P. 1
Bouwtechniek in Nederland 4

Bouwtechniek in Nederland 4

|Views: 1,719|Likes:
Published by Delftdigitalpress
Draagconstructies van bouwwerken zijn die
bouwdelen welke ervoor zorgen dat bouwwerken
niet omvallen of instorten door de krachten
die erop werken. Deze constructies komen
voor in vele vormen, die door een aantal factoren
worden bepaald. Bijvoorbeeld door de wijze
waarop zij worden gebouwd (de bouwtechniek).
De belangrijkste aanleiding voor de
vorm is echter hun primaire functie: het weerstand
bieden aan krachten.
In dit boek is getracht om op een eenvoudige,
voor de leek op dit gebied begrijpbare wijze
uitleg te geven over de vormen van draagconstructies
die voortkomen uit deze functie.
Draagconstructies van bouwwerken zijn die
bouwdelen welke ervoor zorgen dat bouwwerken
niet omvallen of instorten door de krachten
die erop werken. Deze constructies komen
voor in vele vormen, die door een aantal factoren
worden bepaald. Bijvoorbeeld door de wijze
waarop zij worden gebouwd (de bouwtechniek).
De belangrijkste aanleiding voor de
vorm is echter hun primaire functie: het weerstand
bieden aan krachten.
In dit boek is getracht om op een eenvoudige,
voor de leek op dit gebied begrijpbare wijze
uitleg te geven over de vormen van draagconstructies
die voortkomen uit deze functie.

More info:

Published by: Delftdigitalpress on Jan 31, 2011
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved
List Price: $4.99 Buy Now

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
See more
See less

01/10/2014

$4.99

USD

Kracht en vQrm
Bouwtechniek
in Nederland 4
In de reeks Bouwtechniek in Nederland zijn
verschenen:
1 J. Oosterhoff(red.), G.J. Arends, C.H. van EI-
dik en G.G. Nieuwmeijer, Constructies van
ijzeren beton. Gebouwen 1800-1940. Overzicht
en typologie, Delft 1988
2 H. Janse, Houten kappen in Nederland
1000-1940, Delft 1989
3 G.J. Arends, C.H. van Eldik en H. Janse, Com-
pendium constructies. Gebouwen 1800-1940,
Delft 1989
4 J. Oosterhoff, Kracht en vorm. De draagcon-
structies van bouwwerken eenvoudig verklaard,
Delft 1990
Kracht en vorm
De draagconstructie van bouwwerken
eenvoudig verklaard
J. Oosterhoff
Technische Universiteit Delft
Faculteit der Bouwkunde
1990 Delftse Universitaire Pers
Rijksdienst voor de Monumentenzorg
Uitgave en produktie
Delftse Universitaire Pers
Stevinweg 1, 2628 CN Delft
Telefoon 015-783254
Grafische vormgeving
C.H. van Eldik
Foto omslag
Fas Keuzenkamp
Pakhuis 'De Zwijger',
Oostelijke.Handelskade te Amsterdam
CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK,
DEN HAAG
Bouwtechniek
Bouwtechniek in Nederland. - Delft: Delftse
Universitaire Pers; [Zeist] : Rijksdienst voor de
Monumentenzorg
4: Kracht en vorm: de draagconstructie van bouwwer-
ken eenvoudig verklaard / J. Oosterhoff. - 111.
Met lito opg.
ISBN 90-6275-551-8
SISO 694 UDC 624.07(492)(091) NUGI 833
Trefw.: bouwtechniek; Nederland; geschiedenis.
© 1990 by Delft University Press
Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of
openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, mi-
crofilm of op welke wijze dan ook, hetzij elektronisch,
hetzij mechanisch, zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van Delftse Universitaire Pers
Inhoud
Ten geleide 7 Positieve en negatieve buigende
momenten 40
De combinatie van druk en buiging 44
Voorwoord 9 Boogwerking 46
Koepelgewelven 49
Ton- en kruisgewelven 51
1 Inleiding 13 Hangconstructies 53
2 Krachten op gebouwen 15 4 Stabiliteit 57
Algemeen 15 Algemeen 57
Eenheden van kracht en massa 15 Stabiele en onstabiele masten 57
Eenheden van lengte 16 Constructies met meer verticale
Krachten op gebouwen 16 elementen 59
Eigen gewichten en veranderlijke Stabili tei tsverbanden 60
belastingen 16 Gewapende betonconstructies 62
Wind 18 Verdiepinggebouwen 62
Grond- en waterdruk 19
Aardbevingskrachten 19
5 Materialen
Krachten door calamiteiten 19
65
Samenvatting 20
Algemeen 65
Steen 66
3 Krachten in constructies 21
Hout 67
IJ zer en staal 68
Gewapend beton 70
Het samenstellen van krachten 21
Trek- en drukkrachten 26
Kracht en spanning 27 6 Elementen 73
Knik 30
Verlenging en verkorting 31 Algemeen 73
Buiging 32 De onderspannen balk 73
Samengestelde balken 36 V     74
Driehoekspanten, hangwerken, Vakwerkspanten 76
vakwerkspanten 36 Boogspanten 77
Vakwerkliggers 38 Kniespanten 80
Torens 38 Portaalspanten 83
5
7 Verbindingen
87
Het pakhuis 'De Vijf Werelddeelen'
te Rotterdam 111
Algemeen 87 De treinhallen van het spoorweg-
Steenconstructies 87 station Haarlem 115
Houtconstructies 89 De zetterij van de Algemeene
IJ zerconstructies 94 Landsdrukkerij te 's-Gravenhage 118
Gewapende betonconstructies 97 Het modehuis Schunck te Heerlen 120
8 Constructies 99 Aanbevolen literatuur 124
Algemeen 99
De zuilenhal van de tempel van Amon Verantwoording van de
te Karnak, Egypte 100 afbeeldingen 125
Het Pantheon te Rome 102
De hoge kerkhallen in de
Middeleeuwen 104
De Sint Pieterskerk te Rome 107 Index 126
6
Ten geleide
Het doet mij genoegen dat na de reeds versche-
nen publicaties betreffende de geschiedenis
van draagconstructies van gebouwen in de pe-
riode van 1800 tot 1940 in Nederland thans
een publicatie voor u ligt waarin op een over-
zichtelijke, heldere en vooral ook eenvoudige
wijze een technisch-wetenschappelijk verant-
woorde verhandeling wordt gegeven van de
krachtswerking in draagconstructies.
Op deze wijze wordt technische kennis van
historisch interessante draagconstructies van
gebouwen toegankelijk gemaakt voor degenen
die uit hoofde van hun functie of vanuit per-
soonlijke overwegingen betrokken zijn bij de
monumentenzorg. Het zal ook de waardering
van bijzondere constructies kunnen verhogen.
In het licht van de taak van de Rijksdienst voor
de Monumentenzorg geldt dit in het bijzonder
voor degenen die belast zijn met de uitvoering
van het grootscheeps opgezette Monumenten
Inventarisatie Project dat tot doel heeft de jon-
gere bouw- en stedebouwkunst in kaart te bren-
gen.
Ik beveel deze publicatie van harte aan bij een
ieder die zijn inzicht in dit belangrijke aspect
van de monumentenzorg wenst te vergroten.
directeur
Rijksdienst voor de Monumentenzorg
jhr.ir. L.L.M. van Nispen tot Sevenaer
7
Voorwoord
Draagconstructies zijn die delen van bouw-
werken die er in het bijzonder voor moeten
zorgen dat het bouwwerk, onder de-invloed
van allerlei krachten, die erop werken, in stand
blijft en dat het niet omvalt of instort. Kortom
dat het weerstand kan bieden aan krachten.
Over draagconstructies bestaan vele publica-
ties. De meeste ervan zijn geschreven door en
voor de vakman: de ingenieur die de construc-
ties ontwerpt en ze berekent op hun sterkte en
stijfheid.
Hij is er verantwoordelijk voor dat bouwwer-
ken niet bezwijken onder de krachten die erop
werken.
Er zijn echter ook anderen die met deze con-
structies te maken hebben. In de eerste plaats
architecten. Hun taak is in het algemeen het
ontwerpen van gebouwen. Draagconstructies
maken daar slechts een deel van uit en voor het
ontwerpen ervan steunt de architect op het
advies van gespecialiseerde ingenieurs.
Niettemin moet hij wel de nodige kennis er-
over bezitten en vooral inzicht hebben in het
verband tussen de werking der krachten in een
constructie en de vorm ervan. Voor het bij-
brengen van deze kennis zijn ook een aantal
speciale boeken geschreven en bestaan er sylla-
bi die gebruikt worden bij de architecten op lei-
dingen.
Deze geschriften zijn vooral gericht op het in-
zicht geven, op het begrijpen hoe de construc-
tievorm voortkomt uit de werking der krach-
ten. De leerstof wordt vaak toegelicht met
eenvoudige getallenvoorbeelden. Ingewikkel-
de berekeningen komen er niet in voor; ZIJ
zouden slechts verwarrend werken.
In de laatste decennia is er nog een categorie
van academici toegevoegd aan de groep die wel
enige kennis van de vormen van draagcon-
structies moet hebben, maar deze niet zelf be-
hoeft te ontwerpen. Bij de monumentenzorg is
er een toenemende aandacht voor de bouw-
werken die tot stand zijn gekomen in de perio-
de tussen 1800 en 1940. Deze bemoeienis heeft
in Nederland geleid tot het Monumenten In-
ventarisatie Project (MIP) dat thans volop in
uitvoering is. Bij deze breed opgezette landelij-
ke inventarisatie ligt het zwaartepunt bij het
,bouwen in de 19de en de eerste helft van de
20ste eeuw. In die periode ontstond er behoef-
te aan nieuwe typen bouwwerken, zowel voor
de industriële produktie (fabrieken, pakhui-
zen) als voor een nieuwe infrastructuur, afge-
stemd op de snel toenemende behoefte aan
transport (water-, land- en spoorwegen met de
daarbij behorende bruggen, sluizen, spoor-
wegstations en dergelijke). Ook voor handel en
administratie waren andersoortige gebouwen
nodig zoals grote kantoorgebouwen, overdekte
markten en later ook al dan niet permanente
tentoonstellingsgebouwen. In gebouwen waren
grote kolomloze ruimten nodig en er werd ook
aanzienlijk hoger gebouwd dan voorheen het
geval was, terwijl bij bruggen de overspannin-
gen snel groter werden. Om aan de nieuwe
eisen te kunnen voldoen, kwamen er nieuwe
bouwmaterialen voor de draagconstructies:
eerst ijzer, later het gewapend beton. Deze ont-
  hadden grote invloed op de con-
structies van bouwwerken.
Het is duidelijk dat bij een beoordeling van de
historische betekenis van de nieuwe bouwwer-
9
ken de veranderde constructievormen een rol
spelen. Voor degenen, die met de beoordeling
en waardering zijn belast, is enig inzicht in de
achtergronden van deze vormen onmisbaar.
Het is uit deze overwegingen dat de gedachte is
ontstaan om iets op papier te brengen waarmee
het gewenste inzicht kan worden verkregen:
een boek waarin het verband wordt verklaard
tussen de vormen van draagconstructies en de
krachten, waaraan deze weerstand moeten bie-
den.
Zo'n boek behoeft niet alleen voor historici
nuttig en interessant te zijn. Behalve degenen,
die betrokken zijn bij het MIP en bij de monu-
mentenzorg in het algemeen, zijn er de studen-
ten die de architectuurhistorie in hun studie-
pakket hebben opgenomen. Ook voor architec-
tuurstudenten kan het boek echter verhelde-
rend zijn, in het bijzonder als het gaat om de
studierichtingen restauratie en renovatie, om-
dat vooral historische bouwwerken en con-
structies erin voorkomen. Dan is er nog de
groeiende groep van belangstellenden in de in-
dustriële archeologie die in fabrieken construc-
ties aantreffen waarvan zij graag iets meer zou-
den willen weten. En verder al degenen die
geen technische opleiding hebben genoten
maar wel vaak met bouwtechniek en construc-
ties in aanraking komen (economen, juristen,
administratieve medewerkers, calculators en
dergelijke, werkzaam in de bouwnijverheid).
In het boek zijn niet alle factoren behandeld
die invloed hebben op de vormen van draag-
constructies. De eigenschappen van de mate-
rialen zijn bijvoorbeeld slechts kort beschre-
ven.
Uitvoeringsmethoden komen nauwelijks aan
de orde hoewel zij zeer bepalend kunnen zijn
voor constructievormen. Doelbewust is het
boek vanwege de hanteerbaarheid beknopt ge-
houden en is het gericht op de primaire functie
van draagconstructies: het weerstand kunnen
bieden aan krachten die op bouwwerken wor-
den uitgeoefend. Het is ook de voornaamste
10
factor bij het begrijpen van constructievor-
men: waarom kan bijvoorbeeld de onderrand
van een driehoekig ijzeren vakwerkspant zo
dun zijn (in oude uitvoeringen vaak van rond-
ijzer) terwijl de bovenrand veel forser is uitge-
voerd? Zulke vormaspecten worden bepaald
door de soort en de grootte van de krachten die
in de onderdelen van het spant optreden. Men
zal in het boek echter geen verklaring aantref-
fen voor het feit dat gewapende betonconstruc-
ties er heel anders uitzien dan ijzerconstruc-
ties. Dat heeft te maken met materiaal-
eigenschappen en uitvoeringsmethoden. IJzer
is veel 'sterker dan beton zodat de afmetingen
van de onderdelen van ijzerconstructies klei-
ner zijn dan bij betonconstructies het geval is.
De onderdelen van de meeste ijzerconstructies
zijn in een fabriek gewalst terwijl betoncon-
structies ontstaan door het op de bouwplaats
gieten van het beton in bekistingen. Ook dat
(de uitvoeringswijze) is van grote invloed op de
vormgeving. Wie hiervan meer wil weten, ver-
wijzen wij naar het eerste deel van de serie
'Bouwtechniek in Nederland': Constructies
van ijzer en beton. Gebouwen 1800-1940. Over-
zicht en typologie, waarin meer hierover is te
vinden.
Vanwege het streven naar beknoptheid is een
aantal vereenvoudigingen toegepast en zijn za-
ken weggelaten die de vakman misschien bij
eerste beschouwing zullen bevreemden. Het
criterium daarbij was dat de tekst voor de be-
oogde doelgroepen zo voorstelbaar mogelijk
moet zijn en dat alles wordt weggelaten dat
voor de begripsvorming gemist kan worden.
Zo zijn bijvoorbeeld bij de krachten, die in
constructie-elementen werken, de dwarskrach-
ten, de wringende momenten en de daarbij
behorende schuifspanningen niet behandeld.
Bij de beschouwingen over de sterkte van con-
structie-elementen is gewerkt met de oude be-
grippen 'veiligheidscoëfficiënt' en 'toelaatbare
spamling' en niet met de tegenwoordig gehan-
teerde bezwijkcriteria en belastingfactoren.
Het leek ons zo beter begrijpbaar. Trouwens:
bij hout- en funderingsconstructies wordt nog
steeds gewerkt met het begrip toelaatbare
spanning. Krachten zijn uitgedrukt in kilo-
grammen en niet in newtons omdat de kilo-
gram voor de gemiddelde lezer vertrouwd is als
hij boodschappen doet of zijn gewicht afleest
op een weegschaal.
Er is in het boek geen onderscheid gemaakt
tussen constructies die van het oude materiaal
smeedijzer zijn gemaakt en die waarbij het la-
tere staal is gebruikt. In beide gevallen wordt
gesproken van 'ijzerconstructies' . Een overwe-
ging daarbij is dat bij constructies uit de over-
gangsperiode van smeedijzer naar staal (om-
streeks 1900) het lang niet altijd duidelijk is of
we nu met ijzer dan wel met staal te maken
hebben. Belangrijker is wellicht het historische
feit dat voor 1940 vooral in de gebouwensector
overwegend werd gesproken van ijzercon-
structies, ook als ze van staal waren vervaar-
digd. Het staal voor de wapening van beton-
constructies werd ook na 1940 nog lang
betonijzer genoemd.
En wie koopt er tegenwoordig in de ijzerhandel
nog echt ijzeren gereedschappen en verbin-
dingsmiddelen ?
Tenslotte: in de titel van het boek wordt slechts
één auteur genoemd. Dat neemt niet weg dat
het toch een gezamenlijk produkt is van de
Groep Geschiedenis van de Bouwtechniek van
de Faculteit der Bouwkunde van de Techni-
sche Universiteit Delft (naast de auteur be-
staande uit ir. G.J. Arends, ir. C.H. van Eldik,
ir. G.G. Nieuwmeijer en ing. C.G.T. Smeenk).
De aanpak en de opzet ervan werden voortdu-
rend in de groep besproken en de conceptteks-
ten zijn kritisch bekeken. Ook de begeleidings-
commissie van de Rijksdienst voor de Monu-
mentenzorg (drs. F.C.A. van der Helm, ing. H.
Janse, drs. R. de Jong, drs.ing. D.J. de Vries)
leverde door haar opbouwende kritiek een be-
langrijke bijdrage. Dank is voorts verschuldigd
aan ir. Van Eldik voor het verzorgen van de
lay-out en aan de Delftse Universitaire Pers
die het boek samen met de Rijksdienst voor de
Monumentenzorg uitgeeft.
11
Inleiding
Bouwwerken komen in vele vormen voor en
vervullen zeer verschillende functies, ofhet nu
kunstwerken uit de water- en wegenbouw zijn,
zoals bruggen, sluizen, stuwen en tunnels, of
gebouwen of torens, masten en schoorstenen.
Al deze bouwwerken hebben met elkaar ge-
meen dat zij onderworpen zijn aan uitwendige
krachten, die zeer groot kunnen zijn, en dat zij
hieraan weerstand moeten bieden. Deze
krachten zijn er de oorzaak van dat bouwwer-
ken of onderdelen daarvan vaak een bijzonde-
re vorm hebben.
Grote ruimten, zoals de 45 m brede treinhal
van het Centraal Station te Amsterdam, wor-
den overspannen met boogconstructies, omdat
de boogvorm gunstig is voor het afvoeren van
de op het dak werkende krachten naar de fun-
dering. Torens en andere hoge bouwwerken,
waarbij windkrachten een belangrijke rol spe-
len, zoals de 300 m hoge Eiffeltoren te Parijs,
krijgen een vorm waarbij de constructie naar
de voet toe steeds breder wordt. Ook bruggen
hebben vaak vormen, die aangepast zijn aan
het verloop van de krachten erin.
Meestal zijn er in bouwwerken bepaalde con-
structiedelen die als functie hebben ze te be-
hoeden voor omvallen of instorten. De aard
ervan is zeer afhankelijk van het soort bouw-
werk. Bij bruggen bijvoorbeeld zijn vrijwel alle
onderdelen bestemd om weerstand te bieden
aan de op de brug werkende krachten. Bij ge-
bouwen is de constructie veel meer gedifferen-
tieerd. Bepaalde elementen, zoals delen van
gevels, binnenwanden en de afwerkingen van
daken, zijn ervoor bestemd om ruimten van
elkaar te scheiden: de gevels en daken voor de
1
scheiding van buiten- en binnenruimte en de
binnenwanden voor het scheiden van de ruim-
ten in het gebouw. In de praktijk worden deze
scheidende, ruimte-omsluitende elementen sa-
mengevat onder de naam 'afbouwconstructies'
omdat ze vrijwel altijd pas worden aange-
bracht nadat de ruwbouw voltooid is. Maar er
zijn ook elementen die als primaire taak heb-
ben om weerstand te bieden aan de op het
gebouw werkende krachten. Zij worden aange-
duid als 'draagconstructies'. Het zijn bijvoor-
beeld de dak- en vloerplaten, balken, kolom-
men en soms ook (dragende) wanden.
Niet altijd is er een duidelijk onderscheid tus-
sen de elementen met een scheidende en die
met een dragende functie. Dak- en vloerplaten
hebben bijvoorbeeld niet alleen een dragende
functie maar ze zijn ook scheidend: de dakpla-
ten moeten meehelpen aan het weren van
wind, regen en extreme buitentemperaturen,
vloerplaten zorgen voor geluidisolatie en gaan
brandverspreiding tegen.
Vroeger, toen er in gebouwen nog voorname-
lijk werd gewerkt met dragende gemetselde
muren, was de combinatie van dragen en
scheiden een normale zaak. Toen in de 19de
eeuw het skeletprincipe werd ingevoerd ont-
stond de functiescheiding: het gebouw werd
gedragen door kolommen en balken, terwijl de
buitenwanden (de gevels) en de binnenwanden
voornamelijk een scheidende functie kregen
en als vullingen in het skelet werden aange-
bracht.
Draagconstructies van gebouwen hebben ten
opzichte van andere bouwwerken zoals brug-
13
gen en sluizen een nogal gecompliceerde sa-
menstelling. Hierom en ook vanwege de veron-
derstelling dat de gemiddelde lezer de meeste
belangstelling voor gebouwen heeft, zullen in
dit boek voornamelijk draagconstructies van
gebouwen worden behandeld. Kortheidshalve
zullen deze hierna meestal worden aangeduid
als 'de constructies'.
De primaire functie van draagconstructies is
het weerstand bieden aan krachten. Dit is ech-
ter niet de enige aanleiding tot de verschillende
vormen waarin zij voorkomen. Andere belang-
rijke factoren zijn de eigenschappen van de
materialen, die voor de draagconstructies wor-
den gebruikt, en de wijze van uitvoering. In het
voorwoord werd reeds aangegeven waarom
deze factoren niet of slechts beknopt aan de
orde komen. Het zijn vooral de op een con-
structie werkende krachten die haar vorm be-
palen. De materiaaleigenschappen en de uit-
voeringsmethoden hebben een weliswaar
belangrijke maar toch secundaire invloed. Zij
geven aanleiding tot verscheidene varianten
op fundamentele constructievormen maar tas-
ten het principe van die vorm niet aan.
Fundamenteel en in de loop der tijden onge-
wijzigd is in de eerste plaats het verband tussen
de constructievorm en de wijze waarop de
14
krachten door de constructie worden geleid.
Daarmee zullen wij ons in dit boek bezighou-
den.
De inhoud van het boek is als volgt ingedeeld.
N a de Inleiding worden in hoofdstuk 2 de
krachten, die op gebouwen inwerken, behan-
deld. Hoofdstuk 3 is het belangrijkste deel van
het boek. Het gaat over de krachten die in
constructies werken en het verband dat deze
krachten hebben met de vorm van de construc-
ties.
Aansluitend hierop geeft hoofdstuk 4 inzicht
in de stabiliteit van bouwwerken en in de
maatregelen die genomen worden om de stabi-
liteit te verzekeren. In hoofdstuk 5 wordt kort
iets gezegd over de eigenschappen van de voor-
naamste materialen voor draagconstructies.
Hoofdstuk 6 behandelt de krachtswerking in
elementen van constructies, hoofdstuk 7 de
wijze waarop de elementen met elkaar worden
verbonden. In hoofdstuk 8 komen tenslotte
constructies in hun geheel aan de orde zoals
deze in een aantal bouwwerken voorkomen,
van de zuilenhal in de tempel van Amon te
Karnak in Egypte uit de 13de eeuw v.C. tot het
modehuis Schunck te Heerlen uit 1933. Het
boek wordt afgesloten met een literatuurver-
wijzing en een index.
Krachten
op gebouwen
Algemeen
Krachten kunnen zeer verschillend van aard
zijn. Door wind worden gebouwen onderwor-
pen aan stuwende en aan zuigende krachten.
Water en grond oefenen krachten uit op de
wanden en vloeren van kelders. Maar de mees-
te krachten, die op gebouwen werken, zijn af-
komstig van het gewicht van mensen en mate-
rialen. Deze zijn het gevolg van de
zwaartekracht waarmee de aarde alles, wat
zich erop bevindt en wat massa heeft, aantrekt.
Eenheden van kracht en massa
V roeger werden de krachten, waarvan hierbo-
ven enkele voorbeelden werden gegeven, alle
uitgedrukt in kilogrammen. In 1972 werd in
Nederland voor de bouwnijverheid het inter-
nationale stelsel van eenheden (het SI) inge-
voerd. Daarbij werd onderscheid gemaakt tus-
sen krachten en massa's. Zo heeft bijvoorbeeld
een ijzeren balk een bepaalde massa. De massa
is onderworpen aan zwaartekracht: Deze
kracht wordt het gewicht van de balk genoemd.
In het SI wordt de kilogram (kg) gedefiniëerd
als de eenheid van massa. De eenheid van
kracht werd de newton (N). Krachten en dus
ook gewichten worden genoteerd in newtons.
Er bestaat een verband tussen deze beide een-
heden: de kracht waarmee de aarde een massa
van 1 kg aantrekt, is ongeveer 10 N.
Niettemin zal in dit boek de oude benaming
worden gevolgd: alle krachten worden geno-
2
........ .
. .
. ....... . .

IPàPÏpIIiI ...... '.
. .. .., . : : : . . ... : . ' .
. ::: ..... :.: ..   .. . :: : .'. : ..... .
. . . . . . . . . . .
' .. .. .. . .. ... ' '" .. . .. ..
1. Krachten op gebouwen.
11 lk(8) N
t\0N te",
2. In plaats van de newton wordt de kilogram
gebruikt.
15
---- .. -------------------------------------------------
teerd in kilogrammen. Dit wordt niet alleen
gedaan omdat het zo in de oudere literatuur
voorkomt maar tevens om de krachten voor de
lezer beter voorstelbaar te maken. Wie niet
regelmatig te maken heeft met het berekenen
van constructies, kan zich hiermee het best een
voorstelling maken van de grootte van een
kracht. Misschien staat hij wel dagelijks op een
weegschaal en ziet daarop zijn lichaamsge-
wicht in kilogrammen aangegeven.
Eenheden van lengte
Wat de lengtematen betreft geven de tegen-
woordige normen aan dat hiervoor de meter
(m) en de millimeter (mm) dienen te worden
gebruikt en dat de centimeter (cm) vermeden
moet worden. Om dezelfde reden als hierbo-
ven (de praktische voorstelbaarheid) zal hier
echter de centimeter wel gebruikt worden. Het
is voorts niet logisch om, als een betonnen balk
een doorsnede van 30x60 cm heeft, deze aan te
geven met 300x600 mmo Het is immmers be-
kend dat, in verband met de maatafwijkingen
bij het maken van de bekisting voor deze balk,
er zeker afwijkingen van een aantal millime-
ters kunnen zijn. Het dan noteren van een
maat in millimeters suggereert een nauwkeu-
righeid die er niet is.
Krachten op gebouwen
Aan welke krachten moeten gebouwen weer-
stand kunnen bieden?
Eigen gewichten en
veranderlijke belastingen
Het eerste voorbeeld is een vloer van een ver-
diepinggebouw. Deze moet het gewicht van
mensen en van de in het gebouw aanwezige
16
f
60
3. De eenheden van lengte. Ook de centimeter
wordt gebruikt.
inventaris kunnen dragen. In woningen be-
staat de inventaris voornamelijk uit meubilair.
Boekenkasten en een piano zijn daarvan wel de
zwaarste stukken. In kantoorgebouwen komen
zware archieven voor. Bij fabrieken zijn de
maatgevende belastingen meestal afkomstig
van machines en opgeslagen materialén. Al
deze gewichten werden vroeger aangeduid als
nuttige belastingen.
Tegenwoordig spreekt men van veranderlijke
belastingen omdat ze niet altijd aanwezig zijn,
althans niet in die mate als aangenomen wordt
voor de berekening van de vereiste afmetingen
van de draagconstructie.
Om een indruk te geven van de orde van groot-
te van veranderlijke belastingen: als wordt
aangenomen dat een mens gemiddeld 75 kg
weegt en dat er op een vloer van een ontmoe-
tingsruimte gemiddeld 4 mensen op 1 m
2
vloeroppervlak staan, dan vormt dit een belas-
ting van 4x75 = 300 kg/m
2
• Vloeren van kan-
toorgebouwen worden normaal berekend op
een veranderlijke belasting van 400 à 500
kg/m
2
(daar zijn dan ook de gewichten van
scheidingswanden tussen de vertrekken in be-
grepen). Maar zware archieven kunnen een be-
lasting van meer dan 1000 kg/m
2
veroorzaken.
Als men in een fabriek een stapeltje staalplaten
van 1 m hoogte ziet liggen, moet men wel be-
seffen dat deze stapel bijna 8000 kg/m
2
weegt
(het gewicht van staal is 7850 kg/m
3
).
Ook het gewicht van de draagconstructies zelf
moet worden gedragen. Dit wordt het eigen
gewicht van de constructie genoemd.
Stel dat wij te maken hebben met een vloer van
eikehouten balken, die een vierkante doorsne-
de met een zijde van 40 cm = 0,4 m hebben en
die op onderlinge afstanden van 0,9 m liggen
(wij zeggen: 0,9 m h.o.h. = hart op hart). Op de
balken liggen eikehouten delen met een dikte
van 3 cm = 0,03 m. Wat is het gewicht van deze
vloer als we aannemen dat het gewicht van
eikehout 800 kg/m
3
is? (afb. 6)
6. Een houten balkenvloer.
4. Het gewicht van een mens.
 
1 W\ ,",008
g
5. Een stapeltje staalplaten.
17
De balken wegen per m
i
lengte
0,4xO,4x800 = 128 kg. Omdat
ze 0,9 m h.o.h. liggen is hun
gewicht per m
2
vloer: 128:0,9
De vloerdelen, met een dikte
van 0,03 m, wegen: 0,03x800
Totaal:
= 142 kg/m
2
= 24
166 kg/m
2
Het eigen gewicht van deze houten balken-
vloer is dus ongeveer 170 kg/m
2

Vloeren van gewapend beton zijn veel zwaar-
der (afb. 7). Een betonvloer met een dikte van
25 cm = 0,25 m ongeveer even sterk is als de
hiervoor beschreven houten balkenvloer. Aan- *:-t=!
gezien het gewicht van gewapend beton onge- * NJ
veer 2400 kg/m
3
is, heeft deze vloer een eigen
gewicht van 0,25x2400 = 600 kg/m
2
• Daarbij
komt dan nog een afwerklaag, bijvoorbeeld
een 2 cm dikke cementvloer die circa 40 kg/m
2
weegt. Het totale eigen gewicht van deze vloer
is dus 640 kg/m
2
• 7. Een vloer van gewapend beton.
Op daken rekent men met een belasting door
sneeuw of door mensen.
In Nederland rekent men voor sneeuwbelas-
ting met 50 kg/m
2
, maar in landen met meer
sneeuwval, zoals Zwitserland, houdt men reke-
ning met een veel grotere sneeuwbelastîng.
Voor daken waarop de aanwezigheid van meer
mensen gelijktijdig waarschijnlijk is, rekent
men met een veranderlijke belasting van 100
kg/m
2

Wind
Van de krachten, die door wind op gebouwen
worden uitgeoefend, neemt men aan dat ze
voornamelijk loodrecht op de getroffen vlak-
ken zijn gericht. Een gebouw wordt door wind
aan de windzijde onderworpen aan drukkrach-
ten, terwijl aan de lijzijde zuigkrachten optre-
den. Samen zijn zij ongeveer 100 kg per m
2
geveloppervlak groot. Bij daken wordt er niet
18
8. Windkrachten op een gebouw.
alleen van uitgegaan dat de wind tegen de dak-
vlakken drukt maar dat er ook zuigkrachten
kunnen optreden. Voorallangs de randen van
horizontale daken kunnen deze groot zijn.
Grond- en waterdruk
Bij kelders hebben wij te maken met grond- en
waterdruk. Deze komen niet alleen voor bij
kelderwanden maar ook de vloeren van kel-
ders moeten vaak weerstand kunnen bieden
aan een opwaartse waterdruk. Tegen de onder-
kant van de keldervloer van het hiernaast afge-
beelde gebouw (afb. 9) komt een opwaartse
waterdruk voor van 2,5 m waterkolom = 2500
kglm
2
vloer, een aanzienlijke belasting dus. In
zulke gevallen moet altijd worden gecontro-
leerd of het eigen gewicht van het gebouw zo
groot is dat het niet gaat opdrijven.
Aardbevingskrachten
In gebieden, waarin zware aardbevingen kun-
nen voorkomen, moet rekening worden gehou-
den met grote bevingskrachten. In Nederland
zijn de bevingskrachten zo klein dat ze in nor-
male gevallen buiten beschouwing worden ge-
laten.
Krachten door calamiteiten
In sommige gevallen is er sprake van krachten
die bij calamiteiten kunnen optreden. Als bij
een fabrieksproces explosieve gassen vrijko-
men wordt de constructie berekend op explo-
siekrachten. Bij gebouwen met vrijstaande ko-
lommen dicht bij een weg met snel- of
vrachtverkeer is het verstandig om met krach-
ten door een aanrijding rekening te houden.

' . ' ... '
" .. . "
" ',: ' , ' '.
: . . ,' . ',' .....        
' ... ' , ' .
9. Waterdruk.
19
Samenvatting
Samenvattend kan worden gezegd dat de
krachten, die op gebouwen worden uitge-
oefend, uit de volgende categorieën bestaan:
- veranderlijke (nuttige) belastingen
- eigen gewicht van de bouwconstructies
- sneeuwbelasting
- windkrachten
- grond- en waterdruk
- aardbevingskrachten
- krachten door calamiteiten
20
Krachten
in constructies
Het samenstellen van krachten
Krachten, die op bouwwerken of onderdelen
daarvan worden uitgeoefend, hebben een rich-
ting en een grootte. Zij worden hier aangeduid
met de letter F (force). In tekeningen wordt een
kracht weergegeven door een pijl die altijd de
richting ervan aangeeft en in een aantal geval-
len, door zijn lengte, ook de grootte ervan.
Voorbeeld (afb. 10).
Als wordt aangenomen dat een mens 75 kg
weegt dan kan dat gewicht als kracht (de aan-
trekkingskracht van de aarde) worden aange-
geven met een pijl van een zekere lengte, bij-
voorbeeld 1,5 cm. Twee mannen, waarvan de
één op de schouders van de andere zit, w   g ~ n
samen 150 kg. Hun gewicht kan worden aange-
3
geven door een pijl van 2x1,5 = 3 cm lengte. 10. Het weergeven van krachten.
Zo kan ook het gewicht van een stenen toren
met een pijl worden aangeduid (F g' zie afb. 11).
De pijl is verticaal en gaat door het midden van
de toren. Er zijn echter meer krachten dan
alleen het eigen gewicht. Eén ervan is de wind-
belasting. Deze werkt over de gehele gevel op-
pervlakte van de toren maar zij wordt samen-
getrokken tot één kracht (F w). Ook deze kracht
wordt weer aangegeven met   ~ n pijl. Hij is
horizontaal gericht en grijpt aan ongeveer hal-
verwege de hoogte van de toren.
Wat is nu de uitwerking van de twee krachten
gezamenlijk op de toren? Om hierin een beter
inzicht te krijgen mogen de beide krachten
worden vervangen door één kracht (de resulte-
rende kracht, de resultante Fr) die dezelfde
11. Een toren, onderworpen aan zijn eigen ge-
wicht en aan windkrachten.
21
werking op de toren heeft als de twee krachten
tezamen. Hiertoe worden de krachten samen-
gesteld. Dit gebeurt met het parallellogram van
krachten (afb. 12a).
Een voorstelling van hoe een parallellogram
van krachten werkt is die, waarbij tussen twee
vaste punten A en B een koord wordt gehangen
(afb. l2b). In het punt C van dit koord wordt
een gewicht G bevestigd. Het koord gaat nu
strak staan en in de delen CA en CB ervan
ontstaan krachten. Deze krachten F CA en FeB
moeten evenwicht maken met het gewicht G.
Zou dit evenwicht er niet zijn dan zou het
geheel niet op zijn plaats blijven en in bewe-
ging komen, hetgeen niet het geval is. Het
evenwicht kan voorstelbaar worden gemaakt
met een zogenaamde krachtendriehoek (HJK),
waarvan de zijden evenwijdig zijn aan de verti-
caal (waarin G werkt) en aan de lijnen CA en
CB. Als in de krachtendriehoek in punt J een
loodlijn wordt neergelaten op de zijde HK, dan
zijn in de driehoek de projecties van de lijnen
HJ en JK op de lijn KR samen even groot als de
lijn KR. Dit betekent dat er in verticale rich-
ting evenwicht is. Als de lijn KR de grootte van
G weergeeft, dan komen de lijnen HJ en JK dus
overeen met de grootte van de krachten in het
koord, respectievelijk F CB en F CA" Het parallel-
logram van krachten nu is niet anders dan de
verdubbeling van de krachtendriehoek HJK.
In het parallellogram zijn aan de krachten F CA
en F
CB
richtingen gegeven, tegengesteld aan die
in de driehoek. Ze zijn daar niet meer de krach-
ten die evenwicht maken met G, maar de
krachten die tezamen even groot zijn als G.
Wij keren terug naar de toren (afb. 13). De
twee krachten die er op werken (door het eigen
gewicht Fg en door de wind F w), kunnen nu
worden samengesteld tot één kracht, Fr. Inte-
ressant is het om na te gaan of de toren tegen de
krachten bestand is, met name of hij niet zal
gaan kantelen door de windkracht. Uiteraard
hangt dit af van de grootte van deze kracht en
wel in haar verhouding tot het gewicht van de
toren. De afbeelding geeft hierin inzicht.
22
~   w i o k t '1
b
I
I
I
I
I
I
I
I
I
12. Het parallellogram van krachten.
<9
In geval a is F w klein. Als Fr wordt doorgetrok-
ken tot het grondvlak van de toren valt deze
daarbinnen en is er geen gevaar voor kantelen.
Geval b geeft een situatie weer die kritiek is. F w
is nu zo groot dat Fr de zijkant van het grond-
vlak treft. Wordt Fw nog groter dan komt Fr
buiten het grondvlak en zal de toren kantelen
(geval c).
Hoe is het nu in werkelijkheid gesteld met het gevaar van
het kantelen van stenen torens. Als voorbeeld wordt de
Domtoren te Vtecht genomen (afb. 14).
De toren heeft aan de voet een doorsnede van ca. 20x20 m.
De gemiddelde doorsnede van de toren stellen we op
16x 16 m. De toren wordt nu geschematiseerd tot een
blok met een doorsnede van 16x 16 m en een hoogte van
100 m. Het gewicht van de toren schatten we op 400 kglm
3
inhoud. Het totale gewicht is dus: 16x 16x 1 00x400 =
10 240 000 kg. Omdat hier grote krachten optreden
wordt niet met kilogrammen maar met tonnen (t) gere-
kend (1 t = 1000 kg).
Het gewicht van de toren is, afgerond: Fg = 100001. Deze
kracht wordt geconcentreerd gedacht in het midden van
de torenmassa.
Voor de windbelasting wordt aangenomen 100 kglm
2
=
0,1 t/m
2
geveloppervlak (druk en zuiging samen). De
totale windkracht is: Fw = 100x16xO, 1 = 160 1. Deze
kracht treft de toren gemiddeld op 0,5x 1 00 = 50 mboven
de grond.
~   -
I .....
I .....
~ "-
I
~
,
f--
,
1
,
\
\
1
\
\
\
\
\
\
1
\
\
\
\
\
T
w
,
1
\
\
\
\
\
,
\ \
\ 1
Tr
\
\
,
\
\
_---J
b
c
13. Hoe een toren onder winddruk kan kante-
len.
23
De resultante van de krachten Fg en Fw kan nu worden
getekend.
Zij loopt onder een helling van 10 000/160 = 62/1 en treft
de toren doorsnede op terreinhoogte op een afstand van
50/62 = ca. 0,8 m uit het midden. Ten opzichte van de
torenbreedte van 20 m aan de voet is dat een heel kleine
maat. Voor het kantelen van de toren ten gevolge van
windkrachten behoeft dan ook geen enkele vrees te be-
staan.
Zo'n eenvoudige en korte berekening geeft toch al enig
inzicht in de standzekerheid van de toren, ook al zijn de
afmetingen en de krachten heel globaal aangenomen. Zo
is bijvoorbeeld de maximale windbelasting in werkelijk-
heid groter dan de aangenomen 100 kg/m
2
gevelopper-
vlak omdat de windkrachten op grotere hoogte groter zijn
dan dicht bij de grond. Maar ook al zou met 50% meer
zijn gerekend, dan nog is er voor de stabiliteit van de
toren geen enkel gevaar te duchten.
24
14. De Domtoren te Utrecht.
/ \
o
Krachten kunnen worden samengesteld, maar
een kracht kan, omgekeerd, ook worden ont-
bonden in twee andere krachten.
Voorbeeld (afb. 15).
Verderop zullen wij zien dat boogconstructies
naar buiten gerichte krachten op hun onder-
steuningen uitoefenen. De krachten aan de
voetpunten van de boog lopen schuin naar be-
neden (Fr>. De kracht Fr kan worden ontbon-
den in een horizontale (F
h
) en een verticale
kracht (Fy). De krachten Fh en Fy zijn. de com-
ponenten van de kracht Fr. Samen hebben ze
dezelfde uitwerking als Fr. De horizontale
kracht Fh wordt de spatkracht van de boog
genoemd.
Overigens geldt bij ondersteuningsconstruc-
ties het principe van
actie = reactie
De boog oefent op de ondersteunende con-
structies (bijvoorbeeld twee grote blokken van
gewapend beton) een schuin naar beneden ge-
richte kracht uit (Fr). Deze wordt de actie-
kracht genoemd. Om het geheel in evenwicht
te houden is het nodig dat de funderingsblok-
ken in staat zijn om ook weer krachten Fr op de
boog uit te oefenen. Dit zijn de reactiekrachten
(afb. 16).
15. Het ontbinden van krachten.
16. Actie- en reactièkrachten.
25
Trek- en drukkrachten
Er werd reeds geconstateerd dat op gebouwen
verschillende soorten krachten werken. Geza-
menlijk worden deze de uitwendige krachten
genoemd. In de draagconstructies van gebou-
wen worden hierdoor ook krachten opgewekt:
de inwendige krachten in de constructie.
Voorbeeld (afb. 17).
Een zuil van een Griekse tempel. Griekse tem-
pels zijn omringd door zuilenrijen (colonna-
des) die architraven (natuurstenen balken)
dragen. De architraven (die zelf ook weer wor-
den belast, onder meer door krachten uit het
dakgedeelte dat zij dragen) brengen krachten
over op de zuilen. In de zuilen ontstaan hier-
door inwendige krachten. Als wij een horizon-
tale doorsnede van een zuil bekijken, dan
heerst hierin een drukkracht. Iedere doorsnede
van deze zuil zal weerstand moeten kunnen
bieden aan deze drukkracht.
26
17. Zuilen van een Griekse tempel. Druk-
krachten.
18. Hangers van een hangbrug. Trekkrachten.
Krachten worden aangeduid met de letter F.
Omdat wij hier te maken hebben met een druk-
kracht, wordt deze aangegeven met F d.
Een trekkracht wordt geschreven als Ft.
Voorbeeld (afb. 18).
Een hanger van een hangbrug. Het brugdek
hangt via hangers (hangstaven) aan de hangka-
bels. In iedere doorsnede van een hanger heerst
een trekkracht.
Kracht en spanning
Draagconstructies vormen de ruggegraat van
een bouwwerk. Zij moeten zo sterk zijn dat het
bouwwerk niet bezwijkt onder de krachten die
er op werken. Dat houdt in dat ieder onderdeel
van de constructie weerstand moet kunnen
bieden aan de erin werkende krachten. Onder
die inwendige krachten mogen zij niet breken.
Nu is de grootte van een inwendige kracht op
zichzelf geen maatstaf voor het bezwijken van
een onderdeel. Als de doorsnede ervan maar
groot genoeg is zal er geen breuk plaats vinden.
Als voorbeeld nemen wij een zuil van de
Griekse tempel (afb. 19). Als de doorsnede er-
van klein zou zijn, zou zij wellicht breken maar
de doorsnede is zo groot dat dit niet plaats-
vindt. Niet de kracht is maatgevend voor het
breken maar de verhouding tussen de grootte
van de kracht en die van de oppervlakte van de
doorsnede. Daarom wordt een nieuw begrip
ingevoerd: de spanning (s).
Onder de spanning in een doorsnede van een
constructie-element wordt verstaan de kracht
(F), die op de doorsnede werkt, gedeeld door
de oppervlakte van de doorsnede (A = area).
De eenheid van spanning is: kg per cm
2
opper-
vlakte (kglcm
2
).
. ' .'
...
  S=f/A
19. Dikke en dunne zuilen.
. ' .
. .
27
Niet de krachten zijn bepalend voor het be-
zwijken van een constructie-element maar de
spanningen die in dat element heersen.
Omdat de spanningen in elementen, zoals de
zuil van een tempel en de hanger van een hang-
brug, zowel door drukkrachten als door trek-
krachten kunnen worden veroorzaakt, spreken
we van drukspannningen (Sd) en trekspannin-
gen (St).
Enkele proeven
Zie afbeelding 20.
Proef 1.
Wij nemen een stalen staaf en oefenen hierop een trek-
kracht F uit. Wij laten F toenemen. Op een gegeven
moment breekt de staaf.
De kracht, waarbij de staafbreekt (breukkracht) heeft een
grootte F 1. Voorts wordt genoteerd dat de doorsnede van
de staaf een oppervlakte heeft van Al = a cm
2

Proef 2.
Dezelfde proef wordt nu uitgevoerd met een stalen staaf
waarvan de oppervlakte van de doorsnede A
2
= 2a cm
2
is.
Het blijkt dat de staaf nu eerst breekt bijeen kracht F
2
=
2F 1. Er is een evenredigheid tussen de grootte van de
breukkracht en de oppervlakte van de doorsnede.
28
20. Breukproeven op met trekkrachten belaste
staven.
,"'---',
Voor de spanning bij breuk geldt:
Deze spanning wordt de sterkte (in dit geval de trek-
sterkte) van het materiaal genoemd.
Proef 3.
De proef wordt herhaald, maar nu met een houten staaf
die, evenals bij proef 1, een doorsnede van a cm
2
heeft.
Het blijkt dat de breukkracht nu veel kleiner is dan bij
geval 1. De treksterkte van hout is dus kleiner dan die van
staal.
Voor de gebruikelijke staalsoorten en ook voor het
smeedijzer, dat in de 19de eeuw werd gebruikt, geldt:
Sbreuk = ca. 3500 kglcm
2
Voor hout is deze waarde veel lager. Ze is zeer afuankelijk
van de houtsoort, bijvoorbeeld:
Sbreuk = 500 kglcm
2
Vanzelfsprekend wordt ervoor gezorgd dat bij de nor-
maal optredende belastingen van een gebouw in de ele-
menten van de draagconstructie geen spanningen optre-
den die dicht bij de breuksterkte liggen. Er zal een marge
moeten zijn. Ontwerpers houden bij hun berekeningen
aan dat de spanningen nergens hoger mogen zijn dan de
toelaatbare spanning (aangeduid als Stoel).
Deze toelaatbare spanning wordt vastgesteld door de
sterkte van het materiaal (sbreuk) te delen door een veilig-
heidscoëfficiënt (v).
s = sbreuk
toel V
Deze veiligheidscoëfficiënt is voor ieder bouwmateriaal
anders, afuankelijk van de mate waarin we op de eigen-
schappen van het materiaal kunnen vertrouwen. Voor
het materiaal staal, dat onder voortdurende controle fa-
brieksmatig is vervaardigd, kan de veiligheidscoëfficiënt
veel kleiner zijn dan voor het in de natuur gegroeide
materiaal hout.
Voor een aantal constructiematerialen maakt het veel uit
of er trek- dan wel drukspanningen in optreden. Bijna alle
draagconstructiematerialen zijn goed bestand tegen
druk. Zo worden bijvoorbeeld globaal de volgende druk-
spanningen toegelaten:
staal
hout (gelamineerd)
beton
1600-2000 kglcm
2
100 kglcm
2
100 kglcm
2
Niet alle materialen zijn echter goed bestand tegen trek-
spanningen.
29
Zo kunnen staal en hout goed trek weerstaan. Bij ieder
van deze materialen zijn de toelaatbare spanningen voor
trek en druk ongeveer gelijk. Steenachtige materialen
zoals natuursteen, kunst steen (onder andere baksteen) en
beton hebben meestal een kleine treksterkte. Zonder bij-
zondere maatregelen zijn deze materialen dus niet ge-
schikt voor constructie-elementen waarin trekspannin-
gen optreden.
Opgemerkt zij dat hiervoor alleen maar sprake
is geweest van spanningen die veroorzaakt
worden door krachten die in de lengterichting
van de staven werken. Deze krachten worden
normaalkrachten genoemd en de spanningen
heten normaalspanningen.
Er zijn ook andere soorten spanningen. Zo tre-
den bij krachten die loodrecht op de staafleng-
te werken zogenoemde schuifspanningen op.
Deze zullen in dit boek niet worden behandeld.
Wel zullen verderop de zogenoemde buigspan-
ningen aan de orde komen.
Knik
Als op een dunne staaf, bijvoorbeeld een brei-
pen, aan de uiteinden druk wordt uitgeoefend,
blijkt dat, bij het toenemen van de drukkracht,
de pen al spoedig plotseling zijdelings zal gaan
uitbuigen, zonder dat er nog sprake is van bre-
ken. Wij spreken van het uitknikken of knik-
ken van de pen.
Zoiets kan zich ook voordoen bij constructie-
elementen, bijvoorbeeld bij slanke kolommen
(afb. 21). Het verschijnsel is vanzelfsprekend
ongewenst en moet worden vermeden. Het
praktische gevolg hiervan is dat bij slanke ge-
drukte elementen een lagere drukspanning
wordt toegelaten. Om zulke staven beter tegen
uitknikken bestand te maken worden zij in het
midden wel dikker gemaakt. Voorbeelden
hiervan zijn de gietijzeren drukstaven in 19de-
eeuwse Polonceau-spanten en de kolommen
21. Het uitknikken van een op druk belaste
staaf
30
~
t
.\\
:: \
:- \\
~ k
::\\
• .. I
- : I
  ~
.. ; ',
. I,
L
:::J,
:: I I
:. I
;" I
I
1?
van een vlasspinnerij te Shrewsbury uit 1797
(afb. 22). Een grote rol speelt ook de lengte
waarover de staaf kan uitknikken, de knikleng-
te. Hoe groter de kniklengte, des te gemakkelij-
ker zal de staafuitknikken. Lange staven knik-
ken veel gemakkelijker uit dan korte.
Het knikverschijnsel is er de oorzaak van dat,
als bijvoorbeeld in een vakwerk twee staven
van gelijke lengte voorkomen, de één met een
trekkracht en de ander met een even grote
drukkracht, de gedrukte staaf (drukstaaf) aan-
zienlijk grotere afmetingen heeft dan de trek-
staaf.
Verlenging en verkorting
Als een staaf aan een trekkracht wordt onder-
worpen, rekt zij uit en wordt zij langer. Omge-
keerd zal een staaf bij druk korter worden. Met
zulke lengteveranderingen moet een ontwer-
per van constructies rekening houden.
De uitrekking (of samendrukking) is, tot zeke-
re grenzen, evenredig met de grootte van de
spanning. De uitrekking (r) van een staaf wordt
meestal uitgedrukt in delen van de staaflengte.
Als bij een bepaalde spanning een staaf met
een lengte' een uitrekking van rt heeft, dan
noemt men de specifieke rek (r
s
):
r   ~
s ,
Als een voorbeeld van de gevolgen die zulke
verlengingen en verkortingen kunnen hebben
wordt een boogspant met een trekstang geno-
men, als overspanningsconstructie voor een
hal (afb. 23).
Nadat het boogspant, compleet met de trek-
stang, bij de montage op zijn opleggingen is
geplaatst wordt het dak aangebracht. Het ge-
wicht van de gordingen, de dakplaten en een
eventuele waterdichte bedekking veroorzaken
in de trekstang een trekkracht (zie voor de ver-
klaring hiervan verderop in dit hoofdstuk bij
'Boogwerking'). Hierdoor zal de trekstang uit-
22. De vormgeving van drukstaven om het uit-
knikken tegen te gaan.
23. De verlenging van een trekstang bij een
boogspant.
31
rekken en de voetpunten van de boog zullen
zich naar buiten willen verplaatsen. Als er geen
maatregelen worden genomen, zullen er grote
zijdelingse krachten op de ondersteuningen
worden uitgeoefend. Om dit te voorkomen
wordt nu aan de ene zijde van het boogspant
een 'vaste' oplegging aangebracht en aan de
andere zijden een 'beweegbare' (bijvoorbeeld
een roloplegging).
Buiging
Tot dusver hadden wij te maken met trek- en
drukspanningen in constructie-elementen die
veroorzaakt worden door trek- en drukkrach-
ten (de zogenaamde normaalkrachten). Als een
element, bijvoorbeeld een hangstaaf, met een
normaalkracht wordt (trekkracht) belast, zul-
len de spanningen in alle staafdoorsneden
overal gelijk zijn en gelijkmatig verdeeld over
de doorsnede.
Zo'n spanningsverdeling komt echter bij lang
niet alle constructie-elementen en belastings-
gevallen voor.
Als voorbeeld wordt een houten balk als onder-
deel van een balkenvloer genomen (afb. 24).
Deze balk wordt, behalve door zijn eigen ge-
wicht, belast door het gewicht van de vloerde-
len en door de belasting op de vloer (mensen,
inventaris, opgeslagen materialen en dergelij-
ke). Door de belasting wordt de balk gebogen.
Indien de belasting, door een calamiteit, toe-
neemt en te groot wordt, zal de balk in het
midden breken. Wij zeggen: de balk is be-
zweken door een te groot buigend moment in
het midden.
Het buigend moment is een grootheid waarmee
de mate van buiging van een constructie-ele-
ment wordt aangegeven.
Ook de andere doorsneden van de balk waren onderwor-
pen aan buigende momenten maar deze zijn, bij normale
belastinggevallen, kleiner dan die in het midden. In af-
beelding 24 wordt dit schematisch voorgesteld. Hierbij
is:
32
-+----(,----,.1"-
24. Een op buiging belaste balk.
q de belasting op de balk, aangenomen als gelijk ver-
deeld over de lengte van de balk (gelijkmatig ver-
deelde belasting) in kilogrammen per meter lengte
(per 'strekkende' meter)
I de overspanning van de balk in meters
M het buigende moment
M
max
het maximum buigende moment
De mechanica leert dat:
M
max
= 1I8·q·j2
In deze formule komt de overspanning j in het kwadraat
voor. Deze is dus, meer dan de belasting, van invloed op
de grootte van het buigende moment.
Zoals een op trek belast staaf breekt door een te hoge
spanning (trekspanning), breekt ook een op buiging be-
laste staaf door te hoge spanningen. In een op buiging
belaste balk ontstaan zowel trek- als drukspanningen. Als
een balk van bovenaf belast wordt, neemt hij een zodani-
ge gebogen vorm aan dat de bovenzijde korter wordt en
de onderzijde langer. Hieruit volgt dat aan de bovenzijde
drukspanningen (Sb) en aan de onderzijde trekspannin-
gen (so) heersen. Deze worden buigspanningen genoemd.
Bij een symmetrische doorsnede, zoals de rechthoekige
doorsnede van de houten balk, is:
In het midden van de doorsnede is de spanning nul.
De grootte van de buigspanningen wordt op soortgelijke
manier bepaald als bij de normaalspanningen (door trek
of druk) het geval is.
Voor een normaalspanning wordt de normaalkracht F
gedeeld door de oppervlakte A van de staafdoorsnede:
F
s=A:
Bij een op buiging belaste doorsnede wordt het buigende
moment M gedeeld door een grootheid die het weer-
stands moment (W) van de doorsnede wordt genoemd.
M
smax = W
Voor een rechthoekige doorsnede geldt (atb. 25):
W = 1I6·bh
2
De hoogte van de doorsnede komt in deze formule in het
kwadraat voor en draagt dus meer bij aan het weerstands-
moment dan de breedte. De formule kan ook als volgt
worden geschreven:
W = 1I6·bh·h = 1I6-Ah
w=- '/6. bk
2
= Yb' Al.\
A::. bh
25. Weerstandsmomenten.
33
Om een doorsnede goed bestand te doen zijn tegen bui-
ging, moet ze dus niet alleen een voldoende oppervlakte
(A) hebben, maar ook hoog worden gemaakt.
Voor andere dan rechthoekige doorsneden zullen de
weerstandsmomenten anders zijn. Zo geldt voor stalen
balken met een I-vormige doorsnede (I-profielen):
w= 1/15 à 1/25·bh
2
Dus aanzienlijk kleiner dan bij een rechthoekige doorsne-
de.
Vanzelfsprekend, want er is veel minder materiaal in de
doorsnede aanwezig.
Er valt nog op te merken dat in een doorsnede,
die op buiging wordt belast, de spanningen niet
erg efficiënt over de doorsnede zijn verdeeld.
Alleen aan de bovenzijde en de onderzijde zijn
de spanningen maximaal, in het midden is de
spanning zelfs nul en verricht het materiaal
helemaal geen diensten. Dit in tegenstelling tot
de normaalkrachten, waarbij de spanningen
gelijkmatig over de doorsnede verdeeld zijn.
Doorsneden, die op buiging worden belast,
vragen aanzienlijk meer oppervlakte (en dus
materiaal) dan doorsneden met een normaal-
kracht. Bij het ontwerpen wordt er dan ook,
vooral bij grotere overspanningen, naar ge-
streefd om de buigende momenten in de con-
structie zo klein mogelijk te houden en om de
constructie-elementen zoveel mogelijk met
normaalkrachten te belasten (het principe van
de verderop te behandelen vakwerken).
Een ander middel om tegemoet te komen aan
het nadeel dat in een op buiging belaste door-
snede de spanningen in het midden klein zijn,
is om het materiaal daar zoveel mogelijk weg te
laten en het te concentreren in de boven- en de
onderzijde. Zo is bij het relatief dure materiaal
ijzer de I-vormige doorsnede ontstaan (afb.
26).
Zoals staven, die met een trek- of een druk-
kracht zijn belast, langer dan wel korter wor-
den, zo is ook een op buiging belaste balk aan
vervorming onderhevig. Hij gaat doorbuigen.
Aan de mate, waarin een balk doorbuigt, wor-
34
26. Bij de 1-vormige doorsnede wordt het mate-
riaal beter benut dan bij de rechthoekige door-
snede.
den limieten gesteld. Als wij over een balk lo-
pen, die wat krap bemeten is, dan voelen wij
hem doorbuigen. Is die doorbuiging groot dan
geeft dat een onaangenaam gevoel. Dat is niet
de enige reden om doorbuigingen te beperken.
Balken onder een plat dak mogen niette veel
doorbuigen omdat er anders water op hét dak
zou blijven staan.
Aan constructies worden dus vervormings-
eisen gesteld. Zij moeten niet alleen sterk ge-
noeg zijn, maar. ook voldoende stijf (afb. 27).
Elementen van een materiaal met een trek-
sterkte, die laag is ten opzichte van de druk-
sterkte (zoals bij de meeste natuursteensoorten
en bij beton het geval is) zullen bij buiging al
spoedig bezwijken door te hoge trekspannin-
gen. Natuursteen is, behoudens enkele soorten
zoals graniet, daarom ongeschikt als materiaal
voor op buiging belaste balken. De architraaf-
bouw (een nabootsing van de houtbouw) is dan
ook van nature inefficiënt (afb. 28).
Beton, eveneens een steenachtig materiaal, is
ook ongeschikt als materiaal voor balken.
Daarom werd in de tweede helft van de 19de
eeuw het versterken van beton met ijzer geïn-
troduceerd (gewapend beton). Door het aan-
brengen van ijzer op de plaatsen waar trek-
spanningen optreden, kan een betonnen balk
toch uitstekend weerstand bieden aan buiging
(afb. 29).
SWt.df;-

 








27. Een dak mag niet te veel doorbuigen.
28. Een balk van natuursteen.
29. Een balk van gewapend beton.
35
Materialen zoals smeedijzer, staal en hout,
ieder met ongeveer een gelijke druk- en trek-
sterkte, zijn echter zonder verdere voorzienin-
gen zeer geschikt voor op buiging belaste ele-
menten.
Samengestelde balken
Als een balk op buiging wordt belast, is het
voor de erin optredende spanningen gunstig
als zijn doorsnede zo hoog mogelijk is. Houten
balken zijn echter niet in onbeperkte afmetin-
gen verkrijgbaar omdat de boomstammen,
waaruit ze worden gezaagd, niet alleen een be-
perkte lengte hebben maar ook taps van vorm
zijn. De doorsnedeafmetingen zijn dan ook ge-
limiteerd. Om hieraan tegemoet te komen
ontstond de gekoppelde of samengestelde balk
(afb. 30). Hiermee kon men balken maken met
een grotere hoogte.
Met het aan het einde van de 19de eeuw ontsta-
ne principe van de gelamineerde balk (houten
balken, samengesteld uit aaneengelijmde hou-
ten planken) werd hetzelfde doel beoogd (afb.
31).
Driehoekspanten, hangwerken,
vakwerkspanten
Balken met een rechthoekige, massieve door-
snede, zoals houten balken, vergen veel mate-
riaal. Bij grotere overspanningen worden ze
inefficiënt. Daarom worden dan andere ele-
menttypen gebruikt.
Het eenvoudigste type is het driehoekspant dat
gebruikt wordt voor het ondersteunen van za-
deldaken (afb. 32).
32. Het driehoekspant.
36
30. Een gekoppelde (samengestelde) houten
balk.
31. Een gelamineerde gelijmde houten balk.
De werking van de krachten in een driehoek-
spant is te vergelijken met de buigspanningen
in een balk. Bij een naar beneden gerichte be-
lasting treden in de spantbenen (aan de boven-
zijde van het spant) drukkrachten op en in de
balk aan de onderzijde ontstaat een trekkracht
(trekbalk).
In een driehoekspant ondersteunen de spant-
benen de dakgordingen.
Door de krachten, die deze gordingen uitoefe-
nen, worden de spantbenen behalve op een
drukkracht, uit hoofde van de spantwerking,
ook nog op buiging belast. Om de buigende
momenten die hiervan het gevolg zijn, te ver-
minderen heeft men de spantbenen onder-
steuningen gegeven in de vorm van schoren.
Deze lopen bij de eenvoudigste vorm naar de
middens van de spantbenen en steken aan hun
andere einde in een verticaal midden hout (ma-
kelaar). In vele vroeg-christelijke middeleeuw-
se kerkhallen ziet men dit soort driehoekspan-
ten dat in Engeland king-post truss wordt ge-
noemd (afb. 33). Het type wordt ook wel een
enkelvoudig hangwerk genoemd; hangwerk
omdat de trekbalk aan de makelaar (hanger)
wordt opgehangen, en enkelvoudig omdat er
slechts één hanger aanwezig is. Door meer han-
gers in te voeren ontstaan meervoudige hang-
werken (afb. 34). In de 19de eeuw zijn uit deze
hangwerken de vakwerkspanten ontstaan. Eén
van de eerste typen was het Franse spant of
Polonceau-spant (afb. 35). De werking der
krachten in zo'n spant is in principe gelijk aan
die in een driehoekspant: in de bovenrandsta-
ven (spantbenen) ontstaan drukkrachten, in de
onderrandstaven trekkrachten. Dit geldt voor
alle typen vakwerkspanten zoals bijvoorbeeld
het Engelse spant (afb. 36).
36. Een ander type vakwerkspant: het Engelse
spant.
33. De king-post truss of het enkelvoudige
hangwerk.
34. De queen-post truss of het tweevoudige
hangwerk.
35. Een vakwerkspant: het Franse spant of Po-
lonceau-spant.
37
Vakwerkliggers
Een andere type overspanningsconstructie is
de vakwerkligger, die gekenmerkt wordt door
een ongeveer evenwijdig lopende onder- en bo-
venrand (afb. 37). Hij wordt ook wel parallel-
vakwerkligger of kortweg parallelligger ge-
noemd. Net als bij de op buiging belaste
houten balk staat de bovenrand onder druk en
de onderrand onder trek. De vakwerkligger
wordt gebruikt voor platte daken, als houten of
gewalste ijzeren balken niet meer toereikend
zijn, en gelamineerde houten balken of samen-
gestelde ijzeren liggers niet meer tot een econo-
mische oplossing leiden. Door de grote hoogte
van de ligger (vaak wel 1/10 van de overspan-
ning) blijven de krachten in de randstaven
klein, terwijl de verticalen en diagonalen (de
wandstaven), die de randen met elkaar verbin-
den, weinig materiaal vergen.
De vakwerkspanten en -liggers zijn dus verge-
lijkbaar met op buiging belaste balken. Het
belangrijke verschil is dat balken veel mate-
riaal eisen, omdat hun doorsneden op buiging
worden belast, terwijl de vakwerken samenge-
steld zijn uit staven die ieder voor zich met een
normaalkracht worden belast. Omdat nor-
maalkrachten weinig materiaal vergen, zijn
vakwerken dus economisch wat het materiaal-
verbruik betreft.
Torens
Tot dusver waren aan de orde buigende mo-
menten, die in balken en vergelijkbare con-
structies optreden, dus in constructie-elemen-
ten, die horizontaal liggen en dienen voor het
overspannen van ruimten. Maar ook bij verti-
cale constructies is er sprake van buigende mo-
menten, waaraan weerstand moet worden ge-
boden. Een voorbeeld hiervan is een toren die
onderworpen is aan windkrachten en waarvan
het eigen gewicht buiten beschouwing wordt
gelaten (afb. 38). Deze veroorzaken aan de
voet ervan een buigend moment (Mw). De on-
38
37. De vakwerkligger.
dersteuning van de toren (de fundering) moet
aan dit buigende moment weerstand bieden.
Het moment veroorzaakt aan de ene zijde
drukkrachten (F
d
) in de fundering, aan de
andere zijde even grote trekkrachten (Ft).
Tussen deze grootheden bestaat het verband:
M =F·z
w
waarin z de afstand is tussen de krachten F den
Ft (de hefboomsarm van het buigende mo-
ment).
De formule laat zien dat de krachten F d en Ft
kleiner zijn naarmate z groter is. Kleine krach-
ten kunnen dus reeds weerstand bieden aan
een groot buigend moment als hun onderlinge
afstand maar groot is. Een voorbeeld hiervan is
iemand tegen wie zijdelings wordt gedrukt
(afb. 39). Hij gaat wijdbeens staan (grotere z)
om de reactiekracht door het drukken zo klein
mogelijk te maken. In ieder geval moet de lin-
ker reactiekracht (een trekkracht) kleiner blij-
ven dan de helft van zijn lichaamsgewicht, an-
ders zou hij aan die zijde worden opgelicht.
Om dezelfde reden is bij hoge torens een brede
voet gunstig voor het weerstand bieden aan
windkrachten. Een voorbeeld hiervan is de
Eiffeltoren te Parijs uit 1889 (afb. 38).
Overigens speelt het eigen gewicht van hoge
torens een belangrijke rol bij de aan de voet
optredende krachten. Dit werd reeds geconsta-
teerd bij het onderzoek naar de mogelijkheid
van het kantelen van de Domtoren te Utrecht.
38. Windkrachten op masten en torens.
39. Wijdbeens staan om bestand te zijn tegen
een horizontale kraèht.
39
De Domtoren, met zijn dikke baksteenmuren,
is een zwaar bouwwerk. Zijn eigen gewicht is
een gunstige factor bij het weerstand bieden
aan windkrachten. De Eiffel-toren, met zijn
ranke ijzerconstructie, is verhoudingsgewijs
erg licht en behoeft daarom een aangepaste
vormgevmg.
Positieve en negatieve
buigende momenten
Een balk, die op twee steunpunten is opgelegd
en die van boven wordt belast, zal naar bene-
den gebogen worden (afb. 40a). Hij neemt een
vorm aan met de holle kant naar boven en de
bolle kant naar beneden gericht. In de doorsne-
den van de balk heersen aan de bovenzijde
drukspanningen en aan de onderzijde trek-
spannmgen.
Bij deze situatie spreken wij van positieve bui-
gende momenten. Er komen echter ook geval-
len voor waarbij de balk zo wordt gebogen dat
de bolle kant naar boven wijst en de holle kant
naar beneden en waarbij er aan de bovenzijde
trek en aan de onderzijde druk heerst. Het
meest elementaire voorbeeld daarvan is de uit-
kragende balk (afb. 40b). De momenten, die
hierbij optreden, worden negatief genoemd.

a  
40
40. Positieve en negatieve buigende momen-
ten.
c::


Een ander voorbeeld is een kanaalbrug met een
middensteunpunt, dus met twee doorvaart-
openingen (afb. 41a). De liggers, die de brug
dragen, zijn doorlopend gemaakt, van het lin-
ker landhoofd naar het rechter; dat wil zeggen
dat zij boven de middenpijler niet zijn onder-
broken. Zij worden doorgaande liggers ge-
noemd. Als deze liggers worden belast, ont-
staat er een momentenlijn met positieve en
negatieve momenten. Boven de beide door-
vaartopeningen (in de velden) treden positieve
momenten op, boven het middensteunpunt
zijn de momenten negatief. Het voordeel van
deze verdeling is dat de momenten gemiddeld
kleiner zijn geworden dan wanneer er liggers
waren gebruikt die de beide openingen over-
spannen zonder boven de middenpijler stijf
met elkaar verbonden te zijn (liggers, vrij opge-
legd op twee steunpunten, afb. 41 b). Dit voor-
deel wordt vooral benut bij bruggen met grote
overspanningen waarbij de hoogte van de
doorsneden aangepast wordt aan het verloop
van de buigende momenten. Bij liggers in ge-
bouwen zijn de overspanningen meestal be-
trekkelijk klein. Daar worden de doorsneden
in de meeste gevallen niet aangepast aan de
buigende momenten omdat dit te bewerkelijk
is. Bij zulke zogenaamde prismatische liggers
wordt er naar gestreefd de maximale optreden-
de buigende momenten, positief en negatief,
zo klein mogelijk te houden.
Bij de ligger, die over twee velden doorgaat, is het negatie-
ve moment boven het middensteunpunt vrij hoog
(l/8·q/2) en groter dan de positieve momenten in de
velden. Bij liggers, die over vele steunpunten doorgaan, is
de momentenverdeling anders (afb. 42). Ook daar treden
boven de steunpunten negatieve momenten op maar
deze zijn kleiner dan die bij een ligger met twee velden,
namelijk ongeveer I / 12·q/2. In de velden zijn de momen-
ten positief, met een maximum van ongeveer 1/24·q/2.
Merk op dat, als we de maximum negatieve en positieve
momenten bij elkaar optellen, deze samen 1/8·q/2 groot
zijn (1/ 12 + 1/24 = 1/8).
42. Een ligger, doorgaande over vele steunpun-
ten.
... . u:-11 ______ """'- In·· ·
.::::. ""'::' r:"!':.:;
....... - ........ _--........ :o+. :·: .. ----".,...-"4:
. . : :::.:.:::
: .. 'U:::-------=!.!!I::-------""='!I::::
::::.o . ..0.
0·· . . ;: . : 0°.: :.
.. ..   ........ --......,---t. ) ::::
. ......
b
41. Een kanaalbrug met twee doorvaartope-
nzngen.
I A A A 1

41
Bij de doorgaande liggers zijn de positieve en
de negatieve momenten nogal ongelijk ver-
deeld. Om hieraan tegemoet te komen kunnen
de liggers in stukken worden verdeeld die
scharnierend aan elkaar verbonden worden,
dat wil zeggen dat ter plaatse van deze schar-
nierverbindingen geen buigende momenten
kunnen worden opgenomen. Zo zijn de schar-
nierliggers ontstaan waarmee de momenten-
verdeling gunstig kan worden beïnvloed, bij-
voorbeeld zo dat de negatieve momenten bij
de steunpunten gelijk worden aan de maxi-
mum positieve momenten in de velden (afb.
43). Naar degene, die dit idee voor het eerst
toepaste, worden ze ook wel Gerber-liggers ge-
noemd. In de bruggenbouw wordt in zo'n geval
gesproken van cantilever-bruggen (kraagligger-
bruggen). Een bekend voorbeeld daarvan is de
brug over de Firth of Forth bij Edinburgh uit
1890, met overspanningen van 520 m (afb.
44). Bij deze brug heeft echter het streven naar
een gelijkmatige momentenverdeling niet een
overheersende rol gespeeld. Het ging hier meer
om een efficiënte uitvoering waarbij eerst uit-
kragend naar het midden van de beide hoofd-
overspanningen werd gebouwd, waarna de
twee resterende openingen van ruim 100 m
met inhangbruggen werden overspannen.
42
A 1
43. Een scharnierligger.
44. De spoorbrug over de Firth of Forth bij
Edinburgh: een canti/ever-brug.
o o
A A
o o
A
.. ,




F 1= 1=
1=
IL

Het Gerber-principe is bij gebouwen vooral
gebruikt voor dakgordingen. Een voorbeeld
daarvan zijn de geprefabriceerde betonnen
gordingen (vakwerkliggers volgens het systeem
Visintini) van de garage van de Gemeentelijke
Vervoer- en Motordienst te Rotterdam uit
1941 (afb. 45). Om de andere travee zijn er
gordingen die buiten de spanten uitsteken. Op
de uiteinden ervan zijn korte gordingen schar-
nierend opgelegd. Op deze wijze konden de
buigende momenten aanzienlijk worden gere-
duceerd.
Constructie-elementen, waarbij negatieve mo-
menten een belangrijke rol spelen, zijn de uit-
kragende balken en liggers (afb. 46).
Omdat zulke liggers slechts aan één zijde on-
dersteund zijn, worden de buigende momen-
ten erg groot, bij het steunpunt 1I2.q12 (tegen-
over 1I8·q12 bij een balk op twee steunpunten).
46. De uitkragende balk.
45. De gordingen van de garage van de Ge-
meentelijke Vervoer- en Motordienst te Rotter-
dam zijn uitgevoerd als Gerber-liggers.
  ___ t ______ "'''''-L:
" -,
k
43
In vroeger jaren werd dan ook slechts beperkt
gebruik gemaakt van uitkragingen. Eerst bij de
intrede van het ijzer en later van het gewapend
beton werden grote uitkragingen gemaakt.
Ook werden toen korte maar zeer zwaar belas-
te uitkragingen mogelijk, zoals bij het pakhuis
De Zwijger te Amsterdam uit 1934 (afb. 47).
De combinatie van
druk en buiging
Bij hoge torens en torenachtige bouwwerken,
zoals fabrieksschoorstenen en hoogspannings-
masten, zullen aan de voet drukkrachten op-
treden, voornamelijk door hun eigen gewicht.
Daarnaast worden ze echter ook belast met
windkrachten, die aan de voet buigende mo-
menten veroorzaken. Torens worden dus be-
last door een combinatie van drukkrachten en
buigende momenten (afb. 48). Om duidelijk te
maken welke spanningen hierdoor worden
veroorzaakt, nemen wij aan dat de toren mas-
sief is en van metselwerk is gemaakt.
De drukkracht geeft drukspanningen die ge-
lijkmatig over de doorsnede zijn verdeeld. Het
buigende moment zou, als het alleen aanwezig
was, aan de windzijde trekspanningen en aan
de lijzijde drukspanningen geven. Als deze
spanningen opgeteld worden bij de drukspan-
ningen ontstaat een nieuw spanningsdiagram,
met hogere drukspanningen en kleinere trek-
spanningen. Als het moment niet al te groot is,
zullen er in de gehele doorsnede drukspannin-
gen heersen en behoeft er slechts voor te wor-
den gezorgd dat deze drukspanningen binnen
de veiligheidsmarges blijven, dus niet groter
worden dan de toelaatbare drukspanningen.
Bij zeer hoge en slanke torens, met veel openin-
gen in de constructie (dus een relatief laag
eigen gewicht, zoals bij de Eiffel-toren) bestaat
echter de kans dat het windmoment groot
wordt ten opzichte van de drukkracht en dat er
44
47. Het pakhuis De Zwijger te Amsterdam:
zwaar belaste uitkragingen.
trekspanningen in de doorsnede komen. Zoiets
dient in ieder geval vermeden te worden want
metselwerk kan slechts kleine trekspanningen
opnemen. Bij de berekening van de sterkte van
de toren wordt dan ook aangenomen dat met-
selwerk in het geheel geen weerstand aan trek-
spanningen kan bieden en dat de afmetingen
van de toren zodanig dienen te zijn dat deze
ook niet zullen optreden.
Dat stenen torens nimmer geheel van massief
metselwerk zijn maar hoofdzakelijk uit meest-
al zeer dikke buitenmuren bestaan, heeft wei-
nig invloed op de hierboven beschreven span-
ningsverdeling. De spanningen door het wind-
moment zullen wat hoger zijn dan die in een
massieve doorsnede maar wijken daar niet
veel van af. Wat dat betreft zijn openingen in
het metselwerk aan de voet van de toren, bij-
voorbeeld voor een toegangsdeur, wel van gro-
te invloed.
· <'ce, .
- . . ' ..
.. :-Jk ....
· . V. ·
·· ·. ·i: ..
. V·
• • 0 .' •
•      
a0.NIVt\'-
. .J . .At . ...
a'V. "
::' .. ..     /"L.
" . ..


1I11illllllllllllllllllltl1mrrr

Wi2
48. De combinatie van druk en buiging.
a bg W\oWo2Mt
0Zt\
IlllI±IlIll &
b 6;J <Z0\ffcot
e.t\
LlJJkUUI
+
45
Boogwerking
N aast de balken en daarmee te vergelijken con-
structie-elementen die voornamelijk op bui-
ging worden belast, wordt bij het bouwen ook
veel gebruik gemaakt van boogconstructies.
Een hal met boogspanten is daarvan een voor-
beeld (afb. 49).
De boogspanten van een dergelijke hal wor-
den, behalve door hun eigen gewicht, belast
met het gewicht van de gordingen en de dakbe-
dekking en door bijvoorbeeld sneeuw op het
dak. Bij benadering is deze belasting gelijkma-
tig verdeeld over de lengte van het boogspant,
dus per m I booglengte.
In de krachtswerking van een boog krijgt men
een goed inzicht door hem om te draaien en te
vervangen door een ketting (afb. 50). De ket-
ting heeft, net als het boogspant, door haar
eigen gewicht een gelijkmatig verdeelde belas-
ting per mi lengte. De ketting neemt onder
deze belasting een bepaalde vorm aan (de ket-
tinglijn) en is alleen maar onderworpen aan
trekkrachten. Bij het boogspant is juist het om-
gekeerde het geval: als we het de vorm van een
kettinglijn geven, dan zullen er alleen maar
drukkrachten in optreden en geen buigende
momenten. Dat is gunstig, want een druk-
kracht zonder een buigend moment geeft in de
doorsneden van de boog een gelijkmatig ver-
deelde spanning.
Daardoor wordt de gehele oppervlakte van de
doorsnede optimaal benut. Er zijn echter twee
schaduwzijden:
• Wij zagen reeds eerder dat bij op druk belaste
elementen het gevaar van uitknikken bestaat.
Daarom moet aan de doorsnede van een boog-
spant toch wel een behoorlijke breedte en
hoogte worden geven om aan het uitknikken
weerstand te kunnen bieden .
• Zuivere drukkrachten treden alleen op als er
volledig overeenstemming is tussen de soort
belasting en de vorm van de boog. Zo hoort bij
een gelijkmatig verdeelde belasting per mI
booglengte de vorm van een kettinglijn. Bij een
boogbrug geeft het eigen gewicht van het brug-
46
49. Een hal met boogspanten.
dek echter een belasting, die ongeveer gelijk-
matig verdeeld is per m I lengte van het brug-
dek, dus per mI grondvlak van de boog (afb.
51). Bij zo'n belasting behoort de vorm van een
parabool. Het is duidelijk dat, welke vorm ook
aan de boog wordt gegeven, deze vorm nimmer
zal passen bij de verschillende belastingen
waaraan de boog wordt onderworpen. Zo tre-
den bij boogconstructies voor daken van ge-
bouwen aanzienlijke windkrachten op die aan
de ene zijde van de boog drukken en aan de
andere zijde zuigkrachten veroorzaken (afb.
53). Bij bruggen kan de ene helft ervan wel
belast zijn en de andere helft niet; de belasting
is dan dus niet gelijkmatig verdeeld. Zulke af-
wijkende belastingverdelingen veroorzaken in
de boog, naast drukkrachten, ook buigende mo-
menten. Deze vergen grotere doorsneden dan
bij alleen zuivere drukkrachten het geval zou
zijn geweest.
Er is bij boogconstructies, wat de krachtswer-
king betreft, nog een andere kenmerkende
eigenschap, namelijk dat zij op hun onder-
steuningen, behalve verticale krachten, ook
buitenwaarts gerichte horizontale krachten
uitoefenen, de zogenaamde spatkrachten (afb.
54). Omgekeerd moeten de ondersteuningen
aan deze spatkrachten weerstand kunnen bie-
den en oefenen ze op de boog horizontale, bin-
nenwaarts gerichte krachten uit (actie = reac-
tie, afb. 55). Zonder deze krachten kan geen
boogwerking ontstaan: de voetpunten van de
boog zouden zijdelings uitwijken en de boog
zou in elkaar zakken (het spatten van de boog).
51. Een boogbrug.
52. Cirkel, kettinglijn, parabool.
53. Bogen worden ook op buiging belast.
 
54. Het 'spatten' van een boog.
47
De ondersteuningen van bogen worden dus
zwaarder belast dan die van balken en liggers.
Het kunnen bijvoorbeeld zware betonblokken
in de grond zijn die door hun gewicht en door
hun wrijving met de grond de spatkrachten
kunnen weerstaan.
Er is echter ook een andere oplossing mogelijk,
namelijk het aanbrengen van een trekelement
tussen de voetpunten van de boog.
Deze oplossing wordt vaak toegepast, zowel bij
boogconstructies waarvan de voetpunten on-
geveer op maaiveldniveau liggen (het trekele-
ment komt dan in de grond te liggen) als bij
boogspanten die daken dragen en op kolom-
men rusten (afb. 56).
56. Het weerstand bieden aan spatkrachten.
48
55. Spatkrachten.



y=
 
11
Het zijn overigens niet alleen de boogconstruc-
ties waarbij spatkrachten optreden. Als twee
. rechte balken schuin tegen elkaar worden ge-
zet, zullen de voetpunten ervan weg willen
schuiven. Een voorbeeld daarvan zijn de
spantbenen van een driehoekspant (afb. 57).
Deze hebbben zijdelingse steunkrachten nodig
om hun werk te kunnen doen. Bij het drie-
hoekspant zorgt de trekstang voor de zijdeling-
se steun. In de piramide van Cheops komen
boven de grafkamers ontlastingsconstructies
voor in de vorm van grote natuursteenblokken
die schuin tegen elkaar zijn geplaatst (afb. 58).
Zij dragen de steenmassa's erboven en moeten,
om in stand te blijven, zijdelings steun vinden
in het omringende stapelwerk van natuur-
steenblokken.
Koepelgewei ven
Nauw verwant aan de bogen zijn de koepelcon-
structies. Ook hier ontstaan horizontale krach-
ten waaraan weerstand moet worden  
Het duidelijkst is de werking hiervan als de
koepel wordt gedragen door boogspanten (afb.
59). Deze oefenen radiaal naar buiten gerichte
krachten uit op hun ondersteuningen. In plaats
van dat er radiale trekstangen worden aange-
bracht, doet nu een ring aan de voet van de
koepel dienst om de spatkrachten op te van-
gen. In de ring ontstaat hierdoor een trekkracht
(trekring). Omgekeerd wordt in de top van de
koepel, om de moeilijke samenkomst van de
boogspanten daar te vermijden of om er een
57. Spatkrachten bij een driehoekspant.
58. De piramide van Cheops. De afdekking van
de Koningskamer.
49
59. Een koepel met boogspanten.
50
ewapend koepelgewelf 60. Een ong
61. Krachten in een
\
\
" '
~  
o
~ ~ ~
stenen koepelgewelf
' .... , "'--
... - ...... -----
---
lantaarn op te plaatsen, vaak een drukring aan-
gebracht.
Analoog hieraan zullen in een verticale doors-
nede van een stenen koepelgewelf onderin ho-
rizontale trekkrachten (ringtrekkrachten) ont-
staan terwijl bovenin ringdrukkrachten optre-
den (afb. 60). Bij koepels zoals die van het
Pantheon te Rome kan men zich voorstellen
dat er aan de voet verticale scheuren ontstaan
die de koepel in naast elkaar geplaatste 'schil-
len' verdelen (afb. 61).
Deze schillen geven hun spatkrachten af aan de
ondersteunende muurmassa (de tamboer). Bij
het Pantheon is dat een 6,5 m dikke ringmuur
van ongewapend beton die de spatkrachten
dank zij zijn grote gewicht kan dragen.
Om te voorkomen dat in een koepelgewelf
scheuren optreden en dat de koepel hierdoor
zelfs zou bezwijken, kan men onder in het ge-
welf ringvormige trekelementen aanbrengen
(afb. 62). Zo zijn bij de 16de-eeuwse koepel
van de Sint Pieter te Rome ijzeren ringen aan-
gebracht (zie afb. 142), overigens niet in vol-
doende mate want er ontstonden na de bouw
aan de voet van de koepel toch verticale scheu-
ren.
Ton- en kruisgewelven
Naast de koepelgewelven zijn er nog andere
gewelfvormen. De belangrijkste daarvan zijn
de tongewelven en de kruisgewelven.
Een tongewelf is een gewelf dat slechts in één
richting gebogen is en dat op twee evenwijdig
aan elkaar gelegen ondersteuningslijnen (mu-
ren of kolommenrijen) rust. De krachtswer-
king erin is te vergelijken met die in een langs-
hal, overdekt met boogspanten (afb. 63). De
krachten in het gewelf werken in het algemeen
slechts in één richting, namelijk loodrecht op
63. Krachten in een tongewelf
62. Een koepelgewelf met trekringen.
51
de lengteas van het gewelf. Ook bij het tonge-
welftreden spatkrachten op waaraan de onder-
steuningen weerstand moeten bieden. Een
voorbeeld van een groot tongewelf is de ont-
vangsthal (iwan) van het paleis te Ktesiphon
(Mesopotamië), vermoedelijk uit de 3de of de
6de eeuw n.c. Het bakstenen gewelf heeft een
overspanning van ruim 25 m en wordt onder-
steund door dikke muren die naar hun voet toe
breed zijn uitgebouwd (afb. 64). Op dezelfde
wijze als de muren van de rotonde van het
Pantheon te Rome brengen zij de reactiekrach-
ten van het tongewelf over naar de fundering.
Vanzelfsprekend kan ook bij tongewelven ge-
bruik worden gemaakt van trekstangen om de
spatkrachten op te vangen.
Kruisgewelven werden in de Middeleeuwen,
bijvoorbeeld bij de hoge middenbeuken van
gothische kathedralen, meestal uitgevoerd als
kruis ribgewelven (afb. 65). Geometrisch zijn
deze gewelven in hun eenvoudigste vorm op te
vatten als de doorsnijding van twee elkaar loo-
drecht ontmoetende tongewelven met een ge-
lijke hoogte.
Bij de gothische bouwwerken hebben deze ton-
gewelven een spitsboogvormige doorsnede. De
ontmoetingslijnen van de beide tongewelven
worden gevormd door diagonaal lopende rib-
ben (de kruisribben). De gewelven werden ge-
maakt als invullingen daartussen. Zij rusten op
de ribben die, als bogen, de krachten afvoeren
naar de ondersteuningen. Uiteraard treden
hierbij spatkrachten op. De gordelbogen en de
muraalbogen (zie afb. 137) spelen in het krach-
tenspel slechts een ondergeschikte rol en fun-
geren hoofdzakelijk als verstijvingen ~   n de
gewelven.
52
.
64. De iwan van het paleis te Ktesiphon (Meso-
potamië).
65. Krachten in een kruisribgewelf.
66. Krachten in koepel-, ton- en kruisgewelven.
Hangconstructies
Eigenlijk zijn er twee soorten boogconstruc-
ties: die welke opwaarts zijn gebogen, en die
hiervoor zijn behandeld, en neerwaarts gebo-
gen constructies.
Zoals de opwaarts gebogen vorm (de eigenlijke
boogconstructie) aanleiding geeft tot druk-
krachten, zo treden er bij de neerwaarts gebo-
gen vorm trekkrachten op. Er wordt dan ge-
sproken van hangconstructies (afb. 67).
In gebouwen werden hangconstructies vóór
1940 nauwelijks gebruikt. Het bekendst is uit
vroegere tijden de toepassing in de bruggen-
bouw, de hangbrug. In de periode tussen 1800
en 1940 zijn er vele hangbruggen gebouwd, 67. De drukboog- en de hangboog.
53
vaak met grote overspanningen, want daar-
voor is dit brugtype zeer geschikt (afb. 68).
Bij een hangbrug hangt het brugdek via han-
gers aan een trekelement. Bij de allereerste
hangbruggen waren dit kettingen, dat wil zeg-
gen dat het trekelement samengesteld werd uit
betrekkelijk korte ijzeren elementen (naast el-
kaar geplaatste platen) die met bouten aan el-
kaar werden verbonden. Al spoedig echter
kwamen kabels in gebruik. Deze worden ver-
vaardigd van draden (aanvankelijk van smeed-
ijzer, later van staal) en hebben bij grote brug-
gen een aanzienlijke omvang. De Brooklyn
Bridge over de East River te New York uit
1883, met een overspanning van bijna 500 m,
heeft kabels met een diameter van 0,4 m. De
grootste hangbrug ter wereld, over de Humber
bij Hull, uit 1981, met een overspanning van
ruim 1400 m, hangt aan twee kabels met een
diameter van circa 0,7 m.
54
68. Hangbruggen: een kettingbrug (over de
Menai Strait bij Bangor, Wales, 1826) en een
kabelbrug (over de Severn bij Bristol, 1966).
Zoals reeds werd opgemerkt is de krachtswer-
king in een hangkabel omgekeerd aan die in
een boog: er treden trekkrachten in op en op de
steunpunten worden schuin naar beneden ge-
richte binnenwaartse krachten uitgeoefend
(afb. 69). Bij hangbruggen worden de trek-
krachten over pylonen verder geleid naar grote
funderingsblokken waarin de trekkrachten uit-
eindelijk verankerd moeten worden. Vooral
dit laatste levert bij hangconstructies vaak gro-
te problemen op die aanzienlijke kosten met
zich meebrengen (afb. 70).
69. Krachten op de ondersteuningen van een
hangkabel.
70. Krachten in een hangbrug.
55
Stabiliteit
Algemeen
Bij de behandeling van de krachten, die in
constructies optreden, is hoofdzakelijk gespro-
ken over krachten in constructie-elementen.
Draagconstructies van bouwwerken zijn ech-
ter totale systemen waarvan de elementen on-
derdelen zijn. Het is niet voldoende dat deze
elementen ieder voor zich sterk genoeg zijn.
Zij moeten ook zodanig met elkaar samenwer-
ken dat het totale systeem voldoende sterk is.
De draagconstructie moet stabiel zijn, dat wil
zeggen dat zij niet mag instorten en dat zij niet
mag omvallen. Vooral met dit laatste zullen wij
ons nu bezig houden.
Stabiele en onstabiele masten
Het eerste voorbeeld is een hoge buisvormige
mast (afb. 71). Als deze overeind wordt gezet
zal hij, in een zuiver verticale stand, in even-
wicht zijn. Maar dit evenwicht is wankel: een
kleine horizontale kracht zal de mast reeds
doen omvallen. Ook bij een geringe scheef-
stand zou dit het geval zijn. De constructie is
onstabiel, dat wil zeggen niet bestand tegen
horizontale krachten, zelfs niet tegen kleine.
Bij een mast is een remedie hiertegen het aan-
brengen van trekelementen (tuien). Drie tuien
zullen in principe voldoende zijn om de con-
structie stabiel te maken. Ook zou de mast
kunnen worden ingeklemd in zijn funderings-
voet. Deze oplossing heeft wel het nadeel dat er
door windkrachten aan de voet aanzienlijke
buigende momenten zullen ontstaan. Bij de
4
. -j-I)
'/
//
//
'/
'/
//
//
//
/1
I/
"
11
I/
I,
'/
"
/1
71. Onstabiele en stabiele masten.
57
getuide mast zijn de windrnomenten aanzien-
lijk kleiner.
Een ander voorbeeld is een hoogspannings-
mast (afb. 72). Behalve dat deze aan wind-
krachten is onderworpen, moet hij in bepaalde
gevallen (bij de montage of bij draadbreuk)
weerstand kunnen bieden aan de zijdelingse
trekkrachten van hoogspanningsdraden aan
één zijde. Deze trekkrachten geven een groot
buigend moment aan de voet van de mast die
daarom aan de onderzijde breed is gemaakt en
goed wordt verankerd in funderingsblokken.
Nog duidelijker komt dit constructieprincipe
tot uiting bij de al eerder genoemde Eiffeltoren
te Parijs die, vanwege zijn hoogte van 300 m,
aan grote windkrachten weerstand moet kun-
nen bieden (afb. 73).
Als in de praktijk de stabiliteit van een con-
structie wordt getoetst zal men meestal, zoals
ook in het voorgaande werd gedaan, nagaan of
zij bestand is tegen horizontale krachten.
58
72. Een hoogspanningsmast moet weerstand
kunnen bieden aan grote horizontale krachten.
73. De EifJeltoren te Parijs.
Constructies met meer
verticale elementen
Bij masten en torens gaat het in feite om één
verticaal constructie-element. Meestal hebben
wij echter te maken met constructies, waarin
meer verticale elementen voorkomen die niet
mogen omvallen. Een eenvoudig voorbeeld
hiervan is de houtconstructie van een schuur
van een oude boerderij (afb. 74).
Houten stijlen, op stenen voeten, onder-
steunen houten balken. Om zo'n samenstel sta-
biel te maken worden in de hoeken schoren
aangebracht. Er ontstaat dan een stabiel por-
taal. In de afbeelding zijn de voorzieningen
voor de stabiliteit in de langsrichting van de
schuur weggelaten.
Vergelijkbaar hiermee is de ijzerconstructie
van een hal, waarbij de hoofdconstructies be-
staan uit twee kolommen met een vakwerk-
spant daarop (afb. 75). Ook dit samenstel kan
stabiel worden gemaakt met schoren, door
twee staven van het vakwerkspant door te trek-
ken naar de kolommen.
In het verlengde hiervan liggen de stalen por-
taalspanten zoals die van de Beurs te Rotter-
dam uit 1941 (afb. 76). Hier zijn geen schoren
gebruikt maar zijn de portaalhoeken stijf ge-
maakt door middel van elektrisch lassen.
74. Het houtskelet van een boerderij.
75. Een hal met een ijzerconstructie. De twee
schoren maken de hoofdconstructie stabiel.
,.
' ~
. . . . , ~     ' ; - - - - ~ W\ ------.'JLI'-
76. De portaalspanten van de Beurs te Rotter-
dam. De stijve hoeken maken de spanten sta-
biel.
59
Stabiliteitsverbanden
In het algemeen zal een langshal zo worden
ontworpen dat in de dwarsrichting ervan
hoofdconstructies voorkomen die op zichzelf
stabiel zijn. Zij kunnen ieder voor zich weer-
stand bieden aan windkrachten in de dwars-
richting van de hal. Op de kopgevels worden
echter ook windkrachten uitgeoefend, in de
lengterichting van de hal. Hiervoor worden,
in het geval van ijzerconstructies, meestal zo-
genaamde stabiliteitsverbanden aangebracht,
met kruisende (dubbele) diagonalen (afb. 77).
Samen met de gevelkolommen, de bovenran-
den van de hoofdconstructies en de dakgordin-
gen vormen ze één grote, ruimtelijke vakwerk-
constructie die in staat is om de windkrachten
in de langsrichting van de hal te weerstaan.
Zulke verbanden hoeven niet in alle traveeën
te worden geplaatst. Bij hallen met een norma-
le lengte volstaat men meestal met stabiliteits-
verbanden in één of twee traveeën.
De stabiliteitsverbanden worden vaak wind-
verbanden genoemd. Hun belangrijkste functie
is dan ook om aan windkrachten het hoofd te
bieden. Daarnaast doen ze, als montagever-
band, ook dienst tijdens de bouw van de hal.
Een derde functie is die van knikverband. Bij
een hal met bijvoorbeeld een zadeldak en drie-
hoekige vakwerkspanten zijn de bovenranden
van de spanten (de spantbenen) aan druk on-
derworpen en bestaat het gevaar van uitknik-
ken. In het vlak van het spant is dat probleem
niet groot: de spantbenen worden op hun
plaats gehouden door de wandstaven (de verti-
calen en de diagonalen) van het vakwerkspant.
De kniklengten worden hierdoor beperkt tot
de afstanden van de knooppunten. In de zijde-
lingse richting van het spant (dus in de lengte-
richting van de hal) zijn de kniklengten van de
spantbenen echter zeer groot.
Het stabiliteitsverband, dat in dit geval ook als
knikverband fungeert, zorgt ervoor dat ook in
deze richting de kniklengten klein blijven. Dat
geldt ook voor de vakwerkspanten, die niet aan
het stabiliteitsverband grenzen: deze worden
door de dakgordingen ermee verbonden.
60
77. Een hal in ijzerconstructie met stabiliteits-
verbanden.
Er zijn veel 19de-eeuwse hallen met een ijzer-
constructie waarin geen stabiliteitsverbanden
aanwezig zijn. Een voorbeeld daarvan is de
Korenbeurs te Groningen uit 1865 (afb. 78).
Ook bij plantenkassen uit de 19de eeuw ont-
breken verbanden. Vaak moet in zulke geval-
len het glas in de gevelwanden voor de nodige
stabiliteit zorgen. Uit het feit dat vele van zul-
ke constructies al meer dan een eeuw in stand
zijn gebleven, blijkt wel dat ze voldoende veilig
zijn. Soms kunnen ook dakplaten of een hou-
ten dakbeschot een bijdrage aan de stabiliteit
leveren. In het laatste geval werd het beschot
vaak uitgevoerd met diagonaal geplaatste
planken. Zo'n dakbeschot is alleen maar een
goede vakvulling als de planken ten opzichte
van elkaar niet kunnen verschuiven. Hieraan
werken de spijkerverbindingen van de be-
schotplanken aan de gordingen mee terwijl ook
een verbinding tussen de planken met messing
en groef gunstig is (afb. 79).
79. Het diagonale dakbeschot als stabiliteits-
voorziening.
78. De Korenbeurs te Groningen. Zonder sta-
biliteitsverbanden.
61
Gewapende betonconstructies
Bij in het werk gestorte gewapende betoncon-
structies zijn de stabiliteitsproblemen als regel
veel kleiner dan die bij hout- en ijzerconstruc-
ties. Bij het monoliete betonskelet zijn de ver-
bindingen van de elementen, uit de aard van
de uitvoeringsmethode, altijd stijf en zorgen ze
voor een stabiel geheel (afb. 80). Omdat de
spantvoeten ingeklemd worden in de funde-
ring is ook de stabiliteit in de langsrichting
geen probleem.
Verdiepinggebouwen
Verdiepinggebouwen zijn in het algemeen
minder gecompliceerd van opbouw dan hallen
en ook de werking van de verticale krachten is
gemakkelijk te volgen. Vaak werden in het ver-
leden vloerconstructies gemaakt met kinder-
balken, die rustten op moerbalken die op hun
beurt de krachten weer overdroegen op kolom-
men. Zulke samenstellingen komen zowel in
hout als in ijzer en beton voor.
Minder eenvoudig is de krachtsoverdracht als
het gaat om horizontale belastingen, dus om
windkrachten. Bij pakhuizen en kantoorge-
bouwen van voor 1940 komen vaak construc-
ties voor met dragende buitenmuren van bak-
steenmetselwerk, gecombineerd met een
inwendig skelet, zoals hierboven beschreven
(afb. 81).
Als wij ons beperken tot de windkrachten in de
dwarsrichting van het gebouw dan grijpen deze
in eerste instantie aan op de muren van de
langsgevels. Deze worden gesteund door de
vloeren van de verdiepingen en het dak. Zou
dit niet het geval zijn dan werden de langsmu-
ren slechts gesteund door de muren van de
kopgevels. De afstand tussen deze muren is zo
groot dat de langsmuren ongetwijfeld zouden
bezwijken. Uiteindelijk moeten de windkrach-
ten echter wel in deze eindmuren terecht ko-
men. Zij zijn, door hun breedte, de enige ele-
62
80. Kniespanten van ongewapend beton.
menten in de dwarsrichting van het gebouw
die aan horizontale krachten voldoende weer-
stand kunnen bieden. Om de windkrachten
naar de eindmuren te geleiden werken de vloe-
ren als grote horizontale liggers (windliggers,
zie afb. 81). Zij moeten wel in staat zijn om dit
te doen.
Bij in het werk gestorte betonvloeren is dit
geen probleem. De monoliete constructie is
gemakkelijk in staat om de windkrachten over
te brengen. Houten vloerconstructies, bestaan-
de uit houten planken en balken, lijken minder
hecht. Zouden de houten delen los naast elkaar
liggen, zodat ze ten opzichte van elkaar kunnen
verschuiven dan werkt de vloer zeker niet als
een horizontale ligger. Maar de vloerdelen zijn
met draadnagels aan de vloerbalken bevestigd
waardoor het verschuiven wordt tegengegaan.
In de praktijk blijken zulke houten vloeren
goed te kunnen functioneren als windliggers.
81. Een verdiepinggebouw met een inwendig
skelet en dragende buitenmuren.
63
Bij de latere volledige skeletconstructies van
ijzer en gewapend beton waren er ook andere
mogelijkheden om de stabiliteit te verzekeren.
In het monoliete in het werk gestorte betonske-
let met zijn stijve verbindingen van balken en
kolommen konden portaalspanten worden ge-
formeerd die, op elkaar gebouwd, voldöende
weerstand aan windkrachten konden bieden
(afb. 82). En bij het ijzerskelet konden, op de-
zelfde wijze als bij hallen het geval is, diago-
naalverbanden worden aangebracht. Vooral in
de woningbouw, met zijn vele scheidingswan-
den in de dwarsrichting, kon daarvan gebruik
worden gemaakt (afb. 83). Tegenwoordig heb-
ben verdiepinggebouwen vaak een betonske-
let. Hierin komen meestal betonnen wanden
voor, bijvoorbeeld bij de trappenhuizen en de
liftschachten, die voor de stabiliteit zorgen.
82. Het kantoorgebouw van het Gemeentelijke
Elektriciteitsbedrijf te Rotterdam, 1931. Een
stabiel betonskelet.
64
-
- = . '":"1 ~
~ ..   - ~  
1 1 - ~   : - *'
83. Atelierwoningen aan de Zomerdijkstraat
te Amsterdam, 1934.
Een stabiel ijzerskelet.
Materialen
Algemeen
De belangrijkste materialen voor draagcon-
structies zijn:
- steen
- hout
- ijzer en staal
- (gewapend) beton
Na 1945 zijn daarbij nog aluminium en kunst-
stoffen gekomen, maar de toepassing van deze
materialen bleef voor draagconstructies be-
perkt.
Steen en hout zijn de 'traditionele' bouwmate-
rialen. Zij werden al bij de oudste bouwwerken
gebruikt. Ook ijzer was reeds in de oude tijd
bekend, maar het gebruik daarvan bleef be-
perkt tot ondergeschikte onderdelen. Eerst
omstreeks 1800 begon de toepassing ervan op
grote schaal toen het ijzer op economische wij-
ze kon worden geproduceerd. Beton werd
reeds door de Romeinen gebruikt, voor muren
en gewelven. Het was echter nog niet voorzien
van ijzeren staven om aan in constructies op-
tredende trekkrachten weerstand te !cunnen
bieden. Eerst sinds omstreeks 1900 vond beton
in Nederland op grote schaal toepassing door
het wapenen ervan, dat wil zeggen door het
aanbrengen van ijzeren staven op de plaatsen
waar trekkrachten optreden: het gewapende
beton.
84. Sterkte en toelaatbare spanning in kg/cm
2
(circa 1940).
5


a





''70
 
?Roe
'300
(jJetOf1)
.!' I>
tnzk.-
1?-'6
-
20
-
60
1400
''Wo
go

 
65
Steen
Steen komt als materiaal in draagconstructies
voor in de vorm van natuursteen en kunst-
steen.
Natuursteen is, zoals de naam al aangeeft, in de
natuur ontstaan.
Er zijn vele soorten, met zeer verschillende
eigenschappen, en het kan in aanzienlijke af-
metingen worden gewonnen. Zo had de groot-
ste nog bestaande monoliete granieten obelisk
bij de tempel van Amon te Karnak in Egypte
een hoogte van ruim 32 m bij een doorsnede
van 2, 7x2, 7 m aan de voet (afb. 85).
In de oude tijd werd   veel gebruikt
voor balken, bijvoorbeeld architraven in tem-
pels, en ook voor dakplaten. De afdekking van
de tempel van Amon te Karnak bestond onder
meer uit zandstenen Jlaten met een overspan-
ning van ongeveer 6 m, waarvan echter geen
enkele meer aanwezig is. Voor de toepassing in
overspannende constructies is een belangrijk
nadeel dat de meeste natuursteensoorten
slechts een geringe treksterkte bezitten. Dit
materiaal is dus slechts bij uitzondering (bij-
voorbeeld graniet) geschikt om weerstand te
bieden aan buigende momenten. Bij architra-
ven waren de overspanningen dan ook klein,
terwijl ze grote doorsneden hadden. Bij het
Parthenon te Athene (ca. 440 v.c.) was de vrije
ruimte tussen de abacus van de zuilen circa 2
m, terwijl de architraven waren opgebouwd uit
drie blokken met een totale breedte van 1,8 m
en een hoogte van 1,4 m. Omdat natuursteen
goed bestand is tegen druk, is het veel gebruikt
voor op druk belaste elementen, zoals muren,
zuilen, bogen en gewelven.
In de oude tijd werden de natuursteenblokken
vrijwel steeds op elkaar aangesloten met dunne
voegen, zonder mortel. Dit eist een zeer nauw-
keurige bewerking. Later vond de mortelvoeg
algemeen toepassing. Hiermee worden de
maatafwijkingen opgevangen, die ontstaan bij
de vervaardiging van de blokken.
66
85. De granieten obelisk bij de tempel van
Amon te Ka rna k, een natuurstenen monoliet
van 32 m hoogte (thans op de Piazza San Gio-
vanni in Laterano te Rome).
Kunststeen wordt van oudsher gemaakt van
klei. In de oude tijd en in een droog klimaat,
zoals in Egypte, werd de kleisteen ongebakken
verwerkt. In vochtiger klimaatgebieden wordt
de kleisteen gebakken (baksteen). Vooral in
natuursteenarme gebieden, zoals Nederland,
is baksteen massaal gebruikt. In onze tijd zijn
aan de kunststeensoorten nog toegevoegd kalk-
zandsteen en cement- of betonsteen.
Baksteen is altijd in kleine formaten gemaakt,
deels in verband met de fabricage, deels om de
verwerking met de hand te vergemakkelijken.
Baksteen vormt samen met mortelvoegen met-
selwerk. De mortel bestaat uit zand en een
bindmiddel, vroeger kalk, in onze tijd vooral
cement.
Baksteenmetselwerk heeft een kleine trek-
sterkte. Daarom wordt het, evenals natuur-
steenwerk, gebruikt voor op druk belaste con-
structies zoals muren, pijlers, bogen en
gewelven.
Hout
Ook hout is reeds in de oudste culturen ge-
bruikt voor bouwwerken.
In tegenstelling tot steen heeft het wel een goe-
de treksterkte.
Het is dus geschikt voor op trek en op buiging
belaste elementen, zoals vloer- en dakbalken,
maar ook voor op druk belaste elementen,
zoals stijlen in een houtskelet.
Hout is een vergankelijk materiaal. Het wordt
aangetast door vocht (rotting) en door insec-
ten. Ook brand is er de reden van, dat slechts
weinig houtconstructies uit oude tijden be-
waard zijn gebleven.
Er zijn vele houtsoorten, met zeer uiteenlo-
pende eigenschappen.
Voor draagconstructies werd in Nederland
voor 1600 vrijwel uitsluitend het sterke maar
dure eikehout gebruikt. Later werd het geheel
verdrongen door naaldhoutsoorten zoals den-
nen, vuren en grenen.
67
Wat de sterkte van houten constructie-elemen-
ten betreft is er een aanmerkelijk verschil tus-
sen kopshout en langshout (afb. 86).
Kopshout kan uitstekend druk weerstaan maar
langshout knijpt onder druk samen. Voor
langshout is de toelaatbare spanning dan ook
veel lager dan voor kopshout.
IJ zer en staal
IJzer werd voor 1800 slechts op zeer beperkte
schaal in draagconstructies gebruikt. Meestal
werd het toegepast in trekstaven, die aan de
spatkrachten van bogen en gewelven weer-
stand moesten bieden, en voor ankers, bouten,
beugels en spijkers die houten elementen bij-
een moesten houden. In de 18de eeuw ontston-
den productiemethoden waarmee ijzer op eco-
nomische wijze uit ijzererts kon worden
gewonnen met cokes, in plaats van met houts-
kool. Daardoor werd in de 19de eeuw ijzer een
belangrijk materiaal voor draagconstructies.
Aanvankelijk werd het met hoogovens ver-
vaardigde ruwijzer verder bewerkt in puddel-
ovens die ijzerklompen in deegachtige toe-
stand leverden, het grondmateriaal voor het
smeedijzer. In de tweede helft van de 19de
eeuw gelukte het om ijzer in vloeibare toestand
te bereiden. Dit vloeiijzer verdrong rond de
eeuwwisseling het smeedijzer. In de loop van
de 20ste eeuw werd dit materiaal staal ge-
noemd. Naast het smeedijzer en het staal,
waarvan meestal gewalste producten zoals bal-
ken, buizen en rondijzer worden gemaakt, is er
nog het gietijzer dat, in vormen gegoten, pro-
dukten levert met een zeer gevariëerde vorm-
gevmg.
Evenals hout kan ijzer zowel aan trek- als aan
drukkrachten weerstand bieden. De sterkte
is echter aanzienlijk groter dan die van hout,
hetgeen tot uitdrukking komt in de slanke vor-
men van ijzerconstructies. De treksterkte van
het normale staal, dat omstreeks 1940 in
bouwwerken werd gebruikt, is ongeveer 3700
68
86. Langshout en kopshout.
kglcm
2
• Het materiaal heeft bovendien de
eigenschap dat het bij een bepaalde spanning
gaat 'vloeien'. Als een stalen staaf aan een trek-
kracht wordt onderworpen en men deze kracht
laat toenemen, dan zal de staaf uitrekken. Aan-
vankelijk is de rek evenredig met de spanning
in de staaf, maar bij een spanning van ongeveer
2400 kglcm
2
verandert dit. Zonder dat de
kracht toeneemt, wordt de rek snel groter. Men
duidt dit gedrag aan met vloeien. De spanning,
waarbij dit geschiedt, heet de vloeigrens.
Er is echter nog geen sprake van breken. Nadat
de rek een bepaalde grootte heeft bereikt, kan
de uitgeoefende kracht weer toenemen. De
staaf zal eerst breken bij een spanning van on-
geveer 3700 kglcm
2
(afb. 87).
Het vloeigedrag doet zich ook voor bij op bui-
ging belaste stalen balken. Bij een overbelas-
ting bereiken de trekspanningen aan de onder-
zijde van de balk de vloeigrens en treden aan-
zienlijke doorbuigingen op zonder dat de balk
breekt. Het materiaal 'waarschuwt' bij overbe-
lasting dus tijdig voor breuk. Helaas hebben de
hoogwaardige staalsoorten, die tegenwoordig
hoe langer hoe meer worden gebruikt, deze
gunstige eigenschap in veel mindere mate.
Gietijzer heeft eigenschappen die aanzienlijk
afwijken van die van smeedijzer en staal. Met
name is de treksterkte kleiner en treedt bij
trekkrachten al snel breuk op. Wel is gietijzer,
beter dan smeedijzer en staal, goed bestand
tegen corrosie. Wat alle ijzer- en staalsoorten
met elkaar gemeen hebben is de geringe weer-
stand tegen brand. Bij hoge temperaturen ne-
men zowel de vloeigrens als de treksterkte aan-
zienlijk af en zullen ijzerconstructies snel
bezwijken. Dit is de reden waarom vele ijzer-
constructies brandwerend worden bekleed,
bijvoorbeeld met pleisterwerk of een betonom-
hulling.
ti
87. Het spanning-rek-diagram voor smeed-
ijzer en normaal bouwstaal.
69
Gewapend beton
Het beton, dat voor draagconstructies wordt
gebruikt, is een mengsel van een grof materiaal
(in Nederland grind), een fijner materiaal
(zand), een bindmiddel en water. De Romei-
nen, die reeds op grote schaal beton toepasten,
gebruikten als bindmiddel kalk, die in aanra-
king met lucht verhardde (luchtkalk). Tegen-
woordig wordt algemeen als bindmiddel ce-
ment gebruikt dat met het water, waarmee het
tot een pap wordt gemengd, verhardt en zorgt
voor de samenhang van het grind en het zand.
Beton heeft, zoals de meeste steenachtige ma-
terialen, een goede druksterkte en een kleine
treksterkte. Het is dus niet geschikt voor op
buiging belaste elementen zoals balken, waarin
immers in een deel van de doorsnede trekspan-
ningen optreden.
In de 19de eeuw werd het principe van het
gewapend beton ontwikkeld. Op die plaatsen,
waar in een betonnen element trekspanningen
optreden, werden ijzeren staven gelegd (de wa-
pening). Bij een balk, die op twee steunpunten
is opgelegd, werden aan de onderzijde (waar
trekspanningen heersen) ijzeren staven aange-
bracht (de hoofdwapening). Deze hoofdwape-
ning neemt de buigtrekkrachten op terwijl het
beton aan de bovenzijde de buigdrukkrachten
voor zijn rekening neemt. Om praktische rede-
nen werden later ook aan de bovenzijde nog
enkele dunnere staven geplaatst die door beu-
gels met de hoofdwapening werden verbon-
den.
Op deze wijze ontstaat een betonnen balk die
aan buigende momenten weerstand kan bie-
den (afb. 88).
Gewapend beton vond in bouwwerken toepas-
sing voor de meest uiteenlopende doeleinden
en verdrong gedeeltelijk het ijzer. Zo werd het
bijvoorbeeld in Nederland gebruikelijk om bij
verdiepingbouw het skelet van gewapend be-
ton te maken. Niet alleen de kosten maar ook
de brandveiligheid speelden hierbij een rol
omdat beton, als steenachtig materiaal, beter
70
weerstand biedt aan hoge temperaturen dan
IjZer.
Betonconstructies worden meestal op de
bouwplaats vervaardigd (in het werk gestort).
De kwaliteit ervan is dan ook mede afhankelijk
van de werk- en weersomstandigheden. Zo is
helaas gebleken dat gewapend beton, dat aan
de buitenlucht is blootgesteld, als gevolg van
een onzorgvuldige uitvoering in vele gevallen
de tand des tijds niet heeft kunnen weerstaan.
Bij geprefabriceerde betonelementen (die
vooraf in een fabriek worden vervaardigd) is
de kwaliteit doorgaans beduidend beter dan bij
in het werk gestort beton. Deze vervaardi-
gingswijze kwam eerst na 1945 op ruime schaal
tot ontplooiing. 88. Het principe van gewapend beton.
I
I 'k 'k 'L' \k "k 'k 'k 'k 'f 'Jë 'f J
J 8
o
I
M   ~
71
Elementen
Algemeen
In dit hoofdstuk zal een aantal voorbeelden
van elementen worden behandeld, met de na-
druk op de wijze waarop ze krachten overbren-
gen.
Elementen zijn de onderdelen waaruit draag-
constructies zijn opgebouwd. Ieder voor zich
hebben zij de taak om krachten verder te gelei-
den.
Er zijn vele soorten elementen, van klein tot
groot. Zo zijn de staven van een vakwerkligger
op te vatten als kleine elementen die samen
een groter element, de vakwerkligger, vormen.
Maar ook een vakwerkligger kan weer onder-
deel zijn van een nog groter element, bijvoor-
beeld een portaalspant (afb. 89).
De keuze van de elementen, die zullen worden
behandeld, is willekeurig in die zin dat het niet
de bedoeling is om er een typologie mee aan te
geven. De selectie is alleen geschied op grond
van het feit, dat het elementtype veel voor-
komt en geschikt is om inzicht te krijgen in de
krachtswerking erin.
De onderspannen balk
In de 19de eeuw werd nog veel met houtcon-
structies gewerkt. In feite namen de ijzercon-
structies naast de houtconstructies slechts een
bescheiden plaats in. Wel moest met hout toen
een antwoord worden gegeven op nieuwe eisen
die aan constructies werden gesteld. Vloeren
van pakhuizen, die uit de aard van hun be-
6
89. Elementen, van klein naar groot.
73
stemming zware lasten moesten dragen, kre-
gen in de 19de eeuw grote overspanningen.
Soms kwam men dan met de beschikbare balk-
afmetingen in hout niet meer uit. In zo'n geval
werden houten balken wel versterkt door ze te
onderspannen (afb. 90). Onder de balk werd
een ijzeren staaf aangebracht die met een
drukstaaf op een zekere afstand van de onder-
zijde van de balk werd gehouden.
De bedoeling hiervan was om de constructie-
hoogte te vergroten zodat grotere buigende
momenten konden worden opgenomen. De
houten balk fungeerde als drukstaaf, het ijzer
als trekstaaf. Zo konden op eenvoudige wijze
zeer sterke balken worden gemaakt. Het prin-
cipe werd niet alleen toegepast op houten bal-
ken, maar ook ijzeren balken werden op deze
wijze versterkt.
De werking der krachten in een onderspannen
balk is in afbeelding 90 weergegeven. Enerzijds
heeft het element de eigenschappen van een
vakwerk, met druk aan de bovenzijde en trek
aan de onderzijde, anderzijds kan men decon-
structie ook bekijken als een balk waaraan, bij
enkelvoudige onderspanning, in het midden
een extra steunpunt is gegeven. Bij de laatste
wijze van beschouwing wordt het duidelijk dat
in de balk, naast de drukkracht ten gevolge van
de onderspanning, ook nog buigende momen-
ten ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde
belasting optreden.
Vakwerkliggers
Bij gebouwen worden liggers in het algemeen
gekenmerkt door een onder- en een bovenrand
die evenwijdig of ongeveer evenwijdig aan el-
kaar lopen. Dit geldt ook voor vakwerkliggers.
De staven van een vakwerkligger worden ver-
deeld in de randstaven (in onder-en boven-
rand) en de wandstaven (verticalen en diagona-
len).
Het stavenpatroon van een vakwerkligger
wordt in hoge mate bepaald door de wijze
74
s...............   ...... ..----zs:
.... -....... WU' .........
- ... _-..Q..._ ......
90. De onderspannen balk.
waarop de ligger wordt belast. Als voorbeeld
wordt een vakwerkligger genomen die een plat
dak van een hal draagt. De breedte van de hal is
20 m en het dak bestaat uit een waterdichte
bedekking, platen van lichtbeton en ijzeren
gordingen die op onderlinge afstanden van 2 m
liggen. Men zal het stavenpatroon nu zo kiezen
dat de knooppunten van de bovenrand samen-
vallen met de plaats van de gordingen. Voor de
hoogte van de ligger wordt vaak 1/10 van de
overspanning gekozen, in dit geval dus 2 m.
Wij zien dat de diagonalen nu een hoek van 45·
met de randen maken, iets waar bij de vormge-
ving van de ligger naar wordt gestreefd.
Vóór 1940 hadden de staven van vakwerklig-
gers vaak het N-patroon.
Daarbij was er nog keuze tussen vallende en
stijgende diagonalen.
Bij een ligger met vallende diagonalen dalen
deze naar het midden van de ligger, bij stijgen-
de diagonalen gaan ze omhoog (afb. 91).
De N-ligger met vallende diagonalen heeft een
aantal voordelen boven die met stijgende dia-
gonalen. Het laatste type werd, althans bij
ijzerconstructies, dan ook vrijwel niet ge-
bruikt. Bij een N-ligger met een neerwaarts
gerichte belasting zullen, net zoals bij de op
buiging belaste balk, in de onderrand trek-
krachten en in de bovenrand drukkrachten op-
treden (afb. 92).
Om de krachten in de wandstaven te bepalen
wordt de ligger denkbeeldig doorgesneden.
Het deel van de ligger, links van deze snede,
moet onder de erop werkende krachten in
evenwicht zijn.
Deze krachten zijn die in de boven- en de on-
derrand (horizontale krachten), twee verticale
krachten uit de gordingen, de eveneens verti-
cale steunpuntsreactie (groot ten opzichte van
gordingkrachten) en tenslotte nog de schuine
kracht uit de diagonaal. Zowel de horizontale
als de verticale krachten dienen met elkaar in
evenwicht te zijn, anders zou het linkerdeel
van het vakwerk willen gaan bewegen. Als het
evenwicht van de verticale krachten wordt be-
91. De N-ligger.
75
keken, is het duidelijk dat er tegenover de ver-
ticaal naar boven gerichte steunpuntsreactie
een zodanige kracht in de diagonaal moet zijn
dat deze een naar beneden gerichte verticale
component heeft. Dus moet dit een trekkracht
zijn. Op soortgelijke wijze wordt de kracht in
een verticaal bepaald door een schuine snede
aan te brengen. Het blijkt dat de kracht in de
verticaal een drukkracht is. Bij een N-ligger
met vallende diagonalen heersen in de diago-
nalen dus trekkrachten en in de verticalen
drukkrachten. Bij een N-ligger met stijgende
diagonalen is het omgekeerde het geval: de dia-
gonalen hebben drukkrachten en de verticalen
trekkrach ten.
De N-ligger met vallende diagonalen is ten op-
zichte van die met stijgende diagonalen in het
voordeel omdat in de kortste wand staven (de
verticalen) drukkrachten voorkomen en in de
langste (de diagonalen) trekkrachten. Omdat
de kniklengte op de afmetingen van een ge-
drukte staaf van grote invloed is, is die con-
structie gunstig, waarbij de kortste staven op
druk worden belast. De diagonalen (die boven-
dien een grotere kracht krijgen dan de vertica-
len en de grootste lengte van de gezamenlijke
wandstaven vertegenwoordigen) zullen dus
slank van afmetingen zijn, de verticalen zullen
wat forser uitvallen.
In de jaren na 1920 werd ook het V-patroon
veel gebruikt (afb. 93). Het geeft een liggertype
met als wandstaven vrijwel uitsluitend diago-
nalen. Dat deze diagonalen daarbij beurtelings
op trek (de vallende) en op druk (de stijgende)
worden belast, accepteerde men, onder meer
omdat de uitvoering ervan eenvoudiger is
(minder knooppunten).
Vakwerkspanten
Vakwerkspanten onderscheiden zich van vak-
werkliggers doordat de onder- en bovenranden
niet evenwijdig zijn. Zij worden veel gebruikt
76


SWzáz

 
92. Krachten in een N-ligger met vallende dia-
gonalen.
93. De V-ligger.
voor zadeldaken. Voor dat doel hebben zij een
driehoekige vorm.
Een voorloper van het vakwerkspant is het
Franse spant ofPolonceau-spant dat in de 19de
eeuw veel toepassing vond (afb. 94). Het type is
ontstaan uit de samenvoeging van twee on-
derspannen houten balken. Deze wérden
schuin tegen elkaar geplaatst en door een trek-
stang verbonden.
Net als bij de vakwerkligger is het Polonceau-
spant op te vatten als een balk die aan buigende
momenten weerstand moet bieden. Het mo-
ment in het midden veroorzaakt aan de boven-
zijde van het spant drukkrachten (dus in de
spantbenen) en aan de onderzijde trekkrach-
ten (dus in de trekstang en in de onderste trek-
staven).
In andere typen vakwerkspanten is de krach-
tenverdeling soortgelijk. Altijd is er, bij een
normale belasting door het gewicht van de dak-
bedekking, de gordingen en het spant zelf, een
drukkracht in de spantbenen en een trekkracht
in de staven van de onderrand.
Boogspanten
Bij de boogspanten zijn er twee hoofdtypen:
- de geheel gebogen spanten, waarbij de gebo-
gen vorm doorgaat tot op de begane grond,
- boogspanten, ondersteund door kolommen.
Van de geheel gebogen spanten zijn er in Ne-
derland maar weinig toepassingen. De bekend-
PobcCZl.lM - ~  
94. Vakwerkspanten.
77
ste is die bij de treinhal van het Centraal Sta-
tion te Amsterdam uit 1889 (afb. 95). De
boogspanten hebben daar een overspanning
van 45 m en zijn uitgevoerd als vakwerkcon-
structie.
Zoals in hoofdstuk 3 bij de behandeling van de
boogwerking al werd gezegd, worden zulke
spanten hoofdzakelijk op druk belast, maar er
treden ook buigende momenten in op. Deze
momenten zijn vooral het gevolg van de wind-
belasting, maar ook door het eigen gewicht van
de gehele constructie (de dakbedekking, de
gordingen en de spanten zelf) kunnen, behalve
druk, ook toegevoegde buigende momenten
optreden. Dit laatste hangt afvan de vorm van
de boog: alleen bij een bepaalde, ideale boog-
vorm zouden deze buigende momenten er niet
zijn. Bij de Amsterdamse spanten wijkt de
boogvorm afvan de ideale vorm (b). Zij begin-
nen namelijk met korte verticale delen. Dit is
gedaan om functionele redenen: in de omge-
ving van de spanten is er zo voor het publiek
een maximale vrije ruimte die er niet zou zijn
geweest als de spanten bijvoorbeeld de vorm
van een kettinglijn of een parabool zouden
hebben.
e
78
ct
b
c
95. Treinhal van het Centraal Station te Am-
sterdam, 1889.
Vanwege de buigende momenten, maar ook
door het knikgevaar ten gevolge van de druk-
kracht in het spant, is er gezorgd voor een
behoorlijke constructiehoogte van het spant.
Met een vakwerkconstructie is deze construc-
tiehoogte op eenvoudige wijze en met weinig
materiaalverbruik te realiseren (c).
In de vakwerkboog worden de krachten ten
gevolge van de druk en de buigende momenten
voornamelijk opgenomen door de randstaven.
De wandstaven zorgen vooral voor het op af-
stand houden van de randstaven.
Bij boogconstructies treden aan de voet behal-
ve verticale ook horizontale krachten (spat-
krachten) op (d). Men moet zich niet laten
misleiden door de verticale beëindigingen van
de boogspanten van het Centraal Station. Ook
hier zijn spatkrachten aanwezig en de grootte
ervan wordt slechts in geringe mate beïnvloed
door de vorm van de boog. Door de spatkrach-
ten worden de funderingsconstructies op on-
gunstige wijze belast. Er zijn schuin geheide
palen (schoorpalen) nodig om hieraan weer-
stand te bieden (e). Zulke funderingsconstruc-
ties, die bovendien de neiging hebben om door
de spatkrachten wat zijdelings uit te wijken,
kunnen worden vermeden door het aanbren-
gen van een trekstaaftussen de voetpunten van
de boog. Bij het Centraal Station was dit echter
bezwaarlijk vanwege de grote lengte (45 m), de
aanwezigheid van sporen en perrons en de
slappe bodem ter plaatse (de trekstaaf zou, met
de grond mee, willen verzakken).
Trekstangen komen wel veel voor bij de boog-
spanten die ondersteund worden door kolom-
men. Als voorbeeld worden de boogspanten
van de voormalige ZHESM-hal bij het station
Hollandsche Spoor te 's-Gravenhage uit 1907
genomen (afb. 96). De overspanning van de
kappen is ongeveer lOm en in de lengterich-
ting van het gebouw staan de kolommen hart
op hart circa 8 m.
Tussen de kolommen zijn vakwerkliggers aan-
gebracht, die secundaire boogspanten dragen.
De overspannende delen van de hoofdspanten
,-----


 
(, -
---A""
96. Treinhal van het Station H ollandsche
Spoor te 's-Gravenhage, 1907.
79
zijn vakwerkbogen die bij de kolommen
(spantstijlen) een grote constructiehoogte heb-
ben en daar stijf met de stijlen zijn verbonden.
De bedoeling hiervan is om een stabiel spant in
de dwarsrichting van de hal te verkrijgen (een
knieboogspant).
Overigens geldt voor de krachten in de boog en
de wijze, waarop zij door de constructie wor-
den opgenomen, hetzelfde als voor het Cen-
traal Station te Amsterdam. Het grote verschil
is de trekstang, die onder de boog is aange-
bracht en die zorgt voor het opnemen van de
spatkrachten. Een goede maatregel, want bij
het weglaten van de trekstangen zouden er gro-
te toegevoegde momenten in de constructie
ontstaan.
Een alternatieve vorm voor de boogspanten met
verticale stijlen is die, waarbij de spantstijlen
ingeklemd zijn in de fundering en waarbij de
bogen scharnierend verbonden zijn met de kop-
pen van de kolommen. Ook hier ontstaat, door
de inklemming van de kolommen, in dwars-
richting van de hal een stabiele constructie. Als
de bogen een trekstang hebben, zullen ze, bij
verticale belastingen, geen horizontale krachten
op de kolommen uitoefenen en zijn ze, wat dit
betreft, te vergelijken met bijvoorbeeld een vak-
werkspant of een vakwerkligger, die opgelegd is
op muren of kolommen (afb. 97).
Kniespanten
Bij de kniespanten, maar ook bij de boogspan-
ten en de portaalspanten, spelen de begrippen
'stijve' en 'scharnierende' verbinding een be-
langrijke rol (afb. 98).
Een stijve verbinding tussen twee elementen is
een verbinding die zodanig is uitgevoerd dat
zij aan een buigend moment weerstand kan
bieden. De verbonden elementen kunnen dus
buigende momenten op elkaar overbrengen.
98. Stijve en scharnierende verbindingen.
80
       



97. Een boogspant met trekstang op in de fun-
dering ingeklemde kolommen.
Bij een scharnierende verbinding is de uitvoe-
ring zo dat geen buigende momenten kunnen
worden opgenomen.
Door middel van stijve en scharnierende ver-
bindingen kan de verdeling van de krachten in
de constructie, met name die van de buigende
momenten, aanzienlijk worden beïnvloed.
Kniespanten worden veel gebruikt voor zadel-
daken. Zij kenmerken zich door rechte spant-
benen, die stijf verbonden zijn met de onder-
steunende kolommen (stijlen). De ontmoe-
tingspunten van de spantbenen en de stijlen
zijn de knieën, waaraan het spanttype zijn
naam ontleent (afb. 99).
Vaak zijn bij ijzeren kniespanten de spantbe-
nen in de top scharnierend aan elkaar beves-
tigd en staan ook de stijlen scharnierend op
hun funderingen. Zo'n kniespant, met drie
scharnierende verbindingen, wordt daarom
een driescharnierspant genoemd.
De krachtswerking in een driescharnierspant
lijkt veel op die in een geheel gebogen spant. Er
treden bij de ondersteuningen ook spatkrach-
ten op. Omdat de hartlijnen van de stijlen en
de spantbenen de boogvorm niet volgen zullen
er in het kniespant toch aanzienlijke buigende
momenten optreden. Deze blijven echter be-
perkt van grootte als de hartlijn van het spant
zo goed mogelijk de boogvorm benadert.
De spanten van het Palais des Machines te
Parijs uit 1889, met hun overspanning van 110
m, zijn geen zuivere voorbeelden van knie-
spanten (afb. 100). De spantbenen zijn wel
recht maar ze gaan in een gebogen vorm naar
de voetpunten. Deze vorm is overigens wel
gunstig, want als door de drie scharnieren van
het spant een kettinglijn of een parabool wordt
getrokken, dan liggen de hartlijnen van de
spanten dichter bij deze boog dan bij een 'echt'
kniespant het geval zou zijn geweest.
De buigende momenten zijn bij de spanten
van het Palais des Machines dan ook kleiner
dan die in een kniespant met geheel rechte
spantbenen en -stijlen. De uitvoering ervan als
 

99. Het driescharnierspant.
81
vakwerkkniespant, met een constructiehoogte
van bijna 4 m, schept de voorwaarden voor het
opnemen van de buigende momenten en de
drukkrachten (knik!). In verband met het uit-
knikken in zijdelingse richting heeft het spant
een kokervormige doorsnede gekregen.
De kniespanten van de Haagse Houtrusthallen
uit 1936, van staal in gelaste uitvoering, heb-
ben alleen maar scharnieren bij de voetpunten
en niet in de top. Ze worden tweescharnier-
spanten genoemd. De hoogte van de doorsne-
den is aangepast aan het verloop van de bui-
gende momenten (afb. 101) .
..Ç"4;ve
rcAiiI ....

82
r----
I
00 - _ I!:
.. .. _- _. .. : : ;'
 
- I>
100. Het Palais des Machines te Parijs, 1889.
101. De stalen tweescharnierspanten van de
Houtrusthallen te 's-Gravenhage, 1936. De
hopgte van de doorsneden is aangepast aan het
momenten verloop.
Ook in gewapend beton zijn voor zadeldaken
kniespanten veel toegepast. Meestal hebben
ze, uit de aard van het uitvoeringsproces (in
het werk storten geeft een monoliete construc-
tie) in het geheel geen scharnieren. Een voor-
beeld is de loonhal van het Administratiege-
bouw voor de Staatsmijn Emma, gebouwd
omstreeks 1910 (afb. 102).
Portaalspanten
Portaalspanten hebben een horizontale rechte
bovenrand (de portaalregel). Wij hebben hier
te maken met een ligger (de regel), die de ruim-
te overspant en die stijf is verbonden met de
ondersteunende kolommen (de portaalstijlen,
afb. 103). Door de stijve hoeken is het spant
stabiel geworden. De stijve verbinding van de
regel aan de stijlen heeft voor de ligger het
voordeel dat hij ingeklemd is in de stijlen waar-
door aan de uiteinden ervan ontlastende, nega-
tieve buigende momenten optreden. De stijlen
worden hierdoor echter ook belast met even
grote buigende momenten. Ook de portaal-
spanten oefenen zijdelings naar buiten gerich-
te krachten (spatkrachten) uit op hun steun-
punten.
103. Krachten in een portaalspant.
102. De loonhal van het Administratiegebouw
van de Staatsmijn Emma, circa 1910. Een knie-
spant van gewapend beton zonder scharnieren.
F.
~ ~           ~             ~
83
Een voorbeeld van een portaalspant vinden
wij in de Apollohal te Amsterdam uit 1935
(afb. 104). De spanten zijn van staal, in gelaste
uitvoering en met een overspanning van 35 m.
Het zijn vollewandspanten met een hoge, dun-
ne lijfplaat. Zulke lijfplaten hebben de neiging
om, als ze onder druk staan, te gaan plooien,
een verschijnsel dat vergelijkbaar is met het
knikgeval. Zij worden daarom verstijfd met
smalle stalen platen die loodrecht op de lijf-
plaat zijn gelast (verstijvingsstrippen).
De portaal spanten van het ketelhuis van de
Staatsmijn Maurits zijn voorbeelden van hoge
spanten, in tegenstelling tot de lage spanten
van bijvoorbeeld de Apollohal (afb. 105).
105. Een ketelhuis van de Staatsmijn Maurits
met hoge portaalspanten.
84

"- /
Ir
I !
 




U1frr


q fm
104. De Apollohal te Amsterdam, 1935. Een
volwandig gelast stalen portaalspant.
De portaalspanten van de Vishal te Rotterdam
uit 1933 zijn uitgevoerd als driescharnierspan-
ten. De momentenverdeling in zulke spanten
is minder gunstig (afb. 106).
106. De Vishal te Rotterdam, 1933. Een 'top'-
scharnier geeft in een portaalspant een ongun-
stige momenten verdeling.
85  
Verbindingen
Algemeen
Draagconstructies bestaan uit elementen.
Deze worden samengevoegd tot constructies,
die weerstand moeten kunnen bieden aan
krachten. Hiertoe moeten ze onderling worden
verbonden. De aard van de verbindingen is
zeer afhankelijk van het materiaal en de con-
structiesoort.
Achtereenvolgens zal een aantal principes van
het verbinden van elementen worden behan-
deld aan de hand van steenconstructies, hout-
constructies, ijzerconstructies en gewapende
betonconstructies.
Steenconstructies
De belangrijkste steenconstructies zijn ge-
maakt van natuursteen of baksteen. Deze ma-
terialen worden bijna uitsluitend gebruikt
voor op druk belaste constructies.
In de oude tijd was het normaal om bij natuur-
steen de krachten van het ene blok op het ande-
re over te dragen zonder tussenkomst van een
mortelvoeg (afb. 107). Hiertoe moesten de
contactvlakken zeer nauwkeurig worden be-
werkt, want bij iedere maatafwijking worden
de krachten geconcentreerd op bepaalde pun-
ten oflijnen, waardoor plaatselijk breuk ofver-
gruizing van het materiaal optreedt.
De redenen voor deze verbindingsmethode
zijn vooral van esthetische aard. Bij reliëfs of
beschilderingen zouden mortelvoegen de een-
heid van de afbeelding verstoren. De verbin-
ding was bewerkelijk en men probeerde dan
7
107. Zuilentrommels van een Griekse tempel,
zonder mortelvoegen.
87
ook de te bewerken vlakken zo klein mogelijk
te houden. Bij trommels van zuilen werd bij-
voorbeeld alleen maar een ring van geringe
breedte aan de omtrek vlak gemaakt en werd
het daartussen liggende oppervlak teruglig-
gend gemaakt door het ruw te behakken.
In de Romeinse tijd, toen de bouwproduktie
veel groter was dan in de tijden daarvoor, kwa-
men minder bewerkelijke verbindingsmetho-
den in zwang. De Romeinen maakten op grote
schaal gebruik van baksteen. De baksteen
heeft, uit de aard van het produktieproces, gro-
tere toleranties in zijn afmetingen en kan daar-
om alleen maar met mortelvoegen worden ver-
werkt. Ook bij de natuursteenconstructies wer-
den deze nu meer en meer toegepast. De druk-
krachten worden nu overgebracht via de ver-
harde mortelvoegen. '
Bij natuursteenconstructies werden ook vaak
metalen verbindingsmiddelen, van brons of
ijzer, gebruikt zoals ankers, doken en krammen
(atb. 108). Deze verbindingen dienen in het
algemeen voor het overbrengen van trekkrach-
ten of om het verschuiven van de blokken ten
opzichte van elkaar te voorkomen. ,
Bij de Griekse en de Romeinse bouwwerken
zullen ze vooral zijn gebruikt om bij aardbe-
vingen instortingen te voorkomen.
Bij de constructies van baksteenmetselwerk is
de mortelvoeg van oudsher de normale verbin-
ding (atb. 109). De voorganger van de bak-
steen, de gedroogde kleisteen, werd in Egypte
vermetseld met kleimodder. Voor de voegen
van baksteenmetselwerk werd aanvankelijk
kalkmortel gebruikt. In onze tijd wordt als
bindmiddel voor de mortel algemeen cement
toegepast. Het verhardt sneller dan kalk en
geeft de voeg een grotere sterkte.
Metalen verbindingsmiddelen worden bij bak-
steen alleen gebruikt als horizontale trekkrach-
ten moeten worden overgebracht (bijvoor-
beeld bij trekstangen in bogen en gewelven) of
108. Een muur van de cella van het Parthenon
te Athene, 5de eeuw v. C. Verbinding van de
natuursteenblokken met metalen verbindings-
middelen.
als verbindingen met houten vloeren die t'e- 109. Baksteenmetsèlwerk met mortelvoegen.
88
110. Bevestiging van een houten muurplaat
aan een baksteenmuur met een ijzeren anker.
vens dienst doen voor het bijeenhouden van de
gemetselde muren (muurankers). In het alge-
meen dienen de metalen verbindingsmiddelen
ervoor om trekkrachten over te brengen of om
verschuiving van elementen ten opzichte van
elkaar te voorkomen (afb. 110 en 111).
Houtconstructies
Er is bij houtconstructies een aanzienlijk ver-
schil tussen de verbindingsmethoden die tot
1900 algemeen gebruikelijk waren (de traditio-
nele), en de moderne verbindingsmethoden
die in de loop van de 20ste eeuw tot ontwikke-
ling kwamen.
De traditionele verbindingen kenmerken zich
door het feit, dat er geen of zo weinig mogelijk
ijzer bij werd gebruikt. Omdat ijzer vermeden
werd, moesten in de verbindingen geen trek-
krachten voorkomen en werden ze zo gemaakt,
dat er alleen sprake was van het doorgeven van
drukkrachten.
111. Bevestiging van een houten balklaag aan
een buitenmuur met een ijzeren rozetanker.
89
Eén van de eenvoudigste verbindingen is die
van een houten balk en een houten stijl. Om
het verschuiven van de beide elementen ten
opzichte van elkaar te verhinderen werd aan
de stijl een pen gemaakt, die paste in een gat in
de balk (de pen- en gatverbinding, afb. 112).
De druk van de balk op de stijl werd overge-
bracht via de twee vlakjes (borsten) aan weers-
zijden van de pen. Bij de stijl zijn deze vlakjes
van kopshout, dat heel goed in staat is om druk
te weerstaan. Bij de balk staat de druk echter
loodrecht op langshout dat hiertegen veel min-
der goed bestand is (het langshout heeft de
neiging om samen te knijpen). De verbinding
heeft verder het nadeel dat zowel de balk (door
het gat) als de stijl (door het wegnemen van
hout aan weerszijden van de pen) ernstig wor-
den verzwakt, juist op de plaats waar de be-
langrijkste krachtsoverdracht praats vindt. Dit
nadeel hebben vrijwel alle traditionele hout-
verbindingsmethoden.
Een tweede voorbeeld van houtverbindingen
is te vinden bij het eenvoudige driehoekspant
(afb. 113). Ook hier wordt gepoogd om bij de
verbindingen alle krachten om te zetten In
drukkrachten.
113. De voetverbinding in een eenvoudig hou-
ten kapspant (het pen- en gatgedeelte van de
verbinding is weggelaten).
90
112. Verbinding van een houten balk met een
stijl (pen- en gatverbinding).
Bij de verbinding van het spantbeen met de
trekbalk wordt gebruik gemaakt van een tand-
verbinding. Hierbij brengt de tand van het
spantbeen (kopshout) een drukkracht over op
een kopshouten vlakje in de trekbalk. Er moet
voor worden gezorgd dat het voorhout lang ge-
noeg is om niet afgeschoven te worden. Buiten
beschouwing wordt gelaten dat er meestal ook
nog een pen (aan het spantbeen) en een gat (in
de trekbalk) werden gemaakt om, door middel
van een houten nagel, te verhinderen dat de
verbinding open getrokken zou worden (bij-
voorbeeld door het krimpen van het hout). Al-
leen bij de bevestiging van de trekbalk aan de
hanger kon een trekkracht moeilijk worden
vermeden en gebruikte men dan ook meestal
een ijzeren beugel. De trekkracht is overigens
klein omdat alleen het doorhangen van de balk
door zijn eigen gewicht moet worden voorko-
men.
Soms moesten verdiepingvloeren met houten
balklagen ruimten met een aanzienlijke breed-
te overspannen, bijvoorbeeld meer dan io m.
Dit vergde een zodanige balkdoorsnede dat
deze niet meer uit één boomstam kon worden
verkregen. Men ging dan over tot de samenge-
stelde balk (afb. 114). De werking daarvan kan
men zich als volgt voorstellen.
Als een balk met een doorsnede van bijvoor-
beeld 0,4xO,4 m niet voldoende is om een be-
paalde ruimte te overspannen, kan op deze
balk een tweede met dezelfde doorsnede wor-
den gelegd. Als deze balken worden belast gaan
ze ieder voor zich doorbuigen. Wij zien dat de
onderzijde van de bovenste balk langer wordt
en dat de bovenzijde van de onderste balk zich
verkort. Deze beide vlakken willen hierdoor
langs elkaar schuiven. Als dit verschuiven zou-
den kunnen worden verhinderd, zou een
tweemaal zo sterk element ontstaan. De beide
balken zouden dan samenwerken als een balk
met een dubbele hoogte.
Aanvankelijk werd de verbinding tussen de be-
ide balken tot stand gebracht door middel van
vertandingen. De balken bleven op elkaar ge-
114. De samengestelde houten balk met ver-
tandingen en ijzeren beugels.
91
drukt door ijzeren beugels er omheen of met
ijzeren bouten erdoor. Later kwam men tot een
constructie met deuvels, korte latten (meestal
van hardhout), die in dwars sleuven in de beide
balken werden ingelaten en die zo eveneens het
verschuiven verhinderden (afb. 115). Deze
verbinding werd meestal als spieverbinding
uitgevoerd.
Toen omstreeks 1900 de gelijmde constructies
opkwamen, verdwenen de samengestelde bal-
ken om plaats te maken voor de gelamineerde
balken, die uit op elkaar gelijmde delen beston-
den.
Zoals reeds werd gezegd hadden de traditione-
le houtverbindingen vrijwel alle met elkaar ge-
meen dat de doorsneden aanzienlijk werden
verzwakt door het wegnemen van hout. Bo-
vendien waren ze bewerkelijk. Bij de nieuwe
methoden werd dit vermeden. Meestal werd
hiertoe gebruik gemaakt van het deuvelprinci-
pe, dat wil zeggen dat door middel van deuvels
werd voorkomen dat de te verbinden elèmen-
ten ten opzichte van elkaar zouden verschui-
ven.
De drukverbindingen van de traditionele con-
structies werden dus vervangen door schuif-
verbindingen. Met name vonden deze toepas-
sing in de moderne vakwerken.
Bij de eerste ontwikkelingen in deze richting
werd onder meer gebruik gemaakt van ronde
gietijzeren deuvels. Een voorbeeld daarvan
zijn de Kübler-deuvels (afb. 116).
116. Gietijzeren schijfdeuvels volgens Kübler.
92
115. De samengestelde houten balk met hou-
ten deuvels.
Een latere ontwikkeling vormden de krampla-
ten, die heel veel zijn gebruikt (afb. 117). Dit
zijn stalen platen, vierkantofrond, met aan de
randen tandvormige uitsteeksels. De te verbin-
den delen worden op elkaar geperst waardoor
de tanden in het langshout dringen. Hierdoor
komt de gewenste schuifverbinding tot stand.
De kramplaten kunnen grote krachten over-
brengen. Hierdoor werden houten vakwerk-
constructies mogelijk met grote krachten in de
knooppunten waarbij de verbindingen betrek-
kelijk weinig plaats in beslag namen.
Een voorbeeld daarvan zijn de houten drie-
scharnierspanten van een veilinghal te Aals-
meer uit omstreeks 1930 (afb. 118). De con-
structie van de knooppunten is nogal gecom-
pliceerd en laat zich niet verklaren zonder een
grondige analyse van het krachtenspel erin.
Wij zullen dit hier achterwege laten en vol-
staan met erop te wijzen dat de krachten in de
knooppunten door middel van schuifelemen-
ten (in dit geval kramplaten) worden doorgege-
ven. 117. Kra mpla ten.
118. Veilingshal te Aalsmeer, circa 1930. Ver-
bindingen met kramplaten.
93
IJ zerconstructies
De verbindingsmiddelen voor ijzerconstruc-
ties zijn schroefbouten, klinknagels en lasna-
den.
Schroefbouten (afb. 119) werden in de 19de
eeuw vooral gebruikt voor knooppunten van
vakwerkspanten, voornamelijk Polonceau-
spanten. Het zijn bouten met grote diameters,
speciaal gemaakt en passend in verbindings-
stukken, die vaak van gietijzer waren.
Hiermee werden de vakwerkstaven scharnie-
rend op het knooppunt aangesloten.
Als voorbeeld nemen wij de Polonceau-span-
ten van de voormalige rij loods bij de cavalle-
riestallen in De Doelen te Leiden uit 1878 (afb.
120). Een kenmerkende boutverbinding is het
knooppunt in de onderrand waar drie treksta-
ven en een drukstaaf elkaar ontmoeten.
De trekstaven, van randijzer, hebben ieder aan
het uiteinde een gesmeed oog waar een bout
doorheen gestoken kan worden. De bouten
zijn bevestigd in een gietstuk (de knoopplaat),
dat de krachten moet overbrengen.
De overdracht van een kracht via een bout
geschiedt als volgt (afb. 121). Het oog van de
trekstaaf drukt tegen de boutsteel. De bout rust
in twee gaten in het gietstuk en drukt tegen de
randen van deze gaten. Daarmee is de kracht
van de trekstaaf op het gietstuk overgebracht.
94
119. Schroefbout met moer.
'l : :.::
. .   : : ~
.'
-: l: '::Y
.... J
f

I
120. Knooppunt van een Polonceau-spant van
de Rijloods in De Doelen te Leiden, 1878.
Scharnierende boutverbindingen.
De bout wordt dus aan twee soorten krachten
onderworpen. Uitwendig drukken er krachten
op de boutsteel en inwendig zijn er vooral
schuifkrachten in twee doorsneden (afschuif-
vlakken), waaraan de bout weerstand moet
kunnen bieden.
De gietijzeren drukstaafvan het Leidse Polon-
ceau-spant is beëindigd met een aangegoten
nok die in een gat in de knoopplaat past. De
drukkracht wordt dus rechtstreeks op de plaat
overgebracht. Een kleine bout zorgt ervoor,
dat bij de montage de drukstaaf op haar plaats
blijft.
Dergelijke schroefboutverbindingen waren be-
werkelijk en daarom duur. Zij werden al spoe-
dig vervangen door klinknagels, die goedkoper
waren (afb. 122). Zij werden verhit en daarna
met klinkhamers in voorgeboorde gaten gesla-
gen die ze geheel opvulden. De wijze, waarop
de krachten worden overgedragen, is overigens
geheel dezelfde als die bij bouten.
Ten opzichte van de hiervoor beschreven bou-
ten hebben klinknagels kleine afmetingen. Ze
kunnen dan ook slechts betrekkelijk kleine
krachten overbrengen. Dit heeft tot gevolg dat,
om een staaf op een knooppunt aan te sluiten,
er meerdere klinknagels nodig zijn.
121. Krachten in een boutverbinding.
122. Klinknagel.
. ' . ' . :
• ,I'
.. :-
95
Ook hier zijn er als intermediair tussen de vak-
werkstaven knoopplaten nodig. Vaak hebben
deze forse afmetingen omdat de klinknagels
samen vrij veel plaats innemen. Een voorbeeld
is het Belgische spant van een smederij van de
Nederlandse Spoorwegen te Amersfoort uit
omstreeks 1920, met een detail van een boven-
randknooppunt (afb. 123).
123. Het Belgische spant van een smederij van
de Nederlandse Spoorwegen te Amersfoort.
Klinkverbindingen met knoopplaten.
Bij gelaste constructies worden de krachten in
de verbindingen overgebracht door lasnaden.
Deze bestaan uit ijzer dat, hoog verhit door
elektrische stroom, in vloeibare toestand is
aangebracht en daardoor samensmelt met de
te verbinden delen.
In afbeelding 124 wordt een voorbeeld gegeven
van een verbinding tussen twee platen door
middel van twee hoeklasnaden. De krachten in
de platen worden door middel van schuif-
krachten in de lasnaden overgebracht.
De tweede methode van krachtsoverdracht
door lasnaden is die door middel van stompe
lassen, waarbij de kracht zonder een omweg
van de ene plaat in de andere overgaat (afb.
125).
125. Gelaste verbinding met een stompe las.
96
_ . _ ~
_ ____ _______ ____ _ ~ T   I   . _ .. _ _ ______ __ _ ____. _ _
124. Gelaste verbinding met hoeklassen.
---.r-
IJzer en staal zijn hoogwaardige materialen. Er
kunnen hoge spanningen in worden toegelaten
en de elementen hebben slanke afmetingen. Er
ontstaat hierdoor wel een probleem als ijzeren
elementen ondersteund worden door steen-
achtig materiaal, bijvoorbeeld in het geval een
ijzeren kolom op een betonnen voet wordt ge-
plaatst (atb. 126).
Om maatafwijkingen, die tijdens het bouwen
onvermijdelijk ontstaan te compenseren,
wordt onder de kolom op de betonvoet een
voeg van cementmortel aangebracht. In zo'n
voeg liet men vroeger een spanning toe van on-
geveer 20 kg!cm
2
, terwijl in een kolom bijvoor-
beeld spanningen heersen van 1000 kg!cm
2
,
dus een verhouding van 1:50. Om het verschil
tussen deze spanningen te overbruggen werd
aan de kolom een brede voet gemaakt in de
vorm van een plaat, die uitsteekt buiten de
kolom en zo groot is dat daardoor de spannin-
gen in de mortel voeg niet groter zijn dan 20
kg! cm
2
• Dus met een oppervlakte van ongeveer
50 maal die van de kolomdoorsnede. De plaat
werd verstijfd met schotten waardoor de
kracht in de kolom via de plaat en de mortel-
voeg gelijkmatig werd overgebracht naar het
beton van de voet. In de voet ingebetonneerde
ankers zorgden ervoor dat de kolom niet zijde-
lings kon verschuiven.
Gewapende betonconstructies
Ten opzichte van hout- en ijzerconstructies
zijn de verbindingen bij in het werk gestort
gewapend beton bijzonder eenvoudig. Zo'n ge-
wapende betonconstructie is monoliet; de ver-
bindingen tussen betonnen kolommen, balken
en platen komen tot stand doordat ze aan el-
kaar vast worden gestort, terwijl ook de wape-
ning doorgaat.
Zulke verbindingen zijn stijf, dat wil zeggen
dat ze buigende momenten kunnen opnemen.
Er dient slechts voor gezorgd te worden dat de
wapening op de juiste plaats is aangebracht,
namelijk daar waar trekkrachten optreden.
126. Overgang van een ijzeren kolom naar een
betonnen voet.
97
Slechts bij uitzondering werden vroeger wel
scharnierende verbindingen gemaakt. De be-
tondoorsnede werd dan plaatselijk zo klein ge-
maakt dat ze praktisch niet meer aan buigende
momenten weerstand kon bieden, zodat deze
ook niet opgenomen konden worden. Een
voorbeeld hiervan is de betonconstructie van
een luchtschiphal te Montebourg, Frankrijk,
waarvan het dak wordt gedragen door boog-
spanten met een top scharnier en twee voet-
scharnieren (afb. 127). Het is duidelijk dat in
de zeer kleine doorsneden ter plaatse van de
scharnieren het beton geen rol meer speelt bij
de krachtsoverdracht en dat het wapenings-
staal daar het werk moet doen.
Bij constructies van geprefabriceerd beton is
de situatie geheel anders. Hiervoor bestaan
vele mogelijkheden om de vooraf vervaardig-
de elementen onderling te verbinden. Omdat
geprefabriceerd beton voor 1940 in Nederland
zeer weinig werd gebruikt, zullen voorbeelden
hiervan achterwege worden gelaten.
98
Coupe OL
. ,_ '" \,;

__ "O'"
"'-"--" \ . i"..!':::!ro:P,rrI<
Arüculalion de -""9"'_' •• • , ' l  
-<"--l __...... ---' -4:.
\, '.
127. Luchtschiphal te Montebourg, Frankrijk.
Een gewapende betonconstructie met scharnie-
ren.
Constructies
Algemeen
Nadat in de beide vorige hoofstukken onder-
delen van constructies (elementen) en de wijze,
waarop deze onderling worden verbonden,
zijn behandeld komen in dit hoofdstuk con-
structies aan de orde die als geheel dienst doen
om een bouwwerk bestand te maken tegen de
krachten die erop werken. In het bijzonder zal
aandacht worden besteed aan de wijze waarop
de constructie is samengesteld uit haar elemen-
ten (de structuur van de constructie), hoe de
krachten worden afgevoerd naar de fundering
en waaraan de constructie haar stabiliteit ont-
leent.
De bouwwerken, die als voorbeeld dienen, zul-
len in chronologische volgorde van hun tot-
standkoming worden behandeld. Het is niet de
bedoeling om hiermee een historisch beloop te
beschrijven, wel in het algemeen een ontwikke-
ling van eenvoudig naar complex, hoewel met
zo'n kenschets te kort wordt gedaan aan bij-
voorbeeld de prestaties van de Romeinen op
het gebied van het bouwen.
Bij de voorbeelden zullen wij ons beperken tot
gebouwen. Voor de meeste lezers van dit boek
vormen deze het voornaamste werkgebied. Bo-
vendien zijn draagconstructies van gebouwen
meestal complexer dan die van andere bouw-
werken en zijn ze vaak verborgen in het ge-
bouw, achter afbouwconstructies of daarmee
gecombineerd.
Begrijpt men hoe de draagconstructies van ge-
bouwen werken dan is het niet moeilijk om te
zien hoe bijvoorbeeld de constructies van
bruggen zijn samengesteld en hoe de krachts-
werking erin is.
8
99
De zuilenhal van de tempel van
Amon te Karnak, Egypte, 13de
eeuw v.C.
De zuilenhal is verdeeld in een hoge midden-
hal en twee lagere zij hallen. De middenhal
heeft onder het dak een hoogte van ongeveer
24 m. In de hal zijn twee rijen zuilen, met een
onderlinge afstand van circa 8 m hart op hart.
In de rijen staan de zuilen op afstanden van
ongeveer 7 m (afb. 128).
In de oorspronkelijke toestand verkeerde de
zuilenhal in een schemerig duister: daglicht 128. De zuilenhal.
trad alleen maar toe door smalle verticale ope-
ningen in de boven de zij hallen uitstekende
wanden van de middenhal.
De uitwendige krachten op het dak van de
middenhal zijn niet groot. Sneeuw komt in
Egypte niet voor, de grootste belasting zou wel-
licht kunnen worden veroorzaakt door zand
dat bij stormen op het dak terecht komt. Deze
belasting is echter gering vergeleken met het
eigen gewicht van de constructie die geheel van
zandsteen is vervaardigd. Ook de windbelas-
ting is niet van betekenis bij deze vrijwel geheel
ingebouwde hal. De constructie moet dus in
hoofdzaak zichzelf dragen.
De constructie is opgebouwd uit dakplaten,
achitraven, kapiteel platen en zuilen (afb. 129).
De dakplaten hebben tussen de architraven
een overspanning van ongeveer 5,5 m. Dat is
voor een materiaal als zandsteen, dat een ge-
ringe weerstand tegen trekspanningen en dus
ook tegen buigspanningen heeft, niet weinig.
Op het dak is thans geen enkele plaat meer
aanwezig. Er behoeft daarom nog niet te wor-
den verondersteld dat alle platen in de loop
van de tijd onder hun belasting zijn bezweken.
Het slopen van materiaal uit bouwwerken
kwam in Egypte, vooral in de islamitische tijd,
veel voor. De platen moeten, om voldoende
buigweerstand te hebben, dik zijn geweest,
misschien wel een halve meter. 129. De constructie.
100
De architraven werden, door de belasting van
de dakplaten en hun eigen gewicht, ook op
buiging belast. Zij liggen op vierkante blokken
(kapiteelplaten) met een oppervlakte van
2,4x2,4 m
2
en overspannen dus 7 - 2,4 = 4,6 m.
leder zijn zij samengesteld uit twee naast el-
kaar gelegen zandsteenbalken met een door-
snede van circa 1 ,2x 1,9 m, dus met een totale
breedte van 2,4 m en met de in verhouding tot
de overspanning aanzienlijke hoogte van 1,9
m.
Een aantal van de nog aanwezig architraven is
aan de onderzijde gescheurd door buigtrek-
spanningen, soms is zelfs een gedeelte aan de
onderzijde verdwenen (afb. 130). Toch zijn zij
niet ingestort.
In dergelijke hoge balken treedt, na het scheu-
ren aan de onderzijde, boogwerking op. De
krachten in de natuursteenbalk lopen dan van-
af de bovenzijde in het midden naar de
steuningsvlakken op de abacus. De daarbij 'op-
tredende spatkrachten kunnen op twee
manieren worden opgevangen: door de.zijcie-
lingse steun van de belendende architraven (als
deze nog aanwezig zijn) of door de wrijvings-
weerstand in de opleggingen van de architraaf.
De zuilen hebben grote afmetingen. Zij zijn
opgebouwd . uit cilindervormige zandsteen-
blokken (trommels) waarvan de onderste een
diameter van 3,6 m hebben. De zuilen moeten
vooral hun eigen gewicht dragen. Iedere zuil is,
door het gewicht van de totale constructie, be-
last met ongeveer 700 ton waarvan bijna 550
ton afkomstig is van het eigen gewicht van de
zuil.
De stabiliteit van de hal (de weerstand tegen
horizontale krachten) moet door de  
kerheid van de zuilen worden geleverd. Een
probleem is dit niet: de middenhal wordt gro-
tendeels van de wind afgeschermd door de zij-
hallen waarvan de buitenmuren overigens al-
leen al dik genoeg zijn om de windkrachten te
weerstaan.
..
: .
130. Een gescheurde architraaf
101
Het Pantheon te Rome, ca. 120
Van het Pantheon, de tempel aller goden, is de
hoofdruimte een rotonde, bestaande uit een
tamboer met daarop een koepel. De tamboer
heeft een cirkelvormige plattegrond met een
inwendige diameter van ruim 43 m, de koepel
heeft ongeveer de vorm van een halve bol. Bo-
venin de koepel is een cirkelvormige opening
uitgespaard met een diameter van ongeveer 8
m. De constructie is grotendeels uitgevoerd in
ongewapend beton, doorschoten met lagen
baksteenmetselwerk en met gemetselde ontlas-
tingsbogen (afb. 131).
In hoofdstuk 3 is de werking van de krachten in
een dergelijk koepelgewelf al verklaard. Wij 131. Het Pantheon.
kunnen ons de koepel verdeeld denken in hori-
zontale ringen. In deze ringen heerst bovenin
de koepel druk (waartegen het beton goed be-
stand is) maar in de onderste ringen treden
trekkrachten op. Omdat ongewapend beton
weinig weerstand kan bieden aan   e z ~ trek-
krachten, kunnen deze onder in de koepel ver-
ticale scheuren veroorzaken. De koepel kan nu
geschematiseerd worden door hem opge-
bouwd te denken uit los naast elkaar staande
wigvormige 'schillen' (zie afb. 61). Net als bij
een koepel, opgebouwd uit boogspanten, leu-
nen deze schillen tegen elkaar (boven in de
schillen heersen immers ringdrukkrachten).
Hierdoor ontstaan aan de voet van de schillen
naar buiten gerichte krachten (spatkrachten).
Ook bij het Pantheon moet men zich niet laten
misleiden door de vorm van de verticale
doorsnede: een halve cirkel met een verticale
raaklijn aan de voet. Ook bij een halve cirkel-
boog treden er spatkrachten op (afb. 133).
Er zijn twee mogelijkheden om de spatkrach-
ten op te vangen:
- door een trekring aan de voet van de koepel,
- door de muren van de tamboer.
132. Het interieur.
102
Bij het Pantheon is laatste oplossing aanwezig.
De muren van de tamboer zijn 6,5 m dik. Door
de nissen en de toegang tot de rotonde zitten er
echter veel openingen in, zodat er eigenlijk
geen sprake is van een massieve muur. De on-
dersteuning van de koepel kan worden gesche-
matiseerd tot acht forse pijlers van ongewa-
pend beton. Deze bieden door hun grote
gewicht weerstand aan de spatkrachten van het
koepelgewelf.
Door de krachten, die de koepelschillen uit-
oefenen op de pijlers, samen te stellen met het 133. Verticale doorsnede.
gewicht van de pijlers (volgens het parallello-
gram van krachten) ontstaat een resulterende
kracht.
Deze mag in ieder geval niet buiten de voet van
de pijler vallen omdat deze dan zou kantelen.
Zij moet zelfs aanzienlijk binnen de doorsnede
van de pijler blijven om te voorkomen dat er
aan de binnenzijde van de pijler trekspannin-
gen optreden, waaraan het beton geen weer-
stand kan bieden, en dat de drukspanningen
aan de buitenzijde niet te groot worden (zie
afb. 48).
De Romeinen moeten wel een goed inzicht
hebben gehad in de werking van krachten in
koepels en in de krachten die op de tamboer
worden uitgeoefend. Zij hebben een tweetal
voorzieningen getroffen waardoor de richting
van de kracht op de pijlers van de tamboer
naar binnen wordt gedrukt. De voorzieningen
resulteren beide in een vergroting van het ge-
wicht van het onderste deel van het gewelf.
Allereerst is het benedengedeelte naar buiten
toe trapvormig verdikt en verder is het gewelf
opgebouwd uit drie horizontale lagen met ver-
schillende soorten beton, die van boven naar
beneden in volumegewicht toenemen. Ook de
opening in het midden van de koepel heeft een
soortgelijk effect: het weglaten van gewicht in
het midden is vergelijkbaar met het toenemen
van het gewicht aan de voet (afb. 135).
135. De vergroting van het gewicht van de koe-
pel aan de voet is gunstig.
134. Horizontale doorsnede.
103
De hoge kerkhallen in
de Middeleeuwen
De grote kathedralen in gothische stijl, waar-
van de bouw omstreeks 1150 in Frankrijk be-
gon, zijn complexe bouwwerken. Niet alleen
vanwege hun ruimtelijke samenstelling, met
een dwarsschip loodrecht op het hoofdschip en
een beëindiging met een halfrond koor, maar
ook door de wijze waarop de krachten door de
bouwdelen naar de fundering worden geleid.
In het navolgende zullen wij ons alleen maar
bezig houden met de krachtswerking in een
normale travee van het hoofdschip en geen
aandacht schenken aan die in het koor en bij de
ontmoeting van hoofdschip en dwarsschip (de
viering, vaak bekroond met een toren).
De constructie van een normale travee van het
schip is meestal samengesteld uit de volgende
onderdelen (afb. 136):
- het dak met de kapspanten,
- de stenen kruisribgewelven daaronder ..
- de zijwanden van de hoge middenbeuk, met
bovenin de grote ramen van de lichtbeuk,
daaronder het triforium, het geheel gedragen
door pijlers via een bogenrij,
- de lage zijbeuken, met hun buitenmuren, af-
gedekt met kruisribgewelven en een dak,
- buiten de zijbeuken de steunberen, door
middel van luchtbogen verbonden · met de
zijwanden van de middenbeuk.
Het doel van de architectuur van de. gothische
kathedralen was het scheppen. van hoog ogen-
de ruimten. De middenbeuk is dan ook zelden
breed (een afstand van 15 m tussen de pijlerrij-
en aan weerszijden was al een grote maat) maar
wel hoog. Bij de kathedraal van Beauvais (de
hoogste) ligt de top van de kruisribgewelven
ruim 47 m boven de vloer. De traveemaat (dat
is de afstand van de pijlers in de lengterichting
van het schip) is vaak ongeveer de helft van de
breedte van de middenbeuk. De kruisribgewel-
ven zij n dan ook meestal gespannen over een
rechthoekige plattegrond met een lengte (de
breedte van de middenbeuk) van ongeveer
104
+---'i;,-!'-



 


136. Doorsnede over het schip.
twee maal de breedte (de travee-maat). Soms,
bij zeer smalle traveeën, spant een kruisribge-
welf over twee traveeën.
De verticale belasting in het schip bestaat voor
het overgrote deel uit het eigen gewicht van de
bouwdelen. Het dak, gedekt met leien, brengt
via de houten kapspanten zijn gewicht over op
de zijwanden van de middenbeuk, dat wil zeg-
gen op de tussen de ramen gelegen pijlers.
Door de pijlers gaan deze krachten, evenals die
van het gewicht van de zijwanden, rechtstreeks
naar de fundering.
Moeilijker zijn de krachten uit de kruisribge-
welven te volgen.
Zo'n gewelf bestaat uit een geraamte van rib-
ben waartussen de gewelven zijn gemetseld.
Bij een normaal kruisribgewelf zijn er twee
kruisribben (diagonaal over de plattegrond) en
twee muraalbogen (in de zijwanden boven de
ramen) terwijl ieder gewelf ter plaatse van de
pijlers wordt afgesloten met gordelbogen in de
dwarsrichting van de hal (afb. 137).
Geometrisch is het kruisribgewelf voorstel-
baar als een doorsnijding van twee loodrecht
op elkaar staande spitsbooggewelven. Vaak is
het gewelf in de dwarsrichting van het schip
naar de toppen van de ramen toe echter afge-
bogen. Door hun gebogen vorm vertonen de
kruisgewelven boogwerking. Zij dragen op de
pijlers, oefenen daarop niet alleen verticale
krachten uit (die de pijlers wel kunnen opne-
men) maar ook buitenwaarts gerichte spat-
krachten waaraan de relatief slanke pijlers
geen weerstand kunnen bieden. Hiervoor die-
nen de steunberen (afb. 138). Deze zijn aan
iedere zijde van de hal vaak door twee luchtbo-
gen met de pijlers van de middenbeuk verbon-
den. De onderste van de twee zorgt voor het
overbrengen van de gewelfspatkracht naar de
steunbeer.
Om weerstand te bieden aan deze zijdelingse
krachten moeten de steunberen ten eerste
zwaar zijn en ten tweede grote afmetingen heb-
ben in de dwarsrichting van de kerkhal. Hier-
toe heeft men aan de steunberen een naar bene-
den toe toenemende breedte gegeven. Om een
indruk te krijgen van de krachtswerking in een
137. Vierdelig kruisgewelf.
~ ~ .   ....
"
1
".
. ' .
... '
138. Krachten in een normale doorsnede.
105
steunbeer kan deze in moten verdeeld worden
gedacht.
De bovenste moot (1) geeft door zijn eigen
gewicht alleen maar een verticale kracht naar
beneden (de werking van de bovenste lucht-
boog laten we voorlopig buiten beschouwing).
De tweede moot ontvangt bovenin de spat-
kracht van het kruisribgewelf. Door haar eigen
gewicht en geholpen door het gewicht van
moot 1 buigt zij deze naar binnen. De resulte-
rende kracht treft moot 3 die, alweer door haar
eigen gewicht, deze kracht verder naar binnen
buigt.
Het resultaat moet zijn dat in alle delen van de
steunbeer de resulterende kracht in ieder geval
binnen de doorsnede valt (om kantelen te
voorkomen) en zelfs ruim daarbinnen om trek-
spanningen in het metselwerk te vermijden.
De krachten uit de kruisribgewelven over de
zijbeuken zijn van geringe betekenis. Vergele-
ken met die uit de grote gewelven over de mid-
denbeuk zijn ze klein en de spatkracht grijpt
laag op de steunbeer aan. De spatkrachten, die
de gewelven van de zijbeuken op de pijlers van
de middenbeuk uitoefenen, zijn bedenkelijker.
De pijlers zijn relatief slank en kunnen moei-
lijk zijdelingse krachten verdragen. Soms ziet
men dan ook in de zijbeuken aan de voet van
de gewelven ijzeren trekstangen aangebracht
die de spatkrachten opnemen.
Behalve aan de verticale krachten door het
eigen gewicht moet de constructie van de kerk-
hal ook weerstand bieden aan windkrachten.
Hoewel deze ten opzichte van het gewicht van
de steenmassa's betrekkelijk klein zijn werden
er aan de bovenzijde van de hal toch voorzie-
ningen getroffen. Met name worden de voeten
van het dak via luchtbogen aan weerszijden
van de hal (de bovenste in de doorsnedeteke-
ning) op hun plaats gehouden door de steunbe-
ren.
Daarnaast zorgen de onderste balken van de
kapspanten voor een koppeling tussen de zij-
wanden van de middenbeuk en bevorderen
hierdoor de stabiliteit van het geheel (afb.
139).
106
.: .'
. ' .
139. Windkrachten.
.'
'.
, . ' .
", ' .
. .
" ..
~
+-
+-
~
~ o  
~
~
~
~
~
oE-
~
+-
+-
+-
De Sint Pieterskerk te Rome,
16de eeuw
De koepel van de Sint Pieterskerk is een voor-
beeld van de vele grote stenen koepelgewelven
die in de Renaissance werden gebouwd (afb.
140 en 141). Hij heeft een diameter van 42 m
en is iets hoger dan een halve bol met dezelfde
diameter. De kruin van de koepel ligt ruim 100
m boven de vloer van de kerk.
Het koepelgewelf begint beneden met een mas-
sief gedeelte dat 2,7 m dik is. Op 14 m boven de
voet splitst het gewelf zich in twee delen, een
binnengewelf met een dikte van 1,5 m en een
buitengewelf, dik 0,7 m. De gewelven zijn ver-
bonden door 16 radiaal lopende ribben die
naar boven toe in hoogte toenemen tot 5,2 min
de top. De koepel wordt daar bekroond met
een grote lantaarn.
140. De Sint Pieterskerk. 141. Het interieur van de koepel.
107
Eén van de problemen van de bouw van koe-
pelgewelven is het opvangen van de ringtrek-
krachten in het onderste gedeelte ervan.
Bij de Sint Pieter werd hierin aanvankelijk
voorzien door drie trekringen, bestaande uit
korte smeedijzeren staven, onderling verbon-
den door in aangesmede ogen gestoken dwars-
staven (afb. 142).
Nadat de koepel in 1590 voltooid was traden er
in de loop van de tijd in het onderste deel
verticale scheuren op (afb. 143).
Klaarblijkelijk boden de ringen niet voldoende
weerstand aan de ringtrekkrachten. Zij werden
zodanig belast dat zij gingen 'vloeien', dat wil
zeggen dat de spanning erin zo groot werd dat
de staven overmatig gingen uitrekken. Het
metselwerk kon die rek niet volgen en scheur-
de.
142. De constructie.
108
143. Scheuren aan de voet van de koepel.
De ringen zijn echter niet gebroken (dan zou de
koepel zijn ingestort). Na het vloeien gaat het
ijzer namelijk opnieuw weerstand bieden aan
de optredende krachten, de spanning ligt in het
'verstevigingsgebied' (zie de grafiek van afb.
87). Men achtte de toestand echter verontrus-
tend en omstreeks 1 740 werd aan een drietal
geleerden opdracht gegeven tot een onderzoek.
De resultaten hiervan vormen één van de eer-
ste schreden op het pad van de ontwikkeling
van de mechanica van bouwconstructies. In
1743 en 1744 werden vijf ringen toegevoegd,
in 1748 nog een zesde (afb. 144).
1144 ! - - - - - - -
tlH 3"- - - --
11[.
'(4'<-" _.-
-- -
144. Verticale doorsnede.
A   • .f

1> ,\0'; .eh, . ,t",." " ,
I() I("P" ·!
'J. Jn", .. RdVtT1"\vPf,r Ju,
á7l, j''1-
D. 1\0" i sch rr T.sm
r;.!'.r!\,
I. Ê)t,;('\m,{ L Jbrll t
;r"t·
\Yi:étl.-
(1632. - '( l8)t
(.I! Jl' i ,:t 16f).-
145. Het kegelgewelfin Saint Paul's Cathedral
te Londen.
109
Soms is de veronderstelling geuit dat de scheu-
ren vooral veroorzaakt zouden zijn door het
gewicht van de grote lantaarn.
In principe is een koepelgewelf niet geschikt
om in de top een grote last zoals die van de
zware lantaarn te dragen. Indien het gewelf
niet dik genoeg is zal het rondom de lantaarn
breken en zal de lantaarn naar beneden stor-
ten. Vermoedelijk om dit tegen te gaan hebben
de gewelfribben in de top grotere afmetingen
(de aanleiding zou ook kunnen zijn het verwe-
zenlijken van de verschillende vormen van
binnen- en buitenschaal).
Vanzelfsprekend draagt het gewicht van de
lantaarn bij tot de ringtrekkrachten maar niet
in die mate dat het de belangrijkste veroorza-
ker daarvan zou zijn. Overigens heeft Chris-
topher Wren bij de koepel van Saint Paul's
Cathedral te Londen (1675-1710) een vernuf-
tige oplossing gevonden voor het dragen van
de lantaarn (afb. 145). Hij introduceerde hier-
toe een kegelvormig bakstenen gewelf dat de
krachten uit de lantaarn rechtstreeks naar de
ondersteuning van de koepel voert. De stenen
binnenkoepel behoeft daardoor alleen maar
zijn eigen gewicht zonder dat van de lantaarn
te dragen.
Onder de koepel bevindt zich een dikke ring-
muur met grote raamopeningen. Het gewicht
van de koepel wordt gedragen door de muur-
dammen tussen de ramen. De 16 zuilenparen,
die de muurdammen aan de buitenzijde accen-
tueren, spelen daarbij geen rol. Anders dan bij
het Pantheon behoeven, afgezien van de belas-
ting door windkrachten, door de muurdam-
men slechts verticale krachten te worden over-
gebracht. De spatkrachten van de koepel
worden immers reeds door de ijzeren trekrin-
gen opgenomen.
Verder naar beneden worden de krachten via
grote bogen verder geleid naar vier kolossale
pijlers (afb. 146). Deze hebben een grondvlak
van circa 18x 18 m waarvan één hoek is afge-
snoten. Uit- en inwendig hebben de pijlers in-
kassingen en uitsparingen, onder andere voor
een wenteltrap. 146. Krachten in de constructie.
110
Het pakhuis 'De VijfWerelddeelen'
te Rotterdam, 1878
Het pakhuis 'De Vijf Werelddeelen' van het
Vrij-Entrepot, dat tussen 1875 en 1878 aan de
Entrepothaven te Rotterdam werd gebouwd, is
een voorbeeld van een 19de-eeuws pakhuis:
met bakstenen buitenmuren, houten vloeren
op houten balklagen en ijzeren kolommen en
hoofdbalken. Een constructie die in Nederland
nog tot 1920 gebruikt werd.
Het Vrij Entrepot diende voor de opslag van in
Rotterdam van elders aangevoerde goederen
waarvan de bestemming nog niet vaststond en
die daar belastingvrij een tijdelijk onderdak 147. Het pakhuis 'De VijfWerelddeelen'.
konden vinden. Het gebouw heeft een lengte
van circa 200 m, een breedte van circa 37 m en
is verdeeld in vijfbrandvrij van elkaar geschei-
den compartimenten die de namen van de we-
relddelen dragen: Africa, America, Europa,
Azië en Australië. Er is een kelder met daarbo-
ven vier bouwlagen.
De dakvlakken zijn flauw hellend en worden
ondersteund door een houtconstructie op de
bovenste bouwlaag. Gordingen dragen een
dakbeschot en rusten op hoofdbalken in de
lengterichting van het gebouw. Deze worden
gesteund door houten kolommen en schoren
naar deze kolommen. Door de toevoeging van
horizontale verbindingsbalken ontstaan er
spanten die in de breedterichting van het ge-
bouw op onderlinge afstanden van circa 5,2 m
staan.
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 D D
0
"
0 D 0 0 D D 0 0 D 0 D D D
0 0 0 0 0 D 0 0 0 D D D 0 0 D
0 0 0 0 0 D 0 0 D 0 D D 0 D 0
0 0 D 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0
D 0
D D
D D
D D
0 0
0 0
148. Plattegrond van een normale verdieping.
0 0 D D D 0 0 0 0 D 0 0

0 0
D 0 0 0 D D D 0 D 0 D 0 D 0 D
0 D 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 D D D
0 0 0 0 D D 0 D 0 0 0 0
• • •
0 0 0 D 0 D 0 0 D 0 D 0
Q Q Q
0 D 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 D D
111
De verdiepingvloeren hebben 4 cm dikke hou-
ten delen (planken) over houten balken die
hart op hart 0,6 m liggen en een doorsnede van
circa 20x35 cm hebben. Deze houten balkla-
gen overspannen in een normale travee de,
gezien de belasting, respectabele afstand van
5,3 m en rusten op smeedijzeren hoofdliggers
in de breedterichting van het gebouw. Deze
I-vormige vollewandliggers zijn door middel
= ~
nl n l ln Inl
van klinken samengesteld uit platen en hoek- 149. Dwarsdoorsnede.
profielen. Ze hebben een hoogte van circa 60
cm. Op de onderranden zijn met schroefbou-
ten ijzeren consoles bevestigd (korte I-profie-
len) voor het dragen van de houten balken.
Eenvoudiger was het geweest om de houten
balken over de bovenflenzen van de hoofdlig-
gers te laten lopen maar deze wijze van ont-
moeting zou de verdiepinghoogte hebben ver-
groot, hetgeen men waarschijnlijk te kostbaar
achtte. De hoofdliggers rusten op gietijzeren
kolommen op een onderlinge afstand van 5,2
m. Deze kolommen hebben een bijzondere
~
1111
= -=
"""
~   : ; /
1111 1111 1111
vorm. Normaal werden gietijzeren kolommen 150. Lengtedoorsnede.
151. De constructie.
112
~ =
!!:!!!!!!
r II r lil rl
----- -=
11 11 1111 1111 1111
voor verdiepinggebouwen uitgevoerd met een
cirkelvormige doorsnede maar bij 'De Vijf
Werelddeelen' hebben de kolomdoorsneden
een I-vorm; voor zover bekend de enige in
Nederland. Bijzonder is ook de plaats van de
onderlinge verbinding van de kolommen.
Deze ligt onder de hoofdliggers. Aan iedere
kolom van de bouwlagen 2 en 3 is een voet
gegoten met consoles die de hoofdliggers dra-
gen. Daaronder ligt de kolomstuik. Waarom
deze oplossing werd gekozen is niet bekend.
Logisch lijkt zij niet als men bedenkt dat eerst
de kolommen over een hoogte van twee bouw-
lagen zelfstandig gemonteerd moesten worden
en dus 6 m vrij in de lucht staken voordat de
hoofdliggers er tussenin konden worden ge-
bracht. Eenvoudiger was het geweest om de
kolomstuik vlak boven de vloer aan te brengen
en de kolommen te voorzien van een kolom-
kop met consoles voor het dragen van de
hoofdbalken zoals gebruikelijk was. 152. Vloerconstructie.
De beganegrondvloer heeft een afwijkende
constructie, vermoedelijk omdat, althans over
een gedeelte ervan, zwaar verkeer plaats vond.
Hier rusten ongewapende betonnen troggewel-
ven op ijzeren balken. Deze dragen weer op
zware bakstenen pijlers en op daartussen ge-
metselde bogen. De plaats van de pijlers komt
overeen met die van de erboven gelegen giet-
ijzeren kolommen.
Zoals reeds werd gezegd is het gebouw ver-
deeld in compartimenten.
De middelste drie zijn groter dan die aan de
einden. Ze hebben een lengte van 48 m. De
reden van de compartimentering is de brand-
veiligheid. De 44 cm dikke bakstenen schei-
dingsmuren steken 2 m boven het dak en 2 m
buiten de gevelmuren uit om brandoverslag te
voorkomen. Verder vervangen ze ter plaatse
de kolommen en de hoofdliggers en dragen ze
de vloeren.
De bakstenen gevelmuren hebben een dikte
van 33 cm (ter plaatse van de beganegrondlaag
44 cm). Ze dragen de ijzeren hoofdliggers en
zijn daartoe zowel aan de binnen- als aan de 153. Principe van het trog gewelf
113
buitenzijde van het gebouw versterkt met pe-
nanten met een gezamenlijke dikte van 33 cm
(er zijn daar dus bakstenen kolommen met een
dikte van 66 cm).
Hoewel een dergelijk pakhuis grote vloerbelas-
tingen heeft, tot 2000 kg/m
2
, is de overdracht
van de krachten, zoals bij de meeste verdie-
pinggebouwen, niet gecompliceerd. Bij de ver-
diepingvloeren zijn de dragende elementen
achtereenvolgens de houten vloerdelen, de
houten balken, de ijzeren hoofdliggers en de
gietijzeren kolommen. Voor het dak en de be-
ganegrondvloer geldt, zij het met andersoorti-
ge elementen, hetzelfde.
De overdracht van de horizontale krachten,
voornamelijk de windbelasting, is wat minder
eenvoudig. De wind treft, in de dwarsrichting
van het gebouw, eerst de gevelmuren. Bij 19de-
eeuwse gebouwen waren doorgaans op relatief
kleine onderlinge afstanden dwarsmuren aan-
wezig die aan de gevelmuren steun gaven.
Bij 'De Vijf Werelddeel en' is dit echter geens-
zins het geval: de dwarsmuren staan op afstan-
den van 48 m van elkaar en geven alleen maar
plaatselijk steun aan de gevel. In dit geval moe-
ten de verdiepingvloeren dus voor horizontale
ondersteuning zorgen. De gevelmuren zijn dan
ook met muurankers aan de ijzeren hoofdlig-
gers bevestigd. Deze ankers doen met name
dienst in het geval van windzuiging, dus aan de
lijzijde van het gebouw.
Uiteindelijk moeten de windkrachten wel wor-
den overgebracht naar de dwarsmuren. Hier-
voor zorgen de houten vloerdelen in samen-
werking met de houten balken waaraan ze met
draadnagels zijn bevestigd. De nagelverbin-
dingen zorgen ervoor dat de vloerdelen niet ten
opzichte van elkaar verschuiven. Hierdoor
gaat de houten vloer als een grote horizontale
schijf werken die in haar vlak krachten naar de
dwarsmuren kan overbrengen.
155. Verbinding tussen een gietijzeren en een
houten kolom.
114
154. Verbinding tussen twee gietijzeren ko-
lommen.
De treinhallen van het spoorweg-
station Haarlem, 1908
Over de sporen en de perrons van het fraaie
spoorwegstation te Haarlem is een aantal
treinhallen gebouwd, met boogdaken en met
verschillende breedten en hoogten. Er zijn een
aantal spantsoorten gebruikt dat is te herleiden
tot twee typen, namelijke:
• Type A: spanten met aan weerszijden uit-
kragingen voor luifeldaken, grootste overspan-
ning 19 m (afb. 156).
• Type B: spanten zonder uitkragingen, alle
met een trekstang boven in de kap, grootste
overspanning 28 m (afb. 157).
Beide typen hebben de vorm van een knie-
boogspant. De spantstijlen zijn recht, de spant-
benen gebogen. Beide typen zijn drie schar-
nierspanten, met twee voetscharnieren en een
topscharnier. De kappen hadden oorspronke-
lijk noklantaarns, voor lichttoetreding en ven-
tilatie. Toen na de elektrificatie de stoomloco-
motieven met hun rookgassen verdwenen en
ventilatie dus niet meer nodig was, zijn de lan-
taarns verwijderd.
Wij zullen ons bij de navolgende beschouwin-
gen beperken tot het tweede spanttype (B). Zo-
wel de spantbenen als de stijlen zijn uitgevoerd
in vakwerkconstructie met geklonken verbin-
dingen.
Alleen waren de onderste delen van de stijlen
te smal voor een vakwerkconstructie. Deze
156. Spanten met uitkragingen (type A).
157. Spanten zonder uitkragingen en met trek-
stangen.
115
zijn volwandig gemaakt, samengesteld uit pla-
ten en hoekprofielen. De knooppunten van de
spantbenen zijn zodanig geplaatst dat ze over-
eenkomen met de plaats van de houten dakgor-
dingen. Op de gordingen rust een houten dak-
beschot met een bitumineuze bedekking. De
spantafstanden variëren sterk, van 5 tot 8 m.
Dit spanttype komt, in een aantal varianten,
voor bij meer treinhallen in Nederland uit die
tijd. Kenmerkend is de boogvorm ~   het dak,
het knieboogspant in vakwerkconstructie en
de trekstang die de beide knieën verbindt. De
trekstang zorgt ervoor dat de buigende mo-
menten in het spant doorde verticale belasting
(sneeuwen eigen gewicht) aanzienlijk orden
verminderd. Men kan zich dat voorstellen aan
de hand van de vervorming van het spant on-
der deze belasting waarbij voor de eenvoud
een kniespant met rechte spantbenen als voor-
beeld is genomen (afb. 158).
Zonder een trekstang zullen de knieën naar
buiten willen uitwijken. De vervorming van
het spant is aanzienlijk (in de afbeelding is
deze vervorming sterk vergroot weergegeven).
De trekstang verhindert deze uitwijking, zij
trekt de knieën weer naar binnen. Het spant zal
dus minder vervormen hetgeen inhoudt dat
ook de buiging in de onderdelen ervan kleiner
zal zijn. Voor knieboogspanten geldt hetzelfde.
Door het gebruik van een trekstang ontstaat
een zeer lichte vakwerkconstructie. Men kan
zich afvragen waarom niet bij alle kniespanten
een trekstang wordt toegepast. Vaak kan dat
niet omdat men voor het bedrijf, dat zich on-
der de kap afspeelt, de volle hoogte onder de
top van het dak wil benutten. Bij deoude
spoorwegstations was dat niet het geval. Aan
de hallen werd juist een extra hoogte gegeven
om aan de rook van de stoomlocomotieven
meer ruimte te geven en de ventilatie te bevor-
deren.
De randstaven van het vakwerk bestaan uit
twee hoekprofielen waartussen de knooppla-
ten zijn aangebracht die dienen voor de beves-
tiging van de wandstaven (afb. 159).
116
158. De vervorming van een kniespant zonder
eh met een trekstang.
159. Een knooppunt van het vakwerk.
Ook de wand staven bestaan uit dubbele hoek-
profielen. Waar geen knoopplaten aanwezig
zijn, is tussen de beide hoekprofielen een strip
geklonken. Deze dient enerzijds bij de druksta-
ven om ze beter tegen knik bestand te maken,
anderzijds wordt een corrosieprobleem opge-
lost (zonder de strip zou de smalle spleet tussen
de hoekijzers geverfd moeten worden, wat
praktisch niet mogelijk is). Waar nodig, bij-
voorbeeld bij de knieën, zijn de randstaven
versterkt met strippen. De rondijzeren trek-
stang (bij de grote spanten met een diameter
van 40 mm, met wartels) is met rondijzers
opgehangen aan de spantbenen.
De spanten zijn in hun vlak stabiel en kunnen
dus weerstand bieden aan zijdelingse wind-
krachten. In de langsrichting van de hallen zijn
voor de stabiliteit diagonaalverbanden aange-
bracht, zowel tussen de spantstijlen als in het
dakvlak.
Afbeelding 160 laat zien hoe dit aan het einde
van een hal is gedaan. Daarbij valt op dat de
onderste delen van het verband tussen de
spantstijlen anders zijn uitgevoerd dan daar- 160. Eén van de stabiliteitsverbanden.
boven het geval is, met hoekprofielen en
knoopplaten in plaats van met rondijzer en
ijzeren ringen. Het lijkt of deze kruizen later
zijn aangebracht (met een modernere verbin-
dingsmethode ) maar op de oorspronkelijke te-
keningen waren zij ook al in deze vorm aanwe-
ZIg.
Er zijn bijzondere voorzieningen getroffen om
het zijdelings uitknikken van de randstaven
van de fragiele vakwerkconstructie tegen te
gaan. Bij de spantbenen wordt de bovenrand
vastgehouden door de gordingen. Om de on-
derrand, die door het eigen gewicht van de
constructie op druk wordt belast, op zijn plaats
te houden zijn naar een aantal gordingen scho-
ren aangebracht. De spantstijlen zijn, voor het-
zelfde doel, op een of meer plaatsen, afhanke-
lijk van de hoogte van de hal, door horizontale
vakwerkliggers verbonden, zo ook bij de
knieën waar ze schuin zijn geplaatst. Zij bieden
tevens zij delingse steun aan de glasgevels die
de perrons afsluiten.
117
--- -_.-------------------------------------------------------------------
De zetterij van de Algemeene
Landsdrukkerij te 's-Gravenhage,
1906
Het gebouw is een goed voorbeeld van het bou-
wen met gewapend beton voor verdiepingge-
bouwen in de eerste decennia van de toepas-
sing ervan in Nederland. Het heeft dragende
buitenmuren van baksteenmetselwerk terwijl
het betonskelet, dat dus alleen maar in het
inwendige van het gebouw aanwezig is (een
inwendig skelet), vloeren heeft die zijn samen-
gesteld uit vloerplaten en dicht bij elkaar lig-
gende kinderbalken die weer dragen op moer-
balken. Deze constructie was afgeleid van de
tot dusver gebruikelijke houten balklagen. La-
ter kwamen pas de paddestoelvloeren die een
typisch bij het gewapend beton behorende
vormgeving hebben.
r
I
'00
I

I

"'0
'4
...
f- - JD: :l.2/1. ....
i
cl;

soo
1


l

         
  Rt,ofo'WIW.
 
118
,
1i

I
:- (100 ')().
-"- ... " .

1'".0 r"'SO

" " "

soo 500
I
..i;:$à.

161. Plattegrond, langs- en dwarsdoorsnede.
  I
I
I i
I I
I
i
I
I
I
I
13.1_ 1 LOOO](Cr.
. Jlfl .
.
.."..."'.
I I
I
I I
I
I
I
I
I
I
,Et'l,,>t, 2000XCc lll'
I -"-...!!.-"-
-"- -"-
- 25.
I
I
I
I I
...1
;L


-
SJ
o'\'\ d. ..
Het gebouw heeft een breedte van 13 m en een
lengte van 45 m. Het telt drie bouwlagen. De
veranderlijke belasting is, door de zware ma-
chines, hoog: 2000 kglm
2
voor de verdieping-
vloeren.
Het betonskelet heeft één rij kolommen in het
midden van het gebouw. De kolommen staan
hart op hart 5,2 m van elkaar en dragen moer-
balken met een doorsnede van 30x80 cm (de
hoogte van 80 cm is gemeten tot de bovenzijde
van de vloer; vanwege de monoliete construc-
tie is dit ook de werkzame hoogte van de balk).
De moerbalken hebben bij de kolommen con-
soles. Daardoor is de balkhoogte plaatselijk
groter, zulks met het oog op de daar optreden-
de hogere buigende momenten (zie afb. 42).
Op de moerbalken rusten de kinderbalken
(doorsnede 25x50 cm). Zij overspannen 6,3 m
tussen de beide langsgevelmuren en de in het
midden gelegen moerbalken. De kinderbalken
liggen 1,3 m hart op hart. De vloerplaten heb-
ben dus een kleine overspanning en zijn dan
ook, ondanks de grote veranderlijke belasting,
slechts 8 cm dik.
De doorsnede van de kolommen is aangepast
aan hun belasting. Naar boven toe neemt de
doorsnede af, van 50x50 tot 30x30 cm: ze 'ver-
jongen' .
De dakvloer, eveneens van gewapend beton,
heeft, vanwege de veel kleinere veranderlijke
belasting (sneeuw, 50 kglm
2
), een andere con-
structie dan de twee verdiepingvloeren. De
kinderbalken liggen hier 2,6 m hart op hart en
hebben, evenals de moerbalken, kleinere
doorsneden.
Het gebouw is tegen windkrachten bestand
door het samenstel van de betonvloeren en
baksteenbuitenmuren. Wind in de dwarsrich-
ting treft eerst de langsgevels die de krachten
naar de verdiepingvloeren en de dakvloer lei-
den. De vloeren werken als grote horizontale
liggers die de krachten verder voeren naar de
beide eindmuren. Deze zijn door hun grote
breedte gemakkelijk in staat om de windkrach-
ten naar hun fundering over te brengen (zie
hoofdstuk 4).
162. De ontmoetingen van kinder- en moerbal-
ken, kolommen en dragende muren.
119
Het modehuis Schunck te Heerlen,
1933
Het modehuis Schunck, een ontwerp van de
architect F.P.J. Peutz, is een gebouw waarin
een duidelijke scheiding is gemaakt tussen de
draagconstructie en de afbouwconstructie. Dit
is vooral te zien bij de glasgevels die het ge-
bouw aan drie zijden omsluiten en die door
hun doorzichtigheid demonstreren dat ze geen
dragende functie hebben, anders dan het weer-
stand bieden aan windkrachten.
De gevels zij n met stalen balken aan de randen
van de betonvloeren bevestigd en laten een
luchtspleet open die wordt gebruikt voor de
ventilatie in het gebouw.
Voor het skelet koos Peutz het principe van de
paddestoelvloer. 163. Het modehuis Schunck.
De betonnen vloeren zijn alleen maar platen,
dus ook aan de onderzijde vlak, en worden,
zonder tussenkomst van balken, rechtstreeks
ondersteund door kolommen. De krachten in
de vloerplaat worden vloeiend naar de kolom-
men geleid. De Italiaanse ontwerper P.L. Ner-
vi heeft dit later expressief laten zien in zijn
ribbenvloeren bij de Wolfabriek Gatti te Rome
uit 1953 (afb. 166). 164. Plattegrond en doorsnede.

' .
• • • • • •
• • • •
i · • I1
VEL t iJ ) l I I Ki E
• • • • • •
I1
• • • •
1_ · _oJ
120
De verbinding van de plaatvloer met de ko-
lommen vraagt bijzondere aandacht. Twee as-
pecten spelen daarbij een rol:
• De buigende momenten in de vloerplaat
concentreren zich bij de kolommen en zijn
daar zeer groot (afb. 167). Dit is aanleiding om
de vloer bij de kolommen dikker te maken.
• Rondom een kolom kan in de vloerplaat
afschuiving optreden.
Het gehele gewicht van een vloerveld met de
daarop rustende belasting concentreert zich
daar op een klein stukj e vloerdoorsnede. De
vloer zou hier kunnen breken (afb. 168). Ook
om deze reden moet de vloer rondom de kolom
dikker worden gemaakt.
'-G-._.-m--._.-e-.
El
 
.. At",.
'IIlliWJP' "4IiIIiiiiiIP
de
I
I ,J
I ,
!, 'j il
J-k rij; '. r i l
165. Het schetsontwerp.
166. De wolfabriek Gatti te Rome, 1953.
167. Buigende momenten in een paddestoel-
vloer.
121
Er bestaan verschillende mogelijkheden om,
met in achtneming van het bovenstaande, aan
de verbinding tussen vloer en kolom vorm te
geven. Peutz heeft gewerkt met twee soorten
verbindingen, zoals te zien is in zijn schets van
afbeelding 169:
• Een achthoekige kop, aansluitende op een
achthoekige kolom, waarbij in de kop nog een
binnenwaartse knik is aangebracht. Deze ver-
binding is gebruikt in de meer utilitaire gedeel-
ten van het gebouw.
• Een vloeiende overgang van de vloer naar
een kolom met een ronde doorsnede. Dit type
is toegepast in de representatieve afdelingen.
De vorm vergt een moeilijker te maken bekis-
ting en is daarom duurder dan de achthoekige
vorm.
De achthoekige vorm is bijvoorbeeld ook ge-
bruikt in de Van Nelle-fabriek te Rotterdam
uit 1930. Later werden, vooral in pakhuizen,
veelal eenvoudiger te bekisten vormen geko-
zen (afb. 170).
122
: .:> ':,' ... . .:.: ':: '-:' . :   .;.::;
î· ..... ...... ~ t · · '. ~
.. ' . 'ÇJ . ..V' .. ': .
v
168. Het afschuiven van de vloer.
169. De vormgeving van de kolommen.
Meestal gebruikte men een vierkante kolom,
met een kolomkop en een kolomplaat (a). Nog
later, omstreeks 1960, werd de vorm nog een-
voudiger: alleen een kolomplaat (b). Deze vol-
doet ook aan het criterium dat de vloerplaat bij
de kolom dikker moet zijn vanwege de grote
buigende momenten en het gevaar van af-
schuiven. Er zijn verder voorbeelden waarbij
ook de kolomplaat is weggelaten (vlakke plaat-
vloer). De vloerplaat moet dan in zijn geheel
dikker worden waarbij de krachten bij de ko-
lommen maatgevend zijn (c).
Afgezien van de aanpassing aan de omgeving
waarin het gebouw gelegen is (één van de drie
glasgevels volgt een gebogen lijn) heeft het ske-
let een zeer regelmatige opbouw. De kolom-
men staan op een vierkant en stramien van ca.
5x5 m. Opgemerkt dient hierbij dat voor een
paddestoelvloer een vierkant stramien gunstig
is ten opzichte van een rechthoekig stramien.
170. Drie andere typen van de verbinding van
vloerplaat en kolom.
123
Aanbevolen literatuur
Voor wie meer over de vormgeving van draag-
constructies van bouwwerken wil weten, kun-
nen de volgende boeken nuttig zijn.
Behoudens het boek van J.E. Gordon, dat alge-
mener is gericht, zijn ze alle geschreven ten
behoeve van het onderwijs in de architectuur.
H. Engel, Tragsysteme. Structure Systems,
Stuttgart 1967
J .E. Gordon, Structures or why things don't fall
down, Harmondsworth (Penguin Books) 1978.
124
Nederlandse vertaling: J.E. Gordon, Krachten
in evenwicht. Waarom dingen niet omvallen,
Amsterdam 1987
w. Morgan, The elements ofstructure, London
1964
M. Salvadori en R. Heller, Structure in archi-
tecture, Englewood Cliffs (N.J.) 1963
M. Salvadori, Why buildings stand up. The
strength of architecture, New York 1980
c. Siegel, Strukturformen der modernen Archi-
tektur, München 1960
Verantwoording van
de afbeeldingen
De niet genoemde afbeeldingen (tekeningen) zijn
vervaardigd door de Groep Geschiedenis van de
Bouwtechniek, Delft.
Aanneming-Maatschappij 'De Kondor' N. V. 1912-1952.
gedenkboek, Amsterdam 1952: 47 (foto)
Architectuurdocumentatie Bouwcentrum,
Rotterdam: 104
W.M.J. Arets e.a., F.P.l. Peutz architect 1916 1966,
Eindhoven 1981: 164, 165
Bouwkundig Weekblad: 47 (tek.), 95a
B. Bracegirdle, The archeology ofthe industrial
revolution, London 1973: 68
GeorgD.W. Callwey, München: 64,133,140
R. Daalder e.a., Werkstad. 30 industriële monumenten
in Rotterdam, Rotterdam 1985: 148
J. van Dalen e.a., Oud Werk. Overzicht van industrieel
erfgoed in Rotterdam, Rotterdam 1983: 147
J. van Dop: 154, 155
J. Durm, Die Baukunst der Griechen,
Darmstadt 1881: 108
J. Durm, Die Baukunst der Renaissance in Italien,
Leipzig 1914: 142,144,145
K. de Fine Licht, The Rotunda in Rome, Copenhagen
1968: 131
Fotografische Dienst Faculteit der Bouwkunde,
Technische Universiteit Delft: 45 (r.b.), 78, 87
Gemeente Archiefdienst, Rotterdam: 45 (l.b.)
Gemeente-Energiebedrijf, Rotterdam: 82
Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg,
Amsterdam: 111
E.A. van Genderen Stort, Staal als bouwmateriaal,
's- Gravenhage 1932: 105
Groep Geschiedenis van de Bouwtechniek, Delft: 83,
96,100, 101, 120, 156 (foto), 157 (foto), 160,163 (foto
Mantz), 169 (foto Mantz)
L. Habachi, TheobelisksofEgypt, NewYork 1977: 85
F. Hart, Kunst und Technik der Wölbung, München
1965:64,133,140
E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De Dom te
Utrecht, 's-Gravenhage 1965: 14
Fernand Hazan, Paris: 15, 38, 73
Heinemann Educational Books, London: 68
Hirmer Verlag, München: 141
Stichting Industrieel Erfgoed Rijnmond, Rotterdam: 47
De Ingenieur. 83, (tek. en foto), 102
Ironbridge Gorge Museum Trust: 22
J. Joedicke, Pier Luigi Nervi - Bauten und Projekte,
Teufen 1957: 166
J. J oedicke, Geschichte der modernen Architektur,
Teufen 1958: 1 00 (foto)
D. Korfker: 68
B. Lemoine, Gustave Eiffel, Paris 1984: 15, 38, 73
W.L. MacDonald, The Pantheon, London 1976: 132
R. Mainstone, Developments in structural form,
London1975:66,143
Maritiem Museum, Rotterdam: 148
Moderne bouwkunst 1932-35: 106
A. Murray, The Forth railway bridge,
Edinburgh 1983: 44
Nordiske Forlag, Copenhagen: 131
G. Perrot en C. Chipiez, Histoire de /'art dans
/'antiquité. Tome 1. L 'Egypte, Paris 1882: 128, 129
L.A. Sanders, Het cementijzer in theorie en practijk,
Amsterdam 1907: 161
Charles Scribner's Sons, New York: 85
Staal: 83
Staatsuitgeverij, 's-Gravenhage: 14
H. Stierlin, Der Architektur der Welt. Band 1, München
1977: 141
M. Stokroos, Gietijzer in Nederland, Amsterdam 1984:
111
J.G. Watt jes, Constructie van gebouwen. Deel 4.
Kappen, Amsterdam 1920: 156 (tek.), 157 (tek.)
J.G. Watt jes, Constructie van gebouwen. Deel 10.
Moderne kapconstructies, Amsterdam, 1944
3
: 100
(tek.), 117, 118, 123, 127
125
Index
In de index zijn slechts die begrippen opgenomen waar-
van in de tekst uitleg is gegeven. Het nummer achter het
indexwoord heeft betrekking op de bladzijde waarop de
uitleg voorkomt.
actiekracht 25
afbouwconstructie 13
beweegbare oplegging 32
boog 46
boogspant 77
boogwerking 46
borst 90
breukkracht 28
buigend moment 32, 40
cantilever-brug 42
deuvel 92
diagonaal 74
draagconstructie 13, 14
driehoekspant 36
drieschamierspant 81
drukkracht 26
drukring 50, 51
drukspanning 28
dubbele diagonalen 60
eigen gewicht 17
Engels spant 37, 77
enkelvoudig hangwerk 37
Frans spant 37,77
gekoppelde balk 36
gelamineerde balk 36, 92
Gerber-ligger 42
gewapend beton 70
gietijzer 68
gordelboog 105
gording 37
gronddruk 19
hangbrug 53
hangconstructie 53
hanger 27, 37
hangwerk 37
hoeklas 96
hout 67
126
ijzer 68
inklemming 57
inwendig skelet 118
inwendige kracht 26
kabel (van een hangbrug) 54
ketting (van een hangbrug) 54
kettinglijn 46
kilogram 15
king-post truss 37
klinknagel 95
knie 81
kniespant 80
knik 30
knikverband 60
koepelgewelf 49
kopshout 68
kraagliggerbrug 42
kracht 15
krachtendriehoek 22
kramp laat 93
kruisende diagonalen 60
kruisgewelf 52
kruisribgewelf 52, 104
langshout 68
las 96
luchtboog 104
makelaar 37
massa 15
meervoudig hangwerk 37
montageverband 60
muraalboog 105
muuranker 89
negatief buigend moment 40
newton 15
N-ligger 75
normaalkracht 28, 32
nuttige belasting 17
onderspannen balk 73
onstabiel 57
ontbinden van krachten 22
parabool 47
parallelligger 38
parallellogram van krachten 22
parallelvakwerkligger 38
pen- en gatverbinding 90
Polonceau-spant 37, 77
portaal 59
portaal spant 59, 83
positief buigend moment 40
randstaaf 74
reactiekracht 25
regel 83
rek 31
resultante 21
ringdrukkracht 51
ringtrekkracht 51
roloplegging 31
samengestelde balk 36, 91
samenstellen van krachten 22
scharnierligger 42
scharnierverbinding 80, 98
schoor 37,59
schoorpaal 79
schroefbout 94
skelet 13
smeedijzer 68
sneeuwbelasting 18
spanning 27
spantbeen 37,81
spatkracht 47
spatten van een boog 47
specifieke rek 31
staal 68
stabiel 57
stabiliteit 57
stabiliteitsverband 60
steen 66
sterkte 29
steunbeer 104
stijgende diagonaal 75
stijl 81, 83
stijve verbinding 59,80
stompe las 96
tandverbinding 91
toelaatbare spanning 29
tongewelf 51
trekbalk 37
trekkracht 27
trekring 50
trekspanning 28
trekstang 48, 79
tui 57
tweescharnierspant 82
tweevoudig hangwerk 37
uitknikken 30
uitkraging 43
uitrekking 31
uitwendige kracht 26
vakwerkligger 38, 74
vakwerkspant 76
vallende diagonaal 75
vaste oplegging 32
veiligheidscoëfficiënt 29
veranderlijke belasting 17
verband 60
verkorting 31
verlenging 31
vertanding 91
V-ligger 76
vloeigrens 69
vloeiijzer 68
vollewandspant 84
voorhout 91
wandstaaf 74
waterdruk 19
weerstandmoment 33
windbelasting 18
windverband 60
127

Kracht en vQrm

Bouwtechniek in Nederland 4

In de reeks Bouwtechniek in Nederland zijn verschenen: 1 J. Oosterhoff(red.), G.J. Arends, C.H. van EIdik en G.G. Nieuwmeijer, Constructies van ijzeren beton. Gebouwen 1800-1940. Overzicht en typologie, Delft 1988 2 H. Janse, Houten kappen in Nederland 1000-1940, Delft 1989 3 G.J. Arends, C.H. van Eldik en H. Janse, Compendium constructies. Gebouwen 1800-1940, Delft 1989 4 J. Oosterhoff, Kracht en vorm. De draagconstructies van bouwwerken eenvoudig verklaard, Delft 1990

Kracht en vorm De draagconstructie van bouwwerken eenvoudig verklaard J. Oosterhoff Technische Universiteit Delft Faculteit der Bouwkunde 1990 Delftse Universitaire Pers Rijksdienst voor de Monumentenzorg .

van Eldik Foto omslag Fas Keuzenkamp Pakhuis 'De Zwijger'. fotokopie. geschiedenis. DEN HAAG Bouwtechniek Bouwtechniek in Nederland. Met lito opg. hetzij mechanisch.07(492)(091) NUGI 833 Trefw. Zeist Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk. 2628 CN Delft Telefoon 015-783254 Grafische vormgeving C. zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Delftse Universitaire Pers . © 1990 by Delft University Press Rijksdienst voor de Monumentenzorg.111. ISBN 90-6275-551-8 SISO 694 UDC 624.H. hetzij elektronisch. microfilm of op welke wijze dan ook. Oostelijke.Delft: Delftse Universitaire Pers. . Nederland. Oosterhoff.Handelskade te Amsterdam CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK. [Zeist] : Rijksdienst voor de Monumentenzorg 4: Kracht en vorm: de draagconstructie van bouwwerken eenvoudig verklaard / J. .: bouwtechniek.Uitgave en produktie Delftse Universitaire Pers Stevinweg 1.

en drukkrachten Kracht en spanning Knik Verlenging en verkorting Buiging Samengestelde balken Driehoekspanten.en kruisgewelven Hangconstructies 40 44 46 49 51 53 57 57 57 59 60 62 62 65 65 66 67 68 70 73 73 73 74 76 77 80 83 5 4 Stabiliteit Algemeen Stabiele en onstabiele masten Constructies met meer verticale elementen Stabilitei tsverbanden Gewapende betonconstructies Verdiepinggebouwen 5 Materialen Algemeen Steen Hout IJzer en staal Gewapend beton 3 Krachten in constructies Het samenstellen van krachten Trek.en waterdruk Aardbevingskrachten Krachten door calamiteiten Samenvatting 7 9 13 15 15 15 16 16 16 18 19 19 19 20 21 21 26 27 30 31 32 36 36 38 38 Positieve en negatieve buigende momenten De combinatie van druk en buiging Boogwerking Koepelgewelven Ton.Inhoud Ten geleide Voorwoord 1 Inleiding 2 Krachten op gebouwen Algemeen Eenheden van kracht en massa Eenheden van lengte Krachten op gebouwen Eigen gewichten en veranderlijke belastingen Wind Grond. hangwerken. vakwerkspanten Vakwerkliggers Torens 6 Elementen Algemeen De onderspannen balk V~kwerkliggers Vakwerkspanten Boogspanten Kniespanten Portaalspanten .

7 Verbindingen Algemeen Steenconstructies Houtconstructies IJzerconstructies Gewapende betonconstructies 87 87 87 89 94 97 99 99 100 102 104 107 Het pakhuis 'De Vijf Werelddeelen' te Rotterdam De treinhallen van het spoorwegstation Haarlem De zetterij van de Algemeene Landsdrukkerij te 's-Gravenhage Het modehuis Schunck te Heerlen 111 115 118 120 124 8 Constructies Algemeen De zuilenhal van de tempel van Amon te Karnak. Egypte Het Pantheon te Rome De hoge kerkhallen in de Middeleeuwen De Sint Pieterskerk te Rome Aanbevolen literatuur Verantwoording van de afbeeldingen 125 Index 126 6 .

Het zal ook de waardering van bijzondere constructies kunnen verhogen. directeur Rijksdienst voor de Monumentenzorg jhr. Ik beveel deze publicatie van harte aan bij een ieder die zijn inzicht in dit belangrijke aspect van de monumentenzorg wenst te vergroten.L.ir.Ten geleide Het doet mij genoegen dat na de reeds verschenen publicaties betreffende de geschiedenis van draagconstructies van gebouwen in de periode van 1800 tot 1940 in Nederland thans een publicatie voor u ligt waarin op een overzichtelijke. van Nispen tot Sevenaer 7 . L. heldere en vooral ook eenvoudige wijze een technisch-wetenschappelijk verantwoorde verhandeling wordt gegeven van de krachtswerking in draagconstructies.en stedebouwkunst in kaart te brengen. In het licht van de taak van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg geldt dit in het bijzonder voor degenen die belast zijn met de uitvoering van het grootscheeps opgezette Monumenten Inventarisatie Project dat tot doel heeft de jongere bouw.M. Op deze wijze wordt technische kennis van historisch interessante draagconstructies van gebouwen toegankelijk gemaakt voor degenen die uit hoofde van hun functie of vanuit persoonlijke overwegingen betrokken zijn bij de monumentenzorg.

.

Ook voor handel en administratie waren andersoortige gebouwen nodig zoals grote kantoorgebouwen. De meeste ervan zijn geschreven door en voor de vakman: de ingenieur die de constructies ontwerpt en ze berekent op hun sterkte en stijfheid. land. Ingewikkelde berekeningen komen er niet in voor. In gebouwen waren grote kolomloze ruimten nodig en er werd ook aanzienlijk hoger gebouwd dan voorheen het geval was. zowel voor de industriële produktie (fabrieken. op het begrijpen hoe de constructievorm voortkomt uit de werking der krachten. In die periode ontstond er behoefte aan nieuwe typen bouwwerken. In de laatste decennia is er nog een categorie van academici toegevoegd aan de groep die wel enige kennis van de vormen van draagconstructies moet hebben. Deze bemoeienis heeft in Nederland geleid tot het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) dat thans volop in uitvoering is. Bij deze breed opgezette landelijke inventarisatie ligt het zwaartepunt bij het . kwamen er nieuwe bouwmaterialen voor de draagconstructies: eerst ijzer. Voor het bijbrengen van deze kennis zijn ook een aantal speciale boeken geschreven en bestaan er syllabi die gebruikt worden bij de architecten op leidingen. maar deze niet zelf behoeft te ontwerpen. pakhuizen) als voor een nieuwe infrastructuur. sluizen. Niettemin moet hij wel de nodige kennis erover bezitten en vooral inzicht hebben in het verband tussen de werking der krachten in een constructie en de vorm ervan. Het is duidelijk dat bij een beoordeling van de historische betekenis van de nieuwe bouwwer9 . afgestemd op de snel toenemende behoefte aan transport (water-. Bij de monumentenzorg is er een toenemende aandacht voor de bouwwerken die tot stand zijn gekomen in de periode tussen 1800 en 1940.bouwen in de 19de en de eerste helft van de 20ste eeuw. Draagconstructies maken daar slechts een deel van uit en voor het ontwerpen ervan steunt de architect op het advies van gespecialiseerde ingenieurs.en spoorwegen met de daarbij behorende bruggen. Deze ontwikk~lingen hadden grote invloed op de constructies van bouwwerken. Over draagconstructies bestaan vele publicaties. spoorwegstations en dergelijke). die erop werken. De leerstof wordt vaak toegelicht met eenvoudige getallenvoorbeelden. in stand blijft en dat het niet omvalt of instort. Om aan de nieuwe eisen te kunnen voldoen. Deze geschriften zijn vooral gericht op het inzicht geven. Er zijn echter ook anderen die met deze constructies te maken hebben. In de eerste plaats architecten. later het gewapend beton. Hij is er verantwoordelijk voor dat bouwwerken niet bezwijken onder de krachten die erop werken. onder de-invloed van allerlei krachten. Hun taak is in het algemeen het ontwerpen van gebouwen. Kortom dat het weerstand kan bieden aan krachten.Voorwoord Draagconstructies zijn die delen van bouwwerken die er in het bijzonder voor moeten zorgen dat het bouwwerk. terwijl bij bruggen de overspanningen snel groter werden. ZIJ zouden slechts verwarrend werken. overdekte markten en later ook al dan niet permanente tentoonstellingsgebouwen.

De onderdelen van de meeste ijzerconstructies zijn in een fabriek gewalst terwijl betonconstructies ontstaan door het op de bouwplaats gieten van het beton in bekistingen. de wringende momenten en de daarbij behorende schuifspanningen niet behandeld. waaraan deze weerstand moeten bieden. Dat heeft te maken met materiaaleigenschappen en uitvoeringsmethoden. calculators en dergelijke. Uitvoeringsmethoden komen nauwelijks aan de orde hoewel zij zeer bepalend kunnen zijn voor constructievormen. Voor degenen. Dan is er nog de groeiende groep van belangstellenden in de industriële archeologie die in fabrieken constructies aantreffen waarvan zij graag iets meer zouden willen weten.ken de veranderde constructievormen een rol spelen. Doelbewust is het boek vanwege de hanteerbaarheid beknopt gehouden en is het gericht op de primaire functie van draagconstructies: het weerstand kunnen bieden aan krachten die op bouwwerken worden uitgeoefend. Gebouwen 1800-1940.en funderingsconstructies wordt nog . Vanwege het streven naar beknoptheid is een aantal vereenvoudigingen toegepast en zijn zaken weggelaten die de vakman misschien bij eerste beschouwing zullen bevreemden. Het leek ons zo beter begrijpbaar. Ook dat (de uitvoeringswijze) is van grote invloed op de vormgeving. zijn er de studenten die de architectuurhistorie in hun studiepakket hebben opgenomen. Het criterium daarbij was dat de tekst voor de beoogde doelgroepen zo voorstelbaar mogelijk moet zijn en dat alles wordt weggelaten dat voor de begripsvorming gemist kan worden. werkzaam in de bouwnijverheid). Men zal in het boek echter geen verklaring aantreffen voor het feit dat gewapende betonconstructies er heel anders uitzien dan ijzerconstructies. is enig inzicht in de achtergronden van deze vormen onmisbaar. Het is uit deze overwegingen dat de gedachte is ontstaan om iets op papier te brengen waarmee het gewenste inzicht kan worden verkregen: een boek waarin het verband wordt verklaard tussen de vormen van draagconstructies en de krachten. juristen. die in constructie-elementen werken. En verder al degenen die geen technische opleiding hebben genoten maar wel vaak met bouwtechniek en constructies in aanraking komen (economen. verwijzen wij naar het eerste deel van de serie 'Bouwtechniek in Nederland': Constructies van ijzer en beton. Bij de beschouwingen over de sterkte van constructie-elementen is gewerkt met de oude begrippen 'veiligheidscoëfficiënt' en 'toelaatbare spamling' en niet met de tegenwoordig gehanteerde bezwijkcriteria en belastingfactoren. in het bijzonder als het gaat om de studierichtingen restauratie en renovatie. IJzer is veel 'sterker dan beton zodat de afmetingen van de onderdelen van ijzerconstructies kleiner zijn dan bij betonconstructies het geval is. Zo'n boek behoeft niet alleen voor historici nuttig en interessant te zijn. de dwarskrachten. die met de beoordeling en waardering zijn belast. administratieve medewerkers. waarin meer hierover is te vinden. omdat vooral historische bouwwerken en constructies erin voorkomen. Overzicht en typologie. Ook voor architectuurstudenten kan het boek echter verhelderend zijn. Zo zijn bijvoorbeeld bij de krachten. Het is ook de voornaamste 10 factor bij het begrijpen van constructievormen: waarom kan bijvoorbeeld de onderrand van een driehoekig ijzeren vakwerkspant zo dun zijn (in oude uitvoeringen vaak van rondijzer) terwijl de bovenrand veel forser is uitgevoerd? Zulke vormaspecten worden bepaald door de soort en de grootte van de krachten die in de onderdelen van het spant optreden. Trouwens: bij hout. die betrokken zijn bij het MIP en bij de monumentenzorg in het algemeen. In het boek zijn niet alle factoren behandeld die invloed hebben op de vormen van draagconstructies. Wie hiervan meer wil weten. Behalve degenen. De eigenschappen van de materialen zijn bijvoorbeeld slechts kort beschreven.

G. G. Ook de begeleidingscommissie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (drs. 11 . R. Arends.G. de Vries) leverde door haar opbouwende kritiek een belangrijke bijdrage. Smeenk). Dank is voorts verschuldigd aan ir. C. Een overweging daarbij is dat bij constructies uit de overgangsperiode van smeedijzer naar staal (omstreeks 1900) het lang niet altijd duidelijk is of we nu met ijzer dan wel met staal te maken hebben. drs.G. van Eldik. ook als ze van staal waren vervaardigd. ing. de Jong. Janse. H.T. Van Eldik voor het verzorgen van de lay-out en aan de Delftse Universitaire Pers die het boek samen met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg uitgeeft. Het staal voor de wapening van betonconstructies werd ook na 1940 nog lang betonijzer genoemd. F. van der Helm. ir. Er is in het boek geen onderscheid gemaakt tussen constructies die van het oude materiaal smeedijzer zijn gemaakt en die waarbij het latere staal is gebruikt. drs. D.J. De aanpak en de opzet ervan werden voortdurend in de groep besproken en de conceptteksten zijn kritisch bekeken.C.ing.H.steeds gewerkt met het begrip toelaatbare spanning.A. In beide gevallen wordt gesproken van 'ijzerconstructies' . ir. Krachten zijn uitgedrukt in kilogrammen en niet in newtons omdat de kilogram voor de gemiddelde lezer vertrouwd is als hij boodschappen doet of zijn gewicht afleest op een weegschaal. Dat neemt niet weg dat het toch een gezamenlijk produkt is van de Groep Geschiedenis van de Bouwtechniek van de Faculteit der Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft (naast de auteur bestaande uit ir. C. Belangrijker is wellicht het historische feit dat voor 1940 vooral in de gebouwensector overwegend werd gesproken van ijzerconstructies.J. En wie koopt er tegenwoordig in de ijzerhandel nog echt ijzeren gereedschappen en verbindingsmiddelen ? Tenslotte: in de titel van het boek wordt slechts één auteur genoemd. Nieuwmeijer en ing.

.

zijn ervoor bestemd om ruimten van elkaar te scheiden: de gevels en daken voor de scheiding van buiten. Grote ruimten. toen er in gebouwen nog voornamelijk werd gewerkt met dragende gemetselde muren. krijgen een vorm waarbij de constructie naar de voet toe steeds breder wordt. Ook bruggen hebben vaak vormen. waarbij windkrachten een belangrijke rol spelen. omdat de boogvorm gunstig is voor het afvoeren van de op het dak werkende krachten naar de fundering. en dat zij hieraan weerstand moeten bieden. ruimte-omsluitende elementen samengevat onder de naam 'afbouwconstructies' omdat ze vrijwel altijd pas worden aangebracht nadat de ruwbouw voltooid is. kolommen en soms ook (dragende) wanden. Toen in de 19de eeuw het skeletprincipe werd ingevoerd ontstond de functiescheiding: het gebouw werd gedragen door kolommen en balken. Het zijn bijvoorbeeld de dak. Dak. Zij worden aangeduid als 'draagconstructies'.en wegenbouw zijn. Bepaalde elementen. was de combinatie van dragen en scheiden een normale zaak. zoals delen van gevels. balken. zoals de 300 m hoge Eiffeltoren te Parijs. Niet altijd is er een duidelijk onderscheid tussen de elementen met een scheidende en die met een dragende functie. vloerplaten zorgen voor geluidisolatie en gaan brandverspreiding tegen.en vloerplaten hebben bijvoorbeeld niet alleen een dragende functie maar ze zijn ook scheidend: de dakplaten moeten meehelpen aan het weren van wind. terwijl de buitenwanden (de gevels) en de binnenwanden voornamelijk een scheidende functie kregen en als vullingen in het skelet werden aangebracht. Al deze bouwwerken hebben met elkaar gemeen dat zij onderworpen zijn aan uitwendige krachten. Draagconstructies van gebouwen hebben ten opzichte van andere bouwwerken zoals brug13 . sluizen. zoals de 45 m brede treinhal van het Centraal Station te Amsterdam. Maar er zijn ook elementen die als primaire taak hebben om weerstand te bieden aan de op het gebouw werkende krachten. regen en extreme buitentemperaturen. Deze krachten zijn er de oorzaak van dat bouwwerken of onderdelen daarvan vaak een bijzondere vorm hebben. In de praktijk worden deze scheidende. Bij gebouwen is de constructie veel meer gedifferentieerd.en binnenruimte en de binnenwanden voor het scheiden van de ruimten in het gebouw. stuwen en tunnels. masten en schoorstenen. Vroeger. Torens en andere hoge bouwwerken. binnenwanden en de afwerkingen van daken.Inleiding 1 Bouwwerken komen in vele vormen voor en vervullen zeer verschillende functies. die zeer groot kunnen zijn. Bij bruggen bijvoorbeeld zijn vrijwel alle onderdelen bestemd om weerstand te bieden aan de op de brug werkende krachten. of gebouwen of torens.en vloerplaten. Meestal zijn er in bouwwerken bepaalde constructiedelen die als functie hebben ze te behoeden voor omvallen of instorten. die aangepast zijn aan het verloop van de krachten erin. De aard ervan is zeer afhankelijk van het soort bouwwerk. zoals bruggen. worden overspannen met boogconstructies. ofhet nu kunstwerken uit de water.

N a de Inleiding worden in hoofdstuk 2 de krachten. In hoofdstuk 8 komen tenslotte constructies in hun geheel aan de orde zoals deze in een aantal bouwwerken voorkomen.gen en sluizen een nogal gecompliceerde samenstelling. Het boek wordt afgesloten met een literatuurverwijzing en een index. De materiaaleigenschappen en de uitvoeringsmethoden hebben een weliswaar belangrijke maar toch secundaire invloed. Aansluitend hierop geeft hoofdstuk 4 inzicht in de stabiliteit van bouwwerken en in de maatregelen die genomen worden om de stabiliteit te verzekeren. hoofdstuk 7 de wijze waarop de elementen met elkaar worden verbonden. die op gebouwen inwerken. Hierom en ook vanwege de veronderstelling dat de gemiddelde lezer de meeste belangstelling voor gebouwen heeft. tot het modehuis Schunck te Heerlen uit 1933. en de wijze van uitvoering. Daarmee zullen wij ons in dit boek bezighouden. behandeld. In hoofdstuk 5 wordt kort iets gezegd over de eigenschappen van de voornaamste materialen voor draagconstructies. Het gaat over de krachten die in constructies werken en het verband dat deze krachten hebben met de vorm van de constructies. Kortheidshalve zullen deze hierna meestal worden aangeduid als 'de constructies'. Zij geven aanleiding tot verscheidene varianten op fundamentele constructievormen maar tasten het principe van die vorm niet aan. De inhoud van het boek is als volgt ingedeeld. 14 . Dit is echter niet de enige aanleiding tot de verschillende vormen waarin zij voorkomen. Andere belangrijke factoren zijn de eigenschappen van de materialen. In het voorwoord werd reeds aangegeven waarom deze factoren niet of slechts beknopt aan de orde komen. zullen in dit boek voornamelijk draagconstructies van gebouwen worden behandeld. Fundamenteel en in de loop der tijden ongewijzigd is in de eerste plaats het verband tussen de constructievorm en de wijze waarop de krachten door de constructie worden geleid. De primaire functie van draagconstructies is het weerstand bieden aan krachten. Hoofdstuk 3 is het belangrijkste deel van het boek. van de zuilenhal in de tempel van Amon te Karnak in Egypte uit de 13de eeuw v. die voor de draagconstructies worden gebruikt. Het zijn vooral de op een constructie werkende krachten die haar vorm bepalen. Hoofdstuk 6 behandelt de krachtswerking in elementen van constructies.C.

:. Maar de meeste krachten. De eenheid van kracht werd de newton (N).:.~~~~. . . De massa is onderworpen aan zwaartekracht: Deze kracht wordt het gewicht van de balk genoemd.. Er bestaat een verband tussen deze beide eenheden: de kracht waarmee de aarde een massa van 1 kg aantrekt. . 15 . . . . is ongeveer 10 N.:: :. .. .. : .. .~. . . ... . .. . Krachten en dus ook gewichten worden genoteerd in newtons.. . . ' '" . ..:. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen krachten en massa's. zijn afkomstig van het gewicht van mensen en materialen. . ' . .. . Niettemin zal in dit boek de oude benaming worden gevolgd: alle krachten worden geno- . .. .. :: #.::· . ~ Eenheden van kracht en massa Vroeger werden de krachten. die op gebouwen werken. . 1. . . Zo heeft bijvoorbeeld een ijzeren balk een bepaalde massa. . '. . . waarvan hierboven enkele voorbeelden werden gegeven. . Krachten op gebouwen. . . . IPàPÏpIIiI. In het SI wordt de kilogram (kg) gedefiniëerd als de eenheid van massa. .Krachten op gebouwen 2 Algemeen Krachten kunnen zeer verschillend van aard zijn.. :. . .... Door wind worden gebouwen onderworpen aan stuwende en aan zuigende krachten.. 2. : ' .. . 11 lk(8) ~ 11~ N ki(0o/~ t\0N te".. aantrekt... alle uitgedrukt in kilogrammen. In 1972 werd in Nederland voor de bouwnijverheid het internationale stelsel van eenheden (het SI) ingevoerd.. Water en grond oefenen krachten uit op de wanden en vloeren van kelders.. .'. .:. ~d-~· · ..... Deze zijn het gevolg van de zwaartekracht waarmee de aarde alles. ~~. wat zich erop bevindt en wat massa heeft.. . .. . In plaats van de newton wordt de kilogram gebruikt.. : : : .

Misschien staat hij wel dagelijks op een weegschaal en ziet daarop zijn lichaamsgewicht in kilogrammen aangegeven. Om dezelfde reden als hierboven (de praktische voorstelbaarheid) zal hier echter de centimeter wel gebruikt worden. De eenheden van lengte. Het is voorts niet logisch om.. Het dan noteren van een maat in millimeters suggereert een nauwkeurigheid die er niet is. Eenheden van lengte Wat de lengtematen betreft geven de tegenwoordige normen aan dat hiervoor de meter (m) en de millimeter (mm) dienen te worden gebruikt en dat de centimeter (cm) vermeden moet worden. Wie niet regelmatig te maken heeft met het berekenen van constructies.---- . f 60 3. deze aan te geven met 300x600 mmo Het is immmers bekend dat. Dit wordt niet alleen gedaan omdat het zo in de oudere literatuur voorkomt maar tevens om de krachten voor de lezer beter voorstelbaar te maken. als een betonnen balk een doorsnede van 30x60 cm heeft. Deze moet het gewicht van mensen en van de in het gebouw aanwezige 16 . kan zich hiermee het best een voorstelling maken van de grootte van een kracht. er zeker afwijkingen van een aantal millimeters kunnen zijn. Ook de centimeter wordt gebruikt. Krachten op gebouwen Aan welke krachten moeten gebouwen weerstand kunnen bieden? Eigen gewichten en veranderlijke belastingen Het eerste voorbeeld is een vloer van een verdiepinggebouw. ------------------------------------------------- teerd in kilogrammen. in verband met de maatafwijkingen bij het maken van de bekisting voor deze balk.

o.inventaris kunnen dragen. dan vormt dit een belasting van 4x75 = 300 kg/m 2 • Vloeren van kantoorgebouwen worden normaal berekend op een veranderlijke belasting van 400 à 500 kg/m 2 (daar zijn dan ook de gewichten van scheidingswanden tussen de vertrekken in begrepen). In woningen bestaat de inventaris voornamelijk uit meubilair. Ook het gewicht van de draagconstructies zelf moet worden gedragen. Wat is het gewicht van deze vloer als we aannemen dat het gewicht van eikehout 800 kg/m 3 is? (afb. Tegenwoordig spreekt men van veranderlijke belastingen omdat ze niet altijd aanwezig zijn. 6.9 m h.". die een vierkante doorsnede met een zijde van 40 cm = 0. Als men in een fabriek een stapeltje staalplaten van 1 m hoogte ziet liggen. In kantoorgebouwen komen zware archieven voor. althans niet in die mate als aangenomen wordt voor de berekening van de vereiste afmetingen van de draagconstructie. ~ s~~141&. Stel dat wij te maken hebben met een vloer van eikehouten balken. Maar zware archieven kunnen een belasting van meer dan 1000 kg/m 2 veroorzaken. 6) 4. Het gewicht van een mens. Een houten balkenvloer. Al deze gewichten werden vroeger aangeduid als nuttige belastingen. Dit wordt het eigen gewicht van de constructie genoemd.h.4 m hebben en die op onderlinge afstanden van 0. moet men wel beseffen dat deze stapel bijna 8000 kg/m 2 weegt (het gewicht van staal is 7850 kg/m 3). Boekenkasten en een piano zijn daarvan wel de zwaarste stukken. Een stapeltje staalplaten.008 90oo~/M2. Bij fabrieken zijn de maatgevende belastingen meestal afkomstig van machines en opgeslagen materialén. Om een indruk te geven van de orde van grootte van veranderlijke belastingen: als wordt aangenomen dat een mens gemiddeld 75 kg weegt en dat er op een vloer van een ontmoetingsruimte gemiddeld 4 mensen op 1 m 2 vloeroppervlak staan.03 m. 17 .9 m liggen (wij zeggen: 0. Op de balken liggen eikehouten delen met een dikte van 3 cm = 0. g 5. 1 W\ . = hart op hart).

4xO. zoals Zwitserland.03 m. . die door wind op gebouwen worden uitgeoefend. Omdat ze 0. Samen zijn zij ongeveer 100 kg per m 2 geveloppervlak groot. liggen is hun gewicht per m 2 vloer: 128:0. maar in landen met meer sneeuwval. Een gebouw wordt door wind aan de windzijde onderworpen aan drukkrachten.h. 7). wegen: 0. Een betonvloer met een dikte van 25 cm = 0. Aangezien het gewicht van gewapend beton ongeveer 2400 kg/m 3 is. Voor daken waarop de aanwezigheid van meer mensen gelijktijdig waarschijnlijk is. Windkrachten op een gebouw.25 m ongeveer even sterk is als de hiervoor beschreven houten balkenvloer. In Nederland rekent men voor sneeuwbelasting met 50 kg/m 2 .De balken wegen per m i lengte 0.o. Wind Van de krachten. heeft deze vloer een eigen gewicht van 0.4x800 = 128 kg. Bij daken wordt er niet 18 8. neemt men aan dat ze voornamelijk loodrecht op de getroffen vlakken zijn gericht. met een dikte van 0. rekent men met een veranderlijke belasting van 100 kg/m 2• *:-t=! * NJ 7. bijvoorbeeld een 2 cm dikke cementvloer die circa 40 kg/m 2 weegt.9 m h.03x800 Totaal: = = 142 kg/m 2 24 166 kg/m 2 Het eigen gewicht van deze houten balkenvloer is dus ongeveer 170 kg/m 2 • Vloeren van gewapend beton zijn veel zwaarder (afb. terwijl aan de lijzijde zuigkrachten optreden. Het totale eigen gewicht van deze vloer is dus 640 kg/m 2• Op daken rekent men met een belasting door sneeuw of door mensen.9 De vloerdelen. Een vloer van gewapend beton. houdt men rekening met een veel grotere sneeuwbelastîng.25x2400 = 600 kg/m 2 • Daarbij komt dan nog een afwerklaag.

9) komt een opwaartse waterdruk voor van 2. ' " " ~. Grond.' . ' . Tegen de onderkant van de keldervloer van het hiernaast afgebeelde gebouw (afb. Deze komen niet alleen voor bij kelderwanden maar ook de vloeren van kelders moeten vaak weerstand kunnen bieden aan een opwaartse waterdruk. een aanzienlijke belasting dus.. waarin zware aardbevingen kunnen voorkomen.. '. '.: " ' .. Voorallangs de randen van horizontale daken kunnen deze groot zijn. Krachten door calamiteiten In sommige gevallen is er sprake van krachten die bij calamiteiten kunnen optreden.. .alleen van uitgegaan dat de wind tegen de dakvlakken drukt maar dat er ook zuigkrachten kunnen optreden. Waterdruk.' . Als bij een fabrieksproces explosieve gassen vrijkomen wordt de constructie berekend op explosiekrachten. . 9.5 m waterkolom = 2500 kglm 2 vloer.. ' '.. : .. 19 ..en waterdruk Bij kelders hebben wij te maken met grond.' . ~ ' . moet rekening worden gehouden met grote bevingskrachten. In Nederland zijn de bevingskrachten zo klein dat ze in normale gevallen buiten beschouwing worden gelaten.of vrachtverkeer is het verstandig om met krachten door een aanrijding rekening te houden. . ' ..en waterdruk. Aardbevingskrachten In gebieden.~lI!II!I!piII!~.. Bij gebouwen met vrijstaande kolommen dicht bij een weg met snel. In zulke gevallen moet altijd worden gecontroleerd of het eigen gewicht van het gebouw zo groot is dat het niet gaat opdrijven.' ..

uit de volgende categorieën bestaan: .grond.krachten door calamiteiten 20 .windkrachten .aardbevingskrachten . die op gebouwen worden uitgeoefend.veranderlijke (nuttige) belastingen .eigen gewicht van de bouwconstructies .sneeuwbelasting .en waterdruk .Samenvatting Samenvattend kan worden gezegd dat de krachten.

ook de grootte ervan. Twee mannen. Een toren. Als wordt aangenomen dat een mens 75 kg weegt dan kan dat gewicht als kracht (de aantrekkingskracht van de aarde) worden aangegeven met een pijl van een zekere lengte. Er zijn echter meer krachten dan alleen het eigen gewicht. de resultante Fr) die dezelfde 10. Hun gewicht kan worden aangegeven door een pijl van 2x1. bijvoorbeeld 1. 21 . weg~n samen 150 kg. waarvan de één op de schouders van de andere zit. In tekeningen wordt een kracht weergegeven door een pijl die altijd de richting ervan aangeeft en in een aantal gevallen. Zo kan ook het gewicht van een stenen toren met een pijl worden aangeduid (Fg' zie afb.5 = 3 cm lengte. Het weergeven van krachten. door zijn lengte. Zij worden hier aangeduid met de letter F (force). die op bouwwerken of onderdelen daarvan worden uitgeoefend. 10). Ook deze kracht wordt weer aangegeven met e~n pijl. 11. Voorbeeld (afb. Hij is horizontaal gericht en grijpt aan ongeveer halverwege de hoogte van de toren. 11).5 cm. Wat is nu de uitwerking van de twee krachten gezamenlijk op de toren? Om hierin een beter inzicht te krijgen mogen de beide krachten worden vervangen door één kracht (de resulterende kracht. De pijl is verticaal en gaat door het midden van de toren. Eén ervan is de windbelasting. onderworpen aan zijn eigen gewicht en aan windkrachten. Deze werkt over de gehele gevel oppervlakte van de toren maar zij wordt samengetrokken tot één kracht (Fw). hebben een richting en een grootte.Krachten in constructies 3 Het samenstellen van krachten Krachten.

tegengesteld aan die in de driehoek. Het parallellogram van krachten. l2b). kunnen nu worden samengesteld tot één kracht. . 22 ~ewiokt '1 I I I I I I b I I I 12. waarbij tussen twee vaste punten A en B een koord wordt gehangen (afb. In het parallellogram zijn aan de krachten F CA en F CB richtingen gegeven. waarvan de zijden evenwijdig zijn aan de verticaal (waarin G werkt) en aan de lijnen CA en CB. Uiteraard hangt dit af van de grootte van deze kracht en wel in haar verhouding tot het gewicht van de toren. Zou dit evenwicht er niet zijn dan zou het geheel niet op zijn plaats blijven en in beweging komen. maar de krachten die tezamen even groot zijn als G. dan zijn in de driehoek de projecties van de lijnen HJ en JK op de lijn KR samen even groot als de lijn KR.werking op de toren heeft als de twee krachten tezamen. Wij keren terug naar de toren (afb. Als in de krachtendriehoek in punt J een loodlijn wordt neergelaten op de zijde HK. hetgeen niet het geval is. respectievelijk F CB en F CA" Het parallellogram van krachten nu is niet anders dan de verdubbeling van de krachtendriehoek HJK. Dit betekent dat er in verticale richting evenwicht is. Het evenwicht kan voorstelbaar worden gemaakt met een zogenaamde krachtendriehoek (HJK). Als de lijn KR de grootte van G weergeeft. Ze zijn daar niet meer de krachten die evenwicht maken met G. Deze krachten F CA en FeB moeten evenwicht maken met het gewicht G. Het koord gaat nu strak staan en in de delen CA en CB ervan ontstaan krachten. Een voorstelling van hoe een parallellogram van krachten werkt is die. 12a). met name of hij niet zal gaan kantelen door de windkracht. 13). Fr. De afbeelding geeft hierin inzicht. Hiertoe worden de krachten samengesteld. De twee krachten die er op werken (door het eigen gewicht Fg en door de wind F w). In het punt C van dit koord wordt een gewicht G bevestigd. dan komen de lijnen HJ en JK dus overeen met de grootte van de krachten in het koord. Interessant is het om na te gaan of de toren tegen de krachten bestand is. Dit gebeurt met het parallellogram van krachten (afb.

. 20x20 m.1 t/m 2 geveloppervlak (druk en zuiging samen). Als voorbeeld wordt de Domtoren te Vtecht genomen (afb. . . \ \ \ _---J b c 13..5x 100 = 50 mboven de grond. <9 In geval a is F wklein.. \ \ \ \ 1 Tr.. De gemiddelde doorsnede van de toren stellen we op 16x 16 m. Geval b geeft een situatie weer die kritiek is.I I ~"- .. Voor de windbelasting wordt aangenomen 100 kglm 2 = 0. \ 23 . Het gewicht van de toren schatten we op 400 kglm 3 inhoud. f-. 1 \ \ \ \ 1 \ \ T w 1 \ \ 1 \ \ \ \ \ \ \ \ . Wordt Fw nog groter dan komt Fr buiten het grondvlak en zal de toren kantelen (geval c). ~ I ~ "- .. 1 = 160 1. 14). Als Fr wordt doorgetrokken tot het grondvlak van de toren valt deze daarbinnen en is er geen gevaar voor kantelen. Deze kracht wordt geconcentreerd gedacht in het midden van de torenmassa.. Het gewicht van de toren is. afgerond: Fg = 100001. Deze kracht treft de toren gemiddeld op 0. De toren heeft aan de voet een doorsnede van ca.. F w is nu zo groot dat Fr de zijkant van het grondvlak treft. De totale windkracht is: Fw = 100x16xO. \ . Omdat hier grote krachten optreden wordt niet met kilogrammen maar met tonnen (t) gerekend (1 t = 1000 kg). De toren wordt nu geschematiseerd tot een blok met een doorsnede van 16x 16 m en een hoogte van 100 m. Hoe een toren onder winddruk kan kantelen. Het totale gewicht is dus: 16x 16x 100x400 = 10 240 000 kg. Hoe is het nu in werkelijkheid gesteld met het gevaar van het kantelen van stenen torens.

8 m uit het midden. 0.De resultante van de krachten Fg en Fw kan nu worden getekend. Zo'n eenvoudige en korte berekening geeft toch al enig inzicht in de standzekerheid van de toren. / \ o 24 . 14. Zo is bijvoorbeeld de maximale windbelasting in werkelijkheid groter dan de aangenomen 100 kg/m 2 geveloppervlak omdat de windkrachten op grotere hoogte groter zijn dan dicht bij de grond. Ten opzichte van de torenbreedte van 20 m aan de voet is dat een heel kleine maat. De Domtoren te Utrecht. Voor het kantelen van de toren ten gevolge van windkrachten behoeft dan ook geen enkele vrees te bestaan. Maar ook al zou met 50% meer zijn gerekend. ook al zijn de afmetingen en de krachten heel globaal aangenomen. dan nog is er voor de stabiliteit van de toren geen enkel gevaar te duchten. Zij loopt onder een helling van 10 000/160 = 62/1 en treft de toren doorsnede op terreinhoogte op een afstand van 50/62 = ca.

Samen hebben ze dezelfde uitwerking als Fr. maar een kracht kan. Dit zijn de reactiekrachten (afb. ook worden ontbonden in twee andere krachten. De horizontale kracht Fh wordt de spatkracht van de boog genoemd. De kracht Fr kan worden ontbonden in een horizontale (Fh) en een verticale kracht (Fy).15. 15). Deze wordt de actiekracht genoemd. De krachten aan de voetpunten van de boog lopen schuin naar beneden (Fr>. Overigens geldt bij ondersteuningsconstructies het principe van actie = reactie De boog oefent op de ondersteunende constructies (bijvoorbeeld twee grote blokken van gewapend beton) een schuin naar beneden gerichte kracht uit (Fr).en reactièkrachten. Actie. Krachten kunnen worden samengesteld. de componenten van de kracht Fr. 16). Verderop zullen wij zien dat boogconstructies naar buiten gerichte krachten op hun ondersteuningen uitoefenen. De krachten Fh en Fy zijn. Voorbeeld (afb. 25 . omgekeerd. 16. Om het geheel in evenwicht te houden is het nodig dat de funderingsblokken in staat zijn om ook weer krachten Fr op de boog uit te oefenen. Het ontbinden van krachten.

De architraven (die zelf ook weer worden belast. 18. onder meer door krachten uit het dakgedeelte dat zij dragen) brengen krachten over op de zuilen. 17). 17. 26 . In de draagconstructies van gebouwen worden hierdoor ook krachten opgewekt: de inwendige krachten in de constructie. Voorbeeld (afb. Gezamenlijk worden deze de uitwendige krachten genoemd. Trekkrachten. Zuilen van een Griekse tempel. Drukkrachten.en drukkrachten Er werd reeds geconstateerd dat op gebouwen verschillende soorten krachten werken. dan heerst hierin een drukkracht.Trek. Hangers van een hangbrug. Als wij een horizontale doorsnede van een zuil bekijken. Iedere doorsnede van deze zuil zal weerstand moeten kunnen bieden aan deze drukkracht. Griekse tempels zijn omringd door zuilenrijen (colonnades) die architraven (natuurstenen balken) dragen. Een zuil van een Griekse tempel. In de zuilen ontstaan hierdoor inwendige krachten.

Niet de kracht is maatgevend voor het breken maar de verhouding tussen de grootte van de kracht en die van de oppervlakte van de doorsnede. De eenheid van spanning is: kg per cm 2 oppervlakte (kglcm 2). Onder de spanning in een doorsnede van een constructie-element wordt verstaan de kracht (F). Dat houdt in dat ieder onderdeel van de constructie weerstand moet kunnen bieden aan de erin werkende krachten. Daarom wordt een nieuw begrip ingevoerd: de spanning (s).. gedeeld door de oppervlakte van de doorsnede (A = area).. ~ S=f/A 19. 27 . die op de doorsnede werkt. 19). Zij moeten zo sterk zijn dat het bouwwerk niet bezwijkt onder de krachten die er op werken.Krachten worden aangeduid met de letter F. Als de doorsnede ervan klein zou zijn. ' . Nu is de grootte van een inwendige kracht op zichzelf geen maatstaf voor het bezwijken van een onderdeel.' . Als de doorsnede ervan maar groot genoeg is zal er geen breuk plaats vinden. . Omdat wij hier te maken hebben met een drukkracht. Kracht en spanning Draagconstructies vormen de ruggegraat van een bouwwerk.. Voorbeeld (afb. Een hanger van een hangbrug. Als voorbeeld nemen wij een zuil van de Griekse tempel (afb. Het brugdek hangt via hangers (hangstaven) aan de hangkabels. In iedere doorsnede van een hanger heerst een trekkracht. zou zij wellicht breken maar de doorsnede is zo groot dat dit niet plaatsvindt. . wordt deze aangegeven met F d. Dikke en dunne zuilen.' . Een trekkracht wordt geschreven als Ft. Onder die inwendige krachten mogen zij niet breken. 18). .

Wij laten F toenemen. Proef 1. 20. zowel door drukkrachten als door trekkrachten kunnen worden veroorzaakt. waarbij de staafbreekt (breukkracht) heeft een grootte F 1. ."'---'. zoals de zuil van een tempel en de hanger van een hangbrug. Omdat de spanningen in elementen. Breukproeven op met trekkrachten belaste staven. Voorts wordt genoteerd dat de doorsnede van de staaf een oppervlakte heeft van Al = a cm 2• Proef 2. Het blijkt dat de staaf nu eerst breekt bijeen kracht F 2 = 2F 1. Dezelfde proef wordt nu uitgevoerd met een stalen staaf waarvan de oppervlakte van de doorsnede A2 = 2a cm 2 is. spreken we van drukspannningen (Sd) en trekspanningen (St).Niet de krachten zijn bepalend voor het bezwijken van een constructie-element maar de spanningen die in dat element heersen. 28 . Op een gegeven moment breekt de staaf. Wij nemen een stalen staaf en oefenen hierop een trekkracht F uit. Enkele proeven Zie afbeelding 20. De kracht. Er is een evenredigheid tussen de grootte van de breukkracht en de oppervlakte van de doorsnede.

Voor de spanning bij breuk geldt: Deze spanning wordt de sterkte (in dit geval de treksterkte) van het materiaal genoemd. geldt: Sbreuk = ca. Zo worden bijvoorbeeld globaal de volgende drukspanningen toegelaten: staal hout (gelamineerd) beton 1600-2000 kglcm 2 100 kglcm 2 100 kglcm 2 Niet alle materialen zijn echter goed bestand tegen trekspanningen. afuankelijk van de mate waarin we op de eigenschappen van het materiaal kunnen vertrouwen. een doorsnede van a cm 2 heeft. dat in de 19de eeuw werd gebruikt. 3500 kglcm 2 Voor hout is deze waarde veel lager. 29 . Deze toelaatbare spanning wordt vastgesteld door de sterkte van het materiaal (sbreuk) te delen door een veiligheidscoëfficiënt (v).dan wel drukspanningen in optreden. Ontwerpers houden bij hun berekeningen aan dat de spanningen nergens hoger mogen zijn dan de toelaatbare spanning (aangeduid als Stoel). evenals bij proef 1. dat onder voortdurende controle fabrieksmatig is vervaardigd. maar nu met een houten staaf die. s = sbreuk toel V Deze veiligheidscoëfficiënt is voor ieder bouwmateriaal anders. Het blijkt dat de breukkracht nu veel kleiner is dan bij geval 1. Voor het materiaal staal. kan de veiligheidscoëfficiënt veel kleiner zijn dan voor het in de natuur gegroeide materiaal hout. Bijna alle draagconstructiematerialen zijn goed bestand tegen druk. Er zal een marge moeten zijn. Voor de gebruikelijke staalsoorten en ook voor het smeedijzer. De proef wordt herhaald. bijvoorbeeld: Sbreuk = 500 kglcm 2 Vanzelfsprekend wordt ervoor gezorgd dat bij de normaal optredende belastingen van een gebouw in de elementen van de draagconstructie geen spanningen optreden die dicht bij de breuksterkte liggen. Proef 3. Ze is zeer afuankelijk van de houtsoort. De treksterkte van hout is dus kleiner dan die van staal. Voor een aantal constructiematerialen maakt het veel uit of er trek.

Knik Als op een dunne staaf.I .Zo kunnen staal en hout goed trek weerstaan. Bij ieder van deze materialen zijn de toelaatbare spanningen voor trek en druk ongeveer gelijk. de pen al spoedig plotseling zijdelings zal gaan uitbuigen. Steenachtige materialen zoals natuursteen. Wel zullen verderop de zogenoemde buigspanningen aan de orde komen. bijvoorbeeld bij slanke kolommen (afb. Het praktische gevolg hiervan is dat bij slanke gedrukte elementen een lagere drukspanning wordt toegelaten. Voorbeelden hiervan zijn de gietijzeren drukstaven in 19deeeuwse Polonceau-spanten en de kolommen 21. Er zijn ook andere soorten spanningen. Wij spreken van het uitknikken of knikken van de pen. Opgemerkt zij dat hiervoor alleen maar sprake is geweest van spanningen die veroorzaakt worden door krachten die in de lengterichting van de staven werken. Zonder bijzondere maatregelen zijn deze materialen dus niet geschikt voor constructie-elementen waarin trekspanningen optreden. kunst steen (onder andere baksteen) en beton hebben meestal een kleine treksterkte. Het verschijnsel is vanzelfsprekend ongewenst en moet worden vermeden. Om zulke staven beter tegen uitknikken bestand te maken worden zij in het midden wel dikker gemaakt.:. bijvoorbeeld een breipen. Zoiets kan zich ook voordoen bij constructieelementen. I I :::J. . :." I 1? . blijkt dat. zonder dat er nog sprake is van breken. Zo treden bij krachten die loodrecht op de staaflengte werken zogenoemde schuifspanningen op.. 21). Deze zullen in dit boek niet worden behandeld. I. '. Het uitknikken van een op druk belaste staaf 30 I~ • ~k - \ t.\\ ~ :: \ L . :: I I ::\\ . aan de uiteinden druk wordt uitgeoefend. bij het toenemen van de drukkracht. I :. Deze krachten worden normaalkrachten genoemd en de spanningen heten normaalspanningen.

De uitrekking (of samendrukking) is. 23). De uitrekking (r) van een staaf wordt meestal uitgedrukt in delen van de staaflengte. de dakplaten en een eventuele waterdichte bedekking veroorzaken in de trekstang een trekkracht (zie voor de verklaring hiervan verderop in dit hoofdstuk bij 'Boogwerking'). Hoe groter de kniklengte. Nadat het boogspant. 31 . Als een voorbeeld van de gevolgen die zulke verlengingen en verkortingen kunnen hebben wordt een boogspant met een trekstang genomen. als bijvoorbeeld in een vakwerk twee staven van gelijke lengte voorkomen. Omgekeerd zal een staaf bij druk korter worden. De vormgeving van drukstaven om het uitknikken tegen te gaan. Lange staven knikken veel gemakkelijker uit dan korte. als overspanningsconstructie voor een hal (afb. de één met een trekkracht en de ander met een even grote drukkracht. rekt zij uit en wordt zij langer. Verlenging en verkorting Als een staaf aan een trekkracht wordt onderworpen. Als bij een bepaalde spanning een staaf met een lengte' een uitrekking van rt heeft. de gedrukte staaf (drukstaaf) aanzienlijk grotere afmetingen heeft dan de trekstaaf. tot zekere grenzen. Een grote rol speelt ook de lengte waarover de staaf kan uitknikken. Het gewicht van de gordingen. dan noemt men de specifieke rek (rs): r s =~ .van een vlasspinnerij te Shrewsbury uit 1797 (afb. evenredig met de grootte van de spanning. compleet met de trekstang. bij de montage op zijn opleggingen is geplaatst wordt het dak aangebracht. Het knikverschijnsel is er de oorzaak van dat. Met zulke lengteveranderingen moet een ontwerper van constructies rekening houden. De verlenging van een trekstang bij een boogspant. des te gemakkelijker zal de staafuitknikken. de kniklengte. 22). 22. Hierdoor zal de trekstang uit- 23.

kleiner dan die in het midden.. 24).----. Wij zeggen: de balk is bezweken door een te groot buigend moment in het midden. door een calamiteit. zullen de spanningen in alle staafdoorsneden overal gelijk zijn en gelijkmatig verdeeld over de doorsnede. Het buigend moment is een grootheid waarmee de mate van buiging van een constructie-element wordt aangegeven. Ook de andere doorsneden van de balk waren onderworpen aan buigende momenten maar deze zijn.en drukkrachten (de zogenaamde normaalkrachten). zal de balk in het midden breken.1"- 24.rekken en de voetpunten van de boog zullen zich naar buiten willen verplaatsen. Een op buiging belaste balk. Door de belasting wordt de balk gebogen. toeneemt en te groot wordt. bij normale belastinggevallen. belast door het gewicht van de vloerdelen en door de belasting op de vloer (mensen. Zo'n spanningsverdeling komt echter bij lang niet alle constructie-elementen en belastingsgevallen voor. Buiging Tot dusver hadden wij te maken met trek. opgeslagen materialen en dergelijke). met een normaalkracht wordt (trekkracht) belast. In afbeelding 24 wordt dit schematisch voorgesteld. bijvoorbeeld een hangstaaf. Om dit te voorkomen wordt nu aan de ene zijde van het boogspant een 'vaste' oplegging aangebracht en aan de andere zijden een 'beweegbare' (bijvoorbeeld een roloplegging). 32 . zullen er grote zijdelingse krachten op de ondersteuningen worden uitgeoefend. Hierbij is: -+----(. inventaris. Deze balk wordt. behalve door zijn eigen gewicht. Als voorbeeld wordt een houten balk als onderdeel van een balkenvloer genomen (afb.en drukspanningen in constructie-elementen die veroorzaakt worden door trek. Als er geen maatregelen worden genomen. Indien de belasting. Als een element.

smax = W M F w=. 25): W = 1I6·bh2 De hoogte van de doorsnede komt in deze formule in het kwadraat voor en draagt dus meer bij aan het weerstandsmoment dan de breedte. Zoals een op trek belast staaf breekt door een te hoge spanning (trekspanning). neemt hij een zodanige gebogen vorm aan dat de bovenzijde korter wordt en de onderzijde langer. 33 . De formule kan ook als volgt worden geschreven: W = 1I6·bh·h = 1I6-Ah 25. Deze is dus.\ A::.de belasting op de balk.als drukspanningen. Weerstandsmomenten. zoals de rechthoekige doorsnede van de houten balk. Voor een normaalspanning wordt de normaalkracht F gedeeld door de oppervlakte A van de staafdoorsnede: s=A: Bij een op buiging belaste doorsnede wordt het buigende moment M gedeeld door een grootheid die het weerstands moment (W) van de doorsnede wordt genoemd. bk2 = Yb' Al. Bij een symmetrische doorsnede. Hieruit volgt dat aan de bovenzijde drukspanningen (Sb) en aan de onderzijde trekspanningen (so) heersen. van invloed op de grootte van het buigende moment. bh Voor een rechthoekige doorsnede geldt (atb. De grootte van de buigspanningen wordt op soortgelijke manier bepaald als bij de normaalspanningen (door trek of druk) het geval is.'/6. is: q In het midden van de doorsnede is de spanning nul. Als een balk van bovenaf belast wordt. meer dan de belasting. aangenomen als gelijk verdeeld over de lengte van de balk (gelijkmatig verdeelde belasting) in kilogrammen per meter lengte (per 'strekkende' meter) I de overspanning van de balk in meters M het buigende moment M max het maximum buigende moment De mechanica leert dat: M max = 1I8·q·j2 In deze formule komt de overspanning j in het kwadraat voor. Deze worden buigspanningen genoemd. In een op buiging belaste balk ontstaan zowel trek. breekt ook een op buiging belaste staaf door te hoge spanningen.

in het midden is de spanning zelfs nul en verricht het materiaal helemaal geen diensten. Zo geldt voor stalen balken met een I-vormige doorsnede (I-profielen): w= 1/15 à 1/25·bh2 Dus aanzienlijk kleiner dan bij een rechthoekige doorsnede. naar gestreefd om de buigende momenten in de constructie zo klein mogelijk te houden en om de constructie-elementen zoveel mogelijk met normaalkrachten te belasten (het principe van de verderop te behandelen vakwerken). . Zo is bij het relatief dure materiaal ijzer de I-vormige doorsnede ontstaan (afb. de spanningen niet erg efficiënt over de doorsnede zijn verdeeld. Doorsneden. waarbij de spanningen gelijkmatig over de doorsnede verdeeld zijn. wor34 26.of een drukkracht zijn belast. Bij het ontwerpen wordt er dan ook. Voor andere dan rechthoekige doorsneden zullen de weerstandsmomenten anders zijn. die op buiging worden belast. vooral bij grotere overspanningen. Aan de mate. Dit in tegenstelling tot de normaalkrachten. die met een trek. die op buiging wordt belast. Vanzelfsprekend. is om het materiaal daar zoveel mogelijk weg te laten en het te concentreren in de boven. Er valt nog op te merken dat in een doorsnede. vragen aanzienlijk meer oppervlakte (en dus materiaal) dan doorsneden met een normaalkracht. maar ook hoog worden gemaakt. langer dan wel korter worden.Om een doorsnede goed bestand te doen zijn tegen buiging. Alleen aan de bovenzijde en de onderzijde zijn de spanningen maximaal. Hij gaat doorbuigen. Zoals staven. zo is ook een op buiging belaste balk aan vervorming onderhevig. moet ze dus niet alleen een voldoende oppervlakte (A) hebben. Bij de 1-vormige doorsnede wordt het materiaal beter benut dan bij de rechthoekige doorsnede. 26). waarin een balk doorbuigt. Een ander middel om tegemoet te komen aan het nadeel dat in een op buiging belaste doorsnede de spanningen in het midden klein zijn.en de onderzijde. want er is veel minder materiaal in de doorsnede aanwezig.

die laag is ten opzichte van de druksterkte (zoals bij de meeste natuursteensoorten en bij beton het geval is) zullen bij buiging al spoedig bezwijken door te hoge trekspanningen. ook voldoende stijf (afb.- keto(~ :&t'~~ ~r~~l~ ~. 29. dz. is ook ongeschikt als materiaal voor balken. 29). Natuursteen is. maar. Aan constructies worden dus vervormingseisen gesteld.df. Balken onder een plat dak mogen niette veel doorbuigen omdat er anders water op hét dak zou blijven staan.~ock~ b~kJ. 27). Beton. Een balk van natuursteen. Een dak mag niet te veel doorbuigen. 28). Als wij over een balk lopen. oploç(~~ Drl. Elementen van een materiaal met een treksterkte. Door het aanbrengen van ijzer op de plaatsen waar trekspanningen optreden. De architraafbouw (een nabootsing van de houtbouw) is dan ook van nature inefficiënt (afb. daarom ongeschikt als materiaal voor op buiging belaste balken. 28. 35 .Sf\~ SWt. dan voelen wij hem doorbuigen. kan een betonnen balk toch uitstekend weerstand bieden aan buiging (afb. Daarom werd in de tweede helft van de 19de eeuw het versterken van beton met ijzer geïntroduceerd (gewapend beton). Dat is niet de enige reden om doorbuigingen te beperken. behoudens enkele soorten zoals graniet. die wat krap bemeten is. Is die doorbuiging groot dan geeft dat een onaangenaam gevoel.t~~ a~'-:de~ vold~stgÇ ~~ 27. Zij moeten niet alleen sterk genoeg zijn.den limieten gesteld. eveneens een steenachtig materiaal. Een balk van gewapend beton.

zoals houten balken. samengesteld uit aaneengelijmde houten planken) werd hetzelfde doel beoogd (afb. ieder met ongeveer een gelijke druk. 31. vakwerkspanten Balken met een rechthoekige. Een gekoppelde (samengestelde) houten balk. waaruit ze worden gezaagd. Hiermee kon men balken maken met een grotere hoogte. 32. 36 . Samengestelde balken Als een balk op buiging wordt belast. Met het aan het einde van de 19de eeuw ontstane principe van de gelamineerde balk (houten balken. 30). Een gelamineerde gelijmde houten balk. vergen veel materiaal. 31). Houten balken zijn echter niet in onbeperkte afmetingen verkrijgbaar omdat de boomstammen. zijn echter zonder verdere voorzieningen zeer geschikt voor op buiging belaste elementen. massieve doorsnede. Driehoekspanten. Om hieraan tegemoet te komen ontstond de gekoppelde of samengestelde balk (afb. niet alleen een beperkte lengte hebben maar ook taps van vorm zijn. 32). hangwerken. staal en hout.Materialen zoals smeedijzer. 30. Daarom worden dan andere elementtypen gebruikt. Bij grotere overspanningen worden ze inefficiënt. Het eenvoudigste type is het driehoekspant dat gebruikt wordt voor het ondersteunen van zadeldaken (afb. is het voor de erin optredende spanningen gunstig als zijn doorsnede zo hoog mogelijk is. De doorsnedeafmetingen zijn dan ook gelimiteerd. Het driehoekspant.en treksterkte.

33). Een ander type vakwerkspant: het Engelse spant. 37 . De werking der krachten in zo'n spant is in principe gelijk aan die in een driehoekspant: in de bovenrandstaven (spantbenen) ontstaan drukkrachten. Een vakwerkspant: het Franse spant ofPolonceau-spant. 35. die deze gordingen uitoefenen. in de onderrandstaven trekkrachten.De werking van de krachten in een driehoekspant is te vergelijken met de buigspanningen in een balk. 33. Eén van de eerste typen was het Franse spant of Polonceau-spant (afb. 34. en enkelvoudig omdat er slechts één hanger aanwezig is. 36). hangwerk omdat de trekbalk aan de makelaar (hanger) wordt opgehangen. In vele vroeg-christelijke middeleeuwse kerkhallen ziet men dit soort driehoekspanten dat in Engeland king-post truss wordt genoemd (afb. De king-post truss of het enkelvoudige hangwerk. Bij een naar beneden gerichte belasting treden in de spantbenen (aan de bovenzijde van het spant) drukkrachten op en in de balk aan de onderzijde ontstaat een trekkracht (trekbalk). Het type wordt ook wel een enkelvoudig hangwerk genoemd. ook nog op buiging belast. Door meer hangers in te voeren ontstaan meervoudige hangwerken (afb. Om de buigende momenten die hiervan het gevolg zijn. te verminderen heeft men de spantbenen ondersteuningen gegeven in de vorm van schoren. Dit geldt voor alle typen vakwerkspanten zoals bijvoorbeeld het Engelse spant (afb. De queen-post truss of het tweevoudige hangwerk. Door de krachten. In de 19de eeuw zijn uit deze hangwerken de vakwerkspanten ontstaan. Deze lopen bij de eenvoudigste vorm naar de middens van de spantbenen en steken aan hun andere einde in een verticaal midden hout (makelaar). uit hoofde van de spantwerking. 36. 35). In een driehoekspant ondersteunen de spantbenen de dakgordingen. worden de spantbenen behalve op een drukkracht. 34).

en gelamineerde houten balken of samengestelde ijzeren liggers niet meer tot een economische oplossing leiden. die in balken en vergelijkbare constructies optreden. De on38 . Omdat normaalkrachten weinig materiaal vergen. terwijl de vakwerken samengesteld zijn uit staven die ieder voor zich met een normaalkracht worden belast. Net als bij de op buiging belaste houten balk staat de bovenrand onder druk en de onderrand onder trek. dus in constructie-elementen. De vakwerkligger. Het belangrijke verschil is dat balken veel materiaal eisen. Maar ook bij verticale constructies is er sprake van buigende momenten. terwijl de verticalen en diagonalen (de wandstaven). Torens Tot dusver waren aan de orde buigende momenten. als houten of gewalste ijzeren balken niet meer toereikend zijn. weinig materiaal vergen. zijn vakwerken dus economisch wat het materiaalverbruik betreft. Hij wordt ook wel parallelvakwerkligger of kortweg parallelligger genoemd. Deze veroorzaken aan de voet ervan een buigend moment (Mw). De vakwerkligger wordt gebruikt voor platte daken. omdat hun doorsneden op buiging worden belast. Een voorbeeld hiervan is een toren die onderworpen is aan windkrachten en waarvan het eigen gewicht buiten beschouwing wordt gelaten (afb. die gekenmerkt wordt door een ongeveer evenwijdig lopende onder.en bovenrand (afb. waaraan weerstand moet worden geboden.Vakwerkliggers Een andere type overspanningsconstructie is de vakwerkligger. die horizontaal liggen en dienen voor het overspannen van ruimten. 37. De vakwerkspanten en -liggers zijn dus vergelijkbaar met op buiging belaste balken. die de randen met elkaar verbinden. 37). 38). Door de grote hoogte van de ligger (vaak wel 1/10 van de overspanning) blijven de krachten in de randstaven klein.

De formule laat zien dat de krachten F d en Ft kleiner zijn naarmate z groter is. Een voorbeeld hiervan is iemand tegen wie zijdelings wordt gedrukt (afb. aan de andere zijde even grote trekkrachten (Ft). Wijdbeens staan om bestand te zijn tegen een horizontale kraèht. Het moment veroorzaakt aan de ene zijde drukkrachten (Fd ) in de fundering. 38. 39. Een voorbeeld hiervan is de Eiffeltoren te Parijs uit 1889 (afb. Kleine krachten kunnen dus reeds weerstand bieden aan een groot buigend moment als hun onderlinge afstand maar groot is.dersteuning van de toren (de fundering) moet aan dit buigende moment weerstand bieden. Om dezelfde reden is bij hoge torens een brede voet gunstig voor het weerstand bieden aan windkrachten. Dit werd reeds geconstateerd bij het onderzoek naar de mogelijkheid van het kantelen van de Domtoren te Utrecht. In ieder geval moet de linker reactiekracht (een trekkracht) kleiner blijven dan de helft van zijn lichaamsgewicht. 39 . anders zou hij aan die zijde worden opgelicht. Tussen deze grootheden bestaat het verband: Mw =F·z waarin z de afstand is tussen de krachten Fden Ft (de hefboomsarm van het buigende moment). Windkrachten op masten en torens. 39). Hij gaat wijdbeens staan (grotere z) om de reactiekracht door het drukken zo klein mogelijk te maken. 38). Overigens speelt het eigen gewicht van hoge torens een belangrijke rol bij de aan de voet optredende krachten.

In de doorsneden van de balk heersen aan de bovenzijde drukspanningen en aan de onderzijde trekspannmgen. worden negatief genoemd. De Eiffel-toren. is een zwaar bouwwerk. die op twee steunpunten is opgelegd en die van boven wordt belast. Er komen echter ook gevallen voor waarbij de balk zo wordt gebogen dat de bolle kant naar boven wijst en de holle kant naar beneden en waarbij er aan de bovenzijde trek en aan de onderzijde druk heerst. 40. zal naar beneden gebogen worden (afb. Zijn eigen gewicht is een gunstige factor bij het weerstand bieden aan windkrachten. die hierbij optreden. met zijn dikke baksteenmuren. Hij neemt een vorm aan met de holle kant naar boven en de bolle kant naar beneden gericht. Bij deze situatie spreken wij van positieve buigende momenten. c:: bolle~t ~boV0h a 40 ~I:~IIII~ positfev~ ~~ ~O\-t\~~ . De momenten. met zijn ranke ijzerconstructie.De Domtoren. Positieve en negatieve buigende momenten Een balk. is verhoudingsgewijs erg licht en behoeft daarom een aangepaste vormgevmg. Positieve en negatieve buigende momenten. 40b). 40a). Het meest elementaire voorbeeld daarvan is de uitkragende balk (afb.

I A A A 1 42. 41 b).0. vrij opgelegd op twee steunpunten. positief en negatief.:..~...!!I::-------""='!I:::: ::::.. doorgaande over vele steunpunten.. +~----". deze samen 1/8·q/2 groot zijn (1/ 12 + 1/24 = 1/8). zijn doorlopend gemaakt. Het voordeel van deze verdeling is dat de momenten gemiddeld kleiner zijn geworden dan wanneer er liggers waren gebruikt die de beide openingen overspannen zonder boven de middenpijler stijf met elkaar verbonden te zijn (liggers. dus met twee doorvaartopeningen (afb. Boven de beide doorvaartopeningen (in de velden) treden positieve momenten op...~// r:"!':.. 41a).~. ·· .. boven het middensteunpunt zijn de momenten negatief.. is het negatieve moment boven het middensteunpunt vrij hoog (l/8·q/2) en groter dan de positieve momenten in de velden. die over twee velden doorgaat. De liggers. ... is de momentenverdeling anders (afb. met een maximum van ongeveer 1/24·q/2. Merk op dat. In de velden zijn de momenten positief... {.. Bij liggers...:..-"4::::.~... 0..... van het linker landhoofd naar het rechter.--... °.Een ander voorbeeld is een kanaalbrug met een middensteunpunt. Zij worden doorgaande liggers genoemd....U...jii:i"o::K-..: b 41..::::. dat wil zeggen dat zij boven de middenpijler niet zijn onderbroken. Een ligger.i~. Als deze liggers worden belast. :·: . _ _ _ _ _ _"""'u:-11 ""'::' ~ In·· · .. Bij de ligger.. Bij zulke zogenaamde prismatische liggers wordt er naar gestreefd de maximale optredende buigende momenten... :.... Ook daar treden boven de steunpunten negatieve momenten op maar deze zijn kleiner dan die bij een ligger met twee velden.:o+.. ontstaat er een momentenlijn met positieve en negatieve momenten.:. 42). als we de maximum negatieve en positieve momenten bij elkaar optellen.. . Daar worden de doorsneden in de meeste gevallen niet aangepast aan de buigende momenten omdat dit te bewerkelijk is.- .-r~. ~. die de brug dragen. M-~ 41 ..:[..::: :...t-------.-. zo klein mogelijk te houden. afb.---t...: . namelijk ongeveer I / 12·q/2. Bij liggers in gebouwen zijn de overspanningen meestal betrekkelijk klein...:.o .._ . ) :::: : 0 :. 'U:::-------=!. die over vele steunpunten doorgaan.. Een kanaalbrug met twee doorvaartopenzngen.. Dit voordeel wordt vooral benut bij bruggen met grote overspanningen waarbij de hoogte van de doorsneden aangepast wordt aan het verloop van de buigende momenten.

Om hieraan tegemoet te komen kunnen de liggers in stukken worden verdeeld die scharnierend aan elkaar verbonden worden. Een bekend voorbeeld daarvan is de brug over de Firth of Forth bij Edinburgh uit 1890. met overspanningen van 520 m (afb. In de bruggenbouw wordt in zo'n geval gesproken van cantilever-bruggen (kraagliggerbruggen). A 1 43. Bij deze brug heeft echter het streven naar een gelijkmatige momentenverdeling niet een overheersende rol gespeeld. waarna de twee resterende openingen van ruim 100 m met inhangbruggen werden overspannen. De spoorbrug over de Firth of Forth bij Edinburgh: een canti/ever-brug. bijvoorbeeld zo dat de negatieve momenten bij de steunpunten gelijk worden aan de maximum positieve momenten in de velden (afb. 42 . Het ging hier meer om een efficiënte uitvoering waarbij eerst uitkragend naar het midden van de beide hoofdoverspanningen werd gebouwd.Bij de doorgaande liggers zijn de positieve en de negatieve momenten nogal ongelijk verdeeld. Een scharnierligger. worden ze ook wel Gerber-liggers genoemd. die dit idee voor het eerst toepaste. Naar degene. dat wil zeggen dat ter plaatse van deze scharnierverbindingen geen buigende momenten kunnen worden opgenomen. 43). 44). 44. Zo zijn de scharnierliggers ontstaan waarmee de momentenverdeling gunstig kan worden beïnvloed.

o

o

A
,

A

o

o

A

• L~~~
F
IL

..

~
1=


1=


1=

kcotc:;{CCM~

Het Gerber-principe is bij gebouwen vooral gebruikt voor dakgordingen. Een voorbeeld daarvan zijn de geprefabriceerde betonnen gordingen (vakwerkliggers volgens het systeem Visintini) van de garage van de Gemeentelijke Vervoer- en Motordienst te Rotterdam uit 1941 (afb. 45). Om de andere travee zijn er gordingen die buiten de spanten uitsteken. Op de uiteinden ervan zijn korte gordingen scharnierend opgelegd. Op deze wijze konden de buigende momenten aanzienlijk worden gereduceerd. Constructie-elementen, waarbij negatieve momenten een belangrijke rol spelen, zijn de uitkragende balken en liggers (afb. 46). Omdat zulke liggers slechts aan één zijde ondersteund zijn, worden de buigende momenten erg groot, bij het steunpunt 1I2.q12 (tegenover 1I8·q12 bij een balk op twee steunpunten).
46. De uitkragende balk.

45. De gordingen van de garage van de Gemeentelijke Vervoer- en Motordienst te Rotterdam zijn uitgevoerd als Gerber-liggers.

..,Ilct:..--~_ _ _

"

t ______"'''''-L:
-,

k

43

In vroeger jaren werd dan ook slechts beperkt gebruik gemaakt van uitkragingen. Eerst bij de intrede van het ijzer en later van het gewapend beton werden grote uitkragingen gemaakt. Ook werden toen korte maar zeer zwaar belaste uitkragingen mogelijk, zoals bij het pakhuis De Zwijger te Amsterdam uit 1934 (afb. 47).

De combinatie van druk en buiging
Bij hoge torens en torenachtige bouwwerken, zoals fabrieksschoorstenen en hoogspanningsmasten, zullen aan de voet drukkrachten optreden, voornamelijk door hun eigen gewicht. Daarnaast worden ze echter ook belast met windkrachten, die aan de voet buigende momenten veroorzaken. Torens worden dus belast door een combinatie van drukkrachten en buigende momenten (afb. 48). Om duidelijk te maken welke spanningen hierdoor worden veroorzaakt, nemen wij aan dat de toren massief is en van metselwerk is gemaakt. De drukkracht geeft drukspanningen die gelijkmatig over de doorsnede zijn verdeeld. Het buigende moment zou, als het alleen aanwezig was, aan de windzijde trekspanningen en aan de lijzijde drukspanningen geven. Als deze spanningen opgeteld worden bij de drukspanningen ontstaat een nieuw spanningsdiagram, met hogere drukspanningen en kleinere trekspanningen. Als het moment niet al te groot is, zullen er in de gehele doorsnede drukspanningen heersen en behoeft er slechts voor te worden gezorgd dat deze drukspanningen binnen de veiligheidsmarges blijven, dus niet groter worden dan de toelaatbare drukspanningen. Bij zeer hoge en slanke torens, met veel openingen in de constructie (dus een relatief laag eigen gewicht, zoals bij de Eiffel-toren) bestaat echter de kans dat het windmoment groot wordt ten opzichte van de drukkracht en dat er
44

47. Het pakhuis De Zwijger te Amsterdam: zwaar belaste uitkragingen.

trekspanningen in de doorsnede komen. Zoiets dient in ieder geval vermeden te worden want metselwerk kan slechts kleine trekspanningen opnemen. Bij de berekening van de sterkte van de toren wordt dan ook aangenomen dat metselwerk in het geheel geen weerstand aan trekspanningen kan bieden en dat de afmetingen van de toren zodanig dienen te zijn dat deze ook niet zullen optreden. Dat stenen torens nimmer geheel van massief metselwerk zijn maar hoofdzakelijk uit meestal zeer dikke buitenmuren bestaan, heeft weinig invloed op de hierboven beschreven spanningsverdeling. De spanningen door het windmoment zullen wat hoger zijn dan die in een massieve doorsnede maar wijken daar niet veel van af. Wat dat betreft zijn openingen in het metselwerk aan de voet van de toren, bijvoorbeeld voor een toegangsdeur, wel van grote invloed.

a bg ~ kl~ ~~
~
0Zt\

~otz ~t

W\oWo2Mt

IlllI±IlIll

~:~ &

. :-Jk ...
· .V. ·
. '•

·<. .. 'ce, . -.
'

b 6;J <Z0\ffcot ~0\d
e.t\

··. ·. ·i: . V·
• •0

~ 1d~e cl~k~ckt

~t

a0.NIVt\'-

~~.J..
.At . ... a'V. "
. .

LlJJkUUI ~::=~
/"L.
~

..J .

::' ..
"

~ .. ~..

M~ wr ·~fJ 1I11illllllllllllllllllltl mrrr
1

Wi2

~

+

48. De combinatie van druk en buiging.
45

Er zijn echter twee schaduwzijden: • Wij zagen reeds eerder dat bij op druk belaste elementen het gevaar van uitknikken bestaat. . Bij een boogbrug geeft het eigen gewicht van het brug46 49. wordt bij het bouwen ook veel gebruik gemaakt van boogconstructies. Daardoor wordt de gehele oppervlakte van de doorsnede optimaal benut. belast met het gewicht van de gordingen en de dakbedekking en door bijvoorbeeld sneeuw op het dak. Dat is gunstig. 49). Bij benadering is deze belasting gelijkmatig verdeeld over de lengte van het boogspant. 50).Boogwerking N aast de balken en daarmee te vergelijken constructie-elementen die voornamelijk op buiging worden belast. Bij het boogspant is juist het omgekeerde het geval: als we het de vorm van een kettinglijn geven. De boogspanten van een dergelijke hal worden. Daarom moet aan de doorsnede van een boogspant toch wel een behoorlijke breedte en hoogte worden geven om aan het uitknikken weerstand te kunnen bieden . want een drukkracht zonder een buigend moment geeft in de doorsneden van de boog een gelijkmatig verdeelde spanning. net als het boogspant. De ketting heeft. behalve door hun eigen gewicht. Een hal met boogspanten is daarvan een voorbeeld (afb. In de krachtswerking van een boog krijgt men een goed inzicht door hem om te draaien en te vervangen door een ketting (afb. dus per m I booglengte. De ketting neemt onder deze belasting een bepaalde vorm aan (de kettinglijn) en is alleen maar onderworpen aan trekkrachten. • Zuivere drukkrachten treden alleen op als er volledig overeenstemming is tussen de soort belasting en de vorm van de boog. door haar eigen gewicht een gelijkmatig verdeelde belasting per mi lengte. Zo hoort bij een gelijkmatig verdeelde belasting per mI booglengte de vorm van een kettinglijn. Een hal met boogspanten. dan zullen er alleen maar drukkrachten in optreden en geen buigende momenten.

ook buigende momenten. naast drukkrachten. 47 . Bij bruggen kan de ene helft ervan wel belast zijn en de andere helft niet. binnenwaarts gerichte krachten uit (actie = reactie. de belasting is dan dus niet gelijkmatig verdeeld. Zo treden bij boogconstructies voor daken van gebouwen aanzienlijke windkrachten op die aan de ene zijde van de boog drukken en aan de andere zijde zuigkrachten veroorzaken (afb. ook buitenwaarts gerichte horizontale krachten uitoefenen. Een boogbrug. ~- 54. wat de krachtswerking betreft. Cirkel. Bogen worden ook op buiging belast. Het 'spatten' van een boog. Deze vergen grotere doorsneden dan bij alleen zuivere drukkrachten het geval zou zijn geweest. de zogenaamde spatkrachten (afb.dek echter een belasting. Er is bij boogconstructies. 54). nog een andere kenmerkende eigenschap. afb. die ongeveer gelijkmatig verdeeld is per m I lengte van het brugdek. deze vorm nimmer zal passen bij de verschillende belastingen waaraan de boog wordt onderworpen. welke vorm ook aan de boog wordt gegeven. Zonder deze krachten kan geen boogwerking ontstaan: de voetpunten van de boog zouden zijdelings uitwijken en de boog zou in elkaar zakken (het spatten van de boog). Omgekeerd moeten de ondersteuningen aan deze spatkrachten weerstand kunnen bieden en oefenen ze op de boog horizontale. 53). 51). kettinglijn. 52. behalve verticale krachten. 53. dus per mI grondvlak van de boog (afb. 51. Het is duidelijk dat. 55). Zulke afwijkende belastingverdelingen veroorzaken in de boog. namelijk dat zij op hun ondersteuningen. parabool. Bij zo'n belasting behoort de vorm van een parabool.

De ondersteuningen van bogen worden dus zwaarder belast dan die van balken en liggers. ~:k~~1Ak _~ctte~cht S?AT~+tT y= ~tK4le a~t" 55. 56). Spatkrachten. namelijk het aanbrengen van een trekelement tussen de voetpunten van de boog. 11 ~ 48 . Deze oplossing wordt vaak toegepast. Er is echter ook een andere oplossing mogelijk. zowel bij boogconstructies waarvan de voetpunten ongeveer op maaiveldniveau liggen (het trekelement komt dan in de grond te liggen) als bij boogspanten die daken dragen en op kolommen rusten (afb. Het kunnen bijvoorbeeld zware betonblokken in de grond zijn die door hun gewicht en door hun wrijving met de grond de spatkrachten kunnen weerstaan. 56. Het weerstand bieden aan spatkrachten.

zullen de voetpunten ervan weg willen schuiven. Deze oefenen radiaal naar buiten gerichte krachten uit op hun ondersteuningen. Als twee . Het duidelijkst is de werking hiervan als de koepel wordt gedragen door boogspanten (afb. Ook hier ontstaan horizontale krachten waaraan weerstand moet worden g~boden. In plaats van dat er radiale trekstangen worden aangebracht. doet nu een ring aan de voet van de koepel dienst om de spatkrachten op te vangen. 58). Het zijn overigens niet alleen de boogconstructies waarbij spatkrachten optreden. Spatkrachten bij een driehoekspant. Een voorbeeld daarvan zijn de spantbenen van een driehoekspant (afb. zijdelings steun vinden in het omringende stapelwerk van natuursteenblokken. 58. De afdekking van de Koningskamer. Bij het driehoekspant zorgt de trekstang voor de zijdelingse steun.rechte balken schuin tegen elkaar worden gezet.57. om in stand te blijven. In de piramide van Cheops komen boven de grafkamers ontlastingsconstructies voor in de vorm van grote natuursteenblokken die schuin tegen elkaar zijn geplaatst (afb. In de ring ontstaat hierdoor een trekkracht (trekring). Deze hebbben zijdelingse steunkrachten nodig om hun werk te kunnen doen. 57). Omgekeerd wordt in de top van de koepel. om de moeilijke samenkomst van de boogspanten daar te vermijden of om er een 49 . De piramide van Cheops. Koepelgewei ven Nauw verwant aan de bogen zijn de koepelconstructies. Zij dragen de steenmassa's erboven en moeten. 59).

.... Een koepel met boogspanten... ------ --- 50 .59.. ' "'-. . Een ongewapend koepelgewelf ~~~ 61... 60. Krachten in een stenen koepelgewelf ~- o \ \ " ' ...

De belangrijkste daarvan zijn de tongewelven en de kruisgewelven.lantaarn op te plaatsen.5 m dikke ringmuur van ongewapend beton die de spatkrachten dank zij zijn grote gewicht kan dragen. Ton. Deze schillen geven hun spatkrachten af aan de ondersteunende muurmassa (de tamboer). namelijk loodrecht op 63. Bij koepels zoals die van het Pantheon te Rome kan men zich voorstellen dat er aan de voet verticale scheuren ontstaan die de koepel in naast elkaar geplaatste 'schillen' verdelen (afb. 60). Zo zijn bij de 16de-eeuwse koepel van de Sint Pieter te Rome ijzeren ringen aangebracht (zie afb. kan men onder in het gewelf ringvormige trekelementen aanbrengen (afb. Analoog hieraan zullen in een verticale doorsnede van een stenen koepelgewelf onderin horizontale trekkrachten (ringtrekkrachten) ontstaan terwijl bovenin ringdrukkrachten optreden (afb. Bij het Pantheon is dat een 6. overdekt met boogspanten (afb. Krachten in een tongewelf 51 . 62. Een koepelgewelf met trekringen. vaak een drukring aangebracht. 142). De krachtswerking erin is te vergelijken met die in een langshal. Om te voorkomen dat in een koepelgewelf scheuren optreden en dat de koepel hierdoor zelfs zou bezwijken. 62). 61).en kruisgewelven Naast de koepelgewelven zijn er nog andere gewelfvormen. 63). De krachten in het gewelf werken in het algemeen slechts in één richting. Een tongewelf is een gewelf dat slechts in één richting gebogen is en dat op twee evenwijdig aan elkaar gelegen ondersteuningslijnen (muren of kolommenrijen) rust. overigens niet in voldoende mate want er ontstonden na de bouw aan de voet van de koepel toch verticale scheuren.

65). 65. Kruisgewelven werden in de Middeleeuwen. bijvoorbeeld bij de hoge middenbeuken van gothische kathedralen. 52 . De ontmoetingslijnen van de beide tongewelven worden gevormd door diagonaal lopende ribben (de kruisribben). Het bakstenen gewelf heeft een overspanning van ruim 25 m en wordt ondersteund door dikke muren die naar hun voet toe breed zijn uitgebouwd (afb. De iwan van het paleis te Ktesiphon (Mesopotamië). Een voorbeeld van een groot tongewelf is de ontvangsthal (iwan) van het paleis te Ktesiphon (Mesopotamië). Ook bij het tongewelftreden spatkrachten op waaraan de ondersteuningen weerstand moeten bieden. als bogen.de lengteas van het gewelf.c. Vanzelfsprekend kan ook bij tongewelven gebruik worden gemaakt van trekstangen om de spatkrachten op te vangen. Uiteraard treden hierbij spatkrachten op. De gewelven werden gemaakt als invullingen daartussen. meestal uitgevoerd als kruis ribgewelven (afb. Bij de gothische bouwwerken hebben deze tongewelven een spitsboogvormige doorsnede. 137) spelen in het krachtenspel slechts een ondergeschikte rol en fungeren hoofdzakelijk als verstijvingen ~an de gewelven. de krachten afvoeren naar de ondersteuningen. Geometrisch zijn deze gewelven in hun eenvoudigste vorm op te vatten als de doorsnijding van twee elkaar loodrecht ontmoetende tongewelven met een gelijke hoogte. vermoedelijk uit de 3de of de 6de eeuw n. Zij rusten op de ribben die. Krachten in een kruisribgewelf. Op dezelfde wijze als de muren van de rotonde van het Pantheon te Rome brengen zij de reactiekrachten van het tongewelf over naar de fundering. 64. . 64). De gordelbogen en de muraalbogen (zie afb.

Zoals de opwaarts gebogen vorm (de eigenlijke boogconstructie) aanleiding geeft tot drukkrachten. In gebouwen werden hangconstructies vóór 1940 nauwelijks gebruikt. 53 .en kruisgewelven. zo treden er bij de neerwaarts gebogen vorm trekkrachten op. Het bekendst is uit vroegere tijden de toepassing in de bruggenbouw. ton. de hangbrug. en die hiervoor zijn behandeld. Krachten in koepel-. en neerwaarts gebogen constructies. 67. Er wordt dan gesproken van hangconstructies (afb.en de hangboog. 67). De drukboog. Hangconstructies Eigenlijk zijn er twee soorten boogconstructies: die welke opwaarts zijn gebogen. In de periode tussen 1800 en 1940 zijn er vele hangbruggen gebouwd.66.

68). Bij een hangbrug hangt het brugdek via hangers aan een trekelement.4 m. De grootste hangbrug ter wereld. Hangbruggen: een kettingbrug (over de Menai Strait bij Bangor. want daarvoor is dit brugtype zeer geschikt (afb. 1966). met een overspanning van bijna 500 m. heeft kabels met een diameter van 0. Wales.vaak met grote overspanningen. met een overspanning van ruim 1400 m. Al spoedig echter kwamen kabels in gebruik. over de Humber bij Hull. 68. dat wil zeggen dat het trekelement samengesteld werd uit betrekkelijk korte ijzeren elementen (naast elkaar geplaatste platen) die met bouten aan elkaar werden verbonden. Deze worden vervaardigd van draden (aanvankelijk van smeedijzer. later van staal) en hebben bij grote bruggen een aanzienlijke omvang. 54 . Bij de allereerste hangbruggen waren dit kettingen. uit 1981.7 m. 1826) en een kabelbrug (over de Severn bij Bristol. hangt aan twee kabels met een diameter van circa 0. De Brooklyn Bridge over de East River te New York uit 1883.

Krachten in een hangbrug. 69). 70). Bij hangbruggen worden de trekkrachten over pylonen verder geleid naar grote funderingsblokken waarin de trekkrachten uiteindelijk verankerd moeten worden. 70. Vooral dit laatste levert bij hangconstructies vaak grote problemen op die aanzienlijke kosten met zich meebrengen (afb. 55 . 69. Krachten op de ondersteuningen van een hangkabel.Zoals reeds werd opgemerkt is de krachtswerking in een hangkabel omgekeerd aan die in een boog: er treden trekkrachten in op en op de steunpunten worden schuin naar beneden gerichte binnenwaartse krachten uitgeoefend (afb.

.

Ook bij een geringe scheefstand zou dit het geval zijn. in een zuiver verticale stand. Het is niet voldoende dat deze elementen ieder voor zich sterk genoeg zijn. die in constructies optreden. Ook zou de mast kunnen worden ingeklemd in zijn funderingsvoet. 57 . dat wil zeggen niet bestand tegen horizontale krachten. 71). -j-I) // // // '/ '/ '/ // // I/ I. Drie tuien zullen in principe voldoende zijn om de constructie stabiel te maken. Draagconstructies van bouwwerken zijn echter totale systemen waarvan de elementen onderdelen zijn. is hoofdzakelijk gesproken over krachten in constructie-elementen. Onstabiele en stabiele masten. Zij moeten ook zodanig met elkaar samenwerken dat het totale systeem voldoende sterk is. 11 " I/ /1 /1" '/ 71. Deze oplossing heeft wel het nadeel dat er door windkrachten aan de voet aanzienlijke buigende momenten zullen ontstaan. zelfs niet tegen kleine. Bij de . in evenwicht zijn. Bij een mast is een remedie hiertegen het aanbrengen van trekelementen (tuien). dat wil zeggen dat zij niet mag instorten en dat zij niet mag omvallen. Als deze overeind wordt gezet zal hij.Stabiliteit 4 Algemeen Bij de behandeling van de krachten. De constructie is onstabiel. Maar dit evenwicht is wankel: een kleine horizontale kracht zal de mast reeds doen omvallen. Vooral met dit laatste zullen wij ons nu bezig houden. De draagconstructie moet stabiel zijn. Stabiele en onstabiele masten Het eerste voorbeeld is een hoge buisvormige mast (afb.

zoals ook in het voorgaande werd gedaan. Nog duidelijker komt dit constructieprincipe tot uiting bij de al eerder genoemde Eiffeltoren te Parijs die. vanwege zijn hoogte van 300 m. Een ander voorbeeld is een hoogspanningsmast (afb. 58 .getuide mast zijn de windrnomenten aanzien- lijk kleiner. De EifJeltoren te Parijs. Behalve dat deze aan windkrachten is onderworpen. aan grote windkrachten weerstand moet kunnen bieden (afb. Een hoogspanningsmast moet weerstand kunnen bieden aan grote horizontale krachten. moet hij in bepaalde gevallen (bij de montage of bij draadbreuk) weerstand kunnen bieden aan de zijdelingse trekkrachten van hoogspanningsdraden aan één zijde. 72. 72). Deze trekkrachten geven een groot buigend moment aan de voet van de mast die daarom aan de onderzijde breed is gemaakt en goed wordt verankerd in funderingsblokken. 73). 73. Als in de praktijk de stabiliteit van een constructie wordt getoetst zal men meestal. nagaan of zij bestand is tegen horizontale krachten.

'JLI'- 76..---. In het verlengde hiervan liggen de stalen portaalspanten zoals die van de Beurs te Rotterdam uit 1941 (afb. waarbij de hoofdconstructies bestaan uit twee kolommen met een vakwerkspant daarop (afb. '~ .Constructies met meer verticale elementen Bij masten en torens gaat het in feite om één verticaal constructie-element. Om zo'n samenstel stabiel te maken worden in de hoeken schoren aangebracht. Vergelijkbaar hiermee is de ijzerconstructie van een hal. Er ontstaat dan een stabiel portaal..~ W\ ------. 75). op stenen voeten. waarin meer verticale elementen voorkomen die niet mogen omvallen. De twee schoren maken de hoofdconstructie stabiel. Het houtskelet van een boerderij.. ondersteunen houten balken. 76). De portaalspanten van de Beurs te Rotterdam. . In de afbeelding zijn de voorzieningen voor de stabiliteit in de langsrichting van de schuur weggelaten. Meestal hebben wij echter te maken met constructies. 74). De stijve hoeken maken de spanten stabiel. 74. 59 . door twee staven van het vakwerkspant door te trekken naar de kolommen.. 75. Houten stijlen.. Hier zijn geen schoren gebruikt maar zijn de portaalhoeken stijf gemaakt door middel van elektrisch lassen.~""'. Ook dit samenstel kan stabiel worden gemaakt met schoren. Een hal met een ijzerconstructie. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is de houtconstructie van een schuur van een oude boerderij (afb.

60 77. met kruisende (dubbele) diagonalen (afb. Samen met de gevelkolommen. Het stabiliteitsverband. zorgt ervoor dat ook in deze richting de kniklengten klein blijven. In het vlak van het spant is dat probleem niet groot: de spantbenen worden op hun plaats gehouden door de wandstaven (de verticalen en de diagonalen) van het vakwerkspant. Bij een hal met bijvoorbeeld een zadeldak en driehoekige vakwerkspanten zijn de bovenranden van de spanten (de spantbenen) aan druk onderworpen en bestaat het gevaar van uitknikken. meestal zogenaamde stabiliteitsverbanden aangebracht. Zij kunnen ieder voor zich weerstand bieden aan windkrachten in de dwarsrichting van de hal. Daarnaast doen ze. in de lengterichting van de hal. die niet aan het stabiliteitsverband grenzen: deze worden door de dakgordingen ermee verbonden. Een hal in ijzerconstructie met stabiliteitsverbanden. Hiervoor worden. .Stabiliteitsverbanden In het algemeen zal een langshal zo worden ontworpen dat in de dwarsrichting ervan hoofdconstructies voorkomen die op zichzelf stabiel zijn. De stabiliteitsverbanden worden vaak windverbanden genoemd. Zulke verbanden hoeven niet in alle traveeën te worden geplaatst. ook dienst tijdens de bouw van de hal. dat in dit geval ook als knikverband fungeert. In de zijdelingse richting van het spant (dus in de lengterichting van de hal) zijn de kniklengten van de spantbenen echter zeer groot. de bovenranden van de hoofdconstructies en de dakgordingen vormen ze één grote. Hun belangrijkste functie is dan ook om aan windkrachten het hoofd te bieden. 77). Een derde functie is die van knikverband. De kniklengten worden hierdoor beperkt tot de afstanden van de knooppunten. Dat geldt ook voor de vakwerkspanten. Op de kopgevels worden echter ook windkrachten uitgeoefend. Bij hallen met een normale lengte volstaat men meestal met stabiliteitsverbanden in één of twee traveeën. als montageverband. in het geval van ijzerconstructies. ruimtelijke vakwerkconstructie die in staat is om de windkrachten in de langsrichting van de hal te weerstaan.

Soms kunnen ook dakplaten of een houten dakbeschot een bijdrage aan de stabiliteit leveren. Zonder stabiliteitsverbanden.Er zijn veel 19de-eeuwse hallen met een ijzerconstructie waarin geen stabiliteitsverbanden aanwezig zijn. Hieraan werken de spijkerverbindingen van de beschotplanken aan de gordingen mee terwijl ook een verbinding tussen de planken met messing en groef gunstig is (afb. 79. Het diagonale dakbeschot als stabiliteitsvoorziening. 79). 61 . Zo'n dakbeschot is alleen maar een goede vakvulling als de planken ten opzichte van elkaar niet kunnen verschuiven. 78. blijkt wel dat ze voldoende veilig zijn. Vaak moet in zulke gevallen het glas in de gevelwanden voor de nodige stabiliteit zorgen. Ook bij plantenkassen uit de 19de eeuw ontbreken verbanden. De Korenbeurs te Groningen. In het laatste geval werd het beschot vaak uitgevoerd met diagonaal geplaatste planken. Uit het feit dat vele van zulke constructies al meer dan een eeuw in stand zijn gebleven. Een voorbeeld daarvan is de Korenbeurs te Groningen uit 1865 (afb. 78).

Bij het monoliete betonskelet zijn de verbindingen van de elementen. Kniespanten van ongewapend beton. Verdiepinggebouwen Verdiepinggebouwen zijn in het algemeen minder gecompliceerd van opbouw dan hallen en ook de werking van de verticale krachten is gemakkelijk te volgen.en ijzerconstructies. Zulke samenstellingen komen zowel in hout als in ijzer en beton voor. 80. Minder eenvoudig is de krachtsoverdracht als het gaat om horizontale belastingen. uit de aard van de uitvoeringsmethode. altijd stijf en zorgen ze voor een stabiel geheel (afb. Deze worden gesteund door de vloeren van de verdiepingen en het dak. Vaak werden in het verleden vloerconstructies gemaakt met kinderbalken. Bij pakhuizen en kantoorgebouwen van voor 1940 komen vaak constructies voor met dragende buitenmuren van baksteenmetselwerk. door hun breedte. de enige ele62 . die rustten op moerbalken die op hun beurt de krachten weer overdroegen op kolommen. 81). Omdat de spantvoeten ingeklemd worden in de fundering is ook de stabiliteit in de langsrichting geen probleem. Uiteindelijk moeten de windkrachten echter wel in deze eindmuren terecht komen. Zij zijn. 80). Als wij ons beperken tot de windkrachten in de dwarsrichting van het gebouw dan grijpen deze in eerste instantie aan op de muren van de langsgevels.Gewapende betonconstructies Bij in het werk gestorte gewapende betonconstructies zijn de stabiliteitsproblemen als regel veel kleiner dan die bij hout. De afstand tussen deze muren is zo groot dat de langsmuren ongetwijfeld zouden bezwijken. gecombineerd met een inwendig skelet. zoals hierboven beschreven (afb. dus om windkrachten. Zou dit niet het geval zijn dan werden de langsmuren slechts gesteund door de muren van de kopgevels.

bestaande uit houten planken en balken. Een verdiepinggebouw met een inwendig skelet en dragende buitenmuren. Zij moeten wel in staat zijn om dit te doen.menten in de dwarsrichting van het gebouw die aan horizontale krachten voldoende weerstand kunnen bieden. 81). Houten vloerconstructies. Om de windkrachten naar de eindmuren te geleiden werken de vloeren als grote horizontale liggers (windliggers. In de praktijk blijken zulke houten vloeren goed te kunnen functioneren als windliggers. zodat ze ten opzichte van elkaar kunnen verschuiven dan werkt de vloer zeker niet als een horizontale ligger. 81. 63 . lijken minder hecht. De monoliete constructie is gemakkelijk in staat om de windkrachten over te brengen. Zouden de houten delen los naast elkaar liggen. Maar de vloerdelen zijn met draadnagels aan de vloerbalken bevestigd waardoor het verschuiven wordt tegengegaan. Bij in het werk gestorte betonvloeren is dit geen probleem. zie afb.

Vooral in de woningbouw. 83). voldöende weerstand aan windkrachten konden bieden (afb.~ '-~' = . op elkaar gebouwd. *' 11-~': - 82. Het kantoorgebouw van het Gemeentelijke Elektriciteitsbedrijf te Rotterdam. Hierin komen meestal betonnen wanden voor. In het monoliete in het werk gestorte betonskelet met zijn stijve verbindingen van balken en kolommen konden portaalspanten worden geformeerd die. bijvoorbeeld bij de trappenhuizen en de liftschachten. kon daarvan gebruik worden gemaakt (afb. die voor de stabiliteit zorgen. 64 .Bij de latere volledige skeletconstructies van ijzer en gewapend beton waren er ook andere mogelijkheden om de stabiliteit te verzekeren. diagonaalverbanden worden aangebracht. Een stabiel betonskelet. '":"1 ' ~ . 1934. 82). 1931. . op dezelfde wijze als bij hallen het geval is. Tegenwoordig hebben verdiepinggebouwen vaak een betonskelet. met zijn vele scheidingswanden in de dwarsrichting. 83. En bij het ijzerskelet konden. Atelierwoningen aan de Zomerdijkstraat te Amsterdam.. Een stabiel ijzerskelet.

dat wil zeggen door het aanbrengen van ijzeren staven op de plaatsen waar trekkrachten optreden: het gewapende beton.o.Materialen 5 Algemeen De belangrijkste materialen voor draagconstructies zijn: . Zij werden al bij de oudste bouwwerken gebruikt.!' I> ~ tnzk.hout . ~ aWo1o~ ~~) ~ooo ~u. maar de toepassing van deze materialen bleef voor draagconstructies beperkt. Beton werd reeds door de Romeinen gebruikt. a~ol go (~) (jJetOf1) Lst~J) 65 .o~ c~ ''70 ~()O-?oo 20 ~ 60 1400 ?Roe '300 ''Wo . Eerst sinds omstreeks 1900 vond beton in Nederland op grote schaal toepassing door het wapenen ervan.. Sterkte en toelaatbare spanning in kg/cm 2 (circa 1940). voor muren en gewelven.steen . Steen en hout zijn de 'traditionele' bouwmaterialen.~OO 84.ijzer en staal .(gewapend) beton Na 1945 zijn daarbij nog aluminium en kunststoffen gekomen. Eerst omstreeks 1800 begon de toepassing ervan op grote schaal toen het ijzer op economische wijze kon worden geproduceerd.. Het was echter nog niet voorzien van ijzeren staven om aan in constructies optredende trekkrachten weerstand te !cunnen bieden.- 1?-'6 - c~~ a t. Ook ijzer was reeds in de oude tijd bekend. maar het gebruik daarvan bleef beperkt tot ondergeschikte onderdelen. .

Bij het Parthenon te Athene (ca. 66 85. Dit materiaal is dus slechts bij uitzondering (bijvoorbeeld graniet) geschikt om weerstand te bieden aan buigende momenten. Omdat natuursteen goed bestand is tegen druk. Er zijn vele soorten.c. bijvoorbeeld architraven in tempels. in de natuur ontstaan. Bij architraven waren de overspanningen dan ook klein. die ontstaan bij de vervaardiging van de blokken. Natuursteen is. zoals muren. terwijl de architraven waren opgebouwd uit drie blokken met een totale breedte van 1. met zeer verschillende eigenschappen. 7 m aan de voet (afb. zonder mortel. De granieten obelisk bij de tempel van Amon te Ka rna k. Hiermee worden de maatafwijkingen opgevangen. zoals de naam al aangeeft.4 m. In de oude tijd werd ~atuursteen veel gebruikt voor balken. Later vond de mortelvoeg algemeen toepassing. zuilen.8 m en een hoogte van 1.) was de vrije ruimte tussen de abacus van de zuilen circa 2 m. Voor de toepassing in overspannende constructies is een belangrijk nadeel dat de meeste natuursteensoorten slechts een geringe treksterkte bezitten. is het veel gebruikt voor op druk belaste elementen. 7x2. Dit eist een zeer nauwkeurige bewerking. 85). en het kan in aanzienlijke afmetingen worden gewonnen. terwijl ze grote doorsneden hadden. In de oude tijd werden de natuursteenblokken vrijwel steeds op elkaar aangesloten met dunne voegen. De afdekking van de tempel van Amon te Karnak bestond onder meer uit zandstenen Jlaten met een overspanning van ongeveer 6 m. een natuurstenen monoliet van 32 m hoogte (thans op de Piazza San Giovanni in Laterano te Rome).Steen Steen komt als materiaal in draagconstructies voor in de vorm van natuursteen en kunststeen. 440 v. Zo had de grootste nog bestaande monoliete granieten obelisk bij de tempel van Amon te Karnak in Egypte een hoogte van ruim 32 m bij een doorsnede van 2. bogen en gewelven. . en ook voor dakplaten. waarvan echter geen enkele meer aanwezig is.

deels in verband met de fabricage. Ook brand is er de reden van. zoals stijlen in een houtskelet. Hout Ook hout is reeds in de oudste culturen gebruikt voor bouwwerken. zoals vloer. vuren en grenen. deels om de verwerking met de hand te vergemakkelijken. In vochtiger klimaatgebieden wordt de kleisteen gebakken (baksteen). De mortel bestaat uit zand en een bindmiddel.en dakbalken. Daarom wordt het. zoals in Egypte. pijlers. gebruikt voor op druk belaste constructies zoals muren. in onze tijd vooral cement. Vooral in natuursteenarme gebieden. In onze tijd zijn aan de kunststeensoorten nog toegevoegd kalkzandsteen en cement.Kunststeen wordt van oudsher gemaakt van klei. vroeger kalk. In tegenstelling tot steen heeft het wel een goede treksterkte. bogen en gewelven. Baksteenmetselwerk heeft een kleine treksterkte. Hout is een vergankelijk materiaal. Het is dus geschikt voor op trek en op buiging belaste elementen. evenals natuursteenwerk. is baksteen massaal gebruikt. 67 . met zeer uiteenlopende eigenschappen. dat slechts weinig houtconstructies uit oude tijden bewaard zijn gebleven.of betonsteen. Voor draagconstructies werd in Nederland voor 1600 vrijwel uitsluitend het sterke maar dure eikehout gebruikt. zoals Nederland. Er zijn vele houtsoorten. Baksteen is altijd in kleine formaten gemaakt. Het wordt aangetast door vocht (rotting) en door insecten. Baksteen vormt samen met mortelvoegen metselwerk. Later werd het geheel verdrongen door naaldhoutsoorten zoals dennen. werd de kleisteen ongebakken verwerkt. maar ook voor op druk belaste elementen. In de oude tijd en in een droog klimaat.

Naast het smeedijzer en het staal. waarvan meestal gewalste producten zoals balken.als aan drukkrachten weerstand bieden. in vormen gegoten. 86. Langshout en kopshout. buizen en rondijzer worden gemaakt. beugels en spijkers die houten elementen bijeen moesten houden. Voor langshout is de toelaatbare spanning dan ook veel lager dan voor kopshout. Daardoor werd in de 19de eeuw ijzer een belangrijk materiaal voor draagconstructies. bouten. De sterkte is echter aanzienlijk groter dan die van hout. hetgeen tot uitdrukking komt in de slanke vormen van ijzerconstructies. IJ zer en staal IJzer werd voor 1800 slechts op zeer beperkte schaal in draagconstructies gebruikt. produkten levert met een zeer gevariëerde vormgevmg. In de 18de eeuw ontstonden productiemethoden waarmee ijzer op economische wijze uit ijzererts kon worden gewonnen met cokes. Evenals hout kan ijzer zowel aan trek. Meestal werd het toegepast in trekstaven. die aan de spatkrachten van bogen en gewelven weerstand moesten bieden. is er nog het gietijzer dat. in plaats van met houtskool. 86). Kopshout kan uitstekend druk weerstaan maar langshout knijpt onder druk samen. dat omstreeks 1940 in bouwwerken werd gebruikt. het grondmateriaal voor het smeedijzer.Wat de sterkte van houten constructie-elementen betreft is er een aanmerkelijk verschil tussen kopshout en langshout (afb. Aanvankelijk werd het met hoogovens vervaardigde ruwijzer verder bewerkt in puddelovens die ijzerklompen in deegachtige toestand leverden. is ongeveer 3700 68 . In de tweede helft van de 19de eeuw gelukte het om ijzer in vloeibare toestand te bereiden. In de loop van de 20ste eeuw werd dit materiaal staal genoemd. Dit vloeiijzer verdrong rond de eeuwwisseling het smeedijzer. en voor ankers. De treksterkte van het normale staal.

kan de uitgeoefende kracht weer toenemen. Gietijzer heeft eigenschappen die aanzienlijk afwijken van die van smeedijzer en staal. Zonder dat de kracht toeneemt.en staalsoorten met elkaar gemeen hebben is de geringe weerstand tegen brand. Bij een overbelasting bereiken de trekspanningen aan de onderzijde van de balk de vloeigrens en treden aanzienlijke doorbuigingen op zonder dat de balk breekt. Aanvankelijk is de rek evenredig met de spanning in de staaf. Het spanning-rek-diagram voor smeedijzer en normaal bouwstaal. deze gunstige eigenschap in veel mindere mate. beter dan smeedijzer en staal. Nadat de rek een bepaalde grootte heeft bereikt. Met name is de treksterkte kleiner en treedt bij trekkrachten al snel breuk op. maar bij een spanning van ongeveer 2400 kglcm 2 verandert dit. dan zal de staaf uitrekken. Er is echter nog geen sprake van breken. Als een stalen staaf aan een trekkracht wordt onderworpen en men deze kracht laat toenemen. heet de vloeigrens. goed bestand tegen corrosie. Het vloeigedrag doet zich ook voor bij op buiging belaste stalen balken. Wat alle ijzer. Bij hoge temperaturen nemen zowel de vloeigrens als de treksterkte aanzienlijk af en zullen ijzerconstructies snel bezwijken. Wel is gietijzer. waarbij dit geschiedt. De spanning. die tegenwoordig hoe langer hoe meer worden gebruikt. De staaf zal eerst breken bij een spanning van ongeveer 3700 kglcm 2 (afb. Helaas hebben de hoogwaardige staalsoorten. Het materiaal 'waarschuwt' bij overbelasting dus tijdig voor breuk. bijvoorbeeld met pleisterwerk of een betonomhulling. Dit is de reden waarom vele ijzerconstructies brandwerend worden bekleed.kglcm 2• Het materiaal heeft bovendien de eigenschap dat het bij een bepaalde spanning gaat 'vloeien'. Men duidt dit gedrag aan met vloeien. 87). ti 87. wordt de rek snel groter. 69 .

werden aan de onderzijde (waar trekspanningen heersen) ijzeren staven aangebracht (de hoofdwapening). die reeds op grote schaal beton toepasten. is een mengsel van een grof materiaal (in Nederland grind). 88). waarin immers in een deel van de doorsnede trekspanningen optreden. Tegenwoordig wordt algemeen als bindmiddel cement gebruikt dat met het water.Gewapend beton Het beton. beter 70 . Het is dus niet geschikt voor op buiging belaste elementen zoals balken. Bij een balk. Niet alleen de kosten maar ook de brandveiligheid speelden hierbij een rol omdat beton. die in aanraking met lucht verhardde (luchtkalk). verhardt en zorgt voor de samenhang van het grind en het zand. waar in een betonnen element trekspanningen optreden. In de 19de eeuw werd het principe van het gewapend beton ontwikkeld. Deze hoofdwapening neemt de buigtrekkrachten op terwijl het beton aan de bovenzijde de buigdrukkrachten voor zijn rekening neemt. als steenachtig materiaal. gebruikten als bindmiddel kalk. een bindmiddel en water. Beton heeft. een goede druksterkte en een kleine treksterkte. De Romeinen. die op twee steunpunten is opgelegd. dat voor draagconstructies wordt gebruikt. Op die plaatsen. werden ijzeren staven gelegd (de wapening). waarmee het tot een pap wordt gemengd. Gewapend beton vond in bouwwerken toepassing voor de meest uiteenlopende doeleinden en verdrong gedeeltelijk het ijzer. Zo werd het bijvoorbeeld in Nederland gebruikelijk om bij verdiepingbouw het skelet van gewapend beton te maken. Om praktische redenen werden later ook aan de bovenzijde nog enkele dunnere staven geplaatst die door beugels met de hoofdwapening werden verbonden. Op deze wijze ontstaat een betonnen balk die aan buigende momenten weerstand kan bieden (afb. een fijner materiaal (zand). zoals de meeste steenachtige materialen.

en weersomstandigheden. als gevolg van een onzorgvuldige uitvoering in vele gevallen de tand des tijds niet heeft kunnen weerstaan. Betonconstructies worden meestal op de bouwplaats vervaardigd (in het werk gestort). Het principe van gewapend beton. Deze vervaardigingswijze kwam eerst na 1945 op ruime schaal tot ontplooiing. I 'k 'k 'L' \k "k 'k 'k 'k 'f 'Jë 'f J o J8 I I M-~ 71 . dat aan de buitenlucht is blootgesteld. De kwaliteit ervan is dan ook mede afhankelijk van de werk. Bij geprefabriceerde betonelementen (die vooraf in een fabriek worden vervaardigd) is de kwaliteit doorgaans beduidend beter dan bij in het werk gestort beton. Zo is helaas gebleken dat gewapend beton. 88.weerstand biedt aan hoge temperaturen dan IjZer.

.

Elementen zijn de onderdelen waaruit draagconstructies zijn opgebouwd. de vakwerkligger. Maar ook een vakwerkligger kan weer onderdeel zijn van een nog groter element. De onderspannen balk In de 19de eeuw werd nog veel met houtconstructies gewerkt. 89. Er zijn vele soorten elementen. bijvoorbeeld een portaalspant (afb. Wel moest met hout toen een antwoord worden gegeven op nieuwe eisen die aan constructies werden gesteld. Ieder voor zich hebben zij de taak om krachten verder te geleiden.Elementen 6 Algemeen In dit hoofdstuk zal een aantal voorbeelden van elementen worden behandeld. 89). Zo zijn de staven van een vakwerkligger op te vatten als kleine elementen die samen een groter element. die uit de aard van hun be73 . die zullen worden behandeld. is willekeurig in die zin dat het niet de bedoeling is om er een typologie mee aan te geven. dat het elementtype veel voorkomt en geschikt is om inzicht te krijgen in de krachtswerking erin. De keuze van de elementen. van klein tot groot. van klein naar groot. Elementen. vormen. In feite namen de ijzerconstructies naast de houtconstructies slechts een bescheiden plaats in. De selectie is alleen geschied op grond van het feit. met de nadruk op de wijze waarop ze krachten overbrengen. Vloeren van pakhuizen.

.. het ijzer als trekstaaf.. . Onder de balk werd een ijzeren staaf aangebracht die met een drukstaaf op een zekere afstand van de onderzijde van de balk werd gehouden.... In zo'n geval werden houten balken wel versterkt door ze te onderspannen (afb.. Dit geldt ook voor vakwerkliggers... anderzijds kan men deconstructie ook bekijken als een balk waaraan. .. Het stavenpatroon van een vakwerkligger wordt in hoge mate bepaald door de wijze 74 .. ~ .Q.... _-.stemming zware lasten moesten dragen. maar ook ijzeren balken werden op deze wijze versterkt. in het midden een extra steunpunt is gegeven. ..... Enerzijds heeft het element de eigenschappen van een vakwerk... Bij de laatste wijze van beschouwing wordt het duidelijk dat in de balk.. kregen in de 19de eeuw grote overspanningen... naast de drukkracht ten gevolge van de onderspanning.. 90). s... De staven van een vakwerkligger worden verdeeld in de randstaven (in onder-en bovenrand) en de wandstaven (verticalen en diagonalen).. Vakwerkliggers Bij gebouwen worden liggers in het algemeen gekenmerkt door een onder.... De bedoeling hiervan was om de constructiehoogte te vergroten zodat grotere buigende momenten konden worden opgenomen... Het principe werd niet alleen toegepast op houten balken._ .. Zo konden op eenvoudige wijze zeer sterke balken worden gemaakt...en een bovenrand die evenwijdig of ongeveer evenwijdig aan elkaar lopen.. -.. bij enkelvoudige onderspanning.. ook nog buigende momenten ten gevolge van een gelijkmatig verdeelde belasting optreden. De houten balk fungeerde als drukstaaf. Soms kwam men dan met de beschikbare balkafmetingen in hout niet meer uit..----zs: 90.. De werking der krachten in een onderspannen balk is in afbeelding 90 weergegeven.... WU' . De onderspannen balk.... met druk aan de bovenzijde en trek aan de onderzijde...

dan ook vrijwel niet gebruikt. in dit geval dus 2 m. twee verticale krachten uit de gordingen. Het laatste type werd. Als het evenwicht van de verticale krachten wordt be- 91. De N-ligger. Deze krachten zijn die in de boven. De N-ligger met vallende diagonalen heeft een aantal voordelen boven die met stijgende diagonalen. Wij zien dat de diagonalen nu een hoek van 45· met de randen maken. in de onderrand trekkrachten en in de bovenrand drukkrachten optreden (afb. Bij een ligger met vallende diagonalen dalen deze naar het midden van de ligger. de eveneens verticale steunpuntsreactie (groot ten opzichte van gordingkrachten) en tenslotte nog de schuine kracht uit de diagonaal. Zowel de horizontale als de verticale krachten dienen met elkaar in evenwicht te zijn. 91).waarop de ligger wordt belast. anders zou het linkerdeel van het vakwerk willen gaan bewegen.en de onderrand (horizontale krachten). Voor de hoogte van de ligger wordt vaak 1/10 van de overspanning gekozen. bij stijgende diagonalen gaan ze omhoog (afb. 92). Om de krachten in de wandstaven te bepalen wordt de ligger denkbeeldig doorgesneden. net zoals bij de op buiging belaste balk. Daarbij was er nog keuze tussen vallende en stijgende diagonalen. moet onder de erop werkende krachten in evenwicht zijn. iets waar bij de vormgeving van de ligger naar wordt gestreefd. 75 . Bij een N-ligger met een neerwaarts gerichte belasting zullen. Als voorbeeld wordt een vakwerkligger genomen die een plat dak van een hal draagt. Vóór 1940 hadden de staven van vakwerkliggers vaak het N-patroon. links van deze snede. Het deel van de ligger. Men zal het stavenpatroon nu zo kiezen dat de knooppunten van de bovenrand samenvallen met de plaats van de gordingen. althans bij ijzerconstructies. platen van lichtbeton en ijzeren gordingen die op onderlinge afstanden van 2 m liggen. De breedte van de hal is 20 m en het dak bestaat uit een waterdichte bedekking.

keken. Bij een N-ligger met vallende diagonalen heersen in de diagonalen dus trekkrachten en in de verticalen drukkrachten. is die constructie gunstig. Omdat de kniklengte op de afmetingen van een gedrukte staaf van grote invloed is. Op soortgelijke wijze wordt de kracht in een verticaal bepaald door een schuine snede aan te brengen. is het duidelijk dat er tegenover de verticaal naar boven gerichte steunpuntsreactie een zodanige kracht in de diagonaal moet zijn dat deze een naar beneden gerichte verticale component heeft. Dus moet dit een trekkracht zijn. Zij worden veel gebruikt 76 . Bij een N-ligger met stijgende diagonalen is het omgekeerde het geval: de diagonalen hebben drukkrachten en de verticalen trekkrach ten. Krachten in een N-ligger met vallende diagonalen. de verticalen zullen wat forser uitvallen. Het blijkt dat de kracht in de verticaal een drukkracht is. 93. Het geeft een liggertype met als wandstaven vrijwel uitsluitend diagonalen. ~ ~~~~~~~------~ ~I~~cticz SWzáz ~(tA-<zk) ~~~~ 92. waarbij de kortste staven op druk worden belast.en bovenranden niet evenwijdig zijn. De N-ligger met vallende diagonalen is ten opzichte van die met stijgende diagonalen in het voordeel omdat in de kortste wand staven (de verticalen) drukkrachten voorkomen en in de langste (de diagonalen) trekkrachten. Dat deze diagonalen daarbij beurtelings op trek (de vallende) en op druk (de stijgende) worden belast. 93). Vakwerkspanten Vakwerkspanten onderscheiden zich van vakwerkliggers doordat de onder. In de jaren na 1920 werd ook het V-patroon veel gebruikt (afb. onder meer omdat de uitvoering ervan eenvoudiger is (minder knooppunten). De V-ligger. accepteerde men. De diagonalen (die bovendien een grotere kracht krijgen dan de verticalen en de grootste lengte van de gezamenlijke wandstaven vertegenwoordigen) zullen dus slank van afmetingen zijn.

lM . Het moment in het midden veroorzaakt aan de bovenzijde van het spant drukkrachten (dus in de spantbenen) en aan de onderzijde trekkrachten (dus in de trekstang en in de onderste trekstaven). bij een normale belasting door het gewicht van de dakbedekking. Van de geheel gebogen spanten zijn er in Nederland maar weinig toepassingen.de geheel gebogen spanten. Het type is ontstaan uit de samenvoeging van twee onderspannen houten balken. Deze wérden schuin tegen elkaar geplaatst en door een trekstang verbonden. 94). Een voorloper van het vakwerkspant is het Franse spant ofPolonceau-spant dat in de 19de eeuw veel toepassing vond (afb. de gordingen en het spant zelf. Net als bij de vakwerkligger is het Polonceauspant op te vatten als een balk die aan buigende momenten weerstand moet bieden. De bekend77 . een drukkracht in de spantbenen en een trekkracht in de staven van de onderrand. Vakwerkspanten.~t 94. In andere typen vakwerkspanten is de krachtenverdeling soortgelijk.boogspanten. Boogspanten Bij de boogspanten zijn er twee hoofdtypen: . PobcCZl. ondersteund door kolommen. Voor dat doel hebben zij een driehoekige vorm.voor zadeldaken. . Altijd is er. waarbij de gebogen vorm doorgaat tot op de begane grond.

De boogspanten hebben daar een overspanning van 45 m en zijn uitgevoerd als vakwerkconstructie. Bij de Amsterdamse spanten wijkt de boogvorm afvan de ideale vorm (b). Dit is gedaan om functionele redenen: in de omgeving van de spanten is er zo voor het publiek een maximale vrije ruimte die er niet zou zijn geweest als de spanten bijvoorbeeld de vorm van een kettinglijn of een parabool zouden hebben. maar ook door het eigen gewicht van de gehele constructie (de dakbedekking. Treinhal van het Centraal Station te Amsterdam. maar er treden ook buigende momenten in op. Zoals in hoofdstuk 3 bij de behandeling van de boogwerking al werd gezegd. Deze momenten zijn vooral het gevolg van de windbelasting. Zij beginnen namelijk met korte verticale delen. de gordingen en de spanten zelf) kunnen. ideale boogvorm zouden deze buigende momenten er niet zijn. worden zulke spanten hoofdzakelijk op druk belast. . 95).ste is die bij de treinhal van het Centraal Station te Amsterdam uit 1889 (afb. ct b c e 78 95. Dit laatste hangt afvan de vorm van de boog: alleen bij een bepaalde. ook toegevoegde buigende momenten optreden. 1889. behalve druk.

Vanwege de buigende momenten.- o~~t ~J~ ~~-----~(:-. De overspanning van de kappen is ongeveer lOm en in de lengterichting van het gebouw staan de kolommen hart op hart circa 8 m. kunnen worden vermeden door het aanbrengen van een trekstaaftussen de voetpunten van de boog.lo~ ---A"" 96. Ook hier zijn spatkrachten aanwezig en de grootte ervan wordt slechts in geringe mate beïnvloed door de vorm van de boog. de aanwezigheid van sporen en perrons en de slappe bodem ter plaatse (de trekstaaf zou.----. Met een vakwerkconstructie is deze constructiehoogte op eenvoudige wijze en met weinig materiaalverbruik te realiseren (c). die secundaire boogspanten dragen. Men moet zich niet laten misleiden door de verticale beëindigingen van de boogspanten van het Centraal Station. maar ook door het knikgevaar ten gevolge van de drukkracht in het spant. 79 . Als voorbeeld worden de boogspanten van de voormalige ZHESM-hal bij het station Hollandsche Spoor te 's-Gravenhage uit 1907 genomen (afb. Door de spatkrachten worden de funderingsconstructies op ongunstige wijze belast. Tussen de kolommen zijn vakwerkliggers aangebracht. Bij het Centraal Station was dit echter bezwaarlijk vanwege de grote lengte (45 m).~er\:. Bij boogconstructies treden aan de voet behalve verticale ook horizontale krachten (spatkrachten) op (d). Zulke funderingsconstructies. Trekstangen komen wel veel voor bij de boogspanten die ondersteund worden door kolommen. In de vakwerkboog worden de krachten ten gevolge van de druk en de buigende momenten voornamelijk opgenomen door de randstaven. die bovendien de neiging hebben om door de spatkrachten wat zijdelings uit te wijken. is er gezorgd voor een behoorlijke constructiehoogte van het spant.voár~et" (. 96). willen verzakken). 1907. - oa. De wandstaven zorgen vooral voor het op afstand houden van de randstaven. De overspannende delen van de hoofdspanten ~~2Z2I~ . Treinhal van het Station H ollandsche Spoor te 's-Gravenhage. met de grond mee. Er zijn schuin geheide palen (schoorpalen) nodig om hieraan weerstand te bieden (e).

Ook hier ontstaat. maar ook bij de boogspanten en de portaalspanten.. Een alternatieve vorm voor de boogspanten met verticale stijlen is die. 80 . te vergelijken met bijvoorbeeld een vakwerkspant of een vakwerkligger. 97). Overigens geldt voor de krachten in de boog en de wijze. Als de bogen een trekstang hebben. door de inklemming van de kolommen.~ ~~kl~ 97. waarop zij door de constructie worden opgenomen. zullen ze. waarbij de spantstijlen ingeklemd zijn in de fundering en waarbij de bogen scharnierend verbonden zijn met de koppen van de kolommen. hetzelfde als voor het Centraal Station te Amsterdam. bij verticale belastingen. 6&--'----':--:-'-:-~-"""--~~ ~~0t" ~~'t~eM~ ko'1.zijn vakwerkbogen die bij de kolommen (spantstijlen) een grote constructiehoogte hebben en daar stijf met de stijlen zijn verbonden. die opgelegd is op muren of kolommen (afb. 98). Kniespanten Bij de kniespanten. Een boogspant met trekstang op in de fundering ingeklemde kolommen. geen horizontale krachten op de kolommen uitoefenen en zijn ze. in dwarsrichting van de hal een stabiele constructie. De verbonden elementen kunnen dus buigende momenten op elkaar overbrengen. Het grote verschil is de trekstang. wat dit betreft. 98. Een goede maatregel. De bedoeling hiervan is om een stabiel spant in de dwarsrichting van de hal te verkrijgen (een knieboogspant). Stijve en scharnierende verbindingen. Een stijve verbinding tussen twee elementen is een verbinding die zodanig is uitgevoerd dat zij aan een buigend moment weerstand kan bieden. want bij het weglaten van de trekstangen zouden er grote toegevoegde momenten in de constructie ontstaan. die onder de boog is aangebracht en die zorgt voor het opnemen van de spatkrachten. spelen de begrippen 'stijve' en 'scharnierende' verbinding een belangrijke rol (afb.

met drie scharnierende verbindingen. Omdat de hartlijnen van de stijlen en de spantbenen de boogvorm niet volgen zullen er in het kniespant toch aanzienlijke buigende momenten optreden. aanzienlijk worden beïnvloed. dan liggen de hartlijnen van de spanten dichter bij deze boog dan bij een 'echt' kniespant het geval zou zijn geweest. 100).~fcMAA'er ~~kozk) 99.Bij een scharnierende verbinding is de uitvoering zo dat geen buigende momenten kunnen worden opgenomen. Kniespanten worden veel gebruikt voor zadeldaken. Vaak zijn bij ijzeren kniespanten de spantbenen in de top scharnierend aan elkaar bevestigd en staan ook de stijlen scharnierend op hun funderingen. De ontmoetingspunten van de spantbenen en de stijlen zijn de knieën. Door middel van stijve en scharnierende verbindingen kan de verdeling van de krachten in de constructie. wordt daarom een driescharnierspant genoemd. Deze blijven echter beperkt van grootte als de hartlijn van het spant zo goed mogelijk de boogvorm benadert. Zij kenmerken zich door rechte spantbenen. De krachtswerking in een driescharnierspant lijkt veel op die in een geheel gebogen spant. met name die van de buigende momenten. Zo'n kniespant. Het driescharnierspant. Deze vorm is overigens wel gunstig. 81 . De buigende momenten zijn bij de spanten van het Palais des Machines dan ook kleiner dan die in een kniespant met geheel rechte spantbenen en -stijlen. De spanten van het Palais des Machines te Parijs uit 1889. zijn geen zuivere voorbeelden van kniespanten (afb. die stijf verbonden zijn met de ondersteunende kolommen (stijlen). waaraan het spanttype zijn naam ontleent (afb. De uitvoering ervan als ~~--. 99). met hun overspanning van 110 m. De spantbenen zijn wel recht maar ze gaan in een gebogen vorm naar de voetpunten. want als door de drie scharnieren van het spant een kettinglijn of een parabool wordt getrokken. Er treden bij de ondersteuningen ook spatkrachten op.

Ç"4.. van staal in gelaste uitvoering. met een constructiehoogte van bijna 4 m.. 100. 101.._... _ .' I> vakwerkkniespant. ~ .ve ~k- . l~ twee$~«~ 82 . De kniespanten van de Haagse Houtrusthallen uit 1936. hebben alleen maar scharnieren bij de voetpunten en niet in de top. De hoogte van de doorsneden is aangepast aan het verloop van de buigende momenten (afb. 1936.._~~-'::::":'=----_J ~ I. 101) . De stalen tweescharnierspanten van de Houtrusthallen te 's-Gravenhage. In verband met het uitknikken in zijdelingse richting heeft het spant een kokervormige doorsnede gekregen. De hopgte van de doorsneden is aangepast aan het momenten verloop. Ze worden tweescharnierspanten genoemd.. . 1889.. schept de voorwaarden voor het opnemen van de buigende momenten en de drukkrachten (knik!).00 - _ I!: : ~_ .I : ~~~~ . rcAiiI. r. _. Het Palais des Machines te Parijs. .

Meestal hebben ze. De stijlen worden hierdoor echter ook belast met even grote buigende momenten. F. Een kniespant van gewapend beton zonder scharnieren. die de ruimte overspant en die stijf is verbonden met de ondersteunende kolommen (de portaalstijlen.Ook in gewapend beton zijn voor zadeldaken kniespanten veel toegepast. 102. De loonhal van het Administratiegebouw van de Staatsmijn Emma. ~~-----~------~ Portaalspanten Portaalspanten hebben een horizontale rechte bovenrand (de portaalregel). 103). uit de aard van het uitvoeringsproces (in het werk storten geeft een monoliete constructie) in het geheel geen scharnieren. afb. gebouwd omstreeks 1910 (afb. Een voorbeeld is de loonhal van het Administratiegebouw voor de Staatsmijn Emma. De stijve verbinding van de regel aan de stijlen heeft voor de ligger het voordeel dat hij ingeklemd is in de stijlen waardoor aan de uiteinden ervan ontlastende. 103. 83 . Krachten in een portaalspant. 102). circa 1910. Ook de portaalspanten oefenen zijdelings naar buiten gerichte krachten (spatkrachten) uit op hun steunpunten. Door de stijve hoeken is het spant stabiel geworden. negatieve buigende momenten optreden. Wij hebben hier te maken met een ligger (de regel).

1935. De portaal spanten van het ketelhuis van de Staatsmijn Maurits zijn voorbeelden van hoge spanten. 105. 104). in gelaste uitvoering en met een overspanning van 35 m. De Apollohal te Amsterdam. Een volwandig gelast stalen portaalspant. 84 . De spanten zijn van staal. Zij worden daarom verstijfd met smalle stalen platen die loodrecht op de lijfplaat zijn gelast (verstijvingsstrippen). in tegenstelling tot de lage spanten van bijvoorbeeld de Apollohal (afb. Zulke lijfplaten hebben de neiging om. dunne lijfplaat. te gaan plooien. als ze onder druk staan.Een voorbeeld van een portaalspant vinden wij in de Apollohal te Amsterdam uit 1935 (afb. een verschijnsel dat vergelijkbaar is met het knikgeval. Een ketelhuis van de Staatsmijn Maurits met hoge portaalspanten. 105). Het zijn vollewandspanten met een hoge. ~rft~ "Ir / I! JW -&"~ ~ ~ U1frr ~ ~ ~~ ~ ~ ~ ~ ~ q fm 104.

Een 'top'scharnier geeft in een portaalspant een ongunstige momenten verdeling. De Vishal te Rotterdam. 106. 106).De portaalspanten van de Vishal te Rotterdam uit 1933 zijn uitgevoerd als driescharnierspanten. De momentenverdeling in zulke spanten is minder gunstig (afb. 1933. 85 .

.

want bij iedere maatafwijking worden de krachten geconcentreerd op bepaalde punten oflijnen. Steenconstructies De belangrijkste steenconstructies zijn gemaakt van natuursteen of baksteen. Bij reliëfs of beschilderingen zouden mortelvoegen de eenheid van de afbeelding verstoren. houtconstructies. ijzerconstructies en gewapende betonconstructies. De verbinding was bewerkelijk en men probeerde dan 107.~ -------------------- - Verbindingen 7 Algemeen Draagconstructies bestaan uit elementen. 87 . Deze worden samengevoegd tot constructies. Zuilentrommels van een Griekse tempel. Hiertoe moeten ze onderling worden verbonden. 107). Deze materialen worden bijna uitsluitend gebruikt voor op druk belaste constructies. waardoor plaatselijk breuk ofvergruizing van het materiaal optreedt. De aard van de verbindingen is zeer afhankelijk van het materiaal en de constructiesoort. die weerstand moeten kunnen bieden aan krachten. zonder mortelvoegen. In de oude tijd was het normaal om bij natuursteen de krachten van het ene blok op het andere over te dragen zonder tussenkomst van een mortelvoeg (afb. Hiertoe moesten de contactvlakken zeer nauwkeurig worden bewerkt. Achtereenvolgens zal een aantal principes van het verbinden van elementen worden behandeld aan de hand van steenconstructies. De redenen voor deze verbindingsmethode zijn vooral van esthetische aard.

Een muur van de cella van het Parthenon te Athene. gebruikt zoals ankers. Bij trommels van zuilen werd bijvoorbeeld alleen maar een ring van geringe breedte aan de omtrek vlak gemaakt en werd het daartussen liggende oppervlak terugliggend gemaakt door het ruw te behakken. 108). Ook bij de natuursteenconstructies werden deze nu meer en meer toegepast. . In de Romeinse tijd. C. De voorganger van de baksteen. Bij de Griekse en de Romeinse bouwwerken zullen ze vooral zijn gebruikt om bij aardbevingen instortingen te voorkomen. 5de eeuw v.ook de te bewerken vlakken zo klein mogelijk te houden. . Deze verbindingen dienen in het algemeen voor het overbrengen van trekkrachten of om het verschuiven van de blokken ten opzichte van elkaar te voorkomen. grotere toleranties in zijn afmetingen en kan daarom alleen maar met mortelvoegen worden verwerkt. toen de bouwproduktie veel groter was dan in de tijden daarvoor. werd in Egypte vermetseld met kleimodder. de gedroogde kleisteen. De drukkrachten worden nu overgebracht via de verharde mortelvoegen. De baksteen heeft. ' Bij natuursteenconstructies werden ook vaak metalen verbindingsmiddelen. kwamen minder bewerkelijke verbindingsmethoden in zwang. Metalen verbindingsmiddelen worden bij baksteen alleen gebruikt als horizontale trekkrachten moeten worden overgebracht (bijvoorbeeld bij trekstangen in bogen en gewelven) of als verbindingen met houten vloeren die t'e88 108. Baksteenmetsèlwerk met mortelvoegen. doken en krammen (atb. van brons of ijzer. De Romeinen maakten op grote schaal gebruik van baksteen. uit de aard van het produktieproces. 109). Verbinding van de natuursteenblokken met metalen verbindingsmiddelen. Voor de voegen van baksteenmetselwerk werd aanvankelijk kalkmortel gebruikt. 109. In onze tijd wordt als bindmiddel voor de mortel algemeen cement toegepast. Bij de constructies van baksteenmetselwerk is de mortelvoeg van oudsher de normale verbinding (atb. Het verhardt sneller dan kalk en geeft de voeg een grotere sterkte.

moesten in de verbindingen geen trekkrachten voorkomen en werden ze zo gemaakt. dat er geen of zo weinig mogelijk ijzer bij werd gebruikt. Bevestiging van een houten muurplaat aan een baksteenmuur met een ijzeren anker. 110 en 111). In het algemeen dienen de metalen verbindingsmiddelen ervoor om trekkrachten over te brengen of om verschuiving van elementen ten opzichte van elkaar te voorkomen (afb. 111. Houtconstructies Er is bij houtconstructies een aanzienlijk verschil tussen de verbindingsmethoden die tot 1900 algemeen gebruikelijk waren (de traditionele). Bevestiging van een houten balklaag aan een buitenmuur met een ijzeren rozetanker. en de moderne verbindingsmethoden die in de loop van de 20ste eeuw tot ontwikkeling kwamen. dat er alleen sprake was van het doorgeven van drukkrachten.110. vens dienst doen voor het bijeenhouden van de gemetselde muren (muurankers). Omdat ijzer vermeden werd. 89 . De traditionele verbindingen kenmerken zich door het feit.

Een tweede voorbeeld van houtverbindingen is te vinden bij het eenvoudige driehoekspant (afb. Bij de stijl zijn deze vlakjes van kopshout. Om het verschuiven van de beide elementen ten opzichte van elkaar te verhinderen werd aan de stijl een pen gemaakt. Bij de balk staat de druk echter loodrecht op langshout dat hiertegen veel minder goed bestand is (het langshout heeft de neiging om samen te knijpen).en gatverbinding). 113). Dit nadeel hebben vrijwel alle traditionele houtverbindingsmethoden.en gatverbinding. afb. De druk van de balk op de stijl werd overgebracht via de twee vlakjes (borsten) aan weerszijden van de pen. 113. De verbinding heeft verder het nadeel dat zowel de balk (door het gat) als de stijl (door het wegnemen van hout aan weerszijden van de pen) ernstig worden verzwakt. Ook hier wordt gepoogd om bij de verbindingen alle krachten om te zetten In drukkrachten. 112). die paste in een gat in de balk (de pen. 112. De voetverbinding in een eenvoudig houten kapspant (het pen.en gatgedeelte van de verbinding is weggelaten). 90 . juist op de plaats waar de belangrijkste krachtsoverdracht praats vindt. Verbinding van een houten balk met een stijl (pen.Eén van de eenvoudigste verbindingen is die van een houten balk en een houten stijl. dat heel goed in staat is om druk te weerstaan.

Bij de verbinding van het spantbeen met de trekbalk wordt gebruik gemaakt van een tandverbinding. De samengestelde houten balk met vertandingen en ijzeren beugels. Soms moesten verdiepingvloeren met houten balklagen ruimten met een aanzienlijke breedte overspannen. Als deze balken worden belast gaan ze ieder voor zich doorbuigen. Er moet voor worden gezorgd dat het voorhout lang genoeg is om niet afgeschoven te worden. zou een tweemaal zo sterk element ontstaan. Buiten beschouwing wordt gelaten dat er meestal ook nog een pen (aan het spantbeen) en een gat (in de trekbalk) werden gemaakt om. Dit vergde een zodanige balkdoorsnede dat deze niet meer uit één boomstam kon worden verkregen. Deze beide vlakken willen hierdoor langs elkaar schuiven. door middel van een houten nagel. te verhinderen dat de verbinding open getrokken zou worden (bijvoorbeeld door het krimpen van het hout). Men ging dan over tot de samengestelde balk (afb.4xO. Hierbij brengt de tand van het spantbeen (kopshout) een drukkracht over op een kopshouten vlakje in de trekbalk.4 m niet voldoende is om een bepaalde ruimte te overspannen. Wij zien dat de onderzijde van de bovenste balk langer wordt en dat de bovenzijde van de onderste balk zich verkort. 91 . Alleen bij de bevestiging van de trekbalk aan de hanger kon een trekkracht moeilijk worden vermeden en gebruikte men dan ook meestal een ijzeren beugel. kan op deze balk een tweede met dezelfde doorsnede worden gelegd. De balken bleven op elkaar ge- 114. Als dit verschuiven zouden kunnen worden verhinderd. bijvoorbeeld meer dan io m. 114). De werking daarvan kan men zich als volgt voorstellen. Aanvankelijk werd de verbinding tussen de beide balken tot stand gebracht door middel van vertandingen. Als een balk met een doorsnede van bijvoorbeeld 0. De beide balken zouden dan samenwerken als een balk met een dubbele hoogte. De trekkracht is overigens klein omdat alleen het doorhangen van de balk door zijn eigen gewicht moet worden voorkomen.

Bij de eerste ontwikkelingen in deze richting werd onder meer gebruik gemaakt van ronde gietijzeren deuvels. korte latten (meestal van hardhout). Met name vonden deze toepassing in de moderne vakwerken. Een voorbeeld daarvan zijn de Kübler-deuvels (afb. die in dwars sleuven in de beide balken werden ingelaten en die zo eveneens het verschuiven verhinderden (afb. 115). Zoals reeds werd gezegd hadden de traditionele houtverbindingen vrijwel alle met elkaar gemeen dat de doorsneden aanzienlijk werden verzwakt door het wegnemen van hout. De drukverbindingen van de traditionele constructies werden dus vervangen door schuifverbindingen. Gietijzeren schijfdeuvels volgens Kübler. verdwenen de samengestelde balken om plaats te maken voor de gelamineerde balken. Bovendien waren ze bewerkelijk. 116. Bij de nieuwe methoden werd dit vermeden. 116). Meestal werd hiertoe gebruik gemaakt van het deuvelprincipe. De samengestelde houten balk met houten deuvels. 92 .drukt door ijzeren beugels er omheen of met ijzeren bouten erdoor. die uit op elkaar gelijmde delen bestonden. dat wil zeggen dat door middel van deuvels werd voorkomen dat de te verbinden elèmenten ten opzichte van elkaar zouden verschuiven. Deze verbinding werd meestal als spieverbinding uitgevoerd. 115. Later kwam men tot een constructie met deuvels. Toen omstreeks 1900 de gelijmde constructies opkwamen.

ten. circa 1930. Hierdoor werden houten vakwerkconstructies mogelijk met grote krachten in de knooppunten waarbij de verbindingen betrekkelijk weinig plaats in beslag namen. Verbindingen met kramplaten. De te verbinden delen worden op elkaar geperst waardoor de tanden in het langshout dringen. 118). Hierdoor komt de gewenste schuifverbinding tot stand. 118. Wij zullen dit hier achterwege laten en volstaan met erop te wijzen dat de krachten in de knooppunten door middel van schuifelementen (in dit geval kramplaten) worden doorgegeven. 117). Kra mpla ten. 117. Een voorbeeld daarvan zijn de houten driescharnierspanten van een veilinghal te Aalsmeer uit omstreeks 1930 (afb. Veilingshal te Aalsmeer. De constructie van de knooppunten is nogal gecompliceerd en laat zich niet verklaren zonder een grondige analyse van het krachtenspel erin. met aan de randen tandvormige uitsteeksels. vierkantofrond. De kramplaten kunnen grote krachten overbrengen. 93 . Dit zijn stalen platen.Een latere ontwikkeling vormden de krampladie heel veel zijn gebruikt (afb.

Daarmee is de kracht van de trekstaaf op het gietstuk overgebracht. 121). 94 . hebben ieder aan het uiteinde een gesmeed oog waar een bout doorheen gestoken kan worden. Schroefbouten (afb.::~ . De bout rust in twee gaten in het gietstuk en drukt tegen de randen van deze gaten. 'l::.. Als voorbeeld nemen wij de Polonceau-spanten van de voormalige rij loods bij de cavalleriestallen in De Doelen te Leiden uit 1878 (afb. Hiermee werden de vakwerkstaven scharnierend op het knooppunt aangesloten. dat de krachten moet overbrengen. 1878. Een kenmerkende boutverbinding is het knooppunt in de onderrand waar drie trekstaven en een drukstaaf elkaar ontmoeten. van randijzer. • I 120. voornamelijk Polonceauspanten. Schroefbout met moer. .. De overdracht van een kracht via een bout geschiedt als volgt (afb. die vaak van gietijzer waren. J -: l: '::Y f 119.IJ zerconstructies De verbindingsmiddelen voor ijzerconstructies zijn schroefbouten. De bouten zijn bevestigd in een gietstuk (de knoopplaat). klinknagels en lasnaden. Het oog van de trekstaaf drukt tegen de boutsteel. 119) werden in de 19de .: . speciaal gemaakt en passend in verbindingsstukken. Scharnierende boutverbindingen. 120). .' eeuw vooral gebruikt voor knooppunten van vakwerkspanten. Knooppunt van een Polonceau-spant van de Rijloods in De Doelen te Leiden. De trekstaven. Het zijn bouten met grote diameters.

De bout wordt dus aan twee soorten krachten onderworpen. Klinknagel. Zij werden verhit en daarna met klinkhamers in voorgeboorde gaten geslagen die ze geheel opvulden. Een kleine bout zorgt ervoor. waarop de krachten worden overgedragen. is overigens geheel dezelfde als die bij bouten. . 95 . Uitwendig drukken er krachten op de boutsteel en inwendig zijn er vooral schuifkrachten in twee doorsneden (afschuifvlakken). De gietijzeren drukstaafvan het Leidse Polonceau-spant is beëindigd met een aangegoten nok die in een gat in de knoopplaat past. 122). om een staaf op een knooppunt aan te sluiten. De wijze. Ten opzichte van de hiervoor beschreven bouten hebben klinknagels kleine afmetingen. waaraan de bout weerstand moet kunnen bieden. Dit heeft tot gevolg dat. ' . Zij werden al spoedig vervangen door klinknagels. Krachten in een boutverbinding. Ze kunnen dan ook slechts betrekkelijk kleine krachten overbrengen. er meerdere klinknagels nodig zijn.I' 122.: . Dergelijke schroefboutverbindingen waren bewerkelijk en daarom duur.121. die goedkoper waren (afb. dat bij de montage de drukstaaf op haar plaats blijft. :- • .. De drukkracht wordt dus rechtstreeks op de plaat overgebracht. ' .

De krachten in de platen worden door middel van schuifkrachten in de lasnaden overgebracht. met een detail van een bovenrandknooppunt (afb.Ook hier zijn er als intermediair tussen de vakwerkstaven knoopplaten nodig. De tweede methode van krachtsoverdracht door lasnaden is die door middel van stompe lassen. Gelaste verbinding met hoeklassen. _ _ 123.. waarbij de kracht zonder een omweg van de ene plaat in de andere overgaat (afb. Het Belgische spant van een smederij van de Nederlandse Spoorwegen te Amersfoort. Bij gelaste constructies worden de krachten in de verbindingen overgebracht door lasnaden.r- . in vloeibare toestand is aangebracht en daardoor samensmelt met de te verbinden delen. 96 ---. 125). Klinkverbindingen met knoopplaten. _._~ _ ____ _______ ____ Z _ ~T!I!. _ _ ______ __ _ ____. Vaak hebben deze forse afmetingen omdat de klinknagels samen vrij veel plaats innemen. 125. Gelaste verbinding met een stompe las. Deze bestaan uit ijzer dat. hoog verhit door elektrische stroom. 123). 124. _ . In afbeelding 124 wordt een voorbeeld gegeven van een verbinding tussen twee platen door middel van twee hoeklasnaden. Een voorbeeld is het Belgische spant van een smederij van de Nederlandse Spoorwegen te Amersfoort uit omstreeks 1920.

bijvoorbeeld in het geval een ijzeren kolom op een betonnen voet wordt geplaatst (atb. Zo'n gewapende betonconstructie is monoliet. wordt onder de kolom op de betonvoet een voeg van cementmortel aangebracht. balken en platen komen tot stand doordat ze aan elkaar vast worden gestort. Zulke verbindingen zijn stijf. Er ontstaat hierdoor wel een probleem als ijzeren elementen ondersteund worden door steenachtig materiaal. de verbindingen tussen betonnen kolommen. terwijl in een kolom bijvoorbeeld spanningen heersen van 1000 kg!cm 2. terwijl ook de wapening doorgaat. 126). namelijk daar waar trekkrachten optreden.IJzer en staal zijn hoogwaardige materialen. die tijdens het bouwen onvermijdelijk ontstaan te compenseren. Gewapende betonconstructies Ten opzichte van hout. dus een verhouding van 1:50. 97 . Om het verschil tussen deze spanningen te overbruggen werd aan de kolom een brede voet gemaakt in de vorm van een plaat. In de voet ingebetonneerde ankers zorgden ervoor dat de kolom niet zijdelings kon verschuiven. Overgang van een ijzeren kolom naar een betonnen voet. In zo'n voeg liet men vroeger een spanning toe van ongeveer 20 kg!cm 2. Om maatafwijkingen. die uitsteekt buiten de kolom en zo groot is dat daardoor de spanningen in de mortelvoeg niet groter zijn dan 20 kg! cm2 • Dus met een oppervlakte van ongeveer 50 maal die van de kolomdoorsnede. De plaat werd verstijfd met schotten waardoor de kracht in de kolom via de plaat en de mortelvoeg gelijkmatig werd overgebracht naar het beton van de voet. dat wil zeggen dat ze buigende momenten kunnen opnemen.en ijzerconstructies zijn de verbindingen bij in het werk gestort gewapend beton bijzonder eenvoudig. 126. Er kunnen hoge spanningen in worden toegelaten en de elementen hebben slanke afmetingen. Er dient slechts voor gezorgd te worden dat de wapening op de juiste plaats is aangebracht.

Slechts bij uitzondering werden vroeger wel scharnierende verbindingen gemaakt. De betondoorsnede werd dan plaatselijk zo klein gemaakt dat ze praktisch niet meer aan buigende momenten weerstand kon bieden, zodat deze ook niet opgenomen konden worden. Een voorbeeld hiervan is de betonconstructie van een luchtschiphal te Montebourg, Frankrijk, waarvan het dak wordt gedragen door boogspanten met een top scharnier en twee voetscharnieren (afb. 127). Het is duidelijk dat in de zeer kleine doorsneden ter plaatse van de scharnieren het beton geen rol meer speelt bij de krachtsoverdracht en dat het wapeningsstaal daar het werk moet doen. Bij constructies van geprefabriceerd beton is de situatie geheel anders. Hiervoor bestaan vele mogelijkheden om de vooraf vervaardigde elementen onderling te verbinden. Omdat geprefabriceerd beton voor 1940 in Nederland zeer weinig werd gebruikt, zullen voorbeelden hiervan achterwege worden gelaten.

Coupe OL
'""'%

.

Arüculalion de n8issan.~~

"'-"--"

.flrLi~'" ~
,_ '" \,;

__"O'"

\

-""9"'_' •• •, '

l

. i"..!':::!ro:P,rrI< 1!l.1i~

"}';P'_-\;-::::::~-·
\,
'.

-<"--l __...... ---'

-4:.

127. Luchtschiphal te Montebourg, Frankrijk. Een gewapende betonconstructie met scharnieren.

98

Constructies

8

Algemeen
Nadat in de beide vorige hoofstukken onderdelen van constructies (elementen) en de wijze, waarop deze onderling worden verbonden, zijn behandeld komen in dit hoofdstuk constructies aan de orde die als geheel dienst doen om een bouwwerk bestand te maken tegen de krachten die erop werken. In het bijzonder zal aandacht worden besteed aan de wijze waarop de constructie is samengesteld uit haar elementen (de structuur van de constructie), hoe de krachten worden afgevoerd naar de fundering en waaraan de constructie haar stabiliteit ontleent. De bouwwerken, die als voorbeeld dienen, zullen in chronologische volgorde van hun totstandkoming worden behandeld. Het is niet de bedoeling om hiermee een historisch beloop te beschrijven, wel in het algemeen een ontwikkeling van eenvoudig naar complex, hoewel met zo'n kenschets te kort wordt gedaan aan bijvoorbeeld de prestaties van de Romeinen op het gebied van het bouwen. Bij de voorbeelden zullen wij ons beperken tot gebouwen. Voor de meeste lezers van dit boek vormen deze het voornaamste werkgebied. Bovendien zijn draagconstructies van gebouwen meestal complexer dan die van andere bouwwerken en zijn ze vaak verborgen in het gebouw, achter afbouwconstructies of daarmee gecombineerd. Begrijpt men hoe de draagconstructies van gebouwen werken dan is het niet moeilijk om te zien hoe bijvoorbeeld de constructies van bruggen zijn samengesteld en hoe de krachtswerking erin is.
99

De zuilenhal van de tempel van Amon te Karnak, Egypte, 13de eeuw v.C.
De zuilenhal is verdeeld in een hoge middenhal en twee lagere zij hallen. De middenhal heeft onder het dak een hoogte van ongeveer 24 m. In de hal zijn twee rijen zuilen, met een onderlinge afstand van circa 8 m hart op hart. In de rijen staan de zuilen op afstanden van ongeveer 7 m (afb. 128). In de oorspronkelijke toestand verkeerde de zuilenhal in een schemerig duister: daglicht trad alleen maar toe door smalle verticale openingen in de boven de zij hallen uitstekende wanden van de middenhal. De uitwendige krachten op het dak van de middenhal zijn niet groot. Sneeuw komt in Egypte niet voor, de grootste belasting zou wellicht kunnen worden veroorzaakt door zand dat bij stormen op het dak terecht komt. Deze belasting is echter gering vergeleken met het eigen gewicht van de constructie die geheel van zandsteen is vervaardigd. Ook de windbelasting is niet van betekenis bij deze vrijwel geheel ingebouwde hal. De constructie moet dus in hoofdzaak zichzelf dragen. De constructie is opgebouwd uit dakplaten, achitraven, kapiteel platen en zuilen (afb. 129). De dakplaten hebben tussen de architraven een overspanning van ongeveer 5,5 m. Dat is voor een materiaal als zandsteen, dat een geringe weerstand tegen trekspanningen en dus ook tegen buigspanningen heeft, niet weinig. Op het dak is thans geen enkele plaat meer aanwezig. Er behoeft daarom nog niet te worden verondersteld dat alle platen in de loop van de tijd onder hun belasting zijn bezweken. Het slopen van materiaal uit bouwwerken kwam in Egypte, vooral in de islamitische tijd, veel voor. De platen moeten, om voldoende buigweerstand te hebben, dik zijn geweest, misschien wel een halve meter.
100

128. De zuilenhal.

129. De constructie.

De architraven werden. . door het gewicht van de totale constructie. Toch zijn zij niet ingestort.2. 130). De daarbij 'optredende spatkrachten kunnen op twee manieren worden opgevangen: door de.4 m 2 en overspannen dus 7 . door de belasting van de dakplaten en hun eigen gewicht. De zuilen hebben grote afmetingen. : .4x2. Zij liggen op vierkante blokken (kapiteelplaten) met een oppervlakte van 2. De krachten in de natuursteenbalk lopen dan vanaf de bovenzijde in het midden naar de ond~r­ steuningsvlakken op de abacus.zijcielingse steun van de belendende architraven (als deze nog aanwezig zijn) of door de wrijvingsweerstand in de opleggingen van de architraaf. Een aantal van de nog aanwezig architraven is aan de onderzijde gescheurd door buigtrekspanningen. 130.. soms is zelfs een gedeelte aan de onderzijde verdwenen (afb. leder zijn zij samengesteld uit twee naast elkaar gelegen zandsteenbalken met een doorsnede van circa 1. De stabiliteit van de hal (de weerstand tegen horizontale krachten) moet door de standze~ kerheid van de zuilen worden geleverd.2x 1.4 = 4. ook op buiging belast. uit cilindervormige zandsteenblokken (trommels) waarvan de onderste een diameter van 3. Iedere zuil is. In dergelijke hoge balken treedt.4 m en met de in verhouding tot de overspanning aanzienlijke hoogte van 1. Een gescheurde architraaf 101 .6 m.9 m.9 m. Zij zijn opgebouwd . dus met een totale breedte van 2. na het scheuren aan de onderzijde. De zuilen moeten vooral hun eigen gewicht dragen. boogwerking op. Een probleem is dit niet: de middenhal wordt grotendeels van de wind afgeschermd door de zijhallen waarvan de buitenmuren overigens alleen al dik genoeg zijn om de windkrachten te weerstaan.6 m hebben. belast met ongeveer 700 ton waarvan bijna 550 ton afkomstig is van het eigen gewicht van de zuil.

132. is de hoofdruimte een rotonde. In deze ringen heerst bovenin de koepel druk (waartegen het beton goed bestand is) maar in de onderste ringen treden trekkrachten op. bestaande uit een tamboer met daarop een koepel. Het interieur.Het Pantheon te Rome. 120 Van het Pantheon. Bovenin de koepel is een cirkelvormige opening uitgespaard met een diameter van ongeveer 8 m. ca. 102 . . 131.door de muren van de tamboer. Hierdoor ontstaan aan de voet van de schillen naar buiten gerichte krachten (spatkrachten). Er zijn twee mogelijkheden om de spatkrachten op te vangen: . Ook bij een halve cirkelboog treden er spatkrachten op (afb. 133). 61). Omdat ongewapend beton weinig weerstand kan bieden aan dez~ trekkrachten. Ook bij het Pantheon moet men zich niet laten misleiden door de vorm van de verticale doorsnede: een halve cirkel met een verticale raaklijn aan de voet. Het Pantheon. de tempel aller goden. 131). De constructie is grotendeels uitgevoerd in ongewapend beton. Net als bij een koepel. De koepel kan nu geschematiseerd worden door hem opgebouwd te denken uit los naast elkaar staande wigvormige 'schillen' (zie afb. Wij kunnen ons de koepel verdeeld denken in horizontale ringen.door een trekring aan de voet van de koepel. doorschoten met lagen baksteenmetselwerk en met gemetselde ontlastingsbogen (afb. leunen deze schillen tegen elkaar (boven in de schillen heersen immers ringdrukkrachten). opgebouwd uit boogspanten. kunnen deze onder in de koepel verticale scheuren veroorzaken. In hoofdstuk 3 is de werking van de krachten in een dergelijk koepelgewelf al verklaard. De tamboer heeft een cirkelvormige plattegrond met een inwendige diameter van ruim 43 m. de koepel heeft ongeveer de vorm van een halve bol.

Ook de opening in het midden van de koepel heeft een soortgelijk effect: het weglaten van gewicht in het midden is vergelijkbaar met het toenemen van het gewicht aan de voet (afb. waaraan het beton geen weerstand kan bieden. 103 . Door de nissen en de toegang tot de rotonde zitten er echter veel openingen in. 133. Deze mag in ieder geval niet buiten de voet van de pijler vallen omdat deze dan zou kantelen. en dat de drukspanningen aan de buitenzijde niet te groot worden (zie afb. Horizontale doorsnede. samen te stellen met het gewicht van de pijlers (volgens het parallellogram van krachten) ontstaat een resulterende kracht. Deze bieden door hun grote gewicht weerstand aan de spatkrachten van het koepelgewelf. 135. Door de krachten. 135).Bij het Pantheon is laatste oplossing aanwezig. 48).5 m dik. Verticale doorsnede. 134. De vergroting van het gewicht van de koepel aan de voet is gunstig. De ondersteuning van de koepel kan worden geschematiseerd tot acht forse pijlers van ongewapend beton. De muren van de tamboer zijn 6. Zij moet zelfs aanzienlijk binnen de doorsnede van de pijler blijven om te voorkomen dat er aan de binnenzijde van de pijler trekspanningen optreden. Allereerst is het benedengedeelte naar buiten toe trapvormig verdikt en verder is het gewelf opgebouwd uit drie horizontale lagen met verschillende soorten beton. De Romeinen moeten wel een goed inzicht hebben gehad in de werking van krachten in koepels en in de krachten die op de tamboer worden uitgeoefend. zodat er eigenlijk geen sprake is van een massieve muur. De voorzieningen resulteren beide in een vergroting van het gewicht van het onderste deel van het gewelf. die de koepelschillen uitoefenen op de pijlers. Zij hebben een tweetal voorzieningen getroffen waardoor de richting van de kracht op de pijlers van de tamboer naar binnen wordt gedrukt. die van boven naar beneden in volumegewicht toenemen.

In het navolgende zullen wij ons alleen maar bezig houden met de krachtswerking in een normale travee van het hoofdschip en geen aandacht schenken aan die in het koor en bij de ontmoeting van hoofdschip en dwarsschip (de viering. Het doel van de architectuur van de.003 y~-.. het geheel gedragen door pijlers via een bogenrij.1Ii. vaak bekroond met een toren). door middel van luchtbogen verbonden ·met de zijwanden van de middenbeuk. gothische kathedralen was het scheppen. De traveemaat (dat is de afstand van de pijlers in de lengterichting van het schip) is vaak ongeveer de helft van de breedte van de middenbeuk.IIo'lN\~ ~<lWcz. . .buiten de zijbeuken de steunberen. zijn complexe bouwwerken. De constructie van een normale travee van het schip is meestal samengesteld uit de volgende onderdelen (afb. .---. Doorsnede over het schip.---~ ~-~--~ \~~-. daaronder het triforium.De hoge kerkhallen in de Middeleeuwen De grote kathedralen in gothische stijl.bo~~ ~--~i« 136.. met een dwarsschip loodrecht op het hoofdschip en een beëindiging met een halfrond koor. Niet alleen vanwege hun ruimtelijke samenstelling. .-!'.f ~. waarvan de bouw omstreeks 1150 in Frankrijk begon..+. . met hun buitenmuren. van hoog ogende ruimten. met bovenin de grote ramen van de lichtbeuk.lf ~-'---F-~-~tl. Bij de kathedraal van Beauvais (de hoogste) ligt de top van de kruisribgewelven ruim 47 m boven de vloer.kt:tM&ri~ewel. De kruisribgewelven zij n dan ook meestal gespannen over een rechthoekige plattegrond met een lengte (de breedte van de middenbeuk) van ongeveer 104 +---'i. maar ook door de wijze waarop de krachten door de bouwdelen naar de fundering worden geleid. 136): .het dak met de kapspanten. De middenbeuk is dan ook zelden breed (een afstand van 15 m tussen de pijlerrijen aan weerszijden was al een grote maat) maar wel hoog.de stenen kruisribgewelven daaronder..de lage zijbeuken. afgedekt met kruisribgewelven en een dak.de zijwanden van de hoge middenbeuk.

.twee maal de breedte (de travee-maat). spant een kruisribgewelf over twee traveeën. dat wil zeggen op de tussen de ramen gelegen pijlers. gedekt met leien. Door hun gebogen vorm vertonen de kruisgewelven boogwerking. . Vaak is het gewelf in de dwarsrichting van het schip naar de toppen van de ramen toe echter afgebogen. Moeilijker zijn de krachten uit de kruisribgewelven te volgen.. Zij dragen op de pijlers. 1 . Het dak. 138). Bij een normaal kruisribgewelf zijn er twee kruisribben (diagonaal over de plattegrond) en twee muraalbogen (in de zijwanden boven de ramen) terwijl ieder gewelf ter plaatse van de pijlers wordt afgesloten met gordelbogen in de dwarsrichting van de hal (afb. rechtstreeks naar de fundering. . Geometrisch is het kruisribgewelf voorstelbaar als een doorsnijding van twee loodrecht op elkaar staande spitsbooggewelven.. 137).. Hiervoor dienen de steunberen (afb. Om weerstand te bieden aan deze zijdelingse krachten moeten de steunberen ten eerste zwaar zijn en ten tweede grote afmetingen hebben in de dwarsrichting van de kerkhal. oefenen daarop niet alleen verticale krachten uit (die de pijlers wel kunnen opnemen) maar ook buitenwaarts gerichte spatkrachten waaraan de relatief slanke pijlers geen weerstand kunnen bieden. Vierdelig kruisgewelf. bij zeer smalle traveeën. Zo'n gewelf bestaat uit een geraamte van ribben waartussen de gewelven zijn gemetseld.. Door de pijlers gaan deze krachten. Deze zijn aan iedere zijde van de hal vaak door twee luchtbogen met de pijlers van de middenbeuk verbonden. Krachten in een normale doorsnede. Om een indruk te krijgen van de krachtswerking in een 137. Hiertoe heeft men aan de steunberen een naar beneden toe toenemende breedte gegeven.' ' . ~~. Soms. brengt via de houten kapspanten zijn gewicht over op de zijwanden van de middenbeuk. 105 . 138.' " ". De onderste van de twee zorgt voor het overbrengen van de gewelfspatkracht naar de steunbeer. De verticale belasting in het schip bestaat voor het overgrote deel uit het eigen gewicht van de bouwdelen. evenals die van het gewicht van de zijwanden.

steunbeer kan deze in moten verdeeld worden gedacht. De bovenste moot (1) geeft door zijn eigen gewicht alleen maar een verticale kracht naar beneden (de werking van de bovenste luchtboog laten we voorlopig buiten beschouwing). De tweede moot ontvangt bovenin de spatkracht van het kruisribgewelf. Door haar eigen gewicht en geholpen door het gewicht van moot 1 buigt zij deze naar binnen. De resulterende kracht treft moot 3 die, alweer door haar eigen gewicht, deze kracht verder naar binnen buigt. Het resultaat moet zijn dat in alle delen van de steunbeer de resulterende kracht in ieder geval binnen de doorsnede valt (om kantelen te voorkomen) en zelfs ruim daarbinnen om trekspanningen in het metselwerk te vermijden. De krachten uit de kruisribgewelven over de zijbeuken zijn van geringe betekenis. Vergeleken met die uit de grote gewelven over de middenbeuk zijn ze klein en de spatkracht grijpt laag op de steunbeer aan. De spatkrachten, die de gewelven van de zijbeuken op de pijlers van de middenbeuk uitoefenen, zijn bedenkelijker. De pijlers zijn relatief slank en kunnen moeilijk zijdelingse krachten verdragen. Soms ziet men dan ook in de zijbeuken aan de voet van de gewelven ijzeren trekstangen aangebracht die de spatkrachten opnemen. Behalve aan de verticale krachten door het eigen gewicht moet de constructie van de kerkhal ook weerstand bieden aan windkrachten. Hoewel deze ten opzichte van het gewicht van de steenmassa's betrekkelijk klein zijn werden er aan de bovenzijde van de hal toch voorzieningen getroffen. Met name worden de voeten van het dak via luchtbogen aan weerszijden van de hal (de bovenste in de doorsnedetekening) op hun plaats gehouden door de steunberen. Daarnaast zorgen de onderste balken van de kapspanten voor een koppeling tussen de zijwanden van de middenbeuk en bevorderen hierdoor de stabiliteit van het geheel (afb. 139).
106

~

++~ol
~

~

~

~
~

~

oE.: .'
~
' . .'

.' .

,. '
", '

. .

+-

"

. ...

+-

+-

139. Windkrachten.

De Sint Pieterskerk te Rome, 16de eeuw
De koepel van de Sint Pieterskerk is een voorbeeld van de vele grote stenen koepelgewelven die in de Renaissance werden gebouwd (afb. 140 en 141). Hij heeft een diameter van 42 m en is iets hoger dan een halve bol met dezelfde diameter. De kruin van de koepel ligt ruim 100 m boven de vloer van de kerk. Het koepelgewelf begint beneden met een massief gedeelte dat 2,7 m dik is. Op 14 m boven de voet splitst het gewelf zich in twee delen, een binnengewelf met een dikte van 1,5 m en een buitengewelf, dik 0,7 m. De gewelven zijn verbonden door 16 radiaal lopende ribben die naar boven toe in hoogte toenemen tot 5,2 min de top. De koepel wordt daar bekroond met een grote lantaarn.

140. De Sint Pieterskerk.

141. Het interieur van de koepel.
107

Eén van de problemen van de bouw van koepelgewelven is het opvangen van de ringtrekkrachten in het onderste gedeelte ervan. Bij de Sint Pieter werd hierin aanvankelijk voorzien door drie trekringen, bestaande uit korte smeedijzeren staven, onderling verbonden door in aangesmede ogen gestoken dwarsstaven (afb. 142). Nadat de koepel in 1590 voltooid was traden er in de loop van de tijd in het onderste deel verticale scheuren op (afb. 143). Klaarblijkelijk boden de ringen niet voldoende weerstand aan de ringtrekkrachten. Zij werden zodanig belast dat zij gingen 'vloeien', dat wil zeggen dat de spanning erin zo groot werd dat de staven overmatig gingen uitrekken. Het metselwerk kon die rek niet volgen en scheurde.

142. De constructie.
108

143. Scheuren aan de voet van de koepel.

('\m.t". 87)..De ringen zijn echter niet gebroken (dan zou de koepel zijn ingestort). Men achtte de toestand echter verontrustend en omstreeks 1740 werd aan een drietal geleerden opdracht gegeven tot een onderzoek.cJ.- 144.\0'.J~. I("P" ·! .. Jn"." ". p.(1632.. . .bstH".r Ju.r"t· (:'\r. . ~ RdVtT1"\vPf.. ..H~I> .{ L Jbrllt ..- (.N. 1\0" i sch rr T.I! Jl' i .. ~ (..r!\. In 1743 en 1744 werden vijf ringen toegevoegd.~à"Il. 144).top~r \Yi:étl.v"S . I.- 11[.eh..1. .~.!'.~ .'( l8)t 11 44 ! . j'1' D.-- '(4'<-" _.:t 16f). de spanning ligt in het 'verstevigingsgebied' (zie de grafiek van afb. 145. r. á7l....sm ~our:­ ". -. '74J~..~"f!k"PI"I • . .. Verticale doorsnede. 109 ..St. ('P. A 1> I() 'J. De resultaten hiervan vormen één van de eerste schreden op het pad van de ontwikkeling van de mechanica van bouwconstructies..o. Na het vloeien gaat het ijzer namelijk opnieuw weerstand bieden aan de optredende krachten. .f J1rbJl~ . Ê)t.- .Tr"~'rd. Het kegelgewelfin Saint Paul's Cathedral te Londen.'ll~} tlH 3". in 1748 nog een zesde (afb.

Verder naar beneden worden de krachten via grote bogen verder geleid naar vier kolossale pijlers (afb. die de muurdammen aan de buitenzijde accentueren. . De spatkrachten van de koepel worden immers reeds door de ijzeren trekringen opgenomen. De stenen binnenkoepel behoeft daardoor alleen maar zijn eigen gewicht zonder dat van de lantaarn te dragen. spelen daarbij geen rol. Deze hebben een grondvlak van circa 18x 18 m waarvan één hoek is afgesnoten.Soms is de veronderstelling geuit dat de scheuren vooral veroorzaakt zouden zijn door het gewicht van de grote lantaarn. Krachten in de constructie.en inwendig hebben de pijlers inkassingen en uitsparingen. Het gewicht van de koepel wordt gedragen door de muurdammen tussen de ramen. Overigens heeft Christopher Wren bij de koepel van Saint Paul's Cathedral te Londen (1675-1710) een vernuftige oplossing gevonden voor het dragen van de lantaarn (afb. afgezien van de belasting door windkrachten. onder andere voor een wenteltrap. Anders dan bij het Pantheon behoeven. 145). Hij introduceerde hiertoe een kegelvormig bakstenen gewelf dat de krachten uit de lantaarn rechtstreeks naar de ondersteuning van de koepel voert. door de muurdammen slechts verticale krachten te worden overgebracht. 146). In principe is een koepelgewelf niet geschikt om in de top een grote last zoals die van de zware lantaarn te dragen.en buitenschaal). Vermoedelijk om dit tegen te gaan hebben de gewelfribben in de top grotere afmetingen (de aanleiding zou ook kunnen zijn het verwezenlijken van de verschillende vormen van binnen. Onder de koepel bevindt zich een dikke ringmuur met grote raamopeningen. De 16 zuilenparen. 110 146. Vanzelfsprekend draagt het gewicht van de lantaarn bij tot de ringtrekkrachten maar niet in die mate dat het de belangrijkste veroorzaker daarvan zou zijn. Uit. Indien het gewelf niet dik genoeg is zal het rondom de lantaarn breken en zal de lantaarn naar beneden storten.

dat tussen 1875 en 1878 aan de Entrepothaven te Rotterdam werd gebouwd. Het pakhuis 'De VijfWerelddeelen'. een breedte van circa 37 m en is verdeeld in vijfbrandvrij van elkaar gescheiden compartimenten die de namen van de werelddelen dragen: Africa.2 m staan. 148. houten vloeren op houten balklagen en ijzeren kolommen en hoofdbalken. Europa. 147. Azië en Australië. Het Vrij Entrepot diende voor de opslag van in Rotterdam van elders aangevoerde goederen waarvan de bestemming nog niet vaststond en die daar belastingvrij een tijdelijk onderdak konden vinden. De dakvlakken zijn flauw hellend en worden ondersteund door een houtconstructie op de bovenste bouwlaag.Het pakhuis 'De VijfWerelddeelen' te Rotterdam. 1878 Het pakhuis 'De Vijf Werelddeelen' van het Vrij-Entrepot. 0 0 0 0 0 0 0 D 0 0 0 0 0 0 D D 0 D 0 D 0 0 0 D 0 0 D 0 D D D 0 0 D D 0 D D D D D D D D D D 0 D D D 0 D 0 0 D D D D D 0 D 0 D 0 0 0 D 0 D D 0 D 0 0 0 • D D 0 0 D 0 D D " 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 D 0 0 0 0 D 0 D D 0 0 0 0 D 0 0 D 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 D 0 0 • • • Q Q Q 0 0 0 0 D 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 D 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 D D 111 . Gordingen dragen een dakbeschot en rusten op hoofdbalken in de lengterichting van het gebouw. America. Door de toevoeging van horizontale verbindingsbalken ontstaan er spanten die in de breedterichting van het gebouw op onderlinge afstanden van circa 5. Het gebouw heeft een lengte van circa 200 m. is een voorbeeld van een 19de-eeuws pakhuis: met bakstenen buitenmuren. Een constructie die in Nederland nog tot 1920 gebruikt werd. Plattegrond van een normale verdieping. Er is een kelder met daarboven vier bouwlagen. Deze worden gesteund door houten kolommen en schoren naar deze kolommen.

hetgeen men waarschijnlijk te kostbaar achtte. rlil rl = ~ """ ~-:. Deze houten balklagen overspannen in een normale travee de. Dwarsdoorsnede.6 m liggen en een doorsnede van circa 20x35 cm hebben.De verdiepingvloeren hebben 4 cm dikke houten delen (planken) over houten balken die hart op hart 0. Normaal werden gietijzeren kolommen =~ ~= !!:!!!!!! nl n l ln Inl rII 149. Deze kolommen hebben een bijzondere vorm. Lengtedoorsnede. De constructie.3 m en rusten op smeedijzeren hoofdliggers in de breedterichting van het gebouw. gezien de belasting. De hoofdliggers rusten op gietijzeren kolommen op een onderlinge afstand van 5.= - 1 111 1111 1 111 1111 11 1 1 1111 1 111 1 111 150. Op de onderranden zijn met schroefbouten ijzeren consoles bevestigd (korte I-profielen) voor het dragen van de houten balken.2 m. Eenvoudiger was het geweest om de houten balken over de bovenflenzen van de hoofdliggers te laten lopen maar deze wijze van ontmoeting zou de verdiepinghoogte hebben vergroot. Ze hebben een hoogte van circa 60 cm./ -= ----. Deze I-vormige vollewandliggers zijn door middel van klinken samengesteld uit platen en hoekprofielen. 112 . respectabele afstand van 5. 151.

Bijzonder is ook de plaats van de onderlinge verbinding van de kolommen. 153. Principe van het troggewelf 113 . Zoals reeds werd gezegd is het gebouw verdeeld in compartimenten. althans over een gedeelte ervan. De bakstenen gevelmuren hebben een dikte van 33 cm (ter plaatse van de beganegrondlaag 44 cm). De plaats van de pijlers komt overeen met die van de erboven gelegen gietijzeren kolommen. voor zover bekend de enige in Nederland. Daaronder ligt de kolomstuik.als aan de 152. Ze dragen de ijzeren hoofdliggers en zijn daartoe zowel aan de binnen. De middelste drie zijn groter dan die aan de einden. Verder vervangen ze ter plaatse de kolommen en de hoofdliggers en dragen ze de vloeren.voor verdiepinggebouwen uitgevoerd met een cirkelvormige doorsnede maar bij 'De Vijf Werelddeelen' hebben de kolomdoorsneden een I-vorm. Aan iedere kolom van de bouwlagen 2 en 3 is een voet gegoten met consoles die de hoofdliggers dragen. De 44 cm dikke bakstenen scheidingsmuren steken 2 m boven het dak en 2 m buiten de gevelmuren uit om brandoverslag te voorkomen. vermoedelijk omdat. Deze dragen weer op zware bakstenen pijlers en op daartussen gemetselde bogen. Ze hebben een lengte van 48 m. Vloerconstructie. Logisch lijkt zij niet als men bedenkt dat eerst de kolommen over een hoogte van twee bouwlagen zelfstandig gemonteerd moesten worden en dus 6 m vrij in de lucht staken voordat de hoofdliggers er tussenin konden worden gebracht. De beganegrondvloer heeft een afwijkende constructie. De reden van de compartimentering is de brandveiligheid. Eenvoudiger was het geweest om de kolomstuik vlak boven de vloer aan te brengen en de kolommen te voorzien van een kolomkop met consoles voor het dragen van de hoofdbalken zoals gebruikelijk was. Deze ligt onder de hoofdliggers. zwaar verkeer plaats vond. Hier rusten ongewapende betonnen troggewelven op ijzeren balken. Waarom deze oplossing werd gekozen is niet bekend.

in de dwarsrichting van het gebouw. Uiteindelijk moeten de windkrachten wel worden overgebracht naar de dwarsmuren. De gevelmuren zijn dan ook met muurankers aan de ijzeren hoofdliggers bevestigd. Verbinding tussen twee gietijzeren kolommen. zoals bij de meeste verdiepinggebouwen. Bij 'De Vijf Werelddeel en' is dit echter geenszins het geval: de dwarsmuren staan op afstanden van 48 m van elkaar en geven alleen maar plaatselijk steun aan de gevel. de houten balken. Bij 19deeeuwse gebouwen waren doorgaans op relatief kleine onderlinge afstanden dwarsmuren aanwezig die aan de gevelmuren steun gaven.buitenzijde van het gebouw versterkt met penanten met een gezamenlijke dikte van 33 cm (er zijn daar dus bakstenen kolommen met een dikte van 66 cm). Hierdoor gaat de houten vloer als een grote horizontale schijf werken die in haar vlak krachten naar de dwarsmuren kan overbrengen. tot 2000 kg/m 2 . 155. 114 . Bij de verdiepingvloeren zijn de dragende elementen achtereenvolgens de houten vloerdelen. De overdracht van de horizontale krachten. eerst de gevelmuren. zij het met andersoortige elementen. voornamelijk de windbelasting. Hoewel een dergelijk pakhuis grote vloerbelastingen heeft. De nagelverbindingen zorgen ervoor dat de vloerdelen niet ten opzichte van elkaar verschuiven. Hiervoor zorgen de houten vloerdelen in samenwerking met de houten balken waaraan ze met draadnagels zijn bevestigd. Verbinding tussen een gietijzeren en een houten kolom. 154. Deze ankers doen met name dienst in het geval van windzuiging. De wind treft. Voor het dak en de beganegrondvloer geldt. niet gecompliceerd. hetzelfde. is de overdracht van de krachten. dus aan de lijzijde van het gebouw. In dit geval moeten de verdiepingvloeren dus voor horizontale ondersteuning zorgen. de ijzeren hoofdliggers en de gietijzeren kolommen. is wat minder eenvoudig.

voor lichttoetreding en ventilatie. met boogdaken en met verschillende breedten en hoogten. 115 .De treinhallen van het spoorwegstation Haarlem. 157. grootste overspanning 28 m (afb. 1908 Over de sporen en de perrons van het fraaie spoorwegstation te Haarlem is een aantal treinhallen gebouwd. • Type B: spanten zonder uitkragingen. grootste overspanning 19 m (afb. Er zijn een aantal spantsoorten gebruikt dat is te herleiden tot twee typen. Beide typen hebben de vorm van een knieboogspant. Wij zullen ons bij de navolgende beschouwingen beperken tot het tweede spanttype (B). 156). Spanten met uitkragingen (type A). De kappen hadden oorspronkelijk noklantaarns. Alleen waren de onderste delen van de stijlen te smal voor een vakwerkconstructie. zijn de lantaarns verwijderd. Toen na de elektrificatie de stoomlocomotieven met hun rookgassen verdwenen en ventilatie dus niet meer nodig was. Spanten zonder uitkragingen en met trekstangen. 157). namelijke: • Type A: spanten met aan weerszijden uitkragingen voor luifeldaken. met twee voetscharnieren en een topscharnier. alle met een trekstang boven in de kap. De spantstijlen zijn recht. de spantbenen gebogen. Beide typen zijn drie scharnierspanten. Deze 156. Zowel de spantbenen als de stijlen zijn uitgevoerd in vakwerkconstructie met geklonken verbindingen.

159). Bij deoude spoorwegstations was dat niet het geval. Dit spanttype komt. De trekstang zorgt ervoor dat de buigende momenten in het spant doorde verticale belasting (sneeuwen eigen gewicht) aanzienlijk orden verminderd. dat zich onder de kap afspeelt. Aan de hallen werd juist een extra hoogte gegeven om aan de rook van de stoomlocomotieven meer ruimte te geven en de ventilatie te bevorderen. Een knooppunt van het vakwerk. 159. Op de gordingen rust een houten dakbeschot met een bitumineuze bedekking. voor bij meer treinhallen in Nederland uit die tijd. De vervorming van een kniespant zonder eh met een trekstang. De knooppunten van de spantbenen zijn zodanig geplaatst dat ze overeenkomen met de plaats van de houten dakgordingen. De trekstang verhindert deze uitwijking. van 5 tot 8 m. zij trekt de knieën weer naar binnen. in een aantal varianten. Vaak kan dat niet omdat men voor het bedrijf. samengesteld uit platen en hoekprofielen. het knieboogspant in vakwerkconstructie en de trekstang die de beide knieën verbindt. De randstaven van het vakwerk bestaan uit twee hoekprofielen waartussen de knoopplaten zijn aangebracht die dienen voor de bevestiging van de wandstaven (afb. De vervorming van het spant is aanzienlijk (in de afbeelding is deze vervorming sterk vergroot weergegeven). 116 158. Voor knieboogspanten geldt hetzelfde. Men kan zich afvragen waarom niet bij alle kniespanten een trekstang wordt toegepast. Zonder een trekstang zullen de knieën naar buiten willen uitwijken. . De spantafstanden variëren sterk. Kenmerkend is de boogvorm v~n het dak. Men kan zich dat voorstellen aan de hand van de vervorming van het spant onder deze belasting waarbij voor de eenvoud een kniespant met rechte spantbenen als voorbeeld is genomen (afb.zijn volwandig gemaakt. de volle hoogte onder de top van het dak wil benutten. 158). Door het gebruik van een trekstang ontstaat een zeer lichte vakwerkconstructie. Het spant zal dus minder vervormen hetgeen inhoudt dat ook de buiging in de onderdelen ervan kleiner zal zijn.

op een of meer plaatsen. afhankelijk van de hoogte van de hal. Daarbij valt op dat de onderste delen van het verband tussen de spantstijlen anders zijn uitgevoerd dan daarboven het geval is. zo ook bij de knieën waar ze schuin zijn geplaatst. is tussen de beide hoekprofielen een strip geklonken. Deze dient enerzijds bij de drukstaven om ze beter tegen knik bestand te maken. Zij bieden tevens zij delingse steun aan de glasgevels die de perrons afsluiten.Ook de wand staven bestaan uit dubbele hoekprofielen. met wartels) is met rondijzers opgehangen aan de spantbenen. In de langsrichting van de hallen zijn voor de stabiliteit diagonaalverbanden aangebracht. Waar geen knoopplaten aanwezig zijn. De rondijzeren trekstang (bij de grote spanten met een diameter van 40 mm. bijvoorbeeld bij de knieën. die door het eigen gewicht van de constructie op druk wordt belast. zowel tussen de spantstijlen als in het dakvlak. op zijn plaats te houden zijn naar een aantal gordingen schoren aangebracht. Het lijkt of deze kruizen later zijn aangebracht (met een modernere verbindingsmethode ) maar op de oorspronkelijke tekeningen waren zij ook al in deze vorm aanweZIg. 117 . met hoekprofielen en knoopplaten in plaats van met rondijzer en ijzeren ringen. wat praktisch niet mogelijk is). Bij de spantbenen wordt de bovenrand vastgehouden door de gordingen. zijn de randstaven versterkt met strippen. Eén van de stabiliteitsverbanden. De spantstijlen zijn. Waar nodig. anderzijds wordt een corrosieprobleem opgelost (zonder de strip zou de smalle spleet tussen de hoekijzers geverfd moeten worden. Afbeelding 160 laat zien hoe dit aan het einde van een hal is gedaan. voor hetzelfde doel. Er zijn bijzondere voorzieningen getroffen om het zijdelings uitknikken van de randstaven van de fragiele vakwerkconstructie tegen te gaan. 160. door horizontale vakwerkliggers verbonden. De spanten zijn in hun vlak stabiel en kunnen dus weerstand bieden aan zijdelingse windkrachten. Om de onderrand.

~~ ~ .ofo'WIW. Yc\.. I I .:$à.--- -_.. '3'e('(tt~ ~ l . I I I I I I I I I I . Rt.".. ~~\. Het heeft dragende buitenmuren van baksteenmetselwerk terwijl het betonskelet. Later kwamen pas de paddestoelvloeren die een typisch bij het gewapend beton behorende vormgeving hebben...(100 -~ ~ -"- .. ~ I I r I '00 1 i ~ ~'" I ')().. dat dus alleen maar in het inwendige van het gebouw aanwezig is (een inwendig skelet). langs. Plattegrond.>t...... JD: ~ "'0 .!!.-". ~~Rt~.~.0 I'-..9~ '" ClJf"e-'t..M1I\'"C\.=~ I I -"-. 13. lll' I 1 ~ ~ " " soo '~ 500 -". r"'SO i LOOO](Cr.en dwarsdoorsnede.1_ 1 I I :..". " ~ " . 1906 Het gebouw is een goed voorbeeld van het bouwen met gewapend beton voor verdiepinggebouwen in de eerste decennia van de toepassing ervan in Nederland.. I I .Et'l..dd.L o'\'\d. _~L_ 1'".i.J."'. SJ ~ ~ ru.9~~~~ iM'\McVv~.... -~~ t~ '~.".25.9"". Deze constructie was afgeleid van de tot dusver gebruikelijke houten balklagen.-"- soo I I .. vloeren heeft die zijn samengesteld uit vloerplaten en dicht bij elkaar liggende kinderbalken die weer dragen op moerbalken.~at~': I I I I ~ 118 .. f. I I 2000XCc i ~ cl..'4 :l.. . 161.------------------------------------------------------------------- De zetterij van de Algemeene Landsdrukkerij te 's-Gravenhage. i I Jlfl .1 .2/1.

Het telt drie bouwlagen. Daardoor is de balkhoogte plaatselijk groter.6 m hart op hart en hebben. De veranderlijke belasting is. De vloeren werken als grote horizontale liggers die de krachten verder voeren naar de beide eindmuren. kleinere doorsneden. slechts 8 cm dik. evenals de moerbalken. hoog: 2000 kglm 2 voor de verdiepingvloeren. van 50x50 tot 30x30 cm: ze 'verjongen'. Het gebouw is tegen windkrachten bestand door het samenstel van de betonvloeren en baksteenbuitenmuren.3 m hart op hart. Zij overspannen 6. De doorsnede van de kolommen is aangepast aan hun belasting. Naar boven toe neemt de doorsnede af. door de zware machines. 42). De kinderbalken liggen 1. 162. 119 . kolommen en dragende muren. Wind in de dwarsrichting treft eerst de langsgevels die de krachten naar de verdiepingvloeren en de dakvloer leiden. zulks met het oog op de daar optredende hogere buigende momenten (zie afb. De dakvloer.en moerbalken. Op de moerbalken rusten de kinderbalken (doorsnede 25x50 cm). De kinderbalken liggen hier 2. ondanks de grote veranderlijke belasting. eveneens van gewapend beton.3 m tussen de beide langsgevelmuren en de in het midden gelegen moerbalken. Deze zijn door hun grote breedte gemakkelijk in staat om de windkrachten naar hun fundering over te brengen (zie hoofdstuk 4). een andere constructie dan de twee verdiepingvloeren. 50 kglm 2). vanwege de monoliete constructie is dit ook de werkzame hoogte van de balk). heeft.Het gebouw heeft een breedte van 13 m en een lengte van 45 m. De ontmoetingen van kinder. De vloerplaten hebben dus een kleine overspanning en zijn dan ook. De kolommen staan hart op hart 5.2 m van elkaar en dragen moerbalken met een doorsnede van 30x80 cm (de hoogte van 80 cm is gemeten tot de bovenzijde van de vloer. De moerbalken hebben bij de kolommen consoles. Het betonskelet heeft één rij kolommen in het midden van het gebouw. vanwege de veel kleinere veranderlijke belasting (sneeuw.

zonder tussenkomst van balken.L. Peutz. Plattegrond en doorsnede. Dit is vooral te zien bij de glasgevels die het gebouw aan drie zijden omsluiten en die door hun doorzichtigheid demonstreren dat ze geen dragende functie hebben. De gevels zij n met stalen balken aan de randen van de betonvloeren bevestigd en laten een luchtspleet open die wordt gebruikt voor de ventilatie in het gebouw. Het modehuis Schunck. rechtstreeks ondersteund door kolommen. De krachten in de vloerplaat worden vloeiend naar de kolommen geleid. een ontwerp van de architect F. 166). 164. De betonnen vloeren zijn alleen maar platen. 163. Voor het skelet koos Peutz het principe van de paddestoelvloer.Het modehuis Schunck te Heerlen.J. 1933 Het modehuis Schunck. anders dan het weerstand bieden aan windkrachten. Nervi heeft dit later expressief laten zien in zijn ribbenvloeren bij de Wolfabriek Gatti te Rome uit 1953 (afb. • ' . is een gebouw waarin een duidelijke scheiding is gemaakt tussen de draagconstructie en de afbouwconstructie. De Italiaanse ontwerper P. dus ook aan de onderzijde vlak. en worden.P. • • I1 • • • • • • • • • • I • i · • • • VEL t iJ ) l I Ki E • • • I1 • • 1_ · _o J 120 .

166. . 1953.. h\OIt\~~ ~ de do~e a-~ 167._. '-G-.De verbinding van de plaatvloer met de kolommen vraagt bijzondere aandacht. Ook om deze reden moet de vloer rondom de kolom dikker worden gemaakt. Dit is aanleiding om de vloer bij de kolommen dikker te maken.-e-. De vloer zou hier kunnen breken (afb. '. I I .-m--. 168). • Rondom een kolom kan in de vloerplaat afschuiving optreden._. El ~~t'0r~ ~ 'IIlliWJP'. Buigende momenten in een paddestoelvloer. 167). Twee aspecten spelen daarbij een rol: • De buigende momenten in de vloerplaat concentreren zich bij de kolommen en zijn daar zeer groot (afb. . J-k rij. De wolfabriek Gatti te Rome."4IiIIiiiiiIP At". Het schetsontwerp.J I !. 'j il ri l 165. 121 . Het gehele gewicht van een vloerveld met de daarop rustende belasting concentreert zich daar op een klein stukj e vloerdoorsnede.

'. ' ~ ~. aansluitende op een achthoekige kolom. aan de verbinding tussen vloer en kolom vorm te geven.V' . Dit type is toegepast in de representatieve afdelingen. . ':: . . zoals te zien is in zijn schets van afbeelding 169: • Een achthoekige kop.Er bestaan verschillende mogelijkheden om.:. met in achtneming van het bovenstaande. Deze verbinding is gebruikt in de meer utilitaire gedeelten van het gebouw.. 'ÇJ :~t ~:. ··.::... ': .. ':. Het afschuiven van de vloer.. . î·:. De vormgeving van de kolommen. Peutz heeft gewerkt met twee soorten verbindingen. De vorm vergt een moeilijker te maken bekisting en is daarom duurder dan de achthoekige vorm.:. ~ v 168. 122 .'-:' . 170). veelal eenvoudiger te bekisten vormen gekozen (afb.'.... vooral in pakhuizen... Later werden. .. • Een vloeiende overgang van de vloer naar een kolom met een ronde doorsnede.:>. De achthoekige vorm is bijvoorbeeld ook gebruikt in de Van Nelle-fabriek te Rotterdam uit 1930. 169. waarbij in de kop nog een binnenwaartse knik is aangebracht....

Er zijn verder voorbeelden waarbij ook de kolomplaat is weggelaten (vlakke plaatvloer). 123 . De vloerplaat moet dan in zijn geheel dikker worden waarbij de krachten bij de kolommen maatgevend zijn (c). met een kolomkop en een kolomplaat (a). 170. werd de vorm nog eenvoudiger: alleen een kolomplaat (b). 5x5 m. Drie andere typen van de verbinding van vloerplaat en kolom. De kolommen staan op een vierkant en stramien van ca. Afgezien van de aanpassing aan de omgeving waarin het gebouw gelegen is (één van de drie glasgevels volgt een gebogen lijn) heeft het skelet een zeer regelmatige opbouw. Opgemerkt dient hierbij dat voor een paddestoelvloer een vierkant stramien gunstig is ten opzichte van een rechthoekig stramien.Meestal gebruikte men een vierkante kolom. omstreeks 1960. Nog later. Deze voldoet ook aan het criterium dat de vloerplaat bij de kolom dikker moet zijn vanwege de grote buigende momenten en het gevaar van afschuiven.

Krachten in evenwicht. Structure Systems.J. Morgan.Aanbevolen literatuur Voor wie meer over de vormgeving van draagconstructies van bouwwerken wil weten. Gordon. Engel.E. kunnen de volgende boeken nuttig zijn.E. Stuttgart 1967 J . Heller. London 1964 M. Siegel. München 1960 124 . Salvadori. Harmondsworth (Penguin Books) 1978. Behoudens het boek van J. Structure in architecture. M. Englewood Cliffs (N. Structures or why things don't fall down. Strukturformen der modernen Architektur. Why buildings stand up. Salvadori en R.) 1963 H. Gordon. Tragsysteme. Waarom dingen niet omvallen.E. New York 1980 c. Gordon. Amsterdam 1987 w. The elements ofstructure. dat algemener is gericht. zijn ze alle geschreven ten behoeve van het onderwijs in de architectuur. The strength of architecture. Nederlandse vertaling: J.

München 1965:64. Wattjes. Rotterdam: 148 Moderne bouwkunst 1932-35: 106 A. Rotterdam: 45 (l. München: 141 Stichting Industrieel Erfgoed Rijnmond. 's-Gravenhage: 14 H.144. 38. New York: 85 Staal: 83 Staatsuitgeverij. 127 125 . Darmstadt 1881: 108 J. 19443: 100 (tek. Delft. Band 1. van Genderen Stort. Perrot en C. Lemoine. Amsterdam 1920: 156 (tek.133. MacDonald. 129 L. Murray.140 Heinemann Educational Books. Gustave Eiffel.C. Constructie van gebouwen. Paris 1882: 128. Joedicke.) Gemeente-Energiebedrijf. Amsterdam 1952: 47 (foto) Architectuurdocumentatie Bouwcentrum. 117.P. 157 (tek. Mainstone. Histoire de /'art dans /'antiquité. London1975:66. 120.100.A.. 's-Gravenhage 1965: 14 Fernand Hazan.145 K.J. J oedicke. The Forth railway bridge. 1912-1952.) J.G. Rotterdam: 104 W.A. London 1973: 68 GeorgD. The Pantheon. Die Baukunst der Griechen.143 Maritiem Museum. Delft: 83. Amsterdam: 111 E.M. Daalder e. gedenkboek.. Der Architektur der Welt. Pier Luigi Nervi . 78. 157 (foto). Arets e. Korfker: 68 R. V. 160.). Amsterdam. 165 Bouwkundig Weekblad: 47 (tek. Teufen 1958: 100 (foto) D. Copenhagen: 131 G. Bracegirdle. 101. 118. TheobelisksofEgypt. Kappen. Gietijzer in Nederland. Kunst und Technik der Wölbung.b.a.L. Moderne kapconstructies. Callwey.133. Stokroos. L 'Egypte. de Fine Licht. Oud Werk. London 1976: 132 R. Rotterdam 1983: 147 J. Tome 1..). 123. Rotterdam: 47 De Ingenieur. London: 68 Hirmer Verlag. Rotterdam 1985: 148 J.140 E. Durm. 155 J. 169 (foto Mantz) L. Rotterdam: 82 Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg. 30 industriële monumenten in Rotterdam.W. Staal als bouwmateriaal.Verantwoording van de afbeeldingen De niet genoemde afbeeldingen (tekeningen) zijn vervaardigd door de Groep Geschiedenis van de Bouwtechniek. 102 Ironbridge Gorge Museum Trust: 22 J.a. Werkstad. Leipzig 1914: 142.J. Copenhagen 1968: 131 Fotografische Dienst Faculteit der Bouwkunde. Amsterdam 1907: 161 Charles Scribner's Sons. Aanneming-Maatschappij 'De Kondor' N. Eindhoven 1981: 164. van Dop: 154. Durm. 87 Gemeente Archiefdienst.).J. Hart. Teufen 1957: 166 J.Gravenhage 1932: 105 Groep Geschiedenis van de Bouwtechniek. Peutz architect 1916 1966. 38. Die Baukunst der Renaissance in Italien. Developments in structural form. Habachi. Edinburgh 1983: 44 Nordiske Forlag. The archeology ofthe industrial revolution.Bauten und Projekte. 73 W. 96. 156 (foto). Peeters. Deel 10.a. Haslinghuis en C. Overzicht van industrieel erfgoed in Rotterdam. Constructie van gebouwen. NewYork 1977: 85 F. De Dom te Utrecht. 83. Geschichte der modernen Architektur.163 (foto Mantz). The Rotunda in Rome.G. Wattjes. van Dalen e. Het cementijzer in theorie en practijk. Sanders. en foto). Paris: 15.b. 's. Deel 4.l. Stierlin. Paris 1984: 15. Technische Universiteit Delft: 45 (r. F. Amsterdam 1984: 111 J.A. 95a B. München 1977: 141 M. 73 B. Chipiez. (tek.). München: 64.

14 driehoekspant 36 drieschamierspant 81 drukkracht 26 drukring 50.Index In de index zijn slechts die begrippen opgenomen waarvan in de tekst uitleg is gegeven. 104 langshout 68 las 96 luchtboog 104 makelaar 37 massa 15 meervoudig hangwerk montageverband 60 muraalboog 105 muuranker 89 deuvel 92 diagonaal 74 draagconstructie 13. Het nummer achter het indexwoord heeft betrekking op de bladzijde waarop de uitleg voorkomt. 32 nuttige belasting 17 onderspannen balk 73 onstabiel 57 ontbinden van krachten 40 22 126 . 51 drukspanning 28 dubbele diagonalen 60 eigen gewicht 17 Engels spant 37.77 37 gekoppelde balk 36 gelamineerde balk 36. 92 Gerber-ligger 42 gewapend beton 70 gietijzer 68 gordelboog 105 gording 37 gronddruk 19 hangbrug 53 hangconstructie hanger 27. actiekracht 25 afbouwconstructie 13 beweegbare oplegging 32 boog 46 boogspant 77 boogwerking 46 borst 90 breukkracht 28 buigend moment 32. 77 enkelvoudig hangwerk Frans spant 37. 37 hangwerk 37 hoeklas 96 hout 67 37 53 negatief buigend moment newton 15 N-ligger 75 normaalkracht 28. 40 cantilever-brug 42 ijzer 68 inklemming 57 inwendig skelet 118 inwendige kracht 26 kabel (van een hangbrug) 54 ketting (van een hangbrug) 54 kettinglijn 46 kilogram 15 king-post truss 37 klinknagel 95 knie 81 kniespant 80 knik 30 knikverband 60 koepelgewelf 49 kopshout 68 kraagliggerbrug 42 kracht 15 krachtendriehoek 22 kramp laat 93 kruisende diagonalen 60 kruisgewelf 52 kruisribgewelf 52.

91 samenstellen van krachten 22 scharnierligger 42 scharnierverbinding 80. 77 portaal 59 portaal spant 59.parabool 47 parallelligger 38 parallellogram van krachten 22 parallelvakwerkligger 38 pen.en gatverbinding 90 Polonceau-spant 37. 74 vakwerkspant 76 vallende diagonaal 75 vaste oplegging 32 veiligheidscoëfficiënt 29 veranderlijke belasting 17 verband 60 verkorting 31 verlenging 31 vertanding 91 V-ligger 76 vloeigrens 69 vloeiijzer 68 vollewandspant 84 voorhout 91 wandstaaf 74 waterdruk 19 weerstandmoment 33 windbelasting 18 windverband 60 127 .59 schoorpaal 79 schroefbout 94 skelet 13 smeedijzer 68 sneeuwbelasting 18 spanning 27 spantbeen 37. 79 tui 57 tweescharnierspant 82 tweevoudig hangwerk 37 uitknikken 30 uitkraging 43 uitrekking 31 uitwendige kracht 26 vakwerkligger 38.81 spatkracht 47 spatten van een boog 47 specifieke rek 31 staal 68 stabiel 57 stabiliteit 57 stabiliteitsverband 60 steen 66 sterkte 29 steunbeer 104 stijgende diagonaal 75 stijl 81. 98 schoor 37. 83 stijve verbinding stompe las 96 59. 83 positief buigend moment 40 randstaaf 74 reactiekracht 25 regel 83 rek 31 resultante 21 ringdrukkracht 51 ringtrekkracht 51 roloplegging 31 samengestelde balk 36.80 tandverbinding 91 toelaatbare spanning 29 tongewelf 51 trekbalk 37 trekkracht 27 trekring 50 trekspanning 28 trekstang 48.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->