgoed. delicaat.deklamował deklaracja deklaracja procedury deklaracją deklarować deklarował dekodować dekodował dekomprymować dekoracja dekoracja sklepowa dekoracją dekoracją dekoracją dekoracje (tetralne) dekoracje tetralne dekoracyjny dekorować dekorować dekrecie dekret delcie delegacie delegacie delegacja delegacją delegat delegat delegować delegowanie delicją delicją delikates delikatność delikatność delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikatny delikwencie Delphi delta dementować dementował demokracie voordragen. delegatie afvaardiging. plaatsvervangend afvaardiging. verklaring declaratie. declameren declaratie. onderscheiding. delegatie snoep. onderscheiding. zoet. onderscheiding. lekkernij snoepen snoep. tooisel decor. verklaring declaratie. verklaring declareren declareren decoderen decoderen afleiden decor. zachtaardig zoet.

demokracja demokracją demokratyczny demolować demon demoniczny demonstracja demonstracją demonstrować demonstrował demontować denerwował dentysta dentystyczny dentyście denuncjować denuncjował depesza depesza depeszą depeszą depeszą deportować deportował depozycie depozyt depresja depresją deptać deptak deputowany derywacja derywacja wyprowadzenie desancie desant desce desce deseń deseń deser deser deska deska deskrypcją despocie despota destrukcją destrukcją

democratie democratie democratisch afgeven op, afbreken, afkammen demon, duivel demonisch, satanisch demonstratie, vertoning, bewijs demonstratie, vertoning, bewijs demonstreren, vertonen demonstreren, vertonen afstijgen ergeren, verontwaardigen tandarts tand-, getand tandarts aangeven, aanbrengen, klikken aangeven, aanbrengen, klikken telegram, kabeltelegram telegram kabel, tros verzenden metaaldraad, draad deporteren deporteren afgeven, deponeren, in bewaring geven afgeven, deponeren, in bewaring geven afname depressie stappen, lopen, schrijden, treden marcheren, tippelen, lopen subsidiair, plaatsvervangend afleiding, afgeleid woord afleiding, afgeleid woord daling, landing daling, landing aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet werkje, schets, tekening knippatroon, patroon toetje, toespijs, nagerecht, dessert pudding aanklampen, zich vastklampen aan bord, plank, tablet tafereel, schildering, beschrijving despoot, dwingeland despoot, dwingeland vernietiging ruïneren, te gronde richten

desygnował deszcz deszcz ze śniegiem deszczowiec deszczowy deszczułce deszczyk deszyfrować deszyfrował detal detalista detaliście detektyw detektywistyczny detergencie detergent detonacją dewiza dewizą dewizą dezaktualizował się dezaprobacie dezerterować dębowy dębowy dętka diabelski diabeł diablicą diaboliczny diagram diakon dialekcie dialekt dialektalny dialog dialog dialog dialog człowiek-komputer dialog użytkownikkomputer diament diament przemysłowy diecie diesel dieta dietetyczny diminutivum direktor antenowy

benoemen, aanstellen regenen regenen regenmantel nat lat motregenen ontcijferen, ontraadselen ontcijferen, ontraadselen bijzonderheid, item, detail kleinhandelaar kleinhandelaar detective, rechercheur detective, rechercheur afwasmiddel afwasmiddel informeren, berichten, inlichten leus, lijfspreuk, leuze, devies leus, lijfspreuk, leuze, devies lijfspreuk, leus, leuze, devies aflopen, ophouden, uitgaan, eindigen afkeuring, verwerping, wraking wildernis, woestenij, woestijn eiken, eikehouten eiken, eikehouten binnenband, luchtpijp, luchtband duivelachtig, duivels, drommels droes, boze, duivel, drommel helleveeg, furie, haaibaai, feeks duivels, duivelachtig, drommels afbeelding, figuur, beeld diaken tongval, dialect tongval, dialect tongval, dialect tweespraak, tweegesprek, dialoog tweegesprek, tweespraak, dialoog bericht, boodschap tweespraak, tweegesprek, dialoog onderhoud, gesprek diamant diamant dieet dieselmotor, diesel dieet diëetluttel, karig, min, klein, gering directeur, bestuurder

dla dla dla siebie samej dlaczego dlatego dlatego dlatego też dlatego że dławienie (się) dławik dłoń dłoń dłucie dług długa spacja długi długi czas długo długopis długość długość długość geograficzna długotrwały dłuto dmuchać dmuchawiec dno dno statku dno statku do do do do do cna do edycji do góry nia do góry nogami do małego biura i do domu (np. oprogramowanie) do przewidzenia do przodu do przyjęcia do samolotu) do szpiku kości do twojej wiadomości do twojej wiadomości do tyłu do wglądu tylko dla ciebie (tajne

gedurende, onder, terwijl, staande saké, rijstwijn gedurende, onder, terwijl, staande hoezo, waarom ergo, dus, ook weer, toch ergo, toch, ook weer, dus daar, doordat, omdat, aangezien ergo, toch, ook weer, dus wurgen, choken, worgen wurgen, choken, worgen aanreiken, overhandigen bal, handpalm, palm beitelen schuld ruimte, bestek, wereldruim, speling lang lang lang hok lengte, langdurigheid lengte (geo.), lengte lengte (geo.), lengte blijvend, aanhoudend beitelen houw, flap, slag, mep, klap leeuwetand, paardebloem bodem, achtergrond, ondergrond, grond bodem, achtergrond, ondergrond, grond achtergrond, grond, bodem, ondergrond heel, volkomen, totaliter gedurende, onder, terwijl, staande in, te, binnen, per tegen, bij, naar, tot, aan, voor droes, boze, duivel, drommel omhoog, opwaarts, op, naar boven op, omhoog, naar boven, opwaarts on-, in-, imverkrijgbaar daarvoor, eerder, vooraan, indertijd acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk aanklampen, zich vastklampen aan betreffende, aangaande, omtrent hierheen, hier achterover achterwaarts, achteruit, rugwaarts achterlijkheid adieu, vaarwel

informacje) do widzenia do wysokości do zobaczenia do zwrotu dobiegać dobierać dobitny dobitny dobosz dobór dobre dobre stosunki dobro dobrobycie dobrobyt dobroczynność dobroczynny dobroć dobroć kondensatora dobroduszny dobrowolnie dobrowolny dobry dobry dobry dobry dobrze dobrze się rozwijać dobrze wychowany dobrze wypionowany dobrze wypionowany dobrze zbudowany dobrze! dobytek docenia doceniać docenić dochodzić do dochować dochowuj dochód dochód dociąć dociekać dociekliwie docierać docinać

vaarwel, adieu acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk geldkist, kas, fonds tegen, bij, naar, tot, aan, voor aanvliegen soort, slag, aard klaar, uitgesproken, helder nadrukkelijk trommelslager, tamboer, trommelaar keuze, keur, keus, optie, verkiezing okee, okay, goed okee, okay, goed okee, okay, goed welstand, voorspoed, geluk, bloei rijkdom naastenliefde, menslievendheid charitatief, liefdadigheidsvoorkomendheid, liefheid goedheid aardig, vriendelijk, voorkomend uit vrije wil, vrijwillig vrijwillig best beter okee, okay, goed rechter-, vandehands goed, nu goed geriefelijk, gemakkelijk, comfortabel juist, gelijk hebbend, gegrond goed, okay, okee hecht, fors, potig, ferm, robuust afgesproken, akkoord, goed, in orde goed, nu goed bezitting, eigendom, bezit appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen appreciëren, waarderen bereiken, inhalen, behalen inmaken, konfijten, inleggen blijven inkomen, ontvangst, opbrengst verdienste, baat, winst, gewin plagen exploreren, nagaan, onderzoeken met nieuwsgierigheid, nieuwsgierig bereiken, inhalen, behalen plagen

dociskać doczesny dodać dodać dodać dodać dodać domieszkę opium dodać odwagi dodać otuchy dodaj dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek dodatek (w książce) dodatek specjalny dodatkowo dodatkowy dodatkowy dodatkowy dodatkowy ruter dodatkowy zasilacz mocy dodatkowy zbiornik atramentu dodatni dodatnio dodawać dodawaćotuchy dodawanie dodawanie modulo 2 dodruk dodruk dogadzać dogmacie dogmat dogodny doić dojazd dojrzały dojrzały dojrzały dojrzano dojrzeć dojrzej dojrzewać dojrzewać dojrzewanie płciowe dojście

strakker aantrekken, aantrekken aards aanhechtsel, affix hoera roepen aanvuren, aanwakkeren, aansporen opiaat aanhechtsel, affix bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijtellen, optellen bijkomstig, bijbehorend, bijkomend begeleiding, accompagnement optelling bijlage, appendix, aanhangsel kraal, omheind terrein optelling extra extra verder, overig assistent, adjunct, helper extra bijbehorend, bijkomend, bijkomstig bijkomstig, bijbehorend, bijkomend extra positief, constructief voorgoed, definitief bijtellen, optellen hoera roepen optelling optelling effect, indruk afdruk bevredigen, paaien, tegemoetkomen aan leerstuk, dogma, leerstelling leerstuk, dogma, leerstelling doelmatig, gemakkelijk, geschikt melk oprijlaan, oprit volwassene, adult belegen, bezonken, rijp rijp, bezonken, belegen rijp, bezonken, belegen rijp worden, rijpen belegen, bezonken, rijp volwassene, adult rijp worden, rijpen puberteit oprijlaan, oprit

dojście dojście (do czegoś) dojść dojść dok dokąd dokądkolwiek doker dokładać dokładna informacja wyszczególniać dokładne badanie dokładnie dokładnie dokładnie dokładnie coś przejrzeć dokładnie zbadać (kogoś) dokładność dokładność dokładność dla pełnej skali dokładność pomiarów dokładność zapisu dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny dokładny do ntego miejsca (po przecinku) dokładny do n-tego miejsca (po przecinku) dokoła dokonać dokonany dokonuj dokonując dokonywać dokonywać dokonywać (<sth> czegoś) dokonywać zapisu na rzecz dokończyć dokręca dokręcać dokręcony dokrętce dokrętek doktor dokuczać dokuczać

aanwinst, acquest, buit, prooi oprijlaan, oprit aankomen, belanden, arriveren buit maken, verkrijgen, behalen dok waar hier of daar, ergens stouwer, stuwadoor bijtellen, optellen bijzonderheid, item, detail precies, nauwgezet, accuraat precies, nauwgezet, accuraat inhalen grondig, radicaal precies, nauwgezet, accuraat rechter-, vandehands accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid accuratesse, stiptheid, nauwgezetheid stiptheid, accuratesse, nauwgezetheid nauwkeurig, accuraat, nauwgezet nauwkeurig, accuraat, exact trouw, getrouw precies, scherp, juist, minutieus specifiek, soortelijk streng, duchtig, straf, bar, hard nauwkeurig, accuraat, nauwgezet om ... heen, omtrent, ongeveer, om behalen, bereiken, inhalen volkomen, perfect, in optima forma maken, doen, bedrijven fabricatie, aanmaak, fabricage bewerkstelligen, doorvoeren het veld ruimen, afstaan kalfateren, kalefateren, breeuwen begiftigen, meegeven aantikken strakker aantrekken, aantrekken strakker aantrekken, aantrekken stipt, nauwsluitend, streng, nauw moer bah doctor ergeren, verontwaardigen mopperen, kankeren, morren, sputteren

dokuczać dokuczać dokuczanie dokuczliwy dokuczliwy dokuczliwy dokuczyć dokuczyć dokumencie dokument dokumentacja systemowa dokumenty dolar dolą dolą dolega dolegliwość doliczać dolina dolny dolny dolny dołaczyć dołaczyć dołączać komentarz dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć dołączyć się dołeczek dołeczek dołeczek dom dom czynszowy dom publiczny dom publiczny dom rodzinny dom starców dom studencki dom wypoczynkowy domagać się domagać się domagać się od kogoś zrobienia czegoś domek domek parterowy domeną

klemmen, tokkelen, knijpen, nijpen plagen smart, verdriet, leed plagen saai, taai, vermoeiend, melig pijnlijk, hinderlijk, lastig, storend ergeren, verontwaardigen belemmeren, storen, hinderen bedrijf, acte, dokument, akte, stuk bedrijf, acte, dokument, akte, stuk mens bestand, dossier dollar lot, bestemming, lotsbestemming kavel, perceel pijn doen, zeer doen bezwaar, strubbeling, moeilijkheid bijtellen, optellen vallei, dal waas, nesthaar, dons laag verlagen, afdraaien zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker bevatten, inhouden, behelzen bijtellen, optellen belenden, grenzen aan aanhechtsel, affix omsluiten opiaat zich aansluiten, lid worden, toetreden groef, gracht, kuil, groeve, greppel hol, ingevallen groeve, gracht, greppel, groef, kuil geslacht, pand, huis herenhuis bordeel, seksclub, hoerenkast huiswaarts, naar huis huiswaarts, naar huis logement, herberg pakhuis, magazijn, warenhuis geslacht, pand, huis aanspraak maken op, claimen opeisen, vereisen, rekenen, eisen opeisen, vereisen, rekenen, eisen hut, huisje bungalow rijk, staat

domeną dominium dominować dominował dominujący domniemanie domowy domowy domowy domysł domyślac domyślać się domyślać się domyślić się domyślnik doniczka doniesienie donieść donieść donikąd doniosłość doniosły donosić dookoła dopasować dopasowanie szablonu dopełnia dopełniać dopełniający dopełniał dopilnować doping dopingować dopingował dopisać dopływ dopóki dopóty doprawdy doprowadza doprowadzić do szału dopuki dopuszczać dopuszczalny poziom wadliwości dopuścić dopuście doradca doradcą

kloot, omgeving, bol, sfeer, gebied dominion meester zijn, de baas zijn meester zijn, de baas zijn voornaamste, hoofdvermoeden, gissen binnenlands, inheems, inlands huiswaarts, naar huis Stille Oceaan, Grote Oceaan onderstelling, hypothese, mening raden, gissen, doorzien raden, gissen, doorzien menen, vermoeden, stellen raden, gissen, doorzien zinspelen bloempot informeren, berichten, inlichten perzik informeren, berichten, inlichten nergens, in geen velden of wegen relevantie veelbetekenend, betekenisvol berichten, informeren, inlichten circulerend, in omloop aanpassen, afstemmen, adapteren lucifer compleet, volledig blok aanvullend volbracht ontmoeten, aantreffen stijving, bemoediging, aanmoediging aanvuren, aanwakkeren, aansporen aanvuren, aanwakkeren, aansporen belenden, grenzen aan fjord terwijl, staande, gedurende tot, totdat, binnen, voor werkelijk, wezenlijk aansporen, aanwakkeren, aanvuren bestseller, furore tot, totdat, binnen, voor laten, laten begaan, laten schieten acceptabel, aanvaardbaar, aannemelijk toegeven plaag adviseur, mentor, raadgever adviseur, mentor, raadgever

doradzić doraźny doraźny doręcza doręczyć dorobek dorobek doroczny dorosły dorożka dorsz dorzecze dosiadać dosięgać dosięgnąć doskonale doskonały doskonały dosłowny dosłowny dosłowny (raport) dostarcza dostarcza dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dostarczać dowodów dostarczać żywność dostarczał dostarczanie dostarczyć dostarczyć podporządkować dostarczyć żywność dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny dostateczny (stopień w szkole) dostatek dostatni dostawa dostawa oprogramowania dostawać mdłości dostawą dostęp dostęp dostęp

adviseren, bekendmaken, aankondigen ogenblikkelijk, prompt toevallig, incidenteel afleveren, leveren, bestellen brengen, aandragen, bezorgen Fortuna lot, fortuin, fortuinlijkheid jaarlijks volwassene, adult taxi kabeljauw vont, bekken, kom monteren, zetten buit maken, verkrijgen, behalen bereiken, inhalen, behalen perfectie, volkomenheid, volmaaktheid volkomen, perfect, in optima forma grandioos, groots, overweldigend woordelijk, letterlijk naar de letter, woordelijk naar de letter, woordelijk leveren, bestellen, afleveren provianderen, spekken, bevoorraden betuigen, verzekeren afleveren, leveren, bestellen eten, bikken, gebruiken, vreten afzenden, verzenden, expediëren het veld ruimen, afstaan provianderen, spekken, bevoorraden gemeubileerd aflevering, levering, inlevering knechten, onderwerpen afleveren, leveren, bestellen leveren, bestellen, afleveren adequaat, bijbehorend genoeg, voldoende bevredigend genoeg, voldoende bevredigend onbekrompenheid, overvloed uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend aanvoer, bezorging aflevering, levering, inlevering afkeer inboezemen aflevering, levering, inlevering oprijlaan, oprit aanwinst, acquest, buit, prooi aanvliegen

voorbijgaand kras. stemmen afstelling. pijnlijk. bedroeven. disponibel liquide. ontkomen. waardigheid oogstmaand. ervaren ondersteuning. ingang. aanpassen. geoefend. verdriet doen vinger . deerlijk. totaliter genoeg. helder. rap. ervaren deskundig. ondervinding deskundig. adapteren kleren maken afstemmen. gebruik aanpassen. tamelijk. vrij. instelling geruim. subsidie slecht scherp. aanzienlijk verstandig zichtbaar genoeg. adapteren afstemmen. experimenteel belevenis. deftig afstemmen. acuut. smartelijk beproeven. tasten. augustus waardig. beschikbaar. adapteren afgepast in een stemming brengen. beschikbaar. voelen. stipendium. druk zeer. voldoende tamelijk vriendelijk. buit maken winnen.dostęp dostęp zastrzeżony dostęp zdalny dostępny dostępny dostępny dostępny od przodu dostępny od przodu dostępny w handlu detalicznym dostępował dostępował dostojeństwa dostojny dostojny dostosować dostosować dostosować (się) dostosować (się) dostosować umieszczać dostosowanie interfejsu dostosowany do życzeń użytkownika dostosowuj dostosowywał dostroić dostrojenie dostrzegalny dostrzegalny dostrzegalny dosyć dosyć dosyć dosyć doszczętnie dość dość doświadcza doświadczać doświadczalny doświadczenie doświadczony doświadczony użytownik dotacją dotkliwie dotkliwy dotkliwy dotkliwy dotknąć dotknąć entree. aanpassen. volkomen. dragen bevoelen. afstemmen. toegankelijk aanspreekbaar liquide. genoeg. adapteren aanpassen. ervaring. beminnelijk. afstemmen. ontgaan usance. aardig nogal. disponibel verkrijgen. beschikbaar. kwiek. toegankelijk liquide. zichzelf respecterend. basta heel. behalen zelfrespect. gewoonte. oprit oprijlaan. toegang oprijlaan. betasten empirisch. geoefend. aanpassen. zelfgevoel. oprit genaakbaar. adapteren ontsnappen. disponibel genaakbaar. levendig. voldoende tamelijk naar buiten brengen. aanmerkelijk. verdienen.

geoefend. doorvoeren toelachen. krakelen bevestigen. desbetreffend aanwenden. commandant bevelen. commandant commodore aanvoerder. bewijs drukproef aanvoerder. grap spriet. overbrengen. ervaren constant. commanderen belevenis. bestendig. aannemen bewijzen. gekscheren mop. commanderen bevelen. betasten gevoel aanslag belenden. voelen. kwinkslag. belang aangelegenheid. opvallen subsidiëren aankomen. schijf adstructie. teken. aanvoeren. ad rem twisten. pots. tasten. grenzen aan aanslag aanslag mondeling. voeren drukproef discus. klappen. aanlokken. belanden. aantonen bewijzen. geestig. grol. eigenmachtig transporteren. arriveren blijven nog ouder betrokken. belang bevoelen. bewust. schertsen. aanvoeren. arbitrair. ervaring. ervaring. bekoren aangelegenheid.dotknąć dotknąć nieszczęściem dotknięcie (pędzlem) dotował dotrzeć dotrzymywać dotychczas dotychczasowy dotyczenie dotyczyć dotyczyć dotyczyć dotyczyć czego dotyk dotyk dotyk dotyka dotykać dotykać palcem doustny dowcip dowcip dowcip dowcipny dowieść dowodach dowodzący dowodzenie dowodzić dowodzić dowodzić dowodzić (<sth> czegoś) dowolny dowozić dowód dowód dowód (przyjaźni) dowód wiedzy zerowej dowódca dowódca dowódcą dowództwa dowództwo doznać doznaj doznaj doznawał doznawał aanslag aanslag slaan. ondervinding stutten. schragen deskundig. grammofoonplaat. aantonen willekeurig. boegspriet snedig. disputeren. krakelen archief aanwijzend voornaamwoord aanwijzend voornaamwoord twisten. gevat. kloppen. ondervinding belevenis. gestaag . steunen. disputeren. plaat. oraal boerten.

zich bekommeren. klauwen. balorig glad. portier bewaken. aflezen steward zich bekommeren. zorgen bewaken. rillen. stuurtoestel neerdruipen. huiveren . zorgen afschuwelijk slingeren. beven. vastkleven. mijnschacht kleven. paal. glibberig grieven. checken. afgrendelen draperen drastisch. checken. bedroeven. roede. bezorgd zijn. pijp schacht. afdruipen neerdruipen. bibberen. aflezen controleren. schacht. drama toneelstuk. roede. drama krauwen. wagen automobiel. klauwen. de wacht hebben. kuil ladder ladder ladder ladder toneelstuk. schommelen beven. afdruipen huiveren. kregel. bibberen woud. rillen. paal. scharrelen. bewaren controleren. stuurtoestel stuur. pijp baar. groef. ongrijpbaar. greppel. krabben grendelen. bewaren pensioen groeve. de wacht hebben. oscilleren. scharrelen. beugel bezorgd zijn. sterk werkend krauwen. schacht. afdruipen neerdruipen. auto trolley. ergeren baar. gracht. krabben vlechten slechtgehumeurd.dozorca dozorcą dozorować dozorował dozorujący dozór dozór dożywocie dół drabina drabina schodkowa drabiną drabinka dramacie dramat drapać drapak drapować drastyczny draśnięcie dratwą drażliwy drażliwy drażnić drąg drążek drążek drążek drążek sterowniczy drążek sterowy dren dren wielokrotny drenować dreszcz drewien drewna drewna drewno drewno drewno drewno na podpałkę drezyna drezyna drezyną dręczyć drętwy drga drganie conciërge. bos hout hout hout boom hout brandhout auto. aanhangen stuur.

draad team.drganie drgawce drgawka drgnąć drobiazgowy drobniak drobnostka drobnoustrój drobny drobny droga droga droga dojazdowa droga wodna droga wodna drogerią drogi drogi drogi oddechowe drogi oddechowe drogocenny drogowskaz drozd wędrowny drożdże drożdże drób dróżka drugi drugi nadawca drugie śniadanie drugorzędny średniej klasy drugorzędowy druh drukarce drukarka drukarz drukować drukować druk odbitka drukował drut drużyna drużyną drwić drwiną dryf dryft dryl drylował vibratie. trilling schokken kramp aanzetten tot. drukker boekdrukker. schoon. fijn. drukker boekdrukker. activeren. aanzetten ampel. waard zeldzaam wegwijzer roodborstje gist gist gevogelte pad. mooi. op drift zijn. drijven boren klei-. minuskuul weg. equipe politiepatrouille bespotten. baan. gezien kostbaar. usance. fraai propperig. emitteren metaaldraad. van klei . dierbaar. beuzelarij microbe net. bijkomstig maat. drijven afdrijven. duur. gewoonte apotheek geacht. lunch incidenteel. spotlachen. spotten. waard geacht. toevallig bijbehorend. verkeersweg weg. ginnegappen afdrijven. aarden. gezien kostbaar. drukker afdruk afdruk uitgeven. baan. ploeg. kameraad. duur. kornuit. in het klein munt. makker boekdrukker. lief. dierbaar. gedetailleerd. geldstuk bagatel. futiliteit. lief. op drift zijn. minuscuul. bijkomend. paadje tweede paren twaalfuurtje. route straat grote weg. route gebruik. penning. klein. honen grijnslachen.

gemoed. rillen. bibberen. tweevoudig. gemoed. sluimeren. prat. deur portier.drzazdze drzazga drzeć drzemać drzemce drzemka drzemka drzewa drzewo drzewo binarne drzewo dwójkowe drzewo zbalansowane drzeworyt drzwi drzwi są uchylone drżeć drżeć drżenie drżenie dublowanie duch duch duch duch wodny duchowny duchowny duchowy dudą dudnienie dukcie dukuczyć duma dumać dumny dumny Dunaj duńczyk duński dupa dupą duplikat duplikować durszlak dusić dusić dusić (się) dusić na wolnym ogniu dusza splinter splinter vaneenscheuren. tabakspijp afranselen gebruik. bibberen beven. duplex. multipliceren zeef goulash choken. tweeledig verstand. geest . geest geest blinde. blinde bij kaarspel. bewindsman geestelijk pijp. huiveren. doorscheuren druilen. wurgen smoren. intellect ziel. huiveren. gravure. usance. huiveren rillen. bibberen. onderdrukken. druilen. gewoonte trots trots muze hoog. neerslaan pruttelen ziel. sluimeren. graveerwerk portier. verheven fier. dutten sluimeren. worgen. beven. geest. sluimeren. dutten druilen. multipliceren verveelvoudigen. huiveren rillen. geest geestelijke minister. dutten boom boom naaldboom naaldboom hout prent. bibberen dubbel. beven. dutten druilen. deur beven. trots Donau Deen Deens ezel ezel verveelvoudigen. rillen.

amateur. tweetal. bul. bestek. scharrelen twintig twintig twee keer. roken stinken. tiptop. berusting dynamiet pompoen pompoen akte. paar stationsgebouw. duo. roken uitwasemen smoken. met lucht gevuld. vies ruiken gelatenheid. geestelijke. buigen. tweemaal veertien dagen. station binair binair netwerk. tweemaal twaalf twaalf dubbelzinnig. dilettant smoken. twee weken twee twintig twaalf stel.duszpasterz duża ilość dużo dużo duży duży duży system komputerowy duży system obliczeniowy duży wysiłek dwa dwa pensy dwa razy dwa tygodnie dwadzieścia dwanaście dwie dworzec dwójkowe (liczby) dwójkowy dwójnik bierny dwór dwudziestce dwudziestka dwukrotnie dwunastce dwunastka dwuznaczny dyg dygotać dykta dyktator dyktatura dyktować dyktował dyktował dylemacie dylemat dyletant dym dymek dymić dymić (się) dymisja dynamit dyni dynia dyplom dyplomat pastoor. brevet diplomaat . grootte menig. een buiging maken schokken multiplex dictator dictatuur dicteren dicteren zeggen. opgeven dilemma dilemma knutseaar. koppel. dubbelslachtig nijgen. pastor omvang. veel. kostelijk groot twee twee keer. excellent. vrijen. net het hof maken. diploma. vele veel groot groot lucht-. bovengronds tof.

bevelen conducteur. vermogen keurig gevoelig. twisten detachement.dyplomata dyplomatce dyrekcja dyrektor dyrektor dyrektor dyrektor generalny dyrektor szkoły dyrektor szkoły dyrektywa dyrektywa zapoczątkowania dyrygencie dyrygent dyrygent dyrygować dyscyplina dyscypliną dysk dysk dysk dyskietka dyskietka dyskonto dyskretny dyskryminacja rasowa dyskryminacją dyskusja dyskusyjny dyskutować dyskutować dyskutował dyslokacją dysponować dyspozycją dyspucie dysputa dystans dystans dystrybucja dystrybucja kluczy dystrybucja połączeń automatycznych dystrybucją dystrybutor dystrybutor automatycznych rozmów telefonicznych dystyngowany dystyngowany dystyngowany diplomaat boekentas. team. bestuurder bewaken. theca. delicaat. tucht schijf. aanvechting. aanrichten. commanderen. discus. discreet discriminatie discriminatie discussie. grammofoonplaat. bestuurder conducteur. uitspraak aanvoeren. voornaamste declaratie. lust. beheerder. bespreking betwistbaar. plaat schijf. aktentas administratiekantoor hoofdonderwijzer. de wacht hebben. grammofoonplaat. geleiden. disputeren. uitreiking verdeling. krakelen. aangifte. administrateur hoofd-. uitreiking verdeling. uitreiking verdeling. krakelen. ordenen zin. bewaren de weg wijzen. iel . grammofoonplaat. neiging disputeren. twisten disputeren. discus. discuteren bespreken. leiden discipline. krakelen bespreken. kies. plaat discus schijf. afdeling afstand. discuteren beschikking arrangeren. bestuurder bestuurder. uitreiking verdeler verdeler kapitaal. tucht discipline. voornaamste rector directeur. onopvallend. plaat diskette disconto bescheiden. discus. fijn. eind verdeling. hoofd der school hoofd-. aanvechtbaar twisten.

het doen functioneren. handeling speelterrein. kanon. optreden. optreden. geweer tandvlees een geintje maken een geintje maken baby kinderlijk loot. vloerkleed. handelen actie. het doen doen. gedoe actie. afstammeling borst. handeling courtage actie. optreden. karpet afleidingsmanoeuvre legerafdeling. ingreep actie. gedoe. afstammeling. mijnschacht spuit tapijt. operatie. perceel canon. handeling. vak.dystynkcją dysza dyszą dyszel dyszel dyszka dywan dywersja dywizją dyżur dzban dzban dzban dzbanek dzbanek dziadek dziadostwa dział dział działacz działać cuda działać przetwarzać działać sterować działalność działalność działalność maklerska działania działania) działanie działanie działanie na minutę działanie napędu dyskietek działanie niezależne działanie wsadowe działka działka działka podziałki działo działo elektronowe dziąsło dzieciak dzieciak koszula nocna dzieciątka dziecinny dziecko dziecko dziecko bawiące się skakanką dziedzic onderscheiding spuit spuit straal. agitator. jongeheer een geintje maken nazaat. optreden. vuurmond roer. verplichting kan. kruik vaas. nakomeling . divisie kavel. grootvader achterbuurt departement branche. gedoe. optreden. tak onruststoker. pot. ageren. activist functioneren. handeling. kettingzang. gedoe bewerking. gedoe actie. ingreep legerafdeling. bezig zijn. optreden. perceel kavel. divisie plicht. handeling. operatie. kruik po opa. vat. kind. handeling bewerking. gedoe. spaak schacht. speelplaats actie. pul kan. kleed. speelplaats speelterrein. kruik kan. jongeling. jong.

dagblad. erfstuk. scheiden kloven. ra geschiedenis. boud afdruk dagelijks. dagblad. koen. decaan kloven. erfenis. in pacht hebben huurder huurder pachten. ra yard. historie. klieven. afscheiden.dziedzictwa dziedziczenie dziedziczność dziedziczyć dziedzina dziedzina zastosowań dziedziniec dziedziniec dziedziniec kościelny dziedzińca dzieje dziejopis dziekan dziel dzielenie dzielenie przez zero dzielenie sekretu dzielić dzielić dzielić na połowę dzielić podział dzielnica dzielnica Londynu dzielnicą dzielny dzielny dzieło dziennik dziennik dziennik zdarzeń dziennik zmian dziennikarce dziennikarz dzienny dzień dzień dobry dzień dobry! dzień roboczy dzień wypłaty dzierżawa dzierżawą dzierżawca za część plonu dzierżawcą dzierżawić dzierżawić dziesiąta część dziesiątce dziesiąty boedel. daags. verhaal kroniekschrijver. krant courant. aandeel afzonderen. divisie afzonderen. gouw gezet. dagblad. vandaag morgen gisteren dag huur pachten. klieven. moedig. ra yard. erfdeel erfelijkheid. divisie legerafdeling. krijt. binnenplaats. chroniqueur deken. scheiden nabijheid district. arrondissement. divisie legerafdeling. arrondissement. kampplaats akker plaats. gouw district. erfenis. piste. kloek. overerfelijkheid beërven. alledaags dag heden. in pacht hebben huurder tiende tien tiende . erfstuk. daags. krant courant. splijten legerafdeling. doorklieven. zwaarlijvig. erf. erven arena. krant journaliste journaliste dagelijks. hof yard. alledaags courant. corpulent dapper. erfdeel boedel. afscheiden. doorklieven. splijten actie.

groeve. wild wild. dank betuigen dank. gracht. bedanken. neb voorschip. meid dienstmeisje. bedanken. neb. ingevallen hol. meid negende negen negende meid. snater. woest dag bek. meisje meisje.dziesięciolecie dziesięć dziewce dziewczyna dziewczyna dziewczyna dziewiąta część dziewiątce dziewiąty dziewica dziewica dziewiczy dziewiczy dziewiczy (nośnik) dziewięć dziewięćdziesiąt dziewiętnaście dzięcioł dzięki dziękować dziękował dziękuje dzik dziki dziki dziki dziki (wzrok) dzikus dzionek dziób dziób dziób dzióbek dzisiaj dzisiejszy wieczór dziś dziś wieczorem dziś wieczór dziura dziura powietrzna dziurawy dziurą dziurkarka dziurkarka dziurkarka taśmy papierowej dziurkarka taśmy papierowej dziw dziwaczny decennium tien meid. boeg spuit heden. snavel snavel. woest woest. dankzegging danken. maagdelijk maagdelijk. meisje ongerept. snater. tuit. tuit. dienares. bek. gracht. kuil. meisje meid. holte stompen Jan Klaassen stompen Jan Klaassen mirakel. wonder bizar . greppel groef. maagdelijk negen negentig negentien specht dank. uitholling. dankzegging woest. wild woest natuurlijk wild. kuil. vandaag vannacht vannacht groef. vandaag vannacht heden. groeve. ongerept ongerept. voorsteven. maagdelijk ongerept. dank betuigen danken. greppel hol.

stuurtoestel pest oerwoud. kletteren. klare stuur. leuk. worm jam. gaan krab lift beuren. karwei. rinkelen wal. moes. kletteren. klinken. gaan acoustisch. galmen. overgaan. oprichten.dziwaczny dziwaczny dziwce dziwić się dziwka dziwny dziwny dziwny dziwny dziwny dzwon dzwonek dzwonek do drzwi dzwonić dzwonić dzwonić dzwonić dzwonienie po umarłym dźgnięcie dźwięczeć dźwięczeć dźwięcznie dźwięk dźwięk wysokiej jakości dźwiękowy dźwiękowy dźwig dźwig dźwigni dźwignia dźwignia zwalniająca dżdżownica dżdżownicą dżem dżentelmen dżentelmeński dżersej dżin (do picia) dżojstik dżumą dżungla dżunglą echa echa echo echo echo np. zich verwonderen prostituée. pier. arbeid klingelen. beschaafd Jersey jenever. rimboe oerwoud. ring rinkelen. doorklinken klingelen. kletteren. oprichten. klingelen emplooi. rinkelen naklinken. echoën Echo weergalmen. overgaan. werk. amusant rum bizar klok klok klok zich aaneensluiten. lichtekooi. echoën Echo weergalmen. kletteren. jungle. heffen. naklinken. aansluiten klingelen. buitenlands vermakelijk. echoën Echo . gentleman keurig. marmelade heer. klinken. regenworm. regenworm. ophalen beuren. naklinken. heffen. radiolokacyjne rum bizar prostitueren zich verbazen. radiolokacyjne echo np. akoestisch kleppen. beugel. gaan kleppen. hoer bizar uitheems. klinken. naklinken. klingelen rinkelen. oprichten. jungle. rinkelen kleppen. worm aardworm. ophalen aardworm. ophalen beuren. rimboe weergalmen. kletteren. pier. heffen. overgaan.

uitgave. prikkelen. doeltreffend Egyptisch Egyptisch Egypte onderzoek. vorming dresseren. keuring. druk. eveneens . effect indruk. editie uitgaaf. vorming opvoeding. uitsluitend uitzetting. redigeren. aanhang intendant. examineren nauwkeurig. accuraat. opzichter. examineren onderzoeken. druk. expansie verkoper evenzeer. nakijken. ontwikkeld uitgaaf. nakijken. ook. uithangbord. uitheems bestaan. effectief. effect afdoend. mede. aanzijn bestaan bemanning leden. schut schild. exact exemplaar. schut gewaarwording. prikkelen. examen onderzoeken. effect indruk. expansie uitzetting. vorming opvoeding. grootbrengen geleerd. meier economie economie. bordje. uitgave. spaarzaamheid economisch economie economie experimenteren scherm. opwinden aanwakkeren. bord scherm.edukacja edukacja na odległość edukacją edukował edukował edycja w komórce edycją edytor edytować efekcie efekt efekt zniekształcenia maski kineskopu efektywny Egipcjanin egipski Egipt egzamin egzaminować egzaminował egzekwował egzemplarz egzotyczny egzystencja egzystencją egzystować ekipa ekipa ekonom ekonomia ekonomia ekonomiczny ekonomika ekonomika przedsiębiorstwa ekperymentować ekran ekran ekran (przewodu) ekran mozaikowy ekscytacją ekscytacją ekscytować ekscytował ekscytując ekskluzywny ekspansja ekspansją ekspedient ekspedycja opvoeding. opstellen indruk. schut scherm. opwinden opwindend exclusief. editie editor opmaken. afdruk exotisch. kweken. aandoening opwinding aanwakkeren. aanzijn bestaan.

bewimpelen. uitmelken exploiteren. buigzaam. maskeren buitennissig. uitmelken exploderen. betuiging. experimenteel exploiteren. uitmelken uitbuiten. uitvoeren exporteren. bovenmatig uitrusting. stijl sjiek. buigbaar. soepel. ergst. uitvoeren exporteren. gezegde uitdrukken zwijmeldronken. bij. chic. tentoonstelling uitdrukken bewoording. geestvervoering. ontploffing. tot. uitmelken uitbuiten. geestvervoering.ekspedycja ekspedycja ekspedycją ekspercie ekspert ekspert ekspert ubezpieczeniowy ustalający wartości składek i odszkodowań na podstawie częstości wypadków eksperymencie eksperyment eksperymentalny eksploatować eksploatować eksploatować nadużyć eksploatował eksplodować eksplodował eksplozja eksplozją eksponacie eksponat eksporcie eksport eksportować eksportować eksport ekspozycją ekspres ekspresją eksprymować ekstatyczny ekstaza ekstazą eksterminować ekstra ekstrakcie ekstrakt ekstraktor ekstrawagancki ekstremalny ekstremizm ekwipunek ekwiwalent elastyczny elastyczny elastyczny automatyczny układ testera elegancja elegancki expeditie aan. uitbuiten. lenig trant. inrichting equivalent. explosie belichten. uitvoeren expositie. exploiteren. voor. naar expeditie deskundig archiefmedewerker. uitbuiten. exploiteren. uitroeien extra afleiden afleiden bemantelen. extreem. tentoonstellen exporteren. explosie uitbarsting. extatisch vervoering. actuaris deskundig deskundig experimenteren experimenteren empirisch. ontploffing. tentoonstellen belichten. uitvoeren exporteren. losbarsten. losbarsten. buigzaam. gelijkwaardig rekbaar. extase vervoering. buitensporig onpeilbaar. buigbaar. elastisch smijdig. accommodatie. piekfijn . lenig smijdig. ontploffen uitbarsting. tegen. extase verdelgen. ondoorgrondelijk uiterst. ontploffen exploderen.

arbeidsvermogen. afgezant. druk. uitschakelen afvoeren. embleem kleur. keur. elegant. krachtig. elektronisch electronisch. spirit. piekfijn. elektronisch elektronica electronisch. kras. kwiek energiek. net doortrapt. aanzetten enthousiast. elimineren. emigreren. uitbundig. beginsel akker en bewerker element. arbeidsvermogen. fut sap energie. embleem pensioentrekker. geestdrift . embleem kleur.elegancki elegancki elegant elekcją elektron elektroniczny elektroniczny zapis wizji elektronika elektronowy elektrotechnika elektryczność elektryczny element element element grupy programów element pomiarowy element z niestabilnością S elementarny elewator eliminować eliminować segregację rasową eliminował eliminował elokwentny emalia emblemacie emblemat emblemat oryginalnych produktów Microsoftu emeryt emerytura emfatyczny emfaza emigrować emigrował emisariusz emisariusz emitował encyklopedia energia energia energią energiczny energiczny entuzjasta entuzjastyczny entuzjastyczny entuzjazm bevallig. klem uittrekken. fut levendig. gewiekst. bode. rap. spirit. uitschakelen afvoeren. gezant bode. bestanddeel. uitwijken uittrekken. gepensioneerde pensioen nadrukkelijk nadruk. flink. listig bevallig. uitwijken afgezant. bestanddeel. elektronisch elektriciteit elektriciteit elektrisch element. slim. elegant. uitschakelen ontwortelen welsprekend emailleren kleur. keuze. aanvuren. geestdriftig krankzinnig zijn enthousiasme. emigreren. ferm aanwakkeren. elimineren. verkiezing. piekfijn. elimineren. net optie. keus elektron electronisch. gezant uitstralen encyclopedie energie. beginsel elementair lift afvoeren.

etiket Europa Europeaan. zedenkunde. tijdperk episch tijdperk. Ethiopië zedenkunde. leiding Abessinië. accompagnement Esperanto Estlands Estlands muziektent tribune. tribune. tijdsgewricht tijdperk. etiket label. ineenkronkelen dissertatie. essence. wezen. bestuur. zedenkunde. stelling essentie. podium schavot aanplakken podium. proefschrift. kluizenaar Cupido. Amor erotisch. zedenkundig ethiek. ontkomen. ontgaan ineenkrimpen. wijsbegeerte label. zendbrief episode. kern Eskimo begeleiding. doorluchtig epistel. evacueren ontruimen. zedenleer ethiek. essence. leiding. aflevering tijdsgewricht. etiket label. blanke Europeaan. evacueren evangelie evangelie . tijdperk tijdsgewricht. zwoel ontsnappen. brief.eon epicki epiczny epidemia episkopalny epistołą epizod epoce epoka epopeja era erą eremicie Eros erotyczny ESC eschnąć esej esencja esencją eskimos eskorcie eskorta esperanto Estończyk estoński estrada estrada estrada etacie etap Etiopia etyczny etyczny etyczny etyka etyka etykiecie etykieta dysku etykieta wolumenu etykietka Europa europejczyk europejski ewakuować ewakuował ewangelia ewangelią eeuwigheid episch episch pest bisschoppelijk. wezen. etiket label. kern essentie. blanke ontruimen. accompagnement begeleiding. zedenleer. tijdsgewricht heremiet. zedenleer filosofie. ethiek ethisch.

duidelijk evolutie. persoon. aanmaken. zwaaien gebaren. broodwinning. evenement mogelijkerwijs. ontwikkeling evolueren. ontwikkeling evolutie. wuiven. kennelijk. daadwerkelijk daadwerkelijk. misschien. waarachtig werkelijk. zwaaien . zwaaien gebaren. ad rem mens kerel. tabakspijp aangapen. effectief virtueel faculteit faculteit gebaren.ewangelik ewenemencie ewentualnie ewentualność ewentualność ewentualny ewidentny ewolucja ewolucja schematu ewolucją ewoluował exodus fabryce fabryczny fabryka fabryka konserw fabrykacją fabuła facecie facet znie fach fachowiec fachowiec fachowy facjacie facjacie facjacie fajerwerkach fajka fajtłapą fakcie fakt faktor faktura fakturą faktycznie faktyczny faktyczny faktyczny fakultecie fakultet fala fala troposferyczna fala typu EH fala typu H fala wsteczna fala złożona falą protestants belangrijke gebeurtenis. wuiven. geestig. wuiven. beroepscompetent. knul. bevoegd dakkamertje zolderkamer Attisch vuurwerk pijp. zwaaien gebaren. maken snedig. gapen feit feit makelaar factureren. effectief. zwaaien golfslag gebaren. declareren factureren. eventueel apert. snuiter beroep. ontwikkeling evolutie. zich ontwikkelen Exodus fabriek fabriek fabriek fabriek fabriceren. wuiven. zwaaien gebaren. metterdaad. sujet. mogelijk eventualiteit eventualiteit gebeurlijk. deskundig. werkelijk. wuiven. dom kijken. bedrijf deskundig professioneel. wuiven. gevat. declareren inderdaad. evident.

kleuren. fanfare fanfarekorps. vulling. voorgevel voorzijde. razend. familie aanwakkeren. fanfare pion fantastisch. fantasierijk dromer. dubbelhartig faam. blinde bij kaarspel verven. vouwen. dromen fantasie. plooien onduleren loos. star. fabriceren. schilderen verf verf verf bloed aftappen. befaamdheid gezin. artsenijbereidkunde farmacie. verkeerd. plooien omvouwen. fanatiek. foutief loos. pui. huis. verbeeldingskracht mijmeren. medicijn agrarisch boer opvulsel. onjuist. aanmaken nagemaakt vervalsen onbeweeglijk. grillig. verbeeldingskracht blinde. gerucht. mare. artsenij. aanvuren. dweepziek dol. dubbelhartig smid. vouwen. hondsdol dwepend. façade. bedrieglijk. aanzetten dwepend.fałda fałdą fałdował fałsz fałszerz fałszować fałszować (<with sth> coś fałszował fałszował fałszował fałszował fałszował fałszowanie fałszywy fałszywy fałszywy famą familią fan fanatyczny fanatyczny fanatyk fancie fanfarą fanfarą fant fantastyczny fantaście fantazja fantazjaować fantazją fantom farba farba olejna farbować farbować (się) farbował farbując farcie farmacja farmakologia farmakologiczny farmą farmer farsz fartuch fasada fasada omvouwen. aderlaten aderlating bof. artsenijbereidkunde geneesmiddel. huisgezin. voorschoot voorpui. dweepziek pion fanfarekorps. geest. fanatiek. buitenkansje farmacie. sloof. geluk. bedrieglijk. vulsel boezelaar. mijmeraar fantasie. schort. gevel. vast nagemaakt vervalsing vervalsing fout. ijzersmid vervalsen vervalsing maken. voorkant . mazzel.

wijs dingen. fascinerend. bestuur. veldboon tuinboon. fase koorts koorts federatie. wijs mode. fase kwartier. ondoorgrondelijk afmatten. leiding podium. debâcle. afbeulen schuld vuil. bond federaal federaal feniks verschijning. fascinerend. feestmaal. schijngestalte. façade. gevel. echec vijg vijg . gelag feodaal flop. smerig uitverkoren uitverkoren gunst. smulpartij. boeiend tuinboon. gisten vuur. rustdag agrarisch pauzeren fermenteren. fiasco. modus. spullen onpeilbaar. begunstiging. boon.fasadą fascynować fascynował fascynował fascynując fascynujący fasola fasolka fason fasonować faszerować fatalny fatydze fatyga faul faul faworycie faworyt faworyzować faza faza faza wykonania faza zdobywania (magistrali) fazą febra febrą federacja federacją federacyjny federalny feniks fenomen fenomen fenomenalny ferie ferma fermacie fermencie ferment fermentować ferwor festiwal festyn feudalny fiaska fiasko fidze figa voorpui. verbluffend snipperdag. echec flop. tribune. leiding kwartier. werken. voorgevel betoveren. ijver festival festijn. veldboon mode. boeiend betoverend. werken. gisten fermenteren. fenomeen fenomenaal. modus. genadigheid kwartier. geboeid betoverend. bestuur. fascineren gefascineerd. gisten fermenteren. werken. boon. verschijnen verschijnsel. tribune. vakantiedag. ambitie. afbeulen afmatten. afjakkeren. debâcle. afjakkeren. schijngestalte. bond federatie. fascineren betoveren. fase podium. fiasco. schijngestalte. pui.

wijsgeer filosofie. cijferen fictie. fictief landingsplaats. dartel rekenen. linguïst. fatsoeneren finaal. financieren bekostigen. aanlegplaats. rolprent rolprent. steiger colonne. geldelijk aantikken . verdichtsel.figlarny figura wypukła figurą fikcja fikcją fikcyjny fikcyjny filar filar filatelistyka filc file allocation table filia filia filia Filipiny filipińczyk filiżance filiżanka filiżanka do herbaty film film fabularny film kolorowy film rysunkowy film trójwymiarowy (stereoskopowy) film) filmować filmowy filolog filozof filozofia filozofią filozoficzny filozofował filtr filtr ze sprzężeniem zwrotnym filtrować filtrować (się) filtrować filtr Fin finalizacją finalizował finał finanse finansować finansował finansowy finisz snaaks. film rolprent. verbeelding verdicht. cijferen rekenen. film taalkundige. film film. rolprent feuilleton. fictief. financieren financieel. verdichtsel. wijsbegeerte filosofisch filosoferen filtreren. zijgen filtreren. denkbeeldig. film rolprent. kop rolprent. kop kopje. dik agentschap tak. filteren. filteren. guitig. verbeelding fictie. conclusie in het net schrijven. vervolgverhaal rolprent. financieren bekostigen. filteren. denkbeeldig verdicht. filteren. uiteindelijk bekostigen. pilaar filatelie vilt lijvig. zijgen Fin gevolgtrekking. aftakking sociëteit. kop kopje. Filippijn kopje. club Filippijnen Filippino. wijsbegeerte filosofie. zijgen filtreren. zijgen filtreren. kolom. filteren. taalgeleerde filosoof. zijgen filtreren. film film. schelmachtig. steunpilaar.

pul laaien. vlag dundoek.Finlandia fiński fiński fiński fioletowy fiołek fiord firanka fircyk firma firma produkującu duże systemy komputerowe firmą fiskus fizyczny fizyka fladze flaga flaga zerowa flakon flamą flanela flanelą flaszka flądra flecie flet flirciarz flirt flirtować flocie Florencja Floryda flota flota flota na foce foka folder folder współużytkowany folklor fonetyczny fonetyka fonia fonograf fontanna fontanną forma Finland afdoen. zeerob. stevig. vast. gordijn. fladderen aan de scharrel zijn. stevig. kwast. afhandelen Fins afwikkelen violet. vast. vaan. vaan. stevig. vlag vaas. pimpelpaars violet. klinken. paars. pimpelpaars fjord overgordijn. dandy gevestigd. map ordner. fonetisch fonetiek. scherm. lichamelijk. zeemacht zeehond. fysiek natuurkunde. vaan. hecht gevestigd. hecht gevestigd. pot. doek saletjonker. zeemacht marine. volkskunde de klankleer betreffend. fat. vlammen flanellen flanellen veldfles enkel. vast. rob zeehond. paars. overgaan. bloot. gaan grammofoon fontein fontein vormen. vlag dundoek. rob ordner. map folklore. hecht belasten. aangaan . louter fluit fluit aan de scharrel zijn. fysica dundoek. vat. fladderen vloot Florence Florida vloot marine. fladderen aan de scharrel zijn. klankleer kleppen. formeren. aanslaan fysisch. zeerob.

hebbelijkheid klavier. vervatten afdrogen. pasta poen. beslag. deeltje. academisch afgemeten. deeltje. item. kletteren.forma nieosobowa forma przecząca od <can> formacie formalna metoda postępowania (w kontekście działania firmy lub instytucji) przetwarzać formalny formalny format formować formował formularz formuła formułą formułować formułował forsa forsa forsą forsą forsować forsycja forteca fortecą fortel fortepian fortuna kołem się toczy fortuna kołem się toczy fortyfikacją fortyfikować fortyfikował forum forum ATM forum dyskusyjne fosfor fosforyzujący fotel fotel fotel parterowy (w teatrze) fotograf fotografia fotografia fotografia (jako dziedzina) fotografią fotografika fragmencie fragment fragment fragmentować formeren. fortuin. afranselen deeg. deel jaartelling. vervatten formuleren. formeren. kieken fotografie fotografie fotografie fotografie jaartelling. aangaan vormen. grootte vormen. Chinees klokje vesting vesting aanwensel. fort. prop . geld doordrukken forsythia. klomp. ceremonieel. bestek. kluit. aangaan formeren. plechtig omvang. deel dot. aangaan knippatroon. inkleden. beslag. fortuinlijkheid sterkte. inkleden. formeren. vormen. armstoel zorgenstoel. armstoel box fotograaf fotograferen. item. verschansing sterken sterken forum forum forum fosfor fosforescerend zorgenstoel. bestek. klont. pasta deeg. grootte bewerking akademisch. bal. aangaan formule formule formuleren. piano Fortuna lot. patroon omvang. vormen.

gang. zich bekommeren. baan. voorkant voorzijde. cureren fonds. mulder voorzijde. kikvors Frans Franse. schuieren Pools schoensmeer schoencrème aanvliegen frustreren afknotten lichtzinnig. item.fragment terenu fragment/wyjątek (dzieła) fragment/wyjątek dzieła fragmentaryczny frajdą frakcja frakcją frakcjoniście Francja francuski Francuz Francuz Francuzi Francuzka frasunek frasunkach frazes free frezarka froncie front frontowy froterka froterować froterować froterować frunąć frustrować frydze frywolny fryzer fryzjer fryzjer fryzjer męski fryzura fujarka funcie fundacja fundamencie fundament fundamentalny fundować fundusz funkcja funkcja odwrotna funkcja zagregowana funkcja zewnętrzna funkcją overloop. afscheiding Frankrijk Frans Fransman kikker. tabakspijp pond stichting stichting stichting fundamenteel behandelen. frivool. rijstrook overloop. het doen primitief karaktertrek. alledaags. fractie secessie. baan. rijstrook jaartelling. afgezaagd ten geschenke molenaar. het doen functioneren. voorkant voorzijde. fractie breuk. Française bezorgd zijn. barbier kapster kapster knipbeurt pijp. barbier kapper. zorgen muizenissen banaal. kapitaal functioneren. trek. voorkant borstelen. deel fragmentarisch blijdschap breuk. het doen . wuft kapper. gang. gelaatstrek functioneren. deeltje.

4536 kg) funt (waluta) funt szterling funtów) fura fura furgon furgonetka furtka furtka fuszerce futbol futerał futerka futro futro z fok gabarycie gabinecie gabinet gabinet gabinet lekarski/dentystyczny gablocie gablota gacek gad gadać gadać gadanie gadatliwy gadce gaduła gadziną gag galaktyczny galancie galeria galeria obrazów galerią galop galopować gałąź gałąź gałąź inschikkelijk. gang. handkar. modderen voetbal affaire. het doen pond pond pond oppermachtig. spoorwagen bestelauto. galerie gaanderij. spoorwagen wagon. grandioos. handelbaar officier ambtelijk. rek chirurgie. schertsen. gekscheren melkweg-. keuvelen spraakzaam spreken. knoeien. bestelwagen achterdeur draaihek beunhazen. oppermachtig groots. praten babbelen. wondheelkunde. karretje wagon. galerie gaanderij. wagen. galerij. flink. braaf gaanderij. zaak. soeverein. gang.funkcjonalny funkcjonariusz funkcjonariusz funkcjonować funt funt (0. galerie galopperen galopperen tak. dimensie etagère. officieel functioneren. lidmaat . dapper. praten. kaak spreken. overweldigend kar. galerij. rek etagère. gang. praten gaai. aangelegenheid. aftakking been lid. galactisch eerlijk. ding aanzetten aanzetten aanzetten afmeting. Vlaamse gaai reptiel boerten. galerij. heelkunde kast vitrine vitrine vleermuis reptiel kakement.

keelgat. looien gebochelde. doodmaken. garneren complet. keel strot. looien tanen. leerlooien. hals. vod. scala aanslag zuilengang. hals. hellen. apache berispen. muskaatnoot. set. blussen. waag toonladder. stel garnizoen. tod. luttel. handvat. stelletje. lor. hangkast strot. klein handjevol. knop vodje. gevest. knop weegschaal. lap. knop heft. lomp. knop muskaat. aanstaren po garage garage bochel. gispen wijd openstaan. bultenaar kleerkast. gevest. aflopen buigen. handvat. beslaan. hellen. aftakking tak. handvat. hals. aflopen tanen. handvol handjevol. keelgat. gevest. bult buigen. flard bal. leerlooien. handvat. gevest. hals. gapen staren. keel minachten. karig. verachten aardewerk pottenbakker po kan. schare gangster straatschuimer. hals. kruik po afzetten. knop heft. handvol doven.gałąź programu gałąż gałce gałgan gałka gałka gałka muszkatołowa gałka muszkatułowa gałka oczna gałka potencjometru gałka u drzwi gam gama skala gamą ganek gang gangster gangster gani gapić się gapić się gar garaż garażować garb garbić (się) garbić się garbować garbowanie garbus garderoba gardła gardło gardzić gardź garncarstwo garncarz garnek garnek gliniany garnek gliniany garnirował garnitur garnizon garnuszek garstka garść gaś gaś tak. min. uitblussen ombrengen. troep. handvat. bezetting gering. afkeuren. verachten minachten. nootmuskaat heft. doden . nootmuskaat heft. danspartij muskaat. gevest. uitdoen. balans. toonschaal. portiek bende. muskaatnoot. overhellen. aftakking heft. overhellen. turen. laken.

morren. praten vertelsel. rups rupsband. babbelen. bij wijze van. praten accelerateur. relaas. krant krant. babbelen. vertelling vertelsel. edelsteen . krant strooibiljet frisse lucht toewaaien. ergens geisha opspatten. slag. ergens waar dan ook hier of daar. ingeval daar. bars. verspuiten. soortelijk keuvelen. steen. wanneer.gatunek gatunek gatunek drzewa cytrusowego gatunek muślinu gatunkowa (cecha) gatunkowy gatunkowy gawęda gawędziarski gawędziarski odzie) gawędzić gaz gaz gaz (w samochodzie) gaz elektronowy gaza gazą gazecie gazeta gazeta gazetce gazować (wodę) gazowy gaźnik gąbce gąbczasty gąbka gąsce gąsienica gąsienicą gąszcz gbur gburowaty gderać gdy gdyby gdyż gdzie gdzie gdzie zasadniczym elementem jest komputer główny) gdziekolwiek gdziekolwiek gdzieś gdzieś gejszą gejzer gem kalk eigenschap vriendelijk. verhaal. sponsachtig afsponzen eend rupsband. onaardig mopperen. keus. sputteren voor. doordat. hoe. honds. tot indien. carburateur afsponzen sponzig. als. verhaal. ergens hier of daar. optie. waaien gas vergasser. rups oerwoud. blad blad. kankeren. stuiven edelgesteente. rimboe vlegel nurks. nors. relaas. verkiezing specifiek. als. omdat. gaspedaal. aangezien ergens anders. voorkomend soort. soortelijk keuze. jungle. versneller gas gaas gaas blad. wannen. vertelling keuvelen. aard specifiek. keur. gaspedaal. elders waar waar hier of daar. versneller gas accelerateur.

daas. geslacht generatie. gigantisch . meetkunde geometrie. bezig zijn. aardkunde geologie. geografisch geoloog geologie. elastisch aanvoer. fysica Genève Genesis. buigzaam. geografie geografisch. lenig centrale centrale daas. brems. ageren. afkomst. gesticuleren gebaren. geslacht generaal generaal oscillator oscillator oscillator oscillator verwekken landkaart. Scheppingsboek oorsprong. aardrijkskundig aardrijkskundig. gebonden. herkomst genie. lijvigheid dicht. gesticuleren gebaren. paardehorzel rekbaar. handelen generatie.gem (w tenisie) generacja generacja generowanie generacja systemu generacją generalny generał generator częstotliwości przestrajany cyfrowo generator o sprzężeniu zwrotnym generator oporowo-indukcyjny generator oporowo-pojemnościowy generować generować wykres generował genetyka Genewa geneza geneza geniusz geograf geografia geografią geograficzny geograficzny geolog geolog geologia geometria geometrią geranium gest gest (ruch ręką) geście gęstnieć gęstość gęsty gęś giąć gibki giełda giełdą giez giez giętki giętko gigant gigantyczny doen. geograaf aardrijkskunde. gesticuleren verdikken. bezorging reus reusachtig. kaart verwekken natuurkunde. soepel. meetkunde ooievaarsbek gebaren. geografie aardrijkskunde. genius aardrijkskundige. geslacht generatie. aandikken dikte. doorbuigen smijdig. buigen. dik gans ombuigen. geslacht generatie. aardkunde geometrie. beschermgeest. paardehorzel brems. buigbaar.

bal. koperen bol. rechtstreeks Pools schoensmeer schoencrème strelen. kogel. guirlande gitaar gitaar verglazen. slingerkrans. ondergrond. creperen gips kalken. aarde fond. kloot kapseltje. predikant . roemen. bal. doosvrucht bol. aaien. van klei. van klei. ondergaan. zwaar kolk. glazuren. aarden klei-. aanstrijken slinger. inwendige gelijk. zwaar diep laag. zwaar laag. glanzen fond. creperen omkomen. vlak. effen direct. prijzen loven. aarden aarden. grond. recht. liefkozen.gigantyczny stopień scalenia gimnastyce gimnastyka gimnastykować ginąć giń gips gips girlandą gitara gitarą glazura glazurą gleba glebą ględzić glina gliną gliniany gliniany gliniarz glob globulce globus gloryfikować gloryfikował glosariusz głab kraju gładki gładki gładki gładkie włosy gładzić gładzić gładzić głaskać głebokie głęboki głęboki głęboki ukłon głębokie głębokość głębokość monitora bez podstawy uchylno-obrotowej głodny głodować głodówce głosiciel reus gymnastiek gymnastiek oefenen. roemen. diepte hongerig geeuwhonger vasten kanselredenaar. ondergaan. grond. live. drillen omkomen. glanzen verglazen. zwaar laag. bodem. aanhalen laag. verheerlijken. kaak klei-. capsule. prijzen glossarium binnenste. flat gelijk. effen appartement. kloot loven. kogel. ondergrond. bodem. diepte kolk. van klei. glazuren. aarde kakement. vlak. verheerlijken. kleiaardewerk roodkoperen.

voornaamste minister-president. dom. onzin. de weg wijzen. leiden geleiden. leiden geleiden. hardop geluidssterkte. stemmen hard. kiezen. volume brullen. verheven leidend. leiden geleiden. inzonderheid in het bijzonder aanvoerder. afval. luid luid. dom. de weg wijzen. zot. gebieder. prevalent.głosić kazanie głosować głosowanie głośno głośno głośność głośność stała głośny głośny głośny głośny płacz głowa głową głowica głowica uniwersalna głowica zapisująco-odczytująca głowny głód głód główna kwatera główna rura wodociągowa główne biuro głównie głównie głównie główny główny główny główny główny główny główny obszar roboczy użytkownika główny organ certyfikujący główny sterownik operacyjny główny układ logiczny głuchy głuchy głupi głupi głupi głupi głupiec głupiec głupoty głupstwo gmina gmina (wyznaniowa) gminą prediken. gemeenschap . superieur hoofd-. gekheid gemeente. kiezen. stom onnozel. toongevend hoofd-. chef hoog. toonaangevend. luid luid. leiden primair geeuwhonger honger hoofdkwartier hoofd-. puin nonsens. voornaamste opperste. de weg wijzen. leiden geleiden. stom dwaas. huilen hard. stemmen balloteren. voornaamste primair doods. hardop hard. gemeenschap gemeente. inhoud. malloot macaroni rommel. de weg wijzen. premier primair hoofd-. onverstandig. baas. zever. zot sprakeloos. voornaamste hoofdkwartier inzonderheid in het bijzonder. simpel dwaas. preken balloteren. de weg wijzen. prullaria. gemeenschap gemeente. volume geluidssterkte. dodelijk doof sprakeloos. luid geleiden. inhoud. flauw.

toorn gramschap.gna gnacie gnać gnębi gnębić gniazdka gniazdko gniazdko strumieniowe gniazdo gniazdo startowej pamięci ROM gniazdo zasilające napędu gnieść gnieść gnieść się gniew gniewać się na kogoś o coś gniewny gnom gnój gnu go gobelin godło godło godność godność para godny godny podziwu godny potępienia godny pożałowania godny szacunku godny uwagi godny uwagi godny zaufania godzić się godzina godziną gofr gofry goić się gol golenie golf goliacie golić golić (się) golizna goliźnie oprit. embleem voorbode. gnoe hij. foedraal nestelen. drol. honk afscheren golf. vertrouwd het eens zijn. foedraal nestelen. persen. been aanrijden. opmerkelijk opmerkelijk. hem Atrecht kleur. dommekracht. teken zelfrespect. doel. knok. dringen. voorrijden beproeven. merkwaardig betrouwbaar. keutel wildebeest. bot. een nest maken kneden pers kneden gramschap. spijtig achtenswaardig. golfspel Goliath afscheren afscheren naaktheid naaktheid . overeenstemmen uur uur wafel. zelfgevoel. voorteken. gnoom drek. zelfgevoel. oblie wafel. boosheid. waar bewonderenswaardig afkeurenswaardig betreurenswaardig. een nest maken vijzel. bedroeven. toorn kwaad. boosheid. achtbaar merkwaardig. schede. doelwit. nijdig. krik houder. boos aardmannetje. een nest maken houder. toornig. oprijlaan schonk. verdriet doen knellen. waardigheid waardig. waardigheid zelfrespect. helen doelstelling. ontlasting. wit. beter maken. eerzaam. oblie genezen. drukken nestelen. schede.

jacht maken op bisschop nastreven. serieus minderwaardig opschudden. ernstig. onbedekt. heet koorts temperatuur koortsig. najagen dakplankje gloed. bloot nastreven. vrouw des huizes huishoudster huisvrouw. koortsachtig gloeiend. tamme duif kool hol. bona fide. leeg onopgesmukt. spaarzaamheid economisch agrarisch administreren. beheren. naakt. schokken bitterheid. loos. gloeiend. smoorheet. herbergzaam bezoeker gast. verterend ambitie. gretig. alcoholische drank bitter logement. vrouw des huizes recipiëren reumatiek gastvrijheid gastvrijheid gastvrij. jagen. naakt onopgesmukt. happig. schudden. vuur snikheet. ijver begerig. vuur.gołąb gołąb gołąbki gołosłowny goły goły goły gonić gonić goniec (w szachach) gonitwą gont gorąco mi gorący gorączka gorączka gorączkowy gorejący gorliwość gorliwy gorliwy gorszy gorszyć gorycz goryl gorzałce gorzki gospoda gospodarce gospodarczy gospodarczy gospodarka gospodarny gospodarować gospodarował gospodarstwo rolne gospodą gospodyni domowa gospodyni domowa gosposia gosposia gościć gościec gościną gościnność gościnny gość gość duif. verbittering gorilla alcohol. vurig. spaarzaamheid economisch economie economie. onbedekt naakt. ledig. tamme duif duif. drank. onopgesmukt. logé . lens. onbedekt. bloot. belust stemmig. introducé. herberg economie. bloot. besturen agrarisch logement. verzendend. najagen bejagen. herberg huishoudster huisvrouw.

gość gość gość (w hotelu) gotować gotować gotować bez skorupki gotować bez skorupki gotował gotował gotowany gotowy gotowy do pracy w sieci gotów gotówce gotówka gotówka gotycki gotyk goździk goździk (korzenny) góra góra góra lodowa góral górą górce górka rozrządowa górne (np. baar contant. geld gotisch. Gotisch gotisch. nalaten. knul. buitmaken. opeenhopen. harken. bovengronds mijnbouw mijnbouw mijnbouw mijnwerker bovenste meester zijn. borrelen. gereed. bedillen spel uitkammen. baar poen. koken koken koken goulash gekookt pruttelen gekookt klaar. afgelopen klaar. af. światło) górnictwa górnictwo górniczy górnik górny górować górować nad górski góry gra gra gra podobna do tenisa gra słów gra z podziałem na role grabić grabie grabie (także krupiera) grabież gracą gracją kerel. opharken plunderen. persoon. harken. opharken uitkammen. rooskleurig ophopen. sujet. aanharken. roven schoffel sierlijkheid . snuiter bezoeker bezoeker op het kookpunt zijn. aanharken. Gotisch anjer. uitlaten berg berg doen. afgelopen contant. ageren. met lucht gevuld. de baas zijn verzaken. aanharken. stropen. af. af. gereed. rozig. accumuleren berg ijsberg Hooglander berg aanaarden bochel. harken. anjelier roze. handelen spel pompoen haarkloven. opharken uitkammen. bult lucht-. afgelopen klaar. bezig zijn. gereed. rose.

volzin grammatica. sim. koord. w karty grać na harfie grać w teatrze grad grad grad (słów grad słów graficzny grafika grafika rastrowa grafika żółwia gral gram gram gramat. vloed. zoom begrenzen. open. gebeuren onbezet. onbelemmerd felicitatie. spraakleer. gelukwens . beknotten vislijn. zoom perk. spraakleer. ageren. spraakkunst grammatica. spelen. zdanie gramatyce gramatyka gramofon granacie granat granat (owoc) granat owoc grandą graniastosłup granica granica granica granica granica granica granica granica plastyczności granica transakcji granica zabezpieczeń granicą granice granicie graniczący graniczny graniczny graniczyć graniczyć (z czymś) granit gratce gratis gratulacja Gratie uitvoeren. zin. vlot. grens rand. aanliggend rand. gebeurtenis. perk beperken. hengelsnoer verbleekt lijntje. handelen hagel stroom. bergstroom hagel aanschouwelijk grafiek. voorspelen uitvoeren. begrenzen. snoer. los. grens grens. bergstroom stroom. grenzen aan granieten incident. spelen. eerroof. grens rand. bezig zijn. voorspelen harp doen. lijn perk. grens rand. vloed.gracją grać grać (np. grafische kunst bitmap grafiek. zoom perk. zoom belenden. beknotten granieten aangrenzend. zoom perk. koorde. grafische kunst Graal gram gram frase. beperken. spraakkunst grammofoon granaat granaat granaatappel granaatappel achterklap. snoer. laster prisma rand.

klas groepering. bundel. graf graf. dam. grot grotesk. griffen prent. vergaderen. bijeenkomen deduceren. stapelen. afleiden. pompelmoes grapefruit. accumuleren accumuleren. abstraheren samenkomen. barrière. groep groepering. groeve graf. feliciteren gelukwensen. groep wis. sperdam dijk. griffen graveren. ophopen roedel. potsierlijk . bijeenkomen. aggregaat opeenhopen. klasse. opeenhopen wis. kudde deduceren. sperdam waterkering. corporatie. gilde Groenland afsluiting. waterkering afsluiting. graveerwerk zwaartekracht spel Griekenland Grieks grapefruit. bos aggregatie. gelukwens gelukwensen. grillig. pompelmoes Grieks vakvereniging. barrière. penny erwt grot holte. bundel. stapelen. krocht.gratulacje gratulować gratulował grawerować grawerował grawerunek grawitacją grą Grecja grecki greipfrut grejpfrucie grejpfrut grek gremium Grenlandia grobla grobla groblą groblą grobowca grobowca grobowiec groch grocie grocie gromada gromada gromadą gromadce gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić się gromadzić zapasy grono grosz groszek grota grota grotesce groteska felicitatie. pompelmoes grapefruit. spelonk. bos stuiver. ophopen. gravure. ophopen samenkomen. grillig. afleiden. dam. opeenhopen. abstraheren ophopen. feliciteren graveren. opeenhopen opeenhopen. hol. potsierlijk grotesk. dijk groeve. vergaderen accumuleren. ophopen. groeve erwt grot grot stand.

jong. lady. tuberculose. Georgiër Groezië. grof. klomp kruimel. burcht vettig. Georgië tering. grootvader dam. groep carrosserie groepering. excellent. potsierlijk terreur. dicht dakplankje lijvig. groep peer peer rommel. klont. aandikken onbeleefd. kwartier. radicaal diep groepering. gebonden. bal. vrouw groepering. broodkruimel december. kostelijk dik. gebonden. rommel Groeziër. grof. bedreigen bedreigen. cru verdikken. influenza . honds. kluit. omvangrijk. onheus. wintermaand december. longtering grijnzen. dik prop. graf graf. prullaria. ruw uitgebreid. grillig. veelomvattend tof. lomp. lijvigheid hardhandig. groep opa. wintermaand aanaarden terrein grondig. gezichten trekken griep.groteskowy grozą grozić groźba groźba groźny grób grób gród Gród obronny grubas grubasek grube zyski grubiański grubieć gruboskórny grubość gruboziarnisty gruby gruby gruby gruby Ethernet gruby papier gruby żwir grudce grudce grudnia grudzień grunt gruntach gruntownie gruntowny grupa grupa adresów grupa rozsyłania grupowego grupa wszystkich węzłów grupa zasobów klastra grupować się gruszce gruszka gruz gruz gruzin Gruzja (in Europe/not in USA) gruźlica grymas grymasić grypa grotesk. vet loot. puin prullaria. lomp dikte. dreigement. kasteel. puin. woning slot. bot. jonkvrouw. afval. gezichten trekken grijnzen. plecht. onbehouwen. tiptop. schrikbewind dreigen. dot. dreiging afschuwelijk groeve. onkies. kind. dreigen bedreiging. groeve logies. onderkomen. dicht dik. afstammeling meloen onbewerkt. afval.

begraven uitkammen. konkelarij perk. braden. kwijtraken goulash goulash gulden murmelen. achterzijde. zich aftobben. klappen. roosteren perk. griep griep. książki)s kolec (kaktusa grzebać grzebień grzech grzechotać grzeczność grzeczny grzeczny grzejąc grzejnik katody grzeszyć grzeszyćk <sine> (matem. lief. donderen daveren. donderen afranselen champignon kuit. tuinbed. braden. wellevend. bed. viskuit. kletteren.) sinus grzęznąć grzmieć grzmocie grzmot grzmotnąć grzyb grzybnia grzywna grzywną grzywną gubić gulasz gulasz gulden gulgocie guma guma influenza. worstelen daveren. kammen zondigen klakken.grypa grypą gryz gryzmolić gryzoń gryźć grzać grzał grzałce grzałka grzance grzanie oporowe grzanka grządce grządce grządka grząski piasek grzbiecie grzbiet grzbiet (np. spin. schoon. donderen daveren. murmelen (v. bulderen. fraai verbeurd opgeven. klikken beleefdheid. ommezijde wervelkolom. tuinbed. aardig. roosteren verwarming branden. bloemperk drijfzand rugstuk. bloemperk intrige. kikkerdril verbeurd net. hoffelijkheid voorkomend. bed. verbeuren. welgemanierd verwarming radiator zondigen zondigen spartelen. kachel branden. ommezijde rugstuk. vuur warm verwarming. klauwen. ruggegraat kuilen. mooi. bulderen. krabben knaagdier knagen gloed. scharrelen. machinatie. beitsen krauwen. beekje) kauwgom tandvlees . knauwen. achterzijde. vriendelijk beschaafd. influenza happen. bijten. kachel verwarming. bulderen. fijn.

geweld woest onweerstaanbaar duiken woest hartstochtelijk razen. elastiek rubberen. toeter. bal. borg staan voor garanderen. gieren spijkeren. klont. kluit. gouvernante opvoeden. lawaaierig ster sterretje. gonzen tongval. gevest. zekerheid garanderen. pit sterretje. onderwijzen blauwe plek dichtknopen prop. gummi rubberen. korrel. asterisk sterretje. borg staan voor borg staan voor. gieren kuif. dialect jargon. hals. asterisk zaadkorrel. asterisk Guinea fluiten. brommen. elastiek gom. knop een aanslag plegen op. borg staan voor veiligheid. gezwel dichtknopen heft. snorren. rumoerig. handvat. elastiek bijgeloof smaken duidelijk. nagelen . claxon fluiten. geweld met geweld geweldpleging. gieren fluiten. dot tumor. netto. garanderen garanderen.guma do żucia gumą gumka do ścierania gumowy gusła gust gustowny guście guwernantce guwerner guz guz guz guz guzik guzik gwałcić gwałt gwałtownie gwałtowność gwałtowny gwałtowny gwałtowny gwałtowny spadek gwałtowny spadek gwar gwara gwara gwarancja gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarancja obejmująca bezpłatną naprawę u klienta gwarantować gwarantować rekompensatę gwarantował gwarny gwiazda gwiazdka gwiazdka gwiazdka (oficerska) gwiazdka Wojny gwinea gwizd interferencyjny gwizdać gwizdek gwizdek gwóźdź rubberen. taaltje garanderen. aanranden geweldpleging. klomp. nettosmaken huisonderwijzeres. borg staan voor luidruchtig.

opeenhopen. opeenhopen. accumuleren hamburger aanhouding. handel drijven rondgeven. rumoerig. agraaf alpenweide.gwóźdź bez łba gzyms kominka habit haczyk haczyk haczyk órska) haftce haftka haftować haftował hak hak hala (górska) halą halce halka halka hall hall (teatralny) halo hałas hałas hałaśliwy hałaśliwy eumatyczny Hałda hałdą hamburger hamować hamować hamował hamulca hamulec hamulec ręczny handel handel handel elektroniczny handlować handlował handlowiec handlowy handlując hangar haniebny harcerka harcerz hardy harem harfa spijkeren. agraaf hoek vasthaken vasthaken borduren borduren ellendeling. beteugelen. ploert. schavuit. alp werkplaats onderrok onderrok slippen. leven. hebbelijkheid hoek haakje. betomen bedwingen. remmen handel. handel drijven handelen. arrestatie bedwingen. remmen afremmen. nagelen schoorsteenmantel aanwensel. lawaaierig ophopen. betomen afremmen. koopmanschap. koopmanschap. verkenner aanmatigend. arrogant harem harp . slot. zakenman handel. accumuleren ophopen. nering handelen. handelaar. difussiehalo ophef. uitdelen venten. aardmannetje padvinder. afdak schandelijk gnoom. colporteren koopman. rumoerig. beteugelen. rumoer. ronddelen. nering handeldrijven. handel luifel. remmen afremmen. spang. slot. spang. leuren. boef haakje. lawaai. uitglijden zaal. herrie roeien luidruchtig. salon hal kring. lawaaierig luidruchtig.

bijeenpassen dienstregeling. tandrad. massa bewapenen. temperen. chef. zestientallig kamrad. rooster harden. amusement gebieder. kloppen. temperen. aanvoerder. baas hexadecimaal. leuze hasjiesj. hasj balanceren. eendracht. harmonie samenklank. harmonisch harmoniëren. devies. stalen leus. lijfspreuk. afranselen samenklank. hoop. kamwiel. kletteren. drom. heldhaftig heroïne uitbazuinen indexeren indexeren indexeren indexeren slaan. wapenen thee thee biscuit ketter ketterij ketterij heroïsch. bedenkelijk. gewaagd vliegtuig. eendracht. doen schommelen Hawaii Hawaiiaans Havanna dobbelen toevalligheid. toeval riskant. harmonie eendrachtig. vliegmachine Hebreeuws. joods vermaak. bijeenpassen harmoniëren. tandwiel helm hemisfeer. menigte. halfrond aambei boel. klappen hyena hyena . stalen harden. houwen.harfą harmider harmonia harmonią harmonijny harmonizować harmonizował harmonogram hartować hartować (stal) hasło haszysz haust Hawaje hawajski Hawana hazard hazard hazardowy hebel hebrajski hecą hegemon heksadecyntalny hełm hełm hemisferą hemoroid hemoroidy herb herbacie herbata herbatnik heretyk herezja herezją heroiczny heroiną herold heteroatomincontext index hetero-atom-in-context index heteroatomincontext index indeks heteroatomów w kontekście hetero-atom-in-context index indeks heteroatomów w kontekście hicie hiena hiena nia harp afdrogen.

gul. genereus. eed van trouw. verhaal kroniekschrijver. hypocriet nijlpaard hypotheek hypothetisch veronderstellen hypothese. verhaal geschiedenis. telen toegaan. snoer. onderstelling hysterie hysterisch geschiedenis. koorde. hygiënisch hindoeïstisch hindoeïstisch Indisch. huichelaar. goedgeefs hockey lijntje. voortgang hebben. boegseren rukken sleepboot hulde. slepen. eerbetoon . nazihobby achterhoede opkweken. verdieping geschiedenis. Indiaas hindoeïstisch Indisch. koord. historie. Indiaas biologeren.hieną higiena higieną higieniczny hindus Hindus Hindus hinduski hinduski hipnotyzować hipnoza hipnozą hipokrycie hipokryta hipopotam hipoteka hipotetyczny hipotetyzować hipoteza hipoteza dopuszczalna hipotezą histeria histeryczny historia historia historią historyczny historyk hiszpan Hiszpania hiszpański hitlerowski hobby hodować hodował hodował hojność hojny hokej hol Holandia Holender holenderski holować holować holownik holownik hołd hyena hygiëne hygiëne sanitair. gissen hypothese. fokken. gebeuren onbekrompenheid. verhaal etage. huichelaar. onderstelling vermoeden. overvloed royaal. hypocriet veinzer. lijn Holland Hollander Hollands trekken trekken. hypnotiseren hypnose hypnose veinzer. historie. historie. chroniqueur Spanjaard Spanje Spaans nazistisch. opfokken.

schatting langoest. humaan humor. kanselrede. horizon. gezichtseinder kim. doen schommelen . bezoldiging. gruweldaad. verschrikking kim. salaris eerbiedigen. weledelgeboren hinkelen horde. inspecteren verwijderd. brullen. magazijn. het maken loon. bende horoscoop gruwel. gezichtseinder horizontaal. respecteren agnosceren. humeur moppig. gage. schouwing. koddig humoristisch orkaan in het groot in het groot pakhuis. kreeft sermoen. horizon. moppig. humaan menselijk. eren gesteld zijn. koddig. goedgehumeurd huldigen. meetellen graafschap graafschap Devoon Devoon dichtslaan beuk bulderen. gezichtseinder kim. pantserkreeft. als waarheid aannemen ere-. komisch. homofiel.hołd homar homilią homoseksualista homoseksualiście homoseksualny honor honorarium honorarium honorować honorował honorowy hop hordą horoskop horror horyzoncie horyzont horyzont radiowy horyzontalny hospitacją hospitował host odległy hotel hotelowy hrabia hrabstwa hrabstwo hrabstwo w płzach Anglii hrabstwo w pł-zach Anglii huk huk huk hukier hulanka humanista humanistyczny humanitarny humor humoresce humoresce humorystyczny huragan hurcie hurt hurtownia hurtowy huśtać się cijns. homo goedgeluimd. grappig grappig. weledel. loeien. platliggend schouw. gemoedsgesteldheid. lichtekooi. ver hotel hotel in aanmerking komen. hoer spel humanist menselijk. warenhuis in het groot balanceren. daveren prostituée. ververwijderd. goedgehumeurd flikker. horizon. preek goedgeluimd. vereren. inspectie inspectie houden. komisch. waterpas.

idiotisme afgodsbeeld idylle floppen. vereenzelvigen ideologie ideologie idioom. jongeheer idioot dwaas. hun de hunne. wygląd) idiotyzm idol idylla ie zdawać iglica iglicą igła igła igła nóżka igła sortownicza igłą ignorować ignorował ikona ikona przycisku balanceren. aan hun idee. etsnaald. denkbeeld volkomen. schrijfstift kegel naald naald negeren. hun. doen schommelen werker Hydra hondsdolheid. begrip. ongerijmd. begrip. legitimatie identificeren. hymne kerkgezang. benul. onder tafel schuiven negeren. etsnaald. denkbeeld identiteit identiek legitimatiebewijs. taaleigen idioot lul. onder tafel schuiven pictogram pictogram . het hunne aan ze. absurd idiotie. neus. in het water vallen griffel. punt. onzinnig. leuter. spits naald griffel. hymne en oh. benul. snikkel. tip. ach en en haar. top. ze. schrijfstift piek. och. legitimatie inhalen legitimatiebewijs. vereenzelvigen identificeren. perfect.huśtawce hutnik hydrą hydrofobia hymn hymn hymn narodowy i i i tym podobne i w rozmowie przez radio: przyjąłem ich ich ich idea idealny idealny filtr dolnoprzepustowy ideał ideą identyczność identyczny identyfikator identyfikator identyfikator użytkownika identyfikować identyfikował ideologia ideologią idiom idiota idiota idiotyczny idiotyczny (np. waterschuwheid kerkgezang. pik. ah. hymne kerkgezang. in optima forma ideaal ideaal idee.

prent. grafische kunst veraanschouwelijken.AND) iloczyn produkt ilosć ilość ilość ilość danych przesyłanych siecią ilość informacji iluminator (na statku) iluminował ilustracja ilustracja ilustracja wpuszczona ilustracją ilustracją ilustracje ilustrować ilustrował iluzja iluzją im imadła imadło imaginacją imaginował imbir imbryk imbryk imbryk imbryk do herbaty imbryk do herbaty imieniny imiennik imiesłów imię imigrował imitacja imitował IMP imperator imperialista imperialistyczny imperialiście imperializm imperium impertynencja pictogram ree produktie. verluchting beeld. grootheid tal. boel. plaat bloed aftappen. naamwoord immigreren navolging. hun. nabootsen. aantal. kaak inbeelding. kaak kakement. opbrengst tal. nabootsing. naam. prent. begoocheling. afbeelding. keizerrijk. gewrocht. getal hoeveelheid. imperium hondsheid. aan hun kakement. kabouter keizer imperialist imperialist imperialist imperialisme rijk. aderlaten illustratie.ikoną ikra iloczyn iloczyn logiczny (zob. gewrocht. aantal. verbeelding bedenken. afbeelding. begoocheling. illustreren veraanschouwelijken. patrijspoort illumineren. vrijpostigheid. boel. opbrengst conjunctie produktie. zich verbeelden gember ketel theepot. getal hoeveelheid. sterkte. kobold. illustreren drogbeeld. illusie drogbeeld. aantal. grootheid dakraam. nadoen aardmannetje. brutaliteit . luik. ze. sterkte. verluchting beeld. illusie aan ze. verlichten illustratie. imitatie imiteren. trekpot naamdag naamgenoot deelwoord benaming. trekpot theebus ketel theepot. plaat grafiek. getal tal.

inwijding inauguratie. drang. mensen hoofdelijk. luchthartig in overvloed aanwezig zijn anders inauguratie. heftigheid aardmannetje. ver. afzonderlijk hoofdelijk. aandrang luchtig. invoeren impotent impressionist aandrift. polsslag. aantonende wijs India Indonesië Turkije kalkoen gireren. impliceren opdringen. vrijpostig onstuimigheid. wenden hindoeïstisch Turkije kalkoen lieden. zijindexeren uitlisten. impuls. vuur. endosseren. tel aandrift. invoeren importeren. Indiaas Indisch. inwijding inaugureel inaugureren minder belangrijk. een lijst maken indexeren indexeren indexeren indexeren Indisch. individueel personage. onbeschaamd. tel pols. betrekken. indrukwekkend nobel. Indiaas indicatief. impuls. individueel respectief afgezonderd. persoon . drang. personen. invoeren importeren. forceren imponerend. edel importeren. aandrang pols. verstrikken insluiten. polsslag.impertynencki impet implikacja implikować implikował imponować imponujący imponujący imporcie import importować impotent impresjoniście impuls impuls impuls elektromagnetyczny impuls zezwalający impulsywny in sth> w coś inaczej inauguracja inauguracją inauguracyjny inaugurował incydentalny indeks indeks indeks heteroatomów w kontekście indeks tablicy indeks zagęszczony indeks zbiorowy Indianin indiański indicativus Indie Indonezja indor indor indosował indyjski indyk indyk indywidua indywidualny indywidualny indywidualny indywiduum indywiduum brutaal. kobold. bij-. kabouter verwarren.

voorletter initiaal. ingrijpen laden initiaal. besmettelijk. vleeswording collecteren. [singularis tantum] informatyka informować informował infrastruktura infuła ingerować inicjalizować inicjał inicjał początkowy inicjały inicjatywa inicjować inicjować n procedura iniekcja (nośników) iniekcją inkarnacją inkasować inklinował innowacja inny inny inny inny inny niż inny niż insekcie insekt inskrypcją inspekcja inspektor inspektor zabezpieczeń inspiracja inspiracją inspirował infectie. besmetting aanstekelijk. inlichten weefsel mijter interveniëren. inspuiting. injectie incarnatie.infekcja infekcją infekcyjny infekował infekował inflacja inflacją informacja informacja informacja zastrzeżona informacje informacje (uwaga: w j. besmetting infectie. nieuws. inspuiting. nieuwigheid ander uiteenlopend. affaire de stoot geven tot laars spuitje. informeren. verpestend infecteren. besmetten. poj. inlichten berichten. innen. geneigd. aangelegenheid. injectie spuitje. intelligentie informatie informatie informatie het berichten.ang. informeren. aansteken bederf veroorzakend. septisch inflatie inflatie informatie bevattingsvermogen. inboezemen . voorletter zaak. inspectie inspecteur inspecteur ingeving ingeving inspireren. voorletter initiaal. inzamelen genegen. bezielen. ding. schouwing. gezind nieuwtje. "information" występuje tylko w l. verschillend ander ander ander ander insekt insekt inscriptie schouw.

fitten. verstand. intensief sterk. werktuig instrument. marchanderen . doel. intens. finaal zaak. doel. behendig. ongeschonden. verstandelijk intellectueel. instructie onderwijzer. bevattelijk. consigne. afdoen aanleggen. werktuig instrument. intelligentie bevattingsvermogen. intensief helemaal. strekking bedoeling. intelligent doortrapt. installeren aanwijzing. plant aanleggen. consigne. aangifte. verstandelijk bedreven. intelligent bedoeling. listig knap. leraar. handig. strekking sterk. instituut. integraal intellect. verklaring declaratie.inspirując inspirujący instalacja instalować instalować instalował instrukcja instrukcja instrukcja blokowa instrukcja operacji instrukcja złożona instruktor instrumencie instrument instrument z dyfrakcją elektronów instrumentarium instruować instruował instynkcie instynkt instytucie instytucja instytucja nadająca nazwy instytucją instytut insynuować insynuował integralny intelekcie intelekt intelektualista intelektualiście intelektualny inteligencja inteligencja telekomunikacyjna inteligencja warstwa społeczna inteligent inteligentny inteligentny inteligentny most inteligentny mostek intencja intencją intensywny intensywny interaktywnie interes interes bezielend bezielend gewas. fel. uitspraak aanwijzing. plan. instituut. intens. verstandelijk bevattingsvermogen. plan. werktuig band. aangifte. aangelegenheid. verstand. geest intellectueel. intelligentie intellectueel. pingelen. installeren afhandelen. inrichting instelling instelling instelling gesticht. heel. intelligentie bevattingsvermogen. instructie declaratie. inrichting insinueren insinueren onaangetast. muziekkorps instrueren instrueren aandrift. orkest. bekwaam knap. ding. uitspraak declaratie. verstandelijk intellectueel. slim. bevattelijk. gewiekst. geest intellect. fitten. fel. affaire afdingen. instructeur instrument. instinct aandrift. instinct gesticht.

zaak.interes jący interesancie interesant interesować interesował interesując interesujący interfejs interfejs użytkownika interfejs wywoływalny interferencja interferencją interiectio interniście interpretacja interpretacją interpretator interpretator sesji interpretować interpretował interpretował interpunkcja interpunkcją interwał interweniować interweniował intonował introdukcją intryga intrygować intrygować intymny inwazja inwazją inwencją inwentarz inwentarz inżynier inżynier pełniący inżynier pomocy technicznej inżynieria oprogramowania wspomagana komputerowo Irak Iran Irańczyk irański ireną Iris emplooi. een lied aanheffen inleiding. belangwekkend interessant. interpreteren. aangelegenheid. ingrijpen interveniëren. uitlegging. weergeven punctuatie. belangwekkend interface interface interface storing storing tussenwerpsel medicus. gezellig. bekonkelen konkelen. duiden reproduceren. ding Irak Iran. afnemer klant. belangstellend interessant. veestapel ingenieur ingenieur ingenieur affaire. raadsel intiem. koper. interpreteren. kudde. interpunctie punctuatie. levende have. duiden uitleggen. arts. innig. dokter. interpretatie vertolking. tak. boedel vee. karwei. koper. arbeid klant. interesseren geïnteresseerd. inval uitvinding inventaris. introductie konkelen. werk. afdeling interveniëren. inval invasie. bekonkelen puzzel. interpretatie interpreter interpreter uitleggen. afnemer belang inboezemen. intrigeren. intrigeren. Perzië Iraans Iraans Irene Iris . vak. geneesheer vertolking. ingrijpen inzetten. uitlegging. knus invasie. interpunctie branche.

gieten. kamer lokaal. isolatie . sprank vonk.Irlandczycy Irlandczyk Irlandia irlandzki irlandzki żołnierz piechoty ironia ironią ironiczny ironiczny irygował irys irytacja irytować iskra iskrą iskrzyć Islam Islandczyk Islandia Istambuł istniał istnieć istnienie istota wszystkożerna istotnie istotny istotny istotny istotny istotny istotny materialny istotny dla działalności firmy iść iść uruchomić iść po omacku iść przed iść w górę italią iwa izba izba rozrachunkowa izbą izbą izolacja izolacja izolacja (cieplna) izolacja złącza izolacją Iers Ier Ierland Iers Iers ironie ironie dor. opkomen. van stapel lopen. speling. sproeien Iris nauwkeurig bepalen. vitaal. mohammedanisme IJslander IJsland Istanboel bestaan bestaan bestaan. determineren ergeren. intrinsiek stoffelijk. ruimte isolering. kamer bestek. feitelijk. begieten. voorzijn opgaan. rijzen Italië verbleekt lokaal. betasten voorafgaan. gaan voelen. metterdaad essentieel. isolering vertraging isolatie. verontwaardigen vonk. tippelen. sprank islam. opstaan. isolatie isolatie. lopen lopen. isolering isolering. bijster. bevoelen. vigerend erg. vitaal. kamer lokaal. materieel gangbaar. wereldruim. heel. tasten. geldend. geldig. bijzonder vitaal veelbetekenend. vertrek. betekenisvol essentieel. vertrek. aanzijn wezen inderdaad. droog ironisch bevloeien. vertrek. intrinsiek marcheren. sprank vonk.

bij wijze van. welk Castor aannemen. Israel Israelitisch mij. dat. vergallen. cider schillen. zulk een naar men zegt op de een of andere manier op de een of andere manier eigenschap eigenschap hoe . als. die. muil eetzaal eetbaar kaart venijnig. enigszins. fotele czy wózki) jakieś opcje) jakikolwiek jakiś jakiś jakiś jakkolwiek jakkolwiek jakkolwiek jako jako jakoby jakoś jakoś na jakość jakość wyjściowa jakże isolator afzonderen. welke. vergeven virus bek. aanwerven wat dan ook een of andere. hoe. alleenstaand Israël. stellig. enig hetwelk. huren. vast een beetje. enig gewis. toch wel. wat een of andere. wie. tot dusdanige. zo'n. dat. ik. me appelwijn. al. ofschoon. isoleren isoleren. dergelijke. maar. wąż) jagnię jagoda jagodą jaja jajko jak jak żywy jaki jaki jest jaki jest jakie mają np.izolator izolować izolować izolował izolował izolował Izrael Izraelita ja jabłecznik jabłka itp) jabłko jabłoń jacht jad jad jadaczce jadalnia jadalny jadłospis jadowity (np. een of ander. afzonderen afzonderen. een of ander. isoleren isoleren. afzonderen geïsoleerd. vergiftig. jassen appel appelboom jacht vergiftigen. niettemin. giftig lamsvlees bes bes ei ei hoe hoe hetgeen. afpellen. zeker. hoewel. een weinig iets echter. alhoewel voor.

licht. licht. rondweg aanwijsbaar. markt. greppel groeve. verzendend briljant. ra marktplein. lichtjes. lumineus glanzend. kern . groeve. helder zwak. bazaar. greppel. aanmaken hel. gracht. doorslikken. holte slikken. ahorn oprit. klare jenever. het juk opleggen aanspannen. zwakjes. inslikken duidelijk. krocht. open en bloot. kuil. kern pit. ra yard. pit pit. kern kern. inslikken slikken. lumineus. grot. doen ontbranden.jałmużna jałowcówce jałowcówka jama Jama Jamajka japonce Japonia Japończyk japoński jard jard (91. licht gloeiend. groef.44 cm) jarmark jarosz jarski jarzeniowy jarzma jarzmo jarzmo (magneto wodu) jarzyna jarzyną jaskier jaskinia jaskinia (także inne ukryte miejsce jaskółce jaskółka jasno jasno jasno świecić jasny jasny jasny jasny jasny lekki światło Java jawnie jawny jawny jawor jazda jazda jazz jaźń ją jądro jądro jądro węzła jądro wieloprocesorowe aalmoes jenever. vanzelf haar. oprijlaan rijden jazz zelf. het juk opleggen ketenen. hol. vurig. hun. verterend. briljant hel. kaalhoofdig esdoorn. klaar aansteken. doorslikken. marktplaats vegetarisch vegetarisch neonaanspannen. glanzend. vertoonbaar kaal. klare groef. kuil Jamaica Japans Japan Japans Japans yard. gracht. zijn pit. klaar Java ronduit. aak. boeien groente groente ranonkel grot spelonk.

hakkelen. spijs. zij zijde. hakkelen. etenswaar. enkel. ongetrouwd jaarlijks uniform. bundel. in weerwil van men bijeenbrengen. tenue eenhoorn uniform. aaneenvoegen eendrachtig atoom-. enkel. ze. zeekust motor men ongehuwd. etenswaar. unit wis. aaneenvoegen bijeenbrengen. hakkelen aan ze. unit uniform. stamelen. niettemin. de zijne haar. maar enkel. stamelen. louter eten. alleen. eender. ongetrouwd men elf echter. toch niettegenstaande. aan hun kust. tenue eenheid. zij pas. tenue uniform. stotteren stotteren. gerecht eten. eendracht zijde. slechts. slechts. gerecht het zijne. gelijkmatig niettegenstaande. tenue eenzijdig eenheid. zijn . maar. in weerwil van egaal. kernstamelen. unit eenheid. atomair naadloos uniform. eenparig ongehuwd. bloot. maar pas. samenhang. kustlijn. zeekant. hun. hun.jądrowy jąkać się jąkać się jąkać się jąkanie się jąkanie się je jechać rozpędem jechać samochodem jeden jeden jeden z gatunków papug jedenaście jednak jednak jednakowy jednakże jedno jednocz jednoczyć jednoczył jednolity jednolity jednolity jednolity wzorzec półtonowy jednomyślny jednoosobowy jednoroczna (roślina) jednorodny jednorożec jednostajny jednostce jednostka jednostka alokacji jednostka zmiennoprzecinkowa jednostka żądająca jednostkowy jednostronny jedność jedwab jedwabny jedynie jedyny jedyny jedzenia jedzenie jego jego nucleair. stotteren struikelen stotteren. spijs. unit eenheid. alleen. gelijk. tenue eensgezind. bos eenheid. hakkelen stamelen.

storten as asgrauw kunst opnieuw. ingeval tenzij indien. zuchten . neervallen.jej jej jeleń jeleń jelicie jelit jelito jemioła jemiołą jen enny jeniec Jerozolima jesień jesień jesion jesionowy jesteś (archaizm) jeszcze raz jeszcze raz jeszcze raz jeść jeść bardzo delikatnie jeść lunch jeść śniadanie jeść z apetytem jeśli jeśli jeśli w ogóle jeśli zostanie on później zmodyfikowany) jezdni jeziora jeziora) jezioro jezioro (po szkocku) Jezus jeździć jeździć na łyżwach jeździć na nartach jeździć na rowerze jeździec jeża) jeżeli jeżeli Jeżeli nie podano inaczej jeżyna jeżyną jęczeć jęczeć haar. nogmaals van voren af aan. lunch ontbijt maag indien. kustlijn. vaccin. wanneer. ruggegraat indien. plas. wielrijden aanhangsel. knabbelen twaalfuurtje. meer fjord Jezus gaan. baan. ingeval braam braam stenen. als. maretak het volgende gevangene Jeruzalem herfst-. opnieuw nog gebruiken. zeekant. route waterplas. nogmaals. glijmiddel skiën fietsen. zijn het hare. afvallen. bijlage. ingeval entstof. eten. vaccine weg. als. hun. ingeval tenzij indien. zeekust waterplas. rijden. kermen kermen. de hare hert mannetjeshert darm ingewanden darm vogellijm. plas. spin. als. varen. kreunen. bikken. als. appendix wervelkolom. wanneer. wanneer. meer kust. steunen. vreten knagen. van voren af aan. karren schaats. maretak vogellijm. wanneer. najaarsvallen.

spar jodium jodium yoga . taalkundig Jiddisch jodium jodelen jodelen den.jęczmień jędza jędzowaty jęk jęk jęzor język język język APT język CCL język do zastosowań naukowych język EML język EML język EML język FORTRAN dla programowania w czasie rzeczywistym język graficzny język graficzny język hebrajski język informacyjno-wyszukiwawczy język konwersacyjny język logiczny język makroasemblera język naturalny język niskiego poziomu język niskiego poziomu język oznaczeń np. Zoeloe taal tong taalkundige. linguïst. HTML język programowania LISP język przetwarzania symboli język reguł język skryptowy język tablicowy język wewnętrzny komputera język wewnętrzny program maszynowy język zapytań język źródłowy język źródłowy język wyjściowy językoznawca językoznawczy jidisz jod jodlować jodlowanie jodła jodłą jodyna jodyną joga gerst helleveeg. haaibaai. furie. feeks feeksachtig stenen. steunen. kermen kermen. taalgeleerde taal-. zilverspar. zuchten tong taal tong Arabisch Keltisch Deens afdoen. afhandelen Fins afwikkelen Frans Hebreeuws. spar den. joods Spaans Hollands Iers Litouws Lets Maltezer Duits Noors Jiddisch Perzisch lispelen Russisch Roemeens Slavisch Turks Hongaars Italiaans Zoeloetaal. kreunen. zilverspar.

portemonnaie. hut boog.jogizm jogurt jota jowisz joystick józef jubiler jubileusz judaizm judejski Jugosławia jugosławią Jugosłowianin jugosłowiański junak junior Jupiter jurajski juror juror jury jurysta justować jutra jutro jutrzence jutrzence jutrzenka jutrzenka już k k <First In k <Keep It Simple kabaczek kabarecie kabaret kabel kabel okablować kabel (1/10 mili morskiej) kabel (elektryczny) kabina kabina kabina kierowcy (operatora) kabina pilota kabłąk kabzą kaczka kadencjach yoga yoghurt. bestuur vissen zoenen. joods Joegoslavië. geldbuidel eend bepaling. scheidsrechter jury jurist verontschuldigen morgen morgen Aurora morgenlicht. reeds. aurora. huurrijtuig. tros kabel. alreeds heerschappij. braaf. toog beurs. tros kabel. Zuid-Slavië Joegoslavië. conditie . stuurtoestel Jozef juwelier jubileumjodendom Hebreeuws. tros vigilante. ferm aankomend. alvast. beginnend Jupiter Jura jury arbiter. dapper. tros kabel. hut taxi stulp. aurora. bewind. joghurt jota Jupiter stuur. Zuid-Slavië Joegoslavisch Joegoslavisch flink. aapje stulp. morgenrood al. voorwaarde. morgenrood Aurora morgenlicht. kussen pompoen cabaret cabaret kabel. eerlijk.

bodem. Cairo plezierboot ijzeren stulp. kiel. casco in een lijst zetten. keutel . romp.kadencją kadłub kadłub (statku itp) kadłub statku kadr kadra kadrowanie kadzidło kadź kadź kadź kadź kafel kafelkować kaftan roboczy kaganiec kagańca Kair kajak kajdany kajuta kakao kakaowy kaktus kalafior kalambur kaleczyć kaleki kalendarium kalendarz kalendarzyk kalesony kalesony kalesony Kalifornia kalkulacja kalkulacją kalkulator kalkulator stołowy kalkulować kalkulować kalkulował kaloria kalorią kaloryfer kalosz kalwarią kał term. pantalon. romp. berekenen calculeren. creëren hes. rekening rekenschap. boezeroen muil. kuip tobbe. inlijsten. rekenen. tobbe. drol. calculator calculeren. teil. bek Caïro. stam scheepsromp. kuip. berekenen meten. ontlasting. hut cacao cacao cactus bloemkool woordspeling havenen. vakterm boomstam. tichel scheppen. rekening rekenmachine. calculator rekenmachine. tegelsteen. journaal onderbroek lang lange broek. bodem. beschadigen. broek Californië rekenschap. bederven verminkt. rekenen. berekenen calorie calorie radiator overschoen Golgotha drek. casco scheepsromp. vatten staf schoorsteenmantel wierook bak. tegel. bek muil. bak BTW teil plavuis. gebrekkig kalender kalender dagboek.

kameraad. kust. makker. van klei hemd herenvest. kanaal vaart. campagne maat. kornuit Canada Canadees Canadees vaart. wijk. aarden. gracht neerdruipen. innig. aarden. kanaal. aarden. van klei klei-. kanaal. aansluiten slobkous Cambodja kameleon fototoestel. kanaal. rustbank canapé sandwich kussen sandwich sandwich kanarie Canarisch kantoor kantig wal. wijk. oever velg . gracht divan. zetten vaart. camera Kameroen kamfer vrijmetselaar metselaar klei-. kant. van klei kiezelsteen. boord.kałuża kamasz Kambodża kameleon kamera kameralny kamerą Kamerun kamfora kamieniarz kamieniarz kamieniarz kamienna kulka do gier kamienny kamień kamień do zapalniczki kamień kotłowy kamień milowy kamień milowy kamień młyński kamień żółciowy kamizelka kamizelka kampania kamracie Kanada kanadyjczyk kanadyjski kanalik kanalizacja kanalizacja kanalizacja (rzek) kanał kanał kanał transmisji danych kanał zwrotny kanapa kanapa kanapce kanapę kanapka kanapka (do jedzenia) kanarek kanarek kancelaria kanciasty kancie kancie zich aaneensluiten. camera intiem. aarden. wijk. vest veldtocht. zinkput. Turkse staatsraad. kiektoestel. knus fototoestel. steen klei-. afdruipen wijk. van klei pilletje klei-. edelgesteente. gracht. afdruipen cloaca. kiektoestel. gracht monteren. kiezel. riool neerdruipen. keisteen aanzetten mijlpaal mijlpaal edelsteen. vaart. gezellig.

kroon. loods hardloper zoet.kandela kandelabr kandydat kandydat do archiwizacji kandydat na stanowisko kandydował kandydował kandydowanie kandyzować kangur kanibal kanion kant kantyna kapać kapela kapelan kapelusz kapelusz słomkowy kaper kapitalista kapitaliście kapitalny kapitał kapitał bez odsetek kapitan kapitulować kaplica kaplicą kapotaż kapował kapral kaprys kapryśny kapryśny kapryśny kapsel kapsuła kapsułka kaptur kapusta kapuś kapuście kara kara śmierci karabin karabin karabin maszynowy kaarsensterkte. troep. luchter kandidaat. roer geweer. rooien korporaal fantasie. zin. muziekkapel omzet opgraven. kaars kroonluchter. oppassend kangoeroe kannibaal. bestraffing frase. doosvrucht straatschuimer. vermogen hoofd-. capsule. aanvrager aanrijden. aanvrager verzoeker. aspirant verzoeker. knoeien veldfles druipen. zich overgeven kapel. capsule. geweer geweer. sollicitant. volzin roer. candela. schuur. hopman. doosvrucht kapseltje. frauderen. roer . muziekkapel kapel. keet. bende aalmoezenier. verbeeldingskracht bizar grillig. nukkig. grillig. menseneter cañon zwendelen. onberekenbaar pet kapseltje. voornaamste captain. druppelen schare. voorrijden huisje. onberekenbaar nukkig. apache kool gras kool straf. kraam. droppelen. kapitein capituleren. veldprediker hoed Panama bokkesprongen maken kapitalist kapitalist aanzwellen kapitaal.

manen. correct. aanrijding karavaan karavaan straf. goed bestraffen. loopbaan nek nek. aansporen kaart nek. ambulancewagen affuit carrière. voeder. delven. edelknaap pieper. uitglijden briefkaart blad. aardappel kartonnen catalogiseren catalogiseren bestand. ziekenauto. rooien ambulance. tucht diamant carrosserie karper Karpaten kaart charter. carburateur vermanen. page. vel boer. dwergachtig voeden voeden voeding.karać karać karafka karafka karaluch karał karambol karawana karawaną karą karburator karcić karcie karczek karczma karczoch karczować karetka karetka kariera karierą kark kark karłowaty karm karmić karmidła karnawał karność karo (w kartach do gry) karoseria karp Karpaty karta karta karta(dziurkowana) kolejna(uzupełniająca informacje na kartach poprzedzających) karteluszce kartka kartka kartka zaginana od góry kartka żywnościowa kartofel karton kartoteka kartoteka kartoteka juist. hals logement. vel blad. opgraven. handvest. aanmanen. straffen karaf decanteren kakkerlak bestraffen. aanvaring. loopbaan carrière. hals minuscuul. vrachtcontract kaart slippen. straffen botsing. voedingsmiddel carnaval discipline. dossier . bestraffing vergasser. kost. herberg artisjok opduikelen.

met gom bestrijken afgietsel. kastanje contact hebben. in het rond daaromheen. klaar gommen. dwergachtig minuscuul. muntmeester helm waterval afbestellen hel. programy) zwolnić pamięć kasował kast kastrować kasyna kasyno kasyno kaszą kasze kaszel kaszka kaszleć kasztan katalizator stały katalog katalog katalog katalog bieżący (aktywny) katalog węzłów katalog zadań katalogował katar katar katar carrousel. draaimolen daaromheen. dwergachtig minuscuul.karuzela karuzela karuzela (np. in het rond laakbaar minuscuul. pap hoesten paardekastanje. eromheen. eromheen. dwergachtig fonds. gegoten voorwerp snijden. beschot kassier. algorytm cykliczny w systemie operacyjnym) karygodny karzeł karzeł karzełek kasa (zapomogowa) kasecie) kaseta kaseta kaseta (do wkładania modułów sprzętowych) kaseta z taśmą magnetyczną kasetce kaseton kasjer kask kaskadą kasować kasować kasować kasować przełączać(np. pap zaadkorrel. pit. kardoes affaire. kardoes patroon. korrel hoesten moes. zweefmolen. castreren casino casino moes. kapitaal patroon. ontmannen. niesen . kardoes cassette cassette patroon. aangelegenheid. korrel zaadkorrel. proesten. licht. met gom bestrijken afschaffen gommen. ding dashboard. contact hebben met catalogiseren catalogiseren adresboek adresboek adresboek catalogiseren catalogiseren catarre koud niezen. pit. zaak. kashouder. brij. brij. instrumentenbord.

martelen te koop aanbieden. enig ieder.katastrofa katastrofa morska katastrofą katedra katedra (na uniwersytecie) katedra na uniwersytecie katedrą kategoria kategoria kategorią katolicki katolicki katolik katolik katusze Kaukaz kawa kawaler kawaler kawaler orderu kawaleria kawał kawałeczek kawałek kawałek kawałek murawy wyrwany przez kij golfowy w czasie uderzenia kawą kawiarni kawowy kawy) kazać kazać komuś czekać kazanie kazirodztwa kaźń każ każdy każdy każdy każdy każdy (człowiek) każdy człowiek wszyscy kącie kącie kąpać się kąpać się (w morzu kąpiel onheil. brok beting koffie restauratie. ieder. aanvoeren. wassen in bad doen. elk hoek accapareren. elk. paard in schaakspel. alleman iedere. ramp. gevest. restaurant. grol. paardenvolk mop. paard in schaakspel. ieder. aanbieden een of andere. hals. alleman elk. ramp. paard ruiterij. ridder ridder. wassen bad. kwinkslag. cavalerie. aanvoeren. elk ieder. al. handvat. catastrofe kathedraal. iedere. een of ander. al. knop fragment. ieder. al. commanderen bevelen. grap fragment. brok heft. commanderen sermoen. incest kwellen. opkopen in bad doen. vakterm categorie katholiek katholiek katholiek katholiek doodsangst. alleman. koeioneren. al iedere. iedere. dom departement departement kathedraal. preek bloedschande. al. boon. alleman. badkuip . veldboon bevelen. kanselrede. catastrofe schipbreuk onheil. paard ridder. elk. iedere. dom categorie term. alleman. pots. doodsstrijd. eethuis koffie tuinboon. paard in schaakspel. agonie Kaukasus koffie paard. baden. baden.

besturen reglementeren. beuling worst. richten. dirigeren. toen eenmaal. reguleren. niesen een verband omleggen wanneer. marktplaats mennen. bazaar. miskelk. bestuurder conducteur.kąpiel kąpiel (w wannie) kąpiel odkażająca kąpieliska kąsać kąt kąt strat magnetycznych kątowy kciuk kelner kelnerce kelnerka kernel kędzierzawe (włosy) kędzierzawy kępka kęs kęs kęs kibic kichać kichnięcie kiecce kiedy kiedy (w pytaniach) kiedy indziej kiedykolwiek kielich kieliszeczek kieliszek do brandy kiełbasa kiełbasa kiełbasą kiełek kiełkował kiepski kiepski kier (w kartach do gry) kiermasz kierować kierować kierować bezpośredni kierować (<sth> czymś) kierował kierowca kierowca zmiennik kierowcą kierownica in bad doen. verrot hart marktplein. badkuip indompelen. bestuurder conducteur. niesen niezen. richten. richten. eens. croquant nevelig. beuling uitkomen. toen eenmaal. kelk aperitief. knauwen. regelen besturen. aanzetten niezen. dirigeren. eens. ontspruiten. dampig. stuur . mistig bosje. leiden mennen. mennen de weg wijzen. ontluiken ontkiemen. indopen. bijten. bestuurder stuurtoestel. borrel pudding worst. bedorven. hap aanwakkeren. proesten. dirigeren. als. mondvol mondvol. kuifje. ooit wanneer. geleiden. bos. pluk. soppen zich aaneensluiten. dot. proesten. kuif beting hap. baden. ooit beker. aanvuren. kiemen erbarmelijk. beklagenswaardig rot. borrel aperitief. wassen bad. als. heiig. wel eens. markt. opkopen kantig duim kelner serveerster serveerster pessimist knapperig. bloemkelk. wel eens. beitsen hoek accapareren. aansluiten happen. besturen conducteur.

enigszins. kleefstof aanplakken hoorn accolade vasthaken geslacht. klasse. leiding. algeheel ja knikken. film bioscoop. menigvuldig kilo. volksstam. cinema box rouw darm bos. misgrijpen kiel echtpaar. totaal. stam afgang draai om de oren. kit. leiding. knikken ja knikken. bundel luit geheel. lel smakken stand. aanhangen kikkervisje missen. menigvoudig. een weinig weinig verschillend. administrateur richtlijn. Schotse rok kimono kimono bioscoop. mislopen.kierownictwo kierownik kierunek kierunek kierunek wsteczny złącza p-n kierunkach kieszeń kieszeń dysku kij kij od miotły kijanka kiks kil kilka kilka kilka kilka razy kilku kilo kilof kilof kilometr kilt kimona kimono kina kinematografia kino kiosk kir kiszka kiść kit kitel kiwać kiwnąć głową kiwnięcie kiwnięcie odarzy klajster klajster klakson klamra klamra klan klapą klaps klaps klasa administratiekantoor bestuurder. koers. knikken ja knikken. afkluiven kilometer kilt. koers. echtelieden weinig een beetje. knikken ja knikken. oorveeg. instructie. richting consigne. stok kleven. cinema rolprent. kleefmiddel. knikken lijm. wis. vastkleven. beheerder. richting polis richtlijn. kilogram schoffel knabbelen. aanwijzing zak zak staf. klas .

bundel. bepaling toetsenbord. houder toejuichen. kleefmiddel. applaudisseren wis. kleverig lijm. kleefstof tandvlees plakkerig. steen edelsteen. pap plakkerig. vloeken. kit. rechtzinnig classificeren. neuken toonschaal. klassiek klassikaal. godlasteren ketteren. clausule. applaudisseren adhesie betuigen. boezem kooi opgang. scala ketteren. vloeken ketteren. klavier toetsenbord. indelen soort. kit. edelgesteente. klassiek klassikaal. toonladder. voorwaarde. aard classificeren. edelgesteente. moet tikken tikken . trap voorwaarde. plek. godlasteren. indelen classificeren. bos basisklassikaal. kleverig edelgesteente. klad. vloeken. bepaling conditie. klasse. toonladder. kleefmiddel. smet. kleefstof tandvlees moes. slag. edelsteen edelsteen. bij acclamatie benoemen adhesie betuigen. klassiek klassikaal. klavier toonschaal. steen. brij. indelen klassikaal. klassiek klooster. scala naaien.klasa zaprzyjaźniona klaser klaskać klaskać klaskać chodowa klaster klasy podstawowej klasyce klasyce klasyczny klasyczny klasyczny klasyfikować klasyfikować klasyfikował klasyfikwać klasyk klasyk klasztor klatce klatka klatka na sekundę klatka schodowa klatka schodowa klauzula klauzula klawiatura klawiaturą klawisz klawisz (strażnik więzienny) klawisz znakowy kląć klął klątwą klechdą kleić kleić kleik kleisty klej klej klejenie klejnot klejnot klejnoty kleks klepać klepanie stand. klassiek orthodox. steen klak. klassiek klassikaal. klas schede. mop. foedraal. mannenklooster kooi kooi borst. godlasteren mythe lijm.

toonladder. toonladder. pal. paljas. schaar knielen knielen knielen geeuwhonger nederlaag kongsi. afnemer klant. lampekap clown. kliek. een wig steken kliniek kliniek een wig slaan. koper. air-conditioning air-conditioned een wig slaan. klakken. schroefsleutel moersleutel. koper. toonladder. scala moersleutel. kliek. pias club. toonladder. scala toonschaal. toonladder. vastzetten esdoorn. sociëteit klaveren toonschaal. verbruiker afnemer. kletteren. klip klikken. kletteren. scala kritiek. klappen klimaat klimaat klimaatsairco. klant klant. scala toonschaal. troep klikken. schroefsleutel toonschaal.kleszcz kleszcze klęcz klęczeć klękać klęska głodu klęska żywiołowa klice klient klient klient klient korporacyjny klient sieciowy klif klik klika kliknąć kliknąć prawym przyciskiem myszy klimacie klimat klimatyczny klimatyzacja klimatyzowany klin klin (podkładany pod koło) klinice klinika klinować kloc klon klosz klown klub klub studentek uniwersytetu klubach klucz klucz klucz klucz (do śrub) klucz (elektronowy) klucz mieszający klucz nadrzędny klucz wspólny klucz zabezpieczenia pamięci klucz zewnętrzny klucz złożony kluczowy kluczowy teek knijper. toonladder. scala toonschaal. gebruiker. afnemer klif. koper. klappen klikken. klappen kongsi. klakken. schroefsleutel moersleutel. afnemer consument. troep klant. scala toonschaal. toonladder. ahorn kap. cliënt. hachelijk toonschaal. een wig steken blokkeren. een wig steken een wig slaan. scala . schroefsleutel sleutel moersleutel. sociëteit club. pal. aak. kletteren. klakken.

prikken. geleding. dispuut lul. moeilijkheid belemmeren. keteldal ketel . liefhebben aanhalig aanhalig beminnen. lastig. gelid. strijd. steken dribbelen. liefhebben vriendin. geliefde. lieveling. lampepit. storend smal. ruzie maken. uitspanning gewricht. snikkel. pit. lastig. stoomketel ketel. draven dribbelen. lieverd. strijd. café moppen tappen moppen tappen woud. nauw oor kwestie. twist. eng. liefje geacht. bos kousje. slim pijnlijk. bekrompen. strijd. determineren bezwaar.kluczowy kłamać kłamstwa kłamstwo kłaść kłaść glazurę kłaść nacisk kłocić się kłopot kłopot kłopot kłopotać się kłopotliwy kłopotliwy kłopoty kłos kłócić się kłótni kłótnia kłuć kłuć kłus kłusować knajpa knajpą knajpą knebel kneblować kniei knocie knot kobiecy kobieta kobieta kobra koc kochać kochajacy kochający kocham kochanek kochany kochany kociak kocię kocioł kocioł kocioł moersleutel. dek beminnen. priemen. krap. glazuren. leed nauwkeurig bepalen. vrijster. jongeheer pikken. twist. benadrukken kwestie. dispuut smart. twist. storen. gezien katje katje ketel. brilslang deken. pik. lont kousje. hinderen moeilijk. lont vrouwelijk wijfje. waterketel. houden van. bar. draven herberg. kiften. krakelen kwestie. pit. houden van. strubbeling. minnares schat. verdriet. lid. kookketel. leuter. dispuut kijven. hinderlijk. vrouwtje vrouw cobra. knoop drenkplaats. glanzen met nadruk zeggen. schroefsleutel liggen liggen liggen aanspannen verglazen. lampepit.

enig.kociołek kociołek koczował koczowniczy koczowniczy koczownik kod kod (program) zakodować kod generujący numer strony podczas wydruku kod przerobić jądro Linuksa kod zakodować kod) przerobić (jądro Linuksa) kodeks kodocyl kodować kodował kogo kogoś kogoś o czymś kogucie kogucie kogut kogut koherencja koja kojarzyć kojot kokaina kokainą kokarda kokon kokos kokos koktail kolacja kolacją kolana kolanko (hydrauliczne) kolano Kolba kolbą kolca kolce kolczudze kolczyk kolczykować kolebka ketel theepot. trekpot trekken. een of andere betuigen. hakken code bijlage. lul. toog cocon cacao klapper. snikkel. rondreizen rondtrekkend. avondeten knie elleboog knie veldfles veldfles wervelkolom. bestemmen wieg . spin. kokosnoot cocktail avondmaal. aansluiten coyote. gevolg kinderbed zich aaneensluiten. naaktslak houwen. appendix codificeren codificeren welks. waarvan. leuter haan consequentie. snikkel. pik. avondeten avondmaal. lul. rondtrekken. wie z'n. kappen. ruggegraat steek post. posterijen oorring uittrekken. hakken code houwen. migrerend zwervend. pik. verzekeren jongeheer. trekkend. aanhangsel. nomade code code slak. leuter haan jongeheer. klappernoot. nomadisch benoeming. wie d'r een of ander. kappen. prairiewolf cocaïne cocaïne boog.

schare. lief. uitreiking havik kolom. nuance. kameraad. steunpilaar. samen-. aanvaring. drift hoop. drift hoop. cirkel slaan. kloppen. klappen. kloppen. steunpilaar. aardig. kloppen. klappen. spoorweg spoor. klappen. pilaar. kolossaal. innen. kudde. veranderlijk. gemeenschappelijk collectief. spoorweg spoor. pilaar. opvallen slaan. colonne kolom. overeenstemming koloniaal kolonie. volksplanting schakering. collega paren college makker. colonne kring. inzamelen collectief. spoorweg routine. sleur spoor. kudde. volksplanting akkoord. steunpilaar. anders maken wisselend. maat spoor. aaneen-. nederzetting. ontzaglijk verdeling. co-. groep. nederzetting. groep. schare. spoorweg ronde gevolg metro afwisselend ander veranderen. collega aaneen. spoorweg spoor. aanrijding Keulen kolonie. drift collecteren. opvallen slaan. afwisselend hoop. pilaar. kudde. gemeenschappelijk voorkomend. kornuit. schare. groep. vriendelijk botsing.kolec kolec świdra centrującego kolega kolega kolega szkolny kolega z klasy kolegium kolego! kolei kolei koleina kolej kolej jednoszynowa kolej linowa kolejce kolejce kolejka pocztowa kolejny kolejny kolejny kolejny kolekcja kolekcja zbiór zbieranie informacji kolekcją kolekcjonować kolektyw kolektywny koleżeński kolizja kolonia Kolonia kolonia kolonialny kolonią kolor tła kolosalny kolportaż kolportować kolumna kolumna wyświetlana (w grafice komputerowej) kolumną koła kołatka kołatka (do drzwi) kołatka do drzwi kołdra kołdra pikowana doorn doorn ambtgenoot. nuancering geweldig. samen ambtgenoot. colonne kolom. opvallen stikken stikken . accoord.

aanvoeren. boezeroen. rad kring. boord. katrol. koopmanschap. combinatie verbinding. katrol. komedie blijspel. behelzen handel. slaaplied wiegelied. commanderen aanvoerder. commentaar leveren op annoteren. algeheel kiel. aanvoeren. zwaaien. halsboord nek.kołdrą kołek kołek falowodowy kołnierz kołnierz kołnierz golfowy koło koło koło koło zakreślić okrąg koło celowania (na ekranie dla pióra świetlnego) koło wodne koło zamachowe kołowy kołpak kołysać kołysać (się) kołysać się kołysać się kołysance kołysanka kołysce kołyska komar komar komą kombinacja kombinacja klawiszy kombinacją kombinat kombinat kombinezon kombinezon kombinować komedia komedią komenda komendant komenderować komentarz komentarz komentarz komentarz opisowy komentować komentować komercyjny komforcie stikken borrel. commentaar leveren op bevatten. hes samenvoegen. aperitief borrel. nering gerief. totaal. comfort . zwieren. combinatie zich aaneensluiten. combineren blijspel. cirkel circulaire. boord. aansluiten samenvoegen. gemak. inhouden. combinatie verbinding. halsboord kring. rad hijsblok. schijf reddingsgordel wiel. gooien balanceren. rondschrijven pet wieg opgooien. slingeren wiegelied. blok. commentaar annoteren. cirkel hijsblok. slaaplied wieg wieg steekmug. commandant bevelen. commanderen aantekening. commentaar leveren op nabeschouwing annoteren. combineren geheel. blok. doen schommelen zwiepen. verbinden. verbinden. mug muskiet komma verbinding. schijf wiel. aperitief kraag. hals kraag. komedie bevelen.

koddig schoorsteen. loon. samengesteld complimenteren emmer heel. loon. kachelpijp schoorsteen. gemakkelijk. samenstellen compileren. kachelpijp ophopen. cel. koddig. vergelding beloning. boodschap dashboard. deskundig. vertrek. volkomen. goedmaken competent. schouw politiepost. hinderpaal compliceren. ingewikkeld maken . kamer branche. tak. vergelding beloning. beschot comité reiziger lokaal. compilatie verzamelwerk. accumuleren schrijden trechter haardstede. digereren beloning. afdeling huur cachot. politiebureau lasthebber. compenseren. samenstellen complex. ingewikkeld maken gecompliceerd. verduwen. boodschap commissie. kamer ladenkast. samenstellen compileren. grappig grappig. commode commodore lokaal. opeenhopen. cel. compilatie compiler compileren. moppig. kerker firma. gecommitteerde commissie. komisch.komfortowy komiczny komiczny komin komin komin komin komin (statku kominek komisariat komisarz komisja komisją komitet komitet doradczy komiwojażer komnata komodą komodor komora komorą komorne komórka komórka znakowa kompania kompas kompatybilny kompendium kompensacja kompensacja temperaturowa kompensacją kompensować kompetentny kompilacja kompilacją kompilator kompilować kompilować zestawiać kompilował kompleks komplement komplet kompletnie kompletny komplikacja komplikować komplikować komplikował geriefelijk. beletsel. handelsfirma. bevoegd verzamelwerk. vak. vergelding vergoeden. totaliter compleet. comfortabel moppig. volledig hindernis. schoorsteen. komisch. ingewikkeld compliceren. opdracht. instrumentenbord. kerker cachot. loon. vertrek. opdracht. handelshuis kompas congruent verteren.

dicht. vouwen. componist comprimeren comprimeren foei comprimeren computer schrift. begrip concert . compositie toondichter. omschakelen. begrip opvatting. stof. componeren montage. een of andere. aankondigen. verkondiging communiqué communiqué communiqué bulletin. plooien samenstellen. apropos toondicht. boodschap aanspreekbaar aandienen. mededelen communist communist communisme een of ander. naaf dik. thema. aflevering. sterven bewapenen. wapenen aftakking. praten berichten. katern schrift. aftakking lid. mededelen spreken. compositie onderwerp. verenigingsorgaan bericht. aflevering. componeren omvouwen. tak tak. ingewikkeld tuinboon. toonzetting. begrip begrip opvatting. toonzetting. overschakelen doodgaan. veldboon samenstellen. zetting toondicht. boon. gebonden opvatting. enig omleggen. adverteren berichten. lidmaat bus. meedelen. katern machine communie communie aankondiging. meedelen.komplikował komponent skrośny komponować komponować komponował komponując kompozycja kompozycja pulpitu kompozycją kompozytor kompres kompresować kompromitacja komprymować komputer komputer notatnikowy komputer podręczny komputer programisty komunia komunią komunikacie komunikacja światłowodowa komunikacja w tle komunikacją komunikat komunikat komunikatywny komunikować komunikować (się) komunikować się komunikował komunista komuniście komunizm komuś komutować konać konar konar konar konar koncentrator zespołu koncentrował koncepcie koncepcja koncepcja koncept koncercie gecompliceerd. overlijden.

bepaling samenhang. brandy brandy. belang concert concerto rekening.koncercie koncern koncern koncert koncert koncie kondensować mały kondolencje kondom konduktor konduktor kondycja koneksja konfederacja konfederacją konfenansjer konferansjer konferencja konferencja prasowa konferencją konfiskować konfiskował konfitura konflikcie konflikt konflikt sprzętowy konflikt związany z dzieleniem zasobów konfrontować konfrontował Kongo kongres koniak koniak koniczyna koniczyna biała koniczyną koniec koniec zapisu koniec zbioru danych konieczność konieczny konik polny koniunkcja koniunkcja (zob. condoom conducteur. dicht condoleantie. bewaren conditie. confisqueren jam. einde. Congo congres vuurwater. rouwbeklag kapotje. stalknecht conclusie. ach stortplaats bruidegom. noodzakelijkheid nodig. marmelade conflict conflict botsing. conto compact. confederatie bondsstaat. aanrijding conflict het hoofd bieden het hoofd bieden Kongo. gevolgtrekking beton . confisqueren in beslag nemen. och. aanvaring. bestuurder bewaken. benodigd sprinkhaan conjunctie oh. moes. de wacht hebben. verbinden. uiteinde aantikken noodzaak. combineren aangelegenheid. koniuszek koniuszy konkluzja konkretny concerto samenvoegen. brandewijn. voorwaarde. confederatie omroepster omroepster conferentie conferentie conferentie in beslag nemen. ah. verbinding bondsstaat. cognac klaver klaver klaver schaduwen uiterste deel.

ontstellen. gevolg consequentie. onthutsen metselwerk aannemer. concours consequentie. inleggen behoudend. constitutie grondwet. samenspanning samenspannen. troosten vertroosten. constitutioneel consul consulaat consulaat . gevolg consequent inmaken. medeklinker syndicaat. effectief specifiek. haakje. aanleggen ontwikkeling. ontsteltenis ontzetten. wedijveren. betogen. troosten linker consonant. bouwondernemer bouwen. bergen. vakbond komplot. samenzweren samenspannen. inleggen behouden. bergen. konfijten. samenzweren consternatie. troosten kramp. konfijten. constitutie grondwettelijk. klamp. gevolg consequentie. ontstellen. conservatief behoudend. afgezonderd daadwerkelijk.konkretny konkretny konkretny konkubiną konkurencja konkurować konkurs konkurs konsekwencja konsekwencją konsekwencją konsekwentny konserwa konserwatysta konserwatywny konserwować konserwować konserwować (sprzęt) pielęgnować (oprogramowanie) opiekować się (projektem) konserwował konsol konsola konsola zdalna konsolą konsolą konsolidator konsonant konsorcjum konspiracja konspiratorstwa konspirować konspirował konsternacja konsternacja konsternacją konsternacją konstrukcje z kamienia konstruktor typu konstruować konstruowanie wspomagane komputerowo konstytucja konstytucją konstytucyjny konsul konsulacie konsulat afzonderlijk. werkelijk. bewaren haakjes vertroosten. concurreren wedijver match. argumenteren inmaken. conservatief vertogen. bewaren behouden. samenspanning komplot. construeren. onthutsen consternatie. nietje vertroosten. soortelijk bijvrouw wedijver meedingen. vakvereniging. ontsteltenis ontzetten. evolutie grondwet. wedstrijd.

bak. gebruiker. aannemer bouwondernemer. gevolg contact hebben. krik contact hebben. verbruiken. bak. inspectie heerschappij. aflezen. etui. doos. tuberculose longtering. contrabande bouwondernemer. contract tweede alt afsteken. foedraal. contrabande smokkelwaar. tering. bestuur onderzoek. matrix. foedraal. verbruiken. krik vijzel. matrijs nadenkend pot. tering. dommekracht. contract verbintenis. opzichter conducteur. contact hebben met vijzel. conto smokkelwaar. contrasteren afsteken. consumeren slopen. bestuurder damspel . controleren pariteit voorschrift reglement bedwingen. conto rekening. doos. betomen. contrasteren afsteken. contrasteren checken. beteugelen schouw. aflezen. verbruiker consument. bewind. supervisor. tuberculose consequentie. consulteren consument. opzichter supervisor. consultatie consult.konsultacja konsultacją konsultować konsultował konsumencie konsument konsumować konsumował konsumpcja konsumpcją konsystencja kontakcie kontakt kontakt metal-półprzewodnik kontakt omowy kontekscie kontemplacyjny kontener kontener (złożona struktura danych realizowana jako klasa w programowaniu obiektowym) konto konto w banku kontrabanda kontrabandą kontrahencie kontrahent kontrakcie kontrakt kontralt kontrascie kontrast kontrast na poziomie szczegółów kontrastować kontrola kontrola kontrola jakości produkcji kontrola parzystości kontrola programowa kontrola programowana kontrola zapisu (atrybut pliku) kontrola zgodności typów kontrolą kontrolą kontroler kontroler kontroler kontrolerach consult. consulteren raadplegen. consumeren longtering. consultatie raadplegen. bestuur checken. verbruiker slopen. keuring. bewind. examen controleur. koker pot. dommekracht. etui. controleur. contrasteren afsteken. gebruiker. koker rekening. aannemer verbintenis. schouwing. controleren heerschappij. contact hebben met gietvorm.

gebeurlijk eventueel. uiteinde aantikken piemel. vasteland. keuring. einde. onderzoek heerschappij. bestuur inspectie houden. vasteland eventueel. plasser . uiteinde terminal uiterste deel. voortzetting. voortzetting. inspecteren bedwingen. stuip. pennestrijd. gesprek onderhoud. polemiek omlijning. vasteland continent. uiteinde gebeurlijk. beëindigen. accompagnement stuiptrekking. afwikkelen. uiteindelijk aanhechting uitgang. stuip. vervolg aanhouden te werk gaan aanhouden te werk gaan congres congres congres onderhoud. bestuur controverse. uiteinde terminal kegel stortplaats afhandelen. plassertje. polemiek controverse. kramp paard. werelddeel.kontrolny system komputerowy kontrolować kontrolować kontrolować poprawność kontrolowanie kontrowersja kontrowersją kontur kontynencie kontynent kontynent kontyngencie kontyngent kontynuacja kontynuacją kontynuować kontynuować kontynuował kontynuował konwenans konwenanse konwencją konwersacja konwersacja podstawowa konwojent konwój konwulsja konwulsją koń koń mechaniczny koń parowy końca końcowy końcowy test po montażu końcówce końcówce końcówce końcówka końcówka końcówka typu J końcówka typu J kończ kończyć (się) kończyć (się) kończyć koniec kończyć się kończyć się kończyć się examen. bewind. eventueel finaal. afsluiten aantikken uiterste deel. einde. einde. pennestrijd. gesprek begeleiding. bewind. beteugelen heerschappij. vervolg bestendiging. werelddeel continent. omtrek continent. kramp stuiptrekking. werelddeel. accompagnement begeleiding. gebeurlijk bestendiging. betomen. afdoen aantikken afmaken. ros paardekracht paardekracht uiterste deel.

trappen koepel koepel koepel hoef boomschors. afdruk verveelvoudigen. trappen schoppen. beëindigen. stopmiddel drukproef opvoeden. schors kraal Koran boomschors. enveloppe couvert. afdruk een backup maken. bijten . afdruk exemplaar. coördineren schoppen. stekker. stop. opeenhopen. accumuleren Assepoester Kopenhagen couvert. afsluiten lid. multipliceren schoppen. aantasten. stekker.kończyć się szpiczasto kończyna kooperował koordynować koordynował kopać kopalnia kopalnia węgla koparka kopą Kopciuszek Kopenhaga koperta koperta bezpieczeństwa koperta zabezpieczająca kopia kopia rezerwowa kopia zapasowa kopiować kopiować awaryjnie (zawartość pamięci) kopiować egzemplarz kopiować tablicę bitów kopiował kopnąć kopniak kopnięcie kopuła kopuła kopułą kopycie kora koralik Koran korą Korea Koreańczyk koreański korek korek korek uliczny korek uliczny korekta korepetytor korespondować korespondował korkociąg korkociąg korodować afmaken. envelop. lidmaat samenwerken. stop. opscheppen ophopen. het mijne de mijne. trappen de mijne. plug. plug. afdruk verveelvoudigen. enveloppe exemplaar. enveloppe couvert. trappen schoppen. coördineren bijeenschakelen. multipliceren exemplaar. het mijne scheppen. envelop. schors Korea Koreaans Koreaans kurk prop. stopmiddel kurk prop. onderwijzen corresponderen corresponderen kurketrekker spinnen corroderen. meewerken bijeenschakelen. een backup maken van exemplaar. afdruk exemplaar. envelop.

gieteling zeis zeis maaien astronaut. bak juist. voordeel pré. kronen bekroning. aanwerven acquest. costuum badpak enkel banshee ben. dobbelsteen. eetbak. kronen vakvereniging. barak. eetbak. corporatie. dracht. loods. toegenegen. kroning bekronen. trog. gewaad. kronen kant kant kant bekronen. vrijen. nachtduivel. goed baan. kroning bekroning. correct. wortel schieten aanslaan. kosten angstdroom. keet kazerne aanklacht. gang. voordeel aannemen.korona korona (słoneczna) koronacja koronacją koroną koronce koronka koronka (na karcie dziurkowanej) koronować korporacja Korsyka kort korycie korygować korytarz korytko koryto korzeń korzeń palowy korzystać korzystny korzyści) korzyść korzyść korzyść korzyść kos kosa kosą kosić kosmonauta kosmyk kostce kostce kostium kostium kąpielowy kostka kostuchą kosz kosz na śmieci koszary koszary koszcie koszcie koszmar koszmarny koszmarny koszt bekronen. blok klederdracht. slof. kronen bekronen. bak aanslaan. gracht krib. wijk. aanwinst. toepassing goedgezind. gilde Corsica het hof maken. huren. prooi merel. mand ben. stranden enkel derde macht. incubus afgrijselijk nachtmerrieachtig kosten . drenkbak. mand schuur. buit. drenkbak. overloop. beschuldiging onkosten. slof. rijstrook vaart. gunstig aftappen pré. trog. ruimtevaarder aan de grond lopen. kanaal. scharrelen krib. korf. wortel schieten aanwending. korf.

dierbaar. gordijn. kerkgebouw schonk. aanbeeld smid. mand basketball basketball maaien fijnhakken kerk kerkelijk. kaak kattekop overgordijn. nachtzwaluw een geintje maken een geintje maken dierevel. kerk. kosten onkosten. bok Steenbok Steenbok geitenmelker. kostbaar kostbaar. aanbeeld aambeeld. doek katje kut. taxeren waardevol. korf. geit. uitgaaf schatten. kosten vertering. kotelet. dal anker anker anker aambeeld. been fijnhakken ivoorkleurig. waard overhemd overhemd nachtjapon nachthemd overhemd ben. scherm. bot. vulva fijnhakken ribstuk. cilinder . waarderen. rib ribstuk. ivoren kakement. ijzersmid cowboy sik. pels. huid. kotelet. karbonade. begroten. slof. vacht rol. besteding. rib vallei. duur. vel. lief. karbonade.koszt koszt własny kosztach kosztorys kosztowny kosztowny koszula koszula (męska) koszula nocna koszula nocna (męska) koszulą koszyk koszykówce koszykówka koś kości do gry kościelny kościelny kościół kościół kość kość kość słoniowa kość szczękowa kot kotara kotek kotek kotlecie kotlecie kotlet kotlina kotwica kotwica (telegraficzna) kotwiczenie kowadełko kowadła kowadło kowal kowboj koza Koziorożec Koziorożec (gwiazdozbiór) kozodój koźla skóra koźlę kożuch kółka onkosten. knok. geestelijk kerk bedehuis. aanbeeld aambeeld.

landen gewest. uithakken. kruisen circuleren. ongeval kraan. rooster das. haardstede traliehek. discus. tovenaar . bobine schijf. ontvreemding aan land gaan. honen aanfluiting aanfluiting krab geknars. klos. extreem. bobine kloot. ergst. gekras krassen diefstal. inheems. spotten. omgorden plagen bespotten. in omloop zijn. kadet omloop. streek. spotten. tapkraan aanboren uiterst. gebied spoel. omgeving. rondgaan duivelskunstenaar. grammofoonplaat. bolletje. uithouwen landschap landschap binnenlands. rondgaan kruisen (van schip). klos. afrastering. open veld beeldhouwen. kadetje. inlands ingeboren. das cloaca. hek. circulatie. riool kleren maken kleren maken kring. verdonkeremanen sluipen open haard. bovenmatig allemachtig uiterst. honen bespotten. stropdas stropdas. sfeer. gebied. in omloop zijn. aangeboren krassen ongeluk. haard. bovenmatig gnoom. tap. roulatie circuleren. accident. aangespen. extreem.kółko samonastawne (takie kpi kpiarz kpić kpienie kpiną kpiny krab kracie kracz kradzież krainą krainą kraj krajać krajobraz krajobraz krajowy krajowy krakać kraksą kran kran kraniec krańcowo krańcowy krasnoludek krasomówstwo kraść kraść krata kratce krawat krawat krawca krawiec krawiec męski krąg krąg Krąg krąg cewka krążek krążek krążenie krążyć krążyć krążyć (po wodzie) kreator Castor gorden. cirkel spoel. bol. regio platteland. zinkput. aardmannetje retoriek. aangorden. plaat broodje. ergst. rederijkerskunst achteroverdrukken.

strelen. schrijden krokodillen krokus moot. top. stip. stip. tegoed. spikkel. begrenzen. plak. schrijden lopen.kreatura krecie kreda kredą kredens kredens kredyt kredyt kredyt wyraz uznania krem krem do golenia kremacja kremacją kremować (spalać martwe ciało) kres kresce kreska kreska ukośna kreślak kret Kreta krew krewetce krewetka krewny krewny kręgle kręgosłup krocz kroi krok krok krok iteracji krok w bok krokodyl krokus kromce kromka kronice kronika kronikarz kropce kropce kropka kropka kropka dziesiętna kropka pozycyjna kropka znak interpunkcyjny wezen mol krijt krijt kast kast rekening. verassing lijkverbranding. treden. oog periode. crematie. uithakken. oog . omgang. spin. oog punt. liefkozen. schijf. stappen. hengelsnoer aanhalen. krediet. spikkel. spits logeren punt. filet moot. sim. kroniekschrijver neus. aaien afkraken hok mol Kreta bloed garnaal garnaal betrekking. beknotten vislijn. ruggegraat schrijden beeldhouwen. piek. stip. schijf. treden. tip. treden. krediet. uithouwen treden. tegoed. familielid bowling wervelkolom. plak. spikkel. punt. credit vla vla lijkverbranding. tip. filet kroniek kroniek chroniqueur. schrijden lopen. stappen. verband verwant. crematie. stappen. tijdvak neus. credit creditzijde. snoer. spits punt. lopen lopen. snede. schrijden. punt. piek. stappen. snede. top. verassen beperken. conto creditzijde. verassing cremeren.

slipje kort korte broek. kruisbeeld raaf raaf kruimel.kropkować kropla kropla w morzu kroplą kroplówka krosno krosno krosta kroście krowa krową krój król królestwa królestwo królestwo królewski królewski królewski króliczek królik królik królowa królować królową krótki krótki krótki krótki krótki opis programu krótkie streszczenie krótkowzroczny krótkowzroczny (dosł. koninklijk vorstelijk. dam. jonkvrouw bestuur. waterdruppel druppel. kriek Krim . bewind lady. croquant crucifix. kortzichtig. bijziend strottehoofd knapperig. broodkruimel bloed aftappen. stip. lady.) krtań kruchy kruchy krucyfiks kruczy kruk kruszyć kruszyć się krwawić krwawy krwawy krwiożerczy krwisty krykiet Krym punt. majestueus vorstelijk. koninklijk konijntje konijntje konijn lady. kniebroek. waterdruppel druipen. ongemeen. oog druppel. jonkvrouw. pukkel koe koe knippatroon. broodkruimel kruimel. statig. moordlustig zeldzaam. kort slip. staat plechtstatig. vrouw. spikkel. druppelen draaibank. patroon dam. aderlaten bloedig. i w przen. croquant knapperig. vrouw koninkrijk koninkrijk rijk. draaischijf weefgetouw puistje. kortzichtig. droppelen. broek kort abstract. bloedend rood. heerschappij. afgetrokken kippig. bijziend kippig. schaars krekel. blozend moordziek. vrouw. jonkvrouw kortstondig. pukkel puistje. waterdruppel druppel. dam.

kristallen kristalhelder. schreeuwen. keuren crisis harig. kwetsuur. roepen.kryminalny krynolina kryształ kryształ o sieci regularnej płaskocentrycznej kryształowy kryta ciężarówka kryty basen krytycyzm krytyczny krytyka krytykować kryzys krzaczaaste (brwi) krzak krzak krzcie krzem na szafirze (struktura) krzemień krzepki krzesło krzesło krzesło bujane krzesło bujanes lub wyłącznik biegunowy krześle krzew krzewy) krzyczeć krzyk krzykliwy krzykliwy krzywa zdyskretyzowana krzywą krzywda krzywdą krzywdą krzywdą krzywdzenie krzywdzić krzywiczny krzywić krzyż krzyżak krzyżować krzyżować się kserografia kserograficzny ksiądz misdadig. bestelwagen zweminrichting. kwetsuur. kristallen kristalhelder. bocht. over elkaar slaan kruisen. verwonding onjuist. buigen. letsel toebrengen bouwvallig. doorbuigen kruisen. bocht. curve blessure. roepen. keisteen robuust. over elkaar slaan fotokopie xerografisch pastoor. armstoel stoel stoel struik. heester snoeien gieren. armstoel stoel zorgenstoel. snood. fors. letsel toebrengen blessure. wond. ruig. struik struik. hachelijk beoordeling. curve kromme. kritiek. kristallen bestelauto. ruigharig heester. hecht. vrouwenrok kristalhelder. verwonding kwetsen. foutief. schreeuwen. joelen gieren. over elkaar slaan frustreren kruisen. aftands ombuigen. lawaaierig snibbig. ferm zorgenstoel. potig. gammel. kiezel. heester afkeuren saus. joelen luidruchtig. verkeerd nadelig kwetsen. rumoerig. zwembad beoordeling. geestelijke. pastor . aanmerking kritiek. aanmerking beoordelen. crimineel rok. bits kromme. sop. jus kiezelsteen. wond. kritiseren. kritiek.

een of andere. aangaan hetwelk. boekenwinkel boekhandelaar boekhoudkundige. welke. een of andere enig. lunair dresseren. die. vormen. dat. welke. welke. een of andere. een of ander een of ander. die. welk hetwelk. tot. enig aanwezige hetwelk. een of andere. enig. welke. brochure boek aangeven boekwinkel. wie. aangaan vormen. vorst boekje. enig enig. operatekst chequeboekje hertog prins. aangaan formeren. wie. welk. bibliotheek koningsdochter. vormen. prinses koningsdochter. prinses maan maan-. bij. brochure boek paperback. dat. ingenaaid boek. voor.książce książe książeczka książeczka czekowa książę książę książka książka adresowa książka kucharska książka telefoniczna książka w papierowej okładce książka w papierowej okładce książkowy księga księgarnia księgarz księgowego księgowość księgowość księgowy księgozbiór księżna księżniczka księżyc księżycowy księżycowy lunatic kształcić kształcić kształt kształt czcionki kształt znaku w czcionce kształtować kto kto ma lekki sen kto zajął drugie miejsce ktokolwiek ktoś ktoś ktoś ktoś zajmujący (miejsce które który który zajmuje się głównie lub wyłącznie podkowami i podkuwaniem koni) których użytkownik uległ awarii ku ku pamięci ku pamięci boek prins. accountant boekerij. dat. formeren. vorst boek adresboek adresboek paperback. die een of ander. aangaan formeren. ingenaaid boek. lunair maan-. wie. wie. enig. libretto. naar noorden noorden . boekhouden boekhoudkundige. die ouderloos aan. kweken. grootbrengen instrueren formeren. een of andere. dat. welk hetwelk. welk. een of andere een of ander. een of ander een of ander. tegen. accountant accountancy boekhouding. vormen.

omgeving. eelt. likdoorn mais. kop kan. hoop. bewerken. koopman koop. in elkaar duiken in elkaar duiken. eredienst. eredienst. hinkend kruk hurken. beschaving. kookgelegenheid keuken. verering beschaving. verering adoratie. massa zakenman. kornuit accumuleren. kreupel. bol. geleerd cultuur. kameraad. beschaving. makker. bouw bebouwen. klant zakenman. gebied mank. eelt. maïs eksteroog. kweken paren maat. aankoop koop. drom. inkoop. teelt. inkoop. kookgelegenheid pony borst.ku wschodowi Kuba kubek kubek kuca kucanie kucharz kuchence kuchni kuchnia kucyk kufer kuglarz kukiełka kukułka kukurydza kukurydza kukurydzą kukurydzą kula kula armatnia kulawy kulą kulić się kulić się kulisty kulka punktor kulka gradu kult kult kultowy kultura kultura kulturalny kulturą kultywował kumpel kumpel kumulować kunszt kup kupą kupca kupca kupiec kupiec kupna kupno verzenden Cuba kopje. koopman neringdoende. sfeer. beschaven cultuur. aanbidding cultus. hagelsteen cultus. kruik hurken. opeenhopen kunst aankopen boel. winkelier afnemer. hurken koken kachel. menigte. koper. handelaar. bouw ontwikkeld. oven keuken. teelt. ophopen. maïs kruk kloot. likdoorn mais. aankoop . in elkaar duiken in elkaar duiken. boezem jongleur marionet koekoek eksteroog. hurken ronde kogel hagelkorrel. handelaar.

temptatie. verlokken. scherm. coupon aankopen koop. coupon bon. doek naaien. gezant patrijs patrijs tracé. klas cursor cursor circuleren. gordijn. kaartje. aanlokkelijk aanvechting. kleppen. kaartje. kwakzalver bedrieger. koers titel. tapkraan haan afgezant. kwalificatie . kop. neuken stof drijfzand stof verleiden.kupon kupon (np. rondgaan jasje. charlatan. weglokken in verzoeking brengen. tap. wijk. colbert. scherm. cureren kuur. aflopen. ineenkronkelen kraan. verlokken. onderschrift. voucher. in omloop zijn. colbert. graad stand. verleiding verleiden. beieren kippevlees. inkoop. buis overgordijn. buis jasje. route. bekoren lekker. kip kippevlees. kip ineenkrimpen. bode. leergang. weglokken in verzoeking brengen. cursus. doek overgordijn. kip kippevlees. kip behandelen. stadswijk vierkant bedrieger. aankoop aankopen kippevlees. bekoren nicht smeden vierkant buurt. premiowy) kupować kupować kupuwać kura kuracja kuracja kuracjusz kurancie kurą kurczak kurczę kurczyć się kurek kurek zamykający kurier kuropatwa kuropatwą kurs kurs kurs waluty kursor kursor wyboru kursować kurtka kurtka dwurzędowa kurtyna kurtyną kurwa kurz kurzawą kurzyć kusić kusić kuszący kuszenie kuś kuś kuzyn kuźnia kwadracie kwadrans kwadrat kwakać kwakanie kwakier kwalifikacja bon. kwakzalver Quakerbevoegdheid. charlatan. voucher. behandeling patiënt. klasse. gordijn. zieke galmen.

zaak kwestie. bedrag. getal somma. wijk. vraag. niet-ingewijde schoensmeer. nietje.kwalifikacją kwartał kwartał kwas kwas o wysokim stężeniu kwaskowaty kwaśny kwaśny kwatera główna kwatery kwestia kwestia kwiat kwiat kwiat kwiat z rodziny compositae kwiecie kwiecień kwit kwitnący kwitnąć kwitnąć kwitnąć kwitować kwocie kwocie kwota kwota kwota jednopensowa l. lakken verlakken. mn. kwiteren fleurig. klamp. aangenaam lagune. nietje. rob tonnetje. getal somma. som. stuiven hoer. stadswijk aangelegenheid. april voor voldaan tekenen. schoencrème verlakken. totaal. bloeiend bloem bloesem fanfarekorps. verspuiten. vakterm zuur zuur sluw zuur zuur hoofdkwartier buurt. summa stuiver. kustmeer leek. ding. totaal. fanfare voor voldaan tekenen. lakken zeehond. klamp. lakken verlakken. pop . kustmeer lagune. lichtekooi. prostituée genoeglijk. zeerob. stadswijk term. summa tal. pop tonnetje. kwiteren tal. gieten. haakje kramp. navraag bloem bloesem bloem bloem bloesem grasmaand. haakje laboratorium sauzen. behaaglijk. aantal. wijk. penny cactus kramp. stortregenen afranselen opspatten. <cactuses> lub <cacti>) kaktus l. affaire. som.mnoga parentheses nawias okrągły laboratorium lać lać lać się ladacznicą ladny laguna laguną laik lak lakier lakier (bezbarwny) lakier bezbarwny lakować lalą lalka bevoegdheid. aantal. bedrag.mnoga nawias okrągły l. kwalificatie buurt.

in omloop aan land gaan. stok suikerriet zomer aanvliegen aanvliegen zwemmen. rumoer. vuurmaker latex jaar zomer wijnstok. toorts. behandeling . landing aanvliegen les maar. panter lamp lamp promoveren. landen daling. bevorderen terugvallen herrie. steen en been klagen lamp schuif. afsluiten. steen en been klagen rouwen weeklagen. flambouw lantaarn lantaarn vuurtoren. landing daling. lauwer lavalawine lawine circulerend. doch kuur. wingerd nakomelingschap. toorts. leven. lichttoren. lawaai larve woud. drijven fakkel. afdammen staf. klep luipaard. vuurbaak aansteker.lament lamentować lamentować lamentował lampa lampa elektronowa lampa elektronowa zawór lamparcie lampart lampą lampka lansować lapsus larum larwa las laska laska laska lata latać latać przed oczami latać przed oczami latarce latarka latarni latarnia latarnia morska latarnik lateks latka lato latorośl latorośl latryna laur lawa lawina lawiną lawirować ląd lądować lądowanie lądowanie (samolotu) lecieć leckja lecz leczenie weeklagen. ophef. klep schuif. zaad latrine laurier. panter luipaard. kroost. flambouw fakkel. landen aan land gaan. steen en been klagen weeklagen. bos belemmeren.

helen behandelen. geneesheer nonchalance. kwalijk. aanmaken glossarium glossarium limonade limonade vlas luiheid luiheid ai. geneeskundig dope. kwalijk. kruid medicijn. geneesmiddel helend. dokter. cureren kwalijk. kwalijk amper. beter maken. doen ontbranden. nalatigheid les les aansteken. genezen. nauwelijks. legaal legende. helen beter maken. amper amper. medicinaal. nauwelijks. drug. helen doctor medicus. drogerij.lecznica leczniczy leczyć leczyć leczyć leczyć ledwie ledwie ledwo ledwo legalizować legalny legenda legendarny legendą legią legion legislacją legitymować legumina lej lejek lek lek lekarski lekarstwa lekarstwo lekarstwo lekarz lekarz lekceważenie lekcja lekcją lekki lekkoatleta lekkoatletyka lekkostrawny leksykon automatyczny leksykon zautomatyzowany lemoniada lemoniadą len lenistwa lenistwo lenistwo leniwiec leniwy leniwy kliniek helend. kruid beter maken. volksoverlevering legioen legioen recht identificeren. nauwelijks amper. luiaard ai. nauwelijks getuigen. vereenzelvigen spel trechter trechter dope. geneeskundig behandelen. luiaard lui lui . certificeren wettig. medicinaal. genezen. gewettigd. doen ontbranden. cureren genezen. drogerij. drogerij. wettelijk. aanmaken atleet sport aansteken. volksoverlevering legendarisch legende. arts. kruid dope. artsenij. drug. drug.

getal aantal.lennik lenno lepiej lepik lepki lepszy lepszy (zobacz <good>) leszcz leśny letarg letni letni lekko ciepły lew lewa strona lewarek lewy lewy ukośnik leżakowanie leżance leżeć lękać się Liban liberalny liberał lica licencja lichtarz licował licytacja licytator licytować liczba liczba liczba całkowita liczba dziesiętna zmiennopozycyjna liczba poza zakresem liczba rzeczywista liczba zmiennoprzecinkowa liczba zmiennoprzecinkowa liczba zwojów liczbowy liczebnik liczebnik liczebność liczenie liczniejszy (zobacz <many>) licznik liczyć vazal. veilingmeester auctie. aantal. getal. krik linker-. ah proportioneel. dommekracht. afslag. horen. tal nummer. oh. cijfer aantal. lethargie zoel. evenredig tal. betamen. leen beter teren vochtig opperste. getal rekenen. links linker-. mijn. leenman leengoed. lauw zoel. lauw leeuw omgekeerd. vrijzinnig het hoofd bieden vergunning. cijferen aantal. afslager. geheel majoor och. ach. links kruiden divan. meetellen meer meter. Libanon liberaal. prevalent. mijn. cijfer onbekrompenheid. veiling vendumeester. rustbank liggen kwartel Libanongebergte. Turkse staatsraad. blaker behoren. versmaat calculeren. afslag. getal. berekenen . rekenen. veiling tal. vendu. metrum. overvloed in aanmerking komen. vrijzinnig liberaal. tal heel. passen auctie. averechts. vendu. licentie kandelaar. getal. tegengesteld vijzel. tal nummer. superieur beter bramsem hout doffe onverschilligheid. aantal.

beknotten beperken. linguïst. taalkundig vislijn. tros trekken vloerzeil. opheffen afwikkelen. koorde. chef. liquideren.liczyć liczyć liczyć liczyć (<on sb> na kogoś) liczyć na liczyć na liczydło lider lidze liga likier likier likwidować likwidować (się) likwidować się lilia lilią liman limicie limit limit czasu odpowiedzi limit liczby sesji lina holownicza lina holownicza lingwista lingwistyczny linia linia autowa linia łącze linia programu liniał linijka linijka (do rysowania) linijka z podziałką linijka z tabulatorami link editor linka linka/lina holownicza linoleum lipa lipą lipca lipiec liryczny lis Lisp list list polecający list przewozowy meten. begrenzen. begrenzen. epistel. abacus gebieder. lijn taalkundige. beknotten beperken. hengelsnoer hobby vislijn. drank. taalgeleerde taal-. hengelsnoer liniaal liniaal onder de knie krijgen. snoer. brief geloofsbrief zendbrief. linoleum kalk kalk juli. verbond bond. berekenen in aanmerking komen. hooimaand juli. hooimaand tekst vos lispelen zendbrief. getal. sim. sim. hengelsnoer lijntje. uitschakelen lelie lelie baai. begrenzen. koord. sim. liga. opheffen afvoeren. beknotten beperken. berekenen in aanmerking komen. liquideren. tal aantal. elimineren. alcoholische drank afwikkelen. inham. epistel. tal meten. liga. aanvoerder. begrenzen. meetellen aantal. meester worden aanslag liniaal linker kabel. kreek beperken. getal. snoer. verbond likeur alcohol. snoer. beknotten vislijn. meetellen telraam. brief . baas bond. snoer.

vliegtocht krullen slot ijzig. literair woordelijk. ijs. epistel. literatuur. blad litanie litanie zendbrief. koelcel ijsco. postbode postbode. letterlijk schade. bladertooi lat herpes vel. litterair. een lijst maken aangeven uitlisten. ijsje logica logisch . consumptie-ijs. literair spellen spellen woordelijk. slachtmaand november. gebladerte. epistel. paperback. literatuur. brievenbesteller november. iets betreurenswaardigs liter liturgie Litouwen Litouws likken Lissabon likken linnen vlucht. literair litteratuur. slachtmaand loof. brief letterkundig. letterlijk woordelijk. een lijst maken vel. ijskoud. ijsgletsjer gletsjer koelkast.list uwierzytelniający lista lista lista związana listek listek listonosz listonosz listopad listopadowy listowia listwa liszaj liść litania litanią litera litera z literacki literal literał literał boole'owski literatura literatura literaturą literaturoznawstwo literować literować znaczyć literowy litość litr liturgia Litwa litwin lizać Lizbona liż lniany locie loczek loczek lodowaty lodowca lodowiec lodówka lody logice logiczny zendbrief. brief zendbrief. epistel. brief uitlisten. letterlijk woordelijk. letterlijk letterkundig. blad brochure. litterair. litterair. letterkunde letterkundig. ingenaaid boek postbeambte. letterkunde litteratuur.

perceel toevallig. incidenteel incidenteel. wezenlijk getrouw. lokaal plaatselijk.logika logika formalna logika matematyczna logika ujemna logika większościowa lojalnie lojalny lok lokacją lokal lokalizacja lokalizować lokalny lokalny obszar danych lokator lokator lokomotywa lokomotywa lokomotywą lokować Londyn lord lord lord (jako tytuł) lornetka los los losowy losowy dowolny losowy dowolny lot lot loteria loterią lotne piaski lotnia lotnictwa lotnictwo lotnik lotnik lotnik lotniska lotnisko lotnisko lotos loża (teatr. rolklaver boksen ijsje. aviateur. plaatsen plaatselijk. ruimte plaats. aviatiek. luchvaart vlieger. ijsco. trouwhartig krullen plaats. lokaal aanwezige huurder locomotief motorisch motorisch situeren. toneelkijker lotsbestemming. plek plaats. bestemming. binocle. oord. incidenteel vlucht. lokaliteit. luchvaart vliegwezen. vlieghaven luchthaven lotus. vliegtocht vlieg loterij.) lód lśniący logica logica logica logica logica werkelijk. loodsen vliegveld. vliegenier strooibiljet binnenbrengen. aviatiek. lokaal. lokaliteit. ijs. oord. loyaal. lumineus. briljant . verloting drijfzand hang-glider vliegwezen. lot kavel. leggen. verloting loterij. consumptie-ijs glanzend. oord. vlieghaven vliegveld. ruimte situeren. leggen. plaatsen Londen graaf lord lord kijker. toevallig toevallig. trouw.

humaan mensdom. krenken. luxeartikel luxueus. mensheid ton. tot hoe. oningevuld. rul mul. gaping soldeer. getapt. als. volk. soldeersel soldeer. februari uitvoeren. soldeersel soldeer. lui. vod. blank glacé suiker Luxemburg weeldeartikel. weelderig weelderig. voor. voorspelen losjes mul. lomp.lub lub LUB wykluczające LUB wyłączające lubić lubić słodycze luce lucie lucyfer lud lud ludność ludowy ludowy ludzie ludzki ludzki ludzkość lufa luka luka luka w świadomości lukier lukier syntaktyczny Luksemburg luksus luksusowy luksusowy lunch lunecie lusterka lustro lut lut srebrowy lutego lutni lutnia lutować lutować lut lutowie luty luz luźno luźny luźny kawałek lżyć łabędź łach grijs. tot opening. mensen menselijk menselijk. lor. bij wijze van. bij wijze van. een bres slaan in loos. als. blanco. soldeersel sprokkelmaand. verrekijker afspiegelen afspiegelen soldeer. hol wit. fust een bres slaan. lens. vat. februari luit luit soldeer. lunch sterrenkijker. lap. soldeersel Lucifer volk lieden. flard . grauw of of of hoe. soldeersel sprokkelmaand. affronteren zwaan vodje. soldeersel soldeer. mensen bevolking volk populair. luxueus twaalfuurtje. bres. telescoop. rul beledigen. volk. lui. tod. ledig. spelen. voor. veelgeliefd lieden. leeg.

liefelijk vriendelijk. weekheid zacht. commanderen. stemband. onderbeen. mild. keten ketting. lomp. lankmoedig zachtheid. aangenaam vriendelijk. sierlijk vriendelijk. bevallig. lap. belust. ploert begerig. malsheid. keten koorde. nietje poot. malsheid. voorkomend goedertieren. gretig afbreken breuk. lading aanklacht. been bederven. zacht gracieus. buit maken scheppen. keten ketting. snaar haakje. zacht. omschakelen. happig. gotisch lettertype barst puzzel. temperen. carga. aardig laars aanklacht. schavuit. raadsel breekbaar. broos achterste ketting. ellendeling. aangaan poot. flard Latijns Latijns aanvoeren. beschuldiging laden verkrijgen. behalen. zachtaardigheid zachtheid. zoet. zachtaardigheid zachtheid. klamp. beschuldiging zachtjes. opscheppen goederen. weekheid liefelijk. overschakelen boef. voorzichtig zachtaardigheid mildheid. zachtaardig zoet. verzwakken harden. behaaglijk. lor. stalen omleggen. schappelijk. been aanfloepen. zachtmoedig. aanflitsen. tod. onderbeen. bevelen genoeglijk. mildheid. beminnelijk. verbasteren. vod. voorkomend verdunnen.łachman łacina łaciński ład ładny ładny ładować ładować ładować (system) ładować do pamięci pobieranie ładować szuflą ładunek ładunek łagodnie łagodność łagodność łagodność łagodność łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny łagodny (klimat) łagodzić łagodzić łagodź łajdak łakomy łamać łamać (się) łamać zabezpieczania (w szczególności usuwać blokady przed nielegalnym użyciem programu) łamigłówka łamliwy łania łańcuch łańcuch znaków łańcuch znaków mieszanych łańcuch znaków mieszanych Łapa łapa łapać łapą łapówce vodje. omkopen .

allicht met gemak. lessenaar badhuis. zitbank jury bank. aanhoudend lap. gedweeheid lichtgelovig licht. zitbank bank bank. sim. marter wezel. makkelijk handelbaar. wei samenhang. verbinding monteren. badplaats bad. zetten samenhang. allicht brandbaar meegaandheid. voorafgaand blijvend. hengelsnoer trekharmonika. ineen bewerker vislijn. accordeon communiqué communiqué inclusief aansluiting . volgzaamheid. ingezet stuk bries. tezamen. verleden. genadigheid. inschikkelijk licht. weide. omkopen wezel. ingezet stuk lap. wellen samen. makkelijk dok bank. marter gunst. lapwerk. zitbank lezenaar. ingezet stuk lap. verbinding samenhang. zetten monteren. beemd. vlot. lapwerk. lapwerk. verbinding monteren. badkuip grasland. vlot. badkamer. trilgras met gemak. kietelen voorgaand. bijeen. snoer. verbasteren.łapówka łasica łasicą łaska łaska łaska łaskotać łaszt łaszt łata łatać łatka łatwizna łatwo łatwo wpadający w złość łatwopalny łatwość użytkowania łatwowierny łatwy łatwy łatwy do zagrania ława oskarżonych ława przysięgłych ława przysięgłych ławą ławica ławka ławka szkolna łazience łazienka łaźnia łące łącze łącze łącze ATM łącze odbiorcze łącze typu "backhaul" łącze wsteczne łączenie w pary skręcanie wiązek parowych (przewodów) łącznie łącznik łącznik łącznik obwodów drukowanych łączność transmisja łączność zdalna łączny łączówka bederven. badplaats badhuis. weiland. badkamer. zetten lassen. begunstiging sierlijkheid Gratie kriebelen.

weiland. lemmet afdrogen. leiden kriebelen. stam schrijden opslaan boomstam. aan elkaar vastmaken echtpaar. lemmet schouderblad kling. verbinden. wellen bijeenbrengen.łączówka łącznik łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć łączyć konsolidować łączyć (się) łączyć n wiązanie łączyć się łączyć się łączyć zestawiać układać (arkusze książki) kolacjonować (porównywać teksty) sortować (wydrukowane kartki) łączyć złączyć scalić mieszać łądować łąka łeb łechtać łgać łkać łodydze łodydze łodyga łodyga łodyga trzon rdzeń łokcia łokieć łom łona łona łono łono (osoby siedzącej) łopacie łopat łopata łopata łopatka (wirnika łopatka kość łopatka wirnika łoskot łosoś łoś łoś amerykański łotewski aansluiting zich aaneensluiten. mengen samenvoegen. zetten samenvoegen. opscheppen pek. kietelen liggen snikken schrijden boomstam. schoppen. steek. lemmer. afranselen zalm eland eland Lets . klapperen scheppen. toetreden aansluiting monteren. wei geleiden. temperen. plassen. borst baarmoeder baarmoeder klotsen. combineren vermengen. lemmer. kletteren. lid worden. lid worden. spaak boezem. graven kling. de weg wijzen. spitten. hefboom. stam elleboog elleboog koevoet. combineren laden grasland. aansluiten samenvoegen. toetreden lassen. echtelieden wijzerplaat zich aansluiten. kabbelen. verbinden. combineren zich aansluiten. combineren verbinden. opscheppen woelen. verbinden. mixen. beemd. aaneenvoegen samenvoegen. prik scheppen. weide. verbinden. stoot.

schaal schild. ploert. hap aperitief. tuinbed. schors. bloemperk kinderbed perk. schaal scheepsromp. schaal scheepsromp. bloemperk lager kloot. schuit boot. kogel. smeer. bloemperk begoochelen. bol boot. bed. toog buit beetnemen. inslikken slikken. beetkrijgen barst splinter roos schil. tuinbed. afpellen. doorslikken. kaalhoofdig pollepel theelepeltje theelepeltje theelepeltje pollepel schoenlepel. bodem. dop. romp. rugschild.łotr Łotwa Łotysz łowić łowić na wędkę łowić ryby łożko łożyska łożysko łożysko (techn. bed. talk ledikant perk. schuit talg. jassen kalf mondvol. schoelje. reuzel. casco lei schil. bed. kaarsvet. loeder Letland Lets aanfloepen. borrel resorberen. schors. boog boog. tuinbed. bodem. orzechy) łupież łupina orzecha łupiną łupki łusce łuska łuskać łuskać łydka łyk łyk łyk łyk łykać łysy łyżce łyżeczce łyżeczka łyżeczka do herbaty łyżka łyżka do butów rotzak. toog boog. casco schillen. romp. illusies wekken bij toog. schoenhoorn . tuinbed. doorslikken. dop. opslorpen. pakken. schuit boot. aangaan hoek vissen perk. inslikken kaal. aanflitsen.) łożysko kulkowe łódka łódź łódź żaglowa łój łóżka łóżko łóżko łóżko piętrowe łudzić się łuk łuk łuk termoelektronowy łup łup łupać łupać (np. slurpen slikken. bloemperk nageboorte perk. bed.

bezitting spul. hebbelijkheid baarmoeder gietvorm. bandrecorder magnetisch magnetisme mohammedaan. krant pakhuis. matrijs gietvorm. verhevenheid oprijlaan. moeder uitzaaien antenne. oprit plechtstatig. wuiven. glijmiddel vaneenscheuren. doorscheuren gescheurd mach gebaren. verkeersweg magneet magnetiseren magnetofoon. toverachtig toverkunst. kardoes toverkunst. combinatie autobus grote weg. islamiet. warenhuis opslaan blad. spriet. zelfwerkend. islamiet. magie magisch. zwaaien werktuiglijk. goedje. ra stiefmoeder Madonna Madonna Madrid pakhuis. statig. verhevenheid statigheid. meester worden verbinding. substantie statigheid. automatisch aanwensel. mei krankzinnig zijn goed. voelhoorn. boerderij. magazijn. landgoed. magazijn. warenhuis winkel patroon. matrix. moslim mohammedaan. majestueus . matrijs ouder.łyżwa łza łza mach machać machinalny machlojce macica macierz macierz matryca macierzysty maciorą macka macocha Madonna madonną Madryt magazyn magazyn kolorów magazyn kolumn magazyn pocztowy magazyn wiadomości magazynek magia magia magiczny magiczny magik magister magistrala magistrala szybka magistrala szybka magnes magnesować magnetofon magnetyczny magnetyzm mahomatanin mahometański maj maj majaczyć majątek majątek majestacie majestat majestatycznie iść majestatyczny schaats. moslim mogen bloeimaand. stof. magie magisch. matrix. toverachtig goochelaar onder de knie krijgen.

huisschilder afdraaien. top. piek sententie. schilderen schildering. blanketsel. maximaal snelheidsgrens maximum-.major majówce majstrować majtek majtki majtki (damskie) mak makabra makabryczny makabryczny makaron makiecie makieta makijaż makler makler giełdowy makrela maksimum maksymalna szybkość maksymalny maksymalny maksymą malał malał malaria malaria malaria malarstwa malarstwo malarz maleć maleć maleńki malina maliną malować malował malowidło malowniczy Malta Maltańczyk maltański maltretować mało mało tego mało znany mało znany małpa majoor uitstapje. verlagen verminderen. donker aap . doek. afnemen propperig. verminderen koorts oerwoud. spreuk verminderen. toer pottenbakker vijzel. doek. schilderij schilderachtig. geen. excursie. dommekracht. tip. jungle. schilderen verven. doek. rimboe malaria schildering. make-up makelaar makelaar makreel maximum-. afnemen inkorten. tocht. nee. krik onderbroek onderbroek papaver griezelig. schilderij schildering. niet weinig obscuur. eng eng. zinspreuk. schilderij schilder. kleuren. onbekend. kleuren. griezelig ijselijk. trip. afschuwelijk macaroni modelleren modelleren schmink. punt. klein. maximaal spits. minuscuul. pittoresque Malta Maltezer Maltezer gescheld weinig neen. verver. minuskuul framboos framboos verven. neus.

manoeuvreren manoeuvreren. kruk. lastbrief mandarijn (vrucht) volmacht. manipuleren. klein. mamma mummie volmacht. manier demonstratie. gering. echtverbintenis huwelijk. hanteren . echtverbintenis echtgenote. mam. vertoning. man eega.małpa małpa bezogonowa małpa człekokształtna małpa człekokształtna małpą małpi mały mały mały mały mały sygnał małych rozmiarów zbity małż małżeństwa małżeństwo małżonce małżonek małżonek mam mamą mamrocz mamrotać mamrotanie mamusia mamusia mamusia mandacie mandarynka mandat mandat manewr manewr manewrować manewrować manewrował mangusta mania manicure maniera manierą manifestacja manifestacja (uczuć) manifestować manifestować manipulator drążkowy manipulator kulowy manipulować manipulować aap aap aap aap aap aapachtig minder. gemalin. pronken demonstreren. luttel. klein. echt. echt. handvat. manifesteren peddelen. paraderen. mam mammie. rangeren manoeuvreren. karig compact. echtgenoot. luttel. mamma. ma. ichneumon. mummelen morren. brommen. karig. min. rangeren mungo. dicht mossel huwelijk. mompelen. wijze. manoeuvreren manoeuvreren. mompelen. brommen. luttel. mummelen mammie. hebben mummie morren. echtgenote. door het water plassen kattekop oor. gering. vertonen laten blijken. eega. mompelen. kaartje rangeren. ma. klein min. karig wieden. eega. mummelen morren. mangoest obsessie manicuren trant. bewijs pralen. mandaat. echtgenoot erop nahouden. wijze. lastbrief biljet. schoffelen min. man. klink omgaan met. hengsel. brommen. prijken. rangeren rangeren. plaatsbewijs. min gering. manier trant. mandaat. vrouw gemaal.

rand marionet marionet merken. bedoeling. plan. kaart landkaart. tekenen jam. kaart landkaart. tekort handschrift. wortel peen. marge. wortel margarine margarine kant. doel moralist. marcheren peen. kreukelen.manipulował mankiet manko manuskrypcie manuskrypt mapa mapa mapa alokacji (pamięci) mapa bitowa mapa przydziału mapa schemat wykres mapa termiczna mapą mapce maralista marca marca marca marca marchew marchewce marchewka margaryna margaryną margines margines na spad margines zewnętrzny marionetce marionetka marka marmolada marmur marnie marnotrawstwa marnotrawstwo marnować marny Maroko Mars marsz marsz marsz marsz marszczyć marszczyć (się) marszczyć się marszrucie martwić omgaan met. kopij bitmap landkaart. manipuleren. opmaken. kaart landkaart. marge. hanteren manchet kastekort. fronsen verfomfaaien. rand kant. verdoen verklungelen. beproeven . opmaken. verdoen verklungelen. kaart strekking. kaart landkaart. wortel peen. verdoen goedkoop Marokko Mars lentemaand tippelen maart lopen. zedenmeester lentemaand tippelen maart lopen. manuscript. manuscript. rand kant. kopij handschrift. tracé. kaart bitmap landkaart. frommelen onduleren reisplan. route. opmaken. bedroeven. marcheren rimpelen. marge. deficit. marmelade pilletje ellendig verklungelen. moes. baanvlak verdriet doen.

zouten. inleggen. ondergrond drom. maskeren bemantelen. inmaken lentemaand tippelen maart lopen. zeemacht jasje. mopshond moordpartij. bloedbad moordpartij. colbert. buis jasje. inleggen. dodelijk doods. bloedbad masseren bemantelen. bedremmeld. bewimpelen. beproeven bezorgd zijn. gedroom. colbert. zich bekommeren. buis jas. grootte achtergrond. bewimpelen. bedroeven. overjas marine. grond. mijmeren mijmering. hoop. inleggen. bewimpelen. inmaken jasje. massa. buis marine. beteuterd bezorgd zijn. colbert.martwić martwić martwić się martwić się martwy martwy sezon marynacie marynarce marynarce marynarka marynarka handlowa marynarka wojenna marynarka wojenna marynata marynować marzec marzec marzec marzec marzenia marzenie marzł marzyć marża masa masa masa masa gliniana masakra masakrą masakrować masaż masce maselnica maska maska wprowadzania maskarada maskarada IP maskaradą masła masło mason mason mason masoneria masoński masować masować beduusd. rand omvang. marge. bloedbad moordpartij. maskeren maskering maskering maskering boter boter vrijmetselaar vrijmetselaar metselaar metselwerk vrijmetselaarskneden masseren . bodem. boel mops. maskeren karnen bemantelen. zich bekommeren. inmaken pekelen. mijmeren kant. zouten. zouten. zorgen doods. zeemacht pekelen. bestek. marcheren dromen. gemijmer vriezen dromen. menigte. zorgen verdriet doen. dodelijk pekelen.

zaak schaakmat. slachten massief mast lentemaand tippelen maart lopen. ding. calculator schrijfmachine naaimachine machine machine machinerieën typiste typiste machine mechanisch. wiskundige wiskunde. materieel weefsel aangelegenheid. mat ouder. mat aangelegenheid. moeder schablone. affaire. hoop. affaire. menigte. nadoen paren schaakmat. ding. affaire. sjabloon wiskundig. bouw. ding. saus imiteren. massa. materialiseren verstoffelijken. zaak dingen. nabootsen. patroon. mathematica matras aangelegenheid. spullen . zaak verstoffelijken. grootte drom. marcheren mast locomotief machine rekenmachine.masowy masowy masowy mord masywny maszcie maszerować maszerować maszerować maszerować maszt maszyna maszyna maszyna do obliczeń maszyna do pisania maszyna do szycia maszyna wykorzystywana do budowania oprogramowania maszyną maszyneria maszynistce maszynistka maszynowy maszynowy maszyny maszyny budowlane maszyny elektryczne maszyny rolnicze maszyny) maść maść maśladować mat mata mata mata antyelektrostatyczna matce matem. boel afslachten. bestek. aanbouw prieel akkerbouw trechter vla smeersel. werktuiglijk prieel constructie. mathematisch mathematicus. Macierz matematyczny matematyk matematyka materac materia materializować (się) materializował się materialny materiał materiał materiał omvang. materialiseren stoffelijk.

meel gemaal. bewusteloos raken misselijkheid. bloem storen. inboedel leveren. bloem bloem. hinderlaag. besmeren smeren. matrix. handeling. matrijs schablone. werktuiglijk mecanicien. walging. sjabloon gietvorm. matrijs gietvorm. automatisch mechanisch. hinderen wijsheid verstandig. matrix. bijtend stoffelijk. vermoeiend. werktuigkunde werktuiglijk. belemmeren. besmeren invetten meel. echtgenoot. afleveren mos mecanicien. guur. patroon. wijs meel. materieel dingen. werktuigkundige mechanica. optreden. melig . eega. fel. matrix. val schaakmat. werktuigkunde mechanica. arglist slag. walg. vroed. werktuigkundige mechanica. mat intendante intendante gietvorm. taai.materiał do robienia worków materiał podłogowy materiał podłogowy materiał wybuchowy materiał wypełniający matka matka przełożona matni matni matowy matrona matroną matryca matryca matryca ostrzy matryca przełączająca matryca rdzeni matrycować mazać mazaniną maź mące mącić mądrość mądry mąka mąka mąż mdleć mdleć mdłości mdły meble meblować mech mechanice mechanice mechaniczny mechaniczny mechanik mechanika mechanika statystyczna mechanizm mechanizm mechanizm zegarowy mecz mecz bokserski meczący kunst doordringend. man zwak bezwijmen. patroon. moeder abdis valstrik. valstrik. boetseren schablone. gedoe machinerieën locomotief lucifer lucifer saai. ameublement. doorsmeren. zelfwerkend. bestellen. sjabloon smeren. afkeer poeslief huisraad. doorsmeren. spullen laken ouder. werktuigkunde actie. sauzen. matrijs modelleren. sauzen.

burgervader Mercurius kwikzilver.meczecie meczet medal Mediolan medycyna medycyna nuklearna medycyna sądowa medyczny medytować mekce Meksyk Meksykanka meksykański melancholia melancholią meldować meldunek melodia melodia melodia melodią melodramat melodramatyczny melon memento menażer menażerią menedżer plików mennica mennicą mentalny menu menu skrótów mer Merkury Merkury meszek meszek met metafora metaforą metal metaliczny metalowy metamorfoza (efekt graficzny) metamorfozą meteor meteorologia moskee moskee penning. deuntje. nesthaar. beeld. artsenij. droefgeestig. munt pepermunt. melancholiek aandienen. adverteren informeren. dutten samenkomen. kwik waas. meier pepermunt. melodie in een stemming brengen. meteorologie . geneesmiddel helend. melodie melodrama melodramatisch meloen aandenken. geneesmiddel medicijn. geneeskundig peinzen. droefgeestig. gedenkschrift bestuurder. deun. mentaal kaart kaart burgemeester. sluimeren. geneesmiddel medicijn. administrateur dierentuin intendant. mediteren. medaille Milaan medicijn. artsenij. wijsje. berichten. munt geestelijk. dons druilen. metafoor metalen metalen metalen vermengen. nadenken Mekka Mexico Mexicaans Mexicaans weemoedig. inlichten lucht wijs. beheerder. aankondigen. mixen. vergaderen beeldspraak. opzichter. metamorfose meteoriet weerkunde. deun. stemmen wijs. kruizemunt. bijeenkomen. medicinaal. beeld. kruizemunt. melancholiek weemoedig. artsenij. deuntje. wijsje. metafoor beeldspraak. temperen. mengen gedaanteverwisseling.

aanstelling namelijk. floers mij. meeuw zeemeeuw. stelsel. taai. eerlijk. aanstellen commissie. naamwoord. metropolis. damp. nevelig nevel. me benaming. dampig. dringen. mist. metropool hoofdstad. bestel bewerking methode methodisch. meeuw doodsangst. braaf. floers. opdracht. Schotse rok mannelijk mannelijk mannelijk mens flink. heiig. naamwoord benaming. koeioneren. salvia kwellen. nevel. versmaat meter. martelen kilt. salvia salie. floers damp. mist nevel. martelaar knellen. damp. floers. schools methodistisch meter. bedillen vervagen mistig. agonie saai. metropolis. metrum. metrum metro metro hoofdstad. doodsstrijd. melig bloedgetuige.meteoryt metoda metoda metoda złożona (z metod podstawowych danego obiektu) metodą metodyczny metodysta metr metr metra metro metropolia metropolią metryczny metryka mewa mewą męczarnie męczący męczennik męczyć męczyć mędrzec mędrzec hinduski męka męska spódniczka szkocka męski męski męskoosobowy mężczyzna mężny mgiełce mgiełka mgliste wspomnienie mglisty mgła mgła mgłą MI miana miano mianować mianować mianowanie mianowicie miara miara odległości meteoriet methode systeem. versmaat. koeioneren. drukken kwellen. te weten. in naam metriek meten . mist. dapper. ferm damp. boodschap benoeming. mist haarkloven. martelen salie. nevel. vermoeiend. metropool metriek metriek zeemeeuw. naam benoemen. naam. persen.

neigen bijdragen mikken. domicilie ruimte. koperen roodkoperen. plaats graad. oord. oord. stadje. grote stad stad. ding. lokaal ingeboren. kwartier woonplaats. deskundig. lokaal. beogen. zaak vont. run vlees slagzwaard erop nahouden. plek plaats. aangeboren burger-. oord. boerderij. affaire. plaats wereldstad. norm . lokaliteit. grote stad aandrang. adapteren aangelegenheid. geneigd zijn. bekken. verschillen. stads landgoed. bril woning. kleppen. onderkomen. plek ligging ruimte. mikken op. open veld plaatselijk. domicilie ligging platteland. najagen uiteenlopen. status. hebben ambiëren. bedoelen afstemmen. schelen gebeuren. lokaliteit. oord. aanpassen. stand. koperen plaats. stadsciviel stads-. lokaal.miara przymiar miarą miarodajny miasteczka miasto miasto miasto (duże) miażdżyć miąższ miecz mieć mieć aspiracje mieć inne zdanie mieć miejsce mieć na myśli mieć nadzieję mieć rozgłos mieć skłonność do czegoś mieć wkład mieć zamiar mieć zastosowanie mieć znaczenie miednica miedź miedź beztlenowa o wielkiej przewodności miejsca miejsce miejsce miejsce miejsce na dysku miejsce przeznaczenia miejsce zakotwiczenia miejsce zamieszkania miejsce zamieszkania miejsce zamontowania miejsce zdalne miejsce zmieszkania miejsce zmieszkania miejscowość miejscowy miejscowy miejski miejski miejski mienia miernik miernik meten meten competent. lokaal. aan de hand zijn gemiddeld hopen galmen. kom roodkoperen. stedelijk. aflopen. rang plaats. standaardmaat. stadje. oord. plaats bewoning zetel. dingen naar. logies. plaats wereldstad. plek woonplaats. bezitting metriek regel. bevoegd stad. toeloop. beieren geneigd zijn tot.

zacht. kruizemunt.miernik zakłóceń mierny mierzyć mierzyć mierzyć miesiąc miesić miesić ciasto miesięcznik miesięczny mieszać mieszać mieszać mieszadło mieszał mieszaniną mieszanka mieszanka rozkazów mieszczuch mieszka mieszka mieszkać mieszkanie mieszkanie mieszkanie z utrzymaniem mieszkaniec mieszkaniec internatu mieszkaniec stolicy między między między siedzibami międzynarodowy międzynarodówce miękki miękki miękki powrót karetki miękki programowalny miękko mięsa mięsień mięso mięśnia mięta migać migać migawce migawka migdał meter. ingezetene tussen tussen. resideren. bewoner. mengeling vermengen. huizen resideren. mixen. metrum. maandelijks karnen temperen. vermengen temperen. beduusd. domicilie inwoner. mengen. onder tussen. temperen. flikkeren. huizen appartement. gevestigd zijn. munt knipogen. maandelijks maand-. ingezetene koloniaal inwoner. mengen. bewoner. metrum. mixen. versmaat lauw. beteuterd mengelmoes. door het water plassen bedremmeld. liefelijk zachtjes. liefelijk gunning. pinken flitsen. zacht. aanbesteding zoet. mengen Filistijn huizen. versmaat maand kneden kneden maand-. onverschillig meten plechtig. mixen. gloren luik luik amandel . gevestigd zijn. zacht. temperen. flat woonplaats. knipperen. vermengen. gevestigd zijn resideren. onder internationaal internationaal zoet. mixen peddelen. afgemeten meter. mengen vermengen. mengsel. voorzichtig vlees spier vlees spier pepermunt. ceremonieel. liefelijk zoet. flat appartement.

spelen. aangenaam genoeglijk. aangenaam niettegenstaande. mengeling bond. flakkeren uitvoeren. in weerwil van niettegenstaande. houden van. pinken flikkeren. zachtaardig genoeglijk. in weerwil van ofschoon. stil. zwijgend stil. liga.migdałek might> mogę might> mogę migocz migotać migotać migotać migotanie migotanie obrazu mijać mika mikrob mikrofilm mikrofon mikroskop mikstura mila mila mila (1609. lief zacht. behaaglijk. rustig. flakkeren knipogen. glimmer microbe microfilm microfoon microscoop mengelmoes. stilzwijgend. verbond mijl mijl mijl stil. genoeglijk waard om van te houden beminnenswaardig. wel . behaaglijk. zachtmoedig. minnares virtuoos vreedzaam. flakkeren flikkeren. al. vrijster.344m) milą milczano milczący milczący milczący milczenie mile widziany milimetr milion militaria militarny milusi miłosierdzie miłosny miłość miłość miłość od pierwszego wejrzenia miłośnik miłośnik sztuk pięknych miłujący pokój miły miły miły miły miły miły mimo mimo wszystko mimo że amandel mogen bloeimaand. beminnelijk. houden van. sprakeloos nog bedaard. voorspelen flikkeren. flakkeren inhalen mica. vredelievend aangenaam. liefhebben beminnen. liefhebben vriendin. kalm feestelijk inhalen millimeter miljoen militair militair aanhalig naastenliefde. mei flikkeren. liefhebben droefheit. stilzwijgend. mengsel. menslievendheid beminnen. alhoewel. beproeving beminnen. houden van. mild. hoewel. zwijgend stom. hartzeer. geliefde. knipperen.

mystificatie beduvelen. bezem veger. bedotten mystiek mystiek misvatten. titelhouder. air. fata morgana myriade vont. bewindsman minister. beetnemen. schijn. bewindsman ministerie departement ministerie kantoor schat ministerie mijnbouw min. bezem honing honing luchtspiegeling. meester worden mystiek mystiek puzzel. meester worden kampioen. opdracht. maëstro onder de knie krijgen. zending missie. bekken. minimaal minister. bedotten beduvelen. kunstenaar meester. bedotterij. grootmeester. beetnemen. boodschap missie. vrouwenrok miniem. verkeerd begrijpen aanwezige . kom vont. in weerwil van ongewild. raadsel fopperij. onopzettelijk aanzien. opdracht. voorvechter onder de knie krijgen. aanblik mineraal mineraal rok. zending missionaris.mimo że mimowolny mina mineralny minerał mini minimalny minimum minister Minister Spraw Wewnętrznych ministerstwa ministerstwo ministerstwo ministerstwo ministerstwo skarbu Ministerstwo Wojny minowanie minus minuta miodowy miesiąc miotła miotłą miód miód pitny miraż miriada Misa misja misja misją misjonarz miska miska olejowa mistrz mistrz mistrz mistrz intelektu mistrzowski mistyczny mistyczny mistyfikacja mistyfikacja mistyfikować mistyfikował mistyk mistyk misunderstood miszkaniec niettegenstaande. zendeling vont. bekken. minimaal miniem. bekken. kom artiest. minus minuut huwelijksweken veger. kom bericht.

jongeling. beginnend aankomend. jeugd hameren hameren hameren afranselen dorsen. beginnend aankomend. menigte ophopen. houden voor kloosterzuster. vermenigvuldigen aggregatie. drom. massa. aggregaat hoop. min minderheidsminder. gissen menen.mit mitenka mitologia mitologią mitra mityczny mleczarnia mleczka mleć mleć/siekać mięso mleko młocie młodociany młodosć młodość młodszy młodszy urzędnik młodszy wiekiem młody młody człowiek młodzieniec młodzieniec młodzież młot młot (drewniany) młotek młócić młócić młyn młynarz mnemonik mnemonika mnich mniej mniejszość mniejszy mniemać mniemać mniszce mniszka mnożyć mnożyć mnożyć się mnożyć się mnóstwo mnóstwo mnóstwo mnóstwo mythe handschoen mythologie mythologie mijter mythisch zuivelfabriek. vermenigvuldigen veelvoud multipliceren. accumuleren massa. afrossen. menigte. aankomend borst. beginnend beginnend. jeugd jeugdigheid. melkinrichting melk fijnhakken fijnhakken melk hameren puber jeugdigheid. afranselen molen molenaar. jeugd jeugdigheid. geloven. opeenhopen. jeugd aankomend. non kloosterzuster. hoop. boel . non in overvloed aanwezig zijn multipliceren. min vermoeden. jongeheer puber jeugdigheid. drom. boel. mulder mnemonisch mnemonisch monnik minder.

mobiel. ferm. moer. sterk. mogendheid aanpassingsvermogen aanpassingsvermogen heerschappij. macht. speling modelleren modem moderniseren moderniseren bidden gebed gebed in de mode. roerend doordrukken heerschappij. modificeren modiste. opstellen wijzigen. potig. geducht. mogendheid vasten pal. lariks. bevestigen. voornaamste worstelen. modus. macht. modieus. mogendheid heerschappij. robuust hoofd-. redigeren. weken nat mode. bougie afstelling. bestek. modificeren wijzigen. drasland steil in de week zetten. beweegbaar. macht. fors.mobilizować (się) mobilny kod moc moc moc przetwarzania moc użyteczna moc zbioru mocarstwo mocno mocno mocno mocny mocny mocny mocodawcą mocować się mocował mocz moczary moczyć moczyć się moczyć się moda model model Luv modelka modem modernizować modernizował modlić się modlitwa modlitwą modny modrzew modulator-demodulator moduł dodatkowy moduł zarządzania pamięcią podręczną ARP modyfikacja modyfikować modyfikować modyfikować (np. fiks. in zwang lork. bepalen pies. pis broek. bougie ontstekingsbuis. moeras. zich aftobben fixeren. weekmaken. modificeren wijzigen. straf hecht. groeve . modemaakster inblikken mogen bloeimaand. stevig hard machtig krachtig. program) modyfikował modystka mogę mogę mogę mogiła mobiliseren los. wereldruim. instelling opmaken. spartelen. wijs modelleren ruimte. mode-. urine. lorkeboom modem ontstekingsbuis. mei graf.

steiger molecuul landingsplaats. zitting betamelijk. paraderen. adapteren monteur betamelijk. samenkomen. penning. moment. werktuigkundige vergaderen. het mijne vochtig landingsplaats. betomen. redigeren. opstellen afstemmen. behoorlijk. prijken. dadelijk Monaco monarch. fatsoenlijk mecanicien. eentonig monsterachtig. monopolie accapareren. mormel samenscholing vergadering. kaai. moreel. moraliteit zedelijkheid. saai. ogenblik. geldstuk munt. behoorlijk. zedenmeester zedelijkheid. vorst oppermachtig. monument monumentaal bromfiets moralist. zedelijk . fatsoenlijk gedenkteken. beteugelen afluisteren alleenspraak. soeverein. moraliteit zedenkundig. monoloog alleenhandel. moreel. geldstuk Mongolië Mongool Mongools Mongool Mongools pralen. bijeenkomen opmaken. opkopen routine. pronken afluisteren bedwingen. aanpassen. bijeenkomen vergaderen. steiger wal. kade. perron. aanlegplaats. oppermachtig munt. tel onmiddellijk. penning. sleur monotoon. samenkomen.moje mokry mola molekułą molo molo moloch moment momentalnie Monako monarcha monarcha moneta moneta pięciocentowa (US) Mongolia mongolski mongolski Mongoł Mongoł monitor monitor monitorować monitorować monolog monopol monopolizować monotonna harówka monotonny monstrualny monstrum montaż montaż montaż powierzchniowy monter montować montował montował montowanie montowanie montując monumencie monumentalny moped moralist moralitecie moralność moralny morał de mijne. aanlegplaats Moloch oogwenk. aanlegplaats. gedrochtelijk rotbeest. zedelijk zedenkundig.

motorfiets motorrijder locomotief motor motorboot motor motoriseren motoriseren schoffel vlinder. commandobrug horen. messing muskiet Moskou Moskovitisch brug. oratie mozaïek . commandobrug luchtbrug brug. commandobrug brug. gespuis motor. vermoorden slachten. vermoorden muil.morałach moratorium mord morda morderca mordercą morderstwo mordować mordować morela morelą morena morfem morfina morfina morfiną morfologią mormon morze mosiądz moskit Moskwa moskwianin most most drzewa częściowego most zwodzony mostek mostek pomiarowy moszcz motel motłoch motocykl motocyklista motor motor bazy danych motorówka motoryzacyjny motoryzować motoryzował motyka motyl motyw motywacją motywy graficzne mowa mowa mowa wymijająca mozaice zedenkunde. afslachten moorden. moraal. morene morfeem morfine morfine morfine morfologie mormoons zee geelkoper. commandobrug brug. stof. canaille. surséance moorden. grauw. moeten motel geboefte. vermoorden abrikoos abrikoos gruiswal. zedenleer moratorium. speech. kapel aanleiding aanleiding onderwerp. thema. dienen. redevoering. apropos taal tong rede. behoren. bek moordenaar moordenaar moorden.

podium hersenen. mogelijk mogelijkheid bekwaamheid. vijzel mogelijkerwijs. halfdonker vlees bevroren mier mier aardvarken vorst murmelen. nachtvlinder praten. brein. somber obscuur. aannemelijk bestaanbaar. onnozel. mogelijkerwijs. beekje) flikkeren. hersens kop. boel wraak aanvliegen vlieg aanvliegen aanvliegen . mei misschien. mogelijkerwijs. krop. hoofd hersenen. onbekend. murmelen (v. het mijne mijn. knipperen. schemerdonker. mogelijk acceptabel.mozaika mozaika (fotoelektronowa) moździerz Moźdźierz może może może być możesz możesz możliwie możliwość możliwość wyboru języka możliwość wyposażenie dodatkowe możliwość zamontowania w stojaku możliwy możliwy do pomyślenia możliwy do zdegradowania możność móc mój mój mól mów mówić powoli mówić przez nos mównicą mózg mózgownicą móżdżek (potrawa) mroczny mroczny mroczny mrok mrożonki mrożony mrówce mrówka mrównik owadożerny ssak afrykański mróz mruczeć mruganie mrużyć msza mścić się mucha mucha mucha domowa muchą mozaïek mozaïek mortier. leiding. kundigheid bekwaamheid. flakkeren knipogen. vijzel mortier. massa. mogelijk misschien. mogelijkerwijs. praten tribune. spreken spreken. toevallig inblikken de mijne. mogelijk incidenteel. hoop. menigte. brein. kundigheid mogelijkheid bestaanbaar. flauw naargeestig. simpel. uil. pinken drom. misschien. m'n uiltje. hersens dom. praten spreken. aanvaardbaar. troosteloos. donker schemer. mogelijk mogen bloeimaand. mogelijk misschien.

islamiet. neteldoek mutatie mutatie muze museum mohammedaan. mohammedaan mohammedaan. muil mammie. zwart neger-.Muhamed mulacie multiplekser multiset multi-set muł mumia mumia mundur mundur mur mur ogniowy murować murowany Murzyn murzyński musieć musieć muskularny muskuł musnąć musowanie musujący muszelce muszkiecie muszla musztarda musztardą muślin mutacja mutacją muzą muzeum muzułmanin muzułmanin muzułmański muzyce muzyczce muzyczny muzyk muzyka muzyka jazzowa muzyka kameralna muzykalny muzykologia my mycie głowy szamponem myć Mohammed mulattin veelvoud tas. mousserend schuimend. rugschild. schuimachtig. muzikaal speelman. zwart horen. slof. moslim muziek in een stemming brengen. wand mortier. stemmen muziek-. moslim islamiet. de was doen . wand muur. mam mummie tuniek uniform. zak muiltje. mousserend schild. moeten nodig hebben. mamma. ons. stenen neger-. muzikant. vijzel bakstenen. moeten spierspier grazen. schaal musket schild. tenue muur. hoeven. behoeven. schaal mosterd mosterd mousseline. musicus muziek jazz muziek muziek-. muzikaal muziekwetenschap wij. behoren. dienen. zak tas. ma. moslim. weiden schuimend. we het haar wassen uitwassen. wassen. islamiet. rugschild. schuimachtig.

betrouwbaar jammer. vooraan. administrateur assembler acht. geaardheid ontsnappen. begrip. onder. rits. onjuist. beneden in het buitenland bodem. ritssluiting gedurende. om. afgewerkt. binnen. terwijl. eerder. ondergrond. ontkomen. bovengronds verontwaardigd over. ontgaan indexeren linker leden. jammer genoeg. eventjes te. een fout maken fout. aandacht aard. met pensioen gaan boven lucht-. met in. grond aftreden. jegens. op klaar. afgelopen. om. overheen. per. op. met lucht gevuld. afgelopen. beëindigd te. afgewerkt. denkbeeld afspiegeling. tot. beëindigd aan. weerglans gedachte geloven. indertijd daarbeneden. op. te afgezonderd. verkeerd. aan de overkant van vertrouwd.myć szamponem mydlić się mydła mydło mylić się mylny mysz myszka myśl myśl przewodnia myśl przewodnia myśleć myśliwego myśliwy mżawka mżyć n n n n n n n n n na na na na na na (bardzo krótką) chwilę na (czymś) na (kimś na boku na boku na całym świecie na czatach na czele na dobre i złe na dole na dole na dziobie na gorącym uczynku na górze na kogoś na kotwicy na których gra się uderzając palcami) na niepełnym etacie het haar wassen zeep zeep zeep dwalen. met klaar. jegens. attentie. aanhang treksluiting. afzonderlijk wereldwijd wereldwijd maag daarvoor. achtergrond. even. karakter. staande korte tijd. achten jager jager motregenen motregenen beheerder. foutief muis muis idee. tot. benul. helaas . van mening zijn.

verkrijgen. contract invullen. vast. perron acquisitie buit maken. bepaald. dempen. nogmaals. doorgaans afgezonderd. aanlegplaats kade. afzonderlijk op. behalen aangeleerd afnemer. oosten zonsondergang eeuwig. op verbintenis.na nowo na nowo przeliczać na nowo przetłumaczyć na odległość na osobę na pewniaka na piechotę na podstawie na pokład na pokładzie na pół na pół na przełaj na przodzie na statku na statku na uboczu na uwięzi na wprost na wprost na wprost na zachód na zakupy itp) zwykle połączone z rozrzutnym wydawaniem pieniędzy na zawsze na zewnątrz na zewnątrz na zewnątrz na żądanie na życzenie nabawić się (choroby) nabić nabierać nabierać nabierać (<on sb> kogoś) nabój nabój nabrzeże nabrzeże nabycie nabyć nabyć nabytek nabyty nabywać nabywać nabywca nabywca van voren af aan. onder. wal. inkoop. naar boven. perron. opnieuw van voren af aan. uiterlijk daarbuiten. kaai. verkrijgen. achteraf. afzonderlijk wel degelijk. klant . vooraan. indertijd aan boord gelukkig afgezonderd. nogmaals. omhoog. koper. aanlegplaats. eerder. buiten. voor eeuwig daarbuiten. forceren kogel patroon. klant afnemer. spekken. ver in het algemeen. vooraan. aanvaarden opdringen. aannemen. aankoop acquisitie aangeleerd buit maken. buiten. indertijd daarvoor. kardoes wal. uiterlijk buiten naar buiten. cliënt. eruit. terwijl. zeker boven aan boord aan boord aan boord noorden noorden daarvoor. kade. buitenwaarts gedurende. opwaarts oosten oriënt oriënt. behalen koop. kaai. vullen een geintje maken accepteren. eerder. staande aan. opnieuw afgelegen.

trap aanvechting. gebieder. afnemer geneigd zijn tot. wrijven. belanden. lust. koper. doos. schaal pot. stappen. mate. aanvoer lopen. bak. radio uitstralen geldig verklaren geschiktheid afzender. plechtig. baas.nabywca nachylać (się) nachylenie nachylenie nachylenie nachylenie znaków (w czcionce) nacierać nacieranie nacięcie nacinać nacisk nacisk nacisk ciśnienie naciskać naciskać naciskać naciskać prasa nacjonalizacja nacjonalizować naczelnik naczelny wódz naczynia gliniane (i porcelanowe) naczynia stołowe naczynie Naczynie nad nad nad rzeką nadać coś komuś nadajnik nadal nadarzyć się nadawać coś nadawać przez radio nadawać skrośnie (artykuł do grup dyskusyjnych) nadawać ważność nadawanie się nadawca nadawca (przesyłki) nadawca wiadomości nadbieg nadbrzeże nadchodzić nadciągać nadejście nadepnąć nadęty klant. foedraal. naasten afzender. klem accentueren. aan de hand zijn nationaliseren. geneigd zijn. zin. lust. zin. etui. verzender aanplakbiljet. deprimeren pers aanduwen pers naasting nationaliseren. naasten aanvoerder. bovengronds benoorden. chef aanvoerder. kade. afbeulen. ten noorden van lucht-. met lucht gevuld. plakkaat. koker benoorden. chef aardewerk aardewerk schotel. neiging aangrijpen. aanlegplaats aankomen. affiche afzender. naasten draadloze. treden. perron. ceremonieel . afjakkeren wal. baas. beklemtonen nadruk. neiging helling. glooiing aanvechting. schrijden afgemeten. verzender afmatten. aantasten. kaai. aanvallen aanstrijken. ten noorden van nationaliseren. arriveren aanvliegen bezorging. beklemtonen neerdrukken. neigen graad. verzender nog gebeuren. uitwrijven inspringen inspringen accentueren. gebieder.

superieur water overigens. copieus. onopgesmukt. klap opblazen opgeschroefd inflatie geestelijk onder de knie krijgen. extreem. buitensporig uitbundig. dringend dringend. bijzonder opmerkelijk. vermelden excessief. bloot ombuigen. onbedekt. trouwens gescheld gescheld gescheld afbeulen. doorbuigen brandend. buitensporig. merkwaardig lampolie olie. excessief houw. extreem. nalaten. wraken. naakt.nadir nadmienić nadmiernie nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny nadmierny ruch w sieci nadmuchać nadmuchiwać nadmuchiwać nadmuchiwanie nadprzyrodzony nadrzędny nadrzędny nadtlenek nadto nadużycie nadużycie v nadużywać nadużywać nadużywać nadużywać (<sth> czegoś) nadużywanie nadwyżka nadymać (się) nadziać coś nadzieja nadzorca nadzorca systemu nadzorować nadzorować nadzwyczajne (wydanie) nadzwyczajnie nadzwyczajnie nadzwyczajny nadzwyczajny nafta nafta naftalina naganą nagi nagi nagi naginać naglący naglący nagle nagle voetpunt. buigen. meester worden opperste. flap. excessief buitennissig. brandend. mep. aflezen afgezonderd. abundant. opeens . spoedeisend. hoekig onopgesmukt. spoedeisend abrupt. buitensporig buitensporig. petroleum naftaleen afkeuren. uitlaten controleren. slag. afzonderlijk bijzonder allemachtig buitengewoon. nadir gewag maken van. revisor steward verzaken. excessief buitensporig. noemen. botweg ineens. plotseling. prevalent. afmatten gescheld gescheld surplus opblazen spietsen hopen inspecteur. onbedekt naakt. verwerpen hoekvormig. checken. rijk extreem. kortaf. bloot. afjakkeren.

dundoek. hoogst naast. bruusk. merendeels. opeens crisis hoofd. schijf met een band omgeven gloed. bruusk. vuur lichtgelovig ongekunsteld. bot. steil naaktheid uploaden prijs. kop. argeloos najade. vlag titel. chapiter. blijkbaar . liever best afknotten best minst minst minst aannemen. grotendeels binnenvallen. waternimf invasie. nadir eerste klaarblijkelijk. premie vergelden. nadir voetpunt. waternimf najade. steil plotseling kortaf. belonen vergelden. bot. samenkomst. graad kortaf. lonen. onderschrift. rubriek titel. kop. bijeenkomst accumuleren. plotseling. lonen. abrupt. binnenrukken best eer. eerstkomend overwegend.nagle się wydostać nagła potrzeba nagłówek nagłówek nagłówek nagłówek pliku nagłówek podstawowy nagłówek uwierzytelnienia nagły nagły nagły przypływ wody nagość nagrać nagroda nagroda nagrodzić nagromadzenie nagromadzić nagromadzić nagrywać nagrywać (na taśmę) nagrzać naiwny naiwny najada najada się najazd najbardziej najbliższy najczęściej zadawane pytania najechać najechać najechać (kraj) najemca najeżdżać najlepiej najlepiej najlepszy najlepszy najlepszy (zobacz <good>) najmniej najmniejszy najmniejszy wspólny mianownik najmować najniższy poziom najniższy punkt najpierw najwidoczniej ineens. opeenhopen agglomeraat discus. binnenrukken aanrijden. ophopen. terugdoen. graad inscriptie hoofdstuk. naïef. onderschrift. terugdoen. grammofoonplaat. kapittel vaan. huren voetpunt. abrupt. duidelijk. belonen meeting. voorrijden binnenvallen. aanwerven. plaat. inval meest. binnenrukken huurder binnenvallen.

ophitsen besluiten. gieten. leggen. beschuldiging opdringen. bikken. behoorlijk. etiket vla sauzen. afleiden. gebrek . bekoren. forceren imponerend. agiteren. garanderen aanschrijving. commanderen kleven. beleggen. vreten bevel recht borg staan voor. indrukwekkend beknotten. duidelijk. medeplichtige medeplichtige. aanhangen aanhechtsel. begrenzen overlappen overlappen opruien. beperken. editie invoer aanwenden. mededader opruien. aanvoeren. stortregenen bijdrage.najwidoczniej największa ilość najwyraźniej nakarmić nakaz nakaz nakaz nakaz sądowy nakaz urzędowy nakazać nakleić naklejać naklejka nakład nakład nakładać nakładać nakładać nakładać restrykcje ścieśniać nakładka nakładka nakładkować nakłaniać nakłaniać do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłaniający do przestępstwa nakłonić nakłonić nakłonienie do przestępstwa nakreślać nakręcany nakrętka nakrycie nakrycie głowy (zwłaszcza kapelusz) nakryć nakrywać nalać nalegać nalegać nalegania nalepić etykietę naleśnik nalewać należny należyty naładować (akumulator) nałożyć nałożyć nałóg duidelijk. nauwkeurig. neerleggen sauzen. schriftelijk bevel dicteren bevelen. aanlokken locomotief moer overlappen hoed dekken. gieten. opstoken. contributie betamelijk. sticker uitgaaf. druk. helder meest. hoogst klaarblijkelijk. toedekken. fatsoenlijk aanklacht. opstoken. concluderen mededader. affix sluitzegel. accuraat medeplichtigheid toelachen. vastkleven. aansporen aandrang label. uitgave. bedekken vlijen. forceren aanduwen ondeugd. doorvoeren opdringen. ophitsen nauwgezet. agiteren. gebruiken. stortregenen aandringen aanwakkeren. blijkbaar eten. aanvuren.

doorsmeren. aantasten aangrijpen. ongeveer. vervolgen agressie aanvallen.. afbeelding. weerglans gedachte beschouwen. besmeren overtuigen lager peukje. vuur vingerhoed. om wetenschapper. kikkerdril zeep nakomertje afspiegeling. voorteken. intensief inscriptie voorbode. sauzen. tent. voltage sterk. fel. dempen. teken neerschrijven. ons beeld. weren. uitschrijven . slijpen aanvallen. plaat smeren. scherpen. kampeertent kuit.nam namalować namaścić namawiać namiar namiastka namiętna miłość namiętność namiętny namiot namnażać namydlić namysł namysł namysł namyślać się naokoło naokowiec naostrzyć napad napad (choroby) napadać napadać napalić naparstek naparzyć napastliwy napastnik napastnik napastnik napastnik napastować napaść napaść napełniać napełniać odrazą napełnić (się) napęd napęd dysku napędowy napędzany ropą napięcie napięcie napięcie (elektryczne) napięty napis napis napisać aan ons. geleerde aanzetten. overwegen. nagaan om . vullen verdringen. aanvaller achtervolgen. aanvallen gloed. oprit aanvallen. oprijlaan discus aanleiding dieselmotor. diesel spanning spanning. laten trekken agressief aanvaller aanvaller aanvaller voorspeler. najagen. zetten. vuur gloed. voltage spanning. omtrent.. heen. prent. vuur hartstochtelijk huif. spekken. aantasten invullen. viskuit. vingerhoedje aftrekken. spekken. schrijven. vullen oprit. peuk gloed. dempen. intens. aantasten oprijlaan. aantasten. terugdringen invullen.

eerzaam. tegen. flikken nauwkeurig bepalen. accentueren spanning met. zuipen pimpelen. alcohol zinspelen zinspelen toespeling. aanvaller ergeren. zuipen pompoen verhelpen. schijf. zinspeling aanmaning. oplappen. aansporing ontmoeten. drinken. storen. schijf. hinderen ergeren. determineren lappen. alcoholische drank. aan de overkant van daarvoor. plak. ingevolge voorspeler. anesthesie nationaliteit nationaal. plak. filet moot. aandurven verdoving. schielijk. herstellen. indertijd langs.napisany napisu segment procesora segmentowego przedział czasu napisu) segment (procesora segmentowego) przedział czasu napiwek napoje alkoholowe napomknąć napomknąć (<to sb napomknienie napomnienie napotkać napotykać napój napój napój gazowany napój z wyciśniętych cytryn lub pomarańczy naprawa naprawą naprawdę naprawdę naprawiać naprawiać naprawić naprawić poprawka naprędce naprężenie naprężenie naprzeciw naprzeciwko naprzeciwko naprzód naprzód naprzód naprzykrzać się naprzykrzać się naprzykrzać się komuś narada narada narastać narazić na niebezpieczeństwo narażać narażać się narkoza narodowość narodowy narodziny schriftelijk moot. jegens voor tegenover. snede. vooraan. aantreffen ontmoeten. repareren eerlijk. boeten. flikken gauw. blijkens. naar. hard. verheffen. repareren verhelpen. consultatie raadgevend lichaam. drankje pimpelen. aantreffen brouwsel. wezenlijk nauwkeurig bepalen. echt. drinken. verontwaardigen consult. oplappen. in allerijl beklemtonen. snede. drank. ophogen in gevaar brengen tentoonstellen. filet stortplaats drank. verontwaardigen belemmeren. herstellen. tegenaan. degelijk werkelijk. belichten zich wagen aan. boeten. eerder. vermaan. vaderlands geboorte . raad opdrijven. determineren lappen.

ochrony) naruszenie zasad współużytkowania naruszyć naruszyć narybek narysować narząd narzeczona narzeczony narzeczony narzekać narzekanie narzędnik narzędzia programowane automatycznie narzędzie narzędzie narzędzie sprawdzające narzędzie testujące narzędzie wizualne narzędzie z interfejsem graficznym użytkownika narzucać narzucać się narzucać się komuś narzut nasadka nasienie nasłuchiwać nastają nastając nastanie nastawiać wstępnie ustalać nastawić nastawienie wasdom. ontwikkeling. zich indringen opdringen. adapteren aanpassen. aanklacht ablatief kamrad. middel werktuig. boosaardig. verloofde bruidegom. kamwiel. lief. relaas. adapteren afstelling. aan jou. volk lieden. bekoren. middel werktuig. aanranden bakken. middel opdringen. verhaal. lieveling klagen. opkopen natie. gotisch lettertype een bres slaan. mensen jou. liefje. bovengronds vingerhoed. letsel toebrengen zondigen een bres slaan.narośl narośl rakowata narowisty narożny narożny naród naród naród narracja narta naruszać naruszać naruszenie naruszenie naruszenie (np. tandrad. meisje. instelling . een bres slaan in zonde breuk. een bres slaan in een aanslag plegen op. beluisteren. fruiten toelachen. vingerhoedje zaad aanhoren. galant schat. groei kanker hatelijk. middel utility utility werktuig. lui. aanlokken orgaan bruid. zijn beklag doen beschuldiging. forceren zich opdringen. aan je. je vertelsel. met lucht gevuld. afstemmen. luisteren afstammen. afstemmen. een bres slaan in een bres slaan. kwaadaardig kantig accapareren. volk. forceren lucht-. het gevolg zijn van afkomstig advent aanpassen. tandwiel werktuig. vertelling skiën kwetsen. verloofde.

eerstkomend leden leden naast. handelen volgens afwisselend klaarspelen. toevallig toegaan. betrekken. imitatie uiteenzetten. verstrikken doortrekken. stortregenen onze. nadoen navolging. de onze het onze. voortgang hebben. spoedeisend. eerstkomend puber in een stemming brengen. ergo. afstammeling. nabootsing. gebeuren . ons het onze. omtrek halssnoer. naar huis congestie. mn. gebeuren incidenteel. nakomeling naderhand. expositie aangrijpen. collier. zetten. voortgang hebben. de onze omlijning. snoer. dringend aftrekken. handelen volgens nazaat. stemming geest Oostindische kers verwarren. toch naast. dan. achteraf. toelichten tentoonstellen. aantasten. laten trekken ingeving geestelijk huiswaarts. doorkomen.nastawienie nastąpić po (<sb następca następnie następnie następny następny dzień następny etap następny przeskok następować następować następować kolejno następować kolejno następujące następujący następujący nastolatek nastroić nastrój nastrój nasturcja nasuwać myśl nasycać nasyp nasypać nasz nasz nasze naszkicować naszyjnik naśladować naśladować naśladowanie naświetlać naświetlać naświetlenie natarcie natarczywy natchnąć natchnienie natchniony native natłok natomiast w polszczyznie lepiej oddawać w l. moreel. dus. stemmen gemoedstoestand. aanvallen brandend. aandrang informatie toegaan. eerstkomend afwisselend opvolgen.) natrafić (<on/upon> sth) na coś natrafić (<upon sth> na coś) natrafić na coś houding opvolgen. gieten. slagen leden leden naast. daarna ook weer. halsketting aap imiteren. nabootsen. bloedaandrang. belichten tentoonstelling. verzadigen dijk. waterkering sauzen.

nietje. gelijk hebbend. gieten. nietje. klamp. nauwkeurig. academisch wetenschappelijk naaf naaf naaf bevloeien. lerares onderwijzeres. origineel juist. gegrond dadelijk. natuurlijk. haakje kramp. bobine op een klos winden. instructie wetenschapper. van buiten leren wetenschap studie aanwijzing. aanleren uit het hoofd leren. klamp. afleren Don onderwijzer. consigne. haakje. leraar. nietje kramp. lerares leren. geaardheid. accuraat afwennen. klamp. sproeien storm gelijk. tel nauwgezet. dadelijk moment. nietje kramp. spoelen aanschieten lager draad. onmiddellijk onmiddellijk. winden. geleerde akademisch. vlak. oprichten. oogwenk. taśmę nawinąć nawinąć nawis (odległość między znakiem a punktem początkowym) nawlekać nawozić nawozić nawóz karakter. stichten spoken navigatie navigatie op een klos winden. haakje. bemesten. haakje kramp. winden. uiteraard natuurlijk oorspronkelijk. mesten mest mest . aard naasting van nature. spoel. spoelen klos. begieten. haakje inrichten. klamp. instructeur onderwijzeres. ogenblik. effen kramp. schooljuffrouw. garen gieren. schooljuffrouw.natura naturalizacja naturalnie naturalny naturalny naturalny natychmiast natychmiast natychmiastowy natychmiastowy nauczać nauczyciel nauczyciel nauczyciel nauczyciel akademicki nauczyć się nauczyć się na pamięć nauka nauka nauka zdalna naukowiec naukowy naukowy nawa nawa boczna nawa główna nawadniać nawałnica nawet nawias nawias nawias klamrowy nawias okrągły nawias zwykły nawiązywać nawiedzać nawigacja nawigacja dalekiego zasięgu nawijać nawijać np. klamp. nietje.

zorgen voor. neen negatief. naam. verplegen schier. naamwoord Napels afjakkeren. geen. naamwoord. naam. nerveus netto. cliché handelen. haast. van. naamwoord benaming. bijkans. hebbelijkheid nazistisch. aanlokkelijk lekker. nazinazistisch. narigheid. aanlokkelijk verachtelijkheid ellende. nietswaardig jammerlijk belabberd. afbeulen. naam. naam. cliché negatief. keutel mest bekeren aanwensel. verplegen verzorgen. miserabel ergeren. bijna iets . naam. afmatten wraken. misère. achternaam benaming. zaken doen necrologie nectar bekeren bekeren Neolithicum. naamwoord familienaam. onpartijdig lekker.nawóz nawóz (sztuczny) nawóz (zwierzęcy) nawracać nawyk nazista nazistowski nazwa nazwa nazwa kwalifikowana nazwa złożona nazwa źródła danych nazwisko nazwisko nazywać Neapol nefryt negacja negacja logiczna negatyw negatywny negocjować nekrolog nektar neofit neofita neolityczny neologizm neon Neptun nerka nerw nerwowy nerwowy netto neutralny nęcący nęcący nędza nędza nędzny nędzny nędzny nękać niańczyć niańka niby NIC mest drek. naamwoord benaming. drol. afzijdig. naam benaming. zorgen voor. duidelijk neutraal. slipje zenuwachtig. nee. verwerpen niet. netto-. ontlasting. nazibenaming. zenuw-. naamwoord. net. ellendig. Jongere Steentijd neologisme neonNeptunus nier zenuw slip. naam benaming. armoe verachtelijk. naamwoord benaming. verontwaardigen verzorgen. handeldrijven.

uitlaten uitvallen. gevaar kans lopen. nee. dringend een afschuw hebben van. toeval onraad. onbegrijpelijk onderschatten. nihil. neen niet. nee. noch neen. geen. ijverig spoken bizar ondoorgrondelijk. hemel hachelijkheid.NIC nic (w zdaniach przeczących) nic nie wiedzący nic podobnego nić NIE nie nie nie nie bez powodu nie chroniony nie cierpiący zwłoki nie dawać spokoju (o myślach) nie do pary (np. niet niet. open wit. nee. obsceen. nood. vlijtig. nihil. neen brandend. afwijzen schuin. haperen. op het spel zetten hachelijkheid. niemendal nul nul. geen. perikel. gevaar onraad. perikel. nee. in het water vallen ongewapend vrij. neen lucht. in weerwil van niet. tegenzin. verwerpen. onvolledig incompleet. stuk gaan hekel. nee. verschillen. gevaar . onderwaarderen op een kier staand verzaken. neen niet. antipathie aardvarken wraken. but) nie do pogodzenia nie do wybaczenia nie do złamania nie doceniać nie doceniać nie dowodzący niczego nie kończący się nie mrówkojad nie pamiętać o nie podpisany nie przepisowy nie przyjąć nie przyzwyczajony nie rzucający się w oczy nie tracić czasu nie udać się nie uszczuplony nie wypalić nie zajęty nie załatwiony nie zauważony nie zbliżać się nie zważając na nie związane nie związany nie zwracać uwagi nieba niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwa niebezpieczeństwo niebezpieczeństwo niks. onvolledig floppen. verwerpen jubelen afslaan. nood. geen. niets. verwerpen evenmin. oningevuld. nalaten. garen wraken. blanco. niets. onderwaarderen onderschatten. nihil draad. schelen niettegenstaande. in het water vallen uiteenlopen. geen. gevaar crisis toevalligheid. leeg. geen. nijver. niemendal niks. afkeer. onbezet. spoedeisend. verafschuwen naarstig. schunnig aanhangig incompleet. blank aanhangig floppen.

ongerief incompleet. onachtzaam. fris. op het spel zetten gevaarlijk. hemel doods. ontberen. hekel. peuk onding. nonchalant onachtzaam. rechtopstaand recentelijk. afwezigheid. luchtig. vuil. link. misère. absurd missen. hemelblauw blauw lucht. onvolledig ellende. gebrekkig peukje. onzinnig. laten tegenzin. fris luchtig. derven gebrek. dodelijk morsig. ongerijmd. absurditeit. hemels hemels. euvel. smerig. euvel. gemis . de laatste tijd onlangs. hemelhemels. afkeer. laten begaan. onbedorven veronachtzamen nonchalance. nonchalance nonchalant. nul laten schieten. onrein. onbedorven. hachelijk mijnenveld hemel-. discreet hortend. onachtzaam onachtzaam. nalatig. armoe verminkt. kort geleden vers. nalatig kort gebrek. hemel lucht. ongerijmdheid dwaas. intermitterend vervelend doods. nonchalant. antipathie trots laat. ruigharig.niebezpieczeństwo niebezpieczny niebezpieczny niebiański niebiański niebiańsko niebieski niebieski ptak niebiosa niebo niebo nieboszczyk niebyły niech niechęć niechęć niechętnie niechętny nieciągły nieciągły nieciekawy nieczynny nieczysty nieczysty niedawno niedawno niedawno wprowadzony niedawny niedbalstwa niedbalstwa niedbalstwo niedbalstwo niedbałość niedbały niedbały niedbały niedbały niedługi niedociągnięcie niedogodność niedokończony niedola niedołężny niedopałek niedorzeczność niedorzeczny niedostatek niedostatek kans lopen. nalatigheid nalatigheid. narigheid. nonchalance nonchalance. vergevorderd afkerig bescheiden. afwezigheid. gemis ongemak. vers. hemel lucht. nonchalant. nalatig nalatig. nalatigheid nalatigheid. onopvallend. vies borstelig. dodelijk nihil.

desondanks niettegenstaande. duister obscuur. dubbelslachtig onduidelijk. bijkans. analfabetisch onbeleefd. Pinksteren naar buiten brengen. haast. onheus. ongetrouwd dubbelzinnig. honds. lauw onopgesmukt. bijster onverschillig. in weerwil van kind sprakeloos. enigszins. vaag. honds. stom kind . troebel. fris onervaren. hard. donker inconsequent dubbelzinnig. onvolledig inconsequent nadelig goedkoop een beetje. smaakloos onverschillig. desondanks niettemin. desondanks niettemin. bars niettemin. onbekend. luchtig. nors. dubbelslachtig incompleet. dragen lager aanboren ongelukkige ongeletterd. nurks. straf goedkoop zonneschijn zondag Pinksterfeest. onbedekt. een weinig puber onwaar dierlijk onmenselijk verwardheid. bijna erg. bloot. enigszins.niedoświadczony niedoświadczony niedoświadczony niedrogi niedziela niedziela niedziela Zielonych Świąt niedźwiedź niedźwiedź niedźwiedź niefortunny niegramotny niegrzeczny niegustowny nieistotny nieizolowany niejaki niejasny niejasny niejasny kursor niejednolity niejednoznaczny niekompletny niekonsekwentny niekorzystny niekosztowny niektóre niektóry nieletni nielojalny nieludzki nieludzki nieład nieładny niemal niemało niematerialny Niemcy Niemiec niemiecki niemiły niemniej niemniej (jednak) niemniej jednak niemniej jednak niemolę niemowa niemowlę vers. onbedorven. groen bar. een weinig een beetje. duchtig. streng. verwarring lelijk schier. lauw Duitsland Duits Duits onaardig. lomp smakeloos. naakt ongehuwd.

aarzeling discutabel. gek. animositeit. bezorgd aangelegenheid. een afschuw hebben van vijandschap. rel. wegblijver leeg. stom sprakeloos. betwistbaar ongeletterd. bezorgd. log . storen. getier storing verkeerd. beducht. verontwaardigen belemmeren. leuk. uitgesloten. vrij. amusant ongerust. beuzelachtig. met geen mogelijkheid onbestaanbaar. bijna bizar bizar kind minderheidsgeweifel. onjuist. luizig ergeren. fout. haast. mis plomp. twijfelachtig. mangel verstrooid afwezige.) niepojęty niepokaźny niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić niepokoić się niepokojący niepokojący niepokojem niepokój niepokój niepokój niepoprawny nieporadny onmogelijk. roerigheid. stom sprakeloos. stom onlesbaar verafschuwen. atomair elementair ondoorgrondelijk. open. analfabetisch bezetene. onmisbaar bizar schier. ingeboren onweerstaanbaar onontbeerlijk. fladderen zich opdringen. onbegrijpelijk onbeduidend. absentie. vijandigheid haten afwijking. krankzinnige atoom-. abnormaliteit abnormaal afwezigheid. ongerust vermakelijk. hinderen aan de scharrel zijn.niemożliwie niemożliwy niemy niemy niemy terminal nienasycony nienawidzić nienawiść nienawiść nienormalność nienormalny nieobecność nieobecny nieobecny nieobecny nieobecny (proces) nieoczekiwany nieodłączny nieodparty nieodzowny nieokrzesany nieomal nieparzysta (liczba) nieparzysty niepełnoletni niepełnoletniość niepewność niepewny niepewny niepiśmienny niepoczytalny niepodzielny niepodzielny (chem. hapering. belang herrie. zich indringen onveilig maken bang. bijkans. onmogelijk sprakeloos. dubieus aanvechtbaar. onbezet verstrooid plotseling aangeboren.

vast. onbeweeglijk nog eng. achtereenvolgens onafgebroken. onbehouwen. afgrijselijk smakeloos. aalwaardig. gemelijk . griezelig bizar vlakte tot in het oneindige mislukt anoniem. onbewerkt. onbehouwen. rechtopstaand onnodig schade aanrichten. abnormaliteit abnormaal ondoordringbaar onweerstaanbaar ondoordringbaar achtereen. afkeurenswaardig ongelofelijk. brij. hecht janboel. naamloos ijselijk. verrassen. bewusteloos schuin. snappen eensklaps. schaden ongeluk uniek. onbewerkt. rommel. honds. ruigharig. vijandig afschuwelijk onaardig. onverwachts bang. rotzooi moes. ververwijderd. beducht. schunnig grof. ongerust aalwarig. stevig. bewegingloos. obsceen. ver buiten kennis. nors. dubbelhartig onwaar afwijking. disorde. integraal aanhangig roerloos. pap borstelig. smaakloos betrappen. cru vijand vijandelijk. enig vlakte laakbaar. nurks. bot. doorlopend grof. cru verwardheid.nieporozumienie nieporuszony nieporządek nieporządek nieporządny niepotrzebny niepowodzenie niepowodzenie niepowtarzalny niepozorny niepożądany nieprawdopodobny nieprawdopodobny nieprawdziwy nieprawdziwy nieprawidłowość nieprawidłowy nieprzenikliwy nieprzeparty nieprzepuszczalny nieprzerwanie nieprzerwany nieprzetworzony nieprzyjaciel nieprzyjazny nieprzyjemny nieprzyjemny nieprzystępny nieprzytomny nieprzyzwoity nierafinowany nieregularność nierozdzielny całkowitoliczbowy nierozstrzygnięty nieruchomy nieruchomy niesamowity niesamowity nieskomplikowany nieskończenie nieskuteczny niesłychany niesmaczny niesmaczny niespodzianka niespodziewanie niespokojny niespokojny misverstand gevestigd. ongeschonden. bedrieglijk. bot. bars verwijderd. bezorgd. verwarring onaangetast. onaannemelijk verrassend loos.

excessief verachtelijkheid droefheit. uitgesproken. ledig. helder onbekend onbekend ongelofelijk. stuk gaan consequentie. helaas jammer. hol toegegeven ongetwijfeld. helaas indigestie. stout waardeloos. nietswaardig. ceremonieel soep honds. jammer genoeg. helaas verachtelijk. zeker. nonchalant. bepaald klaar. slechte spijsvertering slechte spijsvertering. achtereen. nalatig. brengen zwak bevangen. nul loos. plechtig. boud. smart ongeluk jammer. garstig vleermuis invalide.niespójny niesprawność niesprzeczność niestandardowy niestaranny niestaranny niestety niestety niestrawność niestrawność niesubordynowany niesystematyczny nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęście nieszczęśliwie nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy nieszczęśliwy wypadek nieść nieśmiały nieśmiały nieśmiały nieświadomy nieświeży nietoperz nietypowy nieudany nieugięty nieuporządkowany zbiór dokumentów nieuprzejmy nieustannie nieustraszony nieustraszony niewart nieważny nieważny niewątpliwie niewątpliwie niewątpliwy niewiadoma niewiadomy niewiarygodny niewidoczny niewidomy inconsequent uitvallen. gebrekkig mislukt afgemeten. lens. aandoening leed. hartzeer. leeg. onachtzaam onachtzaam. nurks. blo beschroomd. voos nihil. jammer genoeg. nors. verdriet. stoutmoedig. onaannemelijk ongezien blind . bedeesd. opstandig buitensporig. indigestie oproerig. bang buiten kennis. gewoonte. rans. haperen. gebruik nonchalant. benepen. voeren. voorhebben. extreem. bewusteloos ransig. nalatig o wee. onaardig onophoudelijk. timide. ferm. ongeval dragen. gevolg usance. stout gedurfd. kwaal. accident. bars. aldoor dapper. ranzig. brutaal. onvervaard. nietswaardig ongelukkige ongelukkig ongeluk. beproeving ziekte.

log ontelbaar eeuwig enorm. ongerief plomp. karig. onbedorven. troebel. beuzelachtig. onbehouwen. buitengewoon allemachtig buitengewoon. neen genoeg. duister onervaren. betrouwbaar onontbeerlijk. vermoeiend. min. uiterst bijzonder. ongetrouwd vergeet-mij-niet niet. krap. stroom laakbaar. onmisbaar afdoend. log aarzelend onwel. taai. bekrompen. eng. klein onnozel. niet lekker plomp. geheimzinnig onbegrijpelijk. luttel. geweldig grof. bot. onbedwingbaar . lastig. bijzonder gigantisch. vaag. onschuldig onschuld. log moeilijk. onnozel. vreemde anoniem. melig plomp. het juk opleggen slaaf ongemak. kwalijk. cru onbeduidend. afkeurenswaardig aanspannen. onschuldig rivier. onbekende. groen amper. ondoorgrondelijk dadelijk. naamloos onduidelijk. luizig smal. log mysterieus. een conclusie wettigend plomp. onbedorven onnozel. nauw vreemdeling. onbedorven. onbedorvenheid onschuldig. geen. onmiddellijk onoverwinnelijk. nee. naamloos onbekend afschuwelijk saai. slim bankroet anoniem.niewielki niewiniątko niewinność niewinny niewinny niewłaściwe odstępy tekstu niewłaściwy niewola niewolnik niewygoda niewygodny niewygodny niewypłacalny niewypowiedziany niewyraźny niewyrobiony niewystarczający niezamężna niezapominajka niezapomniany niezawodnie niezawodny niezbędny niezbity niezdarny niezdecydowany niezdrowy niezgrabny niezliczony niezmienny niezmiernie niezmiernie niezmiernie niezmierny niezmierny niezmodyfikowany nieznaczny nieznaczny nieznajomy nieznany nieznany nieznośny nieznośny niezręczny niezrozumiały niezrozumiały niezwłocznie niezwyciężony gering. onbewerkt. nauwelijks ongehuwd. voldoende vertrouwd. enorm.

ongebruikelijk ongehuwd. ongemeen. verwoesten. doodmaken. bouwvallig schade aanrichten. schraal. doden vergaan. vastklinken schakering. bijzonder typisch. gammel.niezwykle niezwykły niezwykły niezwykły niezwykły nieżonaty nieżyczliwy nigdy nigdzie nigdzie nigdzie (w zdaniach przeczących) nikczemny nikły niknąć nikt nikt nimb nimbus (chmura deszczowa) nimfa wodna niniejszy niski niski poziom niski ukłon niskiej nisza niszczeć niszczenie niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć niszczyć nit nitka nitować niuans niż niż niż się obiecało niższy noc nocleg nocnik nocny nocny nodze noga nomad allemachtig buitengewoon. dun. vastklinken draad. nors. ergens laaghartig. actueel laag laag laag laag nis verval aftands. luchtig verdwijnen. gemeen. schaars ongewoon. rotten. nuance. ongetrouwd honds. laag. onaardig nimmer. nuancering laag dan dan minderwaardig nacht aanpassing po nacht nachtelijk been been benoeming. vernielen verdelgen. nomade . geen enkel. geen zier stralenkrans. curieus. geen enkele. nurks. nooit hier of daar. verrotten. nimbus stralenkrans. nimbus najade. garen klinken. in geen velden of wegen hier of daar. waternimf tegenwoordig. bars. mager. bederven klinken. ergens nergens. niets. schaden vernietigen. vreemd zeldzaam. infaam sprietig. niemendal. wijken geen. niemand niks. uitroeien ombrengen.

nieuwigheid . aflevering. norm regel. norm regel. brengen. aflevering. standaardmaat. dragen voeren. biljet. standaardmaat. plaat. novice nieuws. kaartje discus. krocht. norm regel. draagbaar vehikel. katern blocnote blok schrift. standaardmaat. standaardNormandisch Normandisch Normandisch Normandisch regel. nieuwtje nieuwerwets. holte regel. rechtvaardig nonsens.nominalny nonsens nora norma norma norma wojskowa norma wojskowa normalny normalny stan normaly Norman Normandczyk normandzki normański normą Norweg Norwegia norweski nos nosić nosić nosowy nostalgia nostalgia nosze nośnik notariusz notatka notatka u dołu strony notatnik notatnik notes notes notes notes do zapisów notować notować wyniki Nowa Zelandia nowatorski nowicjusz nowicjusz nowina nowiny nowoczesny nowoczesny noworodek nowość nowość billijk. neusheimwee heimwee brancard. hol. nieuwigheid. norm Noors Noorwegen Noors neus naar buiten brengen. beginneling nieuweling. standaardmaat. kaartje aantekening. voorhebben nasaal. zever. nieuws. nieuwtje nieuws. grot. fair. wagen notaris plaatsbewijs. gekheid spelonk. opkomend beginner. standaardmaat. bijdetijds actueel kind nieuwheid nieuwtje. commentaar agenda. schijf Zeeland nieuw. katern plaatsbewijs. grammofoonplaat. nieuwigheid. norm normaal. dagorde blocnote schrift. voertuig. modern. dragen. biljet. onzin. standaardnormaal. standaardnormaal.

nowotwór nowy nowy nabytek biblioteki nowy wiersz nowy właściciel nozdrze nożyce nożyczki nóż nóż myśliwski np. @:-)) - uśmiech Elvisa Presleya np. <we shall go> pójdziemy np. <we shall go> - pójdziemy nucić nudności nudności nudny nudny nudysta nudyzm nudziarz nudziarz nudzić nuklearny numer numer numer rejestracyjny numerale numerek numerek (w szatni) numerować numizmatyk numizmatyka nurcie nurek nurkować nurkować nurkować (także o pikującym samolocie) nurkował nurkował nurkowanie nurt nuta nuta nuta kluczowa nużący nużyć nylon

tumor, gezwel nieuw, opkomend aanwinst, acquest, buit, prooi klaarspelen, doorkomen, slagen nieuw, opkomend neusgat schaar schaar mes hartsvanger glimlachen gaan, zullen gaan, zullen snorren, gonzen, razen, brommen misselijkheid, walging, walg, afkeer vakantie vervelend dom, simpel, onnozel, flauw nudist, naaktloper nudisme, naaktloperij, naaktlopen aanboren trekken aanboren nucleair, kernuitgeven, emitteren aantal, getal, tal aantal, getal, tal aantal, getal, tal biljet, plaatsbewijs, kaartje biljet, plaatsbewijs, kaartje aantal, getal, tal muntkenner, penningkundige muntkunde, numismatiek actueel duiker duiken duiken duiken duiken duif, tamme duif duiken loop, stroom, stroming plaatsbewijs, biljet, kaartje in een stemming brengen, stemmen plaatsbewijs, biljet, kaartje vervelend vervelend nylon-

o o (kimś o burzy: szaleć o ile sobie przypominam o ile szczęście dopisze o ją o jego o jego o jej o mało o niewiele o ręcznym napędzie o sercu: kołatać o śniegu: padać o światowym zasięgu o wielu możliwościach odporny o zmaku orzechów oaza oazą oba obacz <abide> obacz <beat> obacz <crow> obacz <feel> obacz <mistake> obacz <surprise> obaj obala obala obala obala obalać obalenie obalić obalić (teorię itp) obarczyć obarczyć obawa obawa obawą obcas obcążki obcesowo obcesowy obchodzenie się obchodzić obchodzić (przepisy) obchodzić się

circulerend, in omloop circulerend, in omloop storm aas hopelijk haar, hun, zijn het zijne, de zijne haar, hun, zijn het hare, de hare schier, bijkans, haast, bijna weinig aanreiken, overhandigen aan de scharrel zijn, fladderen sneeuwen wereldwijd krachtig, geducht, sterk, fiks, straf geurig, aromatisch oase oase beide, allebei, alle twee de woonplaats, domicilie vlijen, leggen, neerleggen bemanning vilt foutief, verkeerd, fout, onjuist ampère beide, allebei, alle twee de afgeven op, afbreken, afkammen neervellen, wippen, kappen, vellen ontzenuwen, weerleggen ondergraven, ondermijnen afschaffen afschaffing afschaffen exploderen, losbarsten, ontploffen beproeven, bedroeven, verdriet doen zadel aanhouding, arrestatie beklemming, angst, benauwdheid aangelegenheid, belang hiel knijper, schaar abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil kuur, behandeling vieren, opdragen, celebreren ontwijken, mijden, uit de weg gaan aanpakken, aan komen lopen

obchodzić się (<sth> z czymś) obchodzić się z czymś) obchodź obciąć obciążać obciążać (konto obciążenie obciążenie (maszyny itp) obciążenie1 obciążyć obciążyć hipotecznie obciążyć podatkiem obcina obcinać kadrować kadrowanie obcisły obcokrajowiec obcokrajowy obcy obcy obcy obecnie obecnie obecność obecny obecny obejmować obejmować obejmował obejmował obejmował obejść się bez czegoś obelgi obelżywy Oberon obetrzeć obezwładnia obezwładnia obficie obfitość obfitować obfitować (<with obfitować (<with sth> w coś) obfity obfity obfity (posiłek) obgryzać obiad obiad

aanpakken, aan komen lopen oor, kruk, handvat, hengsel, klink rondgaan, omgaan afknotten aanklacht, beschuldiging debetzijde, debet laden plicht, verplichting laden gewicht hypotheek belasten, aanslaan maaien afknotten stipt, nauwsluitend, streng, nauw buitenlander uitheems, buitenlands ijselijk, afschuwelijk uitheems, buitenlands buitenlands, vreemd, onwennig enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig bijzijn, presentie, aanwezigheid actueel tegenwoordig, actueel omhelzen, omarmen omsluiten omvatten, beslaan omhelzen, omarmen bevatten, inhouden, behelzen rondgaan, omgaan laaien, vlammen krenkend, beledigend, grievend Oberon afvegen, wissen, afdrogen, afwissen geweld aandoen, overmeesteren bedelven, overstelpen, verpletteren in overvloed, ruimschoots, rijkelijk onbekrompenheid, overvloed in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn in overvloed aanwezig zijn uitbundig, copieus, abundant, rijk uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend uitbundig, copieus, abundant, rijk knagen, knabbelen diner, middagmaal, middageten twaalfuurtje, lunch

obiecywać obieg obieg obieg obieg projektu obiekt obiekt moduł wynikowy obiektyw obierać obierać kartofle obietnica obietnicą obieżyświat obijać obijać (meble) objaśniać objaśnienie objaw objaw objazd objazd objętny objętość objętość stała oblać (egzamin) oblegać oblegać oblewanie oblężenia oblężenie oblicz obliczać obliczać obliczenie obliczyć obliczyć objętość obligacja obligacji oblodzenie obładować obławą obłąkany obłąkany obłok obłudny obłudny obmycie obmywać

beloven, toezeggen, uitloven omloop, circulatie, roulatie muntsoort, valuta klotsen, plassen, kabbelen, klapperen omloop, circulatie, roulatie mikpunt, onderwerp, object, ding mikpunt, onderwerp, object, ding lens schillen, afpellen, jassen commissie, opdracht, boodschap beloven, toezeggen, uitloven beloven, toezeggen, uitloven wereldreiziger opvullen, vullen, opzetten opvullen, vullen, opzetten uitleggen, interpreteren, duiden toelichting, explicatie voorbode, voorteken, teken teken, symptoom, verschijnsel aberratie, afwijking tournee, rondreis zoel, lauw geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume floppen, in het water vallen belegeren belegering, beleg viering belegering, beleg belegering, beleg in aanmerking komen, meetellen meten, berekenen in aanmerking komen, meetellen rekenschap, rekening derde macht, dobbelsteen, blok rekening, conto aanhechting aflossing, amortisatie, afschrijving glacé beladen, inladen, belasten, laden bejagen, jagen, jacht maken op bezetene, gek, krankzinnige dolzinnig, dol, gek, krankzinnig wolk loos, bedrieglijk, dubbelhartig gehuicheld, geveinsd, huichelachtig wassing louteren, reinigen, schoonmaken

obnażony obniżenie obniżenie obniżenie bariery potencjału w wyniku polaryzacji drenu obniżenie wydajności obniżka obniżyć obniżyć obniżyć się obniżyć się oboje obojętność obojętny obojętny obok obok obok obok siebie obok siebie obok siebie obok siebie obołudny obopólny obora obowiązek obowiązek obowiązek obowiązkowy obowiązujący obozować obój obóstwiać obóz obóz koncentracyjnjy obrabiać obracać obracać się obrachunek obrać zawód obradował obrady obrady obramowanie obramowanie prostokątne obraz obraz obraz elektronowy

onopgesmukt, bloot, naakt, onbedekt afname afdraaien, verlagen depressie invloed hebben op, beïnvloeden afname kleinmaken, vernederen, verootmoedigen afdraaien, verlagen neerdrukken, deprimeren verlagen, afdraaien beide, allebei, alle twee de flegma lauw, onverschillig neutraal, afzijdig, onpartijdig naast elkaar langs, naar, blijkens, ingevolge bezijden, naast, behalve aan, nabij, bij, dichtbij, naast aan, nabij, naast, bij, dichtbij sluiten, dichtmaken, dichtdoen naast, eerstkomend gehuicheld, geveinsd, huichelachtig onderling, wederkerig, wederzijds loods, keet, schuur, barak plicht, verplichting verplichting, plicht verantwoordelijkheid bindend, dwingend, gedwongen strip, reep, band, strook, windsel legeren, kamperen hobo verafgoden, adoreren, aanbidden legeren, kamperen legeren, kamperen functioneren, het doen anders maken, veranderen anders maken, veranderen akkoord, accoord, overeenstemming zich eigen maken, adopteren koesteren, broeden, broeden op actie, handeling, optreden, gedoe conferentie schoorsteenmantel omringen, omgeven, insluiten afbeelding, prent, plaat beeld, prent, afbeelding, plaat knippatroon, patroon

obraz tytułowy obraz wizja rysunek obraz zadania obraz zadania moduł ładowania (zadania) obraza obraza obrazą obrazić się obrazowo obrazowy obraźliwy obraźliwy obraźliwy obrażać obrażać obrażać obrączka obręb obrocie obrocie obrona obrona obrona przeciwlotnicza obroną obronić obroża obrożą obrót obrót obrus obrus obryzgać obrządek obrzezać obrzeże obrzęd obrzęd obrzęk obrzydliwy obrzydliwy obrzydliwy obrzydzenie obsada obsceniczny obserwacja obserwacją obserwować

beeld, prent, afbeelding, plaat schildering, doek, schilderij beeld, prent, afbeelding, plaat afbeelding, prent, plaat beledigen, krenken, affronteren troetelen, koesteren, vertroetelen beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken oneigenlijk, figuurlijk oneigenlijk, figuurlijk krenkend, beledigend, grievend agressief aanvallend, offensief gescheld beledigen, krenken, affronteren beledigen, affronteren, krenken wal, beugel, ring kompas fietsen, wielrijden anders maken, veranderen weer, defensie, afweer, verdediging defensie, verdediging, weer, afweer bescherming defensie, verdediging, weer, afweer opkomen voor, verweren, verdedigen kraag, boord, halsboord kraag, boord, halsboord revolutie, omwenteling omzet laken tafellaken, dekservet klapperen, plassen, kabbelen, klotsen ritueel besnijden cirkelomtrek, buitenkant ceremonie, plechtigheid ritus, kerkgebruik, rite pof, poef ijselijk, afgrijselijk misselijk, stuitend, onsmakelijk venijnig, vergiftig, giftig gruweldaad, verschrikking, gruwel afgietsel, gegoten voorwerp schuin, obsceen, schunnig berisping, aanmerking, blaam, standje berisping, aanmerking, blaam, standje opvolgen, handelen volgens

obserwował obsesja obsesją obsługa obsługiwać obsługiwał obsługiwanie obsługujący obsługujący ramki obstawać obstrukcja obsunięcie się ziemi obszar obszar obszar definiowania obrazu obszar oddziaływania obszar zapisu taśmy obszar zapisu taśmy (magnetycznej) obszar zbiorczy sumować obszerny obszerny obszerny obszerny obudowa obudowa obudowa płaska obudowa układu scalonego obudowa wieżowa obudzić obudzić obudzić obudzić (ze snu) obudzić się obudzony oburzony (<at sth> na coś oburzyć obustronny obustronny obuwie obwieszcza obwieszczać obwieszczenie obwolucie obwoluta obwód obwód obwód obwód drukowany wielowarstwowy

opvolgen, handelen volgens obsessie obsessie administratiekantoor, bestuur serveren, voorleggen functioneren, het doen actie, handeling, optreden, gedoe steward steward aanhouden, blijven aandringen verstopping, constipatie, obstipatie aardverschuiving oppervlakte, areaal, gebied territoir, ban, gebied, grondgebied gehucht, buurtschap, vlek arena, krijt, piste, kampplaats zich aaneensluiten, aansluiten klimaatzone, zone, aardgordel oppervlakte, areaal, gebied uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend lijvig, veelomvattend uitgebreid, omvangrijk, veelomvattend breedvoerig, ruim, groot, royaal affaire, zaak, aangelegenheid, ding inpakken, verpakken, pakken indompelen, indopen, soppen pedestal, piëdestal, voetstuk inpakken, verpakken, pakken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wakker maken, wekken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken wekken, wakker maken, opwekken verontwaardigd muiten, rebelleren, in opstand komen wederkerig, wederzijds, onderling onderling, wederkerig, wederzijds schoeisel uitvaardigen, afkondigen adverteren, aankondigen, aandienen bericht, aankondiging, advertentie kruisband, wikkel, banderol kruisband, wikkel, banderol circuit netwerk, net omtrek circuit

obwód drukowany wielowarstwowy obwód drukowany wielowarstwowy obwód wyjściowy obwód zaporowy obwódka obyczaj obywatel obywatel obywatelski obywatelski obywatelstwo ocalać ocalić ocean oceaniczny ocena ocena ocena zawartości oceną oceną oceną oceniać ocenić ocenić ocet ochłodzić ochocie ochota ochotnik ochraniać ochrona ochrona ochrona poufność ochrona w architekturze (sprzętu lub oprogramowania) ochrona zasobów ochrypły ochrzcić ochrzcić ociągać się ociekać ociemniały ocierać ocierać ocknąć się oclić octan oczarować

maas, breisteek, steek, strik omtrek circuit circuit velg usance, gewoonte, gebruik staatsburger, burger nationaal, vaderlands burger-, stadsciviel nationaliteit redden, bergen, behouden bergen, behouden, redden wereldzee, oceaan oceanisch belastingaanslag, aanslag orkestreren schatten, begroten, waarderen, taxeren belastingaanslag, aanslag graad, mate, trap gedachte, mening, opinie, dunk, visie rekening, conto schatten, taxeren, waarderen, begroten appreciëren, waarderen edik, azijn koelen wil wil vrijwilliger, volontair behoeden, beschermen bescherming pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand pand, borgstelling, onderpand bescherming schor, hees, rauw dopen dopen zweven water blind schaven, afschaven afvegen, wissen, afdrogen, afwissen beter worden, genezen, helen plicht, verplichting acetaat, azijnzuur zout heksen

oczarować oczarować oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać oczekiwać na pakiety oczekiwać na sygnał oczekiwał oczekiwał oczekujący oczka oczko oczko (sieci itp) oczko (w kartach itp) oczko sieci itp oczyszczać oczyszczać oczyszczać kogoś z winy oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić oczyścić się oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywisty oczywiście oczywiście oczywiście oczywiście od od czasu do czasu od niepamiętnych czasów od nowa od nowa od piątku od siebie od święta od zewnątrz oda oda tnica odbicie odbicie zwierciadlane (w grafice) odbiera

aantrekkelijkheid betoverend anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhoren, beluisteren, luisteren aanhoren, beluisteren, luisteren anticiperen, prejudiciëren wachten, afhalen, te wachten staan te wachten staan, wachten, afhalen aanhangig maas, breisteek, steek, strik kijker, oog maas, breisteek, steek, strik sterretje, asterisk maas, breisteek, steek, strik raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel reinigen, schoonmaken, louteren borstelen, schuieren uitleggen, duidelijk maken, beduiden rein, puur, schoon, zindelijk louteren, reinigen, schoonmaken zindelijk, puur, helder, rein, schoon louteren, reinigen, schoonmaken aanwijsbaar, vertoonbaar apert, evident, kennelijk, duidelijk laten blijken, manifesteren kennelijk, evident, apert vlakte beslist, absoluut, ten enenmale klaarblijkelijk, duidelijk, blijkbaar klaarblijkelijk, blijkbaar, duidelijk gewis, zeker, vast, stellig sedert, met ingang van, vanaf op een keer, eens van voren af aan, nogmaals, opnieuw opnieuw, van voren af aan, nogmaals van voren af aan, nogmaals, opnieuw van voren af aan, nogmaals, opnieuw afgezonderd, afzonderlijk daarop, vervolgens sinds, sedert, vanaf ode ode afspiegeling, weerglans afspiegeling, weerglans ontwoekeren

aars anus. accepteren ontvanger afspiegelen reflecteren. dealer. schare. tak afbetalingstermijn. snuiter logeren ritsen. kudde. afhalen lossen. wegsnijden kerel. ontraadselen klapstuk. groep. nuance. klink scheren. nuancering nuance. drift afdruk nadruk. wegsnijden afzetten. betasten vertegenwoordiger. nuance. aars serveren. sujet. afladen tint schakering. sensatie bevoelen. herdruk ontsluiten anus. voelen. amputeren. handvat. afwijking afleidingsmanoeuvre afzetten. met pensioen gaan rank. schakering. spiegelen. knul. knippen. annuïteit afdruk indruk maken op. tasten. rustend. imponeren ontcijferen. uitladen. inzamelen aanvaarden. persoon. agent . toehoorder voor voldaan tekenen. terugkaatsen ontvanger ontvanger ontvanger gebruiker luisteraar. slank. aars anus. kruk. amputeren. hengsel.odbierać odbierać odbierający odbijać odbijać się szerokim echem odbiorca odbiorca danych odbiorca docelowy odbiorcą odbiornik odbiór odbiór (długu odbitce odbitka odblokować odbyt odbytnica odbytnicą odbywać odchodzenie klientów odchodził odchodź odchudzać się odchylenie odchylenie odciąć odciąć dopływ odciąg odciąg odciąga odciążyć odcień odcień odcień odcień odcień odcień barwy odcięta odcinać odcinanie odcinek odcinek (powieści) odcisk odciskać odcyfrować odczucie odczuwać odczynnik chemiczny collecteren. kwiteren hoop. aannemen. snoeien branche. rissen. tenger aberratie. in ruste aftreden. innen. wegnemen. vak. nuancering tint abscis oor. nuancering schaduwen schakering. voorleggen karnen gepensioneerd.

odczyt odczyt z wyprzedzeniem odczytać odczytaj odczytywać elektrycznie oddać (przysługę) oddać (się czemuś) oddaj oddalony oddawać mocz oddawać stolec oddawać usługi oddech oddychać oddychanie oddział oddziaływać oddziaływanie wzajemne oddzielać oddzielać oddzielać oddzielny oddzielny odebrać odwołać unieważnić odejmij odejmować odejmowalny odejmował odejmowanie odejście odejść odejść z kwitkiem odemknąć oderwać oderwać odetchnąć odezwa odgadywać odgałęzienie odgłos odgłos odgłos odgłos kroku odgradzać odgrażać się odizolować odjazd odjeżdża college geven lezen decoderen college geven betekenis. gissen. over pissen. spenderen. afzonderen uittocht. doorzien tak. afzonderen afgezonderd. afzonderlijk afgezonderd. aangrijpen agentschap gescheiden isoleren. weergeven opdragen. vertrek een miskraam krijgen. spanderen bemachtigen. voorleggen adem ademhalen. ontlasting hebben. aangrijpen vandoor. afzonderlijk verscheidene. zin reproduceren. bedreigen isoleren. mislukken aftreden. een plas doen. afzonderen dreigen. doorklinken isoleren. grijpen. verklaring raden. met pensioen gaan ontsluiten verstrooien vaneenscheuren. naklinken. doorscheuren ademhalen. echoën Echo naklinken. afreizen . aannemen. diverse aanvaarden. kakken serveren. vertrek op reis gaan. galmen. heen. aftakking boe weergalmen. accepteren aftrekken aftrekken afneembaar aftrekken aftrekking uittocht. ademen declaratie. piesen poepen. ademen ademhaling agentschap aandoen. verwijderd.

ververwijderd. tegenspreken afwijzen. grondvesten. eind ververwijderd. vertrek eenzaam partij. cliché in tegenspraak zijn met. amortisatie. stem bikken. afwisseling conjugeren. anders maken dalen. vervoegen ijselijk. weigering negatief. afnemen variatie. vanaf wanneer. het verdommen. gegoten voorwerp baseren. deponeren.odjeżdżać odkazić odkąd odkąd odkładać odkładać odkładać odkrycie odkryć odkrywać odkrywać odkrywać odkrywanie urządzeń sieciowych odkupienie odlatywać odległość odległy odległy komputer macierzysty odlewać odlewać odlewać odliczyć odlot odludny odłam odłamek odłamek odłączać odłączalny odłączony odłączyć odłączyć odmalowuj odmawia odmawiać odmiana odmiana odmiana baseballu odmianą odmianą odmieniać odmienny odmienny odmowa odmową odmowny odmówić odmówić op reis gaan. afbikken splinter invalide. afzonderlijk uitbeelden. toen vertraging afgeven. afwisseling veranderen. in bewaring geven uitstellen. variëteit. ver. verwijderd. schragen ontdekken ontdekking aflossing. afkeuren . steunen. als. rissen. verdagen. afschrijving vandoor. boetseren ritsen. afbeelden achterhouden ontkennen veranderen. verwijderd verwijderd. gebrekkig afneembaar afstandelijk verloten. kleiner worden. ver afgietsel. weigering afwijzing. ontsmetten sinds. afreizen desinfecteren. funderen modelleren. anders maken variatie. over afstand. wegnemen. variëteit. sedert. loten afgezonderd. verbeelden. aanhouden ontdekking ontdekken ontdekken stutten. afschuwelijk uiteenlopend. afhalen uittocht. verschillend afwijzing. heen.

referentie verwijzing. het verdommen. genezen. antwoorden op neerdruipen. schijnen been verhalen. renoveren isolatie. antwoorden op corresponderen antwoorden. helen vernieuwen. tegenkanting. vies ruiken afwijzen. referentie versieren vernieuwen. tegenstand immuun. ontslaan doen verdampen. accepteren betreffende. debiteren verwant. bijbehorend gepast. royeren. overblijfsel. antwoorden op reageren corresponderen antwoorden. overkomen. antwoorden op reageren antwoorden. geïsoleerd enkel. bloot. renoveren verwijzing. passend. resistent immuun. renoveren vernieuwen. referentie lijken. louter stinken. afkeuren ontzetten. aangaande. afval tegenweer. aannemen. afdruk antwoorden. indampen blaar terugvallen exemplaar. afdruipen ebtij. antwoorden op adequaat. omtrent verwijzing. getij ebrusten rest. vertellen. isolering alleenstaand. doorvoeren aanvaarden. familielid bewerkstelligen. onvatbaar. onvatbaar. resistent antwoorden. geschikt .odmrożenie odnajdywać odnalezienie odnaleźć odnawiać odnawiać (mieszkanie) odniesienie do obiektu odniesienie niejednoznaczne odnieść wrażenie odnoga odnosić się odnoszący się odnoś odnoś odnośnie odnośnik odnowić odnowić odosobnienie odosobniony odosobniony odór zynek odpadki odpalać odparowywać odparzyć odpaść odpis odpisać odpływ odpływ odpływ odpływ kanał odpoczynek odpoczynek odporność odporny odporny na wstrząsy odpowiada odpowiada odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać odpowiadać (<to sth> czemuś) odpowiadać za odpowiedni odpowiedni door bevriezing veroorzaakte wofrostbite ontdekken ontdekking beter worden. uitdampen. rommel.

behoorlijk netjes. antwoorden op antwoorden. voldoende fatsoenlijk. misselijkheid walg. afgrijselijk uiteenlopend. in bewaring geven gruwel. aanhouden afstand. fatsoenlijk equivalent.odpowiedni odpowiedni odpowiedni odpowiednik odpowiednik odpowiednio odpowiednio odpowiednio do odpowiedniość odpowiedzialność odpowiedzialny odpowiedzialny (<for sth> za coś) odpowiedzialny za coś odpowiedzieć komuś/na coś czymś odpowiedzieć <to sb/sth> komuś/na coś <with sth> czymś odpowiedź odpowiedź odpowiedź opóźnienia grupowego odpowiedź z danymi EGP odprasować na kant odprawić odprężacć się odprężyć (się) odprężyć się odprowadzać odprysk odpust odpust odra Odra odra (choroba) odra choroba odraczać odraza odraza odrazą odrażający odrażający odrębny odrębny odrobina odrobina odrobina odroczyć odrośl odróżniać odróżniać genoeg. aansprakelijk reageren reageren antwoorden. deponeren. frommelen ontzetten. behoorlijk landgoed. marktplaats aflaat mazelen Oder mazelen mazelen afgeven. antwoorden op verfomfaaien. onderscheid maken onderscheiden. naar behoren. onderkennen . begeleiden splinter marktplein. zich verpozen verslappen. kreukelen. antwoorden op antwoorden. op de juiste wijze netjes. afzonderlijk jota ons vonk. betamelijk. bazaar. zich verpozen vergezellen. bezitting verantwoordelijkheid verantwoordelijk. walging. behoorlijk. antwoorden op antwoorden. zich verpozen verslappen. afkeer. royeren. verschrikking. parallel gevoeglijk. accompagneren. gelijkwaardig evenwijdig. afkeer. misselijkheid afschuwelijk ijselijk. boerderij. aansprakelijk verantwoordelijk. verschillend afgezonderd. behoorlijk betamelijk. markt. eind uit elkaar houden. walging. naar behoren. verdagen. sprank uitstellen. gruweldaad walg. ontslaan verslappen. aansprakelijk verantwoordelijk.

gat interval. afwennen dronken. wereldruim. aandrang schokken ontsluiten afslaan. zat. overeenstemming beloning. gooien afwijzing. referentie akkoord. aanwakkeren opknappen. bres. bevinden. afwijzen evenredigheid. verwerpen. afschrikken vandoor. heen. moed. moed. asterisk verwijzing. voetstuk ruimte. tussenruimte opening. vertrek verjagen. durf lef.odróżnić odruch odruch odryglować odrzuca odrzucać do tyłu odrzucenie odrzucić odrzucić odrzucić odsetce odsetek odsetki odsłaniać odsłona odsłoną odstęp odstęp odstęp odstęp między znakami odstęp międzywierszowy odstęp proporcjonalny odstępstwa odstrasza odsunąć odsyłacz odsyłacz odszkodowania odszkodowanie odszkodowanie odszukać odszukać odszyfrować odświeżać odświeżać odświeżanie odświeżyć odświeżyć odświeżyć odświeżyć się odtajnić odtrącać odtwarzać tok rozumowania odtworzenie oduczyć odurzyć odwadze odwaga onderscheiden. aantreffen afbakenen ontcijferen. renoveren opknappen. verwijderd. impuls. interesseren openbaren. over sterretje. beschonken lef. ontraadselen sterker worden. afnemen afdanken afslaan. procent. weergave afleren. proportie. accoord. weergeven reproduktie. opfrissen verfrissend vernieuwen. ontraadselen afpoeieren reproduceren. opfrissen ontcijferen. gaping uittocht. kleiner worden. toneel. speling afstand. tafereel. dol. piëdestal. opening. tussenruimte pedestal. bestek. percent belang inboezemen. onderkennen aandrift. verwerping dalen. vergelding schade aanrichten. dapperheid. verhouding rente. drang. eind interval. laven. kenbaar maken scène. laven. tableau mond. dapperheid. laven. afwijzen opgooien. durf . treffen. opfrissen verfrissend opknappen. schaden vinden. loon. toenemen. verwerpen.

de aftocht blazen linker-. kleding gewaad. rugstuk afleiden.odwaga odważnie odważnik odważny odważny odważyć odważyć się odważyć się odwdzięczać się odwiązać odwiedzać odwiedzać odwiedziny odwiert odwilż odwlec odwokat odwołać odwołać odwołać (kogoś lub coś) odwołać skasowanie odwołanie odwołanie przez adres odwołuj odwołuj odwoływać się odwracać odwracać odwrocie odwrotne łamanie odwrotność odwrotność odwrotność odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny odwrotny bez powrotu do zera (zapis) odwrócić odwzajemnić odwzajemnić się odwzorowanie odyseja odziedziczyć odziedziczyć odzież odzież odznace odznaczenie zenuw dapper. opzoeken bezoeken. afgaan. wederkerig. boud. koen het gewicht bepalen. rugstuk tegengesteld. een gesprek voeren onderling. opzoeken mond. intrekken appelleren. kloek. reproduceren. wagen zich wagen aan. ommezijde. opening ontdooien. eerlijk. terugbetalen afbinden. tegenliggend. aankondigen. ommezijde. rugstuk achterzijde. referentie afschaffen terugtrekken. boud. een gesprek voeren achterzijde. onthouden afbestellen afbestellen verwijzing. links converseren. aanhouden adviseren. bekendmaken afbestellen afdanken zich herinneren. moedig. aandurven restitueren. dooien. rugstuk aftrekken. kledingstuk wapen. beantwoorden hergeven. losbinden. onderscheiding. koen gewicht flink. ferm dapper. moedig. wegen. een beroep doen op afleiden. losmaken bezoeken. verstrooien terugdoen. verstrooien achterzijde. verdagen. erven kleren. decoratie . braaf. vergelden. ommezijde. kloek. teruggeven bitmap Odyssee afwisselend beërven. strijdig converseren. gedenken. wederzijds achterzijde. afgaan. wegsmelten uitstellen. insigne. ommezijde. gat. blazoen decor. dapper. afwegen zich vermetelen. geregeld bezoeken bezoeken.

officieel afstand. nauwgezet opofferen. offeren. plakkaat bericht. afstammen uitspreken aandienen. indienen huwelijksaanzoek. aanzoek huwelijksaanzoek. ontslaan onderzoeken. aanbieden huwelijksaanzoek. examineren inspectie houden. binnenkrijgen. beteuterd ontzetten. helen uitvoeren. bekendmaken het gevolg zijn van. aanbieden huwelijksaanzoek. focus. genezen. adverteren proclameren. inspecteren uitzicht adverteren. opdoeken wapen. ceremonieel. spiegelen. royeren. insigne. openbaarmaking adverteerder. royeren. aankondigen.odznaczyć odznaka odznaka odzwierciedla odzwierciedlać odzyskać odzyskać odzyskiwać odźwierny ofercie oferować oferować oferta oferta officer celny ofiara ofiara (na jakiś cel) ofiara życiowa ofiarować oficer oficjalny oficjalny ofset ogarniać ogień ogień armatni oglądać oglądać oglądać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłaszać ogłosić ogłosić ogłosić ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenia ogłoszenie ogłoszenie ogłoszenie ogłoszeniodawca ogłuchnąć ogłuszał ognisko ognisko elimineren. offeren. bedremmeld. terugkaatsen reflecteren. advertentie. helen beter worden. aankondigen. plechtig ambtelijk. verkondiger goed staan beduusd. aanzoek officier afgemeten. aankondiging bericht. aanzoek afzenden. afkondigen uitgeven. genezen. getroffene. royeren. advertentie affiche. advertentie afkondiging. expediëren te koop aanbieden. aanbieden dupe. emitteren bericht. aankondigen. ontslaan ontzetten. spiegelen. terugkaatsen ontwoekeren beter worden. eind inslikken. afschaffen. presenteren. aanplakbiljet. aankondiging. haard . ontslaan brandpunt. verzenden. uitvaardigen. blazoen kegel reflecteren. advertentie. accuraat. nakijken. aandienen aandienen. slachtoffer opofferen. adverteren adviseren. aankondiging bericht. aanzoek nauwkeurig. aankondiging. aankondigen. innemen ontzetten.

heining. focus. barrière haag. schoorsteen. heg. eindig zeeëngte. haard cachot. afsluiting. barrière kraal. cel. steg haag. afsluiting. omheind terrein afgrijselijk enorm buitengewoon gigantisch. kerker monteren. beperkt beknotten. zetten afscheren schaduwen rok in het algemeen. beknotten begrensd. begrenzen. afsluiting. knarsen smeden brandpunt. gemeenschappelijk geheel alles wel beschouwd komkommer begrenzen. eindig perk. haardstede haardstede. eindig. eindig beknotten. beperken. begrenzen beperken. groot hof. tuinier. beperken. barrière beperkt. doorgaans generaal wereldwijd generaal algemeen. straat beperkt. ruim. hovenier kraal. beknotten begrenzen. eindig tuinieren tuinman. beknotten beperkt. heining. grens beperken.ognisko ognisko domowe ognisko domowe ognisko kowalskie ogniskował ogniwo ogniwo ogniwo (np. reusachtig royaal. breedvoerig. begrensd. beknotten hek. tuin . heg. beperken. beperkt. kanaal. łańcucha) ogolić ogon ogonach ogólnie ogólnokształcący ogólnoświatowy ogólny ogólny test klasyfikacyjny ogół ogółem ogórek ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać ograniczać niosłości ograniczenie ograniczenie topologii ogranicznik zakłóceń radioelektrycznych ograniczony ograniczony ograniczony wejściem-wyjściem ograniczyć ograniczyć ograniczyć spożycie (zużycie) ograniczył (się) ogrodnictwo ogrodnik ogrodzenie ogrodzenie ogrodzenie ogrodzić ogrodzić (żywopłotem) ogrodzone miejsce ogromny ogromny ogromny ogromny ogromny ogród open haard. omheind terrein hek. steg hek. heining. begrenzen. begrenzen begrensd. nauw. begrensd. beperken. haard. beknotten beperken. begrensd. begrenzen. zetten monteren. schouw piepen.

papa. monster. hongerigheid. opdagen sponning. marchanderen keer. pingelen. boodschap verzenden glaswaar. trek toejuichen. venster raam. vaartje. bij acclamatie benoemen toejuichen. papa. gruweldaad. venster bericht. oog span proef. vuur verwarming verschrikking. vensterruit. marchanderen toevallig. toedekken. glaswerk kijker. proefstuk schede. afgezaagd afgezaagd comprimeren mouw dekken. aangeboren vaderland vaderland kijker. vader. pit warm gloed. afgrijselijk pater.ogród ogród zoologiczny ogryza ogryzać ogryzek ogrzać Ogrzewać ogrzewanie ohyda ohydny ojca ojciec ojciec chrzestny ojczym ojczysty ojczyzna ojczyźnie oka okablowanie okaz okaziciel okazja okazja okazja okazją okazjonalny okazywać się okienka okienko okiennica oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwać oklaskiwał oklepany oklepany okład okładce okładka okładziną okna okno okno dialogowe okno otwierające się tak jak drzwi (w odróżnieniu od okna z podnoszoną ramą) okno panel pole oko dierentuin hof. naamgever. specimen. peet stiefvader ingeboren. venster luik toejuichen. oog . gelegenheidsopdraven. houder afdingen. eetlust. foedraal. bedekken voering raam. gebeurtenis. gleuf raam. vader. peter. gruwel afschuwelijk. gebeuren afdingen. tuin knagen knagen. maal incident. pingelen. alledaags. bij acclamatie benoemen banaal. knabbelen kern. ouder peetvader. ouder pater. sleuf. bij acclamatie benoemen graagte. vaartje. beleggen.

gracht loopgraaf stropen. aanstaand. definitief specifiek. buitmaken. gruweldaad. zwendelen. regionaal pot. tijdvak term. frauderen knoeien. cirkel ronde fietsen. oog eerstvolgend. open veld oppervlakte. oppervlak platteland. aanstaand. koker district. een stuk of. komend eerstvolgend. vakterm krant specificeren benaming. doos. omschrijven. foedraal. gewestelijk. greppel. roven. vulva kut. hoer kut. bak. gelegenheidsongeluk. circa groef. stand circulerend. kuil. lichtekooi. bestuur. bak. stand van zaken. in omloop ongeveer. nauwkeurig bepalen onherroepelijk. open veld bijwoordelijk toevallig. gebied platteland. gruwel . foedraal. soortelijk pot.oko magiczne okok okok ca okolica okolica okolica okolicą okolicznik okolicznosciowy okoliczności okolicznościowy okoliczność okoliczność około około okop okop okrada okradać okradać kogoś okraść okrąg okrągły okres okres okres okres okres ważności klucza kryptograficznego okres wykonania okres życia okres życia okresowy określać określenie określenie danych określenie ilościowe określenie intymnej części kobiecego ciała określić określić określony określony okręcie okręg okręgowy okręt wojenny okroić obcinać okropność kijker. vulva definiëren. leiding term. etui. ongeval toevallig. naamwoord. tijdvak podium. areaal. plunderen sluipen knoeien. vakterm periode. gouw streek-. bepalen determineren. accident. frauderen kring. wielrijden wiegen periode. tribune. doos. gelegenheidsomstandigheid situatie. groeve. tijdvak periode. etui. komend oppervlakte. arrondissement. naam prostituée. zwendelen. koker afknotten verschrikking.

ambacht aanwezige aanwezige bezetten. bedrijf handwerk. toedekken. beslaan. barbaars. blind maken de weg wijzen. bedekken hullen. kijkspel. geleiden. kreupel. bekleden bezetten. beslaan. bewusteloos raken . els olie olie stookmateriaal. zaken doen bezwijmen. ambacht beroep. schouwspel bril mank. bijkans. geweldig elzeboom. wreedaardig dekken. fatsoenlijk smeden spektakel. haast. bijna handelen. ijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. achttallig betamelijk. broodkruimel wreed. vrijkopen. brandstof olie olie olijf olie olijf olijf verblinden. gruweldaad.okropny okropny okropny okropny okruch okrucieństwo okruszyna okrutny okryć okrywać oktalny okucie Okucie okulary okulary okulawić okulista okultystyczny okultyzm okup okupacja okupacja okupacją okupancie okupant okupować okupował olbrzym olbrzymi olbrzymi olcha olej olej rycynowy oleje i smary oliwa oliwą oliwą oliwić oliwka oliwny olśnić (dosł. beleggen. behoorlijk. beroep. gruwel kruimel. enorm. ijselijk kruimel. inwikkelen. handeldrijven. beroep. omhullen octaal. broodkruimel verschrikking. broodwinning. leiden potlood altaar ohm schier.) ołów ołówek ołtarz om omal omawiać warunki omdlenie afgrijselijk schrikaanjagend. hinkend oogarts occult occult loskopen. bekleden reus reusachtig. i w przen. gigantisch gigantisch. afkopen handwerk.

pantser haarkloven. hun hen. keuze keus. bus bespreken. keuze opera bewerking. steunen. ingreep kansel. troep. bespreken mossig tas. ingreep bewerking. afbinden een verband omleggen keus. wuiven. hun hen. alternatief. omelet struif. verpakken. schragen uitwasemen aanbranden in kokend water doen schare. misgrijpen struif. pakken kruisband. zij. harnas. ze. hun het abdij abdij hangen verval inpakken. ze. katheder . banderol opaal tanen. voorteken mijden. bepantsering. operatie. zij. uit de weg gaan. zak tas. steunbeer. omelet struif. ze. leerlooien. ze gebaren. leerstoel. omelet autobus. bende abt abt zwachtel. voorbode. operatie. mislopen. zwaaien hen. verband toebinden. bedillen schoor. zij. zak hij. discuteren recenseren. wikkel. hem haar. beer stutten. zij. alternatief. looien aangebrand kuras. ontwijken missen.omen omija omit omlecie omlet omlet omnibus omówić omówienie omszały omultiset omulti-set on ona ondulacja one oni oni sami ono opactwa opactwo opada opadać opakowanie opakowanie ochronne opal opalać się opalenie opancerzenie opar oparcia oparcie opary oparzenie oparzenie słoneczne opaska opat opat tor opatrunek opatrunek opatrzyć opcja trasowania według nadawcy opcja zapasowego połączenia przez sieć komutowaną opera operacja operacja zmiennopozycyjna operatora teken.

attentie. verband vertelsel. tegenkanting. nonchalant gedachte. relaas. beschrijving verbeelden. verhaal. visie judicium. tegenstand opportunist. overblijfsel. grenzen aan nonchalant. schildering. beschrijving recenseren. aanstaand. ding tegenweer. aanslag pneumatiek. schildering. afval tegenspartelen. onderwerp. uitbetalen. bezwaar hebben tegen belenden. aanslaan belastingaanslag. erop nahouden. betalen. relaas. relaas. tegenstand trekken tegenweer. dunk. opinie. porto gesteld zijn. verhaal. nalatig. bespreken tafereel. vertelling tegenstand. tegenkanting. verdieping vertelsel. komend belasten. mening. rijk zijn acht. luchtband. tegenstand . onachtzaam. dokken rouwen rouwen gesteld zijn. beschermheer chaperonne oppas rest. vonnis tafereel. object. uitspraak. het maken port. meeloper vertelsel. obsederen bezitten. onachtzaam nalatig. tegenstreven standhouden. vertelling etage. omgang. vertelling betrekking. het maken gestroomlijnd eerstvolgend. het doen beklemmen. oppositie tegenweer. afbeelden beschrijven opium storten. uitbeelden. tegenkanting. band tegenstander tegenstander mikpunt. frankering. aandacht bescherming beschermheilige. sententie. verhaal. rommel.operą operować opętać opętywać opieka opieka opiekun opiekun klienta opiekunka do dziecka opierać opierać się opierać się opierać się o coś opieszały opieszały wstęp opinia opinia opis opis opis techniczny opisać opisywać opium opłacać opłakiwać opłakiwał opłata opłata (za przejazd) opłata jednostkowa opływowy opodal opodatkować opodatkowanie opona oponent oponent oponować oporność oportunista opowiadanie opowiadanie opowiadanie opowiadanie) opowieść opozycja opór opór magnetyczny opór sprzężenia zwrotnego opera functioneren.

besef. samenstellen monteren. ledig. naast overigens. inlijsten. foedraal. dichtbij. ledig. schede.opóźniać się z czymś opóźnić opóźnić opóźnienie opóźnienie propagacji opóźniony zapis opóźniony zapis opracowywać oprawa oprawa okularów oprawą oprawcą oprawia oprawiający oprawka oprawka oprawka oprócz oprócz oprócz oprócz oprócz opróżniać adj pusty opróżnić opróżnienie (bufora)płukanie (dysz drukarki) opryszek oprzeć oprzejmy oprzęd oprzytomnieć optyczny wskaźnik działania optyk optymista optymistyczny optymizm opublikować opuchlina opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać opuszczać (się) opuszczenie opuszczenie opuszczony opuszczony vertraging vertraging achterlijk vertraging vertraging achterover achterwaarts. nabij. afslachten inbinden. bedanken naar beneden gaan. leeg hol. bewustzijn daglicht opticien optimist optimistisch optimisme uitgeven. reep. grondvesten. vatten slachten. band. aftreden. toegeving zonder vrienden gemeen. lens. windsel schede. doch uitzonderen zich aanstellen. afreizen linker-. afstand. bij. trouwens maar. strook. ondoorgrondelijk . leeg Vlissingen gangster baseren. funderen bereidwillig. loos. poef in de steek laten. binden strip. loos. houder velg houder. emitteren pof. achteruit. bereidvaardig cocon bezinning. zich voordoen hol. rugwaarts compileren. links achterwege laten. laten varen op reis gaan. onzedelijk onpeilbaar. weglaten uittreden. cessie. zetting in een lijst zetten. immoreel. lens. zetten montage. afdalen concessie. foedraal aan.

rechtzinnig orthografie. organiseren orgaan muiterij. regelen. opstand orgie. afleggen. zwelgpartij. advocaat. grof. schrijfwijze oorspronkelijk. onlusten. muziekkorps orkestreren planeet. baan oogkas. zwerfster versieren versieren gastheer orthodox. baan orchidee hardhandig. oostelijk band. voorvechter bericht. ruw pleitbezorger. uitgang. baan oogkas. naargeestig omploegen. orkest. van oorsprong oorspronkelijk. uitweg op reis gaan. kas. regelen. origineel . spelling. ploegen. rejestracji użytkowników organiczny organizacja organizacja firma organizacja i zarządzanie organizacją organizm organizm organizować organizował organy orgia orgia orgią orientacja w przestrzeni orientalny orkiestra orkiestra smyczkowa orkiestrować ornacie ornament ornamentacja orszak pogrzebowy ortodoksyjny ortografia oryginalnie oryginalny weggelaten prijsgeven. boodschap orgaan orgaan organiek. lomp. fonds Oranje oranje redenaar oogkas. organiseren uitschrijven. muziekkorps band. verdediger apostel. somber. onkies. mislukken afrit. drinkgelag orgie. bestel uitschrijven. beploegen geldkist. opgeven een miskraam krijgen. drinkgelag houding oosters. baan oogkas. orkest. stelsel. afreizen troosteloos. zwelgpartij.opuszczony opuścić opuścić opuścić opuścić opuść (się) orać orać oranż oranż orator orbicie orbita orbita okołoiziemska orbitować orchidea ordynarny orędownik orędownik orędzie organ organ ds. organisch organisatie organisatie administratiekantoor organisatie organisme systeem.

bereiken. aardnoot moer adelaar. klappernoot. oordelen. curieus. overeenstemming monteren. bereiken. klapper klapper. berechten geschommel. afdoen acht tachtig tachtig achttiende achttien achttiende achttien ouderloos ratelpopulier. rap. okkernoot pinda. schommeling oscillator oscillograaf oscillograaf slingeren. bereiken.oryginalny oryginał orzech orzech orzech alskowy orzech kokosowy orzech laskowy orzech nerkowca orzech orzech orzech włoski orzech ziemny orzeł orzeł czy reszka? orzeszek ziemny orzeźwiający orzeźwiający osa Osada osadzić osą osądzać oscylacja dwustanowa oscylator oscyloskop oscyloskop elektroniczny oscylować osdzczędny osiadanie na mieliźnie osiąga osiągać osiągać osiągalny osiągalny osiągnąć osiągnąć osiągnąć osiągnąć szczyt osiedle osiedlić osiem osiemdziesiąt osiemdziesiątka osiemnasta część osiemnastka osiemnasty osiemnaście osierocić osika typisch. behalen bereiken. vreemd oorspronkelijk. inhalen bereiken. behalen behalen. apenoot. inhalen. verkrijgen. behalen aanspreekbaar verkrijgbaar behalen. apenoot. okkernoot walnoot. kwiek verfrissend wesp akkoord. overeenstemming afhandelen. inhalen buit maken. aardleiding behalen. zetten wesp beoordelen. okkernoot kokosnoot. inhalen akkoord. kokosnoot hazelnoot walnoot. inhalen. arend adelaar. arend pinda. accoord. oscilleren. kras. klappernoot. esp . druk. accoord. origineel moer walnoot. inhalen behalen. schommelen economisch aarding. aardnoot levendig. bereiken.

mantelkap. bordje. uithangbord. luwen schild. bekoelen. bekoelen. muil aard. eigenaardig persoonlijk persoonlijk kegel . buis dekken. wikkel. beleggen. betichten. beschuldiger een proces aanspannen tegen Oslo schild. colbert. aanklagen beschuldiging. geaardheid gek. asyl kader. schort. sloof. lijst.osikowy osioł osioł osioł oskard oskarżać oskarżać oskarżać ((sb of sth> kogoś o coś) oskarżać (kogoś o coś) oskarżenie oskarżony oskarżyciel oskarżyć przed sądem Oslo oslona osłabiać osłabiać osłabiać osłabiać osłabić osłabnąć osłaniać osłodzić osłona osłona osłona osłona osłona osłona osłona przeciwsłoneczna osłona TCP osłoną osłoną osłonić przed wiatrem osnowa tkaniny osoba osoba dająca ogłoszenie (np. betichten. persoon adverteerder. betichten. accompagnement muiltje. verzwakken aanlengen aanlengen aanlengen bedaren. bordje. afkluiven beschuldigen. mantelkap. aanklagen beschuldigen. uithangbord. vreemd. luwen verdunnen. jas bescherming kruisband. voorschoot huik. bordje. toedekken. bord toevluchtsoord. kap jasje. beschuldigde. kap jasje. raar. karakter. banderol huik. capuchon. humaan begeleiding. aanklacht beklaagde. do gazety) osoba pilnująca dziecka osoba postępująca w sposób humanitarny osoba towarzysząca osoba używana do przemycania narkotyków osobistość osobisty osobisty osobisty numer identyfikacyjny osobisty numer identyfikacyjny ratelpopulier. esp ezel ezel afgodsbeeld knabbelen. slof. bord bedaren. colbert. verkondiger oppas menselijk. asiel. bord suiker boezelaar. raam personage. aanklagen beklaagde. buis overjas. beschuldigde. uithangbord. capuchon. aangeklaagde aanklager. aangeklaagde beschuldigen. bedekken schild. omlijsting.

voorbijgaand puntig. curieus. fel. steun de sporen geven. prikkelen hulst guurheid. afzonderlijk geïsoleerd. vreemd hoofdelijk. kwiek. lethargie druilerig. szorstkość ostrożnie ostrożność ostrożność ostrożny ostrożny ostrożny ostrożny ostry ostry ostry ostry ostry ostry ostry (ból) ostry (np. acuut. hardheid zachtjes. afgezonderd gek. fel. leuning. alleenstaand aard. acuut. verleden. schelheid. helder. bovenmatig finaal. streng. ruw. doordringend scherp. duchtig. voorafgaand voorgaand. prikkelen de sporen geven. spits . ten slotte. laat recentelijk. ergst. helder. veilig scherp.osobiście osobliwy osobliwy osobliwy osobnik niosący trumnę osobno osobny osobowość osobowy osolić osowiały ospa ospałość ospały ostatecznie ostatecznie ostateczny ostateczny termin ostatni ostatni ostatni na wejściu—pierwszy na wyjściu ostatnie (wiadomości) ostatnio ostatnio ostemplować ostoi ostrodze ostroga ostrokrzew ostrość ostrość. druk bar. voorbijgaand beestachtig. bruut. vreemd. jijzelf afzonderlijk. bezorgd zijn. dierlijk kras. geborgen. guur. per saldo gebeurlijk. eventueel uiterst. stut. raar. slaperig eindelijk. voorafgaand vergevorderd. geaardheid persoonlijk zouten bromfiets pokken doffe onverschilligheid. voorzichtig zich bekommeren. karakter. kort geleden muntstempel drager. verleden. de laatste tijd onlangs. nóż) ostry ból ostry nabój uzelf. bezorgd zijn. felheid hardvochtigheid. per saldo eindelijk. levendig. zorgen behoedzaam. doordringend sluw steek bijtend. individueel afgezonderd. straf bijtend. uiteindelijk voorgaand. rap. hard. behouden. guur. eigenaardig typisch. ten slotte. zorgen waarschuwen zich bekommeren. extreem. voorzichtig verstandig safe.

begroten appreciëren.ostrydze ostryga ostrz ostrze ostrze ostrze noża ostrzega ostrzegać ostrzeżenia ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie ostrzeżenie o otwarciu obudowy ostrzeżenie o poziomie tuszu ostrzeżenie o rozładowaniu akumulatora ostrzeżenie o rozładowaniu baterii ostrzyc ostrzyc ostrzyć ostrzyć ostudzić osuwiska oswajać oswoi (się) oswoi się oswoić oswoić oswojony oszacować oszacować oszacowanie oszacowanie oszaleć oszałamiający oszczerstwa oszczerstwo oszczędność oszczędny oszczędny oszczędzać oszołomiony oszpecać oszukać oszukać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oszukiwać oester oester aanzetten. kant. spaarzaamheid economisch spaarzaam redden. kwaadspreken. slijpen kling. lemmet waarschuwen waarschuwen waarschuwing. kant. waarderen. lemmer. kust. behouden duizelig Mars schurkachtig handelen knoeien. dresseren. africhten temmen. tip waarschuwen affiche. snoeien maaien wal. lemmet wal. hebbelijkheid . oever kling. bedriegen zwendelen. frauderen schurkachtig handelen misleiden. dresseren. aanslag schatten. furore duizelig roddelen. scheren. dresseren. belasteren roddelen. slijpen afkoelen aardverschuiving temmen. tip waarschuwen waarschuwen waarschuwen knippen. dresseren. scherpen. waarderen. africhten temmen. boord. tip waarschuwing. kust. begroten. frauderen. africhten huistemmen. oever aanzetten. dresseren. boord. waarderen belastingaanslag. africhten schatten. taxeren bestseller. knoeien aanwensel. scherpen. lemmer. taxeren. bergen. zwendelen. africhten temmen. belasteren economie. kwaadspreken. plakkaat waarschuwing. aanplakbiljet.

aanbieden declaratie.oszukiwał oszust oszust oszust oszustwo oszustwo oszustwo telefoniczne oszyc oś oś oś oś oś (koła) oś (obrotu) ośka oślepia oślepiać oślepić ośmielać ośmielać się ośmielić się ośmiobok ośmiokąt ośmiokątny ośmiokrotnie ośmiokrotny ośmiornica ośmiornicą ośrodek ośrodek ośrodek zdalny oświadczać się oświadczać się oświadczenie oświadczenie oświadczyć oświadczyć (się) oświadczyny oświadzenie oświeca oświecać oświecać oświetlać otaczać otaczać murem otarcie (skóry) otarcie skóry otchłań misleiden. bedrieger jongleur haai schurkachtig handelen jongleur zwendelen. uitspraak declareren uitloven. verklaring declaratie. as declaratie. knoeien borduren prieel spil. aanspraak maken op achthoek achthoek achthoekig achtvoudig achtvoudig octopus octopus middelpunt. rang uitspreken uitloven. verlichten illumineren. wand afschaving gal. kwakzalver. aangifte. kolk . spil roteren. spil staf as. binnenste. status. blind maken verblinden. aangifte. verlichten illumineren. insluiten muur. verlichten illumineren. frauderen. centrum ligging graad. aanwakkeren. galnoot afgrond. blind maken blind aanvuren. aansporen zich vermetelen. uitspraak illumineren. plantengal. bedriegen charlatan. omgeven. draaien as. spil verblinden. bieden. aanbieden spil. stand. verlichten omringen. as as. bieden. wagen claimen.

gat ronduit. vergallen. nu goed vergiftigen. openen opener. dik insekt eirond. do wrzucania monet) otwór do wrzucania monet otwór poczty (mechanizm komunikacji międzyprocesowej) otwór wentylacyjny otwór wiertniczy otwór wiertniczy otwór zabezpieczenia zapisu (w dyskietce) otyły otyły owad owal owalny owca owi owies owijać owłosienie owłosiony kolk. divan.otchłań otchłań oto otoczenie otoczenie otoczenie sieciowe otoczka otoczyć otoczyć otomana otóż otruć otrzeć (odparzyć) skórę otrzeć (skórę) otrzymać otrzymać otucha otwarcie otwarcie otwartość otwarty interfejs przygotowywania do druku otwieracz do konserw otwierać otwierać (z klucza) otworzyć (spadochron) otwór otwór otwór (np. rustbank goed. gat sponning. lijvig lijvig. haar harig. opendoen. ruigharig. aldaar. gleuf mond. blikopener openmaken. ovaal eirond. opening dik. plantengal. rondweg openheid openmaken. opening. insluiten Turkse staatsraad. inwikkelen. gat. afgrond kolk. tappen. openen ontsluiten loslaten. ruig . sleuf. galnoot schaven. omstreken omgeving. ovaal schaap dat. uitlaten. diepte ginds. sleuf. moed. accepteren lef. er. omgeving omgeving. opendoen. gat. opening sponning. gat. omstreken scheepsromp. bodem. daar. datgene. opening fjord sponning. casco omsluiten omringen. dapperheid. zulks haver hullen. medium. gat. durf mond. omgeven. vergeven gal. opening. sleuf. romp. lossen mond. daarginds milieu. omhullen haardos. gleuf mond. open en bloot. opening mond. buit maken aanvaarden. afschaven verkrijgen. gleuf mond. aannemen.

tekenen muntstempel adstructie. er. bekendmaken aandienen. tooisel versieren koud voorbode. innig. teken gemiddeld middel. betekenen spellen doel. gedoe. aantonende wijs merken. strekking merken. werktuig beduiden. bewijs ozon tong in de echt verbinden.owoc owoce owocny owocowy owocujący owrzodzenia ozdabia ozdabia ozdabiać ozdabiał ozdabianie ozdoba ozdoba oziębły oznace oznacza oznacza oznacza oznaczać oznaczający oznaczyć oznajmiać oznajmić oznajmić oznajmujący oznaka oznaka oznaka ozon ozór ożenić się ożywiać ożywienie ożywiony ósemka ósemkowy ósma część ósmy ów ów pacha pachą pachnący pachnąć pachniano pachniano pachołek pachwina vrucht vrucht vruchtbaar vrucht vruchtbaar zweer versieren verfraaien. daar oksel oksel stinkend stinken. gezellig. beslaan. vies ruiken aromatisch. verlevendigen acht octaal. adverteren intiem. tekenen adviseren. verlevendigen actie. decoratie. knus indicatief. flatteren versieren opgesmukt afzetten. achttallig achtste achtste dat ginds. opwerken. geurig stinkend kegel lies . bedoeling. garneren sieraad. voorteken. optreden. plan. teken. aldaar. aankondigen. trouwen bezielen. daarginds. aankondigen. handeling bezielen.

pakken. insluiten opbergen. zaak. pakken. pakken pakje bundel. verpakken opbergen. zieke patiënt. bos pakje pakje inpakken. aangelegenheid. insluiten inpakken. drijven bakvis pacifist pacifist bundel. post. verpakken. menigte. massa stijl. wis. spinrag. afvallen. ding emmer inpakken. spinneweb. neervallen. bos barsten. bergen. bergen. rag affaire. dobberen. verpakken. ineenstorten. scheuren Pakistan inpakken.paciorek pacjent pacjent stały (w szpitalu) packa murarska packa na muchy pacyfista pacyfiście paczce paczce paczce paczka paczka paczka paczka paczka błędów pad upaść pada grad padaczka padać padać padlina padliną pagórek pagórek pająk pajęczyna paka pakiet pakiet pakiet pakiet wzorcowy (do opracowywania danych testu) pakiet żądania WE/WY Pakistan pakować pakować pakował pakunek pakunek pal pal palaczach palant palant palca palec palec (u ręki) palec u nogi kraal patiënt. pakken pakje pakje pakje instorten. paal. spin web. pakken pakje boel. hoop. zieke vlotten. vallende ziekte vallen. verpakken inpakken. wis. uiteenvallen hagel toevallen. deurpost rookcoupé baseball vleermuis vinger vinger vinger teen . splijten. drom. epilepsie. storten regenen aas aas hoogte aanaarden spinnekop. verpakken.

brandstof bal. knarsen haardstede. roken stinken. paalwerk. crematie. leeg. herinnering geheugen. hoe. heugenis. onthouden. lens. vies ruiken cremeren. gedenken zich herinneren. bochel ROM ROM verstand. libretto. gedenkschrift loos. tot bult. verassing piepen. brandstof stookmateriaal. aanhangen staf Oranje oranje boekje. gloren ROM voor. onthouden. heugenis. als. haard. vastkleven. herinnering flitsen. ledig. schoorsteen. schouw piepen. gedenkschrift aandenken. palm overjas. gebraden smoken. herinnering winkel geheugen. handpalm. gedenken dagboek.palec u ręki palenie zwłok paleniska palenisko palenisko palenisko palenisko Palestyna palić palić palić palić (papierosa itp) palić na popiół palisada paliwa paliwo paliwo wysokoenergetyczne palma palto paluch pałac pałka pałka policyjna pamarańcza pamarańcza pamflet pamiątce pamiątka pamiątka pamięci pamięciowy pamięć pamięć pamięć dyskowa pamięć ekranu pamięć magnetyczna ferrytowa pamięć podręczna scalona z układem procesora pamięć podręczna z synchronicznym pamięć rdzeniowa pamięć stała pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna pamięć zewnętrzna (pamięci) pamięć zmienialna pamięta pamiętać pamiętnik vinger lijkverbranding. operatekst aandenken. oven Palestina aanbranden geroosterd. journaal . geest. bij wijze van. knarsen open haard. flikkeren. intellect winkel geheugen. haardstede kachel. brandstof stookmateriaal. gedenkschrift aandenken. heugenis. hol mnemonisch geheugen. heugenis. verassen schutting. jas teen paleis kleven. palissade stookmateriaal. herinnering zich herinneren.

mislopen. onderzoek fotografische plaat. heerschappij. heerschappij. heuglijk heer. openlijk. bewind bestuur. heerschappij. akte . aan je. luipaard pantoffel pantomime spelen je. volk verzekeren. brij bescheid. publiek je. aan jou. mager closetpapier. pap. meisje dienstmeisje. keuring. gebonden. bewind. toiletpapier bescheid. gentleman onder de knie krijgen. ruchtbaar. kuras. jonggehuwde edelman bepantsering. de baas zijn bestuur. dagblad. beweren jou. meester worden dhr. meid missen. akte dik. jouw het jouwe. schraal.pamiętnik pamiętny pan pan (domu) pan (przed naswiskiem) Pan Bóg pan domu pan młody pan wielkiego rodu pancerz pancerz pancerz panel pani panice panicz paniczny paniczny strach panika panna panna panna panna Panna (gwiazdozbiór) panować panować panował panowanie panowanie panowanie nad sobą pantera pantofel pantomima pański pański państwa państwo państwo państwo państwo państwowy pańtwa papce papier papier o dużej gramaturze papier o małej gramaturze papier ścierny papier wysokiej jakości courant. harnas. dicht sprietig. open veld natie. de jouwe verzekeren. meisje meester zijn. jouw moes. bewind pré. bruid. papier. krant gedenkwaardig. plaat dame paniek onder de knie krijgen. je openbaar. bestuur panter. meester worden paniek terreur. voordeel bestuur. document. papier. lord onder de knie krijgen. misgrijpen Maagd verloofde. bewind heerschappij. beweren platteland. meester worden bruidegom. document. schrikbewind paniek meid. pantser examen. WC-papier. pantser kuras. bepantsering. harnas. dienares.

machinatie. duo. document. voorletter voor voldaan tekenen. staren echtpaar. paraderen. stoom pakje intrige. paar turen. kletteren. akte saffiaantje. koppel. schut stel. tweetal. damp. wasem. paragraaf verlamming lamleggen. paar echtpaar. konkelarij parkeren parkeren . pronken. staren stoom. prijken paradox paradoxaal paradoxaal pralen. gebrekkig parameter paranoïde paranoia drempel. koppel. echtelieden stel. kwiteren artikel. prijken pralen. paar stoom. echtelieden pralen. aanstaren. damp wasem. paraderen. klappen. dorpel paraplu paraplu scherm. damp stel. papier. sigaret paus klakken. paraderen. klikken varen paprika papegaai papegaai papegaai turen. duo. tweetal. wasem. prijken parochie parochieparochiaan roedel. duo. verlammen verminkt. aanstaren.papier wysokiej rozdzielczości papieros papież paplać paproć papryka papudze papuga papugować par para para para (dwa para komplementarnych tranzystorów para uporządkowana parada paradą paradoks paradoksalny paradoksyjny paradować parafia parafialny parafianin parafią parafią parafina parafować paragon paragraf paraliż paraliżować paraliżował parametr paranoiczny paranoja parapet parasol parasol (od słońca) parawan parą parą parą parą parcela parcela park parking bescheid. pronken. koppel. tweetal. kudde parochie paraffine initiaal. pronken.

passagier belemmeren. leest. afdammen riem. taille gallon gallon riem. wasem. rijstrook inzittende. strook. reep klimaatzone. uitglijden strip. ceintuur gallon middel. aardgordel scheerriem . volksvertegenwoordiging parlementair stoomboot vochtig travestie doen verdampen.parkować parlamencie parlament parlamentarny parnik parny parodią parować parować parowca parowiec parowóz parowy parsować parter parterowy dom partia partia (produktu) partycja podział strefa partycypować partykularny partykuła partyturą paryski parytet Paryż paryżanin parzystość parzysty parzysty równy regularny pas pas pas pas pas (w kartach) pas bezpieczeństwa pas parciany pas startowy pasaż pasażer pasażer na gapę pasek pasek pasek pasek pasek pasek pasek (papieru) parkeren parlement. afsluiten. ceintuur slippen. deel orkestreren van Parijs pariteit Paris van Parijs pariteit gelijk. gordel. ceintuur. meedoen afzonderlijk. vlak. indampen stoom. perceel schifting. gordel strip. gordel riem. ceintuur. effen riem. gordel. damp stoomboot stoomboot motorisch stoom. reep overloop. jaartelling. meemaken. deeltje. parterre bungalow leden. zone. passagier inzittende. afgezonderd item. gang. vlak. damp masseren benedenverdieping. clausuur deelnemen. effen gelijk. afscheiding. windsel. windsel. baan. gordel riem. ceintuur. strook. uitdampen. aanhang kavel. wasem. volksvertegenwoordiging parlement.

bewindsman pastoor herder afstemmen. pan Pan patent. vuur fascinerend. miserabel schare. rang schare. haal. windsel. status. patriarch vaderlander. vuur geduld. pat. troep. bende klimaatzone. kleurkrijt pastoor herder minister. ellendig. schrap.pasek reklamowy (na stronie WWW) pasek zębaty pasieka pasja pasjans pasjans (w kartach) pasją pasjonujący paskudny paskudny pasmo pasmo pasmo (gór) pasmo (radiowe) pasmo wizyjne pasować pasożycie pasożycie pasożyt pasta pasta pasta pasta pastel pasterz pasterz pastor pastor pastuch pasujący paszcza paszkwil paszporcie paszport pasztet paść paść (się) paśmie patelnia patelnia patencie patent patentować patentowy patriarcha patriocie patriota patriotyczny vaan. bijenschans gloed. vlag riem bijenstal. pasta Pools schoensmeer schoencrème pastel. zone. aardgordel graad. paspoort pastei waas. reep afstemmen. bende strip. adapteren bloedzuiger parasiet. patriot vaderlandslievend . aanpassen. klaploper parasiet. vlammen pas. aanpassen. klaploper deeg. octrooi patent. octrooi patent. stand. adapteren kakement. patriot vaderlander. streek. strook. streep koekepan. octrooi aartsvader. troep. weiden schreef. kaak laaien. dons grazen. lijdzaamheid geduld. tekenkrijt. octrooi patent. nesthaar. beslag. paspoort pas. dundoek. boeiend. lijdzaamheid gloed. betoverend afschuwelijk belabberd.

strelen. overblijfsel. prikken. botten uitbotten. pikken schuiven schokken priemen. massa. spruiten. vastkleven. tuinhuis spijkeren. steken. prikken. nagelen boer. prikken. pikken schuiven ongeluk peddelen. steken. scheelkijken.patriotyzm patrol patrz patrzeć patrzeć na kogoś z ukosa patrzeć zezem patyk pauza pauza pauzą pauzą paw pawian pawilon paznokcia paznokieć pazur pazur ernik paź październik pażdziernik pączek pączkować pąk pchać pchać pchać pchać się pchła pchłą pchnąć pchnąć nożem pchnąć nożem/sztyletem pchnięcie pchnięcie pchnięcie nożem/sztyletem pech pedał pedał gazu pederasta pejzaż Pekin pelargonia peleryna peleryna peleryna peleryną peleryną vaderlandsliefde. aaien afbreken rest. aanhangen pauzeren aanhalen. drom. spruiten. pikken hoop. botten uitbotten. patriottisme patrouilleren ontmoeten. rommel. nagelen spijkeren. botten stuwen aanduwen priemen. pikken priemen. versneller feeëriek landschap Peking ooievaarsbek kaap Kaaps regenmantel kaap Kaaps . edelknaap wijnmaand. liefkozen. paviljoen. prikken. afval pauw baviaan koepel. trappen accelerateur. oktober uitbotten. loensen het uiterlijk hebben van. er uitzien scheelzien. gaspedaal. aantreffen het uiterlijk hebben van. nagelen klauw spijkeren. oktober wijnmaand. er uitzien kleven. page. menigte vlo vlo priemen. boel. steken. spruiten. steken.

compleet. perspectief. leuter. perspectief. volkomen. dubbelhartig stompen Jan Klaassen parfumeren parfumeren perkament krant krant parel parel parel tribune. innemend. podium Perzisch Perzië Perzisch persoonlijk personeel staf staf prospect. volmaaktheid perfectie. meerderjarigheid in de plaats stellen van. geestig. pik. volmaaktheid verraad trouweloos. mantel pelikaan pelikaan jubelgracieus. heel. volkomen meerderheid. zielsverwant snedig. vol kruipen kruipen penicilline penicilline penis lul. jongeheer volkomen. volkomenheid. doorkijk uitzicht prospect. volkomen. ten volle. vol boordevol. volkomenheid. perspectief. gevat.peleryną pelican pelikan pełen triumfu pełen wdzięku pełen współczucia/zrozumienia pełen życia pełnia pełno pełnoletniość pełnomocnik pełny pełny pełny wymiar czasu pełza pełzać penicylina penicyliną penis penis perfectum perfekcja pikselowa perfekcją perfidią perfidny perforator perforator perfum perfumy pergamin periodyczny periodyk perła perłą perłowy peron Pers Persja perski personalny personel personel personel informatyczny perspektywa perspektywa perspektywa podgląd perspektywą perspektywą jas. perfect. mudvol totaal. doorkijk prospect. snikkel. compleet. afgeladen. in optima forma perfectie. leiding. compleet. volkomen. bevallig. verraderlijk. ad rem totaal. inboeten totaal. vol geheel. doorkijk uitzicht . sierlijk sympathiek.

kern zaadkorrel. zelfverzekerd vertrouwd. zeker. zaken doen handelen. zwaartillendheid bezwaar. een weinig wel degelijk. buitenkant omtrek. stellig. handeldrijven. stellig zelfverzekerd. randbuiten-. van klei pessimisme. buitenkant buiten-. vuur. buitenkant cirkelomtrek. randomtrek periscoop nijptang pit. strubbeling. pit klei-. stellig. enigszins. vast een beetje. heftigheid . krakelen overreding overreding handelen. handeldrijven. vast zelfbewust. stevig waarschijnlijk wel. zaken doen Peru pruik pruik cirkelomtrek. vast. vast. immers. petitie gewis. vast. bepaald. aanvrager petitionnement. randbuiten-. petitie petitionnement. zeker. wis. aarden. zeker pal.perswadować perswazja perswazją pertraktować pertraktował Peru peruce peruka peryferią peryferie peryferie peryferyczny peryferyjny peryferyjny procesor macierzowy perymetr peryskop peseta pestce pesteczka pestka pesymism pesymista pesymistyczny pesymiście pesymizm peszyć petencie petent petycja petycją pewien pewien pewnie pewnie pewnie pewnie pewny pewny pewny pewny pewny siebie pewny siebie pęcherz pęcherz pęcherz (od oparzenia itp) pęcherzyk powietrza pęczek pęd twisten. stellig blaas blaar blaar borrelen bos. bundel onstuimigheid. toch gewis. pessimistisch pessimist pessimisme. disputeren. zeker. zwaartillendheid pessimist zwaarhoofdig. zeker. korrel. moeilijkheid adressant verzoeker. zeker. zelfbewust gewis. cirkelomtrek. betrouwbaar gewis.

naaf naaf zand rul.pęd pędrak pędzel pędzel do golenia pędzel do malowania pęk pękać pęknął pęknięcie pępek pętać pętla pętla pętla synchronizacji fazowej pętla zamknięta pętlą piach piać piał piał piana piana piana piana (mydlana itp) piana mydlana pianą pianą pianina pianino pianista pianiście piasek piasek piasta piasta piasta piaszczysty piaszczysty piaście piaście piąć się piąć się piąta część piątek piąty pice pić piec voortmaken. schuimen. naaf opgaan. schuieren scheerkwast. baas bus. kraai tintelen. breisteek. bruisen tintelen. rooien borstelen. brandstapel. breisteek. opgraven. breisteek. opkomen. delven. opstaan. schuimen. zuipen aanbranden . klauteren vijfde vrijdag vijfde snoek pimpelen. drinken. bruisen doorroeren. haast maken opduikelen. gravel. spoed maken. zeepsop tintelen. strik maas. gebieder. steek. uitspraak maas. gruis. piano pianist pianist grind. chef. omroeren. gebieder. strik maas. steek. roeren klavier. zeepkwast penseel mutserd. schuimen. aangifte. omroeren. steek. strik declaratie. piano klavier. chef. steek. roeren sop. zeepsop sop. steengruis zand aanvoerder. boeien maas. baas bus. kraai bemanning bonte kraai. mutsaard barst gebarsten barst navel ketenen. mul aanvoerder. rijzen klimmen. breisteek. bruisen doorroeren. strik zand bonte kraai.

geld poen. vastzetten . branden kachel. bezorgd zijn. roosteren. drommels duivels. hek. pelgrimstocht pelgrimage. kachel braden. voetstuk sproet bakkerij bakkerij kachel. traliehek kachel. oven braden. verplegen verplegen. piëdestal. bedevaart. oven oven. zeerob. verplegen verzorgen. schuimen. bedevaartganger pelgrimage. grot. ontslaan zich bekommeren. oven kachel. verzorgen pelgrim. traliehek kachel. roosteren. bedevaart. oven vijftig pedestal. afrastering. infanterie oven. hek. bruisen sop. krocht. rob muntstempel muntstempel rooster. roosteren. zeepsop multipliceren. zorgen voor. kachel ontzetten. zorgen spelonk. pelgrimstocht poen. royeren. branden bakker duivelachtig. branden rooster. zorgen voor. oven bakken voetvolk.piec piec piec piec piec (do pieczenia chleba itp) piec (mięso) piec elektronowy piec kaflowy piec mięso piec na ruszcie piechocie piechota pieco do wypalania piecyk piecza pieczara pieczątce pieczątka pieczęć pieczęć pieczętować pieczony pieczony piećdziesiąt piedestał pieg piekarni piekarnia piekarnik piekarnik gazowy piekarnik gazowy piekarz piekielny piekielny piekło pielęgniarce pielęgniarka pielęgnować pielgrzym pielgrzymce pielgrzymka pieniądz pieniądze pieniądze na życie pienić się pienić się pienić się pień kachel. infanterie voetvolk. zorgen voor. duivels. geld tintelen. vermenigvuldigen blokkeren. oven oven. afrastering. kachel braden. oven kachel. hels hel verzorgen. holte muntstempel muntstempel zeehond. hol. geld poen.

sleutelbloem inboorling oorspronkelijk. rondschrijven wal. beugel. boezem circulaire. prevalent. premie opperste. beginsel ingrijpend. borst borst. aaien knuffelen strelen. liefkozen. aanbesteding voetganger voetganger aanhalen. origineel inboorling natuurlijk primair primair prototype eerste voorgrond prijs. aaien. aaien gunning. vertroetelen aanhalen.pień pień pień pieprz pieprzyk pieprzyk (np. strelen. bestanddeel. pril. vroeg eerste voorgrond voorgrond eerste hond hond troetelen. na twarzy) pierdnąć piersi pierś pierś pierś pierścieniowy pierścień pierścionek pierwiastek pierwiastek pierwiastek (chem. stam opslaan boomstam. liefkozen. borst boezem. strelen. radicaal element. superieur primair vroegtijdig. borst boezem. liefkozen. beginsel primula. liefkozen. beugel. bestanddeel. koesteren.) pierwiosnek pierwotny pierwotny pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny producent sprzętu komputerowego pierwotny program ładujący pierwotny system operacyjny pierwowzór pierwsza pomoc pierwszoplanowy pierwszorzędny pierwszorzędny pierwszorzędowy pierwszy pierwszy pierwszy na wejściu pierwszy na wyjściu pierwszy na wyjściu pierwszy zgłoszony-pierwszy obsłużony pies pies myśliwski pieszczoch pieszczocie pieszczota pieszczotliwy pieszy pieszy turysta pieścić pieścić pieścić boomstam. ring wal. aaien aanhalen. grondig. stam peperen mol mol een wind laten boezem. ring element. aanhalen . strelen.

lied gezang. indruk verdieping. spoedeisend. fijn. nijver. zang. urgent bestand. vlijtig ogenblikkelijk. zouten. knapheid schoon. marktplaats boksen. tip. top. polshorloge horloge. neus. zat. naarstig. dringend dringend. attent. hals gezang. mooi fraaiheid. ijverig brandend. inmaken picknicken stikken pixel met spoed. knapheid fraaiheid. lied peterselie peterselie vijf vijftig vijftig net. mooi marktplein. dossier horloge. schoonheid. spitten. schoonheid. bazaar. knapheid fraaiheid. zang. nijver. knap. loodsen . beschonken blind roes roes bloedzuiger woelen. spits snoek pekelen. bokssport bokser vuist. etage verdieping. inleggen. vlijtig. knuist hiel vijftien effect. markt. spoedeisend binnenbrengen. schoonheid. polshorloge aandachtig. fraai. etage etage. punt. prompt naarstig. oplettend ijverig. graven piek.pieścić się pieśń pieśń pogrzebowa pietruszce pietruszka pięć pięćdziesiąt pięćdziesiąt mil na godzinę pięknie piękno piękność piękność (kobieta) piękny piękny pięściarstwo pięściarz pięść pięta piętnaście piętno piętro piętro piętro pigułce pigułka pijany pijany jak bela pijaństwa pijaństwo pijawka pik pik (w kartach) pika pikle piknik pikować piksel pilnie pilnik pilnować pilnować swoich spraw (swojego nosa) pilny pilny pilny pilny pilny pilny pilot nek. verdieping pil pil dronken. brandend.

kwetteren kuiken kuiken . zeerover. verticaal rechtopstaand. tjilpen. schrijfstift pluim. piepen. danspartij bal. zeerover. danspartij voetbal voetbal voetbal bal. chanson gezang. geniesoldaat. uitschrijven drukletter drukletter potlood hok auteur. piraat piramide piramide piramide zeeschuimer. nummer pion pion genist. zuipen zagen uitzaaien bal. zeerover. veer. stilist schriftelijk sjilpen. etsnaald.pilotaż pilotować pilotować pilśniowy pił piła Piła piłce piłka piłka piłka nożna piłka nożna piłka nożna (gra) piłować PIN pionek pionek pionek (np. danspartij zagen kegel cijfer. baanbreker rechtopstaand. pen. loodsen navigeren binnenbrengen. piraat zeeschuimer. drinken. schrijven. schicht. pen. piraat Pyreneeën neerschrijven. zang. veder zeeschuimer. loodsen vilt pimpelen. veer. schrijver. veder hok griffel. verticaal bliksem. flits. hemelvuur lied. lied zangeres pluim. szachowy) pionier pionowy pionowy tranzystor polowy piorun piosenka piosenka piosenkarz pióro pióro pióro świetlne do odczytu kodu kreskowego pióro ultradźwiękowe piracie piramida piramida powiększania piramidą pirat pirat komputerowy Pireneje pisać pisać do listy dyskusyjnej w odpowiedzi na inny artykuł pisać na maszynie pisać ołówkiem pisak x-y pisarz pisemny pisk pisklę pisklę (zwłaszcza kury) binnenbrengen.

doel . klad. smet. doel programmeren projecteren ontwerp. plassen. concept. bodem. markt. oord. smetten. marktplein achtergrond. literatuur. plek. bekladden klak. bar. lokaal. moet klapperen. smetten. plakkaat. mop. grond. zat. affiche aanplakken bezoedelen. klotsen bezoedelen. roep. mop. bodem. kreet aanplakbiljet. smet. ondergrond kavel. kappen. plek speelterrein. grond. bekladden sproet klak. letterkunde dronken. blauwdruk strekking. klad. ondergrond pastei aanplakken pest pest spieken. plan. café kelder kelder bier bier bier pizza pyjama muskus muskus muskusrat circus achtergrond. beschonken bier drenkplaats. afkijken schreeuw. plan. moet bezoedelen. bedoeling. perceel plaats. epistel. plan. kabbelen.pismak pismo pismo pisanie pistolecie pistolet piśmiennictwo pity piwa piwiarnia piwnica piwnicą piwo piwo (angielskie) piwo angielskie pizza piżama piżmaczek piżmo piżmoszczur plac plac plac plac plac plac plac (okrągły) plac targowy plac zabaw placek placówka plaga plaga purpurowa plagiat plakać plakat plakat przedstawiający gwiazdę filmową plama krwi plama na słońcu plamą plamą plamce plamić plamić plan plan plan plan plan testowania houwen. smetten. speelplaats plein circus marktplaats. brief geschrift. bedoeling. hakken zendbrief. bekladden strekking. plek. schriftuur pistool pistool litteratuur.

ransel knapzak. schaal bestand. van plastic kunst tribune. achterzijde. van plastic plastic. warboel. schijf. schoffelen schil. ordenen strekking. wis bestand. snede. leiding. plak. leiding. mudvol vlechten weven modelleren. aanrichten. stranden verstrikken. aanduiden kwekerij. ommezijde stamstam. warnet knapzak. geslacht boordevol. doel dienstregeling. dossier bos. volksstam. warnet verwikkeling. podium vrachtwagen. dossier archief box logeren het veld ruimen. aangeven. warboel. zwerfster planetair arrangeren. leiding. boetseren wieden.planeta planetarny planować planować planować planować plantacja plantacją plaster plasterek plastik plastyczny plastyk plastyka platforma platforma (sprzętowa platforma kolejowa platforma sprzętowa plazma plaża plaża plątać plątać plątanina plecak plecak plecak pleciuga plecy plecy plemienny plemię plenarny pleść pleść pleśnieć pleśń plewić plewy plik plik plik zwrócony plikach plombować (ząb) plombować ząb plon plotce plotka planeet. plan. podium plasma strand aan de grond lopen. Vlaamse gaai bewapenen. betrekken. schors. wapenen rugstuk. filet plastic. afgeladen. rugzak gaai. plantage kwekerij. boetseren modelleren. aanstrijken moot. kwaadspreken . vrachtauto tribune. dop. ransel knapzak. plantage kalken. van plastic plastic. verwarren verwikkeling. truck. rooster aanwijzen. podium tribune. afstaan kletsen. bedoeling. kwaadspreken kletsen. bundel.

dokken bedroefd schreeuw. plassen. mare. hier vliegtuig. opslorpen. mare. flodderen. kabbelen. morsig. slurpen appartement. drijven sexe. opleveren. geslacht. kreet resorberen. buis mantel. jas hierheen. geslacht. vel storten. rochelen vuil. spugen. bordes spartelen. kwaadspreken gerucht. afwerpen .plotka plotkować plotkować pluć plugawy plunąć plus pluskać pluskać się pluskanie pluskwa pluskwa pluskwa Pluton płachta płacić płaczliwy płakać płakać płakać nad czymś płaska obudowa jednorzędowa płaski płaskowyż płastudze płastuga płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz płaszcz anodowy płaszcz nieprzemakalny płaszcz przeciwdeszczowy płaszcz przeciwdeszczowy płaszczyzna obcinająca bliska płat płaszczyzna płatek płatek (kwiatu) płatek kwiatu płatnik płatność pławik pławik płciowy płeć płetwą płocie płodny płody rolne gerucht. befaamdheid spuwen. vliegmachine bloemblad. uitbetalen. plat. roep. dobberen. faam. kreet tranen. huilen. sekse. klotsen waden. kunne sexe. sekse. mantel jas. flat blad. plassen klapperen. zich aftobben. colbert. heining. plassen. kroonblad sneeuwvlok hofmeester afbetaling kurk vlotten. kroonblad bloemblad. jas regenmantel regenmantel jasje. onrein. kabbelen. rochelen plus klapperen. jas overjas. kunne vin hek. plateau. worstelen schol jas. barrière vruchtbaar opbrengen. klotsen wandluis Boeg wandluis Pluto blad. overjas mantel. faam. vies spuwen. betalen. befaamdheid kletsen. afsluiting. roep. smerig. traanogen schreeuw. spugen.

vensterruit. afspoelen. zich vastklampen aan wafeltje fotografische plaat. vurig. beploegen gorgelen. oever. wal. vaan. kant stromen. wassen. plaat plavuis. ondiep zwemmen. heining. ploegen. vlag fotografische plaat. barrière verbleekt linnen linnen uitglijden. vlieten stromend. afspoelen. lopen. spoelen gorgelen. spoelen fotografische plaat. vloeiend vloeistof stromend. beschot glaswaar. vloeiend dundoek. ondiep uitwassen. ondiep bestand. vloeien. materiaal aanklampen. valstrik. slippen linnen long long slag. de was doen vloeistof stromen. peuk achter . plaat oppervlakkig. verzendend. instrumentenbord. glaswerk oppervlakkig. dobberen. zich vastklampen aan dashboard. val omploegen. verterend hek. lopen. materieel.płomień płonący płot płot płotno płowy płoza płótno płuca płuco Płuczka pług pług śnieżny płukać gardło płukania płycie płycizna płyn płyn kosmetyczny płynąć płynąć płynąć jachtem płynąć wzdłuż brzegu płynny płynny płynny lek płyta płyta płyta metalowa płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta wizyjna pojemnościowa RCA płyta z zegarem i kalendarzem (zasilanymi bateryjnie) płytce Płytka płytka płytka płytka (ferromagnetyczna) z otworami płytka obwodu drukowanego płytka sygnałowa płytka wyjtrawiona płytki pływać pływać jachtem pływak pływalnia pniak po laaien. vloeien. afsluiting. aansluiten peukje. dossier fotografische plaat. drijven zich aaneensluiten. tegelsteen. plaat grondstof. drijven jacht vlotten. vlammen gloeiend. vlieten jacht kust. tegel. tichel oppervlakkig. beploegen omploegen. plaat wafeltje aanklampen. ploegen. boord.

daarnaast ontzien. ernaast. ophitsen woning. afgeleid woord . godsdienstig. vertroetelen aflaat schouder godvrezend. wekken. aandragen resumé. troosteloos. aarde aansporing aanleiding wakker maken. bodem. aandragen fond. sparen koesteren. troetelen. wakker maken. buit maken aftappen verkrijgen. bezorgen. somber fakkel. flambouw achtergrond afleiding. opwekken stuwen irriteren. ondiep hiernaast. toorts. overheen. bewolkt naargeestig. ondergrond. aan de overkant van ten eerste. grond. onderkomen. kussen mooiprater vleien complimenteren vleierij vleierij in zich opnemen. eerst stuurboord ronduit. cambio decoderen downloaden brengen. kwartier logeren zoenen. open en bloot. bezorgen. opwekken bezielen. overzicht.po drugiej stronie po otrzymaniu po południu po prawej stronie po trzecie pobić pobić atutem (w kartach) pobierać pobierać pobierać wykorzystywać zaczep wyprowadzenie (kabla) pobierać (dane) pobierać dane pobieżny pobieżny pobliski pobłażać pobłażać pobłażanie pobocze pobożny pobór (do wojska) pobrać pobrać pobranie pobrudzić pobudce pobudce pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobudzać pobycie pobyt pocałować pocałunek pochlebcą pochlebiać pochlebstwa pochlebstwa pochlebstwo pochłaniać pochmurny pochmurny pochodnia pochodzenia pochodzenia over. logies. rondweg achter nederlaag troef downloaden verkrijgen. buit maken brengen. devoot wissel. verlevendigen wekken. behalen. behalen. aanstoken. kussen zoenen. excerpt oppervlakkig. allereerst. assimileren onduidelijk.

vertroosting. uitglijden geneigd zijn tot. prijzen liggen helling. roemen. afkomst oorsprong. eerbetuiging bijval. roemen. wrijven. bekoren aanlokkelijk. neigen helling. proost gerief. troost aanstrijken. damp zweten. afgeleid woord afdaling komaf. verheerlijken. verheerlijken. stoet. wasem.pochodzenia pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzenie pochodzić pochodzić (<from sth> od czegoś) pochować pochód pochwa pochwa pochwalać pochwalić pochwała pochwała pochwała pochwałą pochwałą pochylać się pochylać się pochylenie pochylnia pochylnia (w stoczni) pochyłość pochyłość pochyły pochyły w lewo pociąg pociąg pospieszny pociąg towarowy pociągać pociągać za sobą pociągający pociągły pociągnąć pociągnięcie pocić się pocić się pocie pocie pociecha pocierać pocieszać pocieszać pocieszać pocieszenia pocisk artyleryjski pocisków afdaling afleiding. schuin gevolg uitdrukken gevolg toelachen. roemen beamen. soppen slippen. indopen. vagina loven. afstamming. optocht. begraven processie. ovaal rukken rukken stoom. schuin scheef. bekoren toelachen. op uw gezondheid. transpireren zweet zweten. glooiend. gemak. afkomst. aantrekkelijk eirond. troost kogel hagel . afdalen het gevolg zijn van. herkomst naar beneden gaan. glooiing indompelen. toejuiching loven. omgang schede schede. prijzen. prijzen eerbetoon. comfort heul. glooiing aflopend. acclamatie. geneigd zijn. afstammen kuilen. uitwrijven hoera roepen prosit. vertroosting. eerbetuiging loven. hellend. verheerlijken. transpireren heul. aanlokken. uitglijden slippen. billijken. aanlokken. goedkeuren eerbetoon.

cadeau podatek belasten. voorleggen podawać do sądu een proces aanspannen tegen podaż aanvoer. voorletter początkowy primair początkowy program ładujący initiaal. posterijen poczta aanplakken poczta w kolejce post. doelmatig. begin.pocisków) stroom. herkomst początek transmisji ontstaan. petitie podarować schenken. posterijen poczta wysłana aanplakken pocztówka briefkaart pod beneden. bezorging podbić knechten. aanvang początek begin. aanslaan podatny na wypadki een grotere kans op ongelukken accident-prone podawać aanhalen. aanslaan podatek od wartości dodanej tobbe. aanvang. cadeau geven podarować tegenwoordig. beginneling poczekalni zaal. zwanger raken początek ontstaan. onder pod znieczuleniem beneden pod żadnym warunkiem beneden. onderwerpen . aanvang początkowy inboorling początkowy initiaal. gebruiken. donatie. onder podanie aanwending. citeren. voorletter początkujący beginner. toepassing podanie petitionnement. morgenrood początek oorsprong. bergstroom począć in verwachting raken. geschikt pod zarzutem beneden. kuip. noemen podawać aanhalingstekens podawać zasilanie podawanie podajnik eten. daarbeneden. daarbeneden. begin. bak podatek od wartości dodanej BTW podatek od wartości dodanej teil podatek spadkowy belasten. ontstaan początek aurora. geschenk. actueel podarty aan flarden gescheurd podarunek gift. salon poczekalnia wachtkamer poczęcie begrip poczta post. vreten wprowadzane dane podawać (do stołu) serveren. onder pod beneden podverzenden pod gołym niebem beneden pod prąd (rzeki gemakkelijk. morgenlicht. bikken. afkomst. vloed.

tjilpen.podbijać podbity podbródek podburzający podchmielony podchodzić podciąć podczas podczas podczas (gdy) podczas gdy podczas gdy poddać drobiazgowej analizie poddać pod rozwagę poddać się poddanie się poddany poddasze poddasze poddasze poddasze poddawać kremacji poddawać się poddawać się podejmować podejmować na nowo podejmować się podejrzany podejrzany charakter podejrzenia podejrzenie podejrzewać podejrzliwy podejście podekscytowanie podekscytowany podeszwa podglądać podgładać podium podium podkład (np. gedurende doorsnijden. sectie verrichten knechten. tribune. argwanend aanvliegen opwinding gejaagd. daarentegen intussen. aannemen. staande. inmiddels. bestuur. wantrouwen verdenken achterdochtig. dakkamertje cremeren. renoveren ondernemen achterdochtig. wantrouwen argwaan. verassen toegeven capituleren. gedurende terwijl. inmiddels. zich overgeven stof. leiding slaperig opslaan blok ondergraven. onderwerpen capituleren. bloot. subject dakkamertje zolderkamer Attisch zolderkamer. argwanend verdenken argwaan. achterdocht. zich overgeven accepteren. zich overgeven capituleren. roezig aanvliegen maaien terwijl. piepen. wantrouwig. onderwerp. gedurende intussen. staande. achterdocht. aanvaarden vernieuwen. kwetteren sjilpen. staande. opgewonden enkel. kolejowy) podkładce podkładka zarodek samomodyfikacja programu wyposażenie komunikacyjne umieszczać podkopać podkowa veroveren stof. daarentegen terwijl. wantrouwig. tjilpen. louter sjilpen. tribune podium. ondermijnen hoefijzer . piepen. subject kin opruiend aangeschoten. onderwerp. kwetteren podium.

prikkelen hoog. subject pof. wees zo goed. grond appelleren. baseren stof. opkweken de sporen geven. montage derde macht. een beroep doen op alsjeblieft. rooien oprichten. overeenkomst . poef aanzetten. opkomen. aandikken opgraven. telen. opstaan.podkreślać podkreślać podkreślać podkreślać podkreślenie podkreślenie podkreślić podkreślony podległy podległy podlewać podlizywać się podlotek podłączyć podłodze podłoga podły podły podły ić podmiocie podmuch podniecać podniecać podniecać podniecający podniecenia podniesienie podniesiony podniesiony podnieść coś/wywindować (ceny) podnieść kogoś na duchu podnieść kotwicę podnieta podniosły podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić podnosić (ceny) podnosić się podnoszący na duchu podnośnik podnóża podobać się podobać się podobieństwa podobieństwa accentueren. rijzen bezielend vijzel. verheven opgaan. etage verachtelijk. fokken. dommekracht. telen. ophijsen opfokken. nietswaardig gemiddeld gronden. ontroeren. slijpen irriteren. stichten. rooien opfokken. aanstoken. opkweken opblazen opgaan. ophitsen aangrijpen. etage verdieping. verzekeren met nadruk zeggen. aan elkaar vastmaken verdieping. opstaan. bewegen opwindend opwinding opgraven. benadrukken onderstrepen nadruk. alstublieft gelijkenis. onderwerp. fokken. beklemtonen beweren. overeenkomst gelijkenis. achtergrond. klem onderstrepen onderstrepen nadrukkelijk slaaf achterstellen water kruipen kuiken verbinden. inrichten zetting. opkomen. dobbelsteen. scherpen. rijzen vermeerderen verergeren. krik bodem. ondergrond. blok hijsen.

rijden. voor. stut. kameraad. bijkomstig achterstellen achterstellen hinkelen hinkelen springen afluisteren hoogbejaard. tocht. overeenkomst hoe. effen gaan.podobieństwo podobieństwo podobieństwo podobny podobny podoficer podpalacz podpierać podpis podpis ze wskazaniem potwierdzającego podpisać podpisać (dokument) podpisać dokument podporządkowywać się podporządkowywać się podpowiedź podpórce podpórek podrażnienie podręcznik podręcznik podręcznik podręcznik w formie drukowanej podrobiony podróż podróż podróż podróż podróż morska podróż morska podróż) podróżnik podróżny podróżować podróżować podróżować podróżować autostopem podrzeć podrzędny podrzędny podrzędny podległy podskakiwać podskok podskok podsłuchiwać podstarzały podstawa podstawa affiniteit. varen. het maken toer. reis. leuning. tot gelijksoortig. teken geabonneerd zijn op geabonneerd zijn op passen. reisgids leerboek. karrespoor . toer. overeenstemmend nauwgezet. trip gelijk. vademecum. verwantschap gelijkenis. voorteken. reisgids vervalsing toer. reis. vlak. bedaagd gronden. overeenkomst gelijkenis. karren reis. wagenspoor. kornuit. gids. karren tocht. schoolboek gidsboek. reis. aanhang opwinding maat. passagier gesteld zijn. rondreis gaan. soortgelijk onderofficier brandstichtend drager. als. baseren spoor. accuraat adept. rijden. rijden. tocht. makker gidsboek. trip tournee. karren navigeren huur bijbehorend. beoefenaar. aanhanger leden. in overeenstemming zijn adequaat. gids. trip gaan. toer. vademecum. bijkomend. tocht. nauwkeurig. bij wijze van. varen. ondertekening abonnement voorbode. varen. passend. steun handtekening. trip reiziger inzittende.

telen. totaal. materieel. afscheiding. tweevoudig. beginnend achterstellen onderwaterdubbel.podstawa czasu podstawa uchylnoobrotowa podstawa uchylno-obrotowa podstawą podstawić podstawienie podstawka monitora podstawowa zasada podstawowy podstawowy podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstawowy system wejścia-wyjścia podstęp podstęp podstępny podsumowanie dokumentu podsumowywać podsuwanie podszewka podszywanie się podtekscie podtrzymać podupadać poduszce poduszce poduszeczka poduszka poduszka powietrzna podwajać podwiązek podwieczorek podwładny podwładny podwodny podwoić podwójny podwójny podwójny rozruch (tj. dubbel. excerpt somma. bedrag. lijst. waarderen legerafdeling. toestoten voering maskering bijtoon. tweeledig duplex. duplex. onbewerkt. bot elementair misleiden. omlijsting. ruggegraat kader. tweevoudig. instrumentenbord. duplex. streek. duplex. summa aanstoten. clausuur schifting. tweeledig yard. afscheiding. spin. materiaal stichting wervelkolom. tweevoudig. onbehouwen. foefje arglistig resumé. clausuur . aandikken appreciëren. fokken. een duw geven. overzicht. vervanging blok fundamenteel basisfundamenteel basisgrof. boventoon stutten. ra opfokken. tweeledig duplex. divisie schifting. bedriegen kunstgreep. tweeledig bretels thee aankomend. kneep. raam in de plaats stellen van. cru. som. opkweken verergeren. beschot hoofdkussen luchtkussen dubbel. steunen. tweeledig dubbel. dubbel. tweevoudig. tweevoudig. inboeten aflossing. schragen verval blok hoofdkussen dashboard. możliwość rozruchu dwóch różnych systemów operacyjnych z różnych partycji dysku) podwórze podwyżce podwyższać podwyższyć wartość podział podział podział kompletny grondstof.

harken. afscheiden. lumineus accepteren. dank betuigen erkenning danken. clausuur aanslag afzonderen. stadswijk metro gewelf. dichtwerk. poëtisch dichterlijk. schamperheid. aanharken. babbelen. bol metro danken. faam van zijn stuk brengen. scheiden deelnemen. wonder bewonderen gedicht. praten houding oordeel. dank betuigen bewonderen bewonderend mirakel. praten keuvelen. cureren gedurfd. vers gedicht. aanvaarden nastreven. gerucht. dooreenhalen verwarrend weer. bedanken. verachting keuvelen. poëzie heidens minachting. opharken necrologie . brutaal poker uitkammen. najagen duiken bedreiging. dichtwerk. vers dichter dichterlijk. judicium.podział wyczerpujący podziałka podziel podzielać podzielać zdanie podzielić na cztery części podziemie podziemie podziemny podziękować podziękowanie podziękowanie podziwiać podziwiać podziwiać podziwiać ię poemacie poemat poemat poemat liryczny poeta poetycki poetyczny poezja poezją poganin pogarda pogawędce pogawędka pogawędka w czasie rzeczywistym pogląd pogląd pogląd poglądowy pogłosce pogmatwać pogmatwany pogoda pogodny pogodzić się pogoń pogrążyć pogróżce pogróżka pogrubiony pogrzebacz pogrzebacz pogrzebowy schifting. meedoen het eens zijn. glanzend. overeenstemmen buurt. dichtwerk. vers tekst gedicht. stoutmoedig. mare. afscheiding. poëtisch dichtkunst. weersomstandigheden. stout. bedanken. poëzie dichtkunst. wijk. vonnis begrip zichtbaar befaamdheid. babbelen. gericht. meemaken. dreiging behandelen. praten keuvelen. babbelen. dreigement. weder briljant.

volume schare. etui. etui. dienares. opdagen opdagen. opdagen vehikel. doos. intelligentie beetnemen. ongetrouwd ongehuwd. pakken. spijs. buiging. Grote Oceaan vredig. fiducie hebben in revérence. paraderen. pronken expositie. onderdanig. etui. kost. bij acclamatie benoemen verdek. ongetrouwd pot. geslacht nederlaag likken ootmoed. voertuig. prijken. bak. koker geluidssterkte. bak. doos. voedingsmiddel demonstratie. scheepsdek. flat . nijging Stille Oceaan. meid generatie. mooi poker toejuichen. voeder. aanzienlijk fijn. inlichten ontstaan opdraven. gerecht voeding. voertuig. opdraven gebeuren. begrip begrip bevattingsvermogen. troep. po plecach) pokład pokład spacerowy pokładać nadzieję pokłon pokojowy pokojowy pokojówce pokojówka pokojówka pokolenie pokonać pokonać przeciwnika pokorą pokorny pokost pokost pokój berichten. deemoed. scheepsdek. lakken appartement. strijkage. doos. aanmerkelijk. meid dienstmeisje. informeren. vertoning. bak. foedraal. knap. deemoedig verlakken. zwanger raken eten. foedraal. schoon. wagen vehikel. wagen ongehuwd. meid dienstmeisje. dek vertrouwen. dek verdek. koker pot. tentoonstelling laten blijken. nederigheid nederig. dienares. vreedzaam dienstmeisje. bewijs pralen. lakken verlakken. net. dienares. beetkrijgen in verwachting raken. fraai. foedraal. aan de hand zijn ontstaan opdraven. inhoud. etenswaar. bende opvatting.poinformować pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawiać się pojawić się pojawić się wydawać się pojazd pojazd szynowy pojedynczy pojedynczy skok napięcia pojemnik na kasety pojemnik na kasety pojemnik na śmieci Pojemność pojemność pamięci pojęcie pojęcie pojętność wiadomość pojmać pojmować pokarm pokarm pokaz pokaz pokaz slajdów pokazywać pokaźny pokaźny poker poklepać (np. koker pot. manifesteren geruim.

bedekken emailleren couvert. bedekken dekken. envelop. verheerlijken. temptatie. heet aanvechting. verwantschap familiebetrekking. ruimte affiniteit. kaft. veder dekken. afmatten pluim. huiskamer bestek. brandnetel netel. speling. kwiteren voor voldaan tekenen. smoorheet. verleiding aanvechting. ruimte vrede bestek. toedekken. deksel dekken. roemen . commanderen. afjakkeren. ruimte woonkamer. gloeiend. aanvoeren. zitkamer. veer. aanvoeren. beleggen. aanprijzen. verleiding voor voldaan tekenen. schijf akker akker bouwland aanmelding akker aanbevelen. wereldruim. commanderen loven. temptatie. beleggen. verwantschap wijzerplaat sproet afbeulen. speling. prijzen.pokój pokój pokój dziecinny pokój gościnny pokój rozmów pokój zabaw dziecinnych pokrewieństwa pokrewieństwo pokrewieństwo pokrętła pokryć pokryć pokryć koszty pokryć piórami pokrywa pokrywa tylna pokrywać pokrywać emalią pokrywą pokrzywa pokrzywą pokupny pokusa pokusą pokwitować pokwitowanie pokwitowanie Polak Polak polarny polce pole pole danych w sieci Ethernet pole magnetyczne poprzeczne pole skierowania (pióra świetlnego na ekran) pole typu danych w pakiecie Ethernetu pole typu EH pole typu TEM pole znaku pole źródłowe polecać polecenie polecenie polecenie (kogoś komuś) polecenie kogoś komuś polecenie zewnętrzne polecić vrede bestek. bedekken bedekking. recommanderen bevelen. blok. bevelen inleiding. verwantschap affiniteit. toedekken. wereldruim. enveloppe netel. toedekken. introductie inleiding. pen. commanderen aanvoeren. speling. beleggen. blad mijnenveld hijsblok. omslag. katrol. kwiteren recept kuil Pool polair polka akker vel. introductie bevelen. brandnetel snikheet. wereldruim.

lid. koon. middelbaar houding. aan elkaar vastmaken half gemiddeld. knoop samenhang. lid. gelid. kaak polis staatkundig. jacht maken op vuren.polepszyć polerować polerować polerować Polewa polędwicą policja policjant policją policzek polisa polityczny polityk polityka polityka polityka zabezpieczenia polityka zagraniczna polować polowania polowanie Polska polski polski polski poła poła (np. geleding. glazuren. lende politie agent. lid. gelid. aan elkaar vastmaken conjunctie samenhang. jagen. kabbelen. genootschap. doorsnee. glooiing Pools schoensmeer schoencrème verglazen. knoop gewricht. politiek politicus. geleding. geleding. gelid. lid worden. geleding. verbinding aansluiting aggregatie. positie . gelid. plassen. paffen bejagen. verbinding gewricht. lid. staatkunde polis polis bejagen. toetreden gewricht. knoop conjunctie gewricht. jacht maken op Polen Pools schoensmeer schoencrème klotsen. combinatie aansluiting gewricht. marynarki) połaczenie połaczenie połaczenie połaskotać połącz połączenia połączenia połączenie połączenie drukowane połączenie stałe połączenie wewnętrzne połączenie wielopunktowe połączenie wzajemne połączenie sprzęgające szyna zbiorcza połączenie z Internetem połączenie z pełnym dupleksem połączenie zespołowe połączyć połączyć połowa połowa położenia helling. geleding. politieagent politie wang. klapperen klotsen. glanzen kruis. knoop kriebelen. lid. jagen. plassen. gelid. stand. associatie zich aansluiten. knoop verbinding. aggregaat verbinden. kabbelen. staatsman polis beleid. kietelen verbinden. klapperen bond. politiek. schieten.

doorslikken. verloskundige half noen. oord. aanblik item. middag noen. middag zuidelijk zuidelijk slikken. middag zuidelijk noen. assisteren. vermengen aanpassing in het midden van. dimensie tomaat aangrijpen. inslikken glosse. assisteren. bijstaan nader assisteren. schitteren assistent. famulus.położenia położenie położenie położenie położenie kolumny położenie pieczątki położenie umiejscowić położna połówce południa południa południa południe południe (geograficzne) południe (pora dnia) południe (pora dnia) południe geograficzne południe pora dnia południowy południowy połykać połysk połysk połysk połysk połysk pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomagać pomoc pomarańcz pomarańcz pomarańcza pomarańcza pomarańczą pomarańczą pomiar pomidor pomieszać pomieszanie pomieszczenie sterylne pomiędzy pomiędzy pomiędzy pomijać pomijać situatie. deeltje vroedvrouw. helpen helpen. bijstaan. onder achterwege laten. blinken. stand. helper. ruimte houding. kanttekening Pools schoensmeer schoencrème schijnen. stand van zaken plaats. positie situatie. midden tussen tussen. mixen. schijn. stand van zaken plaats. jaartelling. middag zuidelijk zuidelijk zuidelijk noen. weglaten weggelaten . middag noen. air. glanzen. oord. bijstaan Oranje oranje Oranje oranje Oranje oranje afmeting. ruimte aanzien. medio. ontroeren. lokaliteit. temperen. bewegen mengen. deel. lokaliteit. hulp aids helpen.

hulp assistent. famulus. beëindigd . onjuist vergissing. monument multipliceren. famulus. weglaten afdraaien. inrichting. hulpvaardig poort tribune. desondanks ofschoon. ontkomen. fout. wraak nemen vergissing. fout. bijstaan. adjunct. dwaling. adjunct. wel achterwege laten. hulp oppompen. verlagen gedenkteken. overwegen. dwaling. helper aanvullend assistent. al. abuis hulpmiddelen. benul. famulus. fout. vermenigvuldigen in overvloed aanwezig zijn multipliceren. apparaat idee. verkeerd. afgelopen. dwaling. helper steward assistent. achten met goed gevolg gelukkig benoorden. wraak nemen wreken. afgewerkt. wraak nemen wreken. helper paren boer assistent. pracht.pomimo pomimo tego pomimo że pominąć milczeniem pomniejszać zmniejszenie się pomnik pomnożyć pomnóż pomnóż pomoc pomoc pomoc techniczna udzielana na miejscu u użytkownika pomocniczy pomocniczy pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik pomocnik błazna pomocny pomost pomost roboczy pomóc pompa pompą pompą pompować pomścić pomścić avenue pomścić ość pomylić pomylić pomylić się pomylony ść pomyłka pomysł pomysł pomysł itp pomysłowość pomysłowy pomyśleć pomyślnie pomyślny ponad ponad tuzin ponad wszystko niettegenstaande. podium assistent. hulp. helpen zinspelen assistent. helper. helper. abuis geurig. abuis foutief. alhoewel. begrip. denkbeeld beschouwen. pompen vertoon. in weerwil van niettemin. fout. adjunct. pompen oppompen. ten noorden van verderop klaar. nagaan ontsnappen. helper behulpzaam. praal oppompen. aromatisch vergissing. hoewel. vermenigvuldigen assisteren. leiding. luister. ontgaan geniaal geloven. van mening zijn. pompen wreken.

vernedering verootmoediging. aanlokkelijk een miskraam krijgen. dringen. trouwens. gemelijk. opslorpen. onder beneden beneden. krenken asgrauw asla. aalwarig kous kous nylonendossement. hervormen afstelling. douwen beledigen.ponadto ponadto ponawiać poncz poncz ponętny poniechać poniedziałek poniekąd ponieważ poniżać (się) poniżać się poniżać się poniżej poniżej poniżej granicy dolnej poniżenia poniżenie ponowić ponownie ponownie wyznaczać trasę ponury ponury ponury ponury ponury ponury ponury pończocha pończochą pończochy nylonowe poparcia poparzenia popatrzeć popchnąć popełnić wykroczenie popielaty popielniczka popierać popierać popierać kogoś/coś popijać popijać (małymi łykami) popiół poplamić popołudnie poprawa poprawa koniunktury overigens. aangezien buigen. slurpen resorberen. plaats namiddag. hellen. verootmoedigen buigen. middag reformeren. onaangenaam afschuwelijk grimmig rouwobscuur. slurpen as ruimte. achterzijde. affronteren. steunen. nogmaals afwisselend zwart naar. schragen rugstuk. asbak pleitbezorger. opslorpen. doordat. aflopen beneden. giro in kokend water doen een blik werpen. renoveren stompen Jan Klaassen lekker. vernederen. instelling . onbekend. trouwens overigens. advocaat. lokaliteit. donker aalwaardig. vernedering herhalen. oord. ten dele daar. onder verootmoediging. hellen. nazeggen opnieuw. verder vernieuwen. ommezijde resorberen. mislukken maandag deels. overhellen. stoten. van voren af aan. omdat. daarbeneden. verdediger stutten. overhellen. akelig. aflopen kleinmaken. een blik werpen op duwen.

gemeenschappelijk populair. kornuit. goed afstelling. makker besturen. alreeds daarvoor. veredelen nakijken. havenen.poprawiać poprawiać poprawiać poprawić się/wyzdrowieć poprawka poprawka wymagana równocześnie poprawny poprawny poprawny poprawny poprosić poprosić kogoś o spotkanie poprzeczny poprzedni poprzedni poprzedni poprzednio poprzednio poprzedzać poprzestać poprzez poprzez popsuć popsuty populacja populacją popularny popularny popychać popychać popyt popyt porada poradą poradnictwo poradnik poradnik poradzić poradzić sobie poranek porażce porcelana porcelaną porcie porcie porcja danych poręcz poręcz juist. correct. per. vigerend vragen vragen dwars voorgaand. voorgaand al. inspecteren juist. wapenen spoorstaaf. determineren juist. geldig. geldend. voorgaand voorafgaand. dirigeren. aankondigen ochtend. verleden. rekenen. goed gracieus. rail . haast maken adviseren. raadgeving. reeds. beheren adviseren. overheen. bevallig. voorzijn logeren over. betamelijk. spoed maken. veelgeliefd aanduwen schuiven opeisen. mennen besturen. bekendmaken raad. bekendmaken. indertijd voorafgaan. met bederven. instelling nauwkeurig bepalen. administreren. vereisen. richten. getapt. verleden. eisen voortmaken. morgen nederlaag China China haven haven emmer bewapenen. correct. alvast. herzien. aan de overkant van door. behoorlijk gangbaar. correct. aankondigen. voorafgaand verleden. sierlijk fatsoenlijk. advies administratiekantoor maat. beschadigen verspild bevolking bevolking algemeen. kameraad. eerder. vooraan. goed verbeteren.

portret Portugees Portugal Portugees zuilengang. beweging gejaagd. opgewonden ontroeren. inlevering vergelijken vergelijken vergelijking vergelijken vergelijking vergelijken haven haven luchthaven interface haven ingang. samenklank accoord. portiek zuilengalerij. aangrijpen. overeenstemming communiqué verband. portemonnaie. pornografie pornografisch een miskraam krijgen. ontroeren. levering. geldbuidel evenbeeld. zuilengang luitenant agiteren. betrekking overeenstemming. opgewonden . roerend. meedelen. ophitsen. omgang. beeltenis. toegang. bewegen beroering. doelmatig. mededelen communiqué aflevering. samenklank akkoord. bewegen aandoenlijk.poręczny poręczyć pornografia pornograficzny poronić poronienie porozumieć się porozumienia porozumienia porozumienie porozumienie porozumienie dwuetapowe porozumienie trzyetapowe porozumienie trzyetapowe porozumiewać się porozumiewanie się poród porównać porównaj porównania porównanie porównanie porównywać port port port lokalny port równoległy we-wy port źródłowy nadawcy portal portfel portfel na banknoty portier portmonetka portrecie portret Portugalczyk Portugalia portugalski portyk portyk porucznik poruszać poruszać poruszać poruszać poruszenia poruszenie poruszony gemakkelijk. portret evenbeeld. mislukken abortus provocatus. abortus het eens zijn. overeenstemming overeenstemming. agitatie. beeltenis. borg staan voor pornografisch materiaal. ontroerend aangrijpen. entree portefeuille portefeuille conciërge. geschikt garanderen. overeenstemmen accoord. opruien. portier beurs. opstoken gejaagd. maatregel berichten.

afdoen afzetten. bevelen akkoord.porwać porwać porwać widownię porwanie porwanie samolotu lub innego środka lokomocji porwanie terminala (przejęcie sterowania terminalem przez agresora) porywacz porywać porządek porządek porządek porządek bajtów porządek dzienny porządek zestawiania porządkować porządkować porzeczce porzeczka porzednik porzucenie porzucenie zaniechanie porzucić porzucić wszelką nadzieję porzucony posada posag posądzać posąg poselstwo poseł posępny posępny posiać posiadacz posiadać posiadać posiadać własny posiadania posiadania posiadania posiadanie posiadanie (akcji) posiadłość posiadłość ziemska posiedzenia posiłek ontvoeren transporteren. afgezant. erop nahouden bezitten. eigendom. voeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoering afvoerder. afstand. opgeven gemeen. garneren aalbes. bezitting goed. verleden. bezittingen eigendom. afleggen. uitstrooien schede. landgoed. commanderen. commanderen. toegeving prijsgeven. maatregel agenda. aalwaardig uitzaaien. overbrengen. lunch . immoreel. bezitten. beslaan. erop nahouden. eigendom. bes aalbes. standbeeld legatie bode. erop nahouden eigendom. aalwarig. cessie. zitting. foedraal. stand van zaken bruidsschat. bezitten. dagorde akkoord. opgeven prijsgeven. bezitting sessie. bezit boeltje. dagorde aanvoeren. zittingsperiode twaalfuurtje. onzedelijk situatie. toegeving concessie. afleggen. huwelijksgift verdenken beeld. gezant afschuwelijk gemelijk. rijk zijn rijk zijn. bevelen afhandelen. cessie. afstand. eigendomsrecht bezitting. bes voorafgaand. boerderij. houder rijk zijn. maatregel aanvoeren. eigendomsrecht bezitting. bezit landgoed. abductor ontvoeren agenda. boerderij. voorgaand concessie.

bode. doorvoeren invetten algemeen. gezant aanhoren. aanpakken. evolutie zich gedragen actie. karakter. optreden. opeisen eisen.posiłek posiłek południowy posiniaczyć poskramiać posłaniec posłańca posłuchać posługiwać sie posługiwać się posłuszny posłuszny posmak posmarować posmarować posmarować pospolity pospolity post postać postanowić postanowienie postarać się postawa postawa postawa posterunek posterunek postęp postęp postęp arytmetyczny postępować postępowanie postój postój postrzępienie (efekt graficzny) postrzępiony postulacie postulować posunięcia posunięcie posuwać (się) naprzód posuwać się naprzód posyłać posypywać poszczególny poszczególny poszukiwacz poszukiwać bloem. rits. rekenen. roze. ritssluiting nevelig. meel blauwe plek knechten. aangrijpen. aanpakken. beterschap ontwikkeling. bode. dampig. geaardheid rose. opsturen bepoederen. vooruitgang. mistig eisen. naderen verbetering. vulgair. gebruikt aanwending. luisteren afgewerkt. zich inspannen. beluisteren. genaken. afgezonderd respectief mijnbouwkundig onderzoeker speurtocht. vereisen. geur afstemmen. gedoe afslaan. aangrijpen. beslissen. adapteren aanwenden. opeisen ontroeren. inschikkelijk aroma. naderen doen toekomen. genaken. bewegen ontroeren. bewegen gaan naar. naderen gaan naar. beslissing streven. aanpassen. sturen. aanpakken. onbenullig vasten personage. zoektocht . heiig. uitspraak. blijven staan logeren treksluiting. handeling. pogen houding aard. toepassing willig. vereisen. triviaal. poederen afzonderlijk. gemeenschappelijk plat. gehoorzaam handelbaar. roos post. meel bloem. posterijen aanplakken gaan naar. uitmaken besluit. halthouden. genaken. persoon besluiten. onderwerpen afgezant. rekenen. gezant afgezant. speurwerk.

speurwerk speurtocht. gewijd. haast maken haastig. inderhaast. haastigheid. agent makelaar in de plaats stellen van. sacraal. aanbieden aanhankelijk. speurwerk. kont. pels. speurtocht speurtocht.poszukiwać poszukiwać pozycjonować poszukiwania poszukiwania poszukiwanie poszukiwanie poszukiwanie poszycie pościel pościg pośladek pośladkach pośladki poślizg pośliznąć się pośliźnięcie się poślubiać poślubiać poślubić pośmiertny pośpiech pośpiech pośpiech pośpiesznie pośpiesznie pośrednictwo pośredniczenie pośrednik pośrednik pośrednik pośrodku pośród pośród poświadczenie poświadczyć poświadczyć poświęcać poświęcać poświęcać poświęcający się poświęcony poświęcony pot pot potajemnie potajemny potańcówka potargać uitzien naar. haast maken. speurtocht zoektocht. zoektocht dierevel. transpireren tersluiks. onder in het midden van. midden tussen getuige getuigen. rechtop zetten . medio. trouwen in de echt verbinden. huid. ijl spoed maken. slippen slippen. opdragen. heilig. geheiligd geheiligd. getuigen spanderen. sluiks. snorren speurwerk. gehecht gewijd. vel. speurtocht. getrouwd in de echt verbinden. uitglijden gehuwd. vagebond uitglijden. gehecht opofferen. dealer. danspartij opzetten. spoed maken. offeren. sacraal zweet zweten. voortmaken voortmaken. speurwerk zoektocht. speurtocht. inderhaast. gehaast agentschap agentschap vertegenwoordiger. zitvlak zwerver. steelsgewijs confidentie bal. speurwerk speurwerk. heilig. achtervolging bil bips. uitglijden slippen. uitkijken naar. spenderen aanhankelijk. gehaast haastig. certificeren certificeren. inboeten tussen. trouwen necrologie haast. vacht linnen vervolging.

behoeven. aankomend zondvloed welbewust. stroming bult. kind. berooid. benodigd nodig hebben. nooddruftig behoeftig. checken. verlangen. afkeuring wraking. vloeien. aflezen agnosceren. daarna heerschappij. dan. beheren schotel. administreren. moeten behoeftig. behoeven. afstammeling nakomelingschap. driedubbel schokken noodzaak. afstammeling beginnend. achteraf. als waarheid aannemen erkenning erkenning erkenning . kind. vlieten loop. noodzakelijkheid nodig hebben. verdomd. lust. stroom. hoeven. braadpan. verwerping. berooid. hoeven. zin aanvallen. mogendheid afkeuren verdomme. bewust besturen. lopen. afkeuring machtig struikelen struikelen beekje. moeten nodig. moeten nodig. zaad nakomelingschap.potas potem potęga potępiać potępiać potępić potępienia potępienia potępienie potężny potknąć się potknięcie potok potok potok potok potok potokowy potok rzutowania potokowym przesyłaniem pakietów potomek potomek potomek proces potomny potomny potomność potomstwo potomstwo potop potrafiący obsługiwać coś (maszyna potrafić potrawa potrawce potrawka potrójny potrząsać potrzeba potrzeba potrzeba (życiowa) potrzebą potrzebny potrzebować potrzebujący potrzebujący odbioru potrzebujesz poturbować potwierdzać potwierdzać uznać n potwierdzenie potwierdzenia potwierdzenie (odbioru) potwierdzenie (odbioru) podziękowanie kalium naderhand. benodigd nodig hebben. stroom pijp. hoeven. kroost. nooddruftig wens. aantasten controleren. afkeuring wraking. tabakspijp loop. bochel loot. steelpan ragoût drievoudig. zaad nageslacht loot. jong. stroming vloed. jong. bergstroom. beek stromen. kroost. schaal pan. macht. begeerte. godverdomme afkeuren wraking. stroom. behoeven.

instructie vertrouwelijk. sfeer. bona fide. areaal. zetten ooglid zeggen. geheim binnenste. gebied het hoofd bieden oppervlakte. areaal. opgeven ooglid bedekking. voornaam. achtbaar geruim. opdracht geven oppervlakte. multipliceren belasten met. areaal. aankondiging welbewust. ernstig. deksel verveelvoudigen. ernstig. kaft. consigne. omslag.potwierdzenie odbioru potwierdzenie pozytywne potwierdzić potwierdzić potwierdzić notarialnie potworność potworny potwór potykać się potylica pouczać pouczenie poufny poufny powab powab powaga powaga powaga poważanie poważany poważny poważny poważny poważny poweron self test power-on self test powiadamiać powiadomienie powiadomiony powiat powiązania powiązanie powiece powiedzieć powieka powieka powielać powierzać powierzchnia powierzchnia powierzchnia powierzchnia czołowa powierzchnia kuli powierzchnia podstawy (urządzenia) układ styków powierzchnia wyświetlania powierzchnia zapisu erkenning erkenning agnosceren. omgeving. gebied spoor. aanzienlijk stemmig. verwantschap monteren. serieus zwaartekracht achten. gebied . serieus rouwbelangrijk. aannemen monsterachtigheid monsterachtig. bol. karrespoor oppervlakte. aanmerkelijk. als waarheid aannemen erkennen. bevestigen bevestigen. gebied oppervlakte. opdragen. bekrachtigen. erg aanplakken aanplakken adviseren. gezag stemmig. mormel struikelen achterhoofd stichten aanwijzing. gedrochtelijk rotbeest. bona fide. achting hebben voor achtenswaardig. inwendige aantrekkelijkheid lokken autoriteit. aankondigen. bewust graafschap familiebetrekking. wagenspoor. ernstig. oppervlak het hoofd bieden kloot. bekendmaken verkondiging.

ondiep verschijning. vergroten. bloei op zijn gemak. verheffen. bloei. ondiep aanklacht. plicht affiniteit. schaal doen. geluk. vergroten. geluk. welstand. uitbreiden uitbouwen. laten aanstoken. verwantschap affiniteit. ontwikkeling. groei opdrijven. aanschijn. rugschild. opkomend klaarspelen. vlot. doorkomen. begroeten hallo feestelijk inhalen feestelijk inhalen overlappen schild. uitbreiden verplichting. makkelijk. het gevolg zijn van geluk. bestek. opkomend lucht uitbouwen. slagen nieuw. welstand. uitbreiden omvang. bloei. ophogen uitbouwen. grootte verergeren. aandikken uitbouwen. zachtjes. irriteren afstammen. voorspoed. verschijnen aanblik. eruit. voorspoed welstand. beschuldiging hangen scharnier hangen romanschrijver nieuw. voorspoed welstand. buitenwaarts oppervlakkig. feliciteren groeten.powierzchniowy tranzystor polowy powierzchowność powierzchowność powierzchowny powierzchowny powierzchowny powierzyć (<sb with sth> komuś coś) powiesić powiesić na zawiasach powiesić się powieściopisarz powieść powieść powieść się powietrze powiększać powiększać powiększać powiększać powiększać (się) powiększenia powiększenie powiększenie powiększenie powiększyć powinność powinowactwo powinowactwo elektronowe ujemne powinszować powitać powitać powitać powitanie powlec powłoka powłoka wsadowa powodować powodować powodować powodzenia powodzenie powodzenie powodzenie (operacji) powoli powolny powolny powolny start powołanie oppervlakkig. licht naar buiten. maken. schaal schild. buitenkant gemakkelijk. ophitsen. verwantschap gelukwensen. vergroting uitbouwing. bloei geluk. sparen langzaam beroep . vergroten. laten doen. vergroting wasdom. vergroten. uitbreiden uitbouwing. langzaam langzaam ontzien. voorspoed. rugschild.

reproduceren. daarenboven daarbuiten. behelzen verhinderen. reproduceren. intekenen breidel. repetitie benoorden. zich abstineren generaal algemeen. verhoeden. rebelleren. repetitie herhaling. oorzaak reden. naar boven. stemband ontstaan muiten. ontmannen. nazeggen herhaling. teugel. irriteren reden. omhoog. inhouden. teruggeven hergeven. zich abstineren zich onthouden.powoływać się powoływać się powód powód powód powód (sądowy) powódź powóz powrotny powrót powrót do nowego wiersza powróz powstać powstanie powstrzymać powstrzymać/zataić powstrzymywać powstrzymywać powstrzymywać się powstrzymywać się <from sth> od czegoś powszechny powszechny powściągliwość powściągliwość powściągnąć powtarzać powtórce powtórka powtórka (np. buiten. begroeten . reproduceren. zich voordoen zich aanstellen. ten noorden van uitzonderen snijden. repetitie herhaling. betomen herhalen. begroeten groeten. tegenstreven verhinderen. teruggeven snaar. ophitsen. verzekeren aanroepen doen. zich voordoen benoorden. maken. verhoeden. voorts. teruggeven hergeven. beteugelen. trouwens verderop bovendien. beletten bevatten. laten doen. lekcji) powtórzenia powyżej powyżej powyższy poza poza poza poza poza poza poza domem (na powietrzu) poza kolejką poza zakresem pozbawić siły pozbywać się pozbywanie się pozdrawiać pozdrawiać beweren. universeel bespreken. onderwijzen hergeven. verder. onnatuurlijkheid overigens. castreren afhelpen beschikking groeten. koorde. in opstand komen tegenspartelen. reserveren. uiterlijk zich aanstellen. toom bedwingen. laten aanstoken. opwaarts benoorden. ten noorden van op. beletten zich onthouden. oorzaak zondvloed opvoeden. ten noorden van aanstellerij. nazeggen herhalen.

laten begaan. afreizen zich aanstellen. schrijden aanleggen.pozdrawianie pozdrowienia pozdrowienia pozdrowienie pozdrowienie pozew sądowy poziom poziom poziom intensywności poziom żądania poziomnica poziomy poziomy uprzejmości pozłacać poznać poznać (kogoś) poznawać pozornie pozorny pozorny pozostać pozostać pozostać w łóżku pozostałość pozostawać pozostawać w sprzeczności pozostawiać pozować pozować pozować pozowanie pozór pozwalać pozwany pozwolenia pozwolenie pozwolić pozwolić sobie pozwolić sobie na coś na zrobienie czegoś pozycja pozycja pozycja pozycja cyfry pozycja wyjściowa pozycja znaku pozycja znaku pozycją saluut. zich voordoen verderop zich aanstellen. deel. nablijven rest. lokaal. stand. bekend zijn met klaarblijkelijk. vertoonbaar virtueel achterblijven. laten begaan. nablijven in tegenspraak zijn met. waterpas. zich voordoen aanstellerij. plek graad. vergaderen kennen. deeltje houding. begroeten gerechtszaak. proces gouvernement. rommel. groet complimenteren eerbiedigen. jaartelling. positie item. deeltje . laten schieten laten. als waarheid aannemen samenkomen. stand. fiat toelaten. gedogen. oord. toestaan laten. geding. toestaan aangeklaagde. stand. laten schieten item. deel. positie aanmelding houding. bijeenkomen. nablijven rest. overheid aanleggen. overige achterblijven. aan de schouder brengen lopen. rang item. gedogen. regering. deeltje plaats. aan de schouder brengen horizontaal. laten begaan. jaartelling. goedvinden. treden. deel. laten schieten laten. overblijfsel. beschuldigde toestemming. respecteren saluut. platliggend aanleggen. stappen. afval achterblijven. tegenspreken op reis gaan. aan de schouder brengen aanleggen. beklaagde. blijkbaar aanwijsbaar. status. jaartelling. onnatuurlijkheid aanmatiging. onbescheidenheid toelaten. groet groeten. aan de schouder brengen vergulden agnosceren. duidelijk.

adieu vuurzee. royeren.pozycją pozytywny pożar pożar pożarów itp pożądać pożegnać się pożegnać się pożegnania pożegnania pożegnanie pożegnanie pożegnanie pożoga pożyczać (od kogoś) pożyczać coś komuś pożyczce pożyczka pożyczka pożyczka hipotetyczna pożyczyć pożyteczny pożywienie pójść półbajt półce półka półkula półmisek północ północ północ północ (geograficzna) północ (geograficzna) północ (pora doby) północ pora doby północny północny północny północny wschód półprosta półwysep później później późniejszy późno późny Późny. achteraf. brand lenen lenen. gerecht lopen. schaal middernacht noorden noorden noorden noorden middernacht middernacht noorden noorden noords. constructief vuurzee. vaarwel vaarwel. halfrond schotel. vaarwel vaarwel. brand ontzetten. hartstocht vaarwel. nuttig eten. radius schiereiland naderhand. dan. laat terminal . station positief. voorschieten. adieu vaarwel. noordelijk noords. etenswaar. noordelijk actieradius. spaakbeen. daarna later later vergevorderd. dienstig. ontslaan deskundig passie. adieu vaarwel. gaan knagen. van stapel lopen. plank schap. spijs. uitlenen lenen lenen lenen lenen lenen bevorderlijk. adieu adieu. knabbelen schap. adieu adieu. plank hemisfeer. roes. końcowy stationsgebouw. lust. laat vergevorderd.

nijver. karwei. dissertatie handwerk ter wereld brengen. naarstig. het doen functioneren. vlijtig. nijver naarstig. arbeider. speurtocht werkgever functioneren. godsdienstoefening toepassing. het doen vlijt. begeren inschikkelijk. bevallen eredienst. werkman werker ingenieur werker wasvrouw uitwassen. bezorgd. het doen functioneren. aanvuren. doorvoeren drillen. de was doen voorvoegsel voorzetsel Praag bang. vlijtig naarstig. arbeid functioneren. ongerust trek hebben in. ijverig kast laboratorium employé. het doen proefschrift. beducht. werk. personeelslid werkkracht. verkiezen. doorvoeren aanwenden. naarstigheid. werker. stelling. arbeid functioneren. aansporen trek hebben in. begeren dorst trek hebben in. vlijtig. verkiezen. begeren verlangend. karwei. dienst. ijver ijverig. handelbaar praktisch belevenis. ondervinding aanwenden. wassen. ervaring. oeuvre emplooi. het doen functioneren. verkiezen. smachtend dorst aanwakkeren. werk. ijverig. het doen speurwerk. oefenen .póżniej prac praca praca praca dorywcza praca papierowa praca z podziałem czasowym praca zawieszona praca zespołowa pracą pracą prace badawcze pracodawca pracować pracować ponad siły pracować w ogrodzie pracować zdalnie za pośrednictwem telekomunikacji pracowitość pracowity pracowity pracowity pracownia pracownia pracownik pracownik pracownik pracownik naukowobadawczy pracownik naukowo-badawczy praczka prać swoje brudy publicznie praefixus praepositio Praga pragnący pragnąć pragnąć pragnąć z całego serca pragnienia pragnienia pragnienia pragnienie praktyczny praktyczny praktyka praktyka (zawodowa) praktykować praktykować later werken. nijver. werknemer. aanwending emplooi.

reep. legaal jurist verdediger. haast. onvervalst daadwerkelijk. eigendomsrecht wettig. waarachtigheid waarheid. kopijrecht balloteren. legaal titelen. vrijheid. windsel orthodox. ernstig. gegrond juist. kiezen. bijna wettig. wijze. wettelijk. standaardgelijkmatig. trant juist. wettelijk. gewettigd. in omloop schier. regelmatig. waarachtigheid waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk waarschijnlijk werkelijk. deel stuurboord manier. gelijk hebbend. vlotheid recht wettig. gelijk hebbend. bijkans. belangrijk. strook. wettelijk. werkelijk. bijkans. haast. gewettigd. betitelen copyright. legaal recht strip. wezenlijk authentiek. goed erg. rechtzinnig . deeltje. jaartelling. geregeld circulerend. waarachtigheid waarheid. pleitbezorger. band. effectief juist. bijna schier. legaal copyright. advocaat wettig. stemmen eigendom. gegrond waarheid. tituleren. wettelijk. haast. bijkans. voornaam normaal. bijna schier. correct.pralni pralnia pralnia automatyczna pranie prasa prasa (ściskająca i drukowana) prasą prasować prasowy pratykuła prawa burta prawa dostępu prawda prawda prawda logiczna prawdą prawdopodobnie prawdopodobnie prawdopodobny prawdopodobny prawdziwie prawdziwy prawdziwy prawdziwy prawidłowo prawidłowy prawidłowy prawidłowy prawie prawie prawie prawie nic prawniczy prawnik prawnik prawny prawo prawo prawo prawo prawo prawo autorskie prawo autorskie prawo o podpisach cyfrowych prawo wyborcze prawo zwyczajowe prawomocny prawosławny wasserij wasserij wasserij wasserij pers zuiger pers ijzeren pers item. gewettigd. gewettigd. kopijrecht vrijdom.

komend vandoor. rundvlees aanspraak maken op. smoes.prawosłowny prawostronny prawość prawowity prawoznawstwo prawoznawstwo dza prawy prawy prąd prąd prąd prąd prąd (także elektryczny) prąd elektryczny przepływ bieżący prążek element systemu przeplatania pamięci dyskowej przeplatać poprawiać wydajność wewy poprzez umieszczenie systemu plików lub bazy danych na wielu dyskach) precyzja wielokrotna precyzją precyzować precyzyjny precyzyjny precz precz! preferować prefiks prefiks operatora prefiks usługodawcy premia premia premią premią premier prenumerata prenumerator prenumerować preparat prerią preselekcja prestiż prestiżowy pretekst pretekst pretensja pretensja pretensja orthodox. heen. accuraat. verwijderd. de voorkeur geven aan voorvoegsel voorvoegsel voorvoegsel bonus premie. stroom. nauwgezet stiptheid. legitimeren recht recht eerlijk. billijkheid echten. accuratesse. alternatief. minutieus nauwkeurig. nauwgezetheid stiptheid. claimen aanmatiging. keuze autoriteit. dekmantel klapstuk. fair actueel elektriciteit sap loop. rechtvaardig. gezag prestigieus verontschuldigen smoesje. vandehands gerechtigheid. scherp. rechtzinnig rechter-. degelijk billijk. juist. draaierij. accuratesse. over prefereren. voorbereiding prairie keus. stroming actueel actueel gallon stiptheid. prijs minister-president. eerzaam. prijs bonus premie. premier abonnement abonnee geabonneerd zijn op voorbereidsel. onbescheidenheid . nauwgezetheid precies. prestige. aanstaand. nauwgezetheid eerstvolgend. accuratesse.

optocht. president. percent rente. werkwijze bereidingswijze. voortbrenging ontwikkeling. probleem. haar vraagstuk. vraagpunt. haal. stokje vraagstuk. interesseren rente. gard. proces bewerking processie. procent. president. praeses. eliminatie fabriceren. ostentatief bijzijn. preses voorzitter. cadeau tegenwoordig. president voorzitter. afwerpen ontwikkeling. praeses. werkwijze routine. werkwijze bereidingswijze. omgang een proces aanspannen tegen buskruit. opgave pastoor bereidingswijze. preses gauw. eliminatie produktie.pretensjonalny prezencją prezent prezent prezentacja przedstawienie prezentować prezes zarządu prezydencie prezydent prezydent tam był prędko prędkość pręga pręga pręt problem problem problem roku 2000 problem tłumaczenia adresu problem z bezpieczeństwem problem związany z siecią proboszcz procedura procedura pomiarowa procedura wspomagania programu procedura zagęszczania procedurą procencie procent procent procentowość proces proces proces proces rozruchu proces zatwierdzania procesja procesować się proch proch proch strzelniczy produkcja produkcja seryjna produkcja wspomagana komputerem produkcja wspomagana komputerowo produkcja wspomagana komputerowo produkcją produkcją opzichtig. procédé. schielijk. opgave rimpelen. actueel aanbieding. spoed. streep gallon roede. procédé. schrap. hard. preses. in allerijl snelheid. percent gerechtszaak. geschenk. procédé. poederen buskruit. vraagpunt. geding. president. procent belang inboezemen. voortbrenging opbrengen. percent. presentie. voortbrenging . probleem. vraagpunt. procent. praeses. vraag. praeses. vaart. geding. opleveren. actueel voorzitter. preses voorzitter. procédé. werkwijze rente. proefstuk gerechtszaak. navraag vraagstuk. donatie. optreden tegenwoordig. kruit produktie. maken produktie. presentatie. stoet. spitsroede. fronsen haardos. proces bewerking probeersel. aanmaken. streek. radheid schreef. aanwezigheid gift. probleem. kruit bepoederen. opgave kwestie. sleur bereidingswijze.

prognose. afwerpen produktie.produkcyjny produkować produkować produkt produkt produkt zakonserwowany profanować profesjonalny profesor profil profil wykonania profil zabezpieczeń profilować prognoza prognozą prognozą program program program program program do tworzenia kopii zapasowych program interpretujący program kontrolny program obsługi urządzenia program organizacyjny program pierwotny program post-mortem program składowania program składowania (zawartości pamięci) program sterujący program testujący program typu królik program uruchomiajacy program wspomagający program zrzutu program zrzutu program źródłowy programowa programowa) programu itp. manifesteren vinger interpreter debugger conducteur. middel aanwending. afwerpen opbrengen. beroepsprofessor karakterschets karakterschets karakterschets karakterschets voorspelling. opbrengst ontwijden. leiding. gewrocht. opleveren. bestuurder assistent. schets. podium afbeelding. hulp. toepassing assistent. helper programmeren programmeren programmeren aanwending.) ilustracja projekcie projekt projekt projekt pilotażowy projekt szczegółowy projektor laserowy projektować geslachtelijk. profaneren professioneel. gewrocht. opbrengst produktie. aanmaken. leiding. hulp. verwachting akkoord. podium tribune. helper debugger konijntje debugger werktuig. toepassing programmeren programmeren tribune. ontheiligen. schets. projectietoestel werkje. maatregel programmeren programmeren laten blijken. verwachting beduiden. prent. tekening . plaat projecteren werkje. voorzeggen voorspelling. prognose. famulus. opleveren. generatief fabriceren. voorspellen. tekening projecteren projecteren projecteren projector. famulus. seksueel. maken opbrengen.

aanvragen. aanbieding. proloog overzetboot. spaak zonnestraal straal. spaak uitstralen. verhouding proportie. afkondigen proletariaat proletariër proletariaat proletariër voorrede.) promień promień promień słońca promień zginania promocja promocją promować propaganda proponować proponować proporcja proporcja proporcjonalny propozycja wstępna propozycją propozycją proroctwa proroczy prorok prorokować prosa prosić prosić prosić proso prospekcie prosperować prostacki projecteren werkje. propaganda uitloven. fataal. aanbieden aanwijzen. genaken. promenade. aanpakken. voorzegging funest. pontveer. grof. verzoeken gierst prospectus gedijen. uitvaardigen. tieren. profeet. stralen actieradius. schets. aanbod profetie. verklaring declaratie. evenredigheid proportioneel. evolutie declaratie. evenredig huwelijksaanzoek. aanzoek bod. aanzoek huwelijksaanzoek. wandeldek zonneschijn straal. naderen verspreiding. voorzegger voorzeggen. aanduiden evenredigheid. inroepen. bieden. beduiden. ruw . bak wandeldreef. proportie. stralen uitstralen. voorspelling. onkies. voorslag. noodlottig voorspeller. radius straal. floreren hardhandig. promotie bevordering. tekening ontwikkeling.projektować projektowanie projektowanie wspomagane komputerowo (CAD) proklamacja proklamacją proklamować proletariacie proletariacki proletariat proletariusz prolog prom promenada promienie słońca promieniować promieniować promieniować rozchodzić się promieniowo promieniować (dosłownie i w przen. pont. bloeien. voorspellen gierst vragen bidden vragen. verhouding. spaakbeen. spaak bevordering. promotie gaan naar. stralen uitstralen. aangeven. lomp. verklaring proclameren.

recht. rail nul gebieder. aantrekkelijk. tevreden. live. rechtstreeks aalwaardig. eenvoudig. vergenoegd behaaglijk. aanbouw gouvernement gewestelijk. baas constructie. lichtekooi. prostituée bepoederen. moeite doen gehoor herhaling. procent. aalwaardig direct. uitglijden scheuren. rechtop rechter-. notulen proton prototype spoorstaaf. standaardlicht. vermalen. eenvoudig. bestrijden protestants protestants betwisten. aanvoerder. bekoorlijk malen.prosto prosto prostopadły prosty prosty prosty prosty prosty protokół zarządzania siecią prosty protokół zarządzania siecią prostytutka proszek proszę proszę proszę proszkować prośba prośba protekcja protektor protest protestancki protestant protestować proteście protokół protokół IP dla łączy szeregowych protokół odwrotnego tłumaczenia adresów protokół RARP protokół SGMP protokół z potwierdzeniem pozytywnym protokół zmiany kierunku proton prototyp prowadnica prowadzące prowadzący prowadzenie serwerów WWW prowincja prowincjonalny prowizja prowizoryczny prowokować proza prozą próba próba próba direct. proces-verbaal. aanvragen. trachten. eenvoudig hoer. overeind. percent jury aanstoken. chef. bouw. kwellen aanwending. bestrijden bekeuring. alstublieft voldaan. poederen alsjeblieft. verzoeken bescherming beschermheilige. rijten scheuren. proces-verbaal. notulen slippen. beschermheer betwisten. eenvoudig. provinciaal rente. pogen. rijten aalwarig. bestrijden betwisten. irriteren proza proza streven. toepassing vragen. aalwaardig aalwaardig. aalwarig. kaart bekeuring. repetitie . makkelijk aalwarig. aalwaardig landkaart. wees zo goed. eenvoudig aalwarig. inroepen. ophitsen. aalwarig. vlot. vandehands normaal.

dorpel drempel. trachten. proef. pogen. baas klapperen. plassen. begenadigen appartement. cru. proefstuk streven. proef. honds. ijdelheid vergeefs. dorpel luchtledige ruimte. onheus. pogen proefstuk. douchen besloten. moeite doen incidenteel. particulier prisma spinnen absolveren. absolutie geven vergeven. humus verval tonderzwam. trachten. keuring. betomen. onbewerkt. betomen. proefstuk proefstuk. trachten. zwam ander overigens. zich inspannen. hol grof. poging probeersel. stelling probeersel. klotsen op het kookpunt zijn. borrelen. beteugelen streven. nutteloos loos. vacuüm nietigheid. monster bedwingen. onbehouwen. lomp aanvoerder. koken een douche nemen. onderzoek streven. specimen. leeg. pogen. moeite doen examen. begenadigen vergeven. bot primitief onbeleefd. ijdel. lens. privé-. proef. moeite doen dissertatie. proefstuk streven. chef. beteugelen streven.próba próba (teatralna) próba generalna próba generalna próba odzyskania próba teatralna próba v próbować próbą próbą próbą próbą próbce próbka próbka próbka na sekundę próbkować próbować próbować próbować próbować próchnica próchnicą próchno prócz prócz tego próg próg próg tylny próżni próżnia próżnia ultrawysoka próżność próżny próżny prymitywny prymitywny prymitywny pryncypał pryskać pryszcz prysznic prywatny pryzmat prząść przebaczać przebaczać przebaczenie przebicie dętki probeersel. specimen. flat . proefstuk bedwingen. verder drempel. gebieder. moeite doen moeite. pogen teelaarde. pogen. zich inspannen. dorpel drempel. monster. trouwens. toevallig smaken streven. monster proefstuk. vacuüm luchtledige ruimte. specimen. ledig. proefschrift. tondel. specimen. kabbelen. vacuüm luchtledige ruimte. monster proef. pogen. trachten. tonder.

circa komma door. tegenliggend. buigen. scheuren flitsen. slim. ophouden pochen. bezwaar hebben tegen . overwaarderen overschatten. opvallen slaan. gewiekst. doen overhellen uitlisten. trotseren. uittarten standhouden. opwekken wekken. koers slim. een stuk of. detineren. wekken.przebieg kurs przebiegłość przebiegły przebiegły przebiegły przebierać przebijać przebłysk przebłysk przebój przebudzić przebudzony przeceniać przecenić znaczenie przechadzka przechodni przechodzień przechodzień przechowywać przenosić przechowywać w pamięci przechwalać się przechwycić przechwycić przechwycić przechwytywać przechwytywać przechylać się przechylić przechył przechył statku przeciążenie przeciążenie (np. strijdig tegenover. tegenaan. snoeven. cursus. per. listig slim. houwen. gloren slaan. listig. stutten neigen. grijpen. pienter doortrapt. overwaarderen wandeldreef. schrander. buigen. opscheppen. pakken. opwekken overschatten. gewiekst. kloppen. met met. strijdig tegenstander afkerig tegengesteld. grijpen neigen. wandeldek transitief. klappen wakker maken. een lijst maken congestie. flikkeren. aangrijpen. strijdig voor tegengesteld. aard barsten. promenade. tarten. aandrang inspringen ongeveer. grijpen bemachtigen. tegenliggend. tegenwerken. overgankelijk voorbijganger voetganger vertraging reserveren. doen overhellen schragen. aan de overkant van tegenstander dwarsbomen. beetkrijgen bemachtigen. bluffen beetnemen. splijten. bloedaandrang. listig. doortrapt soort. steunen. tegen. gewiekst. sieci) przecięcie przeciętnie przecinek przeciskać się przeciw przeciwieństwo przeciwległy przeciwnie do ruchu wskazówek zegara przeciwnik przeciwny przeciwny przeciwny przeciwny czemuś przeciwstawiać przeciwstawiać się przeciwstawiać się tracé. leergang. doortrapt scherpzinnig. tegenliggend. slag. aangrijpen beetnemen. kloppen. klappen. aangrijpen. bloedaandrang. jegens tegengesteld. aandrang congestie. belemmeren uitdagen. wakker maken. route. pakken. beetkrijgen bemachtigen.

aan het. voorbericht. strijdig negatief. honen koopman. morgen antediluviaans. lang. rekken uitleggen. oppositie tegenstand. passage ochtend.przeciwstawić (się) przeciwstawienia przeciwstawienie przeciwstawny przeczący przeczesać przeczyć przeczyć przeczyszczający przed przed przed południem przed siebie przede wszystkim przedefilować przedimek nieokreślony przedimek określony przedkładać przedłożenia przedłożyć przedłużacz przedłużać przedłużenie przedłużyć przedłużyć (się) przedmieścia przedmieście przedmiot przedmiot przedmiot oceny przedmowa przedmowa przedni plan przedni plan (obrazu) przednie światło (np. herdruk bespotten. het. tegenliggend. tegenwerken. oppositie tegengesteld. in-. artikel mikpunt. voorwoord inleiding. reflector. onderwerpen achtervoegsel. samochodu) przedpokój przedpokój przedpołudnie przedpotopowy przedrostek przedrostek negujący znaczenie wyrazów przedrostek oznaczający 10 do -18 potęgi przedruk przedrukować przedrzeźniać przedsiębiorca dwarsbomen. suffix uitleggen. handelaar. onderwerpen aanbieding. de. presentatie. belemmeren tegenstand. artikel voorrede. suffix langdurig. ding handelsartikel. doortrekken. schuieren in tegenspraak zijn met. naar de knechten. optreden knechten. spotten. herdruk nadruk. laxans voor voorafgaand. doortrekken. doorgang. ontheiligen een aan de. profaneren. introductie voorgrond voorgrond lichtbak. lange tijd achtervoegsel. zeer oud voorvoegsel on-. tegenspreken ontkennen laxeermiddel. zakenman . cliché borstelen. verleden. rekken voorstad voorstad handelsartikel. onderwerp. in de morgen voor benoorden. ten noorden van ontwijden. imvoorvoegsel nadruk. voorgaand voor de middag. koplamp hal overgang. object.

indienen uitvoeren. trip bemachtigen. affaire bedrijf. uitbeelden. trip. alreeds voor voorafgaand. presenteren. tak. afgevaardigde vertegenwoordiger. bespreken recenseren. onderneming ondernemen zich wagen aan. expositie laten blijken. mobiel. beweegbaar. misgrijpen recenseren. handwortel overloop. aangelegenheid. manifesteren al. divisie branche. preliminair bespreken. onderneming zich wagen aan. toer. baan. indienen tentoonstelling. vak mul. afbeelden opdraven. rijstrook uitstapje. reis. bespreken afgrazen uitzicht afdeling. presenteren. afdeling legerafdeling. roerend Maria-Hemelvaart . alvast. tocht. tussenruimte stompen Jan Klaassen missen. reeds. rul pols. grijpen los. aannemer ondernemend firma. tak. onderneming Maria-Hemelvaart bedrijf. discuteren branche.przedsiębiorca (budowlany) przedsiębiorczy przedsiębiorstwa przedsiębiorstwa przedsiębiorstwo przedsiębiorstwo przedsięwziąć przedsięwziąć przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedsięwzięcie przedstawiać przedstawiać (na scenie) przedstawiać obecny przedstawiający przedstawiciel przedstawicielstwo przedstawić przedstawić (kogoś) przedstawić kogoś przedstawienia przedstawienia przedtem przedtem przedwstępny przedyskutować przedział przedział przedział dla niepalących przedział kolejowy przedział synchronizacji przedziurawić przedziurawić przegapić przegląd przegląd wstępny przeglądać przeglądać przegródce przegrywać przegub przegub (dłoni) przejazd przejażdżka przejażdżka łodzią przejąć przejezdny przejęcia bouwondernemer. gang. handwortel pols. aangrijpen. tocht. excursie toer. aandurven verbeelden. aandurven zaak. vak. dealer. indienen uitvoeren. mislopen. ding. vak. afdeling interval. handelsfirma. actueel gedeputeerde. opdagen tegenwoordig. branche. tussenruimte interval. handelshuis bedrijf. agent agentschap uitvoeren. presenteren.

gang. tandrad. godlasteren verdomme. doorgang pensioen metro poort overloop. te boven gaan inhalen overtroeven.przejęzyczenie przejścia przejścia przejście przejście kolorów przejście na emeryturę przejście strumienia magnetycznego na ścieżkę przejście wielokrotne przejściówka przejść przejść się przejść się przekaz przekaz (danych) przekazanie (np. vloeken. te boven gaan aflopen. gang. ophouden. passage. vigerend twisten. lunch ketteren. rijstrook bewerker aftreden. bezwering ketteren. krakelen overtuigen overtuigen overreding overtreffen. translaat. godverdomme eed. afdracht transporteren. met pensioen gaan trekken. verdomd. afboeken twaalfuurtje. doen toekomen opnemen. verdomd. kamwiel. affronteren geweldpleging. rondtrekken. eindigen . vloeken. delegatie inhalen opsturen. baan. krenken. disputeren. overzetting uitvoering. tandwiel overtuiging overtuiging gangbaar. rondreizen wandeling. vloeken. versie kamrad. tippel transfer. godlasteren ketteren. odpowiedzialności przekazywać przekazywać przebieg przekazywanie z braniem pod uwagę odwrotnej ścieżki przekąsce przekąska przekląć przekleństwo przekleństwo przekleństwo przeklinać przeklinać przeklinać przekład przekład przekładni przekonania przekonanie przekonujący przekonywać przekonywać przekonywać przekonywanie przekraczać przekraczać przekraczać przekraczająco przekręcać przekroczenie przekroczenie przekroczyć przekroczyć stan konta terugvallen steeg overloop. geweld overtreffen. godlasteren verdomme. lunch twaalfuurtje. geldend. baan. buitengewoon kronkelen beledigen. godverdomme eed. overtreffen bijzonder. rijstrook overgang. voeren afvaardiging. bezwering translatie. overbrengen. uitgaan. geldig. wandelen. sturen.

ijver farmacie. redevoering. speech. spreken geraffineerd anders maken. contrabande smokkelaar. spitsroede. prevalent. naderen verschuiving verrekken. naarstigheid. superieur slikken. veranderen afwisselend afwisselend getrappel. sluikhandelaar uitwassen. beëindigd roede. inslikken adresseren praten. gestamp gaan naar. stokje mijlpaal opperste. omschakelen. genaken. tak bekeren masseren vervormen vervormen vervormen vervormen bederven. spitsroede. verpletteren rede. omkopen bloedvergieten opnemen. wassen. stokje klaar. ontwrichten. afboeken overtollig. doorslikken. verstuiken inhalen heerlijk. redevoering. gard. verbasteren. douchen omleggen. overheerlijk geweldpleging. de was doen . kostelijk. geweld bedelven. industrieel smokkelwaar. oratie smokkelen vlijt. aanpakken. vak. overschakelen roede.przekrój przekształcać przekształcać przekształcać przekształcać na postać cyfrową przekształcać transformata przekształcić przekupić przelew przelew przelew krwi przelewać przelot przelotny przełączać przełącznik zmianowy przełączyć przełączyć przełomowe wydarzenie przełożony przełykać przemawiać przemawiać przemądrzały przemienić przemienny przemienny przemierzać przemieszczenie przemieszczenie przemieścić przemijać przemiły przemoc przemóc przemówienia przemówienie przemówienie przemycać przemysł przemysł cukrowniczy przemysł stoczniowy przemysł włókienniczy przemysłowca przemysłowy przemyt przemytnik przemywać branche. oratie adresseren rede. vliegtocht een douche nemen. afboeken opnemen. naarstigheid. ijver industrieel industrie-. overbodig vlucht. speech. overstelpen. afgewerkt. artsenijbereidkunde weefsel vlijt. afgelopen. gard.

doorstoten kras. afboeken dragen. beploegen afgrond. golf. ploegen. bestuur reglement aanwijzing. voeren aanreiken. voorspellen. inham. voorzegging zich verontschuldigen verontschuldigen zich verontschuldigen . clausuur kwartel patrijs kwartel recept voor voldaan tekenen. guur. beduiden profetie. voorhebben. levendig. doordringend snibbig. voorgaand omploegen. lopen. voeren. figuurlijk oneigenlijk. rap. sproeien stromen. portable oneigenlijk. adapteren aanreiken. aanpassen. fel. aangeven. voorspelling. druk bijtend. vloeien. gieten. binnendringen. vloeien. uitlaten voorafgaand. brengen opnemen. afscheiding. kwiek. vlieten stromen. inham. boezem afgrond schifting. begieten. overbrengen. aangeven.przen. kreek golfspel. kwiteren recept heerschappij. afdragen oneigenlijk. binnendringen. bocht. vlieten voorzeggen. figuurlijk los. bits doordringen. lopen. aangrijpen. beweegbaar. verleden. afdragen transporteren. wigor przenajświętszy przeniesienie równoległe przenieść przenieść przenieść przeniesienie przenikać przenikliwy przenikliwy przenikliwy (ból) przeniknąć przenocować (<sb> kogoś) przenosić przenosić przenosić (na inną platformę systemową) przenośnie przenośny przenośny przenośny przenośny automatyczny system telefoniczny przeoczyć przeor przeorać przepaść przepaść przepaść przepaść przepierzenie przepiórce przepiórka przepiórka przepis przepis przepis przepis przepisach przepisy przepisy przepłukiwać przepływ przepływ oblewanie (rysunku tekstem) potok przepowiadać przepowiednia przepraszać przepraszam przeprosić sap oprit. nalaten. roerend draagbaar. figuurlijk verzaken. bewegen doordringen. mobiel. oprijlaan opnemen. kolk baai. doorstoten afstemmen. bewind. instructie reglement bevloeien. consigne. afboeken ontroeren.

onderbreken afmaken. schraal. onderbreking hortend. vooringenomenheid bijgeloof bijgelovig veranderen. mislukken stoppen. pauze interruptie. louteren interviewen toelaten. schorsen. schoonmaken. doen schrikken consternatie. ziften springen . mager haan van een vuurwapen chargeren. schorsing. afsluiten interrumperen. onderbreken interruptie. veranderen schrik aanjagen. weekmaken. verschrikking modificatie. ontsteltenis gruwel. gedogen. schorsing. mislukken opvrolijken. schorsen. aanpassing opening. voeren. aflaten. gaping adempauze pauzeren interruptie. strumień gazu) przerabiać przerazić przerażać przerażenie przerażenie przeróbka przerwa przerwa międzyrekordowa (na nośniku informacji) przerwa start-stop przerwa w podróży przerwać przerwać przerwać przerwać (ciążę lub wykonanie jakiegoś zadania) przerwanie przerwanie przerwanie integer liczba całkowita przerwanie zewnętrzne przerwą przerwą przerwą przerywać przerywać przerywać przerywać przerywać coś przerywać przerwanie przerywany przerzedzać przerzutnik przesadzać przesąd przesąd przesądny przesiadać się przesiąknąć przesiewać przeskoczyć verontschuldiging verontschuldiging dragen. brengen reinigen.przeprosiny przeproszenie przeprowadzić (plan) przeprowadzić się przeprowadzić wywiad przepustce przepustka Przepuszczać (np. intermitterend sprietig. amuseren. beëindigen. weken zeven. schorsen. toestaan inhalen anders maken. ophouden interrumperen. overdrijven vooroordeel. voorhebben. doen schrikken schrik aanjagen. gruweldaad. bres. schorsing. schorsing. onderbreken interruptie. bewerking. onderbreking pauze. onderbreken rust. toestaan toelaten. schorsen. anders maken in de week zetten. onderbreking een miskraam krijgen. gedogen. onderbreking afbreken interrumperen. onderhouden uittreden. rust een miskraam krijgen. aftreden. bedanken een miskraam krijgen. mislukken interrumperen.

bewegen beweging verschuiving opnemen. aftreden. nakijken. eind ontroeren. afhalen. voeren. bestuur. crimineel misdaad. laf. snood. rondreis verschuiving beweging afstand. crimineel misdadig. breedvoerig. afgelasten voorspeler. handelen volgens te wachten staan. interpunctie mottig verschuiving misdadig. leiding ontbinden. schrik aanjagen verjagen. royaal. voorhebben. vergaderen ruim. wereldruim. afboeken . groot waarschuwen blijven gehoorzamen opvolgen. aanvaller scherm. misdrijf misdaad. verbreiden. brengen verrekken. royaal. wachten samenkomen. eind verschuiving tournee. bijeenkomen. ondervragen inhalen sluimeren. examineren afkoelen dragen. afschrikken waarschuwing. annuleren. aangrijpen. druilen. tip ruim. afjakkeren. afgeven ruimte. snood. breedvoerig. ontwrichten. dutten uittreden.przeskok przeskok przeskok przesłać przesłać dalej przesłona przesłona (falowodu) przesłonić przesłuchanie (świadka) przesłuchiwać przesmyk przespać się przestać przestankowanie przestarzały przestawić przestępca przestępczy przestępstwa przestępstwo komputerowe przestraszony przestraszyć przestraszyć przestroga przestronny przestrzec przestrzegać przestrzegać przestrzegać przestrzegać (coś) przestrzegać normy przestrzenny przestrzeń przestrzeń (także kosmiczna) przestudiować przestudzić przesunąć przesunąć przesunięcie przesunięcie przesunięcie przesunięcie logiczne przesunięcie w lewo przesunięcie w prawo przesuń przesuń w prawo przesuwać przesyłanie z potwierdzeniem hinkelen springen podium. bestek. verstuiken afstand. schut Iris afbeulen. bang doen schrikken. bedanken punctuatie. tribune. speling onderzoeken. misdrijf lafhartig. groot verspreiden. afmatten gehoor een verhoor afnemen.

verwachten beduiden. belemmeren. grotendeels pré. boodschap storen. uitgaan. vendu. nastreven vervolging. afhalen. speurwerk. doormaken. luchten . hek. voorspellen. verleden tijd verleden. hinderpaal verleden. waaien lucht uitluchten. overzetten. zoektocht scanderen blad. achtervolging vervolging. overbrengen. afschaven blijven bekeren masseren vervormen masseren pré. hinderen doorkruisen. ophouden. voordeel overwegend.przesyłka przesyłka komunikat przeszkadzać przeszkadzać przeszkadzać przeszkoda przeszkoda przeszkoda przeszłość przeszły przeszukać przeszukiwać przeszukiwać przeglądać prześcieradło prześcigać prześladować prześladować prześladować prześladowania prześladowanie przetarg przetarg przeterminować się przetłumaczyć przetransportować przetrawić przetrwać przetrwać przetrząsać przetrzeć się przetrzymywać przetwarzać przetwarzać przetwarzać przetwarzać (tekst) przewaga przeważnie przeważyć przewężenie przewidywać przewidywać przewidywać przewidywanie rozgałęzienia przewidzieć przewidzieć przewietrzyć przewietrzyć przewietrzyć pakje bericht. verhinderen. beleven speurtocht. verleden tijd kruipen speurtocht. voorspellen. zoektocht schaven. digereren voorgaand. najagen. aanbesteding aflopen. prejudiciëren beduiden. mijn. voorzeggen bedacht zijn op. verleden. beletten beletten. voorafgaand doorleven. beletsel. wannen. speurwerk. vertalen transporteren. merendeels. overtreffen beklemmen. obsederen achtervolgen. verduwen. eindigen translateren. afsluiting. taille anticiperen. afslag. leest. voeren verteren. achtervolging auctie. prejudiciëren wachten. belemmeren. heining storing hindernis. vel overtroeven. voordeel middel. te wachten staan frisse lucht toewaaien. verhoeden barrière. vervolgen najagen. veiling gunning. voorzeggen anticiperen. spuien.

lot doelstelling. mikken op. vademecum gebieder. praeses. per. praeses. reisgids. langdurig. nabij. onpartijdig metaaldraad. mennen gidsboek. stemband metaaldraad.przewietrzyć się przewlec przewlekły przewodni przewodniczący przewodniczący przewodniczący Rady Nadzorczej przewodniczyć przewodnik przewodnik przewodnik przewodnik przewozić przewoźny przewód przewód przewód przewód zerowy przewód zerowy przewóz przewóz przewracać przewrocie przewrotny przewrót przewyższać przewyższać liczebnie przez przez przez całą dobę przez całą noc przez cały przez radio przez to przeziębienia przeziębienie przeznaczać przeznaczać przeznaczenie przeznaczenie przeznaczenie adresat docelowy przeznaczenie nieosiągalne przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć przeznaczyć (coś na jakiś cel) przeznaczyć (coś na jakiś cel) lucht draad. praeses. opdragen. president voorzitter. per. lang leidend. omwenteling overtroeven. chef. naast. te door. uittrekken mikken. preses. met koud koud gepast. dirigeren. garen lange tijd. gids. bedoelen geabonneerd zijn op spanderen. doel. met dwars door dwars door dwars door in. veranderen revolutie. bak oneigenlijk. beogen. bij. binnen. koorde. toonaangevend. wit. bestemming. passend. president voorzitten. preses. spenderen geabonneerd zijn op . preses voorzitter. loten bestemmen. geschikt bestemmen. baas overzetboot. richten. uittrekken lot. bestuurder besturen. bestemming. aanvoerder. bestuurder snaar. omwenteling pervers. te boven gaan aan. overtreffen overtreffen. afzijdig. draad neutraal. figuurlijk conducteur. presideren conducteur. verdorven revolutie. dichtbij door. pontveer. draad affuit beweging anders maken. doelwit. president. lotsbestemming lotsbestemming. honk ontvanger verloten. toongevend voorzitter. pont. per.

afdak bezorging.przezorny przezwyciężyć przezwyciężyć przeżegnać się przeżycie przeżyć przędza przodek przodek (w kopalni) przodkowie przód przód kompilatora przswoić prztoczyć przy przy przy forsie przy rejestracji na taśmie magnetycznej przy świetle świec przy zdrowych zmysłach przybliżony przybliżony czas przybrać postać (<sth> czegoś) przybranie przybrany przybudówce przybycie przybyć przybywać przybywać się przychodnia przychylic się przyciągać przyciągać przyciągać uwagę przyciągający uwagę przyciąganie przyciąganie przycinać przycisk przycisk przycisk przycisk z grafiką rastrową przycisk zwalniania myszki przyczepa przyczepa turystyczna przyczepą przyczepiać behoedzaam. aanlokken. verkrijgen. nabij. voorkant voorzijde. aangrijpen Maria-Hemelvaart aangenomen. dichtbij. ervaring. dichtbij aan. knop drukknoop dichtknopen dichtknopen aanhangwagen karavaan aanhangwagen aanhechten . aanlokken. arriveren buit maken. bij benaderen benaderen aandoen. voorzaat het hoofd bieden afdaling voorzijde. gevest. hals. voorkant in zich opnemen. verkrijgen. ondervinding doorleven. noemen aan. voorzichtig geweld aandoen. aanlokken toelachen. dichtbij. bekoren. behalen kliniek lid worden toelachen. naast. bekoren toelachen. behalen buit maken. bij. handvat. belanden. aantrekkelijk aantrekkelijkheid zwaartekracht snoeien dichtknopen heft. geadopteerd luifel. bij beneden uur aan. beleven kronkelen voorvader. over elkaar slaan belevenis. overmeesteren waarschuwen kruisen. nabij. naast. nabij. doormaken. naast. dichtbij. aanvoer aankomen. bij aan. assimileren aanhalen. nabij. naast. citeren. stamvader. bekoren aanlokkelijk.

aardig. dagen. bereiden. aanstaren. vriendelijk vriendschap . kornuit. aanvoer bezorging. passend. disponibel bevorderlijk. stenen makker. aanvoer voorkomend. troosteloos. voortgang hebben. dagen. naam. perikel. oorzaak bijdragen schemerig schemerig toegaan. turen brengen. dagvaarden snorren. kameraad. beschikbaar. perikel. knabbelen spijkeren. bereiden. vriendelijk bezorging. naamwoord verloten. bereiden. brommen staren. boegseren voorzetsel bakstenen. bezorgen naargeestig. lotgeval avontuur. aandragen. geschikt verzenden betekenen. dagvaarden betekenen. voorbereiding achtergrond voorbereidsel. aanmaken toebereiden. aanmaken voorbereidsel. preliminair voorafgaand. gonzen. aanmaken knagen. nuttig benaming. lief. lotgeval eventualiteit eventueel. slepen. voorbereiding voorafgaand. maat vriendin voorkomend. preliminair toebereiden. laten doen. lief. dienstig. maken. zwaar avontuur. aardig. gebeuren geschiktheid geschiktheid liquide. razen. gebeurlijk toebereiden.przyczepić przyczepność przyczyna przyczyna przyczyniać się przyćmiewać przyćmiony przydarzyć się przydatność przydatność przydatny przydatny przydomek przydzielać przydzielać przydzielać przydzielać (środki) adj odpowiedni przydzielić przydźwięk przyglądać się dokonywać przeglądu przygnać przygnębiony przygniatający przygoda przygodą przygodność przygodny przygotować przygotować (się) przygotowania przygotowanie przygotowanie przygotowawczy przygotowawczy przygotowujący przygotowywać przygryzać przygwoździć przyholować przyimek przyjaciel przyjaciel przyjaciel przyjacielski przyjazd przyjazdach przyjazny przyjaźń aanhechten grip. adhesie doen. nagelen trekken. somber drukkend. preliminair voorafgaand. loten gepast. laten reden.

aangenaam. behaaglijk. toepassing . aanflitsen. plezier behaaglijk. voorbeeld smart. aantrekkelijk. het gevolg zijn van toonbeeld. affiliëren accepteren. cru onaardig. grof. onthaal accepteren. genoeglijk genoeglijk. aanvaarden eerbetoon. bars in elkaar duiken. aangenaam. aanspraak maken op aanvaarden. aangenaam behaaglijk. aangaan aanhechten aanhechting aanhechten monteren. aanneming. vastklinken kaap Kaaps belenden. verdriet. genoeglijk vreemdeling. grenzen aan grip.przyjąć przyjąć standard przyjechać przyjemność przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny przyjemny (zapach) przyjemny (zapach) przyjezdny przyjęcia przyjęcie przerwania przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować przyjmować jako członka (<sb> kogoś) przyjmować uznaniem przyjmować w poczet członków przyjmować z uznaniem przyjść przyjść przykład przykrość przykry przykry przykry przykucnąć przykuwać przylądek przylądek przylegać przylegać (do czegoś) przyleganie przyległy przylot przyłaczyć przyłapać przyłączać przyłączanie przyłączyć przyłączyć przyłączyć nawiązać łączność przyłożenie zich eigen maken. adopteren aannemen. aanliggend bezorging. aanneming. aan elkaar vastmaken aanwending. aangenaam genoeglijk. aanvaarden toejuichen. hurken klinken. genoegen. affiliëren claimen. vermaak. bot. aanvaarden accepteren. grenzen aan belenden. behaaglijk. toetreden aanfloepen. onbekende. belanden. vreemde aanvaarding. eerbetuiging aankomen. onthaal aanvaarding. zetten verbinden. bekoorlijk aangenaam. aannemen. lid worden. honds. arriveren pret. nurks. genoeglijk behaaglijk. leed afschuwelijk onbewerkt. arriveren afstammen. aanvoer zich aansluiten. adhesie aangrenzend. belanden. onbehouwen. accepteren aannemen. bij acclamatie benoemen toegeven zich eigen maken. nors. adopteren toegeven aankomen.

aandragen. fixeren. toevallig ongeluk. hartzeer. aanvuren. affix smart. gedenken. onthouden. gebeurlijk toevallig. aansporen geheel. bepalen aanhechten bindend. ongeval ongeluk. gedenken. gedwongen aanwakkeren. attribuut aan de scharrel zijn. fladderen tij. getij zich herinneren. verdriet. ongeval eventualiteit incidenteel. accident. doorvoeren meten heerschappij. onthouden . bezorgen. bewind. dwingend. attribuut bijvoeglijk naamwoord. aandragen. toevallig incidenteel. volkomen lidmaatschap aas. traliehek aantekening. bezorgen brengen. incidenteel droefheit. aandragen het veld ruimen. ten volle.przyłożyć przymiar przymiar przymiarka przymiot ik przymiotnik przymiotnikowy przymocować przymocować przymocować przymocowywać przymusowy przynaglać przynajmniej przynależność przynęcie przynęcie przynęta przynęta przynęta przynieść przynieść pożytek przynosić przynosić przynosić plon przypadek przypadek użycia przypadek wcielenie przypadkowość przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadkowy przypadłość przypiąć przypiekać na ruszcie przypis przypis końcowy przypisać przypisywać (<sth to sb przypływ przypływ przypominać przypominać przypominać przypomnieć przypomnieć sobie aanwenden. gedenken herinneren herinneren zich herinneren. bezorgen. toevallig chaotisch eventueel. beproeving kegel rooster. dagen. leed bevestigen. aandragen brengen. heel. afrastering. onthouden zich herinneren. dagvaarden bijvoeglijke bepaling. behoorlijk. hek. adjectief bijvoeglijk aanhechtsel. fatsoenlijk bijvoeglijke bepaling. bestuur betamelijk. commentaar nabeschouwing betekenen. accident. lokaas lokken lokken brengen. bezorgen brengen. lokaas lokken aas. afstaan incidenteel.

aard uitbouwen. dienst. steiger lid worden te werk gaan . godsdienstoefening beminnelijk bakken. hypothese. beleggen. toezeggen. bereiden. uitbreiden opdrijven. verbeelding onderstelling. hypothese.przypomnieć sobie przyprawa przyprawa przyprawą przyprawiać (potrawę) przyprzeć do muru przypuszczać przypuszczalnie przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenia przypuszczenie przypuszczenie przypuszczenie przyroda przyrost naturalny przyrost naturalny przyrostek przyrząd ze wstrzykiwaniem ładunku przyrząd) przyrządzać przyrządzanie przyrzec przyrzeczenia przyrzeczenie przyrzekać przysiędze przysięga przysięgać przysłaniać przysłowie przysłówek przysłówkowy przysługa przysmak przysmażyć przyspieszać przyspieszenie przyspieszenie ziemskie przyspieszyć przysposobić przysposobienie przystanek przystań przystawać na przystąpić zich herinneren. vermoeden. vloeken dekken. bijwoord bijwoordelijk eredienst. uitloven plechtig beloven beloven. mening karakter. bezwering ketteren. stellen toegegeven vermoeden. verbeelding onderstelling. aanlegplaats. acceleratie voortmaken. haast maken zich eigen maken. gissen gissing arrogantie. op smaak brengen accapareren. vergroten. aanmaken voorbereidsel. gedenken op smaak brengen. ophogen suffix. bespoedigen. godlasteren. vermoeden Maria-Hemelvaart arrogantie. adopteren afstelling. acceleratie versnelling. verheffen. werktuig aanhechting toebereiden. kruiden kruiden kruiden kruiden. bedekken spreekwoord adverbium. achtervoegsel instrument. fruiten verhaasten. uitloven beloven. uitloven eed. toedekken. voorbereiding beloven. onthouden. opkopen menen. accelereren versnelling. instelling logeren landingsplaats. geaardheid. toezeggen. bezwering eed. toezeggen. mening gissen. spoed maken.

garneren in beslag nemen. afbetalen knechten. armhuis ondeugd. knap. bewust aanhouding. groet gepast. geschikt . betitelen feestelijk inhalen saluut. absorberen absorptie. opdagen charter. adapteren geschiktheid modificatie. afhandelen. kazemat aalmoezeniershuis. emotie. knikken afschrijven. aanpassen. handvest. inschikkelijk. aanpassen. net. aflossen. toegankelijk aanspreekbaar liquide. beschikbaar. vrachtcontract preferentie. accelereren afdoen. asyl toevlucht bunker. bewerking. prae titelen. aanpassen. onderwerpen schemerig welbewust. aalmoezeniershuis toevluchtsoord. tituleren. schoon. privilege.przystępny przystępny przystępny przystojny przystojny przystosować przystosować przystosować przystosować (się) przystosowania przystosowanie przystosowanie się przystosowany przystrzyc przyswajać przyswajanie przyszłość przyszły przyśpieszać przyśpieszać przytaczać przytaczać apostrof cudzysłów przytakiwać przytępiać przytłumić przytłumiony przytomny przytrzymanie do czegoś przytułek przytułek przytułek przytułek przytułek przywarą przywiązać przywiązać się do kogoś przywiązanie przywiązanie przywiązanie do czegoś przywiązany przywiązany do czegoś przywidzieć się przywilej przywilej przywilej przywitania przywitanie przywłaszczyć sobie genaakbaar. aandoening aanhechting aanhechting aanhalig aanhalig opdraven. asiel. meegaand afstemmen. fraai. passend. arrestatie armhuis. disponibel goeduitziend fijn. afstaan aanhalen. opslorping beginnend. aankomend beginnend. noemen ja knikken. beslaan. aankomend verhaasten. bespoedigen. aanpassing aanpassing congruent afzetten. citeren. gebrek aanhechten aanhechten affect. afwikkelen het veld ruimen. mooi afstemmen. adapteren toegevend. adapteren afstemmen. opslorpen.

przywoływanie przywozić przywódca przywracać przyznać przyznać przyznać się przyznać się do czegoś przyznać że przyznawać przyznawać rentę przyzwalać przyzwalający przyzwoicie przyzwoitce przyzwoitka przyzwoitość przyzwoity przyzwolenie przyzwyczaić przyzwyczaić przyzwyczaić się przyzwyczajać przyzwyczajenie przyzwyczajony przyzwyczajony przyzywać psalm pseudonim psi psikus psocie psotny pstrąg psucie się psuć psuć się psychiatra psychiatria psychiatryczny psychice psychice psychiczny psycholog psychologia psychologią psychologiczny pszczelarstwo

zich herinneren, gedenken, onthouden importeren, invoeren aanvoerder, baas, gebieder, chef beter worden, genezen, helen toegeven verloten, loten toegeven toegeven agnosceren, als waarheid aannemen pensioen erkennen, bekennen, biechten, toegeven het eens zijn, toegeven, goedvinden aangenaam, behaaglijk, genoeglijk naar behoren, netjes, behoorlijk chaperonne chaperonne landgoed, boerderij, bezitting betamelijk, fatsoenlijk toestemming, goedvinden, fiat gewend zijn, plegen, gewoon zijn gewoon, gebruikelijk acclimatiseren gewend zijn, plegen, gewoon zijn aanwensel, hebbelijkheid gewoon, gebruikelijk afgewerkt, gebruikt noemen, heten, benoemen, uitmaken voor psalm pseudoniem, schuilnaam honden-, hondeaanwensel, hebbelijkheid tuigen, optakelen, optuigen boosaardig, hatelijk, kwaadaardig forel vergaan, verrotten, rotten, bederven bederven, havenen, beschadigen vergaan, bederven, verrotten, rotten psychiater psychiatrie psychiatrisch psyche Psyche psychisch psycholoog, zielkundige zielkunde, psychologie zielkunde, psychologie psychologisch bijenteelt

pszczoła pszenica pszenicą ptactwa ptak ptak drapieżny ptakach publiczność publiczność publiczność (wywołujący interfejs usługi) publiczny publiczny publikacja publikować publikować artykuł na ten sam temat publikować kanał informacyjny publikować w Internecie puchar puchnąć pudding pudełko pudełko/pudło tekturowe puder puderniczce puderniczka puduszka na fotel pukać pukiel pula pula pula zmiennych aplikacji pulower pulpit pulpit pulpit sterowniczy puls pulsować pulsowania pułap pułapce pułapka pułapka jonowa pułapka sygnału dźwięku pułapka śledzenia pułk pułkownik punkt punkt (np. opatrunkowy)

honingbij, bij weit, tarwe weit, tarwe gevogelte vogel gevogelte vogelstand, gevogelte, vogelwereld toehoorders, gehoor, auditorium openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek toehoorders, gehoor, auditorium algemeen, gemeenschappelijk openbaar, openlijk, ruchtbaar, publiek afkondiging, openbaarmaking uitgeven, emitteren drukletter uitgeven, emitteren uitgeven, emitteren vont, bekken, kom aanzwellen pudding boksen boksen bepoederen, poederen compact, dicht compact, dicht kussen slaan, klappen, kloppen, opvallen krullen bank zich aaneensluiten, aansluiten zich aaneensluiten, aansluiten Jersey vertroosten, troosten huisje, schuur, keet, kraam, loods lezenaar, lessenaar pols, polsslag, tel kloppen, pulseren kloppen, pulseren plafon, hoogtegrens, plafond een hinderlaag leggen slag, valstrik, val muizeval gewas, plant slag, valstrik, val regiment kolonel merken, tekenen stationsgebouw, station

punkt centralny punkt dowiązania (w WinNT 0 odpowiednich uniksowego dowiązania symbolicznego) punkt kulminacyjny punkt łączenia punkt montowania punkt obserwacji punkt odniesienia punkt odniesienia punkt przyciągania punkt szczytowy punkt środkowy punkt węzłowy punkt widzenia punkt wyjściowy punkt zaczepienia punkt zbiegu punkt zwrotny punktualny pupa purpura purpurą purpurowy purytanin purytański pustce pustelnik pustka pustka pustkowie pustoszyć pusty pusty pusty pusty pusty pusty wiersz pustyni pustynia puszce puszcza puszczać pąki puszczać strugę puszczać w ruch puszkować puścić bąka pycha

roteren, draaien huiswaarts, naar huis standpunt, gezichtspunt huiswaarts, naar huis ruimte, lokaliteit, oord, plaats mijlpaal mijlpaal neus, punt, piek, tip, top, spits nachtevening, dag- en nachtevening hoogte middelpunt, binnenste, centrum hoek aanzien, air, schijn, aanblik oorsprong, afkomst, herkomst haakje, slot, spang, agraaf neutraal, afzijdig, onpartijdig neus, punt, piek, tip, top, spits nauwgezet, nauwkeurig, accuraat bips, kont, zitvlak purperen purperen purperen puriteins puriteins leegte, leegheid heremiet, kluizenaar wit, blanco, oningevuld, blank wildernis, woestenij, woestijn woest, wild verklungelen, opmaken, verdoen wit, blanco, oningevuld, blank hol, ledig, lens, loos, leeg nihil, nul leeg, vrij, open, onbezet vergeefs, ijdel, nutteloos nihil, nul wildernis, woestenij, woestijn wildernis, woestenij, woestijn waas, dons, nesthaar oerwoud, jungle, rimboe uitbotten, spruiten, botten spuiten, sproeien, uitspuiten uitschrijven, lanceren, ontketenen blikken een wind laten trots

pykać (z fajki) pył pył pysznić pyszny pytać pytać pytanie pytanie otwarte pyton pzez pzować pzować (w banku) quiz nek (w banku) r poniżej rabat rabat rabin rabować rabunek rachmistrz rachunek rachunek rachunek (w banku) rachunkowość rozliczanie kosztów (wykorzystania zasobów sieciowych) racja rozum wnioskować racjonalny raczej RAD rada rada rada przetwarzania transakcyjnego rada przetwarzania transakcyjnego radar radą radą radia radio radio amatorskie na balonie radio amatorskie na balonie radio z gramofonem radioamator radiofonia radiolokator o fali ciągłej radiotechnika radny miejski radosny

pof, poef stof bepoederen, poederen trots heerlijk, kostelijk, overheerlijk vragen kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag kwestie, vraag, navraag Python in, binnen, per, te aandoen, aangrijpen aandoen, aangrijpen puzzel, raadsel daarbeneden, beneden, onder disconto aftrekken, korten, afslaan rabbijn, rabbi stropen, buitmaken, roven, plunderen plunderen, buitmaken, stropen, roven boekhoudkundige, accountant snavel, tuit, bek, snater, neb voorschip, voorsteven, boeg rekening, conto boekhouding, boekhouden doen, maken, laten doen, laten redelijk, rationeel een klein beetje, lichtelijk, ietwat radium raad, raadgeving, advies raadgevend lichaam, raad raad, raadgeving, advies adviseren, aankondigen, bekendmaken raderwerk, radar raadgevend lichaam, raad sovjetdraadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio draadloze, radio ham draadloze, radio raderwerk, radar draadloze, radio wethouder, schepen lustig, vrolijk, monter

radosny radosny radosny radość radość radość radość radował radował radowanie radykalnie radykalny radzić radzić radzić się radzić sobie z rafa rafą rafineria rafinerią rafinować rafinowany (cukier) raj raj rajstopy Rak rak rakiecie rakieta rakieta (ale nie tenisowa) rakieta świetlna rakietka ralizm rama rama czasowa ramiączko ramię ramię ramię (głowicy magnetycznej)2. gałąź (sieci) ramię w ramię ramię wybiorcze ramka ramka widoku ramka zaznaczania rana rana ranczo

goedgeluimd, goedgehumeurd jubelgoedgeluimd, goedgehumeurd amusement, vermaak verrukken, in verrukking brengen flikkeren, flakkeren, schitteren blijdschap verrukt genieten van, blij zijn gejubel grondig, radicaal ingrijpend, grondig, radicaal adviseren, bekendmaken, aankondigen aanwijzen, aangeven, aanduiden raadplegen, consulteren rondgeven, ronddelen, uitdelen klip, rif klip, rif raffinaderij raffinaderij raffineren, louteren, verfijnen gevoelig, fijn, delicaat, kies, iel Eden paradijs paradijs kanker zoetwaterkreeft, rivierkreeft, kreeft vuurpijl, raket vuurpijl, raket vuurpijl, raket flikkeren, flakkeren, schitteren peddelen, door het water plassen realiteit kader, omlijsting, lijst, raam in een lijst zetten, inlijsten, vatten riem bewapenen, wapenen schouder naast elkaar bewapenen, wapenen schouder boksen in een lijst zetten, inlijsten, vatten rand, zoom ochtend, morgen zweer landgoed, goed, bezitting, boerderij

randka randka randka z nieznajomym randze ranek ranga ranga (w wojsku) ranić ranić ranić ranny rano rano rapier raport raport kontrolny raport o stanie niezawodności urządzenia raptownie raptowny rasa rasa rasą rata rata roczna ratować ratować ratował ratownictwa ratunek ratunek ratusz raz razem razem rąbać rączce rdza rdzą rdzenny rdzeń rdzeń pamięciowy rdzeń systemu operacyjnego rdzewieć read only memory reagować reagować reakcja

benoeming, aanstelling dadel, dactylus benoeming, aanstelling graad, stand, status, rang ochtend, morgen graad, stand, status, rang graad, mate, trap havenen, beschadigen, bederven gewond aanschieten aangeschoten voor de middag, in de morgen ochtend, morgen degen informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten informeren, berichten, inlichten abrupt, kortaf, botweg kortaf, bruusk, abrupt, bot, steil opkweken, fokken, opfokken, telen geslacht, stam, volksstam geslacht, stam, volksstam afbetalingstermijn, annuïteit afbetalingstermijn, annuïteit bergen, behouden, redden redden, bergen, behouden vrijkopen, loskopen, afkopen bergen, behouden, redden ontsnappen, ontkomen, ontgaan bergen, behouden, redden wereldstad, grote stad eens, op een keer alles wel beschouwd samen, tezamen, bijeen, ineen fijnhakken oor, kruk, handvat, hengsel, klink verroesten, roesten verroesten, roesten inboorling kern, pit pit, kern kern, pit verroesten, roesten ROM reageren reageren reactie

reakcja reakcją reakcjonista reakcjoniście reakcyjny realiście realizacja realizować realizować realizować realizowalny realny recenzja recenzje prasowe recepcie recepcjonista recepcjonistka recepta recepta receptura recytować redagować redagować wstępnie redaktor redaktor naczelny redukcją redukować redukował redukował referencja refleksja refleksją reflektor reforma reformacją reformą refren regał region region dostępu regionalny registrator reglamentował regulacja regulacja obciążenia regulacja wzmocnienia dla osłabienia echa od przeszkód biernych regularnie

antwoorden, antwoorden op reactie reactionair reactionair reactionair realist verlichten, vergemakkelijken behalen, bereiken, inhalen aanwenden, doorvoeren beseffen, bevatten, begrijpen handelbaar, inschikkelijk praktisch recenseren, bespreken zuiger recept receptioniste receptioniste recept recept recept voordragen, declameren opmaken, redigeren, opstellen opmaken, redigeren, opstellen editor editor afname reduceren, inkrimpen, herleiden inkrimpen, korten, verkorten reduceren, inkrimpen, herleiden verwijzing, referentie afspiegeling, weerglans nakomertje lichtbak, reflector, koplamp reformeren, hervormen Hervorming, Reformatie reformeren, hervormen koor, rei, zangkoor schap, plank gewest, gebied, streek, regio gewest, gebied, streek, regio streek-, gewestelijk, regionaal bestand, dossier reglementeren, reguleren, regelen afstelling, instelling leidend, toonaangevend, toongevend voorschrift vaak, dikwijls, gedurig, menigmaal

regularny regulator regulator regulator szybkości regulować regulować kontrolować regulowalny reguła reguła aktywna reguła wyzwalania rejent rejestr rejestr wyjściowy rejestrować rejestrować (się) rejestrować dziennik rejestrował rejon rejs rejs wycieczkowy rekin reklama reklama docelowa reklamacja reklamą reklamować reklamował reklamujący rekomendacja rekomendacją rekomendować rekomendował rekomendował rekompensata rekompensował rekontrować (w kartach) rekord rekord odniesienia rekord zasobów rekordzista rekrucie rekrut rekrutować rektor rektor rekwizyty w teatrze relacja relacja

gelijkmatig, regelmatig, geregeld afstelling, instelling conducteur, bestuurder supervisor, controleur, opzichter reglementeren, reguleren, regelen richten, besturen, dirigeren, mennen inschikkelijk, handelbaar heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur heerschappij, bewind, bestuur notaris aangeven aangeven aangeven aangeven plaatsbewijs, biljet, kaartje geregistreerd gewest, gebied, streek, regio kruisen (van schip), kruisen circuleren, in omloop zijn, rondgaan haai bericht, advertentie, aankondiging bericht, advertentie, aankondiging beschuldiging, aanklacht propaganda, verspreiding adverteren, aankondigen, aandienen adverteren, aankondigen, aandienen adverteerder, verkondiger recommandatie, aanbeveling recommandatie, aanbeveling aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevelen, aanprijzen, recommanderen aanbevolen beloning, loon, vergelding vergoeden, compenseren, goedmaken dubbel, tweevoudig, duplex, tweeledig discus, plaat, grammofoonplaat, schijf gebieder, chef, aanvoerder, baas discus, plaat, grammofoonplaat, schijf kampioen, titelhouder, voorvechter recruteren recruteren recruteren burgemeester, burgervader rector drager, stut, leuning, steun rekening, conto betrekking, omgang, verband

relacja relacja zwrotna relacją relacjonować relacjonował relacjonował relativum relatywnie relatywny relewancja religia religią religijny religijny remanent remanent remis remisował remisując remont remont rendering renomą renta reorganizować reperować repertuar reprezentacja reprezentacja tablicy reprezentacją reprezentant reprezentować reprodukcja reprodukować reprodukował republice republika republikanin reputacja reputacja reputacja reputacją resonans respekt restauracja reszcie reszta reszta także z dzielenia

informeren, berichten, inlichten betrekking, omgang, verband betrekking, omgang, verband verhalen, vertellen, debiteren verhalen, vertellen, debiteren aanverwant, verwant verwant, familielid tamelijk verwant, familielid relevantie religie, geloof, godsdienst religie, geloof, godsdienst gewijd, heilig, sacraal, geheiligd religieus, godsdienstig, gelovig heerschappij, bewind, bestuur vee, kudde, levende have, veestapel stropdas, das toelachen, bekoren, aanlokken werkje, schets, tekening inhalen verhelpen, herstellen, repareren treksluiting, rits, ritssluiting lichaamsbouw, gestalte, figuur pensioen comprimeren verhelpen, herstellen, repareren repertoire beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur beeld, afbeelding, figuur gedeputeerde, afgevaardigde verbeelden, uitbeelden, afbeelden reproduktie, weergave reproduceren, weergeven reproduceren, weergeven republiek, vrijstaat republiek, vrijstaat republikeins lucht, reuk, luchtje, geur reputatie, faam, roep, naam faam, befaamdheid, mare, gerucht reputatie, faam, roep, naam resonantie, naklank, galm eerbiedigen, respecteren restauratie, restaurant, eethuis rest, overige rest, overige rest, overblijfsel, rommel, afval

een backup maken van bespreken. omwenteling revolutionair revolutionair revolutionair revolver een backup maken. revisor checken. controleren nakijken. reserveren. retoriek rederijkerskunst. berusting gelatenheid. intekenen een backup maken. in opstand komen revolutie. controleren zoektocht. intekenen een backup maken. ommezijde. berusting gelatenheid. tijdschrift. inspecteren checken. berusting neerleggen.resztki resztki retoryce retoryka Retusz reumatyzm rewanż rewanżować (się) rewers rewers (monety itp) rewia rewidencie rewident rewident księgowy rewidować rewidować księgi rewizja rewizja rewizja kodu rewizją rewolcie rewolucja rewolucjonista rewolucjoniście rewolucyjny rewolwer rezerwa dynamiczna rezerwa gorąca rezerwa statyczna rezerwowa rezerwować rezerwowy kontroler domeny rezolucja rezonans rezultat rezultat rezultat przekształcenia rezydencja rezydencja rezydencją rezygnacja (także jako pogodzenie się z losem) rezygnacja także jako pogodzenie się z losem rezygnacją rezygnować rezygnował rezystancja achterblijven. speurwerk. een backup maken van inventaris. controleren speurtocht. tegenstand . aflezen. naklank. rebelleren. revisor inspecteur. motie resonantie. boedel bespreken. onderkomen. het gevolg zijn van herenhuis woning. het gevolg zijn van vervormen afstammen. afstand doen afstaan. bedanken. beantwoorden achterzijde. nablijven afkeuren rederijkerskunst. rugstuk achterzijde. revisor inspecteur. speurtocht. een backup maken van resolutie. kwartier herenhuis gelatenheid. herzien. ommezijde. rugstuk revue. retoucheren reumatiek wraak terugdoen. aflezen. toegeven tegenweer. aflezen. vergelden. reserveren. zoektocht muiten. retoriek bijwerken. tegenkanting. speurwerk checken. galm afstammen. het veld ruimen. logies. periodiek inspecteur.

wurm kauwgom zinspelen zinspelen zinspelen gaan naar. afkeuren. aanmaak. scenario. gispen indruk maken op.rezystancja dynamiczna rezystancja statyczna reżim reżyser reżyser ręcznik ręczny ręczny ręka ręka ręka w rękę rękaw rękawica rękawica (z jednym palcem) rękawiczka rękawiczka rękodzieło Rękojeść noża rękopis rękopis robactwo robaczek (program rozmnażający się w sieci) robaczek (program rozmnażający się w sieci) robak robak robak robak rober w brydżu robić (stroić) miny robić aluzje robić aluzję do robić na drutach robić na drutach robić postępy robić postępy robić pranie mózgu robić się robić sztuczki kuglarskie robić wrażenie robić z kogoś idiotę robić zdjęcia robienie robocie robocizna roboczy robot tegenweer. veredelen adverteren. scharrelen. handvat. kopij draaiboek. genaken. berispen. naderen breien gaan naar. tegenkanting. buit maken laken. beheerder. genaken. gids. staatsvorm. aankondigen. kruk. naderen verbeteren. administrateur handdoek aanreiken. manuscript. beroep. tegenstand tegenweer. klauwen. vademecum. aanpakken. krabben robot . klink handschrift. aanpakken. aandienen verkrijgen. overhandigen bewapenen. hengsel. fabricage robot emplooi. kieken fabricatie. wapenen aanreiken. karwei. regime directeur. behalen. tegenstand stelsel. imponeren winkel. script ongedierte Boeg wandluis wandluis Boeg wandluis worm. reisgids bewapenen. bestuurder bestuurder. handwerk oor. zaak fotograferen. werk. tegenkanting. arbeid krauwen. overhandigen gidsboek. wapenen mouw handschoen handschoen handschoen handschoen ambacht.

naar de vrouwelijk ouder ouderpaar. wriemelen. bes pruim in overvloed aanwezig zijn krioelen. slag. karwei. werk. naaivak naaien. artikel aan de. huis. karwei. naaivak naaien. gedenkdag. naaikunst. werk. ouders ingeboren. verjaardag jaarlijks jaarlijks bewoner van een land boer. werker. familie Natal aalbes. aangeboren aard. ouders ouder ouder ouderpaar. arbeider naaien. commanderen. karakter. werkkracht. karwei. het. genrestuk karakter. werk. verjaardag herdenkingsdag. aangeboren affiniteit. bevelen handelsartikel. arbeid werker werkman. verwantschap gezin. aard vijzel. huisgezin. wemelen. geaardheid. huis. de. naaivak herdenkingsdag. krielen . familie gezin. landman rododendron ingeboren.robota robota robota kamieniarska robota szydełkowa robotnik robotnik robotnik fizyczny robotnik rolny robótka (na drutach) robótki robótki ręczne rocznica rocznicą roczny roczny rodak rodak rododendron rodowity rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj rodzaj fali rodzaj gniazda wtykowego rodzaj męski rodzaj nijaki liczba mnoga rodzaj tkaniny bawełnianej rodzaj żeński rodzaj żeński liczba mnoga rodzajnik rodzajnik określony: ten rodzaju żeńskiego rodzic rodzic rodzic (ojciec lub matka) rodzic ojciec lub matka rodzice rodzimy rodzina rodzina rodzina protokołów rodzinny rodzinny rodzynek rodzynek (w cieście) roić się roić się emplooi. geaardheid. aard aanvoeren. krik mannelijk mannelijk geestelijk vrouwelijk karakter. arbeid metselwerk emplooi. stuwadoor werkman. familie gezin. naaikunst. dommekracht. huisgezin. werker. arbeid emplooi. werkkracht. huisgezin. geaardheid genre. arbeider stouwer. plattelander. huis. gedenkdag. aan het. aard soort. naaikunst.

band olie.rok rok itp) rok przestępny rokrocznie rola rola papieru rolka zwój zwijać rolnictwa rolnictwo rolniczy rolnik rolnik rolny romans romans romans czny romans czny romantyczny romantyk romantyzm romb ronda rondel rondo rondo (kapelusza) ropa ropa naftowa ropień ropucha rosa rosą Rosja Rosjanin rosnąć rosnąć rosnąć jak grzyby po deszczu rosół rosyjski roszczenie rościć pretensje roślina roślina zimozielona rośliną roślinność roślinny rotacja rowek rower jaar dwars door schrikkeljaar jaarlijks rol web. doen alsof gewas. plant gewas. claimen voorgeven. gebeuren groeien. co-. tarbot daaromheen. spinrag. griet. rand. vegeteren champignon bouillon. zoom. petroleum ettergezwel. gewas groente krullen fluit fiets. tweewieler . rijwiel. plant plant. bolletje. aaneen-. voorwenden. plant gewas. samen-. vleesnat Russisch aanspraak maken op. eromheen. samen agrariër. pan circus boord. etterbuil pad dauw dauw Rusland Russisch toegaan. kadetje. kant. abces. landbouwer Romaans romance Romaans romance romantisch romantisch romantiek ruit. kadet akkerbouw akkerbouw agrarisch boer aaneen. voortgang hebben. spinneweb. in het rond braadpan. steelpan. rag broodje. petroleum olie.

gruizelen slechtgehumeurd. peignoir. creëren afbrokkelen. ronddelen. grootte rekbaar. ochtendjas. kregel scheiden hoofdstuk. verdriet kneden rondgeven. afscheiding eenheid. schifting. ontbinding afbraak. verzwakken aanlengen verdunnen. ontbinding analyse. uitdelen scheppen. wielrijden fiets. schifting. kapittel clausuur. grootte omvang. ontmanteling. ontleding. afscheiding schipbreuk schipbreuk vermorzelen. unit verdeler uitdelen. ontleding. formeren doorsnijden. galmen. ochtendjas. uitdelen scheuren. duster negligé. sectie verrichten omvang. beieren naklinken. chapiter. doorklinken achtervoegsel. verbrijzelen negligé. aflopen. intrappen. soepel. bestek. strook. peignoir. rijten rondgeven. windsel. elastisch verdunnen. maken. ontgoochelen smart. tweewieler. tweewieler. rondgeven resolutie. ronddelen. rijwiel fietsen. verzwakken aanlengen maaien tegenvallen. motie resolutie. leed. suffix doen ontstaan. duster strip. loten .rower rower rower spacerowy rozbarwienie oddzielenie rozbicie (się) statku rozbić rozbić się na kawałki rozbierać (na części) rozbierać (urządzenia) rozbierać się rozbiór rozbiór składniowy rozbiórce rozbrajać rozbroić rozbroić (się) rozbrzmiewać rozbrzmiewać rozbudowa rozbudować rozciąć rozciągać rozciągać (się) rozciągliwy rozcieńczać rozcieńczać rozcieńczony rozcieńczyć rozcinać rozczarować rozczarowanie rozczochrać się rozdaj rozdarcia rozdawać rozdrabniać rozdrabniać rozdrażniony rozdrobnić rozdział rozdział rozdział rozdzielacz rozdzielać rozdzielać proporcjonalnie rozdzielczość rozdzielczość odwzorowywanie rozdzielić fiets. reep analyse. sloop ontwapenen ontwapenen ontwapenen galmen. rondgeven uitdelen. motie verloten. rijwiel clausuur. kleppen. balorig. bestek. ronddelen. ronddelen.

aftands verdeling. nukkig. uitladen. onderhouden opvrolijken. zich verpozen lossen. in verrukking brengen aanbiddelijk. overeenstemming verslappen. afladen actie. instructie aanwijzing. amuseren. gruizelen fanfarekorps. royaal aanplakken bloedvergieten akkoord. ochtendjas. rooster dienstregeling. groot. arbitrair. aanvoeren. aandeel negligé. echtscheiding . verkondiger uitzenden. commanderen bouwvallig. absolutie geven kwijstschelding. aanbiddenswaardig heerlijk. uitreiking verspreiden. rooster oplossen. accoord. eigenmachtig grillig. duster opvrolijken. instructie bevelen. roze. run absolveren. absolutie kwijstschelding. vrijspraak. amuseren. omvangrijk. beeldig afbrokkelen. onderhouden interrumperen. schorsen. absolutie geven warm aansluiting willekeurig. vrijspraak. ruim. veelomvattend breedvoerig. gammel. consigne.rozdzielić (się) rozebrać rozerwać rozerwać się rozerwanie rozeta rozgałęziacz rozgałęziacz rozgłaszający rozgłaszanie (np. aanvoeren. aandeel oplossing scheiding. consigne. toeloop. afgeven dienstregeling. betoverend. verspreiding onderscheiding aandrang. absolutie absolveren. opgelost worden verrukken. commanderen bevelen. fanfare morsen uitgebreid. peignoir. verbreiden. onberekenbaar aanwijzing. omroepen propaganda. onderbreken rose. roos bewerker bewerker adverteerder. usług sieciowych przez ruter) reklama rozgłos rozgłos rozgnieść rozgrzeszać rozgrzeszenia rozgrzeszenie rozgrzeszyć rozgrzewać rozjazd rozjemczy rozkapryszony rozkaz rozkaz zatrzymania rozkaz zatrzymania warunkowego rozkazywać rozklekotany rozkład rozkład rozkład (jazdy rozkład statystyczny częstotliwości rozkładać (się) rozkosz rozkoszny rozkoszny rozkruszyć rozkwitać rozlać rozległy rozległy (widok) rozlepiać plakaty rozlew krwi rozliczenie rozluźnić rozładować rozłam rozłączenia rozłączenie actie.

halthouden. aanvechting. doen ontbranden. aanmaken aansteken. brengen uitdelen. afscheiding divan. wanhopen radeloos. menigvoudig verschillend. praten keuvelen. babbelen. schifting. mediteren. heiig. praten spreken. rustbank variatie. menigvoudig. grootte omvang. nadenken reflecteren. babbelen. grootte afwisselend veranderen. blijven staan clausuur. misgrijpen multipliceren. praten onderhoud. weergave keuvelen. wanhopen vertwijfelen. bestek. vermenigvuldigen kuit. afwisseling uiteenlopend. gesprek aanspreekbaar spraakzaam vervagen peinzen. doen ontbranden. moedwillig. een gesprek voeren grootte. rondgeven vertwijfelen. aanrichten. mistig dragen. ordenen missen. wanhopig verval instorten. terugkaatsen nadenkend expres.rozłączyć rozłąka rozłożyć rozmaitość rozmaity rozmaity rozmaity rozmaity rozmawiać rozmiar rozmiar rozmiar słowa rozmiar wartość bezwzględna rozmieniać rozmieniać rozmieszczenie rozmieszczenie rozmieszczenie pliku rozmieścić rozminać się rozmnażać rozmnażać rozmnażania rozmowa rozmowa rozmowa w czasie rzeczywistym rozmową rozmowny rozmowny rozmycie rozmyślać rozmyślać rozmyślanie rozmyślnie rozmyty wątpliwy roznosić roznosić rozpacz rozpaczać rozpaczliwy rozpad rozpadać się rozpakować rozpakować (dane) rozpakować (skompresowane archiwum) rozpakowywać rozpalać rozpalać afslaan. Turkse staatsraad. met opzet. verschillend. ineenstorten. diverse menigvuldig. bestek. variëteit. menigvuldig converseren. lust. anders maken akkoord. uiteenvallen uitpakken uitpakken afleiden uitpakken aansteken. wetens nevelig. neiging situatie. kikkerdril reproduktie. dampig. ronddelen. omvang omvang. bestek. spiegelen. grootte omvang. stand van zaken arrangeren. voeren. viskuit. mislopen. aanmaken . maatregel zin. bestek. verschillend verscheidene. voorhebben.

rijten scheuren. rondgeven uitspatting verhandeling bespreken. goedgehumeurd oplossen. begin. wegsmelten uitspatting akkoord.rozpalony rozpaść się rozpatruj rozpatrywać rozpęd rozpieszczać rozpieszczać rozpieszczony rozpiętość rozpocząć rozpocząć rozpoczęcie rozpoczynać rozpoczynać rozporek rozporządzać rozporządzać rozpowszechniać rozpowszechniać rozpowszechniony rozpoznanie rozpoznawać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszać rozpraszanie rozprawa naukowa rozprawiać rozproszenie rozproszyć (się) rozproszyć (się) rozprowadzać rozprucie rozpruć rozpusta rozpustny rozpuszczać rozpuszczać (się) rozpuszczać się rozpuście rozrachunek rozradowany rozróżniać rozróżnienie rozruch rozrusznik rozrywce gloeiend. aanvoeren. ronddelen. ontketenen ontstaan. overeenstemming overgelukkig uit elkaar houden. rijten uitspatting goedgeluimd. koesteren. verbrijzelen beschouwen. verzendend. nagaan onderzoeken. overwegen. lanceren. discuteren verdeling. intrappen. accoord. vertroetelen verspild verspreiden. onderscheid maken onderscheiding versnelling. verstrooid uitdelen. aanbinden. dooien. rondstrooien uitzaaien. starter verstrooiing. acceleratie aanzetschakelaar. uitreiking uiteenjagen. afgeven aanvangen. rondgeven bezoeken. nakijken. verbreiden. afleiding . ronddelen. aanbinden. troetelen. opgelost worden ontdooien. uiteendrijven verstrooien afgetrokken. examineren aanzetten tot. aanvang aanvliegen bevelen. aanvang aanvangen. aanzetten troetelen. beginnen uitschrijven. activeren. geregeld bezoeken toejuichen. bij acclamatie benoemen onderscheiden. commanderen. commanderen aanvoeren. verterend vermorzelen. beginnen ontstaan. uitstrooien uitdelen. bevelen uitzaaien. vurig. begin. opgelost worden oplossen. vertroetelen koesteren. uitstrooien scheuren. uiteendrijven strooien. onderkennen uiteenjagen.

gematigd. bumper. beseffen verband. intrappen. vurig. ontraadselen gloeiend. gewiekst. schieten. verbrijzelen oplossing buffer. stuk. listig reden. hachelijk beslissend. luchtje. slim. stootkussen spriet. begrijpen.rozrywce rozrywka rozrzedzać łagodzić rozrzedzić rozrzewniający rozrzucać rozrzucać rozrzut rozsadzający rozsądek rozsądek rozsądny rozsiewać zapach rozstawać się rozstrzelać rozstrzygać rozstrzygający rozstrzygający rozsypać rozszerz rozszerzalność rozszerzanie rozszerzanie (się) rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie rozszerzenie wejścia analogowego rozszyfrowywać rozświetlony roztargnienie roztargniony roztargniony roztargniony roztropny roztropny roztropny roztrwonić roztrzaskać roztrzaskać roztwór roztwór buforowy rozum rozumieć rozumieć rozumieć rozumny rozumny rozumowo aardigheid. amusement aardigheid. aangrijpend. verdoen vermorzelen. grootte uitzetting. accompagnement optelling achtervoegsel. zin matig. bestek. verdunnen emotioneel. omgang. bescheiden reuk. nauwkeurig bepalen kritiek. rondstrooien verspreiden. pretje. betrekking verstandig nadenkend uitgebreid . oorzaak betekenis. lucht deel. expansie uitzetting. expansie begeleiding. verstrooid afgetrokken. verstrooid raadzaam verstandig nadenkend verklungelen. uiteendrijven strooien. amusement aanlengen verspreiden. roerend uiteenjagen. afgeven doortrapt. geur. verbrijzelen vermorzelen. cruciaal morsen omvang. verterend. pretje. suffix achtervoegsel. paffen determineren. verzendend verstrooiing. opmaken. afgetrokken afgetrokken. onderdeel. suffix ontcijferen. zwanger raken bevatten. finaal. verbreiden. gedeelte vuren. afleiding verstrooid. boegspriet in verwachting raken. intrappen. expansie uitzetting.

antwoorden op afbinden. eveneens ergo. dus. losbinden. overwegen. antwoorden op oplossing oplossing antwoorden. maken. nagaan verstandig nadenkend opvrolijken. greppel. vermaak witgloeiend aanboren geboorte boomstam. evolutie evolutie. kuil. ook weer. evennachtslijn. gelijkelijk. losmaken kruis. echtscheiding doen ontstaan. wemelen. even. vork gescheiden scheiding. equator vlakte vlakte . ontwikkeling. dijk loopgraaf turen. formeren afwikkelen. onderhouden antwoorden. krielen groef. gracht waterkering. toonloos. stomp. beterschap wasdom. uitrollen buikloop. gelijk. staren egaal. gelijk evenzeer. gelijkmatig voor. als. groei wierook amusement. vork kruis. laxans gesmoord. ook. dof beschouwen. hoe. ontwikkeling verbetering. amuseren. diarree scheiding. stam opslaan accapareren. mede. eender. echtscheiding ontwikkeling. ontrollen.rozumowy rozumowy rozwalniający rozwarty rozważać jakieś zagadnienie rozważny rozważny rozweselać rozwiązanie rozwiązanie rozwiązanie osobliwe rozwiązanie sieciowe rozwiązywać węzły rozwidlenia rozwidlić rozwiedziony rozwieść się rozwijać rozwijać rozwolnienie rozwód rozwój rozwój rozwój rozwój oprogramowania rozwścieczać rozwywka rozżarzony rożen ród ród ród róg róg róg zwierzyny płowej rój rów rów (odwadniający) rów (odwadniający) rówieśnik równać się równie równie również również równik równina równiną lijvig. vooruitgang. groeve. veelomvattend redelijk. tot evenzeer. opkopen hoorn hoorn krioelen. wriemelen. toch evenaar. aanstaren. rationeel laxeermiddel. bij wijze van.

vlak. menigvoudig. aanstaren. gelijk. onderscheid maken menigvuldig. rist rozenkrans. staren equivalent. balans. gelijktijdig evenwijdig. goedmaken egaal. gelijkelijk. bidsnoer. vlak. roede. overschot evenwichtstoestand. reeks. werken verschillend. parallel evenwijdig. rooskleurig Mercurius kwikzilver. menigvoudig variëren. grof. afwisselen. effen simultaan.równo równo równoczesny równoległy równoległy system przetwarzania równoleżnik równonoc równoprawny równorzędny równorzędny równość równość równowadze równowaga równowaga równowaga sił równoważny równoważny średni czas do uszkodzenia równoważyć równy równy równy (<with sb rózga róż róż (kolor różowy) róża różaniec różaniec różańca różnica różnica poglądów różnica symetryczna różnica symetryczna (zob. balans. rose. verschillen. bidsnoer. onderscheid verschil. anjelier rose. parallel nachtevening. gelijkwaardig turen. overschot saldo. schacht. gelijk gelijk. reeks. uitgesproken. dag. aanstaren. rist verschil. roze. verschillend. even. evenwicht evenwichtstoestand. gelijkwaardig equivalent.XOR) różnić (się) różnić się różnić się różnić się różnorodny różnorodny różny różny różny różowy rtęć rtęć rubaszny rubel rubin evenzeer. vlak. schelen uit elkaar houden. kwik hardhandig. effen gelijk. eender. menigvuldig roze.en nachtevening turen. staren gelijkheid. menigvuldig menigvuldig. compenseren. onkies. gelijkmatig gelijk. eigentijds. roos kraal rozenkrans. rozig. evenwicht equivalent. gelijkwaardig vergoeden. verschillend. pariteit pariteit saldo. onderscheid onderscheiding of uiteenlopen. menigvoudig. pijp krokus anjer. verschillend klaar. parallel evenwijdig. menigvoudig uiteenlopend. effen baar. ruw roebel robijn . paal. lomp. helder verschillend.

hek. paard karretje. roerend aandoenlijk. prullaria Roemeens Roemenië pijp. resolutie muntsoort. hek. kar grendelen. tabakspijp binnenband. roulatie. tabakspijp ebpijp. mobiel. verbrijzelen broodje. afgesloten . roerend. handkar. paard in schaakspel. te gronde richten ruïneren. huizen los. te gronde richten vermorzelen. actief. luchtband ontroeren. bewegen rooster. intrappen. omloop beweging motie. roulatie. afgrendelen op slot. traliehek prieel schavot routine. kadetje. sleur vaneenscheuren. bezet aandoenlijk. valuta beweging werkzaam. beweegbaar. umożliwiające pozbycie się nadmiaru cieczy ze zbiornika czy akwenu rura wydechowa rura wydechowa ruszać ruszać ruszcie ruszt rusztowanie rusztowanie rutyna rwać ryba rybak rybą rycerz rycerz rydwan rygiel ryglować motie. wagen. rood worden kleuren. luchtpijp. visverkoper vissen paard. ontroerend resideren. rood worden puin. aangrijpen. blozen. rommel. afrastering. spiegel achtersteven. kadet rum kleuren. resolutie circulatie. traliehek rooster. ridder ridder. rood worden kleuren. bewegen aangrijpen.ruch ruch ruch oporu ruch powrotny ruch społeczny ruch uliczny ruch w sieci ruchliwy ruchliwy ruchomości ruchomy ruchomy ruchomy ruchomy rufa rufą ruina rujnować rujnował rulon rum rumienić się (ze wstydu) rumieniec rumieńca rumowisko Rumun Rumunia rura rura itp. bedrijvig druk. afval. ontroerend afneembaar achtersteven. doorscheuren vissen visser. omloop circulatie. blozen. ontroeren. spiegel ruïneren. afrastering. paard in schaakspel. blozen. gevestigd zijn. roerend. bolletje.

persoon. markt. tabel. gewaagd. marktplaats marktplaats. op het spel zetten dobbelen kans lopen. post. markt. strikt bulderen. gravure. brullen griffel. wettisch. gelaatstrek ritme ritmisch ets prent. bedenkelijk glad. bekoren. bulderen. lade werkje. daveren gillen. snuiter barst toelachen. marktplaats marktplaats. marktplein marktplein. concurreren kans lopen. schrijfstift rijmen. cijferen werkje. blèren. brullen brullen. wedijveren wedijver wedijver meedingen. marktplein marktplaats. blèren. concurreren meedingen. gaan staan zeldzaam. berijmen marktplein. graveerwerk meedingen. tekening karaktertrek. schaars . deurpost riskant. aanlokken tafel. lijst onderbroek schuiflade. markt. balken. cijferen rekenen. marktplaats marktplein. glibberig rijst opstaan. bazaar. bazaar. gestreng. schets. schets. wedijveren meedingen. bazaar. knul. gewaagd riskant. op het spel zetten kans lopen. grommen. marktplaats barst kerel. brullen. ongemeen. markt. wedijveren. marktplein marktplein. etsnaald. bedenkelijk.rygor rygorystyczny ryk ryk ryknąć ryknąć rylec rym rynce rynce rynek rynek rynek (handlowy) rynek branżowy rynek rozwijający się rysa rysą rysą rysować rysownica dźwiękowa rysownicy rysownik rysunek rysunek rysunek odręczny rysunek techniczny rysy twarzy rytm rytmiczny rytowanie rytownictwo rywal rywalizacja (o dostęp) rywalizacją rywalizować rywalizować rywalizował ryzyko ryzyko naruszenia bezpieczeństwa ryzyko utraty zabezpieczeń ryzykować ryzykować ryzykowny ryzykowny ryzykowny ryż ryż rzadki stijfheid streng. markt. markt. paal. op het spel zetten stijl. wedijveren. trek. concurreren. ongrijpbaar. loeien. blaten gillen. markt. bazaar. sujet. tekening rekenen. concurreren. la. bulderen.

daadwerkelijk virtueel werkelijk. gebieder. koolzaad levendig. zaak ding. daadwerkelijk daadwerkelijk. knol. stroom in bad doen. uithakken . effectief. voorwerp dingen. wezenlijk werkelijk. affaire. heerschappij. vrijstaat realiteit werkelijk. baden. regering. bloedbad afslachten. handel drijven raap. kras. gevat. wassen aangelegenheid. geestig. stroom naar men zegt riem kunst handelen. voorwerp substantief. uithouwen. effectief. druk. wezenlijk rivier. feitelijk deskundig republiek. nauwelijks zelden bestand. besturen. echt. waarachtig werkelijk. uithakken altaar beeldhouwen. daadwerkelijk inderdaad. werkelijk. knolraap. ad rem raadzaam billijk. kwiek snedig. effectief werkelijk.rzadki rzadko rząd rząd rząd wielkości rządowy rządy rządzić rządzić rzece rzece itp) rzecz rzecz rzecz rzecz konieczna rzeczownik rzeczownik rzeczownik rodzaju męskiego rzeczownik rodzaju żeńskiego rzeczowy rzeczoznawca rzeczpospolita rzeczywistość rzeczywisty rzeczywisty rzeczywisty czas ekspozycji rzeczywisty czas naświetlania rzeczywisty czas pracy rzeczywiście rzeczywiście rzeczywiście rzeka rzekomo rzemień rzemiosło rzemiosło rzepa rześki rześki rzetelny rzetelny rzeź rzeź rzeźba rzeźba rzeźba nad ołtarzem rzeźbiarstwo rzeźbiarstwo amper. rechtvaardig moordpartij. bewind aanvoerder. kwalijk. slachten altaar beeldhouwen. chef. effectief. zelfstandig naamwoord substantief. aanvoeren rivier. spullen ding. rap. overheid roeien federaal bestuur. uithouwen. zelfstandig naamwoord mannelijk vrouwelijk werkelijk. ding. baas regeren. metterdaad. dossier gouvernement. fair. uithakken beeldhouwen. uithouwen.

slachterij slachthuis. gooien keilen. uitspelen. balken. tarten. bongerd lijvig. bedrijvig projector. abattoir. spin. aantonende wijs beven. aaien. aanhalen schadelijk keilen. uitspelen. liefkozen. gooien strelen. plek accepteren. huiveren zondigen wervelkolom. afslachten radijs radijs afgietsel. abattoir. liefkozen. aannemen. lokaal. gooien trotseren. slachterij slachten. werpen. ruggegraat geschrift. werpen. bibberen. dik plaats. blaten brullen. werpen. uitdagen. gooien een blik werpen. gooien opgooien. gegoten voorwerp strelen. rillen. gooien opgooien. aaien. uithouwen beitelen slachthuis. blaten indicatief.) s drżenie s grzech s kręgosłup s pismo s ryba s sok (soki) roślin (zwłaszcza drzew) s sok soki roślin zwłaszcza drzew s sól s suszona śliwka s szloch sad sadło sadowić sadowić się sadyba sadysta sadystyczny beeldhouwen. grommen. gooien keilen. aanhalen afgietsel. oord. aanvaarden woonplaats. actief. uithakken. projectietoestel strelen. omtrek werkzaam. uitspelen. afslachten slachten.rzeźbić rzeźbić rzeźnia rzeźnia rzeźnik rzeżnik rzodkiewce rzodkiewka rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać rzucać oszczerstwa rzucać się rzucić rzucić wyzwanie rzucić zgłosić (wyjątek) rzucić zgłosić wyjątek rzut rzut oka Rzut poziomy rzutki rzutnik rzutować rzutowanie rzutowanie Rzym rzymski rżeć rżenie s (tryb) oznajmujący (gram. schriftuur vissen sap sap zouten snoeien snikken boomgaard. liefkozen. gegoten voorwerp Rome Romeins brullen. aaien. werpen. aanhalen keilen. uitspelen. uittarten keilen. werpen. uitspelen. grommen. domicilie sadist sadistisch . een blik werpen op omlijning. balken.

speling. begroeten saluut. huiskamer. salade louter. enig louter. klinker vocaal. gewijd. vliegtuig vliegtuig. wagen vocaal. ruimte rechtszaal saldo. zelfbewustheid vliegtuig. kropsla. heilig. enig Samaritaans mannelijk wijfje.sadyście sadyzm sadza sadzą sadzić safian Sahara sakralna muzyka sakramencie sakrament saksofon sala sala sala recepcyjna saldo saldo balans (dotyczy dźwięku stereofonicznego) salon salon wystawowy salut salutować salutowanie salwą sałacie sałata sałata sałatce sałatka sam sam jeden Samarytanin samca samica samicą samiec samochód samochód samochód samochód czteroosobowy samogłosce samogłoska samokontrolą samolocie samolocie samolot samolot samolot samolot pasażerski sadist sadisme roet roet gewas. salon zitkamer. salade slaatje. kropsla. salade slaatje. auto auto. vliegmachine vliegmachine. vliegmachine . sla slaatje. latuw. verlaten. vokaal. latuw. aplomb. vliegtuig vliegmachine. vloed. wagen automobiel. sla salade. groet stroom. alleen. verlaten. wereldruim. vliegmachine vliegmachine. alleen. sacraal sacrament sacrament saxofoon hal bestek. vrouwtje mannelijk automobiel. overschot saldo. vrouwtje wijfje. vokaal. begroeten groeten. auto auto. plant Marokko Sahara geheiligd. overschot zaal. vliegtuig vliegtuig. bergstroom salade. woonkamer groeten. klinker gewicht.

bekrachtigen supermarkt supermarkt naar adem snakken pof. stemming louter. filteren. enig eenzaam gepensioneerd. arbitrair. pantalon. broek pof. sauna are. alleen. zijgen bank. verlaten. bloot. tegemoetkomen aan zweetkamer. borrel gemoedstoestand. verlaten. eigenmachtig spontaan samoerai sandaal sanctioneren. moreel. satelliet Saturnus tevredenheid tevredenheid vergenoegd. poef ansjovis ansjovis sardine Sardinië sardine sarcastisch sarcasme hert ree Saksisch Saksisch satanisch trawant. enig louter. licentie willekeurig. alleen. paaien. louter samovar vergunning. poef naar adem snakken lange broek. satelliet trawant.samoodnawiająca się pamięć DRAM samopoczucie samotnie samotny samotny samotny samotny samowar samowola samowolny samozapłon samuraj sandał sankcja saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) saoobsługowy sklep spożywczogospodarczy) sapać sapać sapał sapie sapnięcie sardela sardelą sardynce Sardynia sardynka sarkastyczny sarkazm sarna sarna Sas saski sataniczny satelicie satelita Saturn satysfakcja satysfakcją satysfakcjonować satysfakcjonować sauna są sączyć Sączyć. tevreden. sączek sąd sąd aperitief. scharrelen . zitbank het hof maken. vierkante decameter neerdruipen. vrijen. rustend. afdruipen filtreren. voldaan bevredigen. in ruste enkel.

buurman. balie. aangrenzend. kwaal. aandoening droefheit. opstap. buurman. vrijen. droog verflensen. asyl bunker. trap opgang. kazemat vlees . buur.sąd sąd ostateczny sądzić sądzić sądzić o czymś sąsiad sąsiad sąsiad zewnętrzny sąsiadować sąsiadujący sąsiedni sąsiedni sąsiedzi sąsiedztwa sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo sąsiedztwo scana scena scenariusz sceneria sceptyczny schemat przetwarzania danych schemat węzła schizma schlebiać schludny schnąć schnąć schodek schodkach schody schody schody ruchome schodzić schorzenie schorzenie schorzenie schowek schron schron schronienie schronienie schronienie schronisko schronisko schudnąć gerecht. raam kerkscheuring. beproeving ziekte. netto. asiel. afdalen affect. aangrenzend. emotie. berechten streven. tafereel. zich inspannen. grenzen aan aanliggend. leiding scène. naburig aangrenzend. pogen claimen. tableau draaiboek. concept. schisma vleien duidelijk. opstapje. lijst. tribune. toneel. nettodor. gebuur buur. omlijsting. trap roltrap naar beneden gaan. nabuur buur. nabuur. scenario. bestuur. oordelen. asiel. verdorren treeplank. blauwdruk kader. script landschap scepticus ontwerp. aandoening winkel toevluchtsoord. omtrek. naburig nabijheid nabuurschap omstreken. hartzeer. scheuring. asyl toevlucht bunker. aanspraak maken op gebuur. buurman. kazemat logement. nabuur. gerechtsgebouw het hof maken. plan. tree opgang. aanliggend aanliggend. trap opgang. scharrelen beoordelen. omgeving nabijheid nabijheid nabijheid podium. herberg bunker. gebuur belenden. kwijnen. kazemat toevluchtsoord.

wezen. geruchtmakend matig. plan. schifting. bescheiden affect. essence pit. geslachtelijk. herleiden secessie essentie. mijmeren slapen. tak confidentie secretaresse secretaresse secretaresse etagère. betekenisleer Semitisch Semiet dromen. rek generatief. seksueel sekte sector sector tweede tweede manen. kern. gematigd. vak. emotie. kern safe. afscheiding clausuur. gevoeligheid sentimenteel clausuur. selderij semantiek. behouden. aansporen selderie. afscheiding lispelen lispelen septisch. tuin sekte branche. zin wijsheid klapstuk. volksvertegenwoordiging parlementair hof. sensatie sensationeel. aanmanen. aandoening sentiment. strekking betekenis. bederf veroorzakend kaas Servisch Servië Servisch hart . geborgen. schifting. vermanen. maffen doel. gevoel. inkrimpen. veilig dieet parlement.schudnąć secesją sedna sedno sejf sejm sejm sejmowy sekator sekcie sekcja zwłok sekret sekretarce sekretarka sekretarz sekretarzyk seksualny sekta sektor sektor uszkodzony sekunda sekundą sekutnicą seler semantyka semicki Semita sen sen sens sens sens sensacja sensacyjny sensowny sentyment sentyment sentymentalny separacja separacja impulsów synchronizujących seplenić seplenienie septyczny ser Serb Serbia serbski serce reduceren. bedoeling.

xeres treeplank. sfeer. perceel nestelen. scheidsrechter beoordelen. scheidsrechter scheidsrechter. opstap. scheidsrechter arbiter. uitglijden server server servet servet eredienst. innig. knus hartelijk. dienst. innig intiem. berechten arbiter. scheidsrechter arbiter. zitting. op smaak brengen toevallig. gelegenheidsbeoordelen. vervolgverhaal feuilleton. een nest maken feuilleton. gebied rijk. hartelijk hartelijk. gebied inpakken. zittingsperiode inrichting. bol. schare kavel. opstapje. vervolgverhaal slippen. staat kloot. oordelen. verpakken interpreter sherry. gezellig. berechten arbiter. tree uitzaaien hooi zwavel . godsdienstoefening serveren. aloud.sercowy serdeczny serdeczny serdeczny serdeczny przyjaciel serenada seria seria seria seria serial serial (powieść Serial Line IP serwer serwer źródłowy serwetce serwetka serwis serwować seryjny sesja set setka sezon sezonowy (robotnik) sędzi sędzi sędzia sędzia sędzia sędzia (w sporcie) sędzia pokoju sędzia rozjemca sędziwy sędziwy sęk sęp sfałszować sfera sfera kontroli sfera sterowania sfora (psów) shell zgłoszony powłoka logowania sherry shodek siać siano siarka hartinnig. innig serenade ketting. ouderwets knopen. omgeving. scheidsrechter arbiter. keten bende. voorleggen feuilleton. sfeer. apparaat. oordelen. troep. omgeving. pakken. arbiter oud antiek. bol. hulpmiddelen honderd kruiden. een knoop leggen aasgier vervalsen kloot. vervolgverhaal sessie.

hek. broeden. kont. bril zetel. netto-. gat. bijl ouderloos ouderloos ouderloos sikkel. mijzelf uzelf. klare uzelf.siarka siatka siatka siatka kierunkowa siatka znakowa siatkówka sicie sidła siebie sieć sieć sieć (np. jijzelf netto. afrastering. haar sergeant sergeant zelf. woning ligging koesteren. netto-. netto-. rooster mens netwerk. fors. rooster netto. jijzelf locomotief locomotief vasten gezond. hakken fijnhakken hakbijl. hek. net zeven zeventig zeventien nestelen. ferm . een nest maken achterste. raadsel jenever. bibs zetel. duidelijk traliehek. afrastering. valide robuust. vanzelf zelf. rooster netto. kolejowa) sieć elektryczna sieć miejska sieć połączeń siedem siedemdziesiąt siedemnaście siedlisko siedzenia siedzenia siedzenie siedziba siedziba archiwum siedziba WWW siedzieć siekać siekać siekać mięso siekane/mielone mięso siekiera sierocie sierota sierotka sierp sierpień sierść sierżancie sierżant się się się się silnik silnik lotniczy silny silny silny zwavel traliehek. danspartij puzzel. zicht oogstmaand. net. afrastering. onderkomen. bril logies. duidelijk netwerk. kwartier. fit. hek. broeden op fijnhakken fijnhakken houwen. duidelijk bal. net netwerk. net. net traliehek. vanzelf mezelf. bril zetel. kappen. net. potig. hecht. augustus haardos.

fossiel verstening. broer. broeder. haast maken grijs. opwellen. opslorpen. zus intendante zuster. ontspringen hinkelen springen hinkelen lijntje. fossiel achterklap. eerroof. straf doordrukken sterkte sterkte doordrukken beklemtonen. lijn aanslag aanslag aanslag aanslag klif. snoer. zus zus. zuster nicht neef. fiks. laster schandelijk scanderen Scandinavisch Scandinavië . oomzegger zevende zevende vergiet zeef zeef voortmaken.silny siła siła siła przeciwelektromotoryczna siła robocza siła robocza siłą siłą Singapur single inline package single in-line package siniak siodła siodłać siodło siostra siostra przełożona siostrą siostrzany siostrzenica siostrzeniec siódma część siódmy sitko sito sito kwadratowe sitowie siwy siwy skacz skakać skakać skakać w górę skakanka skala skala odległość skala szarości skalować się skała skała skałą skamielina skamieliną skandal skandaliczny skandował Skandynaw Skandynawia krachtig. grauw opborrelen. koord. slurpen blauwe plek zadel zadel zadel zuster. sterk. klip balanceren. doen schommelen balanceren. doen schommelen verstening. spoed maken. opslorpen. slurpen resorberen. grauw grijs. koorde. accentueren doordrukken sterkte Singapore resorberen. geducht.

hebzuchtig. zijn beklag doen ontbinden. compositie stortplaats . melkinrichting winkel. inhalig. pinnig. hebzuchtig.skandynawski skanować skanować wyszukiwać skapować skarb skarb państwa skarbonka skarcić skarga skarpecie skarpeta skarpetka skarżyć skarżyć się skasować skasować skasować skasować skazać skazać skazać na wygnanie skazanie skazany skazańca skazić skazywać skąpy skąpy skąpy skąpy skąpy skierować skierować skinąć głową sklejać sklejce sklejka sklep sklep sklep sklep mięsny sklep nabiałowy sklep ze słodyczami sklepienie łukowe sklepikarz sklepikarz skład skład Scandinavisch scanderen scanderen rank. gierig ontzien. kleefmiddel. wegvagen gommen. geldkist manen. met gom bestrijken afkeuren schuldig bevinden verbannen. afkeuring schuldig bevinden schuldig bevinden ruimte. knikken lijm. lokaliteit. uitbannen wraking. uitvegen. kit. inhalig gemiddeld hebzuchtig. melkinrichting zuivelfabriek. twijg. zaak gewelf. rijs schat schat fonds. zin. annuleren. vermanen. sparen pinnig. oord. inhalig adresseren aanleggen ja knikken. bol kruidenier neringdoende. volzin gierig. aanmanen. afgelasten afbestellen uitwissen. aanklacht sok sok sok een proces aanspannen tegen klagen. gierig. winkelier toondicht. pinnig. kleefstof multiplex multiplex kast winkel. zaak winkel zuivelfabriek. kas. plaats frase. aansporen beschuldiging. toonzetting.

componeren omvouwen. groep. aderen haakje. beslaan uitmaken. associatie tak. syntaxis zinsbouw. vormen samenstellen. druk. schare. aftakking springen springen springen opborrelen. rap. gauw afstelling. gezwind. opwellen. wilsbeschikking helling. vouwen. haastig. sedert. syntaxis zinsbouw. coördineren sinds. aanhanger gebogen. kwiek springen bond. consulteren beëindigd. krom aanleg. aftakking snedig. casco schild. kras. klaar bijeenschakelen. opwellen. bodem. componeren samenscholing bijeenkomst. gevat. onthutsen doen ontstaan. ontspringen springen springen ontzetten. rugschild. samenkomst hoop. kudde. drift zinsbouw. afgelopen. genootschap. lidmaat. nietje. toonzetting. kramp. meeting. gesteldheid. aanleg marmeren. romp.skład kolumn skład komputerowy składać składać składać komuś kondolencja składać się składać się na składać się na składać się z składanie składanie podpisu składka składni składnia składnia wiersza polecenia składnik skłonność skłonność skłonność skłonność skłonność skobel skocz skoczna (muzyka) skoczny skoczyć skojarzenie skojarzenie przyporządkowanie skok skok skok skok o tyczce skok w dal skok warunkowy skok wzwyż skok zony skonsternować skonstruować skonsultować się skończony skoordynowany skoro skoroszyt skorpion skorupa skorupa skory skorygowanie toondicht. gesteldheid. toonzetting. ad rem levendig. ontstellen. syntaxis lid. plooien bestaan uit bestaan uit omvatten. klamp tak. compositie samenstellen. zinsleer. maken. spoedig. glooiing wilsbeschikking. zinsleer. geestig. vanaf ordner. zinsleer. schaal snel. associatie bond. compositie toondicht. map schorpioen scheepsromp. instelling . afgewerkt. genootschap. ontspringen opborrelen. formeren raadplegen.

extreem. klauwen. vacht. krabben een miskraam krijgen. uitvegen. oever uiterst. begrenzen. vacht. lederen. koffer. beperken afkorting. lederen. schuin leeuwerik dierevel. log kronkelen raspen afkrabben krauwen. vel. spartelen kronkelen plomp. discretie nederig. extreem. huid. afpellen. bekorten. bekorten. afkorten afkorten. mislukken uitwissen. afgetrokken acroniem hijsen. bovenmatig uiterst. excerpt afkorting abstract. zoom wal. bovenmatig jammerlijk afkeuren krauwen. afkorten beknotten. leerachtig. leerachtig. jassen schillen. leren inkorten. pels. scharrelen. korten. huid vel. kant. ergst. verkorten beknotten. klauwen. beperken afkorting resumé. pels. huid dierevel. vacht vel. boord. ophijsen . afpellen. valies taai. dierevel. deemoedig bescheiden. pels. discreet. onderdanig. leren schillen.skośny skowronek skóra skóra kozłowa skóra niedźwiedzia skóra wołowa skórą skórce skórka (chleba) skórka (kartofla skórzana torba podróżna skórzany skracać skracać skracać skracać (np. wegvagen worstelen. inkorten inkrimpen. pels. dierevel. beperken kort beknotten. overzicht. ingetogen slaap inkorten. scharrelen. ergst. jassen nagelriem handkoffer. zich aftobben. słowo) skracania skraj skraj skrajność skrajny skrajny skrawek skreślać tymczasowy skreślić skreślić skręcać się skręcie skrępowany skręt skrobać skrobać skrobać skrobał skromność skromny skromny skroń skrócić skrócić skrócić coś skrócić się skrócie skrócie skrót skrót skrót skrót scheef. bekorten. vel. krabben afkrabben bescheidenheid. begrenzen. vacht taai. huid. kust. begrenzen. verkorting rand.

scenario. zoom. ineenkronkelen afdoend. befaamdheid . beschadigen. piepen havenen. werkkracht indruk. leuze. gerucht. mare. grond. focus. effectief. afdoen boord. haard wis. verdraaien knagen. manuscript. boezem borst. zwakjes aflaat lichtjes. verbuigen. brievenbus viool knarsen. slipje lijfspreuk. ondergrond handschrift. devies sponning. script draaiboek. bos verbintenis. zwakjes bevangen. kikkerdril kieuw afhandelen. kopij draaiboek. kant. binnenste. piepen knarsen. bekoelen. bodem.skrót (drogi) skrót klawiaturowy skruszyć skruszyć skrypt skrypt skrypt wsadowy skryty skrzeczeć skrzek skrzele skrzyczeć skrzydła skrzydła skrzydło skrzynia skrzynia na popiół skrzynka na listy skrzynka pocztowa skrzypce skrzypieć skrzypienie skrzywdzić skrzywić skubać skubać (pióra) skup skupiać skupiać skupiać skupisko alertów skurczyć (się) skurczyć się skuteczny skuteczny skutek slipy slogan slot wbudowane gniazdo rozszerzeń slowiański słabnąć słabnąć słabo słabostce słabowity słaby słaby sława byte mnemonisch knarsen. gleuf Slaaf bedaren. inkoop. contract ineenkrimpen. afbreken koop. boezem bus. knabbelen afrukken. licht faam. luwen aanlengen lichtjes. band vleugel. viskuit. centrum brandpunt. effect slip. zwak. werkman. bedeesd. doeltreffend arbeider. vlerk vleugel. script confidentie babbelen. leus. zwak. plukken. bundel. sleuf. timide. rand. keuvelen kuit. blo zwak. praten. piepen achtergrond. aankoop agglomeraat middelpunt. vlerk borst. bederven twijnen. scenario. brievenbus bus. werker.

naam onderscheiding faam. oppassend zoet. oppassend zoet. woordenschat glossarium woord. faam. oppassend bitterzoet bitterzoet beminnelijkheid. hoorn telefoonhoorn. bewoording woord. hoorn dienstmeisje. bewoording mout gehoor inspecteur. bewoording woord. woordenschat glossarium woordenboek vocabulaire. befaamdheid. revisor luisteraar. meid mijlpaal kuil Pool kuil . zoetigheid. gerucht beroemd persoon.sława sławą sławą sławna osoba sławny sławny słodki słodki sos śmietankowy słodki ziemniak słodkogorzki słodko-gorzki słodycz słodycze słoma słomą słomka słonecznik słony słony słoń słońce Słowacja Słowianin słowiański słowiański słowik słownictwo słowniczek słownik słownik słownik (obejmujący hasła z jakiejś dziedziny) słowo słowo wyrównane słowo zastrzeżone słód słuch słuchacz słuchacz słuchać słucham słuchawce słuchawka słudze słup słup słup słup oświetleniowy reputatie. lieftalligheid snoep. beluisteren. roep. mare. snoepgoed stro stro stro zonnebloem zouten zout olifant zonneschijn Slowakije Slaaf Slavisch Slavonisch nachtegaal vocabulaire. dienares. beroemdheid beroemd. befaamd. alom bekend beroemd. glorierijk. glorieus zoet. luisteren hallo telefoonhoorn. toehoorder aanhoren.

meid eredienst. vlieger teren stank stinken. fijn. rechtvaardig. dienares. verzorgen serveren. alom bekend verstaan. fair. horen.słup oświetleniowy słuszny słuszny słuszny słuszny służąca służący służba służbą służyć służyć słynny słyszeć słyszeć słyszenie smaczny smak smak smak smakołyk smakować smakowity smar smarować (smarem) smarowanie(maścią) smażyć smażyć (się) smok smoła smród smród smudze smukły smukły smutek smutek smutek smutno smutny smutny smutny smutny smycz smyczek snob snobistyczny sobie sobie samej Pool raadzaam billijk. dienst. vandehands billijk. lekker invetten boter aanwending. tenger leed. smart. geleiden. fruiten bakken. zieleleed bedroefdheid. smart bedroefdheid. meid dienstmeisje. droefheid droevig. triest. kruiden smaken smakelijk. godsdienstoefening eredienst. zorgen voor. toog snob snobistisch uzelf. wagenspoor. karrespoor sprietig. godsdienstoefening verplegen. verdriet. melancholiek rouwbedroefd de weg wijzen. jijzelf vanzelf. dun. schraal. droefgeestig. zelf . dienst. fair dienstmeisje. vernemen gehoor gehoor smakelijk. befaamd. slank. verdrietig blauw weemoedig. vies ruiken spoor. fijn. mager. fruiten draak. luchtig rank. toepassing bakken. rechtvaardig rechter-. voorleggen beroemd. leiden boog. dienares. kruiden snoepen smaken op smaak brengen. lekker op smaak brengen.

bestek. fiks. potig. kleiner worden. sop. maffen slapen. piëdestal. voetstuk ruimte. Vlaamse gaai zouten wandelaar pedestal. bestek. wereldruim. sop. ferm krachtig. slag. plechtstatig zouten gemeenschapszin. cider sap sap havik enkel. aard soort. saamhorigheid verlangen. sop. Vlaamse gaai gaai. saus jus. reikhalzen vertrouwd. speling slapen. louter plechtig. fors. den. betrouwbaar robuust. maatschappijleer sociologie. maatschappijleer linze linze lens lens canapé Sofia appelwijn. jus jus. pijnboom uil sovjetgaai. saus denneboom. geducht. sterk. bloot.socjalista socjalistyczny socjalizm socjalny socjolog socjologia socjologią soczewica soczewicą soczewka soczewka magnetyczna sofa Sofia sok sok sok sokół sola (gatunek ryby) solenny solić solidarność solidaryzować się solidny solidny solidny solista solo somnambulizm sonacie sopran sortować sortować sortowanie gatunek sos sos sos z fasoli sojowej sosna sowa sowiecki sójce sójka sól spacerowicz spacja spacja nierozdzielająca spacja światło (na stronie) spać spać alnie spadek socialist socialist socialisme sociaal. maatschappelijk socioloog sociologie. straf solist solo nacht sonate sopraan soort. maffen dalen. hecht. afnemen . slag. statig. speling ruimte. hunkeren. aard saus. wereldruim.

knoeien. sperma blo. erfstuk. verpakken aanbranden verbranden. vreemd. expert inzonderheid. modderen afraffelen netel. vooral. branche. bevatten. baar beseffen. beschaamd maken besteden. expert kenner. timide. stuip.spadek spadek spadek spadek napięcia anodowego spadek wydajności spadochron spajać spajać nie spakować się spalać spalać spalania spalanie spalina sparaliżować spartaczyć spartaczyć sparzyć pokrzywą sparzyć się spaść spawacz spawać spawarka spazm spazm specjalista specjaliście specjalnie specjalność specjalny specjalny speculator specyficzny specyficzny specyfik spełniać spełniać spełniać zachcianki spełniać zachcianki spełnić spełnić się spermą speszony speszyć się spędzać spiąć spieniężyć spieniężyć waas. soortelijk specifiek. verlammen beunhazen. tegemoetkomen aan opdraven. deskundige. lid worden. springscherm lassen. bijeenkomen. soortelijk samenkomen. afgezonderd afgezonderd. wellen lasser stuiptrekking. schavuit. gemoedsgesteldheid gehoorzamen bevredigen. begrijpen . erfdeel druppel. nesthaar. waterdruppel boedel. dons druppel. wellen zich aansluiten. vak. erfdeel valscherm. spanderen accolade contant. erfstuk. ploert. opdagen zaad. toetreden inpakken. in het bijzonder afdeling. eigenaardig specifiek. zitting humeur. erfenis. bevangen. afdraaien lasser lassen. deskundige. bedeesd beschamen. afzonderlijk ellendeling. verassen verbranding verbranding uitwasemen lamleggen. waterdruppel boedel. spenderen. brandnetel aanbranden verlagen. vergaderen vergadering. kramp kramp kenner. paaien. raar. erfenis. tak afzonderlijk. parachute. boef gek. pakken. humor.

afval schoteltje. muf. scheren. rommel. broek pantalon. duf spuwen. dobberen. snoeien knippen. samenspanning intrige. boedel aangeven dienstregeling. een blik werpen op lassen. stuk. schotel lange broek. opheffen afbetaling vlotten. twisten spoed maken. spoelen defect. vunzig. krakelen. spugen. piepen.spierać się spierać się z kimś o coś spieszyć się spiker spin spinacz spinać spirala spiralny spirytus spirytyzm spis spis spis ulic spisek spisek spiżarka spiżarni spiżarni spiżarnia spiżarnia splatać się spleśniały splunąć spluwaczka spłacać zobowiązania spłacać zobowiązania spłata spławik spłukać spłukany spłukiwanie spocić się spoczywać spodek spodnie spodnie spodobać się spodziewać (się) spoglądać spoina spojenie spojrzenia spojrzenia spojrzenie spojrzenie spojrzenie spokojny disputeren. een beroep doen op te wachten staan. bedaard. rochelen spuugbak. kwetteren stil. er uitzien staren. uitschakelen afwikkelen. rustig. kwispedoor afvoeren. turen. liquideren. afhalen een blik werpen. er uitzien sjilpen. broek. turen het uiterlijk hebben van. afspoelen. lid worden. tjilpen. aanstaren. overblijfsel. drijven gorgelen. konkelarij provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast provisiekast kronkelen vuns. toetreden het uiterlijk hebben van. snoeien spiraal spiraal geest spiritisme inventaris. machinatie. aanstaren staren. twisten disputeren. wachten. scheren. lange broek appelleren. elimineren. krakelen. kapot Vlissingen zweten. spuwbak. rooster komplot. pantalon. haast maken. transpireren rest. wellen zich aansluiten. kalm . voortmaken omroepster spinnen knippen.

wereldruim. pingelen. baan. laten doen. maal incident. verwant sociëteit. gewoonte polis trant. club gemeente. aanstelling samenkomen. aantreffen ontmoeten. op zijn gemak. manier aanvliegen manier. standje berisping. biechten. aanplakbiljet. betwistbaar menig. usance. aanmerking. intermitterend sport aanvechtbaar. toegeven verwekken doen. trant ontdekken affiche. route gebruik. handelen volgens berisping. wijze. bedaard. manier weg. handelen volgens opvolgen. bekennen. laten . blaam samenkomen. aantreffen erkennen. standje. maken. bijeenkomen. gemeenschap sociaal. rustig Stille Oceaan. blaam. kalm bestek. vreedzaam bedaard. stil. kalm stil. aanmerking. vergaderen benoeming. aanmerking. sportsman atletisch sport afdingen. bijeenkomen. Grote Oceaan vredig. marchanderen keer. rustig. plakkaat opvolgen. club gemeente. veel. blaam. wijze. ruimte aanverwant. wijze. vergaderen ontmoeten. gemeenschap sociëteit. standje berisping. rustig. gebeuren trant. gebeurtenis. speling. vele sport atleet sportman. maatschappelijk spontaan hortend. gemeenschap gemeente.spokojny spokojny spokojny spokojny spokój spokój spokrewniony społeczeństwa społeczeństwo społeczeństwo społeczność społeczność (w protokole SNMP) społeczny spontaniczny sporadyczny sporcie sporny sporo sport sportowiec sportowiec sportowy sportowy sposobność sposobność sposobność sposób sposób sposób sposób mówienia sposób obsługi datagramu sposób postępowania sposób postępowania spostrzec spostrzec spostrzec spostrzegać spostrzegawczość spostrzeżenie spostrzeżenie spotkać spotkanie spotykać spotykać (się) spotykać się spowiadać się spowodować spowodować kalm.

rijstwijn bedwingen. affaire saké. verbruiken. affaire. mennen controleren. vet . bestuur speurtocht. klus. ding. medeklinker controverse. vrouwenrok kilt. effectief. opgave. gevolg consonant. zaak. laten doen. pennestrijd. uitmelken aannemen. achtergrond. checken. laten Justitia billijkheid gerechtigheid raadzaam marktplein. aanwerven slopen. ontspringen springen vettig. inlichten rekening. bewind. krakelen. besturen. tering. grond rok. Schotse rok conjunctie consequentie. ondergrond. tuberculose uitbuiten. conto militair specificeren opborrelen. huren. markt. klus. etenswaar. gezag rekening. ding zaak. affaire karwei. commentaar informeren. ding. aflezen geldig verklaren geruit. beteugelen heerschappij. rechtvaardig afdoend. conto aantekening. maken. aangelegenheid. taak karwei. twisten onbetaald. geblokt doen. grond bodem. betomen. achtergrond. taak aangelegenheid. polemiek disputeren. marktplaats billijk. spijs. gerecht bodem. opwellen. speurwerk. ondergrond. achterstallig dorstig zaak. bazaar. exploiteren. zoektocht richten. berichten. consumeren eten.spożycie spożytkować spożytkowywać (coś spożywać spożywczy spód spód stosu spódnica spódnicą spódniczka szkocka spójnik spójność spółgłoska spór spór spóźniony spragniony sprawa sprawa (rzecz) obojętna sprawa (sądowa) sprawa do zrobienia sprawa rzecz obojętna sprawą sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać sprawdzać (księgi sprawdzić dokładnie sprawdzony zaznaczony sprawiać sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwość sprawiedliwy sprawiedliwy sprawiedliwy sprawny sprawować władzę sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie sprawozdanie z testowania sprawy wojskowe sprecyzować sprężyna sprężyna łóżka sprośny longtering. dirigeren. vrouwenrok rok. aangelegenheid. fair. opgave. doeltreffend autoriteit.

bijbehorend. handelaar. inrichting ijzeren bijkomstig. zaken doen kruidenier zakenman. aan komen lopen aanpakken. begunstiging. invoeren downloaden trekken bedreven. vervreemding in het groot verkoop. dispuut inconsequent overdoen. aan komen lopen uitrusting. vastgespen. licht. dichtgespen ordelijk evenmin. koopman verkoper beschikking verkoop. strijd. verhandelen. bekwaam gespen.sprośny sprowadzać sprowadzać sprowadzać sprowadzić sprowadzić z serwera sprytny sprzączce sprzączka sprzątać sprzeciw się sprzeciwić sie sprzeczka sprzeczny sprzedaj sprzedawać sprzedawać sprzedawać (papiery wartościowe) sprzedawca sprzedawca sprzedawca gazet i czasopism sprzedawca kwiatów sprzedaż sprzedaż sprzedaż detaliczna sprzedaż wiązana sprzęcie sprzęg sprzęg równoległy wewy sprzęgło sprzęt sprzęt sprzęt kryptograficzny sprzęt stacji roboczej sprzęt zboża sprzęt zbrojeniowy sprzężony sprzyjać sprzyjający spuchnąć spust spuszczać spychacz srebny srebra srebrny srebro srebro w sztabach schuin. schunnig brengen. inrichting conjugeren. gunstig aanzwellen haan van een vuurwapen druppel. dichtgespen gespen. verhandelen. inrichting interface interface grijpen. obsceen. waterdruppel bulldozer zilveren zilveren Argentijns zilveren zilveren . vervoegen gunst. behendig. accommodatie. accommodatie. accommodatie. handeldrijven. toegenegen. tegenstreven kwestie. noch tegenspartelen. tappen handelen. klaar importeren. tappen verkoop. koopman zakenman. bemachtigen uitrusting. vastgespen. handelaar. genadigheid goedgezind. twist. bijkomend aanpakken. vervreemding overdoen. handig. aandragen. vervreemding uitrusting. bezorgen hel.

worgen priemen. daarvan conditie. aldoor staal bestendig. ontbranding goed staan gepast. lurken zoogdier wurgen. stalknecht stevig. bepaling . beschermheer gestaag. wijk. cru bar. blijvend. passend kudde. vandaar. roedel roedel. hecht. constant.srebrzysty srogi srogi srogi ssać ssak ssania stabilizacja stabilization stabilny stacja stacja bazowa z dwoma fizycznymi połączeniami z siecią stacja konwersacyjna stacja nadrzędna stacja zdalna stacjonować stacyjka stać stać stada stadion stadko stado stado stado (gęsi) stado (lecących ptaków stajenny stajnia stajnia stal stale stalowy stała stała stały stała (wielkość) stały stały stały stały stały stały stały stały dostęp do Internetu stały gość/klient stały obwód wirtualny stamtąd stan Argentijns grof. roedel stadie. permanent. prikken. constant. bot. station buurt. hecht. bestendig bestendig. onbehouwen. aanhoudend beschermheilige. overnachtingsplaats groep. kudde. gevestigd flink. vliegtocht kudde. bestendig flink. constant. straf achtersteven. gestaag aanhoudend. steken. kudde kudde. hoop. prikken. etappe. gedegen stevig. station gastheer terminal stationsgebouw. voorwaarde. deugdelijk. onbewerkt. choken. constant. constant. pikken priemen. gedegen bestendig. vast. gestaag blijvend. vast. spiegel opzuigen. station stationsgebouw. degelijk. vandaan. hecht. vast. blijvend. degelijk. hard. pikken stevig. duchtig. roedel bruidegom. deugdelijk.. steken. stadswijk ontsteking. zuigen. gevestigd box staal bij voortduring. streng. gevestigd stationsgebouw. gestaag aanhoudend. gestaag bestendig. betamelijk. bestendig daar . drift vlucht. gestaag bestendig.. constant. schare.

bak. doos. oud. aloud. stand. afdammen uitmaken. constructief omvouwen. motie gevestigd. vast.h. netto. antiek hoogbejaard. nettoafschaving antiek. aloud. atelier stationsgebouw. adellijk. goor. norm b. ouderwets ouderwets. oud. verzenden. foedraal. koker afzenden. aanzetten aanzetten tot. uit de mode antiek. expediëren beeld. aanzetten aanzetten tot. buit. aloud. prooi houding. starter vergevorderd. beha. gedateerd. gortig afzenden. stevig. standaardmaat. beweren logeren regel. scharrelen. moeite doen. acquest. legering. ouderwets ouderwets. klauwen. evenredigheid regel. trachten. metaalmengsel pogen. licht. beweren zich gedragen werkplaats. beha. etui. activeren. plooien afsluiten. ouderwets oudheid antiek. bejaard vergevorderd. beweren huwelijk. bedaagd ouder krauwen. norm proportie.stan stan końcowy stan wyjątkowy stan zawieszenia stanąć standard standard szyfrowania agend rządu USA standard zastrzeżony stanik stanik (ale nie biustonosz!) stanowczość stanowczy stanowczy stanowić stanowić (całość) stanowić zagadkę dla stanowiska stanowisko stanowisko stanowisko pracy stanowisko pracy stanowisko) Stany Zjednoczone stapiać starać się staranny starcie starodawny staroświecki starożytność starożytność starożytny starożytny starszawy starszy start start start of header start zimny startować ponownie startujący stary stary jak świat starzeć się statek statek statek) statua verzekeren. belemmeren.. activeren. vormen aanwinst. klaar aanzetschakelaar. positie verzekeren. activeren. station Verenigde Staten van Amerika alliage. hecht positief. bustehouder b. expediëren pot. echtverbintenis. vouwen. krabben aanzetten tot. verhouding. bejaard muf. standaardmaat. aloud.h. echt crisis verzekeren. verzenden.. benauwd. standbeeld . aanzetten hel. streven duidelijk. bustehouder resolutie.

statucie statut statystyczny statystyka Statyw staw staw staw (akwen) stawać stawać (w sądzie) stawce stawiacz min stawiać czoła stawka stawka ubezpieczeniowa staż stąd stąd stek stempel stempel pocztowy stenografia stenografia stenografią stenograficzny step ster ster stereotyp sternik (na statku) sternik na statku sterować sterować sterować sterować sterowanie sterowanie zaprogramowane w pamięci sterowanie ze sprzężeniem zwrotnym sterownik sterownik wzmacniacza mocy sterownik zegara sterta sterta sterylizować sterylizował steward stewardesa stewardessa charter. loodsen heerschappij. kolk. opdagen stijl. post. bestuurder supervisor. kraam. roer gemeenplaats. vijver waterplas. bestuur conducteur. bief muntstempel muntstempel stenografie. vijver afslaan. paal. mennen heerschappij. bewind. blijven staan opdraven. manipuleren. cliché binnenbrengen. deurpost mijnenlegger het hoofd bieden stijl. opeenhopen. vanhier als volgt biefstuk. paal. dirigeren. bewind. woordelijk steppe stuur. opzichter ophopen. bestuurder conducteur. opeenhopen. kolk. halthouden. post. handvest. vrachtcontract recht statistiek statistiek huisje. stenografie stenografie. bestuur omgaan met. bestuur heerschappij. steno naar de letter. loods louter. bestuur heerschappij. meier stewardess stewardess . bewind. besturen. accumuleren steriliseren steriliseren intendant. hanteren navigeren richten. steno snelschrift. schuur. deurpost premie. keet. accumuleren ophopen. bewind. loodsen binnenbrengen. controleur. opzichter. tijdvak hiervandaan. enkel. bloot waterplas. prijs periode. roer stuur.

colonne drager. steunen. stoïcijns stoïsch. metaalmengsel voet proportie. kraam. madeliefje timmerman kapitaal. lijken achter opvolgen. oplettend mijden.stęchły stękać stępce stępiać stępić stępka Stężenie (roztworu) sth do kogoś sth> coś komuś sth> do kogoś sth> do kogoś sth> kimś sth> kimś sth> komuś sth> komuś sth> komuś sth> o kimś sth> o kogoś sth> od kogoś sth> z kimś stłuc stłuczce stłumić stłumić sto stodoła stoik stoik stoisko stoisko z gazetami stojak stojak stojak stojak stojący stok stok stokrotce stokrotka stolarz stolica stoł stołek stołować (się) stonoga stop stopa stopa procentowa vuns. accompagneren. steun post. verdringen. uit de weg gaan. stichten. begeleiden met. gelijken. steunpilaar. standaardmaat. jegens gelijk. een afschuw hebben van bijvoeglijke bepaling. stomp kiel sterkte verafschuwen. stijl. keet. glooiing meizoentje. ontwijken zich aansluiten. schuur. legering. helling helling. leuning. deurpost regel. vernielen onderdrukken. kreunen. vlak. attribuut aanvliegen lijken op. zich vastklampen aan duizendpoot alliage. kermen kiel bot. paal. vunzig. schuur. tegen. opkroppen honderd loods. evenredigheid . pilaar. vermogen tabel. verhouding. tafel. handelen volgens vergezellen. toetreden afbreken bult. stoïcijns huisje. madeliefje meizoentje. muf. stut. norm oprichten. taboeret aanklampen. tegenaan. barak stoïsch. duf stenen. stomp bot. lijst kruk. bochel vernietigen. inrichten glooiing. effen zinspelen aandachtig. attent. loods box kolom. keet. lid worden. verwoesten.

lijst beklemming. tafel. houwen. mate. angst. deficit. schade. strop verloren. nesthaar. opper ophopen. handelen volgens krachtsinspanning aanwending. hoop. associatie kegel hooiberg. passend. betamelijk. angst. drom. hoop. bij. graad drukproef schaduwen afgestudeerd. vandehands naaien. dons boel. besturen aanwending. accumuleren boel. kwijtraken verloren. toepassing tegen. graad trap. benauwdheid angst beklemming. menigte. mate. gediplomeerd geleidelijk. genootschap. passend gemakkelijk. menigte. verwantschap vergelijkenderwijs aannemen. massa aanwenden. opeenhopen. affiliëren bond. opeenhopen. tot. toepassing opvolgen. drom. genootschap. klappen . massa kelder ophopen. langzamerhand geleidelijk orchidee kelder waas. lijst tabel.stopą stopień stopień (również naukowy) stopień zawartości alkoholu stopka (listy) stopniować stopniowo stopniowy storczyk stos stos stos stos pogrzebowy stos w pamięci stos wywołań stosować stosować stosować stosował stosowania stosowania stosownie do tego stosowny stosowny stosowny stosowny stosunek płciowy stosunek zwarcia stosunkowo stowarzyszać się stowarzyszenie Stowarzyszenie Producentów Maszyn Cyfrowych stożek stóg stóg stóg siana stół stół montażowy strach strach strach na wróble stracić stracić stracić stracie stracony strajk voet trap. hooimijt. tafel. accumuleren ophopen. associatie bond. geschikt gepast. aan. neuken familiebetrekking. voor gepast. doelmatig rechter-. vervlogen kloppen. slaan. vervlogen nadeel. kwijt. naar. geschikt. beheren. verbeuren. accumuleren tabel. kwijt. doorvoeren administreren. opeenhopen. benauwdheid verbeurd opgeven.

opmaken. raam bouw. listig doen schrikken. de wacht hebben. verdoen strategie. gewaad. constructie . schrik aanjagen verjagen. bewaren bewaken. beoefenaar. aanhang eenzijdig. strategisch bewaken. bewaren riem. ver. edelknaap boer. bewaren bewaken. afschrikken spoken nadeel. ver. plafond klederdracht. bruusk. zij-. krijgskunde krijgskundig. nachtwacht. gordel klimaatzone. klepperman bikken.strapienie straszliwy strasznie straszny straszny straszny straszny straszyć straszyć straszyć (o duchu) strata strata strategia strategia przydziału miejsca strategią strategiczny straż strażnik strażnik więzienny strefa strefa strefa wpływów stres streszczać streszczać się streszczenie streszczenie stroik stromy stromy strona strona strona tytułowa strona wzorcowa strona zawietrzna strona zewnętrzna stroną stronę WWW) zaksięgować stronnicy stronniczy stronniczy stronnik Strop strój wieczorowy (smoking stróż struktura struktura struktura verdriet doen. krijgskunde strategie. verduwen. ijselijk afschuwelijk. minder belangrijk aanblik. aanhang boer. excerpt riet kortaf. schade. zone. bedroeven. page. aanschijn. digereren resumé. lijst. abrupt. aanhang bij-. aardgordel beklemtonen. partieel adept. krijgskunde strategie. ceintuur. bot. gewiekst. strop verklungelen. costuum waker. zone. buitenkant bij-. de wacht hebben. beproeven afgrijselijk afgrijselijk afgrijselijk schrikaanjagend. de wacht hebben. edelknaap aanplakken achterban. samenstelling. samenvatten verteren. aardgordel klimaatzone. overzicht. hoogtegrens. afbikken kader. zij-. accentueren resumeren. aanhanger plafon. afgrijselijk doortrapt. dracht. page. deficit. samenvatten resumeren. partijdig gedeeltelijk. slim. steil steil leden. omlijsting. minder belangrijk leden.

omtrek bouw. kloppen. afranselen eeuw eeuw houding . de wacht hebben. stroming loop. tapkraan slaan. overeenstemming. stroming toelachen. samenstelling. scheut pijl. stroom. stemband koorde. opvallen klikken.struktura z kontaktem sferycznym struktura) MOS z kanałem typu n strumień strumień strumień drukowanych danych strumień klucza strumień ruchu (między węzłami w sieciach telekomunikacyjnych) strumyk struna struna struna struś strych strych strych stryj strzała strzałce strzałka strzec strzec się strzelać Strzelec Strzelec (gwiazdozbiór) Strzelec gwiazdozbiór strzemię strzyc strzykawce strzykawka strzyżyk student student seminarium studentka studio studiować studiowanie studnia stukać stukać stukać nie stuknięcie stuknięcie stukot stukotać stulecie stulecie stusunek omlijning. snaar struisvogel. struis dakkamertje zolderkamer Attisch oom pijl. tap. scheut pijl. aanlokken loop. beschermen bewaken. klakken. stroom. kletteren. het juk opleggen maaien injectiespuit injectiespuit winterkoninkje student student student studio studie studie goed. nu goed kraan. beek accoord. kloppen. klappen. ontslaan Boogschutter Boogschutter Boogschutter aanspannen. kletteren. bekoren. koorde. kloppen. akkoord snaar. bewaren ontzetten. constructie actueel loop. stemband. stroming beekje. klappen. opvallen slaan. klappen. kletteren. scheut behoeden. klappen slaan. opvallen klakken. royeren. klikken afdrogen. stroom. klappen.

goedkeuren constateren. contact hebben met contact hebben. aanduiden bod. plafond souffleur aanwijzen. grenzen aan contact hebben. januari aangrenzend. aanbieding. knoop contact hebben. jurk. subtiel. som. componeren scheppen. goedje. geleding.stusunek nie stwierdzać stwierdzać stwierdzić stworzenia stworzyć stworzyć styczeń styczny styk styk podwójny stykać się stykać się stykać się z styl styl styl życia subskrypcja substancja substancja pochłaniająca substancją substytut subtelny suchar sucho suchy suchy (klimat) Sudan suficie sufiks sufit sufler sugerować sugestia suicie sukces sukces sukienka sukinsyn suknia suknia sułtan suma suma (msza) suma częściowa suma kontrolna suma logiczna suma logiczna zmiana houding beamen. welstand. voorslag. japon sultan somma. bloei. keuze unie . vaststellen. substantie in de plaats stellen van. billijken. alternatief. zegepralen. triomferen een verband omleggen snikken een verband omleggen toga. stijl trant. droog dor. stof. aanliggend gewricht. droog Soedan plafon. bevinden constateren. stijl abonnement spul. gelid. fijn biscuit dor. totaal unie checksum keus. totaal. aangeven. bedrag. lid. substantie absorberend spul. contact hebben met taal trant. stof. hoogtegrens. summa algeheel. bevinden wezen samenstellen. creëren louwmaand. goedje. voorspoed zegevieren. achtervoegsel plafon. droog dor. aanbod gevolg geluk. plafond suffix. vaststellen. hoogtegrens. inboeten spitsvondig. contact hebben met belenden.

rits. aanduiden daglicht een sein geven. totaal zomer geweten geweten consciëntieus. streng. vlot. speen kelder uitgebreid. onbewerkt. lont. ritssluiting oppermachtig. bot. lampepit tepel. ritssluiting treksluiting. rits. medium. bedrag. afgrendelen je. seinen intonatie. aanslaan. alarm slaan invoer . krieuwelen. oppermachtig oppermachtig. omvangrijk. onbelemmerd onbezet. stipendium. fluiten aangeven. jeuken vrijdom. bot grof. los. onbehouwen. warboel. hard. een knoop leggen supermarkt supermarkt verwikkeling. som. jeuken kriebelen. weg grof. oppermachtig Jersey Jersey kriebelen. straf vloeipapier dor. warnet watten remedie. soeverein. onbehouwen. toon alarmeren. incidenteel grendelen. aantal. totaal. aanwijzen. onbelemmerd toevallig. cru bar. soeverein. open. open. los. droog kousje. onbewerkt. krieuwelen. vlot. subsidie Sicilië Siciliaans sissen. middel. jouw ondersteuning. getal algeheel. duchtig.suma modulo 2 suma montażowa suma zbiorów unia złącze suma brył sumator amplitudowy sumienia sumienie sumienny sumowanie supeł supermarket (duży supersam supła surowa bawełna surowcach surowy surowy surowy suszka suszyć Suszyć sutek suterena suty suwak suwak przewijania suweren (moneta) suweren moneta sweter sweter zapinany swędzenia swędzenie swędzić swoboda swobodnie swobodny swobodny sworzeń swój sybwencja Sycylia sycylijski syczeć sygnalizował sygnalizuje pracę urządzenia sygnał sygnał sygnał ostrzegawczy sygnał wejściowy somma. gewetensvol optelling knopen. cru. summa tal. jeuken kriebelen. vlotheid onbezet. vrijheid. krieuwelen. veelomvattend treksluiting.

geaardheid nauwgezet. deelneming genoeglijk. gewrongen. verschijnsel voorgeven. nauwkeurig. accuraat zinnebeeld. syllabe silhouet. Siam sissen. karakter. overhandigen nauwgezet. nauwkeurig. vakvereniging. verschijnsel teken. ondertekening handtekening. claxon kuif. rondstrooien slaapkamer slaapkamer mul. schaduwbeeld rekenen. jodenkerk synchronisch syndroom syndicaat. toeter. accuraat aard. doen alsof gekunsteld. symbool aanreiken. figuurlijk symboliseren symboliseren symmetrie symmetrie regelmatig. fluiten lettergreep. seinen handtekening. aangenaam meevoelen teken. behaaglijk. vakbond syndicaat. vakvereniging. emitteren een sein geven. symmetrisch symfonie symfonie medegevoel. deelneming smaken medegevoel. cijferen silhouet. voorwenden. vakbond strooien. schaduwbeeld zinnebeeld.sygnał zerowy na wejściu sygnał zerowy na wejściu sygnał zezwalający sygnatura sygnatura zachowania Syjam syk sylaba sylwetce sylwetka sylwetka symbol symbol celowania(na ekranie dla pióra świetlnego) symbol niezdefiniowany symbol ogólny symbol waluty symbol zaznaczenia symboliczny translator programu symbolizować symbolizował symetria symetrią symetryczny symfonia symfonią sympatia sympatia sympatią sympatyczny sympatyzował symptom symptom nienormalnego zachowania symulować udawać chorego symulowany syn synagoga synchroniczny syndrom syndykacie syndykat sypać sypialni sypialnia sypki sypki syrena syreną invoer uitgeven. toeter. gemaakt zoon synagoge. symbool oneigenlijk. symptoom. claxon . ondertekening Thailand. rul mul kuif. symptoom.

antwoorden op electronisch. gehalte schatten. taxeren waarde. halsdoek. gek. waarderen.Syria syrop Syryjczyk syryjski system system gromadzenia i interpretacji danych system sieciowy system telewizji kasetowej system zero-jedynkowy systematyczny systematyczny sytuacja sytuacja sytuacja wyjątkowa szabla szablon szach (Iranu) szachownica szachowy szachy szacować szacować szacował szacunek szacunek szacunek szafa szafa ścienna szafą szafka szafka szafocie szajka szakal szakal szakal rz szal szala (wagi) szalka (wagi) szalony szalony szalony szalony szalupą szałas szałas Szałas Syrië siroop. stelsel. lunair dolzinnig. kazemat . begroten. ontketenen kinderbed luifel. schaak schaakspel. dolzinnig. lanceren. hangkast etagère. stand van zaken slagzwaard patroon. dol maan-. waarderen. dolzinnig gek. madeliefje antwoorden. elektronisch systeem. bestel meizoentje. sjabloon. krankzinnig. stroop Syrisch Syrisch systeem. troep. bestel gelijkmatig. gek. regelmatig. schaak schatten. afdak bunker. schablone sjah schaakbord schaakspel. geregeld systematisch uitzondering situatie. achting hebben voor tel. krankzinnig uitschrijven. schare jakhals aasgier jakhals das. taxeren. dol. stelsel. begroten achten. rek kast schavot bende. bouffante. achting eerbiedigen. dol. stand van zaken situatie. hangkast kast kleerkast. sjaal Pan aanslag krankzinnig. respecteren kleerkast.

vaccin. bedrieger bedrieger. afgezonderd gek. vak. accuratesse. raar. in het klein stiptheid. opstapje. japon. jurk satanisch kleedkamer. grauw grijs. eigenaardig afgezonderd. opening sponning. gleuf sponning. in het bijzonder afzonderlijk. afzonderlijk specifiek. branche. tak in het bijzonder. nauwgezetheid boomschors. soortelijk bijzonderheid. gat. gleuf sponning. vaccineren entstof. achting hebben voor sprinkhaan kwakzalver. vestiaire. nauw inenten. vooral. gleuf sponning. vaccine entstof. grauw een verband omleggen toga. vaccine entstof. detail ampel. charlatan. streng. vaccineren inenten. sleuf. praten. prullaria necrologie opstap. schors mond. gleuf barst stipt. vreemd. vaccine . keuvelen overeind gaan staan afdeling. treeplank babbelen. tree. kwakzalver vaneenscheuren. sleuf. sleuf. garderobe kleedkamer. doorscheuren schokken aardbeving schokken grijs. afval. vestiaire. sleuf. rommel. gedetailleerd. nauwsluitend.szampan szampon Szanghaj szanował szarańcza szarlatan szarlatan szarpać szarpnąć szarpnięcie szarpnięcie szary szary szata szata szatański szatni szatnia szczątki szczątkowy szczebel szczebiotać szczeciną szczególna cecha szczególnie szczególnie w USA szczególny szczególny szczególny szczególny szczegół szczegółowy szczegółowy szczekać szczelina szczelina szczelina do ręcznego podawania papieru szczelina sprzęgająca szczelina środkowa szczeliną szczelny szczepić szczepić (przeciwko chorobie) szczepionka szczepionka (program tworzący sygnaturę programu wykonywalnego szczepionka program tworzący champagne het haar wassen Sjanghai achten. vaccin. garderobe puin. vaccin. item. inzonderheid inzonderheid. charlatan.

rat hoogtepunt. toppunt spits. innig aalwaardig. tokkelen. neus. besturen authentiek. kaak klikken. listig knijper. open en bloot. tenger rot. doskonałości) szczyt (stosu) szczyt stosu szczytowy szczytowy poziom openheid oprechtheid. klappen. open en bloot. dun. tip. kletteren. rondweg wang. neus. degelijk natuurlijk oprecht. koon. top. schoon. punt. mager. zetten spits. gewiekst. schuieren borstelen. neus. punt. top. rondweg ronduit. luchtig rank. zenit monteren. tokkelen. goedgeefs borstelen. piek klemmen.sygnaturę programu wykonywalnego szczerość szczerość szczerość szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczery szczerze szczerze mówiąc szczęka szczęka szczękać szczękać szczęścia szczęście szczęście szczęście szczęśliwie szczęśliwy szczodry szczotka szczotka porównawcza szczupak szczupły szczupły szczur szczycie szczycie szczypać szczypał szczypał szczypce szczypce do cukru (w kostkach) szczypcie szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt szczyt (np. knijpen. genereus. kletteren. neus. nijpen aperitief. richten. tip. slim. eenvoudig ronduit. borrel doortrapt. gul. spits spits. tip. klappen klakken. gelijk hebbend. dirigeren. ongeveinsd. onvervalst eerlijk. piek afknotten hoogtepunt. nijpen hoogtepunt. piek afknotten hoogtepunt. toppunt afknotten . eerzaam. schaar nijptang klemmen. tip. punt. knijpen. openhartigheid juist. klakken. fortuinlijkheid geluk gelukkig gelukkig royaal. gegrond rein. aalwarig. klikken geluk Fortuna lot. zindelijk mennen. top. top. fortuin. toppunt piek. slank. puur. kaak kakement. schuieren snoek sprietig. punt. schraal.

kwaadspreken. wijd breedvoerig. ruimheid. baas. ruisen ritselen. blok zes zes zestig zestig zestigste naad. verbreiden. royaal wijdte. gebieder. dobbelsteen. breedte sheriff. verbreiden. particulier feuilleton. belasteren afjakkeren. chef aanvoerder. baas sjeik span ritselen. donkerrood borst. vervolgverhaal breed. schavuit. afbeulen. groot. fluistering murmelen. stand. ruim. blok derde macht. ruisen ritselen.szef szef szef (w firmach polskich prezes) szef kuchni szejk szelce szelescie szelest szeleścić szelma szepcie szept szept szeptać szeptać szereg szereg szereg zbieżny bezwzględnie szeregowiec szeregowy szeroki szeroki szeroko szerokość szeryf szerzenie szerzyć szesnastkowy szesnaście sześcian sześcian kierunkowy sześcian wokseli sześć sześć pensów sześćdziesiąt sześćdziesiątka sześćdziesiąty szew szew szewc szkalować szkapa szkarłat szkarłatny szkatułka szkic szkic szkic chefkok. landrechter verspreiden. fluistering roeien serie. chef aanvoerder. zestientallig zestien derde macht. gebieder. dobbelsteen. afmatten karmozijn. voeg dichtnaaien. boezem afschaduwing wissel. murmelen (v. beekje) gefluister. baas. ruisen boef. afgeven hexadecimaal. ris. fluistering murmelen. chef aanvoerder. cambio uitstippelen. rang besloten. set. ellendeling. schetsen. afgeven verspreiden. ontwerpen . blok derde macht. chef. murmelen (v. ploert gefluister. privé-. beekje) gefluister. dobbelsteen. gebieder. hechten schoenmaker roddelen. ruim. reeks graad. rist. royaal breedvoerig. status. groot. donkerrood karmozijn.

glanzen emailleren emailleren drinkglas. ontwerpen skelet. wond. letsel toebrengen blessure. edel adel. raam drinkglas. schaden invasie. foutief.szkicować szkielecie szkielet szkielet szkielet szkielet (konstrukcji) szklanka szklić szkliwa szkliwo szkło szkło szkło powiększające Szkocja szkocki Szkocki szkoda szkoda szkoda szkoda szkoda następcza szkodliwa inwazja szkodliwe naruszenie ochrony szkodliwe włamanie szkodliwy szkodliwy szkodnik szkodzić szkodzić szkolenie wspomagane komputerowo szkolić szkolny szkoła szkoła (średnia lub wyższa) szkoła z internatem szkoła zawodowa Szkot Szkotka szlaban szlachecki szlachetność szlachetność szlachetny szlachta szlafrok szlam szloch szlochać uitstippelen. inval afkerig schadelijk ongedierte kwetsen. heining nobel. verkeerd duim als lengtemaat gevolg leerschool. edel adel. gebeente. raam schavot skelet. lijst. schaden kwetsen. schetsen. afsluiting. inval invasie. school college leerschool. inval invasie. glas verglazen. hek. glazuren. slijk snikken snikken . edelen edelheid nobel. omlijsting. geraamte kader. letsel toebrengen onjuist. verwonding schade. drek. gebeente. school Schot Schotse barrière. school leerschool. edelen kamerjas slib. school leerschool. glas Schotland Schot Schots schade aanrichten. modder. iets betreurenswaardigs schade aanrichten. glas bril drinkglas. kwetsuur. omlijsting. lijst. geraamte kader.

bestek. route chauvinist chauvinisme zesde zesde woelen. klos. stemband. murmelen (v. broek weg.szlochaćSOB> szmaragd szmaragdowy szmata szmer sznur połączeniowy sznurek sznurowadło sznurowadło sznurowadło sznycel szofer szofer szok szopa szorstki szorstki szorty szosa szowinista szowinizm szósta część szósty szpadel szpagat szpak szpalta szpara szparag szparą szperać szpicruta szpiczasty szpieg szpiegować Szpila szpilce szpilka do włosów szpinak szpital szpon szpon szpula szpula taśmy szpulce szpulce szrama szrapnel snikken smaragd smaragd vodje. friemelen. bobine litteken. veter. gasthuis. steunpilaar. bijtend onbewerkt. beekje) koorde. bestuurder opschudden. spoel bobine. spits spieden. nestel koorde. lap. spitten. fel. lomp. ziekenhuis klauw spijkeren. bot. spitsroede. bobine bobine. lor. graven vlechten spreeuw kolom. colonne barst asperge ruimte. beloeren. grof. kniebroek. wereldruim. onbehouwen. bespieden kegel kegel kegel spinazie hospitaal. klos. schokken luifel. snaar met een band omgeven kant rijgveter. beloeren. snaar fijnhakken bestuurder. gard. wondteken granaatkartets. guur. flard murmelen. scharrelen roede. spoel. speling morrelen. nagelen klos. afdak doordringend. stokje puntig. bespieden spieden. stemband. cru korte broek. shrapnel . spoel klos. pilaar. baan. chauffeur conducteur. tod. spoel. schudden. vod.

aanstoten kegel dolk dolk stram. streek. ezel. plechtig. razen. toestoten. gewrongen. star. gewrongen. vermengen naaister Zwitsers Zwitserland Zwitsers Zwitsers Zweden Zweed Zweeds zwendelen. galerij.sztab sztaba sztacheta sztaludze sztaluga sztandar sztandar Sztokholm sztolnia sztuce sztuczka sztuczne ognie sztuczność sztuczny sztuczny sztuczny satelita ziemi sztuka sztuka sztuka sztuka panowania sztuka wojny szturchnięcie sztyft sztylecie sztylet sztywny sztywny szufla szuflada szukać szum szum szum śrutowy szum zka szumieć szupla szurać nogami szuranie (nogami) szwaczka szwajcar Szwajcaria szwajcarski Szwajcarzy Szwecja Szwed szwedzki szwindel szwindel staf belemmeren. rumoer. gemaakt gekunsteld. frauderen. bank rek. leven. stug afgemeten. gang. ezel. bobine mengen. lade het uiterlijk hebben van. onnatuurlijkheid aangedaan. schraag. temperen. drama fragment. afsluiten. bok. mixen. aangegrepen gekunsteld. lawaai. vlag regel. houterig. gonzen. rumoer. gemaakt kunst toneelstuk. vermengen mengen. bok. herrie snorren. klos. stijf. lawaai. galerie kunst aanwensel. gonzen. mixen. herrie snorren. er uitzien snorren. opscheppen schuiflade. ceremonieel scheppen. brok oorlog. gonzen. schraag. norm Stockholm gaanderij. brommen ophef. standaardmaat. krijg kunst een duw geven. bank vaan. temperen. leven. razen. hebbelijkheid vuurwerk aanstellerij. brommen spoel. la. dundoek. kneep. knoeien foefje. kunstgreep . brommen ophef. razen. afdammen verbleekt rek.

nummer versleutelen versleutelen nek. spoed. greppel. gezwind. gezwind. gezwind. in allerijl proportie.szwindlować szyb szyba szyba (okienna) szybą szybki szybki szybki układ logiczny tranzystorowotranzystorowy szybki układ scalony TTL szybki układ scalony TTL szybki zarobek szybko szybko szybko schnący szybkość szybkość szybkość klatek szybkość zapisu szybkość zapisywania szybować szybować szybowanie szybowca szybowiec szybowiec szyć szyć szydełkować szyderczy uśmiech szydzić szydzić szyfr z bieżącym kluczem szyfr złożeniowy szyfrować szyfrować szyfrował szyja szyk bojowy szyk bojowy szykowny szyling szympans szyna szyna szyna pamięciowa szyna sterująca szynka zwendelen. vaart. evenredigheid snelheid. glaswerk glaswaar. kuil drinkglas. knoeien groeve. schielijk. vliegtuig een glijvlucht maken. rail boomstam. verhouding. spotlachen. zweefvliegen zeilvliegtuig. vaart. glaswerk vasten snel. strijd. slag. spoedig. arbeid grijnslachen. ginnegappen cijfer. radheid vliegmachine. gauw. kamp sjiek. stam ham . rail spoorstaaf. radheid snelheidsgrens snelheid. werk. haastig. chic. groef. schielijk. chic. spoedig. gevecht. aannaaien. piekfijn sjiek. glas glaswaar. haastig. frauderen. hard. nummer code cijfer. hard. spoed. vensterruit. spotten. haastig. spoed. zweefvliegtuig zeilvliegtuig. zweefvliegtuig aanzetten. snel spoedig afgrazen gauw. in allerijl gauw. haastig. zweefvliegen een glijvlucht maken. spotlachen. radheid snelheid. piekfijn shilling chimpansee opvoeden. spoedig. vaart. vastnaaien steek emplooi. gracht. gauw snel. ginnegappen bespotten. honen grijnslachen. onderwijzen spoorstaaf. spoedig. vensterruit. karwei. hals treffen. gauw snel. gauw gezwind. zweefvliegtuig zeilvliegtuig.

persen. stiptheid. tekenen pad. riool druipen. moes. wagenspoor. wissen. afdruipen cloaca. droppelen. tekenen afbakenen afdruk. bemachtigen comprimeren knuffelen drukken. persen. marmelade grijpen.szyszka ściągać ściągać dane z serwera ściągnąć ścieg ścieg wsteczny ściek ściek ściekać ścierać ścieranie się ściereczka ścierka ścierny ścieżka ścieżka ścieżka wyszukiwania ścieżka zapisu ścieżka zastępcza ścięcia ścigać ścigać sądownie ścigać się ścisk ścisk ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać ściskać kurczowo ścisłość ścisłość ścisłość ścisły ścisły ścisły ścisły ścisły ścisnąć ścisnąć ściśle ściśle ściśnięcie ślad ślad ślad ślad kegel collecteren. knellen strakker aantrekken. stiptheid. precisie precies. aantrekken drukken. scherp. zinkput. voetspoor. waarachtig billijk. innen. stug specifiek. persen. druppelen afvegen. marmelade aperitief. dringen. knellen accuratesse. paadje vermorzelen. accuratesse nauwkeurigheid. nastreven een proces aanspannen tegen geslacht. intrappen. soortelijk streng. star. dringen. stam. fair. metterdaad. minutieus stram. afwissen afschaving flanellen laken doordringend. stijf. spoor steeg pad. straf. fel. nauwgezetheid nauwgezetheid. dringen. verbrijzelen najagen. volksstam aandrang. afdrogen. toeloop. duchtig. houterig. moes. inzamelen downloaden rukken steek steek neerdruipen. spoor spoor. paadje afdruk. accuraat precies. nauwgezet. juist. stiptheid. borrel inderdaad. rechtvaardig drukken. bijtend merken. karrespoor . bar. knellen merken. run jam. guur. voetspoor. hard jam.

stout gedurfd. puin zich vermetelen. blanco. stout. drek. wurm kwijl. sterfgeval . wagen moorddadig. lachbui. brutaal voorspeler. oningevuld. afval. gedurfd. speeksel. modder.ślad rewizji Śląsk śledzić śledzić śledzić śledztwa śledztwa śledztwo śledź ślepa kiszka ślepa uliczka ślepota ślepy ślepy nabój śliczny ślimak ślimak ślimak (współpracujący z kołem zębatym) ślina śliniaczek ślinić się śliski śliwce śliwka ślizg ślizgać się ślizgać się po wodzie ślub ślub ślubny ślusarz śluz śluza śmiać się śmiało śmiało śmiały śmiały śmiały śmiały śmiech śmiech śmieci śmiecie śmieć śmiercionośny śmierć afbakenen Silezië afluisteren afbakenen afdruk. bruiloft echten. onderzoek zeebanket. huisjesslak worm. hilariteit afwijzen. propeller. zever. kwijlen glad. aanvaller lachen gelach. stoutmoedig. examen. vliegtuig een glijvlucht maken. glibberig pruim pruim een glijvlucht maken. dodelijk dood. schroefdraad slak. echt. genoeglijk schroef. overlijden. appendix. allicht gespeend van. spoor enquête keuring. aanhangsel doodlopende weg blindheid blind wit. het verdommen. haring bijlage. zweefvliegen vliegmachine. stoutmoedig. brutaal stoutmoedig. zweefvliegen huwelijk. onderzoek keuring. slijk slot lachen met gemak. prullaria. gedurfd. blank behaaglijk. ongrijpbaar. voetspoor. stout. ontbloot van brutaal. examen. zeveren. spuug slabbetje speeksel afscheiden. echtverbintenis bruiloftsfeest. legitimeren slotenmaker slib. afkeuren rommel.

binnenste gemiddeld. binnenste. bezingen zangeres gezangboek. binnenste. mal opvrolijken. helen gemiddeld antiseptisch middel afwasmiddel laxeermiddel. amuseren. genezen. lied zangeres zingen. middelbaar middel. leuk. zangboek gemiddeld gemiddeld middellijn. gezangbundel. haast maken.śmierdzący śmierdzieć śmierdzieć śmiertelnie śmiertelnik śmiertelny śmieszny śmieszny śmieszny śmieszyć śmieszyć śmietana śmietanka śmietanka (towarzyska) śmigło śniadania śniadanie śnieg śnieżenie śnieżyć śpiący śpiący śpieszyć (się) śpieszyć się śpieszyć się śpiew śpiewaczka śpiewać śpiewak śpiewnik średni średni stopień scalenia średnica średnicą środa środą środek środek środek środek ośrodek środek antyelektrostatyczny środek chwastobójczy środek miotający do broni palnej środek znieczulający środki środkowy środkowy środowiska stinkend smoken. centrum beter maken. vies ruiken moorddadig. belachelijk. dodelijk sterfelijk sterfelijk vermakelijk. lachwekkend. leuk. diameter woensdag woensdag middelpunt. amusant. vermakelijk vla vla bloesem propeller. haast maken. diameter middellijn. amusant belachelijk gek. medium. doorsnee. centrum middelpunt. schroefdraad. roken stinken. omgeving . doorsnee. middelbaar milieu. schroef ontbijt ontbijt sneeuwen sneeuwen sneeuwen druilerig. voortmaken gezang. onderhouden aardig. binnenlands. voortmaken haastig. werktuig intern. slaperig slaperig spoed maken. gehaast spoed maken. laxans gemiddeld. zang.

schroef naaien. kaars kaarsensterkte. besef. verhouding. medium. bewust aardrijk. evenredigheid vezel wereldwijd festival gewijd. akte. heilig. doen ontbranden. neuken schroevedraaier schroevedraaier spiraal pré. candela. medium. besef. kaars kaarsensterkte. doen ontbranden. attest. beschrijving milieu. kaars . bedrijf. akte. bewustzijn welbewust. dokument. candela. stuk acte. aanmaken proportie. bewustzijn bezinning. świadczyć świadczyć świadectwa świadectwa świadectwo świadectwo odporności na promienie Rentgena świadek świadek naoczny świadomość świadomość świadomość istnienia produktu świadomość przekazu reklamy świadomy świadomy świadomy (<of sth> czegoś) świat światło światło działania światło punktowe światło stopu w samochodzie światłoczułość światłowód światowy świąteczny świątobliwy świątyni świder świder świdrach świeca świecą świeczka gemeente. neuken naaien. sacraal. acte. getuigenis acte. wereld aansteken. omgeving Middellandse Zee propeller. omgeving milieu. neuken naaien. stuk certificaat. omgeving milieu. bewustzijn bezinning. akte. besef. schildering. aanmaken daglicht zonlicht aansteken. stuk getuige getuige bezinning. bewustzijn bezinning. medium. voordeel certificeren. medium. gemeenschap tafereel. bewust welbewust.środowisko środowisko CDE środowisko graficzne środowisko grupy roboczej środowisko zabezpieczeń środowisko zespołowe śródziemnomorski śruba śruba śruba (statku) śrubą śrubokręcie śrubokręt śrubowaty świadczenie (z tytułu polisy ubezp. dokument. bewust welbewust. bedrijf. omgeving milieu. schroefdraad. geheiligd slaap beting accolade bretels kaarsensterkte. dokument. bedrijf. besef. candela. getuigen getuige acte.

świecznik świecznik świergocie świergot świergot świergotać świerszcz świetlik świetlik świetnie się bawić świetność świetny świetny świeży świeży święcie świętej pamięci świętej pamięci święto święto świętować świętował święty święty święty Mikołaj świni świnia świnka morska świscie świst świt świt świt świtać tabela tabela woluminu tabernakulum tabletce tabletka tablica tablica tablica (szczególnie pamiątkowa) tablica autoreferencyjna tablica odwołująca się do siebie tablica odwzorowanie tablica ogłoszeń tablica rozmieszczenia pliku tablica samoodniesieniowa

kandelaar, blaker kroonluchter, kroon, luchter piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen piepen, sjilpen, tjilpen, kwetteren sjilpen, kwetteren, piepen, tjilpen krekel, kriek vuurvliegje dakraam, patrijspoort, luik net, mooi gezag, prestige, autoriteit groots, grandioos, overweldigend tof, tiptop, excellent, kostelijk vers, onbedorven, luchtig, fris luchtig, fris, vers, onbedorven snipperdag, vakantiedag, rustdag vergevorderd, laat later festijn, feestmaal, smulpartij, gelag snipperdag, vakantiedag, rustdag vieren, opdragen, celebreren vieren, opdragen, celebreren gewijd, heilig, sacraal, geheiligd heilige geheiligd, gewijd, heilig, sacraal zwijn, varken zwijn, varken Guinees biggetje, cavia ritselen, ruisen fluiten, gieren aurora, morgenlicht, morgenrood dageraad, aanbreken van de dag zonsopgang aurora, morgenlicht, morgenrood tabel, tafel, lijst tabel, tafel, lijst tabernakel tafel, tabel, lijst tafel, tabel, lijst aanklampen, zich vastklampen aan dashboard, instrumentenbord, beschot tafel, tabel, lijst aanplakbord aanplakbord landkaart, kaart aanplakbord lijvig, dik aanplakbord

tabliczka tabliczka tabliczka dźwiękowa taborecie tabulacja tabulator tabulogram informować tabulowanie taca taca taca zabezpieczająca tacą taczka tajać tajemnica tajemniczy tajemny tajfun tajny tajny agent tak tak jak tak jest tak samo tak samo jak tak więc tak! wiele takcie taki taki taki owaki taksometr taksówce taksówce taksówka taksówka takt takt takt takt takt zegara taktyczny taktyczny taktyka także także także także <casement window>

belemmeren, afsluiten, afdammen fotografische plaat, plaat tafel, tabel, lijst kruk, taboeret tafel, tabel machine informeren, berichten, inlichten tafel, tabel schotel, schaal dienblad, presenteerblad bakvis dienblad, presenteerblad kruiwagen wegsmelten, dooien, ontdooien mysterie, raadsel, geheimenis mysterieus, geheimzinnig occult tyfoon confidentie verstand, geest, intellect ja, jawel ja, jawel voor, als, bij wijze van, hoe, tot dito, identiek als volgt als volgt ergo, dus, ook weer, toch ritme, tact, maat, beleid ergo, dus, ook weer, toch dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een uurwerk, klok vigilante, huurrijtuig, aapje taxi vigilante, huurrijtuig, aapje taxi afranselen verzekeren, beweren ritme, tact, maat, beleid teek teek tactiek tactiek tactiek evenzeer, ook, mede, eveneens verzenden evenzeer, mede, eveneens, ook aan, tegen, voor, tot, bij, naar

także <fag> także celny strzał w to miejsce talencie talent talent talerz z tworzywa do rzucania talia talia talia kart talon tam tam tam i z powrotem tama tamci Tamiza tamować tamować tampon tampon tamte tamten tamten tancerz tandeta tango tani tani hotel/pensjonat tani jak barszcz taniec tankwać tańczyć tańczyć tango tańczyć walca tapczan tapeta taras tarcie tarcza (telefonu targ targi targnięcie targować się targować się tarka tarsować taryfa taryfa

verzenden evenzeer, ook, mede, eveneens talent, gave, aanleg, begaafdheid gift, geschenk, donatie, cadeau talent, gave, aanleg, begaafdheid fotografische plaat, plaat verdek, scheepsdek, dek middel, leest, taille middel, leest, taille bon, voucher, kaartje, coupon ginds, aldaar, daar, er, daarginds ginds, er, aldaar, daarginds, daar ginds, aldaar, daar, er, daarginds afsluiting, barrière, dam, sperdam dat, datgene, zulks Theems blokkeren, vastzetten afsluiten, belemmeren, afdammen blok tampon dat, datgene, zulks dat ginds, er, aldaar, daarginds, daar danseres rommel, afval, prullaria, puin tango, stampen goedkoop goedkoop goedkoop bal, danspartij reservoir, vergaarbak bal, danspartij tango, stampen wals divan, Turkse staatsraad, rustbank behang terras wrijving wijzerplaat marktplein, markt, bazaar, marktplaats marktplein, markt, bazaar, marktplaats schokken afdingen, pingelen, marchanderen pingelen, afdingen, marchanderen raspen afsluiten, belemmeren, afdammen proportie, verhouding, evenredigheid dienstregeling, rooster

tarzać tasiemka tasować tasowanie (kart) taśma taśma taśma taśma poprawkowa taśma zmian taśma źródłowa systemu tato tato tatuaż tatuować tatuś tatuś tawerna tawerna tawerną tchawica tchórzliwy tchórzostwa tchórzostwo te teatr teatr rewiowy teatralność teatralny teatralny technice techniczny techniczny ośrodek przetwarzania danych technika technika technika technika grubowarstwowa technika cienkowarstwowa technika rozpoznawania obrazów technika światłowodowa technika wykrywania błędów technologia technologia) drop-on-demand technologią teczka teczka teczka konfiguracyjna teka

broodje, bolletje, kadetje, kadet band, lint mengen, temperen, mixen, vermengen mengen, temperen, mixen, vermengen schare, troep, bende band, lint met een band omgeven videoband met een band omgeven schare, troep, bende pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie taptoe taptoe pappa, pa, pappie pappa, pa, pappie drenkplaats, bar, café herberg, uitspanning herberg, uitspanning luchtpijp geel lafhartigheid, lafheid lafhartigheid, lafheid dit, dit hier schouwburg, toneel, theater schouwburg, toneel, theater melodrama schouwburg, toneel, theater schouwburg-, toneel-, theatertechniek technisch technisch techniek techniek technologie techniek techniek doortrapt, slim, gewiekst, listig schouwburg, toneel, theater technologie techniek technologie technologie boekentas, theca, aktentas portefeuille leden, aanhang boekentas, theca, aktentas

tekscie tekst tekstylia tekstylny tektura teledysk telefon telefon wewnętrzne telefon wewnętrzny telefoniczna pomoc techniczna telefonujący telegraf telegraf Baudot—Verdan telegraficzny telegrafować telegram telegram teleJkomunikacja telemetria teleskop telewizja telewizja telewizją temacie temacie temat temat temat temat podmiot tempa temperamencie temperament temperatura temperatura złącza p-n temperaturą tempo tempo tempo wielkość (miara względna) ten ten ten kto przeżył ten zielony tendencja tendencja tenis tenor teologia teologia theorem

tekst tekst weefsel weefsel kartonnen knippen, scheren, snoeien opbellen, telefoneren opbellen, telefoneren achtervoegsel, suffix adresboek bezoeker overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen overseinen, telegraferen telegram metaaldraad, draad communiqué telemetrie sterrenkijker, telescoop, verrekijker televisie televisie televisie onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit stof, onderwerp, subject onderwerp, stof, thema, apropos iets actueels, actualiteit iets actueels, actualiteit treden, schrijden, stappen, lopen temperament temperament temperatuur temperatuur temperatuur proportie, verhouding, evenredigheid snelheid, vaart, spoed, radheid lopen, stappen, treden, schrijden dat dit, dit hier dito, identiek dusdanige, dergelijke, zo'n, zulk een afdrijven, op drift zijn, drijven wilsbeschikking, gesteldheid, aanleg tennis tenorstem, tenor theologie, godgeleerdheid theologie, godgeleerdheid

teologią teoretyczny teoria teorią terapia terapią Terasa teraz teraz gdy teraźniejszy teren teren termin termin termin termin termin amerykański termin brytyjski termin prawniczy termin przeciwstawny terminal wizyjny terminal znakowy prosty terminologią termometr termos termostacie termostat terror terrorysta terroryście terroryzm terroryzować terytorialny terytorium test test wewnętrzny test zgodności testamencie testament testament testować teza tezą też też nie też nie też nie tęcza

theologie, godgeleerdheid akademisch, academisch theorie theorie therapie therapie terras enfin, komaan, nou, nu, wel, tja enfin, komaan, nou, nu, wel, tja tegenwoordig, actueel achtergrond, grond, bodem, ondergrond terrein benaming, naamwoord, naam dadel, dactylus affiche, aanplakbiljet, plakkaat term, vakterm Amerikaans Brits wettig, wettelijk, gewettigd, legaal tegenover, aan de overkant van scherm, schut terminal terminologie, vakwoordenboek warmtemeter, thermometer thermosfles thermostaat thermostaat terreur, schrikbewind terrorist terrorist terrorisme schrik aanjagen, doen schrikken territoriaal territoir, ban, gebied, grondgebied examen, keuring, onderzoek binnenste, binnenlands, intern examen, keuring, onderzoek verbond, uiterste wil, testament verbond, uiterste wil, testament uiterste wil, verbond, testament examen, keuring, onderzoek proefschrift, stelling, dissertatie proefschrift, stelling, dissertatie evenzeer, ook, mede, eveneens evenmin, noch neen, geen, nee, niet evenzeer, mede, eveneens, ook regenboog

tęczą tęczówka (oka) tęczówka oka tęgi tępić tępy tępy tępy ić tęsknić tęsknota tęsknota tęsknota za krajem tętnica tętno the former>ten pierwszy tkać tkanina tkanina do robienia worków tkanina nieprzemakalna tkwiący tkwić tlen tlen cz tlenić (włosy) tło tło okna tłoczyć się tłoczyć się tłok tłok tłok tłuc Tłuczek tłum tłum tłum tłumacz tłumaczenia tłumaczenie tłumaczenie (tekstu) translacja tłumaczenie języka symbolicznego tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć tłumaczyć język symboliczny zestawić tłumaczyć się tłumaczyć się

regenboog Iris Iris gezet, zwaarlijvig, corpulent verdelgen, uitroeien bot, stomp gesmoord, toonloos, stomp, dof bot, stomp verlangen, hunkeren, reikhalzen verlangend, smachtend heimwee verlangend, smachtend slagader, arterie pols, polsslag, tel daarvoor, vooraan, eerder, indertijd weven weefsel weefsel weefsel aangeboren, ingeboren kleven, vastkleven, aanhangen zuurstof zuurstof water achtergrond achtergrond hoop, boel, drom, massa, menigte kudde, roedel hoop, boel, drom, massa, menigte zuiger pers temperen, mengen, mixen, vermengen stamper, vijzelstamper hoop, boel, drom, massa, menigte gastheer massa, drom, hoop, menigte, boel interpreter uitvoering, versie translatie, translaat, overzetting translatie, translaat, overzetting samenscholing vergaderen, samenkomen, bijeenkomen uitleggen, interpreteren, duiden pleiten translateren, overzetten, vertalen translateren, overzetten, vertalen uitleggen, interpreteren, duiden reproduceren, weergeven

tłumaczyć z języka programowania na język angielski tłumić tłumić tłusty tłusty tłusty tłusty tłuszcz tłuszcz wielorybi tłuszczowy to to to to samo toalecie toaleta toaletka toast tobołek todze todze toga tok tokarka tokarnia token tolerować tolerować tolerował tolerował tolerując tom tom (dyskowy)objętość głośność ton ton odcień tona toną tonąć tonąć topić Topić topić się topnieć topnieć topola topór tor

translateren, overzetten, vertalen doven, blussen, uitdoen, uitblussen onderdrukken, smoren, neerslaan gedurfd, stout, stoutmoedig, brutaal lijvig, dik vettig, vet dik, vettig, vet lijvig, dik invetten lijvig, dik best het dat dito, identiek privaat, secreet, toilet privaat, secreet, toilet ladenkast, commode branden, braden, roosteren bundel, wis, bos toga, jurk, japon toga, japon, jurk toga, jurk, japon tracé, route, leergang, cursus, koers draaibank, draaischijf draaibank, draaischijf adstructie, teken, bewijs te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten te wachten staan, afhalen, wachten lijden, aanzien, dulden, toelaten aanhoudend, blijvend, bestendig geluidssterkte, inhoud, volume geluidssterkte, inhoud, volume intonatie, toon intonatie, toon ton ton verdrinken, verloren gaan, vergaan zinken, aan de grond raken verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien verdrinken, verloren gaan, vergaan wegsmelten, dooien, ontdooien dooi peppel, populier hakbijl, bijl afdruk, voetspoor, spoor

tor żużlowy tor/szlak wodny torba torba (foliowa torba na zakupy torbą torebka torebka damska torf torfowiska torfowiska torfowiska torfowiska tornister tornister torować drogę torpeda torpedą torpedować tors tort tortura torturą torturować tortury tory kolejowe totalny towar towar towar towar na składzie towar wyrzucony za burtę towar wyrzucony za burtę towarach towarzyatwo towarzyski towarzystwo akcyjne towarzysz towarzysz towarzysz towarzysz zabaw dziecinnych towarzyszący towarzyszący towarzyszący towarzyszyć towarzyszyć tożsamość tracić zabarwienie

steeg afdruk, voetspoor, spoor tas, zak consument, gebruiker, verbruiker tas, zak tas, zak beurs, portemonnaie, geldbuidel tasje, reticule, handtasje turf onderbinden Moriaan, Moor aanbinden, meren Mauretaniër knapzak, ransel knapzak, ransel genist, geniesoldaat, baanbreker torpederen torpederen torpederen boomstam, stam koek, cake folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen folteren, martelen, pijnigen spoor, spoorweg algeheel, totaal handelsartikel, artikel colli, goederen koopwaar, handelswaar, waar handelsartikel, artikel mikpunt, onderwerp, object, ding dingen, spullen handelswaar, koopwaar sociëteit, club sociaal, maatschappelijk firma, handelsfirma, handelshuis zich aaneensluiten, aansluiten maat, kameraad, kornuit, makker maat, kornuit, kameraad, makker zich aaneensluiten, aansluiten ingesloten, bijgaand zich aaneensluiten, aansluiten steward vergezellen, accompagneren, begeleiden verplegen, zorgen voor, verzorgen identiteit dalen, kleiner worden, afnemen

ronddelen.tradycja tradycją tradycyjny tradycyjny tradycyjny traf traf traf traf trafić trafić się trafienie trafna odpowiedź trafienie trafny tragarz tragedia tragedią tragiczny trakt traktacie traktat traktor traktor do transporu drewna traktować traktować traktować na serio traktowania traktowanie tramwaj tramwaj transakcja transakcja transakcja globalna transakcją transcendentny transformować translacja translator adresów transmisja pojedyncza na żądanie transmisja radiofoniczna transmisja radiowa transmitować transmitować transmitować (do wszystkich węzłów sieci) transmitował transparencie transport traditie. uiterlijk vervormen resolutie. dundoek. overbrengen. kloppen. traktaat. cureren behandelen. vlag transporteren. tractor rondgeven. toevallig Fortuna lot. geluk. buiten-. tractor trekker. klappen gebeuren. houwen. sturen. motie aan. overlevering traditie. verhandeling trekker. houwen. uitwendig. doen toekomen opsturen. portier tragisch tragisch tragisch afdruk. traktaat. dichtbij. kloppen. nabij. omroepen uitzenden. doen toekomen vaan. omroepen opsturen. naast. klappen slaan. houwen. buitenkansje slaan. fortuinlijkheid bof. aan de hand zijn slaan. affaire. kloppen. omroepen uitzenden. doen toekomen opsturen. vandehands conciërge. sturen. omroepen uitzenden. voeren . verhandeling verdrag. zaak. bij uitzenden. fortuin. mazzel. spoor verdrag. behandeling kuur. cureren kuur. gebruikelijk ouder traditioneel incidenteel. klappen rechter-. ding transactie transactie transactie extern. behandeling tram tram aangelegenheid. sturen. voetspoor. uitdelen behandelen. overlevering gewoon.

de trompet steken. overbrengen. baanvlak luchtweg reisplan. opvallen stortplaats aanstoten. klappen. acne. toestoten. leproos. schuit vlot gras gras gras verteren. vergenoegd. drijven vlot boot. verduwen. spijsvertering digestie. sociëteit angst drillen. route. aanstoten slaan. bondig. een duw geven. stof. baanvlak reisplan. verticaal transitief. dauwworm club. voeren tor. passage. toestoten aanstoten. tracé. de trompet steken. transistor rechtopstaand. toeten toeteren. voeren trekken transporteren. voldaan inhoud kernachtig. kort. grasveld. grasmat toeteren. spijsvertering ets perk. dobberen. een duw geven. melaatse gejubel . beknopt inhoud tenorstem. de trompet steken. tenor aanklacht. overgankelijk overgang. oefenen boren tevreden. tracé. doorgang reisplan.transport klucza transportować transportować tranzystor tranzystor polowy z rowkiem w ksztaJcie V tranzytywny trap trasa trasa domyślna trasa zastępcza ścieżka zastępcza trasować tratwa tratwa tratwa ratunkowa tratwą trawa trawa rosnąca na wydmach trawą trawić trawienia trawienie trawienie światłem przechodzącym trawnik trąba trąbce trąbka trącać trącać trącać łokciem trącenie łokciem trącić łokciem trąd trądzik trefl trema trenować tresować treśc treśc treściwy treść treść treść ruchu pakietów treść zasadnicza (dane właściwe przesyłane w pakietach sieciowych) trędowaty triumf transporteren. toeten een duw geven. lepra eczeem. substantie lepralijder. goedje. kloppen. baanvlak vlotten. route. tracé. toestoten melaatsheid. beschuldiging spul. gazon. toeten toeteren. digereren digestie. overbrengen. route.

aanhoudend gestaag. constant. voorzichtig aandachtig. vergeven vergiftigen. aandacht zich bekommeren. zorgen Drieëenheid driehoek. min. blijven aandringen Perm leven. bende troep kreng. giftig doodkist. karig. lijk aardbei aardbei aanhouden. constant. een knoop leggen zwaar. vergallen. voetspoor. kadaver. attent. vergallen. vergeven smart. kist alcohol. kadaver horde. bezorgd zijn. bestendig angst .triumf triumfować triumfowanie trochę trolejbus tron trop tropiciel stopka(listy) tropić tropikalny troska troska troska troskliwie troskliwy troskliwy troskliwy troszczyć się trójca trójkącie trójkąt trucht trucizna truciźnie trudność trudność trudność trudny trudny trujący trumna trunek trup trupa trupa trupą truskawce truskawka trwać dłużej niż trwała ondulacja trwałość poprzez dziedziczenie trwały trwały trwały trwały trwały trwały identyfikator trwoga zegevieren. oplettend behoedzaam. voorzichtig nadenkend zich bekommeren. triomferen gejubel gering. spoor tropisch acht. vergiftig. zegepralen. bestendig blijvend. alcoholische drank lijk. bestendig volhardend vasthoudend gestaag. blijvend. triomferen zegevieren. strubbeling knopen. luttel. drank. attentie. leed bezwaar. zegepralen. moeilijkheid. lastig. bezorgd zijn. zorgen tel. klein trolleybus troon afbakenen aanhangwagen afdruk. achting zachtjes. aanstoten vergiftigen. hachje aanhoudend. verdriet. slim hard venijnig. moeilijk. toestoten. triangel driehoek. kreng. triangel een duw geven.

trwonić tryb tryb tryb (pracy) rodzaj uprawnienia tryb dostępu (w Uniksie) tryb łączący tryb oznajmiający tryb oznajmujący tryb przezroczysty (wykonywania operacji) trybuna trygonometria trygonometrią tryl trylion tryskać trzask trzaskać trzaskać trzaskać trzaskanie trzaśnięcie trząść trząść się trząść się trząść się trzcina trzcina trzcina trzcina cukrowa trzciną trzeba przyznać że trzeci trzeci migdał trzeć trzepnięcie trzepotać skrzydłami trzepotanie trzeszczeć trzeźwy trzęsienie ziemi trzmiel trzon trzy trzy pensy trzydziestka trzydzieści trzykrotny verklungelen. stemming manier. bibberen. knetteren dichtslaan aardbeving schokken opgooien. mijnschacht drie drie dertig dertig drievoudig. podium driehoeksmeting. fladderen beven. bibberen staf. moreel. trant conjunctief. wijze. kletteren. driedubbel . wrijven. huiveren knapperen. rillen. uitwrijven adhesie betuigen. verdoen manier. gooien rillen. opmaken. kletteren. stok riet suikerriet staf. opspatten. stuiven dichtslaan barst knapperen. stok toegegeven derde derde aanstrijken. trigonometrie driehoeksmeting. knetteren nuchter aardbeving hommel schacht. aanvoegende wijs indicatief. huiveren. wijze. wijze. aantonende wijs indicatief. trigonometrie trillers maken triljoen verspuiten. knetteren dichtslaan knapperen. aantonende wijs uitzenden. stok staf. applaudisseren aan de scharrel zijn. leiding. trant gemoedstoestand. kletteren. omroepen tribune. trant manier. beven.

omgang. sterk. passend. vast. friemelen. geschikt . getier metro tunnel tuniek tuniek tonijn gal. intekenen blijven dertien verband. getier herrie. aangeboren heester. geducht. kaak zenuw jus. koon. galnoot wang. veranderen Turkije kalkoen Turks Turk alpenweide. aangeboren ingeboren. stalen stugheid. hierheen dozijn. ceremonieel hard het hoofd bieden gepast. plechtig. saus anders maken. temperen. tabakspijp ingeboren. stevig. rel. steekspel toerist toerist toerisme toerist hier. luchtband pijp. rel. betrekking hier. reserveren.trzymać trzymać się z dala od trzymać w rezerwie trzynaście trzystopniowa wymiana komunikató tu tuba tuba elektromagnetyczna tubylca tubylec tuleja tuleja tulić tulipan tułów tumulcie tumult tunel tunel tunice tunika tuńczyk tupecie tupet tupet tupet tura Turcja Turcja turecki Turek turnia turniej turysta turystyczny turystyka turyście tutaj tuzin twardnieć twardość twardy twardy twardy koniec wiersza twardy myślnik twardy orzech do zgryzienia twarz twarzowy morrelen. straf gevestigd. sop. alp toernooi. hecht afgemeten. hardheid hard krachtig. fiks. hierheen binnenband. roerigheid. scharrelen bespreken. twaalftal harden. struik mouw knuffelen tulp boomstam. plantengal. luchtpijp. roerigheid. stam herrie.

jouw het jouwe. materialiseren scheppen. loon. aan jou. rechtvaardig pas. fair. voorlopig tijdelijk kalken. elke week wekelijks. fair. alleen. de jouwe constructie. stilist jou. daarentegen tijdelijk. elke week wekelijks. jijzelf jou. ofschoon.twierdzenie twierdzenie twierdzenie twierdzić twierdzić (bezpodstawnie) twoj tworzenie serwerów WWW tworzyć tworzyć tworzyć tworzyć kopię zapasową tworzyć mozaikę tworzywa twój twój twór twórca twórca v pisać ty ty ty sam tyczka tyczka tydzień tygodnik tygodniowo tygodniowy tygodniówka tygrys tykwa tykwą tylko tylko tylko wstęgi boczne tylko z nazwy tylne światło (samochodu) tylne wejście tylny tył tył kompilatora tym niemniej tymczasem tymczasowy tymczasowy tynk tynkować typ typ źródłowy spil. aanstrijken drukletter drukletter . alleen. componeren verwekken verstoffelijken. materieel je. creëren stoffelijk. verlaten. bouwmeester auteur. je kuil Pool week wekelijks. verzekeren het jouwe. aan je. de jouwe wezen architect. aan je. je uzelf. schrijver. bouw. slechts. inmiddels. verzekeren betuigen. alhoewel intussen. as theologie. elke week gage. bezoldiging. enig achterlicht achterdeur achterhoede achterhoede achterhoede wel. al. salaris tijger kalebas kalebas billijk. hoewel. aanbouw samenstellen. creëren scheppen. aanstrijken kalken. maar billijk. godgeleerdheid stelling. aan jou. enkel. rechtvaardig louter. theorema beweren.

armoede aankleden. verzekering assurantie. verzekeren veilig stellen. omkleden. set. dokument. typisch dwingeland. omkleden. afnemen oor uitgewekene. assureren match. zijerbarmelijk. beslissing bemachtigen. uitspraak. stel ding.typowy tyran tysiąc tysiąc (dolarów tysiąc instrukcji na sekundę Tysiąclecie tysiąclecie tytan tytoń tytuł tytuł szlachecki tytuł własności tytułować u góry ubawić ubezpieczać ubezpieczenia ubezpieczenie ubezpieczenie na życie ubezpieczyć ubezpieczyć ubiegać się o posadę ubierać (się) ubierać się ubijać ubikacja ubiór uboczny ubogi ubój ubóstwo ubrać ubrać ubrać ubranie ubranie ubranie ubranie ubranie (męskie) ubranie cywilne ubywać ucho uchodźca uchwalać uchwała uchwała uchwycić sens uchwyt eigenaardig. akte. stel aankleden. concours een verband omleggen een verband omleggen woordspeling WC. bij-. betitelen bedrijf. vluchteling verordenen. ageren. klink . geweldenaar. set. tiran duizend groots. beklagenswaardig afslachten. hengsel. ver. amuseren. kleren complet. acte. bezig zijn. betitelen adresseren afknotten opvrolijken. kleding ding. grandioos. bekleden kleding. aangrijpen. decreteren doen. stelletje. kleden. tituleren. handelen besluit. verzekering betuigen. tituleren. verzekeren. bekleden kleding. millennium millennium Titan tabak titelen. grijpen oor. stelletje. assureren assurantie. voorwerp verminderen. overweldigend duizend duizendjarig tijdperk. kruk. handvat. slachten gebrek. watercloset een verband omleggen minder belangrijk. voorwerp kleren. onderhouden veilig stellen. verzekering assurantie. verzekeren. stuk titelen. kleden. kleren complet. wedstrijd.

aandoening recipiëren gevoel gewaarwording. klink mijden. gelag festijn. ontgaan ontsnappen. kalm kalmte. zorgen voor. simuleren. ontwikkeld. geprononceerd. persen. mijden. juist. doen alsof aandoen. hogeschool. een beroep doen op knellen. zichzelf respecterend. raak . kruk. smulpartij. doen alsof aanstellerij. onbescheidenheid hameren afrukken. zwaar weglopen. rust. aangrijpen fingeren. feestmaal. verzorgen bezoeken. wegrennen. ontgaan grendelen. hengsel. geleerd toegevend. geregeld bezoeken knap. feestmaal. aandoening instrueren afwennen. eerzaam. rustig. afbreken snedig. ontkomen appelleren. degelijk academie. ontgaan. ontkomen. afleren leren. ontwijken ontwijken. doen alsof voorgeven. emotie. handvat. geleerde festijn.uchwyt powiązania uchwyt środowiska uchylać się uchylać się uchylony uciążliwy uciec uciec uciec ucieczce ucieczka ucieczka uciekać uciekać się uciskać uciskać uciszyć uciszyć się uczcić uczciwy uczelnia uczelnia uczeń uczęszczać uczęszczać uczony uczony uczta ucztować uczucie uczucie uczucie uczucie) uczyć uczyć uczyć się uczyć się uczynny uda udaj udaj udawać udawać udawanie udawanie uderzać uderzać uderzający knippen. plukken. aanleren knap. stilte waardig. scheren. drossen grendelen. inschikkelijk. drukken pers stil. onnatuurlijkheid aanmatiging. ontkomen. ontgaan ontsnappen. geleerd wetenschapper. uit de weg gaan op een kier staand drukkend. meegaand bovenbeen. uit de weg gaan. dij fingeren. afgrendelen ontsnappen. ontwikkeld. bedaard. rustigheid. dringen. voorwenden. deftig eerlijk. simuleren. genootschap college student verplegen. smulpartij. afgrendelen ontsnappen. gelag affect. ontkomen. snoeien oor.

onderdrukken. stuk. opvallen bovenbeen. juist. bocht. geprononceerd. lossen twisten. vereren. geloof vertrouwen. klappen. agonie beklemming. kloppen. interesseren deel. uitlaten. zelfverzekerd baseren. liefkozen. gedeelte bijdrage verloten. fiducie hebben in fiducie. kloppen. doodsstrijd.uderzający kontrast uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie uderzenie serca uderzenie takie j. angst doodsangst. kloppen. tappen. inham. vertrouwen. steunen. het juk opleggen stutten. benauwdheid. opvallen aanhalen. angst smoren. kloppen. golf. grondvesten. boezem aanspannen. schragen laten blijken. inham. schragen verlichten. neerslaan invoer belang inboezemen. opvallen slaan. uderzyć uderzyć zwłaszcza jakimś płaskim przedmiotem udo udostępniać udostępniać udostępniać wspomagać obsługiwać rozpoznawać realizować pomoc techniczna obsługa udostępnić udostępnienia udowadniać udowadniać udowodnić udręczenie udręka udręka udusić udział udział udział udział dyskowy udzielać udzielić udzielić nagany udzielić poufnej informacji ufać ufać komuś/być zwolennikiem czegoś ufność ufność ufny ufundować Uganda ugniatać ugoda uhonorować ujadać ujadanie ujarzmiać ujawniać ujawnić snedig. golf. onderdeel. samenklank huldigen. vergemakkelijken verlichten. fiducie hebben in vertrouwen. disputeren. aaien slaan. loten college geven stortplaats accoord.w. aantonen schuldig bevinden beklemming. funderen Oeganda kneden overeenstemming. belichten stutten. vergemakkelijken loslaten. raak slaan. eren golfspel. dij tentoonstellen. klappen. klappen. fiducie hebben in zelfbewust. opvallen stompen Jan Klaassen aanspannen slaan. krakelen bewijzen. steunen. manifesteren . benauwdheid. klappen. boezem golfspel. bocht. strelen. overeenstemming vertrouwen.

opdagen akkoord. steken pikken. charmant ziehier. bedrieglijk opdraven. jongeheer lul.ujednolicić ujemnie ujemny ujemny ujęcia ujmować w cudzysłów ujmujący ujrzeć ujście ujście ujście danych ujście zdarzeń ukartować ukazać się układ układ układ logiczny odporny na szumy układ komplementarny MOS układ LCDTL niskoprądowy diodowotranzystorowy układ mikroprocesorowy układ RTL układ zerojedynkowy układ żądania i przyznania magistrali układ żądania i przyznania magistrali układać układać układać w stos układance ukłonić się ukłucia ukłucie ukłucie ukłuć ukochana ukochana osoba ukochany ukochona ukończyć ukończyć studia ukośnie ukośnik ukośnik (prawy) ukośny ukradkiem Ukrainiec ukraiński ukraść maken. priemen. lieveling schat. snikkel. ordenen puzzel. accumuleren arrangeren. verdonkeremanen . lief. leuter. ziedaar. muil slinks. liefje. raadsel boog. schuin tersluiks. gediplomeerd scheelzien. prikken. hier. schare circuit logica overeenstemming. maatregel circuit arrangeren. innemend. liefje. troep. lieveling schat. pik. sluiks. bedrijven ontkennend min. arrestatie aanhalen. scheelkijken. liefje schat. cliché aanhouding. opeenhopen. hierzo entree. ordenen ophopen. steken schat. doen. noemen bekoorlijk. citeren. lieverd. vatting akkoord. lief. aanrichten. muil zinken. priemen. samenklank bikken. aanrichten. jongeheer pikken. loensen afkraken afkraken scheef. leuter. ingang. prikken. kijk. liefje. steelsgewijs Oekraïens Oekraïens achteroverdrukken. aan de grond raken bek. volledig afgestudeerd. snikkel. afbikken montuur. pik. lief. lieveling compleet. minus negatief. toog lul. lieveling. toegang bek. maatregel circuit bende.

vergemakkelijken arrangeren. ordenen arrangeren. dierevel. kruisigen matigheid zacht. zachtaardig . verhelen kruisen. pels. zachtmoedig. koesteren. kruisigen bijenkorf bijenkorf floppen. aanrichten. vertroetelen afgezonderd. vacht. pels. tokkelen. paperback. clandestien verbergen. aanpassen. huichelen verborgen. illusie doods. ontveinzen. afzonderlijk breuk. huid verborgen. verhelen veinzen. ordenen drogbeeld. mantel vel. verdekt. mild. koesteren. vertroetelen uitverkoren uitverkoren troetelen. dodelijk doods. clandestien vel. veredelen storm dreef. fractie tentoonstellen. huid verbergen. in het water vallen verbeteren. nijpen sluipen blind jas. belichten verlichten. knijpen. laan steeg straat afstemmen. vacht. ontveinzen. aanrichten. begoocheling. veredelen verbeteren. dodelijk gemeubileerd kruisen. adapteren brochure. verdekt. laan straat straat steeg dreef.ukraść ukraść ukryć ukryć ukryć ukryty ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać ukrywać się ukrzyżować ul ul ulegać awarii ulepszać ulepszyć ulewa ulica ulica ulicą uliczka uliczka uliczka uliczny ulokować ulotka ulotny ultimatum ulubienica ulubieniec ulubieniec ulubiony ulubiony ulubiony ulubiony ułamek ułatwiać ułatwiać ułożyć ułożyć się z wierzycielami ułuda umarli umarły umeblowany umęczyć umiar umiarkowany klemmen. dierevel. ingenaaid boek zwak ultimatum uitverkoren uitverkoren troetelen.

ondervinding bekwaamheid. mentaal vont. plek aanspannen vormsel. contract congres willekeurig. aanneming fixeren. wasgelegenheid ons ons unie vernietigen. onvatbaar. universeel academie. oord. nieuwsgierigheid uniek. annuleren. enig uniek. sober. positie doodgaan. kom wasinrichting. verwoesten. universiteit krankzinnig zijn zweven immuun. arbitrair. lokaal.umiarkowany umiejętności umiejętność umiejętność umiejętny umiejscawiać umiejscowienia umiejscowienie umierać umieszczenia umieścić umieścić umieścić umocnienie umocować umocowany umorzyć (dług) umowa umowa umowa licencyjna umowa obustronna umowny umówione spotkanie umówiony termin umycie umyć sobie włosy umysłowy umywalnia umywalnia uncja uncja (28. bekken. eigenmachtig benoeming. bepalen vasten ontbinden. samenklank akkoord. overlijden. bevestigen. leggen. stand.35 grama) unia unieważniać unieważnić unikać unikalny unikat unikat unikatowy uniważnić uniwersalny uniwersalny system przetwarzania informacji uniwersytecki uniwersytet unosić się unosić się w powietrzu uodporniony nuchter. aanstelling benoeming. enig vernietigen. vernielen algemeen. universeel algemeen. maatregel verbintenis. leggen. resistent . plaatsen ligging houding. washok. afgelasten overeenstemming. verwoesten. curieus. matig belevenis. bezadigd. afgelasten mijden. vernielen ontbinden. kundigheid geschiktheid wetenschappelijk situeren. plaatsen plaats. ervaring. annuleren. vreemd weetgierigheid. vatting situeren. ontwijken typisch. aanstelling wassing het haar wassen geestelijk. uit de weg gaan. sterven montuur. universiteit academie.

halsstarrig. afstemmen. koppig koppig. volmachtigen. uiteenvallen ebvallen. beschaving. bij wijze van. aanmanen. bevinden bakken aandringen aanhouden. hardnekkig halsstarrig. straf koppig. simplificeren cultuur. bevoegdheid. machtiging inkorten. afkorten vereenvoudigen. storten instorten. ceremonieel halsstarrig. teelt. halsstarrig. geest uploaden aflopen. onderdanig. teelt. gedenkschrift bar. streng. hardnekkig afgemeten. bouw tuinieren cultuur. hardnekkig. halsstarrig. voor. waterdruppel vallen. tot kleinmaken. storten afgang inpakken. instelling systematisch machtigen. aansporen aandenken. manen. uitgaan. blijven aandringen het uiterlijk hebben van. als. naasten koppig. deemoedig vermanen. pakken. vaststellen. vaststellen.upadać upadać upadek upadek upadek upadek upakować upał upaństwawiać upaństwowić uparty uparty uparty uparty się upewniać upewniać się upewniać się (<sth> co do czegoś) upewnić się upiec upierać się upierać się upilnować upiorny upiór upload upływać upodobanie upodobanie upokarzać się upokorzenie upokorzyć upominać upominek upominek uporczywa (walka) uporczywy uporczywy uporządkować coś uporządkowanie uporządkowany upoważniać upoważnić upoważnienie upraszczać upraszczać uprawa uprawa drzew uprawa ogrodu druppel. verootmoedigen verootmoediging. bouw . er uitzien afgrijselijk blinde. ineenstorten. hardnekkig. assureren constateren. verpakken gloed. zich verbeelden hoe. afvallen. autoriseren machtigen. beschaving. autoriseren mandaat. verzekeren veilig stellen. hard. vuur nationaliseren. afvallen. blinde bij kaarspel. gedenkschrift aandenken. vernederen. eindigen bedenken. hardnekkig betuigen. vernedering nederig. verzekeren. naasten nationaliseren. bekorten. neervallen. adapteren afstelling. volmachtigen. koppig aanpassen. duchtig. ophouden. plechtig. bevinden constateren. neervallen.

uprawiać uprawiać uprawiać uprawiać autostop uprawiać hazard uprawiać stręczycielstwo uprawiać zapasy uprawiać ziemię uprawnianie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie uprawnienie do zarządzania zadaniami uprawnienie do zmiany uprawnienie publiczne uprawnienie zdolność uprościć uprowadzać uprowadzenia uprowadzenie uprowadzić uprzątać uprząż uprzednio uprzednio uprzedzać uprzedzać (<against sb> do kogoś) uprzedzenia uprzedzenie uprzedzić uprzejmie uprzejmość uprzejmość uprzejmość uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzejmy uprzywilejować uprzywilejowany upust upuść uradowany uradowany Uran uran bebouwen. gezag mandaat. waterdruppel verrukt jubeluranium Uranus . welgemanierd vriendelijk. machtiging autoriteit. bevoegdheid. tuin kampen. betitelen geschiktheid mandaat. kweken mandaat. liefheid beleefdheid. voorkomend bereidwillig. bewerken. machtiging vrijdom. bevoegdheid. vooringenomenheid anticiperen. aardig. genadigheid voorkomendheid. prejudiciëren zachtjes. vooringenomenheid vooroordeel. vlotheid titelen. tituleren. beschaafd. lief. begunstiging. wellevend. fonds dobbelen hof. kweken drillen. opdoeken span al. welgemanierd preferentie. machtiging autoriteit. prejudiciëren vooroordeel. machtiging mandaat. indertijd vooroordeel. voorzichtig gunst. hoffelijkheid voorkomend. prae bevoorrecht. bewerken. eerder. afschaffen. vooringenomenheid anticiperen. bevoegdheid. privilege. vriendelijk wellevend. oefenen geldkist. voorrangsdisconto druppel. alreeds daarvoor. vrijheid. gezag vereenvoudigen. simplificeren ontvoeren ontvoering ontvoering ontvoeren elimineren. alvast. worstelen agrarisch bebouwen. vooraan. bevoegdheid. kas. bereidvaardig beschaafd. reeds.

bevatten. verjaring appelleren. benul. een beroep doen op aantrekkelijkheid aantrekkelijkheid afleidingsmanoeuvre ontzetten. royeren. aanrichten. geboortedag. lanceren. genoeglijk viering fraaiheid. gebruik douanekantoor.uratować uratować uraz uraza urazić uregulować (np. krenken afhandelen. kantoorbediende ambtelijk. aanzetten klif. officieel . behouden blessure. apparaat slaaf idee. innemend. overvloed vruchtbaar geboorte geboorte verjaardag. behouden. vrijaf vakantie vakantie aanbiddelijk. activeren. grenskantoor aanplakken postkantoor arrangeren. ter dood brengen aanzetten tot. klip usance. schoonheid. ontketenen executeren. begrip. affronteren. officieel bediende. verwonding trots beledigen. wond. regelen. bijbehorend. denkbeeld uitrusting. bergen. accommodatie. aanbiddenswaardig bekoorlijk. charmant behaaglijk. ontslaan aanrijden. gewoonte. knapheid onbekrompenheid. kantoorbediende officier ambtelijk. begrijpen bediende. redden redden. afdoen verlof. inrichting. ordenen uitschrijven. rachunek) urlop urlop urlop chorobowy sickness uroczy uroczy uroczy uroczystość uroda urodzaj urodzajny urodzenia urodzenie urodziny urok urok urok urozmaicenia uruchamiać uruchamiać uruchamiać (program) uruchomić uruchomić w tle urwisko urząd celny urząd celny urząd pocztowy urząd pocztowy urządzać urządzać urządzenia pomocnicze urządzenie urządzenie urządzenie peryferyjne urządzenie zakłócające działanie systemów elektronicznych nieprzyjaciela urządzenie zewnętrzne urzeczywistniać urzędnik urzędnik urzędnik państwowy urzędnik stanu cywilnego urzędowy bergen. voorrijden uitschrijven. bijkomend akkoord. maatregel hulpmiddelen. organiseren bijkomstig. inrichting beseffen. kwetsuur.

bevestigen dringend. speurwerk. aanrichten. speurwerk. star. dienst. zoektocht eredienst. stalen karakter. beamen. inrichting grondwet. temperen. rustig. wachten. hulpmiddelen arrangeren. nauwkeurig bepalen onbeweeglijk. dienst. godsdienstoefening courtage te wachten staan. afstand doen . aangegrepen verontschuldigen verontschuldigen wijzigen. stichten determineren. apparaat. ophouden statuut inrichting. muil determineren. matig stil. vast inrichten. matig bedaard. oprichten. instituut. stalen aangedaan. voorleggen server aandachtig. kalm wiegen harden. stil. stichten gesticht. rustig. stichten inrichten. oprichten. constitutie instelling recht statuut stoppen. bescheiden. paragraaf artikel. bescheiden. attent. hulpmiddelen inrichting. oprichten. apparaat. brandend. modificeren bek.usankcjonować usilny usłuchać usługa elektroniczna usługa o najwyższej możliwej jakości usługa uaktualniania sterowników usługa uwierzytelniania usługa zabezpieczenia usługi maklerskie usługiwać usługiwać usługodawca sieciowy usłużny uspokajać uspokoić uspokoić uspokoić uspokoić się usposobienia usposobienie usposobienie usposobiony usprawiedliwiać usprawiedliwić usprawnić usta ustalać ustalać z góry ustalić ustalony ustanawiać ustanowić ustanowić ustanowienie ustanowienie ustawa ustawa ustawać ustawą ustawiać ustawianie ustawić ustawienie. aflaten. afhalen serveren. godsdienstoefening vinger speurtocht. spoedeisend gehoorzamen speurtocht. paragraaf neerleggen. maatregel toegeven kast artikel. aard harden. nauwkeurig bepalen inrichten. układ ustąpić ustęp ustęp (w książce) ustęp w książce ustępował ja zeggen. zoektocht eredienst. geaardheid. kalm gematigd. bedaard. bedanken. ordenen akkoord. oplettend gematigd. temperen.

afschaffen. maatregel verflensen. borrel oor. klink schuld verval schade aanrichten. verwoesten. aanzienlijk getalenteerd. kundig. kaduuk kwalijk. heilig. vernielen gommen. trappen elimineren. bekwaam eminent. schoonmaken. oraal enkel. wegvagen vernietigen. opdoeken uitwissen. breeuwen puntig. schaden havenen. beroerd. wegvagen afneembaar akkoord. handvat. omarmen bemachtigen. sacraal capabel. stuk. verdorren eerbiedigen. dringen. vernielen gemiddeld illumineren. hengsel. luwen mondeling mondeling. afschaffen.ustępował ustnie ustny ustronne (miejsce) ustrój usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć usunąć przekrwienie usunąć usuwanie (z IRC) usunąć zaznaczenie usuń usuwalny usuwanie źródeł zakłóceń radiowych usychać uszanowanie uszczelniać uszczelnić uszczypliwy uszczypnąć uszko uszkodzenie uszkodzenie styku uszkodzić uszkodzić uszkodzony uszkodzony sektor uścisk uścisk uścisk uścisk uścisk dłoni uściskać uścisnąć (rękę) uśmiech uśmiech sieciowy uśmiechać się uśmiercać uśredniać uświadomić uświęcać uświęcony utalentowany utalentowany utalentowany utknąć bekoelen. kwaad omhelzen. verlichten heiligen geheiligd. opdoeken elimineren. bedaren. bloot. regime uitwissen. uitvegen. bederven kapot. knellen vasthaken knuffelen drukken. louter stelsel. spits aperitief. gehavend. uitstekend. kalefateren. beschadigen. knellen glimlachen glimlachen glimlachen vernietigen. persen. respecteren strakker aantrekken. uitvegen. louteren elimineren. persen. verwoesten. defect. hand drukken. opdoeken schoppen. aantrekken kalfateren. afschaffen. grijpen handdruk. dringen. gewijd. slecht. talentvol logeren . met gom bestrijken reinigen. staatsvorm. kruk. kwijnen.

uitlaten. neiging acht. schragen stutten. argumenteren zich gedragen stutten. aandoening aanhechting verafgoden. hinken. standje. aanbidden adoratie. beklemtonen met nadruk zeggen. berechten behoedzaam. blaam bevrijden acht. adoreren. uitgaan. maken. steunen. brok tekst scheppen.utkwiony wzrok utopią utopijny utracić ważność utracony utrapienia utrapienie utrata wydajności utrzymać utrzymywać utrzymywać (coś w ruchu) utrzymywać (stosunki utrzymywanie utrzymywanie się utwardzać utworzyć utworzyć utwór (muzyczny utwór liryczny utwórz utykać utykanie (na nogę) utylizacja uwaga uwaga uwalniać uważać uważać uważający (<of sth> na coś) uważnie uważny uwertura uwerturą uwiązanie uwiązanie uwielbiać uwielbiać uwielbienie uwierzytelnienie uwieść uwięzić uwięzić uwolnić uwolnić uwolnienie uwydatniać uwypuklać uwypuklać staren. voorzichtig aandachtig. aanbidding aanbidding. formeren fragment. turen. opsluiten gevangenis. verlokken. emotie. vervlogen hoofdpijn pest druppel. met aandacht. ontslaan afhelpen loslaten. benadrukken . attentie. steunen. ophouden. betogen. lossen vermeerderen accentueren. argumenteren blijven vertogen. temperen. kerker. stalen samenstellen. mank lopen kreupel lopen. attentie. lust. adoratie geloofsbrief verleiden. oordelen. tappen. utopisch aflopen. componeren doen ontstaan. hinken. aanmerking. schragen harden. attent. creëren kreupel lopen. aanstaren Utopia utopistisch. nor vrijstellen. aandacht beoordelen. aandacht berisping. waterdruppel vertogen. oplettend ouverture ouverture affect. kwijt. aanvechting. mank lopen zin. weglokken gevangen zetten. eindigen verloren. betogen. attent aandachtig.

star. onpartijdig aanaarden agnosceren. beoefenen . overeenstemming handdruk. borg staan voor bedwingen. hand accoord. buit maken verkrijgen. buit maken longtering. begaafdheid. klem afhankelijkheid verontschuldigen garanderen. hand in orde. aanwerven uitbuiten. bij acclamatie benoemen eerbetoon. uitmelken gebruiker gebruiker betrachten. vast aanaarden aanaarden aanaarden aarding. huren. aanleg talent. grond. eerbetuiging erkenning compleet. overweldigen. usurperen verkrijgen. overeenstemming handdruk. bij acclamatie benoemen toejuichen. geloven. exploiteren. als waarheid aannemen laten. aardleiding achtergrond. ondergrond neutraal. afzijdig. afgesproken. bodem. tering. aanleg bekwaam. laten schieten menen. laten begaan. volledig aanvullend kraken. gave. akkoord onbeweeglijk. kundig het eens zijn. capabel. nuttig behulpzaam. hulpvaardig aannemen. betomen talent.uwypuklać wzmagać uwypuklenie uzależnienia uzasadniać uzasadniać uzdą uzdolnienia uzdolnienie uzdolniony uzgadniać uzgadniać uzgadnianie uzgodnić uzgodnienia uzgodnienie uzgodnienie włączania i wyłączania uzgodniony uzgodniony uziemiać uziemienia uziemienie uziemienie uziemienie uziemiony uziom uznać uznaj uznaj uznaj uznania uznanie uznanie uznanie uzupełniać uzupełniający uzurpował uzyskać uzyskiwać użycie użycie użyteczność użyteczny użyteczny rozmiar ekranu: 13 użytek użytkować użytkownik użytkownik zaawansowany używać vermeerderen nadruk. akkoord opnemen. dienstig. afgesproken. houden voor toejuichen. toepassing utility bevorderlijk. gave. beteugelen. afboeken accoord. begaafdheid. tuberculose aanwending. als waarheid aannemen agnosceren. overeenstemmen in orde.

overheen. afgelopen. rechtsom voorspeler. dons tegenwoordig tegenwoordig op. toepassing tweedehands gaan. naar boven boven boven omhoog. dons waas. huiskamer. tegen. nesthaar. toepassing aannemen. krocht. verlaten. geblokt geruit. grot. heel drachtig. voor.używać używać powtórnie używać życia używany używany do tworzenia czasu przyszłego użyźniać v V (<spill v całować (się) v leżeć v przycinać (drzewa v zaopatrywać verbum verte w w (pewnych) granicach w biedzie w budowie w charakterze w czasie w dobrym guście w domu w dół w dużej mierze w dużym stopniu w gniewie w gotowości w górę w górę i w dół w górze w każdym wypadku w każdym wypadku w kierunku obrotu wskazówek zegara w kierunku przeciwnym do obrotów wskazówek zegara w końcu w kraju i za granicą w kropki w którym w którym najwięcej się przebywa w lombardzie w napięciu w plamy/cętki w płomieniach w płomieniach w pobliżu w połowie drogi w porównaniu z aanwending. opwaarts. totaliter. nesthaar. enig over. naar boven. bemesten. okee . afgewerkt. omhoog. woonkamer archief op bed hiervandaan. vanhier gloeiend. opeenhopen morsen zoenen. bezorging werkwoord klaar. aanwerven aanwending. ineen volkomen. tot. in omloop hiernaast. aan de overkant van goed. bij. daarnaast louter. ernaast. tezamen. te. hol. geblokt spelonk. ophopen. mesten accumuleren. huren. vurig. opwaarts omhoog. zullen gieren. op. alleen. in. okay. binnen feeëriek samen. naar met de klok mee. beëindigd per. bijeen. verzendend circulerend. kussen rusten snoeien aanvoer. rechtsom aan. holte zitkamer. op. opwaarts. naar boven met de klok mee. zwanger aanhangig ander waas. verterend. aanvaller geruit.

in. wegen. binnen verlokken. in. lokaas aanwakkeren. een stuk of. derhalve. binnen per. schaduwzijde. metterdaad. binnen in. aanvuren. zodoende inderdaad. te. bang zinnebeeld. binnen. te. vandehands ander ongeveer. dus. bestelwagen wagon. waarachtig lafhartig. in. te. minpunt schuld nadeel. zodoende hierbij intussen. auto affuit bestelauto. inmiddels. inbegrepen. incluis bijgevolg. rugwaarts achteruit. symbool van middelbare leeftijd per. weglokken. daarentegen per. balans. inmiddels. minpunt schuld nadeel. afwegen gewicht saldo. boosaardig. achterwaarts. haperen. te. per per. minpunt uitvallen. aanzetten nadeel. waag het gewicht bepalen. stuk gaan kwaadaardig. spoorwagen bagagewagen . schaduwzijde. rugwaarts inclusief. aanlokkelijk lokken aas. in. achterwaarts. verleiden lekker. laf. derhalve. schaduwzijde. hatelijk wafeltje weegschaal. dus.w międzyczasie w żadnym wypadku w żałobie wabić wabić wabić wabik wachlarz wada wada wada w zabezpieczeniach wada wymowy również jąkanie wadą wadliwe działanie wadliwy wafel waga waga waga waga półciężka (w boksie) waga półciężka (w boksie) wagon wagon wagon wagon (towarowy) wagon bagażowy rechter-. circa bijgevolg. binnen iets achteruit. te. overschot gewicht automobiel.w potrzebie w przeciwieństwie do w przybliżeniu w razie uszkodzenia niektórych elementów) w rzeczywistości w stosunku do w strachu w systemie AutoCAD w środku w tej chwili w twoim wieku w tyle w tym celu w wielu wypadkach w wyniku w zwrocie <with arms akimbo> podparłszy się pod boki w zwrocie <without demur> bez sprzeciwu w zwrocie: <in the meantime> w międzyczasie w zwrocie: <in the meantime> . daarentegen intussen.

aarzeling geschommel. straatschender vanille vanille bad. wal. handkoffer. cilinder flink. badkuip bak. spartelen. handkoffer. waterkering bastion.wagon sypialny wagon towarowy wagonik wahać się wahać się wahać się (w podjęciu decyzji) wahania wahanie się wakacje wakacje (ferie) walc walce walczyć walec waleczny walet Walia walić głową w mur Walijczyk walijski walizce walizka walka walka wręcz walka wręcz waluta Wał wał obronny wał ochronny wał ochronny wałek do włosów wandal wanilia wanilią wanna wanna wapno wapno palone war warcaby warcie warczeć wardze warga wariant wariantowy (typ danych) wariat warknąć warkocz slaaprijtuig. dijk loopgraaf rol. valuta dijk. sputteren. kuip kalk kalk gloed. koffer strijden. pakken worstelen. krankzinnige kankeren. schoorvoeten. zich aftobben strijden. vrijaf wals worstelen. kampen. morren vlechten . tobbe. dubben zweven aarzelen. kleiner worden. dubben geweifel. ferm vijzel. strijd voeren rol. morren lip lip dalen. dapper. mopperen. bolwerk. braaf. strijd voeren beetnemen. spoorwagen trolley. gek. schoorvoeten. hapering. gehalte kankeren. sputteren. teil. mopperen. zich aftobben muntsoort. koffer valies. beugel aarzelen. cilinder vandaal. eerlijk. krik Wales dichtslaan Welshman Wels valies. omwalling waterkering. schommeling vakantie verlof. afnemen bezetene. kampen. spartelen. slaapwagen wagon. beetpakken. dommekracht. vuur damspel waarde.

waar bewaken. clausule. bepaling conditie. de wacht hebben. vakterm verzekeren. kom vaas. toekomen. pul libel. zaak werkplaats waarde. overjas aardlaag aardlaag dikte. bepaling bevoegdheid. bewaren gezwind. lauwer vont. punt. waterjuffer.warkocz warstwa warstwa warstwa zubożona warstwą warszat programisty środowisko robocze Warszawa warsztacie warsztat warsztat wart wart warta wartki wartościowa cecha wartościowy wartościowy wartość wartość wartość skuteczna wartość systemowa wartość wyjściowa wartość znamionowa wartość źródłowa porządku wartownik warunek warunek warunek warunek warunek wstępny (konieczny) warunek wystąpienia błędu warunek wyszukiwania warunek złożony warunkować wasoryt wasz wasz wat wat wata watolina watroba wawrzyn waza wazelina wazon wazon ważce vlechten jas. verdienen waarde. gehalte waarde. beweren voorwaarde. waardevol overschatten. bepaling conditie. bekken. tip. vraag. ezel. gehalte waardig. voorwaarde. bank. kom vaseline vont. wacht conditie. bok winkel. voorwaarde. de jouwe watt watt watten watten lever laurier. buit. pot. lijvigheid rek. bok Warschau rek. gehalte schildwacht. jouw het jouwe. aanwinst zeldzaam kostbaar. neus. juffertje . top. overwaarderen waarde. schraag. bepaling ets je. voorwaarde. schraag. acquisitie. kwalificatie kwestie. bekken. vat. piek waard zijn. gauw. haastig. bank. ezel. spoedig. gehalte gemiddeld spits. eerzaam. snel prooi. clausule. bepaling voorwaarde. navraag term.

kanaal. zbiór przeszukiwanych informacji) wąsy wątek wątek zablokowany wątły wątpić wątpliwość wątpliwy wątpliwy wątroba wąż wąż WC wcale iać wchłaniać wchłaniający wchłanianie wchodzić (na statek wchodzić na pokład wciągać na listę wciągnąć w zasadzkę wciąż wciąż wciąż wciąży wcięcie wciskać kit wczasy wczesny wczesny wczesny rozwój talentów wcześnie wcześniejszy wczoraj wczoraj wieczorem wczorajszy dzień libel. belangrijk. nauw. geur. vroeg vroegtijdig. in dubio staan dubben. opslorpen. garen zwak. kanaal. voornaam gangbaar. bijster in beslag nemen. absorberen absorberend absorptie. in dubio staan discutabel. geldig. pril. immer. nauw. dubieus aanvechtbaar. meermaals nog drachtig. watercloset erg. pril. opslorping aanklampen. geldend.ważka ważki ważność ważny ważny ważny (posiadający moc prawną) ważyć wąchać wąs wąski wąski wąski zawęzić (np. zwanger inspringen doen toekomen. voorgaand gisteren gisteren gisteren . twijfelen. straat snor. zich vastklampen aan aanklampen. vigerend stoffelijk. jeugd vroegtijdig. geldend. materieel het gewicht bepalen. nauw zeeëngte. verleden. ernstig. juffertje gangbaar. bekrompen. pril. geldig. een lijst maken een hinderlaag leggen altijd. vroeg jeugdigheid. sturen. opsturen snipperdag. rustdag vroegtijdig. knevel smal. luchtje. twijfelen. vigerend relevantie erg. licht dubben. krap. vakantiedag. steeds herhaaldelijk. straat zeeëngte. zich vastklampen aan uitlisten. knevel draad. wegen. afwegen reuk. garen draad. vroeg voorafgaand. betwistbaar lever slang slang WC. eng. waterjuffer. twijfelachtig. lucht snor.

dankbaarheid gracieus. tappen. bezielen. overdoen aanwakkeren. binnendringen. overhellen. toegang aanmelding invoer invoer uitgeven. toegang naar beneden gaan. ingang.wdowa wdowca wdowiec wdychać wdychać wdzięczność wdzięczność wdzięczny wdzięczny wdzięk wdzięk wdzięk według według stałych kursów walut wedrzeć się wegetariański wejścia wejścia wejścia wejście wejście wejście wejście wejście radaru dalekiego zasięgu wejście z klawiatury wejście zegarowe wejście zerowe wejście/wyjście danych wejście/wyjście danych wejść wejść w życie weksel welon wełna wełną wenecjanin wentyl wentylator wentylator Wenus weranda werandą werandą werbować werbował werdykcie werdykt wersja weduwe weduwnaar weduwnaar ophalen. ingang. erkentelijk sierlijkheid Gratie sierlijkheid sedert. toegang aanmelding deuropening entree. aflopen veranda dienst nemen dienst nemen judicium. inboezemen erkenning erkentelijkheid. sluieren wollen wollen Venetiaans verhandelen. bevallig. aanzetten ventilator. vonnis uitvoering. insteken. vanaf uur doordringen. met ingang van. sierlijk dankbaar. ingang. inademen inspireren. aanvuren. doorstoten vegetarisch deuropening entree. uitspraak. wan Venus veranda buigen. steken wissel. uitspraak. sententie. afdalen indoen. vonnis judicium. cambio omsluieren. sententie. versie . hellen. emitteren invoer aanmelding deuropening entree.

rondtrekken. trekkend. migrerend rondreizen. westen westen westers. binnenlands. verkorting op smaak brengen. goedgehumeurd snaaks. trekken rondtrekkend. rondreizen rondreizen. inheems. monter goedgeluimd. oudgediende dierenarts per. binnenste binnenste. exploot. binnenlands. tarten. houtskool . kreunen zuchten. assignatie dagvaarding. in. westelijk luis veteraan. assignatie trotseren. trekken. kruiden aroma. binnen binnen. rondtrekken. bruiloft lustig. checken. binnenlands. vies ruiken trekken. guitig. inlands intern. rondreizen rondtrekken. te per. geur uitvoering. dartel zuchten. rondtrekken. in. intern binnenste. aflezen controleren. rondreizen rondreizen. checken. versie controleren. te binnenlands. te. in. uittarten stinken. trekken. goedgehumeurd keurig. rondtrekken. Westers. kreunen west west. per. monter goedgeluimd. te. in. uitdagen. inwendige binnenste. steenkool dovekool. exploot. trekken rondtrekken. intern aanplakken Io Io dagvaarding.wersja o średniej szybkości wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza wersja zapoznawcza weryfikować weryfikował wesele wesoły wesoły wesoły wesoły wesoły westchienie westchnąć westchnienie western western western western wesz weteran weterynarz wewnątrz wewnątrz wewnątrz ośrodka wewnątrz siedziby wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny wewnętrzny test po włączeniu wewnętrzny test po włączeniu wewy odwzorowane w pamięci we-wy odwzorowane w pamięci wezwania wezwanie wezwanie (sygnał zmuszający do ujawnienia tożsamości) węch wędrować wędrować wędrować wędrował wędrowiec wędrownik wędrówka węgiel węgiel drzewny afkorting. per. binnen binnen. kreunen zuchten. aflezen bruiloftsfeest. vrolijk. trekken kool. schelmachtig.

band. fiducie. nieuwtje woord. olm inbinden. boodschap bericht. reep. strook. spoelen op een klos winden. klos. fiducie. vertrouwen authentiek. knoest. windsel . nieuwigheid. klap nieuws. een knoop leggen mysterieus. slag. grijpen. winden. een knoop leggen aansluiting gastheer knopen. windsel strip. spoelen luchtdrukgeweer iep. echt. knooppunt knopen. flap. nieuwtje bericht. een knoop leggen knopen. waar op een klos winden. onvervalst. nieuwigheid. mep. vertrouwen overtuiging geloof.Węgier węgierski węgorz Węgry węzeł węzeł węzeł węzeł (graficzny na krzywej składanej) węzeł (sieci) wierzchołek (grafu) węzeł (także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę) węzeł graficzny na krzywej składanej węzeł kolejowy węzeł o wielu podłączeniach węzeł także jako jednostka szybkości: mila morska na godzinę węzłowaty wężownica whisky whisky whisky słodowa wiać wiadomości wiadomość wiadomość wiadomość wiadomość dnia wiadomość itp. binden stropdas.) wiadomość jawna wiadomość odbita Wiadro wiadro na węgiel wiadro na węgiel wiara wiara wiarą wiarą wiarygodny wiatr wiatr północnozachodni wiatr północno-zachodni wiatrówka wiąz wiązać wiązać wiązać koniec z końcem wiązanie wiązanie walencyjne Hongaars Hongaars aal. bobine whisky whisky mout houw. winden. een knoop leggen geleding. aangrijpen strip. strook. band. winden. boodschap nieuws. geheimzinnig spoel. boodschap bericht. paling Hongarije hoek knopen. das knopen. boodschap communiqué emmer emmer emmer overtuiging geloof. reep. bewoording bericht. das bemachtigen. een knoop leggen stropdas. knoop. spoelen op een klos winden.

windsel vibratie. vork kruis. wis. gehoor. kunde . buitenwaarts onderzoeken. trilling trillen. vizier gezicht. ondervoorzitter kruis. wis. trilling vibratie. schouwspel toehoorders. visioen. nakijken. vibreren trillen. pand. blijkbaar klaarblijkelijk. auditorium geslacht. reep. vork kim. naar het schijnt aanwijsbaar. vork kruis. mutsaard straal. chrustu) wiązka elektronów wiązka światłowodowa wiążący wibracja wibracją wibrować wibrował wice wiceprezes wiceprezydent widelec widełki widły widnokrąg widocznie widocznie widocznie widoczny widoczny widoczny dostępny widok widok widok widokówka widowisk widowiska widowisko historyczne widownia widownia (w teatrze) widz widzenie widzieć widzieć się widzowie wieczne pióro wieczność wieczność wieczny wieczór wieczór Wiedeń wiedeński wiedza bos. auditorium vulpen eeuwigheid onvergankelijkheid. huis toeschouwer gezicht. schouwspel spektakel. bos mutserd. vibreren subsidiair. spaak bos. gehoor. horizon. zoeker. bundel bos. examineren richtmiddel. brandstapel. kijkspel. brandstapel. strook. gezichtseinder klaarblijkelijk. vertoonbaar zichtbaar naar buiten. ondervoorzitter vice-president. duidelijk. duidelijk in schijn. aantreffen interviewen toehoorders. mutsaard mutserd. visioen. wis. eeuwigheid eeuwig avond nacht Wenen Weens bekendheid. wis. band. bundel bundel. kennis. blijkbaar. bundel strip. droombeeld briefkaart bril spektakel. plaatsvervangend vice-president. kijkspel. droombeeld ontmoeten.wiązanka wiązka wiązka wiązka wiązka (np. eruit.

dus. slingerkrans grip. flauw aanboren boren juist. gegrond accuratesse. bekend zijn met kol. stiptheid. heks ergo. gelijk hebbend. nauwgezetheid . slingerkrans varkensvlees varkensvlees dom. bestek. edel hoeveelheid. excellent. kostelijk groots. boel. vrijster. guirlande. onnozel. kameel kavel. ouderdom oud bewonderaarster. grootheid omvang. ouderdom eeuw leeftijd. veel. kronen slinger. geliefde. toch landelijk. banderol veelvoud walvis multitasking bekronen. aanbidster vriendin. toverheks. adhesie slinger.wiedzą wiedzieć wiedźma wieę wiejski wiek wiek wiek dojrzewania wiekowy wielbiciel wielbiciel wielbiciel wielbiciel corridy wielbłąd wiele wiele wiele Wielkanoc wielki wielki stopień scalenia wielki stopień scalenia wielkoduszny wielkość wielkość wielkość wejściowa równoważna szumom wielkość wyjściowa wielokrotnie wielokrotność multiplexer wielokrotny wielokrotny strumień rozkazów wielokrotny strumień danych wielonarodowy wielopak wieloraki wieloryb wielozadaniowość wieniec wieniec wieność (zasadom) wieńca wieprzowina wieprzowiną wiercenie wiercić wiercić się wierna (kopia) wierność (odtwarzania) bekendheid. vele veel Pasen tof. guirlande. boers leeftijd. omvang herhaaldelijk. ook weer. grootte omvang. bestek. perceel menig. bestek. vereerster kemel. kennis. kunde kennen. tiptop. minnares bewonderaarster. tovenares. vereerster vereerster. wikkel. sterkte. grandioos. grootte grootte. simpel. meermaals veelvoud veelvoud veelvoud multinationaal kruisband. overweldigend groot nobel.

kerker gevangenis. kerker. aangeven. dus. tip. constant. nor nor.. więdnąć większość więzienia więzienia więzienie więzienie więzienie więzień więź więź więź więź enie więźienie bestendig. couplet rijmen. toch. trilgras zefier eekhoorn eekhoorn aanreiken. spits geleding. gevangenis gevangenis. meerderjarigheid gevangenis. kerker. plattelander frisse lucht toewaaien. snoer. band nor. kerker. blank strofe. wannen. afdragen toren toren toren ergo. dus meer meer vervagen meerderheid. gevangenis . zetten stropdas. knooppunt overtuiging houden voor. blanco. knoop. ook weer. landman.. sim. oningevuld. berijmen boren wilg wilg bovenste piek. das binding. toch ergo. gestaag trouw. neus.wierny wierny wiersz wiersz wiersz wiersz na minutę wiersz zależny wierszyk wiertarka wierzba wierzbą wierzch wierzch górny wierzchołek Wierzenie wierzyć wieszać wieś wieś wieśniak wieśniak wietrzyć wietrzyk wietrzyk wiewiórce wiewiórka wieźć wieża wieża metalowa wieża strzelista więc więc więcej więcej informacji na ten temat można znaleźć w. knoest. punt. open veld plaats. geloven hangen platteland. nor nor. landman boer. nor. ook weer. plattelander. waaien bries. getrouw vislijn. couplet wit. top. kerker. menen. dorp boer. hengelsnoer roeien strofe. gevangenis gevangene aanhechting monteren. kerker.

xeres druif wijnstok. roeiriem. toeschrijven. kolken hardloper spinnen warrelen. door het water plassen riem. toeschrijven. roeiriem. kolken virtueel . opwellen. lemmet bikken. roeispaan peddelen. wingerd wijngaard. roeiriem. roeren. roeispaan kling. ontspringen lente. buurtschap riem. violoncel vlek. dwarrelen. gehucht. aanslag vochtig vochtig nat wolf buitenverblijf. lemmer. gehucht. bevochtigen condens. landhuis schuld schuld aanrekenen. door het water plassen vlek. toedichten schuldig wijngaard wijngaard schuldig wijn sherry. cel.wigor wij wikary wilczur wilgoć wilgoć wilgoć wilgotny wilgotny wilgotny wilk willa wina wina winą winą winda winić winien winnica winnicą winny wino wino hiszpańskie winogrono winorośl winorośl winowajca wiolonczela wiosce wiosełko wioska wiosło wiosło wiosłować wiosłować wiosna wiosna wiosna wioślarz Wiór wiór wir wir (efekt graficzny) wirnik wirować wirowania wirtualny sap duizendpoot pastoor Elzassisch vochtig vochtig maken. toedichten schuld lift aanrekenen. dwarrelen. buurtschap peddelen. voorjaar riem. roeispaan peddelen. buiten. wijnberg schuldige. omroeren warrelen. dader cello. door het water plassen springen opborrelen. afbikken doorroeren. wervelen. wervelen.

steken. omtrent. droombeeld gezicht. heerschappij. inbegrepen. affix visum visum afbeelding. afgaan. te. meester worden liniaal oppermachtig. foedraal ingevallen. in bewaring geven invoer insteken. afgaan.. daadwerkelijk virus virus hangen whist whist kers groeten. soeverein. visioen. inhouden. effectief. indoen insteken. om ronde dra. kloppen. plaat uitzicht gezicht. droombeeld visum zichtbaar bezoeken. steken.wirtualny terminal sieciowy wirus wirus utajniony wisieć wist (gra w karty) wist gra w karty wiśnia witać witać witalny witamina wiwatować wiza wizą wizerunek wizja wizja wizja na fali ciągłej wizować wizualny wizycie wizyta wizyta (na stronie WWW) wizyta powtórna wizyta próbna wizytator wizytator wkleić wkleić wklęsłość wklęsły wklęsły wkład wkład wkład wkładce wkładka wkoło wkoło wkrótce wlec wliczając w to wliczyć władać władca władca władca władca werkelijk. schede. ongeveer. haast. gauw. afgaan. indoen om . spoedig trekken inclusief. per aanplakken houder. begroeten feestelijk inhalen vitaal vitamine aanhechtsel. houwen. incluis bevatten. ingevallen bijdrage afgeven. opzoeken slaan. afgaan. behelzen bestuur. visioen. hol hol. klappen bezoeken. opzoeken inspecteur bezoeker in. opzoeken bezoeken. opzoeken bezoeken. heen. prent. binnen. alras. deponeren. bewind lord onder de knie krijgen. oppermachtig ..

attribuut landgoed. radicaal nestelen. bezitting eigendom. boerderij. gezag heerschappij. trekken vezel vezel zaadkorrel. inbegrepen smeden uzelf. attribuut landgoed. haar blond zwerver. geschikt. bezitten. doelmatig rechter-. een nest maken incluis. kreek . ruigharig Italië haardos. nauwgezet. haar Italiaans haardos. foedraal. bezit landgoed. delegatie inbreker handwerk bezitting. waarachtig een klein beetje. jijzelf Italiaans harig. mogendheid autoriteit. rondtrekken. bezitting bijvoeglijke bepaling. metterdaad. boerderij. vagebond rondreizen. macht. vandehands precies. eigendom. pit. hebbelijkheid eigenschap adequaat. ietwat bijvoeglijke bepaling. boerderij. accuraat grondig. ruig. erop nahouden eigenaar schede.władza władza władza kierownicza władzy) włamywacz własne dzieło własność własność domkniętości własność gwiazdy własność obiektu własność otaczająca własny własny właściciel właściciel ziemski właściciel ziemski właściciel ziemski właściwie właściwie właściwość właściwość właściwość charakterystyka właściwość obiektu właściwy właściwy właściwy właśnie właśnie włączać grupa włącznie włączyć włąsnoręcznie Włoch włochaty Włochy włos włoski włosy włosy blond włóczędze włóczęga włóczyć się włókno włókno włókno włókno żarówki katoda bezpośrednio żarzona wnęka autoriteit. eigendomsrecht usance. gebruik rijk zijn. inham. stranden baai. vagebond zwerver. lichtelijk. inclusief. gewoonte. bezitting aanwensel. gezag afvaardiging. houder eigenaar chaperonneren inderdaad. korrel aan de grond lopen. bijbehorend gemakkelijk.

helder. voorbijgaand gevolgtrekking. mening deduceren. heen. wier waterval uitschrijven. verzoeken onderstelling. aanvragen. in. doorstoten guurheid. krijg gouvernement gouvernement oorlog. zeewier zeewier. om uiterste wil.. wereld heerschaar. inwendige bijdragen doordringen. binnen binnenste.. ontketenen oorlog. leger. om om . acuut. krijg civiel aardrijk. hypothese. wier.. kleinzoon water water water Waterman Waterman waterwater alge. binnendringen. te. heen. uitholling. gevolgtrekking bijdragen kleindochter kleindochter kleinkind. verbond. afleiden. inroepen. schelheid. afleiden. testament volt . lanceren. alge. omtrent.wnęka wnęka na moduły wnęka napędów wnęka wstąpienie wnętrze wnętrze wnieść udział wnikać wnikliwość wnikliwy wniosek wniosek wniosek wniosek wnioskować wnioskować wnioskowanie wnioskowanie wniosek wnosić udział wnuczce wnuczka wnuk woda woda utleniona wodą Wodnik Wodnik (znak zodiaku) wodny wodny wodorost wodorosty wodospad wodować (statek) wodować statek wojenny województwa województwo wojna wojna domowa Wojna Światowa wojsko wojsko wojskowość wojskowy wokoło wokół wola wolcie hol. lanceren. uiteinde vragen.. gevolgtrekking conclusie. conclusie uitgang. concluderen conclusie. ontketenen uitschrijven. abstraheren besluiten. ongeveer. omtrent. legermacht troep militair militair om . holte zak nis pauze. ongeveer. rust per. felheid scherp.

royeren bijenwas schoensmeer. heten. schoencrème schoensmeer. zachtjes. langzaam kramp. betrekken. open volt geluidssterkte. de voorkeur geven aan bestek. afdracht aandoen. turen. inhoud. open. ruimte op zijn gemak. vlotheid onbezet. uitmaken voor klapstuk. karretje trolley. besturen. rund stinkend geur. volume geluidssterkte. commandant aanvoerder. vrachtwagen doortrekken. leeg. rundvlees koe. los. steken drukletter geschrift. dirigeren. aanstaren indoen. onbelemmerd ontzien. schriftuur verwarren. haakje. vrijheid. benoemen. aroma tas. auto affuit affuit kar. verstrikken afbetaling transfer. beugel vrachtauto. toch automobiel. onbezet. wereldruim. klamp. dus. baas. los. nietje vrijdom. inhoud. speling. truck. vlot. mennen ook weer. verstrikken verwarren. vlot. gebieder. onbelemmerd vrij.woleć wolna przestrzeń wolno wolnonośny wolność wolny wolny wolny od cła wolny od cła wolny od podatków wolny od podatków wolt wolumen wolumin wołać wołowina wołowiną wołowy wonny woń worek worek wosk wosk wosk pszczeli woskować wozić wódka wódz wódz (plemienia) wół wówczas wóz wóz wózek wózek wózek wózek inwalidzki wpajać wpatrywać się wpisać wpisywać wpisywanie wplątać wplątywać (kogoś w coś) wpłata wpłata wpływ prefereren. ontslaan. schoencrème schoensmeer. handkar. chef richten. voorhebben. schoencrème dragen. insteken. open. betrekken. sparen immuun. ergo. brengen wodka aanvoerder. rundvlees klapstuk. zak ontzetten. aangrijpen . volume noemen. verzadigen staren. voeren. onvatbaar. wagen. resistent langzaam onbezet.

slingeren aandoen. ontvankelijk verstandig gevoelig. zwieren. leveren. gevoelig. bevreemden. steken aanspannen uitvoeren. receptief gunning. voorbode. krijs gillen. vijandigheid bonte kraai. herfstmaand gil. indruk receptief. per saldo afleveren. ophef. presenteren. doorvoeren toegegeven verwonderen. eerder. vooraan. reproduceren. leven. indienen begoochelen. blèren. illusies wekken bij indoen. verbazen functioneren. rumoer spoel op het kookpunt zijn. voorteken gil. introductie indoen. borrelen. effect effect. animositeit. brullen lawaai. krijs . aangrijpen aanwenden. indertijd uitvoeren. insteken. introductie inleiding. vijandig vijandschap. herrie. ontvankelijk. bestellen aangeboren. ingeboren aangeboren. kraai draaihek haven mus hergeven. indienen klapstuk. koken september. aanbesteding eindelijk. ten slotte. presenteren. bulderen. teruggeven vijand teken. zwaaien.wpływ na wydajność (zwykle ujemny) wpływać wpływać wpływać na wprawa wprawdzie wprawiać w zdumienie wprawić w ruch wprawić w zakłopotanie wprost wprowadzać wprowadzać w błąd wprowadzać w błąd wprowadzenie wprowadzenie na urząd wprowadzenie w życie realizacja wprowadzić wprowadzić wprowadzić w życie wrażenia wrażenie wrażenie wrażliwy wrażliwy wrażliwy wrażliwy wreszcie wręczać wrodzony wrodzony wrodzony wrodzony wrogi wrogość wrona wrota wrota wróbel wrócić wróg wróżba wrzask wrzask wrzawa wrzeciono wrzeć wrzesień wrzeszczeć invloed hebben op. het doen in verlegenheid brengen daarvoor. schreeuw. sensatie indruk. ingeboren ingeboren natuurlijk vijandelijk. insteken. steken inleiding. schreeuw. beïnvloeden invloed hebben op. introductie inleiding. beïnvloeden zwiepen.

aanwijzen. oostelijk oosters. vlag spitsroede. bijstaan pleitbezorger. genereus. gul. edelmoedig bewonderenswaardig groot beroemd. voorteken. stokje. heide onderbinden Moriaan. teken raadzaam aanreiken. overhandigen zinspelen voorbode. scheep gaan aan boord gaan. goedgeefs grootmoedig. oosten zonsopgang aan boord gaan. grandioos. dophei heideveld. schaal oosten oriënt oriënt. mennen aanwijzend voornaamwoord aangeven. oostelijk oosten oriënt oriënt. vereenzelvigen voorbode. Moor aanbinden. grandioos. oosten oosters. vaan. dirigeren. groots helpen. assisteren. etterbuil zweer uploaden schild. aanduiden dundoek.wrześien wrzos wrzosowiska wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzosowisko wrzód wrzód wrzucić(np. plik na serwer) wsadowy interpreter poleceń wschodni wschodni wschodni wschodni wschodni wschód wschód wschód wschód wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód (strona świata) wschód słońca wsiadać wsiadać (załadowywać) na statek (lub samolot) wskazać wskazanie wskazany wskazówka wskazówka wskazówka projektowa wskazówki(informacje o zmniejszaniu wagi czcionki) wskazujący wskazywać wskaźnik ruchu wskaźnik stosu wspaniałomyślny wspaniałomyślny wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspaniały wspierać wspierać się september. glorierijk. voorteken. abces. rugschild. roede royaal. meren Mauretaniër ettergezwel. herfstmaand dopheide. overweldigend overweldigend. glorieus groots. gard. inwerken oosten oriënt oriënt. oosten oriënteren. richten. teken besturen. verdediger . advocaat. scheep gaan identificeren.

verhouding. kornuit. buit. geleding. reikhalzen meevoelen sympathiek. gelid. nietje vertroosten. herinnering kramp. onderling algemeen. medelijden erbarmen. wedijveren. medeplichtige bijkomstig. zielsverwant proportie. haakje. lint band. innemend. hunkeren. nietje mededader. onthouden. kameraad. echtgenote. prooi band. concurreren insteken. man. indoen aanwinst. bergbeklimming. genootschap. lint achterover . acquest. troosten kramp. lid. indoen insteken. gemeenschap bond. noemen. bijkomend mededader. mededogen. alpensport klimmen. bijkomend mededader. zetting alpinisme. indoen insteken. klamp. meewerken zich aaneensluiten. tegenwoordig erbarmen. gedenken geheugen. heugenis. steken. liefheid samenwerken. onthouden. aansluiten maat. bijbehorend. gemeenschappelijk gewricht. bijbehorend. mededogen. deelneming verlangen. haakje. wederzijds. klamp. medelijden medegevoel. steken. vermelden zich herinneren. gemeenschappelijk actueel. aansluiten gemeente. medeplichtige wedijver wedijver meedingen.wspinaczce wspinaczka górska wspinać się wspominać wspominać wspominać wspomnienia wspornik wspornik montażowy wspornikowy wspólnik wspólnik wspólnota brytyjska wspólny wspólny wspólny wspólny współbieżny częsty powszechny współczesny współczucia współczucie współczucie współczuć współczuć komuś współczujący współczynnik współczynnik dobroci współdziałać współdziałać współmałżonek współpraca współpracować współpracownik współpracownik współsprawca współsprawca współwinny współwinny współzawodnictwa współzawodnictwo współzawodniczyć wstaw wstawiać wstawić wstąpienie (np. medeplichtige zich aaneensluiten. evenredigheid voorkomendheid. na tron) wstążce wstążka wstecz montage. knoop wederkerig. echtgenoot bijdrage samenwerken. samenwerken eega. meewerken meewerken. klauteren gewag maken van. steken. associatie algemeen. makker bijkomstig. gedenken zich herinneren.

preliminair opgaan. opkroppen bedwingen. rijzen gruwel. verschrikking. privé-. achteruit. timide. bescheiden. rugwaarts achterwaarts achterzijde. ophouden zich onthouden. onthouding terughoudendheid. bedeesd. opstaan. detineren. introductie inleiding. zich abstineren verhinderen.wstecz wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny wsteczny odnośnik wsteczny odnośnik wstędze Wstęga wstęp wstęp wzbroniony wstęp wzbroniony wstępny wstępować (np. achteruit. vergiftig. vasteland. ommezijde. rugstuk achterover achterwaarts. achteruit. rugwaarts achterover achterwaarts. opruien. opstoken gejaagd. lint inleiding. onthouding foei bevangen. verhoeden. stuitend. onsmakelijk vuil. arrestatie slapen. opgewonden geheelonthouding. ophitsen. afgrijselijk misselijk. klos. antipathie een afschuw hebben van. injecteren aanhouding. afkeer. hekel. werelddeel gematigd. schudden. giftig aardbeving schokken opschudden. matig. verafschuwen afschuwelijk ijselijk. matig inspuiten. bobine band. smerig afschuwelijk venijnig. beletten terughoudendheid. gruwel tegenzin. maffen onderdrukken. opkomen. na tron) wstręt wstręt wstręt wstręt wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrętny wstrząs wstrząs wstrząs wstrząsać wstrząśnięty wstrzemięźliwość wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzemięźliwy wstrzyknąć wstrzymać wstrzymać wstrzymać wstrzymać się wstrzymać zatrzymanie wstrzymywać wstrzymywać wstrzymywanie się wstrzymywanie się od głosu wstyd wstydliwy wstydzić się wszechmocny wszechmogący achterwaarts. particulier voorafgaand. verdringen. schokken agiteren. introductie besloten. betomen. verschrikking. abstinentie nuchter. blo foei almachtig almachtig . beteugelen reserveren. rugwaarts spoel. gruweldaad gruweldaad. sober continent. bezadigd.

. wijd en zijd de hele . overheid doordrukken dinsdag bijbehorend. door allemaal. door bof. vulgair. triviaal. onbenullig vuurspuwende berg. dol in het midden van.) wuj wujek wulgarnie wulgarny wulkan wupykłość wy wyasfaltować wyasygnować fundusze wyasygnowane fundusze wybaczać wybaczenie wybaczyć wybawca wybawcą wybawiciel wybierać wybierać (numer) wybierać (w wyborach) lijvig. afkluiven . bougie oom oom plat. handvat.. buitenkansje de hele . aan de overkant van alom. uitkiezen knabbelen.. door de hele . knop jou. onbenullig plat. binnenrukken ook weer. begenadigen vergeven. kiezen. medio. allerwegen. universeel heelal. bougie ontstekingsbuis.. schepping elk. geluk. hondsdolheid.wszechstronny wszechstronny wszechświat wszelki wszerz wszędzie wszyscy wszystek wszystkie wszystkiego najlepszego wszystko wszystko wścieklizna wściekły wśród wśród wtajemniczać wtajemniczyć kogoś wtargnąć wtedy wtedy <the Government> wtłoczyć wtorek wtórny wtrącać wtrącanie się wtrysk wtyczka wtyczka (elektr. midden tussen de stoot geven tot de stoot geven tot binnenvallen. regering. ieder.. kiezen uitlezen. begenadigen Verlosser Verlosser Verlosser uitkiezen. vergeven vergeven... toch gouvernement. ergo. door de hele . woedend. overal. gevest. steken. dus. aan je. injectie ontstekingsbuis. universum. je asfalt budget. alles razernij. begroting Maria-Hemelvaart begenadigen. inspuiting. al over. verwoed. bijkomstig insteken.. triviaal. vulkaan heft. aan jou. bijkomend. mazzel. alleman. uitlezen. vulgair. veelomvattend algemeen. indoen storing spuitje. iedere. overheen. hals. dolheid doldriftig.

keuze. achterstallig opmerkelijk. rondreis afzetten. huilen uitstapje. merkwaardig heerlijk. overheerlijk keuze.wybierać/nakręcać numer telefonu wybierak wybierak igłowy wybierz wybitny wybitny wybitny wybitny wybitny wyborny wyborowy wybory wybój (na drodze) wybór adresu wiersza wybór trasy przez źródło wybór trasy zastępczej wybór trasy zastępczej trasa zastępcza wybór układu wybór wstępny wybór z menu wybrany wybredny wybrzeże wybrzeże wybuch wybuchnąć wyburzanie wycena wyceniać wychłostać wychowawca wychwycić wycia wyciąć wyciąg wyciąg wyciągać (coś z czegoś) wyciągnąć (coś z czegoś) wycie wycie iwania wycieczce wycieczce wycieczka wycieczka wycieczka wycinać lasy wycinek wycinek (tablicy wijzerplaat schouder naald uitkiezen. onderwijzen beetnemen. keus. keur. aanslag prijs afranselen opvoeden. zeekust kust. ontmanteling. blèren. toer. filet . keus bult. afgetrokken hijsen. weeklagen maaien abstract. garneren afkeuren moot. kustlijn. toer. ontploffing. zeekust. alternatief. optie. keus. toer. afgetrokken gillen. excursie tocht. keur. toer tournee. keur. vermogen eminent. scheuren afbraak. schijf. keuze keus. verkiezing. verkiezing optie. afkluiven afzonderlijk. excursie uitstapje. trip uitstapje. opmerkelijk onbetaald. zeekant. explosie barsten. afgezonderd kust. verkiezing. keuze keuze. ophijsen abstract. aanzienlijk merkwaardig. pakken. verkiezing knabbelen. tocht. plak. kiezen kapitaal. keuze. afgetrokken abstract. trip. digereren knabbelen. uitlezen. snede. kostelijk. brullen brullen. uitstekend. tocht. excursie. sloop belastingaanslag. beslaan. tocht. reis. zeekant. trip. verkiezing optie. verduwen. beetkrijgen steen en been klagen. optie. trip. splijten. bochel keus. kustlijn uitbarsting. afkluiven keuze. optie. keus. keur. alternatief. keur. bulderen. keus verteren.

uitgeput reuk. intrekken ontwoekeren uitverkocht. voortbrenging het veld ruimen. brullen gevolg besteden. uitmelken brullen. oordelen. uitbuiten. uitbuiten. gebeuren keer. spanderen ontlokken. uitgeput lijvig. afdwingen . afstaan uitdrukken opbrengen. spenderen. snede. royeren verjagen. bulderen. schijnen uitstralen uitgeverij uitgeverij afkondiging. blèren. geur. filet sprakeloos. slaken produktie. opdagen beoordelen. neerleggen ontwikkeling. lossen toegaan. opleveren. overkomen. leggen. uitgave. plak. openbaarmaking vlijen. blèren.wycinek tablicy wyciszanie wyciśnięta masa wycofać wycofywać się wyczerpany wyczerpujący wyczerpywał wyczuć wyczuwać wyczuwalny wyczyn wyczyn (bohaterski) wyczyn bohaterski wyć wyć wyć (dot. afstaan abstract. uitmelken exploiteren. voortgang hebben. schijf. druk. lucht bevoelen. cambio afpersen. eliminatie het veld ruimen. brullen gillen. uitbrengen. afwerpen het veld ruimen. verdrijven. luchtje. afstaan opdraven. veelomvattend uitverkocht. editie loslaten. kosten het veld ruimen. voelen. afgetrokken afleiden hol. betasten verstandig exploiteren. uitdrijven uitgaaf. uitbuiten. huilen gillen. uitmelken exploiteren. berechten lijken. syreny) wyćwiczyć wydaj wydaj wydajność Wydajność wydalać wydalić wydanie wydanie wydarzać się wydarzenia wydatek wydawac z siebie wydawać wydawać wydawać wydawać się wydawać się wydawać się wydawać z siebie wydawca wydawcą wydawnictwa wydeptany wydobycie wydobycie wydobyć wydobywać wydrążenie wydruk próbny wydrzeć moot. uitlaten. bulderen. op. knevelen. ontzetten. stom pompoen terugtrekken. tasten. ingevallen wissel. op. tappen. maal onkosten. afstaan ontslaan.

tegen. uitgaan. tot. bij. uitademen.wydychać wydychać wydzialać wydział wydział wydział (na uczelni) wydział humanistyczny wydział ik wydzielać rozpakowywać wydzielić wydzieliną wydzierżawić wyekspediować wyekspediować wygasić wygasnąć wygląd wygląd przycisku wyglądać (prezentować się) wygładzać wygłaszać wygłosić wygłosić (mowę) wygnać wygnanie wygodnie wygodny wygodny wygonić wygrywać wygwizdania wyjaławiać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśniać wyjaśnić wyjaśnić wyjaśnić coś z kimś wyjaśnienie wyjawić wyjawić (sekret) wyjazd wyjątek wyjątek wyjątek arytmetyczny wyjątkowy wyjechać wyjścia getuigen van. uitgang. vlak. uitgaan. beduiden uiteenzetten. aanblik het uiterlijk hebben van. effen prediken. geschikt verjagen. aftreden. in pacht hebben evenzeer. ademen aflopen. eindigen verschijning. beduiden uiteenzetten. schijn. mede. verschijnen aanzien. uitdrijven winnen. preken uitspreken afleveren. eveneens aan. verdrijven. uitblussen aflopen. gemakkelijk. toelichten uiteenzetten. naar doven. ophouden. eindigen bevrijden departement faculteit kast departement departement afleiden betekenen. uitdoen. duidelijk maken. comfortabel doelmatig. dagvaarden afscheiding pachten. verdienen. toelichten toelichting. blussen. ophouden. conto uitleggen. ook. verdrijven. gemakkelijk. voor. vertrek uitzondering afleiden uitzondering uitzonderlijk uittreden. leveren. uitweg . explicatie morsen openbaren. dagen. duidelijk maken. kenbaar maken uittocht. bedanken afrit. uitdrijven verbannen. bestellen verjagen. air. toelichten uitleggen. uitbannen aangenaam geriefelijk. er uitzien gelijk. behalen boe steriliseren rekening.

uitbuiten. formeren aanwending. ter dood brengen opdraven. figuur. muil ontwikkeling. aftreden. bedanken tandenstoker tandenstoker aangeven uitzonderen uitsluiten uitsluiten college geven college geven lector lezer lector tapijt. vloerkleed. karpet voering executeren. rooien opduikelen. eliminatie afrit. ter dood brengen executeren. machinatie. opdagen oefenen. exploiteren. tuberculose doen ontstaan. drillen executeren. maken. uitmelken gescheld sluipen intrige. ter dood brengen afdruk spinnen executeren.wyjście wyjście wyjście wyjście uniwersalne wyjście zerowe wyjść wyjść po angielsku wykałaczce wykałaczka wykaz wykluczać wykluczać wykluczyć wykład wykładać wykładowca wykładowca wykładowcą wykładzina wykładzina wykonać wykonać wykonać wykonać działać wykonaj wykonalny wykonanie wykonawca wykonuj wykonywać wykonywać egzekucję wykonywać krok wykonywać operacje zmiany wartości na tablicy bitów wykonywać rozkazy Wykop wykopuj wykopywać wykorzystać w praktyce wykorzystanie wykorzystuj wykorzystywać wykorzystywać wykorzysywać wykradać wykres wykres słupkowy wykręcić numer uitgeven. beeld wijzerplaat . uitmelken longtering. konkelarij afbeelding. rooien exploiteren. uitgang. tering. toepassing uitbuiten. opgraven. opdagen kleren maken executeren. gewrocht. delven. uitweg prijsgeven. aannemer opdraven. handelbaar produktie. emitteren bek. kleed. opgeven uittreden. ter dood brengen inschikkelijk. opbrengst bouwondernemer. afleggen. eliminatie ontwikkeling. ter dood brengen loopgraaf opduikelen. delven. opgraven.

stokje tocht. royeren van boord gaan lossen. ondergrond. afwissen gommen. helen op verhaal komen. ontzetten. aaien. royeren genezen. alleen. wegvagen gommen. hebbelijkheid fanfarekorps. gard. hoeven uitspreken uitspreken gommen. nesthaar. afladen opdagen. stokje exclusief. reis. vorming aflossing. spitsroede. kronen ontslaan. wisselen . opdraven waas. grond ontslaan. joelen tussenwerpsel opvoeding. ontzetten. aanhalen ontzetten. ruilen. dons uitsluitend. exclusief maar. uitvegen. roepen. louter invalide. afladen bekronen. uitsluitend enkel. gebrekkig aanwensel. afdrogen. rekenen. met gom bestrijken afvegen. gard. achtergrond.wykręcie wykręt wykrycie obiektu i ustalenie jego uspółrzędnych w radiolokacji wykrywanie wykrzykiwać wykrzyknik wykształcenie wykup weksla wykwintny wylać z posady wylać z pracy wyleczyć wyleczyć Wylew wyładować wyładować wyładować wyładowane koronowe wyładowanie (elektryczne) wyładowanie (towaru) wyładowywać wyłaniać (pojawiać wyłączać wyłącznie wyłącznie wyłącznik wyłącznik przyciskowy wyłącznik temperaturowy wyłączny wyłączny wyłączony niestandardowy wyłudzić wymachiwać wymagać wymagać wymawiać wymawiać niewyraźnie wymazać wymazać wymazać prawiedliwości wymazywać wymazywać usuwać zaznaczenie (pola wyboru) wyraźny wymazywać ekran wymiana wymiana stron wymianą haarkloven. uitladen. schreeuwen. aansterken bodem. amortisatie. eisen nodig hebben. inruilen. trip roede. beter maken. vereisen. met gom bestrijken uitwissen uitwissen. ontzetten. behoeven. bedillen verschuiving acquisitie ontdekking gieren. moeten. spitsroede. slechts roede. met gom bestrijken ruilen. wissen. bloot. fanfare opeisen. uitladen. royeren ontslaan. afschrijving beminnelijk strelen. wisselen centrale inruilen. toer. royeren lossen. liefkozen. ontslaan.

bekokstoven. verbeelding . het gevolg zijn van ontstaan hoog. braken. gewrocht. laten pachten. bezoldiging. noodzaken afpersing. getal opdagen. omvang afmeting. het gevolg zijn van uitgeven. verdichtsel. verbeelding gescheld vergelden. afkeuren. aanwerven. bedenken produktie. belonen loon. aantal. opdraven in verwachting raken. wisselen inruilen. wisselen afwisselend centrale centrale centrale ruilen. kotsen uitspraak laken. dwingen. wisselen belastingaanslag. terugdoen. ruilen. verheven gemiddeld tal. aanslag uier. in pacht hebben pachten. laten begaan. dimensie ruilen. inruilen. zwanger raken bedenken. knevelarij knevelarij. lonen. berispen. afpersing fictie. aanwerven. gage. overgeven. huren huur laten schieten. zich verbeelden inbeelding. huren aannemen. gispen doordrukken verplichten. in pacht hebben uitvinder uitvinder uitvinding uitdenken. opbrengst afstammen. in pacht hebben aannemen. emitteren afstammen.wymiar wymiar sprawiedliwości wymieniać wymieniać wymieniać (walutę) wymieniać się wymienić wymienić (jakieś elementy na nowe) wymień wymierzenie wymię wymijać wymiotować wymowa wymówce wymusić wymuszać wymuszanie wymuszenia wymysł wymyślać (<sb> komuś) wynagradzać wynagrodzenie wynajem wynajęcia wynajmować wynajmować wynajmował wynajmowanie w DHCP wynajmowanie zgodnie z protokołem DHCP wynalazca wynalazcą wynalazek uchylać wynaleźć wynik wynik wynik polecenia wynikać wyniknąć wyniosły wynosić wynosić średnio wynurzać) się wyobrazić sobie wyobrazić sobie wyobraźnia wyobraźnia grootte. inruilen. salaris pachten. pram inhalen spugen. bestek. zich verbeelden bedenken.

vullen bakken afzweren ontkennen neerschrijven. inrichten . uitrusten. zich verbeelden afbeelding. uitspraak huur toondicht. vulling. aangelegenheid. trip oprichten. afzonderen chargeren. toer. ding omstandigheid belangrijke gebeurtenis. spekken. rommel. afval toerusten. accommodatie. bijkomend uitrusting. indampen opvulsel. zaak. toonzetting. prent. afspoelen. emitteren rest. vulsel invullen. afdracht gorgelen. evenement bakken aanbranden aanbranden afzwering doen verdampen. inrichting bijkomstig. bijkomend bijkomstig. bijbehorend. uitvoeren bijkomstig. uitschrijven geschrift. schriftuur schriftelijk afbetaling transfer. bijbehorend. schrijven. figuur isoleren. stichten. compositie reis. uitrusten. aangifte. uitvoeren aangeven. overblijfsel. dempen. spoelen uitgeven. accommodatie. raam ongeluk. bijbehorend. stel accessoires toerusten. uitdampen. afbeelding. tocht. set. ongeval omstandigheid affaire. bijkomend uitrusting.wyobrażać wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyobrażenie wyodrębniać wyolbrzymiać wypaczenie wypadek wypadek wypadek wystąpienie wypadek śmiertelny wypadek śmiertelny wypalać wypalać (pamięć stałą) wypalać (płyty CD) wyparcie się wyparować wypchanie (zwierzęcia) wypełniać zerami przypisywać wartość zerową wypiekać wypierać się wypierać się wypisuj wypisując wypisywany wypłacie wypłata wypłukanie wypływ wypoczynek wyposażać wyposażenia wyposażenie wyposażenie wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażenie pomocnicze wyposażeń wyposażyć w obsługę za pomocą komponentów wypowiedzieć (umowę) wypowiedź wypożyczać wypracowanie wyprawa wyprostowany bedenken. plaat begrip beeld. omlijsting. aanbrengen. accident. lijst. klikken declaratie. stelletje. zich verbeelden bedenken. inrichting complet. overdrijven kader.

herdruk een verhoor afnemen. afstemmen. appendix. gezegde bewoording. genaken. slaken bewoording. onderkennen nadruk. deeltje. afbreken versterving. bevestigen klaar. loos. afstand doen van . schaar afrukken. prejudiciëren heft. abnegatie afzweren abnegeren. gezegde agnosceren. zin. zichzelf verloochenen opgeven. aanmaak. uitbrengen. effen onderscheiden. afreizen knevelen. voorzijn gaan naar. evident. arbeider aardewerk orakel frase. betuiging. vonnis bijlage. uitspraak. betuiging. sententie. griffen knijper. klem op reis gaan. klem jaartelling. na listingu) wyróżniony druk wyruszać wyrwać coś komuś wyryć wyrywać wyrywać (włosy) wyrzeczenie się wyrzekać się wyrzekać się wyrzekać się aftappen streven. betuiging. zich inspannen. helder erkenning apert. werkman. uitgesproken. gezegde aanpassen. ledig. adapteren afstelling. knop nadruk. ondervragen maken. fabricage produktie. lankmoedig fabricatie. aanpakken. handvat. kennelijk. schappelijk. opbrengst gelijk. plukken. pogen hol. hals. item. instelling werkkracht. gewrocht.wyprowadzać wypróbować wypróżniać wyprzeć się wyprzedaż wyprzedzać wyprzedzenie wyprzedzić wypukłość wypuścić nowe wydanie wypytywać wyrabiać wyraz wyrazić podziękowanie wyrazić zgodę (<to sth> na coś) wyrazisty wyrazy uznania wyraźny wyrażać wyrażać wyrażenie wyrażenie znakowe wyregulować wyregulowanie wyrobnik wyroby garncarskie wyrocznia wyrok wyrok wyrostek robaczkowy wyrośle adenoidalne wyrozumiały wyrób wyrób wyrównać do prawego marginesu wyróżniać wyróżnienie wyróżniona część (np. werker. bedrijven bewoording. naderen anticiperen. afpersen. vlak. als waarheid aannemen ja zeggen. deel nadruk. gevest. uitvallen. vervreemding voorafgaan. beamen. leeg afzweren verkoop. lens. duidelijk uitdrukken ontlokken. volzin judicium. afdwingen graveren. aanhangsel derde goedertieren. doen.

royeren. verheven hoog. aan de hand zijn adequaat. paraderen. pronken tentoonstelling. verleden. broeden moeite. asiel. tribune. schrik aanjagen onderwerp. leiding produktie. asyl broeden op. achterstallig gebeuren. royeren toonschaal. voldoende genoeg. beamen. veelomvattend genoeg. ontslaan ontslaan. toonladder. hoogte hoogte stand. schraal. ontzetten. op de juiste wijze adequaat. voorafgaand pralen. tentoonstellen podium. bestuur. verheven stand. hoogte hoogte hoogte eiland eiland onbetaald. expositie schuiflade. aanvaller aanplakken pakje afgezant.wyrzić zgodę wyrzucać sobie wysadzić na ląd wysepka wysepka (uliczna) wysiaduj wysiłek wyskok wysłać wysłać wysłać pocztą wysłanie (towaru) wysłannik wysłowić coś wysłowienie się wysmukły wysoki wysoki wysoki poziom logiczny Wysoki sądzie wysoki stan logiczny wysokość wysokość wysokość bariery potencjału wysokość bariery potencjału wysokość stosu wyspa wyspą wystający wystapić wystarczająco wystarczająco wystarczający wystarczający wystarczający wystarczający wystarczyć wystawa wystawa sklepowa wystawca czeku wystawiać wystawić (na pokaz) wystawić na scenie wystawienie (sztuki) wystąpienie występować wystraszyć wystrój pulpitu ja zeggen. gezant woord. omvangrijk. dun. lade tentoonstellen. bevestigen ontzetten. luchtig hoog. verheven hoog. voortbrenging exemplaar. gezegde sprietig. bijbehorend uitgebreid. prijken. koesteren. mager. belichten belichten. bode. verheven verheven. scala toevluchtsoord. stof. aan de hand zijn doen schrikken. bewoording bewoording. betuiging. hoog hoog. apropos . bijbehorend gevoeglijk. afdruk gebeuren. poging springen verzenden voorspeler. la. thema. voldoende voorgaand.

pronken bestemmen. concluderen . pronken pralen. afleiden. sturen. pronken pralen. dooien. net keurig fabriek stikken saldo. droog post. prijken. afdoen besluiten. uittrekken afschaving verdelgen. elegant. afhalen.wysychać wysyłać pocztą wysyłać reklamy wysyłanie wysyłka wysypisko (śmieci itp) wysypisko śmieci wyszczególniać wyszczególnić wyszczupleć wyszukać informacje pełzać wyszukany wyszywać wyściełanie wyścig wyścig wyświadczyć przysługę (<sb> komuś) wyświetlacz wyświetlacz z matrycą aktywną wyświetlać wyświetlić wyświęcać wytarcie wytępić wytłumaczyć wytop wytrwać wytrwałość wytrwałość wytrwały wytrysk wytrysk wytrzymać wytrzymałość wytrzymywać wytwarzać wytwarzać egzemplarz wytwarzanie wytworny wytworny wytwórnia wywatować wyważenie wywiad wywiad wojskowy wywijać wywnioskować wywnioskować dor. volksstam afstemmen. uitspuiten beklijven. stam. aanpassen. lijdzaamheid vasthoudendheid volhardend opspatten. overschot interviewen bevattingsvermogen. slank. posterijen doen toekomen. stuiven spuiten. intelligentie zwaaien. piekfijn. paraderen. prijken. paraderen. paraderen. prijken. afwikkelen. opsturen exporteren. uitvoeren verzenden stortplaats stortplaats specificeren specificeren rank. duren. uitroeien uiteenzetten. aanhouden sterkte te wachten staan. ontdooien blijven aandringen geduld. slingeren. adapteren pralen. vulsel wedijver geslacht. swingen afhandelen. bedrijven verwekken generatie. pronken pralen. geslacht bevallig. tenger kruipen geraffineerd borduren opvulsel. wachten maken. verspuiten. vulling. paraderen. toelichten wegsmelten. doen. prijken. sproeien.

bekennen. erkennen geloof. concluderen naar buiten roepen aanroepen aanrijden. loten benoemen. ambacht haan van een vuurwapen tocht. uitmelken in weerwil van. helen nul. afleiden. rustbank verloten. nihil nul hel. ten noorden van bovengenoemd corroderen. uitdagen. klaar betekenen. toegeven bekennen.wywodzić (ród) wywołać wywołać coś wywołania odłożone na stosie wywołanie zwrotne wywołuj wywołuj wywołuj wywoływać wywoływać wywoływać wywoływanie wywrotowy wywrócić wyzdrowieć wyzerować wyzerować zerowy wyzeruj sprzęg wyznaczać wyznaczać wyznaczać drogę trasa wyznaczać trasy wyznaczenie wyznaczony wyznaczyc wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć wyznaczyć emeryturę/rentę wyznać wyznaj wyznaj wyznanie wyznanie wyzwalacz wyzwalacz wyzwania wyzwanie wyzwanie wyzwolić wyzwolić się od czegoś wyzyskiwać wyzywająco wyżej wyżej wyżej wymieniony wyżej wymieniony wyżerać aftappen noemen. uitmaken voor keer. vast divan. dagen. aanstellen betekenen. niettegenstaande benoorden. uitdagen. benoemen. dagen. tarten. dagvaarden administreren. heten. biechten. ten noorden van bovengenoemd benoorden. toer. royeren. biechten. biechten. genezen. uitmaken voor scheppen. fiducie. opeenhopen. toegeven erkennen. baanvlak benoeming. trip trotseren. vertrouwen handwerk. uittarten trots ontzetten. route. evolutie subversief. creëren naar buiten roepen besluiten. uittarten trotseren. beheren. bekennen. benoemen. besturen reisplan. ontslaan bevrijden exploiteren. beroep. reis. tracé. heten. voorrijden ontwikkeling. aanstelling onbeweeglijk. aantasten. accumuleren noemen. Turkse staatsraad. licht. baanvlak reisplan. star. tracé. bijten . dagvaarden pensioen erkennen. ondermijnend kiel beter worden. route. uitbuiten. tarten. maal ophopen.

ineenkronkelen zuchten. cru langs. behalve in de lengte. stichten. chef tel. roosteren nobel. duży numer urządzenia wzgląd wzgląd wzgląd względnie względny względny numer pozycji wzgórze wziąć wziąć na swoje barki wziąć pod uwagę wziąć udział wzkazany wzmagać wzmagać wzmiance wzmiance wzmianka wzmiankować wzmocnienie wzniesienie wzniesienie wznieść toast wznoisły wznosić wznosić wznosić się wznoszenie (samolotu) wznowić pracę komputera wzorcowy wzornictwo grafika ilustracja sztuka (uwaga: w informatyce zazwyczaj znaczenie nie wchodzi w grę) wzornik pisma matryca do powielania szablon opperste. buit. achting eerbiedigen. edel opgaan. nagaan deelnemen. vermelden zich herinneren. wakend onbewerkt. meedoen raadzaam uitbouwen. het verdommen. respecteren saké. referentie gewag maken van. meemaken. aanwinst. noemen. gebieder. naast. afkeuren wakker. familielid verwant. familielid aanaarden accepteren. sjabloon . gedenken acquest. bot. blijkens. aanvaarden schouder beschouwen. kreunen aanvoerder. grof. onthouden. overwegen. rijstwijn tamelijk verwant. daarlangs ineenkrimpen. vermelden verwijzing. vergroten. opstaan. klauteren vernieuwen. inrichten toren klimmen. daarlangs bezijden. uitbreiden vermeerderen gewag maken van. braden. behalve in de lengte. baas. opkomen. deelneming afwijzen.wyższy wzajemne zrozumienie wzbraniać się wzbudzić wzburzony wzdłuż wzdłuż wzdłuż wzdłuż całej drogi wzdłuż dłuższego boku wzdłużny wzdrygać się wzdychać wzgl. naast. speen branden. naar. prevalent. renoveren modelleren kunst schablone. onbehouwen. aannemen. superieur medegevoel. noemen. daarlangs in de lengte. ingevolge bezijden. patroon. glooiing tepel. prooi helling. rijzen oprichten.

bijna tweedehands ongerust. aangrijpend. geheimzinnig . aandoening de schouders ophalen gejaagd. stootkussen sedert. haast. vanaf daarvoor. figuur de schouders ophalen aanslag agiteren. patroon trant. eerder. opruien. bezorgd aan het einde. gevestigd zijn. immers. toch met overgave sedert.wzorzec wzorzec slajdów wzorzec zmienny Wzór wzór wzór wzór kreskowania wzór model wzór punktowy wzrastać wzrok wzrok wzrok wzrokowy wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost wzrost globalny wzruszać wzruszać wzruszać ramionami wzruszający wzruszający wzruszenie wzruszenie ramionami wzruszony wzruszyć (<one's shoulders> ramionami) X z z z z biegiem czasu z drogi! z konieczności z nogami po obu stronach czegoś (jak na koniu) z obawy przed z oburzeniem z perspektywy czasu z podziwem z poważaniem z przerwami z trudem gromadzić z trudem wywalczony z tyłu z tyłu kiem knippatroon. met ingang van. roerend gewaarwording. roze. evolutie wasdom. aangaan opdrijven. groei opstaan. visioen. indertijd pruttelen ongerust. roos lichaamsbouw. bumper. vanaf met. stijl knippatroon. norm knippatroon. turen richtmiddel. vormen. verheffen. inclusief. bezorgd incluis. opgewonden de schouders ophalen indexeren buffer. aanstaren. samen met schier. gestalte. bijkans. zoeker. patroon formule knippatroon. opstoken resideren. inbegrepen beperkt. vooraan. huizen emotioneel. eindig wel. bezorgd ongerust. gaan staan opklimmend rose. ophogen staren. begrensd. met ingang van. zeker. patroon modelleren formeren. achteraan mysterieus. standaardmaat. vizier gezicht. patroon regel. ontwikkeling. droombeeld zichtbaar ontwikkeling. ophitsen.

nuancering amusement. vermakelijk humoristisch gek. mede. speeltuig aardig. bij zwachtel. konfijten. dichtbij. wondheelkunde. nabij. beklemtonen accepteren. met ingang van. onderhouden recipiëren vermakelijk. belachelijk. verzekeren blind inmaken. amusant. aanslaan. aanvaarden acclimatiseren alarmeren. konfijten. doodmaken. vanaf achter aan het einde. ook geabonneerd zijn op accentueren. vermaak spel verstoppertje vermaak. achteraan in het buitenland in het buitenland achter evenzeer. lachwekkend. doden blokkade jam. amuseren. stuk speelgoed. borgstelling. amusant. nuancering tint schakering. inleggen fixeren. buiten-. bevestigen. onderpand pand. nuance. alarm slaan uitschrijven. lanceren. moes. borgstelling. amusement opvrolijken. heelkunde ombrengen. eveneens. ontketenen aan. inleggen ombrengen. naast. leuk. uiterlijk sedert. verband schakering. doden chirurgie.z wielkim nosem z zegarkiem w ręku z zimną krwią za za za duży za granicą za wszelką cenę za wszelką cenę zaabonować zaakcentować zaakceptować zaaklimatyzować zaalarmować zaangażować się zaawansowana technologia monolitycznych układów logicznych zabandażować zabarwić zabarwienie zabarwienie zabawa zabawa zabawa zabawa w chowanego zabawiać zabawiać zabawiać zabawiać zabawka zabawny zabawny zabawny zabezpieczać zabezpieczenie zabezpieczenie zabezpieczenie w architekturze zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć zabezpieczyć przechowywać zachować zabić zabieg chirurgiczny zabijać zablokować zablokować zabłocony uitzonderen extern. leuk kriebelen. kietelen speelbal. doodmaken. bepalen inmaken. mal behoeden. nuance. onderpand betuigen. uitwendig. beschermen bescherming pand. marmelade troebel. modderig .

wandel lager inmaken. argumenteren zonsondergang west west. aansporen uitnodigen. moeilijkheid oudheid bevlieging. wandel gedrag. noden promoveren. gedrag. aan komen lopen aanpakken. westen . aanwakkeren. aansporen ophitsen. opstoken. belust. voorteken. gril. bewolkt wolk zonsondergang west west. geleiden.zabójca zabrać się (<sth> do czegoś) zabrać się do czegoś) zabraknąć zabraniać zabraniać zabronić zabronić zaburzać zaburzenie zabytki zachcianka zachęcać zachęcać zachęcić zachęcić zachęcić zachęta zachłanny zachmurzony zachmurzyć zachodni zachodni zachodni zachodni zachodni zachować zachować jako zachować w pamięci zachowania zachowanie zachowanie zachowanie mediów zachowuj zachowywać zachowywać zachowywać zachowywać sie nienaturalnie zachowywać sie nienaturalnie zachowywać się (dobrze) zachowywać się cicho zachowywać się źle zachód zachód zachód zachód zachód słońca zachód słońca moordenaar aanpakken. westen westen westers. inleggen zich aanstellen. in het water vallen verbieden verbieden jam. leiden houding. moes. happig. nuk. behouden schat bespreken. agiteren. inviteren. kuur aanvuren. opruien aanvuren. betogen. teken begerig. zich voordoen zich gedragen blijven vertogen. westelijk redden. aanwakkeren. intekenen de weg wijzen. gretig onduidelijk. aan komen lopen floppen. aanranden bezwaar. betogen. westen westen west west. argumenteren vertogen. bergen. marmelade verbieden een aanslag plegen op. Westers. bevorderen voorbode. vragen. houding. strubbeling. konfijten. zich voordoen zich gedragen blijven zich aanstellen. reserveren. bui.

klamp. rauw verrukken. zeer. worgen verontschuldiging bevredigend tevredenheid blijdschap tevredenheid . achterste vragen karwei. klus. hardnekkig. taak oefenen. opgave. wanhopig versomberen. afhalen. uit de mode aanhalen. drillen emplooi. aanvallen aanbinden. beginnen. taak oefenen. werk. gedateerd. kont. klink handdruk. nietje beurs. noemen aanhaling. citeren. kruk. opgave. raadsel radeloos. achteruit. karwei. rugwaarts ouderwets. probleem. portemonnaie. kern wachten. drillen vraagstuk. aanvangen pit. te wachten staan aangrijpen. aanvangen gat. choken. citaat een hinderlaag leggen aanbinden. koppig haakje. opgave karwei. hees. vraagpunt. geldbuidel achterover achterwaarts. klikken wurgen. arbeid karwei. aanbrengen. hand de weg wijzen. pijn vragen aangeven. donker worden uitwissen halsstarrig. taak wee. opgave. marmelade dienst nemen puzzel. moes. klamp. klus.zachód słońca zachrypnięty zachwycać się zachwycający zachwycony zaciąć się zaciągnąć (się) do wojska zaciekawić zaciekły (bój) zaciemniać (się) zacierać zacięty zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk zacisk źródła zacisnąć (usta) zacofany zacofany zacofany zacytować zacytowanie zaczaić się zacząć zaczątek zaczekać zaczepka zaczynać (się) zad zadaj zadania zadanie zadanie zadanie zadanie wsadowe zadanie wydruku zadanie zawieszające zadawać ból zadawać pytanie zadenuncjować zadławić się zadośćuczynienie zadowalający zadowolenia zadowolenia zadowolenie westen schor. beginnen. in verrukking brengen bewonderenswaardig verrukt jam. handvat. aantasten. nietje oor. hengsel. bibs. leiden terminal haakje. geleiden. klus.

vraagpunt. scharrelen. krabben krauwen. interesseren geïnteresseerd. probleem. dreigen dreigen. plooien ruïneren. rillen. schavuit. vraag. navraag haakje. dreiging borg staan voor. klauwen. een nest maken keihard op het kookpunt zijn. aangrijpen dreigen. interesseren belang inboezemen. declareren puzzel. bevreemdend factureren. raadsel mysterieus. agraaf de stoot geven tot belang inboezemen. geheimzinnig uitgeven. te gronde richten jam. verbazingwekkend verbazingwekkend. toornig. ploert. klauwen. bibberen. slot. vraagpunt. nijdig. tegemoetkomen aan verheugd. koken uitheems. stal hok bemachtigen. opgave struikgewas. opgave kwestie. garanderen vraagstuk. boos nestelen. marmelade rimpelen. paaien. bosjes compact. bedreigen paardestal. bedreigen bedreiging. dreigement. verblijd. boef omvouwen. grijpen. belangstellend Congo. moes. borrelen. vouwen. verbazen verbazingwekkend. aandikken ellendeling. blij voldaan. bevreemdend bevreemdend. dicht comprimeren verdikken. huiveren verwonderen. emitteren vraagstuk. bevreemden. tevreden. fronsen kwaad. buitenlands in gevaar brengen bedreigen. spang. raadsel puzzel. probleem. krabben beven.zadowolić zadowolony zadowolony zadrapania zadraśnięcie zadrżećs kołczan zadziwiać zadziwiać zadziwiający zadziwiający zafakturować zagadce zagadka zagadka zagadkowy zagadnienie zagadnienie zagajnik zagęszczać zagęszczać zagęścić zagięcie zaginać zagłada zagłuszać (radio) zagniecenia zagniewany zagnieździć zagorzały konserwatysta Zagotować. vergenoegd krauwen. raadsel puzzel. scharrelen. wrzenie zagraniczny zagrażać zagrażać zagrażać zagroda zagroda zagrodzić zagrozić zagrożenie zagwarantować zagwozdka zagwozdka zahaczyć zainicjować zainteresowania zainteresowanie zainteresowany Zair bevredigen. Kongo .

gesloten verhinderen. non monnik verbintenis. bezet verloofd. fitten. veelomvattend toe. spekken. dicht. beslaan. ambacht uitgebreid. rooster druk. optreden. geëngageerd bezetten. mededelen aanvoeren. zaak. contract uitgang. lunch wedden wedden wedden wedden insluiten. meedelen. uitdelen bezetten. broodwinning. verhoeden. aansteken verbieden afschrikwekkend verbieden aanstekelijk. bekleden handwerk. hakkelen. uiteinde . herberg haas stamelen.zaiteresowanie zajazd zając zająkiwał się zajęcie zajęcie zajęcie zajęcie zajęć) zajęty zajęty zajmować zajmować zajmować (stanowisko) zajmować się zajmować stanowisko zajmowanie zajmujący dużo miejsca zakańczać zakaz hamować zakazić zakazywać zakazywać zakazywać zakaźny zakażenie zakąska zakład zakład zakład (założenie się) zakładać zakładać klamrę zaciskającą zakładać się zakładnik zakłopotać zakłócenia zakłócenia (sygnału) zakłócenie zakłócenie programu radiowego zakłócenie spokoju publicznrgo zakneblować zakodować zakomunikować zakon zakonnica zakonnik zakontraktować zakończenie belang inboezemen. beroep. besmetting twaalfuurtje. beletten infecteren. besmetten. interesseren logement. affaire. garant in verlegenheid brengen ophef. commanderen. bevelen kloosterzuster. lawaai. verpestend. omvangrijk. rumoer. stotteren actie. besmettelijk infectie. leven. bedrijf handelen. ding beroep. handel drijven dienstregeling. herrie storing storing storing storing moppen tappen codificeren berichten. impliceren aanleggen. ronddelen. beslaan. installeren gijzelaar. handeling aangelegenheid. bekleden liggen invullen. vullen rondgeven. gedoe. dempen.

afgewerkt. afsluiten kuilen. status. verdienen zondvloed afhankelijk zijn. afwikkelen. aanpassen. wijk. adapteren buurt. uiteinde terminal beëindigd. indelen aantal. omgeving. aanbeveling prooi. recommanderen scharrelen. stopmiddel anker anker kloot. aanprijzen. voordeel waard zijn. buigen. vrijen aanbevolen recommandatie. overstelpen. getal. bezit pré. tal laden . aankoop stoffig gist afstemmen. inkoop. acquisitie. verpletteren adviseren. actief. beëindigen. afhangen scharnier afhankelijk zijn. afgelopen. stop. achterstallig onbetaald. nauwelijks. toekomen. gebied graad. afhangen familiebetrekking. kwalijk onbetaald. aanwinst kwalijk. amper amper. begraven prop. stand. plug. verwantschap afhankelijkheid afhankelijk. bol. stekker. het hof maken. stadswijk aanpassing procederen bedelven.) zakwaterowanie zakwestionować zalać zalecać zalecać zalecać się zalecany zalecenie zalecie zaledwie zaledwie zaległy zaległy zaległy wysunięty naprzód znakomity zalet zaleta zaleta zalewać zależeć zależeć zależeć od zależeć od czego zależnośc zależność zależny zaliczać zaliczać załadować gevolgtrekking. afdoen afmaken. nauwelijks. bekendmaken. onderhorig classificeren. klaar afhandelen. afhangen afhankelijk zijn.zakończenie przymiotników określających liczbę lub rodzaj nóg zakończenie sygnału przerwania transmisji zakończenie wskazówka zakończony zakończyć zakończyć zakopać zakorkować zakorzeniać się zakotwiczyć zakres ultrakrótkofalowy zakres współrzędnych osi zakręt zakup zakurzony zakwas zakwaterować zakwaterować (wojsk. conclusie uitgang. buit. achterstallig onbetaald. rang ombuigen. sfeer. achterstallig bedrijvende vorm. doorbuigen koop. aankondigen aanbevelen.

getier smaken slot kooi sluiten. beweging herrie.załadować ponownie załamanie załamuj załatwiać załatwić (sprawę) załączać załącznik załącznik załączyć (w przesyłce itp) załoga założenia założenie założenie założenie (firmy) założyć przynętę założyć się zamachnięcie zamaskować zamawiać zamazać zamazanie zamek zamek zamek (u drzwi) zamek błyskawiczny zamiana zamiar zamiast zamiast tego zamiatać zamieniać zamienić zamienić zamienić zamierzać zamierzać zamierzać zamierzać zamierzony zamieszać zamieszania zamieszanie zamieszanie zamieszki zamiłowanie zamknąć zamknąć na klucz zamknięcia afzenden. anders maken bedoeling. afdoen omsluiten aanhechting kraal. ineenstorten. uiteenvallen afpersen. agitatie. liefkozen. doel. lawaai verwardheid. ruilen. inruilen. besmeren slot. burcht slot slot treksluiting. stichten aanhalen. rel. instelling achtergrond aas. plan. oprichten. doorsmeren. beogen. ordenen afhandelen. wisselen centrale in de plaats stellen van. knevelen arrangeren. aanrichten. dichtmaken. sauzen. moedwillig aangrijpen. etablissement. aaien blind aanvoeren. instelling Maria-Hemelvaart vestiging. doelstelling. expediëren instorten. prejudiciëren mikken. strekking in plaats daarvan in plaats daarvan oprijlaan. honk. mikken op. wisselen anticiperen. ophef. rits. rumoer. verwarring herrie. ontroeren. oprit ruilen. bedoelen gemiddeld doelwit. bewegen beroering. commanderen. roerigheid. inboeten inruilen. omheind terrein omsluiten bemanning vestiging. leven. kasteel. bevelen vervagen smeren. opzettelijk. afdwingen. doel. etablissement. lokaas inrichten. strelen. ritssluiting veranderen. dichtdoen . wit bedoeld. verzenden. plecht.

nalatigheid veronachtzamen bouwvallig. dichtdoen grendelen. indopen. aftreden. opgeven een miskraam krijgen. dichtdoen begrensd. zetten ombrengen. beperkt indompelen. indopen. commanderen. rijk. bezorging aflevering. schets. afstand. bevelen koelen vriezer. laf. soppen onderdompelen. soppen monteren. eindig. dichtmaken. aflossen gefortuneerd. indompelen ronde toerusten. nakijken. tekening nadenkend nadenkend onderzoeken. gammel. dalen dalen. kleiner worden. mislukken afdanken uittreden. aftands nonchalance. doden afbetalen. afnemen. commanderen. toegeving terugvallen veronachtzamen achterwege laten. bang vervagen kleiner worden. doodmaken. vermogend aanvoeren. afschrijven. indompelen duiken onderdompelen. nalatigheid storing veroorzaken storing veroorzaken lafhartig. uitrusten. dichtmaken. cessie. bevelen aanvoeren. vriesvak vriezen vriezen bevroren sluiten. weglaten veronachtzamen nonchalance. afleggen. afnemen voor indompelen. inlevering . afgrendelen werkje. uitvoeren aanvoer.zamknięty zamknięty zamoczyć zamontować (dysk w systemie) zamordować zamortyzować zamożny zamówić zamówienie zamrażać zamrażarka zamrozić zamrożenie zamrożony zamykać zamykać na zasuwę zamysł zamyślony zamyślony zanalizować zaniechać zaniechać zaniechać zaniechać zaniechanie enia zaniedbać zaniedbać zaniedbać zaniedbanie zaniedbanie zaniedbywać zaniedbywał zaniedbywanie zaniepokoić zaniepokojenia zaniepokojony zanikać zanikać zanikać płowieć zanim zanurzenie zanurzyć zanurzyć (się) zanurzyć coś w zaokrąglać zaopatruj zaopatrywać zaopatrzenie sluiten. examineren prijsgeven. levering. bedanken concessie.

geestdrift ambitie. vuurmaker aansteker. lucht stinken.zaopatrzenie w żywność zaorać zaostrzyć zaoszczędzić zapach zapach zapach zapach zapach zapach zapadce zapadnia zapakować do worków zapalanie zapalenia zapalenie zapalenie zapalenie zapalenie opon mózgowych zapalenie płuc zapalić zapalić zapalić (się) zapalić papierosa zapalić się zapalniczce zapalniczka zapał zapał zapałka zapamiętać zapamiętywać zaparcie zapas zapas zapas zapasowy zapasowy zapasowy zapasowy wkład zapaść zapatrywania zapewne zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać zapewniać (<sth> o czymś) aanvoer. gezichtspunt waarschijnlijk beweren. luchtje. doen ontbranden. aanmaken aansteker. lucht. geur parfumeren reuk. ontslaan. verzekeren . verzekeren bevestigen. vuur. aanmaken aansteken. geur. een backup maken van tweede ontzien. behouden geur. ineenstorten. reuk. geur lucht. bezorging omploegen. doen ontbranden. van buiten leren uit het hoofd leren. boedel bespreken. royeren ontsteking. vies ruiken haan van een vuurwapen achterdeur ontzetten. spekken. vuurmaker enthousiasme. van buiten leren verstopping. uiteenvallen standpunt. bevoorraden betuigen. aanmaken aansteken. constipatie. intekenen winkel een backup maken. luchtje. sparen instorten. bergen. scherpen. beploegen aanzetten. aroma reuk. sparen ontzien. ontbranding ontsteking ontsteking. luchtje. ploegen. slijpen redden. doen ontbranden. obstipatie inventaris. ontbranding ontsteking keelontsteking longontsteking blindedarmontsteking aansteken. aanmaken aansteken. aanmaken aansteken. reserveren. aannemen provianderen. ijver lucifer uit het hoofd leren. doen ontbranden. doen ontbranden. verzekeren betuigen.

bergen. rekwireren. aanvoerder. vergeten. ding routine. invitatie uitnodiging. uitschrijven nalaten discus. noden vragen uitnodigen. doen ontbranden. doen ontbranden. tegenspreken ontkennen span stortplaats stoppen. ordenen een backup maken. dichtgespen vasthaken discus. schijf boek jota arrangeren. grammofoonplaat. plaat. vragen. adverteren aankondiging. verzekeren fixeren. een backup maken van loskopen. invitatie mikpunt. ontbranding aansteken. opvorderen vorderen. ontbranding ontsteking. plaat. aanbieden afschaduwing aandienen. bieden. afkopen afbetaling ontsteking.zapewnić zapewnić zapewnić zapinać zapinać (się) Zapinka zapis zapis piątkowy zapisać zapisać (dane) pisać zapisać w testamencie zapisanie zapisywać zapisywać zaplanować zaplecza zapłacić okup zapłata zapłon zapłon (silnika) zapłon silnika zapłonąć zapłonąć zapobiegać zapoczątkować zapoczątkować zapominać zapominalski zapotrzebowania zapotrzebowanie żądanie zapowiadać zapowiedzieć zapowiedzieć zapowiedź zapowiedź zapowiedź zapraszać zaprosić zaprosić zaproszenia zaproszenie zaprotestować zaprowadzony porządek zaprzeczyć zaprzeczyć zaprzęgać zapuszczone mieszkanie itp zapychać (się) beweren. verhoeden de stoot geven tot het gevolg zijn van. verkondiging uitnodigen. inviteren. schrijven. ontbranding ontsteking. bepalen dichtknopen gespen. onderwerp. bevestigen. verzekeren betuigen. vragen. object. dichtmaken . adverteren uitloven. vrijkopen. vastgespen. chef. aanmaken aansteken. aanmaken beletten. grammofoonplaat. aankondigen. aanrichten. aankondigen. verhinderen. schijf gebieder. noden uitnodiging. voorspellen. dichten. sleur in tegenspraak zijn met. behouden neerschrijven. voorzeggen aandienen. verleren vergeetachtig vorderen. opvorderen beduiden. baas redden. afstammen afleren. inviteren. rekwireren.

bewind.zapytać zapytanie z podpowiedzią zapytywać zarabiać zaradzić zaraza zaraza zarazą zarazek zarazić zaraźliwy zarażenie zardzewiały zareagować na coś w jakiś sposób zareagować <to sth> na coś <with sth> w jakiś sposób zarejestrować zaręczony zarobek zarobić zarobkach zarodek zarozumiały Zarys zarys zarząd miasta zarządca zarządca zarządca plików zarządzać zarządzać zarządzać zarządzać na poziomie wysokiego uszczegółowienia zarządzanie zarządzanie zarządzanie automatyczne zarządzanie zautomatyzowane zarządzenie zarządzić zarzut Zasada zasada spokoju zasada superpozycji zasadą zasadniczy zasadniczy zasadniczy vragen enquête een verhoor afnemen. winnen. bestuur administratiekantoor. commanderen. besmetting pest pest microbe infecteren. bezoldiging. beheren. beheerder. ijdel. behalen gage. beknotten omlijning. besmettelijk. aanstellen aanrekenen. administreren. baseren principe. administrateur bestuurder. opzichter. administrateur intendant. aansteken aanstekelijk. beheren. beginsel. uittrekken administreren. radicaal . salaris. begrenzen. genezen. behalen beter maken. besmetting roestig reageren reageren aangeven verloofd. omtrek administratiekantoor. bestuur principe. loon. bestuur aanvoeren. besturen bestemmen. beheren administreren. besturen administratiekantoor. bevelen benoemen. bestuur beheerder. bestuur administratiekantoor administratiekantoor. winnen. toeschrijven. salaris microbe nietig. ondervragen verdienen. loon verdienen. bezoldiging. besmetten. geëngageerd gage. grondig. toedichten gronden. grondbeginsel fundamenteel primair ingrijpend. helen infectie. beginsel. grondbeginsel heerschappij. verpestend infectie. onbelangrijk beperken. meier besturen.

gordijn. proces-verbaal. val schuif. toekomen. bedaard. weerglans nakomertje cijfer. onderpand. verrassen. buit.zasadowy zasady zasady postępowania zasadzka zasilacz samochodowy/lotniczy zasilać zasilać zasilanie zasilanie moc zdolność władza zasilanie zaopatrzenie zasiłek zaskakiwał zaskakiwał zaskakując zaskarżać zaskoczenia zaskoczenie zaskoczyć zasłona zasłona dymna zasłonić zasłudze zasługa zasługa zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasługiwać zasłużyć (się) zasłużyć się zasnąć zasobnik zasobnik kart zasobnik kart (dziurkowanych) zasób zasób środek trwały zaspokoić zastanawiać się zastanawianie się zastanowienie zastaw zastaw zastaw zastawce zastawić pułapkę/sidła zastawka zastąpić zastąpić kogoś basisbekeuring. krediet. verdienen waard zijn. nummer pion pand. bikken. gebruiken. toekomen. zich verwonderen afspiegeling. jas jas. in de plaats stellen van inboeten. tegoed. verdienen slapen. krijgskunde een hinderlaag leggen bewerker eten. macht. kalm zich verbazen. bezorging aanvoer. maffen bunker. verdienen waard zijn. klep inboeten. mogendheid aanvoer. rustig. bezorging ondersteuning. subsidie inhalen geschrokken ontstellend een proces aanspannen tegen betrappen. vreten aanvoer. behalen waard zijn. waardig. presenteerblad blad. mantel waard zijn. credit waard zijn. in de plaats stellen van . winnen. stipendium. snappen overgordijn. verdienen creditzijde. valstrik. verrassen. borgstelling schuif. bezorging heerschappij. toekomen. doek mantel. acquisitie. krant opslaan prooi. aanwinst stil. verdienen eerzaam. toekomen. verrassen. waar verdienen. notulen strategie. klep slag. snappen betrappen. kazemat dienblad. toekomen. verdienen waard zijn. scherm. snappen betrappen. toekomen.

dichten. aflossing aflossing. ergo. verloren gaan. tegoed. injectie in zich opnemen. adapteren aanwenden. ontveinzen. aflossing vervanging. aflossing assistent. toepassing koe doen schrikken. oculeren. certificeren betuigen. vervanging afwisselend afstemmen. dichtmaken bedelven. bloedaandrang. prae creditzijde. dus. inboeten afwisselend vernietigen. verhelen verdrinken. certificeren getuigen. adjunct. enten vereren. vettig. vereren. verzadigen inenten. eren maar. inham. vergaan conflict ook weer. aanpassen. eren preferentie. toch stoppen. vraag. assimileren stoppen. plaatsvervangend in de plaats stellen van. schrik aanjagen copyright. credit huldigen. certificeren getuigen. vet baai. krediet. in de plaats stellen van vervanging. privilege. doch getuigen. vernielen inboeten. kwalificatie bevoegdheid. aandrang dik. bocht. verwoesten. verpletteren congestie. inham. oculeren. helper steward subsidiair. intekenen bevoegdheid. enten inenten. dichten. doorvoeren aanwending. kwalificatie kwestie. reserveren. navraag spuitje. dichtmaken belegeren doortrekken.zastąpienie zastępca zastępca zastępca zastępca zastępczy zastępować nowszą wersją zastępował zastępowanie zastępstwa zastępstwa zastępujący zastosować zastosować zastosowanie zastraszyć zastraszyć zastrzec sobie prawo autorskie zastrzegać zastrzerzenie zastrzeżenie zastrzeżenie zastrzyk zasymilować zasypać zasypuj zasypuj zaszczepić zaszczepić (przeciw chorobie) zaszczycie zaszczycie zaszczyt zaszczyt zaś zaświadczać zaświadczać legalizować zaświadczyć zaświadczyć zataić zatapiać zatarg zatem zatkać zatkać się zatłoczenia zatłuszczony zatoka zatoka vervanging. kopijrecht bespreken. golf. boezem . overstelpen. kreek golfspel. verzekeren verbergen. inspuiting. huldigen.

arrestatie reserveren. verzekeren bevestigen. zelfverzekerd steeg plaatsbewijs. vergallen. moes. geloof fiducie. toepassing aannemen. betrouwbaar zelfbewust. aanneming beamen. standje. toejuiching ja zeggen. aankondigen. detineren. plakkaat berisping. marmelade vergiftigen. huren. kaartje affiche. krediet. goedkeuren ontstekingsbuis. bougie fiducie. bekendmaken. aanwending aanhouding. billijken.zatonąć zatopić zator zatruć zatrudniać zatrudniać zatrudniać (pracownika) wykorzystywać zatrudnienia zatrudnienie zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać zatrzymać (się) zatrzymać (się) zatrzymać się zatrzymanie zatrzymanie pracy procesora zatrzymanie ze względu na adres zatrzymuj zatwardzenie zatwierdzać zatwierdzać zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzenie zatwierdzić zatyczka zatykać zatykać zaufania zaufanie zaufanie zaufanie zaufany zaufany człowiek zaułek zauważyć zauważyć zauważyć uwaga zawarcie (umowy) zawartość zawartość łyżeczki do herbaty zawiadamiać zawiadamiać zawiadamiać zawiadomić zawiadomienia zinken. aanplakbiljet. aanwending toepassing. adverteren verkondiging. tegoed. credit vertrouwen. blijven staan logeren box reserveren. halthouden. aan de grond raken zondvloed jam. detineren afslaan. aanwerven toepassing. aanwerven aanwending. biljet. ophouden verstopping. bevestigen vormsel. aannemen bijval. halthouden. dichten. vergeven aannemen. aankondigen adviseren. constipatie. geloof creditzijde. aankondiging . blijven staan logeren box logeren logeren afslaan. blaam uitgang. vertrouwen. beamen. huren. dichtmaken ontstekingsbuis. vertrouwen. bougie stoppen. fiducie hebben in vertrouwd. uiteinde inhoud inhoud adviseren. aanmerking. bekendmaken aanplakken aandienen. acclamatie. ophouden. aankondigen. obstipatie beweren.

duizeligheid foei penarie. naijver ijverzuchtig. leed. ingewikkeld bundel. verkondiging affiche. ingewikkeld maken gecompliceerd. hinder foei beschamen. klep duizelig duizeling. beschaamd maken beschaamd altijd. bos jaloezie. ijverzuchtig benijden. halsstarrig. beroepsprofessioneel. afwikkelen. eens. hardnekkig volhardend . broodwinning. misgunnen bemachtigen. beroep. laten merken anemoon anemoon mysterieus. geheimzinnig compliceren. beslaan inclusief afslaan. zetten in de steek laten. steeds permanent. verdriet handwerk. inhouden. beroepsprofessioneel. immer. benardheid. aangrijpen professioneel. afgunstig jaloers. beroepswedijver smart. aldoor. jaloers. afdoen bevatten. bij voortduring eenmaal. behelzen smeden bevatten. wel eens. afgunstig. grijpen. jaloers zijn op. knelpunt. plakkaat stationschef scharnier afhandelen. beroep. behelzen omvatten. bedrijf schuif. ambacht beroep. inhouden. blijven staan hangen hangen monteren. wis. immer. steeds koppig. aanplakbiljet.zawiadomienie zawiadomienie zawiadowca stacji zawias zawierać zawierać zawierać zawierać zawierać (umowę) zawierający wszystkie funkcje zawiesić zawiesić się zawieszać zawieszenie zawieść zawilca zawilec zawiły zawiły zawiły zawiniątko zawisć zawistny zawistny zawiść zawładnąć zawodowiec zawodowiec (w sporcie) zawodowy zawody zawód zawód zawód pisarza zawód pisarza zawór zawrotny zawrót głowy zawstydzać zawstydzenie zawstydzić zawstydzić się zawstydzony zawsze zawsze zawsze zawsze dostępny zawzięty zawzięty aankondiging. ambacht handwerk. ooit altijd. halthouden.

rozig. map inrichting. naijver maas. nakijken. drossen uitgewekene. afgunstig benijden. bijeenkomen samenkomen. gezellig. schare. bijeenkomen scheren oogst acquisitie hutspot analoog. moeten. strik merken. drift bestand. aanklacht doldriftig. samenlopen. vluchteling elkaar dekken. hulpmiddelen inrichting. convergeren elkaar dekken. gelijksoortig collectief. examineren Verlosser vrijkopen. dol nodig hebben. inzamelen deduceren. apparaat.zazdrosny zazdrosny zazdrosny (<of sb> o kogoś) zazdrościć zazdrość zazdrość zazębienie zaznaczyć zaznajomiony z czym (człowiek) zazwyczaj zazwyczaj zażalenie zażarty zażądać zażenować zażyły ząb ząbek (czosnku) zbadać zbawca zbawiać zbędny zbędny zbiec zbieg zbiegać się zbiegać się zbiegać się nadawać zbieżność zbiegowisko zbierać zbierać zbierać oklaski zbierać się zbierać się zbierać sumować zbierać wierzchnią warstwę zbieranie danych o wydajności zbieraniną zbieżny zbiorowy zbiory zbiór zbiór zbiór zbiór danych gotowy zbiór docelowy zbiór drzew (w teorii grafów) zbiór zmian po wykonaniu operacji jaloers. hoeven in verlegenheid brengen intiem. gemeenschappelijk oogst hoop. behoeven. abstraheren deduceren. misgunnen jaloezie. rooskleurig onderzoeken. congruent zijn bijeenkomst. knus tand roze. afleiden. afleiden. wegrennen. samenkomst collecteren. loskopen. dossier inrichting. groep. bos ordner. kudde. congruent zijn samenkomen. bewust gewoonlijk gewoonlijk beschuldiging. tekenen welbewust. verwoed. vergaderen. woedend. apparaat. innig. jaloers zijn op. ijverzuchtig geel ijverzuchtig. jaloers zijn op. hulpmiddelen . overbodig weglopen. breisteek. overeenkomend. innen. meeting. jaloers. hulpmiddelen woud. apparaat. misgunnen benijden. samenkomen. rose. abstraheren vergaderen. steek. afgunstig. afkopen onnodig overtollig.

brassen. eelt. likdoorn zaadkorrel. uitmaken definitief. beslissen. boord. harnas. kloppen. bos gevolg samenscholing wis. evenement toegaan. voortgang hebben. bos uitgebreid. kant. cake wakker. volzin declaratie. korrel straatschuimer. ontaarden. opwekken evenzeer. dunk. kust. pit. bundel. pantser kuras. veelomvattend benaderen aanvliegen benaderen benaderen aanvliegen helling. voorgoed degenereren. gebeuren gebeuren. mede. aan de hand zijn besluiten. clausule. wis. omvangrijk. pantser koek. ontaarden. aangifte. eveneens. aan de rol zijn aanrijden. voorrijden slaan. zenuw-. uitspraak belangrijke gebeurtenis. zin. glooiing wal. evenement belangrijke gebeurtenis. ver voorwaarde. wakker maken. oever bombarderen eksteroog. verbasteren degenereren. wakend wekken. overwaarderen onnodig inhalen verwijderd. bepaling gedachte. klappen. mening. apache bepantsering. opvallen .zbiór znaków kodowanych alfabetycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiór znaków kodowanych alfanumerycznie zbiórka zbitka rejon zbity zbliżać się zbliżać się zbliżony zbliżyć zbliżyć się zbocze zbocze (impulsu) krawędź (grafu) zbombardować zboże zboże zbój zbroja zbroja zbrylić się zbudzić any zbudzony zbyt zbyt towarów zbyt wysoka ocena zbyteczny zdać zdalny zdanie zdanie zdanie zdanie (twierdzące) zdarzenie zdarzenie zaszłość zdarzyć się zdarzyć się zdecydować zdecydowanie zdegenerować się zdegenerowany zdejmował zdemontować zdenerwowany zdeprawować zderzać się zderzać się repertoire bundel. ook verkoop. harnas. kuras. nerveus boemelen. verbasteren afstandelijk afstijgen zenuwachtig. ververwijderd. vervreemding overschatten. opinie. bepantsering. visie frase.

neerslaan versieren sieraad. laten merken verdoofd afgemeten. buffer botsing. besturen verraad verraad verraad in de steek laten. kieken fotografie beeld. gering luttel. klein. verkrijgen. pakken. verkrijgen. ceremonieel luttel. prent. bekwaam bekwaam. verschaffen. fit. stootkussen. kundig administreren. valide gezond van lijf en leden . karig. kundig. aanrijding botsing. aanvaring. gering gezondheid gezond. buit maken buit maken. plaat luik fotograferen. behendig. decoratie. plechtig. klein. louteren afhaken. laten merken in de steek laten. loshaken fotograferen. behalen buit maken. karig. kundigheid aanpassingsvermogen geschiktheid aanpassingsvermogen bekwaamheid. kundigheid faculteit capabel. smoren. beetkrijgen raaf buit maken. aanvaring. klein. min. handig. voorrijden reinigen. karig.zderzak zderzenia zderzenie zderzyć się zdjąć zdjąć z haka zdjęcia zdjęcia (w filmie) zdjęcie zdjęcie (fot. tooisel beetnemen. behalen uitreiken. verstrekken aanpassingsvermogen bekwaamheid. bekwaam bedreven. kundigheid bekwaamheid. aanrijding aanrijden. min. kieken onderdrukken. gering luttel. beheren. behalen verkrijgen. capabel. afbeelding. verkrijgen.) zdjęcie migawkowe zdławić zdobić zdobienie zdobycia zdobycz zdobyć zdobyć wewnętrzną świadomość zdobyć wewnętrzną świadomość zdobywać zdobywać zdolności przetwarzania zdolność zdolność zdolność zdolność adresowania zdolność już wydrukowanej warstwy farby drukarskiej do przyjęcia następnej warstwy nadruku pułapkowanie zdolność przystosowania się zdolność przystosowawcza zdolny zdolny zdolny do narzucenia zdołać zdrada zdrada zdradą zdradzać zdradzić tajemnicę/oddać coś zdrętwiały zdrętwiały zdrobniały zdrobnienia zdrobnienie zdrowie zdrowy zdrowy na umyśle bumper. min. schoonmaken.

meeting. bewusteloos raken bezwijmen. louter bedaren. verwoesten. bijeenkomen bijeenkomst. nihil nihil. sluimeren. samenkomst vergadering. bekoelen. scheelkijken. amechtig. Kaapse ezel aggregatie. kapot rot. polshorloge horlogemaker. bedorven. overlijden. druilen. bloot. klokkenmaker daling. bewusteloos raken wraak wraak wraak hoogtepunt. zin zefier uurwerk. begeerte. verbazen bevreemdend. verbazingwekkend verwonderen. bevreemden. lust. verbazingwekkend eminent. luwen zwak bezwijmen. verrot verspild rot. verlangen. verbazen bevreemdend. verrot nul. samenkomen. stuk. dutten sluimeren. nul nul nul nihil. bevreemden. uitstekend. smoren. aanzienlijk onderdrukken. loensen nul. bedorven. aggregaat vergaderen. zenit defect. vernielen verwonderen. landing Zeeland enkel. klok wijzerplaat horloge. samenkomst samenscholing bijeenkomst. dutten vernietigen. neerslaan doodgaan. nul .zdrój zdrzemnąć się zdrzemnąć się zduciś zdumieć zdumieć zdumiewać zdumiewający zdumiewający zdusić się zdychać zdyszany zebra zebrać zebrać zebrania zebranie zebranie zebranie zechcieć zefir zegar zegara zegarek zegarmistrz zejście na ląd (ze statku) Zelandia zelówka zelżeć zemdleć zemdleć zemdlenia zemsta zemsta zemścić się na kimś zenit zepsuty zepsuty zepsuty zepsuty fabrycznie zera zera zerkać zero zero zero zero nastawiaine zero nieznaczące badplaats druilen. nihil nul scheelzien. buiten adem zebra. sterven ademloos. meeting. zitting wens.

bos bijeenkomst.) zerwać zerwanie zesłać (nieszczęście) zespół zespół Zespół budynków zespół odczytującodziurkujący zespół projektowy zespół serwerów zestaw znaków kodowanych alfabetycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestaw znaków kodowanych alfanumerycznie zestawiać w bloki zeszlifować zesztywnienie zeszyt zeszyt zeszyt (szkolny) ześlizgnąć się zetrzeć zetrzeć zewnątrz zewnętrzna strona zewnętrzna strona zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zewnętrzny zez zeznaj zeznania zeznanie zezowaty zezwalać zezwalać zezwolenie zezwolenie nul nihil. toestaan toestemming. uitwendig. vastzetten schaven. laten schieten toelaten. buiten-. heen. wis. drillen katern. fiat toelaten. schare aggregatie. aflevering katern. buitenwaarts leden. scheelkijken. eruit. meeting. buiten. aggregaat repertoire bundel. samengesteld gevolg bende. uitwendig. klaar nul neutraal. verdriet doen bende. gedogen. mislukken een miskraam krijgen. mislukken beproeven. bedroeven. gedogen. licht. onpartijdig een miskraam krijgen. goedvinden. verwijderd. scheelkijken. aanhang scheelzien. loensen certificeren. toestaan . aflevering slippen. nul hel.zero nieznaczące zero początkowe zerować zerowy zerowy (przewód elektr. uiterlijk buiten-. schare groepering. troep. loensen laten. reproduceren. oppervlak extern. uitglijden vandoor. schrift. uiterlijk daarbuiten. afschaven stijfheid oefenen. afzijdig. groep complex. troep. extern. samenkomst gevolg blokkeren. teruggeven getuige scheelzien. over uitwissen buiten buiten oppervlakte. getuigen hergeven. schrift. uiterlijk buiten naar buiten. laten begaan.

rumoer. samenklank ja zeggen. goedvinden toestemming. bedorven. krom omvouwen. overeenstemmend congruent consequent consonant. bevestigen concert het eens zijn. run rot. overeenstemming het eens zijn. lossen toelaten. lawaai. toepassing aandrang. fiat bescherming met de klok mee. ons. passend. toegeven. syllabe lettergreep. overeenstemmen maagbrand. onthaal accoord. doorzien accoord. overeenstemmen passen. leven. fiat loslaten. volontair verzoeker. zuur ophef.zezwolenie na zapis zezwolenie zapisu zezwolenie zdalne zezwolić zezwolić na opublikowanie zębach zęby zgadywać zgadzać się zgadzać się zgadzać się zgadzać się (<to sth> na coś) zgaga zgiełk zgięcia zgięcia zginać zginać zginać zgłaszać się na ochotnika zgłaszajacy się zgłębiać zgłosce zgłoska zgłoszenie zgnieść zgniły zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgoda zgodnie z kierunkiem ruchu wskazówek zegara zgodnie z obrotem wskazówek zegara zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny zgodny ze standardami branżowymi zgodzić się zgodzić się zgorzkniały zgrabny wij. genoeglijk congruent adequaat. overeenstemming overeenstemming. maagzuur. goedvinden. rechtsom aangenaam. gedogen. medeklinker lid worden het eens zijn. we toestemming. tappen. boef ombuigen. plooien vrijwilliger. doorbuigen gebogen. uitlaten. toeloop. kreukelen. syllabe aanwending. toestaan gebit gebit raden. verrot aanvaarding. in overeenstemming zijn het eens zijn. we wij. frommelen ellendeling. nagaan lettergreep. aanvrager onderzoeken. ploert. ons. rechtsom met de klok mee. schavuit. overeenstemmen bitter beminnelijk . exploreren. aanneming. buigen. vouwen. goedvinden. beamen. behaaglijk. gissen. herrie verfomfaaien.

beitsen bitsheid snibbig. samenkomst. boon. bodem. boon. geest. gapen wijd openstaan. pit. bijten. samenkomen. verschijnen verschijning. opdagen verschijning. honds. schade. nurks. bijeenkomst samenscholing vergaderen. bijeenkomen happen. verschijnen verschijnsel. bijeenkomst meeting.zgromadzenia zgromadzenie zgromadzenie zgromadzić zgryz zgryźliwość zgryźliwy zgryźliwy zgrzeszyć zgrzewarka zgrzytać zgrzytania zguba ziarnistość ziarnko (grochu ziarnko (klasa JavaBeans) ziarno ziarno zidentyfikować zieleń zielony ziemia Ziemia (jako planeta) ziemianin ziemniak ziemski ziemski ziewać ziewać ziewanie ziewnięcie zima zimą zimnica zimno zimny zimny zimorodek zjawa zjawa zjawiać się zjawianie się zjawienie się zjawiska zjawisko zjazd zjednoczenia zjednoczenie meeting. fenomeen gezicht. veldboon zaadkorrel. visioen. gapen wijd openstaan. nors. grond. vereenzelvigen groen groen aanaarden achtergrond. samenkomst. korrel zaad identificeren. pit. veldboon tuinboon. knarsen raspen nadeel. jungle. visioen. knauwen. deficit. gapen wijd openstaan. blinde bij kaarspel gezicht. strop zaadkorrel. droombeeld opdraven. korrel tuinboon. bits bars. droombeeld congres unie unie . rimboe koud koud koud ijsvogel blinde. ondergrond chaperonneren pieper. aardappel aards. aarden aards wijd openstaan. onaardig zondigen lasser piepen. gapen winter winter oerwoud.

boosheid. gortig kwartel in aanmerking komen. gotisch lettertype breuk. knoop kwetsen. boosheid. meeting. ranzig. liquideren. samenkomst afbreken houwen. knoop aansluiting houder. grijpen. aanflitsen. toorn bijeenkomst. verontwaardigen grieven. bevelen vragen. rans. aanstellen delegeren. nalatigheid koek. goor. letsel toebrengen gulden. foedraal unie aansluiting haven interface aansluiting aanhechting zich aansluiten. aangrijpen gewricht. aan de grond raken muf. kappen. stuk. plaatsen gramschap. leggen. nagelen bemachtigen. geleding. inroepen. ergeren . gotisch lettertype breuk. toetreden gewricht. hakken houwen. steler diefstal. verzoeken opdracht. geleding. boodschap. aanvragen. opheffen situeren. toorn gramschap. gelid. meetellen afwikkelen.zjednoczony zjedzony przez mole zjełczały zlecenia zlecenie zlecenie zlecenie zakupu zlecić zlecić delegat zlekceważenie zlepiać (się) zlew zleżały zlęknąć się zliczanie zlikwidować zlokalizować zlość zlość zenie zlot złamać złamać (zabezpieczenie złamać zabezpieczenie złamania złamanie złamanie ochrony pamięci złamany złapać złapać złapać kogoś na gorącym uczynku złącze złącze złącze złącze złącze p-n stopniowe złącze przelotowe portu równoległego złącze punkt połączenia złącze żeńskie złącze) ceramika—metal złączenie Złączka zło złocie złodziej złodziejstwo złom złościć złościć verenigd mottig ransig. afvaardigen nonchalance. commissie aanvoeren. gotisch lettertype defect. hakken breuk. kapot aanfloepen. lid worden. boodschap. aangaan spijkeren. lid. schede. lid. commanderen. cake zinken. commissie benoemen. kappen. garstig opdracht. adellijk. gouden dief. ontvreemding afkeuren ergeren. benauwd. gelid. bedroeven.

beproeving smart. samenkomen. gouden gulden. verdriet. bodem. dus. boosaardig. beroerd. kwaad kapot. hatelijk. fronsen verdriet. gouden aanfloepen. boos kwalijk. bergen. leed leed. ondergrond afwisselend veranderen. nijdig. toorn trots kwaadaardig. compositie complex. insluiten opbergen. spartelen. illusie kwaad. samengesteld vergaderen. aanflitsen. bijeenkomen opbergen. begoocheling. gehavend. defect. kwaadaardig afschuwelijk hatelijk. bedroeven droefheit. slecht. afnemen verspild rimpelen. afjakkeren. gouden gulden. redigeren. hartzeer. anders maken opmaken. składany stolik w pociągu) złożyć składany stolik w pociągu złudzenie zły zły zły zmagać się zmaleć zmarnowany zmarszczka zmartwienia zmartwienie zmartwienie zmartwienie zmarznąć zmęczenie zmęczony zmiana zmiana zmiana adresu zmiana kierunku zmiana strumienia magnetycznego na cal zmianą zmielony zmieniać zmieniać zmieniać gramschap. toch ontsnappen.złość złośliwość złośliwy złośliwy złośliwy złośliwy złota moneta dziesięciodolarowa złota rybka złoto złoty złoty złoty (polska waluta) złowić złoże złożenie złożenie skład złożony złożony z dwóch jednakowych elementów złożyć złożyć (np. arend goudvis gulden. insluiten drogbeeld. afbeulen vermoeid. ontkomen. boosaardig. toonzetting. grond. mat. opstellen . toornig. gouden gulden. ontgaan verschuiving achtergrond. aangaan afgeven. samengesteld toondicht. bergen. kaduuk worstelen. ook weer. verdriet. stuk. hatelijk boosaardig. zich aftobben verminderen. kwaadaardig adelaar. samengesteld complex. moe veranderen. anders maken verschuiving afleidingsmanoeuvre ergo. in bewaring geven complex. boosheid. deponeren. smart vriezen afmatten.

anders maken wisselend. bekoelen. veranderen afleiden. denkbeeldig. samenkomen. inkrimpen. benardheid. mengen. afwisselend afwisselend afwisselend veranderen. hinder blo. incubus komplot. samenkomen. sensueel verdicht. wellustig. veranderen anders maken. opkopen vergaderen. mixen beschamen. dwingen. samenkomst. zin zinnelijk. aanbreken van de dag schemer.zmieniać zmieniać (się) zmieniać kolejno zmieniać liczbę zmieniać się zmieniać trasę (pakietu informacji w sieci) zmienić zmienić się zmienić (się) zmienić kierunek zmienna związana zmienny zmienny zmienny zmienny zmierzch zmierzch zmierzch zmieszać zmieszać zmieszać się zmieszanie zmieszany zmniejszać zmniejszać się zmniejszenia zmniejszenie się zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć zmniejszyć (się) zmniejszyć napięcie zmoczyć zmonopolizować zmontować zmontować (urządzenie) zmontowanie zmora zmowa zmrok zmrożony zmuszać zmuszać zmylić zmysł zmysłowy zmyślony wijzigen. timide. halfdonker halfdonker. bedeesd temperen. kleiner worden. schemer. illusoir betekenis. veranderen anders maken. doorkomen. schemerdonker mat. schemerdonker blo. zich verpozen bedaren. afnemen afdraaien. matverplichten. knelpunt. verminderen verslappen. annuleren. weekmaken. nachtduivel. verlagen afname dalen. slagen anders maken. vermengen. noodzaken stuwen bedrieglijk. veranderen afwisselend bekeren anders maken. fictief . veranderlijk. timide. weken accapareren. afgelasten in de week zetten. bevangen. modificeren afwisselend klaarspelen. schemer. bijeenkomen vergaderen. verlagen inkorten. schemerdonker. afwisselend dageraad. beschaamd maken penarie. verstrooien wisselend. herleiden afdraaien. bevangen. luwen ontbinden. samenspanning halfdonker. bijeenkomen meeting. bedeesd reduceren. bijeenkomst angstdroom. veranderlijk.

voorteken. hash table mieszać znak nowej linii znak odstępu znak sterujący transmisją znak unikowy znak wodny znak zabezpieczający znak zapytania znak zastępowania znak zastrzeżony usługi znak zgłoszenia znakomitość znakomity znakomity bedrieger. kwakzalver doel. porto muntstempel tal. teken nauwgezet. bedoeling. ogenblik. bevinden. relatie. bekend zijn met kennen. aanmerkelijk. plan. nauwkeurig. teken voorbode. korrel. voorteken. moment. voorteken. aanzienlijk . strekking veelbetekenend. teken sterretje. bedoeling. gebeuren kennis. tel aanzienlijk dundoek. charlatan. aantal. vlag merken.znachor znaczący znaczący znaczek znaczek pocztowy znaczek pocztowy znaczenie znaczenie znaczenie znaczenie przenośne znacznie znacznik znacznik kontekstu klienta (pozwalający na przechowywanie danych klienta w Internecie) znacznik stanu klienta znacznik znak towarowy znaczny znaczyć znaczyć znać znać się na znajdować znajdować lokalizować znajdować się znajomość znajomość lokalnych warunków znajomość rzeczy znajomy znak znak znak znak znak "#" tablica asocjacyjna (w języku Perl) zob. relatie. treffen. uitstekend. kennis. voorteken. asterisk sterretje. teken port. voorteken. bekende bekendheid. karakter. tekenen zaadkorrel. vaan. vermogen eminent. teken aanleggen beroemd persoon. kunde kennis. getal oneigenlijk. bekend zijn met vinden. voortgang hebben. pit voorbode. vlag geruim. vaan. geaardheid merken. asterisk mijlpaal aard. plan. figuurlijk doel. relatie. aantreffen situeren. strekking oogwenk. leggen. tekenen dundoek. invoeren gemiddeld kennen. vlag dundoek. frankering. accuraat voorbode. vaan. geaardheid voorbode. plaatsen toegaan. karakter. bekende kennis. beroemdheid kapitaal. voorteken. betekenisvol voorbode. bekende aard. teken kogel voorbode. aanzienlijk importeren.

bevinden. vernielen afname te wachten staan. dierkunde . nogmaals. vergenoegd. plicht bereidwillig. affronteren lijfeigenschap. nogmaals van voren af aan. aanhouden opnieuw. treffen. herendienst verdwijnen. sloop vernietiging vernietigen. aantreffen are. krenken. opnieuw vervelend ontmoeten. blussen. duren. luizig afbraak. berechten gescheld gescheld afschrikken. krenken. tekenen deskundig beoordelen. dierenriem dierentuin dierkundige. funderen vinden. affronteren gescheld beledigen. uitdoen. bereidvaardig uitbeelden.znakomity znaleźć znaleźć znaleźć ukojenie w czymś znamię znawca znawca znęcać się znęcanie się zniechęcać zniechęcić zniesienie zniesławić znieść znieść (na dół) znieść niewolnictwo znieść yć zniewaga znieważać znieważać zniewolenia znikać zniknięcia zniknięcie znikomy zniszczenie zniszczenie zniszczyć zniszczyć zniweczyć zniżka znosić znosić znowu znowu znużony zobacz zobacz <be> zobacz <content> zobaczyć zobowiązanie zobowiązanie bitowe zobowiązując zobrazować zodiak zoo zoolog zoologia onbetaald. wachten beklijven. aantreffen baseren. belasteren afschaffen afschaffen afschaffen maag beledigen. treffen. voldaan ontmoeten. aantreffen merken. achterstallig vinden. ontmanteling. plicht verplichting. uitblussen vernietigen. kwaadspreken. verwoesten. vierkante decameter tevreden. afbeelden zodiak. van voren af aan. beuzelachtig. verjagen afschaffing roddelen. aantreffen verplichting. bevinden. vernielen doven. wijken verdwijning verdwijning onbeduidend. verjagen afschrikken. verbeelden. grondvesten. zoöloog zoölogie. oordelen. afhalen. verwoesten.

vastnaaien haakje. lijst. morren. aannaaien. aurora. scheuren afrukken. toekomen. uitspraak pauzeren onderzoeken. arrestatie aanleggen. gedurfd. injecteren doen. dierkunde uitschrijven. afbreken lotsbestemming. onzedelijk afsnauwen declaratie. raam een miskraam krijgen. ontslagneming bedanken. examineren inspuiten. bedanken prijsgeven. verdienen aanvuren. aurora. beschadigen. verder op reis gaan. toegeven zich aaneensluiten. nablijven overig. ontslagname. stout Zoeloetaal. odpowiedzialności) zrzekać się zrzekać się (sterowania) zrzeszać się zrzędzić zrzut zmian (zawartości pamięci) zsiadać zsługa zsumować dodać zszyć zszywka zuchwały Zulus zoölogie. afreizen havenen. klamp brutaal. bevattelijk bevatten. het veld ruimen. ontslagname. bestemming. afstand doen afstaan. organiseren Aurora morgenlicht. neerleggen. nakijken. begrijpen. aansluiten mopperen. kankeren. beseffen aanhouding. aanmaken. morgenrood logeren achterblijven. sputteren stortplaats afstijgen waard zijn. lot bedanken. opgeven gemeen. omlijsting. aftreden. verjagen kader. stoutmoedig. aansporen aanzetten. mislukken uittreden. afleggen.zoologiczny zorganizować zorza zorza zorza polarna zorza polarna zostać zostawać zostawać zostawić zranić zraz zrazić zrąb aplikacji zrezygnować zrezygnować zrezygnował zrezygnował zrobić afront zrobić pętlę zrobić przerwę zrobić sekcję zrobić zapas zrobić zrzutkę zrozumiałem zrozumiały zrozumieć zrozumienie zrównać zrównoważony zryw zrywać (kwiaty) zrządzenie losu zrzec się tronu zrzeczenie się zrzeczenie się (np. nietje. morgenrood Aurora morgenlicht. aangifte. bief afschrikken. kramp. aan de schouder brengen nuchter barsten. aanwakkeren. bedrijven. ontslagneming afstand. immoreel. plukken. Zoeloe . afstand doen afstand. neerleggen. bederven biefstuk. regelen. splijten. maken en begrijpelijk.

volledig uitdrukken volkomen. luchtpijp.zupa zupą zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie zupełnie obcy człowiek zupełny zupełny zupełny zużycie zużycie energii zużywać zwabić zwabić zwalczać zwariowany zwarty zważać Zważyć. genootschap. afgaan. dicht verstand. intellect het gewicht bepalen. opzoeken bezoeken. belemmeren geurig. opzoeken binnenband. radicaal helemaal. voorteken aanverwant. rondreis bezoeken. tering. brengen. toevertrouwen spel verflensen. straat Annunciatie. consumeren lekker. referentie eerbiedigen. voorhebben slopen. kwijnen. aanlokkelijk lokken dwarsbomen. verstuiken spoken tournee. luchtband binnenband. associatie verwijzing. ontwrichten. berichten. in optima forma longtering. tegenwerken. verwantschap informeren. volkomen. luchtpijp. bloot compleet. afwegen Zweeds zeeëngte. inlichten bond. verbruiken. aromatisch compact. respecteren verrekken. odważyć zwedzki zwężać (się) Zwiastowanie zwiastun związany związek związek związek związek typu "jeden do wielu" związek typu "jeden do wielu" związek zawodowy zwichnąć (staw) zwiedzać zwiedzać zwiedzać zwiedzanie zwierak anty nadawanieodbiór zwierak anty nadawanie-odbiór zwierzać się zwierzchnictwo zwierzę zwierzę zwierzę zwierzę pociągowe zwierzęcy zwierzyć się zwierzyna zwiędnąć soep soep alles wel beschouwd heel. finaal louter. nauw. luchtband vertrouwen. genootschap. koesteren. vertroetelen dierlijk dierlijk vertrouwen. wegen. verdorren . perfect. verwant bond. heel. kanaal. tuberculose voeren. Maria-Boodschap voorbode. totaliter grondig. enkel. toevertrouwen dominion dierlijk dier. afgaan. geest. associatie familiebetrekking. beest troetelen. dragen.

illusoir begoochelen. spoel. vlot. aanhouden. gebruikelijk louter. reproduceren. reproduceren. plakkaat hergeven. convoceren aanspannen. vooral. overwinning victorie. kreng. uiteenvallen bijtend. tappen. open. guur. verheffen. beknopt vochtig instorten. bondig. royeren.zwiększać zwiększać (się) zwiększanie wyposażenia zwięzły zwięzły zwilżyć zwinąć zwinny zwlekać zwlekać zwłaszcza zwłaszcza zwłaszcza zwłoce zwłoka zwłoki zwodniczy zwodzić kogoś zwolennik zwolnic wolny zwolnić zwolnić (tempo) zwolnić kogoś z pracy zwolnienie zwołać zwołuj zwołuj zwoływać zwora zespół odchylający jarzmo (magnetowidu) zwornik zwój zwój zwracać powrót zwracać się (<sb> do kogoś) zwrotnikach zwrócić (do repozytorium) zgłosić się zwrócić pieniądze zwrócić uwagę zwycięstwa zwycięstwo zwyciężyć zwyczaj zwyczaj zwyczajnie zwyczajny zwyczajny zwykle vermeerderen opdrijven. ineenstorten. uitstellen inzonderheid inzonderheid. zege. overwinning veroveren usance. het juk opleggen gedachte spoel. ophogen uitzetting. ontslaan loslaten. ontzetten. dubben verdagen. fel. kort. kort kernachtig. lossen ontslaan. los. illusies wekken bij leden onbezet. inzonderheid neiging tot uitstellen vertraging lijk. bijeenroepen. gebruik douane gewoonlijk gewoon. doordringend aarzelen. bobine hergeven. convoceren aanschrijven uitschrijven. zege. zich verpozen ontzetten. bloot gewoonlijk . uitlaten. in het bijzonder in het bijzonder. gewoonte. bijeenroepen. schoorvoeten. weergeven victorie. teruggeven adresseren keerkring affiche. royeren aanschrijven uitschrijven. onbelemmerd verslappen. klos. bobine klos. kadaver bedrieglijk. teruggeven reproduceren. enkel. expansie kortstondig. aanplakbiljet.

kwel. niet niks. verbasteren inflatie zaagvormig zaagvormig verdienste. aanwinst. foutief. lemmet kling. buit. noch niks. kotsen degenereren. baat. prooi acquest. ontaarden. naakt algemeen. buit. gewin kling. vrouwtje kikker. welput aanslaan. smart . gewin acquest. niets. niets. kwel. verdriet. baat. niemendal. gemeenschappelijk ingeboren. wortel schieten wijfje. baat. kwel. aanwinst. kikvors een of andere. buit. lemmer. prooi verdienste. verkeerd begrijpen slecht pony oorsprong. gemeenschappelijk gewoon. wel. nee. wel. geen zier neen. wel. geen. welput bron. verkeerd misverstand misvatten. niet neen. winst. behalen acquest. gebruikelijk algemeen. braken. onbedekt. aangeboren gewoon. buis leed. gebruikelijk spugen. colbert.zwykle tekstowe zwykły zwykły zwykły zwykły zwykły papier zwykły tekst zwymiotować zwyrodnieć zwyżka (cen) zygzak zygzakowaty zysk zysk na akcję zysk na akcję i ekwiwalent akcji zysk na akcję i ekwiwalent akcji zyskać zyskać zyskać na czasie źdźbła źdźbło źdźbło (trawy) źdźbło trawy źle źle źle zastosować źle zrozumieć źle/nieudolnie kierować (instytucją itp) źrebak źródła źródła źródła źródło źródło mocy sterowane cyfrowo źródło upuszczania źródło zasilania ż żaba żabą żaden żaden żaden żaden (w zdaniach przeczących) żaden z dwóch żaden z nas żagiel żakiet żal gewoonlijk onopgesmukt. verkrijgen. een of ander. welput bron. prooi verdienste. kwel. bloot. wortel schieten bron. niemendal. wel. geen. afkomst. lemmet kling. gewin buit maken. herkomst aanslaan. winst. geen zier zeilen jasje. aanwinst. welput bron. overgeven. lemmet schrijden slecht onjuist. nee. lemmer. winst. lemmer. enig evenmin. kikvors kikker.

vurig. gekscheren hansworst. hoeven aanspraak maken op. aanvragen. grol. schertsen. peer boerten. droefheid klagen. begeren . claimen vragen. kwinkslag. pots. claimen pikken. lampje. steken pikken. schertsen. gloeilamp. trek trek hebben in. conditie. inroepen. verzoeken vragen. gekscheren mop. berouw hebben in gloed staan. taaltje jargon. verterend begerig. kwinkslag. inspecteren nodig hebben. grol. priemen. eisen opeisen. lamp. pots. verkiezen. belust. berouw hebben betreuren. claimen opeisen. rekenen. bejammeren berouw. gloeien. hoeven nodig hebben. verzendend. blaken aanspraak maken op. clown. delven. behoeven. aanvragen. beuzelarij boerten. grap mop. harlekijn in gloed staan. inroepen. gretig ampul. gloeien. moeten. moeten. wee betreuren. eisen vragen. bejammeren tot inkeer komen. grap jargon. prikken. prikken. zijn beklag doen luik rouw erbarmelijk. aanvragen. taaltje gloeiend. eisen voorwaarde. blaken opduikelen. priemen. boetvaardigheid. verzoeken aanspraak maken op. opgraven. gekscheren mop. rooien boerten. spijtig ach. claimen inspectie houden. grap bagatel. schertsen. futiliteit. happig.żal żal żal żalić się żaluzja żałoba żałosny żałosny żałość żałować żałować żałował żałował żar żarcia żarcie żarcie żargon żargon techniczny żarliwy żarłoczny żarówka żart żart żartować żartować żartować z kogoś żartowniś żarzyć się żądać żądać żądać żądać informacji żądania żądania żądania żądanie żądanie żądanie danych żądanie informacji dochodzenie żądanie zaprzestania EGP żądanie zaprzestania EGP żądanie znacznika czasu żądła żądło żądny żądza żądza betreuren. pots. rekenen. vereisen. grol. vereisen. eetlust. smart. verzoeken opeisen. inroepen. rekenen. inkeer bedroefdheid. hongerigheid. steken dorstig graagte. beklagenswaardig betreurenswaardig. kwinkslag. behoeven. bepaling aanspraak maken op. bejammeren tot inkeer komen. vereisen.

afkijken drenkbak. vrouw huisvrouw. hartstocht passie. hartstocht plaatsbewijs. afbikken slak. lust. stellen dat aan de grond lopen. tot. nerf. eega. ribbe tegen.żądza żądzą że że że żeberka żebrać żebrak żebro żeby żeglarstwo żeglarz żeglować żeglować żeglował żegluga żegnaj żelastwo żelazka żelazko żelazo żenić się żenował żenując żeński żerować żeton żeton żeton żeton kontrolny żłobek żłób żłób żmija żmudny żniwa żniwo żołądek żołądź żołd żołnierz żona żona prowadząca dom żonaty żonaty facet/domator żongler żonglerka żonglować passie. getrouwd jongleur jongleren jongleren . vrouw des huizes gehuwd. trog adder zeer. janmaat. bedelaar rib. aan. teken. getrouwd gehuwd. roes. krib. vrouwtje raaf bikken. vaarwel ijzeren ijzeren ijzeren ijzeren gehuwd. eetbak. bij. getrouwd van zijn stuk brengen. zeeman navigeren zeilen navigeren navigatie adieu. bedelen schooier. gemalin. naaktslak adstructie. naar. uitbetalen. vermoeden. teken. roes. bewijs spieken. kaartje menen. deerlijk. smartelijk oogst oogst maag eikel storten. pijnlijk. dokken soldaat echtgenote. afkijken spieken. dooreenhalen verwarrend wijfje. lust. betalen. biljet. ribbel. voor navigatie varensgezel. stranden schooien. bak. bewijs adstructie.

voorkomend verkiezen. tor. kraan hijskraan. trek hebben in verkiezen. liefheid goedaardig. wenden rogge kwikzilver. begeren. Hebreeër Hebreeuws. kras. kudde. ruw. gezwind. ad rem gruis.żonglowanie żólty żółć żółtaczka żółty żółw żółw (kursor w języku Logo) żrący żubr żuć żuć gumę bez przerwy żuk żuraw żuraw (także ptak) żurnal żużel żwawo żwawy żwawy żwir życie życiowy życzenie życzenie życzliwość życzliwy życzliwy życzliwy życzyć życzyć sobie żyć żyć z kimś w niezgodzie Żyd Żyd żydowski żyjący żyjący żyletka żyła żyłą żyrafa żyrafą żyrandol żyrant żyroskop żyrować (weksel) żyto żywe srebro jongleren geel gal benijden. geestig. kwik . grind leven. trek hebben in voorkomendheid. krant as snel. dierlijk oeros kauwen kauwen kever. begeren. begeren. kroon. hachje vitaal trek hebben in. overdrager gyroscoop gireren. huizen Hebreeuws. bruut. aderen marmeren. misgunnen geel schildpad schildpad beestachtig. steengruis. rap snedig. luchter endossant. joods levend vee. levendig. gunstig vriendelijk. kraan courant. dagblad. gevat. trek hebben in bestaan resideren. onschuldig goedgezind. druk. haastig. begeren verkiezen. levende have. veestapel scheermes marmeren. verkiezen. toegenegen. schildvleugelige hijskraan. endosseren. joods jood. gauw kwiek. spoedig. gravel. aderen giraffe giraffe kroonluchter. gevestigd zijn. jaloers zijn op.

bikken. steg haag. bestanddeel. hachje vitaal levend bezielen. spijs. kudde. beginsel elementair spontaan eetbaar eten. gerecht haag.żywica żywicą żywiciel rodziny żywić żywić żywić żywić do kogoś urazę żywioł żywiołowy żywiołowy żywność żywność żywopłocie żywopłot żywot żywotny żywy żywy żywy żywy inwentarz żyzny hars hars kostwinner recipiëren eten. meeslepend. gebruiken. vreten voeden voeden element. heg. heg. vurig. pittig vruchtbaar . steg leven. veestapel smeuïg. etenswaar. verlevendigen vee. levende have.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful