P. 1
JvB NASK2 T3H1 Uitwerkingen

JvB NASK2 T3H1 Uitwerkingen

5.0

|Views: 4,983|Likes:
Published by kingboko

More info:

Published by: kingboko on Sep 08, 2011
Copyright:Attribution Non-commercial

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

10/09/2011

pdf

text

original

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

1 Stoffen
1.1 Stoffen herkennen 2 3 4 5 stofeigenschappen D kleur, geur a Verschil: kleur, geur, smaak, etc. Overeenkomst: beide zijn vloeibaar. b Verschil: dichtheid, kleur, ijzer is magnetisch; koper niet. Overeenkomst: beide zijn vast, ze geleiden elektriciteit en warmte. Elke stof kan een massa van 10 gram hebben. Aan de massa kun je dus niet herkennen welke stof het is. Annemarie heeft gelijk. geur, kleur, brandbaarheid, smaak ruiken zien horen 9 gezichtbedrog kleurenblind doofheid verkoudheid

6

7 8

10 Ik zie allemaal cirkels.
Wanneer je een passer zou gebruiken, zul je merken dat hier alleen maar cirkels zijn getekend. Door het gebruik van verschillende kleuren en achtergronden zie je in de tekening spiralen.

11 laboratoriumjas Beschermt tegen stoffen die opspatten of tegen stoffen die op de werktafel liggen. Beschermt tegen opspattende stoffen. Beschermt tegen gevaarlijke (bijtende, irriterende, giftige) stoffen. Zorgt ervoor dat je haar niet in de vlam van de brander komt.

bril handschoenen haarelastiek

© Noordhoff Uitgevers bv

1

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

12 Wanneer je eet of drinkt, kunnen (schadelijke) stoffen in je lichaam komen. Deze schadelijke stoffen liggen op tafel of zitten aan je handen. 13 Ze eet tijdens het practicum. Haar laboratoriumjas is niet dicht. Ze heeft haar lange haren niet samengebonden. Ze drinkt. Er ligt brood op de tafel. Ze heeft geen bril op terwijl een stof uit het bekerglas spat. 14 Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Een reageerbuis mag je niet verder vullen met vloeistof dan voor 1/3e deel. b Tijdens het verhitten van een reageerbuis moet je de opening op jezelf richten. c Om je vingers niet te branden gebruik je een reageerbuisknijper. d Je mag een beetje stof uit een potje schudden. e Na gebruik van een stof moet je het potje afsluiten. f Als je iets knoeit, ruim je dat na afloop van het practicum op. g Stoffen op je handen moet je direct afwassen. h Doe tijdens een proef alleen wat in het voorschrift staat. i Je kunt je tas overal in het lokaal neerzetten. 15 aanwezig? nooddouche oogdouche brandblusser branddeken
Eigen antwoord

☺ ☺ ☺ ☺

Waar in het lokaal?

16 Een stof kan worden opgenomen via de huid. Dat veroorzaakt problemen als een stof gevaarlijk of giftig is. 17 Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. 1 Erik leest eerst het practicumvoorschrift goed door. 2 Voordat hij de proef uitvoert, haalt hij alle benodigdheden op. 3 Omdat hij gewoon water verwarmt, doet Erik geen jas aan en geen bril op. 4 Erik doet de reageerbuis halfvol water. 5 Erik steekt de brander op de juiste manier aan. 6 Erik gebruikt een reageerbuisknijper. 7 Erik verwarmt het reageerbuisje in de gele vlam. 8 Na de proef zet Erik het buisje in het reageerbuisrekje. 9 Erik beantwoordt de vragen in het activiteitenboek. 10 Na de proef ruimt Erik de spullen op en zet alles weer terug waar hij het gehaald heeft. 11 Erik maakt de tafel schoon met een doek.

☺ ☺ ☺

© Noordhoff Uitgevers bv

2

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

1.1 Test jezelf 1 a Stoffen herken je aan de stofeigenschappen. Bijvoorbeeld geur, kleur, smaak en brandbaarheid. b Je kunt niet altijd vertrouwen op je zintuigen. c Tijdens een proef moet je jezelf beschermen. Draag altijd een jas. Bind je lange haren op als je met vuur werkt. Voordat je iets verwarmt, zet je een veiligheidsbril op. d Je doet veilig practicum als jij je houdt aan de veiligheidsvoorschriften. Doe geen andere proeven dan de proeven die je moet doen. Veilig werken betekent ook dat je weet waar de noodvoorzieningen zijn. Voorbeelden van goede antwoorden zijn: geur, kleur, smaak, brandbaarheid, dichtheid, geleidbaarheid, oplosbaarheid. gezichtsbedrog Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Mensen nemen waar met hun zintuigen. b In de scheikunde mag je proeven. c Als je een proef doet, hoef je niet beschermd te worden. d Een bril beschermt tegen opspattende stoffen. e Tijdens een practicum moet je altijd de veiligheidsregels kennen. 1 Ze dragen een laboratoriumjas. 2 Ze dragen een veiligheidsbril. 3 Ze gebruiken een reageerbuisknijper. a b c d e voor 1/3e gevuld. spatel / lepel moet je je handen meteen wassen. voorschrift ruim je alles netjes op.

2

3 4

☺ ☺

5

6

1.2 Zuivere stoffen en mengsels 2 a twee of meer stoffen door elkaar. b één stof. lucht, sinaasappelsap, wijn, bier, ranja, beton B

3 4

© Noordhoff Uitgevers bv

3

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

5

6 7 8

C C

9

a smeltpunt b … verdampen … temperatuur …

10 a na 20 minuten b 15 minuten
Het smelten begint na 20 minuten. Na 35 minuten is alles gesmolten.

c 52 °C d Waarschijnlijk paraffine.
52 °C is gelijk aan 325 K (zie tabel 1). Uit tabel 15 kun je dan bij smeltpunt aflezen welke stof het is.

e zie volgende pagina.
Het is dezelfde stof; dus is het smeltpunt hetzelfde. De tijdsduur van het gehele proces is waarschijnlijk langer dan in de tekening. De warmteafgifte per tijdseenheid is meestal kleiner dan bij verwarmen.

© Noordhoff Uitgevers bv

4

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

11
temperatuur temperatuursensor elektrisch signaal computer grafiek

12 smeltpunt mengsel kooktraject zuivere stof kookpunt 13 a + b stoltraject smelttraject stolpunt

c Zeewater is een mengsel, want de temperatuur verandert tijdens het bevriezen. d Het stoltraject van zeewater is -1 °C tot -5 °C.

© Noordhoff Uitgevers bv

5

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

1.2 Test jezelf 1 a Een mengsel bestaat uit twee of meer stoffen door elkaar. Een zuivere stof bestaat uit één stof. b Je maakt een temperatuur-tijd-diagram. Bij een zuiver stof blijft de temperatuur bij een faseovergang gelijk. Deze temperatuur heet smeltpunt, stolpunt of kookpunt. c Een mengsel heeft een smelttraject, stoltraject of kooktraject. Bij de faseovergangen smelten en koken neemt de temperatuur langzaam toe. De temperatuur neemt langzaam af tijdens het stollen. smeltpunt, één soort molecuul, suiker smelttraject, twee soorten moleculen, ranja a b c d smeltpunt. mengsel temperatuur temperatuursensor

2 3 4

5

1.3 Mengsels 2 a helder b kleur B De oplosbaarheid van een stof is het aantal gram van een stof dat maximaal in één liter water kan oplossen. … vloeistoffen … beter … … gassen …oplosbaarheid … temperatuur D Ja … het mengsel is helder.

3 4

5

6 7

© Noordhoff Uitgevers bv

6

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

8

a : 1000 water ijzersulfaat 1 L (= 1000 mL) 156 g : 1000 1 mL 0,156 g × 100 × 100 100 mL 15,6 g

Je kunt maximaal 15,6 gram ijzersulfaat oplossen in 100 mL water. b : 1000 water ijzersulfaat 1 L (= 1000 mL) 156 g × 450 1 mL 450 mL 70,2 g

0,156 g : 1000 × 450

Je kunt maximaal 70,2 gram ijzersulfaat oplossen in 450 mL water. c : 156 water ijzersulfaat 1000 mL 156 g : 156 × 80 6,41 mL 1g × 80 512,8 mL 80 g

Je hebt minimaal 512,8 mL water nodig om 80 g ijzersulfaat te kunnen oplossen. 9 a Een suspensie is altijd troebel.
b Een suspensie is niet altijd gekleurd

Een suspensie is altijd gekleurd.

☺ ☺

c Een emulsie is een vaste stof die niet goed mengt met een vloeistof.

Een emulsie is een vloeistof die niet goed mengt met een vloeistof.

d e f g

Een suspensie ontmengt als je de suspensie een poosje laat staan. Een emulsie heeft altijd een kleur. Een emulgator helpt water en olie met elkaar mengen. Als je een suspensie een poosje laat staan, zakt de vloeistof naar de bodem. ☺

Als je een suspensie een poosje laat staan, zakt de vaste stof naar de bodem.

10 a een kleinere dichtheid heeft dan water.
1 cm3 olie is minder zwaar dan 1 cm3 water.

b gekleurd vaste stof + vloeistof ontmengt zakt naar de bodem emulsie olie drijft bovenop © Noordhoff Uitgevers bv 7 troebel suspensie vloeistof + vloeistof

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

12 D 13 legering brons messing soldeer 14 a mengsel schuim nevel rook omschrijving Schuim is een gasvormige stof dat niet oplost in een vloeibare stof. Nevel is een vloeibare stof die fijn verdeeld is in een gasvormige stof. Rook is een vaste stof gemengd met een gasvormige stof. Een emulsie is een vloeibare stof die niet oplost in een vloeibare stof. voorbeeld de schuimkraag op bier in een glas, slagroom mist smog krijt in water; zand in water melk, mayonaise, advocaat, yoghurt, mosterd gemende metalen koper en tin koper en zink tin en lood toepassing munten, beelden, kerkklokken waterkranen metalen solderen

suspensie Een suspensie is een vaste stof die niet oplost in een vloeibare stof. emulsie b mengsel schuim nevel rook suspensie emulsie

1.3 Test jezelf 1 a Oplossingen zijn heldere mengsels van een oplosmiddel met een andere stof. Een oplossing kan kleurloos of gekleurd zijn. De oplosbaarheid geeft aan hoeveel gram stof maximaal oplost in 1 liter water. b Een suspensie is een mengsel van kleine deeltjes van een vaste stof en water. Een emulsie is een mengsel van twee vloeistoffen die niet in elkaar oplossen. Voor een emulsie is een emulgator nodig. Een suspensie en een emulsie zijn altijd troebel en gekleurd. c Een legering is een mengsel van twee metalen. Schuim is een fijn verdeeld gas in een vloeistof. In rook zweven kleine vaste deeltjes in een gas. Een nevel is een vloeistof die fijn verdeeld is in een gas. helder, soms een kleur, stof opgelost in oplosmiddel altijd gekleurd, vaste stof zinkt naar de bodem, troebel

2 3

© Noordhoff Uitgevers bv

8

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

4 schuim nevel legering rook 5 een mengsel van twee metalen een gas verdeeld in een vloeistof vaste deeltjes verdeeld in een gas een vloeistof fijn verdeeld in een gas

a Een emulsie ontmengt na verloop van tijd. Hierbij ontstaan twee vloeistoflagen. Romano heeft gelijk. b emulgator c Voorbeelden van juiste antwoorden zijn: mayonaise, mosterd, melk, yoghurt, advocaat

1.4 Mengsels scheiden 2

3

a 1 Vouw het filter twee maal dubbel. 2 Zet de trechter in de reageerbuis. 3 Doe het filter in de trechter. Plak het filter vast. 4 Schenk een beetje troebel water op het filter. 5 Wacht tot het water door het filter is gezakt. 6 Herhaal de laatste twee stappen. b filter 1 suspensie 2 filter met residu 3 filtraat Zout kun je oplossen in water. Suiker lost niet op in water. Een oplossing is helder. Door filtreren scheid je de opgeloste stoffen van het water. Het residu gaat door het filter. Het filtraat is altijd helder. Vaste deeltjes hebben een grotere dichtheid dan water en zinken naar de bodem. h Je moet eerst afschenken en dan gaan bezinken. i Cola is een voorbeeld van een suspensie. j Door een verschil in stofeigenschappen kun je een mengsel scheiden. a b c d e f g

4

5

☺ ☺ ☺

☺ ☺

© Noordhoff Uitgevers bv

9

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

6 7

kookpunt ... koken. … vaste stof … residu (zout). a A b B Zie de figuur hiernaast. ja nee ja nee
Het water verdampt in de lucht. Je zou het water dan moeten opvangen. Waterproductie uit zeewater gebeurt door destillatie.

8

9

10 a b c d

11 a destilleren b indampen c filtreren / indampen
Indampen duurt veel langer.

12

13 … fracties. … fracties … kooktraject. … fractie …mengsel … … lager … 14
D L I D E S T I L L A A T B R R O R W Z W U Y F I L T R A A T N E K N I Z E B Q N E R E R T L I F I N D A M P E N S M N L O V P F K W W J H K W V Q G V M I H Z A D W P D D E S T I L L E R E N F D P R E I Z U J F A N E K N E H C S F A U Y P

© Noordhoff Uitgevers bv

10

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

1.4 Test jezelf 1 a Een suspensie kun je scheiden door gebruik te maken van het verschil in deeltjesgrootte. Ook kun je een suspensie scheiden door gebruik te maken van de dichtheid van de deeltjes. Dit heet bezinken en afschenken. b Bij indampen maak je gebruik van het verschil in kookpunt. De stof met het laagste kookpunt verdampt eerst. Bij indampen scheid je een vloeistof van een opgeloste vaste stof. c Bij destilleren vang je de vloeistof op die het eerst kookt. Deze vloeistof heet het destillaat. Bij destilleren maak je ook gebruik van het verschil in kookpunt. filtreren indampen destilleren verschil in kookpunt, vloeistof wordt opgevangen verschil in deeltjesgrootte verschil in kookpunt, de vloeistof verdwijnt

2

3

a b c d

niet waar waar waar waar
Een oplossing wordt meestal ingedampt.

4 5

condenseren, verdampen a Zie de figuur hiernaast. b Zie figuur. c Zie figuur.

1.5 Extraheren en adsorberen 2 3 C a De juiste volgorde is: P Je doet water bij een mengsel van zand en zout. R Je laat het zout oplossen. I Je filtreert het mengsel. M Je dampt de oplossing in. A Je haalt het zand van het filter en het zout uit de indampschaal. b PRIMA Wanneer je jood en zout met alcohol mengt, lost het jood op. Als het zout eruit gefilterd is, dan is het jood nog opgelost in de alcohol. Je moet dus indampen om de vaste stof jood in handen te krijgen. Jannie heeft gelijk. 11

4

© Noordhoff Uitgevers bv

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

5

Er wordt water in de zoutlaag geperst. Het zout lost op in het water. Het zoute water wordt omhoog gepompt. Daarna wordt het zoute water (pekel) ingedampt. Het water verdampt en het zout blijft achter. Het zwartgemaakte gezichtje is het juiste antwoord. a Je kunt water of alcohol als extractiemiddel gebruiken. b Als je alcohol bij het mengsel doet, dan lost het zout op. c Je doet water bij het mengsel. Daarna filtreer je het mengsel. Het zout blijft dan op het filter achter. d Als je na de scheiding het opgeloste zout gaat indampen, dan is het zout het extract. Bij extraheren doe je een vloeistof bij een mengsel van twee vaste stoffen. Van de twee stoffen in het mengsel lost de ene stof wel op en de andere niet. Het oplosmiddel heet extractiemiddel. Het ontstane mengsel wordt daarna gefiltreerd. Na indampen van het filtraat houd je het extract over. Sjakira doet water bij (fijngemalen) rozenblaadjes. Ze laat de geurstoffen oplossen. Ze filtreert het mengsel. Daarna dampt ze de oplossing in. Op het filter liggen de rozenblaadjes. Het extract is haar parfum. a Het adsorptiemiddel bindt de opgeloste stof aan het oppervlakte van het adsorptiemiddel. b Norit adsorbeert de schadelijke stof in je maag en in je darmen.

6

☺ ☺

7

8

9

10 C 11 … norit … geurstof … … adsorptiemiddel … … hechten … 12 extractiemiddel filter extract koffie water koffiefilter

© Noordhoff Uitgevers bv

12

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

13

14 a Een rondje is kleurloze cola. Een zwart puntje is kleurstof. Een zwart driehoekje is koolstof. b In situatie 1 heb je de gewone cola. c In situatie 2 wordt koolstof bij de cola gevoegd. De kleurstof hecht zich aan de koolstof. d In situatie 3 wordt het mengsel gefiltreerd. De koolstof met aangehechte koolstof blijft achter op het filter (residu). De kleurloze cola zit in het bekerglas (filtraat).

1.5 Test jezelf 1 a Bij extraheren scheid je twee vaste stoffen door de ene stof op te lossen en de andere niet. Je gebruikt daarbij een extractiemiddel. Bij extraheren maak je gebruik van een verschil in oplosbaarheid. Na extraheren moet je meestal filtreren en indampen. b Bij adsorberen verwijder je een kleine hoeveelheid vervuilende stof uit een mengsel. Adsorberen lukt alleen als de ene stof zich beter hecht aan het adsorptiemiddel dan de andere stof. Na adsorptie moet je altijd filtreren. water, zand en zout, filtreren, indampen a b c d adsorberen koolstof / actieve kool c–a– b Nee, de kleurstof hecht zich aan het oppervlakte van het adsorptiemiddel. Als het hele oppervlakte vol zit met kleurstof, moet je het adsorptiemiddel op het filter vervangen.

2 3

© Noordhoff Uitgevers bv

13

Pulsar-Nask 2 Vmbo gt-3 Uitwerkingen Hoofdstuk 1

4

extraheren filtreren bezinken / afschenken absorberen destilleren

kookpunt deeltjesgrootte aanhechting oplosbaarheid dichtheid

Examentraining 1 2 3 4 5 B B B D Voorbeelden van goede antwoorden zijn: - Hij had een laboratoriumjas aan moeten doen. - Hij moet een veiligheidsbril dragen. - De rondbodemkolf op de achtergrond is niet afgesloten. - Op de tafel ligt een onafgeschermde vaste stof. Deze moet eerst worden opgeruimd of opgeborgen. - hij moet handschoenen aan doen. De stoffen zijn gevaarlijk (gaten in kleren en plekken op zijn handen). - De huisdieren mogen niet aanwezig zijn. B A C B

6 7 8 9

10 B 11 A 12 B 13 A 14 B

© Noordhoff Uitgevers bv

14

You're Reading a Free Preview

Download
scribd
/*********** DO NOT ALTER ANYTHING BELOW THIS LINE ! ************/ var s_code=s.t();if(s_code)document.write(s_code)//-->