P. 1
grieks_vuur

grieks_vuur

|Views: 121|Likes:
Published by DoicheV

More info:

Published by: DoicheV on Mar 12, 2011
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

03/12/2011

pdf

text

original

Sections

  • I. VOORLOPERS EN ONTSTAAN VAN HET GRIEKSE VUUR
  • II. WAT WAS HET GRIEKSE VUUR?
  • III. HOE GEHEIM WAS HET GRIEKSE VUUR?
  • IV. BYZANTIJNSE OORLOGSSCHEPEN EN TACTIEK
  • V. BESCHERMINGSMIDDELEN TEGEN HET GRIEKSE VUUR
  • VI. HISTORISCH BELANG VAN HET GRIEKSE VUUR

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN

FA FACULTEIT LETTEREN

DEPARTEMENT KLASSIEKE STUDIES

AFDELING OUDE GESCHIEDENIS





HET GRIEKSE VUUR:
DE REALITEIT ACHTER DE MYTHE








Verhandeling voorgelegd door
BART DE GRAEVE
Tot het bekomen van de graad van
Licentiaat in de geschiedenis


Promotor:
Prof. Dr. P. VAN DEUN




2001

1
INLEIDING


Al eeuwenlang is er een thema van de Byzantijnse geschiedenis dat velen
tot de verbeelding spreekt en waar veel wilde theorieën de ronde over de-
den, en vaak nog altijd doen, namelijk het Griekse vuur. In de populaire
literatuur en ook in veel encyclopedieën wordt dit onderwerp omgeven met
een waas van geheimzinnigheid en mysterie. De uitvinding ervan wordt
traditioneel toegeschreven aan een zekere Callinicus, een Syriër die tijdens
de belegering van Constantinopel van 674-677 door de Arabieren naar de
Byzantijnse keizer vluchtte en die hem een reddingsmiddel schonk dat een
grandioze overwinning tot gevolg had. Dikwijls wordt geopperd dat het een
uiterst geheim wapen was dat al snel uitgroeide tot één van de belangrijk-
ste steunpijlers van het Byzantijnse rijk en dat ervoor zorgde dat het impe-
rium het zo onwaarschijnlijk lang heeft kunnen uithouden. Men schrijft
het Griekse vuur daarom ook een grote kracht en doeltreffendheid toe die
te danken zouden geweest zijn aan één of meerdere speciale ingrediënten.
Daardoor zouden de Byzantijnen voor lange tijd de suprematie op zee ver-
worven hebben, want daar werd dit vuurwapen overwegend gebruikt, tot
het geheim verloren ging tijdens een van de twee veroveringen van Con-
stantinopel, ofwel in 1453, of, waarschijnlijker, in 1204. Volgens sommi-
gen is het Griekse vuur dan definitief verdwenen, zouden andere volkeren
het de Byzantijnen nooit hebben kunnen ontfutselen en kunnen ook wij
niet meer te weten komen wat het precies was.
Anderen daarentegen hebben tijdens de voorbije honderden jaren verwoede
pogingen gedaan om de samenstelling van dit Byzantijnse staatsgeheim te
achterhalen, maar keer op keer waren de resultaten van hun voorstellen en
proeven niet bevredigend, tot enkele Fransen rond het midden van de 19de
eeuw salpeter als sleutelelement naar voor schoven. Plotseling dacht men
een doorbraak te hebben bereikt en werd het wetenschappelijke onderzoek
zo goed als volledig hierop toegespitst. De oorspronkelijke theorie dat het
een rechtstreekse voorloper van het buskruit betrof, werd later weliswaar
bijgestuurd en genuanceerd, maar toch bleef de grote meerderheid van de
geleerden er tot enkele decennia geleden van overtuigd dat het Griekse
vuur een explosief vuurwapen was en dat salpeter de kern van het geheim
vormde. Ook nu nog vindt deze stelling vrij veel aanhangers. Een andere
hypothese die zegt dat het hoofdingrediënt ongebluste kalk was en dat het
mengsel ontbrandde wanneer het in contact kwam met water, werd snel
afgewezen door de wetenschap, maar vond desondanks veel bijval in de
vulgariserende literatuur.
2
Alhoewel de salpetertheorie op het eerste gezicht min of meer bevredigend
is, blijken er bij nader onderzoek toch veel vraagtekens te rijzen. In de ja-
ren vijftig hebben enkele chemici de argumenten van hun voorgangers
grondig bekeken en zij kwamen tot de conclusie dat die eigenlijk heel ma-
ger waren. Een van de grootste knelpunten bleek de dubbelzinnige inter-
pretatie van de literaire bronnen te zijn. Zij stelden ook vast dat men tot
op dat moment enkel oog gehad had voor de mogelijke samenstelling van
het Griekse vuur en andere belangrijke aspecten uit het oog verloren had.
Daarom gooiden deze wetenschappers het over een andere boeg en zijn ze
zich meer gaan concentreren op de manier waarop het gelanceerd werd, en
met succes. Nu is men min of meer tot een consensus gekomen over het
feit dat het mysterie niet alleen lag in de samenstelling, waarvan het voor-
naamste ingrediënt aardolie bleek te zijn, maar evenzeer in een ingenieus
afvuursysteem. Op deze ingewikkelde kwestie zullen wij uiteraard uitge-
breid terugkomen in deze verhandeling.
Daarbuiten zijn er nog enkele aspecten van het Griekse vuur die nadere
toelichting verdienen, maar waaraan in de secundaire literatuur echter nog
maar weinig aandacht besteed is, en die bovendien nergens op een syste-
matische manier besproken zijn. Het gaat hier vooral over de volgende
vragen: op welke manier leverden de Byzantijnen het geheim over aan de
volgende generaties; bleef het wel altijd hun exclusieve bezit zoals men
meestal beweert of wisten de Arabieren elementen ervan te achterhalen;
was het in de realiteit wel zo’n krachtig en effectief wapen? Vooral deze
laatste kwestie willen wij nog grondig behandelen omdat hierdoor de rol en
het belang van het Griekse vuur voor de Byzantijnse geschiedenis duidelij-
ker worden, wat eigenlijk onze ultieme doelstelling is.

Wat de bronnen betreft, zijn wij op een groot aantal problemen gestuit.
Voor dit onderzoek hebben wij ons noodgedwongen moeten beperken tot
schriftelijke teksten. Op archeologisch vlak is er over dit onderwerp nog
maar heel weinig bekend, behalve over islamitische vuurwapens ten tijde
van de kruistochten. Een van de grootste handicaps is dat er nog nooit
een Byzantijns oorlogsschip teruggevonden of onderzocht is, zodat het tot
nu toe onmogelijk is om het historische bronnenmateriaal hiermee te ver-
gelijken. Dit zou ongetwijfeld zeer interessante resultaten opleveren, want
de literaire teksten zijn vaak onduidelijk, voor veel interpretaties vatbaar en
tegenstrijdig.
Bijkomend nadeel is dat de Byzantijnse bronnen nauwelijks precieze in-
formatie verschaffen, want het Griekse vuur werd door hen als een staats-
geheim beschouwd dat zeker niet in verkeerde handen mocht terechtko-
men. Slechts hier en daar vindt men indirecte verwijzingen terug, die
3
jammer genoeg te weinig bieden om tot een coherente oplossing te komen.
Daarom is het noodzakelijk om ook niet-Griekse teksten te bekijken, maar
hier zijn wij geconfronteerd met praktische moeilijkheden. Behalve teksten
in het Latijn betreft het hier immers in de eerste plaats bronnen in het
Arabisch, een taal die wij niet machtig zijn. Gelukkig zijn de meest inte-
ressante passages al vertaald, maar het is natuurlijk gevaarlijk om hierop
te vertrouwen, zeker als het om tactische geschriften gaat. De terminologie
die daarin gehanteerd wordt, is namelijk erg gespecialiseerd en soms nog
niet goed opgehelderd, zodat de vertalers vaak veel interpretatiemogelijkhe-
den hebben. Daarom is het voor ons niet mogelijk geweest om een duide-
lijk antwoord te geven op de vraag of de moslims erin geslaagd zijn om de
Byzantijnen het geheim afhandig te maken of niet. Bovendien moeten nog
tal van Arabische bronnen uitgegeven en bestudeerd worden, zodat er van-
uit die hoek mogelijk nog veel informatie kan komen die ons een duidelijker
beeld kan verschaffen van het Griekse vuur.



4
I. VOORLOPERS EN ONTSTAAN VAN HET GRIEKSE VUUR


1. Vuurwapens in de Grieks-Romeinse oudheid

Het gebruik van vuur als wapen is al duizenden jaren oud en werd al lang
voor de Byzantijnse tijd gebruikt. Al bij de Assyriërs zijn er reliëfs bekend
waar brandbare materialen zoals pek, olie, fakkels ingezet werden bij bele-
geringen van steden. Ook bij de Griekse klassieke auteurs vinden we
meerdere voorbeelden terug.
Bij de belegering van Athene in 480 v.C. gebruikten de Perzen pijlen die
met touw omwonden waren dat net voor het afschieten in brand werd ge-
stoken
1
. Van echte brandpijlen (vuc¹c. ^c. is sprake bij het beleg van
Plataea in 429 v.C., waarbij de verdedigers zich beschermden door de hou-
ten omwalling te bekleden met dierenhuiden
2
. Tijdens het gevecht slaag-
den de Peloponnesiërs erin de stad in brand te steken door takkenbossen
met zwavel en pek te doordrenken en die in brand te steken
3
.
Bij de belegering van Delos in 425 v.C. geeft Thucydides ons een beschrij-
ving van een primitief soort vlammenwerper. De machine bestond uit een
uitgeholde boomstam die met metalen platen bedekt werd. Aan één van de
uiteinden hing men een ketel die hete kolen, zwavel en pek bevatte, en
daaraan werd dan een blaasbalg bevestigd. Wanneer men vervolgens lucht
door de ketel perste, spoot het mengsel uit de buis en deed een vlam aan
de andere opening het ontbranden
4
.
Een eerder uitzonderlijke toepassing was het inzetten van een gelijkaardige
vlammenwerper op zee tijdens een zeeslag rond 190 v.C. waarvan Polybius
ons een interessante beschrijving geeft
5
:

luc¹cH. . ./cuc( l(uc.cc(H ä. |... .(u(c/H. u. . -u.H
.c .-(.cu . Ø ..cuH −H vc.cc(H (·-u\(. u v(c.-... v(c( u.
..H .v.¹(...(. ä. ./... ..H (H ..uc.´. -.. vc.....H ÃH
-.c(c.. .. H )(\((.. .v. . u.. (-c. -u.H (\uc.. c.uc”
vccucu v\ucuH vucH. .c. -(( (H ..3\(H -(. v(c(3\(H ..H ...
u. v\...(. .(Ø. . -..(.c)(. vØc. (v . −H .-..(H v\u. (¹.c(.(.
v. .( u. .·-\.c...


1
HERODOTUS, VIII, 52.
2
THUCYDIDES, II, 75, 5. De huiden werden nat gemaakt en konden zo verhinderen dat de palissade in
brand gestoken werd door de vuurpijlen. Zie hoofdstuk V.
3
ID., II, 77.
4
ID., IV, 100. Voor een reconstructietekening van deze vlammenwerper zie Fig. 1.
5
POLYBIUS, XXI, 7.
5
De vlammenwerper die Pausistratos, de vlootbevelhebber van de Rhodiërs,
gebruikte was trechtervormig. Aan elke zijde van de voorsteven waren langs
de binnenste wand van de romp lusvormige kabels gespannen waarin palen
met punten vastgemaakt waren die vooruitstaken in zee. Aan de uiteinden
daarvan was de trechtervormige ketel, vol met vuur, bevestigd met een ijze-
ren ketting, zodat bij het rammen of bij het langszij varen, vuur afgeschoten
werd naar het vijandelijke schip, maar het ver verwijderd bleef van het eigen
schip dankzij de hellingsgraad (van de palen).

Welke substantie(s) er in die ketel zat(en) wordt ons door Polybius echter
niet verteld en hoe men het vuur dan projecteerde naar het vijandelijke
schip is ook niet helemaal duidelijk, al biedt een graffito van een oorlogs-
schip dat uitgerust is met een dergelijk toestel, enig soelaas
6
. Het feit dat
de ketel zich buiten het schip bevond heeft zeker het praktische gebruik
bemoeilijkt. Bij de projectie van het Griekse vuur ging men alleszins heel
anders te werk
7
.
Soortgelijke wapens werden echter vooral gebruikt bij aanvallen op verster-
kingen te land. Apollodorus van Damascus (2de eeuw n.C.) spreekt over
een toestel dat enkel met verpoederde houtskool werkte. Volgens hem zou
men daarmee zelfs stenen muren kunnen doen barsten als die met azijn of
een ander zuur overgoten waren
8
. Zelfs in de 10de eeuw werden dergelijke
oorlogsmachines nog gebruikt, blijkens de nauwkeurige beschrijvingen van
Hero van Byzantium
9
.

Een typische toepassing van vuur als wapen op zee was het afsturen van
brandende schepen op een vijandelijke vloot. Een eerste voorbeeld vinden
we terug bij de slag van Syracuse in 413 v.C.
10
en eeuwenlang was dit een
gebruikelijk zeewapen, zelfs nog in de 6de eeuw
11
.

De meest waardevolle inlichtingen over het inzetten van vuur in de oorlog
bij de Grieken worden ons overgeleverd door Aeneas Tacticus (eerste helft
4de eeuw v.C.). Behalve een beschrijving van de methodes om een houten
omwalling in brand te steken en de middelen om zich daartegen te be-
schermen
12
, geeft hij ook aan hoe men een brand kan blussen. Volgens

6
Zie Fig. 2.
7
Zie hoofdstuk II, 3.
8
APOLLODORUS DAMASCENUS, Poliorcetica, in R. SCHNEIDER, Griechische Poliorketiker, I, pp.
18-21.
9
HERON BYZANTIUS, Poliorcetica, in R. SCHNEIDER, Griechische Poliorketer, II, p. 26. Zie Fig.3.
10
THUCYDIDES, VII, 53, 4.
11
Zie bijvoorbeeld PROCOPIUS, De Bellis, III, 6, 18-22.
12
AENAES TACTICUS, Poliorcetica, XXXIII.
6
hem is azijn het beste middel
13
. Deze opvatting vinden we terug bij talrijke
latere auteurs, maar in de praktijk is dit middel niet veel efficiënter dan
gewoon water en dus niet in staat om brandende pek of olie te blussen
14
.
Wanneer men er echter huiden in drenkt, blijven die wel langer vochtiger
dan als gewoon water gebruikt wordt. Tenslotte geeft Aeneas ook een for-
mule weer van een ‘onblusbaar vuur’
15
:

Au. . vuc c-.u(´... .c/uc. ... v.c u v(.u . -((c3...u(..
l.cc(.. ).... cuvv.... .(..(. \.3(..u. (; vc.c.(( .. (··.. .;
.c(v.( vcc¹.c.... .(. 3u\u .. v\..... . ..vcuc)u.(..

Op deze manier kan men zelf een hevig vuur verkrijgen dat helemaal niet
gedoofd kan worden. Pek, zwavel, touwwerk, hars van een wierookboom,
zaagsel van een den, in vaten ontsteken en (naar de vijand) afvuren, als je
iets van de vijand in brand wil steken.

Geleidelijk aan vonden er technische verbeteringen plaats, maar het was
vooral het gebruik van aardolie dat zorgde voor een zekere vooruitgang.
Wanneer de Grieken precies in contact kwamen met petroleum is onduide-
lijk, maar ten laatste kan dit gebeurd zijn vanaf de veroveringen van
Alexander de Grote. Dan ontdekten zij immers de gebieden waar er olie-
bronnen gelegen waren, voornamelijk in de buurt van Babylonië en de Eu-
fraat
16
.

De specifieke eigenschappen en vooral de lichte ontvlambaarheid van aard-
olie waren zeker geen geheim in de oudheid, zoals blijkt uit de bronnen.
Wel zorgt de antieke terminologie en de nogal vage beschrijvingen voor
verwarring zodat we niet altijd weten wat er precies bedoeld wordt.
Meestal wordt daarvoor de benaming nafta gebruikt, maar ook andere ter-
men vinden we terug . Naar we uit de teksten kunnen afleiden, bestonden
er verschillende nauw verwante vormen van aardolie. Bij Plinius is sprake
van maltha en een gelijkaardig substantie nafta
17
, maar ook van vloeibare
asfalt met bovendien een witte variant, te onderscheiden van het eerder
genoemde nafta, dat echter niet bruikbaar is voor praktische toepassingen
wegens de te hoge ontvlambaarheid
18
. Strabo maakt slechts een onder-
scheid tussen vaste asfalt en vloeibare, die hij nafta noemt en waarvan zo-

13
ID., op. cit., XXXIV.
14
Zie pp. 86-87.
15
ID., op. cit., XXXV.
16
Zie bijv. het verhaal over een experiment van Alexander de Grote met nafta in STRABO, XVI, 1, 15.
17
PLINIUS MAIOR, II, 235.
18
ID., XXXV, 178-179.
7
wel een zwarte als een witte soort bestaat
19
. Waarin de precieze verschillen
lagen is niet duidelijk. Vooral wat met ‘witte asfalt of nafta’ bedoeld wordt,
is nogal duister. Mogelijk gaat het om petroleum die op een of andere ma-
nier gezuiverd is. Reeds de medicus Dioscorides (2de eeuw) vermeldt een
dergelijk proces
20
, maar echte distillatie dateert van latere datum
21
.

Ondanks deze kennis duurde het lange tijd voor aardolie ook in de oorlog-
voering toegepast werd. Pas vanaf de 1ste eeuw v.C. duiken de eerste ver-
meldingen in de bronnen op, nl. tijdens de veldtochten van de Romeinse
generaal Lucullus in Asia Minor. Tijdens de Mithridatische oorlog werd in
74 v.C. Samosata, een stad gelegen aan de Eufraat, belegerd. Plinius de
Oudere getuigt
22
:

In urbe Commagenes Samosata stagnum est emittens limum (maltham uocant) flagran-
tem cum quid attigit solidi, adhaeret; praeterea tactus et sequitur fugientes. Sic defendere
muros oppugnante Lucullo, flagrabatque miles armis suis. Aquis etiam accenditur; terra
tantum restingui docuere experimenta.
Similis est natura naphthae: ita appellatur circa Babylonem et in Austacenis Parthiae pro-
fluens bituminis liquidi modo. Huic magna cognatio ignium, transiliuntque in eam prot-
inus undecumque uisam.

In Samosata, de hoofdstad van Commagene
23
, is er een meer dat een ont-
vlambare modder (maltha genaamd) doet opwellen. Wanneer het een vaste
stof aanraakt, blijft het eraan vastkleven en bovendien volgt het degenen die
het na een contact proberen te ontvluchten. Op deze wijze verdedigden ze
de stadsmuren toen Lucullus die belegerde, en de soldaten werden verbrand
met hun eigen wapenuitrusting. Water doet het zelfs nog heviger ontbran-
den. Proeven hebben geleerd dat het enkel door aarde kan geblust worden.
Nafta is gelijk van aard: zo wordt in de omgeving van Babylonië en bij de
Austacenen van Parthië de substantie genoemd die op de wijze van vloeiba-
re asfalt stroomt. Hiermee heeft het vuur een grote verwantschap en het
springt er dadelijk naar over, vanwaar het het ook maar gezien heeft.

Enkele jaren later, in 69 v.C. werd nafta opnieuw ingezet als wapen tegen
de Romeinen toen zij de stad Tigranocerta
24
aanvielen
25
:

19
STRABO, loc. cit.
20
DIOSCORIDES PEDANIUS, De Materia Medica, I, 95; 101; 105.
21
J. R. PARTINGTON, A history of Greek fire and gunpowder, pp. 3-4; 198-199.
22
PLINIUS MAIOR, II, 235.
23
Streek in de omgeving van de bron van de Eufraat, in het huidige zuidoosten van Turkije.
24
Stad gelegen op de grens tussen de provincies Armenia en Mesopotomia, aan de voet van het Taurus-
gebergte.
8

|(. (u. . 3(c3(c. ± . c..( -(. ± .(¹)( -(( ä. .u/(.ä. /.
...u ...äH .-(-.c(.. (c¹(\ä.H . ¹(c.(-. Ø. -(. .(vuc.
u.H .c)’ c.H (. vcc..cu. v(..H (u( -((-(..... u (vc3...u(.
uv u).. H u·cØ c(..H.

Maar de barbaren berokkenden hem (scil. Lucius Lucullus) heel wat schade
met de boogschutters en met de nafta die uitgegoten werd over de oorlogs-
machines. Die chemische stof is vol asfalt en zo gloeiend dat het alles
waarmee het in contact komt volledig doet opbranden, en het wordt niet ge-
makkelijk geblust door gelijk welke vloeistof.

Archeologische opgravingen bevestigen dit. In Doura-Europos zijn sporen
teruggevonden van het gebruik van asfalt en aanverwante stoffen bij de be-
legering van de stad door de Perzen in 256 n.C. Hier gebruikte men het
vooral om de vestingsmuren die ondermijnd waren, te doen instorten. Na-
dat de gangen uitgegraven waren, werden ze volgestouwd met brandbaar
materiaal, overgoten met pek of asfalt en uiteindelijk in brand gestoken
26
.
Deze techniek werd nog eeuwenlang toegepast, maar later gebruikte men
eerst aardolie, en tenslotte buskruit, dat natuurlijk veel effectiever was.

Uit deze teksten blijkt dus dat het in eerste instantie niet de Romeinen zelf
waren die dergelijke wapens gebruikten, maar de volkeren in het Oosten
waartegen ze ten strijde trokken. Zij heersten immers over de gebieden
met de belangrijkste oliebronnen.
Pas in de laatromeinse tijd geven de auteurs instructies om zelf aardolie te
gaan gebruiken in de oorlog. Hierbij gaat het vooral om brandpijlen. Der-
gelijke wapens werden al eeuwenlang ingezet, maar werden geleidelijk aan
verbeterd. Vooral het gebruik van pek en wat later aardolie zorgden vanaf
het einde van de 3de eeuw voor een grotere efficiëntie. Ook tijdens de Mid-
deleeuwen bleven de brandpijlen zeer populair en werden ze door de Ara-
bieren tot zeer gesofisticeerde wapens ontwikkeld
27
. In de tijd van Ammia-
nus Marcellinus (4de eeuw) werden ze op de volgende manier vervaar-
digd
28
:


25
DIO CASSIUS, XXXVI, 1b-2.
26
M. MERCIER, Le feu grégeois, pp. 20-22.
27
Zie p. 68.
28
AMMIANUS MARCELLINUS, XXIII, 4, 14-15. Een gelijkaardige, maar meer gedetailleerde be-
schrijving is te lezen in een fragment van een zekere Eusebius (eind 3de eeuw): F. Gr. Hist. 101, p. 481,
2-29. Voor een reconstructietekening van een malleolus, zie Fig. 4.
9
14. Malleoli autem, teli genus, figurantur hac specie: sagitta est cannea, inter spiculum et
harundinem multifido ferro coagmentata, quae in muliebris coli formam, quo nentur
lintea stamina, concauatur uentre subtiliter et plurifariam patens, atque in alueo ipso ig-
nem cum aliquo suscipit alimento. 15. Et si emissa lentius arcu inualido, - ictu enim rapi-
diore extinguitur -, haeserit usquam, tenaciter cremat, aquisque conspersa acriores excitat
aestus incendiorum, nec remedio ullo quam superiacto puluere consopitur.

14. Hamertjes, een soort projectiel, worden op de volgende wijze gemaakt:
de pijl is van riet, wordt samengehouden tussen de punt en de schacht door
vele uiteenlopende ijzeren banden, en om de vorm te bekomen van een spin-
rokken van een vrouw waarmee linnen draden geweven worden, wordt het
binnenste lichtjes gebogen. Men maakt er vele openingen in, en in de uitspa-
ring zelf plaatst men het vuur samen met een andere brandstof. 15. En als
ze vrij traag afgeschoten wordt door een nogal ontspannen boog - want door
een sneller schot wordt ze gedoofd - en ze zich ergens aan vastgehecht heeft,
blijft ze hardnekkig branden, en als men ze met water begiet, verkrijgt men
enkel nog heftigere vlammen. Het wordt door geen enkel middel gedoofd
behalve door stof dat erop gestrooid wordt.

En even verder
29
:

37. In hac regione oleum conficitur Medicum, quo inlitum telum, si emissum lentius lax-
iore arcu … 38. Paratur modo: oleum usus communis herba quadam infectum condiunt
harum rerum periti, ad diuturnitatem seruantes et coalescens, dum ex materia uenenatur.
Alia similis oleo crassiori species gignitur apud Persas, quam, ut diximus, naphtham uo-
cabulo appelauere gentili.

37. In die streek wordt de Medische olie gefabriceerd. Een pijl die ermee is
ingesmeerd, als hij traag afgeschoten wordt met een vrij ontspannen boog ...
38. Het wordt op deze manier bereid: diegenen die ervaren zijn in deze za-
ken kruiden olie voor normaal gebruik
30
na het gemengd te hebben met een
bepaalde plant, bewaren het voor lange tijd en laten het aandikken, terwijl
het mengsel zijn gif haalt uit de substantie. Een andere soort, gelijkend op
erg dikke olie, wordt gevonden bij de Perzen die, zoals we gezegd hebben,
het met een inheems woord nafta genoemd hebben.


29
AMMIANUS MARCELLINUS, XXIII, 6, 37-38.
30
Hoogstwaarschijnlijk een omschrijving voor olijfolie.
10
Ammianus Marcellinus ziet nafta dus als een aparte stof, alhoewel het
nauw verwant is met pek en asfalt
31
. Wat hij dan precies bedoelt met ‘Me-
dische olie’ is niet helemaal duidelijk, maar waarschijnlijk gaat het om een
mengeling van pek en olijfolie
32
. Dat er in de oudheid zelf al verwarring
heerste, bewijst Procopius. Hij beschouwt Medische olie en nafta als syno-
niemen
33
.
Ook Vegetius spreekt in zijn militaire raadgevingen over het aanwenden
van aardolie door de Romeinen, maar hij gebruikt steeds de term oleum in-
cendiarium. Hij raadt het aan te gebruiken om vijandelijke machines te
verbranden
34
, maar vooral voor brandpijlen en –speren die men zowel te
land als ter zee kan gebruiken
35
.

Ook in de Byzantijnse periode ging de evolutie van de vuurwapens gestaag
verder. Een verdere stap in de ontwikkeling lezen we bij Procopius wan-
neer hij de belegering van Petra ten tijde van keizer Justinianus beschrijft,
waarbij de Perzen een soort brandbommen inzetten tegen de Byzantijnen
36
:

3e. (··.Ã( . )..u . -(. (c¹(\u ..v\uc(.... -(. ¹(c.(-u. v.c
M−. ... .(¹)(. -(\Øc... |\\u..H . Mu..(H .\(... vuc. . (Ø(
u¹(.(..H .v. (H .u/(.(H ä. -c.ä. .3(\\.. (cv.c \.·u ..v.vc(.(.
v(c(H .. uc(..
3·... ·(c vØc u vcc.(uc.... ...v..vc( (u.-(. .. .u .u )u.c. (v3\
u)..u.

36. Ze vulden potten met zwavel en asfalt en met een chemische substantie,
die de Perzen 'nafta' noemen en de Grieken 'Medische olie', ontstaken die
met vuur en wierpen ze naar de stormrammen, en het scheelde weinig of ze
hadden ze allemaal in brand gestoken.
38. …want het vuur stak dadelijk datgene waarmee het in aanraking kwam
in brand, tenzij het er onmiddellijk afgegooid werd.

Aan het begin van de 6de eeuw waren de Oosterse volkeren dus al vrij ver
gevorderd in het aanwenden van aardolie bij gevechten, maar uit het ver-
volg van het relaas van Procopius blijkt echter dat men nog niet zoveel er-
varing had met dergelijke vuurpotten. Terwijl de Perzen ‘brandbommen’

31
AMMIANUS MARCELLINUS, XXIII, 6, 16.
32
M. F. A. BROK, Ein spätrömischer Brandpfeil nach Ammianus, p. 60.
33
PROCOPIUS, op. cit., VIII, 11, 36.
34
VEGETIUS, Epitoma rei militaris, IV, 8, 1.
35
ID., op. cit., IV, 18 en 44, 7.
36
PROCOPIUS, op. cit.,VIII, 11, 36 en 38.
11
gooien naar de aanvalsmachines van de Byzantijnen draait de wind plots
en steken ze zelf hun eigen verdedigingstorens in brand
37
.

Ook de Byzantijnen zelf ontwikkelden vuurwapens op basis van nafta, een
product dat al snel zeer belangrijk werd voor de oorlogvoering, zelfs nog
vooraleer het Griekse vuur uitgevonden werd, blijkens deze 6de-eeuwse ge-
tuigenis
38
:

v\\(-.H ·(c /cu.(.. ... .u vcØ.... ä. ..H /c..(. . vc(·.(.. (v
\..v..)( -(. .( Ø . ... c.uc.. . . .( ¹)(.. . . (\\ . ä.
(.(·-(... (.. /cucØ u (c·ucu u.Ã. vccvc.´uc...

Vaak zijn we namelijk rijk aan geld, maar hebben wij een tekort aan de za-
ken die noodzakelijk zijn. En daarom verschaffen sommigen ons ijzer, ande-
ren nafta en nog anderen een ander noodzakelijk product, in ruil voor goud
en zilver.

Expliciete vermeldingen door Byzantijnse teksten van vuurwapens op basis
van aardolie hebben we jammer genoeg niet, maar in paar gevallen vinden
we vage verwijzingen terug die ons in zekere mate al doen denken aan het
latere Griekse vuur. De informatie van deze bronnen is echter zo summier
dat het onmogelijk is om een duidelijk beeld te krijgen van de daadwerke-
lijke ontwikkeling in de vroegbyzantijnse tijd. Het enige wat we zeker kun-
nen stellen is dat er toen veel geëxperimenteerd werd met allerlei brandba-
re en ontvlambare materialen, en dat nafta daar een belangrijke rol in
speelde, zoals de vermelde 6de-eeuwse getuigenis duidelijk maakt.

Bij de belegering van een stad raadt Mauricius (ca. 600) aan om de huizen
in brand te steken met brandpijlen, maar ook
39
:

....( ä. \.·..... /u´... (v v.c3\.. -(. (uä. vucH v.v\uc.
......

…door de zogenaamde brandprojectielen die door steenslingers (afgevuurd
worden) en die zelf met vuur gevuld zijn.

Waarmee deze kruiken gevuld waren, wordt niet gezegd, maar hoogstwaar-
schijnlijk ging het om een soortgelijk wapen dat de Perzen enkele decennia

37
ID., op. cit., VIII, 11, 59-62.
38
ANONYMA TACTICA BYZANTINA, De re strategica, 2, 29-32.
39
MAURICIUS, Strategicon, X, 1, 51-52.
12
eerder hadden ingezet tegen de Byzantijnen
40
. Vermoedelijk waren deze
potten dus gevuld met nafta, of misschien met pek of asfalt. Dergelijke
vuurwapens zijn eeuwenlang in omloop gebleven en werden zowel door de
Byzantijnen als door de Arabieren vaak gebruikt. Toch waren het vooral de
moslims die ze perfectioneerden tot een soort granaten en daarmee de
kruisvaarders vaak in de problemen brachten
41
.
In een anoniem 6de-eeuws Byzantijns geschrift is er sprake van “vuur ge-
lanceerd met spuiten (-\uc.cH)”
42
. Hier lijkt het te gaan om een wapen
dat al enigszins in de buurt komt van een later toestel om Grieks vuur af te
vuren, maar de verwijzing is te vaag om daar verdergaande conclusies uit
op te maken.

Tijdens de late oudheid werd er ook volop geëxperimenteerd met andere
chemische stoffen om bruikbare vuurwapens te creëren. Het betreft hier
vooral ongebluste kalk. Ook van deze stof waren de ontvlambare eigen-
schappen al vroeger gekend
43
. Dit product ontsteekt namelijk wanneer het
in aanraking komt met vocht of een kleine hoeveelheid water. Mengsels op
basis daarvan werden vuc (u.(. genoemd. Een eerste vermelding vin-
den we terug bij Athenaeus (ca. 200 n.C.), maar deze auteur geeft geen in-
formatie omtrent de samenstelling
44
. Wel is ons een volledige formule be-
kend van de bereiding van een vuc (u.(. in een fragment van Sextus
Julius Africanus. Dit recept is het enige in zijn soort in het Grieks dat we
bezitten voor de oudheid en de Byzantijnse tijd, en het is wegens zijn uniek
karakter belangrijk voor de kennis van de ontwikkeling van vuurwapens
45
.

Au.(. vuc (.(. -(. .. . cu.(·.(. <.(c.(.> c-.u(´.(. ·u.
u.; ).. u (vucu. (\; cu-u. -..(;. -.c(u..u \.)u. vuc.u .c( \..
u(. .. )u.( ..\(..u. ..cuc(.u.; u\.u ..·.u(. . cu-(...u ..
\(..u; vu -(. (c¹(\u Z(-u.).(; u·c(; -(. (ucuu .-(cu .c.. .;
\.·.uä.; ·...c)(. ..( vcc3(\\.(. (c¹(\. .(.u v(..\.; \.·.
.v...\.; . .. c.3.... ..cuc(.u.; u\.u. -(. ¹u\(cc... vcc.v..
(.¹.... ·(c (.(¹)uc.(.. A¹)..c(. . /cu v..(c(. /(\-. ... (··....
vc; .... u.; ./... ..; vuc.( -(. .u-.. ..-.u.(. . u\.. (\\
.. .cv.c( .(. 3u\u v\..... v\( ..vcuc(.. (u( -((/c.c..; u ..c.
.. \.\u).; . u\. u ·(c ¹(.....u. v(.( -(u)uc.(..

40
Zie PROCOPIUS, op. cit., III, 6, 18-22.
41
Zie hoofdstuk III, 2, A.
42
R. J. FORBES, More studies in early petroleum history 1860-1880, p. 79. De oorspronkelijke Griekse
bron wordt door deze auteur niet vermeld en heb ik ondanks veel zoekwerk niet kunnen terugvinden
43
Vb. LIVIUS, XXXIX, 13; PLINIUS MAIOR, XXXVI, 22. Voor andere mogelijke, vroegere getuige-
nissen, zie J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 6.
44
ATHENAEUS, Deipnosophistae I, 19e.
45
JULIUS AFRICANUS, Kestoi, fragment 13 (p. 62) (= J.-R. VIEILLEFOND, Les “Cestes” de Julius
Africanus, pp. 210-211).
13

Een zelfontbrandend vuur doen ontvlammen, zal ook in de volgende instruc-
tie aangeleerd worden. Het wordt dus zo bereid. Gelijke delen van natuur-
lijke zwavel, steenzout, hars, dondersteen en pyriet worden fijngestampt in
een zwarte mortier op het midden van de dag. Dan wordt van sap van de
zwarte vijgenboom en van natte en vloeibare asfalt uit Zakynthos een even
groot deel van elk toegevoegd en gemengd om een vette, donkere massa te
bekomen. Vervolgens wordt aan het asfalt een heel kleine hoeveelheid on-
gebluste kalk toegevoegd. Men moet het voorzichtig roeren op het midden
van de dag en het gezicht beschermen want het kan plotseling ontvlammen.
Wanneer men het vastgenomen heeft, moet men het mengsel in een koperen
vat opsluiten en zo in een dichte ton bewaren, klaar voor gebruik. Men mag
het ook niet blootstellen aan de zon. Maar ’s avonds, als je wapens van vij-
anden in brand wil steken, smeer er die dan mee in of iets anders, maar in
het geheim. Wanneer dan de zon opkomt, zal alles in vlammen opgaan.

Dit recept heeft al voor heel wat polemiek gezorgd en men trekt er zeer uit-
eenlopende conclusies uit. Volgens sommige geleerden waren dit vuc (u
.(. of aanverwante mengelingen op basis van ongebluste kalk recht-
streekse voorlopers van het Griekse vuur, maar deze stelling is erg onwaar-
schijnlijk en wordt door de overgrote meerderheid afgewezen
46
. Eerst en
vooral is de datering van het fragment onzeker. Julius Africanus heeft ge-
leefd tijdens de eerste helft van de derde eeuw en heeft de Kestoi geschre-
ven tussen 227/8 en 232/3
47
. In de handschriften worden onder dezelfde
titel echter ook een reeks fragmenten, waartoe ook het gegeven recept be-
hoort, geplaatst die duidelijk niet geschreven zijn in de 3de eeuw, maar ten
vroegste rond het midden van de 6de eeuw. Zo wordt generaal Belisarius
(1ste helft 6de eeuw) vermeld en is de stijl in die laatste gedeeltes vroegby-
zantijns, terwijl het begin in een klassiek Grieks geschreven is. Volgens
verschillende wetenschappers zou het recept dus niet van de hand zijn van
Julius Africanus, maar van een anonieme, Byzantijnse auteur. Zij denken
dan ook dat het ten vroegste neergepend zou zijn rond 550 en ten laatste in
de 10de eeuw, de periode waarin de oudste codex die de Kestoi bevat, ge-
schreven is. De meest waarschijnlijke datering volgens hen is de tweede
helft van de 6de eeuw
48
. J.-R. Vieillefond kwam echter na een grondige,
filologische studie tot de conclusie dat die bewuste fragmenten hoogst-
waarschijnlijk wel oorspronkelijk teruggaan op Julius Africanus zelf. Later
zijn die dan door Byzantijnse compilators bewerkt en enkel in die versie

46
E. PÁSZTHORY, Über das ‘Griechische Feuer’, pp. 27-28.
47
Tiziana RAMPOLDI, I ‘|.c. ’ di Giulio Africano e l’imperatore Severo Alessandro, in Aufstieg und
Niedergang der Römischen Welt II. 34. 3, pp. 2451-2470.
14
bewaard gebleven in de codices
49
. Wat de juiste datum van het ontstaan
van het recept nu precies was, zal altijd wel betwist kunnen worden, maar
het is zeker dat dergelijke mengsels die vuc (u.(. genoemd werden, al
rond 200 n.C. bestonden.
Andere discussiepunten betreffen de juiste betekenis van een aantal Griek-
se termen. Het meest besproken is de interpretatie van het stuk (\; cu-
u -..(;. Sommige geleerden lezen als dit een geheel, vertalen het als
iets in de aard van ‘zout gehaald uit stof’ en interpreteren dit dan als een
omschrijving van salpeter
50
. Deze fragmentje hanteren deze auteurs dan
als een van de belangrijkste aanwijzingen dat het geheim van het Griekse
vuur in de eerste plaats bestond uit salpeter. Zo proberen ze immers te
bewijzen dat deze substantie al bekend was vóór het einde van de 7de
eeuw. J. Partington wees er echter terecht op dat deze lezing ver gezocht is
en dat een dat men -..(; als een apart begrip moet beschouwen. (\;
cu-ς betekent niets meer of minder dan zout dat opgedolven wordt uit
rotsen. Bij Herodotus en Dioscorides worden trouwens gelijkaardige be-
grippen teruggevonden om daarmee het onderscheid aan te geven met zout
dat uit zeewater gewonnen wordt
51
. Dat het hier om salpeter zou gaan is
dus volgens ons vergezocht
52
. |..( is bovendien een term die vaak apart
voorkomt. De betekenis ervan is wel niet altijd helemaal duidelijk. Letter-
lijk betekent het ‘stof’, maar geregeld duidt het iets veel specifiekers aan.
J. Partington interpreteert het als alkali (loogzout) of een soort harsachtige
wierook
53
, J.-R. Vieillefond houdt het op as van harsrijke bomen
54
.

De andere polemieken over deze tekst laten we hier terzijde, maar tenslotte
moeten we ook nog opmerken dat het gebruik van dit in de praktijk be-
perkt moet geweest zijn. Een dergelijk mengsel ontsteekt niet onmiddellijk,
maar pas als het in contact komt met een kleine hoeveelheid vocht, zoals
bij de morgendauw. Waarschijnlijk alludeert de auteur dan ook hierop,
want het product zal maar na verloop van tijd ontvlammen, namelijk bij
zonsopgang. Daarom moeten de kruiken met het mengsel dan ook ’s
nachts ‘in het geheim’ (\.\u).;) bij de vijand geplaatst worden om de hou-
ten beleringsmachines met het vuc (u.(. te kunnen insmeren. Dit zal
in de realiteit zeker en vast niet zo eenvoudig geweest zijn. Een ander groot
nadeel is dat het tijdstip van ontbranding niet vast te bepalen is en sterk

48
J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 6-10.
49
J.-R. VIEILLEFOND, op. cit., pp. 190-193.
50
M. MERCIER, op. cit, pp. 35-38, steunende op een resem oudere geleerden.
51
HERODOTUS, IV, 53 en 185; DIOSCORIDES PEDANIUS, op. cit., V, 126.
52
J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 8-9.
53
ID., loc. cit.
54
J.-R. VIEILLEFOND, op. cit., p. 210.
15
gewijzigd kan worden door moeilijk te voorziene gebeurtenissen. Hierbij
spelen vooral weersomstandigheden een belangrijke rol. Zo kan lichte re-
gen het vroeger doen ontvlammen, maar kan een grote hoeveelheid water
het juist inactiveren
55
.

Een ander, eigenaardig vuurwapen vinden we tenslotte terug bij Joannes
Malalas. Tijdens de strijd van keizer Anastasius I tegen de rebel Vitalianus
in 512 raadt de Atheense filosoof Proclus
56
het gebruik van een ongewoon
wapen aan, namelijk zwavel
57
:

|(. .-.\.uc.. (u; ¹.\c¹; .../)u.(. \.·.... )... (vuc. v
\u. ..v.. c.3u.(. (u .; ..; ..·.( \.v.. -(. ..-.. . M(c.... ..cu
-.; (u.. . vu c....; .c (uu ... ..; .-. ... .. v\.. ..(
(.(..\(. . u\... .u)..; ( v.(. .-; u v\.. -(. uv vuc;
(.(\.c-.(.. ... . M(cÃ.H .cc·.uc. ).Ã. (vcuc.. ..-.. (uä
¹.\c¹H. ..H \( ( v\Ã( ä. c...... ..cu-.H ÃH .(u(.H -(.
ÃH cc(..(.H. . u /c.. ( v\... ( \\ Ë.( c. v.. .- uu ..H (
.c/...( -(..(.. u .ä. v\Ã( -(. -(..(.. ... -(. ·...(. .-.Ã u .(u
.(/.( -(. .c(. c.u. −H u..c(H -(. (.u¹)uc(. .c(.¹.uH uv vucH (
v\Ã( (v(.( 3.(\.(.Ø Ø uc(..u -(. .v..c)uc(. ..H 3u). Ø
c.u.(H. ... .\.·. . ...H .. |..c(...uv\... . (v −H ).c.uH
Ø u\.u. .H \.v (. .(. ).Ã. (vuc. c.v.... ..H . (.c(
(v.(.. -(. ¹uc.-. .c. Ø.

En de filosoof beval dat een grote hoeveelheid van de zogenoemde natuurlij-
ke zwavel aangevoerd moest worden en zei dat het moest fijngestampt wor-
den tot een dun mengsel en hij gaf het aan Marinos terwijl hij hem zei:
“Waar je ook maar iets daarvan werpt na zonsopgang, hetzij naar een huis,
hetzij in een schip, zal het huis of het schip ontvlammen en door het vuur
verteerd worden.” … Marinos verdeelde de natuurlijke zwavel, die de filosoof
aan hem gegeven had, over de hele vloot van dromons en zei aan de scheep-
slui en de soldaten: “Er is geen nood aan wapens, maar werp iets daarvan
naar de schepen die op jullie afkomen en ze zullen in brand gestoken wor-
den. … En de zeeslag vond daar plaats op het derde uur van de dag. Plot-
seling vlogen alle schepen van de rebel Vitalianus in brand door het vuur en
zonken naar de bodem van de zee. … Sommigen in Constantinopel zeiden
dat door de warmte van de zon de natuurlijke zwavel, aangezien het heel

55
J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 9; E. PÁSZTHORY, op. cit., p. 28.
56
Het gaat hier niet om de bekende neoplatonicus, maar om een minder bekende filosoof. Zie Proclus
(8), in J. R. MARTINDALE, Prosography of the later Roman empire, II, p. 919.
57
JOANNES MALALAS, Chronographia, XVI, 16. Zie ook GEORGIUS MONACHUS, Chronicon, II,
p. 619; JOANNES VAN NIKIU, Chronicon, pp. 130-132.
16
fijn was, vuur vatte wanneer het in de lucht geworpen werden, en dat dit
zijn natuur was.

Dat )... (vuc. hier naar gewone zwavel zou verwijzen is nogal onwaar-
schijnlijk, want die is op zich helemaal niet zo destructief als in de tekst
beschreven staat. Bovendien is zwavel een product dat al eeuwenlang be-
kend was en lijkt de toevoeging \.·.... erop te wijzen dat het hier om
iets specialers gaat dan doodgewone zwavel. Er is dan ook weinig twijfel
dat )... (vuc. slaat op een mengsel dat bestond uit meerdere ingrediën-
ten, maar waarvan zwavel wel een belangrijke component was. Wij ver-
moeden dan ook dat het hier gaat om een chemische mengeling die ver-
want was aan het (u.(. vuc van Julius Africanus. Als we zijn formule
naast deze tekst leggen, zien we opvallende overeenkomsten. Zo wordt bij
beiden als eerste component, en zeker een van de belangrijkste, natuurlijke
zwavel genoemd. Bovendien gebeurde het ontsteken ‘automatisch’. Ma-
lalas schrijft dit toe aan de warmte van de zon, maar dat is de mening van
een volksoverlevering, dus of die de werkelijkheid weerspiegelde, is hele-
maal niet zeker. Het is trouwens zeer twijfelachtig dat velen werkelijk wis-
ten hoe het product werkte, behalve enkele geleerden. Mogelijk was ook
hier ongebluste kalk aanwezig en was het vooral dit element dat zorgde
voor het ontvlammen door contact met water. Dit kan echter jammer ge-
noeg niet aangetoond worden op basis van deze nogal duistere tekst
58
.


2. De uitvinding van het Griekse vuur

Tijdens de laatste decennia van de 7de eeuw vond een nieuwe ontwikkeling
plaats die belangrijke gevolgen zou hebben voor de Byzantijnse oorlogvoe-
ring, namelijk de uitvinding van het Griekse vuur.
De Arabieren die onder leiding van kalief Mu’awiya sinds de jaren zestig al
grote delen van het Byzantijnse rijk veroverd hadden, begonnen in 674 met
de belegering van Constantinopel die 4 jaar zou duren. Na een moeizame
strijd slaagden de Byzantijnen er in 677 uiteindelijk in om de belegeraars
te verslaan. Volgens christelijke bronnen was die overwinning vooral aan
een nieuw vuurwapen te danken. De geschiedschrijvers wijzen allemaal
een architect uit Syrië, een zekere Callinicus, als redder aan, maar verder
blijven ze karig met nadere informatie. Het interessantst is het relaas van
de kroniekschrijver Theophanes Confessor (begin 9de eeuw):


58
H. WADA, 10 A||0M|`0` ¬|l0` Al)|0` bei Malalas, pp. 25-34.
17
A.M. 6164 (= A.D. 671/2)
59
0 . vc\./)..H |..c(.Ã.H u. .(uu. ä. )..(/.. -(( |..c(.
..uv\..H -..uc.. .·..-.H -(.c-.u (c. -(. (uH .uc..H .u..·. )..H
-(--(3vuc¹cuH -(. c...(H c.¹..¹cuH -(. uuH vccc..c(. . -.
\.uc.. .. è lc-\.(.uc.. ä. |(.c(c.u \.....

.

Toen de hoger genoemde Constantijn de zo grote expeditie vernam van de
bestrijders van God, rustte hij ook zelf grote biremen met vuur in kruiken uit
en dromons met buizen, en hij beval dat deze voor anker moesten liggen in
de Proklianesische haven van Caesarius.

A.M. 6165 (= A.D. 672/3)
1. |(\\...-H (c/..-.. ( v |\.uv\..H ¯uc.(H vcc¹u·.. ÃH
|..(..H vØc )(\(cc.. -((c-.u(c(H ( ä. Ac(3.. c-(¹u ...vcuc. -(.
cu..u/( -(.-(uc... |(. u.H . |..(Ã. ..( ..-uH uv.cc..(. -(.
)(\(cc.. vØc .uc.

.

Op dat moment vluchtte Callinicus, een architect uit Heliopolis in Syrië naar
de Byzantijnen. Hij vervaardigde het maritieme vuur en stak daarmee de
schepen van de Arabieren in brand. Die brandden volledig op met de be-
manning. Zo keerden de Byzantijnen met een overwinning terug en vonden
ze het maritieme vuur uit.

Deze twee korte passages van Theophanes roepen zeker een aantal vragen
op. Volgens zijn beschrijving zouden de Byzantijnen al bij het begin van de
belegering over schepen met sifons beschikt hebben vóór de komst van
Callinicus. Zijn uitvinding zou dus slechts een aanpassing geweest zijn
van een wapen dat al eerder bekend was en gebruikt werd. Of men werke-
lijk geloof kan hechten aan deze ‘twee-fasen-theorie’ is twijfelachtig. Het is
goed mogelijk dat Theophanes bij het samenstellen van zijn kroniek de ex-
cerpten uit de verschillende bronnen niet goed op elkaar heeft afgestemd,
zoals ook elders in zijn werk gebeurd is. Zoals uit het vorige hoofdstuk ge-
bleken is, komt de ontwikkeling van het Griekse vuur echter niet volledig
uit de lucht vallen want de Byzantijnen ontwikkelden al geruime tijd vuur-
wapens. Hoogstwaarschijnlijk had de inbreng van Callinicus in de eerste
plaats betrekking op het lanceersysteem, niet op de samenstelling. Dat er

59
De datering en duur van de oorlog (7 jaar) van Theophanes is volgens de geleerden niet correct. Tradi-
toneel wordt de eigenlijke belegering gedateerd van 674 tot 677/678, al zijn er voordien al gevechten ge-
weest, mogelijk al in 669, als we de gegevens van Arabische auteurs mogen geloven. Zie The chronicle
of Theophanes Confessor. Byzantine and Near Eastern history AD 284-813, trad. C. MANGO, R.
SCOTT, G. GREATREX, p. 494, n. 5. Zie pp. 92-93.
60
THEOPHANES CONFESSOR, Chronographia, p. 353.
61
ID., op. cit., p. 354.
18
tijdens de belegering nog verbeteringen hebben plaats gevonden, is natuur-
lijk niet uit te sluiten en zelfs waarschijnlijk
62
.

Een interessant gegeven dat men nergens anders terugvindt is de vermel-
ding van twee scheepstypes met vuurwapens. A.uc..H -(--(3vuc¹cuH is
een zeer zeldzame term die voor interpretatieproblemen zorgt. Waarschijn-
lijk slaat het op schepen die uitgerust waren met toestellen die bedoeld wa-
ren om potten met licht ontvlambare vloeistoffen erin weg te slingeren, wa-
pens die al in de tijd van Mauricius bekend waren
63
. De c...(H
c.¹..¹cuH zijn dan schepen die uitgerust waren met de toestellen om het
Griekse vuur te lanceren en zijn dus hier de nieuwigheid. In latere werken
vindt men deze of een gelijkaardige term wel vaker terug
64
.

Raadselachtig is de vermelding van Theophanes dat de oorlogsschepen ge-
stationeerd werden in de ‘Proklianesische haven van Caesarius’. De haven
van Caesarius wordt slechts enkele keren vermeld tussen 553 en 673/4 en
heeft dus waarschijnlijk slechts korte tijd gefunctioneerd. De exacte ligging
is niet bekend, maar hij lag zeker aan de zuidkust van Constantinopel, en
waarschijnlijk ten oosten van de grote haven van Theodosius-Eleutherius.
Volgens B. Tsangadas was deze plaats mogelijk bedoeld om op een afgeslo-
ten en veilige plaats experimenten uit te voeren met vuurwapens voor
schepen. De toevoeging ‘Proklianesisch’ is onduidelijk, maar verwijst mis-
schien naar Proclus, de man die door het gebruik van een speciale brand-
stof de vloot van Vitalianus kon vernietigen
65
. Dat er na de belegering van
674-677 geen spoor meer terug te vinden is van deze haven, heeft volgens
B. Tsangadas te maken met het feit dat op dat moment de experimenten
volbracht waren (het Griekse vuur was uitgevonden) en dat er dus gewoon
geen nood meer aan was aan een geheime, geïsoleerde haven
66
.

Behalve de vermelding van Theophanes zijn ons ook een hele reeks andere
Byzantijnse beschrijvingen overgeleverd van de uitvinding van het Griekse
vuur. Jammer genoeg gaat het hier echter om auteurs die een hele tijd na
de gebeurtenissen schrijven en een traditioneel geworden opvatting weer-
geven. Hier en daar zijn er kleine verschillen, maar het verhaal blijft bij ie-
dereen grosso modo hetzelfde. Hier geven wij de twee belangrijkste versies
nog weer.

62
B. C. P. TSANGADAS, The fortifications and defenses of Constantinople, p. 129; p. 150, n. 66.
63
MAURICIUS, loc. cit.; E. PÁSZTHORY, op. cit., p. 28; B. C. P. TSANGADAS, p. 120, n. 53; p. 150,
n. 66.
64
Hierop komen we nog uitgebreid terug. Zie hoofdstuk II, 3, A.
65
Zie p. 15.
66
B. C. P. TSANGADAS, op. cit., pp. 129-131.
19

lc... . .v. |..c(...u. u.Ø |..c(...u. Ø -(. l.·..(u -(
\u...u. |(\\...-H .H (v |\.uv\..H |..(..H vcc¹u·... .(
ä. c.¹.... .-¹.c .... vØc u·c. -(.c-.u(c... . u -(. . ä. ¯(
c(-u.ä. c\. .. |u´.-. |..(Ã. -((¹\.c(..H u. ..-u. uc(.

.

Weet, dat ten tijde van Constantijn, zoon van Constantijn, die ook Pogonatos
genoemd wordt, een zekere Callinicus uit Heliopolis weggevlucht is naar de
Byzantijnen en het vloeibare vuur vervaardigd heeft dat door buizen gelan-
ceerd wordt. Hiermee hebben de Byzantijnen bij Cyzicus ook de vloot van
de Saracenen verbrand en de overwinning behaald hebben.

1. |(\\...-H (c/..-.. ( v |\.uv\..H −H A.·uvu vcc¹u·..
ÃH |..(..H. vØc )(\(cc.. -((c-.u(c(H ( ä. Ac(3.. c-(¹u -(
.vcuc.. .. |u´.-.. cu..u/( -((v..c(H (u(. AuH u. .c..
)(\(cc.. vØc .¹.uc... |- uu -((·.(. u ·...( Ø A(.vcØ Ø
.u.. vØc .../..H -((c-.u(´.H

.

Op dat moment is Callinicus, een architect uit Heliopolis in Egypte, naar de
Byzantijnen gevlucht. Hij vervaardigde een maritiem vuur en stak de sche-
pen van de Arabieren in brand bij Cyzicus en samen met de bemanning zon-
ken ze. Hij is dus de uitvinder van het maritieme vuur. Van hem stamt het
geslacht Lampros af dat nu het vuur met kennis van zaken vervaardigt.

Volgens Cedrenus was Callinicus afkomstig uit Egypte, maar dit wordt te-
gensproken door alle andere bronnen en is ook minder waarschijnlijk. Be-
langrijker is de vermelding dat het geheim van het Griekse vuur in handen
zou geweest zijn van één enkele familie, en dit eeuwenlang
69
.

Niet alleen de Byzantijnse bronnen maken melding van deze gebeurtenis-
sen, maar ook Arabische
70
en een paar Syrische kroniekschrijvers. Vol-
gens Michaël de Syriër werd het Griekse vuur voor het eerst al ingezet in
671 bij een zeegevecht in Lycië, dus nog vóór de belegering van Constanti-
nopel. Zijn versie luidt als volgt
71
:

Een timmerman uit Baalbek, Callinicus genaamd, die uit Syrië gevlucht was
naar de Byzantijnen, stelde een vuur samen en stak de schepen van de

67
CONSTANTINUS PORPHYROGENITUS, De administrando imperio, 48.
68
GEORGIUS CEDRENUS, Historiarum compendium, I, p. 765.
69
Hier wordt verder op ingegaan bij de bespreking van het geheime karakter van het Griekse vuur. Zie
pp. 61-62.
70
Zie bijvoorbeeld AGAPIUS MARBUGENSIS, Kitab al-‘Unwan, p. 492.
71
MICHAEL DE SYRIER, XI, 13.
20
Arabieren in brand. Hij vernietigde met dit vuur de rest van hen die zich in
veiligheid waanden in het midden van de zee en die ingesloten waren. Se-
dert dat moment was het vuur, dat nafta genoemd werd en uitgevonden was
door Callinicus, in gebruik bij de Byzantijnen tot op de dag van vandaag.

Dat we van verschillende zijden min of meer hetzelfde verhaal horen, lijkt
erop te wijzen dat er op dat moment wel degelijk een belangrijk, vernieu-
wend vuurwapen voor het eerst in gebruik genomen werd door de Byzan-
tijnen, en dat het dus niet om een verzinsel van deze laatsten gaat.
21
II. WAT WAS HET GRIEKSE VUUR?

1. Benamingen voor het Griekse vuur

Zoals algemeen bekend is, noemden de Byzantijnen zichzelf nooit ‘Grieken’,
maar ‘Romeinen’, want ze beschouwden zich als de directe voortzetters van
het Romeinse keizerrijk. Bovendien was met de opkomst van het christen-
dom ‘Griek’ synoniem geworden voor ‘heiden’ en hiermee wilden zij natuur-
lijk niet geassocieerd worden. Ook de meeste andere randvolkeren ge-
bruikten soortgelijke benamingen voor de Byzantijnen. De term ‘Grieks
vuur’ werd maar in gebruik genomen door westerlingen vanaf de 10de
eeuw, maar het was pas ten tijde van de kruistochten dat deze benaming
wijd verspreid werd. In de eerste plaats ging het hier om vuurwapens van
de Arabieren, wat dus maar weinig meer te maken had met de uitvinding
van Callinicus. Vooral door de kroniek van de kruistocht van de Franse
koning Lodewijk IX de Heilige, geschreven door Jean de Joinville, werd deze
benaming een groot succes in het Westen. Vanaf die tijd gebruikten de
schrijvers de term ‘Grieks vuur’ echter voor alle mogelijke soorten vuurwa-
pens zodat het nu voor ons ontzettend moeilijk is om te weten wat men
precies bedoelde en om te zien of men nog vormen van het ‘echte’ Byzan-
tijnse Griekse vuur gebruikte.

De Byzantijnse auteurs zelf hanteerden verschillende andere benamin-
gen
72
. Soms vindt men bij dezelfde auteur verschillende begrippen terug
om identiek hetzelfde wapen aan te duiden. Dat er aan de diverse bena-
mingen ook een betekenisverschil zou beantwoorden, is weinig waarschijn-
lijk omdat sommige teksten ze expliciet aan elkaar gelijkstellen. Daarente-
gen levert die verscheidenheid aan termen ons juist waardevolle informatie
op over de verschillende eigenschappen van het Griekse vuur.
Theophanes, die als oudste auteur de uitvinding ervan beschrijft, geeft zelf
maar liefst 4 verschillende benamingen.
Vooreerst zijn er )(\(cc.. vØc
¯3
. maritiem vuur, en vØc c..(^-.
¯4
, Romeins
vuur, zeldzame benamingen die we bijna nergens anders terugvinden.
Frequenter is c-.u(c. vØc
¯5
, geprepareerd vuur, maar dan wel meestal in
de gewijzigde vorm .c-.u(c.... vØc. Vooral in tactische geschriften wordt
het Griekse vuur steevast zo genoemd.

72
Zie hiervoor ook het artikel van A. DAIN, Appellations grecques du feu grégeois en M. MERCIER, op.
cit., pp. 31-33.
73
THEOPHANES CONFESSOR, op. cit., p. 354.
74
ID., op. cit., p. 396.
75
ID., op. cit., p. 405.
22
Heel dikwijls gebruikt door de auteurs is u·c. vØc
¯e
, vloeibaar vuur. Deze
benaming vindt vooral ingang vanaf de 10de eeuw en wordt al snel de
meest gangbare, hoofdzakelijk in historische werken.
Sommige auteurs gebruiken ook hier en daar minder courante woorden
zoals v\...-. vØc
¯¯
, oorlogsvuur, vØc ...c·.
¯·
, krachtig vuur, vØc .u.-.
¯ð
,
Medisch vuur. Vaak gebruikt men ook simpelweg vØc, maar blijkt uit de
context dat het het Griekse vuur betreft, al kan dit in sommige gevallen be-
twist worden. In twee teksten is er sprake van \(.vc.
··
, niet toevallig het-
zelfde woord als de naam van de familie die volgens Cedrenus het geheim
van het Griekse vuur bewaarde
81
.

In de andere talen is er geen overvloed aan benamingen. De Arabische
bronnen spreken altijd van nafta, maar duiden daar na verloop van tijd
ook een hele reeks eigen vuurwapens mee aan, wat dus gemakkelijk tot
verwarring kan leiden. Toch leveren vele van deze teksten belangrijke en
waardevolle informatie op over het Byzantijnse Griekse vuur.
Latijnse teksten houden het meestal ook bij één benaming, nl. i ig gn ni is s g gr ra ae e- -
c cu us s, Grieks vuur, zoals wij dit vuurwapen nu nog altijd noemen. Al vanaf
de 10de eeuw werd deze uitdrukking gebruikt, als een van de eersten door
bisschop Liutprand van Cremona, die tijdens zijn verblijf in Constantinopel
als een van de weinige westerlingen kennismaakte met het beroemde wa-
pen
82
. Sporadisch worden ook nog andere termen gebruikt. Bij Landolfus
Sagax (10de/11de eeuw), die zijn geschiedenis van het Byzantijnse rijk gro-
tendeels baseerde op de kroniek van Theophanes Confessor, vinden we de
Latijnse equivalenten van diens vier Griekse begrippen terug: i ig gn ni is s m ma ar ri i- -
n nu us s
83 83
, i ig gn ni is s r ro om ma ai ic cu us s
84 84
, i ig gn ni is s c co on nf fe ec ct tu us s
85
en i ig gn ni is s h hu um mi id du us s
86 86
. In een
12de-eeuwse, Hongaarse kroniek vinden we i ig gn ni is s s su ul lf fu ur re eu us s
87
, zwavelhou-
dend vuur, terug. Tenslotte spreekt Marcus Graecus ook nog van i ig gn ni is s v vo o- -
l la at ti il li is s
88 88
, wat sommigen interpreteren als een alternatieve benaming voor
Grieks vuur. Aangezien hij elders expliciet de gewone term i ig gn ni is s g gr ra ae ec cu u

s s
gebruikt, gaat het hier waarschijnlijk om een formule voor een ander

76
ID., op. cit., p. 396.
77
JOSEPHUS GENESIUS, Regum, II, 2.
78
De obsidione toleranda, § 151.
79
IOANNES CINNAMUS, Epitome rerum ab Joanne et Alexio Comnenis gestarum, p. 283; LEO DIA-
CONUS, Historiae, pp. 144, 155.
80
LEO VI, Sylloge tacticorum, 53, 8; NICEPHOROS URANOS, Tactica, 56, 15.
81
Zie pp. 61-62.
82
LIUTPRAND CREMONENSIS, Antapodosis III, 25.
83
LANDOLFUS SAGAX, Historia romana, XXI, 15.
84
ID., op. cit., XXIII, 10.
85
ID., op. cit., XXIII, 20.
86
ID., op. cit., XXIII, 10; XXVI, 39.
87
JOANNES THURÓCZI, Chronica Hungarorum, 77; 90.
23
mengsel van meer explosieve aard. Bovendien is de samenstelling erg ge-
lijkaardig aan die van buskruit.

Deze verscheidenheid aan benamingen alleen al levert ons belangrijke in-
formatie over enkele karakteristieken van het Griekse vuur. In de eerste
plaats gaat het om een vloeibaar vuur. Dit spreekt de theorie tegen van
sommige geleerden, die beweren dat het Griekse vuur niets anders zou ge-
weest zijn dan een rechtstreekse voorloper van het buskruit, zij het in een
wat primitieve vorm
89
. Waarschijnlijk was deze liquide substantie aardolie,
een veronderstelling die gesterkt wordt door een andere benaming, Medisch
vuur. Zoals we gezien hebben, gebruikte men al eeuwen voordien de term
Medische olie om aardolie, of een mengsel op basis daarvan, aan te dui-
den
90
. Geprepareerd vuur wijst erop dat men aan de ruwe olie een zeker
behandeling gaf. Volgens sommigen slaat dit op distillatie, volgens ande-
ren bedoelt men hiermee het vermengen met een aantal andere stoffen, zo-
als ongebluste kalk, zwavel, hars, etc.
Dat het in de eerste plaats om een zeewapen ging, leert ons de benaming
maritiem vuur. Zoals we ook verder zullen zien, gebruikten de Byzantijnen
het Griekse vuur in eerste instantie als een wapen om vijandelijke schepen
op zee te vernietigen. Pas later werden versies ontwikkeld die ook bij oor-
logvoering te land ingezet werden.


2. Samenstelling van het Griekse vuur

A. ALGEMENE THEORIEËN

Geleerden zijn al eeuwenlang gefascineerd door het Griekse vuur en heb-
ben op allerlei manieren geprobeerd het legendarische geheim ervan te
achterhalen. Tot enkele decennia geleden dacht men dat de Byzantijnen
op een zeker moment (tijdens de belegering door de Arabieren van 674-677)
een speciaal chemisch mengsel ontdekt hadden dat hen in staat stelde een
superieur vuurwapen te creëren. Bijgevolg zocht men eerst en vooral naar
een bepaalde chemische formule en heeft het onderzoek zich daar dan ook
op toegespitst. Daardoor zijn een aantal andere aspecten wat uit het oog
verloren, vooral i.v.m. het belang van het Griekse vuur voor de algemene

88
MARCUS GRAECUS, Liber ignium ad comburendos hostes, §12-13.
89
L. LALANNE, Recherches sur le feu grégeois et sur l’introduction de la poudre à canon en Europe; J.
T. REINAUD, I. FAVÉ, Histoire de l’artillerie, 1ière partie: Le feu grégeois et les origines de la poudre
à canon, Parijs, 1845; A. S. H. BROCK, A history of fireworks.
90
Zie pp. 9-10.
24
Byzantijnse oorlogvoering, en in welke mate en hoe het Griekse vuur een
geheim wapen was. Gelukkig is daar gedeeltelijk een kentering in geko-
men, maar toch blijkt het oorspronkelijke probleem nog altijd te genieten
van veel aandacht. Alhoewel er na al die vele tientallen jaren onderzoek
een vrij bevredigende oplossing gevonden is, blijven sommigen die aanvech-
ten en zoeken ze nog steeds naar bewijzen dat salpeter al in de 7de eeuw
gekend was.

Vooral vanaf het midden van de 19de eeuw is men begonnen met de echte
wetenschappelijke studie van dit onderwerp. Enkele Franse geleerden
hebben toen voor het eerst de Griekse, maar ook Arabische bronnen gron-
dig bestudeerd en hebben een hypothese geformuleerd die tot op de dag
van vandaag nog aanhangers kent. Volgens hen is het Griekse vuur niets
anders dan een voorloper van het buskruit en is salpeter dé sleutel tot het
geheim. Vooral rond die ene chemische stof draait het grootste deel van de
discussie over de samenstelling: is salpeter al dan niet het cruciale ele-
ment? Op deze vraag zullen we zo goed als het kan een antwoord proberen
te geven, maar zoals al gezegd is een eensluidend besluit tot op de dag van
vandaag onmogelijk.

Als we de theorieën van de geleerden bekijken, zien we dat er uiteindelijk
maar 2 verdedigbare visies zijn, die jammer genoeg diametraal tegenover
elkaar staan. Nu en dan zijn ook andere stellingen naar voren gebracht,
maar die zijn onmogelijk gebleken.
Zo dacht E. von Lippmann dat Grieks vuur een mengsel was van aardolie
en ongebluste kalk, met eventueel ook zwavel erbij, dat ontvlamde door
contact met water
91
. Deze stelling is echter onomstotelijk weerlegd door de
wetenschap. Desondanks leest men nog tot op de dag van vandaag in vele
populair-wetenschappelijke werken en zelfs in gereputeerde encyclopedieën
dat het Griekse vuur bestond uit een mengsel met als hoofdingrediënten
ongebluste kalk en zwavel.
Het grootste bezwaar is dat ongebluste kalk slechts ontsteekt als het in
contact komt met een kleine hoeveelheid water, maar als het in een grote
massa terechtkomt zoals in de zee, koelt het snel af en kan het beoogde ef-
fect dus niet bereikt worden. Als oorlogswapen is het dus onbetrouw-
baar
92
. Bovendien zijn dergelijke mengsels al gekend lang vóór het einde
van de 7de eeuw
93
.

91
E. O. von LIPPMANN, Beiträge zur Geschichte der Naturwissenschaften und der Technik, I, p.136.
92
E. PÁSZTHORY, op. cit., p. 28.
93
Zie hoofdstuk I.
25
Een ander probleem is dat het gebruik van ongebluste kalk bij zeeslagen
als een apart wapen vermeld wordt in de Tactica van keizer Leo VI en dus
onderscheiden wordt van het Griekse vuur
94
.
Ook H. Hime ondersteunde een tijdlang een dergelijke opvatting, al zag hij
eerder een combinatie met zwavel dan met aardolie als oplossing
95
. Later,
in 1915, veranderde hij echter van mening en schoof calciumfosfide naar
voor
96
. Ook deze stelling is niet houdbaar gebleken, in de eerste plaats
omdat het erg onwaarschijnlijk is dat deze chemische substantie al zo
vroeg in de geschiedenis zou uitgevonden zijn. Bovendien zijn de effecten
bij experimenten te gering gebleken om een geducht wapen te kunnen
zijn
97
.

Behalve deze alternatieve theorieën hebben de meeste wetenschappers tot
enkele decennia geleden steeds de ontdekking van salpeter als hét sleutel-
element van het Griekse vuur beschouwd. Deze visie is echter grondig
aangevochten door de eminente chemicus J. Partington. Hij wees de salpe-
tertheorie volledig af en meende dat de determinerende factor in de eerste
plaats gedistilleerde aardolie was, die dan vermengd kon worden met hars
en eventueel zwavel en ongebluste kalk. In zijn boek A history of Greek fire
and gunpowder toont hij duidelijk aan dat de vermeende vermeldingen van
salpeter bij Plinius Maior en Dioscorides allesbehalve duidelijk zijn en nog
moeilijk als een sterk argument kunnen dienen voor de voorstanders van
de oude theorie. Jammer genoeg stelt hij dan nogal arbitrair dat men in
het Westen salpeter niet kende vóór 1125 en meent hij dat dit ook voor de
Byzantijnen gold, hierbij steunende op de opinie van E. von Lippmann
98
.
Deze visie is achteraf terecht sterk aangevochten en de vraag of de Byzan-
tijnen al dan niet salpeter kenden en gebruikten, blijft tot op de dag van
vandaag onopgelost, en dat zal waarschijnlijk ook zo blijven.
Sindsdien beschouwen de meeste geleerden toch dat petroleum ongetwij-
feld een belangrijk element was van het Griekse vuur, maar over de andere
ingrediënten blijft er onzekerheid. Bovendien is men tot het besef gekomen
dat het eigenlijk zinloos is te zoeken naar één bepaalde formule, maar dat
er een grote waaier aan mogelijke samenstellingen bestond. Die bestonden
weliswaar altijd uit een paar vaste componenten, in de eerste plaats aard-
olie. Vooral de Arabische bronnen zijn hierbij verhelderend en veel gede-
tailleerder dan de Byzantijnse technische literatuur.

94
LEO VI, Tactica, XIX, 54.
95
H. W. L. HIME, Gunpowder and ammunition, Londen, 1904.
96
ID., The origin of artillery, Londen, 1915.
97
N. D. CHERONIS, Chemical warfare in the Middle Ages, p. 363; A. ROLAND, Secrecy, technology
and war: Greek fire and the defense of Byzantium, 678-1204, p. 658.
98
E. O. VON LIPPMANN, op. cit., I, pp. 200-210.
26
Daardoor heeft men dan ook beseft dat men een belangrijk aspect uit het
oog verloren was, namelijk de wijze waarop het Griekse vuur gelanceerd
werd, en is men het geheim van dit wapen ook in deze richting gaan zoe-
ken, en niet zonder succes. Nu is toch min of meer algemeen aanvaard dat
de kracht van het Griekse vuur niet alleen gelegen was in een speciale sa-
menstelling, maar in een combinatie hiervan met specifieke en geperfectio-
neerde lanceermethodes. Als bewijs wordt ook vaak een fragment van The-
ophanes Confessor geciteerd dat de verovering van de stad Mesembria door
de Bulgaren in 814 vertelt
99
:

|uc..H ·(c (uu. . ./)c. v.v\uc...u. v(... ä. ¹..\... vcH
-(.-uc.. (.)c.v.. v(c.Ã.(. vc(·.(... (uu. .-c(uc(. cu. ± A.
3.\è. .. ÍH -(. c.¹..(H /(\-ØH .âc. \Ht. -(. Ø . (uä. .-v..v
...u u·cØ vucH.

De vijanden vonden namelijk die (stad) volgestouwd met alle mogelijke mate-
riaal dat nodig is voor menselijke bewoning, en namen ze in samen met De-
beltos, waar ze ook 36 bronzen sifons vonden en een niet geringe hoeveel-
heid vloeibaar vuur dat daarmee gelanceerd wordt.

Ondanks het feit dat de Bulgaren zowel voorraden Grieks vuur als een hele
hoop lanceertoestellen konden veroveren, kunnen we nergens niet één ver-
wijzing terugvinden dat zij ooit in staat geweest waren dit zelf te gebruiken
of soortgelijke vuurwapens te ontwikkelen. Dit lijkt erop te wijzen dat het
absoluut niet voldoende was om een voorraad van het mengsel te verkrij-
gen om in het bezit te komen van het geheim en dat zelfs met de bijhorende
apparatuur het niet vanzelfsprekend was om vuur af te schieten. Daarvoor
was blijkbaar een grote en specifieke kennis nodig
100
.

Aangezien nu duidelijk is dat er een heleboel verschillende formules en va-
riaties bestonden, is het eigenlijk niet meer houdbaar om te spreken over
één Grieks vuur. Toch hanteert men nog steeds deze term omdat hij nu
eenmaal al zo lang in gebruik is. Als we hier over de samenstelling en de
lanceermethode van het Griekse vuur spreken, bedoelen we in de eerste
plaats de oorspronkelijke uitvinding van Callinicus, dus sifons die op zee
gebruikt werden, al komen de latere ontwikkelingen zeker ook aan bod.




99
THEOPHANES CONFESSOR, op. cit., p. 499.
100
Zie hoofdstuk II, 3, A.
27
B. HET SALPETERVRAAGSTUK

Waarop baseren de geleerden zich om salpeter als het kernelement aan te
duiden? In Byzantijnse geschriften vindt men immers nergens een geloof-
waardige formule van het Griekse vuur terug, wat eigenlijk logisch is aan-
gezien dit wapen als een staatsgeheim beschouwd werd. Anna Comnena
(12de eeuw) geeft wel een samenstelling van het mengsel weer, maar dat is
duidelijk onvolledig: petroleum wordt nergens vermeld
101
. Dat het hier om
echt Grieks vuur gaat is trouwens omstreden.
Vroegere geleerden steunden hun mening in de eerste plaats op een be-
schrijving van de lancering van Grieks vuur bij Leo VI
102
:

l\\( . -(. .v.u.u.(( ÃH v(\(.ÃH -(. ÃH ....c.H .v..u )u
-(( ä. v\...-ä. v\... -(. ä. .. (uÃH v\..u... Í. .
.c-.u(c.... vØc ..( 3c.−H -(. -(v.Ø vcvucu .( ä. c.¹....
v..v.... -(. -(v..´. (u(.

Maar ook vele hulpmiddelen werden vroeger en worden nu nog uitgedacht
tegen de vijandelijke schepen en tegen de strijders die zich daarin bevinden;
zoals het geprepareerde vuur, dat met gedonder en rook van het apparaat
dat voorverwarmt, door de sifons gelanceerd wordt en die hen met rook om-
hult.

De vermelding dat het vuur afgeschoten werd ‘met gedonder en rook’ doet
automatisch denken aan een explosief wapen en dus aan een oxyderende
substantie die niets anders kan zijn dan salpeter.
Cruciaal is hier echter het uiterst zeldzame woord vcvucu. Vaak denkt
men dat hiermee de actie van het lanceren bedoeld is en schrijft men dus
de rook en het lawaai toe aan het afschieten zelf. Volgens J. Haldon gaat
het hier echter om een verkeerde interpretatie en verwijst deze term naar
iets heel anders, nl. het haardvuur waarmee men het mengsel voorver-
warmde. vcvuc. is immers afgeleid van het werkwoord vcvuc. dat zoveel
betekend als ‘vooraf opwarmen’. Keizer Constantinus VII vermeldt ook dat
er grote hoeveelheden vlas nodig waren voor de vcvuc( en dat was een
veelgebruikte brandstof om haardvuren te stoken
103
. In een andere versie
van het tactische geschrift van Leo VI, geschreven door Nicephorus Uranus

101
ANNA COMNENA, Alexias, XIII, III, 6. Zie p. 56.
102
LEO VI, op. cit., XIX, 51.
103
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, De Cerimoniis II, 44, 114-115: -(. v.c. Ø .
..(c)−.(. \..(c.. \·. ä. vcvuc.. -(. -(\(¹(uc..H /.\.( (H . . J. F. HAL-
DON, M. BYRNE, A possible solution to the problem of Greek fire, p. 93, n. 8; J. F. HALDON, Chapter
II, 44 and 45 of ‘De Cerimoniis’. Theory and practice in tenth-century military administration, p. 210, n.
31.
28
(2de helft 10e eeuw), is er sprake van ..( 3c.−H -(. -(v.Ø ä. vcvu
c..
¹·4
, wat dus iets duidelijker is dan de zin van Leo en de mening van J.
Haldon lijkt te ondersteunen.

Dikwijls citeert men ook een recept uit het fameuze boek Liber ignium ad
comburendos hostes, toegeschreven aan een zekere Marcus Graecus. In dit
Latijnse werkje worden ruim 30 voorschriften gegeven voor het fabriceren
van allerlei ontvlambare en explosieve mengsels, waaronder ook één voor
Grieks vuur. Verder worden ook verschillende versies van buskruit be-
schreven.
Met deze bron moet echter omzichtig omgesprongen worden, want omtrent
de auteur en de datering bestaan heel wat onzekerheden. De naam van de
auteur laat vermoeden dat het werk oorspronkelijk in het Grieks geschre-
ven is, maar in de manuscripten is hiervoor nergens een overtuigend ar-
gument terug te vinden. De titel wordt bijvoorbeeld steeds in het Latijn
weergegeven. Opvallend is dat er in het werk regelmatig Arabische woor-
den opduiken, wat sommigen ertoe geleid heeft te besluiten dat de auteur
in Arabische milieus zou vertoefd hebben, waarbij men vooral dacht aan
Spanje. Toch blijft de mogelijkheid bestaan dat het om een vertaling van
een Grieks werk gaat, al zijn de Arabische invloeden zeker niet te misken-
nen.
Ook aangaande de datering bestaat er grote discussie. Volgens sommigen
zou het traktaat al in de 9de of 10de eeuw geschreven zijn. Veel waar-
schijnlijker is de 11de-12de eeuw, gezien de aanwezigheid van recepten
van buskruit, dat zeker nog niet gekend was in het Westen vóór de 11de
eeuw. Meest plausibele verklaring is dat het gaat om een verzameling van
excerpten uit een aantal verschillende werken, zowel Griekse als Arabische.
Zo gaan enkele recepten duidelijk terug op de Kestoi van Julius Africanus,
andere zijn eerder Arabisch van oorsprong en dateren van een latere perio-
de. Het vroegste manuscript wordt gedateerd op ca. 1300
105
.
Wat het recept voor het maken van Grieks vuur betreft, zijn we zo goed als
zeker dat de compilator het uit een ouder werk overgenomen heeft. Er
staat namelijk een verwijzing naar iets wat eerder vermeld zou moeten zijn
(ut supra diximus), maar in het traktaat op naam van Marcus Graecus is
daar geen spoor van terug te vinden. De formule van Grieks vuur stamt
dus zeker ten laatste uit de 13de eeuw, en mogelijk zelfs vroeger. Wanneer
precies is echter onmogelijk te bepalen. Het recept van het Griekse vuur
luidt als volgt
106
:

104
NICEPHORUS URANUS, op. cit., 56.
105
J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 42-63;
106
ID., op. cit., pp. 50-51.
29

§ 26. Ignem graecum tali modo facies: recipe sulphur vivum, tartarum, sarcocollam et
picolam
1
, sal coctum, oleum petroleum et oleum commune. Facias bullire invicem omnia
ista bene. Postea impone stupas et accende. Quod si volueris extrahere per embotum ut
supra diximus. Post illumina et non extinguetur, nisi cum urina vel aceto vel arena.
1. lees: piculam

Je zal het Griekse vuur op een dergelijke manier maken: neem pure zwavel,
Perzische gom, pek, gekookt zout, petroleumolie en gewone olie. Doe dit al-
les onderling goed koken. Dompel er daarna touwwerk in en steek het aan.
Als je zou willen, (kan) je het uitgieten door een trechter zoals we hierboven
gezegd hebben. Steek het daarna in brand en het zal niet geblust worden,
tenzij met urine of azijn of zand.

Het punt van discussie is hier sal coctus. Volgens velen wordt hiermee sal-
peter bedoeld, maar J. Partington ontkent dit
107
. Eigenaardig is in elk ge-
val dat in meerdere andere recepten expliciet de term sal petrosus gebruikt
wordt. Dat hier een ander begrip gebruikt wordt, lijkt er toch op te wijzen
dat het om iets anders dan salpeter gaat. Als men het woord letterlijk
neemt, betekent het (gewoon) zout dat door het koken en verdampen gezui-
verd wordt. Ook bij de purificatie van salpeter wordt dit procédé echter
toegepast
108
, zodat de eerste interpretatie dus in theorie mogelijk blijft.
Toch denken wij dat het hier waarschijnlijk niet om salpeter gaat, ook om-
dat in andere traktaten gewoon of gekookt zout niet ongebruikelijk is als
ingrediënt van ontvlambare mengsels. Bovendien wordt het in één manu-
script, een van de oudste nota bene, niet vermeld
109
.

Om hun theorie te ondersteunen zochten de voorstanders van de oude the-
orie naar bewijzen dat salpeter niet onbekend was in de oudheid. Salpeter
komt in de natuur vrij veel voor in de warme streken op de wanden van
grotten en zit ook vervat in guano, mest van vogels die volgens een speciaal
natuurlijk procédé op rotsbodems verdroogd en verrot is. Natuurlijke sal-
peter kwam dus zeker en vast in de omgeving van de antieke mensen voor,
maar de vraag is of ze er wel de specifieke eigenschappen van ontdekt
hebben, en, zo ja, of ze het wel konden zuiveren om het echt te kunnen
gebruiken.
De geciteerde teksten, voornamelijk de Naturalis Historia van Plinius Maior
(1ste eeuw) en De Materia Medica van Dioscorides Pedanius (2de eeuw),

107
ID., op. cit., p. 51.
108
De zuivering van salpeter wordt door Marcus Graecus beschreven in § 14.
109
J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 51.
30
zijn jammer genoeg opnieuw verre van expliciet en ook de verwarrende
terminologie bemoeilijkt de interpretatie enorm. Het begrip sal petrosus
was in elk geval totaal onbekend in die tijd. In de bronnen spreekt men
steeds over ..c. (nitrum), maar hiermee werden zowat alle mogelijke zout-
soorten aangeduid, en niet een specifieke categorie. Volgens sommige ge-
leerden zijn er aanwijzingen dat bij de beschrijving van sommige soorten
zout salpeter bedoeld wordt, meer bepaald als het om aphronitrum gaat
110

of om (.)H (\H flos salis)
111
. In het eerste geval betreft het hoogstwaar-
schijnlijk sodiumcarbonaat en zeker geen salpeter. In het andere gaat het
inderdaad om een substantie die op de wanden van grotten aangetroffen
wordt, zoals natuurlijke salpeter, maar volgens J. Partington beantwoorden
de beschreven kwaliteiten van de stof eerder aan fluorescerende alkali-
ne
112
. In onderaardse ruimtes bevinden zich trouwens heel wat andere
stoffen die wel op salpeter lijken, maar tot een andere categorie van zouten
behoren.
Meer twijfel bestaat er omtrent hetgeen antieke auteurs \.)H of (.)ς Ac
c.H (lapis of flos Assius) noemen
113
. Door Arabische auteurs werd deze
steen van Asius geïdentificeerd met salpeter vanaf Avicenna (ca. 1000) on-
der de naam bloem van Asios. De beschrijvingen van Plinius en Dioscori-
des zijn daarentegen veel onduidelijker en vermelden de meest typische ei-
genschap van salpeter, nl. het doen opflakkeren van vuur, niet. Bovendien
gaat het volgens hen om een zeer bijtende stof, een eigenschap die even-
eens niet geldt voor salpeter. Mogelijk hebben de Arabieren het verward
met een andere chemische stof. Volgens J. Partington zou het in de antie-
ke teksten om een fluorescerende vorm van calciumcarbonaat gaan, maar
ook die oplossing is niet volledig bevredigend
114
.
Opmerkelijk is wel een passage bij Galenus (2de eeuw), die beschrijft hoe
een huis in brand vloog doordat men met hars ingestreken hout lange tijd
in de zomerzon had laten liggen in een dampende mesthoop van duiven
115
.
Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier inderdaad om een reactie uitgelokt door
natuurlijke salpeter, maar Galenus had duidelijk geen weet van wat er ei-
genlijk die brand veroorzaakt had
116
. Als laatste argument wordt vaak ook
nog verwezen naar de eerder besproken tekst van Julius Africanus
117
.


110
DIOSCORIDES, op. cit., V, 113; PLINIUS MAIOR, XXXI, 113.
111
DIOSCORIDES, op. cit., V, 122; PLINIUS MAIOR, XXXI, 90-92.
112
J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 301-302.
113
DIOSCORIDES, op. cit., V, 124; PLINIUS MAIOR, XXVIII, 96; XXXVI, 131-133.
114
J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 309-314.
115
CLAUDIUS GALENUS, De temperamentis, III, 657.
116
E. PÁSZTHORY, op. cit., p. 29, n. 35.
117
Zie pp. 12-13.
31
Alles bij elkaar zijn de bewijzen die de voorstanders aanhalen helemaal niet
talrijk en zeer dubbelzinnig. Toch is het zeker niet mogelijk te beweren dat
de geleerden in de oudheid natuurlijke salpeter helemaal niet kenden en
blijft de kwestie onopgelost. Als men aanneemt dat dit toch al het geval
was, rijst nog de vraag of de Byzantijnen wel in staat waren om het te zui-
veren, want dit was nodig om het efficiënt te kunnen gebruiken. Sommige
auteurs beschouwen het als ondenkbaar dat zij daartoe niet in staat waren
aangezien het gaat om een in onze ogen vrij eenvoudig proces
118
. Hier zijn
echter helemaal geen bewijzen voor te vinden. Pas in het genoemde boek
van Marcus Graecus vindt men de eerste beschrijving van het zuiverings-
procédé van salpeter terug
119
.

De wetenschappers die Arabische bronnen onderzocht hebben, zijn tot de
conclusie gekomen dat salpeter bij hen ten laatste in de 10de eeuw gekend
was
120
, wat een indicatie is dat de Byzantijnen het mogelijk in die tijd ook
hebben leren kennen. Ook hier is de terminologie die in de voorgaande pe-
riode gehanteerd werd onduidelijk, maar vanaf toen werd het woord barud
gangbaar om salpeter aan te duiden en is er geen twijfel meer mogelijk. In
latere eeuwen werd hetzelfde begrip gebruikt voor buskruit.
Opvallend is dat de Byzantijnen juist vanaf eind 9de/begin 10de eeuw
kleinere en nieuwe versies van het Griekse vuur begonnen te gebruiken.
Die waren waarschijnlijk van meer explosieve aard, wat mogelijk wel op het
gebruik van salpeter te wijst
121
.

Zoals gebleken is uit het voorgaande overzicht, is de vraag of de Byzantij-
nen al dan niet salpeter kenden een ingewikkeld en moeilijk oplosbaar pro-
bleem waaraan in het vroegere onderzoek naar het Griekse vuur vaak te-
veel aandacht geschonken is. De geleerden tot een vijftigtal jaar terug
zochten verbeten naar een geheime formule voor een krachtig wapen en
kwamen dan al snel bij salpeter terecht. Dit is immers de enige explosieve
stof die nogal gemakkelijk terug te vinden is in de natuur en vrij eenvoudig
te zuiveren is.
Illustratief voor de vroegere opinie is het volgende citaat van een vijftigtal
jaar terug van A. Brock, die meende het recept van het Griekse vuur ont-
dekt te hebben
122
:

118
C. ZENGHELIS, Le feu grégeois et les armes à feu des Byzantins, pp. 272-273; B. C. P. TSAN-
GADAS, The fortifications and defenses of Constantinople, p. 127.
119
MARCUS GRAECUS, op. cit., § 14. Het zuiveringsproces bestaat erin het ruwe salpeter op te lossen
in kokend water en daarna te filteren. Het moet wel een volledig etmaal koken vooraleer men een goed
resultaat bekomt.
120
A. Y. AL-HASSAN, D. R. HILL, Islamic technology: an illustrated history, pp. 109-111.
121
Zie p. 52.
122
A. S. H. BROCK, A history of fireworks, p. 232.
32

I was convinced of the real nature of Greek fire by a chance demonstration of
something evidently very similar during trials of smoke-producing composi-
tion in 1914. The particular mixture was: salpetre 6, sulphur 1, powdered
pitch 3
1/4
, powdered glue ¼, and plumbago ¼… After mixing, the mass of
composition was rendered plastic by heat, taken in handfuls, moulded into
balls each of which was dropped into a mortar in turn, and pressed down to
fit the bore. When ignited at the muzzle, the composition burned for a time
with a certain degree of violence, followed by a momentary pause. This was
followed by what can be best described as a ‘cough’, and a burning, viscous
mass of partly consumed composition was blown out to a distance of up-
ward of a hundred yards.

De historici hebben ook een aantal andere versies van de salpetertheorie
ontwikkeld. Een nogal vreemde interpretatie die veel succes gekend heeft,
is die van C. Zenghelis. Hij verwierp terecht de 19
de
-eeuwse visie dat het
Griekse vuur een min of meer vaste mengeling was en poneerde dat het
half vloeibaar was. Toch bleef ook hij sterk vasthouden aan salpeter als
sleutelement. Daarenboven beschouwde hij het propyron, dat bij Leo VI
vermeld is
123
, als een aparte, buskruitachtige mengeling die voor de lance-
ring van het Griekse vuur moest zorgen
124
. Deze interpretatie van het
woord blijkt niet te kloppen als men een vergelijking maakt met de passage
uit de De Cerimoniis, die eerder de visie begunstigt dat met propyron een
toestel bedoeld wordt dat het mengsel voorverwarmde
125
. Dat er bij het af-
vuren eigenlijk twee verschillende substanties zouden gebruikt zijn, kan
door geen enkele bron ondersteund worden, integendeel.
M. Mercier formuleerde een visie die eindelijk een belangrijke plaats toe-
kende aan de aardolie, onder invloed van de boeken van R. J. Forbes, die
stelde dat het belang van petroleum in de oudheid en vroege middeleeuwen
sterk onderschat werd. Volgens hem was het Griekse vuur wel degelijk
echt vloeibaar, maar wel met salpeter als element dat de kracht aan het
wapen gaf. Hij stelde ook meer vragen bij de manier van afvuren, maar
kon niet tot een echte oplossing voor dit probleem komen
126
.





123
LEO VI, Tactica, XIX, §51.
124
C. ZENGHELIS, op. cit., pp. 277-278.
125
Zie pp. 27-28.
126
M. MERCIER, op. cit.
33
C. NIEUWE THEORIEËN

Het begin van de kentering in het onderzoek naar het Griekse vuur werd op
gang gebracht door het werk van de Nederlandse wetenschapper R. For-
bes
127
. Hij wees de theorie dat dit wapen een voorganger van het buskruit
was, resoluut af en kwam tot de conclusie dat de basis van het mengsel pe-
troleum was, waaraan dan een aantal vaste componenten toegevoegd wer-
den. Toevoeging van salpeter achtte hij niet onwaarschijnlijk, maar was
volgens hem niet van primordiaal belang. Ook ongebluste kalk, zwavel en
allerlei harsen behoorden waarschijnlijk tot de mengeling
128
. Een belang-
rijke verandering van de invalshoek vanwaaruit dit onderwerp bestudeerd
wordt, was ook dat hij stelde dat er eigenlijk geen sprake kan zijn van één
Grieks vuur. Daarentegen kwam hij tot de vaststelling dat er verschillende
mogelijke types bestonden met variatie in de componenten. Zo bestond er
volgens hem ook een minder vloeibare versie, het vØc .(\)(-., dat moge-
lijk gebruikt werd voor de /..cc.¹...ς, handsifons, en waarvan A. Brock
waarschijnlijk een juiste beschrijving gegeven heeft
129
.

Zijn nadruk op aardolie is terecht gebleken. Zoals we verder zullen zien,
zijn de bewijzen in Arabische bronnen hierover onomstotelijk. R. Forbes
verwijst ook naar een Latijns document uit de 9de eeuw waar nafta en
boomhars als componenten van Grieks vuur vermeld worden
130
. De By-
zantijnen beschikten aan het eind van de 7de eeuw zeker over voldoende
oliebronnen die zich vooral in de omgeving van de Kaukasus en de Zwarte
Zee bevonden (en die nu nog altijd gebruikt worden). Constantinus Porp-
hyrogenitus geeft zelfs een opsomming van de olievelden waarover hij kon
beschikken
131
.
Tenslotte wijzen meerdere teksten erop dat het Griekse vuur enkel uitge-
doofd kon worden met azijn, urine, zand of met vilten doeken die in azijn
gedrenkt waren. Dit zijn identiek dezelfde remedies die we al vele eeuwen
daarvoor terugvinden voor het uitdoven van pek of nafta
132
.

Een echt volledig nieuwe interpretatie werd in 1960 geformuleerd door J.
Partington
133
. Voor hem was het uitgesloten dat salpeter deel uitmaakte

127
R. J. FORBES, More studies in early petroleum history 1860-1880, pp. 70-90; ID., Studies in ancient
technology, I, pp. 105-109.
128
Dit lijkt dus al veel sterker op het geciteerde recept van Marcus Graecus.
129
R. J. FORBES, More studies in early petroleum history 1860-1880, p. 87.
130
ID., op. cit., p. 83. Deze tekst is ook zeer interessant i.v.m. de lanceermethode van het Griekse vuur en
zal verder aan bod komen. Zie p. 47.
131
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, De administrando imperio 53, 493-511.
132
Zie hoofdstuk V.
133
J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 28-32.
34
van het Griekse vuur omdat de Byzantijnen het simpelweg nog niet ken-
den. Het geheim lag volgens hem in gedistilleerde petroleum. Distillatie is
een proces dat al gekend was bij de Alexandrijnse chemici vanaf de 3de
eeuw v.C., maar werd toen zeker nog niet toegepast op petroleum
134
. Vol-
gens hem was Callinicus daar als een van de eersten wel in geslaagd en
heeft hij daardoor een effectief vuurwapen kunnen creëren. Om de ver-
branding en het lanceren te verbeteren, werden er ook nog harsen en goed
brandbare, vaste stoffen aan toegevoegd. De precieze componenten kon-
den variëren.
Ook deze theorie roept vragen op. Zijn hypothese over het ontwikkelen
van distillatietechnieken voor aardolie door de Byzantijnen kan niet gecon-
troleerd worden, aangezien geen enkele bron uit die tijd daar iets over zegt.
Bovendien lag de technische kennis van de Arabieren zeker niet op een la-
ger niveau en ten laatste in de 9de waren zij in staat om petroleum te dis-
tilleren
135
. Moest het geheim (enkel) hierin gelegen hebben, zouden zij dus
ook al snel eenzelfde Grieks vuur ontwikkeld hebben, wat waarschijnlijk
niet zo is
136
.
Zoals wij reeds uiteengezet hebben, heeft J. Partington ook proberen aan te
tonen dat de Byzantijnen gezuiverde salpeter niet kenden. Ondanks het
feit dat hij er in geslaagd is aan te tonen dat dit waarschijnlijk het geval is
voor de Romeinen, kan men dit niet zomaar doortrekken tot in de Byzan-
tijnse tijd. Probleem is dat Byzantijnse bronnen ons zeker nooit de oplos-
sing kunnen geven want zij zouden natuurlijk nooit de sleutel tot het ge-
heim verraden.
De stelling dat salpeter onbekend was buiten China tot ca. 1125 is onjuist
gebleken. Al in de 10de eeuw is het immers beschreven door de Arabie-
ren
137
.

Meer bevredigend is de visie van H. Davidson. Hij sluit niet a priori het ge-
bruik van salpeter uit, maar acht het weinig waarschijnlijk dat de gezui-
verde vorm op het einde van de 7de eeuw al voldoende bekend en beschik-
baar was om het regelmatig in te zetten. Enkele eeuwen later is het ge-
bruik van salpeter veel waarschijnlijker, maar het vormt dus zeker niet het
belangrijkste element van het Griekse vuur. Basisingrediënten waren
aardolie, in ruwe of gezuiverde vorm, harsen, en mogelijk ongebluste kalk
om het gemakkelijker te laten branden op water. H. Davidson acht vooral
de specifieke lanceermethode van belang
138
.

134
R. J. FORBES, Short history of the art of distillation, Leiden, 1948, pp. 13-28.
135
A. Y. AL-HASSAN, D. R. HILL, op. cit., pp. 144-145.
136
Zie hoofdstuk III, 2, B.
137
Zie p. 31.
138
H. R. ELLIS DAVIDSON, The secret weapon of Byzantium, pp. 69-70.
35
In dezelfde richting redeneren J. Haldon en M. Byrne, maar zij leggen de
nadruk volledig op de manier van afvuren en niet op de samenstelling. Die
bestond volgens hen enkel uit aardolie. Distilleren was zelfs niet nodig als
ze maar opgewarmd werd voor het afschieten
139
.

Op al deze studies is er door V. Christides fundamentele kritiek gegeven.
Hij stelt aan de kaak dat in al die decennia van onderzoek een belangrijke
categorie aan bronnen grotendeels over het hoofd gezien is, namelijk de
Arabische. Die zijn gedeeltelijk wel gebruikt bij de bestudering van de oor-
logvoering tijdens de kruistochten en van het ontstaan van het buskruit,
maar het belang voor de vroegere periode is over het hoofd gezien en bo-
vendien zijn vele tactische geschriften maar onlangs of zelfs nog niet gepu-
bliceerd.
In tegenstelling tot de karige informatie die de Byzantijnse teksten ons bie-
den, leveren enkele Arabische traktaten over oorlogswapens wel een be-
langrijke bijdrage tot een beter inzicht in deze materie. De moslims be-
schikten al snel na de Byzantijnse overwinning in 677 over een eigen arse-
naal aan vuurwapens op basis van aardolie, onder de gemeenschappelijke
noemer naft, en die soms gelijk gesteld werden aan het Byzantijnse Griekse
vuur. Of het hier werkelijk om identiek hetzelfde wapen als dat van de By-
zantijnen gaat, is twijfelachtig, maar het verschil lag waarschijnlijk in de
lanceermethodes, eerder dan in de samenstelling
140
. De Arabische bron-
nen tonen ons duidelijk aan dat er veel verschillende versies en mengelin-
gen bestonden die allemaal naft genoemd werden, maar die wel allemaal
dezelfde grondstof bevatten: aardolie. Christides beklemtoont dat het dus
zinloos is te zoeken naar een recept met speciale ingrediënten dat door de
Byzantijnen geheim gehouden werd, zoals ook recente geleerden soms nog
doen
141
. Behalve petroleum werden vooral zwavel, pek, ongebluste kalk
en pijnboomhars gebruikt, maar in latere tijden soms ook salpeter
142
. Al-
hoewel de teksten met formules uit een vrij late periode dateren (12de-15de
eeuw), geven ze veel kennis weer van veel vroegere generaties, zoals som-
mige zelf benadrukken.
Een van de belangrijkste voorbeelden is Het handboek van bewapening
samengesteld voor Saladin, geschreven door MurdŒ Ibn al-TarsÓs® (begin
13de eeuw). Hij geeft maar liefst 17 verschillende recepten, maar opvallend
is dat er nergens sprake is van salpeter. Het voorschrift dat het meest onze
aandacht trekt, luidt als volgt
143
:

139
J. F. HALDON, M. BYRNE, A possible solution to the problem of the Greek fire, p. 92.
140
Zie hoofdstuk III, 2.
141
Zie bijvoorbeeld E. PÁSZTHORY, op. cit.
142
V. CHRISTIDES, art. Naft, pp. 885-886.
143
C. CAHEN, Un traité d’armurerie composé pour Saladin. Recepten van nafta: pp. 145-148.
36

Vervaardiging van nafta die drijft op het water en die uitstekend geschikt is
om de schepen in brand te steken.
Teer, 1 deel; minerale zwavel, dit wil zeggen nafta, 1 deel; hars, hetzelfde;
sandrak, hetzelfde; zuiver en helder dolfijnvet hetzelfde; vet van geitennie-
ren, hetzelfde; gele zwavel, hetzelfde. Hetgeen wat fijngestampt moet wor-
den, fijnstampen. (Doe) de in de ketel op het vuur, en wanneer het kookt,
moet je er de sandrak aan toevoegen en roeren tot het mengt. Wanneer dat
gedaan is, moet je daarop minerale zwavel gooien die allemaal oude olie is,
en wegnemen (van het vuur). Wanneer de behoefte komt ervan te nemen,
moet je het doen koken totdat men vaststelt dat het gaar is, ontsteken, en op
het water afvuren naar de schepen die je wil raken. Dat maakt een grote
brand en het loopt op het water zonder uitgedoofd te kunnen worden.

In een ander manuscript van latere datum (15de eeuw), maar dat zeker te-
ruggaat op veel ouder materiaal, worden enkele formules weergegeven waar
salpeter wél als een van de ingrediënten vermeld wordt
144
.
Tenslotte vinden we nog een mooi voorbeeld in een manuscript van Marcus
Graecus uit München (begin 15de eeuw)
145
. Het volgende recept is in geen
enkele andere codix geattesteerd en gaat zo goed als zeker terug op Arabi-
sche bronnen. Grieks vuur in glazen flesjes gieten, of het afschieten met
pijlen en ballista’s, werd door de Byzantijnen immers niet toegepast, maar
juist wel door de Arabieren
146
.
Opvallend is dat er hier opnieuw geen sprake is van salpeter. De integrale
tekst luidt als volgt
147
:

X. Ignis graecus ita componitur:
Accipe classam
1
et galbanum, serapinum et opponacum
2
aequaliter, in mortario subtilis-
sime terre. Deinde in potto misce habente longum et strictum orificium et lento igne li-
qua; quibus fusis adde sulfur vivum, kekabie
3
et picem navalem et fimi columbini dupli
primi pulveris. Incorpora simul cum spatulâ cupri et deinde oleum laterinum, terebenti-
num distillatum, alkitran
4
et oleum et sulforis liquefacto et calida aequali mensurâ super
infunde et optime incorpora cum spatula agitando, donec fiat ad modum vernicis. In-
fundatum in ampulla pone vitrea orificio deinde clauso quam in fimo equino bene calido
septem per dies ita ut simul dissolvatur et liquidum fiat ad modum unguenti; fimum de
die in diem revolvendo: postea distilla in cucurbita vitrea vel vitrata alembico superposito

144
V. CHRISTIDES, New light on navigation and naval warfare in the eastern Mediterranean, the Red
Sea and the Indian Ocean (6
th
-14
th
centuries A.D.), pp. 10-11.
145
M. P. E. BERTHELOT, La chimie au moyen âge, I, pp. 124-125; J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 55.
146
Zie hoofdstuk III, 2.
147
M. P. E. BERTHELOT, loc. cit.
37
et clausis juncturis cum luto tenacissimo et sic separabis oleum a pulveribus, veluti aquam
rosaram, igne lente carbonum.
Cum que hoc uti volueris habeas sagittam quadratam cum foraminibus perforatam, inte-
rius concavam et pone tentas de papyro oleo predicto intinctas et accensas. Protinus jacta
quo volueris cum arcu vel balista. Qui siquidem ignis extingui non potest nisi cum qua-
tuor rebus supradictis; aqua vero super aspersa magis inflammat ipsum.
In petroleo pone pulverem sulfuris minutissimi intra phialam vitream et appone si vis ig-
nem et projice ignem, quia solo motu accenditur et hic est ignis graecus.
1. Waarschijnlijk een harsachtige substantie. Mogelijk sandrak.
2. Opoponacum (?) Wel zo vertaald, maar niet verbeterd in de tekstuitgave.
Panax was in de oudheid bekend als een wonderplant die alle ziekten zou genezen.
3. Totaal onbekend woord.
4. Perzisch woord voor pix liquida.

Het Griekse vuur wordt zo vervaardigd:
Neem classa en moederhars, hars van een fijnspar en sap van een panax in
gelijke delen; stamp het zeer fijn in een mortier. Meng het vervolgens in een
pot met een lange en smalle opening, en laat het smelten op een zacht vuur.
Nadat ze samengesmolten zijn, voeg dan pure zwavel, kekabie, scheepspek
en duivenmest toe in dubbele hoeveelheid dan het eerste poeder. Vermeng
het tezamen met een koperen spatel en voeg vervolgens olie van baksteen,
gedistilleerde terpentijnolie, vloeibare pek en zwavelolie
148
toe. Giet ze in ge-
lijke verhouding over het materiaal dat vloeibaar geworden gemaakt is door
warm water en meng ze zeer goed door met de spatel te roeren, totdat het
het uitzicht van vernis krijgt. Giet het in een glazen kolf, sluit de opening en
plaats het dan in paardenmest die goed warm is gedurende zeven dagen,
zodat het tegelijk opgelost wordt en vloeistof wordt op de wijze van zalf. De
mest moet van dag tot dag omgekeerd worden. Distilleer het daarna in een
glazen of verglaasde (aarden) pompoenvormige kolf, na een alembiek daar-
boven te hebben geplaatst en na de naden gedicht te hebben met zeer vast-
houdende lijm Zo zal je de olie scheiden van de poederige substanties, zoals
bij rozenwater, op een zacht vuur van houtskool.
Wanneer je dit wil gebruiken, moet je een vierkante pijl gebruiken die door-
boord is met gaatjes en volledig uitgehold is. Plaats wieken uit papier die in
de hierboven vermelde olie gedrenkt zijn en aangestoken zijn. Schiet ze on-
middellijk af waarheen je wil met een boog of ballista.
Dit vuur kan niet gedoofd worden tenzij met de vier hoger vermelde dingen.
Water echter, dat erop gesprenkeld wordt, doet het zelfs nog meer opflakke-
ren.

148
In Arabische geschriften vaak gebruikt synoniem voor petroleum.
38
Voeg aan de petroleum poeder van zeer fijne zwavel toe in een glazen flesje.
Steek het aan met vuur als je wil en lanceer het vuur, omdat het alleen door
de beweging aangestoken wordt. En dit is nu het Griekse vuur.

Als conclusie kunnen wij ons het meest vinden in de bevindingen van V.
Christides en zijn wij van mening dat het Griekse vuur niet bestond uit een
geheime formule waarin salpeter de belangrijkste factor was, maar dat het
hier ging om een waaier van verschillende composities die als basiselement
aardolie gemeen hadden. Andere vaak gebruikte ingrediënten waren har-
sen, zwavel, ongebluste kalk en waarschijnlijk ook salpeter, dat echter pas
later zijn intrede deed (ca. 10
de
eeuw). De formules evolueerden mettertijd
en werden ook aangepast aan de manier waarop men het wilde gebruiken.


3. Types en lanceermethodes van het Griekse vuur

Zoals wij reeds aangehaald hebben, kan men eigenlijk niet spreken van één
Grieks vuur, maar bestonden er vele variëteiten. Die diversiteit had vooral
te maken met de verschillende methodes waarop de aardoliemengsels afge-
vuurd werden. Globaal gezien hebben de Byzantijnen in de loop der tijden
een viertal types ontwikkeld. De eerste en belangrijkste versie is deze die
afgevuurd werd door de sifon en die enkel op zee gebruikt werd. Meestal
beschouwt men dit type als het ‘echte’ Griekse vuur in de strikte zin van
het woord en interpreteert men het als een soort vlammenwerper. Dit was
het oudste model en met behulp van dit wapen hebben de Byzantijnen de
Arabische vloot tijdens het beleg van Constantinopel in 674/677 verslagen.
Vanaf eind 9de/begin 10de eeuw ontstonden er kleinere versies die ook op
het land inzetbaar waren, zoals de handsifon en de strepton. Tenslotte
werd het Griekse vuur vaak ook in aardewerken kruiken gegoten die door
katapulten of mangels afgeschoten werden.
Bij de Arabieren was het arsenaal nog veel uitgebreider. Zij ontwikkelden
gesofisticeerde brandpijlen, glazen flesjes of soorten granaten die door al-
lerlei werptuigen afgeschoten werden. Bij hen werd het vooral te land inge-
zet
149
.

A. DE SIFON

Over de belangrijkste versie van het Griekse vuur, dat door middel van een
sifon gelanceerd werd en het best te vergelijken valt met een grote vlam-

149
Zie hoofdstuk III, 2.
39
menwerper, is er pas de laatste decennia vrij veel onderzoek verricht.
Voordien stelde men zich weinig vragen over hoe het aardoliemengsel ge-
lanceerd werd, aangezien alle aandacht naar de samenstelling ging. De
laatste tijd is het accent echter verschoven naar dit andere aspect sinds
aangetoond is dat er eigenlijk geen sprake kan zijn van een geheim recept
dat de Byantijnen angstvallig verborgen hielden. Vooral op het gebied van
de sifon die enkel bij zeeslagen gebruikt werd, is er vooruitgang geboekt,
maar ook hier blijkt de oplossing van het vraagstuk moeilijker dan ver-
wacht. Het grootste discussiepunt is de interpretatie van het woord sifon,
dat verschillende mogelijke betekenissen heeft, zoals we zullen zien. Toch
is het bronnenmateriaal vrij aanzienlijk en groter dan dat voor het pro-
bleem van de samenstelling, zodat wij nu uiteindelijk in staat zijn om een
globaal beeld van het lanceersysteem te schetsen.

Vertrekpunten om zo’n Byzantijns afvuurmechanisme te kunnen recon-
strueren, vormen hier de beroemde voorstelling van de vernietiging van de
vloot van Thomas de Slaaf (ca. 821) door het Griekse vuur in een Ma-
drileense codex van Joannes Scylitzes (13de eeuw)
150
, en een van de con-
stituties uit de Tactica van keizer Leo VI
151
:

|/.. . v(..H . c.¹..( -(( u. vc.c(. ..vcc).. /(\-è u.¹..c..
... .H . )H. . â .c-.u(c.... vØc -(( ä. ..(.. .. (-.. c(..
|(. (..).. . Ø .uu c.¹..H ..uv(.. (v c(..... -(. (u
v.c..../.c.... c(..c... .. ø cuc.(. (.c.H v\...c(. ÃH .v.c/
....H (v −H vc.c(H ä. v\..... (...(/..... u -(( −H v\...(H
...H \uH 3(\\..H . c.. ( . .v..uc.c.. v\...

In elk geval moet hij (scil. de dromon) zoals gewoonlijk de sifon, die met ko-
per bekleed is, vooraan in de boeg hebben. Daarmee zal hij het geprepa-
reerde vuur tegen de vijanden afvuren. En boven zo’n sifon (moet er) een
vals dek uit planken (zijn), ook zelf rondomrond afgeboord met planken,
waarop enkele mariniers zullen geplaatst worden om de aanvallen vanuit de
boeg van de vijanden af te slaan of om het hele vijandelijke schip te treffen
met gelijk welke wapens die ze zouden bedenken.

Een andere, dikwijls geciteerde tekst is een fragment uit de Alexias van
Anna Comnena. Met deze beschrijving is wel enige voorzichtigheid gebo-
den wegens het literaire karakter van de tekst en de late datering ervan
(begin 12de eeuw). Het is immers helemaal niet zeker of vier eeuwen na de

150
Zie Fig. 5.
151
LEO VI, Tactica, XIX, 6.
40
uitvinding het apparaat er nog hetzelfde uitzag. Volgens de prinses liet
haar vader, de keizer, zijn vloot op de volgende manier uitrusten
152
:

|...c-.. . uH l.cc(.uH Ø v.c. u. )(\((. v\..u .v.cu..(H
-(. ...H u. .. (uä. .(/u.. .. .-( cu vc.c( ä. v\... .( /(\-ä.
-(. c.uc.. \.... -(. (\\... /.cc(... ´. .. -.¹(\(H ..( c.(..
(...·..... -((c-.u(c(H. /cucä . v.c.c..\(H (u( .H .- ..uH ). (H
¹3.c. ¹(...c)(.. .( ä. cc.vä. -(( ä. v\..... ..\\. (¹.
.c)(. vØc .( ä. c.(.. (uä. v(c.c-.u(c. ....(.. .c. -.Ã. uH
\..(H -(. ˜\\( ä. .u.. ´... Ø .c.c.u·.c)(..

Omdat hij (scil. de keizer) wist dat de Pisanen ervaren waren in de oorlog op
zee en hij het gevecht met hen vreesde, liet hij in elke boeg van de schepen
bronzen en ijzeren koppen plaatsen van leeuwen en van andere landdieren
met opengesperde muilen, en liet hij ze met goud bekleden opdat ze door de
aanblik alleen al angst zouden uitboezemen. Het vuur dat door de ‘strepta’
tegen de vijanden moest gelanceerd worden, liet hij zo aanbrengen dat het
door de muilen van de dieren weggeslingerd werd, zodat de leeuwen en de
andere dergelijke beesten het schenen uit te braken.

En even verder
153
:

0 .... c..(^-H c\H u- .u(-.H −H ..( ä. l.cc(... .( /uH
(v.v..c. (\\ c..H -(. (cu.(-.H u.H vcc.3(\.. |(. (u; .
A(.u\¹;. vc.; vccv.\(c(; (.; v.cc(.-(.; .(uc... (c/( vuc
.3(\. -(. u.. . v\.. ..c·(c( u vuc; c-.(c)..;. ´0 . \.·
...; |\.u... -.u;. (.(.c/u..; ..·.c. v\.. -(( vcu..(. vcc3(\...
.; vu(\..; uu v.c.v.c.. -(. .u .u/.c.; ./.. .-..).. .
(v\.c(c)(.. -(.c/.)u (. .. .u ·c·.; vc; u. c-.uu. (v... -(. vuc
-( (u.. (¹..; u- (c/( .3(\... |.( u. .(u. .v. )(.c( ·c·.;
..(¹.c.. -(. ..c(; v(c(/cu.( c..; ..·.c(; .vucv\.. .. 3(c3(c..
.(u;. |v.. (.( -(. cucc¹u (...u u. )(\((. ()c. .v..cv.cuc(
..(c(. (; . .(u; cu..c.3. -(. ...u 3u).´... uv..\.. .cc/)..
·(c -u.(. ..c. ·.c(. (. -.c(.(. ( ) .c.( ..ccu·.u.. .-...(
.)...; . 3(c3(c. ... .( v..v.... vuc u. ·(c .)(.; u c(.
.u.. c-.u.. u vuc; (.. ... ¹uc.. u. ¹c(. ./.;. v..v...u
.¹ ( 3u\.(. v. .v.. -(( . vc(..; v\\(-.; -(. .¹ .-(.c(.
. uv u )(\(.u -\u..; cu·/u)...; . .u. ¹u·(..(; u.(..

De Byzantijnse vloot riskeerde echter geen gevecht met de Pisanen in slag-
orde, maar viel hen snel en ordeloos aan. Landulfus zelf naderde als eerste

152
ANNA COMNENA, op. cit., XI, X, 2.
153
EAD., op. cit., XI, X, 4.
41
de Pisaanse schepen, maar hij lanceerde het vuur zonder doel te treffen en
hij bereikte niets meer dan dat het vuur rondgestrooid werd. Comes Ele-
emon viel het grootste schip stoutmoedig aan langs de achtersteven, maar
belandde tussen zijn riemen. Omdat hij zich daar niet gemakkelijk uit kon
bevrijden om verder te varen, zou hij in de val gezeten hebben, als hij niet
krachtdadig teruggegrepen had naar het wapen. Toen hij het vuur naar hen
lanceerde, trof hij niet zonder succes raak. Vervolgens keerde hij wild zijn
schip naar de andere kant en deed dadelijk drie andere boten van de barba-
ren in brand vliegen. Toen op hetzelfde moment ook plotseling een wervel-
storm losbrak en de zee woelig maakte, verbrijzelde ze de schepen en dreig-
de ze hen bijna tot zinken te brengen (want de golven bruisten, de ra’s
kraakten en de zeilen scheurden). De barbaren werden door paniek bevan-
gen, enerzijds door het afgeschoten vuur (want ze waren niet gewoon aan
dergelijke wapens of vuur, dat van nature uit naar boven opstijgt, maar dat
nu gestuurd werd naar waar degene die het afvuurde wilde, dikwijls naar
beneden en naar elk van beide (zijden)), anderzijds werden zij in verwarring
gebracht door de woelige zee en sloegen op de vlucht.

Een laatste belangrijk kenmerk vinden we terug bij Liutprand van Cremo-
na. Bij de vernietiging van de Russische vloot in 941 door het Griekse
vuur merkt hij op dat een woelige zee nadelig is voor de lancering ervan
154
.

Hetgeen uit deze bronnen kan afgeleid worden, is van fundamenteel be-
lang, maar is al bij al gering en laat nog vele hypotheses open.
Wat met zekerheid kan verworpen worden, is de stelling van de voorname-
lijk Franse onderzoekers van de 19de eeuw die het Griekse vuur als een
rechtstreekse voorloper van het buskruit zagen en het dus eerder als een
min of meer vaste substantie beschouwden. Zij besteedden nauwelijks
aandacht aan de manier waarop het mengsel uiteindelijk afgeschoten werd.
Omdat een van de meest voorkomende betekenissen van sifon ‘buis, pijp’
is, interpreteerden zij het toestel min of meer als een primitief kanon. Zo-
als gebleken is, was hun visie over de samenstelling van het Griekse vuur
niet correct en ging het hier om een soort vlammenwerper die een
(half)vloeibaar mengsel lanceerde
155
. Dit blijkt overigens ook uit de minia-
tuur, alhoewel ze sterk vereenvoudigd en gestileerd is, en ons verder weinig
vooruit helpt om te weten te komen hoe het systeem werkte.
Wat wel correct is, is dat het in essentie ging om een buis of pijp uit me-
taal, meer bepaald uit koper of, waarschijnlijker, brons, zoals Leo VI ook
aangeeft. Zijn aanwijzing /(\-è u.¹..c.... is wel wat misleidend en heeft

154
LIUTPRAND CREMONENSIS, Antapodosis, V, 15. Zie pp. 97-98.
155
Zie hoofdstuk II, 2.
42
dan ook soms tot verkeerde conclusies geleid
156
. Het betrof hier geen hou-
ten buis die aan de buitenkant en/of de binnenkant bekleed was met ko-
per of brons, want die zou niet bestand geweest zijn tegen de hitte en de
kracht waarmee het oliemengsel gelanceerd werd. Wel degelijk de hele pijp
was gemaakt uit brons, zoals ook Anna Comnena en enkele Arabische tek-
sten aangeven
157
.
Of de buizen aan de uiteinden normaliter versierd waren met dierenkop-
pen, is twijfelachtig. In geen enkele andere bron vinden we iets dergelijks
terug. Mogelijk ging het hier om een toevoeging van keizer Alexius zelf met
een psychologische bedoeling, nl. om de Pisanen, die helemaal niet ver-
trouwd waren met het Griekse vuur, extra schrik aan te jagen. Heel inte-
ressant gegeven is dat de sifon wendbaar was en het vuur in verschillende
richtingen kon afschieten.

Blijft echter nog het belangrijkste probleem: welk systeem zorgde er uitein-
delijk voor dat de nafta door die buis naar de vijandelijke schepen afge-
vuurd werd? Dat het geheel niet zo eenvoudig te bedienen was, maar dat
dit toch mogelijk was met een zeer klein aantal mensen, leren ons enkele
indirecte verwijzingen. In de tijd van Leo VI stond slechts één persoon in
voor de bediening van de sifon
158
.

ä. . vc.c... .\(ä. . .\.u(Ã. u ... .c. c.¹..(.c. .
..cH (H (·-uc(H 3(\\.. -(( )(\(cc(..

van de laatste twee roeiers in de boeg moet de ene de bediener van de sifon
zijn, de andere diegene die het anker in zee werpt.

Enkele decennia later lijken dat er drie per sifon te zijn op de grote dro-
mons, maar slechts 1 bij de kleinere oorlogbodems
159
. In elk geval waren
er dus niet veel mannen nodig om het hele systeem te bedienen, maar ze
waren vast en zeker goed opgeleid, net zoals de bedieners van de andere
oorlogsmachines
160
:

|(. ä. .u/(.u.(.. (. v(c(c-.u(. -(. (. ...(c.(. u ... v(c( cØ
u.(.(. ·.·..c)(.. ( \\( -(. . .v...(H ä. cu.... c. .(··(.(c... -(.
.v.u.... (.cä. vcH (H .(u(H -((c-.u(H.


156
H. W. L. HIME, The origin of artillery, p. 36.
157
J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 17; V. CHRISTIDES, op. cit., pp. 5, 12-14.
158
LEO VI, op. cit., XIX, 8.
159
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, De Cerimoniis, 669, 16-17; 670, 9-10. Zie C. G.
MAKRYPOULIAS, The navy in the works of Constantine Porphyrogenitus, pp. 169-170.
160
LEO VI, op.cit. XV, 35.
43
De oefeningen en voorbereidingen voor de toestellen kunnen niet alleen door
jou (scil. de generaal) gebeuren, maar ook met behulp van de vindingrijkheid
van de ingenieurs van oorlogsmachines die jou ter beschikking staan en van
de mannen die geschikt zijn voor dergelijke werktuigen.

Deze gespecialiseerde elitesoldaten waren onmisbaar voor de lancering van
het Griekse vuur en hun dood tijdens het gevecht betekende dan meestal
ook dat het toestel niet meer gebruikt kon worden. Zo vertelt ons ook een
Arabische geschiedschrijver, Ibn al-Atir, bij de belegering van de stad Dvin
in 927
161
:

Dat zelfde jaar trok de Domesticus aan het hoofd van een omvangrijk Byzan-
tijns leger op tegen de stad Dvin, waar Nasr al-Subki zich bevond met de
troepen die belast waren met de verdediging. De Domesticus had torens, be-
legeringsmachines en vlammenwerpers, waarvan het vuur 12 mannen kon
bedekken en zo krachtig en kleverig was dat niemand ertegen kon stand-
houden. De bediener van het toestel was zelf een soldaat en een van de
dapperste. Maar een muzelman schoot een pijl op hem af die hem doodde
en Allah verloste de muzelmannen zo van die pest.

Het gaat hier wel om een kleinere versie van een vlammenwerper die op het
land ingezet werd, maar een dergelijke situatie kon zich evengoed voordoen
bij de sifonators op de schepen.

We moeten dus op zoek gaan naar een lanceersysteem dat met weinig
mankracht bediend kon worden, maar toch vrij ingewikkeld moet geweest
zijn, daar slechts een kransje ingewijde soldaten in staat was het Griekse
vuur af te schieten.

In het verleden meenden veel geleerden dat de drijvende kracht bestond uit
een pompsysteem. In de hellenistische tijd werd op het gebied van de
pneumatiek een enorme vooruitgang gemaakt en ontwikkelde men vrij in-
gewikkelde toestellen. De meest bekende is ongetwijfeld de dubbelwerken-
de perspomp van Ctesibius (3de eeuw v.C.). Zijn traktaten zijn niet be-
waard gebleven, maar zijn uitvinding werd wel beschreven door Philo van
Byzantium (2de eeuw v.C.)
162
, Vitruvius (1ste eeuw v.C.)
163
, en tenslotte
door Hero van Alexandrië (2de eeuw n.C.)
164
. Bij deze laatste geleerde is de
pomp veel verder ontwikkeld, wordt hij gebruikt als een brandspuit, zoals

161
IBN AL-ATIR, VIII, 129-130. Zie A. A. VASILIEV, Byzance et les Arabes, II, 2, p. 150.
162
PHILO BYZANTIUS, Pneumatica, appendix 1 (enkel in een Arabische vertaling bewaard).
163
VITRUVIUS, De architectura, X, 7.
44
hij uitdrukkelijk vermeldt, en krijgt het toestel de benaming c.¹... Een
dergelijk blusapparaat werd zeer sterk aangeraden door zijn tijdgenoot
Apollodorus van Damascus om de houten belegeringsmachines en –torens
van brand te sparen
165
.
Behalve de literaire beschrijvingen van zo’n dubbelwerkende perspomp zijn
ook enkele echte exemplaren aan het licht gekomen bij archeologische op-
gravingen. De bekendste zijn de twee die in de 19de eeuw gevonden zijn
nabij het Italiaanse Bolsena
166
, maar een recentere vondst in Silchester
bracht een houten exemplaar aan het licht dat gecompliceerder en veel
compacter is dan de andere
167
.
De overstap van een blusapparaat naar een gelijkaardig pompsysteem dat
petroleum in plaats van water kan lanceren, is in theorie inderdaad niet zo
groot en daarom heeft dat idee redelijk veel succes geoogst. Al een kleine
eeuw geleden werd een dergelijk voorstel voor het eerst gesuggereerd door
E. von Lippmann, maar niet echt verder uitgewerkt
168
. Dit gebeurde wel
door R. Forbes die voor deze theorie bevestiging meende te zien in de al
vermelde tekening uit het manuscript van Joannes Scylitzes. De min of
meer rechte, horizantale lijn die de vlammen beschrijven, wijst volgens hem
op het gebruik van een pneumatisch toestel
169
.
Ongetwijfeld klinkt dit idee logisch en aannemelijk, maar toch blijken er
enkele belangrijke bezwaren te zijn. Een eerste kritiek die al geuit werd
door C. Zenghelis is dat een pompsysteem helemaal niets geheim en
nieuws was, maar al eeuwen gekend was, ook door de Arabieren trou-
wens
170
. Later zijn vooral een paar praktische bezwaren naar buiten ge-
bracht. Zo is het bijzonder moeilijk om met twee man druk genoeg te creë-
ren om een krachtige straal petroleum naar buiten te spuiten. Het bereik
ervan zou dus zeer beperkt zijn. Alhoewel we nergens een indicatie hebben
van de precieze afstand die het Griekse vuur kon afleggen, moet het toch
meer geweest zijn dan de schamele paar meter die met een dergelijk pomp-
systeem bereikt kunnen worden. Anders was het in de praktijk van weinig
nut in een zeegevecht. Bovendien was er vaak zelfs maar één bediener voor
het apparaat, zoals we al vermeld hebben, wat zeker onvoldoende is.

164
HERON ALEXANDRINUS, Pneumatica, I, 28.
165
APOLLODORUS DAMASCENUS, op. cit., in R. SCHNEIDER, op. cit. , I, p. 36.
166
Zie Fig. 6.
167
Zie Fig. 7.
168
E. O. VON LIPPMANN, Zur Geschichte des Schiesspulvers, p. 131.
169
M. MERCIER, op. cit., pp. 28-29. Het artikel van R. J. Forbes waarnaar verwezen wordt, hebben wij
niet kunnen terugvinden ondanks verwoed zoekwerk.
170
C. ZENGHELIS, op. cit., p. 278, n. 3.
45
Een ander probleem is dat aardolie op zich niet genoeg ontvlambaar is en
bij het afvuren vaak zou uitdoven
171
.

De meest waarschijnlijke oplossing tot op de dag van vandaag is voorge-
steld door J. Haldon en M. Byrne
172
. Zij zijn tot dit nieuwe model gekomen
door de nauwkeurige bestudering van enkele nieuwe, of vroeger verwaar-
loosde teksten, en door hun theoretische model in de praktijk uit te testen
tijdens een congres in Birmingham in 1974. Over de samenstelling zijn ze
kort. Die bestond uit ruwe of gedistilleerde aardolie. Bij hun experiment
konden ze al een bevredigend effect krijgen met ongedistilleerde nafta. Be-
langrijk is wel te beletten dat de meest vluchtige elementen eruit zouden
ontsnappen en daarom zou de olie bij lage grondtemperatuur verzameld
moeten worden. Het toevoegen van andere substanties is in feite niet no-
dig, maar kan wel de ontvlambaarheid nog verhogen
173
.

Als we hun schematische voorstelling bekijken, zien we vooral één belang-
rijk nieuw element, nl. een haardvuur of komfoor. Door de aardolie te ver-
warmen in een gesloten ketel wordt de ontvlambaarheid ervan sterk ver-
hoogd en wordt ook een sterke druk gecreëerd, die natuurlijk nodig is om
ver te kunnen spuiten. We moeten hier zeker niet denken aan een open
houtvuur, want dat is natuurlijk veel te gevaarlijk, maar aan een met ste-
nen of tichels afgesloten vuur dat aangestoken wordt met lonten in vlas of
linnen. Dit kan snel aangewakkerd worden door het gebruik van een
blaasbalg zodat bij het begin van het gevecht de olie snel op de gewenste
temperatuur kan gebracht worden. Waarschijnlijk wordt met het eerder
vermelde vcvuc. precies dit onderdeel bedoeld. Dat zou natuurlijk ook
het lawaai en de rook waarvan Leo VI spreekt, kunnen verklaren
174
en de
vermelding van keizer Constantinus Porphyrogenitus dat er een grote hoe-
veelheid vlas nodig was voor de vcvuc(
¹¯5
.

Opnieuw vinden we hiervoor geen verdere aanwijzingen in Byzantijnse
bronnen, maar enkele andere teksten lijken deze thesis te bevestigen.
Dat opwarming door een komfoor een belangrijk element in het lanceersys-
teem was, werd al enkele jaren voor de publicatie van J. Haldon en M. Byr-
ne vooropgesteld door H. Davidson op basis van twee documenten. Het

171
H. R. ELLIS DAVIDSON, The secret weapon of Byzantium, p. 71; J. F. HALDON, M. BYRNE, A
possible solution of the problem of Greek fire, p. 94, n. 11.
172
J. F. HALDON, M. BYRNE, op. cit., pp. 91-99. Zie Fig. 8.
173
EID., op. cit., p. 92, 97.
174
LEO VI, op. cit., XIX, 51.
175
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, De Cerimoniis, II, 44, p. 658: -(. v.c. Ø ..
.(c)−.(. \..(c.. \·. ä. vcvuc.. -(. -(\(¹(uc..H /.\.((H . . Zie J. F. HAL-
DON, M. BYRNE, op. cit., pp. 93-94, n. 8.
46
eerste is een nogal obscure Latijnse tekst uit de 9de of 10de eeuw die ei-
genlijk heel de essentie van de afvuurmethode beschrijft, waaronder ook de
aanwezigheid van een haardvuur. Vreemd genoeg werd dit fragment al
door R. Forbes ter sprake gebracht en vertaald, maar hij besteedde er
nauwelijks aandacht aan
176
. Het luidt als volgt
177
:

Materia ignis trium puerorum. Napta, stupa, pix, malleolis. Napth genus balsami nas-
cens in Babilonia in humentibus locis, quos vulgo mariscos appellamus, et quasi saginam
ibi aquam videtur natare. Sunt etiam duo genera balsami: unum nascens in monte Sina
sudans ex petra, unde petra olei; alterum ex virgultis que simul mixta procreant ignem
inextinguibilem. Nam pergentibus Saracenis ad bellum navali certamine in prima fronte
navis facta fornace illi insidunt vas eneum his plenum subposito igne, et unus eorum
fistula facta area ad similitudinem quam rustici squitiatoriam
1
vocant, qua ludunt pueri,
in hostem spargunt.
1. Totaal onbekend woord. Ondanks veel opzoekingswerk zijn we er niet in geslaagd ook
maar enig aanknopingspunt te vinden.

Samenstelling van het vuur van de drie kinderen(?). Nafta, touwwerk, pek
voor brandpijlen. Nafta is een soort van balsem die voorkomt in Babylonië
op vochtige plaatsen, die wij gewoonlijk moerassen noemen, en het schijnt
dat het water daar zwemt zoals vet voedsel. Er zijn zelfs twee soorten bal-
sem: één die ontspringt in de berg Sinaï en uit de rotsen opwelt, vanwaar
olierots, en een andere uit struiken. Te samen gemengd brengen ze een on-
uitblusbaar vuur tot stand. Want wanneer de Saracenen de strijd openen
met een zeegevecht, maken zij (scil. hun tegenstanders, nl. de Byzantijnen)
een haardvuur in de voorste boeg van het schip, en plaatsen daarop een
bronzen vat vol met die dingen, na eronder een vuur te hebben aangestoken.
Een van hen schiet op de vijanden met een bronzen pijp, gelijkend op wat de
boeren ‘squitiatoria’ noemen en waarmee de kinderen spelen.

Een andere, eerder ongewone bron die H. Davidson aanhaalt is Yngvars
Saga Vidfötla, een IJslandse sage die onder andere een verslag geeft van
een zeeslag met de Byzantijnen. Deze gebeurtenis speelde zich af in de
eerste helft van de 11de eeuw, maar de ons overgeleverde vorm van het
verhaal dateert pas uit het laatste kwart van de 13de eeuw. Ondanks de
aanwezigheid van een aantal imaginaire elementen bevat de sage er ook
heel wat waarheidsgetrouwe, zoals de volgende passage
178
:

176
R. J. FORBES, op. cit., p. 83.
177
ANECDOTA CAROLINA, pp. 6-7. Met dank aan Prof. J. Haldon om ons dit onvindbare artikel op te
sturen.
178
YNGVARS SAGA VIDFÖTLA, pp. 20-21. Vertaling: J. F. HALDON, M. BYRNE, op. cit., p. 93, n.
8.
47

Zij voeren voort tot waar de rivier zich in kanalen splitste, waar zij vijf bewe-
gende eilanden zagen die naderbij kwamen. Yngvar beval zijn mannen om
zich klaar te maken voor de actie, en ontstak een vuur met heilige vuursteen
en een tondel. Snel kwam er een van de eilanden op hen af en viel hem aan
met een grote regen van stenen, maar ze beschermden zich en schoten terug.
Toen de Byzantijnen ontdekten dat er een vastberaden weerstand geboden
werd, begonnen ze met blaasbalgen een fornuis aan te blazen met vuur erin,
wat een immens lawaai maakte. Er was ook een koperen pijp waaruit een
groot vuur geblazen werd naar een van zijn schepen, dat in één ogenblik tot
as opgebrand werd.

Tenslotte vinden we opnieuw in Arabische bronnen een bevestiging van het
feit dat een komfoor deel uitmaakte van het lanceersysteem. De Tunesi-
sche poëet ‘Ali Ibn Muhammed Iyadi vertelt onder andere dat het afvuren
van naft vergezeld ging met veel rook, afkomstig van een haardvuur
179
.
Waarschijnlijk was dat komfoor er mede de oorzaak van dat veel wind en
een woelige zee de lancering van het Griekse vuur bemoeilijkten
180
. Na-
tuurlijk verhinderden dergelijke weersomstandigheden ook dat men goed
kon richten en creërde men daardoor zelfs een potentiëel gevaar voor het
eigen schip.

Verder bestond het gehele systeem nog uit een metalen ketel waarin de
aardolie verwarmd werd en die goed luchtdicht moest zijn. Daaraan werd
een bronzen pijp verbonden en een pomp om nog voor extra druk te zor-
gen, maar die moest zeker niet zo krachtig en ingewikkeld zijn als het be-
schreven type van Ctesibius. Tussen de buis en de ketel moet zich een
klep of kraantje bevonden hebben. Dit werd geopend wanneer het mengsel
op temperatuur was en men het wilde afschieten op de vijand. Waar-
schijnlijk bevond zich tussen dit onderdeel en de pijp een draaibaar tus-
senstuk, mogelijk in leder, zodat men het vuur gemakkelijk kon richten
naar waar men wou, zoals Anna Comnena vermeldt. Aan het einde was er
een lamp of iets dergelijks geplaatst om de olie aan te steken op het mo-
ment dat die door de buis naar buiten kwam. Bij het aan elkaar lassen
van de onderdelen kwam er zeker tin aan te pas, zoals blijkt uit de De Ce-
rimoniis van keizer Constantijn
181
.


179
V. CHRISTIDES, The conquest of Crete by the Arabs (ca. 824). A turning point in the struggle be-
tween Byzantium and Islam, p. 65, n. 184.
180
LIUTPRAND CREMONENSIS, op. cit., V, 15. Zie H. R. ELLIS DAVIDSON, op. cit., p. 73.
181
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 45, pp. 675-676.
48
....)u uv.c (·cH ..cu -(c..cu \.c(. c ( )..( M./(u\ /u±
\·. -((-\\uc..H .(¹c.. . c·.. ä. c.¹u.... Ø 3(c.\.-Ø v\Ä.u.

…werd gegeven voor de aankoop een andere 200 litrai tin, die gegeven was
aan Michaël de metaalbewerker om verschillende delen van de sifons van de
keizerlijke vloot aan elkaar te lassen.

Hier betekent sifon dus duidelijk het gehele toestel, en niet enkel een meta-
len buis of pomp, zoals vele andere geleerden deze term interpreteren.
Waarschijnlijk is het tin hier vooral bedoeld om de ketel goed af te sluiten
en de verbindingen met de buis en de pomp te dichten.

Deze overe elementen van de opstelling van J. Haldon en M. Byrne vallen
ook goed te rijmen met de literaire informatie. In de geciteerde Anecdota
Carolina is er inderdaad sprake van een bronzen buis, maar ook van een
allusie op een of ander pompsysteem. Dat wordt beschreven als een
‘spuit’, en wijst erop dat het dus om iets vrij eenvoudig ging. De Arabische
medicus Abulcasis (11de eeuw) tenslotte, vergelijkt het voorwerp waarmee
naft gelanceerd wordt met een spuit zoals die voor medische doeleinden
gebruikt wordt
182
.

Beide auteurs zien wel nog een probleem met hun model, nl. met het ge-
vaar dat verbonden is aan het opwarmen van de olie. In de Byzantijnse tijd
bestond er nog geen veiligheidsklep die mogelijke overdruk in de ketel kon
laten ontsnappen. Er bestond dus een vrij groot risico op ontploffing.
Daarom waren de bedieners van het toestel juist zeer goed opgeleid en kon
het explosiegevaar zo beperkt worden. Waarschijnlijk zijn er in de realiteit
wel ongelukken gebeurd, maar daar horen we natuurlijk niets van. Door
die training konden ze weten hoe lang het vuur opgestookt moest worden,
hoeveel lucht bijgepompt moest worden en op welk moment precies de klep
geopend moest worden om het mengsel weg te spuiten. Dat dit allemaal
niet zo evident was vinden we ook terug bij de al vermelde tekst van Anna
Comnena: bij de eerste aanvalsgolf wordt het Griekse vuur helemaal niet
adequaat gelanceerd en slaagt men er niet in vijandelijke schepen in brand
te steken
183
.


182
ABULCASIS, p. 148.
183
ANNA COMNENA, op. cit., XI, X, 4.
49
Recent is er echter een totaal nieuwe hypothese gelanceerd door T. Kor-
res
184
. Hij meent dat het voorstel van J. Haldon en M. Byrne te gecompli-
ceerd is en dat het lanceermiddel niets anders was dan een ballista
185
.
Wat de samenstelling betreft, gaat hij akkoord dat het Griekse vuur hoofd-
zakelijk bestond uit aardolie met eventueel een toevoeging van zwavel en
ongebluste kalk. Dat salpeter mogelijk een van de ingrediënten zou kun-
nen geweest zijn, wijst hij resoluut van de hand.
Bij zijn hypothese hebben wij echter veel bedenkingen. Uit de geciteerde
bronnen en miniatuur blijkt overduidelijk dat de sifons een soort vlam-
menwerpers waren en helemaal niets te maken hadden met ballista’s. Bo-
vendien waren dergelijke toestellen al veel langer bekend
186
en worden
kruiken die gevuld waren met Grieks vuur en die met katapulten afgescho-
ten werden, ook nog eens apart vermeld
187
. Ook J. Haldon reageerde on-
langs scherp tegen de visie van T. Korres en bracht nog een aantal andere
argumenten contra aan. Zo wijst hij erop dat het type van ballista dat Kor-
res vooropstelt, in de latere Byzantijnse tijd niet meer in gebruik was. Bo-
vendien werd een dergelijk toestel nooit sifon genoemd, en werd door de
bronnen met dit begrip duidelijk het gehele lanceertoestel bedoeld, en niet
alleen de aardewerken kruik, zoals Korres meent. Zo is er bijvoorbeeld
sprake van dat er in elke dromon 3 sifons aanwezig moeten zijn
188
. Als
daarmee enkel potten gevuld met olie bedoeld worden, zou dit natuurlijk
absurd zijn. Tenslotte voert J. Haldon nog een technischer element aan,
namelijk een nieuwe interpretatie van het woord sifon, gebaseerd op een
artikel van G. Mastoropoulos
189
. Behalve de al bekende betekenissen zoals
pomp, buis, brandspuit en kleine pot, kan sifon ook geïnterpreteerd wor-
den als een specifieke soort aardewerken vat met een geïntegreerd buisje
voor het afvoeren van vloeistoffen (vooral wijn). De stap naar een grotere,
metalen container met een buis voor het afvuren van olie is dan niet ver-
af
190
.
Om al deze redenen kunnen we niet akkoord gaan met deze theorie en
denken we dat het voorstel van J. Haldon en M. Byrne nog altijd het
dichtst de waarheid benadert, al kan men dit tot op de dag van vandaag
moeilijk controleren. Het enige dat in verband met dit onderwerp echte

184
T. K. KORRES, )·c. lØc. |.( v\ uH 3u´(...uH .(u.-uH (-.-uH. Dit boek hebben
wij niet kunnen raadplegen, ondanks vele pogingen. Gelukkig worden in het artikel van Gabriele
PASCH, Il fuoco greco, de belangrijkste conclusies van Korres weergegeven. Zie vooral pp. 364-366.
185
Zie Fig. 9.
186
MAURICIUS, loc. cit.
187
LEO VI, op. cit. ,XIX, 56, 60.
188
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 45, p. 672.
189
G. S. MASTOROPOULOS, ¯.¹.. c.¹u.. .v.3..cu ..H (c/(.u (··..u, in Ac/(.
\·.-( (.(\.-( .c A)u.ä. 21, 1988, pp. 158-162.
190
J. F. HALDON, Theory and practice in 10
th
century military administration, pp. 278-280.
50
klaarheid kan brengen, is de archeologische ontdekking van een Byzantijns
oorlogsschip met een sifon aan boord, maar de kans daarop is klein. Mo-
menteel is het vooral de studie van de talloze, vaak nog ongepubliceerde,
Arabische teksten die vooruitgang mogelijk maakt, een werk waar vooral V.
Christides zich intensief mee bezig houdt.


B. ANDERE TYPES

Behalve de sifon zijn in de loop der tijden ook andere vormen ontstaan
waardoor Grieks vuur kon gelanceerd worden. Hierover is er echter nog
minder informatie terug te vinden dan wat de sifon betreft, zodat deze types
maar in het kort zullen behandeld worden.
Op het einde van de 9de of tijdens het begin van de 10de eeuw ontwikkel-
den de Byzantijnen kleinere toestellen om het Griekse vuur ook tijdens be-
legeringen op het land te kunnen gebruiken en om dus niet beperkt te blij-
ven tot zeeslagen. In de bronnen vinden we vanaf die periode twee nieuwe
types terug, namelijk de cheirosifon en de strepton.
Er blijkt grote verwarring te bestaan bij de geleerden over de precieze bete-
kenis van deze twee termen, wat niet verwonderlijk is aangezien de Byzan-
tijnse terminologie niet eenduidig is. Daarom stellen sommige moderne
auteurs de twee wapens gelijk aan elkaar
191
, maar in enkele tactische ge-
schriften lijkt het toch om twee verschillende zaken te gaan, zodat wij met
deze visie niet akkoord kunnen gaan
192
. Vaak is de interpretatie van de
gebruikte termen dubbelzinning. Het lijkt er sterk op dat de Byzantijnse
schrijvers de woorden cheirosifon, sifon en strepton zelf wel eens door el-
kaar haalden en met deze termen de ene keer het gehele instrument, en de
andere maal slechts een onderdeel ervan aanduidden
193
.

Over de strepton bestaat er nog het minste discussie: het gaat in elk geval
om een kleine soort vlammenwerper. Dat kunnen we afleiden uit een af-
beelding uit een manuscript van de Poliorcetica van Hero van Byzanti-
um
194
. Daarop is een soldaat op een houten aanvalsbrug te zien die een
vesting bestookt met een klein toestel in zijn hand dat vuur spuwt. Jam-
mer genoeg is de tekening te schematisch en te onduidelijk om te kunnen

191
Zie bijv. V. CHRISTIDES, New light on navigation and naval warfare in the eastern Mediterranean,
the Red Sea and the Indian Ocean (6
th
-14
th
centuries A.D.), pp. 7-8.
192
Zie bijvoorbeeld NICEPHORUS II PHOCAS, Praecepta militaria, I, 150-155; LEO VI, Sylloge tacti-
corum, 53, 8.
193
Zie bijvoorbeeld ANNA COMNENA, op. cit., XI, X, 2. Met strepton wordt hier hoogstwaarschijnlijk
slechts een onderdeel van het mechanisme bedoeld, nl. de draaibare buis. Het is dus niet hetzelfde als het
wapen dat hier nu besproken wordt.
51
zien hoe de man het apparaat juist bedient. Deze kwestie blijft een groot
vraagteken want de bijhorende tekst biedt weinig uitleg
195
:

|. . ...H ä. .v. −H .(3()c(H .c... -(. ..( cc.vä. .·/..c..
.. vuc3\.. -(( vcc.v. ä. v\..... .( vucH (-..´uc.. cØ.
uH è ../.. vc.cä(H vucuc... .c. u. (v −H .(/uH vcc
3\u. -(. u. Ø vucH .u uv¹.c.(H cu.u. (/.. (uuH uv.-¹.u
c.c)(. Ø vu.

Als sommigen van de soldaten die op de brug staan en, met strepta in de
hand die vuur afschieten, de gezichten van de vijanden met vuur bestoken,
zullen ze degenen die de muur verdedigen zoveel angst inboezemen dat ze
dadelijk van hun plaats zullen weggejaagd worden omdat ze de aanval van
de strijdmacht en de kracht van het vuur niet kunnen weerstaan.

Verder bezitten we geen enkele aanduiding die ons meer informatie kan
verschaffen over de werking van de strepton. In de weinige teksten waar
het wapen nog ter sprake komt, blijft de auteur steeds heel vaag. Het enige
wat we eruit kunnen afleiden, is dat het waarschijnlijk enkel op het land
ingezet werd, in de eerste plaats bij belegeringen. Opvallend is wel dat het
vaak in één adem vernoemd wordt met de cheirosifons, zoals in de volgende
tactische voorschriften
196
:

.Ã . . (c/u·. Ø cc(Ø ./... -(. /..c.(··(.( ..-c(. u\(-(.(
c.( -(. cc.v. ..( \(.vcØ -(. /..cc.¹u.(. Ë.(. -(. Çc.H -(. .
./)c. ± ..( -(. Çcu v(c((c.. /cu c.(.. .( . ä. /..c.(··(...
.( . Ø c-.u(cØ -(. -\\u.-Ø vucH .v.-c(.c.c. ·....(. <(.
v(c((c..H u.ä.> ä. uv..(.... -(. v(c(\uc.c.. (uuH.

De aanvoerder van het leger moet ook kleine handmangels bezitten, drie
‘elakatia’, een ‘strepton’ met vloeibaar vuur en een handsifon, , opdat, wan-
neer de vijanden een gelijke en even sterke slagorde gebruiken, onze strijd-
krachten door middel van de handmangels en van het geprepareerde en kle-
verige vuur de overhand zouden halen op de vijanden en hen uiteen zouden
drijven.

lcH .... uH .( -u\..c.. ÃH ../.c. vcc(·...uH cu\..uH vu
c·uH. uH . (-.-. .cu.(H ..(´uc.. \uc..\.Ã ( cc.v( -(\u
...( ( .( .u/(.−H u·c. v..v.( u\(− vØc. u -(. \(.vc.

194
Zie Fig. 10.
195
HERON BYZANTIUS, op. cit., p. 68.
196
NICEPHORUS II PHOCAS, loc. cit.; LEO VI, loc. cit.
52
v(c( ÃH v\\ÃH ..(´.(.. -(. ( \.·...( /..cc.¹..(. (v.c .Ø. u
3(c.\..( u.ä. .v.. uc..

Maar tegen de houten torens die op rollen naar de muren gebracht zijn, die
de tactici ‘mosynes’ noemen, zijn de zogenaamde strepta voordelig, die tegen
een oorlogswerktuig het vloeibare vuur lanceren, dat ook door de meesten
‘lampron’ genoemd wordt, en de zogenaamde handsifons, die ons regering
nu uitgevonden heeft.

Over hoe de strepton precies werkte, hebben slechts weinigen het gepoogd
een aannemelijke verklaring te vinden, en zij zijn daar dan ook niet echt in
geslaagd. Volgens C. Zenghelis zou het om een mechanisme gaan dat al in
de buurt kwam van de moderne vuurwapens van de 15de eeuw, maar dit
lijkt ons zeer onwaarschijnlijk. Op de tekening is toch een vlammenwerper
te zien, en niet een wapen dat projectielen afschiet zoals de oudste gewe-
ren, waarvan de eerste voorbeelden pas van enkele eeuwen later dateren.
In ieder geval moet het mechanisme hier van fundamenteel andere aard
geweest zijn dan dat van de sifon op de schepen, zoals men onmiddellijk
begrijpt als men de afbeelding ziet. Hier is totaal geen sprake van een
voorverwarmingssysteem. Hoe men dan de vlammen over een redelijke af-
stand kon lanceren is ons echter niet duidelijk. Dat het in elk geval een
geducht wapen was, vertelt ons Ibn al-Atir
197
.

Het woord strepton (afgeleid van het werkwoord cc.¹.(.) suggereert een
toestel met een draai- of pompmechanisme om druk te zetten op het meng-
sel, maar het is niet duidelijk op welke manier dat in zijn werk zou gegaan
zijn. Op de tekening zien we dat de soldaat met zijn rechterhand een be-
weging lijkt te maken, maar of hij nu werkelijk aan iets aan het draaien is,
is onmogelijk uit te maken. Mogelijk bevatte de vloeistof hier ook een ex-
plosieve component zoals salpeter, maar dit kan zeker niet de enige verkla-
ring geweest zijn. Het blijft dus nog steeds volop speculeren en het is wei-
nig waarschijnlijk dat hierover nog veel verduidelijking komt
198
.

Wat het andere nieuwe type, de cheirosifon, betreft, is er zelfs nog meer po-
lemiek dan over de strepton. Van dit vuurwapen is zelfs de aard niet zeker.
De discussie gaat vooral over het feit of het een vlammenwerper was of een
soort handgranaat. Zoals gezegd maken sommigen geen onderscheid tus-
sen de cheirosifon en de strepton, maar dit lijkt ten onrechte te zijn. Wel is
het enigszins vreemd dat Leo VI in zijn Tactica enkel de cheirosifon ver-

197
IBN AL-ATIR, VIII, 129-130. Zie A. A. VASILIEV, op. cit., II, 2, p. 150. Zie p. 43.
198
C. ZENGHELIS, op. cit., pp. 279-283; E. PÁSZTHORY, op. cit., p. 31.
53
meldt, maar in dat deel van zijn werk spreekt hij wel enkel over oorlogvoe-
ring op zee. Van een strepton lijkt enkel sprake te zijn op het land. Waar-
om hij dat wapen enkel in zijn kleinere werk, de Sylloge Tactirorum, ver-
meldt, blijft in elk geval zeer eigenaardig.
De tekst luidt als volgt
199
:

\cuc(c)(. . -(. ± (\\u ..). ä. .( /..cH 3(\\..... ..-cä.
c.¹.... v.c).. ä. c.ucä. c-u(c... v(c( ä. cc(..ä. -c(u
...... (v.c /..cc.¹..( \.·.(. v(c( −H u.ä. 3(c.\..(H ( c. -(.c-.u
(c...(. |..uc. ·(c -(. (u( Ø .c-.u(c...u vucH -(( ä.
vcc.v.. ä. v\......

Ook moet de andere methode gebruikt worden van kleine sifons die met de
hand geworpen worden vanachter de ijzeren schilden en die door de solda-
ten vastgehouden worden. Ze worden ‘handsifons’ genoemd en zijn onlangs
tijdens onze regering gefabriceerd. Want zij (scil. de soldaten) zullen ook de
sifons met het geprepareerde vuur in de gezichten van de vijanden werpen.

Op het eerste zicht zou men denken dat het hier om projectielen gaat die in
de gezichten geworpen werden van de vijanden, maar de meeste moderne
auteurs bestrijden deze visie en menen dat het om een soort vlammenwer-
pers ging
200
. Zij benadrukken vooral dat het wapen ‘hand-sifon’ genoemd
wordt en in de handen van de soldaten vastgehouden wordt. Volgens hen
zou dit dus logischerwijs een kleine versie van de scheepssifon en dus een
vlammenwerper moeten zijn. .( /..cH 3(\\..... ..-cä. c.¹.... verta-
len zij dan als ‘kleine sifons die met de hand bediend worden’, een interpre-
tatie die ons niet onmogelijk, maar toch wat geforceerd over komt. In de
Tactica van Nicephorus Uranus komt een gelijkaardige passage voor, onge-
twijfeld overgenomen van Leo VI, en deze versie maakt de laatste visie er
zelfs iets waarschijnlijker op, al sluit deze beschrijving geenszins uit dat
het om een geworpen projectiel gaat
201
.

Pas heel recent is de oude theorie dat het om een vorm van handgranaten
ging opnieuw in de belangstelling gekomen, in de eerste plaats door J. Hal-
don
202
. Als belangrijkste argument haalt hij de diversiteit aan betekenis-
sen van het woord sifon aan. Volgens hem kan met de kleine handsifon
evengoed een aardewerken kruik bedoeld worden en is dit niet in contra-

199
LEO VI, Tactica, XIX, 57.
200
J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 15; J. HALDON, M. BYRNE, op. cit., p. 97, n. 19; E. PÁSZTHORY,
op. cit., p. 32.
201
NICEPHORUS URANUS, op. cit., § 60, in A. DAIN, Naumachica, p. 84.
202
J. F. HALDON, Theory and practice in 10
th
century military administration, pp. 278-280.
54
dictie met de betekenis van sifon als een grote vlammenwerper in de boeg
van een schip
203
. De vraag is dan wel wat het vernieuwende element was,
aangezien kleipotten met brandbare substanties al sinds lange tijd ge-
bruikt werden. Misschien ligt dit hier in het feit dat ze met de hand gewor-
pen werden. Voor zover wij weten was er voordien enkel sprake van vrij
grote projectielen die met machines afgeschoten werden. Hoe die handgra-
naten er dan zouden uitgezien hebben, is ons ook niet meteen duidelijk,
maar misschien kan een eigenaardig flesachtig voorwerp ons een idee ge-
ven
204
.
Hoe het ook zij, een oplossing voor dit probleem zal zeker niet snel gevon-
den worden gezien de schaarse gegevens die het bronnenmateriaal ons ver-
schaft.

Een derde, niet volledig nieuw type waren grote kruiken die gevuld waren
met nafta en die met allerlei machines naar de vijand geslingerd werden.
Alhoewel de Byzantijnen deze vooral gebruikten bij belegeringen te land,
werden ook oorlogsschepen met dergelijke toestellen uitgerust, zoals Leo VI
ons aangeeft
205
:

|..ÃH . -.\.u... -(. vucH .c-.u(c...u v\uc..H (-..´.c)(. -(. /u
c(H -(( u. uv../).Ãc(. ..). −H (uä. c-.u(c.(H. ƒ.. cu.c.
3..... ..vcuc)uc.c)(. c(..H ( v\Ã( ä. v\......

Ook bevelen wij dat ook kruiken moeten weggeslingerd worden vol met ge-
prepareerd vuur volgens de aangetoonde manier van bereiding. Wanneer
deze stukslaan, zullen de schepen van de vijanden gemakkelijk in brand ge-
stoken worden.

Dat het ook daadwerkelijk heel lange tijd in de praktijk gebruikt werd, leert
ons Nicetas Choniates. Na het neerslaan van de opstand van generaal en
tegenkeizer Alexios Branas in 1187, nam keizer Isaac Angelus op de vol-
gende manier wraak op zijn tegenstanders
206
:

|(. u. ... −H u..c(H .-...uH .(/. .u-(. -() u. 3c(.H -(u·.
..c. ....(. (ÃH .-.(.H ä. ucu... lcv.... u·c. vØc. .v.
ÃH c.·uc.. .¹uv.Ø. c-.u.c.. -(( ä. (cc(vä. .c(.¹.uH vc..c. (
.c(\.((. -(. v..vc -() ô. ..-vÃv. (¹..(.. . \( 3c. ..v.c.

203
Hij baseert zich hiervoor op een recente filologische studie van G. S. MASTOROPOULOS over het
woord sifon. Zie n. 189.
204
Zie Fig. 11.
205
LEO VI, op. cit., XIX, 56.
206
NICETAS CHONIATES, Historia, p. 391, r. 30-36.
55
ÃH cu¹(-.H .vucv\uc.. (v(. .-.u.(. ... ....H Ø (·..
μ.. ... c....Ã. ..c.. ... .-u.( ....-..

Tijdens de nacht die volgde op die dag waarop Branas verslagen werd,
werd, werd vloeibaar vuur afgeschoten op de huizen van de ongelukkige
bewoners van de Propontis. Dat sliep in gesloten vaten en zou plotseling als
bliksemschichten naar voren schieten en zou alles verbranden naar waar
het geslingerd werd en waarover het uitgespreid werd. Het gretige vuur dat
neerstortte op de houten balken, verwoestte alle gebouwen met vuur, of het
nu een heiligdom was, of een heilig klooster, of een private woning.

Deze vorm van vuurwapens was al veel langer bekend, ten laatste vanaf de
6de eeuw
207
, maar werd steeds verder geperfectioneerd. Zo werden ge-
makkelijker ontvlambare en beter brandbare mengsels gebruikt, zoals ge-
raffineerde petroleum in plaats van pek, en in latere periodes werd waar-
schijnlijk salpeter toegevoegd. Opnieuw zijn het niet de Byzantijnen, maar
wel de moslims die ons hierover gedetailleerde informatie geven. Vooral
deze laatsten waren experts in het lanceren van deze aardewerken ‘grana-
ten’ en gebruikten het met succes tijdens de kruistochten
208
. De Byzantij-
nen gaven eerder de voorkeur aan de sifon, een wapen dat zij veel beter be-
heersten.

Recentelijk is bij de archeologische opgravingen van de stad Amorium een
interessante ontdekking gedaan die nieuw licht kan werpen op de hele
kwestie van ‘granaten’ die bij belegeringen gebruikt werden. In een de-
structielaag die dateert uit 838, toen de Arabieren erin slaagden dit Byzan-
tijnse bolwerk te veroveren, zijn eigenaardige, nog nooit eerder geziene aar-
dewerken kruiken ontdekt
209
. Zoals op de foto te zien is, bestaan deze
voorwerpen uit twee delen: een kegelvormig binnenste dat diende om een
vloeibare substantie in te gieten en een bolvormige wand. Daartussen be-
vindt zich een lege ruimte die niet in contact staat met de kleine openingen
bovenaan en waarin dus niets kan gegoten worden. Een dergelijke con-
structie is ideaal om datgene te isoleren dat in het binnenste element zit en
heeft eigenlijk de effecten van een thermos. Op de pot staan maar liefst
acht oren, wat het object nog mysterieuzer maakt. Nog nooit zijn dergelijke
kruiken gevonden en zowel in huishoudelijke als in industriële context is
niets gelijkaardigs bekend. Omdat deze voorwerpen ook nog eens in een
opslagplaats dicht bij de stadsmuur teruggevonden zijn, denken de archeo-

207
Zie pp. 10-12.
208
Zie hoofdstuk III, 2, A.
209
Zie Fig. 12. Met dank aan Prof. J. Haldon om ons van deze ontdekking op de hoogte te brengen en
ons hierover meer informatie te verschaffen.
56
logen dat ze een militaire functie hadden en dat het waarschijnlijk ‘grana-
ten’ met Grieks vuur waren. Volgens hen werden deze kruiken gevuld met
een mengsel op basis van aardolie, vervolgens opgewarmd en daarna weg-
geslingerd naar de Arabieren, ofwel met de hand of met een katapult. Dit
is een plausibile verklaring voor deze ongewone voorwerpen die echter
moeilijk te bewijzen is. Momenteel worden er nog chemische analyses uit-
gevoerd, maar het is helemaal niet zeker dat dat resultaten zal opleveren.
Als de hypothese van de archeologen juist is, werden de kruiken normaal
gezien maar gevuld kort voordat ze opgewarmd en gelanceerd werden, en
nog niet wanneer ze in de opslagplaatsen bewaard werden.

Tenslotte vinden we bij Anna Comnena nog een ander soort vuurwapen te-
rug, maar dat lijkt weinig uitstaans te hebben met de hierboven besproken
types. Eerst geeft ze een formule die onvolledig is, zoals we eerder al ge-
zegd hebben
210
, en daarna een beschrijving van de manier waarop het het
mengsel afgevuurd wordt
211
:

1u . vuc (v .u.. .u/(.u.( .. (u.; ..c-.u(c. Av u;
v.u-u; -(. (\\.. .... .u.. ..c.. (..)(\.. cu.(·.(. (-cu.
.u-(uc.. 1u ..( )..u c.3.... ..3(\\.(. . ..; (u\.c-u; -(
\(... -(. ..¹uc((. v(c( u v(.´.; \(3c. -(. cu../.. v..u.(.. -()
u.; ..\.. . vc; (-c(. vuc. -(. .c(v.(. -(. .cv.c vcucuc ..v.v
.. (.; (..vcc.v. ..c.. 1u. . vuc. -./cu.... . (.. u
Aucc(/.u -(./..;. .v..v.c (..vcc.v. uc(. .; v\....;. (; .
·....((; (uä. -(.¹\.c(. -(. ( vcc.v(.

Dat vuur werd door hen volgens zulke recepten klaargemaakt. Van de pijn-
boom en andere dergelijke bomen die altijd groen blijven, wordt licht ont-
vlambare hars verzameld. Wanneer die met zwavel fijngemalen is, wordt
het in rieten buisjes gepropt en krachtig weggeblazen door degene die het
bespeelt met een krachtige en aanhoudende ademstoot. En wanneer het zo
in contact gebracht wordt met het vuur aan het uiteinde, wordt het ook aan-
gestoken en als een bliksemschicht valt het neer op de gezichten van dege-
nen die recht tegenover hen staan. Dat vuur gebruikten degenen die het cen-
trum van Dyrrachium bezet hielden toen ze zich frontaal tegenover de vijan-
den bevonden, en ze verbrandden hun baarden en gezichten.

Wat hier beschreven wordt, lijkt vrij veel te verschillen van de eerder be-
sproken types. Het schijnt hier te gaan om een soort blaaspijp die slechts
op een korte afstand kon gebruikt worden. Vooral uit het volgende frag-

210
Zie p. 27.
211
ANNA COMNENA, op. cit., XIII, III, 6.
57
ment blijkt dat het wapen een heel stuk minder efficiënt was dan de kleine
vlammenwerpers zoals beschreven door Ibn al-Atir
212
:

|.(u)( u (.(·(·..; . ( .¹. . A\.c.. cc(..(. ..u·c. vuc
v.c. ( (-cc.·( u (..v.¹c(-u cu\vuc·u ...\\. .c(-..´... vc;
. (..).. .cu.(. A\\ .-.. -(. u 3u\u -(. vc(·.( u vc;
v(..\.)c.(. u .u/(.u.(; (-c).·.; ·(c ...\\. vuc ...u )..
.-..c. v..v.... u .cu.; (v.c)(.. A\\( . .u/(...(.… l\ucuc.
. ..(cu v. u . cu\..u -(. u u; v\..; vuc·u .u-((vcucu
v(..(; u\u; -(. .\(.u v\\u -(( v(.u; -..u...u u.; .v..u
..- vuc. (\. -(. ¹\·.;. -(( ..-c. uvu¹.... -() u.; 3c(/..
(; (.(v.u; .v.c(c(..... .v..( ..; v.c.¹(.u ¹\·( .(c). .. cu..v.\(.
3(...... -(. .. (v u vuc; u u·cu vcucuc... (v(. (.u..
¹c.-. .-... -(. v\uu\(. .u/(.u.( ..v.u. u/. -(. ¹3.c(. ).(.
(.; ..c...

Toen brachten de soldaten van Alexios het vochtige vuur naar boven op het
bovenste platform van de houten toren zonder reling om de tegenoverliggen-
de houten toren te bestoken. Maar zowel het besluit als de handeling bleken
niet (voldoende) voor de volledige vernietiging van het oorlogstuig. Want het
vuur dat van daar naar ginder gelanceerd werd, maakte dat de houten toren
slechts oppervlakkig geraakt werkt. Maar wat moesten ze bedenken? Ze
vulden de plaats tussen de houten toren en die van de stad op met allerlei
goed brandbare materialen en met olie die in grote hoeveelheid in stromen
uitgegoten werd. Daaraan werd vuur, in de vorm van fakkels en vlammen
gebracht, dat een korte tijd smeulde, vervolgens aangewakkerd werd met
een korte windstoot en daarna tot een aanzienlijke vlam opgelaaid werd.
Toen ook de bliksemschichten van het vloeibare vuur kwamen helpen, stak
het heel dat schrikwekkende en uit zeer veel materiaal bestaande gevaarte
in brand, terwijl het verschrikkelijk lawaai en een vreeswekkend schouw-
spel veroorzaakte voor de toeschouwers.

Het wapen dat hier beschreven wordt, lijkt allesbehalve efficiënt te zijn en
wordt op een nogal ongewone manier gelanceerd (namelijk door een blaas-
pijp). Daarom lijkt het ons dan ook eerder ongepast om hier nog van
Grieks vuur te spreken.

212
EAD., op. cit., XIII, III, 11.
58
III. HOE GEHEIM WAS HET GRIEKSE VUUR?


1. De Byzantijnse overlevering

In de populaire literatuur vindt men vaak terug dat het geheim van het
Griekse vuur verloren gegaan is bij de verovering van Constantinopel in
1204 en dat niemand anders het kende. Tevergeefs zouden andere volke-
ren geprobeerd hebben om het te achterhalen en ook daarom worden we
nu nog altijd geconfronteerd met grote problemen om te weten te komen
wat voor wapen het Griekse vuur nu eigenlijk was.
Waar komt deze mythe vandaan en zijn de Byzantijnen er werkelijk in ge-
slaagd het in hun graf mee te nemen, zoals velen tot op de dag vandaag
denken?

Het valt zeker niet te ontkennen dat de Byzantijnen er alles voor deden om
het Griekse vuur met een sluier van geheimzinnigheid te omhullen. Over-
duidelijk is gebleken hoe moeilijk het is om informatie te halen uit hun ge-
schriften. De schaarse keren dat de auteurs iets in verband met dit wapen
vrijgeven, wordt alles zeer algemeen gehouden. Daardoor moet men allerlei
andere bronnen bestuderen om een idee te krijgen over de samenstelling
en lanceerwijze van de sifon. Dit hoeft ons helemaal niet te verwonderen
aangezien keizer Constantinus VII Porphyrogenitus (913-959) de volgende
instructies gaf aan zijn zoon
213
:

.c(u.; /cu c. -(. v.c. u u·cu vuc;. u .( ä. c.¹.... .-¹.c..
.u ..c...(. . -(. ..\.(.. . ; ..v.c v. \.uc.c. ...; -(. (u .v.
´uuc(.. -().; -(. v(c u... v\\(-.; .´uuc(.. .u.; (uu; ./..;
(v-cu.c)(. -(. (vv..v.c)(. cu.(c... . |(. (u (v u ¬.u .
(··.\u . ..·(\. -(. vc.. 3(c.\.. \c.c.(... (·.. |..c(.... .¹(
..c.)u -(. ..(/)u. l(c(··.\.(; . ..·(\(; -(. v.c. uu v(c( u
(uu (··.\u ..c(. .; v(c( v(.c.. -(. v(vv.. v.c.)...; v\uc
¹cu..)(. ..( .. ...; .; \c.c.(..; -(. u uv (u.. 3(c.\.u...u
v\.. -((c-.u(´u(.. (\\(/u . .u(.. ;. .u. .. ; ..c. .).; .
.uv. v(c(v..vu(.. .u. .(c-u(.. ”0).. -(. .; .. (u. ..
·(; u; 3(c.\.u; .c(c¹(\.´...; v.c. uu . . u (·.( c(v.´u u;
u ¬.u .--\uc.(; (c(; .··c(¹u.(. v.v.u-... ..( .- u .uu vu
c; ..; ..c. .).; u.(. \.uc(; .u. \c.c.(.; ..(´.(.. .u.
(c.(; ..; u (c/u; (c.u(. (\\ .. ..( -(. . /.. u/u. -(. (v (uu;
.-3(\u(. -(. ..; (...(; (..... (.()..(.´u(. -(. v(c(..·.(.´u(..

213
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, De administrando imperio, 13, r. 73-103.
59
... 3(c.\.u;. ... v(c.(c/u;. ... .; (\\; .cu. (.)c.v;. ...
(c/... ... (c/...; u·/(.. u. .(uu. ..\u. v(c(3(..... v..c.
...;. |(. vc.c..( v(.(; u; ´u\. -(. ¹3. ¬.u ./.(;. .;
-... . /)c. -(. v(c(3(u. u; ..·(\u; (uu; ..\u;. . .u.
.v./..cu.( v.... (.(.c... cvu(´.... -(. ./).c. -(. /(\.v. v(c(
v..v.c)(. )(.(.. ¯u..3u . v.. u; -(-.(; (.. /.c(. .uc.c-ucu;. ..(
.. u... c.. cc(u·.. .c( v(c( .... .)..-.. v(.v\\( ..\u¹(
..(u.(. (u.; .- u .uu vuc;. -(. .u (../...u u ¬.u (
..-.-u. -((\.v... u. v(c(3(c... .. . ..\\... (u. .. u (·.( u
¬.u ..c.. .(. .--\uc.( vuc .- u uc(.u -(.\). u. -(.¹(·. -(.
(.(\.c... |(. (v . ¹3; ..·(; -(. c.; .. (.; (v(... ....)u
.u/(.;. -(. u-.. u..; u \.vu. u. 3(c.\.u;. u. (c/... u. ...
u;. u. cc(u·;. u. .cu. \.; (.)c.v; -(.\.uc. . .u
. ..)u.u)u.(.. .u. ·. -(. .c·. .v./..cuc(. v.uc(. u .(vc(c(c)(..

Zo moet je ook aan het vloeibare vuur, dat door buizen gelanceerd wordt,
aandacht schenken en er zorg voor dragen, zodat, als ooit sommigen het
zouden aandurven ook dat te verlangen, zoals ze al vaak geprobeerd hebben
ook in onze tijd, moet je hen afwijzen en wegzenden met woorden zoals de-
ze: “Ook dit is geopenbaard en aangeleerd door God door middel van een
engel aan de grote en eerste christelijke keizer, de heilige Constantijn. En
ook daarover ontving hij belangrijke instructies van dezelfde engel, zoals wij
verzekerd zijn door de geloofwaardige getuigenis van onze vaders en voor-
vaders, namelijk dat het alleen bij christenen en in de door hen regeerde
stad vervaardigd mag worden, maar nergens anders, en dat het niet naar
gelijk welk ander volk gestuurd mag worden, noch aangeleerd. Om het ook
voor degenen na hem te verzekeren, heeft deze grote keizer om die reden
vervloekingen doen graveren in het heilig altaar van de kerk van God, opdat
diegene, die iets! van dat vuur durft te geven aan een ander volk, geen
christen zou genoemd worden en niet waardig zou geacht worden voor gelijk
welke rang of ambt. Maar als hij toevallig zoiets zou bezitten, zou hij daar-
om verwijderd worden en zou hij voor eeuwig en altijd vervloekt worden en
als voorbeeld gesteld worden, of het nu gaat om een keizer, of om een patri-
arch, of om gelijk welke andere mens, zowel heerser als overheerste, die
toevallig zo’n bevel zou proberen te overtreden. En hij spoorde iedereen aan
die ijver en vrees voor God bezit om na te streven dat degene die zoiets pro-
beert te doen, als gemeenschappelijke vijand en als overtreder van zo’n groot
bevel uit de weg geruimd zou worden en tot een zeer verschrikkelijke en pijn-
lijke dood veroordeeld zou worden. Eens is het gebeurd – want het kwaad
vindt altijd een plaats – dat iemand van onze generaals, die van sommige
volkeren zeer vele geschenken ontvangen had, iets van dit vuur met hen
meegegeven had. Omdat God niet kon verdragen dat de overtreding onge-
straft zou blijven, daalde er vuur neer uit de hemel toen hij op het punt stond
60
de heilige kerk van God binnen te treden, en het verteerde en vernietigde
hem. En daarna drong een grote vrees en angst binnen in de harten van ie-
dereen en sindsdien heeft nooit meer iemand, noch een keizer, noch een ge-
zagsdrager, noch een privé-persoon, noch een generaal, noch gelijk welke
andere mens het aangedurfd iets dergelijks te denken, laat staan om het in
de praktijk proberen om te zetten of uit te voeren.

Uit deze tekst blijkt dus overduidelijk dat de Byzantijnse keizers het Griek-
se vuur als ‘top secret’ beschouwden. Wat dit geheim inhield, is al uitvoe-
rig besproken, maar de conclusie dat het ging om een heel wapensysteem,
en niet zomaar om een verborgen gehouden formule, werpt een andere en
belangrijke vraag op: hoe werd dit staatsgeheim overgeleverd? Aangezien
het ging om een combinatie van recept, oorlogsschip, sifon, verwarmings-
toestel en goed opgeleide bedieners, was het lastiger voor de vijanden om
het raadsel te achterhalen, maar het bemoeilijkte anderzijds voor de By-
zantijnen het overleveren ervan. Wellicht ligt het aan de complexiteit van
dit systeem dat hun tegenstanders, in de eerste plaats de Arabieren, er
nooit echt zijn in geslaagd om identiek hetzelfde Griekse vuur te kunnen
reproduceren
214
. Daardoor kon men ervoor zorgen dat zelfs bij de ontdek-
king van een van de factoren in het systeem, de opponenten toch niet het
geheel konden achterhalen. Zo is het mogelijk te verklaren waarom bij-
voorbeeld de Bulgaren de vangst die ze deden in 814 niet konden uitbui-
ten
215
. In zeegevechten kwam het zeker ook voor dat schepen met sifons
aan boord in handen van de moslims vielen, zoals Ibn al-Atir getuigt
216
.
Aan de basis van een veilige overlevering van het Griekse vuur lag dus on-
getwijfeld de compartimentering van de verschillende elementen, een effici-
ente methode die al dikwijls in de loop van de geschiedenis toegepast is.
Door er namelijk voor te zorgen dat vakspecialisten elk hun eigen taak
goed beheersten, maar niet het gehele systeem kenden, kon men het risico
op ontdekking van het hele geheim gevoelig verminderen. De chemici die
het mengsel maakten, hadden niets te maken met de scheepsbouwers, de
ambachtslui die de verschillende delen van het lanceersysteem vervaardig-
den, of met de soldaten die opgeleid werden voor de bediening
217
.

Die compartimentering brengt ons bij een veel belangrijker en moeilijker op
te lossen probleem: wie kende het hele systeem? Dit was natuurlijk nood-

214
Deze stelling is betwistbaar aangezien de Arabische bronnen nog volop onderzocht moeten worden,
maar lijkt zeker nog valabel voor de eerste eeuwen na de uitvinding van het Griekse vuur (tot de 11de
eeuw). Deze problematiek zal verder besproken worden op in hoofdstuk III, 2, 2.
215
Zie p. 26.
216
IBN AL-ATIR, Al-Kamil fi’l Tarih, VI, 399. Zie V. CHRISTIDES, op. cit., p. 25.
217
A. ROLAND, Greek fire and the defense of Byzantium, 678-1204, pp. 662-664.
61
zakelijk, want iemand moest toch het totale productieproces coördineren.
De tekst van Constantinus VII lijkt te insueren dat de keizer zelf een van
die ingewijden was. In de traditie wordt verteld dat ook één familie, Lam-
pros genaamd, weet had van het geheim en meehielp aan de productie van
het Griekse vuur
218
.

A. Roland is tot nu toe de enige die deze twee mogelijke doorgeefkanalen
onder de loep genomen heeft en hij heeft vastgesteld dat zelfs al bij een niet
te diepgaande studie enkele onoverkomelijke problemen opduiken die ons
doen afvragen hoe het eigenlijk mogelijk was om eeuwenlang, tussen 678
en 1204, dit wapensysteem over te leveren zonder dat het verloren ging.
De eerste mogelijkheid is dus dat de keizers de schakel in het systeem wa-
ren en het geheim doorgaven aan hun opvolgers, zoals Constantinus VII
Porphyrogenitus lijkt te doen aan zijn zoon in het vermelde tekstfragment.
Alhoewel de Byzantijnse vorsten steeds poogden een dynastie te stichten en
de troon door te geven aan hun erfgenamen, bleek dit in de realiteit eerder
uitzondering dan regel. Slechts een minderheid van hen stierf op een
vreedzame manier en kon zijn uitverkoren opvolger daadwerkelijk op de
troon brengen. Van de 88 keizers stierven er zeker 29 een gewelddadige
dood en werden er 13 door tegenstanders verjaagd. Daarnaast werd een
aanzienlijk aantal keizers, die een natuurlijke dood stierven, niet opgevolgd
door degenen die zij wensten of zij hadden gewoon geen plaatsvervanger
aangeduid. Dit gebrek aan continuïteit in de successie ondermijnt dus in
zeer sterke mate de hypothese als zou het geheim van keizer op keizer
overgeleverd zijn. Het is ondenkbaar dat een heerser dat zou doorgegeven
hebben aan een tegenkeizer of usurpator. Toch is het zeer waarschijnlijk
dat zij kennis hadden van het geheim, aangezien het in de eerste plaats de
keizerlijke vloot te Constantinopel was die uitgerust was met het Griekse
vuur en de vorst aan het hoofd stond van het leger. Waarschijnlijk werd
een keizer die de troon officieel bestegen had, hierover ingelicht door ande-
ren die het geheim bewaarden
219
.

Dat zou dan eerder aansturen op de tweede mogelijkheid, maar ook die
blijkt niet bevredigend te zijn. Lampros schijnt niet behoord te hebben tot
de lijst van vooraanstaande families die nauwe contacten met de keizer on-
derhielden. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat een familie vijf
eeuwen lang onafgebroken in een sterke en belangrijke machtspositie kon
blijven. Tijdens de vele tumultueuze troonsopvolgingen schakelden usur-
pators vaak belangrijke medestanders van de vorige keizer uit en hadden

218
GEORGIUS CEDRENUS, op. cit., p. 765. Zie p. 22.
219
A. ROLAND, op. cit., pp. 666-667.
62
het daarbij vooral gemunt op de families die nauwe contacten met het hof
onderhielden. De kans dat de Lamprosverwanten al deze machtswissels
ongeschonden konden overleven, is miniem. Van de ons bekende families
is er daar geen enkele in geslaagd. Daarnaast mogen we niet vergeten dat
behalve Cedrenus geen enkele andere auteur deze traditie vermeldt. Ten-
slotte valt het ook op dat ‘lampros’ eigenlijk niets anders betekent dan
‘schitterend’ en soms gebruikt wordt als synoniem voor ‘vloeibaar vuur’
220
.
Ons lijkt het dus zeer waarschijnlijk dat het verhaal van de familie Lam-
pros niet op waarheid gestoeld is en slechts legendarisch is
221
.

We moeten dus zoeken naar een andere mogelijkheid om het Griekse vuur
over te leveren. Die zou in theorie kunnen gevonden worden in een specia-
le ambtenaar of militair die op een meer onafhankelijke manier kon opere-
ren en vrij gemakkelijk politieke strubbelingen kon overleven. Bij een on-
verwachte of gewelddadige overname van de troon kon hij dan de nieuwe
keizer informeren. Deze optie klinkt aantrekkelijk, maar ook hier formu-
leert A. Roland enkele bezwaren, al zijn die niet zo sterk als bij de vorige
twee. Probleem is dat we op het gebied van de Byzantijnse administratie
en bureaucratie over onvolledige gegevens beschikken zodat het onmogelijk
is om definitieve conclusies te trekken. Ten eerste is er geen enkele functie
die een periode van 500 jaar overleefd heeft en die iets te maken kan gehad
hebben met het Griekse vuur. Ambten die daar wel voor in aanmerking
kwamen, zouden ofwel te ver van de keizer gestaan hebben, of snel hun
macht verloren hebben. Meermaals werd de magister officiorum naar voren
geschoven als mogelijke sleutelpersoon, maar die functie heeft vanaf het
einde van de 8ste eeuw snel aan macht moeten inboeten, vooral wat de
controle op de arsenalen betreft. Een ander tegenargument van A. Roland
is het feit dat ook de ambtenaren die in de hoogste regionen vertoefden en
dicht bij de keizer stonden, niet zelden het slachtoffer werden van paleisin-
triges en zuiveringsacties bij onregelmatige troonswissels
222
.
Volgens hem zijn er dus geen duidelijke aanwijzingen voor hoe het geheim
uiteindelijk doorgegeven werd van generatie op generatie. Om die reden
gelooft hij ook dat het wapensysteem van het echte Griekse vuur al lang
verloren gegaan was voor de val van Constantinopel in 1204, mogelijk zelfs
al in de 10de eeuw. Het vuurwapen waarnaar vooral Leo VI en Constanti-
nus VII Porphyrogenitus verwijzen, was volgens A. Roland maar een zwak-
kere versie meer van de uitvinding van Callinicus. Chemici, ambachtslui
en soldaten zouden wel delen van het systeem bewaard en overgeleverd

220
NICEPHORUS II PHOCAS, op. cit., I, 150-155; LEO VI, Sylloge tacticorum, 53, 8.
221
A. ROLAND, op. cit., pp. 668-669.
222
ID., op. cit., pp. 669-670.
63
hebben, maar het overkoepelende sleutelelement zou al vrij snel verloren
gegaan zijn in de woelige strubbelingen van de 8ste en 9de eeuw
223
.

Met deze visie hebben wij het moeilijk, al is het onmogelijk om harde bewij-
zen op tafel te leggen om dit tegen te spreken. Wij hebben toch de indruk
dat het vuurwapen waarvan sprake is in de 10de eeuw niet zomaar een
verwaterde versie is van het origineel, maar nog steeds effectief en geducht
was. Het bekendste voorbeeld is wellicht de overwinning op de Russische
vloot in 941. In die periode leek dit wapen nog steeds sterk in de belang-
stelling te staan gezien de vele vermeldingen ervan, en het lijkt ons te sterk
om het hele verhaal van keizer Constantijn over de geheimhouding als een
fabeltje af te doen. Ongetwijfeld komt deze tekst wat fantastisch en over-
dreven over, en waren elementen van het raadsel al bekend geraakt bij de
tegenstanders, maar het wapensysteem op zich bestond waarschijnlijk nog
altijd.
Inderdaad is het moeilijk om te zien hoe het geheim van generatie op gene-
ratie overgeleverd kon worden, maar hier kan nog veel onderzoek gebeuren.
Vooral de derde visie lijkt ons toch niet onwaarschijnlijk. Het blijft volgens
ons goed mogelijk dat de bestuurders van de marine, haven of arsenalen
deze sleutelrol gespeeld hebben. Hierbij denken wij vooral aan de drunga-
rios, de bevelhebber van de keizerlijke vloot en zijn entourage. Een veran-
derende titulatuur of het verdwijnen van een functie betekende natuurlijk
niet automatisch dat de rol van bewaarder(s) van het geheim ophield te be-
staan. Aangezien er steeds een leger en een vloot bestonden (die laatste tot
1204), waren er toch altijd mensen die hierover de leiding hadden en zorg-
den voor de bewapening. Volgens ons kan het dan ook bijna niet anders
dan dat degenen die hier een belangrijke functie bekleedden ook instonden
voor de uitrusting van de schepen met sifons en het overleveren van de
principes ervan. Grondiger studie kan in de toekomst hier misschien meer
duidelijkheid over brengen.


2. Islamitische vuurwapens

Volgens de traditionele visie is het geheim van het Griekse vuur verloren
gegaan bij de val van het Byzantijnse rijk, of, waarschijnlijker, bij de inna-
me van Constantinopel door de kruisvaarders in 1204. Geen enkel ander
volk zou er ooit achter gekomen zijn of zelfs maar een vuurwapen ontwik-
keld hebben dat in de buurt kwam. Bij een grondige studie van de bron-

223
ID., op. cit., pp. 678-679.
64
nen blijkt echter dat dit idee totaal niet klopt. Talrijke Arabische teksten
wijzen op het tegendeel en nu valt het niet meer te ontkennen dat ook de
moslims beschikten over een hoogstaande kennis van vuurwapens, de mo-
gelijkheden van petroleum zeer goed kenden en zelfs vormen van Grieks
vuur ontwikkelden.
Zij deden echter helemaal niet zo geheimzinnig als de Byzantijnen, en
daarom vinden wij dan ook veel meer informatie in hun geschriften terug,
die wij al herhaaldelijk gebruikt hebben om de karige Byzantijnse gegevens
aan te vullen. Toch zijn daarom de problemen niet van de baan, integen-
deel. Tot nu toe is de verhouding tussen de vuurwapens van beide volke-
ren allesbehalve duidelijk. Dit ligt vooral aan het feit dat de Arabische tac-
tische en militaire geschriften die uitgebreid over vuurwapens handelen,
van latere datum zijn (ten vroegste 12de eeuw). Bovendien gebruikten bei-
de volkeren niet zomaar dezelfde types vuurwapens. Terwijl de Byzantijnen
vooral gebruik maakten van sifons in schepen, lijkt het erop dat de mos-
lims zich vooral toelegden op de ontwikkeling van granaten en vuurpijlen
die afgevuurd werden door machines en hoofdzakelijk op het land gebruikt
werden. Wij willen dus in de eerste plaats onderzoeken wanneer precies de
Arabieren tot de ontwikkeling kwamen van vuurwapens op basis van nafta
en of ze al dan niet het Byzantijnse Griekse vuur, de sifon, kenden. Vooral
de laatste vraag blijft nog moeilijk te beoordelen, maar momenteel is men
volop bezig met een grondige studie van het Arabische bronnenmateriaal
dat dikwijls nog onuitgegeven is, zodat er op dit vlak waarschijnlijk meer
duidelijkheid komt.

Om te weten te komen in welke mate en wanneer de Arabieren vormen van
Grieks vuur zelf begonnen toe te passen, moet men eigenlijk heel de Arabi-
sche literatuur doornemen vanaf het einde van de 7de tot in de 15de eeuw.
Gelukkig hebben enkele geleerden op dit vlak al fundamenteel onderzoek
geleverd, maar omdat er nog altijd een groot aantal onuitgegeven manu-
scripten bestaat, vooral op het gebied van militaire traktaten, moeten onze
conclusies met enig voorbehoud genomen worden. Eén nieuw geschrift
kan een volledig ander licht werpen op deze materie en de huidige interpre-
tatie tegenspreken. In tegenstelling tot de late periode, vanaf de kruistoch-
ten, beschikken we daarvóór niet over uitgebreide militaire lectuur en moe-
ten we ons vooral behelpen met aanwijzingen in historische geschriften.
Hierbij moeten we in de eerste plaats zoeken naar het woord naft. Oor-
spronkelijk betekende dit gewoon aardolie, maar later nam het de specifie-
ke betekenis van ‘Grieks vuur’ aan en werd het het Arabische equivalent
voor u·c. vØc of .c-.u(c.... vØc. Toch is het twijfelachtig of dit woord
in het begin altijd deze specifieke betekenis had, zeker als er sprake is van
65
het gebruik van naft door de Arabieren zelf
224
. In elk geval blijkt het tijd-
stip, waarop zij zelf vuurwapens op basis van aardolie begonnen te gebrui-
ken, vroeger te zijn dan men meestal dacht. Volgens de Kitab al-‘Uyun be-
schikten de moslims bij de belegering van Constantinopel in 717/718 al
over naft
225
, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat hier al echt Grieks vuur
bedoeld wordt. We moeten hier eerder denken aan primitievere vuurwa-
pens zoals Procopius die beschreven heeft
226
. Aangezien wij echter in de
eerste plaats over een grote hoeveelheid informatie beschikken over de is-
lamitische vuurwapens ten tijde van de kruistochten en het deze dingen
zijn die Grieks vuur genoemd werden door de westerlingen, zullen wij dit
eerst behandelen. Daarna zullen we zien in welke mate en eventueel vanaf
wanneer we kunnen zeggen dat de Arabieren over het Griekse vuur in
strikte zin beschikten, en of ze het al dan niet inzetten tegen de Byzantij-
nen zelf.

A. HET ARABISCHE ‘GRIEKSE VUUR’ TIJDENS DE KRUISTOCHTEN

Zoals algemeen bekend is, hebben de Arabieren tegen de kruisvaarders
volop gebruikt gemaakt van allerlei vuurwapens en hebben zij daarover
uitvoerig geschreven in militaire handboeken. Als wij de geschriften van de
westerse kroniekschrijvers erop naslaan die veelvuldig het Griekse vuur
vermelden, valt het onmiddellijk op dat hetgeen zij beschrijven iets anders
was dan de sifons van de Byzantijnen. In de eerste plaats werden zij er op
het vasteland mee geconfronteerd en blijkt het eigenlijk niet zo’n schrik-
wekkend wapen te zijn geweest als men op het eerste zicht zou denken.
Exemplarisch is de uitvoerige beschrijving van Jean de Joinville van de
veldtocht van de Franse koning Lodewijk IX in Egypte in 1248
227
:

Un soir avint, la ou nous guietions les chas-chastiaus de nuit, que il nous
amenerent un engin que l’en appelle perriere, ce que il n’avoient encore fait,
et mistrent le feu gregoiz en la fonde de l’engin. ... Si tost comme il geterent le
premier cop, nous nous meismes a coutes et a genoulz, ainsi comme il nous
avoit enseigné. Le premier cop que ils geterent vint entre nos deux chas-
chastelz, et chai en la place devant nous que l’ost avoit fait pour boucher le
fleuve. Nos esteingneurs furent appareillé pour estraindre le feu. … La ma-
niere du feu gregois étoit tele, que il venoit bien devant aussi gros comme un
tonnel de verjus, et la queue du feu qui partoit de li, estoit bien aussi grant

224
V. CHRISTIDES, art. Naft, p. 884; D. AYALON, Gunpowder and firearms in the Mamluk kingdom,
p. 25.
225
KITAB AL-‘UYUN, trad. E. W. BROOKS, The campaign of 716-718, from Arabic sources, p. 21.
226
Zie p. 10.
66
comme un grant glaive. Il fesoit tele noise au venir, que il sembloit que ce
feust la foudre du ciel. Il sembloit un dragon qui volast par l’air. Tant getoit
grant clarté, que l’on veoit [aussi clair] parmi l’ost, comme se il feust jour,
pour la grant foison de feu qui getoit la grant clarté. Trois foiz nous geterent
le feu gregois celi soir et le nous lancerent quatre foiz a l’arbalestre a tour.

De kruisvaarders waren als de dood voor het Griekse vuur en het relaas
van Jean de Joinville komt ook zeer beangstigend over. Hier is er helemaal
geen sprake van sifons of iets dat er in de verste verte op lijkt. Het gaat
duidelijk om kruiken, zoals hij aangeeft met de term tonnel de verjus, die
als granaten met slingertoestellen afgeschoten werden. Inderdaad moesten
ze opletten voor dat wapen want het vernietigde vaak hun houten belege-
ringwerktuigen
228
, maar voor de mens bleef het gevaar in realiteit toch vrij
beperkt. Men slaagde er vaak in het vuur te blussen en degenen die ermee
bestookt werden, overleefden het, zoals blijkt uit de volgende passages
229
:

Au derrien, il amenerent un vilain a pié, qui leur geta trois foiz feu gregois.
L’une des foiz requeilli Guillaume de Boon le pot de feu gregoiz a sa roelle.
Car se il se feust pris a riens sur li, il eust esté [touz] ars.

Et tout vois avint ainsi que les Turcs couvrirent monseigneur Guion Malvoisin
de feu grejois [tant] que a grant peinne le porent esteindre sa gent.

Het reële effect van dit Arabische Griekse vuur lijkt dus al bij al nogal be-
perkt en veroorzaakte in de eerste plaats materiële schade. Jean de Join-
ville en zijn medesoldaten hebben zonder veel problemen de talloze vijande-
lijke aanvallen met naft overleefd.

De Arabische militaire geschriften uit die tijd bevestigen gedeeltelijk de be-
schrijvingen van de kruisvaarders en lijken het idee te confirmeren dat de
moslims nooit het Byzantijnse Griekse vuur hebben kunnen imiteren. Uit
deze teksten blijkt wel dat er veel meer verschillende types en formules be-
stonden dan men dacht. De belangrijkste werken waar deze waaier aan
mogelijkheden ruimschoots aan bod komt, zijn die van Hassan al-Rammah
(13de eeuw), van Mardi Ibn al-Tarsusi (begin 13de eeuw) en een anoniem
manuscript van Leiden (ca. 1225)
230
. Onder andere op basis van deze di-

227
JEAN DE JOINVILLE, Vie de Saint Louis, § 203-206.
228
ID., op. cit., § 210.
229
ID., op. cit., §240; 271.
230
HASAN AL-RAMMAH, Al-Furusiyya wa ‘l-manasib al-harbiyya, ed. A. ‘ABADI, Bagdad, 1984;
MURDA IBN AL-TARSUSI, Un traité de’armurerie composé pour Saladin, ed. trad. C. CAHEN, pp.
102-163; MS van Leiden nrs. 92 en 499. Zie voor dit laatste traktaat J. T. REINAUD, I. FAVÉ, Du feu
67
versiteit aan formules verwerpen wij de vroegere theorie dat het geheim van
het Griekse vuur enkel gezocht moet worden in een geheime samenstelling.
De moslims hadden trouwens een minstens even grote kennis van de
brandbare eigenschappen van aardolie en hadden er grote voorraden van.

Het ligt hier zeker niet in onze bedoeling om het hele vuurwapenarsenaal
van de islamieten uitgebreid te bespreken, maar het is zeker aangewezen
om de belangrijkste elementen aan te halen. Wel is enige voorzichtigheid
met al deze manuscripten geboden, aangezien zij slechts ten vroegste van
het einde van de 12de eeuw dateren. Volgens de meeste auteurs zijn hun
bevindingen gebaseerd op kennis die al zeer oud is, maar het is moeilijk uit
maken of dit op werkelijkheid gebaseerd is en vanaf wanneer men bepaalde
types vuurwapens werkelijk uitgevonden heeft. Het is immers een dikwijls
voorkomend fenomeen dat werken of uitvindingen fictief toegeschreven
werden aan beroemde, reeds lang overleden geleerden. Zo kreeg hetgeen
de moderne auteurs vertelden meer gezag. Vooral Aristoteles was een po-
pulair persoon om te vermelden.
Bij de bestudering van de vroegere periode, die eigenlijk ons grootste aan-
dachtspunt is, zullen we dus op een andere en heel voorzichtige manier te
werk moeten gaan.

De belangrijkste vorm van naft die tijdens de kruistochten gebruikt werd,
zijn granaten. In de handschriften komt deze categorie uitvoerig aan bod
en vaak werden er ook afbeeldingen bij getekend. Bovendien zijn er veel
dergelijke projectielen ook bij archeologische opgravingen teruggevonden,
zodat dit genre van vuurwapens goed gedocumenteerd is. Ongetwijfeld
gaat het hier om geëvolueerde exemplaren van het Griekse vuur dat in
kruiken naar de vijanden afgeschoten werd, zoals we onder meer bij Leo VI
terugvinden
231
. Wanneer de Arabieren deze ontwikkeling juist voltrokken
hebben, kunnen we moeilijk achterhalen, maar het is vooral vanaf de 12de
eeuw, tijdens de kruistochten, dat ze de efficiëntie van de granaten konden
bewijzen. Ook de archeologische vondsten worden vooral vanaf dat mo-
ment geattesteerd. Niet onbelangrijk is dat in er in verschillende gevallen
sporen van salpeter aangetroffen zijn, die dus op het gebruik van echte ex-
plosieven lijken te wijzen.


grégeois, des feux de guerre, et des origines de la poudre à canon chez les Arabes, les Persans et les Chi-
nois, pp. 262-283; J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 198-200.
231
LEO VI, op. cit., XIX, 56.
68
Uit alle bronnen blijkt dat er bij de granaten een grote variatie bestond,
vooral qua uiterlijke vorm
232
. Normaal gezien werden zij gelanceerd door
grote machines, zoals trebuchets en mangels
233
. Volgens de tekeningen in
de militaire handboeken werden ze ook gebruikt op schepen, maar de
meeste teksten wijzen er toch op dat ze vooral op het land aangewend wer-
den. Meestal werden ze uit klei vervaardigd, maar ook kleinere exemplaren
in glas waren niet ongebruikelijk. Omdat er bij archeologische opgravingen
zo’n diversiteit aan vormen aangetroffen is van zogenaamde sferoconische
potten, is er een verhitte discussie geweest of deze voorwerpen al dan niet
granaten waren. In sommige gevallen heeft men op de wanden resten van
substanties aangetroffen die op een heel ander gebruik wijzen, namelijk het
opslaan van wijn of parfum. Men mag dus niet zomaar alle sferoconische
kruiken als granaten bestempelen, maar anderzijds kan men niet meer
ontkennen dat een deel ervan voor oorlogvoering ingezet werd
234
.
De belangrijkste verbeteringen van de moslims betroffen vooral de aërody-
namische kwaliteiten van deze projectielen. Zo kon men ze veel gerichter
afvuren en dus de efficiëntie vergroten. Vaak werden er ook nog versierin-
gen op aangebracht en soms heeft men zelfs spreuken of vervloekingen
aangetroffen. Wat het uitgebreide gamma van deze granaten betreft, zullen
we het kort houden, want anders zou dit ons te ver afvoeren van wat de
bedoeling van deze verhandeling is. M. Mercier wijst er op dat er twee fun-
damenteel verschillende systemen bestonden. Enerzijds waren er echte
granaten, namelijk kruiken die onmiddellijk hetgeen waarmee ze in contact
kwamen, in brand staken. Anderzijds bestond er ook een combinatie van
twee diverse soorten: één pot die eerst de brandstof verspreidde en daarna
een andere die als toorts fungeerde en de boel deed ontvlammen.
Bij het eerste type horen vooral de zogenaamde Syrische kruiken
235
en dit
is ook de soort die het meest teruggevonden is, vooral in het Midden-
Oosten. In Egypte, meer bepaald bij Foustat, heeft men een veel eleganter
genre aangetroffen, dat gemakkelijker kon breken bij het lanceren en waar-
schijnlijk enkel bedoeld was om brandstof te verspreiden
236
. Daarnaast
bestonden er ook volledig bolvormige brandbommen, qidr genaamd
237
.

Een ander vuurwapen dat al op een lange traditie terugging, was de
brandpijl. Ook hier slaagden de moslims erin gevoelige verbeteringen aan

232
Zie hiervoor in de eerste plaats M. MERCIER, op. cit., pp. 92-129 en appendices. Zie ook A. Y. AL-
HASSAN, D. R. HILL, Islamic Technology: an illustrated History, pp. 106-111. Zie Fig. 13.
233
Zie Fig. 14.
234
V. CHRISTIDES, New light on navigation and naval warfare in the Eastern Mediterranean, pp. 19-
23, met bibliografie n. 44.
235
Zie Fig. 15 en 16.
236
Zie Fig. 17.
237
A. Y. AL-HASSAN, D. R. HILL, op. cit., p. 110.
69
te brengen. Zo ontwikkelden zij speciale machines om de pijlen verder en
krachtiger te kunnen afvuren
238
. Ook de samenstelling van de brandstof-
fen werd gestaag geperfectioneerd, maar vooral de invoering van salpeter
betekende een belangrijke vooruitgang. Dan zijn we echter opnieuw in de
periode van de kruistochten. Waarschijnlijk gebeurde dit aan het begin
van de 12de eeuw
239
.

Verder beschrijven de handboeken ook nog andere wapentypes, maar deze
gaan ongetwijfeld niet terug op een oudere traditie en waren volledig nieuw
vanaf de 13de eeuw. Het betreft hier wapens die gebaseerd zijn op bus-
kruit zoals vuurpijlen, raketten, primitieve kanonnen en torpedo’s. Aange-
zien dit maar weinig meer te maken heeft met het Griekse vuur laten we
deze vuurwapens dan ook buiten beschouwing.


B. HET ARABISCHE ‘GRIEKSE VUUR’ VÓÓR DE KRUISTOCHTEN

Wanneer we echter naar de eerste vierhonderd jaar na de uitvinding van
het Griekse vuur door de Byzantijnen terugkeren, moeten we ons jammer
genoeg tevredenstellen met minder en onduidelijkere informatie. Het
grootste minpunt is het ontbreken van handboeken over vuurwapens voor
deze periode en de zeer geringe hoeveelheid aan archeologische vondsten.
Om die reden is men zeer sterk afhankelijk van historische teksten en ook
van lexica en poëzie, die echter niet zo expliciet zijn. Ook de betrouwbaar-
heid is in sommige gevallen niet zo hoog. Hier kampen we dus met een ge-
lijkaardig probleem als voor de Byzantijnse bronnen.
Wat de terminologie betreft, verschaft een werk van Ibn al-Manqali
(13de/14de eeuw) ons veel verduidelijking. Deze auteur heeft namelijk
vroegere Arabische vertalingen van de Naumachica van de Byzantijnse kei-
zer Leo VI verzameld en aangevuld met andere informatie over oorlogvoe-
ring op zee
240
. Dit toont ook nog maar eens aan dat de Byzantijnen inder-
daad grote inspanningen moesten doen om de ontdekking van het Griekse
vuur door de Arabieren tegen te gaan. Leo VI had alle redenen om weinig
expliciet te zijn over hun sterkste vuurwapens, aangezien de moslims al
snel beschikten over vertalingen van zijn taktische geschriften, misschien
zelfs al op het einde van de 10de eeuw
241
.

238
Zie Fig. 18.
239
V. CHRISTIDES, op. cit., pp. 11-13.
240
IBN AL-MANQALI (=IBN MANGLI), Al-Ahkam fi Fan al-Qital fi’l Bahr al-Mulukiyah wa’l Dawa-
bit an-Namusiyah, ed. ‘ABD RAIM, Caïro, s.d.
241
V. CHRISTIDES, op. cit., p. 4.
70
In deze tekst vinden we de Arabische parallellen voor de Griekse woorden
in verband met het Griekse vuur (naft) en die bevestigen de veronderstel-
lingen die in het verleden al gedaan werden. Zo vindt men voor c.¹.. (in de
betekenis van ‘vlammenwerper‘ in koper of brons) muqaddam, maar vooral
zarraqah en naffatah terug
242
. Voorts wordt het oorlogsschip dat uitgerust
was met vuurwapens harraqah genoemd, het equivalent van vuc¹cς. Om
de c.¹..(.c, de specialist voor de lancering van het Griekse vuur, aan te
duiden, wordt naffatun of zarraqun gebruikt. We moeten dus vooral op
zoek gaan naar de bovenstaande termen, maar toch blijft grote voorzichtig-
heid geboden. Zoals wij hierboven al vermeld hebben, heeft het woord naft
een ruime betekenis en betekent het niet zomaar dat het om het Byzantijn-
se Griekse vuur zou gaan. Vooral de context moet grondig onderzocht
worden en dan kijken we in de eerste plaats naar het gebruik ervan op zee.

De vroegste vermeldingen duiken al op in de 8ste eeuw. Al in 710 zou de
Arabische veldheer Muhammed Ibn Kasim naft gebruikt hebben tijdens
een expeditie in India en bij de belegering van Constantinopel in 717/718
zouden de moslims er eveneens over beschikt hebben
243
. In het eerste ge-
val gaat het duidelijk over een landoorlog, zodat men hier waarschijnlijk te
maken heeft met primitieve vuurwapens op basis van aardolie in de aard
van wat Procopius beschreven heeft; in het andere wordt er niets gespecifi-
eerd, zodat het hier moeilijker is een oordeel te vellen. Opvallend is wel dat
er nergens melding van gemaakt is dat ze het effectief gebruikt zouden
hebben tegen de Byzantijnen, terwijl deze hen wel degelijk aanzienlijke
schade konden berokkenen met hun Griekse vuur.
Vanaf de 9de eeuw neemt het aantal vermeldingen over het gebruik van
vuurwapens door de Arabieren fors toe
244
. Het is hier zeker niet de bedoe-
ling alle betrokken fragmenten te bespreken, want dat zou ons te veel tijd
en ruimte vragen. Als men het geheel bekijkt, valt op dat het grootste deel
ervan betrekking heeft op oorlogvoering te land en vaak veel gelijkenissen
vertoont met de periode van de kruistochten. Met grote waarschijnlijkheid
kunnen we dus zeggen dat de latere beschrijvingen van de granaten wel
degelijk op een oudere traditie teruggaan, maar wanneer juist de belangrij-
ke verbeteringen op het gebied van de aërodynamica en de toevoeging van
salpeter hebben plaatsgevonden, kunnen we niet bepalen. Toch opteren

242
Zie voor de verklaring van naffatah de KAMOUS, in M. MERCIER, op. cit., p. 43 en de LISAN AL-
‘ARAB, in V. CHRISTIDES, op. cit., p. 5.
243
V. CHRISTIDES, op. cit., pp. 14-15.
244
Zie voor een uitgebreid chronologisch overzicht: M. CANARD, Textes relatifs à l’emploi du feu gré-
geois chez les Arabes, pp. 3-7; M. MERCIER, op. cit., pp. 41-56.
71
we hier eerder voor een vrij late datering, vanaf het begin van de kruistoch-
ten ongeveer, zeker wat het laatste element betreft
245
.
Daarnaast vinden we ook verwijzingen terug naar harraqah, wat ons in de
eerste plaats interesseert. Over de exacte betekenis van dit woord bestaat
heel wat onduidelijkheid, net als bij het Griekse equivalent vuc¹cς trou-
wens. Oorspronkelijk ging het waarschijnlijk effectief om schepen die uit-
gerust waren met toestellen om Grieks vuur af te schieten, zoals 2 Arabi-
sche lexica (11de en 12de eeuw) ons aantonen
246
. V. Christides vertaalt
een verwijzing bij Ibn Sida (1007-1066) als volgt
247
:

Harraqat zijn schepen die vlammenwerpers hebben en men zegt dat ze de
vlammenwerpers zelf zijn.

Volgens deze moderne auteur beschikten de moslims dus wel degelijk over
sifon-achtige wapens, maar J. Haldon en J. Pryor betwijfelen dit sterk.
Volgens hen zijn de Arabische teksten vaak helemaal niet zo expliciet als V.
Christides laat uitschijnen
248
. In elk geval blijkt de betekenis van harraqah
vrij ruim te zijn. Dit begrip slaat hoogstwaarschijnlijk ook op schepen die
uitgerust waren met toestellen om de granaten gevuld met naft af te vuren,
zoals men op verschilllende tekeningen ziet
249
. Opvallend is in elk geval
het feit dat er in die Arabische militaire traktaten nauwelijks een spoor van
vlammenwerpers terug te vinden is. Daarvan bezitten we slechts één fi-
guur uit een 14de-eeuwse codex, maar die is te gestileerd om ons bijko-
mende gegevens te verschaffen
250
. Vanaf het einde van de 10de eeuw
duidde harraqah soms ook wel op een gewoon snel oorlogsschip, zonder
vuurwapens aan boord
251
.

Ondanks de soms twijfelachtige en te expliciete interpretaties van V. Chris-
tides lijken enkele Arabische literaire bronnen er toch op te wijzen dat de
moslims wel degelijk over een soort vlammenwerpers beschikten. Of dit
even krachtig was als de Byzantijnse types, is helemaal niet duidelijk en
eerder twijfelachtig aangezien ze zo weinig vermeld worden.
We vast dat de Arabieren verrassend vroeg over toestellen met Grieks vuur
beschikten. Al in 835 gebruikten zij harraqat in de oorlog, tegen de Byzan-

245
Zie de bespreking over salpeter pp. 27-30.
246
V. CHRISTIDES, op. cit., p. 24.
247
IBN SIDA, Al-Muhkam wa-l-muhit al-A’zam fi l-lugha, II, p. 400.
248
Persoonlijke mededelingen.
249
Zie Fig. 19.
250
A. Y. AL-HASSAN, D. R. HILL, op. cit., p. 108.
251
A. A. VASILIEV, op. cit., I, p. 132, n. 3; E. EICKHOFF, Seekrieg und Seepolitik zwischen Islam und
Abendland: Das Mittelmeer unter byzantinischer und arabischer Hegemonie (650-1040), p. 173, n. 2; V.
CHRISTIDES, op. cit., pp. 18-21, 24-25.
72
tijnen nota bene, zoals Ibn al-Idhari ons vertelt
252
. Ook enkele jaren ge-
bruikten zij vuurwapens in een zeegevecht met de Byzantijnen, blijkbaar
met succes
253
:

Wanneer zij het vuur lanceerden, liet hun schot (bij de vijanden) enkel ver-
brand vlees over dat een geur van roosteren verspreidde. Daardoor heb jij
de ‘roodbaarden’ verdreven door met hen een hevig gevecht te leveren met
vuur dat brandt in de hel.

Alhoewel hier niet expliciet vermeld wordt dat het om vlammenwerpers
gaat, beantwoordt de beschrijving aan het effect ervan. In enkele poëtische
geschriften vinden we de meest uitvoerige descripties terug. Alhoewel ze
wel wat gedramatiseerd overkomen, geven ze toch een uitstekend idee van
de effecten van de Arabische naffatah. Zo geeft Ibn Hani een korte, maar
accurate beschrijving
254
:

Uit deze schepen ontsnapt een donkerrood vuur waarvan de vlam op een
snel strijdros lijkt, waarvan de staart over de golven sleept.

In een van zijn andere gedichten is de beeldspraak nog veel kleurrijker en
overdreven, maar toch blijft hij nog vrij dicht bij de realiteit
255
:

Boven de schepen verheft zich een dikke en zware wolk die talloze bliksem-
schichten lanceert en die gerommel van donder laat horen… Het zijn derge-
lijke schepen die een vuur lanceren dat de gezichten verbrandt, zonder
hulpmiddel op de dag van de ontmoeting. Wanneer ze grommen van woede
lanceren ze een vuur zonder rook, zoals het vuur dat in de hel brandt. Hun
brandende ademstoten zijn de vuurtongen van de bliksem, en hun grom-
mende monden zijn van ijzer…

Vreemd is hier dat Ibn Hani stelt dat het ging om vuur zonder rook, wat
helemaal anders is dan wat keizer Leo VI zegt
256
. Of er hier sprake is van
een variant met een andere samenstelling, of dat het gewoon om een dich-
terlijke vrijheid gaat, is moeilijk uit te maken. Bij een andere, nogal obscu-
re poëet vinden we het element rook wel opnieuw expliciet terug wanneer

252
IBN IDHARI, Histoire de l’Afrique et de l’Espagne, in A. A. VASILIEV, op. cit., I, p. 375.
253
AL-BUHTURI, Diwan. Zie A. A. VASILIEV, op. cit., I, p. 407; M. MERCIER, op. cit., p. 45.
254
IBN HANI, 3de gedicht, v. 39. Zie M. CANARD, op. cit., p. 6; M. MERCIER, op. cit., p. 54.
255
ID., 13e gedicht, v. 36, 42-44. Zie M. CANARD, loc. cit. ; M. MERCIER, loc. cit.
256
LEO VI, op. cit., XIX, § 51.
73
die een bloemrijke omschrijving geeft van een zarraqat an-naft, een toestel
om Grieks vuur te lanceren
257
:

Het is een geel voorwerp waarvan zich in de mond een visceuze vloeistof van
dezelfde kleur bevindt. Wanneer die gelanceerd wordt, spot ze met de wind
en rivaliseert ze met hem in snelheid. Wanneer ze zich bevrijdt van haar
ziel, omhult ze (het schip) bij het lanceren met een kleed van duisternis die
een beschermende kracht vormt.

Op die schepen bevonden zich, net als op de Byzantijnse, enkele beman-
ningsleden die gespecialiseerd waren voor het lanceren van naft. Zo vinden
we bij Tabari (ca. 839-923) dat er zich op een klein oorlogsschip met 45
zeelui 3 naffatun bevonden
258
. Datzelfde getal vinden we ook nog terug
voor een boot met 90 mariniers aan boord
259
. Hoeveel er dan op een grote
harraqat van hetzelfde kaliber als een Byzantijnse dromon waren, wordt
nergens vermeld. Mogelijk zullen het er wel meer geweest zijn dan 3, maar
dat kunnen we niet bewijzen. Het lijkt er toch op dat er bij de Arabieren
iets meer mankracht nodig was voor het afvuren, aangezien er er op de
kleinere Byzantijnse oorlogsbodems maar 1 of 2 specialisten waren.

Sporadisch vinden we nog verwijzingen terug naar het gebruik van har-
raqat bij zeeslagen in de 9de en 10de eeuw
260
, maar die blijven toch zeer
beperkt als men ze vergelijkt met de talloze vermeldingen van naft die in de
vorm van granaten of brandpijlen te land gebruikt werden. Hier is het
trouwens niet altijd zeker of de Arabische schepen al dan niet beschikten
over echte vlammenwerpers, of dat het om slingertoestellen voor kruiken
met naft ging.

Zoals uit het voorgaande gebleken is, blijven er nog te veel onduidelijkhe-
den om een klaar antwoord te geven op de vraag of de Arabieren al dan niet
het geheim van het Byzantijnse Griekse vuur ontrafeld hebben en of zij het
konden imiteren. Uit het recente onderzoek van vooral V. Christides is
toch wel gebleken dat zij al in de 9de en 10de eeuw een ruimer vuurwa-
penarsenaal en zelfs vlammenwerpers hadden, iets wat men vroeger voor
onmogelijk hield. Dit kan ons eigenlijk niet verwonderen, want de Arabie-
ren kenden in die tijd een ongekende bloei op onder meer wetenschappelijk
gebied. In de loop der tijden zijn zij in het bezit gekomen van verschillende
elementen van het wapensysteem, niet alleen van de samenstelling, wat zij

257
TANUKHI, Nichwar, I, 256. Zie M. CANARD, op. cit., pp. 6-7; M. MERCIER, op. cit., p. 55.
258
AL-TABARI, Ta’rikh al-rusul wa’l-muluk, III, 1582 (= The history of al-Tabari, XXXV, p. 63).
259
V. CHRISTIDES, op. cit., p. 16, n. 32.
74
zeker snel door hadden aangezien zij zelf over immense voorraden aardolie
beschikten, maar ook moeten zij op zijn minst een globaal idee gehad heb-
ben van de principes om het te lanceren. Bij het buitmaken van een By-
zantijns oorlogsschip moeten zij daar ongetwijfeld elementen van gezien
hebben. Uit de omslachtige beschrijving van de Tunesische dichter Ali Ibn
Muhammed Iyadi kunnen we afleiden dat ook de Arabieren waarschijnlijk
het principe kenden van een haard om het mengsel op te warmen vooraleer
het af te vuren
261
.
Of zij echter het echte Griekse vuur kenden, kunnen wij onmogelijk zeggen.
Daarvoor is het aantal teksten te beperkt en is de terminologie te onduide-
lijk. Daarenboven komt de meer gedetailleerde informatie van gedichten,
bronnen die toch met grote voorzichtigheid moeten geïnterpreteerd worden.
Bovendien waren wij niet in staat om de soms in twijfel getrokken interpre-
taties van V. Christides zelf te controleren, aangezien wij geen Arabisch
kunnen lezen.
Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de moderne geleerden het er niet
over eens zijn. V. Christides neigt eerder om de naft van de Arabieren min
of meer op gelijke hoogte te stellen met het Byzantijnse Griekse vuur. An-
deren, zoals J. Haldon, J. Pryor en G. Pasch, menen dat de Arabische ver-
sie toch sterk inferieur was aan de Byzantijnse
262
. Wij vinden het toch al-
leszins vreemd dat de moslims hun schepen met vlammenwerpers slechts
sporadisch in de strijd wierpen. Bovendien is het toch wel erg opvallend
dat er in de militaire geschriften nauwelijks iets over vlammenwerpers te
vinden is. Daarom twijfelen wij toch ook wel een beetje aan de mening van
V. Christides. In elk geval besteedden de Arabieren veel meer aandacht
aan de ontwikkeling van granaten en brandpijlen.
Om duidelijker stelling te kunnen innemen, moeten we nog wachten op de
talloze Arabische documenten die over afzienbare tijd gepubliceerd en be-
studeerd zullen worden.

260
Zie bijv. IBN HAYYAN, Al-Muqtabis, V, p. 366 (ed.); p. 275 (trad.).
261
M. IYADI, Al-Muntakhab al-Madrasi min al-Adab al-Tunisi, ed. H. H. ‘ABD AL-WAHHAB, Caïro,
1944, pp. 48-49. Zie ook V. CHRISTIDES, The conquest of Crete by the Arabs (ca. 824), p. 65.
262
Gabriele PASCH, op. cit., p. 363; J. F. HALDON, Chapter II, 44 and 45 of ‘De Cerimoniis’, p. 278, n.
139.
75
IV. BYZANTIJNSE OORLOGSSCHEPEN EN TACTIEK


1. Types en uitrusting van de Byzantijnse oorlogsschepen

Om de rol en het belang van het Griekse vuur beter te kunnen begrijpen,
moet men ook enige notie hebben van het ruimere kader van de algemene
Byzantijnse oorlogvoering waarin het Griekse vuur gebruikt werd. Zo is
het onder meer belangrijk te kijken naar de plaats die de sifon was toebe-
deeld bij de algehele uitrusting van de oorlogsbodems.
De Byzantijnse vloot bestond uit verschillende scheepstypes waarvan de
terminologie ons opnieuw in verwarring brengt. Op deze ingewikkelde en
technische discussie gaan wij niet uitgebreid in, want dat zou ons veel te
ver doen afdwalen van ons onderwerp. In elk geval was de dromon het be-
langrijkste en grootste oorlogsschip. Deze typisch Byzantijnse term duikt
pas vanaf de 6de eeuw op
263
en wijst op het verschijnen van vernieuwende
elementen. Oorspronkelijk wees dit op snelle boten met slechts één rij
roeiers, maar al snel ontstonden er ook exemplaren met twee of uitzonder-
lijk zelfs drie. Eenvormigheid is duidelijk niet van toepassing op de dromon
want de teksten vermelden steeds verschillende groottes en aantallen roei-
ers. De essentie van al deze variaties lag erin dat het allemaal lange en
snelle schepen waren, zoals Isidorus van Sevilla meedeelt
264
.
Jammer genoeg is er nog altijd geen enkel dergelijk schip op de zeebodem
ontdekt, beschikt men niet over treffelijke tekeningen en is ook de informa-
tie van de antieke teksten onvolledig en niet zelden tegenstrijdig, zodat het
niet evident is om ons een duidelijk beeld van de dromon te vormen
265
.
Meestal onderscheidt men drie categorieën volgens de grootte: de dromon
in strikte zin, de pamphylos en tenslotte de ousiakos. Over de plaatsing
van de chelandion is men het sterk oneens. Sommigen identificeren die
met de dromon
266
, anderen verdedigen de stelling dat het om een totaal an-
der type ging
267
. Uit de grote spraakverwarring die ook bij specialisten zo-

263
PROCOPIUS, op. cit., III, XI, 15-16; CASSIODORUS, Variae, V, 16.
264
ISIDORUS HISPALENSIS, Etymologiae, XIX, 1, 14.
265
Zie voor meer specifieke informatie over de dromon R. H. DOLLEY, The warships of the later Roman
empire, pp. 47-53; Hélène AHRWEILER, Byzance et la mer, pp. 408-418; E. EICKHOFF, Seekrieg und
Seepolitik zwischen Islam und Abendland, pp. 135-148; L. CASSON, Ships and seamanship in the an-
cient world, pp. 148-154; M. REDDÉ, Mare nostrum, pp. 117-124; J. H. PRYOR, Geography, technology
and war, pp. 57-61; C. G. MAKRYPOULIAS, The navy in the works of Constantine Porphyrogenitus,
pp. 162-168; J. F. HALDON, op. cit., pp. 334-339. Binnenkort wordt ook een monografie gepubliceerd
die volledig aan de dromon gewijd is door Elizabeth JEFFREYS en J. H. PRYOR. Zie voor een recon-
structie Fig. 20.
266
Hélène AHRWEILER, op. cit., pp. 411-413.
267
C. G. MAKRYPOULIAS, op. cit., p. 163.
76
als Leo VI of Constantinus IX te voorschijn komt, kunnen we besluiten dat
de verschillen tussen deze klassen vrij beperkt waren en eerder gebaseerd
waren op de hoeveelheden en soorten bemanning dan op echt fysisch an-
dere scheepstypes
268
. Dit zou vooral gelden voor de pamphylos en de ousi-
akos, die vaak beschouwd worden als de types die het nauwst aansluiten
bij de oudste soort dromon. De bemanning varieerde respectievelijk tussen
de 120 en 160 man en tussen de 108 en 110
269
. Vanaf ongeveer de 9de
eeuw werd een grotere versie ontwikkeld die dan de dromon in strikte zin
genoemd werd. De belangrijkste toevoeging was een xylokastron, een hou-
ten platform in het midden van het schip waarop extra soldaten en oorlogs-
tuig konden geplaatst worden. Hier vinden we aantallen terug van 220 tot
zelfs 300 man per schip
270
.

Belangrijker dan deze ingewikkelde technische discussie is te bekijken wat
nu de vernieuwende elementen van de Byzantijnse oorlogsschepen waren.
In feite greep men in de beginperiode qua scheepsarchitectuur grotendeels
terug naar de ranke en snelle Atheense trireem van de 5de eeuw v.C., maar
dan met slechts één rij roeiers. Niet toevallig is hun aantal per rij 25 tot
30, wat in de buurt is van de 27 bij de Atheners
271
. Op het eerste zicht
lijkt er zich dus weinig evolutie te hebben voorgedaan in de scheepsbouw,
maar dit blijkt toch niet helemaal te kloppen, vooral wat de 10de eeuw be-
treft, de periode waarvoor we over de meeste informatie beschikken. Die
ontwikkelingen zijn voor een groot deel op rekening te schrijven van de evo-
lutie in de bewapening, vooral van de uitvinding van het Griekse vuur, en
van de andere tactiek die daardoor gevolgd werd. Wat het uitzicht be-
treft
272
, kunnen we met zekerheid zeggen dat de dromon niet meer over de
hele lengte bedekt was, maar dat er een apart voor-, midden- en achter-
kasteel was. Waarschijnlijk stonden er op de grote exemplaren twee en
mogelijk soms zelfs drie masten, terwijl dat bij de Atheense trireem maar
één was. Verder werd er ook overgeschakeld naar een Latijns zeil in plaats
van een vierkant
273
.
De belangrijkste veranderingen vonden, zoals gezegd, echter vooral plaats
op het gebied van de bewapening. Hierbij sprong natuurlijk eerst en vooral
de sifon in het oog. In de loop van de 10de eeuw leek er een stijging te zijn
geweest van hun aantal per schip. Bij Leo VI (ca. 900) is er sprake van

268
R. H. DOLLEY, op. cit., p. 48; L. CASSON, op. cit., p. 150.
269
C. G. MAKRYPOULIAS, op. cit., pp. 162-163; J. F. HALDON, op. cit., pp. 334, 336.
270
R. H. DOLLEY, loc. cit; C. G. MAKRYPOULIAS, loc. cit.; J. F. HALDON, op. cit., pp. 334, 336-
337.
271
M. REDDÉ, op. cit., pp. 120-121.
272
Zie Fig. 20.
273
R. H. DOLLEY, op. cit., pp. 51-52; J. H. PRYOR, op. cit., p. 60; C. G. MAKRYPOULIAS, op. cit., p.
170.
77
slechts één exemplaar dat zich helemaal vooraan in de boeg bevond
274
.
Enkele decennia later zijn dat er drie voor de twee grootste categorieën
dromons zoals blijkt uit de beschrijving die keizer Constantinus VII geeft
van de vloot voor de expeditie van 949 tegen Kreta
275
. Een andere bron is
nog specifieker
276
:

|v. . −H vc.c(H c.¹.. H -((-c(c \.·.(. ...c·ä. (. ìc.. (.
.−.H (.. vc.c. -(. u . v\(·.. -(. (u. ...c·Ø..H (. v\( ·..
vcc3(\\.c..

Op de boeg treedt de sifon, die katakoraks genoemd wordt, in werking wan-
neer de schepen zich recht tegenover de boeg bevinden; en twee (sifons) aan
de zijden treden zelf ook in werking wanneer ze aanvallen langs de zijkan-
ten.

Bij de kleinere ousiaka waren er maar twee sifons
277
. Waar die zich juist
bevonden, is ons niet bekend.
Voor de bediening werden drie personen per sifon voorzien bij keizer Con-
stantinus VII
278
, terwijl dat bij Leo VI slechts één man lijkt te zijn
279
. Dat
cijfer lijkt alleszins wel op te gaan voor de ousiaka
280
. Het lijkt er dan ook
sterk op dat de installaties op de dromons in strikte zin meer ontwikkelde
en grotere exemplaren waren die meer mankracht vereisten
281
.

Behalve de sifons en de andere beschreven types van Grieks vuur
282
waren
de Byzantijnse oorlogsschepen uitgerust met een ruim arsenaal aan allerlei
wapens. Leo VI overloopt de belangrijkste in zijn Tactica
283
:

´ A\\( -(. ( \.·...( cu\-(cc( v.c. ..c. vu Ø -((c.u ..
ÃH ..·.c.H c..c.. .v.cucuc. v.c..../.c...( c(..c.. .c ô.
(.c.H ...H ..c. −H v\...(H .uH (-..cuc.. u \.)uH .u\.-uH
u c.uc( 3(c.(. Í. .(´(H c.¹...ÃH. . ô. u u. .(Ø. .()cu.uc... u
uH uv-.....uH cu.)\(cuc.. c¹cäH -((¹.c...(. u . . .c. .v./u

274
LEO VI, op. cit., XIX, § 6.
275
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, De Cerimoniis, II, 45, pp. 672-3.
276
BASILEIOS PATRIKIOS PARAKOIMOMENOS, Naumachica, 2, 14 in A. DAIN, Naumachica, pp.
65-66.
277
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 45, p. 673.
278
ID., op. cit., II, 45, p. 669. Er is sprake van 12 lichtbewapende soldaten die samen instaan voor het
sturen,de leiding van de roeiploeg en de bediening van de sifons. Uit andere teksten blijkt dat hun aantal
respectievelijk 2 en 1 is, zodat er 9 personen zijn voor de 3 sifons. Zie C. G. MAKRYPOULIAS, op. cit.,
pp. 169-170 en n. 102.
279
LEO VI, op. cit., XIX, § 8.
280
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 45, p. 670.
281
C. G. MAKRYPOULIAS, op. cit., p. 170.
282
Zie hoofdstuk II, 3.
283
LEO VI, op. cit., XIX.
78
cuc.. u . .vc−c(. u.(.... u. .(Ø. ä. ..(.. .. u uH .. (u± v\.
..uH )(.(äc(..

7. Maar ook de zogenoemde xylokastra ergens rond het midden van de mast
bij de grootste dromons zullen afgeboord zijn met aangebrachte planken, van
waarachter sommige mannen speren zullen slingeren naar het midden van
het vijandelijke schip of molenstenen of zware stukken ijzer, zoals zwaard-
vormige voorwerpen, waarmee ze ofwel het schip in stukken breken, ofwel
de bemanningsleden, op wie ze heftig neerkomen, verpletteren, of (van
waarachter) ze iets uitstorten dat het schip van de vijanden in brand kan
steken of de vijanden in hun eigen schip kan doden.

.3 |(. c3\.cc(. . .. . (ÃH vcu..(.H. -(. (ÃH vc.c(.H. -(.
-(( ä. u v\.ucä. Ø c ...H .-v..vuc(. c(·.(H ..-c(H (H \.
·...(H .u.(H.

52. En boog-ballista’s op de achterstevens, en op de boegen en langs de
twee zijden van de dromon om kleine pijlen, die ‘vliegen’ genoemd worden,
af te schieten.

.· |(. )uc.( ..c. .v..uc(. .. /u c(.H -.-\..c...(. -(. -(( ä.
v\... ä. v\..... c.v...( Í. ¹..H. -(. ./..(H. -(. c(uc(H. -(.
c-cv.uH. -(. ( ..( u.. .3\(. ô. cu.c.3..... ( )uc.( (
-.uc. -(. cu.¹)..cuc. .( Ø .Ø uH v\...uH .c.).. ä. v\....

53. En anderen kwamen op het idee om dieren in kruiken op te sluiten en die
naar de schepen van de vijanden te werpen, zoals slangen, en adders, en
hagedissen, en schorpioenen, en andere gelijkaardige giftige beesten. Wan-
neer die (kruiken) stukbreken, bijten de dieren en doden ze de vijanden bin-
nen in de schepen door hun gif.

. |(. /uc(H . (\\. (c3.cu v\uc..H. ô. c.v..... -(. cu.c.3
..... −H (c3.cu (.H cu.v..·.. -(. c-.´.. uH v\...uH -(.
..·( ..v.. ·...(..

54. En nog anderen (bedachten) kruiken vol met ongebluste kalk. Wanneer
die vallen en stukbreken, verstikt en benevelt de damp van de ongebluste
kalk de vijanden en wordt hij een groot obstakel.

.. |(. c.3\. . c.uc(Ã c .v...(. .. ÃH v\..H ä. v\..... u
..-c( \uvucuc.. (uuH. -(. . .v.cuc.. vcH . -(( u . .c(. ¹..
\.( (·ä.(.

79
55. En ijzeren voetangels die naar beneden geworpen worden in de schepen
van de vijanden zullen hen niet weinig verwonden en zullen hen hinderen
voor het onontkoombare gevecht op het beslissende moment.

.u |(. c.3\. . ...´..H c.uc(Ã u .. c¹(.c..H cu\...H ½\. c.ÃH
..v.vu·..... cuvv..H . -(. ..c( u\u ....\u....u ..vuc.c)..( -(.
-(( ä. v\..... 3(\\...(. .É( v.v.( .. ÃH v\..H .( ä.
v\\ä. ..cä. ..vcucuc.. (u(.

58. Ook vrij grote ijzeren voetangels of scherpe nagels die in houten balletjes
vastgemaakt zijn, worden in brand gestoken met touwwerk en ander mate-
riaal dat eromheen gewikkeld is, en naar de vijanden geworpen. Wanneer
ze vervolgens op de schepen vallen, steken ze die in brand door de vele deel-
tjes.

c Au.(. . -(. .( .... ·.c(.... \.·...... u .... .... . v.u
.u.(.. ·(..(..ä. -u-\. v.c.cc.¹...... u v.cc(. u·c(. v.vuc.
...u.. u c-.uu.. u ..( ..c(. u\u. .v./uc(. ÃH v\...-ÃH v\..H .(
ä. c.. ... .c.u....H -(. Ø .(··(.u cc.¹...u -( (uä..

60. Het is ook mogelijk door middel van bepaalde zogenaamde kranen of
sommige gelijkaardige gammavormige toestellen, die in een cirkel ronddraai-
en, in brand gestoken vloeibare pek of een ander product of een andere ma-
terie uit te storten over de vijandelijke schepen die door de dromons samen-
gedreven zijn. Ook de mangel wordt tegen hen ingezet.

Uit bovenstaande fragmenten blijkt overduidelijk dat de Byzantijnen niet
alleen vertrouwden op hun Griekse vuur maar ook vele andere soorten wa-
pens aan boord hadden. Ook in de De Cerimoniis komt een gelijkaardige
grote verscheidenheid aan allerhande wapentuig ter sprake
284
. Hieruit
kunnen we afleiden dat de sifons blijkbaar onvoldoende waren om de vij-
and altijd te kunnen verslaan en dat er voldoende alternatieven aan boord
moesten zijn wanneer het belangrijkste vuurwapen faalde.

Of de Byzantijnse oorlogsbodems nog over rammen beschikten, is niet ge-
heel duidelijk en wordt de laatste tijd steeds meer in twijfel getrokken.
Vroeger werd dit meestal zonder veel problemen aanvaard
285
en verwees
men vaak naar een 10de-eeuws tactisch geschrift waar dit expliciet ver-

284
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 44-45.
285
R. H. DOLLEY, op. cit., pp. 49, 52; E. EICKHOFF, op. cit., p. 138; V. CHRISTIDES, The conquest of
Crete by the Arabs (ca. 824), p. 62.
80
meld zou staan
286
. Wij hebben deze tekst echter grondig bekeken en tot
onze verrassing vastgesteld dat er hier sprake is van een verkeerde inter-
pretatie door enkele moderne geleerden. Weliswaar worden hier ..3\.
vermeld, wat inderdaad een veel gebruikte term is om de typische ram van
een klassieke trireem of van een Romeins oorlogsschip aan te duiden. Hier
geeft de auteur echter een definitie waaruit klaar en duidelijk blijkt dat het
in dit geval om iets heel anders gaat, namelijk om kabels die het roer met
de achtersteven verbinden
287
. Elders wordt hier en daar wel nog gesproken
over het rammen van vijandelijke schepen
288
, maar de tekstfragmenten zijn
niet helemaal duidelijk en maken nog verschillende interpretaties mogelijk.
De laatste tijd is men er steeds meer van overtuigd dat al snel na de uit-
vinding van het Griekse vuur de echte ..3\H, namelijk een ram die be-
doeld was om de boeg van de vijandelijke schepen net onder de waterlijn te
doorboren en zo het schip lek te doen slaan, in onbruik raakte. In plaats
daarvan werd die waarschijnlijk vervangen door een uitsteeksel boven wa-
ter die op de voorsteven bevestigd was en die het andere vaartuig wel be-
schadigde, maar niet deed zinken. Het was vooral de bedoeling om de roei-
spanen van het vijandelijke schip te versplinteren
289
. Men gebruikte ook
zogenoemde ...(u\(, dikke staven die door de openingen van de peddels
gestoken werden en die de vijandelijke roeiers konden verwonden en het
andere schip konden beschadigen
290
. Enkele graffiti uit de 12de eeuw la-
ten zien dat in die periode de ram in die periode zeker verdwenen was
291
,
maar het is natuurlijk niet zeker dat hetzelfde gold in de 9de en 10de
eeuw
292
.


2. Organisatie van de vloot

Een belangrijk gegeven dat we in rekening moeten nemen om het algemene
belang van het Griekse vuur te kunnen bepalen, is de organisatie van de
Byzantijnse oorlogsvloot. Ten opzichte van de situatie tijdens het Romein-

286
BASILEIOS PATRIKIOS PARAKOIMOMENOS, op. cit., 2, 15 in A. DAIN, op. cit., p. 66.
287
De Griekse tekst luidt als volgt: 1( . −H .uH c/...(... ..3\.. . u H .(-(H cu.
./uc. -(. . ô. ..H . c/(.−c( (v.c.ä.(..
288
Bijvoorbeeld LEO VI, Tactica, § 60.
289
J. H. PRYOR, op. cit., p. 59. Van deze auteur verschijnt binnenkort een monografie over de dromon
waar uitgebreid op deze problematiek wordt ingegaan en nieuw bewijsmateriaal wordt besproken. Ui-
teraard hebben wij dit nog niet kunnen inkijken, maar hij heeft mij persoonlijk bevestigd dat de dromon
geen ram had.
290
T. G. KOLIAS, Die byzantinische Kriegsmarine, p. 136.
291
Zie Fig. 21.
292
Onlangs heeft J. Pryor mij wel persoonlijk bevestigd dat hij in de voorbije jaren veel meer bewijzen
gevonden heeft die zijn theorie staven dat de dromons geen ram hadden. Waarschijnlijk was dat zelfs al
81
se keizerrijk voltrokken zich belangrijke wijzigingen in de 7de eeuw die in
de eerste plaats het gevolg waren van de expansie van de islam in het Mid-
dellandse-Zeegebied. Kort voor 650 begonnen de Arabieren onder leiding
van Mu’awiyah namelijk een vloot te bouwen die snel in sterkte toenam en
de kustgebieden van het keizerrijk steeds meer begon te bedreigen. In 655
slaagden zij er zelfs in de trotse Byzantijnse zeemacht een zware nederlaag
toe te dienen bij Phoenix in Carië. Als reactie op de groeiende concurrentie
op zee werd onder Constans II voor het eerst een permanente vloot uitge-
bouwd, parallel aan de reorganisatie van het landleger in themata (ca. 660),
maar de precieze organisatie is niet geheel duidelijk
293
. Waarschijnlijk
werd toen een maritiem thema opgericht, Carabisianoi
294
genaamd, dat on-
afhankelijk van het gewone landleger opereerde en een eigen strateeg
had
295
.
Onder impuls van Leo III (717-741) werd de organisatie verder ontwikkeld
en onstond er een drieledige structuur die zich eeuwenlang zou handhaven
en die de slagkracht van de vloot gevoelig vergrootte
296
. Ten eerste was er
de centrale keizerlijke vloot die onder de leiding stond van een drungarios
en in Constantinopel en in enkele strategische havens gestationeerd was.
Hij was in de eerste plaats bedoeld voor de verdediging van de hoofdstad en
voor grote expedities. Hiertoe behoorden de grootste en sterkste dromons
en het waren voornamelijk deze schepen die beschikten over het Griekse
vuur. Zij waren immers rechtstreeks afhankelijk van de keizer en dus ge-
makkelijker te controleren. Een tweede categorie waren de provinciale vlo-
ten. Zij bestonden uit kleinere boten en waren onderworpen aan de be-
stuurder van elk thema dat aan de zee gelegen was. Hoofdbedoeling was
de lokale kust te vrijwaren van piraten en invallen en steun te geven aan
het landleger. Alhoewel zij ook voor een groot deel gefinanceerd en gecon-
troleerd werden door het centrale bestuur, beschikten zij normaal gezien
niet over Grieks vuur, zoals blijkt bij de rebellie van Thomas de Slaaf (821-
823). Bij interne opstanden sloten de provinciale vloten zich immers au-
tomatisch aan bij hun strateeg als die zijn steun verleende aan de rebellen.
Het risico dat het gevaarlijke vuurwapen zich vroeg of laat tegen de keizer
zou keren was daarom groot. Mogelijk werd er wel een uitzondering ge-
maakt voor Sicilië aangezien Arabische bronnen getuigen dat in 733 hun

het geval vóór de uitvinding van het Griekse vuur. In zijn monografie over de dromon die binnenkort
verschijnt, gaat hij diep in op deze ingewikkelde kwestie.
293
W. TREADGOLD, A history of the Byzantine state and society, p. 315.
294
Afgeleid van -(c(3.H, een Grieks woord voor schip. Het besloeg de Griekse eilanden in de Egeïsche
Zee en de zuidkust van Anatolië.
295
Hélène AHRWEILER, Byzance et la mer, pp. 19-31; A. TOYNBEE, Constantine Porphyrogenitus
and his world, p. 325; W. TREADGOLD, loc. cit.; T. G. KOLIAS, op. cit., p. 134.
296
Hélène AHRWEILER, op. cit., pp. 32-35. Zij weerlegt de vroegere visie dat er slechts twee onderver-
delingen konden gemaakt worden. Zie ook T. G. KOLIAS, loc. cit.
82
vloot door Grieks vuur vernietigd werd
297
. Dit eiland had immers zeer
sterk te leiden onder aanvallen van de moslims. Een derde en laatste cate-
gorie waren de themavloten. In tegenstelling tot de vorige groep waren zij
niet afhankelijk van de bestuurder van een thema maar stonden zij onder
het bevel van een drungarios die rechtstreeks door de keizer benoemd werd
en enkel en alleen voor de zeemacht instond. Het aantal themata dat over
een dergelijke vloot beschikte, was beperkt. Een eerste was het thema van
de Cibyrrhaeoten
298
dat opgericht werd in 732. Niet veel later kwam daar
Kephallonië
299
bij en in de eerste helft van de 9de eeuw werden Samos en
Aigaion Pelagos als aparte regio’s afgescheiden van het thema van de Ci-
byrrhaeoten. Zij opereerden vaak onafhankelijk van de andere twee groe-
pen en waren van veel groter belang dan de provinciale vloten, want het
waren vooral zij die het hele Byzantijnse zeegebied moesten beschermen
tegen allerlei invallen. Daarom bestonden deze vloten ook uit grote dro-
mons naast kleinere scheepstypes maar zij moesten wel met lokale financi-
ele middelen uitgerust en bemand worden. Verschillende bronnen laten
sterk vermoeden dat ook deze themavloten in het bezit waren van Grieks
vuur
300
, maar dat was zeker niet zonder risico want ook hun bevelhebbers
durfden wel eens partij te kiezen tegen de keizer. Mogelijk kregen zij
slechts beperkte voorraden van het nodige aardoliemengsel uit het centrale
arsenaal in Constantinopel zodat het gevaar in geval van een opstand rede-
lijk beperkt bleef
301
.

3. Tactiek

De ingebruikname van het Griekse vuur bracht ook gevoelige veranderin-
gen teweeg in de tactiek die gevolgd werd bij zeeslagen. Hiervoor is op-
nieuw de Naumachica van keizer Leo VI zeer interessant
302
. Opmerkelijk is
dat de keizer bij het schrijven van zijn traktaat geen beroep kon doen op
ouder materiaal, maar zich volledig moest baseren op eigentijdse ervarin-
gen
303
. Dit maakt dit werk bijgevolg zeer interessant en vrij betrouwbaar,
wat niet altijd kan gezegd worden van enkele latere geschriften over de By-

297
E. EICKHOFF, op. cit., p. 37, n. 11.
298
Min of meer hetzelfde territorium als Carabisianoi.
299
De Ionische eilanden aan de westkust van Griekenland.
300
Hélène AHRWEILER, op. cit., pp. 34-35, 44.
301
A. TOYNBEE, op. cit., p. 327, n. 6.
302
De Naumachica is een iets uitgebreidere versie van hoofdstuk XIX van de Tactica en is gepubliceerd
in een verzameling onuitgegeven militaire traktaten door A. Dain onder de toepasselijke titel Naumachi-
ca. Omdat de enkele extra paragrafen hier van weinig belang zijn en niet ter sprake gebracht worden,
verkiezen wij de verwijzingen naar de Tactica te blijven geven. Bovendien is dit laatste werk gemakke-
lijker terug te vinden dan de Naumachica.
303
LEO VI, Tactica, XIX, I, 1.
83
zantijnse marine die vaak een verkeerd blijken te geven van de realiteit
304
.
Anderzijds wijst dit ook op de stiefmoederlijke behandeling van de vloot ten
opzichte van het landleger, iets wat nog uit vele andere elementen kan af-
geleid worden
305
. Voor deze andere tak van de oorlogsvoering beschikken
wij ook over veel meer traktaten en de vroegste dateren reeds uit de Griek-
se klassieke periode
306
.
Leo’s voorschriften laten onmiskenbaar blijken dat de praktijk van het
rammen van vijandelijke schepen helemaal naar de achtergrond verwezen
werd. In plaats daarvan beschoot men die eerst met Grieks vuur en met de
hierboven beschreven projectielen. Vaak was dit blijkbaar onvoldoende om
de tegenstander te verslaan en in dat geval was het nodig het andere schip
te enteren en in lijf-aan-lijf-gevechten de opponenten proberen klein te
krijgen. Niet zelden imiteerde men dus in een zeegevecht eigenlijk een
strijd op het vasteland. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat de be-
manning gewapend was met zwaarden, speren, pijlen en zelfs kleine kata-
pulten. De beste en meest bewapende roeiers-soldaten werden op de bo-
venste rij geplaatst, de andere op de onderste
307
. Daarbovenop was er op
elke grote dromon nog een groep zwaar gepantserde soldaten aanwezig die
dezelfde uitrusting hadden als de cataphracten en op de houten platforms
stonden
308
. Waarschijnlijk gaat het hier niet om speciale mariniers zoals
men vroeger dacht, maar om echte landtroepen, zoals Constantinus VII
aangeeft: op de 300 mannen per dromon moesten er 70 landsoldaten aan-
wezig zijn
309
. Blijkbaar waren die lijf-aan-lijf-gevechten niet het sterkste
punt van de Byzantijnse vloot want keizer Leo raadt aan zoveel mogelijk
het enteren van de eigen schepen en een strijd van man tegen man te ver-
mijden
310
. Zij vertrouwden blijkbaar eerder op hun vuurwapens en ‘artille-
rie’.

Opvallend is de grote voorzichtigheid waarmee zowel de Byzantijnen als de
Arabieren te werk gingen. Voor zover dit mogelijk was, probeerde men di-
recte confrontaties te vermijden. Enkel wanneer men vrij zeker was van de
overwinning ging men tot de aanval over en onnodige risico’s nemen was
uit den boze. Het bouwen en bemannen van oorlogsbodems was immers

304
Van deze bronnen heeft J. Pryor een grondige studie gemaakt die eveneens in zijn monografie over de
dromon ter sprake komt.
305
T. G. KOLIAS, op. cit., pp. 134-135. Dit geldt ook voor keizer Leo VI. In zijn Tactica is immers
slechts één van de twintig hoofdstukken aan oorlogsvoering op zee gewijd, de andere negentien enkel en
alleen aan die te land.
306
Bijvoorbeeld de Poliorcetica van Aeneas Tacticus.
307
LEO VI, Tactica, XIX, §8; §18.
308
ID., op. cit., XIX, § 13; §65.
309
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., p. 670. Zie J. F. HALDON, op. cit., p. 225,
n. 68.
310
LEO VI, op. cit., § 25.
84
een zeer dure aangelegenheid en het goed opleiden van zeelui vergde veel
tijd. Een groot verlies op zee was dus veel rampzaliger dan bij een veld-
slag
311
. Om die reden probeerde men ook in de mate van het mogelijke vij-
andelijke schepen buit te maken en niet nodeloos te vernielen
312
.
Enkel in noodsituaties werd heel de vloot betrokken in een zeeslag, maar
het zijn juist deze gevechten die het meeste weerklank kregen bij de ge-
schiedschrijvers. Leo VI raadt dit ten stelligste af
313
. De verliezen in geval
van een nederlaag zouden immers zeer desastreus kunnen zijn. Meestal
ging het om één of enkele eskaders die elk afzonderlijk opereerden en dan
spreken we over hoogstens enkele tientallen schepen. Historische auteurs
overdreven dikwijls de cijfers over het aantal boten dat deelnam aan grote
ondernemingen of zeeslagen. Bij de herovering van Kreta in 961 bijvoor-
beeld geeft Theophanes Continuatus het waanzinnige getal van ruim
3000
314
. In een nog niet zo lang gepubliceerd heiligenleven is er sprake
van slechts 250 schepen, een getal dat veel beter de realiteit weergeeft
315
.
Bij gelijkaardige, mislukte pogingen in de decennia daarvoor is er bij Con-
stantinus Porphyrogenitus sprake van welgeteld 100 oorlogsbodems in 911
en 128 in 949
316
, en dan spreken we nog van groots opgezette expedities!
Waarschijnlijk bedroeg de totale Byzantijnse oorlogsvloot tijdens de eerste
helft van de 10de eeuw ruim 300 schepen, heel wat minder dus dan wat
men op het eerste zicht zou denken op basis van de historische auteurs.
Bij enkele grootschalige ondernemingen kon het wel gebeuren dat gewone
schepen tijdelijk omgebouwd werden tot oorlogsbodems
317
.
Omdat men dus meestal op vrij beperkte schaal opereerde, probeerde men
meestal de vijand eerder te verschalken door verrassingsaanvallen of listen
dan door brute aanvallen. Bij de aanvang van een reguliere zeeslag vertrok
men meestal uit een formatie in een halve cirkel, en niet compact bij el-
kaar
318
. Dit bood immers het voordeel dat er een grote waaier aan mogelij-
ke tactieken bleef en men zo de vijand gemakkelijker kon proberen om de
tuin te leiden door schijngevechten, plotse manoeuvres, enz. met de bedoe-
ling hem te omsingelen. De grootste en sterkste dromons werden op de
flanken geposteerd en konden in frontale positie beter hun grote aanvals-
kracht ten toon spreiden, in de eerste plaats het Griekse vuur, gevolgd door

311
R. H. DOLLEY, Naval tactics in the heyday of the Byzantine thalassocracy, p. 325. V. CHRISTI-
DES, op. cit., p. 60.
312
J. H. PRYOR, op. cit., p. 59.
313
LEO VI, op. cit., §22.
314
THEOPHANES CONTINUATUS, Chronographia, p. 475.
315
T. G. KOLIAS, op. cit., p. 137.
316
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 44-45. Zie J. F. HALDON, op. cit., pp.
334-335.
317
R. H. DOLLEY, op. cit., p. 327.
318
LEO VI, op. cit., §44.
85
het hele arsenaal andere projectielen. Zo trachtte men de vijandelijke
schepen bijeen te drijven, een deel daarvan te vernietigen en de rest tot
overgave te dwingen. Zoals eerder gezegd, wilden de Byzantijnen entering
zoveel mogelijk vermijden
319
.

Uit het voorgaande blijkt dus dat het Griekse vuur wel een vrij belangrijk,
maar vaak niet doorslaggevend element was bij de zeeslagen. Dit vermoe-
den wordt ook versterkt door de gegevens in de De Cerimoniis: alle schepen
hadden sifons om Grieks vuur af te schieten aan boord, maar dit volstond
niet om de expeditie naar Kreta in 949 tot een goed einde te brengen. Dat
roept natuurlijk vraagtekens op over de grote impact dat dit wapen volgens
velen zou gehad hebben.

319
R. H. DOLLEY, op. cit., pp. 327-328; E. EICKHOFF, op. cit., pp. 162-168.
86
V. BESCHERMINGSMIDDELEN TEGEN HET GRIEKSE VUUR


Volgens de traditionele visie was de kracht van het Griekse vuur zo groot
dat men er zich zeer moeilijk kon tegen beschermen. Het belang van de
uitvinding van dit vuurwapen wordt soms zelfs vergeleken met die van de
atoombom
320
en ook het feit dat het Byzantijnse rijk het onwaarschijnlijk
lang uitgehouden heeft, werd in de oudere literatuur dikwijls voor een groot
deel aan dit geheime wapen toegeschreven
321
. Ook dit idee moet bijgesteld
worden volgens de laatste bevindingen van enkele geleerden en is recent
zeer sterk aangevochten door T. Korres
322
. De impact van het Griekse vuur
blijkt inderdaad minder groot te zijn geweest dan vroeger vaak werd aange-
nomen, maar in welke mate we het belang ervan moet relativeren, is nog
voor heel wat discussie vatbaar.

Een eerste belangrijk aspect om de belangrijke vraag naar het werkelijke
effect en belang van het Griekse vuur te bespreken, is te kijken in welke
mate het mogelijk was voor de vijanden van de Byzantijnen om zich hierte-
gen te beschermen. Uit enkele teksten blijkt namelijk dat men wel degelijk
in staat was om zich fatsoenlijk te beveiligen tegen het vernietigende effect
van dit vuurwapen. Daarbij paste men methodes toe die teruggingen op
eeuwenoude gewoontes.

Azijn werd al vele honderden jaren beschouwd als een adequaat middel om
zich te verweren tegen allerlei vuurwapens. Vaak lezen we in de antieke
literatuur dat men daarmee het vuur kon blussen, of ook met urine
323
,
maar volgens de huidige wetenschappers zijn deze vloeistoffen in de prak-
tijk niet of nauwelijks beter dan water, en kunnen dan ook weinig van
dienst zijn om brandende pek of olie te doven. Waarschijnlijk bedoelde
men met het begrip azijn ook zout bevattende vloeistoffen, vooral pekel, wat
wel meer geschikt zou zijn als blusmiddel
324
. Veel effectiever is zand, zoals

320
Zie bijv. H. R. ELLIS DAVIDSON, The secret weapon of Byzantium, p. 61.
321
Dit is vooral gebaseerd op de mening van E. GIBBON die in zijn standaardwerk History of the decline
and fall of the Roman empire (ed. J. B. BURY), VI, p. 11 het Griekse vuur het palladium van de Byzanti-
jnse staat noemde.
322
T. K. KORRES, )·c. lØc. |.( v\ uH 3u´(...uH .(u.-uH (-.-uH. Zoals al eerder
gezegd, hebben we dit werk niet kunnen raadplegen. Zie Gabriele PASCH, op. cit., pp. 364-366 voor zijn
belangrijkste standpunten.
323
AENEAS TACTICUS, XXIV en n. 1 voor andere auteurs. Ook bij MARCUS GRAECUS, op. cit., §
11 vinden we nog steeds dezelfde traditionele blusmiddels terug.
324
J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 5. M. P. E. BERTHELOT, Les compositions incendaires dans l’ An-
tiquité et au moyen âge. Le feu grégeois et les origines de la poudre à canon, pp. 795-6; A. DAIN, Le
“Corpus perditum”, pp. 39-40. Zie PLINIUS MAIOR, op. cit., XXXI, 39.
87
Plinius Maior vermeldt
325
, of ook linnen doeken die meermaals in azijn ge-
drenkt zijn
326
.
Beter dan blussen is natuurlijk het voorkomen van brand, en daarvoor was
de beste methode het bekleden van houten tuigen met doeken of dieren-
huiden die in azijn of urine gedrenkt waren. Al bij Thucydides vinden we
dit principe terug: de inwoners van Plataea bedekten de houten omwalling
met huiden
327
. Wanneer men ze in azijn of pekel doopt, is dit veel beter
dan in gewoon water, want beide vloeistoffen worden beter geabsorbeerd en
zorgen ervoor dat zowel het hout als het bedekkingsmateriaal minder snel
uitdrogen
328
.
Een ander efficiënt middel was aluin. Behalve voor het looien van leer kon
dit product ook gebruikt worden om hout te behandelen en brandvrij te
maken. Al in de Griekse oudheid was deze methode goed gekend. Herodo-
tus vertelt dat de Egyptische farao Amasis een grote hoeveelheid aluin
schonk voor de heropbouw van de tempel in Delphi, die in 548 v.C. afge-
brand was
329
. Mogelijk werd dit aangewend om de tempel voor een nieuwe
brand te behoeden. Explicietere verwijzingen vinden we onder meer terug
bij Aulus Gellius, die verhaalt hoe een generaal van Mithridates in 87 v.C.
een houten toren van vernietiging door vuur kon sparen door hem met
aluin in te smeren
330
. Op dezelfde wijze konden de Romeinen hun belege-
ringstuigen beschermen tegen de Perzen in 296
331
. Of de Byzantijnen ook
deze protectiemethode toepasten, is ons niet duidelijk want we vinden die
nergens meer vermeld, in tegenstelling tot het gebruik van linnen of hui-
den
332
.

Om de schepen te beschermen tegen het Griekse vuur paste men het prin-
cipe van de in azijn gedrenkte doeken toe, zoals Joannes Cinnamus mee-
deelt
333
:

|..(Ã. . (.c).... -(v.. (uä. .. .c(.. .··.c(..H . (uÃH. v.c.
vu . A3uu ·.·..H vc).. Mu.-è vuc. ¹\.c... ...Ø.. A\\
.-.Ã... ( . ä. |..(^-ä. .)(.H .v.u.u.(... v.\uH ..(H c.. v.c.
.uc(..H u.H . vc(. v.c...\u¹.H u. .(Ø. .c.\\. )(cc(\...
|..(Ã. ..u. .v..u .u.. (.uc... .É/. ·(c vØc vcc.(. u

325
PLINIUS MAIOR, op. cit., XXIII, 37.
326
MARCUS GRAECUS, op. cit., § 11.
327
THUCYDIDES, II, 75, 5.
328
J. R. PARTINGTON, op. cit., p. 5; M. P. E. BERTHELOT, op. cit., p. 796.
329
HERODOTUS, II, 180.
330
AULUS GELLIUS, Noctes Atticae, XV, 1.
331
AMMIANUS MARCELLINUS, XX, 6, 13.
332
Zie bijv. LEO VI, op. cit., XV, 30.
333
JOANNES CINNAMUS, op. cit., p. 283.
88
./c−. .v. u. 3c.. (-..´.... u u. ..(u.. u -(. v.\(c(. ÃH v.
\.H (vcc.¹.... -() u(.. .c3...u v.c.. (vc(-. (../.cuc(..

Toen de Byzantijnen dit vernomen hadden, achtervolgden ze hen (scil. de
Venetianen) daarna, naderden hen en toe ze zich ergens in de omgeving be-
vonden van de zeeëngte van Abydos, waren ze van plan hen te verbranden
met Medisch vuur. Maar omdat zij echter vertrouwd waren met de Byzan-
tijnse gewoontes, rustten de onverschrokkenen het schip uit door vilten doe-
ken in azijn te drenken en het hele schip ermee te bekleden. Aangezien de
Byzantijnen nu echter geen succes hadden (want het vuur werd veel verder
geslingerd naar het schip dan nodig was of raakte het niet of, ook al raakte
het het, werd het door de vilten doeken afgeketst en viel het in het water en
werd het uitgedoofd), gingen ze onverrichterzake weg.

Toch was deze methode niet voor honderd procent veilig want in een Ara-
bisch manuscript lezen we het volgende
334
:

Je kan ook een mengsel maken van balsemolie en naft. Deze samenstelling
heeft de eigenschap de linnen stoffen te verbranden waarmee de Byzantij-
nen zich bedekken.

Of dit mengsel in de praktijk werkelijk doeltreffend was, weten we niet,
maar hoogstwaarschijnlijk waren er wel degelijk middeltjes voor de aanval-
lers om het effect van de beschermingsmaatregelen van de vijand te ver-
minderen. Anders zou het moeilijk te verklaren zijn hoe het dan nog über-
haupt mogelijk was dat het Griekse vuur en andere vuurwapens nog voor
lange tijd geduchte wapens waren die er toch regelmatig nog voor zorgden
dat boten of houten torens en belegeringswerktuigen in vlammen opgingen.

De Arabieren, de vijanden van de Byzantijnen bij uitstek, pasten het hier-
boven beschreven procédé al snel na de uitvinding van het Griekse vuur
toe, maar in een licht gewijzigde vorm. In de Geschiedenis van de Patriar-
chen van Alexandrië wordt verteld dat een zekere Abd ar-Rahim, het hoofd
van de arsenalen van Egypte, in 749 al een methode uitvond om zijn sche-
pen tegen vuur te beschermen
335
:

Zijn inspanningen zorgden uiteindelijk voor nooit geziene resultaten. Hij nam
lompen van linnen en verschillende kruiden die hij vermengde. Vervolgens

334
J. T. REINAUD, I. FAVÉ, Du feu grégeois, des feux de guerre, et des origines de la poudre à canon
chez les Arabes, les Persans et les Chinois, p. 268.
335
SEVERUS IBN AL-MUQAFFA, Historia patriarcharum Alexandrinorum, III, 373 (= Patrologia
Orientalis, 5, p. 119).
89
smeerde hij daarmee de schepen van de vloot in opdat, wanneer het vuur
door de Byzantijnen op de schepen zou geworpen worden, zij niet in brand
zouden vliegen. En dit feit heb ik met eigen ogen gezien: de schepen werden
bereikt door het vuur, maar werden helemaal niet in brand gestoken; inte-
gendeel, het vuur werd onmiddellijk gedoofd.

Het belangrijkste element was dat deze Egyptenaar blijkbaar de brandwe-
rende eigenschappen ontdekt had van een speciaal mengsel van planten,
zoals even verder in de tekst nog eens verduidelijkt wordt
336
. Wat dit pre-
cies was, weten we niet, maar waarschijnlijk ging het hier al om wat in de
latere Arabische lectuur meestal talq genoemd wordt. Deze substantie van
plantaardige oorsprong was volgens hen een uitstekend middel om zich te-
gen vuur te beschermen, zoals enkele bronnen expliciet stellen:

De ‘talq’ zal in geen duizend jaar verhitten, zelfs al wordt ze bloot gesteld
aan de werking van vuur. Het is hiermee dat de ‘naffatin’ zich insmeren
wanneer zij het vuur willen betreden
337
.

Talq: soort van geneesmiddel. Men zegt dat het het uitgeperst sap van een
plant is. Degenen die in een vlammenzee gaan, smeren zich ermee in
338
.

Welke plant(en) nu specifiek gebruikt werd(en), is tot op heden niet duide-
lijk. Mogelijk ging het om mica, maar daar is geen sluitend bewijs voor te
vinden
339
. Uit deze twee korte definities blijkt wel dat men het gebruik van
talq zeker niet alleen beperkte tot de oorlogsbodems, maar ook toepaste
voor de bescherming van de elitesoldaten die met vuurwapens omgingen.
In de latere militaire handboeken vindt men nog verschillende andere for-
mules terug
340
en zelfs afbeeldingen van dergelijke beschermende kledij
voor soldaten en strijdrossen
341
.

Zoals een Arabische tekst aangeeft
342
, hanteerden de Byzantijnen zelf ge-
lijkaardige methodes om hun schepen te beschermen tegen de islamitische
vuurwapens, maar in de bronnen is hier weinig van terug te vinden. In de
lijst van de De Cerimoniis staan wel grote hoeveelheden huiden en nagels
vermeld die niet anders dan voor dit doel kunnen gediend hebben
343
. Bij-

336
ID., op. cit., III, 432 (= Patrologia Orientalis, 5, p. 178).
337
JAHIZ, Madjmu’al Rasail (ed. VAN NOTEN), p. 70. Zie M. MERCIER, op. cit., p. 57.
338
LISAN AL-ARAB, XII, p. 101. Zie M. MERCIER, loc. cit.
339
M. MERCIER, op. cit., pp. 57-58.
340
J. R. PARTINGTON, op. cit., pp. 197-207.
341
Zie Fig. 22.
342
Zie n. 334.
343
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 45, p. 675.
90
komend voordeel was dat zij ook de impact van andere projectielen die af-
geschoten werden, konden verminderen
344
.


344
E. EICKHOFF, op. cit., p. 142.
91
VI. HISTORISCH BELANG VAN HET GRIEKSE VUUR


1. Historisch overzicht

Als bij de bespreking van de oorlogsschepen en –tactiek en van de be-
schermmethodes tegen het Griekse vuur al gebleken is dat het reële effect
van dit fameuze wapen niet zo verwoestend was als vaak wordt veronder-
steld, komt dit nog duidelijker naar voren als we onderzoeken bij welke ge-
legenheden het ingezet werd en de Byzantijnen de overwinning schonk.
Een systematisch en exhaustief onderzoek naar wanneer en hoe het Griek-
se vuur gehanteerd werd, is naar wij weten nog niet gebeurd. Dit is noch-
tans van primordiaal belang als we te weten willen komen wat de echte be-
tekenis ervan was voor de geschiedenis van het Byzantijnse rijk en of uit-
spraken als zou dankzij dit staatsgeheim het imperium voor eeuwen gered
zijn, gegrond zijn. Dikwijls zeggen moderne auteurs ook dat de bronnen
talrijke gebeurtenissen opnoemen waarin het Griekse vuur een rol speelde,
maar behalve enkele steeds terugkomende voorbeelden gaat men daar
nooit dieper op in.
In de mate van het mogelijke hebben wij geprobeerd dit gebrek te verhel-
pen, eerst en vooral door op trefwoorden te zoeken in de Thesaurus Linguae
Graecae waarin de belangrijkste Byzantijnse geschiedschrijvers opgenomen
zijn. Tot onze grote verrassing hebben wij moeten vaststellen dat het aan-
tal vermeldingen veel beperkter was dan wij vooraf gedacht hadden. Wel-
iswaar zijn een aantal gevallen ons ongetwijfeld ontgaan omdat men soms
simpelweg vØc gebruikt heeft in plaats van een van de meer specifieke ter-
men
345
, maar in veel gevallen is het dan ook moeilijk uit te maken of het
werkelijk om Grieks vuur ging. Zoals gezegd waren er nog vele andere ma-
nieren om de vijand met vuur te bestoken. Om een nog betere kijk op de
zaak te krijgen, zou men ook de Arabische bronnen exhaustief moeten on-
derzoeken, maar dit lag niet in onze mogelijkheid. Toch zijn het vooral de
Byzantijnse bronnen die hier belangrijk zijn, want zij waren natuurlijk het
best op de hoogte van de gebeurtenissen en zouden het zeker niet verzwe-
gen hebben mocht een overwinning mede te danken zijn geweest aan hun
belangrijkste vuurwapen. Bij de belangrijke zeges waar het Griekse vuur
wel aan bod komt, willen we in de mate van het mogelijke onderzoeken of
het in die gevallen al dan niet doorslaggevend was en wat de context was.
Zo zal het mogelijk zijn om een coherenter beeld te vormen van het ge-

345
Zie hoofdstuk II, 1.
92
bruik, de voor- en nadelen van het wapen en uiteindelijk van het historisch
belang ervan voor de gehele Byzantijnse geschiedenis.

In eerste instantie werd het Griekse vuur gebruikt tegen de Arabieren. De
eerste maal werd de belegering van Constantinopel in 677 beëindigd dank-
zij het nieuwe wapen dat uitgevonden zou zijn door Callinicus
346
. Omdat
de Byzantijnse bronnen wemelen van de onjuistheden en tegenstrijdighe-
den, is de precieze chronologie van deze Arabische aanval nog altijd fel om-
streden en wordt ook steeds meer betwijfeld of er sprake was van een echte
belegering. Jammer genoeg zijn de islamitische teksten heel summier en
weinig behulpzaam, niet zo verwonderlijk eigenlijk omdat de moslims toen
hun eerste grote nederlaag leden. Dat het om een zeven jaren durend beleg
ging zoals Theophanes beweert
347
, wordt nu niet meer aanvaard, maar ook
met de traditionele visie dat het duurde tussen 674 en 678 zijn er proble-
men. Waarschijnlijk ging het eerder om jaarlijks terugkerende raids van de
Arabieren op de streek rond de hoofdstad, terwijl zij in de winter gelegerd
waren in Cyzicus. Waarschijnlijk begon dit in 674, maar er zijn aanwijzin-
gen dat al in 669/670 de eerste schermutselingen plaatsvonden. Van een
systematische blokkade van Constantinopel tijdens de beginjaren was geen
sprake, want de bronnen spreken vreemd genoeg enkel van een Arabische
zeemacht, nergens van een landleger dat noodzakelijk zou geweest zijn om
de stad efficiënt af te sluiten. Het lijkt er dus op dat de situatie voor de in-
woners aanvankelijk niet zo precair was als men laat uitschijnen, maar
blijkbaar was de Byzantijnse vloot toen niet sterk genoeg om de Arabieren
te verdrijven. Pas wanneer er in 676 landtroepen arriveerden en ook de
Slaven Thessaloniki ernstig bedreigden, besloot de keizer een tegenoffensief
in te zetten dat in de herfst van het volgende jaar in het voordeel van de
Byzantijnen beslecht werd.
Wanneer nu juist het Griekse vuur voor het eerst ingezet werd, is eveneens
fel bediscussieerd. Vaak neemt men aan dat dit wapen al in 672 of 673 ten
tonele verscheen zoals Theophanes stelt
348
, maar dit is in strijd met wat hij
even verder zegt
349
. Volgens ons gaat het hier om een onnauwkeurigheid
van deze kroniekschrijver en is er geen sprake van dat het ging om een
kleine aanpassing aan een bestaand wapen
350
. Het lijkt ons uitermate

346
M. CANARD, Les expéditions des Arabes contre Constantinople, pp. 77-80; G. OSTROGORSKY,
Geschichte des byzantinischen Staates, pp. 103-104; A. N. STRATOS, By-zantium in the seventh century,
IV, pp. 26-39; B. C. P. TSANGADAS, op. cit., pp. 107-133; W. TREADGOLD, A history of the Byzan-
tine state and society, pp. 325-327. Vroeger dateerde men het einde in 678, maar dat is nu bijgesteld tot
eind 677.
347
THEOPHANES CONFESSOR, op. cit., p. 354.
348
ID., op. cit., p. 353.
349
ID., op. cit., p. 354.
350
Zie pp. 17-18.
93
vreemd en onlogisch dat men enkele jaren zou gewacht hebben om dit ul-
tieme redmiddel in de strijd te werpen en ook andere bronnen plaatsen het
verschijnen van het Griekse vuur naar het einde van de Arabische cam-
pagne. Bij een Byzantijnse overwinning op de islamitische vloot in 673 is
er trouwens nog nergens een spoor van dit wapen te vinden. Op de vraag
of het hier van doorslaggevend belang was, is het antwoord positief. Alle
teksten, en niet alleen de Byzantijnse, bevestigen dat daardoor de Arabie-
ren verrast en verslagen werden. Een gedeelte van de vloot werd kort daar-
voor weliswaar door een zware herfststorm vernietigd, maar dit was blijk-
baar niet voldoende om het beleg te staken. Een aanval met schepen met
Grieks vuur was dat wel.

Een tweede beruchte confrontatie met de Arabieren waar het nieuwe vuur-
wapen aan te pas kwam, was de belegering van Constantinopel in 717-
718
351
. In tegenstelling tot enkele decennia ervoor ging het hier wel om
een echt beleg van de hoofdstad met een volledige blokkade zowel te land
als ter zee. Gelukkig is het deze keer niet zo problematisch om tot een co-
herent beeld van de toenmalige gebeurtenissen te komen en dan blijkt het
Griekse vuur hier toch een minder doorslaggevende betekenis te hebben
gehad dan in 677. Bij de aankomst van de immense vloot van de moslims
slaagde de kersverse keizer Leo III er weliswaar in om een twintigtal sche-
pen van de achterhoede met dit vuurwapen in brand te steken, maar het
leeuwendeel van de armada kon zich in veiligheid brengen
352
. Ondanks dit
verlies was het voor de Arabieren geen probleem om het beleg te beginnen
en de inwoners van de hoofdstad ook op zee te isoleren, al was het daar
niet helemaal sluitend en slaagden de Byzantijnen er nu en dan wel in
voedsel binnen te smokkelen . Wat de belegeraars meer in de problemen
bracht, was de zeer strenge winter waardoor er ziektes en hongersnood
uitbraken. In de lente van 718 probeerden de Arabieren versterkingen en
voedsel te sturen naar hun noodlijdende troepen maar dit plan mislukte.
Uit vrees voor aanvallen met het Griekse vuur, meerden een Egyptische en
een Afrikaanse vloot aan de Aziatische kant van de Bosporus aan. Door
het verraad van Koptische christenen kwam de keizer dit echter te weten
en stuurde hij prompt daarna dromons uit die erin slaagden een deel van
de vijandelijke voorraadschepen te vernietigen met behulp van Grieks vuur
en de rest buit te maken. Dit betekende een zware klap voor de moslims,
te meer daar ook een poging om over land extra manschappen en eten aan
te voeren, verijdeld werd. De doodsteek kwam er echter pas toen Constan-

351
E. W. BROOKS, The campaign of 716-718, from Arabic sources, pp. 19-33; M. CANARD, op. cit.,
pp. 80-94; G. OSTROGORSKY, op. cit., pp. 130-131; B. C. P. TSANGADAS, op. cit., pp. 134-152; W.
TREADGOLD, op. cit., pp. 346-9.
94
tinopel hulp kreeg van de Bulgaren die er snel in slaagden de Arabieren de-
finitief te verjagen
353
. Op zee bleven de Byzantijnen dus het gevaarlijkst
dankzij hun geheime wapen, maar dit wapen alleen zou deze keer hoogst-
waarschijnlijk niet voldoende geweest zijn om de overwinning te behalen.
Tal van andere factoren speelden eveneens een belangrijke rol. In veel
Arabische en Syrische bronnen is er zelfs geen spoor terug te vinden van
Grieks vuur.

Niet lang daarna bleek dit wapen ook goed van pas te komen tegen een
heel andere vijand. In 727, korte tijd na het ontketenen van zijn iconoclas-
tistische revolutie, kreeg Leo III namelijk af te rekenen met een opstand
van het maritieme thema Carabisianoi waar een zekere Cosmas uitgeroe-
pen werd als tegenkeizer. Toen deze met een vloot Constantinopel nader-
de, slaagde Leo er gelukkig zonder veel moeite in om de opstandelingen met
Grieks vuur te overdonderen en te overwinnen
354
. Nergens is er sprake
van dat de rebellen in het bezit zouden geweest zijn van dit gevaarlijke wa-
pen, dus het lijkt er sterk op dat het op dat moment nog exclusief toebe-
hoorde aan de keizerlijke vloot. Als gevolg daarvan werd het thema Carabi-
sianoi opgedoekt en vervangen door dat van de Cibyrrhaeoten, genoemd
naar een stad in Zuid-Anatolië
355
.
Ook een kleine eeuw later kwam dit vuurwapen keizer Michaël II goed te
pas bij de strijd tegen zijn rivaal Thomas de Slaaf, die in 821 door enkele
themata uitgeroepen was als rechtmatige opvolger van Leo V, die op Kerst-
mis van het jaar daarvoor vermoord was
356
. Deze troonpretendent slaagde
erin om een groot leger en vloot op de been te brengen en Constantinopel te
belegeren. Omdat hij niet snel een doorbraak kon forceren, moest hij
overwinteren en versterkingen afwachten. Die kwamen er ook, maar het
leeuwendeel van de provinciale vloten ging door het afschieten van Grieks
vuur in de vlammen op
357
. Ondanks deze belangrijke overwinning op zee
werd Michaël II nog altijd bedreigd door landtroepen. Het was pas door de
komst van de Bulgaarse khan Omurtag dat de omsingeling definitief kon
doorbroken worden. Daardoor was de weg vrijgemaakt voor het tegenof-
fensief dat de keizer eind 823 in zijn voordeel kon beslechten met de te-

352
THEOPHANES CONFESSOR, op. cit., p. 396.
353
ID., op. cit., p. 396-397; NICEPHORUS CONSTANTINOPOLITANUS, Breviarium Historicum, 54-
55; JOANNES ZONARAS, Annales, XVI, 1; JOANNES CEDRENUS, op. cit., pp. 789-790.
354
THEOPHANES CONFESSOR, op. cit., p. 405.
355
W. TREADGOLD, op. cit., p. 352.
356
P. LEMERLE, Thomas le Slave, pp. 255-297; G. OSTROGORSKY, op. cit., pp. 171-172; W.
TREADGOLD, op. cit., pp. 434-435.
357
THEOPHANES CONTINUATUS, Chronographia, pp. 63-64; JOSEPHUS GENESIUS, op. cit., II, 2-
5; GEORGIUS MONACHUS CONTINUATUS, Chronicon, p. 786; SYMEON MAGISTER, Chrono-
graphia, p. 621; JOANNES SCYLITZES, Synopsis historiarum, p. 37; JOANNES ZONARAS, op. cit.,
XV, 23.
95
rechtstelling van Thomas. Ook in dit geval redde het Griekse vuur de vloot
van die keizer en schonk het hem op zee de overwinning, zelfs tegen een
tegenstander die numeriek ruim in het voordeel was. De schepen van
Thomas de Slaaf die van provinciale vloten afkomstig waren, bezaten dit
wapen blijkbaar niet. Op het land kon met Grieks vuur toen nog niet ge-
streden worden, zodat ook in dit geval, net als bij het Arabisch beleg van
717-718, hulp van buitenaf nodig was om het bezettingsleger te ontzetten.
Tenslotte werd dit wapen nog een derde keer bij een binnenlands conflict
gebruikt. Uitzonderlijk is de vermelding dat het op het vasteland gebruikt
werd. In 977 werd tijdens een burgeroorlog Nicaea belegerd waarbij ma-
chines voor de lancering ervan ingezet werden
358
. Hoogstwaarschijnlijk be-
trof het hier ‘granaten’ zoals we hierboven beschreven hebben
359
.

Behalve bij deze enkele interne conflicten werd het Griekse vuur van de
8ste tot de 10de eeuw voornamelijk nog gebruikt in de strijd tegen de Ara-
bieren, maar het valt dadelijk op dat het hier gaat om kleinere overwinnin-
gen en dat hun aantal beperkt is. Meestal geven de bronnen ons zeer wei-
nig details zodat het uiterst moeilijk is om te bepalen op welke manier en
in welke omstandigheden de vermelde zeeslagen plaatsvonden. Daarom
zullen we deze gebeurtenissen slechts kort aanhalen, maar dit is wel nood-
zakelijk om een beter zicht te krijgen op het vraagstuk van de historische
betekenis van het vuurwapen in kwestie.
In de eerste helft van de 8ste eeuw hebben wij weet van twee dergelijke ge-
beurtenissen. In 733 slaagden de Byzantijnen erin een Afrikaans eskader
te verbranden in de buurt van Sicilië
360
. Een belangrijker overwinning was
die van de thematische vloot van de Cibyrrhaeoten op Arabieren uit
Alexandrië bij Cyprus in 748
361
. Daarna is er een lange periode zonder
enig dergelijke getuigenis. Pas in 873 duiken weer zeeslagen op waar het
Griekse vuur de moslims nederlagen toediende. Eerst slaagde de Byzan-
tijnse vloot er op die manier in om de zeeblokkade van de belegerde stad
Euripus
362
op te ruimen
363
. In datzelfde jaar werd eveneens een halt toege-
roepen aan de Kretenzische Arabieren die steeds lelijker huishielden in het
Egeïsche-Zeegebied. Tegen hen werd de Nicetas Oöryphas, drungarios van
de keizerlijke vloot, uitgezonden. Tijdens het gevecht dat plaatsvond rond

358
JOANNES SCYLITZES, op. cit., p. 323.
359
Zie pp. 67-68.
360
Dit is ons enkel overgeleverd in enkele Arabische geschiedwerken. Zie E. EICKHOFF, op. cit., p. 37.
361
NICEPHORUS CONSTANTINOPOLITANUS, op. cit., 68.
362
Chalcis op het eiland Euboia.
363
THEOPHANES CONTINUATUS, op. cit., pp. 298-299; JOANNES SCYLITZES, op. cit., pp. 151-
152. Alhoewel deze twee bronnen deze gebeurtenis zeker dateren in 873 wordt dit betwijfeld door enkele
moderne geleerden omdat betrouwbare Arabische teksten dit later plaatsen. Zie A. A. VASILIEV, op.
cit., II, 1, p. 56, n. 1.
96
Cardia
364
werden 20 vijandelijke schepen in brand gestoken en de rest op
de vlucht gejaagd
365
.
Enkele jaren later, in 880, wisten de Byzantijnen in hetzelfde gebied op-
nieuw een klinkende overwinning te behalen op de moslims. Ook deze keer
waren het dromons van de centrale zeemacht uit Constantinopel, nu onder
leiding van Nasar, die op expeditie uitgezonden waren. Zij konden de Sa-
racenen verrassen bij Methone
366
en staken met de sifons een groot deel
van de vijandelijke schepen in brand
367
.
Daarna was het opnieuw een hele periode stil tot 942. Dadelijk na het ver-
drijven van de Russen
368
stuurde keizer Constantinus VII een eskader oor-
logsbodems naar zijn bondgenoot Hugo van Provence, koning van Italië, om
een actie te ondernemen tegen hinderlijke Arabische piraten. De gezamen-
lijke expeditie wierp vruchten af. Met hun Griekse vuur vernietigden de
Grieken zonder problemen de vijandige vloot in de omgeving van Fraxine-
tum
369
, terwijl Hugo met zijn leger de stad kon veroveren
370
.
Een zeldzame keer was hun geheime wapen ook succesvol in het Oosten.
In de herfst van 956 kon de jonge strateeg van het thema van de Cibyrrha-
eoten, Basilius Hexamilites, dankzij het vuurwapen de oprukkende vloot
van Sayf al-Dawlah een nederlaag toedienen bij Tarsus alhoewel de Grie-
ken numeriek sterk in de minderheid waren
371
.
Datzelfde jaar werd ook een strafexpeditie ondernomen tegen de inwoners
van Napels en de Langobarden die meeheulden met de Saracenen. Er wer-
den zowel een landleger als een vloot ingezet die erin slaagden op beide
fronten hun slag thuis te halen. Alhoewel expliciet gezegd wordt dat de By-
zantijnen hun schepen uitgerust hadden met Grieks vuur, is het niet dui-
delijk of ze het toen daadwerkelijk gebruikt hebben, maar het is wel waar-
schijnlijk
372
.
In 961 tenslotte werd een vloot van 250 à 300 oorlogsbodems met sifons
aan boord naar Kreta gestuurd om het eiland te heroveren
373
. Dat lukte
ook na de verovering van de hoofdstad Chandax. Of de vuurwapens hier
echt van veel nut geweest zijn, is eerder twijfelachtig aangezien de oorlog

364
Plaats gelegen op de Chersonesus in Thracië.
365
THEOPHANES CONTINUATUS, op. cit., p. 300; JOANNES SCYLITZES, op. cit., p. 152; JOAN-
NES ZONARAS, op. cit., XVI, 9. Zie A. A. VASILIEV, op. cit., II, 1, p. 54; W. TREADGOLD, op. cit,
p. 457.
366
Havenstad in de Peloponnesus.
367
JOSEPHUS GENESIUS, op. cit., IV, 34; JOANNES SCYLITZES, op. cit., p. 155. Zie A. A. VASI-
LIEV, op. cit., II, 1, pp. 96-97; W. TREADGOLD, op. cit., p. 460.
368
Zie pp. 97-98.
369
Het huidige La-Garde Freinet in Zuid-Frankrijk.
370
LIUTPRAND CREMONENSIS, Antapodosis, V, 16. Zie A. A. VASILIEV, op. cit., II, 1, pp. 294-
295.
371
THEOPHANES CONTINUATUS, op. cit., p. 453. Zie A. A. VASILIEV, op. cit., II, 1, p. 360.
372
ID., op. cit., pp. 453-454. Zie A. A. VASILIEV, op. cit., II, 1, pp. 371-372.
97
hoofdzakelijk op het land uitgevochten werd. Hierna is er in de bronnen
geen spoor meer terug te vinden van het inzetten van Grieks vuur tegen de
Arabieren. Heel verwonderlijk is dit niet omdat hierna de keizers te vloot
serieus verwaarloosden en zich alleen concentreerden op het landleger.

Vanaf de 10de eeuw werd het Griekse vuur tegen een andere belangrijke
vijand gebruikt, namelijk de Russen. In 941 ondernam prins Igor onver-
wacht een expeditie tegen Constantinopel met honderden lichte schepen,
monoxylen genaamd. Deze aanval viel voor de Byzantijnen zeer ongelegen
want er kon slechts op een kleine strijdmacht beroep gedaan worden. Bij-
na heel het landleger was immers aan de slag in het Oosten om weerstand
te bieden aan de Saracenen en ook bijna heel de vloot was tegen hen in ac-
tie. Hoe zij erin slaagden om de grote overmacht toch te verdrijven, wordt
kleurrijk verteld door Liutprand van Cremona
374
:

Ínger cuncta mari vicina diriperet, nuntiatum est Romano XV semifracta se habere che-
lándia, quae populus ob vetustatem sola reliquerat. Quod ut audivit, ØH -(\(¹((H,
hoc est navium compositores, ad se venire praecepit, quibus et ait: “Properantes sine dila-
tione ea quae remanserant chelándia praeparate; sed et argumentum quo ignis proicitur
non in prora solum, verum etiam in puppi, insuper in utrisque lateribus ponite”. Com-
positis itaque secundum iussionem suam chelandiis sapientissimos in eis viros collocat
atque ut regi Íngero occurrant denuntiat. Profecti denique, cum in pelago eos positos rex
Ínger aspiceret, ut vivos illos caperet exercitui suo praecepit et non occideret. Denique
miserator et misericors Dominus, qui se colentes, se adorantes, se deprecantes non solum
protegere, sed et victoria voluit honorare, ventis tunc placidum reddidit mare – secus
enim ob ignis emissionem Grecis esset incommodum -; igitur in Rusorum medio positi
ignem circumcirca proiciunt. Quod dum Rusi conspiciunt, e navibus confestim sese in
mare proiciunt, eliguntque potius undis submergi quam igne cremari. Alii tunc loricis et
galeis onerati, numquam visuri ima pelagi petunt, nonnulli vero natantes inter ipsos ma-
ris fluctus uruntur, nullusque die illa evasit, qui fuga sese ad terram non liberavit.

Terwijl Igor alle gebieden dicht bij de zee plunderde, werd aan Romanus
gemeld dat hij 15 half vergane chelandia had, die het volk als enige overge-
laten had wegens de ouderdom. Toen hij dit gehoord had, beval hij de kala-
faten, dit zijn de scheepsherstellers, om naar hem te komen en hij zei tot
hen: “Haast jullie zonder uitstel en rust de chelandia die overgebleven zijn
uit. Maar plaats ook het toestel waarmee het vuur gelanceerd wordt niet al-
leen op de voorsteven, maar ook op de achtersteven en daarenboven op bei-

373
ID., op. cit., p. 473; LEO DIACONUS, Historiae, I, 3; SYMEON MAGISTER, op. cit., p. 758.
374
LIUTPRAND CREMONENSIS, op. cit., V, 15.
98
de zijden.” Nadat de chelandia zo volgens zijn bevel hersteld waren, plaats-
te hij daar zeer ervaren mannen in en beval dat ze koning Igor moesten te-
gemoet varen. Toen ze vervolgens vertrokken waren en koning Igor zag dat
ze zich op volle zee bevonden, gaf hij zijn vloot de opdracht hen levend ge-
vangen te nemen en niet te doden. Tenslotte wou de genadige en barmhar-
tige Heer niet alleen degenen beschermen die hem vereren, aanbidden en
smeken, maar hen ook belonen met de overwinning. Door de winden te
kalmeren, bedaarde Hij de zee – anders zou het voor de Byzantijnen nadelig
geweest zijn voor het afschieten van het vuur. Dus toen ze te midden van de
Russen lagen, lanceerden ze het vuur rondomrond. Toen de Russen dat be-
merkten, wierpen ze zichzelf dadelijk van de schepen in zee en verkozen lie-
ver verzwolgen te worden door de golven dan verteerd te worden door het
vuur. Enkelen dus, verzwaard door harnassen en helmen, zonken naar de
bodem van de zee om nooit meer teruggezien te worden; sommigen echter
werden opgebrand terwijl ze tussen de golven zelf van de zee zwommen. En
niemand, die zich niet bevrijd had door te vluchten over land, ontkwam op
die dag.

Ook in een Russische kroniek wordt een gelijkaardig verhaal vertelt. Vol-
gens deze versie zou de Byzantijnse vloot pas in actie gekomen zijn na een
veldslag die nipt gewonnen werd
375
. Uit dit relaas blijkt hoe groot de angst
van de Russen voor dit vernietigende wapen was
376
:

Theophanes zette het op een achtervolgen in boten met (Grieks) vuur en
schoot het door buizen af op de Russische schepen, zodat men een ver-
schrikkelijk mirakel kon aanschouwen. Toen de Russen de vlammen zagen,
wierpen ze zich in zee om al zwemmend te ontsnappen en degenen die het
overleefden, keerden zo terug naar huis. Thuis gekomen, vertelde ieder van
hen aan de zijnen wat zich afgespeeld had en sprak over het vuur dat door
de schepen gelanceerd werd. “De Grieken hebben een vuur dat gelijkt op de
bliksem uit de hemel”, zeiden ze, “en door het op ons af te schieten, hebben
ze ons verbrand. Het is daarom dat we hen niet hebben kunnen verslaan”.

De Russen hadden dus weinig verhaal tegen het verwoestende Griekse
vuur en vluchtten naar Bithynië waar ze echter opnieuw voor problemen

375
De Byzantijnse bronnen plaatsen de veldslag pas na de zeeslag, wat logischer is aangzien het landleger
nog niet aangekomen was bij de eerste aanval van de Russen.
376
KRONIEK VAN NESTOR, p. 34. Zie ook H. R. ELLIS DAVIDSON, op. cit., p. 63.
99
zorgden. Pas met de komst van het landleger uit het Oosten kon men hen
helemaal verslaan
377
.
Deze gebeurtenissen hadden blijkbaar een enorme indruk op de Russen
gemaakt. Toen de Byzantijnen in 971 een grote actie ondernamen tegen
Svjatoslav, de opvolger van Igor, was de aankomst van met Grieks vuur
uitgeruste schepen voldoende om hen zoveel angst aan te jagen dat ze niet
meer door de Byzantijnse linies durfden te breken en bijgevolg volledig in-
gesloten werden. Daardoor werden ze gedwongen om slag te leveren terwijl
de Byzantijnen veruit in de meerderheid waren. Logischerwijs werden zij
volledig in de pan gehakt
378
.
Een laatste roemrijke zege op de Russen vond plaats in 1043. De oorlog
van Vladimir leek sterk op die van Igor. Ook hij rukte met een vloot van
honderden monoxylen op naar Constantinopel op het moment dat het By-
zantijnse leger verzwakt was. Keizer Constantinus IX Monomachus was er
net in geslaagd een rebellie te onderdrukken. Waarschijnlijk waren de
Russen gekomen om diens tegenstander, Maniaces, te ondersteunen maar
deze was korte daarvoor gesneuveld tijdens de beslissende veldslag. Toen
de keizer weigerde de geëiste afkoopsom te betalen, liet hij zijn vloot uitrus-
ten met Grieks vuur en die kon net als in 941 het gros van de Russische
schepen in brand steken. Dit was een hele prestatie van hen aangezien in
die tijd de zeemacht reeds sterk verwaarloosd was en de resterende oor-
logsbodems elders gestationeerd waren
379
.

Ook na de hoogdagen van de Byzantijnse thalassocratie is er bij de bron-
nen nog hier en daar sprake van het gebruik van Grieks vuur.
In 1103 leverden de Byzantijnen slag tegen de Pisanen bij Rhodos waarbij
op de schepen sifons met leeuwenkoppen geplaatst werden. Na een eerste
mislukte poging slagen ze er uiteindelijk toch in om sommige vijandige bo-
ten in brand te steken. Een plots opkomende storm deed de rest
380
.
Eveneens de Hongaren bleven niet gevrijwaard van vernietiging door het
fameuze vuurwapen. In 1128 verloren zij daardoor een zeeslag tegen de
Byzantijnen
381
.

377
THEOPHANES CONTINUATUS, op. cit., p. 424; JOANNES SCYLITZES, op. cit., p. 229; JOAN-
NES ZONARAS, op. cit., XVI, 20. Zie G. OSTROGORSKY, op. cit., p. 231; A. A. VASILIEV, op. cit.,
II, 1, pp. 292-294; W. TREADGOLD, op. cit., p. 484.
378
LEO DIACONUS, op. cit., pp. 144, 151-156.
379
MICHAEL PSELLUS, Chronographia, VI, 93-95; ; JOANNES SCYLITZES, op. cit., p. 431. Zie A.
POPPE, La dernière expédition russe contre Constantinople, pp. 1-29, 233-268; W. TREADGOLD, op.
cit., p. 592.
380
ANNA COMNENA, op. cit., XI, X, 2-4.
381
IOANNES THURÓCZI, Chronica Hungarorum, p. 127, § 436.
100
Onder Manuel I Comnenus werden opnieuw schepen uitgerust met Grieks
vuur (ca. 1148), maar of dit effectief tot resultaten leidde, wordt ons niet
meegedeeld
382
.
Tegen de Venetianen was het wapen niet meer succesvol in 1171. Zij had-
den een methode ontwikkeld om hun schepen tegen het vuur te bescher-
men. De Byzantijnen moesten onverrichterzake afdruipen
383
.
De laatste maal dat we het Griekse vuur terugvinden, is bij de opstand van
Alexius Branas in 1187. Eerst kon hij vermijden dat zijn boten erdoor in
brand gestoken werden
384
, maar uiteindelijk moest hij toch de duimen leg-
gen. De nacht na zijn nederlaag werden gebouwen aan de rand van de
Bosporus door de keizer bestookt met ‘granaten’ die gevuld waren met
Grieks vuur als wraak voor de steun die velen geboden hadden aan Bra-
nas
385
.


2. Interpretatie van het historisch overzicht

Uit dit bondig overzicht kunnen we een aantal belangrijke conclusies trek-
ken. Tegen de Arabieren, Constantinopels belangrijkste vijand, is het
Griekse vuur slechts voor een beperkte periode doorslaggevend geweest.
Vanaf het midden van de 8ste eeuw is er voor lange tijd geen enkele attes-
tatie in de bronnen en dat is zeer opvallend. Het lijkt er sterk op dat de
Saracenen op dat moment erin geslaagd waren de verwoestende effecten
van het Byzantijnse wapen bij uitstek te beperken of te omzeilen. In die
context kunnen we de geciteerde Arabische tekst zien die vermeldt dat een
Egyptische Arabier rond 750 een beschermingsmiddel tegen het Griekse
vuur uitgevonden heeft
386
. Er waren weliswaar geen confrontaties meer die
de omvang benaderden van de twee belegeringen van Constantinopel, maar
als het Griekse vuur zo’n krachtige effecten had zoals men meestal aan-
neemt, zou men toch veel meer overwinningen moeten kunnen terugvinden
in de teksten dan degene die wij opgesomd hebben. Anderzijds stellen wij
vast dat veel campagnes en zeeslagen verloren werden ondanks het bezit
van sifons aan boord van de schepen. Het duidelijkst blijkt dit bij de expe-
ditie van Constantinus VII Porphyrogenitus om in 949 Kreta te heroveren.
Ondanks de tot de tanden gewapende vloot, waarvan een gedetailleerde be-
schrijving bewaard is
387
, draaide de onderneming op een fiasco uit. Noch-

382
NICETAS CHONIATES, op. cit., p. 77.
383
JOANNES CINNAMUS, op. cit., p. 283. Zie pp. 87-88.
384
NICETAS CHONIATES, op. cit., p. 381.
385
ID., op. cit., p. 391.
386
Zie pp. 88-89.
387
CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, De Cerimoniis, II, 45.
101
tans hadden alle schepen minstens 2 toestellen aan boord om vuur af te
schieten
388
. Vooral in het westelijke gedeelte van het Byzantijnse territori-
um slaagden de Arabieren erin om op zee een voortdurende bedreiging te
vormen en gebieden af te snoepen. De zwaarste tegenslag was het verlies
van Kreta in 826 waardoor de Saracenen een ideale uitvalsbasis verwier-
ven. Dat was weliswaar te wijten aan het ontbreken van bewaking op dat
moment door de opstand van Thomas de Slaaf, maar het wekt toch verba-
zing dat de Byzantijnen er pas in 961 in slaagden het te heroveren on-
danks verschillende verwoede pogingen. Ook op Sicilië moest men lijd-
zaam toezien hoe de Arabieren er in de loop van de 9de eeuw in slaagden
voet aan de grond te krijgen en stelselmatig hun gebied uit te breiden, ter-
wijl de keizers de vloot daar goed onderhielden en ondersteunden.
Toch slaagde de Byzantijnse marine er tot het einde van de 10de eeuw al
bij al redelijk goed in om het rijk van grote territoriale verliezen te sparen
en de hoofdstad meer dan eens te verlossen van oprukkende vijanden. In
het Westen bleek het Griekse vuur nog meerdere keren efficiënt maar in
het Oosten is ons maar één enkel geval bekend. Dit heeft mogelijk te ma-
ken met het feit dat de westelijke Saracenen minder vertrouwd waren met
petroleum en vooral zelf niet zo gemakkelijk vuurwapens konden vervaar-
digen, aangezien er in die streek nauwelijks of geen aardoliebronnen waren
en de contacten met de oostelijke moslims vaak niet zo optimaal waren om
er in te voeren. Anderzijds wijzen deze gevallen erop dat de Arabieren toch
nog altijd op hun hoede moesten zijn en dat het anders dezelfde verwoes-
tende effecten had als een paar eeuwen tevoren.

Tegen de Russen lijkt men meer resultaten te hebben bereikt, maar we
mogen zeker niet vergeten dat zij niet zo dikwijls in contact kwamen met
het Griekse vuur en niet goed wisten hoe ze het gevaar konden vermijden.
In tegenstelling tot de Arabieren kenden ze de bestaande beschermings-
middelen niet en hadden ze de technische kennis niet om gelijkaardige
vuurwapens te ontwikkelen. Daarom is het des te eigenaardiger dat de By-
zantijnen bij enkele gelegenheden niet van hun voordelige positie geprofi-
teerd hebben. Zowel in 860 als in 907 werd Constantinopel bedreigd door
een Russische vloot, maar is er nergens een spoor te vinden van het ge-
bruik van Grieks vuur. In het eerste geval werd nog een overwinning ge-
boekt, maar in 907 zag Leo VI zich genoodzaakt om de Russiche prins Oleg
een riante afkoopsom en een voordelige handelsovereenkomst aan te bie-
den. Nochtans verkeerde de vloot in een zeer goede toestand en behaalde
ze het jaar daarna een eclatante overwinning op de Arabieren
389
.

388
Zie pp. 76-77.
389
G. OSTROGORSKY, op. cit., pp. 214-215.
102

Verschillende andere ‘barbaarse’ volkeren verkeerden in dezelfde situatie
als de Russen en vielen wel eens ten prooi aan het Griekse vuur. Hiervan
hebben wij vooral voorbeelden uit de laat-Byzantijnse tijd. In welke mate
nog het oorspronkelijke wapensysteem gehanteerd werd in deze periode is
twijfelachtig. Op het einde van de 11de eeuw beschikte Constantinopel
immers nauwelijks nog over een eigen vloot en moest het steeds meer een
beroep doen op de Venetianen om zich te kunnen verdedigen. Vanaf het
laatste kwart van de 10de eeuw werd de marine namelijk zo erg verwaar-
loosd dat de Byzantijnen daartoe niet meer in staat waren. Het is vrij
waarschijnlijk dat het vuurwapen in deze tijd veel van zijn oorspronkelijke
kracht verloren heeft omdat sommige elementen van het geheim verloren
gegaan waren, en men dus niet meer volledig wist hoe het hele systeem in
elkaar stak. Ook de verschillende getuigenissen van het mislukt afvuren of
het op een eenvoudige manier verijdelen dat men in brand gestoken werd
door het Griekse vuur, lijken dit te suggereren. Hierbij denken wij vooral
aan de teloorgang van de grondige opleiding die vereist was voor de bedie-
naars van de sifons. Toch was de achteruitgang volgens ons nog niet zo
ver gevorderd dat men niet meer in staat was een werkbare sifon te gebrui-
ken en is er dus onvoldoende reden om de enkele vermeldingen in de tek-
sten als verzinsels af te doen zoals sommige moderne geleerden doen
390
.
In 1204 kwam ongetwijfeld de doodsteek. Bij de val van Constantinopel
ontstond er een grote chaos die het leger en de vloot nooit meer te boven
zouden komen. De eens zo grootse Byzantijnse zeemacht behoorde defini-
tief tot het verleden en het is dus helemaal niet verwonderlijk dat het ge-
heim van het Griekse vuur toen verloren is gegaan. Bovendien was het
grondgebied zoveel ingekrompen dat het zeer moeilijk was om nog aan het
hoofdbestanddeel, aardolie, te geraken. Het hele brongebied was toen im-
mers ingepalmd door de Turken en zij waren zeker de laatsten die het hun
verschaft zouden hebben. Ook in de teksten is er geen spoor meer terug te
vinden van het vuurwapen op één uitzondering na. Bij de beschrijving van
het ultieme beleg van 1453 vinden we in de kroniek van Sphrantzes meer-
maals vermeldingen van ‘kruiken gevuld met vloeibaar vuur’. Misschien
ging het nog om een soort ‘granaten’ zoals we al beschreven hebben, maar
waarschijnlijker is dat het mengsels met pek, asfalt of aanverwante pro-
ducten betrof. Die waren gemakkelijker te verkrijgen dan echte petroleum.
Veel effect hebben die toen niet meer gehad want er was toen een veel be-
langrijker en efficiënter wapen in gebruik, namelijk het kanon.


390
Zie bijvoorbeeld A. ROLAND, op. cit., 678.
103

3. Verklaring

We hebben nu duidelijk gemaakt dat de uitvinding van het Griekse vuur
niet hetzelfde belang kan worden toegekend als die van het buskruit, maar
dan rest natuurlijk nog de vraag waarom dat zo was. Het antwoord daarop
is nogal complex omdat hier meerdere factoren een rol moeten hebben ge-
speeld die echter niet allemaal duidelijk naar voren komen uit het bron-
nenmateriaal. Opnieuw moeten we hier met grote voorzichtigheid te werk
gaan en zijn sommige logisch lijkende hypotheses moeilijk te staven.

Eerst en vooral hebben enkele technische elementen een cruciale rol ge-
speeld waardoor het Griekse vuur inferieur was aan het buskruit dat vanaf
ongeveer de 11de eeuw uit China verspreid begon te geraken en dat enkele
eeuwen later hét vuurwapen bij uitstek zou worden. Daarbij verdwenen
alle andere, oudere types zoals diegene dat wij in deze verhandeling be-
spreken. Dat de Byzantijnen hun geheim volledig verloren hebben in de
loop van de 12de eeuw, ten laatste in 1204 zoals wij gezien hebben, had
weinig te maken met de opkomst van het buskruit, maar is in de eerste
plaats te wijten aan de teloorgang van de vloot, de onmogelijkheid om de
nodige ingrediënten te verkrijgen en de financieel moeilijke situatie waarin
het rijk verkeerde. Bij de moslims is er wel duidelijk een trend te zien
waarbij hun traditionele vuurwapens die wij beschreven hebben
391
naar de
achtergrond verdrongen werden. Tijdens de eerste kruistochten werd eerst
salpeter toegevoegd waardoor meer explosieve mengels gecreëerd werden,
maar ten laatste in de eerste helft van de 13de eeuw werd echt buskruit
geïntroduceerd. Voor het verschijnen van de eerste explosieve vuurwapens
zoals kanonnen was het omwille van allerlei technische problemen nog
wachten tot het begin van de 14de eeuw, maar vanaf dat moment was de
ontwikkeling niet meer te stuiten
392
.
Het succes van dit soort vuurwapens heeft alles te maken met de grote
voordelen die ze boden ten opzichte van hun voorgangers. Vooral de effici-
entie was stukken groter dan die van de sifons. Bij de eerste twee grote
conflicten was het Griekse vuur een enorm succes, maar toen de Arabieren
van de eerste schrik bekomen waren, slaagden ze er al snel in om de im-
pact van de vlammenwerpers van de Byzantijnen grondig te beperken. Als

391
Zie hoofdstuk III, 2.
392
Over de datering van de introductie van buskruit en het ontstaan van de oudste kanonnen e.d. bestaat
nog altijd zeer veel discussie. Wij volgen hier de meest aanvaarde hypotheses. Vroegere data zijn moge-
lijk maar de bewijzen zijn bevredigend. Zie J. R. PARTINGTON, op. cit., xvi-xxix (herdruk van 1999);
E. PÁSZTHORY, op. cit., pp. 34-35.
104
ze de kwetsbaarste plekken van de schepen afdekten met huiden of doeken
die goed doordrenkt waren en die eventueel met sommige plantenextracten
ingesmeerd waren, reduceerden ze het risico op brand sterk. Zoals bij vele
andere geheime wapens die in de loop van de geschiedenis uitgevonden
werden, staat de vijand in het begin machteloos en zijn de effecten vaak
desastreus. Na verloop van tijd slaagt men er echter meestal in om be-
schermingsmaatregelen te bedenken zodat de gevolgen drastisch ingeperkt
worden en het nieuwe wapen uiteindelijk soms zelfs van weinig nut meer is
en naar de achtergrond verdwijnt. Andere gelijkaardige voorbeelden waren
de introductie van olifanten in de hellenistische tijd of recentelijker, in WO
I, zenuwgas
393
.
In het geval van buskruit en kanonnen lag de situatie anders. Hier was
het doorslaggevende voordeel dat men daarmee projectielen kon afvuren.
Bescherming tegen deze wapens was een pak moeilijker en de schade die
erdoor veroorzaakt werd aan versterkingen, belegeringswerktuigen, etc.,
was vele malen groter dan die van de bestaande vlammenwerpers of ‘grana-
ten’. Zoals reeds gezegd waren die niet zo gevaarlijk voor de soldaten en
volstonden meestal de beschreven protectiemaatregelen, maar nu waren
ook mensen helemaal niet meer veilig voor de nieuwe uitvinding. Zoals be-
kend brachten deze ontwikkelingen een ware revolutie op gang in de oor-
logvoering, ook op zee. Voor schepen werd het gewoon onmogelijk om zich
goed te kunnen beveiligen en kanonnen zouden voor eeuwen, tot het ver-
dwijnen van de zeilschepen, het standaardwapen op zee worden. Het
Griekse vuur was dus hoe dan ook gedoemd om te verdwijnen, al was dit in
het Byzantijnse rijk al gebeurd vooraleer de eerste explosieve vuurwapens
hun intrede deden.

Behalve dit evidente en belangrijkste nadeel ten op zichte van vuurwapens
die met buskruit werkten, speelden hoogstwaarschijnlijk ook nog andere
technische factoren mee. Zoals uit twee getuigenissen blijkt, moesten de
weersomstandigheden meezitten. Liutprand benadrukt dat net voor de
zeeslag met de Russen in 941 de wind gelukkig luwde en de zee kalmer
werd, want anders zou dit nadelig geweest zijn bij het afvuren
394
. Bij Jo-
annes Scylitzes luidt het dat de Byzantijnen een gunstige wind afwachtten
vooraleer de schepen met Grieks vuur uit te sturen tegen de Arabieren in
873
395
. Inderdaad was het riskant om bij woelige zee met halfopen haard-
vuren te werken en werd goed richten een moeilijke zaak. Bovendien

393
A. ROLAND, op. cit., p. 672.
394
LIUTPRAND CREMONENSIS, op. cit., V, 15.
395
JOANNES SCYLITZES, op. cit., p. 151.
105
moest men ervoor opletten dat de vlammen door de wind niet teruggebla-
zen werden naar het eigen schip en men zichzelf in brand stak
396
.
Tactische trucjes van de opponenten konden hier zeker voordeel uit halen.
Zo kon men proberen de voorsteven te ontwijken en de aanvallen te richten
naar de achtersteven van de dromons, waar normaal gezien geen lanceer-
toestel opgesteld stond. Ook door op voldoende afstand te blijven, op het
juiste moment te manoeuvreren en de Byzantijnen in een positie tegen de
wind in te forceren, konden de tegenstanders voorkomen dat ze in de vuur-
linie kwamen te liggen. Anderzijds konden zij op gelijkaardige manier de
vijanden op de zwakste plaatsen aanvallen en hen daar beschieten, maar
eenvoudig was dit zeker niet. Door niet te dicht te komen, kon dit immers
vermeden worden.
Om deze redenen gaan wij akkoord met A. Roland wanneer die zegt dat het
Griekse vuur meer geschikt was voor defensieve doeleinden dan voor offen-
sieve
397
. In de situaties waar de Byzantijnen aangevallen werden, was het
de tegenpartij die dichterbij moest komen en dat was tactisch gezien een
interessantere positie om te vuren. Dat de beste resultaten in de omgeving
van Constantinopel behaald werden, kan daar ook deels door verklaard
worden. Er was daar immers veel minder manoeuvreerruimte voor de vij-
andelijke schepen. Wanneer de Byzantijnen bijvoorbeeld de rug van hun
vloot beschermden door niet ver van de kust te gaan liggen, hadden de te-
genstanders geen andere keuze dan frontaal aan te vallen en zo in een re-
gen van Grieks vuur terecht te komen.

Een ander element dat kan verklaren waarom het Griekse vuur niet zo
vaak beslissend was in zeeslagen, is de organisatie van de marine. In de
eerste plaats was het de keizerlijke vloot die over het geheime wapen be-
schikte, maar het is erg onduidelijk in welke mate dat gold voor de dro-
mons van de maritieme themata. Alhoewel uit het historisch overzicht ge-
bleken is dat die laatste bij sommige gevechten inderdaad sifons bezaten, is
het helemaal niet zeker dat dit altijd zo was. Zij waren immers een stuk
minder betrouwbaar want er was altijd het risico dat ze zouden rebelleren
in het geval van een opstand, al was dit kleiner dan bij de provinciale vlo-
ten. In hoeverre de keizers het risico namen om potentiële opstandelingen
hun belangrijkste geheime wapen ter beschikking te stellen, is moeilijk te
zeggen. Omdat de vloten van de maritieme themata echter de belangrijkste
defensieve taken uitvoerden op zee en het Arabische gevaar in de loop van
de achtste eeuw steeds groter werd, kon de centrale leiding niet anders dan
hen van Grieks vuur te verzien om zich beter te kunnen verweren. Toch

396
A. ROLAND, op. cit., pp. 672-673.
397
ID., op. cit., pp. 673, 675.
106
konden er ook veiligheidsmaatregelen genomen worden. Zo is het mogelijk
dat de vloten van de themata slechts beperkte rantsoenen van het aard-
oliemengsel kregen. Aangezien die dromons niet in Constantinopel gestati-
oneerd waren en dus niet dadelijk bij de bron zaten, kon de aanvoer goed
centraal geregeld en beperkt worden. Op die manier kon ook vermeden
worden dat andere vijanden volledig achter het geheim konden komen. Dit
zou dan betekenen dat de vloten van de themata niet altijd voldoende vloei-
stof in voorraad hadden en ze de sifons dus soms niet konden gebruiken.
Alhoewel voor deze hypothese geen enkel duidelijk bewijs beschikbaar is, is
het in elk geval opvallend dat de overgrote meerderheid van alle overwin-
ningen die te danken waren aan het Griekse vuur, op rekening te schrijven
zijn van de keizerlijke vloot
398
.

Een laatste factor die we niet mogen vergeten, is dat de Byzantijnse vloot
nooit de prioriteit was van de keizer en de legerleiding. Die ging uit naar de
landmacht, want na de twee belegeringen van Constantinopel in 674-677
en 717-718 was het Arabische gevaar veel groter op het land dan op zee.
Bovendien was zo’n leger veel goedkoper dan het bouwen en onderhouden
van oorlogsschepen. Daarom werd de marine geregeld verwaarloosd en
werd er pas in geïnvesteerd als er echt nood aan was. In de loop van de
Byzantijnse geschiedenis is het dan ook mogelijk meerdere periodes van
afwisselend bloei en verval te onderscheiden. De exacte dateringen hiervan
zijn betwist maar de tendensen zijn in elk geval duidelijk. De eerste per-
manente vloot werd als gevolg van de catastrofale nederlaag bij Phoenix
opgericht rond 660
399
. Die werd goed in stand gehouden tot na de grote
overwinning op de Arabieren in 718 omwille van de constante dreiging,
maar daarna ging het snel bergaf. Pas met het aantreden van de Amori-
sche dynastie in het begin van de 9de eeuw kwam er enige verbetering,
maar vooral onder de Macedonische keizers (867-1056) werd de vloot sterk
uitgebouwd en beleefde ze haar hoogtepunt onder Leo VI en Constantinus
VII Porphyrogenitus. Na de grootschalige en geslaagde expeditie naar Kreta
in 961 verschoof de aandacht weer helemaal naar het landleger en begon
langzaam de aftakeling die in sneltempo verder gezet werd in de 11de
eeuw
400
. Onder Alexius I Comnenus (1081-1118) werd nog een laatste,
wanhopige poging ondernomen om het tij te keren, maar het verval van de
Byzantijnse zeemacht was al te ver gevorderd en het rijk beschikte toen ook
niet meer over voldoende financiële middelen om zijn onderneming lang vol

398
A. TOYNBEE, op. cit., p. 327, n. 6; A. ROLAND, op. cit., pp. 674-675. In het laatste artikel wordt
verkeerdelijk gesteld dat de provinciale vloten over Grieks vuur beschikten. Dit was hoogstwaarschijnlijk
niet zo.
399
Zie p. 81.
400
Hélène AHRWEILER, op. cit.; E. EICKHOFF, op. cit.; A. ROLAND, op. cit., p. 673, n. 64.
107
te houden. Na hem ging de teloorgang onverdroten voort en na de val van
Constantinopel in 1204 was het helemaal gedaan met de Byzantijnse ma-
rine.
Als we dan terugblikken naar ons historisch overzicht kunnen we dit
schema hier perfect op toepassen. Bijna alle noemenswaardige overwin-
ningen vonden plaats in de periodes van hoogbloei en dat is natuurlijk
geen toeval. Wanneer er nauwelijks nog een vloot die naam waardig voor-
handen was, kon men uiteraard ook nauwelijks het Griekse vuur nog effi-
ciënt gebruiken.

Tenslotte kunnen we zeggen dat ondanks de hierboven beschreven nadelen
het Griekse vuur toch een geducht wapen was. Bij goed voorbereide, offen-
sieve zeeslagen mocht het met de gepaste beschermingsvoorzorgen dan wel
een stuk minder gevaarlijk zijn, toch bleef dit vuurwapen een van de be-
langrijkste elementen van de Byzantijnse scheepsuitrusting. Vooral bij
verrassingsaanvallen kon het zeker nog volop zijn nut bewijzen en ook te-
gen andere vijandige volkeren, in de eerste plaats tegen de Russen, is ge-
bleken dat het nog steeds verschrikkelijke effecten kon tot stand brengen.
Bovendien kwam het Griekse vuur waarschijnlijk nog vaak goed van pas
bij kleinere gevechten tegen vooral piraten die geregeld de kustgebieden af-
schuimden, maar die minder goed uitgerust en beschermd waren dan de
reguliere Arabische vloot
401
. Jammer genoeg is deze hypothese moeilijk te
bewijzen omdat er in de bronnen geen getuigenissen te vinden zijn van
dergelijke gebeurtenissen. Kleine schermutselingen waren immers niet be-
langrijk genoeg om in de kronieken vermeld te worden.

Als conclusie kunnen we stellen dat het Griekse vuur in de realiteit mis-
schien niet zo’n verschrikkelijke en verwoestende effecten teweegbracht zo-
als men vroeger vaak dacht, maar dat het in de eerste plaats een sterk psy-
chologisch wapen was. Zoals blijkt uit de schrikwekkende en wat overdre-
ven beschrijvingen hadden alle andere volkeren, behalve de Arabieren, er
een panische angst voor
402
en vooral zij zullen de Byzantijnse dromons wel
zoveel mogelijk gemeden hebben.

401
MICHAEL PSELLUS, op. cit., VI, 93 zegt expliciet dat in 1043 de schepen met sifons verspreid wa-
ren om de kusten te bewaken. Waarschijnlijk bedoelt hij hiermee in eerste instantie de themavloten die
juist voor dit doel opgericht waren.
402
Het meest sprekend is de reactie van de Russische prins Svjatoslav in 971. Zie p. 99.
108
BESLUIT

In deze verhandeling hebben wij gepoogd zoveel mogelijk facetten van het
Griekse vuur op een systematische manier te bespreken en ons vooral te
verdiepen in een aantal aspecten die tot nu toe zwaar onderbelicht geble-
ven zijn in de wetenschappelijke studies. Aangezien de overgrote meerder-
heid daarvan gewijd is aan de vraagstukken van de samenstelling en de
lanceermethodes van dit vuurwapen, hebben wij deze kwesties dan ook
uitgebreid behandeld. Zoals gebleken is uit het tweede hoofdstuk van onze
verhandeling, is men hier tot een vrij bevredigende conclusie gekomen. De
vroegere salpetertheorie is nu definitief verleden tijd. De enkele antieke
bronnen die men als bewijs hiervoor aanbracht, zijn zo onduidelijk en vat-
baar voor heel uiteenlopende interpretaties, dat het erg twijfelachtig is dat
de Byzantijnen op het einde van de 7de eeuw de eigenschappen van salpe-
ter al voldoende kenden en het konden zuiveren.
Nu heeft men voldoende aanwijzingen dat de uitvinding van het Griekse
vuur kaderde in een lange traditie van vuurwapens, waarbij vooral de ont-
dekking dat aardolie hiervoor uiterst geschikt was, een belangrijke door-
braak betekende. Nu wordt algemeen aanvaard dat petroleum het belang-
rijkste ingrediënt was en wordt ook sterk de nadruk gelegd op het feit dat
het lanceersysteem minstens even belangrijk was als de samenstelling van
het mengsel. Dat komt vooral omdat gebleken is dat er veel verschillende
formules in omloop waren en dat men dus eigenlijk niet kan spreken van
één Grieks vuur. Op het vlak van de toestellen die door de Byzantijnse
oorlogsbodems gebruikt werden om de mengsels af te vuren , hebben voor-
al J. Haldon en M. Byrne veel vooruitgang geboekt. Heden ten dage wordt
in het vakgebied van de Byzantijnse oorlogvoering hun hypothese over de
sifon beschouwd als degene die het dichtst bij de realiteit aanleunt. Het
grote pluspunt is dat hun theorie de enige is die nergens tegenstrijdig is
met de erg problematische terminologie. Bovendien hebben hun proeven
aangetoond dat hun voorgestelde afvuurmechanisme ook werkt in de reali-
teit.
Toch zijn alle moeilijkheden zeker nog niet van de baan en is het laatste
woord hierover nog niet gezegd. Vooral de latere varianten van het Griekse
vuur die op het land gebruikt werden, stellen nog veel problemen, vooral
omdat de infomatie hierover nog schaarser en verwarrender is dan over de
sifons van de schepen. Het is nogal onwaarschijnlijk dat Byzantijnse
bronnen ons nog meer informatie kunnen verschaffen omdat die reeds
grondig uitgeplozen zijn. Mogelijke opheldering kan wel komen van de tal-
109
loze, nog moeilijk toegankelijke en weinig bestudeerde Arabische militaire
geschriften en van eventuele archeologische vondsten.

Wij wensten ons echter speciaal toe te leggen op de aspecten die in het we-
tenschappelijk onderzoek tot nu toe sterk verwaarloosd zijn: de problema-
tiek van de geheimhouding en de vraag wat de werkelijke kracht en het
historische belang van het Griekse vuur geweest zijn. Vooral wat het laats-
te thema betreft, zijn wij toch tot een verrassende conclusie gekomen. Zo
hebben wij duidelijk kunnen aantonen dat er in werkelijkheid veel minder
zeeslagen geweest zijn dan men vroeger altijd dacht, waarbij het vuurwa-
pen doorslaggevend was. Bovendien hebben we ontdekt dat de Byzantij-
nen zelfs gevechten verloren hebben terwijl hun schepen nochtans met si-
fons uitgerust waren. Ook de tactische geschriften wijzen erop dat er nog
nood was aan andere wapens en dat een zeegevecht vaak niet alleen met
Grieks vuur beslist kon worden.
De reputatie van dit vuurwapen blijkt dus niet te beantwoorden aan de
realiteit en is dus overroepen. Dat was vooral te wijten aan het feit dat de
Arabieren er al vrij snel in slaagden hun schepen te beschermen en zelf
ook vuurwapens ontwikkelden, vooral granaten. Waarschijnlijk produ-
ceerden ze zelf na verloop van tijd ook een soort vlammenwerpers, maar of
die van hetzelfde niveau waren als de Byzantijnse sifons, is niet duidelijk
en eerder twijfelachtig. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer dui-
delijkheid brengen.

Alhoewel nu gebleken is dat het Griekse vuur niet een van de allerbelang-
rijkste pijlers van de Byzantijnse staat was en dat het niet een van de
hoofdoorzaken was dat het rijk het zolang heeft kunnen uithouden, kun-
nen we echter niet zeggen dat dit vuurwapen geen rol van betekenis ge-
speeld heeft in de loop van de Byzantijnse geschiedenis. Op enkele crucia-
le momenten heeft het wel degelijk zijn nut bewezen en Constantinopel
toen misschien wel behoed voor een gewisse ondergang, vooral dan tijdens
de eerste grootschalige aanval van de Arabieren op de hoofdstad gedurende
de jaren 674-677. Zo slaagden zij erin de opmars van de moslims af te
stoppen en de slagkracht van de vloot gevoelig te vergroten. Daarna werd
de sifon het belangrijkste standaardwapen en bewees het vooral zijn dien-
sten tegen andere vijandige volkeren. Die waren minder goed in staat zich
voldoende ertegen te verweren. Het was dan ook vooral op deze kleinere
tegenstanders dat het Griekse vuur het meeste indruk maakte en uitgroei-
de tot een geducht psychologisch wapen.
Jammer genoeg verwaarloosden de keizers regelmatig de Byzantijnse vloot,
een situatie die vanaf de 11de eeuw stelselmatig verslechterde, zodat men
110
uiteindelijk niet meer in staat was zich fatsoenlijk te verdedigen tegen de
kruisvaarders in 1204. Zo ging hun staatsgeheim definitief verloren, maar
waarschijnlijk had het Griekse vuur toen al een groot gedeelte van zijn oor-
spronkelijke kracht verloren. De Arabieren bleven nog geruime tijd hun
projectielen op basis van aardolie gebruiken, maar die werden geleidelijk
verdrongen door de opkomst van het veel krachtigere buskruit, en tenslotte
door kanonnen. Het Griekse vuur was dus hoe dan ook ten dode opge-
schreven.






112
Fig. 1 Reconstructietekening van de vlammenwerper beschreven door Thucydides.
R. J. FORBES, More studies in early petroleum history 1860-1880, p. 74.

Fig. 2 Graffito van een oorlogsschip met een ‘vuurpot’ aan de voorsteven (1ste eeuw v. C.)
M. REDDÉ, Mare Nostrum, p. 101.




113

Fig. 3 Vlammenwerper van Hero van Byzantium.
R. SCHNEIDER, Griechische Poliorketiker, II, Tafel IV, Fig. 7.

Fig. 4 Reconstructie van malleoli: 1 Boogpijl; 2 Geschutspijl.
M. F. A. BROK, Ein spätrömischer Brandpfeil nach Ammianus, p. 59.
114



Fig. 5 De vloot van keizer Michaël II valt Thomas de Slaaf aan met Grieks vuur.
E. PÁSZTHORY, Über das ‘Griechische Feuer, p. 31, Abb. 4.


Fig. 6 Romeinse pomp gevonden nabij Bolsena (ca. 100 n.C.).
M. MERCIER, Le feu grégeois, p. 29.
115

Fig. 7 1. Pomp gevonden in Silchester. 2. Reconstructie van deze pomp.
A. P. USHER, A history of mechanical inventions, p. 137.

Fig. 8. Reconstructie van een lanceersysteem van een sifon.
J. F. HALDON, M. BYRNE, A possible solution of the problem of
Greek fire, p. 95.
116
Fig. 9 Ballista voor het lanceren van Grieks vuur.
Gabriele PASCH, Il fuoco greco, p. 366, naar T. K. Korres.
Fig. 10 Gebruik van een ceirosiv fwn bij een belegering volgens Hero van Byzantium,
uit de Codex Vaticanus graecus 1605 (11de eeuw).
E. PÁSZTHORY, Über das “Griechische Feuer”, p. 31, Abb. 5.

117


Fig. 11 Handgranaat?
R. ETTINGHAUSEN, The uses of sphero-conical vessels in the Muslim
East, Fig. 13.







Fig. 12 Enkele van de eigenaardige kruiken die gevonden zijn in de destructielaag van
Amorium (838 n.C.).
C. LIGHTFOOT, Le site d’Amorium, p. 33.












118
Fig. 13 Granaten voor Grieks vuur.
V. CHRISTIDES, New light on navigation and naval warfare, p. 23,
Fig. 11 en 12.
Fig. 14 Trebuchets om kruiken met Grieks vuur te lanceren. Tekeningen uit
Arabische manuscripten (13de eeuw).
V. CHRISTIDES, New light on navigation and naval warfare, p. 20,
Fig. 7.


119




Fig. 15 Zogenaamde “Syrische kruiken”.
M. MERCIER, Le feu grégeois, Planche XI.




Fig. 16 Zogenaamde “Syrische kruiken”.
M. MERCIER, Le feu grégeois, Planche XIV.







120

Fig. 17 Granaat van het Egyptische type, gevonden in Foustat (1168 n.C.).
M. MERCIER, Le feu grégeois, Planche VI.
Fig. 18 Arabische machine om vuurpijlen af te schieten.
V. CHRISTIDES, New light on navigation and naval warfare , p.
13, Fig. 6.

121
Fig. 19 Tekening uit een Arabisch manuscript van een schip met potten,
gevuld met Grieks vuur.
V. CHRISTIDES, New light on navigation and naval warfare, p. 20,
Fig. 8.



Fig. 21 Graffito van een Byzantijnse dromon (12de eeuw).
J. PRYOR, Geography, technology and war, p. 59.
122


Fig. 20 Reconstructietekening van een Byzantijnse dromon.
E. EICKHOFF, Seekrieg und Seepolitik zwischen Islam und Abendland,
p. 8.



123



Fig. 22 Islamitische soldaten en paard met vuurbestendige kledij.
A. Y. AL-HASSAN, D. R. HILL, Islamic technology: an illustrated history, p. 119.















V
BIBLIOGRAFIE



1. PRIMAIRE BRONNEN


1. GRIEKSE BRONNEN

Aeneas Tacticus, Poliorcetica
Enée le tacticien. Poliorcétique, ed. trad. A. DAIN (Collection des universi-
tés de France), Parijs, 1967.

D. BARENDS, Lexicon Aeneium: a lexicon and index to Aeneas Tacticus’
military manual On the defense of fortified positions (Bibliotheca classica
Vangorcumiana 6), Assen, 1955.

Anna Comnena, Alexias
Anne Comnène. Alexiade: règne de l’empereur Alexis I Comnène 1081-
1118, ed. trad. B. LEIB (Collection des universités de France. Collection
byzantine), 4 vol., Parijs, 1937-1976.

The Alexiad of the princess Anna Comnena: Being the history of the reign
of her father, Alexios I, emperor of the Romans, 1081-1118, trad. Elisa-
beth A. S. DAWES, Londen, 1928 (= New York, 1967).

The Alexiad of Anna Comnena, trad. E. R. A. SEWTER, New York, 1969.

Alexias. Anna Komnene, trad. D. R. REINSCH, Keulen, 1996.

Anonyma tactica Byzantina, De re strategica
Anonymous Byzantine treatise on strategy, in Three military treatises,
ed. trad. G. T. DENNIS (Corpus fontium historiae Byzantinae 25), Wash-
ington D. C., 1985, pp. 1-135.

Anonymus, De obsidione toleranda
Anonymus de obsidione toleranda (ca. 950), ed. Hilda VAN DEN BERG,
Leiden, 1947.

Basilios Patrikios Parakoimomenos, Naumachica
Naumachica, ed. A. DAIN (Nouvelle collection de textes et documents),
Parijs, 1943, p. 57 e.v.



VI
Joannes Cameniates, De expugnatione Thessalonicae
Ioannis Caminiatae De expugnatione Thessalonicae, ed. Gertrude BÖH-
LIG (Corpus fontium historiae Byzantinae 4. Series Berolinensis), Berlijn,
1973.

Die Einnahme Thessalonikes durch die Araber im Jahre 904, trad. Ger-
trude BÖHLIG (Byzantinische Geschichtsschreiber 12) , Graz, 1975.

Georgius Cedrenus, Compendium historiarum
Georgius Cedrenus Ioannanis Scylitzae ope, ed. I. BEKKER (Corpus
scriptorum historiae Byzantinae 34-35), Bonn, 1838-1839.

Joannes Cinnamus, Epitome rerum ab Joanne et Alexio Com-
nenis gestarum
Ioannis Cinnami Epitome rerum ab Ioanne et Alexio Comnenis gestarum,
ed. A. MEINEKE (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 26), Bonn,
1836.

Chronique, trad. J. ROSENBLUM (Publications de la Faculté des lettres
et des sciences humaines de Nice 10), Parijs, 1972.

Deeds of John and Manuel Comnenus, trad. C. M. BRAND, New York,
1976.

Constantinus VII Porphyrogenitus, De administrando imperio
De administrando imperio, ed. G. MORAVCSIK, trad. R. J. H. JENKINS
(Corpus fontium historiae Byzantinae 1), Washington D. C., 1967.

Die Byzantiner und ihre Nachbarn. Die ‘De administrando imperio’ ge-
nannte Lehrschrift des Kaisers Konstantinos Porphyrogennetos für seinen
Sohn Romanos, tradd. K. BELKE, P. SOUSTEL (Byzantinische Ge-
schichtsschreiber 19), Wenen, 1995.

Constantinus VII Porphyrogenitus, De cerimoniis aulae By-
zantinae
Constantini Porphyrogeniti imperatoris De cerimoniis aulae Byzantinae
libri duo, ed. J. J. REISKE (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 20-
21), Bonn, 1829-1830.

Josephus Genesius, Regum
Iosephi Genesii Regum libri quattuor, ed. Anni LESMÜLLER-WERNER,
H. THURN (Corpus fontium historiae Byzantinae 14. Series Berolinen-
sis), Berlijn, 1984.

Byzanz am Vorabend Neuer Grösse: Überwindung des Bilderstreites und
der innenpolitischen Schwäche (813-886). Die vier Bücher der Kaiserge-
schichte des Ioseph Genesios, trad. Anni LESMÜLLER-WERNER (Byzan-
tinische Geschichtsschreiber 18), Wenen, 1989.
VII

On the reigns of the emperors, trad. A. KALDELLIS (Byzantina Aus-
traliensia 11), Canberra, 1998.

Georgius Monachus, Chronicon
Georgii Monachi Chronicon, ed. C. DE BOOR (Bibliotheca Graecorum et
Romanorum Teubneriana), 2 vol., Leipzig, 1904 (= 1978).

Georgius Monachus Continuatus, Chronicon
Theophanes Continuatus, Ioannes Cameniata, Symeon Magister, Geor-
gius Monachus, ed. I. BEKKER (Corpus scriptorum historiae Byzantinae
18), 1838, pp. 761-924.

Heron Byzantius, Poliorcetica
Griechische Poliorketiker. II: Anonymi De rebus bellicis liber, ed. trad. R.
SCHNEIDER (Abhandlungen der Königlichen Gesellschaft der Wissen-
schaften zu Göttingen. Philologisch-historische Klasse. Neue Folge XI, 1),
Berlijn, 1908.

Siegecraft: two tenth-century instructional manuals by Heron of Byzan-
tium, ed. D. F. SULLIVAN (Dumbarton Oaks studies 36), Washington D.
C., 2000.(niet gezien)

Joannes Malalas, Chronographia
Ioannis Malalae Chronographia, ed. J. THURN (Corpus fontium historiae
Byzantinae 35), Berlijn, 2000.

The chronicle of John Malalas, tradd. Elizabeth JEFFREYS, M. JEF-
FREYS, R. SCOTT (Byzantina Australiensia 4), Melbourne, 1986.

Joannes Scylitzes, Synopsis Historiarum
Ioannis Scylitzae Synopsis Historiarum, ed. H. THURN (Corpus fontium
historiae Byzantinae 5), Berlijn, 1973.

Byzanz wieder ein Weltreich: das Zeitalter der makedonischen Dynastie,
trad. H. THURN (Byzantinische Geschichtsschreiber 15), Graz, 1983.

Julius Africanus, Kestoi
Jules Africain. Fragments des Cestes. Provenant de la collection des tac-
ticiens grecs, ed. J.-R. VIEILLEFOND (Collection des universités de Fran-
ce), Parijs, 1932.

J.-R. VIEILLEFOND, Les “Cestes” de Julius Africanus. Étude sur l’en-
semble des fragments avec édition, traduction et commentaires (Publica-
tions de l’institut français de Florence. Ière série. Collection d’études
d’histoire, de critique et de philologie 20), Firenze – Parijs, 1970.

VIII
Leo VI, Tactica
Leonis, Romanorum imperatoris augusti, cognomine Sapientis, opera
quae reperiri potuerunt omnia, ed. J. P. MIGNE (Patrologiae cursus
completus. Series graeca 107), Parijs, 1863.

Leo VI, Naumachica
Naumachica, ed. A. DAIN (Nouvelle collection de textes et documents),
Parijs, 1943.

Leo VI, Sylloge Tacticorum
Sylloge Tacticorum quae olim ‘inedita Leonis tactica’ dicebatur, ed. A.
DAIN (Nouvelle collection de textes et documents), Parijs, 1938.

Leo Diaconus, Historiae
Leonis Diaconi Caloënsis Historiae libri decem et liber de Velitatione belli-
ca Nicephori Augusti, ed. C. B. HASE (Corpus scriptorum historiae By-
zantinae 23), Bonn, 1828.

Nikephoros Phokas. Der bleiche Tod der Sarazener und Johannes Tzi-
miskes: die Zeit von 959 bis 976 in der Darstellung des Leon Diakonos,
trad. F. LORETTO (Byzantinische Geschichtsschreiber 10), Graz, 1961.

Mauricius, Strategicon
Mauricii Strategicon. Das Strategikon des Maurikios, ed. G. T. DENNIS,
trad. E. GAMILLSCHEG (Corpus fontium historiae Byzantinae 17), We-
nen, 1981.

Nicephorus Constantinopolitanus, Breviarum historicum de
rebus gestis post imperium Mauricii
Short history. Nikephoros, patriarch of Constantinople, ed. trad. C.
MANGO (Corpus fontium historiae Byzantinae 13 = Dumbartons Oaks
texts 10), Washington D. C., 199O.

Nicephorus II Phocas, Praecepta militaria
E. McGEER, Sowing the dragon’s teeth. Byzantine warfare in the tenth
century (Dumbarton Oaks studies 33), Washington D. C., 1995, pp. 3-
78.

Nicephorus Uranus, Tactica
E. McGEER, Sowing the dragon’s teeth. Byzantine warfare in the tenth
century (Dumbarton Oaks studies 33), Washington D. C., 1995, pp. 79-
167 (capita 63-74).

Nicetas Choniates, Historia
Nicetae Choniatae Historia, ed. J.-L. VAN DIETEN (Corpus fontium
historiae Byzantinae 11. Series Berolinensis), Berlijn, 1975.

IX
O city of Byzantium. Annales of Niketas Choniates, trad. H. J.
MAGOULIAS (Byzantine texts in translation), Detroit, 1984.

Grandezza e catastrofe di Bisanzio (narrazione cronologica), edd. A. P.
KAZHDAN, R. MAISANO, trad. Anna PONTANI (Scrittori greci e latini),
Milaan, 1994.

Polyaenus, Stratagematon
Stratagems of war, ed. trad. P. KRENTZ, E. L. WHEELER, Chicago,
1994.

Procopius Caesariensis, De bello gotico
Procopius II: De bellis libri V-VIII, edd. J. HAURY, G. WIRTH (Bibliotheca
Graecorum et Romanorum Teubneriana), Leipzig, 1963
2
.

Procopius, History of the wars, Books VII (continued) and VIII, ed. trad.
H. B. DEWING (Loeb Classical Library), Cambridge (Massachusetts) –
Londen, 1962.

Michael Psellus, Chronographia
Michele Psello. Imperatori di Bisanzio (Cronografia), ed. S. IMPEL-
LIZZERI, trad. Silvia RONCHEY (Scrittori greci e latini), 2 vol., Vicenza,
1984.

Georgius Sphrantzes, Annales
Georgii Sphrantzae Chronicon, ed. R. MAISANO (Corpus fontium historiae
Byzantiniae 29 = Scrittori bizantini 2), Rome, 1991.

Symeon Magister (= pseudo-Symeon), Chronographia
Theophanes Continuatus, Ioannes Cameniata, Symeon Magister, Geor-
gius Monachus, ed. I. BEKKER (Corpus scriptorum historiae Byzantinae
18), 1838, pp. 601-760.

Theophanes Confessor: Chronographia
Theophanis Chronographia, ed. C. DE BOOR (Bibliotheca scriptorum
Graecorum et Romanorum Teubneriana), Leipzig, 1883-1885 (= 1963).

Bilderstreit und Arabersturm in Byzanz; das 8. Jahrhundert (717-813)
aus der Weltkronik des Theophanes, trad. L. BREYER (Byzantinische
Geschichtsschreiber 6) Graz, 1957.

The chronicle of Theophanes Confessor. Byzantine and Near Eastern his-
tory AD 284-813, tradd. C. MANGO, R. SCOTT, G. GREATREX, Oxford,
1997.

Thesaurus Theophanis Confessoris: Chronographia, edd. B. COULIE, P.
YANNOPOULOS (Corpus christianorum. Thesaurus patrum graecorum),
Turnhout, 1998.
X

Theophanes Continuatus, Chronographia
Theophanes Continuatus, Ioannes Cameniata, Symeon Magister, Geor-
gius Monachus, ed. I. BEKKER, (Corpus scriptorum historiae Byzantinae
18), 1838.

Joannes Zonaras, Annales
Annales, ed. M. PINDER (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 27-28),
2 vol. Bonn, 1841-1844.


2. LATIJNSE BRONNEN

Ammianus Marcellinus, Historiae
Ammien Marcellin. Histoires, Livres XXIII-XV, ed. trad. J. FONTAINE
(Collec-tion des universités de France), vol. 4, 1, Parijs, 1977.

J. DEN BOEFT, J. W. DRIJVERS, D. DEN HENGST, H. C. TEITLER, Phi-
lological and historical commentary on Ammianus Marcellinus XXIII, Gro-
ningen, 1998.

Anonymus, Anecdota Carolina
B. BISCHOFF, Anecdota Carolina, in Studien zur lateinischen Dichtung
des Mittelalters. Ehrenausgabe für Karl Strecker, edd. W. STACH, H.
WALTHER, (Schriftenreihe zur historischen Vierteljahrschrift. Zeitschrift
für Geschichts-wissenschaft und für lateinische Philologie des Mittelalters
1), Dresden, 1931, pp. 6-7.

Joannes Thuróczi, Chronica Hungarorum
Chronica Hungarorum, edd. Elisabeth GALANTAI, J. KRISTO (Bibliotheca
scriptorum medii recentisque aevorum. Series nova 7-9), 3 vol.,
Budapest, 1985-1988.

Landolfus Sagax, Historia romana (= Historia miscella)
Landolfi Sagacis Historia romana, ed. A. CRIVELLUCCI (Fonti per la
storia d' Italia 49-50), 2 vol., Rome, 1912.

Liutprand Cremonensis, Antapodosis
Antapodosis; Homelia paschalis; Historia Ottonis; Relatio de Legatione
Constantinopolitana, ed. P. CHIESA (Corpus christianorum. Continuatio
mediaevalis 156), Turnhout, 1998.

The embassy to Constantinople and other writings. Liutprand of Cre-
mona, ed. J. S. NORWICH, trad. F. A. WRIGHT, Londen, 1993.

Marcus Graecus, Liber ignium ad comburendos hostes
XI
F. HOEFER, Histoire de la chimie, vol. I, Parijs, 1842, appendix.

M. P. E. BERTHELOT, La chimie au moyen âge, I, Parijs, 1893 (= Ams-
terdam, 1967), pp. 89-135.

Plinius Maior, Naturalis Historia
Pline l’Ancien. Histoire Naturelle. Livre II, ed. trad. J. BEAUJEU (Collec-
tion des universités de France), Parijs, 1950.

Pline l’Ancien. Histoire Naturelle. Livre XXXV, ed. trad. J.-M. CROIS-
SILLE (Collection des universités de France), Parijs, 1985.

Vegetius Renatus, Epitoma rei militaris
Vegetius. Abriß des Militärwesens, ed. trad. F. L. MÜLLER, Stuttgart,
1997.


3. ARABISCHE BRONNEN

Abu-‘l’-Qasim Khalaf ibn ‘Abbas al-Zahrawi (= Abulcasis)
La chirurgie d’Abulcasis, trad. L. LECLERC, Parijs, 1861.

Agapius Marbugensis, Kitab al-‘Unwan
Agapius (Mahboub) de Menbidj, Kitab al- ‘Unwan (Histoire universelle),
ed. trad. A. A. VASILIEV (Patrologia orientalis 8), Turnhout, 1971.

Murda ibn al-Tarsusi
Un traité d’armurerie composé pour Saladin, ed. trad. C. CAHEN, in
Bulletin d’études orientales 12, 1947-1948, pp. 102-163.

Ibn al-Atir, Al Kamil fi'l-Tarih
Chronicon quod perfectissimum inscribitur Al Kamil fi'l-Tarih, ed. C. J.
TORNBERG, 13 vol., Leiden, 1853-1869 (=Beiroet, 1965-67).

A. A. VASILIEV (trad.), Byzance et les arabes, I, pp. 349-369; II, 2, pp.
129-162.

Ibn Hayyan, Al-Muqtabis
Al-Muqtabis: al-guz ‘al-‘kamis, V, ed. P. CHALMETA, Madrid, 1979.

Cronica del Califa 'Abdarrahman III an-Nasir entre los años 912 y 942
(al-Muqtabis V), trad. María Jesús VIGUERA (Textos medievales 64), Za-
ragoza, 1981.

Ibn Idhari, Histoire de l’Afrique et de l’Espagne
XII
Ibn Idhari. Histoire de l’Afrique et de l’Espagne, trad. E. FAGNAN, 2 vol.,
Algiers, 1901-1904.

A. A. VASILIEV (trad.), Byzance et les Arabes, I, pp. 373-378; II, 2, pp.
214-219.

Ibn al-Koutiya
Extraits inédits relatifs au Maghreb, trad. E. FAGNAN (Géographie et his-
toire), Algiers, 1924.

Al-Coutia, Auszug über die normannischen Einfälle in Spanien 845, in R.
DOZY, Recherches sur l’histoire et la littérature de l’Espagne pendant le
moyen âge, 2 vol., Parijs - Leiden, 1881
3
.

Severus Ibn al-Muqaffa, Historia patriarcharum
Alexandrinorum
Historia patriarcharum Alexandrinorum, ed. trad. C. F. SEYBOLD (Cor-
pus scriptorum christianorum Orientalium 52, 59 = Corpus scriptorum
christianorum Orientalium. Scriptores Arabici 8-9), 2 vol., Beiroet, 1904-
1910 (= Leuven, 1962).

Ibn Sida, Al-Mukham wa-l-muhit al-A’zam fi l-lugha
Al-Mukham wa-l-muhit al-A’zam fi l-lugha, edd. M. M. AL-SAQQA, H. M.
NASAR, 7 vol., Caïro, 1958-1973.

Al-Tabari, Ta’rikh al-rusul wa’l-muluk
Annales quos scripsit Abu Djafar Mohammed ibn Djarir at-Tabari, ed. M.
J. DE GOEJE, 16 vol., Leiden, 1879-1901 (=1964-1965).

The history of al-Tabari, XXXV: The crisis of the ‘Abbasid Caliphate, trad.
G. SALIBA (Biblioteca Persica), New York, 1985.

A. A. VASILIEV (trad.), Byzance et les Arabes, I, pp. 278-326; II, 2, pp.
4-23.


4. ANDERE BRONNEN

Michael de Syriër, Chronicon
Chronique de Michel le Syrien, Patriarche Jacobite d’Antioche (1166-
1199), ed. trad. J.-B. CHABOT, 4 vol., Parijs, 1899-1910.

Bar Hebraeus, Chronicon Syriacum
Gregorii Barhebraei Chronicon Syriacum, ed. P. BEDJAN, Parijs, 1890.

The chronography of Bar Hebraeus, trad. E. A. W. BUDGE, 2 vol., Lon-
den, 1932 (= Amsterdam, 1976).
XIII

Joannes van Nikiu, Chronicon
The chronicle of John (c. 690 B.C.), Coptic bishop of Nikiu, being a history
of Egypt before and during thet Arab conquest, ed. trad. R. H. CHARLES
(Text and translation society press 3), Londen, 1916 (= Amsterdam,
1981).

Kroniek van Nestor
Chronique dite de Nestor, trad. L. LEGER (Publications de l’école des
langues orientales vivantes. Série 2, 13), Parijs, 1884.

The Russian Primary Chronicle: Laurentian text, tradd. S. H. CROSS, O.
B. SHERBOWITZ-WETZER (Mediaeval academy of America 60), Cam-
bridge (Massachusetts), 1953.

Yngvars Saga Vidfötla
Yngvars Saga Vidfötla, ed. E. OLSEN (Samfund Til Udgivelse Au Gammel
Nordisk Literatur 39), Kopenhagen, 1912.

Jean de Joinville, Historie de Saint Loys
Jean, sire de Joinville. Vie de saint Louis, ed. trad. J. Monfrin (Classi-
ques Garnier), Parijs, 1995.



XIV
Secundaire bronnen.
__________________

1. ALGEMENE WERKEN


Hélène AHRWEILER, Byzance et la mer: la marine de guerre, la politique
et les institutions maritimes de Byzance au VII-XVe siècles, Parijs, 1966.

A. Y. AL-HASSAN, D. R. HILL, Islamic technology: an illustrated history,
Cambridge, 1986.

M. C. BARTUSIS, The late Byzantine army, arms and society, 1204-
1453, Philadelphia, 1992.

M. P. E. BERTHELOT, La chimie au moyen âge, 3 vol., Parijs, 1893 (=
Amsterdam, 1967).

L. BRÉHIER, Le monde byzantin. 1: Vie et mort de Byzance (L’évolution
de l’humanité 32), Parijs, 1947 (= 1992)

ID., Le monde byzantin. 2: Les institutions de l’Empire byzantin
(L’évolution de l’humanité 32 bis), Parijs, 1949 (= 1970).

B. BRENTJES, S. RICHTER, R. SONNEMANN, Geschichte der Technik,
Leipzig, 1978.

L. CASSON, Ships and seamanship in the ancient world, Princeton,
1971 (= 1986).

F. CHALANDON, Études sur l’Empire byzantin au XI
e
et XII
e
siècle, II:
Jean II Comnène (1118-1143) et Manuel I Comnène (1143-1180), Parijs,
1912 (= New York, 1960).

A. DAIN, Les stratégistes byzantins, in Collège de France. Centre de re-
cherche d'histoire et civilisation de Byzance. Travaux et mémoires 2,
1967, pp. 317-392.

H. DIELS, Antike Technik: sieben Vorträge, Leipzig – Berlijn, 1920
2
(=
Osnabrück 1965)

E. EICKHOFF, Seekrieg und Seepolitik zwischen Islam und Abendland:
Das Mittelmeer unter byzantinischer und arabischer Hegemonie (650-
1040), Berlijn, 1966.

F. M. FELDHAUS, Die Technik. Ein Lexikon. Der Vorzeit, der Geschicht-
lichen Zeit und des Naturvolker, Berlijn, 1924 (= München, 1970).

XV
R. J. FORBES, Studies in ancient technology, I, Leiden, 1964
2
.

S. FRANKLIN, J. SHEPARD, The emergence of Rus, 750-1200, Londen –
New York, 1996.

J. F. HALDON, State, army and society in Byzantium: approaches to mili-
tary, social and administrative history, 6th-12th centuries (= Variorum
collected studies series 504), Londen, 1995.

ID., Warfare, state and society in the Byzantine world, 565-1204 (War-
fare and history), Londen, 1999.

P. K. HITTI, History of the Arabs from the earliest times to the present,
Londen, 1940 (= 1974).

J. M. HUSSEY (ed.), The Cambridge medieval history, IV: The Byzantine
empire, 2 vol., Cambridge, 1966-1967.

W. E. KAEGI, Army, society and religion in Byzantium (Collected studies
162), Londen, 1982.

ID., Byzantium and the early Islamic conquest, Cambridge, 1992 (=
1995).

A. P. KAZHDAN, Alice-Mary TALBOT (edd.), Oxford Dictionary of Byzan-
tium, 3 vol., New York – Oxford, 1991.

K. KRUMBACHER, Geschichte der byzantinischen Litteratur von Justin-
ian bis zum Ende des Oströmischen Reiches (527-1453) (Handbuch der
klassischen Altertumswissenschaft IX, 1), München, 1897
2
(= New York,
1970)

A. R. LEWIS, Naval power and trade in the Mediterranean A.D. 500-
1100, Princeton (New York), 1951.

E. O. von LIPPMANN, Zur Geschichte des Schiesspulvers und der älteren
Feuerwaffen, Stuttgart, 1899.

ID., Beiträge zur Geschichte der Naturwissenschaften und der Technik, 2
vol., Berlijn, 1923 (= Wiesbaden, 1971-1983).

D. C. NICOLLE, Arms and armour of the crusading era 1050-1350, 2
vol., New York, 1988.

G. OSTROGORSKY, Geschichte des byzantinischen Staates (Handbuch
der Altertumswissenschaft XII, 1, 2), München, 1963
3
.

O. PEDERSEN, M. PIHL, Early physics and astronomy. A historical in-
troduc-tion (History of science library), New York, 1974.
XVI

J. H. PRYOR, Geography, technology and war. Studies in the maritime
history of the Mediterranean, 649-1571 (Past and Present Publications),
Cambridge, 1988.

M. REDDÉ, Mare nostrum: les infrastructures, le dispositif et l'histoire de
la marine militaire sous l'Empire romain (Bibliothèque des écoles françai-
ses d'Athènes et de Rome 260), Rome, 1986.

W. L. RODGERS, Naval warfare under oars: 4
th
to 16
th
centuries, Anna-
polis, 1939.

S. J. von ROMOCKI, Geschichte der Sprengstoffchemie, der Sprengtech-
nik und des Torpedowesens bis zum Beginn der neuesten Zeit (Geschich-
te der Explosivstoffe 1), Berlijn, 1895.

S. RUNCIMAN, The emperor Romanus Lecapenus and his reign. A study
of tenth-century Byzantium, Cambridge, 1929 (= 1988).

G. SCHLUMBERGER, Un empereur byzantin au dixième siècle, Nicé-
phore Phocas, Parijs, 1890.

A. N. STRATOS, Byzantium in the seventh century, IV: 668-685, Amster-
dam, 1978.

L. SUHLING, Erdöl und Erdölprodukte in der Geschichte (Deutsches Mu-
seum. Abhandlungen und Berichte 43, 2-3), München, 1975.

A. TOYNBEE, Constantine Porphyrogenitus and his world, Londen,
1973.

W. TREADGOLD, Byzantium and its army 248-1081, Stanford, 1995.

ID., History of Byzantine state and society, Stanford, 1997.

A. P. USHER, A history of mechanical inventions, Londen, 1954
2
.

A. A. VASILIEV, H. GRÉGOIRE (trad.), Byzance et les Arabes, I: La dy-
nastie d'Amorium (820-867) (Corpus Bruxellense historiae byzantinae 1),
Brussel, 1935 (= 1959).

ID., M. CANARD (trad.), Byzance et les Arabes, II: Les relations politi-
ques de Byzance et des Arabes à l’époque de la dynastie macédonienne
(les empereurs Basile I, Léon le Sage et Constantin VII Porphyrogénète):
867-959 (253-348) (Corpus Bruxellense historiae byzantinae 2), 2 vol.,
Brussel, 1950-1968.

ID., The Goths in the Crimea (Mediaeval academy of America. Publica-
tions 25. Monographs 11), Cambridge (Massachusetts), 1936.
XVII


2. BIJZONDERE STUDIES


Hélène AHRWEILER, L’Asie mineure et les invasions arabes (VII-Ixe siè-
cles), in Revue historique 227, 1962, pp. 1-32.

D. AYALON, Gunpowder and firearms in the Mamluk kingdom, Londen,
1956.

L. W. BARNARD, The emperor cult and the origins of the iconoclastic con-
troversy, in Byzantion 43, 1973, p. 13-29.

M. P. E. BERTHELOT, Les compositions incendaires dans l’Antiquité et
au moyen âge. Le feu grégeois et les origines de la poudre à canon, in
Revue des deux mondes 106, 1891, pp. 786-822.

J. BRADBURY, Greek Fire in the West, in History Today 29, 5, 1979, pp.
326-339.

L. BRÉHIER, La marine de Byzance, in Byzantion 19, 1943, pp. 1-16.

A. S. H. BROCK, A history of fireworks, Londen, 1949.

M. F. A. BROK, Ein spätrömischer Brandpfeil nach Ammianus, in Saar-
burg Jahrbuch 35, 1978, pp. 57-60.

E. W. BROOKS, The campaign of 716-718, from Arabic Sources, in Jour-
nal of Hellenic Studies 19, 1899, pp. 19-33.

R. BUSETTO, La flotta bizantina nelle campagne contro i Bulgari condotto
dall’ imperatore Constantino V, in Revue roumaine d’ histoire 31, 3/4,
1992, pp. 323-330.

M. CANARD, Les expéditions des Arabes contre Constantinople dans l’
histoire et dans la légende, in Journal asiatique 208, 1926, pp. 61-121.

ID., Textes relatifs à l’emploi du feu grégeois chez les Arabes, in Bulletin
des études arabes 6, 1946, pp. 3-7.

N. D. CHERONIS, Chemical warfare in the Middle Ages: Kallikinos’ ‘pre-
pared fire’, in Journal of Chemical Education 14, 8, 1937, pp. 360-365.

V. CHRISTIDES, The conquest of Crete by the Arabs (ca. 824). A turning
point in the struggle between Byzantium and Islam, Athene, 1984.

ID., Naval warfare in the eastern Mediterranean (6th – 14th Centuries),
in Graeco-Arabica 3, 1984, pp. 137-148.
XVIII

ID., art. Naft (2), in C. E. BOSWORTH (ed.), Encyclopaedia of Islam (New
Edition), vol. 7, Leiden – New York, 1993, pp. 884-886.

ID., Navigation and naval warfare in the eastern Mediterranean, the Red
Sea and the Indian Ocean (6th – 14th centuries A.D.), in NUBICA 3, 1,
1994, pp. 3-42.

ID., Ibn al-Manquali (Mangli) and Leo VI: New evidence on Arabo-
Byzantine ship construction and naval warfare, in Stephanos, Praag,
1995 (= Byzantinoslavica 56, 1-3), pp. 83-96.

ID., Military intelligence in Arabo-Byzantine naval warfare, in N. OIKO-
NOMIDES (ed.), Byzantium at war (9
th
to 12
th
c.) (The National Hellenic
Research Foundation. Institute for Byzantine Research. International
Symposium 4), Athene, 1997, pp. 269-281.

A. DAIN, Le “Corpus perditum” (Collection de philologie classique), Parijs,
1939.

ID., Appellations grecques du feu grégeois, in Mélanges de philologie, de
littérature et d’histoire anciennes offerts à A. ERNOUT, Parijs, 1940, pp.
121-127.

H. R. E. DAVIDSON, The secret weapon of Byzantium, in Byzantinische
Zeitschrift 66, 1973, pp. 61-74.

M. L. DE GOEJE, Quelques observations sur le feu grégeois, in F. CO-
DERA (ed.), Homenaje a D. Francisco Codera en su jublilación del profe-
sorado: estudios de erudición oriental, Zaragoza, 1904, pp. 93-98.

R. H. DOLLEY, The warships of the later Roman empire, in Journal of
Roman Studies 38, 1948, pp. 47-53.

ID., Oleg’s mythical campaign against Constantinople, in Académie roya-
le de Belgique. Bulletin de la classe des lettres et des sciences morales et
politiques 5
e
série, 35, 1949, pp. 106-130.

ID., Naval tactics in the heyday of the Byzantine thalassocracy, in Atti
del VIII congresso internazionale di studi bizantini, I, Rome, 1953, pp.
324-329.

S. C. ESTOPAÑAN, Skyllitzes Matritensis, tomo I. Reproduciones y
miniatu-ras, Barcelona – Madrid, 1965.

R. ETTINGHAUSEN, The uses of sphero-conical vessels in the Muslim
East, in Journal of Near Eastern studies 24, 1965, pp. 218-229.

XIX
J. R. EVENHUIS, Het Griekse vuur, in Spiegel Historiael 10, 1975, pp.
298-303.

R. J. FORBES, More studies in early petroleum history 1860-1880, Lei-
den, 1959.

A. GRABAR, L’illustration du manuscrit de Skylitzès de la bibliothèque
nationale de Madrid (Bibliothèque de l’ institut hellénique d’études byzan-
tines et post-byzantines de Venise 10), Venetië, 1979.

J. F. HALDON, Some aspects of Byzantine military technology from the
6th to the 10th centuries, in Byzantine and modern Greek studies 1,
1975, pp. 11-47.

ID., M. BYRNE, A possible solution to the problem of the Greek Fire, in
Byzantinische Zeitschrift 70, 1977, pp. 91-99.

ID., Chapter II, 44 and 45 of ‘De Ceremoniis’. Theory and practice in
tenth-century military administration, in Collège de France. Centre de re-
cherche d'histoire et civilisation de Byzance. Travaux et mémoires 13,
2000, pp. 201-352.

H. W. L. HIME, The origin of artillery, Londen, 1915.

K. HUURI, Zur Geschichte des mittelalterlichen Geschützwesens aus ori-
entalischen Quellen (= Studia orientalia 9, 3), Helsinki, 1941.

T. G. KOLIAS, Die byzantinische Kriegsmarine. Ihre Bedeutung im Ver-
teidi-gungssystem von Byzanz, in E. CHRYSOS, D. LETSIOS, H. A.
RICHTER, R. STUPPERICH (edd.), Griechenland und das Meer. Beiträge
eines Symposions in Frankfurt im Dezember 1996 (Peleus. Studien zur
Archäologie und Geschichte Griechenlands und Zyperns 4), Manheimm –
Möhnesee, 1999, pp. 132-139.

T. K. KORRES, JUgro;n PØr. vEna ovplo thH buzantinhvH nautikhvH tak-
tikhvH, 1995
3
. (niet)

L. LALANNE, Essai sur le feu grégeois et sur la poudre à canon, in Anna-
les de Chimie et de Physique 3ième série, 4, 1842, pp. 433-453.

ID., Recherches sur le feu grégeois et sur l’ introduction de la poudre à
canon en Europe, Parijs, 1845
2
.

P. LEMERLE, Thomas le Slave, in Collège de France. Centre de recher-
che d’ histoire et civilisation de Byzance. Travaux et mémoires 1, 1965,
pp. 255-297.

C. LIGHTFOOT, Le site d’Amorium, in Dossiers d’Archéologie 256, 2000,
pp. 32-33.
XX

A. LOTZ, Das Feuerwerk: seine Geschichte und Bibliographie, Leipzig,
1941 (= Zürich, 1978).

C. G. MAKRYPOULIAS, The navy in the works of Constantine Porphyro-
geni-tus, in Graeco-Arabica 6, 1995, pp. 152-171.

M. MERCIER, Le feu grégeois. Les feux à guerre depuis l’Antiquité. La
poudre à canon, Parijs, 1952.

J. R. PARTINGTON, A history of Greek Fire and gunpowder, Cambridge,
1960 (= Baltimore – Londen, 1999).

ID., Greek Fire, in Endeavour 20, 1961, pp. 162-166.

Gabriele PASCH, Il fuoco greco, in Archeologia medievale 25, 1998, pp.
359-368.

E. PÁSZTHORY, Über das ‘Griechische Feuer’. Die Analyse eines spät-
antiken Waffensystems, in Antike Welt 17, 2, 1986, pp. 27-37.

P. PENTZ, A medieval workshop for producing Greek Fire grenades, in
Antiquity: A quarterly review of Archaeology 62, 1988, pp. 89-93.

A. POPPE, La dernière expédition russe contre Constantinople, in Byzan-
tinoslavica 33, 1971, pp. 1-29, 233-268.

E. M. QUATREMÈRE, Observation sur le feu grégeois, in Journal asiati-
que 4ième série, 15, 1850, pp. 214-274.

J. T. REINAUD, De l’art militaire chez les Arabes au moyen âge, in Jour-
nal asiatique 4ième série, 12, 1848, pp. 193-237.

ID., I. FAVÉ, Du feu grégeois, des feux de guerre, et des origines de la
poudre à canon chez les Arabes, les Persans et les Chinois, in Journal
asiatique 4ième série, 14, 1849, pp. 257-327.

ID., Nouvelles observations sur le feu grégeois et les origines de la poudre
à canon, in Journal asiatique 4ième série, 15, 1850, pp. 371-376.

A. ROLAND, Greek Fire, in Military history quarterly 2, 1990, pp. 16-19.

ID., Secrecy, technology, and war: Greek Fire and the defense of Byzan-
tium, 678-1204, in Technology and culture 33, 1992, pp. 655-679.

D. SULLIVAN, Tenth century Byzantine siege warfare, in N. OIKO-
NOMIDES (ed.), Byzantium at war (9
th
to 12
th
c.) (The national Hellenic
research foundation. Institute for Byzantine research. International sym-
posium 4), Athene, 1997, pp. 179-200.
XXI

W. TREADGOLD, The army in the works of Constantine Porphyrogenitus,
in Rivista di studi bizantini e neoellenici 29, 1992, pp. 77-162.

B. C. P. TSANGADAS, The fortifications and defenses of Constantinople,
New York, 1980.

J. TOUTAIN, Le feu grégeois, in Journal des savants 51, 1953, pp. 77-
80.

A. & N. VASOJEVIC, Naphta, in Philologus 128, 1984, pp. 208-229.

P. YANNOPOULOS, La rôle des Bulgares dans la guerre Arabo-Byzantine
de 717/718, in Byzantion 67, 1997, pp. 483-516 en in Vizantijskij
Vremmenik 55, 2, 1998, pp. 133-153.

C. ZENGHELIS, Le feu grégeois et les armes à feu des Byzantins, in By-
zantion 7, 1932, pp. 265-286.

.




1

INLEIDING
Al eeuwenlang is er een thema van de Byzantijnse geschiedenis dat velen tot de verbeelding spreekt en waar veel wilde theorieën de ronde over deden, en vaak nog altijd doen, namelijk het Griekse vuur. In de populaire literatuur en ook in veel encyclopedieën wordt dit onderwerp omgeven met een waas van geheimzinnigheid en mysterie. De uitvinding ervan wordt traditioneel toegeschreven aan een zekere Callinicus, een Syriër die tijdens de belegering van Constantinopel van 674-677 door de Arabieren naar de Byzantijnse keizer vluchtte en die hem een reddingsmiddel schonk dat een grandioze overwinning tot gevolg had. Dikwijls wordt geopperd dat het een uiterst geheim wapen was dat al snel uitgroeide tot één van de belangrijkste steunpijlers van het Byzantijnse rijk en dat ervoor zorgde dat het imperium het zo onwaarschijnlijk lang heeft kunnen uithouden. Men schrijft het Griekse vuur daarom ook een grote kracht en doeltreffendheid toe die te danken zouden geweest zijn aan één of meerdere speciale ingrediënten. Daardoor zouden de Byzantijnen voor lange tijd de suprematie op zee verworven hebben, want daar werd dit vuurwapen overwegend gebruikt, tot het geheim verloren ging tijdens een van de twee veroveringen van Constantinopel, ofwel in 1453, of, waarschijnlijker, in 1204. Volgens sommigen is het Griekse vuur dan definitief verdwenen, zouden andere volkeren het de Byzantijnen nooit hebben kunnen ontfutselen en kunnen ook wij niet meer te weten komen wat het precies was. Anderen daarentegen hebben tijdens de voorbije honderden jaren verwoede pogingen gedaan om de samenstelling van dit Byzantijnse staatsgeheim te achterhalen, maar keer op keer waren de resultaten van hun voorstellen en proeven niet bevredigend, tot enkele Fransen rond het midden van de 19de eeuw salpeter als sleutelelement naar voor schoven. Plotseling dacht men een doorbraak te hebben bereikt en werd het wetenschappelijke onderzoek zo goed als volledig hierop toegespitst. De oorspronkelijke theorie dat het een rechtstreekse voorloper van het buskruit betrof, werd later weliswaar bijgestuurd en genuanceerd, maar toch bleef de grote meerderheid van de geleerden er tot enkele decennia geleden van overtuigd dat het Griekse vuur een explosief vuurwapen was en dat salpeter de kern van het geheim vormde. Ook nu nog vindt deze stelling vrij veel aanhangers. Een andere hypothese die zegt dat het hoofdingrediënt ongebluste kalk was en dat het mengsel ontbrandde wanneer het in contact kwam met water, werd snel afgewezen door de wetenschap, maar vond desondanks veel bijval in de vulgariserende literatuur.

2
Alhoewel de salpetertheorie op het eerste gezicht min of meer bevredigend is, blijken er bij nader onderzoek toch veel vraagtekens te rijzen. In de jaren vijftig hebben enkele chemici de argumenten van hun voorgangers grondig bekeken en zij kwamen tot de conclusie dat die eigenlijk heel mager waren. Een van de grootste knelpunten bleek de dubbelzinnige interpretatie van de literaire bronnen te zijn. Zij stelden ook vast dat men tot op dat moment enkel oog gehad had voor de mogelijke samenstelling van het Griekse vuur en andere belangrijke aspecten uit het oog verloren had. Daarom gooiden deze wetenschappers het over een andere boeg en zijn ze zich meer gaan concentreren op de manier waarop het gelanceerd werd, en met succes. Nu is men min of meer tot een consensus gekomen over het feit dat het mysterie niet alleen lag in de samenstelling, waarvan het voornaamste ingrediënt aardolie bleek te zijn, maar evenzeer in een ingenieus afvuursysteem. Op deze ingewikkelde kwestie zullen wij uiteraard uitgebreid terugkomen in deze verhandeling. Daarbuiten zijn er nog enkele aspecten van het Griekse vuur die nadere toelichting verdienen, maar waaraan in de secundaire literatuur echter nog maar weinig aandacht besteed is, en die bovendien nergens op een systematische manier besproken zijn. Het gaat hier vooral over de volgende vragen: op welke manier leverden de Byzantijnen het geheim over aan de volgende generaties; bleef het wel altijd hun exclusieve bezit zoals men meestal beweert of wisten de Arabieren elementen ervan te achterhalen; was het in de realiteit wel zo’n krachtig en effectief wapen? Vooral deze laatste kwestie willen wij nog grondig behandelen omdat hierdoor de rol en het belang van het Griekse vuur voor de Byzantijnse geschiedenis duidelijker worden, wat eigenlijk onze ultieme doelstelling is. Wat de bronnen betreft, zijn wij op een groot aantal problemen gestuit. Voor dit onderzoek hebben wij ons noodgedwongen moeten beperken tot schriftelijke teksten. Op archeologisch vlak is er over dit onderwerp nog maar heel weinig bekend, behalve over islamitische vuurwapens ten tijde van de kruistochten. Een van de grootste handicaps is dat er nog nooit een Byzantijns oorlogsschip teruggevonden of onderzocht is, zodat het tot nu toe onmogelijk is om het historische bronnenmateriaal hiermee te vergelijken. Dit zou ongetwijfeld zeer interessante resultaten opleveren, want de literaire teksten zijn vaak onduidelijk, voor veel interpretaties vatbaar en tegenstrijdig. Bijkomend nadeel is dat de Byzantijnse bronnen nauwelijks precieze informatie verschaffen, want het Griekse vuur werd door hen als een staatsgeheim beschouwd dat zeker niet in verkeerde handen mocht terechtkomen. Slechts hier en daar vindt men indirecte verwijzingen terug, die

Gelukkig zijn de meest interessante passages al vertaald. een taal die wij niet machtig zijn. zeker als het om tactische geschriften gaat. Bovendien moeten nog tal van Arabische bronnen uitgegeven en bestudeerd worden. maar hier zijn wij geconfronteerd met praktische moeilijkheden. zodat er vanuit die hoek mogelijk nog veel informatie kan komen die ons een duidelijker beeld kan verschaffen van het Griekse vuur. Behalve teksten in het Latijn betreft het hier immers in de eerste plaats bronnen in het Arabisch. Daarom is het noodzakelijk om ook niet-Griekse teksten te bekijken. De terminologie die daarin gehanteerd wordt. . zodat de vertalers vaak veel interpretatiemogelijkheden hebben.3 jammer genoeg te weinig bieden om tot een coherente oplossing te komen. is namelijk erg gespecialiseerd en soms nog niet goed opgehelderd. Daarom is het voor ons niet mogelijk geweest om een duidelijk antwoord te geven op de vraag of de moslims erin geslaagd zijn om de Byzantijnen het geheim afhandig te maken of niet. maar het is natuurlijk gevaarlijk om hierop te vertrouwen.

Bij de belegering van Athene in 480 v. 3 ID. Bij de belegering van Delos in 425 v. th. VOORLOPERS EN ONTSTAAN VAN HET GRIEKSE VUUR 1.n ajfestavnai tovpon dia..n th. Tijdens het gevecht slaagden de Peloponnesiërs erin de stad in brand te steken door takkenbossen met zwavel en pek te doordrenken en die in brand te steken 3 . waarvan Polybius ons een interessante beschrijving geeft 5 : PurfovroH. Voor een reconstructietekening van deze vlammenwerper zie Fig. Wanneer men vervolgens lucht door de ketel perste. h\n de. Aan één van de uiteinden hing men een ketel die hete kolen. waarbij de verdedigers zich beschermden door de houten omwalling te bekleden met dierenhuiden 2 . ta.4 I.C. Van echte brandpijlen (purfovroi oj^stoiv) is sprake bij het beleg van Plataea in 429 v. toØ mevrouH t−H prwvrraH ajgkuvlai duvo parev-keinto para. II. zwavel en pek bevatte. olie. Ook bij de Griekse klassieke auteurs vinden we meerdere voorbeelden terug. Al bij de Assyriërs zijn er reliëfs bekend waar brandbare materialen zoals pek. 75. 1 2 HERODOTUS. IV. 52.. de. de. 4 ID.C. w{ste kata. eijH a}H ejnhrmovzonto kontoi. parabola.H aJluvsei sidhr” proshvrthto plhvrhH purovH.C. . geeft Thucydides ons een beschrijving van een primitief soort vlammenwerper. 77. 100. ajpo.n polemivan naØn ejktinavttesqai pØr. gebruikten de Perzen pijlen die met touw omwonden waren dat net voor het afschieten in brand werd gestoken 1 .H ejmbola. 5.n ejnto. khmovH: ejx eJkatevrou de. spoot het mengsel uit de buis en deed een vlam aan de andere opening het ontbranden 4 . De machine bestond uit een uitgeholde boomstam die met metalen platen bedekt werd. Vuurwapens in de Grieks-Romeinse oudheid Het gebruik van vuur als wapen is al duizenden jaren oud en werd al lang voor de Byzantijnse tijd gebruikt. th. 7.. to. 5 POLYBIUS.H ejpifavneian tän toivcwn. THUCYDIDES.H eijH me. t−H oijkeivaH polu. 1. proteivnonteH toÃH kevrasin eijH qavlattan. VIII.n e[gklisin. II. touvtwn a[kron oJ khmo.C. ejpi. en daaraan werd dan een blaasbalg bevestigd. fakkels ingezet werden bij belegeringen van steden. XXI. Een eerder uitzonderlijke toepassing was het inzetten van een gelijkaardige vlammenwerper op zee tijdens een zeeslag rond 190 v.H kai. De huiden werden nat gemaakt en konden zo verhinderen dat de palissade in brand gestoken werd door de vuurpijlen. Zie hoofdstuk V. w|/ ejcrhvsato PausivstratoH oJ tän JRodivwn nauvarcoH.

Griechische Poliorketiker. vuur afgeschoten werd naar het vijandelijke schip. vol met vuur. bevestigd met een ijzeren ketting. 7 6 . 2. pp. zodat bij het rammen of bij het langszij varen. II. De meest waardevolle inlichtingen over het inzetten van vuur in de oorlog bij de Grieken worden ons overgeleverd door Aeneas Tacticus (eerste helft 4de eeuw v. Het feit dat de ketel zich buiten het schip bevond heeft zeker het praktische gebruik bemoeilijkt. Volgens hem zou men daarmee zelfs stenen muren kunnen doen barsten als die met azijn of een ander zuur overgoten waren 8 . 4.5 De vlammenwerper die Pausistratos.). 6. zelfs nog in de 6de eeuw 11 . Soortgelijke wapens werden echter vooral gebruikt bij aanvallen op versterkingen te land. 10 en eeuwenlang was dit een gebruikelijk zeewapen. Aan elke zijde van de voorsteven waren langs de binnenste wand van de romp lusvormige kabels gespannen waarin palen met punten vastgemaakt waren die vooruitstaken in zee. Poliorcetica. 18-22.C. in R. p. in R. 26. Volgens Zie Fig. Griechische Poliorketer. 8 APOLLODORUS DAMASCENUS. al biedt een graffito van een oorlogsschip dat uitgerust is met een dergelijk toestel.C. 18-21.3. maar het ver verwijderd bleef van het eigen schip dankzij de hellingsgraad (van de palen). 53. Behalve een beschrijving van de methodes om een houten omwalling in brand te steken en de middelen om zich daartegen te beschermen 12 .) spreekt over een toestel dat enkel met verpoederde houtskool werkte. geeft hij ook aan hoe men een brand kan blussen. De Bellis. blijkens de nauwkeurige beschrijvingen van Hero van Byzantium 9 . enig soelaas 6 . Zie Fig. Een typische toepassing van vuur als wapen op zee was het afsturen van brandende schepen op een vijandelijke vloot. Bij de projectie van het Griekse vuur ging men alleszins heel anders te werk 7 . Poliorcetica. SCHNEIDER. Zie hoofdstuk II. Een eerste voorbeeld vinden we terug bij de slag van Syracuse in 413 v. gebruikte was trechtervormig. 11 Zie bijvoorbeeld PROCOPIUS. Aan de uiteinden daarvan was de trechtervormige ketel. 10 THUCYDIDES. Zelfs in de 10de eeuw werden dergelijke oorlogsmachines nog gebruikt.C. VII. SCHNEIDER. de vlootbevelhebber van de Rhodiërs. III. Welke substantie(s) er in die ketel zat(en) wordt ons door Polybius echter niet verteld en hoe men het vuur dan projecteerde naar het vijandelijke schip is ook niet helemaal duidelijk. 12 AENAES TACTICUS. I. Apollodorus van Damascus (2de eeuw n. 9 HERON BYZANTIUS. 3. XXXIII. Poliorcetica.

zoals blijkt uit de bronnen. o{per ouj pavnu ti katasbevnnutai. maar ten laatste kan dit gebeurd zijn vanaf de veroveringen van Alexander de Grote. zwavel. die hij nafta noemt en waarvan zo- 13 14 ID. cit. Wanneer men er echter huiden in drenkt. maar ook van vloeibare asfalt met bovendien een witte variant. Wel zorgt de antieke terminologie en de nogal vage beschrijvingen voor verwarring zodat we niet altijd weten wat er precies bedoeld wordt. maar het was vooral het gebruik van aardolie dat zorgde voor een zekere vooruitgang. 1. stuppei'on. eja. als je iets van de vijand in brand wil steken. 15.. blijven die wel langer vochtiger dan als gewoon water gebruikt wordt. 178-179. pu'r skeuavzein ijscuro. Geleidelijk aan vonden er technische verbeteringen plaats. hars van een wierookboom. touwwerk. te onderscheiden van het eerder genoemde nafta. Wanneer de Grieken precies in contact kwamen met petroleum is onduidelijk. Meestal wordt daarvoor de benaming nafta gebruikt. Strabo maakt slechts een onderscheid tussen vaste asfalt en vloeibare. 235. voornamelijk in de buurt van Babylonië en de Eufraat 16 . Pek. Zie pp." privsmata ejn ajggeivoi" ejxavptonta prosfevrein.n de. Deze opvatting vinden we terug bij talrijke latere auteurs.. mavnnan libanwtou'. Naar we uit de teksten kunnen afleiden.. De specifieke eigenschappen en vooral de lichte ontvlambaarheid van aardolie waren zeker geen geheim in de oudheid.. in vaten ontsteken en (naar de vijand) afvuren. 18 ID. . XXXIV. XVI. bestonden er verschillende nauw verwante vormen van aardolie.n bouvlh/ tw'n polemivwn ti ejmprhsqh'nai. op. dat echter niet bruikbaar is voor praktische toepassingen wegens de te hoge ontvlambaarheid 18 .n w|de. da/do. maar ook andere termen vinden we terug . II. Dan ontdekten zij immers de gebieden waar er oliebronnen gelegen waren. zaagsel van een den. cit. XXXV. Pivssan. Tenslotte geeft Aeneas ook een formule weer van een ‘onblusbaar vuur’ 15 : Aujto.. 15 ID.6 hem is azijn het beste middel 13 . Bij Plinius is sprake van maltha en een gelijkaardig substantie nafta 17 . maar in de praktijk is dit middel niet veel efficiënter dan gewoon water en dus niet in staat om brandende pek of olie te blussen 14 . XXXV. 17 PLINIUS MAIOR. het verhaal over een experiment van Alexander de Grote met nafta in STRABO. 86-87. 16 Zie bijv. Op deze manier kan men zelf een hevig vuur verkrijgen dat helemaal niet gedoofd kan worden. op. qei'on.

werd nafta opnieuw ingezet als wapen tegen de Romeinen toen zij de stad Tigranocerta 24 aanvielen 25 : 19 20 STRABO. blijft het eraan vastkleven en bovendien volgt het degenen die het na een contact proberen te ontvluchten. Samosata. Vooral wat met ‘witte asfalt of nafta’ bedoeld wordt. maar echte distillatie dateert van latere datum 21 . Water doet het zelfs nog heviger ontbranden. Waarin de precieze verschillen lagen is niet duidelijk. 105. Wanneer het een vaste stof aanraakt. Tijdens de Mithridatische oorlog werd in 74 v. Pas vanaf de 1ste eeuw v. De Materia Medica. in 69 v. vanwaar het het ook maar gezien heeft. de hoofdstad van Commagene 23 . I. Plinius de Oudere getuigt 22 : In urbe Commagenes Samosata stagnum est emittens limum (maltham uocant) flagrantem cum quid attigit solidi. 24 Stad gelegen op de grens tussen de provincies Armenia en Mesopotomia. A history of Greek fire and gunpowder. een stad gelegen aan de Eufraat. belegerd. Similis est natura naphthae: ita appellatur circa Babylonem et in Austacenis Parthiae profluens bituminis liquidi modo. Ondanks deze kennis duurde het lange tijd voor aardolie ook in de oorlogvoering toegepast werd. Aquis etiam accenditur. 22 PLINIUS MAIOR. . duiken de eerste vermeldingen in de bronnen op. transiliuntque in eam protinus undecumque uisam. adhaeret. loc. aan de voet van het Taurusgebergte. terra tantum restingui docuere experimenta. en de soldaten werden verbrand met hun eigen wapenuitrusting. 23 Streek in de omgeving van de bron van de Eufraat. 101. PARTINGTON. R. 21 J. DIOSCORIDES PEDANIUS. in het huidige zuidoosten van Turkije. Enkele jaren later. Huic magna cognatio ignium. In Samosata. is er een meer dat een ontvlambare modder (maltha genaamd) doet opwellen. Reeds de medicus Dioscorides (2de eeuw) vermeldt een dergelijk proces 20 . Op deze wijze verdedigden ze de stadsmuren toen Lucullus die belegerde. flagrabatque miles armis suis. is nogal duister.C. 235. 198-199. Proeven hebben geleerd dat het enkel door aarde kan geblust worden. nl.C. 3-4.7 wel een zwarte als een witte soort bestaat 19 . Sic defendere muros oppugnante Lucullo. praeterea tactus et sequitur fugientes. 95.C. tijdens de veldtochten van de Romeinse generaal Lucullus in Asia Minor. pp. Nafta is gelijk van aard: zo wordt in de omgeving van Babylonië en bij de Austacenen van Parthië de substantie genoemd die op de wijze van vloeibare asfalt stroomt. cit. Hiermee heeft het vuur een grote verwantschap en het springt er dadelijk naar over. II. Mogelijk gaat het om petroleum die op een of andere manier gezuiverd is.

en tenslotte buskruit. Ook tijdens de Middeleeuwen bleven de brandpijlen zeer populair en werden ze door de Arabieren tot zeer gesofisticeerde wapens ontwikkeld 27 . Gr. te doen instorten. Een gelijkaardige. Voor een reconstructietekening van een malleolus. overgoten met pek of asfalt en uiteindelijk in brand gestoken 26 . MERCIER. 14-15. Lucius Lucullus) heel wat schade met de boogschutters en met de nafta die uitgegoten werd over de oorlogsmachines. Nadat de gangen uitgegraven waren. XXXVI. zie Fig. werden ze volgestouwd met brandbaar materiaal. M. 28 AMMIANUS MARCELLINUS. pavntwH aujta. Dergelijke wapens werden al eeuwenlang ingezet. Maar de barbaren berokkenden hem (scil. In Doura-Europos zijn sporen teruggevonden van het gebruik van asfalt en aanverwante stoffen bij de belegering van de stad door de Perzen in 256 n. 4. ajsfaltädeH de. maar de volkeren in het Oosten waartegen ze ten strijde trokken. Zij heersten immers over de gebieden met de belangrijkste oliebronnen. Uit deze teksten blijkt dus dat het in eerste instantie niet de Romeinen zelf waren die dergelijke wapens gebruikten. 1b-2. favrmakon toØto. Hist. katakaivein. XXIII. p. 101. pp. 68. maar meer gedetailleerde beschrijving is te lezen in een fragment van een zekere Eusebius (eind 3de eeuw): F. dat natuurlijk veel effectiever was.C. 26 25 . 481. 4. aujto. Deze techniek werd nog eeuwenlang toegepast.8 Kai. 20-22.n oiJ bavrbaroi t± te toxeiva/ kai. maar werden geleidelijk aan verbeterd. to. Die chemische stof is vol asfalt en zo gloeiend dat het alles waarmee het in contact komt volledig doet opbranden. t± navfqa/ kata. Le feu grégeois. 2-29. oujd j ajposbevnnutai uJp j oujqeno.H uJgroØ rJa/divwH. 27 Zie p. en het wordt niet gemakkelijk geblust door gelijk welke vloeistof. maar later gebruikte men eerst aardolie. Hierbij gaat het vooral om brandpijlen. Archeologische opgravingen bevestigen dit. Pas in de laatromeinse tijd geven de auteurs instructies om zelf aardolie te gaan gebruiken in de oorlog. diavpuron ou{twH w{sq’ o{soiH a]n prosmivxh/. Hier gebruikte men het vooral om de vestingsmuren die ondermijnd waren. Vooral het gebruik van pek en wat later aardolie zorgden vanaf het einde van de 3de eeuw voor een grotere efficiëntie. kai. tän mhcanän ceomevnh/ deinäH ejkavkwsan. In de tijd van Ammianus Marcellinus (4de eeuw) werden ze op de volgende manier vervaardigd 28 : DIO CASSIUS.

tenaciter cremat. En als ze vrij traag afgeschoten wordt door een nogal ontspannen boog . terwijl het mengsel zijn gif haalt uit de substantie. Malleoli autem. Hamertjes. en als men ze met water begiet. 38. wordt het binnenste lichtjes gebogen. ut diximus. Een pijl die ermee is ingesmeerd. en om de vorm te bekomen van een spinrokken van een vrouw waarmee linnen draden geweven worden. 37-38..en ze zich ergens aan vastgehecht heeft. naphtham uocabulo appelauere gentili. gelijkend op erg dikke olie. inter spiculum et harundinem multifido ferro coagmentata. worden op de volgende wijze gemaakt: de pijl is van riet.ictu enim rapidiore extinguitur -. zoals we gezegd hebben. en in de uitsparing zelf plaatst men het vuur samen met een andere brandstof. In hac regione oleum conficitur Medicum. als hij traag afgeschoten wordt met een vrij ontspannen boog . verkrijgt men enkel nog heftigere vlammen. Het wordt op deze manier bereid: diegenen die ervaren zijn in deze zaken kruiden olie voor normaal gebruik 30 na het gemengd te hebben met een bepaalde plant. een soort projectiel. Een andere soort. quo nentur lintea stamina. 29 30 AMMIANUS MARCELLINUS. En even verder 29 : 37. XXIII. dum ex materia uenenatur. quo inlitum telum. . blijft ze hardnekkig branden. 15. haeserit usquam. si emissum lentius laxiore arcu … 38. ad diuturnitatem seruantes et coalescens. wordt gevonden bij de Perzen die. 15.. . Men maakt er vele openingen in. Et si emissa lentius arcu inualido. 14. bewaren het voor lange tijd en laten het aandikken. teli genus. In die streek wordt de Medische olie gefabriceerd. Alia similis oleo crassiori species gignitur apud Persas. het met een inheems woord nafta genoemd hebben. 37. quam. concauatur uentre subtiliter et plurifariam patens. Paratur modo: oleum usus communis herba quadam infectum condiunt harum rerum periti. aquisque conspersa acriores excitat aestus incendiorum. quae in muliebris coli formam. nec remedio ullo quam superiacto puluere consopitur.9 14. Hoogstwaarschijnlijk een omschrijving voor olijfolie. figurantur hac specie: sagitta est cannea.want door een sneller schot wordt ze gedoofd . wordt samengehouden tussen de punt en de schacht door vele uiteenlopende ijzeren banden. atque in alueo ipso ignem cum aliquo suscipit alimento. 6. Het wordt door geen enkel middel gedoofd behalve door stof dat erop gestrooid wordt.

. 36 en 38. Aan het begin van de 6de eeuw waren de Oosterse volkeren dus al vrij ver gevorderd in het aanwenden van aardolie bij gevechten. eujquwro. Dat er in de oudheid zelf al verwarring heerste. A. op. IV. 18 en 44. MhdeivaH e[laion. Terwijl de Perzen ‘brandbommen’ 31 32 AMMIANUS MARCELLINUS. eij mh. Epitoma rei militaris. 38.. qeivou te kai. ga. Ook Vegetius spreekt in zijn militaire raadgevingen over het aanwenden van aardolie door de Romeinen.n ajpoblhqeivh. ajsfavltou ejmplhsavmenoi kai. 34 VEGETIUS. cit. {EllhneH de.to. 36. 11. M. alhoewel het nauw verwant is met pek en asfalt 31 . 33 PROCOPIUS. tenzij het er onmiddellijk afgegooid werd. ontstaken die met vuur en wierpen ze naar de stormrammen. op. ajggeÃa de. puriv te taØta uJfavyanteH ejpi. VIII.. 16. …want het vuur stak dadelijk datgene waarmee het in aanraking kwam in brand. Ein spätrömischer Brandpfeil nach Ammianus. IV. o{per M−doi me.VIII.H mhcana. en het scheelde weinig of ze hadden ze allemaal in brand gestoken. cit. 38. Wat hij dan precies bedoelt met ‘Medische olie’ is niet helemaal duidelijk. 7. maar hij gebruikt steeds de term oleum incendiarium. waarbij de Perzen een soort brandbommen inzetten tegen de Byzantijnen 36 : 36. bewijst Procopius. maar uit het vervolg van het relaas van Procopius blijkt echter dat men nog niet zoveel ervaring had met dergelijke vuurpotten. maar vooral voor brandpijlen en –speren die men zowel te land als ter zee kan gebruiken 35 . 8. 60. Ze vulden potten met zwavel en asfalt en met een chemische substantie... Ook in de Byzantijnse periode ging de evolutie van de vuurwapens gestaag verder. 36.n navfqan kaloØsin. F. BROK.r pØr ou| prosyauvseien ejnepivmpra aujtivka. 1. maar waarschijnlijk gaat het om een mengeling van pek en olijfolie 32 . 36 PROCOPIUS. 6. farmavkou. 11.10 Ammianus Marcellinus ziet nafta dus als een aparte stof. XXIII. Een verdere stap in de ontwikkeling lezen we bij Procopius wanneer hij de belegering van Petra ten tijde van keizer Justinianus beschrijft. cit. op. a{sper ojlivgou ejmpipravvnai pavsaH ejdevhsan. p. die de Perzen 'nafta' noemen en de Grieken 'Medische olie'. Hij raadt het aan te gebruiken om vijandelijke machines te verbranden 34 . 35 ID. Hij beschouwt Medische olie en nafta als synoniemen 33 ..H tän kriän e[ballon. . ta. to.

maar ook 39 : . 51-52. 600) aan om de huizen in brand te steken met brandpijlen. toØto oiJ me. 29-32. Expliciete vermeldingen door Byzantijnse teksten van vuurwapens op basis van aardolie hebben we jammer genoeg niet.r crhmavtwn me. op. oiJ de.. maar hoogstwaarschijnlijk ging het om een soortgelijk wapen dat de Perzen enkele decennia 37 38 ID. wordt niet gezegd. 2. . 11. Ook de Byzantijnen zelf ontwikkelden vuurwapens op basis van nafta. een product dat al snel zeer belangrijk werd voor de oorlogvoering.H peplhrwmevnwn.n sivdhron. De re strategica. cit. maar hebben wij een tekort aan de zaken die noodzakelijk zijn. En daarom verschaffen sommigen ons ijzer. 39 MAURICIUS.dia.11 gooien naar de aanvalsmachines van de Byzantijnen draait de wind plots en steken ze zelf hun eigen verdedigingstorens in brand 37 . tän legomevnwn couzivwn ajpo. ANONYMA TACTICA BYZANTINA.n eujporoØmen.. Vaak zijn we namelijk rijk aan geld. a[llo ti tän ajnagkaivwn ajnti. crusoØ h] ajrguvrou hJmÃn prosporivzousin. blijkens deze 6de-eeuwse getuigenis 38 : pollavkiH ga. zoals de vermelde 6de-eeuwse getuigenis duidelijk maakt. Waarmee deze kruiken gevuld waren.. pragmavtwn ajpoleipovmeqa: kai. X. aujtän puro. navfqan. dia. 59-62. petrobovlwn kai. zelfs nog vooraleer het Griekse vuur uitgevonden werd. …door de zogenaamde brandprojectielen die door steenslingers (afgevuurd worden) en die zelf met vuur gevuld zijn. anderen nafta en nog anderen een ander noodzakelijk product. in ruil voor goud en zilver. De informatie van deze bronnen is echter zo summier dat het onmogelijk is om een duidelijk beeld te krijgen van de daadwerkelijke ontwikkeling in de vroegbyzantijnse tijd. en dat nafta daar een belangrijke rol in speelde. Bij de belegering van een stad raadt Mauricius (ca. Het enige wat we zeker kunnen stellen is dat er toen veel geëxperimenteerd werd met allerlei brandbare en ontvlambare materialen. oiJ de. tän eijH creivan de.. VIII. maar in paar gevallen vinden we vage verwijzingen terug die ons in zekere mate al doen denken aan het latere Griekse vuur. Strategicon. 1.

Wel is ons een volledige formule bekend van de bereiding van een pu'r aujtovmaton in een fragment van Sextus Julius Africanus.r ajnafqhvsetai. fulavssein to. XXXVI.-R. 18-22. koniva". keraunivou livqou. pwmavsai calkw'/ tini ajggeivw/. PARTINGTON. cit. p. Zie hoofdstuk III. 62) (= J. op. e{toimon ou{tw" e[cein eij" puxivda kai. Deipnosophistae I. Toch waren het vooral de moslims die ze perfectioneerden tot een soort granaten en daarmee de kruisvaarders vaak in de problemen brachten 41 . 45 JULIUS AFRICANUS. Aujtovmaton pu'r a{yai kai. op. pp. III. aJlo. LIVIUS. Tijdens de late oudheid werd er ook volop geëxperimenteerd met andere chemische stoffen om bruikbare vuurwapens te creëren. Voor andere mogelijke. VIEILLEFOND. De oorspronkelijke Griekse bron wordt door deze auteur niet vermeld en heb ik ondanks veel zoekwerk niet kunnen terugvinden 43 Vb. Dergelijke vuurwapens zijn eeuwenlang in omloop gebleven en werden zowel door de Byzantijnen als door de Arabieren vaak gebruikt. Ook van deze stof waren de ontvlambare eigenschappen al vroeger gekend 43 .. 79. zie J. mhkevti deiknuvnai tw'/ hJlivw/: ajllæ ejn eJspevra/ eja." to. en het is wegens zijn uniek karakter belangrijk voor de kennis van de ontwikkeling van vuurwapens 45 . tau'ta katacrivsei" h] e{terovn ti. purivtou i[sa leiou'tai ejn quiva/ melaivnh/. wJ" lignuäde" genevsqai: ei\ta prosbavlletai ajsfavltw/ titavnou pantelw'" ojlivgon: ejpimelw'" de. mesouranou'nto" hJlivou: mivgnutaiv te sukamivnou melaivnh" ojpou' kai. maar de verwijzing is te vaag om daar verdergaande conclusies uit op te maken.r fainomevnou. Zie PROCOPIUS. Kestoi.). aijfnivdion ga. 19e. PLINIUS MAIOR. pro. Hier lijkt het te gaan om een wapen dat al enigszins in de buurt komt van een later toestel om Grieks vuur af te vuren. tw'/de tw'/ suntavgmati <didavxetai>: skeuavzetai gou'n ou{tw": qeivou ajpuvrou. In een anoniem 6de-eeuws Byzantijns geschrift is er sprake van “vuur gelanceerd met spuiten (kluvsteroH)” 42 . Een eerste vermelding vinden we terug bij Athenaeus (ca. crh. kai. More studies in early petroleum history 1860-1880. p. 42 R. 200 n. J. 210-211). 6. maar deze auteur geeft geen informatie omtrent de samenstelling 44 . Mengsels op basis daarvan werden pu'r aujtovmaton genoemd.. dei' trivbein.n bouvlh/ polemivwn o{pla ejmprh'sai. Het betreft hier vooral ongebluste kalk. ajsfavltou Zakunqiva" uJgra'" kai. cit. Les “Cestes” de Julius Africanus. 44 ATHENAEUS. 41 40 . XXXIX. JAfqei'san de. vroegere getuigenissen. Dit product ontsteekt namelijk wanneer het in aanraking komt met vocht of een kleine hoeveelheid water. 22. aujtoruvtou eJkavstou i[son.C. Vermoedelijk waren deze potten dus gevuld met nafta. pavnta kauqhvsetai. 13. A. Dit recept is het enige in zijn soort in het Grieks dat we bezitten voor de oudheid en de Byzantijnse tijd. 2. FORBES. fragment 13 (p. mesouranou'nto" hJlivou." ojruktou'. lelhqovtw" dev: hJlivou ga. R. of misschien met pek of asfalt. provswpon. 6.12 eerder hadden ingezet tegen de Byzantijnen 40 .

-R. Byzantijnse auteur. Wanneer dan de zon opkomt. zal alles in vlammen opgaan. in Aufstieg und Niedergang der Römischen Welt II. steenzout. Gelijke delen van natuurlijke zwavel. J. maar deze stelling is erg onwaarschijnlijk en wordt door de overgrote meerderheid afgewezen 46 . waartoe ook het gegeven recept behoort. Later zijn die dan door Byzantijnse compilators bewerkt en enkel in die versie 46 47 E. 34.13 Een zelfontbrandend vuur doen ontvlammen. terwijl het begin in een klassiek Grieks geschreven is. geschreven is. De meest waarschijnlijke datering volgens hen is de tweede helft van de 6de eeuw 48 . hars. Tiziana RAMPOLDI. Volgens verschillende wetenschappers zou het recept dus niet van de hand zijn van Julius Africanus. Men moet het voorzichtig roeren op het midden van de dag en het gezicht beschermen want het kan plotseling ontvlammen. Volgens sommige geleerden waren dit pu'r aujtovmaton of aanverwante mengelingen op basis van ongebluste kalk rechtstreekse voorlopers van het Griekse vuur. dondersteen en pyriet worden fijngestampt in een zwarte mortier op het midden van de dag. Men mag het ook niet blootstellen aan de zon. geplaatst die duidelijk niet geschreven zijn in de 3de eeuw. de periode waarin de oudste codex die de Kestoi bevat. 3. maar in het geheim. zal ook in de volgende instructie aangeleerd worden. Het wordt dus zo bereid. Vervolgens wordt aan het asfalt een heel kleine hoeveelheid ongebluste kalk toegevoegd. Zo wordt generaal Belisarius (1ste helft 6de eeuw) vermeld en is de stijl in die laatste gedeeltes vroegbyzantijns. Dit recept heeft al voor heel wat polemiek gezorgd en men trekt er zeer uiteenlopende conclusies uit. filologische studie tot de conclusie dat die bewuste fragmenten hoogstwaarschijnlijk wel oorspronkelijk teruggaan op Julius Africanus zelf. moet men het mengsel in een koperen vat opsluiten en zo in een dichte ton bewaren. 2451-2470. I ‘Kestoiv’ di Giulio Africano e l’imperatore Severo Alessandro. pp. Maar ’s avonds. smeer er die dan mee in of iets anders. maar van een anonieme. 27-28. In de handschriften worden onder dezelfde titel echter ook een reeks fragmenten. Julius Africanus heeft geleefd tijdens de eerste helft van de derde eeuw en heeft de Kestoi geschreven tussen 227/8 en 232/3 47 . maar ten vroegste rond het midden van de 6de eeuw. . als je wapens van vijanden in brand wil steken. klaar voor gebruik. Zij denken dan ook dat het ten vroegste neergepend zou zijn rond 550 en ten laatste in de 10de eeuw. Dan wordt van sap van de zwarte vijgenboom en van natte en vloeibare asfalt uit Zakynthos een even groot deel van elk toegevoegd en gemengd om een vette. pp. Über das ‘Griechische Feuer’. Eerst en vooral is de datering van het fragment onzeker. Wanneer men het vastgenomen heeft. PÁSZTHORY. donkere massa te bekomen. Vieillefond kwam echter na een grondige.

De betekenis ervan is wel niet altijd helemaal duidelijk. want het product zal maar na verloop van tijd ontvlammen.C. IV.. cit. op. loc. 126. 8-9. Waarschijnlijk alludeert de auteur dan ook hierop. maar pas als het in contact komt met een kleine hoeveelheid vocht. pp.. J.-R. pp. op. cit. PARTINGTON. J. maar tenslotte moeten we ook nog opmerken dat het gebruik van dit in de praktijk beperkt moet geweest zijn. DIOSCORIDES PEDANIUS. 53 ID. cit. bestonden. Het meest besproken is de interpretatie van het stuk aJlo. zoals bij de morgendauw. Daarom moeten de kruiken met het mengsel dan ook ’s nachts ‘in het geheim’ (lelhqovtw") bij de vijand geplaatst worden om de houten beleringsmachines met het pu'r aujtovmaton te kunnen insmeren. op. a{l" ojruktovς betekent niets meer of minder dan zout dat opgedolven wordt uit rotsen. pp. Bij Herodotus en Dioscorides worden trouwens gelijkaardige begrippen teruggevonden om daarmee het onderscheid aan te geven met zout dat uit zeewater gewonnen wordt 51 . op. Wat de juiste datum van het ontstaan van het recept nu precies was. 52 J." ojruktou' koniva". Een ander groot nadeel is dat het tijdstip van ontbranding niet vast te bepalen is en sterk 48 49 J. p. MERCIER. VIEILLEFOND. J. Andere discussiepunten betreffen de juiste betekenis van een aantal Griekse termen. Sommige geleerden lezen als dit een geheel.. V. pp. 53 en 185.-R. 6-10.-R. Zo proberen ze immers te bewijzen dat deze substantie al bekend was vóór het einde van de 7de eeuw. J. Partington wees er echter terecht op dat deze lezing ver gezocht is en dat een dat men koniva" als een apart begrip moet beschouwen. 190-193. 50 M. cit. Koniva is bovendien een term die vaak apart voorkomt. namelijk bij zonsopgang. 51 HERODOTUS. Partington interpreteert het als alkali (loogzout) of een soort harsachtige wierook 53 . steunende op een resem oudere geleerden.. Dat het hier om salpeter zou gaan is dus volgens ons vergezocht 52 . op. 54 J. cit. De andere polemieken over deze tekst laten we hier terzijde.. maar het is zeker dat dergelijke mengsels die pu'r aujtovmaton genoemd werden. Een dergelijk mengsel ontsteekt niet onmiddellijk. maar geregeld duidt het iets veel specifiekers aan. Vieillefond houdt het op as van harsrijke bomen 54 . VIEILLEFOND. al rond 200 n. cit.. vertalen het als iets in de aard van ‘zout gehaald uit stof’ en interpreteren dit dan als een omschrijving van salpeter 50 . 35-38. Deze fragmentje hanteren deze auteurs dan als een van de belangrijkste aanwijzingen dat het geheim van het Griekse vuur in de eerste plaats bestond uit salpeter. . R. op. zal altijd wel betwist kunnen worden. Dit zal in de realiteit zeker en vast niet zo eenvoudig geweest zijn. R. PARTINGTON. 210.14 bewaard gebleven in de codices 49 . Letterlijk betekent het ‘stof’. cit.

eijpw. wJH leptovtaton o[nta. R.” … Marinos verdeelde de natuurlijke zwavel. namelijk zwavel 57 : Kai. Zo kan lichte regen het vroeger doen ontvlammen. o{ti: Jo{pou rJivyei" ejx aujtou' ei[te eij" oi\kon ei[te ejn ploivw/ meta. ajll j Ëna rJivptete ejk touvtou eijH ta. ajnatei'lai to. o{ti: jouj creiva o{plwn. 130-132. j .n toØ rJeuvmatoH.n tribh'nai aujto.n ajevra a{ptetai. II. die de filosoof aan hem gegeven had.H toÃH nauvtaiH kai. oJ de...n h{lion. eujqevw" a{ptetai oJ oi\ko" h] to. eijrhkw.. Chronographia. Chronicon. p. ploÃa tän dromwvnwn. ploÃa a{panta BitalianoØ toØ turavnnou kai. PÁSZTHORY.H ta." aujtw'/. cit. cit. eijrhkw. e[legon dev tineH ejn Kwnstantinoupovlei. MARTINDALE.. Plotseling vlogen alle schepen van de rebel Vitalianus in brand door het vuur en zonken naar de bodem van de zee. fusikovn ejsti toØto. o} e[dwken aujtä/ oJ filovsofoH. eijH o{la ta. t−H qevrmhH toØ hJlivou. o{ti ajpo. puro. uJpo. to. maar kan een grote hoeveelheid water het juist inactiveren 55 . zal het huis of het schip ontvlammen en door het vuur verteerd worden. … En de zeeslag vond daar plaats op het derde uur van de dag. 619. R. p. Het gaat hier niet om de bekende neoplatonicus. pp. ploi'on kai. puro. Chronicon. ejpontivsqhsan eijH to. buqo. Prosography of the later Roman empire. JOANNES VAN NIKIU. eigenaardig vuurwapen vinden we tenslotte terug bij Joannes Malalas... 919. devdwken tw'/ Marivnw/. 16. E. En de filosoof beval dat een grote hoeveelheid van de zogenoemde natuurlijke zwavel aangevoerd moest worden en zei dat het moest fijngestampt worden tot een dun mengsel en hij gaf het aan Marinos terwijl hij hem zei: “Waar je ook maar iets daarvan werpt na zonsopgang. qeÃon a[puron rJiptovmenon eijH to. legovmenon qei'on a[puron poluv. op. ejrcovmena katevnanti uJmän ploÃa kai. p. J. kaivontai. Tijdens de strijd van keizer Anastasius I tegen de rebel Vitalianus in 512 raadt de Atheense filosoof Proclus 56 het gebruik van een ongewoon wapen aan. qeÃon a[pruvron.. PARTINGTON. p. kai. op. w{ran trivthn t−H hJmevraH: kai. maar om een minder bekende filosoof. hetzij naar een huis. over de hele vloot van dromons en zei aan de scheepslui en de soldaten: “Er is geen nood aan wapens.. Zie ook GEORGIUS MONACHUS. . ajnhvfqhsan ejxaivfnhH uJpo. hetzij in een schip. Hierbij spelen vooral weersomstandigheden een belangrijke rol. aangezien het heel J. 56 55 . to. Zie Proclus (8). 28. kai. kai. XVI. in J.15 gewijzigd kan worden door moeilijk te voorziene gebeurtenissen." ajnalivsketai. ejkevleusen oJ aujto" filovsofo" ejnecqh'nai to. 57 JOANNES MALALAS. MarÃnoH ejrrovgeuse to. givnetai ejkeà hJ naumaciva kai. wJ" eij" mi'gma leptovn. Een ander. … Sommigen in Constantinopel zeiden dat door de warmte van de zon de natuurlijke zwavel. II. 9. toÃH stratiwvtaiH. maar werp iets daarvan naar de schepen die op jullie afkomen en ze zullen in brand gestoken worden.

Dit kan echter jammer genoeg niet aangetoond worden op basis van deze nogal duistere tekst 58 . Bovendien gebeurde het ontsteken ‘automatisch’. De Arabieren die onder leiding van kalief Mu’awiya sinds de jaren zestig al grote delen van het Byzantijnse rijk veroverd hadden. als redder aan. maar waarvan zwavel wel een belangrijke component was. De uitvinding van het Griekse vuur Tijdens de laatste decennia van de 7de eeuw vond een nieuwe ontwikkeling plaats die belangrijke gevolgen zou hebben voor de Byzantijnse oorlogvoering. Als we zijn formule naast deze tekst leggen. en zeker een van de belangrijkste. natuurlijke zwavel genoemd. Malalas schrijft dit toe aan de warmte van de zon. begonnen in 674 met de belegering van Constantinopel die 4 jaar zou duren. behalve enkele geleerden. Wij vermoeden dan ook dat het hier gaat om een chemische mengeling die verwant was aan het aujtovmaton pu'r van Julius Africanus. . vuur vatte wanneer het in de lucht geworpen werden. Na een moeizame strijd slaagden de Byzantijnen er in 677 uiteindelijk in om de belegeraars te verslaan. Volgens christelijke bronnen was die overwinning vooral aan een nieuw vuurwapen te danken. Dat qei'on a[puron hier naar gewone zwavel zou verwijzen is nogal onwaarschijnlijk. WADA. Het is trouwens zeer twijfelachtig dat velen werkelijk wisten hoe het product werkte. De geschiedschrijvers wijzen allemaal een architect uit Syrië. maar verder blijven ze karig met nadere informatie. Er is dan ook weinig twijfel dat qei'on a[puron slaat op een mengsel dat bestond uit meerdere ingrediënten. Zo wordt bij beiden als eerste component. want die is op zich helemaal niet zo destructief als in de tekst beschreven staat. dus of die de werkelijkheid weerspiegelde. is helemaal niet zeker. pp. en dat dit zijn natuur was. TO LEGOMENON QEION APURON bei Malalas. Het interessantst is het relaas van de kroniekschrijver Theophanes Confessor (begin 9de eeuw): 58 H. 25-34.16 fijn was. Bovendien is zwavel een product dat al eeuwenlang bekend was en lijkt de toevoeging legovmenon erop te wijzen dat het hier om iets specialers gaat dan doodgewone zwavel. 2. een zekere Callinicus. zien we opvallende overeenkomsten. namelijk de uitvinding van het Griekse vuur. maar dat is de mening van een volksoverlevering. Mogelijk was ook hier ongebluste kalk aanwezig en was het vooral dit element dat zorgde voor het ontvlammen door contact met water.

suvmyuca katevkausen.D.H dihvreiH eujmegevqeiH kakkabopurfovrouH kai.n toiauvthn tän qeomavcwn kata. n. 5. en hij beval dat deze voor anker moesten liggen in de Proklianesische haven van Caesarius. Zie The chronicle of Theophanes Confessor. Of men werkelijk geloof kan hechten aan deze ‘twee-fasen-theorie’ is twijfelachtig. cit. Chronographia. touv-touH prosormivsai ejkevleusen ejn tè Proklianhsivw/ tän Kaisarivou limevni 60 . een architect uit Heliopolis in Syrië naar de Byzantijnen. 60 THEOPHANES CONFESSOR. p. rustte hij ook zelf grote biremen met vuur in kruiken uit en dromons met buizen. drovmwnaH sifwnofovrouH kai. Die brandden volledig op met de bemanning. qalavssion pØr eu|ron 61 . tän jAravbwn skavfh ejnevprhse kai. aujto.M. al zijn er voordien al gevechten geweest. A. 671/2) 59 JO de. ou{twH oiJ JRwmaÃoi meta. nivkhH uJpevstreyan kai. op. Volgens zijn beschrijving zouden de Byzantijnen al bij het begin van de belegering over schepen met sifons beschikt hebben vóór de komst van Callinicus. p. p. prolecqei. MANGO. Zoals uit het vorige hoofdstuk gebleken is. niet op de samenstelling.. Deze twee korte passages van Theophanes roepen zeker een aantal vragen op.17 A. Het is goed mogelijk dat Theophanes bij het samenstellen van zijn kroniek de excerpten uit de verschillende bronnen niet goed op elkaar heeft afgestemd. Zijn uitvinding zou dus slechts een aanpassing geweest zijn van een wapen dat al eerder bekend was en gebruikt werd. Byzantine and Near Eastern history AD 284-813.H KwnstantÃnoH th. mogelijk al in 669. to.M.. 672/3) Tovte KallivnikoH ajrcitevktwn ajpo.H kateskeuvase kai.n toÃH JRwmaivoiH pØr qalavssion kataskeuavsaH ta. 494. C. 353. Hij vervaardigde het maritieme vuur en stak daarmee de schepen van de Arabieren in brand. SCOTT. 61 ID. Traditoneel wordt de eigenlijke belegering gedateerd van 674 tot 677/678. 6165 (= A. JHlioupovlewH SurivaH prosfugw. Op dat moment vluchtte Callinicus. Dat er De datering en duur van de oorlog (7 jaar) van Theophanes is volgens de geleerden niet correct. KwnstantinoupovlewH kivnhsin ejgnwkw. 6164 (= A. Zie pp. 59 . 354.D. 92-93. Toen de hoger genoemde Constantijn de zo grote expeditie vernam van de bestrijders van God. als we de gegevens van Arabische auteurs mogen geloven. komt de ontwikkeling van het Griekse vuur echter niet volledig uit de lucht vallen want de Byzantijnen ontwikkelden al geruime tijd vuurwapens. Zo keerden de Byzantijnen met een overwinning terug en vonden ze het maritieme vuur uit. Kai. Hoogstwaarschijnlijk had de inbreng van Callinicus in de eerste plaats betrekking op het lanceersysteem. GREATREX. R. trad. G. zoals ook elders in zijn werk gebeurd is.

MAURICIUS. op. 66. 129-131. P. E. cit. 66 B. B. p. de man die door het gebruik van een speciale brandstof de vloot van Vitalianus kon vernietigen 65 . en waarschijnlijk ten oosten van de grote haven van Theodosius-Eleutherius. TSANGADAS. TSANGADAS. 3. 53. Tsangadas te maken met het feit dat op dat moment de experimenten volbracht waren (het Griekse vuur was uitgevonden) en dat er dus gewoon geen nood meer aan was aan een geheime. De toevoeging ‘Proklianesisch’ is onduidelijk. P. De exacte ligging is niet bekend. p. p. De drovmwnaH sifwnofovrouH zijn dan schepen die uitgerust waren met de toestellen om het Griekse vuur te lanceren en zijn dus hier de nieuwigheid. p. De haven van Caesarius wordt slechts enkele keren vermeld tussen 553 en 673/4 en heeft dus waarschijnlijk slechts korte tijd gefunctioneerd. cit. 65 Zie p. The fortifications and defenses of Constantinople. n.. geïsoleerde haven 66 . op. pp.. heeft volgens B. 150. maar verwijst misschien naar Proclus. Volgens B. n. 129. Behalve de vermelding van Theophanes zijn ons ook een hele reeks andere Byzantijnse beschrijvingen overgeleverd van de uitvinding van het Griekse vuur. B. Dat er na de belegering van 674-677 geen spoor meer terug te vinden is van deze haven. is natuurlijk niet uit te sluiten en zelfs waarschijnlijk 62 . maar hij lag zeker aan de zuidkust van Constantinopel. PÁSZTHORY. TSANGADAS. Zie hoofdstuk II.18 tijdens de belegering nog verbeteringen hebben plaats gevonden. C. 120. 15. 150. wapens die al in de tijd van Mauricius bekend waren 63 . cit. 66. Waarschijnlijk slaat het op schepen die uitgerust waren met toestellen die bedoeld waren om potten met licht ontvlambare vloeistoffen erin weg te slingeren.. Een interessant gegeven dat men nergens anders terugvindt is de vermelding van twee scheepstypes met vuurwapens. C. P. loc. Hier en daar zijn er kleine verschillen. DihvreiH kakkabopurfov-rouH is een zeer zeldzame term die voor interpretatieproblemen zorgt. maar het verhaal blijft bij iedereen grosso modo hetzelfde. Raadselachtig is de vermelding van Theophanes dat de oorlogsschepen gestationeerd werden in de ‘Proklianesische haven van Caesarius’. 63 62 . n. A. Jammer genoeg gaat het hier echter om auteurs die een hele tijd na de gebeurtenissen schrijven en een traditioneel geworden opvatting weergeven. Tsangadas was deze plaats mogelijk bedoeld om op een afgesloten en veilige plaats experimenten uit te voeren met vuurwapens voor schepen. C. Hier geven wij de twee belangrijkste versies nog weer. 28. 64 Hierop komen we nog uitgebreid terug. In latere werken vindt men deze of een gelijkaardige term wel vaker terug 64 . p.

Callinicus genaamd. 71 MICHAEL DE SYRIER. maar dit wordt tegensproken door alle andere bronnen en is ook minder waarschijnlijk. 68 67 . Zie pp.n toÃH JRwmaivoiH.19 jIstevon. 492. uiJoØ Kwnstantivnou. Kitab al-‘Unwan. to. Van hem stamt het geslacht Lampros af dat nu het vuur met kennis van zaken vervaardigt. die ook Pogonatos genoemd wordt. Kwnstantivnou. JHlioupovlewH t−H Aijguvptou prosfu-gw. JHlioupovlewH JRwmaivoiH prosfugwvn. Zijn versie luidt als volgt 71 : Een timmerman uit Baalbek. Niet alleen de Byzantijnse bronnen maken melding van deze gebeurtenissen. toØ kai. p. Aujto. Belangrijker is de vermelding dat het geheim van het Griekse vuur in handen zou geweest zijn van één enkele familie. Hij is dus de uitvinder van het maritieme vuur. suvmyuca katapontivsaH aujta. een zekere Callinicus uit Heliopolis weggevlucht is naar de Byzantijnen en het vloeibare vuur vervaardigd heeft dat door buizen gelanceerd wordt. to. KallivnikovH tiH ajpo. pØr qalavssion kataskeuavsaH ta. 61-62. 13. Op dat moment is Callinicus. Hij vervaardigde een maritiem vuur en stak de schepen van de Arabieren in brand bij Cyzicus en samen met de bemanning zonken ze. De administrando imperio. dat ten tijde van Constantijn. 765. tän sifwvnwn ejkferovmenon pØr uJgro. 48. Tovte KallivnikoH ajrcitevktwn ajpo. dus nog vóór de belegering van Constantinopel.n tän Sarakhnän stovlon ejn Kuzivkw/ JRwmaÃoi kataflevxanteH th. Historiarum compendium. XI. naar de Byzantijnen gevlucht. di jou| kai. pØr ejntevcnwH kataskeuavzontoH 68 . Volgens Michaël de Syriër werd het Griekse vuur voor het eerst al ingezet in 671 bij een zeegevecht in Lycië. p. to. die uit Syrië gevlucht was naar de Byzantijnen. dia. 69 Hier wordt verder op ingegaan bij de bespreking van het geheime karakter van het Griekse vuur. stelde een vuur samen en stak de schepen van de CONSTANTINUS PORPHYROGENITUS. een architect uit Heliopolis in Egypte. GEORGIUS CEDRENUS. Pwgwnavtou kaloumevnou. Volgens Cedrenus was Callinicus afkomstig uit Egypte. tän jAravbwn skavfh katevprhsen ejn Kuzivkw/. jEk touvtou katavgetai hJ genea. zoon van Constantijn. 70 Zie bijvoorbeeld AGAPIUS MARBUGENSIS.n nivkhn h[ranto 67 . Hiermee hebben de Byzantijnen bij Cyzicus ook de vloot van de Saracenen verbrand en de overwinning behaald hebben. toØ LamproØ toØ nuni..n kateskeuvasen. o{ti ejpi. qalavssion pØr ejfeurwvn. I. en dit eeuwenlang 69 . maar ook Arabische 70 en een paar Syrische kroniekschrijvers.H ou\n ejstin oJ to. Weet.

en dat het dus niet om een verzinsel van deze laatsten gaat. Dat we van verschillende zijden min of meer hetzelfde verhaal horen. vernieuwend vuurwapen voor het eerst in gebruik genomen werd door de Byzantijnen. dat nafta genoemd werd en uitgevonden was door Callinicus. . lijkt erop te wijzen dat er op dat moment wel degelijk een belangrijk. Sedert dat moment was het vuur. in gebruik bij de Byzantijnen tot op de dag van vandaag.20 Arabieren in brand. Hij vernietigde met dit vuur de rest van hen die zich in veiligheid waanden in het midden van de zee en die ingesloten waren.

op. Bovendien was met de opkomst van het christendom ‘Griek’ synoniem geworden voor ‘heiden’ en hiermee wilden zij natuurlijk niet geassocieerd worden. cit. Vooral in tactische geschriften wordt het Griekse vuur steevast zo genoemd.. Benamingen voor het Griekse vuur Zoals algemeen bekend is. cit. 73 THEOPHANES CONFESSOR. op. 405. p. noemden de Byzantijnen zichzelf nooit ‘Grieken’. zeldzame benamingen die we bijna nergens anders terugvinden. cit. die als oudste auteur de uitvinding ervan beschrijft.. wat dus maar weinig meer te maken had met de uitvinding van Callinicus.n pØr 75 . Soms vindt men bij dezelfde auteur verschillende begrippen terug om identiek hetzelfde wapen aan te duiden. DAIN. Daarentegen levert die verscheidenheid aan termen ons juist waardevolle informatie op over de verschillende eigenschappen van het Griekse vuur. De Byzantijnse auteurs zelf hanteerden verschillende andere benamingen 72 . en pØr rJwma^kovn 74 . p. is weinig waarschijnlijk omdat sommige teksten ze expliciet aan elkaar gelijkstellen. Vanaf die tijd gebruikten de schrijvers de term ‘Grieks vuur’ echter voor alle mogelijke soorten vuurwapens zodat het nu voor ons ontzettend moeilijk is om te weten wat men precies bedoelde en om te zien of men nog vormen van het ‘echte’ Byzantijnse Griekse vuur gebruikte. 354. MERCIER. 74 ID. Appellations grecques du feu grégeois en M. maritiem vuur. want ze beschouwden zich als de directe voortzetters van het Romeinse keizerrijk. geschreven door Jean de Joinville. Vooral door de kroniek van de kruistocht van de Franse koning Lodewijk IX de Heilige... op. WAT WAS HET GRIEKSE VUUR? 1. maar ‘Romeinen’. In de eerste plaats ging het hier om vuurwapens van de Arabieren. De term ‘Grieks vuur’ werd maar in gebruik genomen door westerlingen vanaf de 10de eeuw. Frequenter is skeuasto. cit. 75 ID. 396. op. maar dan wel meestal in de gewijzigde vorm ejskeuasmevnon pØr. werd deze benaming een groot succes in het Westen. Theophanes. pp. p. Dat er aan de diverse benamingen ook een betekenisverschil zou beantwoorden. geeft zelf maar liefst 4 verschillende benamingen.. Romeins vuur. Zie hiervoor ook het artikel van A. 72 .. maar het was pas ten tijde van de kruistochten dat deze benaming wijd verspreid werd.21 II. Ook de meeste andere randvolkeren gebruikten soortgelijke benamingen voor de Byzantijnen. geprepareerd vuur. 31-33. Vooreerst zijn er qalavssion pØr 73 .

niet toevallig hetzelfde woord als de naam van de familie die volgens Cedrenus het geheim van het Griekse vuur bewaarde 81 . terug. al kan dit in sommige gevallen betwist worden. 86 ID. gaat het hier waarschijnlijk om een formule voor een ander ID. Sporadisch worden ook nog andere termen gebruikt. 144. 83 LANDOLFUS SAGAX. pØr ejnergovn 78 . Grieks vuur. maar blijkt uit de context dat het het Griekse vuur betreft. 2. XXIII. 82 LIUTPRAND CREMONENSIS. XXI. zwavelhoudend vuur. XXIII. wat sommigen interpreteren als een alternatieve benaming voor Grieks vuur.. Vaak gebruikt men ook simpelweg pØr. Medisch vuur. 53. op.. 10.n 79 . § 151. als een van de eersten door bisschop Liutprand van Cremona. 77 76 .. 20. JOSEPHUS GENESIUS. Regum. Latijnse teksten houden het meestal ook bij één benaming. 61-62. Epitome rerum ab Joanne et Alexio Comnenis gestarum. 90. 81 Zie pp. In een 12de-eeuwse. p. maar duiden daar na verloop van tijd ook een hele reeks eigen vuurwapens mee aan. 85 ID. nl. Hongaarse kroniek vinden we ignis sulfureus 87 . ignis romaicus 84 . 77. II.. wat dus gemakkelijk tot verwarring kan leiden..n pØr 77 . ignis graecus. 87 JOANNES THURÓCZI.. krachtig vuur. die zijn geschiedenis van het Byzantijnse rijk grotendeels baseerde op de kroniek van Theophanes Confessor. NICEPHOROS URANOS. Deze benaming vindt vooral ingang vanaf de 10de eeuw en wordt al snel de meest gangbare. 15. pØr mhdiko. LEO DIACONUS. zoals wij dit vuurwapen nu nog altijd noemen. 79 IOANNES CINNAMUS. Toch leveren vele van deze teksten belangrijke en waardevolle informatie op over het Byzantijnse Griekse vuur. Sylloge tacticorum. 25.n pØr 76 . 78 De obsidione toleranda. 39. Aangezien hij elders expliciet de gewone term ignis graecus gebruikt. Tactica. cit. pp. 10. hoofdzakelijk in historische werken. 84 ID. XXVI. die tijdens zijn verblijf in Constantinopel als een van de weinige westerlingen kennismaakte met het beroemde wapen 82 . Chronica Hungarorum. ignis confectus 85 en ignis humidus 86 . 8. XXIII. p. De Arabische bronnen spreken altijd van nafta.. cit.22 Heel dikwijls gebruikt door de auteurs is uJgro. op. In de andere talen is er geen overvloed aan benamingen. oorlogsvuur. 15. 56. Antapodosis III. Sommige auteurs gebruiken ook hier en daar minder courante woorden zoals polemiko. vloeibaar vuur. 396. Historia romana. In twee teksten is er sprake van lamprovn 80 . op. vinden we de Latijnse equivalenten van diens vier Griekse begrippen terug: ignis marinus 83 . op. Tenslotte spreekt Marcus Graecus ook nog van ignis volatilis 88 . Bij Landolfus Sagax (10de/11de eeuw). Historiae. cit. cit. Al vanaf de 10de eeuw werd deze uitdrukking gebruikt. 155.. 283. 80 LEO VI.

etc. Parijs. T. Dit spreekt de theorie tegen van sommige geleerden. vooral i. Zoals we ook verder zullen zien. Zoals we gezien hebben. Bijgevolg zocht men eerst en vooral naar een bepaalde chemische formule en heeft het onderzoek zich daar dan ook op toegespitst. zoals ongebluste kalk. Pas later werden versies ontwikkeld die ook bij oorlogvoering te land ingezet werden. Liber ignium ad comburendos hostes. . Geprepareerd vuur wijst erop dat men aan de ruwe olie een zeker behandeling gaf. gebruikte men al eeuwen voordien de term Medische olie om aardolie. Daardoor zijn een aantal andere aspecten wat uit het oog verloren. A history of fireworks. Tot enkele decennia geleden dacht men dat de Byzantijnen op een zeker moment (tijdens de belegering door de Arabieren van 674-677) een speciaal chemisch mengsel ontdekt hadden dat hen in staat stelde een superieur vuurwapen te creëren. Medisch vuur. FAVÉ. 9-10.v. 1845. Recherches sur le feu grégeois et sur l’introduction de la poudre à canon en Europe. 90 Zie pp. ALGEMENE THEORIEËN Geleerden zijn al eeuwenlang gefascineerd door het Griekse vuur en hebben op allerlei manieren geprobeerd het legendarische geheim ervan te achterhalen. Bovendien is de samenstelling erg gelijkaardig aan die van buskruit.23 mengsel van meer explosieve aard. BROCK. Samenstelling van het Griekse vuur A. het belang van het Griekse vuur voor de algemene 88 89 MARCUS GRAECUS. zij het in een wat primitieve vorm 89 . Waarschijnlijk was deze liquide substantie aardolie. die beweren dat het Griekse vuur niets anders zou geweest zijn dan een rechtstreekse voorloper van het buskruit. REINAUD. LALANNE. gebruikten de Byzantijnen het Griekse vuur in eerste instantie als een wapen om vijandelijke schepen op zee te vernietigen. volgens anderen bedoelt men hiermee het vermengen met een aantal andere stoffen. hars. Histoire de l’artillerie.m. Volgens sommigen slaat dit op distillatie. L. een veronderstelling die gesterkt wordt door een andere benaming. 2. In de eerste plaats gaat het om een vloeibaar vuur. §12-13. Dat het in de eerste plaats om een zeewapen ging. aan te duiden 90 . I. leert ons de benaming maritiem vuur. 1ière partie: Le feu grégeois et les origines de la poudre à canon. A. S. zwavel. H. of een mengsel op basis daarvan. J. Deze verscheidenheid aan benamingen alleen al levert ons belangrijke informatie over enkele karakteristieken van het Griekse vuur.

op. Als we de theorieën van de geleerden bekijken. met eventueel ook zwavel erbij. Enkele Franse geleerden hebben toen voor het eerst de Griekse. dat ontvlamde door contact met water 91 . Gelukkig is daar gedeeltelijk een kentering in gekomen.24 Byzantijnse oorlogvoering. von LIPPMANN. Het grootste bezwaar is dat ongebluste kalk slechts ontsteekt als het in contact komt met een kleine hoeveelheid water. maar zoals al gezegd is een eensluidend besluit tot op de dag van vandaag onmogelijk. Als oorlogswapen is het dus onbetrouwbaar 92 . maar ook Arabische bronnen grondig bestudeerd en hebben een hypothese geformuleerd die tot op de dag van vandaag nog aanhangers kent. .136. Vooral rond die ene chemische stof draait het grootste deel van de discussie over de samenstelling: is salpeter al dan niet het cruciale element? Op deze vraag zullen we zo goed als het kan een antwoord proberen te geven. 91 92 E. Zo dacht E. zien we dat er uiteindelijk maar 2 verdedigbare visies zijn. en in welke mate en hoe het Griekse vuur een geheim wapen was. 28. koelt het snel af en kan het beoogde effect dus niet bereikt worden. p. maar toch blijkt het oorspronkelijke probleem nog altijd te genieten van veel aandacht. Nu en dan zijn ook andere stellingen naar voren gebracht. maar als het in een grote massa terechtkomt zoals in de zee. von Lippmann dat Grieks vuur een mengsel was van aardolie en ongebluste kalk. O. Vooral vanaf het midden van de 19de eeuw is men begonnen met de echte wetenschappelijke studie van dit onderwerp. blijven sommigen die aanvechten en zoeken ze nog steeds naar bewijzen dat salpeter al in de 7de eeuw gekend was. Desondanks leest men nog tot op de dag van vandaag in vele populair-wetenschappelijke werken en zelfs in gereputeerde encyclopedieën dat het Griekse vuur bestond uit een mengsel met als hoofdingrediënten ongebluste kalk en zwavel. p. I. Bovendien zijn dergelijke mengsels al gekend lang vóór het einde van de 7de eeuw 93 . E. maar die zijn onmogelijk gebleken. Beiträge zur Geschichte der Naturwissenschaften und der Technik. cit.. Volgens hen is het Griekse vuur niets anders dan een voorloper van het buskruit en is salpeter dé sleutel tot het geheim. Deze stelling is echter onomstotelijk weerlegd door de wetenschap. 93 Zie hoofdstuk I. die jammer genoeg diametraal tegenover elkaar staan. PÁSZTHORY. Alhoewel er na al die vele tientallen jaren onderzoek een vrij bevredigende oplossing gevonden is.

XIX. 97 N. Tactica. Secrecy. Hime ondersteunde een tijdlang een dergelijke opvatting. 98 E. al zag hij eerder een combinatie met zwavel dan met aardolie als oplossing 95 . p. Londen. Sindsdien beschouwen de meeste geleerden toch dat petroleum ongetwijfeld een belangrijk element was van het Griekse vuur. Later. veranderde hij echter van mening en schoof calciumfosfide naar voor 96 . VON LIPPMANN. ROLAND. technology and war: Greek fire and the defense of Byzantium. Londen. 363. 54. The origin of artillery. die dan vermengd kon worden met hars en eventueel zwavel en ongebluste kalk. 658. HIME. CHERONIS. Ook deze stelling is niet houdbaar gebleken. in de eerste plaats omdat het erg onwaarschijnlijk is dat deze chemische substantie al zo vroeg in de geschiedenis zou uitgevonden zijn. pp.. in de eerste plaats aardolie. maar over de andere ingrediënten blijft er onzekerheid. in 1915. D. p. Bovendien zijn de effecten bij experimenten te gering gebleken om een geducht wapen te kunnen zijn 97 . Ook H. O. Behalve deze alternatieve theorieën hebben de meeste wetenschappers tot enkele decennia geleden steeds de ontdekking van salpeter als hét sleutelelement van het Griekse vuur beschouwd. 1904. blijft tot op de dag van vandaag onopgelost. maar dat er een grote waaier aan mogelijke samenstellingen bestond. 95 94 . op. Jammer genoeg stelt hij dan nogal arbitrair dat men in het Westen salpeter niet kende vóór 1125 en meent hij dat dit ook voor de Byzantijnen gold. In zijn boek A history of Greek fire and gunpowder toont hij duidelijk aan dat de vermeende vermeldingen van salpeter bij Plinius Maior en Dioscorides allesbehalve duidelijk zijn en nog moeilijk als een sterk argument kunnen dienen voor de voorstanders van de oude theorie. LEO VI. H.. 1915. A. Chemical warfare in the Middle Ages. W. 200-210. Bovendien is men tot het besef gekomen dat het eigenlijk zinloos is te zoeken naar één bepaalde formule. en dat zal waarschijnlijk ook zo blijven. Hij wees de salpetertheorie volledig af en meende dat de determinerende factor in de eerste plaats gedistilleerde aardolie was. cit. hierbij steunende op de opinie van E. von Lippmann 98 . L. 96 ID. Gunpowder and ammunition. 678-1204. Partington. I. Deze visie is achteraf terecht sterk aangevochten en de vraag of de Byzantijnen al dan niet salpeter kenden en gebruikten.25 Een ander probleem is dat het gebruik van ongebluste kalk bij zeeslagen als een apart wapen vermeld wordt in de Tactica van keizer Leo VI en dus onderscheiden wordt van het Griekse vuur 94 . Die bestonden weliswaar altijd uit een paar vaste componenten. Deze visie is echter grondig aangevochten door de eminente chemicus J. Vooral de Arabische bronnen zijn hierbij verhelderend en veel gedetailleerder dan de Byzantijnse technische literatuur.

waar ze ook 36 bronzen sifons vonden en een niet geringe hoeveelheid vloeibaar vuur dat daarmee gelanceerd wordt. p. al komen de latere ontwikkelingen zeker ook aan bod. namelijk de wijze waarop het Griekse vuur gelanceerd werd. tauvthn ejkravthsan su. dus sifons die op zee gebruikt werden.H. A.H katoivkhsin ajnqrwvpwn pareÃnai pragmavtwn. sivfwnaH calkoØH eâron lHt. Als bewijs wordt ook vaak een fragment van Theophanes Confessor geciteerd dat de verovering van de stad Mesembria door de Bulgaren in 814 vertelt 99 : EuJrovnteH ga. Nu is toch min of meer algemeen aanvaard dat de kracht van het Griekse vuur niet alleen gelegen was in een speciale samenstelling. en namen ze in samen met Debeltos. 99 100 THEOPHANES CONFESSOR. kunnen we nergens niet één verwijzing terugvinden dat zij ooit in staat geweest waren dit zelf te gebruiken of soortgelijke vuurwapens te ontwikkelen.n oiJ ejcqroi. is het eigenlijk niet meer houdbaar om te spreken over één Grieks vuur. op. bedoelen we in de eerste plaats de oorspronkelijke uitvinding van Callinicus.. Dit lijkt erop te wijzen dat het absoluut niet voldoende was om een voorraad van het mengsel te verkrijgen om in het bezit te komen van het geheim en dat zelfs met de bijhorende apparatuur het niet vanzelfsprekend was om vuur af te schieten. en is men het geheim van dit wapen ook in deze richting gaan zoeken. toØ di jaujtän ejkpempomenou uJgroØ puro. peplhsmevnhn pavntwn tän ojfeilovntwn pro. De vijanden vonden namelijk die (stad) volgestouwd met alle mogelijke materiaal dat nodig is voor menselijke bewoning. .n t± Debeltè. Aangezien nu duidelijk is dat er een heleboel verschillende formules en variaties bestonden. kai. ejn oÍH kai. en niet zonder succes. 3. maar in een combinatie hiervan met specifieke en geperfectioneerde lanceermethodes. Als we hier over de samenstelling en de lanceermethode van het Griekse vuur spreken.26 Daardoor heeft men dan ook beseft dat men een belangrijk aspect uit het oog verloren was. Daarvoor was blijkbaar een grote en specifieke kennis nodig 100 .r aujth. Toch hanteert men nog steeds deze term omdat hij nu eenmaal al zo lang in gebruik is. 499. cit. Ondanks het feit dat de Bulgaren zowel voorraden Grieks vuur als een hele hoop lanceertoestellen konden veroveren. Zie hoofdstuk II.

peri. n.27 B. 8. HALDON. 93. nl. geschreven door Nicephorus Uranus 101 102 ANNA COMNENA. dat met gedonder en rook van het apparaat dat voorverwarmt. p. op. 56. Cruciaal is hier echter het uiterst zeldzame woord propuvrou. 51. maar dat is duidelijk onvolledig: petroleum wordt nergens vermeld 101 . J. kalafathvsewH ciliavdaH i j. kapnoØ propuvrou dia. Anna Comnena (12de eeuw) geeft wel een samenstelling van het mengsel weer. In een andere versie van het tactische geschrift van Leo VI. 6. toÃH newtevroiH ejpenohvqh kata. door de sifons gelanceerd wordt en die hen met rook omhult. 44 and 45 of ‘De Cerimoniis’. Chapter II. F. 103 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. bront−H kai. HALDON.. F. tän polemikän ploivwn kai. Volgens J. . Zie p. XIII. kapnivzon aujtav. zoals het geprepareerde vuur. III. tän ejn aujtoÃH polemouvntwn: oÍon tov te ejskeuasmevnon pØr meta. Vaak denkt men dat hiermee de actie van het lanceren bedoeld is en schrijft men dus de rook en het lawaai toe aan het afschieten zelf. n. p. XIX. het haardvuur waarmee men het mengsel voorverwarmde. 44. Maar ook vele hulpmiddelen werden vroeger en worden nu nog uitgedacht tegen de vijandelijke schepen en tegen de strijders die zich daarin bevinden. BYRNE. Haldon gaat het hier echter om een verkeerde interpretatie en verwijst deze term naar iets heel anders. de. M. Theory and practice in tenth-century military administration. LEO VI. cit. provpuron is immers afgeleid van het werkwoord propurovw dat zoveel betekend als ‘vooraf opwarmen’. 31. toØ eJtoimasq−nai linavrion lovgw/ tän propuvrwn kai. wat eigenlijk logisch is aangezien dit wapen als een staatsgeheim beschouwd werd. J. A possible solution to the problem of Greek fire. Vroegere geleerden steunden hun mening in de eerste plaats op een beschrijving van de lancering van Grieks vuur bij Leo VI 102 : Polla. 114-115: kai. Keizer Constantinus VII vermeldt ook dat er grote hoeveelheden vlas nodig waren voor de provpura en dat was een veelgebruikte brandstof om haardvuren te stoken 103 . 210. Dat het hier om echt Grieks vuur gaat is trouwens omstreden. Alexias. kai. tän sifwvnwn pempovmenon kai. HET SALPETERVRAAGSTUK Waarop baseren de geleerden zich om salpeter als het kernelement aan te duiden? In Byzantijnse geschriften vindt men immers nergens een geloofwaardige formule van het Griekse vuur terug. De vermelding dat het vuur afgeschoten werd ‘met gedonder en rook’ doet automatisch denken aan een explosief wapen en dus aan een oxyderende substantie die niets anders kan zijn dan salpeter. ejpithdeuvmata toÃH palaioÃH kai. De Cerimoniis II.

op. wat sommigen ertoe geleid heeft te besluiten dat de auteur in Arabische milieus zou vertoefd hebben. Haldon lijkt te ondersteunen. De naam van de auteur laat vermoeden dat het werk oorspronkelijk in het Grieks geschreven is. kapnoØ tän propuvrwn 104 .. . op. Het recept van het Griekse vuur luidt als volgt 106 : 104 105 NICEPHORUS URANUS. Het vroegste manuscript wordt gedateerd op ca. De titel wordt bijvoorbeeld steeds in het Latijn weergegeven. Zo gaan enkele recepten duidelijk terug op de Kestoi van Julius Africanus. Wanneer precies is echter onmogelijk te bepalen. gezien de aanwezigheid van recepten van buskruit. PARTINGTON. cit. cit. Toch blijft de mogelijkheid bestaan dat het om een vertaling van een Grieks werk gaat. want omtrent de auteur en de datering bestaan heel wat onzekerheden. waaronder ook één voor Grieks vuur. R. zijn we zo goed als zeker dat de compilator het uit een ouder werk overgenomen heeft. Meest plausibele verklaring is dat het gaat om een verzameling van excerpten uit een aantal verschillende werken. dat zeker nog niet gekend was in het Westen vóór de 11de eeuw. Dikwijls citeert men ook een recept uit het fameuze boek Liber ignium ad comburendos hostes. en mogelijk zelfs vroeger. maar in de manuscripten is hiervoor nergens een overtuigend argument terug te vinden. waarbij men vooral dacht aan Spanje. In dit Latijnse werkje worden ruim 30 voorschriften gegeven voor het fabriceren van allerlei ontvlambare en explosieve mengsels. is er sprake van meta.. Verder worden ook verschillende versies van buskruit beschreven. 42-63. andere zijn eerder Arabisch van oorsprong en dateren van een latere periode. 56.28 (2de helft 10e eeuw). bront−H kai. Wat het recept voor het maken van Grieks vuur betreft. 106 ID. Veel waarschijnlijker is de 11de-12de eeuw. wat dus iets duidelijker is dan de zin van Leo en de mening van J. cit.. op. Met deze bron moet echter omzichtig omgesprongen worden. Opvallend is dat er in het werk regelmatig Arabische woorden opduiken. 50-51. Volgens sommigen zou het traktaat al in de 9de of 10de eeuw geschreven zijn. maar in het traktaat op naam van Marcus Graecus is daar geen spoor van terug te vinden.. Er staat namelijk een verwijzing naar iets wat eerder vermeld zou moeten zijn (ut supra diximus). pp. al zijn de Arabische invloeden zeker niet te miskennen. De formule van Grieks vuur stamt dus zeker ten laatste uit de 13de eeuw. J. pp. zowel Griekse als Arabische. 1300 105 . toegeschreven aan een zekere Marcus Graecus. Ook aangaande de datering bestaat er grote discussie.

Dompel er daarna touwwerk in en steek het aan. . De zuivering van salpeter wordt door Marcus Graecus beschreven in § 14. ook omdat in andere traktaten gewoon of gekookt zout niet ongebruikelijk is als ingrediënt van ontvlambare mengsels. Om hun theorie te ondersteunen zochten de voorstanders van de oude theorie naar bewijzen dat salpeter niet onbekend was in de oudheid. tartarum. sarcocollam et picolam1.. Het punt van discussie is hier sal coctus. p.. p. cit. Postea impone stupas et accende. lijkt er toch op te wijzen dat het om iets anders dan salpeter gaat. 107 108 ID. niet vermeld 109 . sal coctum. of ze het wel konden zuiveren om het echt te kunnen gebruiken. Als men het woord letterlijk neemt. De geciteerde teksten. tenzij met urine of azijn of zand. Volgens velen wordt hiermee salpeter bedoeld. oleum petroleum et oleum commune. Natuurlijke salpeter kwam dus zeker en vast in de omgeving van de antieke mensen voor. lees: piculam Je zal het Griekse vuur op een dergelijke manier maken: neem pure zwavel. Eigenaardig is in elk geval dat in meerdere andere recepten expliciet de term sal petrosus gebruikt wordt. en. 51. R. 1. op. Salpeter komt in de natuur vrij veel voor in de warme streken op de wanden van grotten en zit ook vervat in guano. PARTINGTON. Dat hier een ander begrip gebruikt wordt.29 § 26. Quod si volueris extrahere per embotum ut supra diximus. Facias bullire invicem omnia ista bene. Ignem graecum tali modo facies: recipe sulphur vivum. Toch denken wij dat het hier waarschijnlijk niet om salpeter gaat. pek. zo ja. betekent het (gewoon) zout dat door het koken en verdampen gezuiverd wordt. 109 J. maar J. zodat de eerste interpretatie dus in theorie mogelijk blijft. voornamelijk de Naturalis Historia van Plinius Maior (1ste eeuw) en De Materia Medica van Dioscorides Pedanius (2de eeuw). 51. mest van vogels die volgens een speciaal natuurlijk procédé op rotsbodems verdroogd en verrot is. Steek het daarna in brand en het zal niet geblust worden. Ook bij de purificatie van salpeter wordt dit procédé echter toegepast 108 . Doe dit alles onderling goed koken. nisi cum urina vel aceto vel arena. Bovendien wordt het in één manuscript. Als je zou willen. petroleumolie en gewone olie.. gekookt zout. (kan) je het uitgieten door een trechter zoals we hierboven gezegd hebben. een van de oudste nota bene. maar de vraag is of ze er wel de specifieke eigenschappen van ontdekt hebben. Post illumina et non extinguetur. op. Perzische gom. Partington ontkent dit 107 . cit.

het doen opflakkeren van vuur. maar tot een andere categorie van zouten behoren. 113. PÁSZTHORY. n. die beschrijft hoe een huis in brand vloog doordat men met hars ingestreken hout lange tijd in de zomerzon had laten liggen in een dampende mesthoop van duiven 115 . p. V. cit. Door Arabische auteurs werd deze steen van Asius geïdentificeerd met salpeter vanaf Avicenna (ca. niet. een eigenschap die eveneens niet geldt voor salpeter. XXVIII. DIOSCORIDES. PLINIUS MAIOR. op. 115 CLAUDIUS GALENUS. In het eerste geval betreft het hoogstwaarschijnlijk sodiumcarbonaat en zeker geen salpeter. 110 111 DIOSCORIDES. 113 DIOSCORIDES. III. 117 Zie pp. cit. 301-302. V. maar hiermee werden zowat alle mogelijke zoutsoorten aangeduid. 124. cit. op. In onderaardse ruimtes bevinden zich trouwens heel wat andere stoffen die wel op salpeter lijken. cit.. In het andere gaat het inderdaad om een substantie die op de wanden van grotten aangetroffen wordt. Bovendien gaat het volgens hen om een zeer bijtende stof.. op. Meer twijfel bestaat er omtrent hetgeen antieke auteurs livqoH of a[nqoς [AssioH (lapis of flos Assius) noemen 113 . en niet een specifieke categorie. 309-314. Volgens sommige geleerden zijn er aanwijzingen dat bij de beschrijving van sommige soorten zout salpeter bedoeld wordt. maar ook die oplossing is niet volledig bevredigend 114 . PARTINGTON.. In de bronnen spreekt men steeds over nivtron (nitrum). meer bepaald als het om aphronitrum gaat 110 of om a[nqoH aJlovH (flos salis) 111 . Hoogstwaarschijnlijk gaat het hier inderdaad om een reactie uitgelokt door natuurlijke salpeter. PARTINGTON. 29. De beschrijvingen van Plinius en Dioscorides zijn daarentegen veel onduidelijker en vermelden de meest typische eigenschap van salpeter. R. op. XXXVI. zoals natuurlijke salpeter. Volgens J. Het begrip sal petrosus was in elk geval totaal onbekend in die tijd. V.. XXXI. maar Galenus had duidelijk geen weet van wat er eigenlijk die brand veroorzaakt had 116 . 114 J. op. 90-92. 657. De temperamentis. 96. PLINIUS MAIOR.. Mogelijk hebben de Arabieren het verward met een andere chemische stof. maar volgens J. 1000) onder de naam bloem van Asios. XXXI. Opmerkelijk is wel een passage bij Galenus (2de eeuw). nl. pp. cit. op. 113. R. 116 E. Partington zou het in de antieke teksten om een fluorescerende vorm van calciumcarbonaat gaan. 122. Partington beantwoorden de beschreven kwaliteiten van de stof eerder aan fluorescerende alkaline 112 . cit.. 12-13. PLINIUS MAIOR. pp. . 35.30 zijn jammer genoeg opnieuw verre van expliciet en ook de verwarrende terminologie bemoeilijkt de interpretatie enorm. 112 J. 131-133. Als laatste argument wordt vaak ook nog verwezen naar de eerder besproken tekst van Julius Africanus 117 .

Het zuiveringsproces bestaat erin het ruwe salpeter op te lossen in kokend water en daarna te filteren. ZENGHELIS. Illustratief voor de vroegere opinie is het volgende citaat van een vijftigtal jaar terug van A. Ook hier is de terminologie die in de voorgaande periode gehanteerd werd onduidelijk. cit. De geleerden tot een vijftigtal jaar terug zochten verbeten naar een geheime formule voor een krachtig wapen en kwamen dan al snel bij salpeter terecht. 109-111. Dit is immers de enige explosieve stof die nogal gemakkelijk terug te vinden is in de natuur en vrij eenvoudig te zuiveren is. Brock.. The fortifications and defenses of Constantinople. H. rijst nog de vraag of de Byzantijnen wel in staat waren om het te zuiveren. . Toch is het zeker niet mogelijk te beweren dat de geleerden in de oudheid natuurlijke salpeter helemaal niet kenden en blijft de kwestie onopgelost. wat een indicatie is dat de Byzantijnen het mogelijk in die tijd ook hebben leren kennen. B. zijn tot de conclusie gekomen dat salpeter bij hen ten laatste in de 10de eeuw gekend was 120 . HILL. 272-273. Als men aanneemt dat dit toch al het geval was. p.31 Alles bij elkaar zijn de bewijzen die de voorstanders aanhalen helemaal niet talrijk en zeer dubbelzinnig. pp. pp. wat mogelijk wel op het gebruik van salpeter te wijst 121 . Zoals gebleken is uit het voorgaande overzicht. D. die meende het recept van het Griekse vuur ontdekt te hebben 122 : 118 C. Islamic technology: an illustrated history. 120 A. 232. Het moet wel een volledig etmaal koken vooraleer men een goed resultaat bekomt. Hier zijn echter helemaal geen bewijzen voor te vinden. De wetenschappers die Arabische bronnen onderzocht hebben. Y. Pas in het genoemde boek van Marcus Graecus vindt men de eerste beschrijving van het zuiveringsprocédé van salpeter terug 119 . maar vanaf toen werd het woord barud gangbaar om salpeter aan te duiden en is er geen twijfel meer mogelijk. want dit was nodig om het efficiënt te kunnen gebruiken. Die waren waarschijnlijk van meer explosieve aard. Opvallend is dat de Byzantijnen juist vanaf eind 9de/begin 10de eeuw kleinere en nieuwe versies van het Griekse vuur begonnen te gebruiken. 121 Zie p. R. 127. 119 MARCUS GRAECUS. C. AL-HASSAN. TSANGADAS. P. In latere eeuwen werd hetzelfde begrip gebruikt voor buskruit. S. p. Le feu grégeois et les armes à feu des Byzantins. 122 A. A history of fireworks. is de vraag of de Byzantijnen al dan niet salpeter kenden een ingewikkeld en moeilijk oplosbaar probleem waaraan in het vroegere onderzoek naar het Griekse vuur vaak teveel aandacht geschonken is. § 14. Sommige auteurs beschouwen het als ondenkbaar dat zij daartoe niet in staat waren aangezien het gaat om een in onze ogen vrij eenvoudig proces 118 . 52. op. BROCK.

Hij verwierp terecht de 19de-eeuwse visie dat het Griekse vuur een min of meer vaste mengeling was en poneerde dat het half vloeibaar was. J. Deze interpretatie van het woord blijkt niet te kloppen als men een vergelijking maakt met de passage uit de De Cerimoniis. and plumbago ¼… After mixing. viscous mass of partly consumed composition was blown out to a distance of upward of a hundred yards. onder invloed van de boeken van R. pp. is die van C. cit. op. buskruitachtige mengeling die voor de lancering van het Griekse vuur moest zorgen 124 . Dat er bij het afvuren eigenlijk twee verschillende substanties zouden gebruikt zijn. the mass of composition was rendered plastic by heat. dat bij Leo VI vermeld is 123 . cit. The particular mixture was: salpetre 6. followed by a momentary pause. Mercier formuleerde een visie die eindelijk een belangrijke plaats toekende aan de aardolie. Daarenboven beschouwde hij het propyron. kan door geen enkele bron ondersteund worden. taken in handfuls. 277-278. 123 124 LEO VI. MERCIER. powdered pitch 31/4. and pressed down to fit the bore. §51. integendeel. als een aparte. die stelde dat het belang van petroleum in de oudheid en vroege middeleeuwen sterk onderschat werd. When ignited at the muzzle. Hij stelde ook meer vragen bij de manier van afvuren. Toch bleef ook hij sterk vasthouden aan salpeter als sleutelement. powdered glue ¼. This was followed by what can be best described as a ‘cough’. maar kon niet tot een echte oplossing voor dit probleem komen 126 . moulded into balls each of which was dropped into a mortar in turn. . Forbes. sulphur 1. ZENGHELIS. De historici hebben ook een aantal andere versies van de salpetertheorie ontwikkeld. Een nogal vreemde interpretatie die veel succes gekend heeft. 125 Zie pp. 126 M.32 I was convinced of the real nature of Greek fire by a chance demonstration of something evidently very similar during trials of smoke-producing composition in 1914. Volgens hem was het Griekse vuur wel degelijk echt vloeibaar. die eerder de visie begunstigt dat met propyron een toestel bedoeld wordt dat het mengsel voorverwarmde 125 . Tactica. op.. the composition burned for a time with a certain degree of violence. 27-28. M. maar wel met salpeter als element dat de kracht aan het wapen gaf. C. and a burning. Zenghelis. XIX.

Zoals we verder zullen zien. Hij wees de theorie dat dit wapen een voorganger van het buskruit was. Studies in ancient technology. Tenslotte wijzen meerdere teksten erop dat het Griekse vuur enkel uitgedoofd kon worden met azijn.. en waarvan A..m. Partington 133 . J. De administrando imperio 53. op. More studies in early petroleum history 1860-1880. More studies in early petroleum history 1860-1880. zwavel en allerlei harsen behoorden waarschijnlijk tot de mengeling 128 . Voor hem was het uitgesloten dat salpeter deel uitmaakte 127 R. pp. het pØr malqakovn. 133 J. 28-32. pp. 128 Dit lijkt dus al veel sterker op het geciteerde recept van Marcus Graecus. urine.. ID. zand of met vilten doeken die in azijn gedrenkt waren. PARTINGTON. maar was volgens hem niet van primordiaal belang. 131 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. . 83. De Byzantijnen beschikten aan het eind van de 7de eeuw zeker over voldoende oliebronnen die zich vooral in de omgeving van de Kaukasus en de Zwarte Zee bevonden (en die nu nog altijd gebruikt worden). handsifons. FORBES. de lanceermethode van het Griekse vuur en zal verder aan bod komen. p. NIEUWE THEORIEËN Het begin van de kentering in het onderzoek naar het Griekse vuur werd op gang gebracht door het werk van de Nederlandse wetenschapper R. FORBES. zijn de bewijzen in Arabische bronnen hierover onomstotelijk. Zijn nadruk op aardolie is terecht gebleken. Ook ongebluste kalk. Forbes verwijst ook naar een Latijns document uit de 9de eeuw waar nafta en boomhars als componenten van Grieks vuur vermeld worden 130 . 87. cit. Constantinus Porphyrogenitus geeft zelfs een opsomming van de olievelden waarover hij kon beschikken 131 .v. Forbes 127 . waaraan dan een aantal vaste componenten toegevoegd werden. Deze tekst is ook zeer interessant i. 132 Zie hoofdstuk V. Dit zijn identiek dezelfde remedies die we al vele eeuwen daarvoor terugvinden voor het uitdoven van pek of nafta 132 . Een echt volledig nieuwe interpretatie werd in 1960 geformuleerd door J. Een belangrijke verandering van de invalshoek vanwaaruit dit onderwerp bestudeerd wordt. p. 130 ID. 70-90.. Daarentegen kwam hij tot de vaststelling dat er verschillende mogelijke types bestonden met variatie in de componenten. 493-511. J. pp. was ook dat hij stelde dat er eigenlijk geen sprake kan zijn van één Grieks vuur. op.33 C. dat mogelijk gebruikt werd voor de ceirosivfwneς. 105-109. resoluut af en kwam tot de conclusie dat de basis van het mengsel petroleum was. I. R. Zo bestond er volgens hem ook een minder vloeibare versie. R. Toevoeging van salpeter achtte hij niet onwaarschijnlijk. 129 R. 47. Zie p. Brock waarschijnlijk een juiste beschrijving gegeven heeft 129 . cit.

pp. maar werd toen zeker nog niet toegepast op petroleum 134 . maar acht het weinig waarschijnlijk dat de gezuiverde vorm op het einde van de 7de eeuw al voldoende bekend en beschikbaar was om het regelmatig in te zetten. Davidson acht vooral de specifieke lanceermethode van belang 138 . Leiden. 136 Zie hoofdstuk III. Probleem is dat Byzantijnse bronnen ons zeker nooit de oplossing kunnen geven want zij zouden natuurlijk nooit de sleutel tot het geheim verraden. 134 135 R. 13-28. Hij sluit niet a priori het gebruik van salpeter uit.. HILL. Volgens hem was Callinicus daar als een van de eersten wel in geslaagd en heeft hij daardoor een effectief vuurwapen kunnen creëren. H. R. pp. Basisingrediënten waren aardolie. AL-HASSAN. vaste stoffen aan toegevoegd.C. harsen. 2. Meer bevredigend is de visie van H. Zoals wij reeds uiteengezet hebben. Bovendien lag de technische kennis van de Arabieren zeker niet op een lager niveau en ten laatste in de 9de waren zij in staat om petroleum te distilleren 135 . A. 138 H. Om de verbranding en het lanceren te verbeteren. aangezien geen enkele bron uit die tijd daar iets over zegt. cit. werden er ook nog harsen en goed brandbare. 144-145. The secret weapon of Byzantium. ELLIS DAVIDSON.. B. in ruwe of gezuiverde vorm. De precieze componenten konden variëren. kan men dit niet zomaar doortrekken tot in de Byzantijnse tijd. FORBES. J. Al in de 10de eeuw is het immers beschreven door de Arabieren 137 .34 van het Griekse vuur omdat de Byzantijnen het simpelweg nog niet kenden. en mogelijk ongebluste kalk om het gemakkelijker te laten branden op water. 69-70. maar het vormt dus zeker niet het belangrijkste element van het Griekse vuur. zouden zij dus ook al snel eenzelfde Grieks vuur ontwikkeld hebben. 137 Zie p. 31. Moest het geheim (enkel) hierin gelegen hebben. Zijn hypothese over het ontwikkelen van distillatietechnieken voor aardolie door de Byzantijnen kan niet gecontroleerd worden. op. . Partington ook proberen aan te tonen dat de Byzantijnen gezuiverde salpeter niet kenden. Ook deze theorie roept vragen op. Davidson. heeft J. Ondanks het feit dat hij er in geslaagd is aan te tonen dat dit waarschijnlijk het geval is voor de Romeinen. Het geheim lag volgens hem in gedistilleerde petroleum. Short history of the art of distillation. Enkele eeuwen later is het gebruik van salpeter veel waarschijnlijker. D. pp. Y. R. Distillatie is een proces dat al gekend was bij de Alexandrijnse chemici vanaf de 3de eeuw v. 1948. 1125 is onjuist gebleken. De stelling dat salpeter onbekend was buiten China tot ca. wat waarschijnlijk niet zo is 136 .

Zie hoofdstuk III. Op al deze studies is er door V. Byrne. Die zijn gedeeltelijk wel gebruikt bij de bestudering van de oorlogvoering tijdens de kruistochten en van het ontstaan van het buskruit. Un traité d’armurerie composé pour Saladin. pek. 142 V. HALDON. Of het hier werkelijk om identiek hetzelfde wapen als dat van de Byzantijnen gaat. In tegenstelling tot de karige informatie die de Byzantijnse teksten ons bieden. 885-886. De Arabische bronnen tonen ons duidelijk aan dat er veel verschillende versies en mengelingen bestonden die allemaal naft genoemd werden. Behalve petroleum werden vooral zwavel. F. maar zij leggen de nadruk volledig op de manier van afvuren en niet op de samenstelling. Distilleren was zelfs niet nodig als ze maar opgewarmd werd voor het afschieten 139 . onder de gemeenschappelijke noemer naft. BYRNE. Hij stelt aan de kaak dat in al die decennia van onderzoek een belangrijke categorie aan bronnen grotendeels over het hoofd gezien is. CAHEN. luidt als volgt 143 : 139 140 J. M. A possible solution to the problem of the Greek fire. maar in latere tijden soms ook salpeter 142 . Recepten van nafta: pp. is twijfelachtig. 143 C. p. maar opvallend is dat er nergens sprake is van salpeter. art. Naft. 141 Zie bijvoorbeeld E. zoals sommige zelf benadrukken. maar die wel allemaal dezelfde grondstof bevatten: aardolie. pp. De moslims beschikten al snel na de Byzantijnse overwinning in 677 over een eigen arsenaal aan vuurwapens op basis van aardolie. Christides fundamentele kritiek gegeven. maar het belang voor de vroegere periode is over het hoofd gezien en bovendien zijn vele tactische geschriften maar onlangs of zelfs nog niet gepubliceerd. Christides beklemtoont dat het dus zinloos is te zoeken naar een recept met speciale ingrediënten dat door de Byzantijnen geheim gehouden werd.35 In dezelfde richting redeneren J. 2. Die bestond volgens hen enkel uit aardolie. op. geven ze veel kennis weer van veel vroegere generaties. eerder dan in de samenstelling 140 . CHRISTIDES. maar het verschil lag waarschijnlijk in de lanceermethodes. Een van de belangrijkste voorbeelden is Het handboek van bewapening samengesteld voor Saladin. PÁSZTHORY. en die soms gelijk gesteld werden aan het Byzantijnse Griekse vuur. Het voorschrift dat het meest onze aandacht trekt. Hij geeft maar liefst 17 verschillende recepten. 145-148. ongebluste kalk en pijnboomhars gebruikt. Haldon en M. leveren enkele Arabische traktaten over oorlogswapens wel een belangrijke bijdrage tot een beter inzicht in deze materie. 92. . namelijk de Arabische. Alhoewel de teksten met formules uit een vrij late periode dateren (12de-15de eeuw). cit. zoals ook recente geleerden soms nog doen 141 . geschreven door Murd Ibn al-Tars s (begin 13de eeuw).

E. (Doe) de in de ketel op het vuur. minerale zwavel. 55. of het afschieten met pijlen en ballista’s. In een ander manuscript van latere datum (15de eeuw).). Incorpora simul cum spatulâ cupri et deinde oleum laterinum. Teer. BERTHELOT. I. 1 deel. en wanneer het kookt. Het volgende recept is in geen enkele andere codix geattesteerd en gaat zo goed als zeker terug op Arabische bronnen.36 Vervaardiging van nafta die drijft op het water en die uitstekend geschikt is om de schepen in brand te steken. moet je er de sandrak aan toevoegen en roeren tot het mengt. Infundatum in ampulla pone vitrea orificio deinde clauso quam in fimo equino bene calido septem per dies ita ut simul dissolvatur et liquidum fiat ad modum unguenti. 145 M. 1 deel. serapinum et opponacum2 aequaliter. fijnstampen. maar juist wel door de Arabieren 146 . in mortario subtilissime terre. cit. P. dit wil zeggen nafta. Tenslotte vinden we nog een mooi voorbeeld in een manuscript van Marcus Graecus uit München (begin 15de eeuw) 145 . en op het water afvuren naar de schepen die je wil raken. De integrale tekst luidt als volgt 147 : X. moet je het doen koken totdat men vaststelt dat het gaar is. hetzelfde. P. 147 M. J. donec fiat ad modum vernicis. op. E. R. worden enkele formules weergegeven waar salpeter wél als een van de ingrediënten vermeld wordt 144 . CHRISTIDES. alkitran4 et oleum et sulforis liquefacto et calida aequali mensurâ super infunde et optime incorpora cum spatula agitando. vet van geitennieren. terebentinum distillatum. pp. Ignis graecus ita componitur: Accipe classam1 et galbanum. 2. maar dat zeker teruggaat op veel ouder materiaal. BERTHELOT. loc. p. ontsteken. Deinde in potto misce habente longum et strictum orificium et lento igne liqua. 146 Zie hoofdstuk III. Grieks vuur in glazen flesjes gieten. Wanneer de behoefte komt ervan te nemen. zuiver en helder dolfijnvet hetzelfde. en wegnemen (van het vuur).. werd door de Byzantijnen immers niet toegepast.D. pp. moet je daarop minerale zwavel gooien die allemaal oude olie is. hars. gele zwavel. Hetgeen wat fijngestampt moet worden. La chimie au moyen âge. the Red Sea and the Indian Ocean (6th-14th centuries A. 124-125. New light on navigation and naval warfare in the eastern Mediterranean. fimum de die in diem revolvendo: postea distilla in cucurbita vitrea vel vitrata alembico superposito 144 V. hetzelfde. cit. hetzelfde. sandrak. kekabie3 et picem navalem et fimi columbini dupli primi pulveris. . 10-11. PARTINGTON. hetzelfde. quibus fusis adde sulfur vivum. Wanneer dat gedaan is. Dat maakt een grote brand en het loopt op het water zonder uitgedoofd te kunnen worden. Opvallend is dat er hier opnieuw geen sprake is van salpeter.

stamp het zeer fijn in een mortier. zoals bij rozenwater. quia solo motu accenditur et hic est ignis graecus. Schiet ze onmiddellijk af waarheen je wil met een boog of ballista. De mest moet van dag tot dag omgekeerd worden. Perzisch woord voor pix liquida. 2. Mogelijk sandrak. 1. moet je een vierkante pijl gebruiken die doorboord is met gaatjes en volledig uitgehold is. hars van een fijnspar en sap van een panax in gelijke delen. Wanneer je dit wil gebruiken. Nadat ze samengesmolten zijn. na een alembiek daarboven te hebben geplaatst en na de naden gedicht te hebben met zeer vasthoudende lijm Zo zal je de olie scheiden van de poederige substanties. 3. zodat het tegelijk opgelost wordt en vloeistof wordt op de wijze van zalf. Giet het in een glazen kolf. aqua vero super aspersa magis inflammat ipsum.37 et clausis juncturis cum luto tenacissimo et sic separabis oleum a pulveribus. Waarschijnlijk een harsachtige substantie. en laat het smelten op een zacht vuur. Panax was in de oudheid bekend als een wonderplant die alle ziekten zou genezen. Totaal onbekend woord. In petroleo pone pulverem sulfuris minutissimi intra phialam vitream et appone si vis ignem et projice ignem. Dit vuur kan niet gedoofd worden tenzij met de vier hoger vermelde dingen. Distilleer het daarna in een glazen of verglaasde (aarden) pompoenvormige kolf. vloeibare pek en zwavelolie 148 toe. doet het zelfs nog meer opflakkeren. Giet ze in gelijke verhouding over het materiaal dat vloeibaar geworden gemaakt is door warm water en meng ze zeer goed door met de spatel te roeren. scheepspek en duivenmest toe in dubbele hoeveelheid dan het eerste poeder. op een zacht vuur van houtskool. sluit de opening en plaats het dan in paardenmest die goed warm is gedurende zeven dagen. Opoponacum (?) Wel zo vertaald. Het Griekse vuur wordt zo vervaardigd: Neem classa en moederhars. gedistilleerde terpentijnolie. 4. totdat het het uitzicht van vernis krijgt. interius concavam et pone tentas de papyro oleo predicto intinctas et accensas. Vermeng het tezamen met een koperen spatel en voeg vervolgens olie van baksteen. 148 In Arabische geschriften vaak gebruikt synoniem voor petroleum. Protinus jacta quo volueris cum arcu vel balista. Cum que hoc uti volueris habeas sagittam quadratam cum foraminibus perforatam. Water echter. maar niet verbeterd in de tekstuitgave. voeg dan pure zwavel. . veluti aquam rosaram. Plaats wieken uit papier die in de hierboven vermelde olie gedrenkt zijn en aangestoken zijn. kekabie. igne lente carbonum. Qui siquidem ignis extingui non potest nisi cum quatuor rebus supradictis. dat erop gesprenkeld wordt. Meng het vervolgens in een pot met een lange en smalle opening.

dat echter pas later zijn intrede deed (ca. dat door middel van een sifon gelanceerd werd en het best te vergelijken valt met een grote vlam149 Zie hoofdstuk III. Zij ontwikkelden gesofisticeerde brandpijlen. Andere vaak gebruikte ingrediënten waren harsen. omdat het alleen door de beweging aangestoken wordt.38 Voeg aan de petroleum poeder van zeer fijne zwavel toe in een glazen flesje. Tenslotte werd het Griekse vuur vaak ook in aardewerken kruiken gegoten die door katapulten of mangels afgeschoten werden. Globaal gezien hebben de Byzantijnen in de loop der tijden een viertal types ontwikkeld. Meestal beschouwt men dit type als het ‘echte’ Griekse vuur in de strikte zin van het woord en interpreteert men het als een soort vlammenwerper. Christides en zijn wij van mening dat het Griekse vuur niet bestond uit een geheime formule waarin salpeter de belangrijkste factor was. Dit was het oudste model en met behulp van dit wapen hebben de Byzantijnen de Arabische vloot tijdens het beleg van Constantinopel in 674/677 verslagen. DE SIFON Over de belangrijkste versie van het Griekse vuur. Die diversiteit had vooral te maken met de verschillende methodes waarop de aardoliemengsels afgevuurd werden. De formules evolueerden mettertijd en werden ook aangepast aan de manier waarop men het wilde gebruiken. Als conclusie kunnen wij ons het meest vinden in de bevindingen van V. . Steek het aan met vuur als je wil en lanceer het vuur. De eerste en belangrijkste versie is deze die afgevuurd werd door de sifon en die enkel op zee gebruikt werd. ongebluste kalk en waarschijnlijk ook salpeter. En dit is nu het Griekse vuur. Bij de Arabieren was het arsenaal nog veel uitgebreider. 3. kan men eigenlijk niet spreken van één Grieks vuur. zwavel. glazen flesjes of soorten granaten die door allerlei werptuigen afgeschoten werden. Types en lanceermethodes van het Griekse vuur Zoals wij reeds aangehaald hebben. Bij hen werd het vooral te land ingezet 149 . 10de eeuw). 2. maar bestonden er vele variëteiten. Vanaf eind 9de/begin 10de eeuw ontstonden er kleinere versies die ook op het land inzetbaar waren. A. maar dat het hier ging om een waaier van verschillende composities die als basiselement aardolie gemeen hadden. zoals de handsifon en de strepton.

5. a[nwqen de. ejskeuasmevnon pØr kata.n prwvran e[mprosqen calkè hjmfiesmevnon. Daarmee zal hij het geprepareerde vuur tegen de vijanden afvuren. Een andere. dat verschillende mogelijke betekenissen heeft. t−H prwvraH tän polemivwn ajntimacovmenoi. Met deze beschrijving is wel enige voorzichtigheid geboden wegens het literaire karakter van de tekst en de late datering ervan (begin 12de eeuw). 6. zoals we zullen zien. is er vooruitgang geboekt. th. 821) door het Griekse vuur in een Madrileense codex van Joannes Scylitzes (13de eeuw) 150 . Vertrekpunten om zo’n Byzantijns afvuurmechanisme te kunnen reconstrueren. Toch is het bronnenmateriaal vrij aanzienlijk en groter dan dat voor het probleem van de samenstelling. tän ejnantivwn ajkontivsai. toØ toiouvtou sivfwnoH yeudopavtion ajpo. vormen hier de beroemde voorstelling van de vernietiging van de vloot van Thomas de Slaaf (ca. Voordien stelde men zich weinig vragen over hoe het aardoliemengsel gelanceerd werd. Kai. wJH e[qoH. LEO VI. De laatste tijd is het accent echter verschoven naar dit andere aspect sinds aangetoond is dat er eigenlijk geen sprake kan zijn van een geheim recept dat de Byantijnen angstvallig verborgen hielden. Het grootste discussiepunt is de interpretatie van het woord sifon.H o{lhH bavllonteH di jo{swn a]n ejpinohvswsin o{plwn. t−H polemivaH new. is er pas de laatste decennia vrij veel onderzoek verricht. kai. waarop enkele mariniers zullen geplaatst worden om de aanvallen vanuit de boeg van de vijanden af te slaan of om het hele vijandelijke schip te treffen met gelijk welke wapens die ze zouden bedenken. .39 menwerper. en een van de constituties uit de Tactica van keizer Leo VI 151 : jEcevtw de. de dromon) zoals gewoonlijk de sifon. zodat wij nu uiteindelijk in staat zijn om een globaal beeld van het lanceersysteem te schetsen. Tactica. h] kata. aujto. vooraan in de boeg hebben. ejn ø sthvsontai a[ndreH polemistai. periteteicismevnon sanivsin. En boven zo’n sifon (moet er) een vals dek uit planken (zijn). toÃH ejpercomevnoiH ajpo. maar ook hier blijkt de oplossing van het vraagstuk moeilijker dan verwacht. XIX.n sivfwna kata. sanivdwn. ook zelf rondomrond afgeboord met planken. Vooral op het gebied van de sifon die enkel bij zeeslagen gebruikt werd. aangezien alle aandacht naar de samenstelling ging. di joâ to. pavntwH to. Het is immers helemaal niet zeker of vier eeuwen na de 150 151 Zie Fig. dikwijls geciteerde tekst is een fragment uit de Alexias van Anna Comnena. die met koper bekleed is. In elk geval moet hij (scil.

uJpo.H stovloH oujk eujtavktwH t−H meta. sidhvrwn leovntwn kai. dia. tän stomavtwn aujtän pareskeuvase diievnai. th. prw'to" prospelavsa" tai'" pissai>kai'" nausivn.n dia. legovmeno" jElehvmwn kovmh". ejn eJkavsth/ prwvra/ tän ploivwn dia. liet hij in elke boeg van de schepen bronzen en ijzeren koppen plaatsen van leeuwen en van andere landdieren met opengesperde muilen. Ei\ta th.n qavlattan polevmou ejpisthvmonaH kai. Omdat hij (scil. jEpei. en liet hij ze met goud bekleden opdat ze door de aanblik alleen al angst zouden uitboezemen. De Byzantijnse vloot riskeerde echter geen gevecht met de Pisanen in slagorde. oJ Lantou'lfo". op. tän streptän kata. de keizer. EAD. eujcerw'" e[cwn ejkei'qen diaplwv/sasqai." oujk a[stoca e[balen.n skeuh. aujto." de.. katescevqh a]n eij mh. ejtetrivgesan aiJ kerai'ai tav qæ iJstiva dierrhvgnunto). eJtevra" paracrh'ma trei'" megivsta" ejpurpovlei tw'n barbavrwn nau'". qavtera gorgw'" metafevrwn kai. zodat de leeuwen en de andere dergelijke beesten het schenen uit te braken. tän polemivwn mevllon ajfivesqai pØr dia. ajsuntavktwH touvtoiH prosevbale.n ajpei'de kai.. a[stoca to.n qavlattan ajqrovon ejpeispesou'sa dietavratte tav" te nau'" sunevtribe kai. ajll jojxevwH kai.H PissaivouH toØ peri. gorgw'" pro. Kai.. tän Pissaivwn mavchH ajpepeirto. op. . stomavtwn ajnew/gmevnwn kataskeuavsaH.H meta. ÔO de. cit. tou' qalattivou kluvdwno" sugcuqevnte" to. 4. XI.n e[conto".n met jaujtän mavchn." pollavki" kai. to. ku'ma. liet hij zo aanbrengen dat het door de muilen van de dieren weggeslingerd werd. 2. X. mononou.H th. En even verder 153 : JO mevntoi rJwma^ko. XI.n nau'n ejpi. de. pempomevnou dæ ejfæ a} bouvletai oJ pevmpwn katav te to.n fuvsei th. calkän kai.r ejqavde" h\san toiouvtwn skeuw'n h] puro. ajlloivwn cersaivwn zwv/wn kefala. pruvmnan prosbalwvn. pempovmenon pu'r (oujde.40 uitvinding het apparaat er nog hetzelfde uitzag." skedasqevnto". ajnaiscuvn-tw" megivstw/ ploivw/ kata. pu'r e[bale kai.n faivnesqai." a[nw me. ajnevmou th. Volgens de prinses liet haar vader. X. oujdevn ti plevon eijrgavsato tou' puro. buqivzein hjpeivlei (ejrrovcqei ga. maar viel hen snel en ordeloos aan. to. w{ste dokeÃn tou. de keizer) wist dat de Pisanen ervaren waren in de oorlog op zee en hij het gevecht met hen vreesde. me. ejkdeimatwqevnte" oiJ bavrbaroi to. pu'r katæ aujtw'n ajfei.n fora. cit. Landulfus zelf naderde als eerste 152 153 ANNA COMNENA. Het vuur dat door de ‘strepta’ tegen de vijanden moest gelanceerd worden. crusä/ te peristeivlaH aujta. tou. dediw. wJH ejk movnhH qevaH fobero. zijn vloot op de volgende manier uitrusten 152 : Ginwvskwn de. mh. toi'" phdalivoi" touvtou peripesw.n kai. t˜lla tän toiouvtwn zwv/wn toØto ejxereuvgesqai. ejfæ eJkavtera)." th. sustrofh. dæ a{ma kai. to.r to.H levontaH kai. prane. ga.n nou'n fugadeiva" h{yanto.

maar hij lanceerde het vuur zonder doel te treffen en hij bereikte niets meer dan dat het vuur rondgestrooid werd. Toen op hetzelfde moment ook plotseling een wervelstorm losbrak en de zee woelig maakte. Zie pp. V. trof hij niet zonder succes raak. dikwijls naar beneden en naar elk van beide (zijden)). 2. brons. maar is al bij al gering en laat nog vele hypotheses open. was hun visie over de samenstelling van het Griekse vuur niet correct en ging het hier om een soort vlammenwerper die een (half)vloeibaar mengsel lanceerde 155 . Dit blijkt overigens ook uit de miniatuur. is de stelling van de voornamelijk Franse onderzoekers van de 19de eeuw die het Griekse vuur als een rechtstreekse voorloper van het buskruit zagen en het dus eerder als een min of meer vaste substantie beschouwden. Antapodosis. meer bepaald uit koper of. de ra’s kraakten en de zeilen scheurden). interpreteerden zij het toestel min of meer als een primitief kanon. Wat met zekerheid kan verworpen worden. waarschijnlijker. Zijn aanwijzing calkè hjmfiesmevnon is wel wat misleidend en heeft 154 155 LIUTPRAND CREMONENSIS. als hij niet krachtdadig teruggegrepen had naar het wapen. verbrijzelde ze de schepen en dreigde ze hen bijna tot zinken te brengen (want de golven bruisten. Zij besteedden nauwelijks aandacht aan de manier waarop het mengsel uiteindelijk afgeschoten werd. zoals Leo VI ook aangeeft. Hetgeen uit deze bronnen kan afgeleid worden.41 de Pisaanse schepen. enerzijds door het afgeschoten vuur (want ze waren niet gewoon aan dergelijke wapens of vuur. maar belandde tussen zijn riemen. pijp’ is. 97-98. 15. Toen hij het vuur naar hen lanceerde. Een laatste belangrijk kenmerk vinden we terug bij Liutprand van Cremona. Vervolgens keerde hij wild zijn schip naar de andere kant en deed dadelijk drie andere boten van de barbaren in brand vliegen. Zoals gebleken is. Bij de vernietiging van de Russische vloot in 941 door het Griekse vuur merkt hij op dat een woelige zee nadelig is voor de lancering ervan 154 . maar dat nu gestuurd werd naar waar degene die het afvuurde wilde. Omdat hij zich daar niet gemakkelijk uit kon bevrijden om verder te varen. anderzijds werden zij in verwarring gebracht door de woelige zee en sloegen op de vlucht. is van fundamenteel belang. alhoewel ze sterk vereenvoudigd en gestileerd is. De barbaren werden door paniek bevangen. Comes Eleemon viel het grootste schip stoutmoedig aan langs de achtersteven. . is dat het in essentie ging om een buis of pijp uit metaal. zou hij in de val gezeten hebben. Wat wel correct is. dat van nature uit naar boven opstijgt. Omdat een van de meest voorkomende betekenissen van sifon ‘buis. en ons verder weinig vooruit helpt om te weten te komen hoe het systeem werkte. Zie hoofdstuk II.

soØ duvnantai givgnesqai. oJ de. Wel degelijk de hele pijp was gemaakt uit brons. tän de. R. 159 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. nl. net zoals de bedieners van de andere oorlogsmachines 160 : Kai. 16-17. cit. zoals ook Anna Comnena en enkele Arabische teksten aangeven 157 . Heel interessant gegeven is dat de sifon wendbaar was en het vuur in verschillende richtingen kon afschieten.cit. op. Het betrof hier geen houten buis die aan de buitenkant en/of de binnenkant bekleed was met koper of brons. W. cit. In elk geval waren er dus niet veel mannen nodig om het hele systeem te bedienen.H ta. 9-10. om de Pisanen.H toiauvtaH kataskeuavH. Blijft echter nog het belangrijkste probleem: welk systeem zorgde er uiteindelijk voor dat de nafta door die buis naar de vijandelijke schepen afgevuurd werd? Dat het geheel niet zo eenvoudig te bedienen was.. qavlassan. 158 LEO VI. 36. 12-14. die helemaal niet vertrouwd waren met het Griekse vuur. V. cit. XIX. . MAKRYPOULIAS. extra schrik aan te jagen. Enkele decennia later lijken dat er drie per sifon te zijn op de grote dromons.42 dan ook soms tot verkeerde conclusies geleid 156 . 670. 8. The navy in the works of Constantine Porphyrogenitus. maar dat dit toch mogelijk was met een zeer klein aantal mensen. di jejpinoivaH tän sunovntwn soi magganarivwn kai. Zie C. kai. want die zou niet bestand geweest zijn tegen de hitte en de kracht waarmee het oliemengsel gelanceerd werd. pp. L. kai. CHRISTIDES. e{teroH oJ ta. 5. aiJ eJtoimasivai ouj movnon para. op. prwrevwn ejlatän oiJ teleutaÃoi duvo oJ me. In geen enkele andere bron vinden we iets dergelijks terug. van de laatste twee roeiers in de boeg moet de ene de bediener van de sifon zijn. HIME. PARTINGTON. 669.. 35. de andere diegene die het anker in zee werpt. maar ze waren vast en zeker goed opgeleid. Mogelijk ging het hier om een toevoeging van keizer Alexius zelf met een psychologische bedoeling.n e[stw sifwnavtwr. G. 169-170. De Cerimoniis. 160 LEO VI. leren ons enkele indirecte verwijzingen.. maar slechts 1 bij de kleinere oorlogbodems 159 . The origin of artillery. ajlla. 156 157 H. J. Of de buizen aan de uiteinden normaliter versierd waren met dierenkoppen. XV. pp.H ajgkuvraH bavllwn kata. p. p. op. tän mhcanhmavtwn aiJ paraskeuai. ejpithdeivwn ajndrän pro. op. In de tijd van Leo VI stond slechts één persoon in voor de bediening van de sifon 158 . is twijfelachtig. 17.

Pneumatica. bij de belegering van de stad Dvin in 927 161 : Dat zelfde jaar trok de Domesticus aan het hoofd van een omvangrijk Byzantijns leger op tegen de stad Dvin. 129-130. VASILIEV. A. 2.C. Ibn al-Atir. zoals 161 162 IBN AL-ATIR. X. en tenslotte door Hero van Alexandrië (2de eeuw n. maar zijn uitvinding werd wel beschreven door Philo van Byzantium (2de eeuw v. De meest bekende is ongetwijfeld de dubbelwerkende perspomp van Ctesibius (3de eeuw v.43 De oefeningen en voorbereidingen voor de toestellen kunnen niet alleen door jou (scil. 150. De bediener van het toestel was zelf een soldaat en een van de dapperste. appendix 1 (enkel in een Arabische vertaling bewaard). In de hellenistische tijd werd op het gebied van de pneumatiek een enorme vooruitgang gemaakt en ontwikkelde men vrij ingewikkelde toestellen. wordt hij gebruikt als een brandspuit. In het verleden meenden veel geleerden dat de drijvende kracht bestond uit een pompsysteem. PHILO BYZANTIUS. maar ook met behulp van de vindingrijkheid van de ingenieurs van oorlogsmachines die jou ter beschikking staan en van de mannen die geschikt zijn voor dergelijke werktuigen. Byzance et les Arabes. Maar een muzelman schoot een pijl op hem af die hem doodde en Allah verloste de muzelmannen zo van die pest. Vitruvius (1ste eeuw v. Zie A.C. . Deze gespecialiseerde elitesoldaten waren onmisbaar voor de lancering van het Griekse vuur en hun dood tijdens het gevecht betekende dan meestal ook dat het toestel niet meer gebruikt kon worden. We moeten dus op zoek gaan naar een lanceersysteem dat met weinig mankracht bediend kon worden. belegeringsmachines en vlammenwerpers. de generaal) gebeuren. De Domesticus had torens.C. Het gaat hier wel om een kleinere versie van een vlammenwerper die op het land ingezet werd. II.) 164 .). VIII.) 163 . p. 7. De architectura. maar toch vrij ingewikkeld moet geweest zijn.C. Bij deze laatste geleerde is de pomp veel verder ontwikkeld. 163 VITRUVIUS. waar Nasr al-Subki zich bevond met de troepen die belast waren met de verdediging.) 162 . waarvan het vuur 12 mannen kon bedekken en zo krachtig en kleverig was dat niemand ertegen kon standhouden. daar slechts een kransje ingewijde soldaten in staat was het Griekse vuur af te schieten. Zo vertelt ons ook een Arabische geschiedschrijver. Zijn traktaten zijn niet bewaard gebleven. maar een dergelijke situatie kon zich evengoed voordoen bij de sifonators op de schepen.

. Zur Geschichte des Schiesspulvers. en krijgt het toestel de benaming sivfwn. op. cit. cit. 168 E. wat zeker onvoldoende is. n. I. Zenghelis is dat een pompsysteem helemaal niets geheim en nieuws was. is in theorie inderdaad niet zo groot en daarom heeft dat idee redelijk veel succes geoogst. moet het toch meer geweest zijn dan de schamele paar meter die met een dergelijk pompsysteem bereikt kunnen worden. p. . MERCIER. 131. von Lippmann. Ongetwijfeld klinkt dit idee logisch en aannemelijk. Dit gebeurde wel door R. Een eerste kritiek die al geuit werd door C. Forbes die voor deze theorie bevestiging meende te zien in de al vermelde tekening uit het manuscript van Joannes Scylitzes. I. maar al eeuwen gekend was. 3. 28. op. 169 M. Bovendien was er vaak zelfs maar één bediener voor het apparaat. Behalve de literaire beschrijvingen van zo’n dubbelwerkende perspomp zijn ook enkele echte exemplaren aan het licht gekomen bij archeologische opgravingen. Een dergelijk blusapparaat werd zeer sterk aangeraden door zijn tijdgenoot Apollodorus van Damascus om de houten belegeringsmachines en –torens van brand te sparen 165 . De overstap van een blusapparaat naar een gelijkaardig pompsysteem dat petroleum in plaats van water kan lanceren. zoals we al vermeld hebben. O. p. maar niet echt verder uitgewerkt 168 . in R.. wijst volgens hem op het gebruik van een pneumatisch toestel 169 . Het bereik ervan zou dus zeer beperkt zijn. Later zijn vooral een paar praktische bezwaren naar buiten gebracht. VON LIPPMANN. ZENGHELIS. horizantale lijn die de vlammen beschrijven. 36. 166 Zie Fig. De bekendste zijn de twee die in de 19de eeuw gevonden zijn nabij het Italiaanse Bolsena 166 . hebben wij niet kunnen terugvinden ondanks verwoed zoekwerk. pp. SCHNEIDER.44 hij uitdrukkelijk vermeldt. Het artikel van R. 164 165 HERON ALEXANDRINUS. maar een recentere vondst in Silchester bracht een houten exemplaar aan het licht dat gecompliceerder en veel compacter is dan de andere 167 . De min of meer rechte. Anders was het in de praktijk van weinig nut in een zeegevecht. 278.. Al een kleine eeuw geleden werd een dergelijk voorstel voor het eerst gesuggereerd door E. p. 28-29. 167 Zie Fig. APOLLODORUS DAMASCENUS. J. cit. Alhoewel we nergens een indicatie hebben van de precieze afstand die het Griekse vuur kon afleggen. 7. op. Forbes waarnaar verwezen wordt. Pneumatica. 6. 170 C. op. ook door de Arabieren trouwens 170 . maar toch blijken er enkele belangrijke bezwaren te zijn. cit. Zo is het bijzonder moeilijk om met twee man druk genoeg te creëren om een krachtige straal petroleum naar buiten te spuiten. .

BYRNE. Davidson op basis van twee documenten. 91-99. De Cerimoniis. zien we vooral één belangrijk nieuw element... J. ELLIS DAVIDSON. en door hun theoretische model in de praktijk uit te testen tijdens een congres in Birmingham in 1974. cit.. Die bestond uit ruwe of gedistilleerde aardolie. maar kan wel de ontvlambaarheid nog verhogen 173 . Het toevoegen van andere substanties is in feite niet nodig. 8. p. Dit kan snel aangewakkerd worden door het gebruik van een blaasbalg zodat bij het begin van het gevecht de olie snel op de gewenste temperatuur kan gebracht worden. 173 EID. 658: kai.. p. 93-94. BYRNE. A possible solution of the problem of Greek fire. HALDON. Door de aardolie te verwarmen in een gesloten ketel wordt de ontvlambaarheid ervan sterk verhoogd en wordt ook een sterke druk gecreëerd. HALDON. maar aan een met stenen of tichels afgesloten vuur dat aangestoken wordt met lonten in vlas of linnen. 92. op. p. M.. 44. 51. The secret weapon of Byzantium. of vroeger verwaarloosde teksten. 94. Waarschijnlijk wordt met het eerder vermelde provpuron precies dit onderdeel bedoeld. Bij hun experiment konden ze al een bevredigend effect krijgen met ongedistilleerde nafta. F. Haldon en M. Als we hun schematische voorstelling bekijken. 71. kunnen verklaren 174 en de vermelding van keizer Constantinus Porphyrogenitus dat er een grote hoeveelheid vlas nodig was voor de provpura 175 . op. 174 LEO VI. want dat is natuurlijk veel te gevaarlijk. Byrne 172 . Byrne vooropgesteld door H. nl. op. cit. p. pp. We moeten hier zeker niet denken aan een open houtvuur. cit. BYRNE. F. 8. M. Over de samenstelling zijn ze kort.45 Een ander probleem is dat aardolie op zich niet genoeg ontvlambaar is en bij het afvuren vaak zou uitdoven 171 . peri. HALDON. toØ eJtoimasq−nai linavrion lovgw/ tän propuvrwn kai. 171 . 11. Het H. een haardvuur of komfoor. maar enkele andere teksten lijken deze thesis te bevestigen. II. F. werd al enkele jaren voor de publicatie van J. cit. R. XIX. kalafathvsewH ciliavdaH i j. op. Dat opwarming door een komfoor een belangrijk element in het lanceersysteem was. Zij zijn tot dit nieuwe model gekomen door de nauwkeurige bestudering van enkele nieuwe. pp. Belangrijk is wel te beletten dat de meest vluchtige elementen eruit zouden ontsnappen en daarom zou de olie bij lage grondtemperatuur verzameld moeten worden. De meest waarschijnlijke oplossing tot op de dag van vandaag is voorgesteld door J. 172 J. die natuurlijk nodig is om ver te kunnen spuiten. 97. Zie J. 175 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. Zie Fig. Haldon en M. n. M. n. Opnieuw vinden we hiervoor geen verdere aanwijzingen in Byzantijnse bronnen. Dat zou natuurlijk ook het lawaai en de rook waarvan Leo VI spreekt.

178 YNGVARS SAGA VIDFÖTLA. pix. Ondanks veel opzoekingswerk zijn we er niet in geslaagd ook maar enig aanknopingspunt te vinden. n. op. 83. malleolis. 20-21. Met dank aan Prof. J. de Byzantijnen) een haardvuur in de voorste boeg van het schip. die wij gewoonlijk moerassen noemen. J.. p. zoals de volgende passage 178 : 176 177 R. et unus eorum fistula facta area ad similitudinem quam rustici squitiatoriam1 vocant. Napta. hun tegenstanders. en een andere uit struiken. Want wanneer de Saracenen de strijd openen met een zeegevecht. Forbes ter sprake gebracht en vertaald. alterum ex virgultis que simul mixta procreant ignem inextinguibilem. 93. pek voor brandpijlen. M. op. Davidson aanhaalt is Yngvars Saga Vidfötla. Een andere. en plaatsen daarop een bronzen vat vol met die dingen. gelijkend op wat de boeren ‘squitiatoria’ noemen en waarmee de kinderen spelen. F. Totaal onbekend woord. Het luidt als volgt 177 : Materia ignis trium puerorum. cit. . Nafta. Vreemd genoeg werd dit fragment al door R. unde petra olei. HALDON. Deze gebeurtenis speelde zich af in de eerste helft van de 11de eeuw. 8. Haldon om ons dit onvindbare artikel op te sturen. p. pp. BYRNE. maar hij besteedde er nauwelijks aandacht aan 176 . waaronder ook de aanwezigheid van een haardvuur. nl. in hostem spargunt. quos vulgo mariscos appellamus. Samenstelling van het vuur van de drie kinderen(?). een IJslandse sage die onder andere een verslag geeft van een zeeslag met de Byzantijnen. Nam pergentibus Saracenis ad bellum navali certamine in prima fronte navis facta fornace illi insidunt vas eneum his plenum subposito igne. na eronder een vuur te hebben aangestoken. Een van hen schiet op de vijanden met een bronzen pijp. stupa. cit. qua ludunt pueri. pp. Nafta is een soort van balsem die voorkomt in Babylonië op vochtige plaatsen. FORBES. en het schijnt dat het water daar zwemt zoals vet voedsel. Er zijn zelfs twee soorten balsem: één die ontspringt in de berg Sinaï en uit de rotsen opwelt. Sunt etiam duo genera balsami: unum nascens in monte Sina sudans ex petra. Ondanks de aanwezigheid van een aantal imaginaire elementen bevat de sage er ook heel wat waarheidsgetrouwe. 6-7. eerder ongewone bron die H.46 eerste is een nogal obscure Latijnse tekst uit de 9de of 10de eeuw die eigenlijk heel de essentie van de afvuurmethode beschrijft. touwwerk. et quasi saginam ibi aquam videtur natare. Napth genus balsami nascens in Babilonia in humentibus locis. maar de ons overgeleverde vorm van het verhaal dateert pas uit het laatste kwart van de 13de eeuw. 1. ANECDOTA CAROLINA. Vertaling: J.. maken zij (scil. Te samen gemengd brengen ze een onuitblusbaar vuur tot stand. vanwaar olierots.

en ontstak een vuur met heilige vuursteen en een tondel. Daaraan werd een bronzen pijp verbonden en een pomp om nog voor extra druk te zorgen. dat in één ogenblik tot as opgebrand werd. zodat men het vuur gemakkelijk kon richten naar waar men wou. Snel kwam er een van de eilanden op hen af en viel hem aan met een grote regen van stenen. Verder bestond het gehele systeem nog uit een metalen ketel waarin de aardolie verwarmd werd en die goed luchtdicht moest zijn. waar zij vijf bewegende eilanden zagen die naderbij kwamen. Waarschijnlijk bevond zich tussen dit onderdeel en de pijp een draaibaar tussenstuk. Bij het aan elkaar lassen van de onderdelen kwam er zeker tin aan te pas. V. afkomstig van een haardvuur 179 . R. p.47 Zij voeren voort tot waar de rivier zich in kanalen splitste. ELLIS DAVIDSON. 15. Yngvar beval zijn mannen om zich klaar te maken voor de actie. maar die moest zeker niet zo krachtig en ingewikkeld zijn als het beschreven type van Ctesibius. op. 179 V. p. Tenslotte vinden we opnieuw in Arabische bronnen een bevestiging van het feit dat een komfoor deel uitmaakte van het lanceersysteem. 180 LIUTPRAND CREMONENSIS. A turning point in the struggle between Byzantium and Islam. maar ze beschermden zich en schoten terug. 181 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. The conquest of Crete by the Arabs (ca. Aan het einde was er een lamp of iets dergelijks geplaatst om de olie aan te steken op het moment dat die door de buis naar buiten kwam.. Tussen de buis en de ketel moet zich een klep of kraantje bevonden hebben. Waarschijnlijk was dat komfoor er mede de oorzaak van dat veel wind en een woelige zee de lancering van het Griekse vuur bemoeilijkten 180 . wat een immens lawaai maakte. 184. 45. cit. cit.. Dit werd geopend wanneer het mengsel op temperatuur was en men het wilde afschieten op de vijand. 73. De Tunesische poëet ‘Ali Ibn Muhammed Iyadi vertelt onder andere dat het afvuren van naft vergezeld ging met veel rook.. Natuurlijk verhinderden dergelijke weersomstandigheden ook dat men goed kon richten en creërde men daardoor zelfs een potentiëel gevaar voor het eigen schip. 675-676. Toen de Byzantijnen ontdekten dat er een vastberaden weerstand geboden werd. CHRISTIDES. op. op. n. II. pp. zoals blijkt uit de De Cerimoniis van keizer Constantijn 181 . Er was ook een koperen pijp waaruit een groot vuur geblazen werd naar een van zijn schepen. mogelijk in leder. begonnen ze met blaasbalgen een fornuis aan te blazen met vuur erin. zoals Anna Comnena vermeldt. 824). Zie H. . 65. cit.

r ajgorH eJtevrou kasitevrou livtrai s j ta. In de geciteerde Anecdota Carolina is er inderdaad sprake van een bronzen buis. Dat dit allemaal niet zo evident was vinden we ook terug bij de al vermelde tekst van Anna Comnena: bij de eerste aanvalsgolf wordt het Griekse vuur helemaal niet adequaat gelanceerd en slaagt men er niet in vijandelijke schepen in brand te steken 183 . doqevnta Micah. Haldon en M. Hier betekent sifon dus duidelijk het gehele toestel.ejdovqh uJpe.. Dat wordt beschreven als een ‘spuit’. nl. p. met het gevaar dat verbonden is aan het opwarmen van de olie. …werd gegeven voor de aankoop een andere 200 litrai tin.. X. ANNA COMNENA. en niet enkel een metalen buis of pomp. zoals vele andere geleerden deze term interpreteren. op. 182 183 ABULCASIS. Waarschijnlijk zijn er in de realiteit wel ongelukken gebeurd. 148. XI. Waarschijnlijk is het tin hier vooral bedoeld om de ketel goed af te sluiten en de verbindingen met de buis en de pomp te dichten. en wijst erop dat het dus om iets vrij eenvoudig ging.48 .l cut± lovgw/ katakollhvsewH diafovrwn e[rgwn tän sifounivwn toØ basilikoØ ploÄmou. vergelijkt het voorwerp waarmee naft gelanceerd wordt met een spuit zoals die voor medische doeleinden gebruikt wordt 182 . 4. Door die training konden ze weten hoe lang het vuur opgestookt moest worden. maar daar horen we natuurlijk niets van. die gegeven was aan Michaël de metaalbewerker om verschillende delen van de sifons van de keizerlijke vloot aan elkaar te lassen. De Arabische medicus Abulcasis (11de eeuw) tenslotte. Daarom waren de bedieners van het toestel juist zeer goed opgeleid en kon het explosiegevaar zo beperkt worden. cit. In de Byzantijnse tijd bestond er nog geen veiligheidsklep die mogelijke overdruk in de ketel kon laten ontsnappen. hoeveel lucht bijgepompt moest worden en op welk moment precies de klep geopend moest worden om het mengsel weg te spuiten. Byrne vallen ook goed te rijmen met de literaire informatie.. maar ook van een allusie op een of ander pompsysteem. Er bestond dus een vrij groot risico op ontploffing. Deze overe elementen van de opstelling van J. . Beide auteurs zien wel nog een probleem met hun model.

49 Recent is er echter een totaal nieuwe hypothese gelanceerd door T. metalen container met een buis voor het afvuren van olie is dan niet veraf 190 . Sivfwn . 190 J. Dit boek hebben wij niet kunnen raadplegen. Om al deze redenen kunnen we niet akkoord gaan met deze theorie en denken we dat het voorstel van J. ondanks vele pogingen. MASTOROPOULOS. buis. Behalve de al bekende betekenissen zoals pomp. Uit de geciteerde bronnen en miniatuur blijkt overduidelijk dat de sifons een soort vlammenwerpers waren en helemaal niets te maken hadden met ballista’s. 186 MAURICIUS. KORRES. HALDON. Gelukkig worden in het artikel van Gabriele PASCH.H ajrcaivou ajggeivou. op. cit. Bovendien waren dergelijke toestellen al veel langer bekend 186 en worden kruiken die gevuld waren met Grieks vuur en die met katapulten afgeschoten werden. Zo wijst hij erop dat het type van ballista dat Korres vooropstelt. zou dit natuurlijk absurd zijn. cit. pp. Haldon reageerde onlangs scherp tegen de visie van T. . kan sifon ook geïnterpreteerd worden als een specifieke soort aardewerken vat met een geïntegreerd buisje voor het afvoeren van vloeistoffen (vooral wijn). Dat salpeter mogelijk een van de ingrediënten zou kunnen geweest zijn. vEna ovplo thH buzantinhvH nautikhvH taktikhvH. Als daarmee enkel potten gevuld met olie bedoeld worden. ook nog eens apart vermeld 187 . 189 G. gebaseerd op een artikel van G. zoals Korres meent. 187 LEO VI. Haldon en M. Mastoropoulos 189 . Bij zijn hypothese hebben wij echter veel bedenkingen. 9. Het enige dat in verband met dit onderwerp echte 184 T. 60. K. op. Il fuoco greco. Tenslotte voert J. 56. 278-280. 364-366. gaat hij akkoord dat het Griekse vuur hoofdzakelijk bestond uit aardolie met eventueel een toevoeging van zwavel en ongebluste kalk. Byrne nog altijd het dichtst de waarheid benadert. De stap naar een grotere. Bovendien werd een dergelijk toestel nooit sifon genoemd. Wat de samenstelling betreft. Korres 184 . 185 Zie Fig. in jArcaiologika. Haldon nog een technischer element aan. Korres en bracht nog een aantal andere argumenten contra aan.. en werd door de bronnen met dit begrip duidelijk het gehele lanceertoestel bedoeld.XIX. 45. brandspuit en kleine pot. Ook J. Zie vooral pp. 158-162. S. p. de belangrijkste conclusies van Korres weergegeven. Byrne te gecompliceerd is en dat het lanceermiddel niets anders was dan een ballista 185 . cit. wijst hij resoluut van de hand. JUgro. Theory and practice in 10th century military administration. F. en niet alleen de aardewerken kruik. 1988. II. Zo is er bijvoorbeeld sprake van dat er in elke dromon 3 sifons aanwezig moeten zijn 188 . Hij meent dat het voorstel van J. loc.n PØr. namelijk een nieuwe interpretatie van het woord sifon. ajnalekta ejx jAqhnän 21. in de latere Byzantijnse tijd niet meer in gebruik was. 672. .s(i)fouvni: ejpibivwsh eJno. al kan men dit tot op de dag van vandaag moeilijk controleren. Haldon en M. pp. 188 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS.

D. the Red Sea and the Indian Ocean (6th-14th centuries A. zodat deze types maar in het kort zullen behandeld worden. LEO VI. namelijk de cheirosifon en de strepton. Vaak is de interpretatie van de gebruikte termen dubbelzinning. Praecepta militaria. In de bronnen vinden we vanaf die periode twee nieuwe types terug. Jammer genoeg is de tekening te schematisch en te onduidelijk om te kunnen Zie bijv. Arabische teksten die vooruitgang mogelijk maakt. Christides zich intensief mee bezig houdt. V. een werk waar vooral V. 8. CHRISTIDES.50 klaarheid kan brengen. zodat wij met deze visie niet akkoord kunnen gaan 192 . de draaibare buis. 150-155. 53. Daarop is een soldaat op een houten aanvalsbrug te zien die een vesting bestookt met een klein toestel in zijn hand dat vuur spuwt. vaak nog ongepubliceerde. en de andere maal slechts een onderdeel ervan aanduidden 193 . is de archeologische ontdekking van een Byzantijns oorlogsschip met een sifon aan boord. maar in enkele tactische geschriften lijkt het toch om twee verschillende zaken te gaan. Er blijkt grote verwarring te bestaan bij de geleerden over de precieze betekenis van deze twee termen. op. X. 191 .). 192 Zie bijvoorbeeld NICEPHORUS II PHOCAS. Dat kunnen we afleiden uit een afbeelding uit een manuscript van de Poliorcetica van Hero van Byzantium 194 . Over de strepton bestaat er nog het minste discussie: het gaat in elk geval om een kleine soort vlammenwerper. Sylloge tacticorum. cit. Hierover is er echter nog minder informatie terug te vinden dan wat de sifon betreft. wat niet verwonderlijk is aangezien de Byzantijnse terminologie niet eenduidig is. ANDERE TYPES Behalve de sifon zijn in de loop der tijden ook andere vormen ontstaan waardoor Grieks vuur kon gelanceerd worden. sifon en strepton zelf wel eens door elkaar haalden en met deze termen de ene keer het gehele instrument. New light on navigation and naval warfare in the eastern Mediterranean. 193 Zie bijvoorbeeld ANNA COMNENA. XI. Het is dus niet hetzelfde als het wapen dat hier nu besproken wordt. Momenteel is het vooral de studie van de talloze. Met strepton wordt hier hoogstwaarschijnlijk slechts een onderdeel van het mechanisme bedoeld. 2.. I. Op het einde van de 9de of tijdens het begin van de 10de eeuw ontwikkelden de Byzantijnen kleinere toestellen om het Griekse vuur ook tijdens belegeringen op het land te kunnen gebruiken en om dus niet beperkt te blijven tot zeeslagen. Het lijkt er sterk op dat de Byzantijnse schrijvers de woorden cheirosifon. 7-8. maar de kans daarop is klein. nl. Daarom stellen sommige moderne auteurs de twee wapens gelijk aan elkaar 191 . pp. B.

opdat. kai. . Opvallend is wel dat het vaak in één adem vernoemd wordt met de cheirosifons. LEO VI. strepta. diav te tän ceiromaggavnwn diav te toØ skeuastoØ kai. paraluvswsin aujtouvH. hjlakavtia triva kai. cit. oiJ ejcqroi. uJpofevrontaH rJuvmhn tavcion aujtou. p. 68. ka]n ÇswH kai.H mevntoi tou. ceirosivfouna. t−H mavchH prosbolh. dia. uJgro. 10. to.n ajpo. In de weinige teksten waar het wapen nog ter sprake komt.H ajkontivzousi. lusiteleà ta.H tè teivcei proestätaH ptohvsousin. zoals in de volgende tactische voorschriften 196 : deà de. een ‘strepton’ met vloeibaar vuur en een handsifon.n pevmponta dhlad− pØr. op. onze strijdkrachten door middel van de handmangels en van het geprepareerde en kleverige vuur de overhand zouden halen op de vijanden en hen uiteen zouden drijven. loc. Verder bezitten we geen enkele aanduiding die ons meer informatie kan verschaffen over de werking van de strepton. puro. 196 NICEPHORUS II PHOCAS. meta. HERON BYZANTIUS. in de eerste plaats bij belegeringen. ceiromavggana mikrav. drie ‘elakatia’. de gezichten van de vijanden met vuur bestoken. Deze kwestie blijft een groot vraagteken want de bijhorende tekst biedt weinig uitleg 195 : Eij dev tineH tän ejpi. wanneer de vijanden een gelijke en even sterke slagorde gebruiken. De aanvoerder van het leger moet ook kleine handmangels bezitten. tosoØton tou.H uJpekfeuvxesqai toØ tovpou. th.n toØ stratoØ e[cein kai. cit. strepto.H dia. o{ dh. ouJH oiJ taktikoi. t± oJmoiva/ kai.H mh.H ejpikratevsteroi givnwntai <aiJ paratavxeiH hJmän> tän uJpenantivwn kai.n toØ puro.n 194 195 Zie Fig. lamproØ kai. loc. kollhtikoØ puro. Ëna. Als sommigen van de soldaten die op de brug staan en. provswpon tän polemivwn dia. zullen ze degenen die de muur verdedigen zoveel angst inboezemen dat ze dadelijk van hun plaats zullen weggejaagd worden omdat ze de aanval van de strijdmacht en de kracht van het vuur niet kunnen weerstaan. is dat het waarschijnlijk enkel op het land ingezet werd.. blijft de auteur steeds heel vaag. lampro. streptän ejgceiridivwn purobovlwn kata. Het enige wat we eruit kunnen afleiden. Çsh/ paratavxei crhvsontai.n meta.. kulivndrwn toÃH teivcesi prosagomevnouH xulivnouH puvrgouH. w{ste th. mhcan−H to. kalouvmena ta. t−H diabavqraH eJstwvtwn kai. .n kai. movsunaH ojnomavzousi. cit. met strepta in de hand die vuur afschieten. Pro.n ajrchgo.51 zien hoe de man het apparaat juist bedient.

Het blijft dus nog steeds volop speculeren en het is weinig waarschijnlijk dat hierover nog veel verduidelijking komt 198 . Zenghelis zou het om een mechanisme gaan dat al in de buurt kwam van de moderne vuurwapens van de 15de eeuw. .. Volgens C. die tegen een oorlogswerktuig het vloeibare vuur lanceren. 150. De discussie gaat vooral over het feit of het een vlammenwerper was of een soort handgranaat. maar of hij nu werkelijk aan iets aan het draaien is. Op de tekening zien we dat de soldaat met zijn rechterhand een beweging lijkt te maken. maar dit kan zeker niet de enige verklaring geweest zijn. VIII. cit. In ieder geval moet het mechanisme hier van fundamenteel andere aard geweest zijn dan dat van de sifon op de schepen. Over hoe de strepton precies werkte. PÁSZTHORY. is onmogelijk uit te maken. C. Zoals gezegd maken sommigen geen onderscheid tussen de cheirosifon en de strepton. en niet een wapen dat projectielen afschiet zoals de oudste geweren. A. zijn de zogenaamde strepta voordelig. hebben slechts weinigen het gepoogd een aannemelijke verklaring te vinden. op. 2. Maar tegen de houten torens die op rollen naar de muren gebracht zijn. 129-130. 279-283. legovmena ceirosivfwna. op. pp. E. toÃH polloÃH ojnomavzetai. Zie p. betreft. waarvan de eerste voorbeelden pas van enkele eeuwen later dateren. Hoe men dan de vlammen over een redelijke afstand kon lanceren is ons echter niet duidelijk. en zij zijn daar dan ook niet echt in geslaagd. a{per nØn hJ basileiva hJmän ejpenovhse.. dat ook door de meesten ‘lampron’ genoemd wordt. Wat het andere nieuwe type. vertelt ons Ibn al-Atir 197 . Zie A. op. cit. Wel is het enigszins vreemd dat Leo VI in zijn Tactica enkel de cheirosifon ver197 198 IBN AL-ATIR. maar dit lijkt ten onrechte te zijn. maar het is niet duidelijk op welke manier dat in zijn werk zou gegaan zijn. 43. kai. Van dit vuurwapen is zelfs de aard niet zeker. zoals men onmiddellijk begrijpt als men de afbeelding ziet. Mogelijk bevatte de vloeistof hier ook een explosieve component zoals salpeter. 31. ta. die de tactici ‘mosynes’ noemen. II. cit. maar dit lijkt ons zeer onwaarschijnlijk. is er zelfs nog meer polemiek dan over de strepton. de cheirosifon. Het woord strepton (afgeleid van het werkwoord strevfomai) suggereert een toestel met een draai. ZENGHELIS. VASILIEV. Dat het in elk geval een geducht wapen was. en de zogenaamde handsifons. die ons regering nu uitgevonden heeft. p. Hier is totaal geen sprake van een voorverwarmingssysteem.of pompmechanisme om druk te zetten op het mengsel. p..52 para. Op de tekening is toch een vlammenwerper te zien.

pp. Zij benadrukken vooral dat het wapen ‘hand-sifon’ genoemd wordt en in de handen van de soldaten vastgehouden wordt. Als belangrijkste argument haalt hij de diversiteit aan betekenissen van het woord sifon aan. cit. Pas heel recent is de oude theorie dat het om een vorm van handgranaten ging opnieuw in de belangstelling gekomen. J. maar toch wat geforceerd over komt.. Naumachica. tän proswvpwn tän polemivwn. de soldaten) zullen ook de sifons met het geprepareerde vuur in de gezichten van de vijanden werpen. XIX. HALDON. Volgens hen zou dit dus logischerwijs een kleine versie van de scheepssifon en dus een vlammenwerper moeten zijn. kai. t−H hJmän basileivaH a[rti kateskeuasmevna. R. vermeldt. maar in dat deel van zijn werk spreekt hij wel enkel over oorlogvoering op zee. p. DAIN. in A. Waarom hij dat wapen enkel in zijn kleinere werk. De tekst luidt als volgt 199 : Crhvsasqai de. 19. M. n. a{per ceirosivfwna levgetai para.53 meldt. J. § 60. 32. p. ceiro.r kai. 202 J. ceiro. 84. blijft in elk geval zeer eigenaardig. Op het eerste zicht zou men denken dat het hier om projectielen gaat die in de gezichten geworpen werden van de vijanden. Ook moet de andere methode gebruikt worden van kleine sifons die met de hand geworpen worden vanachter de ijzeren schilden en die door de soldaten vastgehouden worden.. Want zij (scil. JRivyousi ga. Haldon 202 .H kata. 57. BYRNE. de Sylloge Tactirorum. maar de meeste moderne auteurs bestrijden deze visie en menen dat het om een soort vlammenwerpers ging 200 . In de Tactica van Nicephorus Uranus komt een gelijkaardige passage voor. Ze worden ‘handsifons’ genoemd en zijn onlangs tijdens onze regering gefabriceerd. cit. cit.H ballomevnwn mikrän sifwvnwn o[pisqen tän sidhrän skoutarivwn para. 278-280. in de eerste plaats door J. 201 NICEPHORUS URANUS. dia. t± a[llh/ meqovdw/ tän dia. p. PARTINGTON.H ballomevnwn mikrän sifwvnwn vertalen zij dan als ‘kleine sifons die met de hand bediend worden’.. Van een strepton lijkt enkel sprake te zijn op het land.. op. E. HALDON. op. 97. . Tactica. ongetwijfeld overgenomen van Leo VI. toØ ejskeuasmevnou puro. op. aujta. en deze versie maakt de laatste visie er zelfs iets waarschijnlijker op. een interpretatie die ons niet onmogelijk. Volgens hem kan met de kleine handsifon evengoed een aardewerken kruik bedoeld worden en is dit niet in contra199 200 LEO VI. PÁSZTHORY. tän stratiwtän kratoumevnwn. al sluit deze beschrijving geenszins uit dat het om een geworpen projectiel gaat 201 . op. cit. Theory and practice in 10th century military administration. 15. p. F.

Historia. Hoe die handgranaten er dan zouden uitgezien hebben. 206 NICETAS CHONIATES. p. maar misschien kan een eigenaardig flesachtig voorwerp ons een idee geven 204 . de. werden ook oorlogsschepen met dergelijke toestellen uitgerust. r. een oplossing voor dit probleem zal zeker niet snel gevonden worden gezien de schaarse gegevens die het bronnenmateriaal ons verschaft. aangezien kleipotten met brandbare substanties al sinds lange tijd gebruikt werden. MASTOROPOULOS over het woord sifon. 189. Wanneer deze stukslaan. ploÃa tän polemivwn. Na het neerslaan van de opstand van generaal en tegenkeizer Alexios Branas in 1187.n 203 Hij baseert zich hiervoor op een recente filologische studie van G. th. 30-36. 205 LEO VI. ƒWn suntribomevnwn ejmprhsqhvsesqai rJa/divwH ta. nam keizer Isaac Angelus op de volgende manier wraak op zijn tegenstanders 206 : Kai. S.n me. lavbron ejmpeso. niet volledig nieuw type waren grote kruiken die gevuld waren met nafta en die met allerlei machines naar de vijand geslingerd werden. leert ons Nicetas Choniates. 11. puro. Voor zover wij weten was er voordien enkel sprake van vrij grote projectielen die met machines afgeschoten werden. kata. zoals Leo VI ons aangeeft 205 : JHmeÃH de. XIX. to. . ejxavlmata. kaq jh}n BranH kathgwvnisto. keleuvomen kai.H ejskeuasmevnou plhvreiH ajkontivzesqai kai. 204 Zie Fig.n uJpodeicqeÃsan mevqodon t−H aujtän skeuasivaH. 56. Dat het ook daadwerkelijk heel lange tijd in de praktijk gebruikt werd. Hoe het ook zij. uJgro. op. o{ ejpi. Ook bevelen wij dat ook kruiken moeten weggeslingerd worden vol met geprepareerd vuur volgens de aangetoonde manier van bereiding.54 dictie met de betekenis van sifon als een grote vlammenwerper in de boeg van een schip 203 . kai. toÃH stevgousin ejfupnoØn skeuvesi. 391.n pØr. pimpr/ kaq jôn diekpÃpton ajfivetai. Alhoewel de Byzantijnen deze vooral gebruikten bij belegeringen te land. cit. th.n t−H hJmevraH ejkeivnhH diavdocon nuvkta. is ons ook niet meteen duidelijk. tän ajstrapän ejxaivfnhH proveisi ta. cuvtraH kata. ejnivetai taÃH oijkivaiH tän dusthvnwn Propontivwn to. zullen de schepen van de vijanden gemakkelijk in brand gestoken worden. De vraag is dan wel wat het vernieuwende element was. Misschien ligt dit hier in het feit dat ze met de hand geworpen werden. Een derde. Zie n..

Omdat deze voorwerpen ook nog eens in een opslagplaats dicht bij de stadsmuur teruggevonden zijn. . Zie hoofdstuk III. werd. 10-12. Tijdens de nacht die volgde op die dag waarop Branas verslagen werd. Nog nooit zijn dergelijke kruiken gevonden en zowel in huishoudelijke als in industriële context is niets gelijkaardigs bekend. werd vloeibaar vuur afgeschoten op de huizen van de ongelukkige bewoners van de Propontis. Daartussen bevindt zich een lege ruimte die niet in contact staat met de kleine openingen bovenaan en waarin dus niets kan gegoten worden. ei[te semneÃon iJerovn. maar wel de moslims die ons hierover gedetailleerde informatie geven. wat het object nog mysterieuzer maakt. en in latere periodes werd waarschijnlijk salpeter toegevoegd. In een destructielaag die dateert uit 838. ei[te tevmenoH toØto a{gion μn. Opnieuw zijn het niet de Byzantijnen. Met dank aan Prof. 209 Zie Fig.55 toÃH drufavktoiH ejpurpovlhsen a{pan oijkodovmhma. of een heilig klooster. zijn eigenaardige. Deze vorm van vuurwapens was al veel langer bekend. denken de archeo207 208 Zie pp. verwoestte alle gebouwen met vuur. Zoals op de foto te zien is. toen de Arabieren erin slaagden dit Byzantijnse bolwerk te veroveren. bestaan deze voorwerpen uit twee delen: een kegelvormig binnenste dat diende om een vloeibare substantie in te gieten en een bolvormige wand. De Byzantijnen gaven eerder de voorkeur aan de sifon. Haldon om ons van deze ontdekking op de hoogte te brengen en ons hierover meer informatie te verschaffen. Zo werden gemakkelijker ontvlambare en beter brandbare mengsels gebruikt. 2. Vooral deze laatsten waren experts in het lanceren van deze aardewerken ‘granaten’ en gebruikten het met succes tijdens de kruistochten 208 . Recentelijk is bij de archeologische opgravingen van de stad Amorium een interessante ontdekking gedaan die nieuw licht kan werpen op de hele kwestie van ‘granaten’ die bij belegeringen gebruikt werden. J. Een dergelijke constructie is ideaal om datgene te isoleren dat in het binnenste element zit en heeft eigenlijk de effecten van een thermos. 12. een wapen dat zij veel beter beheersten. Op de pot staan maar liefst acht oren. of een private woning. nog nooit eerder geziene aardewerken kruiken ontdekt 209 . Het gretige vuur dat neerstortte op de houten balken. zoals geraffineerde petroleum in plaats van pek. A. ten laatste vanaf de 6de eeuw 207 . Dat sliep in gesloten vaten en zou plotseling als bliksemschichten naar voren schieten en zou alles verbranden naar waar het geslingerd werd en waarover het uitgespreid werd. ei[te oi[khma ijdiwtikovn. maar werd steeds verder geperfectioneerd. of het nu een heiligdom was.

th'" peuvkh" kai. ANNA COMNENA.56 logen dat ze een militaire functie hadden en dat het waarschijnlijk ‘granaten’ met Grieks vuur waren. III. w{sper prhsth. tou' paivzonto" lavbrw/ kai. Tou'to meta. tav" te geneiavda" aujtän katevflexan kai. en ze verbrandden hun baarden en gezichten. ta. Dat vuur werd door hen volgens zulke recepten klaargemaakt. maar dat lijkt weinig uitstaans te hebben met de hierboven besproken types. kecrhmevnoi oiJ ta[ndon tou' Durracivou katevconte". provswpa. Van de pijnboom en andere dergelijke bomen die altijd groen blijven. werden de kruiken normaal gezien maar gevuld kort voordat ze opgewarmd en gelanceerd werden. Wanneer die met zwavel fijngemalen is. maar het is helemaal niet zeker dat dat resultaten zal opleveren. Touvtw/ tw'/ puri. wordt licht ontvlambare hars verzameld. ejmfusa'tai para. jApo. en daarna een beschrijving van de manier waarop het het mengsel afgevuurd wordt 211 : Tou'to de. XIII. pu'r ajpo. kai. Wat hier beschreven wordt. Het schijnt hier te gaan om een soort blaaspijp die slechts op een korte afstand kon gebruikt worden. Dat vuur gebruikten degenen die het centrum van Dyrrachium bezet hielden toen ze zich frontaal tegenover de vijanden bevonden. Tenslotte vinden we bij Anna Comnena nog een ander soort vuurwapen terug.r ejmpivptei tai'" ajntiprovswpon o[yesi. a[llwn tinw'n toiouvtwn devndrwn ajeiqalw'n sunavgetai davkruon eu[kauston. lijkt vrij veel te verschillen van de eerder besproken types. Eerst geeft ze een formule die onvolledig is.. to. ejpeivper ajntiprovswpoi h\san toi'" polemivoi". Dit is een plausibile verklaring voor deze ongewone voorwerpen die echter moeilijk te bewijzen is. . zoals we eerder al gezegd hebben 210 . ofwel met de hand of met een katapult. ejxavptetai kai. en nog niet wanneer ze in de opslagplaatsen bewaard werden. 27. Momenteel worden er nog chemische analyses uitgevoerd. op. cit. vervolgens opgewarmd en daarna weggeslingerd naar de Arabieren. toiouvtwn mhcanhmavtwn aujtoi'" dieskeuvasto. Volgens hen werden deze kruiken gevuld met een mengsel op basis van aardolie. wordt het in rieten buisjes gepropt en krachtig weggeblazen door degene die het bespeelt met een krachtige en aanhoudende ademstoot. qeivou tribovmenon ejmbavlletaiv te eij" aujlivskou" kalavmwn kai. sunecei' pneuvmati. En wanneer het zo in contact gebracht wordt met het vuur aan het uiteinde. Vooral uit het volgende frag210 211 Zie p. wordt het ook aangestoken en als een bliksemschicht valt het neer op de gezichten van degenen die recht tegenover hen staan. ka\/qæ ou{tw" oJmilei' tw'/ pro. Als de hypothese van de archeologen juist is. 6." a[kran puri.

maakte dat de houten toren slechts oppervlakkig geraakt werkt. in de vorm van fakkels en vlammen gebracht. Maar zowel het besluit als de handeling bleken niet (voldoende) voor de volledige vernietiging van het oorlogstuig. ajnagagovnte" oiJ ajmfi." to.n jAlevxion stratiw'tai to. Het wapen dat hier beschreven wordt.r e[melle to. Want het vuur dat van daar naar ginder gelanceerd werd. Toen brachten de soldaten van Alexios het vochtige vuur naar boven op het bovenste platform van de houten toren zonder reling om de tegenoverliggende houten toren te bestoken. jAlla.n uJpotufovmenon ka\/qæ ou{tw" braceiva" ajnapnoh'" ejpidraxavmenon. dat een korte tijd smeulde.n ejkei'no kai. jAllæ ejdovkei kai. potamou.n metaxu. kai." kenoumevnou: touvtoi" ejpenhvnekto pu'r. to." panwleqrivan tou' mhcanhvmato": ajkroqigw'" ga. ta. a{pan ajnh'ye to. ejnteu'qen ejkei'se pempovmenon tou' movsuno" a{ptesqai. 212 EAD.57 ment blijkt dat het wapen een heel stuk minder efficiënt was dan de kleine vlammenwerpers zoals beschreven door Ibn al-Atir 212 : jEntau'qa dh. o} kata. tou' th'" povlew" puvrgou eujkataprhvstou pantoiva" u{lh" kai. ejlaivou pollou' kata. hJ boulh." tou' uJgrou' prhsthvrwn. 11. e[peita eij" perifanh' flovga diarqe. vervolgens aangewakkerd werd met een korte windstoot en daarna tot een aanzienlijke vlam opgelaaid werd. daloi. tou' puro. e[nugron pu'r peri. XIII. terwijl het verschrikkelijk lawaai en een vreeswekkend schouwspel veroorzaakte voor de toeschouwers. Daaraan werd vuur. lijkt allesbehalve efficiënt te zijn en wordt op een nogal ongewone manier gelanceerd (namelijk door een blaaspijp). Maar wat moesten ze bedenken? Ze vulden de plaats tussen de houten toren en die van de stad op met allerlei goed brandbare materialen en met olie die in grote hoeveelheid in stromen uitgegoten werd. ajkrovstega tou' ajnepifravktou xulopuvrgou e[mellon ejxakontivzein pro. flovge". stak het heel dat schrikwekkende en uit zeer veel materiaal bestaande gevaarte in brand. tw'n ajpo. sunepilambanomevnwn kai. kai. pra'gma ouj pro. to. . op. frikto. poluulovtaton mhcavnhma ejmpoiou'n h\con kai. Toen ook de bliksemschichten van het vloeibare vuur kwamen helpen. tiv mhcanw'ntai… Plhrou'si to. mikro.n. Daarom lijkt het ons dan ook eerder ongepast om hier nog van Grieks vuur te spreken. III.n ajntivqeton movsuna.. pu'r to. cit..n qevan tai'" o[yesin. fobera. tovpon tou' te xulivnou kai.

patevrwn kai. De schaarse keren dat de auteurs iets in verband met dit wapen vrijgeven. touvtou para. aJgivw/ Kwnstantivnw/ ejfanerwvqh kai. i{na ejn movnoi" toi'" Cristianoi'" kai. Paraggeliva" de. oiJondhvpote parapevmphtai. HOE GEHEIM WAS HET GRIEKSE VUUR? 1. eij" aijw'na" aijwvnwn ajnaqemativzhtai kai. ajpo. Daardoor moet men allerlei andere bronnen bestuderen om een idee te krijgen over de samenstelling en lanceerwijze van de sifon." ejggrafh'nai pepoivhken." ojnomavzetai. peri. wJ" para." eij" e{teron e[qno" dou'nai tolmhvsa" mhvte Cristiano. th'/ uJpæ aujtw'n basileuomevnh/ povlei kataskeuavzhtai. wJ" ei[per pote. ajllacou' de. ”Oqen kai. kai. peri. tauvth" ejkbavlhtai kai. Waar komt deze mythe vandaan en zijn de Byzantijnen er werkelijk in geslaagd het in hun graf mee te nemen. ajpopevmpesqai rJhvmasin. tou' ãQeou'Ã diæ ajggevlou tw'/ megavlw/ kai. tou' uJgrou' purov". e[cwn tuvch/. 213 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. pavppwn pistwqevnte" plhroforouvmeqa. kaqw. tou' dia. Dit hoeft ons helemaal niet te verwonderen aangezien keizer Constantinus VII Porphyrogenitus (913-959) de volgende instructies gaf aan zijn zoon 213 : JWsauvtw" crhv se kai. De administrando imperio. mhvte ajxiva" tino." e[cei" ajpokrouvesqai kai. i{na oJ ejk tou' toiouvtou puro. ejdidavcqh. toi'" metæ aujto. Overduidelijk is gebleken hoe moeilijk het is om informatie te halen uit hun geschriften." ejxasfalizovmeno" peri. mhvte eij" e{teron e[qno" to.n oJ mevga" ou|to" basileu. tolmhvswsiv tine" kai.58 III. paradeigmativzhtai. o{ti: ÆKai. megavla" kai. ejpizhth'sai. mhdamw'". prwvtw/ basilei' Cristianw'/. tou' aujtou' ajggevlou ejdevxato. toiouv-toi" aujtou. touvtou ejn th'/ aJgiva/ trapevzh/ th'" tou' Qeou' ejkklh-siva" ajra. zoals velen tot op de dag vandaag denken? Het valt zeker niet te ontkennen dat de Byzantijnen er alles voor deden om het Griekse vuur met een sluier van geheimzinnigheid te omhullen. 73-103. mhvte didavskhtai. 13. aujto. Tevergeefs zouden andere volkeren geprobeerd hebben om het te achterhalen en ook daarom worden we nu nog altijd geconfronteerd met grote problemen om te weten te komen wat voor wapen het Griekse vuur nu eigenlijk was. tän sifwvnwn ejkferomevnou merimna'n te kai. wordt alles zeer algemeen gehouden. paræ hJmw'n pollavki" ejzhvthsan. r." h] ajrch'" ajxiou'tai: ajllæ ei[ tina kai. ajpo. meleta'n. ." kai. De Byzantijnse overlevering In de populaire literatuur vindt men vaak terug dat het geheim van het Griekse vuur verloren gegaan is bij de verovering van Constantinopel in 1204 en dat niemand anders het kende. aujto.

trovmo" ejn tai'" aJpavntwn ejnetevqh yucai'". zodat. zou hij daarom verwijderd worden en zou hij voor eeuwig en altijd vervloekt worden en als voorbeeld gesteld worden. tina. maar nergens anders. Maar als hij toevallig zoiets zou bezitten. mh. of om een patriarch. En hij spoorde iedereen aan die ijver en vrees voor God bezit om na te streven dat degene die zoiets probeert te doen. Sunevbh dev pote.n parabaivnein peirwvmeno". cwvran euJriskouvsh". zoals wij verzekerd zijn door de geloofwaardige getuigenis van onze vaders en voorvaders.n toiauvthn ejntolh. ajpo. als gemeenschappelijke vijand en als overtreder van zo’n groot bevel uit de weg geruimd zou worden en tot een zeer verschrikkelijke en pijnlijke dood veroordeeld zou worden. th'" kakiva" ajei.n paravbasin. fovbon Qeou' e[conta". Omdat God niet kon verdragen dat de overtreding ongestraft zou blijven. Kai. mhvti ge kai. aandacht schenken en er zorg voor dragen. als ooit sommigen het zouden aandurven ook dat te verlangen. ei[te ti" a[llo" oJ oiJosou'n a[nqrwpo". namelijk dat het alleen bij christenen en in de door hen regeerde stad vervaardigd mag worden. daalde er vuur neer uit de hemel toen hij op het punt stond . ou[te oJ oiJosou'n o{lw" a[nqrwpo" katetovlmhsev ti toiouton ejnqumhqh'nai.n ejn th'/ aJgiva/ tou' Qeou' eijsievnai ejkklhsiva/ pu'r ejk tou' oujranou' katelqo. die iets van dat vuur durft te geven aan een ander volk. Kai. ou[te basileuv". en dat het niet naar gelijk welk ander volk gestuurd mag worden.n tou'ton katevfage kai.Ã calepw'/ parapevmpesqai qanavtw/. ou[te a[rcwn. geen christen zou genoemd worden en niet waardig zou geacht worden voor gelijk welke rang of ambt. zoals ze al vaak geprobeerd hebben ook in onze tijd. of om gelijk welke andere mens.Æ Zo moet je ook aan het vloeibare vuur. kai. proetrevyato pavnta" tou.n ejcqro. tovte fovbo" mevga" kai. moet je hen afwijzen en wegzenden met woorden zoals deze: “Ook dit is geopenbaard en aangeleerd door God door middel van een engel aan de grote en eerste christelijke keizer. tw'n hJmetevrwn strathgw'n dw'ra parav tinwn ejqnikw'n pavmpolla eijlhfovta metadou'nai aujtoi'" ejk tou' toiouvtou purov". ajnecomevnou tou' Qeou' ajnekdivkhton katalipei'n th. ei[te patriavrch"." zh'lon kai. En ook daarover ontving hij belangrijke instructies van dezelfde engel. parabavthn th'" megavlh" tauvth" ejntolh'". noch aangeleerd.n kai. iets van dit vuur met hen meegegeven had. dat door buizen gelanceerd wordt.59 ei[te basileuv". die toevallig zo’n bevel zou proberen te overtreden. Om het ook voor degenen na hem te verzekeren. die van sommige volkeren zeer vele geschenken ontvangen had. ejn tw'/ mevllein aujto. ejcqivstw/ ãkai. ei[te a[rcwn. to. ajnavlwsen. kai. Eens is het gebeurd – want het kwaad vindt altijd een plaats – dat iemand van onze generaals." tou' loipou'. oujkevti oujdei. heeft deze grote keizer om die reden vervloekingen doen graveren in het heilig altaar van de kerk van God. of het nu gaat om een keizer. e[rgw/ ejpiceirh'sai poih'sai h] diapravxasqai. wJ" koino. ou[te strathgov". opdat diegene. ei[te ajrcovmeno" tugcavnoi oJ th. zowel heerser als overheerste. kai.n toiou'ton ejpiceirou'nta poiei'n ajnairei'n spoudavzein. ou[te ijdiwvth". de heilige Constantijn.

60
de heilige kerk van God binnen te treden, en het verteerde en vernietigde hem. En daarna drong een grote vrees en angst binnen in de harten van iedereen en sindsdien heeft nooit meer iemand, noch een keizer, noch een gezagsdrager, noch een privé-persoon, noch een generaal, noch gelijk welke andere mens het aangedurfd iets dergelijks te denken, laat staan om het in de praktijk proberen om te zetten of uit te voeren. Uit deze tekst blijkt dus overduidelijk dat de Byzantijnse keizers het Griekse vuur als ‘top secret’ beschouwden. Wat dit geheim inhield, is al uitvoerig besproken, maar de conclusie dat het ging om een heel wapensysteem, en niet zomaar om een verborgen gehouden formule, werpt een andere en belangrijke vraag op: hoe werd dit staatsgeheim overgeleverd? Aangezien het ging om een combinatie van recept, oorlogsschip, sifon, verwarmingstoestel en goed opgeleide bedieners, was het lastiger voor de vijanden om het raadsel te achterhalen, maar het bemoeilijkte anderzijds voor de Byzantijnen het overleveren ervan. Wellicht ligt het aan de complexiteit van dit systeem dat hun tegenstanders, in de eerste plaats de Arabieren, er nooit echt zijn in geslaagd om identiek hetzelfde Griekse vuur te kunnen reproduceren 214 . Daardoor kon men ervoor zorgen dat zelfs bij de ontdekking van een van de factoren in het systeem, de opponenten toch niet het geheel konden achterhalen. Zo is het mogelijk te verklaren waarom bijvoorbeeld de Bulgaren de vangst die ze deden in 814 niet konden uitbuiten 215 . In zeegevechten kwam het zeker ook voor dat schepen met sifons aan boord in handen van de moslims vielen, zoals Ibn al-Atir getuigt 216 . Aan de basis van een veilige overlevering van het Griekse vuur lag dus ongetwijfeld de compartimentering van de verschillende elementen, een efficiente methode die al dikwijls in de loop van de geschiedenis toegepast is. Door er namelijk voor te zorgen dat vakspecialisten elk hun eigen taak goed beheersten, maar niet het gehele systeem kenden, kon men het risico op ontdekking van het hele geheim gevoelig verminderen. De chemici die het mengsel maakten, hadden niets te maken met de scheepsbouwers, de ambachtslui die de verschillende delen van het lanceersysteem vervaardigden, of met de soldaten die opgeleid werden voor de bediening 217 . Die compartimentering brengt ons bij een veel belangrijker en moeilijker op te lossen probleem: wie kende het hele systeem? Dit was natuurlijk nood214

Deze stelling is betwistbaar aangezien de Arabische bronnen nog volop onderzocht moeten worden, maar lijkt zeker nog valabel voor de eerste eeuwen na de uitvinding van het Griekse vuur (tot de 11de eeuw). Deze problematiek zal verder besproken worden op in hoofdstuk III, 2, 2. 215 Zie p. 26. 216 IBN AL-ATIR, Al-Kamil fi’l Tarih, VI, 399. Zie V. CHRISTIDES, op. cit., p. 25. 217 A. ROLAND, Greek fire and the defense of Byzantium, 678-1204, pp. 662-664.

61
zakelijk, want iemand moest toch het totale productieproces coördineren. De tekst van Constantinus VII lijkt te insueren dat de keizer zelf een van die ingewijden was. In de traditie wordt verteld dat ook één familie, Lampros genaamd, weet had van het geheim en meehielp aan de productie van het Griekse vuur 218 . A. Roland is tot nu toe de enige die deze twee mogelijke doorgeefkanalen onder de loep genomen heeft en hij heeft vastgesteld dat zelfs al bij een niet te diepgaande studie enkele onoverkomelijke problemen opduiken die ons doen afvragen hoe het eigenlijk mogelijk was om eeuwenlang, tussen 678 en 1204, dit wapensysteem over te leveren zonder dat het verloren ging. De eerste mogelijkheid is dus dat de keizers de schakel in het systeem waren en het geheim doorgaven aan hun opvolgers, zoals Constantinus VII Porphyrogenitus lijkt te doen aan zijn zoon in het vermelde tekstfragment. Alhoewel de Byzantijnse vorsten steeds poogden een dynastie te stichten en de troon door te geven aan hun erfgenamen, bleek dit in de realiteit eerder uitzondering dan regel. Slechts een minderheid van hen stierf op een vreedzame manier en kon zijn uitverkoren opvolger daadwerkelijk op de troon brengen. Van de 88 keizers stierven er zeker 29 een gewelddadige dood en werden er 13 door tegenstanders verjaagd. Daarnaast werd een aanzienlijk aantal keizers, die een natuurlijke dood stierven, niet opgevolgd door degenen die zij wensten of zij hadden gewoon geen plaatsvervanger aangeduid. Dit gebrek aan continuïteit in de successie ondermijnt dus in zeer sterke mate de hypothese als zou het geheim van keizer op keizer overgeleverd zijn. Het is ondenkbaar dat een heerser dat zou doorgegeven hebben aan een tegenkeizer of usurpator. Toch is het zeer waarschijnlijk dat zij kennis hadden van het geheim, aangezien het in de eerste plaats de keizerlijke vloot te Constantinopel was die uitgerust was met het Griekse vuur en de vorst aan het hoofd stond van het leger. Waarschijnlijk werd een keizer die de troon officieel bestegen had, hierover ingelicht door anderen die het geheim bewaarden 219 . Dat zou dan eerder aansturen op de tweede mogelijkheid, maar ook die blijkt niet bevredigend te zijn. Lampros schijnt niet behoord te hebben tot de lijst van vooraanstaande families die nauwe contacten met de keizer onderhielden. Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat een familie vijf eeuwen lang onafgebroken in een sterke en belangrijke machtspositie kon blijven. Tijdens de vele tumultueuze troonsopvolgingen schakelden usurpators vaak belangrijke medestanders van de vorige keizer uit en hadden
218 219

GEORGIUS CEDRENUS, op. cit., p. 765. Zie p. 22. A. ROLAND, op. cit., pp. 666-667.

62
het daarbij vooral gemunt op de families die nauwe contacten met het hof onderhielden. De kans dat de Lamprosverwanten al deze machtswissels ongeschonden konden overleven, is miniem. Van de ons bekende families is er daar geen enkele in geslaagd. Daarnaast mogen we niet vergeten dat behalve Cedrenus geen enkele andere auteur deze traditie vermeldt. Tenslotte valt het ook op dat ‘lampros’ eigenlijk niets anders betekent dan ‘schitterend’ en soms gebruikt wordt als synoniem voor ‘vloeibaar vuur’ 220 . Ons lijkt het dus zeer waarschijnlijk dat het verhaal van de familie Lampros niet op waarheid gestoeld is en slechts legendarisch is 221 . We moeten dus zoeken naar een andere mogelijkheid om het Griekse vuur over te leveren. Die zou in theorie kunnen gevonden worden in een speciale ambtenaar of militair die op een meer onafhankelijke manier kon opereren en vrij gemakkelijk politieke strubbelingen kon overleven. Bij een onverwachte of gewelddadige overname van de troon kon hij dan de nieuwe keizer informeren. Deze optie klinkt aantrekkelijk, maar ook hier formuleert A. Roland enkele bezwaren, al zijn die niet zo sterk als bij de vorige twee. Probleem is dat we op het gebied van de Byzantijnse administratie en bureaucratie over onvolledige gegevens beschikken zodat het onmogelijk is om definitieve conclusies te trekken. Ten eerste is er geen enkele functie die een periode van 500 jaar overleefd heeft en die iets te maken kan gehad hebben met het Griekse vuur. Ambten die daar wel voor in aanmerking kwamen, zouden ofwel te ver van de keizer gestaan hebben, of snel hun macht verloren hebben. Meermaals werd de magister officiorum naar voren geschoven als mogelijke sleutelpersoon, maar die functie heeft vanaf het einde van de 8ste eeuw snel aan macht moeten inboeten, vooral wat de controle op de arsenalen betreft. Een ander tegenargument van A. Roland is het feit dat ook de ambtenaren die in de hoogste regionen vertoefden en dicht bij de keizer stonden, niet zelden het slachtoffer werden van paleisintriges en zuiveringsacties bij onregelmatige troonswissels 222 . Volgens hem zijn er dus geen duidelijke aanwijzingen voor hoe het geheim uiteindelijk doorgegeven werd van generatie op generatie. Om die reden gelooft hij ook dat het wapensysteem van het echte Griekse vuur al lang verloren gegaan was voor de val van Constantinopel in 1204, mogelijk zelfs al in de 10de eeuw. Het vuurwapen waarnaar vooral Leo VI en Constantinus VII Porphyrogenitus verwijzen, was volgens A. Roland maar een zwakkere versie meer van de uitvinding van Callinicus. Chemici, ambachtslui en soldaten zouden wel delen van het systeem bewaard en overgeleverd
220 221

NICEPHORUS II PHOCAS, op. cit., I, 150-155; LEO VI, Sylloge tacticorum, 53, 8. A. ROLAND, op. cit., pp. 668-669. 222 ID., op. cit., pp. 669-670.

Het bekendste voorbeeld is wellicht de overwinning op de Russische vloot in 941. en het lijkt ons te sterk om het hele verhaal van keizer Constantijn over de geheimhouding als een fabeltje af te doen. 678-679. waren er toch altijd mensen die hierover de leiding hadden en zorgden voor de bewapening.63 hebben. bij de inname van Constantinopel door de kruisvaarders in 1204. Inderdaad is het moeilijk om te zien hoe het geheim van generatie op generatie overgeleverd kon worden. Hierbij denken wij vooral aan de drungarios. haven of arsenalen deze sleutelrol gespeeld hebben. Een veranderende titulatuur of het verdwijnen van een functie betekende natuurlijk niet automatisch dat de rol van bewaarder(s) van het geheim ophield te bestaan. pp. de bevelhebber van de keizerlijke vloot en zijn entourage. Ongetwijfeld komt deze tekst wat fantastisch en overdreven over. 2. maar nog steeds effectief en geducht was. Islamitische vuurwapens Volgens de traditionele visie is het geheim van het Griekse vuur verloren gegaan bij de val van het Byzantijnse rijk. Bij een grondige studie van de bron223 ID. Wij hebben toch de indruk dat het vuurwapen waarvan sprake is in de 10de eeuw niet zomaar een verwaterde versie is van het origineel. maar het wapensysteem op zich bestond waarschijnlijk nog altijd. maar hier kan nog veel onderzoek gebeuren. Volgens ons kan het dan ook bijna niet anders dan dat degenen die hier een belangrijke functie bekleedden ook instonden voor de uitrusting van de schepen met sifons en het overleveren van de principes ervan. op. al is het onmogelijk om harde bewijzen op tafel te leggen om dit tegen te spreken. Vooral de derde visie lijkt ons toch niet onwaarschijnlijk. Het blijft volgens ons goed mogelijk dat de bestuurders van de marine. of. Met deze visie hebben wij het moeilijk.. cit. In die periode leek dit wapen nog steeds sterk in de belangstelling te staan gezien de vele vermeldingen ervan. Geen enkel ander volk zou er ooit achter gekomen zijn of zelfs maar een vuurwapen ontwikkeld hebben dat in de buurt kwam. maar het overkoepelende sleutelelement zou al vrij snel verloren gegaan zijn in de woelige strubbelingen van de 8ste en 9de eeuw 223 . waarschijnlijker. en waren elementen van het raadsel al bekend geraakt bij de tegenstanders. . Aangezien er steeds een leger en een vloot bestonden (die laatste tot 1204). Grondiger studie kan in de toekomst hier misschien meer duidelijkheid over brengen..

beschikken we daarvóór niet over uitgebreide militaire lectuur en moeten we ons vooral behelpen met aanwijzingen in historische geschriften. Zij deden echter helemaal niet zo geheimzinnig als de Byzantijnen.n pØr of ejskeuasmevnon pØr. zeker als er sprake is van . maar later nam het de specifieke betekenis van ‘Grieks vuur’ aan en werd het het Arabische equivalent voor uJgro. Hierbij moeten we in de eerste plaats zoeken naar het woord naft. vooral op het gebied van militaire traktaten. Terwijl de Byzantijnen vooral gebruik maakten van sifons in schepen. Talrijke Arabische teksten wijzen op het tegendeel en nu valt het niet meer te ontkennen dat ook de moslims beschikten over een hoogstaande kennis van vuurwapens. de sifon. vanaf de kruistochten. kenden. maar momenteel is men volop bezig met een grondige studie van het Arabische bronnenmateriaal dat dikwijls nog onuitgegeven is. In tegenstelling tot de late periode. maar omdat er nog altijd een groot aantal onuitgegeven manuscripten bestaat. Oorspronkelijk betekende dit gewoon aardolie. Eén nieuw geschrift kan een volledig ander licht werpen op deze materie en de huidige interpretatie tegenspreken. moeten onze conclusies met enig voorbehoud genomen worden. Gelukkig hebben enkele geleerden op dit vlak al fundamenteel onderzoek geleverd. van latere datum zijn (ten vroegste 12de eeuw). en daarom vinden wij dan ook veel meer informatie in hun geschriften terug. moet men eigenlijk heel de Arabische literatuur doornemen vanaf het einde van de 7de tot in de 15de eeuw. Toch is het twijfelachtig of dit woord in het begin altijd deze specifieke betekenis had. Vooral de laatste vraag blijft nog moeilijk te beoordelen. Wij willen dus in de eerste plaats onderzoeken wanneer precies de Arabieren tot de ontwikkeling kwamen van vuurwapens op basis van nafta en of ze al dan niet het Byzantijnse Griekse vuur. Om te weten te komen in welke mate en wanneer de Arabieren vormen van Grieks vuur zelf begonnen toe te passen. Bovendien gebruikten beide volkeren niet zomaar dezelfde types vuurwapens. Toch zijn daarom de problemen niet van de baan. die wij al herhaaldelijk gebruikt hebben om de karige Byzantijnse gegevens aan te vullen. integendeel. Dit ligt vooral aan het feit dat de Arabische tactische en militaire geschriften die uitgebreid over vuurwapens handelen.64 nen blijkt echter dat dit idee totaal niet klopt. zodat er op dit vlak waarschijnlijk meer duidelijkheid komt. lijkt het erop dat de moslims zich vooral toelegden op de ontwikkeling van granaten en vuurpijlen die afgevuurd werden door machines en hoofdzakelijk op het land gebruikt werden. de mogelijkheden van petroleum zeer goed kenden en zelfs vormen van Grieks vuur ontwikkelden. Tot nu toe is de verhouding tussen de vuurwapens van beide volkeren allesbehalve duidelijk.

en of ze het al dan niet inzetten tegen de Byzantijnen zelf. Nos esteingneurs furent appareillé pour estraindre le feu. Gunpowder and firearms in the Mamluk kingdom. . nous nous meismes a coutes et a genoulz. A. BROOKS. vroeger te zijn dan men meestal dacht. W. waarop zij zelf vuurwapens op basis van aardolie begonnen te gebruiken. CHRISTIDES. valt het onmiddellijk op dat hetgeen zij beschrijven iets anders was dan de sifons van de Byzantijnen.. In de eerste plaats werden zij er op het vasteland mee geconfronteerd en blijkt het eigenlijk niet zo’n schrikwekkend wapen te zijn geweest als men op het eerste zicht zou denken. 10. Aangezien wij echter in de eerste plaats over een grote hoeveelheid informatie beschikken over de islamitische vuurwapens ten tijde van de kruistochten en het deze dingen zijn die Grieks vuur genoemd werden door de westerlingen. from Arabic sources. p. 21. In elk geval blijkt het tijdstip. D. Volgens de Kitab al-‘Uyun beschikten de moslims bij de belegering van Constantinopel in 717/718 al over naft225 . The campaign of 716-718. . que il nous amenerent un engin que l’en appelle perriere. Daarna zullen we zien in welke mate en eventueel vanaf wanneer we kunnen zeggen dat de Arabieren over het Griekse vuur in strikte zin beschikten. HET ARABISCHE ‘GRIEKSE VUUR’ TIJDENS DE KRUISTOCHTEN Zoals algemeen bekend is. Le premier cop que ils geterent vint entre nos deux chaschastelz. Naft. estoit bien aussi grant 224 V. E. trad.65 het gebruik van naft door de Arabieren zelf 224 . 884. AYALON. p. la ou nous guietions les chas-chastiaus de nuit. ce que il n’avoient encore fait. … La maniere du feu gregois étoit tele.. ainsi comme il nous avoit enseigné. 226 Zie p. que il venoit bien devant aussi gros comme un tonnel de verjus. zullen wij dit eerst behandelen. Als wij de geschriften van de westerse kroniekschrijvers erop naslaan die veelvuldig het Griekse vuur vermelden. et la queue du feu qui partoit de li. et mistrent le feu gregoiz en la fonde de l’engin. Exemplarisch is de uitvoerige beschrijving van Jean de Joinville van de veldtocht van de Franse koning Lodewijk IX in Egypte in 1248 227 : Un soir avint. Si tost comme il geterent le premier cop. maar het is zeer onwaarschijnlijk dat hier al echt Grieks vuur bedoeld wordt. 25. art. We moeten hier eerder denken aan primitievere vuurwapens zoals Procopius die beschreven heeft 226 . p. et chai en la place devant nous que l’ost avoit fait pour boucher le fleuve. 225 KITAB AL-‘UYUN. hebben de Arabieren tegen de kruisvaarders volop gebruikt gemaakt van allerlei vuurwapens en hebben zij daarover uitvoerig geschreven in militaire handboeken.

A. 1225) 230 . 1984. cit. Il fesoit tele noise au venir. Un traité de’armurerie composé pour Saladin. 230 HASAN AL-RAMMAH. Onder andere op basis van deze di227 228 JEAN DE JOINVILLE. Men slaagde er vaak in het vuur te blussen en degenen die ermee bestookt werden. op. MS van Leiden nrs. Het gaat duidelijk om kruiken. op.. zoals hij aangeeft met de term tonnel de verjus. MURDA IBN AL-TARSUSI. il eust esté [touz] ars. T. die als granaten met slingertoestellen afgeschoten werden. pour la grant foison de feu qui getoit la grant clarté. il amenerent un vilain a pié. Du feu . van Mardi Ibn al-Tarsusi (begin 13de eeuw) en een anoniem manuscript van Leiden (ca. ID. Het reële effect van dit Arabische Griekse vuur lijkt dus al bij al nogal beperkt en veroorzaakte in de eerste plaats materiële schade. ‘ABADI. cit. Tant getoit grant clarté. overleefden het. que l’on veoit [aussi clair] parmi l’ost. REINAUD.66 comme un grant glaive. § 203-206.. Bagdad. FAVÉ. Il sembloit un dragon qui volast par l’air. I. Et tout vois avint ainsi que les Turcs couvrirent monseigneur Guion Malvoisin de feu grejois [tant] que a grant peinne le porent esteindre sa gent. trad. Inderdaad moesten ze opletten voor dat wapen want het vernietigde vaak hun houten belegeringwerktuigen 228 . Hier is er helemaal geen sprake van sifons of iets dat er in de verste verte op lijkt. zoals blijkt uit de volgende passages 229 : Au derrien. Uit deze teksten blijkt wel dat er veel meer verschillende types en formules bestonden dan men dacht. pp. 271. qui leur geta trois foiz feu gregois. CAHEN. Zie voor dit laatste traktaat J. §240. 102-163. L’une des foiz requeilli Guillaume de Boon le pot de feu gregoiz a sa roelle. Car se il se feust pris a riens sur li. maar voor de mens bleef het gevaar in realiteit toch vrij beperkt. § 210. C. Trois foiz nous geterent le feu gregois celi soir et le nous lancerent quatre foiz a l’arbalestre a tour. comme se il feust jour.. zijn die van Hassan al-Rammah (13de eeuw). De Arabische militaire geschriften uit die tijd bevestigen gedeeltelijk de beschrijvingen van de kruisvaarders en lijken het idee te confirmeren dat de moslims nooit het Byzantijnse Griekse vuur hebben kunnen imiteren. 92 en 499. que il sembloit que ce feust la foudre du ciel. Al-Furusiyya wa ‘l-manasib al-harbiyya. ed. Vie de Saint Louis.. De kruisvaarders waren als de dood voor het Griekse vuur en het relaas van Jean de Joinville komt ook zeer beangstigend over. 229 ID. Jean de Joinville en zijn medesoldaten hebben zonder veel problemen de talloze vijandelijke aanvallen met naft overleefd. De belangrijkste werken waar deze waaier aan mogelijkheden ruimschoots aan bod komt. ed.

tijdens de kruistochten. Ook de archeologische vondsten worden vooral vanaf dat moment geattesteerd. dat ze de efficiëntie van de granaten konden bewijzen. Het ligt hier zeker niet in onze bedoeling om het hele vuurwapenarsenaal van de islamieten uitgebreid te bespreken. die dus op het gebruik van echte explosieven lijken te wijzen. zoals we onder meer bij Leo VI terugvinden 231 . Zo kreeg hetgeen de moderne auteurs vertelden meer gezag. . Wel is enige voorzichtigheid met al deze manuscripten geboden. Niet onbelangrijk is dat in er in verschillende gevallen sporen van salpeter aangetroffen zijn. XIX. Het is immers een dikwijls voorkomend fenomeen dat werken of uitvindingen fictief toegeschreven werden aan beroemde.. les Persans et les Chinois. zodat dit genre van vuurwapens goed gedocumenteerd is.. 56. zullen we dus op een andere en heel voorzichtige manier te werk moeten gaan. op. Volgens de meeste auteurs zijn hun bevindingen gebaseerd op kennis die al zeer oud is. et des origines de la poudre à canon chez les Arabes. reeds lang overleden geleerden. maar het is moeilijk uit maken of dit op werkelijkheid gebaseerd is en vanaf wanneer men bepaalde types vuurwapens werkelijk uitgevonden heeft. pp. Vooral Aristoteles was een populair persoon om te vermelden. maar het is zeker aangewezen om de belangrijkste elementen aan te halen. zijn granaten. maar het is vooral vanaf de 12de eeuw. 262-283. Ongetwijfeld gaat het hier om geëvolueerde exemplaren van het Griekse vuur dat in kruiken naar de vijanden afgeschoten werd.67 versiteit aan formules verwerpen wij de vroegere theorie dat het geheim van het Griekse vuur enkel gezocht moet worden in een geheime samenstelling. De moslims hadden trouwens een minstens even grote kennis van de brandbare eigenschappen van aardolie en hadden er grote voorraden van. des feux de guerre. PARTINGTON. op. die eigenlijk ons grootste aandachtspunt is. cit. De belangrijkste vorm van naft die tijdens de kruistochten gebruikt werd. aangezien zij slechts ten vroegste van het einde van de 12de eeuw dateren. grégeois. kunnen we moeilijk achterhalen. pp. 198-200. 231 LEO VI. R. J. Bovendien zijn er veel dergelijke projectielen ook bij archeologische opgravingen teruggevonden. cit. Bij de bestudering van de vroegere periode. In de handschriften komt deze categorie uitvoerig aan bod en vaak werden er ook afbeeldingen bij getekend. Wanneer de Arabieren deze ontwikkeling juist voltrokken hebben.

68 Uit alle bronnen blijkt dat er bij de granaten een grote variatie bestond. 92-129 en appendices. pp. Volgens de tekeningen in de militaire handboeken werden ze ook gebruikt op schepen. p. want anders zou dit ons te ver afvoeren van wat de bedoeling van deze verhandeling is. 14. vooral qua uiterlijke vorm 232 . Meestal werden ze uit klei vervaardigd. New light on navigation and naval warfare in the Eastern Mediterranean. maar de meeste teksten wijzen er toch op dat ze vooral op het land aangewend werden.. cit. 235 Zie Fig. Islamic Technology: an illustrated History. HILL. 237 A. Wat het uitgebreide gamma van deze granaten betreft. 233 Zie Fig. Men mag dus niet zomaar alle sferoconische kruiken als granaten bestempelen.. qidr genaamd 237 . Enerzijds waren er echte granaten. ALHASSAN. 236 Zie Fig. HILL. Anderzijds bestond er ook een combinatie van twee diverse soorten: één pot die eerst de brandstof verspreidde en daarna een andere die als toorts fungeerde en de boel deed ontvlammen. AL-HASSAN. in brand staken. Een ander vuurwapen dat al op een lange traditie terugging. 17. zullen we het kort houden. op. namelijk het opslaan van wijn of parfum. 15 en 16. Ook hier slaagden de moslims erin gevoelige verbeteringen aan 232 Zie hiervoor in de eerste plaats M. was de brandpijl. heeft men een veel eleganter genre aangetroffen. Normaal gezien werden zij gelanceerd door grote machines. Bij het eerste type horen vooral de zogenaamde Syrische kruiken 235 en dit is ook de soort die het meest teruggevonden is. 110. CHRISTIDES. In sommige gevallen heeft men op de wanden resten van substanties aangetroffen die op een heel ander gebruik wijzen. pp. Zo kon men ze veel gerichter afvuren en dus de efficiëntie vergroten. . vooral in het MiddenOosten. Zie ook A. 106-111. op. Vaak werden er ook nog versieringen op aangebracht en soms heeft men zelfs spreuken of vervloekingen aangetroffen. is er een verhitte discussie geweest of deze voorwerpen al dan niet granaten waren. met bibliografie n. pp. Y. In Egypte. R. maar ook kleinere exemplaren in glas waren niet ongebruikelijk. Daarnaast bestonden er ook volledig bolvormige brandbommen. 234 V. Zie Fig. namelijk kruiken die onmiddellijk hetgeen waarmee ze in contact kwamen. R. M. cit. maar anderzijds kan men niet meer ontkennen dat een deel ervan voor oorlogvoering ingezet werd 234 . Y. De belangrijkste verbeteringen van de moslims betroffen vooral de aërodynamische kwaliteiten van deze projectielen. zoals trebuchets en mangels 233 . D. 44. MERCIER. meer bepaald bij Foustat. Omdat er bij archeologische opgravingen zo’n diversiteit aan vormen aangetroffen is van zogenaamde sferoconische potten. Mercier wijst er op dat er twee fundamenteel verschillende systemen bestonden. D. 1923. 13. dat gemakkelijker kon breken bij het lanceren en waarschijnlijk enkel bedoeld was om brandstof te verspreiden 236 .

. CHRISTIDES. B. Aangezien dit maar weinig meer te maken heeft met het Griekse vuur laten we deze vuurwapens dan ook buiten beschouwing. moeten we ons jammer genoeg tevredenstellen met minder en onduidelijkere informatie. Het grootste minpunt is het ontbreken van handboeken over vuurwapens voor deze periode en de zeer geringe hoeveelheid aan archeologische vondsten. ‘ABD RAIM. Al-Ahkam fi Fan al-Qital fi’l Bahr al-Mulukiyah wa’l Dawabit an-Namusiyah. 4. 18. s. cit.. Het betreft hier wapens die gebaseerd zijn op buskruit zoals vuurpijlen. p. 241 V. Deze auteur heeft namelijk vroegere Arabische vertalingen van de Naumachica van de Byzantijnse keizer Leo VI verzameld en aangevuld met andere informatie over oorlogvoering op zee 240 . Ook de betrouwbaarheid is in sommige gevallen niet zo hoog. aangezien de moslims al snel beschikten over vertalingen van zijn taktische geschriften. Verder beschrijven de handboeken ook nog andere wapentypes. Om die reden is men zeer sterk afhankelijk van historische teksten en ook van lexica en poëzie. 238 239 Zie Fig. Hier kampen we dus met een gelijkaardig probleem als voor de Byzantijnse bronnen. Caïro. die echter niet zo expliciet zijn. ed. op. 240 IBN AL-MANQALI (=IBN MANGLI). Ook de samenstelling van de brandstoffen werd gestaag geperfectioneerd. primitieve kanonnen en torpedo’s.69 te brengen. HET ARABISCHE ‘GRIEKSE VUUR’ VÓÓR DE KRUISTOCHTEN Wanneer we echter naar de eerste vierhonderd jaar na de uitvinding van het Griekse vuur door de Byzantijnen terugkeren. raketten. maar vooral de invoering van salpeter betekende een belangrijke vooruitgang. Zo ontwikkelden zij speciale machines om de pijlen verder en krachtiger te kunnen afvuren 238 .d. CHRISTIDES. op. V. Dit toont ook nog maar eens aan dat de Byzantijnen inderdaad grote inspanningen moesten doen om de ontdekking van het Griekse vuur door de Arabieren tegen te gaan. Dan zijn we echter opnieuw in de periode van de kruistochten. misschien zelfs al op het einde van de 10de eeuw 241 . Waarschijnlijk gebeurde dit aan het begin van de 12de eeuw 239 . Leo VI had alle redenen om weinig expliciet te zijn over hun sterkste vuurwapens. verschaft een werk van Ibn al-Manqali (13de/14de eeuw) ons veel verduidelijking. cit. maar deze gaan ongetwijfeld niet terug op een oudere traditie en waren volledig nieuw vanaf de 13de eeuw. 11-13. pp.. Wat de terminologie betreft.

heeft het woord naft een ruime betekenis en betekent het niet zomaar dat het om het Byzantijnse Griekse vuur zou gaan. 243 V. maar toch blijft grote voorzichtigheid geboden. Al in 710 zou de Arabische veldheer Muhammed Ibn Kasim naft gebruikt hebben tijdens een expeditie in India en bij de belegering van Constantinopel in 717/718 zouden de moslims er eveneens over beschikt hebben 243 . op. 242 . de specialist voor de lancering van het Griekse vuur. Vanaf de 9de eeuw neemt het aantal vermeldingen over het gebruik van vuurwapens door de Arabieren fors toe 244 . 5. cit. Het is hier zeker niet de bedoeling alle betrokken fragmenten te bespreken. op. cit. wordt naffatun of zarraqun gebruikt. het equivalent van purfovroς. kunnen we niet bepalen. p. In het eerste geval gaat het duidelijk over een landoorlog. M. Zoals wij hierboven al vermeld hebben. De vroegste vermeldingen duiken al op in de 8ste eeuw. 41-56. op. MERCIER. pp. 43 en de LISAN AL‘ARAB.. CHRISTIDES. 14-15. valt op dat het grootste deel ervan betrekking heeft op oorlogvoering te land en vaak veel gelijkenissen vertoont met de periode van de kruistochten. terwijl deze hen wel degelijk aanzienlijke schade konden berokkenen met hun Griekse vuur. Opvallend is wel dat er nergens melding van gemaakt is dat ze het effectief gebruikt zouden hebben tegen de Byzantijnen. Om de sifwnavtwr. p. maar vooral zarraqah en naffatah terug 242 . 3-7. pp. in het andere wordt er niets gespecifieerd. pp. Met grote waarschijnlijkheid kunnen we dus zeggen dat de latere beschrijvingen van de granaten wel degelijk op een oudere traditie teruggaan. want dat zou ons te veel tijd en ruimte vragen. cit. in M. CHRISTIDES. CANARD.. Textes relatifs à l’emploi du feu grégeois chez les Arabes. Zo vindt men voor sivfwn (in de betekenis van ‘vlammenwerper‘ in koper of brons) muqaddam... MERCIER. Voorts wordt het oorlogsschip dat uitgerust was met vuurwapens harraqah genoemd. We moeten dus vooral op zoek gaan naar de bovenstaande termen. aan te duiden. Vooral de context moet grondig onderzocht worden en dan kijken we in de eerste plaats naar het gebruik ervan op zee. maar wanneer juist de belangrijke verbeteringen op het gebied van de aërodynamica en de toevoeging van salpeter hebben plaatsgevonden. Toch opteren Zie voor de verklaring van naffatah de KAMOUS. in V. zodat het hier moeilijker is een oordeel te vellen. zodat men hier waarschijnlijk te maken heeft met primitieve vuurwapens op basis van aardolie in de aard van wat Procopius beschreven heeft. op.70 In deze tekst vinden we de Arabische parallellen voor de Griekse woorden in verband met het Griekse vuur (naft) en die bevestigen de veronderstellingen die in het verleden al gedaan werden. 244 Zie voor een uitgebreid chronologisch overzicht: M. Als men het geheel bekijkt. cit.

p. Pryor betwijfelen dit sterk. tegen de ByzanZie de bespreking over salpeter pp. A. cit. op.. Y. II. Volgens hen zijn de Arabische teksten vaak helemaal niet zo expliciet als V. 250 A.. VASILIEV. Christides vertaalt een verwijzing bij Ibn Sida (1007-1066) als volgt 247 : Harraqat zijn schepen die vlammenwerpers hebben en men zegt dat ze de vlammenwerpers zelf zijn. AL-HASSAN. 19. cit. 400. We vast dat de Arabieren verrassend vroeg over toestellen met Grieks vuur beschikten. 108. maar die is te gestileerd om ons bijkomende gegevens te verschaffen 250 . Dit begrip slaat hoogstwaarschijnlijk ook op schepen die uitgerust waren met toestellen om de granaten gevuld met naft af te vuren. Of dit even krachtig was als de Byzantijnse types. zeker wat het laatste element betreft 245 . D. n. 246 245 . E. Al in 835 gebruikten zij harraqat in de oorlog.. Al-Muhkam wa-l-muhit al-A’zam fi l-lugha. op.71 we hier eerder voor een vrij late datering. 24. 24-25. I. 249 Zie Fig. p. 251 A. EICKHOFF. Vanaf het einde van de 10de eeuw duidde harraqah soms ook wel op een gewoon snel oorlogsschip. p. Daarvan bezitten we slechts één figuur uit een 14de-eeuwse codex. 27-30. wat ons in de eerste plaats interesseert. CHRISTIDES. cit. Seekrieg und Seepolitik zwischen Islam und Abendland: Das Mittelmeer unter byzantinischer und arabischer Hegemonie (650-1040). Daarnaast vinden we ook verwijzingen terug naar harraqah. Christides lijken enkele Arabische literaire bronnen er toch op te wijzen dat de moslims wel degelijk over een soort vlammenwerpers beschikten. p. cit.. Over de exacte betekenis van dit woord bestaat heel wat onduidelijkheid. is helemaal niet duidelijk en eerder twijfelachtig aangezien ze zo weinig vermeld worden. HILL. n. 2. p. 3. zonder vuurwapens aan boord 251 . V. vanaf het begin van de kruistochten ongeveer. R. zoals 2 Arabische lexica (11de en 12de eeuw) ons aantonen 246 . Opvallend is in elk geval het feit dat er in die Arabische militaire traktaten nauwelijks een spoor van vlammenwerpers terug te vinden is. op. Haldon en J. zoals men op verschilllende tekeningen ziet 249 . 18-21. Volgens deze moderne auteur beschikten de moslims dus wel degelijk over sifon-achtige wapens. net als bij het Griekse equivalent purfovroς trouwens. 132. maar J. CHRISTIDES. 173. 248 Persoonlijke mededelingen. 247 IBN SIDA. op. Christides laat uitschijnen 248 . pp. V. V. Oorspronkelijk ging het waarschijnlijk effectief om schepen die uitgerust waren met toestellen om Grieks vuur af te schieten. In elk geval blijkt de betekenis van harraqah vrij ruim te zijn. Ondanks de soms twijfelachtige en te expliciete interpretaties van V.

39. op. 6. Ook enkele jaren gebruikten zij vuurwapens in een zeegevecht met de Byzantijnen. . In een van zijn andere gedichten is de beeldspraak nog veel kleurrijker en overdreven. Bij een andere. Of er hier sprake is van een variant met een andere samenstelling. Zie A. nogal obscure poëet vinden we het element rook wel opnieuw expliciet terug wanneer 252 253 IBN IDHARI. cit. v. cit. 42-44. waarvan de staart over de golven sleept. 54. maar accurate beschrijving 254 : Uit deze schepen ontsnapt een donkerrood vuur waarvan de vlam op een snel strijdros lijkt... cit. 256 LEO VI. cit. p. op.72 tijnen nota bene. In enkele poëtische geschriften vinden we de meest uitvoerige descripties terug. cit. CANARD. p. 36. is moeilijk uit te maken. Daardoor heb jij de ‘roodbaarden’ verdreven door met hen een hevig gevecht te leveren met vuur dat brandt in de hel. wat helemaal anders is dan wat keizer Leo VI zegt 256 . op. Hun brandende ademstoten zijn de vuurtongen van de bliksem. M. p. MERCIER. cit. MERCIER. geven ze toch een uitstekend idee van de effecten van de Arabische naffatah. VASILIEV. I. Alhoewel ze wel wat gedramatiseerd overkomen. 45. beantwoordt de beschrijving aan het effect ervan. XIX. Zie M. op. M. zoals Ibn al-Idhari ons vertelt 252 . § 51. 13e gedicht. 407.. CANARD. MERCIER... p. Diwan. cit. of dat het gewoon om een dichterlijke vrijheid gaat. Histoire de l’Afrique et de l’Espagne. . op. M. Alhoewel hier niet expliciet vermeld wordt dat het om vlammenwerpers gaat. liet hun schot (bij de vijanden) enkel verbrand vlees over dat een geur van roosteren verspreidde. I. Wanneer ze grommen van woede lanceren ze een vuur zonder rook. 254 IBN HANI. Zo geeft Ibn Hani een korte. en hun grommende monden zijn van ijzer… Vreemd is hier dat Ibn Hani stelt dat het ging om vuur zonder rook. maar toch blijft hij nog vrij dicht bij de realiteit 255 : Boven de schepen verheft zich een dikke en zware wolk die talloze bliksemschichten lanceert en die gerommel van donder laat horen… Het zijn dergelijke schepen die een vuur lanceren dat de gezichten verbrandt. loc. cit. A. VASILIEV. p. 255 ID. AL-BUHTURI. zoals het vuur dat in de hel brandt. 375. zonder hulpmiddel op de dag van de ontmoeting. 3de gedicht. in A. A. Zie M.. v.. loc. op. blijkbaar met succes 253 : Wanneer zij het vuur lanceerden.

Wanneer ze zich bevrijdt van haar ziel. Mogelijk zullen het er wel meer geweest zijn dan 3. Ta’rikh al-rusul wa’l-muluk. op. een toestel om Grieks vuur te lanceren 257 : Het is een geel voorwerp waarvan zich in de mond een visceuze vloeistof van dezelfde kleur bevindt. of dat het om slingertoestellen voor kruiken met naft ging. 839-923) dat er zich op een klein oorlogsschip met 45 zeelui 3 naffatun bevonden 258 . p. want de Arabieren kenden in die tijd een ongekende bloei op onder meer wetenschappelijk gebied. 256. iets wat men vroeger voor onmogelijk hield. Zoals uit het voorgaande gebleken is. 55. spot ze met de wind en rivaliseert ze met hem in snelheid. wordt nergens vermeld. omhult ze (het schip) bij het lanceren met een kleed van duisternis die een beschermende kracht vormt. maar die blijven toch zeer beperkt als men ze vergelijkt met de talloze vermeldingen van naft die in de vorm van granaten of brandpijlen te land gebruikt werden. III. 6-7. p. Zie M. I. p. Het lijkt er toch op dat er bij de Arabieren iets meer mankracht nodig was voor het afvuren. cit. Hier is het trouwens niet altijd zeker of de Arabische schepen al dan niet beschikten over echte vlammenwerpers. cit. CHRISTIDES. Nichwar. maar dat kunnen we niet bewijzen. Op die schepen bevonden zich. op. wat zij 257 258 TANUKHI. 1582 (= The history of al-Tabari. cit. 63). Dit kan ons eigenlijk niet verwonderen. CANARD. 32. XXXV. 16. M. Zo vinden we bij Tabari (ca. niet alleen van de samenstelling. Sporadisch vinden we nog verwijzingen terug naar het gebruik van harraqat bij zeeslagen in de 9de en 10de eeuw 260 .. MERCIER. net als op de Byzantijnse. AL-TABARI. Christides is toch wel gebleken dat zij al in de 9de en 10de eeuw een ruimer vuurwapenarsenaal en zelfs vlammenwerpers hadden. Hoeveel er dan op een grote harraqat van hetzelfde kaliber als een Byzantijnse dromon waren. Wanneer die gelanceerd wordt.73 die een bloemrijke omschrijving geeft van een zarraqat an-naft. n. Datzelfde getal vinden we ook nog terug voor een boot met 90 mariniers aan boord 259 . pp.. . 259 V. blijven er nog te veel onduidelijkheden om een klaar antwoord te geven op de vraag of de Arabieren al dan niet het geheim van het Byzantijnse Griekse vuur ontrafeld hebben en of zij het konden imiteren. op.. enkele bemanningsleden die gespecialiseerd waren voor het lanceren van naft. aangezien er er op de kleinere Byzantijnse oorlogsbodems maar 1 of 2 specialisten waren. Uit het recente onderzoek van vooral V. In de loop der tijden zijn zij in het bezit gekomen van verschillende elementen van het wapensysteem.

1944. zoals J. 260 261 Zie bijv. 278. ed. J. n. Of zij echter het echte Griekse vuur kenden. Bovendien waren wij niet in staat om de soms in twijfel getrokken interpretaties van V. 275 (trad. p. Daarom twijfelen wij toch ook wel een beetje aan de mening van V. pp. p. J. V.). Zie ook V. Christides. M. CHRISTIDES. . aangezien wij geen Arabisch kunnen lezen. Wij vinden het toch alleszins vreemd dat de moslims hun schepen met vlammenwerpers slechts sporadisch in de strijd wierpen. 48-49. 363. Daarvoor is het aantal teksten te beperkt en is de terminologie te onduidelijk.. ‘ABD AL-WAHHAB. Anderen. 366 (ed. bronnen die toch met grote voorzichtigheid moeten geïnterpreteerd worden. F. V. 139. Haldon. 262 Gabriele PASCH. 824). Pryor en G. Uit de omslachtige beschrijving van de Tunesische dichter Ali Ibn Muhammed Iyadi kunnen we afleiden dat ook de Arabieren waarschijnlijk het principe kenden van een haard om het mengsel op te warmen vooraleer het af te vuren 261 . Het is dan ook niet verbazingwekkend dat de moderne geleerden het er niet over eens zijn. HALDON. maar ook moeten zij op zijn minst een globaal idee gehad hebben van de principes om het te lanceren. p. Caïro. Om duidelijker stelling te kunnen innemen. Chapter II.74 zeker snel door hadden aangezien zij zelf over immense voorraden aardolie beschikten. moeten we nog wachten op de talloze Arabische documenten die over afzienbare tijd gepubliceerd en bestudeerd zullen worden. cit.). op. p. kunnen wij onmogelijk zeggen. IBN HAYYAN. Bovendien is het toch wel erg opvallend dat er in de militaire geschriften nauwelijks iets over vlammenwerpers te vinden is. Daarenboven komt de meer gedetailleerde informatie van gedichten. H. Al-Muqtabis. 65. Bij het buitmaken van een Byzantijns oorlogsschip moeten zij daar ongetwijfeld elementen van gezien hebben. The conquest of Crete by the Arabs (ca. 44 and 45 of ‘De Cerimoniis’. Al-Muntakhab al-Madrasi min al-Adab al-Tunisi. H. p. In elk geval besteedden de Arabieren veel meer aandacht aan de ontwikkeling van granaten en brandpijlen. Christides neigt eerder om de naft van de Arabieren min of meer op gelijke hoogte te stellen met het Byzantijnse Griekse vuur. Pasch. Christides zelf te controleren. IYADI. menen dat de Arabische versie toch sterk inferieur was aan de Byzantijnse 262 .

DOLLEY. 57-61. L. III. 266 Hélène AHRWEILER. H. cit. 267 C. cit. BYZANTIJNSE OORLOGSSCHEPEN EN TACTIEK 1. 162-168.. 265 Zie voor meer specifieke informatie over de dromon R. pp. 334-339. 15-16. Over de plaatsing van de chelandion is men het sterk oneens. 47-53. 117-124. zodat het niet evident is om ons een duidelijk beeld van de dromon te vormen 265 . 148-154.75 IV.. cit. CASSON. pp. 411-413. Uit de grote spraakverwarring die ook bij specialisten zo263 264 PROCOPIUS. ISIDORUS HISPALENSIS. De Byzantijnse vloot bestond uit verschillende scheepstypes waarvan de terminologie ons opnieuw in verwarring brengt. MAKRYPOULIAS. technology and war. anderen verdedigen de stelling dat het om een totaal ander type ging 267 . beschikt men niet over treffelijke tekeningen en is ook de informatie van de antieke teksten onvolledig en niet zelden tegenstrijdig. EICKHOFF. Mare nostrum. HALDON. V. J. pp. XIX. cit. pp. The warships of the later Roman empire. REDDÉ. pp. Zie voor een reconstructie Fig. want dat zou ons veel te ver doen afdwalen van ons onderwerp. MAKRYPOULIAS. M. De essentie van al deze variaties lag erin dat het allemaal lange en snelle schepen waren. In elk geval was de dromon het belangrijkste en grootste oorlogsschip. pp. Hélène AHRWEILER. p. G. op. Ships and seamanship in the ancient world. op. 135-148. op. PRYOR. G. E. Geography. Sommigen identificeren die met de dromon 266 . Op deze ingewikkelde en technische discussie gaan wij niet uitgebreid in. XI. J. The navy in the works of Constantine Porphyrogenitus. zoals Isidorus van Sevilla meedeelt 264 . Types en uitrusting van de Byzantijnse oorlogsschepen Om de rol en het belang van het Griekse vuur beter te kunnen begrijpen. op. Eenvormigheid is duidelijk niet van toepassing op de dromon want de teksten vermelden steeds verschillende groottes en aantallen roeiers. moet men ook enige notie hebben van het ruimere kader van de algemene Byzantijnse oorlogvoering waarin het Griekse vuur gebruikt werd. 1. PRYOR. Deze typisch Byzantijnse term duikt pas vanaf de 6de eeuw op 263 en wijst op het verschijnen van vernieuwende elementen. Meestal onderscheidt men drie categorieën volgens de grootte: de dromon in strikte zin. Etymologiae. pp. H. 14. pp. de pamphylos en tenslotte de ousiakos. Variae. Binnenkort wordt ook een monografie gepubliceerd die volledig aan de dromon gewijd is door Elizabeth JEFFREYS en J. 16. H. Byzance et la mer. F. 408-418. maar al snel ontstonden er ook exemplaren met twee of uitzonderlijk zelfs drie. Zo is het onder meer belangrijk te kijken naar de plaats die de sifon was toebedeeld bij de algehele uitrusting van de oorlogsbodems... CASSIODORUS. Seekrieg und Seepolitik zwischen Islam und Abendland. C. 20. Oorspronkelijk wees dit op snelle boten met slechts één rij roeiers. 163. pp. Jammer genoeg is er nog altijd geen enkel dergelijk schip op de zeebodem ontdekt. .

Hierbij sprong natuurlijk eerst en vooral de sifon in het oog. 51-52. H. terwijl dat bij de Atheense trireem maar één was. In de loop van de 10de eeuw leek er een stijging te zijn geweest van hun aantal per schip. J. op. op. p. cit. op. cit. die vaak beschouwd worden als de types die het nauwst aansluiten bij de oudste soort dromon. op. HALDON. op. Waarschijnlijk stonden er op de grote exemplaren twee en mogelijk soms zelfs drie masten. p. G. vooral wat de 10de eeuw betreft. Dit zou vooral gelden voor de pamphylos en de ousiakos. maar dit blijkt toch niet helemaal te kloppen.. Die ontwikkelingen zijn voor een groot deel op rekening te schrijven van de evolutie in de bewapening. H.. Belangrijker dan deze ingewikkelde technische discussie is te bekijken wat nu de vernieuwende elementen van de Byzantijnse oorlogsschepen waren. kunnen we besluiten dat de verschillen tussen deze klassen vrij beperkt waren en eerder gebaseerd waren op de hoeveelheden en soorten bemanning dan op echt fysisch andere scheepstypes 268 . J. 270 R... H. kunnen we met zekerheid zeggen dat de dromon niet meer over de hele lengte bedekt was. C. F. H.C. 162-163. p. 60.. de periode waarvoor we over de meeste informatie beschikken. 20. op. Vanaf ongeveer de 9de eeuw werd een grotere versie ontwikkeld die dan de dromon in strikte zin genoemd werd. vooral van de uitvinding van het Griekse vuur. C.en achterkasteel was. De belangrijkste toevoeging was een xylokastron. echter vooral plaats op het gebied van de bewapening. Op het eerste zicht lijkt er zich dus weinig evolutie te hebben voorgedaan in de scheepsbouw. Bij Leo VI (ca. HALDON. G. 120-121. wat in de buurt is van de 27 bij de Atheners 271 . en van de andere tactiek die daardoor gevolgd werd. loc. De bemanning varieerde respectievelijk tussen de 120 en 160 man en tussen de 108 en 110 269 . 271 M. cit. pp.76 als Leo VI of Constantinus IX te voorschijn komt. cit. 900) is er sprake van R. F.. 336337. op. cit. 334. Wat het uitzicht betreft 272 . maar dan met slechts één rij roeiers. DOLLEY. p. PRYOR. 336.. 150. cit. pp. pp.. 269 268 . cit. G. In feite greep men in de beginperiode qua scheepsarchitectuur grotendeels terug naar de ranke en snelle Atheense trireem van de 5de eeuw v. CASSON. DOLLEY. Hier vinden we aantallen terug van 220 tot zelfs 300 man per schip 270 . MAKRYPOULIAS. 273 R.. cit. maar dat er een apart voor-. J.. pp. 48. zoals gezegd. cit. L. 334. MAKRYPOULIAS. De belangrijkste veranderingen vonden. cit. Verder werd er ook overgeschakeld naar een Latijns zeil in plaats van een vierkant 273 . op. loc.. op. midden. een houten platform in het midden van het schip waarop extra soldaten en oorlogstuig konden geplaatst worden. DOLLEY. REDDÉ. 272 Zie Fig. 170. Niet toevallig is hun aantal per rij 25 tot 30. C. pp. cit. MAKRYPOULIAS.

legovmena xulovkastra peri. II.H uJpokeimevnouH sunqlavsousin sfodräH kataferovmena.77 slechts één exemplaar dat zich helemaal vooraan in de boeg bevond 274 . t−H prwv/raH oJ sivfwn o}H katakovrax levgetai ejnergän o{tan ìsin aiJ n−eH ajntivprw/roi: kai. Uit andere teksten blijkt dat hun aantal respectievelijk 2 en 1 is. 281 C. p. XIX. DAIN. die katakoraks genoemd wordt. 169-170 en n.. is ons niet bekend. op. en twee (sifons) aan de zijden treden zelf ook in werking wanneer ze aanvallen langs de zijkanten. II. 45. Het lijkt er dan ook sterk op dat de installaties op de dromons in strikte zin meer ontwikkelde en grotere exemplaren waren die meer mankracht vereisten 281 . op. di jôn h] th. 280 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. 278 ID. cit. MAKRYPOULIAS.H ajkontivsousin h] livqouH mulikou. 14 in A. cit. Naumachica. 102. Voor de bediening werden drie personen per sifon voorzien bij keizer Constantinus VII 278 . op. op. Naumachica. 275 274 . cit. Leo VI overloopt de belangrijkste in zijn Tactica 283 : z)j jAlla. CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. 65-66.n naØn diaqruvyousin. op. Er is sprake van 12 lichtbewapende soldaten die samen instaan voor het sturen. duvo de. kai. oÍon mavzaH xifoeideÃH. cit.. 282 Zie hoofdstuk II. § 6. pp... to. 672-3. h] tou.. 3. 2.. cit. G. 277 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. aujtoi. ta. 45. Op de boeg treedt de sifon. op. h] ti e{teron ejpicuvLEO VI. 276 BASILEIOS PATRIKIOS PARAKOIMOMENOS. 170. XIX. mevson pou toØ katartivou ejn toÃH megivstoiH drovmwsin ejpisthvsousi periteteicismevna sanivsin ejx ôn a[ndreH tine. zodat er 9 personen zijn voor de 3 sifons. p. Zie C. 670.. II. cit. Een andere bron is nog specifieker 276 : jEpi. cit. Enkele decennia later zijn dat er drie voor de twee grootste categorieën dromons zoals blijkt uit de beschrijving die keizer Constantinus VII geeft van de vloot voor de expeditie van 949 tegen Kreta 275 .de leiding van de roeiploeg en de bediening van de sifons. Dat cijfer lijkt alleszins wel op te gaan voor de ousiaka 280 . mevson t−H polemivaH nho. G. terwijl dat bij Leo VI slechts één man lijkt te zijn 279 .. pp. 283 LEO VI. plavgioi kai. MAKRYPOULIAS. 669. ejnergoØnteH o{tan plavgioi prosbavllwsi. pp. XIX. Behalve de sifons en de andere beschreven types van Grieks vuur 282 waren de Byzantijnse oorlogsschepen uitgerust met een ruim arsenaal aan allerlei wapens.H h] sivdhra bareva.. cit. 45. De Cerimoniis. § 8. II. op. Bij de kleinere ousiaka waren er maar twee sifons 277 . 673.H to. op. in werking wanneer de schepen zich recht tegenover de boeg bevinden. p. p. Waar die zich juist bevonden. 279 LEO VI. de. 45.

kata. o{moia touvtwn ijobovla. toØ ijoØ tou.H legomevnaH muivaH. ejcivdnaH.H ejn aujt± polemivouH qanatäsai. qhriva e{teroi ejpenovhsan ejn cuvtraiH kekleismevna.n kata. af te schieten. ejn te taÃH pruvmnaiH. kata.78 sousin h] ejmpr−sai dunavmenon th.H ta. en hagedissen. cuvtraH de. . th. zoals slangen. a[lloi ajsbevstou plhvreiH. qhriva davknousi kai. skotivzei tou. toxobolivstrai de. kai. kai. 54. tän ploivwn tän polemivwn rJiptovmena: oÍon o[feiH. Wanneer die vallen en stukbreken. nb j) Kai.H polemivouH kai. Maar ook de zogenoemde xylokastra ergens rond het midden van de mast bij de grootste dromons zullen afgeboord zijn met aangebrachte planken. suntribomevnwn oJ t−H ajsbevstou ajtmo.H to. verstikt en benevelt de damp van de ongebluste kalk de vijanden en wordt hij een groot obstakel. En boog-ballista’s op de achterstevens. ng j) Kai. bijten de dieren en doden ze de vijanden binnen in de schepen door hun gif. ta. taÃH prwvraiH. van waarachter sommige mannen speren zullen slingeren naar het midden van het vijandelijke schip of molenstenen of zware stukken ijzer. ofwel de bemanningsleden. sauvraH. verpletteren.H polemivouH e[swqen tän ploivwn. skorpivouH. ejmpodivsousin pro.H sumpnivgei kai. ne j) Kai. 7. die ‘vliegen’ genoemd worden. waarmee ze ofwel het schip in stukken breken. ôn suntribomevnwn ta. En anderen kwamen op het idee om dieren in kruiken op te sluiten en die naar de schepen van de vijanden te werpen. sidhraà rJiptovmenai ejn toÃH ploivoiH tän polemivwn ouj mikra. trivboloi de. kai. en schorpioenen. kai. en adders.n w{ran ojfeivlonta ajgäna. kai. kai. en andere gelijkaardige giftige beesten. sumfqeivrousi dia. nd j) Kai. 52. of (van waarachter) ze iets uitstorten dat het schip van de vijanden in brand kan steken of de vijanden in hun eigen schip kan doden. 53.n naØn tän ejnantivwn h] tou. kai. luphvsousin aujtou.H. en op de boegen en langs de twee zijden van de dromon om kleine pijlen. Wanneer die (kruiken) stukbreken. tän duvo pleurän toØ drovmwnoH ejkpevmpousai sagivttaH mikra. zoals zwaardvormige voorwerpen. ôn rJiptomevnwn kai. kai. En nog anderen (bedachten) kruiken vol met ongebluste kalk. mevga ejmpovdion givnetai. op wie ze heftig neerkomen.

dia. II. 58. h] pivssan uJgra. cit. kata. R..79 55. 824). 60. 62. p. in brand gestoken vloeibare pek of een ander product of een andere materie uit te storten over de vijandelijke schepen die door de dromons samengedreven zijn. 49. Hieruit kunnen we afleiden dat de sifons blijkbaar onvoldoende waren om de vijand altijd te kunnen verslaan en dat er voldoende alternatieven aan boord moesten zijn wanneer het belangrijkste vuurwapen faalde. Het is ook mogelijk door middel van bepaalde zogenaamde kranen of sommige gelijkaardige gammavormige toestellen. tinwn geranivwn legomevnwn. h] tinwn oJmoivwn ejpithdeumavtwn gammatoeidän kuvklw/ peristrefomevnwn. tän dromwvnwn desmoumevnoiH: kai. H. Wanneer ze vervolgens op de schepen vallen. nh j) Kai. op.. En ijzeren voetangels die naar beneden geworpen worden in de schepen van de vijanden zullen hen niet weinig verwonden en zullen hen hinderen voor het onontkoombare gevecht op het beslissende moment. steken ze die in brand door de vele deeltjes. op. Ook de mangel wordt tegen hen ingezet. cit. DOLLEY. trivboloi de. Ook vrij grote ijzeren voetangels of scherpe nagels die in houten balletjes vastgemaakt zijn. kai. pp. E. kai.n. x )j Dunato. op. Uit bovenstaande fragmenten blijkt overduidelijk dat de Byzantijnen niet alleen vertrouwden op hun Griekse vuur maar ook vele andere soorten wapens aan boord hadden. The conquest of Crete by the Arabs (ca. eJtevra/ u{lh/ ejneilhmmevnh/ ejmpurisqevnta kai. h] tina eJtevran u{lhn ejpicuvsai toÃH polemikoÃH ploiv-oiH dia. die in een cirkel ronddraaien. is niet geheel duidelijk en wordt de laatste tijd steeds meer in twijfel getrokken. h] skeuh. V. 52. en naar de vijanden geworpen. EICKHOFF. meivzoneH sidhraà h] ejn sfairivoiH xulivnoiH ½loi ojxeÃH ejmpephgmevnoi.n pepurwmevnhn. p. 44-45. CHRISTIDES. cit.. worden in brand gestoken met touwwerk en ander materiaal dat eromheen gewikkeld is. eÉta pivptonta ejn toÃH ploivoiH dia. 138. . Ook in de De Cerimoniis komt een gelijkaardige grote verscheidenheid aan allerhande wapentuig ter sprake 284 . Vroeger werd dit meestal zonder veel problemen aanvaard 285 en verwees men vaak naar een 10de-eeuws tactisch geschrift waar dit expliciet ver- 284 285 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. toØ maggavnou strefomevnou kat jaujtän. tän pollän merän ejmprhvsousin aujtav.n de. stuppivoiH de. tän polemivwn ballovmena. Of de Byzantijnse oorlogsbodems nog over rammen beschikten.

G. namelijk een ram die bedoeld was om de boeg van de vijandelijke schepen net onder de waterlijn te doorboren en zo het schip lek te doen slaan. 21. In plaats daarvan werd die waarschijnlijk vervangen door een uitsteeksel boven water die op de voorsteven bevestigd was en die het andere vaartuig wel beschadigde. cit. maar de tekstfragmenten zijn niet helemaal duidelijk en maken nog verschillende interpretaties mogelijk. de. Tactica. wat inderdaad een veel gebruikte term is om de typische ram van een klassieke trireem of van een Romeins oorlogsschip aan te duiden.. De laatste tijd is men er steeds meer van overtuigd dat al snel na de uitvinding van het Griekse vuur de echte e[mboloH. t−H nho. Elders wordt hier en daar wel nog gesproken over het rammen van vijandelijke schepen 288 . H.80 meld zou staan 286 . dikke staven die door de openingen van de peddels gestoken werden en die de vijandelijke roeiers konden verwonden en het andere schip konden beschadigen 290 . p. 289 J. cit. DAIN. 15 in A. maar het is natuurlijk niet zeker dat hetzelfde gold in de 9de en 10de eeuw 292 ..n trocant−ra ajpodesmäntai. 288 Bijvoorbeeld LEO VI.. Van deze auteur verschijnt binnenkort een monografie over de dromon waar uitgebreid op deze problematiek wordt ingegaan en nieuw bewijsmateriaal wordt besproken. Het was vooral de bedoeling om de roeispanen van het vijandelijke schip te versplinteren 289 . Ten opzichte van de situatie tijdens het Romein286 287 BASILEIOS PATRIKIOS PARAKOIMOMENOS. maar hij heeft mij persoonlijk bevestigd dat de dromon geen ram had. Pryor mij wel persoonlijk bevestigd dat hij in de voorbije jaren veel meer bewijzen gevonden heeft die zijn theorie staven dat de dromons geen ram hadden. maar niet deed zinken. p. Uiteraard hebben wij dit nog niet kunnen inkijken. Enkele graffiti uit de 12de eeuw laten zien dat in die periode de ram in die periode zeker verdwenen was 291 . is de organisatie van de Byzantijnse oorlogsvloot.H oi[akaH sunevcousi kai.. Weliswaar worden hier e[mboloi vermeld. 292 Onlangs heeft J. namelijk om kabels die het roer met de achtersteven verbinden 287 . De Griekse tekst luidt als volgt: Ta. op. Die byzantinische Kriegsmarine. 2. Wij hebben deze tekst echter grondig bekeken en tot onze verrassing vastgesteld dat er hier sprake is van een verkeerde interpretatie door enkele moderne geleerden. 2. 66. p. § 60. Hier geeft de auteur echter een definitie waaruit klaar en duidelijk blijkt dat het in dit geval om iets heel anders gaat. PRYOR. 59. 291 Zie Fig.. Waarschijnlijk was dat zelfs al . op.H scoiniva:. op. Men gebruikte ook zogenoemde mevnaula. 136. KOLIAS. oi} tou. Organisatie van de vloot Een belangrijk gegeven dat we in rekening moeten nemen om het algemene belang van het Griekse vuur te kunnen bepalen. di jôn eijH to. cit. 290 T. e[mboloi. in onbruik raakte.

cit. cit. een Grieks woord voor schip. 294 Afgeleid van kavrabiH. Mogelijk werd er wel een uitzondering gemaakt voor Sicilië aangezien Arabische bronnen getuigen dat in 733 hun het geval vóór de uitvinding van het Griekse vuur.81 se keizerrijk voltrokken zich belangrijke wijzigingen in de 7de eeuw die in de eerste plaats het gevolg waren van de expansie van de islam in het Middellandse-Zeegebied. op. 134. KOLIAS. Constantine Porphyrogenitus and his world. TREADGOLD. Hij was in de eerste plaats bedoeld voor de verdediging van de hoofdstad en voor grote expedities. 660). op. Zij weerlegt de vroegere visie dat er slechts twee onderverdelingen konden gemaakt worden. Onder impuls van Leo III (717-741) werd de organisatie verder ontwikkeld en onstond er een drieledige structuur die zich eeuwenlang zou handhaven en die de slagkracht van de vloot gevoelig vergrootte 296 . 293 W. gaat hij diep in op deze ingewikkelde kwestie. Byzance et la mer. Als reactie op de groeiende concurrentie op zee werd onder Constans II voor het eerst een permanente vloot uitgebouwd. A.. T. pp. Bij interne opstanden sloten de provinciale vloten zich immers automatisch aan bij hun strateeg als die zijn steun verleende aan de rebellen. Kort voor 650 begonnen de Arabieren onder leiding van Mu’awiyah namelijk een vloot te bouwen die snel in sterkte toenam en de kustgebieden van het keizerrijk steeds meer begon te bedreigen. loc. Zij bestonden uit kleinere boten en waren onderworpen aan de bestuurder van elk thema dat aan de zee gelegen was. pp. Ten eerste was er de centrale keizerlijke vloot die onder de leiding stond van een drungarios en in Constantinopel en in enkele strategische havens gestationeerd was.. Hoofdbedoeling was de lokale kust te vrijwaren van piraten en invallen en steun te geven aan het landleger. KOLIAS. Zij waren immers rechtstreeks afhankelijk van de keizer en dus gemakkelijker te controleren. dat onafhankelijk van het gewone landleger opereerde en een eigen strateeg had 295 . G. p. Hiertoe behoorden de grootste en sterkste dromons en het waren voornamelijk deze schepen die beschikten over het Griekse vuur. . cit. Zie ook T. TREADGOLD. maar de precieze organisatie is niet geheel duidelijk293 . p. W. zoals blijkt bij de rebellie van Thomas de Slaaf (821823). beschikten zij normaal gezien niet over Grieks vuur. 32-35. In zijn monografie over de dromon die binnenkort verschijnt. Het besloeg de Griekse eilanden in de Egeïsche Zee en de zuidkust van Anatolië. In 655 slaagden zij er zelfs in de trotse Byzantijnse zeemacht een zware nederlaag toe te dienen bij Phoenix in Carië. Een tweede categorie waren de provinciale vloten. loc. 315. 19-31. TOYNBEE. G.. 295 Hélène AHRWEILER. Het risico dat het gevaarlijke vuurwapen zich vroeg of laat tegen de keizer zou keren was daarom groot. parallel aan de reorganisatie van het landleger in themata (ca. cit. p. Waarschijnlijk werd toen een maritiem thema opgericht. A history of the Byzantine state and society. Carabisianoi 294 genaamd. 296 Hélène AHRWEILER. 325. Alhoewel zij ook voor een groot deel gefinanceerd en gecontroleerd werden door het centrale bestuur.

Hiervoor is opnieuw de Naumachica van keizer Leo VI zeer interessant 302 . n. wat niet altijd kan gezegd worden van enkele latere geschriften over de By- 297 298 E. Tactica. Zij opereerden vaak onafhankelijk van de andere twee groepen en waren van veel groter belang dan de provinciale vloten. 6. Dit maakt dit werk bijgevolg zeer interessant en vrij betrouwbaar. op. cit. EICKHOFF. op. Niet veel later kwam daar Kephallonië 299 bij en in de eerste helft van de 9de eeuw werden Samos en Aigaion Pelagos als aparte regio’s afgescheiden van het thema van de Cibyrrhaeoten. In tegenstelling tot de vorige groep waren zij niet afhankelijk van de bestuurder van een thema maar stonden zij onder het bevel van een drungarios die rechtstreeks door de keizer benoemd werd en enkel en alleen voor de zeemacht instond. Mogelijk kregen zij slechts beperkte voorraden van het nodige aardoliemengsel uit het centrale arsenaal in Constantinopel zodat het gevaar in geval van een opstand redelijk beperkt bleef 301 . 302 De Naumachica is een iets uitgebreidere versie van hoofdstuk XIX van de Tactica en is gepubliceerd in een verzameling onuitgegeven militaire traktaten door A. maar dat was zeker niet zonder risico want ook hun bevelhebbers durfden wel eens partij te kiezen tegen de keizer. 301 A. 11. pp. Een eerste was het thema van de Cibyrrhaeoten 298 dat opgericht werd in 732. Opmerkelijk is dat de keizer bij het schrijven van zijn traktaat geen beroep kon doen op ouder materiaal. 300 Hélène AHRWEILER. cit. was beperkt.82 vloot door Grieks vuur vernietigd werd 297 . n.. p. 34-35. Dit eiland had immers zeer sterk te leiden onder aanvallen van de moslims. Het aantal themata dat over een dergelijke vloot beschikte. Min of meer hetzelfde territorium als Carabisianoi. op. 44. Dain onder de toepasselijke titel Naumachica. XIX.. Omdat de enkele extra paragrafen hier van weinig belang zijn en niet ter sprake gebracht worden. verkiezen wij de verwijzingen naar de Tactica te blijven geven. Tactiek De ingebruikname van het Griekse vuur bracht ook gevoelige veranderingen teweeg in de tactiek die gevolgd werd bij zeeslagen. 327. I. TOYNBEE. maar zich volledig moest baseren op eigentijdse ervaringen 303 . 1. p. .. want het waren vooral zij die het hele Byzantijnse zeegebied moesten beschermen tegen allerlei invallen. Verschillende bronnen laten sterk vermoeden dat ook deze themavloten in het bezit waren van Grieks vuur 300 . Bovendien is dit laatste werk gemakkelijker terug te vinden dan de Naumachica. 303 LEO VI. 37. 3. Een derde en laatste categorie waren de themavloten. cit. 299 De Ionische eilanden aan de westkust van Griekenland. Daarom bestonden deze vloten ook uit grote dromons naast kleinere scheepstypes maar zij moesten wel met lokale financiele middelen uitgerust en bemand worden.

83
zantijnse marine die vaak een verkeerd blijken te geven van de realiteit 304 . Anderzijds wijst dit ook op de stiefmoederlijke behandeling van de vloot ten opzichte van het landleger, iets wat nog uit vele andere elementen kan afgeleid worden 305 . Voor deze andere tak van de oorlogsvoering beschikken wij ook over veel meer traktaten en de vroegste dateren reeds uit de Griekse klassieke periode 306 . Leo’s voorschriften laten onmiskenbaar blijken dat de praktijk van het rammen van vijandelijke schepen helemaal naar de achtergrond verwezen werd. In plaats daarvan beschoot men die eerst met Grieks vuur en met de hierboven beschreven projectielen. Vaak was dit blijkbaar onvoldoende om de tegenstander te verslaan en in dat geval was het nodig het andere schip te enteren en in lijf-aan-lijf-gevechten de opponenten proberen klein te krijgen. Niet zelden imiteerde men dus in een zeegevecht eigenlijk een strijd op het vasteland. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat de bemanning gewapend was met zwaarden, speren, pijlen en zelfs kleine katapulten. De beste en meest bewapende roeiers-soldaten werden op de bovenste rij geplaatst, de andere op de onderste 307 . Daarbovenop was er op elke grote dromon nog een groep zwaar gepantserde soldaten aanwezig die dezelfde uitrusting hadden als de cataphracten en op de houten platforms stonden 308 . Waarschijnlijk gaat het hier niet om speciale mariniers zoals men vroeger dacht, maar om echte landtroepen, zoals Constantinus VII aangeeft: op de 300 mannen per dromon moesten er 70 landsoldaten aanwezig zijn 309 . Blijkbaar waren die lijf-aan-lijf-gevechten niet het sterkste punt van de Byzantijnse vloot want keizer Leo raadt aan zoveel mogelijk het enteren van de eigen schepen en een strijd van man tegen man te vermijden 310 . Zij vertrouwden blijkbaar eerder op hun vuurwapens en ‘artillerie’. Opvallend is de grote voorzichtigheid waarmee zowel de Byzantijnen als de Arabieren te werk gingen. Voor zover dit mogelijk was, probeerde men directe confrontaties te vermijden. Enkel wanneer men vrij zeker was van de overwinning ging men tot de aanval over en onnodige risico’s nemen was uit den boze. Het bouwen en bemannen van oorlogsbodems was immers
304

Van deze bronnen heeft J. Pryor een grondige studie gemaakt die eveneens in zijn monografie over de dromon ter sprake komt. 305 T. G. KOLIAS, op. cit., pp. 134-135. Dit geldt ook voor keizer Leo VI. In zijn Tactica is immers slechts één van de twintig hoofdstukken aan oorlogsvoering op zee gewijd, de andere negentien enkel en alleen aan die te land. 306 Bijvoorbeeld de Poliorcetica van Aeneas Tacticus. 307 LEO VI, Tactica, XIX, §8; §18. 308 ID., op. cit., XIX, § 13; §65. 309 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., p. 670. Zie J. F. HALDON, op. cit., p. 225, n. 68. 310 LEO VI, op. cit., § 25.

84
een zeer dure aangelegenheid en het goed opleiden van zeelui vergde veel tijd. Een groot verlies op zee was dus veel rampzaliger dan bij een veldslag 311 . Om die reden probeerde men ook in de mate van het mogelijke vijandelijke schepen buit te maken en niet nodeloos te vernielen 312 . Enkel in noodsituaties werd heel de vloot betrokken in een zeeslag, maar het zijn juist deze gevechten die het meeste weerklank kregen bij de geschiedschrijvers. Leo VI raadt dit ten stelligste af 313 . De verliezen in geval van een nederlaag zouden immers zeer desastreus kunnen zijn. Meestal ging het om één of enkele eskaders die elk afzonderlijk opereerden en dan spreken we over hoogstens enkele tientallen schepen. Historische auteurs overdreven dikwijls de cijfers over het aantal boten dat deelnam aan grote ondernemingen of zeeslagen. Bij de herovering van Kreta in 961 bijvoorbeeld geeft Theophanes Continuatus het waanzinnige getal van ruim 3000 314 . In een nog niet zo lang gepubliceerd heiligenleven is er sprake van slechts 250 schepen, een getal dat veel beter de realiteit weergeeft 315 . Bij gelijkaardige, mislukte pogingen in de decennia daarvoor is er bij Constantinus Porphyrogenitus sprake van welgeteld 100 oorlogsbodems in 911 en 128 in 949 316 , en dan spreken we nog van groots opgezette expedities! Waarschijnlijk bedroeg de totale Byzantijnse oorlogsvloot tijdens de eerste helft van de 10de eeuw ruim 300 schepen, heel wat minder dus dan wat men op het eerste zicht zou denken op basis van de historische auteurs. Bij enkele grootschalige ondernemingen kon het wel gebeuren dat gewone schepen tijdelijk omgebouwd werden tot oorlogsbodems 317 . Omdat men dus meestal op vrij beperkte schaal opereerde, probeerde men meestal de vijand eerder te verschalken door verrassingsaanvallen of listen dan door brute aanvallen. Bij de aanvang van een reguliere zeeslag vertrok men meestal uit een formatie in een halve cirkel, en niet compact bij elkaar 318 . Dit bood immers het voordeel dat er een grote waaier aan mogelijke tactieken bleef en men zo de vijand gemakkelijker kon proberen om de tuin te leiden door schijngevechten, plotse manoeuvres, enz. met de bedoeling hem te omsingelen. De grootste en sterkste dromons werden op de flanken geposteerd en konden in frontale positie beter hun grote aanvalskracht ten toon spreiden, in de eerste plaats het Griekse vuur, gevolgd door

311

R. H. DOLLEY, Naval tactics in the heyday of the Byzantine thalassocracy, p. 325. V. CHRISTIDES, op. cit., p. 60. 312 J. H. PRYOR, op. cit., p. 59. 313 LEO VI, op. cit., §22. 314 THEOPHANES CONTINUATUS, Chronographia, p. 475. 315 T. G. KOLIAS, op. cit., p. 137. 316 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS, op. cit., II, 44-45. Zie J. F. HALDON, op. cit., pp. 334-335. 317 R. H. DOLLEY, op. cit., p. 327. 318 LEO VI, op. cit., §44.

85
het hele arsenaal andere projectielen. Zo trachtte men de vijandelijke schepen bijeen te drijven, een deel daarvan te vernietigen en de rest tot overgave te dwingen. Zoals eerder gezegd, wilden de Byzantijnen entering zoveel mogelijk vermijden 319 . Uit het voorgaande blijkt dus dat het Griekse vuur wel een vrij belangrijk, maar vaak niet doorslaggevend element was bij de zeeslagen. Dit vermoeden wordt ook versterkt door de gegevens in de De Cerimoniis: alle schepen hadden sifons om Grieks vuur af te schieten aan boord, maar dit volstond niet om de expeditie naar Kreta in 949 tot een goed einde te brengen. Dat roept natuurlijk vraagtekens op over de grote impact dat dit wapen volgens velen zou gehad hebben.

319

R. H. DOLLEY, op. cit., pp. 327-328; E. EICKHOFF, op. cit., pp. 162-168.

Le feu grégeois et les origines de la poudre à canon. op. De impact van het Griekse vuur blijkt inderdaad minder groot te zijn geweest dan vroeger vaak werd aangenomen. PARTINGTON. GIBBON die in zijn standaardwerk History of the decline and fall of the Roman empire (ed. E. XXXI. p. H. Ook bij MARCUS GRAECUS.. Ook dit idee moet bijgesteld worden volgens de laatste bevindingen van enkele geleerden en is recent zeer sterk aangevochten door T. 39. Korres 322 . cit. BERTHELOT. maar volgens de huidige wetenschappers zijn deze vloeistoffen in de praktijk niet of nauwelijks beter dan water. 11 het Griekse vuur het palladium van de Byzantijnse staat noemde. hebben we dit werk niet kunnen raadplegen. Zie PLINIUS MAIOR. Zie Gabriele PASCH. op. Uit enkele teksten blijkt namelijk dat men wel degelijk in staat was om zich fatsoenlijk te beveiligen tegen het vernietigende effect van dit vuurwapen. zoals 320 321 Zie bijv. J.. werd in de oudere literatuur dikwijls voor een groot deel aan dit geheime wapen toegeschreven 321 . B. of ook met urine 323 . VI. JUgro. is nog voor heel wat discussie vatbaar.n PØr.. op. Le “Corpus perditum”. 795-6. Azijn werd al vele honderden jaren beschouwd als een adequaat middel om zich te verweren tegen allerlei vuurwapens. Een eerste belangrijk aspect om de belangrijke vraag naar het werkelijke effect en belang van het Griekse vuur te bespreken. Zoals al eerder gezegd. Het belang van de uitvinding van dit vuurwapen wordt soms zelfs vergeleken met die van de atoombom 320 en ook het feit dat het Byzantijnse rijk het onwaarschijnlijk lang uitgehouden heeft. Daarbij paste men methodes toe die teruggingen op eeuwenoude gewoontes. is te kijken in welke mate het mogelijk was voor de vijanden van de Byzantijnen om zich hiertegen te beschermen. p. en kunnen dan ook weinig van dienst zijn om brandende pek of olie te doven. 323 AENEAS TACTICUS. Vaak lezen we in de antieke literatuur dat men daarmee het vuur kon blussen. A. XXIV en n. Veel effectiever is zand. Dit is vooral gebaseerd op de mening van E.. M. BURY). pp. BESCHERMINGSMIDDELEN TEGEN HET GRIEKSE VUUR Volgens de traditionele visie was de kracht van het Griekse vuur zo groot dat men er zich zeer moeilijk kon tegen beschermen. R. Les compositions incendaires dans l’ Antiquité et au moyen âge. op. vEna ovplo thH buzantinhvH nautikhvH taktikhvH. maar in welke mate we het belang ervan moet relativeren. Waarschijnlijk bedoelde men met het begrip azijn ook zout bevattende vloeistoffen. . R. pp.86 V. 324 J. 61. cit. cit. 1 voor andere auteurs. P. vooral pekel. ELLIS DAVIDSON. 5. pp. KORRES. cit. p. 322 T. 364-366 voor zijn belangrijkste standpunten. K. The secret weapon of Byzantium. wat wel meer geschikt zou zijn als blusmiddel 324 . § 11 vinden we nog steeds dezelfde traditionele blusmiddels terug. 39-40. DAIN.

cit. 331 AMMIANUS MARCELLINUS. MARCUS GRAECUS. cit.. 30. 5.H o[xei perideuvsanteH touvtoiH te psan perieilhfovteH th.. E.. Op dezelfde wijze konden de Romeinen hun belegeringstuigen beschermen tegen de Perzen in 296 331 . ga. XXIII. Al bij Thucydides vinden we dit principe terug: de inwoners van Plataea bedekten de houten omwalling met huiden 327 . 796. Wanneer men ze in azijn of pekel doopt. p. Noctes Atticae. periv pou to.87 Plinius Maior vermeldt 325 . 180. is ons niet duidelijk want we vinden die nergens meer vermeld. Beter dan blussen is natuurlijk het voorkomen van brand. op. cit. 283. of ook linnen doeken die meermaals in azijn gedrenkt zijn 326 . is dit veel beter dan in gewoon water.n jAbuvdou gegonovteH porqmo. Mogelijk werd dit aangewend om de tempel voor een nieuwe brand te behoeden. jAll jejkeÃnoi. in tegenstelling tot het gebruik van linnen of huiden 332 . 332 Zie bijv. § 11. XV. Behalve voor het looien van leer kon dit product ook gebruikt worden om hout te behandelen en brandvrij te maken. Om de schepen te beschermen tegen het Griekse vuur paste men het principe van de in azijn gedrenkte doeken toe. die verhaalt hoe een generaal van Mithridates in 87 v. II. 327 THUCYDIDES. 6. een houten toren van vernietiging door vuur kon sparen door hem met aluin in te smeren 330 .. LEO VI. 1. JRwmaÃoi toivnun ejpeidh. Herodotus vertelt dat de Egyptische farao Amasis een grote hoeveelheid aluin schonk voor de heropbouw van de tempel in Delphi. XX. op.C. 5. P. mhde. 37. want beide vloeistoffen worden beter geabsorbeerd en zorgen ervoor dat zowel het hout als het bedekkingsmateriaal minder snel uitdrogen 328 . op.r pØr porrwtavtw h] 325 326 PLINIUS MAIOR. p. pivlouH tina. Al in de Griekse oudheid was deze methode goed gekend. XV. Of de Byzantijnen ook deze protectiemethode toepasten. zoals Joannes Cinnamus meedeelt 333 : JRwmaÃoi de.C. cit. II. 329 HERODOTUS. afgebrand was 329 . BERTHELOT.. R. 13. cit. aijsqovmenoi katovpin aujtän ejdivwxan. Explicietere verwijzingen vinden we onder meer terug bij Aulus Gellius. op. en daarvoor was de beste methode het bekleden van houten tuigen met doeken of dierenhuiden die in azijn of urine gedrenkt waren. 330 AULUS GELLIUS. 333 JOANNES CINNAMUS. op. . op. flevxein dienooØnto. 75.n naØn ejstevllonto qarsalevoi.n Mhdikè puri. 328 J. cit. Een ander efficiënt middel was aluin.. a{te tän JRwma^kän ejqavdeH ejpithdeumavtwn. ejggivsantevH te aujtoÃH. M. die in 548 v. PARTINGTON. p.n ajnuvsein eÉcon (to.

des feux de guerre. Toch was deze methode niet voor honderd procent veilig want in een Arabisch manuscript lezen we het volgende 334 : Je kan ook een mengsel maken van balsemolie en naft. e[yauen h] kai. maar in een licht gewijzigde vorm. gingen ze onverrichterzake weg. III. th. weten we niet. Toen de Byzantijnen dit vernomen hadden. pelavsan toÃH pivloiH ajpostrefovmenon kaq juJdavtwn ejsbevnnuto pesovn). . les Persans et les Chinois. maar hoogstwaarschijnlijk waren er wel degelijk middeltjes voor de aanvallers om het effect van de beschermingsmaatregelen van de vijand te verminderen. de vijanden van de Byzantijnen bij uitstek. T. 373 (= Patrologia Orientalis. 335 SEVERUS IBN AL-MUQAFFA. p. Of dit mengsel in de praktijk werkelijk doeltreffend was. REINAUD. Deze samenstelling heeft de eigenschap de linnen stoffen te verbranden waarmee de Byzantijnen zich bedekken. achtervolgden ze hen (scil. Vervolgens 334 J. ook al raakte het het.88 ejcr−n ejpi. rustten de onverschrokkenen het schip uit door vilten doeken in azijn te drenken en het hele schip ermee te bekleden. 119). waren ze van plan hen te verbranden met Medisch vuur. werd het door de vilten doeken afgeketst en viel het in het water en werd het uitgedoofd). 268. het hoofd van de arsenalen van Egypte. Du feu grégeois. I. de Venetianen) daarna. Anders zou het moeilijk te verklaren zijn hoe het dan nog überhaupt mogelijk was dat het Griekse vuur en andere vuurwapens nog voor lange tijd geduchte wapens waren die er toch regelmatig nog voor zorgden dat boten of houten torens en belegeringswerktuigen in vlammen opgingen. FAVÉ. Hij nam lompen van linnen en verschillende kruiden die hij vermengde. In de Geschiedenis van de Patriarchen van Alexandrië wordt verteld dat een zekere Abd ar-Rahim. Maar omdat zij echter vertrouwd waren met de Byzantijnse gewoontes. in 749 al een methode uitvond om zijn schepen tegen vuur te beschermen 335 : Zijn inspanningen zorgden uiteindelijk voor nooit geziene resultaten. pasten het hierboven beschreven procédé al snel na de uitvinding van het Griekse vuur toe. a[praktoi ajnecwvrhsan. et des origines de la poudre à canon chez les Arabes.n brin ajkontizovmenon h] oujde. Aangezien de Byzantijnen nu echter geen succes hadden (want het vuur werd veel verder geslingerd naar het schip dan nodig was of raakte het niet of. naderden hen en toe ze zich ergens in de omgeving bevonden van de zeeëngte van Abydos. 5. De Arabieren. Historia patriarcharum Alexandrinorum. p.

334. VAN NOTEN). cit. 675. p. PARTINGTON. p. zoals enkele bronnen expliciet stellen: De ‘talq’ zal in geen duizend jaar verhitten. Het is hiermee dat de ‘naffatin’ zich insmeren wanneer zij het vuur willen betreden 337 . In de latere militaire handboeken vindt men nog verschillende andere formules terug 340 en zelfs afbeeldingen van dergelijke beschermende kledij voor soldaten en strijdrossen 341 .. Madjmu’al Rasail (ed. smeren zich ermee in 338 . II. Zie M. Welke plant(en) nu specifiek gebruikt werd(en). wanneer het vuur door de Byzantijnen op de schepen zou geworpen worden. cit. pp. integendeel. . zelfs al wordt ze bloot gesteld aan de werking van vuur.. Bij336 337 ID. cit. zoals even verder in de tekst nog eens verduidelijkt wordt 336 . MERCIER. op. pp. 342 Zie n.. 343 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. Mogelijk ging het om mica. 57..89 smeerde hij daarmee de schepen van de vloot in opdat. Uit deze twee korte definities blijkt wel dat men het gebruik van talq zeker niet alleen beperkte tot de oorlogsbodems. Het belangrijkste element was dat deze Egyptenaar blijkbaar de brandwerende eigenschappen ontdekt had van een speciaal mengsel van planten. op. Degenen die in een vlammenzee gaan. 340 J.. Zie M. het vuur werd onmiddellijk gedoofd. maar ook toepaste voor de bescherming van de elitesoldaten die met vuurwapens omgingen. maar in de bronnen is hier weinig van terug te vinden. cit. XII. 5. 101. hanteerden de Byzantijnen zelf gelijkaardige methodes om hun schepen te beschermen tegen de islamitische vuurwapens. weten we niet. III. p. In de lijst van de De Cerimoniis staan wel grote hoeveelheden huiden en nagels vermeld die niet anders dan voor dit doel kunnen gediend hebben 343 . Wat dit precies was. 197-207. En dit feit heb ik met eigen ogen gezien: de schepen werden bereikt door het vuur. cit. 45. is tot op heden niet duidelijk. 341 Zie Fig. maar werden helemaal niet in brand gestoken. 57-58. R. 432 (= Patrologia Orientalis. p. 178). 339 M. 70. Deze substantie van plantaardige oorsprong was volgens hen een uitstekend middel om zich tegen vuur te beschermen. Zoals een Arabische tekst aangeeft 342 .. JAHIZ. op. zij niet in brand zouden vliegen. maar waarschijnlijk ging het hier al om wat in de latere Arabische lectuur meestal talq genoemd wordt. p. cit. op. loc. MERCIER. Men zegt dat het het uitgeperst sap van een plant is. 22. maar daar is geen sluitend bewijs voor te vinden 339 . Talq: soort van geneesmiddel. 338 LISAN AL-ARAB. op. MERCIER.

op. EICKHOFF.90 komend voordeel was dat zij ook de impact van andere projectielen die afgeschoten werden. p. 142. 344 E. konden verminderen 344 .. cit. .

Zo zal het mogelijk zijn om een coherenter beeld te vormen van het ge- 345 Zie hoofdstuk II. Om een nog betere kijk op de zaak te krijgen. Dikwijls zeggen moderne auteurs ook dat de bronnen talrijke gebeurtenissen opnoemen waarin het Griekse vuur een rol speelde. In de mate van het mogelijke hebben wij geprobeerd dit gebrek te verhelpen. willen we in de mate van het mogelijke onderzoeken of het in die gevallen al dan niet doorslaggevend was en wat de context was.91 VI. Weliswaar zijn een aantal gevallen ons ongetwijfeld ontgaan omdat men soms simpelweg pØr gebruikt heeft in plaats van een van de meer specifieke termen 345 . HISTORISCH BELANG VAN HET GRIEKSE VUUR 1. 1. . Historisch overzicht Als bij de bespreking van de oorlogsschepen en –tactiek en van de beschermmethodes tegen het Griekse vuur al gebleken is dat het reële effect van dit fameuze wapen niet zo verwoestend was als vaak wordt verondersteld. maar dit lag niet in onze mogelijkheid. Dit is nochtans van primordiaal belang als we te weten willen komen wat de echte betekenis ervan was voor de geschiedenis van het Byzantijnse rijk en of uitspraken als zou dankzij dit staatsgeheim het imperium voor eeuwen gered zijn. gegrond zijn. maar in veel gevallen is het dan ook moeilijk uit te maken of het werkelijk om Grieks vuur ging. maar behalve enkele steeds terugkomende voorbeelden gaat men daar nooit dieper op in. Toch zijn het vooral de Byzantijnse bronnen die hier belangrijk zijn. Tot onze grote verrassing hebben wij moeten vaststellen dat het aantal vermeldingen veel beperkter was dan wij vooraf gedacht hadden. Een systematisch en exhaustief onderzoek naar wanneer en hoe het Griekse vuur gehanteerd werd. zou men ook de Arabische bronnen exhaustief moeten onderzoeken. eerst en vooral door op trefwoorden te zoeken in de Thesaurus Linguae Graecae waarin de belangrijkste Byzantijnse geschiedschrijvers opgenomen zijn. komt dit nog duidelijker naar voren als we onderzoeken bij welke gelegenheden het ingezet werd en de Byzantijnen de overwinning schonk. is naar wij weten nog niet gebeurd. Bij de belangrijke zeges waar het Griekse vuur wel aan bod komt. want zij waren natuurlijk het best op de hoogte van de gebeurtenissen en zouden het zeker niet verzwegen hebben mocht een overwinning mede te danken zijn geweest aan hun belangrijkste vuurwapen. Zoals gezegd waren er nog vele andere manieren om de vijand met vuur te bestoken.

op. cit. is de precieze chronologie van deze Arabische aanval nog altijd fel omstreden en wordt ook steeds meer betwijfeld of er sprake was van een echte belegering. By-zantium in the seventh century. de voor. maar dit is in strijd met wat hij even verder zegt 349 . IV. op. TSANGADAS. Les expéditions des Arabes contre Constantinople. CANARD. p. Vaak neemt men aan dat dit wapen al in 672 of 673 ten tonele verscheen zoals Theophanes stelt 348 . besloot de keizer een tegenoffensief in te zetten dat in de herfst van het volgende jaar in het voordeel van de Byzantijnen beslecht werd. 353. pp. Het lijkt er dus op dat de situatie voor de inwoners aanvankelijk niet zo precair was als men laat uitschijnen. wordt nu niet meer aanvaard. Van een systematische blokkade van Constantinopel tijdens de beginjaren was geen sprake. Geschichte des byzantinischen Staates.. Volgens ons gaat het hier om een onnauwkeurigheid van deze kroniekschrijver en is er geen sprake van dat het ging om een kleine aanpassing aan een bestaand wapen 350 . pp. A. A history of the Byzantine state and society. cit. 348 ID. p. terwijl zij in de winter gelegerd waren in Cyzicus. STRATOS. pp. pp.en nadelen van het wapen en uiteindelijk van het historisch belang ervan voor de gehele Byzantijnse geschiedenis. maar dat is nu bijgesteld tot eind 677..92 bruik. G. 347 THEOPHANES CONFESSOR. Omdat de Byzantijnse bronnen wemelen van de onjuistheden en tegenstrijdigheden. Wanneer nu juist het Griekse vuur voor het eerst ingezet werd.. 354. C. P. 346 . op.. nergens van een landleger dat noodzakelijk zou geweest zijn om de stad efficiënt af te sluiten. Waarschijnlijk ging het eerder om jaarlijks terugkerende raids van de Arabieren op de streek rond de hoofdstad. maar ook met de traditionele visie dat het duurde tussen 674 en 678 zijn er problemen. 350 Zie pp. cit.. niet zo verwonderlijk eigenlijk omdat de moslims toen hun eerste grote nederlaag leden. Waarschijnlijk begon dit in 674. Vroeger dateerde men het einde in 678. B. 354.. 349 ID. pp. In eerste instantie werd het Griekse vuur gebruikt tegen de Arabieren. N. maar blijkbaar was de Byzantijnse vloot toen niet sterk genoeg om de Arabieren te verdrijven. p. Dat het om een zeven jaren durend beleg ging zoals Theophanes beweert 347 . want de bronnen spreken vreemd genoeg enkel van een Arabische zeemacht. maar er zijn aanwijzingen dat al in 669/670 de eerste schermutselingen plaatsvonden. De eerste maal werd de belegering van Constantinopel in 677 beëindigd dankzij het nieuwe wapen dat uitgevonden zou zijn door Callinicus 346 . Pas wanneer er in 676 landtroepen arriveerden en ook de Slaven Thessaloniki ernstig bedreigden. W. OSTROGORSKY. 103-104. op. 77-80. 325-327. TREADGOLD. Jammer genoeg zijn de islamitische teksten heel summier en weinig behulpzaam. cit. 17-18. Het lijkt ons uitermate M. 26-39. is eveneens fel bediscussieerd. 107-133.

. Ondanks dit verlies was het voor de Arabieren geen probleem om het beleg te beginnen en de inwoners van de hoofdstad ook op zee te isoleren. In tegenstelling tot enkele decennia ervoor ging het hier wel om een echt beleg van de hoofdstad met een volledige blokkade zowel te land als ter zee. pp. meerden een Egyptische en een Afrikaanse vloot aan de Aziatische kant van de Bosporus aan. 19-33. OSTROGORSKY. maar dit was blijkbaar niet voldoende om het beleg te staken.. was de zeer strenge winter waardoor er ziektes en hongersnood uitbraken. Een gedeelte van de vloot werd kort daarvoor weliswaar door een zware herfststorm vernietigd. Alle teksten. Uit vrees voor aanvallen met het Griekse vuur. 346-9. pp. te meer daar ook een poging om over land extra manschappen en eten aan te voeren. op. P. Een tweede beruchte confrontatie met de Arabieren waar het nieuwe vuurwapen aan te pas kwam. M. G. TREADGOLD. W. cit. en niet alleen de Byzantijnse. CANARD. BROOKS. Op de vraag of het hier van doorslaggevend belang was. verijdeld werd. op. was de belegering van Constantinopel in 717718 351 . Dit betekende een zware klap voor de moslims. cit. cit. cit. TSANGADAS. W. Bij een Byzantijnse overwinning op de islamitische vloot in 673 is er trouwens nog nergens een spoor van dit wapen te vinden. op. Wat de belegeraars meer in de problemen bracht. pp. 134-152. is het antwoord positief. The campaign of 716-718. B. 130-131. Gelukkig is het deze keer niet zo problematisch om tot een coherent beeld van de toenmalige gebeurtenissen te komen en dan blijkt het Griekse vuur hier toch een minder doorslaggevende betekenis te hebben gehad dan in 677. al was het daar niet helemaal sluitend en slaagden de Byzantijnen er nu en dan wel in voedsel binnen te smokkelen . pp. maar het leeuwendeel van de armada kon zich in veiligheid brengen 352 . pp. Door het verraad van Koptische christenen kwam de keizer dit echter te weten en stuurde hij prompt daarna dromons uit die erin slaagden een deel van de vijandelijke voorraadschepen te vernietigen met behulp van Grieks vuur en de rest buit te maken.. op. 80-94. Een aanval met schepen met Grieks vuur was dat wel. from Arabic sources. bevestigen dat daardoor de Arabieren verrast en verslagen werden..93 vreemd en onlogisch dat men enkele jaren zou gewacht hebben om dit ultieme redmiddel in de strijd te werpen en ook andere bronnen plaatsen het verschijnen van het Griekse vuur naar het einde van de Arabische campagne. In de lente van 718 probeerden de Arabieren versterkingen en voedsel te sturen naar hun noodlijdende troepen maar dit plan mislukte. . C. De doodsteek kwam er echter pas toen Constan351 E. Bij de aankomst van de immense vloot van de moslims slaagde de kersverse keizer Leo III er weliswaar in om een twintigtal schepen van de achterhoede met dit vuurwapen in brand te steken.

TREADGOLD. p. p. XV. Thomas le Slave.. cit. slaagde Leo er gelukkig zonder veel moeite in om de opstandelingen met Grieks vuur te overdonderen en te overwinnen 354 . In veel Arabische en Syrische bronnen is er zelfs geen spoor terug te vinden van Grieks vuur.. cit. Op zee bleven de Byzantijnen dus het gevaarlijkst dankzij hun geheime wapen. Synopsis historiarum. die in 821 door enkele themata uitgeroepen was als rechtmatige opvolger van Leo V. cit. 171-172. 25. pp. 63-64. W. Deze troonpretendent slaagde erin om een groot leger en vloot op de been te brengen en Constantinopel te belegeren. G. NICEPHORUS CONSTANTINOPOLITANUS.. JOANNES CEDRENUS. 352. 5455. pp.. LEMERLE. 405. Chronographia. moest hij overwinteren en versterkingen afwachten. cit. JOANNES SCYLITZES. Daardoor was de weg vrijgemaakt voor het tegenoffensief dat de keizer eind 823 in zijn voordeel kon beslechten met de teTHEOPHANES CONFESSOR. pp. 356 P. p. 354 THEOPHANES CONFESSOR. cit. 789-790. Ondanks deze belangrijke overwinning op zee werd Michaël II nog altijd bedreigd door landtroepen. 396. Het was pas door de komst van de Bulgaarse khan Omurtag dat de omsingeling definitief kon doorbroken worden. pp. 23. 255-297.. cit. Omdat hij niet snel een doorbraak kon forceren. Chronicon. op. SYMEON MAGISTER. Ook een kleine eeuw later kwam dit vuurwapen keizer Michaël II goed te pas bij de strijd tegen zijn rivaal Thomas de Slaaf. op. pp. p. Niet lang daarna bleek dit wapen ook goed van pas te komen tegen een heel andere vijand... Tal van andere factoren speelden eveneens een belangrijke rol. II. op. TREADGOLD. Chronographia. JOANNES ZONARAS. 434-435. p. 396-397. In 727.. XVI. die op Kerstmis van het jaar daarvoor vermoord was 356 . ID. op. Toen deze met een vloot Constantinopel naderde. cit. JOSEPHUS GENESIUS. 357 THEOPHANES CONTINUATUS. 355 W. Annales. 1. maar het leeuwendeel van de provinciale vloten ging door het afschieten van Grieks vuur in de vlammen op 357 . p. 621. op.. 786. 353 352 . Die kwamen er ook. korte tijd na het ontketenen van zijn iconoclastistische revolutie. cit. cit. Als gevolg daarvan werd het thema Carabisianoi opgedoekt en vervangen door dat van de Cibyrrhaeoten. genoemd naar een stad in Zuid-Anatolië 355 .94 tinopel hulp kreeg van de Bulgaren die er snel in slaagden de Arabieren definitief te verjagen 353 . OSTROGORSKY. dus het lijkt er sterk op dat het op dat moment nog exclusief toebehoorde aan de keizerlijke vloot. op. GEORGIUS MONACHUS CONTINUATUS. op. Breviarium Historicum. JOANNES ZONARAS. 37.. maar dit wapen alleen zou deze keer hoogstwaarschijnlijk niet voldoende geweest zijn om de overwinning te behalen. op. Nergens is er sprake van dat de rebellen in het bezit zouden geweest zijn van dit gevaarlijke wapen. kreeg Leo III namelijk af te rekenen met een opstand van het maritieme thema Carabisianoi waar een zekere Cosmas uitgeroepen werd als tegenkeizer. op. p.

n. Tenslotte werd dit wapen nog een derde keer bij een binnenlands conflict gebruikt. 359 358 . Zie pp. In 733 slaagden de Byzantijnen erin een Afrikaans eskader te verbranden in de buurt van Sicilië 360 . 1. 298-299.. JOANNES SCYLITZES. 1. cit. II. 360 Dit is ons enkel overgeleverd in enkele Arabische geschiedwerken. op. 323.. 56. Ook in dit geval redde het Griekse vuur de vloot van die keizer en schonk het hem op zee de overwinning. cit. bezaten dit wapen blijkbaar niet. 37.95 rechtstelling van Thomas. maar het valt dadelijk op dat het hier gaat om kleinere overwinningen en dat hun aantal beperkt is. cit. op. Tegen hen werd de Nicetas Oöryphas. p. Meestal geven de bronnen ons zeer weinig details zodat het uiterst moeilijk is om te bepalen op welke manier en in welke omstandigheden de vermelde zeeslagen plaatsvonden. In datzelfde jaar werd eveneens een halt toegeroepen aan de Kretenzische Arabieren die steeds lelijker huishielden in het Egeïsche-Zeegebied. De schepen van Thomas de Slaaf die van provinciale vloten afkomstig waren. zodat ook in dit geval. Eerst slaagde de Byzantijnse vloot er op die manier in om de zeeblokkade van de belegerde stad Euripus 362 op te ruimen 363 . In 977 werd tijdens een burgeroorlog Nicaea belegerd waarbij machines voor de lancering ervan ingezet werden 358 . 68. cit. In de eerste helft van de 8ste eeuw hebben wij weet van twee dergelijke gebeurtenissen. 67-68.. A. 151152. Hoogstwaarschijnlijk betrof het hier ‘granaten’ zoals we hierboven beschreven hebben 359 . cit. hulp van buitenaf nodig was om het bezettingsleger te ontzetten. 363 THEOPHANES CONTINUATUS. Pas in 873 duiken weer zeeslagen op waar het Griekse vuur de moslims nederlagen toediende.. p. 361 NICEPHORUS CONSTANTINOPOLITANUS. VASILIEV. Daarom zullen we deze gebeurtenissen slechts kort aanhalen. Op het land kon met Grieks vuur toen nog niet gestreden worden. zelfs tegen een tegenstander die numeriek ruim in het voordeel was. cit. uitgezonden. Zie A.. Zie E. 362 Chalcis op het eiland Euboia.. Daarna is er een lange periode zonder enig dergelijke getuigenis. maar dit is wel noodzakelijk om een beter zicht te krijgen op het vraagstuk van de historische betekenis van het vuurwapen in kwestie. op. Een belangrijker overwinning was die van de thematische vloot van de Cibyrrhaeoten op Arabieren uit Alexandrië bij Cyprus in 748 361 . Behalve bij deze enkele interne conflicten werd het Griekse vuur van de 8ste tot de 10de eeuw voornamelijk nog gebruikt in de strijd tegen de Arabieren. net als bij het Arabisch beleg van 717-718. pp. Uitzonderlijk is de vermelding dat het op het vasteland gebruikt werd. Tijdens het gevecht dat plaatsvond rond JOANNES SCYLITZES. Alhoewel deze twee bronnen deze gebeurtenis zeker dateren in 873 wordt dit betwijfeld door enkele moderne geleerden omdat betrouwbare Arabische teksten dit later plaatsen. pp. op. p. EICKHOFF. op. drungarios van de keizerlijke vloot. op.

Dadelijk na het verdrijven van de Russen 368 stuurde keizer Constantinus VII een eskader oorlogsbodems naar zijn bondgenoot Hugo van Provence. op. 367 JOSEPHUS GENESIUS. Zij konden de Saracenen verrassen bij Methone 366 en staken met de sifons een groot deel van de vijandelijke schepen in brand 367 . Zie A.. p. op.. cit. II. cit. is het niet duidelijk of ze het toen daadwerkelijk gebruikt hebben. terwijl Hugo met zijn leger de stad kon veroveren 370 . 155. 453-454. 300. A. 370 LIUTPRAND CREMONENSIS. koning van Italië. 371 THEOPHANES CONTINUATUS. Daarna was het opnieuw een hele periode stil tot 942. TREADGOLD. 9. Alhoewel expliciet gezegd wordt dat de Byzantijnen hun schepen uitgerust hadden met Grieks vuur. cit. IV.. cit. In 961 tenslotte werd een vloot van 250 à 300 oorlogsbodems met sifons aan boord naar Kreta gestuurd om het eiland te heroveren 373 . cit. JOANNES SCYLITZES. Antapodosis. Een zeldzame keer was hun geheime wapen ook succesvol in het Oosten. op. op.. cit. pp.. 97-98. p. dankzij het vuurwapen de oprukkende vloot van Sayf al-Dawlah een nederlaag toedienen bij Tarsus alhoewel de Grieken numeriek sterk in de minderheid waren 371 . cit. cit. II. Dat lukte ook na de verovering van de hoofdstad Chandax. A.. II. om een actie te ondernemen tegen hinderlijke Arabische piraten. Zie A. W. 54. cit. VASILIEV. 371-372.. 365 364 .. op. 294295.. 1. 34. op. II. p. Zie A. THEOPHANES CONTINUATUS. op. 372 ID. JOANNES ZONARAS. V. A.. nu onder leiding van Nasar. 368 Zie pp. A. Enkele jaren later. cit. 152. Datzelfde jaar werd ook een strafexpeditie ondernomen tegen de inwoners van Napels en de Langobarden die meeheulden met de Saracenen. 460. is eerder twijfelachtig aangezien de oorlog Plaats gelegen op de Chersonesus in Thracië. 16. op. p. In de herfst van 956 kon de jonge strateeg van het thema van de Cibyrrhaeoten. VASILIEV. 366 Havenstad in de Peloponnesus. 1. VASILIEV. 1. TREADGOLD. pp. 360. De gezamenlijke expeditie wierp vruchten af. 453. 457. in 880. XVI. die op expeditie uitgezonden waren. 369 Het huidige La-Garde Freinet in Zuid-Frankrijk. maar het is wel waarschijnlijk 372 . Er werden zowel een landleger als een vloot ingezet die erin slaagden op beide fronten hun slag thuis te halen. VASILIEV. pp. cit. op. Of de vuurwapens hier echt van veel nut geweest zijn. op. Basilius Hexamilites. Zie A..96 Cardia 364 werden 20 vijandelijke schepen in brand gestoken en de rest op de vlucht gejaagd 365 . cit. 1. JOANNES SCYLITZES. op. VASILIEV. Zie A. cit. op.. op. cit.. p. W. wisten de Byzantijnen in hetzelfde gebied opnieuw een klinkende overwinning te behalen op de moslims. p. Met hun Griekse vuur vernietigden de Grieken zonder problemen de vijandige vloot in de omgeving van Fraxinetum 369 . 1. p.. Ook deze keer waren het dromons van de centrale zeemacht uit Constantinopel. A. 96-97. p. pp. op. II.

p. sed et victoria voluit honorare. 758. Vanaf de 10de eeuw werd het Griekse vuur tegen een andere belangrijke vijand gebruikt. LEO DIACONUS. nonnulli vero natantes inter ipsos maris fluctus uruntur. . LIUTPRAND CREMONENSIS. werd aan Romanus gemeld dat hij 15 half vergane chelandia had. e navibus confestim sese in mare proiciunt. ad se venire praecepit. om naar hem te komen en hij zei tot hen: “Haast jullie zonder uitstel en rust de chelandia die overgebleven zijn uit. SYMEON MAGISTER. monoxylen genaamd. nuntiatum est Romano XV semifracta se habere chelándia.. ventis tunc placidum reddidit mare – secus enim ob ignis emissionem Grecis esset incommodum -. op. eliguntque potius undis submergi quam igne cremari. se adorantes. Hoe zij erin slaagden om de grote overmacht toch te verdrijven. Alii tunc loricis et galeis onerati. op. die het volk als enige overgelaten had wegens de ouderdom. numquam visuri ima pelagi petunt. I. op. Denique miserator et misericors Dominus. insuper in utrisque lateribus ponite”. Deze aanval viel voor de Byzantijnen zeer ongelegen want er kon slechts op een kleine strijdmacht beroep gedaan worden. Quod ut audivit. qui fuga sese ad terram non liberavit. cit. Quod dum Rusi conspiciunt. Terwijl Igor alle gebieden dicht bij de zee plunderde. cit. 3. verum etiam in puppi. toØH kalafav-taH. wordt kleurrijk verteld door Liutprand van Cremona 374 : Ínger cuncta mari vicina diriperet. Toen hij dit gehoord had.97 hoofdzakelijk op het land uitgevochten werd. Hierna is er in de bronnen geen spoor meer terug te vinden van het inzetten van Grieks vuur tegen de Arabieren. Profecti denique.. cum in pelago eos positos rex Ínger aspiceret. hoc est navium compositores.. maar ook op de achtersteven en daarenboven op bei373 374 ID. beval hij de kalafaten. sed et argumentum quo ignis proicitur non in prora solum. Heel verwonderlijk is dit niet omdat hierna de keizers te vloot serieus verwaarloosden en zich alleen concentreerden op het landleger. Compositis itaque secundum iussionem suam chelandiis sapientissimos in eis viros collocat atque ut regi Íngero occurrant denuntiat.. qui se colentes. cit. 15. quae populus ob vetustatem sola reliquerat. namelijk de Russen. Maar plaats ook het toestel waarmee het vuur gelanceerd wordt niet alleen op de voorsteven. In 941 ondernam prins Igor onverwacht een expeditie tegen Constantinopel met honderden lichte schepen. se deprecantes non solum protegere. dit zijn de scheepsherstellers. igitur in Rusorum medio positi ignem circumcirca proiciunt. p. Historiae. Bijna heel het landleger was immers aan de slag in het Oosten om weerstand te bieden aan de Saracenen en ook bijna heel de vloot was tegen hen in actie. ut vivos illos caperet exercitui suo praecepit et non occideret. V. quibus et ait: “Properantes sine dilatione ea quae remanserant chelándia praeparate. nullusque die illa evasit. 473.

Toen ze vervolgens vertrokken waren en koning Igor zag dat ze zich op volle zee bevonden. Tenslotte wou de genadige en barmhartige Heer niet alleen degenen beschermen die hem vereren. Dus toen ze te midden van de Russen lagen. keerden zo terug naar huis. bedaarde Hij de zee – anders zou het voor de Byzantijnen nadelig geweest zijn voor het afschieten van het vuur. Toen de Russen dat bemerkten. 34. gaf hij zijn vloot de opdracht hen levend gevangen te nemen en niet te doden. p. zodat men een verschrikkelijk mirakel kon aanschouwen. Enkelen dus. vertelde ieder van hen aan de zijnen wat zich afgespeeld had en sprak over het vuur dat door de schepen gelanceerd werd. “De Grieken hebben een vuur dat gelijkt op de bliksem uit de hemel”. Thuis gekomen. aanbidden en smeken. Toen de Russen de vlammen zagen. cit. wierpen ze zichzelf dadelijk van de schepen in zee en verkozen liever verzwolgen te worden door de golven dan verteerd te worden door het vuur. wierpen ze zich in zee om al zwemmend te ontsnappen en degenen die het overleefden. p. .98 de zijden. wat logischer is aangzien het landleger nog niet aangekomen was bij de eerste aanval van de Russen. plaatste hij daar zeer ervaren mannen in en beval dat ze koning Igor moesten tegemoet varen. hebben ze ons verbrand. Ook in een Russische kroniek wordt een gelijkaardig verhaal vertelt. zonken naar de bodem van de zee om nooit meer teruggezien te worden. ELLIS DAVIDSON. R.” Nadat de chelandia zo volgens zijn bevel hersteld waren. Zie ook H. die zich niet bevrijd had door te vluchten over land. 63. lanceerden ze het vuur rondomrond. Door de winden te kalmeren. ontkwam op die dag. Volgens deze versie zou de Byzantijnse vloot pas in actie gekomen zijn na een veldslag die nipt gewonnen werd 375 . Uit dit relaas blijkt hoe groot de angst van de Russen voor dit vernietigende wapen was 376 : Theophanes zette het op een achtervolgen in boten met (Grieks) vuur en schoot het door buizen af op de Russische schepen. “en door het op ons af te schieten. op. En niemand. 376 KRONIEK VAN NESTOR.. zeiden ze. De Russen hadden dus weinig verhaal tegen het verwoestende Griekse vuur en vluchtten naar Bithynië waar ze echter opnieuw voor problemen 375 De Byzantijnse bronnen plaatsen de veldslag pas na de zeeslag. maar hen ook belonen met de overwinning. sommigen echter werden opgebrand terwijl ze tussen de golven zelf van de zee zwommen. verzwaard door harnassen en helmen. Het is daarom dat we hen niet hebben kunnen verslaan”.

. cit.. 1. Toen de keizer weigerde de geëiste afkoopsom te betalen. Na een eerste mislukte poging slagen ze er uiteindelijk toch in om sommige vijandige boten in brand te steken. Deze gebeurtenissen hadden blijkbaar een enorme indruk op de Russen gemaakt. De oorlog van Vladimir leek sterk op die van Igor. Chronica Hungarorum. cit. Waarschijnlijk waren de Russen gekomen om diens tegenstander. te ondersteunen maar deze was korte daarvoor gesneuveld tijdens de beslissende veldslag. XI. VI. 292-294. 377 THEOPHANES CONTINUATUS. 229. 231. Zie A. Pas met de komst van het landleger uit het Oosten kon men hen helemaal verslaan 377 .. op. § 436. was de aankomst van met Grieks vuur uitgeruste schepen voldoende om hen zoveel angst aan te jagen dat ze niet meer door de Byzantijnse linies durfden te breken en bijgevolg volledig ingesloten werden. La dernière expédition russe contre Constantinople. cit. In 1128 verloren zij daardoor een zeeslag tegen de Byzantijnen 381 . 233-268. 2-4. liet hij zijn vloot uitrusten met Grieks vuur en die kon net als in 941 het gros van de Russische schepen in brand steken. A. 381 IOANNES THURÓCZI.. p. Maniaces. op. cit. Een plots opkomende storm deed de rest 380 . W. Logischerwijs werden zij volledig in de pan gehakt 378 . 431. p. 592.. pp. A. POPPE. TREADGOLD. 379 MICHAEL PSELLUS. 424.99 zorgden. op. p. pp. Chronographia. pp. II. op. p.. cit. op. 20. OSTROGORSKY. Toen de Byzantijnen in 971 een grote actie ondernamen tegen Svjatoslav. 484. . W.. Keizer Constantinus IX Monomachus was er net in geslaagd een rebellie te onderdrukken. TREADGOLD. VASILIEV. p. p. 151-156. .. Ook hij rukte met een vloot van honderden monoxylen op naar Constantinopel op het moment dat het Byzantijnse leger verzwakt was. Eveneens de Hongaren bleven niet gevrijwaard van vernietiging door het fameuze vuurwapen.. JOANNES ZONARAS. op. 144. cit. JOANNES SCYLITZES. In 1103 leverden de Byzantijnen slag tegen de Pisanen bij Rhodos waarbij op de schepen sifons met leeuwenkoppen geplaatst werden. Ook na de hoogdagen van de Byzantijnse thalassocratie is er bij de bronnen nog hier en daar sprake van het gebruik van Grieks vuur. 1-29. cit. cit. 127. cit. XVI.. p. JOANNES SCYLITZES. Zie G. op. 93-95. X. 380 ANNA COMNENA. op. Een laatste roemrijke zege op de Russen vond plaats in 1043. de opvolger van Igor. cit. op. Daardoor werden ze gedwongen om slag te leveren terwijl de Byzantijnen veruit in de meerderheid waren. op. 378 LEO DIACONUS. Dit was een hele prestatie van hen aangezien in die tijd de zeemacht reeds sterk verwaarloosd was en de resterende oorlogsbodems elders gestationeerd waren 379 .

op. Interpretatie van het historisch overzicht Uit dit bondig overzicht kunnen we een aantal belangrijke conclusies trekken. Zie pp. 386 Zie pp. 391. 387 CONSTANTINUS VII PORPHYROGENITUS. De laatste maal dat we het Griekse vuur terugvinden. II. op. 45. maar of dit effectief tot resultaten leidde. Noch382 383 NICETAS CHONIATES. Het lijkt er sterk op dat de Saracenen op dat moment erin geslaagd waren de verwoestende effecten van het Byzantijnse wapen bij uitstek te beperken of te omzeilen. 381. is bij de opstand van Alexius Branas in 1187. maar uiteindelijk moest hij toch de duimen leggen.. 77. cit. Tegen de Venetianen was het wapen niet meer succesvol in 1171. draaide de onderneming op een fiasco uit.. 384 NICETAS CHONIATES. Ondanks de tot de tanden gewapende vloot. cit. 385 ID. waarvan een gedetailleerde beschrijving bewaard is 387 . Er waren weliswaar geen confrontaties meer die de omvang benaderden van de twee belegeringen van Constantinopel. wordt ons niet meegedeeld 382 .. 1148). cit. op. 2. Anderzijds stellen wij vast dat veel campagnes en zeeslagen verloren werden ondanks het bezit van sifons aan boord van de schepen. Vanaf het midden van de 8ste eeuw is er voor lange tijd geen enkele attestatie in de bronnen en dat is zeer opvallend. De nacht na zijn nederlaag werden gebouwen aan de rand van de Bosporus door de keizer bestookt met ‘granaten’ die gevuld waren met Grieks vuur als wraak voor de steun die velen geboden hadden aan Branas 385 . Eerst kon hij vermijden dat zijn boten erdoor in brand gestoken werden 384 .. 283. De Cerimoniis. Het duidelijkst blijkt dit bij de expeditie van Constantinus VII Porphyrogenitus om in 949 Kreta te heroveren. . Zij hadden een methode ontwikkeld om hun schepen tegen het vuur te beschermen. p. zou men toch veel meer overwinningen moeten kunnen terugvinden in de teksten dan degene die wij opgesomd hebben. cit. JOANNES CINNAMUS. is het Griekse vuur slechts voor een beperkte periode doorslaggevend geweest. p. p. 87-88. Constantinopels belangrijkste vijand. op. p. 88-89. In die context kunnen we de geciteerde Arabische tekst zien die vermeldt dat een Egyptische Arabier rond 750 een beschermingsmiddel tegen het Griekse vuur uitgevonden heeft 386 . maar als het Griekse vuur zo’n krachtige effecten had zoals men meestal aanneemt..100 Onder Manuel I Comnenus werden opnieuw schepen uitgerust met Grieks vuur (ca. De Byzantijnen moesten onverrichterzake afdruipen 383 . Tegen de Arabieren.

Dit heeft mogelijk te maken met het feit dat de westelijke Saracenen minder vertrouwd waren met petroleum en vooral zelf niet zo gemakkelijk vuurwapens konden vervaardigen. terwijl de keizers de vloot daar goed onderhielden en ondersteunden.101 tans hadden alle schepen minstens 2 toestellen aan boord om vuur af te schieten 388 . maar is er nergens een spoor te vinden van het gebruik van Grieks vuur. maar het wekt toch verbazing dat de Byzantijnen er pas in 961 in slaagden het te heroveren ondanks verschillende verwoede pogingen. In het Westen bleek het Griekse vuur nog meerdere keren efficiënt maar in het Oosten is ons maar één enkel geval bekend. Anderzijds wijzen deze gevallen erop dat de Arabieren toch nog altijd op hun hoede moesten zijn en dat het anders dezelfde verwoestende effecten had als een paar eeuwen tevoren. Ook op Sicilië moest men lijdzaam toezien hoe de Arabieren er in de loop van de 9de eeuw in slaagden voet aan de grond te krijgen en stelselmatig hun gebied uit te breiden. In tegenstelling tot de Arabieren kenden ze de bestaande beschermingsmiddelen niet en hadden ze de technische kennis niet om gelijkaardige vuurwapens te ontwikkelen. 388 389 Zie pp. Nochtans verkeerde de vloot in een zeer goede toestand en behaalde ze het jaar daarna een eclatante overwinning op de Arabieren 389 .. In het eerste geval werd nog een overwinning geboekt. 76-77. maar we mogen zeker niet vergeten dat zij niet zo dikwijls in contact kwamen met het Griekse vuur en niet goed wisten hoe ze het gevaar konden vermijden. Vooral in het westelijke gedeelte van het Byzantijnse territorium slaagden de Arabieren erin om op zee een voortdurende bedreiging te vormen en gebieden af te snoepen. De zwaarste tegenslag was het verlies van Kreta in 826 waardoor de Saracenen een ideale uitvalsbasis verwierven. Tegen de Russen lijkt men meer resultaten te hebben bereikt. . Zowel in 860 als in 907 werd Constantinopel bedreigd door een Russische vloot. maar in 907 zag Leo VI zich genoodzaakt om de Russiche prins Oleg een riante afkoopsom en een voordelige handelsovereenkomst aan te bieden. cit. Dat was weliswaar te wijten aan het ontbreken van bewaking op dat moment door de opstand van Thomas de Slaaf. op. aangezien er in die streek nauwelijks of geen aardoliebronnen waren en de contacten met de oostelijke moslims vaak niet zo optimaal waren om er in te voeren. Toch slaagde de Byzantijnse marine er tot het einde van de 10de eeuw al bij al redelijk goed in om het rijk van grote territoriale verliezen te sparen en de hoofdstad meer dan eens te verlossen van oprukkende vijanden. OSTROGORSKY. G. pp. Daarom is het des te eigenaardiger dat de Byzantijnen bij enkele gelegenheden niet van hun voordelige positie geprofiteerd hebben. 214-215.

678. Vanaf het laatste kwart van de 10de eeuw werd de marine namelijk zo erg verwaarloosd dat de Byzantijnen daartoe niet meer in staat waren. cit. Het hele brongebied was toen immers ingepalmd door de Turken en zij waren zeker de laatsten die het hun verschaft zouden hebben. lijken dit te suggereren. Bij de val van Constantinopel ontstond er een grote chaos die het leger en de vloot nooit meer te boven zouden komen. Het is vrij waarschijnlijk dat het vuurwapen in deze tijd veel van zijn oorspronkelijke kracht verloren heeft omdat sommige elementen van het geheim verloren gegaan waren. 390 Zie bijvoorbeeld A. te geraken. Bij de beschrijving van het ultieme beleg van 1453 vinden we in de kroniek van Sphrantzes meermaals vermeldingen van ‘kruiken gevuld met vloeibaar vuur’.102 Verschillende andere ‘barbaarse’ volkeren verkeerden in dezelfde situatie als de Russen en vielen wel eens ten prooi aan het Griekse vuur. en men dus niet meer volledig wist hoe het hele systeem in elkaar stak. In welke mate nog het oorspronkelijke wapensysteem gehanteerd werd in deze periode is twijfelachtig. Misschien ging het nog om een soort ‘granaten’ zoals we al beschreven hebben. Hiervan hebben wij vooral voorbeelden uit de laat-Byzantijnse tijd. ROLAND. Op het einde van de 11de eeuw beschikte Constantinopel immers nauwelijks nog over een eigen vloot en moest het steeds meer een beroep doen op de Venetianen om zich te kunnen verdedigen. namelijk het kanon. aardolie. maar waarschijnlijker is dat het mengsels met pek. . Toch was de achteruitgang volgens ons nog niet zo ver gevorderd dat men niet meer in staat was een werkbare sifon te gebruiken en is er dus onvoldoende reden om de enkele vermeldingen in de teksten als verzinsels af te doen zoals sommige moderne geleerden doen 390 . De eens zo grootse Byzantijnse zeemacht behoorde definitief tot het verleden en het is dus helemaal niet verwonderlijk dat het geheim van het Griekse vuur toen verloren is gegaan. Hierbij denken wij vooral aan de teloorgang van de grondige opleiding die vereist was voor de bedienaars van de sifons. Bovendien was het grondgebied zoveel ingekrompen dat het zeer moeilijk was om nog aan het hoofdbestanddeel. Die waren gemakkelijker te verkrijgen dan echte petroleum. Ook de verschillende getuigenissen van het mislukt afvuren of het op een eenvoudige manier verijdelen dat men in brand gestoken werd door het Griekse vuur. asfalt of aanverwante producten betrof. Veel effect hebben die toen niet meer gehad want er was toen een veel belangrijker en efficiënter wapen in gebruik. In 1204 kwam ongetwijfeld de doodsteek.. op. Ook in de teksten is er geen spoor meer terug te vinden van het vuurwapen op één uitzondering na.

d. ten laatste in 1204 zoals wij gezien hebben. cit. Vroegere data zijn mogelijk maar de bewijzen zijn bevredigend. Als 391 392 Zie hoofdstuk III. Bij de eerste twee grote conflicten was het Griekse vuur een enorm succes. Over de datering van de introductie van buskruit en het ontstaan van de oudste kanonnen e. Zie J. Bij de moslims is er wel duidelijk een trend te zien waarbij hun traditionele vuurwapens die wij beschreven hebben 391 naar de achtergrond verdrongen werden. Eerst en vooral hebben enkele technische elementen een cruciale rol gespeeld waardoor het Griekse vuur inferieur was aan het buskruit dat vanaf ongeveer de 11de eeuw uit China verspreid begon te geraken en dat enkele eeuwen later hét vuurwapen bij uitstek zou worden. maar is in de eerste plaats te wijten aan de teloorgang van de vloot. maar dan rest natuurlijk nog de vraag waarom dat zo was. Wij volgen hier de meest aanvaarde hypotheses. maar ten laatste in de eerste helft van de 13de eeuw werd echt buskruit geïntroduceerd. Daarbij verdwenen alle andere. Opnieuw moeten we hier met grote voorzichtigheid te werk gaan en zijn sommige logisch lijkende hypotheses moeilijk te staven. Tijdens de eerste kruistochten werd eerst salpeter toegevoegd waardoor meer explosieve mengels gecreëerd werden. Dat de Byzantijnen hun geheim volledig verloren hebben in de loop van de 12de eeuw. Voor het verschijnen van de eerste explosieve vuurwapens zoals kanonnen was het omwille van allerlei technische problemen nog wachten tot het begin van de 14de eeuw. pp. had weinig te maken met de opkomst van het buskruit. 2. Vooral de efficientie was stukken groter dan die van de sifons. R. slaagden ze er al snel in om de impact van de vlammenwerpers van de Byzantijnen grondig te beperken. PARTINGTON. Verklaring We hebben nu duidelijk gemaakt dat de uitvinding van het Griekse vuur niet hetzelfde belang kan worden toegekend als die van het buskruit. 34-35. Het antwoord daarop is nogal complex omdat hier meerdere factoren een rol moeten hebben gespeeld die echter niet allemaal duidelijk naar voren komen uit het bronnenmateriaal. maar vanaf dat moment was de ontwikkeling niet meer te stuiten 392 . PÁSZTHORY. . op.103 3. op. xvi-xxix (herdruk van 1999). E. Het succes van dit soort vuurwapens heeft alles te maken met de grote voordelen die ze boden ten opzichte van hun voorgangers. de onmogelijkheid om de nodige ingrediënten te verkrijgen en de financieel moeilijke situatie waarin het rijk verkeerde. maar toen de Arabieren van de eerste schrik bekomen waren.. oudere types zoals diegene dat wij in deze verhandeling bespreken. cit. bestaat nog altijd zeer veel discussie..

Hier was het doorslaggevende voordeel dat men daarmee projectielen kon afvuren. 672. Het Griekse vuur was dus hoe dan ook gedoemd om te verdwijnen. moesten de weersomstandigheden meezitten. ROLAND. Na verloop van tijd slaagt men er echter meestal in om beschermingsmaatregelen te bedenken zodat de gevolgen drastisch ingeperkt worden en het nieuwe wapen uiteindelijk soms zelfs van weinig nut meer is en naar de achtergrond verdwijnt. .. 151. op. Inderdaad was het riskant om bij woelige zee met halfopen haardvuren te werken en werd goed richten een moeilijke zaak. 15. want anders zou dit nadelig geweest zijn bij het afvuren 394 . LIUTPRAND CREMONENSIS. etc... Zoals reeds gezegd waren die niet zo gevaarlijk voor de soldaten en volstonden meestal de beschreven protectiemaatregelen. tot het verdwijnen van de zeilschepen. speelden hoogstwaarschijnlijk ook nog andere technische factoren mee. Bescherming tegen deze wapens was een pak moeilijker en de schade die erdoor veroorzaakt werd aan versterkingen. Bij Joannes Scylitzes luidt het dat de Byzantijnen een gunstige wind afwachtten vooraleer de schepen met Grieks vuur uit te sturen tegen de Arabieren in 873 395 . zenuwgas 393 . Andere gelijkaardige voorbeelden waren de introductie van olifanten in de hellenistische tijd of recentelijker. Zoals uit twee getuigenissen blijkt. cit. cit. p. belegeringswerktuigen.. maar nu waren ook mensen helemaal niet meer veilig voor de nieuwe uitvinding. op. reduceerden ze het risico op brand sterk. was vele malen groter dan die van de bestaande vlammenwerpers of ‘granaten’. Voor schepen werd het gewoon onmogelijk om zich goed te kunnen beveiligen en kanonnen zouden voor eeuwen. p. het standaardwapen op zee worden.104 ze de kwetsbaarste plekken van de schepen afdekten met huiden of doeken die goed doordrenkt waren en die eventueel met sommige plantenextracten ingesmeerd waren. al was dit in het Byzantijnse rijk al gebeurd vooraleer de eerste explosieve vuurwapens hun intrede deden. cit. V. staat de vijand in het begin machteloos en zijn de effecten vaak desastreus. Bovendien 393 394 A. Zoals bekend brachten deze ontwikkelingen een ware revolutie op gang in de oorlogvoering. Liutprand benadrukt dat net voor de zeeslag met de Russen in 941 de wind gelukkig luwde en de zee kalmer werd. Zoals bij vele andere geheime wapens die in de loop van de geschiedenis uitgevonden werden. Behalve dit evidente en belangrijkste nadeel ten op zichte van vuurwapens die met buskruit werkten. op. In het geval van buskruit en kanonnen lag de situatie anders. in WO I. 395 JOANNES SCYLITZES. ook op zee.

. Tactische trucjes van de opponenten konden hier zeker voordeel uit halen. hadden de tegenstanders geen andere keuze dan frontaal aan te vallen en zo in een regen van Grieks vuur terecht te komen. is het helemaal niet zeker dat dit altijd zo was. 673. Roland wanneer die zegt dat het Griekse vuur meer geschikt was voor defensieve doeleinden dan voor offensieve 397 . ID. kan daar ook deels door verklaard worden. Alhoewel uit het historisch overzicht gebleken is dat die laatste bij sommige gevechten inderdaad sifons bezaten. Zo kon men proberen de voorsteven te ontwijken en de aanvallen te richten naar de achtersteven van de dromons. Om deze redenen gaan wij akkoord met A. pp. In de situaties waar de Byzantijnen aangevallen werden. 672-673. In de eerste plaats was het de keizerlijke vloot die over het geheime wapen beschikte. pp. In hoeverre de keizers het risico namen om potentiële opstandelingen hun belangrijkste geheime wapen ter beschikking te stellen. Ook door op voldoende afstand te blijven. 675. maar eenvoudig was dit zeker niet. Anderzijds konden zij op gelijkaardige manier de vijanden op de zwakste plaatsen aanvallen en hen daar beschieten. op het juiste moment te manoeuvreren en de Byzantijnen in een positie tegen de wind in te forceren. al was dit kleiner dan bij de provinciale vloten. kon de centrale leiding niet anders dan hen van Grieks vuur te verzien om zich beter te kunnen verweren. Dat de beste resultaten in de omgeving van Constantinopel behaald werden. kon dit immers vermeden worden.. was het de tegenpartij die dichterbij moest komen en dat was tactisch gezien een interessantere positie om te vuren. Wanneer de Byzantijnen bijvoorbeeld de rug van hun vloot beschermden door niet ver van de kust te gaan liggen.105 moest men ervoor opletten dat de vlammen door de wind niet teruggeblazen werden naar het eigen schip en men zichzelf in brand stak 396 . . Zij waren immers een stuk minder betrouwbaar want er was altijd het risico dat ze zouden rebelleren in het geval van een opstand. cit. ROLAND. op. is moeilijk te zeggen. is de organisatie van de marine.. cit. Toch 396 397 A. Een ander element dat kan verklaren waarom het Griekse vuur niet zo vaak beslissend was in zeeslagen. waar normaal gezien geen lanceertoestel opgesteld stond. konden de tegenstanders voorkomen dat ze in de vuurlinie kwamen te liggen. Omdat de vloten van de maritieme themata echter de belangrijkste defensieve taken uitvoerden op zee en het Arabische gevaar in de loop van de achtste eeuw steeds groter werd. Er was daar immers veel minder manoeuvreerruimte voor de vijandelijke schepen. Door niet te dicht te komen. maar het is erg onduidelijk in welke mate dat gold voor de dromons van de maritieme themata. op.

cit. 399 Zie p. maar vooral onder de Macedonische keizers (867-1056) werd de vloot sterk uitgebouwd en beleefde ze haar hoogtepunt onder Leo VI en Constantinus VII Porphyrogenitus.. EICKHOFF. A. Zo is het mogelijk dat de vloten van de themata slechts beperkte rantsoenen van het aardoliemengsel kregen. op. is dat de Byzantijnse vloot nooit de prioriteit was van de keizer en de legerleiding. TOYNBEE. is het in elk geval opvallend dat de overgrote meerderheid van alle overwinningen die te danken waren aan het Griekse vuur. p. Een laatste factor die we niet mogen vergeten. In het laatste artikel wordt verkeerdelijk gesteld dat de provinciale vloten over Grieks vuur beschikten. 673. Alhoewel voor deze hypothese geen enkel duidelijk bewijs beschikbaar is. wanhopige poging ondernomen om het tij te keren. 327. maar het verval van de Byzantijnse zeemacht was al te ver gevorderd en het rijk beschikte toen ook niet meer over voldoende financiële middelen om zijn onderneming lang vol 398 A. n. cit. In de loop van de Byzantijnse geschiedenis is het dan ook mogelijk meerdere periodes van afwisselend bloei en verval te onderscheiden. 64. De eerste permanente vloot werd als gevolg van de catastrofale nederlaag bij Phoenix opgericht rond 660 399 .. Onder Alexius I Comnenus (1081-1118) werd nog een laatste. maar daarna ging het snel bergaf. Aangezien die dromons niet in Constantinopel gestationeerd waren en dus niet dadelijk bij de bron zaten.106 konden er ook veiligheidsmaatregelen genomen worden. Daarom werd de marine geregeld verwaarloosd en werd er pas in geïnvesteerd als er echt nood aan was. op. 400 Hélène AHRWEILER. Na de grootschalige en geslaagde expeditie naar Kreta in 961 verschoof de aandacht weer helemaal naar het landleger en begon langzaam de aftakeling die in sneltempo verder gezet werd in de 11de eeuw 400 . Pas met het aantreden van de Amorische dynastie in het begin van de 9de eeuw kwam er enige verbetering. pp. Dit zou dan betekenen dat de vloten van de themata niet altijd voldoende vloeistof in voorraad hadden en ze de sifons dus soms niet konden gebruiken.. op. . n. ROLAND.. Die werd goed in stand gehouden tot na de grote overwinning op de Arabieren in 718 omwille van de constante dreiging. 674-675. cit. op. ROLAND. p. A. want na de twee belegeringen van Constantinopel in 674-677 en 717-718 was het Arabische gevaar veel groter op het land dan op zee. Dit was hoogstwaarschijnlijk niet zo. E. cit. cit. kon de aanvoer goed centraal geregeld en beperkt worden. op. Op die manier kon ook vermeden worden dat andere vijanden volledig achter het geheim konden komen.. 6. Die ging uit naar de landmacht. De exacte dateringen hiervan zijn betwist maar de tendensen zijn in elk geval duidelijk. op rekening te schrijven zijn van de keizerlijke vloot 398 . 81. Bovendien was zo’n leger veel goedkoper dan het bouwen en onderhouden van oorlogsschepen.

107
te houden. Na hem ging de teloorgang onverdroten voort en na de val van Constantinopel in 1204 was het helemaal gedaan met de Byzantijnse marine. Als we dan terugblikken naar ons historisch overzicht kunnen we dit schema hier perfect op toepassen. Bijna alle noemenswaardige overwinningen vonden plaats in de periodes van hoogbloei en dat is natuurlijk geen toeval. Wanneer er nauwelijks nog een vloot die naam waardig voorhanden was, kon men uiteraard ook nauwelijks het Griekse vuur nog efficiënt gebruiken. Tenslotte kunnen we zeggen dat ondanks de hierboven beschreven nadelen het Griekse vuur toch een geducht wapen was. Bij goed voorbereide, offensieve zeeslagen mocht het met de gepaste beschermingsvoorzorgen dan wel een stuk minder gevaarlijk zijn, toch bleef dit vuurwapen een van de belangrijkste elementen van de Byzantijnse scheepsuitrusting. Vooral bij verrassingsaanvallen kon het zeker nog volop zijn nut bewijzen en ook tegen andere vijandige volkeren, in de eerste plaats tegen de Russen, is gebleken dat het nog steeds verschrikkelijke effecten kon tot stand brengen. Bovendien kwam het Griekse vuur waarschijnlijk nog vaak goed van pas bij kleinere gevechten tegen vooral piraten die geregeld de kustgebieden afschuimden, maar die minder goed uitgerust en beschermd waren dan de reguliere Arabische vloot 401 . Jammer genoeg is deze hypothese moeilijk te bewijzen omdat er in de bronnen geen getuigenissen te vinden zijn van dergelijke gebeurtenissen. Kleine schermutselingen waren immers niet belangrijk genoeg om in de kronieken vermeld te worden. Als conclusie kunnen we stellen dat het Griekse vuur in de realiteit misschien niet zo’n verschrikkelijke en verwoestende effecten teweegbracht zoals men vroeger vaak dacht, maar dat het in de eerste plaats een sterk psychologisch wapen was. Zoals blijkt uit de schrikwekkende en wat overdreven beschrijvingen hadden alle andere volkeren, behalve de Arabieren, er een panische angst voor 402 en vooral zij zullen de Byzantijnse dromons wel zoveel mogelijk gemeden hebben.

MICHAEL PSELLUS, op. cit., VI, 93 zegt expliciet dat in 1043 de schepen met sifons verspreid waren om de kusten te bewaken. Waarschijnlijk bedoelt hij hiermee in eerste instantie de themavloten die juist voor dit doel opgericht waren. 402 Het meest sprekend is de reactie van de Russische prins Svjatoslav in 971. Zie p. 99.

401

108

BESLUIT
In deze verhandeling hebben wij gepoogd zoveel mogelijk facetten van het Griekse vuur op een systematische manier te bespreken en ons vooral te verdiepen in een aantal aspecten die tot nu toe zwaar onderbelicht gebleven zijn in de wetenschappelijke studies. Aangezien de overgrote meerderheid daarvan gewijd is aan de vraagstukken van de samenstelling en de lanceermethodes van dit vuurwapen, hebben wij deze kwesties dan ook uitgebreid behandeld. Zoals gebleken is uit het tweede hoofdstuk van onze verhandeling, is men hier tot een vrij bevredigende conclusie gekomen. De vroegere salpetertheorie is nu definitief verleden tijd. De enkele antieke bronnen die men als bewijs hiervoor aanbracht, zijn zo onduidelijk en vatbaar voor heel uiteenlopende interpretaties, dat het erg twijfelachtig is dat de Byzantijnen op het einde van de 7de eeuw de eigenschappen van salpeter al voldoende kenden en het konden zuiveren. Nu heeft men voldoende aanwijzingen dat de uitvinding van het Griekse vuur kaderde in een lange traditie van vuurwapens, waarbij vooral de ontdekking dat aardolie hiervoor uiterst geschikt was, een belangrijke doorbraak betekende. Nu wordt algemeen aanvaard dat petroleum het belangrijkste ingrediënt was en wordt ook sterk de nadruk gelegd op het feit dat het lanceersysteem minstens even belangrijk was als de samenstelling van het mengsel. Dat komt vooral omdat gebleken is dat er veel verschillende formules in omloop waren en dat men dus eigenlijk niet kan spreken van één Grieks vuur. Op het vlak van de toestellen die door de Byzantijnse oorlogsbodems gebruikt werden om de mengsels af te vuren , hebben vooral J. Haldon en M. Byrne veel vooruitgang geboekt. Heden ten dage wordt in het vakgebied van de Byzantijnse oorlogvoering hun hypothese over de sifon beschouwd als degene die het dichtst bij de realiteit aanleunt. Het grote pluspunt is dat hun theorie de enige is die nergens tegenstrijdig is met de erg problematische terminologie. Bovendien hebben hun proeven aangetoond dat hun voorgestelde afvuurmechanisme ook werkt in de realiteit. Toch zijn alle moeilijkheden zeker nog niet van de baan en is het laatste woord hierover nog niet gezegd. Vooral de latere varianten van het Griekse vuur die op het land gebruikt werden, stellen nog veel problemen, vooral omdat de infomatie hierover nog schaarser en verwarrender is dan over de sifons van de schepen. Het is nogal onwaarschijnlijk dat Byzantijnse bronnen ons nog meer informatie kunnen verschaffen omdat die reeds grondig uitgeplozen zijn. Mogelijke opheldering kan wel komen van de tal-

109
loze, nog moeilijk toegankelijke en weinig bestudeerde Arabische militaire geschriften en van eventuele archeologische vondsten. Wij wensten ons echter speciaal toe te leggen op de aspecten die in het wetenschappelijk onderzoek tot nu toe sterk verwaarloosd zijn: de problematiek van de geheimhouding en de vraag wat de werkelijke kracht en het historische belang van het Griekse vuur geweest zijn. Vooral wat het laatste thema betreft, zijn wij toch tot een verrassende conclusie gekomen. Zo hebben wij duidelijk kunnen aantonen dat er in werkelijkheid veel minder zeeslagen geweest zijn dan men vroeger altijd dacht, waarbij het vuurwapen doorslaggevend was. Bovendien hebben we ontdekt dat de Byzantijnen zelfs gevechten verloren hebben terwijl hun schepen nochtans met sifons uitgerust waren. Ook de tactische geschriften wijzen erop dat er nog nood was aan andere wapens en dat een zeegevecht vaak niet alleen met Grieks vuur beslist kon worden. De reputatie van dit vuurwapen blijkt dus niet te beantwoorden aan de realiteit en is dus overroepen. Dat was vooral te wijten aan het feit dat de Arabieren er al vrij snel in slaagden hun schepen te beschermen en zelf ook vuurwapens ontwikkelden, vooral granaten. Waarschijnlijk produceerden ze zelf na verloop van tijd ook een soort vlammenwerpers, maar of die van hetzelfde niveau waren als de Byzantijnse sifons, is niet duidelijk en eerder twijfelachtig. Verder onderzoek kan hierover mogelijk meer duidelijkheid brengen. Alhoewel nu gebleken is dat het Griekse vuur niet een van de allerbelangrijkste pijlers van de Byzantijnse staat was en dat het niet een van de hoofdoorzaken was dat het rijk het zolang heeft kunnen uithouden, kunnen we echter niet zeggen dat dit vuurwapen geen rol van betekenis gespeeld heeft in de loop van de Byzantijnse geschiedenis. Op enkele cruciale momenten heeft het wel degelijk zijn nut bewezen en Constantinopel toen misschien wel behoed voor een gewisse ondergang, vooral dan tijdens de eerste grootschalige aanval van de Arabieren op de hoofdstad gedurende de jaren 674-677. Zo slaagden zij erin de opmars van de moslims af te stoppen en de slagkracht van de vloot gevoelig te vergroten. Daarna werd de sifon het belangrijkste standaardwapen en bewees het vooral zijn diensten tegen andere vijandige volkeren. Die waren minder goed in staat zich voldoende ertegen te verweren. Het was dan ook vooral op deze kleinere tegenstanders dat het Griekse vuur het meeste indruk maakte en uitgroeide tot een geducht psychologisch wapen. Jammer genoeg verwaarloosden de keizers regelmatig de Byzantijnse vloot, een situatie die vanaf de 11de eeuw stelselmatig verslechterde, zodat men

maar die werden geleidelijk verdrongen door de opkomst van het veel krachtigere buskruit. . Het Griekse vuur was dus hoe dan ook ten dode opgeschreven. Zo ging hun staatsgeheim definitief verloren. De Arabieren bleven nog geruime tijd hun projectielen op basis van aardolie gebruiken. maar waarschijnlijk had het Griekse vuur toen al een groot gedeelte van zijn oorspronkelijke kracht verloren. en tenslotte door kanonnen.110 uiteindelijk niet meer in staat was zich fatsoenlijk te verdedigen tegen de kruisvaarders in 1204.

J. 101. Fig. p. FORBES. R. 74.112 Fig. More studies in early petroleum history 1860-1880. .) M. 2 Graffito van een oorlogsschip met een ‘vuurpot’ aan de voorsteven (1ste eeuw v. C. Mare Nostrum. p. 1 Reconstructietekening van de vlammenwerper beschreven door Thucydides. REDDÉ.

Fig. Fig. 3 Vlammenwerper van Hero van Byzantium. 59. p. SCHNEIDER. Griechische Poliorketiker. 7. A. M. II. . BROK. 4 Reconstructie van malleoli: 1 Boogpijl. R. 2 Geschutspijl. Tafel IV.113 Fig. Ein spätrömischer Brandpfeil nach Ammianus. F.

Le feu grégeois. 5 De vloot van keizer Michaël II valt Thomas de Slaaf aan met Grieks vuur. .114 Fig. E. Abb.C. M. p.). 100 n. PÁSZTHORY. 4. Über das ‘Griechische Feuer. 31. 29. MERCIER. Fig. p. 6 Romeinse pomp gevonden nabij Bolsena (ca.

Reconstructie van een lanceersysteem van een sifon. P. USHER. HALDON. . A history of mechanical inventions. 8. 95. Pomp gevonden in Silchester. 2. BYRNE. M. A possible solution of the problem of Greek fire. Fig. Reconstructie van deze pomp. A. p. F. 7 1. J.115 Fig. p. 137.

E. 31.116 Fig. Abb. 366. Gabriele PASCH. 10 Gebruik van een ceirosivfwn bij een belegering volgens Hero van Byzantium. 5. p. Über das “Griechische Feuer”. uit de Codex Vaticanus graecus 1605 (11de eeuw). naar T. Il fuoco greco. 9 Ballista voor het lanceren van Grieks vuur. PÁSZTHORY. Korres. . K. p. Fig.

Le site d’Amorium. 33. Fig. 12 Enkele van de eigenaardige kruiken die gevonden zijn in de destructielaag van Amorium (838 n.C. p. The uses of sphero-conical vessels in the Muslim East. Fig. . 13.).117 Fig. LIGHTFOOT. ETTINGHAUSEN. C. 11 Handgranaat? R.

New light on navigation and naval warfare. CHRISTIDES. CHRISTIDES. Fig. V. 11 en 12. 7. p. . 20. Fig. Tekeningen uit Arabische manuscripten (13de eeuw).118 Fig. Fig. 23. 14 Trebuchets om kruiken met Grieks vuur te lanceren. 13 Granaten voor Grieks vuur. New light on navigation and naval warfare. p. V.

Fig. M. Planche XIV. 15 Zogenaamde “Syrische kruiken”. M. Le feu grégeois. Planche XI. Le feu grégeois. .119 Fig. MERCIER. 16 Zogenaamde “Syrische kruiken”. MERCIER.

V. 13. 6. p. M. MERCIER. New light on navigation and naval warfare . 18 Arabische machine om vuurpijlen af te schieten. 17 Granaat van het Egyptische type. . Fig. Planche VI.120 Fig.).C. CHRISTIDES. gevonden in Foustat (1168 n. Fig. Le feu grégeois.

New light on navigation and naval warfare. . p. J. 19 Tekening uit een Arabisch manuscript van een schip met potten. 20. 59. gevuld met Grieks vuur. p. Geography. Fig. 8.121 Fig. CHRISTIDES. Fig. technology and war. V. 21 Graffito van een Byzantijnse dromon (12de eeuw). PRYOR.

EICKHOFF.122 Fig. 20 Reconstructietekening van een Byzantijnse dromon. Seekrieg und Seepolitik zwischen Islam und Abendland. p. 8. . E.

22 Islamitische soldaten en paard met vuurbestendige kledij. p. 119.123 Fig. A. R. Y. D. AL-HASSAN. Islamic technology: an illustrated history. . HILL.

The Alexiad of Anna Comnena. DENNIS (Corpus fontium historiae Byzantinae 25). Washington D. Lexicon Aeneium: a lexicon and index to Aeneas Tacticus’ military manual On the defense of fortified positions (Bibliotheca classica Vangorcumiana 6). Parijs. Elisabeth A. 1947. ed. GRIEKSE BRONNEN Aeneas Tacticus. Londen. 4 vol. 1955. 1937-1976. BARENDS. ed. DAIN (Collection des universités de France). trad. G. trad. pp. DAIN (Nouvelle collection de textes et documents). SEWTER. trad. B. 1969. Basilios Patrikios Parakoimomenos. Parijs. D. ed. PRIMAIRE BRONNEN 1. trad. Anonymus. C. LEIB (Collection des universités de France.V BIBLIOGRAFIE 1. Alexiade: règne de l’empereur Alexis I Comnène 10811118. S. T. Alexias. Leiden. Collection byzantine). Keulen. Anne Comnène. R. 57 e. Anna Komnene. DAWES. R. Poliorcétique. Parijs. The Alexiad of the princess Anna Comnena: Being the history of the reign of her father. A. Assen. ed. Anna Comnena. 1928 (= New York. trad. New York. Alexios I. 950). 1967). 1081-1118. D. A. De obsidione toleranda Anonymus de obsidione toleranda (ca. Hilda VAN DEN BERG. p. REINSCH. E. trad. emperor of the Romans. ed. 1985. 1-135. Poliorcetica Enée le tacticien. 1943. in Three military treatises. Naumachica Naumachica. A. Alexias Anonyma tactica Byzantina.v. De re strategica Anonymous Byzantine treatise on strategy... . 1996. 1967.

J. SOUSTEL (Byzantinische Geschichtsschreiber 19). ed. Die ‘De administrando imperio’ genannte Lehrschrift des Kaisers Konstantinos Porphyrogennetos für seinen Sohn Romanos. Parijs. Bonn. Chronique. Deeds of John and Manuel Comnenus. P. De expugnatione Thessalonicae Ioannis Caminiatae De expugnatione Thessalonicae. Die Byzantiner und ihre Nachbarn. 1995. G. Die Einnahme Thessalonikes durch die Araber im Jahre 904.. H. BEKKER (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 34-35). Georgius Cedrenus Ioannanis Scylitzae ope. Iosephi Genesii Regum libri quattuor. Wenen. K. Epitome rerum ab Joanne et Alexio Comnenis gestarum Ioannis Cinnami Epitome rerum ab Ioanne et Alexio Comnenis gestarum.VI Joannes Cameniates. trad. Bonn. BELKE. Anni LESMÜLLER-WERNER. Regum . Berlijn. I. BRAND. M. ROSENBLUM (Publications de la Faculté des lettres et des sciences humaines de Nice 10). De cerimoniis aulae Byzantinae Constantini Porphyrogeniti imperatoris De cerimoniis aulae Byzantinae libri duo. tradd. JENKINS (Corpus fontium historiae Byzantinae 1). ed. trad. Wenen. Byzanz am Vorabend Neuer Grösse: Überwindung des Bilderstreites und der innenpolitischen Schwäche (813-886). 1838-1839. Josephus Genesius. Bonn. THURN (Corpus fontium historiae Byzantinae 14. MEINEKE (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 26). 1829-1830. J. Washington D. 1973. De administrando imperio De administrando imperio. Gertrude BÖHLIG (Byzantinische Geschichtsschreiber 12) . 1989. trad. Gertrude BÖHLIG (Corpus fontium historiae Byzantinae 4. Graz. Berlijn. Series Berolinensis). REISKE (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 2021). J. H. ed. 1967. New York. Anni LESMÜLLER-WERNER (Byzantinische Geschichtsschreiber 18). 1984. Die vier Bücher der Kaisergeschichte des Ioseph Genesios. trad. C. 1972. Constantinus VII Porphyrogenitus. trad. ed. ed. Georgius Cedrenus. R. Constantinus VII Porphyrogenitus. A. MORAVCSIK. 1836. 1975. 1976. C. Series Berolinensis). Compendium historiarum Joannes Cinnamus. J. ed.

Provenant de la collection des tacticiens grecs. Ière série. Elizabeth JEFFREYS. II: Anonymi De rebus bellicis liber. Leipzig. ed. ed. Berlijn. 1932. C. trad. Berlijn. D. A. VIEILLEFOND. Parijs. 1838. C. 761-924. Poliorcetica Griechische Poliorketiker. trad. de critique et de philologie 20). Washington D. R. 2000. 1983. traduction et commentaires (Publications de l’institut français de Florence. Firenze – Parijs. J. Chronicon Georgii Monachi Chronicon. . H. H. DE BOOR (Bibliotheca Graecorum et Romanorum Teubneriana). pp. 2 vol. Berlijn. The chronicle of John Malalas. 1970. Byzanz wieder ein Weltreich: das Zeitalter der makedonischen Dynastie. 1986. THURN (Byzantinische Geschichtsschreiber 15). Kestoi Jules Africain. Georgius Monachus. M. 1908. SCHNEIDER (Abhandlungen der Königlichen Gesellschaft der Wissenschaften zu Göttingen.-R. 1904 (= 1978)..(niet gezien) Joannes Malalas. Fragments des Cestes. Siegecraft: two tenth-century instructional manuals by Heron of Byzantium. J. ed. Philologisch-historische Klasse.-R. J. Joannes Scylitzes. Graz. 1973. Synopsis Historiarum Ioannis Scylitzae Synopsis Historiarum. THURN (Corpus fontium historiae Byzantinae 5). Melbourne.VII On the reigns of the emperors. Ioannes Cameniata. Georgius Monachus. KALDELLIS (Byzantina Australiensia 11). Chronographia Ioannis Malalae Chronographia. Les “Cestes” de Julius Africanus. Julius Africanus. Chronicon Theophanes Continuatus. R. I. trad. 1).. JEFFREYS. 1998. 2000. THURN (Corpus fontium historiae Byzantinae 35). ed. SULLIVAN (Dumbarton Oaks studies 36). Georgius Monachus Continuatus. ed. VIEILLEFOND (Collection des universités de France). ed. Collection d’études d’histoire. Neue Folge XI. ed. Symeon Magister. BEKKER (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 18). Heron Byzantius. SCOTT (Byzantina Australiensia 4). F. Canberra. tradd. Étude sur l’ensemble des fragments avec édition.

GAMILLSCHEG (Corpus fontium historiae Byzantinae 17). Mauricius. Praecepta militaria Nicephorus Uranus. J. 378. C. G. Washington D. VAN DIETEN (Corpus fontium historiae Byzantinae 11. Wenen. Tactica E. Naumachica Naumachica. Berlijn. A. opera quae reperiri potuerunt omnia.. Sowing the dragon’s teeth. ed. pp. pp. 1863. ed. Historia . P. Sylloge Tacticorum Sylloge Tacticorum quae olim ‘inedita Leonis tactica’ dicebatur. Parijs. Romanorum imperatoris augusti. E. ed. Der bleiche Tod der Sarazener und Johannes Tzimiskes: die Zeit von 959 bis 976 in der Darstellung des Leon Diakonos. trad. B. Strategicon Mauricii Strategicon. Nicephorus Constantinopolitanus. Parijs. Leo Diaconus. Leo VI. 79167 (capita 63-74). 1981. Series Berolinensis). Washington D. C. J. ed.-L. Das Strategikon des Maurikios. C. Historiae Leonis Diaconi Caloënsis Historiae libri decem et liber de Velitatione bellica Nicephori Augusti. Bonn. Sowing the dragon’s teeth. MANGO (Corpus fontium historiae Byzantinae 13 = Dumbartons Oaks texts 10). Parijs. Series graeca 107). 1995. DAIN (Nouvelle collection de textes et documents). E. A. Nicetae Choniatae Historia. trad. Tactica Leonis. MIGNE (Patrologiae cursus completus. Nicetas Choniates. 1975. Nikephoros. DENNIS. cognomine Sapientis. trad. 1961. C. Breviarum historicum de rebus gestis post imperium Mauricii Short history. Byzantine warfare in the tenth century (Dumbarton Oaks studies 33). Nikephoros Phokas. Leo VI. 1943.VIII Leo VI. ed. 199O.. patriarch of Constantinople. Washington D. 1828. McGEER. Byzantine warfare in the tenth century (Dumbarton Oaks studies 33). Graz. 1995. ed. 1938. ed. C. T. Nicephorus II Phocas. LORETTO (Byzantinische Geschichtsschreiber 10). HASE (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 23).. McGEER. DAIN (Nouvelle collection de textes et documents). F.

Michael Psellus. C. ed. 1994. edd. GREATREX. Chicago. Leipzig. trad. HAURY. DE BOOR (Bibliotheca scriptorum Graecorum et Romanorum Teubneriana). Bilderstreit und Arabersturm in Byzanz. 601-760. L. P. WIRTH (Bibliotheca Graecorum et Romanorum Teubneriana). Theophanes Confessor: Chronographia Theophanis Chronographia. 1994. 1984. G. 1838. Cambridge (Massachusetts) – Londen. Symeon Magister (= pseudo-Symeon). Grandezza e catastrofe di Bisanzio (narrazione cronologica). I. BREYER (Byzantinische Geschichtsschreiber 6) Graz. ed. Chronographia Michele Psello. Oxford. H. . Imperatori di Bisanzio (Cronografia). trad. trad. E. Georgius Sphrantzes. De bello gotico Procopius II: De bellis libri V-VIII. S. MAISANO (Corpus fontium historiae Byzantiniae 29 = Scrittori bizantini 2). das 8. Detroit. edd. B. 1962. R. 1957. Byzantine and Near Eastern history AD 284-813. Thesaurus patrum graecorum). COULIE. MAISANO. Stratagematon Stratagems of war. Ioannes Cameniata. Chronographia Theophanes Continuatus. L. R. C. KRENTZ. P. SCOTT.. trad. 1998. B. Vicenza. R. The chronicle of Theophanes Confessor. History of the wars. Annales of Niketas Choniates. Procopius Caesariensis. ed. Turnhout. MAGOULIAS (Byzantine texts in translation). 1883-1885 (= 1963). IMPELLIZZERI. Silvia RONCHEY (Scrittori greci e latini). 1984. Georgius Monachus. Jahrhundert (717-813) aus der Weltkronik des Theophanes. 1991. P. Milaan. edd. Polyaenus. Books VII (continued) and VIII. Thesaurus Theophanis Confessoris: Chronographia. DEWING (Loeb Classical Library). KAZHDAN. trad. Anna PONTANI (Scrittori greci e latini). pp.IX O city of Byzantium. Leipzig. G. trad. WHEELER. A. Symeon Magister. BEKKER (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 18). 2 vol. 19632. Procopius. ed. ed. ed. tradd. Rome. Annales Georgii Sphrantzae Chronicon. YANNOPOULOS (Corpus christianorum. 1997. J. J. MANGO. H.

Anecdota Carolina. DEN HENGST. Series nova 7-9). Anecdota Carolina B. H. J. F. Anonymus. 2 vol. (Schriftenreihe zur historischen Vierteljahrschrift. TEITLER. Georgius Monachus. A. Liutprand of Cremona. Turnhout. ed. 3 vol. Historia romana (= Historia miscella) Landolfi Sagacis Historia romana. CHIESA (Corpus christianorum. vol. 4. P. Parijs. Rome. WRIGHT. Joannes Thuróczi. J. 1841-1844. 1977. DEN BOEFT. BISCHOFF. J. Elisabeth GALANTAI. Historiae Ammien Marcellin. Relatio de Legatione Constantinopolitana. 1838. The embassy to Constantinople and other writings. I. A. Historia Ottonis. Livres XXIII-XV. DRIJVERS. 2. Chronica Hungarorum Landolfus Sagax. LATIJNSE BRONNEN Ammianus Marcellinus. ed. KRISTO (Bibliotheca scriptorum medii recentisque aevorum. Symeon Magister. edd. H. M. Liber ignium ad comburendos hostes . Antapodosis Antapodosis. Chronographia Theophanes Continuatus. 1993. Philological and historical commentary on Ammianus Marcellinus XXIII. ed. trad. D. W. J. in Studien zur lateinischen Dichtung des Mittelalters. edd. Zeitschrift für Geschichts-wissenschaft und für lateinische Philologie des Mittelalters 1). Annales Annales.. NORWICH. BEKKER. trad. WALTHER. ed. CRIVELLUCCI (Fonti per la storia d' Italia 49-50).. Joannes Zonaras. Ioannes Cameniata. FONTAINE (Collec-tion des universités de France). ed. W. 1985-1988.X Theophanes Continuatus. Histoires. Continuatio mediaevalis 156). 1931. 2 vol. C. Ehrenausgabe für Karl Strecker. J. Dresden. 6-7. Liutprand Cremonensis. Groningen. STACH. 1. Homelia paschalis. Budapest. Marcus Graecus. 1998. PINDER (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 27-28). pp. Chronica Hungarorum. 1912. S. (Corpus scriptorum historiae Byzantinae 18). Bonn. 1998. Londen. ed.

Abriß des Militärwesens. Pline l’Ancien. CHALMETA. ARABISCHE BRONNEN Abu-‘l’-Qasim Khalaf ibn ‘Abbas al-Zahrawi (= Abulcasis) La chirurgie d’Abulcasis. Stuttgart. L. 1985. trad. BEAUJEU (Collection des universités de France). Byzance et les arabes. ed. pp. Zaragoza. 1861.. Al-Muqtabis Al-Muqtabis: al-guz ‘al-‘kamis. pp. appendix. 1853-1869 (=Beiroet. ed. Parijs. Parijs. Al Kamil fi'l-Tarih Chronicon quod perfectissimum inscribitur Al Kamil fi'l-Tarih. VASILIEV (trad.-M. A. CAHEN. P. Livre II. Parijs. J. 129-162. Histoire de la chimie. 3. vol. L. 1997. 1967).). 1971. I. I. 13 vol. Histoire Naturelle. pp. J. Turnhout. Ibn Hayyan. Parijs. Histoire de l’Afrique et de l’Espagne . C. 349-369. 89-135. MÜLLER. A. in Bulletin d’études orientales 12. A. María Jesús VIGUERA (Textos medievales 64). J. Livre XXXV. 2. 1979. trad. La chimie au moyen âge. I. Naturalis Historia Pline l’Ancien. P. Plinius Maior. V. VASILIEV (Patrologia orientalis 8). 102-163. 1947-1948. E. ed. Agapius Marbugensis. pp. trad. CROISSILLE (Collection des universités de France). Ibn al-Atir. ed. Murda ibn al-Tarsusi Un traité d’armurerie composé pour Saladin. Cronica del Califa 'Abdarrahman III an-Nasir entre los años 912 y 942 (al-Muqtabis V). M. F. ed. trad. 1950. Parijs. trad. Vegetius Renatus. Histoire Naturelle. trad. 1893 (= Amsterdam. 1965-67). Ibn Idhari. BERTHELOT. 1981. Leiden. Kitab al-‘Unwan Agapius (Mahboub) de Menbidj. trad. Madrid. C. Kitab al. A. Epitoma rei militaris Vegetius. ed.‘Unwan (Histoire universelle). II. ed.XI F. LECLERC. 1842. TORNBERG. HOEFER.

trad. Ibn al-Koutiya Extraits inédits relatifs au Maghreb. 19041910 (= Leuven. 7 vol. G. Ibn Sida. Recherches sur l’histoire et la littérature de l’Espagne pendant le moyen âge. trad. 18813. Londen. in R. 1962). C. J. Parijs. NASAR.Leiden. edd.). Parijs . ANDERE BRONNEN Michael de Syriër. P. 214-219.. trad. trad. M. The history of al-Tabari. M. 2 vol. DOZY. W. Leiden. XXXV: The crisis of the ‘Abbasid Caliphate. DE GOEJE. VASILIEV (trad. 59 = Corpus scriptorum christianorum Orientalium. 1958-1973. Historia patriarcharum Historia patriarcharum Alexandrinorum. A. Parijs. 2. SEYBOLD (Corpus scriptorum christianorum Orientalium 52. 2 vol. I. ed. Byzance et les Arabes.XII Ibn Idhari. pp. pp. 2 vol. II. VASILIEV (trad. M. 1899-1910. 1932 (= Amsterdam.-B. E. I. II. Al-Coutia. 1890. FAGNAN. 1924. 1976). Scriptores Arabici 8-9). Byzance et les Arabes. A. Ta’rikh al-rusul wa’l-muluk Annales quos scripsit Abu Djafar Mohammed ibn Djarir at-Tabari. Bar Hebraeus. 1901-1904. 2. Patriarche Jacobite d’Antioche (11661199). Beiroet. AL-SAQQA. 373-378. .. A. Severus Ibn Alexandrinorum al-Muqaffa. 278-326. Algiers. 4.. BEDJAN. CHABOT. trad.. E. pp. Auszug über die normannischen Einfälle in Spanien 845. 4-23. 4 vol. M. A. 16 vol. Algiers. 1879-1901 (=1964-1965).. Histoire de l’Afrique et de l’Espagne.). The chronography of Bar Hebraeus. H.. Chronicon Chronique de Michel le Syrien. Al-Mukham wa-l-muhit al-A’zam fi l-lugha Al-Mukham wa-l-muhit al-A’zam fi l-lugha. Al-Tabari. BUDGE. ed. A. ed. F. 2 vol. Caïro. FAGNAN (Géographie et histoire). ed. 1985. J.. trad. E. SALIBA (Biblioteca Persica). New York. pp. Chronicon Syriacum Gregorii Barhebraei Chronicon Syriacum.

H. ed. ed. Parijs. Vie de saint Louis. Série 2. CHARLES (Text and translation society press 3). L. Kroniek van Nestor Chronique dite de Nestor. B. ed. O. Cambridge (Massachusetts). Yngvars Saga Vidfötla Yngvars Saga Vidfötla. Parijs. trad.XIII Joannes van Nikiu. being a history of Egypt before and during thet Arab conquest. sire de Joinville. 1884. OLSEN (Samfund Til Udgivelse Au Gammel Nordisk Literatur 39). trad. J. 690 B. Jean de Joinville. 1981). 13).C.). . Historie de Saint Loys Jean. Londen. R. The Russian Primary Chronicle: Laurentian text. trad. Chronicon The chronicle of John (c. Monfrin (Classiques Garnier). Kopenhagen. E. 1912. S. tradd. LEGER (Publications de l’école des langues orientales vivantes. H. SHERBOWITZ-WETZER (Mediaeval academy of America 60). CROSS. 1916 (= Amsterdam. 1953. 1995. Coptic bishop of Nikiu.

Parijs. pp. H. 2: Les institutions de l’Empire byzantin (L’évolution de l’humanité 32 bis). __________________ 1. E. 1960). M. 1949 (= 1970). 1966. B. F. D. 1986. EICKHOFF. 1924 (= München. Byzance et la mer: la marine de guerre. BARTUSIS. AL-HASSAN. Berlijn. 19202 (= Osnabrück 1965) E. M. 1: Vie et mort de Byzance (L’évolution de l’humanité 32). BRÉHIER. in Collège de France. SONNEMANN. F. HILL. R. Y. A. DAIN. Princeton. Centre de recherche d'histoire et civilisation de Byzance. P. 1978. arms and society. II: Jean II Comnène (1118-1143) et Manuel I Comnène (1143-1180).XIV Secundaire bronnen. RICHTER. A. 1893 (= Amsterdam. L. M. The late Byzantine army. 3 vol. Berlijn. C. 1992. 1947 (= 1992) ID. la politique et les institutions maritimes de Byzance au VII-XVe siècles. R. Études sur l’Empire byzantin au XIe et XIIe siècle. Parijs. 1966. Der Vorzeit. 1971 (= 1986). Die Technik. Antike Technik: sieben Vorträge. L. Ships and seamanship in the ancient world. Cambridge.. CHALANDON. Islamic technology: an illustrated history. ALGEMENE WERKEN Hélène AHRWEILER. Le monde byzantin. 1970). Parijs. Parijs. Le monde byzantin. DIELS. 12041453.. Philadelphia. . La chimie au moyen âge. FELDHAUS. der Geschichtlichen Zeit und des Naturvolker. BERTHELOT. S. BRENTJES. CASSON. 1967. Leipzig. Leipzig – Berlijn. Parijs. Seekrieg und Seepolitik zwischen Islam und Abendland: Das Mittelmeer unter byzantinischer und arabischer Hegemonie (6501040). 1912 (= New York. Ein Lexikon. Geschichte der Technik. 317-392. Travaux et mémoires 2. 1967). Les stratégistes byzantins.

History of the Arabs from the earliest times to the present. HITTI. New York. A historical introduc-tion (History of science library). Berlijn. Beiträge zur Geschichte der Naturwissenschaften und der Technik. J. IV: The Byzantine empire. 1). K. Geschichte der byzantinischen Litteratur von Justinian bis zum Ende des Oströmischen Reiches (527-1453) (Handbuch der klassischen Altertumswissenschaft IX. 1970) A. 1974. 1999. München. 2 vol. ID. The Cambridge medieval history. PEDERSEN. social and administrative history. 565-1204 (Warfare and history). 1996. G. J. 2). 2 vol. 1988. J. J. army and society in Byzantium: approaches to military. 1. O. Early physics and astronomy. The emergence of Rus. ID. 1982. Oxford Dictionary of Byzantium. Princeton (New York). Londen – New York. LEWIS. PIHL. Cambridge. Byzantium and the early Islamic conquest. 3 vol. Cambridge. Warfare. 1966-1967. Leiden. Londen. 750-1200. KRUMBACHER. 19642. A. Londen. München.. Zur Geschichte des Schiesspulvers und der älteren Feuerwaffen. W. I. M. 1995. K. . O. Londen. HUSSEY (ed. OSTROGORSKY. E. KAEGI. von LIPPMANN. 19633. New York.. R. KAZHDAN. C. 1991. SHEPARD. State. 1940 (= 1974). FRANKLIN. Alice-Mary TALBOT (edd.. 1971-1983). Arms and armour of the crusading era 1050-1350.D. 6th-12th centuries (= Variorum collected studies series 504). 2 vol.. HALDON. F. FORBES. Londen. 18972 (= New York.. P. 1992 (= 1995). NICOLLE. Naval power and trade in the Mediterranean A. 1923 (= Wiesbaden. New York – Oxford.XV R.. S. 5001100. ID. 1899. Geschichte des byzantinischen Staates (Handbuch der Altertumswissenschaft XII. state and society in the Byzantine world.). Studies in ancient technology. Army. 1951.. society and religion in Byzantium (Collected studies 162). E. D. P.). Stuttgart. M.

L. Constantine Porphyrogenitus and his world. 1936. L. REDDÉ. STRATOS. Studies in the maritime history of the Mediterranean. von ROMOCKI. ID. Cambridge (Massachusetts). P.. Berlijn. SUHLING. The emperor Romanus Lecapenus and his reign. Byzance et les Arabes. Léon le Sage et Constantin VII Porphyrogénète): 867-959 (253-348) (Corpus Bruxellense historiae byzantinae 2). Cambridge. 1929 (= 1988).).. A. Annapolis. G. ID. technology and war. RUNCIMAN. München. Un empereur byzantin au dixième siècle. W. A. PRYOR. Nicéphore Phocas. Publications 25.. 1986. SCHLUMBERGER. 1973. CANARD (trad. A history of mechanical inventions. Byzance et les Arabes. ID. History of Byzantine state and society. M. 1988. 649-1571 (Past and Present Publications). The Goths in the Crimea (Mediaeval academy of America. 1890. I: La dynastie d'Amorium (820-867) (Corpus Bruxellense historiae byzantinae 1). N. 1975. S. A. Cambridge. . Stanford. TOYNBEE. Brussel. VASILIEV. Brussel. Geography.. II: Les relations politiques de Byzance et des Arabes à l’époque de la dynastie macédonienne (les empereurs Basile I. Naval warfare under oars: 4th to 16th centuries. RODGERS. Stanford. Abhandlungen und Berichte 43. Londen.XVI J. 1995. J. TREADGOLD. 1895. S. Parijs. A study of tenth-century Byzantium.). Erdöl und Erdölprodukte in der Geschichte (Deutsches Museum. Amsterdam. Mare nostrum: les infrastructures. M. USHER. 2 vol. W. 1978. 2-3). A. 1935 (= 1959). Rome. le dispositif et l'histoire de la marine militaire sous l'Empire romain (Bibliothèque des écoles françaises d'Athènes et de Rome 260). 19542. Geschichte der Sprengstoffchemie. Londen. IV: 668-685. H. H. Byzantium and its army 248-1081. 1997. 1939. der Sprengtechnik und des Torpedowesens bis zum Beginn der neuesten Zeit (Geschichte der Explosivstoffe 1). A. Monographs 11). 1950-1968. Byzantium in the seventh century. GRÉGOIRE (trad.

Chemical warfare in the Middle Ages: Kallikinos’ ‘prepared fire’. 1973. BRADBURY. BRÉHIER. ID. . in Byzantion 43. H. E. M. CANARD. CHRISTIDES. in Journal of Chemical Education 14. 1-16. CHERONIS. in Revue historique 227. in Saarburg Jahrbuch 35. p. 1984. 1937. A turning point in the struggle between Byzantium and Islam. BROOKS. 1979. Textes relatifs à l’emploi du feu grégeois chez les Arabes. 323-330. 1891. ID. The emperor cult and the origins of the iconoclastic controversy. pp. pp. BUSETTO. pp. J. BARNARD. N. 1-32. Londen. R. BROCK. 19-33. P.. Greek Fire in the West. pp. 1956. pp. pp. 786-822. 1926. Le feu grégeois et les origines de la poudre à canon. 1899. Gunpowder and firearms in the Mamluk kingdom. The conquest of Crete by the Arabs (ca. W. in Journal asiatique 208. A history of fireworks. D. Londen. La marine de Byzance. Les expéditions des Arabes contre Constantinople dans l’ histoire et dans la légende. La flotta bizantina nelle campagne contro i Bulgari condotto dall’ imperatore Constantino V. Athene. BERTHELOT. from Arabic Sources. 137-148. AYALON. BROK. 1984. A. M. F. 3-7. pp. Ein spätrömischer Brandpfeil nach Ammianus. 8. Les compositions incendaires dans l’Antiquité et au moyen âge. pp. pp. BIJZONDERE STUDIES Hélène AHRWEILER. L. 1992. 1946. The campaign of 716-718. 5. in Journal of Hellenic Studies 19. pp. S. 3/4. L’Asie mineure et les invasions arabes (VII-Ixe siècles). in Byzantion 19. in Revue roumaine d’ histoire 31. L. in Graeco-Arabica 3.XVII 2. 1978. A. 57-60. 824). in Revue des deux mondes 106. M. 1962. 360-365. pp. Naval warfare in the eastern Mediterranean (6th – 14th Centuries). V. 1949. 326-339.. W. D. in Bulletin des études arabes 6. 13-29. 1943. in History Today 29. E. 61-121.

BOSWORTH (ed. Praag. Homenaje a D. Athene. in NUBICA 3. Naft (2). E.. 106-130. Institute for Byzantine Research. 1965. I. ID. DAIN. C.. Navigation and naval warfare in the eastern Mediterranean. ESTOPAÑAN. tomo I. in C.. Bulletin de la classe des lettres et des sciences morales et politiques 5e série. The secret weapon of Byzantium. Byzantium at war (9th to 12th c.). M. pp. Parijs. L. pp. 61-74. DAVIDSON. 1948. 324-329.. 93-98. The uses of sphero-conical vessels in the Muslim East. DOLLEY. pp. ID.). pp.D.). in N. pp. in Byzantinische Zeitschrift 66. 1995 (= Byzantinoslavica 56. in F. 1973. pp. 1-3). Reproduciones y R. 218-229. Parijs. pp. 1993. Naval tactics in the heyday of the Byzantine thalassocracy. Military intelligence in Arabo-Byzantine naval warfare. 1904. miniatu-ras. 1940. DE GOEJE. Francisco Codera en su jublilación del profesorado: estudios de erudición oriental. in Académie royale de Belgique. Oleg’s mythical campaign against Constantinople. Ibn al-Manquali (Mangli) and Leo VI: New evidence on AraboByzantine ship construction and naval warfare. 269-281. ID.). Appellations grecques du feu grégeois. art. 35. Barcelona – Madrid. Quelques observations sur le feu grégeois. CODERA (ed. pp. Le “Corpus perditum” (Collection de philologie classique). de littérature et d’histoire anciennes offerts à A. in Stephanos. Zaragoza. 1939. A. 47-53.. ERNOUT. H. R. 1. Rome. 83-96. ID. pp. Skyllitzes Matritensis.) (The National Hellenic Research Foundation. 121-127. ID. 3-42. E. in Journal of Roman Studies 38. OIKONOMIDES (ed. 7.. in Mélanges de philologie. . 1953. 1997. 884-886. in Journal of Near Eastern studies 24.. 1994. R. Encyclopaedia of Islam (New Edition). International Symposium 4). H. ID. ETTINGHAUSEN. in Atti del VIII congresso internazionale di studi bizantini. vol.XVIII ID. 1965. 1949. Leiden – New York. the Red Sea and the Indian Ocean (6th – 14th centuries A. The warships of the later Roman empire. pp. S. pp.

RICHTER. Some aspects of Byzantine military technology from the 6th to the 10th centuries. Le site d’Amorium. vEna ovplo thH buzantinhvH nautikhvH taktikhvH. F. 201-352. Beiträge eines Symposions in Frankfurt im Dezember 1996 (Peleus. 19953.XIX J. 1959. 1941. in Collège de France. W. 1975. 1979. (niet) L.n PØr. pp. Centre de recherche d’ histoire et civilisation de Byzance. R. Theory and practice in tenth-century military administration.. in E. 2000. 1977. 11-47. in Annales de Chimie et de Physique 3ième série. H. pp. BYRNE. J. 3). 1915. 1965. A. 32-33. . STUPPERICH (edd. pp. Travaux et mémoires 1. pp. in Collège de France. Londen. T. Thomas le Slave. JUgro. 2000. KOLIAS. Recherches sur le feu grégeois et sur l’ introduction de la poudre à canon en Europe. HIME. LIGHTFOOT. 91-99. D. Studien zur Archäologie und Geschichte Griechenlands und Zyperns 4). Leiden. Helsinki. Essai sur le feu grégeois et sur la poudre à canon. T. KORRES. K. P. ID. R. LETSIOS. 18452. R. J. Venetië.). A possible solution to the problem of the Greek Fire. Manheimm – Möhnesee. LALANNE. Die byzantinische Kriegsmarine. pp. A. L. H. 132-139. 1842. Zur Geschichte des mittelalterlichen Geschützwesens aus orientalischen Quellen (= Studia orientalia 9. K. The origin of artillery. 433-453. L’illustration du manuscrit de Skylitzès de la bibliothèque nationale de Madrid (Bibliothèque de l’ institut hellénique d’études byzantines et post-byzantines de Venise 10). CHRYSOS. LEMERLE. ID. pp. Travaux et mémoires 13. EVENHUIS. GRABAR. 44 and 45 of ‘De Ceremoniis’. Griechenland und das Meer. Parijs. in Byzantine and modern Greek studies 1. G... 1975. pp. Ihre Bedeutung im Verteidi-gungssystem von Byzanz. 4. in Spiegel Historiael 10. ID. HALDON. Chapter II. FORBES. C. Centre de recherche d'histoire et civilisation de Byzance. Het Griekse vuur. More studies in early petroleum history 1860-1880. M. 255-297. 298-303. HUURI. 1999. pp. in Byzantinische Zeitschrift 70. in Dossiers d’Archéologie 256.

M. et des origines de la poudre à canon chez les Arabes. les Persans et les Chinois. T. Leipzig. MAKRYPOULIAS. 179-200. 655-679. G. Über das ‘Griechische Feuer’. 27-37. ID. Il fuoco greco. in Byzantinoslavica 33. FAVÉ. in Journal asiatique 4ième série. 214-274. Secrecy. J. OIKONOMIDES (ed.) (The national Hellenic research foundation. Athene. POPPE. pp. Greek Fire. Observation sur le feu grégeois. PARTINGTON. I. pp.. La dernière expédition russe contre Constantinople. PÁSZTHORY. 233-268. 15. . P. Du feu grégeois. pp. in Journal asiatique 4ième série. pp. 1971. pp. pp. 1952. 1990. Cambridge. D. 1961. 1999). 1992. 1849. 12. LOTZ. SULLIVAN. La poudre à canon. 1998. 1988. in Antike Welt 17. 162-166. 1995. Tenth century Byzantine siege warfare. 14. in Graeco-Arabica 6. 15. C. 1848. 257-327. pp. pp. 359-368. 1-29. pp. Byzantium at war (9th to 12th c.. ID. 89-93. 1986.XX A. 1978). PENTZ. 1850. pp.). in Journal asiatique 4ième série. ID. Le feu grégeois. J. 1960 (= Baltimore – Londen. E. in N. ROLAND. 152-171. in Antiquity: A quarterly review of Archaeology 62. 1997. in Journal asiatique 4ième série. pp. 1850. 1941 (= Zürich. A. in Technology and culture 33. Gabriele PASCH. 193-237. E. M. International symposium 4). A medieval workshop for producing Greek Fire grenades. Nouvelles observations sur le feu grégeois et les origines de la poudre à canon. des feux de guerre. in Military history quarterly 2. ID. Greek Fire. REINAUD. pp. 678-1204. 371-376. Institute for Byzantine research. De l’art militaire chez les Arabes au moyen âge. MERCIER. A. Das Feuerwerk: seine Geschichte und Bibliographie. The navy in the works of Constantine Porphyrogeni-tus. Die Analyse eines spätantiken Waffensystems. 16-19. QUATREMÈRE. Les feux à guerre depuis l’Antiquité. pp. and war: Greek Fire and the defense of Byzantium.. technology. Parijs. in Archeologia medievale 25. 2.. R. A history of Greek Fire and gunpowder. in Endeavour 20.

ZENGHELIS. in Byzantion 67. 265-286. 483-516 en in Vizantijskij Vremmenik 55. 77-162. TOUTAIN. pp. 1953. in Philologus 128. VASOJEVIC. in Byzantion 7. YANNOPOULOS. The fortifications and defenses of Constantinople. . 2. & N. 1997. J. 1932. La rôle des Bulgares dans la guerre Arabo-Byzantine de 717/718. New York. pp. in Journal des savants 51. Naphta. B.XXI W. pp. Le feu grégeois. . TSANGADAS. A. pp. 1984. C. pp. 133-153. 7780. TREADGOLD. C. 1980. P. in Rivista di studi bizantini e neoellenici 29. 1998. The army in the works of Constantine Porphyrogenitus. 1992. 208-229. pp. Le feu grégeois et les armes à feu des Byzantins. P.

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->