P. 1
1INHOUDSSTOFFEN DOC1

1INHOUDSSTOFFEN DOC1

4.0

|Views: 4,053|Likes:
Published by B_Realistic

More info:

Published by: B_Realistic on Nov 29, 2010
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

12/12/2014

pdf

text

original

Inhoudstoffen doc

documentenmap voor de opleiding ‘Herborist’ samengesteld door Maurice Godefridi

Inhoud
Acetylcholine Aescine Alcaloïden Alfa-linoleenzuur Allantoïne Allicine Alizarine Anethol Anthocyanen Antrachinonen Apigenine Apiol Arbutine Arctiine Asaron ACTH Atropine Azuleen Benzaldehyde Beta-glucanen Blauwzuur – glycosiden Beta-caroteen Bitterstoffen Carotenoïden Carvacrol Carvone Cineol Citral Cocaïne Coenzyme Q-10 Costunolide Coumarine Curcumin Cynarine Cytochroom P450 Diosgenin Dopamine Echinacein Estragol Ethanol Eugenol Fenolen en fenolcarbonzuren Flavonoïden Formononetin Fructo-Oligo-Saccharides (FOS) Fytosterolen Genisteïne Geraniol Glucosinolate / Mosterdolieglycosiden Glycerol Glycoalkaloïde Glycoside Ginsenoside Glycyrrhizine Humulonen Hypericine Hyperforine Indigo Indole-3-Carbinol Inuline (zie ook fructanen, FOS) Iridoiden Isoflavonen Lecitine Lectinen Lentinan, beta-glucaan polysaccharide Lignanen Limoneen Linalool Linalylacetat Luteine Lycopeen Melatonine Menthol / Levomenthol MSM (Methylsulfonylmethane) Myristicine Neurotransmitters Omega-3 Vetzuren EFA OPC / Oligomere Procyanadinen Oxalaten / Oxaalzuur Papain Policosanol Polyfenolen / Flavonoiden / OPC Polysacchariden immuunmodulerende Ricine Rosavine Rozemarijnzuur Rutine Safrol Salicylzuur / Salicylaten Salidroside Saponinen Serotonine Silicium / Kiezelzuur Silymarine Sinigrine Solanine Synephrine Tanninen / Looistoffen Terpenen Thymol Tryptofaan Valepotriaten Verbenon Vitexine,flavonoïde Withanolides

1 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

A Acetylcholine
(vaak afgekort tot ACh) is een neurotransmitter, die vooral betrokken is bij de prikkeloverdracht van de zenuw naar de skeletspiercellen. Het actiepotentiaal maakt in het uiteinde van een zenuwcel acetylcholine vrij. Dit acetylcholine diffundeert door de ruimte tussen deze cel en de volgende cel (deze ruimte heet de synaps) en activeert de laatste door zich te binden aan de acetylcholinereceptor. Na activatie hiervan wordt, als dit een tweede zenuwcel is,weer een elektrisch signaal opgewekt; als het een spiercel is, wordt door de receptoractivatie de spiercontractie (samentrekking) geïnduceerd. Na korte tijd wordt het acetylcholine in de synaptische ruimte door het enzym acetylcholineesterase razendsnel afgebroken tot de metabolieten choline en acetaat dat in de originele zenuwcel weer tot acetylcholine hergebruikt wordt. Diverse stoffen en farmaca kunnen dit proces op verschillende manieren beïnvloeden: 1. Agonisten: dit zijn stoffen die de werking van ACh nabootsen, de afgifte van ACh stimuleren of de afbraak van ACh remmen. Bekende ACh-agonisten zijn de zenuwgassen TABUN, SARIN en SOMAN. Hoewel deze stoffen in beginsel de werking van ACh versterken doordat ze de afbraak remmen, werken ze toch op termijn spierverslappend omdat ze een zogenaamd depolariserende verslapping induceren. Daarnaast hebben ze effecten op meerdere andere orgaansystemen. 2. Antagonisten: dit zijn stoffen die de werking van ACh remmen of tegengaan. Belangrijke stoffen zijn atropine (in Wolfskers, Doornappel) en spierverslappers zoals curare (pijlgif van Indianen) en analogen. De ACh-concentratie is hoog in het corpus striatum en de thalamus maar laag in het cerebellum. Er zijn drie typen ACh-receptoren: 1. Muscarinische (AChM). Deze zitten veel in de parasympatische eindsynapsen. 2. Nicotinische (AChN). Deze zitten veel in de sympathische en parasympathische ganglia 3. Nicotinische, met receptoren op de motorische eindplaten van skeletspieren (AChNm)

Aescine, triterpeensaponine
Aescine verbetert de bloedcirculatie in de aderen. Aescine zorgt voor een normale wandspanning in de aderen, waardoor het bloed beter naar het hart terugstroomt. Aescine is ook ontstekingsremmend en vermindert oedeem (zwellingen met veel vocht) na trauma's, zeker na sportblessures en operaties. Aescine, het belangrijkste bestanddeel van Aesculus hyppocastanum is een triterpeenglycoside met anti-oedemateuze, anti-exsudatieve, anti-inflammatoire en venotoniserende eigenschappen. In dierexperimenteel onderzoek is gebleken dat het aescine een anti-exsudatief en een vaatwandversterkend effect heeft. Het aescine remt de activiteit van bepaalde lysosomale enzymen, waarvan de activiteit bij chronisch veneus vaatlijden juist is verhoogd, waardoor de afbraak van mucopolysacchariden in de capillairwanden wordt geremd. De filtratie van laag-moleculaire eiwitten, electrolyten en water naar de interstitiële ruimte wordt geremd door een afname van de vasculaire permeabiliteit. In humaan-farmacologisch onderzoek is in vergelijking met een placebo een significante reductie van de transcapillaire filtratie vastgesteld. Tevens is een significante verbetering waargenomen van de symptomen van chronische veneuze insufficiëntie (moeheid, gevoel van zwaarte en spanning in de benen, jeuk, pijn en zwelling van de onderbenen) in verschillende gerandomiseerd dubbelblinde of cross-over studies.

2 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Aescine 2: Antisecretory and gastroprotective effects of aescine in rats. Author: Marhuenda, E : Alarcon de la Lastra, C : Martin, M J Citation: Gen-Pharmacol. 1994 Oct; 25(6): 1213-9 Abstract: 1. This study was designed to determine the antisecretory effects of aescine in the perfused stomach of the anaesthetized rat. In addition, the effects of aescine on mucosal lesions produced by intragastric instillation of 1 ml of absolute ethanol, its action on the production of mucus and the possible role of PGs in aescine induced gastroprotection were also studied. 2. Pretreatment of aescine (10 and 50 mg/kg) inhibited the increases in acid secretion induced by histamine (5 mg/kg) and carbachol (10 micrograms/kg). At the highest dose used abolished nearly the increase induced by carbachol (P less than 0.001). 3. Aescine (10, 25 and 50 mg/kg) was found to be effective in the prevention of gastric ulceration induced by absolute ethanol in rats. The degree of gastroprotection decreased with time, the optime effects occurring 60-120 min after oral administration. Pretreatment with indomethacin (10 mg/kg) partially inhibited the gastric protection but the PGE2 determination did not show an increase in prostanoid levels. Furthermore, the protective effect was not associated with an increase in the amount of gastric mucus and glycoprotein content. 4. These results indicate that aescine exerts an antisecretory action which could play a possible role in its antiulcerogentic activity. Also it shows a marked protective mucosal activity which could be partly explained through non-prostaglandin dependent mechanisms involving its antiinflammatory and vasoactive properties.

Alcaloïden / Alkaloïden
Een alkaloïde is een stikstof bevattende plantenbase, met in het algemeen een ingewikkelde chemische (heterocyclische) structuurformule die vaak een sterke fysiologische of farmacologische werking heeft. Sommigen worden als genotmiddel gebruikt. Enkele voorbeelden van alkaloïden die in de geneeskunde worden toegepast zijn: atropine, cafeïne, morfine en codeïne, cocaïne en neostigmine. Een aantal farmacochemici hanteren een nauwere definitie voor alkaloïden. Naast de hierboven genoemde criteria, stellen zij ook de eis dat de stoffen in zuivere vorm vast moeten zijn, en dat het stikstofatoom deel van de heterocyclische ring moet uitmaken. Op deze wijze gedefinieerd behoren een aantal farmaca van plantaardige oorsprong die ook een sterke farmacologische werking hebben, dan niet tot de alkaloïden. Enkele voorbeelden hiervan zijn colchicine (heeft geen stikstof bevattende heterocyclische ring), nicotine (is een vloeistof) en efedrine (is niet heterocyclisch). De geschiedenis van de alkaloïden begint in 1806 met de isolatie van morfine uit opium door de apotheker Friedrich Sertürner uit Paderborn. De grote doorbraak hierbij was dat men aanvankelijk naar zure plantaardige stoffen zocht, maar uiteindelijk bleek dat alkaloïden basen waren. De naam alkaloïde werd in 1819 door de apotheker Wilhelm Meissner geïntroduceerd. De naam verwijst naar het feit dat de verbindingen oplosbaar zijn in waterige oplossingen van zuren - ze kunnen zuur neutraliseren - maar niet in waterige alkalische oplossingen. Vaak hebben planten behorend tot dezelfde familie of hetzelfde geslacht een aantal chemisch verwante alkaloïden. De nachtschadefamilie, verwanten van de aardappel, kent veel soorten die alkaloïden bevatten, zoals de doornappel, het bitterzoet, de zwarte nachtschade, de wolfskers en de groene delen van de aardappel zelf. Men kan de alkaloïden in een aantal families indelen, waarvan een aantal weer kunnen worden onderverdeeld: * Fenylalanine familie 1. benzylisoquinoline alkaloïden: papaverine, curare (pijlgif) 2. aporfine alkaloïden: apomorfine 3 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

3. 4. 5. 6.

berberine alkaloïden: berberine (Berberis vulgaris, Chelidonium) ftalide-isoquinoline derivaten: noscapine morfinaan alkaloïden: codeïne, morfine (Papaver..) restgroep: capsaïcine (Rode peper), emetine

* Tryptofaan familie 1. secale alkaloïden: ergot alkaloïden zoals ergometrine en ergotamine en LSD 2. rauwolfia alkaloïden: reserpine 3. restgroepen: kinine (Chinchona), strychnine (Nux vomica) en fysostigmine * Ornithine familie 1. solanaceae alkaloïden: scopolamine, atropine (Atropa belladonna..) 2. coca alkaloïden: cocaïne * Histidine familie, bijvoorbeeld pilocarpine * Conium alkaloïden: coniïne uit de gevlekte scheerling (zeer giftig) * Piper alkaloïden: piperonal en piperine (peper) * Nicotinezuurgroep: hiertoe behoren o.a. nicotine en ricine * Diterpeen alkaloïden: bijvoorbeeld aconitine (zeer giftig) * Steroïd alkaloïden: saponinen (Dioscorea sp.) * Purine alkaloïden: cafeïne, theofylline Ook kunnen alkaloïden zélf deel van een glycoside uitmaken. We spreken dan van een glycoalkaloïde.

Alfa-linoleenzuur
Alfa-linoleenzuur is een essentieel vetzuur voor mensen en zoogdieren, wat betekent dat het lichaam het niet zelf kan maken. Voor optimale groei en conditie is 0,5 procent van de energie-inname per dag nodig, wat voor een volwassene neerkomt op ongeveer 1,5 gram per dag. Er is nog één ander essentieel vetzuur, linolzuur. Linoleenzuur (CH3CH2CH=CHCH2CH=CHCH2CH=CH(CH2)7COOH) heeft 18 koolstofatomen en drie onverzadigde bindingen tussen koolstofatomen 3-4, 6-7 en 9-10, geteld vanaf het koolstofatoom op het einde (CH3-). Vandaar de benaming n-3 vetzuur of omega 3 (ω3) vetzuur. Notatie is C18:3 n-3. Er is ook nog het gamma-linoleenzuur dat uit linolzuur wordt gemaakt. Dat is een n-6 vetzuur. Uit linoleenzuur worden de lange-keten n-3 vetzuren met 20 en 22 koolstofatomen gemaakt (onder andere cervonzuur), die belangrijke bouwstenen zijn van membranen in onder andere de hersenen en retina. Linoleenzuurdeficiëntie is nadelig voor de hersenen, ogen en het gehoor. Linoleenzuurdeficiëntie komt echter nauwelijks voor, omdat de voeding voldoende linoleenzuur en langketen n-3 vetzuren bevat. Wat het lichaam aan linoleenzuur niet nodig heeft wordt verbrand en niet opgeslagen in vetweefsel. Dit in tegenstelling tot linolzuur dat wel wordt opgeslagen in vetweefsel. Verder kan het lichaam de lange-ketenvetzuren die uit linoleenzuur worden gemaakt, gedeeltelijk vervangen door lange-ketenvetzuren die uit linolzuur worden gemaakt zonder dat dit tot functionele stoornissen leidt. De gezondheidsclaims van extra linoleenzuur in de voeding zijn vaag en niet goed wetenschappelijk bewezen. Linoleenzuur zit in sommige plantaardige oliën waaronder rijstolie, walnoten en in geringe mate in groene bladgroenten. Er is ook een type saffloer met zaden waarin linoleenzuur voorkomt. De lange-keten n-3 vetzuren, die het lichaam uit linoleenzuur maakt, zitten in vlees, vis en visolie. Alfa-linoleenzuur 2: Farmacologische werking vlgs database James Duke Biological Activities - 5-Alpha-Reductase-Inhibitor - Antiinflammatory - Antiaggregant - Antileukotriene-D4 - Antihypertensive - Antimenorrhagic

4 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

-

Antimetastatic Antiprostatitic Cancer-Preventive Hypotensive Immunostimulant Dosage: 0.12

-

ml/man/day Lymphocytogenic Dosage: 0.5 ug/ml Propecic (haargroeibevorderend) Prostaglandin-Synthesis-Inhibitor Dosage: 39.5 g/day/hmn Vasodilator Reference

Plant species with highest amount - Linum usitatissimum L. -- Flax, Linseed; 108,000 - 228,000 ppm in Seed; - Juglans cinerea L. -- Butternut; 87,180 - 90,192 ppm in Seed; - Portulaca oleracea L. -- Purslane, Verdolaga; 4,000 - 80,000 ppm in Herb; - Sinapis alba L. -- White Mustard; 26,148 - 29,373 ppm in Seed; - Lactuca sativa L. -- Lettuce; 1,130 - 18,833 ppm in Leaf; - Phaseolus vulgaris subsp. var. vulgaris -- Black Bean, Dwarf Bean, Field Bean, Flageolet Bean, French Bean, Garden Bean, Green Bean, Haricot, Haricot Bean, Haricot Vert, Kidney Bean, Navy Bean, Pop Bean, Popping Bean, Snap Bean, String Bean, Wax Bean; 1,690 - 18,172 ppm in Sprout Seedling; - Glycine max (L.) MERR. -- Soybean; 13,300 - 14,540 ppm in Seed; - Brassica oleracea var. botrytis l. var. botrytis L. -- Cauliflower; 1,290 13,855 ppm in Leaf; - Spinacia oleracea L. -- Spinach; 480 - 13,657 ppm in Plant; - Brassica chinensis L. -- Bok-Choy, Celery Cabbage, Celery Mustard, Chinese Cabbage, Chinese Mustard, Chinese White Cabbage, Pak-Choi; 510 - 10,899 ppm in Leaf; - Fragaria spp -- Strawberry; 780 - 9,253 ppm in Fruit; - Thymus vulgaris L. -- Common Thyme, Garden Thyme, Thyme; 6,900 - 7,452 ppm in Plant USA; - Cucumis sativus L. -- Cucumber; 290 - 7,342 ppm in Fruit; - Brassica oleracea var. gemmifera var. gemmifera DC -- Brussel-Sprout, Brussels-Sprouts; 990 - 7,069 ppm in Leaf; - Brassica oleracea var. capitata l. var. capitata L. -- Cabbage, Red Cabbage, White Cabbage; 460 - 6,150 ppm in Leaf; - Vigna unguiculata subsp. sesquipedalis (L.) VERDC. -- Asparagus Bean, Pea Bean, Yardlong Bean; 700 - 5,761 ppm in Fruit; - Papaver somniferum L. -- Opium Poppy, Poppyseed Poppy; 1,400 - 5,564 ppm in Seed; - Psidium guajava L. -- Guava; 710 - 5,112 ppm in Fruit; - Ananas comosus (L.) MERR. -- Pineapple; 620 - 4,592 ppm in Fruit; - Origanum vulgare L. -- Common Turkish Oregano, European Oregano, Oregano, Pot Marjoram, Wild Marjoram, Wild Oregano; 4,180 - 4,502 ppm in Plant USA; - Rumex acetosa L. -- Garden Sorrel; 435 - 4,350 ppm in Leaf; - Vigna unguiculata subsp. sesquipedalis (L.) VERDC. -- Asparagus Bean, Pea Bean, Yardlong Bean; 440 - 4,305 ppm in Shoot; - Ribes nigrum L. -- Black Currant; 720 - 3,988 ppm in Fruit; - Sesamum indicum L. -- Ajonjoli (Sp.), Beni, Benneseed, Sesame, Sesamo (Sp.); 3,760 - 3,945 ppm in Seed; - Prunus dulcis (MILLER) D. A. WEBB -- Almond; 3,740 - 3,912 ppm in Seed; - Ribes uva-crispa L. -- Gooseberry; 460 - 3,792 ppm in Fruit; - Phaseolus vulgaris subsp. var. vulgaris -- Black Bean, Dwarf Bean, Field Bean, Flageolet Bean, French Bean, Garden Bean, Green Bean, Haricot, Haricot Bean, Haricot Vert, Kidney Bean, Navy Bean, Pop Bean, Popping Bean, Snap Bean, String Bean, Wax Bean; 360 - 3,700 ppm in Fruit; - Brassica nigra (L.) W. D. J. KOCH -- Black Mustard; 240 - 3,535 ppm in Leaf; - Zingiber officinale ROSCOE -- Ginger; 340 - 3,190 ppm in Rhizome; - Prunus cerasus L. -- Sour Cherry; 440 - 3,168 ppm in Fruit; Phytochemical Database, USDA - ARS - NGRL, Beltsville Agricultural Research Center, Beltsville, Maryland

5 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Alkylamiden
Amiden aanwezig in Echinacea species en mede verantwoordelijk voor de immuunmodulerende werking van Rode zonnehoed. The isobutylamide echinacein (alkylamide) is responsible for the tingling sensation on the tongue, most notable in E. angustifolia.

Allantoine
Allantoïne (5-ureidohydantoïne) Allantoïne bevordert wondgenezing en stimuleert het ontstaan van nieuwe cellen. Bij plaatselijk gebruik heeft de stof bovendien een keratolytisch effect. Dat wil zeggen dat het de opbouw van de hoornlaag van de huid ondersteunt. Natural Sources allantoin: Comfrey root (Symphytum officinale L.), egg whites, and other foods. Forms: Standardized allantoin extracts; allantoin creams; comfrey root extracts. Therapeutic Uses: - Antibacterial (topically) - Skin Healing - Bone and Joint Conditions - Skin Problems - Bruise - Skin Roughness - Compress - Skin Softening - Diaper Rash - Skin Ulcers - Fractures - Sprains - Inflammation - Swelling (topically) - Joint Dislocations - Tissue Damage - Psoriasis - Ulcers (externally) - Scar Healing - Wound Healing Overview: Allantoin is a natural compound concentrated in comfrey root that promotes wound healing, speeds up cell regeneration and has a skin-softening (keratolytic) effect. The Merck Index lists the therapeutic applications of allantoin as a topical vulnerary (wound healer) and treatment for skin ulcers. The FDA has approved allantoin skin creams (0.5% to 2.0%) as non-prescription drug products for: 1) the temporary protection of minor cuts, scrapes, burns and sunburn; 2) preventing and protecting skin and lips against chapping, chafing, cracking and wind-burn, and 3) relieving dryness and softening cold sores and fever blisters. Allantoin is also recommended for treating and preventing diaper rash and additionally helps to seal out wetness. Allantoin is also used in shampoos, foam baths, baby powders, lipsticks, various dental preparations and topical pharmaceuticals. The FDA OTC (over-the-counter Drug) Panel does not recognize allantoin as a wound-healing agent, only as a skin protectant. However, allantoin is ter ed as a cell proliferant and epithelization (skin growth) stimulant in texts including the "United States Dispensatory", "Merck Index", and "British Pharmaceutical Codex". Allantoin is said to clean away dead (necrotic) tissue and hasten the growth of new healthy tissue. Since allantoin stimulates new and healthy tissue growth, skin formation may take place over wounds and sores. Allantoin has also been termed a counter irritant that helps alleviate the skin-irritation effects of certain cosmetic ingredients including soaps, detergents, surfactants, oils, and acidic or alkaline materials. Allantoin produces its desirable effects by promoting and speeding up the healthy, natural processes of the body. It is said to help the skin to help itself. Allantoin is the soothing and healing constituent in comfrey root, valued for use in creams and lotions for these properties. Comfrey teas containing allantoin are also recommended for speeding the healing of bruises, sprains, bone fractures and broken bones. 6 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Chemistry: Allantoin, in its pure form, is a white, odourless, crystalline powder, soluble in water and alcohol and almost insoluble in ether. The Merck Index describes allantoin as a product of purine metabolism that is industrially prepared synthetically by a process using uric acid. It is nontoxic, nonirritating and non-allergenic. Chemical name: glyoxyl-diureide. Molecular weight: 158.12. Melting range: 225C Heavy metals: 10 ppm maximum. Solubility in water: 0.5% at 25C. Suggested Amount: Use rate of allantoin is 0.5 - 2.0% w/w. Small concentrations can be added to the water phase, to incorporate more than 0.5% into an emulsion, add during the cooling phase once the temperature has dropped below 50°C/122°F. Drug Interactions: None known. Contraindications: None known. References: Cajkovac M, Oremovic L, Cajkovac V. 1991. Influence of emulsoid vehicle on the release and activity of allantoin. Pharmazie 1992 Jan; 47(1): 39-43. Fisher AA. 1981. Allantoin: a non-sensitizing topical medicament. Therapeutic effects of the addition of 5 percent allantoin to Vaseline. Cutis. 1981 Mar; 27(3): 230-1, 234, 329. Pinheiro N. 1997. Comparative effects of calcipotriol ointment (50 micrograms/g) and 5% coal tar/2% allantoin/0.5% hydrocortisone cream in treating plaque psoriasis. Br J Clin Pract 1997 Jan-Feb; 51(1): 16-9. Sakuma K, Ogawa M, Kimura M, Yamamoto K, Ogihara M. 1998. [Inhibitory effects of shimotsu-to, a traditional Chinese herbal prescription, on ultraviolet radiation-induced cell damage and prostaglandin E2 release in cultured Swiss 3T3 cells]. Yakugaku Zasshi 1998 Jun; 118(6): 241-7. [Article in Japanese]. Willital GH, Heine H. 1994. Efficacy of Contractubex gel in the treatment of fresh scars after thoracic surgery in children and adolescents. Int J Clin Pharmacol Res 1994; 14(5-6): 193-202.

Allantoin Research: Willital GH, Heine H. 1994. Efficacy of Contractubex gel in the treatment of fresh scars after thoracic surgery in children and adolescents. Int J Clin Pharmacol Res 1994; 14(5-6): 193-202. Clinic and Polyclinic for Surgery of Children, Westphalian Wilhelm University, Munster, Germany. Scar development was investigated in 45 young patients who had undergone thoracic surgery. Patients were randomly assigned either to a group which was treated topically with Contractubex gel (Merz + Co., D-Frankfurt/Main), containing 10% onion extract, 50/U of sodium heparin per one g of gel and 1% allantoin, or to a group receiving no treatment. The treatment began on average 26 days after the operation and was continued for one year. The scars of all treated and untreated patients were evaluated at monthly intervals. The appearance of the scar, including scar type and scar size as well as scar colour, was assessed by the physician. A reduction of the increase of scar width was seen in the Contractubex-treated group as compared with the untreated group. Further, physiological scars and skin-coloured scars were more frequent in the treated group than in the untreated group. Hypertrophic or keloidal scars were less frequent in the treated group. No differences in scar length and scar height were seen. At the end of the observation period, the clinical course of scar development was rated as "very good" or "good" in more than 90% of the treated patients, "good" in less than 40% and "moderate" or "bad" in more than

7 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

60% of the untreated cases. The tolerability of the drug was "good" or "very good" in all cases. In conclusion, Contractubex gel is useful in scar treatment after thoracic surgery. Cajkovac M, Oremovic L, Cajkovac V. 1991. Influence of emulsoid vehicle on the release and activity of allantoin. Pharmazie 1992 Jan; 47(1): 39-43. Department of Pharmaceutical Technology, Faculty of Pharmacy and Biochemistry, University of Zagreb. Samples which contain 2% (w/w) of allantoin in various emulsified vehicles were prepared and characterized. The influence of vehicle on releasing and diffusion of allantoin through semipermeable membrane into an aqueous medium was examined and the quantity of released allantoin was estimated spectrophotometrically. The best results were achieved with ambiphilic vehicle emulsified with complex Tagat S-Tegin M which in the aqueous phase contained propylene glycol (sample A2). On the contrary, with both lanacolic vehicles, the poorest results were achieved in vitro. On the basis of the results for clinical evaluation, the best preparation was chosen (A2) and the preparation with lanacolic vehicle which contains propylene glycol (B2). Before the application of samples, each patient was tested for irritation and sensitization. All test were negative. During further clinical examinations on patients suffering from psoriasis an open double trial for the duration of 14 d was performed. For the evaluation of the efficacy of the examined preparations, objective parameters of the clinical picture were observed (the state of hyperkeratosis, of erythema and infiltration) as well as subjective parameters which were evaluated by the patients themselves. When the in vitro results are compared with clinical estimation, it is evident that they correspond only when characteristics of the preparation are estimated by patients (smearing, absorption and feeling on the skin), because the best preparation was in these cases A2. Both preparations are equally good when regression of subjective symptoms is evaluated (itching and burning). In the objective evaluation of the regression of visible symptoms, such as hyperkeratosis and erythema, results of the clinical experiment do not correspond with results in vitro.

Allicine, thiosulfinaat in Allium sativum
Synonyms: Diallyl thiosulfinate Description: Allicin is garlic's defence mechanism against attacks by pests. When the garlic plant is attacked or injured it produces allicin by an enzymatic reaction. The enzyme alliinase, converts the chemical alliin to allicin, which is toxic to insects and microorganisms. The antimicrobial acivity of allicin was discovered in 1944 by Cavallito. Purified allicin is not sold commercially because it is not stable and has an offensive odour. Allicin extracted from garlic loses its beneficial properties within hours and turns into other sulphur containing compounds. Diallyl trisulfade, which is similar to allicin but is chemically produced, is stable and is used for treatment bacterial, fungal and parasitic infections. Distribution: Allicin is the predominant thiosulfinate in garlic (Allium sativum). Allicin is the chemical responsible for the typical and offensive odor of garlic. Action of Allicin: The antimicrobial effect of allicin is due to its chemical reaction with thiol groups of various enzymes. The incidence of gastric ulcers is lower in populations with high garlic intake. Studies have confirmed that allicin has inhibitory activity on Helicobacter pylori, a bacteria responsible for the development of gastric ulcers. The sensitivity of Helicobacter pylori to allicin might also explain the lower risk of stomach cancer in people with high garlic intake. A study by Ankri et al (1997) demonstrated that allicin inhibited the ability of the parasite Entamoeba histolytica to destroy monolayers of baby hamster kidney cells.

8 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Allicin is not bioavailable and will not get absorbed in the blood, even after ingesting large amounts of allicin. Research Reviews: * Intake of Garlic and its Bioactive Components * The influence of heating on the anticancer properties of garlic. * Pharmacologic activities of aged garlic extract in comparison with other garlic preparations. Allicine is de voornaamste thiosulfinaat-verbinding in knoflook (Allium sativum). Allicine is verantwoordelijk voor de karakteristieke (en onaangename) geur van knoflook. Allicine wordt door de plant gebruikt als beschermingsmechanisme. Wanneer de knoflookplant wordt aangevallen of wordt beschadigd, wordt door een enzymatische reactie allicine gevormd. Het enzym aliinase zet daarbij alliine om tot allicine, wat giftig is voor insecten en micro-organismen. Het antimicrobiële effect van allicine berust op het feit dat het reageert met de thiol groepen in diverse enzymen, die daardoor onwerkzaam worden. Allicine is er ook voor verantwoordelijk dat in gebieden met een hoge knoflook consumptie minder maagzweren voorkomen. Onderzoek heeft uitgewezen dat allicine werkt tegen de bacterie Helicobacter pylori, die verantwoordelijk is voor een groot percentage van maagzweren.

Alizarine, rode kleurstof in Meekrap
Molecuulformule C14H8O4 Andere namen 1,2-dihydroxyanthraquinon, alizarine B, alizarine 3B, alizarine indicator, alizarine lake red 2P, alizarine lake red 3P, alizarine lake red IPX, alizarine L pasta, alizarine NAC, alizarine rood, alizarine redB, alizarine red B2, alizarine red IP, alizarine red IPP, alizarine red L, alizarinprimeveroside, 9,10-anthraceendion, certiqual alizarine, C.I. 58000, C.I. Mordant, Red 11, C.I. Pigment Red 83, D en C Oranje, Deep Crimson Madder 10821, eljon madder, Mitsui alizarine B, Sanyo karmijn L2B, turkey red Alizarine of alizarinerood is een rood pigment dat oorspronkelijk uit de wortels van meekrap (Rubia tinctorum) gewonnen werd, maar tegenwoordig vooral synthesisch gemaakt wordt. Alizarine is bijzonder geschikt voor het verven van textiel en leer. De kleur wordt ook wel kraplak genoemd. Meekrap Meekrap werd als verfstof al gecultiveerd in de klassieke oudheid, met name in Azië en Egypte, waar het reeds in 1500 voor Chr. is aangetroffen. Het is een van de meest stabiele natuurlijke kleurstoffen. Met meekrapwortel gekleurde textiel is dan ook aangetroffen in bijvoorbeeld het graf van Toetanchamon, in de ruïnes van Pompeii en in het oude Corinthië. In de Middeleeuwen werd de kweek van meekrap gestimuleerd door Karel de Grote. Het groeide vooral goed in de zanderige bodem van Nederland, met name in Zeeland, en werd daar ook voor de lokale economie erg belangrijk. Ook in het aangrenzende Bergen op Zoom was een belangrijke industrie. De stad ontleent hier bijvoorbeeld haar carnevalleske naam Krabbegat aan en ook in de Blauwe Handstraat waren ateliers gevestigd. Meekrap werd waarschijnlijk al in de 12e eeuw in Zeeland verbouwd. Het gewas werd twee of drie jaar na de aanplant geoogst. De plant heeft dikke wortelstokken en dunne bijwortels. Deze laatste bevatten de grondstof van de kleur. De wortels werden gedroogd in een droogoven en daarna verpulverd. Het poeder kon als verfstof worden gebruikt. De ovens, meestoven genoemd, waren een eerste vorm van een coöperatie, waarvan de boeren gezamenlijk gebruik maakten. Na de ontdekking van synthetisch alizarine ging de meekrapteelt ten onder. In Zeeland herinneren straatnamen aan dit ooit voor het gebied zo belangrijke product. 9 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

In 1804 ontdekte de Engels verfmaker George Field dat de kleur van meekrap stabieler werd door een behandeling met aluin. Hierdoor werd het een vast en onoplosbaar pigment, met een meer permanente kleur. Door toevoeging van metaalzouten ontdekte men in de jaren daarna dat er diverse andere kleuren van konden worden gemaakt. Synthetische alizarine In 1826 ontdekte de Franse chemicus Pierre-Jean Robiquet dat meekrapwortels twee kleurstoffen bevatten, namelijk het rode alizarine en het snel verblekende purpurine. In 1868 werd alizarine de eerste synthetische gemaakte verfstof ooit, toen de Duitse chemici Karl Graebe en Karl Lieberman, in het laboratorium van BASF het maakten uit steenkoolteer, antraceen, door een behandeling met achtereenvolgens kaliumbichromaat en geconcentreerd zwavelzuur. De wereldproductie bedroeg rond 1996 meer dan 7000 ton. De chemische stof heet 1.2 dihydroxyanthraquinone. Toepassing De kleurkracht van het pigment is zeer hoog, waardoor het een kleur is die snel in een schilderij bijvoorbeeld gaat overheersen. Door de purperen ondertoon kan het goed met blauwe kleuren tot paars gemengd worden. In olieverf is de kleur transparant, waardoor de kleur goed voor glaceren gebruikt kan worden. Hoewel de kleur in dunne lagen snel kan verbleken, is het in dikkere lagen goed kleurecht. De kleur droogt erg langzaam in olieverf.

Anethol in

etherische olie van Anijs

Anethol is een apolaire aromatische onverzadigde ether, met de formule C10H12O. Anethol geeft de typische smaak aan anijs en venkel. De verbinding is een isomeer van estragol, een verbinding die te vinden is in dragon en basilicum. Anethol heeft een duidelijk zoete smaak en is dertien keer zoeter dan suiker. De smaak wordt prettig ondervonden zelfs in hoge concentraties. De stof is licht giftig. Het is een chemische uitgangsstof van paramethoxyamphetamine (PMA), wat als XTC verkocht werd en tot enkele sterfgevallen heeft geleid. Wanneer het alcoholgehalte van een water/ethanol-mengsel hoger dan 45% is, lost anethol op en is de oplossing helder. Door meer water toe te voegen neemt het alcoholpercentage af en de oplosbaarheid van anethol vermindert. Er ontstaat dan een witte suspensie. Anethol is dus oplosbaar in oplossingen met een alchoholpercentage van 45% of hoger. Anethol 2 (E)-1-Methoxy-4-(1-propenyl)benzen (trans-Anethol) Andere Namen: 4-Propenyl-anisol, Parapropenylanisol, 1-(4-Methoxyphenyl)-1propen, 1-Methoxy-4-(1-propenyl)-benzol; engl.: anethole, p-propenylanisole, iso-estragole, "anise camphor", 1-methoxy-4-(1-propenyl)-benzene; frz.: anéthol, anéthole Der Name Anethol stammt ursprünglich aus dem Griechischen: "anethon" = Dill CAS1-No.: [104-46-1]; [4180-23-8] (trans-A.) EG-/EINECS-Nr.: 203-205-5 RID/ADR: UN 1325 4.1/6b FEMA2-No.: 2086 Vorkommen: Anethol, ein Alkyl-phenolether, ist der überwiegende Bestandteil (80 bis 90%) von ätherischen Anis- und Sternanisölen. Auch in anderen Umbelliferenölen, wie z.B. beim Bitterfenchelöl, ist Anethol die Hauptkomponente (ca. 55-75% Anteil, neben Estragol und Fenchon). Süßfenchelöl hat eine ganz ähnliche Zusammensetzung wie das Sternanisöl (80% Anethol neben Estragol, jedoch kaum Fenchon). Anisöl enthält neben Anethol noch Anisaldehyd, Anisketon, Vanillin und Eugenol, welche 10 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

trotz ihres relativ geringen Anteils eine deutliche geruchliche Abweichung verursachen. In der Natur kommt hauptsächlich das trans-Isomer von Anethol vor. Als untergeordneter Inhaltsstoff wurde es in Hauhechelwurzeln (Radix Ononidis) sowie in den Pflanzen Magnolia kobus und Artemisia caudata aufgefunden. Beschreibung: Bei dem Riechstoff trans-Anethol handelt es sich um farblose Kristalle oder Kristallmassen, die sich in der wärmeren Jahreszeit (oberhalb von ca. 23 °C) zu einem klaren, farblosen bis höchstens schwach gelblichem Öl verflüssigen (genauer Schmelzpunkt 21,4 °C). Der Schmelzpunkt von cis-Anethol liegt bedeutend niedriger (-22 °C), so daß dieses Isomer bei Raumtemperatur immer flüssig vorliegt. Die Substanz ist mischbar mit Aceton, Chloroform, Ethylacetat und Diethylether; sie ist auch leicht löslich in absolutem Ethanol. Duftcharakteristik / odor profile (trans-A.): angenehm anisartig, sehr süß, warm-kräuterhaft, würzig. Der Geschmack ist typisch anisartig-süß ("nach Ouzo"). engl.: anise-like, very sweet, warm-herbaceous Verwendung Die angegebenen Verwendungen beziehen sich alle auf das Isomer trans-Anethol. Anethol kommt als Duft- und Aromastoff, vor allem für Seifen und Mundpflegemittel, zum Einsatz. Wichtig ist daneben die Verwendung in der Spirituosenfabrikation als Aromatiseur für Liköre (Typisch: Pernod, Anisette, Ouzo) und in der Lebensmitteltechnologie (Bestandteil von Aromen, in kleiner Menge z.B. in manchen Fruchtaromamischungen wie Himbeere und Erdbeere, [13]). In der Pharmazie wird die Substanz auch als aromatischer Wirk- und Hilfsstoff gebraucht (Förderung der Schleimproduktion durch Ausscheidung in die Lungengewebe). Eine antiseptisch-desinfizierende Wirksamkeit wird ebenfalls beschrieben [7]. Wissenschaft: In der Mikroskopie als Einbettungsflüssigkeit benutzt. In der präparativen Chemie zur synthetischen Herstellung von Anisaldehyd (durch gelinde Oxidation mit Kaliumpermanganat oder Kaliumdichromat und 50%iger Schwefelsäure, [5]). Anethol ist in der Ph.Eur.97, Suppl. 99 aufgeführt als Reagenz [4]. Technik: In der Farbphotographie (als Sensibilisator). Zur Überdeckung von Eigengerüchen in technischen Aerosolen [13]. Chemische und physikalische Kennzahlen der Reinsubstanz: Molekülmasse: 148,21 g/mol Summenformel: C10H12O

Anthocyanins / Anthocyanen
Anthocyanen zijn natuurlijke kleurstoffen die behoren tot de groep van fenolen. Ze zijn rijkelijk aanwezig in groenten, fruit en bloemen. Het is de rode tot blauwe kleur in bijvoorbeeld aardbeien, maar ook in bessen, bonen, petunia's, wijn... Anthocyanen zijn aan omgevingsfactoren onderhevig zoals licht, zuurstof, zuur, temperatuur, enzymen, ascorbinezuur. Deze factoren hebben meestal een negatieve invloed op de aanwezige anthocyanen zodat de concentratie afneemt met stijgende blootstelling aan de omgeving. Anthocyanen worden ook als additief toegevoegd aan bijvoorbeeld jam, marmelade en ontbijtgranen. Voor het gebruik van anthocyanen is er geen dagelijkse aanvaardbare maximum dosis vastgelegd. In de literatuur beweert men dat anthocyanen een positieve invloed hebben op de gezondheid. Ze zouden een zeer belangrijke antioxidant zijn. Ook zouden ze een ontstekingsremmende, anti atherogene en kankerremmende werking hebben. Tenslotte zouden de anthocyanen de nevenwerkingen van diabetes tegen gaan en een positief effect vertonen op de ogen. Veel onderzoek werd gedaan, maar te weinig betrouwbare onderzoek. De dosis die effecten gaf, is te hoog om met een normale

11 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

consumptie van groenten en fruit te bekomen. Er zijn ook supplementen verkrijgbaar die anthocyanen bevatten, deze bestaan uit een bosbesexract. Voedingsmiddel Aronia Aubergine Bloedsinaasappel Gewone braam Bosbessen Framboos Kers Zwarte bes Druif(rode) Rode wijn Anthocyaan in mg per 100 g voedingsmiddel 200-1000 750 ≈ 200 ≈ 115 80-420 10-60 350-400 80-420 30-750 24-35

Over de kleurstoffen anthocyanen en carotenoïden Een stof is een kleurstof (pigment) als het een bepaalde kleur licht van het spektrum van zonlicht of een andere wit-licht bron kan absorberen. Zo absorberen bladgroenkorrels rood licht en reflekteren ze dus wit licht minus rood en dat geeft groen. Er zijn twee typen kleurstoffen: wateroplosbare en niet-water oplosbare (denk maar aan het verschil als je worteltjes kookt en bieten kookt, bij welke gaat het water meekleuren?). De water-oplosbare kleurstoffen heten anthocyanen. De niet water-oplosbare kleurstoffen heten carotenoïden. Er zijn ook nog een paar bijzondere kleurstoffen die niet echt een pigment zijn maar die een kleur geven door de lichtbreking in de struktuur van de moleculen (interferentie). Dit zijn vaak de kleuren in de natuur (bv. van sommige bessen) die een beetje een metaalachtige glans hebben (denk bv. aan de kleur van sommige kevers die metalic groen glanzend kunnen zijn). Bloemen met dezelfde kleur bevatten meestal ook dezelfde kleurstof(fen). De kleur die wij zien, is vaak een combinatie of mengsel van verschillende kleurstoffen. Door verschillen in het mengsel kan de kleur van bloemen dus verschillend zijn, terwijl er toch dezelfde kleurstoffen in voorkomen. De kleur van de anthocyanen hangt af van de andere stoffen die in de buurt zitten (metalen, kleurloze flavonoïden, carotenoïden, deze stoffen heten dan copigmenten). Bloemen kunnen dus dezelfde anthocyanen bevatten maar door verschillen in co-pigmenten toch een andere kleur hebben. Meer informatie hierover vind je op een site van Geocities Opent in een nieuw venster. Op deze site staan een aantal tabellen waarin je kan zien welk mengsel van anthocyanen en carotenoïden diverse kleuren hebben. De verschillende anthocyanen hebben elk een eigen chemische naam. Ook voor een bijzonder geval Opent in een nieuw venster, kun je terecht op internet. De zuurgraad (pH) van het water in de vacuole van de plantencel (dat is de ruimte waar de oplosbare stoffen zich ophopen) is ook belangrijk voor de kleur die we zien. Kijk op internet voor het effekt van de pH op de anthocyanen Opent in een nieuw venster. Loop deze site eens door (onder aan zit knopje: next). Er staan plaatjes van verschillende soorten proefjes die je kan doen. Verder kan de aanwezigheid van sommige metalen invloed hebben op de kleur die we waarnemen. De anthocyanen behoren tot een grotere groep van 'kleurstoffen' die flavonoïden heten. De meeste flavonoïden zijn voor ons gewoon wit (of kleurloos). Echter, deze pigmenten kunnen wel uv-licht absorberen en voor insekten zien witte bloemen er dus toch gekleurd uit. Natural Sources anthocyanins: Bilberries (Vaccinium myrtillus), Blueberries (Vaccinium spp.), Cranberries (Vaccinium macrocarpon) [Fam. Ericaceae]; Other colorful berries 12 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

and fruit also contain anthocyanins including Elderberries (Sambucus spp.) and Grapes (Vitis vinifera). Forms: Standardized anthocyanin extracts (i.e. bilberry and cranberry); dried whole berries (for teas); powdered bilberries, blueberries and cranberries; cranberry juice; elderberry syrups; purple grape and red wine extracts, and hawthorn berries. Therapeutic Uses: - Anti-inflammatory - Antioxidant - Bleeding, excessive post-operative - Blood Clots - Blood Platelet Stickiness - Blood Purification - Bone and Joint Problems - Breast Tenderness - Breathing Disorders - Bronchitis - Cataracts - Circulatory Disorders Diarrhea Enteritis Eyesight Disorders Fibrocystic Breast Disease Hemorrhoids Leg Vein Health Lymphatic System Disorders Microangiopathy Skin Problems Sore Throat Urinary Tract Problems Vascular Disorders

Overview: Anthocyanins are the colorful flavonoids concentrated in brightly colored berries and fruit ("anthos" means "flower" and "cyan" means "blue") being most concentrated in bilberries, blueberries, cranberries, elderberries, purple grapes, red wine and hawthorn berries. Anthocyanin extracts are important for the health of the micro-blood vessel network and are clinically used in this way by medical herbalists and physicians in mainland Europe. Recent studies in the United Kingdom confirm that anthocyanins facilitate the repair of vessel damage responsible for 'small blood vessel permeability' and the related fluid retention caused, including swollen limbs, fingers, breasts and the tissue surrounding the eye area. There is currently little orthodox treatment for this type of fluid retention except diuretics, which are not without side effects and fail to address the underlying cause of the disorder. The ancestral diet was replete with anthocyanins and these antioxidants help to protect the body from harmful free radicals. Bilberry anthocyanins can act to quickly repair and regenerate broken and leaky capillaries and blood vessels within the body. Anthocyanins are also powerful antioxidants that help to protect skin against U.V. rays. Anthocyanins bind to and stabilize collagen and elastin; they stabilize the phospholipids of endothelial cells and increase synthesis of collagen and mucopolysaccharides, which give the arterial walls structural integrity. This strengthening activity could be critical for preventing strokes and cancer. Also, the increased production of collagen and elastin by cells reduces inflammation, which can be beneficial in the treatment of arthritis and asthma. European doctors routinely prescribe anthocyanin extracts before operations to prevent excessive post-operative bleeding. Improved circulation also brings enhanced mental clarity as well. It is well recognized that cranberry and blueberry anthocyanins can effectively treat and prevent mild chronic and recurrent bladder and urinary tract infections; they act to prevent bacteria from adhering to urinary tract walls. Chemistry: There are more than 200 different types of anthocyanins that fall into six major groups: delphinidin; cyanidin; petunidin; pelargonidin; peonidin; and malvidin. Kuhnau (1976) describes anthocyanins as water-soluble plant pigments of the 2-phenylbenzophyrylium (flavylium) structure. Different berries have different anthocyanin profiles (HPLC fingerprints) that can be used to identify species and to verify the purity of products including fruit juices (i.e. this is done to verify that cranberry juices sold on the market contain at least 25% real cranberry juice). Different berries also contain different levels of anthocyanins (i.e. dried bilberries contain 0.7% anthocyanins whereas dried commercial blueberries contain only 0.2%). Anthocyanins normally exist bound to 13 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

sugar molecules (as glycosides) and it is known that without bound sugars (the aglycone) is extremely unstable. The different anthocyanin compounds occur when the different core structures bond with different sugar moieties (glucose < rhamnose < galactose < xylose < arabinose). For instance, the anthocyanin pigments present in grape-skin extract consist of diglucosides, monoglucosides, acylated monoglucosides, and acylated diglucosides of peonidin, malvidin, cyanidin, petunidin and delphinidin. The amount of each compound varies depending upon the variety of grape and climatic conditions. Bilberries contain a large amount of delphinidin that colors the berries reddish purple. According to Francis (1977), the blue to red colour imparted by the anthocyanins depends largely upon the pH of the medium. The highest quality standardized extracts of bilberries, those used in clinical trials, contain 25% anthocyanins, which corresponds to approximately 36% anthocyanosides (anthocyanins with sugars attached). Suggested Amount: Bilberry anthocyanins: Take between 250-1000mg of bilberry extract standardized to contain 25% anthocyanins daily. Alternatively, as a tea, 1-2 tablespoonfuls of bilberry fruit are boiled in water (ca. 150ml) for 10 minutes and passed through a tea strainer while still hot. To treat diarrhea in children or adults, a cup of the freshly prepared tea is drunk cold several times a day. Cranberry anthocyanins: For treatment of UTIs: The dosage of cranberry juice ranges from between 2 ounces to 16 ounces, based on controlled clinical trials (the lower dosage corresponds to pure cranberry juice and the higher dosage corresponds to cranberry cocktail containing 30% real juice). Powdered extracts of cranberry can be taken correspondingly. For strengthening the vascular system: Take between 250-1000mg of cranberry extract standardized to contain 25% anthocyanins daily. For soothing irritated mucous membranes of the mouth and throat or for treating fever: Place cranberries in cold water for two hours, allowing them to swell and then take 1-2 teaspoonfuls of these berries with some fluid. Elderberry anthocyanins: For cleansing and fasting, take 1-2 tablespoonfuls of elderberry syrup per day with plenty of liquid (1:10). Drug Interactions: None known. Contraindications: None known. Side Effects: None known. References: Christie S, Walker AF, Lewith GT. 2001. Flavonoids--a new direction for the treatment of fluid retention? Phytother Res. 2001 Sep; 15(6): 467-75. Review. Colantuoni A, Bertuglia S, Magistretti MJ, Donato L. 1991. Effects of Vaccinium Myrtillus anthocyanosides on arterial vasomotion. Arzneimittelforschung. 1991 Sep; 41(9): 905-9. Laplaud PM, Lelubre A, Chapman MJ. 1997. Antioxidant action of Vaccinium myrtillus extract on human low density lipoproteins in vitro: initial observations. Fundam Clin Pharmacol. 1997; 11(1): 35-40. Lietti, A, Cristoni, A, Picci, M. 1976. Studies on Vaccinium myrtillus anthocyanosides. I. Vasoprotective and antiinflammatory activity. Arzneim Forsch 26(5): 829-832. Politzer M. 1977. [Experiences in the medical treatment of progressive myopia (author's transl)]. Klin Monatsbl Augenheilkd. 1977 Oct; 171(4): 616-9. German.

-

Additional Information: Positive Clinical Findings: 14 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

A group of Italian researchers showed that a mixture of anthocyanosides from bilberry plus vitamin E stopped the progression of lens clouding in a remarkable 97 percent of people with early-stage cataracts. Recent Clinical Findings: A study conducted in Italy found significant therapeutic benefits for using bilberry anthocyanosides to treat fibrocystic breast disease (mastopathy). The study used clinical and instrumental control (echography) of patients before and after at least three months treatment with anthocyanosides. The protocol used was of the prospective and comparative type, whereas follow-up lasted three months. The study was performed in the outpatients' clinic of Breast Physiopathology and Echography organised within the ambit of the services of the Gynecology and Obstetrics Division. In this particular instance both echography and clinical examinations were performed at the same clinic. A total of 257 patients took part in the program of which 35 were excluded since they failed to attend subsequent controls. The study was very well controlled and the results were very encouraging. There was a marked improvement in 75 patients, equivalent to 33.8%, symptoms were reduced in 61 women (27.5%) and disappeared in 14 (6.3%), whereas treatment had no effect in 72 cases (32.4%). In conclusion, therapy with bilberry anthocyanosides for three months in patients with mastodynia, consequent to fibrous mastopathy, was efficacious in reducing symptoms and mammary tension

ANTHOCYANINS: In a review of anthocyanins in fruits, Mazza and Miati (1993) report 300-700 mg/100 g fresh fruit for bilberries, 80-325 for blackberries, 725-1050 in black chokeberry (Aronia melanocarpa) 160 in boysenberries, 250 in black currants, 7-495 for blueberries, 350-450 in cherries, 75-80 for cranberries, 50-400 in hawthorn 30-330 in lingonberry, 1,500 in mountain ash, 10-20 in red currants, 30 to 750 for red grapes 20-60 in red raspberries, 25-180 in saskatoon berry (Amalanchier alnifolia), 140-380 in sea buckthorn 115-225 in whortleberries, (Mazza & Miniati, 1993). Boik (1995) notes that some anthocyanins, as anticoagulants, might prevent blood clots, even strokes. He reports also that they may protect collagen from degradation by inducing crosslinking of collagen fibers, by promoting collagen synthesis, and by preventing enzymatic cleavage of collagen. Anthocyanins inhibit collagenase. By inhibiting collagenase activity, anthocyanins may inhibit invasions by cancer cells. (However, like vitamin C, they may stimulate collagen synthesis and angiogenesis; this latter conflicts with what we read elsewhere, that they might prevent diabetic retinopathy, which at least in some circumstances is caused by new blood vessels proliferation. Boik suggests for arthritis and capillary permeability, doses of 20 to 40 mg pure anthocyanins thrice daily, or 1 20 mg/day. Remeber that 100 g usually calculates to about half a cup. Consult the list above to see where you can get your daily 120 mg anthocyanins. (Boik, 1995; Mazza & Miniati, 1993)

Anthrachinonen, laxerende stoffen in Senna
Die Gruppe der Anthrachinone (formal vom Anthrachinon abgeleitet) nimmt in der Pflanzenheilkunde einen wichtigen Platz unter den therapeutisch wirksamen Bestandteilen von Heilpflanzen ein. Sie wirken gegen Verstopfung, da sie den Anteil der Elektrolytmineralien im Darm steigern und den Stuhl weicher machen. Außerdem wirken sie schmerzstillend, entzündungshemmend, gegen Steinbildung und Psoriasis. Substanzen aus der Gruppe der Anthrachinone * Aloe-Emodin wirkt antibiotisch und kathartisch. * Aloetic acid, dt.: Aloesäure hat antibiotische Wirkung. * Aloin (aus der Aloe vera) steigert die Peristaltik des Dickdarms und wirkt daher leicht kathartisch (abführend), außerdem emetisch (Erbrechen erregend). Aloin ist nur im Blattgrün enthalten, welches bei der Verarbeitung gewöhnlich

15 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

vorsichtig entfernt wird, so dass es nicht in Aloe vera-Produkte zur inneren Anwendung gelangen sollte. * Anthranole * Barbaloin wirkt antibiotisch und kathartisch. * Emodin wirkt kathartisch. * Isobarbaloin wirkt analgetisch (schmerzstillend) und antibiotisch. * Monosulfonsäure * Restannol Warnung: Über einen längeren Zeitraum und in hoher Dosis eingenommen können Anthrachinone eine Gewöhnung herbeiführen und die Darmwand bleibend schädigen! Ein überhöhter Dauergebrauch sollte vermieden werden, da es zur vermehrten Kalium-Ausscheidung kommt. Ein niedriger Kaliumspiegel führt wiederum zur Verstopfung (Obstipation). Anthrachinone sollten am besten nur in Ausnahmefällen eingenommen werden. - nach bestimmten Operationen, wenn der Darm geschont werden soll oder wenn die Belastung einer frischen Wunde durch Druck verhindert werden soll. - nach Einnahme von Morphin- oder Codeinpräparaten. (Diese können Verstopfung herbeiführen) Vorkommen von Anthrachinonen und Anthracenderivate: Sennesblätter, Faulbaumrinde, Rhabarberwurzel. Antrachinonglycosiden (Sennosiden) Contactlaxans, in de dunne darm splitsen deze zich in antrachinonen, die laxerend werken door directe prikkeling van het colonslijmvlies. Werking: na 612 uur. Contra-indicaties Plotseling optredende buikpijn (appendicitis, ileus). Obstructie van de darm. Verstoring van de elektrolytenbalans (m.n. hypokaliëmie). Hoge leeftijd. Sterke lichamelijke verzwakking. Zwangerschap/Lactatie Dit geneesmiddel kan, voor zover bekend zonder gevaar voor de vrucht, overeenkomstig het voorschrift worden gebruikt tijdens zwangerschap. Antrachinonen gaan, bij gebruik van hoge doses, over in de moedermelk en kunnen diarree bij de zuigeling veroorzaken; niet gebruiken tijdens lactatie. Bijwerkingen Buikkrampen. Prikkeling van het darmslijmvlies. Elektrolytenverlies. Meteorisme. Misselijkheid. Collaps. Zelden allergische of anafylactische reacties. Langdurig gebruik kan leiden tot waterige diarree met excessief verlies van water en elektrolyten (vooral kalium), spierzwakte, gewichtsverlies, albuminurie, beschadiging van de plexus myentericus, pigmentering van het colonslijmvlies (melanosis coli). Interacties Het kaliumverlies veroorzaakt door andere geneesmiddelen, kan worden versterkt. Bij langdurig gebruik kan de werking van hartglycosiden worden versterkt door optreden van kaliumverlies. Waarschuwingen en voorzorgen Voorzichtigheid is geboden bij toepassing ter ontlediging van de darm bij colitis ulcerosa, ziekte van Crohn en diverticulose. Alkalische urine kan roze/rood/violet verkleuren, zure urine geel/bruin. De ontlasting kan geel/bruin verkleuren. Langdurig gebruik kan aanleiding geven tot gewenning.

Apigenine,flavanoïde in Echte kamille
Description Apigenin is a flavone belonging to the broader family of flavonoids. Apigenin is found in Matricaria recutita and Euphrasia officinalis and other members of the Apiaceae family, and is most known for its antinflammatory and antioxidant action. Apigenin also possesses an anxiolytic action through its ability to bind to central benzodiazepine receptors.

16 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

(Salgueiro JB, Ardenghi P & Dias M, et al モ Anxiolytic natural and synthetic flavonoid ligands of the central benzodiazepine receptor have no effect on memory tasks in ratsヤ Pharmacol, Biol & Behaviour, 58(4): pp.887-891, 1997.) Monographs Apium graveolens (celery seed) Euphrasia officinalis (eyebright) Matricaria recutita (chamomile) Petroselinum crispum (parsley)

Apiol, aborterende stof in Peterselie
Apiol is a phenol derived from phenylpropane found in many common spices. Apiol has been shown to have antioxidant properties and is abundant in the oils of Celery (Apium graveolens) and Parsley (Petroselinum crispum). Monographs Apium graveolens (celery seed) Petroselinum crispum (parsley) Organic chemical compound, also known as parsley apiol, apiole or parsley camphor. It is found in parsley seeds and the essential oil of parsley. Heinrich Christoph Link, an apothecary in Leipzig, discovered the substance in 1715 as greenish crystals reduced by steam from oil of parsley. In 1855 Joret and Homolle discovered that apiol was an effective treatment of amenorrea or lack of menstruation. In medicine it has been used, as essential oil or in purified form, for the treatment of menstruation disorders. It is an irritant and in high doses it is toxic and can cause liver and kidney damage. Hippocrates wrote about parsley as a herb to cause an abortion. This effect was caused by the apiol. Apiol was used by women in the Middle Ages to terminate pregnancies. [citationneeded] Its use was widespread in the USA, often as ergoapiol or apergol, until a highly toxic adulterated product containing apiol and triorthocresyl phosphate (also famous as the adulterant added to Jamaican ginger) was introduced on the American market. The toxic effects of pure crystalline apiol are disputed. It causes a "relatively safe abortion" in pregnant women if taken in small quantities. It also restores the cycle of menstruation. A larger dose does not cause an abortion, it causes nausea and damages the liver and kidneys. [citation needed] Now that other methods of abortion are available apiol is almost forgotten in the West, but it is still produced and is used in the Middle East. [citation needed] The name apiol is also used for other closely related compounds, found in dill (dillapiole, 1-allyl-2,3-dimethoxy-4,5-methylenedioxybenzene) and in fennel roots.

Arbutine, fenolglycoside in Beredruif
Description Arbutin is a phenolic glycoside found most notably in Bearberry (Arctostaphylos uva ursi). Arbutin is known to have a potent antibacterial action but requires alkaline urine to allow the antiseptic action to occur. After hydrolysis, arbutin releases a diphenol which oxidises to hydroquinone. While arbutin itself has not been shown to be mutagenic, hydroquinone can be mutagenic and are known to inhibit melanin synthesis. Therefore, as a cautionary measure, arbutin containing plants are not suitable for long term use, in pregnancy or lactation.

17 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Monographs Arctostaphylos uva-ursi (uva ursi) Turnera diffusa (damiana) Viburnum prunifolium (black haw) Arbutin

Arctiine,flavonoide in Kliswortel
Description Arctiin is a lignan from Burdock (Arctium lappa) thought to have protective effects against cancer and antioestrogen effects. In Arctium lappa (burdock), Kliswortel, Grote klis

Asaron, geurstof in Kalmoeswortel
ist ein Pflanzeninhaltsstoff, der in Kalmusöl enthalten ist, das aus der Pflanze Acorus calamus (deutscher Name: Deutscher Ingwer) gewonnen wird. Als Reinsubstanz ist Asaron als giftig (kanzerogen) eingestuft, ist aber durch den niedrigen Anteil in Kalmusölen der Grund für deren Verwendung für Heil- und Aromazwecke als auch in der Parfümherstellung. Weil der Stoff zum Niesen reizt, ist er auch Bestandteil des Schneeberger Schnupftabaks. Vorkommen: Der Phenylpropan-Abkömmling a-Asaron kommt in der Natur vor, so z.B. im ätherischen Öl der Europäischen Haselwurz (auch Brechwurz genannt, bot. Asarum europaeum L.). Die Konzentration ist in diesem Öl recht hoch, sie beträgt zwischen 30 und 50%. a-Asaron ist (zusammen mit dem stereoisomeren b-Asaron) auch einer der Hauptinhaltsstoffe des indischen und russischen Kalmusöls von Acorus calamus L. var. spurius (SCHOTT) ENGL. Nordamerikanische und europäische Kalmusöle der Varietäten americanus und calamus weisen dagegen einen weit geringeren Anteil an Asaronen auf. Die Asarone sind in den ätherischen Ölen oft vergesellschaftet mit Elemicin bzw. Isoelemicin. Beschreibung: Die Substanz kristallisiert in farblosen, lichtempfindlichen Nadeln, welche in hochprozentigem Ethanol und in organischen Lösungsmitteln (wie z.B. Diethylether, Chloroform, Eisessig und Petroleumbenzin) löslich sind. In Wasser ist a-Asaron praktisch unlöslich. Der Schmelzpunkt liegt bei 62 bis 63 °C. Sensorische Eigenschaften: Der Geschmack soll pfefferartig sein [5]. Es handelt sich bei Asaron - wie bei den verwandten Stoffen Myristicin, Elemicin und Safrol - um einen Scharfstoff des o-Methoxy(Methyl)-phenol-Typs (Einordnung nach H. WAGNER). beta-Asaron Andere Namen: cis-Asaron; der alte Name ist beta-Asaron; (#17) Asarum Camphor. (115) Spezifikation: Unlöslich in Wasser; löslich in Alkohol, Ether, Eisessigsäure, Kohlenstofftetrachlorid, Chloroform und Ether. Strukturformel: C12H16O3; Molekulargewicht: 208,25; mp: 62-63 Grad Celsius; bp: 296 Grad Celsius; (115) Vorkommen: Acorus calamus; Wirkungen: Die Rauschdroge hat erwiesenermassen krebserregende Wirkung. In hoeherer Konzentration berauschende Wirkung auf den Menschen. Vermutlich wird Asaron im Metabolismus in ein psychedelisches Phenethylamin (TMA 2) umgewandelt, 18 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

das in kleinen Mengen den Kreislauf stimuliert und das Nervensystem staerkt. TMA-2 hat aehnliche Wirkungen wie Meskalin, vermutet der Hamburger Ethnologe C. Rätsch. Inhaltsstoffe Acorus Ätherisches Öl: 2-6 (-9) %: Phenylpropane (alpha-Asaron, beta-Asaron = cisIsoasaron) Monoterpene ([Z,Z]-4,7-Decadienal, Träger des Kalmusaromas), Sesquiterpenkohlenwasserstoffe (beta-Caryophyllen, Humulen u. a.) und Sesquiterpenketone (thermolabiles Acorogermacron, als Artefakte entstehen Shyobunone, Acoron u. a.). Die Zusammensetzung des Öls und der Ölgehalt der Droge hängen von der Chromosomenzahl und damit von der Herkunft der Pflanze ab. Cis-Isoasaron (beta-Asaron) ist oft neben Iso-Eugenolmethylether Hauptkomponente (bis 80 %). Als charakteristisch für das Kalmusöl der diploiden und triploiden Varietäten können die Sesquiterpene vom Typus des Acorogermacrons und des Acorons angesehen werden. Verwendeter Pflanzenteil: Von Wurzeln und Blattresten befreiter Wurzelstock (Radix Calami). Offizinell: Radix Calami: Gehalt an ätherischem Öl mind. 2,0 %, Gehalt an cis-Isoasaron höchstens 0,50 %. Species amaricantes: je 20 Teile Wermut, Tausendguldenkraut und Bitterorangenschale, je 10 Teile Bitterkleeblatt, Kalmuswurzel, Enzianwurzel und Ceylonzimtrinde. Species carminativae: je 25 Teile Pfefferminzblatt, Kamillenblüte, Kalmuswurzel und Kümmel. Therapeutisch relevante Wirkungen: Sekretionsfördernde Wirkung: Kalmuszubereitungen regen aufgrund ihres Gehaltes an Bitterstoffen und ätherischem Öl reflektorisch die Magensaftsekretion (vermutlich auch die Gallensaftsekretion) an. Weitere Wirkungen: Kalmusöl wirkt als Zusatz in Einreibungen erfrischend und anregend und wird beim varikösen Symptomenkomplex eingesetzt. Unerwünschte Wirkungen: Chronische Toxizitätsprüfungen an der Ratte mit beta-Asaron-reichem Kalmusöl führten nach einer Applikationsdauer von ca. 60 Wochen zu Tumoren im Zwölffingerdarmbereich. In den USA wurde deshalb jede Art der Anwendung von Kalmus verboten, obwohl gerade die in Nordamerika wachsende diploide Kalmussippe beta-Asaron-freies ätherisches Öl aufweist. Demgegenüber legen die europäischen Arzneibücher und Aromaverordnungen Grenzwerte für den Gehalt von beta-Asaron in der Droge bzw. in Lebensmitteln fest, um so ein eventuelles Gesundheitsrisiko auszuschließen. beta-Asaron besitzt im Vergleich zu anderen Naturstoffen (z. B. Aristolochiasäure) nur eine geringe kanzerogene Wirkungsstärke. Darüber hinaus dürfte auch die für die kanzerogene Wirkung notwendige Metabolisierung beim Menschen anders ablaufen als bei der Ratte. Bisher konnten beim Menschen keine von Kalmus ausgehenden kanzerogenen Effekte beobachtet werden, obwohl in Indien verbreitet der extrem beta-Asaron-reiche Jammu-Kalmus verwendet wird. Literaturhinweise auf den leberkanzerogenen (?!) Effekt einiger "osteuropäischer (?) Arten" beruhen offensichtlich auf einem Zitier- bzw. Abschreibefehler. Die therapeutische Verwendung beta-Asaron-armer Kalmuswurzeln erscheint daher vertretbar, von einem Dauergebrauch sollte jedoch abgeraten werden, da für genetisch prädisponierte Personen bei lebenslanger Aufnahme von Kalmus ein Krebsrisiko möglich ist.

19 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Adrenocorticotroop hormoon - Corticotropine ACTH
ACTH, internationaal gebruikelijke afkorting van adrenocorticotroop hormoon (v. wetensch. adren = bijnier; Lat. cortex = schors; Gr. trepoo = aandrijven), officiële naam thans corticotropine, ook nog vaak corticotrofine genoemd, een hormoon dat wordt gevormd door de voorkwab van de hypofyse. ACTH zet de bijnierschors aan tot productie van bepaalde corticosteroïden, m.n. van glucocorticosteroïden (corticosteron en cortisol) en van androgene hormonen van de bijnierschors (het is dus een glandotroop hormoon). Het verlaagt daarbij het gehalte aan vitamine C en aan cholesterol (grondstof voor de productie van bijnierschorshormonen). Daarnaast oefent ACTH invloed uit op de vetsplitsing; het kan uit depotvet vetzuren vrijmaken. Productie en afgifte: De productie van ACTH wordt nauwkeurig geregeld. Zij gaat omhoog bij allerlei factoren die het lichaam schade toe kunnen brengen (bijv. ernstige verwondingen of stress). De als gevolg hiervan stijgende productie van bijnierschorshormoon voorkomt overmatige afweerreacties (en beschermt dus het lichaam). De gestegen concentratie van bijnierschorshormoon remt vervolgens de ACTH-productie af. Overproductie van ACTH is de oorzaak van sommige vormen van het syndroom van Cushing. Werkingsmechanisme: Vele hormonen oefenen hun werking uit via hetzelfde basismechanisme: interactie van het hormoon vindt plaats via specifieke receptoren op of in de celmembraan en deze interactie leidt tot activering van het enzym adenylase-cyclase; dit enzym katalyseert de omzetting van ATP in cAMP plus pyrofosfaat. cAMP zet een serie van enzymatische reacties in gang die leiden tot het hormoonspecifieke effect. Voor zover men thans weet geldt dit ook voor ACTH. Medisch gebruik: Als geneesmiddel wordt ACTH weinig gebruikt; het is mogelijk het al dan niet functioneren van de bijnierschors vast te stellen door middel van ACTHinjecties. Structuur: Corticotropine werd voor het eerst uit varkenshypofyse geïsoleerd door W.F. White (1953); de structuur vond Bell c.s. (1955). ACTH heeft een moleculairgewicht van ca. 4500 en is een peptide, bestaande uit 39 aminozuren; het is gesynthetiseerd (1963). De structuur van corticotropine van de mens is in 1961 opgehelderd door T.H. Lee, A.B. Lerner en V. Buettner-Janusch. Brokstukken van het ACTH-molecule blijken, bij ratten toegediend, invloed te kunnen uitoefenen op het herinneringsgedrag of de motivatie en op de herseneiwitten.

Atropine, giftig alcaloïde uit Wolfskers
alcaloïde* door extractie verkregen uit Wolfskers (Atropa bella-donna). De bessen hiervan zijn erg giftig; een enkele bes kan soms voldoende zijn om een kind te doden. Atropine valt farmacologisch gezien onder de parasympaticolytica en heeft vele effecten op het organisme. Hierom is het in veel toepassingen door allerlei afgeleide preparaten verdrongen. Atropine wordt in de moderne geneeskunde echter nog steeds toegepast, met name bij hartritmestoornissen waarbij het hart te langzaam klopt, in noodsituaties bijvoorbeeld bij reanimaties. De gebruikte dosering is hierbij - afhankelijk van de indicatie - fracties van een milligram tot maximaal 4 milligram. Deze bolus kan zowel intraveneus als intramusculair gegeven worden, waarbij de intraveneuze toedieningsvorm binnen enkele seconden tot minuten zijn maximale effect al bereikt, in tegenstelling tot

20 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

intramusculaire toediening. Over het gebruik binnen een reanimatiesetting zijn de meningen verdeeld over dosering; intermitterend of de maximale dosering in één keer. Ook vindt atropine nog wel toepassing in oogdruppels als middel om de pupil te verwijden en de accommodatie van de ooglens te verlammen. Overigens houdt dit effect zeer lang aan (tot enige dagen), wat voor de gebruiker vaak een hinderlijke lichtschuwheid en onscherp zien oplevert; meestal worden in de oogheelkunde voor dit doel korter werkende preparaten gebruikt. Van het effect op de ogen komt ook de wetenschappelijke naam: bella donna = Italiaans voor 'mooie vrouw'. In de oudheid gebruikten vrouwen het sap van de bessen om hun pupil te verwijden. Er is een rijmpje, dat medische studenten gebruiken als ezelsbruggetje om de toxische effecten van atropine te onthouden: Atropine verwijdt de ogen Het doet ook de functie verhogen Van hart en darmkanaal Bloeddruk en secretie dalen Sneller gaat het ademhalen!

Azuleen / Chamazuleen in Echte kamille
Natural Sources: Matricaria recutita L. and other Matricaria species [Fam. Asteraceae] Forms: Oily extract of fresh or dried chamomile flowers. Therapeutic Uses: - Antimicrobial - Athlete's Foot - Bone and Joint Problems (externally) - Bunions - Cardiovascular Health Maintenance - Carpal Tunnel Syndrome - Digestive Disorders - Fever - Gastrointestinal Disorders - Gastritis Heart Health Maintenance Infections (externally) Insomnia Leg Vein Health Nervous Disorders Sciatica Skin Disorders Ulcers Vascular Disorders Vein Health

Overview: Azulene is a prime component of the essential oil of chamomile flowers, Matricaria recutita L. [Fam. Asteraceae] and related plant species. Products containing azulene generally also contain the other characteristic components of chamomile's essential oil and are gaining popularity for improving leg vein health. Studies have shown that an azulene-based synthetic drug has beneficial cardiovascular effects and may be helpful in treating arrhythmias and for relaxing venous tissues thereby improving circulation. It is thought that this drug may block both Na+ and Ca2+ channels expressed in cardiac and vascular smooth muscles. The multiple ion channel blocking effects of these azulene-based drugs are thought to be largely responsible for the antiarrhythmic and vasorelaxant actions. Azulene extracts used in skin creams for reducing skin puffiness and wrinkles have also gained popularity in the health industry. However, studies have shown that azulene can be photo-reactive following irradiation with UVA and/or visible light, causing a mutagenicity 4-5-fold higher than the spontaneous background mutation. Therefore, it is not recommended to use skin creams standardized for azulene as they may cause skin irritation and mutations. Traditionally, the essential oil of chamomile has been used to help keep bunions under control and to treat Carpel Tunnel Syndrome, sciatica and bone and joint problems through its antinflammatory properties. The 21 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

German Commission E monograph notes that the oil extract of Chamomile is antiphlogistic (anti-inflammatory and anti-fever) and studies have verified that several compounds contribute to this activity including: bisabolol, chamazulene, matricin and the spiro-ethers. Chamomile tea is also used to prevent and soothe gastrointestinal ulcers. One German synonym for chamomile, translated as 'rollboil', reflects this traditional usage. To soothe ulcers, a concentrated warm tea of chamomile was drunk while lying down and slowly rolling onto all sides of the body to coat all the inner membranes with the tea. Chemistry: Azulene is a prime component of the essential oil of chamomile flowers. Chamomile flowers contain: From 0.3-1.5% essential oil containing azulene, (-)alpha bisabolol, bisabolol oxides A, B, and C, bisabolone oxide, chamazulene, chamamviolin, spathulenol, cis- and trans-enyne dicyclo ethers (spiro-ether, polyacetylenes) as the principal components. Suggested Amount: Chamomile extracts standardized for azulene content are generally taken internally as an herbal product for treating circulatory conditions and are also used in creams for treating dry, puffy skin or wrinkles. However, it is not recommended to use creams standardized for high azulene content as these may cause skin irritation and mutations when exposed to light. The content of azulene in products for internal use should be at least equal to that recommended by the German Pharmacopoeia. German authorities recommend using a heaped tablespoon (ca. 3g) of the flowers for every 150ml of water. It is recommended that boiling water be poured over the flowers and after 5-10 minutes strained. For inflammation of the mucous membranes of the mouth and throat, a freshly prepared cup of tea is used as a gargle or wash. Externally: a 3-10% infusion is used for poultices and rinses; as a bath additive, 50 grams of flowers are used per 10 liters of water. Drug Interactions: None known. Contraindications: Persons who are allergic to daisy family plants [Fam. Asteraceae] may experience allergy symptoms to chamomile. Creams standardized for high azulene content may cause skin irritation and mutations when exposed to light. Side Effects: Allergic reactions are possible in susceptible persons. Infusions should not be used near the eyes. Creams standardized for high azulene content may cause skin irritation and mutations when exposed to light. References: - Duke, J. 1997: The Green Pharmacy, The Ultimate Compendium of Natural Remedies from the World's Foremost Authority on Healing and Herbs. pp. 85-86; 126-127; 291; 362; 531-533. Rodale Press. - Saitoh M, Sugiyama A, Hagihara A, Nakazawa T, Hashimoto K. 997. Cardiovascular and antiarrhythmic effects of the azulene-1-carboxamidine derivative N1,N1-dimethyl-N2-(2-pyridylmethyl)-5-isopropyl-3, 8dimethylazulene-1-carboxamidine. Arzneimittelforschung. 1997 Jul; 47(7): 8105. - Tanaka Y, Shigenobu K. 2001. A review of HNS-32: a novel azulene-1carboxamidine derivative with multiple cardiovascular protective actions. Cardiovasc Drug Rev. 2001 Winter; 19(4): 297-312. - Wang L, Yan J, Fu PP, Parekh KA, Yu H. 2003. Photomutagenicity of cosmetic ingredient chemicals azulene and guaiazulene. Mutat Res. 2003 Sep 29; 530(12): 19-26. - Wichtl M (ed). 1994. Matricariae flos – Matricaria flowers (English translation by Norman Grainger Bisset). In Herbal Drugs and Phytopharmaceuticals. CRC Press, Stuttgart, pp. 322-325.

22 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Additional Information: Wang L, Yan J, Fu PP, Parekh KA, Yu H. 2003. Photomutagenicity of cosmetic ingredient chemicals azulene and guaiazulene. Mutat Res. 2003 Sep 29;530(12):19-26. Department of Chemistry, Jackson State University, Jackson, MS 39217, USA. The photomutagenicity of the popular skin conditioning agents azulene and guaiazulene were tested in Salmonella typhimurium TA98, TA100 and TA102. Following irradiation with UVA and/or visible light, both azulene and guaiazulene exhibited mutagenicity 4-5-fold higher than the spontaneous background mutation. In contrary, naphthalene, a structural isomer of azulene, was not photomutagenic under the same conditions. Azulene was photomutagenic when irradiated with UVA light alone, visible light alone, or a combination of UVA and visible light. Azulene and guaiazulene are not mutagenic when the experiment is conducted with the exclusion of light. Therefore, extreme care must be taken when using cosmetic products with azulene/guaiazulene as ingredients since after applying these products on the skin, exposure to sunlight is inevitable. Tanaka Y, Shigenobu K. 2001. A review of HNS-32: a novel azulene-1-carboxamidine derivative with multiple cardiovascular protective actions. Cardiovasc Drug Rev. 2001 Winter; 19(4): 297-312. Department of Pharmacology, Toho University School of Pharmaceutical Sciences, 2-2-1 Miyama, Funabashi-City, Chiba 274-8510, Japan. yotanaka@phar.toho-u.ac.jp HNS-32 [N(1),N(1)-dimethyl-N(2)-(2-pyridylmethyl)-5-isopropyl-3,8dimethylazulene-1- carboxamidine] (CAS Registry Number: 186086-10-2) is a newly synthesized azulene derivative. Computer simulation showed that its three dimensional structure is similar to that of the class Ib antiarrhythmic drugs, e.g., lidocaine or mexiletine. HNS-32 potently suppressed ventricular arrhythmias induced by ischemia due to coronary ligation and/or ischemiareperfusion in dogs and rats. In the isolated dog and guinea pig cardiac tissues, HNS-32 had negative inotropic and chronotropic actions, prolonged atrial-His and His-ventricular conduction time and increased coronary blood flow. In the isolated guinea pig ventricular papillary muscle, HNS-32 decreased maximal rate of action potential upstroke (Vmax) and shortened action potential duration (APD). These findings suggest that HNS-32 inhibits inward Na+ and Ca2+ channel currents. In the isolated pig coronary and rabbit conduit arteries, HNS32 inhibited both Ca2+ channel-dependent and -independent contractions induced by a wide variety of chemical stimuli. HNS-32 is a potent inhibitor of protein kinase C (PKC)-mediated constriction of cerebral arteries. It is likely to block both, Na+ and Ca2+ channels expressed in cardiac and vascular smooth muscles. These multiple ion channel blocking effects are largely responsible for the antiarrhythmic and vasorelaxant actions of HNS-32. This drug may represent a novel approach to the treatment of arrhythmias. Saitoh M, Sugiyama A, Hagihara A, Nakazawa T, Hashimoto K. 997. Cardiovascular and antiarrhythmic effects of the azulene-1-carboxamidine derivative N1,N1dimethyl-N2-(2-pyridylmethyl)-5-isopropyl-3, 8-dimethylazulene-1-carboxamidine. Arzneimittelforschung. 1997 Jul; 47(7): 810-5. Department of Pharmacology, Yamanashi Medical University, Japan. The azulene-1-carboxamidine derivative N1,N1-Dimethyl-N2-(2- pyridylmethyl)-5isopropyl-3,8-dimethyl-azulene-1-carboxamidine (CAS 186086-10-2, HNS-32) is a newly synthesized compound. In the present study, direct cardiovascular effects of HNS-32 were assessed using the canine isolated, blood-perfused sinoatrial node, papillary muscle and atrioventricular node preparations, while the antiarrhythmic action was examined using the canine two-stage coronary ligationinduced arrhythmia model. Intracoronary administration of HNS-32 (1-300 micrograms) suppressed the sinus nodal automaticity and ventricular contractile force, while it increased the atrio-His and His-ventricular conduction time as well as the coronary blood flow. Intravenous administration of HNS-32 (5 mg/kg) suppressed the ventricular arrhythmia for approximately 30 min. Since HNS-32 possesses multiple cardiac direct effects which are unique compared with wellestablished antiarrhythmic drugs, it may become a leading compound in the search for novel antiarrhythmic agents. 23 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

B Benzaldehyde, bittere amandelgeur amygdaline
Benzaldehyde (C6H5CHO) is een chemische verbinding bestaande uit een benzeenring met een aldehydesubstituent. Het is de simpelste aromatische aldehyde en een van de meest gebruikte in de chemische industrie. Bij kamertemperatuur is het een kleurloze vloeistof met een karakteristieke en plezierige amandelgeur: benzaldehyde is het belangrijkste bestandsdeel in de geur van amandelen. Het is een hoofdbestandsdeel van bittere amandelolie en kan onttrokken worden uit een aantal natuurlijke bronnen waar het in voorkomt, waaronder abrikozen, kersen, laurierbladeren, perzikzaden en als amygdaline in bepaalde noten en zaden. Benzaldehyde wordt tegenwoordig vooral gemaakt uit tolueen via een aantal verschillende processen. Vorkommen: Dieser bekannte Riechstoff ist die typische und im Gehalt weit überwiegende Komponente von ätherischem Bittermandelöl. Die bitteren Mandeln enthalten Benzaldehyd in Form von Amygdalin. Daneben ist der aromatische Aldehyd in zahlreichen anderen ätherischen Ölen (von Zimtrinde und -wurzel, Cassia, Patchouli, Makassarsamen usw.) enthalten, kann jedoch auch synthetisch hergestellt werden. Als künstliches Bittermandelöl vertriebener Benzaldehyd muß chlorfrei sein und die Anforderungen des Food Chemicals Codex (FCC) erfüllen. Geschichtliches: Im Jahre 1837 veröffentlichte der "Begründer" der organischen Synthese, Friedrich WÖHLER, gemeinsam mit dem nicht minder berühmten Genius Justus v. LIEBIG eine Arbeit über das Bittermandelöl. Sie berichteten über die Einwirkung von Emulsin auf den wesentlichen Inhaltsstoff der bitteren Mandeln, das Amygdalin. Dieser Stoff wird durch enzymatische Umsetzung in Benzaldehyd, Blausäure und einen Zuckerbestandteil gespalten [Ohl.]. Beschreibung: Benzaldehyd ist eine klare, ölige, farblose bis schwach gelbliche, stark lichtbrechende Flüssigkeit, die in etwa 300-350 Teilen Wasser und in jedem Verhältnis in Ethanol oder Diethylether löslich ist. Die relative Dichte ist etwas höher als diejenige von Wasser (ca. 1,05). Der Stoff sollte in dicht schließenden und möglichst voll gefüllten Gefäßen aufbewahrt werden, da er bei Licht- und Luftzutritt leicht zu Benzoesäure oxidiert wird. Die Gegenwart von Schwermetall-Ionen beschleunigt die Oxidation noch. Duftcharakteristik / odor profile: intensiv nach bitteren Mandeln, angenehm, aromatisch, kräftig süß. Der Geschmackseindruck ist brennend, aromatisch, nach bitteren Mandeln. engl.: reminiscent of bitter almonds, pleasant, fragrant, aromatic, powerful sweet. burning taste. Interessanterweise tritt der Bittermandelgeruch des Benzaldehyds auch bei Verbindungen mit isosterischen Gruppen (wie Nitrobenzol, Benzylcyanid und sogar Benzo-1,2,3-triazol) in Erscheinung: Verwendung: Parfümerie: In Kreationen der Typen Heliotrop, Flieder, Maiglöckchen und Veilchen (Einsatzmenge beachten, teilweise nur in Spuren verwendet!). Auch in der Seifenparfümerie. Benzaldehyd ist Ausgangsstoff für die Synthese zahlreicher aromatisch-aliphatischer Duft- und Aromastoffe. Lebensmitteltechnologie: In Bittermandel-Aromen und als Geschmackskorrigens.

24 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Zur besseren Dosierbarkeit als Geschmacksstoff wird Benzaldehyd in einem Ethanol-Wasser-Gemisch gelöst, z.B. nach folgender Rezeptur ("BenzaldehydSpiritus"): - Benzaldehyd, food grade, chlorfrei 10 ml - Ethanol 90% (unvergällter Weingeist) 800 ml - Gereinigtes Wasser zu 1000 ml Der Benzaldehyd wird zuerst im Ethanol 90% gelöst, danach gereinigtes Wasser bis zum angegebenen Gesamtvolumen hinzugefügt. Ein Sirup, der 0,2% des BenzaldehydSpiritus enthält, hat Wildkirsch-Charakter (man sieht hieran, wie verdünnt der Stoff für Aromazwecke verwendet werden muß!). Technik: Als Lösungsmittel; zur Herstellung von Farbstoffen. Vielseite Abrikozenpitten bevatten amygdaline. Deze stof werd in 1830 door twee Franse scheikundige geïsoleerd. Ruim 60 jaar later werd het in Duitsland uitgeprobeerd als een mogelijk antikanker middel, maar dat onderzoek werd gestopt omdat amygdaline ineffectief was en bovendien veel te giftig. In de aanwezigheid van enzymen wordt het omgezet in glucose, benzaldehyde en blauwzuur (waterstof cyanide). Iedere lezer van detectivestories weet wat blauwzuur doet. Maar dat was niet het einde van het verhaal. In het begin van de 50er jaren begonnen Ernst T. Krebs Sr. en Ernst Krebs Jr. een “veredelde” vorm van amygdaline te gebruiken voor de behandeling van kankerpatiënten. Deze vorm noemden zij “Laetrile”. Over het hoe en waarom ze tot deze ontdekking kwamen vertelden zij verschillende verhalen. De waarheid zal wel niet meer te achterhalen zijn, evenals de datum van ontdekking. Volgens de theorie bevatten kankercellen veel enzymen die amygdaline omzetten in kankerceldodend cyanide. Gezonde cellen, echter, bevatten juist een enzym dat cyanide onschadelijk maakt. Hoe mensen ooit door blauwzuur vergiftigd zijn geraakt zal voor hen die dit verhaal geloven wel een groot raadsel zijn. De “ontdekking” van Laetrile volgde kort op die van een aantal andere vitaminen. Wat was er mooier dan Laetrile ook als vitamine te bestempelen: vitamine B17. Om vervolgens te beweren dat kanker een tekort aan vitamine B17 is. De Food and Drug Administration (FDA) trapte daar niet in en Laetrile werd niet als een geneesmiddel toegelaten. Denkt u overigens niet dat er een vaste formule voor Laetrile bestaat. Toen senator Edward Kennedy in 1977 te horen kreeg dat de Laetrile aanhangers zouden instemmen met een onderzoek bleek het dat zij het niet eens konden worden over een formule voor Laetrile. Het onderzoek ging niet door. Ondanks al de verschillende meningen over de Laetrile formule worden “Laetrile” en “amygdaline” tegenwoordig als synoniemen gebruikt, zowel door voor- als tegenstanders. In juli 1980 begon de prominente Mayo Clinic in Minnesota aan een nieuw onderzoek. Ook hier bleek onenigheid over wat de juiste formule voor Leatrile zou moeten zijn. De onderzoeksgroep bestond uit kankerpatiënten waarvoor geen andere behandeling effectief was gebleken of voor wie geen behandeling bekend was. Een deel werd niet behandeld en een deel kreeg Laetrile. Het enige verschil in de uitkomst na 4,8 maanden was dat de patiënten die met Laetrile behandeld waren flink wat cyanide in hun bloed bleken te hebben, soms met bijna dodelijke hoeveelheden.1 In de literatuur kan men een aantal gevallen van cyanide vergiftiging door het gebruik van “Laetrile” vinden, inclusief dodelijke. 1. Moertel CG, Fleming TR, et al. A clinical trial of amygdalin (Laetrile) in the treatment of human cancer. N. Engl. J. Med. 1982; 306:201–6. 2. Unproven methods of Cancer Management: Laetrile. CA-A Cancer Journal for Clinicians. 1991; 41:187–92. www.quackwatch.org

Bèta-glucaan,polysacchariden in paddestoelen
zie ook fructanen

25 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Bètaglucanen zijn complexe vezels (polysacchariden) uit de celwand van haver, gerst en vele medicinale paddestoelen, zoals maitake en shiitake. Het zijn immuunstimulerende polysacchariden gebonden aan een proteine. Er bestaan veel verschillende soorten bètaglucanen. Zo hebben bètaglucanen uit paddestoelen en gisten (o.a. lentinan uit shiitake) vooral een immuunmodulerend effect. Tot deze groep behoren onder meer een aantal uit (met name) de kankertherapie bekende verbindingen zoals lentinan (uit shiitake), PSK (Polysaccharide-K), PSP (Polysaccharide-Peptide) en AHCC (Active Hexose Correlated Compound). Bètaglucanen uit paddestoelen en gisten zijn momenteel de meest veelbelovende klasse van immuunstimulerende stoffen. Bètaglucanen uit granen (met name haver) hebben geen immuunmodulerend effect en worden vooral ingezet bij cardiovasculaire aandoeningen. Bètaglucanen zijn intensief onderzocht in de laatste 30 jaren. Het meeste onderzoek heeft plaatsgevonden in relatie tot kanker en het immuunsysteem. In bètaglucanen zijn glucosemoleculen met elkaar verbonden via zogenaamde bètaverbindingen. De glucose-eenheden kunnen op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn. Zo kan het eerste koolstofatoom van een glucosemolecule met het derde koolstofatoom van de volgende verbonden zijn, dit is de bèta-1,3verbinding. Maar ook bèta-1,4-, bèta-1,6, bèta-2,3- en bèta-3,6- verbindingen kunnen voorkomen. In bèta-1,3/1,6-glucaan is er een basisketen met bèta-1,3 verbindingen, waarbij de zijketens via bèta-1,6 verbindingen worden gevormd. Lentinan uit Shiitake bestaat volledig uit bèta-1,3/1,6-glucanen. Voor immuunstimulatie is het belangrijk dat de bètaglucaanketens veel 1,3-1,6 verbindingen bevatten. Andere verbindingen, zoals 2,3 en 3,6 zijn dan ineffectief en dragen alleen bij aan het vezelgehalte. Om goed werkzaam te kunnen zijn dient het bèta-1,3/1,6-glucaan molecule bovendien gezuiverd te zijn van vetten, eiwitten, mannanen en andere contaminanten. Wanneer de zuiverheidsgraad beneden de 90% daalt is het bèta1,3/1,6-glucaan teveel bedekt door de contaminaten om nog succesvol te kunnen "aandokken" aan de receptoren. Dat vermindert niet alleen een gezonde immuunrespons, maar deze contaminanten kunnen bij gevoelige personen mogelijk ook een allergische reactie teweegbrengen. Veel bètaglucaanproducten op de markt zijn onvoldoende opgezuiverd en bevatten slechts sporen bètaglucanen. Bètaglucaan is zuurresistent, dus het passeert de maag vrijwel ongeschonden. In het darmkanaal worden de grote bètaglucaan-molculen opgenomen door macrofagen in de darmwand, waarna ze geactiveerd worden en terugreizen naar de lymfeknopen en het beenmerg. In het beenmerg worden de betaglucanen in kleinere glucaanfragmenten afgebroken die daar binden met specifieke receptoren op immuuncellen (neutrofielen en eosinifielen) in het beenmerg, welke vervolgens worden geactiveerd. Bètaglucanen zijn relatief grote moleculen, maar met name Lentinan uit shiitake is erg groot, waardoor de orale biobeschikbaarheid wordt beperkt. Om deze reden wordt lentinan vaak intraveneus toegediend. Niettemin worden na orale inname zowel grote als kleine fragmenten van bètaglucanen aangetroffen in het bloed, wat betekent dat er toch absorptie plaatsvindt in het maagdarmkanaal. Immuunstimulatie: Het belangrijkste effect van bèta-1,3/1,6-glucaan kan worden beschreven als niet-specifieke immuunversterking. Met name de macrofagen en neutrofielen worden gestimuleerd, cellen die tot de eerstelijns verdediging van het immuunsysteem behoren. Zij kunnen bacteriën, virussen en andere pathogenen via fagocytose onschadelijk maken. Daarnaast produceren ze belangrijke cytokines, zoals IL-1 (Interleukine1), IL-6 en TNF-alfa welke aan de basis staan van een kettingreactie die ook het humorale immuunsysteem in gang kan zetten. Maar ook interferon-gamma dat voor de afweer tegen virussen belangrijk is. Alle belangrijke functies van macrofagen worden verbeterd door bèta-1,3/1,6glucanen. Studies waarbij eenmalig een dosis werd toegediend, wijzen uit dat na 72 uur het effect op de macrofaagfunctie maximaal is. Neutrofiele granulocyten zijn erg belangrijke cellen in het immuunsysteem. Evenals macrofagen bevatten zij specifieke receptoren (CR3-receptoren) voor het bètaglucaan macromolecuul. Binding aan deze receptoren verbetert het vernietigend vermogen van deze neutrofielen en verbetert migratie of chemotaxis naar de plaats van de infectie of ontsteking.

26 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Neutrofielen worden naar de plaats van de infectie geleid door speciale eiwitten in het bloed (chemokines) en zijn één van de eerste immuuncellen die reageren op een infectie of verwonding. Het voorbehandelen van de neutrofielen met bètaglucanen verbetert hun vermogen om zich met behulp van deze chemokines snel naar de plaats te begeven waar de bedreiging zich voordoet. Er zijn aanwijzingen dat betaglucanen een hoofdzakelijk door de humorale afweer gedomineerd immuunsysteem (gestuurd door Th2-helpercellen) weer in evenwicht brengt door een verschuiving in de richting van een meer door Th1-helpercellen gestuurde, vooral cellulaire immuunrespons, wat de weerstand tegen bacteriële en parasitaire infecties vergroot. Indicaties Bètaglucaan kan effectief worden ingezet bij alle indicaties waarbij immuunmodulatie nodig is, zoals onder andere post-operatief ter preventie van infecties. Bij ouderen kan de functie van het immuunsysteem ook afnemen. Contra-indicaties Er zijn geen contra-indicaties bekend van bèta-1,3/1,6-glucaan. Bijwerkingen Er zijn geen negatieve bijwerkingen bekend van bèta-1,3/1,6-glucaan. Interacties Er is nog te weinig onderzoek gedaan naar interacties in relatie tot betaglucaan. Dosering In veel studies worden tamelijk hoge doseringen bètaglucaan gebruikt, tot zelfs 3000 mg per dag. Echter met doseringen van 100 à 200 mg per dag zijn ook goede resultaten te verwachten. Om de absorptie van bètaglucaan te bevorderen wordt aangeraden het op een lege maag in te nemen, tenminste 30 minuten voor de maaltijd.

Blauwzuur (- glycosiden)
Blauwzuur (afgekort HCN), ook wel aangeduid met de benamingen waterstofcycanine of cyaanwaterstof, is een uiterst giftige stof. Blauwzuur komt zowel vrij als gebonden aan glycosiden in natuurlijke grondstoffen voor, in het bijzonder in lijnzaadproducten, tapiocameel en bepaalde bonensoorten. De aard van blauwzuur, het ontstaan en het voorkomen De stof heeft een kookpunt van 24,6 graden Celsius. Onder het kookpunt is het een kleurloze, zeer vluchtige vloeistof, dat goed oplost in water en een bittere amandelgeur heeft. Boven het kookpunt komt het als kleurloos, zeer brandbaar en explosief gas met een bittere amandelgeur voor. In verschillende plantensoorten komen van nature cyaan-/ blauwzuurhoudende glycosiden (suikerachtige verbindingen) voor. Deze verbindingen kunnen, na beschadiging van de plantencellen, het giftige blauwzuur afsplitsen. Enkele voorbeelden van planten met blauwzuurhoudende glycosiden zijn: - Taxus; bevat het zeer giftige glycoside taxatine (vooral in de bessen)Lijnzaad (vlas); bevat veel linamarine - Klavers (met name rode klaver); - Grasachtigen (zoals vingergras en hanepoot); - Blauwzuurhoudende glycosiden komen ook rijkelijk voor in Phaseolusbonen, sorghum, appelpitten, druivenpitten en amandelpitten. Blauwzuur wordt toegepast in ontsmettingsmiddelen, pesticiden (tegen knaagdieren en insecten) en bij de productie van plastic en kunstvezels. De stof wordt ongewild gevormd in hoogovens en bij de verbranding van polyurethaan-schuim. De chemische reactie waaruit blauwzuur ontstaat ziet er als volgt uit:Kaliumcyanide + water = blauwzuur + kaliumhydroxide De overdracht van blauwzuur Het giftige blauwzuur komt na blootstelling en opname vrij snel in de bloedbaan terecht, waarna het in de lever wordt ontgiftigd. De afbraakproducten die bij

27 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

deze ontgiftiging ontstaan hebben een schadelijke werking op de schildklier. Als de lever de ontgiftiging niet meer aankan treedt vergiftiging op. Potentieel gevaar en negatieve effecten Bij 35 ppm (parts per million = delen per miljoen) is blauwzuur licht irriterend voor de bovenste luchtwegen en de slijmvliezen. Bij concentraties van 100 ppm raakt men bewusteloos, treden er krampen op en ruikt de adem sterk naar bittere amandelen. Binnen een half uur kan de patiënt aan de vergiftiging overlijden. Bij een concentratie van 300 ppm is blauwzuur onmiddellijk dodelijk. De giftigheid van blauwzuur berust op de aanwezigheid van het cyanideradicaal, dat als een krachtige enzymremmer fungeert en de ademhaling blokkeert. Cyanideradicaal zet zich af op de ijzerdeeltjes van de rode bloedlichaampjes (hemoglobine) in het bloed. Hierdoor kan het bloed geen zuurstof meer afgeven aan deze rode bloedlichaampjes en krijgen de organen te kampen met een zuurstof tekort. Klinische verschijnselen die kunnen optreden bij een blauwzuurvergiftiging zijn: hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, braken, smaak van bittere amandelen, snelle ademhaling, benauwdheid, angst, bewusteloosheid, coma en ten slotte de dood. Blauwzuur is níet kankerverwekkend.

Beta-caroteen,Carotenoïden
Zie Carotenoiden Beta-caroteen in planten : Purslane was by far the best source of beta-carotene in Dukes database, at 4,700 ppms, followed by sorrel at 1,100, jujube at 700, barley grass, carrot, jujube, nasturtium, spinach and water spinach at 700 ppm, gotu kola, pokeweed, roselle, and watercress at 600, bell peppers, chives, chrysanthemum, jute, mustard greens, pigweed, swamp cabbage and sweet potatoes at 500 ppm, on a rounded dry weight basis. Leung and Foster (1995) report 6,300 ppms (0.63%) carotene in the roots of comfrey. I fear this value has to be discounted. Otherwise the relatively colorless root would be higher than anything else in my database for carotene. A recent paper Deli, Matus, Toth (1996) showed that paprika pepper (Capsicum annuum) can contain almost 10,000 ppms total carotenoids when fully ripe and dry. This new paper moved paprika up to third in my database for beta-carotene at 885 ppms. Deli, J., Matus, Z., and Toth, G. 1996. Carotenoid composition in the fruits of Capsicum annuum ca Szantesi Kosszarvu during ripening. J. Agric. Food Chem. 44(3): 711-716.

Bitters / Bitterstoffen, aperitivum
Zie ook Iridoïden, iridoïdglycosiden Natural Sources: Artichoke leaves, flowers and seeds, Belgian endive, blessed thistle leaves and flowers, burdock root, chicory leaf and root, wild lettuce, milk thistle seeds and leaves, dandelion greens and flowers, other bitter Asteraceae plants, gentian root, Turkish rhubarb root, and many other bitter herbs traditionally used in bitter tonics. Forms: Standardized extracts in capsules and tablets, liquid tonics, dry herb blends, and tinctures. Therapeutic Uses: - Addiction - Alcoholism - Anorexia - Anti-inflammatory Antioxidant Appetite Loss Bile Deficiency Cellular Regeneration

28 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

-

Cholesterol Reduction Cirrhosis Cleansing Colds and Flu Detoxifying Digestive Disorders Dyspepsia Eyesight Disorders Fatty Liver Deposits Fever Gallstones Gastrointestinal Disorders Headaches Hepatitis

- High Cholesterol - Hormone Imbalances - Immune System - Infections - Jaundice - Liver Health Maintenance - Poisoning - Scars (externally) - Skin Disorders (Externally and Internally) - Spasms - Tonic - Toxin Exposure

Overview: Herbs traditionally used as 'bitters' act to cleanse and rejuvenate the liver and stimulate bile flow for flushing the gallbladder and liver. All longstanding traditional schools of medicine, such as those from Europe, China and India, recognize the importance of regularly using a bitter tonic. When 'bitters' are tasted in the mouth, they stimulate the body to secrete saliva and convert cholesterol into bile. Studies confirm that bitters increase gastric juice and bile acid secretions by increasing the flow of saliva through stimulation of specific receptors on the mucous membrane lining of the mouth. Bitters also increase bile solubility and this aids digestion tremendously and reduces the likelihood of gallstone fo rmation. Because bile breaks down fats, the more bitters in the diet, the more cholesterol is converted into bile and the faster fat digestion works, cutting cholesterol naturally. Bitters also stimulate appetite while at the same time cleansing the body of poisons and toxins and relieving a condition known as fatty liver congestion, associated with poor eyesight, hormone imbalances, skin problems and many other diseases. Clinical trials done on artichoke leaf juice and extract for lowering cholesterol have shown dramatic results within only 612 weeks. Several conventional cholesterol-lowering drugs are based on bile acid metabolism. Supporting the liver with bitter herbs is also considered essential in Traditional Chinese Medicine for normalizing hormone levels; the liver filters excess estrogen from the blood so it is very important that the liver is not clogged with fatty deposits and impaired in this vital function. The most highly researched 'bitter herb' for treating severe liver conditions is milk thistle, Silybum marianum. Many Europeans still use bitters before or after eating. Our ancestors well knew the importance of regularly using 'bitters' to strengthen and tone the body, but most North Americans no longer do this. Chemistry: Bitter compounds from the plant family, Asteraceae, are often sesquiterpene lactones. The primary active ingredient of blessed thistle is a bitter tasting sesquiterpene lactone called cnicin. The bitter principles in artichoke, burdock and milk thistle are flavonolignans. Other bitter compounds include bitter-tasting flavonoid glycosides such as those from bitter orange peels including neohesperidin and naringin. Suggested Amount: Bitter tonics such as Swedish Bitters are recommended with the daily dosage of one to two teaspoons daily when using alcoholic extracts or four to five teaspoons daily for water extracts. Even just a teaspoon of 'bitters' daily can immediately improve the health of many individuals whose diet, high in animal products and sugar, is far too acidified and whose systems are clogged with bad fats. It is recommended not to use alcoholic bitters daily as this has been known to lead to alcoholism – aqueous extracts are much safer for this purpose. Alcoholic extracts are, however, useful for short-term use and for disinfecting skin sores and wounds externally. Swedish Bitters is reputedly effective for preventing scars and even reversing scars, however, there is no clinical evidence to substantiate this. Standardized milk thistle seed extract products are recommended with a dosage of 400-500mg daily for 6 to 8 weeks 29 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

followed by a reduction to 200-300mg daily. Long-term therapy with the higher dosages may be required in serious or chronic cases. Crushed milk thistle seed, rarely used today, is generally taken as an herbal tea three to four times per day. As an aromatic bitter, a cup of the unsweetened tea is drunk half-an-hour before meals. German authorities recommend using 3-5g of the crushed seed per cup of tea (1 teaspoon of milk thistle seed weighs approximately 3.5 grams). It is recommended that boiling water be poured over the powdered seeds, or alternatively that cold water is added to the seed material and brought to the boil and after 20-30 minutes strained. See other individual herbs for specific dosages. Drug Interactions: Bitters may lower blood glucose levels in diabetics and interfere with existing hypo- or hyperglycemia therapy, therefore careful monitoring of blood glucose levels is required in these cases. Hypoglycemic drugs include: insulin, Glucophage(R) metformin, DiaBeta(R) Glynase(R) glyburide, Glucotrol(R) glipizide). Contraindications: Bitters may lower blood glucose levels in diabetics and interfere with existing hypo- or hyperglycemia therapy, therefore careful monitoring of blood glucose levels is required in these cases. Milk thistle as a source of bitters is considered safe for use during pregnancy and has a long history of use by nursing mothers. Side Effects: Many bitter tonics contain herbs with laxative action and may produce a mild laxative action when taken in recommended dosages. Depending upon the herb being used and the dosage being taken, bitters can also produce a strong laxative action when taken excessively. No side effects have been reported during clinical trials with standardized milk thistle extracts. Milk thistle products may produce a mild laxative effect in some people due to stimulating effects on bile secretion. Use of milk thistle extract may also lower blood glucose levels. References: - Ferenci P, Dragosics B, Dittrich H, Frank H, Benda L, Lochs H, Meryn S, Base W, Schneider B. 1989. Randomized controlled trial of silymarin treatment in patients with cirrhosis of the liver. J Hepatol. 1989 Jul; 9(1): 105-13. - Gebhardt R. 2001. Anticholestatic activity of flavonoids from artichoke (Cynara scolymus L.) and of their metabolites. Med Sci Monit 2001 May; 7 Suppl 1: 316-20. - Kondo Y, Takano F, Hojo H. 1994. Suppression of chemically and immunologically induced hepatic injuries by gentiopicroside in mice. Planta Med 1994 Oct; 60(5): 414-6. - Pittler MH, Thompson CO, Ernst E. 2002. Artichoke leaf extract for treating hypercholesterolaemia. Cochrane Database Syst Rev 2002; (3): CD003335. - Zhou L, Hao R, Jiang L. 1999. [Clinical study on retarding aging effect of tongbu recipe to traditional Chinese medicine]. [Article in Chinese]. Zhongguo Zhong Xi Yi Jie He Za Zhi 1999 Apr; 19(4): 218-20. References: 1. Stitch etal. Occurrence of lignans, enterolactone and enterodiol in man and animal species. Nature. 1980; 287: 238. 2. Duke J; Handbook of Biologically Active Phytochemicals and their Activities. Boca Raton, FL: CRC Press; 1991: 32. 3. Rodriguez etal. Biological activities of sesquiterpene lactones. Phytochemistry. 1976; 15: 1573-1580. 4. Bradley PRe; British Herbal Compendium. Volume 1, A handbook of scientific information on widely used plant drugs. Holy Thistle. Bournemouth, Dorset: British Herbal Medicine Association; 1992. 5. Hardman eae; Goodman and Gilmans "The Pharmacological Basis of Therapeutics. 9th ed. McGraw-Hill Health Professions Division; 1996. 30 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

6. Weiss RF; Herbal Medicine. Translated from the 6th German edition of Lehrbuch der Phytotherapie by A.R. Meuss, FIL, MITI. Beaconsfield, Bucks, England: Beaconsfield Publishers, Ltd.; 1988. 7. Schneider G, Lachner I. A contribution to analytics and pharmacology of cnicin. Planta Medica. 1987; 53: 247. 8. European Scientific Cooperative on Phytotherapy; Wormwood, Dandelion, Gentian. Execter, U.K.: ESCOP Secretariat Argyle House; 1997. 9. Facino ea. Free radical scavenging action and anti-enzyme activities of procyanidines from Vitis vinifera. Arzneim-Foprusch. Drug Res. 1994; 44: 592601. 10. Vanhaelen-Fastre R, Vanhaelen M. Antibiotic and cytotoxic activity of cnicin and of its hydrolysis products. Chemical structure - biological activity relationship. Planta Medica. 1976; 29: 179-189. Bitter Herbs Once Popular: Cultivated lettuce has been bred to remove the bitterness so unless individuals eat bitter greens or use bitter herbs, most do not receive the benefits of 'bitters'. Many modern drugs today are based on traditional herbs that had strong bitter properties to complement the active ingredients. For example, the first person to organize a clinical trial of willow bark (containing salicylate or 'natural aspirin'), Reverend Edward Stone of Oxfordshire, was surprised by the bitter taste, which reminded him of cinchona bark (containing quinine), then being used to treat malaria. Blessed Thistle as a Bitter Herb (Cnicus benedictus L.) The primary active ingredient of blessed thistle is a bitter tasting compound called cnicin, a sesquiterpene lactone. The seed contains several lignans that are phytoestrogen precursors for the key mammalian lignans: enterolactone and enterodiol, which are present in humans and animals1. Cnicin aids digestion and has considerable antitumor, cytotoxic, antimicrobial and phytotoxic activity2,3. Mechanism of action 1) Choleretic and hypolipidemic action: Through its bitter properties, blessed thistle increases the flow of gastric juices relieving dyspepsia, indigestion and headaches associated with liver congestion4. British and German Pharmacopoeias recognize that 'bitters', including blessed thistle, stimulate bile flow and cleanse the liver. Bitter compounds and commercial anticholesterolemic drugs such as cholestyramine and colestipol promote bile acid excretion and conversion of cholesterol to bile acids5. In Europe "bitter vegetable drugs" are considered medicinal agents and used to stimulate appetite, aid digestion, and promote health6. Studies confirm that bitters increase gastric juice and bile acid secretions by increasing the flow of saliva through stimulation of specific receptors on the mucous membrane lining of the mouth7. 2) Tonifying: Traditionally in most countries, including England, Germany, Russia, China, India and Africa, bitters are used to strengthen and tonify the body8. Certain bitter compounds found in the leaves, stems and barks of many plants such as the oligomeric proanthocyanidins concentrated in pine bark and grape seed, have been shown to improve blood circulation by binding to the membranes of blood vessels and capillaries, repairing collagen and elastin and preventing their degradation by enzymes and free radicals, thereby strengthening the vascular system9. 3) Antibiotic activity: Blessed thistle extracts have anti-bacterial activity. Research on blessed thistle herb has demonstrated antibiotic properties for: 1) cnicin10, 2) the essential oil which includes n-paraffin (C-9 - C-13), aromatic aldehydes (cinnamaldehyde, benzaldehyde, cuminaldehyde) and monoterpenes (citronellol, fenchone, p-cymene and others), and 3) the polyacetylenes contained in the herb. The essential oil has bacteriostatic action against Staphylococcus aureus, S. faecalis, but not E. coli. Traditional Use of Bitters: Supporting the liver with bitter herbs is considered essential in Traditional Chinese Medicine for normalizing hormone levels; the liver filters excess 31 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

estrogen from the blood so it is very important that the liver is not clogged with fatty deposits and impaired in this vital function. The most highly researched 'bitter herb' for treating severe liver conditions is milk thistle, Silybum marianum. The young leaves of this plant, with the spines removed, are edible and can be eaten as a vegetable. Like all of the other plants mentioned above, milk thistle is closely related to lettuce and is part of the plant family Compositae which contains many safe food-type herbs for stimulating bile flow and cleansing the liver. Traditionally, a tea made from the whole plant was used to improve appetite, allay indigestion and restore liver function. Milk thistle seed extract is widely recognized throughout Europe by medical doctors for it's ability to save a person's life from death cap mushroom poisoning. Medical researchers explain it this way: milk thistle seed extract stimulates the liver to produce the proteins and enzymes it is supposed to produce in order to detoxify the blood (of alcohol or any other poison). The active ingredients, called silymarin flavonoids, are concentrated in the seeds and include silybin and silychristin - which are also found in minor amounts in the leaves and stems. In fact, standardized milk thistle seed extract products, like Flora's Sil-Mar, are available at every poison control center of Europe. Milk thistle seed extract products used to be available at pharmacies across North America, that is, until the advent of modern medicine and it's accompanying irrational bias against herbal medicines prevented them from helping many people. Milk thistle seed extract is listed in the German Pharmacopeia and is used for treating: fatty liver, enlarged liver, to help reverse the symptoms of liver cirrhosis, including alcohol induced, to speed the recovery from hepatitis B and C and reverse the nausea and other symptoms of liver congestion and jaundice, often within only 5 to 8 days with 430 mg/day of standardized extracts containing 70-80% silymarin. If liver function is impaired and estrogen levels rise abnormally high, this can pose a real health risk. In fact, it is not uncommon for alcoholic men to begin developing breasts and losing body hair because alcohol is "estrogenic" and damages the liver so that it no longer is able to filter excess estradiol from the blood. Synthetic estrogens from plastics and pesticides in our environment can also tax the liver and skew hormone levels, as can many animal products with residual growth hormones. Many cancers are estrogen-related or fed by estrogen, so it is a good idea to support proper liver health. The condition commonly referred to as Estrogen Dominance is marked by high blood levels of estradiol which skew the body's normal estrogen to progesterone ratio. Estrogen Dominance is associated with many hormone-related diseases of both men and women including breast, ovarian, uterine, prostate, and testicular cancers, menopausal problems, osteoporosis, mastalgia, PMS and eczema, to name only a few (Lee 1993; Lee 1991; Lee 1990; Lee 1990b). The current diet, high in 'bad fats' (Erasmus 1993) and sources of 'xenoestrogens' (synthetic estrogen mimickers from plastics, pesticides and certain pharmaceutical drugs) (Raloff 1993) tend to elevate estrogen levels, causing havoc within the body. So regular use of safe food-type bitter herbs in the diet can help to prevent this process. Clinical Research on Bitter Herbs: Gebhardt R. 2001. Anticholestatic activity of flavonoids from artichoke (Cynara scolymus L.) and of their metabolites. Med Sci Monit 2001 May; 7 Suppl 1: 31620. It is well known that water-soluble extracts of artichoke (Cynara scolymus L.) leaves exert choleresis. When studying this effect in vitro using primary cultured rat hepatocytes and cholephilic fluorescent compounds, it was noticed that the artichoke leaf extracts not only stimulated biliary secretion, but that they also reestablished it when secretion was inhibited by addition of taurolithocholate to the culture medium. Furthermore, taurolithocholate-induced bizarre bile canalicular membrane distortions detectable by electron microscopy could be prevented by artichoke leaf extracts in a dose-dependent manner when added simultaneously with the bile acid. These effects were exerted by the flavonol luteolin and, to a lesser extent, by luteolin-7-O-glucoside, while chlorogenic acid and 1.5-dicaffeoyl quinic acid were almost ineffective. Surprisingly, metabolites produced by the cultured hepatocytes were able to 32 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

stimulate biliary secretion substantially as well as prevent canalicular membrane deformation. These results demonstrate that artichoke leaf extracts exert a potent anticholestatic action at least in the case of taurolithocholateinduced cholestasis. Flavonoids and their metabolites may contribute significantly to this effect. Pittler MH, Thompson CO, Ernst E. 2002. Artichoke leaf extract for treating hypercholesterolaemia. Cochrane Database Syst Rev 2002; (3): CD003335. BACKGROUND: Hypercholesterolaemia is directly associated with an increased risk for coronary heart disease and other sequelae of atherosclerosis. Artichoke leaf extract (ALE), which is available as an over-the-counter remedy, has been implicated in lowering cholesterol levels. Whether ALE is truly efficacious for this indication, however, is still a matter of debate. OBJECTIVES: To assess the evidence of ALE versus placebo or reference medication for treating hypercholesterolaemia defined as mean total cholesterol levels of at least 5.17 mmol/L (200 mg /dL). SEARCH STRATEGY: We searched MEDLINE, Embase, Amed, Cinahl, CISCOM and the Cochrane Controlled Trial Register. All databases were searched from their respective inception until June 2001. Reference lists of articles were also searched for relevant material. Manufacturers of preparations containing artichoke extract and experts on the subject were contacted and asked to contribute published and unpublished material. SELECTION CRITERIA: Randomized controlled trials of ALE mono-preparations compared with placebo or reference medication for patients with hypercholesterolaemia were included. Trials assessing ALE as one of several active components in a combination preparation or as a part of a combination treatment were excluded. DATA COLLECTION AND ANALYSIS: Data were extracted systematically and methodological quality was evaluated using a standard scoring system. The screening of studies, selection, data extraction and the assessment of methodological quality were performed independently by two reviewers. Disagreements in the evaluation of individual trials were resolved through discussion. MAIN RESULTS: Two randomised trials including 167 participants met all inclusion criteria. In one trial ALE reduced total cholesterol levels from 7.74 mmol/l to 6.31 mmol/l after 42 +/- 3 days of treatment whereas the placebo reduced cholesterol from 7.69 mmol/l to 7.03 mmol/l (p=0.00001). Another trial did state that ALE significantly (p<0.05) reduced blood cholesterol compared with placebo in a sub-group of patients with baseline total cholesterol levels of more than 230 mg/dl. Trial reports and post-marketing surveillance studies indicate mild, transient and infrequent adverse events. REVIEWER'S CONCLUSIONS: Few data from rigorous clinical trials assessing ALE for treating hypercholesterolaemia exist. Beneficial effects are reported, the evidence however is not compelling. The limited data on safety suggest only mild, transient and infrequent adverse events with the short term use of ALE. More rigorous clinical trials assessing larger patient samples over longer intervention periods are needed to establish whether ALE is an effective and safe treatment option for patients with hypercholesterolaemia. Kondo Y, Takano F, Hojo H. 1994. Suppression of chemically and immunologically induced hepatic injuries by gentiopicroside in mice. Planta Med 1994 Oct; 60(5): 414-6. Gentiopicroside (GPS), a main bitter secoiridoid constituent of roots of Gentiana macrophylla Pall., was tested for therapeutic effects on the two hepatic injury models, the CCl4-induced and lipopolysaccharide (LPS)/bacillus Calmette-Guerin (BCG)-induced hepatitides. An increase in serum level of hepatic aminotransferases (GOT: EC 2.6.1.1. and GPT: EC 2.6.1.2.) induced by a p.o. treatment of CCl4 was suppressed by pretreatment with GPS at 30-60 mg/kg/day for 5 consecutive days. An increase of these enzymes triggered by an i.v. treatment with LPS in mice primed with bacillus Calmette-Guerin (BCG) was also inhibited by GPS pretreatment at the same dose of GPS. In the BCG/LPS model, tumor

33 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

necrosis factor (TNF), a major inflammatory mediator, was increased in serum with a peak at 90-120 min, followed by an increase of serum transaminase activities. GPS treatment significantly suppressed the increase of TNF in serum at the therapeutic doses, suggesting that GPS protected against hepatitis by inhibiting the production of TNF. Gebhardt R. 2001. Anticholestatic activity of flavonoids from artichoke (Cynara scolymus L.) and of their metabolites. Med Sci Monit 2001 May; 7 Suppl 1: 31620. High-dose aqueous extracts from artichoke leaves were found to inhibit cholesterol biosynthesis from (14)C-acetate rather moderately in HepG2 cells in contrast to primary cultured rat hepatocytes in which the inhibition was stronger. Preincubation of the extracts with several glycohydrolases revealed that pretreatment with beta-glucosidase considerably reinforced the inhibition. A significant reduction of acetate incorporation was found above extract concentrations of 0.01 mg/mL and at 0.2 mg/mL almost 60% inhibition was observed. Cytotoxic effects detected by the MTT-assay were restricted to higher concentrations of the extracts with and without beta-glucosidase pretreatment. Since cynaroside represents a major glucoside in artichoke extracts, both cynaroside and its aglycone luteolin were tested. It could be demonstrated that cynaroside is indeed one of the targets of beta-glucosidase and that the liberated luteolin is responsible for the inhibitory effect. Direct measurements of beta-glucosidase activity in rat hepatocytes and HepG2 cells revealed that endogenous enzyme activity in hepatocytes may be sufficient to convert cynaroside to its aglycone, while in HepG2 cells this may not be the case. These findings emphasize the importance of beta-glucosidase-dependent liberation of luteolin for the ability of artichoke extracts to inhibit hepatic cholesterol biosynthesis. Copyright 2002 John Wiley & Sons, Ltd.

C Carotinoïden, oranje gele anti-oxydanten
Carotenoïden zijn bij ons allen bekend vanwege de oranjerode kleur van populaire voedingsmiddelen zoals sinaasappelen, tomaten en wortelen, daarnaast ook van de gele kleur van vele bloemen. Carotenoïden worden ook toegevoegd als kleurstof aan veel voedingsmiddelen, dranken en diervoeder, zowel in natuurlijke vorm (bijvoorbeeld annatto) of als pure stoffen geproduceerd via chemische synthese. De productie van carotenoïden met behulp van de biotechnologie speelt steeds een belangrijkere rol. Carotenoïden zijn essentieel voor planten, de stof speelt een belangrijke rol in de fotosynthese waarbij de stof dient als lichtabsorber en als bescherming tegen fotooxidatie. Zonder de aanwezigheid van carotenoïden zou fotosynthese in een atmosfeer met zuurstof onmogelijk zijn geweest. Carotenoïden, zijn niet slechts pigmenten van planten. Deze stoffen zijn ook aanwezig in bacteriën, schimmels en algen, waarbij ze gebruikt kunnen worden als taxonomische markers. De productie van carotenoïden in zeewier levert honderden miljoenen tonnen per jaar op. Sommige dieren gebruiken carotenoïden voor kleuring, vooral vogels (gele en rode veren), vissen (bijvoorbeeld goudvis en zalm) en grote variatie aan ongewervelde dieren, waarbij binding met eiwit de kleur kan veranderen in blauw, groen of paars. Carotenoïden spelen ook een belangrijke factor in de gezondheid van de mens. De essentiële rol van beta-caroteen en andere stoffen als de belangrijkste bron van de dagelijkse hoeveelheid van vitamine A is als vele jaren bekend. Recentelijk zijn mogelijk beschermende factoren van carotenoïden voor ernstige ziekten zoals kanker, hartziekten en oogziekten bekend, wat geleid heeft tot uitgebreid

34 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

onderzoek naar de rol van carotenoïden als antioxidanten als regulatoren van het immuunsysteem. Carotenoïden zijn de precursors van vitamine A en komen in veel soorten groenten en fruit voor. Er bestaan meer dan 500 varianten, waaronder ß-caroteen en luteïne. Carotenoïden zijn in vet oplosbare antioxidanten. Men vermoedt dat ze een belangrijke rol spelen bij de bescherming van vetmembranen tegen oxidatie. Zo zou een hoge inname van ß-caroteen, een belangrijk carotenoïde in de voeding, geassocieerd zijn met een verlaagd risico op hart- en vaatziekten. Behalve beschermende effecten werden echter ook negatieve effecten van carotenoïden gevonden. In interventiestudies bleek ß-caroteen, gegeven als supplement, de incidentie van longkanker te verhogen. Niet alle carotenoïden worden ten slotte even goed geabsorbeerd. Het voedingsmiddel waarin ze verpakt zitten, speelt hierin, net als bij flavonoïden, een rol. Zo blijkt de beschikbaarheid van ß-caroteen uit fruit veel groter dan uit groenten en van het carotenoïde lycopeen uit een licht gestoofde tomaat groter dan uit een rauwe tomaat. Carotinoide sind meist gelb, orange oder rot gefärbte Verbindungen, die Pflanzen für die Photosynthese benötigen, aber auch von einigen Bakterien, Algen und Pilzen gebildet werden können. Als fettlösliche Substanzen können sie sich in bestimmten tierischen Geweben anreichern und verleihen beispielsweise so dem Lachsfleisch die typisch orangerote Farbe. Mittlerweile kennt man etwa 650 verschiedene Carotinoide, von denen 50 vom Menschen in Vitamin A umgewandelt werden können. Doch für den menschlichen Organismus sind nicht nur die Vitaminwirkung, sondern auch das beträchtlich antioxidierendes Potential und weitere Funktionen von Bedeutung. Carotinoide sind mehrfach ungesättigte Verbindungen und so ist eine Vielzahl von optischen Isomeren denkbar. In der Regel liegen sie in der all-transKonfiguration vor, Isomerisierungen sind aber durch Stoffwechselprozesse oder weitere Verarbeitung, z.B. zu Lebensmittel, möglich. Für die Resorption ist die Anwesenheit von Fett und Gallensäuren erforderlich. Allgemein gilt, dass sie aus gekochten Speisen besser als aus rohem Gemüse für den Organismus verfügbar sind. Der Name Carotin leitet sich von der Karotte ab, da aus dieser Pflanze im 19. Jahrhundert die erste Verbindung mit der typischen Struktur isoliert wurde. Einteilung: Carotinoide sind chemisch gesehen Tetraterpene und werden aus 8 C 5-Einheiten (Isopren) aufgebaut. Die reinen Kohlenwasserstoffverbindungen werden als Carotine, mit Sauerstoff oxidierte Moleküle als Xanthophylle bezeichnet. Lycopin ist eine aliphatische Kohlenwasserstoffverbindung mit einer Kettenlänge von 32 C-Atomen, 13 Doppelbindungen und 8 Methylgruppen. Durch Cyclisierung an einem Kettenende entsteht gamma-Carotin, die Cyclisierung an beiden Kettenenden führt je nach Lage der Doppelbindung im cyclischen Rest zu alpha- und betaCarotin. Durch Hydroxylierung eines cyclischen Restes des beta-Carotins erhält man beta-Cryptoxanthin, die Hydroxylierung beider Ringsysteme führt zu Zeaxanthin. Lutein ist ein Abkömmling des alpha-Carotins, bei dem beide cyclischen Reste eine Hydroxylgruppe tragen. Variationen u.a. in der Kettenlänge führen zu weiteren Verbindungen, z.B. dem Capsanthin, einem Carotinoid des Cayenne-Pfeffers. Wirkungen: Die bekannteste Wirkung der Carotinoide ist, dass sie als Provitamin A im Menschen zu Vitamin A umgewandelt werden können. Am ergiebigsten ist dabei betaCarotin, das zwei Moleküle all-trans-Retinol (Vitamin A1) liefert. 6 mg alltrans-beta-Carotin entsprechen etwa 1 mg Retinol-Äquivalent (3000 I.E.). Überdosierungen, wie sie bei hoher Zufuhr von Vitamin A bekannt sind, können jedoch nicht auftreten, da die Umwandlung durch den Speichervorrat des Körpers an Vitamin A gesteuert wird. Xanthophylle haben bis auf beta-Cryptoxanthin wegen ihrer sauerstoffhaltigen Ringsysteme keinen Provitamin A Charakter. Carotinoide sind jedoch auch wertvolle Antioxidantien. Sie können wie Flavonoide und die Vitamine C und E, reaktive Verbindungen (Radikale) unschädlich machen 35 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

und scheinen vorbeugend gegen viele Zivilisationskrankheiten zu wirken. Besonders effektiv verläuft die Neutralisierung beim Singulett-Sauerstoff, der vor allem durch UV-Strahlung entsteht, indem die Energie des Radikals aufgenommen und als Wärme abgegeben wird (Quensching). Da das Carotinoid in seiner Struktur dadurch unverändert bleibt, kann es viele Male zum Einsatz kommen. Der wirkungsvollste Sauerstoffquenscher scheint das Lycopin zu sein. Als Sonnenschutz für die Haut werden Carotinoide schon länger eingesetzt. Sie schützen die Zellen nicht nur vor den durch die UV-Strahlung entstehenden Radikalen, sondern scheinen auch die durch Sonnenlicht verminderten körpereigenen Abwehrkräfte zu stärken. Vermutet wird weiterhin, dass bestimmte Carotinoide die Zellkommunikation untereinander durch Kanäle (gap junctions) fördern. Eine gestörte Zellkommunikation wird u.a. auch für ein entartetes Wachstum (Krebs) verantwortlich gemacht. Möglicherweise kann durch eine carotinoidreiche Ernährung einer altersbedingten Maculadegeneration vorgebeugt werden. Vor allem Lycopin scheint sich günstig auf die Blutfettwerte auszuwirken. Vorkommen: Die wichtigsten Carotinoidquellen stellen Gemüse und Obst dar, auch hier gilt, dass die höchsten Mengen in Schale oder äußeren Blättern stecken. Karotte und Kürbis sind die wichtigste Quelle für a-Carotin, Tomate, rosa Grapefruit und Guave sind reich an Lycopin, Xanthophylle sind vor allem in Gemüsen (Kohl, Spinat, Paprika) enthalten. Natürliche Quellen für Carotinoide stellen auch die Alge Dunaliella salina und Rotes Palmöl dar. Folgende Tabelle zeigt einige Beispiele für das Vorkommen von Carotinoiden in Pflanzen: - ß- und y-Carotin, Lycopin, Rubixanthin, Violaxanthin Ringelblumenkraut - ß-Carotin Eleutherococcuswurzel - ß-Carotin Efeublätter - ß-Carotin Holunderbeeren - ß-Carotin Löwenzahnblätter - ß-Carotin Eisenkraut - a-, ß-, y-Carotin, Lykopin, Lutein Rotes Palmöl - Lutein Arnikablüten - Neoxanthin, Violaxanthin, Lutein und ß-Carotin Schwarzer Tee - ß-Carotin, Lutein, Cryptoxanthin Kürbissamen - ß-Carotin, Lutein, Violaxanthin und Neoxanthin Krause Blattpetersilie - ß-, y-Carotin, Lycopin und Xanthophylle Hagebuttenfruchtfleisch - Lutein, Flavoxanthin und Cryptoxanthin Goldrutenkraut - ß-Carotin, Zeaxanthin, Neoxanthin, Fucoxanthinol Blasentang (getrocknet) - ß-, y-Carotin, Cryptoxanthin, Zeaxanthin Sanddornbeeren - ß-, y-Carotin, Cryptoxanthin, Lutein, Neoxanthin, Phytofluen, Phytoin, Rubixanthin, Violaxanthin Feigen (Zusammensetzung variiert je nach Sorte) Literatur: - Bernhard Watzl, Achim Bub: - Carotinide Ernährungs-Umschau 48(2001) Heft 2 - Gunter Metz: Phytamine - Pflanzliche Nahrung zur Prävention PZ-Schriftenreihe Nr. 13 (2001), Govi Verlag - Uwe Gröber: Orthomolekulare Medizin, 2000, - Wissenschaftliche Verlagsgesellschaft Stuttgart - Georg Schiller, Karl Hiller: Arzneidrogen, 4. Aufl. 1999, - Spektrum Akademischer Verlag - Hager ROM 2002, Springer Verlag

Carvacrol, fenol met ontsmettende werking

36 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

CARVACROL: Highs for carvacrol in the published database (Duke, 1992) include wild bergamot, Monarda fistulosa, (to 2.0%), thyme (1.9), winter savory (1.7), horsebalm (1.3), mother of thyme (1.0), summer savory (0.6%), ajwan (0.3) and betel leaf, (to 0.24% on a dry weight basis). Planta Med. 2007 Oct 9; Hypotensive Effects of Carvacrol on the Blood Pressure of Normotensive Rats. Aydin Y, Kutlay O, Ari S, Duman S, Uzuner K, Aydin S. Eskişehir Osmangazi University, Faculty of Medicine, Department of Physiology, Eskisehir, Turkey. Carvacrol is the major compound of essential oils of many plants, ethnomedically used for centuries but there were no detailed investigations on its action on the cardiovascular system. The aim of our study was to investigate the role of carvacrol on the cardiovascular functions of anesthetized rats and IN VITRO of isolated rat aorta. Carvacrol (100 mug/kg, I. P.) decreased heart rate, mean arterial pressure and systolic and diastolic blood pressures of the anesthetized rats whereas there were no effects at 1, 10 and 20 mug/kg. Carvacrol was observed to exhibit hypotension and to inhibit N((omega))-nitroL-arginine methyl ester ( L-NAME)-induced hypertension. The lack of inhibitory action of carvacrol (10 (-4) M) on the CaCl (2)- and phenylephrine-induced contractions of isolated rat aorta showed that neither adrenergic receptors nor voltage-dependent vascular L-type calcium channels were involved. But, based on previous investigations, the involvement of cardiac L-type calcium channel blocking actions are suggested for the hypotensive actions of carvacrol was assumed.

Carvone uit Carum carvi, Karwij
CARVONE: Caraway is highs for its namesake carvone (to 4.4%), dillseed (3.8), biblical mint (3.0), cornmint (2.6), spearmint (to 2.0%) black cumin (1.0), applemint (to 0.5.% on a dry weight basis). Celeryseed and other umbelliferous seeds may be rich in closely related compounds. Epazote (Chenopodium ambrosioides) may contain up to 1.1% pinocarvone.

Cineol = eucalyptol
1,3,3-Trimethyl-2-oxabicyclo[2,2,2]octan Anwendungsgebiete des Wirkstoffs: Cineol Cineol wird zur Linderung der Beschwerden bei Erkrankungen der oberen (Nase, Rachen) und unteren Luftwege (Bronchien) angewendet. Dazu gehören in erster Linie Entzündungen wie akute Bronchitis, chronische Bronchitis, Atemwegserkrankungen mit Verschleimung, Husten bei Erkältungskrankheiten und Schnupfen/Nasennebenhöhlenentzündung. Die Anwendung erfolgt durch Einnahme von Kapseln oder einer Teezubereitung, durch Inhalation oder durch Einreibung der Haut (Balsam). Zu folgenden Anwendungsgebieten von Cineol sind vertiefende Informationen verfügbar: * Husten bei Erkältungskrankheiten * Atemwegserkrankungen mit Verschleimung * Erkältungskrankheiten * akute Bronchitis * Schnupfen, Nasennebenhöhlenentzündung * chronische Bronchitis Wirkungsweise von Cineol Cineol wird als wirksamer Hauptbestandteil aus Eucalyptusöl gewonnen. Bei Einnahme oder Inhalation wirkt er schleimlösend, fördert den Schleimtransport, führt zu einer leichten Erweiterung der Bronchien und wirkt außerdem

37 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

entzündungshemmend. So werden die Symptome von Erkältungskrankheiten und Entzündungen der Atemwege wirksam bekämpft. Die Einreibung mit einem Balsam steigert zusätzlich die Durchblutung in dem behandelten Hautareal. Dadurch wird über bestimmte Reflexe auch eine Durchblutungssteigerung in den darunter liegenden Atmungsorganen erreicht. Cineol kommt in größeren Mengen in Eucalyptus (Eucalyptusöl enthält ungefähr 85 Prozent Cineol) und Lorbeer vor. Weniger stark vorhanden ist es in Minze, Heilsalbei, Thymian, Basilikum und im Teebaum. CINEOLE: Plants containing more than 300 ppm's cineole (as their maximum reported dry weight content) are basil (to 776), beebalm (to 2,735), cardamom (to 56,000), cinnamon (to 800), eucalypt (to 29,750), fennel (to 300), ginger (to 5,000), hyssop (to 610), large cardamom (to 15,000), lavender (to 3,435), lemon leaf (to 700), lemon verbena (to 450), nutmeg (to 3,520), peppermint (to 1,390), rosemary (to 8,125), spearmint (to 9,375), sweet annie (to 6,600), tansy (to 1,300), tarragon (to 500), turmeric (to 720), and yarrow (to 960). Phytother Res. 2000 Jun;14(4):240-4 Antiinflammatory and antinociceptive effects of 1,8-cineole a terpenoid oxide present in many plant essential oils.Santos FA, Rao VS. Department of Physiology and Pharmacology, Faculty of Medicine, Federal University of Ceará, P.O.B. 3157, 60430-270 Fortaleza, Ceará, Brazil. 1,8-Cineole (cineole), a terpenoid oxide present in many plant essential oils displays an inhibitory effect on some types of experimental inflammation in rats, i.e. paw oedema induced by carrageenan and cotton pellet-induced granuloma. Cineole also inhibits in mice, the acetic acid-induced increase in peritoneal capillary permeability and the chemical nociception induced by intraplantar formalin and intraperitoneal acetic acid. Activity was present in these tests, at an oral dose range of 100-400 mg/kg. In the formalin test, the antinociceptive effect of cineole was not reversed by pretreatment of mice with naloxone (1 mg/kg, s.c.), a mu-opioid receptor antagonist, suggesting the involvement of a non-opioid mechanism. Cineole demonstrated a significant inhibitory effect on locomotion and also potentiated the pentobarbital sleeping time in mice, indicating a plausible depressant effect on the central nervous system. The present results, when taken together with the recent reports that describe the inhibitory effects of cineole on the formation of prostaglandins and cytokines by stimulated monocytes in vitro, may provide additional evidence for its potential beneficial use in therapy as an antiinflammatory and analgesic agent. Copyright 2000 John Wiley & Sons, Ltd. PMID: 10861965 [PubMed - indexed for MEDLINE]

Citral,citroenaroma
ook bekend als geranial (citral a) of neral (citral b), komt voor in de essentiele olie van citroengrass, citroen, limoen en sinaasappel. Het is, naast limoneen, een van de karakteristieke aroma's van de citrusfamilie. Citral (C10H16) wordt gebruikt in citrus-aroma's in snoep, frisdrank en in vele cosmeticaproducten, zoals aftershaves en body lotions. Geranial heeft een iets sterkere geur dan neral, maar beide hebben een vergelijkbare citroen-achtige geur. Citral wordt ook gebruikt bij de synthese van vitamine A, maar heeft geen vitamine A werking. Citral lost niet of nauwelijks op in water, maar lost goed op in alcohol of olie. Citral ist Hauptbestandteil der durch Wasserdampfdestillation erzeugten ätherischen Öle von Cymbopogon citratus STAPF (Lemongrasöl) und Litsea cubeba PERS. (May-Chang-Öl). Der Duftstoff bestimmt auch wesentlich den Geruchseindruck von Citronenöl (Gehalt jedoch nur 3,5 bis 5%). Auch in Orangen- und

38 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Mandarinenschalen-, Petitgrain-, Limette-, Verbena- sowie Eucalyptusölen enthalten (z.B. von Eucalyptus staigeriana). Fast einziger Bestandteil im Öl der Pflanze Bakhousia citriodora. Interessant ist die Funktion von Citral als Alarmierungsstoff der Blattschneiderameisen (Allomonwirkung). Beschreibung Das im Riechstoffhandel anzutreffende Produkt "Citral" besteht fast immer aus einem Gemisch der beiden Stereoisomeren (sog. Z-E - Isomere) Geranial (transForm) und Neral (cis-Form, siehe Formelzeichnungen unten). Es handelt sich dabei um eine schwach gelblich gefärbte, ölige, aber dennoch leicht bewegliche, klare Flüssigkeit mit starkem Zitronengeruch. Geranial und Neral haben zwar ähnliche Eigenschaften, doch ist der Zitronenduft von reinem Neral weniger streng ("lieblicher") als derjenige von Geranial. Das Verhältnis von Citral a zu Citral b in Lemongrasöl beträgt etwa 85 zu 15. Citral ist in Wasser nahezu unlöslich, aber mischbar mit zahlreichen organischen Lösungsmitteln wie Ethanol, Ether, Phthalsäure-diethylester, Propylenglycol sowie mit Mineralölen und ätherischen Ölen. Der Siedepunkt liegt bei 228 °C. Duftcharakteristik / odor profile Sehr ausgeprägter Citronenduft, intensiv-frisch, etwas "grün", bitter erscheinende Note engl.: strong, fresh, lemon-like, verbena Gewinnung Citral wird meist aus den beiden gut zugänglichen ätherischen Ölen isoliert, die hohe Anteile des Duftstoffes enthalten: Lemongras und Litsea-Cubeba. Der Aldehyd kann aber auch synthetisch (durch Oxidation des korrespondierenden Alkohols Geraniol) erzeugt werden Citral: Highs for citral in database Duke include ginger (to 1.35%), basil (to 0.7%), East Indian lemongrass (to 0.42%), West Indian lemongrass (to 0.34%), bois-de-rose (to 0.15%), clary sage (to 0.09%), lemon (to 0.03%0 and carrot seed (to 0.02%) on a dry weight basis. Citral wetenschappelijk onderzoek - Onawunmi, G.O. (1989) Evaluation of the antimicrobial acyivity of citral. Lett. Appl. Microbial. 9, 105-108. - Kuwahara, Y., Suzuki, H., Matsumoto, K. & Wada, Y. (1983) Pheromone study on acarid mites. XI. Function of mite body as geometrical isomerization and reduction of citral (the alarm pheromone) Carpoglyphus lactis. Appl. Entomol. Zool. 18, 30-39. - Robacker, D.C. & Hendry, L.B. (1977) Neral and geranial: components of the sex pheromone of the parasitic wasp, Itoplectis conquisitor, J. Chem. Ecol. 3, 563-577.

Cocaïne, alcaloïde uit Cocaplant
ook coke, crack, C, sos of snats genoemd, is een middel dat wordt geëxtraheerd uit de bladeren van de cocaplant. Het valt onder de chemische groep der alkaloïden. Cocaïne stimuleert het centrale zenuwstelsel en onderdrukt het hongergevoel. In juridische zin is het een harddrug. Cocaïne in de puurste vorm is een parelwit product. Cocaïne in poedervorm is een zout, veelal cocaïnehydrochloride (CAS 52-21-4). Cocaïne voor recreatief gebruik is meestal versneden met poeders als bakpoeder, melkpoeder ; suikers zoals lactose, dextrose, inositol en mannitol; en lokale anaesthetica waaronder lidocaïne of benzocaïne.

39 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Zuivere cocaïne wordt in de geneeskunde gebruikt als lokaal anestheticum, onder meer in de KNO-heelkunde. Het wordt bijvoorbeeld als een 10% oplossing op het neusslijmvlies aangebracht. Het slijmvlies is na circa 10 minuten volledig gevoelloos, zodat onder deze plaatselijke verdoving in de neus geopereerd kan worden. Zo kan het neustussenschot recht worden gezet of neuspoliepen worden verwijderd. Bijkomende voordelen zijn dat de bloedvaten van het neusslijmvlies onder invloed van cocaïne vernauwen zodat de ingreep minder bloederig is, en dat het slijmvlies slinkt waardoor er meer ruimte komt. In zuivere vorm heeft cocaïne een sterk stimulerend effect. Veel mensen weten cocaïne-gebruik in hun leven in te passen zonder in de problemen te raken. Cocaïne wordt in het uitgaanscircuit meestal via de neus geïnhaleerd ('coke snuiven'). De meeste verslaafden gebruiken het met ammonium opgeschoonde crack, wat gerookt wordt met een zogenaamde basepijp. Het roken van coke geeft een sterk 'flash'-effect, zoals roken van heroïne dat ook doet. In tegenstelling tot het roken van heroïne is cocaïne binnen een kwartier tot een halfuur weer uitgewerkt. De roes kan maximaal een uur duren. Cocaïne is alleen geestelijk verslavend, maar minder sterk dan heroïne. Cocaïne wordt ook gebruikt door mensen die een grote prestatie moeten leveren ('yuppendrug'). Geschiedenis * Het cocaïne-alkaloïde werd voor het eerst geïsoleerd door de Duitse chemicus Friedrich Gaedcke in 1855. * In 1859 ontwerpt Albert Niemann, een doctoraalstudent aan de Universiteit van Göttingen in Duitsland een verbeterd zuiveringsproces. Hij noemt het alkaloïde “cocaine”. * In 1879 werd cocaïne voor het eerst gebruikt om een morfineverslaving te verhelpen. Cocaïne werd als lokaal anestheticum voor het eerst gebruikt in Duitsland in 1884. * In 1884 schreef Sigmund Freud het artikel Über Coca, waar hij het therapeutische gebruik van cocaïne beschrijft. [1] * In 1885 verkocht Parke-Davis in de VS cocaïne in diverse vormen, waaronder sigaretten, poeder, en zelfs een cocaïnemengsel dat direct in een ader gespoten kan worden met de bijgesloten naald. * In 1886 wordt Coca-Cola uitgevonden, het oorspronkelijke recept bevat cocaïne.[2] * In het begin van de twintigste eeuw waren de verslavende effecten van cocaïne bij velen bekend, en het probleem van cocaïnemisbruik kreeg politieke aandacht in de VS. * Rond 1903 werd cocaïne niet langer als direct ingrediënt gebruikt in CocaCola. * In 1914 werd cocaïne verboden in de VS. * In de jaren 70 van de vorige eeuw werd cocaïne weer populair als drug, tot de opkomst van crack werd aangenomen dat de drugs onschuldig was [3]. Het Medellín- en Calikartel werden opgericht in Colombia om aan de grote vraag te voldoen. * Van 1984 tot 1990 was er een crackepidemie in de VS. * In begin 1994 werd Pablo Escobar, oprichter van het Medellínkartel neergeschoten door de Colombiaanse politie. Het Calikartel nam de leiding in het cocaïneverkeer. * In 1995 werd het Calikartel ontmanteld door de Colombiaanse politie, waarna het Norte del Valle-kartel werd opgericht. * Tegenwoordig is cocaïne de op één na populairste illegale drug in de VS (cannabis is nummer 1), en heeft de hoogste totale straatwaarde, meer dan 35 miljard dollar in 2003.

Coenzyme Q-10
Het coenzym Q10, kort: Q10, ook bekend als CoQ10 of ubiquinon, is een vetoplosbare, vitamine-achtige stof die in alle menselijke en dierlijke cellen voorkomt. De belangrijkste functie van coenzym Q10 is die van cofactor voor verschillende belangrijke omzettingsstappen in de energieproductie (ATP40 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

productie) in de cel. Het is ook belangrijk als antioxidant. Coenzym Q10 is structureel verwant aan vitamine K en vitamine E. Geschiedenis Coenzym Q10 werd in 1957 ontdekt door professor Fred L. Crane en collega's aan de Universiteit van Wisconsin-Madison Enzyme Institute, die het isoleerden uit de mitochondriën van een runderhart[1][2]. In 1958 werd de chemische structuur opgehelderd door Professor Karl Folkers en zijn medewerkers bij Merck[3][2]. In 1972 waren Folkers en zijn collega Gian Paolo Littaru de eersten die bij hartzwakte een coenzym Q10 deficiëntie constateerden. In de jaren '80 van de vorige eeuw is het wetenschappelijk onderzoek naar coenzym Q10 goed op gang gekomen. Dit werd mede veroorzaakt doordat coenzym Q10 toen in grote hoeveelheden commercieel verkrijgbaar werd via farmaceutische bedrijven in Japan, maar ook door het beschikbaar komen van geavanceerde analysesystemen zoals hogedrukvloeistofchromatografie, waardoor coenzym Q10 niveaus in bloed en weefsel direct gemeten konden worden. De "Q" en de "10" in de naam verwijzen respectievelijk naar de groep quinonen, waartoe de verbinding behoort en de 10 isopreen subeenheden waaruit de staart ervan bestaat. De naam "ubiquinon" hangt samen met het feit dat coenzym Q10 bij zoogdieren "ubiquitair" verspreid, met andere woorden "alomtegenwoordig" is en in alle cellen voorkomt. Al deze co-enzym Q moleculen hebben een kop en een staart. In de loop van de evolutie naar homo sapiens is de lengte van deze staart toegenomen van 2 isopreen-eenheden bij bacteriën tot 6 (CoQ6) als belangrijkste vorm bij de gist Saccharomyces cerevisiae, 8 (CoQ8) eenheden bij ratten en muizen, 9 bij knaagdieren en 10 (CoQ10) bij de meeste andere langlevende zoogdieren evenals bij de mens[2][4]. De apolaire staart geeft het molecule een lipofiel (vetminnend) karakter, waardoor het zich goed kan bewegen in alle vetachtige celstructuren zoals de diverse cellulaire membranen evenals in lipoproteïnen in serum. De chemische nomenclatuur voor coenzym Q10 is trans-2,3-dimethoxy-5-methyl-6decaprenyl-1,4-benzoquinon. Ook vitamine K (vitamine K1 is phylloquinon) maakt deel uit van de groep quinonen. Functie in de cel Coenzym Q10 is aanwezig in de mitochondriën van de cel, met name in de binnenste membraan van het mitochondrion. Daar speelt het een belangrijke rol in de oxidatieve fosforylering[5][6], ook wel elektronentransportketen of ademhalingsketen genoemd. In dit proces worden elektronen die in de citroenzuurcyclus ontstaan stapsgewijs via een aantal proteïnen (flavoproteïnen, cytochromen, enzymen) overgedragen aan uiteindelijk zuurstof. Gelijktijdig wordt daarbij adenosinetrifosfaat (ATP) gevormd, de belangrijkste energieleverancier van het lichaam. Onder gezonde omstandigheden wordt 90% van de ATP in het lichaam op deze manier geproduceerd. Coenzym Q10 speelt in deze zogenoemde elektronentransportketen een rol als coenzym voor tenminste drie mitochondriale enzymen, te weten de complexen I, II en III, waar het elektronen accepteert die afkomstig zijn van deze complexen. Coenzym Q10 is ook een coenzym voor enzymen in andere delen van de cel. In de gereduceerde vorm is coenzym Q10 hydroquinon (ook ubiquinol genaamd), een krachtige lipofiele (vetminnende) antioxidant die in staat is andere antioxidanten zoals vitamine C en E te hergebruiken[5][7]. Mogelijk heeft coenzym Q10 ook een rol in de cellulaire communicatie en in de genexpressie[7][8]. Biosynthese Coenzym Q10 kan in principe door het lichaam uit het aminozuur tyrosine worden aangemaakt. Dit is een gecompliceerd proces waar in totaal 19 omzettingsstappen voor nodig zijn, en dat afhankelijk is van het voldoende aanwezig zijn van tenminste zeven vitaminen (vitamine B2, B3, B5, B6, foliumzuur, vitamine B12 en vitamine C) en verschillende spoorelementen[9]. 41 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

In het lichaam van een gezonde volwassene is in totaal ongeveer 0,5 tot 1,5 gram coenzym Q10 aanwezig[4]. Cellen die veel energie nodig hebben, zoals hart-, nier-, lever- en spiercellen, bevatten relatief veel mitochondria, en dus ook veel coenzym Q10. Factoren die de Q10-status kunnen beïnvloeden Ziekte: Bij diverse aandoeningen worden lage concentraties coenzym Q10 in de lichaamsweefsels aangetroffen, zoals bij hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, parodontitis, en AIDS. Gebruik van sommige medicijnen (met name statines): De aanmaak van coenzym Q10 en cholesterol wordt door hetzelfde enzym (HMG-CoA reductase oftewel 3-hydroxymethylglutaryl coenzym A) gereguleerd. Dit enzym reguleert de vorming van mevalonzuur, een gemeenschappelijke voorloper van beide stoffen. De werking van statines, een klasse cholesterolverlagende medicijnen (bijvoorbeeld simvastatine, lovastatine, pravastatine), is gebaseerd op remming van de werking van dit enzym, met als gevolg dat mensen die deze medicijnen gebruiken ook verlaagde co-enzym Q10 niveaus in spierweefsel en bloed hebben[10][11][12][13] [5]. Of en in hoeverre coenzym Q10 suppletie deze daling kan terugdringen is momenteel onderwerp van wetenschappelijk debat.[11][12][14][15][16]. Andere factoren: Ook ouderdom [17], extreme fysische inspanningen, stress, verhoogd alcohol-en nicotineverbruik kunnen leiden tot verlaagde CoQ10 niveaus in het lichaam. Bronnen en biologische beschikbaarheid Coenzym Q10 komt in vrijwel alle voedingsmiddelen voor. Via de voeding nemen we dagelijks circa 3-5 milligram op. Relatief rijke bronnen zijn orgaanvlees (vooral) lever, vis (sardines, ansjovis, makreel, zalm) en gevogelte. [18]. Desondanks zijn de plasma-niveaus co-enzym Q10 bij vegetariërs verreweg het hoogst (meer dan het dubbele dan bij alleseters), wat er op lijkt te wijzen dat een vegetarische voeding helpt bij het handhaven van hoge co-enzym Q10 niveaus in het lichaam. Aangezien coenzym Q10 in de lichaamsweefsels zelf aangemaakt kan worden, wordt er van uitgegaan dat in normale omstandigheden het lichaam niet afhankelijk is van coenzym Q10 aanvoer via de voeding. De invloed van voeding op de coenzym Q10 status blijkt miniem te zijn[19]. Met behulp van voedingssupplementen is de coenzym Q10 status echter wel degelijk te beïnvloeden. Voedingssupplementen met coenzym Q10 leveren in het algemeen 10 tot 30 keer de 3-5 milligram die de mens via de voeding binnenkrijgt. Het sterk lipofiele karakter van coenzym Q10 heeft een grote invloed op de biologische beschikbaarheid. Oraal ingenomen coenzym Q10 wordt relatief slecht opgenomen in het lichaam. De absorptie ervan is sterk afhankelijk van de maaginhoud. Vet in de maag verbetert de opname van coenzym Q10 in het maagdarmkanaal[7]. In geval van coenzym Q10 in de vorm van een voedingssupplement is de absorptie daarnaast ook afhankelijk van het soort c.q. de vorm van het supplement. In het algemeen kan gesteld worden dat producten (bv. voedingssupplementen) waarin coenzym Q10 in poedervorm is verwerkt, een relatief slechte biologische beschikbaarheid hebben. Coenzym Q10 supplementen waarin een olie als dragerstof wordt gebruikt (softgels) bevatten coenzym Q10 in een relatief goed opneembare vorm. Sommige coenzym Q10 producenten proberen met speciale oplosmiddelen evenals door het gebruik van micro-emulsies (waardoor het contactoppervlak sterk wordt vergroot) de biologische beschikbaarheid te verbeteren. Q10 als voedingssupplement en in verrijkte voedingsmiddelen Industriële productie van coenzym Q10 In zijn zuivere vorm is coenzym Q10 een geel-oranje kristallijn poeder, zonder geur noch smaak. Voor de industriële productie ervan bestaan drie methoden: gistfermentatie, bacteriële fermentatie, en chemische synthese. Het resultaat van de eerste twee processen is een trans-isomeer, identiek aan de coenzym Q10 42 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

die in menselijke en dierlijke cellen voorkomt. Coenzym Q10 uit chemische synthese echter bevat daarnaast ook cis-isomeren, welke waarschijnlijk niet werkzaam zijn. Tijdens de commerciële productie van coenzym Q10 ontstaan kristallen, die de biologische beschikbaarheid verminderen. Verhitting doet de kristallen verdwijnen. Het smeltpunt van coenzym Q10 is 48 graden celsius. Tijdens het proces van afkoelen ontstaan echter in het algemeen nog grotere kristallen. Ook bepaalde oplosmiddelen kunnen de kristalvorming tegengaan. Kaneka corporation is de grootste producent van Coenzym Q10 in de wereld met fabrieken in Japan en de Verenigde Staten, daarna volgen Nisshin Pharma, Asahikasei Pharma en Mitsubishi Gas Chemical (MGC). Coenzym Q10 als voedingssupplement Q10 wordt in de meeste Europese lidstaten, in de Verenigde Staten en in Australië als een voedingssupplement verkocht. Ook in Japan is het coenzym sinds 2001 toegelaten als voedingssupplement. Daar wordt het reeds lang gebruikt als toevoeging aan voornamelijk dranken, onder andere door Coca Cola. De eerste producten op Europese bodem vindt men voornamelijk bij zuivelbedrijven zoals Parmalat, Emmi en Ljubljanske Mlekarne (Slovenië). Coenzym Q10 wordt daarnaast toegepast in cosmetica (o.a. huidverzorgende producten). Een gekend voorbeeld van deze laatste zijn de antirimpelcremes van Nivea. Gezondheidseffecten Bloeddruk Er zijn meerdere referenties betreffende het effect van Q10 op bloeddruk bij mensen (voor een overzicht van deze studies: [20]). In een recente metastudie van klinische studies van Q10 bij hypertensie heeft een onderzoeksgroep onder leiding van Professor FL Rosenfeldt (van het Cardiac Surgical Research Unit, Alfred Hospital, Melbourne, in Australië) alle gepubliceerde studies van Q10 in hypertensie onderzocht. Daarnaast heeft de groep ook de algemene effectiviteit en consistentie van de therapeutische effecten en neveneffecten samengevat. De metastudie was uitgevoerd op 12 klinische studies (362 patiënten), bestaande uit 3 randomized, gecontroleerde proeven, één crossover studie en acht open label studies. De onderzoeksgroep besloot dat Q10 het potentieel heeft bij hypertensieve patiënten de systolische bloeddruk met 17 mm Hg en de diastolische bloeddruk met 10 mm Hg te verlagen zonder noemenswaardige neveneffecten[21]. Samenvattend: Uit klinische tests en meta-studies is gebleken dat Q10 nuttig kan zijn bij de behandeling van (zeer) hoge bloedruk, als aanvulling op- of als alternatief voor de bestaande medicatie. Nut bij de behandeling van diverse aandoeningen Het verlagen van de bloeddruk is overigens de enige medische toepassing van Q10 waarvoor voldoende wetenschappelijk bewijs voorhanden is. Bij aandoeningen als alzheimer, angina, (borst)kanker, cardiomyopathie, parodontitis, hartzwakte en hartfalen, HIV/Aids, 'zwak zaad', migraine, spierdystrofie, diabetes en Parkinson is geen of geen eenduidig bewijs voor de werkzaamheid. Bij diabetes en Huntingtons is enig bewijs dat Q10 een negatief effect heeft bij de behandeling. Het wordt daarom niet als zinnig beschouwd Q10 preventief (als supplement) te gebruiken of toe te voegen aan levensmiddelen. Controverse Producenten van producten die zijn gebaseerd op Q10 of waaraan Q10 is toegevoegd stellen dat er sprake is van een aantal gezondheidsvoordelen. Een aantal risicogroepen (rokers, zware drinkers, lijders aan een aantal ziekten, ouderen) zou het risico van Q10-deficiëntie kunnen bestrijden door preventief Q10 te slikken. Verder zou het verouderingsproces op die wijze kunnen worden vertraagd en zou het risico op een aantal typen kanker worden verminderd. Er is veel onderzoek gedaan naar de rol die Q10 speelt in het menselijk lichaam. Toch zijn de uitkomsten van al deze onderzoeken niet altijd met elkaar in overeenstemming, vooral waar het de zin van het innemen van Q10 betreft. Ook metastudies spreken elkaar tegen. Of het slikken van Q10 supplementen een bijdrage levert aan de gezondheid staat vooralsnog ter discussie. Veel onderzoek

43 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

blijkt ook direct door de fabrikant gesponsord te zijn en wordt als weinig wetenschappelijk beschouwd.[22] Volgens producent Pharma Nord zou Q10, mits voldoende gedoseerd, een preventieve werking hebben op het gebied van hart- en vaatziekten en kanker, het immuunsysteem versterken en tevens zorgdragen voor meer energie. Wetenschappelijk gezien zijn dergelijke claims twijfelachtig. In 2003 daagden de Keuringsraad Aanprijzing Gezondheidsproducten (KAG) en de Consumentenbond producent Pharma Nord voor de rechter omdat deze in zijn reclame-uitingen beweerde dat Q10 een remedie zou zijn voor parodontitis-patiënten [23] . Pharma Nord verloor die rechtszaak.[24] [25] Conclusie Hoewel Q10 mogelijk nuttig kan zijn bij de behandeling van hoge bloeddruk, moeten gezondheidsclaims van fabrikanten en leveranciers kritisch worden bekeken. Op hoge bloeddruk na, is er geen aandoening waarvoor eenduidig bewijs bestaat dat Q10 een positief effect zou hebben. Een gebrek aan Q10 kan alleen door een arts worden vastgesteld. Gezondheidsklachten waaraan een gebrek aan Q10 ten grondslag ligt zijn - zeker tot het 40ste levensjaar- uiterst zeldzaam. Q10 is niet in staat de negatieve effecten van een ongezonde levensstijl te compenseren of 'neutraliseren'. Het is daarom niet zinvol Q10 in de voeding aan te vullen. Referenties: 1. ^ (en) Crane FL, Hatefi Y, Lester RL, et al. Isolation of a quinone from beef heart mitochondria. 1957. Biochim Biophys Acta 25:220-221. PMID 13445756 2. ^ a b c (en) Langsjoen PH, Introduction to coenzyme Q10 gratis volledige artikel 3. ^ (en) Wolf DE, Hoffman CH, Trenner NR, Arison BH, Shunk CH, Linn BD, McPherson JF, and Folkers K. Structure studies on the coenzyme Q group. J Am Chem Soc 1958: 80:4752 4. ^ a b (en) Bhagavan HN, Chopra RK. Coenzyme Q10: absorption, tissue uptake, metabolism and pharmacokinetics. 2006. Free Radic Res 40:445-453. DOI: 10.1080/10715760600617843 PMID 16551570 gratis volledige artikel 5. ^ a b c (en) Ernster L, Dallner G. Biochemical, physiological and medical aspects of ubiquinone function. 1995. Biochim Biophys Acta 1271:195-204. PMID 7599208 6. ^ (en) Dutton PL, Ohnishi T, Darrouzet E, Leonard, MA, Sharp RE, Cibney BR, Daldal F and Moser CC. 4 Coenzyme Q oxidation reduction reactions in mitochondrial elektron transport (pp 65-82) in Coenzyme Q: Molecular mechanisms in health and disease edited by Kagan VE and Quinn PJ, CRC Press (2000), Boca Raton 7. ^ a b c (en) Crane FL. Biochemical functions of coenzyme Q10. 2001. J Am Coll Nutr 20:591-598. PMID 11771674 gratis volledige artikel 8. ^ Groneberg DA, Kindermann B, Althammer M, Klapper M, Vormann J, Littarru GP, Döring F. Coenzyme Q10 affects expression of genes involved in cell signalling, metabolism and transport in human CaCo-2 cells. Int J Biochem Cell Biol 37, 1208 – 1218, 2005 9. ^ Citefout 8; No text given. 10. ^ (en) Folkers K, Langsjoen P, Willis R, et al. Lovastatin decreases coenzyme Q levels in humans. 1990. Proc Natl Acad Sci U S A 87:8931-8934. PMID 2247468 gratis volledige artikel 11. ^ a b (en) Langsjoen PH, Langsjoen AM. The clinical use of HMG CoAreductase inhibitors and the associated depletion of coenzyme Q10. A review of animal and human publications. 2003. Biofactors 18:101-111. PMID 14695925 12. ^ a b (en) Hargreaves IP, Duncan AJ, Heales SJ, et al. The effect of HMGCoA reductase inhibitors on coenzyme Q10: possible biochemical/clinical implications. 2005. Drug Saf 28:659-676. PMID 16048353 13. ^ (en) Passi S, Stancato A, Aleo E, et al. Statins lower plasma and lymphocyte ubiquinol/ubiquinone without affecting other antioxidants and PUFA. 2003. Biofactors 18:113-124. PMID 14695926 14. ^ (en) Levy HB, Kohlhaas HK. Considerations for supplementing with coenzyme Q10 during statin therapy. 2006. Ann Pharmacother 40:290-294. DOI: 10.1345/aph.1G409 PMID 16449543

44 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

15. ^ (en) Nawarskas JJ. HMG-CoA reductase inhibitors and coenzyme Q10. 2005. Cardiol Rev 13:76-79. DOI: 10.1097/01.crd.0000154790.42283.a1 PMID 15705257 16. ^ (en) Langsjoen PH, Langsjoen JO, Langsjoen AM, et al. Treatment of statin adverse effects with supplemental Coenzyme Q10 and statin drug discontinuation. 2005. Biofactors 25:147-152. PMID 16873939 17. ^ Kalén A, Appelkvist E-L, Dallner G: Age-related changes in the lipid compositions of rat and human tissues. Lipids 24: 579-584, 1989 18. ^ (en) Weber, C.: Dietary intake and absorption of coenzyme Q. In: Kagan, V.E. & Quinn, P.J. (Eds.): Coenzyme Q: Molecular mechanisms in health and disease. (http://www.amazon.com/gp/reader/0849387329) CRC Press, 2000, p. 209215. 19. ^ (en) Kaikkonen J, Nyyssönen K, Tuomainen TP, et al. Determinants of plasma coenzyme Q10 in humans. 1999. FEBS Lett 443:163-166. DOI: 10.1016/S00145793(98)01712-8 PMID 9989597 gratis volledige artikel 20. ^ Cupp MJ and Tracy TS. Chapter 4: Coenzyme Q10 (Ubiquinone, Ubidecarenone), pp 53-85 in Dietary Supplements edited by Cupp MJ and Tracy TS Humana press, Totowa, New Jersey (2003) 21. ^ Rosenfeldt FL, Haas SJ, Krum H, Hadj A, Ng K, Leong J-Y, Watts GF. Coenzyme Q10 in the treatment of hypertension: a meta-analysis of the clinical trials. J Human Hypertension 21: 297-306, 2007 22. ^ Kees Karsten, Dennis Verhoeve, Bruno Loos en Sacha Eikenboom. Fabrikant misleidt parodontitis patienten met Q10. Wetenschappelijke onderbouwing van vermeend effect ontbreekt. Nederlands Tandartsenblad 52/7/1997 23. ^ D.S. Joffe, "Een pil tegen parodontitis?", Vereniging tegen de Kwakzalverij, 10 November 2003 24. ^ T. L. P. Watts, BDS, MDS, PhD, FDS, Department of Periodontology and Preventive Dentistry, UMDS, Guy’s Hospital London Coënzyme Q10 and periodontal treatment: is there any beneficial effect? British Dental Journal 1995;178: 209213 25. ^ Consumentengids april 1995 26. ^ Arrondissementsrechtbank Amsterdam, uitspraak KAG vs. Pharma Nord & House of Trends, 25 september 1997 27. ^ Kees Karsten, Dennis Verhoeve, Bruno Loos en Sacha Eikenboom. Fabrikant Bio-Quinon Q10 veroordeeld. KAG, consumentenbond en NVvP tevreden over uitspraak rechter. Nederlands Tandartsenblad 52/21/1997 Enige onderzoeken over Coenzym Q10 Positive Clinical Results for Treating Heart Disease and Improving Survival: The effects of oral treatment with coenzyme Q10 (120 mg/d) were compared for 28 days in 73 (intervention group A) and 71 (placebo group B) patients with acute myocardial infarction (AMI). After treatment, angina pectoris (9.5 vs. 28.1), total arrhythmias (9.5% vs. 25.3%), and poor left ventricular function (8.2% vs. 22.5%) were significantly (P < 0.05) reduced in the coenzyme Q group than placebo group. Total cardiac events, including cardiac deaths and nonfatal infarction, were also significantly reduced in the coenzyme Q10 group compared with the placebo group (15.0% vs. 30.9%, P < 0.02). The extent of cardiac disease, elevation in cardiac enzymes, and oxidative stress at entry to the study were comparable between the two groups. Lipid peroxides, diene conjugates, and malondialdehyde, which are indicators of oxidative stress, showed a greater reduction in the treatment group than in the placebo group. The antioxidants vitamin A, E, and C and beta-carotene, which were lower initially after AMI, increased more in the coenzyme Q10 group than in the placebo group. These findings suggest that coenzyme Q10 can provide rapid protective effects in patients with AMI if administered within 3 days of the onset of symptoms. More studies in a larger number of patients and long-term follow-up are needed to confirm our results. [Singh RB, Wander GS, Rastogi A, Shukla PK, Mittal A, Sharma JP, Mehrotra SK, Kapoor R, Chopra RK. 1998. Randomized, double-blind placebo-controlled trial of coenzyme Q10 in patients with acute myocardial infarction. Cardiovasc Drugs Ther 1998 Sep; 12(4): 347-53]. Positive Clinical Results for Treating Serious Heart Failure: Several noninvasive studies have shown the effect on heart failure of treatment with coenzyme Q10. In order to confirm this by invasive methods we studied 22 45 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

patients with mean left ventricular (LV) ejection fraction 26%, mean LV internal diameter 71 mm and in NYHA class 2-3. The patients received coenzyme Q10 100 mg twice daily or placebo for 12 weeks in a randomized double-blinded placebo controlled investigation. Before and after the treatment period, a right heart catheterisation was done including a 3 minute exercise test. The stroke index at rest and work improved significantly, the pulmonary artery pressure at rest and work decreased (significantly at rest), and the pulmonary capillary wedge pressure at rest and work decreased (significantly at 1 min work). These results suggest improvement in LV performance. Patients with congestive heart failure may thus benefit from adjunctive treatment with coenzyme Q10. [Munkholm H, Hansen HH, Rasmussen K. 1999. Dept. of Cardiology, Aalborg Hospital, Denmark). Coenzyme Q10 treatment in serious heart failure. Biofactors 1999; 9(2-4): 2859]. Positive Clinical Results for Treating Hypertension: BACKGROUND: Increasing numbers of the adult population are using alternative or complementary health resources in the treatment of chronic medical conditions. Systemic hypertension affects more than 50 million adults and is one of the most common risk factors for cardiovascular morbidity and mortality. This study evaluates the antihypertensive effectiveness of oral coenzyme Q10 (CoQ), an over-the-counter nutritional supplement, in a cohort of 46 men and 37 women with isolated systolic hypertension. METHODS: We conducted a 12-week randomized, double-blind, placebo-controlled trial with twice daily administration of 60 mg of oral CoQ and determination of plasma CoQ levels before and after the 12 weeks of treatment. RESULTS: The mean reduction in systolic blood pressure of the CoQ-treated group was 17.8 +/- 7.3 mm Hg (mean +/- SEM). None of the patients exhibited orthostatic blood pressure changes. CONCLUSIONS: Our results suggest CoQ may be safely offered to hypertensive patients as an alternative treatment option. [Burke BE, Neuenschwander R, Olson RD. 2001. (Research Service, Department of Veterans Affairs Medical Center, Boise, Idaho 83702, USA). Randomized, double-blind, placebo-controlled trial of coenzyme Q10 in isolated systolic hypertension. South Med J 2001 Nov; 94(11): 1112-7]. Positive Clinical Results for Treating Liver Cirrhosis: BACKGROUND: The symptoms of the chronic cholestatic liver disease primary biliary cirrhosis (PBC), in particular fatigue and chronic pruritus, adversely affect quality of life and respond only poorly to treatment. Recent studies have suggested that oxidative stress may play a role in tissue damage in cholestatic liver disease and may contribute to symptoms, such as fatigue. We have, therefore, examined, in an open-label pilot study, the therapeutic effects of antioxidant medication on the biochemistry and symptomatology of PBC. METHODS: Patients were randomized to 3 months treatment with a compound antioxidant vitamin preparation (Bio-Antox), four tablets daily (n = 11, group 1), or the combination of Bio-Quinone Q10 (100 mg) with Bio-Antox (n = 13, group 2). Biochemical and symptomatic responses were assessed at 3 months. RESULTS: Significant improvement in both pruritus and fatigue was seen in the patients in group 2. Mean itch visual analogue score improved from 2.4 +/- 3.0 to 0.4 +/- 0.7 post therapy (P < 0.05) while mean night itch severity score improved from 2.6 +/- 1.9 to 1.3 +/- 0.7 (P < 0.05). Nine of 13 of these patients reported less fatigue, while 10/13 showed an improvement in at least one domain of their Fisk Fatigue Severity Score. No significant improvement in itch and only limited improvement in fatigue were seen in the patients in group 1. No change in biochemical parameters was seen in either group. CONCLUSIONS: Antioxidant therapy, as a combination of Bio-Antox and Bio-Quinone Q10, may improve the pruritus and fatigue of PBC. This combination of therapy should be investigated further in a double-blind, placebo-controlled trial. [Watson JP, Jones DE, James OF, Cann PA, Bramble MG. 1999. (Centre for Liver Research, University of Newcastle, UK). Case report: oral antioxidant therapy for the treatment of primary biliary cirrhosis: a pilot study. J Gastroenterol Hepatol 1999 Oct; 14(10): 1034-40].

46 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Costunolide in Saussurea lappa (Costus)
Andere Namen: a-(4,8-Dimethyl-2-hydroxy-cyclodecadien-(3,7)-yl)-acrylsäure BRN: k.A. CAS-Nr.: [553-21-9] HN: 1186500 Chemische Charakterisierung: Sesquiterpen-Lacton (Anm.: die Endung -olid kennzeichnet Lactone) mit Germacran-Grundgerüst Molekülmasse / F.W.: 232,31 g/mol Summenformel: C15H20O2 Vorkommen Costunolid ist ein Bestandteil von Costusöl (daher der Name!), dem Wurzelöl von Saussurea lappa L.; weiterhin wird sein Vorkommen beschrieben in Lorbeeröl (Stammpflanze: Laurus nobilis L.) sowie in Pflanzen der Gattungen Artemisia (A. balchanorum) und Frullania. Beschreibung Bei dem Stoff handelt es sich um weiße Kristalle mit einem Schmelzpunkt von ca. 106-107 °C, die in den organischen Lösungsmitteln Aceton und Diethylether löslich sind. Wasser löst die Substanz praktisch nicht. Verwendung Costunolid hat nur Bedeutung als Inhaltsstoff der oben genannten ätherischen Öle, welche in der Parfümerie gelegentlich gebraucht werden. Ein Einsatz der Reinsubstanz als Duftstoff erfolgt aber nicht, im Gegenteil ist die Anwesenheit des Stoffes in Parfums unerwünscht: Er besitzt ausgeprägte hautsensibilisierende Eigenschaften und ist daher wesentlich für die allergene Wirkung von Costuswurzelöl, aber auch von Lorbeeröl, verantwortlich! Eine Parfüm-Allergie ist daher oft auf die Anwesenheit solcher ätherischer Öle zurückzuführen. Im Costuswurzelöl ist auch Dehydrocostuslacton enthalten, der die allergene Wirkung von Costunolid noch verstärkt. Interessant ist der wissenschaftliche Einsatz von Costuslactonen (Costunolid, synthetische Derivate von Costunolid und Dehydrocostuslacton) als Wachstumsregulator bei Pflanzen. Geprüft wurden die stimulierenden Wirkungen dieser Stoffe auf das Wurzelwachstum bei Hypokotylschnitten von Phaseolus radiatus L. Besonders aktiv waren in dieser Hinsicht die im Costusöl vorkommenden Lactone 4-b-Methoxy-dehydrocostuslacton und Saussureal. Literaturverzeichnis - HAGERs Handbuch der Pharmazeutischen Praxis 5. Aufl. (Springer Verlag, Berlin) - Band 3, S. 351: Sensibilisierungspotential von Costuswurzelöl und Costunolid; Band 6, S. 619ff: Monographische Abhandlung der Gattung Saussurea - HAUSEN B.M., Allergiepflanzen - Pflanzenallergene - Handbuch und Atlas der allergie-induzierenden Wild- und Kulturpflanzen (ecomed Verlagsgesellschaft, Landsberg 1988) - HAUSEN B.M., Dtsch. Med. Wschr. 110, 634 (1985) - OPDYKE D.L.J., Food Cosmet. Toxikol. 12, 867 (1974) - ROTH L./DAUNDERER/KORMANN K., Giftpflanzen - Pflanzengifte. Vorkommen Wirkung - Therapie, 4. Aufl., S. 250 (ecomed Verlagsgesellschaft, Landsberg 1994): Costunolid in Lorbeeröl

Coumarine, geurstof in Bedstro
Coumarine is een stof, die in vele soorten planten (gewoon reukgras, veenreukgras, akkerhoningklaver, rolklaver) en bijvoorbeeld kaneel en tonkabonen voorkomt. De naam is afkomstig van het Spaanse cumarú = Tonkabonenboom. Coumarine is, samen met een aantal verwante stoffen, verantwoordelijk voor de typische hooigeur van drogend en gedroogd gras. Bij het drogen van de planten komt de stof vrij uit de suikerketens waar het in de levende plant aan gebonden is.

47 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Goed oplosbaar in Slecht oplosbaar in

Ethanol, Ether, Chloroform water

Synthese Uitgangstof voor coumarine in planten is kaneelzuur. Coumarine is op zijn beurt de basis voor synthese van diverse andere stoffen, zoals aesculine, umbelliferon en de ferocoumarinen. Synthetisch wordt coumarine door middel van een Perkin synthese uit salicylaldehyde en ijsazijn bereid. Gebruik Coumarine en verscheidene van haar verbindingen werden vroeger als smaakstof gebruikt. Sinds de jaren 1950 is dat niet meer toegestaan, omdat coumarine in grotere doses schadelijk bleek te zijn. Coumarine is een anticoagulans, ('bloedverdunner') en kan bij inname onder andere leverschade, nierschade en hoofdpijn veroorzaken. Daarnaast blijkt uit dierproeven en ander onderzoek dat coumarine gentoxisch en daarmee mogelijk kankerverwekkend is. Om deze reden wordt wel geadviseerd niet teveel kaneel (dat coumarine bevat) te gebruiken. In de geneeskunde worden coumarine en sommige van haar verbindingen als medicijn gebruikt. Dit vanwege de remmende werking op de bloedstolling. Verder wordt coumarine wel gebruikt als ratten bestrijdingsmiddel; bij hogere doses treden inwendige bloedingen op. In parfum en andere geurcomposities is coumarine belangrijk als geurstof. Met name in fougère parfums is coumarine een noodzakelijk ingrediënt. Vanwege haar fluorescente eigenschappen wordt coumarine wel gebruikt als optische witmaker. Cumarine leiten sich von den Phenolsäuren ab und finden sich häufig in Pflanzen der Familien der Dolden- und Rautengewächse. Die Stammverbindung ist das Cumarin (1H-1-Benzopyran-2-on), das erst beim Welkprozess enzymatisch gebildet wird und z.B. das typische Aroma des Waldmeisters ausmacht. Häufig sind sie mit dem ätherischen Öl der Pflanze vergesellschaftet. Mittlerweile sind etwa 500 verschiedene Cumarine bekannt. Toxikologisch bedeutungsvoll sind das durch Fäulnisprozesse z.B. in angeschimmelten Kleeheu entstehende Dicumarol, das zu hämorrhagischen Erkrankungen von Weidevieh führen kann (sweet glover desease) und die als stark leberkanzerogenen Aflatoxine in Schimmelpilzen, die aus Polyketiden gebildet werden. Synthetisch hergestellte 4-Hydroxy-Cumarinderivate werden in der Medizin als orale Antikoagulantien verwendet. Wirkungen Cumarin wirkt ähnlich wie das Rutosid entzündungshemmend, abschwellend und durchblutungsfördernd. Zubereitungen aus cumarinhaltigen Pflanzen wie z.B. der Steinklee werden zur Behandlung von Venenleiden eingesetzt. Da Cumarin im Tierversuch lebertoxische und kanzerogene Eigenschaften zeigte, wird empfohlen, die Langzeitaufnahme durch cumarinhaltige Lebensmittel wie z.B. zimthaltige Tees, zu begrenzen. Die Übertragbarkeit der Befunde auf den Menschen ist allerdings strittig, da die Toxizität von Cumarin speziesabhängig unterschiedlich ist. In einigen Studien konnte sogar ein günstige Effekte bei Tumorleiden nachgewiesen werden. Höhere Dosierungen von Cumarin treten Kopfschmerzen und Benommenheit auf. Dicumarol: Dicumarol wirkt antagonistisch zu Vitmain K und hemmt daher die Bildung von Gerinnungsfaktoren in der Leber, wobei dafür die Hydroxylgruppe an C-4 des Cumarin-Grundgerüsts essentiell ist. Aus dieser Verbindung wurden die oralen Antikoagulantien entwickelt. Furanocumarine: Besonders lineare Furanocumarine vom Typ des Psoralens besitzen photosensibilisierende Eigenschaften, d.h. es können in Verbindung mit Sonnenlicht starke Entzündungen der Haut und Sonnenbrand hervorgerufen werden.

48 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Medizinisch wird dieser Effekt zur Behandlung von Psoriasis und Vitiligo bei der PUVA-Therapie (Psoralenderivat + UVA-Bestrahlung) ausgenutzt. Pyranocumarine: Visnadin wirkt im Tierversuch erweiternd auf die Herzkranzgefäße und positiv inotrop. Die Wirksamkeit ist jedoch nicht durch klinische Studien belegt. Aflatoxine: Aflatoxine werden von bestimmten Schimmelpilzen auf stärke- und fetthaltigen Lebensmitteln, wie z.B. Nüsse, Brot, Mais, gebildet und wirken karzinogen auf die Leber. Verschimmelte Lebensmittel sind daher nicht mehr für den Verzehr geeignet und sollten komplett weggeworfen werden. Vorkommen: Cumarin-Typ Cumarin Hydroxycumarine Bezeichnung Beispiel Cumarin Waldmeister, Steinklee, Liebstöckel, Pastinakfrüchte,Tonkabohnen Umbelliferon Engelwurz, Kamillenblüten, Seidelbastrinde, Feigenblätter, Pastinakfrüchte Aesculetin Ringelblume, Rosskastanienrinde Scopoletin Ringelblume, Feigenblätter Aesculin Rosskastanienrinde Bergapten Engelwurz, Feigenblätter, Bärenklau-Arten, Liebstöckel, Raute Psoralen Feigenblätter, Bärenklau-Arten, Liebstöckel, Raute Xanthoxin Feigenblätter, Bärenklau-Arten Angelicin Bärenklau-Arten Pimpinellin Bärenklau-Arten, Pastinakfrüchte Visnadin Bischofskraut

Furanocumarine Diuretisch Pyranocumarine

Literatur: Georg Schiller, Karl Hiller:Arzneidrogen, 4. Aufl. 1999, Spektrum Akademischer Verlag Hager ROM 2002,Springer Verlag Gunter Metz:Phytamine - Pflanzliche Nahrung zur Prävention PZ-Schriftenreihe Nr. 13 (2001), Govi Verlag

Curcumine, kleurstof in Geelwortel
Al enkele decennia wordt curcumine, de gele kleurstof uit curcuma (Curcuma longa), onderzocht in verband met antioxidatieve, ontstekingsremmende, antimutagene en anticarcinogene effecten. Vele in vitro- en in vivo-studies wijzen op een kankerremmend effect bij kankercellijnen van darmen, 12-vingerige darm, maag, lever, alvleesklier, long, prostaat, borst, bloed en huid[1,2,3]. Het bijzondere van curcumine is dat het selectief tegen kankercellen werkt en het dus voor gezonde lichaamscellen niet toxisch is en geen onderdrukking van het immuunsysteem en beenmerg geeft[4]. Bovendien maakt curcumine kankercellen gevoeliger voor chemo- en radiotherapie (oncolyitica) en kan het resistent geworden kankercellijnen weer vatbaar maken voor dergelijke therapiën. De veelbelovende eigenschappen van curcumine rechtvaardigen meer klinisch onderzoek naar de rol die het zou kunnen spelen voor een effectievere en beter verdraagbare standaard kankertherapie. Naast curcumine hebben ook de andere curcuminoïden uit curcuma (desmethoxycurcumine en bisdesmethoxycurcumine) en Ar-turmeron (het hoofdbestanddeel uit de vluchtige olie) ontstekings- en tumorremmende eigenschappen. Ook de metaboliet tetrahydrocurcumine en overige metabolieten dragen bij aan de kankerremmende eigenschappen van curcumine[11,12]. LITERATUUR 1. Thangapazham RL, Sharma A, Maheshwari RK. Multiple molecular targets in cancer chemoprevention by curcumin. AAPS J. 2006 Jul 7;8(3):E443-9.

49 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

2. Cheng AL, Hsu CH, Lin JK et al. Phase I clinical trial of curcumin, a chemopreventive agent, in patients with high-risk or pre-malignant lesions. Anticancer Res. 2001 Jul-Aug;21(4B):2895-900. 3. Lev-Ari S, Starr A, Vexler A et al. Inhibition of pancreatic and lung adenocarcinoma cell survival by curcumin is associated with increased apoptosis, down-regulation of COX-2 and EGFR and inhibition of Erk1/2 activity. Anticancer Res. 2006 Nov-Dec;26(6B):4423-30. 4. Bhattacharyya S, Mandal D, Sen GS el al. Tumor-induced oxidative stress perturbs nuclear factor-kappaB activity-augmenting tumor necrosis factor-alphamediated T-cell death: protection by curcumin. Cancer Res. 2007 Jan 1;67(1):36270. 5. Chearwae W, Shukla S, Limtrakul P et al. Modulation of the function of the multidrug resistance-linked ATP-binding cassette transporter ABCG2 by the cancer chemopreventive agent curcumin. Mol Cancer Ther. 2006 Aug;5(8):1995-2006. 6. Wortelboer HM, Usta M, van Zanden JJ et al. Inhibition of multidrug resistance proteins MRP1 and MRP2 by a series of alpha,beta-unsaturated carbonyl compounds. Biochem Pharmacol. 2005 Jun 15;69(12):1879-90. 7. Kim JE, Kim AR, Chung HY et al. In vitro peroxynitrite scavenging activity of diarylheptanoids from Curcuma longa. Phytother Res. 2003 May;17(5):481-4. Curcumine voor de darmen Onlangs stelden onderzoekers vast dat de toediening van 0.25 % curcumine aan de voeding van muizen een positieve invloed had op dieren bij wie door toediening van een product colitis werd uitgelokt. Ze stelden volgende resultaten vast: minder macroscopische beschadigingen, minder slijmvliesverzwering, vernauwing van de darmwand en infiltratie van infecterende cellen. Het is ook de eerste studie die aantoont dat curcumine de activering van de transcriptiefactor NF-B remt, een factor die betrokken is bij de vorming van cytokines en chemokines (stoffen betrokken bij ontsteking), en dat curcumine de activering van een enzym betrokken bij een ontsteking remt (het p38 MAPK of mitogen-activated protein kinase p38). Ref. :Salh B et al. J Physiol Gastrointest Liver Physiol. 2003;285(1):G235-43. Curcumine Synonyms: 1,7-Bis(4-hydroxy-3-methoxyphenyl)-1,6-heptadiene-3,5-dione, turmeric yellow Description:Curcumin is a a water soluble orange-yellow coloured powder. Curcumin is one of three curcuminoids of turmeric. The other two curcuminoids are demethoxycurcumin and bisdemethoxycurcumin. Distribution: Curcumin is obtained by solvent extraction from dried turmeric roots. Action of Curcumin:Curcumin has antioxidant, anti-inflammatory, antiviral and antifungal actions. Studies have shown that curcumin is not toxic to humans. Curcumin exerts anti-inflammatory activity by inhibition of a number of different molecules that play an important role in inflammation. Turmeric is effective in reducing post-surgical inflammation. Turmeric helps to prevent atherosclerosis by reducing the formation of bloods clumps. Curcumin inhibits the growth of Helicobacter pylori, which causes gastric ulcers and has been linked with gastric cancers. Curcumin can bind with heavy metals such as cadmium and lead, thereby reducing the toxicity of these heavy metals. This property of curcumin explains its protective action to the brain. Curcumin acts as an inhibitor for cyclooxygenase, 5-lipoxygenase and glutathione S-transferase. Facts about Curcumin:Curcumin is used many foods as colouring, including mustard, margarine, processed cheese, cakes, curry powder, soft drinks and sweets.

50 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Cynarine in Artisjokblad
Description Cynarin can be classified as a phenylpropanpoid and is derived from the bonding of the phenolic acids, caffeic acid and quinic acid. Cynarin displays hepatoprotective and hypercholesterolaemic actions. Cynara scolymus (globe artichoke) Echinacea spp. (echinacea) Drug Alcohol Depend. 1978 Mar;3(2):143-5. Effect of 1,5-dicaffeylquinic acid (cynarine) on cholesterol levels in serum and liver of acute ethanol-treated rats.Wójcicki J. The effect of 1,5-dicaffeylquinic acid (Cynarine) on total cholesterol levels in serum and liver of acute ethanol-treated rats was studied. Male Wister rats were administered ethyl alcohol, 6 g/kg per day by gavage over three days. In rats treated with ethanol alone, the serum and hepatic cholesterol showed a significant rise of 44 and 75%, respectively. In rats receiving ethanol and Cynarine simultaneously, a distinct reduction of the serum and hepatic cholesterol levels was observed. Cynarin en andere werkzame stoffen in Artisjokblad Aufgrund von ersten wissenschaftlichen Untersuchungen glaubte man in den frühen Jahrzehnten dieses Jahrhunderts, die Substanz Cynarin (1,5-Dicaffeoylchinasäure) aus der Artischocke, deren chemische Struktur 1954 aufgeklärt wurde, sei der relevate arzneilich wirksame Bestandteil. Mittels moderner pharmazeutischer Analytik konnte jedoch nachgewiesen werden, daß Cynarin in der frischen Pflanze allenfalls in Spuren enthalten ist. Es bildet sich erst bei der Herstellung eines Extrakts durch Umesterung im wäßrigen Medium aus 1,3-Di-OCaffeoylichinasäure im Drogenausgangsmaterial. Es gelang, den Inhaltstoff Cynarin synthetisch herzustellen, und vor wenigen Jahrzehnten waren noch mehrere Präparate mit synthetischem Cynarin auf dem Markt zu finden.Man mußte jedoch feststellen, daß Cynarin-Präparate keine ausgeprägte klinische Wirkung hatten. Besonders deutlich trat ein relativ enges therapeutisches Profil hervor, das letztendlich das Interesse an diesen Präparaten reduzierte. Heute wird akzeptiert, daß ein Komplex von Inhaltstoffen des Gesamtextrakts für die Wirksamkeit verantwortlich ist (Synergismus). Eine Reihe von Inhaltstoffen ist eindeutig identifiziert. Bis heute ist aber letzlich ungeklärt, welche Bestandteile des Extrakts im Sinne der bekannten pharmakodynamischen Effekte wirksam sind. Die wesentlichen Stoffklassen sind Caffeoylchinasäuren, Flavonoide und Sesquiterpenlaxtone. Von Bedeutung sind wahrscheinlich die Caffeoylchinasäuren, die von einigen Autoren als arzneilich wirksame Bestandteile (choleretisch und lipidsenkend) angesehen werden. HeilpraktikerVerband Duitsland

Cytochroom P450
Het cytochroom P450 enzymsysteem (ook wel afgekort als CYP, P450 of CYP450) is een verzameling enzymen waarvan er een aantal belangrijk zijn bij de afbraak van verschillende lichaamsvreemde (xenobiotische) stoffen (zoals medicijnen en toxinen). Andere cytochroom P450 enzymen zijn betrokken bij de biosynthese van steroïden, prostaglandinen en retonoïden. Cytochroom P450 komt praktisch alle levende cellen voor. CYP enzymen zijn gevonden bij alle levensvormen, waaronder zoogdieren, vogels, vissen, wormen, planten, schimmels, bacteriën en archaea.

51 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

CYP1A2, CYP2C9, CYP2C19, CYP2D6 en CYP3A4 zijn de belangrijkste enzymen in het metabolisme van geneesmiddelen. Circa 40-50% van alle geneesmiddelen wordt via Cyp3A4 afgebroken.

D Diosgenin,een steroïdsaponine in Yamwortel
Diosgenin is a steroid sapogenin which is isolated from various plants. Diosgenin is the starting material for the synthesis of a number of hormonal products such as DHEA. The estrogenic effects of diosgenin have also been demonstrated. It can be converted to ecdysone, pregnenolone, and progesterone. Synonym: nitogenin. Diosgenin is converted into natural progesterone scientifically. There are no enzymes in the human body that will convert diosgenin, which is the active component of wild yams into progesterone. Diosgenin is still very useful in the body and has been used by phytotherapists for centuries as an adaptagen. Whatever the effects of wild yam, it does not have the same benefits as Natural progesterone. Diosgenin, which is a sapogenin chemical very similar to cholesterol, progesterone and DHEA - the precursor to testosterone. Diosgenin provides about 50% of the raw material for the manufacture of cortisone, progesterone, and many other steroid hormones and is a multi-billion dollar industry. Treatment of hypercholesterolaemia with diosgenin (Hypocholesterolaemic effects) Sauvaire, Y, Ribes, G, Baissac, Y, et al, 1994, Saponins extracted from vegetables for treatment of hypercholesterolemia, nutrition and metabolism disordersï¾”, in Chem Abstr 24, Abst. No. 124: 298928x, 1996. Description Saponins and sapogenins, including diosgenin, obtained by extraction from plants and vegetables are useful for the treatment of hypercholesterolaemia. An extract of fenugreek seeds containing > 95% steroidal saponins reduced the total plasma cholesterol of rats by 18-22% without effecting plasma triglycerides. Both fenugreek and Dioscorea spp. yield diosgenin. Studies in Hypocholesterolaemic effects # Reduction of plasma cholesterol levels with Dioscorea # Stimulation of biliary cholesterol output with diosgenin # Treatment of atherosclerosis with saponins of Dioscorea # Treatment of hypercholesterolaemia with diosgenin Diosgenine, een anabole werking of niet? Plantensteroid diosgenin schakelt anabole signaalroute aan (Life Sci. 2007 May 24;) Diosgenin was ooit een grondstof voor de steroid-industrie, die van het plantensteroid DHEA maakte. Langzaam beginnen onderzoekers echter te beseffen dat diosgenin zelf ook een actieve stof is, al tasten ze nog in het duister hoe dat mogelijk is. Diosgenin remt kankercellen en overijverige immuuncellen. Een artikel geschreven door Koreaanse onderzoekers, die op kosten van de overheid uitzochten of diosgenin ook huidcellen remt die ongewoon veel pigment aanmaken. Hyperpigmentation, heet dat. Het verschijnsel duikt bijvoorbeeld op bij eczeem en andere vormen van huidirritatie. Om een lang verhaal kort te maken: toen de Koreanen diosgenin toevoegden aan pigmentproducerende huidcellen in een reageerbuis zagen ze dat het steroid de cellen afremde. De Koreanen ontdekten bovendien hoe: diosgenin activeert de phosphatidylinositol-3-kinase (PI3K) pathway. Anabole factoren als anabole steroiden, insuline en IGF-1 schakelen die pathway ook aan.

52 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Huidcellen zijn geen spieren. De darmcellen waarmee Wageningse onderzoekers onlangs interessante effecten van het [overigens behoorlijk giftige] plantaardige steroid a-chaconine aantoonden waren ook geen spieren. Maar al met al wordt het toch steeds waarschijnlijker dat er in de natuur plantaardige steroiden voorkomen die interessant voor sporters zijn.

Dopamine,informatiemolecule in hersenen
Zie neurotransmitter of 2-amino-3-(3,4-dihydroxyfenyl)propaanzuur is een verbinding die fungeert als neurotransmitter (en soms als hormoon) op verschillende plaatsen in het lichaam. Dopamine ontstaat door decarboxylatie uit Dopa, dat in levende organismen wordt gevormd door oxidatie van het aminozuur tyrosine. Het komt in het menselijk en dierlijk organisme ook voor als een precursor van de hormonen adrenaline en noradrenaline, dat daaruit door hydroxylering kan ontstaan. Het speelt een grote rol bij het ervaren van genot, blijdschap en welzijn. In de hersenen zijn zenuwbanen aanwezig die gevoelig zijn voor deze transmitter zoals de voorhoofdskwab en de basale ganglia. Mensen met de ziekte van Parkinson hebben waarschijnlijk een tekort aan dopamine. Omdat dopamine niet rechtstreeks door de hersenen opgenomen kan worden, wordt als medicijn L-Dopa gebruikt. Daaruit kan het lichaam zelf dan meer dopamine maken.

E Echinacein in Rode zonnehoed
Zie alkylamides of alkymides Echinacein is an isobutylamide (= alkylamide) echinacein, is responsible for the familiar tongue "tingle" of high-quality, fresh echinacea root or its extract. Echinacein inhibits growth of bacteria and fungus, stimulates the system that helps kill bacteria and viruses and has a local anesthetic effect. Echinacein, is a proven saliva producer. Take a dropperful of tincture in juice. If you have access to the fresh plant, you can also chew the root. In addition to stimulating salivation,echinacea tends to numb the mouth, but this effect is temporary and harmless. Insecticide werking? Alle inhoudsstoffen van Echinacea spp. (echinacea)zijn - Caffeic acid derivatives: Echinacoside is found in the roots of E. angustifolia and E. pallida but not E. purpurea. Other derivatives include cichoric and chlorogenic acids and cynarin. These constituents may play roles in stimulating phagocytosis. - Polysaccharides: Inulin and other high molecular weight polysaccharides such as heteroxylan, arabinogalactan, and fucogalactoxyloglucans stimulate macrophages and they possess anti-inflammatory activity. - Alkylamides: Echinacein and several isobutylamides are responsible for the local anesthetic effect and some of the anti-inflammatory activity of echinacea. - Essential oil components: These include humulene, echinolone, vanillin, germacrene and borneol. Several have insecticidal activities. - Other constituent groups include polyacetylenes, flavo-noids and glycoproteins, whose biological effects, if any, are presently unknown.

Estragol
53 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

De aromastoffen estragol, methyleugenol en safrol komen van nature voor in basilicum, anijs, venkel, nootmuskaat, foelie, dragon en kaneel. Bij dieren blijken deze stoffen schadelijk te zijn. Hoewel onvoldoende bekend is over de risico’s voor de mens, zijn er sterke aanwijzingen voor een schadelijk effect. Inmiddels is het gebruik van estragol en methyleugenol als zuivere stof (aroma) in voedingsmiddelen verboden. Safrol was al verboden als aromastof. Estragol, methyleugenol en safrol mogen dus alleen nog in de vorm van kruiden voorkomen in levensmiddelen. Veilige hoeveelheden zijn voor estragol, methyleugenol en safrol niet aan te geven. Het is wel zo dat bij lage hoeveelheden het grootste deel op veilige wijze wordt afgebroken, terwijl bij hogere hoeveelheden de onveilige afbraakmethode de overhand krijgt. Normaal keukenkruidengebruik van de genoemde kruiden en matig gebruik van producten als pesto en anijsalcoholica kan naar alle waarschijnlijkheid geen kwaad. Alleen dragon levert al in gebruikelijke hoeveelheden vrij veel estragol en methyleugenol. Liefhebbers van pesto en anijsdrankjes en mensen die venkelen anijsthee gebruiken om bepaalde klachten te verlichten, kunnen relatief veel estragol en methyleugenol binnenkrijgen. Vanwege het safrolgehalte èn de acute schadelijkheid is het belangrijk af te zien van het gebruik van sassafras en dong quai als kruidenmiddel en in de vorm van etherische olie. Richtlijnen: gebruik producten als pesto, anijsdrankjes, dragon, venkelthee en kaneelthee met mate wissel verschillende soorten pesto af: er zijn ook soorten waarin niet zoveel basilicum zit wissel vis in gekruide saus of olie af met verse vis of vis in olie of water drink niet te vaak venkel- en anijsthee, ook niet als middel bij bijvoorbeeld darmkrampen of ter bevordering van de productie van moedermelk (venkelthee heeft hierop overigens ook geen effect). Geef baby’s helemaal geen venkelthee. gebruik geen kruidenpreparaten of etherische olie met sassafras of dong quai. gebruik geen anijsolie en venkelolie. Overigens zijn er geen aanwijzingen dat bovengenoemde stoffen schadelijk zijn voor het ongeboren kind. Het is dan ook helemaal niet nodig om je zorgen te maken mocht je in de zwangerschap deze kruiden gebruikt hebben.

-

Nota Omdat ze kankerverwekkend zijn mag de levensmiddelenindustrie ze niet meer gebruiken als geur- en smaakstof. Maar verbindingen als safrol, estragol en methyleugenol zitten ook in kruiden. Daar kunnen ze geen kwaad, ontdekte een Wageningse promovenda. Andere componenten blokkeren de kankerverwekkende eigenschappen van de smaakmakers. De verbindingen die ir. Suzanne Jeurissen onderzocht heten alkenylbenzenen. ‘De drie alkenylbenzenen die ik onderzocht vind je bijvoorbeeld in basilicum, anijs en nootmuskaat’, zegt de aio. ‘Het zijn niet zulke complexe verbindingen. Je kunt ze dus ook synthetiseren. Die synthetische versies vond je tot voor kort in voedingsmiddelen.’ Methyleugenol zat wel eens in kauwgum, safrol in cola’s. Nu is dat niet meer zo. Brussel heeft het gebruik van safrol, estragol en methyleugenol in voeding zo goed als verboden omdat de stoffen kankerverwekkend zijn, zegt Jeurissen. ‘Ze maken zich vast aan het DNA en kunnen zo het erfelijk materiaal beschadigen.’ Jeurissen onderzocht voor drie potentieel riskante smaakmakers hoe dat proces precies verloopt. De componenten zelf doen niets, maar enzymen in de lever veranderen de verbindingen in stoffen die wel degelijk gevaarlijk kunnen zijn. Eén van die enzymen is P450-1A2. De aanmaak van dat enzym gaat omhoog als mensen roken en gebarbecued vlees eten of kool eten. De EU werkt aan wetgeving die de toevoeging van alkenylbenzenen aan voeding verbiedt. Het gebruik van kruiden als nootmuskaat en basilicum blijft echter gewoon toegestaan. ‘Het is ook helemaal niet nodig om een kruid als basilicum te verbieden’, zegt Jeurissen. ‘Uit mijn promotieonderzoek blijkt dat er in

54 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

basilicum ook bestanddelen zitten die voorkomen dat de alkenylbenzenen veranderen in kankerverwekkende verbindingen. Ze remmen de enzymen die de smaakstoffen omzetten.’ Jeurissen sluit niet uit dat ook andere voedingsmiddelen dan tuinkruiden de remmende componenten bevatten. ‘Ik heb alleen onderzoek gedaan in reageerbuizen’, besluit Jeurissen. ‘We weten daarom nog niet of alle stoffen in basilicum daadwerkelijk de lever bereiken, waar de kankerverwekkende metabolieten van alkenylbenzenen ontstaan. Stel dat de alkenylbenzenen wel in de lever komen, maar de remmende componenten in basilicum niet. Dan heb je alsnog een probleem. Om meer zekerheid te hebben over de risico’s van deze stoffen zouden we eigenlijk ook de effecten in proefdieren moeten bestuderen.’

Ethanol

(ook ethylalcohol) is de bekendste alcohol uit de scheikunde; het is namelijk de alcohol die in alcoholische dranken zit. In het dagelijkse spraakgebruik heet ethanol simpelweg alcohol. Alcohol was al bekend bij de inwoners van Sumerië, zo'n 5000 jaar voor Christus. In alle tijden is er alcohol gedronken. Ethanol vormt met water bij een verhouding van 96% ethanol en 4% water een mengsel dat een lager kookpunt heeft dan zuiver water of zuivere alcohol en waarvan ook de damp deze samenstelling heeft, zodat het mengsel niet meer door verdere destillatie te scheiden is. Dit heet een azeotroop mengsel. Zuivere alcohol zoals die in de handel wordt verkocht, is daarom 96% zuiver, of op een andere manier verkregen. Nagenoeg 100% zuivere, watervrije ethanol ('absolute alcohol') wordt verkregen door destillatie onder toevoeging van benzeen. Water en benzeen vormen samen namelijk ook een azeotroop die kan worden afgedestilleerd waarbij de alcohol overblijft. Het alcoholproduct bevat dan echter nog sporen benzeen en is daardoor gevaarlijk bij consumptie. De laatste resten water kunnen indien nodig ook worden verwijderd door destillatie met geconcentreerde glycerine, of door ongebluste kalk of watervrij kopersulfaat toe te voegen en het resterende mengsel af te destilleren. 'spiritus' is een onzuivere vorm van 85% ethanol waaraan een giftige stof en een kleurstof zijn toegevoegd, respectievelijk om het ondrinkbaar te maken en daar voor te waarschuwen, zodat er geen accijns over hoeft te worden betaald. Veel soorten gist kunnen suikers anaeroob omzetten in ethanol en kooldioxide. Deze gisting wordt gebruikt bij het maken van alcoholische dranken als bier en wijn. Bij ca. 15% ethanol, afhankelijk van het gebruikte type gist, gaan de gisten zelf dood, ze sterven dus eigenlijk in hun eigen afval; sterkere alcoholische dranken kunnen alleen op kunstmatige wijze worden gemaakt. Hiervoor moet men het product destilleren. Een andere manier om op kunstmatige wijze hoge concentraties alcohol te verwezenlijken is door de additie van etheen aan water.

Eugenol, de pijnstillende stof in Kruidnagel
Eugenol is een geur- en smaakstof die vooral voorkomt in kruidnagelen (ook in kaneel en nootmuskaat) Kruidnagelen bevatten rond de 15% aan eugenol. De stof is dan ook verantwoordelijk voor de typische geur van kruidnagelen. Eugenol wordt ook aan cosmetica, oa tandpasta, toegevoegd als aromacomponent. Eugenol is niet of nauwelijks oplosbaar in water, wel in alcohol. Eugenol is verdovend op het zenuwstelsel. Daarom werden vroeger kruidnagelen wel gebruikt bij de bestrijding van kiespijn. Een kruidnagel op de zere kies vermindert de pijn. Eugenol is een fenol en dus ook ontsmettend, antibacterieel. Eugenol is nauwelijks giftig, een toxische dosis ligt in de orde van grammen eugenol per kg lichaamsgewicht, voor een gezonde volwassene komt dat neer op het in een keer eten van een 100 gram kruidnagelen.

55 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Over Kruidnagel Les clous de girofle sont en réalité les boutons floraux séchés d'un arbre tropical; ceux-ci en forme de clous sont à l'origine du nom latin Clavus. Le terme clou de girofle est apparu en 1225. Son odeur rappelle l'œillet (d'où son nom en italien : Chiodo di garofano ie Clou d'œillet). On le retrouve dans le cinq parfums chinois, dans le pot au feu, etc. En Indonésie et en Asie du sud-est, il entre à hauteur de 40% dans les cigarettes kretek, c'est la plus grosse consommation au monde. EUGENOL: Highs for eugenol in Dukes database include cloves (to 18%), allspice (to 3.6%), bayrum leaf (to 1.9%), galangal (to 1.2%), clove leaf (to 0.9%), carrot seed (to 0.7%), shrubby basil (to 0.5%), cinnamon (to 0.35%), bayleaf (to 0.11%) and marjoram (to 0.11%) on a dry weight basis.

F Fenolen en fenolcarbonzuren
In de fytochemie blijven de fenolzuren beperkt tot gehydrolyseerde derivaten van benzoëzuur en kaneelzuur. Met uitzondering van hydrochinon komen enkelvoudige fenolen in de natuur slechts zelden voor. De van benzoëzuur afgeleide fenolzuren zijn heel courant, zowel in ongebonden vorm als in de vorm van een ester (verbinding van een alcohol en een zuur, zonder water) of een glucoside (glucosesamenstelling bestaande uit een of meerdere suikers en een niet-glucoside en die door hydrolyse kan worden ontbonden). Galluszuur bijvoorbeeld vormt een bestanddeel van hydrolyseerbare tannines. De van kaneelzuur afgeleide fenolzuren worden vaak veresterd. Tot die groep behoren salicylzuur, cafeïnezuur, p-cumarinezuur en synapinezuur, die het meeste voorkomen. Men weet nog maar weinig over de uitwerking van fenolen, maar toch heeft ervaring aangetoond dat zij een gunstig effect hebben bij aandoeningen van de urinewegen en dat ze een ontstekingsremmende en anti-allergische werking hebben. De resultaten van de momenteel lopende onderzoeken naar hun antibacteriële en schimmeldodende eigenschappen zijn veelbelovend. Een bekende plant bevat enkelvoudige fenolen: Beredruif (Arctostaphyllos uva-ursi) bevat hydrochinon en wordt gebruikt tegen ontstekingen van de urinewegen. Ook de onderstaande planten bevatten fenolzuren. Artisjok en rozemarijn hebben een galdrijvende werking (dankzij de derivaten van cafeïnezuur). Wilg en moerasspirea (met derivaten van salicylzuur) zijn doeltreffend tegen koorts en griep en als pijnstiller (bij hoofd- en tandpijn en bij gewrichtspijnen). Guldenroede - ook "heidens wormkruid" of "heidens wondkruid" genoemd is een urinedrijvend en ontstekingswerend middel. (Orthosiphon stamineus) bevat cafeïnezuur en is bekend om zijn urinedrijvende werking. Men vindt de fenolen ook in etherische oliën en ze hebben doorgaans (onder andere) een ontsmettende, schimmel- en parasietendodende werking: Thymol en carcacrol. Beide stoffen treft men in tijm aan. Eugenol, dat men in de kruidnagelboom aantreft. Bij etherische oliën is voorzichtigheid geboden. In lage dosissen werken ze opwekkend, maar in grotere dosissen worden ze prikkelend. Fenolen moeten voorzichtig en slechts gedurende beperkte tijd worden gebruikt, want ze irriteren de slijmvliezen en in herhaalde sterke doses zijn giftig voor de lever. Ze irriteren en branden de huid, daarom moet men ze altijd verdund in plantaardige oliën gebruiken. 56 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Flavonoïden
Flavonoïden vormen een grote familie van plantaardige stoffen. Ze bepalen in groenten en fruit de grote variatie in kleuren, van geel tot rood en donkerpaars. Flavonen (Latijnse flavus = geel) hebben hun naam te danken aan plantenstoffen die gebruikt werden voor het geel verven van wol en katoen. Ze worden ook aangeduid als bioflavonoïden en vroeger als vitamine P. Tot nu toe zijn er ruim 4000 soorten flavonoïden beschreven. Aan de hand van hun chemische structuur kunnen ze worden onderscheiden in: Flavonen, Flavonolen, Catechinen, Isoflavonen, Flavononen en Anthocyanen. Verwante bioactieve stoffen zijn onder meer carotenen*, glucosinolaten*, organosulfiden en terpenen*. De consumptie van flavonoïden via de westerse voeding is vergeleken met Aziatische landen aan de lage kant, mede doordat ten gevolge van koken en bewerken het gehalte aan flavonoïden met 50 tot 90 procent daalt. Vandaar het advies tot het eten van meer (verse) groenten en fruit. Er bestaat echter geen norm voor de minimale hoeveelheid flavonoïden die onze voeding zou moeten bevatten. In welke voedingsmiddelen komen flavonoïden en bioactieve stoffen voor? Lavonen: kruiden Isoflavonen: soja, peulvruchten Flavonolen: uien, thee, appelen, rode wijn, broccoli, boerenkool Catechinen: thee, rode wijn en fruit Anthocyanen: bessen(sap), rode wijn, blauwe druiven Carotenen: geelgroene groenten, wortelen, tomaten, sinaasappelen (voor Bètacaroteen klik hier) Glucosinolaten: spruitjes, koolsoorten, broccoli Organosulfiden: knoflook Wat is de werking van dit soort bioactieve stoffen? Daar wordt de laatste jaren veel onderzoek naar gedaan, maar lang niet alles is bekend. Van een aantal flavonoïden is bekend dat ze, evenals de vitaminen A, C en E, een anti-oxidatieve werking hebben: ze neutraliseren het schadelijk effect van agressieve zuurstofmoleculen (vrije zuurstofradicalen of oxidanten) op de cellen. De in veel onderzoeken vastgestelde beschermende werking van groenten en fruit tegen kanker en hart- en vaatziekten heeft mogelijk te maken met onder meer deze activiteit van flavonoïden en sommige andere bioactieve stoffen, zoals de carotenen. Verder kunnen ze inwerken op enzym- en hormoonsystemen en het afweersysteem. Ze kunnen enzymprocessen in gunstige zin beïnvloeden die een rol spelen bij de celdeling (kanker), de bloedstolling (vaatproblemen), het cholesterolgehalte (hart- en vaatziekten) en de lichaamsafweer (kanker). Deze effecten zijn bij proefdieren aangetoond. Isoflavonen worden ook wel aangeduid als plantenhormonen of fyto-oestrogenen. Ze lijken wat betreft hun chemische structuur op de menselijke hormonen. De belangrijkste hoofdgroepen van fyto-oestrogenen zijn de isoflavonen, de lignanen en de coumestanen. De westerse bevolking krijgt via de voeding weinig fytooestrogenen binnen, minder dan 1 milligram per dag. In Aziatische landen, waar veel soja wordt gegeten, ligt de inname op 50 tot 100 milligram per dag. Er zijn wetenschappelijke aanwijzingen dat fyto-oestrogenen een gunstige invloed hebben op het voorkómen van borst-, darm- en prostaatkanker, hart- en vaatziekten en botontkalking. Fyto-oestrogenen binden zich aan cellen die zijn voorzien van 'aanlegsteigers' die passen bij hun chemische structuur (oestrogeenreceptoren). Kun je voedingssupplementen met isoflavonen zonder gevaar slikken? De gangbare doseringen van de meeste producten die nu op de markt zijn, wijken niet af van wat de gemiddelde Aziaat via zijn dagelijkse portie soja binnenkrijgt (50 tot 100 milligram). Daarvan zijn geen negatieve effecten bekend. Integendeel, in de Aziatische landen komt veel minder borst-, darm- en prostaatkanker voor dan in de westerse wereld. 57 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Wetenschappers vermoeden dat er een verband bestaat met het sojagebruik. In het algemeen verdient het aanbeveling (tenzij een arts anders voorschrijft) bij gebruik van voedingssupplementen met isoflavonen geen dosering te gebruiken die uitkomt boven de 100 milligram. Uit onderzoek is namelijk niet bekend wat dit voor gevolgen kan hebben.

Formononetin

Zie ook fyto-oestrogenen Formononetin is een isoflavone met oestrogene werking In Cimicifuga racemosa / Zilverkaars Trifolium pratense / Rode klaver

Fructo-Oligo-Saccharides (FOS)
Natural Sources: Burdock root, Jerusalem artichokes, chicory root, dandelion root, salsify root, onions, bananas, asparagus, leeks, garlic, globe artichoke, wheat and other herbs. Forms: Powdered FOS extracts from chicory root; burdock root teas; chicory root teas and alternative coffees; other herb teas rich in FOS. Therapeutic Uses: Antibacterial (against gut pathogens) Antibiotic Beneficial Intestinal Microflora Bone and Joint Health Cancer Cellular Regeneration Chrone's Disease Cold Prevention Colds and Flu Colon Health Constipation Cleansing Demulcent Detoxifying Diabetes Digestive Disorders High Cholesterol High Triglycerides Hypertension Irritable Bowel Syndrome Joint Stiffness Kidney Health Maintenance Liver Health Maintenance Mineral Deficiencies Mucous Membrane Protection Gastrointestinal Disorders Laxative Skin Problems Soothing Sports Nutrition Sugar Control Urinary Tract Health Weight Loss Weight Management 58 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

- Yeast Infections Overview: Fructo-Oligo-Saccharides (FOS), otherwise referred to as fructans, oligosaccharides, oligofructose and inulin, are complex carbohydrates found in several common foods and myriad medicinal herbs. Fructans taste sweet (1/4 the sweetness of sugar) however unlike sugar and starch, they add no calories to food because they are not digested by stomach enzymes or acids. Fructans actually increase mineral absorption within the digestive system, help the body to maintain a constant blood sugar level and support beneficial intestinal microflora (BIM). Beneficial microflora boost the human immune system, produce several B vitamins, ward off different types of cancers, provide the body with various essential prostaglandins for balancing hormones and prevent pathogenic organisms from gaining a foothold in the body. Fructans are fermented by beneficial intestinal microflora in the bowel and act as a Pre-Biotic. Fructans, as a source of soluble fibre, support proper bowel habit in the following ways: 1) FOS helps the body to maintain a constant blood sugar level; 2) supports beneficial intestinal microflora; 3) reduces intraluminal pH which helps to eliminate pathogenic bacteria and yeast; 4) reduces bowel transit time; 5) reduces starch absorption (thereby aiding in weight loss); 6) increases the production of short chain fatty acids that positively influence hormone balance; and 7) reduces cholesterol and triglycerides. Traditional diets contained many more foods with FOS compared with average diets today. Few people realize that the starch in carrots and potatoes is quickly converted within the body and creates a sharper spike in blood sugar and insulin than eating a chocolate bar. High blood sugar and insulin levels are aging bombshells that cause some of the terrible circulatory and eyesight problems common to diabetics. Poor eating habits and the use of antibiotics can wreak havoc on the digestive system by wiping out friendly symbiotic bacteria that inhabit our intestines. Additional Health Benefits of Fructans: Fructans such as inulin, are beneficial for weight management programs as they have the following physiological effects: fructans suppress appetite, reduce low blood sugar levels that cause hunger, inhibit fat production, stimulate glycolysis, positively regulate key enzymes that convert calories to fat, reduce lipids resulting in a healthier body and circulatory system, improve HDL/LDL ratios and help to maintain high energy levels while controlling caloric intake. Fructans also increase calcium and mineral absorption and thereby reduce bone loss and improve bone density. Fructans also promote the reabsorption and re-use of female hormones, like estrogen, and have been shown to reduce tumor incidence, including from breast cancer. Fructans have also been shown to be particularly beneficial for: kidney health (through reducing blood nitrogen); joint care and arthritis; colonic health; sports nutrition; constipation; diarrhea; irritable bowel syndrome; reducing liver damage; immune stimulation; adult onset diabetes (type II) management; and prevention of vaginitis and other yeast infections. Excellent Source of Soluble Fibre: FOS is also an excellent source of dietary soluble fiber. In 1998, the Food and Drug Administration (FDA) authorized the use of a health claim in the labeling of foods and dietary supplements containing soluble fibre. The health claim states that, "diets low in saturated fat and cholesterol that include 7 grams of soluble fiber per day may reduce the risk of heart disease by lowering cholesterol". Clinical studies have also shown significant benefits for soluble fibre in reducing high vascular tension in people having diets low in protein, fiber, or both. Soluble fibre and mucopolysaccharides also help the body to get rid of pathogenic gut bacteria and support beneficial intestinal microflora that are important for overall good health. Chemistry: Fructo-oligo-saccharides, including inulin, are widespread carbohydrates belonging to a group of compounds known as fructans. Fructo-oligo-saccharides like inulin can range in complexity from 2 to 60 fructose-units all linked 59 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

together. Fructans are produced naturally in over 36,000 plant species worldwide, including 1,200 grasses, and after starch, are the most plentiful carbohydrates occurring in nature. It has been estimated that as much as one third of the total vegetation on earth consists of plants that contain fructans. Suggested Amount: Drink one to several cups of FOS-rich tea per day such as from burdock root or take 1-2 tablespoons daily of pure FOS extracted from chicory roots. Drug Interactions: Soluble fibre may reduce the effectiveness of other medications and should be taken at a separate time of day from these. For persons taking medications, consult with your physician prior including sources of soluble fibre in your diet for guidance on when and when not to take the soluble fibre supplements. Contraindications: Soluble fibre may reduce the effectiveness of other medications and should not be taken at the same time as these. For persons taking medications, consult with your physician prior to including major sources of soluble fibre in your diet to receive guidance on when and when not to take the soluble fibre supplements. Side Effects: FOS products and foods and herbs with fructans may initially cause digestive upset for sensitive persons, including bloating and gas. This problem is said to be transitory, as your body gets used to the complex carbohydrates, and should not persist for more than approximately two weeks. References: Bliss DZ, Jung HJ, Savik K, Lowry A, LeMoine M, Jensen L, Werner C, Schaffer K. 2001. Supplementation with dietary fiber improves fecal incontinence. Nurs Res 2001 Jul-Aug; 50(4): 203-13. Burke V, Hodgson JM, Beilin LJ, Giangiulioi N, Rogers P, Puddey IB. 2001. Dietary protein and soluble fiber reduce ambulatory blood pressure in treated hypertensives. Hypertension 2001 Oct; 38(4): 821-6. Kajiwara S, Gandhi H, Ustunol Z. 2002. Effect of honey on the growth of and acid production by human intestinal Bifidobacterium spp.: an in vitro comparison with commercial oligosaccharides and inulin. J Food Prot 2002 Jan; 65(1): 214-8. Lopez HW, Coudray C, Levrat-Verny M, Feillet-Coudray C, Demigne C, Remesy C. 2000. Fructooligosaccharides enhance mineral apparent absorption and counteract the deleterious effects of phytic acid on mineral homeostasis in rats. J Nutr Biochem. 2000 Oct; 11(10): 500-508. Taper HS, Delzenne N, Tshilombo A, Roberfroid M. 1995. Protective effect of dietary fructo-oligosaccharide in young rats against exocrine pancreas atrophy induced by high fructose and partial copper deficiency. Food Chem Toxicol 1995 Aug; 33(8): 631-9. Additional Information: Importance of Stable Blood Sugar: One of the greatest addictions that people in our society currently have today is said by specialists to be sugar and simple carbohydrates! Sucrose, glucose and starch cause large fluctuations in blood sugar and insulin. One of the best ways to rapidly improve health is by staying away from foods that cause these fluctuations (i.e. refined white sugar and flour products). For example, white bread may cause a spike of blood sugar within twenty minutes of eating it, while whole wheat bread may take 40 minutes and whole grain bread may take 2 hours. With whole grain bread, the food stays with you much longer, taking 4 hours to digest completely which produces a nice, gradual change in blood sugar and insulin. Powdered inulin from chicory roots, burdock root, short chain FOS 60 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

products and stevia leaves as alternative natural sweeteners can now be purchased in health food stores and can help to avoid these blood sugar fluctuations. Eating a more traditional diet based on the roots listed above is another great way to help the body. Drinking burdock root tea every day has been found to have a prolonged effect for keeping blood sugar balanced - even when glucose is taken in afterwards, so a little goes a long way. FOS also supports beneficial intestinal microflora that are absolutely essential for proper digestion and over-all health. Lopez HW, Coudray C, Levrat-Verny M, Feillet-Coudray C, Demigne C, Remesy C. 2000. Fructooligosaccharides enhance mineral apparent absorption and counteract the deleterious effects of phytic acid on mineral homeostasis in rats. J Nutr Biochem. 2000 Oct; 11(10): 500-508. Unite de Laboratoire pour l'Innovation dans les Cereales, Riom, France Phytic acid (PA) and fructooligosaccharides (FOS) such as inulin are two food components that are able to modify mineral absorption negatively or positively. The influence of PA and FOS on the cecal and apparent mineral absorption as well as on the mineral status (plasma, hepatic, and bone) were investigated in four groups of rats fed one of the experimental diets: a fiber-free (FF) diet, a FF diet containing 7 g/kg PA (FF + PA), a diet containing 100 g/kg inulin (FOS), or a FOS diet containing 7 g/kg PA (FOS + PA). The cecal enlargement together with the acidification of cecal pH in rats adapted to FOS diets led to an improved Ca and Mg cecal absorption. Mineral apparent absorption was significantly enhanced by FOS ingestion (Ca, +20%; Mg, +50%; Fe, +23%; Cu, +45%), whereas PA decreased this factor only for trace elements (Fe, -48%; Zn, -62%; Cu, -31%). These inhibitory effects of a FF + PA diet have repercussions on blood (Mg, -15%; Fe, -12%; transferrin saturation -31%), liver (Mg, -18%; Fe, -42%; Zn, -25%), and bone (Zn, -25%) variables. However, the introduction of FOS into a PA diet counteracted these observed deleterious effects by stimulating bacterial hydrolysis of PA (+60% in rats adapted to FOS + PA compared to those fed the FF + PA diet) and by improving cecal absorption of minerals. Taper HS, Delzenne N, Tshilombo A, Roberfroid M. 1995. Protective effect of dietary fructo-oligosaccharide in young rats against exocrine pancreas atrophy induced by high fructose and partial copper deficiency. Food Chem Toxicol 1995 Aug; 33(8): 631-9. Department des Sciences Pharmaceutiques, Universite Catholique de Louvain, Brussels, Belgium. The objective of this investigation was to protect rats against exocrine pancreatic atrophy by adding 22% fructo-oligosaccharide (FOS), a natural fructan obtained from inulin, to the 50% copper-deficient diets containing qualitatively and quantitatively different carbohydrates. Young male Wistar rats were maintained on these diets for 10 wk, being weighed weekly then killed and autopsied. Major organs were weighed and histologically examined. Copper content in the diets was measured by flame atomic absorption spectroscopy. Incomplete (50%) copper deficiency avoided precocious mortality due to cardiovascular lesions and enabled another pathological condition to develop, consisting of the induction of exocrine pancreas atrophy. Introduction of gradually increasing percentages of fructose in diets at the level of 22, 42 and 62% induced a gradual increase in the copper-deficiency-mediated pathology in rats, expressed by an increase in exocrine pancreatic atrophy. 22% FOS introduced to the diet prevented the pathology induced by both fructose and partial copper deficiency better than starch added to diet at the level of 20 or 40%. Kajiwara S, Gandhi H, Ustunol Z. 2002. Effect of honey on the growth of and acid production by human intestinal Bifidobacterium spp.: an in vitro comparison with commercial oligosaccharides and inulin. J Food Prot 2002 Jan; 65(1): 214-8. Department of Food Science and Human Nutrition, Michigan State University, East Lansing 48824-1224, USA. Five human intestinal Bifidobacterium spp., B. longum, B. adolescentis, B. breve, B. bifidum, and B. infantis, were cultured in reinforced clostridial medium (control) and in reinforced clostridial medium supplemented with 5% 61 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

(wt/vol) honey, fructooligosaccharide (FOS), galactooligosaccharide (GOS), and inulin. Inoculated samples were incubated anaerobically at 37degrees C for 48 h. Samples were collected at 12-h intervals and examined for specific growth rate. Levels of fermentation end products (lactic and acetic acids) were measured by high-pressure liquid chromatography. Honey enhanced the growth of the five cultures much like FOS, GOS, and inulin did. Honey, FOS, GOS, and inulin were especially effective (P < 0.05) in sustaining the growth of these cultures after 24 h of incubation as compared with the control treatment. Overall, the effects of honey on lactic and acetic acid production by intestinal Bifidobacterium spp. were similar to those of FOS, GOS, and inulin. Eur J Clin Nutr 1999 Jan;53(1):1-7 Effect of nondigestible oligosaccharides on large-bowel functions, blood lipid concentrations and glucose absorption in young healthy male subjects. van Dokkum W, Wezendonk B, Srikumar TS, van den Heuvel EG. TNO Nutrition and Food Research Institute, Zeist, The Netherlands. OBJECTIVE: To study the effect of the intake of 15 g nondigestible oligosaccharides per day on various parameters of large-bowel function, as well as on blood lipid concentrations and glucose absorption in man. DESIGN: Latin square, randomized, double-blind, diet-controlled. SETTING: Metabolic research unit. SUBJECTS: Twelve apparently healthy men (mean age 23 years), recruited from the Institute's pool of volunteers, no drop-outs. INTERVENTIONS: Four treatment periods of 3 weeks: inulin, fructo-oligosaccharides (FOS), galactooligosaccharides (GOS) and control; analyses of stool weight, intestinal transit, faecal pH, short-chain fatty acids, bile acids, faecal enzymes, blood lipids and glucose absorption. Results: As compared to the control treatment: higher concentration of faecal acetate (inulin and GOS, P < 0.05) and valerate (inulin, P < 0.05), significantly lower concentration of faecal deoxycholic acid (inulin and FOS, P < 0.05 and P< 0.02, respectively) and beta-glucuronidase activity (inulin and GOS, P < 0.05 and P < 0.02 respectively). Other changes of faecal parameters and those of blood lipids and glucose absorption were statistically not significant. CONCLUSIONS: Results indicate that nondigestible oligosaccharides are (partly) fermented in the human colon, but in healthy young men the effects are limited. Also the consumption of 15 g nondigestible oligosaccharides does not seem to alter blood lipid concentrations and glucose absorption in our young healthy adults. Eur J Clin Nutr 1996 Apr;50(4):269-73 Effects of Bifidobacterium sp fermented milk ingested with or without inulin on colonic bifidobacteria and enzymatic activities in healthy humans. Bouhnik Y, Flourie B, Andrieux C, Bisetti N, Briet F, Rambaud JC. INSERM U290, Fontions intestinales, metabolisme et nutrition, Hopital SaintLazare, Paris, France. OBJECTIVE: To assess in healthy humans the effects of prolonged ingestion of Bifidobacterium sp fermented milk (BFM) with or without inulin on fecal bifidobacteria and some bacterial enzymatic activities. DESIGN: Twelve volunteers randomly divided into two groups were studied for three consecutive periods. During the ingestion period, they received BFM in association with ether 18g/d inulin or placebo in three oral doses for 12 days. Stools were regularly collected for bacteriological analysis. SETTING: Clinical Nutrition Unit, Hopital Saint-Lazare, Paris. RESULTS: The administration of BFM with placebo led to an increase in total bifidobacteria (indigenous and exogenous) (P < 0.01) and exogenous bifidobacteria (P < 0.01) and a decrease in betaglucuronidase activity (P < 0.01). Simultaneous administration of BFM and inulin led to an increase in total bifidobacteria (P < 0.01) and exogenous bifidobacteria (P < 0.01), but had no effect on beta-glucuronidase activity. No differences were found for fecal concentrations reached by exogenous and indigenous bifidobacteria between the two groups. Administrated alone or with inulin, BFM did not change fecal total anaerobe counts, pH, nitrate reductase, nitroreductase and azoreductase activities. CONCLUSIONS: Administration of BFM

62 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

substantially increases the proportion of bifidobacteria in the colonic flora, but the concurrent administration of inulin does not enhance this effect. Prebiotica / Fructanen, inuline Vandaag de dag wordt algemeen aanvaard dat de darmen een voorname, zoniet een centrale rol spelen in de verdediging van het lichaam tegen vreemde indringers. Dr. Christine Cherbut (Nestlé Research Centre) herinnerde aan de nauwe band die er bestaat tussen de darmen en andere organen zoals de hersenen en het immuunsysteem. Het voedsel komt noodgedwongen in het maagdarmstelsel terecht en het lijkt triviaal dat bij deze passage het voedsel een orgaan tot de ‘adelstand kan verheffen', wat onder meer met prebiotica gebeurt. Een concept in evolutie Uit de formulering van het prebiotisch concept in 1995 door de professoren Marcel Roberfroid (UCL) en Glen Gibson (University of Reading) blijkt de ‘adelstand' van het darmstelsel bevestigd te worden. Zowat tien jaar later, aldus nog Marcel Roberfroid, is het concept geëvolueerd. Om het statuut van prebioticum te verkrijgen moet een bestanddeel aan strenge voorschriften voldoen. Het volstaat niet enkel meer de samenstelling en de activiteit van de darmflora positief te beïnvloeden (het ‘bifidogeen' effect), het moet ook op een substantiële wijze gebeuren. De “prebiotische index” moet minstens 4.10 8 UFC (Kolonie Vormende Eenheden) van bifidobacteriën en andere lactobacillen per gram prebiotica bedragen. Deze index maakt het verschil tussen de groei van de “goede” bacteriën in vergelijking met de “slechte” bacteriën. Hoe hoger deze index, hoe vlugger de prebiotische kandidaat in aanmerking komt om als prebioticum erkend te worden. Slechts drie samenstellingen beantwoorden momenteel aan deze criteria: het inuline, gewonnen uit de cichorei en zijn drie synthetische afleidingen: oligofructose, alsook de galacto-oligosacchariden uit de moedermelk. Vermoedelijk zullen binnen kort ook de xylo-oligosacchariden of andere oligosacchariden uit soja aan de vooropgestelde criteria beantwoorden. Eenzame pioniers De fructanen waren de eerste bestanddelen die bij dieren als prebioticum onderzocht werden. De bestanddelen die deel uitmaken van de samenstelling van een probioticum, zijn reeds in verschillende honderden bijkomende studies, zowel in vitro als bij de mens, het onderwerp geweest van intensief onderzoek. De selectieve fermentatie van de fructanen door bifidobacteriën ligt aan de basis van de vele heilzame effecten voor de gezondheid die tot op heden geïnventariseerd zijn. De algemeen aanvaarde invloeden zijn: een verbetering van het darmtransit met een verhoogde frequentie en een groter volume van de stoelgang, alsook de verbeterde intestinale opname van mineralen zoals calcium en magnesium en vermoedelijk ook ijzer en zink. Al is het wetenschappelijk bewijs van deze laatste eigenschap duidelijk aangetoond, blijft de doeltreffendheid ervan, in termen van dagelijkse actieve dosis, afhankelijk van de soort fructanen dat wordt ingenomen. De meest actieve samenstelling blijkt een mengeling van oligofructose en inuline met lange ketens te zijn. Uit een aantal studies, uitgevoerd op knaagdieren, blijken de fructanen in belangrijke mate het vetmetabolisme te beïnvloeden, in het bijzonder door een verlaging van de triglyceridemie en dit als gevolg van een vermindering van het gehalte VLDL lipoproteïnen. Ook bij de mens wijzen een aantal studies in die richting, voornamelijk bij patiënten met een normale tot lichte hypertriglyceridemie, hoewel dit door nog meer betrouwbare en minder controversiële gegevens moet bevestigd worden. Voor het ogenblik spitst het onderzoek zich vooral toe op de anti-infectueuze eigenschappen van de fructanen, de verbetering van de gezondheid van de beenderen, alsook op hun anti-tumorale eigenschappen. Een verhaal over ketens In feite is de benaming inuline, aldus nog Marcel Roberfroid, een verzamelterm waarin alle soorten van fructanen zitten vervat en die enkel verschillen in functie van de lengte van hun keten. Het natieve inuline, aanwezig in de wortel van cichorei, maar ook in een aantal andere courant gebruikte voedingsmiddelen (zoals banaan, ui, look, artisjok, schorseneren, …) heeft een polymerisatiegraad (PG) van gemiddeld 12. Door zijn partiële enzymatische hydrolyse wordt 63 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

oligofructose gevormd, een fructaan met korte keten, (gemiddelde PG van 4). Voedingstechnologen zijn evenwel in staat een inuline met lange keten te synthetiseren (‘HP', met een gemiddelde PG van 25), alsook een tussenliggend mengeling van oligofructose en inuline met lange keten (Synergy-1 genaamd). Het verschil in lengte van de fructaanmolecule is van belang. Naargelang de lengte van de keten kan het bestanddeel zijn werking op verschillende plaatsen in het lichaam uitoefenen: in het proximale deel zijn vooral de korte ketens werkzaam (inuline en oligofructose), in het distale deel vooral de lange ketens (inuline HP). De mengeling is nagenoeg over het ganse lichaam werkzaam. Een detail dat toch niet zonder belang is, vermits de plaats van fermentatie de opname van mineralen of de anti-tumorale eigenschappen kan beïnvloeden. Weerstand tegen infecties De hypothese dat prebiotica de weerstand van het lichaam tegen gastrointestinale infecties verbeteren is niet nieuw, aldus professor Glen Gibson. Diverse mechanismen tonen aan dat de melkzuurbacteriën voortkomend uit een prebiotische fermentatie hiervoor kunnen instaan, onder meer door de verlaging van de zuurtegraad in het maagdarmkanaal, waardoor de ontwikkeling van pathogene micro-organismen geremd wordt. Diverse lactobacillen en bifidobacteriën scheiden eveneens natuurlijke antibiotica af met een breedspectrum activiteit. Andere sporen van onderzoek wijzen op een indirecte of directe immuno-modulatorische werking, een competitie voor nutriënten of nog een blokkering van de aanhechtingsplaatsen in de darmwand. Een van de extrapolaties van het prebiotisch concept is de fixatie te verhinderen van pathogene micro-organismen zoals Escherichia coli , salmonella- of campilobacterbacteriën op hun intestinale receptoren. Studies dienaangaande zijn lopende. De suppletie met prebiotica in babyvoeding blijkt een preventieve invloed te hebben op bepaalde vormen van diarree, zowel wat betreft in hevigheid als in duur van de aandoening. Maar volgens Glen Gibson is het nog te voorbarig om te besluiten dat prebiotica werkelijk over een anti-infectueus potentieel beschikken en dit omwille van het feit dat de werkingsmechanismen die aan de grondslag van deze reacties liggen nog lang niet volledig gekend zijn. De honger misleiden? Wanneer de werking van prebiotica wordt toegelicht kan men niet voorbij gaan aan het uitzonderlijk potentieel van onderzoeksresultaten die recentelijk in verband met het gebruik van prebiotica in de voeding werden gepubliceerd. Zo stelde prof. Nathalie Delzenne de resultaten van haar recent onderzoek voor, uitgevoerd door een team verbonden aan de Unité de pharmacocinétique, métabolisme, nutrition et toxicologie (UCL). Ze onderzochten de invloed van fructanen op de intestinale synthese van gluco-incretinen (peptines betrokken bij de regeling van de voedingsaanbreng en/of de functies van de pancreas, afgescheiden door de endocriene cellen aanwezig in de intestinale mucosa). Het betreft met name twee krachtige anorexigenen: het Glucagon-Like Peptide-1 (GLP1), het Peptide YY (PYY) en een anorexigene stof, aangemaakt in de maag: het ghreline. De onderzoeken uitgevoerd op ratten tonen een duidelijke en blijvende verhoging van de synthese van het GLP-1 aan wanneer deze gevoed worden met fructanen. Interessante vaststelling was ook dat de waarden van het ghreline in het bloed van de knaagdieren lager waren bij aanwezigheid van fructanen in de voeding. Deze resultaten die via moleculaire biologie werden verkregen bevestigen het verzadigingseffect van fructanen dat reeds vroeger door diverse studies werd aangetoond. Daarbij komt dat een verhoogde endogene secretie van het GLP-1 leidt tot een verbetering van de koolhydratenhomeostase bij ratten lijdend aan diabetes. Voldoende redenen dus om het werkingsmechanisme van de eetlust bij zwaarlijvigheid en diabetes bij de mens in deze context van naderbij te gaan onderzoeken. Het spoor van de probiotica Misschien is het louter toeval, maar de huidige onderzoeken in verband met de natuurlijke afweer van het lichaam volgen dezelfde sporen als hun handlangers: de probiotica. Inderdaad, zoals de probiotica, verbeteren prebiotica bij dieren de samenstelling en de dikte van de slijmvliezen die de darmwand beschermen. Zo heeft het onderzoeksteam van dr. Brigitta Kleesen (Institute of Bacteriology and Mycology, Leipzig) vastgesteld wat wanneer aan ratten een mengeling van inuline 64 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

met lange ketens en oligofructose wordt toegediend de samenstelling van de bacteriële biofilms (via een fysieke barrière van bifidobacteriën) in de darmslijmvliezen van de ratten, waarin een darmflora van menselijke oorsprong werd geënt, verbetert. Het onderzoek toont aan dat de verdikking van het slijmvlies er komt door een verhoging van het aantal goblet cellen ( slijmbekercellen). In vergelijking met de controleratten, leidde deze interventie tot een significante daling van de kolonisatie van de invasieve Salmonella thyphimurium . De bacteriële biofilms vormen een nieuwe theorie in het prebiotica verhaal, hoewel dit zeker nog verder moeten worden onderzocht. Dit is ook het geval in verband met de vermeende invloed op het GALT (Gastrointestinal Associated Lymphoid Tissue), het intestinaal immuunsysteem. Volgens W.Allan Walker (Havard Medical School), is het perfect denkbaar dat de indirecte invloed van prebiotica op de intestinale immuniteit ook met bepaalde probiotica bekomen wordt, zij het door aanhechting, door een wijziging van pro- en antiinflammatoire interleukinen of door een respons in de IgA afscheiding. Andere studies wijzen ook op de directe invloed van prebiotica op de immuniteit. In de toekomst zal het voor de pre- en probiotica belangrijk zijn hand in hand samen te werken, zoals duidelijk in het SYNCAN-project werd aangetoond. SYNCAN: een grote stap voorwaarts In 1999 werd het SYNCAN-project opgestart, acroniem voor Synbiotics and Cancer Prevention in Humans. Onderzoeksteams uit zeven landen van de Europese Unie zijn in dit project bijeengebracht en zijn betrokken bij tal van klinische studies, zowel in vivo als in vitro , waarbij het onderzoek naar colorectale kanker centraal staat. De projectleiders hebben onlangs een aantal eindconclusies neergeschreven. De belangrijkste coördinatoren van het SYNCAN-project Kevin Collins (University College Cork, Ireland) en Jan Van Loo (ORAFTI Group, Tienen), hebben in voorpremière, zonder over definitieve eindcijfers te beschikken, enkele belangrijke conclusies naar voor gebracht. Het project steunde op de toediening van een “synbioticum”, dit wil zeggen een prebioticum en één of meerdere probiotica. De mengeling bestond uit 12 g Raftilose® Synergy 1 en twee probiotische stammen: Bifidobacterium bifidum BB12 en Lactobacillus rhamnosus LGG, orde grootte 10 10 UFC. Voor het klinisch onderzoek werden 37 vrijwilligers, lijdend aan colonkanker die een curatieve resectie ondergingen, alsook 43 patiënten bij wie een poliepectomie was uitgevoerd, geselecteerd. Gedurende drie maanden namen ze ofwel een placebo ofwel een synbioticum. Het synbioticum bleek goed te werken. Uit de eerste resultaten van het onderzoek zijn er duidelijke aanwijzingen van een preventieve werking van het synbioticum op de ontwikkeling van colorectale kanker, in het bijzonder bij de patiënten na poliepectomie. Tal van mucosale en immunologische markers werden door de behandeling in positieve zin beïnvloed en tevens werd een positieve invloed op de beschadiging van het DNA vastgesteld. Gelijklopend werd bij onderzoek met dieren een significante daling van kankerincidentie vastgesteld, gecorreleerd met een verhoging van de concentratie aan korte vetzuurketens in het colon (in het bijzonder butyraat). Tenslotte wijzen resultaten van een aantal studies in vitro in dezelfde richting: een verrijking met prebiotica, in vergelijking met een placebo, verlaagt het genotoxische potentieel van diverse humane kankercellen. Kortom, de resultaten blijken allemaal in dezelfde richting te wijzen en de officiële publicatie ervan wordt kortelings verwacht. Hoewel het niet de bedoeling was, heeft het SYNCAN-project zonder twijfel een nieuwe dimensie aan het kankeronderzoek gegeven en ook een ander licht geworpen op het toekomstig huwelijk van pre- en probiotica… * Inulin and Oligofructose. Feelgood Factors for Health and Well-being. La Vilette Conference Centre, Paris. 12-13 februari 2004. " HEALTH & FOOD " nummer 65, Mei/Juni 2004

Furocumarine in Schermbloemigen
Zie ook cumarine 65 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Furocumarine (auch Furanocumarine) kommen häufig in Doldenblütlern vor wie Bärenklau (Riesen-Bärenklau, Wiesen-Bärenklau) und Angelika (Engelwurz), außerdem in Rautengewächsen wie Zitruspflanzen (darunter Bergamotte, Zitrone, Limette, Grapefruit, Bitterorange u.a.) sowie in einer Reihe weiterer Pflanzen. Furocumarine gehören zu den sekundären Pflanzenstoffen und dienen als Phytoalexine. Das Grundgerüst der Furocumarine besteht aus einem Benzolring, an den je ein Furanring und ein α,β-ungesättigter Lactonring ankondensiert sind. Bekannte Furocumarine sind Xanthotoxin, Psoralen und Bergapten. Wie alle α,β-ungesättigten Verbindungen sind Furocumarine sehr reaktiv. Unter Einwirkung von Sonnenlicht (UVA- und UVB-Strahlung) werden Furocumarine photoaktiviert. Prominentes Beispiel ist der giftige Saft des Riesen-Bärenklaus (Herkulesstaude). Die darin enthaltenen Furocumarine schädigen den menschlichen Organismus auf dreierlei Weise: * Photosensibilisierend/Phototoxisch: Gelangen Furocumarine auf die Haut und werden anschließend dem Sonnenlicht ausgesetzt, kommt es je nach Schwere zu verbrennungsähnlichen Symptomen (Hautrötung, Schwellung, Blasenbildung, Läsionen, Photopigmentierung, Narbenbildung). Siehe auch Berloque-Dermatitis, Photodermatitis. * Allergieauslösend: Photoaktivierte Furocumarine reagieren mit den Eiweißen der Haut und wirken als Haptene allergen. * Krebserregend: Furocumarine bilden kovalente Verbindungen mit den Pyrimidinbasen der DNA, vernetzen so die DNA-Doppelstränge irreversibel miteinander und wirken dadurch krebserregend. Furocumarine (Furanocumarine) vlgs Thomas Schoepke Definition/Einteilung: tricyclische Ringsysteme, bei denen ein Furanring 5,6-, 6,7- oder 7,8- mit Cumarin verknüpft ist Biogenese erfolgt aus Umbelliferon und einer Isopreneinheit nach Verknüpfung des Furanrings Einteilung in: # Psolaren-Typ (in Position 6,7- an das Cumarinsystem gebunden; linear verknüpft) # Allopsolaren-Typ (in Position 5,6- an das Cumarinsystem gebunden) # Angelicin-Typ (Isopsolaren-Typ; in Position 7,8- an das Cumarinsystem gebunden) Eigenschaften/Wirkungen: in der Regel kristalline Verbindungen, die sich in Wasser schlecht und in organischen Lösungsmitteln unterschiedlicher Polarität gut lösen (z. B. Ethanol, Aceton) gute Stabilität gegenüber Hitzeeinflüssen lipophile Vertreter oft wasserdampfflüchtig, so dass sie charakteristische Inhaltsstoffe einiger ätherischen Öle sind gute perkutane Resorption Wirkungen unterschiedlich, therapeutisch und toxikologisch bedeutungsvoll jedoch nur Psolarene mit allgemein photosensibilisierenden Eigenschaften Vorkommen: verbreitet bei Vertretern der Familie Apiaceae/Doldengewächse, wo sie bevorzugt in schizogenen Exkretgängen verschiedener Pflanzenteile akkumuliert werden; wichtige Vertreter: # Heracleum mantegazzianum SOMM. (Riesenbärenklau; bis 3,3 % in Früchten, bis 1,2 % in Wurzeln und bis 0,2 % in Blättern) und andere Arten der Gattung Heracleum # Pastinaca sativa L., Angelica archangelica L., Levisticum officinale L., Ammi majus L. # Seselin-Typ ((in Position 7,8- an das Cumarinsystem gebunden) sporadisches Vorkommen auch bei Vertretern anderer Pflanzenfamilien, z. T. dort aber in höheren Konzentrationen; bedeutungsvoll: # Bergapten in Fruchtschalen und durch Pressung gewonnen ätherischen Ölen verschiedener Citrus-Arten (insb. Bergamotten, aber auch Linetten, Pampelmusen, Apfelsinen und Zitronen) # Psolaren bei Psolarea-Arten (Fam. Fabaceae)

66 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Anwendung PUVA-Therapie (Psolarene und UV-A) Xanthotoxin [Synonyme: Methoxalen, Ammoidin, 8-Methoxypsolaren (8-MOB)] in Kombination mit Bestrahlung durch langwelliges UV-Licht bei verschiedenen Hautkrankheiten, insbesondere Vitiligo und Psoriasis

Fyto-oestrogenen
Zie flavonoïden, isoflavonen Fyto-oestrogenen zijn plantaardige stoffen waarvan de werking in het lichaam enigszins verwant is aan die van het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen. In bepaalde weefsels zijn hun eigenschappen vergelijkbaar met die van oestrogeen en in andere weefsels lijken fyto-oestrogenen juist een aan oestrogeen tegengestelde werking te hebben. De twee belangrijkste categorieën van fytooestrogenen zijn isoflavonen en lignanen. Hiervan blijken, volgens wetenschappelijk onderzoek, isoflavonen het krachtigst. Eigenschappen en werking Uit onderzoek naar een mogelijk verband tussen voedingspatronen en bepaalde chronische ziekten in Westerse en Oosterse landen bleek het heilzame effect van fyto-oestrogenen. In China, Japan en andere delen van Azië lijden minder mensen aan hart- en vaatziekten en bepaalde soorten kanker dan in Europa en NoordAmerika. Dat verschil zou deels te danken zijn aan de Oosterse keuken, waarvan plantaardig, vezelrijk voedsel het hoofdbestanddeel is. Mogelijk werken fyto-oestrogenen op dezelfde manier als hormoonvervangende therapieën ter verlichting van sommige menopauzeklachten. Het huidige onderzoek richt zich op de rol die fyto-oestrogenen (en in het bijzonder isoflavonen) eventueel spelen bij de bescherming tegen bepaalde soorten kanker die met de hormoonhuishouding te maken hebben, zoals borst- en prostaatkanker. Fytooestrogenen zouden wellicht ook beschermen tegen osteoporose (botontkalking) en hart- en vaatziekten. Behoefte Vrouwen die aan kanker lijden of daar een verhoogd risico op lopen (vooral borst- en baarmoederkanker) kunnen overwegen supplementen met fyto-oestrogenen te gebruiken. Er zijn echter ook studies waaruit blijkt dat het gebruik van isoflavonen juist het risico verhoogt. Ook lijkt het erop dat fyto-oestrogenen, door voortschrijdende ontkalking van de botten te voorkomen, de ontwikkeling van osteoporose kunnen tegengaan. Vrouwen in de menopauze kunnen door het gebruik van fyto-oestrogenen enige verlichting vinden van klachten als opvliegers en nachtelijk zweten. Tijdens de menopauze begint de hoeveelheid oestrogeen in het lichaam af te nemen. Door dit tekort aan te vullen, beschermen fyto-oestrogenen tegen hartaandoeningen en verlichten ze de ongemakken waarmee de menopauze gepaard kan gaan. Aanbevolen hoeveelheid Er is geen aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor fyto-oestrogenen vastgesteld. Lees de instructies op de verpakking aandachtig en overschrijd nooit de aanbevolen dosis, die overigens varieert per merk en type. Preparaten en natuurlijke bronnen Isoflavonen zitten voornamelijk in sojabonen, kikkererwten en andere peulvruchten (erwten en bonen). Lignanen zitten in oliezaden als lijnzaad en in volkoren graanproducten, groente en fruit. De beste bronnen van fyto-oestrogenen voor medicinaal gebruik zijn sojabonen, lijnzaad en rode klaver. Gebruik van supplementen Een supplement van fyto-oestrogenen kan nuttig zijn voor: * vrouwen in de menopauze - de voordelen van fyto-oestrogenen zijn dat ze de ontwikkeling van osteoporose, hartaandoeningen en bepaalde vormen van kanker zouden kunnen helpen voorkomen of het ziekteproces vertragen.

67 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

* mensen die kanker (met name borst- en baarmoederkanker) hebben gehad of daar een verhoogd risico op hebben. Er zijn echter ook studies waaruit blijkt dat het gebruik van isoflavonen juist het risico verhoogt. Als een farmacologische hormoontherapie gevolgd wordt, kan deze medicatie verstoord worden door het gebruik van supplementen. Overleg met de arts is dus zeker aan te raden. * mensen van wie het eten zeer weinig fyto-oestrogenen bevat. Referenties Bowman MA, Spangler JG. - 1997 - Osteoporosis in women. Prim Care.;24(1):27-36. Lock M -1991 - Contested meanings of the menopause. Lancet.;337:1270-1272. Shaw CR -1997- The perimenopausal hot flash: epidemiology, physiology, en treatment. Nurse Pract.;22:55-56. Sharp PC, Kunen JC - 1997 - Women's cardiovascular health. Prim Care.;24(1):114. Bron: VMS Medic Info

Fyto-sterolen
Plantensterolen of ‘fytosterolen’ werden voor het eerst als chemische entiteit beschreven in 1922. Het basisskelet is een steroidstructuur, verwant aan cholesterol, wat een belangrijke bouwsteen is van de celmembraan. Er bestaan meer dan 200 verschillende types fytosterolen. Zij kenmerken zich door één of twee onverzadigde koolstofbindingen. ‘Fytostanolen’ zijn gehydrogeneerde fytosterolen (zonder onverzadigde verbindingen) en planten bevatten hiervan slechts sporen (1,2). Wat weten we over de kinetiek van fytosterolen bij de mens? Fytosterolen maken deel uit van een normale gevarieerde voeding. De gastrointestinale absorptie blijft beperkt tot ongeveer 10% (2). Door hun analoge structuur verminderen fytosterolen en fytostanolen de absorptie van cholesterol in de darm. Ze verdringen cholesterol uit de micellen. Deze eigenschap opent therapeutische perspectieven voor eliminatie van cholesterol uit de ingenomen voeding en het onderbreken van de enterohepatische circulatie van galzouten (3,4). Wat doen fytosterolen in de preventie van coronaire hartziekte? Verlaging van cholesterolspiegels met ongeveer 10% werd gemeld met een dagelijkse dosis fytosterolen schommelend tussen 1 en 3 gram. Het dagelijks rantsoen via de voeding varieert van 167 tot 437 mg. Maar ook een dosis van 150 mg in een fytosterolvrij dieet zou reeds de absorptie van cholesterol reduceren. Een initiële verlaging met 10% van het LDL-cholesterol kan tot 20% oplopen onder een dieet arm aan verzadigde vetten en cholesterol. Nevenwerkingen stellen doorgaans geen probleem. Fytosterolen verlagen wel de plasmaspiegels van bètacaroteen, maar niet van vitamine A of D (4-6). Over harde eindpunten, zoals cardiovasculaire mortaliteit of cardiovasculaire accidenten, is nog geen evidentie. Op basis van het beschikbare studiemateriaal kunnen fytosterolen en fytostanolen mogelijk wel beschouwd worden als additionele maatregel om het serumcholesterol in bedwang te houden. Besluit Fytosterolen, maar vooral fytostanolen in bepaalde dieetmargarines, creëren enig perspectief voor preventie van hart- en vaatziekten door een verlaging van het totaal circulerend cholesterol. Tot nu toe beschikken we niet over gegevens wat harde eindpunten betreft. Referenties 1. Bouic PJ. The role of phytosterols and phytosterolins in immune modulation: a review of the past 10 years. Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2001;4:471-5. 2. Plat J, Mensink RP. Effects of plant sterols and stanols on lipid metabolism and cardiovascular risk. Nutr Metab Cardiovasc Dis 2001;11:31-40.

68 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

3. Wong NC. The beneficial effect of plant sterols on serum cholesterol. Can J Cardiol 2001;17:715-21. 4. Spiller, G. A. Ed. 1996. CRC Handbook of Lipids in Human Nutrition. CRC Press. Boca Raton, FL. 233 pp. stlund RE. Phytosterols in human nutrition. Annu Rev Nutr 2002;22:533-49. 5. Lichtenstein AH. Plant sterols and blood lipid levels. Curr Opin Clin Nutr Metab Care 2002; 5:147-152. 6. Katan MB, Grundy SM, Jones P, et al. Efficacy and safety of plant stanols and sterols in the management of blood cholesterol levels. Mayo Clin Proc 2003;78:965-78. 7. www.benecol.com/home2.jhtml (geraadpleegd op 18 juni 2004). 8. www.becel.nl/home/content (geraadpleegd op 18 juni 2004) PHYTOSTEROLS: Highest phytosterol foods in Dukes database based on dry weight values calculated from USDA Ag Handbook 8 et seq. are sesame at 8,100 ppm, lettuce as 6,330, sunflower seed at 5,640, black cumin at 5,100, hazelnut at 5,000, cucumber at 3,540, asparagus at 3,095, okra at 2,400 (and contains the male contraceptive gossypol), cauliflower at 2,325 ppm, buckwheat at 2,270, oregano at 2,185, beet at 1,970, spinach at 1,800, crucifer leaves at 1,700, cashew nuts at 1,700, onions at 1,455, pumpkin or squash at 1,425, radishes at 1,355, tomatoes at 1,155, celery at 1,120, basil at 1,060 at etc. One could easily use such data to construct hypocholesterolemic salads and soups to replace the hypercholesterolemic modern meat and potatoes. A high phytosterol fruit salad would include figs (1,485 ppm), strawberries (1,425), apricots (1,320) with a little hypercholesterolemic ginger (910). Since the phytosterols hang with the oils, one might seek an inexpensive sesame or sunflower oil with even more vinegar for the salad dressing. Examining Spiller's phytosterol table, one sees that sprouts are unusually rich in sterols. Fytosterolen zijn niet afkomstig uit cholesterol (in dieren aanwezig) maar uit planten (‘fyto’). Zowel plantaardige steroïden (=fytosterolen) als dierlijke (=cholesterol) kunnen in de mens omgezet worden tot cortison, testosteron (bij de man) of oestradiol (bij de vrouw), maar toediening van cholesterol is veel te gevaarlijk met het oog op aderverkalking. Daarom, zelfs als het cholesterolgehalte te laag zou zijn, is het beter fytosterolen te nemen in de vorm van de hiervoor aangegeven voedingsmiddelen. Ook kunt u de apotheek vragen om een bereiding te maken op basis van geneeskruiden, zoals Eleutherococcus, ginseng, sabal,taraxacum, soja en tarwekiemen (100 tot 200 milligram van elk van deze gedroogde gepulveriseerde kruiden is voldoende voor een dagdosis. Neem dit gedurende 4 tot 6 weken). Dit is een natuurlijke methode om zogenaamde steroïdale moleculen (zoals cortison, maar ook testosteron en oestrogenen) in opbrengst te vermeerderen. De klieren die deze hormonen produceren, zullen hun taak gemakkelijker en sneller uitvoeren wanneer u zorgt voor meer grondstoffen voor deze hormonen, met name fytosterolen. U vindt deze in voeding, met name in volle granen, zaden en pitten (bijvoorbeeld vijgen, bessen en zelfs druiven- en pompoenpitten), noten (alle soorten zijn goed), wortels (peentjes, radijsjes, pastinaak, knolselderij en dergelijke) en sojabonen.

G Genisteïne en soja

Zie flavonoïden, isoflavonen, fyto-oestrogenen De isoflavonen genisteïne en daidzeïne zijn sterk immuunverhogend. Van de andere stoffen aanwezig in een extract verhogen de zogenaamde saponinen ook de immuniteit. De fytosterolen verlagen het cholesterolgehalte. Andere isoflavonen verbeteren de botdichtheid. Het extract dient liefst non-GMO te zijn, want dan bevat het geen genetisch gemanipuleerde soja. Eén capsule dient een soja extract te bevatten met tenminste 40 mg isoflavonen.

69 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

WANNEER GEBRUIKEN Overgang: In enkele grote onderzoeken (HERS I/II en WHI) is gevonden dat soja wel de voordelen heeft, maar niet de nadelen van hormoontherapie. Uit deze onderzoeken blijkt dat vrouwen in de overgang er goed aan zouden doen om sojaproducten in hun voeding op te nemen. De overgangsklachten nemen hierdoor af. Bovendien kunnen de plantaardige (fyto-) oestrogenen gunstig zijn bij de preventie van kanker en hart- en vaatziekten. Een hierbij heel belangrijk isoflavon is genisteïne (heeft een oestrogeenwerking). Deze is volgens onderzoek werkzaam bij o.a. osteoporose, hart- en vaatziekten en menopauze klachten. Cholesterol: Soja-extract kan ook het cholesterolgehalte verlagen en vooral het ‘slechte’ LDL cholesterol. De Amerikaanse FDA, de hoogste voedingsautoriteit van de Verenigde Staten, zegt dat soja- producten bijdragen tot een vermindering van het risico op hart- en vaatziekten. Preventie kanker: Uit meerdere onderzoeken blijkt ook de beschermende rol van isoflavonen tegen een aantal andere aandoeningen zoals kanker en botontkalking. In een grote studie in Japan bleek de inname van isoflavonen geassocieerd te zijn met een verminderd risico op borstkanker. SAMENVATTING Een goed soja-extract is een uitstekend hulpmiddel voor vrouwen in en na de overgang. Het beste is het te nemen ter preventie. Maar ook tijdens de menopauze verbetert het allerlei klachten die geassocieerd worden met de overgang, maar er niet bij hoeven te horen. TOT SLOT Ook rode klaver-extract is geschikt voor alle bovenstaande klachten. Maar sommige mensen voelen zich prettiger bij een soja-extract. Dit is een kwestie van individuele voorkeur. REFERENTIES Messina MJ. Nutr Clin Care. 2002 Nov-Dec;5(6):272-82. Soy foods and soybean isoflavones and menopausal health. Suthar AC, Banavalikar MM, Biyani MK. Indian J Exp Biol. 2001 Jun;39(6):520-5. Pharmacological activities of Genistein, an isoflavone from soy (Glycine max): part II--anti-cholesterol activity, effects on osteoporosis & menopausal symptoms. Suthar AC, Banavalikar MM, Biyani MK. Indian J Exp Biol. 2001 Jun;39(6):511-9. Pharmacological activities of Genistein, an isoflavone from soy (Glycine max): part I--anti-cancer activity. Hasler CM. J Cardiovasc Nurs. 2002 Jul;16(4):50-63; quiz 75-6. The cardiovascular effects of soy products. Fitzpatrick LA. Endocrinol Metab Clin North Am. 2003 Mar;32(1):233-52, viii. Duncan AM, Phipps WR, Kurzer MS; Best Pract Res Clin Endocrinol Metab. 2003 Jun;17(2):253-7; Phyto-oestrogens. Kritz-Silverstein D, Von Muhlen D, Barrett-Connor E, Bressel MA :Menopause. 2003 May-Jun;10(3):196-202. GENISTEIN: Duke: I've been seeking reliable data for three years now, but here's the best I can do for my Independence Day rundown, on a high-low for food grade genistein sources (I'm stretching the point by including clover flowers, rarely consumed by normal non-herbalists); sub-clover 473 ppms, tarhui (Lupinus mutabilis) 111 ppms, peanut 54, groundnut (Apios americana) 48, soybean 46, crimson-clover blossum 25, red clover blossum 19, fenugreek 18, montane clover 10, fababean 6, zigzag clover 6, strawberry clover 5, mungbean 2. Note that subclover flowers have almost ten times as much as soybean, enough that cattle grazing the sub-clover often have estrogenic problems, even miscarriage. And I like my peanuts even better, now that I see they have more genistein than soybean. Any day now the following table is due for publication. SEED SAMPLE Genistein (ppms) Daidzein (ppms) 70 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Psoralea corylifolia 1528.0 539.7 (Kudzu Root 316.9 949.8) Yellow split pea 45.8 0.4 Black turtle beans 45.1 0.4 Baby lima beans 40.1 0.4 Large lima beans 34.4 0.3 Anasazi beans 29.8 6.5 Red kidney beans 29.3 2.7 Red lentils 25.0 5.2

SOYBEANS 24.1 37.6 Black eyed peas 23.3 0.3 Pinto beans 22.3 23.2 Mung beans 21.8 0.3 Azuki beans 21.2 4.6 Faba beans 19.9 5.0 Great northern beans 17.7 7.2 Anthyllis vulneraria 3.7 1.8

Geraniol,de geur van rozen
Synonyms: Lemonol, beta-Geraniol, trans-3,7-Dimethyl-2,6-octadien-1-ol Description: Geraniol is acyclic monoterpene-alcohol. Pure geraniol is a colourless oily liquid, with a sweet rose-like scent. When oxidized, geraniol becomes geranial or citral. Distribution: Bergamot, carrot, coriander, lavender, lemon, lime, nutmeg, orange, rose, blueberry and blackberry. Action of Geraniol: Geraniol is a natural antioxidant. Geraniol has been suggested to help prevent cancer. Carnesecchi S. et al demonstrated in his study "Geraniol, a component of Plant Essential Oils, Inhibits Grwoth and Polyamine Biosyntehsis in Human Colon Cancer Cells", (Pharmacology, July 2001) that geraniol caused a 50% increase of ornithine decarboxylase activity, which is enhances during cancer growth. Geraniol inhibits DNA synthesis. Burk YD concluded in his study "Inhibition of Pancreatic Cancer Growth by the dietary isoprenoids farnesol and geraniol" (Lipids, February 1997) that geraniol, farnesol and perilll alcohol suppress pancreatic tumor growth. Other animal studies have also demonstrated the anticancer effects of geraniol. Facts about Geraniol: Geraniol is mainly used in perfumery and flavouring. GERANIOL: Highs for geraniol in Dukes database include horsebalm (to 2.9%), carrot (to 0.8%), skhabar (to 0.7%), merrill flowers (to 0.44%), mahapengiri (to 0.3%), mountain mint (to 0.28%), tea (to 0.25%) and east Indian lemongrass (to 0.25%) on a dry weight basis. Geraniol als afschrikmiddel voor insecten Geraniol is an alcohol found in many plant oils, including citronella, lemongrass, and oil of rose.8 It is used as a fragrance in personal care products and detergents and also to flavor drinks, ice cream, and candies.9 In the late 1990s, research at the University of Florida identified geraniol as "the first effective alternative to products containing DEET."10 USDA researchers found that a geraniol-based repellent protected against mosquito bites between two and four hours, depending on the species of mosquito.2 Evaluations of geraniol have identified a few potential health hazards. According to EPA, geraniol causes moderate eye and skin irritation.9 Longer-term toxicology tests were waived. According to NIOSH, it is severely irritating to skin.11 # National Institute for Occupational Safety and Health. 2003. Registry of toxic effects of chemical substances: citronella oil. http://www.cdc.gov/niosh/rtecs/ge8583b0.html # Health Canada. Pest Management Regulatory Agency. 2004. Re-evaluation of citronella oil and related active compounds for use as personal insect repellents. http://www.pmra-arla.gc.ca/english/pdf/pacr/pacr2004-36-e.pdf

Glucosinolate / Mosterdolieglycosiden

71 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Senfölglucoside (Glucosinolate) sind charakteristische Inhaltsstoffe von Pflanzen aus der Überordnung Capparanae, wobei die Kreuzblütengewächse (Brassicaceae) zu den bei uns am bekanntesten Familien zählt. Diese Verbindungen zersetzen sich bei Zellverletzung durch das pflanzeneigene Enzym Myrosinase zu den für Geschmack und Geruch typischen Senfölen und Nitrilen und bieten somit der Pflanze einen Schutz vor Fraßschäden und mikrobiellem Befall. Durch Zerkleinern der Gemüse wird die verfügbare Menge an Senfölen erhöht, wogegen ein Erhitzen zu einer Einbuße führt. Besonders wertvoll in der Ernährung sind Sprossen aus Rettich-, Radieschen-, Kressesamen u.ä. Einteilung: Chemisch gesehen sind Glucosinolate das Sulfat einer Thiohydroxamsäure, wobei das Molekül durch am organischen Schwefelatom gebundene Glucose stabilisiert wird. Bei Zellverletzung kommt es unter dem Einfluss von Myrosinase in Gegenwart von Ascorbinsäure zur Abspaltung von Sulfat zur Umlagerung zum entsprechenden Isothiocyanat bzw. Thiocyanat, in schwach saurem Millieu dagegen zu einem Nitril. Besitzt der Alkylrest eine ß-Hydroxylgruppe wird unter Ringbildung ein 2-Oxazolidinthion-Derivat wie z.B. Goitrin gebildet. Flüchtige Senföle zeichnen sich durch einen stechenden Geruch, nichtflüchtige durch einen scharfen Geschmack aus, während Nitrile ein lauchartiges Aroma besitzen. Wirkungen: Von den Abbauprodukten der Glucosinolate vermutet man krebshemmende Eigenschaften, die allerdings vom Zeitpunkt des Verzehrs abhängig sind. So wird vermutlich die Entstehungsphase bösartiger Zellen gehemmt, indem bestimmte Phase-I-Enzyme, die für eine Giftung verantwortlich sind, gehemmt und Phase-IIEnzyme, die die Ausscheidung fördern, induziert werden. Dabei wirken die verschiedenen Verbindungen synergistisch, d.h. besser als die einzelnen, isolierten Substanzen. Zu der antikanzerogenen Wirkungen könnte auch eine antioxidative und immunmodulierende Wirkung der Senföle beitragen. Indolhaltige Glucosinolate scheinen wegen eines phytestrogenen Effekts die Entstehung hormonabhängiger Tumoren wie Brust- oder Prostatakrebs hemmen zu können. Weiterhin besitzen die Senföle und Thiocyanate insbesondere die aus Kresse oder Meerrettichwurzel eine wachstumshemmende Wirkung auf bestimmte Bakterien und Pilze, was insbesondere bei Harnwegsinfekten vorteilhaft sein könnte. Thiocyanate, Isothiocyanate und insbesondere Goitrine können die Bildung eines Kropfes begünstigen. Beim Menschen kommen diese Effekte aber kaum zum Tragen, da die hierfür erforderlichen Mengen mit der Nahrung kaum erreicht werden. Trotzdem sollte auf eine ausreichende Jodzufuhr geachtet werden. In konzentrierten Zubereitungen (z.B. Rettich- oder Kressesaft) wirken die Senföle stark schleimhautreizend. Diese Säfte sollten daher nur verdünnt eingenommen werden. Vorkommen: Glucosinolat Glucocapparin Glucoerucin Glucoraphanin Glucoiberin Alkylrest Beispiele MethylKaperngewächse 4-MethylthiobutylKohlarten, Ölraute 4-Methylsulfinyl-3-butylenBrokkoli, Rettich 3-Methylsulfinylpropyl- Weißkohl, Blumenkohl, Brokkoli, Schleifenblumensamen Sinigrin AllylSchwarzer Senf, Kohlarten, Rettichsamen, Meerrettichwurzel Progoitrin 2-Hydroxy-3-butenylRaps, Kohlarten Glucotropaeolin BenzylGarten- und Kapuzinerkresse Gluconasturtiin Phenethyl- Garten- und Brunnenkresse, Schwarze Senfsamen Glucosinalbin 4-HydroxybenzylWeißer Senf Glucobrassicin 3-IndolylmethylKohlarten, Senf, Rettich Literatur: Bernhard Watzl: Bernhard Watzl, Glucosinolate, Ernährungs-Umschau 48 (2001) Heft 8 Gunter Metz:

72 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Phytamine - Pflanzliche Nahrung zur Prävention PZ-Schriftenreihe Nr. 13 (2001), Govi Verlag Georg Schiller, Karl Hiller: Arzneidrogen, 4. Aufl. 1999, Spektrum Akademischer Verlag Hager ROM 2002, Springer Verlag

Glycerol, glycerine
Das wasserfreie Glycerin ist eine dicklich-sirupartige (viskose); stark wasseranziehende und süß schmeckende Flüssigkeit (vgl. Name: von griech. glykys = süß). Die Süßkraft des Stoffes ist beachtlich, sie erreicht immerhin 60% der Süße von Rohrzucker! Kühlt man wasserfreies Glycerin längere Zeit unter eine Temperatur von 0 °C ab, so erstarrt es zu farblosen, rhombischen Kristallen. Der Schmelzpunkt beträgt 17,9 °C; das Glycerin siedet bei 290 °C unter Zersetzung. Erhitzt man es in einem Porzellantiegel mit dem Bunsenbrenner, so brennt es nahezu rückstandsfrei ab. Beim Zerreiben einiger Tropfen zwischen den Fingern fühlt sich die Substanz "fettig" an. Mit Wasser ist die Flüssigkeit in jedem Verhältnis mischbar, dagegen ist sie in Diethylether und Chloroform praktisch unlöslich. In Aceton ist wasserfreies Glycerol schwer löslich. (1,2,3-Propantriol,"Ölsüß") Darstellung: Der Stoff wurde im Jahre 1873 von SCHEELE bei der Verseifung von Olivenöl und Bleioxid gefunden. Früher stammte Glycerin ausschließlich aus natürlichen Quellen (Glycerinwässer, die bei der Fetthydrolyse anfallen), während in der Folgezeit die Gewinnung durch chemische Synthese an Bedeutung gewann. Man geht dabei vom Propylen (Propen) aus, wobei zuerst bei hoher Temperatur mit Chlor umgesetzt und später unterchlorige Säure angelagert wird. Glycerine of glycerol is de eenvoudigste drievoudige alcohol en wordt in de oleochemie gemaakt door hydrolyse van plantaardig of dierlijk vet of olie. Deze biologische vetten zijn drievoudige esters van glycerine met drie vetzuurketens. Glycerine is onder andere een bijproduct van de zeepfabricage en van biodiesel productie. Glycerine is een vloeistof met een hoge viscositeit. De stof is kleurloos, reukloos en smaakt zoet. De stof is niet giftig en oplosbaar in water. De stof komt van nature in het menselijk lichaam voor. De stof wordt in medische preparaten gebruikt, om een vergladdend of verzachtend effect te bereiken. Zo wordt het toegepast in hoestdranken en zetpillen. Glycerine wordt gebruikt in cosmetica, bijvoorbeeld tandpasta, mondwaters, shampoo, handcrème en zeep. Ook als oplosmiddel in kruidenpreparaten, de glycerinemaceraten uit de gemmotherapie. Glycerine wordt in de voeding gebruikt als oplosmiddel of zoetmaker, bijvoorbeeld in snoep, gebak en margarine. Het is een toegestane stof met als Enummer 422. Glycerine vindt industriële toepassingen als weekmaker in kunststoffen en als antivries. Door een chemische reactie met een mengsel van geconcentreerd salpeterzuur en zwavelzuur (nitreerzuur) ontstaat nitroglycerine, de basis van dynamiet. Ook wordt het gebruikt als basis voor polyolen, die weer een componenent van polyurethaan zijn.

Glycoalcaloïde
Zie ook alcaloïden

73 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Een glycoalcaloïde behoort tot een groep van giftige stoffen die in planten gevonden worden, bijvoorbeeld planten die behoren tot de Nachtschadefamilie. Een voorbeeld hiervan is solanine* in aardappelen, waarvan vooral rassen voor de zetmeelproductie een hoog gehalte kunnen hebben. Bij het proeven van deze aardappelen ontstaat er in de keel een branderig gevoel. Dit solanine is een verbinding van het alkaloïde solanidine met een suikerketen en behoort derhalve ook tot de chemische groep der glycosiden. Bij tomaten komt het tomatine voor, een verbinding tussen het alkaloïde tomatidine met een vierwaardige suikergroep. Vooral in nog groene tomaten kan een hoog gehalte voorkomen. In de V.S. zijn vergiftigingen voorgekomen, omdat daar chutney gemaakt wordt waarbij veel onrijpe tomaten worden gebruikt.

Glycosiden
Glycosiden zijn een groep van chemische stoffen die van nature vrijwel alleen in planten voorkomen. Ze zijn opgebouwd uit een suiker (het glycon) en een nietsuiker (het aglycon) deel. Glycosiden hebben vaak een belangrijke fysiologische of farmacologische werking. Classificatie Chemisch gezien zijn glycosiden suikers die aan een niet-suiker zijn gebonden. De glycosiden kunnen worden geclassificeerd aan de hand van het glycon, de type verbinding of het aglycon. De meest voorkomende suiker in glycosiden is glucose (druivensuiker), maar ook galactose, rhamnose en grotere suikerketens komen voor. Naar gelang de chemische aard van het suikergedeelte spreekt men derhalve ook wel van de glucosiden, rhamnosiden etc. Ook kan onderscheid worden gemaakt naar het aantal suikereenheden van het glycoside: de mono-, di- en triglycosiden etc. * Type verbinding Afhankelijk van de groep van het niet-suiker (bijvoorbeeld hydroxyl, thiol, amine of aan C gebonden H) deel waar het glycon aan vast zit, zijn de glycosiden in 4 groepen onder te verdelen: de O-glycosiden, de S-glycosiden of thioglycosiden, de N-glycosiden of nitroglycosiden en de C-glycosiden of glycosylen. Voorbeelden zijn: 1. de alcohol- en fenolglycosiden, zoals het salicine (pijnstiller uit de wilgenbast) en glucovanilline. 2. de anthraquinonglycosiden. Deze glycosiden komen in sennapeulen, rabarber en aloë voor. De toepassing is als laxantium (laxeermiddel). 3. de flavonoïdglycosiden. Deze grote groep bevat vele glycosiden. 4. de steroidglycosiden. Het aglycon is een steroïd skelet. Belangrijke stoffen zijn het digoxine en digitoxine die in de moderne geneeskunde nog steeds worden gebruikt. Ze worden gewonnen uit de Digitalis (vingerhoedskruid), Scilla en Strophantus families. 5. de isothiocyanaatglycosiden. Zoals de naam al suggereerd bevatten deze stoffen zwavel. Sinigrine en sinalbine komen in mosterdzaad voor. 6. de blauwzuurglycosiden, zoals amygdaline. Deze glycosiden behoren tot de N-glycosiden. De stoffen komen veel voor amandelnoten en in de pitten van kersen, appels, pruimen, perziken, abrikozen. Ook in cassave zitten veel van deze glycosiden die voor gebruik uitgewassen moeten worden. Na contact met bepaalde enzymen kan het zeer giftige blauwzuurgas (HCN) vrijkomen. 7. de coumarineglycosiden. 8. bepaalde saponinen. Verspreiding * Plantenrijk De glycosiden komen verspreid in het plantenrijk voor, maar bepaalde glycosiden met kenmerkende aglyconen zijn ook vaak kenmerkend voor bepaalde plantenfamilies. 74 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

* Dierenrijk Ook in dieren komen stoffen voor die feitelijk glycosiden zijn. In het menselijk lichaam bijvoorbeeld, worden metabolieten van farmaca (in het algemeen nietsuikers) vaak gekoppeld aan het suiker glucuronzuur. Hierdoor neemt de wateroplosbaarheid toe waardoor de metaboliet beter via de nieren uitgescheiden kan worden.

Ginsenosides / Ginsengosiden
Ginsenosides are a class of steroid-like compounds, triterpene saponins, found exclusively in the plant genus Panax (ginseng). Ginsenosides have been the target of research, as they are viewed as the active compounds behind the claims of ginseng's efficacy. Because ginsenosides appear to affect multiple pathways, their effects are complex and difficult to isolate. Medicinal and economic value The reason for so much research being targeted on ginsenosides is the fact that public enthusiasm for herbal and other unconventional remedies continues to grow in the United States as well as throughout the world. With annual sales of more than $300 million accounting for a 15 to 20 % market share in the United States, ginseng is one of the most commonly used herbal medicinal remedies by American consumers. [1] In United States, ginseng preparations are classified as dietary supplements, while Europeans particularly Germans regard them as drugs. [2] In several European countries, ginseng and other phytomedicinals are prescribed by physicians, and elements of botanical medicine are again being taught in medical schools. In its Commission E Monographs[1], which set standards for safety and efficacy of medicinal herbs, the German government recognizes use of ginseng as a tonic for invigoration and fortification during times of fatigue and debility. Chemistry Ginsenosides share a similar basic structure, consisting of gonane steroid nucleus having 17 carbon atoms arranged in four rings. They are classified into 2 groups by the skeleton of aglycones, namely dammarane type and oleanane type. [3] Dammarane type includes 2 classifications: the 20(S)-protopanaxadiol [ppd] and 20(S)-protopanaxatriol [ppt] classifications. The ppd classification contains the most abundant ginsenosides in ginseng, such as ginsenosides Rb1, Rb2, Rb3, Rc, Rd, Rg3, Rh2, and the aglycone PD. The ppt classification contains ginsenosides Re, Rg1, Rg2, Rh1, and the aglycone PT. Oleanane type includes oleanolic acid derivatives. Canadian researchers have shown structure-function relationship of ginsenosides in reducing cell proliferation and inducing apoptosis in the human leukemia (THP-1) cell line. The presence of sugars at C-3 and C-6 in PD and PT aglycone structures reduces the potency to induce apoptosis in leukemia cells. [4] Pharmacokinetics When taken orally, ppd-type saponins are mostly metabolized by intestinal bacteria to ppd monoglucoside, 20-O-beta-D-glucopyranosyl-20(S)-protopanaxadiol (M1). [5] In humans, M1 is detected in plasma from 7 hours after the intake of Ginseng and in urine from 12 hours after the intake. These findings indicate that M1 is the final metabolite of ppd-type ginsenosides. [2] M1 is referred to in some articles as IH-901 [6] , and in others as compound-K. [2] Physiological and pharmacological effects

75 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Effect on glucose transport Ginsenoside Rb1, Rb2, Rc, Rf, Rg1, Rg2 and Re were found to stimulate glucose uptake in sheep erythrocytes dose-dependently. [7] The maximum effect was observed at 1microM of ginsenoside Rb1 showing an increase of 24+/-5% above basal activity. However, ginsenoside Rg3, chikusetsusaponin Ia, and glycyrrhetic acid significantly inhibited glucose transport in sheep erythrocytes. Sotaniemi et al. conducted human clinical study and demonstrated a reduction in the levels of fasting blood glucose and glycosylated hemoglobin A1c (HbA1c) relative to placebo in persons with type 2 diabetes mellitus treated with ginseng. Ginseng improved mood and psychophysical performance which in turn increased physical activity and reduced body weight. [8] A preliminary clinical study by Canadian scientists revealed that American ginseng has significant blood glucose-lowering action both in non-diabetic subjects and subjects with type 2 diabetes mellitus when ginseng was given 40 minutes prior to the test meal. Therefore, ginseng may be useful as a means to lower the glycemic index of diabetic diet, in order to improve glucose control. [9] The antihyperglycemic effect of ginseng may be of potential relevance in cancer management, as NIDDM has been observed to be correlated with increased cancer incidence and elevated insulin levels may stimulate growth of tumors. [10] Effect on Cardiovascular system Chinese scientists Zhan et al. studied the cardioprotective action of ginseng in patients undergoing cardiopulmonary bypass for mitral valve surgery. [11] Among 30 patients studied, 11 received normal cardioplegic solution (used to suspend cardiac action during phases of the surgical procedure), 11 received a solution with ginseng extract and 8 received a solution containing ginsenosides Rb1 and Rb2. Total ginseng extract enhanced recovery of cardiac hemodynamic performance and significantly lowered mitochondrial swelling during the period of ischemia. Interestingly, total root extract was more effective than individual ginsenosides. This indicates that ginsenosides may act in concert rather than individually. Antioxidant action Several recent studies have suggested that the antioxidant and organ-protective actions of ginseng are linked to enhanced nitric oxide (NO) synthesis in endothelium of lung, heart, and kidney and in the corpus cavernosum. [1] Effect on physical performance In a double-blind, randomized, crossover study, the effects of ginseng extract combined with dimethylaminoethanol bitartrate, vitamins, minerals, and trace elements on physical performance during exercise were studied. The total work load and maximal oxygen consumption (VO2 max) during exercise were significantly greater after the ginseng ingestion than after placebo. At the same work load, oxygen consumption, plasma lactate levels, ventilation, carbon dioxide production, and heart rate during exercise were significantly lower after the ginseng preparation than after placebo. The effects of ginseng were more pronounced in the subjects with maximal oxygen consumption below 60 ml/kg/min during exercise than in the subjects with levels of 60 ml/kg/min or above. Since maximal oxygen consumption (VO2 max) reflects a person's physical fitness, above finding indicates that ginseng's effects were more pronounced in those with lower physical fitness (lower aerobic capacity). The results indicate that the ginseng preparation increased the subjects' work capacity by improving muscular oxygen utilization. [12] Effects on pulmonary functions and exercise capacity In a double-blind, randomized, placebo-controlled study, Israeli scientists evaluated the effects of G115 (Ginseng extract standardized to 4% total ginsenosides) on Maximum Voluntary Ventilation (MVV), Maximum Inspiratory Pressure (MIP) and maximum VO2 (VO2max) in patients with moderately severe chronic obstructive lung disease (COPD). They found that Ginseng extract (standardized to 4% total ginsenosides) at 100 mg taken orally twice daily improves respiratory muscle strength (depicted by increase in MIP) and

76 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

respiratory muscle endurance (reflected by increase in MVV). There was also an increase in exercise capacity (reflected by increase in VO2max). [13] Effect on psychomotor performance A double-blind, placebo-controlled clinical study on the effect of a standardized ginseng extract on psychomotor performance in healthy volunteers revealed that subjects who took ginseng performed significantly better in mental arithmetic than placebo group. Therefore it was concluded that ginseng may be superior to placebo in improving certain psychomotor functions in healthy subjects. [14] Antiallergic Activity Korean scientists studied the antiallergic activities of ginsenosides and their metabolites, as produced by human intestinal bacteria. Compound-K which is a main metabolite, had the most potent inhibitory activity on beta-hexosaminidase release from RBL-2H3 cells and on the PCA (Passive cutaneous anaphylaxis) reaction. The inhibitory activity of compound-K was more potent than that of disodium cromoglycate, one of the commercial anti-allergic drugs. Their findings suggest that the antiallegic action of compound-K originates from its cell membrane stabilizing activity and that the ginsenosides are prodrugs with extensive antiallergic properties. [15] Antitumor activity Japanese scientist H. Hasegawa discovered that M1 inhibits tumor cell growth by suppressing glucose uptake. [16] He also found that M1 possesses antimetastatic effects in vitro as well as in vivo. [17] Therefore it might have potential clinical use in the prevention and treatment of cancer, especially with acquired resistance to Cisplatin. [18] South Korean scientists tested in vitro the antitumor activity of M1 against four human cancer cell lines and one subline resistant to cisplatin, one of the most effective antitumor agents used in cancer patients. The human cancer cell lines tested were human myeloid leukemia (HL-60), pulmonary adenocarcinoma (PC14), gastric adenocarcinoma (MKN-45), hepatoma (HepG2) and Cisplatin-resistant PC/DDP cell lines. M1 inhibited the proliferation of above cancer cells by 50% at concentrations of 24.3, 25.9, 56.6, 24.9 and 20.3 μM respectively. This shows that higher concentrations of M1 were needed to suppress 50% of tumor cells than Cisplatin. However, M1 is not cross-resistant to Cisplatin-resistant adenocarcinoma cell line and could be a candidate for the treatment of Cisplatin-resistant pulmonary cancer. Chemoprevention of cancer Another group of researchers found that M1 inhibited the mutagenicity of benzo[a]pyrene(B[a]P), a potent chemical carcinogen ubiquitous in our environment. [19] In the chromosomal aberration assay, M1 reduced the frequency of chromosome aberration induced by B[a]P. Therefore ginseng saponin metabolites including M1 have potential as chemopreventive agents. Korean scientist Yun et al found reduced relative risks of various cancers among ginseng users. [20] Smokers who took ginseng had lower risks of smoking-related cancers (lung, lip, oral cavity, pharynx and liver) than those who did not. The risk for stomach and lung cancers was significantly reduced by ginseng intake, showing a statistically significant dose-response relationship in each follow-up year. Effect on nerve cells M1 is shown to produce significant recovery from memory impairment, axonal atrophy and synaptic loss induced by beta-amyloid(25-35) in mice . These results suggest that orally taken ppd-type saponins may reactivate neuronal function in Alzheimer's disease. [21] Phytotaxonomic differences Some popular commercially available Panax species include Panax ginseng C.A. Meyer, Panax quinquefolius L., Panax notoginseng (Burk) Chen, Panax vietnamensis and Panax japonicus. Panax ginseng grows in Korea, Japan and Jilin Province of China. It is also called Korean ginseng. Panax quinquefolius grows in United States and Canada. It is called American ginseng or Fen Guang ginseng 77 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

commercially. Panax notoginseng grows in Yun nan, Guang xi Province, China and is also called San chi or Tian chi. P. vietnamensis is commercially known as Vietnamese Ginseng and is grown in Vietnam. P. japonicus, grown in Japan is commercially known as Chikusetsu-ninjin and contains the highest amount of total ginsenosides. P. ginseng contains the lowest amount of total ginsenosides. However, more than 90% of the total ginsenosides in P. japonicus are oleanolic acid type plus one dammarane type (Chikusetsusaponin III). The latter is not found in the other 4 Panax species mentioned above. P. notoginseng contains high levels of Rb1, Rd and Rg1 (dammarane type saponins), but lacks oleanolic acid saponins. [22] Rb1 appears to be most abundant in Panax quinquefolius (American Ginseng). References
1. ^ a b Gillis CN et al (1997). "Panax ginseng pharmacology: a nitric oxide link?". Biochem Pharmacol 54 (1): 1–8. PMID 9296344. 2. ^ a b c Tawab MA et al (2003). "Degradation of ginsenosides in humans after oral adminstration". Drug metabolism and disposition 31 (8): 1065–1071. PMID 12867496. 3. ^ Tansakul P et al (2006). "Dammarenediol-II synthase, the first dedicated enzyme for ginsenoside biosynthesis, in Panax ginseng". FEBS Lett 580 (22): 5143–5149. PMID 16962103. 4. ^ Popovich DG et al (2002). "Structure-function relationship exists for ginsenosides in reducing cell proliferation and inducing apoptosis in the human leukemia (THP-1) cell line". Archives of Biochemistry and Biophysics 406 (1): 1–8. PMID 12234484. 5. ^ Hasegawa H et al (1996). "Main ginseng saponin metabolites formed by intestinal bacteria". Planta medica 62 (5): 453–457. PMID 8923812. 6. ^ Oh SH et al (2004). "A ginseng saponin metabolite-induced apoptosis in HepG2 cells involves a mitochondria-mediated pathway and its downstream caspase-8 activation and Bid cleavage". Toxicology and Applied Pharmacology 194 (3): 221–229. PMID 14761678. 7. ^ Hasegawa H et al (1994). "Interactions of ginseng extract, ginseng separated fractions, and some triterpenoid saponins with glucose transporters in sheep erythrocytes". Planta Medica 60 (2): 153–157. PMID 8202566. 8. ^ Sotaniemi EA et al (1995). "Ginseng therapy in NIDDM patients: effects on psychophysical performance, glucose homeostasis, serum lipids, serum aminoterminalpropeptide concentration, and body weight". Diabetes care 18 (10): 1373–1375. PMID 8721940. 9. ^ Vuksan V et al (2000). "American ginseng (Panax quinquefolius L) reduces postprandial glycemia in nondiabetic subjects and subjects with type 2 diabetes mellitus". Arch Intern Med 160 (7): 1009–1013. PMID 10761967. 10. ^ Chang YS et al (2003). "Panax ginseng: A role in cancer therapy ?". Integrative cancer therapies 2 (1): 13–33. PMID 12941165. 11. ^ Zhan Y et al (1994). "Protective effects of ginsenoside on myocardiac ischemic and reperfusion injuries". Chinese Medical Journal 74 (10): 626–628. PMID 7842343. 12. ^ Pieralisi G et al (1991). "Effects of a standardized ginseng extract combined with dimethylaminoethanol bitartrate, vitamins, minerals, and trace elements on physical performance during exercise.". Clinical Therapeutics 13 (3): 373–382. PMID 1954639. 13. ^ Gross, D et al (2002). "Ginseng improves pulmonary functions and exercise capacity in patients with COPD". Monaldi Archives for Chest Disease 57 (5-6): 242–246. PMID 12814035. 14. ^ D'Angelo L et al (1986). "A double-blind, placebo-controlled clinical study on the effect of a standardized ginseng extract on psychomotor performance in healthy volunteers". Journal of Ethnopharmacology 16 (1): 15–22. PMID 3528672. 15. ^ Choo MK et al (2003). "Antiallergic activity of ginseng and its ginsenosides". Planta medica 69 (6): 518–522. PMID 12865969. 16. ^ Hasegawa H et al (1994). "Inhibitory effect of some triterpenoid saponins on glucose transport in tumor cells and its application to in vitro cytotoxic and antiviral activities.". Planta Medica 60 (3): 240–243. PMID 8073091. 17. ^ a b Chisato Wakabayashi et al (1997). "In vivo antimetastatic action of ginseng protopanaxadiol saponins is based on their intestinal bacterial metabolites after oral administration". Oncology Research 9: 411–417. PMID 9436194. 18. ^ Lee SJ et al (1999). "Antitumor activity of a novel ginseng saponin metabolite in human pulmonary adenocarcinoma cells resistant to cisplatin". Cancer Letters 144 (1): 39–43. PMID 10503876. 19. ^ Lee BH et al (1998). "In vitro antigenotoxic activity of novel ginseng saponin metabolites formed by intestinal bacteria". Planta Medica 64: 500–503. PMID 9741293. 20. ^ Yun TK et al (2001). "Epidemiological study on cancer prevention by ginseng: are all kinds of cancers preventable by ginseng?". J Korean Med Sci 16 (Suppl): S19–S27. PMID 11748373. 21. ^ Tohda C et al (2004). "Amyloid beta (25-35)-induced memory impairment, axonal atrophy, and synaptic loss are ameliorated by M1, a metabolite of protopanaxadiol-type saponins". Neuropsychopharmacology 29 (5): 860–868. PMID 15010693. 22. ^ Shu Zhu et al (2004). "Comparative study on triterpene saponins of ginseng drugs". Planta medica 70 (7): 666–677. PMID 15303259. 23. ^ Chisato Wakabayashi et al (1998). "An intestinal bacterial metabolite of ginseng protopanaxadiol saponins has the ability to induce apoptosis in tumor cells". Biochemical and Biophysical Research Communications 246 (3): 725–730. PMID 9618279. 24. ^ Jeong CS et al (2003). "Ginsenoside Rb1: the anti-ulcer constituent from the head of Panax ginseng". Arch Pharm Res 26 (11): 906–911. PMID 14661855. 25. ^ Chen FD et al (2001). "Sensitization of a tumor, but not normal tissue, to the cytotoxic effect of ionizing radiation using Panax notoginseng extract". American Journal of Chinese Medicine 29 (3-4): 517–524. PMID 11789595.

78 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Specifieke werking van de Ginsenosiden: Ra : Anti-shock-werking. Rb1 : Remmende werking op het centrale zenuwstelsel, vermindering van onwillekeurige motoriek, willekeurige motoriek en reactie bij aanraking en pijn. Spierverslapping, verminderde motorische coördinatie, afname van lichaamstonus en influenza. Sedativum, tranquillizer, verhoging van lichaamstemperatuur, pijnstillende werking, krampwerend. Remming van vechtgedrag. Verminderde reactie op vluchtprikkels. Geremde conditionering, vermindering van voedselopname. Overige eigenschappen: antihemolitische werking, remming van de werking van Na+, K+ en ATP in de ingewanden, remming van het polysachariden-transport in de ingewanden. Anti-stress-werking, stimulerende werking op de darmperistaltiek, langdurige verlaging van de bloeddruk. Rc : Beschermt rode bloedlichaampjes tegen straling, remmende werking op het centrale zenuwstelsel, versterking van de DNA-synthese in beenmerg. Re : Remmende werking op het centrale zenuwstelsel, bescherming tegen hartinsufficiëntie. Verhoogde werking van Na, K en ATP in de ingewanden en antistress-werking. Rg1 : Opwekkende werking op het centrale zenuwstelsel, toename van willekeurig bewegen bij de sprongproef, de proef met het stokje en de oversteekproef, versterkte reactie bij onzekerheidsproef, hypothermie, tijdelijke verhoging van de bloeddruk. Gaat vermoeidheid tegen, werkt sterk hemolytisch, verhoogt de DNAsynthese in het beenmerg, versterkt de opname van leucine 14c (verhoogde eiwitsynthese). Versterkte werkzaamheid van DNA-afhankelijke RNA-polymeren. Rb2 : Remmende werking op het centrale zenuwstelsel. Bevordert de synthese van DNA, RNA en proteïnen. Rg2 : Remt de bloedstolling. Ro : Gaat ontstekingen tegen, werkzaam tegen vergiftiging en trombose. Ro, b1, b2, c, e, g1 en g2 : Stimulerende werking op het bloedplasma. Men heeft ontdekt dat een zuiver deeltje Ginseng met saponinen tegengestelde eigenschappen bevatte. Bij het Ginsenoside Rg1 is bijvoorbeeld een opwekkende werking op het centraal zenuwstelsel gevonden; deze stof bleek daarentegen ook een remmende werking op het centrale zenuwstelsel te hebben. Rg1 geeft een tijdelijke verhoging van de bloeddruk, terwijl Rb1 ook een langdurige verlaging van de bloeddruk geeft! Regulerende werking?

Glycyrrhizine in Zoethout
Glycyrrhizine of Glycyrrhizinezuur is een zoetstof die vooral wordt toegevoegd aan drop. De systematische naam is (3-beta,20-beta)-20-carboxy-11-oxo-30norolean-12-en-3-yl 2-O-beta-D-glucopyraanuronosyl-alfa-Dglucopyranosiduronzuur. De zoetstof heeft een 30 tot 50 keer hogere zoetkracht dan suiker en wordt gewonnen uit de wortel van de Glycyrrhiza glabra, beter bekend als zoethoutwortel. Het bestaat uit en een sapogenine (aglycon) en een suiker (glycon), en is derhalve een glycoside. Glycyrrhizinezuur heeft voor gebruik als laagcalorische suikervervanger een voordeel ten opzichte van aspartaam, omdat het niet uit elkaar valt bij verwarming. Het heeft niet dezelfde werking als normale suiker; het werkt langzamer en houdt langer aan in de mond en het heeft een zoethoutachtige smaak. Daarom wordt het meer als smaakversterker gebruikt, voornamelijk voor snoep, medicijnen en tabakproducten. Gezondheidsfactoren Glycyrrhizinezuur kan een verhoging van de bloeddruk en hartritmestoornissen veroorzaken. Glycyrrhizinezuur kan helpen bij een verkoudheid, het werkt namelijk slijmoplossend en verzachtend. Niet bewezen is de claim dat glycyrrhizinezuur een brandend gevoel in de maag en de vorming van maagzweren tegengaat. Glycyrrhizinezuur zou namelijk productie van maagzuur tegengaan.

79 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Glycyrrhizinezuur zou in het menselijk lichaam een soortgelijke werking hebben als het hormoon aldosteron. De nieuwste onderzoekingen (2005) zouden ook een werking tegen herpesvirussen laten zien. Een gebruik van 140 mg per dag zou ongevaarlijk zijn. Alleen bij dagelijkse consumptie van grote hoeveelheden drop of andere glycyrrhizinehoudende producten kan men meer glycyrrhizine binnenkrijgen dan het lichaam aankan, hierdoor stijgt de bloeddruk, men raadt meestal aan om niet meer dan 200 gram drop per dag te eten. De hoeveelheid glycyrrhizine kan verschillen per product. Zo zit er bijvoorbeeld 0,1% glycyrrhizine in gewone drop en in laurierdrop en zwart-witpoeder zit 2,8%. Zoethoutthee bevat in droge vorm ongeveer 2% glycyrrhizine (40 mg per theezakje van 2 gram). Glycyrrhizine, antiviraal en HIV Herkomst en toepassing Glycyrrhizine (GL) kan geïsoleerd worden uit het waterige extract van de wortels van de verschillende Glycyrrhiza soorten (zoethoutwortel). Het is een sterk antiviraal actieve stof. In combinatie met glycine en cysteïne (Stronger Neo? Minophagen C (SNMC) wordt glycyrrhizine in Japan zeer veel gebruikt bij chronische virale hepatitis. Het beschermende effect tegen leverschade is nog niet aangetoond. Tevens worden zoethoutwortel en glycyrrhizine toegepast bij hoest en bronchitis (als slijmlosmaker), maagzweren, maagdarmontstekingen en als smaakstof in geneesmiddelen. Ook is glycyrrhizine actief gebleken tegen hiv. Zoethoutwortel (de gedroogde ongeschilde wortel en uitlopers van Glycyrrhiza glabra) bevat 410% glycyrrhizine. Bij hiv-infectie # In laboratoriumonderzoek bleek GL niet het reverse transcriptase te remmen (zoals b.v. zidovudine), maar wel de adsorptie van hiv-partikels aan T-cellen en gedeeltelijk het enzym proteïn kinase C. Dit betekent dat de fosforylering van het CD4-molecuul wordt geremd (belangrijke stap bij de binding van hiv aan het CD4-molecuul). # Ook bleek bij laboratoriumonderzoek GL het effect van zidovudine te versterken. # Een klinisch onderzoek werd verricht bij 42 Japanners met hemofilie die geïnfecteerd waren met hiv-1 (met en zonder symptomen). Bij de deelnemers die doses van 200 tot 1600 mg GL per dag intraveneus (in de vorm van SNMC) kregen toegediend, was het meest duidelijke effect van GL te zien in de afname van het hiv-p24-antigeen in het bloed. Bij de hogere doseringen (800-1600 mg per dag) konden er in een klein aantal gevallen geen antigenen meer aangetoond worden. Dit suggereert dat GL in staat is om de hiv-replicatie bij mensen met hemofilie te onderdrukken. Er werd ook een tijdelijke stijging verkregen van het aantal CD4-cellen en in een aantal gevallen van het aantal T8-(suppressor) cellen, hetgeen werd toegeschreven aan het effect van GL op interferon. Bij geen enkele deelnemer daalde de CD4/CD8-ratio. Omdat de meeste deelnemers slechts 11 weken behandeld zijn, kan er alleen een uitspraak gedaan worden over de behandeling met GL op korte termijn. # Op de negende internationale aidsconferentie in Berlijn, suggereerden twee kleine niet-gerandomiseerde onderzoeken enkele positieve effecten van de behandeling met glycyrrhizine bij asymptomatische hiv-positieven. Door de kleine opzet en beperkte hoeveelheid gepubliceerde gegevens is het moeilijk conclusies uit deze onderzoeken te trekken. Bijwerkingen en interacties # Bij chronisch gebruik van een dosering van meer dan 3 g van de wortel (oftewel 120-300 mg GL) per dag kunnen optreden: vocht vasthouden, hoge bloeddruk, hoofdpijn, verstoring van electrolytenbalans en hartdecompensatie door verhoogde kaliumuitscheiding. Bij chronisch gebruik van dropproducten mag een dagdosis van 150 mg glycyrrhizine niet worden overschreden. Bij chronisch gebruik dient kaliumrijk voedsel gegeten te worden, b.v. bananen, tomaten en (gedroogde) abrikozen ter compensatie van het kaliumverlies. 80 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

# Bereidingen uit zoethoutwortel moeten niet tegelijk gegeven worden met kaliumvasthoudende diuretica (verstoring elektrolytenevenwicht; b.v. amiloride, spironolacton, triamtereen) en aldosteron-antagonisten (ongunstige genezing maagzweer; b.v. losartan). Tengevolge van verhoogd kaliumverlies kan de werking van hartglycosiden (digoxine) worden versterkt. De werking van geneesmiddelen tegen hoge bloeddruk kan bemoeilijkt worden. Dosering Bij bovenstaande toepassingen: Thee: 1-3 g fijn haksel of grof poeder van de wortel met 150 ml kokend water overgieten, daarna gedurende 5 minuten tot koken verhitten en dan zeven. Indien niet anders is voorgeschreven drie keer per dag een kop, telkens na de maaltijd. Dik vloeibaar extract van zoethoutwortel: 360-600 mg drie keer per dag. Stroop: drie keer per dag 3 gram.

Glucosinolaten
Zie mosterolieglycosiden zijn chemische verbindingen doe onder andere glucose en een zwavelhoudende groep bevatten. Glucosinolaten komen van nature voor in planten die tot de familie Brassicaceae behoren. Er zijn meer dan 100 verschillende glucosinolaten bekend. Glucosinolaten zijn bioactive (gezondheidsbevorderende stoffen. Hoge concentraties glucosinolaten zijn voor dieren giftig. Glucosinolaten zijn bioactive stoffen, oftewel natuurlijke plantenstoffen die een gezondheidsbevorderend effect hebben, maar die niet onmisbaar zijn. In hoge concentraties zijn glucosinolaten giftig voor mensen en dieren. Glucosinolaten komen van nature voor in planten die tot de familie Brassicaceae behoren. Glucosinolaten hebben de functie de planten te beschermen tegen planteneters. De familie Brassicaceae wordt ook wel aangeduid met de Latijnse benaming Cruciferae en wordt in het Nederlands Kruisbloemigen of Mosterdfamilie genoemd. De familie valt onder de orde Cappareles en bestaat uit 300 geslachten en 3000 verschillende plantensoorten en is hiermee de grootste familie binnen de orde Cappareles. Brassica (in het Nederlands koolachtigen) is een voorbeeld van een geslacht dat onder de familie Brassicaceae valt. Bloemkool is een voorbeeld van een plantensoort die onder de familie valt. Veel plantensoorten uit de familie Brassicaceae zijn van economisch belang. Ze worden gebruikt als specerij, diervoeder, groente, olieleverancier, zeepgrondstof en medicijn. Het glucosinolatengehalte in de verschillende tot de familie Brassicaceae behorende plantensoorten varieert. Per plantensoort komt steeds maar een klein aantal verschillende glucosinolaten voor. De werkzame stoffen (in zowel positieve als negatieve zin) zijn de afbraakproducten van de glucosinolaten. De afbraakproducten worden gevormd na enzymatische hydrolyse van de glucosinolaten onder invloed van het enzym myrosinase dat vrijkomt na beschadiging van de plantencel, zoals tijdens de verwerking, de bereiding en consumptie van de plant. Sommige bacteriën kunnen ook het enzym myrosinase aanmaken en kunnen ook de afbraak van glucosinolaten in werk stellen. De afbraakproducten die ontstaan zijn de stoffen isothiocyanaten (ITC) en vinylthio-oxazolidine (VTO). De stoffen worden ook wel mosterdoliën genoemd. De stoffen kunnen tijdens de bewaring van het voedsel of in het lichaam van een mens of dier ontstaan.

H Humulonen in Hop / Humulus lupulus
81 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

In de lupulinenklieren van de hopplant, bevindt zich het geelgekleurde, aangenaam ruikende lupulinepoeder, dat de belangrijkste hopbitterstoffen bevat. De hopbitterzuren zijn de verbindingen, die aanleiding geven tot een bittere smaak van het bier. Bovendien dragen ze bij tot de schuimhoudbaarheid en bezitten zij ook micro-biostatische eigenschappen. Dat betekent, dat zij in staat zijn de ontwikkeling van bepaalde micro-organismen tegen te gaan. Humulonen De humulonen of α-hopzuren (α omdat deze het eerste ontdekt waren) smaken niet bitter van zichzelf, maar vormen de belangrijkste klasse van de voorlopers van de bittere derivaten. De humulonen bestaan uit een centrale zesring-struktuur, waaraan vijf verschillende restgroepen gehecht kunnen zijn. De humulonen vormen kwantitatief de belangrijkste verbinding (tot 70%) van de hopbitterstoffen. Gedurende het koken van het wort met hop, worden de niet bittere humulonen omgezet in de zogeheten isohumulonen, die uitgesproken bitter smaken. Er vindt een struktuurwijziging plaats, waarbij de zesring overgaat in een vijfring.

Der Hopfen ist eine sehr alte Heilpflanze. Schon im Frühmittelalter, lange bevor Hopfen zum Brauen verwandt wurde, ist sein Anbau bezeugt (nachweislich im Jahr 768 in Freising (RÖMPP, 1983), in England 622 in einer Abtei Corvey (HOP GUIDE)). Um 1200 begann man Hopfen im Brauwesen einzusetzen, eine Praxis die sich bis etwa 1500 allgemein durchgesetzt hatte. Aus dieser Zeit (1516) stammt dann auch das ehrwürdige bayrische Reinheitsgebot, das in Deutschland noch heute gilt, wonach Bier nur aus Wasser, Malz und Hopfen hergestellt werden darf. Hopfenextrakte, die mit überkritischem Kohlendioxid oder Ethanol hergestellt wurden, sind jedoch gleichfalls erlaubt. Durch Kombination der beiden Extraktionsverfahren und durch Einsatz verschiedener Hopfen-Sorten stehen für unterschiedliche Anwendungen unterschiedlich zusammengesetzte Extrakte zur Verfügung. Die Hopfenharze sind sehr komplizierte Gemische, sie werden aus praktischen Gründen nach der Löslichkeit unterteilt in Hartharze (unlöslich in Hexan) und Weichharze (löslich in Hexan). Hopfenharze insgesamt sind in Methanol und Ethylether löslich, kaum aber in Wasser. In der Weichharzfraktion sind die für das Bierbrauen wichtigen Komponenten Humulon, Co-Humulon und Ad-Humulon ("Alpha"-Säuren genannt) enthalten, die beim Sudkochen in die besser wasserlöslichen Iso-Verbindungen übergehen ("IsoAlphasäuren") und die beim Bierbrauen eine entscheidende Rolle spielen. Sie verleihen dem Bier Bitterkeit, vor allem aber sind sie keimhemmend, sie machen Bier dadurch lager- und transportstabil. Sie haben es ermöglicht, daß im Hochmittelalter aus dem Küchenpraxis des Bierbrauens eine Industrie wurde. Ein wegen seines Löslichkeitsverhaltens zu den Hartharzen zählender Hopfeninhaltsstoff ist das Xanthohumol. Es ist wenig wasserlöslich, geht aber beim Sudkochen - ähnlich wie die Alpha-Säuren - in das besser wasserlösliche Isoxanthohumol über. Xanthohumol und Isoxanthohumol haben in den vergangenen Jahren große Aufmerksamkeit auf sich gezogen, weil sich herausgestellt hat, daß sie unter den Hopfen-Inhaltsstoffen die stärkste cancerostatische Wirkung haben. Schon zuvor war bekannt, daß die Hopfeninhaltsstoffe Humulon (YASUKAWA, 1995) und Co-Lupulon (MANNERING, 1993) krebshemmend wirken (BIENDL 1999). Die anticancerogene Wirkung des (Iso-)Xanthohumols wurde in einer groß angelegten Studie an der Universität Saarbrücken untersucht (GERHAUSER, 2002). In der Untersuchung wurde der Einfluß von (Iso)Xanthohumol auf Phase 1 und Phase 2 Enzyme bestimmt, ferner die antioxidative Kapazität, Antitumor-Effekte (Hemmung der Cyclooxygenase Cox 1 und Cox 2), das antiproliferative Potential (Hemmung von Human-DNA-Polymerase und des Thymidin-Einbaus) und die Verstärkung der Apoptose. Außerdem wurde die Hemmung induzierter preneoplastischer Lesionen an Mamma-Zellkulturen bestimmt. Es zeigte sich, daß diese Hemmung bei IC50

82 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

(Halbwertkonzentrationen) von 0,02 micromol/l erfolgte. Demgegenüber lag die IC50 Konzentration von Resveratrol (ein bekanntes in Wein vorkommendes Antikanzerogen) bei 4.2 micromol. Daraus wird geschlossen, daß Xanthohumol etwa 200 mal wirksamer ist als Resveratrol. Der zuletzt beschriebene Test wurde nur an Xanthohumol und Resveratrol durchgeführt, die anderen an Xanthohumol und Isoxanthohumol. Isoxanthohumol zeigte sich generell um den Faktor zwei bis fünf weniger wirksam. Es ist damit aber immer noch wesentlich wirksamer als Resveratrol. Bestätigt werden die Ergebnisse auch durch andere Veröffentlichungen. So gibt FENG (2003) an, daß eine Reihe von Chalkonen, darunter Xanthohumol die NO (Stickstoffoxid-) Produktion (ein Indikator von Entzündungen und Carcinogenese) in der Haut von Mäusen inhibiert. Versuche von RODRIGUEZ (2001) machen wahrscheinlich, daß die Prenyl-Seitenkette des Xanthohumols für seine Wirkung wesentlich ist. HENDERSON (2000) untersucht die Inhibition verschiedener Cytochrom P450 Enzyme (Phase 1) durch Xanthohumol, Isoxanthohumol und 8-Prenyl-Naringenin, Bei bestimmten Enzymen ist die Aktivität von Isoxanthohumol und 8-Prenyl-Naringin stärker als die des Xanthohumols. BUCKWOLD (2004) fand antivirale Aktivität bei Hopfenextrakten, die er dem Xanthohumol und Isoxanthohumol zuschreibt. Die Firma Unilever hat ein Internationales Patent für xanthohumol- und isoxanthohumol-haltige Lebensmittelzubereitungen beantragt (GREEN, 2003), denen entzündungsmindernde und alterungsverlangsamende Wirkung zugeschrieben werden. Die Kombination der beiden zulässigen Hopfenextraktionsverfahren (durch Ethanol und überkritisches Kohlendioxid), sowie die Rohstoff-Auswahl (Hopfenarten) hat es ermöglicht, xanthohumolreiche Hopfenextrakte herzustellen. Diese Extrakte sind zunächst für das Brauen isoxanthohumolreichen Bieres bestimmt. Sie können jedoch auch sehr gut in Nahrungsergänzungsmitteln eingesetzt werden. Literatur BIENDL, M., 1999: Anticancerogene Aktivität - ein neuer Aspekt bei Hopfeninhaltsstoffen. Brauindustrie, 9/99 BUCKWOLD, V.E. et al. 2004: Antiviral activity of hop constituents against aseries of DNA and RNA viruses. Antiviral Research 61 (2004)57-62 FENG, Zh, et al., 2003: Inhibitors of Nitric Oxide Production from Hops (Humulus lupulus L.)", Biol. Pharm. Bull., Vol. 26, 61-65 (2003). GERHAUSER, C., et al., 2002: Cancer Chemopreventive Activity of Xanthohumol, a Natural Product Derived from Hop. Molecular Cancer Therapeutics, Vol. 1, 959969, September 2002 GREEN, M. et al.: 2003: Use of Hop Components in Food. International Patent Application WO 03/090555 A1 of 6 Nov 2003 HENDERSON, M.C. et al., 2000: In vitro inhibition of human P450 enzymes by prenylated flavonoids from hops, Humulus lupulus. Xenobiotica. 2000 Mar;30(3):235-51. HOP GUIDE, National Hop Association of England, 134 Lots Road, London SW10ORJ MANNERING, et.al., 1993: Food Nutrition and and Chemical Toxicity, Parke et al. eds. Smith Gordon, G.B. (1993) ch.28 RODRIGUEZ R.J., 2001: Influence of prenylated and non-prenylated flavonoids on liver microsomal lipid peroxidation and oxidative injury in rat hepatocytes. Food Chem Toxicol. 2001 May;39(5):437-45. RÖMPPS CHEMIELEXIKON, 1983: Bd. 3 S. 1752 (Hopfenanbau, Hopfenöl) YASUKAWA, K., et al., 1995: Humulon, a bitter in the hop inhibits Tumor Promotion by 12-O-Tetradecanoylphorbol-13-Acetate in two stage Carcinogenesis in mouse skin. Oncology 52, 156-158, 1995

Hypericine
komt voor in verschillende soorten van de familie der Hypericaceae, waaronder Hypericum perforatum (Sint Janskruid). De gedroogde, kort voor of tijdens de 83 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

bloei geoogste bovengrondse delen van het Sint Janskruid bevatten niet minder dan 0,05% hypericine. Andere werkzame stoffen in het St. Janskruid zijn flavonoïden (7-12%) en looistoffen (ca. 10%). St. Janskruid wordt toegepast bij lichte depressies, onrust en slaapstoornissen, diarree en als diureticum (plasmiddel). Uitwendig kan het worden toegepast voor de genezing van wonden en verbrandingen. Hypericine heeft een sterke antivirale activiteit. Bij hiv-infectie # Bij laboratoriumproeven daalde de activiteit van het virus in bloed dat afkomstig was van hiv-geïnfecteerden. Resultaten ondersteunen het idee dat het in bepaalde afweercellen (CD4-cellen) en monocyten (macrofagen), werkzaam zou kunnen zijn. Ook tegen andere virussen (waaronder herpes en mogelijk CMV) is bij laboratoriumproeven activiteit waargenomen. # Een onderzoek onder 30 hiv-positieven met een CD4-aantal beneden 350 is uitgevoerd door de New York University Medical Center. Zij kregen hypericine intraveneus ( twee keer per week 0,25 of 0,5 mg per kg lichaamsgewicht of drie keer per week 0,25 mg per kg) of door inname via de mond (0,5 mg per kg per dag).Dit zijn doseringen die nu als zeer hoog worden beschouwd. Zestien personen moesten de behandeling voortijdig afbreken vanwege toxische effecten. Ernstige huidreacties, met name lichtovergevoeligheid, traden op bij 11 van de 23 personen bij wie de resultaten van de therapie konden worden geanalyseerd. Er werden geen significante veranderingen in viral load en CD4-aantal waargenomen. De conclusie luidde dat hypericine in aanzienlijke mate lichtovergevoeligheid veroorzaakte, maar geen enkele werking tegen hiv liet zien. Nota: Dit onderzoek is uitgevoerd met geisoleerd hypericine, dus niet met Hypericumplant en rechtstreeks in de bloedbaan. Conclusie gelden dus zeker niet voor sintjanskruidthee of tinctuur. Bijwerkingen en interacties Bij personen met een lichte huidskleur kan lichtovergevoeligheid optreden. Hierdoor kunnen op zonnebrand gelijkende reacties van de huid ontstaan bij blootstelling aan zonlicht. Ander bijwerkingen zijn maagdarmklachten, duizeligheid, verwardheid, vermoeidheid, sufheid en een droge mond. Er is een 23-jarige vrouw beschreven die na inname van een combinatie van valeriaan met hypericine een ernstige manie kreeg. Een onderzoek bij hiv-negatieven liet zien dat onder invloed van hypericine de plasmaconcentratie van de proteaseremmer indinavir in het bloed met 57% afnam. Uit een ander onderzoek onder vijf hivgeïnfecteerden kwam naar voren dat gelijktijdig gebruik met hypericine de concentratie nevirapine in het bloed met gemiddeld 35% deed afnemen. Dergelijke grote afnamen kunnen leiden tot resistentieontwikkeling en het mislukken van de therapie. Ook diverse andere hiv-remmers mogen niet samen met hypericine worden gebruikt: amprenavir, delavirdine, efavirenz, nelfinavir, ritonavir, saquinavir, en lopinavir+ritonavir. Verder zijn er interacties bekend met onder meer antidepressiva, bloedverdunnende middelen en tyramine-bevattend voedsel (gefermenteerde eiwitten, sojaproducten, vlees- en gistextracten, zure zuivelproducten, cheddar, stilton, camembert, rode wijn, bier, sommige andere alcoholische dranken, alcoholhoudende bonbons, niet-verse vlees- en visproducten, tuinbonen, avocado's, bananen). Dosering Bij hiv-infectie: geen standaarddosering bekend. Bij depressie: 0,2-1 mg per dag, bijvoorbeeld drie keer per dag 0,3 mg Hypericin- A Napthodianthrone from Hypericum perforatum Dr Amrit Pal Singh, MD (Alternative Medicine) Medical Executive. Super Specialty Division, India –Swift Ltd Hypericin is a substance isolated from a medicinal herb Hypericum perforatum, commonly known as St.John’s Wort.1 Hypericin belongs to group of compound known as napthodianthrones. 2 Hypericin is a secondary plant metabolite of St.John’s Wort and the amount of Hypericin strongly depend upon the source of the plant 84 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

material. 3,4 Initially Hypericin was considered to be the antidepressant principle of Hypericum perforatum, but according to latest research Hyperforin has emerged as antidepressant principle of the herb.5 Hypericin is used as standard for identification of genuine plant material and thus has importance from quality control point of view. The standardization of Hypericum perforatum is now based on both hypericin and hyperforin content. The herb must contain 0.3% of hypericin. Chemistry Hypericin is a red dye that forms salt known as hypercinates with sodium and potassium. It is soluble in ethanol, methanol, pyridine, acetone, ethyl acetate, butanone, aqueous alkali solutions, but insoluble in water and methylene chloride. 7 Hypericin produces singlet oxygen and other excited state intermediates that indicate it should be a very efficient phototoxic agent in the eye. It absorbs in the UV and visible range, which means it, can potentially damage both the lens and the retina. Hypericum perforatum is known to cause photosensitivity.8 Pharmacological activity A. Antidepressant activity In experiments, hypericin has shown weak monoamine oxidase inhibiting activity. It was find that hypercin in a dose of 0.35 mg has effects similar to imipramine. 9 In other experiment hypericin in a dose of 9-28 mg/kg showed activity similar to bupropion. 10 Hyperforin in comparison inhibits the neuronal uptake of serotonin, norepinephrine and dopamine antidepressants, but also inhibits GABA and L-glutamate uptake.11 Research on hyperforin has been intensified and most of the published studies strongly indicate hyperforin to be the antidepressant constituent of Hypericum perforatum. 12,13,14 B. Anti viral activity In animal models hypericin has shown to prevent replication of encapsulated viruses.15 C. Anti-inflammatory activity Besides these activities, hypericin has shown anti-inflammatory activity also. It inhibits release of leukotrienes.16 D. Photosensitizing activity Hypericin is known to cause phototoxicity. Lens alpha-crystallin, isolated from calf lenses, was irradiated in the presence of hypericin and in the presence and absence of light.17 Hypericin-induced photosensitized photo-polymerization was assessed by sodium dodecylsulfate-polyacrylamide gel electrophoresis. Further analysis of the oxidative changes occurring in alpha-crystallin using mass spectrometry showed specific oxidation of methionine, tryptophan and histidine residues, which increased with irradiation time. Hypericin did not damage the lens protein in the dark. Damage to alpha-crystallin could undermine the integrity of the lens directly by protein denaturation and indirectly by disturbing chaperone function. From the study it was concluded that in the presence of light, hypericin could induce changes in lens protein that could lead to the formation of cataracts. Appropriate precautions should be taken to protect the eye from intense sunlight while the patient is on Hypericum perforatum therapy. Pharmacokinetics In a study, healthy volunteers were given hypercin orally in a dose of 900, 1800 and 3600 mg and blood samples were analyzed.The maximum plasma concentration was found after 6 hours.18 Standard The hypericin content of Hypericum perforatum is determined by using spectroscopic method utilizing the visible absorption characteristics of hypericin in methyl alcohol.19, 20 In atypical chromatogram of standardized Hypericum perforatum extract, absorbance occurs at 588nm and the peak.The peak at 10.67 min is characteristic of Hypericin. 85 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

References 1. Hoelzl J & Ostrowski E: Analysis of the essential compounds of Hypericum perforatum. Planta Med 1986; 6:531. 2. Southwell IA & Campbell MH: Hypericin content variation in Hypericum perforatum in Australia. Phytochemistry 1991; 30:475-478. 3. Suzuki 0, Katsumata Y, Oya M. Inhibition of monoamine oxidase by hypericin. Planta Med 1984; 50:272-4. 4. Wagner H, Bladt S. Pharmaceutical quality of Hypericum extracts. Journal of Geriatrics, Psychiatry and Neurology 1994; 7: S65-S68. 5. Cellarova, E. et al., 1995. XIV Hypericum perforatum (St.John’s Wort): In vitro culture and the production of hypericin and other secondary metabolites. Biotechnology in Agriculture and Forestry, 33:261-275. 6. Westerhoff, K, Kaunzinger, A, Wurglics, M, BaumeisterA, Determination of Hyperforine and Total Hypericine Content in Hypericum Extract Containing Herbal Medicinal Products. Institut fur Pharamazeutische Chemie der Univversitat Frankfurt/Main, FRG.AAI Deustschland Gmbh & Co. KG, Neu-Ulm, FRG. 7. Michael P. Balogh, Jeanne B.Li. HPLC Analysis of Hypericin with PhotodiodeArray and MS Detection: The Advantage of Multispectral Techniques. 8. Kingsbury, J.M., 1964. Poisonous plants of the United States and Canada. Prentice-Hall, Inc., Englewood Cliffs, NJ. 626 p. 9. Raffa RB: Screen of receptor and uptake-site activity of hypericin component of ST. JOHN'S WORT reveals sigma receptor binding. Life Sci 1998; 62(16): PL26570. 10. Nahrstedt, A. and Butterweck V. 1997. Biologically active and other chemical constituents of Hypericum perforatum L. Pharmacopsyciat, 30: 129-134. 11.Chatterjee, S.S., Bhattacharya, S.K., Singer, A., Wonnemann, M., and Mueller, W.E. 1998 Hyperforin Inhibits Synaptosomal Uptake of Neurotransmitters In Vitro and Shows Antidepressant Activity In Vivo. Pharmazie, 53: 9. 12. Chatterjee SS, Bhattacharya SK, Wonnemann M, Singer A, Muller WE. Hyperforin as a possible antidepressant component of Hypericum extracts. Life Sciences 1998; 63: 499-510. 13. Muller WE, Singer A, Wonnemann M. Hyperforin--antidepressant activity by a novel mechanism of action. Department of Pharmacology, University of Frankfurt, Frankfurt/M., Germany. Pharmacopsychiatry 2001 Jul; 34 Suppl 1:S98-102. 14. Eckert GP, Muller WE. Effects of hyperforin on the fluidity of brain membranes. Department of Pharmacology, Biocenter Niederursel, University of Frankfurt, Frankfurt/Main, Germany. Pharmacopsychiatry 2001 Jul; 34 Suppl 1:S225. 15. Meruelo D, Lavie D & Lavie E: Therapeutic agents with dramatic antiretroviral activity and little toxicity at effective doses. Aromatic polycyclic diones hypericin and pseudohypericin. Proc Natl Acad Sci USA 1989; 85:5230-5234. 16. Panossian AG, Gabrielian E, Manvelian V et al: Immunosuppressive effects of hypericin on stimulated human leukocytes: inhibition of the arachidonic acid release, leukotriene B4 and interleukin-1 alpha production, and activation of nitric oxide formation. Phytomedicine 1996; 3:19-28. 17. Schey et al. Photo-oxidation of lens alpha-crystallin by hypericin (active ingredient in St. John’s Wort). Photochemistry and Photobiology 72(2): 200-3. Aug 2000. 18. Stock S & Holz J: Pharmacokinetic test of (14 C)-labeled hypericin and pseudohypericin from Hypericum perforatum and serum kinetics of hypericin in man. Planta Med 1991; 57 Suppl 2: A61-62. 19. Butterwreck Vet al., Isolation by MLCCC and NMR spectroscopy of hypericin, pseudohypericin and I3, II8-biapigenin from Hypericum perforatum. In: PM 62, abstracts of the 44th Ann Congress of GA, 119. 1996. 20. G. Piperopolous, R. Lotz, A.Wixforth, T.Schmierer and K.P.Zeller J, Chromator.B695, 309-316. (1997).

Hyperforine, actieve stof in Hypericum

86 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

heeft een werking op het cytochroom-P450 (een verzameling van kleine actieve enzymen die overal in het lichaam lichaamsvreemde stoffen onschadelijk kunnen maken). Vooral het cytochroom-P3A4 wordt door hyperforine gestimuleerd. Dit cytochroom is vooral werkzaam in de lever. Zoals iedereen bekend is speelt de lever een belangrijke rol in de ontgifting van het lichaam. Het Farmaceutisch bedrijf Glaxo isoleerde de hyperforine en testte het op levercellen. Vooral aidsremmers, antistollingsmiddelen en anticonceptiemedicijnen worden door CYP3A4 aangepakt, andere geneesmiddelen worden door andere cytochromen behandeld en kunnen door sintjanskruid dus niet worden belemmerd in hun werking. Volgens de onderzoekers worden zo'n vijftig procent van de huidige geneesmiddelen door hyperforine in hun werking beinvloed. De ontgiftende werking van Sintjanskruid zou volgens de onderzoekers eveneens positief kunnen worden ingezet wanneer een lichaam sneller en effectiever van medicijnen afgeholpen moeten worden.

I Indigo (Indigotin, Indigoreinblau)
Natürlicher Indigo uit Indigofera tinctoria, I. anil und andere Indigofera species (Indigostrauch) aus der Familie der Fabaceae (= Papilionaceae Schmetterlingsblütler, in 3. Ordnung Fabales bzw. Leguminosae der Unterklasse Rosidae), ursprüngliche Heimat im tropischen Afrika; kultiviert in Vorderasien, China, Java und Sumatra, auf den Molukken, in Südmerika (Brasilien, El Salvador). Die gelieferte Ware stammt aus Indien. Synthetischer Indigo: Bezeichnungen: Indigotin, Indigoblau, Indigoreinblau, Anil, 2,2´-Biindolinyliden-3,3´-dion, 2(1,3-Dihydro-3-oxo-2H-indol-2-yliden)-1,2-dihydro-3H-indol-3-on, C.I. Vat Blue 1 engl.: indigo, indigotin; frz.: indigo; ital.: indaco; span.: indigo, türk: civit Boya, cömlek boyas (von cömlek = "Tongefäß", zum Färben benutzt) CAS-Nr.: [482-89-3] C.I.-Nr.: 73000 EG/EINECS-Nr.: 207-586-9 Beschreibung: Indigo, natürlich Die Indigostaude wird bis zu 150 cm hoch und besitzt 9-15zählige, hübsch gefiederte Blätter. Indigo blüht in den Monaten Juli und August, wobei die Pflanze reichblütige Trauben ausbildet. Gewinnung/Geschichte Zur Gewinnung des Naturindigos werden die während der Blütezeit geernteten Indigopflanzen einem Gärungsprozeß unterworfen. Dieser Vorgang findet in Holzbottichen statt, wobei man die mit Wasser bedeckten Pflanzenteile etwa 12 bis 15 Stunden vergären läßt. Die verschiedenen Indigofera-Arten, insbesondere I. tinctoria (die lateinische Bezeichnung tinctoria bedeutet "färbend" und wird von alters her zur Benennung von Färbepflanzen verwendet) enthalten nämlich das Indigoblau nicht unmittelbar, sondern in einer Vorstufe, die chemisch an Traubenzucker (Glucose) gebunden ist. Dieses "Glucosid" heißt Indican und ist farblos! Im folgenden Abschnitt wird diese Umwandlung noch näher beschrieben. Auch der in früherer Zeit in Deutschland bedeutsame Färberwaid Isatis tictoria enthält Indican. Die Färbung mit Indigo hat eine lange Tradition, denn die Blaufärbung mit ihm war in Ägypten schon vor 4000 Jahren bekannt. Im Verlauf der durch Sonnenwärme in Gang gesetzten Gärung löst sich das Indican unter Abspaltung von Glucose und Entwicklung von Kohlendioxid auf. Dabei spielt auch das in der Pflanze enthaltene Enzym Indoxylase eine Rolle. Belüftet man das vergorene Gemisch, so entsteht unter Sauerstoffaufnahme der natürliche Indigo: er scheidet sich in

87 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

blauen Flocken ab. Jetzt wird das Wasser abgelassen und der Farbstoff gewaschen, abgepreßt und getrocknet. Man bezeichnet diesen Verarbeitungsstand als Rohindigo. Dieser besteht zu ca. 80% aus Indigotin (dem eigentlichen blauen Farbstoff), neben Indigorot (Indirubin) und Indigobraun. Es können sich weitere Reinigungsschritte anschließen. Meist kommt Indigo in Würfelform in den Großhandel. Das natürlich gewonnene Indigotin ist chemisch gesehen identisch mit dem synthetischen Produkt, weshalb der natürlich erzeugte Farbstoff aus Kostengründen in der industriellen Praxis kaum mehr eine Rolle spielt. Natürlicher Indigo wird übrigens auch von einer bestimmten Mutante des Pilzes Schizophyllum commune erzeugt; weitherhin ist es neben 6,6´-Dibromindigo im Antiken Purpur (von der Purpurschnecke gebildet) enthalten. Beschreibung: Indigo, synthetisch Indigo erscheint in Form von tief dunkelblauen Kristallen mit kupferrotem Glanz bzw. als dunkelblaues, körniges Pulver im Handel. In Wasser (auch in siedendem), Ethanol, Diethylether und auch in verdünnten Mineralsäuren ist der Farbstoff praktisch unlöslich. Zwar löst sich der Farbstoff in Nitrobenzol, Anilin und in geschmolzenem Naphthalin oder Phenol langsam auf, doch können solche Lösungen für die Färberei verständlicherweise nicht verwendet werden. Lediglich konzentrierte Schwefelsäure vermag Indigo unter Sulfonierung zu lösen, wobei bei kaltem Ansatz eine grüne, bei Erwärmen eine blaue Lösung entsteht. Indigo ist ab ca. 300 °C sublimierbar und zersetzt sich oberhalb 390 °C. Anwendung Indigo ist ein traditioneller und wertvoller Textilfärbestoff. Er ist ein sogenannter "Küpenfarbstoff", da Indigoblau vor dem Färbevorgang erst in eine lösliche Form überführt werden muß (diese Lösung ist nur schwach gelb gefärbt und heißt Küpe). Die Bildung der löslichen Form erreicht man durch Reduktion des blauen Farbstoffs mit Natriumdithionit in alkalischer Umgebung. Die farblose Form heißt Indigoweiß oder Leukobase (Dihydroindigo). VERSUCH: Herstellung einer Indigo-Färbeküpe Für Färbezwecke muß Indigo durch Reduktion in eine lösliche Form überführt werden. Die Anfertigung einer solchen "Küpe" wird im Folgenden beschrieben: - Indigo gepulv. 5 g - Ethanol ca. 2,5 ml - Wasser, erwärmt 150 ml - Natronlauge, konz. 6,5 ml - Natriumdithionit 7,5 g Man rührt den gepulverten Farbstoff mit der angegebenen Menge Ethanol zu einer Art "Teig" an und gibt diesen in ein vorbereitetes Becherglas, welches das warme, am besten vorher abgekochte Wasser enthält. Die Mischung wird gut verrührt und die abgemessene konz. Natronlauge vorsichtig hinzugefügt (Nicht mit dem Mund ansaugen, Schutzbrille!). Am Schluß streut man das Natriumdithionit in einer Menge in die Suspension. Nun ist darauf zu achten, den Ansatz möglichst vorsichtig und LANGSAM durch Rühren mit einem Glasstab zu durchmischen, um die Küpe möglichst wenig dem Luftsauerstoff auszusetzen. Bald hellt sich die Färbung der Lösung auf, um beim nachfolgenden Erwärmen auf etwa 50 bis 60 °C (Wasserbad, Temperaturkontrolle!) gelblich zu werden. Die Oberfläche der Küpe zeigt bald eine deutliche, metallisch-schimmernde Blaufärbung, da die farblose reduzierte Form durch den Sauerstoff der Luft wieder zu Indigo oxidiert wird. Dieser Vorgang läßt sich noch deutlicher zeigen, wenn man ca. 5 ml der Küpe mit etwa 100 ml frischem Leitungswasser schüttelt - das Wasser enthält genügend gelösten Sauerstoff, um die ganze Mischung "indigoblau" zu färben! Es ist daher auch möglich, mit der relativ farblosen Küpenlösung Sauerstoffgas analytisch nachzuweisen: Entwickelt man in einem Kolben mit aufgesetztem Glaswinkelrohr aus verd. Wasserstoffperoxidlösung und Braunstein Sauerstoff und leitet diesen in ein Reagenzglas mit der Küpe ein, so tritt alsbald die bekannte blaue Färbung auf.

88 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Die Färbung von Textilfasern und Wolle ist mit der oben beschriebenen Färbeküpe grundsätzlich möglich, jedoch ist die Konzentration der Bestandteile für diese Anwendung recht hoch. Es genügt, mit einer verdünnten Färbelösung zu arbeiten, die man wie folgt ansetzen kann: 3 L Wasser weden in einem älteren Topf bei 50 bis 60 °C gehalten. Dazu gibt man 3 ml Ammoniaklösung 25% (dieser Ammoniakzusatz wurde von den frühen Färbern durch abgestandenen Urin ersetzt!), 2 g gepulvertes Natriumdithionit und anschließend vorsichtig (ohne Luft einzurühren!) 150 ml der konzentrierten Küpe. Die Färbelösung wird für 15 Minuten bei der angegebenen Temperatur gehalten. Das zu färbende Garn (z.B. Wolle) wird angefeuchtet und dann langsam in den Sud eingelegt. Nach abermaligem 15minütigem Warten kann die Wolle herausgezogen werden, wobei sich die Fasern durch den Sauerstoffzutritt sofort merklich färben. Die Färbung verdunkelt sich danach zusehends, besonders wenn man die Wolle auf einer geeigneten Unterlage locker ausbreitet, bis sie schließlich das bekannte Indigoblau erreicht hat. Die gefärbten Fasern müssen mehrmals mit klarem Wasser ausgespült werden, wobei einem "Spülgang" etwas Essig zugesetzt werden sollte. Die Küpe bitte nicht gleich verwerfen, denn sie läßt sich noch mindestens für drei weitere Färbedurchgänge benutzen. Um die Reibungsfestigkeit des aufgebrachten Farbstoffs zu erhöhen, kann man den 3 Litern Wasser 3 g (vorher einen Tag lang in etwas Wasser eingeweichten) Perlleim hinzugeben. Indigotine E312 Blauwe kleurstof, die van nature voorkomt in de heester Indigofera tinctoria , maar commercieel wordt het synthetisch bereid. Blauwe kleurstof. Zeer goed oplosbaar in water. Acceptabele dagelijkse inname (ADI) :Tot 5 mg/kg lichaamsgewicht. Zeer weinig bijwerkingen in de gebruikte concentraties. Een zeldzame bijwerking is een sterke allergische reactie doordat de stof zich aan lichaamseiwitten kan binden. Het kan ook histamine vrijmaken. Dieetbeperkingen : Geen. E132 kan gebruikt worden door alle religies, vegetariërs en veganisten.

Indole-3-Carbinol
Zie ook glucosinolaten Synonyms: I3C, 3-hydroxymethyl indole, 3-indole methanol Description: Pure indole-3-Carbinol is an off-white solid belonging to the group of indoles. Indole-3-carbinol is only formed in these vegetable after crushing or during cooking. Distribution: The phytochemical indole-3-carbinol is found in cruciferous vegetables such as cabbage, cauliflower, broccoli, kale and brussels sprouts. Indole-3-carbinol is made from indole-3-glucosinolate by the enzyme myrosinase. This enzyme is only activated after maceration of the vegetables. Action of Indole-3-Carbinol: Indole-3-carbinol is a strong antioxidants and stimulators of detoxifying enzymes. Indole-3-Carbinol seems to protect the structure of DNA. Indole-3-carbinol blocks estrogen receptor sites on the membranes of breast and other cells, thereby reducing the risk of breast and cervical cancer. Indole-3-carbinol increases the ratio of 2-hydroxyestrone to 16 alphahydroxyestrone and inhibits the 4-hydroxylation of estradiol. This is a favourable action of indole-3-carbinol because 16 alpha-hydroxyestrone and 4hydroxyestrone have carcinogenic action. The estrogen metabolite 2hydroxyestrone has protective against several types of cancer. Studies with animals have demonstrated that indole-3-carbinol reduced the carcinogenic affects of aflatoxins. The influence of indole-3-carbinol on the development of prostate cancer is less clear. Most studies report protective effects but a few studies indicate that indole-3-carbinol may promote prostate cancer formation. Indol-3-carbinol protects against carcinogenic effect of pesticides and other toxins.

89 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Research Reviews: * Preventive Effects of Indole-3-Carbinol on Endometrial Carcinogenesis in Mice * Synergy among Phytochemicals within Crucifers: Does It Translate into Chemoprotection?

Inuline (zie ook fructanen, FOS)
komt voor in de wortels van cichorei, aardpeer, dahlia, paardenbloem, schorseneer en artisjok. Het wordt opgeslagen in de vacuole van de plantencellen en is net als zetmeel een reservestof voor de plant. De stof is in 1804 ontdekt in de plant Alant (Inula). Inuline bestaat uit een keten van twee tot meer dan zestig fructosemoleculen met aan het eind van de keten een glucosemolecuul en is dus een polysaccharide. De bijna smaakneutrale stof heeft een witte kleur en is vrij goed in water oplosbaar. Inuline wordt niet door de dunne darm opgenomen, omdat bij de mens het enzym inulase niet aanwezig is. In de endeldarm wordt inuline door bacteriën afgebroken tot vetzuren met korte ketens. De bacteriën produceren hierbij gas, waardoor winderigheid optreedt. Gebruik Inuline kan door hydrolyse verwerkt worden tot fructose. Ook kan inuline gebruikt worden als vet- en als vezelvervanger en zo overgewicht tegen gaan. Inuline wordt als glucosevervanger gebruikt bij de behandeling van suikerziekte (Diabetes mellitus). Inuline en oligofructose hebben eveneens een regulerende darmwerking, waarbij een groter effect wordt waargenomen bij proefpersonen met een natuurlijk lagere stoelgangfrequentie, dan bij vrijwilligers met een bijna normaal patroon. Bij ouderen ziet men met de leeftijd een verandering van de darmflora, waardoor bifidusbacteriën kunnen verdwijnen en vervangen worden door lactobacilli, enterococci, enterobacteria en clostridia. Deze wijziging van de balans kan leiden tot pathologische toestanden zoals kanker en een verhoging van de productie aan toxinen. Toevoeging van inuline kan een gezonde darmflora herstellen. Kleessen et al. (1) merkten na het toedienen van inuline een stijging van bifidusbacteriën (hoofdzakelijk Bifidobacterium adolescentis, B. Longum, B. bifidum; weinig B. catenulatum, B. angulatum, B. infantis ), terwijl enterococci en enterobacteria daalden. De verbetering van de stoelgang is te wijten aan verschillende factoren zoals een stijging van faecaal materiaal, een verbeterde fermentatie door de aanwezigheid van inuline en oligosacchariden en een verbetering van de bacteriële werking door een aangepaste oplosbaarheid van het milieu. Deze buitengewone en onmiddellijke werking van inuline en oligofructose wordt in het algemeen onderschat. Voedingsmiddelen verrijkt met deze vezels lijken zeer interessant te zijn om een veel voorkomend probleem op zachte en natuurlijke wijze op te lossen. Referenties : 1. Kleessen B, Sykura B, Zunft HJ, et al. Effects o f inulin and lactose on fecal microflora, microbial activity and bowel habit in elderly constipated persons. Am J Clin Nutr 1997;65:1397-1402. 2. Den Hond, Geypens B, Ghoos Y. Effect of high performance chicory inulin on constipation. Nutr Res 2000;20:731-736. Onderzoek thesis Karen Geboes Katholieke Universiteit Leuven De laatste jaren bestaat er een groeiende overtuiging dat een gezond colonmilieu essentieel is voor het welzijn van de mens. Vermoedelijk is hierbij de balans tussen metabolieten van koolhydraatfermentatie en eiwitfermentatie van zeer groot belang. Bacteriële fermentatie van koolhydraten resulteert in de vorming van korte keten vetzuren die een belangrijke energiebron vormen voor de colonocyt. Fermentatie van eiwitten leidt daarentegen tot het ontstaan van ammonia, mercaptanen, indol- en phenolderivaten en nitrosamides, producten die 90 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

in verband gebracht worden met het ontstaan van ziekten, waaronder bijvoorbeeld colontumoren. Er is echter weinig geweten over de precieze metabole reacties die zich afspelen in het colon en de factoren die dit metabolisme beïnvloeden, omwille van de slechte toegankelijkheid van het colon en het ontbreken van een geschikte methodologie. Karen Geboes probeerde in deze om aan de hand van metabolieten gemerkt met stabiele isotopen een beter inzicht te verwerven in de afbraak van proteïnen en aminozuren, en in het stikstofmetabolisme in het colon en de mogelijkheid om dit metabolisme te manipuleren door het stimuleren van koolhydraatfermentatie. In een eerste deel van dit werk werden de eigenschappen van inuline, een fermenteerbaar koolhydraat, bestudeerd. De goede fermenteerbaarheid en de afwezigheid van effecten op de digestie en transit in de dunne darm maakten inuline geschikt als koolhydraat om de proteïnenfermentatie en het stikstofmetabolisme te manipuleren. Bovendien bleek dat inuline ook uitermate geschikt is als substraat in een waterstofademtest voor de bepaling van de orocaecale transittijd. In een volgend deel werd het normale metabolisme van de gemerkte substraten, met name 15N-lactose ureide en [2H4]-tyrosine, bestudeerd in gezonde vrijwilligers en werd onderzocht in welke mate toediening van inuline een invloed had op dit metabolisme. In deze experimenten werd eerst een coloninstillatie als opstelling gebruikt om interferentie van processen in het proximaal gastrointestinaal stelstel uit te sluiten. Later werden de effecten van gelijktijdige en habituele inname van inuline op het metabolisme van de markers geëvalueerd bij gezonde vrijwilligers in een orale proefopstelling. Uit alle experimenten waarbij inuline gelijktijdig werd toegediend met de gemerkte substraten is duidelijk gebleken dat fermentatie van inuline leidt tot een verhoogde opname van stikstof in de bacteriën, waardoor minder potentieel toxisch ammonium in contact komt met het colonepitheel. Anderzijds bleek ook de productie van het phenolderivaat p-cresol gedaald te zijn, waaruit kon worden besloten dat de afbraak van proteïnen werd onderdrukt. Habituele inname van inuline veroorzaakt een verandering in de samenstelling van de bacteriële flora, waarbij ook wijzigingen in het bacterieel metabolisme kunnen verwacht worden. Er werden echter geen duidelijke effecten op het stikstof- en eiwitmetabolisme weerhouden in het experiment met systematische toediening van inuline.

Iridoïden, iridoïdglycosiden
Zie ook glycosiden Iridoide liegen in der Pflanzenzelle häufig als Glycoside vor, das heißt, sie sind häufig über eine O-glykosidische Bindung an ein Monosaccharid insbesondere D-Glucose - gebunden. Als Glycosid entfalten sie für die Pflanze selbst keine toxische Wirkung, da sie als gut wasserlösliche Substanzen wie viele andere sekundäre Pflanzeninhaltsstoffe wahrscheinlich in der ZellsaftVakuole gespeichert werden. Durch die Kompartimentierung innerhalb der Pflanzenzelle wird vermieden, dass die Glycoside mit Enzymen in Verbindung kommen, welche den kovalent gebundenden Zucker abspalten können und damit die Iridoide aktivieren. Tatsächlich besitzen Pflanzen, die toxische Glycoside synthetisieren, häufig ein "passendes" Enzym, welches die entsprechenden Glycoside mit einer hohen Affinität umsetzt. Wird die Pflanze nun von Fressfeinden befallen (Herbivorie), wird durch das Fressen die Kompartimentierung innerhalb der Pflanzenzellen aufgehoben, indem das Pflanzengewebe zerstört wird. Glycosidasen, welche oftmals in der Plasmamembran gebunden vorliegen, können jetzt mit den aus der Vakuole freigesetzten Iridoidglycosiden in Berührung kommen. Das Monoterpen wird von dem Zuckermolekül durch enzymatische Katalyse hydrolytisch abgespalten und das toxische Aglykon wird freigesetzt. Das Aglykon ist biologisch aktiv. Durch die Freisetzung des Aglykons werden die Eiweiße in nächster Umgebung denaturiert, und verlieren so ihren Nährwert.

91 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Typische Iridoide Zu den typischen Iridoiden gehören beispielsweise Aucubin und Catalpol aus Spitzwegerich (Plantago lanceolata) sowie Loganin aus Bitterklee. Iridoids are found in many medicinal plants and may be responsible for some of their pharmaceutical activities. Isolated and purified, iridoids exhibit a wide range of bioactivities including cardiovascular, antipheptotoxic, chlorectic, hypoglycemic, anti-inflammatory, antispasmodic, antitumor, antiviral, immunomidulator and purgative activities. Didna, B., Debnath, S., Harigaya, Y. "Naturally Occurring Iridoids. A Review, Part 1." Chem. Pharm. Bull. 55(2) 159-222 (2007). exciting activity on cats aphid pheromones feeding stimulants for some butterflies, e.g., checkerspot butterflies on iridoid containing plants sequestered by larvae of some insects that feed on Penstemon species, for example. medical .. Valeriana officinalis used as a sedative bitters .. mostly based on Gentiana species

The Functional Roles of Iridoid and Ionone Type Glycosides in the Attractive and Ecstasizing Plants for Felids Fujio Murai and Motoko Tagawa Aichi Medical University , Laboratory of Chemistry Yazaku, Nagakute-cho, Aichi-gun Aichi 480-11, Japan Summary Actinidia polygama , Boschniakia rossica, Nepeta cataria and Menyanthes terifoliata are all the attractive and ecstasizing for felids, even though these plants belong to different taxonomic families. The compounds from Actinidia polygama , that attract felids, are isoiridomyrmecin, isodihydronepetalactone, and 8,9-isodehydroiridomyrmecin, with other d-lactones are artifacts. In addition, several C9, C10- d-lactones are present in the other three plant species. These iridoid glycosides, as the precursors of the lactones are iridodialogentiobioside isolated from Actinidia polygama : boschnaside, boschnaloside and (8 R)-epideoxyloganic acid from Boschniakia rossica and (8S)deoxyloganic acid from Menyanthes trifoliata . Their structures have been elucidated. Besides 1,5,9-epideoxyloganic acid, the nepetariaside and nepetaside glucosides, were obtained from Nepeta cataria . The functional roles of iridoid glycosides can be explained as follows. Whenever it becomes necessary for a plant to defend itself (for example, invasion by a microorganism), the volatile fraction formed through the enzymatic decomposition of the glycosides evaporates into the air through leaves, and exhibits its physiological activities. Gastrointestinal Modifiers: Bitters / Iridoids and Secoiridoids Zie ook bitterstoffen Bitters (bitter principles) are a heterogeneous group of naturally occurring compounds, marked by their strong bitter taste and therapeutic importance rather than a chemical classification. "Bitterness value" is a rating system based on the amount of water in which a one gram extract of the compound can be diluted into and still retain a bitter taste. For example, if 1 gram in 20,000 milliliters of water can just be tasted then the bitterness value is rated as 20,000. Gentian root extract for example has a bitterness value of 58,000,000. (Samuelson G, 1992. 153.) chemistry of bitters: The "classic bitters" are a widespread group of monoterpene glycosides known as the iridoid and secoiridoid glycosides found especially in the Gentianaceae. 92 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Most iridoids exist as glycosides, with a sugar molecule condensed to the lactone ring. Some bitter iridoid compounds exist in the free non-glycosidic form - e.g., the valepotriates of Valeriana spp. (Valerian root). Other bitters belong to the sesquiterpene series, or are of miscellaneous chemical structure such as the cyanogenic glycosides. Most alkaloids are bitter tasting: berberine from Hydrastis (Goldenseal) and Mahonia (Oregon Grape), caffeine from Coffea, and quinine from Cinchona spp. being characteristic. Rudolf Weiss distinguishes between "classical bitters" such as Gentian, and "warming pungent" bitters, such as Ginger or "aromatic" bitters such as Chamomile and Yarrow. (Weiss R. 1988, 39.) pharmacology of bitters: Bitters act rapidly on the gastro-intestinal system as a general stimulatory "tonic." Secretion is stimulated and they increase, probably by vagal reflex action, the production of gastrin, pepsin and CKK. The net result is improvement in appetite and digestion. Salivary, gastric, duodenal, hepato-biliary, and pancreatic secretions are all stimulated. Sphincter tone is increased, particularly that of the lower esophageal sphincter. Bitter herbs may have other activities, including sedative, anti-inflammatory, vulnerary, hypotensive, antipyretic and anti-depressant. Using herbs with combined actions, such as bitter-sedatives is a standard therapeutic practice in herbal medicine. (Mills SY. 1991, 323.) overview of pharmacokinetic interactions: • mechanisms: In general, bitter herbs will increase gastric acidity which may modify the bioavailability of medications. This depends on the pK values of the particular drug. The general increase in digestive function may lead to heightened absorption of concurrently ingested pharmaceutical drugs. This could theoretically alter the toxicity of a particular dose level of a given drug. Bitters also stimulate bile production and secretion, and to a degree may stimulate other aspects of hepatic metabolism thus further modifying pharmacokinetics of drug metabolism. • research: Studies and/or adverse reports on the pharmacokinetic interactions of bitter herbs with drugs are not available. • herbal concern: Bitters may increase absorption of concurrently ingested medications Common herbs with significant bitter value:(including alkaloidal, warming and pungent bitters) • Achillea millefolium (Yarrow) • Harpagophytum procumbens (Devil's • Acorus calamus (Sweet flag) Claw) • Angelica archangelica (Angelica) • Hydrastis canadensis (Goldenseal) • Artemisia absinthium (Wormwood) • Inula helenium (Elecampane) • Artemisia annuum (Sweet Annie) • Lactusa virosa (Wild Lettuce) • Berberis vulgaris (Barberry) • Mahonia spp. (Oregon Grape Root) • Centaurea spp. (Centaury) • Matricaria recutita (Chamomile) • Cichorium intybus (Chicory) • Menyanthes trifoliata (Bogbean) • Cinchona spp. (Quinine) * • Nepeta cataria (Catnip) • Coffea arabica (Coffee) • Strychnos nux-vomica (Nux vomica) * • Cnicus benedictus (Holy Thistle) • Taraxacum officinale (Dandelion) • Cynara scolymus (Artichoke) • Valeriana officinalis (Valerian) • Gentiana lutea (Gentian) • Zingiber officinale (Ginger) *toxic

Isoflavonen

Zie ook flavonoïden,fyto-oestrogenen De rol van isoflavonen wordt meer en meer erkend en is momenteel het onderwerp van vele onderzoeken. De isoflavonen blijken een beschermende invloed te hebben bij het voorkomen van hormoonafhankelijke kankers zoals borstkanker.

93 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Isoflavonen hebben een gelijkaardige structuur als die van de het vrouwelijke oestrogeen en zijn in staat om zich op oestrogeenreceptoren van cellen te fixeren die agonistisch en/of anti-agonistisch werken. Isoflavonen kunnen de werking van oestrogenen verzwakken door te binden op de oestrogeen receptorplaatsen. Sommige risico's verbonden met een hoog oestrogeen gehalte kunnen op deze manier worden verminderd. Anderzijds kunnen isoflavonen de werking van oestrogenen versterken. Bv. als tijdens de menopauze het gehalte van oestrogeen daalt, compenseren de isoflavonen dit door zich aan de oestrogeen receptorplaatsen te binden en een zwakke oestrogene werking uit te voeren, met als resultaat een verlichting van de menopauze symptomen. Isoflavonen hebben positieve effecten op de gezondheid. Wetenschappelijke onderzoeken hebben verschillende gezondheidsbevorderende eigenschappen van isoflavonen aangetoond. De volgende gezondheidsvoordelen worden toegeschreven aan isoflavonen: * Het verminderen van menopauzeklachten - De voordelen van soja gaan verder dan het verminderen van kankerrisico op lange termijn. Recente studies hebben aangetoond dat soja isoflavonen opvliegers tijdens menopauze kunnen verminderen en de botdensiteit van oudere vrouwen op peil kunnen houden. Vele klachten van de menopauze en postmenopauze kunnen verminderd worden als men soja isoflavonen inschakelt in het dieet. Hoewel de studieresultaten niet volledig gelijklopen, is het toch opmerkelijk dat isoflavonen van soja of rode klaver een positief effect hebben op klachten in verband met de menopauze. Een studie die door de "Test Gezondheid" in 2004 werd uitgevoerd onderzocht het voorschriftgedrag van 27 artsen voor vrouwen met menopause symptomen. Het toonde aan dat de isoflavoon tweemaal (44%) zo vaak zoals hormonale behandeling (22%) werden geadviseerd. De voorgeschreven supplementen werden hoofdzakelijk gemaakt van soja, zwarte overschoen en hop. * Verminderen van hartkwaalrisico - Soja isoflavonen schijnen de risico's op hart- en vaatziektes via verschillende mechanismen te kunnen verminderen. De isoflavonen remmen de aderverkalking waardoor de kans op een hartaanval verkleint. Uit een overzicht van 38 gecontroleerde studies over soja en hartkwalen blijkt dat soja absoluut efficiënt is om het cholesterolprofiel te verbeteren. * Bescherming van prostaat - De inname van producten, rijk aan isoflavonen, kan het risico op de vorming van prostaatkanker verkleinen. Studies tonen aan dat isoflavonen de kankergroei van de prostaat vertraagt en ertoe leidt dat kankercellen van de prostaat afsterven. De isoflavonen reageren op kankercellen op dezelfde manier als vele algemene geneesmiddelen voor de behandeling van kanker. * Isoflavonen verbeteren de botdichtheid - Soja isoflavonen verbeteren de botdichtheid en helpen om osteoporose te voorkomen. Dit is de reden waarom de mensen in China en Japan zeer zelden last hebben van osteoporose, ondanks hun lage consumptie van zuivelproducten, terwijl in Europa en Noord-Amerika het tegendeel gebeurt. In tegenstelling tot oestrogeen, die alleen de botontkalking verhindert, wordt aan de hand van bewijsmateriaal gesuggereerd dat isoflavonen ook een rol spelen in het aanmaken van nieuw beenweefsel. Niet alle studies boeken dezelfde resultaten, maar het bewijsmateriaal maakt duidelijk dat genisteïne en andere soja isoflavonen kunnen bijdragen om osteoporose te verminderen. * Verminderd kankerrisico - De werking van isoflavonen tegen kankercellen is gelijkaardig aan dat van vele algemene kanker behandelende geneesmiddelen. Studies op bevolkingsgroepen tonen een duidelijk verband aan tussen de consumptie van isoflavonen en een verminderd risico op borst- en darmkanker. De vrouwen die de meeste sojaproducten en ander voedsel rijk aan isoflavonen aten verminderden hun risico van darmkanker met 54%

Isoflavonen behoren tot de fytochemicaliën, plantaardige stoffen die geen voedingswaarde bezitten maar toch gezondheidsbevorderende eigenschappen bezitten. De beste en gemakkelijkste manier om isoflavonen in te nemen is het nuttigen van sojaproducten. De sojaboon (Glycine max) bevat een hoog gehalte aan isoflavonen, vooral daïdzeïne en genisteïne, maar bevat tevens andere gunstige

94 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

bestanddelen, zoals eiwitten, mineralen, vitamines en vezels. De hoogste gehaltes aan isoflavonen worden gevonden in geroosterde sojabonen en tempeh. Isoflavonen zijn vrij stabiel, tijdens normale kookprocessen worden de isoflavonen niet afgebroken. De meeste gezondheidsvoordelen die worden toegeschreven aan soja zijn te danken aan isoflavonen. Uit studies is gebleken dat de consumptie van sojabonen of ander voedsel dat isoflavonen bevat gunstige gevolgen heeft voor de gezondheid. Een andere bekende bron van isoflavonen is rode klaver. In tegenstelling tot sojabonen wordt de rode klaver niet of zelden als voedsel gegeten maar de isoflavonen kunnen eruit worden geïsoleerd en in isoflavonen supplementen worden verwerkt. Isoflavonen zijn natuurlijke antioxidantia De antioxiderende eigenschappen van isoflavonen kunnen vergeleken worden met deze van vitamine E. De antioxiderende eigenschappen van isoflavonen kunnen het langetermijn risico op kanker verminderen door de schade veroorzaakt door de vrije radicalen op het DNA te verminderen. Onder de soja isoflavonen is genisteïne het meest effectieve middel tegen oxidatie, gevolgd door daïdzeïne. Soja-eiwit ook effectief bij obesitas Inmiddels is het algemeen aangetoond dat soja-eiwit een gunstig effect heeft op cardiovasculair vlak*. Dit positief effect wordt verkregen doordat soja-eiwit de verschillende bloedlipiden (LDL-, HDL- & totaal cholesterol en triglyceriden) gunstig beïnvloedt. Het metabool syndroom is een aandoening waarbij verschillende risicofactoren (o.a. obesitas, insulineresistentie, hoge bloeddruk en verstoorde bloedlipiden) samen voorkomen. Een te hoog gehalte aan triglyceriden (vetten in het bloed) en visceraal vet (het vet dat de organen in het maag- en buikgebied omvat) zijn hierbij belangrijke factoren. Japanse onderzoekers hebben het effect van ßconglycinin, een soja-eiwit, op het triglyceridengehalte in het bloed en op het visceraal vet onderzocht. Om het effect te bestuderen op de triglyceriden werden 138 vrijwilligers tussen 26 en 69 jaar met verhoogde triglyceriden opgedeeld in twee groepen, een testgroep en een placebogroep. De 69 personen uit de testgroep kregen dagelijks ß-conglycinin, dit gedurende twaalf weken. De 69 personen uit de placebogroep kregen gedurende dezelfde periode elke dag melk-eiwit. Elke vier weken werden bloedstalen afgenomen bij alle deelnemers en werd het gehalte aan triglyceriden bepaald. De onderzoekers stelden vast dat het gehalte aan triglyceriden in de testgroep significant gedaald was, terwijl in de placebogroep geen veranderingen werden waargenomen. 102 andere vrijwilligers tussen 26 en 69 jaar namen deel aan het onderzoek om het effect van soja-eiwit te bepalen op het visceraal vet. Deze deelnemers hadden allen te kampen met overgewicht (BMI tussen 25 en 30). Ze werden opgedeeld in twee groepen: een testgroep die soja-eiwit toegediend kreeg en een placebogroep die een melk-eiwit moest innemen gedurende twintig weken. De verandering in visceraal vet werd nagegaan door een CT scan (computed tomography scan). Ook hier stelden de onderzoekers een significante daling vast bij het soja-eiwit, terwijl dit niet het geval was bij de placebogroep. Op basis van deze studie besluiten de onderzoekers dat het soja-eiwit ßconglycinin effectief is voor het verlagen van een te hoog gehalte aan triglyceriden en ook helpt bij obesitas. Meer lezen? Kohno M, Hirotsuka M, Kito M, Matsuzawa Y. Decreases in Serum Triacylglycerol and Visceral Fat Mediated by Dietary Soybean beta-conglycinin. J Atheroscler Thromb 2006;13:247-55. Nieuwe studie toont aan dat soja-isoflavonen gunstig effect hebben bij eierstokkanker Eierstokkanker is wereldwijd de zesde meest voorkomende en de zevende meest dodelijke vorm van kanker bij vrouwen. Geografische verschillen in incidentie wijzen erop dat factoren zoals gedrag en voeding mogelijk een rol kunnen spelen bij de ontwikkeling van eierstokkanker. Een nieuwe studie onderzocht de relatie tussen een aantal voedingsfactoren en de ontwikkeling van eierstokkanker. Voor dit onderzoek werden 97.275 vrouwen geselecteerd uit de California Teachers Study. Om zicht te krijgen op de 95 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

voedselinname van de deelneemsters, moesten alle vrouwen een voedselfrequentievragenlijst invullen vóór aanvang van de studie. Op deze manier werd de inname van meer dan 103 voedingsmiddelen nagegaan. Na een opvolgperiode van zeven jaren werd bij 280 vrouwen invasieve of borderline eierstokkanker vastgesteld. Via statistische analyse werd nagegaan of er associaties bestonden tussen de voedingsmiddelen en de kans op het ontwikkelen van eierstokkanker. De onderzoekers stelden vast dat vrouwen die meer dan 3 mg isoflavonen (een natuurlijk bestanddeel in soja) per dag consumeerden 44 procent minder kans hebben op eierstokkanker in vergelijking met vrouwen die minder dan 1 mg isoflavonen per dag consumeerden. De vaststelling dat eierstokkanker veel minder vaak voorkomt in Aziatische landen waar de sojaconsumptie hoger is, sluit hierbij aan. Voor geen van de overige voedingsmiddelen konden de onderzoekers een significante relatie terugvinden. De onderzoekers besluiten hieruit dat de consumptie van isoflavonen het risico op het ontwikkelen van eierstokkanker doet dalen en dat het weinig waarschijnlijk is dat andere voedingsmiddelen een rol spelen. Meer informatie: Chang ET, Lee VS, Canchola AJ et al. Diet and Risk of Ovarian Cancer in the California Teachers Study Cohort. Am J Epidemiol 2007

L Lecitine
Biological Activities AntiTourette's Dosage: 20-50 g/man/day/orl; Antialzheimeran Dosage: 40-100 g/man/day/orl; Antiataxic Anticirrhotic Antidementia Antidyskinetic Dosage: 40-80 g/man/day/orl; Antieczemic Antilithic Antimanic Antimorphinistic Antioxidant Synergist Antipsoriac Antisclerodermic Antiseborrheic Antisprue Antitumor (Lung) Cholinergic Hepatoprotective Hypocholesterolemic Dosage: 20-30 g/man/day Lipotropic Plant species with highest amount Bertholletia excelsa BONPL. -- Brazilnut, Brazilnut-Tree, Creamnut, Paranut; 60,000 - 105,000 ppm in Seed; Mucuna pruriens (L.) DC. -- Cowage, Velvetbean; 100,000 ppm in Seed; Taraxacum officinale WEBER EX F. H. WIGG. -- Dandelion; 29,700 ppm in Flower; Papaver somniferum L. -- Opium Poppy, Poppyseed Poppy; 28,000 ppm in Seed; Glycine max (L.) MERR. -- Soybean; 15,000 - 25,000 ppm in Seed; Vigna mungo (L.) HEPPER -- Black Gram; 16,000 ppm in Seed; Linum usitatissimum L. -- Flax, Linseed; 8,800 ppm in Seed; Arachis hypogaea L. -- Groundnut, Peanut; 5,000 - 7,000 ppm in Seed; Carya ovata (MILL.) K. KOCH -- Shagbark Hickory; 5,000 ppm in Seed Oil; Cucurbita pepo L. -- Pumpkin; 4,000 ppm in Seed; Helianthus annuus L. -- Girasol, Sunflower; 385 - 2,300 ppm in Seed; Prunus domestica L. -- Plum; 1,500 ppm in Seed; Fragaria spp -- Strawberry; 620 ppm in Fruit; Sesamum indicum L. -- Ajonjoli (Sp.), Beni, Benneseed, Sesame, Sesamo (Sp.); 58 - 395 ppm in Seed;

96 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Alisma plantago-aquatica L. -- Mud Plantain, Tse-Hsieh, Water Plantain, Ze-Xie; in Rhizome; Althaea officinalis L. -- Marshmallow, White Mallow; in Root; Artemisia cina BERG. -- Levant Wormseed; in Flower; Daucus carota L. -- Carrot; in Root; Juglans regia L. -- English Walnut; in Seed; Lupinus albus L. -- White Lupine; in Seed; Malus domestica BORKH. -- Apple; in Plant; Oryza sativa L. -- Rice; in Plant; Persea americana MILLER -- Avocado; in Fruit; Pisum sativum L. -- Pea; in Seed; Polygonum multiflorum THUNB. -- Chinese Cornbind, Chinese Knotweed, Fleeceflower, Fo Ti, He Shou Wu; in Root; Ricinus communis L. -- Castorbean; in Seed; Rosa canina L. -- Dog Rose, Dogbrier, Rose; in Seed; Sorbus aucubaria L. -- Rowan Berry; in Fruit; Spinacia oleracea L. -- Spinach; in Leaf; Trigonella foenum-graecum L. -- Alholva (Sp.), Bockshornklee (Ger.), Fenugreek, Greek Clover, Greek Hay; in Plant; Phytochemical Database, USDA - ARS - NGRL, Beltsville Agricultural Research Center, Beltsville, Maryland Sat Dec 11 11:47:55 EST 2004 James A. Duke Jim Duke Green Farmacy Garden 8210 Murphy Road Fulton, MD 20759 Lecithine 2 is een voedingsstof die door het lichaam wordt aangemaakt en die ook te vinden is in bepaalde levensmiddelen. Het is een fosfolipide (lichaamsvet). Lecithine bevat een stof die fosfatidylcholine heet. Deze stof wordt afgebroken tot de onmisbare voedingsstof choline. Eigenschappen en werking Lecithine is een belangrijk onderdeel van de celmembranen in het lichaam. Net als de andere fosfolipiden kan lecithine zowel in water als in vet oplossen. Fosfolipiden zijn bijzonder belangrijk omdat ze in vet oplosbare stoffen in en uit de lichaamscellen kunnen vervoeren. Bovendien helpt lecithine bij de aanmaak van choline, dat een onmisbare rol speelt in het lichaam, vooral in de hersenen. Choline wordt gebruikt voor de aanmaak van acetylcholine, een chemische stof in de zenuwen die van doorslaggevend belang is voor het goed functioneren van de hersenen. Behoefte U hebt waarschijnlijk geen lecithinesupplementen nodig omdat de lever voldoende lecithine maakt om in de behoefte daaraan te voorzien. Bovendien zit lecithine in talrijke levensmiddelen, zoals eieren, sojaproducten, lever en pinda's. Uit de meeste onderzoeken komt naar voren dat het geen zin heeft lecithinesupplementen te nemen. Gebleken is dat bijna alle lecithine die als supplement wordt gebruikt, in de darmen wordt afgebroken, zodat slechts weinig de lichaamsweefsels intact bereikt. Aanbevolen hoeveelheid Er is geen aanbevolen dagelijkse hoeveelheid voor lecithine omdat alle stoffen in lecithine door het lichaam zelf kunnen worden aangemaakt. Preparaten en natuurlijke bronnen Lecithinesupplementen zijn te koop in natuurwinkels en via internet in de vorm van 97 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

1. zuivere lecithine, die alleen fosfatidylcholine bevat, en 2. lecithinekorreltjes, waarin nog verscheidene andere stoffen zitten. Lecithine komt van nature voor in levensmiddelen. Bijzonder rijk aan lecithine zijn kalfslever, bloemkool, eigeel, linzen, sojaproducten, spliterwten en tarwekiemen. Gebruik van supplementen Er wordt beweerd dat lecithine een gunstig effect heeft op bepaalde aandoeningen. Lange tijd was het heel gebruikelijk lecithine aan te bevelen als natuurlijk middel tegen een hoge cholesterolspiegel. Uit de meeste onderzoeken is echter gebleken dat lecithine daar geen invloed op uitoefent. Mensen met een lever- of nierziekte overwegen soms het gebruik van lecithinesupplementen, maar ook bij deze aandoeningen is er geen afdoende bewijs dat dit zinvol is. Vanwege de rol die lecithine speelt bij het functioneren van de hersenen is men van mening geweest dat deze stof de symptomen van de ziekte van Alzheimer en andere psychische en neurologische stoornissen zou kunnen verlichten. Voor deze therapeutische werking van lecithine zijn de bewijzen echter niet eenduidig. Belangrijk om te weten Over het algemeen wordt lecithine veilig geacht, maar in grote hoeveelheden (meer dan 1500 mg per dag) kan lecithine nadelige effecten hebben. Bijwerkingen kunnen onder andere misselijkheid en maagklachten zijn. Soms kan het lichaam van mensen die veel lecithine innemen, een vislucht verspreiden. Mensen met astma kunnen ademhalingsmoeilijkheden krijgen als zij lecithinesupplementen gebruiken. Referenties The vital vitamin Book - Boots pharmacy www.nutritionfocus.com Human Nutrition and Dietetics - Garrow and James Understanding normal and clinical nutrition - Whitney, Cataldo and Rolfes. Lecithine verhoogt aanmaak groeihormoon 3 Lecithine en choline verhogen de aanmaak van groeihormoon. Dat blijkt uit een literatuuronderzoek door niemand minder dan Ergogenics' endocrien specialist: Dokter Bert.(0) Beide supplementen lijken uitstekend geschikt voor een combinatie met Sint Janskruid. Lecithine of choline kun je zien als precursoren voor acetylcholine: een neurotransmitter, net als dopamine en serotonine. Verhoogde spiegels van acetylcholine gaan samen met een verhoogde aanmaak van groeihormoon. Interessant? Dat dacht ik ook. Daarom heb ik het verder uitgezocht. Pharmacologen vonden sterke effecten met varianten van actelycholine. Zo ontdekten Japanse onderzoekers in de jaren zeventig bijvoorbeeld dat bij mannen die met een infuus cytidine diphosphate choline binnen kregen, de aanmaak van GH spectaculair steeg. Die stof koppelt aan dezelfde receptor als acetylcholine. De aanmaak van Prolactine ging omlaag of bleef constant. Een onderzoek naar de effecten van het supplement choline verliep echter teleurstellend. Tien gram choline bleek toen geen effect op de GH-afgifte bij normale mensen te hebben. Wel versterkte de dosis de GH-piek ten gevolge van Apomorphine. Apomorphine, de 'super-Viagra' die GHB in de sport naar de kroon gaat steken, werkt ongeveer als Sint Janskruid: de stof verhoogt de aanmaak van dopamine en stimuleert zo de aanmaak van GH. (Sint Janskruid verhoogt trouwens ook de concentratie van serotonine. Ook daar gaat een GH-verhogend effect van uit.) Samen met Sint Janskruid werkt choline waarschijnlijk dus wel. Hoge doseringen zijn daarbij wel nodig: je moet toch wel in de buurt van de tien gram komen. De GH-piek begint bij de proeven met injecties al na enkele minuten. Bij het orale gebruik van supplementen zal dat pas na een uur tot anderhalf uur het geval zijn. Beste tijd van inname is dus een half uur tot een uur voor voor de training, samen met Sint Janskruid. En eventueel ginkgo en vitamine C om het cortisol te remmen. In mijn onderzoekje stuitte ik op een paar 'maren'. De ene is zuiver theoretisch, de andere is voor jullie wel degelijk van belang.

98 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Alleen gezonde hersenen reageren positief op cholinergische prikkeling. Bij Alzheimerpatienten of mensen met hersenbeschadiging is de GH-piek door choline beduidend minder, of komt die later op gang dan bij gezonde mensen. Stresshormonen uit de cortisone-familie doen het effect van cholinesuppletie teniet, blijkt uit onderzoek van de hersenen van jonge ratten. Als de cortisonespiegel hoog is, remt de suppletie de afgifte zelfs. Schildklierhormoon T3 werkt weer de andere kant op: zonder T3 vindt de extra aanmaak van GH door choline niet plaats.(5) Met dat laatste punt zit ik een beetje mee in m'n maag. Sint Janskruid verhoogt in sommige proeven de aanmaak van cortisone en cortisol. Soms ook niet, en nooit veel. Maar zou het genoeg kunnen zijn om het toevoegend effect van cholinesuppletie teniet te doen? Ik weet het niet. Positief is weer wel dat Sint Janskruid misschien de aanmaak van T3-hormoon bevordert, zoals jullie laatst schreven. Verder zijn er natuurlijk de bijwerking van chronisch verhoogde acetylcholinespiegels, waarover jullie al eens schreven. Daar moet je natuurlijk voor alert zijn. Maar ik denk toch wel dat je dit goedje een maand lang kunt slikken zonder al te veel risico's te lopen.

Bronnen
1. Matsuoka T, Kawanaka M, Nagai K. Effect of cytidine diphosphate choline on growth hormone and prolactin secretion in man. Endocrinol Jpn 1978 Feb;25(1):557. 2. Lal S, Etienne P, Thavundayil J, Nair NP, Collier B, Rastogi R, Guyda H, Schwartz G. Effect of choline on central dopaminergic function in normal subjects. J Neural Transm 1981;50(1):29-37. 3. Thienhaus OJ, Zemlan FP, Bienenfeld D, Hartford JT, Bosmann HB. Growth hormone response to edrophonium in Alzheimer's disease. Am J Psychiatry 1987 Aug;144(8):1049-52. 4. Salvadorini F, Saba P, Forli C, Tusini G, Galeone F. Effect of cytidine diphosphate choline on growth hormone secretion in patients with brain or pituitary lesions. Endocrinol Jpn 1980 Jun;27(3):265-71. 5. Carmeliet P, Baes M, Denef C. The glucocorticoid hormone dexamethasone reverses the growth hormone-releasing properties of the cholinomimetic carbachol. Endocrinology 1989 May;124(5):2625-34. Uit ‘Ergogenics’

Lectinen
In rauwe peulvruchten zoals bonen, linzen, erwten en kapucijners, maar ook in sperziebonen en snijbonen, zitten zogenaamde lectinen. Dit zijn stoffen die schadelijk kunnen zijn voor mensen die bonen rauw eten. Rauwe of onvoldoende verhitte peulvruchten en bonen kunnen de werking van de darmen ernstig ontregelen en bij langdurige consumptie de nieren beschadigen. De symptomen van een dergelijke lectinevergiftiging zijn braken, koorts en lichte diarree. Soms treedt ook een daling van de bloeddruk op. Het nut van lectinen Het is niet helemaal duidelijk waarom lectinen in peulvruchten en bonen voorkomen. Lectinen beschermen de groente tegen aanvallen van bacteriën, schimmels of insecten. Ook kunnen ze mogelijk een rol hebben bij de productie en opslag van voedingsstoffen tijdens de rijping en ontwikkeling van groente. Niet alle lectinen zijn even giftig voor de mens. Lectinen in bonen zijn schadelijk terwijl lectinen in erwten en linzen praktisch ongevaarlijk zijn voor de mens. Weken en lang genoeg koken Lectinen worden onschadelijk door de verse bonen beetgaar te koken of de rauwe peulvruchten te weken en in tien tot twintig minuten gaar te koken. Bij roerbakken is het belangrijk sperziebonen en snijbonen gaar te laten worden. Peulvruchten en bonen die u diepgevroren koopt en peulvruchten en bonen in pot

99 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

of blik zijn al voldoende verhit. Daardoor zitten er geen schadelijke hoeveelheden van deze stoffen meer in de groente. Lectine sind Proteine oder Glycoproteine, die spezifisch an Zuckerreste von Zellwänden oder Zellmembranen binden. Lectine sind vor allem in Pflanzen weit verbreitet, insbesondere in den Samen. Zu den bekanntesten Lectinen gehören die Lectine aus Hülsenfrüchten (z.B. das Phasein aus Bohnen). Die am besten untersuchten pflanzlichen Lectine sind Concanavalin A (Con A) aus den Samen von Canavalia ensiformis sowie Phytohämagglutinin (PHA; Phaseolus vulgaris). Auch Kartoffeln enthalten Lectine. Diese haben besonders viele gebundene Zuckerreste. Lectinen zijn eiwitten. In gezuiverde vorm kunnen ze in een reageerbuis wel bloed laten klonteren. Sommige van die lectinen worden zelfs gebruikt voor bloedgroepbepalingen. Voor zover ze echter niet al door het proces van voedselbereiding hun werking verliezen, dan zorgt het spijsverteringsstelsel daar wel voor. Eiwitten worden in onze darmen ontleed in afzonderlijke aminozuren, en de darmwand laat weinig grote eiwitmoleculen (ketens van aminozuren) door. Alleen de lectinen uit tomaat, pinda en tarwekiemen dringen in meetbare maar overigens onschadelijke hoeveelheden door de darmwand.

Lentinan, beta-glucaan polysaccharide
Lentinan is a polysaccharide derived from the vegetative parts of the edible Japanese shiitake mushroom. It is the cell wall constituent extracted from the fruiting bodies or mycelium of L. edodes . The mushroom is synonymous with Cortinellus edodes (Berk.) S. Ito and Imai, Armillaria edodes (Berk.) Sacc. and Cortinellus shiitake (Takeda) Henn. 1 Lentinan is synonymous with Tricholomopsis edodes Sing. The light, amber fungi are found on fallen broad-leaf trees, such as chestnut, beech, or mulberry. They have decurrent, even or ragged gills, a stem, and are covered with delicate, white flocking. 2 Shiitake mushrooms are commonly sold in food markets in the Orient and are now widely available in the United States, Canada, and Europe. Lentinan is a complex polysaccharide that possesses immuno-stimulating antitumor properties. Lentinan was isolated from edible shiitake mushrooms that have been used in traditional oriental cooking and herbal medicine. Shiitake has been renowned in Japan and China as both a food and medicine for thousands of years. It is now commonplace throughout the world. Extracts of these mushrooms are now being incorporated into over-the-counter dietary supplements designed to improve the status of the immune system. Lentinan is found in very low concentrations in fresh shiitake mushrooms. In 1 study, 200 kg of fresh mushrooms yielded 31 g of lentinan (0.02%). Lentinan is a water-soluble, beta-1,3 glucan polysaccharide characterized by beta-1,6 branched glucan linkages. At least 5 additional polysaccharides have been isolated from L. edodes . Lentinan is a high molecular weight polysaccharide in a triple helix structure, containing only glucose molecules with mostly (1-3)-β-D-Glucan linkages in the regularly branched main chain with two β (1,6)-D-glucopyranoside branchings for every five β-(1,3)-glucopyranoside linear linkages.

Lignanen, fyto-oestrogenen in Lijnzaad
Vlaszaad of lijnzaad werd al geteeld in het oude Egypte. Het is een vezelachtige stof. De hele zaden zijn een bron van lignanen, een soort fytochemicaliën (chemische stoffen die in planten voorkomen). Lignanen zijn een precursor (voorstadium) van bepaalde fyto-oestrogenen. Dat zijn plantaardige stoffen waarvan de werking verwant is aan die van het vrouwelijke geslachtshormoon 100 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

oestrogeen en die de ontwikkeling van kanker zouden tegengaan. Lijnzaadolie is een rijke bron van essentiële vetzuren, alfa-linoleenzuur (een omega-3 vetzuur) en linolzuur (een omega-6 vetzuur). Uit dierproeven is naar voren gekomen dat lignanen mogelijk een beschermende werking hebben tegen kanker, vooral borstkanker. De oorzaak hiervan zou zijn dat lignanen in het lichaam worden omgezet in fyto-oestrogenen als enterolactone en enterodiol. Fyto-oestrogenen zijn milde oestrogeenachtige stoffen die de werking van het sterkere oestrogeen, dat van nature in het lichaam voorkomt zou blokkeren. De gebruikelijke dosering van lijnzaadsupplementen is twee- à driemaal daags één eetlepel zaden (heel of gekneusd), ingenomen met veel water. Van lijnzaadolie is de aanbevolen hoeveelheid één of twee eetlepels per dag. In de keuken kunt u lijnzaadolie het best koud gebruiken, bijvoorbeeld om sla aan te maken, want de heilzame bestanddelen ervan gaan gemakkelijk verloren door verhitting.

Limoneen,monoterpeen in etherische olie
Synonyms: Methyl-4-isopropenyl cyclohexene, Cajaputene, Carvene, Cinene, Dipentene, Efchole Description: Pure limonene is a clear liquid. Limonene is a monoterpene, made up of two isoprene units. Limonene occurs in two optically active forms, llimonene and d-limonen. Both isomers have different odours: l-limonene smells piney and turpentine like and d-limonene has a pleasing orange scent. Distribution: Limonene is found in the essential oils of citrus fruits and many other plant species. Industrial limonene is produced by by alkali extraction of citrus residues and steam distillation. This distillate contains more than 90% d-limonene. Action of Limonene: Studies have shown that limonene have anti- cancer effects. Limonen increase the levels of liver enzymes involved in detoxifying carcinogens. The Glutathione S-transferase (GST) is a system which eliminates carcinogens. Limonene seems to promote the GST system in the liver and small bowel, thereby decreasing the damaging effects of carcinogens. Animal studies demonstrated that dietary limonene reduced mammary tumor growth. Facts about Limonene: Limonene is also used as a solvent and cleaner. It can replace white spirit and other solvents.

Linalool, terpeenalcohol in etherische olie
Andere Namen: 3,7-Dimethyl-1,6-octadien-3-ol; 2,6-Dimethyl-2,7-octadien-6-ol; Licareol (R-Form), Coriandrol (S-Form) Vorkommen: Als freier Alkohol natürlicher Bestandteil von Coriander-, Rosenholz-, Linaloe- und Hoblätteröl; verestert in Bergamotte-, Lavendel-, Petitgrainölen u.a. Linalool ist eine klare, farblose und leicht bewegliche Flüssigkeit. Chemische und physikalische Kenndaten: Summenformel: C10H18O * Strukturformel: (CH3)2C=CHCH2CH2(OH)(CH3)CH=CH2 Molekülmasse Mr 154,25 g/mol Dichte d420 0,862 Brechungsindex nD20 1,462 Siedepunkt Kp 196-198 OC Löslichkeit in 1-2 Volumenteilen 70% igem Ethanol (Äthylalkohol); ::1 ml in 4 ml 60% igem Ethanol (Vorschrift FCC 3)

101 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Chemische Klassifizierung und Reaktionen: Es handelt sich beim Linalool um einen tertiären Alkohol mit offener Kohlenstoffkette, der in zwei optischen Isomeren (rechts- und linksdrehende Form) vorkommt. Linalool läßt sich durch Behandeln mit Ameisensäure unter Erhitzen in Geraniol, Terpineol und Nerol überführen. Linalool ist mit Geraniol und Nerol strukturisomer. Es gehört zur Stoffklasse der Terpenalkohole. Linalool ist gegen Luft, Wärme und Säuren empfindlicher als die veresterte Form Linalylacetat. Synthetisch herstellbar z.B. aus Pinen oder Methylheptenon. Dufteigenschaften: Der Duft ist allgemein gefällig, blumig-frisch (an Maiglöckchen erinnernd), mit leichter Andeutung von Gewürz und Citrus. engl.: pleasant, floral-woody, light refreshing. Verwendung in der Parfümerie: Wichtiger Bestandteil für die Nachbildung von Blütenölen (wie beispielsweise Narzisse, Lilie, Rose, Orangenblüte, Geißblatt u.a.m.). LINALOOL: Highs for linalool, in Dukes database, include lignaloe (to 8.4%), mountain mint (to 3.9%), ho leaf (to 2.3%), coriander (to 1.7%), winter savory (to 1.4%), flexuose mountain mint (to 1.1%), oswego tea (to 0.96%) spearmint (to 0.93%) and cardamom (to 0.25%) on a zero moisture basis.

Linalylacetaat in e.o van Lavendel
Andere Namen: Essigsäure-linalylester, Bergamol; engl. Linalyl Acetate, 3,7Dimethyl-1,6-octadien-3-yl acetate CAS-Nr.: [115-95-7] EWG-Nr.: 2041164 FEMA-Nr.: 2636 Vorkommen: u.a. aus ätherischen Citronen-, Lavandula-, Bergamotte- und Jasminölen isolierbar. Chemische und physikalische Kenndaten: Summenformel: C12H20O2 Strukturformel: CH3COOC(CH3)(CH=CH2)CH2CH2CH=C(CH3)2 Molekülmasse Mr 196,29 g/mol Dichte d420 0,8951 Brechungsindex nD25 1,4480 Klare, farblose, ölartige Flüssigkeit. Duft: Linalool riecht angenehm bergamotteartig, auch an Birne erinnernd, frisch, süß, blumig-fruchtig. Strahlend hell. engl.: fresh, sweet, floral, fruity, recalling terpeneless bergamot oil, with a distinct bergamot-lavender odor. Verwendung: Unter den Linalylestern wird das Acetat bei weitem am häufigsten als Duft- und Aromastoff eingesetzt. Wichtiger Bestandteil für Bergamotte-, Flieder-, Jasmin-, Lavendel-, Linden-, Neroli-, Ylang-Ylang- und Phantasienoten, insbesondere Chypre. Unverzichtbar in der , Seifenparfümerie, da es relativ stabil gegenüber Alkalien ist.

Luteine,flavonoïde
Ze flavonoiden 102 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Natural Sources: Kale, spinach, collard greens, bilberries, calendula flowers and other marigold flowers; orange peppers, tangerines, Brussels sprouts, squash, peas, corn and other vegetables and fruit. Forms: Standardized natural mixed-carotenoid capsules, tablets and liquids including lutein; 'Greens' supplements including kale, collards or spinach extracts. Bilberry extracts. Therapeutic Uses: - Acne - Age-related Macular Degeneration (AMD) - Aging Disorders - AIDS - Alzheimer's Disease - Anti-inflammatory - Antioxidant - Cancer Prevention - Cataracts - Cellular Regeneration - Cleansing - Detoxification - Eyesight Disorders - Fibromyalgia - Heart Health Maintenance - HIV Infection - Immune System - Macular Degeneration - Skin Problems - Stroke Prevention - Sunburn - Vascular Disorders - Vitamin A Deficiency (RDA=4.615.6mg/day)

Overview: Lutein is a carotenoid found in vegetables and fruit, particularly concentrated in green leafy vegetables such as kale, spinach and collard greens. Lutein is also concentrated in marigold petals, chlorella microalgae and to a lesser extent in bilberries. Lutein acts as an antioxidant, protecting cells against the damaging effects of free radicals. Numerous studies have documented the benefits of lutein for eye health, particularly for preventing age-related macular degeneration (AMD) and cataracts. Harvard researchers found that people with the highest consumption of lutein and zeaxanthin-rich foods lowered their risk of macular degeneration by as much as fifty-seven percent, compared to people who consumed the least amount of these foods. Dr. Yeum from Tufts University was one of the first researchers to confirm that lutein was present in the lens of the eye and confirmed earlier work that lutein and its isomer, zeaxanthin, were the only carotenoids found in eye tissues. Research has shown that lutein retards the oxidation of the lens protein which leads to cataracts. A study conducted at Harvard Medical school found that women with the highest intake of lutein and zeaxanthin had 22 percent lower risk of cataract extraction compared to those in the lowest quintile of intake. Men with the highest consumption of lutein and zeaxanthin had a 19 percent lower risk of cataract extraction compared to men with the lowest consumption. Lutein and zeaxanthin absorb near-to-UV blue light, the most damaging wavelength of light that reaches the retina. Lutein has also been found to concentrate in skin, particularly nose and facial skin, plasma and bucal mucosal cells (BMC) of the throat and in tissues of the lungs, breast, ovaries and cervix. At the University of London, researchers found that lutein applied to the skin inhibited 50 percent of erythema formation caused by a chemical irritant. Myriad Health Benefits of Lutein: Lutein is also beneficial for maintaining healthy skin and other body tissues and for proper wound healing. A ten year study done by Harvard found that by getting 50mg of carotenoids every other day (equivalent to seven good-size carrots), you can significantly reduce the risk of abnormal growths, vascular disease (particularly strokes), and cataracts. In a study to assess whether consumption of vegetables containing different carotenoids could protect against DNA damage and oxidative DNA damage, subjects consumed a low carotenoids diet for 2 weeks, followed by daily consumption of either tomato juice with 40 mg lycopene, carrot juice with 22.3 mg beta-carotene and 15.7 mg alpha-carotene, or spinach powder with 11.3 mg lutein. Supplementation resulted in a significant decrease in cellular levels of strand breaks in lymphocyte DNA but only carrot 103 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

juice carotenoids significantly reduced oxidative DNA damage. Dr. Duke, in The Green Pharmacy, recommends carotenoid supplementation for those with Alzheimer's disease and HIV infection. Jean Carper, in Stop Aging Now, recommends carotenoids particularly for boosting immunity and preventing abnormal growths, vascular disease and strokes. Chemistry: Lutein, the major yellow pigment of marigold petals, is a common xanthophyll also found concentrated in dark green leafy vegetables. Xanthophylls are classified as carotenoids, natural fat-soluble pigments found principally in plants, algae, and photosynthetic bacteria, where they play a critical role in the photosynthetic process. Lutein and its isomer, zeaxanthin, often occur together. Other carotenoids often found with lutein include alpha-carotene, beta-carotene, gamma-carotene, beta-chryptoxanthin and lycopene. Research has shown that lutein can be converted to zeaxanthin in the blood serum and is the key carotenoid for providing the proper amount of both lutein and zeaxanthin. Zeaxanthin is itself found concentrated in peas, corn and other vegetables. Carotenoids are defined by their chemical structure. The majority of carotenoids are derived from a 40-carbon polyene chain, which could be considered the backbone of the molecule. This chain may be terminated by cyclic end-groups (rings) and may be complemented with oxygen-containing functional groups. The hydrocarbon carotenoids are known as carotenes, while oxygenated derivatives of these hydrocarbons are known as xanthophylls. All are powerfulantioxidants. The distinctive pattern of alternating single and double bonds in the polyene backbone of carotenoids is what allows them to absorb excess energy from other molecules (antioxidant activity), while the nature of the specific end groups on carotenoids may influence their biological activity thought their interaction with cell membranes. Suggested Amount: Nutrition experts currently recommend getting at least 6 milligrams a day of lutein (the amount found in a large bowl of spinach salad) and based on epidemiological evidence, this will reduced the risk for AMD and cataracts. As a source of provitamin A, you may want to take more than double that amount (RDA=4.6-15.6mg/day). Studies using 30mg daily of lutein have shown marked health benefits. A much lower dosage can also provide significant benefits for eye health. Researchers from Florida International University studied the effect of 2.4mg/day of lutein intake, in the form of a dietary supplement, on the serum levels and macular pigment (MP) densities over a six-month period. All subjects responded to lutein supplementation, measured by a 130% increase of lutein in the serum and most subjects increased their macular pigment density by an average increase of 14%. Increased macular pigment density has been demonstrated using spinach as a lutein-rich food and corn as a zeaxanthin-rich food, lutein dietary supplements, and bilberry extract as a low-dosage lutein supplement. Dietary intake of spinach or collard greens (which are particularly rich sources of lutein and zeaxanthin) was associated with significantly lower risk of developing AMD and cataracts. A 100mg serving of raw kale yields 40 mg of lutein and zeaxanthin, while the same quantity of cooked spinach will add 7 mg to your diet. Many of the same fruits and vegetables that are good sources of vitamin C are also good sources of lutein and zeaxanthin, such as spinach, orange peppers, tangerines, Brussels sprouts, squash, peas and corn. Chlorella is also a good source of lutein. Drug Interactions: Contraindications: Side Effects: None known. None known. None known.

References: Carper, J. 1995. Stop Aging Now. HarperCollins Publishers, 10 East 53rd Street, New York, New York 10022-5299. Pp. 9, 209, 210, 252, 255. Gey KF. 1995. Cardiovascular disease and vitamins. Concurrent correction of 'suboptimal' plasma antioxidant levels may, as important part of 'optimal' nutrition, help to prevent early stages of cardiovascular disease and cancer, respectively. Bibl Nutr Dieta. 1995; (52): 75-91. Review. 104 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Mares-Perlman JA, Millen AE, Ficek TL, Hankinson SE. 2002. The body of evidence to support a protective role for lutein and zeaxanthin in delaying chronic disease. Overview. J Nutr 2002 Mar; 132(3): 518S-524S. Pool-Zobel BL, Bub A, Muller H, Wollowski I, Rechkemmer G. 1997. Consumption of vegetables reduces genetic damage in humans: first results of a human intervention trial with carotenoid-rich foods. Carcinogenesis 1997 Sep; 18(9): 1847-50 Watzl B, Bub A, Brandstetter BR, Rechkemmer G. 1999. Modulation of human Tlymphocyte functions by the consumption of carotenoid-rich vegetables. Br J Nutr 1999 Nov; 82(5): 383-9 Lutein Research: Mares-Perlman JA, Millen AE, Ficek TL, Hankinson SE. 2002. The body of evidence to support a protective role for lutein and zeaxanthin in delaying chronic disease. Overview. J Nutr 2002 Mar; 132(3): 518S-524S. Department of Ophthalmology and Visual Sciences, University of Wisconsin-Madison Medical School, Madison, WI 53705-2397, USA. jmaresp@facstaff.wisc.edu Recent evidence introduces the possibility that lutein and zeaxanthin may protect against the development of the two common eye diseases of aging, cataract and macular degeneration. This potential and the lack of other effective means to slow the progression of macular degeneration have fueled high public interest in the health benefits of lutein and zeaxanthin and the proliferation of supplements containing them on pharmacy shelves. An understanding of the biologic consequences of limiting or supplementing with these carotenoids is only beginning to emerge. Some epidemiologic evidence supports a role in eye disease and, to a lesser extent, cancer and cardiovascular disease. However, the overall body of evidence is insufficient to conclude that increasing levels of lutein and zeaxanthin, specifically, will confer an important health benefit. Future advances in scientific research are required to gain a better understanding of the biologic mechanisms of their possible role in preventing disease. Additional research is also required to understand the effect of their consumption, independent of other nutrients in fruits and vegetables, on human health. The newly advanced ability to measure levels of lutein and zeaxanthin in the retina in vivo creates a unique opportunity to contribute some of this needed evidence. Arch Ophthalmol 2002 Dec;120(12):1732-7 Lens aging in relation to nutritional determinants and possible risk factors for age-related cataract. Berendschot TT, Broekmans WM, Klopping-Ketelaars IA, Kardinaal AF, Van Poppel G, Van Norren D. Department of Ophthalmology, Universitair Medisch Centrum Utrecht, AZU E03.136, Heidelberglaan 100, PO Box 85500, NL-3508 GA Utrecht, the Netherlands. tosb@isi.uu.nl OBJECTIVE: To investigate whether nutritional factors and possible risk factors for cataract influence the lens optical density (LOD). DESIGN: Three hundred seventy-six subjects, aged 18 to 75 years, were recruited. In a cross-sectional design, serum was analyzed for lutein, zeaxanthin, vitamin C, alpha-tocopherol, and cholesterol levels. Adipose tissue (n = 187) was analyzed for lutein level. The LOD and the macular pigment optical density (MPOD) were measured by spectral fundus reflectance. RESULTS: The mean +/- SD LOD at 420 nm was 0.52 +/- 0.17. It showed a significant association with age (beta =.008, P<001) and MPOD (beta = -.096, P =.02). For subjects 50 years and younger (mean +/- SD LOD, 0.45 +/0.11), we found only a single significant beta coefficient, for age (beta =.006, P<.001). For subjects older than 50 years (mean +/- SD LOD, 0.68 +/- 0.16), we found significant beta coefficients for age (beta =.011, P<.001) and MPOD (beta = -.240, P =.005). Controlling for age, we found no associations between LOD and other possible risk factors for age-related cataract or serum or adipose tissue concentrations of carotenoids, vitamin C, and alpha-tocopherol. CONCLUSIONS: Macular pigment is composed of lutein and zeaxanthin, the only carotenoids found in human lenses. The inverse relationship between LOD and MPOD suggests that lutein and zeaxanthin may retard aging of the lens.

105 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

J Infect Dis 2000 Sep;182 Suppl 1:S11-5 Effects of lycopene and lutein supplementation on the expression of functionally associated surface molecules on blood monocytes from healthy male nonsmokers. Hughes DA, Wright AJ, Finglas PM, Polley AC, Bailey AL, Astley SB, Southon S. Diet, Health and Consumer Science Division, Institute of Food Research, Norwich Research Park, Colney, Norwich, Norfolk, NR4 7UA, UK. davida.hughes@bbsrc.ac.uk It has been suggested that dietary carotenoids can enhance immune function. Supplementation with beta-carotene (15 mg daily) was previously shown to enhance human monocyte function. To examine the effect of other dietary carotenoids, two similar independent studies were done. Healthy adult male nonsmokers were randomly assigned to receive lycopene (study 1), lutein (study 2), or placebo for 26 days, followed by the alternative treatment for another 26 days. The expression of functionally related monocyte surface molecules was quantified by laser flow cytometry before and after each treatment period. There was a significant increase in plasma levels of each carotenoid following dietary supplementation, but the effects on monocyte surface molecule expression were not as striking as those observed after beta-carotene supplementation. These findings emphasize that it cannot be assumed that the effect of one carotenoid will be the same as another, even at the same level of intake.

Lycopeen,carotenoïde in Tomaat
Natural Sources: Watermelon, tomatoes, tomato products, and apricots. Forms: Standardized lycopene extracts from tomatoes; fresh tomato; freeze-dried, powdered tomato; Standardized natural mixed-carotenoid capsules, tablets and liquids including lycopene; 'Greens' supplements including tomato extracts. Therapeutic Uses: - Anti-aging - Antioxidant - Cancer Prevention - Cellular Regeneration - Cervical Disorders - Detoxifying - Eyesight Disorders - Immune System Disorders - LDL Cholesterol Oxidation - Lung Disease - Pancreatic Disorders - Prostate Disorders - Respiratory Diseases - Vascular Disorders - Vitamin A Deficiency (RDA=4.615.6mg/day)

Overview: Lycopene is a red carotenoid found in vegetables and fruit, particularly concentrated in tomatoes and watermelon. Lycopene acts as an antioxidant, protecting cells against free radicals. Numerous studies have documented the benefits of lycopene for prostate health, particularly for preventing prostate cancer. Dietary consumption of lycopene (mostly from tomato products) has been associated with a lower risk of prostate cancer. Evidence relating other carotenoids, tocopherols, and retinol to prostate cancer risk has been found, although the effects of lycopene seem to be stronger. Lycopene is a more potent inhibitor of human cancer cell proliferation than either alpha- or betacarotene. Dietary differences are believed to explain why the incidence of prostate cancer is 120 times greater in the United States than in China, where fatty foods are not part of the general diet. A nine-year study published in 1995 suggests that tomato-based products protect against prostate cancer. Significant results have also been found in a clinical trial to assess the effects of lycopene supplementation in patients with prostate cancer. Twenty-six men with newly diagnosed, clinically localized prostate cancer were randomly assigned to receive 15 mg of lycopene (15 patients) twice daily or no supplementation (11 patients) for 3 weeks before radical prostatectomy. Eleven (73%) subjects in the intervention group and two (18%) subjects in the control group had no involvement of extra-prostatic tissues with cancer (significant). 106 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Diffuse involvement of the prostate by 'intraepithelial neoplasia' was present in 10 (67%) subjects in the intervention group and in 11 (100%) subjects in the control group (also significant). Plasma prostate-specific antigen levels decreased by 18% in the intervention group, whereas they increased by 14% in the control group. The results suggest that lycopene supplementation may decrease the growth of prostate cancer. Tomatoes are also linked to significantly lower rates of pancreatic and cervical cancer. Lycopene – Recent Positive Clinical Results: A recent prospective study was designed to examine the relationship between plasma concentrations of several major antioxidants and risk of prostate cancer. Based on plasma samples obtained in 1982 from healthy men enrolled in the Physicians' Health Study, a randomized, placebo-controlled trial of aspirin and beta-carotene, subjects included 578 men who developed prostate cancer within 13 years of follow-up and 1294 age- and smoking status-matched controls. Researchers quantified the five major plasma carotenoid peaks (alpha- and betacarotene, beta-cryptoxanthin, lutein, and lycopene) plus alpha- and gammatocopherol and retinol using high-performance liquid chromatography. Lycopene was the only antioxidant found at significantly lower mean levels in men with prostate cancer than in matched controls. In the placebo group, plasma lycopene was very strongly related to lower prostate cancer risk (5th quintile OR = 0.40; P, trend = 0.006 for aggressive cancer), whereas there was no evidence for a trend among those assigned to beta-carotene supplements. None of the lycopene associations were confounded by age, smoking, body mass index, exercise, alcohol, multivitamin use, or plasma total cholesterol level. These results agree with a recent prospective dietary analysis, which identified lycopene as the carotenoid with the clearest inverse relation to the development of prostate cancer. The inverse association was particularly apparent for aggressive cancer and for men not consuming beta-carotene supplements. This study provides further evidence that increased consumption of tomato products and other lycopenecontaining foods might reduce the occurrence or progression of prostate cancer. Chemistry: Lycopene, the major red pigment of tomatoes, is a common carotenoid also found concentrated in watermelon. Carotenoids are natural fat-soluble pigments found principally in plants, algae, and photosynthetic bacteria, where they play a critical role in the photosynthetic process. Tomatoes contain lycopene; cis-5lycopene; cis-5, cis-5-lycopene; lycophyll; lycoxanthin; and the lycopene precursor, phytofluene. Other carotenoids often found with lycopene include alpha-carotene, beta-carotene, gamma-carotene, beta-chryptoxanthin and lutein. Carotenoids are defined by their chemical structure and are chemically described as terpenes made of isoprene subunits. The majority of carotenoids are derived from a 40-carbon polyene chain, which could be considered the backbone of the molecule. This chain may be terminated by cyclic end-groups (rings) and may be complemented with oxygen-containing functional groups. The hydrocarbon carotenoids are known as carotenes, while oxygenated derivatives of these hydrocarbons are known as xanthophylls. All are powerful antioxidants. The distinctive pattern of alternating single and double bonds in the polyene backbone of carotenoids is what allows them to absorb excess energy from other molecules (antioxidant activity), while the nature of the specific end groups on carotenoids may influence their biological activity through their interaction with cell membranes. Carotenoids are always present in a living plant and decompose very slowly as compared to chlorophyll. Suggested Amount: A clinical trial with prostate patients showing significant benefits used 30mg of lycopene daily (15 mg taken twice daily). Tomato products are generally included in the diet to obtain lycopene on a daily or regular basis. Tomatoes have 3.1 grams of lycopene per 100 grams and watermelon has 4.1 grams per 100 grams. USDA tests show that lycopene is not destroyed by cooking, canning or freezing. This is also true for other carotenoids found in vegetables and fruit, and for the colorful flavonoids called anthocyanins found in berries, fruit peels and flower petals. These are very stable compounds when kept within the normal pH range of foods (highly alkaline conditions can 'bleach' them away). 107 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Drug Interactions: None known. Contraindications: Tomatoes and tomato-based products are contraindicated in cases of nightshade-sensitive arthritis. In these cases, to obtain the benefits of tomatoes in the diet, it is advisable to use standardized lycopene extracts free of trace levels of solanine. Side Effects: Some people who are sensitive to Solanaceae plants and may develop allergic reactions to products containing tomato extracts. In these cases, to obtain the benefits of tomatoes in the diet, it is advisable to use standardized lycopene extracts - free of trace levels of solanine. Weeds of the nightshade family containing the alkaloid, solanine, have been implicated in causing rheumatic disorders in livestock. Many people maintain that all members of the nightshade family (Solanaceae), including white potatoes, eggplants and garden peppers have a tendency to trigger arthritis symptoms in susceptible persons. A British study ranked tomatoes fourteenth out of twenty foods likely to trigger arthritis symptoms; tomatoes affected 22% of the study subjects. No other nightshade plant was on the list. Another report claims that nightshades contain toxins that attack the cells of susceptible individuals, which are estimated to be approximately 10 of the population. Using standardized lycopene extracts free of solanine would prevent these problems. References:
Amir H, Karas M, Giat J, Danilenko M, Levy R, Yermiahu T, Levy J, Sharoni Y. 1999. Lycopene and 1,25-dihydroxyvitamin D3 cooperate in the inhibition of cell cycle progression and induction of differentiation in HL-60 leukemic cells. Nutr Cancer. 1999; 33(1): 105-12. Carper, J. 1993. Food Your Miracle Medicine. HarperCollins Publishers, 10 East 53rd Street, New York, New York 10022-5299. Pp. 378-379. de la Taille A, Katz A, Vacherot F, Saint F, Salomon L, Cicco A, Abbou CC, Chopin DK. 2001. [Cancer of the prostate: influence of nutritional factors. Vitamins, antioxidants and trace elements]. Presse Med. 2001 Mar 24; 30(11): 557-60. Review. French. Kucuk O, Sarkar FH, Sakr W, Djuric Z, Pollak MN, Khachik F, Li YW, Banerjee M, Grignon D, Bertram JS, Crissman JD, Pontes EJ, Wood DP Jr. 2001. Phase II randomized clinical trial of lycopene supplementation before radical prostatectomy. Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2001 Aug; 10(8): 861-8. Pool-Zobel BL, Bub A, Muller H, Wollowski I, Rechkemmer G. 1997. Consumption of vegetables reduces genetic damage in humans: first results of a human intervention trial with carotenoidrich foods. Carcinogenesis 1997 Sep; 18(9): 1847-50 Watzl B, Bub A, Brandstetter BR, Rechkemmer G. 1999. Modulation of human T-lymphocyte functions by the consumption of carotenoid-rich vegetables. Br J Nutr 1999 Nov; 82(5): 383-9

-

-

-

Additional Information: Int J Oncol 2003 Jan;22(1):5-13 Chemoprevention of prostate cancer by diet-derived antioxidant agents and hormonal manipulation (Review). Pathak SK, Sharma RA, Mellon JK. Cancer Biomarkers and Prevention Group, Department of Oncology, University of Leicester, Leicester, LE2 7LX, UK. Cancer of the prostate is the most commonly diagnosed solid malignancy and the second leading cause of cancer-related death in men living in developed countries. With an ageing population, the number of men living with early stages of prostate cancer is expected to increase. There is an increasing need to prevent the onset of cancer or delay the progression of carcinogenesis in this organ. Chemoprevention is the administration of pharmacological agents to prevent, delay or reverse carcinogenesis. An example is the reversal of high grade intraepithelial neoplasia by hormonal manipulation using anti-oestrogens in breast carcinogenesis or anti-androgens in prostate carcinogenesis. Epidemiological data showing ethnic and geographic variations in the incidence of, and mortality from, prostate cancer have suggested that the consumption of certain dietary factors, particularly anti-oxidants, may be protective. These

108 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

factors include the vitamins D and E, soy, lycopene and selenium. The administration of 5-alpha reductase inhibitors to patients with benign prostatic hyperplasia may also constitute a potentially chemopreventive intervention. The efficacy of chemopreventive agents needs to be investigated in randomised, placebo-controlled trials in suitable cohorts of high-risk individuals. In parallel, reliable assays of potential biomarkers of the efficacy of intervention need to be developed and validated rigorously. Cancer Res 1999 Mar 15;59(6):1225-30 Lower prostate cancer risk in men with elevated plasma lycopene levels: results of a prospective analysis. Gann PH, Ma J, Giovannucci E, Willett W, Sacks FM, Hennekens CH, Stampfer MJ. Department of Preventive Medicine, Northwestern University Medical School, Chicago, Illinois 60611, USA. pgann@nwu.edu Dietary consumption of the carotenoid lycopene (mostly from tomato products) has been associated with a lower risk of prostate cancer. Evidence relating other carotenoids, tocopherols, and retinol to prostate cancer risk has been equivocal. This prospective study was designed to examine the relationship between plasma concentrations of several major antioxidants and risk of prostate cancer. We conducted a nested case-control study using plasma samples obtained in 1982 from healthy men enrolled in the Physicians' Health Study, a randomized, placebo-controlled trial of aspirin and beta-carotene. Subjects included 578 men who developed prostate cancer within 13 years of follow-up and 1294 age- and smoking status-matched controls. We quantified the five major plasma carotenoid peaks (alpha- and beta-carotene, beta-cryptoxanthin, lutein, and lycopene) plus alpha- and gamma-tocopherol and retinol using high-performance liquid chromatography. Results for plasma beta-carotene are reported separately. Odds ratios (ORs), 95% confidence intervals (Cls), and Ps for trend were calculated for each quintile of plasma antioxidant using logistic regression models that allowed for adjustment of potential confounders and estimation of effect modification by assignment to either active beta-carotene or placebo in the trial. Lycopene was the only antioxidant found at significantly lower mean levels in cases than in matched controls (P = 0.04 for all cases). The ORs for all prostate cancers declined slightly with increasing quintile of plasma lycopene (5th quintile OR = 0.75, 95% CI = 0.54-1.06; P, trend = 0.12); there was a stronger inverse association for aggressive prostate cancers (5th quintile OR = 0.56, 95% CI = 0.34-0.91; P, trend = 0.05). In the placebo group, plasma lycopene was very strongly related to lower prostate cancer risk (5th quintile OR = 0.40; P, trend = 0.006 for aggressive cancer), whereas there was no evidence for a trend among those assigned to beta-carotene supplements. However, in the beta-carotene group, prostate cancer risk was reduced in each lycopene quintile relative to men with low lycopene and placebo. The only other notable association was a reduced risk of aggressive cancer with higher alpha-tocopherol levels that was not statistically significant. None of the associations for lycopene were confounded by age, smoking, body mass index, exercise, alcohol, multivitamin use, or plasma total cholesterol level. These results concur with a recent prospective dietary analysis, which identified lycopene as the carotenoid with the clearest inverse relation to the development of prostate cancer. The inverse association was particularly apparent for aggressive cancer and for men not consuming beta-carotene supplements. For men with low lycopene, betacarotene supplements were associated with risk reductions comparable to those observed with high lycopene. These data provide further evidence that increased consumption of tomato products and other lycopene-containing foods might reduce the occurrence or progression of prostate cancer. J Nutr 2000 Feb;130(2):189-92 Lymphocyte lycopene concentration and DNA protection from oxidative damage is increased in women after a short period of tomato consumption. Porrini M, Riso P. Department of Food Science and Technology, University of Milan, Italy. Several epidemiologic studies have suggested a role of tomato products in protecting against cancer and chronic diseases. In nine adult women, we evaluated whether the consumption of 25 g tomato puree (containing 7 mg lycopene 109 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

and 0.3 mg beta-carotene) for 14 consecutive days increased plasma and lymphocyte carotenoid concentration and whether this was related to an improvement in lymphocyte resistance to an oxidative stress (500 micromol/L hydrogen peroxide for 5 min). Before and after the period of tomato intake, carotenoid concentrations were analyzed by HPLC and lymphocyte resistance to oxidative stress by the Comet assay, which detects DNA strand breaks. Intake of tomato puree increased plasma (P <0.001) and lymphocyte (P<0.005) lycopene concentration and reduced lymphocyte DNA damage by approximately 50% (P<0.0001). Beta-carotene concentration increased in plasma (P<0.05) but not in lymphocytes after tomato puree consumption. An inverse relationship was found between plasma lycopene concentration (r = -0.82, P<0.0001) and lymphocyte lycopene concentration (r = -0.62, P<0.01) and the oxidative DNA damage. In conclusion, small amounts of tomato puree added to the diet over a short period can increase carotenoid concentrations and the resistance of lymphocytes to oxidative stress. Exp Biol Med (Maywood) 2002 Nov;227(10):886-93 Tomato sauce supplementation and prostate cancer: lycopene accumulation and modulation of biomarkers of carcinogenesis. Bowen P, Chen L, Stacewicz-Sapuntzakis M, Duncan C, Sharifi R, Ghosh L, Kim HS, Christov-Tzelkov K, van Breemen R. Department of Human Nutrition and Dietetics, m/c 517, University of Illinois, 1919 West Taylor Street, Chicago, IL 60612, USA. pbowen@uic.edu As part of a randomized placebo-controlled study to evaluate the effect of lycopene supplementation on DNA damage in men with prostate cancer, a nonrandomized 5th arm using tomato sauce was included and reported here. Thirtytwo patients with localized prostate adenocarcinoma consumed tomato sauce-based pasta dishes for 3 weeks (30 mg of lycopene/day) before their scheduled radical prostatectomy. Prostate tissue was obtained as biopsies at baseline and as resected tissue at the time of the prostatectomy. Serum and prostate lycopene, serum prostate specific antigen (PSA) concentrations, and leukocyte DNA 8-OHdeoxyguanosine/deoxyguanosine (8OHdG) were measured at baseline and at the end of the intervention. Cancer cells in paraffin sections of prostate biopsies and postintervention resected tissue were compared for 8OHdG staining and for apoptosis. Adherence to the daily consumption of tomato-based entrees was 81.6% of the intended dose, and serum and prostate lycopene concentrations increased 1.97- and 2.92-fold (P < 0.001), respectively. Mean serum PSA concentrations decreased by 17.5% (P < 0.002) and leukocyte 8OHdG decreased by 21.3% (P < 0.005) after tomato sauce consumption. Resected tissues from tomato saucesupplemented patients had 28.3% lower prostate 8OHdG compared with the nonstudy control group (P < 0.03). Cancer cell 8OHdG staining of Gleason Score-matched resected prostate sections was reduced by 40.5% in mean nuclear density (P < 0.005) and by 36.4% in mean area (P < 0.018) compared with the presupplementation biopsy. Apoptotic index was higher in hyperplastic and neoplastic cells in the resected tissue after supplementation. These data taken as a whole indicate significant uptake of lycopene into prostate tissue and a reduction in DNA damage in both leukocyte and prostate tissue. Whether reduction in DNA damage to prostate cancer cells is beneficial awaits further research, although reduction in serum PSA concentrations is promising. Eur J Nutr 2002 Jun;41(3):95-100 Spinach and tomato consumption increases lymphocyte DNA resistance to oxidative stress but this is not related to cell carotenoid concentrations. Porrini M, Riso P, Oriani G. Department of Food Science and Technology, Division of Human Nutrition, University of Milan, Via Celoria 2, 20133 Milano, Italy. marisa.porrini@unimi.it BACKGROUND: The increased consumption of fruit and vegetables has been linked to protection against different chronic diseases, but the dietary constituents responsible for this association have not been clearly identified. AIM OF THE STUDY: We evaluated the effect of spinach and spinach+tomato puree consumption on cell DNA resistance to an oxidative stress. METHODS: To this aim, in a dietary controlled intervention study, 9 healthy female volunteers consumed a basal diet low in carotenoids (< 600 microg/day) enriched with daily portions 110 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

(150 g) of spinach (providing about 9 mg lutein, 0.6 mg zeaxanthin, 4 mg betacarotene) for 3 weeks (from day 0 to day 21) followed by a 2 week wash-out period (basal diet) and finally another 3 weeks (from day 35 to day 56) of diet enriched with daily portions of spinach (150 g) + tomato puree (25 g, providing about 7 mg lycopene, 0.3 mg beta-carotene). At the beginning and the end of each period of vegetable intake, blood samples were collected for lymphocyte separation. Carotenoid concentrations of lymphocytes were determined by HPLC and DNA damage was evaluated by the comet assay following an ex vivo treatment with H(2)O(2). RESULTS: During the first period of spinach consumption, lymphocyte lutein concentration did not increase significantly (from 1.6 to 2.2 micromol/10(12) cells) while lycopene and beta-carotene concentrations decreased significantly (from 1.0 to 0.1 micromol/10(12) cells, P < 0.001, and from 2.2 to 1.2 micromol/10(12) cells, P < 0.05, respectively). Lutein and lycopene concentrations increased after spinach+tomato puree consumption (from 1.2 to 3.5 micromol/10(12) cells, P < 0.01, and from 0.1 to 0.7 micromol/10(12) cells, P < 0.05, respectively). The increase may be attributed to the addition of tomato puree to spinach; however, the different concentrations of carotenoids in lymphocytes registered at the beginning of the two intervention periods may have affected the results. DNA resistance to H(2)O(2) insult increased significantly after both the enriched diets (P < 0.01); however, no "additive effect" was seen after spinach + tomato puree consumption. In the spinach + tomato intervention period an inverse correlation was observed between lymphocyte lycopene concentration and DNA damage, but this seems not able to explain the protection observed. CONCLUSIONS: The consumption of carotenoid-rich foods even for a short period of time gives protection against oxidative stress. The results obtained seem to suggest that this protective role is not specifically related to carotenoids. However they may contribute together with other substances present in vegetables to lymphocyte resistance to oxidative damage. J Nutr 2002 Mar;132(3):404-8 A food-based formulation provides lycopene with the same bioavailability to humans as that from tomato paste. Richelle M, Bortlik K, Liardet S, Hager C, Lambelet P, Baur M, Applegate LA, Offord EA. Lycopene from fresh and unprocessed tomatoes is poorly absorbed by humans. Absorption of lycopene is higher from processed foods such as tomato paste and tomato juice heated in oil. The aim of the present study was to develop a foodgrade lycopene formulation that is bioavailable in humans. A formulation of lycopene named "lactolycopene" has been designed in which lycopene is entrapped with whey proteins. Healthy subjects (n = 33; 13 men and 20 women) participated and were allocated randomly to one of the three treatment groups. After a 3-wk deprivation of dietary lycopene, subjects ingested 25 mg lycopene/d for 8 wk from lactolycopene, tomato paste (positive control) or a placebo of whey proteins while consuming their self-selected diets. Plasma lycopene concentrations reached a maximum after 2 wk of supplementation in both lycopenetreated groups and then a plateau was maintained until the end of the treatment. Increases in plasma lycopene at wk 8 were not different between supplemented groups (mean +/- SEM): 0.58 +/- 0.13 micromol/L with lactolycopene and 0.47 plus minus 0.07 micromol/L with tomato paste, although they were different from the control (P < 0.001). Similar time-concentration curves of lycopene incorporation were observed in buccal mucosa cells. Although lycopene was present mainly as all-trans isomers (>90%) in both lycopene supplements, plasma lycopene enrichment consisted of 40% as all-trans and 60% as cis isomers. The precursor of lycopene, phytofluene, was better absorbed than lycopene itself. The lactolycopene formulation and tomato paste exhibited similar lycopene bioavailability in plasma and buccal mucosa cells in humans. LYCOPENE: Good sources of lycopene, according to NAPRALERT (courtesy of N. R. Farnsworth) and Dukes database include balsampear (to 231 ppm), carrot (80-140), pot marigold (to 3,360 ppm), rosehips (43-111 ppm),. tomato (16-663 ppms), watermelon (45-900 ppm). Confession is good for the soul. This is all the quantitative data I found for lycopene (except for 260 ppms in seed of Connarus macrocarpa and 0.6 ppm in Aronia melanocarpa) 111 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

M Melatonine, neurotransmitter
Zie neurotransmitters hormoon dat bij mensen geproduceerd wordt uit serotonine in de epifyse (pijnappelklier) en het netvlies, en in een met de tijd van de dag variërende hoeveelheid aan het bloed en het hersenvocht afgegeven. Het is bij vele dieren van invloed op het waak-slaapritme en het voortplantingsritme. Bij mensen ontbreken nog harde bewijzen voor zowel het één als het ander grotendeels. Het wordt in sommige landen als middel verkocht voor gebruik bij jetlag en andere slaapstoornissen. In de Verenigde staten wordt het als voedingssupplement verkocht en door miljoenen mensen gebruikt. In Nederland is melatonine niet als geneesmiddel geregistreerd en mag dus niet als zodanig worden verkocht, hoewel apotheken het op voorschrift van een arts magistraal kunnen bereiden. In zeer lage doseringen (0,1 mg, het wettelijk maximum voor producten die onder de Warenwet vallen) is het wel bij de drogist te krijgen. Het gebruik bij jetlag wordt aanbevolen bij mensen die tenminste vijf tijdzones overbruggen (d.w.z. vijf uur tijdsverschil). Bij vluchten naar het oosten zou het effectiever zijn dan naar het westen. In een cochrane review werd het bij jetlag als 'opmerkelijk effectief' beoordeeld[1]. Een meta-analyse in het British Medical Journal uit 2006 daarentegen concludeerde 'Er is geen bewijs dat melatonine effectief is bij het behandelen van secundaire slaapstoornissen of slaapstoornissen die het gevolg zijn van slaapbeperking, zoals jetlag en slaapstoornissen bij ploegendienst. Er is wel bewijs dat het bij kortdurend gebruik veilig is[2

Melatonine in voedsel The only foods I have seen reported to contain more than 100 picograms melatonin per gram are oats (1,796), corn (1,366). rice (1,006), radish (657), angelica (623), ginger (584) tomato (to 506), banana (466), chrysanthemum (417), barley (378), mustardgreens (112) and cabbage (107). Think small. Those units are in parts per trillion. Only the oats, rice, and corn attain the parts per billion level, 1.7, 1.4 and 1.0 ppb respectively. Effective doses of melatonin may start at 0.3 mg for a 100 kg person.To get 0.3 mg melatonin from rice with only 0.001 mg per kilo, I'd have to eat 300 kg rice; three times my body weight in rice.

Menthol (Levomenthol),pepermuntkamfer
Riechstofflexikon Der Duft- und Aromastoff (-)-Menthol ist die Hauptkomponente der verschiedenen Minz- und Pfefferminzöle (v.a. Arvensis- und Piperita - Öle). Kommerziell erhältliches (-)-Menthol stammt in den meisten Fällen aus Pfefferminzölen, die den Stoff schon durch einfaches Ausfrierenlassen freigeben. Menthol ist der praktisch bedeutsamste gesättigte Terpenalkohol, abgeleitet vom p-Menthan. Der Terpenalkohol ist darüber hinaus verbreitet in weiteren natürlichen ätherischen Ölen, jedoch nur als Nebenkomponente. Geringe Mengen von Menthol sind z.B. enthalten in Kalaminthkrautöl (Bergmelisse), Geraniumöl Afrika (ca. 1%, nach NOWAK, S. 76) sowie - neben Menthon und Isomenthon - in Buccublätteröl (HAGER). Poleiminzöl (Penny Royal Oil) enthält zwar nur Neomenthol und Neoisomenthol (siehe unten), jedoch kann aus dessen Hauptbestandteil Pulegon Menthol synthetisch hergestellt werden (siehe NOWAK, S. 153). Beschreibung: Menthol erscheint in schön ausgebildeten, farblosen, hexagonalen, in der Regel nadelförmigen Kristallen. Bisweilen kommt es auch in Form von Kristallmassen oder als kristallines Pulver in den Handel. Der Aromastoff löst sich in Wasser nur wenig, dagegen leicht in Ethanol, Diethylether, Petrolether, Paraffinöl, Chloroform usw. 112 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Duftcharakteristik / odor profile: angenehm, erfrischend, süß, "minzig", pfefferminzartig, etwas stechend, mit ausgeprägtem Kühleffekt engl.: minty, peppermint-like, slightly pungent, pleasant, cooling, refreshing, woody Verwendung: Menthol wird in der Lebensmittel- und Kosmetikindustrie in einem breiten Einsatzfeld gebraucht, vor allem als Aromastoff für Süßwaren, Kaugummi, Liköre, Zahn- und Mundpflegemittel sowie für Zigaretten; weiterhin als duftender, erfrischender und desinfizierender Bestandteil von Kosmetika (Haar- und Körperpflegemittel, Lotionen, Balsame usw.). Die Pharmazie nutzt Menthol als Wirkstoff, denn es hat zahlreiche pharmakologische Wirkungen. In Riechmitteln und Parfums wird ebenfalls der erfrischende Effekt genutzt. Reaktionen: Durch Einwirkung konzentrierter Schwefelsäure geht Menthol in Menthen C10H18 über, durch Oxidation mit Chromsäure in das entsprechende Terpenketon Menthon. Erhitzt man den Riechstoff mit Kupfersulfat, entsteht Cymol. Synthese: Menthol läßt sich als "Hexahydrothymol", also als hydriertes Thymol (2Isopropyl-5-methylphenol), auffassen. Und tatsächlich erhält man racemisches, optisch inaktives Menthol bei der katalytischen Hydrierung von Thymol (an Nickelkatalysator). Menthol Molecuulformule C10H10O SMILES IUPAC 5-methyl-2-(1-methylethyl)-cyclohexanol Andere namen CAS-nummer 15356-60-2, 89-78-1, 2216-51-5, 15356-60-2, 89-78-1, EINECS-nummer 201-939-0 Beschrijving wit poeder of heldere kristallen Waarschuwingen en veiligheidsmaatregelen Irriterend Carcinogeen Fysische eigenschappen Aggregatietoestand vast Kleur kleurloos Dichtheid 0,89 (Bij 20°C) g/cm³ Molmassa 156,27 g/mol Smeltpunt 42 °C Kookpunt 212 °C Andere eigenschappen Oplosbaarheid in water 0,431 (Bij 20°C) g/L Goed oplosbaar in Ethanol, Ether, Chloroform Slecht oplosbaar in water Waar mogelijk zijn SI-eenheden gebruikt. Tenzij anders vermeld zijn standaard omstandigheden gebruikt (298,15K of 25°C, 1 bar) Menthol is de triviale naam van de chemische stof (eigenlijk: een aantal stereoisomeren) met als IUPAC-naam: 5-methyl-2-(1-methylethyl)-cyclohexanol. Structuur De menthol-molecule heeft 3 stereo-centra, en bijgevolg zijn er 8 mogelijke stereo-isomeren. De structuurformules van de verschillende isomeren zijn: In de natuur komt vooral L-menthol (synoniem: (-)-menthol) voor in o.a. pepermuntolie, planten van de Mentha familie (Mentha piperita, Mentha arvensis), enz. Pepermuntolie bevat 35 à 60 % menthol. L-Menthol kan worden verkregen door extractie uit planten, maar menthol-isomeren worden ook synthetisch bereid. De

113 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

wereldwijde productiecapaciteit werd geschat op ongeveer 13.600 ton/jaar (in 2001), waarvan ongeveer 1/4e langs synthetische weg verkregen. De belangrijkste menthol-producten zijn: * de enantiomeren L-menthol (CAS-nummer: 2216-51-5) en D-menthol (synoniem: (+)-menthol) (CAS-nummer : 15356-60-2) * de racemaat (mengsel in gelijke hoeveelheden L- en D-menthol) D/L-menthol (CAS-nummer : 89-78-1) * een niet gespecificeerd mengsel van menthol-isomeren, ook wel "ruw menthol" genoemd (CAS-nummer: 1490-04-6). Het zijn witte poeders met een muntreuk. De fysico-chemische parameters van LMenthol (voor D-menthol zijn ze gelijkaardig) zijn: * log Kow (octanol-water partitiecoëfficiënt): 3,4 Gebruik L-menthol, D/L-menthol en (ruw) menthol wordt veel gebruikt als smaakmiddel, desinfecterend of verkoelend middel in snoepgoed, likeur, kauwgum, en andere voedingswaren; in tabak, tandpasta, cosmetica (o.a. huidcrèmes, aftershave, shampoo, scheerschuim...) en in (dier)geneeskundige bereidingen zoals hoestpastilles, zalven e.d.. D-menthol wordt niet commercieel gebruikt. De menthol-isomeren hebben een zeer lage acute orale toxiciteit; ze zijn matig irriterend voor de huid en licht irriterend voor de ogen. De aanvaardbare dagelijkse inname (ADI: acceptable daily intake) voor L- en D/L-menthol ligt in het bereik van 0-4 mg/kg lichaamsgewicht (FAO/WHO Joint Expert Committee on Food Additives, 1998). Menthol Menthol is een andere naam voor levomenthol. Levomenthol ('linksdraaiend' menthol) wordt ook vaak gewoon 'menthol' genoemd. Levomenthol is verkrijgbaar in verschillende crèmes, gels, lotion, strooipoeder en inhalatievloeistoffen. 1. Wat doet Menthol en waarbij wordt het gebruikt? Levomenthol (menthol) heeft een verkoelend effect. Het wordt gebruikt bij jeuk, neusverkoudheid, keelpijn, bijholteontsteking en hoest. Jeuk, zoals bij muggenbeten, galbulten en waterpokken kan zeer irritant zijn en u uit de slaap houden. Het dwingt tot krabben en wrijven. Levomenthol verwijdt de bloedvaten en heeft hierdoor een verkoelend en licht verdovend effect op de huid. Hierdoor voelt u de jeuk minder. Het effect van levomenthol op de huid treedt meteen in. Levomenthol wordt bij jeuk vaak gebruikt in combinatie met lidocaïne (lidocaïnelevomenthol gel). Lidocaïne werkt lokaal verdovend. Verkoudheid Het inademen van levomenthol geeft gevoelsmatig 'meer lucht', vanwege de frisse, sterke geur. Het geeft een koud gevoel in de luchtwegen. De werking treedt meteen in. Niet gebruiken bij kinderen onder de twee jaar. Zij kunnen door de sterke geur een ademhalingsstilstand krijgen. Bijholteontsteking is een klacht die optreedt bij griep en verkoudheid. Heeft u last van ontstoken bijholtes, dan kunt u proberen het slijm los te krijgen door te stomen met heet water, eventueel met levomenthol. Levomenthol geeft gevoelsmatig 'meer lucht'. De werking treedt meteen in. Keelpijn is een van de verschijnselen van verkoudheid of griep. Zuigen bevordert de doorbloeding in de keel. Eventueel kunt u hier zuigtabletten met levomenthol voor gebruiken. De levomenthol werkt verzachtend door het verkoelende effect. De werking treedt meteen in. Hoest ontstaat door een prikkeling aan de luchtwegen. Die prikkel kan worden veroorzaakt door een virusinfectie, astma, roken, of bijvoorbeeld een geneesmiddel met hoest als bijwerking. Hoest is een afweermechanisme van het lichaam om schadelijke stoffen uit de luchtwegen te verwijderen. Heeft u last van slijm bij het hoesten, dan kunt u het ophoesten van slijm vergemakkelijken door te stomen met heet water, eventueel met levomenthol.

114 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Levomenthol geeft gevoelsmatig 'meer lucht' en vermindert het hoesten. De werking treedt meteen in. 2. Op welke bijwerkingen moet ik letten? Behalve het gewenste effect kan Menthol bijwerkingen geven. Dit is echter zelden het geval. De belangrijkste bijwerking is overgevoeligheid. Zelden * Ademhalingsstilstand bij kleine kinderen. Gebruik Menthol daarom niet in de buurt van de neus of mond bij kinderen jonger dan twee jaar. * Overgevoeligheid voor menthol of een van de andere bestanddelen van het product. Dit merkt u aan roodheid, jeuk en blaasjes. Raadpleeg uw arts als u overgevoeligheid vermoedt. Blijkt u overgevoelig, geef dat dan aan de apotheek door. Het apotheekteam kan er op letten dat u het middel niet opnieuw krijgt. * Slechte genezing van wonden als er menthol op is aangebracht. Dit geneesmiddel mag u niet gebruiken op open wonden. 3. Heeft Menthol een wisselwerking met andere medicijnen? U kunt Menthol veilig gebruiken in combinatie met andere medicijnen, discussie over het gebruik bij homeopatische middelen. 4. Als ik Menthol gebruik, mag ik dan... autorijden, alcohol drinken en alles eten? Bij Menthol zijn hiervoor geen beperkingen. 5. Kan ik Menthol gebruiken als ik zwanger ben, wil worden of borstvoeding geef? U kunt Menthol veilig gebruiken. Het wordt al jarenlang gebruikt door zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, zonder nadelige gevolgen voor het kind. 6. Hoe moet ik Menthol gebruiken? Jeuk * Zalf, crème of gel: in een dikke laag op de jeukende plekken aanbrengen. * Lotion met een watje naar behoefte op de plekken aanbrengen. De lotion aan de lucht laten opdrogen, dus niet afdekken met verband. * Strooipoeder. De jeukende plekken bestrooien met het poeder. Neusverkoudheid en hoest * De ademhaling door uw neus kunt u verbeteren door te stomen met heet water, waaraan u levomenthol of een product met levomenthol heeft toegevoegd. Stomen is niet geschikt voor kinderen omdat zij zich makkelijk aan de hete vloeistof kunnen branden. * Verkoudheidsbalsems kunt u ook smeren op bijvoorbeeld de borstkas, zodat u gedurende een wat langere tijd de geur kunt inademen. * Niet toepassen bij kinderen onder de twee jaar, omdat levomenthol bij hen tot ademhalingsstilstand kan leiden. Keelpijn * Pastilles of zuigtabletten langzaam opzuigen.

Mosterdolieglycosiden
Zie glucosinolaten

MSM (Methylsulfonylmethane)
Natural Sources: Milk, coffee, tea and green vegetables.

Forms:
Standardized MSM supplements including Therapeutic Uses: - AIDS - Allergies - Anti-inflammatory - Arthritic Pain Relief - Athletic Injuries - Bladder Health Maintenance powders, capsules and tablets. Bone and Joint Pain Carpal Tunnel Syndrome Cellular Regeneration Hair Health Headaches (chronic) Fibromyalgia Heartburn

115 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

-

Lower Back Pain Mood Disorders Muscle Pain Nail Health Pain

-

Rheumatism Sugar Control Tendinitis Vascular Disorders

Overview: MSM, methylsulfonylmethane, is a naturally occurring sulfur compound found in our bodies, as well as in many common beverages and foods, including milk, coffee, tea and green vegetables. MSM products are nutritional supplements used to supply the body with biologically-active sulfur and are considered a safe, non-toxic way to help ease the pain of arthritis. MSM is reported by doctors to be so effective for pain relief that they are able to lower the dosage of other pain medications they prescribe for patients and sometimes they are even able to discontinue regular medications. Based on a double-blind study of patients with proven degenerative joint disease, it was shown that those who took 2250 milligrams of Lignisul MSM daily for six weeks reported an 82 percent average improvement in pain relief, compared to an 18 percent improvement reported by patients receiving the placebo treatment. Those taking MSM for arthritic pain relief often also notice improvement in the health of their hair and nails. In two recent double-blind, placebo-controlled, pilot trials, oral supplementation with Lignisul MSM significantly improved hair and nail growth within a short term of six weeks. Based on peer-reviewed research, MSM may also be effective for the treatment of allergy, pain syndromes, athletic injuries, and bladder disorders. It is thought that MSM is therapeutic due to the essential nature of sulfur in the diet. Sulfur is the sixth most abundant macro-mineral in breast milk and the third most abundant mineral based on percentage of total body weight. MSM's parent compound, dimethylsulfoxide (DMSO), has been shown to have clinical applications in the treatment of pain, head trauma, scleroderma, interstitial cystitis, rheumatoid and osteo-arthritis, retransformation of cancer cells and Alzheimer's disease. MSM's relatives, glucosamine or chondroitin sulfate and reduced glutathione have also demonstrated therapeutic activity for treating many other degenerative diseases. Chemistry: Methylsulfonylmethane (MSM), a volatile component in the sulfur cycle, is a source of sulfur found in the human diet. Sulfur-containing amino acids (SAAs) found within the human body are methionine, cysteine, cystine, homocysteine, homocystine, and taurine. Increases in serum sulfate may explain some of the therapeutic effects of MSM and glucosamine sulfate. Suggested Amount: The recommended dosage of MSM is between 2 to 3 grams (2,000 to 3,000 milligrams) daily. For general maintenance of good health, a dosage of around 2 grams is usually recommended. Higher dosages are typically necessary for therapeutic treatment of allergies (3 grams daily) or severe, deep-seated conditions. MSM may be indicated for vegan athletes, children, or patients with HIV, because of an increased risk for a deficiency in sulfur-containing amino acids in these groups. New Canadian government regulations indicate that MSM should not be taken with a daily dosage of greater than 3000mg (3 grams daily) and the suggested duration of use should not be greater than 30 days. Drug Interactions: None known. Contraindications: None known. Side Effects: Studies show that MSM supplementation of 2,600 mg/day for 30 days produced few side effects. MSM, however, may trigger allergic reaction. In vivo magnetic resonance spectroscopy (MRS) was used to detect and quantify MSM in the brains of four patients with memory loss and in three normal volunteers all of who had ingested MSM at the recommended doses of 1-3 g daily. MSM was detected in all 116 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

subjects at concentrations of 0.42-3.40 mmole/kg brain and was equally distributed between gray and white matter. MSM was undetectable in drug-naive normal subjects (N=25), patients screened for 'toxic exposure' (N=50) or patients examined with 1H MRS for the diagnosis of probable Alzheimer Disease (N=520) between 1991 and 2001. No adverse clinical or neurochemical effects were observed. Appearance of MSM in significant concentrations in the human brain indicates ready transfer across the intact blood-brain barrier. References: Barrager E, Veltmann JR Jr, Schauss AG, Schiller RN. 2002. A multicentered, open-label trial on the safety and efficacy of methylsulfonylmethane in the treatment of seasonal allergic rhinitis. J Altern Complement Med. 2002 Apr; 8(2): 167-73. Jacob, S.W., M.D., R. M. Lawrence, M.D., Ph.D. and M. Zucker 1999. The Miracle of MSM, The Natural Solution for Pain. Publ. By G.P. Putnam's Sons Publishers since 838 a member of Penguin Putnam Inc., 375 Hudson Street, New York, NY 10014. Pp. 1-245. Lin A, Nguy CH, Shic F, Ross BD. 2001. Accumulation of methylsulfonylmethane in the human brain: identification by multinuclear magnetic resonance spectroscopy. Toxicol Lett. 2001 Sep 15; 123(2-3): 169-77. Parcell, S. 2002. Sulfur in human nutrition and applications in medicine. Altern Med Rev. 2002 Feb; 7(1): 22-44. Review. Rogovin JL. 2002. Accumulation of methylsulfonylmethane in the human brain: identification by multinuclear magnetic resonance spectroscopy. Toxicol Lett. 2002 Mar 28; 129(3): 263; discussion 265. Additional Information: Positive Clinical Results for Treating Allergies: Seasonal allergic rhinitis (SAR) affects more than 23 million Americans annually, and current epidemiologic studies indicate that its prevalence within the United States is increasing. Numerous clinical observations and case studies have led researchers to hypothesize that methylsulfonylmethane (MSM) may help ameliorate the symptoms associated with SAR. OBJECTIVE: The primary goal of this study was to evaluate the efficacy of MSM in the reduction of SAR-associated symptoms. This study also examined possible adverse reactions associated with methylsulfonylmethane supplementation. Finally, this study attempted to elucidate the method of action by which MSM elicits its effect on allergy symptoms. DESIGN: Fifty-five (55) subjects were recruited for the study. All met the criteria for participation in the study. 50 subjects completed the study. Those subjects completing the study consumed 2,600 mg of MSM orally per day for 30 days. Clinical respiratory symptoms and energy levels were evaluated by a Seasonal Allergy Symptom Questionnaire (SASQ) at baseline and on days 7, 14, 21, and 30. Immune and inflammatory reactions were measured by plasma immunoglobulin E (IgE) and C-reactive protein at baseline and on day 30. An additional inflammatory biomarker, plasma histamine, was measured in a subset of subjects (n = 5). RESULTS: Day 7 upper and total respiratory symptoms were reduced significantly from baseline (p < 0.01 and p < 0.005, respectively). Lower respiratory symptoms were significantly improved from baseline by week 3 (p < 0.001). All respiratory improvements were maintained through the 30-day visit. Energy levels increased significantly by day 14 (p < 0.0001); this increase continued through day 30. No significant changes were observed in plasma IgE or histamine levels. The results of this study are promising. It would be worthwhile to conduct a larger, randomized, double-blind, placebo-controlled study to establish further if MSM would be a useful agent in the treatment of symptoms associated with SAR. CONCLUSION: The results of this study suggest that MSM supplementation of 2,600 mg/day for 30 days may be efficacious in the reduction of symptoms associated with SAR. Furthermore, few side effects are associated with the use of this compound. Recent acute and subacute chronic toxicologic data on the same source of MSM as used in this study, further validate the safety of this product.

117 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

MSM: een onzinsupplement met fans? MSM staat voor Methylsulfonylmethaan. Het is een analoog van dimethylsulfoxide of DMSO, een oplosmiddel dat chemische middelen door de huid het lichaam in kan transporteren. Het zit in de testosterongels en -pleisters. De MSM-cultus is het geesteskind van biochemicus Robert Herschler en arts Stanley Jacob. Die is ontstaan uit een andere cultus die Stanley Jacob in de jaren zestig en zeventig had opgebouwd rond DMSO. DMSO, beweerde Jacob, zou helpen tegen artritis en diabetes. Hij heeft daar zelfs patenten voor gekregen, zonder dat hij daar onderzoek naar heeft gedaan. De FDA heeft het gebruik van DMSO een halt toe geroepen, uit angst dat patienten daardoor nog zieker zouden worden dan ze al zijn. Daarop stortte de chirurg zich op de ongevaarlijke DMSO-metaboliet MSM. Hij schreef er een boek over, The Miracle of MSM: The Natural Solution for Pain. Daarin schildert hij MSM af als een regelrecht wondermiddel. MSM zou helpen tegen allergie, artritis, buikpijn, stress, snurken - bijna alles.(2) Verkopers op het internet hebben daar nog een schepje bovenop gedaan. Berucht is bijvoorbeeld Karl Loren, de webmaster van een website die MSM verkoopt en nog radicaler claims maakt. MSM zou volgens Loren helpen tegen kanker, suikerziekte, reuma en hoofdpijn. De FDA heeft Loren al eens gewaarschuwd dat hij daarmee te ver gaat.(3) Toch zijn veel mensen bevattelijk voor de beloftes die MSM-goeroes doen. Zo ook acteur James Coburn, die in 2000 op TV verklaarde dat MSM hem had geholpen van zijn artritis af te komen.(4) Voor zover wetenschappers die claims hebben onderzocht kwam daar niets uit. Zo berust de werking van MSM op het gegeven dat het supplement het lichaam voorziet van zwavel, volgens de goeroes. Dieronderzoekers hebben echter ontdekt dat MSM als bron van zwavel weinig voorstelt. Ongeveer een procent van de zwavel in MSM wordt opgenomen door het lichaam. Meer niet.(5) Het supplement voegt dus weinig toe aan zwavelhoudende aminozuren als cysteine, die je gewoon met je voeding binnenkrijgt. Tegen diabetes helpt MSM evenmin. Proefdieren die door hun aanleg makkelijk suikerziekte krijgen, worden net zo vaak ziek als ze MSM krijgen als proefdieren die het zonder het wondermiddel moeten stellen.(6) Ook op de hersenziekte Alzheimer heeft MSM geen effect. Najaar 2001 publiceerden Amerikaanse neurologen een onderzoek waarin ze vrijwilligers dagelijks een standaarddosering van 1 tot 3 gram MSM hadden gegeven. De stof bleek zich op te hopen in het hersenweefsel - zonder negatieve gezondheidseffecten te veroorzaken.(7) Goed, er zijn ook positieve studies over MSM gepubliceerd. Een paar. Onderzoekjes van Russische wetenschappers in tijdschriften met onuitspreekbare namen, met juichende abstracts die meer aan verkooppraatjes doen denken dan aan serieuze onderzoeksverslagen.(8) 2. Kerry Lang. Methylsulfonylmethane (MSM). Quackwatch, June 17 2001. [Link] 3. Horowitz DJ. Warning letter to Karl Loren, Vibrant Life/B&B International, Oct 20 2000. [Link] 4. Colin Price. Pain - MSM: Does It Work? Harvard Health Letter August 2000. [Link] 5. Richmond VL. Incorporation of methylsulfonylmethane sulfur into guinea pig serum proteins. Life Sci 1986 Jul 21;39(3):263-8. [PubMed] 6. Klandorf H, Chirra AR, DeGruccio A, Girman DJ. Dimethyl sulfoxide modulation of diabetes onset in NOD mice. Diabetes 1989 Feb;38(2):194-7. [PubMed] 7. Lin A, Nguy CH, Shic F, Ross BD. Accumulation of methylsulfonylmethane in the human brain: identification by multinuclear magnetic resonance spectroscopy. Toxicol Lett 2001 Sep 15;123(2-3):169-77. [PubMed] 8. Murav'ev IV, Venikova MS, Pleskovskaia GN, Riazantseva TA, Sigidin IA. Effect of dimethyl sulfoxide and dimethyl sulfone on a destructive process in the joints of mice with spontaneous arthritis. Patol Fiziol Eksp Ter 1991 Mar-Apr; (2):37-9. [PubMed] MSM werkt niet tegen hooikoorts 118 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Onderzoekers van een Amerikaans alternatief gezondheidscentrum hebben een onderzoek gepubliceerd over de bestrijding van hooikoorts door het omstreden supplement MSM. Volgens de Amerikanen verminderde MSM verschijnselen als hoesten en snotteren bij 50 proefpersonen met hooikoorts. Klinkt mooi, maar er zit een addertje onder het gras. De studie is zo ontworpen dat MSM wel moest werken. De proefpersonen kregen twee keer per dag een tablet van 1300 milligram MSM, dertig dagen lang. Naarmate de studie vorderde, hadden de proefpersonen minder last van de pollen in de lucht. Na twee weken begon ook hun energie te stijgen. Toch had het middel geen effect op de hoeveelheid IgE en histamine in het bloed van de hooikoortspatienten.(1) Matt Brignall, een onderzoeker die voor Healthwell de studie kritisch onder de loupe nam, gelooft dat de studie niet deugt. De onderzoekers verrichtten hun studie toen het hooikoortsseizoen op zijn laatste benen liep. Allicht verbeterde de toestand van de proefpersonen.(2) Verdacht is ook dat de onderzoekers geen placebogroep gebruikten, zodat onduidelijk is hoe sterk het placebo-effect precies is. Bij hooikoortsonderzoeken is het placebo-effect vrij sterk. Brignall citeert een studie waarin 35 procent van mensen 'met een nasale allergie' een niet-werkend middel als 'effectief' bestempelden.(3) De onderzoekers zijn verbonden aan het Amerikaanse Genesis Center For Integrative Medicine, een gezondheidscentrum dat vitamine- en hormoonbehandelingen, massages en begeleiding verkoopt.(4) De hoofdauteur van de studie is ook de directeur van het centrum. Volgens de onderzoekers is hun studie zo veelbelovend, dat er nu een groot onderzoek moet komen naar MSM, compleet met verschillende doseringen, placebogroep, kortom: met alle toeters en bellers. 1. Barrager E, Veltmann JR Jr, Schauss AG, Schiller RN. A multicentered, openlabel trial on the safety and efficacy of methylsulfonylmethane in the treatment of seasonal allergic rhinitis. J Altern Complement Med 2002 Apr;8(2):167-73. [PubMed] 2. Matt Brignall. Treating Hay Fever, Naturally. Healthwell.com, 16-5-2002. 3. Mittman P. Randomized, double-blind study of freeze-dried Urtica dioica in the treatment of allergic rhinitis. Planta Med 1990;56:44-7. 4. Genesis Center For Integrative Medicine. Your New Beginning To Wellness. Website.

Myristicine in Muskaatnoot
Andere Namen: Myristizin, 1-Allyl-3-methoxy-4,5-methylendioxy-benzol, 4Allyl-6-methoxy-1,2-methylendioxybenzol, 6-Allyl-4-methoxy-1,3-benzodioxol, Methoxysafrol; engl.: myristicin, 4-Methoxy-6-(2-propenyl)-1,3-benzodioxole; frz.: myristicine CAS1-No.: [607-91-0] EG-/EINECS-Nr.: 210-146-9 HN: 1106000 FEMA2-No.: N.A. Natürliches Vorkommen: Der Phenylpropan-Abkömmling Myristicin ist ein wesentlicher Bestandteil im ätherischen Öl der Muskatnuß, botanisch Myristica fragrans VAN HOUTT. (daher der Name!), daneben ist der Stoff enthalten im Petersilienöl (der Blätter und vor allem der Samen von Petroselinum hortense HOFFM., bei Myristicin-Rassen wurden sogar Gehalte bis zu 77% festgestellt), im Galbanumharz sowie in Möhren (Radix Dauci). Das Vorhandensein im duftenden Prinzip von Galbanum wurde erstmals von Alan F. THOMAS entdeckt [Ohl.]. Beschreibung: Myristicin ist ein klares, farbloses bis leicht gelbliches Öl. Der Stoff ist in Wasser praktisch unlöslich, in den organischen Lösungsmitteln Diethylether und Benzol sowie in höherprozentigem Ethanol dagegen löslich. Mischbar mit Toluol 119 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

und Xylol. Die physikalischen Kenndaten veranschaulicht die untenstehende Tabelle. Gewinnung: Die Isolierung erfolgt meist aus dem ätherischen Öl von Petersilienfrüchten einer bestimmten (chemischen) Rasse, z.B. durch Säulenchromatographie nach der Methode von Stahl/Schild [x]. Die Bestimmung der chemischen Rasse kann durch vorherige Dünnschichtchromatographie erfolgen (ebd., S. 396). Eine chemische Synthese ist ebenfalls möglich [x]. Duftcharakteristik / odor profile: Der Geruchsstoff ist Träger des typischen, würzigen Muskatnußduftes und -aromas, mit einer warmen, balsamischen Pfeffernote. Es handelt sich bei Myristicin - wie bei den verwandten Stoffen Elemicin, Asaron, Apiol und Safrol - um einen Scharfstoff des o-Methoxy(Methyl)-phenol-Typs (Einordnung nach H. WAGNER), der in einigen bekannten Aromapflanzen enthalten ist. Der Geruch ist intensiv, der Geschmackseindruck scharf. Verwendung: In Parfümerie und Heilkunde hat die Substanz selbst keinen Eingang gefunden. Sie spielt lediglich eine Rolle als Bestandteil der genannten Gewürzpflanzen und ihrer ätherischen Öle. Muskatöle werden vor allen Dingen im Bereich der Herrenparfumerie zur Unterstreichung der Würznote verwendet. Man konnte für Myristicin insektizide Eigenschaften nachweisen, es verstärkt auch die Wirksamkeit anderer insektenabtötender Stoffe (sog. synergistische Wirkung). Myristicin wird als Vergleichssubstanz zur Prüfung ätherischer Öle eingesetzt; man hat es daher in den Reagenzienteil des Europäischen Arzneibuchs (gültig: Ph.Eur. Suppl. 1999) aufgenommen. Gefahren: Vergiftungen mit Myristicin beim Menschen wurden vorwiegend im Zusammenhang mit der Zufuhr großer Mengen von Muskatnuß (meist gemahlen, in einer Menge über 5 g) beschrieben. Allerdings sind an den Vergiftungserscheinungen auch andere Inhaltsstoffe des Gewürzes beteiligt. Zusammen mit Elemicin, Methyleugenol und Safrol wird Myristicin für die halluzinogene bzw. psychotropische Wirkung überhöhter Dosen von Muskatnußpulver verantwortlich gemacht (u.a. HAGER, JULIEN, RÖMPP). Im ältesten bekannten HinduDokument wird die Muskatnuß als mada shaunda, die "narkotische Frucht" bezeichnet [Ohloff,x]. Die Einnahme solcher Mengen von Muskatnußgewürz führt jedoch gleichzeitig zu regelrechten Vergiftungssymptomen wie Übelkeit, Erbrechen, Leibschmerzen, Unruhe, Zittern, Schweißausbrüche, Wahnvorstellungen und Gleichgewichtsstörungen. Besonders für Kinder sind die Muskatnüsse gefährlich: Nachdem ein 8jähriger Junge zwei Muskatnüsse, entsprechend etwa 12 g, gegessen hatte, fiel er in tiefe Bewußtlosigkeit und starb 20 Stunden nach der Aufnahme. Eine krebsauslösende Wirkung ist nicht auszuschließen. Hinweise darauf gibt eine Studie, die an Mäusen eine Adduktbildung an Leber-DNA (7,8 pmol/mg DNA) feststellen konnte (PHILLIPS et al.). Andere Untersuchungen konnten jedoch keine diesbezüglichen Hinweise liefern; es wird sogar von einer antimutagenen Wirksamkeit berichtet [Ohl. x]. Durch den Gehalt an Myristicin und Petersilienapiol wirken die Petersilienfrüchte und ihr Öl zwar krampflösend, aber auch stark uteruserregend. Die Verwendung bei Schwangeren ist daher gefährlich. Chemische und physikalische Kennzahlen der Reinsubstanz: Molekülmasse / F.W.: 192,21 g/mol Summenformel: C11H12O3 Chemische und physikalische Kenndaten der Substanz/Specifications: Parameter Wert (z.B. B=Bauer et al., H=Hager, R=Römpp, RK=Roth/Kormann) Schmelzpunkt m.p. unter -20 °C (Hunnius) Siedepunkt, Kp b.p. Kp15 Torr 149 °C (R); Kp20 hPa 149,5 °C (H); Kp40173 °C (R); Kp 276-277 °C (H, Hunn., R) Relative Dichte 20° s.g. 1,1437 (H, R, RK); etwa 1,144 (R Ph.Eur.) Brechungsindex 20° refr. index etwa 1,540 (R Ph.Eur.); 1,5403 (R); 1,54032 (RK) Löslichkeit in Ethanol solubility (alcohol) löslich (H, Hunnius) 120 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Löslichkeit in Wasser solubility (water) lmax 278 nm (e = 1910)

praktisch unlöslich (H, R)

N Neurotransmitters
De relatie tussen neurotransmitters en aminozuren Onze eetlust, emoties, stemming, concentratievermogen, stressbestendigheid en nog veel meer worden in onze hersenen geregeld. De hersencellen zijn zenuwcellen die met lange uitlopers met elkaar in verbinding staan en zo een enorm netwerk vormen. De informatie tussen de zenuwcellen wordt uitgewisseld via kleine hoeveelheden van zeer actieve stofjes, die neurotransmitters worden genoemd. In onze hersenen kennen we een groot aantal gespecialiseerde gebieden waar de vele functies die onze hersenen hebben worden geregeld. Een van de gebieden waar onze emoties geregeld worden is het limbische systeem en onze eetlust wordt o.a. geregeld in de Hypothalamus. Serotonine werking

Dopamine werking

Noradrenaline werking

De neurotransmitters serotonine, dopamine en noradrenaline zijn belangrijk in deze twee gebieden voor het beheersen van de emoties en de eetlust.Hebben we een tekort van deze neurotransmitters dan gaan we dat merken aan een gedeprimeerde stemming, prikkelbaarheid, gevoelens van angst, nergens plezier aan beleven, futloosheid, hoofdpijn, ongeremde eetlust of geen eetlust, trage stofwisseling, onvoldoende controle over onze emoties etc. Medicijnen die dit tekort kunnen opheffen zijn de zogenaamde antidepressiva. Aminozuren de bouwstoffen De stoffen waar de neurotransmitters uit gemaakt worden komen uit onze voeding en heten aminozuren en als er geen voldoende aanvoer komt van de aminozuren Tryptofaan of Tyrosine uit de voeding kan worden opgenomen dan ontstaan de

121 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

stoornissen zoals in het begin zijn genoemd. Aminozuurtherapie beoogt op een natuurlijke manier de balans tussen aanvoer en aanmaak van deze neurotransmitters te bevorderen. Door de bouwstenen van de neurotransmitters aan te bieden in een hogere dosering dan we normaal gesproken uit de voeding kunnen halen, zou het dus theoretisch mogelijk kunnen zijn om weer in balans te komen. De omzetting van Tryptofaan en Tyrosine verloopt als volgt: Tryptofaan ==> 5-hydroxytryptofaan (5-HTP) ==> Serotonine Tyrosine ==> L-Dopa ==> Dopamine ==> Noradrenaline ==> Adrenaline Voor een goed verloop van de omzettingen zijn Vit B6 en Vit B11 (foliumzuur) essentieel, anders werken de enzymen die de omzettingen moeten bewerkstellen niet voldoende en wordt de overmaat aan aminozuren weer uitgescheiden. Uiteindelijk komt maar een klein deel in de hersenen, de rest wordt via de lever verwerkt en afgebroken. Hoe werken antidepressiva en eetlustremmers ? Antidepressiva en eetlustremmers kunnen de werking van de neurotransmitters in onze hersenen beïnvloeden. De oudere antidepressiva werkten vooral op de noradrenaline concentraties en de modernere middelen als bijv. Prozac, Seroxat, Cipramil en het nieuwe eetlustremmende middel Reductil werken vooral op de serotonine concentraties. Zij verhogen tijdelijk de concentratie serotonine die uitgestort wordt in de synapsspleet tussen twee zenuwuiteinden. Dit is het raakpunt tussen twee zenuweinden. Als de ene zenuwcel signalen doorgeeft naar de volgende worden neurotransmitters in de zogenaamde synapsspleet uitgestort. Eenmaal uitgestort in de synapsspleet wordt de prikkel doorgegeven naar de volgende zenuw. Daarna wordt serotonine weer terug genomen door de zenuw die het signaal heeft gegeven. Dit noemen we heropname. Hierdoor gaat er dus niet zoveel neurotransmitterstof verloren. Dit kan steeds weer worden gebruikt De synaps is het raakpunt tussen 2 zenuwen. Ze vormen het enorme netwerk in ons zenuwstelsel. De axonen staan in verbinding met de kortere uitlopers van de zenuwcellen de dendrieten genaamd. Deze middelen noemen we SSRI’s dat staat voor: "selective serotonine reuptake inhibitors", dat betekent "selektieve serotonine heropname remmers". Deze middelen zorgen voor een tijdelijke verhoging van de concentratie van serotonine in de ruimte tussen twee zenuwuiteinden (de synaps spleet) doordat ze de heropname van deze stof blokkeren. Dus serotonine blijft in de synapsspleet en blijft de volgende zenuw dus prikkelen. Hierdoor worden de zenuwcellen (tijdelijk) meer gestimuleerd met als gevolg dat de stemming opklaart, de eetlust normaliseert en het algehele welbevinden wordt verbetert. De hersenen worden dus een beetje voor de gek gehouden doordat het lijkt dat de serotonine hoeveelheid is gestegen. Helaas is deze werking na verloop van tijd uitgewerkt door een tekort aan serotonine omdat de zenuw de serotonine niet meer terugkrijgt. De serotonine die blijft in de synapsspleet en wordt het na verloop van tijd opgeruimd door enzymen. De voorraad van serotonine raakt in de zenuw dus uitgeput en het lijkt het na enige tijd alsof het geneesmiddel "niets meer doet" en de symptomen komen weer terug of de patient blijft in een hele vlakke toestand verder gaan. .We kunnen dan spreken in dat geval van een zogenaamd "neurotransmitter depletie syndroom". Een tekort dus aan neurotransmitterstof. We weten dan ook dat veel antidepressiva na verloop van tijd juist gewichtstoename veroorzaken doordat ze de eetlust en snoepdrang dan gaan verhogen. Overgewicht en eetlust. Medicijnen die werken op de eetlust werken vaak ook op de neurotransmitters. We weten dat daarbij serotonine, noradrenaline en dopamine worden gestimuleerd. Helaas met slechts een korte termijn werking, meestal werken ze de eerset 4-8 weken maar daarna niet meer. Het maximum aan gewichtsreductie is helaas dan ook meestal slechts beperkt. De meeste antidepressiva zorgen uiteindelijk voor gewichtstoename, hoe dat proces precies verloopt is nog niet geheel opgehelderd. Er wordt wel geclaimd dat dit heeft te maken met het stimuleren van één van de subcategorieën serotonine receptoren waarvan er nu 3 bekend zijn.

122 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

O Omega-3 Essential Fatty Acids (EFA)
Natural Sources: Fatty fish including salmon, tuna, mackerel and sardines; flaxseed oil; other seed and nut oils such as pumpkin seed oil, canola oil and soya oil, grass and dark green leafy vegetables, meats from wild or range fed animals. Forms: Standardized fish oil extracts sold in capsules or bulk form; certified organic culinary oils (expeller-pressed in the absence of light, heat and oxygen). Therapeutic Uses: - ADD/ADHD - Allergies - Anti-inflammatory - Antioxidant (indirect) - Asthma - Atherosclerosis - Arthritis - Autoimmune Diseases - Behavioral Disorders - Brain Disorders - Cancer - Cardiovascular Disease - Fibroids - Fibromyalgia - Gout - Heart Health Maintenance - Hemorrhoids - Hepatitis - Menopausal Problems - Mood Swings - Muscle Cramps/Pain- Nervous - Neurological Disorders - Neuropathy - Osteoporosis - PMS - Pre-ecclampsia - Pregnancy-related Disorders - Postpartum Depression - Postviral Fatigue Syndrome Cellular Regeneration Chronic Fatigue Syndrome Cleansing Depression Detoxifying Diabetes Eczema EFA Deficiency Endometriosis Eyesight Disorders Fatigue Fibrocystic Breast Disease Hormone Imbalances Hypertension Infantile Atopic Eczema Joint Pain Lyme's Disease Mastalgia Reducing LDL Cholesterol Reproductive Organ Health Retinal Disorders Rheumatoid Arthritis Senility/Aging Problems Skin Disorders Sleep Disorders Stroke Tendonitis Vascular Disorders Vascular Tone

Overview: Omega-3 essential fatty acids are one of two types of essential fats that must be obtained through the diet because, like vitamins, they are essential but can't be produced by the body. There are two fatty acids that are essential for life - linoleic acid (LA) in the omega-6 family and alpha-linolenic acid (ALA) in the omega-3 family. Omega-6 fatty acids are readily found in most foods containing fats and oils, however, omega-3 fatty acids are found only in fish, range fed animals and a select few plants including flaxseed and dark green leafy vegetables. Flaxseed oil is an excellent source of omega-3 EFA as it contains approximately 57% alpha linolenic acid (ALA) and 15% linoleic acid (LA). The human body converts LA and ALA into longer chain fatty acids including arachidonic acid (AA), gamma linolenic acid and docosahexaenoic acid (DHA). These conversion steps can be slowed down by many lifestyle factors, including a diet rich in saturated fats and trans-fatty acids, stress, viral infections, too much alcohol or cholesterol and various illnesses. Flaxseed oil can be used to prevent and treat EFA deficiencies in the diet, such as those related to brain and retinal disorders, especially in infants, vascular disorders and hormonal imbalances. Every cell of the body has a phospholipid membrane made up of

123 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

essential fatty acids: 60% EFA's for most cells and 80% EFA's for brain and nerve cells. The human retina is fully 60% omega-3's. Omega-3 EFAs are important for membrane fluidity of all cells of the body; they also protect the body against abnormal blood clotting and are anti-inflammatory. Studies have shown that increased levels of omega-3s in the diet increases the flexibility of red blood cells for passing through capillaries and blood vessels within only three days and reduces and/or normalizes blood platelet stickiness. Chemistry: The most common omega-3 (n-3) fatty acid obtained from food is called alpha-linolenic acid (ALA, 18:3 n-3); the most common omega-6 (n-6) is called linoleic acid (LA, 18:2 n-6). These are polyunsaturated fatty acids with an 18 carbon chain length with their first double bond at either the third carbon (n3) or the sixth carbon (n-6) from the methyl group end. These EFA's must be obtained from foods because the body can not produce them on it's own and they are required as precursors for many biologically essential molecules. Suggested Amount: The recommended daily dosage for omega-3 EFAs ranges between 5 – 7 grams daily. To obtain this amount from flaxseed oil, it is recommended to take at least one tablespoon of flaxseed oil daily with food. Flaxseed oil can be used as a component of salad dressings, or it can be incorporated into other foods such as non-hydrogenated margarines or butters, or it can be mixed in with fruit smoothies or other shaken drinks. Flaxseed oil should never be used for frying foods, but may be used safely in baked foods. Other sources of omega-3 EFAs include pumpkinseed oil (10%), canola oil (10%), walnut oil (20%), butternuts (8%), wheat germ oil (7%), Persian English walnuts (7%), green soybeans (3%), soya oil (3-6%), roasted soybean kernels (1.5%), Beechnuts (1.7%), oat germ (1.4%) and purslane (1%). Fatty fish included in the diet can also be used as a source of omega-3s. Omega-3 EFA levels of fish include Atlantic mackerel (2.3% otherwise expressed as 2.3g per 100g (3.5 ounces) or 2,299mg per 100 grams), Pacific herring (1.7%), Atlantic herring (1.6%), Pacific and jack mackerel (1.4%), Chinook or king salmon (1.4%), bluefin tuna (1.2%), sockeye salmon (1.2%), pink salmon (1%), coho salmon (0.8%). Omega-3 EFAs from canned fish include anchovies canned in olive oil and drained prior to eating (2%), pickled Atlantic herring (1.4%), pink salmon including liquid and bones (1.6%), Pacific salmon in tomato sauce (1.6%), sockeye salmon (1.1%), Atlantic sardines in soybean oil (drained with bones) (1%), albacore white tuna in water and drained (0.7%), light tuna in water and drained (0.1%). This information is from the U.S. Department of Agriculture and can be obtained from the U.S. Nutrient Database on the worldwide web. For more detailed information of foods with EFA levels, see the books Food Your Miracle Medicine and Stop Aging Now by Jean Carper (1993, 1995). Drug Interactions: Omega-3 EFAs, when taken in excessive amounts, can prolong bleeding time and weaken the strength of blood vessels. Do not take omega-3 EFA supplements (in capsule form) while on blood thinners without first consulting with your physician. Stroke victims and persons at risk of having a stroke should also first consult with their physicians prior to using omega-3 EFA supplements. Contraindications: Omega-3 EFA supplements (in capsule form) are contraindicated for persons on blood thinners without first consulting with your physician. Stroke victims and persons at risk of having a stroke should also first consult with their physician prior to using omega-3 EFA supplements. Side Effects: Taken as directed, omega-3 rich oils do not have any negative side effects. However, excessive flaxseed oil and/or omega-3 EFAs in the diet, in the absence of adequate levels of omega-6 EFAs, can weaken blood vessels and capillaries and increase the tendency and frequency of nose bleeds and other bleeding problems. This increased risk of bleeding with excessive flaxseed oil

124 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

and/or omega-3 EFAs in the diet can be avoided simply by using EFA balanced flaxseed oil blends containing sunflower and other oils. References:

-

Belch et al. 1988: Effects of altering dietary essential fatty acids on requirements for nonsteroidal anti-inflammatory drugs in patients with rhematoid arthritis: a double blind placebo controlled study. Ann Rheum Dis 47(2): 96-104. Carper, J. 1993. Food Your Miracle Medicine: How Food Can Prevent and Cure Over 100 Symptoms and Problems. Based on more than 10,000 scientific studies. Published by HarperCollins Publ., Inc., 10 East 53rd Street, NY. Erasmus, U. 1993: Fats that Heal, Fats that Kill. Published by Alive Books, Burnaby, B.C., Canada. Pp. 1-456. Siguel 1996. Diagnosis of Essential Fatty Acid (EFA) Deficiency: Using Flax to Prevent Heart Disease. Proc. 56th Flax Institute of the USA, J.F. Carter, ed. North Dakota State Univ., Fargo, ND pp123-133. Stordy, J. 1995: Benefits of docosahexaenoic acid supplementation to dark adaptation in dyslexics. Lancet 346: 8971, 385.

OPC / Oligomere Procyanadinen
De oligomere proanthocyanidinen (OPC’s) zijn krachtige bioflavonoïden uit druivenpitten, opgebouwd uit eenheden catechine en epicatechine. Zij behoren tot de meest krachtige natuurlijke antioxidanten en zijn daarmee breed inzetbaar tegen vrije radicalen. OPC’s ondersteunen onder meer de conditie van het oog, de gewrichten, het hart en de bloedvaten en de hersenen. Daarnaast bevorderen OPC’s een evenwichtige immuunrespons. OPC’s beschermen collageen- en elastinerijke bindweefselstructuren zoals bloedvaten tegen vrije radicalen en houden (slag)aderen sterk en soepel. Ook bevorderen OPC’s het herstel na sportblessures. Procyanidinen (OPC's) verbeteren mogelijk functieschade hart Doorbloedingsstoornissen in de hartspier worden gevolgd door overmatige vorming van vrije radicalen. Het risico op hartritmestoornissen en blijvende weefselschade is sterk verhoogd. Van rode wijn zijn cardioprotectieve effecten beschreven. De gunstige werking van wijn voor het hart wordt toegeschreven aan antioxidatief werkende stoffen zoals resveratrol, catechinen, quercetine en proanthocyanidinen (OPC's). Onderzoekers van de universiteit van Debrecen in Hongarije en van de School of Medicine van de universiteit van Connecticut in de Verenigde Staten bestudeerden de effecten van OPC's uit druivenpitten bij ratten. De overweging was dat OPC's een belangrijke rol zouden kunnen spelen als vrije radicalenvanger en reperfusieschade zouden kunnen beperken. Twee groepen ratten kregen 50 respectievelijk 100 milligram OPC per kilo lichaamsgewicht per dag via een maagsonde toegediend gedurende een periode van drie weken. Een derde groep kreeg uitsluitend standaardvoer en diende als controlegroep. Vervolgens werd de hartspier geïsoleerd en continu doorstroomd met Krebs-Henlein buffervloeistof. Om het effect van OPC te kunnen vaststellen werd de doorstroming gedurende 30 minuten onderbroken, gevolgd door 120 minuten reperfusie. In het effluent van de hartspier werden metingen gedaan naar vrije radicalen via ESR (elektronen-spin-resonantiespectroscopie). In de rattenharten daalde de incidentie van hartritmestoornissen van 92% in de controlegroep naar 42 en 25% respectievelijk voor de groepen 50 en 100 milligram OPC per kilo lichaamsgewicht. Het herstel van de hartfunctie gemeten als herstel van hartspierflow, aortaflow en ontwikkelde druk was respectievelijk 32, 98 en 37% verbeterd ten opzichte van de controlegroep. Rattenharten uit de 100 mg OPCgroep hadden 75% minder vrije radicalenvorming vergeleken met de controlegroep. De onderzoekers concluderen dat procyanidinen uit druivenpitten cardioprotectieve eigenschappen vertonen door het wegvangen van vrije radicalen welke gevormd worden bij reperfusie. Zij merken op dat voorbehandeling met OPC kan helpen bij het functieherstel van de hartspier.

125 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Oligomere Proanthocyanidine, auch oligomere Procyanidine genannt und abgekürzt als OPC oder PCO (englisch: oligomeric proanthocyanidins), sind in Pflanzen natürlich auftetende Stoffe, die zur Gruppe der Flavonoide gehören und den übergeordneten Polyphenolen zuzuordnen sind. OPC sind zumeist Dimere oder Trimere von oligomeren Katechinen und üben eine antioxidative Schutzwirkung vor den Auswirkungen freier Radikale aus. Vorkommen 1948 entdeckte Jack Masquelier die OPC zufällig im Häutchen einer Erdnuss. Sie kommen jedoch in den meisten Pflanzen vor und sind daher auch von jeher Bestandteil der Nahrung des Menschen. OPC kommen vor allem in Traubenkernen (Traubenkernmehl), der Schale und dem Laub roter Trauben, in den roten Häutchen von Erdnüssen, in Kokosnüssen, in Äpfeln und in der Rinde der Strandkiefer (Pinus Maritima) vor. Besonders die Schalen und Kerne sowie die Kerngehäuse enthalten hohe Mengen an OPC. Oligomere Proanthocyanidine finden sich auch in hoher Konzentration in Rotwein, deutlich weniger finden sich in Weißwein. OPC dienen den entsprechenden Pflanzen vermutlich als Fraßschutz. Biologische Wirkung Die Hauptwirkung der OPC oder ihrer Metaboliten liegt in ihrer antioxidativen Wirkung.[1] Das bisher stärkste beschriebene OPC-Antioxidant ist 18,4 mal so stark wie Vitamin C und 50 mal so stark wie Vitamin E. OPC sind möglicherweise Katalysatoren, die die positiven Wirkungen von Vitamin A, C und E verstärken können. Sie passieren auch die Blut-Hirn-Schranke und können somit möglicherweise Hirngewebe vor oxidativem Stress schützen. Hinzu kommt eine Verlangsamung der Zelloxidation, Thrombozytenaggregationshemmung ("Blutverdünnung"), Senkung des LDL-Cholesterins, Blutdrucksenkung, Vasodilatation (Gefäßerweiterung) und eine entzündungshemmende Wirkung. Die Wirkung von OPC scheint durch die Anwesenheit anderer Substanzen im Sinne eines Synergismus günstig beeinflussbar zu sein. Zu diesen Substanzen gehören die Ascorbinsäure (Vitamin C), sowie Rutin, Hespiridin und Quercetin, wie auch weitere Bioflavonoide. Eine histaminsenkende Wirkung konnte in einer 8wöchigen Doppelblindstudie mit 49 Personen nicht nachgeweisen werden.[2] Polyphenole, zu denen die OPC gehören, werden ausreichend resorbiert, unterliegen jedoch nach Resorption einer teilweisen Metabolisierung, die dazu führt, dass nicht die gesamte zugeführte OPC-Menge in einer aktiven Form im Blut zur Verfügung steht. Die im Blut gefundenen OPC unterscheiden sich daher chemisch von denen, die mit der Nahrung zugeführt wurden. Außerdem ist beobachtet worden, dass die OPC noch vor Resorption durch darmständige Mikroorganismen zum Teil abgebaut werden. Die in Studien beobachteten Wirkungen eingenommener OPC oder OPC-reicher Nahrung sind nicht stets auf OPC selbst beschränkt. So ist noch nicht endgültig geklärt, ob mögliche Metaboliten, die durch bakterielle Zersetzung im Darm oder durch den menschlichen Stoffwechsel entstehen, die eigentlichen Wirksubstanzen sind. Viele der hier beschriebenen Wirkungen sind naturwissenschaftlich noch nicht einwandfrei bewiesen und dokumentiert. Kritik Laut dem Bayerischen Landesamt für Gesundheit und Lebensmittelsicherheit sind OPC (Oligomere Procyanidine) als Stoffe einzustufen, die den LebensmittelZusatzstoffen gleichgestellt sind (§2 Abs. 3 Satz 2 Nr. 1 LFGB). Eine Zulassung von OPC ist allerdings bis jetzt nicht erfolgt. Nahrungsergänzungsmittel mit Zusatz von OPC müssen daher als nicht verkehrsfähig beurteilt werden. OPC werden allerdings derzeit noch als Bestandteil von Nahrungsergänzungsmitteln auf den Markt gebracht und die in diesem Zusammenhang aufgestellten Werbeaussagen, insbesondere die Behauptungen zu gesundheitlichen und physiologischen Wirkungen, gehen oft weit über das hinaus, was als gesicherter naturwissenschaftlicher Erkenntnisstand zu bezeichnen ist. Literatur (insbesondere zur Resorption)

126 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

* Rechner AR, The metabolism of dietary polyphenols and the relevance to circulating levels of conjugated metabolites., Free Radic Res. 2002 Nov;36(11):1229-41 * Deprez S, Polymeric proanthocyanidins are catabolized by human colonic microflora into low-molecular-weight phenolic acids, J Nutr. 2000 Nov;130(11):2733-8 * Spencer JP, Bioavailability of flavan-3-ols and procyanidins: gastrointestinal tract influences and their relevance to bioactive forms in vivo, Antioxid Redox Signal. 2001 Dec;3(6):1023-39 * Yumiko Nakamura / Sumiko Tsuji / Yasuhide Tonogai: Analysis of Proanthocyanidins in Grape Seed Extracts, Health Foods and Grape Seed Oils, in: J.Health Sci. 49/1 (2003), 45-54 1. ↑ Eine krebssenkende Wirkung wurde durch eine Studie bestätigt, die OPC apoptotische Wirkung auf menschliche SNU-C4-Zelllinien bescheinigt: Y.J. Kim / H. J. Park / S.H. Yoon / M. J. Kim / K.H. Leem / J.H. Chung / H.K. Kim: Anticancer effects of oligomeric proanthocyanidins on human colorectal cancer cell line, SNU-C4. in: World J. Gastroenterol. 11(30) (2005), 4674-4678 2. ↑ Bernstei,n C.K./ Deng, C. / Shuklah, R. et al.: Double blind placebo controlled (DBPC) study of grapeseed extract in the treatment of seasonal allergic rhinitis (SAR), J. Allergy Clin. Immunol. (2001) 107, 1018. * * * * * International Nutrition Company: INC's Mission medizinauskunft.de - Im Kern der Traube: Starker Zellschutz Verbraucherzentrale Baden-Württemberg: Nahrungsergänzungsmittel Bayerisches Landesamt für Gesundheit und Lebensmittelsicherheit Hank Liers (1993): Review of the scientific research on OPC

Biological Activities of PROCYANIDIN vlgs Dukes database AntiHIV; Antiallergic; IJO16:204; Antibacterial; PM56(6):577; Antibiotic; Antiedemic; APP16:50; Antiexudative; APP16:50; Antiviral; Capillariprotective; APP16:50; Hyaluronidase-Inhibitor; IJO16:204; Pesticide; Xanthine-Oxidase-Inhibitor; IC50=>40; CPB38:1225;

Oxalaten / Oxaalzuur
Soluble oxalates in vegetables can make it harder for the body to absorb calcium from food, since calcium and oxalate can bind together to form calcium oxalate. Calcium oxalate is an insoluble form of oxalate and has a low bioavailability. If there is no calcium in the food for the soluble oxalate to bind to part of the soluble oxalate itself is absorbed by the body. Since oxalate is not a nutrient, the blood will transport it directly to the kidneys to excrete as urine. Urine also contains calcium. If the urine contains large amounts of oxalate and calcium, the two can bind together to form kidney stones. This is why people who readily develop kidney stones should avoid eating too many oxalate rich vegetables. Oxalates do not have any use in the human body, but are taken up "by mistake" together with other nutrients. A number of compounds are broken down to oxalate as a normal part of the bodies metabolism. So oxalates from food and from normal body metabolism can always be found in the urine. Oxalic acid is the most simple organic acids. It is naturally bound to water and can also bind to other compounds to form soluble and insoluble salts. 127 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Some oxalate salts (for instance calcium and magnesium oxalates) are insoluble in water. It is believed that they are not taken up very well in the human intestine and therefore they are not thought to have a harmful effect on the bodies metabolism. The soluble salts of oxalate, however, might be harmful in two ways. First, they can bind to calcium in the food, lowering the uptake of calcium by the body (known as calcium bioavailability). Second, oxalates can be absorbed in the intestine and possibly cause hyperoxaluria. This in turn makes the risk of developing kidney stones greater than usual. A number of scientific papers on the science about oxalate bioavailability and metabolism have been written on this topic. The calcium:oxalate ratio has been used to categorise food into high and low risk foods. Foods with a calcium:oxalate ratio close to 1.0 are not good calcium sources, but are not thought to affect the uptake of calcium from other foods. A ratio higher than 1.0 shows that some calcium can still be taken up from the food, but a ratio lower than 1.0 suggests that the oxalate in the food might affect the bioavailabillity of calcium from other foods in the meal, such as calcium from milk products (further papers science about calcium:oxalate ratio) The content of soluble oxalate can be affected by cooking the food (Science about cooking effects). If for example, spinach is boiled and the cooking water is thrown away, almost all the soluble oxalate will be removed from the cooked food. If the food is baked (i.e. baked yams or a rhubarb pie) water will be lost from the food by evaporation but the oxalate will remain and the oxalate will become more concentrated in the baked food. Yams (Oxalis tuberosa) are a vegetable tuber that contains oxalate. As far as it is known, it is the only vegetable that contains only soluble oxalate in its tissue. The soluble form of oxalate is more likely to be absorbed into the body. Spinach contains both soluble and insoluble oxalate, cooking greatly reduces the soluble oxalate content. OXALATES: Highs for oxalic-acid in FNF are lambsquarter to 30% oxalic acid on a dry weight basis, buckwheat leaves,11; starfruit, 9.6%, black-pepper 3.4%, purslane 1.7%, poppyseed 1.6%, rhubarb 1.3%, and tea, to 1.0% oxalic acid on a dry weight basis. Oxalates, e.g. in black tea, may lead to stone formation. Checking 14 kinds of national herb teas (including camomile, orange-spice and peppermint), scientists at Memorial University of Newfoundland (J. Amer. Diet. Assoc. Mar 1985), found that herb teas had 1/7th to 1/32th the oxalate of regular tea (Prevention, Sept. 1995. p. 46).

P Papaine
Papaïne is een enzym dat uit papaja wordt gehaald. Het is een plantaardige eiwit-splitsende stof, lijkend op het door het lichaam aangemaakte pepsine, en te vergelijken met bromelaïne. Papaïne wordt ook wel geëxtraheerd en gedroogd tot poeder. Papaïne wordt onder andere gebruikt bij het desinfecteren van brandwonden, het verwijderen van dode huidcellen, het verminderen van littekens, het behandelen van insectenbeten en darmziektes (zoals de ziekte van Crohn) en het bevorderen van de spijsvertering. In de vleesindustrie gebruikt men papaïne om taai vlees mals te maken, terwijl de leerlooierij met papaïne het leer soepel maakt. Het enzym breekt namelijk de dierlijke proteïnen gedeeltelijk af. In Mexico bakt men vlees in papajabladeren, wat een soortgelijk resultaat oplevert.

128 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Papain is a protein enzyme with papaln proteinase, chymopapain and lysozyme. Enzymes accelerate reactions within body cells. In the human body, the pancreas usually produces enzymes that break down foods into nutrients that the body can use for energy and other functions. Papain is an enzyme produced by the tropical fruit, papaya. Papain is proteolytic, which means that it digests proteins. Enzyme deficiencies are rare, but individuals who have cystic fibrosis or diseases of the pancreas may not produce enough natural enzymes to digest foods properly. Frequently, papain is included in prescription combinations of digestive enzymes to replace what individuals with these conditions cannot produce naturally. Because it improves digestion in general, papain has been used orally to treat less serious digestion disorders such as bloating and chronic indigestion. Since parasitic organisms are largely proteins, papain has sometimes been taken internally to eliminate intestinal worms, but this use is rare today. Topically, papain has been used for skin conditions such as psoriasis. Its ability to break down proteins is used to remove dead tissue from burns, to help skin injuries heal, to remove warts, and to treat ringworm. Cold sores caused by Herpes zoster virus have been treated successfully with both oral and topical papain-containing products. In one small study of individuals with Herpes zoster, an oral papain product was as effective as a prescription antiviral medication in resolving pain, but not redness. Further study is needed to prove or disprove this effect, however. As recorded in the Dictionary on Traditional Chinese Medicine, the papaya contains papain, which can help cure cancers, and kill the lymphatic leukemia cells, probacteria, parasite and bacillus tuberculars, helping diminish inflammation, normalize the functioning of the gallbladder, alleviating pain and promote digestion. Meanwhile, it has stronger curative effect on gynaopathy, glaucoma, osteoproliferation, healing of wound, blood grouping and insect bites. The papaya powder, on the other hand, can help promote the blood circulation in one's breasts and make them healthier. Putting the papain into some mixed forages can greatly increase the availability and inversion of protein, decreasing the cost for forages and exploiting sources of protein. For example, the papain can used as additives in the forages for such animals as pigs, oxen, sheep, chicks, ducks, geese, fish, shrimps, eels and cows. Papain can be made into depilatory for tanning the leathers, making the products smooth and shiny. Papain can be used for processing wool, boiling off cocoons and refining silks. In this way, the products won't shrink and will be quite soft. Since the pain can dissolve sericin but is unable to affect silk fiber protein, it can be used for the refinement of the mixture of bombycine and vinegar fiber, and for the refinement of the Chinese crine. Papain can help dispel taches ad pimples, clean you face, promoting the blood circulation, making you skin healthier and tender. Due to its characteristic of superoxide dismutase ( SOD ) and properties of MT, the papain can keep one's skin from sunburn. De werking van papaya-enzymen Papaya (lat. Carica Papaya) wordt vaak ook genoemd de Meloenboom. In sommige delen van Indië wordt hij ook pau-pau genoemd. De gouden rijpe papajameloen heeft een aangename en unieke smaak en wordt algemeen als een waardevolle gezondheidsvoeding beschouwd. Het is een uitstekende bron van papaja-enzym (papaïne), vitamine A, een goede bron van vitamine C en het bevat ook de vitaminen van B-groep. Wat de papajabladeren betreft, hebben de voorlopige wetenschappelijke onderzoeken uitgewezen dat zij, ten opzichte van de rijpe papajavrucht, bevatten: 15 keer meer eiwit, 2 keer meer niacine (vitamine B3) en celweefsel, 4 keer meer vetten, 3 keer meer bètacarotine en vitamine C en zijn ook rijk aan papaïne. Karakteristieke werking van natuurlijke enzymen is het sterk terugdringen van auto-antilichamen en de ongewenste eiwitten en eiwit-complexen van het lichaam afbreken en doen oplossen zodat het via de urine of via ontlasting het lichaam kan verlaten. Dus wanneer het immuunsysteem faalt, zoals bij alle auto129 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

immuunziekte (chronische vorm), en daarom niet meer tolerant voor het eigen lichaam, kan dit leiden tot het ontstaan van de auto-immuunaandoeningen onder invloed van reeds gevormde auto-antilichamen, gericht tegen lichaamseigen bestanddelen en deze beschadigt. Zo’n auto-antilichaam laat zich splitsen door middel van papaja-enzym. Het lichaam is niet in staat om dit enzym zelf aan te maken. Het papaïne component wordt in de gevestigde immunologieleer en alle andere vakliteratuur ook als antilichaam-splitsend genoemd. En ook omdat bij de spijsvertering de verschillende spijsverteringsenzymen, zoals amylase (koolhydraten), lipase (vetten), pepsine en trypsine, een centrale rol spelen, kunnen enzymen het spijsverteringsproces aanzienlijk verbeteren. Ontstekingsremmende werking De enzymen zijn een krachtig middel bij ontstekingen en verwondingen. Bij weefselbeschadiging reageert het lichaam met een ontstekingsreactie. Proteolytische enzymen reguleren dit ontstekingsproces en helpen voorkomen dat een ontsteking chronisch wordt. Hoe eerder enzymen toegepast worden (orale toediening in het bijzonder), des te beter is het verwachtte resultaat. Zij remmen de ontstekingsreactie door modulatie van de prostaglandinensynthese. Enzymen verminderen de ontstekingskenmerken (roodheid, pijn en zwelling) en bekorten de herstelperiode. Toepassingen bij tumoren en kanker Proteolytische enzymen verminderen de pijn bij een ontsteking door vermindering van de ontstekingsreactie en door een direct effect op de nociceptoren. De pijn bij artritis, osteoartritis, reuma en fibromyalgie wordt niet alleen getemperd door suppletie met proteolytische enzymen, maar treedt er een langzame verbetering op omdat de auto-antilichamen, gericht tegen lichaamseigen bestanddelen en deze beschadigen, zich goed laten splitsen door middel van papaïne. In een onderzoek werd het pijnstillend effect van NSAID's (nonsteroidal anti-inflammatory drugs) vergeleken met die van proteolytische enzymen bij pijnlijke wervelaandoeningen. Beide waren even effectief. Enzymen zijn effectief bij (bacteriële/virale) infecties, met name als deze met slijmvorming gepaard gaan, zoals bij (chronische) bronchitis, pneumonie en longabces. Enzymen verminderen de viscositeit van het sputum, waardoor het beter afgevoerd wordt, terwijl ook de purulentie en de kwantiteit afnemen. Ook bij astma, sinusitis en oorontsteking kunnen enzymen goed helpen. Het werkingsmechanisme van proteolytische enzymen is mede gebaseerd op immunomodulatie en beïnvloeding van de cytokinenvorming. Cytokines zijn polypeptiden gevormd door cellen van het afweersysteem (T-lymfocyten en macrofagen), die de immuunrespons reguleren bij de normale afweer, bij infecties, ontstekingen en bij kanker. Enzymen zoals papaïne stimuleren onder meer de vorming van tumornecrosisfactor (TNF), interleukine-1 (IL-1) en interleukine-6 (IL-6) op een dosisafhankelijke manier. De antivirale werking van proteolytische enzymen is mede gebaseerd op activering van macrofagen en NKcellen, die de virusgeïnfecteerde cellen opruimen. Proteolytische enzymen breken de ontstekingsmediatoren af en ruimen ook pathogene immuuncomplexen (ontstekingsbrokstukken) op die ontstekingsreacties kunnen veroorzaken. Ze ruimen tegelijk de metabolieten op. In de praktijk blijken enzymen een gunstig effect te hebben bij bijna alle autoimmuunziekten, maar vreemd genoeg worden deze enzymen nog steeds door een relatief kleine groep artsen en therapeuten toegepast. Er zijn sterke aanwijzingen dat proteolytische enzymen (zoals papaïne) in grote doseringen tumorgroei en -metastasering remmen. Vanaf de jaren zestig worden er in Duitsland en Verenigde Staten in speciale klinieken en zelfs in ziekenhuizen, de enzymen-therapie bij kanker met succes toegepast. Tientallen wetenschappelijke onderzoekingen en publicaties ondersteunen deze onderschatte toepassingen. De resultaten van een recent onderzoek onder de vrouwen met borstkanker suggereren dat orale toediening van enzymen de cytotoxiciteit van monocyten verbetert, waardoor de vernietiging van de kankercellen wordt gestimuleerd. Uit vele publicaties blijkt dat suppletie met enzymen het immuunsysteem bij kankerpatiënten, die een operatie ondergaan of chemo- of radiotherapie krijgen, sterk verbetert. Enzymsuppletie reduceert niet alleen de 130 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

bijwerkingen van bestraling en chemotherapie, maar zorgt voor een verbetering van de algemene gezondheid en verbetert de levenskwaliteit. Voor meer informatie over papaya produkten: http://www.magic-nature.com

Policosanol
Policosanol (polycosanol) is is the generic term used for alcohols. These alcohols are (Saccharum officinarium) and in beeswax. a natural waxy extract from sugar cane. Policosanol a mixture of long-chain primary aliphatic saturated derived from the waxes of such plants as sugar cane yams (e.g. Dioscorea opposita). They are also found

The main long-chain alcohol in policosanol is the 28 carbon 1-octanosol, and next most abundant is the 30 carbon 1-triacontanol. Other long-chain alcohols present in much lower concentrations are: 1-docosanol (C22), 1-tetracosanol (C24), 1-hexacosanol (C26), 1-heptacosanol (C27), 1-nonacosanol (C29), 1dotriacontanol (C32) and 1-tetracontanol (C34). These long-chain alcohols are solid waxy substances and are soluble in water. They are known collectively as fatty alcohols. Its use as a supplement has been proven in numerous clinical trials to lower bad cholesterol (LDL) and increase good cholesterol (HDL) more effectively and safely than prescription statin drugs. Policosanol is a unique natural product derived from sugar cane wax and beeswax: It has proved effective at reducing cholesterol levels and for some individuals may be a reasonable natural alternative to the commonly prescribed "statin-type" cholesterollowering drugs. The mechanism of action of reported cholesterol-lowering activity is unknown. Some animal studies suggest that policosanol may inhibit cholesterol syntheses in the liver. It is also unclear if the putative cholesterol-lowering activity is due to octacosanol. The long-chain alcohols appear to have different biological activities, and octacosanol by itself may not have the same activities as policosanol. They may work synergistically. There now is a natural substance that may lower 'bad' LDL cholesterol, raise 'good' HDL cholesterol and balance total cholesterol as effectively as some leading pharmaceuticals. What is it and why is it effective? Policosanol, is a very safe substance derived from the outer wax of the sugarcane plant. Excellent research, including many clinical trials, show that the fatty alcohols in Policosanol are safe and have a beneficial effect on cholesterol levels. Policosanol can lower one’s bad Cholesterol (LDL) by up to 20% and raise beneficial cholesterol (HDL) by 10%. It works by obstructing the synthesis of cholesterol from the liver. Contrary to what most people believe, the vast majority of cholesterol does not come from diet, but from our liver, which produces more than 80% of it. In addition, policosanol helps protect against the formation of lesions in arterial walls, protecting against heart disease, and also acts as an anti-coagulant, similar to aspirin. Anti-coagulants help prevent the formation of clots. Such clots can often lead to heart attacks and strokes. Some people are predisposed to high cholesterol no matter how stringent their diet and exercise routine. The liver is primarily responsible for cholesterol production in the body. However, in some persons (due to genetic factors) the liver does not know when to stop making cholesterol. Policosanol exerts an important antioxidant effect and it helps control the liver's production and breakdown of cholesterol. Some other benefits of Policosanol including: Exciting new research shows that it may lower serum cholesterol levels, raise good HDL cholesterol levels, and reduce platelet aggregation (stickiness). As well as reducing serum cholesterol levels, Policosanol reduces the amount of cholesterol in the liver, heart and fatty tissue. Policosanol's cholesterol-lowering effects continue and do not lose their effect over time. Policosanol may prevent and reverse atherosclerotic lesions and thrombosis. As an antioxidant, Policosanol works to prevent LDL oxidation. 131 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Polyfenolen / Flavonoiden / OPC
Zie flavonoïden Ze zijn in ruime mate aanwezig in het plantenrijk, ze bezitten geen voedingswaarde, maar wekken alsmaar meer belangstelling: we hebben het over de polyfenolen die hun stempel drukken op “plezierige” voedingsmiddelen zoals chocolade en rode wijn. Voor het eerst werd een internationaal congres volledig gewijd aan die kleine bestanddelen met een groot belang*. Het eerste internationale congres over polyfenolen, onlangs georganiseerd door het INRA (Institut National de la Recherche Agronomique en France), getuigt van een groeiende interesse vanwege de wetensschappelijke wereld voor de uitgebreide familie van de polyfenolen. Alhoewel de belangstelling vooral uitgaat naar hun antioxiderende werking, worden er toch ook meer en meer andere effecten aan toegeschreven. Zo belichtte bijvoorbeeld Barry Halliwell (National University of Singapore) hun vermogen tot inhibitie van de cyclooxygenasen en lipooxygenasen en hun capaciteit om vrij ijzer te fixeren in het colon. In zijn openingstoespraak van het congres trok Serge Hercberg (UMR INSERM/INRA/CNAM) nochtans de aandacht op de noodzaak tot voorzichtigheid alvorens openbare aanbevelingen te formuleren. De coördinator van de SU.VI.MAX-studie voegde eraan toe dat de complexiteit van het verband tussen bètacaroteen en kanker, dat heden ten dage beter ingeschat wordt, een les moet zijn en een aanzet tot het uitvoeren van uitgebreide gerandomiseerde interventiestudies. Uitgebreide familie De polyfenolen omvatten een grote familie van bestanddelen op basis van een eenheid van fenylpropanoïde, waartoe diverse klassen behoren met Sibillijnse namen zoals cinnaminezuur, benzoïnezuur, flavonoïden, proanthocyanidinen, stilbenes, coumarines, lignanen en lignines. De flavonoïden vormen de voornaamste groep van de polyfenolen, met niet minder dan 4 000 verschillende bestanddelen verspreid over het plantenrijk. De consumptie ervan wordt geschat op 1 g per dag en hun verdeling is verre van eenvormig. Zo treffen we de flavanonen bijna uitsluitend aan in citrusvruchten terwijl de anthocyaninen in rood/blauwe vruchten en in rode wijn aanwezig zijn. Sommige flavanoïden komen slechts in één soort gewas voor. Zo zou de appel bijvoorbeeld de enige bron zijn van floridzinene. In een experiment voorgesteld door Véronique Coxam (INRA Theix, St Genès-Champanelle, Frankrijk), werd aangetoond dat dit flavonoïd zelfs de osteopenie geïnduceerd bij ratten na ovarectomie lijkt af te remmen. In de analyses van Sylvain Guyot (INRA, Le Rheu, Frankrijk), werd aangetoond dat cider eveneens een belangrijke aanbreng van die bestanddelen kan leveren. Hij meldt dat de antioxiderende activiteit van verschillende cidersoorten in de buurt ligt van die van rode wijn en soms zelfs hoger is. Achter de adstringentie (verdrogend,samentrekkend effect) van de tanninen Adstringentie is de tactiele gewaarwording veroorzaakt door inname van tal van voedingsmiddelen, gaande van cacao tot thee, van rode wijn tot noten…. Achter die perceptie van “raspachtigheid” of van droogte, gaan de polyfenolen schuil. Het gaat hier meer bepaald om proanthocyanidines of gecondenseerde tanninen, polymeren van de flavanolen die eveneens bijdragen tot de bittere smaak. Vanuit chemisch standpunt veroorzaken die polyfenolen het neerslaan van speekseleiwitten waardoor de astringentie verklaard wordt. De speekselvloed is van invloed op de gewaarwording maar determineert niet de acceptatie die zeer sterk verschilt van individu tot individu. Uit onderzoek is gebleken dat het verminderen van de bitterheid of de adstringentie van dranken (met name wijn) hen niet noodzakelijkerwijze meer aantrekkelijk maakt. Als wijn de schade beperkt! Zou de rijkdom aan antioxiderende polyfenolen in de mediterrane voeding een van de stukjes van de puzzel zijn van de befaamde bescherming bij de 132 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

bevolkingsgroepen rond de Middellandse Zee? Dat is de hypothese van Joseph Kanner (Bet Dagan, Israël), die de oxidatiereacties bestudeerde in de loop van de spijsvertering. De oxidatie van voedingslipiden geeft inderdaad ontstaan aan chylomicronen die rijk zijn aan geoxideerde lipiden en aan hydroperoxiden, die ervan verdacht worden een rol te spelen bij de atherogenese. De experimenten van de Israëliër tonen aan dat de incubatie van rood vlees volgens het " fast-food-concept " bereid gedurende 2 uur in menselijk maagvocht een drastische toename veroorzaakt van de productie van hydroperoxide en een cooxidatie van andere aanwezige antioxidantia (bètacaroteen, vitamine C en vitamine E). Door de aanwezigheid daarentegen van catechine of van polyfenolen uit rode wijn wordt de afbraak bevorderd van hydroperoxiden en vrije radicalen waardoor de lipidenoxidatie en de co-oxidatie van vitaminen wordt verhinderd. Reden genoeg dus om wijn als bondgenoot bij de maaltijden in te schakelen wat ook traditie is in het mediterraan gebied. Lactase komt op de proppen Op de vraag in welke mate de polyfenolen of sommige van hun metabolieten uit hun omzetting door de darmflora werkelijk geabsorbeerd worden, kan heden ten dage slechts gedeeltelijk geantwoord worden. Paul Froon (Colnay Lane, Verenigd Koninkrijk) levert er een deel van: zijn werk toont aan dat lactase of bètagalactosidase, het enzym dat een grote variatie kent op wereldschaal en dat we vooral terugvinden in populaties met een zuivel- cultuur, een essentiële rol speelt bij de absorptie van tal van flavonoïden (aanwezig onder geglycosyleerde vorm, met een binding van het bètatype). Die ontdekking werpt nieuwe vragen op: verschillen de effecten van de flavonoïden op de gezondheid naargelang men al dan niet melksuiker verteert? Thee in het groen Thee behoort ook tot de voedingsmiddelen die veel flavonoïden bevatten. Alhoewel groene en zwarte thee van dezelfde plant (Camellia sinensis) voortkomen, heeft vooral de eerste soort de reputatie een “ anti-kanker” drank te zijn. Op basis van een prospectief onderzoek over een periode van 10 jaar preciseert Hirota Fujiki (Universiteit van Tokushima Bunri, Japan) dat door dagelijks verbruik van 10 tassen groene thee (120 ml/tas) het optreden van kanker met 7,3 jaar uitgesteld wordt bij vrouwen en met 3,2 jaar bij mannen. Die hoeveelheid thee komt overeen met 2,5 g extract van groene thee per dag. Maar ook al verspreidt de golf van groene thee zich geleidelijk aan over het oude continent, toch zijn de grote drinkers van de originele groene theesoort nog zeldzaam. Ook kunnen we ons vragen stellen over het gehalte aan flavonoïden in dranken zoals Ice tea , waar op het etiket in het groot groene thee vermeld staat maar die slechts in geringe mate aanwezig zijn in deze genereus gezoete drank! De zon als stimulator De synthese van flavonoïden door de plant biedt deze bescherming tegen oxidatiereacties. Dat verklaart meteen ook dat veel zon het gehalte aan flavanoïden in gewassen doet toenemen en dat in een zelfde plantensoort het de aan de zon blootgestelde delen zijn die de hoogste flavonoïdenconcentraties bezitten. Bij broccoli bijvoorbeeld is het gehalte aan flavonoïden significant hoger in het groentebosje dan in de stengels terwijl dat omgekeerd is voor vitamine C (dat niet bijzonder houdt van de zon !). Het effect van zonblootstelling heeft een team van Duitse en Noorse vorsers aangezet om de invloed van stralen te bestuderen bij bewaring van gewassen. Dat team heeft aangetoond dat blootstelling van verse broccoli aan zichtbaar licht met UV-A en UV-B een toename veroorzaakt van de flavonoïdenconcentratie in het groentebosje. Maar noch de bewaring noch de belichting hebben invloed op het totale antioxiderend vermogen van het gewas. Het is een beetje alsof er een evenwicht zou bestaan tussen het gehalte aan antioxidantia van de groep van de polyfenolen (die “houden” van de stralen) en de andere zoals vitamine C, die schaduw en friste verkiezen. Het lijkt dan ook niet opportuun om zonnebanken voor gewassen te gaan installeren in de grootwarenhuizen!

133 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

De toekomst van de polyfenolen Het progressief ontdekken van gezondheidseffecten van polyfenolen leidt tot een zekere rehabilitatie van eeuwenoude voedingsmiddelen zoals rode wijn, chocolade en bier. Van die wetenschappelijke doorbraak profiteert ook de markt van supplementen die nu ook al “à la carte” langs synthetische weg kunnen aangemaakt worden. Nieuwe fabricatieprocédés worden ook voor voedingsmiddelen onderzocht. Zoals het voorbeeld van bier waarbij om de afbraak van een isoflavone van hop tijdens de gisting (het 8-fenylnaringenine) te compenseren, polyfenolen van rode klaver worden toegevoegd. Of ook nog de keuze van specifieke houtsoorten (kastanje en eik omwille van hun hoge gehalte aan bepaalde polyfenolen) bij de vinificatie en rijping van wijn, azijn en andere oude brandy. De GGO (Genetisch Gemodificeerde Organismen) die op dit ogenblik slecht gezien zijn in Europa, zijn eveneens van de partij: Nederlandse vorsers zijn erin geslaagd een tomaat te ontwikkelen met een nieuwe specifieke klasse van flavonoïden, die normaal niet aanwezig is in tomaten… De polyfenolen zijn dus beloftevol maar door de wedren voor hun commerciële uitbating zouden er wel eens leerling-tovenaars kunnen op de proppen komen. Als we de geaccumuleerde kennis op gebied van antioxidantia in het algemeen, van de synergieën en de complementariteiten extrapoleren, dan lijkt alles erop te wijzen dat het beter is de grote verscheidenheid tussen de polyfenolen te vinden dan te pogen een of andere ervan in belangrijke mate te verhogen. Nicolas Guggenbühl,Diëtist-nutritionist" HEALTH & FOOD " nummer 62, December/Januari 2003 *1st International Conference on Polyphenols and Health, 18-21 november 2003, Vichy (Frankrijk) Polyphenols Dukes database Activities Anthelmintic AntiHIV Antiangiogenic Antibacterial Anticariogenic Antidiarrheic Antidysenteric Antihepatotoxic - [JNP59:205 Antihypertensive - [JNP59:205] Antilipolytic - [JNP59:205] Antimutagenic Antiophidic - [EMP5:363] Antioxidant - Dosage: IC50=1.44 ug/ml [CPB38:1051] Antiradicular - Dosage: 500 mg/kg/day orl mus [CPB38:1049] Antirenitic - [CPB38:1049] Antitumor - [JNP59:205] Antiulcer - [JNP59:205] Antiviral - [JNP59:205 JE26:74] Cancer-Preventive - [HG22:14] Chelator - [JNP59:205] Cyclooxygenase-Inhibitor - [JNP59:205] Glucosyl-Transferase-Inhibitor - [JNP59:205] Hepatoprotective Immunosuppressant - [RWG29] Lipoxygenase-Inhibitor - [JNP59:205] MAO-Inhibitor - [JNP59:205] Ornithine-Decarboxylase-Inhibitor - [JNP59:205] Pesticide Psychotropic - [CPB38:1049] Xanthine-Oxidase-Inhibitor - [JNP59:205] 134 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

List of plants containing POLYPHENOLS Species Part Lo ppm Camellia sinensis (L.) KUNTZE [Theaceae] Leaf 222000 Theobroma cacao L. [Sterculiaceae] Seed 78000 Teucrium chamaedrys L. [Lamiaceae] Plant 81000 Asclepias syriaca L. [Asclepiadaceae] Plant 72000 Phoenix dactylifera L. [Arecaceae] Fruit 30000 Rosa rubiginosa L. [Rosaceae] Seed 26400 Rosa spp [Rosaceae] Fruit 20200 Cyperus rotundus L. [Cyperaceae] Root 16200 Punica granatum L. [Punicaceae] Fruit 2200 Allium ampeloprasum L. [Liliaceae] Plant Aloe vera (L.) BURM. f. [Aloeaceae] Plant Arctium lappa L. [Asteraceae] Root Catalpa longissima (JACQ.) DUM.-COURS. [Bignoniaceae] Leaf Fucus vesiculosus L. [] Plant Petiveria alliacea [Phytolaccaceae] Leaf Prunus armeniaca L. [Rosaceae] Fruit

Hi ppm 222000 100000 96000 72000 30000 26400 26400 16200 10500

Polysacchariden

immuunmodulerende werking

Sinds de vijftiger jaren zijn studies (Waldron en Selvendram 1993) opgezet, vooral naar het onderzoek met polysacchariden. Dit zijn grote, vertakte moleculen, die uit kleinere eenheden van suikermoleculen opgebouwd zijn. Deze studies, waaronder ook die van John Tindall (Gateway Clinic, Londen) bewijzen dat deze molecuulstructuren een gezondheidsbevorderende werking bezitten. Recenter hebben onderzoekers uit Duitsland (Wagner en Proksch,1985) bewezen, dat vergelijkbare immuunstimulerende polysacchariden, zoals ze in deze medicinale paddestoelen voorkomen, ook gevonden zijn in hogere planten als Echinacea en Astragalus. Deze reusachtige moleculen zijn tevens vergelijkbaar met die, welke men in bepaalde celmembranen van bacterieën gevonden heeft. Het immuunsysteem wordt door deze heteropolysacchariden, die als de meest werkzame stoffen in de paddestoelen aanwezig zijn, tot een veelheid van reakties aangezet: zo stijgt de toxiciteit van de makrofagen die de tumorcellen kunnen reduceren en wordt de Interleukin-I-produktie gestimuleerd. Deze anti-tumorpolysacchariden laten ook de werking van natuurlijke celkillers alsook van T-lymphocyten stijgen. Het werkingsmechanisme van deze polysacchariden is op het moleculair vlak langzaam bekend. Via celoppervlaktereceptoren is men op de prikkeling van de secundaire boodschappers cGMP en cAMP terecht gekomen (Hadden 1980). Additioneel zal na een receptorbinding een membraanverandering volgen, die tot receptorenverdeling en permeabiliteitsverhoging voor specifieke substraten voert. Zo zal de binding van deze specifieke polysacchariden aan natuurlijke ‘killers’cellen en aan tumorcellen de spontane celtoxiciteit van natuurlijke ‘killers’cellen van kankercellen verhogen.(Müller 1990). De polysacchariden zijn niet de enige actieve stoffen, die in paddestoelen voorkomen. Kleinere verbindingen als terpenen en steroiden worden eveneens gevonden en ook hier gaat een antitumorwerking van uit. Verder bezitten een viertal polysacchariden en protein-polysacchariden antibiotische en antivirale werking, en wordt de bloeddruk verlaagd evenals de lipiden en de glucosespiegel. (Lindequist 1990) In het boek “Sugars that heal” van de arts Emil Mondoa wordt het belang van zogenaamde essentiële suikers aangetoond [1]. Deze functionele suikers zijn de bouwstenen van polysacchariden, glycoproteïnen en glycolipiden en zijn achtereenvolgend de monosacchariden mannose, glucose, galactose, xylose, fucose en de geacetyleerde aminosuikers N-acetylglucosamine, N-acetylgalactosamine en N-acetylneuraminezuur. In tegenstelling tot vetzuren of aminozuren kun je niet 135 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

slechts op één of enkele manieren deze moleculen met elkaar verbinden maar op talloze manieren. Zo kun je bijvoorbeeld van vier aminozuren maar 24 verschillende permutaties maken en van vier monosacchariden zo’n 35560 unieke tetrasacchariden maken [2]. Veel van deze polysacchariden zijn met hun grote verscheidenheid in vorm en aantal van groot belang voor de onderlinge celcommunicatie (informatieoverdracht en signaaltransductie) en herkenning van lichaamscellen door immuuncellen, d.w.z. herkenning van afwijkende cellen, zoals kankercellen of met virussen geïnfecteerde cellen. Deze specifieke polysacchariden zijn in de vorm van glycoproteïnen, glycolipiden of proteoglycanen gebonden aan het celoppervlak en vormen de zogenaamde glycocalix, de suikerrijke mantel om de celmembraan. Polysacchariden in de glycocalix zijn vooral ook van belang voor de verankering van cellen aan de extracellulaire matrix en spelen een rol bij de onderlinge hechting van cellen (cel-cel-adhesie). Bij kankercellen komen afwijkingen voor in de suikercomponenten van de glycocalix, hetgeen herkend wordt door immuuncellen. Een aantal van deze polysacchariden vervullen een essentiële rol in ons immuunsysteem en bepaalde polysacchariden uit planten hebben een activerende werking op immuuncellen en kunnen zo van nut zijn in de behandeling van kanker [3]. Sommige polysacchariden, zoals van Ginkgo bilobazaad, hebben ook een directe cytotoxische werking via de inductie van apoptose [4]. Afwijkende polysacchariden aan het celoppervlak van kankercellen zijn ook betrokken bij migratie (uitzaaien) van kankercellen en bij angiogenese. Oraal toegediende polysacchariden kunnen dit beïnvloeden. Zo kan oraal toegediende gemodificeerd citruspectine (bij muizen) tumorgroei, angiogenese en metastase verhinderen [5]. Kortom: in verschillende stadia van kankerprogressie zijn polysaccharide-gemedieerde herkenningsprocessen betrokken [5]. Voedingsstoffen die rijk zijn aan deze essentiële suikers en polysacchariden zijn: haver, maïs, tarwe, wortelen, radijs, peren, rode wijn, het vruchtvlees van de kokosnoot, tomaten, pectine (vooral van appels en grapefruit), psyllium, diverse paddestoelen, zeewier, moedermelk en de fytotherapeutica aloë, curcuma (geelwortel), maretak en echinacea (rode zonnehoed). 1) Mondoa E.I., Kitei M. Sugars that heal, the new healing science of glyconutrients. Ballantine Books, New York, 2001. ISBN 0345441060 2) Hodgson J. Carbohydrate-based therapeutics. Biotechnology (N Y). 1991 Jul;9(7):609-13. 3) Ooi VE, Liu F. Immunomodulation and anti-cancer activity of polysaccharideprotein complexes. Curr Med Chem 2000: 7(7):715-29. 4) Chen Q, Yang GW, An LG. Apoptosis of hepatoma cells SMMC-7721 induced by Ginkgo biloba seed polysaccharide. World J Gastroenterol 2002 Oct;8(5):832-6. 5) Nangia-Makker P, Hogan V, Honjo Y et al. Inhibition of human cancer cell growth and metastasis in nude mice by oral intake of modified citrus pectin. J Natl Cancer Inst 2002 Dec 18;94(24):1854-62.

Q Quercetine, flavanoïde
Quercetin belongs to a class of water-soluble plant pigments called flavonoids. Where is it found? Quercetin can be found in onions, apples, green tea, and black tea. Smaller amounts are found in leafy green vegetables and beans. Quercetin has been used in connection with the following conditions: Prostatitis (nonbacterial prostatitis, prostadynia)*** Allergies* Childhood diseases Asthma Edema (water retention) Atherosclerosis Gout Capillary fragility Hay fever Cataracts Peptic ulcer

136 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Retinopathy Type 1 diabetes

Type 2 diabetes

Who is likely to be deficient? Some doctors recommend 200–500 mg of quercetin taken two to three times per day. Optimal intake remains unknown. Are there any side effects or interactions? No clear toxicity has been identified. Early quercetin research suggested that large amounts of quercetin could cause cancer in animals.1 Most,2 3 4 but not all,5 current research finds quercetin to be safe or actually linked to protection from cancer. Quercetin has been shown to cause chromosomal mutations in certain bacteria in test tube studies.6 Although the significance of this finding for humans is not clear, some doctors are concerned about the possibility that birth defects could occur in the offspring of people supplementing with quercetin at the time of conception or during pregnancy. Since flavonoids help protect and enhance vitamin C, quercetin is often taken with vitamin C. QUERCETIN: Washinton State Scientists (Patil and Pike, 1995) studied the distribution of quercetin in different rings of various coloured onion (Allium cepa L.) cultivars. The skins were extracted with alcohol to obtain bound quercetin glycosides that were then hydrolyzed to free quercetin. Unfortunately for food "farmacists", quercetin decreased from the outer dry skin to the inner more palatable rings. The highest concentration was in the outer dry skin of 'Red Bone" onion (30,600 ppms; including 20,640 ppms free quercetin) while 'Contessa' had only 94 ppm. The outer rings (not the dry skin) of 'Kadavan' were highest at 345 ppms fresh weight. That means you'd have to eat a kilo of these Kadavan outer rings to get 345 mg quercetin. Onion skins are still my best source of quercetin. French fried onion skins, anyone? "An onion a day may bea better prescription than an apple a day." (Brown, 1996). A recent Dutch study concluded that food quercetin was better absorbed than "silver bullet" quercetin. From onions, the ileostomy volunteers absorbed 52% of quercetin, cf. 17% for quercetin rutinosides and 24% for quercetin agylcone. Brown (1996) counters that after oral administration of 4 grams quercetin ("silver bullet"), serum levels never exceed 1 ug/ml. Hollman, P.C.H. et al. 1995. Absorption of dietary quercetin glycosides and quercetin in healthy ileostomy volunteers. Am. J. Clin. Nutr. 62: 1276-82. Patil, B.S. and Pike, L.M. 1995. Distribution of quercetin content in different rings of various coloured onion (Allium cepa L.) cultivars. J. Hort. Sci. 70(4): 643-50.

R Resveratrol
Zie flavanoïden Synonyms: Trans-3,5,4'-trihydroxystilbene Description: Resveratrol is a flavonol belonging to the group of flavonoids. Resveratrol is produced by the plant as a defence against diseases. Distribution: Resveratrol is present in many plants and fruits, including red grapes, eucalyptus, spruce, blueberries, mulberries, peanuts, giant knotweed. Also red wine contains a lot of resveratrol. The longer the grape juice is fermented with the grape skins the higher the resveratrol content will be. Action of Resveratrol: Resveratrol has strong antioxidant properties, but less strong than quercetin and epicatechin. Resveratrol inhibits lipid peroxidation of low-density lipoprotein and prevents the cytotoxicity of oxidized LDL. Resveratrol protects our cells against lipid peroxidation. Reduced platelet 137 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

aggregation has been attributes to resveratrol, thereby reducing the risk of atherosclerosis. Resveratrol appears to decrease tumor promotion activity by inhibiting the enzyme cyclooxygenase-1, which converts arachidonic acid to substances that promote tumor growth. Epidemiologic suggest that high consumption of resveratrol may result in reduced cardiovascular disease risk and lowered LDL (bad) cholesterol. Resveratrol also increases the activity of some antiretroviral drugs in vitro. Facts about Resveratrol: Resveratrol explains partly the French Paradox: the low incidence of heart disease among French people, who eat relatively a lot of unhealthy fat but drink resveratrol rich red wine. Research Reviews: * Resveratrol Promotes Clearance of Alzheimer's Disease * Resveratrol Inhibits TNF-alpha–Induced Proliferation and Matrix Metalloproteinase Expression in Human Vascular Smooth Muscle Cells Resveratrol (5-[(E)-2-(4-hydroxyfenyl)-ethenyl]benzeen-1,3-diol, C14H12O3) is een polyfenol, een chemische verbinding die in diverse plantensoorten voorkomt, maar vooral in rode druiven en wijn. Van resveratrol wordt verondersteld, dat dit een gunstige werking heeft bij het voorkomen van hartaandoeningen en kanker[1][2]. Bij gistcellen is zelfs aangetoond, dat resveratrol de gemiddelde overlevingstijd van de cellen gemiddeld met 70 procent kan verlengen. Ook voor organismen als vliegen en wormen is aangetoond, dat de stof tot een langere levensduur van cellen leidde[3]. Of de chemische verbinding ook voor menselijke cellen een dergelijke levensduur verlengende uitwerking heeft, is nog onbekend. Referenties: 1. ^ Aggarwal BB, Bhardwaj A, Aggarwal RS, et al. Role of resveratrol in prevention and therapy of cancer: preclinical and clinical studies. 2004. Anticancer Res 24:2783-2840. PMID 15517885 2. ^ Stewart JR, Artime MC, O'Brian CA. Resveratrol: a candidate nutritional substance for prostate cancer prevention. 2003. J Nutr 133:2440S-2443S. PMID 12840221 gratis volledige artikel 3. ^ Howitz KT, Bitterman KJ, Cohen HY, et al. Small molecule activators of sirtuins extend Saccharomyces cerevisiae lifespan. 2003. Nature 425:191-196. DOI: 10.1038/nature01960 PMID 12939617

Ricine
is afkomstig van de bonen van de Ricinus communis (wonderboom, castorolieplant), een opvallende en decoratieve plant die bij ons wel als sierplant en in wat zuidelijker streken voor de olie wordt gekweekt. De plant is oorspronkelijk uit Afrika afkomstig. Ricine is een eiwit dat bestaat uit twee deelketens, A en B genaamd, waarvan de ene zich aan bestanddelen van de celmembraan hecht en zorgt dat de stof in een cel wordt opgenomen, en de andere een enzymwerking heeft die een essentieel deel van een ribosoom permanent onwerkzaam maakt waardoor een cel die een ricinemolecuul heeft opgenomen na korte tijd niet meer in staat is om eiwitten te synthetiseren en sterft[1]. Een interessante observatie is dat vormen van dit laatste enzym in veel meer planten voorkomen, bijvoorbeeld in tarwekiemen, maar dat dit in die gevallen blijkbaar niet tot problemen leidt omdat de component die opname in de cel verzorgt ontbreekt. Ricine is in aanzienlijke hoeveelheden (enige procenten) aanwezig in het schroot dat overblijft na uitpersen van de zaden voor ricinusolie. Het is wateroplosbaar en de productie is relatief gemakkelijk en goedkoop. Het gif kan worden ingeademd, ingeslikt of ingespoten, en er bestaat geen tegengif. Zelfs in kleine hoeveelheden is ricine in zuivere toestand dodelijk. De dodelijke dosis voor een 138 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

mens is waarschijnlijk minder dan een milligram, dat is een hoeveelheid die in een enkele wonderboon kan zitten.

Rosavines, glycosiden in Rozenwortel
Fenylpropanoïden specifiek voor Rozenwortel met adaptogene werking. Repeated doses of the Rhodiola glycosides increased the restoration of protein, RNA and free amino acids in the muscles of rats after exhausting exercise. Administration of Rhodiola resulted in weight gain in young rats and piglets. ( Panossian A et al. Phytomed 1999; 6: 287)

Rozemarijnzuur in lipbloemigen
Rozemarijnzuur is een polyfenol dat in vele planten voorkomt, in hoge concentraties vooral in oregano, rozemarijn, citroenmelisse, salie en marjolein. Het is één van de aromacomponenten in deze planten. Rozemarijnzuur heeft een sterke anti-oxiderende werking. De anti-oxidant activiteit van rozemarijnzuur is sterker die van vitamine E. Rozemarijnzuur helpt celschade te verkomen die door vrije radicalen wordt veroorzaakt, daarbij vermindert het het risico op kanker en aderverkalking. Rozemarijnzuur wordt ook gebruikt voor het bewaren van levensmiddelen. In Japan wordt perilla extract, dat rijk is aan rozemarijnzuur, gebruikt voor de versiering en verlenging van de houdbaarheid van verse vis en schelpdieren ROSMARINIC-ACID: One could get physiologically significant doses of the antioxidant antithyrotrpic rosmarinic acid by consuming teas composed of some of the following, mostly pleasant tea-making herbs, shall we call it Rosmarinade: basil 1,000-19,000 ppm rosmarinic-acid beebalm 18,000 bugle 37,000 lemonbalm 37,000 oregano 1,000-55,000 peppermint 1,000-30,000 rosemary 3,000-39,000 sage 2,000-30,000 savory 12,000-26,000 selfheal 61,000 spearmint 6,000-43,000 thyme 5,000-26,000 ppm

Rutine, flavonoïde in Ruta en Fagopyrum
Rutine is een natuurlijke bioflavonoïde die voorkomt in citrusvruchten, waarin ook de bioflavonoïden diosmetine, diosmine, hesperidine, naringine, narirutine, neohesperidine, nobiletine en tangeretine zijn te vinden. Aangenomen wordt dat citrus-bioflavonoïden de wanden van bloedvaten kunnen versterken. Er wordt ook gezegd dat deze bioflavonoïden zouden helpen bij verschijnselen die verband houden met aandoeningen van de bloedvaten en het lymfestelsel, zoals aambeien, blauwe plekken, neusbloedingen en lymfo-oedeem (een zwelling die kan ontstaan door verstopping van de lymfevaten na een borstoperatie). Eigenschappen Er bestaan enkele aanwijzingen dat rutine en andere citrus-bioflavonoïden het genezingsproces van beenontstekingen bevordert. Rutine zou wellicht ook helpen bij chronische veneuze insufficiënte (gebrekkige werking van de aderkleppen),

139 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

een aandoening waarbij de aderwanden in de benen dun zijn. Er is op dit gebied echter nog meer onderzoek nodig. Rutine kan worden gebruikt ter behandeling van aambeien en verlichting bieden als de symptomen plotseling verergeren. Mensen die gauw blauwe plekken krijgen omdat hun haarvaten (capillairen) erg kwetsbaar zijn, vinden wellicht baat bij rutine en andere citrus-bioflavonoïden. Gebruik Rutine is geen onmisbaar voedingsmiddel. Rutinesupplementen worden gewonnen uit citrusvruchten en andere plantaardige bronnen; ze zijn te koop in de drogist en de natuurwinkel en via Internet. Belangrijk om te weten Rutine en andere citrus-bioflavonoïden zijn niet giftig; er is geen interactie met geneesmiddelen. Hierop is echter één uitzondering: tangeretine. Vrouwen die aan borstkanker lijden en tamoxifen innemen, mogen geen citrusvruchten eten en de citrus-bioflavonoïde tangeretine niet gebruiken. Rutinesupplementen bevatten soms ook tangeretine en het is daarom verstandig het etiket te controleren op de aanwezigheid daarvan. Naar de veiligheid van citrus-bioflavonoïden voor zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven, is nog weinig onderzoek gedaan. Daarom kunnen zij beter geen supplementen met citrus-bioflavonoïden gebruiken. Rutin 2 Rutin is a member of bioflavonoids, a large group of phenolic secondary metabolites of plants that include more than 2,000 different known chemicals. Bioflavonoids such as Quercetin, Rutin, and Hesperidin are important nutrients due to their ability to strengthen and modulate the permeability of the walls of the blood vessels including capillaries. Rutin is known to offer nutritional support to the circulatory systems including the capillaries in eyes. Rutin has proved to be especially helpful in preventing recurrent bleeding caused by weakened blood vessels, and has been used in treatment of hemorrhoids and varicose veins, helping to prevent blood vessel walls to become fragile. Rutin is safe and effective for: Poor Circulation, High Blood Pressure, Varicose Veins, Chilblains, Capillary Fragility, etc. Rutin is found in buckwheat grains and plants (but not in other grains). Buckwheat has been cultivated for at least 2,000 years, starting in China, and consumed in China, Korea and Japan for more than thousand years, in the form of buckwheat jelly and buckwheat noodle (soba). Buckwheat has recently been found to be effective in reducing high blood pressure and slowing the aging process. Buckwheat is rich in proteins (12-15%) and essential amino acids such as lysine (5-7%) that are deficient in major cereal crops, and is also abundant in lipids, minerals (iron, phosphorus, and copper), and vitamins (B1 and B2) and rutin. Rutin is found in buckwheat grains and plants (but not in other grains). Buckwheat has become a highly safe and healthy medicinal plant with efficacies for vascular disorders caused by fragile or permeable capillaries. Buckwheat flowers are important honey source in Korea and other Asian countries. Rutin is not found in other grains such as rice, wheat, etc. or beans, but is contained in great quantity (4-6%) in buckwheat. Rutin strengthens capillaries, helping people recover from arteriosclerosis (the hardening of the arteries) or high blood pressure. Rutin belongs to a group of plant compounds called bioflavonoids that also include the important catechins of green tea and the polyphenols of red wine. Recent studies have shown that the bioflavonoids are powerful antioxidants that fight free radicals. Free radicals are said to be responsible for as much as 90 percent of all the human diseases, such as cancer, arteriosclerosis, strokes, senility due to aging, etc. Research

140 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Historically, buckwheat has been a food crop, and recently it is increasingly receiving attention as an important medicinal herb due to the discovery of health benefits of buckwheat and its main constituent, rutin. Research reports citing rutin and buckwheat are provided: Crit Rev Food Sci Nutr 1983;19(3):213-58 - Buckwheat: structure, composition, and utilization Eur J Clin Pharmacol 1996;50(6):443-7 - Leg oedema protection from a buckwheat herb tea in patients with chronic venous insufficiency: a single-centre, randomised, double-blind, placebo-controlled clinical trial J Agric Food Chem 1999 Oct;47(10):4384-7 - Effect of processing on the flavonoid content in buckwheat (Fagopyrum esculentum Moench) grain J Clin Pharmacol 2001 May;41(5):492-9 - Pharmacokinetics and bioavailability of quercetin glycosides in humans Int J Cancer 2002 Apr 10;98(5):761-9 - Food-derived polyphenols inhibit pancreatic cancer growth through mitochondrial cytochrome C release and apoptosis Biochem Pharmacol 2001 Mar 15;61(6):677-84 - Enhancement of antioxidant and anti-inflammatory activities of bioflavonoid rutin by complexation with transition metals J Bone Miner Res 2000 Nov;15(11):2251-8 - Rutin inhibits ovariectomy-induced osteopenia in rats Cell Biol Toxicol 2000;16(2):91-8 - Bioflavonoids as antiradicals, antioxidants and DNA cleavage protectors J Ethnopharmacol 2000 Jul;71(1-2):45-53 - Evidence for protective and antioxidant properties of rutin, a natural flavone, against ethanol induced gastric lesions FEBS Lett 2000 May 12;473(2):145-8 - Flavonoids can replace alpha-tocopherol as an antioxidant Carcinogenesis 2000 May;21(5):921-7 - Plant phenolics decrease intestinal tumors in an animal model of familial adenomatous polyposis BMJ 2002;324:689-690 ( 23 March ) - New treatments for varicose veins The 6th International Symposium on Buckwheat - Rutin: Current Advances in Buckwheat Research Journal of Health Science - Effects of Rutin on Serum and Hepatic Lipid Levels Farmaco 2001 Sep;56(9):683-7 - Anti-inflammatory properties of plant flavonoids. Effects of rutin, quercetin and hesperidin on adjuvant arthritis in rat Biochem Pharmacol 2001 Sep 15;62(6):743-6 - Oxidative stress in rheumatoid arthritis leukocytes: suppression by rutin and other antioxidants and chelators Minerva Cardioangiol 2001 Apr;49(2):159-63 - Effectiveness of the combination of alpha tocopherol, rutin, melilotus, and centella asiatica in the treatment of patients with chronic venous insufficiency

S Safrol
Safrol (ook wel Safrool) is een kleurloos of lichtgeel, olieachtig allylalkoxybenzeen, met chemische formule C10H10O2. Safrol kan gevonden worden in nootmuskaat, kaneel, foelie, anijs, zwarte peper en basilicum. Het heeft een typisch snoepwinkel-aroma, daarom werd het vroeger gebruikt in bieren, thees, zepen en parfums. Het wordt verondersteld genotoxisch en dus kankerverwekkend te zijn, gebruik ervan is dan ook beperkt.

Salicylzuur / Salicylaten

141 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Salicylzuur is één van de actieve bestanddelen van de moerasspirea. Het heeft een zachte, geleidelijke en goed te verdragen ontstekingremmende en pijnstillende werking. Het actieve bestanddeel van de Wilg, uit de schors, is een zuur, salicine, dat in 1825 werd geïsoleerd door Dhr. Fontana, en onttrokken in de vorm van salicinekristallen door PJ Leroux in 1829. In 1835 vond de scheikundige K. Löwig in de moerasspirea een substantie verwant aan salicine, salicylzuur, ook wel spireazuur genoemd. Vanaf dit salicylzuur ontdekte de Straatsburgse scheikundige Charles-Frédéric Gerhardt in 1853 het acetosol, de meest gebruikte medicijn want het gaat hier om aspirine. Oorspronkelijk is de werking van salicylzuur als pijnstiller ontdekt doordat het werd geïdentificeerd als de werkzame stof in wilgenbast. De wetenschappelijke naam voor de wilg is salix alba, daarom werd salicylzuur in eerste instantie salicyne genoemd en worden de zouten salicylaten genoemd. Het zuur zelf werd echter bijzonder slecht door de maag getolereerd (en werd daarom vaak verkocht als tabletten die omhuld waren door een maagsap-resistent laagje), maar een acetyl-ester derivaat gaf minder aanleiding tot maagklachten bij vrijwel gelijk blijvende analgetische effecten. Deze stof wordt in zuivere toestand of als het iets minder maagprikkelende calciumzout carbasalaatcalcium (Ascal®, Alka Selzer) op de markt gebracht. De werking zelf berust erop dat acetylsalicylzuur een onomkeerbare binding met het enzym cyclo-oxygenase (COX) aangaat, waardoor dit niet meer in staat is om arachidonzuur om te zetten in prostaglandines; stoffen die de zenuwuiteinden gevoelig maken voor prikkels. De vermelde maagproblemen ontstaan door de onomkeerbare binding aan COX-1, een variant van het enzym die een rol speelt bij bescherming van de maag tegen zijn eigen zure inhoud. Ook is dit COX-1 aanwezig in bloedplaatjes, waardoor acetylsalicylzuur een trombocytenaggregatieremmende werking heeft.

Salicylzuur is een kleurloos, kristalachtig organisch zuur dat bij 159°C smelt. Het is oplosbaar in alcohol, maar lost slecht op in water. Salicylzuur is een ingrediënt dat in veel drogisterijproducten tegen acne gebruikt wordt. Fruit en groenten zijn natuurlijke bronnen van salicylzuur. Fruit bevat grote hoeveelheden salicylaten, vooral bessen. Sommige kruiden en specerijen bevatten grote hoeveelheden, maar vlees, gevogelte, vis, eieren en zuivelproducten bevatten weinig tot geen salicylaten. Van de peulvruchten, zaden, noten en graanproducten bevatten alleen amandelen, waterkastanjes en pinda's een redelijke hoeveelheid. De tabel hieronder geeft meer voorbeelden van voedingsmiddelen die salicylaten bevatten: Salicylaten in voedingsmiddelen (/ 100 gr) Verwaarloos- Laag (0.1 – 0.25 Matig (0.25 – 0.49 baar mg) mg) Groenten Doperwten Sperziebonen Selderij Kool Linzen Verse asperges Bloemkool Verse paddestoelen Ui Asperges uit blik Chinese groenten Sla Courgette Zwarte olijven uit blik Pompoen Peultjes Hoog (0.5 – 1 mg) Luzerne Broccoli Komkommer Tuinbonen Spinazie Zoete aardappel Erg hoog (>1 mg)

Groene peper Olijven Paddestoelen Tomaat Radijs Witlof

Fruit

142 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Banaan Peer, geschild

Appel (golden & red delicious) Kersen, zuur Druiven Verse citroen Mango Passievrucht Tamarillo

Grapefruitsap Kiwi Lychee Loquat Verse nectarine Pruim Watermeloen

Appel (Granny, Smith) Verse avocado Kersen Druiven Mandarijn Tangelo

Abrikoos Bramen Blauwe bessen Cantaloupe Dadels Guava Rozijnen

Noten en zaden Cashewnoten Pecannoten Kokosnoot Pindakaas Paranoten Sesamzaad Hazelnoten Zonnebloempitten Pijnboompitten Amandelen Macadamia noten Pinda's Pistache noten

Kruiden Knoflook Peterselie Bieslook

Azijn Sojasaus Saffraan

Venkel

Marmite

Kaneel Komijn Kerriepoeder Droge dille Garam masalla Oregano Paprika heet Rosemarijn Tijm Mosterd

SALICIN Dukes database Activities Analgesic - [411] Antiaggregant - [411] Antifeedant - [382] Antiinflammatory - [PM56(6):660] Antineuralgic Antiperiodic Antipodagric Antipyretic List of plants containing SALICIN Salix alba L. [Salicaceae] Bark Viburnum prunifolium L. [Caprifoliaceae] Root, Bark Filipendula ulmaria (L.) MAXIM. [Rosaceae] Flower Populus balsamifera L. [Salicaceae] Leaf, Essent. Oil Populus nigra L. [Salicaceae] Plant Populus tacamahacca MILL. [Salicaceae] Plant Salix alba L. [Salicaceae] Leaf Salix alba L. [Salicaceae] Bark Salix sp. [Salicaceae] Bark Viburnum prunifolium L. [Caprifoliaceae] Root Viburnum prunifolium L. [Caprifoliaceae] Bark Antirheumatic - [M11] Pesticide Sedative - [WOI] Stomachic - [M11] Teratogenic - [CRC] Tonic Uterorelaxant - [WOI]

143 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Salidroside
Werking: CNS-Stimulant, vnl aanwezig in Rhodiola rosea (Rozenwortel) The term salidroside is derived from Salix, the genus name for the willows. Salidroside was first isolated in 1926 from Salix triandra L. (Salicaceae).Since then it has been detected in Vaccinium vitis-idaea L. (Ericaceae) and in Rhododendron (plants not belonging to the genus Rhodiola) in concentrations that can be higher than levels found in Rhodiola species, including Rhodiola rosea. Species met salidroside vlgs Duke Salix alba L. [Salicaceae] Scutellaria baicalensis GEORGI [Lamiaceae] Vaccinium vitis-idaea var. minus LODD. [Ericaceae] Salidroside chemisch CAS No.: 10338-51-9 Melting Point: 159 - 160 degree C Pharmacology salidroside: It can relieve the fatigue, postpone caducity, resist the side effect of anoxia and microwaveradiation, it also have the ability of promoting the mental energy and body function etc. Articles salidroside: 1. Effect of salidroside on cultured myocardial cells anoxia/reoxygenation injuries The effects of salidroside (p-hydroxyphenethyl glucoside, Sal, first isolated and synthesized in China) on reoxygenation damages were studied on cultured myocytes from neonatal rat hearts. At least 80% of cells in the form of monolayer contracted spontaneously on cultured 72 h, then the cells were used in the contractility experiment. After anoxia 3 h and reoxygenation for 1 h the beating of myocardial cells was slowed down and the lactate dehydrogenase (LDH) liberated by myocardial cells was increased. Electron microscopy of myocardial cells revealed localized defects of cell membrane, dilatation of endoplasmic reticulum, and swelling of mitochondria. One h before anoxia, addition of Sal 10 and 30 micrograms.ml-1 increased the beat rate of myocardial cells, depressed the release LDH of from myocytes, and the myocardial ultrastructure was normal during anoxia and reoxygenation. Hence Sal may provide some protective effects on the anoxia/reoxygenation damages upon myocardium. 2. Separation of salidroside from Rhodiola crenulata by high-speed countercurrent chromatography. High-speed counter-current chromatography (HSCCC) was used to purify salidroside from an extract of Rhodiola crenulata with two steps using a two-phase solvent system composed of ethyl acetate-n-butanol-water (1:4:5, v/v) in the first run and chloroform-methanol-isopropanol-water (5:6:1:4) in the second run. The method yielded 21.9 mg of salidroside from 1.216 g of the crude sample at 98% purity determined by HPLC analyses. Identification was performed by 1H NMR, 13C NMR, and MS. 3. High yield production of salidroside in the suspension culture of Rhodiola sachalinensis Salidroside has been identified as the most potent ingredient of the Chinese medicine herb, Rhodiola sachalinensis. Since the natural supply of this herb is rapidly decreasing, we established a compact callus aggregate (CCA) strain and culturing system for high yield salidroside production. Several callus strains induced from the explants originated from root, stem, leaf and cotyledon of R. sachalinensis were established and screened for rapid growth rate, high salidroside content and easy propagation in suspension culture condition. The CCA strain was established from a callus strain initiated from the cotyledon. The kinetics of dry weight accumulation and cellular salidroside content in various culture conditions for the strain was determined. For high salidroside 144 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

production, the optimal inoculum amount was 10% and the optimal concentration for 6-benzylaminopurine and indole-3-butyric acid added in the liquid medium was 5 and 2.5 mg l-1, respectively. The acidic culture medium and a faster shaking speed favored the salidroside accumulation. The addition of 2,4-D, in the liquid MS medium and the utilization of L-tyrosol for chemical feeding enhanced salidroside production. Using a proper combination of culture condition and treatment, salidroside accumulation could reach 57.72 mg g-1 dry weight, that was 5-10-fold higher than that detected in field-grown plants. The corresponding salidroside yield was 555.13 mg l-1, a level suitable for cost effective commercial production to compensate the natural resource shortage of R. sachalinensis.

Saponinen
De naam saponine is afkomstig van het Latijnse woord sapo en betekent zeep. De saponinen zijn glycosiden van steroïden, van steroïd alkaloïden of van z.g. triterpenen. Saponinen geven in een verdunde oplossing in water een zeepachtig schuim. Bij sommige saponinen is dit zachter dan van gewone zeep en heeft het een reinigende werking, die echter aanzienlijk minder is dan die van zeep. In de Tweede Wereldoorlog werd het bij gebrek aan zeep door de mensen die er weet van hadden als zodanig gebruikt. De saponinen worden gekenmerkt door een bittere of scherpe smaak, ze hebben een oppervlaktespanning verlagende werking, ze werken prikkelend op de slijmvliezen, ze vernietigen de rode bloedcellen, en ze hebben een antimycotische werking. Met name dit laatste beschemt de plant, waar de saponinen in voorkomen, tegen schimmelgroei. Sommige saponinen zouden een gunstig effect op de menselijke cholesterol huishouding hebben, doch de meeste zijn na inwendig gebruik giftig en kunnen leiden tot netelroos. Saponinen komen onder andere voor in de paardenkastanje, de echte koekoeksbloem, lelies, agaven, zeepkruid en in de vruchten van de zeepnoten-boom. SAPONINS: Highs in Dukes database for saponins include the inedible horse chestnut (to 26%), licorice (to 14%), unedible seneca snakeroot and soapbark (to 10%), rose leaves (to 8.5%), gotu kola (to 8%), ginseng (to 7%), inedible blackbean and edible desert date (to 7%), beets and chickpea (to 6%) air potato (to 5.7%), soybean and mungbean( to 5.5%) spinach (at 5%), cornsilk (to 3%), epazote and violet (to 2.5%), and alfalfa, sarsaparilla and velvetbean (to 2%). Alfalfa sprouts may attain 8%. The saponins, e.g. in licorice, are such that they can emulsify active ingredients in other herbs, increasing their availability an order of magnitude or two. Saponinen in soja Vele gezondheidsvoordelen van sojabonen worden toegeschreven aan isoflavonen maar ook saponinen, die minder onderzocht zijn, kunnen een belangrijke rol spelen. Tempeh en de meeste sojaproducten bevatten hoge gehaltes van saponinen. Hele sojabonen bevatten tussen 2 en 5 g saponinen per 100 g. Saponinen zijn verbindingen van suikers met steroiden, steroide alkaloïde of triterpenen en komen voor in vele voedingsmiddelen zoals asperges, sojabonen, quinoa, olijven, druiven en vele kruiden, inclusief zeepkruid dat haar naam ontleend aan haar schuimende saponinen. Wanneer opgelost in water vormen saponinen een stabiel zeepachtig schuim. Dit kan gemakkelijk worden waargenomen wanneer stukjes sojabonen in water worden gemengd. Wegens de aanwezigheid van zowel een hydrofiel gedeelte (suiker) als hydrofoob (steroïden) gedeelte fungeren zij als emulgator en schuimmiddel. De sojasaponinen zijn verdeeld in 2 groepen: saponinen van groep A hebben en ongewenste strenge smaak, typisch voor sommige sojaproducten, terwijl deze van groep B gezondheidsbevorderende eigenschappen

145 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

bezitten. De sojaboonkiem bevat de meeste groep A saponinen, terwijl de groep B saponinen zowel in de sojaboonkiem als de zaadlobben wordt gevonden. De sojaboonpellen, die tijdens de productie van tempeh worden verwijderd, bevatten slechts weinig saponinen. Sommige planten bevatten giftige saponinen maar deze die in sojabonen en tempeh worden gevonden zijn eetbaar en bezitten eigenlijk gezondheidsvoordelen. Gezondheidheidsvoordelen van de Saponinen Saponinen kunnen cholesterol verlagen door de galproductie te stimuleren en kunnen het risico op dikke darmkanker verlagen. Cholesterolverlaging - In 1979 ontdekt Potter en zijn collega's dat de saponinen in sojabonen het cholesterol verlagen. Het vermogen van saponinen om in de darm emulsies te vormen met galzouten verklaart waarschijnlijk hun cholesterolverlagende activiteit. Door de binding van saponinen met galzouten wordt de absorptie van cholesterol verminderd. Sommige saponinen vormen onoplosbare complexen met cholesterol, wat resulteert in een remming van de absorptie van cholesterol. Anti-Kanker - Wetenschappelijke studies hebben aangetoond dat de saponinen het risico op dikke darmkanker kunnen verminderen. De kankercellen hebben voor hun groei behoefte aan cholesterol nodig maar door binding van saponinen met de celmembranen van kankercellen wordt de groei beperkt. In 1995 werd een wetenschappelijke studie van Roa en collega's gepubliceerd in The Journal of Nutrition met als conclusie dat saponinen kunnen bijdragen tot de verlaging van het risico op dikke darmkanker. Remming van HIV - Een Japanse in-vitro studie getiteld "Het Remmend Effect van Glycosiden zoals Saponinen van Sojabonen op de Besmettelijkheid van HIV" en gepubliceerd in AIDS in 1989 kwam tot de conclusie dat de saponinen, vooral van de B1 groep, een remmende activiteit tegen HIV besmetting kunnen hebben. Het is belangrijk om te beklemtonen dat dit een in-vitro studie betrof met gekweekte cellen en dat het nog niet aangetoond is dat de consumptie van saponinen HIV kan genezen.

Serotonine,neurotransmitter
Serotonine is een neurotransmitter met een belangrijke rol in onze hersenchemie. Als neurotransmitter regelt serotonine stemmingen en gedrag en reguleert het de activiteiten van vele andere neurotransmitters waaronder noradrenaline, dopamine, en endorfinen. Diverse pijnverminderende en stemmingsverbeterende effecten van serotonine worden mogelijk te weeg gebracht doordat serotonine zorgt voor een verhoogde productie en afgifte van endorfinen. Begin vorige eeuw hebben Italiaanse wetenschappers in het maag-darmstelsel van dieren een stof gevonden die van invloed was op de bloeddruk. Uit het bloedserum geïsoleerd kreeg het de naam serotonine (serum=vloeistof, tonus=druk). Eind 40er jaren werd de chemische structuur geanalyseerd en vijf jaar later ontdekte men dat deze stof ook in de hersenen voorkomt. Serotonine bevindt zich voor 80% in het maag-darmkanaal en voor 10% in het bloed. Slechts 2% bevindt zich in de hersenen. Zo wordt serotonine gevonden in bloedplaatjes. Bij een bloeding wordt er door de bloedplaatjes serotonine afgegeven ter ondersteuning van het samentrekken van de bloedvaten. Zo wordt bloedverlies geminimaliseerd. Maar ook de cellen van het maagdarm-kanaal bevatten zowel serotonine als serotonine-receptoren. Hier regelt serotonine de afgifte van maagzuur en andere verteringsvloeistoffen. Tevens stimuleert het hier bepaalde spieren die de peristaltiek en secretie van de darmen reguleren. Een andere functie van serotonine is dat het kan dienen als groeifactor voor de foetus.

146 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Serotonine in de hersenen De hoeveelheid serotonine in de hersenen heeft grote invloed op vele hersenactiviteiten zoals: stemmingen, slaap, seksueel gedrag, pijntransmissie en eetgedrag. Ons denken, voelen en onze gedragingen zijn dus sterk afhankelijk van de hoeveelheid serotonine. Voldoende serotonine in de hersenen brengt rust, relaxatie en milde euforie. Een tekort aan serotonine, het "laag serotonine syndroom", kan leiden tot tegengestelde gevoelens zoals depressiviteit, angst, onrust en verminderde controle over onze dierlijke impulsen. Dit syndroom komt in de westerse wereld in sterk toenemende mate voor. Aanmaak van serotonine Neurotransmitters in de hersenen, zoals serotonine, worden gemaakt uit eiwitten die zich in onze voeding bevinden. Deze eiwitten worden afgebroken tot aminozuren. Tryptofaan is zo'n essentieel aminozuur en dient als grondstof voor serotonine. Zo dient een ander aminozuur, tyrosine, als grondstof voor noradrenaline. Uit tryptofaan wordt 5 HTP gemaakt, dat vervolgens in de lever en hersenen wordt omgezet in serotonine. Tryptofaan en 5HTP Uit tryptofaan, dat in onze voeding voorkomt, produceert het lichaam via verschillende tussenstappen serotonine. Via het enzym tryptofaan-hydrolase wordt tryptofaan omgezet in 5 HTP. Tryptofaan kan in de lever echter óók omgezet worden naar kynurenine. Dit is een spierstimulerende stof. Het lichaam heeft een bepaalde hoeveelheid kynurenine nodig om goed te functioneren. Als de niveaus te hoog worden neemt de kans op spierschade toe. Bij langdurig verhoogde niveaus neemt de kans op de ziekte van Parkinson toe. Er zijn verschillende factoren bepalend voor de omzetting van tryptofaan naar kynurenine of naar andere substanties. Zo verhoogt stress de productie van kynurenine. Stress vermindert namelijk het enzym tryptofaan-hydrolase dat nodig is voor de omzetting naar 5 HTP. Andere factoren die de omzetting naar 5 HTP negatief beïnvloeden zijn: * tekorten aan vitamine B3 en B6 * Laag magnesium niveau * Insuline intolerantie * Genetische factoren Al deze factoren leiden tot een verhoogde activiteit van de enzymen tryptofaan oxidase en kynurenine formidase die tryptofaan in de lever omzetten naar kynurenine en een vermindering van het enzym tryptofaan-hydrolase die verantwoordelijk is voor de omzetting van tryptofaan naar 5 HTP. Circa 70 procent van 5 HTP wordt vanuit de darmen in het bloed opgenomen. Belangrijk is ook dat 5 HTP makkelijk de bloed-hersenbarriere passeert. Omdat het 5 HTP-molecuul vetoplosbaar is, wordt het gemakkelijk in de hersencellen opgenomen. Om de omzetting van 5 hydroxytryptofaan (5 HTP) naar serotonine in de hersenen te stimuleren kunnen bepaalde preparaten worden gebruikt. Andere neurotransmitters Serotonine vervult een belangrijke rol bij de productie van melatonine. Melatonine wordt namelijk geproduceerd uit serotonine. Melatonine is een hormoon dat aan ons lichaam wordt afgegeven door de epifyse. Het is onder andere betrokken bij onze slaapfuncties en werkt daarnaast als antioxidant. De meeste melatonine wordt 's nachts afgegeven. Het serotonine-niveau is overdag hoog en 's nachts laag. Het melatonine-niveau is 's nachts hoog en overdag laag. Serotonine wordt ook wel het "meester-molecuul" of "politieagent van de hersenen" genoemd. Hiermee wordt aangegeven dat serotonine mede een uitwerking heeft op andere neurotransmitters zoals noradrenaline, dopamine en endorfinen. Dopamine en noradrenaline zijn actieve neurotransmitters met een opwekkende werking (yang). Cocaïne, amphetamine en in mindere mate caffeïne stimuleren de werking hiervan. Hiertegenover staat serotonine, een neurotransmitter met een kalmerende en rustgevende werking (yin). Yin en Yang dienen met elkaar in evenwicht te zijn. 147 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Het belang van dit evenwicht wordt onderschreven door S.N. Young en de Nederlander H.M. van Praag. Zij worden gezien als onderzoeksexperts op het gebied van serotonine en geven aan dat bij de verschillende vormen van depressie altijd rekening dient te worden gehouden met deze balans. Vooral apatische, lusteloze patiënten met depressie kunnen dan ook baat hebben bij de toediening van serotonineverhogende preparaten in combinatie met tyrosine (voorstof van dopamine en noradrenaline). Uit onderzoek blijkt eveneens dat een disbalans tussen dopamine / noradrenaline en serotonine kan leiden tot zelfmoordgedrag, pyromanie, impulsief en dwangmatig gedrag. Stress en serotonine Stress is de meest voorkomende oorzaak van depressie, slaapstoornissen en vermoeidheid. Vooral een langdurig verhoogd niveau van het stresshormoon cortisol veroorzaakt weefselafbraak, vooral in de hersenen. In hoge dosis is cortisol een zwaar "giftig" hormoon dat de hersencellen onherstelbaar beschadigt. Cortisol ontregelt bovendien het insuline/ glucoseniveau in het lichaam. Omdat onze hersenen voor wat betreft een constante brandstoftoevoer (glucose) bijna volledig afhankelijk zijn van een goed insuline / glucoseniveau, kan ontregeling tot een groot aantal klachten leiden. Een te hoog cortisol niveau leidt ook tot een sterke ontregeling van neurotransmitters, in het bijzonder serotonine. Depressie en serotonine * Een Laag serotonine niveau is een belangrijke factor bij depressie. * Veel farmaceutische antidepressiva werken door een verhoging van de activiteit van serotonine en andere neurotransmitters. * Er zijn natuurlijke preparaten om het serotonine niveau in de hersenen te verhogen. * Onderzoeken laten zien dat 5 HTP even goede, of betere resultaten geeft dan farmaceutische antidepressiva, echter met beduidend minder bijwerkingen. * Om klachten die het gevolg zijn van een teveel aan serotonine (het zgn. "hoog serotonine syndroom") te voorkomen, wordt geadviseerd om natuurlijke preparaten niet samen te gebruiken met farmaceutische antidepressiva. Overgewicht en serotonine * Een laag serotonine niveau in de hersenen bevordert overeten en een koolhydraatverslaving. * Verschillende studies laten zien dat 5 HTP de behoefte aan inname van calorieën drastisch vermindert en op deze manier overgewicht tegengaat. * Lage serotoninespiegels worden gezien bij Boulimia Slaapstoornissen en serotonine De twee meest voorkomende slaapstoornissen zijn het moeilijk in slaap komen en moeite hebben met doorslapen. Het lichaam zet serotonine om in melatonine. Het is daarom belangrijk dat voldoende serotonine beschikbaar is. Serotonine reguleert eveneens het vrijkomen van melatonine uit de epifyse. Andere aandoeningen en serotonine * Pijn: Als serotonine niveaus in de hersenen laag zijn is de pijngrens ook laag waardoor eerder pijn wordt gevoeld. Eén van de redenen hiervoor is dat een tekort aan serotonine leidt tot verminderde afgifte van endorfinen. * Migraine: Door sommige wetenschappers wordt migraine ook wel het "laag serotonine syndroom" genoemd omdat mensen met migraine en spanningshoofdpijn lage niveaus van serotonine in hun weefsels hebben. Verhoging van het serotonine niveau is dan zinvol. Dit heeft weer invloed op het endorfine systeem. 5 HTP heeft zich in dubbelblinde studies bij patiënten met terugkerende migraine aanvallen inmiddels duidelijk bewezen. Belangrijke kruiden ter verhoging van serotonine - Griffonia extract wordt verkregen uit de Afrikaanse plant Griffonia Simplicifolia, de plantenfamilie waartoe ook Johannesbroodboom behoort. Griffonia staat vooral bekend om het hoge gehalte 5 hydroxy tryptofaan (5 HTP), de directe voorloper van serotonine. 148 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

-

5 HTP wordt in de lever en in de hersenen zeer makkelijk omgezet naar serotonine. Serotonine zélf kan de bloed-hersenbarriere niet passeren. Rhodiola extract is afkomstig van de plant Rhodiola Rosea, behorend tot de plantenfamilie Crassulaceae en voornamelijk voorkomend in Oost-Siberië en Azië. De belangrijkste werkzame stoffen van Rhodiola zijn de fenylpropanoïden. Hiertoe behoren o.a. salidroside en rosavine. De belangrijkste eigenschappen van rhodiola zijn de regulatie van de hormonale boodschappers bij stress en de verbetering van de werking van neurotransmitters, in het bijzonder serotonine. Rhodiola verbetert het transport van 5 HTP naar de hersenen. Verder remt het twee enzymen, te weten MAO (monoamine oxidase) en COMT (catechol-o-methyltransferase). Deze enzymen breken serotonine af tot het inactieve 5 Hydroxy indolazijnzuur

SEROTONIN: Mix to taste ground seeds of the following (serotonin levels in ppms): butternut (398 ppm); black walnut (304), shagbark hickory (143) english walnut (87), mockernut (67), pecan (29), pignut (25). LRNP (Sep. 1993) mentions that kiwi fruits have twice the serotonin of tomatoes and 1/3 that of bananas, enough to interfere with urinalysis for serotonin metabolites.

Silicium / Kiezelzuur
Kiezelzuur is na zuurstof het meest voorkomende element op aarde. Heermoes (equisetum arvense) behoort tot een van de plantensoorten die zeer rijk is aan kiezelzuur. Ook brandnetel heeft een hoog siliciumgehalte. Van de granen zijn gierst en haver het meest kiezelzuurrijk. Er bestaan ongeveer 90.000 siliciumverbindingen zoals zand, rots, kwarts en kristal. Kinderen en honden hebben met elkaar gemeen dat ze soms de neiging vertonen zand te eten. Dit kan duiden op een mineralen en/of spoorelementen tekort in het bijzonder kiezelzuur. Silicium is een ondergewaardeerd spoorelement. Van alle siliciumverbindingen zijn alleen de kleine moleculaire vormen van kiezelzuur biologisch relevant, omdat alleen deze stoffen biologisch opneembaar zijn. Deze kiezelzuurvormen komen slechts in lage concentraties voor in de voeding. Brandnetelsoep met gierst en havervlokken zouden in grote hoeveelheden gegeten worden om effectief te zijn bij een heupfractuur! De silicaten uit de voeding worden ten dele gehydrolyseerd tot siliciumzuur, terwijl een vloeibare suppletie van gestabiliseerd (een klein moleculaire vorm in een oplossing) siliciumzuur de silicium-bloedspiegel met een factor 3,5 verhoogt ten opzichte van een standaardmaaltijd. De 3 B’s: bindweefsel, botweefsel en bouwsteen Onderzoeken tonen aan dat kiezelzuur essentieel is bij de vorming van bindweefsel. Zo blijkt dat in het menselijk lichaam kiezelzuur o.a. aanwezig is in de glycosaminoglycanen (GAGs). Dit zijn de macromoleculen in het bindweefsel (hyaluronzuur, chondroitine, glucosamine maken hier deel van uit) die samen met vezelachtige eiwitten (collageen, elastine) de stevigheid van het weefsel moeten garanderen. Hoge concentraties silicium zijn te vinden in bindweefsel en de daarvan afgeleide weefsels, waaronder bot, kraakbeen, pezen, huid, haar, nagels, de aorta, grote bloedvaten, lymfevaten, lever, nieren en longen. De baby krijgt zijn portie via de moedermelk zodat deze belangrijke bouwsteen ingezet kan worden in de groeifasen. In de wervelkolom bevatten de lendenwervels tweemaal meer silicium dan de cervicale (hals) wervels. Plant, dier en mens hebben kiezelzuur nodig Silicium verhoogt de afweer van planten door activering van het immuunsysteem (toename van transport door houtvaatstelsel van de plant, K/Na-ratio, enzymactiviteit, fotosynthese). Bij ratten, kippen, kalveren en paarden tonen meerdere studies aan dat siliciumtekort oorzaak is van bot- en kraakbeen afwijkingen. Vooral de aanmaak van collageen is verminderd en de calcificatie neemt af. Paarden worden

149 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

minder blessure gevoelig na siliciumsuppletie. Ook wondgenezing wordt beter door extra silicium. Wat doet kiezelzuur precies? In het kort volgt hieronder de werking van silicium: * Stimulatie van fibroblasten tot vorming van collageen (silicium is een structureel component in de dwarsverbindingen van collageenketens). * Stimulatie van osteoblasten (botvormende cellen) en remming van osteoclasten (botvretende cellen). Eisenger et al(1993) vonden dat extra gebruik van silicium bij vrouwen met osteoporose een toename liet zien van botmineraaldichtheid(=BMD) van het femur (dijbeen). * Co-factor voor de enzymen die betrokken zijn bij de vorming van het aminozuur hydroxyproline in het collageen eiwit. * Toename van glycosaminoglycanen (GAGs) * Interacties met diverse mineralen. Bijvoorbeeld silicium bevordert een calciumtoename. Aluminium wordt verlaagd door silicium wat verondersteld wordt als boosdoener betrokken te zijn bij het ontstaan van de ziekte van Alzheimer. * De arteriosclerose wordt afgeremd door verschillende werkingsmechanismen van silicium o.a.: HDL verhogend, LDL en triglyceriden verlagend, versterking van de vaatwanden (aanmaak GAGs) waardoor er geen vetafzetting kan plaatsvinden. * Positieve effecten op diverse huidklachten waaronder psoriasis, acne, maar ook op haren en nagels. Silicium; kunt u er nog soep van maken? Bij een siliciumtekort is suppletie raadzaam, maar het is toch goed uw kiezelzuur op peil te houden met kiezelzuurrijke voedingsmiddelen zoals biologische gierst en haver. Denkt u ook eens aan een heerlijke brandnetelsoep in het voorjaar. Een goedkopere kiezelzuurbron bestaat er niet! Referenties: - Orthomoleculaire koerier 118 en 119 (2006). - Barel A, Timchenko A, Vanden Berghe D et al (2005). ‘Effects of oral intake of choline stabilized orthosilicic acid on skin, nails and hair in women with photodamaged facial skin”. Arch Dermatol Res; 297(4);147-153. - Birchall JD, Chappell JS(1988). ‘Chemistry of aluminium and silicon in relation to Alzheimer’s disease”Clin Chem 34(2):265-267. - Calomme MR et al (1997). ‘Silicon absorption from stabilized orthosilicic acid and other supplements in healthy subjects’. Tr El in Man and Animals 10, ed bij Roussel et al. Plenum 1111-1114. - Calomme MR et al (1998). ‘Comparitive biovailability study of silicon supplements in healthy subjects’. J Par Ent Nutrition22(1):12. - Calomme MR et al (2002). ‘Effects of choline stabilized orthosilicic acid on bone density in chicks’.Calcif Tissue Int 70;292,2002. - Edwardson JA Moore PB et al (1993). ‘Effects of silicon on gastrointestinal absorption of aluminium’. Lancet 342(8865); 211-222. - Hott M, de Pollak C et al (1993). ‘Short-term effects of organic silicon on trabecular bone in mature ovarietomized rats’. Calcif Tissue Int 53(3)174179. - Juddaohsingh R et al (2004). ‘Dietary silicon is positively associated with bone mineral density in men and premenopausal women of the Framinghham Offspring cohort’. J. Bone Miner res 19(2)297-307. - Lassus A (1993). ‘Colloidal silicic acid for oral and topical treatment of aged skin, fragile hair and brittle nails in females’. J.Int Med res. 21(4);209-215. - Lassus A (1997). ‘Colloidal silicic acid for treatment of psoriatic ksin lesions, arthropathy and onychopathy’. A pilot study. J Int Med Res. 25(4);206-209. - McNaughton SA, Bolton-Smith C et al (2005). ‘Dietary silicon intake in postmenopausal women’. Br J Nutr 94(5);813-817. - Nielsen FH and Poellot (2004). ‘Dietary silicon affects bone turnover differently in ovariectomized and sham-operated rats’. J tracé Elem. In Exp. Med,17(3):137-149. 150 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

SILICA vlgs Duke: Lanning has reported 6.5% in seeds of rarely eaten weed, Fimbristylis: 3.2 % in rice, 2.6% in johnson grass; 1.4% in oats; 0.8% in wild rice, 0.7% in barley, 0.05% in millet, 0.03% in sorghum, 0.01% in rye; 0.01% in wheat (though the bran is 14 times higher), and 0.01% in triticale. Walker (1970) produced data that I have yet to computerize with only five food plants attaining more than 0.1% SiO2: horseradish 0.22%, spinach 0.18%, parsnips 0.17%, dandelion 0.13%, and savoy cabbage 0.10%. My database had shown before these documents: barley, to 0.90%; hempseed 0.84%; nettle 0.65%; chickweed 0.48%; brazilnut 0.18%; butternut 0.14%; walnut 0.14%; pistachio 0.14%; parsley 0.14%; cashew 0.13%; stringbean 0.12%; turnip 0.12% and cucumber, to 0.10%, on a zeromoisture basis.

Silymarine, flavanoïde in Mariadistel
Description: Silymarin is a polyphenolic flavonoid derived from milk thistle. Silymarin is consists of three phytochemicals: silybin, silidianin and silicristin. Silybin is the most active phytochemicals and is largely responsible for the claimed benefits of silymarin. Distribution: Silymarin is found in milk thistle. Action of Silymarin: Silymarin is a antioxidant or free radical scavenger. Skin care products often contain silymarin because it antioxidant activity may reduce the risk for skin cancer risk. Silymarin provides protection against different stages of UVB-induced carcinogenesis. Silymarin protects the liver by promoting the growth of new liver cells. By inhibiting lipid peroxidation silymarin helps to reduce or prevent liver damage caused by alcohol, poisonous mushrooms, drugs and other toxins. Silymarin also helps with the digestion of fats. Silymarin is also used against HIV but there’s no evidence that silymarin is effective. Studies indicate that silymarin decreasing endogenous insulin overproduction and the need for exogenous insulin administration. Silymarin has also antiatherosclerotic activity, by inhibiting the expression of adhesion molecules. Pharmacological studies show that silymarin is not toxic. Silymarine beschermt en herstelt de lever en de nieren Wetenschappelijk onderzoek dat de laatste 20 jaar is uitgevoerd met silymarine toont aan dat silymarine inderdaad over lever beschermende en lever herstellende eigenschappen beschikt. Sonnenbichler en Valenzuela hebben in 1999 aangetoond dat silymarine ook de nieren beschermt tegen beschadiging door toxines. Volgens dit onderzoek versnelt silymarine ook het herstellingsproces van de nieren. Silymarine zou volgens deze onderzoekers daarom ingezet kunnen worden na een chemotherapie (kankerbehandeling) om op deze wijze lever en nieren beter te laten herstellen. Een literatuuronderzoek dat werd uitgevoerd door Skottova en Kreeman en in 1998 werd gepubliceerd geeft aan dat de leverbeschermende werking van silymarine waarschijnlijk te danken is aan de * sterke anti-oxidant werking, * het stabiliserende effect dat silymarine heeft op levercelmembranen (lever celwanden) en * het stimulerende effect van silymarine op de groei van levercellen. Ook komt in dit literatuuronderzoek duidelijk naar voren dat silymarine een gunstig effect heeft op de productie van cholesterol door de lever. LDL (de slechte cholesterol) wordt verlaagd en HDL (de goede) wordt verhoogd. Silymarine kan daarom uitstekend ingezet worden bij hypercholesterolemia, een erfelijke leverziekte met extreem hoge cholesterolniveaus. Silymarine kan niet gebruikt worden om te traag verlopende ontgiftingsprocessen te versnellen. Het is eerder een middel dat de lever beschermt en helpt te herstellen. Silymarine is een “hersteller” geen “versneller”!! Salmi en Sarna hebben in een dubbel blind 151 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

onderzoek waaraan ruim 100 leverpatiënten (voornamelijk door overmatig alcohol gebruik) aan meededen aangetoond dat silymarine effectief gebruikt kan worden voor het herstel van leverbeschadigingen. Dit kon worden aangetoond met behulp van het standaard leverenzymen onderzoek (SGPT, ALAT). Onderzoek dat uitgevoerd werd door Hikino toont aan dat silymarine vetoxidatie vermindert en de verlaging van het glutathionniveau, door overmatig alcohol gebruik of door een te hoge toxische belasting, voorkomt. Tijdens dit onderzoek bleek het dat bij de proefpersonen die silymarine toegediend kregen dat het glutathionniveau 35% hoger was dan bij de proefpersonen in de controle groep die geen silymarine kregen. Een hoog glutathionniveau verbetert de immuunsysteemfunctie zodat het ontstaan van kanker beter voorkomen kan worden en het lichaam beter beschermd is tegen virale infecties. CVS/ME patiënten met chronische virale infecties kunnen overwegen om maria distel, samen met andere immuunsysteem versterkende middelen, te gebruiken.

Silymarine werkt herstelend Silymarine is een “hersteller” geen “versneller”!! Silymarine vertraagt de werking van het Fase I enzym CYP3A4. Bovendien geven dierproeven aan dat silymarine de ontgifting van biluribine via het glucoronisatie proces van fase II (conjugatie) vertraagd. Silymarine kan dus niet zo maar gebruikt worden om te traag verlopende ontgifting processen te versnellen. Het is eerder een middel dat de lever beschermt en helpt te herstellen.

Silymarine beschermt tegen de schade veroorzaakt paracetemol Silymarine beschermt patiënten die, vanwege chronische pijnklachten, (komt veel voor bij ME en FMS) vaak paracetamol gebruiken tegen de schadelijke bijwerking van dit middel op de lever en de nieren. De algemeen geaccepteerde lezing is dat deze schade veroorzaakt wordt doordat acetaminophen, de werkzame stof van paracetamol, het glutathionniveau in de levercellen laat dalen. Glutathion moet de lever beschermen tegen de vrije radicalen die ontstaan tijdens het ontgiftingsproces. Maar helaas is deze lezing niet helemaal juist. Acetaminophen is namelijk helemaal niet verantwoordelijk voor de daling van het glutathion niveau in de levercellen. De daling van het glutathionniveau wordt veroorzaakt door benzoquinone, de stof waarin acetaminophen door de lever (Fase I) wordt omgezet. Benzoquinone is een gevaarlijke vrije radicaal die geneutraliseerd wordt door glutathion waardoor het niveau van glutathion snel daalt. Acetaminophen is in zijn oorspronkelijke vorm eigenlijk een soort van antioxidant, die dus net als glutathion de schadelijke benzoquinone kan vernietigen. WAARSCHUWING Silymarine is instaat om de afbraak van sommige geneesmiddelen te vertragen, waardoor het geneesmiddel langer dan normaal en in een hogere concentratie in het bloed aanwezig blijft. Silymarine verandert hierdoor de werking (farmakocinetische eigenschappen) van sommige geneesmiddelen, o.a. van cholesterolverlagende geneesmiddelen. Enige referenties Mariadistel (silymarine) 1. Altorjay I et al. The effect of silibinin on the free radical scavenger mechanisms of human erythrocytes in vitro. Acta Physiol Hung 1992;80:375-80. 2. Bindoli A et al. Inhibitory action of silymarine on lipid peroxide formation in rat liver mitochondria and microsomes. Biochem Pharmacol 1977;26:2405-9. 3. Boigk G et al. Silymarine retards collagen accumulation in early and advanced biliary fibrosis secondary to complete bile duct obliteration in rats. Hepatology 1997;26:643-9. 4. Bokemeyer C et al. Silibinin protects against cisplatin-induced nephrotoxicity without compromising cisplatin or ifosfamide anti-tumor activity. Br J Cancer 1996;74:2036-41.

152 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

5. Chen H et al. Protective effects of silibinin and tetrandrine on the outcome of spontaneously hypertensive rats subjected to acute coronary artery occlusion. Int J Cardiol 1993;41:103-8. 6. Dehmlow C et al. Scavenging of reactive oxygen species and inhibition of arachidonic acid metabolism by silibinin in human cells. Life Sci 1996;58:15911600. 7. Dehmlow C et al. Inhibition of Kupffer cell functions as an explanation for the hepatoprotective properties of silibinin. Hepatology 1996;23:749-54. 8. Feher J et al. Effect of silibinin on the activity and expression of superoxide dismutase in lymphocytes from patients with chronic alcoholic liver disease. Free Rad Res Commun 1987;3:373-7. 9. Feher J et al. Liver-protective action of silymarine therapy in chronic alcoholic liver disease. Orv Hetil 1989;130:2723-7. Pharmacology of Silymarin from Clinical Drug Investigation [TM] F. Fraschini, G. Demartini, D. Esposti, Abstract The flavonoid silymarin and one of its structural components, silibinin, are substances with documented hepatoprotective properties. Their mechanisms of action are still poorly understood. However, the data in the literature indicate that silymarin and silibinin act in four different ways: (i) as antioxidants, scavengers and regulators of the intracellular content of glutathione; (ii) as cell membrane stabilisers and permeability regulators that prevent hepatotoxic agents from entering hepatocytes; (iii) as promoters of ribosomal RNAsynthesis, stimulating liver regeneration; and (iv) as inhibitors of the transformation of stellate hepatocytes into myofibroblasts, the process responsible for the deposition of collagen fibres leading to cirrhosis. The key mechanism that ensures hepatoprotection appears to be free radical scavenging. Antiinflammatory and anticarcinogenic properties have also been documented. Silymarin is able to neutralise the hepatotoxicity of several agents, including Amanita phalloides, ethanol, paracetamol (acetaminophen) and carbon tetrachloride in animal models. The protection against A. phalloides is inversely proportional to the time that has elapsed since administration of the toxin. Silymarin protects against its toxic principle -amanitin by preventing its uptake through hepatocyte membranes and inhibiting the effects of tumour necrosis factor- , which exacerbates lipid peroxidation. Clinical trials have shown that silymarin exerts hepatoprotective effects in acute viral hepatitis, poisoning by A. phalloides, toxic hepatitis produced by psychotropic agents and alcohol-related liver disease, including cirrhosis, at daily doses ranging from 280 to 800mg, equivalent to 400 to 1140mg of standardised extract. Hepatoprotection has been documented by improvement in liver function tests; moreover, treatment with silymarin was associated with an increase in survival in a placebo-controlled clinical trial in alcoholic liver disease. Pharmacokinetic studies have shown that silymarin is absorbed by the oral route and that it distributes into the alimentary tract (liver, stomach, intestine, pancreas). It is mainly excreted as metabolites in the bile, and is subject to enterohepatic circulation. Toxicity is very low, the oral 50% lethal dose being 10 000 mg/kg in rats and the maximum tolerated dose being 300 mg/kg in dogs. Moreover, silymarin is devoid of embryotoxic potential. In conclusion, silymarin is a well tolerated and effective antidote for use in hepatotoxicity produced by a number of toxins, including A. phalloides, ethanol and psychotropic drugs. Numerous experimental studies suggest that it acts as a free radical scavenger, with other liver-specific properties that make it a unique hepatoprotective agent.

153 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Sinigrine,glucosinolaat
Zie glucosinolaten Sinigrin is a glucosinolate* which belongs to the family of glucosides found in some plants of the Brassica family such as brussels sprouts, broccoli and the seeds of black mustard (Brassica nigra) to name but a few. It resembles sinalbin, and consists of a potassium salt of myronic acid. It is thought[1] that sinalbin may cause pre-cancerous cells to die (apoptosis) according to work done at Norwich Research Park (NRP)[2], which is based in the East of England. It has been suggested therefore, that sinalbin may prevent cancer of the colon if foods containing it are eaten regularly Metabolism of sinigrin (2-propenyl glucosinolate) by the human colonic microflora in a dynamic in vitro large-intestinal model Cyrille Krul1,, Christèle Humblot2, Catherine Philippe2, Martijn Vermeulen1, Marleen van Nuenen1, Robert Havenaar1 and Sylvie Rabot2 Cruciferous vegetables, such as Brassica, which contain substantial quantities of glucosinolates, have been suggested to possess anticarcinogenic activity. Cutting and chewing of cruciferous vegetables releases the thioglucosidase enzyme myrosinase, which degrades glucosinolates to isothiocyanates and other minor metabolites. Cooking of cruciferous vegetables inactivates the myrosinase enzyme, allowing intact glucosinolates to reach the large intestine, where they can be degraded by the indigenous microflora into isothiocyanates. This local release of isothiocyanates may explain the protective effect of cruciferous vegetables on the colon epithelium. However, little is known about the amounts and identities of glucosinolate metabolites produced by the human microflora. The production of allyl isothiocyanate from sinigrin was investigated in a dynamic in vitro large-intestinal model, after inoculation with a complex microflora of human origin. Sinigrin and allyl isothiocyanate concentrations were analysed in the lumen and dialysis fluid of the model. Peak levels of allyl isothiocyanate were observed between 9 and 12 h after the addition of sinigrin. The model was first set up with a pooled and cultured human microflora, in which 1 and 4% of, respectively, 1 and 15 mM sinigrin, was converted into AITC. However, the conversion rate was remarkably higher if different individual human microflora were used. Between 10% and 30% (mean 19%) of the sinigrin was converted into allyl isothiocyanate. The results of this study suggest that allyl isothiocyanate is converted further into other, yet unknown, metabolites.

Solanine, giftig glycoalcaloïde
is een glycoalkaloïd van het steroïde alkaloïde solanidine (SGA) met het trisaccharide solatriose, dat uit glucose, galactose en rhamnose bestaat. Vergiftigingsverschijnselen treden bij de mens al op bij een inname van 25 mg. 400 mg kan al dodelijk zijn. Solanine veroorzaakt een branderig en scherp gevoel in de keel, diarree, misselijkheid, versuftheid, angstgevoelens, uitbreken van zweet, ademnood, bewusteloosheid en krampen. Solanine komt vooral voor bij planten die tot de Nachtschadefamilie behoren, zoals bij aardappel en aubergine. Bij onrijpe (groene) tomaten komt het verwante tomatine voor. 30 tot 80% van de solanine in een aardappelknol zit net onder de huid en wordt bij het schillen en pitten verwijderd. Als aardappelen aan licht worden blootgesteld neemt de hoeveelheid solanine snel toe. Dit gebeurt al direct na het rooien. Groen gekleurde aardappels zijn dus ongezond. Verder wordt het solanine gehalte bepaald door de groei- en bewaaromstandigheden, zoals droogte, ziekten, kou, grondsoort, klimaat en bemesting. Van jaar tot jaar kunnen grote verschillen optreden. Ook tussen de verschillende aardappelrassen komen grote verschillen in solanine gehalte voor. Consumptieaardappelen hebben een laag gehalte, maar zetmeelaardappelen kunnen een hoog gehalte hebben. In Nederland worden de rassen van zetmeelaardappelen ingedeeld in twee groepen:

154 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

* Rassen met een laag gehalte en * Rassen met een hoog gehalte. Rassen met een hoog gehalte zijn ongeschikt voor menselijke consumptie. De grens tussen hoog en laag is 10 mg solanine per 100 gram versgewicht, omdat het tienjarig gemiddelde van het consumptie ras Ehud hier niet boven komt. Solanine wordt door koken niet afgebroken. Wel lost een deel van de solanine op in het kookvocht, dat daarom niet voor verdere voedselbereiding gebruikt moet worden.

Sulforafaan
Zie ook glucosinolaten, mosterdolieglycosiden Sulforafaan (1-Isothiocyanat-4-(methylsulphinyl)butan) is een sterke, indirect werkende antioxidant. Het middel is onder andere effectief tegen Helicobacter pylori. Momenteel wordt de werking tegen kanker onderzocht. In 1992 is sulforafaan door Dr. Paul Talalay en collega's van de Johns Hopkins University in Baltimore geïsoleerd en beschreven. De stof komt vooral voor bij kruisbloemigen en zit o.a. in de groente broccoli. In de plant komt het gebonden voor als het glucorafanine glucosinolaat. Sulforafaan wordt bij de beschadiging van de plantencel door snijden of koken via een enzymatische reactie gevormd uit glucorafanine. referenties: * Gamet-Payrastre L, Li P, Lumeau S, Cassar G, Dupont MA, Chevolleau S, Gasc N, Tulliez J, TercŽ F. "Sulforaphane, a naturally occurring isothiocyanate, induces cell cycle arrest and apoptosis in HT29 human colon cancer cells". Cancer Research 2000;60:1426-33. * Chung FL, Conaway CC, Rao CV, Reddy BS. "Chemoprevention of colonic aberrant crypt foci in Fischer rats by major isothiocyanates in watercress and broccoli" Proceedings of the American Association for Cancer Research 2000;41:660. * Kohlmeier L, Su L. "Cruciferous vegetable consumption and colorectal cancer risk: meta-analysis of the epidemiological evidence". FASEB Journal 1997;11(3):A369. * Zhang Y, Kensler T, Cho CG, Posner GH, Talalay P. "Anticarcinogenic activities of sulforaphane and structurally related synthetic norbornyl isothiocyanates" Proceedings of the National Academy of Science USA 1994;91:3147-50. * Beecher CWW. "Cancer prevention properties of varieties of Brassica oleracea: a review" Amer J Clin Nutr 1994;59 (suppl):1166S-70S. * Zhang Y, Talalay P, Cho CG, Posner, GH. "A major inducer of anticarcinogenic protective enzymes from broccoli: isolation and elucidation of structure" Proceedings of the National Academy of Science USA 1992;89:2399-2408

Synephrine / Synefrine
Synephrine is a biogenic amine derived from the Citrus aurantium fruit, which is used for a variety of reasons in Traditional Chinese Medicine. It can be used both to aid in fat loss and as an appetite suppressant and animal models indicate that it may aid in alleviating depression. Synephrine is an adrenergic amine that enhances the metabolic rate, increases fat burning and spares muscle protein. Derived from Citrus aurantium, it is a natural alternative to ephedrine, providing maximum weight-loss results without the side effects of Ephedra. Synephrine binds with the Beta 3 cell receptors to increase the rate at which fat is released from body stores (lipolysis), along with increasing the metabolic rate. It offers all of the advantages of a stimulant, without the 155 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

drawbacks. Weight loss clinics throughout the USA are now reporting improved rates of weight loss while using Synephrine without the side effects of ephedrine. Clients have reported up to a 42% reduction in total body fat after using Synephrine. Ctrus Aurantium is the herbal name for the Chinese Green orange "Zhi Shi". In Chinese folk medicine Zhi Shi was commonly used to treat indigestion and relieve abdominal distension. Recently, the herb has been used in the treatment of shock, heart conditions and cardiac exhaustion. Citrus Aurantium, also known as Bitter Orange or as Seville Orange, was known to the early Greeks, and was probably the first orange grown in Europe (twelfth century). The unripe peel contains appreciable quantities of neohesperidin (14%), and five adrenergic amines (synephrine, N-methyltyramine, hordenine, ocdtopamine, and tyramine). In addition, the extract of Citrus aurantium also contains octopamine. Octopamine appears to play an important role in insect behavior -- the fruit probably contains the compound in order to stop insects from eating it. In humans, octopamine has been called a "false neurotransmitter," which changes brain function, and causes the pituitary to secrete growth hormone. Synephrine is the main "active" compound found in the fruit of a plant called Citrus aurantium. The fruit is also known as zhi shi (in traditional Chinese medicine), and as green orange, sour orange and bitter orange in other parts of the world. Synephrine is chemically very similar to the ephedrine and pseudoephedrine found in many OTC cold/allergy medications and in a number of weight loss and energy supplements which contain Ma Huang. But synephrine differs from ephedrine in that synephrine is considered a semi-selective sympathomimetic (because it targets some tissues such as fat, more than it targets others such as the heart) versus a non-selective sympathomimetic (like ephedra which targets many tissues equally and thus often causes side effects). For example, although some high-dose ephedra-containing supplements have been associated with certain cardiovascular side effects as elevated blood pressure and heart palpitations, researchers at Mercer University in Atlanta have shown that Citrus aurantium extract (because it targets fat tissue rather than heart tissue) has no effect on hemodynamics such as heart rate and blood pressure. Synephrine is a stimulant, similar to caffeine and ephedrine and it is thought to have similar effects in terms of providing an energy boost, suppressing appetite and increasing metabolic rate leading to the burning or more calories. It is used as a safer alternative to Ma Huang and through its stimulation of specific adrenergic receptors (beta-3, but not beta-1, beta-2 or alpha-1), synephrine is theorized to stimulate fat metabolism without the negative cardiovascular side effects experienced by some people with Ma Huang. Because synephrine is a mild stimulant similar in some ways to caffeine and ephedrine, it is thought to have similar effects in terms of providing an energy boost, suppressing appetite, and increasing metabolic rate and caloric expenditure. In traditional Chinese medicine, zhi shi is used to help stimulate qi (pronounced chee, and defined as the body’s vital energy or life force) – but in order to maximize the metabolic benefits of these extracts, total synephrine intake should probably be kept to a range of 2-10 mg/day. Although synephrine and several other compounds found in zhi shi are structurally similar to ephedrine and are known to act as stimulants (via adrenergic activity), zhi shi does not appear to have the same negative central nervous effects of ma huang (ephedra). Through its stimulation of specific adrenergic receptors (beta-3, but not beta1, beta-2 or alpha-1), zhi shi is theorized to stimulate fat metabolism without the negative cardiovascular side effects experienced by some people with Ma Huang (which stimulates all beta-adrenergic receptors). The mechanism of action of synephrine is relatively unique among weight loss aids. Synephrine is an agonist of the alpha(1) adrenoreceptor, which is involved in many physiological processes. This adrenoreceptor plays a variety of roles in adipose tissue, such as modulating intracellular Ca2+ and protein kinase C levels and glycogenolysis and lactate production. Correspondingly, alpha(1) agonists increase lipolysis in a variety of experimental paradigms, including an in vivo increase in lipolysis in human white adipose tissue. This effect is 156 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

potentiated by beta receptor stimulation, adenosine antagonism, and elevated cAMP levels, so ephedrine, caffeine, and forskolin may all be synergistic with synephrine. The appetite suppression caused by some agents is also known to be due to alpha(1) agonism, so synephrine can also be expected to aid in a fat loss plan in this regard. Chemical Name: 1-(4-Hydroxyphenyl)-2-(methylamino)ethanol Molecular Formula: C9H13NO2 Molecular Weight: 176.2 CAS No.: 94-07-5 Synefrine is een aan efedrine verwante stof uit de onrijpe zure sinaasappel, de zhi shi. Chinese kruidengenezers gebruiken het al eeuwen tegen benauwdheid op de borst en lusteloosheid. Net als efedrine zou synefrine de vetverbranding bevorderen, maar niet de bijwerkingen van efedrine hebben. Synefrine zou de hartslag niet opjagen. Het zou zelfs een rustgevend effect hebben. Onderzoekers maken zich echter zorgen. Synefrine schakelt het P450-enzym CYP3A4 uit waardoor de afbraak van ongeveer de helft van de bekende medicijnen vermindert. De kans bestaat dat medicijngebruikers die ook synefrine nemen in de problemen komen. Synefrine gebruik Synefrine als nabootser van (nor)adrenaline Synefrine is een stof die wat uiterlijk en eigenschappen betreft in de groep van adrenaline en noradrenaline thuishoort. Andere bekende voorbeelden uit die groep zijn: efedrine, amfetamine, salbutamol (Ventolin) en clenbuterol, stoffen die normaal niet in het lichaam voorkomen. Synefrine als vervanger van efedrine Het Citrus aurantium extract met synefrine wordt telkens meer gebruikt als vervanger voor het extract van de Efedra/Ephedra, een plant die efedrine bevat. Efedra-extracten en efedrine zelf worden gebruikt als pepmiddel en als afslankmiddel. Combinaties van Efedra, coffeïne (uit extracten van kolanoot of guarana) en salicylzuur uit wilgenbast (Salix alba) hebben een langere en sterkere stimulerende en vetverbrandende of thermogene werking. De thermostaat van het lichaam wordt iets hoger gezet. Door de invloed op de hersenen (het centrale zenuwstelsel) en op het hart en de bloedvaten heeft efedrine te veel bijwerkingen. In Nederland mogen in navolging van de VS de producten met efedrine niet meer vrij verkocht worden. Dat is sinds 2004. Synefrine heeft slechts een deel van de eigenschappen van efedrine, maar het blijft een stof met een sterke invloed op het lichaam. Toch is synefrine in 2004 van de dopinglijst voor wielrenners gehaald. Samenwerkende systemen Het menselijke lichaam activeert en remt met twee samenwerkende systemen de organen. Er is een (parasympathisch) systeem dat vooral met de stof acetylcholine werkt en het verteren en opslag van eten activeert. En er is een (sympathisch) systeem dat vooral met (nor)adrenaline werkt en het gebruiken van energie activeert, waardoor inspanningen mogelijk zijn. Efedrine en synefrine versterken het laatst genoemde systeem. Noradrenaline en adrenaline Vanuit de hersenen komen prikkels om meer adrenaline en noradrenaline aan het lichaam af te geven. Zij activeren het hart, verwijden de luchtwegen, vernauwen en/of verwijden bloedvaten, verhogen de bloeddruk, remmen de speekselproductie en zij hebben een stimulerende werking op de hersenen. Stoffen uit de groep van

157 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

efedrine en synefrine doen dat ook. De ene stof verwijdt bij voorkeur de luchtwegen, de andere stof vernauwt alleen de bloedvaten. Elke stof heeft een eigen voorkeur voor de organen, omdat de voorkeur voor de aanhechtingsplaatsen (de receptoren) varieert. Die receptoren worden aangeduid met alfa (bloedvaten) of beta (hart en longen), gevolgd door een cijfer dat nog een onderverdeling aangeeft. Wat doet synefrine Synefrine werkt net als noradrenaline en adrenaline, maar met een voorkeur voor de beta-3-receptoren. Daarmee wordt de vetverbranding verhoogd. Andere effecten die wel worden gezien bij producten die efedrine bevatten, zoals de verschillende stackers, zijn minder duidelijk bij het Citrus aurantium extract. Nadelige effecten van Citrus aurantium extract Synefrine bootst de werking na van (nor)adrenaline, waardoor enkele van de effecten (van noradrenaline en adrenaline) kunnen voorkomen. Efedra geeft een gemiddelde bloeddrukstijging door efedrine van ongeveer 10 mm Hg, synefrine verhoogt de bloeddruk half zo sterk. In tegenstelling tot efedrine bereikt synefrine nauwelijks de hersenen waardoor het haast geen slapeloosheid geeft. Citrus aurantium niet tegelijk met geneesmiddelen gebruiken. De afbraak van de leverenzymen verandert, waardoor geneesmiddelen langer in het lichaam kunnen blijven. Synefrine heeft minder invloed op de organen dan efedrine. Toch zijn uit voorzorg dezelfde beperkingen van kracht. Niet gebruiken bij schildklierproblemen, hoge bloeddruk, stress, (een voorgeschiedenis van) depressie of psychose, glaucoom, urinewegproblemen, vergrote prostaat, epilepsie, duizeligheid, hartkloppingen, hevige hoofdpijn en kortademigheid. Niet combineren met stoffen met gelijke eigenschappen, zoals efedrine en Efedra. Niet geschikt voor personen onder de 18 jaar. Buiten het bereik van kinderen houden. Niet gebruiken tijdens zwangerschap. Bij combinaties met coffeïne kan slapeloosheid voorkomen als de capsules te laat op de dag gebruikt worden.

T Tanninen / Looistoffen
HERB % TANNIN Rhatany >20% (VET) Black tea 11.5-33% Bearberry 16.7-22.0 (to 40%, acc to LRNP) Persimmon 20.0 (Crellin & Philpott) Woodavens 12-28 (Bisset) Betony (Stachys offic.) 15 Hammelis Capsules 11.0 Eucalyptus Capsules 11.0 Redroot 10.0 (Crellin & Philpott) St. John's-wort 10.0 (LRNP Aug 1989) Sage Capsules 8.6 Sage Tea 3-7 (VET) Maté 8.4-8.5 Maté 7-14 (LRNP Apr 1988) Hawthorn 5.9 Raspberry Leaf 5.6 Peppermint 5.0-5.5 (6-12%, BIS) Rooibus 4.4-5.4 Bilberry Capsules 5.3 Artichoke Capsules 4.3 Nettle 3.2 Lemon Verbena 2.3 Camomile 1.8-2.3 Comfrey 2.3 Fenel 0.6

Honeysuckle contains at least two antiviral compounds over and beyond the antiviral tannin. You can imagine my surprise when I asked the computer what was the best source of tannin. The computer said honeysuckle plants, at 800,000 ppms (that's 80%). Garbage in. Garbage out. In the CRC Handbook of Phytochemicals,

158 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

the number for the honeysuckle entry, before computerization, had an extra 0, reading 80,0000 where it should have read 80,000 or 8%. Users on the internet next month will find the right number 80,000 there, putting honeysuckle way back on page two of also rans in the tannin hit parade on the NetScape. Embarassing; privet the number two entry had the same mistake, 70,0000 instead of 70,000. (My computer sometimes adds an extra digit due to my southern drawl at the keyboard.) That's why I always have to verify exceptional highs in our database. But we get closer to the truth, eliminating typos as we verify exciting results. Cainagre was a valid entry at a high of 35%, fruits of Acacia came in second and third at 32-34%; pomegranate rind at 33.6%, guava bark at 30%, emblic fruit and geranium root at 28%; tea leaves at 27%; sumach leaves at at 27%, rose flowers and Mexican bamboo at 24%, peruvian pepperbark at 23%, sorrel root at 22.6%, bearberry at 20. Yes honeysuckle at her true 8% and privet at 7%. Even St. John's-wort flowers have 16%. Polyphenols seem to exert three major medical influences (1)complexation ("chelation") with metals, like aluminum, calcium, copper, iron, manganese, vanadium etc.(2) complexation with other molecules like proteins and polysaccharides, and (3) antioxidant and radical scavenging activities. (Haslam, 1996) . Reactive oxidant species have been implicated in aging, arthritis, atherosclerosis, autoimmune diseases, cancer, inflammation (technicaly and strictly theoretically making them useful in any ...-itis), multiple sclerosis, parkinson's disease and senile dementia; tannins and polyphenols, wide ranging in plants, are less consumed by meatarians than vegetarians. Haslam (1996) tabulates some radical scavenger's IC50s. Haslam, E. 1996. Natural polyphenols (vegetable tannins) as drugs: Possible modes of action. J. Nat. Prod. 59(2):205-215. Pharmacology TANNIN: Anthelminthic JNP59:205; Anticariogenic JNP59:205; Antidiarrheic; Antidysenteric; Antihepatotoxic JNP59:205; AntiHIV JNP59:205; Antihypertensive JNP59:205; Antilipolytic JNP59:205; Antimutagenic; Antiophidic EMP5:363; Antioxidant IC50=1.44 ug/ml CPB38:1051; Antiradicular 500 mg/kg/day orl mus CPB38:1049; Antirenitic CPB38:1049; Antitumor JNP59:205; Antiulcer JNP59:205; Antiviral JNP59:205; Bactericide JE26:74; Cancer-Preventive HG22:14; Chelator JNP59:205; Cyclooxygenase-Inhibitor JNP59:205; Glucosyl-TransferaseInhibitor JNP59:205; Hepatoprotective; Immunosuppressant RWG29; LipoxygenaseInhibitor JNP59:205; MAO-Inhibitor JNP59:205; Ornithine-Decarboxylase-Inhibitor JNP59:205; Psychotropic CPB38:1049; Viricide JE26:74; Xanthine-Oxidase-Inhibitor JNP59:205 Tanninen en Thee Thee is rijk aan polyfenolen. Sommige van deze polyfenolen worden ook wel tannines genoemd (vrij vertaald met looistoffen). Zij danken deze naamgeving aan de leerlooierij, waar huiden gelooid worden tot leer door het toevoegen van tannines. ("Tan" is afgeleid van het Keltische woord voor eik, een belangrijke bron van looiende bestanddelen.) Deze groep polyfenolen komt in allerlei plantaardige voedingsmiddelen voor en zijn verantwoordelijk voor het astringerende (samentrekkend) effect in de mond. Met name sommige rode wijnen kunnen dit effect hebben. Ook groene en zwarte thee bevatten polyfenolen met deze eigenschappen. Het looizuur (in het Engels: tannic acid) is één specifieke verbinding die niet of nauwelijks in thee voorkomt. De hoeveelheid looistoffen in het theezetsel is afhankelijk van hoe lang men de thee laat trekken. In de eerste 2 à 3 minuten lossen voornamelijk de geur, smaakstoffen en opwekkende stoffen op. Daarna gebeurt dit met de looistoffen. Als men de thee langer dan zo'n 5 à 6 minuten laat trekken, is de hoeveelheid behoorlijk toegenomen. De thee zorgt dan vaak voor een 'vol' gevoel. Men schrijft de rustgevende werking van thee op het maag- en darmstelsel toe aan looistoffen. Bij veel mensen kunnen looistoffen dan ook constipatie veroorzaken. Een wolkje melk in de thee kan hiervoor een oplossing zijn. Melk bindt de looistoffen en remt de werking ervan af.

159 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Looizuur of gallotannine is een hydrolyseerbare tannine en komt o.a. voor in de bast van Sequoia's, in de peul van Caesalpinia spinosa en in galappels. Het beschermt de boom tegen insectenvraat en aantasting door bacteriën. Ook beschermt het de boom bij bosbrand. Looizuur is dus niet hetzelfde als wat onder de verzamelnaam tannine verstaan wordt, waarschijnlijk komt dit met de verwarring van tannic acid -> looizuur en tannins -> tanninen. Zwarte thee bevat bijvoorbeeld geen looizuur (tannic acid), maar wel andere tanninen. Groene thee echter bevat wel looizuur (gallotannine). De molecuulformule wordt meestal weergegeven als C76H52O46, maar in feite bestaat het uit een mengsel van verwante stoffen. Het is een polymeer van moleculen van galluszuur en glucose met meestal 8 moleculen galluszuur. Het is een geel tot lichtbruin poeder dat zeer goed in water oplosbaar is; 1 gram looizuur lost op in 0,35 ml water. Het CAS-nummer is 1401-55-4. Hydrolyseerbare polymeren van galluszuur worden nu vooral voor het leerlooien gebruikt.

Terpenen
Een terpeen is een koolwaterstofverbinding met de molecuulformule C10H16. Terpenen komen in veel planten voor. Chemisch kan een terpeen beschouwd worden als het resultaat van de additie van twee moleculen isopreen. Isopreen is eigenlijk niet de echte biochemische precursor van de terpenen. De natuur gebruikt isopentenylpyrofosfaat (IPP). Deze biologische stof wordt gevormd uit azijnzuur. Azijnzuur ondergaat zo conversies via lanosterol (een triterpeen) tot de menselijke steroïdhormonen. Een voorbeeld van een terpeen is myrceen, dat kan geïsoleerd worden uit laurierbladeren en dat de grondstof is voor de bereiding van verschillende geurstoffen, o.a. geraniol (dat naar rozen ruikt). Geraniol, een monoterpeen Geraniol, een monoterpeen Veralgemenend zijn "terpenen" alle verbindingen die bestaan uit een aantal isopreenblokken; zo onderscheidt men: * hemiterpenen ("halve terpenen", met vijf koolstofatomen, C5); * monoterpenen (C10); * sesquiterpenen ("anderhalve terpenen", C15); * diterpenen (C20); * triterpenen (C30) (hiertoe behoren de steroïden); * tetraterpenen (C40), bijv. caroteen; * polyterpenen (hogere polymeren; bijv. isopreenrubber). In 2006 werd een terpeen ontdekt die in een plant (Keizerskroon) voorkomt en waarmee mollen worden afgeschrik. Rupsen van pijlstaartvlinders hebben een gevorkt staartorgaan (osmaterium) dat bij gevaar snel wordt uitgestoken en terpenen afscheid, om zo vijanden te verjagen met de stank. De terpenen zijn een van de meest voorkomende soorten natuurproducten. Terpenen hebben diverse, zeer uiteenlopende, functies in planten, maar in levensmiddelen zijn ze vooral van betekenis vanwege de geur. Het aroma van vele planten, zoals citrusvruchten, kaneel en vele andere kruiden en specerijen, wordt bepaald door diverse terpenen. Veel voorkomende terpenen (en terpenoiden) zijn limoneen en citral (beide in citrusvruchten), camphor (kamfer), pineen (dennengeur), eugenol (kruidnagel), anethol (anijs, venkel), thymol (tijm, oregano), geraniol (roos) and menthol. Terpenen zijn een belangrijk onderdeel van de essentiële oliën van planten en werden derhalve al in het oude Egypte toegepast, oa voor religieuze doeleinden.

160 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Kamfer werd in Europa in de 11 e eeuw door de Arabieren uit het Verre Oosten geïntroduceerd. Het proces om essentiële olie te winnen door extractie met vet, was in de Middeleeuwen al bekend, zowel in het Westen als in China. In de 12 e eeuw beschreef Arnaud de Villanosa de distillatie van olie uit rozemarijn en salie. Hij noemde zijn extracten " oleum mirabile ". In 1592 werden in de Neurenbergse editie van de " Dispensatorium valerii cordi " meer dan 60 essentiële oliën beschreven. Scheikundig zijn terpenen een groep van moleculen die zijn opgebouwd uit een bepaald aantal isopreen-eenheden. Isopreen, methylbuta-1,3-diene, ook wel hemiterpeen genaamd, is een bouwsteen van 5 koolstofatomen. De naamgeving en classificatie van terpenen is gebaseerd op het aantal isopreeneenheden in het basis molecuulskelet Mono-, sesqui-, di-, en sesterpenes zijn opgebouwd uit kop-staart gebonden isopreen eenheden. De triterpenen en carotenoïden (tetraterpenen) bevatten respectievelijk twee C15 of C20 eenheden die kop-kop met elkaar zijn verbonden. De basis terpenen zijn koolwaterstoffen en bevatten alleen koolstof en waterstof. Echter er bestaan vele afgeleide verbindingen met alcohol-, aldehydof ketongroepen. Deze afgeleide verbindingen worden terpenoïden genoemd. De mono- en sesquiterpenen zijn de voornaamste bestanddelen van essentiële oliën, terwijl de hogere terpenen vooral gevonden worden in balsam, hars, was en rubber.

Thymol,een fenol in Tijm
Thymol is een monoterpene fenol, een derivaat van cymeen, C10H13OH, en isomerisch met carvacrol. Thymol komt voor in tijmolie. De vloeistof-vloeistof geextraheerde kristallijne stof heeft een aromatische geur en een sterk antiseptische werking. [1] Verder komt thymol voor in bergamot, bonenkruid, zwarte bes, dille, grapefruit, selderijzaad en zoethout. Thymol kan gebruikt worden voor de bestrijding van de schadelijke varroamijt bij bijen. [2] Ook wordt het gebruikt bij boeken die aangetast zijn door schimmel. In een gesloten zak met thymol kristallen worden de schimmelsporen gedood. Aan halothaan wordt het toegevoegd als een conserveermiddel. In een in 1994 door de vijf belangrijkste sigarettenfabrikanten gepubliceerd rapport blijkt thymol één van de 599 toevoegingen aan sigaretten te zijn. [3] Het wordt gebruikt voor het verbeteren van de geur. Molecuulformule C10H14O SMILES CC1=CC(O)=C(C(C)C)C=C1 IUPAC 5-methyl-2-(1-methylethyl)phenol Andere namen 3-para- cymenol, alpha- cymophenol, 3- hydroxy-para-cymene, 5methyl-2-isopropyl phenol CAS-nummer 89-83-8 EINECS-nummer [1] EG-nummer 201-944-8 Waarschuwingen en veiligheidsmaatregelen etsend, milieugevaarlijk Carcinogeen Hygroscopisch LD50 (ratten) mg/kg LD50 (konijnen) mg/kg MSDS-fiches Fysische eigenschappen Aggregatietoestand vast Dichtheid 0,97 g/cm³ Molmassa 150,22 g/mol Smeltpunt 48-52 °C 161 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Kookpunt 232 °C Vlampunt 102,22 °C Dampdruk 2,5 Pa Andere eigenschappen Oplosbaarheid in water g/L Goed oplosbaar in Natronloog, Kaliloog, Ethanol, Ether en Chloroform THYMOL: Highs for thymol, in Dukes database, include ajwan (to 3.3%), horsemint (to 2.8%), thyme (to 2.4%), nude mountain mint (to 2.3%), wild bergamot (to 2.1%), winter savory (to 1.4%), mountain dittany (to 1.1%), lemon mint (to 0.83%), basil (to 0.14%), and california bay (to 0.13%), on a calculated zero moisture basis. (Under Altitude Sickness) Thymol (2-isopropyl-5-methylphenol) is widely used as a general antiseptic in the medical practice, agriculture, cosmetics and food industry [1-3]. Due to its potent fungicide, bactericide and antioxidant properties thymol is applied primarily in dentistry for treatment of oral infections [4-6]. Thymol was also shown to have strong antiinflammatory action by decreasing the release of inflammatory metabolites like prostanoids, interleukins, and leukotrienes [7,8]. Thymol is added as a stabilizer to several therapeutic agents, including halothane, and the drug was shown to accumulate in the vaporizer during anesthesia. Thymol en varroamijt Thymol is een etherische olie die gewonnen kan worden uit de tijmplant of synthetisch geproduceerd kan worden. Wanneer thymol verdampt in een bijenkast worden de mijten die ermee in contact komen vergiftigd. Thymol dringt niet in het gesloten broed door. Doordat middelen op basis van thymol over een periode van 4 tot 8 weken gebruikt kunnen worden, is de aanwezigheid van gesloten broed geen probleem want de mijten worden gedood zodra ze uit het broed komen. De kans dat de varroamijt resistentie ontwikkelt tegen thymol is klein.

Tryptofaan,essentiel aminozuur
Tryptofaan (Trp) is een van de twintig natuurlijk voorkomende aminozuren. De algemene formule R-CH(NH2)-COOH waarbij R=-CH2-cyclo(Ph-NH-CH=C). De stof speelt een rol bij de productie van serotonine De stof komt onder andere voor in melk, bananen en chocolade. Het menselijk lichaam maakt vitamine B3, nicotinezuur, aan uit Tryptofaan. Een groot tekort aan vitamine B3 kan resulteren in een tekort aan Tryptofaan, echter komt dit niet veel voor aangezien vitamine B3 en vooral tryptofaan voldoende in voeding voorkomen. L-Tryptofaan (L=natuurlijke) is ook als aanvulling verkrijgbaar bij sommige drogisterijen, apotheken en zelfs smartshops. Het kan slaapbevorderend, angstdempend en als anti-depressiva werken. Ook heeft het een positieve invloed op de ontwikkeling van de spieren, bij bijvoorbeeld bodybuilders. L-Tryptofaan werkt nauw samen met vitamine B6 oftewel pyridoxine. In de meeste tryptofaansupplementen is vitamine B6 toegevoegd. Het kan ook neveneffecten hebben (bijwerkingen). Wazig zien, duizeligheid, vermoeidheid en een licht psychisch onwelzijn (men voelt zich heel vreemd/wazig) kunnen voorkomen. In een aantal landen is L-Tryptofaan verboden of verboden geweest aangezien het in verband werd gebracht met een aantal ziektegevallen en sterfgevallen. Sommige medicatie, vooral anti-depressiva en MAO-remmers, mogen niet tegelijk met L-Tryptofaan genomen worden. Warme melk voor het slapen gaan is het meest bekend en veilig. Vooral de tryptofaan in de melk zorgt voor het slaperige gevoel.

162 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

TRYPTOPHAN: Mix to taste ground seeds of the following (highest reported tryptophan levels in rounded ppms): evening primrose (9,000 ppm), winged bean (8,000), white mustard (5,000), pumpkin (4,500), sunflower (4,000), lablab (4,000), sesame (3,500), chickpea (3,500). The best green source is watercress (6,000), beansprouts and spinach (4,500), asparagus, chives, jute, mustard green, mungbean and vine spinach (Basella) sprouts at 4,000, cauliflower, chicory, cornsalad, pigweed, purslane, and taro leaves at 3,500 ppms on a calculated dry weight basis. Zello et al (1995) suggest a requirement of 3.5 mg/kg/day tryptophan for adults, based on nitrogen-balance studies, but they maintain that such estimates are too low. Tryptofaan wordt vanuit het bloed via de bloedhersenbarrière in de hersenen opgenomen met behulp van een zogenaamd transporteiwit. Tryptofaan moet dit transportsysteem delen met andere grote neutrale aminozuren (LNAA), zoals leucine, isoleucine, fenylalanine, valine en tyrosine, waardoor er een vorm van competitie ontstaat tussen deze verschillende aminozuren. Dit betekent dat de beschikbaarheid van tryptofaan in de hersenen wordt bepaald door de verhouding van tryptofaan tot de andere grote neutrale aminozuren. Een eiwitrijke voeding bevat in het algemeen slechts relatief kleine hoeveelheden tryptofaan in vergelijking met de andere aminozuren en zal dan ook eerder de hoeveelheid tryptofaan in het bloed verlagen. Uit onderzoek blijkt verder dat het juist een eiwitarme en koolhydraatrijke voeding is die de hoeveelheid tryptofaan in het bloed en de hersenen kan verhogen. Dit lijkt tegenstrijdig maar kan worden verklaard vanuit het volgende. Koolhydraten stimuleren de insulinerespons wat leidt tot de opname van de grote neutrale aminozuren, behalve tryptofaan, in de (spier)weefsels (9). Tryptofaan ondervindt als gevolg hiervan minder concurrentie voor het transporteiwit en kan zo in relatief grotere hoeveelheden in de hersenen worden opgenomen. Van dit procédé mogen echter geen wonderen worden verwacht want zodra een eiwitarme en koolhydraatrijke maaltijd meer dan 4 % eiwit bevat, is het effect op de tryptofaanopname in de hersenen al quasi nihil en een evenwichtige voeding bevat nu eenmaal meer eiwitten dan het serotonineverhogende koolhydraatrijke en eiwitarme dieet. Chocolade bevat gemiddeld 7 % eiwit waardoor het de opname van tryptofaan eerder zal verlagen dan verhogen. De "good mood"-werking van chocolade kan dus niet worden verklaard via een verhoging van de tryptofaanspiegels en de hoeveelheid serotonine in de hersenen. Naast het eiwitarme en koolhydraatrijke dieet - een dergelijke voeding kan in de praktijk echter niet lang worden volgehouden - kan de hoeveelheid tryptofaan ook worden verhoogd door consumptie van bepaalde voedingsmiddelen die in het bijzonder rijk zijn aan tryptofaan (bv. brood, kaas, melk, schelpdieren, slakken, inktvis, noten, pruimen en tropisch fruit) of door gebruik te maken van specifieke eiwitten met een hoog tryptofaangehalte zoals het melk- en in het bijzonder het wei-eiwit a-lactalbumine (10). In het verleden werden tryptofaansupplementen vaak gebruikt als aanvullende behandeling van patiënten met premenstruele klachten, depressie of slapeloosheid. In 1989 werden echter alle tryptofaansupplementen van de markt gehaald omdat men vermoedde dat er een verband bestond tussen het gebruik van tryptofaan en het eosinofiele myalgie-syndroom (EMS). Of deze relatie inderdaad bestaat, is nooit helemaal duidelijk geworden. Waarschijnlijk was er sprake van een vergiftiging als gevolg van een bacteriële verontreiniging van de tryptofaansupplementen.

V Valepotriaten in Valeriana species
Valepotriaten zijn instabiele lipofiele stoffen, die met name in tincturen en in extracten met meer dan 30% alcohol voorkomen. Valepotriaten, waaraan vroeger wel een sedatieve werking is toegeschreven, hebben in theorie mutagene en 163 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

cytotoxische effecten, maar bij kortdurend gebruik wordt dit klinisch niet relevant geacht. valepotriaten: o vermindering in motorische activiteit o minder agressie o spasmolytisch + in vitro: inhibitoren van nucleinezursynthese, zeer cytotoxisch, mutageen en teratogeen, waarschijnlijk geen risico in vivo door afbraak valepotriaten in GItractus Iridoidester mit Epoxid-Struktur = Valepotriate: Valepotriate sind labile, nichtflüchtige, lipophile Stoffe, die vorwiegend in Rindenzellen gebildet werden.[3] Die Valeriana-officinalis-Wurzel enthält je nach Autor 0.5-1.2%[1], 0.5-2%[2] bzw. 1-2%[4] Valepotriate (in anderen Arten mehr!), davon ca. 80% Valtrate (Valtrat zu Isovaltrat ca. 4:1). Die Zusammensetzung ist je nach Kleinart sehr verschieden, mengenmäßig herrschen aber Valtrat und Isovaltrat vor, daneben kommen kleine Mengen Didrovaltrat und IVHD-Valtrat (Isovaleroxyhydroxydidrovaltrat) und das Glykosid Valerosidat (kein Valepotriat) vor. Valerosidat ist ein wasserlösliches Iridoidesterglykosid und enthält keinen Epoxidring. Die Valepotriate stellen Ester eines terpenoiden, dreiwertigen Alkohols dar, der sich von dem iridoiden Cyclopenta-(c)-pyran ableitet und zusätzlich einen Epoxidring enthält. An der Veresterung sind Essigsäure, Isovaleriansäure, Acetoxyisovaleriansäure, Isovaleroxy-hydroxy-isovaleriansäure und Isocapronsäure beteiligt. Der iridoide Grundkörper kann als Monoen oder als Dien vorliegen. Entsprechend der Variationsmöglichkeiten der Acylsubstitution sind bis heute 12 Strukturvarianten der Valepotriate bekannt. H. Wagner, Pharmazeutische Biologie 2, Drogen und ihre Inhaltsstoffe, 5. Auflage, Gustav Fischer Verlag, Stuttgart 1993, S.91 ff.

Verbenon
Andere Namen: chem.: 4,6,6-Trimethyl-bicyclo[3.1.1]hept-3-en-2-on; 2-Pinen-4-on; engl.: verbenone CAS-Nr.: [18309-32-5] (1R,5R- bzw. D-Form); [1196-01-6] (1S,5S-Form) EWG-Nr.: 2421957 bzw. 2012924 [(-)-Verbenon] Beschreibung, Löslichkeit: Klare, farblose, ölartige Flüssigkeit mit eigenartigem Geruch, der sich beim Erwärmen verstärkt (campher- bzw. minzartig). Das Keton ist löslich in Ethanol und den gebräuchlichen organischen Lösungsmitteln, jedoch praktisch nicht mischbar mit Wasser. Vorkommen, Gewinnung: In der Natur kommt Verbenon vor allem in den ätherischen Ölen von Rosmarin (Rosmarinus officinalis L., hier gibt es verbenonhaltige ,,chemische Rassen") und Duftverbena (Verbena triphylla L. syn. Lippia citriodora syn. Aloysia triphylla). Interessant ist die Funktion als Botenstoff für Insekten (z.B. beim sog. ,,Buchdrucker", dem Borkenkäfer Ips typographus und anderen Nadelholzschädlingen) im Zusammenspiel mit dem korrespondierenden Alkohol Verbenol. Der Lockstoff Verbenol bewirkt das "Versammeln" der Käfer, während Verbenon dafür sorgt, die weiteren Borkenkäfer nach vollständiger Besiedlung eines Baumes auf andere, bisher unbefallene Bäume umzuleiten. Chemische und physikalische Kennzahlen der Reinsubstanz: Molekülmasse: 150,21 g/mol Summenformel: C10H14O Strukturformelversionen von Verbenon: Strukturformelversionen Verbenon Dichte: d204 0,978 (0,975 1S,5S-Form) Brechungsindex: 1,4993 (1,497 1S,5S-Form) Optische Drehung): [a]D18 +249,62° (-142° 1S,5S-Form) Siedepunkt: 227-228 °C (1S,5S-Form)

164 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Flammpunkt: 85 °C Identitäts-Farbreaktionen: Versetzt man verdünnte Kaliumpermanganatlösung mit einem Tropfen Verbenon, so entfärbt sie sich sofort. Eine Lösung des Ketons in konz. Essigsäure vermag Brom nicht zu entfärben. Durch Alkalien bleibt Verbenon unverändert. Verwendung: Aufgrund des hohen Preises wird Verbenon in der Parfümerie praktisch nicht in Form der Substanz selbst, sondern als natürlicher Bestandteil der oben genannten ätherischen Öle eingesetzt. Verfügbarkeit: (-)-Verbenon 94% Aldrich 10 g und 50 g, 99+% 1 g und 5 g; (-)-Verbenon >99% Fluka 5 ml und 25 ml (nur für wissenschaftliche Zwecke)

Vitexine,flavonoïde in Vitex e.a.
Biological Activities vlgs Dukes database ACE-Inhibitor Dosage: 5 ug/m Antithyroid Aldose-Reductase-Inhibitor Aphidifuge Dosage: 5 ug/ml Cancer-Preventive Antiarrhythmic Goitrogenic Antibradiquinic Hypotensive Antidermatitic Thyroid-Peroxidase-Inhibitor Antihistaminic cAMP-Phosphodiesterase-Inhibitor Antiinflammatory Dosage: IC50=1.6 mg/ml Antioxidant Antiserotoninic Plant species with highest amount Camellia sinensis (L.) KUNTZE -- Tea; in Leaf; Crataegus laevigata (POIR.) DC -- English Hawthorn, Hawthorn, Whitethorn, Woodland Hawthorn; in Fruit; Cytisus scoparius (L.) LINK. -- Scotch Broom; in Flower; Fagopyrum esculentum MOENCH. -- Buckwheat; in Cotyledon; Glycine max (L.) MERR. -- Soybean; in Root; Glycyrrhiza glabra L. -- Commom Licorice, Licorice, Licorice-Root, Smooth Licorice; in Plant; Jatropha curcas MIERS -- Physic Nut, Purging Nut; in Leaf; Jatropha gossypifolia L. -- Spanish Physic Nut; in Leaf; Limonia acidissima L. -- Elephant Apple, Manzana De Elefante, Wood-Apple; in Leaf MPI; Linum usitatissimum L. -- Flax, Linseed; in Leaf; Ludwigia epilobioides -- Fireweed ludwigia; in Plant JSG; Lythrum salicaria L. -- Purple Loosestrife; in Leaf; Origanum vulgare L. -- Common Turkish Oregano, European Oregano, Oregano, Pot Marjoram, Wild Marjoram, Wild Oregano; in Plant PAS; Passiflora incarnata L. -- Manzana de Mayo, Mayapple, Passionflower; in Plant; Rumex acetosa L. -- Garden Sorrel; in Leaf; Tamarindus indica L. -- Indian Tamarind, Kilytree, Tamarind; in Leaf; Theobroma cacao L. -- Cacao; in Plant; Tragopogon porrifolius L. -- Salsify; in Plant; Trigonella foenum-graecum L. -- Alholva (Sp.), Bockshornklee (Ger.), Fenugreek, Greek Clover, Greek Hay; in Stem; Zea mays L. -- Corn; in Silk Stigma Style; Vitexin 2: Antithyroid effects in vivo and in vitro of vitexin: a Cglucosylflavone in millet E Gaitan, RC Cooksey, J Legan and RH Lindsay University of Mississippi School of Medicine, Jackson, USA. 165 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

Millet diets rich in C-glycosylflavones (C-GF) are goitrogenic, and its three most abundant C-GF inhibit in vitro thyroid peroxidase, suggesting that these compounds are the goitrogens in millet. However, proof of a cause and effect relationship between C-GF and goitrogenesis requires a demonstration of in vivo antithyroid activity by the purified isolated compounds. Vitexin, one of the three major C-GF in millet, was used to test this hypothesis. Twenty-four female Wistar rats, divided into groups of six rats each and fed Purina iodine-rich diet (12 micrograms I-/day.rat), were administered acutely by gastrointestinal tube goitrogen-free water (controls), methimazole (0.5 mumol), and vitexin (20 and 80 mumol). 125I (1 microCi) was injected ip 1 h later, and the rats were killed 2 h after the injection. The thyroid glands were removed and analyzed for their content of total 125I and 125I-labeled compounds. Rats given vitexin, in contrast to those receiving methimazole, did not show suppressed thyroid 125I uptake. However, significant inhibition of the coupling mechanism (high 125Ilabeled monoiodotyrosine plus diiodotyrosine/125T3 plus T4 ratio and low 125T3 and T4 concentrations) did occur with the highest dose of vitexin. These results provide direct evidence in vivo of C-GF antithyroid activity, strongly supporting the concept that C-GF are the goitrogens in millet.

Study on the anti-heat effects of antioxidant-vitexin in treatment of the patients with breast cancer after radiation [Tác dụng thanh nhiệt của chế phẩm Antioxidant-vitexin đối với bệnh nhân ung thư vú sau xạ trị] / Nguyễn Bội Hương,Trần Thuý,Trần Lưu Vân Hiền // TC Nghiên cứu y dược học cổ truyền Việt Nam . -2006. -No 16. -p. 19-23. -(vie) Key words: Breast cancers; Radiotherapy; Flavonoid vitexin; Antiheat effects; Vitexin, a product containing the flavonoid vitexin as the main component, is derived from a plant, Vigna radiate, that has been traditionally used in Vietnam for detoxification. The previous researches, vitexin is proved to be a potentian antioxidant. In this research, vitexin is applied for the status "cold-hot" in traditional medicine of the breast cancer patients after radiotherapy. Plasma MDA (Malondialdehyde) level in the group treated with vitexin were significantly lower than those in control (P<0.01). These finding suggested that the application of vitexin are beneficial for cancer patients after receiving the radiotherapy at least in balance of the "cold-hot" status in traditional medicine and the antioxidant status.

W Withanolides in Ashwaganda (Withania sp.)
Withanolide sind eine Gruppe von mindestens 300 natürlich vorkommenden chemischen Verbindungen. Sie werden als sekundäre Pflanzenstoffe hauptsächlich in verschiedenen Gattungen der Nachtschattengewächse gefunden, zum Beispiel bei der Tomatillo. Chemisch handelt es sich um mit einem Steroidgerüst verbundene Lactone mit 28 Kohlenstoffatomen bzw. deren Lactole oder Seco-Derivate; sie entstehen durch Oxidation von Steroiden. Der Nutzen, den Withanolide für die Pflanze haben, scheint unterschiedlich zu sein; ein Teil der Stoffe jedenfalls hält Insektenlarven davon ab, die Pflanze zu fressen. Mehrere Withanolide zeigten im Labor für den Menschen medizinisch interessante Wirkungen.[1] Inzwischen sind 12 Nachtschatten-Gattungen bekannt, in deren Arten Withanolide vorkommen, einige davon: Datura, Dunalia, Iochroma, Lycium, Nicandra, Physalis, Salpichroa, Solanum, Withania. Beispiele Withaferin A aus der Schlafbeere (Withania somnifera) war das erste Withanolid, welches isoliert wurde. Eine entzündungshemmende Wirkung verschiedener Withanolide der Pflanze konnte im Tierversuch gezeigt werden; mehrere Dutzend

166 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

sind bekannt. Die Pflanze wird in der ajurvedischen Medizin als Ashwaganda benutzt.[2] Salpichrolid A, B und G (aus Salpichroa origanifolia) haben wachstumshemmende Wirkung auf Larven der Mittelmeerfruchtfliege (Ceratitis capitata). Sie sind daher für die Landwirtschaft interessant.[3] Die Nicandrenone aus der Giftbeere (Nicandra physalodes) sind eine weitere Gruppe von Withanoliden mit insektizider Wirkung. Sie wurden bereits vor 30 Jahren untersucht; im Jahr 2000 gelang die erste Totalsynthese.[4] Ixocarpalacton A aus der Tomatillo (Physalis philadelphica) ist eine vielversprechende Substanz zur Verhinderung von Krebs. 1. ↑ http://www.qo.fcen.uba.ar/Grupos/burtongrp-en.htm 2. ↑ Drugs.com: Ashwaganda 3. ↑ S. Bado et al.: Lethal and Sublethal Effects of Withanolides from Salpichroa origanifolia and Analogues on Ceratitis capitata. J. Agric. Food Chem, 52/10/2004. S. 2875-8. doi:10.1021/jf035508a 4. ↑ B.M. Stolz, T. Kano und E.J. Corey: Enantioselective Total Synthesis of Nicandrenones. JACS 122/-/2000. Online-PDF 5. ↑ A.D. Kinghorn et al.: Cancer Chemopreventive Agents Discovered by Activity-Guided Fractionation: An Update. Current Organic Chemistry. 7/3/2003. S. 213-226. Abstract Withanolides (2) are refined extracts from the Indian herbal medicine Ashwagandha. Ashwagandha is a powder derived from the root of the plant of the same name. "Withanolide", as a relatively pure fraction of Ashwagandha powder, is currently being developed. Some of the constituents of Ashwagandha extract will be excluded. Withanolides are currently being explored for their brain regenerative properties and the types of withanolide will be chosen so as to focus on these properties. This webpage will focus on the brain structure regenerative functions of withanolides. Medicinal Properties: * suppresses free radical generation; * anti-inflammatory; * suppresses cancer cell proliferation accompanied by apoptosis. * induces significant regeneration of axons, dendrites, pre-synapses and post-synapses in the neurons. * ameliorates neuronal dysfunction in Alzheimer's disease.

Enige Literatuur / Bronnen
-

-

www.chem-online.org www.inchem.org www.ars.grin.gov/duke Phytotherapies.org Dictionary of Natural Products John Buckingham, Chapman & Hall/CRC, England CRC Press,verkorte versie op CDrom Constituents of Medicinal Plants. Steve Blake De Marteleire E. – Bioactieve stoffen in de voeding. Elsevier Gezondheidszorg Descheemaeker K. – Nutri- § Fytotherapie. Recente ontwikkelingen. Congressen voor Nutri- en Fytotherapie. Uitgeverij Garant Farmacognosie en fytochemie planteninhoudsstoffen. Univ. Brussel Franchomme P. , Pénoël – L’Aromathérapie exactement. Jolois 1990. Funke H.: De Werkingen van geneeskruiden. Natuurboekerij, Overveen. Health Benefits of FOS. A Keaths Good Health Guide 1995. Pengelly A. – The Constituents of Medicinal Plants. Allen § Unwin 2004. Schauenberg P., F. Paris: Encyclopedie van de medicinale planten. Snijder S. Psychofarmaca. Hersenen onder invloed. Natuur&Techniek 1989 167 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

-

-

-

Teuscher E.: Pharmazeutische Biologie. Van Os: Farmacognosie. Uitg. J. B. Wolters Groningen - 1962. VanGenderen e.a. Chemisch - ecologische Flora. KNNV Uitgeverij. Een inleiding over aard en ecologische betekenis van secundaire plantenstoffen. Vlietinck A.J., J. Totté: Geneeskrachtige planten. Nat. Plantentuin, Meise

168 Inhoudstoffen doc. Maurice Godefridi

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->