P. 1
Op Hoop Van Akkoord. Instrumenteel forumgebruik bij geschilbeslechting in Leiden in de zeventiende eeuw

Op Hoop Van Akkoord. Instrumenteel forumgebruik bij geschilbeslechting in Leiden in de zeventiende eeuw

|Views: 270|Likes:
Published by Aries van Meeteren
In the early modern period Dutch citizens could choose
from a variety of judicial and infrajudicial forums to settle their
disputes. In Leiden these institutions consisted of neighbourhoods, guilds,
textile associations, civic militia, church councils, notaries, subordinate
courts (a court established for settling matters about easement and other
forms of urban servitude, and the so-called peacemaker court or
vredemakers), and the official court or vierschaar. These forums dealt with
tens of thousands of cases. In order to study the ways in which Leiden
citizens used these institutions to put conflicts to an end, computer
databases were made. These files were linked and analysed. The book shows
that going to court was frequently used as an additional instrument of
everyday social control. Many lawsuits were launched in the hope of
accelerating the settlement of disputes, preferably without having to fight
them through to the end. Generally, plaintiffs were focussed on restoring peace and social balance, rather than furthering their dispute. Most parties needed to live together amicably thereafter. They depended on each other as neighbours or colleagues. Instituting and concluding proceedings could put these relationships at risk. Besides, submitting a case to court was expensive and took a lot of time. All this gave people bargaining counter in settlement negotiations.
In the early modern period Dutch citizens could choose
from a variety of judicial and infrajudicial forums to settle their
disputes. In Leiden these institutions consisted of neighbourhoods, guilds,
textile associations, civic militia, church councils, notaries, subordinate
courts (a court established for settling matters about easement and other
forms of urban servitude, and the so-called peacemaker court or
vredemakers), and the official court or vierschaar. These forums dealt with
tens of thousands of cases. In order to study the ways in which Leiden
citizens used these institutions to put conflicts to an end, computer
databases were made. These files were linked and analysed. The book shows
that going to court was frequently used as an additional instrument of
everyday social control. Many lawsuits were launched in the hope of
accelerating the settlement of disputes, preferably without having to fight
them through to the end. Generally, plaintiffs were focussed on restoring peace and social balance, rather than furthering their dispute. Most parties needed to live together amicably thereafter. They depended on each other as neighbours or colleagues. Instituting and concluding proceedings could put these relationships at risk. Besides, submitting a case to court was expensive and took a lot of time. All this gave people bargaining counter in settlement negotiations.

More info:

Categories:Types, Research, History
Published by: Aries van Meeteren on Sep 22, 2011
Copyright:Traditional Copyright: All rights reserved

Availability:

Read on Scribd mobile: iPhone, iPad and Android.
download as PDF, TXT or read online from Scribd
See more
See less

01/17/2013

pdf

text

original

Sections

06008_hoop_H00_inhoud

22-05-2006

11:02

Pagina 5

Inhoud

Dankwoord 1 Inleiding 1.1 Inleiding 1.1.1 Stand van het onderzoek 1.1.2 Onderzoeksvragen en opzet 1.2 De Leidse situatie 1.2.1 Ontwikkeling van de Leidse fora 1.2.2 Bronnen en methode Buurtcorporaties in Leiden 2.1 Inleiding 2.1.1 Historiografie 2.2 Geschilbeslechting in de Leidse buurtkeuren 2.2.1 Voorgeschiedenis en de buurtreorganisatie van 1593 2.2.2 De algemene buurtkeur 2.3 Buurtheren 2.3.1 De verkiezing van buurtheren 2.4 Taken van de buurtheer 2.4.1 De buurtheer als intermediair 2.4.2 Omzien naar armen 2.4.3 Geschilbeslechting 2.5 Conclusie Gilden en neringen 3.1 Inleiding 3.1.1 Historiografie 3.1.2 Onderzoeksopzet 3.2 Het glazenmakersgilde 3.2.1 Ontstaan en ontwikkeling 3.2.2 Geschilbeslechting 3.3 Het chirurgijnsgilde 3.3.1 Ontstaan en ontwikkeling 3.3.2 Geschilbeslechting 3.4 Het apothekersgilde

9 11 11 13 18 20 20 22 27 27 28 32 32 34 37 37 43 43 47 51 59 62 62 63 65 66 66 68 72 72 76 81

2

3

06008_hoop_H00_inhoud

22-05-2006

11:02

Pagina 6

3.4.1 Ontstaan en ontwikkeling 3.4.2 Geschilbeslechting 3.5 Het doodbiddersgilde 3.5.1 Ontstaan en ontwikkeling 3.5.2 Geschilbeslechting 3.6 De lakennering 3.6.1 Ontstaan en ontwikkeling 3.6.2 Geschilbeslechting 3.7 Conclusie 4 De schutterij 4.1 Inleiding 4.1.1 Historiografie 4.2 De Leidse schutterij 4.2.1 Ontstaan en ontwikkeling 4.2.2 Overtredingen 4.2.3 Beledigingen 4.2.4 Geweld 4.2.5 Overige kwesties 4.3 Conclusie Kerkelijke tucht 5.1 Inleiding 5.1.1 Gereformeerde tucht 5.1.2 Doopsgezinde tucht 5.1.3 Historiografie 5.1.4 Onderzoeksopzet 5.2 De Nederduitse gereformeerde kerk 5.2.1 Introductie 5.2.2 Tuchtuitoefening 1664-1668 5.2.3 Leerstellige zaken 5.2.4 Huwelijk en zedelijkheid 5.2.5 Persoonlijke levenswandel 5.2.6 Overig 5.2.7 Conclusie 5.3 De Waalse gereformeerde kerk 5.3.1 Introductie 5.3.2 Tuchtuitoefening 1664-1668 5.3.3 Leerstellige zaken 5.3.4 Huwelijk en zedelijkheid 5.3.5 Persoonlijke levenswandel 5.3.6 Overig 5.3.7 Conclusie

81 83 89 89 92 95 95 98 102 105 105 106 107 107 110 115 119 120 120 122 122 124 126 127 129 130 130 134 136 141 144 146 147 148 148 150 151 153 154 156 156

5

06008_hoop_H00_inhoud

22-05-2006

11:02

Pagina 7

5.4 De Vlaamse doopsgezinde gemeente 5.4.1 Introductie 5.4.2 Tuchtuitoefening 1662-1668 5.4.3 Leerstellige zaken 5.4.4 Huwelijk en zedelijkheid 5.4.5 Persoonlijke levenswandel 5.4.6 Conclusie 5.5 Conclusie 6 Het notariaat 6.1 Inleiding 6.1.1 Het notarisambt in de zestiende en zeventiende eeuw 6.1.2 Historiografie 6.1.3 Onderzoeksopzet 6.2 Attestaties 6.2.1 Introductie 6.2.2 Persoonlijke levenswandel 6.2.3 Huwelijk en zedelijkheid 6.2.4 Contracten en afspraken 6.2.5 Conclusie 6.3 Insinuaties 6.4 Verzoeningsovereenkomsten 6.5 Conclusie De commissie voor burenkwesties en het college van vredemakers 7.1 Inleiding 7.1.1 Historiografie 7.2 De commissie voor burenkwesties 7.2.1 Keuren op de burenkwesties 7.2.2 Burenkwesties 1664-1668 7.3 Het vredemakerscollege 7.3.1 Ontwikkeling van het vredemakerscollege 1600-1700 7.4 Onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken 7.4.1 Persoonlijke levenswandel 7.4.2 Huwelijk en zedelijkheid 7.4.3 Contracten en afspraken 7.5 Conclusie De civiele vierschaar 8.1 Inleiding 8.1.1 Historiografie 8.2 Historisch overzicht van de civiele vierschaar in Leiden 1600-1700 8.3 Onderverdeling van de geschillen in de dingboeken van grote zaken

157 157 160 162 164 165 168 169 172 172 174 177 179 180 180 186 198 204 214 215 218 223 226 226 228 229 229 231 236 236 240 242 251 254 270 274 274 276 277 281

7

8

06008_hoop_H00_inhoud

22-05-2006

11:02

Pagina 8

8

inhoud

8.3.1 Persoonlijke levenswandel 8.3.2 Huwelijk en zedelijkheid 8.3.3 Contracten en afspraken 8.4 Conclusie 9 Conclusies 9.1 Inleiding 9.2 Geschilstrategieën 9.2.1 Instrumenteel forumgebruik 9.2.2 Forum shopping 9.2.3 Forum hopping 9.3 Geschilvoerende partijen 9.3.1 Sociaal-economische achtergronden 9.3.2 Man/vrouw-verhoudingen 9.4 Slotbeschouwingen

283 294 307 325 329 329 331 331 336 342 344 344 346 347 349 354 356 359 379 385 389

Bijlage 1 Bijlage 2 Geraadpleegde archieven Geraadpleegde literatuur Summary Register op plaatsnamen en personen Curriculum vitae

06008_hoop_H00_voorwoord

22-05-2006

11:03

Pagina 9

Dankwoord

Het schrijven van een proefschrift is doorgaans een eenzame klus. Maar weinigen weten van de onvermijdelijke obstakels en de dilemma’s die een dissertatie met zich meebrengt. Daarom zijn mensen die de voortgang met belangstelling volgen, het geworstel meebeleven en aanmoedigingen geven onbetaalbaar. Gelukkig heb ik veel van zulke mensen in mijn directe omgeving gehad. Het nauwst bij het onderzoek betrokken waren mijn begeleiders Pieter Spierenburg en Herman Roodenburg. Zij gaven me de kans om te promoveren. Ik dank hen voor hun geloof in het project en de grote vrijheid die ze me steeds hebben gegeven. Hun suggesties en correcties waren bijzonder waardevol voor mijn onderzoek. Jan van Herwaarden komt dank toe voor zijn bereidheid om in de slotfase van het project als promotor op te treden. Het onderzoek was echter niet mogelijk zonder de financiële bijdrage van de Volkswagen Stiftung en de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Bijzonder dankbaar ben ik ook het personeel van het Gemeentearchief Leiden – inmiddels omgedoopt tot Regionaal Archief Leiden – voor hun buitengewone gastvrijheid, de geboden faciliteiten en hun onmisbare hulp bij het lezen van het soms weerbarstige bronnenmateriaal. Vooral Piet de Baar was een enorme steun bij het ontcijferen van lastige handschriften. Zijn grote kennis van het bronnenmateriaal en de secundaire literatuur betreffende de Leidse geschiedenis bespaarde me veel moeite. Daarnaast wil ik de baliemedewerkers van het archief bedanken, niet alleen voor het maken van de vele kopietjes, maar ook voor de ontspannen conversaties in de koffiekamer. Van cruciaal belang waren ook de mensen die mijn teksten van commentaar wilden voorzien en met wie ik gesprekken kon voeren over de inhoud van het proefschrift. Allereerst noem ik de mensen van het N.W. Posthumus Instituut en de deelnemers aan de diverse inspirerende seminars van de instelling. Zij lieten hun licht schijnen over de eerste onderzoeksplannen die daardoor gaandeweg van richting veranderden. Verder voorzagen Willem Frijhoff en Maarten Prak me in het beginstadium van waardevolle suggesties. Jeroen Blaak, Dirk Jaap Noordam, Martine Zoeteman, Corien Glaudemans en Ariadne Schmidt stelden materiaal ter beschikking. De emeritus hoogleraren A.Fl. Gehlen en J.Th. de Smidt lazen elk een hoofdstuk en brachten veel nuttige correcties aan. Pieter Spierenburg, Karin Ingelse en Marije Dijxhoorn waren zo behulpzaam om mijn summary kritisch te bekijken. Ik dank ook al diegenen bij wie ik tijdens het onderzoek terecht kon voor de broodnodige afleiding. Enkele van hen wil ik met name noemen: Vincent, Wilco, Jan-Peter, de leden van de GJV te Molenaarsgraaf-Brandwijk en natuurlijk de collega’s van RTV

06008_hoop_H00_voorwoord

22-05-2006

11:03

Pagina 10

10

dankwoord

Rijnmond. Onmisbare ‘praatpalen’ waren mijn ouders en Magchiel en Miranda. Zij keken ook de laatste versies van het manuscript na en, zeer belangrijk, hielden geloof in het welslagen van het project. Dat laatste geldt ook voor mijn lieve vrouw Anoeska, die niet alleen bleef vertrouwen in het proefschrift, maar ook in mij, ondanks de eindeloze tijd die het schrijven, naast mijn baan, bleef vragen. Zonder haar was het proefschrift nooit afgekomen.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 11

Hoofdstuk 1

Inleiding

Si vis pacem, para bellum. Als ge vrede wilt, tref dan voorbereidingen voor oorlog. (Naar Vegetius).

1.1 Inleiding Het huwelijk van Anne l’Eschevin en Louis de Sélandre kende een weinig gelukkige start. Niet lang na de voltrekking ervan in september 1665, in de Waalse gereformeerde kerk te Leiden, ontstonden grote problemen tussen de twee. Waaruit de moeilijkheden op dat moment precies bestonden, wordt uit de archieven niet helemaal duidelijk. In ieder geval had het stel voor genoeg commotie gezorgd in de buurt om de Waalse kerkenraad te alarmeren. Ouderlingen riepen Louis en Anne, zijn derde vrouw, op het matje en vermaanden hen om hun leven te beteren. Toen de problemen vervolgens aanhielden, voerde de kerk de druk op. Het paar mocht niet langer deelnemen aan het avondmaal. Dit sacrament was uitsluitend bedoeld voor kerkleden met een onberispelijke levenswandel. De maatregel van de kerkenraad betekende dus dat Anne en Louis officieel waren gebrandmerkt als zondaren die de gemeenschap te schande maakten. Alleen verzoening met elkaar en de kerk maakte een terugkeer naar de oude situatie mogelijk. Het paar bond al snel in.1 De problemen tussen Anne en Louis bleven echter bestaan. Opnieuw kwam de kerkenraad in actie. Vanaf dat moment zijn de notulen informatiever en krijgt de kwestie scherpere contouren. Louis bleek Anne, die inmiddels hoogzwanger was, te mishandelen. Het leverde hem enkele maanden na de verzoening een nieuwe vermaning en geïntensiveerd toezicht op.2 Veel hielp het niet. Op negenentwintig september 1666, toen zijn vrouw inmiddels was bevallen van een dochter, weerde de Waalse kerkenraad hem opnieuw van het avondmaal, ditmaal wegens vloeken en ontucht met een niet nader genoemd meisje.3 Was Anne zelf met die beschuldigingen gekomen of hadden de buren opnieuw aan de bel getrokken? Hoe het ook zij, de nieuwe tuchtmaatregelen brachten geen blijvende verbetering in de situatie. Dat blijkt maanden later uit een notariële getuigenverklaring van enkele buurvrouwen die bij een uit de hand gelopen
1 RAL, AWK, inv.nr. 44 (9-4-1666). 2 Idem (11-6-1666). 3 Idem (29-9-1666).

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 12

12

1 inleiding

echtelijke ruzie Anne te hulp waren gekomen.4 Uiteindelijk bekende Louis de ouderlingen die toezicht op hem hielden dat hij nog altijd in overspel leefde, vaak dronken was en zijn vrouw mishandelde. De kerkenraad besloot daarop tot het inseinen van de overheid, een beslissing die alleen genomen werd bij zeer lastige zaken, met name op het gebied van huwelijk en zedelijkheid.5 Op negentien oktober 1667 riepen de burgemeesters van Leiden Louis op het matje. Ook de opzichter van de buurt van Anne en Louis moest verschijnen om in de zaak te getuigen.6 Deze zogeheten buurtheer was een van stadswege aangestelde bestuurder die onder meer verantwoordelijk was voor de sociale orde. Helaas is niet bekend welke afspraken de betrokken partijen maakten tegenover de burgemeesters. In ieder geval bleven de echtelijke problemen bestaan. Anne nam vervolgens het heft in handen. Nog geen maand na dato vroeg ze de kerkenraad om een getuigschrift van het slechte gedrag van haar man ten behoeve van een scheiding van tafel en bed. De kerkenraad weigerde dit, maar beloofde wel te gaan praten met het stadsbestuur. Vermoedelijk niet lang daarna gingen Anne en Louis officieus uit elkaar.7 Maar daarmee was de kous voor Anne nog niet af. Op vierentwintig november 1667 vroeg ze in een civiele rechtszaak om een definitieve echtscheiding. Ze voerde daarvoor een nieuwe reden aan. Voor de rechtbank verklaarde ze te hebben vernomen dat Louis ten tijde van zijn huwelijk met haar geen vrij man was, zoals hij had beweerd. Zijn tweede vrouw was weliswaar overleden, maar zijn eerste vrouw zou nog altijd in leven zijn. En dus eiste Anne ontbinding van haar huwelijk. Louis weigerde tot driemaal toe voor de schepenbank te verschijnen, waarna het proces werd afgebroken.8 Anne’s beweringen zijn achteraf niet goed te controleren. Erg waarschijnlijk is het verhaal over bigamie echter niet, zoals blijkt uit het vervolg. Anne en Louis verzoenden zich eind februari 1668 tegenover de kerkenraad. Ze betuigden spijt over hun beëindigde samenwoning.9 Als de eerdere vrouw van Louis inderdaad nog had geleefd, zou de kerkenraad bij de overheid hebben aangedrongen op vernietiging van het huwelijk van Anne. De ouderlingen en predikanten zouden zeker niet hebben geprobeerd een onwettig huwelijk te lijmen. Eind goed, al goed? Nee, Louis verviel weer in ‘oude fouten’ – welke precies wordt niet duidelijk – waarvoor hij zich opnieuw voor de kerkenraad moest verantwoorden. Hij leefde inmiddels weer gescheiden van zijn vrouw. Ditmaal leverde het hem niet alleen een herhaalde censuurmaatregel op, maar ook gevangenisstraf, zo vermelden de notulen van het kerkbestuur. Strafrechtelijke archieven zwijgen hier echter over. Het laatste dat van Louis vernomen wordt, is een verzoek

4 De vrouwen verdedigden zich tegen geruchten dat zij Louis bij hun interventie hadden geslagen (RAL, ONA, inv.nr. 907, nr. 91 (12-7-1667)). 5 RAL, AWK, inv.nr. 44 (18-10-1667). Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 241-244, 258. 6 RAL, SAII, inv.nr. 250 (19-10-1667). 7 Het moment waarop de officieuze separatie plaatsvond, is niet goed vast te stellen, maar vermoedelijk was dat na het ingrijpen van de kerkenraad. De kerkenraadsnotulen maakten er geen melding van toen ouderlingen Anne beloofden de overheid over haar goede gedrag te berichten. Eigenmachtige scheidingen van tafel en bed zouden ouderlingen daar niet onder hebben gerekend (RAL, AWK, inv.nr. 44 (9-11-1667)). 8 RAL, ORA, inv.nr. 44 G (24-11-1667). 9 RAL, AWK, inv.nr. 44 (29-2-1668).

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 13

1.1 inleiding

13

om weer aan het avondmaal te worden toegelaten, wat door de kerkenraad wordt afgewezen.10 De huwelijksproblemen van Louis en Anne hielden alles bij elkaar zo’n drie jaar aan en ook aan het eind bleken de moeilijkheden nog bepaald niet te zijn opgelost. Steeds bemoeiden allerlei personen en civiele instellingen zich met de kwestie, aanvankelijk na klachten van buren en in de laatste fase voornamelijk op initiatief van Anne. Al deze fora hadden eigen doelstellingen en daarop toegesneden middelen. Wanneer de niet of nauwelijks gedocumenteerde inspanningen van buren en de buurtheer meegewogen worden, dan ontstaat een indruk van een bijzonder complex systeem van gerechtelijke en buitengerechtelijke conflictregulering. Alleen al de hoeveelheid instellingen en instanties die de revue passeert is opvallend. Het lijkt wel of Anne hemel en aarde bewoog om haar doel te bereiken. Wat stond haar eigenlijk voor ogen: scheiding van tafel en bed, een echtscheiding of herstel van haar huwelijk? Was het gebruikelijk dat ze zoveel instellingen mobiliseerde? Of lieten de meeste stedelingen die er onderling niet uitkwamen het maar bij één of hooguit twee fora? Naar welke instellingen stapten ze dan en waarom? Over die constellatie van partijen, geschillen, strategieën, instellingen en de wisselwerking daartussen gaat dit boek. 1.1.1 Stand van het onderzoek De hierboven weergegeven waaier van gerechtelijke en buitengerechtelijke instellingen en instanties voor geschilbeslechting bestond in veel steden in de Republiek. Naast de genoemde fora functioneerden ook vaak nog een college van vredemakers, in sommige plaatsen ook wel rechtbank van kleine zaken genoemd, en de rechtspraak van gilden, de textielneringen en de schutterij. Samen namen de verschillende fora in een stad, inclusief de rechtbanken, jaarlijks een aanzienlijk aantal geschillen in behandeling. Het is daarom opmerkelijk dat in historisch onderzoek naar sociale controle en ordehandhaving instellingen voor geschilbeslechting lang onderbelicht zijn gebleven, zeker in vergelijking met strafrechtelijke fora. Sociale controle is vaak eenzijdig benaderd als het geheel van middelen waarmee de bestuurlijke elite gewenst gedrag probeert af te dwingen bij het volk. In studies lag daarom aanvankelijk de nadruk sterk op regelgeving. Zo werd bijvoorbeeld geschetst hoe machthebbers zich in de loop van de eeuwen inspanden om hun onderdanen te beschaven.11 In de jaren zeventig legden historici zich meer toe op criminaliteitsgeschiedenis. Zij onderzochten in hoeverre norm en praktijk met elkaar overeenkwamen. Dit resulteerde in kwantitatieve studies naar daders, slachtoffers, misdaden en vonnissen. De blik bleef echter gericht op overheidscontrole.12
10 Ibidem (8-8-1668; 7-12-1668; 31-1-1670). 11 Zie voor een overzicht en literatuurverwijzingen o.m.: Levy & Rousseaux, ‘Etat et justice pénale’, 115. Voor definities van sociale controle: Spierenburg, ‘Social control and history’, 1-10; Horwitz, The logic of social control, 4. 12 Het is ondoenlijk om aan alle studies recht te doen. Een recente schets is te vinden in Spierenburg, ‘Social control and history’, 10-14. Voor oudere overzichten: Diederiks (ea), Strafrecht en criminaliteit, 7-12; Soman, ‘Deviance and criminal justice’, 1-24.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 14

14

1 inleiding

In de loop van de jaren zeventig werd het sociale-controleonderzoek uitgebreid met de bestudering van buitengerechtelijke instellingen en hun agenda. Als eerste richtten historici zich op de kerkelijke tucht. In de ogen van sommige historici streefden predikanten en ouderlingen net als de overheid naar het bestrijden van in hun ogen onwelgevallig gedrag. Ze deden dit door leden die zich niet aan de regels hielden met disciplinaire maatregelen te straffen.13 Andere onderzoekers nuanceerden dit beeld en wezen erop dat kerken tucht veeleer inzetten om verzoening tot stand te brengen.14 Later verschenen ook studies over andere buitengerechtelijke systemen van sociale controle en hun morele codes. Zo is onder meer aandacht besteed aan enkele afzonderlijke instellingen met arbitragebevoegdheden, zoals buurten, gilden en de schutterij. Hieruit kwam naar voren dat deze buitengerechtelijke instanties er, net als de kerkenraden, vooral op uit waren om de vrede te herstellen. Historici verwijderden zich op deze manier ver van het primaat van de overheidsrepressie. Aan de andere kant bleef de nadruk liggen op de doelstellingen en strategieën van de individuele instellingen.15 De laatste jaren wint een ander perspectief terrein. Steeds meer historici zien in dat niet alleen rechtbanken en instellingen voor geschilbeslechting de uitkomst van een procedure bepalen. Ook de geschilvoerende partijen oefenen daar invloed op uit. Dat begint al in een vroeg stadium. Partijen beslissen bijvoorbeeld zelf of ze een conflict negeren, onderling uitvechten of er een derde partij bij betrekken, zoals omstanders, familie of bijvoorbeeld een rechtsprekende instantie. Rechtsantropologen hebben dat als eerste laten zien. Zij toonden aan dat geschillen die bijvoorbeeld bij een rechtbank worden aangebracht al enige tijd in een andere vorm kunnen bestaan. Veel processen worden bovendien niet tot het einde toe gevoerd. Sterker nog, uiteindelijk doet de rechter maar in een fractie van de geschillen uitspraak. Soms gebeurt dat om toevallige redenen, zoals geldgebrek of het overlijden van de eiser of gedaagde. Maar vaker nog is sprake van een strategie en gebruiken partijen een rechtszaak als wisselgeld bij het voeren van onderhandelingen buiten de rechtbank om. Ze maken daarbij gebruik van gedeelde kennis van wat er zou kunnen gebeuren wanneer de rechter een eindvonnis velt. Ook wordt met het inschakelen van een rechtsprekende instantie de publieke opinie gemobiliseerd. Onder die druk stellen velen zich uiteindelijk inschikkelijk op en verdwijnt de rechtszaak uit de boeken.16 Bovengenoemde inzichten uit de rechtsantropologie zijn steeds vaker te vinden in het werk van historici.17 Een van de meest uitgewerkte toepassingen is te vinden bij
13 Spiertz, ‘Die Ausübung der Zucht’, 139-172; Vogler & Estèbe, ‘La genèse d’une société protestante’, 385-386. 14 Zie onder meer: Zijlstra, Om de ware gemeente, 448-454; Van der Heijden, Huwelijk in Holland, m.n. 258; Hajenius, ‘Quaet comportement’, 72; Roodenburg, Onder censuur, 25; Kloek, ‘Toezicht’, 120; Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 325. 15 Roodenburg, ‘Social control viewed from below’, 146-147. Roodenburg heeft verschillende keren aandacht gevraagd voor de geschilbeslechtende activiteiten van buurtheren. Het meest uitgebreid deed hij dat in: Idem, ‘Naar een etnografie’, 241-242 en Idem, ‘Freundschaft’, 10-24. Zie verder onder meer Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 60-64,66; Deceulaer, ‘Guilds and litigation’; Dekker, ‘Arbeidsconflicten’; Knevel, Burgers in het geweer, 161-175. 16 Mather & Yngvesson, ‘Transformation of disputes’, 776-777; Verkruisen, ‘Geschillen, geschilprocessen en rechtspraak’, 691. Zie voor een overzicht van rechtsantropologische studies op dit gebied: Galanter, ‘Gerechtigheid in vele gedaanten’; Nader & Todd, ‘The disputing process’. 17 Vgl. Roodenburg, ‘Social control viewed from below’; Le Bailly, Recht voor de raad, 158; Gowing, ‘Language, power and the law’, 26,38-43; Schwerhoff, ‘Devianz’, 406-407; Shoemaker, Prosecution and punishment, 84, 134-136. Zie verder de bijdragen en literatuurverwijzingen in de bundels: Bossy, Disputes and settlements en Garnot, L’infrajudiciaire.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 15

1.1 inleiding

15

M. Dinges. Hij beschrijft hoe inwoners van Parijs in de achttiende eeuw het indienen van aanklachten bij politiecommissarissen gebruikten ter aanvulling van meer alledaagse vormen van sociale controle, zoals vermaningen, roddels, beledigingen en vechtpartijen. Onderlinge regelingen waren de norm. Alleen wanneer die onvoldoende opleverden, stapte men naar de commissarissen. Het doel was daarbij meestal niet om de kwestie daadwerkelijk te laten vervolgen – daar was vaak geen geld voor – maar om de eigen kansen op succes bij een buitengerechtelijke overeenkomst te vergroten. De aanklacht werd dus ingezet als drukmiddel. Eisers konden de klacht altijd weer intrekken als het doel was bereikt of wanneer een andere reactie op deviant gedrag uiteindelijk lucratiever leek. Dinges duidt dit strategisch gebruik van de politiecommissarissen aan met de term Justiznutzung, wat kan worden vertaald met instrumenteel justitiegebruik. Het woord instrumenteel is hier toegevoegd om te onderstrepen dat het de betrokken partijen zelf waren die bepaalden over welke zaken ze klaagden en welke rol de commissaris speelde bij het oplossen daarvan.18 Dinges beperkt Justiznutzung tot instanties die bevoegd waren om overtredingen te bestraffen en daarmee tot de criminele rechtspraak.19 Maar het concept is evengoed van toepassing op het aanspannen van civiele processen en het mobiliseren van buitengerechtelijke instanties voor geschilbeslechting, waarvan in de introductie enige voorbeelden zijn genoemd. Ook het inschakelen van bijvoorbeeld de buurtheer of de notaris kan worden gezien als sociale controle, d.w.z. een manier om afwijkend gedrag te benoemen en te bestrijden.20 Door de ouderlingen op de hoogte te brengen van de huwelijksproblemen van Anne en Louis, gaven de buren aan dat wat hen betreft grenzen waren overschreden. Tegelijk hoopten ze dat door ingrijpen van de kerkenraad de rust in de buurt zou terugkeren. Anne probeerde haar man op allerlei manieren tot ander gedrag te bewegen. Ze zette daar uiteindelijk zelfs de vierschaar voor in, de hoogste stedelijke rechtbank. Dat leek te helpen, want niet lang daarna verzoenden Anne en Louis zich, althans voorlopig. De vereniging vond echter plaats ten overstaan van de kerkenraad. Anne gebruikte alle middelen die haar geschikt leken om haar doel te bereiken en de fora gaven haar daarvoor de ruimte. Ongetwijfeld zijn niet alle stappen in het conflict van Anne en Louis overgeleverd, omdat veel informele sociale-controlemiddelen buiten de toenmalige registratiekaders vielen. Wanneer het concept instrumenteel justitiegebruik wordt gebruikt bij de bestudering van geïnstitutionaliseerde vormen van geschilbeslechting kan beter worden gespro18 Dinges, ‘The uses of justice’, m.n. 160; Idem, Maurermeister, 173-182. M. Dinges ziet een grote mate van berekening bij Justiznutzung. Eerder meende J.A. Sharpe dat een forum ook onbesuisd kon worden gemobiliseerd en dat veel rechtszaken weer verdwenen wanneer de hoofden wat bekoeld waren (vgl. Sharpe, ‘Such disagreement’, 173). Daar kan tegenover worden gesteld dat inzicht in de juiste strategie soms pas halverwege een proces wordt bereikt. 19 Dinges gaat uit van ‘criminal justice’, wat hij definieert als ‘those legal institutions that at least also had a kind of criminal jurisdiction’. Daartoe rekent hij ook de (katholieke) kerkelijke rechtbanken. Over protestantse kerkenraden spreekt hij niet (Dinges, ‘The uses of justice’, 163-164,166, vgl. echter 161). 20 In Dinges’ definitie heeft sociale controle betrekking op ‘all forms by which historical agents define deviant behavior and react to it by taking measures’ (Dinges, ‘The uses of justice’, 161). Elders gebruikt Dinges een iets afwijkende definitie: ‘’Soziale Kontrolle’ ist die Gesamtheit der Maßnahmen, die darauf abzielen, abweichendes Verhalten eines Mitgliedes einer Gesellschaft zu verhindern oder einzuschränken’ (Idem, Maurermeister, 174). Dinges scherpt daarmee de omschrijving van Black aan, die van sociale controle een algemene gedragsvorm maakt zonder relatie met regulering en handhaving van de sociale orde: [social control is] ‘any process by which people define or respond to deviant behavior’ (Black, ‘Social control’, 1).

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 16

16

1 inleiding

ken van instrumenteel forumgebruik. Dinges reserveerde Justiznutzung voor het mobiliseren van het strafrechtapparaat, dat hij als een ‘onnatuurlijk’ verschijnsel tegenover andere sociale-controlearrangementen plaatste. Het indienen van een aanklacht gold voor veel mensen als een uiterste middel.21 Het is nog maar de vraag of dat voor het inschakelen van geschilbeslechtingsinstanties ook zo was. Deze fora – óók de overheidsinstellingen – waren niet primair gericht op het opleggen van sancties, maar op het bereiken van een overeenstemming en herstellen van de vrede, hoewel scheidsrechterlijke oordelen wel tot de mogelijkheden behoorden. Daar komt bij dat Dinges geen onderscheid maakte tussen de diverse strafrechtbanken. Op die manier was het voor hem mogelijk om instellingen uit afzonderlijke Europese landen globaal met elkaar te vergelijken en bepaalde patronen te ontdekken. Maar daardoor verdwijnt het zicht op de verschillen en, belangrijk voor dit boek, op de keuzemogelijkheden van de klagers. Bestudering van instrumenteel forumgebruik doet daarom meer recht aan de verscheidenheid in gerechtelijke en buitengerechtelijke instellingen voor geschilbeslechting.22 Rechtssociologen hanteren verschillende modellen om het brede aanbod van geschilbeslechtingsmogelijkheden in kaart te brengen. Klassiek is het zogeheten interactiemodel. Dat gaat in hoofdlijnen uit van drie patronen. Wanneer iemand door een ander wordt benadeeld, kan de gedupeerde partij het erbij laten zitten, de relatie verbreken of vertrouwen op zelfhulp. In alle gevallen is sprake van eenzijdig optreden. De betrokken partijen kunnen ook samen de confrontatie zoeken – er is dan sprake van een conflict – óf proberen om tot overeenstemming te komen. Soms lukt het niet om zelf de onderhandelingen over een akkoord tot een goed einde te brengen en is een externe derde partij nodig. Met deze stap transformeert het oorspronkelijke conflict in een geschil. Een derde partij kan bemiddelen of een scheidsrechterlijke uitspraak doen. Als bemiddelaar helpt hij de geschilvoerende partijen om hun eigen oplossing te vinden, door hetzij als boodschapper op te treden óf actief suggesties ter verzoening aan te dragen. Als scheidsrechter neemt de derde partij zelf de beslissing. Hij kan dit doen op uitnodiging, als arbitrator, of op eigen initiatief als adjudicator. De keuze voor een van deze vormen van geschilafdoening wordt voor een belangrijk deel bepaald door de relaties die tussen partijen bestaan. Zij die een verstoorde onderlinge relatie willen repareren, kiezen voor een andere strategie dan zij bij wie wraak voorop staat.23 Het interactiemodel, zoals dat hierboven staat beschreven, biedt een heldere classificatie van de verschillende mogelijkheden om met conflicten om te gaan. Met name het onderscheid in de rollen die de derde partij kan spelen, is nuttig. Om ook het achterliggende keuzeproces in beeld te brengen zijn aanvullende modellen nodig. Enkele daarvan zijn samengevat in een schema dat Van Velthoven en Ter Voert de geschilbeslechtingsdelta hebben genoemd. Hierin worden de individuele beslissingen belicht die
21 Dinges, ‘The uses of justice’, 162. 22 Vgl. Spierenburg, ‘Social control and history’, 13; Woodman, ‘Recent debate’, m.n. 740-749; Griffiths, ‘What is legal pluralism?’. 23 Het interactiemodel is door veel rechtssociologen beschreven, met hier en daar kleine nuanceverschillen. Een greep: Roberts, Order and dispute, 57-78, Nader & Todd, ‘The disputing process’, 9-11 en Eckhoff, ‘The mediator’, 158-170.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 17

1.1 inleiding

17

een gedupeerd persoon kan nemen in het hele proces van probleem tot oplossing. Zo kan een slachtoffer wel of geen actie ondernemen, zich wel of niet richten tot een deskundige voor advies of hulp, wel of geen overeenkomst met de tegenpartij bereiken, wel of geen gerechtelijke of buitengerechtelijke procedure beginnen, wel of niet in beroep gaan, etc. Het ingeslagen traject vertakt zich voortdurend, al naar gelang de mogelijkheden, waardoor het model aan een rivierdelta doet denken. De keuzes tussen de verschillende opties worden volgens Van Velthoven en Ter Voert gemaakt op grond van een afgewogen kosten-batenanalyse. Hoe deze uitvalt, hangt af van het probleem, de proceskosten, de bereikbaarheid van rechtshulp, de persoonlijkheid en het netwerk van de persoon in kwestie. Ook emoties spelen mee. Juridische procedures, of aanzetten daartoe, komen soms voort uit onbezonnen woede over ondervonden leed. Overigens geven Van Velthoven en Ter Voert aan dat een partij niet altijd van te voren het hele traject overziet. Inzicht in de meest optimale keuzes kan pas halverwege de delta ontstaan.24 Het interactiemodel en de geschilbeslechtingsdelta maken samen het verloop van geschillen en de achterliggende strategieën inzichtelijk. Ze beschrijven de opties en de wijze waarop de beschikbare fora daarin passen. De delta kan daarbij zoveel vertakkingen bevatten als maar mogelijk is in een gegeven tijd en plaats. Daarmee is het model ook in historisch onderzoek bruikbaar. Partijen kunnen, al naar gelang hun doel, van forum wisselen of hun zaak bij verschillende instellingen tegelijk aanhangig maken. Dat maakt ook het voorbeeld uit de introductie duidelijk. Anne was, toen Louis nog altijd door de kerkenraad was geschorst van het avondmaal, naar de rechtbank gestapt om zelf de druk op haar man op te voeren. Later trok ze het proces weer in om zich door de kerkenraad met Louis te laten verzoenen. In de literatuur wordt het maken van een strategische keuze voor een specifieke instelling voor geschilbeslechting forum shopping genoemd. De term is ook van toepassing op strafzaken, waar de aanklager het forum bepaalt. In beide gevallen geldt dat de fora zelf maar voor een deel uitmaken welke zaken ze in behandeling nemen.25 Forum shopping gaat vrijwel altijd gepaard met een herdefiniëring van de kwestie om de zaak geschikt te maken voor een instelling. Zo kan de eis worden aangepast, net als de gekozen bewoordingen waarmee het probleem wordt aangeduid.26 Dinges liet voor de vroegmoderne periode zien dat dit proces niet alleen beperkt blijft tot gerechtelijke instellingen. Volgens hem waren de beledigingen waarover bij de Parijse commissarissen werd geklaagd, vertalingen van andere conflicten in termen van eer en schande, de fundamenten van de openbare orde in de toenmalige samenleving. Met beschimpingen kon allerlei ongewenst gedrag worden gecorrigeerd, ook bijvoorbeeld achterstallige
24 Van Velthoven & Ter Voert, Geschilbeslechtingsdelta, 43-62. Vgl. Genn, Paths to justice. Voor de rol van emoties bij het beginnen van een rechtszaak, zie ook: Verkruisen, ‘Geschillen, geschilprocessen en rechtspraak’, 685-688, 690; Nader & Todd, ‘The disputing process’, 14,16. 25 Baas, Keuze van een gerechtelijk forum; Benda-Beckman, ‘Rechtspluralisme’, 747. Dinges merkt op dat door de strategische keuzes van partijen een verschil kan ontstaan tussen de bevoegdheden van een instelling en de geschillen die het forum daadwerkelijk te behandelen krijgt. Dit proces kan uiteindelijk zelfs evenzeer het karakter van een instelling wijzigen als een hervorming van hogerhand (Dinges, ‘The uses of justice’, 160). 26 Benda-Beckman, Broken stairways, 37. Vgl. Mather & Yngvesson, ‘Transformation of disputes’, 783-818; Verkruisen, ‘Geschillen, geschilprocessen en rechtspraak’, 687-688.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 18

18

1 inleiding

betalingen.27 De transformatie voorzag het aanvankelijke conflict van een nieuwe dynamiek. De eer diende altijd direct en ten overstaan van zoveel mogelijk mensen te worden verdedigd. Wie in zijn goede naam werd aangetast, verloor zijn of haar maatschappelijk aanzien. Daarom was het zaak om bij een belediging snel en adequaat te reageren. Zo kon een gedupeerde terugschelden, een gevecht aangaan, maar ook de ander aanklagen wegens belediging. Daarmee maakt instrumenteel forumgebruik deel uit van wat in Duitse literatuur wel is aangeduid met Ehrenhandel, het voortdurend bewaken en verdedigen van de eigen eerbaarheid.28 1.1.2 Onderzoeksvragen en opzet In dit boek worden de instellingen voor geschilbeslechting en het gebruik daarvan in de Republiek onderzocht. Er wordt dus in tegenstelling tot voorgaande onderzoeken niet uitgegaan van één geïsoleerd forum, maar van het hele spectrum van gerechtelijke en buitengerechtelijke instellingen, of in termen van het interactiemodel, van neutrale bemiddeling tot het vellen van een scheidsrechterlijk oordeel.29 Daartoe wordt de term instrumenteel forumgebruik geïntroduceerd. Bovendien wordt het concept uitgebreid met de mogelijkheid van forum shopping, het maken van een strategische keuze voor een specifieke instelling of instantie. Hoe werden de beschikbare fora door de partijen ingezet? In hoeverre volgden partijen officiële trajecten en wanneer weken ze daar vanaf? Wisselden ze vaak van forum – wat met een variant forum hopping genoemd kan worden – of schakelden ze doorgaans maar één instelling in om hun geschillen te beslechten? Op grond waarvan maakten ze hun keuze?30 Om deze vragen te kunnen beantwoorden wordt eerst gekeken naar de doelstellingen en middelen van de instellingen en instanties. Wat was hun werkwijze? Hoe verhielden ze zich tot elkaar? Op deze manier wordt een al te eenzijdige bottom-up benadering vermeden die voorbij gaat aan mogelijkheden en onmogelijkheden van instellingen met het oog op forum shopping.31 Per instelling wordt vervolgens onderzocht welke geschillen partijen aanhangig maakten, met welk doel ze dat deden en met welk resultaat. Ook wordt bekeken hoeveel zaken bij meerdere fora zijn terug te vinden. Tot slot worden de achtergronden van de partijen in kaart gebracht. Voor welke sociale groepen waren de verschillende fora het meest interessant? Een dergelijk grootscheepse studie vereist onder meer record linkage, het systematisch koppelen van databanken. Dit is een nog nauwelijks toegepaste methode in historisch
27 Dinges, Maurermeister, 168-169. Zie ook Walz, Hexenglaube und magische Kommunikation, 424,520; Gowing, ‘Language, power and the law’, 28,29; Garrioch, ‘Verbal insults’, 115-116. Voor een overzicht van de betekenis van eer in de vroegmoderne samenleving, zie onder meer: Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 185-188; Roodenburg, ‘Eer en oneer’; Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 67-71. 28 Dinges, Maurermeister, 165,194-198. Vgl. Leuker, ‘Schelmen’, 316-335; Roodenburg, ‘Notaris en de erehandel’, 370-371. Andere auteurs gebruiken de term Ehrenhandel niet, maar beschrijven wel het belang van eer en de verdediging daarvan (zie onder meer: Burke, Stadscultuur in Italië, 22-29; Garrioch, Neighbourhood and community, 33-55). Spierenburg gebruikt honor games (Spierenburg, ‘Social control and history’, 17). 29 Bestudering van de strafrechtspraak valt buiten dit onderzoek. In het strafrecht gaat het om gedrag dat volgens de overheid strafbaar is en dus crimineel moet worden vervolgd. Dit boek draait om geschilbeslechting en de keuzes die de betrokken partijen daarbij maken. 30 Forum hopping wordt door sommigen onder forum shopping gerekend (Baas, Keuze van een gerechtelijk forum, 5-7). 31 Vgl. Lotz, ‘Church discipline’, 100,108; Schilling, ‘Profil und Perspektiven’, 23-26.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 19

1.1 inleiding

19

onderzoek naar sociale controle.32 Eén van de redenen daarvoor is dat veel bronnen nog niet geautomatiseerd toegankelijk zijn gemaakt. Het vergelijken van archieven brengt daardoor een bijna ontmoedigende hoeveelheid werk met zich mee. Vanzelfsprekend moeten daarbij keuzes worden gemaakt. Besloten is om voor dit boek het onderzoek te beperken tot één stad, Leiden, en een tijdspanne van vijf jaar. Representativiteit stond daarbij niet voorop. Steden vertoonden ten tijde van de Republiek op veel punten overeenkomsten, maar tegelijk ook de nodige verschillen. Het is ondenkbaar een stad te vinden die volledig model kan staan voor de andere. Waar mogelijk zullen de verkregen onderzoeksresultaten naast reeds beschikbare literatuur over geschilbeslechtingsfora worden gelegd. Veel vergelijkingsmateriaal is echter niet voor handen. Leiden dient in dit boek dan ook voornamelijk als voorbeeld voor onderzoek naar instrumenteel forumgebruik. Leiden was ten tijde van de Republiek een grote stad, zelfs lange tijd de op een na grootste, die voor een belangrijk deel afhankelijk was van de textielindustrie. De stad was ruim voorzien van gerechtelijke en buitengerechtelijke instellingen waar inwoners met hun kwesties terecht konden. De archieven van de verschillende fora zijn in veel gevallen compleet bewaard gebleven en verkeren in goede staat. Tot slot speelt mee dat er over Leiden een ruime hoeveelheid secundaire literatuur bestaat, waarop in dit onderzoek dankbaar kon worden teruggegrepen. Om in een beperkte tijdspanne zoveel mogelijk potentiële conflicten te kunnen aantreffen en te volgen in de verschillende archieven, is gezocht naar een aaneengesloten periode met veel economische activiteiten en waarin de bevolkingsdichtheid groot was. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat dan de kans op onderlinge irritaties toeneemt. Ook zijn mogelijkheden om confrontaties te voorkomen gering, zodat onvrede zelden lang ondergronds sluimert.33 Het aantal Leidenaren bereikte zijn hoogtepunt in de jaren zestig toen de stad naar schatting zo’n zestigduizend inwoners telde. De hoeveelheid huizen bedroeg toen iets meer dan negenduizend, waardoor het gemiddeld aantal mensen per huis recordhoogten bereikte. De stadsvergroting van 1658 had weliswaar voor wat lucht op de woningmarkt gezorgd, maar in 1669 zag het er alweer naar uit dat een nieuwe uitbreiding nodig was. De huurprijs bleef daarom onveranderd hoog. In dezelfde periode rezen bovendien de graanprijzen de pan uit, waardoor in veel gezinnen voortdurend armoede dreigde. Omstreeks 1670 keerde het economisch tij en daalde de omvang van de textielproductie. Ook de inwonersaantallen namen af.34 Daarom is gekozen voor een aantal aaneengesloten jaren uit de periode 1660-1670. Een tijdsspanne van vijf jaar bleek met het oog op het vele archiefwerk het

32 In haar studie naar scheidingszaken heeft D. Helmers zowel de civiele rechtbank als het notariaat bestudeerd. Ze heeft de twee fora echter niet systematisch naast elkaar gelegd (Helmers, Gescheurde bedden, 56-71). Van der Heijden heeft in haar onderzoek de archieven van de kerkenraad en de criminele vierschaar in Delft en Rotterdam met elkaar vergeleken. Zij keek vooral naar het verschil tussen norm en praktijk bij beide instellingen. Het in kaart brengen van een eventuele overlap tussen de zaken was niet haar primaire doel (Van der Heijden, Huwelijk in Holland, vgl. p. 92). 33 Van Velthoven & Ter Voert, Geschilbeslechtingsdelta, 46; Horwitz, The logic of social control, 127-141; Garrioch, Neighbourhood and community, 227, 228; voor de ontwikkeling van grief tot geschil, zie o.m. Nader & Todd, ‘The disputing process’, 14,15. 34 Van Maanen, ‘Stadsbeeld en ruimtelijke ordening’, 27; De Vries (ea), ‘Spectaculair succes en diep verval’, 92; Noordam, ‘Nieuwkomers in Leiden’, 43; Nagtegaal, ‘Stadsfinanciën’, 96; Van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, 430-434; Posthumus, Geschiedenis van de Lakenindustrie ii, 969-979, 1004-1010.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 20

20

1 inleiding

meest realistisch. Aangezien bij aanvang van het onderzoek op basis van het beschikbare archiefmateriaal 1664 als begindatum is gekozen, zullen de in dit boek gepresenteerde gegevens hoofdzakelijk betrekking hebben op de periode 1664-1668. De gegevens zullen echter steeds tegen de achtergrond worden geplaatst van meerjarige ontwikkelingen in de zeventiende eeuw om de gegevens van reliëf te voorzien.

1.2 De Leidse situatie 1.2.1 Ontwikkeling van de Leidse fora Steden in de Republiek zagen zich eind zestiende eeuw geconfronteerd met aanzwellende migratiestromen. De steden in het gewest Holland kregen hoofdzakelijk te maken met vluchtelingen uit Zuid-Nederland en werkzoekenden uit omliggende dorpen. Later kwamen daar nog Duitse migranten bij.35 Met de nieuwkomers begon een periode van economische voorspoed, in Leiden vooral in de textielindustrie, maar ook van sociale onrust. Zo gaven culturele verschillen, in combinatie met de toegenomen woondichtheid, de nodige moeilijkheden. In Leiden klaagden diverse buren dat hun buurt ten onder dreigde te gaan aan de instroom van vreemdelingen. De ‘veelheid en verscheidenheid van personen, condities en humeuren’ leidde dagelijks tot onrust, zo schreven de inwoners van de buurt ‘St. Catharijnenrijck’ in een petitie aan het stadsbestuur.36 De vierschaar noteerde meer geweldsmisdrijven, waarbij vooral het bovengemiddelde aandeel van nieuwkomers opvalt.37 Daarnaast nam het aantal civiele procedures toe. In 1598 schreef het stadsbestuur van Leiden dat de rechtbank overbelast dreigde te raken, een ervaring die werd gedeeld door onder meer de stedelijke overheid van Amsterdam.38 Het groeiend aantal rechtszaken vormde een bedreiging voor de bestuurbaarheid van de steden. Schepenen hadden zowel de wetgevende, uitvoerende als de rechterlijke macht in handen. De processen slokten steeds meer van hun tijd op, terwijl ook de groei van de stad om aandacht vroeg. Vandaar dat veel stadsbesturen maatregelen namen om de druk op de rechtbank te verminderen. Leiden liep daarbij voorop. In 1583 creëerde de stad, als één van de weinige, een apart gerechtelijk forum voor burenkwesties, gevormd door slechts twee van de acht schepenen. Deze ‘schepenmeesters van de gebuerquestien’ moesten proberen buren te verzoenen die ruzie hadden over erfscheidingen en andere kwesties betreffende het burenrecht. Pas wanneer dit niet lukte, mochten de strijdende partijen hun problemen bij de rechtbank aanhangig ma35 Zie voor een overzicht: De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 95-103. Voor Leidse gegevens: Noordam, ‘Nieuwkomers in Leiden’, 40-43, 50-55; Lucassen & De Vries, ‘Leiden als middelpunt’, 138-167. Vgl. Kuijpers, Migrantenstad, 9, 10, 15-26, 92-95. 36 RAL, SAII, inv.nr. 1216, o.m. p. 3,4 en vooral 23 (citaat), 24. Zie ook Roodenburg, ‘Naar een etnografie’, 229; Tanja, ‘Brabantsche monsieurs’, 22-26. Vgl. Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 161. 37 Diederiks, ‘Criminaliteit in Leiden’, 20-39; Noordam, ‘Strafrechtpleging’, 236. 38 RAL, BLO, 16804. Vgl. RAL, SAII, inv.nr. 9, intro. Voor Amsterdam: Handvesten der stad Amsterdam II p. 671-673; Kernkamp, ‘Regeering en historie’, 19,20,48,51. Zie voor Rotterdam: Schoor, Stad in aanwas, 266.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 21

1.2 de leidse situatie

21

ken. Tien jaar later volgde een reorganisatie van de gebuurten. Er kwam één algemeen buurtreglement, waarin onder meer werd geregeld dat buurtheren de orde zouden handhaven. Ze moesten als bemiddelaar optreden bij burenruzies en geldboetes opleggen bij een handgemeen. Partijen mochten zulke kwesties alleen nog maar aan de rechter voorleggen als ze eerst langs de buurtheer waren geweest. Zo’n bepaling was tot dan toe uniek in Holland. Tot slot stelde de Leidse overheid nog het zogeheten college van vredemakers in, bestaande uit twee schepenen en een van de vier burgemeesters. Deze lage rechtbank was bedoeld om alle civiele zaken te onderzoeken en de betrokken partijen te verzoenen, of in geval van schulden een betalingsregeling te treffen. Pas wanneer het college geen akkoord wist te bereiken, mochten de geschilvoerende partijen een proces voor de vierschaar beginnen. De nieuwe gerechtelijke instellingen fungeerden niet alleen als filter voor de schepenbank. Ze vereenvoudigden en versnelden de rechtsgang ook, zeker toen de bevoegdheden van met name de vredemakers in de loop van de zeventiende eeuw flink werden uitgebreid. De rolprocedure die in de zestiende eeuw bij de Leidse vierschaar was ingevoerd, nam veel tijd in beslag. Sommige rechtszaken sleepten zich jaren voort. De nieuwe fora werkten aanzienlijk sneller. De buurtheer moest bij burenruzies ‘zo snel mogelijk’ een uitspraak doen. Het college van vredemakers handelde processen in één zitting af. Ook de schepenmeesters voor burenkwesties, die op locatie kwamen kijken, deden maar één dag over een zaak. Dat betekende dat alle betrokkenen snel weer met hun eigen werkzaamheden verder konden gaan. Daarnaast brachten de kortere procedures een aanzienlijke kostenbesparing met zich mee. De geschilvoerende partijen hoefden geen dure procesvertegenwoordigers in de arm te nemen, zoals bij de rolprocedure gebruikelijk was. De gerichtheid op verzoening die de genoemde fora aan de dag legden, was bovendien aantrekkelijk. Van beide partijen werd inschikkelijkheid gevraagd, waardoor het eenvoudiger werd om terug te keren naar de situatie van voor het geschil. Een rechterlijk vonnis was daarentegen onvoorspelbaar voor zowel eisers als gedaagden en loste het geschil niet altijd op.39 Het stadsbestuur hield ondertussen bestaande buitengerechtelijke instellingen met een bemiddelings- of arbitragefunctie in stand.40 Zo herbevestigde de Leidse overheid steeds de rechtspraak van de gilden bij de vaststelling van nieuwe reglementen. Tegelijk hielden de burgemeesters en schepenen indirect een vinger in de pap door zelf de gildenbestuurders te blijven benoemen. Hetzelfde gold voor de schutterij. Hier was de relatie met de stad nog sterker, omdat de voorzitter van het schutterijbestuur een burgemeester was. De rechtspraak van de textielnijverheid was zelfs voor een belangrijk deel in handen van het stadsbestuur. De branche was georganiseerd in zogeheten neringen, overheidsinstellingen die de kwaliteit van textielproducten controleerden en de handel in laken, greinen, saaien etc. reguleerden. Het bestuur ervan bestond uit tex39 Merry, ‘Bemiddeling’, 367,385; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 224-227, 253; Sharpe, ‘Such disagreement’, 175; BendaBeckmann, Broken stairways, 108; Eckhoff, ‘Mediator’, 161. 40 Deze constatering is van belang omdat oudere studies het beeld schetsen van overheden die buitengerechtelijke fora uitschakelen of mogelijkheden tot arbitrage terugdringen. Zie onder meer Rousseaux, ‘Sozialdisziplinierung’, 263-269; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 222 en het overzicht van Lenman & Parker, ‘The state’, 23-25, 34-41. Voor bespreking van soortgelijke denkbeelden in de rechtsantropologie, vgl: Horwitz, The logic of social control, 1-5; Griffiths, ‘What is legal pluralism?’, m.n. 2-14.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 22

22

1 inleiding

tielondernemers en twee schepenen. In hoeverre de banden met de stedelijke overheid de beslissingen van de genoemde fora hebben beïnvloed is niet altijd even duidelijk. Gezien het grote belang van de textielproductie voor de stedelijke economie, mag van de neringbestuurders een streng optreden worden verwacht bij overtredingen van de voorschriften. Eenzelfde voortvarendheid is voorstelbaar bij de aanpak van beschonken schutters die de openbare orde in de stad in gevaar brachten. Hoe de genoemde instellingen optraden bij geschilbeslechting zal in de afzonderlijke hoofdstukken worden onderzocht. De verhouding tussen het stadsbestuur en de Nederduitse gereformeerde kerkenraad was een verhaal apart. De reformatie had voor een toename van rechtsprekende fora gezorgd. Kende de rooms-katholieke kerk de individuele biecht, de protestantse denominaties konden hun leden ten overstaan van de hele geloofsgemeenschap ter verantwoording roepen wanneer ze deze te schande hadden gemaakt. De overheid beschouwde de gereformeerde kerk als een publieke kerk die geen geloofsdwang mocht uitoefenen op andersdenkenden. Deze visie botste met de aspiraties van de meer orthodoxe stromingen binnen de kerk. Vooral in Leiden waren de confrontaties aanvankelijk niet van de lucht. Uiteindelijk kwam men overeen dat de Leidse overheid voortaan de kerkenraadsleden zou benoemen en bovendien twee afgevaardigden zou sturen die bij de vergaderingen van de kerkenraad aanwezig zouden zijn. De predikanten en ouderlingen mochten verder tot 1620 van niemand een openbare schuldbelijdenis eisen of verdergaande tuchtmaatregelen nemen zonder toestemming van het stadsbestuur. Dat hield in dat de kerkenraad alleen nog autonoom lidmaten van het avondmaal kon afhouden. De tuchtuitoefening door andere denominaties werd niet of nauwelijks door deze inperkingen getroffen. 1.2.2 Bronnen en methode In dit boek komen achtereenvolgens de geschilbeslechtingsactiviteiten van buurtheren, gilden en neringen, de schutterij, de kerken en het gerechtelijk systeem aan bod. Daarnaast is er nog een hoofdstuk over het notariaat. Notarissen beslechtten zelf geen geschillen, maar ze tekenden wel documenten op die daar een zeer belangrijke rol bij speelden. Zo konden partijen getuigenverklaringen voor de rechtbank gebruiken als bewijsmiddelen. Met diezelfde attestaties was het bovendien mogelijk om de tegenpartij onder druk te zetten en te dwingen om bepaalde beschuldigingen in te trekken of beledigingen terug te nemen, nog vóór het tot een rechtszaak kwam. Insinuaties of ingebrekestellingen dienden hetzelfde doel. Deze akten gaven de notaris dwangmiddelen in handen om de partij tegen wie de insinuatie was gericht tot een gewenste handeling of bekentenis te bewegen. Ook kon de notaris een verzoeningsovereenkomst die buiten de rechtbank tot stand was gekomen, zwart op wit vastleggen. Bestudering van notariële documenten vormt zodoende een belangrijke aanvulling op de gerechtelijke archieven. Bepaalde instellingen blijven buiten beschouwing. Gezien de hoeveelheid archiefmateriaal waren keuzes onontkoombaar. Besloten is om de kladresoluties en -beschikkingen van het stadsbestuur te laten liggen. Deze bevatten naast allerlei besluiten jaarlijks diverse klachten van Leidse inwoners. De kwesties zijn echter zo weinig

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 23

1.2 de leidse situatie

23

gespecificeerd dat ze nauwelijks geanalyseerd kunnen worden. De bron zal alleen aan bod komen bij de bestudering van de geschilbeslechting door heren van de gebuurten, omdat burgemeesters deze buurtopzichters bij problemen tussen buren om uitleg konden vragen. Ook de archieven van de academische vierschaar zijn buiten het onderzoek gebleven. Hierin staan uitsluitend kwesties die betrekking hebben op de verhoudingsgewijs kleine universitaire gemeenschap van Leiden. Voor andere Leidenaren was dit forum niet toegankelijk.41 Verder zijn ook geschillen met betrekking tot de zogeheten gemenelandsmiddelen niet opgenomen. Deze belastingkwesties, waarbij een van de partijen doorgaans een belastingpachter was, speelden niet alleen in de stad, maar in het hele belastingdistrict waarvan Leiden het centrum vormde. Bestudering hiervan zou een aparte studie vergen. Verder ontbreken de kerkenraadsnotulen van enkele denominaties. De parochiearchieven zijn schaars en bevatten vrijwel geen systematisch bijgehouden gegevens, laat staan aantekeningen over misstappen van gelovigen. Notulenboeken van de remonstranten zijn wel voorhanden, maar daarin is geen spoor te vinden van tuchtuitoefening. Van de Lutherse kerk, de joodse gemeenschap en de Waterlanders, een doopsgezinde afsplitsing, zijn geen archieven beschikbaar in de periode 1664-1668.42 De bronnen van de instellingen die in dit boek aan bod zullen komen, worden in de afzonderlijke hoofdstukken nader toegelicht. De betreffende archieven zijn te divers om op deze plek in kort bestek langs te lopen. Wel kan nog worden opgemerkt dat voor alle bestudeerde bronnen geldt dat de betrokken partijen niet zelf aan het woord komen. Steeds fungeerde een klerk of andere notulist als ‘poortwachter’. Hij vertaalde het gesprokene in juridische termen en categorieën en maakte er een tekst van die voor het betreffende forum bruikbaar was. Aan de andere kant oefenden ook de partijen invloed uit op de presentatie van hun zaak. Zij bepaalden welke aspecten van een geschil ze aanhangig maakten. Zo kon, zoals Dinges al heeft laten zien, achter een belediging een schuldenkwestie schuilgaan. Omgekeerd was het bijvoorbeeld ook mogelijk dat een afnemer een rekening niet betaalde uit onvrede over de geleverde prestatie. Helaas bieden de bronnen hier slechts beperkt zicht op. Partijen hielden verder informatie achter die de eigen zaak geen goed deed of stelden hun eigen handelen zo gunstig mogelijk voor. Natuurlijk werd niet ieder woord bewust mooier gemaakt of gelogen. Maar het verschil is voor een historicus soms niet meer uit te maken. Leugens of verfraaide verhalen werkten immers alleen wanneer ze voor de toehoorders plausibel klonken. Wanneer hier echter rekening mee wordt gehouden, bieden de bronnen onmisbare informatie over de conflicten en de beleving ervan door de partijen die erbij betrokken waren. 43
41 Voor informatie over de academische vierschaar en de geschillen die deze te behandelen kreeg, verwijs ik naar het lopende onderzoek van Martine Zoeteman naar Leidse studenten 1575-1812. Zie verder voor een korte uiteenzetting van de procesgang: Roberts en Otterspeer, ‘Onderwijs en wetenschap’, 205-206; Otterspeer, Groepsportret van een dame I, 275-278; Wingens, ‘Deviant gedrag van studenten’, 10-11. 42 Het is onzeker of de Leidse commissarissen voor huwelijkse zaken zich met de juridische afwikkeling van huwelijkskwesties hebben beziggehouden, zoals in Rotterdam en Delft (Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 38,39). Ze hebben alleen ondertrouwregisters nagelaten en die bevatten geen sporen van boetes voor stellen die het huwelijksrecht hadden overtreden. Vgl. Burghartz, Zeiten der Reinheit, 107-110. 43 Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 23-26; Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 43-48; Dinges, Maurermeister, 71-94; Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 374-375; Yngvesson, ‘Contextualizing the court’, 467-474; Davis, Fiction in the archives, 111-113.

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 24

24

1 inleiding

De registers van de verschillende fora zijn ontsloten met behulp van de computer. De gegevens van de betrokken partijen en hun geschillen of misstappen zijn ingevoerd in databases, waardoor deze gesorteerd en gerubriceerd konden worden. Om de verschillende fora qua inhoud en relatieve omvang goed met elkaar te kunnen vergelijken, is ervoor gekozen zoveel mogelijk uniforme categorieën aan te houden. Dat bleek niet voor elke instelling mogelijk. Bij het onderzoek naar geschilbeslechting bij de gilden en neringen is daarom een eigen, geheel toegespitste indeling gehanteerd, net als bij de schutterij en de commissie voor burenkwesties. De activiteiten van buurtheren zijn niet in categorieën ondergebracht, omdat die slechts incidenteel zijn bijgehouden en dan nog in weinig specifieke bewoordingen. Voor de overige fora, de meest omvangrijke groep, wordt aangesloten bij de indeling die E.M. Kloek eerder heeft gebruikt bij de bestudering van de Leidse kerkenraadsnotulen van 1584-1590 en 1620-1626. Daardoor konden de gegevens van 1664-1668 uit diezelfde bron in perspectief worden gezet. Verder is de indeling van Kloek aangenaam overzichtelijk. Ze ging uit van vier rubrieken: kerkelijke of leerstellige zaken, misdragingen op het gebied van huwelijk en zedelijkheid, overige overtredingen op het gebied van de persoonlijke levenswandel en ergerlijk gedrag zonder nadere omschrijving.44

Tabel 1.1

Onderverdeling van de kwesties uit de kerkenraadsnotulen volgens de rubricering van Kloek. Cursief zijn de toevoegingen aangegeven. Persoonlijke levenswandel Twist Dronkenschap Vertier of luxe Bankroet Misdraging op het werk Belediging Geweld Overtreding stedelijke keuren Fraude Niet nader bekend Kwaad regiment Ergerlijk gedrag Woestheid Ongebonden leven Desolaat leven Wildheden

Leerstellige zaken

Huwelijk en zedelijkheid Afvalligheid Overtreding trouwregels Wegblijven van het avondmaal Echtelijke mishandeling Onenigheid met de kerk Voorechtelijke seks Bijgeloof of toverij Andere onkuisheden Uitgave ketters boek Overspel Ongeoorloofde deelname aan het Buitentrouw avondmaal Vaderschapsactie of defloratie Vieren avondmaal bij andere Verbreken trouwbelofte denominatie Kwaadwillige verlating Verkwisting Ophouden huwelijkse geboden Bron: Kloek, ‘Toezicht’, 99,100.

44 Schilling legde andere categorieën aan voor zijn onderzoek naar de Leidse kerkenraad dan Kloek. Zijn indeling is ingewikkelder, met name door de vele deelrubrieken. Bovendien telde hij alleen personen, waardoor recidivisten het beeld kunnen vertekenen (Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 280).

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 25

1.2 de leidse situatie

25

Tijdens het onderzoek is het nodig gebleken om enkele subcategorieën toe te voegen aan de rubricering van Kloek. De bestudeerde fora legden elk eigen accenten die konden afwijken van de kwesties uit de notulen van de Nederduitse gereformeerde kerkenraad. De aanvullingen zijn in tabel 1.1 cursief weergegeven. Verder was de rubricering niet zonder meer van toepassing op het notariaat, het college van vredemakers en de civiele vierschaar. Deze fora hielden zich niet met leerstellige zaken bezig. Kerkenraden spraken zich op hun beurt in de bestudeerde periode 1664-1668 niet uit over zakelijke geschillen en die zijn wel uitgebreid te vinden in notariële protocollen, de vredemakersboeken en de rol van de vierschaar. Voor deze instellingen is dus de rubriek ‘leerstellige zaken’ ingeruild voor ‘contracten en afspraken’. Deze categorie heeft betrekking op geschillen over schulden, aankopen of leveringen van goederen, contractbreuk, erfeniskwesties, problemen tussen huurders en verhuurders en burenkwesties. Van de bestudeerde fora zijn zoveel mogelijk de geschillen tussen 1664 en 1668 geteld, ook wanneer deze zonder oordeel bleven. Voor de gilden bleek dit niet mogelijk, omdat er nauwelijks ‘kwestieboeken’ of soortgelijke registers zijn overgeleverd, zeker niet met betrekking tot de onderzoeksperiode. De rechtspraak van de gilden is daarom voor een groter tijdvak onder de loep genomen. De vredemakersboeken waren dermate omvangrijk dat de bestudering ervan is beperkt tot één jaar. Voor alle onderzochte fora geldt dat iedere nieuwe dagvaarding in een reeds lopend geschil is aangetekend, zodat duidelijk kan worden gemaakt hoe vaak een zaak is besproken. Dit is van belang om inzicht te krijgen in het gewicht dat de betrokken partijen er aan toekenden. Ook kan eruit worden afgeleid met welke omzichtigheid een instelling te werk ging. Wanneer iemand van meerdere misstappen tegelijk werd beschuldigd, is alleen de eerst genoemde geteld omdat die meestal de belangrijkste was. Tot slot zal ook het aantal betrokkenen bij de kwestie worden vermeld, uitgesplitst naar mannen en vrouwen. Van hen zijn waar mogelijk de beroepen genoteerd. Nadere bijzonderheden over de rubricering zijn te vinden in de afzonderlijke hoofdstukken. De gegevens zijn niet alleen kwantitatief benaderd. Vroegmoderne bronnen vereisen een bredere aanpak. Beslissingen of vonnissen van de verschillende fora zijn zelden gemotiveerd. Ook zijn zaken niet altijd van een eis of oordeel voorzien, waardoor soms volslagen onbekend is waar ze over gingen. Verder wordt een enkele keer teruggegrepen op een eerdere uitspraak die vervolgens onvindbaar blijkt in de boeken. Dergelijke lacunes geven iedere rubricering tot op zekere hoogte iets willekeurigs. Bovendien geldt voor de kerkenraadsnotulen, de kwestieboeken van de gilden en lakennering en de registers van de schutterij een belangrijke onderregistratie. Veel van wat buiten de officiële vergaderingen werd besproken of bepaald is niet genotuleerd. Statistische analyse van het materiaal is daarom weinig meer dan nattevingerwerk. De kasboeken van de bestudeerde buurten bevatten helemaal geen duidelijk overzicht van geschilbeslechting door buurtheren. Over het algemeen is alleen de hoogte van opgelegde boetes weergegeven, zodat in de meeste gevallen onbekend blijft welke overtreding erachter schuilgaat. Sporen van bemiddeling of arbitrage ontbreken helemaal in de zeventiende-eeuwse registers. Kwalitatieve beschrijvingen zullen daarom het cijfermate-

06008_hoop_H01

22-05-2006

11:04

Pagina 26

26

1 inleiding

riaal moeten aanvullen om meer zicht te krijgen op instrumenteel forumgebruik door de betrokken partijen. Waar nodig zal worden teruggegrepen op secundaire literatuur om de kwesties te interpreteren. In de komende hoofdstukken zal steeds worden begonnen met een korte bespreking van de belangrijkste literatuur over de geschilbeslechtende activiteiten van elk forum. Vervolgens wordt kort ingegaan op de historische achtergronden van de betreffende instelling. Het grootste deel van ieder hoofdstuk bestaat uit een overzicht van de geschillen die het forum te behandelen kreeg. Per rubriek wordt onderzocht op welke wijze partijen het forum mobiliseerden bij het oplossen van de kwesties. Gekeken wordt verder naar de voorgeschiedenis van de geschillen, het verloop ervan, de sociale achtergrond van de partijen en de alternatieven die hen ter beschikking stonden. Op die manier wordt duidelijk hoe de verschillende gerechtelijke en buitengerechtelijke instellingen voor geschilbeslechting in elkaar grepen en wie daar in welke gevallen het meest gebruik van wist te maken. Het hoofdstuk over buurten heeft een andere opzet, omdat zoals gezegd de Leidse buurtheren geen register van hun activiteiten hebben bijgehouden. Toch gaven tijdgenoten aan dat de opzichters een ‘onvoorstelbare hoeveelheid kleine zaken’ schikten en van groot belang waren voor het ontlasten van de hogere rechtbanken in de stad. Om de ordehandhaving door buurtheren in beeld te brengen is daarom een meer indirecte benadering nodig. Via tal van andersoortige bronnen zal geprobeerd worden de genoemde zeventiende- en achttiendeeeuwse observaties te toetsen.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 27

Hoofdstuk 2

Buurtcorporaties in Leiden

2.1 Inleiding De Leidse taalleraar J.N. de Parival liet er in zijn lofzang op Holland uit 1660 geen twijfel over bestaan. Buurtcorporaties of gebuurten waren van onschatbare waarde voor de handhaving van rust en orde in de Hollandse steden. Deze kleinschalige organisaties van een handjevol stegen en straten hielden buurmaaltijden en begroeven overleden buurtgenoten. Maar de voornaamste taak van de gebuurten was het bijleggen van geschillen, aldus De Parival. Daarin was een hoofdrol weggelegd voor de buurtheer, die de ‘vrede, vriendschap en eenheid’ in de buurt moest bewaren. Wanneer buren onderling onenigheid kregen, diende hij ze te verzoenen, vóórdat het tot een gerechtelijk proces zou komen. Over het algemeen werd zo’n verzoening als volgt bereikt: degene die de ander in zijn goede naam had geschaad, verklaarde dat dit was gebeurd uit ‘haastigheid’ en ‘toorn’. Ook moest hij uitspreken dat hij de ander voor een ‘eerlijk man’ hield. Uiteindelijk gaven de partijen elkaar een hand en kregen ze de vermaning om voortaan ‘vreedzaam en rustig’ samen te leven.1 Een kleine eeuw later viel een anonieme schrijver in de Nederlandsche Spectator De Parival bij in zijn waardering voor de geschilbeslechtende activiteiten van buurtheren. Zij zouden als onderafdelingen van de stedelijke overheid een ‘onvoorstelbare hoeveelheid kleine zaken’ schikken, waarmee ze voorkwamen dat buren met hun ‘onordentelijkheden’ hogere rechtbanken lastigvielen.2 Leidenaar J. le Francq van Berkheij had in 1773 meer oog voor de feesten die in buurten werden gehouden, maar ook hij zag de betekenis van buurtheren voor de openbare orde. Zij maakten een eind aan allerlei ‘kijvagiën en huiskrakelen’. Maar volgens Le Francq van Berkheij deden ze dat

1 De Parival, De vermaeckelijckheden van Hollandt, 29,31-32; Het is niet helemaal duidelijk of De Parival hier bemiddeling door de buurtheer beschreef. Hij noemt deze nergens in dit verband. De passage staat tussen een beschrijving van buurtmaaltijden en de lof op Nederlandse huisvrouwen. Roodenburg meent dat het hier nog over buurten ging en dat er dus sprake was van verzoeningsactiviteiten van de buurtheer (Roodenburg, ‘Naar een etnografie’, 242). Maar dat wordt uit de tekst niet duidelijk. De Parival kan ook hebben verwezen naar de activiteiten van vredemakers. ‘Vredemakers’ was echter geen gangbare benaming voor buurtheren, zoals Hoffmann veronderstelt (Hoffmann, ‘Social control and the neighborhood’, 315). 2 Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 187,188. Walle vermoedt dat het stuk is geschreven door de uitgever van de Nederlandsche Spectator, Pieter van der Eyck. De drukker en boekhandelaar zou 13 jaar later zelf heer worden van de gebuurte ‘Nieuw Rijck van ’s Gravensteijn’ (Walle, Buurthouden, 232 noot 100).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 28

28

2 buurtcorporaties in leiden

niet zozeer door de betrokkenen te verzoenen, maar door boetes op te leggen.3 F.W. Pestel, hoogleraar natuur- en staatsrecht te Leiden, noemde beide manieren van geschilbeslechting. In 1782 stelde hij vast dat een heer van de gebuurte de ‘toornigen’ bevredigde en lichte vergrijpen bestrafte. Zij die zich onbehoorlijk gedroegen, kregen een geringe boete, die de wettelijke grenzen niet te buiten ging, aldus Pestel. Op die manier voorkwamen de buurtheren volgens hem, zoals de anonieme auteur in de Nederlandsche Spectator ook al schreef, dat twisten in gedingen eindigden, waardoor de ‘ogen en oren van de rechters vermoeid zouden worden’.4 De genoemde auteurs zijn eensgezind over het belang van geschilbeslechting door buurtheren, maar ze verschillen van mening over de manier waarop deze te werk gingen. Dat is opmerkelijk. Probeerden buurtheren de betrokken partijen te verzoenen, legden ze boetes op of deden ze beide? In de tot nu toe verschenen literatuur zijn vooral de observaties van De Parival terug te vinden.5 Maar aan die keuze ging geen systematisch archiefonderzoek vooraf. Het is ook nooit onderzocht of geschilbeslechting wel echt tot de kernactiviteiten van de buurtheren behoorde. Werd een buurtheer vaak gemobiliseerd bij burenruzies, hetzij als bemiddelaar of arbitrator, greep hij ook zelf in – als adjudicator – of sloegen buren hem regelmatig over en schakelden ze andere instanties in? In dit hoofdstuk zal het functioneren van de buurtheren tegen het licht worden gehouden. Welke taken hadden ze? Voerden ze die ook allemaal uit? Welke mogelijkheden bezaten ze met betrekking tot geschilbeslechting? Wat was hun positie, hun sociale achtergrond en welke plaats namen ze in tussen de buurt en de stedelijke overheid? Wat kan over hun belang voor de ordehandhaving in de stad worden gezegd? De antwoorden op deze vragen hebben in eerste instantie betrekking op Leiden, maar waar nodig worden vergelijkingen met andere steden gemaakt. 2.1.1 Historiografie Gebuurten kwamen in veel grote steden voor.6 Helaas zijn slechts in een handjevol steden buurtarchieven bewaard gebleven. Vaak gaat het om reglementen, die destijds buurtbrieven of ‘gebuurkaarten’ werden genoemd. Deze bevatten doorgaans door buurtbewoners zelf ontworpen bepalingen met betrekking tot omgangsregels, onderlinge hulp en de ordehandhaving in de buurt. In onder meer Den Haag, Delft en Utrecht moesten de regels ter goedkeuring aan het stadsbestuur worden voorgelegd.7 Dit was ook lange tijd in Leiden en Haarlem gebruikelijk, tot het stadsbestuur daar in respectievelijk 1593 en 1649 de verschillende buurtreglementen verving door een ‘ge3 Le Francq van Berkheij, Natuurlijke historie van Holland III, 1043. 4 Pestel, Commentarii de Republica Batava II, 536 (geciteerd uit: Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche buurten’, 106 (noot 1)). 5 Roodenburg, ‘Notaris en de erehandel’, 368-369; Idem, ‘Naar een etnografie’, 242. Sluijter en Schmidt houden het midden (Sluijter & Schmidt, ‘Sociale verhoudingen’, 112). Vgl. Walle, Buurthouden, 78. 6 Buurten moeten niet verward worden met de grotere stadswijken, die hoofdzakelijk administratief van aard waren, zoals de Leidse bonnen, de Groningse kluften en de Bossche blokken (zie Walle, Buurthouden, 7; Pieck, ‘Leidse buurten’, 35). 7 Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche buurten’, 88; Wagenaar, ‘Over buurten’, 285vv, 301; Bogaers, ‘Geleund over de onderdeur’, 349; GAD, HS 38 B 154.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 29

2.1 inleiding

29

nerale ordonnantie op de gebuurten’.8 Van buurten in Amsterdam zijn geen statuten bewaard gebleven. Het is zelfs de vraag of daar buurtbesturen hebben gefunctioneerd.9 In Rotterdam bestonden ze in ieder geval wel, maar voor deze plaats zijn nauwelijks buurtarchieven overgeleverd.10 Van Leidse buurtcorporaties bestaat met betrekking tot de zeventiende eeuw nog slechts een handjevol archieven, waaronder twee kasboeken. Mogelijk was het dit gebrek aan primaire bronnen dat veel negentiende-eeuwse historici ertoe bracht om bij hun onderzoek naar buurten uitsluitend gebruik te maken van observaties van tijdgenoten, zoals Le Francq van Berkheij. Deze auteur stak de loftrompet over het ‘oude’ Leidse buurtleven van de zeventiende eeuw en vroege achttiende eeuw, dat in zijn tijd, het derde kwart van de achttiende eeuw, al nauwelijks meer zou bestaan. Met name J. ter Gouw en C.W. Wagenaar ontleenden veel van hun beschrijvingen aan hem. Net als Le Francq van Berkheij schilderden zij gebuurten als ‘vrolijke’ verenigingen van stadsbewoners, vol vertier en gezelligheid. Beiden verhaalden bijvoorbeeld hoe buurtbewoners zich verzamelden op walmuurtjes en banken om uit te rusten van het dagelijks werk, ‘de mannen met een pijp tabak, de vrouwen met een handwerk, en niet zelden kwam de bierkroes er bij te pas, zodat men wel eens lang na het luiden der poortklok eerst aan slapen-gaan dacht.’ De passage is vrijwel letterlijk uit de ‘Natuurlijke Historie van Holland’ overgenomen.11 Het werk van jonkheer ridder A.G.A. van Rappard vormt in een aantal opzichten een uitzondering. Zijn artikel over Haagse gebuurten bevat nauwelijks nostalgische passages over een verloren paradijs.12 Van Rappard beperkte zich tot een beschrijving van de reglementen van twee Haagse buurten, de Hofbuurt en de buurt van de Hoogstraat. Dit materiaal vulde hij aan met de ordonnanties van zestig andere gebuurten, die in afschrift zijn overgeleverd in enkele registers. Tot slot dook hij ook nog in de aantekenboeken of kasboeken van de Hofbuurt en de Hoogstraat. Een en ander resulteerde in een uitgebreide schets van Haagse buurten, die bovendien waar mogelijk was getoetst aan de praktijk. Toch stelde ook Van Rappard vooral het gezelligheidskarakter van buurten centraal door uitgebreid stil te staan bij buurtmaaltijden en onderlinge hulp bij begrafenissen. Aandacht voor geschilbeslechting door buurtheren, had hij nauwelijks.13
8 RAL, SAII, inv.nr. 1216; RANH, SH, IE, XXI-358 (Loketkas LK 7-4-10-4). Vgl. Dorren, Het soet vergaren, 63; Idem, ‘Communities within the community’, 180; Pieck, ‘Leidse buurten’, 41vv; Van der Vlist, ‘In Goeder vreden’, 39,52. 9 Frijhoff (ea), Geschiedenis van Amsterdam II,1, 229. Inwoners van Amsterdam hadden wel de vrijheid om bijeenkomsten te houden, maar buurtreglementen bestonden niet. Buren hadden alleen van overheidswege de plicht tot brandwacht (vgl. Roodenburg, ‘Naar een etnografie’, 221,222 (noot 11); Ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam III, 283). 10 Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 119-121; Pieck, Leidse buurten, 37. 11 Ter Gouw, De volksvermaken, 534; Wagenaar, ‘Over buurten’, 282. Vgl. Le Francq van Berkheij, Natuurlijke historie van Holland III, 1045. Ook P.J. Blok greep in zijn magnum opus over de stad Leiden terug op de genoemde achttiende-eeuwse voorstellingen van het oude buurtleven, zonder nader in te gaan op buurtreglementen, kasboeken of justitiële archieven (zie Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad I, p. 63; II, p. 7-9, 107; III, p. 5, 184-185, 288-289, 338-339). 12 Alleen aan het einde van zijn artikel stelt Van Rappard vast dat ‘bij toenemende wijziging der maatschappelijke toestanden’ het buurtgenootschappelijk leven meer en meer afnam en ‘verflauwde’ (zie Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche buurten’, 195). 13 Aan buurtmaaltijden en burenhulp bij begrafenissen wijdt Van Rappard respectievelijk 18 en 14 pagina’s (p. 163-180; p. 181-195), terwijl geschilbeslechting en boetes er met 3 en 5 bladzijden bekaaid van af komen (p. 104-106; p. 154-158). Het gedeelte over geschilafdoening eindigt Van Rappard met: ‘Doch wij willen deze aanhalingen niet vermeerderen’ (p. 106). Ook de paragraaf over boetes wordt abrupt beëindigd met: ‘Wij vreezen reeds te lang bij dit strafregister te hebben stilgestaan’ (p. 158).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 30

30

2 buurtcorporaties in leiden

De idee dat gebuurten ‘meant conflict as much as they meant community’, won pas enig terrein in de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Toen herleefde het historisch onderzoek naar buurtcorporaties onder invloed van een toenemende aandacht voor microgeschiedenissen en een groeiende maatschappelijke belangstelling voor buurten.14 In 1982 verschenen zowel een artikel van G. Pieck over de buurten in Leiden als een boek van D. Haks over huwelijks- en gezinsleven in Holland. Pieck ging, nog enigszins in oude stijl, hoofdzakelijk in op de Leidse buurtreglementen en de totstandkoming ervan.15 Haks benadrukte echter als een van de eersten de sociale-controlefunctie van buurten. Hij had aandacht voor de boetes die buurtheren mochten heffen bij laakbaar gedrag van buurtbewoners, voornamelijk op huwelijksgebied, en de bemiddelingspogingen die zij konden ondernemen. Haks baseerde zich op Van Rappard, Ter Gouw en de buurtreglementen van Leiden en Haarlem. Of de buurten inderdaad de rechtbank ontlastten, zoals de bedoeling was, valt volgens hem niet goed 16 te achterhalen. H.W. Roodenburg zette het onderzoek naar geschilbeslechting door buurtheren voort. In zijn artikelen maakt hij korte metten met de negentiende-eeuwse idyllische voorstellingen van de gebuurten. Niet de gemeenzaamheid, maar het onderlinge conflict was schering en inslag in de overvolle Hollandse steden. Daardoor waren allerlei vormen van controle nodig om de onderlinge ‘liefde’ en ‘vriendschap’ te bewaren. Het toezicht van buurtmeesters was er één van; daaraan vooraf ging de onderlinge controle in de straten, de stegen en de slopjes.17 Ook Roodenburg maakte bij zijn verkenningen hoofdzakelijk gebruik van De Parival en andere tijdgenoten. Alleen in zijn artikel over incest in Holland noemde hij twee casussen waarin heren van de gebuurte een rol speelden. In het eerste geval was echter van bemiddeling geen sprake, alleen van consultatie van de vinder, de penningmeester van de buurt. De tweede zaak betrof wel een voorbeeld van geschilbeslechting, waarin het hele buurtbestuur een incestslachtoffer en haar vader aan de tand voelde om de waarheid boven water te krijgen. Voor Roodenburg was dit het bewijs dat buurtheren een belangrijke functie hadden in het beslechten van de onderlinge conflicten tussen buren.18 L. Bogaers hield juist vast aan de gemeenzaamheid, als basis van de buurtcorporaties. Volgens haar vormen noties als ‘solidariteit’ en ‘lotsverbondenheid’ een betere insteek voor het onderzoek naar gebuurten dan ‘strategie’ en ‘conflict’. Zo centraal stond
14 Citaat uit Roeck, ‘Neighbourhoods’, 196. Voor een uiteenzetting van de bedoelde historiografische ontwikkelingen verwijs ik naar Frijhoff, ‘Publieke beschavingsoffensieven’, 93-96. Wat betreft de groeiende maatschappelijke belangstelling voor buurten en criminaliteitspreventie, zie o.m.: Interimrapport Commissie Kleine Criminaliteit (voorz.: H.J. Roethof) (Den Haag 1984); Eindrapport Commissie Kleine Criminaliteit (voorz.: H.J. Roethof) (Den Haag 1986) en V.d. Wurff, Onveiligheidsgevoelens in de woonomgeving, 1, 7-27. 15 Pieck, ‘Leidse buurten’, 35-51. 16 Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 60-69. 17 Roodenburg, ‘Naar een etnografie’, 229,235-239,241-242. In zijn proefschrift over kerkelijke tucht noemde Roodenburg buurten belangrijke instanties van sociale controle, maar hij doelde daarbij vooral op het door buren onderling uitgeoefend toezicht (Roodenburg, Onder censuur, 246-247,277, 386). Vgl. Idem, ‘Freundschaft’; Idem, ‘Een verfoeilijke misdaad’; Idem, ‘Reformierte Kirchenzucht’. 18 Idem, ‘Een verfoeilijke misdaad’, 69,75. Roodenburg veronderstelt ten onrechte dat vinders het equivalent waren van buurtheren (p. 69). Vinders waren penningmeesters die de buurtheer, deken genaamd, assisteerden (RANH, SH, IE, XXI-358 (Loketkas LK 7-4-10-4) art. 1 en 3. Vgl. Dorren, Het soet vergaren, 27,33).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 31

2.1 inleiding

31

conflictbeheersing niet in de buurt, wat haar betreft. Veeleer draaide het om vriendschap, saamhorigheid en onderlinge hulp. Zij kwam ook maar één voorbeeld van geschilbeslechting tegen in de door haar bestudeerde Utrechtse buurtarchieven. Bogaers werkte deze zaak niet uit. Mogelijk bevatte het buurtboek in kwestie daarvoor te weinig details. Voor Bogaers is het gebrek aan gegevens over geschilbeslechting het bewijs dat het in buurten om heel andere zaken ging, zoals bevordering van het gemeenschapsgevoel. Alle taken van buurten waren daarop gericht. Het meest sprekende voorbeeld waren volgens haar de buurtmaaltijden. Daaraan besteedde ze, net als Le Francq van Berkheij, verhoudingsgewijs veel aandacht. Uit het buurtleven sprak voornamelijk ‘plezier’. Burenruzies liet Bogaers daarom voor wat ze waren.19 K. Walle gaf geschilbeslechting door buurtheren wel een centrale plaats in de omgangscultuur in buurten. In zijn uitgebreide monografie over de geschiedenis van de Leidse gebuurten komt ordehandhaving ook als eerste van alle taken aan bod, vóór armenzorg en uitvaartverzorging. Walle meende dat buurtheren met een vriendelijk woord veel geschillen in de kiem hebben gesmoord. Maar ook hij baseerde die stelling hoofdzakelijk op achttiende-eeuwse literatuur, met name op het artikel uit de Nederlandsche Spectator. De buurtboeken die hij heeft bestudeerd, bevatten nauwelijks sporen van geschilbeslechtingsactiviteiten van buurtheren. Walle hield het erop dat de meeste ruzies mondeling moeten zijn afgedaan. Buurtheren stelden zich bovendien terughoudend op als het op bestraffing aankwam, aldus Walle.20 Het speuren naar activiteiten van buurtheren in het algemeen en geschilbeslechting in het bijzonder, is geen sinecure. Van de ruim tweehonderd Leidse gebuurten is zoals gezegd nauwelijks materiaal overgeleverd. Voor de zeventiende eeuw zijn voorhanden: een tweetal kasboeken, enkele versies van de algemene keur op de gebuurten, een aantekenboek van een stadssecretaris aangaande de buurten, een register van buurtheren, enkele losse ingekomen stukken en allerhande resoluties van het stadsbestuur. Dat betekent dat ook in andere archieven moet worden gespeurd. Roodenburgs opmerking dat in Leiden vrijwel alle buurtboeken zijn bewaard gebleven, zal op een misverstand berusten.21 In het vervolg van het hoofdstuk staan de geschilbeslechtende taken van buurtheren centraal. Deze zullen worden bestudeerd tegen de achtergrond van hun andere activiteiten en de plaats die de heren innamen tussen de buurt, waaruit ze voortkwamen, en de stedelijke overheid, die hen had aangesteld en die hen opdroeg de orde in de buurt te handhaven. Allereerst wordt in de buurtkeuren onderzocht wat het stadsbestuur van de buurtheren verwachtte op het gebied van ordehandhaving. Vervolgens wordt ingegaan op de sociale achtergronden van de buurtheren, hun positie in de buurt en hun rol als intermediair tussen de buren en de stedelijke overheid. Tot slot wordt bekeken hoe de buurtheren hun in de keur centraal gestelde taken vervulden.
19 Bogaers, ‘Geleund over de onderdeur’, 340vv, 362. 20 Walle, Buurthouden, 78. 21 ‘Glücklicherweise sind […] fast alle Nachtbarschaftsbücher erhalten’, aldus Roodenburg in ‘Freundschaft’, 13. Misschien doelt hij op de gebuurtegewijze bevolkingsregisters van 1762-1796, die wel vrijwel allemaal behouden zijn gebleven (RAL, SAII, inv.nr. 6971-7151).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 32

32

2 buurtcorporaties in leiden

2.2 Geschilbeslechting in de Leidse buurtkeuren 2.2.1 Voorgeschiedenis en de buurtreorganisatie van 1593 Buurtheren in Leiden hadden ordehandhaving al vroeg in hun takenpakket. Uit aantekeningen van stadssecretaris Jan van Hout uit 1602 blijkt dat in de oudst bekende buurtbrieven van de stad onder meer bepalingen stonden over wat te doen bij ‘geschillen tussen man en wijf of anderen van de geburen’. Buren waren in die gevallen hun heer, en vaak ook zijn ‘raadsheren’ of ‘raden’ een boete verschuldigd. In de buurt ‘Prielij’, de enige waarvan Van Hout het middeleeuwse reglement volledig citeerde, bestond deze uit een ham van vijf pond. Overigens was de sanctie in ‘Prielij’ gereserveerd voor conflicten waarbij buren ‘ingeleijt’ waren, dat wil zeggen dat de betrokkenen huisarrest kregen of werden gedwongen te logeren in een herberg tot ze zich met elkaar hadden verzoend. Helaas zijn geen details over de geschilbeslechtingsprocedures in ‘Prielij’ bewaard gebleven. Het is dus niet bekend of de buurtheren een actieve rol speelden bij het zogeheten ‘vredeleggen’. Volgens de keuren van Leiden waren alleen burgemeesters, schout en schepenen en leden van de vroedschap hiertoe bevoegd. Maar C.N.W.M. Glaudemans laat zien dat in Holland in de loop van de Middeleeuwen ook gerechtsbodes en herbergiers een vrede mochten opleggen.22 Het is de vraag of buurtheren eveneens over voldoende gezag beschikten om als vredelegger op te treden. Ze hadden in ieder geval een centrale positie in de buurt. Zo traden ze bijvoorbeeld op als eisers in civiele processen die de hele buurt aangingen.23 Ordehandhaving vormde zeker niet het voornaamste bestaansrecht van de eerste buurtcorporaties. De gebuurten hadden vooral een sociale functie. Ze organiseerden buurtmaaltijden, allerlei feesten – let op de vaak carnavaleske namen van de corporaties – en, belangrijker nog, reguleerden de onderlinge hulp. Daaraan ontstond behoefte toen de steden in de loop van de Middeleeuwen groter werden en de buurtverhoudingen van karakter veranderden. Buren gingen er steeds vaker toe over om informele regelingen vast te leggen in voorschriften. Het reglement van ‘Prielij’ is daar een voorbeeld van. Het stuk is een lange opsomming van allerlei burenplichten. Zo moesten de geburen een ham offeren bij een eerste mis van een priester, bij de koop of verkoop van een huis en een huwelijk. De nabestaanden van een buurtbewoner die door de gebuurte was begraven werden geacht een vat bier te schenken. Buren die verstek lieten gaan bij een uitvaart waren de buurt twaalf penningen verschuldigd. Pas in het laatste artikel komt de boete bij vredeleggingen wegens twist en geschillen aan bod. Die plaats is illustratief voor de positie van geschilbeslechting binnen de taken van de buurt.24
22 Glaudemans, Om die wrake wille, 310,313-315; Van Caenegem, Strafrecht in Vlaanderen, 257-280. 23 Zie bijvoorbeeld: De Blécourt & Wijs, Kenningboek der stad Leiden, 118 en Osinga & Gelinck, Kenningboek der stad Leiden, 10. Vgl. Van Caenegem, Strafrecht in Vlaanderen, 243-250, 270-306. 24 Roeck, ‘Neighbourhoods’, 201. Voor het reglement van ‘Prielij’, zie RAL, SAII, inv.nr. 1220, p. 35a. De buurtbrief van ‘Prielij’ dateert van zeventien november 1473. Walle meent dat het stuk de oudste buurtordonnantie van Leiden is. Volgens hem nam Van Hout het stuk ook daarom op in zijn besognes (Walle, Buurthouden, 22, 25-26). Dit wordt echter niet bevestigd door Van

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 33

2.2 geschilbeslechting in de leidse buurtkeuren

33

De Leidse overheid bemoeide zich aanvankelijk weinig met de gebuurten. In de loop van de zestiende eeuw veranderde dat. Onder invloed van de economische malaise en dreigende onrust probeerde het stadsbestuur de corporaties meer en meer om te vormen tot een soort uitvoeringsinstanties. In 1547 bepaalde de Leidse overheid dat buurtheren iedere nacht twee wachtlopers moesten aanstellen.25 Vanaf 1564, het jaar waarin Jan van Hout als stadssecretaris werd aangesteld, dienden heren van de gebuurten alle vreemdelingen in hun buurt aan te geven. De ordonnantie vond echter weinig gehoor en moest meerdere keren afgekondigd worden.26 Bij het ronselen van manschappen in de buurten ter verdediging van de stad in december 1572 bleven buurtheren opnieuw ‘in gebreke’.27 Deels kwam dit door onwil om de nieuwe taken op zich te nemen. Daarnaast zaten veel buurten in die tijd eenvoudigweg zonder heer als gevolg van de vele epidemieën en oorlogshandelingen.28 Op deze manier was het dus nauwelijks mogelijk om buurten in te zetten voor het stadsbelang. Stadssecretaris Jan van Hout wilde daar verandering in brengen. In 1577 presenteerde Van Hout een rapport waarin hij een vergaande hervorming van de stedelijke armenzorg voorstelde.29 Hij drong aan op een centralisatie van de bestaande armenzorginrichtingen en een fusie van de stedelijke en gereformeerde bedeling. Tegelijk pleitte hij ook voor een reorganisatie van de Leidse buurtcorporaties. Van Hout wilde namelijk, in lijn met de eerder genoemde bepalingen, dat buurtheren alle nieuwe armen in hun gebuurte zouden aangeven bij het stadsbestuur. Ook moesten ze erop toezien of de bedeelden er wel een fatsoenlijke levenswandel op na hielden. Buurtheren dienden zo te voorkomen dat de stad aalmoezen zou uitreiken aan werkschuwe types en bedelaars. Alleen eerlijke armen, zoals wezen, weduwen, leprozen en kraamvrouwen kwamen volgens Van Hout nog voor ondersteuning in aanmerking. De stadssecretaris zag echter in dat gebuurten ook deze keer niet zomaar zouden meewerken aan zijn plannen. De corporaties waren daarvoor in zijn ogen te zeer onbeheersbaar geworden. Hij vroeg het stadsbestuur daarom om de buurten te mogen verkleinen en opnieuw in te delen. En natuurlijk zou in iedere buurt een geschikte heer aangesteld moeten worden.30
Houts aantekeningen in het ontwerpkeurboek (RAL, SAII, inv.nr. 10, p. 348). De buurtbrief oogt als een schertsoorkonde, waarin de verhoudingen in de buurt feodaal worden voorgesteld. Vermoedelijk is het geschreven ter gelegenheid van een omkeringsfeest, waarbij de buurt een maaltijd hield (vgl. Pleij, De sneeuwpoppen van 1511, 175,176; Van der Vlist, ‘In Goeder vreden’, 43). Helaas is niet meer na te gaan of Van Hout de brief correct heeft geciteerd. Gezien zijn rederijkerskwaliteiten kan hij met de tekst aan de haal zijn gegaan (Brinkman, Dichten uit liefde, 81vv,93,107). Desondanks lijkt het stuk echt bestaan te hebben, omdat bewoners er in 1621 zelf naar verwezen (RAL, SAII, inv.nr. 1216, p. 54v,56). 25 RAL, SAI, inv.nr. 388, p. 148; Brand, ‘Charitatieve zorg’, 148-149; Downer, Financiële toestand, 17; Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie I, 370,375. Zie voor soortgelijke bepalingen in andere steden: Bogaers, ‘Geleund over de onderdeur’, 343-344; Deceulaer, ‘Implicaties van de straat’, 137. 26 RAL, SAI, inv.nr. 388, p. 257-257v. De bepaling werd in 1565, 1567, 1569, 1571 en 1577 herhaald. 27 Idem, inv.nr. 389, p. 49v. 28 Ibidem, p. 24. In 1574 werden buurten waar ‘mits afsterven of vertrecken’ geen heer meer was, gesommeerd deze binnen 24 uur te kiezen (Idem, p. 170). 29 Hoewel het rapport officieel door een commissie is geschreven, is algemeen geaccepteerd dat het stuk uit de koker van Jan van Hout komt. Zie Sluijter & Schmidt, ‘Sociale verhoudingen’, 119; Koppenol, Leids heelal, 52; Prinsen, ‘Een rapport over armenzorg’, 72. Vgl. Ligtenberg, Armezorg te Leiden, 3-8, 299. 30 Prinsen, ‘Armenzorg te Leiden’, 153-155.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 34

34

2 buurtcorporaties in leiden

Het armenrapport bleef niet bij een voorstel. Nog hetzelfde jaar kwam er een college van aalmoezeniers dat onder de directe verantwoordelijkheid van de stedelijke overheid viel. In de jaren tachtig en negentig werden bovendien de gasthuizen samengevoegd en de verordeningen tegen bedelarij aangescherpt.31 Met de buurtreorganisatie verliep het echter minder vlot. Van Hout kreeg van het stadsbestuur in 1593 de opdracht om in één keer af te rekenen met de ‘ongeregeldheid en wangeschiktheid’ en de buurtheren tot nut van de stad in te zetten.32 De stadssecretaris maakte daarop een inventarisatie en telde drieënzeventig buurten. Gemiddeld hadden die een grootte van zesendertig huizen, met een gemiddelde afwijking van vijf. Van Hout vond dat veel te groot. Hij ontwierp tot twee keer toe een nieuwe indeling, met kleinere buurten, maar steeds haalde hij bakzeil bij het stadsbestuur. Vermoedelijk vormden de kosten van de operatie een barrière.33 De Leidse overheid gaf uiteindelijk in 1602 de voorkeur aan gecontroleerde opdelingen, die door de buurtheren zelf moesten worden aangevraagd. Van Hout trok hieruit de bittere conclusie dat het stadsbestuur kennelijk helemaal geen orde in de chaos wilde. Verongelijkt besloot hij zijn aantekeningen dat het allemaal zonde van zijn tijd was geweest.34 2.2.2 De algemene buurtkeur Van Hout kwam niet alleen met voorstellen voor een nieuwe buurtorganisatie, maar ook met een nieuwe, algemene keur die alle bestaande buurtreglementen zou vervangen. Deze trad in maart 1593 in werking. De ordonnantie was meer dan zomaar een samenvatting van alle buurtbrieven die Van Hout in zijn archief had teruggevonden.35 Het stuk verwoordde in vrijwel ieder artikel de ambitie van de stadssecretaris om de buurten het stedelijk belang te laten dienen. Al in de eerste regel onderstreepte Van Hout dat de corporaties een soort onderafdeling van het stadsbestuur moesten worden. Aan het hoofd ervan moest in iedere gebuurte een heer worden aangesteld, gekozen door het stadsbestuur, die de overheid representeerde. De buurtheer kreeg twee kerntaken. Allereerst hoorde hij erop toe te zien dat alle buurtbewoners in harmonie met elkaar samen leefden. Hij moest dus spanningen in de buurt zien te voorkomen. Daarmee ging de buurtkeur verder dan de oude buurtreglementen waarin ruziënde buren hun heer een boete moesten betalen. Ten tweede kreeg de buurtheer de opdracht om op armen in zijn buurt te letten en ervoor te zorgen dat ze op tijd hulp kregen van de stedelijke aalmoezeniers. Hier sloot de nieuwe ordonnantie aan bij het armenrapport. Eerdere Leidse buurtbrieven lijken niets op het gebied van armenzorg te
31 Koppenol, Leids heelal, 57-61; Ligtenberg, Armezorg te Leiden, 304-305. 32 RAL, SAII, inv.nr. 1220, p. 8. 33 Ibidem. Vgl. Idem, SAII, invr.nr. 10, p. 347. In 1593 stelde Van Hout een verdeling in 117 buurten voor met gemiddeld 18 huizen. De tweede keer, in 1602, ontwierp hij 176 buurten met elk zo’n 27 huizen. De stad was inmiddels gegroeid van ruim 12.000 tot bijna 26.000 inwoners. Voor de kosten van Van Houts plannen zie Walle, Buurthouden, 51 noot 159. 34 RAL, SAII, inv.nr. 10, p. 348v. 35 Van Hout heeft met veel zorg de toenmalige archieven van het stadsbestuur beheerd (Van Maanen, Stadsarchief van Leiden, xxxiv). Hij had zich onder meer tot doel gesteld om een volledige uitgave van oude stadsprivileges en charters te verzorgen. Speciaal voor dit doel ontwierp hij een nieuwe archiefindeling en conserveerde hij documenten door ze te laten overschrijven (Koppenol, Leids heelal, 37,38,176).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 35

2.2 geschilbeslechting in de leidse buurtkeuren

35

hebben geregeld. Wel waren armen in ‘Prielij’ vrijgesteld van een bijdrage aan de buurtkas na een huwelijk of begrafenis.36 In de overige bepalingen van de keur werkte Van Hout het takenpakket van de buurtheer verder uit. Bij een burenruzie moest de heer proberen om met twee of meer door hem gekozen buurtbewoners te bemiddelen en de betrokkenen zo snel mogelijk te verzoenen. Pas als dat niet lukte, mochten de strijdende partijen hun zaak bij de rechter aanhangig maken. Dit kostte hen dan wel twee gulden of een ham van twaalf pond. De stadssecretaris paste de buurtheer hiermee in in het nieuwe stedelijke beleid om de rechtbank te ontlasten.37 Echtelijke ruzies die in de buurt voor opschudding zorgden, diende de heer te bestrijden met fikse boetes. Een man die zijn vrouw sloeg kon rekenen op het betalen van een ham van vijftien pond of twee en een halve gulden; een vrouw was in het omgekeerde geval zelfs het dubbele kwijt. Op een vechtpartij tussen buren stond vierentwintig stuivers. De harmonie in de buurt werd verder bevorderd door de al in de buurtbrief van ‘Prielij’ genoemde burenhulp bij het waken, afleggen, dragen en begraven van overleden buurtbewoners. Ook werd de mogelijkheid tot het houden van een buurtfeest of ‘hoven’ opengehouden. Over zo’n feest moest de buurtheer beslissen. Hij keek of er genoeg geld was binnengekomen. De inkomsten van buurten bestonden uit boetes en heffingen op het kopen van huizen, huwelijken en begrafenissen.38 Ten aanzien van het assisteren van de aalmoezeniers werd de buurtheer opgedragen om een register bij te houden. Daarin moest hij namen, toenamen, beroep en kinderen van alle buurtbewoners noteren. Iedereen die zich nieuw in een buurt vestigde, moest zich binnen acht dagen bij de heer melden. Van Hout had de registers, waarin alles moest worden opgeschreven, voor iedere buurt klaargemaakt. Hij leek het de buurtheren dus zo makkelijk mogelijk te willen maken. Maar al in 1602 moest de stadssecretaris tot zijn verontwaardiging constateren dat de heren zich weinig van zijn plannen hadden aangetrokken. Geen enkele heer had een register bijgehouden. In plaats daarvan hadden ze zich beperkt tot ‘spelen’ en ‘hoven’, aldus de stadssecretaris. Het stadsbestuur leek zich daarbij neer te leggen, maar verbond daar nog niet direct conclusies aan. Pas in 1658 verdween de registratietaak uit de buurtkeur. Wel bleef de opdracht gehandhaafd om toe te zien dat niemand door armoede zou ‘vergaan’. Daarmee hielden de buurtheren verantwoordelijkheid voor de armenzorg in de buurt.39 De buurtkeur zou tot aan het einde van de achttiende eeuw van kracht blijven. Tussendoor actualiseerde het stadsbestuur sommige bepalingen en voegde het hier en daar een nieuw artikel in. Zo kregen buurtheren in 1664 toezicht op de handhaving van de ‘keure van de pest’, die in september van dat jaar werd afgekondigd. De meeste regels van die keur bestonden al sinds de begrafenisreglementen van 1603. De controlerende taak van de buurtheren was nieuw. Zij moesten erop toezien dat woonlagen waar zich een pestdode had bevonden veertien dagen lang gesloten bleven voor nabestaanden of klanten. De kamers mochten bovendien acht weken lang niet worden verhuurd.
36 37 38 39 RAL, SAII, inv.nr. 16, p. 58v (4-3-1593); Idem, inv.nr. 1220, art. 1. Vgl. Brand, ‘Sociale omstandigheden’, 133. Zie hoofdstuk 1, par. 1.2.1 en hoofdstuk 7, par. 7.1.1. Idem, inv.nr. 1220, p. 2-5, art. 2, 4, 6, 7, 9-21. RAL, SAII, inv.nr. 10, p. 348v; Idem, inv.nr. 12, p. 103, art. 1.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 36

36

2 buurtcorporaties in leiden

Bij herhaalde overtreding van deze regel, moest een buurtheer de persoon in kwestie voor de burgemeesters dagen.40 Een blik in de kladresoluties van de Leidse burgemeesters leert dat buurtheren inderdaad mensen hebben aangegeven.41 Verder werden de heren van de gebuurten ingeschakeld bij het indammen van het aantal bezoekers van het pesthuis. Alleen directe familie mocht het pesthuis in, zo bepaalde het stadsbestuur op eenentwintig juli 1664. Bezoekers konden hun verwantschap aantonen door middel van een door hun buurtheer ondertekende voorgedrukte attestatie.42 Buurtheren gaven de briefjes massaal af, tot wanhoop van het stadsbestuur.43 Interessant is een aanvulling op de generale buurtkeur van één december 1667, waarin heren van de gebuurten, samen met hun raadslieden of ‘raden’, de mogelijkheid kregen om in conflicten tussen buurtbewoners een scheidsrechterlijke uitspraak te doen. Zij mochten degenen die schuldig waren aan een ruzie of die zich slecht hadden gedragen veroordelen tot een boete van maximaal twaalf stuivers. De toevoeging staat niet alleen in de kantlijn ter hoogte van het artikel over buurttwisten, maar ook aan het einde van de buurtkeur, waarmee het belang van de wijziging wordt onderstreept. Op de uitvoering van deze mandaatwijziging zal verderop nader worden ingegaan. Hier kan nog worden opgemerkt dat min of meer gelijktijdig ook het aantal zittingsdagen van het college van vredemakers werd uitgebreid. Beide maatregelen duiden op toegenomen spanningen in de stad, onder meer als gevolg van het onverminderd hoge inwonertal en de stijgende woningnood. Door zoveel mogelijk kwesties al in een vroeg stadium af te laten handelen, hoopte het stadsbestuur te voorkomen dat Leiden in bestuurlijk en juridisch opzicht zou vastlopen. Uit het voorgaande blijkt dat rond het midden van de zeventiende eeuw de controlefunctie van heren van de gebuurten werd uitgebreid. Ook hun administratieve taken namen toe. Het buurtleven zelf werd in 1652 aangepakt. Vanaf dat jaar moesten buurten via hun heer het stadsbestuur toestemming vragen om te ‘hoven’ of een gezamenlijke maaltijd te houden. De overige regels aangaande buurtmaaltijden waren in 1658 nog gelijk aan die van 1593. Buurten dienden het hoven voor tien uur ’s avonds te beëindigen. Tijdens het hoven gesloten transacties mochten, als men spijt zou krijgen, de volgende dag met het aanbieden van wijn of een andere drank worden tenietgedaan. Wie gedurende de bijeenkomst anderen beledigde, moest door de heer worden weggestuurd. Alleen na een spijtbetuiging kon hij of zij weer worden toegelaten. In 1670 werden de regels voor buurtmaaltijden opnieuw verscherpt. Zo bepaalde het stadsbestuur dat de corporaties pas toestemming tot hoven kregen als zij eenzesde van hun kas afstonden aan het armenweeshuis. Bovendien mocht het feest niet langer dan twee dagen duren. Naar alle waarschijnlijkheid achtte de overheid deze laatste bepaling belangrijker dan de eerste, want toen in 1682 de zesde penning werd ingetrokken, bleef de beperking van het hoven tot twee dagen staan.44
40 Idem, inv.nr. 79, p. 1v. 41 Idem, inv.nr. 249 (2-7-1664; 5-7-1664; 6-7-1664; 8-7-1664; 12-7-1664; 13-7-1664; 23-7-1664). 42 Ibidem (21-7-1664); Idem, inv.nr. 155 (21-7-1664). 43 Tot twee keer toe moest het stadsbestuur de buurtheren oproepen om de briefjes ‘spaarzamer’ af te geven (RAL, SAII, inv.nr. 249 (30-10-1664) en (31-10-1664). Vgl. RAL, SAII, inv.nr. 155 (28-11-1664). 44 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 103, ampliatie bij 3e artikel.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 37

2.3 buurtheren

37

Leiden ging ver in het ingrijpen in het buurtleven. In andere steden was die bemoeienis minder groot. Buurten lijken in Den Haag, Delft, Utrecht en Haarlem niet als nieuwe bestuurslaag aan de onderkant van de stedelijke hiërarchie te zijn beschouwd.45 Het is de vraag in hoeverre in Leiden norm en praktijk met elkaar overeenkwamen. Hielden buren en buurtheren zich aan die nieuwe regels? Uit onderzoek van C. Hoffman naar buurten in Duitsland blijkt dat de corporaties niet zo meegaand waren. Buurtbewoners schikten zich alleen wanneer ze daar zelf voordeel bij hadden.46 H. Deceulaer trok dezelfde conclusie in zijn onderzoek naar gebuurten in Gent. Hij toonde aan dat nauwelijks sprake was van eenrichtingsverkeer.47 Hoe dit in Leiden was, kan het best worden onderzocht aan de hand van de activiteiten van de buurtheren. Zij vertegenwoordigden hun buurt naar het stadsbestuur toe. Andersom representeerden zij de stedelijke overheid. Wie hen niet respecteerde, riskeerde vervolging. Verder werden de heren geacht toe te zien op de handhaving van de buurtkeur. Wie waren deze heren en waarop berustte hun gezag?

2.3 Buurtheren 2.3.1 De verkiezing van buurtheren Het uit handen geven van de buurtheerverkiezing was een nieuwe ervaring voor de gebuurten. Tot 1593 hadden buurtbewoners hun heren zelf kunnen kiezen. Meestal brachten ze daar het stadsbestuur niet eens van op de hoogte. Sommige buurten zagen zelfs af van verkiezingen. Na de invoering van de algemene buurtordonnantie veranderde dat. Voortaan moesten buurten uit hun midden drie kandidaten naar voren schuiven, waaruit het stadsbestuur vervolgens een keuze maakte. Uit de registers van aanstellingen van heren van de gebuurte blijkt dat ze hieraan inderdaad gehoor hebben gegeven. Na het wegvallen van een heer, door overlijden, verhuizen of anderszins, volgde vrijwel steeds de nominatie van nieuwe kandidaten.48 Het aanwijzen van geschikte opvolgers gebeurde tijdens een buurtvergadering van alle mannelijke buren, zowel huurders als huiseigenaren. Een kandidaat moest in de buurt wonen en huiseigenaar zijn.49 Op zich niet verwonderlijk, omdat huizenbezitters over het algemeen
45 Zie bijlage 1. 46 Hoffman, ‘Nachtbarschaften’, 188. Vgl. Idem, ‘Social control and the neighborhood’, 324. 47 Deceulaer, ‘Stadsbestuur’, 18-25. 48 Tussen 1664 en 1668 vonden 224 buurtheerverkiezingen plaats, waarbij dus 448 buurtheren waren betrokken (er was steeds sprake van een voormalige heer en een nieuwe heer). Van de gewezen heren was ruim 63% overleden; 18,5% verhuisde. Van 12,5% is de reden van een buurtheerverkiezing niet gegeven. De overige heren waren bijvoorbeeld ‘geëxcuseerd’, doorgaans wegens hoge ouderdom (3,3%). In een ander geval was sprake van bevordering. Zo vertrok Karel Pietersz. De Pecker uit de buurt ‘Nazareth’, omdat hij was aangesteld als binnenvader in het Sint Catharijnengasthuis. Twee heren werden uit hun ambt gezet wegens faillissement. Zo nu en dan waren er problemen om buurtheren te vinden. Zo kwam ‘Corte Vest’ in 1656 niet verder dan twee genomineerden (RAL, SAII, inv.nr. 1217 (11-5-1656)). Het ‘Keizerrijck van Constantinopolen’ stelde de verkiezing zelfs twee jaar uit (Idem, inv.nr. 250 (26-5-1665; 13-6-1665)). Het ‘Keizerrijck van Warmont’ stelde daarentegen in 1666 negen kandidaten voor (Idem inv.nr. 1217 (15-7-1666)). Vermeldenswaardig is in dit verband nog de buurt ‘Oost Colevelt’ die de uit haar midden vertrekkende buurtheer niet wilde ontslaan omdat er geen geschikte opvolgers waren (Idem inv.nr. 250 (3-6-1665)). 49 RAL, SAII, inv.nr. 1221, resp. 3d en 3c.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 38

38

buurtcorporaties in leiden

langer op een bepaalde plaats bleven wonen, dan huurders die vaak in mei of november, na het aflopen van hun contract, verhuisden. Eigenaren betaalden bij toetreding tot een buurt ook het meeste geld. Verder was het natuurlijk handig als de nieuwe buurtheer enige status en vermogen had. Dat vergemakkelijkte het uitoefenen van gezag en het bemiddelen bij geschillen tussen buren.50 Gebuurten maakten van buurtheerverkiezingen doorgaans een feestelijk dagje, zoals blijkt uit kasboeken van de buurten. Op 30 mei 1665 gaf het ‘Prinsdom van Letterrijck’ – de naam verwijst naar de Latijnse school die in de buurt stond – ruim vijfentwintig gulden uit voor de ‘vertering’ tijdens het kiezen van een opvolger voor buurtheer Joris Verburch. Tien jaar later spendeerden de buurtbewoners bij eenzelfde gelegenheid vrijwel evenveel. Het geld ging voornamelijk op aan bier, wijn, kaarsen, tabak en pijpen.51 In het minder gegoede ‘Billenburg’, de voormalige hoerenbuurt, gaven buren slechts de helft uit. Daar ontbraken wijn en tabak.52 De vergaderingen vonden plaats op een centrale plek in de buurt. Zo kwamen de buren van het ‘Prinsdom van Letterrijck’ bijeen in de herberg ‘De Voorste Doelen’. In ‘Billenburg’ hield men de samenkomsten in ‘De Gulden Wagen’. In Haarlem daarentegen vergaderden alle gebuurten doorgaans op de stedelijke doelen.53 Opvallend is verder dat buurtsamenkomsten in Leiden op vrijwel alle dagen van de week plaatsvonden, ook op zondag, terwijl in bijvoorbeeld Utrecht onder geen beding op zon- en feestdagen mocht worden ‘geteerd’.54 Tijdens de verkiezingen trokken de buurtraden zich terug in een kamertje en ontvingen daar één voor één de stemgerechtigde buren. Vervolgens stelden zij de uitslag op.55 In veruit de meeste gevallen resulteerde dit in een lijstje van drie kandidaten, zoals het stadsbestuur had bevolen. Maar soms staakten de stemmen. In dat geval konden buurtraden het aantal genomineerden uitbreiden. Vandaar dat in acht procent van de verkiezingen vier tot negen namen in de buurtregisters staan. De kandidaten werden daarna aan het stadsbestuur bekendgemaakt, inclusief het aantal stemmen dat op hen was uitgebracht. Hiervoor betaalde de buurt zeven schellingen. Binnen twee weken volgde de uitslag.56 Meestal nam de Leidse overheid de voorkeur van de buurt over. Toch week het stadsbestuur daar in de periode 1664-1668 in bijna dertig procent van de buurtheerverkiezingen vanaf. Waarom is niet altijd duidelijk. Zo lijken verwantschapsrelaties met voorgaande heren niet van doorslaggevende betekenis te zijn geweest.57 Het vermogen van de
50 Merry, ‘Bemiddeling’, 369-371, 377-378; Horwitz, The logic of social control, 135,136; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 238-242. Vgl. Pieck, ‘Leidse buurten’, 39. 51 RAL, SAII, inv.nr. 6959 (30-5-1665) en idem (12-9-1675). 52 In 1670 werd bijna 11 gulden verteerd, in 1671 bijna 14 gulden en in 1679 ruim 12 gulden. Zie RAL, SAII, inv.nr. 6960 (8-7-1670; 22-4-1671; 1-10-1679). Voor ‘Billenburg’ als hoerenbuurt, zie: Koppenol, Leids heelal, 221; Knappert, ‘Uit het Leidse volksleven’, 24-25. 53 Zie RAL, SAII, inv.nr. 6959 (27-7-1651; 11-8-1654; 12-12-1657; 1-2-1662; 9-2-1665; 30-5-1665; 6-7-1665) en Idem, inv.nr. 6960 (20-11-1670; 1-5-1671). Vgl. Idem, inv.nr. 1216, p. 23,24. Zie ook Dorren, Soet vergaren, 43. In Den Haag was het in eigen buurt hoven gebruikelijk, hoewel ook daar van de Doelen gebruik werd gemaakt (Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche buurten’, 166). 54 Bogaers, ‘Een kwestie van macht’, 116. Zowel ‘Billenburg’ als ‘Prinsdom van Letterrijck’ vergaderden op alle dagen van de week, behalve vrijdag. Men had een lichte voorkeur voor dinsdag en woensdag. 55 Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 190. 56 Zie RAL, SAII, inv.nr. 1221 stuk 3d; idem, inv.nr. 6960 (8 juli 1670). 57 Slechts in drie gevallen tussen 1664 en 1668 was een direct familielid genomineerd om zijn vader of broer op te volgen. Steeds was de familie favoriet bij de buurt. Toch passeerde het stadsbestuur in een van die keren een zoon die als eerste stond genoemd en verving hem door iemand anders van de lijst.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 39

2.3 buurtheren

39

kandidaten speelde mogelijk wel een rol. Helaas kan dit niet goed worden onderzocht. Alleen van 1674 zijn belastinggegevens van de tweehonderdste penning geautomatiseerd toegankelijk. Daarin kan maar dertig procent van alle nieuwe heren tussen 1664 en 1668 worden teruggevonden. Zij hadden in 1674 een gemiddelde aanslag van zo’n drieëntachtig gulden. Dat houdt omgerekend een vermogen in van zo’n veertienduizend gulden.58 Het gemiddeld vermogen van de heren die niet de eerste keuze van de buurt waren, maar die desondanks toch door het stadsbestuur werden gekozen, bedroeg omgerekend ruim dertienduizend gulden.59 Slechts in negen gevallen kon het vermogen van deze laatste groep worden vergeleken met dat van eveneens naar voren geschoven kandidaten. Vijf keer was sprake van een groter vermogen dan dat van de favoriet van de buurt.60

Tabel 2.1

Aanslagen en vermogensklassen van de buurtheren en overige genomineerden (16641668) bij buurtheerverkiezingen aan de hand van de tweehonderdste-penningkohieren van 1674 in nominale en relatieve aantallen, afgezet tegen het totaal aantal aangeslagenen. Aantal buurtheren N 10 14 3 7 2 5 0 2 0 1 8 6 8 66 % 15 21 5 11 3,0 8 0 3 0 2 12 9 12 100 Aantal overige genomineerden N 9 3 6 1 5 6 1 1 4 0 6 7 1 50 % 18 6 12 2 10 12 2 2 8 0 12 14 2 100 Aantal aangeslagenen in 1674 N % 430 26 352 21 157 9 134 8 68 4 90 5 26 2 53 3 66 4 51 3 96 6 55 3 93 6 1671 100

Vermogen

0-1000 1000-2000 2000-3000 3000-4000 4000-5000 5000-6000 6000-7000 7000-8000 8000-10000 10000-12000 12000-20000 20000-30000 30000-* Totaal

Bron: Peltjes, Leidse Lasten; RAL, SAII, inv. 1217.
58 De aanslagen werden vastgesteld op 5% van het vermogen. In 1672 werd besloten de aanslagen van de vermogens boven de 3000 gulden met een zesde te verhogen. Deze vermogens zijn dus te reconstrueren door de aanslagen met een zevende te verminderen en vervolgens met 200 te vermenigvuldigen (vgl. Peltjes, Leidse lasten, 11). Rekeninghoudend met deze bepaling, kan het gemiddeld vermogen worden vastgesteld op ƒ 14.252,53. Overigens zat 32% van de heren van wie het inkomen bekend is boven dit gemiddelde. Aangezien dit behoorlijk hoge inkomens waren, vertekenen zij de uitkomst enigszins. 59 Van de 224 nieuwe buurtheren die tussen 1664 en 1668 hun intrede deden, kon van 66 het vermogen worden vastgesteld. Veertig daarvan waren eerste keus, vijftien tweede keus en elf derde keus. 60 In één geval viel het inkomen van alle genomineerden te achterhalen met behulp van de geautomatiseerde tweehonderdstepenningkohieren van 1674. Op 4 juli 1665 werd Samuel de Koninck gekozen boven de favoriete Frans van Cingelshouck en de als derde genomineerde Isaack Hanedoes. De nieuwe heer was aangeslagen voor 350 gulden, terwijl Van Cingelshouck en Hanedoes voor respectievelijk 58 gulden en 35 gulden waren belast.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 40

40

2 buurtcorporaties in leiden

De welgesteldheid van een kandidaat was in ieder geval een voorwaarde om voor een nominatie door de buurt in aanmerking te komen. Bovengemiddelde bezittingen maakten een heer ook voor de rijkere buurtbewoners aanvaardbaar. Zowel de uiteindelijk verkozen heren als de overige genomineerden bezaten voor zover kan worden nagegaan een bovengemiddeld ruim vermogen. Hun gezamenlijke gemiddelde aanslag van bijna zeventig gulden lag ver boven die van de overige Leidse belastingbetalers.61 Toch lijken de series van de tot buurtheer gekozen mannen en de overige Leidse belastingbetalers wel op elkaar, zoals is te zien in tabel 2.1. Het totaal aantal aangeslagen personen in 1674 en de buurtheren zijn verhoudingsgewijs gelijkwaardig verdeeld over de verschillende vermogenscategorieën. Alleen de laagste en de hoogste klassen geven een verschil te zien. Zowel de buurtheren als de overige genomineerden zijn minder goed vertegenwoordigd in de laagste vermogenscategorie en beter in de groepen met een vermogen van twaalfduizend gulden en meer.62 In hoeverre kwamen de beroepen van de heren overeen met die van de overige aangeslagen Leidenaren? Vormde, met andere woorden, beroep een doorslaggevende factor bij de buurtheerkeuze van het stadsbestuur? Van honderddrie heren is met behulp van ondertrouwregisters met enige zekerheid het beroep te achterhalen. De volgende beroepen kunnen twee of meer keren worden aangetroffen:

Tabel 2.2 Beroep Bakker Koopman Saaiwerker Lakendrapier Notaris Brouwer Kleermaker Lakenbereider Lakenwerker

Beroepen van buurtheren die konden worden gevonden met behulp van de ondertrouwregisters. Vermeld zijn de beroepen die twee keer of vaker zijn aangetroffen. N 9 6 6 4 4 3 3 3 3 Beroep Saaidrapier Schilder Dekendrapier Doctor medicinae Greinreder Greinwerker Scheepmaker Stoeldraaier Warmoesier N 3 3 2 2 2 2 2 2 2

De hoge score van bakkers, notarissen, lakendrapiers en kleermakers komt nagenoeg overeen met de positie van deze beroepen op de lijst van meest voorkomende beroepen in 1674, afgaande op de kohieren van de tweehonderdste penning. Opvallend is het relatief kleine aantal leden van de stedelijke overheid dat in de periode 1664-1668 tot

61 In 1674 bedroeg de gemiddelde aanslag van de tweehonderdste penning in Leiden 41 gulden. 62 Buurten in de rijkere bonnen (hoofdzakelijk Leidse benaming voor administratieve stadswijken) hadden over het algemeen ook heren van groot vermogen. Vermogende heren in de wat armere bonnen representeerden een betrekkelijk rijke buurt. Buurten waar tussen 1664 en 1668 een heer was aangesteld met een vermogen dat boven het bongemiddelde lag, werden ook daarna geleid door iemand met een relatief groot kapitaal.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 41

2.3 buurtheren

41

buurtheer werd gekozen. Maar één schepen kon worden genoteerd terwijl drie burgemeesters, drie schepenen en vier leden van de vroedschap – ook wel Veertigen genaamd – waren genomineerd.63 Geheel afwezig waren de Leidse geestelijk leiders, van welke gezindte dan ook. Het buurtheerschap van dominee Van de Kasteele in 1782 van ‘Vredenrijck’ is daarom des te opvallender.64 Advocaten en professoren schitterden naar verhouding ook door afwezigheid; er werden er respectievelijk vier en twee genomineerd, maar van beide categorieën werd er slechts eentje verkozen. En daarmee waren de zes hoogst aangeslagen beroepen van 1674 uiterst karig vertegenwoordigd onder de buurtheren. Alleen notarissen, brouwers en doctoren werden met regelmaat tot buurtheer verkozen. Bestuurlijke ervaring in bonnen of het buurtbestuur is mogelijk van meer belang geweest voor het verwerven van het buurtheerschap. Dat blijkt wanneer het kasboek van het ‘Prinsdom van Letterrijck’ naast het register van buurtheren wordt gelegd. Op 4 juni 1665 wees het stadsbestuur koopman Abraham le Pla aan als nieuwe buurtheer in plaats van de overleden notaris Joris Verburch. Naast Abraham, die de meeste stemmen van de buren had gekregen, waren schoenmaker Harper Roelantsz. van Renen en ene Arnoldus Heussen genomineerd. Uit het kasboek blijkt dat Abraham jongraad was geweest, Harper oudraad en Arnoldus thesaurier.65 Het stadsbestuur had dit keer de keuze van de buurt gevolgd. Maar bij de volgende verkiezingen in dezelfde buurt, in 1675, passeerde de Leidse overheid de lijstaanvoerder. Hij bleek nooit een functie in het buurtbestuur te hebben uitgeoefend. Zijn opponenten wel. Jacob Emmenes was ooit thesaurier geweest en Johannes Doncan oudraad. Het stadsbestuur koos uiteindelijk voor Johannes. Bestuurservaring was waarschijnlijk ook de reden waarom de overheid in zeven van de zevenenzestig gevallen waarin de voorkeur van de buurt werd genegeerd, een niet als eerste genomineerde bonmeester tot buurtheer verkoos.66 Helemaal sluitend is deze verklaring overigens niet. Van veruit de meeste genomineerden ontbreken gegevens over hun voorgaande werkzaamheden in de buurt. Veel buurtboeken zijn verloren gegaan. En in de buurtarchieven die voorhanden zijn, worden buurtbestuurders lang niet altijd van een naam voorzien. Zo is in de kasboeken van het ‘Prinsdom van Letterrijk’ en ‘Billenburg’ geregeld sprake van ‘de knecht’ of ‘de raad’. Daardoor kan niet worden nagegaan waarom in zeven gevallen de door een buurt als eerste genomineerde kandidaat werd verkozen boven een eveneens naar vo63 De Leidse vroedschap telde veertig leden, de raad werd daarom ook wel Veertigraad genoemd. Oorspronkelijk waren de Veertigraad en de vroedschap overigens gescheiden organen (zie o.m. Lamet, Men in government, 81-83). In de tweehonderdstepenningkohieren bezetten schepenen en Veertigen respectievelijk de zesde en achtste positie. 64 In de tweehonderdste-penningkohieren stonden predikanten op de vijftiende plaats van de drieëntwintig meest voorkomende beroepen. De genoemde dominee is Wilhelmus Bartholomeus van de Kasteele die eerst predikant was in Lage Vuursche, Oud-Beijerland en Dordrecht. Van 1767 tot aan zijn emeritaat in 1804 stond hij in Leiden (zie RAL, SAII, invnr. 6962 en Van Lieburg, Repertorium). 65 Zie RAL, SAII, inv.nr. 6959 (blaffaart na de uitgaven van het jaar 1622). Blaffaart staat voor een register, maar het zou ook een niet gevouwen blad kunnen zijn, dus in plano. Aangezien het blad in het kasboek de functie van titelblad heeft, heeft het wellicht de laatste betekenis (charta ampla). 66 De buurtbewoners van de Haagse Hofbuurt kozen hun deken uit de twee aftredende oudste hoofdmannen. Het oude buurtbestuur droeg een viertal nieuwe hoofdmannen voor, waaruit twee nieuwe werden gekozen. Dit herhaalde zich overigens jaarlijks; de buurt kon wel de ambtstermijn van de zittende deken prolongeren (Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche buurten’, 117).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 42

42

2 buurtcorporaties in leiden

ren geschoven bonmeester. Bij twee buurtverkiezingen werd zelfs een door de buurt als favoriet aangewezen bonmeester gepasseerd voor een lager geplaatste persoon. Hadden zij ervaring uit voorgaande buurtbesturen? Verder blijven motieven achter de nominaties zelf onduidelijk. Sommige buurten schoven tussen 1664 en 1668 twee of drie keer dezelfde kandidaat opnieuw naar voren, soms op wisselende posities.67 Religie kan tot slot ook van invloed zijn geweest op het negeren van de buurtvoorkeur door het stadsbestuur. Helaas ontbreken van veel denominaties ledenlijsten, waardoor het achterhalen van de gezindte van de vele honderden genomineerden tussen 1664 en 1668 een wel erg omvangrijke klus wordt.68 Wel kunnen de namen van vijfenveertig genomineerden worden teruggevonden op ledenlijsten van de Nederduitse gereformeerde, de Waalse gereformeerde en de remonstrantse kerkenraad. De Nederduitse gereformeerden waren verhoudingsgewijs het best vertegenwoordigd. Een kwart van de Nederduitse gereformeerde kerkenraadsleden die tussen 1647 en 1668 actief waren, waren ook door buurtbewoners genomineerd voor buurtheer. Het stadsbestuur benoemde iets meer dan de helft daarvan. De remonstrantse kerkenraad zag in diezelfde periode negen van de tweeënveertig ambtsdragers tot buurtheer genomineerd. Acht daarvan kregen de goedkeuring van de Leidse overheid. Van het Waalse gereformeerde consistorium dat tussen 1663 en 1668 de kerk bestuurde, werden negen leden genomineerd en zeven gekozen. Alleen de Vlaamse doopsgezinde gemeente was voorzover kon worden nagegaan niet vertegenwoordigd onder de buurtheren. Het stadsbestuur had de twee genomineerde dienaren steeds gepasseerd. In Haarlem waren doopsgezinden wel actief in buurtbesturen.69 De verwevenheid van kerkbestuurders en het Leidse buurtleven is opvallend. Vooral het relatief hoge aantal ouderlingen is bijzonder. In Haarlem en Utrecht bijvoorbeeld waren ouderlingen uiterst kritisch over buurtcorporaties. Met name buurtmaaltijden zouden aanleiding geven tot allerlei verwerpelijke zaken als dronkenschap, vreetpartijen en buitenechtelijke seks. Maar de Leidse kerkenraadsleden hebben zich in de zeventiende eeuw nooit negatief uitgelaten over buurtbijeenkomsten. Er zijn zelfs aanwijzingen dat zij in hun hoedanigheid als lid van het buurtbestuur nauw bij de organisatie van de feesten betrokken waren. Zo gaf de Leidse ouderling Jan Hubrecht in 1657 als oudraad van de gebuurte ‘Constantinopolen’ in zijn aantekeningen
67 Zo nomineerde de ‘Paplepel’ de vermogende doctor medicinae Gerrit van Hoochmade zowel in 1667 als in 1668 als derde. Lakendrapier Gerrit Jansz. stond in 1666 als favoriet op de lijst van het zogenaamde ‘Hertogdom Walbeecq’, maar werd gepasseerd door een lid van de vroedschap. In 1668 stond hij als tweede genomineerd. Arij Jacobsz. Schout bezette voor de buurt ‘Craeijenstein’ achtereenvolgens de eerste, tweede en derde plaats. Stijgers kwamen ook voor. Bakker Toussain Martijn stond in 1664 als derde in de lijst van ‘Craeijenstein’ en in 1666 als eerste. Hij werd toen gepasseerd door een niet nader te traceren Hendrik de Moor. In 1667 stond hij wederom als eerste genomineerd en werd hij uiteindelijk toch verkozen tot heer van zijn buurt. 68 Lidmatenboeken van de Leidse Nederduitse gereformeerde kerk ontbreken vóór 1700. Wel zijn doop- trouw- en begraafboeken voorhanden, maar deze waren op het moment van onderzoek niet geautomatiseerd raadpleegbaar. De parochiearchieven bevatten eveneens slechts retroacta, waarvan de oudste een aanvang neemt in 1654. Joodse gemeenten te Leiden hebben geen zeventiende-eeuwse sporen nagelaten. Remonstranten te Leiden hebben hun leden lang niet geadministreerd met het oog op de vervolgingen. De doopsgezinden hebben slechts sinds hun samengaan in 1701 ledenlijsten bijgehouden. Alleen de Waalse kerk beschikt over een lidmatenregister (1600-1659). De namen in dit boek zijn echter Frans, terwijl de namen in het register van buurtheren nogal eens vernederlandst zijn. Dit maakt een vergelijking tot een studie apart. 69 Dorren, Het soet vergaren, 34.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 43

2.4 taken van de buurtheer

43

een uitgebreide financiële verantwoording van een vierdaagse buurtmaaltijd.70 In 1668 vroeg de overigens remonstrantse ouderling Nicolaes Stoochius als buurtheer voor zijn buurt ‘Paplepel’ consent aan om te hoven. De buurt ‘Vredenrijck’ kende in 1782 zelfs een predikant als buurtheer.71 Uit het voorgaande volgt dat buurten in Leiden door het stadsbestuur in de eerste plaats als lage bestuurscolleges werden gezien, waaraan allerlei controlerende functies werden uitbesteed om andere gerechtelijke instanties te ontlasten. De overheid had daarom behoefte aan buurtheren met de nodige bestuurlijke capaciteiten. Ook moesten kandidaten van onberispelijk gedrag zijn. Ze representeerden immers het stadsbestuur. Zodoende kwamen alleen ‘de best gekwalificeerde burgers’ in aanmerking voor het buurtheerschap.72 Wie niet meer aan de eisen voldeed, kreeg zijn ontslag. Dat gold bijvoorbeeld voor buurtheren die failliet gingen.73 Ook heren die wangedrag vertoonden, konden worden afgezet. Zo vroegen de oudraden en een thesaurier van ‘Vollenburg’ in 1660 het stadsbestuur om het ontslag van hun heer vanwege zijn dronkenschap, gevloek en het mishandelen van zijn vrouw. De heer werd daarop prompt uit zijn ambt gezet.74 Een buurtheer diende zijn buurt ‘te regeren, sturen en leiden’ volgens de generale ordonnantie.75 Wat hield dat in? Hoe werden de vage bepalingen uit de keur ingevuld? Dit zal in het vervolg worden onderzocht door de rol van de heer nader te bekijken aan de hand van zijn rol als intermediair tussen het stadsbestuur en de buurt en de uitvoering van de in de keur centraal gestelde taken, armenzorg en het handhaven van rust en orde.

2.4 Taken van de buurtheer 2.4.1 De buurtheer als intermediair De eerste jaren na de introductie van de generale buurtkeur klaagden veel buurtheren over moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging ervan. Ze vroegen een verkleining van hun buurt. De ordonnantie stond hen dit alleen toe als de regels niet meer te handhaven vielen.76 Vandaar dat de buurtheer van ‘Sint Catharijnenrijck’, vergezeld door zijn
70 RAL, FH, inv.nr. 21 (tegenover september 1657), met dank aan Jeroen Blaak voor de verwijzing. De duur van het feest, vier dagen, was niet ongebruikelijk in die dagen (De Parival, De vermaeckelijckheden van Hollandt, 30). In 1670 beperkte het stadsbestuur het hoven tot twee dagen. 71 RAL, SAII, inv.nr. 250 (5-6-1668); RAL, SAII, inv.nr. 6962 (1782). Het feit dat mensen met verschillende religieuze achtergronden buurtheer konden worden, tekent het belang van de buurten voor wat wel is genoemd de ‘omgangsoecumene’ (Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 211). 72 RAL, SAII, inv.nr. 1221, stuk 3d. 73 Idem, inv.nr. 1217 (27-5-1666). 74 Idem, inv.nr. 76, p. 236v. 75 Idem, inv.nr. 12, p. 102, toevoegsel aan het einde van de keur. 76 Idem, art. 23; Het was aan een buurtcorporatie om nieuwe grenzen te trekken. Deze werden, tegelijk met de aanvraag tot verkleining, bij het stadsbestuur ingediend, waarop een schepencommissie de verkleining onderzocht en goedkeurde. Het stadsbestuur bekrachtigde vervolgens de splitsing. Het deel van de buurt waar na de opdeling geen heer meer aanwezig was, moest binnen acht dagen vergaderen en drie kandidaten nomineren. Ook diende de buurtkas evenredig over de twee verkleinde gebuurten te worden verdeeld (vgl. RAL, SAII, 75, p. 242v).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 44

44

2 buurtcorporaties in leiden

raden, dit argument in zijn verzoekschrift ook als eerste naar voren bracht. Door het toegenomen aantal inwoners, en de veelheid aan ‘conditiën en humeuren’ die dat met zich meebracht, was veel onrust ontstaan, vooral onder de armere buren. Pas daarna gaf het buurtbestuur aan dat een splitsing ook het hoven van de buurt ten goede zou komen. Door de vele bewoners was nauwelijks meer een plaats te vinden waar iedereen tegelijk aan een buurtmaaltijd zou kunnen deelnemen. En dat was voor de buren erg belangrijk omdat zij naar eigen zeggen veel ‘hoofden’.77 Eenzelfde tactische volgorde hanteerde ook de buurtheer van de ‘Wilde Veluwe’, waar de buren zich bij buurtmaaltijden, vanwege hun grote aantal, in groepjes over verschillende huizen moesten verdelen.78 Buurtheren hadden meer redenen om een splitsing van hun buurt aan te vragen. Het zojuist aangehaalde verzoekschrift van de ‘Wilde Veluwe’ maakte ook melding van de moeilijkheid van veel buren om bij alle begrafenissen aanwezig te zijn. Ze liepen door alle teraardebestellingen de nodige inkomsten mis, terwijl absentie op den duur veel geld ging kosten. Andere buurtheren klaagden over de verwarring die de grootte van een buurt met zich bracht. Zo zouden de buren van het ‘Hertogdom van Stenenburch’ niet meer weten met wie ze precies in één buurt woonden en aan wie ze dus gebuurplichten verschuldigd waren.79 Ook de inwoners van het forse ‘Kijckenburg’ hadden moeite om aan de vastgestelde buurtverplichtingen te voldoen. De stedelijke overheid had een brug in de buurt verwijderd. De buurtheer sloot daarop een alliantie met zijn collega van ‘Luchtenburg’, wiens gebuurte eveneens aan de grote kant was, en stelde het stadsbestuur voor uit beide buurten drie corporaties te formeren.80 Uit deze voorbeelden blijkt dat naast de door de overheid geaccepteerde redenen voor een splitsing van gebuurten ook andere motieven werden genoemd die meer van het buurtbelang uitgingen. Verreweg de meeste overige verzoekschriften met betrekking tot buurten werden door de bewoners zelf ingediend. Zij schakelden daar dus niet hun buurtheer voor in. Zo klaagden de bewoners van een steegje in de stadswijk Zuid Rapenburg, dat een buurman zijn huis zodanig wilde verbouwen dat het pand de hele steeg zou verduisteren. Het straatje dreigde hierdoor wel erg aantrekkelijk te worden voor dieven en ander gespuis. Het stadsbestuur was gevoelig voor deze argumenten en verbood de gewraakte verbouwingsplannen.81 Andere rekesten gingen over neringdoenden die de buurt vervuilden, zoals zeemtouwers, zeepzieders, ververs en brouwers. Vaak volgde dan sluiting of verplaatsing van het bedrijf. Tot slot wendden ook veel buren zich tot het stadsbestuur voor de aanleg of het onderhoud van riolering. Buurtheren leken zich hier alleen mee te bemoeien wanneer het uitblijven van een goed functionerend afwateringssysteem de sociale rust in een buurt in gevaar bracht. Zo verzocht de heer van ‘Oost Blick op den Aessack’ op één maart 1657 om reparatie van een waterloop omdat
77 78 79 80 81 RAL, SAII, inv.nr. 1216, p. 23. Ibidem, p. 24. Idem, inv.nr. 1221, stuk 3b. Idem, inv.nr. 77, p. 269v. Ibidem, p. 25v.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 45

2.4 taken van de buurtheer

45

het afvalwater veel burenruzies veroorzaakte.82 Maar even daarvoor klaagden de buren van de St. Jorissteeg, zonder buurtheer, om dezelfde reden over een stinkende goot. Mogelijk was in dit geval het probleem buurtoverschrijdend, aangezien de Sint Jorissteeg door zowel ‘Sint Joris’ als ‘Huijs te Brem’, ‘Sint Barbarenrijck’ en ‘Kaeskorff’ liep.83 Soms betrokken buurtbewoners hun heer zelf bij knelpunten in de buurt, zoals bijvoorbeeld blijkt uit een rekest van de buren uit de Lange Koorenbrugsteeg in ‘Sint Huijbert’. Vanaf 1673 konden in veel buurten op aanvraag olielantaarns worden geplaatst. De kosten moesten gebuurten zelf uit de buurtkas betalen.84 De buren van de Lange Koorenbrugsteeg wilden de nieuwe lantaarns wel, want het straatje was slecht verlicht. Toch konden zij hun heer niet bewegen een lantaarn aan te vragen. De buren maakten daarvan melding bij het stadsbestuur en vroegen zelf om de verlichting. De stadsbestuurders wezen hen vervolgens de lantaarn toe. Veel buurten bespaarden zich de moeite om hun buurtheer in te schakelen; slechts in drie van de zeventien rekesten die tussen 1673 en 1680 werden ingediend, vroeg een buurtheer de verlichting aan. Eén van deze verzoeken ging zelfs uit van drie buurtheren, namelijk die van het ‘Graafschap Prielij’, ‘Koevoet’ en het ‘Prinsdom van Letterrijck’. Deze drie naast elkaar gelegen buurten deelden zo de kosten van de glazenmaker, de timmerman, de smid, de blikslager, de verver en de olieleverancier, van in totaal ruim honderd gulden. Overigens werden de lantaarns in de drie gebuurten in strijd met de reglementen betaald uit speciale inzamelingen in de buurt en bijdragen van kerkmeesters.85 Buurtbesturen hoorden vanaf 1652 het stadsbestuur niet alleen problemen in de buurt te melden. Zoals gezegd moest ook het voornemen om te hoven worden voorgelegd. Op deze manier wilde de Leidse overheid voorkomen dat buren hun gemeenschappelijke maaltijden op een ongepast moment zouden houden. Alleen wanneer de stadsbestuurders de tijd rijp achtten, mocht worden gehoofd.86 Zo werden buurtmaaltijden tijdens pestepidemieën steevast uitgesteld. Niet alleen omdat een uitbraak van de gevreesde ziekte weinig aanleiding tot feesten gaf, maar ook omdat de inhoud van de kas dan beschikbaar bleef voor begrafenissen van arme buurtbewoners.87 Buurtheren lijken de benodigde toestemming steeds trouw te hebben aangevraagd. Begin augustus 1659 vroeg de buurtheer van ‘Billenburg’ toestemming om op één september te hoven.88 Dit werd hem verleend; in het kasboek valt te lezen dat op zes september de rekening van het feest is opgemaakt.89 De volgende aanvraag dateert van 1671, in de tussenliggende tijd zijn geen gemeenschappelijke maaltijden gehouden. In andere ge82 Idem, inv.nr. 74, p. 205. 83 Ibidem, p. 184v. 84 Idem, inv.nr. 83, p. 164v. 85 Idem, inv.nr. 6959, jaar 1674; Idem, inv.nr. 84, p. 70v,71. De kerkmeesters betaalden voor een lantaarn die tegenover de Pieterskerk stond, waar de buurt aan grenst. 86 Letterlijk werd gekeken naar de ‘ghelegentheijt ende constitutie van de tijden ende van de gebuijrte’, zie KB, HS, Q 281:18. 87 Zie RAL, SAII, inv.nr. 189 (9-6-1656). Het opschorten van buurtmaaltijden tijdens pestepidemieën kwam ook al eerder voor. In 1624 en 1635 werd het buurten tijdelijk verboden om te hoven ‘streckende tot vrolijckheijt ende wereltsche genuchten in dese droevige besouckinge van dese stadt’ (zie RAL, SAII, inv.nr. 18, p. 141v (28-8-1624) en inv.nr. 19, p. 355 (20-8-1635)). 88 RAL, SAII, inv.nr. 153 (7-8-1659). 89 Idem, inv.nr. 6960 (6-9-1659).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 46

46

2 buurtcorporaties in leiden

buurten werd vaker gehoofd. Zo feestten de buren van het ‘Keizerrijk van Constantinopolen’ in ieder geval in 1657, terwijl hun buurtheer in 1668 en 1671 toestemming voor een buurtmaaltijd vroeg. Ook ‘Koeijenfort’ en ‘Mariënschans’ dienden zowel in 1668 als 1671 een aanvraag in voor een buurtfeest. Daarmee naderden deze buurten aan de hoof-frequenties van andere steden. In Haarlem werden iedere zeven tot negen jaar meerdaagse buurtmalen gehouden en in Den Haag zelfs elke drie jaar.90 In 1671 vroegen in totaal zevenenzestig buurtheren toestemming voor het houden van een buurtmaaltijd. Dit blijkt uit de rekeningen van het Heilige Geesthuis in Leiden.91 Vanaf eenendertig december 1670 moesten heren van gebuurten die wilden hoven, eenzesde van de inhoud van de buurtkas aan het weeshuis afdragen. Valse opgaven van de buurtgelden werden beboet met vijfentwintig gulden. Het stadsbestuur bepaalde verder dat de buurtfeesten nog maar twee dagen mochten duren. Buurten die zonder toestemming een maaltijd hielden of buiten de stad hoofden, konden rekenen op vijftig gulden boete.92 Voor veel buurten lijkt het hoven hierdoor onmogelijk te zijn geworden. Zo moest ‘Billenburg’ in 1671 uiteindelijk van een buurmaal afzien. De buurt betaalde weliswaar het vereiste zesde deel, maar daarna bleek er te weinig over voor het geplande festijn. Het buurtbestuur besloot het geld onder de buren te verdelen.93 Het ‘Prinsdom van Letterrijck’ zat weliswaar beter bij kas, maar moest eveneens na aanvraag het hoven nalaten.94 Een jaar later vroegen nog maar negen buurten toestemming om te hoven, in 1673 drie en in 1674 één. Na twee jaar geen enkele inkomsten uit buurthoven te hebben verkregen, schrapte de penningmeester van het weeshuis in 1677 de post. In september 1682 werd de belasting op buurtmaaltijden door het stadsbestuur ingetrokken.95 Het is de vraag of de afname van het aantal hovingen in de tweede helft van de zeventiende eeuw geheel te wijten is aan de weeshuisbelasting. De terugval lijkt al voor 1670 een feit. In ‘Billenburg’ is alleen in 1659 sprake van een buurmaal, het ‘Prinsdom van Letterrijck’ hoofde in 1622, 1647 en 1654. In 1668 vroegen twaalf buurten toestemming voor het houden van een buurtmaaltijd. Drie jaar later waren dat er zevenenzestig, daarna zakte de hoof-frequentie opnieuw in. Een en ander doet vermoeden dat ook de slechte economische omstandigheden in de jaren vijftig, pestepidemieën en de crisis van de jaren zeventig een rol speelden. Zo had het ‘Prinsdom van Letterrijck’ tussen 1653 en 1662 beduidend minder inkomsten uit giften in vergelijking met een decennium eerder.96 Het veel grotere ‘Billenburg’ haalde tussen 1655 en 1675 nog geen twintig procent van het inkomen van het ‘Prinsdom van Letterrijck’.97 Het ontbrak de buurt aan geld om alle inwoners te laten deelnemen aan een hoving. Overigens schij90 Dorren, Het soet vergaren, 43; Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche buurten’, 164. 91 RAL, HG, inv.nr. 1706. 92 Idem, inv.nr. 688. Vgl. RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 102, aantekening bij art. 3. 93 RAL, SAII, inv.nr. 6960 (27-8-1671). 94 Idem, inv.nr, 6959 (16-11-1671). 95 Idem, inv.nr. 12, buurtkeur, p. 102, aantekening bij art. 3. 96 Tussen 1643 en 1652 had de buurt gemiddeld ƒ10,16 aan inkomsten en tussen 1653 en 1662 ƒ5,86. Het duurde dus wel even voor er weer ƒ500 in kas was (de prijs van een hoving in het ‘Prinsdom van Letterrijck’). 97 De gemiddelde inkomsten van ‘Billenburg’ bedroegen in de genoemde periode ƒ1,12.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 47

2.4 taken van de buurtheer

47

nen sommige buurten in Leiden, net als in Haarlem en Utrecht, een speciale contributie te hebben geheven om de buurtmalen mogelijk te maken. Helaas zijn in de beschikbare kasboeken geen lijsten van deelnemers opgenomen, waardoor de hoogte van die extra bijdrage niet kan worden gereconstrueerd.98 De beperkingen rond de gemeenschappelijke maaltijden hadden geen gevolgen voor de feestelijke bijeenkomsten die de buurtheerverkiezingen doorgaans vergezelden. Deze ‘verteringen’ duurden maar één dag en er hoefde geen toestemming voor te worden gevraagd. De bijeenkomsten waren dan ook een stuk minder overdadig, zonder banket. Werd in het ‘Prinsdom van Letterrijck’ bij een vierdaagse hoving in 1647 honderddrieëntwintig gulden per dag besteed, tijdens de buurtheerverkiezing van 1665 was dat maar vijfentwintig gulden. Toch mogen de feestelijkheden rondom een verkiezing niet worden onderschat. Er was weliswaar naar verhouding minder bier dan tijdens een buurthof, maar de hoeveelheid wijn was groter, terwijl in 1665 ook tabak en pijpen op de rekening stonden. Mogelijk brachten de buren bij buurtheerverkiezingen zelf etenswaren mee. De Nederlandsche spectator spreekt van hammen, vlees, kaas en brood, maar de kasboeken vermelden die niet. Bovendien waren bij buurtheerverkiezingen minder mensen aanwezig dan tijdens een hoving. Alleen de mannen kwamen voor het stemmen bij elkaar.99 Buurten schikten zich al met al niet zomaar naar de ordonnanties van het stadsbestuur. Het aantal hovingen liep weliswaar terug sinds de jaren vijftig van de zeventiende eeuw, maar dat was naar alle waarschijnlijkheid geen direct gevolg van de strengere maatregelen die met betrekking tot buurtmaaltijden werden uitgevaardigd. In ieder geval was in het ‘Prinsdom van Letterrijck’ en ‘Billenburg’ de kasinhoud onvoldoende. De bepalingen ontmoedigden bovendien de feestelijkheden in de buurt niet, gezien de bijeenkomsten bij buurtheerverkiezingen. Ook ten aanzien van andere zaken waarmee buurtheren en het stadsbestuur elkaar benaderden, kan worden geconcludeerd dat buurten hun eigen lijn trokken. Buurtheren waren geen neutrale doorgeefluiken tussen het stadsbestuur en de buurtbewoners. Ze betrokken de stedelijke overheid alleen bij problemen met de uitoefening van hun functie. Andersoortige problemen werden buiten de heren om aan het stadsbestuur voorgelegd. Daarmee waren buurtheren niet de algemene representant van de overheid in de buurt, hoe graag het stadsbestuur dat misschien ook zag. Dat blijkt ook uit de invulling van de kerntaken door de buurtheren, de armenzorg en de ordehandhaving. 2.4.2 Omzien naar armen De algemene buurtkeur van 1593 maakte de heren van de gebuurte verantwoordelijk voor het wel en wee van de hele buurt. Zij moesten erop toezien dat niemand van armoede zou omkomen. De bepaling vloeide voort uit het armoedebeleid van de stad dat
98 Dorren, Het soet vergaren, 45; Bogaers, ‘Geleund over de onderdeur’, 353. Het kasboek van het ‘Prinsdom van Letterrijck’ vermeldt dat de reguliere inkomsten tussen 1648 en 1654 in totaal ruim 444 gulden beliepen. Toch is bijna 780 gulden uitgegeven, wat extra inkomsten veronderstelt. Bij de hoving van 1647 lezen we over wekelijkse inleggelden die in totaal 105 gulden bedroegen. Hoeveel inwoners deze inleggelden betaalden en voor hoe lang is niet bekend. De hoving kostte toen 493 gulden. 99 Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 189.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 48

48

2 buurtcorporaties in leiden

in 1577 was ingezet door Jan van Hout. Hem stond een centralisatie van de stedelijke armenzorg voor ogen, waarin ook de buurtheren een plaats kregen.100 Ze zouden de armen in hun gebuurte moeten selecteren om profiteurs te scheiden van de mensen die echt niet konden werken. Ook moesten zij naar eigen inzicht ‘eerlijke’ armen bij de nieuwe instelling van stedelijke armenzorg aangeven, zoals kraamvrouwen, zieken, weduwen en ‘schamele lieden’.101 In feite zag Van Hout in de buurtheren een soort administratief medewerkers van de huiszittenmeesters of aalmoezeniers. Ze moesten voor de armbestuurders zelfs een register bijhouden met daarin de namen en toenamen, het beroep en aantal kinderen van alle buurtbewoners. Zoals al eerder in dit hoofdstuk is vastgesteld, bleken buurtheren daar niet erg voor te porren. Uiteindelijk verdween de registratieplicht weer uit de buurtkeur. De zorgplicht voor armen bleef er echter in staan.102 Armenzorg zat formeel niet in het oorspronkelijke takenpakket van de Leidse buurtheren. De buurtkaart van ‘Prielij’ en ook de andere door Jan van Hout samengevatte reglementen bevatten geen bepalingen voor hulp aan behoeftigen. Maar indirect werden de armen wel gesteund. Ze hoefden in ‘Prielij’ bij begrafenissen geen schenkingen aan de buurt te doen.103 Deze regel bleef ook in de nieuwe buurtkeur bestaan. Toch maakten maar weinigen van deze mogelijkheid gebruik. In het relatief arme ‘Billenburg’ werden tussen 1654 en 1674 maar negentien personen begraven, zonder dat nabestaanden de buurt geld schonken. In het rijkere ‘Prinsdom van Letterrijck’ lag dit aantal nog lager. De meeste huishoudens lijken toch geld te hebben gevonden voor een donatie. Mogelijk leenden armen liever dan dat ze afzagen van een schenking. Volgens de Nederlandsche Spectator was de hoogte van de gift in de hele buurt bekend. Wie weinig schonk, werd daar op aangekeken, terwijl gulle gevers werden geprezen.104 Het is tekenend dat het aantal absenten bij armenbegrafenissen verhoudingsgewijs wat hoger lag. In het ‘Prinsdom van Letterrijck’ waren dan gemiddeld negen in plaats van zes huishoudens afwezig. Naast begrafenishulp kregen behoeftige buurtbewoners ook wel eens een extraatje uit de buurtkas.105 Deze niet gereglementeerde vorm van armenzorg lijkt vooral het terrein te zijn geweest van de ‘vrouw van de gebuurte’, doorgaans de echtgenote van de buurtheer. Zij schoot in geval van nood gelden voor die zij later weer terugvroeg van de thesaurier. Ze trad hierin zelfstandig op. Van een voorafgaande formele toestemming van het buurtbestuur was voor zover bekend geen sprake. Mogelijk vormde de buurtvrouw ook het aanspreekpunt voor de armen van de buurt.106 Overigens worden deze
100 Zie par. 2.2.2 101 Prinsen, ‘Armenzorg te Leiden’, 154,155. 102 RAL, SAII, inv.nr. 1220, p. 2-5, art. 5. Het is onduidelijk in hoeverre de buurtheren daadwerkelijk hebben gefunctioneerd als een verlengstuk van de aalmoezeniers. De contacten tussen buurtheren en de aalmoezeniers van het Huiszittenhuis zijn niet geregistreerd. Wel traden buurtbestuurders (buurtheren, raden en thesauriers) op als aanbrengers van wezen bij het weeshuis, naast familieleden en buren (het aandeel van de buurtbestuurders bedroeg tussen 1604-1615 gemiddeld 22 procent en tussen 1668-1680 gemiddeld 89 procent; van de tussenliggende jaren zijn geen gegevens bekend). 103 Ibidem, p. 35. 104 Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 188. 105 Vgl. Van der Vlis, Leven in armoede, 228. 106 Vgl. RAL, SAII, inv.nr. 6959 (na 19-9-1648).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 49

2.4 taken van de buurtheer

49

vrouwen van de gebuurte uitsluitend genoemd in het kasboek van het ‘Prinsdom van Letterrijck’. Dat van ‘Billenburg’ zwijgt überhaupt over bedelingen. Toch hebben waarschijnlijk meer gebuurten buurtvrouwen gekend.107 Een terloopse mededeling in de criminele vonnisboeken van 1608 bevestigt dit. De notoire bedelaarster Hille Jans had met allerlei voorwendselen van ‘de gebuurvrouwen’ een hemd, voedsel en wollen en linnen doeken losgekregen. De vrouwen traden bovendien op als bemiddelaarsters tussen Hille Jans en de huiszittenmeesters.108 Opmerkelijk is dat gesproken wordt over meerdere buurtvrouwen. Mogelijk waren zij de echtgenotes van buurtbestuurders. In Haarlem kwamen zogeheten ‘vinsters’ voor. Dit waren vrouwen van de deken en de hoofdlieden van de buurt. Ook zij hielden zich naar alle waarschijnlijkheid met liefdadigheid in gebuurten bezig.109 Leidse buurten schonken behoeftigen dus naast geld ook hulp in natura. Helaas vermeldde de thesaurier van het ‘Prinsdom van Letterrijck’ doorgaans alleen de gelddonaties. Die waren zeldzaam. Ook is niet bekend aan wie de ondersteuning gegeven werd. Daardoor blijft onduidelijk wat buurten precies aan armenzorg deden. Uit het kasboek van het ‘Prinsdom van Letterrijck’ zijn slechts tien eenmalige uitkeringen uit de buurtkas bekend. Meestal ging het om enkele guldens per gezin. Declaraties voor verstrekte goederen zijn nog schaarser. Alleen de aankoop van veertien tonnen turf ten behoeve van de vrouw van Jacob de Lijstemaker staat beschreven. Vermoedelijk ging het steeds om noodhulp, dat wil zeggen eenmalige aanvullingen op de stedelijke bedeling. Veel meer kon de buurt financieel ook niet opbrengen.110 De buurtkas kende veel te weinig structurele inkomsten om een regelmatige bedeling van armen vol te houden. Bovendien moest van het geld ook nog worden gehoofd. Na zulke buurtmaaltijden was er helemaal geen geld meer voor armenzorg. Zo was het ‘Prinsdom van Letterrijck’ na een hoving in 1654 pas in 1660 weer in staat tot een schenking van geld. De bedragen bereikten bovendien niet meer het niveau van voor 1654.111 Vermoedelijk ging de meeste burenhulp buiten de buurtcorporatie om. Daardoor is veel van deze zorg voor behoeftigen niet gedocumenteerd. Hoe en in welke mate armen door hun meer vermogende buren werden ondersteund, blijft zodoende onduidelijk. Wel staat vast dat buurten in sociaal opzicht bijzonder gemêleerd waren. Dit blijkt wanneer een schematische buurtplattegrond gecombineerd wordt met gegevens uit de verpondingsregisters. Zowel van ‘Billenburg’ als van het ‘Prinsdom van Letter107 Buren in de Coddesteegh gaven in 1615 aan ruzie te hebben met ‘Jan Cornelisz. ’t Groen ende sijn huijsvrouw, heere ende vrouwe van dezelve buijrte’ (RAL, SAII, inv.nr. 1216, p. 25v). Verderop zal nog worden ingegaan op Joosje Jacobsd. van Leeuwen, de vrouw van buurtheer Frans Arentsz. van Overzee, die door haar man op een burenruzie werd afgestuurd om te bemiddelen (p. 55 vv). J.N. de Parival geeft de vrouw van de heer ook een bijzondere plaats door haar apart te vermelden bij de tafelschikking tijdens een hoving (De Parival, De vermaeckelijckheden van Hollandt, 30). 108 RAL, ORA, inv.nr. nr. 3, deel 6, p. 128 (24-9-1608); met dank aan Ariadne Schmidt voor deze verwijzing. Het is niet bekend of de vrouwen de goederen uit de buurtkas hebben betaald. Zo niet, dan was mogelijk sprake van meer informele burenhulp (Schmidt, Overleven na de dood, 195, noot 118). 109 Dorren, Het soet vergaren, 35; Temminck, ‘Oude indelingen van Haarlem’, 189. 110 In de Nederlandsche Spectator wordt melding gemaakt van ‘eenig behoeftig buur’ die ‘een klein sommetje uit de buurtkas’ krijgt. Dit klinkt niet als structurele hulp (Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, p. 191). 111 Tussen 1646 en 1654 werd veelal 5 tot 6 gulden gegeven. Daarna varieerden de bedragen tussen de anderhalve en tweeënhalve gulden.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 50

50

2 buurtcorporaties in leiden

rijck’ is zo’n sociale kaart getekend. De spreiding van rijk en arm valt direct op. Maar ook is te zien dat rijken voornamelijk langs de goed begaanbare straten woonden en de minder welgestelden in steegjes.112 Dit kan de sociale cohesie in buurten hebben verzwakt. Jan van Hout constateerde al in 1602 in zijn besogneboek dat de rijken niet met de armen wensten om te gaan.113 Enkele jaren later zag het stadsbestuur zich genoodzaakt om alle inwoners op te roepen om met elkaar ‘gebuurschap’ te houden. Niemand mocht zich daar op basis van privileges aan onttrekken.114 Hiertegenover staan enkele idyllische beschrijvingen van buurtmaaltijden waar geen onderscheid tussen arm en rijk zou hebben bestaan. De Nederlandsche Spectator en Le Francq van Berkheij spreken in dit verband van een grote gemeenzaamheid. Maar deze achttiende-eeuwse term had een wat neerbuigende lading, gezien vanuit het perspectief van de welgestelden. Het ideaal van het ‘buurschap houden’ was veeleer horizontaal van karakter. 115 Buren hoorden elkaar te helpen op een manier die verder ging dan een bijdrage in de stedelijke collectebussen. Gebeurde dat ook? Toen weduwnaar Frederick Jacobsz. erachter kwam dat een niet nader geïntroduceerd persoon, mogelijk een schuldeiser, aan zijn goede naam twijfelde, riep hij zijn buren te hulp. Hij liet hen getuigen dat hij altijd hard werkte om de kost te verdienen voor hem en zijn zeven kinderen. Maar boven alles had Frederick het klaar gespeeld om tijdens de pestepidemie van 1655 dag en nacht zijn medeburen, zonder aanzien des persoons, arm of rijk te helpen.116 Ook Johannes Kemp, knecht van zilversmid Jacobus Jancke kon op zijn buren terugvallen. Zijn baas was eens naar Den Haag gereisd zonder voor Johannes geld achter te laten. De arme knecht zat daardoor enkele weken zonder eten en drinken. Gelukkig voor hem gaven de buren hem geld en eten.117 Er zijn nog veel meer voorbeelden van onderlinge solidariteit te geven. Buren beschermden elkaar, getuigden voor elkaar en bemoeiden zich met elkaars gezinsleven. Vrouwen hielpen elkaar in de kraamperiode. Maar in hoeverre welgestelden omzagen naar hun minder bedeelde buren, blijft onduidelijk.118 ‘Buurschap’ vormde het smeermiddel van de buurt, tijdens buurtmaaltijden, bij begrafenissen en ook in de armenzorg die gebuurten verstrekten. Dat erkende de stedelijke overheid ook. Buurtheren moesten erop toezien dat alle buren in goede vrede en burgerlijke eenheid met elkaar leefden en verkeerden. Maar het ging het stadsbestuur om meer dan alleen buurschap. Uiteindelijk draaide het om de rust en vrede in de
112 Zie bijlage 2. Een dergelijk patroon valt in vrijwel alle steden in Noordwest-Europa waar te nemen. Zie voor meer informatie o.a.: Kuijpers, Migrantenstad, 174; Levie (ea), Wonen in Amsterdam, 60-70; Tjalsma, ‘Een karakterisering van Leiden’, 42; Boulton, Neighbourhood and society, 167; Roodenburg, ‘Naar een etnografie’, 226-227. 113 RAL, SAII, inv.nr. 10, p. 348. 114 Idem, inv.nr. 1220. 115 Volgens het WNT is gemeenzaamheid een zekere ‘wijze van omgang met personen, met welke men òf minder van nabij bekend is, òf die tot een lageren of hoogeren rang behooren’, waarbij ‘men den eisch der maatschappelijke vormen of het verschil in rang niet angstvallig in acht neemt, maar hem min of meer als gelijke bejegent’. Vgl. Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 191; Le Francq van Berkheij, Natuurlijke historie van Holland III, 1044. Voor buurschap houden, zie o.m. RAL, ONA, inv.nr. 664, nr. 99 (26-8-1664) en Idem, inv. nr. 665, nr. 79 (22-6-1665). 116 Idem, inv.nr. 774, nr. 25. 117 Idem, inv.nr. 967, nr. 100; Jancke was een berucht persoon. Hij zou als knecht zilverslijpsel van zijn meester hebben gestolen. De beschuldiging bleef hem lang achtervolgen (De Fock, ‘Jacobus Jancke’, 264-265). 118 Vgl. Van der Vlis, Leven in armoede, 225-227.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 51

2.4 taken van de buurtheer

51

buurt. Daar waar buurschap de openbare orde bedreigde, voerde de overheid beperkende maatregelen in zoals verkorting van het hoven. Niet alle verordeningen hadden evenveel effect. Buurtheren zagen niets in de controlerende taken die het stadsbestuur hen op het gebied van de armenzorg had toebedeeld. Buren hadden de heren ook niet nodig om rond te komen. Het is de vraag of ordehandhaving de buurtheren beter afging. Welke middelen stonden hen ter beschikking? Wisten de buren hen te vinden bij onderlinge conflicten? Welk belang hadden de heren van de gebuurten in het hele spectrum van buitengerechtelijke instellingen voor geschilbeslechting? 2.4.3 Geschilbeslechting De meeste nieuwe taken die de buurtheren in de generale buurtordonnantie kregen toebedeeld, hadden te maken met de ordehandhaving in de gebuurten. Ze moesten onenigheden tussen buren snel in de kiem smoren. Deden ze dat niet, dan zou de hele gemeenschap erbij betrokken raken en was een spiraal van conflicten niet ondenkbaar. De ordonnantie spreekt van ‘straatrumoer’ of ‘buurgerucht’.119 Buurtheren konden escalatie voorkomen door, samen met twee of meer medeburen, een bemiddelingspoging te wagen. Liep die op niets uit, dan mochten de partijen een proces beginnen. Weigerde een van de betrokkenen de aangeboden bemiddeling, dan kostte hem dat een ham van twaalf pond of twee gulden.120 Meer vermeldt de keur niet over de procedure. Volgens De Parival diende de veroorzaker van het gekrakeel te erkennen dat hij de ander had gekrenkt en dat dit per ongeluk was gebeurd. Verder moest hij verklaren dat zijn buurman een eerlijk mens was, waarop de twee elkaar een hand zouden geven. Van assistentie van andere buren bij de herroeping van de belediging of amende honorable is bij De Parival geen sprake. Zelfs de buurtheer noemde hij niet expliciet in dit verband.121 Jan van Hout verwachtte veel van de geschilbeslechtende activiteiten van de buurtheren.122 Het stadsbestuur meende ook dat de heren God en het welvaren van de stad dienden met het bewaken van de ‘goede minnen, vriendschap en eendracht’.123 Leiden kreeg tegen het einde van de zestiende eeuw te maken met een grote migranteninstroom. Dit bracht de nodige sociale onrust met zich mee.124 Door geschillen vroegtijdig op te lossen, konden buurtheren, in de ogen van het stadsbestuur, voorkomen dat de vierschaar zou worden overspoeld met gedingen die de gemoederen verder zouden verhitten. Volgens de Nederlandsche Spectator heeft deze aanpak gewerkt en werd in de buurten ‘een ongeloofbare menigte van kleine zaken’ afgedaan. Kwesties die anders op het bordje van de rechtbank terecht zouden komen, werden nu ‘gestuit, verbeterd en uit den weg geruimd’.125 Ook hoogleraar natuur- en staatsrecht Pestel meende dat ‘het
119 120 121 122 123 124 125 Zie voor een discussie over ‘openbaar’ en ‘privé’: Spierenburg, De verbroken betovering, 14-17. RAL, SAII, inv.nr. 12, art. 10. De Parival, De vermaeckelijckheden van Hollandt, 31-32. Zie ook noot 1. RAL, SAII, inv.nr. 10 p. 346v. Idem, inv.nr. 6958. Sluijter & Schmidt, ‘Sociale verhoudingen’, 112,113; Roodenburg, ‘Naar een etnografie’, 226-230. Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 188.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 52

52

2 buurtcorporaties in leiden

getal der geschillen over het mijn en dijn, ’t welk men aanzienlijk zou gelooven uit aanmerking van den rijkdom des volks, wordt verminderd door eenige heilzame en als voorbeelden goede instellingen’, waarbij hij onder meer doelde op de gebuurten.126 Buurtheren mochten meer dan alleen bemiddelen. Bij knokpartijen werden ze geacht een boete op te leggen. Deze bedroeg maar liefst vierentwintig stuivers voor elk van de betrokken vechtersbazen, wat ongeveer het toenmalige dagloon was van een geschoolde ambachtsman. Bij scheldpartijen of ‘kijvagie’ dienden buurtheren aanvankelijk alleen een verzoeningspoging te wagen. In 1667 veranderde dat. Toen bepaalde het stadsbestuur dat heren van de gebuurte personen die het ‘gekijf’ waren begonnen mochten beboeten met twaalf stuivers. Een dergelijke scheidsrechterlijke bevoegdheid voor buurtmeesters was uniek in Holland. In andere steden mochten buurtheren bij twisten uitsluitend bemiddelen. Ontbrak het Leidse buurtheren aan doortastendheid, waardoor hun bemiddelingspogingen steeds op niets uitliepen en een hardere aanpak nodig was? Of was de nieuwe regel bedoeld als een versterking van de ordehandhaving in de stad? Het laatste lijkt het meest aannemelijk. Zo kreeg in de loop van de zeventiende eeuw ook het college van vredemakers te maken met een verruiming van zijn mogelijkheden. Als reden werd de steeds maar groeiende stadsbevolking genoemd.127 Ook bij geweld achter de voordeur of ‘huiskrakeelen’ hadden buurtheren de opdracht in te grijpen. Ze moesten mannen die hun vrouw sloegen een boete van twee gulden en tien stuivers of het leveren van een ham van vijftien pond opleggen. Vrouwen die hun man een klap hadden verkocht, betaalden zoals eerder gezegd twee keer zoveel.128 De achterliggende gedachte was vermoedelijk dat een vrouw die haar man sloeg tegen de heersende opvattingen over mannelijke dominantie inging en dus zwaarder gestraft moest worden. Overigens kende niet elke stad deze bepaling. In de algemene buurtkeur van Haarlem, die voor een belangrijk deel op die van Leiden is geïnspireerd, ontbrak de regel zelfs helemaal. Vrouwen in de Delftse Gasthuislaan betaalden evenveel als hun man wanneer ze zijn agressie met tegengeweld beantwoordden. Alleen in de meeste Haagse buurten moesten vrouwen die een tik uitdeelden aan hun man ook meer betalen dan mannen met losse handjes.129 Het is de vraag of de buurtheren de geschilbeslechtende taken die het stadsbestuur hen had toebedeeld, ook daadwerkelijk hebben uitgevoerd. Helaas is dit nauwelijks na te gaan. Buurten hielden er geen aparte vonnisboeken op na. In kasboeken werd over het algemeen alleen de omvang van een boete genoteerd. Daardoor is meestal niet goed uit te maken waarop deze betrekking had. Bovendien bleven geschillen waarbij succesvol was bemiddeld en een boete kon uitblijven waarschijnlijk buiten de boeken. Eigenlijk blijkt alleen uit de eerder geciteerde teksten van J.N. de Parival, de Nederlandsche
126 Geciteerd uit Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche gebuurten’, 106 (noot 1). 127 RAL, BLO, 16807p. Zie ook hoofdstuk 7. par. 7.3.1. 128 Vgl. Ter Gouw, De oude tijd, 142,143; Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 62. Het betalen met een ham is een oud gebruik dat al in ‘Prielij’ bestond. Het gezouten vlees lijkt bedoeld als bijdrage voor een buurtmaal. Of was het een extraatje voor de buurtheer? De varkensschouder die buren in Prielij moesten geven bij de eerste mis van een priester was bedoeld voor offerdoeleinden (Buurtkaart ‘Prielij’, art. 1 en 2, in: RAL, SAII, inv.nr. 1220, p. 35a). 129 GAD, HS 38 B 1 54, art. 9; Van Rappard, ‘De ’s Gravenhaagsche gebuurten’, 157; De Groot, Inleidinge, I.5.20. Zie ook bijlage 1.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 53

2.4 taken van de buurtheer

53

Spectator, J. le Francq van Berkheij en F.W. Pestel dat buurtbesturen inderdaad veelvuldig aan bemiddeling tussen buren deden. Maar die bronnen zijn niet onverdacht. De auteurs hadden niet het doel een nauwkeurig verslag over buurten te publiceren. De eerste schreef een lofgedicht op Holland, waarin voor geschilbeslechting door buurtbesturen welgeteld één regel is weggelegd. Weliswaar gaf De Parival ook een algemeen verzoeningsritueel weer, maar het is, zoals hierboven al is opgemerkt, uit de context niet duidelijk of dat in verband moet worden gebracht met de activiteiten van de buurtheer.130 De andere auteurs noemen het gebruik in ieder geval niet. Zij beschrijven vooral de buurtmaaltijden. Le Francq van Berkheij leunde daarbij sterk op de Nederlandsche Spectator. Ook Pestel gebruikte vrijwel dezelfde woorden als de anonieme schrijver in het achttiende-eeuwse tijdschrift.131 Indirecte aanwijzingen dat buurtheren zich inderdaad met ruzies tussen buren hebben bemoeid, kunnen worden gevonden in twee kluchten. Deze bevatten verwijzingen naar de boetes die heren van de gebuurten konden opleggen bij echtelijke mishandeling. De ‘Klucht van hontghe bijt mij niet’ gaat over een onterechte verdenking van ene Abram tegen zijn vrouw Lys. Zij zou hem bedriegen met andere mannen. Woedend slaat en knijpt hij haar tot ze het huis ontvlucht en bij haar vader intrekt. De echtelieden sturen elkaar boodschappen via de knecht. Abram laat hem weten ‘dat men sijn wijf vrij mach slaen voor een rijcxdaelder, ick sal jet buijrboek meegeven daar ’t van de heere selfs is beschreven.’ Door de in de buurt gangbare normen zo te verdraaien, maakt Abram zich tot de gebeten hond van het stuk.132 Ook het publiek van het ‘Klugtspel op de wonderlijke vryagie, huuwelyk, en huishoudinge van Fobbert Gort en Klara Morsschoon’ wordt geacht bekend te zijn met het rechtspreken door de buurtheer. Fobbert is een vrijgezel op leeftijd die op een dag besluit te trouwen om van het huishoudelijk werk af te zijn. Hij zet zijn zinnen op de mooie Klaartje. Maar eenmaal getrouwd, blijkt zij helemaal niet van zins het huishouden te doen. Ze slaat Fobbert zelfs als hij protesteert. Fobbert brengt dan in: ‘Ei wijfken doet dat niet, gy soud werden bekeurd van den heer van de buurt, een ham most gy dan geeven.’ Op Klaartje maakt dit echter totaal geen indruk, wat haar nog meer tekent als een haaibaai en hem als een sukkel.133 De meeste verwijzingen naar rechtspraak in buurten zijn te vinden in het kasboek van ‘Billenburg’. Daarin staan tussen 1653 en 1674 zesenvijftig geldboetes die, gezien de hoogte van het bedrag, mogelijk niets met begrafenissen te maken hebben.134 Zo
130 Zie ook noot 1 en 121. Bij de omschrijving van de boetes die in de buurtkas vloeiden, gaat De Parival voorbij aan de bedragen die voor openbare ordeverstoringen betaald moesten worden. Hij noemt alleen de gelden die betaald moesten worden voor afwezigheid bij een begrafenis. 131 Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 187. 132 Anonymus, Klucht van Hontghe bijt my niet. Gezien de hoogte van de boete speelt het toneelstuk van de anonieme auteur zich vermoedelijk in Leiden af. Vgl. Leuker, ‘Schelmen’, 334. 133 Smith, Fobbert Gort en Klara Morsschoon. Opvallend is dat in deze klucht de vrouw haar man slaat en dat er desondanks geen sprake is van het in de keur gemaakte juridische onderscheid: er is slechts sprake van een boete van één ham. 134 In totaal telt het kasboek tussen 1653 en 1674 432 boetes. Het is lastig om de boetes waar geen omschrijving bij staat, te plaatsen. Lang niet altijd correspondeert de hoogte van de sanctie met bedragen in de buurtkeur. Zo stond op absentie bij een begrafenis officieel drie groten of anderhalve stuiver. Maar in Billenburg week de buurtheer daar regelmatig vanaf. Dertig procent van de afwezigen kreeg een lagere som opgelegd. Mogelijk hield de buurtheer rekening met de financiële draagkracht van de betreffende buren.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 54

54

2 buurtcorporaties in leiden

kregen Jan Jieles Lindraier en Lijsbet Jeroensd. op zevenentwintig september 1657 ieder een boete van twee gulden. Lijsbet zou bovendien binnen twee maanden nog twee keer dezelfde boete krijgen. Mogelijk had zij om onduidelijke reden enkele rechtszaken aangespannen zonder de buurtheer om bemiddeling te vragen.135 Vanaf de jaren zeventig staan acht boetes vermeld van twaalf stuivers, precies het bedrag dat buurtheren vanaf 1667 konden opleggen bij burenruzies. Meer expliciet lijkt het in ‘Billenburg’ om beledigingen te zijn gegaan, gezien de benaming ‘mondgeld’ die twee keer voorkomt.136 Andere betaalde sommen kunnen niet met de in de buurtkeur vastgestelde boetes in verband worden gebracht. Daardoor blijven de bijbehorende vergrijpen of overtredingen onduidelijk. Het kasboek van het ‘Prinsdom van Letterrijck’ bevat helemaal geen sporen van geschilbeslechting. Op het oog zijn alleen boetes opgelegd voor afwezigheid bij een uitvaart. Een verklaring hiervoor vormt wellicht de cryptische opmerking in het kasboek dat er nog andere boeken van de substituut-thesaurier zijn, waarin meer informatie over de inkomsten van de buurt te vinden zou zijn. Helaas zijn die registers niet overgeleverd.137 Ter vergelijking is nog een blik geworpen in het achttiende-eeuwse kasboek van de gebuurte ‘Koeijenburg’.138 De heren van deze buurtcorporatie kwamen tussen 1705 en 1750 tien keer in actie wegens ordeverstoringen. Meestal was sprake van ‘kijvagie’ of scheldpartijen tussen buren. Deze werden afgedaan met een boete van zes of twaalf stuivers.139 In drie gevallen waren buren met elkaar op de vuist gegaan, een vergrijp waar volgens de buurtkeur vierentwintig stuivers op stond. De heren van ‘Koeijenburg’ legden echter twee keer zes en eenmaal elf stuivers op. Ze lijken dus over het algemeen naar eigen goeddunken te hebben gehandeld. Mogelijk hielden ze rekening met de draagkracht van de betrokkenen.140 Alleen slaande ruzies tussen echtgenoten waar de hele buurt kennis van kon nemen, werden steevast met de voorgeschreven rijksdaalder beboet. Daaruit spreekt een hoge mate van afkeuring voor openbare echtelijke twisten.141 Overigens legde de buurtheer van ‘Koeijenburg’ niet in alle in het kasboek beschreven geschillen een geldstraf op. Tenminste twee keer werd een kwestie bijgelegd met een gezamenlijke dronk en het roken van een pijpje.142 Helaas blijven ook in dit kasboek details achterwege. De penningmeester zweeg over de aanleiding van de problemen tussen de buurtbewoners. Ook liet hij niets los over de activiteiten
135 Als men zonder ‘vruntlijk zeggen’ met een geschil naar een rechtbank stapte, diende een ham à 2 gulden te worden betaald (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 102, art. 10). 136 Het WNT legt het begrip uit als een boete wegens belediging door woorden (vgl. mondgracie). 137 RAL, SAII, inv.nr. 6959 (29-10-1670). 138 Idem, inv.nr. 6963. ‘Koeijenburg’ telde tussen 1705 en 1750 in totaal ruim 600 journaalposten. Andere buurten waarvan achttiende-eeuwse kasboeken van zijn bewaard, zijn ‘Billenburg’ (27 boetes op 262 posten tussen 1723-1747), ‘Vrederijk’ (10 boetes op 174 posten tussen 1705-1729), ‘Klein Egypte’ (geen boetes op 72 posten tussen 1740-1764) en ‘Graafschap Prielij’ (12 boetes op 395 posten tussen 1761-1785). Zie Walle, Buurthouden, 111-115. 139 RAL, SAII, inv.nr. 6963 (25-7-1706; 30-7-1711; 12-4-1713; 25-8-1721; 9-9-1722). 140 Idem (17-8-1705; 29-8-1706; 17-7-1709). 141 Idem (1-5-1706; 2-3-1736). Van der Heijden kwam dezelfde afkeurende houding tegen in buurten in Delft en Rotterdam (Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 169-170). 142 Idem (9-10-1706; 30-7-1711). Zie voor het ‘afdrinken’ van ruzies: Spierenburg, ‘Knife fighting’, 115; Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 180; Broers, Beledigingszaken, 129; Garrioch, Neighbourhood and community, 24,27.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 55

2.4 taken van de buurtheer

55

van de buurtheren bij burenruzies. Hoe, waarom en op welk moment werden zij bij een conflict betrokken? Voor antwoorden op deze vragen moet in andere archieven worden gezocht. Een gedetailleerder zicht op geschilbeslechting door buurtheren biedt het notarieel archief. Daarin staan attestaties of verklaringen van ooggetuigen, die zijn opgesteld in opdracht van een direct betrokkene. Heren van de gebuurte komen er nauwelijks in voor. Toch biedt één akte van notaris Leonardt Jansz. van Overmeer een bijzonder kijkje in de keuken van de buurtheer van ‘Sint Annenrijck’, Frans Arentsz. van Overzee. Die kreeg in 1661 te maken met echtelijke problemen van Michiel Willemsz. en Jannetje Andriesd. Michiel, een metselaarsgezel, was al twee keer weduwnaar toen hij in augustus 1656 met Jannetje trouwde en bij haar introk. Het huwelijk bleek weinig gelukkig. Volgens buren was Michiel regelmatig dronken – waardoor er nauwelijks werk uit zijn handen kwam – en mishandelde hij zijn vrouw. Na vijf jaar escaleerde de boel. Michiel had Jannetje uit bed gegooid en met een mes bedreigd. Daarop grepen de buren in. Eén hield de gezel in bedwang, terwijl een buurvrouw hem vermanend toesprak. Maar tot verbetering leidde dit niet. Toen Michiel op een nacht zijn vrouw opnieuw mishandelde, was voor de buren de maat vol. Een van de buurmannen stapte naar de buurtheer om hem te manen in te grijpen. Maar Van Overzee lag op bed en kon kennelijk niet kon worden gewekt. Zijn vrouw Joosje Jacobsd. van Leeuwen nam de honneurs waar en probeerde zich ter plaatse te informeren. Michiel had weinig trek in de bemoeienissen van de buurtvrouw. Hij schold haar uit voor ‘sacraments varken’ en werkte haar met een stuk staal in zijn hand de deur uit. Twee dagen later riepen Van Overzee en zijn ‘oudraden’ Michiel op het matje. Zij hielden hem voor dat hij zich beter moest gedragen in zijn huwelijk. Zo niet, dan zouden ze een klacht tegen hem indienen. Maar Michiel had zijn besluit genomen: hij wilde zijn vrouw niet meer. Prompt scheidde het buurtbestuur Michiel van Jannetje. De gezel moest de heer van de gebuurte met een handdruk beloven dat hij niet meer met zijn vrouw in gemeenschap van tafel en bed zou leven. Verder moest hij de schuld voor de separatie op zich nemen door te verklaren dat zijn vrouw zich steeds goed had gedragen. Daarmee leek de kous af. Maar vier jaar later wilde Michiel toch weer bij zijn vrouw wonen. Mogelijk was hij van plan om haar voor zijn schulden te laten opdraaien. Dat kon, omdat het paar niet officieel, dus voor de rechtbank van tafel, bed en goederen was gescheiden. Jannetje spande toen een civiele procedure aan om alsnog een erkende separatie te verkrijgen. Ze mobiliseerde enkele buren, onder wie de vrouw van de buurtheer en een oudraad, die voor haar bij notaris Van Overmeer getuigden van Michiels dronkenschap, zijn handtastelijkheden en de daaruit voortgevloeide informele scheiding.143 Michiel ging direct in de tegenaanval en liet zijn oude buren verklaren dat hij zich in zijn eerste huwelijk altijd keurig had gedragen, ‘zoals een eerlijk man betaamt’. Hij eiste dat Jannetje zich weer bij hem zou voegen.144 Maar een maand later getuigden twee huidige buren van Michiel bij Van Overmeer dat hij enkele weken geleden zo dronken
143 RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 15 (28-1-1665), 17 (30-1-1665) en 29 (28-2-1665). 144 Idem, inv.nr. 1030, nr. 33 (12-2-1665); Idem, ORA, inv.nr. 44 F, p. 164 (7-2-1665).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 56

56

2 buurtcorporaties in leiden

was dat hij er bijna in bleef.145 De schepenen hielden daarop de zaak in beraad. Vier maanden na aanvang van het proces besloten ze tot een scheiding van tafel, bed en goederen. Een maand later werd deze publiekelijk bekendgemaakt.146 De getuigenverklaringen in de zaak rond Michiel Willemsz. en Jannetje Andriesd. zijn bijzonder interessant. Ze bevatten veel details over alle partijen die zich met de kwestie bemoeiden, de buurtheer incluis. Opvallend is dat buren zich al vroeg in de zaak mengden, terwijl de buurtheer, of liever gezegd zijn vrouw, alleen na de dringende oproep van een buurman ten tonele verscheen. Van Overzee en zijn ‘oudraden’ trachtten Michiel eerst met zijn vrouw te verzoenen, zonder veel succes. De scheiding van tafel en bed die daarop uitgesproken werd, is buitengewoon opmerkelijk. Zo’n tijdelijke ontbinding van de echtelijke samenwoning of separatie mocht alleen door de stedelijke rechtbank worden uitgesproken. Veel stellen trokken zich daar niets van aan en gingen op eigen gelegenheid uit elkaar.147 Dat buurtbesturen daar ook bij betrokken konden worden, is nog niet eerder beschreven. Onduidelijk is of de heer en zijn ‘oudraden’ daadwerkelijk een actieve rol speelden bij de separatie of slechts als getuigen optraden. De gevolgde procedure was in ieder geval illegaal. Toch wekt de attestatie de indruk dat de gang van zaken normaal was. Niet de rol van de buurtheer in de officieuze scheiding werd bestreden, maar juist het niet erkennen van die separatie door Michiel. Bijzonder aan de gebeurtenissen in ‘Sint Annarijck’ is verder de rol van de vrouw van de buurtheer. Verving zij hem slechts of was geschilbeslechting een onderdeel van haar taken? Dat zou aansluiten bij de sociale rol die ze ook in de zorg voor behoeftigen lijkt te hebben gespeeld. Feit is dat de buren om de buurtheer vroegen. Ze vermaanden hem ook omdat hij de situatie uit de hand liet lopen. Mogelijk wist hij niet eens van de problemen. Maar ook de aard van de vragen die zijn vrouw aan Michiel Willemsz. stelde, geven niet het idee dat ze op de hoogte was van voorgaande mishandelingen. Anderzijds lijken de buren de buurtheer of zijn vrouw ook niet eerder te hebben ingelicht. De bronnen zwijgen over voorgaande initiatieven om het echtpaar te verzoenen of te beboeten. Eveneens valt op dat de heer van de gebuurte pas na twee dagen zijn bestuur bijeenriep, terwijl de situatie levensbedreigend leek te zijn geworden. Zelfs zijn eigen vrouw was door Michiel beledigd en belaagd. Misschien bracht zijn beroep als rentmeester met zich mee dat Van Overzee niet altijd voor de buurt beschikbaar was. Ook kan het feit dat hij op bed bleef liggen duiden op ziekte. Zijn vrouw nam in dat geval mogelijk tijdelijk zijn functie waar.148 Het beeld van de afzijdige buurtheer dat uit de attestaties van Jannetje Andriesd. oprijst, staat niet op zichzelf. Ook uit andere voorbeelden blijkt dat buren zelf de hulp van hun heer inriepen. Zo dreigde Jeanne Augustijn haar agressieve zus met het inschakelen van de buurtheer, die haar wel het huis zou uitzetten. Ingrijpen van om-

145 RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 40 (17-3-1665). 146 RAL, SAII, inv.nr 24, p. 50. 147 Vgl. Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 175-201. Zie ook: Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 218-256; Vleeschouwers, ‘Selfdivorce’, 85; Joor, ‘Echtscheiding in Alkmaar’, 201. 148 Van Overzee was sinds 9 juni 1645 buurtheer van ‘Sint Annarijck’. Hij overleed in het najaar van 1668.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 57

2.4 taken van de buurtheer

57

standers voorkwam dat dat nodig was.149 In ‘Biervliet’ werd de heer wel gehaald. Anna Catrijn had om onduidelijke redenen ruzie gekregen met voller Guillaum le Clerque en zijn vrouw. De scheldpartij liep uit de hand en de voller sloeg Anna met een houten spoelbak buiten westen.150 Annetje Adriaensd., die bij Anna Catrijn was, snelde onmiddellijk naar een buurvrouw en samen haalden ze de buurtheer. Die onderzocht de nog altijd bewusteloze Anna en liet een dokter roepen. Ondertussen ondervroeg hij de voller en diens vrouw over het voorval. Toen Guillaum ongeduldig werd en Anna op straat dreigde te gooien, zei de buurtheer dat hij de voller dan zou laten opsluiten.151 Anna begon uiteindelijk een rechtszaak tegen de voller en eiste een schadevergoeding voor alle dokterskosten en gederfde inkomsten. De buurtheer speelde daar geen rol meer in. Onduidelijk is of hij geprobeerd heeft beide partijen te verzoenen.152 Hieruit volgt dat buurtbewoners hun heer doorgaans pas bij een conflict riepen op het moment dat zij het niet meer zonder hem meenden af te kunnen. Het geringe aantal vermeldingen van buurtheren in notariële attestaties zou er zodoende op kunnen wijzen dat buren in veel gevallen kwesties zelf de wereld uit hielpen door ze bijvoorbeeld ter plekke op te lossen of door andere fora voor geschilbeslechting te mobiliseren, zoals het college van vredemakers, notarissen of kerkenraden. Een aantal notariële attestaties wegens beledigingen werd nog op dezelfde dag opgesteld als de uitbarsting van het conflict, de andere meestal binnen een week. Buurtheren waren over het algemeen drukbezette lieden die niet voor ieder klein geschil uit hun bezigheden konden worden weggeroepen. Dat kan de reden zijn geweest waarom Louwijsge Salomonsd. afzag van het inschakelen van de buurtheer toen haar man haar tijdens een ruzie het huis uitzette en uitdaagde om de heer van de gebuurte te halen om hem aan te klagen. Ze probeerde het zelf op te lossen door weer naar binnen te gaan en haar echtgenoot een klap te verkopen. Die sloeg echter onverbiddelijk terug. Louwijsge viel en moest door twee personen weer op de been worden geholpen. De buurtheer bleef verder buiten beeld.153 Een tegenovergestelde conclusie is echter ook mogelijk. Het handjevol duidelijke verwijzingen naar geschilbeslechting in buurten kan evenzeer wijzen op het succes ervan. Mogelijk functioneerden buurtheren zo goed, een enkeling wellicht daargelaten, dat buren naar verhouding zelden nog een proces voor een hogere instantie hoefden te beginnen. Dit sluit nauw aan bij het artikel van De Nederlandsche Spectator en de werken van De Parival, Le Francq van Berkheij en Pestel. Ook Roodenburg en Walle zien wat in deze uitleg.154 Toch moet worden aangetekend dat buurtheren die hun taak serieus namen, veel boetes moeten hebben uitgedeeld. Er stonden geldstraffen op vechtpartijen op straat of in huis, beledigingen en het passeren van de buurtheer bij het beginnen
149 De zus was naar Jeanne gekomen om geld en goederen te eisen. Ze vroeg echter het dubbele dan waar ze volgens Jeanne recht op had. Toen ontstond een scheldpartij die uit de hand dreigde te lopen, waarop omstanders ingrepen (RAL, ONA, inv.nr. 776, nr. 251 (13-7-1665)). 150 Idem, inv.nr. 777, nr. 371 (23-4-1665). Zie voor deze zaak ook hoofdstuk 8 par. 8.3.1 onder het kopje ‘geweld’. 151 Ibidem. Zie ook Idem, inv.nr. 777, nr. 368 (9-4-1665), 370 (27-3-1665), 372 (9-4-1665), 273 (23-4-1665). 152 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 178. 153 RAL, ONA, inv.nr. 782, nr. 510 (10-12-1668). 154 Walle, Buurthouden, 78; Roodenburg, ‘Freundschaft’, 17,18; Idem, ‘Naar een etnografie’, 241,242.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 58

58

2 buurtcorporaties in leiden

van een proces. Afgaande op het kasboek van ‘Billenburg’ is daar echter nauwelijks iets van te merken. De thesaurier tekende, buiten absenties bij begrafenissen, slechts zesenvijftig boetes op gedurende twintig jaar tijd in een buurt van over de 350 personen. Van de meeste geldstraffen is niet eens duidelijk of ze wel met ordehandhving hebben te maken. In 'Koeijenburg' besloeg de rechtspraak slechts tien van de ruim zeshonderd journaalposten tussen 1705 en 1750. Geschilbeslechting door buurtheren gold wellicht vooral als aanvulling op allerlei andere mogelijkheden van omgang met conflicten. Buren trokken hun eigen lijn en bepaalden zelf welke manier van geschilafdoening voor hen het meest opleverde. Dit beeld rijst ook op uit de kladresoluties van burgemeesters en schepenen. Tussen de vele uiterst beknopte beschikkingen en besluiten van het stadsbestuur bevindt zich een groot aantal niet nader gespecificeerde klachten van burgers en stedelijke beambten. Onder hen waren ook enkele tientallen buurtheren. Zij klaagden over wangedrag van buren, waar zij zelf kennelijk geen invloed meer op hadden. Vaak gaven de burgemeesters vervolgens de substituut-schout de opdracht om de zaak te onderzoeken.155 Ook echtparen werden door buurtheren voor de burgemeesters gedaagd. Ene Toussaint moest, na een klacht van de buurtheer, beloven dat hij voortaan vreedzaam met zijn vrouw zou omgaan.156 Buurtheren maakten echter maar zeven procent uit van alle in de resoluties genoteerde klagers. Bovendien brachten zij niet alleen onderling wangedrag onder de aandacht, maar ook buren die weigerden ‘gebuijrte te houden’ en lieden die hen onfatsoenlijk bejegenden.157 Mensen die weigerden een door de heer opgelegde boete te voldoen, konden via de burgemeesters tot betaling worden gedwongen.158 Een uiterste sanctie die kon worden opgelegd aan buren die zich misdroegen, was verwijdering uit de buurt. Buurtheren die geen andere oplossing meer zagen, dienden notoire ruziemakers aan te geven bij de stedelijke overheid, waarna die de lastpakken overplaatste.159 Zo werd Neel in de Kaerstraat gedwongen te verhuizen na een klacht van haar buurtheer vanwege haar ‘kwade huishouden’.160 Wouter uit de Veldesteeg kreeg eerst een waarschuwing. Hij had een buurvrouw met water overgoten. Dit was dermate onfatsoenlijk gedrag dat hij bij herhaling uit zijn buurt zou worden gezet.161 Louis de Jonge en zijn vrouw werden drie keer gesommeerd uit hun buurt te vertrekken vanwege hun ‘schandelijke en ongebonden’ huishouden. Het is niet duidelijk of in dit geval de buurtheer bij het stadsbestuur op verwijdering had aangedrongen. In het geval van Digna Claesd. zeker niet. Deze werd door Catharina Jansd. aangeklaagd als ‘vrouw van een onrustig leven’. Ze had Catharina diep beledigd door te suggereren dat ze haar man niet trouw zou zijn, die als ritmeester van de koning van Denemarken vaak van
155 RAL, SAII, inv.nr. 250 (29-4-1664). 156 Idem (29-7-1665). 157 Idem (27-2-1665; 28-7-1665). 158 Idem (12-8-1665). 159 Anonymus, ‘Over de buurten van Leiden’, 189. 160 RAL, SAII, inv.nr. 250 (21-7-1666). ‘Kwaad huishouden’ duidt doorgaans op huiselijke twisten. 161 Idem, (27-7-1667). Het overgieten van personen was ook strafbaar volgens de stedelijke keuren (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 249 (keur op het wapen-drencken).

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 59

2.5 conclusie

59

huis was. De burgemeesters riepen daarop de buurtheer bij zich die kon getuigen dat de ritmeestersvrouw zich tijdens de afwezigheid van haar man altijd als een eerlijke vrouw had gedragen. Besloten werd Digna te gebieden uit de buurt te verhuizen.162 Veruit de meeste klachten in de kladresoluties werden door burgers zelf, buiten een buurtheer om, geuit. In één procent van de gevallen klaagden zij zelfs hun buurtheer aan. De aanleiding is niet duidelijk. In een aantal gevallen was sprake van oudraden die om niet genoemde redenen in conflict waren geraakt met hun heer. Bijna even vaak, of liever even weinig, riepen de burgemeesters een buurtheer bij zich om bijvoorbeeld tekst en uitleg te geven bij een geschil tussen buren. Dit was het geval in de zaak van Anne l’ Eschevin en Louis de Sélandre die in de inleiding staat beschreven. Het geringe aantal keren dat het stadsbestuur buurtheren bij een klacht betrok, duidt er wellicht op dat zij er in een eerder stadium van het conflict evenmin aan te pas waren gekomen. Ook het college van vredemakers verwees onverzoenbare zaken zelden terug naar buurtheren.163 Buren bepaalden zelf in hoeverre ze hun geschillen aan hun buurtheer voorlegden, een klacht indienden of naar bijvoorbeeld het college van vredemakers stapten. Daarbij lieten ze zich dus weinig gelegen liggen aan de gerechtelijke bepaling in de buurtkeur dat ze hun geschil eerst aan de buurtheer moesten voorleggen.164 Ook de buurtheer liet het erbij zitten. De daarop gestelde boete van twee gulden werd zelden aangetroffen in het kasboek van ‘Billenburg’ en al helemaal niet in dat van het ‘Prinsdom van Letterrijck’. Hierbij moet worden aangetekend dat die gebuurte nog een verloren gegaan register in gebruik had. De door Jan van Hout ingevoerde taakverzwaring van buurtheren op het gebied van geschilbeslechting werd weliswaar in de praktijk gebracht, maar, naar het zich laat aanzien, niet zo veelvuldig als De Parival, de Nederlandsche Spectator, Le Francq van Berkheij en Pestel doen voorkomen. Zij hebben de zaken mogelijk wat al te rooskleurig voorgesteld voor hun publiek. Buurtheren lijken geen centrale plaats te hebben ingenomen in de Leidse geschilbeslechtingsdelta. Buren stonden, naast bemiddeling en arbitrage door hun buurtheer, nog vele andere mogelijkheden ter beschikking om hun conflicten de wereld uit te helpen.

2.5 Conclusie De algemene buurtkeur van stadssecretaris Jan van Hout maakte een einde aan de rommelige bestuurlijke situatie waarin veel gebuurten in de zestiende eeuw verkeerden. Het doel was om de corporaties geschikt te maken als verlengstuk van de stedelijke overheid. Tot dan toe waren de gebuurten vooral naar binnen gekeerd, zonder veel binding met het stadsbestuur. Ze speelden een rol bij alle belangrijke momenten in
162 Idem, inv.nr. 154 (3-3-1661). 163 Vredemakers verwezen in 1664 in iets minder dan vijf procent van de processen geschilpartijen naar derden die in hun zaak uitspraak moesten doen. Dat konden gildenbesturen zijn, predikanten, scheidsmannen, schepenen en, slechts in tien gevallen, buurtheren. 164 RAL, SAII, inv.nr. 12, inv.nr. 12, p. 102, art. 9.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 60

60

2 buurtcorporaties in leiden

het leven van de buurtbewoners, van huwelijk, huizenkoop tot overlijden. Ook organiseerden ze gemeenschappelijke maaltijden. De buurtheer had in dit alles een hoofdzakelijk coördinerende rol. Van Hout probeerde dit te veranderen. Hij breidde het takenpakket van de heren uit en maakte hen ook verantwoordelijk voor de ordehandhaving in de buurt en de registratie van armen. Dit waren grotendeels nieuwe werkzaamheden voor de heren van de gebuurte. Ook gaf Van Hout de benoeming van de buurtheren in handen van het stadsbestuur om zo meer invloed in de buurt te krijgen. Op deze manier zou de stad bestuurbaar blijven tijdens de immigratiegolf aan het einde van de zestiende eeuw, zo meende Van Hout. Tot nu toe zijn de nieuwe maatregelen vaak als verschraling van het buurtleven uitgelegd. Zo zou de uniformiteit een einde hebben gemaakt aan de spontaniteit en het saamhorigheidsgevoel in de buurten.165 Maar de soep werd niet zo heet gegeten als Van Hout hem opdiende. Bij buurtheerverkiezingen bijvoorbeeld viel de keus van het stadsbestuur meestal op de favoriet van de buurt. Verder blijken de buurheren nauwelijks een administratieve rol in het stedelijke systeem van armenzorg te hebben gespeeld. De plicht om buurtregisters bij te houden werd zelfs in de loop van de zeventiende eeuw geschrapt omdat geen enkele heer van de gebuurte zich eraan hield. Daarnaast liet de generale buurtkeur veel bij het oude, bijvoorbeeld met betrekking tot begrafenissen. Ook allerlei oudere buurtgebonden gebruiken bleven in stand. Zo verschilde de organisatie van het buurtbestuur per gebuurte en kenden diverse buurtcorporaties een zogeheten buurtvrouw, die niet in de ordonnantie van Jan van Hout voorkwam. Vermoedelijk werd hiermee de vrouw van de buurtheer bedoeld. Zij hield zich bezig met liefdadigheid en verving haar man bij zijn afwezigheid. De hoofdtaak van de buurtheren was het handhaven van de ‘goede vrede en de burgerlijke eenheid’ in de buurt. Ze moesten bemiddelen bij burenruzies en wangedrag beboeten. De beschrijvingen van tijdgenoten zoals De Parival, een anonieme auteur in de Nederlandsche Spectator, Le Francq van Berkhey en Pestel suggereren dat de heren dit ook veelvuldig hebben gedaan. Ze zouden zo zelfs de stedelijke rechtbanken veel werk uit handen genomen hebben. Maar dit beeld moet genuanceerd worden. In de archieven van de gebuurten zijn weinig sporen van geschilbeslechting te vinden. De kasboeken bevatten hoofdzakelijk boetes wegens afwezigheid op een begrafenis en schenkingen van familieleden van een overledene. Aantekeningen van boetes met betrekking tot vechtpartijen, huiselijk geweld en beledigingen zijn uitermate schaars, zeker wanneer de aantallen worden afgezet tegen de grootte van de gebuurten. Geldstraffen voor het passeren van de buurtheer bij het aanspannen van een proces komen nauwelijks voor in de kasboeken. Ook archieven van andere fora bevatten maar een handjevol verwijzingen naar buurtheren en hun betrokkenheid bij geschillen tussen buren. Rechtspraak door buurtheren kwam wel voor, maar had niet het primaat dat het stadsbestuur voor ogen stond.

165 Pieck, ‘Leidse buurten’, 50; Van der Vlist, ‘In goeder vreden’, 57; Bogaers, ‘Geleund over de onderdeur’, 337-338.

06008_hoop_H02

22-05-2006

11:07

Pagina 61

2.5 conclusie

61

Buren en hun besturen interpreteerden de regels naar eigen goeddunken. Ze letten daarbij goed op de eigen belangen. Daar waar de stedelijke bepalingen overeenkwamen met de normen van de buurt, werden ze zonder problemen overgenomen. Zo vonden buurtbewoners de onderlinge verbondenheid belangrijk, zeker met sociaal gelijken. Maar ook ten aanzien van minder bedeelden bestond een zekere solidariteit, gezien de – incidenteel geregistreerde – hulp aan behoeftigen. Takenverzwaringen die daarbuiten vielen, zoals de administratie van ‘eerlijke’ armen – en daarmee het aanwijzen van ‘oneerlijke’ armen – vonden duidelijk minder goed ingang. De horizontale betrekkingen tussen buren wogen voor de buurtheren zwaarder dan de verticale met het stadsbestuur. Veel heren van de gebuurte hadden een bedrijf in de buurt en waren met het oog daarop gebaat bij een probleemloze omgang met medebuurtbewoners. Buren op hun beurt mobiliseerden hun heer zelden. Zo richtten ze zich vaak zelf in verzoekschriften tot het stadsbestuur. Ook haalden ze in geval van geschillen lang niet altijd hun heer erbij. Ze losten de problemen zelf op of maakten ze bij andere fora aanhangig. Rechtspraak door buurtheren was slechts een van de mogelijkheden voor stedelingen om geschillen uit de wereld te helpen. Het is interessant die andere wegen nader te bestuderen.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 62

Hoofdstuk 3

Gilden en neringen

3.1 Inleiding Over gilden is al veel geschreven, met name vanuit economisch perspectief.1 Een van de eersten die zich met dit onderwerp bezighielden, was Pieter de la Court, de auteur van Het welvaren der stad Leiden uit 1659. In zijn optiek vormden gilden een bijzondere ‘pest’ voor de stedelijke economie. De verenigingen waren schadelijk, onrechtvaardig en stonden een vrije handel in de weg.2 Niet alleen sloot de gildendwang producenten van buiten Leiden uit die mogelijk veel goedkoper waren, ook maakten de reglementen van de corporaties het moeilijk om meerdere ambachten tegelijk uit te oefenen. Daarnaast moest De la Court weinig hebben van de drempels om toe te treden tot een gilde. Wie een beroep wilde uitoefenen, moest zich als een slaaf aan een meester onderwerpen om daarna voor veel geld een gildenproef te mogen doen. Op deze manier konden ambachten zich niet vrij ontwikkelen en dat is vragen om ‘gedurige kwellingen en bekeuringen’ door gildenbestuurders.3 De la Court snijdt met dit laatste een nog nauwelijks onderzocht fenomeen aan: de rechtspraak van gilden. Gildenbesturen bogen zich als scheidsrechter over overtredingen. Ook konden ze bemiddelen in conflicten waarbij leden van de corporatie betrokken waren. Dit hoofdstuk behandelt de betekenis van gildenfora binnen de Leidse geschilbeslechtingsdelta. Daartoe zal in dit hoofdstuk worden ingegaan op de vormen en procedures van de rechtspraak door Leidse gilden. Ook wordt nader gekeken naar de betrokken eisers en gedaagden. Wie waren zij en welke geschillen hadden zij? Wanneer mobiliseerden ze gildenbesturen om kwesties op te lossen? In welke gevallen werden de bestuurders gepasseerd? Daarnaast worden de aan gilden verwante neringen bestudeerd. Neringen waren verticaal georganiseerde verenigingen van textielproducenten die alle fasen van het productieproces omvatten, een soort productschappen dus. Deze waren vrij omvangrijk, niet in de laatste plaats omdat de textielbranche zo’n dominante positie innam in Leiden. Net als gilden kenden neringen een georganiseerde rechtspraak. Deze zal op dezelfde wijze als die van de gilden worden bestudeerd, waarna in de conclusie beide vormen met elkaar worden vergeleken. Steeds zal de Leidse
1 Voor een overzicht, zie o.m. Bos, Uijt liefde tot malcander, 24-29; Lucassen, ‘Het welvaren van Leiden’, 16-22; Prak, ‘Een verzekerd bestaan’, 49-54. Over Leidse gilden: De Vries (ea), ‘Spectaculair succes en diep verval’, 96-105 en de daar genoemde literatuur. 2 Driessen, Het Welvaren van Leiden, 106,107. Vgl. Blom, ‘Burger en belang’, 99-112, m.n. 106-107. 3 Driessen, Het Welvaren van Leiden, 104-115, citaten op p. 112,113.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 63

3.1 inleiding

63

situatie als uitgangspunt worden genomen. De schaarse secundaire literatuur over dit onderwerp zal zoveel mogelijk in dit hoofdstuk worden verwerkt. 3.1.1 Historiografie De rechtsprekende en bemiddelende activiteiten van neringbesturen zijn nog niet eerder systematisch in kaart gebracht, die van gildenbesturen maar mondjesmaat.4 Weliswaar stipte J. ter Gouw in de negentiende eeuw enkele geschillen aan die in de gildenkamers besproken werden, maar hij beschouwde ze als ‘kleinigheden’, om vervolgens over te gaan op de bespreking van gildenmaaltijden.5 J.C. Overvoorde had meer oog voor de rechtspraak in gildenzaken en de bijbehorende straffen. Hij maakte onderscheid in schendingen van de reglementen, geschillen tussen gildenbroeders en kwesties tussen gilden onderling.6 Hij diepte de categorieën niet verder uit. Aan klachten over geleverd werk besteedde hij helemaal geen aandacht. Mogelijk lag dit aan zijn bron, de rekeningen van gilden in Dordrecht.7 Later, in zijn verhandeling over de ambachtsbroederschappen in Leiden beschreef hij ‘berechtingen’ uitsluitend aan de hand van gildenreglementen. Registers waarin de rechtsprekende activiteiten van gilden zijn opgetekend, liet hij buiten beschouwing.8 R.M. Dekker was in 1985 een van de eersten die de praktijk van geschilbeslechting binnen gilden onderzocht. Hij bekeek arbeidsconflicten van droogscheerders. Dat waren textielarbeiders die in Leiden niet in een nering, maar in een gilde waren georganiseerd. Een aantal van deze conflicten werd aan het gildenbestuur voorgelegd, maar meestal kozen de betrokken partijen voor meer informele oplossingen.9 Dekker wijst op zogeheten courtvergaderingen of bijeenkomsten van knechten van één of meerdere werkplaatsen van droogscheerders. Daarin stelden de droogscheerders looneisen op en werden onderlinge geschillen besproken en tot een einde gebracht, doorgaans met hoge boetes. Ook konden ze besluiten tot een werkonderbreking.10 Nu zijn de werkplaatsen van droogscheerders weinig representatief voor Leiden. Het waren een soort ateliers die werk boden aan soms wel veertig arbeiders. Alleen de Leidse schrobbelaars kenden ook zo’n grootschalige bedrijfsvoering. Niet toevallig beperkten stakingen zich hoofdzakelijk tot deze beroepsgroepen.11 Andere ambachten waren veel klein4 Posthumus schreef wel over het controleapparaat van neringen, maar niet over de controle zelf. Hij beperkte zich bij de beschrijving tot de reglementen (Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 438-462). 5 Ter Gouw, De gilden, 78. 6 Overvoorde, Rekeningen van de gilden van Dordrecht, xxx-xl en 1-8. 7 Idem, xv. 8 Idem, ‘De Leidsche ambachtsbroederschappen’, 369-372. 9 Zie Dekker, ‘Arbeidsconflicten’, 73. Droogscheerders egaliseerden laken door opstaande haren te scheren (De Baan, Goed garen, 19-21). 10 Zie ook Griessinger & Reith, ‘Oberigkeitliche Ordnungskonzeptionen’, 117-180, met name 134vv. 11 Van Dillen, Van rijkdom en regenten, 183. Vuilverklaringen worden maar in weinig takken van nijverheid gevonden en bovendien maar in een handjevol plaatsen. Het gaat om droogscheerders, hoedenmakers, schrobbelaars, wevers en knechten in de suikerraffinaderij (vgl. Dekker, ‘Getrouwe broederschap’, 13). Wevers hebben maar enkele keren een werkonderbreking gehouden (Dekker, ‘Arbeidsconflicten’, 76,77,79,80). Schrobbelaars kamden de stof, zowel t.b.v. het spinnen als, later in het proces, ter voorbereiding op het droogscheren (De Baan, Goed garen, 29-31).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 64

64

3 gilden en neringen

schaliger opgezet, waarbij één meester hooguit enkele knechten in dienst had. De omgang met conflicten kan zodoende anders zijn geweest. De verticaal georganiseerde textielneringen staken weer anders in elkaar, ook op het gebied van de rechtspraak. De bevindingen van Dekker zijn dus niet zonder meer geldig voor andere ambachten in Leiden. Omstreeks dezelfde tijd verschenen studies naar de manier waarop corporaties van meer traditioneel georganiseerde ambachten met geschillen omgingen. C. Poni bijvoorbeeld onderzocht conflicten die in de achttiende eeuw door het schoenmakersgilde van Bologna voor de stedelijke en gewestelijke overheden aanhangig werden gemaakt. Hij beperkte zich tot geschillen tussen de diverse beroepsgroepen binnen het gilde, zoals schoenmakers en schoenlappers. In deze kwesties draaide het volgens hem niet alleen om economische belangen, maar vooral ook om de status van de betrokken partijen. De conflicten versterkten volgens hem de groepsidentiteit.12 H. Deceulaer onderzocht verschillende kwesties binnen gilden in Antwerpen, variërend van overtredingen, beledigingen, tot strijd tussen corporaties onderling. Zijn bronnen waren de archieven van de schepenbank. De rechtspraak van de gilden zélf liet hij buiten beschouwing wegens gebrek aan materiaal. Deceulaer ontdekte dat de bereidheid om geschillen bij de schepenen aanhangig te maken per soort corporatie verschilde. Met name ambachten die zich richtten op de eigen stedelijke afzetmarkt waren veelvuldig in de boeken te vinden, evenals gilden die in verval waren geraakt en steun zochten. Werkverenigingen die een eigen vorm van arbitrage kenden, zoals de Antwerpse textielindustrie, schikten zaken doorgaans vroegtijdig in der minne, waardoor ze zich niet tot het stadsbestuur hoefden te wenden. Daarnaast toonde Deceulaer aan dat in iedere beroepsgroep andere conflicten de boventoon voerden.13 De gedifferentieerde benadering van Deceulaer is interessant. Ambachten verschilden van elkaar wat betreft werkwijze, afzetgebied, marktgevoeligheid, status en concurrentiepositie. Maar ook binnen werkverenigingen bestond wat dit betreft verscheidenheid, zo toonde Poni aan. Beide auteurs baseerden zich op archieven van stedelijke en gewestelijke autoriteiten. Onenigheden en overtredingen die de bestuurders van gilden en neringen zelf afhandelden, bleven zo buiten beeld. Voor een deel kan dit niet anders, omdat de betrokkenen problemen soms mondeling oplosten in de werkplaats, op straat of in de kroeg. Maar kwesties werden evengoed tijdens vergaderingen van het gildenbestuur besproken. In dat geval lieten de zaken sporen na in bijvoorbeeld ‘kwestieboeken’. Helaas zijn deze in Leiden nauwelijks bewaard gebleven, ondanks het feit dat de stad relatief veel corporaties telde. De registers die er nog zijn, beslaan bovendien uiteenlopende perioden in zowel de zeventiende als de achttiende eeuw. Ook variëren ze sterk in aantallen genoteerde conflicten en verschilt het informatiegehalte ervan per gilde. Toch vormen de boeken een noodzakelijke aanvulling op gegevens uit de schepenarchieven. In tegenstelling tot de Antwerpse gilden spanden de beroepsver12 Poni, ‘Norms and disputes’, 83, 107-108. Tot een soortgelijke conclusie kwam ook K. van Honacker in haar studie naar de invloed van ambachten op de politieke cultuur in Brussel. Zij analyseerde processen van corporaties voor de Raad van Brabant, waarin het naar haar mening met name ging om ‘de samenhang van het ambachtswezen’, zowel binnen de eigen gelederen als naar buiten toe (Van Honacker, ‘Brusselse ambachten’, 209-210). 13 Deceulaer, ‘Guilds and litigation’, 205-208.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 65

3.1 inleiding

65

enigingen in Leiden zelden een zaak aan voor de vierschaar. Een en ander staat in schril contrast met de in Het welvaren der stad Leiden opgevoerde ‘voortdurende kwellingen en bekeuringen’.14 3.1.2 Onderzoeksopzet In het vervolg van dit hoofdstuk komen de verschillende in het gemeentearchief van Leiden aangetroffen gilden- en neringboeken en de daarin beschreven kwesties en oplossingen aan de orde. Gezien de summiere aanwezigheid van archieven met betrekking tot gildenrechtspraak is de onderzoeksperiode 1664-1668 verruimd en afhankelijk gemaakt van de bron. Zodoende wordt het mogelijk het beschikbare materiaal te onderzoeken en onderling te vergelijken. Vanzelfsprekend kleven hier bezwaren aan, met name op het gebied van de representativiteit van de gegevens. Hier zal in de conclusies rekening mee worden gehouden. Maar omdat de bestudeerde gilden over het algemeen met betrekking tot rechtspraak steeds vrijwel hetzelfde te werk gingen en in de onderzochte perioden niet of nauwelijks van aanpak veranderden, wegen de voordelen van deze aanpak tegen de nadelen op. De gildenboeken bieden een uniek kijkje in de keuken van de gildenrechtspraak. Ze geven een beeld van binnenuit, dat in de tot nu toe verschenen studies werd gemist. De onderzochte gildenboeken zijn erg wisselend van kwaliteit. Ook daarmee is rekening gehouden bij de bestudeerde periode. In principe is uitgegaan van een periode van twintig jaar, maar wanneer de registers tijdelijk niet of nauwelijks zijn bijgehouden, is de onderzochte tijdspanne vergroot om zoveel mogelijk zaken met elkaar te kunnen vergelijken. Omgekeerd werd, bij erg omvangrijke boeken, de bestudering hiervan beperkt. Het eerst zal het glazenmakersgilde worden besproken. De zeer onregelmatig bijgehouden registers van deze corporatie lopen van 1620 tot 1743. Bestudeerd is de periode 1620-1668, waarvan het laatste jaar samenvalt met dat van de in deze studie als uitgangspunt genomen onderzoeksperiode. Vervolgens komen de chirurgijns aan bod. Hun notulenboeken met betrekking tot geschilbeslechting en rechtspraak beslaan de jaren 1682-1798. Het onderzoek omvat de periode 1682-1700. Daarna volgen de geschillen uit het commissieboek van de apothekers dat begint in 1719 en eindigt in 1782. Het onderzoek gaat, gezien de onderbrekingen in de bron door tot 1750. Het ‘dagboek’ van het doodbiddersgilde loopt van 1682 tot 1775. Omdat het register veel tussenliggende gaten bevat, zal de bespreking ervan eindigen met het jaar 1742. Van de zeven textielneringen in Leiden heeft alleen de lakennering een doorlopende reeks processen nagelaten. Eén zogeheten ‘kwestieboek’ omspant de jaren 16651696 – het deel ervoor ontbreekt – en telt vele honderden zaken. De bestudering ervan is daarom teruggebracht tot 1665-1668.
14 Gilden in Antwerpen spanden in 1674-1675 honderdvijftig civiele processen aan voor de schepenbank. Aangezien de stad ruim vijftig corporaties telde, kwam dit neer op een gemiddelde van drie zaken per gilde (Idem, 180) In Leiden kunnen in de dingboeken van grote zaken tussen 1664 en 1668 maar twee rechtszaken worden gevonden die door gildenbesturen zijn aangespannen. De vredemakersboeken van 1664 bevatten vier processen die door gilden zijn begonnen. Individuele gildenleden maakten eveneens zaken aanhangig bij de stedelijke rechtbanken.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 66

66

3 gilden en neringen

Het onderzoeksmateriaal laat door de versnippering maar in beperkte mate een onderlinge vergelijking toe, zowel ten aanzien van de betrokken gilden als de door hun bestuurders behandelde zaken. Ook het gebrek aan secundaire literatuur op dit punt maakt dat dit hoofdstuk vooral een verkennend karakter krijgt. Toch is het beschrevene van groot belang voor het begrip van geschilbeslechting door gilden en neringen. Het biedt een blik op de procesgang, de behandelde geschillen, de betrokken partijen en hun strategieën. Deze onderwerpen zullen steeds achtereenvolgens voor de genoemde gilden en neringen worden besproken. Wat betreft de geschillen worden telkens overtredingen van de reglementen, conflicten tussen gildenbroeders onderling en met buitenstaanders behandeld.

3.2 Het glazenmakersgilde 3.2.1 Ontstaan en ontwikkeling Glazenmakers in Leiden hadden een eigen beroepsvereniging. In veel andere plaatsen behoorden ze samen met kunstenaars tot het Sint-Lucasgilde. Maar omdat het Leidse kunstenaarsgilde in de loop van de zestiende eeuw werd opgeheven wegens gebrek aan afzet, waren de glazenmakers genoodzaakt om een eigen corporatie op te richten.15 Aanvankelijk flirtte het gilde nog wel met de naam van de patroonheilige Lucas. Zo presenteerde het bestuur zich in een notariële acte uit 1616 als deken en hoofdmannen van het Sint-Lucasgilde, ‘wezende ’t glazenmakersgilde binnen dezer stede’.16 Bovendien moesten de hoofdmannen volgens de gildenbrief van 1615 binnen zes weken na Sint Lucasdag financiële verantwoording afleggen.17 Maar al gauw stond de corporatie vooral te boek als ‘gilde der glasschrijvers en glasmakers’ of korter als ‘glazenmakers’. De naam van de patroonheilige verdween naar de achtergrond. In 1660 breidde het gilde zich uit met de glasverkopers. De naam van het gilde bleef ongewijzigd.18 Wanneer het Leidse glazenmakersgilde precies is opgericht, is niet bekend. Vermoedelijk viel het ontstaan samen met het aantrekken van de stedelijke economie aan het einde van de zestiende eeuw. In die periode werden veel corporaties gesticht.19 De eerste gildenbrief stamt uit 1615. Deze werd ondertekend door de deken, drie hoofdmannen en achtentwintig leden. In 1624 betaalden volgens het gildenregister dertig meesters contributie aan de corporatie, terwijl daarnaast nog achttien knechten inge15 Overigens werd het Lucasgilde in 1642, uitsluitend voor schilders, graveurs, glazensnijders en kunstverkopers, weer opgericht. Zie Obreen, Archief voor Nederlandsche kunstgeschiedenis V, 187-195; Bredius & Martin, ‘Leidsche St. Lucasgild’, 123,124; Sluijter (ea), Leidse fijnschilders, 29,31. 16 RAL, GA, inv.nr. 535. 17 Idem, inv.nr. 504, art. 15. 18 RAL, SAII, inv.nr. 76, p. 222v. Voor het samengaan met de glasschrijvers, zie b.v.: RAL, SAII, inv.nr. 55, p. 81v. Zie ook Orlers, Beschrijvinge der stadt Leijden, 735. 19 De Vries (ea) ‘Spectaculair succes en diep verval’, 100-101; Lourens & Lucassen, ‘Ambachtsgilden in Nederland’, 52. Overigens is de stelling dat Leiden pas aan het eind van de zestiende eeuw een volwaardig gildenwezen kreeg onhoudbaar gebleken (Marsilje, ‘Het economisch leven’, 99. Vgl. Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad I, 175-177).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 67

3.2 het glazenmakersgilde

67

schreven stonden.20 Twaalf jaar later bestond het gilde nog maar uit vierentwintig meesters en elf knechten. De teruggang bleek maar tijdelijk. Het gilde telde in 1650 weer vierendertig meesters en maar liefst dertig knechten.21 Voor een deel heeft de schommeling te maken met de pestepidemieën van 1634-1636. Daarnaast waren eind jaren twintig en begin jaren dertig de bouwactiviteiten in de stad teruggelopen als gevolg van economische malaise.22 Glazenmakers hielden zich zowel bezig met het inzetten en vervangen van vensterruiten als met het produceren van glazen voorwerpen, zoals bijvoorbeeld bekers en lantaarns. Daarnaast beheersten ze de kunst van het glasschrijven ofwel het graveren en beschilderen van glas door het inbranden van kleuren. Sommige glazenmakers, waaronder de bekende Pieter Couwenhorn, bekwaamden zich bovendien in het vervaardigen van gebrandschilderde ramen. Vandaar dat een enkeling zich ook bij het kunstenaarsgilde aansloot.23 De gildenproef bestond uit het maken van een gegraveerd glas of een lantaarn. Hieraan mocht iedere poorter zich wagen die zich vier jaar lang in het vak had bekwaamd en tenminste zestien jaar oud was. Twee leerjaren moesten bovendien bij één meester zijn doorgebracht.24 Die betaalde het gilde tien stuivers ingangsgeld voor zijn leerjongen, mits deze uit Leiden kwam. Voor iemand van buiten de stad betaalde hij het dubbele. Daarnaast droegen leerlingen zelf jaarlijks twee stuivers gildengeld bij van hun weekloon.25 De afsluitende gildenproef kostte een gezel tot 1651 dertig stuivers, daarna het dubbele.26 Na het examen mocht de nieuwe glazenmaker zich vestigen als winkelhouder. Hij diende nu ieder jaar vier stuivers contributie te betalen. In 1658 werd dit bedrag verhoogd tot zes stuivers, wat een schijntje was vergeleken bij bijvoorbeeld de fijnschilders die dertig stuivers per jaar afdroegen.27 Eenmaal lid deelde de meester in het exclusieve recht om Leiden van glas te voorzien. De gildenbrief verbood glazenmakers uit andere plaatsen om in de stad vensters te plaatsen of glas te verkopen. Alleen tijdens de vrije jaarmarkten mochten zij hun waren slijten.28 Ook de wedijver tussen stedelijke glazenmakers onderling werd door het reglement aan banden gelegd. Zo mochten ambachtslieden geen werk van elkaar afpakken. Wie dat toch deed, kreeg een boete van twaalf of achttien gulden.29 Bij onenigheid tussen een opdrachtgever en een glazenmaker mochten collega-glazenmakers pas solliciteren naar overname van het werk als het gildenbestuur zich over de zaak gebogen had, op straffe van zes gulden boete.30 Verder moest de gildenbrief agressieve verkoopmetho20 RAL, GA, inv.nr. 523. 21 Idem, inv.nr. 524/1. 22 Van der Wiel, Leidse wevershuisjes, 43-47; Posthumus, Bronnen IV, 31 (nr. 37). 23 Zie de inleiding bij de inventaris van het gildenarchief bij glazenmakersgilde. Vgl. Vogelaar, ‘Schilderen en bouwen’, 154; Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 261. 24 RAL, SAII, inv.nr. 55, p. 81v. 25 Leerjongens die niet uit Leiden afkomstig waren, betaalden jaarlijks 4 stuivers aan het gilde (zie RAL, GA, inv.nr. 504, art. 1). 26 Idem, inv.nr. 514. 27 Idem, inv.nr. 515; Obreen, Archief voor Nederlandsche kunstgeschiedenis V, 189,190. 28 RAL, GA, inv.nr. 504, art. 4; Idem, SAII, inv.nr. 72, p. 29v. 29 Idem, GA, inv.nr. 504, art. 19. De hoogte van de boete hing af van de aanwezigheid van een overeenkomst tussen de opdrachtgever en de gedupeerde glazenmaker. 30 Idem, BLO, 59500/01p.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 68

68

3 gilden en neringen

den tegengaan. Het was meesters en knechten verboden om huis-aan-huis te informeren of er nog vensters gerepareerd moesten worden. Overtreders konden rekenen op zes gulden boete.31 Tenslotte hield het stadsbestuur de omvang van de bedrijven binnen de perken door in de ordonnantie op te nemen dat knechten niet zomaar bij een andere glazenmaker mochten gaan werken. Eerst moest de oude werkgever financieel worden gecompenseerd. Gebeurde dat niet, dan konden zowel de werknemer als de nieuwe meester rekenen op dertig stuivers boete.32 Het aantal leerjongens dat een werkplaats tegelijk in dienst mocht hebben, werd bovendien in 1658 beperkt tot één.33 3.2.2 Geschilbeslechting Wanneer om wat voor reden dan ook geschillen ontstonden binnen het gilde, moesten betrokkenen deze ter arbitrage voorleggen aan de deken en hoofdmannen van de corporatie. Die vergaderden volgens de keur uit 1615 elke twee weken op maandag. Voor iedere zaak ontvingen zij één gulden, te betalen door de partij die in het ongelijk zou worden gesteld. Het gilde kende overigens een verschijningsplicht. Gedagvaarde leden die verstek lieten gaan, werden beboet met tien gulden. Hoofdmannen die niet kwamen opdagen, betaalden vierentwintig stuivers. Wie het niet eens was met de uitspraak van het gildenforum kon een akte laten optekenen en zich wenden tot de burgemeesters. Op schelden tegen de gildenknecht, die de opgelegde boetes kwam innen, stond een geldstraf van tien gulden. Gildenleden die tijdens vergaderingen stennis schopten, kregen twee gulden boete aan hun broek.34 De beschreven procedures bij geschilbeslechting bestaan slechts in de reglementen. Het is onduidelijk in hoeverre het bestuur van de glazenmakers zich iets van de richtlijnen heeft aangetrokken. De overgeleverde archieven bevatten nauwelijks gegevens over de vergaderingen van het gildencollege. Zo bevat het ‘register van het aannemen van knechten en leerlingen’ alleen een handjevol geschillen uit 1619, 1620 en 1624. De rest van het boek bestaat uit werkcontracten en het aannemen van leerlingen. In het daaropvolgende ‘register van het glazenmakersgilde’ zijn onderlinge onenigheden eveneens spaarzaam.35 Dit kan erop duiden dat geschillen tussen gildenbroeders veelal bij andere instanties of informeel werden opgelost. Het is daarom uniek dat toch enige uitspraken bewaard zijn gebleven. Mogelijk hebben deze betrekking op zaken waarbij informele bemiddeling in een eerder stadium niets uitrichtte. Aan de andere kant duidt het grote verschil in notatie van de kwesties erop dat deze sterk afhankelijk

31 RAL, GA, inv.nr. 504, art. 22. 32 Idem, art. 10. 33 Idem, inv.nr. 515. 34 RAL, GA, inv.nr. 504, art. 23 en 24. Voor de rol van burgemeesters als scheidsrechters bij conflicten tussen gildenbesturen en –leden, zie ook Kernkamp, ‘Regeering en historie’, 52. 35 In 1666 heeft de knecht 11 aanzeggingen gedaan voor in totaal 2 gulden en 4 stuivers. Het ging om niet nader aangeduide particuliere bekendmakingen à 4 stuivers en niet om uitnodigingen voor een begrafenis (een zogenaamde generale weet kostte namelijk 12 stuivers). Van 1666 is maar één geval van geschilbeslechting bekend.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 69

3.2 het glazenmakersgilde

69

was van de bestuurder die de boeken bijhield. Het gebrek aan sporen van geschilbeslechting kan dus ook te maken hebben met nalatigheid van de schrijver.36 Over het algemeen behandelden de deken en hoofdlieden geschillen met betrekking tot het ambacht niet tijdens de reguliere vergaderingen. Die werden volgens de keur twee keer per maand op maandag gehouden. De meeste kwesties blijken op dinsdagen te zijn besproken, hoewel in sommige gevallen de datum niet is vermeld.37 Dat is merkwaardig omdat de bijeenkomsten van het gildenbestuur nadrukkelijk mede bedoeld waren om geschillen te bespreken. Mogelijk belegden de deken en hoofdlieden bij geschillen die niet direct mondeling op te lossen waren, een dag later een nieuwe vergadering om het conflict alsnog te beëindigen. Zo vergaderde het bestuur op een dinsdag speciaal vanwege een kwestie tussen Dirck Cornelisz. Grijp en Douwe Jansz. van Arentsveld. De laatste zou werk van de eerste hebben afgepakt.38 Maar het kan ook dat de vergaderdag op zeker moment uit praktische overwegingen is verschoven naar een meer gelegen moment in de week, zonder dat het stadsbestuur daarvan op de hoogte is gesteld. De apothekers, die verderop aan bod komen, brachten een soortgelijke eigenmachtige verandering in hun keur aan.39 Vrijwel steeds verschenen beide geschilpartijen. Daarmee lijkt de arbitrage door het gildenforum breed geaccepteerd te zijn geweest onder de glazenmakers. Aan de andere kant zal ook de eerder genoemde boete op absentie van invloed zijn geweest. De deken en hoofdlieden hoorden de betrokkenen en ‘accordeerden’ hen vervolgens door middel van een dwingende uitspraak. Daarmee was de kous vaak af. Er kwamen geen getuigen of schriftelijke verklaringen aan te pas. Op dertig juni 1620 verschenen Thomas Jansz. en zijn knecht Pieter Willemsz., vanwege een onderling verschil van mening. De knecht vond dat hij enkele dagen te weinig had uitbetaald gekregen. Zijn baas bestreed dat. Na beide partijen gehoord te hebben, gaven de deken en hoofdmannen de knecht gelijk. Thomas Jansz. moest hem de bewuste dagen gewoon vergoeden.40 Ook mensen van buiten het gilde konden een beroep op het bestuur doen wanneer een glazenmaker hen had benadeeld. Zo daagde Maerten Fransz. Baten op zeventien februari 1666 glazenmaker Jacob Groenendaal voor het gildenforum wegens het niet nakomen van afspraken. Uiteindelijk beloofde Jakob dat hij snel voortgang zou maken met het glasdicht maken van Maertens huis.41 In dit geval trad het gildenbestuur dus op als een klachtencommissie avant la lettre. Gildenleden die zelf een beroepsgebonden conflict aangingen met iemand van buiten de corporatie, sloegen het eigen bestuur meestal over als forum voor geschilbeslechting. Alleen schendingen van het gildenmonopolie, waarbij niet-leden in Leiden
36 In sommige jaren werden zaken vrij uitvoerig weergegeven, terwijl op andere momenten slechts een geldbedrag werd genoteerd met daarbij in één zin een korte omschrijving van de bijbehorende misstap. 37 De vergaderingen van het gildenbestuur vonden niet op een vaste voorgeschreven dag plaats. Wel werden ze ongeveer iedere 14 dagen gehouden. De meeste bijeenkomsten vonden op dinsdag plaats. 38 RAL, GA, inv.nr. 524 (4-2-1625). 39 Zie noot 125. 40 RAL, GA, inv.nr. 523 (30-6-1620). 41 Idem (17-2-1666).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 70

70

3 gilden en neringen

vensters plaatsten, kwamen op het bordje van deken en hoofdlieden terecht. De meeste conflicten met niet-leden maakten glazenmakers aanhangig voor het college van vredemakers. In 1664 ging het steeds om wanbetalende klanten, die door de lage rechtbank tot betalen werden gemaand. De vredemakers troffen meestal een speciale betalingsregeling voor de debiteuren, wat erop wijst dat de klanten in financiële moeilijkheden verkeerden.42 De hoge vergaderfrequentie van het college en de snelle afhandeling van kwesties kwamen in die situaties dus goed van pas. Wanneer het geschil te ingewikkeld was voor de vredemakers, verwezen zij de partijen alsnog naar het gildenbestuur. Zo eiste glazenmaker Dirck Mobach zijn volledige loon van Anthonij Schulfer. Hij had voor zevenennegentig gulden gewerkt en maar negentig gulden gekregen. Mogelijk vond Anthonij dat Dirck zijn werk niet helemaal goed gedaan had. Het college van vredemakers kwam er niet uit en liet de zaak over aan het gildenbestuur. Dat stelde de glazenmaker in het gelijk.43 Helaas zijn uitspraken van de hoofdmannen van het glazenmakersgilde na een renvooi van de vredemakers uiterst zeldzaam. In het archief zijn er slechts twee bewaard. De zaken komen bovendien uit de achttiende eeuw.44 Het gildenbestuur wist de meeste geschillen snel op te lossen, vaak nog tijdens dezelfde bijeenkomst als waarin ze aanhangig werden gemaakt. Zodoende keren de namen van geschilvoerende partijen zelden terug in de boeken. Egmond Egmondsz. van Wel was dan ook een uitzondering toen hij op dertig juni 1620 zijn veroordeling aan zijn laars lapte. Hij was Douwe Jansz. de Vries nog vier gulden, negentien stuivers en twee penningen schuldig, maar betaalde niet. Twee weken later stapte Douwe opnieuw naar het gildenforum. Dat hield Egmond de eerder gesloten overeenkomst voor, maar de glazenmaker toonde zich weinig onder de indruk: ‘Gij schrijft en tekent wat gij wilt, ik en passe daar niet op.’ Deze houding kwam hem niet alleen op de onkosten van de vergadering te staan, maar ook op een klacht bij de burgemeesters wegens het beledigen van de gildenbestuurders. Uiteindelijk liet Egmond het niet op een veroordeling door het stadsbestuur aankomen. Hij nam zijn woorden terug en beloofde de gewraakte som geld binnen een maand te betalen, waarop de deken en hoofdmannen zich borg voor hem stelden. Op vier augustus ontbood het bestuur hem om de rekening te vereffenen. Maar Egmond verscheen niet. Ook op één september kwam hij niet opdagen. Douwe eiste daarom het geld van de borgen. Die betaalden het geld zolang uit de gildenkas en stuurden de bode met de roede naar Egmond om hem als nog tot betaling te dwingen. Aangezien het gildenforum niet meer op de kwestie terugkwam, mag worden aangenomen dat de zaak uiteindelijk, na dreiging met de gedwongen verkoop van zijn goederen, werd opgelost.45 Het gildenbestuur legde in bovengenoemde zaak opvallend veel geduld aan de dag met de opstandige Egmond Egmondsz. van Wel. Hij kreeg zonder mankeren een ver42 Jacob van der Haess werd toegestaan om zijn schuld aan glazenmaker Thomas Jansz. Chimaij in twee termijnen te betalen. Maerten Fransz. Baten en Johannes van Bochem mochten de rekening in natura – lakens – voldoen (zie RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (5-8-1664) en 2I (19-12-1664; 22-12-1664). 43 RAL, GA, inv.nr. 537. 44 Ibidem en idem, nr. 536. Zie hoofdstuk 7 voor een nadere bespreking van het college van vredemakers. 45 RAL, GA, inv.nr. 523 (30-6-1620; 14-7-1620; 4-8-1620; 1-9-1620).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 71

3.2 het glazenmakersgilde

71

lenging van de betalingstermijn. Pas in september, twee maanden na de eerste veroordeling, besloten de hoofdmannen tot het inschakelen van de bode met de roede. Nu betrof het hier een gildenlid in conflict met een niet-gildenlid. Het gilde wilde mogelijk, ondanks de veroordeling, de eigen leden niet teveel in de weg leggen. Dat verklaart ook waarom de bestuurders zich onmiddellijk borg stelden toen Egmond zich opeens toeschietelijk toonde, maar onvoldoende geld had om zijn crediteur te voldoen. Eenzelfde houding blijkt ook uit de zaak van meester Jan Jaspersz. Van Duijnen. Deze werd op zeven juli 1620 door het gildenforum opgedragen de overeenkomst met Arie Dircx van Leeuwen na te komen en de glazen te plaatsen zonder méér geld te vragen dan was afgesproken. Jan weigerde. Hij schold buiten de vergadering de deken zelfs uit voor ‘hondsvot’. Toen hij daar op werd aangesproken, betuigde hij zijn spijt, waarna hij er met het betalen van de proceskosten vanaf kwam.46
Tabel 3.1 Verdeling van de geschillen binnen het glazenmakersgilde in soorten (1618-1668), uitgedrukt in personen (mannen (M), vrouwen (V) en totaal (T)) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes is het aantal keren vermeld dat een zaak in het gildenboek terugkeerde. Personen 1618-1668 Eiser M V T 3 0 347 2 0 248 0 0 049 3 0 3 1 0 1 0 0 0 9 0 9 Zaken Gedaagde M V 52 0 3 0 2 0 3 0 1 0 0 0 61 0 T 52 3 250 3 1 0 61 N 16 3 3 (1) 3 (2) 1 0 26 (3) % 62 12 12 12 4 0 100

Type geschil

Overtreding gildenregels Onenigheid over afspraken Schending monopolie Schulden van klanten Schulden tussen broeders Klacht over geleverd werk Totaal

Bron: RAL, GA, inv.nr. 523 en 524.

Bij de afhandeling van overtredingen van de gildenbrief toonde het gildenbestuur zich beduidend minder coulant. Glazenmakers die hun knechten niet op tijd lieten registreren, kregen zonder pardon de in de ordonnantie vastgestelde boete opgelegd. Hetzelfde gold voor lieden die werk aannamen zonder de benodigde proef te hebben afgelegd.51 Het bestuur probeerde hierdoor oneerlijke concurrentie te voorkomen en voor alle aangesloten glazenmakers een minimuminkomen te garanderen. Ook zag het gilde toe op de onderlinge saamhorigheid. Glazenmakers die niet kwamen opdagen bij de begrafenis van een collega, konden rekenen op een boete van drie stuivers.52
46 47 48 49 50 51 52 Ibidem (7-7-1620; 12-7-1620). In 13 zaken was het gilde eiser. In 1 zaak was het gilde eiser. In de 3 zaken was het gilde eiser. In 1 zaak is de gedaagde niet genoemd. RAL, GA, inv.nr. 524/1 (31-7-1618; 15-7-1619; 1636; 1641; 16-3-1653). Idem (1-6-1645; 7-11-1649; 2-10-1653; 1-6-1657; 24-12-1657; 1-1-1663; 29-5-1665).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 72

72

3 gilden en neringen

Overtredingen van de gildenreglementen werden in de aangetroffen zaken altijd beboet volgens de in de ordonnantie vastgelegde richtlijnen. Dat kon ook omdat de gildenbrief door ieder lid moest worden ondertekend.53 In kwesties waarover in de reglementen niets was vastgelegd, probeerden gildenbestuurders de geschillen te beslechten door de betrokken partijen tot overeenstemming te brengen. Zij zochten dan een voor beiden aanvaardbare oplossing. Bij problemen met klanten kregen in de gevonden gevallen steeds de klanten gelijk. Het gilde leek ervoor te waken niet in diskrediet te worden gebracht door enkele leden. Vandaar mogelijk ook dat gildenmeesters zelf liever een ander forum mobiliseerden bij problemen met klanten. Maar tegelijk bracht het bestuur veel geduld op voor gildenmeesters die onder een uitspraak uit wilden komen. Overigens was de rek niet oneindig. Zodra het gezag van het gildenforum in het geding kwam, werd streng ingegrepen. Hieruit volgt dat de gildenbestuurders vooral uit waren op het herstel van de orde binnen het gilde en het hooghouden van de goede naam buiten het gilde. Dit is in overeenstemming met de bevindingen van K. van Honacker voor Brussel. Vuile was mocht niet buiten gehangen worden. Als de regels geen soelaas boden, werden conflicten zo snel mogelijk de wereld uit geholpen met een voor beide partijen zo acceptabel mogelijke uitweg.54 Gezien het lage aantal beroepsgebonden geschillen dat tijdens vergaderingen werd genoteerd, gemiddeld één per twee jaar, kan worden geconcludeerd dat glazenmakers bij onenigheid niet hebben gewacht tot een bijeenkomst van de deken en hoofdmannen. Natuurlijk zal ook onderregistratie een rol hebben gespeeld, gezien de wisselende kwaliteit van de notulen. Aan de andere kant waren onderhandse regelingen op straat of in de kroeg eenvoudig te treffen. Het gilde was klein en men kende elkaar zodoende goed. De beroepsgroep was bovendien niet bijzonder kapitaalkrachtig. In rekesten aan het stadsbestuur gaf ze steeds aan over weinig financiële middelen te beschikken.55 Slechts twee glazenmakers staan vermeld in de kohieren van de tweehonderdste penning; één van hen is bovendien in de laagste categorie ingeschaald. Wellicht probeerden de glazenmakers vaak een geschil tot een oplossing te brengen voordat een uitspraak van het gildenbestuur hen geld ging kosten. Het is daarom interessant eens naar de boeken van een meer welvarend gilde te kijken.

3.3 Het chirurgijnsgilde 3.3.1 Ontstaan en ontwikkeling In veel steden van de Republiek vormden chirurgijns en barbiers samen één corporatie. Zo ook in Leiden. Beide beroepen leken ook lange tijd erg op elkaar. Zowel chirurgijns als barbiers hielden zich bezig met knippen, scheren en het genezen van zieken.56
53 54 55 56 Vgl. Panhuijsen, Maatwerk, 78. Van Honacker, ‘Brusselse ambachten’, 202. RAL, GA, inv.nr. 512; Idem, SAII, inv.nr. 56, p. 148; Idem, inv.nr. 72, p. 244v. Appendix op keurboek 1406 boek VI 48, par. 3 (10-6-1441), in: Hamaker, Middeleeuwsche keurboeken.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 73

3.3 het chirurgijnsgilde

73

In de loop van de vijftiende en zestiende eeuw ontstond enige verwijdering tussen beide ambachten toen de overheid uit toenemende zorg om gezondheidsproblemen in de stad de medische zorg reorganiseerde.57 De gildenbrief van 1553 markeert dit. Voortaan was de interne geneeskunde alleen nog voorbehouden aan universitair geschoolde medici, die buiten het gilde stonden. Chirurgijns mochten de meer uitwendige ziekten behandelen, mits zij een voorgeschreven leertraject hadden doorlopen en kennis hadden van abcessen, wonden, zweren en breuken.58 Barbiers tenslotte dienden zich, naast het knippen en scheren, te beperken tot aderlatingen, waarvoor zij een praktijkexamen moesten afleggen. Het gildenbestuur, bestaande uit een deken en twee proefmeesters, moest op de proeven toezien.59 Aan het einde van de zestiende eeuw namen de opleidingseisen voor chirurgijns verder toe, onder meer door de komst van de Leidse universiteit en de toegenomen medische kennis. Het stadsbestuur wilde meer waarborgen voor een goede stedelijke gezondheidszorg. Zo voegde de overheid een hoogleraar medicijnen als toezichthouder toe aan de examencommissie van het chirurgijnsgilde. Ook moesten kandidaten vanaf 1589 zestien thesen beantwoorden met betrekking tot de chirurgie en de anatomie.60 Het gilde kon deze veranderingen aanvankelijk maar half waarderen. Zo was het bestuur er niet erg gelukkig mee dat de Leidse overheid de universitair geschoolde artsen tot hoogste medische autoriteit had verheven. Dat blijkt uit een niet gehonoreerde conceptbrief uit de eerste helft van de zeventiende eeuw. Het gilde stelde daarin voor de aanwezigheid van een hoogleraar bij de proef te schrappen. Tegelijk handhaafden de chirurgijns de beantwoording van de eerder genoemde thesen. Ze erkenden daarmee dus dat nieuwe leden beter voor hun taak moesten worden toegerust. Alleen achtten de deken en proefmeesters zich prima in staat om het examen van de chirurgijns zelf af te nemen. Hieruit spreekt een groeiend beroepsbewustzijn van de heelmeesters.61 Het stadsbestuur breidde in de loop van de zeventiende eeuw de universitaire controle op de gildenproef verder uit, het verzet van de chirurgijns ten spijt. Volgens de ordonnanties van 1637 en 1681 moesten naast een hoogleraar medicijnen ook twee stadsdoctoren in de examencommissie worden opgenomen.62 Dit waren doctores medicinae in dienst van de stedelijke overheid.63 Tegelijk werd de gildenproef verzwaard. De enkelvoudige theoretische toets verdween. Daarvoor in de plaats kwam een drieledig examen waarin ook de praktijk een plaats kreeg. Zo moest een kandidaat in het gasthuis of op de gildenkamer een drietal verbanden kunnen aanleggen, een brandijzer hante57 Vgl. Van Andel, Chirurgijns, 11,45; Overvoorde, ‘De Leidsche ambachtsbroederschappen’, 346. 58 RAL, GA, inv.nr. 306, art. 1,2. 59 Idem, art. 3,5. Zie voor dit onderscheid ook: Hulshof, ‘De Gilden’, 137; Huisman, Stadsbelang en standsbesef, 47. 60 RAL, GA, inv.nr. 307, art. 3. 61 Idem, inv.nr. 308. Voor meer informatie over dit proces: Frijhoff, ‘Non satis dignitatis’, 379-406 en Huisman, Stadsbelang en standsbesef, 55,69,91,92. 62 RAL, SAII, inv.nr. 20, p. 97v-107v, art. 3; Idem, GA, inv.nr. 310, art. 3 en 4. Merk op dat Leiden niet, zoals Amsterdam, een collegium medicum kende. Dit orgaan hield toezicht op de hele medische sector, van chirurgijns, apothekers tot doctores medicinae (Vgl. Frijhoff (ea), Geschiedenis van Amsterdam II,2, 116-118). 63 Vgl. Huisman, Stadsbelang en standsbesef, 49-69.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 74

74

3 gilden en neringen

ren om wonden te reinigen en twee lancetten vervaardigen, waarmee aders konden worden aangeprikt. Daarnaast werd de kandidaat ondervraagd over anatomie en chirurgie. Tot slot volgden nog de thesen over door de examinatoren aangereikte onderwerpen.64 Een en ander markeert een volgende fase in de beroepsontwikkeling van de heelmeesters. Het proces voltrok zich uiteindelijk niet zónder, zoals de gildenbestuurders aanvankelijk wensten, maar juist mét hulp van de doctores medicinae.65 Het gilde gaf zijn verzet op. Meer en meer beschouwden de chirurgijns de kennis van de universitair geschoolde medici als maatgevend. Ze ontleenden er zelfs hun prestige aan.66 De hogere bedragen die in 1681 aan het gilde moesten worden betaald, weerspiegelen dit proces. Niet alleen de examens werden duurder, ook werd voortaan inganggeld geheven.67 De jaarlijkse contributie voor het gilde werd vertwaalfvoudigd van twee naar vierentwintig stuivers.68 Deze tendens zette zich voort in de achttiende eeuw.69 Daarmee lijken de Leidse chirurgijnsproeven duur, maar in andere steden van de Republiek lag het examengeld over het algemeen veel hoger. In Amsterdam bijvoorbeeld betaalden chirurgijns in de achttiende eeuw afhankelijk van hun afkomst ruim tweehonderd gulden, terwijl het gildengeld daar vijf gulden bedroeg. Ook in Den Bosch, Zierikzee en Utrecht kostte een proef beduidend meer dan in Leiden.70 De toegenomen exclusiviteit die het gilde zich aanmat, is niet terug te zien in het inkomen van de beroepsgroep. Zowel in Amsterdam als in Leiden betaalden de meeste chirurgijns geen vermogensbelasting.71 De relatief bescheiden inkomens kunnen worden verklaard uit het feit dat de markt voor de over het algemeen dure heelmeesters beperkt was. Veel chirurgijns hadden vaste scheerklanten nodig om zich te kunnen onderhouden. Daarbij komt dat het chirurgijnsgilde een minder gesloten monopolie kende dan andere corporaties in de stad. Rondreizende genezers die zich toelegden op risicovolle handelingen, zoals oculisten, steen- en breuksnijders, mochten na toestemming van het stadsbestuur tijdelijk hun diensten in Leiden aanbieden. Voorwaarde was wel dat een doctor medicinae en twee chirurgijns toezicht hielden. De kwakzalvers betaalden het gilde hiervoor drie gulden.72 Als ze ook medicijnen wilden verkopen – wat maar beperkt was toegestaan – moesten zij de corporatie zes stuivers per dag vergoe64 RAL, SAII, inv.nr. 20, p. 97v-107v, art. 3; Idem, GA, inv.nr. 310, art. 3 en 4. Overigens bracht de ordonnantie van 1681 een verdere verzwaring van het examen, namelijk een verlenging van de opleidingsduur van 2 naar 5 jaar. Ook konden kandidaten de eis krijgen een lijk te ontleden, mits een lichaam voor handen was. 65 Zie ook Huisman, Stadsbelang en stadsbesef, 91,92. 66 Idem, 183,193, 302; Frijhoff, ‘Non satis dignitatis’, 399; Van Andel, Chirurgijns, 84. 67 Kostte een examen in 1589 nog 24 stuivers inschrijfgeld en 30 stuivers vergoeding voor het toetsingscollege, in 1681 betaalde een kandidaat 3 gulden voor de gildenbrief, 3 gulden aan het gilde en tenslotte 3 gulden aan iedere examinator. Het inganggeld, dat nog onbekend was in 1589, kwam op 5 gulden voor de zoon van een gildenbroeder, 6 gulden voor een burgerzoon en 10 gulden voor een nieuwe poorter. 68 RAL, GA, inv.nr. 310, art. 7,8,9,10. 69 Het gildenarchief bevat alleen nog een reglement van 1703, waarin voor een gildenproef 8 gulden moest worden betaald. De vereringen voor gilde en examinatoren alsmede de oorkondepenning bleven gelijk. (RAL, GA, inv.nr. 311). 70 Eeghen, De gilden, 86; Bos, Uijt liefde tot malcander, 61 (voor een vergelijking met andere steden), 76. 71 Zie Bos, Uijt liefde tot malcander, 63 en Peltjes, Leidse Lasten, 13. 72 RAL, GA, inv.nr.310, art. 12.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 75

3.3 het chirurgijnsgilde

75

den. Deze bepalingen golden voor alle niet-gildenleden en dus ook voor inwoners van Leiden.73 Reizende meesters die hun werk permanent in Leiden wilden doen, konden na een ontheffing van de stedelijke overheid, in het gilde worden opgenomen. Zij hoefden dan geen proef te doen. Wel betaalden ze jaarlijks contributie aan het gilde.74 Chirurgijns van buiten de stad mochten in Leiden ook zieken behandelen. De patiënten moesten hen wel zelf aan hun ziekbed hebben gevraagd. Verder dienden de ‘vreemde’ meesters te worden gecontroleerd door een Leidse chirurgijn. In geval het niet boterde tussen beide heelmeesters, moest het gilde een arts aanwijzen die als tussenpersoon fungeerde. Pas wanneer die de samenwerking niet kon verbeteren, werd de ‘vreemde’ meester de stad uitgezet. Deze geduldige houding maakte het mogelijk, voor wie het kon betalen, om bij ernstige ziekten de hulp van een wijd en zijd bekend staande deskundige uit een andere stad in te roepen.75 Omgekeerd konden ook Leidse heelmeesters naar andere plaatsen afreizen op verzoek van patiënten aldaar. Zo werden op twaalf september 1668 de chirurgijns Banier van Es en Jan Melis naar Boskoop geroepen om het genezingsproces te beoordelen van een slachtoffer met buikwonden. De patiënt trof het niet. De samenwerking met de plaatselijke chirurgijn verliep niet al te best, waarna de Leidse heelmeesters onverrichter zake weer moesten terugkeren.76 Ten aanzien van onderlinge concurrentie stelde het gilde zich eveneens vrij mild op. Een patiënt mocht zo vaak als hij wilde van chirurgijn wisselen, op voorwaarde dat hij degene met wie hij eerder in zee was gegaan, afbetaalde.77 Ook kon hij zich in noodgevallen tot een ander wenden wanneer zijn eigen chirurgijn afwezig was. Het stond een patiënt verder vrij om meerdere chirurgijns in te roepen die moesten samenwerken. De heelmeesters dienden dan genoegen te nemen met een evenredig deel van de kosten.78 Steeds stond het belang van de patiënt voorop. Zo voorkwam het gilde dat door de slechte prestaties van één heelmeester de hele beroepsgroep een slechte naam zou krijgen. Tegelijk leverden deze maatregelen meer kansen op werk en dus inkomen voor de chirurgijns, die voor de meeste Leidenaren veel te duur waren. Een behandeling, inclusief medicijnen, kostte al gauw enkele tientallen guldens. Vandaar dat patiënten en chirurgijns, met het oog op beider belangen, vaak van te voren afspraken maakten. Zij kwamen dan een prijs overeen, die doorgaans afhing van het succes van de behandeling. In een aantal gevallen, meestal bij moeilijke verrichtingen, resulteerden deze regelingen in een schriftelijk contract.79

73 Idem, SAII, inv.nr. 89, p. 236. 74 Dit blijkt uit enkele voorbeelden uit het gerechtsdagboek. Zo mocht Johannes van der Puth uit Harlingen zich vestigen als operateur, oculist en steen- en breuksnijder, mits hij poorter werd en zowel aan het apothekers- als het chirurgijnsgilde jaargeld betaalde (RAL, SAII, inv.nr. 90, p. 20v). 75 RAL, GA, inv.nr. 310, art. 11. 76 Idem, ONA, inv. 782, nr. 393. 77 In Gouda was tussenkomst van het gildenbestuur bij wisseling van chirurgijn verplicht (zie Hulshof, ‘De gilden’, 138). 78 RAL, GA, inv.nr. 310, art. 13 en 14. 79 In de Leidse archieven zijn geen (afschriften van) contracten tussen heelmeesters en patiënten te vinden. Wel kunnen verwijzingen daarnaar worden aangetroffen in RAL, GA, inv.nr. 390.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 76

76

3 gilden en neringen

3.3.2 Geschilbeslechting Geschillen tussen gildenbroeders onderling of tussen patiënten en chirurgijns, konden worden voorgelegd aan de examencommissie van de corporatie. Dit zogeheten collegium chirurgicum kwam iedere eerste woensdag van de maand bijeen op de gildenkamer boven het stedelijke waaggebouw en vergaderde daar over examens, leerbrieven en andere zaken die de corporatie aangingen.80 Onduidelijk is of de stadsdoctoren en de hoogleraar medicijnen daar steeds bij aanwezig zijn geweest. In de bronnen wordt het college steeds als collectief genoemd, zonder aanduiding van de individuele leden. De gildenbrief van 1637 bepaalde nadrukkelijk dat bij het verdelen van de boetes de deken en de proefmeesters niets mocht worden ‘miszegd’.81 Over de doctores medicinae en de hoogleraar zwijgen de reglementen in dit verband. Daarmee lijkt het opleggen van boetes uitsluitend een zaak van het gildenbestuur te zijn geweest.82 Gildenleden betaalden voor een uitspraak in een kwestie twaalf stuivers in geval van een reguliere bijeenkomst. Dat is beduidend minder dan de twintig stuivers die de eerder besproken glazenmakers moesten afdragen. Voor een extra ingelaste vergadering rekende het college overigens drieënhalve gulden.83 De lage proceskosten die het collegium chirurgicum rekende verklaren mogelijk waarom het archief van de chirurgijns meer geschillen bevat dan dat van de glazenmakers. In de ‘Notulen van decisiën en getroffen akkoorden op renvooien en andere dagingen tussen discreperende partijen bij het college gevonden en gewezen’ staan voor de jaren 1682 tot 1700 drieëndertig zaken opgetekend.84 Bestudering van de financiële administratie van de corporatie levert met betrekking tot dezelfde periode nog eens zestien kwesties op.85 De ‘akten, ampliatiën en renvooien van het chirurgijnsgilde’ bevatten tenslotte nog een beschrijving van één langslepend geschil.86 Dit komt al met al neer op een gemiddelde van bijna drie geschillen per jaar. Maar het zou eenzijdig zijn om alleen geldelijke overwegingen als verklaring aan te voeren. Zoals hierboven al is opgemerkt, maakten chirurgijns en patiënten onderling afspraken over de behandeling, soms ook schriftelijk, waardoor bij onenigheid eenvoudiger een formeel proces te voeren viel. De gesloten overeenkomst was immers door derden controleerbaar. Bovendien groeiden in de loop van de zeventiende eeuw het standsbewustzijn en de professionaliteit van de chirurgijns, waardoor zij zich eerder op hun status voorstonden en ook sneller bereid waren die op een formele wijze te verdedigen. Veruit de meeste geschillen die door het gildenbestuur werden behandeld, hadden betrekking op slecht betalende patiënten. Chirurgijns eisten, eventueel met het contract in de hand, naleving van de gemaakte afspraken. Zo daagde op vier maart 1693
80 RAL, GA, inv.nr. 310, art. 4 en 5; Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 23. 81 RAL, SAII, inv.nr. 20, art. 29. 82 De notulen van de vergaderingen brengen hierin evenmin duidelijkheid. Er zijn ook geen presentielijsten van de vergaderingen bekend. 83 RAL, GA, inv.nr. 310, art. 4. 84 RAL, GA, inv.nr. 390. 85 Idem, inv.nr. 382. 86 Idem, inv.nr. 314.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 77

3.3 het chirurgijnsgilde

77

meester Walrand de la Tombe een weduwe voor het collegium chirurgicum, die hem tien gulden schuldig was. Na beide partijen te hebben aangehoord, bepaalde het forum dat de weduwe aan Walrand zonder mankeren het hele bedrag moest betalen.87 Ook Maertje Philipsd. diende het volledige meesterloon te voldoen. Salomon de Water en Cornelis Baron hadden haar op 3 januari 1691 gedagvaard omdat zij treuzelde met de betaling van vijftig gulden voor het genezen van haar gebroken arm. Overigens gaf het chirurgijnsbestuur Maertje wel de mogelijkheid om in twee termijnen te betalen om zo de financiële lasten enigszins te spreiden.88 Omgekeerd klaagden zieken zelden bij het gildenbestuur over slecht presterende heelmeesters of slecht genezende kwalen.89 Dat is opvallend. Mogelijk zagen patiënten het collegium chirurgicum vooral als een instelling voor de gildenleden zelf, waar geen eerlijk proces van verwacht kon worden. Maar ook andere fora voor geschilbeslechting kregen weinig met klachten van gedupeerde zieken te maken. De meeste staan in de kladresoluties van het stadsbestuur. Die bevatten tussen 1664 en 1668 een tiental klachten. Het zou kunnen dat het collegium chirurgicum zich eerst over deze zaken heeft uitgelaten. De kwesties in de kladresoluties zouden dan appèlzaken zijn. Maar dat is niet waarschijnlijk. Het gildenbestuur wordt in geen van de kwesties genoemd. Jannetje Ariaensd. liet heelmeester Jonathan Hartog voor de burgemeesters van Leiden roepen. De chirurgijn zou haar kind voor tien gulden van een buikzweer afhelpen, mits de helft van het geld vooruit werd betaald. Het kind werd echter alleen maar zieker. Jonathan gaf Jannetje daarop uit eigen beweging drie gulden en tien stuivers terug. Uiteindelijk overleed het kind. Jannetje stelde Jonathan aansprakelijk en eiste ook de resterende dertig stuivers terug. Daarop vroegen de burgemeesters de mening van de stadsdoctoren. Die verklaarden dat het kind inderdaad was overleden aan de gevolgen van de zweer. De burgemeesters bepaalden dat de chirurgijn, die in 1665 tot het gilde was toegetreden, alleen nog maar veelvoorkomende behandelingen mocht uitvoeren. Over de dertig stuivers zwegen de burgemeesters.90 Het notarieel archief, de vredemakersboeken en de rollen van de civiele en criminele vierschaar bevatten in de periode 1664-1668 vrijwel geen grieven tegen chirurgijns. De heelmeesters die in deze bronnen voorkomen, zijn doorgaans betrokken bij andersoortige zaken. Zo moesten ze sinds 1583 patiënten met toegebracht letsel binnen een half uur bij de schout aangeven. Deze meldplicht bij zogeheten ‘bloedreizen’ of open wonden maakte chirurgijns tot een onderdeel van het stedelijk justitieel apparaat.91 Daarnaast vroeg de schout in rechtszaken over moord of doodslag de heelmeesters naar de doodsoorzaak. Chirurgijns werden verder regelmatig door gedupeerden gevraagd in een notariële akte de aard en omvang van een mishandeling te beschrijven. Anna
87 Idem, inv.nr. 390 (4-3-1693). 88 Idem (3-1-1691). 89 In 1682 maakte Cornelis Honthorst aanspraak op een vergoeding van ‘pijn en smart’ na ontsteking van een wond. Zijn klacht betrof echter geen chirurgijn, maar een bij het gilde aangesloten operateur. Die weigerde zijn medewerking aan het proces, waardoor het collegium chirurgicum weinig kon uitrichten. 90 RAL, SAII, inv.nr. 250 (2-7-1668). 91 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 250. Vanaf 1681 stond deze bepaling ook in de gildenbrief van de chirurgijns (RAL, GA, inv.nr. 310, art. 28). Vgl. Huisman, Stadsbelang en standsbesef, 73,83.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 78

78

3 gilden en neringen

Catrijn bijvoorbeeld liet in haar civiel proces tegen Guillaum le Clerque een chirurgijn haar toestand uitgebreid beschrijven om de schade te verhalen die ze opliep als gevolg van hoofdletsel door een klap van haar opponent.92 Tot slot bevatten de gerechtelijke bronnen nog enkele zaken tegen chirurgijns, die nalatig waren in het betalen van rekeningen. Toch wil het geringe aantal klachten tegen chirurgijns niet zeggen dat zieken zich lijdelijk opstelden of helemaal geen klachten hadden. Ze verlangden bijvoorbeeld dat de heelmeesters zich voldoende inspanden voor hun genezing. Dat was per slot van rekening ook de inzet bij de contracten die zij met hen maakten. Wanneer de chirurgijns de afspraken niet nakwamen, volgde wel degelijk protest, zij het wat bedekt voor de hedendaagse onderzoeker. Zo konden ze zonder tussenkomst van het gildenbestuur van chirurgijn veranderen of om een second opinion vragen. Dit kwam volgens de conceptbrief uit het begin van de zeventiende eeuw regelmatig voor.93 Daarnaast namen patiënten de vrijheid om bij contractbreuk door de chirurgijn hun eigen deel van de afspraken ook niet na te komen. Ze voldeden dan domweg de rekening niet. Dit plaatst de vele achterstallige betalingen die de chirurgijns bij hun gildenbestuur aanhangig maakten, in een ander licht. Door het op een dagvaarding te laten aankomen, dwongen patiënten de chirurgijns om hun werk aan het collegium chirurgicum voor te leggen. Het gildenbestuur toonde zich op zijn beurt over het algemeen niet ongevoelig voor de bedekte onvrede en kwam de zieken tegemoet. Zo oordeelde het forum dat de vader van een patiëntje bij nader inzien niet de volledige drieënzestig gulden hoefde te betalen voor de genezing van de kinderhand. Na het horen van de beide partijen, moest de heelmeester genoegen nemen met een tientje minder.94 Pieter de Vinck was na toetsing nog maar achttien van de vijfentwintig gulden schuldig aan de chirurgijns Walrand de la Tombe en Jacobus le Mer.95 Sommige chirurgijns probeerden het gildenbestuur buiten de geschillen met hun patiënten te houden door wanbetalers direct voor het college van vredemakers te dagen.96 Een uitspraak van deze lage rechtbank was bovendien weinig kostbaar, zolang geen externe arbiters ingeschakeld hoefden te worden. In 1664 dwongen zo zeven chirurgijns met succes betaling van hun diensten af.97 De vredemakers hielden twee keer per week zitting, vanaf 1668 zelfs drie keer, en kwamen in korte tijd tot een beslissing. Ze verwezen gecompliceerde zaken echter vaak door naar het gilde. Dat betekende ook dat de dikwijls specialistische kwesties over wanprestaties alsnog op het bordje van het collegium chirurgicum terecht kwamen. Het geval van Gerrit Minne illustreert dit. Deze chirurgijn had afgesproken de broer van Jan Pietersz. Verduin voor veertig gulden te genezen. Jan, die zijn broer blijkbaar onderhield, had dertig gulden vooruit moeten
92 RAL, ONA, inv.nr. 777, nr. 368, 370-374; Idem, ORA, inv.nr. 44 F, p. 178. 93 RAL, GA, inv.nr. 308, art. 16 en 17. 94 Idem, inv.nr. 390 (13-3-1686). 95 Ibidem (4-7-1696). 96 Nadere informatie over het college van vredemakers in hoofdstuk 7. 97 RAL, ORA, 47 H (25-2-1664; 29-2-1664; 7-3-1664; 1-8-1664; 8-9-1664); I (24-10-1664; 3-11-1664). Een uitspraak van de vredemakers kostte twee tot drie stuivers voor de bode en vier stuivers voor eventuele arbiters. Vergelijk dat met de 12 stuivers of drieënhalve gulden van het collegium chirurgicum.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 79

3.3 het chirurgijnsgilde

79

betalen. De patiënt bleef echter ziek. Jan weigerde de resterende tien gulden op tafel te leggen. Gerrit Minne begon een rechtszaak voor het college van vredemakers. Maar dat vond de kwestie te ingewikkeld. Het collegium chirurgicum oordeelde tenslotte dat de chirurgijn de reeds betaalde dertig gulden mocht houden, maar geen aanspraak meer mocht maken op de rest.98
Tabel 3.2 Type geschil Verdeling van de geschillen binnen het chirurgijnsgilde in soorten (1682-1699), uitgedrukt in personen (mannen (M), vrouwen (V) en totaal (T)) en het aantal zaken (N). Personen 1682-1699 Eiser M V T 38 1 39 3 0 3 3 0 3 2 0 2 2 0 2 1 0 1 0 0 0 49 1 50 Zaken Gedaagde M V 29 9 3 0 2 0 2 0 2 0 1 0 0 0 39 9 T 3899 3 2100 2 2 1 0 48 N 39 3 3 2 2 1 0 50 % 78 6 6 4 4 2 0 100

Schulden van klanten Onenigheid over afspraken Overtreding gildenregels Onbekend Klacht over geleverd werk Schulden tussen broeders Schending monopolie Totaal

Bron: RAL, GA, inv.nr. 314, 390 en 382.

Van de vijftig zaken die het gildenbestuur van de chirurgijns tussen 1682 en 1699 behandelde, gingen er volgens het notulenboek vierentwintig over achterstallige betalingen. Het ‘ontfanghboeck’ voegt daar nog vijftien soortgelijke geschillen aan toe. Van deze in totaal negenendertig betalingskwesties dienden er achttien eerst voor het college van vredemakers alvorens ze bij het gilde terecht kwamen. Uiteindelijk besliste het collegium chirurgicum verreweg de meeste geschillen over betalingen in het voordeel van de patiënt. Alleen in zes gevallen was de uitspraak conform de eis. Dit zou er op kunnen wijzen dat zieken hun rekeningen over het algemeen gewoon voldeden en alleen betaling weigerden als er ook echt een wanprestatie was geleverd of anderszins een te hoog bedrag in rekening was gebracht. Tegelijk kan worden geconcludeerd dat het gildenforum zich verantwoordelijk toonde voor de reputatie van het gilde, wat gezien het groeiend standsbesef steeds belangrijker werd. De corporatie had er belang bij de gemaakte fouten te corrigeren en de goede naam te behouden. Volledige kwijtschelding van het met een chirurgijn overeengekomen bedrag kregen patiënten overigens nooit. Het gilde diende immers eveneens in te staan voor de broodwinning van zijn leden. De aangetroffen onenigheden over gemaakte afspraken tussen gildenleden hadden in de onderzochte periode alleen betrekking op geschillen tussen knechten en mees98 RAL, GA, inv.nr. 390 (3-6-1682). 99 In één zaak is de gedaagde niet bij name genoemd. 100 In één zaak is het gilde gedaagd.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 80

80

3 gilden en neringen

ters. De ‘kwestieboeken’ bevatten hierover weinig details.101 Onder het kopje ‘overtredingen van de gildenregels’ staan meer onderling verschillende zaken. Zo ging een geschil over het vroegtijdig vertrek van een leerjongen.102 Het tweede probleem betrof het overnemen van een patiënt zonder de collega-chirurgijn, die oorspronkelijk de behandeling op zich had genomen, te compenseren.103 De derde kwestie van deze categorie staat opgetekend in de ‘acten, ampliatiën en renvooijen van het chirurgijnsgilde’, waarin het bestuur over het algemeen alleen administratieve notities maakte. Gerrit Mouque vocht echter tussen 1696 en 1698 enkele beslissingen van het collegium chirurgicum aan, waardoor de schriftelijke weerslag hiervan in de ‘acten’ terecht kwam. Gerrit zakte keer op keer voor zijn examens. Uiteindelijk werd hij, na overleg met het stadsbestuur, toch tot het gilde toegelaten onder voorwaarden dat hij bij de meer ingewikkeldere ingrepen collega’s zou raadplegen. Gerrit was dus geen volwaardig chirurgijn en mocht zich ook niet als zodanig afficheren, bijvoorbeeld door middel van een uithangbord. Maar hij negeerde dit en moest tot tweemaal toe door de burgemeesters worden gesommeerd zijn bord te verwijderen.104 De kwestie inzake de ‘schulden tussen de gildenbroeders’ tot slot gaat om de verkoop van goederen van Dirck Carreman aan Johannes la Sar. Dirck daagde Johannes voor het college van vredemakers. Dat schoof de kwestie door naar het gildenbestuur. Besloten werd dat Johannes zijn schulden moest betalen door zestig klanten van Dirck te scheren en het scheergeld af te dragen.105 Deze zaak is de enige tussen 1682 en 1699 waarin een heelmeester een collega aanklaagde. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de onderlinge verhoudingen tussen chirurgijns bijzonder goed waren. Maar het is waarschijnlijker dat de chirurgijns niet alle onderlinge kwesties voor het gildencollege of een ander forum uitspeelden. De gildenreglementen vanaf 1589 lieten daar ook een opening voor. Volgens een bepaling mochten gildenleden elkaar in het bijzijn van twee burgers bekeuren alsof ze het gildenbestuur in eigen persoon waren.106 Deze bekeuringen zijn niet geregistreerd, waardoor ze buiten het bereik van historisch onderzoek blijven. Toch kan worden vastgesteld dat de Leidse heelmeesters beduidend meer geschillen in de gildenkamer lijken te hebben behandeld dan de eerder genoemde glazenmakers. Het bestuur van dat gilde sprak zich bijvoorbeeld niet of nauwelijks uit in geschillen tussen glazenmakers en hun klanten. Een en ander kan worden verklaard uit het standsbewustzijn van de chirurgijns. Hun reglement was uitgebreider en hun organisatie formeler. Om te bezien of deze factoren inderdaad van belang waren, zal nog een blik worden geworpen op het relatief goed georganiseerde apothekersgilde en het gilde van de doodbidders.

101 Twee keer werden de knechten in het gelijk gesteld; één keer koos het collegium chirurgicum een tussenweg (zie RAL, GA, inv.nr. 390 (24-12-1685 en 6-5-1699); voor de tussenweg: (10-10-1685)). 102 Idem, inv.nr. 310, art. 17. 103 Idem, inv.nr. 390 (4-7-1696). Vgl. Idem, inv.nr. 310, art. 13. 104 Idem, inv.nr. 314 (28-4-1696;12-11-1696; 5-12-1696; 2-4-1698; 4-6-1698; 19-11-1698). 105 Idem, inv.nr. 390 (4-2-1699). 106 RAL, GA, inv.nr. 307, art. 28.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 81

3.4 het apothekersgilde

81

3.4 Het apothekersgilde 3.4.1 Ontstaan en ontwikkeling De Leidse apothekers kregen in 1661 een op zichzelf staande corporatie. Voor die tijd hadden zij, net als in veel andere steden het geval was, deel uitgemaakt van het gilde van kruideniers en vettewariers.107 Dit gruttersgilde kende een roulerend bestuur, waaraan telkens een van de drie aangesloten beroepsgroepen een deken en drie hoofdmannen leverde.108 Maar in de loop van de zeventiende eeuw beantwoordde het samengestelde gilde steeds minder aan de specifieke behoeften van de apothekers.109 Ze kregen nauwelijks bescherming tegen concurrerende medicijnverkopers, zoals doctores medicinae.110 In 1647 klaagden zij hierover bij het stadsbestuur en vroegen om een eigen gilde. Dat kwam er aanvankelijk niet.111 Maar onder invloed van de pestepidemieën van de jaren vijftig stelden burgemeesters en schepenen hun beleid bij. Op tweeëntwintig december 1661 kregen de toen negenentwintig Leidse apothekers alsnog het gevraagde gilde en het bijbehorende monopolie op het bereiden en verkopen van medicijnen in de stad.112 Maar daarmee kwam nog geen einde aan de concurrentie van de doctores medicinae. De artsen mochten volgens de gildenbrief nog altijd geneesmiddelen verkopen, op voorwaarde dat ze hun bewijs van aanstelling konden laten zien. De apothekers gooiden het toen maar over een andere boeg en probeerden nog zoveel mogelijk aan de handel van andere medicijnverkopers te verdienen. Ze deden een beroep op een ongeschreven gewoonterecht dat andere aanbieders van geneesmiddelen vijf procent van hun winst aan het gilde moesten afdragen. Dat had meer succes. In maart 1665, na een soort proefproces, bekrachtigde het stadsbestuur de regel.113 Overigens was een aantal universitair geschoolde medici gewoon lid van het apothekersgilde. Zo stonden acht van de vierendertig apothekers die tussen 1664 en 1668 bij de corporatie waren aangesloten, ook te boek als doctor medicinae. Een bekende doctor-farmaceut was David Stam, die in 1667 als medicus afstudeerde en in 1670 tot het apothekersgilde toetrad. Hij gaf een destijds
107 Van oorsprong waren apothekers gespecialiseerde grutters. Vettewariers behoorden eveneens tot het kruideniersgilde. Zij verkochten hoofdzakelijk spek, ham, worst, boter, kaarsen, olie, azijn, zout en zeep. Zie Backer, Farmacie te Gent, 18-22. 108 Orlers, Beschrijvinge der stadt Leijden, 735. 109 Ook in andere steden waar apothekers deel uit maakten van het kruideniersgilde, isoleerden farmaceuten zich. Voor een deel had dit te maken met het groeiende belang van de stedelijke gezondheidszorg in de ogen van de overheid dat de apothekers hierdoor meer eigen regels gaf (Backer, Farmacie te Gent, 23-54). 110 Zie hierover ook: Frijhoff, ‘Non satis dignitatis’, 398. 111 Potjewijd, ‘Over een request’, 3-8. Mogelijk zag het stadsbestuur van de oprichting af na negatief advies van doctores medicinae. Die adviseerden de schepenen soms op gebied van de stedelijke gezondheid (vgl. Huisman, Stadsbelang en standsbesef, 55,69). Er zaten in 1647 overigens geen artsen in het stadsbestuur van Leiden. 112 RAL, SAII, inv.nr. 77, p. 203vv, art. 1; Backer, Farmacie te Gent, 19,23; Huisman, Stadsbelang en standsbesef, 46,51,258. 113 In maart 1665 klaagden de apothekers de moeder van een doctor medicinae aan, die medicijnen verkocht buiten het gilde om, zonder daarover enige afdracht te doen aan hun corporatie. En dat terwijl die bijdrage, zo hielden de apothekers het stadsbestuur voor, hen volgens de traditie wél toekwam. De vrouw zou op grond van dit gewoonterecht voor ieder verkocht medicijn een deel van de verdiensten, vijf procent, moeten afstaan aan het gilde (RAL, GA, inv.nr. 15). Ook in andere steden wisten apothekers met succes apotheekhoudende geneesheren te bewegen tot het geven van genoegdoening aan het gilde (Frijhoff, ‘Non satis dignitatis’, 398).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 82

82

3 gilden en neringen

belangwekkend scheikundig werk uit. Zijn zoon Nicolaas zou tussen 1699 en 1741 achttien jaar deel uitmaken van het gildenbestuur.114 Omgekeerd hielden veel apothekers zich zonder speciale opleiding met geneeskunde bezig. Zij beconcurreerden zodoende zowel doctores medicinae als chirurgijns. Zo bezochten zij bijvoorbeeld patiënten en schreven hen zonder geneesheren of heelmeesters te raadplegen medicijnen voor. Daarnaast konden ze op verzoek van patiënten pis kijken, pols voelen, aderlaten en darmspoelen. En dat alles vaak voor minder geld dan de chirurgijns of de doctores medicinae. Het wekt weinig verbazing dat laatstgenoemden niet erg gelukkig waren met de mededinging van farmaceutische zijde. Het chirurgijnsgilde adviseerde negatief toen Nicolaas Chimaer op negentien november 1648 het stadsbestuur vroeg om naast zijn apothekerschap chirurgische ingrepen te mogen uitvoeren bij zwerende vrouwenborsten. Het stadsbestuur nam de argumenten van de heelmeesters over en wees het rekest van Nicolaas af.115 Bovendien verbood het de apothekers in de gildenbrief van 1661 nog eens uitdrukkelijk om zieken te onderzoeken of zonder recept medicijnen voor te schrijven. Opvallend genoeg werd deze bepaling zonder opgaaf van reden op zesentwintig januari 1662 alweer geschrapt en ook in latere ordonnanties ontbreekt ze.116 Het reglement van de apothekers was aanvankelijk bescheiden van omvang. Het telde zestien artikelen, waarvan het stadsbestuur er in 1662 dus één schrapte. De meeste bepalingen gingen over de bedrijfsvoering. Centraal stond het zogeheten dispensatorium, een farmacopee of handboek dat de geneesmiddelen beschreef die minimaal in een winkel aanwezig moesten zijn. Ook de bereidingswijze van de medicijnen stond erin. Apothekers moesten de recepten die ze van doctores medicinae doorkregen, precies volgens de aanwijzingen van het dispensatorium klaarmaken. En dus moesten alle ingrediënten ook steeds in voldoende mate in de apotheken aanwezig zijn. Dit hoorde het gilde twee tot drie keer per jaar te controleren. Leden die hun winkel niet goed hadden uitgerust of bedorven ingrediënten te koop aanboden, werden bestraft.117 Verder moesten apothekers medici om opheldering vragen wanneer zij medicijnen voorschreven die niet in het handboek opgenomen waren, aangezien deze mogelijk gevaarlijk waren voor de volksgezondheid.118 Tot slot dienden apothekers de doktersrecepten een half jaar lang ‘aan de haak te houden’, dat wil zeggen onder handbereik te hebben. Dat was niet alleen handig bij herhalingsrecepten, maar ook wanneer onenigheid met de behandelende doctor medicinae ontstond. Recepten die ouder dan een half jaar waren, moesten ingebonden worden bewaard.119 Opvallend weinig artikelen gingen over de opleiding. Alleen het aantal leerjaren dat een kandidaat-apotheker moest doorlopen, was voorgeschreven: twee jaar bij één
114 Lindeboom, ‘David en Nicolaas Stam’, 153-158. 115 Van Andel, ‘Praktizeerende apothekers’, 1330-1336. 116 Het voorschrift is alleen in de gildenbrief van 1661 opgenomen en voor zover kan worden nagegaan niet apart bewaard gebleven. 117 RAL, SAII, inv.nr. 77, art. 6,7,8,9. 118 Idem, art. 7. 119 Idem, art. 9.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 83

3.4 het apothekersgilde

83

meester als leerling en twee jaar als knecht. Aan de gildenproef besteedden de opstellers van de gildenbrief nauwelijks aandacht. Een kandidaat moest onder het toezicht van de deken – in sommige stukken ook prefect genoemd – en twee hoofdmannen, die de examencommissie vormden, enkele niet nader omschreven samengestelde medicijnen kunnen maken. Dit examen kostte een geboren poorterzoon achttien gulden; alle andere kandidaten betaalden vierentwintig gulden. Het gildenlidmaatschap bedroeg jaarlijks dertig stuivers.120 In dit opzicht was het apothekersgilde dus vergelijkbaar met dat van de chirurgijns, die vanaf 1681 soortgelijke bedragen aan hun corporatie verschuldigd waren.121 Daarbij waren apothekers, net als de chirurgijns, niet buitensporig vermogend. Ongeveer een kwart van het aantal farmaceuten in Leiden kwam in 1674 in aanmerking voor vermogensbelasting. Hun gemiddeld belastbaar vermogen lag bovendien ver onder het gemiddelde van alle andere aangeslagen inwoners van Leiden.122 Op dertig april 1718 gaf het stadsbestuur de apothekers een nieuwe ordonnantie. Deze was met zijn tweeëndertig artikelen een stuk uitgebreider dan de vorige brief. Uit het reglement valt op te maken dat de overheid het gilde professioneler maakte en meer prestige aanmat. Dit gebeurde, evenals bij de hierboven besproken chirurgijns, met behulp van de eerder zo door het gilde bestreden universitair geschoolde medici. Het stadsbestuur breidde de examencommissie uit met drie doctores medicinae die onder meer de kandidaten mochten ondervragen. Daarmee kreeg de proef ook een duidelijke theoretische component.123 Net als bij de chirurgijns ging de inhoudelijke verzwaring van het examen gepaard met een stijging van de kosten. De examengelden werden verhoogd naar ruim tweeënzeventig gulden voor poorters, d.w.z. vijftig gulden voor het gilde, twee ducatons voor de armen, zes schellingen voor iedere examinator en vijf gulden en vijf stuivers voor de gildenknecht. Vreemdelingen betaalden ongeveer drie keer zoveel, namelijk ruim tweehonderdtwintig gulden. Tot slot gingen de jaargelden omhoog naar drie gulden.124 3.4.2 Geschilbeslechting Het gildenbestuur, aangevuld met de doctores medicinae die ook in de examencommissie zaten, kwam volgens het reglement telkens op de eerste dinsdag van de maand bijeen om alle voorkomende zaken te bespreken; later verschoof het gilde deze vergaderdag naar de vrijdag.125 Voor dringende aangelegenheden, die niet tot de volgende bijeenkomst van het zogeheten collegium pharmaceuticum konden wachten, was een extra zittingsdag mogelijk.126 Kwesties die tijdens deze reguliere en irreguliere zittingen be120 RAL, SAII, inv.nr. 77, art. 2,3,10,12. 121 Deze waarneming geldt voor meer steden in de Republiek: zie Frijhoff, ‘Non satis dignitatis’, 402. 122 De in het belastingkohier geregistreerde apothekers hadden een gemiddeld vermogen van bijna 3100 gulden. Het gemiddeld vermogen van alle aangeslagen Leidenaren bedroeg echter meer dan 8000 gulden (Peltjes, Leidse lasten, 11). 123 RAL, GA inv.nr. 11, art. 6,14. 124 Idem, art. 14,15,16. Een ducaton stond voor drie gulden en drie stuivers. Een schelling was een rekenmunt ter waarde van zes stuivers. 125 RAL, GA inv.nr. 11, art. 7,13. 126 Idem, art. 21.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 84

84

3 gilden en neringen

sproken werden, staan beschreven in het zogeheten commissieboek van de apothekers.127 Het voorste deel van het boek bevat voornamelijk zaken van huishoudelijke aard, zoals winkelschouwingen en het bestraffen van de daarbij aangetroffen overtredingen van de gildenreglementen. Achterin noteerde het gilde overige kwesties waaronder rekesten aan het stadsbestuur en geschillen van leden. In totaal bevat het commissieboek tussen 1719 en 1750 zesenveertig zaken waarin het collegium pharmaceuticum een uitspraak deed. Het is niet duidelijk wat deze de geschilvoerende partijen kostten. De gildenbrief bevat hierover geen bepalingen en een kasboek is niet overgeleverd. In maar zeven van de bestudeerde kwesties veroordeelde het gildenforum de verliezer nadrukkelijk tot het betalen van de proceskosten. De omvang daarvan bleef meestal onvermeld. Mogelijk was die afhankelijk van de ernst van het geschil.128 Veruit de meeste zaken in het commissieboek van de apothekers werden aangespannen door het gilde zelf en betroffen de inventaris van de winkels. Vaak was er iets mis met de bedrijfsvoorraad. De apotheek was niet compleet of verkocht medicijnen die niet door de beugel konden. Dit kwam doorgaans tijdens de controles aan het licht, die minstens één keer per jaar door afgevaardigden van het gildenbestuur werden uitgevoerd. Voor ieder aangetroffen ondeugdelijk medicament moest een apotheker drie gulden boete betalen ten behoeve van de armen. In de onderzochte periode noteerde gildenbestuurders negentien schendingen. Zo ook die van Wilhelmus Hoge. Zijn winkel bleek in 1736 en 1737 maar liefst vier keer niet op orde, ondanks herhaalde vermaningen en boetes. Na de derde visitatie schakelde het collegium pharmaceuticum de burgemeesters in. Die bepaalden dat Wilhelmus niets meer mocht verkopen tot zijn winkel door het gilde was goedgekeurd. De apotheker maakte vervolgens weinig haast met de gewenste verbeteringen. Pas bij de vijfde inspectie, een maand later, mocht hij weer medicijnen verkopen.129 Pieter Kintzius maakte het helemaal bont door de controleurs van het gildenbestuur te beledigen. Hij was tijdens een inspectie door de mand gevallen. Zijn medicijnvoorraad bleek ondeugdelijk en ook zijn gedestilleerde waters en oliën voldeden niet aan de normen. Het collegium pharmaceuticum ontbood hem daarom op de gildenkamer en veroordeelde hem tot een boete van vijfentwintig gulden, met de vermaning om zijn bedrijfsvoering te verbeteren. Pieter veranderde echter niets aan zijn winkel. Sterker nog, hij vertelde iedereen die het maar horen wilde dat zijn apotheek prima in orde was en dat de inspecteurs dus hadden gelogen tegen de overige leden van het gildenforum. Het collegium pharmaceuticum was hierdoor diep beledigd en riep Pieter ter verantwoording. Op de vraag waarom hij zijn winkel niet had aangepakt, zei hij dat zijn vrouw langdurig ziek was geweest. Het gildenbestuur accepteerde dit argument
127 RAL, GA, inv.nr. 12. Oudere notulenboeken zijn niet voorhanden. 128 Zo moest meester Joseph Steur op negentien februari 1724 tweeëntwintig stuivers betalen voor de extra vergadering die nodig was om zijn geschil met Caspar Willemsz. te beslechten (Idem (19-2-1724). Dit bedrag ligt tien stuivers boven het bedrag dat chirurgijns moesten betalen om in een gewone vergadering een kwestie te kunnen voorleggen (voor een irreguliere bijeenkomst van het collegium chirurgicum betaalden zij drie gulden en tien stuivers (RAL, GA, inv.nr. 311, art. 5)). Johan Jonker, die het apothekerscollege oplichtte met valse rekeningen, betaalde echter ruim tien gulden voor een buitengewone vergadering (RAL, GA, inv.nr. 12 (12-5-1747)). 129 Idem (7-12-1736; 16-3-1737; 13-4-1737; 3-5-1737).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 85

3.4 het apothekersgilde

85

niet. Pieter moest beterschap beloven en zijn belediging aan het adres van de inspecteurs intrekken. Als hij weigerde zouden de deken en hoofdlieden de zaak elders aanhangig maken ‘waar ze wel genoegdoening zouden krijgen’. De apotheker koos eieren voor zijn geld en ondertekende de volgende verklaring: ‘Ik, ondergeschrevene, beken dat de HH Cornelis Reverhorst als assessor en Nicolaas de Bruijne als prefect mijn winkel in hun kwaliteit als eerlijke lieden hebben gevisiteerd en daarvan aan het collegium pharmaceuticum alhier een behoorlijk en getrouw rapport hebben gedaan.’130 Een dergelijke herroeping van een belediging of amende honorable, kwam dus niet alleen voor in notariële attestaties of bij verzoening door buurtbesturen en kerkenraden, maar ook bij gilden.131 Een tweede veel voorkomende overtreding was het onbevoegd verkopen van medicijnen. Hierop stond zes gulden boete. Een herhaling kostte een overtreder het dubbele en bij de derde keer waarschuwde het collegium pharmaceuticum de burgemeesters. Het commissieboek van het apothekersgilde bevat tussen 1719 en 1750 negen van zulke misstappen, gepleegd door zeven verschillende personen. Tweemaal schakelde het gildenforum de burgemeesters in. Illustratief is de zaak van ene Pieter de Meur, die zonder aangesloten te zijn bij het apothekersgilde slaappilletjes voor kinderen verkocht. In mei 1729 brachten twee afgevaardigden van het gilde hem een bezoek om hem zijn handeltje te verbieden. Pieter dacht er echter niet over om de verkoop te staken en stelde zich vijandig op. Toen het collegium pharmaceuticum hem daarover officieel wilde aanspreken, sloeg hij dat wegens tijdgebrek af. Hij wendde zich zelfs tot de stedelijke overheid met een verzoek om zijn pillen te mogen blijven verkopen. Het stadsbestuur oordeelde negatief, maar Pieter trok zich daar niets van aan. Uiteindelijk besloot het collegium pharmaceuticum hem nog eenmaal te verzoeken op de gildenkamer te verschijnen. Pieter verscheen niet. Hij vertelde de gildenknecht dat hij voortaan geen pillen meer zou verkopen en dat hij zich daarom niet geroepen voelde de boete te betalen. In 1736 kwam aan het licht dat Pieter toch weer medicijnen verkocht. Kort nadat het college hem daarvoor opnieuw wilde beboeten, overleed hij.132 Andere overtredingen die voorin het commissieboek van de corporatie staan beschreven, hadden te maken met apothekersknechten. Nieuwe hulpen moesten door hun meesters binnen veertien dagen worden aangemeld bij het gildenbestuur. Aangezien de registratie drie gulden en achttien stuivers kostte, verzuimden apothekers hun plicht wel eens.133 Geregistreerde knechten betaalden verder dertig stuivers jaargeld aan het gilde, wat de helft is van het bedrag dat een meester jaarlijks moest afdragen. Als zij dit niet konden of wilden betalen, verhaalde het gildenbestuur het bedrag op de meester.134 Tot slot kon ook de afwezigheid van knechten problemen geven. Knechten waren van cruciaal belang voor apothekersvrouwen die de zaak van hun overleden man
130 RAL, GA, inv.nr. 12 (7-10-1744; 9-10-1744; 4-12-1744). 131 Vgl. Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 368,369. 132 RAL, GA, inv.nr. 12 (6-5-1729; 3-6-1729; 1-7-1729; 2-7-1729; 3-2-1730; 7-4-1730; 12-10-1736; 2-11-1736). Pieter de Meur werd op 24 november 1736 begraven. 133 Zie bijvoorbeeld: idem (5-11-1723). 134 Idem (1-8-1732).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 86

86

3 gilden en neringen

wilden voortzetten. De hulpen konden tegen een gereduceerde prijs een speciaal examen afleggen en daarna de winkel overnemen. Zonder zo’n speciaal opgeleide knecht, moest de apotheek volgens de reglementen dicht. Maar in tegenstelling tot de eerder genoemde kwesties werd bij deze overtreding de soep niet zo heet gegeten als deze werd opgediend. De weduwe van Stephanus Tippenbroeck mocht na de dood van haar man tien maanden zonder knecht doorwerken voordat het collegium pharmaceuticum in actie kwam. Uiteindelijk moest haar zaak dicht omdat de kwaliteit van haar medicijnen onder de maat was. Pas toen ze weer een knecht had en haar inventaris op orde was, mocht haar apotheek weer open.135 De geschillen die tussen 1719 en 1750 achterin het commissieboek van het apothekersgilde werden opgetekend, hebben veelal betrekking op slecht betalende klanten. Zo kreeg meester Walter van Ommen nog geld van Dirck Tycken. Maar deze vond de factuur te hoog en weigerde te betalen; de omvang van de nota staat helaas niet vermeld. Walter en Dirck legden daarop hun geschil voor aan het apothekersbestuur. Dat wist na bestudering van de rekening beide partijen te verzoenen door na hertaxatie het bedrag te verlagen tot honderdvijfentwintig gulden.136 Zulke beoordelingen door de deken en hoofdlieden hielden voor apothekers een zeker risico in. Dat ondervond Johan Jonker. Hij had nog tachtig gulden van Elisabeth van der Togt tegoed wegens geleverde medicijnen, maar zij was het niet met die rekening eens. Johan mobiliseerde daarop het collegium pharmaceuticum. Dat wilde eerst de administratie van de apotheker zien, alvorens een uitspraak te doen. Johan had daar kennelijk niet op gerekend. Hij treuzelde lang met het overhandigen van de papieren. Die bleken uiteindelijk niet te kloppen. Het gildenforum bepaalde toen dat Elisabeth de gewraakte rekeningen niet hoefde te betalen. De apotheker kwam ervan af door de kosten van de vergaderingen te betalen en een vergoeding te geven voor het werk van de gildenknecht.137 Apothekers maakten relatief veel geschillen aanhangig bij het college van vredemakers. Tussen 1719 en 1750 legden zij maar liefst negen van de veertien zaken die achterin hun commissieboek staan opgetekend eerst voor aan deze lage civiele rechtbank. Mogelijk hoopten apothekers door middel van forum shopping de min of meer willekeurige veroordeling in de kosten te ontlopen die de eigen corporatie hen kon opleggen. Maar het omzeilen van het collegium pharmaceuticum duidt er ook op dat in ieder geval sommige apothekers de vredemakers een meer adequate instelling vonden om hun geschillen te beslechten. Het forum hield veel vaker zitting dan het eigen gildenbestuur. Nijpende financiële kwesties konden zo sneller tot een oplossing worden gebracht. Mogelijk speelt ook mee dat apothekers zich in de vredemakerskamer niet tegenover hun vakgenoten hoefden te verantwoorden voor hun prijsbeleid en handelswijze. Hoe het ook zij, in de aangetroffen geschillen schoten de apothekers er weinig mee op, omdat de vredemakers hun zaak naar het gilde hadden verwezen. Het collegium pharmaceuticum gaf hen vervolgens zelden volledig gelijk. Vrijwel steeds paste het gildenbestuur
135 Idem (10-8-1727; 5-3-1727; 7-5-1727; 12-5-1727; 15-5-1727; 29-5-1728). Zie ook Schmidt, Overleven na de dood, 146-154. 136 RAL, GA, inv.nr. 12 (23-1-1733). 137 Idem (12-5-1747).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 87

3.4 het apothekersgilde

87

de gewraakte rekening aan bij wijze van compromis. De apothekers stemden daar uiteindelijk mee in.138 Dergelijke schikkingen werkten in het voordeel van de apothekers als zijzelf in de beklaagdenbank stonden. Dat ondervond Paulus den Dammer die zich niet geroepen voelde een rekening van vierhonderddrieëntwintig gulden voor geleverde farmaceutische ingrediënten te voldoen. Hij vond de nota van koopman Hendrick van Munster veel te hoog. De leverancier had de apotheker om die reden al voor het college van vredemakers gedaagd, maar dat verwees de zaak naar het gilde. Het collegium pharmaceuticum onderzocht de rekening vervolgens nauwkeurig en hoorde beide partijen. Uiteindelijk verlaagde het forum de nota tot ruim vierhonderd gulden. Alleen de onenigheid over een bepaald geleverd medicijn, het koortsverlagende middel bezoar, kon het gildenbestuur niet wegnemen.139 De zaak tussen Paulus en Hendrick is in tabel 3.3 onder het kopje ‘overig’ opgenomen. In het tweede geschil draaide het om de vergoeding die een meester-apotheker zou krijgen voor het onderwijs aan een leerling.140 Apothekers riepen in de bestudeerde periode geen collega’s ter verantwoording voor het collegium pharmaceuticum. Wellicht bood het vak te weinig gelegenheid voor onderlinge geschillen over de beroepsuitoefening. Het bereiden van een medicijn kon nu eenmaal niet bij twee medicijnverkopers tegelijk gebeuren, terwijl bijvoorbeeld een chirurgijn wel een patiënt van een ander kon overnemen. Ook in de reglementen werd niet vooruitgelopen op mogelijke problemen tussen apothekers. Alleen het zesentwintigste artikel van het reglement uit 1718 bood een opening voor moeilijkheden. Apothekers mochten geen knechten aannemen die op dat moment nog bij een andere meester onder contract stonden. Maar hiervan staan geen voorbeelden in de boeken van het gilde. Overigens konden ook in andere archieven, tussen 1664 en 1668, nauwelijks onderling ruziënde apothekers worden aangetroffen.141

138 Slechts één keer kon het gilde geen compromis bereiken. Apotheker Pieter Delmesteren kreeg nog drieënzestig gulden ‘over medicijnen’ van Johanna Brunnikhuijzen en daagde haar voor de vredemakers. Die stuurden beide partijen door naar het collegium pharmaceuticum. Johanna wees echter bemiddeling door het gilde af. Daarop oordeelde het college ‘zich niet te kunnen inlaaten met de gerenvoijeerde zaak’ (Idem (6-6-1732)). 139 Idem (4-3-1729). Bezoar is een verstening in de maag van mens en dier, gevormd door onverteerbare etensresten, die als geneeskrachtig werd beschouwd. Bezoar werd vooral gebruikt als tegengif bij insectenbeten en bij ‘quaataardigheydt in koortsen’ (zie WNT). 140 Idem (8-11-1747). 141 Alleen de kladresoluties van het stadsbestuur bevatten tussen 1664 en 1668 een geschil tussen de deken van het apothekersgilde Nicolaas Chimaer en Lucas Banier, doctor medicinae en lid van de corporatie. Nadere informatie over dit geschil ontbreekt (RAL, SAII, inv.nr. 249 (9-10-1664) en 250 (8-10-1664).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 88

88

3 gilden en neringen

Tabel 3.3

Verdeling van de geschillen binnen het apothekersgilde in soorten (1719-1750) , uitgedrukt in personen (mannen (M), vrouwen (V) en totaal (T)) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes is het aantal keren vermeld dat een zaak in het gildenboek terugkeerde. Personen 1719-1750 Eiser M V T 4 2 6 142 9 1 10 2 0 2 1 0 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 16 3 19 Zaken Gedaagde M V 46 5 10 0 2 0 1 0 0 0 0 0 0 0 59 5 T 51 143 10 144 2 1 0 0 0 64 N 33 (36) 10 2 1 0 0 0 46 (36) % 72 22 4 2 0 0 0 100

Type geschil

Overtreding gildenregels Schulden van klanten Overig Klacht over geleverd werk Onenigheid over afspraken Schulden tussen broeders Schending monopolie Totaal Bron: RAL, GA, inv.nr. 12.

Al met al behandelde het collegium pharmaceuticum minder geschillen dan het gildenbestuur van de chirurgijns. Dit laatste boog zich per jaar gemiddeld over twee keer zoveel kwesties als het apothekersforum. Wel keerden zaken vaak terug in het commissieboek van de apothekers, omdat het gildenbestuur leden die in overtreding waren doorgaans extra controleerde. Net als de chirurgijns brachten veel apothekers problemen met weigerachtige debiteuren in eerste aanleg voor de vredemakers. Het was kennelijk not done om voor lastige klanten bij het eigen gilde aan te kloppen. Bovendien spaarde een oordeel van de vredemakers het nodige geld uit. Maar het college van vredemakers kon lang niet altijd een uitspraak doen. Als een kwestie ingewikkeld was, kwam het gildenforum er alsnog aan te pas. Dat gaf vrijwel altijd de klant, op zijn minst gedeeltelijk, gelijk. Hieruit volgt dat het gilde, net als dat van de chirurgijns, kwaliteit en een goede naam hoog in het vaandel had staan. Ook de reacties op overtredingen van het gildenreglement wijzen in die richting. Als het collegium pharmaceuticum bij een inspectie ondeugdelijke ingrediënten aantrof, veroordeelde het de betrokken apotheker onmiddellijk tot de boete die daarvoor stond. Weduwen die geen knecht hadden, konden op coulance rekenen, zolang hun apotheek maar op orde was. Het bestuur aasde ook op concurrenten die buiten het gilde werkten, hoewel het bestrijden daarvan niet eenvoudig was. Illegale pillendraaiers erkenden het gilde immers niet. Voor rivaliteit tussen apothekers hoefde het gilde minder bang te zijn. Farmaceuten kenden nauwelijks onderlinge geschillen. Dat was mogelijk anders bij de doodbidders, die elkaar onderling stevig beconcurreerden.

142 27 keer was het gilde of de aangewezen visitatoren de eiser. In 1 kwestie werd de gedaagde niet genoemd. 143 In 1 zaak is van de gedaagde alleen de achternaam weergegeven. 144 In 1 zaak was een groep erfgenamen gedaagd. Deze is niet ondergebracht in de gender-verdeling.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 89

3.5 het doodbiddersgilde

89

3.5 Het doodbiddersgilde 3.5.1 Ontstaan en ontwikkeling In Leiden hielden diverse groepen en instanties zich bezig met het begraven van doden. In de eerste plaats was een uitvaart de taak van buren. Zij wasten het lijk, kistten het en droegen het naar zijn laatste rustplaats.145 In ruil voor deze dienst kregen ze een gift naar het vermogen van de nabestaanden van de overledene. Een arme familie betaalde niets. Daarnaast verzorgden ook sommige gilden begrafenissen voor hun leden. Zo werden gestorven chirurgijns door enkele door het gildenbestuur aangewezen collega’s naar het graf gedragen in het bijzijn van de hele corporatie.146 De Leidse glazenmakers kenden eenzelfde regeling.147 Voor deze sociale voorziening betaalden vakbroeders en -zusters hun leven lang contributie, waaruit armlastige leden ook een bescheiden sociale uitkering konden krijgen.148 Andere gilden, waaronder dat van de bidders, gaven bij een sterfgeval de familie van een overleden lid alleen geld, waarvan deze zelf een begrafenis moest organiseren.149 Weer een andere groep gilden, waaronder de apothekers, legde zijn leden alleen een aanwezigheidsplicht op bij uitvaarten. Wie voor de begrafenis verantwoordelijk was, blijft in het midden.150 De meeste Leidse corporaties legden echter niets vast over teraardebestellingen, waardoor onduidelijk is of het begraven van leden er een ongeschreven praktijk was, of dat de grafleggingen werden verzorgd door bijvoorbeeld de gebuurten.151 Verder begroef de schutterij haar eigen doden, net als de universitaire gemeenschap en de stedelijke overheid. Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw konden bovendien via speciale beurzen of ‘bussen’ uitvaarten voor beroepsgenoten of bevolkingsgroepen worden gefinancierd.152 Nabestaanden konden ook gebruik maken van de diensten van het Leidse biddersgilde. Doodbidders, in andere steden ook wel aansprekers genoemd, maakten een overlijden aan familie en vrienden bekend. Ze nodigden hen ter begrafenis en organiseerden verder de hele uitvaart als begrafenisondernemers avant la lettre. De service van de bidders was geen totaalpakket. Alle genoemde onderdelen konden ook los worden verzorgd. Sterker nog, het werk bestond voor het grootste deel alleen uit het aanzeggen van een sterfgeval en het bijbehorend nodigen van gasten. Dat leverde de bidders waarschijnlijk ook het meeste geld op. Zo kreeg een doodbidder die onderstand ont145 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 102, art. 21. 146 RAL, GA, inv.nr. 310, art. 26. 147 Idem, inv.nr. 524 (2-10-1653). 148 Idem (1647,1648). 149 Vgl. Idem, inv.nr. 23 (20-12-1737). 150 Vgl. RAL, SAII, inv.nr. 77, p. 203vv, art. 15. 151 Zie Dirks, Gildepenningen, 276, 277. Vgl. Bos, Uyt liefde tot malcander, 201-204. 152 Beurzen of bussen waren sociale verzekeringen die onderstand verleenden en geld uitkeerden bij de dood van een lid. Beurzen met een meer algemeen karakter verplichtten bovendien alle aangeslotenen om bij de begrafenis present te zijn en per toerbeurt het lijk te dragen. De in de achttiende eeuw opgerichte weduwen- en begrafenissociëteiten betaalden slechts de begrafenis. Leiden telde in de 17e en 18e eeuw elf gilde-gebonden beurzen (voor meesters, knechten en voor stadswerkers), vierendertig beroeps-gebonden beurzen (met name voor de textielbranche) en eenenvijftig algemene beurzen (bussen zonder stempel en beurzen voor emigranten, zoals Lutheranen). Zie Bos, Uijt liefde tot malcander, 199-211.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 90

90

3 gilden en neringen

ving en een verzoek aannam om te bidden, twee weken geen bedeling. Was hem gevraagd een overledene alleen te dragen, dan zou zijn uitkering maar een week stopgezet zijn.153 Bidders waren relatief nieuwe spelers op de uitvaartmarkt. Instellingen als buurten en gilden waren veel ouder en algemeen geaccepteerd. De meeste Leidenaren werden in de zeventiende en achttiende eeuw dan ook gewoon door hun buren of vakbroeders begraven. Van concurrentie met de bidders was nauwelijks sprake. Hoogstwaarschijnlijk werd zelfs desgewenst samengewerkt. Dit blijkt uit een voor de schepenen opgetekende verklaring, waarin zowel een bidder als een buurtheer getuigden dat Jacob Hetgen op vijfentwintig april 1665 was begraven. Ze hadden de uitvaart samen verzorgd.154 Problemen ontstonden pas wanneer buren en bidders dezelfde taken wensten te verrichten. Dat gebeurde bijvoorbeeld op zestien mei 1731, toen Yda Jordijn begraven moest worden. De bidders gingen er vanuit dat zij de dode zouden dragen. Zij waren daar door een nabestaande ook toe verzocht. Maar het buurtbestuur wilde Yda zelf naar haar laatste rustplaats begeleiden. De zaak liep hoog op en de burgemeesters moesten er aan te pas komen. De bidders kregen daarop gelijk; om hun diensten was per slot van rekening gevraagd.155 De stichtingsdatum van het biddersgilde is onbekend. In 1641 bestond de corporatie waarschijnlijk nog niet, aangezien Jan Jansz. Orlers er geen melding van maakt in zijn ‘Beschrijvinge der stadt Leijden’.156 Het aanspreken was toen nog een vrij beroep waar het stadsbestuur directe zeggenschap over had. Het ambacht stond open voor alle poorters, man of vrouw. Wie als bidder wilde werken, moest toestemming van het stadsbestuur hebben. Dat was meestal geen probleem, aangezien afwijzingen hoogst zeldzaam waren. Dit leidde tot verzadiging van de markt en felle onderlinge concurrentie. Daarom hadden in 1620 al enkele bidders aan de bel getrokken. Zij verzochten de overheid om hun aantal voortaan te beperken. Maar het stadsbestuur voelde daar nog niets voor. Wel probeerde het uitwassen in te dammen door bidders te verbieden zichzelf bij nabestaanden op te dringen.157 Niet lang na het verschijnen van Orlers’ werk stond de Leidse overheid de bidders een gilde toe. Uit de kladresoluties van het stadsbestuur blijkt dat in 1666 een ‘gilde van de bidders’ bestond.158 Het gebrek aan zeventiende-eeuws archiefmateriaal met betrekking tot het biddersgilde maakt het lastig de omvang van de corporatie ten tijde van de oprichting te schatten. In de belastingkohieren van 1674 kunnen negen bidders worden teruggevonden. Zij waren allen uitsluitend voor het familiegeld aangeslagen en betaalden geen vermogensbelasting.159 Maar er moeten veel meer bidders zijn geweest. In no153 RAL, GA, inv.nr. 23 (30-10-1733). Zie ook Spruit, De dood onder ogen, 60. 154 RAL, ORA, inv.nr. 79Y (2-7-1665). 155 RAL, GA, inv.nr. 23 (16-5-1731). 156 Orlers, Beschrijvinge der stadt Leijden, 735. 157 RAL, SAII, inv.nr. 53, p. 272. 158 Idem, inv.nr. 250 (11-5-1666). 159 De vermogensbelasting was de zogeheten tweehonderdste penning, geheven over goederen. Het Klein Familiegeld belastte de inkomens van families. Onduidelijk is hoe de aanslag tot stand kwam, aangezien de belasting nooit daadwerkelijk werd geheven. De kohieren zijn wel bewaard gebleven. De gemiddelde aanslag van deze belasting bedroeg in Leiden 0,0633. De bidders betaalden gemiddeld 0,04. Zie Peltjes, Leidse Lasten, 8, 9.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 91

3.5 het doodbiddersgilde

91

vember 1688 vroeg de corporatie de Leidse overheid om het aantal leden tot vijftig te beperken. De stad bood niet genoeg werk voor allemaal, aldus de gildenbestuurders. Inderdaad combineerden veel bidders hun ambacht met een ander beroep. Dirck Leffen was bijvoorbeeld ook linnenwever en Carel Smit winkelier.160 In 1741 bestond het gilde nog uit veertig personen en ook dit aantal achtte het gilde te groot met het oog op de werkgelegenheid. Het verminderde aantal inwoners speelde de bidders duidelijk parten.161 Leiden bood volgens de corporatie maar werk aan maximaal vierentwintig aansprekers. Het gilde legde daarom het probleem voor aan het stadsbestuur. Dat besloot dat het aantal bidders door natuurlijk verloop terug moest naar vijfentwintig.162 Het oudst bekende reglement van het biddersgilde dateert van acht april 1723 en bevat achttien artikelen. De meeste daarvan vormden een soort gedragscode voor iedereen die als uitvaartverzorger wilde werken. Van gildendwang was geen sprake en een opleiding of proef was niet nodig.163 Formeel stond het biddersambt open voor alle Leidse poorters die door het stadsbestuur tot het beroep waren toegelaten. In de praktijk werden echter katholieke uitvaartverzorgers geweerd.164 De brief handhaafde grotendeels de situatie van voor de oprichting van het gilde, zij het dat over ‘bidsters’ niet meer werd gesproken. Aankomende bidders moesten ten overstaan van het stadsbestuur een eed afleggen en die daarna jaarlijks vernieuwen.165 Het ging om de ‘generale eed’, bedoeld voor poorters, waarmee de Leidse aansprekers zworen de overheid en hun eigen bestuurders te eren, respecteren en gehoorzamen. Het biddersbestuur werd jaarlijks gekozen en bestond uit een deken en twee hoofdmannen. Vanzelfsprekend moesten de bidders ook beloven zich aan de regels te houden ‘zoals een bidder eer- en eedshalve schuldig is en behoort te doen’.166 Het stadsbestuur plaatste de bidders nadrukkelijk naast alle andere erkende uitvaartverzorgers, zoals de eerder genoemde gebuurten, gilden, schutterijen, de academische gemeenschap en de vroedschap. Alleen wie iemand buiten deze instellingen om wilde laten begraven, was verplicht het biddersgilde in te schakelen.167 Hierdoor was de markt voor bidders klein en de onderlinge concurrentie groot. De gildenbrief handhaafde daarom de regel dat bidders zich niet mochten opdringen aan klanten om zo werk voor andere bidders weg te kapen. Ook was het hen niet toegestaan een eigen prijsbeleid te voeren. Het stadsbestuur stelde het tarief van een bidding aan minder dan honderd mensen vast op dertig stuivers per ingezette aanspreker. Grotere klussen, tot honderdvijftig adressen, kwamen op tweeënhalve gulden per bidder en voor nog omvangrijkere opdrachten mocht maximaal drie gulden in rekening worden gebracht. Verder kostte het verzorgen van een begrafenis nabestaanden vijfentwintig stuivers
160 Zie ook Kok, Funerair lexicon, 30. 161 In 1660 telde Leiden naar schatting 60.000 inwoners. In 1748 bedroeg hun aantal ruim 37.000 (zie Noordam, ‘Nieuwkomers in Leiden’, 43). 162 RAL, SAII, inv.nr. 118, p. 199v (23-2-1741). 163 RAL, GA, inv.nr. 29, art. 1. Ook andere dienstverlenende beroepen kenden geen gildenproef, zoals de schuitenvoerders, turfdragers etc (vgl. Frijhoff (ea), Geschiedenis van Amsterdam II,2, 93-94). 164 Idem, inv.nr. 23 (2-11-1741). 165 Idem, inv.nr. 29, art. 7. 166 RAL, SAII, inv.nr. 753. 167 RAL, GA, inv.nr. 29, art. 7.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 92

92

3 gilden en neringen

voor elke ingeschakelde bidder. Aansprekers die meer vroegen, betaalden een boete van zes gulden.168 Ook moesten bidders die instemden met een verzoek om te ‘nodigen’, dit werk helemaal afmaken voordat ze aan een andere opdracht begonnen. Het was ze dus niet toegestaan een aanvaarde taak uit te besteden om zelf een meer lucratieve ‘bidding’ te kunnen uitvoeren. Ook mocht een bidder niet twee klussen tegelijk doen.169 Bidders droegen jaarlijks zes stuivers contributie af aan het gilde. Nieuwe leden betaalden bovendien tot 1731 eenmalig vijftig stuivers ingangsgeld; nadien zou dit worden verdubbeld. Daarnaast werd de kas van de corporatie hoofdzakelijk gevuld door een verplichte afdracht van een deel van de verdiensten. Iedere aanspreker die een bidding had gedaan, hoorde deze binnen een week door de jongste hoofdman te laten bijschrijven in het zogeheten ‘teekenboek’. Dit kostte een bidder volgens het eerste reglement telkens twee stuivers; acht jaar later moest het dubbele worden ingeleverd. Op verzuim stond een boete van vijfentwintig stuivers en wie niet betaalde werd geroyeerd.170 De inkomsten moesten het gilde in staat stellen om nabestaanden van leden vijfentwintig gulden te geven ter bekostiging van de eigen begrafenis. Ook was het de bedoeling dat de corporatie zieke leden met een bescheiden vijfentwintig stuivers per week zou bedelen.171 Maar vaak had het gildenbestuur hiervoor onvoldoende geld in kas. Toen de weduwe van de zoon van een oud bestuurslid in 1735 geld vroeg voor de begrafenis van haar schoonvader, kreeg ze dit niet omdat het gilde al twee behoeftige leden onderhield. De vrouw nam hier geen genoegen mee. Ze sleepte de deken en hoofdlieden voor de burgemeesters omdat ze het kasgeld van het gilde vooral aan wijn gespendeerd zouden hebben. Maar daarvoor was geen bewijs. De weduwe kreeg nul op het rekest.172 De rekeningboeken van het gilde bevestigen overigens de armlastige toestand van de corporatie.173 Het bestuur weet de financiële problemen aan frauderende bidders, die zich ten onrechte ziek meldden of werk aannamen terwijl ze een uitkering van het gilde kregen.174 3.5.2 Geschilbeslechting De werkzaamheden van het gildenbestuur beperkten zich voor een belangrijk deel tot de handhaving van de reglementen. Een gildenproef was niet vereist, dus daar hoefde

168 Idem, art. 5. 169 Idem, art. 6. Zie ook RAL, SAII, inv.nr. 119, p. 131 (19-3-1742). 170 RAL, GA, inv.nr. 29, art. 8-10. Zie ook Idem, SAII, inv.nr. 113, p. 83. 171 Leidse beurzen gaven zieken leden over het algemeen meer. Brouwersknechten, Westfalen en Vlamingen kregen bij ziekte uit hun beurs steeds 50 tot 60 stuivers per week (vgl. RAL, SAII, inv.nr. 79, p. 33v, p. 51 en p. 135). 172 RAL, GA, inv.nr. 23 (23-12-1735). 173 In 1735 was weliswaar sprake van een positief saldo van ruim tweeënveertig gulden, het jaar erop bedroeg het balansoverschot slechts vierentwintig gulden. Een begrafenisuitkering à vijfentwintig gulden zou de bedelingsmogelijkheden van het gilde inderdaad fors hebben ingekrompen. Ook in de jaren erna bleef de kasinhoud van de bidders regelmatig ontoereikend, zeker toen de corporatie volgens de nieuwe, helaas niet overgeleverde, ordonnantie van 1741 aan ieder ziek lid twee gulden per week moest gaan betalen (Idem, inv.nr. 29). 174 In 1751 stelde het gildenbestuur het stadsbestuur dan ook voor om leden die aldus fraudeerden van hun uitkering te beroven en te beboeten met drie gulden (Idem, SAII, inv.nr. 123, p. 145; Idem, GA, inv.nr. 23 (9-9-1741)).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 93

3.5 het doodbiddersgilde

93

niet op te worden gelet.175 De deken en hoofdlieden kwamen uitsluitend bijeen als een gildenlid officieel berispt moest worden of wanneer een uitkering werd aangevraagd. Dat gebeurde tussen 1682 en 1743 achtendertig keer, zo blijkt uit het gildenboek.176 Hiervan gingen zesentwintig vergaderingen over een of andere schending van de gildenbrief. De overige zittingen draaiden hoofdzakelijk om bedelingsaanvragen, die hier buiten beschouwing worden gelaten. Daarnaast is ook het rekeningboek van de bidders van belang voor de bestudering van de rechtsprekende activiteiten van het gildenbestuur. Hierin tekende de corporatie tussen 1733 en 1743 nog eens twaalf overtredingen op. Dat brengt het totaal aantal zaken op achtendertig in eenenzestig jaar. Van arbitrage door het gildenbestuur is in de boeken van de bidders geen sprake. Het forum kreeg niet te maken met achterstallige betalingen van cliënten of kwesties tussen leden onderling. Het ging steeds om dagvaardingen van bidders die een bepaling uit de gildenbrief niet waren nagekomen. Zeker de helft van de zaken ging over de registratie van verrichte werkzaamheden. Meestal legden bidders zich direct bij een veroordeling neer en betaalden de bijbehorende boete. Maar soms gaf een uitspraak van deken en hoofdlieden aanleiding tot een geschil. Het geval van Carel de Pecker is illustratief. Volgens de gildenbestuurders had de bidder verzuimd zijn bidding binnen een week in het tekenboek te laten registeren. En dus moest Carel de boete betalen die daarvoor stond, zo meende het gildenforum. Maar de bidder dacht daar anders over. Naar zijn mening hoefde hij een bidding niet dezelfde week nog te melden, maar binnen zeven dagen nadat de klus verricht was. De partijen kwamen er niet uit en legden het probleem voor aan het dagelijks bestuur van de stad, het college van burgemeesters. Dat stelde Carel in het gelijk. Maar het gildenbestuur gaf niet op en wendde zich vervolgens tot het voltallige Gerecht dat bestond uit schout, schepenen en burgemeesters. Dit college, verantwoordelijk voor de stedelijke keuren en reglementen, stelde uiteindelijk de deken en hoofdlieden in het gelijk.177 Het stadsbestuur vormde in meer twijfelgevallen een beroepsinstantie voor veroordeelde bidders. In 1742 bleek Douwe van Talma op één dag twee begrafenissen te hebben verzorgd. Het gildenbestuur riep hem daarom op het matje en legde hem een boete op van zes gulden. Maar Douwe ontkende de regels te hebben overtreden. De deken en hoofdlieden legden de kwestie vervolgens voor aan het Gerecht. Dat stelde het gilde in het gelijk. Aan het geschil lag vermoedelijk een wijziging van de reglementen ten grondslag. Op drieëntwintig februari 1741 was een nieuwe gildenbrief verschenen. Helaas is die niet overgeleverd.178 Maar duidelijk is wel dat in de voorafgaande jaren bidders bekeurd werden voor hetzelfde vergrijp zonder dat daar een uitspraak van het stadsbestuur voor nodig was. De boetes waren bovendien aanmerkelijk lager. Ook een rekest uit maart 1742 waarin het gilde het stadsbestuur om een interpretatie van de ge175 RAL, GA, inv.nr. 29, art. 13. 176 Het gildencollege vergaderde tussen 1682 en 1742 38 keer, waarvan 4 keer op maandag, 6 keer op dinsdag, 6 keer op woensdag, 11 keer op donderdag, 7 keer op vrijdag en 1 keer op zondag. 177 RAL, GA, inv.nr. 23 (13-9-1731); Idem, SAII, inv.nr. 113, p. 92v. Voor de positie van het Gerecht zie Groenveld, ‘Bestuur en beleid’, 56-60; Van Maanen, Stadsarchief van Leiden, xv; Prak, ‘Gezeten burgers’, 31; Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, p. 167. Vgl. Kernkamp, ‘Regeering en historie’, 52. 178 Zie Idem, SAII, inv.nr. 119, p. 131.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 94

94

3 gilden en neringen

wraakte bepaling vroeg ten aanzien van begrafenissen die buiten Leiden werden gehouden, wijst op onduidelijkheden.179 In de zaak Van Talma vroeg het gildenforum daarom of het dezelfde boete ook mocht opleggen aan bidders die hetzelfde hadden gedaan, maar nog niet waren gestraft. Een schepen antwoordde het gildenbestuur toen dat Douwe van Talma een exempel was en dat alleen nieuwe misstappen mochten worden bestraft.180 Soms vroegen bidders het gildenbestuur om raad wanneer een overtreding dreigde. Zo mochten bidders geen werkzaamheden aan een ander doorgeven om vervolgens zelf een meer lucratieve klus te kunnen doen. Wie zijn eenmaal aangenomen werk niet afmaakte, kon rekenen op een boete van één of twee gulden.181 Bidders die, omgekeerd, werk van anderen wegkaapten, kregen eveneens een bestraffing. Christoffel Ledeboer had dus een probleem toen zijn neef en collega-bidder hem om assistentie vroeg bij het nodigen van een omvangrijke familie, terwijl de voogden van de familie met een ander in zee wilden gaan. Christoffel zag de klus al aan zijn neus voorbij gaan en legde daarop het verhaal aan het gildenbestuur voor. Dat wendde zich op zijn beurt weer tot de burgemeesters. Daarop bonden de voogden in; Christoffel mocht de bidding ‘waarnemen’. Tevreden noteerden de gildenbestuurders dat de bidder hen kwam bedanken omdat ze voor hem naar de burgemeesters waren gestapt.182
Tabel 3.4 Verdeling van de geschillen binnen het biddersgilde in soorten (1682-1743), uitgedrukt in personen (mannen (M), vrouwen (V) en totaal (T)) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes is het aantal keren vermeld dat een zaak in het gildenboek terugkeerde. Personen 1682-1743 Eiser M V T 4 0 4183 0 1 1185 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 4 1 5 Zaken Gedaagde M V 30 0 3 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 33 0 T 30184 3186 0 0 0 0 0 33 N 33 (1) 4 0 0 0 0 0 37 (1) % 89 11 0 0 0 0 0 100

Type geschil

Overtreding gildenregels Overig Onenigheid over afspraken Schulden van klanten Klacht over geleverd werk Schulden tussen broeders Schending monopolie Totaal

Bron: RAL, GA, inv.nr. 23 en 29(1).

179 RAL, SAII, inv.nr. 119, p. 131. 180 RAL, GA, invr.nr. 23 (26-7-1742). 181 RAL, SAII, inv.nr. 86, p. 175. 182 RAL, GA, in.nr. 23 (3-8-1739). 183 In dertig zaken is het gilde de eiser. 184 Drie keer is het gilde gedaagd, in drie zaken is de gedaagde niet genoemd. Eén keer was het buurtbestuur van Meermansbrug gedaagd. 185 In drie zaken is het gilde de eiser. 186 In één zaak is het gilde gedaagd.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 95

3.6 de lakennering

95

De ‘overige’ voor het gildenforum behandelde zaken betroffen een drietal bidders die hun werkzaamheden in beschonken toestand hadden uitgevoerd. Twee van hen kregen hiervoor een boete van dertig stuivers. Alleen Arent Gilleman kwam er vanwege zijn leeftijd met een gulden vanaf.187 Ook de hiervoor beschreven zaak van de weduwe die vergeefs een vergoeding voor de begrafenis van haar schoonvader eiste, staat vermeld onder ‘overig’. Het gildenbestuur van de bidders was al met al geen forum dat geschillen over ‘slecht werk’ of problemen met niet-betalende klanten afhandelde. Ook liet het zich zelden uit over kwesties tussen bidders onderling. De in het gildenboek vermelde bijeenkomsten gingen vooral over overtredingen van de ordonnantie en dan nog met name van de bepalingen die de inkomsten van het gilde regelden. Bidders moesten hun eventuele problemen met klanten of met elkaar dus op een andere manier oplossen. Maar ook in andere, zeventiende-eeuwse bronnen kunnen vrijwel geen ruziënde bidders worden gevonden.188 En dat mag merkwaardig worden genoemd. Juist vanwege het relatief grote aantal bidders en de aanwezigheid van andere instanties op de uitvaartmarkt zouden meer onderlinge twisten te verwachten zijn. Vermoedelijk bedienden bidders zich daarbij van informele methoden, bijvoorbeeld door het gildenbestuur te tippen over een niet gemelde of dubbele bidding. Het lijkt immers niet waarschijnlijk dat het driekoppige gildenbestuur zich voortdurend zelf van het handelen van de bidders op de hoogte stelde. Zo bezien kunnen de overtredingen wel als sporen van onderlinge rivaliteit worden aangemerkt. Maar bewijzen hiervoor zijn er niet. Ook ontevreden klanten kunnen het gildenbestuur hebben ingelicht. In het resterende deel van dit hoofdstuk zal de aandacht uitgaan naar neringen. Gilden vertegenwoordigden maar een deel van de Leidse beroepsbevolking. Ze hadden vaak maar enkele tientallen leden.189 Daarom zal tot slot naar de grootste werkgever van de stad worden gekeken, de Leidse lakenindustrie. Deze was verticaal georganiseerd en omvatte alle fasen van het productieproces. Hoe waren de rechtsprekende activiteiten van de neringen georganiseerd?

3.6 De lakennering 3.6.1 Ontstaan en ontwikkeling De bloeitijd van de Leidse textielnijverheid begon enkele jaren na het ontzet van de stad in 1574. Voordien had Leiden steeds lakens van Engelse wol geproduceerd, maar de vraag naar deze stoffen van zware kwaliteit was afgenomen.190 Onder invloed van ge187 RAL, GA, inv.nr. 23 (24-10-1742; 22-5-1743). 188 Alleen in de eerder genoemde kladresoluties van het stadsbestuur van 1666 werd de toenmalige deken door een anonieme bidder aangeklaagd. Dit betrof naar alle waarschijnlijkheid een appèlzaak. De kwestie was dan al eens door het gildencollege behandeld (zie noot 158). 189 Vgl. De Vries (ea), ‘Spectaculair succes en diep verval’, 102. 190 Brand, ‘Crisis, beleid en differentiatie’, 54,54,65; Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie I , 370. Zie verder Idem, 38-41, 186-188, 205-209. Voor een vergelijking met andere Hollandse steden: Kaptein, Hollandse textielnijverheid, 53-79, 182-185.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 96

96

3 gilden en neringen

loofsvervolgingen en oorlogshandelingen kwam in het laatste kwart van de zestiende eeuw een migratiebeweging vanuit de Zuidelijke Nederlanden op gang die onder meer een groot aantal arbeiders en ondernemers uit Vlaamse textielcentra naar het Noorden voerde.191 Zij introduceerden saaien in Leiden, lichte wollen stoffen die gemaakt werden van goedkope wol, waarnaar internationaal een grote vraag bestond. Het Leidse stadsbestuur zag wel wat in de zogeheten ‘nouvelle draperie’ van de Vlamingen en lokte hen met allerlei toezeggingen, zoals gratis poorterschap naar de stad. Mede hierdoor vestigden zich veel Zuid-Nederlandse textielproducenten in Leiden. Maar ze kwamen ook af op de goede naam van de Leidse textiel en de plaats van de stad in het internationale handelsnetwerk.192 Al snel vervaardigden Leidse lakenproducenten vrijwel alleen nog saaien, waarvan de productie tussen 1580 en 1600 verveertigvoudigde, en in iets mindere mate andere stoffen als baaien, warpen, fusteinen en rassen.193 In de loop van de zeventiende eeuw nam de concurrentie uit andere landen, met name Engeland toe.194 Leidse textielproducenten reageerden hierop door hun productie uit te breiden met de aloude lakens, die ze echter voortaan van Spaanse wol maakten.195 Bovendien verkortten ze het productieproces om de arbeidskosten te drukken.196 Mede hierdoor trad een verschuiving op in de migratiestromen naar Leiden. Het aandeel van West-Vlaamse vluchtelingen nam af ten gunste van arbeiders uit textielcentra in Wallonië en het westen van Duitsland.197 De meeste van deze nieuwkomers waren lakenwevers en lakenbereiders, beroepen waarnaar grote vraag was ontstaan.198 Dankzij hen kon de totale textielproductie van Leiden tot ongekende hoogten stijgen. In 1640 bedroeg de productie ruim negenentachtigduizend stuks en in 1660 honderdzevenentwintigduizend stuks. Het topjaar was 1664, toen Leidse textielproducenten meer dan honderdvierenveertigduizend stuks afleverden. Naar schatting was toen tweederde van de Leidse bevolking werkzaam in de textiel.199 De hoge productieaantallen konden worden bereikt door een vergaande vorm van arbeidsdeling. Reeds van oudsher kende de textielbranche een scala aan deelbewerkingen die door verschillende groepen producenten werden uitgevoerd. Toen Leiden overging op de nieuwe draperie werden delen van de organisatie verder geoptimaliseerd. Kapitaalkrachtige kooplieden-ondernemers ofwel reders deden hun intrede in
191 Noordam, ‘Nieuwkomers in Leiden’, 41,42,54,55. 192 De Vries (ea), ‘Spectaculair succes en diep verval’, 88,89; Lucassen & Penninx, Nieuwkomers, 77; Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 12-17, 42, 105. 193 Baaien, warpen, fusteinen en rassen zijn lichte stoffen die van goedkope wol werden vervaardigd. Baai is een ruwe wollen stof, geschikt voor tussenrokken, borstlappen en mannenhemden. Warp leek op baai, maar was minder ruw en werd gebruikt voor halsdoeken, schorten, meubelovertrekken en vrouwenbovenrokken. Fustein is een mengstof van wol en linnen die bijzonder geschikt was voor wambuizen. Ras tenslotte was een glad wollen weefsel, dat diende voor bovenkleding als mantels, schorten en broeken. 194 De Vries, ‘De Leidse textielnijverheid’, 83,84. 195 Posthumus, De geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 125,126,378. Vgl. Idem, Bronnen IV, 230 par. 1 (1614). 196 Kaptein, Hollandse textielnijverheid, 188. 197 Lucassen, ‘Leiden als middelpunt’, 150. 198 Er zijn ook aanwijzingen dat Leidse textielondernemers bewust arbeiders rekruteerden in het land van Luik, Eupen, Aken en andere West-Duitse steden (Idem, 152,158). 199 De Vries (ea), ‘Spectaculair succes en diep verval’, 97,98; Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie III, 930-931.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 97

3.6 de lakennering

97

de laken- en greinnering. Zij plaatsten zich boven de oude textielondernemers of drapiers door de wol in te kopen en die via hen bij loonarbeiders te laten bewerken. Daarnaast financierden reders ook eigen weverijen en ververijen, waardoor zij de kosten drukten en bovendien beter konden inspelen op marktontwikkelingen. Toch zouden de ateliers van de grote ondernemers geen gemeengoed worden in Leiden. In de andere textielsectoren behielden de drapiers hun vooraanstaande positie. De huisindustrie bleef de norm, mede door toedoen van de stedelijke overheid.200 De invloed van het stadsbestuur op de textielnijverheid was groot. Leiden was immers economisch afhankelijk van de lakenexport en de bijbehorende accijnsopbrengsten.201 Om de productie in goede banen te leiden en de export te bewaken, ontwikkelde het stadsbestuur allerlei regelgeving en een degelijk controleapparaat. Zo vernieuwde het regelmatig de productieregels in de lakenkeuren en vestigde het aan het begin van de vijftiende eeuw een verkooppunt in het stadhuis, de lakenhal.202 Daarnaast beschermde de Leidse overheid de kleine textielondernemers tegen de grote. De stad stelde bijvoorbeeld een limiet aan het aantal weefgetouwen dat een textielproducent in huis mocht hebben. De doelbewuste regels tegen schaalvergroting waren bedoeld om de werkgelegenheid in de stad niet in gevaar te brengen. Werkloosheid betekende immers een grote druk op de armenzorg en een vermindering van de belastinginkomsten. Tegelijk beschermde de stedelijke overheid de grondstoffenmarkt tegen de dominantie van grote ondernemers.203 Het duidelijkst was het overheidstoezicht vertegenwoordigd in de neringen, een mogelijk uit Engeland afkomstige organisatievorm, die aan het einde van de zestiende eeuw werd ingevoerd. Neringen waren verticale, per soort textiel gestructureerde overheidsinstellingen die toezicht hielden op de naleving van de reglementen.204 Er was een lakennering, een saainering, een baainering enzovoorts. Al deze bedrijfstakken kregen een eigen hal waar producenten hun stoffen verplicht ter keuring moesten aanbieden. Het bestuur van een nering bestond uit enkele gouverneurs en een tweetal superintendenten. De gouverneurs waren afkomstig uit de inner circle van de voornaamste textielondernemers. Zij werden ieder jaar gekozen. De superintendenten waren schepenen die iedere drie maanden doorschoven naar een andere nering.205 Zij benoemden jaarlijks de verschillende in de hal werkzame inspecteurs en overige functionarissen die belast waren met de kwaliteitscontroles. Zo kende de lakenhal onder meer een baljuw, een deken, drie werkmeesters, twee provisionaars of plaatsvervangers en drie tarrameesters. In totaal waren bij alle neringen rond 1670 honderddrieënzestig controleurs actief.206
200 De Vries (ea), ‘Spectaculair succes en diep verval’, 88-91; Noordegraaf, ‘The New Draperies’, 191-193; Posthumus, Geschiedenis van de Leidse lakenindustrie I, 269-271 en Idem, II, 111,350-351. 201 Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 106; Nagtegaal, ‘Stadsfinanciën’, 111,124-132. 202 Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 348; Davids, ‘Neringen, hallen en gilden’, 100-101. 203 Davids, ‘Neringen, hallen en gilden’, 108-109,111; Duplessis & Howell, ‘Leiden and Lille’, 61. 204 In 1586 bestonden vier neringen. Rond het midden van de zeventiende eeuw waren het er zeven: een laken-, baai-, saai-, ras-, fustein-, warp- en greinnering. Zie Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 107,108, 351. 205 Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 170,171. 206 Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche textielindustrie II, 439.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 98

98

3 gilden en neringen

3.6.2 Geschilbeslechting Wie de productienormen van de nering overtrad, kon rekenen op een boete. Deze werd in eerste instantie opgelegd door de baljuw van de betreffende hal. Na betaling was de kous af. Het bestuur van de nering kwam doorgaans pas in beeld bij onenigheid over het geconstateerde vergrijp of de omvang van de sanctie. Bij het forum was in die gevallen beroep mogelijk. Alleen wie om een andere reden een oordeel van de superintendenten en gouverneurs verlangde, kon zich direct tot hen wenden.207 De uitspraken van de bestuurders van de lakennering staan opgetekend in de zogeheten ‘kwestieboeken’. Vermoedelijk hebben andere neringen dergelijke boeken ook bijgehouden, maar die zijn niet overgeleverd. Bovendien ontbreekt van de lakennering het deel dat loopt van 1647 tot 1665. De gegevens ten aanzien van geschilbeslechting en berechting van overtredingen door de neringen zijn dus niet overvloedig. Het kwestieboek van 1665-1696 bevat echter voldoende zaken voor een goede indruk, zeker in vergelijking met de tot nu toe besproken gildenboeken. Tussen 1665 en 1668 spraken de twee superintendenten en de drie gouverneurs van de lakennering zich uit in tweehonderdzesenveertig kwesties.208 Zij vergaderden iedere twee weken op donderdag. Bij zaken die de hele nering aangingen was beroep mogelijk bij het stadsbestuur, maar daar zijn tussen 1665 en 1668 geen sporen van gevonden. De nering handelde de geschillen tussen haar leden grotendeels zelf af.209 Posthumus, die vrijwel ieder aspect van de Leidse lakenindustrie nauwkeurig onderzocht, schreef weinig over geschilbeslechting door de nering. In zijn geschiedenis van de Leidse textielindustrie beperkte hij zich tot een beschrijving van de controlevoorschriften. Deze verdeelde hij in keuringen van de grondstoffen, de arbeidsmiddelen, de onafgewerkte weefsels en het eindproduct.210 Een aantal van deze inspecties vond in de lakenhal plaats, maar veel controleurs opereerden ook daarbuiten. Daarnaast hield het neringbestuur zo nu en dan inspecties van werkplaatsen. De overtredingen die bij de controles werden aangetroffen, zijn vaak technisch van aard en betroffen de kwaliteit van de wol, de afmetingen van de lakens, het omgaan met leerjongens en de betaling van arbeiders die niet in de kost waren bij drapiers.211 Een ander deel van de artikelen was gericht op het bestrijden van fraude. Zo verbood het stadsbestuur de levering van lakens voordat deze op de lakenhal waren gecontroleerd.212 Verder mochten producenten niet sjoemelen met de tijdens de inspecties aangebrachte ‘visitatieloodjes’ of de eveneens verplichte ‘poortersloodjes’.213 Tot slot moesten overtreders de bij een geconstateerde schending opgelegde boete binnen veertien dagen betalen. Een eventueel hoger beroep bij het gerecht was pas toegestaan nadat de boete was betaald.214
207 Idem, Bronnen V, nr. 227 (p. 535-559) art. 1, 2, 4, 10, 19. 208 RAL, HA, inv.nr. 219. 209 Alleen het bestuur van de warpennering procedeerde enkele keren voor de burgemeesters (zie b.v. RAL, SAII, inv.nr. 249 (3-7-1664); Idem, 250 (4-1-1664; 18-5-1666; 26-8-1665; 9-2-1666). 210 Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche textielindustrie II, 451-564. 211 Vgl. Posthumus, Bronnen V, 227, art. 75. 212 Idem, art. 33. 213 Idem, art. 31,32,57,58,61. 214 Idem, art. 81.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 99

3.6 de lakennering

99

Dertien procent van de zaken in het kwestieboek van de lakennering van 1665-1668 heeft betrekking op schendingen van de hierboven genoemde bepalingen. Ongeveer eenderde van de overtreders had het veertigste artikel van het lakenreglement aan zijn laars gelapt. Volgens deze bepaling hoorden drapiers hun werklieden die niet in de kost waren in geld uit te betalen en niet in natura. Op overtreding stond maar liefst honderd gulden boete, maar dit bedrag werd zelden opgelegd. Waarschijnlijk hield het forum van de lakennering bij de bestraffing van textielproducenten rekening met hun inkomen, dat over het algemeen niet bijzonder hoog was.215 Een andere regelmatig terugkerende overtreding van het neringreglement was het niet of onvoldoende uitkeren van arbeidsloon. Hierop stond geen vastomlijnde sanctie. Wel mochten onderbetaalde arbeiders beslag leggen op lakens van hun baas om daarmee alsnog betaling af te dwingen.216 Heel alert waren neringbestuurders op productiefouten. Lakens die niet aan de eisen voldeden, moesten op de hal blijven tot de eerstvolgende vergadering van de gouverneurs en superintendenten. Het forum diende zich dan te buigen over een boete voor de verantwoordelijke producent.217 De hoogte van het bedrag was afhankelijk van de geconstateerde fout. Zo moest Paulus Pires vijf gulden en tien stuivers betalen voor een laken met de verkeerde maten.218 Isaäc de Carpentrij kreeg voor een soortgelijk vergrijp een boete van vijf gulden.219 Op fraude stonden hogere straffen. Arnoudt Wilckijn diende tien gulden af te dragen omdat hij een laken niet had laten controleren. De straf viel nog mee, aangezien de reglementaire sanctie twaalf gulden bedroeg.220 Voller Claes Pietersz. had voor de tweede keer een laken zonder prentlood vervoerd en gevold. De baljuw eiste zesenveertig gulden, bijna het dubbele van wat volgens de keur geëist mocht worden. Maar nadat beide partijen de zaak aan het neringbestuur ter arbitrage hadden voorgelegd, oordeelden de superintendenten en gouverneurs dat Claes maar zesendertig gulden hoefde te betalen.221 Veruit de meeste geschillen in het kwestieboek van de lakennering gaan over betalingsachterstanden. Bijna driekwart van de tweehonderdzesenveertig zaken die tussen 1665 en 1668 door de superintendenten en gouverneurs behandeld werden, waren financieel van aard. Helaas bevatten de kwesties weinig informatie en is van de betrokken personen alleen de naam genoteerd. De formule is doorgaans dezelfde: A dagvaart B, B bekent schuld, waarna de betrokkenen in samenspraak met het forum van de la-

215 RAL, HA, inv.nr. 219 (12-7-1666; 15-9-1667). Vgl. De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 340. 216 RAL, HA, inv.nr. 219 (22-11-1668). 217 Het neringbestuur hield het geld van die boete apart en gaf het aan het einde van ieder jaar aan de drapiers terug (Posthumus, Bronnen V, 227, art. 56). 218 RAL, HA, inv.nr. 219 (5-5-1667). 219 Idem (2-6-1667). 220 Idem (12-11-1666). Zie Posthumus, Bronnen V, 227, art. 33. 221 RAL, HA, inv.nr. 219 (15-10-1667). Het vervoeren van ongecontroleerde lakens kwam een overtreder op 12 gulden te staan. Het voor de tweede maal vollen van een laken zonder prentlood kostte 16 gulden. Dat samen is 28 gulden (Posthumus, Bronnen V, 227, art. 33 en 61).

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 100

100

3 gilden en neringen

kennering een betalingsregeling troffen.222 In achttien procent van de gevallen was sprake van een defaut.223 Wanneer de schuldvraag minder duidelijk lag vroegen de geschilvoerende partijen de neringbestuurders om een scheidsrechterlijk oordeel over de omvang van de schuld en de termijn waarbinnen die voldaan moest zijn.224 De arbitrage in financiële geschillen was van bijzonder belang voor de sector. Door de vergaande vorm van arbeidsdeling stonden veel mensen in een sterke afhankelijkheidsrelatie tot elkaar. Een problematische terugbetaling van verleende kredieten of de huur van machines konden producenten in grote financiële problemen brengen. De lage winstmarges in de branche speelden ook een rol. Daarom hechtte het neringbestuur groot belang aan het soepel wegwerken van schulden. De meeste crediteuren kregen een nieuwe betalingstermijn of een speciale afbetalingsregeling. De lakenexport mocht in geen geval in gevaar komen. Nu maakten producenten dringende financiële problemen ook wel bij het college van vredemakers aanhangig. De vredemakersboeken bevatten anno 1664 enkele tientallen zaken met betrekking tot achterstallig scheer- of persloon, openstaande huurrekeningen voor ramen en wanbetalende klanten. Meestal spraken de vredemakers daarin direct een oordeel uit. Een klein aantal, doorgaans gecompliceerde geschillen verwezen ze terug naar het forum van de lakennering. Dergelijke renvooien kunnen soms in het kwestieboek worden teruggevonden. Op veertien juni 1668 riep Jan Hendricx Weijnte collega Pieter Mauritsz. Smit voor de vredemakers. De heren hadden onenigheid over de lengte van twee halve lakens. Het college van vredemakers vond het conflict te ingewikkeld voor een snelle afhandeling en verwees beide partijen naar het neringbestuur. Dat oordeelde uiteindelijk dat de gezworen meter, een beëdigde ambtenaar, de maten van de stukken opnieuw moest opnemen. Daarna zouden Jan en Pieter hun geschil moeten beëindigen.225 In totaal verwezen de vredemakers in 1664 negen geschillen door naar het forum van de lakennering.226 Ook kon een kwestie terecht komen bij een van de functionarissen van de hal, zoals de tarrameesters. Dit laatste verklaart waarom de vredemakers alleen al in 1664 negen zaken doorverwezen, terwijl superintendenten en gouverneurs tussen 1665 en 1668 maar twee renvooien bespraken.

222 Een voorbeeld: ‘Jelles Jellesz. moet hebben van Karl Specke 18 gulden en 8 stuijvers; [Specke] bekent de schulden waervoor hij lijnden (linnen) in pand heeft; gouverneurs hebben geordonneert het lijnde in handen te houden tot den eerste februari 1666 naer bijstant van betaling het lijnden tot sijn betaling te vercopen oft te behouden tot sijn betaling’ (RAL, HA, inv.nr. 219 (17-12-1665)). 223 Een verstek kostte de overtreder de eerste keer zes stuivers, de tweede keer twaalf en de derde keer dertig stuivers. Op de vierde absentie stond een algeheel werkverbod en een strafrechtelijk proces. Het kwestieboek bevat in de bestudeerde periode echter nauwelijks zulke herhaalde absenties. Dit lijkt erop te duiden dat de rekeningen na het eerste verstek alsnog buiten het neringbestuur om zijn vereffend. 224 RAL, HA, inv.nr. 219 (21-1-1666). 225 Idem (14-6-1668). 226 Vijf zaken werden verwezen naar gouverneurs van één van de andere hallen. In totaal kunnen in de vredemakersboeken in 1664 honderden textielproducenten worden aangetroffen. Van de meeste is niet bekend tot welke nering ze behoorden. Ze worden dan bijvoorbeeld slechts ‘drapier’ genoemd. Ook kunnen veel textielproducenten schuilgaan achter de namen van hun procureurs.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 101

3.6 de lakennering

101

Tabel 3.5

Verdeling van de geschillen binnen de lakennering in soorten (1665-1668), uitgedrukt in personen (mannen (M), vrouwen (V) en totaal (T)) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes is het aantal keren vermeld dat een zaak in het kwestieboek terugkeerde. Personen 1665-1668 Eiser M V T 164 24 188 30 3 33 29 4 33 0 0 0 0 0 0 0 0 0 223 31 254 Zaken Gedaagde M V 150 30 31 2 30 2 0 0 0 0 0 0 211 34 T 180 33 32 0 0 0 245 N 182 32 (1) 32 0 0 0 246 (1) % 74 13 13 0 0 0 100

Type geschil

Schulden tussen producenten Overtreding neringregels Overig Onenigheid over afspraken Klacht over geleverd werk Schulden van klanten Totaal Bron: RAL, HA, inv.nr. 219.

Onder de ‘overige geschillen’ bevinden zich de zaken die vanwege gebrekkige of onduidelijke gegevens niet onder de overige categorieën konden worden gegroepeerd. De tabel is in verhouding tot de overzichten die eerder bij de bespreking van de gilden zijn gebruikt, iets korter omdat de schending van het gildenmonopolie vanzelfsprekend alleen op corporaties van toepassing is. De superintendenten en gouverneurs kregen beduidend meer zaken voorgelegd dan de dekens en hoofdlieden van de gilden. Dat is niet verrassend, gezien de omvang van de lakennijverheid in Leiden. Eigenlijk valt de hoeveelheid kwesties die bij het forum van de lakennering aanhangig werd gemaakt, zelfs enigszins tegen in verhouding tot de aantallen waar de gildenbesturen mee te maken kregen. En dat is opmerkelijk. De lakenindustrie richtte zich in tegenstelling tot de vier bestudeerde gilden op de export en leverde aan veel mensen werk. De stedelijke overheid was zelfs financieel in hoge mate afhankelijk van de textiel. Gezien het grote belang van de export zouden juist meer geschillen te verwachten zijn. Handelsrelaties steunden immers voornamelijk op de reputatie van het exportproduct. Overtredingen van de keur deden daar over het algemeen afbreuk aan en dat was niet goed voor de naam van de individuele producenten.227 Een geconstateerde schending zou daarom in theorie tot heftige protesten van de betrokken overtreders kunnen leiden. Daarvan lijkt in het kwestieboek geen sprake. Dit kan er op duiden dat de boetes die de beambten van de hal aan producenten oplegden, over het algemeen vlot betaald werden. Hoe sneller een bekeuring werd afgewikkeld, des te beter. Negatieve verhalen over aangetoonde sjoemelpraktijken moesten worden voorkomen. Het forum van de lakennering kwam er vaak alleen aan te pas wanneer de betrokken partijen de boete echt niet konden accepteren. In de meeste gevallen verlaagden de superintendenten en gouverneurs de boete ook, bij wijze van tegemoetkoming.

227 Lesger, ‘Huwelijk, opportunisme en bedrog’, 70.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 102

102

3 gilden en neringen

3.7 Conclusie De in dit hoofdstuk besproken gilden en de lakennering verschilden onderling behoorlijk wat betreft hun activiteiten en reglementen. Ook de zaken die door de diverse besturen en colleges werden behandeld, waren uiteenlopend. Hieruit kunnen maar tot op zekere hoogte conclusies worden getrokken. De vier besproken gilden zijn immers niet geselecteerd op basis van representativiteit, maar omdat van andere gilden geen boeken zijn overgeleverd waarin op systematische wijze geschillen staan beschreven. Het ‘kwestieboek’ van de lakennering is eveneens het enig beschikbare. Daarbij laat de verslaglegging van de geschillen veel te wensen over, waardoor naar sommige verbanden en oorzaken slechts gegist kan worden. Tenslotte beslaan de onderzochte archieven uiteenlopende perioden. Dit alles maakt onderlinge vergelijkingen problematisch. Desondanks kan het naast elkaar plaatsen van gegevens de ogen openen voor opvallende overeenkomsten en verschillen die meer licht werpen op geschilbeslechting door gildenbesturen. De indruk is dat de hoeveelheid kwesties die de afzonderlijke gildenfora te behandelen kregen, voor een belangrijk deel kunnen worden teruggevoerd op verschillen tussen de corporaties, zoals ook H. Deceulaer voor Antwerpen aantoonde. Zo kan het feit dat bijvoorbeeld de besturen van het chirurgijns- en apothekersgilde meer zaken kregen voorgelegd dan dat van de glazenmakers, worden verklaard uit het meer ontwikkelde standsbewustzijn van die gilden. Apothekers administreerden hun werk bovendien goed. Door hun status en de controleerbaarheid van hun vorderingen waren ze meer geneigd om geschillen met klanten op een officiële wijze te beslechten. Hetzelfde geldt voor de chirurgijns, die contracten sloten met hun patiënten. Ook de aard van de besproken kwesties verschilde per corporatie. Het glazenmakersambacht was minder specialistisch dan dat van de apothekers en de chirurgijns, waardoor glazenmakers meer te klagen hadden over schending van het monopolie. Farmaceuten onderscheidden zich op hun beurt van de chirurgijns door bijvoorbeeld de vergaande vorm van standaardisering. Zij moesten zich stipt houden aan het zogeheten dispensatorium. Het gildenbestuur zag daar eigenhandig op toe, wat een relatief groot aantal overtredingen aan het licht bracht. Overigens probeerden apothekers en chirurgijns regelmatig om kwesties buiten de gildenkamer te houden door ze bij het college van vredemakers aanhangig te maken. De vredemakers hielden vaker zittingen dan de gildenfora en handelden kwesties doorgaans vlot af, wat bij nijpende financiële problemen gunstig was. Maar de lage rechtbank vond de geschillen vaak te ingewikkeld om ze snel te kunnen beslechten en verwees ze alsnog naar de gilden. Van doodbidders konden geen ‘renvooien’ worden aangetroffen. Zij gebruikten hun gildenforum bovendien nauwelijks voor rechtstreekse confrontaties met collega’s of klanten. Naar de reden hiervoor moet worden gegist. Waarschijnlijk vormden de bidders nauwelijks een collectief. De aansprekers waren onderling in een hevige concurrentiestrijd verwikkeld. Verder vereiste het vak niet veel vaardigheden en dus kon iedereen toetreden. De meeste bidders waren bovendien ‘parttimers’ die op een ander beroep konden terugvallen.

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 103

3.7 conclusie

103

Overeenkomsten waren er ook tussen de besproken gilden. Allemaal richtten zij zich in eerste instantie op de lokale Leidse markt, waardoor zij nauw waren verbonden met het wel en wee van de stad. Zo liftten de glazenmakers in de zeventiende eeuw mee op de expansie van Leiden en leden de bidders in de achttiende eeuw onder de bevolkingsafname. De komst van de universiteit van Leiden en de vele epidemieën beïnvloedden het professionaliseringsproces van het apothekers- en chirurgijnsgilde. Verder kan worden geconcludeerd dat gildenleden hun besturen vooral mobiliseerden bij materiële zaken. Moeilijkheden in de meer immateriële sfeer, zoals beledigingen, kwamen niet in de kwestieboeken voor. Er kon slechts één officiële spijtbetuiging of amende honorable worden teruggevonden. Gildenbesturen fungeerden ook nauwelijks als geschillencommissies avant la lettre waar klanten hun klachten aanhangig maakten. Voor al deze kwesties waren in de Leidse geschilbeslechtingsdelta weer andere kanalen beschikbaar, waarop elders in dit boek nader wordt ingegaan. Van vuilverklaringen of andere onderlinge sancties, zoals R. Dekker in zijn artikelen beschreven heeft, was bij de bestudeerde gilden geen sprake. Het lijkt dus, gezien de lage aantallen kwesties, wat overdreven om met Het welvaren der stad Leiden te spreken over ‘gedurige kwellingen’. Hetzelfde kan worden gezegd naar aanleiding van de geschillen die textielproducenten aan het forum van de lakennering voorlegden. De hoeveelheid zaken die tussen 1665 en 1668 staat genoteerd, mag zelfs bescheiden worden genoemd, zeker als alleen naar de overtredingen van de voorschriften wordt gekeken. Dat is enigszins merkwaardig. De lakenindustrie richtte zich in tegenstelling tot de vier bestudeerde gilden op de export en leverde aan veel mensen werk. Het stadsbestuur was zelfs in hoge mate financieel afhankelijk van de textiel. Gezien het hoge belang van de uitvoer zouden meer geschillen te verwachten zijn. De export was voor een belangrijk deel gebaseerd op reputatie. Importeurs kochten goederen immers hoofdzakelijk op grond van het vertrouwen dat de geleverde producten in orde waren. Overtredingen deden afbreuk aan dat vertrouwen en waren daarom schadelijk voor de goede naam. Maar misschien juist om die reden protesteerden weinig producenten bij aantoonbare gebreken tegen de opgelegde boete. Zij hadden belang bij het snel afhandelen van de bekeuring om zo weinig mogelijk ruchtbaarheid aan de overtreding te geven. Veruit de meeste van de ruim tweehonderdzesenveertig geschillen in het kwestieboek van de lakennering gingen over achterstallige betalingen. Dat lijkt inherent aan de verticale organisatie van de nering waar exponenten van de verschillende productiefasen elkaar kredieten gaven. Betalingsproblemen van klanten, de kopers van het eindproduct, werden nauwelijks bij het neringbestuur aanhangig gemaakt. Dit omdat de producenten weinig direct contact hadden met de klanten. De handelsrelaties liepen via drapiers en lakenkooplieden. Zij daagden slecht betalende klanten voornamelijk in hun eigen woonplaatsen voor het gerecht. De lakennering verschilde qua organisatie dus sterk van de Leidse gilden. Een nering vormde een soort productschap, waar alleen de grootste ondernemers enige zeggenschap hadden. Een nering had bovendien geen leden, kende geen contributie en bezat zodoende weinig corporatieve elementen. Desondanks kunnen ook duidelijke overeenkomsten worden aangewezen. De overheid beschouwde zowel gilden als ne-

06008_hoop_H03

22-05-2006

11:09

Pagina 104

104

3 gilden en neringen

ringen als instrumenten voor het handhaven van de sociale rust door het behoud van werkgelegenheid en verlaging op de druk van de armenzorg.228 Beide organisatievormen hielden de kwaliteit van de producten in de gaten, bewaakten de opleidingen en handelden geschillen af. In die zin kan het beslechten van geschillen tot een onderdeel van hun bestaansrecht worden gerekend. Dat gilden en neringen dat bij voorkeur buiten de officiële bestuursvergaderingen om deden, zal de Leidse overheid niet hebben gestoord. Zij was vooral geïnteresseerd in het resultaat: sociale rust in de stad en een soepel lopend rechtssysteem.229

228 Volgens C. Davids waren de verschillen tussen neringen en gilden ‘niet essentieel’. Davids, ‘Neringen, hallen en gilden’, 118. Vgl. Van Dillen, Van rijkdom en regenten, 340. 229 Duplessis & Howell, ‘Leiden and Lille’, 61.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 105

Hoofdstuk 4

De schutterij

4.1 Inleiding De schutterij neemt onder de vele stedelijke instellingen en corporaties in Leiden een bijzondere plaats in. De burgerwacht was net als elders in Holland alleen toegankelijk voor zogeheten ‘eerlijke’ en ‘gekwalificeerde’, lees: gevestigde personen. Enige mate van gegoedheid was vereist, wat onder meer verzekerd werd door de regel dat leden hun eigen wapenuitrusting moesten aanschaffen en onderhouden. Verder gold alleen een minimum- en maximumleeftijd. Hierdoor verleende de schutterij de stedelijke middengroepen een identiteit, die boven de eigen buurt of het gedeelde ambacht uitging. In de schutterij waren burgers met allerlei achtergronden, beroepen en religies onderling verbonden. Dat is ook de reden dat de burgerwacht door veel stadsbestuurders en officieren werd voorgesteld als het toonbeeld van de harmonieuze stedelijke gemeenschap. Schutters stonden daarnaast voor waakzaamheid, verdediging van de eigen stad en militaire deugd. Ze representeerden het roemrijke verleden en de kracht van de stad. Het best werd dit geïllustreerd tijdens de wapenschouwingen, die de jaarmarkten opluisterden. Ook waren de Leidse schutters van de partij bij het inhalen van belangrijke bezoekers aan de stad, zoals Willem van Oranje in 1575, de graaf van Leicester in 1587 en Maria de Medici in 1638.1 De schutterij vormde ook een bron van frustraties en zorgen. Zo ervoeren de schutters de verplichtingen die bij het lidmaatschap van de burgerwacht hoorden als bijzonder vervelend. Het wachtlopen betekende een behoorlijke inbreuk op het dagelijkse werk. Ook was het waken saai. In de loop van de zeventiende eeuw probeerden daarom steeds meer, doorgaans welgestelde mannen onder de wachtdiensten uit te komen, door zich uit te kopen.2 Daarnaast had ook het stadsbestuur met enige regelmaat het nodige te stellen met de schutterij. De gewapende burgerwacht was in tijden van spanning een bron van onrust en een potentieel gevaar voor de machthebbers. Gehoorzaamheid was niet in alle gevallen gegarandeerd, zoals de periode tijdens de be1 RAL, SAII, inv.nr. 14, p. 34 (12-2-1575); Idem, inv.nr. 15, p. 249 (28-9-1587); RAL, AS, inv.nr. 6 (24-8-1638). Vgl. Roberts & Ottenspeer, ‘Onderwijs en wetenschap’, 202,203; Prak, ‘Burgers onder de wapenen’, 5; Knevel, ‘Onder gewapende burgers’, 45-46; Idem, Burgers in het geweer, 200-202, 274-275, 285. 2 Knevel, Burgers in het geweer, 203-214, 227. Vgl. Te Lintum, Onze schutters-vendels, 13.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 106

106

4 de schutterij

standstwisten en de diverse oproeren hebben laten zien.3 Maar ook de wachtdiensten in perioden van rust leverden nogal eens verstoringen van de openbare orde op, bijvoorbeeld wanneer de verveling met drank verdreven werd en schutters in het holst van de nacht hun kruit verschoten.4 Het was de Leidse overheid er veel aan gelegen om de burgerwacht in toom te houden en ongeregeldheden onder de schutters te bestrijden. In veel steden gingen de bevoegdheden van de schutterijbestuurders daarom verder dan het toezien op naleving van de gedetailleerde ordonnanties. De officieren moesten ook wangedrag corrigeren waarop in de reglementen geen boete was gesteld. Zo ook in Leiden. Hier kreeg het college van deken en hoofdlieden, zoals het bestuur van de schutterij in deze stad genoemd werd, vanaf 1586 vrijwel dezelfde mogelijkheden als een lage rechtbank.5 Bovendien werd het Leidse schutterijbestuur voorgezeten door een van de vier burgemeesters. Het functioneren van vroegmoderne schutterijcolleges als scheidsrechter en bemiddelaar bij geschillen is nog nauwelijks onderzocht. Alleen P. Knevel heeft het onderwerp nader belicht. In het komende hoofdstuk zullen ordehandhaving en geschilbeslechting binnen de Leidse schutterij worden bestudeerd. Gekeken wordt naar de onderzoeksperiode 1664-1668. De gegevens zullen vervolgens worden geplaatst in het perspectief van de overige fora van sociale controle in Leiden. 4.1.1 Historiografie Historisch onderzoek naar de Hollandse burgerwachten is laat op gang gekomen. In de negentiende eeuw verschenen enkele publicaties, maar deze waren over het algemeen geschreven met het oog op herstel van de schutterijen die in die jaren een kwijnend bestaan leidden. Zo bevatte het proefschrift van C.J. Sickesz. naast een verkennende historische beschrijving een reeks voorstellen om de toenmalige wetgeving op de burgerbewapening te verbeteren.6 Een halve eeuw later droeg C. te Linthum zijn prentenboek onder meer op aan de folkloristische boogschuttersgilden die na de afschaffing van de schutterijen in 1903 hier en daar waren blijven voortbestaan.7 De meeste aandacht ging in de genoemde werken uit naar het ontstaan, de organisatie, de kleding, de wapens en andere opvallende zaken betreffende de schutterij. De core business van de schutters, het wachtlopen, kwam er vaak opvallend bekaaid vanaf.8

3 Zie bijv. RAL, SAII, inv.nr. 17, p. 325-326 (15-2-1618) en 332 (5-4-1618). Vgl. Dekker, Holland in beroering, 41-45. Zie ook Knevel, Burgers in het geweer, 323-377. 4 RAL, SAII, inv.nr. 189, (4-7-1658). 5 Zie par. 4.2.1. In veel andere steden werd het schutterijbestuur aangeduid als krijgsraad. 6 Sickesz., De schutterijen in Nederland, m.n. p. 217-265. Over de schutterij in de negentiende eeuw: Knevel, ‘De schutterijen na 1650’, 173-175 (zie ook de aldaar genoemde literatuur). 7 Te Lintum, Onze schutters-vendels, zie p. 1. 8 Zie ook Van Gelder, ‘Sint Joris Schutters’, 29, 56-89. Van Gelder noemt in het artikel de uitbundige feesten, maaltijden, de Doelen en de bezittingen van het schuttersgilde en de schutterij. Het wachtlopen besprak hij niet. Van de door hem bestudeerde rekeningboeken, besprak hij alleen de uitgavenzijde. Op de inkomstenkant, waaronder de boetes, ging hij niet in.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 107

4.2 de leidse schutterij

107

In de twintigste eeuw verflauwde de aandacht voor de schutterijen verder. Pas in de jaren tachtig volgde een herleving. De belangrijkste impuls werd in 1988 geleverd door de tentoonstelling ‘Schutters in Holland’ in het toen jubilerende Frans Hals Museum. De bijbehorende catalogus bood niet alleen een overzicht van schuttersstukken uit de zestiende en zeventiende eeuw, maar ook nieuwe inleidingen op de geschiedenis van de burgerwachten. Daarin stond met name de betekenis van de schutterij centraal. Zo wees P. Knevel in zijn bijdrage op het belang van het dagelijks terugkerende nachtwaken en het optreden als oproerpolitie. Naast dit praktische belang had Knevel als een van de eersten aandacht voor de sterke symbolische waarde van de schutterij voor de stad en de schutters zelf.9 Geschilbeslechting en handhaving van de reglementen door Hollandse schutterijen bleven onbelicht in de tentoonstellingscatalogus. In voorgaande studies waren deze aspecten evenmin aan bod gekomen. Knevel verrichtte daarom pionierswerk toen hij in zijn proefschrift een hoofdstuk besteedde aan de juridische bevoegdheden van de krijgsraad.10 Achtereenvolgens besprak hij de verschillende overtredingen, de boetes en betekenis van de bestraffing voor de schutterij. Knevel onderstreepte dat de rechtspraak niet alleen gericht was op het afdwingen van discipline, maar ook op het herstel van de harmonie na beledigingen of vechtpartijen. Hij baseerde zich hoofdzakelijk op Leidse archieven. Deze bevatten in tegenstelling tot die in veel andere steden een doorlopende reeks notulenboeken. Gezien de vele facetten van de schutterij die Knevel aan bod liet komen, is het gedeelte over de schutterijrechtspraak kort gebleven. Knevel heeft bovendien de notulen niet systematisch door kunnen nemen, waardoor de door hem gevonden kwesties niet worden gekwantificeerd en hoofdzakelijk beperkt blijven tot de eerste helft van de zeventiende eeuw.11 De verkennende aanzetten in zijn onderzoek vragen daarom om een meer gedetailleerde toetsing aan de archieven.

4.2 De Leidse schutterij 4.2.1 Ontstaan en ontwikkeling Hoewel geen werkverenigingen kunnen schutterijen worden gezien als corporaties, gericht op het bewaken en verdedigen van de stad. Het lidmaatschap van de schutterij was, net als dat van de gilden, voorbehouden aan poorters en ingezetenen die financieel zelfstandig waren. Van oorsprong waren de meeste schutters dan ook georganiseerd in een of meerdere gilden. Leiden kende een Sint-Jorisgilde voor de voetboogschutters en later ook een Sint-Sebastiaansgilde voor handboogschutters en

9 Knevel, ‘De kracht en zenuwen’, 37-51. Vgl. Idem, ‘Onrust onder schutters’, 158-174. 10 Idem, Burgers in het geweer, 161-175. 11 Knevel noemt zestien zaken tussen 1604 en 1671, waarvan dertien voor 1650. Zes zaken spelen tijdens de Bestandstwisten (1609-1621).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 108

108

4 de schutterij

kloveniers, die vuurwapens droegen.12 De leden van de schuttersgilden hielden gezamenlijke maaltijden en begroeven overleden collega’s. Net als bij andere corporaties benoemde het stadsbestuur de deken en hoofdlieden van de schutters. Die organiseerden activiteiten zoals een wapenschouwing, hielden toezicht, beslechtten onderlinge conflicten en beheerden de financiën. Verschillen met de ambachtsgilden waren er ook. Het meest in het oog springend, afgezien van de meer economische doelstellingen van de gilden, was dat het lidmaatschap van de schuttersgilden een burgerplicht was voor iedere welgestelde stedeling. De twee gilden omvatten zo dus leden van alle werkverenigingen. Verder was de organisatie van de schutters ingewikkelder dan die van andere corporaties. De stad was verdeeld in wijken en elke wijk had zijn eigen hoofdman met een eigen wachtpost of ‘hoefslag’.13 In de jaren zeventig van de zestiende eeuw bouwde het Leidse stadsbestuur het schuttersgilde gestaag om tot een schutterij of burgerwacht.14 Vanwege de oorlogsdreiging moesten voortaan alle poorters en inwoners op gezette tijden ’s nachts de wacht houden in de stad. In de praktijk kwamen grote groepen van de bevolking niet in aanmerking voor lidmaatschap van de schutterij, omdat ze hun uitrusting niet konden betalen. Anderen waren officieel vrijgesteld, vanwege hun ambt of leeftijd.15 In 1578 kreeg de organisatie van de schutterij een meer militair karakter, met vendels of compagnieën, die onderverdeeld waren in zogeheten kwartieren of korporaalschappen en onderafdelingen, rotten genaamd, met bijbehorende officieren. Het aantal vendels en afdelingen groeide in de loop van de zeventiende eeuw mee met de omvang van de stedelijke bevolking. In de periode 1664-1668 telde Leiden acht vendels, bestaande uit acht kwartieren die weer waren opgedeeld in drie rotten. Het aantal schutters nam toe van negenhonderd in 1599 tot ruim zeventienhonderd in het midden van de zeventiende eeuw. Dat komt neer op een achtste van de volwassen mannen in Leiden.16 De algehele leiding binnen de Leidse schutterij was in handen van de deken, in andere steden ook wel kolonel genaamd. Dit ambt werd door een burgemeester bekleed, die elk kwartaal plaatsmaakte voor een van zijn drie collega’s. De deken zat het bestuur voor en onderhield de contacten met de stedelijke overheid. Daarnaast waren er nog
12 Lidmaatschap van het Sint-Jorisgilde was aanvankelijk alleen weggelegd voor notabelen; het jongere Sint-Sebastiaansgilde bleef daarom wat in de schaduw bij het voetbooggilde. In veel steden bestond daarnaast nog een aparte corporatie voor de kloveniers met uiteenlopende patroonheiligen. Verder waren er nog schutters die geen lid waren van een gilde. Zij waren als bezoldigde soldaten in dienst van de stad (Carasso-Kok, ‘Der stede scut’, 20,22; Sickesz, De schutterijen in Nederland, 17,22). 13 Knevel, Burgers in het geweer, 26-31; Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad I, 168; Idem, II, 106-107, 124-126. 14 In 1567 waren de schuttersgilden door het centrale gezag in Brussel ontbonden omdat ze niet hadden opgetreden tijdens de volksoproeren in dat jaar. Daardoor verwaterden de militaire plichten. Toen in de jaren zeventig de militaire dreiging toenam, werden overal de schutterijen in ere hersteld (Knevel, Burgers in het geweer, 99-107, m.n. 105; Sickesz, De schutterijen in Nederland, 70. Zie voor Leiden ook RAL, SAII, inv.nr. 14, p. 10v (15-11-1574); 13v (25-11-1574); 24v-29 (19-1-1575); 72v-73v (27-11-1575); 193-195v (25-4-1578); Van Mieris, Handvesten, 258-259 (instructie van 2-5-1578). 15 Knevel, Burgers in het geweer, 194-200. Schutters moesten minimaal zeventien jaar zijn (RAL, SAII, inv.nr. 14, p. 24v-29 (19-11575) art. 2), later achttien jaar (RAL, SAII, inv.nr. 9, p. 19). Ze moesten dienen tot hun zestigste (zoals bepaald in het achtste artikel van de Unie van Utrecht). Vrijgesteld waren stadsbestuurders, stedelijke ambtenaren en leden van de universitaire gemeenschap. 16 Meer plaats bood de militaire organisatie ook niet, aangezien elk rot zo’n acht schutters telde (RAL, SAII, inv.nr. 16, p. 176v (1-4-1599); RAL, AS, inv.nr. 164). Voor de periode 1664-1668 zijn geen ledenaantallen bekend. Tussen 1656 en 1672 ontbreken de gegevens. Vgl. Knevel, Burgers in het geweer, 190.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 109

4.2 de leidse schutterij

109

acht kapiteins of hoofdmannen, vaak ruim bemiddelde burgers, voor ieder vendel één. Zij kozen de officieren en schutters en hielden toezicht op naleving van de reglementen.17 De kapiteins werden bijgestaan door luitenanten. Iets lager in de hiërarchie stonden de wachtmeester of majoor en zijn adjuncten. Deze waren als equivalent van de schout en zijn dienaren belast met de ordehandhaving binnen de schutterij. Daarnaast functioneerde nog de vaandrig, die het vaandel bewaarde. Verder had ieder kwartier een toezichthouder die het bevel voerde tijdens de nachtwacht. Deze kwartiermeester of korporaal stond dicht bij de schutters en vervulde de vaak lastige rol van intermediair tussen de manschappen en de hoofdofficieren. Tot slot had ieder kwartier enkele adelborsten. Dit waren gewone schutters met een erefunctie die verantwoordelijkheid droegen voor het goede verloop van de nachtwacht.18 De dienst van de Leidse schutters begon ’s avonds om negen uur. Zij losten dan de betaalde stadswakers of binnenwachters af, die hun dienst begonnen waren na het sluiten van de poorten.19 Elke avond moesten twee van de acht kwartieren van ieder vendel aantreden; welke schutters dienst hadden werd vierentwintig uur van te voren bekendgemaakt. Ze verzamelden zich voor het huis van de betreffende kapitein. Vandaar trokken ze naar het stadhuis waar de wachtmeester de uitrusting controleerde en de afwezigen opnam. Een deel van de manschappen bleef op het stadhuis, de zogeheten hoofdwacht, en nam de sleutels van de stadspoorten in en controleerde de verschillende wachthuizen. De overige rotten werden door middel van loting over de wachthuizen in de stad verdeeld om van daaruit zo’n vier keer per nacht de ronde te doen. Elk vendel had de verantwoordelijkheid voor een aantal vastgestelde wijken met daarin enkele tientallen straten en steegjes. De wacht duurde tot het luiden van de eerste werkklok, doorgaans iets voor zonsopgang. Dat hield in dat in januari de diensten maar liefst negen uur duurden en in juli zes uur.20 Het oudste reglement van de gereorganiseerde Leidse schutterij dateert van 1578, maar al in 1572 waren hervormingen doorgevoerd die in de loop van de jaren zeventig voortdurend in verordeningen bevestigd werden. Daarin hamerde het stadsbestuur op de plicht van iedere schutter om zijn dienst te vervullen en zijn uitrusting op orde te hebben.21 Het lidmaatschap van de schutterij mocht dan op zich eervol zijn en een bron van trots, de bijbehorende nachtwachten waren beduidend minder populair. De ordonnantie van 1579 telde zestien artikelen, waarvan maar liefst de helft bestond uit boetebepalingen op overtredingen als absentie, het te laat verschijnen en het voortijdig verlaten van de diensten.22 In de reglementen die daarna verschenen werden de
17 Orlers, Beschrijvinge der stadt Leijden, 689,690. Schutterskapiteins beschikten in 1660 gemiddeld over een vermogen van zeker twintigduizend gulden. De functie was bovendien dikwijls een startpunt van een politieke carrière (Knevel, Burgers in het geweer, 129,130). 18 Voor een overzicht van alle officieren en hun functies: Knevel, Burgers in het geweer, 112-155. 19 RAL, AS, inv.nr. 1, stuk 25b, Ordre en instructie van de binnenwacht, art. 7. In Amsterdam begon de dienst al een uur voor het luiden van de poortklok. In deze stad moesten de schutters tot 1681 ook de dagwacht waarnemen (Sickesz., De schutterijen in Nederland, 87). 20 Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 287. 21 RAL, SAI, inv.nr. 389, p. 27 (23-6-1572), 43-44 (26-11-1572); Idem, SAII, inv.nr. 14, p. 10v (15-11-1574); p. 13v (25-11-1574); p. 119v (12-12-1576), p. 179 (16-12-1577). 22 RAL, SAII, inv.nr. 15, p. 50v, art. 1, 2, 3, 5, 9, 11, 14, 16.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 110

110

4 de schutterij

boetes steeds verhoogd. Bovendien kreeg het college van deken en hoofdlieden de bevoegdheid om ook schutters die de openbare orde verstoorden, aan te pakken. Voortaan mocht het forum baldadigheid, dronkenschap en klein geweld beboeten tot een bedrag van twaalf gulden. Dit betekende een ontlasting van de vierschaar, aangezien tot dan toe bij twist en vechtpartijen zonder meer tot strafrechtelijke vervolging moest worden overgegaan.23 Het schuttersreglement in het keurboek van 1658 was uitgebreid tot vierentwintig bepalingen. Officieren kregen de nadrukkelijke taak goed te letten op het gedrag van de schutters tijdens de wachtdiensten. Zaken die niet door de beugel konden, moesten worden gemeld aan de wachtmeester. De ordonnantie richtte zich op dit punt vooral op dronkenschap. Het drinken van bier of wijn was uitsluitend op bepaalde tijdstippen toegestaan en dan nog alleen uit niet te grote kannen.24 Ook het bezoeken van herbergen of bruiloften onder diensttijd was verboden.25 Bijzondere aandacht besteedde de ordonnantie verder aan het nodeloos schieten tijdens een dienst. Dit gaf veel overlast in de stad en kon bovendien tot gevaarlijke situaties leiden, zeker in combinatie met alcohol. Wie na het sluiten van de poorten en voor het luiden van de eerste werkklok zomaar een schot loste, kon rekenen op een boete van drie gulden en strafvervolging. Ook ter gelegenheid van het aantreden van nieuwe officieren mocht onder geen beding worden geschoten.26 Overtreders die werden beboet konden in beroep bij het stadsbestuur. Tot slot herhaalde de keur nog de oude bepaling uit 1586 dat ieder overig wangedrag, waarop geen boete was gesteld, door het college van deken en hoofdlieden naar eigen goeddunken mocht worden bestraft. Opvallend is dat de eerder gestelde limiet van twaalf gulden uit de ordonnantie is verdwenen, even als de beperking dat de feiten niet ook strafrechtelijk zouden kunnen worden vervolgd. Daarmee kreeg het schutterijbestuur op papier een ongekend ruime bevoegdheid. In het vervolg zal worden nagegaan in welke mate daarvan gebruik is gemaakt.27 4.2.2 Overtredingen Het college van deken en hoofdlieden van de schutterij vergaderde bijna wekelijks op het stadhuis, doorgaans op dinsdagmiddag. De deken was daarbij vaker niet dan wel
23 Voorwaarde was dat er aan de voorvallen ‘lijff noch lith sal wesen verbeurt’. Ook mocht het wangedrag niets te maken hebben met ‘verlies off verminderinge van ijemants ere, naem off faem’. (Mieris, Handvesten, 260). De Amsterdamse en Rotterdamse schutterijen hadden soortgelijke bevoegdheden (Sickensz., De schutterijen in Nederland, 82; Romer, Mannetjesputters, 27). Toch lieten de schutterijbestuurders zich er niet van weerhouden om toch over beledigingen te oordelen (Knevel, Burgers in het geweer, 169,170). 24 Schutters die eigen vaatjes meebrachten konden, naast inbeslagname van de drank, rekenen op een boete van zes gulden. Op het schenken van bier of wijn ter ere van nieuwe officieren stond zelfs een boete van vijfentwintig gulden. Wie desondanks toch tijdens zijn wacht dronken raakte, kreeg een rechtszaak aan zijn broek (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 80, art. 6, 21). 25 Schutters die zich daaraan schuldig maakten, dienden te worden beboet met dertig stuivers (Idem, art. 9). 26 Het schieten ter ere van nieuwe officieren was een oude gewoonte, die door de betreffende officieren beantwoord diende te worden met het schenken van wijn of bier (Idem, art. 11, 21. Zie ook RAL, SAII, inv.nr. 71, p. 112. Vgl. Knevel, Burgers in het geweer, 307). Overigens was de Leidse boete voor schieten niet bijzonder hoog. In Amsterdam moest daarvoor het dubbele worden neergeteld (Sickensz., De schutterijen in Nederland, 88). 27 Wel moesten de deken en hoofdlieden het stadsbestuur van hun oordeel op de hoogte brengen (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 80, art. 22).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 111

4.2 de leidse schutterij

111

aanwezig.28 De bestuurders bespraken in principe alles wat de schutterij raakte, van ontslagverlening tot de organisatie van de jaarlijkse wapenschouwing.29 Het berechten van overtredingen en wangedrag maakte daar een relatief klein deel van uit. Toch hadden het beboeten en bestraffen een bijzondere plaats in het takenpakket van het schutterijbestuur. De meeste zaken die de burgerwacht aangingen, waren al eerder door het college van burgemeesters of de vroedschap besproken. De uiteindelijke beslissing werd bovendien doorgaans door het stadsbestuur genomen. Veel mogelijkheden om zelfstandig te opereren had het schutterijcollege goedbeschouwd niet. In het beboeten van schutters was het forum daarentegen betrekkelijk autonoom. Alleen bij veroordelingen wegens wangedrag waarin de ordonnantie niet voorzag, moest de stedelijke overheid formeel in kennis worden gesteld. Maar aan het vonnis veranderde dat niets. De deken en hoofdlieden beperkten zich bij het bestraffen van schutters tot incidenten die tijdens de wachtdiensten waren voorgevallen. Verzuim viel daar niet onder. Dit vergrijp werd direct door de wachtmeester en zijn adjuncten afgehandeld. Die moesten de door hen opgelegde bedragen nauwkeurig administreren en aan de hoofdlieden doorgeven. Vanaf 1664 werden de afwezige schutters geregistreerd in een afzonderlijk ‘notulenboek’, waarin ook de namen van nieuwe schutters werden genoteerd.30 Veruit het meest genoteerde, maar ongespecificeerde bedrag in het register is tien stuivers. Dit komt overeen met de som die schutters kwijt waren na verzuim vanwege ziekte of verblijf buiten de stad. Als de bedragen daar inderdaad mee te maken hebben, zeggen ze dus alleen iets over de legale afwezigheid. Maar dit lijkt niet waarschijnlijk. Het ziet er veeleer naar uit dat het eerste verzuim van de schutters consequent lichter is bestraft dan in de ordonnantie was bepaald. Hierop stond officieel twintig stuivers. Herhaalde absentie kwam de schutter op dertig stuivers boete te staan. Losse absentielijsten uit de jaren vijftig laten dezelfde bedragen zien, maar bevatten daarnaast een kolom met teruggegeven gelden voor schutters die achteraf konden aantonen dat ze legaal afwezig waren. Daarmee geeft het notulenboek overigens geen volledig inzicht in de mate van werkverzuim. Een onbekend aantal schutters kocht hun diensten onderhands af, waarover de schutterijbestuurders zich regelmatig beklaagden.31
28 De deken, één van de burgemeesters, was in 35 procent van de vergaderingen aanwezig. Naast de dinsdag kwam men een enkele keer ook op andere dagen bijeen (bijv. RAL, AS, inv.nr. 8 (7-8-1666 en 13-12-1666)). Overigens ligt de vergaderfrequentie van de Leidse schutterijbestuurders vrij hoog. In Rotterdam kwam de krijgsraad om de twee maanden bijeen op de eerste werkdag van de maand (Romer, Mannetjesputters, 27). 29 Het journaal van de deken en hoofdlieden bevat talloze opsommingen van mensen die uit dienst gingen of om een andere reden van wachtlopen werden vrijgesteld. Schutters hoefden na hun zestigste levensjaar geen wachtdiensten meer te draaien. Ouderdom en gezondheidsredenen waren dan ook de meest voorkomende redenen voor ontslag uit de schutterij. Ook het aannemen van belangrijke stedelijke functies, zoals het bonmeesterschap, het ambt van ouderling in de gereformeerde kerkenraad, functies binnen de universiteit etc. was een ontslaggrond. Anderen kochten een vrijstelling, bijvoorbeeld op basis van geloofsovertuiging (doopsgezinden) of vanwege ziekte van hun echtgenotes. Zij betaalden hiervoor een jaarlijks ‘appoinctement’ dat inkomensafhankelijk was. Ontslag moest schriftelijk worden aangevraagd. 30 Het boek is vermoedelijk buiten de vergaderingen om bijgehouden. Ook de periodisering van de overige notulenboeken suggereert dat boek 9 (1664-1669), samen met boek 10 (1669-1672) als aanvulling op de vergaderverslagen is aangelegd. Boek 7 beslaat namelijk veertien jaar (1643-1657) en het daarop volgende boek 8 vijftien (1657-1672). Boek 11 pakt vervolgens de draad weer op (1673-1681). 31 RAL, AS, inv.nr. 9. Het schutterijbestuur sprak zich geregeld uit tegen ‘oogluijckinge of onderscheijt van personen’ door lagere officieren (zie bijv. RAL, AS, inv.nr. 8 (4-3-1664)). Vgl. Knevel, Burgers in het geweer, 228.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 112

112

4 de schutterij

Tabel 4.1 Jaar 1664 1665 1666 1667 1668 Totaal

Aantal ongespecificeerde boetes in het notulenboek van de deken en hoofdlieden van de schutterij in de periode 1664-1668. N 272 340 435 443 408 1898

Bron: RAL, AS, inv.nr. 9.

Het college van deken en hoofdlieden nam tussen 1664 en 1668 drieënnegentig zaken in behandeling, waarin partijen geen beroep lijken te hebben aangetekend. De vonnissen staan opgetekend in het ‘journaal’, het feitelijke notulenboek van het schutterijbestuur. Het is niet duidelijk volgens welke procedure het forum de kwesties afwikkelde. De ordonnantie geeft hiervoor geen richtlijnen.32 Uit het ‘journaal’ valt af te leiden dat schutters die strafbare feiten pleegden door de wachtmeester werden aangeklaagd, waarna het bestuur een oordeel velde en een straf bepaalde. De deken had daarbij, met name in de meer ernstige gevallen een doorslaggevende stem.33 In hoeverre de gedaagden zich tegen de beschuldigingen mochten verdedigen is niet helemaal duidelijk. Het forum behandelde veruit de meeste vergrijpen vrij kort, waarbij de bevindingen van de wachtmeester centraal stonden. Over een eventueel weerwoord van de betreffende schutter zwijgen de notulen. In verslagen uit de jaren vijftig wordt echter wel gesproken over de ‘defensie’ van de gedaagde. Mogelijk is de formule uit de boeken verdwenen met het aantreden van een nieuwe secretaris.34 Slechts een enkele keer zag het bestuur zich genoodzaakt dieper op een kwestie in te gaan. Het ging dan om zware overtredingen of om wangedrag waarop door de ordonnantie geen boete was gesteld. In deze gevallen dreigde onrust binnen de betreffende afdeling, wat een meer zorgvuldige procedure rechtvaardigde.35 Het merendeel van de geregistreerde overtredingen had te maken met ongeoorloofd schieten tijdens de wachtdienst. Dit werd in de onderzochte periode maar liefst negenendertig keer beboet. De officiële straf voor het schieten vóór de werkklok was drie gulden en strafrechtelijke vervolging. Maar in bijna tachtig procent van de geval-

32 Het college diende ‘fouten, misbruiken en overtredingen’ te onderzoeken en moest naar ‘recht, redenen en billijkheid’ oordelen (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 80, art. 22). 33 Vgl. RAL, AS, inv.nr. 8 (10-6-1664). 34 Boek 7 (1643-1657) bevat geregeld de aantekening dat de gedaagde schutter ‘in zijn defensie was gehoord’. Met de overgang naar boek 8 (1657-1672) verdwijnt de formule. Vergelijking tussen de twee registers leert dat boek 7 in een ander handschrift is geschreven dan boek 8. Ook de opmaak verschilt. De gekozen formulering is daarom wellicht afhankelijk van de schrijver. Het is niet waarschijnlijk dat het schutterijbestuur bij de ingebruikname van een nieuw register van werkwijze is veranderd. 35 In hoeverre het schutterscollege de gedaagde ook aan een kruisverhoor onderwierp en getuigen opriep, wordt niet duidelijk uit de bestudeerde notulen. Knevel meent dat dit wel gebeurde, maar voert daarvoor slechts één Leidse zaak aan (uit 1610). Hier was echter het functioneren van een heel rot aan de orde (Knevel, Burgers in het geweer, 162-163).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 113

4.2 de leidse schutterij

113

len legden de schutterijbestuurders alleen twee gulden boete op. Waarom is niet duidelijk. De deken en hoofdlieden lieten het verbod herhaaldelijk aflezen, daarmee de ernst van het vergrijp onderstrepend.36 In 1666 sprak het forum af dat bij schieten ‘bij nacht of ontijden’ voortaan geen boetes lager dan drie gulden zouden worden opgelegd. Maar daar hield men zich niet aan. Het lijkt er op dat het ongeoorloofd schieten te vaak voorkwam en daarmee onuitroeibaar bleek.37 Ook bij het afvuren van musketten ter gelegenheid van het ophalen en thuisbrengen van nieuwe officieren, stelden de bestuurders zich opvallend coulant op. Ze besloten het voorval met een waarschuwing af te doen en het verbod aan alle kwartieren nog eens voor te lezen, aangezien de keuren op dit punt in ‘non observantie’ waren geraakt.38 De jaarlijkse wapenschouwing rond Pinksteren gaf eveneens aanleiding tot veel overtredingen van het schutterijreglement.39 In de bestudeerde periode werden achttien schutters beboet, meestal omdat voorafgaand aan de optocht hun materiaal niet in orde bleek. Musketiers en piekeniers werden onder meer geacht, naast hun wapens een stormhoed te dragen, een ijzeren helm die ook wel morion werd genoemd.40 Zo’n uitrusting was niet goedkoop. Knevel vermoedt dan ook dat aan veel overtredingen tijdens de wapenschouwing financiële problemen ten grondslag lagen. Veertien schutters hadden een gewone of blikken hoed op gedaan in plaats van de vereiste ijzeren helm.41 Maar het lijkt niet onwaarschijnlijk dat in een aantal gevallen sprake was van opzet. Sommige schutters waren voor aanvang van de monstering al aardig dronken. Niet voor niets riep het schutterijcollege de officieren ieder jaar op om hun manschappen niet al voor de monstering van drank te voorzien. Verder verhoogde het bestuur de boete op het dragen van een gebrekkige uitrusting in 1667 tot drie gulden, een verdrievoudiging ten opzichte van 1664. Toch legden de deken en hoofdlieden dat jaar steeds ‘uit moderatie’ slechts twee gulden op. Alleen Dirk Smit kreeg in 1664 een boete van vier gulden, maar hij had dan ook de wachtmeester die hem bekeurde beledigd.42 De overige vergrijpen tijdens de wapenschouwing hadden alles met baldadigheid te maken. Zo had een schutter enkele ruiten kapotgeschoten, waaronder die van zijn eigen kapitein. Een tweede liep uit het gelid. Een derde was net als voorgaande jaren stomdronken aangetroffen. Een vierde schutter was helemaal niet komen opdagen,
36 Zie bijv. RAL, AS, inv.nr. 8 (30-9-1664). 37 Het verschil tussen het voorgeschreven bedrag en de opgelegde boete kan niet uit een laag inkomen van de betrokken schutters worden verklaard. Het gemiddelde vermogen van de schutters die twee gulden moesten betalen lag, voor zover achterhaald kon worden, zelfs iets hoger dan dat van de enkeling die drie gulden kwijt was. 38 RAL, AS, inv.nr. 8 (5-8-1664). 39 De wapenschouw vond meestal plaats op maandag tijdens de zogeheten kruismarkt. Deze begon op Hemelvaartsdag en duurde tot de donderdag voor Pinksteren (Weterings & Van der Vlist, ‘Wie maakt me los?, 25,26; Zegveld, ‘Zilveren schutterspenningen’, 51). 40 Musketiers hoorden een musket, een furketstok, kruit, lont en een sabel bij zich te dragen. De uitrusting van de piekeniers bestond uit een piek of lans, een halfharnas met halsbescherming en een sabel. Officieren waren rijker uitgedost met een kogelvrij borstharnas, voorzien van halsbescherming en een stormhoed. Onderofficieren droegen bovendien een hellebaard als teken van hun rang. Zie RAL, SAII, inv.nr. 17, fol. 294v-316 (28-2-1617). Vgl. Groot Placaet boeck III, 163 b (1672). 41 RAL, AS, inv.nr. 8 (10-6-1664; 17-6-1664; 14-6-1667; 5-7-1667; 19-7-1667); Knevel, Burgers in het geweer, 217. 42 RAL, AS, inv.nr. 8 (17-6-1664). Tien van de veertien overtreders stonden in 1674 opgetekend in de kohieren van de tweehonderdste penning.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 114

114

4 de schutterij

omdat hij zichzelf te oud vond. Dit waren stuk voor stuk ernstige vergrijpen. De wapenschouwing was een evenement van betekenis met een sterk symbolische waarde. De stadsbestuurders lieten er onder meer mee zien welke gewapende macht achter hen stond. Maar bovenal gaf de optocht uitdrukking aan de trots van de schutterij. De marcherende burgers representeerden de luister van de stad en stelden zich zo in de traditie van de aloude schuttersgilden.43 Verstoring van het ritueel werd dan ook hoog opgenomen. De schutter die verstek liet gaan, kreeg een boete van vijftig stuivers, net als degene die uit het gelid liep.44 De andere twee werden nog zwaarder gestraft. De schutter die het op de ruiten van zijn meerdere voorzien had, kreeg een strafzaak aan zijn broek en werd door de criminele vierschaar veroordeeld tot een boete van maar liefst tweeënzeventig gulden.45 De notoire dronkaard werd ontschutterd, de zwaarst denkbare straf die het schutterijbestuur kon opleggen.46 Het college van deken en hoofdlieden ging in de onderzochte periode 1664-1668 maar liefst drie keer tot ontschuttering over. Nog eens drie schutters werden tijdelijk geschorst, een vrij hoog aantal, aangezien Knevel tussen 1580 en 1700 achttien ontschutteringen in Leiden telt.47 Een mogelijke verklaring hiervoor is dat het aantal zaken waar het forum van de schutterij zich over boog in de loop van de zeventiende eeuw aan fluctuaties onderhevig was. Hierdoor varieerde ook het aantal ontschutteringen. Zo vond tussen 1648 en 1658 geen enkele verwijdering uit de schutterij plaats. Ontschuttering was erg ingrijpend. De schutter in kwestie was onbetrouwbaar gebleken en had daarmee zijn reputatie verspeeld. Dit had consequenties voor het maatschappelijk functioneren van de schutter. Het hebben van een goede naam was van groot belang voor de sociale en financiële kredietwaardigheid van de vroegmoderne stedeling.48 Het schutterijbestuur reserveerde de ontschuttering dan ook voor die leden die de schutterij te schande maakten door herhaaldelijke ernstige overtredingen en ongehoorzaamheid tegen meerderen. Op de derde plaats van veelvoorkomende delicten staat het te vroeg verlaten van de wachtdienst. Dit werd tussen 1664 en 1668 acht keer beboet. De betrokken schutters waren telkens halverwege hun ronde een kroeg ingedoken. Dit kwam hen op een boete van achttien tot twintig stuivers te staan. Opnieuw viel dit bedrag lager uit dan de voorgeschreven sanctie, in dit geval dertig stuivers. Bij één schutter werd expliciet vermeld dat dit ‘uit gratie’ gebeurde, maar hij deed dan ook een beroep op niet nader genoemde verzachtende omstandigheden.49 Een en ander staat haaks op de vaststelling van Knevel dat de boetes die schutters kregen opgelegd vaak overeenkwamen met de ordonnantie.50 In de onderzochte periode lijken de schutterijbestuurders de vastge-

43 Knevel, Burgers in het geweer, 271-279. Vgl. Idem, ‘Kracht en zenuwen’, 45,46. 44 RAL, AS, inv.nr. 8 (17-6-1664; 14-6-1667). 45 Idem, (10-6-1664). Zie ook RAL, ORA, inv.nr. 4 N, p. 262 (26-6-1664). 46 RAL, AS, inv.nr. 8 (26-6-1668). 47 Knevel, Burgers in het geweer, 166. 48 Zie o.m. Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 185-188; Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 171-196; Idem, Maurermeister, 139-172; Van de Pol, Amsterdams Hoerdom, 67-98; Roodenburg, ‘Eer en oneer’, 129-147; Garrioch, Neighbourhood and community, 37-48. 49 RAL, AS, inv.nr. 8 (16-11-1666). 50 Knevel, Burgers in het geweer, 162.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 115

4.2 de leidse schutterij

115

stelde bedragen veeleer als richtlijn te hebben gehanteerd of op zijn best als maximumstraf. De hoogte van de bedragen hing af van zaken als recidive en andere bijzonderheden, zoals de mate waarin het gewraakte gedrag tegen de hiërarchie inging. Zo werd een schutter die van zijn kapitein geen toestemming had gekregen om eerder naar huis te gaan maar toch was vertrokken, veroordeeld tot een boete van vijftig stuivers.51 Het college van deken en hoofdlieden registreerde zelden incidentele dronkenschap. De bestraffing hiervan moest volgens de ordonnantie van 1658 aan de vierschaar worden overgelaten. Maar ook in de stedelijke vonnisboeken komt het vergrijp nauwelijks voor. Mogelijk zagen rotmeesters dronkenschap door de vingers zolang er geen brokken van kwamen. Alleen wanneer benevelde schutters ‘moedwilligheden’ of wild gedrag vertoonden, volgden maatregelen. In twee gevallen werd dronkenschap nadrukkelijk genoemd als verzwarende omstandigheid naast andere zaken, namelijk ‘onhebbelijkheden’ en ‘roekeloos schieten’. De daders werden veroordeeld tot respectievelijk vijf gulden boete en verwijdering uit de schutterij.52 Een derde schutter werd ontschutterd wegens herhaalde dronkenschap tijdens wapenschouwingen – het geval is hierboven al genoemd. De verwijdering van de man had echter, zo tekenden de schutterijbestuurders aan, nog ‘enige andere redenen’, maar die zijn niet door de secretaris vermeld.53 4.2.3 Beledigingen Naast overtredingen van de schuttersordonnantie, sprak het schutterijcollege zich ook twintig keer uit over wangedrag waarop in de reglementen geen sanctie was gesteld. Bijna tweederde van de zaken ging om beledigingen van medeschutters en officieren. Dergelijke kwesties werden meestal door de wachtmeester aan de deken en hoofdlieden gemeld. Slechts in een bescheiden aantal gevallen stapten de gedupeerden zelf naar het schutterijbestuur. Zij voelden zich door hun medeschutters dermate geschoffeerd, dat zij alleen het bestuur als het meest aangewezen forum zagen om genoegdoening te krijgen. Mogelijk waren eerdere onderlinge verzoeningspogingen op niets uitgelopen. Het college van deken en hoofdmannen vertegenwoordigde voor beide geschilvoerende partijen het hoogste gezag binnen de corporatie. Ook het publiek van medeschutters, dat van de belediging of het geweld getuige was geweest, erkende die autoriteit, wat van belang was voor de uitwerking van het vonnis. Verder was een snelle en kosteloze behandeling van de zaak mogelijk, aangezien de bestuurders wekelijks bijeenkwamen en voorkomende moeilijkheden in dezelfde zitting nog afhandelden. De gevolgde procedure bij ongewenst gedrag van schutters is net als die bij overtredingen niet gereglementeerd. Wel zijn de meeste kwesties iets uitgebreider beschreven. De ernstigste zaken kregen de meeste ruimte in het journaal. Een reconstructie van de procedures is daarom alleen mogelijk op basis van de meer uitzonderlijke gevallen. Of het forum van de schutterij ook in de meer beknopt weergegeven zittingen
51 RAL, AS, inv.nr. 8 (11-8-1665). 52 Idem (8-3-1667; 17-6-1664). 53 Idem (26-6-1668).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 116

116

4 de schutterij

op deze wijze optrad, is niet met zekerheid te zeggen.54 In ieder geval lijken de gedupeerde schutters zelf hun verhaal te hebben gedaan voor het college van deken en hoofdlieden, al dan niet op uitnodiging van de wachtmeester. De lijn van hun betoog leek sterk op die van pleidooien voor de vierschaar. De klager formuleerde in chronologische lijnen het gebeuren en sloot af met een conclusie, waarin de eis was opgenomen. De vraag is of de betrokken schutters, die overigens nergens ‘eisers’ werden genoemd, zelf tot zo’n bondig relaas in staat waren, of dat de tekst door de secretaris van het bestuur in die vorm is weergegeven. Het laatste lijkt niet ondenkbaar. Vervolgens kreeg ook de gedaagde het woord, hoewel zijn verhaal zelden in de notulen is opgenomen. Tot slot overlegden de bestuurders en volgde het oordeel. Het college van deken en hoofdlieden was er in eerste instantie op uit om wangedrag onder schutters te bestrijden. De vonnissen van het forum droegen daarom deels een disciplinair karakter. Maar ook moest de toegebrachte schade worden gerepareerd. Deze doelstellingen leidden in verschillende situaties steeds tot andere afwegingen. Bij belediging van een meerdere woog het correctieve aspect het zwaarst. Het bestuur was er dan op uit om een afschrikwekkend voorbeeld te stellen. Schutters die tegen de noodzakelijke hiërarchie ingingen, konden rekenen op een al dan niet tijdelijke ontschuttering, zeker als de schutter in kwestie al vaker over de schreef was gegaan. Het geval van de al eerder genoemde koopman Dirck Smit kan als voorbeeld dienen. Hij had zich in 1666 bij de monstering, voorafgaand aan de wachtdienst, opgesteld bij de adelborsten, wat een miskenning van hun erepositie inhield. Toen de wachtmeester hem daar weg wilde halen, gaf Smit hem een stoot met zijn elleboog. Vervolgens weigerde de koopman zijn degen te presenteren. Eenmaal op wacht maakte hij opnieuw ‘groot getier’. Hij schold twee schutters van de hoofdwacht die op het rumoer waren afgekomen uit voor ‘dronken beesten’ en ‘dronken varkens’. Het schutterijbestuur oordeelde dat Smit niet langer te handhaven was. Twee jaar eerder had hij, zoals hierboven is vermeld, ook al een wachtmeester onheus bejegend. De bestuurders verwijderden hem uit de schutterij en veroordeelden hem tot een boete van vier ducatons en een jaarlijkse contributie van achttien gulden.55 Beschimpingen aan het adres van medeschutters werden in de bestudeerde periode 1664-1668 vrijwel steeds met een boete bestraft. Deze was afhankelijk van de ernst van het vergrijp en varieerde van twee tot vier ducatons. Zo kreeg een schutter die tijdens de wacht een collega uitschold en bovendien diens vrouw beledigde, een boete van twee ducatons.56 Hendrick Tjardus had zijn maat niet alleen uitgescholden, maar ook in zijn gezicht geslagen. Dit kwam hem op vier ducatons te staan.57 Deze bedragen ko54 Knevel meent van wel (Knevel, Burgers in het geweer, 164). 55 Dit bedrag lag rond het gemiddelde dat in de keur van 1658 is aangegeven, namelijk tussen de acht en dertig gulden (RAL, AS, inv.nr. 8 (3-8-1666)). Vgl. RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 80, art. 20. Ontschuttering was geen automatisme. In oktober 1666 hadden twee schutters kapitein Buijtenvest geschoffeerd. Eén van hen kreeg, naast een boete van twee ducatons, ontslag tot zijn kapitein hem weer in dienst zou nemen. Zolang hij geschorst was, diende hij tien gulden per jaar contributie te betalen. De andere kwam er, om onduidelijke redenen, met een vermaning vanaf. Mogelijk was zijn aandeel in de belediging geringer (RAL, AS, inv.nr. 8 (26-10-1666)). 56 RAL, AS, inv.nr. 8 (3-12-1666). Een ducaton had een waarde van drie gulden en drie stuivers. 57 Idem (13-5-1664).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 117

4.2 de leidse schutterij

117

men ongeveer overeen met wat het college van vredemakers bij beledigingen oplegde. En net als bij veroordelingen door de vredemakers ging het geld niet naar de gedupeerden zelf.58 Een enkele keer volstonden de schutterijbestuurders met een vermaning aan het adres van de dader. Zo werd Jan Dublet en Juriaen Blicklant na ‘ernstige bestraffing en dreiging’ voorgehouden dat ze zich voortaan stil en bescheiden moesten opstellen. Ze kregen bovendien een kerfstok, een houtje waarop de schutterijbestuurders een voorwaardelijke straf aantekenden. Bij een volgende belediging zou dan direct met de schutters worden afgerekend. Welk bedrag in het hout gekerfd was, staat niet vermeld.59 Of de opgelegde boetes bedoeld waren als amende profitable – een geldelijke compensatie van de beledigde schutters – is niet helemaal duidelijk. De som wordt nergens als zodanig aangeduid. Ook ontbreekt in de onderzochte periode de bijbehorende rituele herroeping van de scheldwoorden, de amende honorable. Deze was essentieel voor het ongedaan maken van de reputatieschade die iemand door een beschimping kon oplopen.60 De dader nam dan de gewraakte woorden terug en verklaarde dat hij de ander voor een eerlijk persoon hield. Vervolgens schudden hij en het slachtoffer elkaar de hand ter onderstreping van de verzoening. Waarom het schutterijbestuur nergens op zo’n herroeping aandrong, is niet duidelijk. Verzoening was van eminent belang om de vrede binnen een rot te herstellen. Was het forum daar niet in geïnteresseerd? Knevel noemt in zijn boek wel enkele voorbeelden uit het Leidse schutterijarchief waarin een amende honorable voorkwam. Deze dateren echter allemaal van het begin van de zeventiende eeuw.61 Werd het streven naar verzoening in de jaren zestig niet meer belangrijk gevonden? Bestudering van het notulenboek van de periode 1648 tot 1657 leert dat herroepingen van beledigingen alleen in de eerste helft van de jaren vijftig nog sporadisch voorkwamen. In 1654 moest een schutter zijn collega, die hij tijdens de wapenschouwing door de hoed geschoten had, een hand geven, onder de belofte dat zij voortaan goede vrienden zouden blijven. Daarnaast kreeg hij een boete van vijf gulden en moest hij zes gulden schadevergoeding betalen.62 In een vergelijkbaar geval bleef het vonnis echter beperkt tot vier gulden boete en een vermaning om voortaan in eendracht te leven ‘zoals schutters en burgers behoren te doen’.63 De reden hiervoor is bij gebrek aan gegevens niet meer te achterhalen. Mogelijk was de reputatieschade in het tweede geval minder.64 De schutter die tijdens zijn wacht in een bierkan urineerde en deze vervol58 De som moest worden verdeeld ‘naar oude gewoonte’. Hiermee kunnen verschillende verdeelsleutels bedoeld zijn. Het is mogelijk dat het geld bewaard werd, om op enkele momenten per jaar (ieder kwartaal of ieder half jaar) onder de manschappen van het bewuste vaandel te worden verdeeld (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 80, art. 4). Het bewuste artikel heeft echter betrekking op boetes vanwege verzuim dat het vaandel rechtstreeks in zijn functioneren raakte. Waarschijnlijker is dat het geld gelijkelijk verdeeld werd onder de armen, de Doelen en de adjuncten van de wachtmeester (vgl. RAL, AS, inv.nr. 7 (21-7-1648)). Maar ook een verdeling in vieren is mogelijk: de armen, de Doelen, de wachtmeester en de adjuncten van de wachtmeester (vgl. RAL, AS, inv.nr. 7 (5-6-1655)). 59 Vgl. RAL, AS, inv.nr. 8 (18-10-1667). 60 Zie Broers, ‘Van tafel 8 tot boek 6’, 303-305. 61 Knevel, Burgers in het geweer, 170-171. 62 RAL, AS, inv.nr. 7 (16-7-1654). 63 Idem (2-7-1647). 64 Het hoofd was de ‘zetel van de eer’. Een hoofddeksel gold als verlengstuk van het hoofd. Vgl. Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 71,80,81.

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 118

118

4 de schutterij

gens aan zijn collega’s serveerde, verontschuldigde zich zelf.65 Een andere schutter die een medeschutter had uitgedaagd en hem diens pijp uit de mond had geslagen, kreeg slechts een boete. Van een amende honorable was geen sprake.66 De benevelde schutter die zijn rotgezellen had beledigd en met zijn degen zelfs bijna had geraakt, hoefde zich evenmin te verontschuldigen. Hij werd overgeplaatst, waardoor verzoening met zijn rot niet meer nodig was.67 Het is mogelijk dat in de tweede helft van de zeventiende eeuw een amende honorable nauwelijks nog geregistreerd werd en met het aantreden van een nieuwe secretaris helemaal uit de notulen verdween. De zaken in de journaals zijn veelal slechts kort beschreven, zonder vermelding van de gebruikte scheldwoorden. Ook zwijgen de verslagen over bemiddelingspogingen door het forum van de schutterij. Het verzoeningsritueel was mogelijk zo vanzelfsprekend dat het met het oog op de gewenste bondigheid buiten de boeken gehouden kon worden. Maar het is evengoed denkbaar dat het bereiken van een akkoord in veel gevallen helemaal niet aan de orde was. Verzoening behoorde eenvoudigweg niet tot het gereglementeerde repertoire van het schutterijbestuur. De burgerwacht was een militaire, hiërarchische organisatie, waarin wangedrag niet getolereerd kon worden. De ordonnanties schreven voor om daders te ‘straffen’ en naar recht, reden en billijkheid te ‘corrigeren’. Over ‘tussenspraak’ en ‘verenigen van partijen’, waarin het college van vredemakers zoveel belang stelde, wordt niet gesproken.68 Beledigingen lijken zodoende in eerste instantie disciplinair gestraft te zijn. Veruit de meeste schutters werden wegens beschimpingen ook door de wachtmeester aangeklaagd. Slechts een drietal zaken was door de gedupeerden zelf aanhangig gemaakt. Wanneer de ruzie het hele rot of zelfs de schutterij aanging, werd verzoening belangrijker voor het schutterijbestuur. Het functioneren van de afdelingen stond dan op het spel. De door Knevel aangehaalde voorbeelden wijzen daar ook op.69 De enige keer dat het forum van de schutterij tussen 1664 en 1668 een poging tot verzoening ondernam, had eveneens betrekking op de reputatie van het hele corps. Het ging om een ruzie tussen een schutter en een burger, die bovendien bij een andere rechtbank aanhangig was gemaakt. De schutterij zat met andere woorden in de beklaagdenbank. Timmerman Pieter Blom had in 1665 schutter Leendert Heijendaal voor de vredemakers gedaagd vanwege een klap met een piek. Volgens Leendert waren daar ‘vele onfatsoenlijke schimpwoorden en dreigementen’ van de timmerman aan vooraf gegaan. Pieter zou hem bovendien al scheldend enkele straten hebben gevolgd. En dat terwijl Leendert op weg was naar zijn wachtdienst en dus in functie was. Met de klap had hij de eer van de schutterij verdedigd, zo meende Leendert. Hij vond daarom dat de schutterij over de zaak moest oordelen en stapte naar het bestuur. De deken, lees de zitting
65 RAL, AS, inv.nr. 7 (22-8-1656). 66 Idem (21-11-1656). 67 Idem (5-6-1655). 68 Zie hoofdstuk 7, par. 7.3.1. 69 Knevel beschrijft een treiterpartij van een schutter door zijn hele rot, een ruzie tussen een adelborst en een wachtmeester en een ernstige belediging van een schutter door een burger (Knevel, Burgers in het geweer, 168-170).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 119

4.2 de leidse schutterij

119

hebbende burgemeester, was dat met hem eens en zorgde er hoogstpersoonlijk voor dat de vredemakers de zaak ter arbitrage naar de schutterijbestuurders doorverwezen – een overduidelijk voorbeeld van de verwevenheid van de stedelijke overheid en het schutterijbestuur. Uiteindelijk kwamen de deken en hoofdlieden overeen dat beide partijen zich onvoorwaardelijk bij het scheidsrechterlijk oordeel van het bestuur zouden neerleggen. Helaas is de uitkomst van het proces niet in het journaal opgenomen.70
Tabel 4.2 Verdeling van de geschillen binnen de schutterij in soorten (1664-1668), met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak in het notulenboek terugkeerde. N 74 9 (1) 6 3 1 93 (1) % 79 11 6 3 1 100

Type geschil Overtreding van de reglementen Belediging Geweld Belediging met geweld Overig Totaal Bron: RAL, AS, inv.nr. 8.

Vermoedelijk zullen de meeste scheldpartijen en beledigingen onderling, nog tijdens de wacht zijn opgelost. Dat was de snelste en gebruikelijkste manier om beschimpingen te pareren. Alleen wanneer verzoening niet bereikt kon worden, was een gang naar het schutterijbestuur een denkbare optie om genoegdoening te krijgen, zoals in het geval van Leendert Heijendaal en de slachtoffers van Jan Dublet en Juriaen Blicklant. Ook de wachtmeester kon ingrijpen, al dan niet op aandringen van het slachtoffer, en degene die een ruzie of gevecht begonnen was voor de deken en hoofdlieden dagen. Maar zover kwam het meestal niet. Andere fora kwamen nog minder vaak in beeld bij onenigheid tussen schutters. In de onderzochte periode konden geen interne schutterskwesties in de vredemakersboeken of het dingboek voor grote zaken worden gevonden. 4.2.4 Geweld Zes keer moesten schutters voor het college van deken en hoofdlieden verschijnen wegens gewelddadigheden. Meestal was de agressie gericht tegen medeschutters. De aanleiding is steeds onduidelijk. Er kon drank in het spel geweest zijn, maar ook een onderlinge ruzie. Dit laatste lijkt het meest waarschijnlijk in het geval van Pieter de Machtere en Willem Claesz. Colevest, die elkaar in het gezicht hadden geslagen. Beide schutters moesten een halve rijksdaalder boete betalen.71 In de meeste gevallen was een musket gebruikt. Met het geweer konden rake klappen worden uitgedeeld, zoals Mi70 RAL, AS, inv.nr. 8 (1-11-1665). 71 Idem, inv.nr. 8 (26-6-1668).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 120

120

4 de schutterij

chiel Cornelisz. Scherpel ondervond. Hij liep bij een ruzie een grote buil op zijn hoofd op. De dader, Dionijs le Sou, werd beboet met dertig stuivers.72 Twee keer werden gewone burgers slachtoffer van schuttersgeweld. Zo had Jacob Cornelisz. Vouger bij Johannes de Vries de pluimen van zijn hoed geschoten. Ook was Johannes gewond geraakt aan zijn gezicht. Hij stapte naar het schutterijbestuur en eiste een schadevergoeding. De deken en hoofdlieden wezen hem twee ducatons toe.73 Wessel Schutdorp die voor hetzelfde vergrijp was aangeklaagd, kwam er met de helft vanaf, vermoedelijk omdat zijn slachtoffer niet gewond was geraakt.74 Dat burgers naar het schutterijbestuur stapten vanwege het wangedrag van schutters, is bijzonder. Maar weinigen maakten van deze mogelijkheid gebruik. Misschien zagen zij het forum als te zeer betrokken bij de daders en stapten zij liever naar een neutrale rechtbank. De voogden van een twaalf jaar oud weeskind deden dat ook, toen de jongen door roekeloos gedrag van een schutter gewond raakte aan zijn oog. Zij lieten direct een notariële getuigenverklaring opstellen en stapten daarmee een paar dagen later naar de civiele vierschaar.75 Ook de eerder genoemde Pieter Blom zocht zijn heil in eerste instantie niet bij de deken en hoofdlieden van de schutterij, nadat een schutter hem een klap had gegeven. Hetzelfde verschijnsel kan worden opgemerkt in de kwestieboeken van de gildenbesturen, waarin burgers ook zelden gildenleden aanklaagden. Het inschakelen van de deken en hoofdlieden was eerder opportuun voor de leden zelf, met name wanneer informele pogingen om tot een oplossing te komen, hadden gefaald. 4.2.5 Overige kwesties De overige kwestie die in tabel 4.2 wordt genoemd, had betrekking op ‘moedwilligheden’ die door een schutter waren begaan. Onder deze term kan doorgaans zowel brutaal gedrag als gewelddadigheid worden gerekend. Het was bij gebrek aan informatie niet mogelijk om de kwestie zonder meer onder ‘geweld’ of ‘belediging’ te groeperen. Overigens kwam de bewuste schutter ervan af met een boete van drieënzestig stuivers en de vermaning dat hij een volgende keer zwaarder gestraft zou worden.76

4.3 Conclusie Het schutterijbestuur kreeg in zijn hoedanigheid als rechtsprekende instantie vooral te maken met overtredingen van de reglementen. Ruim zeventig schutters werden hiervoor in de onderzochte periode 1664-1668 beboet. De meeste vonnissen hadden betrekking op ongeoorloofd schieten in de nacht, dronkenschap, het verlaten van de dienst en het dragen van de verkeerde uitrusting. Deze zaken werden kort en efficiënt
72 73 74 75 76 Idem (20-1-1665). Idem (4-9-1668). Idem (21-8-1668). RAL, ORA, inv.nr. 44 G, fol. 86v (18-6-1667). Vgl. RAL, ONA, inv.nr. 780, nr. 196 (12-6-1667). RAL, AS, inv.nr. 8 (29-12-1665).

06008_hoop_H04

22-05-2006

11:10

Pagina 121

4.3 conclusie

121

afgehandeld. Daarbij legden de deken en hoofdlieden een zekere mate van mildheid aan de dag. De boetes waartoe zij de gedaagden veroordeelden, waren vaak lager dan het bedrag dat in de ordonnantie stond voorgeschreven. Ook de geldstraffen wegens verzuim waren laag. Deze werden direct door de wachtmeester opgelegd. Het is de vraag in hoeverre ongeregeldheden tijdens de dienst en ander wangedrag niet ook door lage officieren werden afgedaan. Zij zaten er bovenop wanneer iets tussen de schutters voorviel. In ieder geval lijken ze niet alle overtredingen aan het schutterijbestuur te hebben doorgegeven. Klachten van bestuurders dat zij te veel absenties door de vingers zagen en onderscheid tussen personen maakten, wijzen daarop. Het is ook niet erg waarschijnlijk dat er in vijf jaar tijd niet vaker geschoten, gedronken, gescholden of gevochten werd tijdens de lange en vaak saaie wachtdiensten. Schutters lijken eigen manieren gevonden te hebben om met onderlinge conflicten zoals ruzies en vechtpartijen om te gaan. Ze stapten zelden naar het eigen bestuur of naar andere fora. Mogelijk bogen de schutterijbestuurders zich alleen over onverzoenbare kwesties. De meeste van de twintig beledigings- en geweldzaken werden door de wachtmeester aanhangig gemaakt. In geen van de gevallen kwam het tot een amende honorable. Die lijken de deken en hoofdlieden ook niet in alle gevallen te hebben nagestreefd. Alleen wanneer de harmonie in het hele rot in gevaar kwam, probeerden de bestuurders de schutters tot elkaar te brengen. De nadruk binnen de militaire hiërarchie lag op bestraffing. Daarmee week het forum van de schutterij af van bijvoorbeeld het college van vredemakers, dat in soortgelijke kwesties juist op verzoening uit was. De boetes op beledigingen en geweld bleven doorgaans ruim onder de limiet van twaalf gulden die in 1586 was ingesteld voor het bestraffen van wangedrag waarop in de ordonnantie geen sanctie was gesteld. Alleen schutters die geweld en beledigingen combineerden kregen de maximale boete. Wie teveel aanstoot gaf en de schutterij als geheel te schande maakte, bijvoorbeeld door een meerdere te beledigen, kon rekenen op ontschuttering, de zwaarste straf binnen de schutterij.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 122

Hoofdstuk 5

Kerkelijke tucht

5.1 Inleiding In 1652 nam de kerkenraad van de Nederduitse gereformeerde kerk in Leiden een stevig besluit. Voortaan zouden de predikanten en ouderlingen de kerkelijke tucht of discipline weer naar de regel van Gods Woord ‘met goede ernst en voorzichtigheid’ gaan uitoefenen. De kerkenraad hoopte zo met name af te rekenen met het groeiend aantal afvallige lidmaten dat diensten van andere gezindten bezocht. De bewuste leden zouden niet alleen van het avondmaal worden geweerd, ze konden ook openbare excommunicatie of afsnijding tegemoet zien. Dit was een sanctie die weliswaar in de kerkorde was opgenomen, maar vrijwel nooit werd opgelegd.1 Uit de privé-aantekeningen die ouderling Jan Hubrecht van diezelfde vergadering maakte, valt nog op te maken dat de voorgenomen strengheid voornamelijk op papisten betrekking had. Gereformeerden die naar Lutherse of doopsgezinde kerkdiensten gingen, zouden met een mildere vorm van tucht te maken krijgen.2 De genoemde besluiten omtrent de tuchtuitoefening zijn opmerkelijk. Niet dat het verschil in benadering van rooms-katholieken en andere niet-gereformeerde gelovigen vreemd is; dat was gangbaar in de Republiek.3 Uit de tekst volgt dat de kerkenraad zich naar eigen zeggen in de voorafgaande jaren niet of nauwelijks met tuchtmaatregelen had beziggehouden en al helemaal niet met de bestrijding van geloofsafval. Inderdaad zag de Duitse historicus Schilling in de periode 1645-1649 een afname van de zogeheten leertucht ten opzichte van de jaren 1585 en 1589. Tegelijk constateerde hij een toename van het totaal aantal tuchtgevallen.4 Bij nadere beschouwing blijkt de belangstelling voor geloofsafval nogal wisselend te zijn geweest. De kerkenraad leek te reageren op situaties, waarin ze een voorbeeld wilde stellen. De hernieuwde botsingen tussen het protestantisme en het rooms-katholicisme rond het midden van de zeven1 De kerkenraad zou ervoor zorgen ‘dat de saecken dewelcke in dit stuck worden aengevangen niet ten halven blijven steecken maar deselve behoorlijck achtervolght ende ten eijnde gebracht worden.’ (RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (29-11-1652; 13-12-1652)). Zie over afsnijding ook: Abels, Nieuw en ongezien, 40,101; Roodenburg, Onder censuur, 115,116,385; Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 215. 2 RAL, FH, inv.nr. 21 (13-12-1652). Vgl. Van Veen, ‘Kerkelijk opzicht en tucht’, 226. 3 Zie bijv. Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 367,368. Zie voor Amsterdam: Roodenburg, Onder censuur, 203,204. 4 Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 300.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 123

5.1 inleiding

123

tiende eeuw vormden zo’n aanleiding.5 Ook ten aanzien van andere speerpunten van kerkelijke tucht, zoals onkuisheid, overspel en vertier, laten de cijfers een steeds veranderend beeld zien. Niet alleen het beleid van de kerkenraad speelde mee. De ouderlingen en predikanten moesten vanzelfsprekend ook op de hoogte worden gebracht van de verschillende misstappen. Dit roept vragen op over de Nederduitse gereformeerde tuchtpraktijk in de periode 1664-1668, die centraal staat in dit onderzoek. Week deze af van het beeld dat uit voorgaande studies oprijst? Met welk wangedrag binnen de gemeenschap werd de kerkenraad geconfronteerd? Welke sancties volgden daarop? In dit hoofdstuk draait het echter niet alleen om de Nederduitse gereformeerde kerk. Ook worden de notulen van andere Leidse kerkbesturen geanalyseerd. Hanteerden deze instellingen andere uitgangspunten bij de door hen uitgeoefende discipline dan de Nederduitse gereformeerde kerk? Met welke zonden kregen zij te maken? Hoe pasten de Leidse kerkelijke fora in het geheel van gerechtelijke en buitengerechtelijke instellingen voor geschilbeslechting? Welke personen wendden zich tot de kerkbesturen en wanneer deden zij dat? Zijn er wat dit betreft nog verschillen waarneembaar tussen de kerkelijke instellingen? Deze vragen zijn als uitgangspunt genomen bij de bestudering van de diverse kerken in Leiden. Het onderzoek richt zich op alle Leidse kerken en gemeenten waarvan voor de gekozen periode notulen beschikbaar zijn. Het gaat om de Nederduitse gereformeerde kerk, de Waalse gereformeerde kerk en de Vlaamse doopsgezinde gemeente.6 De eerste twee behoorden destijds tot de grootste kerkgemeenschappen in Leiden. De doopsgezinden vormden een kleine gesloten groep van ongeveer honderd tot honderdvijftig mensen.7 Voordat de onderzoeksresultaten aan bod komen, zal eerst nader worden ingegaan op de opvattingen en regels van de kerken met betrekking tot tucht zoals die in de periode 1664-1668 van kracht waren. Kennis hiervan is noodzakelijk om het onderwerp goed te begrijpen. Aangezien de achterliggende religieuze ideeën door een aantal auteurs al diepgaand zijn beschreven, zal in dit boek worden volstaan met een korte introductie.8 Verder zal nog kort worden ingegaan op de wisselende waardering van de tucht door historici.
5 Abels, ‘Gewetensvrijheid’, 317; Rogier, Geschiedenis van het katholicisme V, 1024-1028. Zie verder Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 380; Van Deursen, Kopergeld, 318. Voor de Leidse situatie: Buisman, ‘Kerk en samenleving’, 141-142; Sloots, Cunibertus, 196,210-215. 6 De Hoogduitse kerk beschikte niet over een eigen kerkenraad. De parochiearchieven zijn voor de bestudeerde periode bijzonder schaars en bevatten geen notulenboeken o.i.d. Het is overigens de vraag of die wat zouden hebben opgeleverd, aangezien de katholieke tucht voornamelijk via de biecht werd uitgeoefend. De remonstranten maakten slechts onregelmatig notulen van hun kerkenraadsvergaderingen. De acta vertonen bovendien geen sporen van tuchtuitoefening tot 1668. De Lutherse kerk, de joodse gemeenschap en de Waterlanders, een groep gematigde mennonieten die zich in 1557 van de overige doopsgezinden afscheidde uit onvrede over de in hun ogen te strikt toegepaste tucht, hebben geen archieven nagelaten in de periode 1664-1668. De tucht in Lutherse en Waterlandse gemeenten was bovendien niet streng, zo blijkt uit sommige onderzoeken (zie Schilling, ‘Kirchenzucht’, 34-38; Goertz, ‘Kleruskritik’, 195; Estié, Nederlandse Lutherse gemeenten, 64,65). Vgl. noot 190. 7 Bij de hereniging van de Vlaamse doopsgezinden en de Waterlanders in Leiden in 1701 telde de nieuwe gemeenschap in totaal zo’n 300 leden, terwijl de Waterlanders, de grootste doperse groepering in Leiden, in 1675 ongeveer 165 leden hadden (vgl. Van der Zijpp, ‘Leiden’, 317). 8 Zie onder meer Abels, Nieuw en ongezien, 24-31; Roodenburg, Onder censuur, 115-141; Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 193-226; Van Veen, ‘Kerkelijk opzicht en tucht’, 214-224.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 124

124

5 kerkelijke tucht

5.1.1 Gereformeerde tucht De synoniemen ‘tucht’ en ‘discipline’ betekenden in de vroegmoderne tijd iets anders dan nu. Tegenwoordig hebben de woorden te maken met straf, gericht op vergelding en afschrikking. Tucht werd echter oorspronkelijk ‘toegediend met het doel iemand te onderrichten, te verbeteren en zedelijk te verheffen’.9 Met name het laatste aspect stond bij de gereformeerde kerk voorop. Leden die met hun leer of gedrag God en de geloofsgemeenschap te schande hadden gemaakt, moesten met behulp van disciplinaire maatregelen weer met beide worden verzoend. Daartoe plaatste de kerkenraad zondaren eerst tijdelijk buiten de gemeente. Ze bleven dan wel lid, maar deden niet langer volwaardig mee. Zo voorkwamen de ambtsdragers verdere ergernis en het voortwoekeren van de zonde binnen de eigen gemeenschap.10 Maar daarna hoorde de kerk er wel alles aan te doen om de voorlopig uitgestotenen weer in eigen kring te laten terugkeren. Dit moest volgens de Geneefse reformator Calvijn gebeuren door aansporing en onderwijs, mildheid en inschikkelijkheid en gebed. Wie uiteindelijk beterschap beloofde en daar ook bewijzen van liet zien, was na een schuldbelijdenis altijd weer welkom in de gemeente.11 Kerkelijke tucht was uitsluitend gericht op de ‘lidmaten van het lichaam van Christus’, d.w.z. de mensen, die na een intensieve voorbereiding en toetsing, openbare belijdenis van hun geloof hadden afgelegd.12 Alleen zij mochten deel hebben aan het avondmaal, het sacrament dat herinnerde aan de verbondenheid met het lichaam van Christus. De gemeente stond dus gelijk aan de avondmaalsgemeenschap en daarmee aan het lichaam van Christus. Dat bracht hoge morele verplichtingen met zich mee. Van lidmaten werd verwacht dat ze hun verbondenheid met Christus in woord en daad beleden. Zo gebood het avondmaalsformulier hen ‘oprechtelijk te wandelen’ en ‘in waarachtige liefde en enigheid’ met elkaar te leven. Wie dat niet deed, was onwaardig om aan het sacrament deel te nemen. Lidmaten die desondanks toch aan de avondmaalstafel plaatsnamen, sloegen geen acht op het lichaam van Christus en zouden een oordeel van God over zich afroepen.13 En dat bracht de hele gemeenschap in gevaar. Tucht was daarom nodig om de gemeente te behouden. Het belang van het collectief stond voorop, dat van individuele leden was daaraan ondergeschikt.14 De kerkelijke discipline kreeg zijn vorm tijdens de synode van Emden in 1571. Afgesproken werd dat van de ambtsdragers alleen predikanten en ouderlingen op de avondmaalsgemeenschap zouden toezien; de diakenen hield men erbuiten. De controle bestond onder meer uit huisbezoeken die de ouderlingen en voorgangers kort voor iedere avondmaalsviering moesten afleggen. Zij zochten dan naar eventuele be9 Zie WNT bij ‘tucht’. Het woord ‘tucht’ in deze betekenis werd gebruikt in toenmalige bijbelvertalingen, vooral met betrekking tot een ‘castijende onderwijsinge’ van God. 10 Vgl. Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 209. 11 Calvijn, Institutie IV, 12.1,5; Idem, Institutie 1536, 93-95. Vgl. de Heidelbergse Catechismus, zondag 31, vraag 85. 12 Zie de Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 28. De kerk maakte onderscheid tussen lidmaten (leden) en zogeheten liefhebbers. De leden vormden de gemeente, de liefhebbers het gemene volk, d.w.z. de overige kerkgangers. 13 Formulier om het Heijlige Nachtmael; Kort begrip der Christelijke religie, vraag 62. Vgl. 1 Corinthe 11:29. 14 Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 203,204. Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 131.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 125

5.1 inleiding

125

lemmeringen, zoals tot dan toe geheim gebleven misstappen, waardoor leden niet aan het avondmaal zouden mogen gaan. Wanneer lidmaten hun zonden opbiechtten en direct spijt betuigden, was de kous daarmee meestal af. Bij gebrek aan ‘boetvaardigheid’ kon de kerkenraad beslissen om de zondaar van het avondmaal uit te sluiten of ‘af te houden’ tot hij of zij alsnog tot inkeer kwam. Het lid kwam zodoende tijdelijk buiten de gemeenschap te staan.15 Verder hoorden lidmaten ook zelf bij broeders of zusters misdragingen op te sporen. Wanneer ze een heimelijke zonde ontdekten, dienden zij, zonder inmenging van de kerkenraad, de ander te berispen, eventueel in het bijzijn van twee of drie getuigen.16 Maar bleef de zondaar volharden of was de misstap openbaar, dan was het aan de ouderlingen en predikanten om het in opspraak geraakte lid tot berouw te bewegen. Als een zonde bij meerdere mensen bekend was, moest naar een openbare verzoening gestreefd worden. De kerkenraad kon kiezen tussen een schuldbelijdenis ten overstaan van de hele gemeente, al dan niet anoniem, of alleen tegenover de ouderlingen en predikanten. Een en ander was afhankelijk van de ernst en de ruchtbaarheid.17 Wanneer de ‘boetvaardigheid’ op zich liet wachten, kon de kerkenraad de druk opvoeren langs een drietal stadia of ‘trappen’. Na wering van het avondmaal, volgde een publiekelijke berisping vanaf de kansel, voorafgaand aan het lezen van het avondmaalsformulier. De predikant noemde dan de begane zonde, de ‘afhouding’ en de moeite die de kerkenraad zich getroost had om het lidmaat in kwestie weer op het rechte pad te brengen. Bij deze ‘openlijke vermaning’ bleef de zondaar anoniem. Als inkeer uitbleef, kon de betrokkene na enige tijd een tweede afkondiging tegemoet zien, waarin hij of zij wel met naam en toenaam werd genoemd. Toonde het lidmaat ook daarna nog geen berouw, dan volgde de derde bekendmaking, waarbij werd aangekondigd dat hij of zij van de gemeenschap zou worden uitgesloten. Wanneer tenslotte ook na deze laatste kanselboodschap niets van ‘boetvaardigheid’ was te merken, ging de kerkenraad over tot de daadwerkelijke excommunicatie. De zondaar verloor zijn of haar lidmaatschap en werd aan Gods genade overgelaten. Overigens kwam hiermee geen einde aan de verplichtingen van de kerk om de banneling met vermaningen alsnog tot inkeer te brengen.18 Latere synodes hebben aan deze richtlijnen nog enkele bepalingen toegevoegd. Zo voerde de synode van Dordrecht in 1574 met het oog op kerkleden van elders, een systeem van attestaties in, dat eerder ook bij de diaconale armenzorg was toegepast. Lidmaten uit andere gemeenten moesten, voordat zij aan het avondmaal mochten een bewijs van goed gedrag laten zien dat was opgetekend door hun laatste gemeente. Voorwaarde was wel dat de attestatie niet te oud was. Lidmaten die in hun vorige ver15 Predikanten in onder meer Amsterdam hielden soms ook al tijdens huisbezoeken mensen af van het avondmaal (zie o.m. Roodenburg, Onder censuur, 143). 16 In feite volgde men hier een interpretatie van de bijbelse procedure zoals voorgeschreven in Mattheüs 18:14-17. 17 Acta van de synode te Emden (1571), art. 29. Vgl. Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 211; Van Veen, ‘Kerkelijk opzicht en tucht’, 220-222. 18 De kerkorde liet de tijdsduur tussen de verschillende stadia over aan het oordeel en goeddunken van de kerkenraad. Zie Acta van de synode te Emden (1571), art. 30-32. Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 115,116,127-131; Van Veen, ‘Kerkelijk opzicht en tucht’, 221-223.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 126

126

5 kerkelijke tucht

blijfplaats van het avondmaal waren uitgesloten, kregen geen attestatie mee. Op deze manier konden zij ook eenvoudig in hun nieuwe woonplaats uit de avondmaalsgemeenschap worden geweerd.19 Op andere synodes stelde men een vorm van onderlinge discipline in voor ouderlingen, diakenen en predikanten, de censura morum. Ook kreeg de kerkenraad de mogelijkheid om eigen leden af te zetten. Tot slot werd bepaald dat kerkenraden bij een afsnijding vooraf advies aan de classis moesten vragen. Dit alles resulteerde in 1619 in een definitieve tuchtprocedure, die tijdens de nationale synode van Dordrecht werd vastgesteld en in grote lijnen gold voor alle gereformeerde kerken, d.w.z. de Nederduitse, de Hoogduitse, de Waalse en de Engelse.20 5.1.2 Doopsgezinde tucht Doopsgezinden hanteerden een wat afwijkende werkwijze bij de uitoefening van tucht, die bovendien eerder was ontwikkeld dan die van de gereformeerden. Bij hen was tucht uitsluitend gericht op de gemeenschap van gedoopte gelovigen.21 Op het eerste gezicht lijkt deze sterk op de gereformeerde avondmaalsgemeenschap. Toch was er een belangrijk onderscheid. De doopsgezinde gemeente vormde geen volkskerk. De avondmaalsgemeenschap was bij de doopsgezinden dus niet veel kleiner dan het geheel van het volwassen kerkvolk, terwijl in de gereformeerde kerk wél een aanzienlijk verschil bestond tussen kerkgangers en kerkleden. De tucht in de doopsgezinde gemeenten was kortom niet zozeer gericht op het zuiver houden van een kleine selecte groep verenigd rondom brood en wijn, maar veeleer op het behoud van de hele broederschap.22 Dit neemt niet weg dat tucht en avondmaal ook bij de doopsgezinden dicht bij elkaar lagen. Net als bij de gereformeerden moesten avondmaalsgangers bij zichzelf te rade gaan om te voorkomen dat zij onwaardig zouden deelnemen. Onduidelijk is in hoeverre ze daarbij ook werden onderzocht door de leraren en oudsten die samen de dienaarschap – het doopsgezinde kerkbestuur – vormden. De doperse geloofsregels, opgetekend in ‘belijdenissen’, reppen daar niet over.23 Verder is het opvallend dat de doopsgezinde tucht formeel van de gelovigen zelf uitging.24 Kwam een zondig lidmaat na een vermaning van de dienaren niet tot inkeer of was zijn of haar misstap openbaar, dan moest hij of zij ’s zondags voor alle mannen van de broederschap verschijnen. Die bepaalden of het lid uit de gemeente verwijderd diende te worden.25 Zover kwam het meestal niet. Bij kleine zonden volgde vaak een tijdelijke afhouding van het avondmaal,
19 Van Veen, ‘Kerkelijk opzicht en tucht’, 249-251. De attestaties waren eerder al door de synode van Emden ingesteld ten behoeve van de diakonale armenzorg (Acta van de synode te Emden (1571), art. 44-47). 20 Dordtsche kerkenordening van 1619, art. 71-85. Vgl. Van Ginkel, De ouderling, 221. Zie voor minieme verschillen ten aanzien van de Waalse gereformeerde kerk: Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 212, 213. 21 Voolstra, ‘Boetvaardigheid buiten de biechtstoel’, 37,39,40; Davis, ‘No discipline, no church’, 45,56-58. 22 RAL, ADG, inv.nr. 77, ‘Aanspraak voor de Tafel’. Vgl. Voolstra, Vrij en volkomen, 6. 23 Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 47; Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 127. 24 Volgens dopersen had Christus de gemeente en níet de kerkleiding, zoals de gereformeerden meenden, de macht gegeven om op aarde te binden en te ontbinden (vgl. Mattheüs 18:18). Zie Voolstra, ‘Dopers belijden’, 29. 25 Daarbij sloot de confessie van Dordrecht aan bij 1 Corinthe 5:7 en 13b. De regel van Mattheüs 18 wordt in de confessie nergens genoemd. Vgl. Voolstra, ‘Dopers belijden’, 28.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 127

5.1 inleiding

127

totdat de schuldige zich weer met de gemeente had verzoend.26 Bij aanhoudende problemen en het negeren van vermaningen kon alsnog de ban volgen.27 Deze ging tot ver in de zeventiende eeuw gepaard met mijding, waarbij iedere omgang met de zondaar ontweken werd. Toch was er net als bij de gereformeerden bij de meeste doperse groeperingen een weg terug. De ban diende immers nadrukkelijk tot inkeer en betering.28 5.1.3 Historiografie Het verzoenende karakter van tucht staat pas sinds kort in de belangstelling van historici. Lange tijd bestudeerden geschiedschrijvers de kerkelijke discipline vooral om het godsdienstig leven in de Republiek te kunnen schetsen. Daardoor was er meer aandacht voor de volkszonden die door de tucht werden bestreden dan voor de censuur zelf.29 A.Th. van Deursen was de eerste die voor beide aspecten belangstelling had.30 In de jaren zeventig raakten ook sociaal-wetenschappelijk georiënteerde historici in de ban van de tucht. Door de zonden van gemeenteleden in de kerkenraadsnotulen te tellen en te rubriceren, probeerden zij achterliggende kersteningsstrategieën te reconstrueren. Zo constateerden B. Vogler en J. Estèbe dat de kerkenraden in de Languedoc en de Palts een ‘zedelijke evolutie’ hadden ontketend, die uiteindelijk een einde maakte aan ‘middeleeuwse toestanden’.31 H. Schilling nuanceerde deze nadruk op disciplinering en bestraffing. Volgens hem bleek uit de kerkelijke archieven van Emden, Groningen en Leiden dat de kerkenraad zich veeleer toelegde op de verzoening van zondaren met de rest van de kerkelijke gemeenschap.32 Latere onderzoekers stelden zich op hetzelfde standpunt.33

26 Hajenius, ‘Quaet comportement’, 63. Onder lichte vergrijpen werd verstaan: wapens dragen, in militaire dienst gaan, dienst nemen op een gewapend schip, vechten, kijven, dronkenschap etc. (Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 120). Zware vergrijpen waren bijvoorbeeld het bekleden van overheidsambten en het afleggen van een eed. Over het trouwen met een partner van een andere denominatie werd verschillend geoordeeld (Zijlstra, Om de ware gemeente, 452-454). 27 Zijlstra, Om de ware gemeente, 272,273. Strenge dopersen konden lidmaten ook zonder vermaning uit hun midden bannen (Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 53; Voolstra, ‘Dopers belijden’, 28). 28 Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 52, 54. In de loop van de zeventiende eeuw verwaterde de mijding. Vgl. Van Deursen, Kopergeld, 344; Goertz, ‘Kleruskritik’, 191. 29 Vgl. Van Veen, ‘Kerkelijk opzicht en tucht’, 213, 232. Zie voor een uitgebreid historiografisch overzicht: Abels, Nieuw en ongezien, 17-23. 30 Van Deursen paste in 1974 een nieuwe, meer indirecte werkwijze toe door aan de hand van kerkenraadsnotulen een uitvoerige schets van de tuchtpraktijk te geven. Hij vestigde de aandacht op het verzoenend karakter van censuur en het belang daarvan voor gemeentevorming. Wat hem betreft was de maatschappelijke invloed van tucht klein, hoewel hij tegelijk signaleerde dat het aantal ‘ergerlijke’ zonden in de loop van de zeventiende eeuw afnam, overigens zonder dit te kwantificeren (Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 215). 31 Vogler & Estèbe, ‘La genèse d’une société protestante’, 386-387. M.G. Spiertz volgde deze benadering van de discipline ten aanzien van Deventer (Spiertz, ‘Die Ausübung der Zucht’, 139-172). 32 Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 325. Elders gaat Schilling er wel vanuit dat kerkelijke tucht het burgerlijk beschavingsoffensief ondersteund heeft (o.a. Idem, ‘The state and the churches’, 26,27; Idem, ‘Kirchenzucht’, 17,22). 33 Zie b.v. Van Lieburg, De nadere reformatie in Utrecht, 69-119. Van Lieburg volgde Schillings indeling. Zie ook Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 258. Bergsma beschouwt de tucht voornamelijk in het licht van de gemeenteopbouw in een niet-gereformeerde omgeving in de eerste eeuw van het calvinisme (Idem, Gideonsbende, 174-177). In Schotland was de protestantse kerk minder autonoom ten opzichte van de staat, waardoor het verschil tussen beide gering was. Zie b.v.: Leneman & Mitchison, Sin in the city, 21, 24, 32. Voor de situatie in Engeland o.a.: Von Friedeburg, ‘Anglikanische Kirchenzucht’, 153-182.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 128

128

5 kerkelijke tucht

H.W. Roodenburg richtte zich speciaal op het verzoenende aspect van de gereformeerde tucht. In zijn dissertatie combineerde hij een kwantitatieve aanpak met theorieën uit de historische antropologie en de rechtsantropologie. Hij ontdekte dat predikanten en ouderlingen in Amsterdam in de loop van de zeventiende eeuw steeds minder lidmaten wegens geweldsdelicten berispten. Gezien de openbaarheid van deze zonden en de ergernis die ze teweeg brachten, zou dit volgens Roodenburg het gevolg kunnen zijn geweest van een beschavingsoffensief. Maar hij stelt tegelijk vast dat kerkenraadsnotulen een problematische bron zijn. Ze geven vooral een beeld van het kerkelijke beleid, niet van de zonden die daadwerkelijk door de lidmaten werden gepleegd.34 E.M. Kloek waagde zich om dezelfde reden helemaal niet aan het blootleggen van normeringsstructuren in haar iets eerder verschenen studie van de tuchtpraktijk van de Leidse gereformeerde kerkenraad. Zij wees er verder nog op dat tucht beperkt bleef tot de leden van de avondmaalsgemeenschap. Notoire zondaars zoals hoeren en dronkaards bleven daar over het algemeen buiten. Dit maakt het volgens Kloek moeilijk om staande te houden dat de kerk via tucht een beschavingsoffensief voerde.35 P.H.A.M. Abels meende dat de kerkenraad van Delft helemaal niet tot disciplinering van de geloofsgemeenschap in staat was. Op papier ontbrak het de kerk weliswaar aan geen enkel middel, zoals mechanismen van sociale controle onder de kerkleden, psychische druk die de leer op de leden uitoefende en materiële pressie vanuit de diaconie, die mensen bij slecht gedrag hun uitkering kon weigeren. Maar in de praktijk bleek er van de tucht weinig terecht te komen.36 De oorzaak zocht Abels in pestepidemieën, de migratiegolven en, boven alles, de Delftse overheid. Die toonde zich bepaald afkerig van de kerkelijke censuur. De gereformeerde kerk van Delft zag daarom op een gegeven moment van de ban af en hield zo alleen de basis van het Emder tuchtmodel over. Dit marginaliseerde volgens Abels het effect van de tucht, te meer omdat de kerk naar buiten toe de pretentie hooghield dat discipline wél tot afsnijding kon leiden. Lidmaten zouden zich daar op den duur niet meer door laten afschrikken. Dat de kerkenraad tijdens huisbezoeken echter ook stille tucht uitoefende, die buiten de registratiekaders viel, blijft bij Abels onderbelicht.37 Aan de tuchtpraktijk in andere gereformeerde kerken is tot nu toe door historici nauwelijks aandacht besteed. Zo staan wat betreft de Waalse gereformeerde kerk maar een handjevol studies ter beschikking en deze gaan slechts zijdelings over de tucht.38 In 1955 schreef S.J. Fockema Andreae dat de Waalse kerk in Leiden tot 1672 het opzicht over de gemeente steeds ‘consciëntieus’ heeft uitgeoefend ondanks de grote immigratiestromen. Cijfers liet hij achterwege.39 Een kwart eeuw later suggereerde H. Schilling echter dat de Walen relatief minder kerkelijke tucht uitoefenden dan de Nederduitse
34 Roodenburg, Onder censuur, 143, 387-389. 35 Kloek, ‘Toezicht’, 99,119,120. 36 Abels, Nieuw en ongezien, 51. 37 Idem, 113, 400. 38 De studie van O. Fatio heeft betrekking op de jaren dat Lambert Daneau predikant was in de Waalse kerk (1581-1583). Deze strikte calvinist wenste geen overheidsbemoeienis met de tucht en benoemde zijn eigen kerkenraad (Fatio, Nihil pulchrius ordine, 44-55; Du Rieu, Lambertus Daneau). 39 Fockema Andreae, ‘De Waals-hervormde kerk te Leiden’, 114-115.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 129

5.1 inleiding

129

gereformeerden. De Waalse kerk had namelijk steeds evenveel diakenen als ouderlingen, terwijl de Nederduitse gereformeerden in de loop van de zeventiende eeuw twee keer zoveel ouderlingen als diakenen telden.40 Over de tuchtuitoefening door doopsgezinde gemeenten zijn pas de laatste jaren enige historische werken verschenen.41 H.J. Goertz was in 1994 een van de eersten die er een artikel aan waagde. Hij ging in op de druk die doopsgezinden voelden om zich te conformeren aan de normen van de eigen gemeenschap. Doordat de gemeente sterk in zichzelf was gekeerd, betekende tucht vaak een sociaal isolement voor het betrokken lidmaat.42 Verschillende afsplitsingen binnen de doperse beweging deden daar volgens Goertz niets aan af; alleen de Waterlanders kenden een minder strenge tucht.43 A. Hajenius nuanceerde dit beeld enigszins in haar studie uit 1997 naar de discipline in de Vlaamse doopsgezinde gemeente van Utrecht. Volgens haar nam de tuchtuitoefening in de tweede helft van de zeventiende eeuw in belang af, hoewel zij hier aan toevoegde dat ze het aantal gecensureerde lidmaten niet had geteld.44 Een van de eersten die de tucht in doperse gemeenten kwantificeerde, was S. Zijlstra. Volgens zijn gegevens kwam tucht in de gemeenten van Warns en Harlingen in de tweede helft van de zeventiende eeuw maar weinig voor. In de eerst genoemde Friese plaats behandelden de dienaren één tuchtgeval per jaar, in Harlingen lag het gemiddelde op drie. Hierbij moet worden aangetekend dat het niet duidelijk is of Zijlstra personen of tuchtzaken registreerde en in hoeverre hij herhaalde besprekingen van dezelfde gevallen meetelde.45 5.1.4 Onderzoeksopzet De conclusie van Abels, dat de overheid de gereformeerde tuchtpraktijk in Delft aan banden legde, maakt nieuwsgierig naar de Leidse situatie. Deze zal worden onderzocht door de kerkenraadsnotulen van de Nederduitse gereformeerde kerk in Leiden te bestuderen voor de periode 1664-1668 en de resultaten te vergelijken met de eerder genoemde studie van Kloek. Om de vergelijking te vereenvoudigen zal haar rubricering in vier categorieën worden overgenomen, te weten leerstellige zaken, misdragingen in het huwelijk en op het gebied van de zedelijkheid, overige overtredingen op het gebied van de persoonlijke levenswandel en ergerlijk gedrag zonder nadere omschrijving. Deze rubrieken worden gesplitst in de verschillende aangetroffen misstappen.46 Kloek telde alle censuurzaken, ook die gevallen die zonder oordeel van de ouderlingen uit de
40 Schilling, ‘Calvinistische Presbyterien’, 413,414. 41 Kühler en Van der Zijpp stipten het onderwerp alleen kort aan in hun overzichtswerken en ook in de Mennonite Encyclopedia van 1955-1959 kreeg het onderwerp slechts bescheiden aandacht (Kühler, Geschiedenis van de doopsgezinden, 32-36,57; Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 120; Bender, ‘Discipline’). S. Voolstra wijdde er in de jaren tachtig en begin jaren negentig vervolgens enige theologisch getinte beschouwingen aan, waarin hij ook enkele historische aspecten aanroerde (Voolstra, Het woord is vlees geworden; Idem, ‘Dopers belijden’, 27-29; Idem, Vrij en volkomen; Idem, ‘Boetvaardigheid buiten de biechtstoel’, 36-42). 42 Goertz, ‘Kleruskritik’, 192. 43 Idem, 195,196. Vgl. Voolstra, ‘Boetvaardigheid buiten de biechtstoel’, 40 (noot 35). 44 Hajenius, ‘Quaet comportement’, 61. 45 Zijlstra, Om de ware gemeente, 451,452. 46 Zie voor een overzicht van de rubrieken hoofdstuk 1, par. 1.2.2 (tabel 1.1).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 130

130

5 kerkelijke tucht

verslagen verdwenen. Iedere nieuwe tuchtzaak tegen een al eerder genoemd persoon rekende ze opnieuw mee. Wanneer opzieners een lidmaat meerdere misstappen tegelijk aanwreven, dan telde ze alleen de eerst genoemde, aangezien deze meestal de belangrijkste was.47 Om te voorkomen dat enkele notoire zondaren die vaak in de acta terugkeren het beeld vertekenen, zal in navolging van Kloek bij tellingen ook worden aangegeven hoe vaak een zaak werd besproken. Tot slot zal ook het aantal betrokken lidmaten worden vermeld, uitgesplitst naar mannen en vrouwen, zodat de conclusies niet alleen iets zeggen over zaken maar ook over personen.48 Meer nog dan een diachronisch overzicht van de ontwikkelingen in de Nederduitse gereformeerde tuchtpraktijk tot 1668 beoogt dit hoofdstuk een synchrone vergelijking te maken tussen verschillende kerken in Leiden – voor zover het archiefmateriaal een dergelijk onderzoek toelaat. Alleen door de vergelijking tussen de verschillende kerken kan een zo compleet mogelijk beeld van de tucht in Leiden en de werking ervan worden verkregen. De archieven van de Waalse kerk en de doopsgezinde gemeente zullen daartoe op dezelfde manier worden bestudeerd als die van de Nederduitse gereformeerde kerk.

5.2 De Nederduitse gereformeerde kerk 5.2.1 Introductie Tucht was aanvankelijk een uitermate omstreden onderwerp in de Leidse Nederduitse gereformeerde kerk. Orthodoxe calvinisten, die een strenge uitoefening van de christelijke discipline voorstonden, domineerden de in 1574 ingestelde kerkenraad.49 Zij vonden gematigde calvinisten tegenover zich, onder wie predikant Caspar Coolhaes. Die meende dat de kerkenraad zich helemaal niet met tucht zou moeten bezighouden. Eigenlijk was de kerkenraad in zijn ogen zelfs geheel overbodig. Het stadsbestuur was prima alleen in staat om de kerk te besturen, aldus Coolhaes.50 Dit leidde tot allerlei conflicten binnen de kerk en tussen de kerkenraad en de Leidse overheid.51 De meeste stadsbestuurders waren net als Coolhaes in religieus opzicht betrekkelijk vrijzinnig. Zij vonden dat de orthodoxe calvinisten de kerkenraad veel te onafhankelijk wilden maken. Van tucht als een vorm van rechtspraak naast die van schout en schepenen wilde de overheid dan ook niets weten. Kerkelijke discipline mocht onder geen beding in de plaats komen van een wereldlijke straf. Wat de overheid betrof, beperkte
47 Kloek, ‘Toezicht’, 99. 48 Vgl. Abels, Nieuw en ongezien, 54-55. 49 Woltjer, Een niew ende onghesien dingh, 4. 50 Rogge, Caspar Janszoon Coolhaes, 62-66,79,80,100,101,210-214. Vgl. Zijlstra, ‘Tgeloove is vrij’, 51-52; Duke, ‘The ambivalent face of calvinism’, 128; Woltjer, Een niew ende onghesien dingh, 5 51 Helaas kan maar weinig over de meningsverschillen worden teruggevonden. De kerkenraadsnotulen zijn pas vanaf 1584 beschikbaar. In ieder geval lijkt, gezien het moment, ook de centralisatie van de armenzorg te hebben meegespeeld (zie ook hoofdstuk 2, par. 2.2.1).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 131

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

131

de kerk zich tot geestelijke zaken. Voorkomen moest worden dat de gereformeerde kerk er inquisitiepraktijken op na hield.52 Het gesteggel over de kerkelijke tucht bleef overigens niet beperkt tot Leiden. Om te voorkomen dat de gereformeerde kerk door een al te strenge discipline gewetensdwang zou kunnen uitoefenen, probeerden meer stadsbesturen invloed op de kerk te krijgen. De kerk hoorde in hun ogen plaats te bieden aan alle protestantse groeperingen.53 Een meer orthodoxe stroming in de gereformeerde kerk wilde juist met behulp van een strikte discipline een gemeente zonder vlek of rimpel creëren.54 Uiteindelijk ontstond in de prakijk een soort tussenvorm, met een avondmaalsgemeenschap die was onderworpen aan kerkelijke tucht en daar omheen een ruime kring van belangstellenden of ‘liefhebbers’. Deze laatsten konden in de kerk terecht voor het laten dopen van kinderen, het sluiten van huwelijken en natuurlijk de wekelijkse prediking. Het compromis kwam niet in alle steden even gemakkelijk tot stand. Sommige stadsbesturen probeerden strikte controle te houden op de kerkelijke besluitvorming door de benoeming van ouderlingen en diakenen naar zich toe te trekken.55 Dat lukte in de ene plaats beter dan in de andere. In bijvoorbeeld Amsterdam bleef de kerkenraad relatief zelfstandig in het aanstellen van ambtsdragers. Maar in Leiden kreeg de overheid na een strijd van twee jaar relatief grote invloed, wat in oktober 1580 is vastgelegd in het zogeheten ‘arbitraal akkoord’.56 Het stadsbestuur van Leiden kwam met de kerkenraad overeen dat ouderlingen en diakenen voortaan door de overheid zouden worden benoemd. De kerkenraad moest daartoe jaarlijks een lijst opstellen van kandidaten die zij geschikt achtte. De overheid koos daar dan de haar welgevallige personen uit. Verder mochten stadsbestuurders volgens het akkoord twee afgevaardigden aanwijzen die alle vergaderingen van de kerkenraad zouden bijwonen zonder stemrecht te hebben.57 Over de tuchtuitoefening werd niets geregeld. Dat gebeurde enkele jaren later na nieuwe onenigheden. Toen werd afgesproken dat de kerkenraad slechts in beperkte mate tucht mocht uitoefenen en dat voor openbare schuldbekentenissen of de verschillende stadia van censuur toestemming van het stadsbestuur nodig was.58 Nog was daarmee de kou niet uit de lucht. Na geruchten over betrokkenheid van predikanten en ambtsdragers bij een samenzwering tegen de overheid, bracht het stadsbestuur in 1587 het aantal ouderlingen terug van twaalf tot acht. Bovendien mochten vanaf dat jaar leden van de stedelijke overheid voortaan tot kerkenraadslid worden benoemd.59

52 Overvoorde, ‘Advies van burgemeesters en gerecht van Leiden’, 135. Zie ook o.a. Fatio, Nihil pulchrius ordine, 8,9. Voor de interessante rol van stadssecretaris Jan van Hout in het stedelijk beleid ten aanzien van kerkelijke tucht, zie Koppenol, Leids heelal, 360-363. 53 Abels, Nieuw en ongezien, 103,104; Duke, ‘Ambivalent face of calvinism’, 132; Woltjer, Een niew ende onghesien dingh, 12; Rogge, Caspar Janszoon Coolhaes, 62-66. 54 Vgl. Efeze 5:27; Roodenburg, Onder censuur, 83,84; Duke, ‘Ambivalent face of calvinism’, 122,123,129-133. 55 Van Deursen, Kopergeld, 290-293. Zie ook Nijenhuis, ‘De publieke kerk’ 325-343. 56 Kooi, Liberty and religion, 55-89. Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 107,108. 57 RAL, SAII, inv.nr. 3358, p. xi. Vgl. Kooi, Liberty and religion, 83-89; Woltjer, Een niew ende onghesien dingh, 5,6. 58 Afhoudingen bleven ‘staen ten goetduncken van die van de kerckenraedt’ (RAL, SAII, inv.nr. 3417 (30-5-1586)). Een soortgelijke bepaling bestond in Delft (Abels, Nieuw en ongezien, 103,104). 59 Buisman, ‘Kerk en samenleving’, 131; Kooi, Liberty and religion, 118-124; Woltjer, Een niew ende onghesien dingh, 7.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 132

132

5 kerkelijke tucht

Tabel 5.1

Vergelijking van het aantal door de Nederduitse gereformeerde kerkenraad besproken tuchtgevallen in de periode 1584-1589, 1620-1626 en 1664-1668, uitgedrukt in absolute aantallen en in procenten. Tussen haakjes staat hoe vaak een zaak terugkeerde in de notulen. 1584-1589 N 28 (2) 34 (1) 21 (2) 16 99 (5) % 28 34 21 16 100 1620-1626 N 34 (6) 59 (4) 52 (9) 25 (10) 170 (28) % 20 35 30 15 100 1664-1668 N 11 (15) 44 (23) 8 (4) 6 (1) 69 (43) % 16 64 12 9 100

Categorie Leerstellige zaken Huwelijk en zedelijkheid Persoonlijke levenswandel Niet nader bekend Totaal

Bron: Kloek, ‘Toezicht’, 100; RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (1664-1668).

Dit alles verklaart waarom de kerkenraad in Leiden eind zestiende eeuw weinig aandacht had voor zonden als twist, geweld, dronkenschap, vertier en luxe, dansen en vloeken. De Leidse overheid zag hier nauw op toe. In 1587 tikten stadsbestuurders de kerkenraad nog op de vingers omdat predikanten en ouderlingen zich teveel met deze zogeheten levenstucht bezig hielden.60 Verder is ook het verhoudingsgewijs grote aandeel van de leertucht, d.w.z. de discipline met betrekking tot leerstellige zaken, in Leiden naar alle waarschijnlijkheid te herleiden tot de gespannen verhouding tussen de kerk en de overheid. De meeste leerstellige zaken betroffen namelijk weinig specifieke onenigheden met de kerkenraad, terwijl in andere steden de leertucht zich meestal in hoofdzaak op geloofsafval richtte.61 Tot slot kende Leiden een vrij prominente huwelijkstucht. Deze kan worden verklaard uit de grote immigratiegolven waar Leiden mee te maken kreeg.62 Nogal wat nieuwkomers bleken ongehuwd samen te wonen of te willen trouwen, terwijl zij in hun land van herkomst al met een ander in de echt waren verbonden.63 Zowel de Leidse overheid als de gereformeerde kerk zagen het problematische van deze situatie in. Beide hadden vanaf 1580 het recht om huwelijken te voltrekken en dus hoorden zij allebei te waken voor schendingen van de regels.64 Aan het begin van de zeventiende eeuw nam het aantal censuurgevallen in verband met overtredingen van de door de kerk uitgedragen gedragsregels op het gebied van de persoonlijke levenswandel licht toe. Maar een topprioriteit was het opnieuw niet. De Leidse ouderlingen hielden zich nauwelijks bezig met twist, beledigingen en geweld. De meeste aandacht ging uit naar dronkenschap.65 Het grote aantal ‘leerstellige zaken’ tussen 1620 en 1626 komt voor een belangrijk deel voor rekening van de zogeheten ‘Bestandstwisten’. Deze strijd tussen arminianen of remonstranten en gomaristen of con60 RAL, KNGK, inv.nr F1808 (4-11-1587 en 3-11-1587). 61 Kloek, ‘Toezicht’, 101. 62 De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 334,335. 63 Kloek, ‘Toezicht’, 107; Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 317,318. 64 De kerkenraad gaf daarbij de geconstateerde huwelijksovertredingen door aan de wereldlijke overheid en liep op dit gebied het stadsbestuur dus niet voor de voeten (Kloek, ‘Toezicht’, 107. Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 45-54). 65 Kloek, ‘Toezicht’, 113.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 133

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

133

tra-remonstranten greep diep in Leiden in, niet in de laatste plaats door de aanwezigheid van de universiteit waar de twisten over de calvinistische predestinatieleer waren begonnen. De vonk sloeg in het kruitvat toen door een ingreep van Prins Maurits het stadsbestuur alleen nog maar uit gomaristen bestond, waarvan sommigen zich ontpopten tot felle remonstrantenvervolgers.66 Toch vertaalde deze gedrevenheid zich niet in een stortvloed aan leertuchtzaken. De meeste disciplinaire maatregelen betroffen arminiaanse predikanten en geen gewone kerkgangers.67 De vele tuchtzaken op het gebied van huwelijk en zedelijkheid hadden na 1620 vooral te maken met echtelijke twisten. In die periode groeide het aantal nieuwkomers niet meer zo snel als daarvoor en nam bovendien het aandeel van buitenlanders in de migratiestroom af. Hierdoor halveerde het percentage ‘overtredingen van de huwelijksregels’ en kwamen de echtelijke twisten vervolgens als grootste categorie uit de bus. Al met al begaf de Leidse gereformeerde kerk zich ook in de vroege zeventiende eeuw opvallend weinig op het terrein van de overheid en hield ze de tuchtuitoefening over het algemeen beperkt. Dit laatste blijkt ook uit de hoeveelheid personen die in de twee genoemde perioden met censuur in aanraking kwam. E.M. Kloek telde respectievelijk honderddertig en tweehonderdzeven lidmaten. Waarschijnlijk maakten deze maar enkele procenten van de totale avondmaalsgemeenschap uit.68 Dit zou erop kunnen wijzen dat de kerkenraad, in de woorden van J. Koppenol, in de ‘houdgreep’ zat van het stadsbestuur.69 Een artikel van H. Schilling lijkt dit beeld te bevestigen. Schilling spreekt daarin van een flinke personele overlap tussen de kerkenraad en het stadsbestuur.70 Inderdaad stonden de kerkelijke ambtsdragers na het ‘arbitraal akkoord’ en de in 1587 genomen maatregelen onder grote invloed van de stedelijke overheid. Ook toen het akkoord in 1620 verviel, bleef de controle gehandhaafd. De neiging tot het uitoefenen van een stringente tucht zal daarom niet groot zijn geweest.71 Maar de lage aantallen tuchtgevallen moeten daarnaast ook worden toegeschreven aan de voortdurende groei van de stad, en daarmee die van de gemeente, die het steeds moeilijker maakte om een goed toezicht over de avondmaalsgemeenschap te voeren. Het aantal verplichte huisbezoeken werd teruggebracht van één keer per week tot drie
66 De vervolgingen waren in Leiden volgens tijdgenoten feller en langduriger dan in veel andere plaatsen in Holland (zie Goudappel & Snapper, ‘Het Leidse schoutambt’, 45-46; Groenewegen, ‘Remonstrantisme te Leiden’, 99; Perdijk, ‘Remonstrantsch-Gereformeerde Gemeente’, 2-3; Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 118-125). 67 Waarschijnlijk kon de kerkenraad de tucht beperkt houden omdat de groep remonstranten in Leiden klein bleef (Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 125). Vgl. de situatie in Amsterdam: Roodenburg, Onder censuur, 195. 68 Kloek, ‘Toezicht’, 101. Van de Nederduitse gereformeerde gemeente van Leiden zijn tot 1700 geen lidmatenboeken voor handen. Alleen het aantal avondmaalsgangers in 1567 is bekend, namelijk 284 (Jones, ‘Nederduits gereformeerde gemeente te Leiden’, 136). De gemeente zal in 1620 groter zijn geweest. Woltjer schatte dat de gereformeerde kerk rond 1620 ongeveer 20% van de bevolking omvatte, wat in Leiden neerkomt op ongeveer 8600 mensen (Woltjer, ‘De plaats van de calvinisten’, 3). Dit betekende dat maar 2,5 procent van het totaal aantal lidmaten met censuur in aanraking kwam. In Delft was het aantal gecensureerden ongeveer even groot (Abels, Nieuw en ongezien, 91). Zie ook noot 76. 69 Koppenol, Leids heelal, 362. 70 Schilling, ‘Calvinistische Presbyterien’, 441 (vgl. idem, p. 436). 71 Vanaf 1620 liet de Leidse overheid, in overeenstemming met de bepalingen van de nationale synode van Dordrecht, de verkiezing van nieuwe ambtsdragers over aan de kerkenraad. Wel moest die keuze nog altijd door het stadsbestuur worden goedgekeurd. De invloed van de overheid op de kerk bleef dus onverkort gehandhaafd, zij het dat deze regel nu voortaan in de hele Republiek gold.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 134

134

5 kerkelijke tucht

of vier keer per jaar.72 Dit maakte het toezicht van de ouderlingen en predikanten voor een belangrijk deel afhankelijk van gemeenteleden die hun eigen zonden of die van anderen aangaven. Lidmaten konden dit doen tijdens huisbezoeken, in het voorbijgaan of door het indienen van briefjes bij ouderlingen of predikanten.73 Het is zo gezien dus heel goed mogelijk dat de Leidse kerkenraad bijvoorbeeld relatief weinig zedenzaken behandelde omdat de betrokken lidmaten voor zulke kwesties liever andere fora mobiliseerden, zoals een notaris, de civiele rechtbank of mogelijk de buurtheer. Ze sloegen de kerkenraad dan over. Wel konden de betrokkenen vanwege de gegeven ergernis enige tijd van het avondmaal worden afgehouden. Maar dan moest een en ander wel bij de kerkenraad bekend zijn.74 Aan de andere kant kunnen veel aangiften van zonden al in ‘stilte’ tijdens reguliere en irreguliere huisbezoeken zijn afgedaan. Zelfs voor afhoudingen en toelatingen hoefde niet altijd een kerkenraadvergadering te worden belegd. Dit verklaart tenminste een aantal gevallen waarin mensen vroegen om weer aan het avondmaal te worden toegelaten, zonder dat de daaraan voorafgaande afhouding in de verslagen kan worden teruggevonden. Hierdoor speelde een belangrijk deel van de tucht zich buiten het blikveld van de hedendaagse onderzoeker af.75 Het lage aantal tuchtzaken in de Leidse kerkenraadsnotulen zegt dan misschien meer over het succes van de zogeheten stille tucht. Alleen zaken die niet direct konden worden verzoend of die een te openbaar karakter hadden en daarmee voor veel opschudding hadden gezorgd, werden officieel op de kerkenraadskamer besproken. Veiligheidshalve kan daarom alleen iets worden gezegd over de door de kerkenraad gevolgde aanpak van misstappen en wat lidmaten ergerniswekkend genoeg vonden om aan de ouderlingen en predikanten voor te leggen. In het begin van de zeventiende eeuw hield de kerkenraad zich vooral bezig met huwelijkszaken en minder met overig maatschappelijk wangedrag, zoals bijvoorbeeld twist, dronkenschap, geweld en schulden. Hoe lag dat enkele decennia later? 5.2.2 Tuchtuitoefening 1664-1668 Tussen 1620 en 1670 groeide de Leidse bevolking van bijna vijfenveertigduizend tot zestig- à zeventigduizend inwoners. Het aantal lidmaten van de gereformeerde kerk steeg vermoedelijk in diezelfde periode nog sterker, van een kleine negenduizend tot zo’n twintigduizend.76 Daarbij vergeleken bleef het ouderlingencorps wat achter. In
72 Dordtsche kerkenordening van 1619, art. 23. Vgl. Van Ginkel, De ouderling, 221; Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 197. 73 In Amsterdam werden zulke notities ook wel in de collectebussen van de diakenen gestopt (Roodenburg, Onder censuur, 118; Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 208). 74 Kloek, ‘Toezicht’, 112. 75 In de periode 1664-1668 gaat het om 6 gevallen. Er is teruggezocht tot 1660. Soms is de onofficiële afhouding evident, zoals in het geval van Marcus Bavelaar die de kerkenraad na zijn onofficiële afhouding tevergeefs om een schriftelijk bewijs daarvan verzocht (RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (20-3-1665)). Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 139, 143. Abels geeft onvoldoende rekenschap van de stille tucht (vgl. Abels, Nieuw en ongezien, 52 (waar hij het probleem wel noemt) en 112 en 400). 76 Omstreeks 1650 bedroeg het aantal gereformeerde lidmaten 37 procent van de bevolking (Woltjer, ‘Plaats van de calvinisten’, 3; Groenveld, Huisgenoten des geloofs, 6). Percentages van ledenaantallen zijn echter weinig meer dan gissingen. Sommige historici vinden ze aan de hoge kant (vgl. Spaans, ‘Haarlem na de reformatie’, 104).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 135

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

135

1620 waren er acht ouderlingen, na 1646 tien, vanaf 1652 twaalf en na 1664 veertien.77 De kerk telde verder in de onderzoeksperiode tien predikanten, vanaf 1668 elf. Al deze kerkelijke opzieners maakten twee tot drie keer per jaar hun rondgang door hun wijken, meestal vlak voor Pasen, in augustus en mogelijk ook in de tijd voor kerst. Dit is terug te zien in het grote aantal tuchtzaken dat in de maanden maart, april, september en in iets mindere mate in december kon worden aangetroffen. Deze pieken maken samen zo’n tachtig procent uit van de censuurgevallen in de onderzochte periode.78 De meeste tuchtzaken leek de kerkenraad dus zelf op het spoor te komen. Hoeveel zondaren de opzieners buiten de kerkenraadskamer vermaanden, is niet te zeggen. Het aantal censuurgevallen dat de ouderlingen en predikanten tussen 1664 en 1668 bespraken, was niet groot: negenenzestig. Dat zijn gemiddeld veertien kwesties per jaar. In de periode 1620-1626 lag dat aantal nog op vierentwintig.79 Het ging toen bovendien nog om gemiddeld negenentwintig verschillende mensen per jaar. In de jaren 1664-1668 was dat aantal afgenomen tot zeventien. Deze lage cijfers worden nog opvallender door ze te vergelijken met die van een stad als Amsterdam, waar ten aanzien van dezelfde periode helemaal niet zo’n scherpe terugval kan worden waargenomen. Het aantal tuchtgevallen halveerde daar pas na 1680.80 In Leiden nam het belang van de kerkelijke discipline dus al vroeg af in vergelijking met de hoofdstad. Maar niet alleen het teruggelopen aantal lidmaten dat met tucht in aanraking kwam, valt op. Ook ten aanzien van de prioriteiten van de Leidse kerkenraad is het nodige veranderd. Opnieuw is de rubriek ‘huwelijk en zedelijkheid’ het grootst en scoren de overige overtredingen van de gedragsregels vrij laag. Daarbij boette de leertucht in Leiden ten opzichte van de periode 1620-1626 verder aan belang in. Het in 1652 aangekondigde verscherpte toezicht op katholieken en andere dwaalgeesten lijkt zich niet te hebben doorgezet.81 In de jaren tussen 1626 en 1668 deden zich nauwelijks ernstige botsingen voor tussen de kerkenraad en het stadsbestuur. In de aantekeningen van ouderling Jan Hubrecht staan slechts enkele marginale wrijvingen bij predikantsbenoemingen opgetekend.82 Grote maatschappelijke tweespalt, waarbij kerk en overheid net als in de
77 Het aantal diakenen nam in dezelfde jaren nauwelijks toe, n.l. van vier tot zes (Vgl. Schilling, ‘Calvinistische Presbyterien’, 413). 78 De concentraties van tuchtgevallen rond Pasen, de zomermaanden (en dus niet rond Pinksteren wanneer volgens artikel 63 van de kerkorde van 1619 ook avondmaal gehouden zou moeten worden). Inderdaad maakten afgevaardigden van de kerkenraad in augustus 1649 tegenover het stadsbestuur melding van een onlangs gehouden ‘ordinaris’ visitatie (RAL, SAII, inv.nr. 189 (11-8-1649)). In de periode 1664-1668 heb ik geen aankondigingen van visitaties aangetroffen. Wel maken ouderlingen zich in september 1665 zorgen over de tijdens visitaties veelvuldig ontdekte paapse stoutigheden (RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (11-91665)). Er wordt ook één keer in maart gesproken van afgelegde huisbezoeken (Idem (27-3-1665)). In Amsterdam beperkten de ouderlingen zich in de zeventiende eeuw waarschijnlijk tot één rondgang (Roodenburg, Onder censuur, 118). 79 Namelijk 170 in 7 jaar tijd (Kloek, ‘Toezicht’, 100). 80 In de periode 1621-1630 behandelde de Amsterdamse kerkenraad 543 tuchtgevallen. Tussen 1661-1670 waren dat er 553, een decennium later zelfs 626. Na 1680 liep het aantal drastisch terug naar 364 (Roodenburg, Onder censuur, 137). 81 De personen op wie de ouderlingen doelden in het aan het begin van dit hoofdstuk geciteerde kerkenraadsverslag werden slechts afgehouden. Tot afsnijding kwam het niet. Alleen ten aanzien van een proponent ging de kerkenraad een stapje verder. Tegen hem werd de procedure tot afsnijding in werking gesteld door zijn misstap – de overstap naar de katholieke kerk – anoniem van de kansel bekend te maken (RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (19-9-1653)). Ruim vier maanden later volgde een nieuwe afkondiging, dit keer mét vermelding van zijn naam (Idem (30-1-1654)). De laatste vermelding is te vinden op 16 juni 1654 wanneer de voorzitter en de secretaris van de kerkenraad besluiten te onderzoeken hoe mensen in het verleden werden afgesneden (Idem (16-6-1654)). Een daadwerkelijke afsnijding is niet gevonden.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 136

136

5 kerkelijke tucht

periode 1620-1626 tegenover elkaar stonden, was evenmin aan de orde. Integendeel, de kerk raakte in de loop van de zeventiende eeuw meer en meer ingekapseld in het politieke systeem.83 Daar zorgde de grote overlap tussen het stadsbestuur en de kerkenraad voor. Zo zaten tussen 1664 en 1668 negen leden van de veertigraad – de vroedschap of stedelijke overheid in ruime zin – in de ouderlingenbankjes. Daarbovenop kwamen nog eens zes ambtsdragers die in de genoemde periode schepen of burgemeester waren. Aangezien de kerkenraad in die jaren in totaal zesendertig verschillende ouderlingen telde, houdt dit in dat toen zo’n tweeënveertig procent van het consistorie uit vertegenwoordigers van de Leidse overheid bestond. Zelden in de zeventiende eeuw was de vervlechting van beide instanties zo groot.84 Een en ander betekende niet dat de kerkenraad en het stadsbestuur in alles op één lijn zaten. Zo vroeg de kerkenraad ieder jaar opnieuw aan de Leidse overheid om een verbod op het optreden van potsenmakers, koorddansers en reizende toneelgezelschappen tijdens de jaarlijkse kermis.85 De kerk zag het volksvertier als een bron van zonden die niet alleen het heil van de lidmaten, maar dat van de hele stad in gevaar bracht. Het antwoord van het stadsbestuur was telkens dat erop zou worden toegezien dat er geen uitspattingen of gewelddadigheden zouden voorkomen. In de praktijk werden er alleen verboden uitgevaardigd in kommervolle tijden.86 Verder verzocht de kerkenraad de overheid regelmatig om extra maatregelen tegen haar onwelgevallige zaken als zondagsontheiliging en godslastering, maar voortdurend tevergeefs. Het stadsbestuur was steeds van mening dat het daar al genoeg tegen ondernam.87 Dit betekende overigens niet dat de overheid zich volkomen doof hield. Burgemeesters en schepenen maakten alleen andere afwegingen.88 Omgekeerd hielden predikanten zich het recht voor de nodige aanmerkingen te maken op de vroomheid van de Leidse stadsbestuurders. Dit tot ongenoegen van de overheid die de voorgangers vervolgens bij zich riep voor een vermaning.89 Nu volgt een uiteenzetting voor de periode 1664-1668 van de verschillende rubrieken die in tabel 5.1 zijn genoemd. 5.2.3 Leerstellige zaken Ten aanzien van de aanpak van andersdenkenden bestonden de nodige verschillen tussen de kerk en het stadhuis. Die waren het kleinst bij de bestrijding van de remonstranten, ook wel arminianen genoemd, die in de jaren zestig weer oplaaide. Officieel
82 Vgl. RAL, FH, inv.nr. 21 (24-5-1649; 30-5-1649; 3-6-1663). 83 Vgl. Bergsma, Gideonsbende, 417,418. 84 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 en Idem, Herenboekje, inv.nr. F1909, 1-3. Vgl. Schilling, ‘Calvinistische Presbyterien’, 418. 85 Zie bijvoorbeeld: RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (18-1-1664). 86 Idem, (19-2-1666). Vgl. RAL, SAII, inv.nr 189 (27-3-1661) en idem, inv.nr. 190 (29-4-1668). In bijvoorbeeld 1664 en 1665 werden allerlei vormen van vermaak geannuleerd vanwege respectievelijk de pestepidemie en de Engelse oorlog. Het verzoek van 9 maart 1668 tot wering van toneel en andere onordentelijkheden is niet gehonoreerd (RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (9-3-1668)). 87 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (19-11-1666). Vgl. RAL, SAII, inv.nr. 189 (14-9-1656). 88 Vgl. Bergsma, Gideonsbende, 420. 89 Zie bijvoorbeeld: RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (6-4-1663 en 13-4-1663); RAL, SAII, inv.nr. 251 (9-8-1666).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 137

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

137

kerkten Leidse remonstranten sinds het verbod op hun samenkomsten bij hun geloofsgenoten in Warmond met wie ze samen één gemeente vormden. Maar vanaf het midden van de eeuw boterde het steeds minder tussen beide groepen. Leidse remonstranten hielden daarom weer vaker bijeenkomsten in Leiden. Daarmee schonden ze de stedelijke bepalingen. Mensen tipten de kerkenraad, die vervolgens de stedelijke overheid inlichtte. Het stadsbestuur besloot de schout te sturen om de bijeenkomsten te verstoren. De bode met de roede kreeg bovendien de opdracht om de remonstrantse predikant die tijdens de verboden dienst voorging, mee te delen dat hij onmiddellijk de stad moest verlaten.90 Maar de remonstranten verplaatsten hun bijeenkomsten slechts naar een andere locatie, onder meer naar het huis van koopman Johan de Bije die daarvoor een speciaal vertrek had laten inrichten. Tot 1664 ging dat goed. Daarna greep de schout opnieuw in. Hij arresteerde verschillende bezoekers en bracht De Bije voor de criminele vierschaar.91 De remonstranten reageerden op de nieuwe vervolging met het indienen van een rekest. Daarin klaagden ze dat er buiten Leiden geen enkele stad was waar remonstrantse bijeenkomsten verboden waren. Binnen Leiden waren zij bovendien de enige denominatie die zo fel bestreden werd. Zelfs de Lutheranen en doopsgezinden die in hun leer meer van de gereformeerden afweken, bleven buiten schot, zo merkten de opstellers zuur op.92 Om die ongelijkheid ongedaan te maken, vroegen ze om toestemming voor hun bijeenkomsten. Toen dat de gereformeerde predikanten De Matter en De Witte ter ore kwam, haalden ze alles uit de kast om te voorkomen dat het stadsbestuur aan het rekest zou toegeven. In een reeks preken onderstreepten zij dat de overheid het zwaard was toevertrouwd om de kerk van arminianen, mennonieten, socinianen, libertijnen en andere vrijgeesten te zuiveren. De Witte maakte de remonstranten vanaf de kansel bovendien uit voor socinianen, pelagianen, valse profeten, godslasteraars, wolven, farizeeërs, quakers, antichristen, atheïsten en hun leer zou zijn als slangenvenijn, adderengif, helse zwadder, rechte satansdracht, drek die om goed geld verkocht werd, varkensdraf, zielenvergif, duivelsnaaigaren, helse verborgenheid, monsters en helse misdrachten van opinies. Het zou na zo’n stortvloed van afkeer niet uit te leggen zijn als het stadsbestuur de bijeenkomsten van remonstranten zou toestaan, zo lijkt de predikant te hebben geredeneerd.93 De overheid bleef bij het verbod op de vergaderingen van arminianen. Johan de Bije en de bezoekers van de door hem georganiseerde diensten kregen hoge boetes.94 Maar het is nog de vraag of de stadsbestuurders de remonstranten afrekenden op hun afwijkende geloofsovertuiging. De ‘Bestandstwisten’ lagen nog vers in het geheugen. De
90 RAL, SAII, inv.nr. 189 (5-11-1662). 91 RAL, ORA, inv.nr. 4 N, p. 253vv (24-1-1664). 92 Ibidem. Inderdaad legde de overheid de doopsgezinden en lutheranen doorgaans geen strobreed in de weg. Alleen in 1642 moest de Lutherse kerk te Leiden na aandringen van de gereformeerden een opschrift boven de voordeur verwijderen die voorbijgangers tezeer in de verleiding zou brengen om het gebouw binnen te gaan. De tekst luidde vrij vertaald: ‘Gij die hier naar binnen treedt, ga op de trap staan o vrome lezer en ga naar binnen. Hier is de deur van de hemel, zie hier het huis van God’ (uit: Knappert, Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk, 174 (noot 4)). 93 Perdijk, ‘Remonstrantsch-Gereformeerde Gemeente’, 19,20. 94 RAL, ORA, inv.nr. 4 N, p. 253 (6-2-1664).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 138

138

5 kerkelijke tucht

overheid was bang dat de arminianen met hun bijeenkomsten opnieuw voor onrust zouden zorgen in de stad. Zo was in 1654 alleen al het verblijf van een remonstrantse predikant binnen de stadsmuren voldoende om hem Leiden uit te zetten.95 Ook gereformeerde predikanten die van buiten kwamen en eenmalig een preekbeurt in Leiden vervulden, werden in de gaten gehouden. Zij mochten onder geen beding met ‘scherpe woorden [...] van de contraremonstranten’ spreken, om te voorkomen dat opnieuw de vlam in de pan zou slaan.96 Het ging het stadsbestuur bij het bestrijden van het arminianisme dus ook om de handhaving van de openbare orde en niet alleen om de verdediging van de gereformeerde leer.97 De bestuurders zagen er geen been in om in de jaren zestig remonstrantse kerkenraadsleden tot heer van een gebuurte te benoemen, zoals duidelijk werd in hoofdstuk 2, alhoewel arminianen verder geen toegang hadden tot publieke functies.98
Tabel 5.2 Aantal door de Leidse Nederduitse gereformeerde kerkenraad besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot leerstellige problemen en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1664-1668 met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1664-1668 M V 3 1 3 0 1 1 0 1 7 3 T 4 3 299 1 10 Zaken N 4 (2) 3 (11) 3 1 (2) 11 (15) % 36 27 27 9 100

Categorie Afval Uitgave ketters boek Ongeoorloofde deelname a.h. avondmaal Onenigheid met de kerkenraad Totaal Bron: RAL, KNGK, inv.nr. F1808.

De remonstranten lieten zich niet tegenhouden. Ze bleven in Leiden bijeenkomen, ook in het huis van De Bije. En dus vroeg de kerkenraad ieder jaar opnieuw aandacht voor de illegale vergaderingen van arminianen ‘tot behoud van de gereformeerde kerk’. In 1667 bleek dat de remonstranten net buiten Leiden een kerk aan de Maredijk wilden bouwen.100 Tot verhevigde acties van het stadsbestuur leidde dit overigens niet. Maar ook de kerkenraad zette de eigen gedrevenheid, net als in de periode 1620-1626, niet om in extra maatregelen tegen dwalende lidmaten uit eigen kring. Integendeel, van alle ‘leerstellige zaken’ die tussen 1664-1668 door de kerkenraad werden besproken, had er niet één betrekking op remonstranten. Mogelijk hielden de afgevaardigden van het stadsbestuur tuchtmaatregelen tegen. Verder kwamen er weinig bekeringen van
95 RAL, SAII, inv.nr. 189 (22-3-1654). 96 RAL, ORA, inv.nr. 4 N, p. 252 (20-11-1663). 97 Perdijk, ‘Remonstrantsch-Gereformeerde Gemeente’, 27; Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 136. 98 Zie hoofdstuk 2, par. 2.3.1. Vgl. Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 397. Tussen 1662-1668 werden zeker 4 remonstrantse kandidaten tot buurtheer gekozen. Geen enkele nominatie werd afgewezen. 99 In één zaak is de identiteit van het lidmaat in kwestie niet bekend. 100 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (15-7-1667).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 139

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

139

lidmaten voor. Remonstranten vormden uiteindelijk ook maar een kleine groep. De ophef over hun bijeenkomsten moet dan ook vooral worden gezien als frustratie over het feit dat arminianen eigenlijk gereformeerden waren die enkele belangrijke calvinistische leerstellingen afwezen.101 Iets meer verschil tussen de kerkenraad en het stadsbestuur was er op het gebied van de bestrijding van het rooms-katholicisme dat in de ogen van de kerk een groot gevaar voor de gemeente vormde.102 Net als de remonstranten kwamen de katholieken illegaal in woonhuizen bijeen. Maar hun aantal was groter. Leiden telde rond het midden van de zeventiende eeuw zeker zesduizend katholieken die verspreid over tientallen woningen missen hielden. En dat aantal groeide.103 Maar tot ingrijpen van het stadsbestuur of de schout leidde dit na 1650 zelden, ondanks de streng klinkende keuren tegen de ‘stoutheid en excessen der pausgezinden’.104 In de jaren veertig werden nog tientallen huiskerken en kapellen aangepakt. Rond het midden van de zeventiende eeuw kwam het alleen tot een overval op huizen van enkele sympathisanten waar vergaderingen van pausgezinden werden gehouden en werden enkele klopjes een wijk uitgezet.105 De inspectie van twee papistenhuizen in 1655 bleef zonder gevolgen voor de katholieke gemeenschap in Leiden.106 Alleen toen enkele maanden later een rel op straat uitbrak, werd een katholieke oproerkraaier bij verstek levenslang uit Leiden verbannen wegens belediging van gereformeerden.107 De katholieken gaven voor het overige nauwelijks onrust en waren als groep te groot om te bestrijden. De Nederduitse gereformeerde kerk beperkte zich bij de bestrijding van het katholicisme in de onderzochte periode hoofdzakelijk tot anti-paapse prediking. In de tuchtpraktijk hield ze zich er weinig mee bezig. Tussen 1664 en 1668 weigerde de kerkenraad slechts één man de toegang tot het avondmaal omdat deze bij een katholieke boer had gelogeerd en daar Maria had geprezen. De afhouding was bovendien eenmalig, omdat de man er een goede uitleg bij lijkt te hebben gehad. Helaas zijn details over deze zaak niet overgeleverd.108 Verder kwam het de kerkenraad ter ore dat de zus van Jannetje Jansd. met een paapse man was getrouwd en het geloof van haar echtgenoot
101 Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 394-395. 102 Vgl. Abels, ‘Gewetensvrijheid’, 317. 103 Buisman, ‘Kerk en samenleving’, 141-142; Sloots, Cunibertus, 210-215. Vgl. Knappert, Geschiedenis der Nederlandsche hervormde kerk, 173. 104 Vgl. Goudappel & Snapper. ‘Het Leidse schoutambt’, 45-48; Van de Sande, ‘Roomse buitenbeentjes’, 90. Zie RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 235vv. Wel pakte de schout incidenteel mensen op die onderdak boden aan rooms-katholieke bijeenkomsten. De bezoekers van de katholieke missen werden niet vervolgd (RAL, ORA, inv.nr. 4 N, p. 263 (6-6-1664); p. 283v (29-12-1665); Idem, inv.nr. 4 O, p. 11 (25-8-1666) en p. 12 (23-9-1666). In geval van remonstrantse bijeenkomsten werden de participanten wel beboet (Idem, inv.nr. 4 N, p. 253 (6-2-1664); p. 277 (10-4-1665); Idem, inv.nr. 4 O, p. 5 (12-4-1666)). 105 RAL, ORA, inv.nr. 4 M, p. 116v-117 (22-12-1648), p. 155-156 (10-10-1650); RAL, SAII, inv.nr. 189 (11-8-1649). Klopjes zijn ongehuwde katholieke vrouwen die zich, zonder in een klooster te treden, volgens bepaalde regels in dienst van de kerk stelden. Met hun activiteiten probeerden ze mensen tot het rooms-katholicisme te bekeren. Het ging in het besproken geval om twee klopjes die actief waren in het ‘Rijpenest’ in de buurt van Hogelandse-Kerkgracht. Ze werden gesommeerd om elders in de stad te gaan wonen. 106 RAL, ORA, inv.nr. 4 M, p. 86-86v (10-7-1655). 107 Idem, ORA, inv.nr. 3, boek 15, p. 186 (28-9-1655). 108 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (15-4-1667). De antwoorden van de man op de niet nader bekende vragen van de kerkenraad waren betrekkelijk bevredigend en leidden tot ‘sijner verontschuldinge ende verschooninge’.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 140

140

5 kerkelijke tucht

had aangenomen. Aangezien Jannetje bij de schoonvader van haar zus inwoonde, die eveneens rooms-katholiek was, dreigde ook haar ziel verloren te gaan. Vandaar dat de kerkenraad de predikanten van de betreffende wijk op haar afstuurde om haar ernstig te vermanen. De afloop van deze interventie blijft helaas onbekend.109 Diezelfde angst voor het rooms-katholicisme lag mogelijk ook ten grondslag aan de felle reactie op het theologische proefschrift van Cornelis Uijterhage, met de titel ‘Antichristus Mahometes’. Daarin beweerde hij dat niet de paus in Rome de antichrist was waarvan de bijbel sprak, maar de islamitische profeet Mohammed. De kerkenraad besloot daarop een afvaardiging naar Cornelis te sturen om hem op zijn boek aan te spreken. Zonder veel succes. Cornelis had de opzieners nauwelijks bevredigende antwoorden gegeven. Hij ontkende zelfs wat zij in zijn boek hadden gelezen. De kerkenraad riep hem vervolgens bij zich, maar Cornelis bedankte. Dit kwam hem op afhouding van het avondmaal te staan.110 Daarop schreef de gepikeerde theoloog een pamflet waarin hij weliswaar deels op zijn dwaling terugkwam – ook de paus was een antichrist – maar waarin hij tegelijk de kerkenraad een veeg uit de pan gaf.111 Vanaf dat moment ging het stadsbestuur zich er mee bemoeien. De schepenen gaven de schout de opdracht om tegen Cornelis op te treden en de eer van de kerkenraad te verdedigen.112 Dat maakte indruk. Cornelis stelde een soort schuldbekentenis op en wilde weer aan het avondmaal toegelaten worden. Maar de kerkenraad vond het stuk te vaag en besloot zelf een akte op te stellen. Daarmee ging Cornelis akkoord. Zijn wens om deel te nemen aan het sacrament en tot de gemeente te behoren, was blijkbaar groter dan zijn afkeer van de kerkenraad. De predikanten en ouderlingen lieten hem tenslotte weer tot het avondmaal toe.113 De overige ‘leerstellige zaken’ hadden te maken met ongeoorloofde deelname aan het avondmaal door gecensureerde lidmaten. Zo leefde Niesje Abrahamsd. in openlijke onmin met haar man. Het is helaas onduidelijk waarover het paar precies ruzie had, maar de kerkenraad vond het conflict ernstig genoeg om de twee van het avondmaal te weren.114 Desondanks nam Niesje eind augustus 1667 toch aan het sacrament deel. De kerkenraad besloot haar daarop mee te delen dat de kerkelijke discipline nog onverkort van kracht was en dat ze zich eerst met haar man moest verzoenen.115 Tegelijk boden de ambtsdragers daarbij hulp aan, maar de vrouw weigerde tot twee keer toe om daarop in te gaan. Haar man reageerde wel en toonde zoveel berouw dat de kerkenraad hem weer toeliet tot de avondmaalsgemeenschap. Zijn vrouw bleef onder censuur.116
109 Idem (11-5-1668). Vgl. Van de Sande, ‘Roomse buitenbeentjes’, 93; Van Deursen, Kopergeld, 328. 110 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (3-9-1666; 10-9-1666; 14-9-1666). 111 Naerder bericht als oock een korte verantwoordinge voor het boeck nu onlangs uijtgekomen onder den naem van Antichristus Mahometes, d.i. Mahomet den Anti-Christ, alwaer benevens de onwaerheden van het consestorium van Leijden oock deszelfs onwettelijck procederen wert aengewesen anno 1666. Van de tweemaal gestorvene, 12o (pamflet). 112 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (26-11-1666). 113 Idem (14-12-1666). 114 Het besluit tot de afhouding is niet gevonden. De zaak is daarom in de eerste rubriek (betreffende leerstellige zaken) opgenomen. 115 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (2-9-1667). 116 Idem (9-9-1667 en 13-9-1667).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 141

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

141

5.2.4 Huwelijk en zedelijkheid De kerkenraad had het beduidend drukker met zaken die het huwelijk en de zedelijkheid aangingen. Veruit de meeste zonden die het forum tussen 1664 en 1668 in deze categorie besprak, hadden te maken met voorechtelijke seksualiteit, of in de woorden van de kerkenraad, hoererij, ontucht of onkuisheid.117 Deze misstappen waren zeer ernstig in de ogen van de kerkenraad. Ze brachten bij openbaarheid de gemeente in verlegenheid en de lidmaten in opschudding. Vandaar dat Pieternelle Hendricxd. ondanks haar berouw over de door haar bedreven ontucht toch nog was afgehouden ‘om ergernis te voorkomen’. Zij werd pas een jaar later weer aan de avondmaalstafel toegelaten, nadat haar schuldbekentenis ‘met bedekte naam’ was voorgelezen aan de gemeente, ‘volgens oud gebruik van deze kerk’.118 Ook acht andere lidmaten die na ‘onkuisheid’ tot inkeer kwamen, werden anoniem ‘voorgesteld’. Bij terugkeer aan het avondmaal na zonden uit de overige categorieën volgde doorgaans geen openbare schuldbelijdenis.119
Tabel 5.3 Aantal door de Leidse Nederduitse gereformeerde kerkenraad besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot misstappen op het gebied van huwelijk en zedelijkheid en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 16641668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1664-1668 M V T 1 1 2 7 4 11 13 28 41 21 33 54 Zaken N 2 7 (5) 35 (16) 44 (23) % 5 16 79 100

Categorie Overtreding trouwregels Kwaad huwelijksleven Overige onkuisheden Totaal Bron: RAL, KNGK, inv.nr. F1808.

Het huwelijk was in de gereformeerde kerk officieel geen sacrament, maar het werd wel als een goddelijke instelling gezien. Overtredingen van de huwelijksregels moesten daarom niet alleen door de overheid worden gestraft, zoals uiteengezet in de Politieke Ordonnantie van 1580. Ook de kerk hoorde zich er over uit te spreken.120 Een van de meest voorkomende overtredingen van de regels was het ‘doorgaan’ of trouwen zonder
117 De woorden kunnen als synoniemen worden beschouwd (vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 94). 118 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (16-4-1666; 1-4-1667). Het stond kerken vrij om de openbare schuldbekentenis vorm te geven ‘ende dat op sulcker wijse ende forme, welcke men achten sal tot opbouwinghe eener yegelijcker ghemeente die alderbequaemste wesen’ (Acta van de synode te Emden (1571), art. 29). 119 In totaal werden in de onderzochte periode eenentwintig gecensureerde lidmaten weer toegelaten. Tien van hen werden anoniem ‘voorgesteld’. Daarvan waren er negen afgehouden wegens ontucht of onkuisheid, één wegens uitgave van een ketters boek. Van de overige elf lidmaten waren er zeven onder censuur gesteld wegens onkuisheid, één wegens ‘kwaad huwelijksleven’ en drie wegens twist, faillissement en ongeoorloofde deelname aan het avondmaal. Vgl. Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 211,212. 120 Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 36,37.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 142

142

5 kerkelijke tucht

ouderlijke toestemming. Toen dominee Knibbe hoorde dat de minderjarige Justina Barbette door Isaäc de Bije was ‘geschaakt’ en dat de twee in stilte waren getrouwd, besloot de kerkenraad tot een onderzoek. Inderdaad bleek dat de moeder van Justina nooit van de verkering op de hoogte was gebracht. Na rijp beraad oordeelden de predikanten en ouderlingen dat Justina zich voorlopig van het avondmaal moest onthouden.121 Andere lidmaten namen het er vandoor gaan erg letterlijk en verdwenen buiten het directe bereik van de kerk. Zo waren Johannes Beegha en Lijsbeth van Oosterdijk samen ‘doorgegaan’ naar Amsterdam om daar zonder toestemming van de ouders te trouwen. De opzieners namen zich voor dat als het stel ooit om een attestatie zou vragen, deze geweigerd zou worden tot de zondaren zich boetvaardig hadden opgesteld.122 Ook bij problemen binnen het huwelijk trad de kerkenraad voortvarend op, tenminste als het forum zélf een misstap constateerde. Zo ontzegden de ouderlingen en predikanten op zevenentwintig maart 1665 David Henneman de toegang tot het avondmaal wegens overspel en herhaaldelijke dronkenschap. De notulen melden niets over een aangifte. Waarschijnlijk ging het hier, gezien de datum, om een tijdens een huisbezoek ontdekte misstap die niet ter plaatse kon worden verzoend of die inmiddels ook bij meer mensen bekend was.123 Ook in het geval van Pieter Harmensz. lijkt aan de bespreking in de kerkenraad het een en ander vooraf te zijn gegaan. De notulen vermelden slechts dat dominee Van der Hagen heeft meegedeeld dat Pieter zich in overspel had ‘verlopen’ en dat het lidmaat door de kerkenraad onder censuur is gesteld. Ook hier hoefde de zondaar zich niet voor de opzieners te komen verantwoorden. Het lijkt wel alsof de kerkenraad er na de nodige huisbezoeken zo min mogelijk woorden aan vuil wilde maken.124 Over het algemeen hield de kerkenraad overspel stil voor de overheid. Geen van de hierboven genoemde zaken kan in de strafrechtelijke archieven worden teruggevonden. Alleen het geval van Joost Jansz. van den Broecke vonden de predikanten en ouderlingen te aanstootgevend om voor zich te houden. Joost was van plan om na de dood van zijn vrouw met zijn dienstmeid te trouwen met wie hij al tijdens zijn huwelijk was vreemdgegaan. Daarbij was de vrouw in kwestie ook nog rooms-katholiek. De kerkenraad besloot daarom op eenentwintig mei 1666 niet alleen tot afhouding over te gaan, maar ook om de overtreding aan het stadsbestuur door te geven.125 Desondanks staat het overspel van Joost niet in de stedelijke correctieboeken. Aan de kerkenraadsvergadering was echter al wel een civiel proces voorafgegaan, iets waar de notulen van de ouderlingen en predikanten merkwaardig genoeg over zwijgen. Uit de gerechtelijke verslagen blijkt dat het initiatief tot het huwelijk niet van Joost, maar van de dienstmeid was uitgegaan. Ze had hem voor de schepenen gesleept en getuigt dat hij met haar het bed had gedeeld en dat zij daarna nog tijdens het leven van zijn vrouw van een kind was bevallen. In de kantlijn van het dingboek staat geschreven ‘niet geproce121 122 123 124 125 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (7-12-1668 en 14-12-1668). Idem (1-4-1667). Zie over ‘doorgaan’: Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 190-192; Spierenburg, Zwarte schapen, 24,25. RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (27-3-1665). Pasen viel dat jaar op 5 april. Idem (23-6-1665). Idem (21-5-1666).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 143

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

143

deerd’. De man had namelijk lopende de rechtszaak met een huwelijk ingestemd. Maar niet in de kerk zoals de vrouw had geëist; het stel trouwde uiteindelijk op het stadhuis. Voor de vierschaar was de zaak daarmee afgedaan.126 Andersom konden stellen die bij de rechtbank hun huwelijksproblemen uitvochten, rekenen op censuur vanwege de gegeven ergernis. Zo daagde Barbara Cornelisd. van Cleijenhoven haar man Hendrick Jacobsz. Balbiaen op vier februari 1665 voor de schepenen vanwege zijn voortdurende dronkenschap. Niet alleen had hij al het geld verkwanseld dat zij bij het huwelijk had ingebracht, maar hij behandelde haar ook slecht. Ze kon daarom, zo betoogde Barbara’s procureur, niet langer met haar man samenleven. De schepenen stonden vervolgens een scheiding van tafel en bed toe, die nog diezelfde maand werd afgelezen. Het is daarbij opvallend dat de separatie pas in september 1665 in de kerkenraad ter sprake kwam. Kennelijk had de wijkpredikant hen niet eerder bezocht en zagen buurtbewoners in de scheiding geen aanleiding om bij de kerk te klagen. Hoe het ook zij, in september oordeelden de kerkenraadsleden dat Barbara en Hendrick niet eerder aan het avondmaal mochten gaan voor de verbittering was weggenomen en de veroorzaakte ergernis ongedaan gemaakt was.127 De kerkenraad trad over het algemeen heel voorzichtig op als mensen aangifte deden van de zonden van anderen. Zo reageerden de opzieners terughoudend toen Esther de Raet hen in 1662, met het oog op het avondmaal, opbiechtte dat ze gescheiden van haar echtgenoot leefde. Volgens Esther had haar man, Leendert de Groot, haar slecht behandeld. De kerkenraad legde de beschuldiging eerst voor aan de echtgenoot zelf, alvorens tot een oordeel te komen. Leendert ontkende de aantijgingen echter en gaf op zijn beurt zijn vrouw de schuld van alles. Vervolgens liet de kerkenraad ook Esther verschijnen om hen beiden in elkaars aanwezigheid te horen. Het forum concludeerde uiteindelijk dat Leendert de meeste schuld droeg voor de ontstane situatie. En dus werd alleen hij gecensureerd, hoewel de kerkenraad Esther wel aanraadde om voor één keer niet aan het avondmaal te gaan. Nog geen half jaar later maakte Leendert de verzoening met zijn vrouw bekend. De kerkenraad eiste daar eerst afdoende bewijs van, voor hij weer tot het avondmaal zou worden toegelaten. Een wat gepikeerde Leendert kwam daarop met een kopie van een akte – mogelijk een notariële attestatie – waarin zijn vrouw al haar beschuldigingen tegen hem introk. De opzieners vertrouwden het niet helemaal en vroegen om het originele stuk. Ook moest Esther de echtheid van het document komen bevestigen. Maar Esther verscheen niet. De kerkenraad besloot haar daarop, gezien de gegeven ergernis, opnieuw de deelname aan het avondmaal te ontraden. Toen op zestien maart 1663 zowel Leendert als zijn vrouw weer aan het avondmaal wilden, werd alleen Esther toegelaten. Leendert moest eerst nog het document laten zien waarin Esther hem van alle schuld vrijpleitte. Hieraan voldeed hij binnen een week. Drie jaar ging het goed. In 1666 constateerde de kerkenraad, vermoedelijk na een huisbezoek, dat het stel opnieuw ergernis wekte. Het forum ontbood Esther en Leendert op
126 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 285 (1-5-1666). Zie ook RAL, ONA, inv.nr. 778, p. 411 (20-4-1666). 127 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 161v (4-2-1665); RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (11-9-1665). Op 16 april 1666 werd Hendrick ‘na vertoning van berouw en leedwezen’ weer tot het avondmaal toegelaten (Idem (16-4-1666)).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 144

144

5 kerkelijke tucht

de volgende vergadering, maar beiden verschenen tot tweemaal toe niet. Daarop besloten de ouderlingen en predikanten om Leendert af te houden en zijn huisvrouw niet. Anderhalf jaar later vroeg het paar, inmiddels verhuisd, om een attestatie. Leendert gaf al zijn fouten toe en toonde bovendien berouw. Vervolgens riep de kerkenraad ook Esther voor zich en verzoende het paar onder ernstige vermaningen om voortaan vreedzaam te leven.128 Dit uitgebreide voorbeeld maakt duidelijk dat de kerkenraad bij de aangifte van misstappen niet uitsluitend afging op het relaas van een van de partijen maar zelf een onderzoek instelde. Toen Esther zich over de ‘onfatsoenlijke bejegeningen’ van haar man beklaagde, mocht ook Leendert zijn verhaal doen. Het is opvallend hoe de kerkenraad al snel partij koos voor Esther. Leendert had immers alle schuld van de hand gewezen, terwijl zijn vrouw zich nederig opstelde en haar fouten toegaf. Bovendien was zij degene die zich zorgen maakte om haar zielenheil. Daarmee presenteerde ze zich als eerlijk en bewust van eigen tekortkomingen.129 Dit waren de kerkenraadsleden in 1666 kennelijk nog niet vergeten toen ze, nadat er opnieuw ruzie in het gezin was uitgebroken, Leendert zonder meer onder censuur plaatsten en Esther niet. De zaak laat verder zien hoezeer de kerkenraad uit was op verzoening. Het forum accepteerde daartoe in principe zelfs een elders opgetekende akte. Ook kreeg het paar in 1667 pas een attestatie toen zij zich ten overstaan van de kerkenraad hadden verzoend.130 5.2.5 Persoonlijke levenswandel Hetzelfde streven naar verzoening legde de kerkenraad ook aan de dag wanneer lidmaten overtredingen voorlegden op het gebied van de persoonlijke levenswandel. Zo mobiliseerden de broers Rutger, Reijnier en Willem van Deijl de opzieners om hen een flinke onderlinge ruzie voor te leggen. Waarover de onenigheid ging, wordt helaas niet duidelijk. De kerkenraadsleden waren niet van de onmin op de hoogte; waarschijnlijk lag het conflict nog niet op straat. De ouderlingen en predikanten reageerden direct. Ze vroegen eerst ieder van de broers of zij zich aan het oordeel van de kerkenraad wilden onderwerpen. Toen dat het geval bleek, polsten de opzieners bij alle drie de bereidheid tot verzoening. Reijnier wees als enige iedere toenadering van de hand; daar waren de scheldwoorden van zijn broers te grievend voor geweest, zo vond hij. Kennelijk had hij een meer bestraffend optreden van het forum verwacht. De kerkenraad probeerde nog één keer om een doorbraak te forceren en riep de broers bijeen om hen erop te wijzen dat wie zich onverzoenlijk opstelde, van het avondmaal zou worden afgehouden. Het dreigement hielp niet. Rutger en Willem sloten weliswaar vrede met elkaar, maar Reijnier bleef weigeren om de ruzie te beëindigen. Dit kwam hem op cen-

128 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (10-3-1662; 17-3-1662; 8-9-1662; 12-9-1662; 16-3-1663; 20-3-1663; 9-4-1666; 16-4-1666; 20-41666; 18-11-1667). 129 Dit zag de kerkenraad graag. Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 254-255. 130 Vgl. Kloek, ‘Toezicht’, 112, waar de Leidse kerkenraad in 1621 een lidmaat dat een notariële attestatie had laten opstellen toevoegde ‘dat het in de kerckenraedt niet en is gewent met notariale acten getuychenissen ende dispositien een saecke te bepleijten’.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 145

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

145

suur te staan.131 Pas negen maanden later was hij bereid zich met zijn broers te verzoenen en mocht hij, na een bedekte voorstelling, weer aan het avondmaal.132 Wanneer misstappen van lidmaten openbaar waren, volgde direct een afhouding van het avondmaal. Dat gebeurde ook bij een bankroet of faillissement. De kerk stond strikt op het standpunt dat betalingsachterstanden op tijd moesten worden weggewerkt. Wie dat niet kon, wekte de indruk onbetrouwbaar te zijn in geldzaken. Zo koppelde de Heidelbergsche Catechismus het achtste gebod – ‘gij zult niet stelen’ – aan bedrog, gierigheid, misbruik en verkwisting.133 Maar ook in het algemeen gold dat gefailleerden door hun begeerte op te grote voet hadden geleefd en hun geldeisers hadden bestolen. Bovendien konden ze, gezien de openstaande schulden, niet meer aan hun maatschappelijke verplichtingen voldoen. Dit betekende dat een groot aantal publieke ambten niet meer voor hen openstond, zoals bijvoorbeeld het buurtheerschap en het lidmaatschap van de schutterij. Lidmaten die failliet gingen, kwamen bovendien onder censuur te staan, tot ze op een of andere wijze hun crediteuren tevreden hadden gesteld.134 Vandaar ook dat Pieter Dammasz. en Maertje Verbeeck geen attestatie kregen voordat zij hun achtergelaten schulden in Leiden hadden voldaan.135 Willem Reijnenburch was eveneens de stad ontvlucht vanwege schulden, maar na verloop van tijd keerde hij terug. De kerkenraad reageerde onverbiddelijk op het nieuws en hield hem van het avondmaal totdat hij zijn schuldeisers tevreden had gesteld.136
Tabel 5.4 Aantal door de Leidse Nederduitse gereformeerde kerkenraad besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot overige overtredingen van kerkelijk bepaalde gedragsregels op het gebied van de persoonlijke levenswandel en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1664-1668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1664-1668 M V 6 0 3 0 0 3 9 3 T 6 3 3 12 Zaken N 6 (3) 1 (1) 1 8 (4) % 75 13 13 100

Categorie Faillissement Twist Geweld Totaal Bron: RAL, KNGK, inv.nr. F1808.

131 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (17-12-1666). 132 Idem (20-9-1667). 133 Heidelbergsche Catechismus, zondag 42, vraag 110. 134 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (20-3-1665); Idem (5-4-1667); Roodenburg, Onder censuur, 377-381. Zie ook Sprunger, ‘Entrepreneurs and ethics’, 218-219; Idem, ‘Faillissementen’, 104,105. 135 RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (23-3-1667). 136 Idem (1-4-1667). Mogelijk was hij op de vlucht voor zijn schuldeisers vanwege het gevaar dat zij beslag zouden leggen op zijn goederen (vgl. soortgelijk geval in: RAL, ONA, inv.nr. 967, nr. 12 (3-2-1667)).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 146

146

5 kerkelijke tucht

Tot dusver zijn vrouwen ondervertegenwoordigd in de rubriek ‘persoonlijke levenswandel’. De categorie ‘geweld’ bestaat echter opvallend genoeg geheel uit vrouwen.137 Nu waren vrouwen in Leiden tussen 1664-1668 zeker niet gewelddadiger dan hun mannelijke plaatsgenoten. Hun aanwezigheid in de kerkenraadsnotulen duidt veeleer op het omgekeerde. De drie vrouwen waar de tabel melding van maakt, waren op achttien september 1668 om onbekende reden met elkaar in gevecht geraakt. Daarmee gaven zij een dermate grote ergernis in de gemeente dat de kerkenraad hen van het avondmaal afhield.138 Dat in de onderzochte periode niet meer mensen wegens geweld gecensureerd werden, kan vermoedelijk worden verklaard uit het feit dat betrokkenen gewelddadigheden niet of nauwelijks aan de kerkenraad meldden. Hetzelfde geldt voor beledigingen en gekijf. Stedelingen hadden ook andere manieren om met dergelijke kwesties om te gaan. Ze negeerden het geweld of de belediging, scholden terug of werden zelf gewelddadig.139 Een andere groep stapte naar de notaris, de stedelijke rechtbank of wellicht de buurtheer. Zij vonden wereldlijke fora blijkbaar meer geschikt om dergelijke conflicten te beëindigen. Kloek constateerde hetzelfde voor eerdere periodes.140 Uit de lage aantallen tuchtgevallen met betrekking tot geweld mag in elk geval niet zonder meer worden geconcludeerd dat gewelddadigheden onder lidmaten nauwelijks voorkwamen en dat de gemeente blijkbaar al onder invloed was van een door de kerk ondersteund beschavingsoffensief. Daarvoor zullen eerst de kerkenraadsnotulen van de andere kerken geanalyseerd moeten worden.141 5.2.6 Overig De rubriek ‘overige zaken’ omvat hoofdzakelijk zonden die de kerkenraad in termen als ‘ergerlijk leven’, ‘ergerlijk gedrag’ of ‘onstichtelijke wandel’ omschreef. Hierdoor is dus niet duidelijk of er sprake was van dronkenschap, twist of bijvoorbeeld voorechtelijke seksualiteit, alleen dat de bedoelde misstappen openbaar waren en dus de gemeenschap te schande maakten. Zo werden Johannes Kieckens en zijn vrouw in 1664 vermaand vanwege hun ‘ergerlijk leven’, wat lijkt te wijzen op echtelijke problemen. Een jaar later daagde zijn vrouw hem tot drie keer toe voor de burgemeesters, overigens steeds om onbekende redenen.142 Uit de verslagen van het college van vredemakers blijkt dat Johannes in die dagen bovendien in allerlei zakelijke geschillen was verwikkeld.143 Soms bleven in de kerkenraadsnotulen de begane misstappen helemaal onvermeld. Zo wees de kerkenraad het attestatieverzoek van Philips Arckelbout alleen om ‘gewichtige redenen’ af.144 De achterliggende zonden in deze rubriek zouden de uit137 138 139 140 141 142 143 144 Vgl. Kloek, ‘Toezicht’, 111,118; Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 303. Vgl. Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 194; Idem, Maurermeister, 368,369; Gowing, ‘Language, power and the law’, 32. Vgl. Spierenburg, ‘Knife fighting’, 107. Kloek, ‘Toezicht’, 112. Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 354. RAL, SAII, inv.nr. 250 (3-6-1665; 20-7-1665; 23-7-1665). RAL, ORA, inv. nr. 47 2H (1-8-1664; 5-8-1664; 1-9-1664); Idem, inv.nr. 47 2 I (15-12-1664). RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (1-2-1664).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 147

5.2 de nederduitse gereformeerde kerk

147

komsten met betrekking tot de overige categorieën dus nog kunnen veranderen, zeker gezien het aantal tuchtzaken waar het hier om gaat. Maar de onduidelijkheid is te groot voor een meer precieze indeling. Het is daarom beter om de cijfers in de verschillende rubrieken te beperken tot die zaken waarover geen misverstanden bestaan. 5.2.7 Conclusie De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat van een strenge tuchtuitoefening door de Leidse Nederduitse gereformeerde kerk geen sprake was in de jaren zestig van de zeventiende eeuw. Het aantal censuurgevallen was in de periode 1664-1668 meer dan gehalveerd ten opzichte van de door E.M. Kloek bestudeerde jaren 1620-1626. Geen van de ‘trappen’ van censuur werd ingezet, ondanks de voornemens van de kerkenraad in 1652. Wel kwamen anonieme schuldbekentenissen voor van zondaren die, meestal na ‘onkuisheden’, weer tot het avondmaal waren toegelaten. Afgezet tegen het fors gestegen inwonertal van de stad kan de tucht in de Leidse publieke kerk weinig anders dan een marginaal verschijnsel worden genoemd. De gereformeerde ouderlingen en predikanten hielden maar twee of drie keer per jaar een rondgang door hun wijk om de lidmaten te bezoeken. Het lijkt onwaarschijnlijk dat zij daarmee een sluitend toezicht op de gemeente hadden. Toch is een slag om de arm op zijn plaats. Mogelijk pasten de kerkenraadsleden een stille vorm van tucht toe, waarbij zij de betrokken zondaren zoveel mogelijk buiten de kerkenraadskamer vermaanden en zodoende voor een formele afhouding behoedden. Bij de huisbezoeken konden berouwvolle leden dan het advies krijgen om bijvoorbeeld eenmalig van avondmaalsdeelname af te zien. Alleen wie zijn leven niet beterde of teveel ergernis had gegeven, kreeg met een officiële tuchtprocedure te maken. Dit verklaart de concentraties van tuchtgevallen in de maanden rond Pasen, september en december, wanneer de huisbezoeken met het oog op het avondmaal werden afgelegd. Ook tussentijdse aangiftes konden op een stille manier, dus buiten de boeken om, worden afgehandeld. Volgens deze redenatie is sprake van een niet nader te bepalen onderregistratie en kan dus weinig over de tuchtuitoefening door de gereformeerde kerk worden gezegd op basis van de kerkenraadsnotulen. Het is opvallend dat de kerkenraad zich vooral over het huwelijks- en seksleven van de avondmaalsgemeenschap uitsprak en zich tijdens vergaderingen veel minder bezighield met overtredingen van de overige door de kerk gestelde gedragsregels. Deze laatste konden kennelijk óf snel worden verzoend óf ze werden nauwelijks aan de opzieners doorgegeven. Voor het eerste pleit de opstelling van de overheid die van mening was dat de kerkenraad zich niet teveel met het maatschappelijk gedrag van de Leidenaren moest bemoeien. De overheid kon dit eenvoudig controleren omdat de kerkenraad voor een belangrijk deel uit leden van het stadsbestuur bestond. Het geringe aantal censuurgevallen kan zodoende worden beschouwd als een indicatie van de inkapseling van de publieke kerk in de stedelijke politiek. Beide partijen hadden baat bij die samenwerking. De stad voorkwam onrust en de kerk kreeg de nodige ruggesteun bij het handhaven van haar plaats in de samenleving. De eerder besproken zaak tegen Cornelis Uijterhage,

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 148

148

5 kerkelijke tucht

waarin het stadsbestuur de eer en het respect van de kerkenraad verdedigde, illustreert dit.145 Aan de andere kant kon de kerkenraad veel van deze zonden als opzichter over de avondmaalsgemeente niet zomaar negeren. Daarvoor was de gegeven ergernis vaak te groot. Vandaar dat de kerk zich met betrekking tot overtredingen van de gedragsregels op het gebied van de persoonlijke levenswandel mogelijk meer op stille tucht richtte. Daarin was ze ook vrij. De overheid had zich in de jaren tachtig van de zestiende eeuw alleen tegen strengere vormen van tucht gekeerd.146 Toch kan ook de tweede hypothese niet worden uitgesloten. Want wat baatte het lidmaten om bepaalde ergerniswekkende misstappen bij de kerkenraad aan te geven als die er verder toch weinig meer mee deed dan de zaak stil houden? Openbare aanstoot diende immers ook in het openbaar te worden rechtgezet.147 Dat de kerkenraad wel veel overtredingen van de huwelijksregels besprak, met name met betrekking tot voorechtelijke seksualiteit, moet worden verklaard uit de overeenstemming die op dit punt met de stedelijke overheid bestond.148 Maar de kerk moest het daarbij wel hebben van de huisbezoeken, waar de misstappen voornamelijk aan het licht kwamen, of van een te kleine marge tussen een huwelijk en de geboorte van het eerste kind. Lidmaten zagen de kerkenraad nauwelijks als forum voor klachten over ‘onkuisheden’ van anderen. Zodoende was de rol van de Nederduitse gereformeerde kerkenraad als forum voor geschilbeslechting misschien minder groot dan wel is gedacht.149 Het is daarom van belang om deze uitkomsten te toetsen aan de activiteiten van de andere grote gereformeerde kerkenraad, het Waalse gereformeerde consistorie.

5.3 De Waalse gereformeerde kerk 5.3.1 Introductie De Waalse kerk in Leiden werd in 1581 gesticht door Lambert Daneau, een hoogleraar theologie aan de Leidse universiteit. Voor die tijd was er slechts incidenteel sprake van Waalse of Franstalige prediking in de stad.150 Daneau stampte de kerk in enkele maanden uit de grond. Hij benoemde ook een eigen kerkenraad, zonder goedkeuring te vragen van de Leidse overheid. Dit was tegen het zere been van de stadsbestuurders die net het zogeheten ‘arbitraal akkoord’ hadden gesloten met de gereformeerde kerk.151 Het conflict werd opgelost met een compromis. De overheid zou de Waalse kerkenraad

145 De gereformeerde kerk nam in die tijd nog altijd geen meerderheidspositie in Holland in (Bergsma, Gideonsbende, 14-17; Knippenberg, De religieuze kaart van Nederland, 20-22). 146 In Utrecht kwam het in 1659 nog tot 17 anonieme aflezingen (Van Lieburg, De nadere reformatie in Utrecht, 94). 147 Vgl. Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 186; Dinges, Maurermeister, 313-317; Roodenburg, Onder censuur, 115; Garrioch, Neighbourhood and community, 40-55. 148 Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 216. 149 Vgl. Dinges, ‘Justice as a form of social control’, 163; Roodenburg, Onder censuur, 386. 150 Jonge, ‘Quatrième centenaire’, 446-447. Vgl. Perk, De Waalsche gemeenten, 20. 151 Zie par. 5.2.1.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 149

5.3 de waalse gereformeerde kerk

149

erkennen, op voorwaarde dat Daneau zich voortaan aan de afspraken zou houden. De eigenzinnige predikant zorgde daarnaast nog voor opschudding door lidmaten van de Nederduitse gereformeerde kerk aan het avondmaal te laten gaan die wegens het optreden van de rekkelijke predikant Coolhaes hun heil bij hem hadden gezocht.152 Een confrontatie met het stadsbestuur, dat achter Coolhaes stond, kon niet uitblijven en binnen het jaar aanvaardde Daneau een betrekking in Gent. J. Koppenol weet zelfs dat hij was ‘weggetreiterd’ door de Leidse stadssecretaris Jan van Hout. Waarschijnlijk betekende het vertrek van de predikant het voorlopige einde van de Waalse kerkenraad.153 De immigratiestroom van Zuid-Nederlanders aan het einde van de zestiende eeuw gaf de Franstalige kerk in Leiden een nieuwe impuls. De gemeente groeide van vierhonderdvijfentwintig leden tot vijfduizend halverwege de zeventiende eeuw.154 Problemen met het stadsbestuur deden zich niet meer voor. De Waalse kerk deelde in de voorrechten van de publieke kerk. De gemeenschap kreeg een pand van de stad. Eerst was dat de kapel van het Faliede begijnhof aan het Rapenburg, daarna de Vrouwekerk, terwijl vanaf 1638 ook gebruik mocht worden gemaakt van de kapel van het Sint Catharinagasthuis. Verder werden de predikanten, net als bij de Nederduitse gereformeerden, door de overheid betaald. Daar stond tegenover dat de kerk zich aan het ‘arbitraal akkoord’ diende te houden, dat wil zeggen dat de benoeming van nieuwe ambtsdragers steeds in handen was van het stadsbestuur.155 Inhoudelijk vertoonde de Waalse kerk veel overeenkomsten met haar Nederduitse gereformeerde evenknie. Beide hadden dezelfde bevoegdheden, rechten, kerkorde en geloofsbelijdenissen. Maar daarnaast hadden Waalse kerken in de Republiek ook hun eigen tradities. Zo hadden ze eigen classes en synoden.156 Verder waren er verschillen op het gebied van de tuchtuitoefening. De Walen gebruikten een zogeheten ‘mereau’ of loodje om aan het avondmaal te mogen deelnemen. Vermoedelijk kregen gelovigen dit als ze belijdenis hadden afgelegd. Leden die vanwege een misstap van het avondmaal afgehouden werden, dienden hun ‘mereau’ weer in te leveren.157 Ook moest een geschorst lidmaat, dat weer in de gemeente opgenomen wilde worden, de openbare schuldbelijdenis die door de predikant van de kansel werd afgelezen, staande met een jawoord beamen. In de Nederduitse gereformeerde kerken kwam deze vorm van openbare verzoening nauwelijks voor.158 Toch moeten de procedurele verschillen ten aanzien van de tucht niet overdreven worden. De Waalse kerk gebruikte veelal dezelfde formuleringen bij het uitoefenen van de kerkelijke censuur. Of de tucht in de Waalse kerk ook in de praktijk verschilde van die van de Nederduitse gereformeerde is nog nooit onderzocht. Fockema Andreae suggereert wel dat de Waalse gereformeerden de censuur strikter toepasten. Hij spreekt van een ‘consciënti152 153 154 155 156 157 158 Fatio, nihil pulchrius ordine, 44-46. Koppenol, Leids heelal, 361; Woltjer, Een niew ende onghesien dingh, 6; Cohen, Ecrivains français, 156-158. Fockema Andreae, ‘De Waals-hervormde kerk te Leiden’, 110, 116. Buisman, ‘Kerk en samenleving’, 127. Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 143, 166, 213; Perk, De Waalsche gemeenten, 11-17. Fockema Andreae, ‘De Waals-hervormde kerk te Leiden’, 115. Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 212.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 150

150

5 kerkelijke tucht

euze’ tuchtuitoefening.159 Maar hij baseert zich niet op cijfers. Het is daarom interessant de notulen van de Waalse kerk nader te bestuderen voor de jaren 1664-1668 en de onderzoeksresultaten naast die van de zojuist besproken Nederduitse gereformeerde kerk te leggen. Is er inderdaad sprake van een groter aantal tuchtgevallen? Wat beschouwde de Waalse kerkenraad als ergerlijke zonden die op formele wijze moesten worden afgehandeld? Waardoor kunnen eventuele verschillen met het Nederduitse gereformeerde consistorie op dit gebied worden verklaard? 5.3.2 Tuchtuitoefening 1664-1668 De Waalse kerk had een relatief omvangrijke kerkenraad. In 1584 telde de gemeenschap vier diakenen en vier ouderlingen. Dat aantal groeide tot tien van beide soorten ambtsdragers in de jaren zestig van de zeventiende eeuw.160 De kerkenraad was daarmee even groot als die van de Nederduitse gereformeerde kerk, alleen telde deze laatste veertien ouderlingen en zes diakenen. Hieruit kan allereerst worden afgeleid dat de Walen de armenzorg naar verhouding hoger waardeerden dan de Nederduitse gereformeerde kerk. Nu waren er onder de Franstalige immigranten, naast enkele rijke textielproducenten, inderdaad veel armen. Daardoor zat de Waalse diaconie zelf regelmatig krap bij kas en moest ze het stadsbestuur om financiële bijstand vragen.161 Toch was ook het aantal ouderlingen in de kerkenraad fors, gezien de kleinere omvang van de Waalse kerk. Dat maakte het opzicht mogelijk effectiever. Ook het feit dat de Franstalige Leidenaren voor het merendeel in een eigen wijk in het noorden van de stad woonden, droeg daaraan bij.162 Een andere factor die de tuchtuitoefening over de Waalse gemeente kan hebben beïnvloed, is het feit dat er tussen de Waalse kerkenraad en de stedelijke overheid geen enkele overlap bestond. Het stadsbestuur was namelijk niet toegankelijk voor vreemdelingen. Daarmee was ook de controle op het doen en laten van het consistorie minder sterk.163 Bestudering van de kerkenraadsnotulen bevestigt het vermoeden dat de tucht in de Waalse gereformeerde kerk intensiever was dan die in de Nederduitse. Niet alleen zijn de tuchtgevallen evenwichtiger over het kalenderjaar verspreid, waardoor ze minder nadrukkelijk samenvielen met de vaste visitatierondes die aan christelijke hoogtijdagen en de zomermaanden voorafgingen.164 Ook het aantal gecensureerde lidmaten is opvallend hoger, namelijk honderdtachtig mannen en vrouwen, verdeeld over honderdtweeënzestig zaken. Dat zijn er ruim twee keer zoveel als bij de Nederduitse gereformeerde kerk. Aangezien de Waalse gemeente ook nog eens beduidend kleiner was dan
159 Fockema Andreae, ‘De Waals-hervormde kerk te Leiden’, 114-115. 160 Het aantal predikanten groeide in diezelfde periode van één tot vijf. 161 Zie bijv. RAL, SAII, inv.nr. 189, p. 23 (16-5-1649). Vgl. Noordam, ‘Nieuwkomers in Leiden’, 65-66; Schilling, ‘Calvinistische Presbyterien’, 413; Fockema Andreae, ‘De Waals-hervormde kerk te Leiden’, 111. 162 Veel Walen woonden in de stadsvergroting van 1611, bestaande uit de bonnen Nieuwmaren, Zijloort en Hogemorsch. 163 Noordam, ‘Nieuwkomers in Leiden’, 70-72; Schilling, ‘Calvinistische Presbyterien’, 442. Wel had het stadsbestuur een of twee van zijn medeleden tot gecommitteerde in de kerkenraad aangewezen. Deze verschenen echter zelden (Fockema Andreae, ‘De Waals-hervormde kerk te Leiden’, 119). 164 Vgl. januari (21), februari (15), maart (14), april (19), mei (9), juni (19), juli (13), augustus (17), september (7), oktober (4), november (4) en december (20).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 151

5.3 de waalse gereformeerde kerk

151

de Nederduitse, betekent dit dat de tucht naar verhouding veel meer leden bereikte. Tot slot zijn ook in de aandacht voor de door Kloek onderscheiden categorieën de nodige afwijkingen aan te wijzen. Zoals tabel 5.5 laat zien, is het aantal lidmaten dat wegens problemen op het gebied van huwelijk en zedelijkheid met de kerkenraad in aanraking kwam in de Waalse kerk relatief een stuk kleiner dan bij de Nederduitse gereformeerden. Maar daar staat tegenover dat het aantal overige overtredingen van de kerkelijk bepaalde gedragsregels op het gebied van de persoonlijke levenswandel bij de Walen aanzienlijk hoger lag. Dit laatste heeft ongetwijfeld te maken met het effectievere opzicht dat de Waalse opzieners over hun gemeente hadden en de geringere bemoeienis van de Leidse overheid. De kerkenraad hoefde daardoor tuchtzaken minder stil af te handelen. Voor aanvullende verklaringen moeten de tuchtgevallen nader worden bekeken.
Tabel 5.5 Vergelijking van het aantal door de kerkenraad besproken tuchtgevallen in de jaren 16641668 in de Waalse en Nederduitse gereformeerde gemeenten in Leiden, uitgedrukt in absolute aantallen en in procenten, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak in de notulen terugkeerde. Waalse geref. kerk N % 19 (14) 12 57 (43) 35 54 (21) 33 32 (19) 20 162 (97) 100 Nederduitse geref. kerk N % 11 (15) 16 44 (23) 64 8 (4) 12 6 (1) 9 69 (43) 100

Categorie Leerstellige zaken Huwelijk en zedelijkheid Persoonlijke levenswandel Niet nader bekend Totaal

Bron: RAL, KNGK, inv.nr. F1808 en Idem, AWG, inv.nr. 44.

5.3.3 Leerstellige zaken Veruit de meeste Waalse gemeenteleden die met ‘leertucht’ of censuur wegens leerstellige zaken te maken kregen, hadden zich van de gereformeerde kerk afgekeerd. Opzieners bespraken in dit verband met name vrouwelijke lidmaten die naar de paapse mis waren geweest. Mogelijk gingen zij met hun rooms-katholieke man mee.165 De betrokkenen werden door de kerkenraad steevast van het avondmaal afgehouden. Het forum deed afvalligheid overigens telkens zeer summier af. Mogelijk was er al tijdens huisbezoeken met de betreffende lidmaten over gesproken, waarna die, gezien de uitkomst, weigerden terug te keren naar de gereformeerde kerk.166 Onder de gecensureerden bevonden zich, net als bij de Nederduitse gereformeerden, geen lidmaten die zich tot het arminianisme hadden bekeerd. Dit wijst opnieuw op de geringe concurrentie uit re165 De namen van de mannen blijven onvermeld. 166 Uitzondering is Barbe Cathérine die, ‘estant aller à la messe’, van het avondmaal wordt afgehouden. Twee weken later verschijnt ze voor de kerkenraad om te protesteren. Ze ontkent bij hoog en bij laag naar de mis te zijn geweest. Daarop maakte het ‘consistoire’ de censuur ongedaan (RAL, AWK, inv.nr. 44 (3-8-1668; 17-8-1668)).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 152

152

5 kerkelijke tucht

monstrantse hoek. Daarbij kan nog worden opgemerkt dat de Waalse kerk zich in de botsingen tussen arminianen en gomaristen over het algemeen neutraal opstelde.167 In de categorie ‘onenigheid met de kerkenraad’ gaat het met name over kritiek op de rechtzinnigheid van de kerk. Zo vond Eloij Guérar dat de kerk alleen in het verleden het huis van God was geweest. Tegenwoordig leek de gemeente veeleer het domein van de duivel. De opzieners reageerden ontzet toen hen dit ter ore kwam en riepen hem bij zich op de kerkenraadskamer om hem ‘de tucht te geven die hij verdiende’. Ze trommelden daarbij ook nog enkele gemeenteleden op die konden bevestigen dat Eloij de uitspraken had gedaan. Een van hen wist zelfs te vertellen dat hij had gezegd dat de kerk tegenwoordig niet meer aan Christus maar aan de antichrist toebehoorde. Mogelijk meende Eloij, gelet op zijn verwijzing naar de komst van de antichrist, dat het einde der tijden nabij was. De verontwaardigde kerkenraad ontzegde hem de toegang tot het avondmaal. Alleen na voldoende spijtbetuiging zou hij weer worden toegelaten.168
Tabel 5.6 Aantal door de Leidse Waalse gereformeerde kerkenraad besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot leerstellige problemen en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1664-1668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen Personen in 1664-1668 M V 5 9 3 1 2 0 0 1 10 11 T 14 4 2 1 21 Zaken N 13 (5) 3 (5) 2 (4) 1 19 (14) % 68 16 11 5 100

Categorie Afval Onenigheid met de kerkenraad Uitgave ketters boek Wegblijven van het avondmaal Totaal Bron: RAL, AWK, inv.nr. 44.

Een bijzondere vorm van ‘onenigheid met de kerkenraad’ was het uitgeven van een door de kerk als godslasterlijk beschouwd geschrift. De categorie is daarom apart opgenomen. In de onderzochte periode deed vooral de ‘Tractatus de Concordia Christiana’ uit 1664 van doctor medicinae Louis de Beaufort stof opwaaien in de Waalse kerk. In het boekje beweerde Louis onder meer dat de kerkelijke belijdenisgeschriften niet spoorden met Gods Woord. De kerkenraad eiste direct een uitgebreide schuldbekentenis van de geneesheer. Maar Louis weigerde dat. Vervolgens hielden de opzieners hem van het avondmaal af en legden de zaak voor aan de Waalse synode, die de censuurmaatregel van het Leidse consistorie bevestigde. Louis verdedigde zich met een nieuw boek. Hierin noemde hij het optreden van de kerk onrechtvaardig en vergeleek hij de tucht167 Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 243; Perk, De Waalsche gemeenten, 25. Uitzondering was de Waalse kerk in Rotterdam (Villeneuve, Eglise Réformée Wallonne de Rotterdam, 16-18). 168 RAL, AWK, inv.nr. 44 (29-6-1664; 13-7-1664; 27-7-1664). De 17e eeuw kende verschillende oplevingen van eindtijdverwachtingen, vgl. Frijhoff, Wegen van Evert Willemsz., 174-175,361-388; Schwartz, The French prophets, 7-16.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 153

5.3 de waalse gereformeerde kerk

153

maatregel met de Spaanse inquisitie. De kerkenraad was not amused en lichtte het stadsbestuur in.169 Dat zette de schout aan het werk en nog dezelfde maand lag er de eis dat het werk van Louis de Beaufort voor het stadhuis verbrand moest worden en dat de doctor medicinae een boete van honderdvijfentwintig gulden diende te betalen. Waarschijnlijk kwam de medicus er met een schikking vanaf. Zijn afhouding bleef overigens gehandhaafd.170 5.3.4 Huwelijk en zedelijkheid Zoals al eerder is opgemerkt, waren de Waalse ouderlingen en predikanten in de uitoefening van hun opzicht over de gemeente minder afhankelijk van de vaste huisbezoeken dan hun Nederduitse gereformeerde collega’s. Dit blijkt ook uit de soorten misstappen die de kerkenraad op het gebied van huwelijk en zedelijkheid besprak. Hielden de Nederduitse gereformeerde opzieners zich vooral bezig met voorechtelijke seksualiteit, die vaak alleen aan het licht kwam als er een zwangerschap op volgde, de Waalse kerk censureerde met name lidmaten wegens een ‘kwaad huwelijksleven’. Dit hield onder meer overspel in. Niet alleen de kerk beschouwde dit vergrijp als een ernstige zonde tegen God en Zijn gemeente, ook nogal wat gemeenteleden vonden die zonde kwalijk genoeg om elkaar ervoor aan te geven bij de kerkenraad. De meeste tipgevers bleven anoniem. Zij moeten vermoedelijk in de buurt van de betrokkenen worden gezocht.171 In februari 1665 werd Jean Nolet bij de kerkenraad geroepen omdat het verhaal ging dat hij overspel had gepleegd. Toen hij de aantijging in alle toonaarden ontkende, legde het forum hem een eenmalige afhouding op vanwege de ergernis die hij in de gemeente had veroorzaakt.172 Lidmaten die de aanklacht wel bekenden, werden gecensureerd totdat ze voldoende berouw lieten zien. Alleen dan konden ze met de verstoorde gemeente worden verzoend.173 Ook andere vormen van kwaad huwelijksleven bereikten de kerkenraad vaak door aanklachten van buren, zoals bijvoorbeeld in het geval van François Cresson en zijn vrouw. Het echtpaar had voortdurend ruzie en was uiteindelijk eigenmachtig uit elkaar gegaan. De kerkenraad vermaande de beide echtelieden eerst om weer bij elkaar te gaan wonen. Maar toen het stel dat weigerde, hield het forum zowel François als zijn vrouw van het avondmaal af. De vrouw kreeg daarbij bovendien de waarschuwing dat ze moest stoppen met haar ‘gueuseries’. Ging ze daarmee door, dan zouden de ouderlingen en predikanten het stadsbestuur inlichten. Mogelijk doelden de kerkenraads-

169 RAL, AWK, inv.nr. 44 (19-11-1664; 12-12-1664; 7-1-1665; 11-3-1665). Het boek was getiteld: Apologie ofte declaratie van Louijs de Beaufort raeckende de onrechtvaerdige proceduren die bij de dienaers van de Waelsche gemeijnte jegens hem waeren gehouden. 170 Het vonnis ontbreekt in de correctieboeken (RAL, ORA, inv.nr. 4 N, p 270 (30-3-1665)). Er kon geen vermelding van een heropname worden gevonden in de kerkenraadsnotulen. 171 Zie ook Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 259,260; Roodenburg, Onder censuur, 117-120, 131-134; Van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen, 208. 172 RAL, AWK, inv.nr. 44 (4-2-1665). 173 Idem (2-12-1667).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 154

154

5 kerkelijke tucht

leden op bedelactiviteiten van de vrouw.174 Het dreigement bleek effect te hebben. Een week later verzoende het echtpaar zich alsnog, waarna de kerkenraad de censuur ophief. Dat mag opmerkelijk snel worden genoemd, maar François en zijn vrouw vergaven elkaar kennelijk op het goede moment en op de juiste manier. Zo zag de kerk het graag.175
Tabel 5.7 Aantal door de Leidse Waalse kerkenraad besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot misstappen op het gebied van huwelijk en zedelijkheid en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1664-1668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1664-1668 M V 2 0 28 22 9 7 39 29 T 2 50 16 68 Zaken N 2 (2) 40 (34) 15 (7) 57 (43) % 4 70 26 100

Categorie Overtreding trouwregels Kwaad huwelijksleven Onkuisheid Totaal Bron: RAL, AWK, inv.nr. 44.

Afhankelijk van de ernst en de openbaarheid van de misstap kon de kerkenraad een langere of kortere proefperiode opleggen waarin de zondaar berouw moest tonen voordat hij of zij weer een avondmaalsloodje kreeg. Het voorbeeld van Barbe du Hen is illustratief. De vrouw was beschuldigd van ontucht en moest op de kerkenraadskamer verschijnen. Daar gaf ze haar zonde in tranen toe. De opzieners legden haar vervolgens een afhouding op met de toezegging dat ze na twee maanden weer zou worden toegelaten. Voorwaarde was wel dat ze zich ondertussen voldoende ‘boetvaardig’ zou blijven opstellen.176 De gegeven ergernis als gevolg van het overspel van Jean Wasteau was groter. Toen hij een half jaar na zijn afhouding de kerkenraad vroeg om weer tot het avondmaal te worden toegelaten, vonden de opzieners zijn verzoek te vroeg omdat zijn zonde nog te vers in het geheugen lag.177 5.3.5 Persoonlijke levenswandel Waalse lidmaten wisten hun kerkenraad ook te vinden voor het aangeven van overig maatschappelijk wangedrag, zowel van zichzelf als van anderen. Dat dit ook nog al eens buiten de reguliere huisbezoeken om gebeurde, blijkt niet alleen uit de datum
174 Idem (1-6-1668; 6-6-1668; 9-6-1668; 29-7-1667). ‘Gueuserie’ wordt in het WNT vertaald met dwaze gedachten (zie onder ‘grollen’), terwijl ‘geuzerij’ ook een protestantse ketterij kan zijn (zie ‘ketterij’). In het Frans staat het woord ‘gueuse’ voor slons, slet of del (zie ‘halfblanksjuffrouw’) of voor bedelaarster (zie ‘troggelen’). Gezien de snelheid waarmee de man en de vrouw verzoend zijn en weer tot het avondmaal worden toegelaten, is in de tekst met het woord ‘gueuserie’ waarschijnlijk bedelarij bedoeld. 175 RAL, AWK, inv.nr. 44 (3-8-1668). 176 Idem (27-11-1667). 177 Idem (25-3-1665).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 155

5.3 de waalse gereformeerde kerk

155

waarop deze zaken door de kerkenraad werden besproken. Ook de vele gevallen van geweld, beledigingen en twist die werden aangemeld, wijzen daarop. Deze zonden, die in de Nederduitse gereformeerde kerkenraadsnotulen veel minder aan bod kwamen, werden meestal in het openbaar gepleegd en waren zodoende voor veel mensen waarneembaar. De hierdoor gegeven ergernis was voor mensen aanleiding om naar de kerkenraad te stappen en het bewuste lidmaat aan te geven. Zo moesten Nicole des Blon en Madelaine Libot op de consistoriekamer komen omdat ze elkaar op straat hadden geslagen ‘op een manier die de buren ergernis had gegeven’.178 Steeds onderzochten de opzieners na een aanklacht nauwkeurig de schuld van alle betrokken partijen. Vandaar dat niet alleen Susanne Frémant gecensureerd werd voor het slaan van de dochter van Michel Chôteau, maar ook Michel zelf, die Susanne had teruggeslagen, én zijn dochter die kennelijk ook tot de avondmaalsgemeenschap behoorde. Het draaide allemaal om een handgemeen tussen de dochter van Susanne en de dochter van Michel. De aanleiding is niet duidelijk, maar de veroorzaakte ergernis was aanleiding tot censuurmaatregelen.179
Tabel 5.8 Aantal door de Leidse Waalse kerkenraad besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot overige overtredingen van de door de kerk bepaalde gedragsregels op het gebied van de persoonlijke levenswandel en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1664-1668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1664-1668 M V 8 6 9 2 24 4 3 0 44 12 T 14 11 28 3 56 Zaken N 14 (8) 9 28 (11) 3 (2) 54 (21) % 26 17 52 6 100

Categorie Twist Faillissement Geweld Belediging Totaal Bron: RAL, AWK, inv.nr. 44.

Twistende lidmaten konden pas weer in de avondmaalsgemeenschap worden opgenomen als ze zich eerst met elkaar hadden verzoend. Dat was in het geval van burenruzies niet anders als met echtelijke twisten. Het begraven van de strijdbijl was voor de betrokkenen niet altijd even makkelijk. François Dambrin kreeg opdracht om zich met zijn buurman te verenigen die hij niet alleen zonder aanleiding had geslagen, maar ook diep had beledigd. Het lidmaat gaf daaraan pas een half jaar later gehoor.180 Eenzelfde vermaning gaf de kerkenraad aan Lambert Flamman die de vrouw van de koster had beledigd en haar een klap in haar gezicht had gegeven.181 Lambert reageerde snel178 179 180 181 Idem (11-6-1666). Idem (1-6-1668). Idem (28-3-1668; 12-10-1668). Idem (20-1-1666).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 156

156

5 kerkelijke tucht

ler. Twee weken later gaf hij te kennen dat hij zich met de vrouw wilde verzoenen. Toen zij daar ook toe bereid was, gaven de twee elkaar de hand als teken van hun ‘ongeveinsde vriendschap’.182 Dit gebaar herinnert aan de amende honorable die in het hoofdstuk over de gebuurten al aan bod is gekomen. Overigens is dit de enige vermelding van het bewuste verzoeningsritueel in de Waalse kerkenraadsnotulen tussen 16641668. Maar het schudden van handen mag wel in veel gevallen worden verondersteld.183 5.3.6 Overig Onder de overige tuchtzaken zijn die gevallen gerekend waarin niet duidelijk was waarop ze betrekking hadden. Zo bekende Anne du Sar ‘in alle eerlijkheid’ aan de kerkenraad dat ze een ‘grote zonde’ had begaan. De predikanten en ouderlingen hielden haar vervolgens van het avondmaal af en gelastten ook haar man niet aan de tafel van de Heer te gaan, omdat deze in hun ogen even schuldig was als zij.184 Net als bij de Nederduitse gereformeerden omvat de restcategorie een betrekkelijk grote groep tuchtzaken. En dus geldt ook hier dat de zonden waarvan sprake is, de uitkomsten ten aanzien van de andere rubrieken enigszins vertekenen. De onduidelijkheid is echter te groot om te proberen een meer precieze indeling te maken. Het is daarom beter om de cijfers in de verschillende categorieën te beperken tot die zaken waarover geen misverstanden bestaan. De overige tuchtzaken dienen dan alleen om de eerste drie categorieën in de juiste verhouding te zien. 5.3.7 Conclusie De Waalse kerkenraad van Leiden had het tijdens vergaderingen aanzienlijk drukker met het uitoefenen van tucht dan de Nederduitse. Het aantal censuurgevallen in de Franstalige gemeente was volgens de kerkenraadsnotulen meer dan twee keer zo hoog. De suggestie van Schilling dat Walen relatief minder belang hechtten aan officiële of niet-stille tucht gaat daarmee voor de onderzochte periode niet op. Opvallend is verder dat de Waalse opzieners zich met andersoortige zaken bezighielden dan hun Nederduitse collega’s. Veel misstappen betroffen van meet af aan openbare ergernissen als echtelijke twist of geweld. Deze waren niet tijdens een regulier huisbezoek ontdekt, maar door lidmaten aan de kerkenraad gemeld. Dit kan voor een deel worden verklaard uit de geringere omvang van de Waalse gemeenschap en de grotere onderlinge controle, waardoor lidmaten bijzonder gevoelig waren voor de openlijke goed- of afkeuring door de eigen groep. Daarnaast had de Leidse overheid minder greep op de Waalse kerk dan op de Nederduitse, waardoor er meer ruimte was om zich met openbare zonden te bemoeien. Het is verder opvallend dat de Waalse kerkenraad veel meer mannen dan vrouwen onder censuur stelde. Was de verhouding bij de Nederduitse gereformeerden nog bijna één
182 Let.: [ils] ont estee reconcilié et se sont naturellement donnee les mains en signe d’une sincère amitiee’ (RAL, AWK, inv.nr. 44 (4-2-1666)). 183 Let.: ‘la paix de l’église’ (Idem (6-4-1667; 8-4-1667)). 184 Idem (30-8-1668).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 157

5.4 de vlaamse doopsgezinde gemeente

157

op één, de Waalse opzieners bespraken tussen 1664 en 1668 twee keer zoveel mannen als vrouwen. Daarmee lijkt de Franstalige kerk meer op de Nederduitse gereformeerde kerk in de door Kloek bestudeerde perioden. Toch is er een belangrijk verschil. Waalse vrouwen scoorden op het gebied van de ‘leerstellige zaken’ hoger dan mannen. Dat is opmerkelijk. Uit veel studies naar tucht blijken juist mannen vaker te worden gecensureerd in verband met leertucht, terwijl vrouwen over het algemeen weer sneller in opspraak kwamen bij overtredingen van de huwelijksregels.185 Het ging in de Waalse kerk vermoedelijk om vrouwen die het rooms-katholieke geloof van hun man aannamen. Voor het overige werd er in de Waalse gemeenschap mogelijk meer op mannen gelet. Zij waren het hoofd van het gezin en als zodanig werden er aan hen strengere eisen gesteld.186 Natuurlijk zegt dit alles nog niets over de stille tucht in de Waalse kerk. Daar kan ook weinig over worden gezegd op grond van de kerkenraadsnotulen; het betreft immers ongeregistreerde censuur. Toch moet de stille tucht steeds bij de conclusies worden betrokken om zo de gevolgtrekkingen enigszins te relativeren. Het feit dat bijvoorbeeld geloofsafval telkens kort en zakelijk door de Waalse kerkenraad werd afgehandeld, zonder dat de betrokkenen voor het forum hoefden te verschijnen, geeft te denken over de gesprekken en bezoeken die daaraan vooraf zijn gegaan. Aan de andere kant zijn er aanwijzingen dat de Waalse kerkenraad minder stille censuur toepaste dan de Nederduitse. De tuchtuitoefening lijkt in ieder geval minder gebonden aan de huisbezoeken die met het oog op de avondmaalsvieringen werden afgelegd. Daarnaast hoefden de Waalse opzieners niet erg terughoudend te zijn, omdat de overheid minder toezicht hield en misstappen in de hechte gemeenschap toch snel bekend waren. Maar het blijft speculatie. De omvang van de onderregistratie zal wel nooit in beeld komen. In ieder geval kunnen conclusies over de betekenis van de gereformeerde tucht alleen met de uiterste bescheidenheid worden getrokken.

5.4 De Vlaamse doopsgezinde gemeente 5.4.1 Introductie Dopersen of doopsgezinden onderscheidden zich in hun leer op allerlei manieren van calvinisten. Zo doopten ze geen kinderen, maar volwassenen. Het doopritueel markeerde het geloof in Christus en de bereidheid van de gelovige om Hem in zijn of haar leven na te volgen. De doop gaf ook toegang tot het avondmaal. Aan gedoopten werden daarom hoge eisen gesteld wat betreft hun leer en leven.187 Om zoveel mogelijk aan de eigen normen te kunnen voldoen, streefden doopsgezinden naar een strikte scheiding van hun gemeente en de rest van de wereld. Zij mochten bijvoorbeeld niet trouwen met anders-gelovenden. Verder predikten dopersen geweldloosheid, waardoor zij
185 Kloek, ‘Toezicht’, 101; Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 303-305. 186 Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 192; Spierenburg, ‘Masculinity’, 1-3, 18-20; Abels, Nieuw en ongezien, 107. 187 Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 33 (voorrede), 45 (art. 7), 46 (art. 8); Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 403. Vgl. Jacobszoon, ‘Gemeenteleven’, 102; Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 15, 115-118.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 158

158

5 kerkelijke tucht

onder meer geen overheidsfuncties mochten vervullen. Wel zagen zij de overheid als ‘dienaresse Gods’, waaraan ze gehoorzaamheid verschuldigd waren.188 Binnen de gemeenschap accepteerden doopsgezinden echter geen hiërarchie. Ze vormden een zogeheten lekenkerk, waarin formeel geen onderscheid bestond tussen gewone leden, priesters of predikanten. Doperse voorgangers waren gemeenteleden die preekten uit roeping naast hun eigenlijke dagelijkse beroep.189 De invulling en handhaving van de doperse idealen, met name op het gebied van wereldmijding en de levensheiliging, leidde al vroeg tot onderlinge twisten en splitsingen. In 1557 scheidden de ‘Waterlanders’ zich af, genoemd naar de streek tussen Amsterdam en Purmerend. Zij waren relatief tolerant. Zo stonden ze gematigd tegenover het trouwen met mensen uit andere denominaties. Ook accepteerden ze de doop van andere doopsgezinde groepen en lieten ze gelovigen uit andere kerken tot hun avondmaal toe.190 Nog in dezelfde eeuw ontstonden de ‘Hoogduitsers’, ‘Friezen’ en ‘Vlamingen’. Laatstgenoemden splitsten zich weer in ‘Ouden’ en ‘Jongen’. De Oude Vlamingen kenden over het algemeen een strengere tuchtuitoefening dan de Jonge Vlamingen en hielden strikter vast aan aloude gebruiken zoals het verbod op het trouwen met andersgelovenden en de echtmijding, d.w.z. het verbreken van ieder contact tussen echtgenoten als één van hen uit de gemeente gezet was.191 Sommige van deze afsplitsingen bleven lang bestaan, andere groepen herenigden zich weer in de zeventiende eeuw.192 In de Leidse doopsgezinde beweging vonden ruwweg dezelfde scheuringen en herenigingen plaats.193 Omstreeks 1600 bestonden in de stad zeker vier groepen doopsgezinden, namelijk Vlamingen, Waterlanders, Friezen en Hoogduitsers. Er lijkt ook nog een Franstalige Waterlandse gemeente te hebben bestaan, maar deze heeft hoogstwaarschijnlijk niet los van de andere Leidse Waterlanders gefunctioneerd.194 Onduidelijk is in hoeverre deze groeperingen onderling weer verdeeld waren. Alleen van de Vlaamse en Waterlandse doopsgezinde gemeenten zijn notulen beschikbaar en dan nog slechts vanaf respectievelijk 1661 en 1670. Toch kan uit andere bronnen wel het nodige worden afgeleid. In 1626 onderschreven de Vlaamse voorgangers van Leiden de belijdenis van de Haarlemse ‘Jonge’ Vlaming Jacques Outerman tegen de ketterij van het socinianisme. Aangezien Oude Vlamingen de rekkelijke standpunten van Outerman niet onderschreven, heeft de Leidse Vlaamse gemeente waarschijnlijk tot de Jon188 Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 50 (art. 13 en 14). Vgl. Zijlstra, Om de ware gemeente, 452-453. 189 In de tweede helft van de zeventiende eeuw kregen leraren in een aantal gemeentes een traktement (Zijlstra, Om de ware gemeente, 438-441; Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 126,127). 190 Kühler, Geschiedenis van de doopsgezinden, 32-36. Voolstra wijst erop dat Waterlanders niet zo gematigd waren in hun tuchtuitoefening als wel is gedacht. Zo meende deze groep doopsgezinden dat de gereformeerden met hun tucht niet ver genoeg gingen (Voolstra, ‘Boetvaardigheid buiten de biechtstoel’, 40 (noot 35), zie ook Zijlstra, Om de ware gemeente, 469,470). 191 Zijlstra, Om de ware gemeente, 286-298; Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 405. 192 De vereniging met de Waterlanders vond alleen op lokaal niveau plaats (Zijlstra, Om de ware gemeente, 417-429; Oosterbaan, ‘Vlekken en rimpels’, 74-76; Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 97-106). 193 Voor een overzicht van de vroegzestiende-eeuwse ontwikkelingen in de doperse beweging in Leiden, zie Knappert, De opkomst van het protestantisme. 194 Van der Zijpp, ‘Leiden’, 316,317. Volgens de Leidse geschiedschrijver Frans van Mieris werd ‘eertijds’ in de Waterlandse gemeente niet alleen in het Nederlands, maar ook in de ‘Waalse’ taal gepreekt (Mieris, Beschrijving der stad Leijden, 105).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 159

5.4 de vlaamse doopsgezinde gemeente

159

ge Vlamingen behoord.195 Een ander indirect bewijs hiervoor vormt een kleine groep orthodoxen die zich in Leiden aan het begin van de zeventiende eeuw, onder leiding van oudste Jan Rose, afscheidde onder de naam ‘Huiskopers’.196 Dit zogeheten ‘Jan Roosens volck’ sloot zich in 1663 weer bij de overige Vlamingen in Leiden aan.197 Toen halverwege de zeventiende eeuw een nieuwe scheuring ontstond, de zogeheten ‘Lammerenkrijg’, kozen de Leidse Vlamingen partij voor de groep die de aloude belijdenissen wilde handhaven, de ‘Zonisten’. Ze veroordeelden de meer gematigde ‘Lamisten’.198 Hieruit zou de conclusie getrokken kunnen worden dat de Leidse Vlamingen orthodoxer waren dan de kwalificatie ‘Jong’ zojuist deed vermoeden. Van der Zijpp karakteriseerde hen zelfs als ‘a champion of strict Mennonitism’.199 Toch is het nog maar de vraag of dit een juiste typering is van de Vlaamse doopsgezinden. Zo gingen zij, na een mislukte herenigingspoging in 1671, in 1701 met de Waterlanders samen. Mogelijk sloot een groep Waterlanders zich zelfs al eerder bij de Vlaamse doopsgezinde gemeente aan.200 Maar het voert te ver om hier op deze hereniging in te gaan. In het vervolg komen alleen de Leidse Vlamingen aan bod. Alleen zij lijken de tucht te hebben uitgeoefend. In het resolutieboek van de Waterlandse doopsgezinde gemeente staan geen tuchtgevallen opgetekend.201 De Leidse Vlaamse doopsgezinde gemeente was bescheiden van omvang. Volgens Van der Zijpp was zij kleiner dan de Waterlandse gemeente in Leiden die in 1675 honderdvijfenzestig gedoopte gelovigen groot was. Toch zullen de Leidse Vlamingen niet heel veel minder leden hebben gehad, aangezien de gefuseerde gemeente in 1701 in totaal zo’n driehonderd doopleden telde.202 Tot aan de hereniging met de Waterlanders kwamen de Vlamingen bijeen in een gebouw aan de Boomgaardsteeg tussen de Breestraat en de Langebrug. Ze werden tot 1666 geleid door acht dienaren, daarna door zeven. In 1664 kregen ze een eigen oudste of ‘leraar in volle dienst’. Of ze daarvóór ook een eigen oudste hebben gehad, is niet bekend.203 Vanaf mei 1666 nam de oudste ook
195 Van der Zijpp, ‘Leiden’, 316,317. Vgl. Zijlstra, Om de ware gemeente, 274, 301,302,304. 196 Oosterbaan, ‘Vlekken en rimpels’, 71. 197 RAL, ADG, inv.nr. 1 (22-11-1663; 24-11-1663; 29-11-1663). In 1639 zijn ook de Friezen en Hoogduitsen samengegaan met de Vlamingen (vgl. noot 227). 198 Zie o.m. idem (13-1-1664). 199 Van der Zijpp, ‘Leiden’, 316. 200 De Leidse Waterlanders hadden vanaf 1670 – misschien al eerder – met grote regelmaat moeite om voorgangers te vinden (RAL, ADG, inv.nr. 4). Dit kan een hereniging hebben bevorderd. In 1686 en 1689 was zelfs even sprake van een Verenigde Vlaamse en Waterlandse doopsgezinde gemeente. Le Poole vermoedt dat het hier nog niet om een volledige hereniging ging, maar om de aansluiting van een kleine groep Waterlanders (vgl. Le Poole, Het kerkelijk leven onder de doopsgezinden, 32). Ook eerder leek een hereniging tussen beide doperse groepen van de grond te komen. In de jaren ‘50 had een deel van de Vlaamse dienaren geprobeerd aansluiting te vinden bij de Waterlanders. Maar zij werden teruggefloten door het merendeel van de Vlaamse doopsgezinde gemeente en het kwam tot een botsing. Daarop lijkt een deel van de Vlamingen over te zijn gegaan naar de Waterlanders (RAL, ONA, inv.nr. 774, nr 5 (6-1-1664)). 201 Alleen in 1670 werd een leraar geschorst omdat hij bij de collegianten had gepreekt. En dat terwijl iedere Waterlandse leraar in Leiden een schriftelijke gelofte moest afleggen waarin hij beloofde dat niet te doen. In 1675 werd hij weer in ere hersteld (RAL, ADG, inv.nr 4 (16-9-1670; 16-12-1675; 16-7-1676; 24-8-1676; 31-8-1676). Misstappen van gewone gemeenteleden kwamen in het resolutieboek van de Waterlanders niet voor. 202 Bovendien liep het aantal leden van de Waterlanders na 1675 snel terug (Van der Zijpp, ‘Leiden’, 317). 203 In de jaren ervoor werden ze regelmatig bediend door van buiten aangetrokken leraren in volle dienst. Zie bijv. RAL, ADG, inv.nr. 1 (27-4-1664).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 160

160

5 kerkelijke tucht

om de week de dienst in Zegwaard of Zoetermeer waar. Op die zondagen gingen in Leiden twee gewone leraren in de morgen- en middagdiensten voor. Daarnaast telde de Vlaamse dienaarschap nog vier diakenen. Zij leegden de armenbus ongeveer vier keer per jaar, noteerden de opgehaalde bedragen in het zogeheten ‘platte boek’ en keerden daarvan geld en goederen uit aan ieder lid waaraan de dienaarschap dat toestond.204 Bovendien beheerden de diakenen nog het hofje ‘De Hoeksteen’, dat zij in 1660 hadden gesticht van een legaat van een vermogende doperse weduwe.205 5.4.2 Tuchtuitoefening 1662-1668 Tucht was bij de doopsgezinden een zaak van de hele gemeente en niet zozeer van de gemeenteleiding. Maar de dienaarschap, inclusief de diakenen, vervulde er wel een belangrijke rol in die op onderdelen vergelijkbaar was met die van de gereformeerde kerkenraad. Zo gaven lidmaten klachten over andere leden aan de dienaarschap door. In de notulen staat dan bijvoorbeeld dat het de dienaren ‘is voorgekomen’ of ‘wordt vertoond’ dat lid X dronken is geweest of ruzie heeft gemaakt met lid Y. Daarop kon de dienaarschap besluiten om de zondaar bij zich op de kamer te roepen tijdens de wekelijkse vergadering of om enkele van zijn leden bij de schuldige langs te sturen voor een gesprek en een vermaning. In beide gevallen onderzocht het forum de beschuldiging dus eerst alvorens verdere stappen te ondernemen. Waren de zonden openbaar, dan zag men van verdere controle af.206 De gevolgde procedure bij het opleggen van disciplinaire maatregelen week principieel af van die van de gereformeerden. Zo lieten de dienaren de beoordeling van de tuchtzaken vrijwel steeds over aan de zogeheten broederschap, een vergadering van alle mannelijke gemeenteleden. Deze kwam op verzoek van de dienaarschap meestal na afloop van één van de zondagsdiensten bijeen. Het lid dat zich had misdragen, kreeg kort de gelegenheid om een zegje te doen. De rest van de bijeenkomst bestond uit overleg tussen de broeders om al dan niet te komen tot een vermaning, een afhouding of een banning. Het lidmaat moest de uitkomst van de beraadslagingen buiten de vergaderzaal afwachten; de bekendmaking gebeurde wel weer in zijn of haar bijzijn.207 In Amsterdam konden de besprekingen maar liefst vier afzonderlijke bijeenkomsten in beslag nemen. Maar de Leidse Vlamingen lijken steeds binnen één vergadering tot een oordeel te zijn gekomen.208 Of de broeders daarbij telkens de mening van de dienaarschap overnamen of
204 RAL, ADG, inv.nr. 1 (5-1-1668). Over de doperse armenzorg: Zijlstra, Om de ware gemeente, 454-457. 205 Leermakers & Welling, Leidse hofjes, 41. 206 Hajenius geeft in een artikel een soortgelijke procedure weer, maar noemt het verschijnen voor de dienaarschap niet (Hajenius, ‘Quaet comportement’, 62,63). In Leiden zijn maar 2 gevallen gevonden die, nadat ze door de dienaren waren gehoord, niet aan de broeders werden voorgelegd. Het betrof steeds het vieren van het avondmaal bij andere gezindten, waarvoor de dienaren van de broederschap een mandaat hadden gekregen om daar naar eigen goeddunken in te handelen (zie noot 220). 207 Zie bijvoorbeeld RAL, ADG, inv.nr. 1 (13-2-1667). 208 Kühler, Geschiedenis van de doopsgezinden in Nederland, 132, 133. Kühler baseert zich op het relaas van een lidmaat van de Oude Vlamingen in Amsterdam dat in 1613 lang aandrong op het bannen van een mede-lidmaat en op grond daarvan beschuldigd werd van het opruien van de gemeente. De notulen van de Vlaamse doopsgezinde gemeente te Leiden geven een minder uitgebreide gang van zaken weer. Een en ander kan duiden op plaatselijke verschillen tussen Amsterdam en Leiden, onderscheid in procedure tussen ‘Oude’ en ‘Jonge’ Vlamingen of op veranderingen in de tuchtpraktijk in de loop van de zeventiende eeuw. Waarschijnlijk sluit het een het ander niet uit (vgl. Zijlstra, Om de ware gemeente, 451).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 161

5.4 de vlaamse doopsgezinde gemeente

161

dat ze tot een zelfstandig oordeel kwamen, is niet altijd duidelijk. De opvattingen van de dienaren zijn zelden in de notulen opgenomen. Slechts in één situatie is sprake van een soort requisitoir van de gemeenteleiding waarna de broeders de eis overnamen.209 Misstappen van lidmaten kwamen de dienaarschap niet alleen ter ore door het aangeven van medelidmaten. Er zijn ook aanwijzingen dat de dienaren zelf actief naar zonden speurden. Onduidelijk is of dit tijdens huisbezoeken gebeurde waarin lidmaten werden uitgenodigd om aan het avondmaal te gaan. De notulen laten hier niets over los.210 Maar het is opvallend dat veel tuchtgevallen, net als bij de gereformeerden, niet lang voor een avondmaalsviering besproken werden.211 Voor een deel komt dit omdat de dienaarschap tijdens de voorbereidingen lidmaten het ideaal van een gemeente zonder vlek of rimpel nog eens extra voorhield.212 Zondaren moesten dus voor de viering worden verzoend of afgehouden en deze wetenschap zal het aangeven van medelidmaten hebben gestimuleerd. Maar los daarvan spraken dienaren ook zelf lidmaten aan waarop iets was aan te merken. Dit gebeurde tijdens speciale broedervergaderingen vlak voor een avondmaalsviering, zoals op achttien juli 1666 toen de dienaarschap de broeders nadrukkelijk bevroeg of er beletselen waren voor avondmaalsdeelname.213
Tabel 5.9 Vergelijking van het aantal tuchtgevallen in de Waalse en Nederduitse gereformeerde kerk in Leiden (1664-1668) en de in de Vlaamse doopsgezinde gemeente behandelde zaken (1662-1668), uitgedrukt absolute aantallen en in procenten. Tussen haakjes is vermeld hoe vaak een zaak terugkeerde in de notulen. Vlaamse doopsg. Gemeente N % 4 (2) 17 9 (10) 39 10 (30) 43 0 0 23 (42) 100 Nederduitse geref. Kerk N % 11 (15) 16 44 (23) 64 8 (4) 12 6 (1) 9 69 (43) 100 Waalse kerk N % 19 (14) 12 57 (43) 35 54 (21) 33 32 (19) 20 162 (97) 100

Categorie Leerstellige zaken Huwelijk en zedelijkheid Persoonl. levenswandel Niet nader bekend Totaal

Bron: RAL, KNGK, inv.nr. F1808; Idem, AWK, inv.nr. 44 en Idem, ADG, inv.nr. 1.

Tussen 1664 en 1668 bespraken de Vlaamse doopsgezinde dienaren twaalf tuchtgevallen. Helaas ontbreken gegevens over de periode tussen vier december 1664 en dertien mei 1666. Daarom is het onderzoek van de notulen uitgebreid met de jaren 1662 en 1663. Het totaal aantal tuchtgevallen komt dan op drieëntwintig. Dit lijkt een be209 RAL, ADG, inv.nr. 1 (15-2-1663). 210 Volgens Van der Zijpp brachten dienaren vlak voor avondmaalsvieringen huisbezoeken, maar de notulen van de Vlaamse doopsgezinde gemeente vermelden hier niets over. Vgl. Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 127 (zie ook noot 114 aldaar). 211 Deze vieringen werden op eerste paasdag, begin augustus en begin december gehouden. De data waarop tuchtgevallen voor het eerst besproken werden, concentreren zich deels rond deze perioden. Vgl. januari (2), februari (2), maart (2), mei (1), juni (2), juli (5), augustus (2), september (3), oktober (2), november (2) en december (1). 212 Zijlstra, Om de ware gemeente, 443-444. 213 RAL, ADG, inv.nr. 1 (18-7-1666). Mogelijk kwamen dergelijke speciale broedervergaderingen in die periode in de plaats van huisbezoeken. Het avondmaal werd dat jaar overigens op 8 augustus gevierd, 3 weken na de speciale zitting van de broeders.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 162

162

5 kerkelijke tucht

scheiden aantal, maar schijn bedriegt. Gerekend met de gemeenteomvang bespraken de Vlaamse doopsgezinden een aanzienlijk groter percentage censuurzaken dan de gereformeerden.214 Daarbij kwamen tuchtgevallen in vergaderingen van de dienaarschap vaker ter sprake alvorens die besloot ze aan de broederschap voor te leggen. De meeste zaken hadden betrekking op maatschappelijke zonden. In vergelijking met de eerder besproken Nederduitse en Waalse gereformeerden gingen de dopersen in dit opzicht aan kop. Maar dat is gezien de doperse nadruk op levensheiliging niet verwonderlijk. Daar waar gereformeerden het doen van goede werken nog beschouwden als een genadegave van God, vonden doopsgezinden dat een noodzakelijk menselijk antwoord op hun redding door Christus.215 Ook hoorden die goede werken zich niet alleen te beperken tot het maatschappelijk leven. Ze werden evengoed in het huwelijk verlangd. Vandaar dat ook de categorie ‘huwelijk en zedelijkheid’ in de notulen van de Vlaamse doopsgezinden ruim vertegenwoordigd is. Hier moet wel bij worden aangetekend dat de Vlamingen in Leiden hun gemeente-idealen vrijwel ongestoord konden toepassen. In tegenstelling tot de Nederduitse gereformeerden hadden zij in dit opzicht geen last van het stadsbestuur dat de tuchtuitoefening door de publieke kerk aan banden had gelegd door allerlei afgedwongen afspraken en een vergaande invloed in de kerkenraad. 5.4.3 Leerstellige zaken De rubriek ‘leerstellige zaken’ bevat maar twee soorten misstappen, namelijk het vieren van het avondmaal bij een andere denominatie en het onbevoegd aan de avondmaalstafel gaan in de eigen gemeente. Er lijkt dus binnen de Vlaamse doopsgezinde gemeente in Leiden nauwelijks discussie te zijn geweest over geloofsvraagstukken. Maar dat is slechts schijn. Aan het ontvangen van brood en wijn in andere, al dan niet doopsgezinde gemeenten, lag vaak een leerstellig meningsverschil ten grondslag. Zo beweerden de Vlamingen dat alleen zij die instemden met de Vlaamse belijdenissen tot hun gemeente behoorden en daar het avondmaal mochten vieren. In 1671 liep daar nog een poging tot hereniging met de Waterlanders op stuk.216 Wie dus bij andere gezindten aan het avondmaal ging, ontkende de exclusieve claim van de Vlamingen. Leraren wezen de broeders daar vaak nog op vlak voor de bediening van de rituele maaltijd.217 Gerrit Speck was desondanks in 1667 bij de Waterlanders aan het avondmaal gegaan. De dienaren ontboden hem daarop op hun kamer en deelden hem mee dat hij van de avondmaalstafel zou worden afgehouden tot hij zich met de gemeente had ver214 Zo had de Waalse gereformeerde kerk, die in verhouding met de Nederduitse toch al meer censuurgevallen behandelde, naar schatting 5000 leden. In die kerk kwamen gemiddeld 32 (162/5) tuchtzaken per jaar voor. De tuchtintensiteit komt daarmee op 0,65. De Vlaamse doopsgezinden telden ongeveer 150 leden. Het aantal van 3,3 tuchtgevallen per jaar geeft zodoende een intensiteit van 2,2. 215 Voolstra, ‘Boetvaardigheid buiten de biechtstoel’, 38; Idem, Vrij en volkomen, 9,10; Calvijn schrijft in zijn ‘Institutie’ dat rechtvaardiging is losgekoppeld van goede werken (Institututie III, 11.18-19; 16.1). 216 De Leidse Waterlanders wilden dat bij een hereniging een vergaande verdraagzaamheid zou bestaan ten aanzien van hen die tot het avondmaal zouden worden toegelaten (RAL, ADG, inv.nr. 4 (27-1-1671; 24-2-1671; 12-3-1671)). 217 RAL, ADG, inv.nr. 1 (31-3-1667).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 163

5.4 de vlaamse doopsgezinde gemeente

163

zoend.218 De broederschap kwam er opvallend genoeg niet aan te pas. In het verleden hadden de broeders dit soort zaken aan de dienaren gedelegeerd, waarschijnlijk omdat binnen de gemeenschap de meningen hierover te zeer verdeeld waren en kwesties dus eenvoudig tot onrust konden leiden.219
Tabel 5.10 Aantal door de dienaarschap van Vlaamse doopsgezinde gemeente van Leiden besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot leertucht en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1662-1668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1662-1668 M V T 2 0 2 2 0 2 4 0 4 Zaken N 2 2 (2) 4 (2) % 50 50 100

Categorie Vieren van het avondmaal in een andere denominatie Ongeoorloofde deelname avondmaal Totaal Bron: RAL, ADG, inv.nr. 1.

Walraaf Schuijl was bij de ‘Rijnsburgers’ of collegianten aan het avondmaal gegaan. Deze beweging behoorde niet tot de doopsgezinden, maar kwam voort uit de remonstranten. Net als dopersen kenden de ‘Rijnsburgers’ geen enkele vorm van hiërarchie. Bovendien doopten zij alleen volwassenen en wezen zij militaire dienst af. Collegianten stonden echter iedereen toe om de gemeente toe te spreken en daar waren Vlaamse doopsgezinden niet van gediend. Volgens hun belijdenissen had God zelf leiders over Zijn gemeente aangesteld.220 Toen enkele dienaren Walraaf over zijn uitstapje aanspraken en hem vervolgens, omdat hij geen berouw toonde, van het avondmaal afhielden, protesteerde hij en wilde hij zijn zaak aan de broederschap voorleggen. Hij hoopte daar waarschijnlijk medestanders te vinden. Maar dat werd hem niet toegestaan, vanwege de hierboven genoemde reden. De afloop van de zaak is onbekend.221 Net als de gereformeerden gebruikten de Vlaamse doopsgezinden attestaties om Vlamingen uit andere plaatsen aan het avondmaal te kunnen toelaten en om ze eventueel een bedeling te kunnen geven.222 Zo’n getuigschrift werd alleen verstrekt als een lidmaat dat naar een andere plaats trok, zich volgens de normen had gedragen en met de gemeente ‘in vrede’ verkeerde. Maar ook lidmaten die zich bij een andere gezindte dan de Vlamingen aansloten en een attestatie nodig hadden, konden een ‘aanwijs’ krijgen. Zo ontving Jan Stoffelsz. Smet ten behoeve van de quakers een bewijs dat hij zich, toen hij nog een broeder was, ‘stil en vreedzaam’ had gedragen.223 De Leidse Vlamingen
218 Idem (1-12-1667; 22-3-1668). 219 RAL, ADG, inv.nr. 1 (7-7-1667). De gemeente mocht niet verdeeld worden, want dan kon er geen avondmaal worden gehouden. Conflict op zichzelf was al zondig (vgl. Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 49, art 10). 220 Zie bijvoorbeeld: Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 46, art. 9. 221 RAL, ADG, inv.nr. 1 (7-7-1667). 222 Van der Zijpp, Geschiedenis der doopsgezinden, 122. 223 RAL, ADG, inv.nr. 1 (30-12-1666).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 164

164

5 kerkelijke tucht

letten goed op of iedereen wel met recht communiceerde. Toen Dick Jacobsz. uit het Land van Gulick zonder een getuigschrift van zijn vorige gemeente aan het avondmaal was geweest, greep de dienaarschap onmiddellijk in en hield hem af totdat hij een aanwijs kon laten zien.224 Overigens stelde het forum zich soepeler op als het ging om oud-lidmaten die na enige jaren elders verbleven te hebben, zonder attestatie weer in Leiden opdoken en weer aan het avondmaal gingen.225 5.4.4 Huwelijk en zedelijkheid Min of meer verwant aan het verbod om bij andere gezindten het avondmaal te gebruiken, was het verbod van Vlaamse doopsgezinden op ‘buitentrouw’ of huwelijken met leden van andere denominaties. Dopersen mochten alleen trouwen uit de eigen kring van gedoopte lidmaten.226 Wie met een andersgelovige trouwde, kon tot ver in de zeventiende eeuw op banning rekenen. Alleen Waterlanders lieten het bij een afhouding.227 Het is daarom opvallend dat de Leidse Vlamingen in 1662 de dienstmeid Maartje Jansd. alleen maar verboden om aan het avondmaal te gaan totdat ze zich weer met de gemeente had verzoend. Ze was met een gereformeerde man getrouwd en weigerde zich hierover te verantwoorden voor de dienaarschap.228 Blijkbaar waren de bezwaren in de loop der tijd minder principieel geworden dan de belijdenis van 1632 voorschreef. Wel moest ene Paulijne die in het hofje ‘De Hoecksteen’ verbleef haar woning verlaten vanwege haar huwelijk met een niet-doopsgezinde man. Er mochten geen andersgelovigen in het hofje komen wonen.229 Maar lang hoefde de afzondering van de gemeente over het algemeen niet te duren. Wie aantoonbaar aan het eigen geloof bleef vasthouden, kon na een spijtbetuiging weer tot het avondmaal worden toegelaten.230 Minder mild reageerden de Leidse Vlamingen op overspel. De gehuwde Trijntje Jansd. de Kuijper moest zich dan ook onmiddellijk komen verantwoorden toen de dienaren hadden vernomen dat ze het bed met een andere man had gedeeld. De man was bovendien al getrouwd en geen lid van de gemeente. Trijntje, die volgens de notulen het verhaal zelf de wereld in had gebracht, bekende alles en vertelde dat ze door de naamloze man twee keer was betast. Vervolgens had hij haar tegen haar wil tot seks verleid met de vaststelling dat haar man toch sliep. Toen de dienaren wilden weten waarom zij zich niet had verzet, antwoordde ze dat ze haar man niet wilde wekken, omdat die dan erg kwaad op haar zou zijn geworden. Bovendien zou er toch geen kind van komen, zo dacht ze. De dienaren namen hier geen genoegen mee. Toen de vrouw na wat
224 Idem (10-8-1666; 26-8-1666). 225 Idem (23-8-1668). 226 Brüsewitz & Krebber, Confessie van Dordrecht, 50, art. 12. 227 Zijlstra, Om de ware gemeente, 452; Hajenius, ‘Quaet comportement’, 65. In Leiden verscheen op 9 november 1662 een weduwe voor de dienaarschap die aangaf dat zij 27 jaar geleden als ‘litmaat der gemeente bij de Duijtsche vrienden of Claas Wolters Volck’ (de Fries-Hoogduitse gemeente) was gebannen vanwege een buitentrouw. Nu haar man dood was, wilde ze graag weer in de gemeente worden opgenomen. Dit werd haar door de broeders toegestaan (RAL, ADG, inv.nr. 1 (9-11-1662; 12-11-1662)). 228 RAL, ADG, inv.nr. 1 (14-9-1662; 21-9-1662; 29-10-1662). 229 Idem (21-9-1662). 230 De afhouding van Maria de Wout duurde 5 maanden (Idem (10-11-1667; 13-11-1667; 1-3-1668; 29-3-1668)).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 165

5.4 de vlaamse doopsgezinde gemeente

165

aandringen tegenstrijdige verklaringen aflegde, besloten ze de broeders bijeen te roepen. Die oordeelden unaniem dat Trijntje ‘tot haar eigen boetedoening en reinhouding van de gemeente’ niet langer lid kon zijn.231 Dit lijkt een weinig clemente gang van zaken als Trijntje inderdaad tegen haar wil het bed was ingedoken. Maar in een andere denominatie of kerk had ze, afgezien van de ban, een weinig andere behandeling tegemoet kunnen zien.232
Tabel 5.11 Aantal door de dienaarschap van Vlaamse doopsgezinde gemeente van Leiden besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot familietucht en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1662 –1668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1662-1668 M V 2 5 2 3 4 8 T 7 5 12 Zaken N 6 (7) 3 (3) 9 (10) % 67 33 100

Categorie Buitentrouw Overspel Totaal Bron: RAL, ADG, inv.nr. 1.

5.4.5 Persoonlijke levenswandel Ook op het gebied van maatschappelijke zonden, die met het openbare leven verband hielden, waren de Vlaamse doopsgezinden net als de gereformeerden streng. Van lidmaten werd verwacht dat zij hun leven heiligden. Wie daar niet toe in staat bleek, gaf ergernis en kreeg een afhouding. Wie ook nog eens volhardde in zijn zonde, kon uiteindelijk uit de gemeente worden gezet. Daar ging overigens wel een lange weg van vermaningen aan vooraf. Het geval van Isaäc Stockman illustreert dat. Hij had al een hele geschiedenis van berispingen wegens dronkenschap achter de rug, toen hij in januari 1667 opnieuw op de dienaarskamer werd geroepen. Hij bleek weer beschonken te zijn geweest en het geduld van de gemeenteleiding was op. De dienaren besloten de broeders over hem te laten oordelen. Op de aangewezen zondag liet Isaäc echter verstek gaan, maar hij kreeg twee weken later een herkansing. De man kwam toen wel opdagen. Hij beleed opnieuw zijn schuld en smeekte de broeders geduld met hem te hebben. Dit zegden zij hem toe, op voorwaarde dat hij van de fles zou afblijven. Maar na een jaar bleek hij toch weer dronken. De broeders zagen toen geen andere oplossing meer en ontnamen Isaac zijn broederschap tot het moment dat hij zich zou beteren.233

231 RAL, ADG, inv.nr. 1 (17-1-1664; 20-1-1664). 232 Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 135,140. Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 304. Geslachtsrijpe vrouwen werden geacht een onverzadigbare honger naar mannelijk zaad te hebben (Idem ‘Een verfoeilijke misdaad’, 73,74 en de aldaar opgenomen verwijzingen). 233 RAL, ADG, inv.nr. 1 (20-1-1667; 27-1-1667; 30-1-1667; 13-2-1667; 9-2-1668; 16-2-1668; 23-2-1668).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 166

166

5 kerkelijke tucht

Het uiten van beledigingen zonder ze te willen terugnemen, kon eveneens leiden tot afsnijding. Dit blijkt uit het geval van saaiwerker Jan Jansz. Sillaart. Hij had lakenwerker Harman Denijs nageroepen en hem ‘schelm’ genoemd. Harman had hem daarop, zoals voorgeschreven, vermanend toegesproken, zelfs in het bijzijn van twee medelidmaten die tussen beiden bemiddelden. Maar Jan bleef bij zijn woorden.234 Daarop legde Harman de zaak voor aan de dienaarschap. Het forum ondernam vervolgens ook een verzoeningspoging, zonder resultaat. Toen was ook voor Harman de maat vol. Jan had zijn kans op verzoening verspeeld, zo vond hij. De dienaren zaten intussen behoorlijk met de zaak in de maag, aangezien het bijna tijd was om avondmaal te vieren. Oudste Jacques van den Gamerslagh vroeg daarom de broederschap om advies. Die stelde een nieuwe verzoeningspoging van de dienaarschap voor. Als die opnieuw zou mislukken, zouden de twee ruziemakers zich moeten neerleggen bij het oordeel van enkele onpartijdige mannelijke gemeenteleden. Harman Denijs ging hiermee akkoord, maar Jan Jansz. Sillaart legde ook dit voorstel naast zich neer. Daarop zette de broederschap Jan uit de gemeente.235 De afhandeling van de soortgelijke zaak van Willem Pas verliep in grote lijnen hetzelfde. Toch is er een pikant verschil. Willem had namelijk twee dienaren uitgescholden en wel voor ‘guiten’, ‘deugnieten’ en ‘schelmen’. De termen suggereerden onbetrouwbaarheid, terwijl dienaren juist geacht werden getrouwe navolgers van Christus te zijn. Volgens Willem hadden de betrokken dienaren, Jacques van den Gamerslagh en Philips den Dopper, een weduwe bedrogen bij het opstellen van een contract. Kennelijk meende hij dat zij zichzelf daarmee hadden verrijkt. Philips zou bovendien nog hebben gesjoemeld met wisselbrieven. De dienaren ontkenden de aantijging in alle toonaarden. De overige leden van de dienaarschap hoorden vervolgens alle betrokkenen en verklaarden Jacques en Philips uiteindelijk onschuldig. Daarop legden de dienaren de zaak aan de broederen voor en vertelden erbij dat Willem Pas wat hen betreft zijn woorden moest terugnemen op straffe van banning. De broeders namen het stemadvies over. Willem bleef echter bij zijn beschuldigingen en verloor zijn broederschap.236 Zonder nadere gegevens lijkt bovengenoemd voorval een typisch voorbeeld van vriendjespolitiek binnen het bestuur. Toch is dit een wat te snelle conclusie die geen recht doet aan de ernst waarmee de dienaren en de broederschap de zuiverheid van de gemeente probeerden te handhaven. Dat blijkt onder meer uit het feit dat de dienaren in hun advies aan de broeders niet meer refereerden aan een eerder tuchtgeval waarbij Willem Pas betrokken was. Een half jaar eerder was hij namelijk op straat met iemand slaags geraakt. Hij had toen dus niet alleen tegen het doperse ideaal van de weerloosheid gehandeld, maar dit ook nog eens in het openbaar gedaan, vlak voor de geplande avondmaalsviering. De zaak liep destijds echter met een sisser af, toen Willem de dienaarschap zijn welgemeende excuses aanbood en hij vergeving ontving.237 Een ander
234 Harman Denijs hield zich naar eigen zeggen dus keurig aan de regel van Mattheüs 18. 235 RAL, ADG, inv.nr. 1 (15-7-1666; 18-7-1666; 25-7-1666). 236 Idem (12-2-1663; 15-2-1663; 18-2-1663). 237 Idem (27-7-1662; 30-7-1662; 4-8-1662). Willem Pas had pertinent geweigerd voor de broederschap te verschijnen en wilde alleen met de dienaren over zijn zonden praten. Dat werd hem door de broeders toegestaan.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 167

5.4 de vlaamse doopsgezinde gemeente

167

voorbeeld van de consequentheid van de gemeenteleiding is dat de dienaren zonder aarzelen een tuchtprocedure tegen Philips den Dopper startten toen hij enkele jaren later failliet bleek te zijn gegaan.238
Tabel 5.12 Aantal door de dienaarschap van Vlaamse doopsgezinde gemeente van Leiden besproken personen (T), uitgesplitst in mannen (M) en vrouwen (V), met betrekking tot levenstucht en het aantal zaken (N) in deze categorie in de periode 1662-1668, met tussen haakjes het aantal keren dat een zaak terugkeerde in de kerkenraadsnotulen. Personen in 1662-1668 M V 1 1 3 2 2 3 2 1 1 1 9 8 T 2 5 5 3 2 17 Zaken N 1 (5) 3 (3) 3 (9) 2 (12) 1 (1) 10 (30) % 10 30 30 20 10 100

Categorie Geweld Twist Faillissement Dronkenschap Overig Totaal Bron: RAL, ADG, inv.nr. 1.

Doopsgezinden dachten min of meer hetzelfde over het niet voldoen van schulden en faillissementen als de gereformeerden. Beide verschijnselen duidden volgens hen op onregelmatigheden en dus op wangedrag.239 Zoals hierboven is aangegeven, was dienaar Philips den Dopper na zijn faillissement niet meer welkom aan het avondmaal. Die conclusie had hij overigens zelf al getrokken. Lakenwerker Andries Voochts kwam er daarom wel erg eenvoudig van af toen hij op eenentwintig mei 1662 de broederschap zijn bankroet, dat al bij velen bekend was, niet kon verklaren. Dat zinde de broeders niet en ze besloten Andries meer tijd te geven om een goede reden te vinden. Van een afhouding was nog geen sprake. De man kwam daarop met een nieuw verhaal op de proppen. Hij zou door iemand in Amsterdam bestolen zijn. Maar later moest hij dit terugnemen en de naam van de man ten overstaan van de broederschap zuiveren. Met de volgende avondmaalsviering in het vooruitzicht verklaarde hij tenslotte dat hij zijn misstap ‘door kleine nadacht’ had begaan en bood zijn excuses aan. De broederschap nam daar genoegen mee. Daarna keert de naam van Andries Voochts niet meer terug in de notulen.240 Mogelijk had Andries zijn zaakjes financieel weer vrij snel op orde.241 Onder het kopje ‘overig’ van de tabel gaat het om lakenwerker Claes Vasseur die door de armendienaren bedeeld werd. In juli 1668 bleek hij zijn twijnmolen te hebben verkocht, waardoor hij ineens zonder bron van inkomsten zat. De dienaren vermaan-

238 RAL, ADG, inv.nr. 1 (8-11-1668; 15-11-1668). De zaak werd op de lange baan geschoven, omdat Den Dopper zelf besloot niet aan het avondmaal te gaan. 239 Zijlstra, Om de ware gemeente, 470-473; Hajenius, ‘Quaet comportement’, 71; Sprunger, ‘Faillissementen’, 104-107. 240 RAL, ADG, inv.nr. 1 (18-5-1662; 21-5-1662; 15-6-1662; 25-6-1662; 6-7-1662; 13-7-1662; 20-7-1662; 30-7-1662). 241 Vgl. Sprunger, ‘Faillissementen’, 113,122.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 168

168

5 kerkelijke tucht

den hem daarop dat hij dat niet meer moest doen. Claes beloofde beterschap.242 In tegenstelling tot in Utrecht konden in Leiden nauwelijks gevallen worden gevonden van lidmaten die door een misstap hun bedeling verloren of dreigden te verliezen. Alleen de eerder genoemde Paulijne moest het hofje ‘De Hoecksteen’ verlaten, maar dit had voor haar nauwelijks consequenties, omdat ze een ander huis kon huren. In Utrecht verloren lidmaten die met iemand van buiten de gemeente trouwden, iedere mogelijkheid tot bedeling. Dronkaards kregen echter hun bedeling vaak wel doorbetaald; zij werden alleen van het avondmaal afgehouden.243 5.4.6 Conclusie Doopsgezinde tucht was buitengewoon ingrijpend. Zo werden misstappen van hardnekkige zondaren niet alleen, net als bij de gereformeerden, ten overstaan van de hele gemeente genoemd. Het waren ook nog eens de medelidmaten die over maatregelen tegen de schuldige moesten beslissen. Zij spraken in de onderzochte periode maar liefst vier keer de ban uit. Toch lijken de notulen van de Vlaamse doopsgezinde gemeente te Leiden niet afkomstig van een ‘champion of strict Mennonitism’. Zo grepen de Vlamingen niet in alle tuchtzaken naar de ban, hoewel hun belijdenissen dat wel voorschreven. Alleen zaken waarover in de gemeente unanimiteit bestond, konden tot een afsnijding leiden; het ging dan bovendien om zaken waarbij de zondaar weigerde berouw te tonen. In alle overige gevallen legden de dienaren van de Vlaamse doopsgezinde gemeente bijzonder veel clementie aan de dag en stelden ze beslissingen vaak uit, zeker in vergelijking met de gereformeerde kerkenraad. Ze pasten bovendien geen echtmijding toe. Kennelijk botste de theorie met de praktijk. De Vlaamse doopsgezinden in Leiden weken daarmee overigens niet af van de dopersen in de rest van Nederland. In veel gemeenten werd de tucht in de loop van de zeventiende eeuw minder strikt toegepast.244 Wel was de sociale controle onder de kleine groep Vlaamse doopsgezinden in Leiden groot. Veel tuchtgevallen werden vanuit de gemeente aan de dienaren doorgegeven. Daarbij letten de dopersen vooral op ongewenst gedrag, omdat zij levensheiliging zo hoog in het vaandel hadden staan. Vandaar dat de rubrieken ‘huwelijk en zedelijkheid’ en ‘persoonlijke levenswandel’ relatief veel zaken bevatten. Aan de andere kant geldt dat de overheid de doopsgezinden en hun tuchtuitoefening geheel ongemoeid liet. Deze factoren verklaren ook waarom de Vlamingen van alle drie de besproken denominaties naar verhouding de meeste tuchtzaken behandelden. Daar moet ongetwijfeld, net als bij de gereformeerden, nog een onbekend aantal gevallen van stille tucht
242 Vasseur leefde gescheiden van zijn vrouw. Hij kreeg de bedeling dan ook alleen omdat volgens de diakenen van de Waalse kerk zijn vrouw de schuld droeg van de scheiding van tafel en bed (RAL, ADG, inv.nr. 1 (20-10-1661; 13-7-1662; 20-7-1662; 1611-1662; 23-11-1662; 12-7-1668; 19-7-1668)). 243 Hajenius, ‘Quaet comportement’, 65, 69. 244 Doopsgezinden raakten steeds meer geïntegreerd en geaccepteerd in de Republiek. Volgens Zijlstra was dat het gevolg van de gewetensvrijheid in de Republiek, hun loyale opstelling naar de overheid en hun betrouwbaar economisch handelen. (Zijlstra, Om de ware gemeente, 431, 449,452, 466-480; Hajenius, ‘Quaet comportement’, 73).

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 169

5.5 conclusie

169

bij worden opgeteld. Slechts af en toe onthullen de notulen daar iets over, zoals in het geval van Jan Jansz. Sillaart en Harman Denijs, waar de zaak pas na vele vruchteloze vermaningen in de notulen werd opgenomen. Het bovenstaande overzicht geeft daarom waarschijnlijk alleen de meest problematische zaken weer.

5.5 Conclusie De tuchtprocedures van de gereformeerde kerk en de Vlaamse doopsgezinde gemeente waren in veel opzichten aan elkaar verwant. Beide gezindten probeerden door middel van tucht hun gemeenschap zo zuiver mogelijk te houden. Een lidmaat dat door zonden de gemeente in opspraak had gebracht, moest er daarom van worden afgezonderd. Toch hield het daarmee niet op. Het doel van de tucht was de terugkeer van het lidmaat in de gemeenschap. De gereformeerde kerk hanteerde hiervoor een drietal stadia of ‘trappen’ van censuur, waarmee de druk om schuld te bekennen werd opgevoerd. Een lidmaat dat met een misstap de gemeenschap te schande had gemaakt werd allereerst van het avondmaal geweerd. Als hij of zij ook na herhaalde vermaningen geen berouw toonde, volgde bekendmaking van het bewuste lidmaat vanaf de kansel, eerst zónder en later mét naam. Pas wanneer de zondaar dan nog niet tot inkeer was gekomen, kondigde men de afsnijding aan. Binnen afzienbare tijd volgde dan de eigenlijke excommunicatie. De minder hiërarchisch ingestelde doopsgezinden kenden een andere procedure. Bij hen werd de schuldige eerst door de leraren van de gemeente gehoord. De zogeheten dienaarschap kon hem of haar vermanen, tijdelijk afhouden of voor de broederschap laten verschijnen. Het was dan aan deze vergadering van mannelijke gemeenteleden om maatregelen tegen de zondaar te nemen, variërend van nóg een vermaning tot afsnijding. In de praktijk spraken de doopsgezinden in Leiden tussen 1662 en 1668 vier keer de ban uit. Het ging in die gevallen steevast om hardnekkige zondaren die weigerden berouw te tonen. De gereformeerden beperkten hun tucht in de onderzoeksperiode tot afhoudingen. Verdergaande censuurmaatregelen werden niet genomen, ondanks de voornemens van 1652, waarvan in de inleiding is gesproken. Dit had voor een belangrijk deel te maken met de relatief grote greep van de Leidse overheid op de Nederduitse gereformeerde kerk. De stadsbestuurders wilden zo voorkomen dat orthodoxe calvinisten door middel van een strenge tucht een onberispelijke gemeente nastreefden. Dat botste namelijk met het overheidsideaal van een publieke kerk die zich niet teveel bemoeide met de handel en wandel van gelovigen. Het Leidse stadsbestuur eiste daarom in 1580 zeggenschap bij de toepassing van zware tuchtmaatregelen. De beperking gold overigens zowel voor de Nederduitse als de Waalse kerk. De overheid controleerde de eerste echter veel beter dan de tweede. Na 1587 namen leden van het stadsbestuur zelfs zitting in de Nederduitse gereformeerde kerkenraad. Van een overlap tussen de Waalse kerkenraad en de Leidse overheid was geen sprake. Andere verschillen tussen de besproken denominaties lagen in de misstappen waarover de religieuze leiders zich bogen. Geheel in lijn met de wensen van het stadsbe-

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 170

170

5 kerkelijke tucht

stuur, hield de Nederduitse gereformeerde kerkenraad zich tijdens vergaderingen nauwelijks bezig met kleine vergrijpen van lidmaten. Omgekeerd lijken ook weinig lidmaten van die kerk misstappen van anderen aan de ouderlingen en predikanten te hebben gemeld. Kennelijk vonden zij de kerkenraad als forum niet adequaat genoeg en maakten ze liever gebruik van andere buitengerechtelijke en gerechtelijke instellingen. Anders was dat bij de kleinere Waalse kerk waar de kerkenraad veel meer openbare ergernissen besprak die door lidmaten aan opzieners werden doorgegeven. Hier zaten geen stadsbestuurders in de kerkenraad. De Walen leefden bovendien hoofdzakelijk in hetzelfde stadsdeel, wat de onderlinge controle vergrootte. De effecten van de tucht waren hierdoor mogelijk ook groter dan bij de Nederduitse kerk. De Vlaamse doopsgezinde gemeente spande de kroon wat betreft het relatieve aantal tuchtgevallen met betrekking tot maatschappelijk gedrag. Deze gemeente was verreweg het kleinst en leefde het meest in afzondering van de wereld. Daarbij waren het de (mannelijke) gemeenteleden die de tuchtmaatregelen oplegden, waardoor de tucht een niet te miskennen impact kreeg. Voor alle denominaties geldt dat alleen de in de notulen weergegeven tuchtzaken onderzocht zijn. Daardoor is de stille censuur noodgedwongen buiten beschouwing gebleven en blijft de precieze omvang van de tucht van de drie denominaties onduidelijk. Wel lijkt de Nederduitse gereformeerde kerkenraad meer misstappen tijdens huisbezoeken opgespoord te hebben. Veel van wat in de consistoriekamer besproken werd, was vlak voor kerst, Pasen en in de zomer ontdekt. Bij de Waalse kerk en de Vlaamse doopsgezinden kwamen openbare zonden meer verspreid over het jaar ter tafel. Een tweede complicatie die de bronnen met zich meebrengen, is dat sociaal-economische gegevens van de betrokken lidmaten ontbreken. Zo staat in de kerkenraadverslagen van de Nederduitse gereformeerden alleen informatie over de achtergrond van schrijvers van verboden boeken. Dit waren vaak theologen en daarom was dat gegeven van belang. Mogelijk waren het ook bekenden van de predikanten. Kennelijk waren de opzieners niet geïnteresseerd in de beroepsgegevens van degenen die op hun kamer moesten verschijnen. Alleen de doopsgezinden noteerden in een aantal gevallen het beroep van zondige lidmaten. De indruk bestaat wel dat de gemeenteleden die wegens tucht in de verschillende notulen werden geregistreerd een doorsnede van de stedelijke samenleving vormden, zij het dat notoire zondaren als dronkaards en prostituees, bij voorbaat al geen lidmaat van de betreffende gemeenten zullen zijn geworden.245 Bij alle drie de bestudeerde gezindten lijkt de tucht voor een belangrijk deel op zichzelf te hebben gefunctioneerd. Er zijn, bijvoorbeeld in het geval van overspel, twist of beledigingen, niet of nauwelijks verwijzingen naar wereldlijke instanties. Ook door middel van record linkage konden maar enkele tuchtgevallen uit de notulen van de gereformeerde kerken in andere archieven worden teruggevonden; de doopsgezinden bedienden zich bij onderlinge problemen überhaupt niet van rechtbanken. Maar ook hier geldt dat niet met de stille censuur is gerekend. Eventuele overlapping moet daardoor noodgedwongen buiten beeld blijven. Toch is het een teken aan de wand dat ge245 Kloek, ‘Toezicht’, 119. Vgl. Abels, Nieuw en ongezien, 108-110; Schilling, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 306.

06008_hoop_H05

22-05-2006

11:11

Pagina 171

5.5 conclusie

171

reformeerde opzieners zich niet officieel uitspraken over zaken die ook elders dienden. Ze hielden zich kennelijk goed aan de wens van de overheid om zich niet teveel op haar terrein als handhaver van de openbare orde te begeven. Bij wangedrag van lidmaten dat al elders aanhangig was gemaakt, pasten ze mogelijk slechts stille tucht toe. Over het algemeen erkenden veel afgehouden lidmaten na verloop van tijd hun zonden, om terug te kunnen keren tot de avondmaalsgemeenschap. De Nederduitse gereformeerde kerkenraad liet tussen 1664 en 1668 volgens de eigen notulen eenentwintig lidmaten weer tot het avondmaal toe. Zeker vijftien daarvan waren nog in diezelfde periode onder censuur gesteld.246 De gemiddelde tijd tussen afhouding en wederopname bedroeg een jaar en drie maanden. Deze drang tot heropname was een derde bepalende factor voor het succes van de kerkenraad in het zuiver houden van de avondmaalsgemeenschap. Overigens ligt het aantal lidmaten dat zich na een afhouding weer met de gemeente verzoende vermoedelijk hoger dan de cijfers aangeven. Het moment van heropname is niet altijd in de notulen opgenomen. Dat geldt ook voor de Waalse kerk en de doopsgezinde gemeenten, waar volgens de verslagen respectievelijk 46 en 4 geschorste lidmaten weer aan het avondmaal gingen. Toch zullen zich ook sommige gecensureerden definitief van hun gemeente hebben afgekeerd. Of zij zich 247 ooit nog met de gemeente verzoenden, is onbekend.

246 Twee lidmaten werden voor 1664 afgehouden. Van vijf kerkleden is geen ingangsdatum gevonden. 247 Vgl. Kloek, ‘Toezicht’, 99; Van Lieburg, De nadere reformatie in Utrecht, 91.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 172

Hoofdstuk 6

Het notariaat

6.1 Inleiding Jan Pouls de jonge was niet op zijn brouwerij toen schipper Cornelis van Wijck aan de deur verscheen met de mededeling dat hij drie koekkisten kwam bezorgen.1 De vrouw van de brouwer was er wel, maar zij wist niets van de levering af. Ze weigerde daarom de kisten aan te nemen. Bovendien vond ze de rekening die Cornelis presenteerde veel te hoog. Ze vroeg de schipper om de volgende dag terug te komen en de zaak met haar man af te handelen. Maar Cornelis bleek niet zo lang op zijn geld te willen wachten en verweet de vrouw dat ze een gewone arbeider geen geld gunde. Door al die oneerlijkheid zouden zij en haar man nog eens failliet gaan, zo dreigde de schipper verder. Hij verliet de brouwerij tenslotte met zoveel beledigende woorden, dat de vrouw er hevig door van streek raakte. Een dag later troffen Jan Pouls en Cornelis van Wijck elkaar bij toeval. Jan verzocht de schipper om voortaan niet meer zonder reden in zijn huis stampij te komen maken en dreigde met maatregelen. Toen werd Cornelis opnieuw kwaad. Luid herhaalde hij zijn eerdere verwijten. Hij voegde er aan toe dat Jan zijn zaak uitsluitend met gesjoemel draaiend kon houden. De brouwer antwoordde dat alleen een ‘schelm’ hem die verwijten zou kunnen maken. Voor Cornelis was toen de maat vol. Hij daagde Jan uit voor een gevecht op straat, ook al zou het hem vijftig gulden boete kosten.2 Bovenstaand verhaal staat opgetekend in de boeken van notaris Arendt Joachimsz. Raven. Het is een zogeheten ‘attestatie’ of getuigenverklaring die is opgesteld in opdracht van Jan Pouls, de ‘rekwirant’. Waarom de brouwer de notariële akte liet schrijven, is niet helemaal duidelijk. Attestaties werden formeel opgetekend met het oog op een civielrechtelijke procedure. Ze vormden een soort bewijsschrift op grond waarvan de schepenen uitspraak konden doen.3 Maar in het geval van Jan Pouls kwam het niet tot een proces; in de rechterlijke archieven kon de zaak althans niet worden terugge1 Een koekkist was vermoedelijk een afgesloten bak waarin gerstafval van het brouwproces werd afgevoerd om er bijvoorbeeld veekoeken van te maken. Vgl. ‘Koek’ (betekenis 4) en ‘voedergerst’ in het WNT. 2 RAL, ONA, inv.nr. 782, nr. 392 (10-11-1668). De schipper noemt hier overigens een bijzonder hoog bedrag. Op het toebrengen van messteken stond volgens de keuren 25 gulden (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 249). 3 Zie o.m. Lybreghts, Redenerend vertoog 2, 213; Van Wassenaer, Practyk notariael, 36. Vgl. Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 372; Heersink, ‘Eenakter’, 262-265.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 173

6.1 inleiding

173

vonden. De attestatie lijkt daarmee een zeker afschrikwekkend effect te hebben gehad. Mogelijk trok Cornelis van Wijck, geconfronteerd met de attestatie, zijn beschuldigingen aan het adres van Jan Pouls en zijn vrouw in, waarna de brouwer van juridische stappen afzag.4 Maar omgekeerd kan Jan ook hebben willen voorkomen dat het tot een zaak tegen hem zelf kwam. In dat geval moet de attestatie juist worden gezien als een poging van Jan om zich met behulp van ontlastende getuigenissen vrij te pleiten van bijvoorbeeld het uitlokken van een gevecht of het toebrengen van verwondingen.5 Hoe het ook zij, de bewuste akte geeft in uitgebreide bewoordingen Jan’s versie van het geschil weer, opgetekend uit de mond van getuigen die door de brouwer waren opgetrommeld. De gebeurtenissen zijn er duidelijk in omschreven en de gewraakte uitlatingen van Cornelis staan nauwkeurig zwart op wit. Om die reden bieden attestaties een uniek doorkijkje op het dagelijks leven van weleer.6 Notarissen konden allerlei soorten akten opmaken. A.Fl. Gehlen noemt er drieëndertig in zijn gebruikershandleiding voor het vroegmoderne notariële archief en dan nog laat hij er een aantal buiten beschouwing.7 Al deze stukken kunnen naar hun inhoud worden verdeeld in akten rond het familie- en erfrecht, akten in de vermogensrechtelijke sfeer en akten met behulp waarvan iemand zijn recht kon halen ofwel akten in semi-processuele sfeer.8 Deze laatste groep staat in dit hoofdstuk centraal. Hieronder vielen niet alleen attestaties. Het ging ook om zogeheten insinuaties en protestaties, akten van verblijf, procuraties ad lites en interrogaties. Insinuaties waren ‘aanzeggingen’ die tot doel hadden om een partij alsnog een bepaalde afspraak te laten nakomen. Het ging hierbij meestal om financiële verplichtingen. Legde de geïnsinueerde de aanzegging naast zich neer, dan volgde een protestatie. Een akte van verblijf of verzoeningsovereenkomst werd opgesteld door partijen die een ruzie bijlegden. Door middel van een procuratie ad lites kon iemand worden gemachtigd om namens de lastgever in gerechtelijke zaken als eiser of verweerder op te treden. Met interrogaties werden ondervragingen bedoeld waaraan een notaris iemand in opdracht van een eiser kon onderwerpen om langs die weg bewijzen ten gunste van de ‘rekwirant’ te verkrijgen. Nu is er nog maar weinig studie verricht naar de inhoud van deze categorie notariële akten.9 Dit heeft voor een deel te maken met de weerbarstigheid van de bron. Notariële archieven waren tot voor kort nauwelijks voor systematisch onderzoek toeganke4 Vgl. Heersink, ‘Zachte woorden’, 90. 5 Dit laatste is minder waarschijnlijk omdat de getuigen Jan Pouls niet vrijpleiten van een of ander gevecht. Het lijkt in de attestatie hoofdzakelijk te gaan om de beschuldiging dat Jan en zijn vrouw oneerlijke lieden zijn, aangezien dat feit tweemaal in de getuigenverklaring genoemd wordt. 6 Vgl Pitlo, notarisboeken, 249. 7 Gehlen, Notariële akten, 13. 8 Akten met betrekking tot het familierecht en erfrecht zijn onder meer: trouwbeloften, huwelijkstoestemmingen, huwelijksvoorwaarden, voogdijregelingen, testamenten, codicilen, inventarisaties, akten van verzegeling en ontzegeling van boedelgoederen en boedelscheidingen. Akten in de vermogensrechtelijke sfeer bestaan bijvoorbeeld uit contracten van verkoop en koop, naastingsakten, ruilingen, schenkingen, huur-, pacht- en erfpachtcontracten, vestiging van renten, obligaties (al of niet gecombineerd met hypotheekstellingen), kwijtingen, borgtochten, arbeidsovereenkomsten, vennootschappen, bevrachtingscontracten, bodemerijen, assurantiepolissen en procuraties ad negotia. 9 Boedelinventarissen worden al wel sinds enige tijd aan historisch onderzoek onderworpen (vgl. Wijsenbeek-Olthuis, ‘Vreemd en eigen’, 79-105; Schuurman, Materiële cultuur; Koolbergen, ‘Materiële cultuur’).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 174

174

6 het notariaat

lijk, waardoor bestudering onbegonnen werk was.10 Daarnaast waren rechtshistorici lange tijd niet op de hoogte van de rijkdom aan informatie in de verschillende akten betreffende semi-processuele zaken. Toch is het voor een goed verstaan van de manieren waarop men in de vroegmoderne tijd met geschillen omging van belang het notariaat in het onderzoek te betrekken. Zoals al is aangegeven, gaan met name attestaties vaak uitvoerig op kwesties in. Maar ook insinuaties en akten van verblijf bevatten vaak veel informatie. Zaken die slechts uiterst summier in archieven van civielrechtelijke fora staan opgetekend, kunnen daarom in een aantal gevallen dankzij het notariaat veel beter worden geïnterpreteerd. Ook strafrechtszaken kunnen een enkele keer door notariële akten worden verduidelijkt. Maar belangrijker is nog dat de protocollen eveneens een schat aan materiaal bevatten over kwesties die nooit voor de vierschaar zijn gekomen.11 In het nu volgende hoofdstuk zal nader worden ingegaan op de rol van notarissen bij het instrumenteel gebruik van gerechtelijke en buitengerechtelijke fora voor het beslechten van geschillen. Daartoe worden de belangrijkste akten in de semi-processuele sfeer bestudeerd, te weten de attestaties, insinuaties en akten van verblijf. Welke kwesties kunnen daarin worden aangetroffen? Hoe staan deze beschreven? Hoeveel akten werden gebruikt in een juridisch proces? Wie lieten attestaties, insinuaties en akten van verblijf opstellen? Op welk moment in de geschilbeslechtingsdelta deed men dat en waarom? Het antwoord op deze vragen zal worden gezocht in de boeken van een viertal notarissen. Die produceerden tussen 1664 en 1668 samen ruim zevenhonderd akten in semi-processuele sfeer. Maar voordat de protocollen zelf aan bod zullen komen, wordt eerst kort ingegaan op het notarisambt, en dan met name in het gewest Holland, en zal een beknopt historiografisch overzicht van het notariaat worden gegeven. 6.1.1 Het notarisambt in de zestiende en zeventiende eeuw Een notaris was in de vroegmoderne periode in eerste instantie een ‘schrijver’ met een vrij beroep die binnen zekere grenzen noteerde wat andere mensen van hem vroegen. Alleen bepaalde vormvereisten en zijn toelating tot het ambt door het gewestelijk gerechtshof maakten dat zijn akten juridisch in hoger aanzien stonden dan de schrijfsels van andere alfabeten, met uitzondering van leden van het stadsbestuur en de stedelijke secretarie.12 De zeventiende-eeuwse jurist Van Leeuwen sprak in dit verband van ‘volkomen geloof’ dat aan notariële stukken moest worden gehecht.13 Zo hoorde een akte gedateerd te zijn, de naam en woonplaats van de notaris te bevatten en zijn vergunning of ‘admissie’ van het Hof aan te geven. Ook moest in het stuk de plaats zijn aangeduid waar de notaris de akte optekende. Verder dienden de personen die een verklaring aflegden, de zogeheten ‘comparanten’, met naam, toenaam en woonplaats bij
10 Pas recent komen in steeds meer archieven digitale indices beschikbaar. 11 Vgl. Heersink, ‘Eenakter’, 261-262. 12 Stukken van deze groepen stonden in nog hoger aanzien. Notarissen mochten sommige akten niet verlijden. Daarbij ging het om het transport van onroerend goed, en akten waarbij een eed noodzakelijk was (Van Leeuwen, Nederlandse practyk ende oeffening der notarissen, 33-34). 13 Van Leeuwen, Nederlandse practyk ende oeffening der notarissen, 1.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 175

6.1 inleiding

175

de notaris bekend te zijn.14 In het geval van een attestatie moesten de comparanten zich bereid verklaren om hun getuigenissen desgevraagd met een eed voor de schepenen te bekrachtigen, aangezien een notaris niet bevoegd was een eed af te nemen. Tot slot hoorden er minstens twee getuigen bij het zogeheten ‘verlijden’ van de akte aanwezig te zijn. Zij moesten met hun handtekening bevestigen dat alles naar behoren was opgetekend.15 Alleen als aan deze voorwaarden was voldaan, had een akte rechtsgeldigheid. Zo kon, zoals gezegd, een attestatie in een civiel- of soms ook strafrechtelijk proces als bewijsmiddel worden gebruikt. De waarde ervan hing onder meer af van het aantal attesterende getuigen dat aan het woord kwam en de ‘redenen van wetenschap’ die zij aanvoerden: hadden zij hun verhaal van horen zeggen of waren ze ooggetuigen geweest?16 Ook was de tijdsduur tussen het opmaken van een attestatie en de gebeurtenis die erin beschreven werd van belang. Hoe korter die periode, des te betrouwbaarder was de getuigenverklaring.17 Een attestatie vormde echter geen bindend bewijs. Het stond iedereen vrij om met behulp van andere akten tegenbewijzen aan te dragen, de aanklacht te weerspreken of zelfs de inhoud van het notariële stuk aan te tasten. Uiteindelijk bepaalden de rechters welke betekenis ze aan een attestatie toekenden. Het gebruik ervan was niet voorgeschreven.18
Tabel 6.1 Lijst van de meest voorkomende nevenfuncties van notarissen in Leiden tussen 15251799, gebaseerd op een databank van 292 notarissen, die aanwezig is in het regionale archief van Leiden. Van 110 notarissen in de kaartenbak zijn gegevens over nevenfuncties bekend. In de tabel zijn alleen de beroepen opgenomen die twee of meer keer voorkwamen. N 17 13 10 6 5 4 4 3 Beroep Secretaris van Leiderdorp Secretaris van Warmond Secretaris van Zoeterwoude Secretaris van Voorschoten Rentmeester Catharinagasthuis Deurwaarder Hof van Holland Landmeter Advocaat Hof van Holland N 3 2 2 2 2 2 2 2

Beroep Klerk van de secretarie Klerk van de griffie Procureur Veertig/ schepen Secretaris weeskamer Secretaris hoogheemraadschap Klerk van de rekenkamer Klerk

Bron: Databank ‘notarissen’ van het gemeentearchief Leiden, in beheer bij dhr. P.B.M. de Baar.
14 De notaris kon zo controleren of de comparanten niet eerloos, meinedig, krankzinnig, te jong of te nauw aan de rekwirant verwant waren (Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands recht V, deel 20, art. 15-19). 15 Van Leeuwen, Nederlandse practyk ende oeffening der notarissen, 181; Groot Placaet-boeck I, 5 p. 318,319 (art. 13-15); III, 5, p. 486,487. In Leiden lijken schout en schepenen zelden om een bevestiging of recollement van het geattesteerde te hebben gevraagd (Lybreghts, Redenerend vertoog over het notarisampt, 216). Zie verder Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 372,373; Heersink, ‘Eenakter’, 263. 16 Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands recht V, 20. 23-24. 17 Pitlo, Notarisboeken, 249. 18 Gehlen, ‘Inrichting en kracht van de notariële akten’, 41-48; Pitlo, Notarisboeken, 280-282; Heersink, ‘Zachte woorden’, 88. Zie ook Nortier, Burgerlijk proces, 59. Sommige plaatselijke overheden waren niet van notariële attestaties gediend en probeerden het optekenen ervan te monopoliseren (Oosterbosch, ‘Van groote abuysen’; Pitlo, Notarisboeken, 238; zie ook Van Caenegem, ‘La preuve’, 426-429). Leiden heeft geen beperkende keuren uitgevaardigd.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 176

176

6 het notariaat

Het notariaat was van oorsprong geen zelfstandig beroep maar een toegekende bevoegdheid aan priesters. Ook de ‘wereldlijke’ notarissen die vanaf de vijftiende eeuw in Holland werkzaam waren, hadden vaak meerdere functies.19 In Leiden combineerden zij hun ambt het meest met administratieve banen als klerk van de stedelijke secretarie of de griffie. Dat bleef zo in de vroegmoderne periode. Ook het procureurschap was geliefd. Verder waren veel notarissen secretaris in een van de kleine omliggende dorpen. Hierbij moet wel worden aangetekend dat van veel notarissen gegevens over nevenfuncties ontbreken. Over meer dan de helft van het aantal notarissen dat tussen 1525 en 1668 actief was, is niets bekend. Desondanks komt het geschetste beeld overeen met onderzoeken naar andere regio’s.20 Volgens A. Pitlo was het notariaat in de zeventiende en achttiende eeuw geen vetpot en genoot het ambt voor intellectuelen te weinig aanzien. Voor lieden die zich geen universitaire studie konden permitteren, bood het notariaat weliswaar mogelijkheden voor een bescheiden sociale stijging, maar dan moesten ze er aardig wat naast doen.21 Vermoedelijk doelde Pitlo vooral op de zestiende-eeuwse situatie. In de zeventiende eeuw wist een deel van de notarissen al dan niet met behulp van bijbaantjes behoorlijk wat vermogen op te bouwen.22 Hun inkomen lag naar schatting tussen de zeshonderd en duizend gulden per jaar, afhankelijk van de hoeveelheid akten die ze optekenenden en hun neveninkomsten.23 De secretaris van de hoofdofficier te Amsterdam, een notaris in stedelijke dienst, rekende in 1740 zes-en-een-halve gulden voor het optekenen van een getuigenverklaring, twee gulden en veertien stuivers voor het passeren ervan en één gulden en zestien stuivers voor het grosseren.24 Leidse gegevens ontbreken. Maar als de gerekende prijzen rond hetzelfde niveau lagen, kan wel worden geconcludeerd dat notarissen die regelmatig akten opstelden, een bovenmodaal inkomen konden verdienen, zeker als ook de verdiensten uit nevenfuncties worden meegerekend.25 Dit betekent dat het aanzien dat notarissen van hun klanten genoten wellicht groter was dan

19 Heersink, ‘Zachte woorden’, 100-101; Pitlo, ‘Geschiedenis van het notariaat’, 20-23. Vgl. Hermesdorf, ‘Het notariaat tussen Maas en Rijn’, 140-143. 20 Zie voor Noord-Holland: Heersink, ‘Zachte woorden’, 100-102; voor Utrecht: Heins, ‘Het Utrechtse notariaat’, 237-239. 21 Pitlo, Notarisboeken, 294. 22 Het gemiddeld vermogen van de Leidse notarissen in 1674 was 8588,60 gulden, het stedelijk gemiddelde lag op 8376 gulden. Notarissen stonden in Leiden op de zevende plaats in de top 10 van meest vermogende beroepen. Hierbij moet wel worden aangetekend dat niet alle notarissen vermogensbelasting betaalden. In de tweehonderdste-penningkohieren konden er maar 20 worden gevonden (Peltjes, Leidse lasten, 13). Rond 1600 was de vermogenspositie van notarissen iets minder gunstig (Van Maanen, ‘Vermogensopbouw’, 22-25). 23 De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 650. Pitlo ging uit van een jaarinkomen van vier- tot achthonderd gulden (Pitlo, Notarisboeken, 294). 24 Heersink, ‘Eenakter’, 267. In een enkel geval kan een notarisnota worden aangetroffen in bijvoorbeeld een boedelinventaris of een voogdijrekening. Zo bedroeg het opmaken van de laatstgenoemde akte bij een niet nader genoemde notaris uit Zoeterwoude 5 gulden (RAL, ONA, inv.nr. 966, nr. 81 (12-5-1666)). Het verlijden van een huurakte kostte in Utrecht 6 gulden en 1 stuiver (Heins, ‘Het Utrechtse notariaat’, 240). Voor een willige separatie betaalden echtelieden in Amsterdam een notaris maximaal 48 stuivers (Helmers, Gescheurde bedden, 179). De hoogte van de rekening hing mogelijk af van de lengte van het stuk (Lybreghts, Redenerend vertoog over het notarisampt, 216). 25 Een aanwijzing is verder dat stadsbesturen zich soms beklaagden over de hoge kosten die notarissen in rekening brachten (vgl. De Jager, ‘De Waalse gemeente te Brielle’, 86 (zie voetnoot aldaar)).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 177

6.1 inleiding

177

tot nu toe is aangenomen. Het maakte hen bovendien voor mensen uit hogere sociale kringen een meer interessante dienstverlener.26 6.1.2 Historiografie Onderzoek naar de notariële praktijk in de Republiek is schaars. Voor een beeld van het werk van de notarissen moeten de protocollen zelf worden bestudeerd. Historici hebben daar, om al genoemde redenen, tot ver in de jaren tachtig weinig belangstelling voor gehad. Juristen lieten de notariële archieven al even vaak links liggen. Hun geschiedenissen van het notariaat beperkten zich over het algemeen tot een historisch overzicht van de wetgeving op datzelfde ambt.27 A. Pitlo voegde daar in 1948 een overzicht van de inhoud van notarisboeken aan toe. Volgens hem gaven die handboeken weliswaar geen volledige beschrijving van het notariaat, maar ze boden wel ‘in hun beperktheid een getrouw beeld’.28 Maar dit is natuurlijk slechts ten dele waar. De gedrukte modelboeken mochten dan in veel gevallen door notarissen zelf zijn geschreven, de veronderstelling dat de voorschriften tot op de letter werden nageleefd, is een al te rooskleurige voorstelling van zaken. Het ging in de notarisboeken immers om een ideaal.29 Bovendien behandelden nogal wat zestiende- en zeventiende-eeuwse schrijvers van notarisboeken maar een klein aantal akten. Akten van semi-processuele aard kwamen er doorgaans bekaaid vanaf. En dat terwijl deze categorie een substantieel deel van de protocollen uitmaakte. Ook Pitlo kon hier zodoende maar weinig over meedelen.30 Een van de eerste auteurs die daadwerkelijk onderzoek naar de vroegmoderne notariële praktijk deden en dan nog vooral naar attestaties, is W. Heersink.31 Door de akten zelf te bestuderen, wilde hij greep krijgen op ‘niet-punitieve procedures’ buiten de rechtszaal, ten tijde van de Republiek. S. Faber had deze in zijn dissertatie over de strafrechtpleging in Amsterdam nog zonder veel nader onderzoek als onbelangrijk ter zijde geschoven.32 Nu ging het Faber in zijn proefschrift vooral om de berechting van
26 Vgl. Oosterbosch, ‘Van groote abuyzen’, 85-86; Gehlen, ‘De notaris in de Republiek’, 67. 27 Zie voor een bespreking van enkele werken Gehlen, ‘Notariaatsgeschiedenis’, 5-12; Pitlo, ‘De geschiedenis van het notariaat’, 21,22. Zie ook Otten, ‘De ten-uitvoerlegging van notariële akten’ uit 1856, niet genoemd in Gehlens ‘Notariaatsgeschiedenis’. Zie voor meer recente werken van juristen over de notariaatsgeschiedenis onder meer Gehlen, ‘Het notariaat der Lage Landen’; Idem, Notariële akten, 11-16. 28 Pitlo, Notarisboeken, 13. Over ditzelfde onderwerp had Pitlo in de periode 1940-1942 enkele artikelen geschreven in het Weekblad voor Privaatrecht, Notarisambt en Registratie (Idem, ‘De ars notariatus’, 3680-3681; Idem, ‘Geschiedenis van het notariaat’, 37493750; Idem, ‘Het elastisch ambt’, 3764-3765). 29 Zo werd het eerder genoemde voorschrift van Van Leeuwen dat notarissen bij het opmaken van een attestatie altijd de leeftijd van de getuigen of deposanten moesten vermelden, maar matig opgevolgd. Soms volstond een notaris met de mededeling dat een getuige ‘van competente ouderdomme’ was. In Leiden noteerden de onderzochte notarissen maar in een kwart van alle attestaties de leeftijd van de deposanten. 30 Pitlo, Notarisboeken, 249. 31 Een andere auteur die pionierend onderzoek deed naar het vroegmoderne notariaat was de Utrechtse archivaris W.B. Heins. Hij vergeleek de richtlijnen met gegevens van de stad Utrecht en het omliggende platteland. Verder keek hij naar aantallen notarissen, de gemiddelde leeftijd bij het verlenen van de vergunning tot uitoefening, de vooropleiding en de nevenfuncties van een notaris. De inhoud van de akten liet Heins onbesproken (Heins, ‘Het Utrechtse notariaat’, 224-243). Enkele andere auteurs gaven de protocollen van één notaris uit zonder deze systematisch te bestuderen. Zie b.v. Swart, Protocol Cleuting. 32 Faber, Strafrechtpleging en criminaliteit, 102-108.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 178

178

6 het notariaat

zware criminaliteit. Heersink richtte zich in zijn onderzoek op de kleine vergrijpen in Amsterdam en het omliggende platteland. Hij stelde vast dat notariële attestaties bij de beslechting en berechting daarvan juist een belangrijke plaats innamen.33 Helaas dragen zijn tot nu toe verschenen artikelen nog te zeer een verkennend karakter om de betekenis van het notariaat nauwkeurig in beeld te kunnen brengen. Zo onderzocht Heersink niet hoe vaak de conflicten in de attestaties tot juridische procedures aanleiding gaven of anderszins met een rechtszaak verbonden waren.34 Overigens had Heersink een groter onderzoek gepland, waarvan de resultaten bij het schrijven van dit boek nog niet bekend waren. H.W. Roodenburg deed onderzoek naar beledigingen en scheldpartijen in notariële attestaties en insinuaties. Daarbij keek hij niet alleen naar de scheldwoorden zelf, maar ook naar de achtergronden daarvan. Zo ging Roodenburg uitgebreid in op de comparanten en hun rol in de totstandkoming van de getuigenverklaring. Hij wees erop dat ze vaak met een proces in het achterhoofd bepaalde strategieën gebruikten. Het doel was steeds om de opdrachtgever of rekwirant in een kwestie van alle schuld vrij te pleiten en de tegenpartij zwart te maken. Roodenburg duidde dit verschijnsel aan met de term ‘erehandel’.35 Dit mechanisme waarbij de eigen goede naam en die van anderen voortdurend wordt gemeten, aangevallen en verdedigd, is te vinden bij meer auteurs, onder meer bij de Duitse historicus M. Dinges. Hij deed onderzoek naar klachten die inwoners van Parijs bij politiecommissarissen indienden.36 Deze leken in een aantal opzichten op attestaties. Ze bevatten verklaringen over gebeurtenissen en ze konden worden gebruikt in een juridisch proces. Een belangrijk verschil was echter dat de politie van Parijs de verklaringen direct uit de mond van de belanghebbende optekende, terwijl het bij notarissen om verklaringen van derden gaat. D. Helmers gebruikte het notariaat als een van haar bronnen – naast civiele vonnissen – voor de bestudering van scheidingszaken in Amsterdam. Ze bekeek onder andere hoe attestaties werden gebruikt in civiele procedures voor een echtscheiding of een scheiding van tafel en bed. Net als Roodenburg benadrukte ze dat de verhalen in de akten niet weergeven wat er precies is gebeurd. Het gaat om gekleurde verslagen die de rechter moesten overtuigen van het gelijk van één van de partijen. Soms conflicteerden de verklaringen van verschillende getuigen. In die gevallen moest de rechtbank door middel van ondervraging van de betrokkenen onderzoeken welk verhaal het geloofwaardigst was. Helmers heeft, door haar gekozen opzet, alleen aandacht voor de rol van attestaties in rechtszaken. Dat de verklaringen ook als drukmiddel konden worden gebruikt om gerechtelijke procedures te voorkomen, blijft daardoor onderbelicht in haar onderzoek.37

33 Heersink, ‘Eenakter’, 261-271; Idem, ‘Zachte woorden’, 88-90. 34 Ibidem. Evenmin gaf Heersink aan hoeveel attestaties notarissen opmaakten. Alleen van notarissen op het platteland becijferde hij dat attestaties ongeveer 10% van de protocollen uitmaakten (p. 88). 35 Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 370-375. Leuker, ‘Schelmen’, 316. Vgl. Dinges, ‘Weiblichkeit’, 82 (noot 39). 36 Dinges, Maurermeister, 270-286; vgl. Garrioch, Neighbourhood and community, 11-15. 37 Helmers, Gescheurde bedden, 65-76, 341-347.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 179

6.1 inleiding

179

6.1.3 Onderzoeksopzet In het navolgende wordt uitgegaan van de protocollen van enkele Leidse notarissen in de periode 1664-1668. Er waren in die tijd zeker dertig notarissen gelijktijdig in Leiden actief, dat wil zeggen dat van hen archieven bewaard zijn gebleven.38 Sommige notarissen oefenden hun beroep maar zelden uit. Zo tekende Matthijs Benninck tussen 1657 en 1669 slechts honderddrieëntwintig akten op, verzameld in één dunne band, terwijl Arendt Joachimsz. Raven jaarlijks twee vuistdikke boeken produceerde die elk zo’n driehonderd stukken bevatten. Op aselecte wijze zijn vier notarissen uitgekozen die gedurende de hele onderzoeksperiode actief waren en per jaar minstens één band volschreven. De protocollen moeten bovendien voor de periode 1664-1668 volledig zijn overgeleverd.39 De verkregen notarissen zijn Cornelis Jacobsz. de Haes, Leonardt Jansz. van Overmeer, Arendt Joachimsz. Raven en Pieter Geeraersz. van Tielt. Zij tekenden tussen 1664 en 1668 samen ruim achtenveertighonderd akten op. Van de stukken van semi-processuele aard is een database aangelegd. Deze vormt het uitgangspunt voor de beantwoording van de bovengenoemde onderzoeksvragen. De vier notarissen van wie de protocollen in de rest van dit hoofdstuk centraal zullen staan, beschikten allen over voldoende vermogen voor een aanslag van de tweehonderdste penning. Arendt Joachimsz. Raven bezat het meest. Zijn vermogen bedroeg vijf jaar na zijn dood nog naar schatting een kleine twintigduizend gulden.40 Hij was niet alleen notaris, maar ook een van de drukst bezette procureurs voor de stedelijke vierschaar. Leonardt Jansz. van Overmeer, eveneens procureur, had met zijn twaalfduizend gulden ook een bovengemiddeld groot vermogen. Cornelis Jacobsz. de Haes beschikte over precies de helft daarvan en Pieter Geeraersz. van Tielt had ongeveer tweeduizend gulden aan bezittingen. Beiden hadden voor zover bekend in de periode 1664-1668 geen nevenfuncties. Raven, Van Overmeer, De Haes en Van Tielt woonden in de onderzochte periode in de middeleeuwse wijken van de stad.41 De Haes was van alle vier het minst actief als notaris. Zijn protocollen bevatten tussen 1664 en 1668 gemiddeld nog geen tachtig akten per jaar. Zijn jaarinkomen beliep zodoende naar schatting zo’n vijfhonderd gulden, ervan uitgaande dat hij voor iedere akte gemiddeld iets meer dan zes gulden in rekening bracht. Raven had een geschat jaarlijks inkomen van vierendertighonderd gulden.
38 In 1583 mochten in Leiden maar 6 notarissen actief zijn. Al snel werd dit voorschrift gewijzigd in ‘een seecker getal’ (RAL, SAII, inv.nr. 9, p. 15). Het keurboek van 1658 bevat geen numerus fixus, maar in 1665 wordt het getal van 24 genoemd (RAL, SAII, inv.nr. 23 (23-3-1665)). Vier jaar later wordt dit opgetrokken tot 36 (Idem, inv.nr. 24, p. 85v (21-1-1669)). In de praktijk heeft men zich niet aan deze limiet gehouden. Voor de periode 1664-1668 zijn van zeker 40 notarissen protocollen overgeleverd, onder hen ook notarissen die bijvoorbeeld in 1664 zijn overleden en tot hun dood akten hebben opgetekend of notarissen die pas in 1668 met instrumenteren begonnen. Gemiddeld waren tussen 1664 en 1668 30 notarissen tegelijk actief. Naast deze 30 waren er ook Leidenaren die wel de notariseed voor het Hof van Holland aflegden, maar van wie geen akten zijn overgeleverd (mogelijk omdat ze het ambt nooit uitoefenden). Dit waren er 19 (gerekend vanaf 1628: de notaris die in 1668 het langst werkzaam was, was in 1628 beëdigd). Van hen is niet bekend of ze in 1664 nog leefden of in Leiden verbleven. 39 Aan deze criteria voldeden tussen 1664 en 1668 13 notarissen. 40 Slechts 3 notarissen die in de belastingkohieren van 1674 voorkwamen, beschikten over een groter vermogen. 41 Van Overmeer en Raven hielden kantoor in de oude stadskern, waar de Leidse elite resideerde, en Van Tielt en De Haes in de tweede stadsvergroting in de Haarlemmerstraat. Zie over de sociale status van de Leidse wijken: Peltjes, Leidse Lasten, 12; Tjalsma, ‘Een karakterisering van Leiden’, 41.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 180

180

6 het notariaat

De bestudeerde notarissen maakten in de onderzoeksperiode ruwweg dezelfde akten op. Geen van hen legde zich bijvoorbeeld in het bijzonder toe op akten in de familierechtelijke sfeer of juist op contracten.42 Natuurlijk waren er onderlinge verschillen. Wanneer nader wordt gekeken naar de akten in de semi-processuele sfeer, valt op dat met name Arendt Joachimsz. Raven licht afwijkt. Hij produceerde in absolute zin de meeste attestaties en andere akten in de derde rubriek, maar in verhouding tot het totaal aantal akten, was hij op dit punt het minst actief. Dat is opvallend, omdat hij ook werkzaam was als procureur en dus de aangewezen persoon lijkt voor akten in de semi-processuele sfeer.
Tabel 6.2 Verdeling van de akten in de semi-processuele sfeer uit de protocollen van Van Tielt, Van Overmeer, De Haes en Raven van de periode 1664-1668 in absolute aantallen en procenten. V.Overmeer N % 126 77 0 0 1 <1 17 10 20 12 164 100 21 De Haes N % 64 85 5 7 0 0 2 3 4 5 75 100 19 Raven N 274 11 0 2 18 305 % 90 4 0 <1 6 100 11 Totaal N % 615 87 23 3 1 <1 24 3 46 6 709 100 15

Soort akte

Van Tielt N % Attestaties 151 92 Insinuaties en protestaties 7 4 Interrogaties 0 0 Proc.ad lites 3 2 Verzoenings- overeenkomsten 4 2 Totaal 165 100 Percentage van alle akten43 18

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

Bij alle notarissen waren attestaties veruit de meest voorkomende akten in de semiprocessuele sfeer. De andere soorten verdwenen daarbij vrijwel in het niet. Sommige subcategorieën kwamen gedurende vijf jaar niet eens in de protocollen voor. Geen enkele notaris maakte in de periode 1664-1668 alle in tabel 6.2 genoemde akten op. Vooral interrogaties waren zeldzaam. Blijkbaar hadden mensen daar betere alternatieven voor. Zo konden interrogaties bijvoorbeeld eenvoudig worden vervangen door de minder omslachtige getuigenverklaringen.44 Deze komen als eerste aan bod.

6.2 Attestaties 6.2.1 Introductie Het laten optekenen van een getuigenverklaring kon een manier zijn om een kwestie op te lossen voordat het tot een proces kwam. Het was in dat geval een dreigement. Met een attestatie in de hand beschikte een rekwirant over bruikbare juridische bewijs42 Globaal beschouwd was de verhouding: 40% familiesfeer, 45% vermogensfeer en 15% semi-processuele sfeer. 43 Van Tielt: N=905; Van Overmeer: N=766; De Haes: N=390; Raven: N=2783; Totaal: N=4844. 44 Gehlen, Notariële akten, 175.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 181

6.2 attestaties

181

middelen met het oog op een rechtszaak.45 Maar mensen konden ook een attestatie laten opstellen als ze al in een proces verwikkeld waren. Ze probeerden zich dan met behulp van een getuigenverklaring vrij te pleiten of ze onderstreepten er hun zaak juist mee. Het is interessant om na te gaan op welke van deze manieren de verschillende Leidse rekwiranten van de notariële attestaties gebruik maakten. Hiertoe zijn de archieven van de belangrijkste civiele- en strafrechtelijke fora gekoppeld. Het gaat om de vredemakersboeken, de dingboeken, de burenkwestieboeken, de correctieboeken en de vonnisboeken. De correctieboeken bevatten voornamelijk lichte vergrijpen, de vonnisboeken de zwaardere strafzaken. De civielrechtelijke fora worden elders in dit boek nader behandeld.46 Uit tabel 6.3 blijkt dat de meeste rekwiranten attestaties gebruikten als waarschuwing met de bedoeling hun zaak buiten de rechtbank te houden. Daarin lijken ze succesvol te zijn geweest. Slechts vierenhalf procent van hen begon alsnog een proces voor de civiele vierschaar, terwijl een nog kleiner percentage na het optekenen van een akte naar het college van vredemakers stapte. Dit komt voor een deel doordat attestaties als juridisch getuigschrift voornamelijk bruikbaar waren in een proces voor de civiele vierschaar. Voor de vredemakers en schepenmeesters voor burenkwesties moest mondeling worden geprocedeerd. De attestaties die met deze zaken verband hielden, zullen dan ook met het oog op een eventueel later te voeren proces voor de schepenbank zijn gemaakt. In de praktijk werd echter vaak volstaan met een scherp geformuleerde eis en een goede repliek en dupliek.47 Het was omslachtig om nog tijdens een rechtszaak attestaties te laten opstellen. Schepenen konden ook zelf getuigen horen.48 Bovendien kwamen getuigenverklaringen pas laat aan bod in de procedure voor de civiele vierschaar. In verband met de geloofwaardigheid van de attestaties was het daarom beter om daar niet op te wachten en zo min mogelijk tijd te laten verstrijken tussen een gewraakte gebeurtenis en de schriftelijke weerslag daarvan. In strafrechtelijke procedures speelden attestaties alleen een bescheiden rol bij de verdediging. De schout bediende zich als strafpleiter in de onderzochte periode niet van notariële getuigenverklaringen. In Amsterdam deed hij dat blijkens het werk van Faber wel, zij het dat in de door hem onderzochte gevallen gebruik gemaakt werd van een notaris die tevens secretaris van de schout was.49
45 Heersink, ‘Eenakter’, 264-265. In de 18e eeuw kon met behulp van attestaties ook om opsluiting van een familielid dat ongewenst en schadelijk gedrag vertoonde, worden gevraagd. Ook in dat opzicht kon een getuigenverklaring, met eventueel een opsluiting in het vooruitzicht, een dwangmiddel zijn om iemand te corrigeren voordat men een proces begon (vgl. Helmers, Gescheurde bedden, 112-151; Spierenburg, ‘Financiën en familie-eer’, 118-135). 46 Voor dit hoofdstuk zijn ook de strafrechtelijke archieven geïnventariseerd omdat notariële attestaties ook in criminele processen een rol konden spelen. Alleen het aantal rekwiranten dat in de gerechtelijke archieven kon worden teruggevonden, is geteld. Wanneer één rekwirant meerdere getuigenverklaringen met betrekking tot dezelfde kwestie liet maken, is deze toch maar één keer meegeteld om vertekening te voorkomen. 47 Broers, Beledigingszaken, 21. 48 Vgl. RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 263v (22-3-1666). Attestaties lijken tijdens het proces partijen niet vaak tot een onderling vergelijk te hebben gebracht. Van de 10 rechtszaken, waarin aantoonbaar tijdens de rechtszitting attestaties zijn opgemaakt, bleven er drie zonder oordeel. Nog eens drie werden naar het Hof van Holland verwezen (waar de attestaties ook hun nut konden bewijzen). In de overige vier zaken spraken de schepenen een vonnis uit. In één zaak is zowel van de eiser als de gedaagde een attestatie gevonden in de onderzochte notariële protocollen. 49 Faber, Strafrechtpleging en criminaliteit, 102-103.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 182

182

6 het notariaat

Tabel 6.3

Aantal rekwiranten dat in civiele en strafrechtelijke bronnen kan worden teruggevonden, uitgedrukt in absolute aantallen en in procenten van het totaal aantal rekwiranten in het notarieel archief (545). Onderzocht zijn de dingboeken van grote zaken, de burenkwestieboeken, de correctieboeken en de criminele vonnisboeken (1664-1668) en de vredemakers (1664). Eerst proces Als eiser Als gedaagde N %52 N %53 7 1,2 4 0,7 0 0,0 0 0,0 Nvt Nvt 0 0,0 Nvt Nvt 0 0,0 7 1,2 4 0,7 5 3,8 3 2,2 Volgorde onbekend Als eiser Als gedaagde N %54 N %55 2 0,4 2 0,4 0 0,0 0 0,0 Nvt Nvt 0 0,0 Nvt Nvt 0 0,0 2 0,4 2 0,4 0 0,0 0,0 0,0

Soort gerecht. archief Eerst akte Als eiser Als gedaagde N %50 N %51 Dingboeken 25 4,5 5 0,9 Burenkwesties 0 0,0 1 0,2 Correctieboeken Nvt Nvt 1 0,2 Vonnisboeken Nvt Nvt 1 0,2 Totaal 25 4,5 8 1,5 Vredemakers (1664) 3 2,2 1 0,7

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782; Idem, ORA, inv.nr. 44f, 44g; Idem, ORA 48G; Idem, ORA, 3 (15,16), Idem, ORA, inv. 4 N en O.

Met een attestatie gaf een rekwirant een duidelijk signaal af. Hij liet weten dat hij stevig in zijn schoenen stond en dat er met hem of haar niet te spotten viel. Voor de opponent bleef daarom weinig meer over dan in te binden. Aan de andere kant kon ook de tegenpartij van zijn of haar zaak overtuigd zijn en weigeren om toe te geven. Het stond hem of haar dan vrij om ook naar een notaris te stappen en een attestatie te laten opmaken van zijn of haar versie van het verhaal. Op die manier werden soms over en weer enkele getuigenverklaringen opgesteld. Bleven beide partijen niet bereid zich te verzoenen, dan kon het tot een rechtszaak komen. Zodoende paste de attestatie prima in het systeem van de Ehrenhandel, waarbij stedelingen de eigen reputatie voortdurend in de gaten hielden en verdedigden tegen aanvallen van anderen.56 Snelheid was daarbij vaak een vereiste. Processen konden lang duren, waren kostbaar en hadden een onvoorspelbare afloop. Het dreigen met een geding was dan een goed alternatief. Veel mensen wilden het, geconfronteerd met een attestatie, niet op een rechtszaak laten aankomen en probeerden zelf, al dan niet met hulp van een bemiddelaar of arbiter, tot een vergelijk te komen of bonden in.57 Overigens was een attestatie voor een aantal rekwiranten uit de lagere middengroepen waarschijnlijk het maximaal haalbare in de strijd om de eigen eer. Het geld en de tijd om daadwerkelijk een proces aan te spannen, ontbraken.58
50 N=545 (groepen erfgenamen, crediteuren etc zijn als één rekwirant geteld), behalve bij de vredemakers. De overlap met het notarieel archief die voor dit college gevonden is, wordt gerelateerd aan de rekwiranten in 1664 (N=132). 51 Idem. 52 Idem. 53 Idem. 54 Idem. 55 Idem. 56 Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 372. 57 Zie ook hoofdstuk 1, par. 1.1.1. Vgl. Garnot, ‘l’Ampleur’, 70,74,75; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 223-226. 58 Dat suggereert ook Garrioch voor Parijs (Idem, Neighbourhood and community, 45).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 183

6.2 attestaties

183

De impact van een attestatie was maximaal wanneer deze zo snel mogelijk na een incident werd opgesteld. Voor een rechtsprekend forum was de akte dan het meest betrouwbaar.59 Met het oog daarop liet wijnkoper Gerrit Pauw op maandagmiddag dertig augustus 1666 direct een attestatie optekenen naar aanleiding van een vechtpartij eerder die middag waar hij naar zijn oordeel geheel buiten zijn schuld bij betrokken was geraakt.60 Zijn alerte reactie was succesvol; tot een rechtszaak kwam het niet. Toch was zo’n snelle gang naar de notaris zeldzaam. De periode tussen een voorval en het opstellen van een attestatie varieerde meestal van enkele dagen tot enkele jaren. Dit kan erop wijzen dat rekwiranten zich eerst op hun strategie beraadden en alle mogelijke reacties overwogen, alvorens ze een notaris inschakelden. Maar vaak ook was er nog een reden voor het laten optekenen van een getuigenverklaring bijgekomen, zoals het ontstaan van een hardnekkige roddel, nieuwe claims, een proces of een aantijging naar aanleiding van een eerder incident. Deze ontbreekt meestal in de attestaties en moet elders worden gevonden, bijvoorbeeld in processtukken. De meeste getuigen waren buurtbewoners van de rekwirant. Dit ligt voor de hand omdat het leven zich grotendeels op straat of vlak voor de deuropening afspeelde. Men zag en hoorde vrijwel alles van elkaar.61 Reputaties raakten hoofdzakelijk in het openbaar beschadigd en moesten ook weer en plein publique worden hersteld. De buurt speelde zodoende een essentiële rol in de Ehrenhandel. Maar getuigen konden ook in eerste instantie beroepsmatig met de rekwirant bekend zijn. Ze waren dan bijvoorbeeld collega, knecht, dienstmaagd, chirurgijn of vroedvrouw, wat overigens niet uitsluit dat ze vaak ook buurtgenoten van de rekwirant waren. Familieleden traden maar heel zelden op als deposanten. Zij waren niet altijd directe getuigen. Bovendien gold voor de rechtbank het getuigenis van bloedverwanten en huisgenoten als onbetrouwbaar, net als dat van gezworen vijanden, eerloze of meinedige lieden, krankzinnigen en minderjarigen. Maar soms lapten notarissen deze richtlijn aan hun laars. Detailonderzoek bij één notaris met betrekking tot de relatie tussen de deposanten en de rekwiranten, brengt het bovenstaande nog eens scherp in beeld:
Tabel 6.4 Aard relatie Buurtgenoot Beroepsrelatie Familie Niet aangegeven Totaal Aard van de relatie tussen deposanten en rekwiranten in de attestaties die door notaris Cornelis Jacobsz. De Haes tussen 1664 en 1668 werden opgemaakt. N 72 12 2 39 125 % 58 9 2 31 100

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 1044-1048.

59 Pitlo, Notarisboeken, 249. 60 RAL, ONA, inv.nr. 779, nr. 475 (30-8-1666). 61 Hoffmann, ‘Social control and the neighborhood’, 316-323; Catterall, ‘Scots migrant identity’, 44,46; Roeck, ‘Neighbourhoods’, 193-208; Garrioch, Neighbourhood and community, 16-21.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 184

184

6 het notariaat

Buurtbewoners lijken meestal makkelijk te porren geweest voor het geven van een getuigenis. Ook als een incident waarnaar verwezen werd al jaren geleden was voorgevallen, bleken vaak genoeg getuigen voorhanden, zoals in het geval van Jannetje Andriesd., die naar aanleiding van recente toenaderingspogingen van haar man liet verwijzen naar een officieuze scheiding van tafel en bed van vier jaar geleden. Haar echtgenoot zocht tijdens het proces op zijn beurt steun bij bekenden uit zijn vorige buurt, die zijn deugdzaamheid moesten benadrukken.62 Maar het zoeken naar getuigen was niet altijd even gemakkelijk. Zo moesten sommigen echt worden overgehaald. Een vrouw vertelde bijvoorbeeld voor een notaris dat ze van een buurtbewoner maar liefst tweehonderd gulden zou krijgen als ze zou getuigen dat zijn echtgenote, van wie hij van tafel en bed gescheiden was, zich oneerlijk gedroeg.63 Belastingpachter Huijch Cornelisz. van Trooijen wist een keer medeplichtigen van graansmokkel te bewegen tot het afleggen van een belastende getuigenis tegen een sjoemelende molenaar, door hen te beloven af te zien van strafvervolging.64 Dergelijke inkijkjes dwingen tot voorzichtigheid bij het reconstrueren van gebeurtenissen aan de hand van attestaties. Maar er zijn meer redenen voor oplettendheid. Als een rekwirant eenmaal de benodigde getuigen had verzameld, moest hij of zij de zaak uit handen geven. De deposanten deden hun verhaal uiteindelijk buiten zijn of haar aanwezigheid. Het getuigenis kon vloeiend en helder worden gegeven, maar ook met horten en stoten waar geen touw aan vast te knopen viel. In dat laatste geval had de notaris of zijn klerk soms de grootste moeite om van het relaas een overzichtelijk geheel te maken, opgesteld in beschaafd Nederlands. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de grote wirwar van doorhalingen, toevoegingen en verschrijvingen die sommige attestaties te zien geven. Vaak volgde dan na het doorkrassen van een passage een meer gematigde tekst, alsof de getuigen zich door hun verhaal hadden laten meeslepen. Zo had Jacob Crena volgens een drietal getuigen Huijbrecht la Plaes bij nader inzien wel geschopt en geslagen, maar niet aan zijn haren voortgesleept.65 Ook is er soms gekrast in de tijdsaanduidingen ten teken dat het gebeuren de deposanten niet meer zo scherp voor de geest stond.66 Andere attestaties bevatten tussenvoegingen van allerlei feitjes die de getuigen in eerste instantie blijkbaar waren ontschoten. De notaris speelde bij dit alles geen louter passieve rol. Hij maakte van een getuigenverklaring een juridisch bruikbare attestatie. Dit deed hij enerzijds door het relaas van kop en staart te voorzien en de verklaring aan de wettelijke vormvereisten te laten voldoen. Anderzijds woog hij de inhoud voortdurend en stelde hij vragen om het verhaal zo goed mogelijk te doorgronden. Het ging er daarbij vaak niet zozeer om de ‘waarheid’ te achterhalen, maar om het meest waarschijnlijke verhaal op papier te krij62 RAL, ONA, inv.nr. 1030, nr. 33 (12-2-1665). Vgl. Catterall, ‘Scots migrant identity’, 48. Zie voor deze zaak ook hoofdstuk 2 par. 2.4.3. 63 Idem, inv.nr. 968, nr. 85 (9-2-1668). 64 Idem, inv.nr. 776, nr. 461 (17-12-1665). 65 Het is in dit geval overigens niet ondenkbaar dat de vernedering te pijnlijk was voor Huijbrecht. Normaliter werden alleen vrouwen aan hun haren over straat getrokken (RAL, ONA, inv.nr. 776, nr. 19 (22-1-1665)). 66 Zie bijvoorbeeld, RAL, ONA, inv.nr. 1047, nr. 29 (10-6-1667).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 185

6.2 attestaties

185

gen. De bedoeling van de attestatie was immers om duidelijk te maken dat de rekwirant geen schuld had aan een of ander incident of om uit te laten komen dat hij of zij te goeder trouw had gehandeld. Dit kon door zaken ten nadele van de rekwirant selectief te verzwijgen, zijn goede naam te onderstrepen of juist te wijzen op de slechtheid van de tegenpartij. Dit alles maakte de verklaring niet onwaar; ze kon altijd onder ede worden bevestigd. De notaris masseerde alleen de getuigenverklaring in een voor de rekwirant zo gunstig mogelijke vorm. Daar betaalde de rekwirant hem ook voor. Hij of zij had de notaris ingepast in zijn strategie om eerherstel te verkrijgen.67 Welke zaken komen in getuigenverklaringen zoal aan de orde? In de eerste plaats alles waar een fatsoenlijk mens niets mee te maken wilde hebben, zoals geweldplegingen, beledigingen, buiten- of voorechtelijk geslachtsverkeer en diefstal.68 Ook wanbetalingen, fraude en ruzies over erfenissen kwamen voor. Om in alle akten enig overzicht aan te brengen, zullen deze net als de gegevens uit de eerder besproken kerkenraadsnotulen worden verdeeld in rubrieken. Voor een deel wordt teruggegrepen op dezelfde categorieën als in het vorige hoofdstuk, te weten ‘persoonlijke levenswandel’ en ‘huwelijk en zedelijkheid’. Kerkelijke zaken kwamen echter niet bij de notaris aan de orde, terwijl omgekeerd zakelijke meningsverschillen niet door de kerkenraadsleden besproken werden. Vandaar dat de rubriek ‘contracten en afspraken’ wordt toegevoegd.69 Attestaties konden ook worden gebruikt om bijvoorbeeld te verklaren dat iemand geen besmettelijke ziekte had. Verder toonden leerlingen in bepaalde ambachten met behulp van een getuigenverklaring aan dat ze de verplichte leertijd hadden voltooid. Anderen lieten een attestatie opstellen om aan te geven dat een schip was aangekomen of dat een bepaalde sloot al lang niet meer was uitgebaggerd. Blijkbaar wilden zij bepaalde twijfels die bij een niet nader genoemde partij waren gerezen, wegnemen. De precieze aanleiding is echter niet altijd duidelijk omdat deze niet in de attestaties is opgenomen en een juridisch vervolg vaak ontbreekt. Wellicht lag er een bestaand geschil aan ten grondslag of anticipeerde een rekwirant op toekomstige moeilijkheden. Zo kon iemand met een attestatie in de hand laten zien dat hij in weerwil van allerlei roddels of beledigingen geen builenpest had. Maar een dergelijke verklaring kon ook vereist zijn om ten tijde van een pestepidemie buiten de stad zaken te mogen doen.70 Dergelijke niet nader te duiden attestaties zijn opgenomen in een aparte categorie ‘overig’ en zullen in dit hoofdstuk verder onbesproken blijven.
67 Deze praktijk staat haaks op de instructies van de achttiende-eeuwse schrijver van notarisboeken Lybrechts. Hij vond dat notarissen niet alleen het getuigenis van de deposanten hoorde te noteren, maar dit ook moesten onderzoeken om waarheid van leugens te onderscheiden. De notariseed droeg een notaris ook op om geen frauduleuze akten op te stellen (Zie Lybreghts, Redenerend vertoog over ’t notaris ampt, 213,214; vgl. de notariseed in: RAL, SAII, inv. 43, p. 78v). De praktijk was anders (vgl. Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 374-375; Davis, Fiction in the archives, 21-23, 111). 68 De omschrijving ‘het gansche ruige leven der voorvaderen’ spreekt in dit verband boekdelen (Pitlo, Notarisboeken, 249). Zie ook Gehlen, Notariële akten, 166. 69 Voor een verdere specificering van de rubrieken: zie hoofdstuk 1, par. 1.2.2 (tabel 1.1). Verklaringen van goed gedrag worden in de rubriek ‘persoonlijke levenswandel’ geplaatst. 70 Noordegraaf & Valk, De gave Gods, 147-149. Veel Leidse kooplieden lieten door de burgemeesters een verklaring opstellen dat ze niet aan de pest leden (vgl. RAL, SAII, inv.nr. 155, bijv. 28-8-1664; 1-9-1664; 3-9-1664; 8-9-1664; 10-9-1664; 12-9-1664; 13-91664; 14-9-1664; 15-9-1664; 17-9-1664). Anderen deden dit bij een notaris (vgl. RAL, ONA, inv.nr. 904, nr. 94 (13-8-1664); nr. 99 (26-8-1664)).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 186

186

6 het notariaat

Tabel 6.5

Verdeling van de kwesties in de onderzochte notariële attestaties, met tussen haakjes het aantal vervolg attestaties in dezelfde zaak (1664-1668) N 125 (37) 29 (13) 162 (31) 164 (54) 480 (135) % 26 6 34 34 100

Categorie Persoonlijke levenswandel Huwelijk en zedelijkheid Contracten en afspraken Overig Totaal

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

Natuurlijk valt op deze indeling het nodige af te dingen. Attestaties worden op deze manier niet naar ‘aanleiding’ gerubriceerd. Sommige zaken lijken alleen over beledigingen te gaan, terwijl er heel goed een erfrechtelijk geschil of een burenkwestie aan ten grondslag kan liggen. Andere attestaties belanden in de restrubriek, terwijl ze eigenlijk in één van de andere drie categorieën ondergebracht hadden moeten worden. Maar zoals al is aangegeven, kan lang niet voor alle attestaties de toedracht worden achterhaald. Daarom zal veiligheidshalve worden uitgegaan van de feitelijke tekst van een attestatie. Wanneer in bijvoorbeeld processtukken een ander licht op de zaak wordt geworpen, zal dat worden aangegeven. 6.2.2 Persoonlijke levenswandel
Tabel 6.6 Verdeling van de kwesties in de onderzochte attestaties (1664-1668) waarin moeilijkheden op het gebied van de persoonlijke levenswandel naar voren komen, in personen (T), mannen (M) en vrouwen (V), en het aantal zaken (N). Tussen haakjes het aantal vervolgattestaties in deze rubriek. Personen 1664-1668 Rekwirant M V T 49 13 62 15 5 20 1 2 3 18 1 19 16 11 27 99 32 131 Zaken Tegenpartij M V 46 17 19 1 1 2 19 2 Nvt Nvt 85 22 T 63 20 3 21 Nvt 107 N 58 (11) 19 (6) 3 (2) 19 (11) 26 (7) 125 (37) % 46 15 2 15 21 100

Categorie

Belediging Geweld Diefstal Fraude Verklaring goed gedrag Totaal

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

Belediging Een belediging die voor derden was te horen, was bij uitstek een incident waar een rekwirant niet om heen kon. Bijna de helft van alle attestaties op het gebied van de persoonlijke levenswandel had betrekking op beledigingen, al dan niet in combinatie met

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 187

6.2 attestaties

187

geweld. Een goed getimede scheldpartij kwam neer op een openbare vernedering. Wie daar niet goed op reageerde, ging over de tong en raakte zijn of haar goede naam kwijt en alles wat daaraan vastzat.71 Zo ging over turfdrager Philips Thomasz. de Roo in 1666 het verhaal dat hij tijdens zijn werk een keer een zilveren beker gestolen had.72 Aanleiding genoeg voor schoolmeester Benjamin om in de kroeg andere turfdragers te vermanen niet meer met Philips samen te werken. De slechte reputatie van Philips zou volgens de schoolmeester alle turfdragers hun goede naam kosten wanneer zij zich niet van hem distantieerden. Een en ander heeft veel weg van het zogeheten ‘vuilverklaren’ of uitsluiten dat ook in de textielsector, bijvoorbeeld bij droogscheerders, gebruikelijk was.73 Overigens toont de attestatie tegelijk aan, dat de redenatie van meester Benjamin in dit geval niet opging. De getuigenverklaring was afkomstig van collega’s van Philips die zich hiermee achter hem schaarden. Ze suggereerden bovendien dat uitsluitend de schoolmeester achter de verspreiding van de geruchten zat.74 Een belediging kwam zelden zomaar uit de lucht vallen. Meestal was er het nodige aan vooraf gegaan, maar daar bieden attestaties nauwelijks een betrouwbaar zicht op. Zo blijft de relatie tussen schoolmeester Benjamin en Philips de Roo volstrekt onduidelijk. Soms kunnen de contouren van de toedracht tussen de regels worden gelezen, zoals in het geval van Huijch Cornelisz. van Trooijen. Deze pachter van de kolenaccijns liet een attestatie opmaken nadat hij door een kolenweger was uitgescholden voor een fielt [schooier of bedrieger] en een vagebond [zwerver, maar ook: schurk of deugniet]. Zelf ging Huijch echter ook niet helemaal vrijuit. Hij had de kolenweger gevraagd waarom hij geen aantekeningen bijhield van zijn metingen, zodoende opzichtig suggererend dat de man zijn werk niet goed deed en mogelijk zelfs fraudeerde. Daarop reageerde de kolenweger als door een wesp gestoken. Al zou Huijch vijfentwintig getuigen oproepen die iets tegen hem hadden, dan nog zouden de beschuldigingen gelogen zijn, aldus de kolenweger. Hij sprak steeds luider, knipte met zijn vingers en klapte in zijn handen, waardoor er veel mensen nieuwsgierig kwamen kijken. Pas toen kwam de kolenweger met zijn welgemikte scheldwoorden die de belastingpachter publiekelijk in zijn hemd deden staan. Of Huijch heeft teruggescholden, vertelt de attestatie niet.75 In een andere getuigenverklaring is sprake van een confrontatie tussen Huijch Cornelisz. van Trooijen en bakker Jacobus van Leeuwen. Daarin stelde de belastingpachter zich wél weerbaar op. Deze attestatie werd dan ook niet in opdracht van Huijch opgesteld, maar op orders van de schout, die een onderzoek had ingesteld naar de handel en wandel van Jacobus ten behoeve van een civiele rechtszaak. Het was daarom wellicht minder noodzakelijk de belastingpachter buiten schot te houden. Volgens de opge71 Over beledigingen in het vroeg-moderne Europa is inmiddels al veel geschreven. Een bescheiden greep uit het grote aanbod: Backman (red), Ehrkonzepte; Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 171-196; De Waardt, ‘De geschiedenis van de eer’; Roodenburg, ‘Eer en oneer’; Schreiner & Schwerhoff, Verletzte Ehre; het themanummer van het Volkskundig Bulletin nr. 18 (1992) en de daar genoemde literatuur. 72 Het ging in deze attestatie dus niet om de diefstal zélf als wel om de goede naam van De Roo en zijn collega’s die door het gerucht beschadigd werd. 73 Dekker ‘Arbeidsconflicten’, 73-75. 74 RAL, ONA, inv.nr. 1046, nr. 15 (12-2-1666). 75 Idem, inv.nr. 776, nr. 327 (6-9-1665).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 188

188

6 het notariaat

voerde getuigen vroeg de bakker op een avond in juli 1666 Huijch om een niet nader aangeduid betalingsbewijs, maar deze weigerde hem dat te geven. Jacobus beschuldigde hem daarop van corruptie. Na wat vergeefse pogingen om Jacobus uit zijn huis te zetten, greep de belastingpachter tenslotte naar een steekwapen. Daarop schoten de getuigen – zijn vrouw, het dienstmeisje en enkele buurtbewoners – op Huijch toe en hielden hem vast. Jacobus verliet vervolgens smalend het huis.76 Laatstgenoemde attestatie beschrijft stap voor stap hoe de confrontatie tussen Huijch en Jacobus steeds hoger oploopt en hoe uiteindelijk Huijch een wapen trok en de buurt moest ingrijpen om de vrede te bewaren. De bakker kreeg de schuld van de escalatie. Hij schoffeerde de belastingpachter in diens eigen huis en noemde hem ook nog met zoveel woorden corrupt. Huijch kon gewoon niet anders dan zijn huis en zijn naam met geweld verdedigen, althans, dat vertelden de getuigen. Enkele maanden ervoor had Huijch een proces tegen Jacobus aangespannen wegens fraude.77 Van te voren had hij al vier attestaties laten opmaken bij notaris Raven om de schuld van de bakker aan te tonen.78 Jacobus had toen teruggeslagen met twee attestaties bij notaris Van Scharpenbrant. Toen het tot een proces kwam, volgden nog drie notariële getuigenverklaringen van Jacobus. In de akten probeerde de bakker zijn onschuld aan te tonen. Hij liet getuigen onder meer verklaren dat hij zich verre hield van oneerlijke praktijken.79 Andere deposanten vertelden dat de administrateur van de molen niet altijd even betrouwbaar was en dat het wel vaker voorkwam dat merkjes op de graanzakken van elkaar afweken.80 Het proces kreeg uiteindelijk een open einde. Mogelijk had Jacobus naar aanleiding van de hiervoor beschreven attestatie een schikking getroffen met zowel de schout als de pachter.81 Wanneer een belediging met geweld gepaard ging, had de rekwirant meestal ook hier volgens getuigenverklaringen geen schuld aan. Het was altijd ‘de ander’ die met de moeilijkheden begon. Zo ook in het geval van Gillis Marcan en zijn vrouw Dina. Zij hadden, volgens de attestatie zonder enige noemenswaardige reden, ruzie gekregen met Cornelis Spranger en zijn echtgenote Sara. Sara was daarbij de zomerkeuken van de rekwirant binnengelopen en had daar Dina uitgemaakt voor een ‘meinedige caronje’, wat letterlijk trouweloos kreng betekende, maar waarmee ook bordeelhoudster of hoer kon zijn bedoeld. Ook noemde ze haar een ‘duivelin’. Maar daar bleef het niet bij. De vrouw vloog Dina aan en sloeg haar met haar vuisten in haar gezicht. Ondertussen daagde Cornelis Gillis zijn huis uit, hem uitmakend voor ‘klein duiveltje’ en ‘rotte

76 Idem, inv.nr. 778, nr. 230 (16-7-1666). 77 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 271v (5-3-1666). Op 1 juli 1666 besloten de schepenen de zaak in advies te houden. 78 RAL, ONA, inv.nr. 777, nr. 375 (26-9-1665), 449 (7-12-1665), 456 (17-12-1665), 461 (17-12-1665). 79 Idem, inv.nr. 1099, nr. 196 (13-1-1666), 195 (15-1-1666). 80 Ibidem, nr. 100 (21-6-1666), 99 (21-6-1666) en 97 (24-6-1666). Een teller is ‘iemand wiens taak of beroep het is zekere personen of zaken te tellen, in ‘t bijzonder met ‘t oog op heffing van rechten’. (WNT). 81 Helaas bestaan voor Leiden geen zogenaamde ‘schoutsrollen’, zoals deze in het Amsterdamse gemeentearchief te vinden zijn. Daarin staan onder meer schikkingen vermeld. Vgl. Van de Pol, Amsterdams Hoerdom, 241-244; Faber, Strafrechtpleging en criminaliteit, 34-36, 265-267; Hovy, ‘Schikking in strafzaken’, 413-429. Op 5 april 1667 werd Van Trooijen overigens geschorst van het avondmaal wegens faillissement (RAL, KNGK, inv.nr. F1808 (5-4-1667)).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 189

6.2 attestaties

189

hond’. Tegelijk trommelde hij op de deur van de zomerkeuken.82 De aanleiding voor het geschil staat te lezen in twee later opgestelde attestaties. Dina had vernomen dat de dienstmeid van Cornelis aan de Spaanse pokken of syfilis was overleden en dat ze die in Cornelis’ huis had opgelopen. Blijkbaar had ze deze roddel verder verspreid en kwamen Cornelis en Sara verhaal halen. Cornelis werd immers in bedekte termen van betrokkenheid beschuldigd. In een van de attestaties voerde Dina de zus van de overleden dienstmeid op als de bron van het verhaal. Daarmee was de zaak kennelijk afgedaan. Tot een proces kwam het in ieder geval niet.83 In de attestaties over beledigingen komen honderdveertien scheldwoorden voor. Deze werden zoveel mogelijk in het openbaar uitgesproken, waardoor de impact het grootst was.84 Meer dan de helft van de beledigingen vond op straat plaats. Maar ook de beledigingen die in huis werden geuit, bijna vijftien procent van alle gevallen, waren vaak voor veel buren te horen. Dit blijkt wel uit het aantal deposanten dat hierover verklaringen kon afleggen.85 Het publiek was dus meestal groot. Daardoor waren de negatieve gevolgen voor de eer van het slachtoffer navenant.86 Toch konden beledigingen volgens D. Garrioch ook een positieve bedoeling hebben. Ze dienden in zijn ogen om opgebouwde spanningen opzettelijk te laten escaleren en interventie door de buurt uit te lokken voordat het tot een rechtszaak zou komen.87 In de onderzochte attestaties slaagde deze opzet niet. De geschillen werden inderdaad op de spits gedreven, maar een oplossing door de buurt bleef uit. Een getuigenverklaring was dan een middel om de druk te verhogen. Het is overigens de vraag of de beledigingen die in de notariële attestaties werden aangetroffen tot doel hadden een proces te voorkomen. Een en ander zou een vergaand calculerend vermogen veronderstellen. Impulsief gedrag uit zorg om de eigen reputatie mag niet worden uitgesloten.88 De gebruikte scheldwoorden waren over het algemeen vaag en verwezen slechts naar onaanvaardbaar gedrag in het algemeen. Hierdoor lijken het vaak willekeurige uitingen van kwaadheid en minachting. Zo maakte turfdrager Pieter Burger zijn collega Jan van Noot achtereenvolgens uit voor ‘schelm’, ‘flikflooier’ [praatjesmaker], ‘guit’ [leegloper of schooier] en ‘korfdrager’ [verklikker of aanbrenger]. Toch waren de woorden van een scheldkanonnade zelden zomaar gekozen.89 Pieter had bij een klant geweigerd om turf naar diens zolder te dragen, terwijl Jan daar wel toe bereid was. Jan was dus zijn collega afgevallen en wekte de indruk het werk van Pieter af te willen pakken.90
82 RAL, ONA, inv.nr. 778, nr. 30 (31-1-1666). Cornelis Gillis maakte lawaai, mobiliseerde de buurt en dwong zo zijn tegenstrever om te reageren. Merk op dat de deur van een huis beschouwd werd als een verlengstuk van de bewoner. Het bewerken van de deur was dan een indirecte manier om de bewoner te treffen. Vgl. Dinges, Maurermeister, 316. 83 Idem, nr. 43 (9-2-1666); inv.nr. 779, nr. 468 (8-2-1666). 84 Van de zevenenzeventig beledigingszaken (dus inclusief die uiteindelijk met geweld gepaard gingen) vonden er 39 op straat plaats, 14 in huis, 4 in de kroeg en 2 onder werktijd in bedrijven. In 18 attestaties bleef de plek des onheils ongenoemd. 85 Het aantal deposanten dat inzake belediging een verklaring aflegde lag 25% hoger dan het gemiddelde van alle categorieën (gemiddeld was 1,97 deposanten per attestatie; bij beledigingen was dat 2,45). 86 Broers, Beledigingszaken, 90,220; Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 378-380; Van de Pol, ‘Prostitutie’, 183. 87 Garrioch, ‘Verbal insults’, 115-116. Vgl. Leuker, ‘Schelmen’, 324-325. 88 Vgl. Dinges, Maurermeister, 350. 89 Vgl. Idem, 230. 90 RAL, ONA, inv.nr. 964, nr. 18 (7-2-1664).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 190

190

6 het notariaat

De tautologisch gebruikte beschimpingen benadrukten Pieters minachting voor Jan en zetten de verdachtmakingen kracht bij. De turfdrager sloot bovendien aan bij de gangbare traditie om mannen te beschuldigen van professioneel wangedrag. De meest gebruikte scheldwoorden aan hun adres waren ‘schelm’ en ‘dief’.91 Varianten als ‘fielt’ en ‘guit’ hadden dezelfde betekenis. Dergelijke woorden trokken iemands kredietwaardigheid in twijfel en konden zodoende zijn reputatie schaden. Ook de uitdrukking ‘vagebond’ duidde in die richting. Hieraan zat bovendien het aspect van financieel onvermogen. Slechts in een enkel geval werden mannen direct in hun seksuele eerbaarheid aangetast. De term ‘hoerenwaard’ trok de kuisheid van iemands vrouw in twijfel. Deze vormde zodoende een andere component van de mannelijke eer. ‘Hoerenjager’ verwees naar overspelig gedrag van de man zelf.92
Tabel 6.7 Veel gebruikte scheldwoorden tegen mannen in de attestaties van vier Leidse notarissen (1664-1668). Opgenomen zijn woorden die meer dan twee keer gebezigd werden in de onderzochte getuigenverklaringen. N 19 16 5 5 3 3 Scheldwoord Fielt Varken Hoerenwaard Hoerenjager Verrader Waal N 2 2 2 2 2 2

Scheldwoord Dief Schelm Guit Duivel Hond(svot) Vagebond

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

Opvallend is dat men in beledigingen zelden of nooit naar lichamelijke gebreken of bepaalde bijzondere fysieke kenmerken verwees. Deze hadden blijkbaar geen grote invloed op iemands eer. Schimpscheuten die naar een ontsiering of een handicap verwezen, vielen bovendien moeilijk te ontkrachten. Het ging bij beledigingen zodoende om iemands moraal, niet zozeer om het uiterlijk.93 Het scheldwoord ‘varken’ moet ook in dit licht worden gezien. Een varken symboliseerde luiheid, maar ook morsigheid en onzindelijkheid.94 Vaak verwees het woord naar dronkenschap en daarmee op het onvermogen tot werken. ‘Waal’ duidde op een nukkig persoon, die boers en moeilijk in de omgang was. Volgens de Nederlandse Spectator stond het begrip in Leiden zelfs voor alle fouten en gebreken die iemand verachtelijk of bespottelijk maakten.95

91 Zie onder meer Broers, Beledigingszaken, 144-151 (m.n. 147,148); Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 180,188; Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 67-75; Roodenburg, ‘Eer en oneer’, 132-135. 92 Gowing vond in Londen geen seksueel getinte scheldwoorden voor mannen (Gowing, Language, power and the law’, 30). 93 Spierenburg, ‘Masculinity’, 6. Vgl. echter Walz, Hexenglaube und magische Kommunikation, 431. 94 Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 71. 95 Anonymus, ‘Nescio’, 27.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 191

6.2 attestaties

191

Tabel 6.8

Veel gebruikte scheldwoorden tegen vrouwen in de attestaties van vier Leidse notarissen (1664-1668). Opgenomen zijn woorden die meer dan twee keer gebezigd werden in de onderzochte getuigenverklaringen. N 17 3 Scheldwoord Caronje Toveres N 2 2

Scheldwoord Hoer Hoerenwaardin

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

De variatie in het beledigen van vrouwen was minder groot. Het meest gebruikte scheldwoord was ‘hoer’, al dan niet in combinaties als ‘dronken hoer’, ‘bankroetierse hoer’ of ‘dubbele hoer’. Ook ‘caronje’ had de betekenis van ‘hoer’. Met deze beschimpingen werd de goede naam van de vrouw, uitgedrukt in haar seksuele betrouwbaarheid, in twijfel getrokken.96 Een enkele keer werden vrouwen voor ‘toveres’ uitgemaakt. Toveressen waren het tegenovergestelde van goede moeders. Volgens de gangbare opvattingen aten ze kinderen, vergiftigden ze oogsten en maakten ze andere vrouwen onvruchtbaar. Het woord ‘toveres’ had vaak betrekking op oude vrouwen; jonge vrouwen werden doorgaans voor ‘hoer’ uitgemaakt.97 Inderdaad was weduwe Jannetje Teljeur al op leeftijd toen ze op drie augustus 1664 door Jacob Hetgen ‘toveres’ werd genoemd.98 Haar dochter zou een ‘hoer’ zijn en hoerenkinderen hebben. De aangevoerde reden voor deze beschimping was dat Jannetje Jacob nog zeshonderd gulden schuldig was en dat bedrag kennelijk niet op dat moment wilde terugbetalen.99 Ene Pieter schold een andere weduwe voor ‘toveres’ uit omdat ze iemand toestemming had gegeven om in een sloot tussen haar bedrijf en dat van zijn baas te vissen. In beide gevallen had het gebruikte scheldwoord ‘toveres’ geen duidelijk verband met de beschreven aanleiding. Het woord duidt daarom vermoedelijk net als ‘hoer’ op het vertonen van onfatsoenlijk vrouwelijk gedrag in het algemeen. Overigens waren deze getuigenverklaringen in opdracht van de weduwen opgesteld. Hierdoor kan niet goed worden uitgemaakt of er inderdaad geen verdenkingen van toverij in het spel waren.100 Beledigingen konden eveneens non-verbaal worden geuit. Een deurwaarder stak bijvoorbeeld zijn tong uit tegen doctor medicinae Jehu Waart toen hij de medicus insinuerend vroeg hoeveel meisjes hij had.101 Hij beschuldigde Jehu er impliciet van een hoerenwaard en daarmee eerloos te zijn. De tong duidde op een spottende afkeer daar96 Zie onder meer: Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 186-188; Idem, Maurermeister, 240-246; Gowing, ‘Language, power and the law’, 29; Roodenburg, ‘Eer en oneer’, 132-135; Van de Pol, ‘Prostitutie’, 190; Garrioch, ‘Verbal insults’, 112. 97 Spierenburg, De verbroken betovering, 133. Een combinatie van ‘hoer’ en ‘toveres’ kwam ook voor in scheldpartijen (De Blécourt & Peereboom, ‘Betichting en vermaning’, 115). 98 Haar precieze leeftijd is niet meer te achterhalen, maar ze trouwde in 1622. Bij een gemiddelde huwelijksleeftijd van 25 jaar, zou ze dus de vijfenzestig inmiddels gepasseerd kunnen zijn. 99 RAL, ONA, inv.nr. 904, nr. 87 (3-8-1664). 100 Gijswijt-Hofstra benadrukt dat het woord toveres in de loop van de zeventiende eeuw steeds meer een algemene negatieve lading kreeg en minder direct verwees naar iemands vermeende vermogen tot toveren (Gijswijt-Hofstra, ‘Hoofdlijnen en interpretaties, 256-279). 101 RAL, ONA, inv.nr. 776, nr. 182 (28-5-1665).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 192

192

6 het notariaat

voor.102 De zoon van Jan le Koer stak eveneens zijn tong uit, maar liet daarbij ook nog zijn achterwerk zien. Slachtoffer van deze beschimping was Jacob Wiers die volgens een attestatie hard was uitgevallen tegen de hond van Jan toen deze een van zijn kalkoenen probeerde te verschalken.103 De actie van de zoon diende om de eerloosheid van Jacob te benadrukken. Het onderlichaam gold als symbool van schande en schaamte.104 Een ander voorbeeld van non-verbale belediging kwam van Sara de Witte. Zij vroeg enkele jongens en meisjes de ramen van brandewijnverkoopster Catharijna Hemansd. in te gooien en burengerucht te maken. Wat ze precies tegen de vrouw had, is niet bekend. Volgens de getuigen zei ze dat de brandewijnverkoopster of haar dochter haar te schande had gemaakt. De kinderen durfden niet op haar verzoek in te gaan uit angst om thuis straf te krijgen en vertelden alles aan hun moeders. Daarop vroeg Sara ook hen of ze Catharijna eens flink wilden uitmaken voor alles wat mooi en lelijk was. De moeders bedankten echter en brachten Catharijna op de hoogte, die uiteindelijk de attestatie liet opstellen.105 Mannen lieten vaker een attestatie naar aanleiding van een belediging opstellen dan vrouwen. Zowel de daders als de slachtoffers in de getuigenverklaringen waren overwegend mannelijk. Vandaar ook dat in iets meer dan de helft van de attestaties sprake was van een mannelijke rekwirant en een mannelijke dader.106 Wat minder vaak, in vijfentwintig procent van de gevallen, stond een mannelijke rekwirant tegenover een vrouwelijke dader. In dertien procent van de attestaties waarin beledigingen centraal staan, werd een vrouwelijke rekwirant belaagd door een man en in negen procent door een vrouw. De cijfers zijn opmerkelijk. In kluchten en blijspelen waren het hoofdzakelijk de vrouwen die zich bezighielden met beledigingen, schelden en roddelen.107 Zij lijken dus ondervertegenwoordigd in de cijfers van tabel 6.6. Mannen wisten beter de weg naar de notaris te vinden. Vrouwen betaalden hun tegenstanders bij een belediging veeleer met gelijke munt terug.108 Overigens kan hier nog worden opgemerkt dat in bijna een kwart van de attestaties die in opdracht van een mannelijke rekwirant waren opgesteld ook sprake is van beledigingen aan het adres van zijn vrouw. Dit is enerzijds een teken dat aantasting van de vrouweneer ook de reputatie van de man raakte. Anderzijds geeft het aan dat vrouwen over het algemeen hun eer in geval van een juridische procedure of de voorbereiding daarop door hun man lieten vertegenwoordi102 Zoals al is opgemerkt was de eer van de man afhankelijk van de kuisheid van zijn vrouw. Mannen die met prostitutie te maken hadden, bezaten geen eer. Vgl. Van de Pol, ‘Prostitutie en de Amsterdamse burgerij’, 203. 103 RAL, ONA, inv.nr. 780, nr. 199 (30-6-1667). 104 Van de Pol, ‘Prostitutie’, 185. Vgl. Dinges, Der Maurermeister, 379-382. 105 RAL, ONA, inv.nr. 778, inv.nr. 101 (31-3-1666)); idem, invr. 779, inv.nr. 463 (15-3-1666). Waarschijnlijk meende Sara dat Catharijna haar nog geld schuldig was. In de dingboeken is sprake van een ‘oppositie so van gijseling als executie’ van Catharijna uit dezelfde periode. Gedaagde is notaris en procureur Cornelis Berendrecht die mogelijk niet namens zichzelf, maar als procureur van een ander optrad (RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 271 (23-3-1666)). Daarnaast kan er nog iets anders hebben gespeeld. Het ingooien van ramen bij vrouwen was in Londen een symbolische daad om aan te geven dat zij een bordeel dreven (Gowing, ‘Language, power and the law’, 32). 106 Namelijk in 52% van de gevallen. 107 Zie voor deze rol van vrouwen in de buurt o.m. Dekker, ‘Women in revolt’, 349. Zie verder Leuker, ‘Schelmen’, 333. 108 De situatie in Amsterdam was op dit punt niet veel anders: zie Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 374. Dinges constateert iets dergelijks voor Parijs (Idem, Maurermeister, 371-373). Vgl. Leuker, ‘Schelmen’, 333.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 193

6.2 attestaties

193

gen.109 Dit verklaart tegelijk het hoge aantal weduwen onder de rekwiranten, namelijk bijna tien procent. Zij hadden geen man meer die voor hen een proces kon aanspannen en moesten dus zelf stappen in die richting ondernemen. De rekwiranten van wie het beroep bekend is, vormden een gemêleerd gezelschap van nauwelijks vermogende turfdragers en lakenwerkers tot en met gegoede brouwers en universitair geschoolde artsen. Hetzelfde kan worden gezegd van hun opponenten. Veruit het grootste deel behoorde echter tot de middenklasse en was economisch zelfstandig.110 De betrokkenen waren voor hun klandizie afhankelijk van de buurt en daarmee van hun reputatie onder buurtbewoners. Zij hadden er het meeste baat bij om hun eer desnoods tot het uiterste te verdedigen. De juridische weg werd blijkbaar door hen de meest zinvolle geacht. Het duel als oplossing was weinig populair – behalve onder studenten – en het vechten met messen gold vooral als een gebruik onder de laagste sociale klassen waarmee zij niet geïdentificeerd wensten te worden.111 Verder bevonden zich onder de rekwiranten een zevental studenten. Zij waren mondig, vermogend en goed bekend met het juridische systeem. Dat is te zien aan het feit dat zij geregeld meer dan één attestatie naar aanleiding van een incident lieten opstellen. Geen van hen is overigens terug te vinden in het archief van de Leidse academische vierschaar, de jurisdictie waaronder zij kort na de oprichting van de universiteit vielen.112 Geweld Geweld aan personen had vaak de vorm van een non-verbale belediging, ook al was van een begeleidende scheldpartij geen sprake. Het beschadigen van iemands lichaam deed evengoed afbreuk aan zijn of haar reputatie.113 Daarbij ging het niet uitsluitend om het slaan, schoppen of steken van personen. Ook geweld tegen accessoires als hoeden, pruiken en sjaals kwam voor. Deze voorwerpen waren nauw verbonden met het lichaam en hadden daardoor een symbolische waarde. Ze representeerden iemands hele persoon. Niet toevallig was vaak het hoofd het mikpunt. Dit lichaamsdeel was goed zichtbaar, makkelijk te raken, vitaal en stond symbool voor iemands hele per109 Dat moesten ze ook volgens de gangbare normen. Vgl. Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands regt, I,3; De Groot, Inleidinge, I.3,8. Merk op dat Van Aert in haar artikel over de juridische handelingsbekwaamheid van vrouwen allerlei notariële akten bestudeert, behalve attestaties (Van Aert, ‘Tussen norm en praktijk’, 34-37). 110 Van 62% van de rekwiranten in deze categorie is het beroep bekend, bij hun opponenten ligt dit percentage lager, namelijk op 39%. Onder de rekwiranten bevonden zich 3 bakkers, 3 loodgieters, 2 turfdragers, 2 brouwers, 2 doctores medicinae, 2 lakenbereiders, 2 lakenwerkers, een lakenknecht, een bleekster, een bouwman, een brandewijnverkoper, een chirurgijn, een cipier van het Gravensteen, een garentwijnder, een greinreder, belastingpachter, korenkoper, een portier, een timmerman, een voetvolder, een waagmeester en een wijnkoopster. De opponenten bestonden voor zover kon worden nagegaan uit 2 bakkers, 2 loodgieters, 2 blekersknechten, 2 wagenmakers, 2 metselaars, een bode, een brouwer, een deurwaarder, een herbergier, een hoedenmaker, een huidenvetter, een kolenweger, een koopman, een kuiper, een lakenknecht, een schipper, een turfdrager, een schoolmeester en een voller. 111 Spierenburg, ‘Knife fighting’, 107. 112 Nationaal Archief, Vierschaar der universiteit te Leiden (3.03.06), inv.nr. 10-24, civiele dingboeken; met dank aan Martine Zoeteman voor het ter beschikking stellen van haar naamsindex op het archief van de academische vierschaar Leiden die zij heeft aangelegd ten behoeve van haar dissertatie over de Leidse studenten 1575-1812. 113 Spierenburg, ‘Knife fighting’, 116. Dit werd in contemporaine rechtsgeleerde literatuur ook wel als feitelijke belediging aangeduid (Broers, Beledigingszaken, 72,82).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 194

194

6 het notariaat

soon.114 Mannen kregen daarom nogal eens klappen tegen het hoofd en vrouwen werden vaak rond de ogen gekrabd.115 Het zogeheten ‘beksnijden’, het met een mes de mondhoek van een tegenstander tot in de wang opensnijden, kon in de onderzochte attestaties niet worden teruggevonden.116 Mannen gingen vooral met mannen op de vuist en vrouwen met vrouwen.117 Mannen werden geacht zichzelf en hun vrouwen te verdedigen. Zij mochten andermans vrouwen niet slaan en lieten dat dus over aan hun echtgenotes.118 Geweld van vrouwen tegen mannen was evenmin gebruikelijk. In de protocollen staan maar enkele voorbeelden. Maria Thonis bijvoorbeeld viel op een zekere dag, zonder duidelijke aanleiding, Mouring Pietersz. van der Aa aan en sloeg hem de deur uit.119 Daarmee beschadigde Maria vooral haar eigen reputatie. Zulk gedrag paste niet bij een vrouw. Dat Mouring niet had teruggeslagen sierde hem alleen maar. Het werd ook nadrukkelijk in de attestatie opgenomen.120 Alleen de vrouw van wijnkoper Gerrit Kamper kreeg de nodige klappen van twee niet nader genoemde deurwaarders toen ze in oktober 1664 om acht uur ’s avonds met een fles wijn over straat liep. De heren rukten haar het schortekleed van het lijf en zeiden: ‘Komt u hoer, wij weten nu weg met u’. Naar de motieven van de heren moet weliswaar worden gegist, maar zeker is dat het gedrag van de vrouw aanstootgevend en verdacht was.121 Gerrit Kamper had dan ook vier attestaties nodig om uit te leggen waarom zijn vrouw zich op dat tijdstip zonder zijn gezelschap met een kan wijn op straat had begeven.122 Gewelddadigheden werden veruit het meest door mannen bedreven. In vijf procent van de getuigenverklaringen in de categorieën ‘geweld’ was sprake van handtastelijkheden door vrouwen. Het geweld was bovendien zoals al is opgemerkt vrijwel altijd tegen mannen gericht. Maar vijf rekwiranten waren vrouw. Eén van hen was weduwe, één vrijgezel en drie waren gehuwd. Het ging daarbij net als in de rubriek ‘beledigingen’ niet om representanten van de rafelrand van de Leidse samenleving – die lieten geen attestatie opstellen – maar om economisch zelfstandige personen uit de middenklassen. Van iets meer dan de helft van de betrokken rekwiranten staat het beroep in de attestaties vermeld. De ‘tegenspelers’ zijn nog wat kariger omschreven.123 Net als bij de categorie ‘beledigingen’ waren studenten ruim vertegenwoordigd onder de rekwiran-

114 Dinges, Maurermeister, 342. 115 Bv. RAL, ONA, inv.nr. 1044, nr. 27 (17-4-1664). 116 Wel is sprake van (dreigen met) beksnijden in een attestatie in de procollen van een andere notaris (RAL, ONA, inv.nr. 986, nr. 76 (20-6-1667)). Vgl. Van de Pol, ‘Prostitutie’, 197. 117 Vgl. Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 81. 118 Spierenburg, ‘Knife fighting’, 117-118; Dinges, Maurermeister, 372-373. 119 RAL, ONA, inv.nr. 1048, nr. 88 (30-11-1668). 120 Vgl. Dinges, Maurermeister, 371. 121 Vgl. Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 183-184. Zie ook Tlusty, ‘Crossing gender boundaries’, 185-197. 122 RAL, ONA, inv.nr. 775, nr. 477 (6-10-1664), 483 (8-10-1664), 488 (4-10-1664), 490 (11-10-1664). Kamper liet getuigen verklaren dat zijn woonhuis en zijn winkel zich op twee verschillende locaties in de stad bevonden en dat zijn vrouw tweemaal daags de winkel verliet om thuis haar kinderen van eten en drinken te voorzien. Vgl. Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 184. 123 Van hen was van 47% het beroep bekend.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 195

6.2 attestaties

195

ten en de tegenspelers. De studenten die van geweld werden beschuldigd, bleven overigens naamloos en konden daardoor niet in andere archieven worden nagekeken.124 Diefstal De subcategorie ‘diefstal’ is beperkt van omvang. Het vergrijp was in eerste instantie ook geen geschikte zaak voor de civiele rechter. Gedupeerden stapten daarom eerder naar de schout dan naar de notaris. De onderzochte protocollen bevatten maar vijf attestaties die met diefstal te maken hebben. De aanleiding voor het laten opstellen van de getuigenverklaringen is vaak niet duidelijk. Ze zijn geen van allen uitgemond in een proces. Alleen de aanleiding voor de attestatie van Anthonij Jansz. van der Heijde is vrij helder. Hij liet getuigen verklaren dat hij een zwart lakenkleed bij een niet nader genoemde kleermakersgezel korter had laten maken. Deze zou het kleed daarbij op zo’n manier hebben beschadigd dat hij zijn werk opnieuw moest doen. Niet lang daarna gaf de rekwirant hem een herkansing, want hij gaf ook een zwart greinen rok bij de gezel in bewerking. Vervolgens ging de kleermaker-in-opleiding er vandoor met zowel de lap als de rok.125 De attestatie diende dus om de rekwirant van het ruïneren van het kleed vrij te pleiten. Niet hij maar de gezel had slecht werk geleverd. De lap was bovendien buiten schuld van de rekwirant verdwenen, aldus de getuigen. In de zaken in deze rubriek was sprake van onverwachte onbetrouwbaarheid. Van bedelaars en ander gespuis kon zulk gedrag misschien worden voorzien, niet van gewone burgers of inwoners. Die hoorden recht door zee te zijn. Een dergelijke verwachting vloeide voort uit de afhankelijkheidsrelaties tussen stedelingen in het algemeen en buurtbewoners in het bijzonder. Stadsbewoners in de vroegmoderne periode waren in het dagelijks leven vaak in veel dingen aangewezen op wederzijdse hulp, met name in de eigen buurt.126 De al maar groeiende woonomgeving maakte dat dit gemeenschapsleven niet zozeer gebaseerd kon worden op een jarenlange bekendheid met elkaar, maar op het dagelijkse gedrag van mensen en de betrekkingen die zij onderhielden. Vandaar dat het de rekwiranten er alles aan gelegen was om zich van oneerlijke lieden te distantiëren. Deden zij dat onvoldoende, dan konden zij zelf ook als onbetrouwbaar bekend komen te staan en dat was funest voor de eigen reputatie. Eer was immers vooral een zaak van waarneming en toeschrijving door anderen.127 Fraude In de categorie ‘fraude’ ging het voor een belangrijk deel om het ontduiken van accijnzen door ondernemers. Het aantal belastingpachters onder de rekwiranten was hoog.
124 Het ging bij de rekwiranten om 3 studenten, 3 wijnkopers, 2 doctores medicinae, een herbergier, een lakenbereider, een schippersknecht, steenhouwer, viskoper en een vleeshouwer. De tegenspelers bestonden uit 4 studenten, 2 deurwaarders, 2 kooplieden, een bakker, een brandewijnverkoper, een doctor medicinae en een zilversmid. 125 RAL, ONA, inv.nr. 905, nr. 36 (24-3-1665). 126 Vgl. onder meer Roeck, ‘Neighbourhoods’, 195,196; Münch, ‘Kirchenzucht und Nachbarschaft’, 19. 127 Voorwaarde was wel dat het gedrag van de betrokken ‘discutabele’ lieden door voldoende mensen afgekeurd werd. Zie het eerder genoemde geval van de turfdragers die volgens een schoolmeester een collega moesten mijden vanwege diens slechte reputatie. De turfdragers dachten daar anders over. De verdenkingen bleken uiteindelijk alleen bij de schoolmeester te bestaan (zie noot 74).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 196

196

6 het notariaat

Zij hadden voor veel geld hun aanstelling gekocht en moesten leven van de winsten op de pachtsommen.128 Bij vermoedens van zwarte handel, kwamen ze in het geweer. Zo ook Huijch Cornelisz. van Trooijen die in zijn eerder genoemde strijd tegen de smokkelpraktijken van bakker Jacobus van Leeuwen in 1665 en 1666 maar liefst acht attestaties liet optekenen. Huich had ontdekt dat Jacob bij een molen ’s nachts zakken graan liet malen zonder dat deze in het tellersboek werden geregistreerd.129 Huichs collega was een jaar eerder op een andere molen een soort gelijke fraude op het spoor gekomen. Hij volstond met één attestatie. Als bewijs van zijn gelijk voerde hij de teller van de molen op die de fraude aan hem had doorverteld en die door twee molenaarsknechten voor een ‘kraaijer’ [verklikker] en een ‘schelm’ was uitgescholden. De fraudeurs hadden de teller bovendien laten weten dat ze de pachter het werk onmogelijk zouden maken, hoeveel controleurs hij ook zou sturen.130 Of de molenaarsknechten succes hadden met hun dreigement, is onduidelijk. In ieder geval zag de pachter af van een proces. De meeste rekwiranten wilden met hun attestaties fraude aan de kaak stellen. Maar in een paar gevallen was de rekwirant zelf van gesjoemel beschuldigd en probeerde hij met behulp van getuigen die aantijging te ontkrachten. Zijn eer was immers in het geding. Was er bij het niet betalen van schulden nog het vermoeden van mogelijk oneerlijk gedrag, bij fraude waren de verdenkingen ernstiger en was een attestatie zeker op zijn plaats. Zo liet koopman Steven Bartholomeusz. Stul zijn collega Lodewijck Brugman verklaren dat hij per ongeluk enkele balen wol was vergeten aan te geven aan belastinginner Cors Maeswijck. Want precies toen de impostmeester bij hem wegging, herinnerde hij zich ineens dat hij nog enkele balen wol had waar Cors nog niets van wist. Met Lodewijck sprak Steven toen af dat hij naar de belastingpachter toe zou gaan om hem de misser op te biechten. Lodewijck meende dat het dan wel goed zou komen. Maar gezien de attestatie bleek dit ijdele hoop. Mogelijk dat het na de gang naar de notaris toch nog goed kwam tussen beide heren; van een proces tussen hen kon niets worden gevonden.131 Net als bij alle voorgaande categorieën is ook hier het overgrote deel van de rekwiranten man. Meer dan de helft van hen was belastingpachter. Het andere deel bestond uit een verzameling van zelfstandige beroepen, te weten een loodgieter, twee schippers, een bakker, een brandewijnverkoper, een advocaat en een koopman. De vrouwelijke rekwirant was weduwe. De tegenspelers van de rekwiranten waren eveneens hoofdzakelijk mannen. Zij hadden bovendien vergelijkbare beroepen, zij het dat van de opponenten er maar één belastingpachter was.132 Onder de vrouwen bevond zich één ongehuwde dienstmaagd, de andere kon niet nader worden getraceerd.
128 Van Deursen, Kopergeld, 200-209; Dekker, ‘Corruptie’, 118; Idem, ‘Wij willen al den duijvel aff hebben’, 35. 129 RAL, ONA, inv.nr. 1045, nr. 33,34 (21-9-1665); Idem, inv.nr. 777, nr. 438 (12-11-1665), 440 (3-12-1665), 449 (7-12-1665), 456 (17-12-1665), 461 (17-12-1665); Idem, inv.nr. 778, nr. 225 (6-7-1666). 130 RAL, ONA, inv.nr. 774, nr. 108 (6-3-1664). 131 RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 142 (18-12-1665). Het ging Stul onder meer om enkele balen die direct aan verver Jan Pouwelsz. de Hoop waren geleverd (vgl. Ibidem, nr. 120 (5-11-1665), 121 (5-11-1665)). 132 Aangetroffen werden een bakker, een droogscheerder, een molenaarsknecht, twee schippers, een schippersknecht, een vleeshouwer en twee brandewijnverkopers.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 197

6.2 attestaties

197

Verklaring van goed gedrag Wanneer rekwiranten zich wilden distantiëren van een of andere aantijging aan hun adres, volstonden de meesten met een attestatie waarin zij getuigen een andere visie op het gebeuren lieten geven. Hieruit moest blijken dat ze niet gefraudeerd hadden, geen aanleiding hadden gegeven voor een scheld- of vechtpartij, etc. Niet zij, maar anderen droegen schuld. Rekwiranten konden het echter ook over een andere boeg gooien. Ze lieten dan door de deposanten juist hun goede naam benadrukken om aan te geven dat zij als eerlijke lieden helemaal niets met de beschuldiging te maken konden hebben. Zo probeerde koopman Leendert Otten van Stipriaen aan te tonen dat hij geen schulden meer had bij weduwe Tanneke Schellings. In een tweetal attestaties voerde hij getuigen op die verklaarden dat de weduwe haar boeken slecht bijhield. Een derde getuigenverklaring diende echter om aan te tonen dat Leendert een rechtschapen man was. Buren van de koopman deelden daarin mee dat zij nog nooit iets van hem hadden gezien of gehoord dat niet van een getrouw en eerlijk burger verwacht mocht worden.133 In deze attestatie ontbrak de financiële aanleiding en de figuur van de schuldeisende weduwe; het ging vooral om de eer van de koopman. De meeste verklaringen van goed gedrag hebben een minder duidelijk karakter. Dit komt omdat begeleidende attestaties waarin enig zicht op de zaak wordt geboden ontbreken en de getuigenverklaring zelf geen enkele achtergrond bevat. Hierdoor is het niet duidelijk of sprake is van een welwillende buur die voor de rekwirant zijn hand in het vuur wil steken of van iets anders. Wat te denken van een groep Leidenaren die buiten de Koepoort woonde en die in een attestatie vastlegde dat de portier van die stadspoort nog nooit zó dronken was geweest dat hij zijn werk niet kon doen.134 Een ander voorbeeld is de verklaring van enkele buren dat kroegbaas Jan Keijser helemaal geen onderdak biedt aan hoeren en dieven en dat Jan nooit met zijn vrouw heeft gevochten. Bewezen zij de rekwirant een burendienst in een geschil met een derde? Of hadden zij zelf de kroegbaas ten onrechte beschuldigd omdat hij overlast veroorzaakte? Hoe zit het met de kennissen van Frederick Limborch die bij de notaris ontkenden dat het stadsbestuur ooit geld op het hoofd van Frederick had gezet en dat zij aan de koopman niets dan eer en deugd bespeurden?135 Het lijkt in deze gevallen veeleer te gaan om een amende honorable, d.w.z. een terugname van een eerdere beschuldiging.136 Zo’n herroeping kwam op meerdere niveaus voor in de vroegmoderne geschilbeslechtingsdelta, van de arbitrage door buurtheren of gildenbesturen tot de vredemakers en de civiele schepenbank. Ook bij de notaris kon zo’n verklaring worden opgetekend. Een amende honorable had een min of meer voorgeschreven vorm, waarin degene die iemand beledigd had niet alleen de beschimping herriep, maar eveneens plechtig verklaarde de ander alleen te kennen als iemand van eer en

133 134 135 136

RAL, ONA, inv.nr. 906, nr. 14 (28-1-1666), 15 (28-1-1666), 16 (29-1-1666). RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 102 (8-10-1665). Idem, inv.nr. 776, nr. 154 (9-4-1665); ibidem, nr. 156 (11-5-1665). Zie hierover Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 369 en daar vermelde literatuur.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 198

198

6 het notariaat

deugd.137 Dit betekende een krachtig eerherstel voor de gedupeerde partij. Een notariële amende honorable genoot bovendien volkomen geloof en stond zwart op wit. Dit kon van belang zijn om eventuele hardnekkige achterklap die door de belediging was ontstaan of versterkt, te bestrijden. Ook Jan Abrahamsz. Ka trok bij de notaris zijn beschuldiging in dat Jan Isaacqs. Ka geld van hem had gestolen. Jan Abrahamsz. meldde erbij dat hij de aantijging onder invloed van drank had rondgestrooid.138 Er moet voor worden gewaakt om iedere notariële verklaring van goed gedrag als een amende honorable te beschouwen. Voor een aantal attestaties valt zo’n onderscheid om al genoemde redenen niet goed te maken. Het is daarom lastig om te bepalen in hoeverre de deposanten opponenten of juist medestanders van de rekwirant waren. Bij gebrek aan nadere gegevens worden daarom alle getuigenverklaringen waarin niemand expliciet van iets beschuldigd wordt en het alleen om de eer en de deugd van de rekwirant lijkt te gaan, onder de rubriek ‘verklaring van goed gedrag’ gerekend. Een nadere opsplitsing in ‘verklaring van goed gedrag’ en amende honorable moet achterwege blijven. Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat een kwart van deze ‘verklaringen van goed gedrag’ eigenlijk thuishoort in de tweede hoofdcategorie attestaties, namelijk die met betrekking tot ‘huwelijk en zedelijkheid’. Het gaat hierbij om verklaringen van buren over het huwelijksleven van de rekwirant. Cornelia van Belle bijvoorbeeld werd volgens buren regelmatig door haar man mishandeld. Ze liet daar, met het oog op een scheiding van tafel en bed, enkele attestaties over optekenen.139 Daarnaast liet ze nog een getuigenverklaring opmaken waarin buren vertelden dat ze met haar vorige echtgenoot wél altijd in alle rust en vrede had samengeleefd.140 Zij had, met andere woorden, zelf geen schuld aan haar slechte huwelijk, wat haar man ook mocht beweren. Ondanks dat de huwelijksproblemen van rekwiranten hieronder nader besproken zullen worden, zijn deze specifieke verklaringen van goed gedrag toch in de eerste categorie attestaties opgenomen. Hierdoor blijft de omvang van deze groep helder en kunnen de karakteristieken en de problemen die aan deze attestaties kleven, in één keer besproken worden. 6.2.3 Huwelijk en zedelijkheid Wat in het voorgaande over escalatie bij ‘beledigingen’ is geschreven, is in grote lijnen eveneens van toepassing op de categorie ‘echtelijk geweld’. Ook in de attestaties uit deze rubriek gaat het veelal om kwesties waarbij aanvankelijk gescholden werd en uit137 Van Leeuwen, Rooms-Hollands regt IV,37.1. Het ging om een revocatio en een declaratio honoris. Een deprecatio (een schuldbekentenis door de belediger die gericht was tot de beledigde, God of justitie) kon niet worden aangetroffen in de notariële amendes (Broers, Beledigingszaken, 122,123; Amerasinghe, Defamation, 172). 138 Letterlijke tekst: ‘Soo verclaerde hij comp[arant] mitsdien dat alle hetselve hij den voornoemde Jan Isaacqs heeft naergegeven is tegen de waerheijt ende dat hij comp[arant] bij gevolge van de voorn. Jan Isaacqs niet en weet te seggen als alle eer ende deucht, gelijck hij comp[arant] verclaerde hem altijt voor een eerlijc man gekent te hebben’ (RAL, ONA, inv.nr. 968, nr. 46 (8-61668)). 139 Idem, inv.nr. 776, nr. 185 (31-5-1665), 186 (4-5-1665). 140 Idem, nr. 208 (11-6-1665).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 199

6.2 attestaties

199

eindelijk rake klappen vielen. Het verschil is alleen dat de betrokkenen nu niet willekeurige buurtbewoners zijn, maar echtgenoten. Daarom dienden deze attestaties ook een ander doel. De getuigenverklaringen vormden de opstap naar een officiële scheiding van tafel en bed.141 Maar liefst eenderde van de rekwiranten wendde zich, toen de gang naar de notaris geen verbetering in de situatie had gebracht, tot de schepenen voor een ‘separatie’. In geen enkele andere categorie getuigenverklaringen lag dit percentage zo hoog. Het waren bovendien uitsluitend vrouwen die vanwege echtelijk geweld een attestatie lieten opstellen. Dit alles geeft aan dat de problemen de rekwiranten bijzonder hoog zaten. Het was bij een slecht huwelijk de norm om in de situatie te berusten.142 Maar het percentage maakt ook duidelijk dat vrouwen, mits ertoe gedreven, meer dan de analyse van de voorgaande hoofdrubriek deed vermoeden, in staat waren bij het behartigen van hun belangen de notaris te betrekken.143
Tabel 6.9 Verdeling van de kwesties in de onderzochte attestaties (1664-1668) waarin moeilijkheden op het gebied van huwelijk en zedelijkheid naar voren komen, in personen (T), mannen (M) en vrouwen (V) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes het aantal vervolgattestaties in deze rubriek. Personen 1664-1668 Rekwirant M V T 0 11 11 1 1 2 4 2 6 6 3 9 1 1 2 12 19 31 Zaken Tegenpartij M V 11 0 1 1 3 3 4 6 2 0 21 10 T 11 2 6 9 2 31 N 11 (7) 2 (1) 6 9 (5) 1 29 (13) % 38 7 21 31 3 100

Categorie

Echtelijk geweld Kwaadwillige verlating Overspel Vaderschapsactie/defloratie Doorgaan Totaal

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

Echtelijk geweld Net als bij attestaties die over beledigingen of geweld gingen, staan bij ‘echtelijk geweld’ vaak alleen de moeilijkheden zelf op schrift. De oorzaak van de problemen bleef meestal onbelicht. Soms was er overduidelijk drank in het spel, zoals in het in de inleiding van dit boek besproken geval van Louis de Sélandre en Anne l’Eschevin.144 Ook Hugo van Swieten was stomdronken toen hij op een avond in 1668 zijn kroegmaat uit de herberg mee naar huis nam. Toen zijn vrouw bezwaar maakte tegen dit onaangekondigde bezoek wierp Hugo haar op de grond, sloeg haar bont en blauw en beet haar toe dat hij zijn mes in haar hart zou omdraaien. Hij schold haar ook nog uit voor ‘hoer’. Buren ontzetten daarop de vrouw. Zij traden bovendien op als getuigen bij het laten vastleggen van de gebeurtenissen door notaris Raven. Daarbij wisten ze te vertellen dat
141 In de achttiende eeuw konden met attestaties ook echtgenoten op verzoek worden opgesloten (zie noot 45). 142 Zie Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 175-177, 215.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 200

200

6 het notariaat

Hugo vaak rond middernacht met vrienden uit de kroeg kwam. Het beschreven geval was dus op zijn minst exemplarisch, zo leken de getuigen te willen zeggen.145 In andere attestaties over huwelijkse twisten werd geen vermelding van dronkenschap gemaakt, wel van aanhoudend excessief verbaal en fysiek geweld.146 Dit laatste is geen toeval. Mannen mochten vrouwen niet slaan of op andere wijze wreed behandelen. Het was daarom volgens Hugo de Groot juridisch geoorloofd om bij aanhoudende agressie van tafel en bed te scheiden.147 En dus lieten de vrouwelijke rekwiranten die het niet meer met hun man uithielden, de getuigen vooral het gewelddadige gedrag van hun man benadrukken. Zo ook in het geval van metselaar Michiel Willemsz. en zijn vrouw Jannetje Andriesd. De buurtheer had hen na verhalen over mishandeling vier jaar eerder onderhands van tafel en bed gescheiden. Na enige tijd erkende Michiel die separatie niet langer en wilde hij weer bij zijn vrouw inwonen. Jannetje voelde daar niets voor en probeerde via de schepenen alsnog langs officiële weg de samenwoning te beëindigen. Getuigen beschreven Michiel als een dronkelap die zijn handen niet kon thuishouden. Het was, zo benadrukten de getuigen, voor Jannetje niet langer mogelijk om zonder gevaar met Michiel samen te leven.148 Bovendien bracht Michiel met zijn drankprobleem het huishouden in gevaar, zodat Jannetje in grote armoede zou zijn geraakt als ze al die jaren niet van haar man gescheiden zou hebben geleefd, aldus de deposanten.149 Naast de ernst van de genoemde mishandelingen speelde ook de openbaarheid van de echtelijke problemen een rol bij het opstellen van een attestatie. Weliswaar vond meer dan driekwart van de zaken binnenshuis plaats, maar gezien de hoge bevolkingsdichtheid in de stad en de geringe dikte van de binnenmuren, konden buren eenvoudig iedere ruzie meemaken.150 Dit blijkt natuurlijk allereerst uit het al aangehaalde feit dat zij steevast als deposanten in getuigenverklaringen optraden. Buren grepen ook vaak in zodra het geweld uit de hand dreigde te lopen. Ruzies tussen man en vrouw waren een schande voor de buurt, zoals ook uit de Leidse buurtreglementen blijkt. Op echtelijke mishandeling stond de forse boete van een ham of vijftig tot honderd stuivers.151 Ook familie kon tot ingrijpen overgaan. Zo schoot haar vader Geertruijt Drielanus te hulp,
143 Zie Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 171. Volgens Dinges duidt het relatief hoge aantal vrouwelijke rekwiranten in dit soort zaken op het belang van het huwelijk voor de sociale status van vrouwen (Dinges, Maurermeister, 135). 144 Zie hoofdstuk 1, par. 1.1.1 voor archiefverwijzingen. Vgl. Helmers, Gescheurde bedden, 226-230; Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 174; Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 197. 145 RAL, ONA, inv.nr. 782, nr. 541 (27-6-1668). 146 Wat niet wil zeggen dat er geen drank in het spel kon zijn (vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 174, 218-222). 147 De Groot, Inleidinge, I.5,20. Volgens Simon van Leeuwen was separatie van tafel en bed alleen toegestaan bij onverzoenbare haat en als de persoonlijke veiligheid in het geding was (Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands-regt I,15). Vgl. Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 180,201. 148 RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 17 (30-1-1665). 149 Idem, nr. 129 (28-2-1665). Voor meer details over deze zaak, zie hoofdstuk 2, par. 2.4.3. 150 Van de 11 verschillende attestaties waarin echtelijk geweld centraal stond (van rekwiranten die meerdere attestaties lieten opstellen is in dit verband alleen de eerste meegerekend), vonden er 8 in huis plaats, 2 op straat en van 1 attestatie is de locatie niet bekend. Zie in dit verband ook Helmers, Gescheurde bedden, 325-331; Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 173; Roodenburg, ‘De notaris en de erehandel’, 380-382. 151 Zie hoofdstuk 2, par. 4.3. Vgl. Schmidt, Overleven na de dood, 57-59; Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 170.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 201

6.2 attestaties

201

toen haar man haar had geslagen en op straat had gezet. De vader keerde echter op zijn schreden terug toen zijn schoonzoon hem met een mes en een tang te lijf wilde gaan.152 Maertje Gerritsd. van Poelgeest kreeg bijstand van haar vermoedelijk inwonende broer toen op een avond in mei 1666 haar man haar op haar hoofd had geslagen. Ook in dit geval moest de redder het ontgelden. Maertje rende ondertussen de straat op en schreeuwde: ‘Moord, moord’! De buren was de ruzie blijkbaar ontgaan, mogelijk omdat het stel pas in de buurt was komen wonen. Verbaasd vroegen ze wat er aan de hand was. Na haar uitleg vroeg een buurman zelfs verwonderd: ‘Wel, wie is dan uw man?’153 Kwaadwillige verlating en overspel Rekwiranten die op een formele echtscheiding of divortie aankoersten, voerden andere soorten huwelijksproblemen aan. Vrouwen lieten dan bijvoorbeeld vastleggen dat hun man hen kwaadwillig had verlaten, wat de enige erkende scheidingsgrond was naast overspel.154 Zo verklaarden de buren van Maertje Theunisd. in 1666 dat haar man tijdens de eerste Engelse Oorlog in alle stilte was verdwenen zonder iemand daarvan op de hoogte te stellen.155 Gewapend met deze attestatie vroeg Maertje vervolgens de civiele vierschaar om een echtscheiding. Er was volgens haar duidelijk sprake van kwaadwillige verlating. Maar de schepenen oordeelden anders en bijna een jaar later ontzegden zij Maertjes eis.156 Naar de beweegredenen van het forum moet worden gegist, aangezien de motivatie van het vonnis zoals steeds ontbreekt. Mogelijk had Maertje in de ogen van de schepenen onvoldoende geprobeerd informatie over haar man te verkrijgen; in de attestatie werd daar in ieder geval met geen woord over gerept.157 Maar niet alle getuigenverklaringen mondden uit in een proces. Ook niet in het geval van Johannes Pottensteijner die enkele malen door zijn vrouw verlaten werd. Overigens betreft het hier een uitzonderlijke zaak, omdat verlaters meestal mannen waren.158 De vrouw trok niet alleen bij Johannes weg, maar verbraste ook zijn boeken, textiel en ander huisraad. De deposanten wisten bovendien te vertellen dat zij haar man schopte en sloeg, uitschold en met een mes en een bijl bedreigde.159 De onderzochte getuigenissen over overspel leidden maar één keer tot een proces voor de civiele vierschaar. De zaak was aangespannen door een man wiens vrouw door ‘hoererij’ syfilis had opgelopen. De schepenen aarzelden niet en scheidden het stel.160 In de overige gevallen verzoenden de echtelieden zich mogelijk weer. De schande van overspel was immers bijzonder groot, zowel voor de betrokkenen als voor de familie en de buurt.161
152 RAL, ONA, inv.nr. 774, nr. 27 (22-1-1664). 153 Idem, inv.nr. 906, nr. 82 (23-7-1666). Voor een vrijwel dezelfde noodkreet aan het adres van buren bij echtelijke mishandeling, zie: Helmers, Gescheurde bedden, 325. 154 Vgl. Helmers, Gescheurde bedden, 244-248; Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 180, 201. 155 RAL, ONA, inv.nr. 966, nr. 105 (26-2-1666). De Eerste Engelse oorlog duurde van 1652 tot 1654. 156 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 302v. 157 Vgl. Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 209. 158 Idem, 213; vgl. Helmers, Gescheurde bedden, 207. 159 RAL, ONA, inv.nr. 777, nr. 273,276 (31-7-1665). 160 Idem, inv.nr. 966, nr. 95 (30-5-1666); RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 235v (17-7-1666). 161 Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 145.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 202

202

6 het notariaat

Maar het is evengoed denkbaar dat ze onderhands, dus zonder gerechtelijke toestemming de samenwoning beëindigden en bijvoorbeeld uit de buurt vertrokken. Sommige zaken waren domweg niet zo sterk, zoals in het geval van Lijsbeth Pouwels. Haar man zou buurvrouw Marija vier jaar geleden oneerbare voorstellen gedaan hebben. Maar de weduwe was er niet op in gegaan.162 In de rechtszaal maakten zulke aantijgingen van overspel zonder getuigen en zonder geslachtsdaad weinig kans. Duidelijker is het verhaal van Geertruijt Drielanis en schoolmeester Johannes Schepen. Hun huwelijk was weinig gelukkig. Hierboven werd al verhaald over ruzies waarbij Johannes niet alleen zijn vrouw, maar ook zijn schoonvader te lijf ging. Een jaar later wendde de schoolmeester zich op zijn beurt tot de notaris. Hij liet enkele buurvrouwen verklaren dat Geertruijt een man had verleid en in huis had gehaald. Verontwaardigd hadden de buurvrouwen daarop aan de deur geklopt en toegang geëist. Eenmaal binnen bleek Geertruijt in bed te liggen; de jongeman was nergens te zien. Maar een van de vrouwen had zijn kleren in de keuken zien liggen. Daarop kwam de minnaar van onder de dekens tevoorschijn.163 Het lijken vooral vrouwen uit de lagere middenklasse te zijn geweest die bij bovengenoemde huwelijksproblemen een attestatie lieten opstellen. Van iets minder dan de helft van de rekwiranten is het beroep van hun echtgenoot bekend. Twee van hen waren getrouwd met een metselaar, de anderen respectievelijk met een bakker, hoedenstoffeerder, timmerman, schoolmeester en een schoenmaker. Twee van hen spanden een procedure tot separatie aan, één stapte naar het gerecht voor een echtscheiding. Uit de groep rekwiranten waarvan geen sociale achtergrond kon worden bepaald, vroegen er twee uiteindelijk om een separatie en twee om een divortie. Dit komt enigszins overeen met de bevindingen van D. Haks die eveneens voor Leiden constateerde dat hoofdzakelijk de huwelijken van de lagere klassen al dan niet tijdelijk ontbonden werden. Een verklaring voor dit verschijnsel is mogelijk dat deze groepen minder middelen hadden om zich aan hun eigen buurt te onttrekken en op eigen houtje gesepareerd of gescheiden elders verder te leven. Aan de andere kant was het voor mensen met veel bezittingen onaantrekkelijk om te scheiden, vanwege reputatieschade en het verlies van de opgebouwde familierelaties.164 Overige (voor)echtelijke problemen De overige deelrubrieken in de categorie ‘huwelijk en zedelijkheid’ zijn meer divers en bovendien klein van omvang. Hierin ging het hoofdzakelijk om problemen op seksueel gebied van niet-gehuwden, zoals defloratie, het niet houden van trouwbeloften en aanranding. Alles bij elkaar genomen hadden mannelijke en vrouwelijke rekwiranten in deze categorieën een vrijwel gelijk aandeel, wanneer tenminste wordt uitgegaan van de individuele opdrachtgevers. Wanneer het aantal attestaties centraal staat, dan neemt het aandeel van de mannelijke rekwiranten toe. Zij lieten vaker meerdere attestaties over één zaak opstellen.
162 RAL, ONA, inv.nr. 776, nr. 25 (31-1-1665). 163 Ibidem, nr. 247 (13-7-1665). 164 Helmers, Gescheurde bedden, 213,215; Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 193,204,216.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 203

6.2 attestaties

203

De meeste attestaties in de overige rubrieken in de categorie ‘huwelijk en zedelijkheid’ hadden te maken met defloratie. Veelal was sprake van valse trouwbeloften die het meisje haar maagdelijkheid en haar reputatie hadden gekost. Zo was Geertruijt van Thienen naar eigen zeggen verleid door doctor medicinae Franciscus Gomarus, bij wie ze in dienst was, en zwanger geraakt. De arts was echter getrouwd. Geertruijt drong daarom aan op compensatie voor de defloratie, de kraamkosten en de opvoeding van het kind. Ze klopte aan bij haar oom, professor Adriaen Beeckerts van Thienen. Die probeerde te bemiddelen en kwam met Franciscus een bedrag van vijfhonderd gulden overeen. Geertruijt vond dat in eerste instantie te weinig, maar de hoogleraar hield voet bij stuk. In zijn ogen zou zijn nichtje met vijfhonderd gulden in de hand goed in staat zijn om een andere vader te vinden. Geertruijt gaf hem uiteindelijk gelijk. Maar toen ze overstag was, haakte Franciscus ineens af. Geertruijt probeerde vervolgens via de notaris alsnog haar doel te bereiken. Ze liet in een attestatie vastleggen dat de medicus weliswaar de compensatieregeling had afgewezen, maar toch had toegegeven de vader van het kind te zijn.165 Haar opzet mislukte. Een maand later, na de bevalling, liet ze een vroedvrouw en een buurvrouw getuigen dat ze in barensnood Franciscus als vader had aangewezen.166 Tot een rechtszaak tegen de doctor medicinae, een zogeheten vaderschapsactie, kwam het niet. Er kan alsnog een regeling zijn gevolgd. Verklaringen in barensnood golden, vanwege de bezwerende woorden die de aanstaande moeder daarbij gebruikte, als een aanvaardbaar juridisch bewijs.167 Mannen probeerden vaak wanneer een vrouw in verwachting was geraakt zonder veel kleerscheuren onder een huwelijk uit te komen. Chirurgijn Johannes Bos pakte het drastisch aan toen de zwangere Anna de Bruijn van hem eiste dat hij met haar zou trouwen. Ze had enkele getuigenverklaringen van zijn trouwbeloften laten opstellen en zelfs een proces aangespannen. Johannes liet daarop in een vijftal attestaties onder meer studenten vertellen dat zij verschillende keren met Anna het bed hadden gedeeld. Collega-chirurgijns verklaarden zelfs enkele lieden wegens gonorroe te hebben behandeld, die met Anna hadden gevreeën. Onduidelijk is of het daarbij om dezelfde personen ging. Verder voerde Johannes twee getuigen op die hadden gezien dat Anna tijdens een maaltijd haar hand in de broek van de gastheer had gestoken en toen met diens mannelijkheid had gespeeld.168 De chirurgijn won het uiteindelijk van Anna. Hij overtuigde de schepenen ervan dat het kind van Anna meerdere vaders kon hebben.169 Anna legde zich echter niet bij de gang van zaken neer. Op drie februari 1665 liet ze een vroedvrouw en enkele buurvrouwen voor notaris Van Scharpenbrant verklaren dat ze

165 RAL, ONA, inv.nr. 777, nr. 450,451 (9-12-1665; 13-12-1665). 166 Idem, inv.nr. 778, nr. 3 (9-1-1666). 167 Een vrouw zweerde in uiterste barensnood dat X de vader van haar kind was en dat ‘God almachtich wilde geven, indien sulcx niet waer en was, dat sij in haer uijterste noot tot spiegel aen een ander mocht blijven sitten’ (zie bijv. RAL, ONA, inv.nr. 968, nr. 125 (23-8-1668)). Maar het was ook mogelijk dat Franciscus op zijn beurt dreigde in een eed het tegendeel te beweren. Aangezien de eed van de man boven die van de vrouw ging, kan Geertruijt ook bakzeil hebben gehaald (vgl. Koorn, ‘Illegitimiteit en eergevoel’, 80; Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 90, 91). 168 RAL, inv.nr. 775, nr. 503,504,563,569,586 (19-10-1664; 20-10-1664; 17-11-1664; 20-11-1664; 24-11-1664). 169 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 139v (31-10-1664).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 204

204

6 het notariaat

tijdens de bevalling Johannes had aangewezen als de vader van haar kind.170 Of ze daarmee alsnog een regeling met de chirurgijn heeft kunnen lospeuteren, is niet bekend. Volgens de zogeheten politieke ordonnantie van 1580, de gewestelijke huwelijkswetgeving van Holland, moesten minderjarigen die wilden trouwen goedkeuring van hun ouders hebben. Zonder die toestemming was hun huwelijk ongeldig.171 Toch verhinderde dat sommige stellen niet om in stilte, dus zonder ouderlijk consent te trouwen en zich bijvoorbeeld in een andere plaats te vestigen.172 Soms ging het hierbij bijvoorbeeld ook om een getrouwde man die er met een al dan niet getrouwde vrouw vandoor ging. Althans, getuigen noemden dat ook ‘deurgaen’, zoals bij Reinier Claesz., die volgens deposanten een paar jaar geleden zijn vrouw en drie kinderen in de steek had gelaten en met een zekere getrouwde vrouw naar Engeland was vertrokken. Daar had hij een jaar gewoond en nu was hij met die vrouw naar Leiden gekomen. De rekwirant in deze zaak was overigens niet de wettige vrouw van Reinier, maar mogelijk haar moeder.173 6.2.4 Contracten en afspraken Aankoop en levering De attestaties die in de rubriek ‘aankoop of levering’ zijn ondergebracht, kunnen worden gezien als pogingen van rekwiranten om de andere partij aan een gezamenlijk besluit of contract met betrekking tot een transactie te houden. Maar ook konden ze geschonden afspraken aan de kaak stellen. In beide gevallen ging het de betrokkenen, net als in de voorgaande categorieën attestaties, ten diepste om vertrouwen, eer en waardigheid. Maar de aanpak en de gebruikte taal was over het algemeen zakelijker. Er kon worden verwezen naar gesloten overeenkomsten, waar de deposanten getuigen van waren geweest. De attestaties zijn vaak nauwelijks meer dan een schijnbaar objectieve beschrijving van een aankoop of levering van roerende of onroerende goederen. Er vallen zelden directe beschuldigingen. Daardoor is niet onmiddellijk duidelijk of er sprake was van een geschonden afspraak of van een notariële bevestiging van een eerder overeengekomen mondelinge deal. Maar het feit dat de getuigenverklaringen de vorm kregen van een attestatie en niet van een koop- of transportakte, geeft aan dat er rond de weergegeven overeenkomst problemen waren gerezen.174

170 RAL, ONA, inv.nr. 811, nr. 28 (3-2-1665). 171 Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 46-47; Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 118. 172 Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 190-192; Spierenburg, Zwarte schapen, 24,25. 173 RAL, ONA, inv.nr. 905, nr. 114 (20-9-1665). Volgens de ondertrouwregisters zijn er in de loop van de zeventiende eeuw vier Reijnier Claesz. getrouwd. Maar geen van de vier kreeg drie kinderen. Hun vrouwen hadden voor zover kan worden nagegaan ook geen relatie met de rekwirant. 174 Vgl. Van Gehlen, Notariële akten, 13, 56vv.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 205

6.2 attestaties

205

Tabel 6.10

Verdeling van de kwesties in de onderzochte attestaties (1664-1668) waarin moeilijkheden op het gebied van contracten en afspraken naar voren komen, in personen (T) mannen (M) en vrouwen (V) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes het aantal vervolgattestaties in deze rubriek. Personen 1664-1668 Rekwirant M V T 45 4 49175 23 4 27177 5 0 5 4 1 5 15 4 19180 42 26 68182 134 39 173 Zaken Tegenpartij M V 42 6 20 8 4 2 3 0 14 2 Nvt Nvt 83 18 T 48176 28178 6 3179 16181 Nvt 101 N 51 (14) 26 (5) 5 5 (2) 17 (4) 58 (6) 162 (31) % 31 16 3 3 10 36 100

Categorie

Aankoop en levering Schulden Contractbreuk Huurgeschillen Burenkwesties Erfeniskwesties Totaal

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

Een klein aantal geschillen liep zo hoog op dat het tot een proces kwam, zoals in het geval van lakendrapier Adam Decker. Volgens getuigen had hij in de kroeg een huis van metselaar Leendert de Reus gekocht voor vijfentwintighonderd gulden. Voorwaarde voor de koop was, dat de metselaar het huis nog van een vliering zou voorzien. Ook werd afgesproken dat Leendert zes halve lakens van Adam zou kopen, die in mindering op het koopbedrag zouden worden gebracht.183 Een paar dagen later bleken er echter nog enkele niet nader genoemde lasten op het huis te staan. Adam weigerde die te betalen en liet een attestatie opmaken. Leendert deed hetzelfde. Helaas kan zijn verweer niet meer worden teruggevonden. Uiteindelijk kwam de zaak voor de civiele vierschaar en die stelde Adam in het gelijk.184 Sommige rekwiranten lieten een aankoop of levering achteraf in een attestatie vastleggen omdat zij die zelf betwistten. Zo had koopman Lambert du Fort naar eigen zeggen lakens gekocht van lakendrapier Barent Hardijs met de afspraak dat ze een lengte van vijfenvijftig el zouden hebben. Maar bij aflevering bleken de lakens volgens Lambert niet het overeengekomen formaat te hebben en dus weigerde hij ze te betalen. De drapier spande daarop een proces aan en eiste de afgesproken negenhonderd gulden
175 In 3 attestaties was sprake van een groep crediteuren. 176 In 10 attestaties bleef de opponent onbenoemd, in een andere was sprake van een groep erfgenamen. 177 In 1 attestatie is het stadsbestuur de rekwirant. 178 In 1 attestatie is sprake van een groep erfgenamen. 179 In 2 attestaties is de opponent ongenoemd. 180 In 1 attestatie is sprake van niet nader genoemde erfgenamen van Matthijs van Overbeecq. 181 In 4 attestaties bleef de opponent ongenoemd. 182 In 12 attestaties zijn de requirerende erfgenamen niet afzonderlijk genoemd. 183 RAL, ONA, inv.nr. 906, nr. 32 (18-3-1666) en 33 (19-3-1666). 184 Procureur en notaris Van Scharpenbrant die De Reus in de rechtszaak vertegenwoordigde, overhandigde twee attestaties van datum 18 en 19 maart 1666, maar deze waren niet door hem opgesteld. De akten zijn derhalve in het Leidse notariële archief, door het gebrek aan een goede index, niet terug te vinden (RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 300v).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 206

206

6 het notariaat

van de koopman. Die liet vervolgens een attestatie maken, waarin getuigen vertelden over de voorwaarden bij de koop, terwijl hij zijn eigen knechten liet verklaren dat de lakens niet de goede lengte hadden.185 Vermoedelijk maakte die attestatie indruk. De zaak verdween uiteindelijk zonder vonnis uit de dingboeken.186 Uit de genoemde voorbeelden komt nóg een mogelijke reden naar voren waarom rekwiranten of hun tegenpartij een transactie of een levering aanvochten. Het is denkbaar dat het hen in sommige gevallen niet zozeer om eventuele gebreken aan het geleverde goed ging, maar om hun kredietwaardigheid. Mogelijk hadden ze geen geld voor de transactie. Of hadden ze het goed op krediet gekocht en wilden de schuldeisers hun geld zien. Door de koop aan te vechten, probeerden de debiteuren dus wellicht de overeenkomst ongedaan te maken of, bij wijze van schikking, het verschuldigde bedrag te verlagen.187 In een aantal geschillen over aankoop of levering lijkt dit inderdaad het motief te zijn geweest, aangezien beide partijen voor de civiele vierschaar verwikkeld waren in een schuldenkwestie. Maar of dit in alle gevallen een rol speelde, valt moeilijk meer na te gaan. Ruim tien procent van de kwesties over transacties of levering die in de bestudeerde notariële protocollen werden aangetroffen, kreeg een vervolg voor de civiele vierschaar. Daarvan ging maar eenderde aantoonbaar om een achterstallige betaling. Van de overige kwesties kan de achterliggende oorzaak niet goed meer worden achterhaald. Het waren in deze categorie uitsluitend mannen die attestaties lieten opstellen. De opponenten waren eveneens overwegend mannelijk. Van de zes vrouwelijke tegenstreefsters waren er twee getrouwd. De eerste dreef volgens de getuigen zelfstandig een handel in bostel, een afvalproduct van brouwerijen, en de andere was huiseigenares.188 Voor zover kan worden nagegaan behoorden de meeste rekwiranten tot de hogere middenklasse. Onder hen bevonden zich twaalf kooplieden, drie lakendrapiers, twee zeepzieders, twee brouwers en een wolkoper.189 De overige rekwiranten waarvan het beroep bekend is waren boer, horlogemaker, houtkoper, lakenbereider, pontgaarder, schippersknecht, timmermansgezel of wolkammer.190 De beroepen van de tegenpartij vertonen hetzelfde patroon met relatief veel kooplieden en drapiers.191 Beroepen die in gildenverband werden uitgeoefend zijn niet aangetroffen. Gilden losten geschillen over aankoop en levering veelal in eigen kring op waardoor attestaties minder vaak nodig waren.

185 RAL, ONA, inv.nr. 906, nr. 38 (24-3-1666). 186 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 277v. 187 Vgl. Dinges, Maurermeister, 118vv. 188 RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 58 (10-6-1665); idem, inv.nr 968, nr. 117 (10-1-1668). 189 Vgl. De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 377,675, 688. 190 Van 41 rekwiranten in de categorie ‘geschillen over koop of levering’ is het beroep bekend. 191 Van slechts 12 opponenten in de categorie ‘geschillen over koop of levering’ is het beroep bekend. Hier moet bij worden opgemerkt dat in tien attestaties überhaupt geen tegenpartij werd genoemd.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 207

6.2 attestaties

207

Schulden Stedelingen kochten doorgaans op de pof. Inkomsten waren onzeker en de mogelijkheden tot sparen verhoudingsgewijs schaars.192 Koopkrediet kon overal worden verkregen mits men een goede naam had, goed bekend was met de geldverstrekker en vlak in zijn of haar omgeving woonde. De meeste kredietnemers waren dan ook buurtbewoners of familieleden van hun schuldeisers. Wie in de buurt de naam had zijn zaakjes niet op orde te hebben of nooit wat terug te betalen, kon een lening wel vergeten. Had hij of zij niet boven zijn stand geleefd? Natuurlijk was het altijd mogelijk dat iemand buiten zijn of haar schuld in geldelijke problemen raakte. Dat hoefde op zich ook geen probleem te zijn, maar een soepele aflossing van kredieten was zeker de norm.193 Wanneer aflossing uitbleef, konden ook crediteuren in moeilijkheden komen. Enerzijds raakten de schuldeisers zelf achterop met hun financiële verplichtingen. Aan de andere kant konden ze geen nieuwe orders meer verwachten van debiteuren die door gedwongen betaling van hun schulden nog verder in de geldzorgen waren geraakt. Het spreekt voor zich dat dit spanningsveld een bron van geschillen opleverde.194 De verwevenheid van krediet met het dagelijks leven en de bijbehorende problematiek, is goed te herkennen in de onderzochte notariële attestaties. Zo kwam in 1664 Joris de Viscoper aan de deur van buurvrouw Jacquemijntje Jansd. met het dringende verzoek hem wat geld te lenen. Jacquemijntje gaf hem toen volgens een getuige vijfenveertig gulden. Dat bedrag beloofde Joris op korte termijn met flink wat rente terug te betalen. Maar nog geen half jaar later bleek de viskoper alweer platzak. Zijn vrouw leende daarop weer vijftig gulden van Jacquemijntje. Volgens een andere getuige bezwoer de vrouw Jacquemijntje toen dat ze haar lening zou aflossen; zo niet, dan zou de hemel eeuwig voor haar gesloten mogen blijven. Deze dure eed geeft goed de schande aan die aan het niet kunnen voldoen van schulden kleefde. De vrouw van de viskoper verbond er zelfs haar zielenheil aan. Maar in februari 1666 had Joris zijn schuld nog niet afbetaald en was Jacquemijntje inmiddels zelf in financiële problemen gekomen. Met een attestatie wilde zij haar schuldeisers duidelijk maken dat dit niet kwam door wanbeheer van haar kant, maar doordat de viskoper en zijn vrouw zich niet aan hun woord hadden gehouden.195 Hoe schandelijk het niet kunnen aflossen van schulden was, blijkt ook uit de attestatie van Pieter Dircx van de Vreede, schipper op de vaart tussen Gouda en Leiden. Hij liet door getuigen optekenen dat hij in een herberg geruchten over achterstallige betalingen plechtig had tegengesproken. Iedere crediteur zou hij tot de laatste duit zijn geld geven.196 Een keurige aflossing van eventuele schulden was de norm. En dus noemde de schipper iedere suggestie dat hij daarvan afweek het ‘bekladden’ of belasteren van zijn goede naam. Sommige andere rekwiranten erkenden een schuld te hebben gehad, maar vroegen getuigen te verklaren dat deze inmiddels fatsoenlijk was afbetaald. Ko192 193 194 195 196 Zie onder meer: Cipolla, Before the industrial revolution, 194. Vgl. Schmidt, Overleven na de dood, 177; Kooijmans, ‘Risk and reputation’, 27-30. Dinges, Maurermeister, 117-125. RAL, ONA, inv.nr. 778, nr. 151 (20-2-1666). Idem, inv.nr. 907, nr. 138 (18-10-1667).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 208

208

6 het notariaat

renkoper Hendrick Roelantsz. van der Does bijvoorbeeld liet deposanten vastleggen dat hij en koopman Mattheüs van Aeckeren, in weerwil van wat deze laatste ook mocht beweren, ‘niets ter wereld’ meer met elkaar hadden uitstaan en dat hij de koopman dus helemaal niets meer hoefde te betalen. Volgens de getuigen hadden ze dit uit de mond van Mattheüs zelf gehoord. Blijkbaar had de attestatie succes, want tussen de vele gedingen waarbij Hendrick betrokken was, bevond zich geen proces tegen Mattheüs.197 De debiteuren probeerden hun goede intenties te benadrukken om zo hun naam te zuiveren. De crediteuren onder de rekwiranten wilden op hun beurt geld zien en benadrukten de eerder gedane mondelinge betalingsbeloften. Zo voerden getuigen namens Wouter Simonsz. aan dat de vader van een inwonende student nadrukkelijk had toegezegd binnen een maand al het achterstallig kostgeld te betalen. Hij zou zelfs ‘de steen van het graf wentelen’, wat zoveel wil zeggen als de grootst mogelijke moeite doen. Maar na anderhalf jaar had de rekwirant nog altijd geen stuiver van de man ontvangen.198 Pontgaarder Martinus den Drijver zag zich ten lange leste ook genoodzaakt om ene Jan Jacobsz. met behulp van een attestatie te herinneren aan zijn belofte om ‘als een eeren man’ de geleende driehonderd gulden terug te betalen.199 Iets meer dan zestig procent van het aantal getuigenverklaringen waarbij van schulden sprake was, kwam voor rekening van debiteuren. De overige rekwiranten waren schuldeisers. Vrijwel allen waren man. Hun beroepen liepen uiteen van lakenbereider, metselaar en schipper tot doctor medicinae, waarmee opnieuw de zelfstandigen uit de middenklasse de boventoon voerden.200 De weinige vrouwelijke rekwiranten hadden op het moment dat de door hen gevraagde attestatie werd opgetekend geen echtgenoot die hen als financieel voogd kon bijstaan. Drie van hen waren weduwe en de andere was getrouwd met een zeeman. De meestal vrouwelijke schuldeisers met wie de rekwiranten in de clinch lagen, waren vermoedelijk ook weduwen.201 Het was immers aan de man, als hoofd van het huishouden, om zijn gezin naar buiten toe te vertegenwoordigen.202 Twee van de vijf vrouwen van wie rekwiranten nog geld te vorderen hadden, waren gehuwd. Het ging hierbij over het algemeen om onbetaalde huishoudelijke waren. Op het moment dat de schuldeisers hun geld daadwerkelijk in een proces opeisten, werden niet zozeer de vrouwen, als wel hun man gedagvaard. Veroordelingen van vrouwen in civiele procedures zonder bijzijn of nadrukkelijk medeweten van hun man waren niet rechtsgeldig.203
197 Idem, inv.nr. 966, nr. 66 (22-4-1666). 198 Idem, inv.nr. 905, nr. 103 (12-8-1665). 199 Idem, inv.nr. 964, nr. 141 (14-10-1664). 200 Uitzondering is de aanwezigheid van François van Halewijn, de heer van Werve. Van de helft van de rekwiranten is het beroep bekend. 201 Een van de drie was weduwe, van de overige twee was geen informatie in het stuk opgenomen. 202 Vrouwen, met uitzondering van weduwen en meerderjarige vrijgezellen, werden minder bekwaam geacht in ‘zaken van verstand en oordeel’ (Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands Regt I, p. 24). 203 Schmidt, Overleven na de dood, 55,59,64. Zie ook de zaak van weduwe Cathalijna Planteel die met het oog op een lopend geding op 17 februari een attestatie liet opstellen m.b.t. de schuld van ene Anna. Anna was getrouwd met Michiel le Rhoij. Cathalijna had hém dan ook gedagvaard voor de schepenen om het geleende bedrag terug te krijgen. De weduwe won de rechtszaak (RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 133v; Idem, ONA, inv.nr. 776, nr. 50 (17-2-1665)).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 209

6.2 attestaties

209

Contractbreuk Over werkafspraken en arbeidsgeschillen werd bij de notaris bijzonder weinig geklaagd. Slechts twee attestaties hadden betrekking op deze groep problemen. Blijkbaar was de notaris niet het meest geschikte adres voor dergelijke kwesties. De twee attestaties lijken bedoeld om afspraken nauwkeuriger te formuleren of zwart op wit te zetten. Het duidelijkst is dat in de attestatie over een akkoord dat met behulp van de gouverneurs van de greinhal tussen een greinwerker en zijn voormalige knecht werd bereikt. De directe aanleiding is niet weergegeven. Waarschijnlijk had de greinwerker zijn knecht om aanvechtbare redenen de laan uitgestuurd. Tijdens de onderhandelingen bood de greinwerker zijn knecht weer een dienstverband aan, maar die bleek inmiddels al bij een ander te werken. Maar er was nog meer aan de hand. De knecht stond bij de greinwerker nog voor drieënhalve gulden in het krijt, wat hij in het bijzijn van enkele getuigen prompt beloofde terug te betalen. Maar daar was het, gezien de attestatie, nooit van gekomen. De belofte was blijkbaar ook niet in de notulen van de gouverneurs terechtgekomen. Vandaar dat de greinwerker zich genoodzaakt zag de overeenkomst met hulp van de getuigen alsnog op papier vast te leggen. Of hij zijn geld daarop gekregen heeft, is niet meer na te gaan. Het kwam niet tot een proces voor de schepenen. Van de greinhal zijn geen kwestieboeken bewaard gebleven. Huurkwesties Het aantal geschillen tussen huurders en verhuurders dat in de notariële attestaties kon worden teruggevonden, is verbazingwekkend klein. Gezien de hoge bevolkingsdichtheid in de stad Leiden en de bijbehorende hoge huurprijzen waren meer spanningen te verwachten.204 Maar wellicht hadden veel huurders niet de financiële middelen om naar een notaris te stappen bij te hoge huren of slecht woningonderhoud. Naar schatting de helft van hen leefde op of rond de armoedegrens en de huren bedroegen al gauw eenderde van het inkomen van een gemiddelde knecht.205 Verhuurders die achterstallige huur wilden innen, stapten bovendien niet naar de notaris, maar naar de vredemakers. Dit college had in 1626 expliciet de taak gekregen om bij huurgeschillen uitspraak te doen. In 1658 en 1660 verbond het stadsbestuur hieraan een limiet van respectievelijk honderdtwintig en tweehonderd gulden. Bij bedragen onder deze grens was hoger beroep niet mogelijk en dus waren notariële getuigenverklaringen overbodig.206 Waarover ging het in de attestaties dan? Het grootste deel van de attestaties in de categorie ‘huurgeschillen’ werd opgesteld naar aanleiding van problemen bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst, doorgaans in de maanden mei of november. Gemaakte afspraken bleken vergeten, de hoogte van de huur onduidelijk en de positie van huurders bij wisselingen van ver204 Vgl. Van der Wiel, Leidse wevershuisjes, 47-48; Taverne, In ’t land van belofte, 213,223,235; Van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, 429. 205 Een kwart van alle huurders leefde permanent van de bedeling. Zie Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 980, 1008. Voor het nominale inkomen van een knecht: De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 706. Vgl. Van der Wiel, Leidse wevershuisjes, 44-46; Pot, Arm Leiden, 222. 206 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 255vv en tussen p. 268 en 269, art. 15.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 210

210

6 het notariaat

huurders precair.207 Eind mei 1665 gaf een onderhandse deal tussen twee huurders, Aldert Anthonisz. van Polanen en Adriaentje Jacobsd., aanleiding voor een attestatie. De eerste deed zijn huis over aan de tweede op voorwaarde dat deze de hele huursom zou blijven betalen en hem van aanmaningen zou vrijwaren. Helaas ging de overgang niet zoals gehoopt. Aldert moest in opdracht van de verhuurder de afspraken in maar liefst twee attestaties zwart op wit stellen. De nieuwe huurder bleek bij nader inzien toch niet in het huis te willen gaan wonen. De deposant liet daarom geen moment onbenut om uit te laten komen dat Adriaentje Jacobsd. het huis had geaccepteerd.208 De zaak sleepte enkele maanden voort. Het jaar erop eiste de verhuurder alsnog de gemiste huurgelden van Aldert. De civiele vierschaar gaf hem daarin uiteindelijk gelijk.209 Burenkwesties Een grotere groep attestaties binnen de categorie ‘contracten en afspraken’ werd gevormd door de kwesties betreffende het burenrecht. Hieronder vallen geschillen over erfscheidingen, erfdienstbaarheden, uitzicht over het erf van de buren, beplanting bij de grensscheiding en de afloop van water. Voor zulke zaken bestond een apart rechtsprekend forum, namelijk de commissie voor burenkwesties, die gevormd werd door twee schepenmeesters. De commissie werd in 1583 door het stadsbestuur ingesteld met het oog op de forse toename van het aantal inwoners.210 De bedoeling was dat buren ruzies over rechten en plichten met betrekking tot hun erven en andere onroerende goederen eerst aan dit forum ter arbitrage zouden voorleggen. Leverde de tussenkomst van de schepenmeesters niets op, dan mochten de strijdende partijen hun geschil alsnog aan de civiele vierschaar voorleggen.211 Het is opmerkelijk dat buren zich niet al te veel aan deze bepaling gelegen hebben laten liggen. Van de vierentwintig burenkwesties die in de onderzochte notariële attestaties zijn gevonden, komt er maar één ook voor in de zogeheten burenkwestieboeken. Daarentegen spanden zes rekwiranten een zaak voor de civiele rechtbank aan. Zij passeerden daarbij de schepenmeesters voor burenkwesties. In oktober 1665 liet zilversmid Johannes van Deventer een van zijn huizen, in de buurt van de waag, verbouwen. Dit tot grote ontevredenheid van de buurvrouw, Jenne de la Court, weduwe van professor Heereboort. Volgens haar had Johannes er een raam bij laten bouwen, waardoor hij uitzicht kreeg op haar poort. De zilversmid ontkende dit met klem. Hij voerde voor notaris Raven de metselaar en de timmerman op, die de verbouwing hadden uitgevoerd. Die verklaarden desgevraagd dat er vóór de verbouwing vijf ramen waren die uitkeken op de gang of poort van de buurvrouw en die hadden zij tijdens hun werkzaamheden niet verplaatst. Of ze er ook eentje hadden bijgebouwd, vermeldt de attestatie niet.212 Een dag later legde Jenne de zaak voor aan de
207 208 209 210 211 212 Idem, p. 210. Zie ook Pot, Arm Leiden, 130-132. RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 53 (23-5-1665), 84 (7-9-1665). RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 263v. RAL, LBO, 15271pf. Zie hoofdstuk 7 par. 7.2. RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 264. RAL, ONA, inv.nr. 777, nr. 523 (30-10-1665).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 211

6.2 attestaties

211

schepenmeesters voor burenkwesties. Die konden beide partijen niet verzoenen en verwezen hen door naar de vierschaar.213 Het forum boog zich dezelfde middag nog over de zaak. De eis van de weduwe werd zonder nadere motivatie afgewezen.214 Een jaar later was Johannes van Deventer opnieuw betrokken bij een burenkwestie. Dit keer werden de schepenmeesters er niet bijgehaald. Het bleek dat bij de hierboven beschreven verbouwing niet alleen aan de muren was gewerkt, maar dat de zilversmid ook een kelder onder zijn huis had laten graven. Daarbij was de ingehuurde timmerman gestuit op een riolering die hij vervolgens had verwijderd. Niet lang daarna merkten de buren dat ze hun afvalwater niet meer in de Rijn konden lozen. Verontwaardigd eisten zij dat Johannes een nieuwe riolering zou aanleggen. Maar die beweerde dat de vorige eigenaar, Marcus Piaet, hem niets over het bestaan van die goot had verteld. Buurman Cornelis Dircx van Leeuwen spande daarop een civiel geding aan. De zilversmid deed hetzelfde; hij wilde de schade verhalen op de vorige eigenaar. Zowel de buurman als de erfgenamen van de inmiddels overleden Marcus Piaet lieten attestaties opstellen. De eerste liet de timmerman getuigen dat hij het stuk goot had verwijderd en dat de oorzaak van de overlast zich dus op het erf van Johannes bevond.215 De erfgenamen lieten enkele getuigen van de verkoop verklaren dat de zilversmid wel degelijk was gewaarschuwd voor de goot.216 Ook gaven buren aan dat het algemeen bekend was dat er een goot onder het huis zat.217 De schepenen oordeelden desondanks anders. Van Deventer moest het rioolrecht van Cornelis erkennen, maar hij mocht tegelijkertijd de schade op de erfgenamen van Marcus Piaet verhalen.218 Het aantal rekwiranten dat ook een civiel proces begon, is in deze categorie verhoudingsgewijs hoog. Eén van de vier kwam bij de vredemakers terecht, de overige drie bij de vierschaar. Van de laatstgenoemde tekende er één tijdens het proces een attestatie op. Hierbij was het de bedoeling om bewijzen te leveren. Voor een deel kan het grote aandeel processen worden verklaard uit de ernstige overlast die bijvoorbeeld door problemen met een riolering veroorzaakt kon worden. Ook was de meerderheid van de betrokken rekwiranten financieel uitstekend in staat om een proces te voeren. Het ging om twee brouwers, de genoemde zilversmid en een schipper. Tegelijk moet worden vastgesteld dat ook veel rekwiranten hun zaak niet aan een rechtbank voorlegden. In de meeste attestaties was geen sprake van overlast en werden alleen erfdienstbaarheden ter discussie gesteld, bijvoorbeeld bij de verkoop van een huis.219 Tevens zal een niet onbelangrijk deel van de rekwiranten dankzij de getuigenverklaringen eenvoudigweg voldoende genoegdoening hebben gekregen. Het wekt weinig verbazing dat veruit de meeste rekwiranten die vanwege een burenkwestie een attestatie lieten opstellen, man waren. Zij waren immers hoofd van het huishouden en vertegenwoordigden dat naar buiten toe. De paar vrouwelijke rekwi213 214 215 216 217 218 219 RAL, ORA, inv.nr. 48 G, (31-10-1665). Idem, inv.nr. 44 F, p. 261 (31-10-1665). RAL, ONA, inv.nr. 906, nr. 152 (9-12-1666). Ibidem, nr. 153 (10-12-1666). Idem, inv.nr. 907, nr. 23 (1-3-1667). RAL, ORA, inv.nr. 44 G, p. 35v, 38 (12-5-1667). Vgl. Smit, Leiden met een luchtje, 63-66. RAL, ONA, inv.nr. 968, nr. 126 (25-8-1668).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 212

212

6 het notariaat

ranten waren allen weduwe. De vrouwen die in de getuigenverklaringen als tegenpartij werden aangewezen, waren beiden ongehuwd.220 Erfeniskwesties Bij erfeniskwesties lag de genderverhouding iets anders. In deze rubriek attestaties was iets meer dan eenderde van de rekwiranten vrouw. Dit komt omdat in een aantal gevallen een hele groep erfgenamen een deel van een boedel claimde waarover bijvoorbeeld bij gebrek aan een testament onduidelijkheid bestond. De notaris noteerde dan alle rekwiranten afzonderlijk, zowel mannen als vrouwen. Ter illustratie: de achtenzestig rekwiranten figureren in achtenvijftig attestaties. Overigens is dit cijfer nog onvolledig. In twaalf attestaties zijn de erfgenamen niet afzonderlijk genoemd. De notaris noteerde dan kortheidshalve slechts ‘de erfgenamen van [X]’. Wie dat waren, is niet meer te achterhalen. Wanneer erflaters geen voorzieningen voor hun nabestaanden hadden getroffen, gold in Leiden het zogeheten aasdomsrecht. Volgens dit versterfrecht had de langstlevende echtgenoot of echtgenote recht op de helft van de gemeenschappelijke boedel en konden de andere erfgenamen aanspraak maken op een evenredig deel van de andere portie. De hoofdregel van het aasdomsrecht was: ‘het naaste bloed beurt het goed’. Dit principe werd eind zestiende eeuw aangevuld met enkele nadere uitwerkingen. Wanneer er geen kinderen waren, erfden eerst de ouders, ieder voor de helft. Waren er geen ouders, erfden broers of zussen of hun kinderen en kindskinderen. Waren die er ook niet, kwamen grootouders, of tenslotte ooms en tantes in aanmerking voor de erfenis. Ontbraken bloedverwanten helemaal, dan trad de overheid als rechthebbende op. Van dit erfrecht kon worden afgeweken door te trouwen op huwelijkse voorwaarden, waardoor beide partners hun bezittingen in de eigen familie konden houden of kinderen uit een eerder huwelijk naast hun legitieme erfportie een extra gift konden toezeggen. Goederen die niet in het huwelijkscontract werden opgenomen, konden tijdens het huwelijk in gemeenschap blijven. Daarnaast was het mogelijk om met behulp van een testament de verdeling van de goederen na de dood te regelen. Dit laatste bood echtgenoten de mogelijkheid om elkaar te laten delen in de nalatenschap ten koste van de kinderen. Overigens hielden kinderen ook dan recht op tenminste een derde deel van het goed dat ze volgens het versterfrecht zouden hebben gehad.221 Problemen ontstonden op het moment dat de aanspraak op een nalatenschap ter discussie stond, bijvoorbeeld wanneer (verre) rechthebbenden bij de voogden op een boedelscheiding aandrongen.222 Veel attestaties in de rubriek ‘erfeniskwesties’ zijn pogingen om familierelaties te bewijzen. Zo toonden erfgenamen in een serie getuigenverklaringen aan dat ze familie van Jan Sijbrantsz. Smit waren en recht hadden op de erfportie van de inmiddels overleden verwanten van Smit. Bij zulke onenigheden kon220 Vgl. Schmidt, Overleven na de dood, 74. 221 Het voert te ver om hier het aasdomsrecht in alle finesses uit de doeken te doen. Zie voor meer gegevens: Schmidt, Overleven na de dood, 80-120; De Smidt, Compendium, 48; De Blécourt, Kort begrip, 339-376, m.n. 344,345. Vgl. Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands regt III, 13-15; De Groot, Inleidinge, II.28, 1-43. 222 Vgl. Brand, Over macht en overwicht, 307.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 213

6.2 attestaties

213

den de schepenen worden ingeschakeld. En dus was het zaak voor de erfgenamen om hun claim met behulp van een attestatie te versterken of die van anderen doeltreffend te ondergraven.223 In het geval van de erfenis van Smit speelde de zaak zelfs tot aan het Hof van Holland toe. Maar dat was een zeldzaamheid. Geen enkele andere attestatie waarin een erfeniskwestie centraal stond, kreeg een juridisch vervolg voor de vredemakers of de civiele schepenbank Moeilijkheden omtrent erfenissen ontstonden ook wanneer bijvoorbeeld een kind in een ver land of op zee was overleden. De ouders moesten dan, om aanspraak te kunnen maken op de nalatenschap of het resterende salaris van bijvoorbeeld de VOC, bewijzen dat de overledene hun kind was.224 Dit konden ze doen door middel van een attestatie waarin zij buren of het huispersoneel een getuigenis van die strekking lieten afleggen. Belangrijk in deze attestaties was de zogeheten ‘reden van wetenschap’ van de deposanten. Zij moesten de rekwirant en het bewuste kind al jaren kennen en zeer vertrouwelijk met hen zijn omgegaan.225 Sommige buren gaven aan het kind te hebben uitgeleid bij zijn vertrek naar de Oost en een zogeheten ‘schei-dronk’ of afscheidsmaaltijd met hem te hebben gehouden.226 Daarnaast wilde een aantal rekwiranten met behulp van een attestatie aantonen dat iemand hen al of niet op zijn sterfbed een speciaal goed of geldbedrag had toegezegd. Vaak ging het daarbij om mensen die geen familierelatie met de erflater hadden. Zo liet de dienstmeid van Willem Dircx. Quakenbosch enkele buren verklaren dat haar heer haar tijdens zijn leven de helft van zijn erfdeel uit de nalatenschap van de bovengenoemde Jan Sijbrantsz. Smit had beloofd. De attestaties waren duidelijk opgesteld met het oog op de boedelscheiding die dezelfde dag plaatshad.227 In een enkel geval was sprake van echtgenoten die elkaar op het doodsbed van alles hadden beloofd. De vrouw van Jacob van der Werff bezwoer in het kraambed haar moeder dat haar echtgenoot al haar goed moest erven. Op grond daarvan meende Jacob dus toen zijn vrouw in het kraambed overleed recht op de hele boedel te hebben. Maar omdat er geen testament was, ging de helft van de nalatenschap naar bloedverwanten. Kinderen worden in de attestatie niet vermeld. Het lijkt er dus op dat zijn schoonmoeder in weerwil van haar dochters’ wens haar legitieme portie opeiste. Daarmee stond ze in haar recht, de getuigenverklaringen van de vroedvrouw en negen buurvrouwen ten spijt.228 Merkwaardig dat notaris Van Overmeer Jacob en zijn deposanten daar niet op wees voordat hij de attestatie noteerde.

223 RAL, ONA, inv.nr. 1044, nr. 16 (15-3-1664), nr. 31 (26-3-1664), nr. 38, 39, 40 (alle 23-5-1664), nr. 44 (17-6-1664); ibidem, inv.nr. 1045, nr. 44 (7-11-1665), 52 (9-12-1665) en idem, inv.nr. 963, nr. 80 (17-7-1663); ibidem, inv.nr. 966, nr. 87 (22-5-1666). Vgl. De Blécourt, Kort begrip, 367. 224 Uit Leiden vertrokken in de 18e eeuw jaarlijks gemiddeld 73 mensen naar de Oost. Cijfers voor de zeventiende eeuw zijn niet voor handen (Gaastra, ‘Leiden en de VOC’, 61). Vgl. Van der Heijden, ‘Achterblijvers’, 186; Bruijn & Lucassen, Op de schepen der Oost-Indische Compagnie, 16-18; Bruijn, ‘Personeelsbehoefte van de VOC’, 218-248. 225 Lybreghts, Redenerend vertoog over het notarisampt, 221,222. 226 Zie bijvoorbeeld RAL, ONA, inv.nr. 966, nr. 131 (30-9-1666). 227 Idem, inv.nr. 1047, nr. 70 (2-11-1667); nr. 71 (2-11-1667). 228 Idem, inv.nr. 965, nr. 141 (16-12-1665).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 214

214

6 het notariaat

6.2.5 Conclusie Al met al lijken notariële attestaties erg succesvol te zijn geweest in het voorkomen van civiele rechtszaken naar aanleiding van allerlei meestal kleine geschillen. Iets meer dan vier procent van de rekwiranten in de onderzochte notarisboeken begon na de optekening van de akte alsnog een proces voor de civiele vierschaar, de rechtbank waar attestaties als bewijsmiddel geaccepteerd konden worden. De verklaring hiervoor moet deels worden gezocht in de afschrikwekkende werking van attestaties. Wie getuigen bereid vond om voor een notaris een verklaring af te leggen, inclusief de daarbij behorende belofte om hun verhaal eventueel later voor de rechtbank met een eed te bekrachtigen, stond sterk en liet zien niet voor een proces terug te schrikken. Wanneer de tegenpartij ook van zijn of haar zaak overtuigd was, kon deze eveneens naar een notaris stappen om een attestatie te laten opmaken. Zo niet, dan deed hij of zij er beter aan om in te binden. Attestaties die tijdens een rechtszaak werden opgetekend misten dat dreigende aspect. Veertig procent van de civiele gedingen waarbij alleen gedurende het proces notariële getuigenverklaringen zijn opgesteld, eindigde in een oordeel van de schepenen. Dit komt omdat attestaties pas laat in een geding een rol speelden. Partijen die al zover waren gekomen, waren minder geneigd om terug te krabbelen. Attestaties pasten in het systeem van Ehrenhandel, waarbij stedelingen voortdurend de eigen reputatie bewaakten om zo maatschappelijk niet buiten de boot te vallen. Als door een belediging, een onterechte beschuldiging of een schadelijke suggestie iemands naam door het slijk was gehaald en de directe confrontatie onvoldoende eerherstel had opgeleverd, dan kon een getuigenverklaring wonderen verrichten. Althans, voor wie zo’n akte kon betalen. Het laten optekenen van attestaties was niet voor iedereen weggelegd. De meeste rekwiranten behoorden tot de zelfstandige middengroepen. Zij werden door aantasting van de eigen eer het meest direct in hun inkomsten bedreigd. Voor de grote groep loonarbeiders bleef de notaris onbereikbaar.229 Bovendien waren veel rekwiranten man. Zij traden vaak ook namens hun vrouw op. Alleen de categorie ‘huwelijk en zedelijkheid’ kende meer vrouwen die een attestatie lieten opstellen. Vrouwen met huwelijksproblemen maakten hun zaak ook vaker bij de schepenen aanhangig. In deze gevallen was representatie door de man begrijpelijkerwijs uitgesloten. Bij geschillen kon ook een akte van ‘insinuatie en protestatie’ bij de notaris worden opgetekend, de tweede belangrijke groep semi-processuele akten. In het hiernavolgende zal deze categorie nader aan bod komen.

229 Hoe groot die groep precies was rond het midden van de zeventiende eeuw, is niet helemaal duidelijk. Volgens Posthumus bestond in 1634 90% van de Leidse bevolking uit ‘gemene handwerx- en arbeijtsluijden’ (Posthumus, Bronnen IV, 36). Maar die groep bestond zowel uit loonarbeiders als uit kleine zelfstandigen. Diederiks onderscheidde voor 1749 zes beroeps-belastingcategorieën. De laagste groep, met daarin voornamelijk spinners en wevers, maakte volgens zijn berekeningen 65% van het totaal aantal mannelijke gezinshoofden uit. Maar ook hieronder bevonden zich zelfstandige arbeiders. Diederiks schatte het aantal loonafhankelijken op 47,5 procent. Van ruim 21% van de gezinshoofden was niet bekend of zij zelfstandig opereerden of in loondienst waren (Diederiks, ‘Beroepsstructuur’, 53,59).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 215

6.3 insinuaties

215

6.3 Insinuaties Een insinuatie diende in tegenstelling tot een attestatie niet in de eerste plaats als een juridisch bewijsmiddel. Een insinuant gaf een notaris de opdracht zich naar de tegenpartij te begeven om deze mondeling of schriftelijk een bepaalde aanzegging te doen.230 Het ging meestal om een officiële verklaring dat de ander verzuimd had een zekere verplichting na te komen, met het verzoek dit alsnog te doen. In feite kwam een insinuatie neer op een aanzegging van een vordering, want wanneer de tegenpartij in gebreke bleef, kon de notaris hem of haar middels een zogeheten ‘protestatie’ aansprakelijk stellen voor alle geleden schade.231 Insinuaties en protestaties hoorden daarom nauw bij elkaar.232 Daarnaast kon de notaris ook worden gevraagd om met behulp van een insinuatie in meer algemene zin iets bij de geïnsinueerde voor elkaar te krijgen.233 Dit laatste kwam bijvoorbeeld van pas bij beledigingen. De notaris vroeg de geïnsinueerde dan of hij of zij de gewraakte beschimping had geuit en of hij of zij er nog steeds achter stond. Zo ja, dan zou een rechtszaak volgen. Ontkende de geïnsinueerde de belediging, dan moest hij of zij de notaris plechtig verklaren van de insinuant niets dan eer en deugd te weten. De notaris deed zijn opdrachtgever vervolgens weer verslag van deze amende honorable. Op die manier kon een notariële vordering uiteindelijk wél juridische bewijsmiddelen opleveren.234 De notaris leek zich dus bij een insinuatie actiever op te stellen dan bij een attestatie. Hij zocht de geïnsinueerde zelf op in het bijzijn van twee getuigen, las de verklaring voor, stelde hem of haar aansprakelijk en bracht de insinuant weer verslag uit van de resultaten. Maar de notaris hield het bij officiële verklaringen. Hij bemiddelde niet tussen de partijen. Een notaris kan daarom volgens Roodenburg bij het uitbrengen van een insinuatie als een go-between worden beschouwd, een neutrale verbindingsman die boodschappen van de ene partij aan de andere overbrengt en vice versa.235 Hierbij moet echter worden aangetekend dat de notaris slechts door één partij werd ingeschakeld. Hij handelde uitsluitend in opdracht van de insinuant en hield zich strikt aan zijn orders. Die stonden in een rekest dat door de insinuant was ondertekend.236 Daarmee was de notaris zeker niet neutraal. Hij diende alleen het belang van de insinuant. Bovendien bezat hij geen echte verbindingsfunctie. De andere partij had immers niet om zijn tussenkomst gevraagd. Verder hield de notaris zich in de praktijk vaak doof voor de re-

230 Lybreghts, Redenerend vertoog over het notarisampt, 301. 231 Gehlen, Notariële akten uit de 17e en 18e eeuw, 177,180. 232 Er kon niet officieel geprotesteerd worden als er geen insinuatie aan voorafgegaan was (Wassenaer, Practyk notariael, 41). 233 Lybreghts, Redenerend vertoog over het notarisampt, 301. 234 Vgl. Roodenburg, De notaris en de erehandel, 373. 235 Idem, 374. Zie over de go-between ook: Roberts, Order and dispute, 70. Mather & Yngvesson benadrukken dat een go-between niet zo passief is als wel wordt gedacht. Ook een ‘neutrale’ tussenpersoon kiest eigen bewoordingen bij het overbrengen van boodschappen en oefent zo invloed uit (Idem, ‘Transformation of disputes’, 778). 236 Lybreghts, Redenerend vertoog op het notarisampt, 305.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 216

216

6 het notariaat

denen waarom de geïnsinueerde nog niet aan zijn verplichting had voldaan. Wie de vordering naast zich neerlegde, kon hoe dan ook rekenen op een protestatie.237 De rekesten van de insinuanten wekken de indruk door henzelf te zijn opgesteld. Ze zijn bijvoorbeeld allemaal geschreven in de ik-vorm en vrijwel altijd gericht aan ‘de eerste notaris hiertoe verzocht’. Toch was het de notaris die de verzoekschriften opstelde, in opdracht van de insinuant. De rekesten die in de onderzochte notariële protocollen zijn opgenomen, volgen allemaal het model dat ook in notarisboeken is opgenomen. Ze hebben dezelfde opbouw en bevatten dezelfde uitdrukkingen. Zo beginnen de verzoekschriften doorgaans met de aanduiding van de insinuant – ‘mij ondergeschrevene’ – en de naam van de geïnsinueerde. Vervolgens vermelden ze kort en bondig op welke wijze de geïnsinueerde de belangen van de insinuant had geschaad en wat deze als gevolg hiervan aangezegd diende te worden, namelijk dat de notaris bij in gebreke blijven hem of haar aansprakelijk zou stellen of op andere wijze voor de gevolgen zou laten opdraaien. Tot slot verzocht de insinuant de notaris steevast van het rekest een kopie te maken en verslag uit te brengen.238 Het laten uitbrengen van een insinuatie moet een kostbare aangelegenheid zijn geweest. Weliswaar is niet bekend wat een notaris voor deze dienst in rekening bracht, maar gezien het meerwerk zal het bedrag hoger zijn geweest dan bij attestaties. Soms trof een notaris een geïnsinueerde niet thuis; hij kon dan naar de buren gaan, maar soms ging hij in plaats daarvan later nog eens langs.239 Dit maakte insinuaties waarschijnlijk voor veel mensen onbereikbaar. Alternatieven zoals het laten optekenen van notariële attestaties of een proces voor het college van vredemakers waren voor hen interessanter. Het hogere prijskaartje blijkt ook uit de sociale status van de insinuanten. Van ruim eenderde van hen is het beroep bekend. Aangetroffen zijn: vijf kooplieden, een brouwer, een bakker en een student. Op één na waren de insinuanten man; onder de geïnsinueerden bevonden zich twee vrouwen. Insinuaties werden in de onderzochte periode vooral gebruikt bij oninbare wisselbrieven. Een wisselbrief is een document waarmee een opdrachtgever of ‘trekker’ iemand in een andere plaats – de ‘betrokkene’ – gebiedt om een aldaar verblijvend persoon of ‘nemer’ op een nader omschreven dag en plaats een bepaalde som geld te geven. De brief moet wel eerst door de houder aan de betrokkene ter acceptatie worden aangeboden. Meestal waren trekker en nemer kooplieden, die in de brieven handelden. Wanneer de debiteur de betaalopdracht geaccepteerd had, maar niet binnen de afgesproken termijn tot betaling was overgegaan, kon de nemer naar een notaris stappen om middels een insinuatie en ‘protestatie’ alsnog aan zijn geld te komen. Overigens was het gebruikelijk een wisselbrief pas op de vervaldatum te betalen; degene aan wie
237 Wel tekent Lybreghts aan dat een notaris zijn ‘protestatie’ moest richten naar de inhoud van de insinuatie. Een notaris die alleen maar iets bekend moest maken (en dus niet vanwege achterstallige gelden werd gestuurd) of iets na moest vragen, kon niet protesteren van ‘kosten, schaden en interessen’. Hij moest dan bijvoorbeeld protesteren van ‘non communicatio’ (Lybreghts, Redenerend vertoog op het notarisampt, 303). 238 Vgl. Van Wassenaer, Practyk notariael, 40-42; Lybreghts, Redenerend vertoog op het notarisampt, 302. Originele rekesten die door de insinuanten zelf waren geschreven, konden niet in de protocollen worden gevonden. 239 Lybreghts, Redenerend vertoog op het notarisampt, 294. Vgl. RAL, ONA, inv.nr. 1045, nr. 21 (16-6-1665), 24 (4-7-1665).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 217

6.3 insinuaties

217

moest worden betaald, mocht eens voor die tijd failliet gaan. De betrokkene kon dan in theorie gedwongen worden het geld nog eens te voldoen.240
Tabel 6.11 Verdeling van de onderzochte insinuaties en protestaties (1664-1668) in personen (T), mannen (M), vrouwen (V) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes het aantal vervolginsinuaties in deze rubriek. Personen 1664-1668 Rekwirant M V T 11 0 11241 6 0 6 4 1 5 21 1 22 Zaken Tegenpartij M V 12 0 6 0 4 2 22 2 T 12 6 6242 24 N 12 (1) 6 5 23 (1) % 52 26 22 100

Categorie

Protest ivm wisselbrief Vragen naar bewijs Overig Totaal

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

De opgegeven redenen voor het niet betalen van wisselbrieven waren divers. Koopman Jean Panhuijsen beweerde bijvoorbeeld dat de overeengekomen termijn waarbinnen hij het bedrag moest uitkeren nog niet om was.243 Zijn collega Cornelis Godtschalck kwam het beter uit om een maand later dan was afgesproken over de brug te komen.244 Anderen zeiden de wisselbrief simpelweg niet te accepteren.245 Zo ontkende Philips den Dopper de trekker of lastgever te kennen.246 Maar de notaris liet zich hierdoor niet van de wijs brengen. Steeds antwoordde hij dat alle kosten, schade en renten voor rekening van de geïnsinueerde kwamen. Dat deed hij ook toen hij in plaats van de geïnsinueerde koopman diens vrouw aantrof die hem vroeg twee dagen later terug te komen. Huisvrouwen, zuster, broers, huispersoneel en buren golden bij afwezigheid van de betrokkene als vervanging.247 Een insinuatie en bijbehorende ‘protestatie’ moesten snel na de vervaldatum van een wisselbrief worden opgemaakt. Notarisboeken spreken van een termijn van acht dagen.248 Een nemer kon dan naar de rechtbank stappen om aan het protest inhoud te geven en de betrokkene alsnog tot betaling te dwingen.249 Maar dit lijkt niet vaak gebeurd te zijn. Degenen die tot betaling gemaand werden, lieten het zelden op een rechtszaak aankomen. Daarvoor was het bijbehorende eerverlies te groot. De bewuste
240 Lybreghts, Redenerend vertoog over het notarisampt, 292,294; Van Leeuwen, Nederlandse practyk, 276; Wassenaer, Practijck notariael, 73. Vgl. Wallert, De wisselbrief, 89-122; De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 163-165; Van Dillen, Van rijkdom en regenten, 451-452. 241 Eén keer werden de erfgenamen van iemand als één insinuant opgevoerd. 242 In één akte was de geïnsinueerde een echtpaar. 243 RAL, ONA, inv.nr. 776, nr. 165 (17-5-1665). 244 Idem, inv.nr. 1048, nr. 80 (27-10-1668). 245 Idem, inv.nr. 780, nr. 382 (1-12-1667), 408 (9-12-1667); Idem, inv.nr. 907, nr. 22 (12-3-1667). 246 Idem, inv.nr. 778, nr. 217 (7-6-1666). 247 Idem, inv.nr. 907, nr. 13 (10-2-1667). Vgl. Lybreghts, Redenerend vertoog op het notarisampt, 294. 248 Bij het niet accepteren van de wisselbrief was de termijn nog korter, nl. drie dagen (Van Leeuwen, Nederlandse practyk ende oeffening der notarissen, 35; Van Wassenaer, Practijck notariael, 74). 249 Lett. namptifiseren (de geëiste penningen onder borgtocht betalen tot het uiteindelijke vonnis geleverd wordt).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 218

218

6 het notariaat

kooplieden zouden dan als wanbetalers bekend komen te staan. In de onderzochte periode kreeg geen enkele ‘protestatie’ in verband met een wisselbrief een juridisch vervolg. Ook insinuaties ter verkrijging van bewijzen waren in de onderzochte periode uiterst doeltreffend. Alle keren voldeed de geïnsinueerde prompt aan het verzoek van de insinuant. In de onderzochte periode kreeg maar één insinuatie een juridisch vervolg. Daarin ging het om een partij schapenvellen die koopman Hendrick van Hoochvelt had geleverd aan Quirijn Sterrevelt. Quirijn weigerde te betalen, ook na een insinuatie, waarna een ‘protestatie’ en een rechtszaak volgden.250 Van de overige insinuanten en geïnsinueerden kon geen spoor in de rechterlijke archieven worden aangetroffen. Daarmee vervulden de insinuaties eenzelfde autonome rol als de attestaties in de stedelijke geschilbeslechtingsdelta.

6.4 Verzoeningsovereenkomsten Hoe liep het met een zaak af die ineens uit de civielrechtelijke archieven verdween? Wat gebeurde er met geschillen die nooit voor de schepenen terecht kwamen? In de literatuur wordt gewezen op verschillende mogelijkheden.251 Partijen konden bijvoorbeeld de kwestie laten rusten en elkaar verder negeren. Maar dit was, gezien de frequentie waarmee men elkaar in de buurt of op het werk tegenkwam, nauwelijks realiseerbaar. Bovendien bleef bijvoorbeeld bij een welgemikte belediging of roddel de goede naam beschadigd. Wie niet reageerde op aantijgingen van sociaal gelijken liep sowieso een deuk in zijn reputatie op.252 Het geschil kon ook blijven bestaan en zo nu en dan tot een uitbarsting komen in de vorm van geroddel, achterklap en beledigingen. Maar uiteindelijk waren hier noch de direct betrokkenen, noch de buurt of de familie bij gebaat.253 Wegtrekken uit de buurt was daarom een betere optie. Wie dat niet wilde kon in het belang van de rust en de vrede een kwestie maar beter bijleggen, hetzij onderling of met behulp van een derde partij.254 Wanneer zo’n verzoening zonder hulp van tussenpersonen tot stand kwam, is sprake van tweezijdige geschiloplossing.255 Dikwijls was dit een mondelinge aangelegenheid. Soms werden ook enkele afspraken gemaakt die door derden, bijvoorbeeld de
250 RAL, ONA, inv.nr. 782, nr. 328 (11-8-1668). Hendrick dagvaarde Quirijn nog diezelfde maand voor de schepenen en eiste een bedrag van zeshonderdvijfentwintig gulden van de debiteur. De schepenbank stelde de koopman uiteindelijk in het gelijk (RAL, ORA, inv.nr. 44 G, p. 189 (31-8-1668/19-9-1668)). 251 Zie voor een overzicht: Horwitz, The logic of social control, 97-190; Galanter, ‘Gerechtigheid in vele gedaanten’, 344-345; Roberts, ‘The study of dispute’, 11-17; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 220. 252 Zie onder meer Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 174; Leuker, ‘Schelmen’, 319-323. Vgl. Spierenburg, ‘Knife fighting’, 104105; Sullivan, The punishment of crime, 124-125,128. 253 Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 119-121; Roeck, ‘Neighbourhoods’, 207. 254 Bekend is het afdrinken van meningsverschillen in de kroeg. De betrokkenen toastten dan op elkaars gezondheid en maakten daarmee het gezegde of gebeuren ongedaan. Zie Spierenburg, ‘Knife fighting’, 115; Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 180; Sharpe, ‘Enforcing the law’, 112. 255 Strict genomen kan hier niet van geschilbeslechting worden gesproken, omdat die term formeel is gereserveerd voor het afdoen van geschillen waarbij een actieve derde partij betrokken is (Vgl. Quist, ‘Arbitrage van alle markten thuis’, 34). Zie ook Horwitz, The logic of social control, 134; Roberts, ‘The study of dispute’, 11-12.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 219

6.4 verzoeningsovereenkomsten

219

notaris, op schrift konden worden gesteld. Zo bevatten de onderzochte notariële protocollen zeventien akten waarin partijen de uiteindelijk bereikte onderlinge overeenkomst vastlegden. Overigens is het onduidelijk of hier van zuivere tweezijdige geschiloplossing gesproken kan worden. In de akten staat weliswaar niets over tussenpersonen vermeld, maar dat zegt weinig. Het is bijvoorbeeld waarschijnlijk dat de buurt de nodige druk op de strijdende partijen heeft uitgeoefend en ook de familie kan op verzoening hebben aangedrongen. Daarnaast kunnen buren of familieleden ook achter de schermen hebben bemiddeld. Aanwijzingen dat de notaris zelf bemiddelde, zijn er niet.256 Het is mogelijk dat de hulp van derden door de onderzochte notarissen niet altijd even consequent is aangegeven. Gangbare auteurs van notarisboeken als Van Wassenaer en Van Leeuwen boden voor dergelijke akten geen modellen.257 Het ging in de bewuste stukken vaak om betrekkelijk complexe problemen, zoals erfeniskwesties, compensatie van kraamkosten en defloratie, burenkwesties en achterstallige betalingen. Blijkbaar waren deze zaken te ingewikkeld voor een mondelinge afhandeling. Vastlegging van het bereikte akkoord gaf beide partijen meer zekerheid dat de afspraken ook zouden worden nagekomen.258 Doorgaans hield de overeenkomst in dat beide partijen iets moesten inleveren. Maar de winst werd eveneens gedeeld. De eiser bespaarde zich de tijd en de kosten die een rechtszaak met zich mee zou brengen en de gedaagde kon er zijn of haar eer mee redden.259 Zo staakten Cornelis Jacobsz. van der Werff en zijn schoonvader Jacob Cornelisz. Ouwelant een juridisch proces over het erfdeel van Cornelis’ echtgenote – de stiefdochter van Jacob – en legden ze de kwestie bij ‘zoals dat hoort tussen nauwe bloedverwanten en zeker tussen ouders en kinderen’.260 Rechtszaken tussen familieleden waren not done. Het is daarom ook niet onwaarschijnlijk dat de familie de nodige druk op de twee geschilpartijen heeft uitgeoefend om tot een oplossing te komen. Wie een proces tot het einde toe doorzette, verloor eerder zijn reputatie dan dat hij ermee aan aanzien won.261 Van driezijdige geschilbeslechting was sprake wanneer twee mensen met een geschil een derde partij inschakelden. Deze kon tussen de geschilpartijen bemiddelen of een scheidsrechterlijk oordeel uitspreken.262 Bemiddelaars hadden vaak een relatie met zowel het ene als het andere kamp.263 Idealiter moest die relatie naar beide partijen toe gelijkwaardig zijn. Zodra één kamp het vermoeden kreeg dat een bemiddelaar het andere voortrok, dan kon het zich terugtrekken. En voor een geslaagde bemiddelingspoging was medewerking essentieel; beide partijen moesten per slot van rekening met
256 Vgl. Heersink, ‘Zachte woorden’, 100-102. 257 In het notarisboek van Van Leeuwen staan alleen enkele opmerkingen over akten van transactie of verblijf, waarin wél sprake is van een bemiddelende of arbitrerende derde partij (Van Leeuwen, Nederlandse practyk ende oeffening der notarissen, 257-261). 258 Het vastleggen van de overeenkomst door een notaris gaf het bereikte akkoord een hogere status (vgl. Galanter, ‘Gerechtigheid in vele gedaanten’, 346; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 254). 259 Castan, ‘Arbitration of disputes’, 224-226. 260 RAL, ONA, inv.nr. 968, nr. 41 (18-2-1668). 261 Kooijmans, Vriendschap, 14, 197,215; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 226. 262 Roberts, ‘The study of dispute’, 11-15. Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 24. Heersink haalt bemiddeling en arbitrage enigszins door elkaar (Heersink, ‘Zachte woorden’, 98,99). 263 In sociologische terminologie bestonden er zogeheten cross-cutting ties tussen hen (Horwitz, The logic of social control, 132, 134).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 220

220

6 het notariaat

een compromisvoorstel kunnen instemmen. Maar in de praktijk was een bemiddelaar niet altijd neutraal. Hij koos in de onderhandelingen soms partij voor degene met de meeste status en oefende daardoor een grotere dwang uit op het andere kamp om toe te geven.264 Dit blijkt bijvoorbeeld uit het eerder aangehaalde geval van Geertruijt van Thienen. Zij was naar eigen zeggen zwanger geraakt van medicus Franciscus Gomarus bij wie ze als dienstmeisje werkte. De doctor medicinae ontkende echter de vader van het kind te zijn. Geertruijt schakelde daarop haar oom, professor Adriaen Beeckerts van Thienen, in om voor haar te bemiddelen. Die geloofde niet dat de dokter zijn nichtje zwanger had gemaakt. Hij en Franciscus waren al jaren goede bekenden. Adriaen weigerde dan ook de geneesheer Geertruijts hoge eisen voor te leggen. Een overeenstemming kon niet worden gevonden.265 In de bovenstaande kwestie was sprake van een groot klassenverschil tussen de partijen. De bemiddelaar was bovendien partijdig en gaf de doctor medicinae het voordeel van de twijfel. De overeenkomsten die in de notariële protocollen zijn opgenomen, waarbij dus wél een verzoening tot stand was gekomen, lijken vaak gesloten door geschilpartijen met een minder grote sociale afstand tot elkaar. Helaas ontbreken voldoende gegevens om te kunnen beoordelen of ook in deze gevallen degene met de relatief hoogste sociale status bij bemiddeling aan het langste eind trok. Niet alleen is maar in een klein aantal akten de beroepsaanduiding van de geschilvoerende partijen vermeld. De bemiddelaars zelf werden zelden met name genoemd. In de overeenkomsten werd alleen gerept over ‘goede vrunden’, ‘goede mannen’ of ‘goede lieden’ die met hun ‘tussenspraak’ een oplossing hadden bereikt. De relatie tussen de geschilpartijen en de bemiddelaars kan daarom niet goed worden beoordeeld.266 Tussenpersonen konden in plaats van te bemiddelen ook op verzoek van de geschilpartijen arbitreren of een scheidsrechterlijk oordeel uitspreken. Zij kregen dan de bevoegdheid om een oplossing op te leggen of ‘een zegge te doen’.267 De scheidsrechters konden schepenen zijn, maar ook ‘goede mannen’, arbiters die buiten het juridische systeem stonden. Soms kregen de geschilpartijen arbiters toegewezen, bijvoorbeeld door het college van vredemakers wanneer de kwestie niet binnen afzienbare tijd tot een oplossing kon worden gebracht. Maar ook was het mogelijk dat de kampen op eigen initiatief scheidsmannen in de arm namen. Voorwaarde voor arbitrage was steeds dat beide partijen beloofden zich bij het scheidsrechterlijk oordeel te zullen neerleggen. Dit konden ze doen door de schepenen die hen doorverwezen, toe te zeggen het geschil aan de arbiters te zullen ‘verblijven’ of overlaten. Deze belofte werd dan bijgeschreven in de aantekeningen die tijdens de zitting werden gemaakt. Maar een en ander kon ook worden neergelegd in een notariële akte van verblijf, ook wel akte van transactie of compromis genaamd.268
264 Merry, ‘De sociale organisatie van bemiddeling’, 369-379. 265 RAL, ONA, inv.nr. 777, nr. 450,451 (9-12-1665; 13-12-1665). Zie ook par. 6.2.3. 266 Vgl. Le Bailly, Recht voor de raad, 214; Godding, ‘Une justice parallèle’, 123-124 en 128. 267 Wanneer een derde partij door de gemeenschap bevoegd wordt verklaard om in een zaak een oordeel uit te spreken, is sprake van berechting. 268 Een verblijf kon ook mondeling worden afgesproken (zie bijv. RAL, ONA, inv.nr. 775, nr. 648 (15-12-1664), waarin notaris Raven zijn uitspraak vastlegt na een mondeling verblijf inzake een burenkwestie).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 221

6.4 verzoeningsovereenkomsten

221

Het ging bij arbitrage niet om rechtstreekse bemiddeling tussen de betrokken partijen. De door hen aangewezen goede mannen moesten, na de partijen te hebben gehoord, plaatsvervangend ‘naar recht en billijkheid’ onderhandelingen voeren en tot een scheidsrechterlijk oordeel komen. Wanneer zij er niet uitkwamen, mochten zij, bij een even aantal scheidsmannen, een ‘super arbiter’ aanstellen die de doorslag moest geven. Verder legden de partijen bij een verblijf vaak vast dat ze de uitkomst van de arbitrage juridisch zouden laten bekrachtigen. Dit was belangrijk omdat ze waarschijnlijk zonder die extra zekerheid nooit bereid zouden zijn geweest om tot een buitenrechterlijke oplossing te komen.269 Om een zo gunstig mogelijk resultaat af te dwingen, schoven de partijen meestal aanzienlijke heren naar voren die veel invloed hadden.270 In de onderzochte akten gaat het onder meer om advocaten van het Hof van Holland, leden van de vroedschap, schepenen en hoogleraren in de rechten, maar ook om notarissen en kooplieden. Anderen, zoals pondgaarders en metselaars mochten zich vooral vanwege hun specifieke expertise met een aantal geschillen bemoeien271 Buurtheren, bonmeesters, predikanten of ouderlingen werden in de onderzochte akten niet of nauwelijks als arbiters naar voren geschoven.272 De meeste scheidsmannen waren wat aanzien en invloed betreft aan elkaar gewaagd; veel van hen waren zelfs collega’s. Zo traden twee notarissen als arbitersduo op.273 Twee keer werd door beide geschilpartijen een advocaat van het Hof van Holland als arbiter aangewezen. In drie andere gevallen lieten de betreffende kampen hun kwestie ter beslechting over aan respectievelijk een advocaat van het Hof van Holland en een hoogleraar in de rechten.274 Het is de vraag in hoeverre nauwe betrekkingen tussen de scheidslieden tot scherpe onderhandelingen hebben geleid. In ieder geval leek het bereikte compromis geen van te voren uitgemaakte zaak. Eén keer bleken de arbiters na acht jaar nog altijd geen uitspraak te hebben gedaan. Maar meestal ging het sneller.275 In tenminste veertien van de zesenveertig akten waarin sprake was van bemiddeling dan wel arbitrage, beide hier gemakshalve in één woord verzoeningsovereenkomsten genoemd, was sprake van een lopend juridisch proces tussen de betrokken kampen. Zo hadden Bartholomeus Oloff, Juriaen Snaphaen en Salomon van der Vlies zo’n ‘afkeer’
269 Vaak gebeurde dit aan het gewestelijke hof. Zie Van Leeuwen, Nederlandse practyk ende oeffening der notarissen, 258v. 270 Horwitz, The logic of social control, 135; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 235-237. In Amsterdam bestond volgens Kernkamp een soort scheidsrechterspool, waarin jaarlijks op verzoek van de vierschaar, uit alle economische sectoren ‘experts’ participeerden (Kernkamp, ‘Regeering en historie’, 52). Voor Leiden is zo’n pool niet gevonden. 271 Voor pondgaarders (makelaar in granen), zie bijv. RAL, ONA, inv.nr. 775, nr. 631 (10-12-1664), 632 (10-12-1664); voor metselaars, zie o.m. RAL ONA, inv.nr. 906, nr. 138 (8-11-1666). 272 Onder de arbiters is slechts één buurtheer gevonden. Onduidelijk is of deze in zijn hoedanigheid als buurtheer optrad, of als koopman (RAL, ONA, inv.nr. 965, nr. 24 (21-2-1665) en 34 (8-3-1665). Ook kon maar één ouderling worden gevonden. Die was tegelijk ook schepen. Gezien de aard van het geschil, een ruzie tussen de schout en de secretaris van Katwijk, lijkt de arbiter vooral vanwege zijn politieke functie te zijn gekozen. (RAL, ONA, inv.nr. 966, nr. 42 (3-3-1666)). Ouderlingen werden overigens wel als arbiters of bemiddelaars ingezet (RAL, FH, inv.nr. 21 (5-6-1652; 1-7-1655; 7-7-1655)). 273 RAL, ONA, inv.nr 1046, nr. 7 (17-1-1666). 274 Idem, inv.nr. 776, nr. 60 (4-3-1665); Idem, inv.nr. 1046, nr. 42 (21-12-1666); Idem, inv.nr. 968, nr. 157 (20-10-1668). 275 Idem, inv.nr. 776, nr. 60 (4-3-1665). De goede mannen die François Drabbe en Cornelis Bollaert aanwezen, kwamen binnen acht dagen met een oplossing (Idem, inv.nr. 965, nr. 24 (21-2-1665) en 34 (8-3-1665)).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 222

222

6 het notariaat

gekregen van een rechtszaak voor het Hof van Holland inzake de betaling van twee geleverde halve lakens dat ze zelf onderling een betalingsregeling overeenkwamen.276 Anderen werden door de vierschaar doorverwezen naar arbiters om tot een oplossing te komen. Zij kregen zodoende de ruimte om er met scheidslieden uit te komen. Overigens suggereren de gebruikte formules in de notariële akten dat de partijen zelf hadden besloten bemiddelaars in de arm te nemen. Dit kan er op duiden dat de schepenen de bemiddeling niet opdrongen, maar er slechts hun fiat aan gaven. Het grootste deel van de geschilpartijen wilde juist voordat het tot een juridische procedure kwam een oplossing voor hun moeilijkheden bereiken. Gezien de mate van verwevenheid met het juridisch systeem, wekt het nauwelijks verbazing dat vrijwel alle comparanten man waren. De weinige vrouwen waren bovendien veelal weduwe of ongehuwd.277 De geschilpartijen die een verzoeningsovereenkomst lieten optekenen, behoorden overwegend tot de hogere middenklasse. Aangetroffen zijn onder andere negen kooplieden, twee korenkopers, een houtkoper, een kaaskoper, een advocaat, een zilversmid, een lakendrapier, een huiszittenmeester, een weesmeester, een dijkgraaf en de schout en secretaris van Katwijk. Maar ook drie timmerlieden, een bakker en een kuiper legden de beëindiging van hun kwestie bij de notaris vast. Daarbij maakte het niet uit of de betrokkenen de onenigheid onderling uit de wereld hielpen of daar derden bij inschakelden. De sociale status van de strijdende partijen was, voor zover bekend, in deze categorieën min of meer gelijk. Voor mensen uit lagere sociale strata waren notariële verzoeningsovereenkomsten onbereikbaar. Zij beperkten zich daarom tot de andere, reeds genoemde manieren om geschillen bij te leggen. De keuze voor een bepaalde vorm van geschilafdoening, tweezijde vereffening, bemiddeling of arbitrage, lijkt vooral van de onenigheid zelf te hebben afgehangen. Zo konden weinig kwesties met betrekking tot huwelijk en zedelijkheid worden aangetroffen. Ook beledigingszaken waren relatief zeldzaam.278 Notariële verzoeningsovereenkomsten waren vooral handig bij zakelijke geschillen. Bij burenkwesties schakelde men vooral bemiddelaars of scheidsmannen in, terwijl erfeniskwesties meestal onderling, dus zonder aanwijsbare ‘tussenspraak’ werden opgelost. Achterstallige betalingen en geschillen over boekhoudkundige verrekeningen waren typisch zaken voor arbitrage. De moeilijkheden op gebied van huwelijk en zedelijkheid die door middel van verzoeningsovereenkomsten werden geregeld, waren eveneens betrekkelijk zakelijk van aard. Ze hadden vooral te maken met problematische huwelijksvoorwaarden en de compensatie voor defloratie en kraamkosten. Deze kwesties werden doorgaans tweezijdig opgelost.

276 RAL, ONA, inv.nr. 904, nr. 159 (16-9-1664). 277 De eerste comparanten bestonden uit 43 mannen en 3 vrouwen; de tweede (de opponenten van de eerste) uit 42 mannen en 4 vrouwen. 278 In de onderzochte periode kon er maar 1 worden gevonden (RAL, ONA, inv.nr. 964, nr. 30 (27-3-1664)). Merry merkt ook op dat beledigingen minder geschikt waren voor bemiddeling, omdat ze vaak te complex zijn (Merry, ‘De sociale organisatie van bemiddeling’, 381).

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 223

6.5 conclusie

223

Tabel 6.12

Verdeling van de onderzochte notariële verzoeningsovereenkomsten (1664-1668) in absolute aantallen en procenten over de rubrieken ‘Persoonlijke levenswandel’, ‘Huwelijk en zedelijkheid’ en ‘contracten en afspraken’. Soort geschilafdoening Tweezijdig Bemiddeling N % N % 3 18 2 20 4 24 0 0 10 59 8 80 17 100 10 100 Arbitrage N % 8 42 0 0 11 58 19 100 Totaal N 13 4 29 46

Categorie

Persoonlijke levenswandel Huwelijk en zedelijkheid Contracten en afspraken Totaal

% 28 9 63 100

Bron: RAL, ONA, inv.nr. 904-908, 964-968, 1044-1048 en 774-782.

6.5 Conclusie Notarissen konden op verschillende manieren gemobiliseerd worden bij het beslechten van geschillen. Zo was het mogelijk om tijdens een rechtszaak bij een notaris akten te laten optekenen die dienden als bewijsmateriaal. Maar vaker nog werden de notariële documenten gebruikt om een rechtszaak te voorkomen. Attestaties bleken daar een goed voorbeeld van. Deze getuigenverklaringen vormden in handen van een geschilpartij een sterk signaal aan de tegenstander. Wie zo’n akte liet opstellen, gaf aan overtuigd te zijn van het eigen gelijk en bereid te zijn om het desnoods op een proces te laten uitlopen. Attestaties werden opgetekend uit de mond van getuigen die goede ‘redenen van wetenschap’ konden geven en zich bereid hadden verklaard om hun verhaal eventueel onder ede voor de rechter te herhalen. De tegenpartij kon daarom maar beter inbinden of het met de rekwirant op een akkoordje gooien. Het kon ook dat de opponent in kwestie eveneens van zijn zaak overtuigd was en ook naar een notaris stapte om een attestatie te laten opmaken. Op die manier werden soms over en weer enkele getuigenverklaringen opgesteld. Bleven beide partijen bij hun zaak, dan kon het tot een proces komen, maar dit gebeurde opvallend weinig. Om het gebruik en de werking van attestaties te doorgronden, is het belangrijk om ze in het licht van Ehrenhandel te bestuderen. Dit mechanisme waarin de eigen reputatie en die van anderen voortdurend werden gemeten, aangevallen en verdedigd, was van groot belang in de Republiek. Bij aantasting van de goede naam door middel van een belediging, onterechte beschuldiging of schadelijke suggestie moest snel een adequate tegenactie worden ondernomen om de eigen reputatie te redden. Dit kon op tal van manieren, allereerst door bijvoorbeeld bij een belediging de belager zelf verbaal of fysiek van repliek te dienen. Bleef een confrontatie onbeslist, dan was instrumenteel forumgebruik een volgende optie, bijvoorbeeld het laten optekenen van een notariële getuigenverklaring als drukmiddel. Met attestaties was het ook mogelijk om eerverlies te voorkomen en mogelijke kwade suggesties, bijvoorbeeld bij problemen met levering of betaling van goederen, tijdig in de kiem te smoren. Aan afnemers of crediteuren en

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 224

224

6 het notariaat

natuurlijk de schepenen kon dan worden getoond dat de problemen door anderen veroorzaakt waren. Dat attestaties voor beide doeleinden heel geschikt waren, blijkt uit de hoge frequentie van de akten. In de onderzochte periode lieten Leidenaren naar schatting enkele honderden keren per jaar een getuigenverklaring optekenen.279 Attestaties bestreken de meest uiteenlopende onderwerpen. Het meest werden de getuigenverklaringen gebruikt bij beledigingen. De werking van Ehrenhandel laat zich met deze akten het best demonstreren. Maar ook bij andere attestaties speelde de angst om in maatschappelijk opzicht buiten de boot te vallen een grote rol. Iedere suggestie van onbetrouwbaarheid moest worden vermeden. Dat gold zowel ten aanzien van schulden, die mogelijk door financieel wanbeheer waren ontstaan, fraude en geschillen over aankoop of levering als bijvoorbeeld voor burenkwesties en erfeniskwesties. In al deze zaken ging het om inbreuk op rechten en geschonden afspraken die mondeling of schriftelijk waren gemaakt. Steeds moest er iets worden recht gezet wat anders de eer van de rekwirant zou beschadigen. Afspraken hoorden nagekomen te worden, al moest men ‘de steen van het graf wentelen’. Wie iemand tot nakoming van een verplichting wilde dwingen, kon de notaris ook een insinuatie laten uitbrengen. Dit was een officiële manier om de ander op verzuim te wijzen en te verzoeken om per direct alsnog de gemaakte afspraken na te komen. Wanneer de opponent dat weigerde, dan stelde de notaris hem of haar steevast aansprakelijk voor alle kosten. Deze nauwe relatie tussen insinuaties en ‘protestaties’ maakte van insinuaties veeleer een vordering dan een aanzegging. Daarmee was de akte dwingender dan een attestatie. Met een dergelijk stuk op zak kon een insinuant naar het gerecht stappen om daar, bijvoorbeeld bij kwesties inzake wisselbrieven, onder provisie zijn geld te krijgen. Dit leek overigens maar zelden nodig. Processen naar aanleiding van protestaties zijn in de onderzochte periode niet gevonden. Ook zeldzaam was het gebruik van een insinuatie als aansporing. Met een insinuatie kon herhaling of terugname van een belediging worden afgedwongen om juridisch bewijs te verzamelen en allerlei roddels en achterklap te ontzenuwen. De goedkopere en minder omslachtige notariële getuigenverklaringen waren daarvoor echter evenzeer geschikt. De notaris kon ook bij de oplossing van een geschil betrokken worden. Zo legde hij naar wens mondeling overeengekomen compromissen vast. Daarbij kon het gaan om een door geschilvoerende partijen onderling of tweezijdig bereikte verzoening om een rechtszaak te voorkomen of voortijdig te beëindigen, maar meestal was de oplossing totstandgekomen met behulp van derden. Vaak waren dit familieleden, vrienden of buurtgenoten, die op verzoening aandrongen vanwege de slechte naam die een ruzie hen kon bezorgen. Zij bleven vaak anoniem. De strijdende partijen konden ook ieder voor zich arbiters aantrekken die gezamenlijk een scheidsrechterlijk oordeel moesten uitspreken. Welke vorm van geschilbeslechting gekozen werd, hing van het soort con279 In de notariële protocollen van de vier onderzochte notarissen konden 615 attestaties worden aangetroffen. Bij een gemiddelde van 31 per notaris per jaar werden in de bestudeerde periode jaarlijks meer dan 900 attestaties per jaar opgesteld. Meer dan de helft van alle notarissen tekende per jaar niet voldoende akten op voor een aparte band. Sommige notarissen stelden gedurende hun hele werkzame leven minder akten op dan een andere in één jaar voor elkaar kreeg. Het gemiddelde is daarom mogelijk aan de hoge kant.

06008_hoop_H06

22-05-2006

11:13

Pagina 225

6.5 conclusie

225

flict af. Erfeniskwesties werden meestal onderling opgelost, burenkwesties door bemiddeling van derden en achterstallige betalingen voornamelijk door arbitrage. Kwesties met betrekking tot huwelijk en zedelijkheid leenden zich alleen voor bemiddeling of arbitrage wanneer contractuele zaken als huwelijksvoorwaarden en de compensatie voor defloratie en kraamkosten in het spel waren. Beledigingen waren helemaal zeldzaam in notariële verzoeningsovereenkomsten. Beschimpingen leenden zich meer voor bijlegging in de kroeg. De gang naar een notaris was niet voor iedereen weggelegd. Allereerst was meer dan tachtig procent van de mensen die voor een notaris een akte in de semi-processuele sfeer lieten opmaken, man. Dit illustreert de dominantie van mannen in het toenmalige juridische systeem. Het waren mannen die processen mochten voeren. Getrouwde vrouwen dienden zich voor de rechtbank door hun man te laten vertegenwoordigen. Dit gold ook voor het verlijden van een notariële akte. Vrouwen die zelf een notaris inschakelden, waren doorgaans alleenstaand. Bovendien waren de hoge kosten van notariële akten voor veel vrouwen een drempel. Alleen de categorie ‘huwelijk en zedelijkheid’ liet een relatief groot aantal gehuwde vrouwelijke rekwiranten zien. Deze vrouwen hadden juist een geschil met degene die hen normaliter had moeten vertegenwoordigen. Bovendien hadden ze behoefte aan iets wat ze zelf niet voor elkaar konden krijgen, namelijk een officiële scheiding van tafel en bed of een definitieve beëindiging van het huwelijk. De meeste comparanten behoorden verder tot de betrekkelijk kleine middenklasse in Leiden. Vooral zelfstandige ondernemers gingen regelmatig bij de notaris langs. Zij waren voor hun klandizie afhankelijk van de buurt en daarmee van hun reputatie onder buurtbewoners. Zodoende waren zij bereid om die tot het uiterste toe te verdedigen. Bovendien beschikten zij over enige financiële armslag. De grote groep laagbetaalde textielarbeiders in Leiden had dat geld niet. Wevers, spinners, naaisters, droogscheerders etc. zijn dan ook nauwelijks vertegenwoordigd onder de rekwiranten. Maar ook de bestuurlijke elite liet zich nauwelijks bij de notaris zien. Zij hadden hen gezien hun hoge status ook niet nodig. Zij konden eenvoudig hun eigen verdediging organiseren. Tot slot was de notaris niet altijd het meest geëigende adres voor instrumenteel forumgebruik. Zo werden notariële akten opvallend weinig gebruikt bij arbeidsconflicten. Ook voor geschillen tussen schutters en gildenbroeders was een gang naar de notaris niet de aangewezen weg. De schepenmeesters voor burenkwesties en het college van vredemakers tot slot kenden alleen een mondelinge procedure. Attestaties waren daarbij dus niet nodig. En juist voor het college van vredemakers werden veruit de meeste processen gevoerd. In het volgende hoofdstuk zal de rechtspraak door de schepenmeesters voor burenkwesties en de vredemakers aan bod komen.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 226

Hoofdstuk 7

De schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

7.1 Inleiding De Leidse overheid riep in het laatste kwart van de zestiende eeuw twee rechtbanken in het leven die voor zover bekend op dat moment uniek waren in de Republiek: de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers. Laatstgenoemde rechtbank, opgericht in 1598, bestond uit twee schepenen en een burgemeester en was bedoeld voor de beslechting van kleine zakelijke en persoonlijke geschillen op allerlei gebied. Voortaan waren geschilvoerende partijen verplicht om hun zaak eerst aan het college van vredemakers voor te leggen. De vredemakers velden geen vonnis. Ze probeerden alleen de betrokkenen tot een akkoord te bewegen. Pas wanneer dit niet mogelijk bleek, mochten partijen een proces voor de civiele vierschaar beginnen.1 Op deze manier functioneerde het college van vredemakers als een soort poortwachter, met het doel de vierschaar te ontlasten. Het idee hierachter zou volgens sommige historici zijn voortgekomen uit opvattingen over de Romeinse rechtspraak van de zogeheten Hollandse School, een groep toonaangevende hoogleraren aan de Leidse universiteit. Het Leidse college van vredemakers zou naar deze klassieke modellen zijn vormgegeven.2 Het is de vraag in hoeverre de invoering van het vredemakerscollege uitsluitend aan de invloed van enkele hoogleraren kan worden toegeschreven. Vijftien jaar ervoor was
1 RAL, BLO, 16804/5. In Amsterdam zou volgens Bontemantel in 1598 ook een college van vredemakers zijn opgericht, maar hiervan zijn verder geen beschrijvingen bekend. De ordonnantie die hij weergeeft, lijkt op de Leidse vredemakerskeur, maar is opvallend weinig uitgewerkt. Het is niet duidelijk of het Amsterdamse college van vredemakers daadwerkelijk heeft gefunctioneerd (Bontemantel, De regeeringe van Amsterdam II, 453; Kernkamp, ‘Regeering en historie’, 51; vgl. Ten Raa, De oorsprong van de kantonrechter, 164-165). 2 Ten Raa, De oorsprong van de kantonrechter, 192-193,195; Van Assen, ‘Vredemakers’, 73. Vgl. Düll, Das Zwölftafelgesetz, 29,71,75. Van Assen baseert zijn stelling op de titel ‘Mr’ die door twee ondertekenaars van de eerste vredemakerskeur werd gevoerd. De twee schepenen zouden, zo veronderstelt Van Assen, colleges hebben gevolgd bij de hoogleraren Donellus, Bronkhorst of Tuning en hun ideeën hebben verwerkt in de vredemakerskeur. Ten Raa gaat in deze gedachtegang mee. Maar geen van de ondertekenaars van de keur kunnen worden teruggevonden in de lijst van studenten die tussen 1575 en 1630 in Leiden rechten hebben gestudeerd (Ahsmann, Collegia en colleges, 464-562). Ook het Album Studiosorum van de Leidse universiteit vermeldt hun namen niet.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 227

7.1 inleiding

227

al de commissie voor burenkwesties ingesteld. Deze had een vergelijkbare verzoeningstaak, maar dan op het gebied van erfscheidingen, erfdienstbaarheden, uitzicht over het erf van de buren, beplanting bij de grensscheiding en de afloop van water.3 De strijdende partijen mochten formeel pas een rechtszaak beginnen wanneer de verzoeningspoging van de commissie was mislukt. Het forum had dus net als het college van vredemakers een zogeheten preliminaire conciliatietaak en vormde een drempel voor de vierschaar. Donellus, wiens leerlingen aan de basis stonden van de Hollandse School, doceerde echter pas vanaf november 1579 in Leiden. De kans dat studenten van hem betrokken waren bij de totstandkoming van de keur op ‘gebuer-questiën’ is klein.4 Waarschijnlijker is dat de werkwijze van de schepencommissie aansluiting vond bij veranderingen in middeleeuwse gebruiken op het gebied van vredemaken die al eerder waren ingezet. Bij de totstandkoming van de vredemakerskeur kan het stadsbestuur vervolgens op ervaringen met de aanpak van burenkwesties hebben teruggegrepen.5 In dit hoofdstuk staan achtereenvolgens de activiteiten van de commissie voor burenkwesties en het college van vredemakers centraal. Literatuur hierover is nauwelijks voorhanden. Wel wordt in een aantal publicaties de regelgeving rond het college van vredemakers besproken, maar een analyse van de vredemakersboeken zelf ontbreekt tot nu toe. Dat is wel verklaarbaar. De vuistdikke boeken die de vredemakers hebben nagelaten zijn niet geïndexeerd, waardoor systematisch zoeken een uitermate tijdrovende klus is. Verder staan de geschillen slechts beknopt beschreven, waardoor niet altijd even duidelijk is waar ze over gingen. Toch geeft alleen al de hoeveelheid processen het belang van het forum aan. In de periode 1664-1668 behandelden de vredemakers het enorme aantal van drieëntwintigduizendzeshonderd zaken. Dat is veel meer dan alle zaken die in de archieven van de andere geschilbeslechtende instanties van Leiden zijn overgeleverd.6 Om dit cijfer enigszins in perspectief te zetten: de huidige kantonrechtbank in Leiden kreeg in 2003 iets minder dan zesenzestighonderd geschillen te verwerken.7 Het gebrek aan eerdere studies naar de commissie voor burenkwesties en het college van vredemakers maakt dat dit hoofdstuk een voornamelijk verkennend karakter heeft. Vragen die aan de orde komen zijn: Wat waren de procedures voor beide instellingen? Wie waren de geschilvoerende partijen? Wat was hun sociale status? Welke ge3 Het ging om kwesties die het burenrecht betroffen. Dat is ontstaan om inbreuken te reguleren op het eigendom van een ander ten behoeve van het buurerf (de zogeheten erfdienstbaarheden). Vgl. De Smidt, Rechtsgewoonten, 20. 4 De studieduur bedroeg gemiddeld vier tot zes jaar (Ahsmann, Collegia en colleges, 255 (noot 141), 469-562). In hoeverre Donellus zelf betrokken was bij de ontwikkeling van de keur op de burenkwesties is niet duidelijk. Advisering van stadsbesturen bij de ontwikkeling van keuren behoorde in ieder geval niet tot de reguliere taken van hoogleraren (Otterspeer, W., Groepsportret van een dame I, 294-296,319). Vgl. Eyssell, Doneau, 124, noot 377. 5 Vgl. par. 7.3.1. Zie verder Glaudemans, Om die wrake wille, 280-283; Van Herwaarden, Administration of justice, 16; Van Caenegem, Strafrecht in Vlaanderen, 304; Nortier, Burgerlijk proces, 106-108. 6 Alles bij elkaar, inclusief schattingen van aantallen kwesties in niet-overgeleverde boeken, behandelden de overige gerechtelijke en buitengerechtelijke fora zo’n twintigduizend zaken. De omvang van de mondelinge geschilbeslechting door personen of instellingen is in dit cijfer niet meegenomen. 7 In 2003 zijn er bij de sector kanton van de rechtbank ’s-Gravenhage sector kanton locatie Leiden 12.314 zaken aangebracht. 6599 hiervan waren geschillen. De rest betrof voornamelijk familie- en verzoekschriftprocedures (bron: griffie rechtbank ’s-Gravenhage sector kanton locatie Leiden).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 228

228

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

schillen maakten zij aanhangig bij de vredemakers of de commissie voor burenkwesties? Hoeveel zaken werden door de schepencommissarissen afgedaan en hoeveel eisers spanden alsnog een proces aan voor de vierschaar? Wanneer gebeurde dat? Welke zaken kwamen niet tot een uitspraak? Welke betekenis hadden de genoemde instellingen voor de geschilvoerende partijen ten opzichte van de reeds besproken overige fora voor geschilbeslechting? De verschillende zaken in de archieven van beide instellingen worden gerubriceerd, gekwantificeerd, uiteengezet en vergeleken met andere gerechtelijke en buitengerechtelijke geschilbeslechtingsmogelijkheden. De burenkwesties zullen voor de periode 1664-1668 volledig onder de loep worden genomen. Ten aanzien van de vredemakers moet een andere procedure worden gevolgd. Vanwege de grote hoeveelheid processen zijn alleen de zaken uit het jaar 1664 geanalyseerd. Dit jaartal is gekozen om in de dingboeken van de civiele vierschaar zoveel mogelijk appèlzaken te kunnen volgen. Door de aanpak zijn de conclusies vanzelfsprekend enigszins voorlopig van karakter. De bestudering van één jaar geeft desondanks een indruk van het instrumenteel gebruik van het forum en het soort geschillen waarvoor de vredemakers werden gemobiliseerd. Ook kan zo een globaal overzicht worden verkregen van het belang van de verschillende categorieën. Maar voordat de onderzoeksresultaten aan bod komen, volgt eerst een overzicht van de belangrijkste historische werken over het college van vredemakers. 7.1.1 Historiografie Het Leidse college van vredemakers, in andere steden ook wel commissarissen van kleine zaken of politiemeesters genoemd, is voor het eerst uitvoerig beschreven in een artikel van G.J. van Assen uit 1851.8 Het stuk gaat in op de regelgeving en de wijzigingen die daarin werden aangebracht, hier en daar aangevuld met vergelijkingen met keuren uit andere plaatsen als Rotterdam en Enkhuizen. Zijdelings wordt ook de Leidse commissie voor burenkwesties aangestipt, maar Van Assen beperkt zich daarbij hoofdzakelijk tot de verschillen en overeenkomsten met regelingen uit zijn eigen tijd. Hij onderstreept dat de Leidse vredemakers bij het afdoen van de vele kwesties vooral gericht waren op het verenigen van de geschilvoerende partijen en het verlenen van betalingsuitstel. Verder heeft hij oog voor de latere bevoegdheid van vredemakers om geschillen met vorderingen tot een bepaalde eis zelf af te doen. Maar hoe die verschillende mogelijkheden zich tot elkaar verhielden, laat Van Assen in het midden. De vredemakersboeken zelf lijkt hij nauwelijks te hebben ingezien. De praktijk van het vredemaken blijft daardoor enigszins in nevelen gehuld.9 C.M.G. ten Raa doet ruim een eeuw later het werk van Van Assen min of meer over, zij het aanmerkelijk uitgebreider. Volgens Ten Raa was het Leidse college van vrede8 Joh. van der Linden schreef ruim vijftig jaar eerder ook over de Leidse vredemakers en deelde dit college in bij de ‘mindere rechtbanken’ die alle zaken vooraf dienden te onderzoeken ‘eer dezelve voor schepenen gebragt mogen worden.’ Hij besprak de instelling echter kort en bovendien onjuist door zich te baseren op het keurboek van 1658 en niet op de nieuwe vredemakerskeur van 1660 (Van der Linden, Verhandeling over de judicieele practijcq I, 61,62). 9 Van Assen, ‘Vredemakers’, m.n. p. 78. In noten geeft Van Assen enkele voorbeelden uit de vredemakersboeken (noot m, s).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 229

7.2 de commissie voor burenkwesties

229

makers uniek in de Republiek. Het stond in zijn visie ook aan de basis van de Franse juges de paix. Uitsluitend in Leiden hadden de vredemakers de opdracht om in ieder civiel proces de geschilvoerende partijen te verzoenen. In andere steden mochten vredemakers alleen een scheidsrechterlijk oordeel vellen in civiele kwesties die niet verder gingen dan een bepaald bedrag, eventueel met de verplichting eerst op een schikking aan te sturen.10 Ten Raa baseert zich echter hoofdzakelijk op de keuren zoals die in de verschillende steden zijn uitgevaardigd. Net als Van Assen bekijkt hij nauwelijks hoe de regelgeving in de praktijk heeft uitgepakt. De vredemakersboeken lijkt hij alleen globaal te hebben doorgenomen; het aantal zaken dat hij voor de jaren zestig van de zeventiende eeuw opgeeft, is in ieder geval veel te laag.11 Desondanks is zijn werk door de uitgebreide analyse van de verschillende keuren en zijn vergelijkingen tussen de verschillende steden uiterst nuttig voor onderzoekers die de lage rechtbanken nader willen bestuderen. H.W. Roodenburg is de eerste historicus die de vredemakers niet op zichzelf bespreekt, maar de rechtbank beschouwt als één van de mogelijkheden die stedelingen hadden om met onderlinge conflicten om te gaan. Hij plaatst het vredemakerscollege in hetzelfde rijtje als de buurtheren, kerkenraden en notarissen. Roodenburg heeft met name aandacht voor de rol die de lage rechtbank speelde in het herroepen van beledigingen. Hij laat zien dat de vredemakers in Amsterdam, daar overigens ‘commissarissen van kleine zaken’ geheten, bij herroepingen van dezelfde formule gebruikmaakten die hij ook bij kerkenraden, buurtheren en notarissen tegenkwam: de amende honorable.12 Maar hoe frequent dit verzoeningsritueel voorkwam en hoe vaak de verschillende instanties en personen bij beledigingen werden gemobiliseerd, laat hij in het midden. Wel roept hij op tot nader onderzoek.13 In het nu volgende zal eerst de commissie voor burenkwesties aan bod komen. Daarna volgt een uiteenzetting over de vredemakers en de geschillen die zij behandelden.

7.2 De commissie voor burenkwesties 7.2.1 Keuren op de burenkwesties Als gevolg van de sterke bevolkingsgroei eind zestiende eeuw zag het stadsbestuur zich genoodzaakt om het rechtssysteem in de stad te stroomlijnen.14 Eén van de innovaties was de instelling in 1583 van een vaste commissie voor burenkwesties. Dit forum werd
10 Ten Raa, De oorsprong van de kantonrechter, m.n. p. 176. 11 Idem, 209. Ten Raa komt uit op gemiddeld 2200 zaken tussen 1640 en 1680. 12 Roodenburg, ‘Reformierte Kirchenzucht’, 148. Vgl. Idem, ‘De notaris en de erehandel’, 368; Idem, Onder censuur, 247-248. Voor de amende honorable: zie verderop bij de bespreking van beledigingen (par. 7.4.1). De Amsterdamse commissie van kleine zaken werd overigens in de loop van de zeventiende eeuw ontlast door de kamer van zeezaken en de commissarissen van huwelijkse zaken die na 1654, naast echtelijke problemen, ook oordeelden over beledigingen, vechtpartijen en dreigementen. Na 1674 kwamen hier geschillen over daghuren en arbeidsloon bij (Kernkamp, ‘Regeering en historie’, 51-52). 13 Roodenburg, ‘Eer en oneer’, 145. 14 Zie introductie bij de ‘Burgelycke keuren mit alle de veranderingen’ van 1583: RAL, BLO, 15271pf (vgl. Van Maanen, Leidse keurboeken, 1). Zie ook RAL, SAII, inv.nr. 10, dat dezelfde introductie heeft. Vgl. Koppenol, Leids heelal, 38 noot 96.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 230

230

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

gevormd door de zogeheten schepenmeesters, een schepenpaar dat elk kwartaal een andere samenstelling had en zich naast de burenkwesties met voluntaire rechtspraak bezighield. Buren die ruzie hadden over erfscheidingen en -dienstbaarheden moesten hun problemen voortaan eerst aan de commissie voorleggen. De schepenmeesters kwamen op uitnodiging van de verzoekende partij, de rekwirant, ter plaatse om poolshoogte te nemen en hoorden beide buren aan. Vervolgens probeerden ze de partijen te verzoenen. Dat kon door zélf te bemiddelen of door de betrokkenen voor arbitrage te verwijzen naar rooimeesters, dat waren bouwlieden in dienst van de stad die toezagen op naleving van de bouwvoorschriften.15 Voorheen waren burenkwesties een zaak van de vierschaar. Schout en schepenen bekeken de plek in kwestie en deden in overleg met de buren uitspraak.16 Na invoering van de nieuwe keur kwam de rechtbank pas in beeld wanneer de twee aangewezen schepenmeesters er niet in geslaagd waren om overeenstemming te bereiken. De eiser kreeg dan toestemming om zijn geschil aan de vierschaar voor te leggen. Vervolgens werd grotendeels de oude procedure gevolgd. Schout en schepenen namen de situatie in ogenschouw en velden een oordeel. Wie zich tijdens het proces liet gaan en begon te schelden, kon een boete van vierentwintig stuivers tegemoet zien. De proceskosten kwamen voor rekening van de verliezer.17 In 1658 bracht het stadsbestuur enkele wijzigingen aan in de keur op de burenkwesties. De eerste betrof de registratie van de geschillen. Bepaald werd dat de griffier van de stad de kwesties nauwkeurig moest aantekenen in een apart register. De aanleiding hiervoor is niet helemaal duidelijk. Vermoedelijk dateert de aanpassing al van eind zestiende eeuw. Vanaf 1597 zijn de burenkwesties steeds bijgehouden en zeker tussen 1646 en 1671 is de reeks onafgebroken.18 De tweede wijziging was de invoering van een kostendrempel. Wanneer de betrokken buren zich door de schepenmeesters lieten verzoenen, betaalden zij voortaan gezamenlijk dertig stuivers voor de onkosten van de schepenen en de griffier en twee stuivers voor de bode. Bleef een schikking achterwege, dan kwamen de kosten volledig voor rekening van de eiser. Die kon deze dan later, in het vervolgproces voor de vierschaar, terugvorderen op de gedaagde. De maatregel betekende een hele verandering. Tot dan toe was verzoening door de schepencommissie kosteloos en betaalde de verliezer alleen wanneer ‘de weg tot justitie geopend’ moest worden.19

15 Vgl. De Baar, ‘Openbare werken’, 33vv. 16 Hamaker, Middeleeuwsche keurboeken, keurboek 1406, 1.14; keurboek 1450, 1.15; keurboek 1508, 1.2.1; keurboek 1545, 3.1.14. Vgl. Nortier, Burgerlijk proces, 106-107. 17 AL, SAII, inv.nr. 9, p. 94. De buren worden niet meer genoemd in de keur van 1583. 18 Burenkwestieboek A begint met: ‘Register beroerende de royinge ende andere gebuyrquestiën naer uytwyzen d’ordonnantien op ’t stuc van de royinge gemaect, begonnen in november anno zevenentnegentich by tyden van Jan van Hout, secretaris’. In de aflezingboeken zijn voor de jaren negentig van de zestiende eeuw geen wijzigingen aangetroffen in de keur op de burenkwesties. 19 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 264.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 231

7.2 de commissie voor burenkwesties

231

7.2.2 Burenkwesties 1664-1668 In de onderzochte periode kregen de schepenmeesters zevenenveertig burenkwesties voorgelegd. Dat zijn er fors minder dan tien jaar eerder, toen tussen 1654 en 1658 zevenentachtig geschillen in het burenkwestieboek werden genoteerd. Maar ook dat aantal is aanmerkelijk lager dan de hoeveelheid kwesties in het eerste deel van de reeks. Daarin werd de schepencommissie tussen 1597 en 1605 maar liefst tweehondervierennegentig keer ingeschakeld bij problemen tussen buren. De daling heeft mogelijk te maken met de in 1658 opgeworpen kostendrempel, die ontmoedigend kan hebben gewerkt. Daarnaast lijkt de afname de terugloop van de woningnood in de stad te volgen, zoals die tot uitdrukking komt in de huurprijs. Die steeg tot 1654 flink. Daarna zette een daling in, parallel aan de teruglopende immigratie. Vervolgens bleven de huren een tijd constant, waarna, ten tijde van de voltooiing van de stadsuitleg van 1659-1664, de prijzen opnieuw zakten.20
Tabel 7.1 Jaar 1664 1665 1666 1667 1668 Totaal Aantallen burenkwesties (1664-1668) in absolute getallen en procenten. N 16 7 6 8 10 47 % 34 15 13 17 21 100

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 48 G (1646-1671).

Het meest werden de schepenmeesters voor burenkwesties ingeschakeld bij conflicten over erfscheidingen en verbouwingen die op de grens van twee erven plaatsvonden. Zo hadden twee buren ruzie gekregen omdat de ene met het bouwen van een nieuw deel aan zijn huis het uitzicht van de andere had benomen. De keuren waren hierover duidelijk: de lichtval door ramen mocht niet ‘onbuurlijk’ worden belemmerd. De gedupeerde riep er de schepenen bij en die kwamen met partijen overeen dat de beklaagde óf zijn aanbouw iets zou verleggen óf van vensters zou voorzien. De buurman koos voor de laatste optie.21 Wanneer muren verplaatst moesten worden, verwezen de schepenmeesters steevast naar de rooimeesters die vervolgens tussen de buren bemiddelden.22 Bouwactiviteiten gaven ook moeilijkheden wanneer ze de stabiliteit van het naastgelegen huis in gevaar brachten. Dat kon gebeuren wanneer buren muren deel20 Tegen 1669 dreigde echter weer een krappe woningmarkt te ontstaan (Van Maanen, ‘Stadsbeeld en ruimtelijke ordening’, 27). Vgl. Van der Wiel, Leidse wevershuisjes, 52-54; De Jonge & De Lange, Benarde veste, 163-169; Van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, 437; Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie III, 978, 1006-1008. 21 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 179; RAL, ORA, inv.nr. 48 G (28-7-1665). 22 Zie bijvoorbeeld RAL, ORA, inv.nr. 48 G (13-5-1666). In dit geval is het resultaat van de bemiddeling bekend omdat de buren een notariële verzoeningsovereenkomst hebben laten optekenen (zie RAL, ONA, inv.nr. 778, nr. 219 (15-7-1666)).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 232

232

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

den. Wie tegen een zijmuur van zijn buurman wilde aanbouwen, moest deze voldoende verstevigen en van een goede afwatering voorzien.23 Ook moest soms een financiële compensatie worden betaald, zo blijkt uit het burenkwestieboek. Doctor Coolevelt mocht pas van de muur van zijn buurman gebruikmaken als hij niet alleen een extra halfsteense muur plaatste en voor een goot zorgde, maar ook nog eens zestig gulden neertelde ter compensatie.24 In het geval van Louis du Mortier is echter geen geldbedrag genoemd. Hij was van plan om zijn bouwvallig geworden huis te versterken. Voorwaarde was wel dat buurman Cornelis Huijgensz. van Swanenburch meedeed en zijn zijmuur met inachtneming van de keuren ondersteunde. Cornelis voelde daar weinig voor, maar na tussenkomst van de schepenen toonde hij zich toch bereid om ‘in alle gebuurlijkheid’ aan de bouwplannen mee te werken.25
Tabel 7.2 Categorie Onderverdeling burenkwesties (1664-1668) in personen (T) mannen (M) en vrouwen (V) en aantal zaken (N). Tussen haakjes staat het aantal vervolgzaken in deze rubriek. Personen 1664-1668 Rekwirant M V T 14 2 16 12 1 1327 9 3 12 2 1 3 1 0 1 38 7 45 Zaken Gerekwireerde M V 14 0 8 1 11 0 2 0 0 0 35 1 T 1426 928 1129 230 031 36 N 16 (1) 15 12 3 1 47 (1) % 34 32 26 6 2 100

Erfscheidingen ed. Waterafvoer Raam Overig Onbekend Totaal

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 48 G (1646-1671).

De afloop van water is de tweede belangrijke categorie burenkwesties. Onder dit kopje zijn geschillen over riolen, goten en de plaats waar hemelwater van een gebouw valt, gegroepeerd. Het meest werd geklaagd over goten; acht keer om precies te zijn. Met behulp van deze bovengrondse afvoeren werd regenwater opgevangen en geloosd. Het was de bedoeling dat het water in een zogeheten ‘ozendrop’ uitkwam, een ruimte tussen de huizen van waar het hemelwater naar de grachten weg kon lopen. Maar sommige huiseigenaren zagen er geen been in om de goot te laten uitkomen op het dak van
23 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 178. Vgl. het oordeel van de rooimeesters in de zaak van Claes Jansz. Clappecluijs en timmerman Johannes van der Gaess, die beiden oplegden een scheidsmuur te verankeren en samen te onderhouden (RAL, ORA, 48 G (15-101665)). 24 RAL, ORA, inv.nr. 48 G (3-6-1668). 25 Idem (26-3-1668). 26 In 2 zaken bestaat de tegenpartij uit erfgenamen. 27 In 2 zaken is sprake van een onbekend aantal eisers (resp. bewoners van een steeg en het kleermakersgilde). 28 In 5 gevallen is de tegenpartij niet genoemd; in 1 zaak is sprake van de kinderen van iemand. 29 In 1 zaak is een brouwerij de tegenpartij. 30 In 1 zaak is sprake van de kinderen van iemand. 31 De tegenpartij is niet genoemd.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 233

7.2 de commissie voor burenkwesties

233

hun buren.32 Ook ontstonden moeilijkheden wanneer een goot die over meerdere erven liep, verstopt raakte. Wie draaide dan op voor de reparatie? De schepenmeesters spraken in één geval met de buren af dat zij de kosten van het onderhoud aan de goot zouden delen.33 In een andere kwestie kwamen de kosten volledig voor rekening van degene wiens water door de goot werd afgevoerd. In dit laatste geval liep de goot ook over de buitenmuur van de buren die door de verstopping wateroverlast in de woning hadden.34 Maar soms wezen de betrokkenen de verantwoordelijkheid voor het onderhoud af en zagen de schepenen geen andere mogelijkheid dan het toelaten van een proces.35 Riolen gaven zo mogelijk een nog grotere overlast, niet in de laatste plaats vanwege de stank. Het secreet van vroedschapslid Frans van Cingelshouck mondde na een verbouwing uit op het straatje van Johannes de Raeij, hoogleraar filosofie. Frans meende blijkbaar dat dat een goede manier was om zijn rommel naar de gracht te leiden. Johannes dacht daar anders over en riep er de schepenmeesters bij. Besloten werd dat beide partijen hun zaak aan de schepenen verbleven, dat wil zeggen dat ze zich zouden neerleggen bij hun uitspraak. Daarop hoorden de schepenmeesters beide partijen en andere buren. Uiteindelijk oordeelden ze dat Frans zijn riool zou overwelven, waardoor er geen troep meer op van het straatje van de hoogleraar zou belanden.36 Riolen konden ook onder huizen doorlopen. Wanneer ze dan door een verstopping overliepen, was de ergernis compleet.37 De afvoer van Joost Mutschenbroeck veroorzaakte problemen omdat hij te dicht langs de kelderkeuken van zijn buurman liep. De lucht was er niet te harden. De schepenen verwezen beide partijen ter arbitrage naar rooimeesters. Die bepaalden dat Joost een nieuwe afvoer moest aanleggen. Deze zou voor tweederde door de buurman betaald moeten worden. Beide buren stemden hiermee in en bleven ‘goede vrunden’, zo vermeldt het burenkwestieboek.38 Werd hiervoor geconstateerd dat buren de bouw van muren aanvochten die het uitzicht belemmerden, de derde categorie wordt gevormd door klachten over de aanleg van vensters die juist uitzicht boden op het naastgelegen erf. Zo had Jan Barent van Olphen een groot raam geplaatst, waardoor hij voortaan uitkeek op de binnenplaats en de zomerkeuken van ketenpapper Jan van Ant. De vrouw van Jan van Ant beklaagde zich daarover bij de schepenmeesters. Afgesproken werd dat de buurman een ijzeren traliewerk voor zijn raam zou plaatsen en dat beide partijen voortaan goed ‘gebuurschap’ zouden houden.39 In een soortgelijke kwestie kwamen de schepenen overeen dat de beklaagde het raam altijd gesloten moest houden.40 Koopman Abraham Denijs pro32 Niemand mocht zijn hemelwater buiten zijn eigen erf laten vallen, tenzij met toestemming van zijn buren (RAL, SAII, inv.nr 12, p. 178). RAL, ORA, inv.nr. 48 G (16-8-1667; 17-11-1667; 4-6-1668). Over goten zie verder: Smit, Leiden met een luchtje, 38,39. 33 RAL, ORA, inv.nr. 48 G (19-3-1664). 34 Idem (16-7-1664). 35 Idem (13-5-1664). De zaak is niet opgenomen in de dingboeken voor grote zaken. 36 Idem (11-5-1667). 37 Idem (16-2-1664). 38 Idem (21-8-1664). 39 De vrouw klaagde ook over de goot van Jan Barent van Olphen die op haar dak uitkwam. De goot moest worden verlegd (Idem (3-11-1667). Vgl. Idem (4-9-1665; 31-10-1665; 15-9-1668)) 40 Idem (12-7-1668).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 234

234

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

beerde op eigen houtje van ongewenste vensters van zijn buurvrouw af te komen door ze in te slaan en te betimmeren. De schepenmeesters legden beide partijen op om voor een vastgestelde datum tot overeenstemming te komen over de ramen. Of dat ook gebeurde, is niet in het burenkwestieboek genoteerd.41 In de onderzochte periode lukte het de schepenmeesters in veertig procent van de burenkwesties om de strijdende partijen direct te verenigen. Iets meer dan twintig procent van de geschillen kon worden bijgelegd door middel van arbitrage. De helft daarvan verwezen de schepenen naar rooimeesters, in de overige zaken traden zij zelf als scheidsman op. Dertig procent van de burenkwesties eindigde in een toestemming voor een vervolgprocedure. Het is niet duidelijk wat er daarna gebeurde. Werd de rechtszaak, waarbij schout en schepenen zich ter plaatse informeerden, opgetekend in het dingboek van grote zaken? Daar lijkt het niet op. Vrijwel geen van de burenkwesties die voor een juridisch vervolg in aanmerking kwamen, konden in de dingboeken worden teruggevonden. Slechts één zaak dook in de onderzochte periode in beide archieven op. Hierbij ging het echter niet om een inhoudelijke behandeling van dezelfde zaak, maar om een oproep van de rekwirant aan zijn buurman om óf een rechtszaak tegen hem te beginnen óf ‘eeuwig te zwijgen’. De aansporing leidde vervolgens niet tot een nieuwe rechtszaak.42 Mogelijk zijn dus de vervolgprocedures na burenkwesties niet overgeleverd. Maar het is ook denkbaar dat betrokken partijen voor een rechtszaak terugschrokken. Een verzoening bracht buren tot elkaar en leverde hen beide vaak voordeel op. Een gerechtelijk vonnis zou maar één partij in het gelijk stellen.43 De rekwiranten en gerekwireerden in de burenkwestieboeken behoorden vrijwel allen tot de mannelijke bovenlaag van de Leidse bevolking; de weinige geregistreerde vrouwen waren op één na weduwe. Een duidelijk teken dat de man als hoofd zijn huishouden naar buiten toe vertegenwoordigde en verdedigde. Bovendien beheerde de man de boedel. Hij had er ook als enige het beschikkingsrecht over.44 Daar waar beroepsgegevens zijn overgeleverd, blijkt het steeds te gaan om huiseigenaren uit de hogere middenklassen. Onder hen bevonden zich een lid van de vroedschap, een hoogleraar, een predikant, een doctor medicinae, een chirurgijn, een zilversmid, een brouwer en meerdere kooplieden, notarissen en ververs. Ook een blik in de belastinggegevens van 1674 leert dat de betrokkenen een relatief hoge sociale status hadden. Gemiddeld bedroeg de aanslag voor de tweehonderdste penning van de rekwiranten ruim vijftig gulden. Dat duidt, met enige slagen om de arm, op een vermogen van iets minder dan negenduizend gulden. Van de gerekwireerden zijn minder belastinggegevens bekend. Maar uit wat wel beschikbaar is, blijkt ook deze groep over een behoorlijk vermogen te beschikken.45
41 Idem (16-10-1668). 42 Idem (15-10-1665); RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 248v (9-12-1665). 43 Zie o.m. Glaudemans, Om die wrake wille, 27; Castan, ‘Arbitration of disputes’, 226, 253; Roberts, ‘The study of dispute’, 12-13. 44 Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands-Regt, II,7, p. 108. 45 Van de rekwiranten is 40% terug te vinden in de digitaal toegankelijke belastingcohieren van 1674 (Peltjes, Leidse lasten); van de gerekwireerden is dat 13%. De belastinggegevens leveren voor deze laatste een gemiddelde aanslag van 89,5 op, wat neerkomt op een geschat vermogen van 15.000 gulden.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 235

7.2 de commissie voor burenkwesties

235

De partijen die de schepenmeesters voor burenkwesties inschakelden, woonden met name in de oudste kern en de veertiende-eeuwse uitbreidingen van de stad. Ook de groeiende groep rijken binnen de Waalse gemeenschap, hoofdzakelijk woonachtig in de uitbreiding van 1611, wist de weg naar de commissie voor burenkwesties te vinden. De verhoudingsgewijs minder welvarende midden-zeventiende-eeuwse ring, leverde in de onderzochte periode nauwelijks zaken op.46 Natuurlijk gaat het om een momentopname. Maar uit de beschikbare gegevens blijkt wel dat de mate van woondichtheid niet de enige bepalende factor was voor het inschakelen van de commissie voor burenkwesties. De uitbreiding van 1659 had een woondichtheid van vijfenzestig huizen per hectare, veel hoger dan die in de andere wijken op dat moment.47 Er woonden echter vooral wevers, spinners en andere textielarbeiders.48 De meeste midden- en hoge inkomens van de stad woonden in de middeleeuwse stad. Daar was in de loop van de zeventiende eeuw door het smaldelen van woningen ook een hoge woondichtheid ontstaan. Het verschil was dat de bewoners van deze wijken in tegenstelling tot die in het oosten van de stad bij problemen vaker de schepenmeesters voor burenkwesties wisten te vinden.49
Figuur 7.1 Overzicht van de frequentie waarmee de Leidse bonnen worden genoemd in het register van de burenkwesties (1664-1668). De adresgegevens zijn afkomstig van 39 van de 47 burenkwesties. A B C D E F G H Oudste kern Uitbreiding 1294 Uitbreiding 1355 Uitbreiding 1386 Uitbreiding 1602 Uitbreiding 1611 Uitbreiding 1644 Uitbreiding 1659

Drie keer genoemd Twee keer genoemd Een keer genoemd

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 48 G.

46 De bonnen die de zeventiende-eeuwse ring vormden, staan allemaal in de onderste helft van de lijst met de gemiddelde aanslag voor de tweehonderdste penning (Peltjes, Leidse lasten, 12,22). 47 Van Maanen, ‘Stadsbeeld en ruimtelijke ordening’, 27; Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, 434. 48 Van der Wiel, Leidse wevershuisjes, 51,52; Taverne, In het land van belofte, 231. 49 Van Maanen, ‘Stadsbeeld en ruimtelijke ordening’, 27; Sluijter & Schmidt, ‘Sociale verhoudingen’, 116,117; Tjalsma, ‘Een karakterisering van Leiden’, 41.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 236

236

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

De commissie voor burenkwesties was al met al succesvol in het verzoenen van geschillen. In bijna tweederde van de kwesties zagen de schepenmeesters mogelijkheden om een oplossing te bereiken of om partijen naar arbiters te verwijzen. Het forum was echter vooral toegankelijk voor de meer welgestelde huiseigenaren. Het is de vraag hoe bereikbaar het college van vredemakers was, dat zich formeel over alle civiele rechtsvorderingen moest buigen.

7.3 Het vredemakerscollege 7.3.1 Ontwikkeling van het vredemakerscollege 1600-1700 Na de commissie voor burenkwesties was de oprichting van het college van vredemakers een volgende stap van de Leidse overheid om de Leidse civiele vierschaar te ontlasten. Tot dan toe werden burgerlijke rechtsvorderingen behandeld door de voltallige schepenbank.50 In 1598 veranderde dit. Voortaan moesten alle civiele zaken in eerste aanleg aan een commissie van twee schepenen en een burgemeester worden voorgelegd. Dit college van vredemakers onderzocht de geschillen en probeerde de betrokken partijen te verzoenen, of in geval van schulden een betalingsregeling te treffen.51 Daarvoor moesten de vredemakers zich ‘ten uiterste’ inspannen en alle mogelijke middelen aanwenden. Pas wanneer het college geen akkoord wist te bereiken, mochten de geschilvoerende partijen een proces voor de vierschaar beginnen. De rechtbank werkte dus als een filter. Alleen kleine overtredingen die door de schout werden vervolgd, belastingzaken en burenkwesties vielen buiten de bevoegdheid van de nieuwe rechtbank.52 Het college van vredemakers kreeg een relatief laagdrempelig karakter. Alleen de vergoeding voor de bode werd in rekening gebracht; in 1598 was deze vastgesteld op één stuiver. Om de proceskosten in de hand te houden, werkten de vredemakers zo efficiënt mogelijk. Geschilvoerende partijen dienden mondeling te procederen en mochten geen procureurs inhuren. Na afloop van de zaak kreeg de eiser direct een akte mee. De snelheid werd verder gewaarborgd door maar een beperkte tijd te reserveren voor het afhandelen van de kwesties. De vredemakers vergaderden iedere maandag en vrijdag tussen twee en vier uur ’s middags in de schepenkamer. Wel bepaalde het stadsbestuur dat ze indien nodig langer moesten doorwerken.53 Beklaagden konden tot
50 Osinga & Gelinck, Kenningboek der stad Leiden, 3-4, 9; Nortier, Burgerlijk proces, 50; Orlers, Beschrijvinge der stadt Leijden, 625-626. 51 RAL, BLO, 16804/5, art. 3 en 4. 52 Idem, art. 1,7,11. Voor burenkwesties (zie het eerste deel van dit hoofdstuk) en belastingzaken bestonden al aparte gespecialiseerde rechtbanken. De schepencommissie voor de zogeheten gemenelandsmiddelen was opgericht in 1577 en boog zich uit naam van de Gecommitteerde Raden over problemen rond belastingen op consumptie en gebruik van goederen en diensten uit zowel Leiden als de dorpen daaromheen. In 1580 kwamen daar de commissarissen van de echtzaken bij, bestaande uit twee schepenen (vanaf 1626 drie). Later, in 1652 werd nog een commissie van drie schepenen opgericht die toezicht moest houden op onbeheerde boedels. Gevolg van deze reorganisaties was dat de schepenen, ondanks de toenemende omvang en complexiteit van de stad, zoveel mogelijk bestuurstaken konden blijven vervullen zonder dat het aantal schepenen hoefde te worden uitgebreid. Zie Groenveld & De Jongste, ‘Bestuur en beleid’ 57; Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 171. 53 Na 16.00 uur mocht het vredemaken met twee commissarissen worden voortgezet, wanneer één van de drie weg moest wegens dringender zaken (artikel 8).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 237

7.3 het vredemakerscollege

237

maximaal een uur voor de rechtszitting worden gedaagd. Lieten ze verstek gaan, dan kreeg de eiser zonder meer toestemming zijn zaak voor de hogere civiele vierschaar te vervolgen. De afwezige tegenpartij werd onverbiddelijk in gebreke verklaard, waardoor hij voor de kosten opdraaide.54 Het Leidse stadsbestuur borduurde met het college van vredemakers voort op de werkwijze van de hiervoor besproken commissie voor burenkwesties. Die moest ook proberen de strijdende partijen te verzoenen alvorens zij een rechtszaak bij de civiele vierschaar konden beginnen. Dit principe van deëscalatie lijkt te zijn afgeleid van het vredemaken waarmee men in de middeleeuwen partijen tot verzoening bewoog om een vete of gerechtelijke vervolging te voorkomen. Middeleeuwse vredemakers, vaak schouten, schepenen, burgemeesters en leden van de vroedschap, konden partijen vrede ‘opleggen’ bij doodslag en andere gewelddadigheden. De betrokkenen werden dan opgesloten en pas weer vrijgelaten wanneer zij een akkoord hadden gesloten of zich hadden onderworpen aan de beslissing van zelf gekozen arbiters. Daarnaast hadden stedelingen de mogelijkheid om tegenstanders te gijzelen bij schade, schulden en beledigingen waarna schout en schepenen beide partijen moesten verzoenen.55 In de tweede helft van de zestiende eeuw verdween in Leiden het vredeleggen bij delicten en misdrijven. In andere plaatsen bleef dit gebruik langer bestaan, soms tot in de achttiende eeuw.56 Tot slot bestond nog tot zeker het einde van de zestiende eeuw de mogelijkheid om schepenen bij lopende civiele processen te laten bemiddelen waardoor een gerechtelijk eindvonnis achterwege kon blijven.57 In de loop van de zeventiende eeuw werd de vredemakerskeur op onderdelen gewijzigd. De nog altijd toenemende civiele processen noopten het stadsbestuur tot het steeds verder ontlasten van de civiele vierschaar. Vanaf 1651 beperkten de vredemakers zich niet langer tot het verzoenen van geschilvoerende partijen. Bij rechtsvorderingen tot twintig gulden kon het college nu ook een scheidsrechterlijk oordeel uitspreken. Een appèl hiertegen was niet mogelijk.58 In 1654 en 1660 werd deze nieuwe bevoegdheid uitgebreid naar eisen tot respectievelijk vijftig en honderd gulden. Beledigingen vielen overigens steeds buiten deze regeling; dergelijke ernstige zaken konden zodoende, als het college de betrokken partijen niet wist te verzoenen, voor de vierschaar

54 RAL, BLO, 16804/5, art. 10 en 11. 55 Zie Hamaker, Middeleeuwsche keurboeken, keurboek 1406, boek 4, nr. 24; keurboek 1450, boek 4, nr. 29 en keurboek 1545, boek 5, art. 27. Voor de middeleeuwse vredemakers, zie Glaudemans, Om die wrake wille, 310-318, 326-327; Van Caenegem, Strafrecht in Vlaanderen, 243-250, 270-306. Vgl. Van Herwaarden, Administration of justice, 8-9. 56 Onder meer Oudewater kende in 1753 nog bepalingen over vredeleggen, inliggen en vredebraak (Keurboek Oudewater 1753, art. 226-232; met dank aan C.N.W.M. Glaudemans). Hoe de geschetste ontwikkeling zich in Leiden precies heeft voltrokken kan niet goed meer worden achterhaald. De zoenboeken houden in 1576 op, terwijl de vredemakersboeken in 1599 beginnen. Vgl. De Waardt, ‘Feud and atonement’, 37. 57 Dit gebeurde aan de ‘groene schijf’, de ronde tafel waaraan de schepenen normaal gesproken beraadslagingen hielden. Partijen die verwikkeld waren in een zogeheten kenningprocedure kregen de gelegenheid hun zaak informeel te verdedigen (Nortier, Burgerlijk proces, 49,107; RAL, ORA, inv.nr. 41 B, p. 84 (22-3-1451)). Vgl. Hamaker, Middeleeuwsche keurboeken, aanhangsel bij keurboek 1508 V.2.27 (9-3-1540). Lamet suggereert een zeker verband tussen de introductie van het vredemaken nieuwe stijl en het verdwijnen van de aloude kenningprocedure (Lamet, Men in government, 95, 96, 120). 58 RAL, BLO, 16807pf., art. 13.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 238

238

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

worden vervolgd.59 In 1658 stelde het stadsbestuur een aparte limiet in voor geschillen over huurachterstand en andere huurkwesties. De vredemakers mochten in alle eisen onder de honderdtwintig gulden een scheidsrechterlijk oordeel vellen; al snel werd deze grens verhoogd naar tweehonderd gulden.60 Verder bepaalde het stadsbestuur dat gedaagden als ze niet voor de vredemakers verschenen nog een keer gedagvaard moesten worden voordat het college de vordering van de eisers geheel toewees óf, wanneer de vordering zijn bevoegdheid te boven ging, toestemming gaf tot verder procederen. De kosten voor het inhuren van de bode werden verhoogd tot twee stuivers voor zaken met rechtsvorderingen onder de vijftig gulden en drie stuivers voor alle eisen die hoger uitvielen.61 Gedaagden die verstek lieten gaan, dienden een boete van acht stuivers te betalen die ten goede kwam aan de onderschouten en de armen in de stad.62 Tot slot kregen de vredemakers de mogelijkheid om geschilvoerende partijen tegen een kleine vergoeding door te verwijzen naar arbiters of ‘goede mannen’.63 Daarnaast probeerde het stadsbestuur de afhandeling van civiele zaken in het algemeen te versoepelen. Zo bepaalde het in 1658 dat de vredemakers ook gedurende de dagen waarop normaal gesproken geen rechtszittingen plaatsvonden gewoon moesten doorwerken.64 In oktober 1668 kwam er zelfs nog een derde zittingsdag bij. Voortaan vergaderde het college op maandag, woensdag en vrijdag.65 De aanhoudende groei van het aantal rechtszaken maakte een fatsoenlijke afwikkeling blijkbaar onmogelijk. Bovendien verloren de geschilvoerende partijen er teveel tijd door. In 1660 probeerde de Leidse overheid de civiele procesgang verder te versnellen. Het werd mogelijk om zaken die onverzoenbaar bleken of die de bevoegdheid van de vredemakers te boven gingen – en waarbij de gedaagde ook na twee dagvaardingen was weggebleven – gelijk door te schuiven naar de vierschaar. De toestemming om de zaak voor de schepenbank te vervolgen, kon dus achterwege blijven. Een en ander betekende overigens niet dat de vordering door de vredemakers nog dezelfde zitting in een rolprocedure werd afgehandeld. De vredemakersboeken bevatten daar geen aanwijzingen voor. In het dingboek van grote zaken van 1664 kan maar één proces worden gevonden dat diezelfde dag ook voor de vredemakers had gediend.66
59 Idem, 16808pl; Groot Placaet-boeck IV, p. 477, art. 14. 60 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 255, art. 15; Groot Placaet-boeck IV, p. 477, art. 15. De gemiddelde huurprijzen in Leiden bedroegen in die jaren zo’n vijftig tot honderd gulden per jaar (Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie III, 1008). 61 RAL, BLO, 16808 pl. 62 RAL, BLO, 16807p., art 10. Blijkbaar was het ondertussen gebruikelijk geworden dat één van de plaatsvervangers van de schout tijdens de zittingen van het college van vredemakers de orde handhaafde en toezag op de uitvoer van het vonnis. In de allereerste vredemakerskeur worden de substituutschouten niet genoemd (vgl. RAL, SAII, inv.nr. 1073, art. 2,3). 63 Een renvooi kostte 4 stuivers (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 255, art. 19). 64 RAL, inv.nr. 12, p. 255vv, art. 8. De dagen waarop geen rechtszittingen plaatsvonden, waren van kerstavond tot en met de maandag na Driekoningen, van de donderdag voor Pasen tot en met de dinsdag na Pasen, van Hemelvaartdag tot en met de dinsdag na Pinksteren en van 1 tot en met 21 augustus. 65 RAL, inv.nr. 12, ingelegde ampliatie op p. 259. Dit leidde tot een kleine afname van het aantal processen per zitting. In december 1667 behandelden de vredemakers 274 zaken in 7 zittingen van gemiddeld vijf uur (dat wil zeggen 8 zaken per uur). In december 1668 waren dat 335 kwesties in 10 zittingen van gemiddeld 6 uur (6 zaken per uur). In het topjaar 1664 waren dat nog 421 zaken in 8 zittingen van 6 uur (9 zaken per uur). 66 Groot Placaet-boeck IV, p. 477, art. 13. Gemiddeld bedroeg de tijdspanne tussen behandeling door de vredemakers en het begin van het proces voor de vierschaar 29 dagen, de 3 extremen van boven de 50 dagen niet meegerekend.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 239

7.3 het vredemakerscollege

239

De stedelijke overheid wijzigde tot slot ook de organisatie van de civiele vierschaar om de procedures voor deze rechtbank te verkorten en de werkbelasting van de schepenen te verlichten. Met ingang van 1646 werd onderscheid gemaakt tussen grote en kleine zaken. Deze laatste, aanvankelijk omschreven als vorderingen onder de vijftig gulden, zouden door drie schepenen in een verkorte procedure moeten worden afgedaan.67 De zogeheten commissarissen van kleine zaken hielden iedere maandag- en vrijdagochtend zitting. Partijen met kleine geschillen mochten op die uren, eventueel vertegenwoordigd door een procureur, onder het lopen van een zandloper, hun verhaal doen. Wie over het vonnis van de commissarissen niet tevreden was, kon in beroep gaan bij de voltallige schepenbank.68 Grote zaken werden overigens door dezelfde drie schepenen behandeld, aansluitend aan de kleine zaken. Het ging hierbij om rechtsvorderingen boven de vijftig gulden en om administratieve regelingen met betrekking tot schulden en erfenissen. In het volgende hoofdstuk zal op deze grote zaken uitvoerig worden teruggekomen.69 Het is goed om op deze plek te onderstrepen dat de commissarissen van kleine zaken uitsluitend vonnissen velden en niet allereerst probeerden de geschilvoerende partijen tot een akkoord te bewegen. Dat werd aan de vredemakers overgelaten.70 Verder kende het college van vredemakers anno 1646 nog geen competentiegrens waarbinnen zij in civiele processen uitspraken mocht doen. Het onderscheid tussen kleine en grote zaken, versnelde toen dus inderdaad de rechtsgang. Rechtsvorderingen tot vijftig gulden hoefden na een mislukte bemiddeling door de vredemakers niet langer in een uitvoerige rolprocedure te worden ‘voldongen’. Vijf jaar later echter bepaalde het stadsbestuur dat vredemakers eveneens in kleine zaken, in dit geval tot twintig gulden, een vonnis mochten vellen. Daarmee werd het onderscheid tussen de vredemakers en de commissarissen van kleine zaken aanmerkelijk verkleind. Toen in 1654 het college van vredemakers eisen tot vijftig gulden mocht berechten, definieerde het stadsbestuur in dezelfde keur kleine civiele zaken als kwesties met een eis tot honderd gulden.71 In december 1660, na het verder optrekken van de competentiegrens van de vredemakers, veranderde de bevoegdheid van de commissarissen van kleine zaken opnieuw mee. Het schepentrio oordeelden voortaan de civiele kwesties met een rechtsvordering tot tweehonderd gulden.72 De vraag is nu hoe het college van vredemakers en de rechtbank voor kleine zaken zich in de praktijk tot elkaar verhielden. Op grond van de keuren lijkt het onderscheid duidelijk. De vredemakers hoorden in álle zaken de geschilvoerende partijen tot een
67 RAL, SAII, inv.nr. 21 (13-4-1646) art 1,2. De keur kwam naast de gewestelijke ordonnantie van 1580 en gold als een aanvulling (Groot Placaet-boeck II, p. 695vv, art. 11). Vgl. Dolezalek, ‘Das Zivilprozeßrecht’, 66-67. 68 Lett. ‘reauditie’ of verhoor voor een voltallig rechtscollege bij beroep van een vonnis gewezen door een commissie uit dat college (RAL, SAII, inv.nr. 21 (13-4-1646), art. 8-10). 69 Het ging om willige decreten, mandementen van cessie, inductie, relief en brieven van beneficie van inventaris. Vrijwel al deze zaken betroffen vrijwillige overeenkomsten, zonder dat er een geschil aan ten grondslag lag. Voor nadere uitleg, zie hoofdstuk 8, par. 8.3. 70 RAL, SAII, inv.nr. 21 (13-4-1646), art. 1. Vgl. Van der Linden, Verhandeling over de judicieele practijcq I, 61. 71 RAL, BLO, 16808pl. 72 RAL, SAII, inv.nr. 12, ampliatie tussen p. 268 en 269.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 240

240

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

akkoord te bewegen. De commissarissen van kleine zaken hadden die plicht niet. Ook konden vredemakers tot ongelimiteerde bedragen betalingsregelingen treffen, de bank voor kleine zaken niet.73 Toch is het opvallend dat geen enkel dingboek van kleine zaken is overgeleverd; de dingboeken van grote zaken bestaan daarentegen wél. Nu staan daarin tussen 1664 en 1668 ook schuldenkwesties waarvan de eis lager was dan tweehonderd gulden. Het gaat zelfs om eenderde van het totaal aantal zaken over betalingsproblemen. Het lijkt er dus op dat de schepenen de kleine zaken in het dingboek van de grote zaken hebben opgetekend. Maar ook in de vredemakersboeken zijn kleine zaken te vinden. Het college van vredemakers kreeg zelfs in 1664 opvallend vaak schuldenkwesties met vorderingen van meer dan honderd gulden. Doorgaans kwam het college van vredemakers daarbij een betalingsregeling overeen, maar bijna even vaak luidde het vonnis, bij bedragen tussen honderd en tweehonderd gulden, simpelweg ‘betaling van het geëiste’.74 Het ziet er dus naar uit dat de Leidse vredemakers veel meer in de pas liepen met hun collega’s in andere steden, die ook vaak functioneerden als commissarissen van kleine zaken. Bij de behandeling van schuldenkwesties zal hier nader op worden ingegaan.75

7.4 Onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken De Leidse vredemakers hadden over gebrek aan werk niet te klagen. In 1664 behandelde het forum maar liefst drieënvijftighonderdvierentachtig zaken.76 De vredemakers hielden twee keer per week zitting, ook tijdens verlofdagen van het stadsbestuur. Alleen op oudejaarsdag, tweede paasdag, tweede pinksterdag en tweede kerstdag kwamen zij niet bijeen. Een en ander betekende dat de vredemakers in 1664 gemiddeld vierenvijftig zaken per zitting afhandelden. Daar hadden ze telkens zo’n zes uur voor nodig; vier uur meer dan waar de opstellers van de keur van 1598 vanuit gingen.77 Hierbij moet worden aangetekend dat niet alle processen inhoudelijk aan de orde kwamen. In zo’n veertig procent van de zaken liet de gedaagde namelijk verstek gaan. De zaak
73 Ten Raa, De oorsprong van de kantonrechter, 137. Het keurboek van 1658 (RAL, SAII, inv.nr. 12) bevat zowel de zogeheten ‘ordre op de rolle ende vierschaere’, met daarin het onderscheid tussen kleine en grote civiele zaken (p. 269vv), als een vredemakerskeur (p. 255vv). Ten Raa stelt daarom vast dat de vredemakers en de commissie voor kleine zaken naast elkaar functioneerden. Dat maakt Leiden in zijn ogen uniek: in andere steden kenden de colleges van vredemakers geen preliminaire verzoeningstaak (vgl. echter Dolezalek, ‘Das Zivilprozeßrecht’, 67; Verburgt, Levering van onroerende zaken, 4). 74 Ook het feit dat bijna een kwart van alle eisers in de vredemakersboeken zich door een procureur lieten bijstaan, duidt erop dat kleine zaken en vredemakerskwesties samenvielen. Het gebruik van procesvertegenwoordigers was immers alleen toegestaan bij een rechtszaak voor de commissie van kleine zaken; voor de vredemakers mochten geschilvoerende partijen alleen zélf het woord voeren. Tot slot blijkt dat het college van vredemakers, overigens zonder enig patroon, nu weer uit twee en dan weer uit drie schepenen bestond. De aanwezigheid van slechts 1 schepen kwam 3 keer voor, die van 2 schepenen 68 keer en 3 schepenen 28 keer. Ook waren burgemeesters lang niet altijd present. Zesentwintig keer was een burgemeester afwezig en nam een schepen zijn plaats in. 75 Zie par. 7.4.3. Vgl. Ten Raa, De oorsprong van de kantonrechter, 176. 76 In 1665 bevatte het register 5222 zaken, in 1666 4666. Dit nam in 1667 en 1668 verder af tot 4254 en 4067. 77 In 1598 werd overigens ook bepaald dat als er veel processen waren, de vredemakers die dag langer door moesten gaan. In 1651 verviel de eindtijd van 16.00 uur.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 241

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

241

bleef dan onbehandeld. Bij een tweede zogeheten ‘défaut’ kon de gedaagde worden veroordeeld tot de eis van de klager, mits deze niet boven de competentiegrens van de rechtbank uitkwam. Soms stelden de vredemakers de vordering bij.78 Dit duidt erop dat het forum bij een tweede verstek zaken inhoudelijk besprak alvorens het tot een vonnis kwam. Wanneer dus een preciezer beeld van de werkdruk van de vredemakers gemaakt moet worden, kunnen de eerste défauts wél en de tweede défauts níet buiten beschouwing blijven. Dan blijkt het college in 1664 bijna zesendertig vorderingen per zittingsdag te hebben behandeld, wat neerkomt op zo’n zes zaken per uur, eventuele pauzes niet meegerekend. Gemiddeld werd ieder geschil dus, afgezien van het eerste verstek, in ongeveer tien minuten gehoord en afgewikkeld.79 Van een flink deel van de processen in de vredemakersboeken blijft de inhoud onduidelijk. Dit komt omdat in deze zaken alleen de namen van de geschilvoerende partijen zijn genoteerd, eventueel voorzien van opmerkingen als ‘défaut’, ‘in state’ of ‘eis ontzegd’. Mogelijk kwamen enkele zaken al voor 1664 aan de orde en leidden andere een jaar later opnieuw tot een dagvaarding. Maar een kwestie ‘sleepte’ zich voor dit forum, inclusief verstek, meestal maar hooguit enkele opeenvolgende zittingen voort, dus veel van de onbekende zaken kunnen hier waarschijnlijk niet door worden verklaard. De overige drieduizend processen kunnen wel nader worden gecategoriseerd. Opnieuw is gekozen voor de eerder in dit boek gebruikte rubrieken ‘persoonlijke levenswandel’, ‘huwelijk en zedelijkheid’ en ‘afspraken en contracten’. Dit om vergelijkingen tussen de verschillende fora mogelijk te maken.80 Bij het onderbrengen van de processen bij één van de genoemde rubrieken zal iedere afzonderlijke zaak steeds maar één keer worden meegerekend; dit om vertekening van de cijfers door bijvoorbeeld verstek te vermijden. Door deze werkwijze wordt het aantal processen verder teruggebracht tot tweeëntwintighonderdzestien. De cijfers in tabel 7.3 moeten met de nodige voorzichtigheid worden gebruikt. Ze hebben maar betrekking op een beperkt deel van het totaal aantal zaken. Het overzicht geeft de geschillen weer die door de vredemakers daadwerkelijk in behandeling zijn genomen. Overigens is voor andere jaren een vrijwel even groot percentage défauts geteld.81

78 De vredemakers verlaagden in 15 procent van alle ‘namptissementen’ de oorspronkelijke vordering of maakten een voorbehoud zoals ‘mits de eiser dit met zijn register affirmeert’. 79 Soms stonden dezelfde partijen meerdere keren vanwege dezelfde langslepende kwestie tegenover elkaar, een enkele keer zelfs afwisselend als eiser en als gedaagde. De afzonderlijke vorderingen zijn bij deze berekening steeds als een nieuwe zaak beschouwd. Merk op dat de werkdruk in de onderzoeksperiode iets afnam. In december 1667 behandelden de vredemakers, rekening houdend met verstekzaken, 5,6 zaken per uur en in de laatste maand van 1668, toen een derde zittingsdag was ingevoerd, nog maar 4,2. De tijd die vredemakers aan een zaak besteedde nam dus toe van 10 minuten tot een kwartier. 80 Zie hoofdstuk 1, par. 1.2.2 tabel 1.1. 81 In totaal verschenen in 1664 gedaagden in 2124 van de 5384 zaken niet tijdens de rechtszitting (=39%). Ter vergelijking: in 1665 was dat 42%, in 1666 42% en in 1667 en 1668 41%. De verhouding tussen eerste en tweede défauts was telkens 4:1.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 242

242

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

Tabel 7.3

Verdeling van de onderzochte processen voor het college van vredemakers, met tussen haakjes het aantal vervolgzaken in dezelfde kwestie (1664). N 270 (51) 7 (4) 1939 (688) 2216 (743) % 13 <1 87 100

Categorie Persoonlijke levenswandel Huwelijk en zedelijkheid Afspraken en contracten Totaal Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

De omvang van de derde categorie is overweldigend. Het college van vredemakers lijkt op grond van deze eerste algemene cijfers vooral voor administratieve kwesties uit het dagelijks leven van belang te zijn geweest. Omgekeerd speelde het forum bij moeilijkheden op het gebied van huwelijk en zedelijkheid geen enkele rol van betekenis. Het is interessant eens te kijken hoe de genoemde rubrieken kunnen worden onderverdeeld en met welke geschillen de vredemakers zich voornamelijk bezighielden. Allereerst zal worden ingegaan op zaken die de persoonlijke levenswandel aangingen. 7.4.1 Persoonlijke levenswandel
Tabel 7.4 Verdeling van de onderzochte processen voor het college van vredemakers (1664) waarin moeilijkheden op het gebied van de persoonlijke levenswandel naar voren komen, in personen (T), mannen (M) en vrouwen (V) en aantal zaken (N). Tussen haakjes staat het aantal vervolgzaken in deze rubriek. Personen 1664 Eiser M V 87 81 29 29 Nvt Nvt 2 2 382 0 121 112 Zaken T 168 58 Nvt 4 3 233 Gedaagde M V 81 97 35 22 19 17 4 0 4 0 143 136 T 178 57 36 4 4 279 N 168 (37) 58 (8) 36 (5) 4 (1) 4 270 (51) % 62 21 13 <1 <1 100

Categorie

Belediging Twist Overtreding keuren Geweld Diefstal Totaal

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

Belediging Het college van vredemakers kreeg in het onderzochte jaar 1664 met een groot aantal beledigingszaken te maken. Zeker gezien de alternatieve fora die stedelingen ter beschikking stonden, is het aantal opmerkelijk. Wie zich publiekelijk in zijn eer aange-

82 In één geval werd het proces aangespannen door de gezamenlijke knechten van Joris Drolinva.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 243

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

243

tast voelde door een belediging, roddel of achterklap ging, zo lijkt het, eerder naar de vredemakers, dan naar een notaris of de kerkenraad. Ook de buurtheer was een optie, maar het is niet duidelijk hoe vaak hij bij beledigingen werd betrokken.83 Vaker nog zal de beledigde natuurlijk geprobeerd hebben onmiddellijk verhaal te halen door zijn opponent verbaal of fysiek te overtroeven. Op die manier kon deze worden gedwongen de gewraakte woorden terug te nemen, al of niet met behulp van bemiddeling door toegestroomde omstanders. Wanneer dit lukte, was de eer snel en zonder veel geld hersteld, ten overstaan van iedereen die de belediging had gehoord. De betrokkenen voorkwamen in dat geval een proces.84 Maar zo liep het lang niet altijd. Regelmatig weigerde de beledigende partij simpelweg de gewraakte uitlatingen in te trekken en het geschil bij te leggen. Het mobiliseren van een derde partij, bijvoorbeeld de vredemakers, was dan vaak de volgende optie.85 Een belediging kon juridisch worden vervolgd wanneer deze opzettelijk was geuit, bij derden bekend was en niet voortkwam uit bijvoorbeeld een grap, onwetendheid of dronkenschap. Ook mocht een beschimping niet op waarheid berusten.86 Juristen onderscheidden verder feitelijke, mondelinge en schriftelijke beledigingen. De eerste hadden betrekking op handelingen, zoals het zonder geldige reden tegen iemand procederen, het ten onrechte iemand als schuldenaar aanspreken, het dreigen met geweld of het daadwerkelijk slaan van iemand. Mondelinge beledigingen bestonden uit valse verbale verwijzingen naar iemands karaktereigenschappen of gedrag, met de bedoeling de ander te krenken. Schriftelijke beschimpingen tenslotte waren publicaties van spotliederen, pamfletten en volgens sommige rechtsgeleerden ook het in omloop brengen van geruchten die iemands reputatie schade toebrachten. De zwaarte van de beledigingen had te maken met de aard, de persoon, de plaats en de tijd. Zo werden beledigingen die voor veel mensen te horen of te zien waren, als bijzonder ernstig beschouwd. Te denken valt aan aanranding van het lichaam, zoals een uitgesneden mondhoek, een blauw oog etc., en scheldkanonnades op straat met woorden die een duidelijke beledigende lading hadden. Verder was de status van de beledigde van belang. Schoffering van bijvoorbeeld overheidspersonen gold als bijzonder kwalijk. Tot slot was ook de sociale afstand tussen dader en slachtoffers een verzwarende factor. Hoe dichter de beledigende partij tot de beledigde stond, zoals in het geval van buren, des te ernstiger was het voorval.87 Bij belediging konden rechters de dader een herroeping van de gewraakte woorden of een geldboete opleggen. De herroeping of amende honorable bestond uit een schuldbekentenis, die tot de beledigde, God of justitie gericht moest worden en een verkla-

83 Zie hoofdstuk 2, par. 2.4.3. 84 Het bijleggen van een conflict gebeurde vaak door het conflict ‘af’ te drinken in de kroeg: Spierenburg, ‘Knife fighting’, 115; Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 180; Broers, Beledigingszaken, 129. Vgl. De Groot, Inleidinge, III.35,3. 85 Vgl. Dinges, Maurermeister, 175-177; Horwitz, The logic of social control, 141,152,158; Bossy, ‘The study of dispute’, 12-15. 86 Zo mocht iemand die iets gestolen had een dief worden genoemd (Amerasinghe, Defamation, 82-88). Zie verder Janssens, Strafbare belediging, 19-21. 87 Broers, Beledigingszaken, 82-84, 89-101.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 244

244

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

ring dat de dader het slachtoffer voor een persoon van eer en deugd hield.88 Een en ander ging vaak gepaard met allerlei rituelen. Zo moest de dader zijn of haar herroeping vaak blootshoofds en met gevouwen handen en gebogen knieën uitspreken.89 De amende profitable diende als vergoeding voor het eerverlies van het slachtoffer wanneer de dader zijn woorden niet introk of wanneer een amende honorable alleen onvoldoende compensatie bood, zoals bijvoorbeeld bij feitelijke beledigingen, waarbij ook geweld gebruikt werd. De hoogte ervan mocht het slachtoffer zelf bepalen, op basis van een eigen schatting van het door hem of haar ondervonden leed. Een verantwoording van het bedrag was niet nodig.90 Daarmee was een amende profitable naast compensatie ook een vorm van wraak. Rechters waren echter niet verplicht het genoemde bedrag over te nemen. Ze hoorden ook rekening te houden met de persoon van de dader, het slachtoffer en de plaats van de handeling. Het geld van de amende profitable kwam in de regel niet ten goede aan het slachtoffer zelf, maar aan de armen. Een combinatie behoorde ook tot de mogelijkheden.91 In de vredemakersboeken staan beledigingen meestal alleen omschreven als ‘injurieën’, ‘uitgeworpen injurieën’ of ‘injurie der waarheid’. In een aantal gevallen ontbreekt een dergelijke aanduiding van het geschil, maar valt uit het oordeel van de vredemakers af te leiden dat het om een belediging ging.92 De beschimpingen zelf werden over het algemeen niet genoteerd. Van drie gedaagden is bekend dat ze de eiseres voor ‘hoer’ hadden uitgescholden, in één geval zelfs voor ‘allemanshoer’ [tippelaarster].93 Verder komt ‘dievegge’ twee keer voor.94 Van één vrouw werd gezegd dat zij haar eigen kind had vermoord.95 Eén man tenslotte hoorde ‘vagevier’ tegen zich roepen, wat zou kunnen verwijzen naar zijn – vermeende – roomse gezindheid.96 Voor onderzoek naar het vocabulaire van de straat zijn de vredemakersboeken, gezien het geringe aantal concrete scheldwoorden, al met al minder geschikt. De beledigingszaken waar de vredemakers zich over bogen, kregen bovendien zelden een juridisch vervolg, zodat gegevens uit de dingboeken en het notarieel archief nauwelijks ter aanvulling kunnen worden gebruikt. Wel kan bijvoorbeeld de zaak die brouwer Gedion Piaet tegen collega-brouwer Jacob Remeus had aangespannen iets beter worden begrepen dankzij een attestatie bij notaris Van Tielt. Volgens ooggetuigen had Jacob Gedion namelijk om niet nader genoemde reden uitgemaakt voor ‘dief’ en beschuldigd van het zweren
88 Rechtsgeleerden onderscheiden de revocatio of verklaring dat het gesprokene in strijd met de waarheid was, de deprecatio of schuldbekentenis en de declaratio honoris of verklaring dat de dader het slachtoffer voor een man of vrouw van eer en deugd hield (Idem, 122-123; Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands-Regt IV.37,1; De Groot, Inleidinge, III.36,3). 89 Vgl. de middeleeuwse voetval (zie onder meer Van Herwaarden (ea), Geschiedenis van Dordrecht, 125). 90 Het slachtoffer moest het door hem geschatte bedrag met een eed bekrachtigen (De Groot, Inleidinge, III. 35,2). 91 Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands-Regt IV.37,1. Vgl. Broers, Beledigingszaken, 169. 92 Bijvoorbeeld: ‘De gedaagde moet de eiser voor het toekomende ongeïniureerd laten’ (RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (18-4-1664)), of ‘partijen moeten elkaar met vrede laten en zulcx niet meer zeggen’ (Idem (22-2-1664)) of ‘De beklaagde is geboden de vrouw zulcx [zonder details] niet meer na te roepen’ (Idem (17-3-1664)). Anderen werden gelast de eiser niet langer uit te lachen (Idem, inv.nr. 47 2I (24-10-1664)). 93 RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (4-1-1664; 2-5-1664; 29-8-1664). 94 Idem (18-2-1664; 21-7-1664). 95 Idem (1-8-1664). 96 Idem (11-4-1664).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 245

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

245

van een valse eed.97 Uit deze sporadische gegevens kunnen natuurlijk geen conclusies worden getrokken, hoewel wel duidelijk is dat de aangetroffen scheldwoorden weinig afwijken van wat andere fora te beoordelen kregen.98 Vredemakers kwamen bij beledigingen vaak een amende honorable overeen om het eerverlies van het slachtoffer te compenseren. Dit betekent dat veel daders, geconfronteerd met het college van vredemakers, eieren voor hun geld kozen en alsnog de gewraakte belediging introkken. Bij weigering liepen ze het risico een geldboete te krijgen. De amende profitable kwam veel minder vaak voor, een combinatie van beide soorten ‘beteringen’ was nog zeldzamer. Helaas bevatten de betreffende zaken te weinig informatie om te achterhalen waarom in die gevallen een boete werd opgelegd. Een enkele keer hadden naast beledigingen ook gewelddadigheden of feitelijke beledigingen plaatsgevonden. In één zaak moest een gedaagde daarvoor een bedrag van twaalf gulden ophoesten.99 Eenzelfde bedrag werd opgelegd bij een ‘uitgeworpen injurie’.100 Hoe hoog in beide gevallen de eis was, is niet overgeleverd. Gemiddeld legden de vredemakers een bedrag van zo’n zestig stuivers op. Overigens was met een amende honorable of profitable de kous lang niet altijd af. In eenderde van de gevallen sommeerden de vredemakers de geschilvoerende partijen ook om elkaar voortaan met rust te laten. Soms voorzag het forum deze waarschuwing van het dreigement dat bij herhaling de schout zou worden ingeschakeld om toezicht te houden. In het ergste geval zouden de partijen dan dus voor ordeverstoring kunnen worden vervolgd.
Tabel 7.5 Oordeel Oordeel van vredemakers bij beledigingszaken (1664). Totaal N 84 17 4 30 33 168 % 50 10 2 18 19 100 Waarvan inclusief waarschuwing N 46 6 3 Nvt Nvt 55

Alleen amende honorable Alleen amende profitable Amende honorable en profitable Alleen waarschuwing Onbekend Totaal Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

% 84 11 5 Nvt Nvt 100

Het aantal vrouwen onder de eisers en gedaagden wijkt bij beledigingszaken flink af van de overige categorieën. Zo zijn de daders iets vaker vrouw dan man; bij de slachtoffers is die verhouding omgekeerd. In het totaal van alle rubrieken, inclusief beledi97 RAL, ONA, inv.nr. 904, nr. 196 (15-11-1664); RAL, ORA, inv.nr. 47 2I (28-11-64). 98 Vgl. Broers, Beledigingszaken, 147,148; Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 180,186-188; Idem, Maurermeister, 240-246; De Waardt, ‘Naar een geschiedenis van de eer’, 12; Roodenburg, ‘Eer en oneer’, 132-135. 99 RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (7-1-1664). Twaalf gulden is iets meer dan twaalf keer het gemiddelde dagloon van een ongeschoolde arbeider en vier procent van zijn jaarinkomen. 100 Idem (18-1-1664).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 246

246

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

gingen, ligt het aantal vrouwen dat als eiser of gedaagde bij een proces voor de vredemakers betrokken is, beide rond de twintig procent. De meeste vrouwelijke eisers waren vermoedelijk ongehuwd, aangezien van hen niet is vermeld of ze weduwe waren of dat hun man hen bijstond. Van de eenentachtig vrouwen die bij de vredemakers een proces wegens belediging begonnen, waren er elf weduwe. Van slechts één vrouw staat de naam van haar man vermeld. Mogelijk moesten de overigen zich als ongehuwden teweer stellen tegen opmerkingen over hun seksuele moraal. Wie zich bijvoorbeeld als ongetrouwde vrouw met mannen inliet of ’s avonds alleen over de straten liep, laadde algauw de verdenking van hoererij op zich. Dat was slecht voor de positie in de buurt en de kansen op de huwelijksmarkt.101 De vrouwelijke eisers hadden daarbij overigens het meest te stellen met andere vrijgezelle vrouwen. Dit bevestigt het beeld dat in het roddelcircuit in de buurt vooral vrouwen actief waren.102 De sociale status van de beledigde en beledigende partij valt nauwelijks uit de vredemakersboeken op te maken. Van slechts vijftien procent van de eisers is het beroep bekend; bij de gedaagden ligt dit percentage op acht. Daarbij worden de gegevens van de eisers nog vertekend door de aanwezigheid van een tweetal procureurs en een advocaat, die namens een niet nader genoemd persoon optraden. Iets minder dan eenderde van de eisers van wie het beroep bekend is, was werkzaam in de textielsector. Het ging daarbij om een wolkammer, vier vollers, een lakendrapier en een lakenbereider. De overigen waren eveneens voor het merendeel ambachtslieden. Onder de gedaagden bevonden zich voor zover kon worden nagegaan nauwelijks textielarbeiders of -producenten, wel ambachtslieden en neringdoenden. Over het grootste deel van de geschilvoerende partijen valt kortom weinig te zeggen, behalve dat er zich weinig vermogende Leidenaren onder leken te bevinden.103 Geweld De grens tussen beledigingen en gewelddadigheden is niet eenvoudig te trekken. Geweld kon uitermate beledigend zijn, zoals in het vorige hoofdstuk is uiteengezet. Vandaar dat gewelddadige vernederingen door juristen onder feitelijke beledigingen werd gerekend. Ook het vernielen van deuren en ramen van huizen, als verlengstuk van de bewoner, gold als bijzonder kleinerend. De gevolgen ervan moesten wel beperkt blijven tot gering lichamelijk letsel en kleine materiële schade om als een belediging te worden opgevat.104 Maar er zijn meer factoren die de scheiding tussen beledigingen en geweld ingewikkeld maken. Verbale en fysieke beschimpingen gingen vaak samen.
101 Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 184. Zie ook Tlusty, ‘Crossing gender boundaries’, 185-197; Shoemaker, Prosecution and punishment, 180,186; Roodenburg, Onder censuur, 251; Garrioch, Neighbourhood and community, 85. 102 Het aantal mannelijke eisers dat tegen een man een proces wegens belediging begon was 55 (33%), tegen een vrouw was dit 32 (19%). Er waren 24 vrouwen die tegen een man procedeerden (14%), terwijl 57 van hen een vrouw voor de vredemakers daagden (34%). Van alle vrouwelijke gedaagden waren er volgens de gegevens uit de vredemakersboeken drie weduwe en tien gehuwd. Vgl. o.m. Hanawalt, Gender and social control, 81-84; Leuker, ‘Schelmen’, 333; Dekker, ‘Women in revolt’, 349; Garrioch, Neighbourhood and community, 23, 84-86. 103 De database van de vredemakers is vergeleken met die van de tweehonderdste-penningkohieren van 1674 en met het herenboekje van 1664 (RAL, BLO, 80850d). 104 Vgl. Janssens, Strafbare belediging, 18; Dinges, Maurermeister, 316; Broers, ‘Van tafel 8 tot boek 6’, 302.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 247

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

247

Nogal eens ontaardde een woordenwisseling in een handgemeen, waarbij ook wapens gebruikt werden.105 Wanneer dus in de vredemakersboeken slechts ‘injurie’ vermeld staat, zou sprake kunnen zijn van een niet geregistreerde feitelijke belediging. Omgekeerd is het ook mogelijk dat aan bepaalde gewelddadigheden een niet genoemde scheldpartij voorafgegaan is. Nadere gegevens die meer licht op de zaak zouden kunnen werpen, zoals soms aanwezig in notariële attestaties of civiele gedingen, konden niet worden gevonden. In dit hoofdstuk worden daarom, noodgedwongen, processen waarin sprake is van ‘injurie’ als gevallen van belediging beschouwd en gewelddadigheden, zonder vermelding van beledigingen, als geweldszaken. Het aantal processen voor de vredemakers wegens geweld is bijzonder laag, namelijk vier. Grove gewelddadigheden, zoals mishandelingen, werden vaak door de schout strafrechtelijk vervolgd. Hetzelfde gold in principe ook voor verstoringen van de openbare orde, zoals messentrekken, stennismaken en vechten. Maar de schout kwam er niet altijd aan te pas.106 Soms ging het betrokkenen eerder om het verkrijgen van een schadevergoeding. Toch lijken ook dan geweldszaken niet helemaal op hun plaats bij het college van vredemakers. De vredemakers probeerden immers partijen in eerste instantie met elkaar te verzoenen, waarbij het herstellen van de vrede centraal stond. Voor het eisen van forse geldbedragen moesten slachtoffers bij de civiele vierschaar zijn. Het lijkt dan ook niet erg waarschijnlijk dat de processen wegens gewelddadigheden waarin de vredemakers zelf een uitspraak deden, bijzonder ernstig waren. Helaas is de precieze aard van het geweld in de onderzochte zaken niet omschreven. In één geval werd de gedaagde opgeroepen zich van ‘dergelijk geweld’ te onthouden.107 Abraham Jansz. moest Cijntje de Neef twee rijksdaalders betalen wegens mishandeling. Hij zou Cijntjes kind ‘ernstig’ hebben verwond, maar gezien de hoogte van het bedrag zal van blijvende invaliditeit of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geen sprake zijn geweest.108 In twee gevallen oordeelden de vredemakers dat de schout een oogje op de partijen moest houden. Eén keer onthield het forum zich van een uitspraak. Het aantal geweldszaken is te gering om nadere conclusies over de sociale achtergronden van de geschilvoerende partijen te trekken. Bovendien is van geen van de betrokkenen het beroep bekend. Wel waren, vrijwel in overeenstemming met gegevens van de criminele vierschaar, alle daders mannen.109 Van de eisers was de helft vrouw.

105 Vgl. Spierenburg, ‘Knife Fighting’, 112-113; Dinges, Maurermeister, 276-277,342; Leuker, ‘Schelmen’, 319. 106 De schout was bovendien afhankelijk van aangiftes. Herbergiers en chirurgijns waren verplicht om gewonden die zij moesten verbinden aan de schout door te geven (vgl. Faber, Strafrechtpleging en criminaliteit, 55-58; RAL, SAII, invr. 12, p. 250). 107 RAL, ORA, inv.nr. 47 2I (8-12-1664). ‘Geweld’ had in de zeventiende eeuw verschillende betekenissen, variërend van drukte of gedruis tot overheersing of dwang. Maar als rechtsterm had het woord vooral betrekking op wederrechtelijke handelingen tegen personen of goederen (WNT). 108 De gedaagde kreeg de boete ‘over pijn en smert bij des eijsers kint geleden en deformatie overmits een wonde bij den gedaagde het voors. kint geïnfligeert’ (RAL, ORA, inv.nr. 44 2I (28-4-1664)). 109 In Leiden werden tussen 1533 en 1811 19 vrouwen en 344 mannen veroordeeld wegens mishandeling (V.d. Heuvel, Criminele vonnisboeken).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 248

248

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

Diefstal Eveneens bescheiden van omvang is de slechts vier zaken tellende subcategorie ‘diefstal’. Het gaat hier opnieuw om een vergrijp dat doorgaans strafrechtelijk werd vervolgd. Meestal betrof het dan overigens daders die niet uit de stad kwamen, zoals bedelaars, vagebonden, rondtrekkende landarbeiders, ex-soldaten en kermisartiesten.110 Degenen die wegens diefstal voor de vredemakers werden gedaagd, waren naar alle waarschijnlijkheid gevestigde Leidenaren.111 Zij werden bovendien alleen van kleine diefstallen beschuldigd. Een ander verschil is dat de crimineel vervolgde rovers en inbrekers dikwijls op heterdaad waren betrapt of waren aangehouden met de gestolen goederen nog in hun bezit. De eisers die buurtgenoten van diefstal beschuldigden, leken alleen maar vermoedens te hebben. De grens tussen aanklacht en belediging was hierdoor vloeiend. Joris Drolenva moest om die reden zijn aantijgingen inslikken; zolang Anthonij Loos beschuldigd noch veroordeeld was voor het stelen van achtentwintig stuivers moest hij voor een eerlijk man gehouden worden.112 Warmoesier Jan Pietersz. de Vinck stond vast en zeker sterker toen hij Jan van Belle aanklaagde wegens het achteroverdrukken van groenten. De omschrijving van het vergrijp is helaas onduidelijk, mogelijk gaat het om stroperij, maar de vredemakers vonden wel dat de gedaagde dertig stuivers moest betalen om de groenten te vergoeden.113 Over de bij diefstal betrokken partijen is nauwelijks iets bekend. Bovendien is het aantal processen in deze rubriek opnieuw te klein om er algemeenheden uit te kunnen concluderen. Wel valt op dat alle gedaagden mannen waren. Bij de crimineel vervolgde diefstallen was drieëndertig procent van alle daders vrouw.114 Overtreding stedelijke keuren Zonder dat de eigen reglementen hen hiertoe bevoegdheden gaven, legden de Leidse vredemakers met enige regelmaat boetes op bij kleine overtredingen van de stedelijke keuren. Vaak was dan een van de onderschouten eiser. Deze plaatsvervangers van de schout waren om beurten bij civiele rechtszittingen, ook die van het college van vredemakers, aanwezig en zagen toe op de uitvoering van het vonnis van de schepenen.115 Hun speciale taak was het zoeken naar overlastgevers en overtreders op straat en in herbergen. Vagebonden en bedelaars van buiten Leiden moesten zij de stad uitzetten. Verder ondersteunden ze de schout bij het verhoren van arrestanten. Het was onderschouten verboden om het bij grote vergrijpen met de overtreders op een akkoordje te gooien, zoals de schout wel mocht. Alleen bij bedragen tot zes gulden mochten zij een
110 Vgl. Egmond, ‘Recht en krom’, 24,25; Faber, Strafrechtpleging, 261,265. 111 Volgens artikel 2 van de keur op ’t vredemaken was het college van vredemakers alleen bedoeld voor ‘partijen binnen dese stadt woonende’ (opgenomen in de keur sedert 1651). Helaas kunnen degenen die van diefstal beschuldigd werden, niet in de trouw- of poorterboeken worden geïdentificeerd. 112 RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (15-2-1664). 113 Idem. Vgl. Van Deursen, Kopergeld, 61-62; Sharpe, ‘Enforcing the law’, 105. 114 Tussen 1664 en 1668 waren drie van de negen veroordeelde dieven vrouw (Van den Heuvel, Criminele vonnisboeken). Vgl. Noordam, ‘Strafrechtpleging’, 237-238. 115 Het ambt van substituutschout werd in 1588 ingesteld toen het schoutambt tijdelijk met het baljuwschap en dijkgraafschap van Rijnland was gecombineerd (Goudappel & Snapper, ‘Het Leidse schoutambt’, 38).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 249

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

249

schikking treffen. Blijkbaar konden zij dan bij weigering de betrokkenen voor het college van vredemakers dagvaarden, hoewel hun instructie die mogelijkheid onvermeld laat.116 De processen die de onderschouten wegens overtredingen voor de vredemakers begonnen, hadden zonder uitzondering betrekking op kroegbazen die hun zaak te lang openhielden. Het was herbergiers, taverniers, tappers en tabak- en brandewijnverkopers verboden na tien uur ’s avonds en in de winter al na negen uur, sterke drank te schenken. Niet toevallig stond op deze overtreding een boete van zes gulden, precies het maximumbedrag tot waar de onderschouten een schikking mochten treffen. Voor iedere gast die na de officiële sluitingstijd nog aanwezig was, moest de caféhouder echter nog eens drie gulden neertellen.117 In theorie werd zo de bevoegdheid van de onderschouten natuurlijk overschreden. Maar in de praktijk was dit zelden het geval. Geen van de door de vredemakers opgelegde boetes naar aanleiding van ‘het tappen na het uur’ was conform de keur. Blijkbaar kon toch steeds een schikking worden getroffen. Zo kreeg Thomas Hoet een boete van tweeënhalve gulden omdat hij na tien uur ’s avonds nog aan vier personen brandewijn had geschonken.118 Christiaen Hellingh kreeg echter een boete van vierentwintig gulden wegens herhaalde overschrijding van de taptijden.119 Gemiddeld bedroeg het opgelegde bedrag zes gulden. Vrijwel alle twintig gedaagden die de keur op het tappen van sterke drank overtraden, waren brandewijnverkopers. Deze winkeliers verkochten dus niet alleen hun brandewijn, maar schonken deze ook, zij het in het klein. Voor zover vermeld, hadden zij na de officiële sluitingstijd steeds maar ‘enkele’ gasten in huis; twee kroegbazen hadden er op het moment dat de onderschouten waren binnengevallen nog vier zitten. Het is niet duidelijk waarom juist deze brandewijnverkopers voor het college van vredemakers moesten verschijnen. Leiden moet vele tientallen brandewijnverkopers binnen haar poorten hebben gehad; in de belastingkohieren van 1674 staan er alleen al honderddrieëndertig vermeld.120 Hielden de meesten zich dan gewoon aan de regels? Of controleerden de onderschouten zo weinig? Dat lijkt gezien hun financiële belang bij het uitdelen van boetes onwaarschijnlijk.121 Mogelijk hadden de gedaagde brandewijnverkopers een onderhandse schikking met de onderschouten geweigerd en troffen de anderen bij een overtreding wel een overeenkomst. Feit is dat de gereformeerde kerkenraad zich in 1656 bij het stadsbestuur beklaagde dat de onderschouten het zo
116 RAL, SAII, inv.nr. 1073. Zie voor de zogeheten compositiebevoegdheid van de schout onder meer: Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 82-85; Faber, Strafrechtpleging, 35; Van Caenegem, Strafrecht in Vlaanderen, 312-323. 117 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 224. 118 RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (4-4-1664). 119 Idem (27-6-1664). 120 Peltjes, Leidse lasten, 13. Vgl. Tjalsma, ‘Een karakterisering van Leiden’, 29. 121 Onderschouten kregen geen vast salaris. Hun inkomen bestond uit een gedeelte van de boetes. Alle boetes op overtredingen van 20 stuivers en lager waren voor de onderschouten. Van boetes tussen 1 en 6 gulden kregen ze de helft, van boetes tussen de 6 en de 12 gulden eenderde. Geldstraffen van 12 tot 50 gulden waren voor eenvijfde deel voor de onderschouten. Bij sommen die hoger uitkwamen kregen ze slechts eenvijfde deel van de eerste vijftig gulden van het bedrag. Wanneer de schout afwezig was en de eerste onderschout diens honneurs waarnam tijdens rechtzittingen had hij ook recht op een deel van de boetes bij défauten, de leges voor het horen van getuigen en dergelijke (RAL, SAII, inv.nr. 1073). Vgl. Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 236.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 250

250

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

vaak met brandewijnverkopers op een akkoordje gooiden. De onderschouten ontkenden dit overigens ten stelligste.122 De afwezigheid van herbergiers en andere kroegbazen onder de gedaagden valt ook op. Traden de onderschouten daar niet tegen op, of was de bereidheid tot schikking onder de andere horecaondernemers groter? Slechts in één geval is sprake van een vaantjeshoudster die door de vredemakers beboet werd omdat ze te laat haar deuren sloot. Vaantjes waren tapperijen waar bier per kan verkocht werd voor particulier gebruik. Ze waren te herkennen aan een houten vlaggetje of vaantje. Enkele vaantjeshouders hadden hun winkel echter ingericht als kroeg.123 Niet alleen onderschouten speurden naar overtredingen, ook de tien dienaren van de schout deden dat. Deze bewapende dienders konden eveneens Leidenaren die de fout ingingen, bekeuren en eventueel voor de vredemakers dagen, hoewel dit recht, voor zover kon worden nagegaan, nergens in een keur is vastgelegd.124 Het ging daarbij steeds om één tamelijk klein vergrijp, namelijk het vervuilen van straten en grachten met as.125 Volgens de keur diende dit beboet te worden met twintig stuivers als de as op straat terecht was gekomen en twee gulden wanneer het vuil in de gracht belandde.126 Maar ook hier gold dat deze sancties door de vredemakers nauwelijks werden opgelegd. Alleen ene Catalijntje moest de hele boete betalen voor het bevuilen van de grachten, mogelijk omdat ze al vaker was betrapt. Maar de meeste overtreders, allemaal vrouwen en voor een belangrijk deel dienstmeiden, mochten met de helft van de boete volstaan. Waarom de vredemakers niet de in de keur vastgestelde straf oplegden, is niet helemaal duidelijk. Waren de vrouwen niet vermogend genoeg om de volledige boete te betalen en waren andere overtreders wel in staat ter plekke een regeling met de dienaren te treffen? Of weigerden de meesters van de dienstmaagden om voor hun personeel in te staan, zoals de keur vereiste? Het was in ieder geval steevast winter wanneer deze boetes werden opgelegd en in dit seizoen zaten veel Leidenaren, met name vrouwen, extra krap bij kas. Twist Onder twist worden in dit verband algemene onenigheden tussen personen gerekend, die door de vredemakers niet als ‘injurie’ of gewelddadigheden geregistreerd werden en waarbij ook het oordeel van het college van vredemakers niet naar een belediging of handgemeen verwijst. Alleen uit wat het forum wél als uitspraak noteerde, kan worden afgeleid dat het om ruzies moest gaan. Een vaak opgelegd oordeel is bijvoorbeeld dat partijen gelast werden elkaar met rust te laten, al dan niet in combinatie met de waarschuwing dat de schout of onderschout voortaan op het gedrag van de gedaagde, en vaak ook op dat van de eiser, zou letten. Dat hield in dat bij herhaling een boete kon volgen. Deze uitspraak kwam eveneens bij beledigingen voor, maar dan werd tegelij122 RAL, SAII, inv. 189 (14-9-1656). 123 RAL, ORA, inv.nr. 47 2I (20-10-1664). Vgl. Dekker,’Arbeidsconflicten’, 72. Zie ook Schmidt, Overleven na de dood, 134-135; Le Francq van Berkheij, Natuurlijke historie van Holland III, 1057. 124 Ze dienden alle overtredingen van de keuren die hen ter ore kwamen te beboeten (RAL, SAII, inv.nr. 726). 125 Ook de klerken die in de poorten werkten en de commissarissen van de voerlieden mochten mensen die hun as niet in de daartoe bestemde putten loosden, een boete opleggen (RAL, SAII, inv. 189 (18-3-1655)). 126 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 25.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 251

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

251

kertijd een ‘amende honorable’ of ‘profitable’ opgelegd of bevatte de omschrijving van de zaak, zoals gezegd, het woord ‘injurie’. Het gebrek aan een nadere omschrijving van de als ‘twist’ aangemerkte geschillen maakt dat hier nauwelijks op de kwesties kan worden ingegaan. Ook een vergelijking met andere gerechtelijke of notariële bronnen leverde niets op. 7.4.2 Huwelijk en zedelijkheid Het is opvallend hoe weinig de vredemakers werden ingeschakeld bij (voor)echtelijke problemen. Blijkbaar vonden de inwoners van Leiden het college van vredemakers niet het meest aangewezen forum voor het bereiken van een oplossing bij echtelijke mishandeling of voorechtelijke zwangerschap. Een van de redenen hiervoor is de korte juridische procedure van het college die zich niet leende voor de dikwijls complexe huwelijksproblematiek. Maar misschien is het juister om te zeggen dat andere instellingen meer geschikt geacht werden voor het beëindigen van moeilijkheden op het gebied van huwelijk en zedelijkheid. De keuze hing af van de oplossing die men voor ogen had. Zo bestond de mogelijkheid buurtheren en kerkenraden in te schakelen voor bemiddeling tussen echtgenoten in een poging de verhoudingen binnen het huwelijk te normaliseren. Verder kon een kerkenraad in gezinnen van lidmaten, wanneer bemiddeling niets uitrichtte, door middel van tucht druk uitoefenen om bijvoorbeeld overspel of mishandelingen te laten ophouden. Ook het notariaat was een goede mogelijkheid. Niet alleen kon met behulp van een attestatie een partner worden bewogen om tot een vergelijk te komen, maar ook was het mogelijk, bij het uitblijven van een oplossing, met behulp van dezelfde akte een juridische procedure te starten. Behandeling door de vredemakers bleef dan dikwijls achterwege. Tot slot waren er nog de commissarissen voor huwelijkse zaken, die zich met de juridische afwikkeling van bepaalde echtelijke kwesties konden bezighouden. In Leiden hielden ze daar echter geen systematische aantekeningen van bij.127 Een aantal huwelijksproblemen ontbreekt helemaal in de vredemakersboeken, zoals overspel en kwaadwillige verlating. Deze ernstige zaken hoorden thuis bij de civiele vierschaar. Ook konden ze door de schout in een strafrechtelijk proces aanhangig worden gemaakt of door kerkenraadsleden worden besproken in een tuchtprocedure. Dit gold ook voor incest, verkrachting en bloedschande.128 Zo riskeerden daders onder meer verbanning uit Leiden en, als ze lid waren van bijvoorbeeld de gereformeerde kerk of de doopsgezinde gemeente, verwijdering uit de avondmaalsgemeenschap. Wie echter bij mishandeling, overspel of kwaadwillige verlating niet zozeer bestraffing van zijn of haar partner op het oog had, maar vooral van hem of haar af wilde, kon ook respectievelijk een scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk aanvragen. Dit gebeurde meestal door middel van een procedure voor de civiele vierschaar. Wanneer beide echtelieden het over de scheiding van tafel en bed eens waren, dan kon deze ook worden geregeld via vrijwillige rechtspraak, wat neerkwam op het juridisch be127 Zie Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 38,39. 128 Vgl. Idem, 257,258; Roodenburg, Onder censuur, 302-316.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 252

252

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

krachtigen van een bijvoorbeeld door een notaris opgesteld document waarin de tijdelijke beëindiging van het samenwonen geregeld werd.129 Maar dit alles viel buiten de bevoegdheid van de vredemakers. Maakte een van de partners bezwaar, dan moest een rolprocedure in gang worden gezet. Deze diende direct voor de vierschaar; de vredemakers sloeg men dan over.130
Tabel 7.6 Verdeling van de onderzochte processen voor het college van vredemakers (1664) waarin moeilijkheden op het gebied van huwelijk en zedelijkheid naar voren komen, in personen (T) mannen (M), vrouwen (V) en aantal zaken (N). Tussen haakjes staat het aantal vervolgzaken in deze rubriek. Zaken T 2 1 1 1 2 7 Gedaagde M V 1 1 0 1 0 1 1 0 1 1 3 4 T 2 1 1 1 2 7 N 2 1 1 1 2 (4) 7 (4) % 29 14 14 14 29 100

Personen 1664 Eiser M V Vaderschapsactie/defloratie 1 1 Verbreken trouwbelofte 1 0 Huwelijkse geboden 1 0 Echtelijke mishandeling 0 1 Overig 1 1 Totaal 4 3 Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

Categorie

Uiteindelijk mobiliseerden zeven mensen het college van vredemakers in verband met problemen op gebied van huwelijk en zedelijkheid. Het is niet duidelijk wat hen voor de vredemakers deed kiezen. Wel lijken de betrokkenen geen lid van de Nederduitse of Waalse gereformeerde kerk of doopsgezinde gemeente te zijn geweest. Lidmatenboeken van deze denominaties ontbreken weliswaar voor de onderzochte periode 16641668, maar het feit dat de echtelijke problemen niet in de kerkenraadsnotulen genoemd werden, terwijl de betrokkenen die wel bij een rechtbank aanhangig maakten, geeft te denken. Niet alleen was de ernst van de feiten zelf aanleiding genoeg voor tuchtmaatregelen. Ook het aanspannen van een proces was not done voor lidmaten. De betrokken leden brachten dan namelijk de avondmaalsgemeenschap in opspraak.131 Over de inzet van buurtheren bij de door de vredemakers behandelde huwelijksgeschillen is minder met zekerheid te zeggen. Er zijn nauwelijks Leidse buurtregisters overgeleverd, zodat onduidelijk is of de geschilvoerende partijen hun buurtheer hadden ingeschakeld voordat hun zaak bij de vredemakers voorkwam. Volgens de keur op de gebuurten hoorden ze dat wel te doen. Maar in de beschikbare buurtregisters zijn
129 Vgl. Helmers, Gescheurde bedden, 177-179. Ook werden soms scheidingen van tafel en bed door de buurtheer uitgesproken. Deze waren officieus en hadden geen formele status. Zo bleef bijvoorbeeld de gemeenschap van goederen bestaan. Hoe vaak de onderhandse regelingen voorkwamen, is niet duidelijk (zie hoofdstuk 2 par. 2.4.3). 130 Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 184, 201-202. 131 Overigens kan ook stille tucht zijn uitgeoefend. Vgl. hoofdstuk 5. Zie verder Roodenburg, Onder censuur, 133; Zijlstra, Om de ware gemeente, 451.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 253

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

253

daar nauwelijks sporen van te vinden.132 Het lijkt erop dat het mobiliseren van vredemakers bij huwelijksproblemen vooral een negatieve keuze was, waarbij andere opties niet of onvoldoende bereikbaar waren. Vaderschapsacties, trouwbeloften en huwelijkse geboden De vredemakersboeken bevatten slechts één geval van echtelijke mishandeling, althans beide partijen verschenen om die reden dezelfde maand voor de civiele vierschaar.133 De overige processen inzake huwelijk en zedelijkheid die bij de vredemakers dienden, betroffen min of meer administratieve kwesties, zoals de zogeheten vaderschapsacties waarmee een ongehuwde moeder eiste dat de verwekker van haar kind met haar zou trouwen of haar financieel zou compenseren. Het was daarbij van cruciaal belang om aan te tonen dat de vader de vrouw trouwbeloften had gedaan. Toezeggingen om te trouwen waren bindend. Meisjes die zwanger raakten, konden daar een beroep op doen wanneer de verwekker bij nader inzien van een huwelijk afzag. Trouwen was voor hen zo een manier om hun verloren eer te redden.134 Maar er was nog een manier, namelijk financiële compensatie. Een beroep op trouwbeloften leidde niet automatisch tot een huwelijk. Regelmatig waren de beloften onbewijsbaar of ontkende de andere partij deze onder ede. Wanneer de geslachtsgemeenschap wél door de man werd erkend, kon deze veroordeeld worden tot het vergoeden van de verloren eer, en, als het kind reeds geboren was, van de kraamkosten en eventuele alimentatie.135 Gillis van den Bosch hoefde daarom de zwangere Geertje Florisd., met wie hij het bed had gedeeld, alleen financieel te compenseren voor het verlies van haar eerbaarheid voordat ze moest gaan bevallen. De trouwbeloften waar Geertje zich op beriep, bleken niet te bewijzen.136 Met het vonnis wordt overigens ook duidelijk dat de eerbaarheid van de vrouw zich beperkte tot haar maagdelijkheid. Weduwen kwamen niet in aanmerking voor dotatie.137 In bepaalde omstandigheden konden trouwbeloften, met goedvinden van beide partijen, worden ontbonden. Het ging dan om huwelijkstoezeggingen aan meerdere personen, vreemdgaan, het overgaan op een niet-gereformeerde religie, krankzinnigheid, onverzoenlijke haat of eerverlies van de partner. Voorwaarde was wel dat het meisje niet zwanger was. Pieter de Tombe had zo zijn twijfels over de trouw van Catrijn de Bruijn en daagde haar voor de vredemakers. Daar lijkt ze de schending van Pieters vertrouwen te hebben erkend. Catrijn en Pieter spraken vervolgens af om elkaar ten overstaan van de commissarissen van huwelijkse zaken te ontslaan van de trouwbeloften.138 Jan Jansz. Lommerij eiste van Maertje Salomonsd. dat zij zijn huwelijkse geboden niet zou beletten. Huwelijken moesten volgens de politieke ordonnantie van 1580 tot drie keer toe vanaf het stadhuis of de kansel worden aangekondigd, zodat ouders, familie, vrienden en andere betrokkenen in de gelegenheid waren om bezwaren tegen de
132 133 134 135 136 137 138 Vgl. hoofdstuk 2. Vredemakers verwezen in 1664 geen enkele huwelijkskwestie terug naar een buurtheer. De zaak is uitgebreid beschreven in hoofdstuk 8, par. 8.1.1. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 97,129; Roodenburg, Onder censuur, 273; Koorn, ‘Illegitimiteit en eergevoel’, 77-78. Het gedrag van het meisje bleef overigens onbeboet. Vgl. Vleeschouwers, ‘Self-divorce’, 87; Broers, ‘Flos mihi dos’, 46-48. RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (25-1-1664). Burghartz, ‘Geschlecht, Körper, Ehre’, 214,218; Haks, Huwelijk en gezin in Holland, 88-96, m.n. 89. RAL, ORA, inv.nr. 47 2I (10-11-1664). Vgl. Roodenburg, Onder censuur, 265.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 254

254

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

voorgenomen bruiloft in te dienen. Op die manier moesten clandestiene huwelijken worden voorkomen, zoals bijvoorbeeld een echtverbintenis tussen familieleden, binnen de zogeheten verboden graden, of met een partner die al aan een ander trouwbeloften had gedaan of die een losbandig leven leidde. De bezwaren tegen het aangekondigde huwelijk moesten wel schriftelijk worden ingediend.139 Onduidelijk is of Maertje Salomonsd. dat had gedaan. Waarschijnlijk was ze een vroegere geliefde van saaiwerker Jan Jansz. Lommerij en meende ze dat hij haar trouwbeloften had gedaan.140 In ieder geval leek het bewijs voor haar bezwaren mager. Voor de vredemakers verklaarde ze, conform de vordering van Jan, de geboden van de eiser niet langer te zullen beletten.141 Het aantal zaken is te gering voor een goede analyse van de geschilvoerende partijen. Wel valt op dat bij de eisers in de huwelijkszaken die voor de vredemakers aanhangig werden gemaakt vrouwen licht in de minderheid waren. In drie van de zeven rechtszaken daagden vrouwen een man voor het college. Doorgaans waren de verhoudingen in dergelijke kwesties omgekeerd. Het waren immers vooral vrouwen die werden aangekeken op een buitenechtelijke zwangerschap. Maar bij nader inzien wijken de zaken in de vredemakersboeken nauwelijks van dit beeld af. Zeker drie mannen lijken hun geding te hebben aangespannen in reactie op beweringen van een vrouw die met hen wilde trouwen. 7.4.3 Contracten en afspraken Schulden Eén vluchtige blik op tabel 7.7 is voldoende om vast te stellen welke kwesties het enorme aandeel van de categorie ‘contracten en afspraken’ veroorzaakten: de schulden. Deze vormden zo ongeveer de core business van het vredemakerscollege met ruim zeventig procent van de geschillen in de bewuste rubriek en zo’n zestig procent van alle zaken waarvan bekend is waar ze over gingen. Nu was het hebben van schulden in de vroegmoderne tijd een alledaags verschijnsel. De meeste mensen kochten destijds op de pof. Zij lieten bijvoorbeeld hun aankopen aantekenen op zogeheten kerfstokken. Anderen leenden geld met behulp van obligaties of kochten op krediet en sloten daartoe een contract. Tot slot konden leningen ook gewoon mondeling worden aangegaan.145 Schulden hoefden op zich, wanneer iedereen op tijd betaalde, geen problemen op te leveren. Maar wanneer aflossing uitbleef, konden ook de schuldeisers in moeilijkheden komen en zelf hun betalingsverplichtingen niet meer voldoen. Het dagvaarden van schuldenaren voor het college van vredemakers was dan een doeltreffende manier om alsnog het uitgeleende geld terug te krijgen.
139 140 141 142 143 144 145 Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 63-67, m.n. 65. Vgl. Vleeschouwers, ‘Self-divorce’, 96-97. RAL, ORA, inv.nr. 47 2I (17-10-1664). Vijf zaken werden aangespannen door groepen erfgenamen of voogden. Zij zijn niet nader gespecificeerd en dus niet meegeteld. Twee keer werd een niet nader omschreven groep erfgenamen gedagvaard, die niet is meegeteld. In één zaak was een groep erfgenamen de eiser. Vgl. Schmidt, Overleven na de dood, 109; Pot, Arm Leiden, 221,222.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 255

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

255

Tabel 7.7

Verdeling van de onderzochte processen voor het college van vredemakers (1664) waarin moeilijkheden op het gebied van contracten en afspraken naar voren komen, in personen (T), mannen (M) en vrouwen (V) en het aantal zaken (N). Tussen haakjes staat het aantal vervolgzaken in deze rubriek. Personen 1664 Eiser M V 1181 200 337 115 28 12 17 0 14 1 6 1 19 2 1602 331 Zaken T 1381142 452144 40 17 15 7 21 1933 Gedaagde M V 1212 204 376 83 39 2 14 6 14 2 5 2 17 4 1677 303 T 1416143 459 41 20 16 7 21 1980 N 1386 (535) 453 (113) 40 (13) 17 (7) 15 (6) 7 (3) 21 (11) 1939 (688) % 71 23 2 1 1 <1 1 100

Categorie

Schulden Huurgeschillen Aankoop en levering Erfeniskwesties Burenkwesties Contractbreuk Overig Totaal

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

De betalingsmoeilijkheden waar de vredemakers zich over moesten buigen, waren doorgaans weinig ingewikkeld en eenvoudig te bewijzen. Zo had Jan Cornelisz. van Thol goed geadministreerd dat hij Laurijn la Mote ooit voor drieëntwintig gulden aan winkelwaren had geleverd. Hij eiste zijn geld. De vredemakers waren dankzij het kasboek van Jan snel van de rechtmatigheid van de vordering overtuigd en sommeerden Laurijn het geëiste zonder uitstel te betalen.146 Maar vaak werden de vorderingen op zichzelf niet betwist en waren de moeilijkheden te wijten aan de slechte financiële staat waarin de debiteur verkeerde. Het college van vredemakers kon dan uitstel van betaling verlenen. Ook deelde het forum regelmatig de schuld op in kleinere bedragen die dan in termijnen afgedragen dienden te worden. Herrie Orben moest bijvoorbeeld aan brouwer Gedion Piaet twintig gulden betalen voor het bier dat deze hem geleverd had. Herrie zat echter krap bij kas. De vredemakers oordeelden dat de man het bedrag mocht aflossen met twaalf stuivers per week. Op die manier zou hij binnen vierendertig weken van zijn schulden af zijn.147 In een enkel geval konden de vredemakers ook beslissen dat de gedaagde minder hoefde te betalen dan de eiser van hem of haar vorderde.148 Dat het college van vredemakers vooral te maken kreeg met de meer eenvoudige schuldenproblematiek, blijkt ook uit de cijfers van tabel 7.8. De geschilvoerende partijen werden het opvallend vaak eens over de betaling van de schulden en de eventuele termijnen waarin die moest plaatsvinden. Maar een kleine dertig procent van de gedaagden moest onmiddellijk de hele schuld voldoen. Uitstel van betaling kon pas worden verleend na een schuldbekentenis van de gedaagde.149 Blijkbaar hadden debiteuren
146 147 148 149 RAL, ORA, inv.nr. 44 2H (21-4-1664). Idem (15-2-1664). Zie bijv. Idem (14-3-1664). Groot Placaet-boeck IV, p. 477, art. 3.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 256

256

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

weinig moeite met het erkennen van hun schulden. Het leverde hen ook wat op. De debiteuren kregen de mogelijkheid tot uitstel of het betalen in termijnen. Verder toonden zij hun bereidwilligheid tot het aflossen van de schuld en voorkwamen zij als wanbetaler bekend te worden, wat de mogelijkheden tot het krijgen van toekomstig krediet ernstig zou kunnen beperken. Wie niet betrouwbaar bleek, liep het risico zijn of haar goede naam te verliezen en sociaal en economisch geïsoleerd te raken. Meewerking bij schuldenkwesties die eenvoudig te bewijzen waren, was daarom geboden.150
Tabel 7.8 Beslissing Instellen van betalingstermijnen Onmiddellijke betaling van de schuld Uitstel van betaling Verstekvonnis Onbekend Vordering naar beneden bijstellen Inschakelen arbiters Tot nader order uitgesteld Doorverwijzen naar hogere rechtbank Eis ontzeggen Overig151 Totaal Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I. Frequentie van de verschillende beslissingen van vredemakers inzake schuldenproblematiek (1664). Frequentie N 420 390 189 152 35 30 27 13 12 7 111 1386 % 30 28 14 11 2 2 2 1 1 <1 8 100

Ook het geringe aantal zaken dat naar arbiters of een hogere rechtbank werd doorverwezen, wijst erop dat de vredemakers vooral te maken kregen met weinig gecompliceerde betalingsproblemen. Bij dergelijke verwijzingen stond de vordering van de eiser doorgaans wél ter discussie. Zo kon een debiteur een rekening weigeren te voldoen, omdat de klager in zijn of haar ogen bijvoorbeeld een wanprestatie had geleverd of omdat de vordering anderszins onterecht zou zijn. Vrijwel steeds stuurde het college bij arbitrage de partijen – mits beide ermee instemden – naar specialisten in een bepaald beroepsveld, zoals bijvoorbeeld gildenbestuurders. Die hadden kennis van zaken en genoten aanzien bij zowel de eiser als de klager. Voorwaarde was wel dat de betrokkenen daadwerkelijk voor de scheidsmannen verschenen om hun verhaal te doen. Wie niet kwam opdagen, kreeg een boete van maar liefst twaalf gulden. Ook moest hij of zij de onkosten van de arbiters
150 Vgl. De Waardt, ‘De geschiedenis van de eer’, 336-338; Lesger, ‘Huwelijk, opportunisme en bedrog’, 71-72; Kooijmans, ‘Risk and reputation’, 25-27; Roodenburg, ‘Notaris en de erehandel’, 369; Idem, Onder censuur, 386. 151 Bij ‘overige’ beslissingen ging het om toegewezen vorderingen, zonder dat duidelijk is of het genoemde bedrag overeenkwam met de eis.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 257

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

257

vergoeden.152 Officieel moest het door de scheidsmannen overeengekomen compromis door de vredemakers worden bekrachtigd. Maar dat gebeurde vrijwel nooit.153
Tabel 7.9 De hoogte van de geëiste bedragen in guldens in verband met schulden in de vredemakersboeken en de frequentie van de verschillende bedragen (1664) in de zaken waarvan de hoogte van de eis bekend is. Frequentie N 230 198 131 95 76 38 37 49 28 32 57 32 73 1076 % 21 18 12 9 7 4 3 5 3 3 5 3 7 100

Geëist bedrag ≤10 11-20 21-30 31-40 41-50 51-60 61-70 71-80 81-90 91-100 101-150 151-200 ≥201 Totaal Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

Wanneer vredemakers kwesties direct naar de civiele vierschaar verwezen, waren er onvoldoende aanknopingspunten voor arbitrage, bijvoorbeeld omdat de bereidheid om tot overeenstemming te komen, ontbrak. Bovendien ging het meer dan eens om bedragen waar vredemakers zelf niet over mochten oordelen. Het gemiddelde van de vorderingen waarvoor, zoals dat heette, ‘de weg van justitie’ werd geopend, bedroeg zo’n tweehonderdzestig gulden. Niet alle partijen maakten, wanneer de vredemakers hen toestemming gaven voor een proces voor de vierschaar, hun zaak daadwerkelijk bij de schepenbank aanhangig. In de categorie ‘schulden’ deden vijf van de twaalf eisers dat. Waarschijnlijk vonden de anderen de kosten en risico’s van een rolprocedure voor de schepenen te hoog. Het is niet ondenkbaar dat de meesten onder dat vooruitzicht alsnog buiten de rechtbank een uitweg vonden.154
152 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 280. 153 De vredemakers negeerden op dit punt de keuren. Zo voegden vredemakers aan de arbitrage soms de conditie toe dat wanneer de partijen er ook met de scheidsmannen niet uitkwamen, ze hun zaak bij de civiele vierschaar mochten voortzetten. Terugkoppeling was bij falen van de arbitrage dus niet nodig. Ook het feit dat gerenvooieerde zaken zelden in de dingboeken van grote zaken terugkeerden, wijst erop dat succesvolle arbitrage niet door een vonnis van de vredemakers gevolgd hoefde te worden. Dit betekende een verlichting van de werkdruk van het college van vredemakers. 154 Vgl. Dinges, ‘Uses of justice’, 1; Shoemaker, Prosecution and punishment, 134-136,202; Sharpe, ‘Such disagreement’, 173; Lenman and Parker, ‘The state’, 21.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 258

258

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

De meeste schulden waar de vredemakers zich over bogen, hadden betrekking op kleine bedragen die niet boven de competentiegrens van het college uitkwamen. De gemiddelde eis was negenenzeventig gulden; het merendeel van de schulden was echter nog een stuk kleiner.155 Uit tabel 7.9 volgt dat de vredemakers zich honderdtweeënzestig keer uitspraken in zaken die buiten hun bevoegdheden vielen. Drieënzeventig daarvan ontstegen ook de competentie van de commissarissen van kleine zaken, die mogelijk niet los van het college van vredemakers functioneerden. Het is interessant te onderzoeken hoe in die gevallen geoordeeld werd.
Tabel 7.10
Bedrag in guldens

Differentiatie van het oordeel van de vredemakers bij schuldeisen binnen en buiten hun competentiegrens in absolute aantallen en in procenten van het totaal (1664).
Betalen in termijnen Uitstel betaling Betaling ineens Verwijzing Arbitrage Overig naar hoger gerecht Onbekend Totaal

≤ 100 101-200 ≥ 201 Totaal

N 322 31 23 376

% 30 3 2 35

N 115 19 23 157

% 11 2 2 15

N 258 26 8 292

% 24 2 <1 27

N 1 2 5 8

% <1 <1 <1 <1

N 10 3 8 21

% 1 <1 <1 2

N 186 4 2 192

% 17 <1 <1 18

N 22 4 4 30

% 2 <1 <1 3

N 914 89 73 1076

% 85 8 7 100

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

Bij vorderingen tussen de honderd en tweehonderd gulden kwam het college van vredemakers vrijwel tot dezelfde uitspraken als bij eisen die daaronder bleven. Alleen veroordeelden de vredemakers niemand bij verstek wanneer kwesties de honderd-guldengrens overschreden. Het belangrijkst in dit verband is dat het forum gedaagden in beide categorieën relatief even vaak betaling van het geëiste oplegde. Alleen bij eisen boven de tweehonderd gulden treedt een duidelijke verandering op. Het aantal vonnissen waarin de eis zonder verdere betalingsregeling werd toegewezen, neemt dan flink af. Dit duidt er opnieuw op dat bij bedragen tot tweehonderd gulden het college van vredemakers en de commissie voor kleine zaken in elkaar overvloeiden. Overigens stapte een deel van de crediteuren niet onmiddellijk naar de vredemakers wanneer de schulden van afnemers een probleem gingen vormen. Sommige schuldeisers lieten eerst beslag leggen op de roerende goederen van hun debiteuren. Met zo’n buitenbezitstelling wilden ze voorkomen dat de debiteuren iets zouden ondernemen dat hen zou benadelen, zoals het laten verdwijnen van spullen die bij executie nog geld konden opleveren. Soms was zo’n beslaglegging afgesproken, bijvoorbeeld in een ‘willige condemnatie’ die beide partijen bij het verlenen van het krediet overeengekomen waren, maar dat was lang niet altijd het geval. Zonder vooraf gemaakte afspraken was
155 Dat het gemiddelde toch nog relatief hoog uitviel, heeft alles te maken met enkele opvallend hoge bedragen die werden geëist. Zo waren zes vorderingen groter dan duizend gulden. Wanneer deze extreem hoge waarden ( ƒ1000,-) buiten beschouwing blijven, ligt het gemiddeld geëiste bedrag bij schulden op 63 gulden.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 259

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

259

een gerechtelijke toetsing van het beslag of arrest nodig.156 Beslagleggingen dienden verder door de stedelijke bode te gebeuren, na een schriftelijke opdracht van de crediteur. Voorwaarde was ook dat de schuldeiser de debiteur de reden van het arrest bekendmaakte en snel een civiele procedure startte om de rechtmatigheid te toetsen.157 In de vredemakersboeken van 1664 kunnen vijfenzeventig processen over beslagleggingen worden aangetroffen. Een groot aantal daarvan was echter niet aangespannen door schuldeisers, maar door debiteuren die de beslagname op hun goederen aanvochten. Het gaat hierbij om vijftig zaken. De betrokken schuldenaren waren dan van mening dat de crediteuren teveel goederen hadden laten ‘arresteren’ of dat de beslaglegging sowieso onrechtmatig was. De vredemakers bepaalden in de helft van die gevallen dat de schuldeiser de bezette goederen terug moest geven. Vaak sommeerden ze de debiteur tegelijk de achterstallige betalingen te voldoen. Veruit de meeste debiteuren en crediteuren waren mannen. In geval van de klagers, doorgaans de crediteuren, moet enige voorzichtigheid in acht worden genomen, omdat de aanwezigheid van procureurs de cijfers licht vertekenen.158 Het hoge aantal mannen is bijzonder, gezien het feit dat vooral vrouwen de financiële administratie voerden.159 Ook klopt het niet met de waarneming van Van Assen dat mannen zich voor de vredemakers vaak door hun vrouwen lieten vertegenwoordigen.160 Blijkbaar hielden in 1664 veel huishoudens zich aan de norm, dat mannen hun gezin naar buiten toe vertegenwoordigden, zeker in de rechtbank. Officieel mochten vrouwen niet zonder hun man voor de vredemakers verschijnen; ongetrouwde vrouwen moesten een gekozen voogd meenemen.161 Maar in de praktijk hield men zich zelden aan deze regel.162 Zo spanden de zevenenveertig weduwen, die geld eisten van schuldenaren, zonder voogd een rechtszaak aan. Ook de tweeënvijftig weduwen die wegens schulden voor het college van vredemakers gedaagd werden, traden zonder voogd op. De resterende vrouwen lijken eveneens zonder assistentie voor de rechtbank te zijn verschenen.163 Van iets meer dan een kwart van de klagers, exclusief de procureurs, is het beroep bekend; de beroepen van de beklaagden zijn maar in veertien procent van de gevallen genoteerd.164 Slechts een klein deel van de schuldeisers en schuldenaren was werkzaam in
156 In een ‘willige condemnatie’ kwamen crediteuren en debiteuren overeen dat de schuldeiser betaling van de schulden kon afdwingen door de goederen van de debiteur executabel te laten verklaren. Zie voor meer informatie over beslagleggingen bij schulden: Verhaest, ‘Gedwongen tenuitvoerlegging’, 295-324, m.n. 300-301, 308. 157 Van Leeuwen, Nederlandse practyk, 334-337, 410-429; RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 267, 307vv. Vgl. Lijten, Burgerlijk proces, 115-116. Zie ook Nortier, Burgerlijk proces, 17. 158 340 van de 1379 klagers (=25%) waren procureur en traden namens een niet nader genoemde ‘ander’ op. Zij zouden dus heel goed een vrouw hebben kunnen vertegenwoordigen. Zie ook noot 164. 159 Schmidt, Overleven na de dood, 145; Roodenburg, ‘Eer en oneer’, 133,134; Garrioch, Neighbourhood and community, 83. 160 Van Assen, ‘Vredemakers’, 73. In totaal konden onder de eisers 43 vrouwen worden gevonden die namens hun man optraden; onder de gedaagden lag dat aantal op 38. 161 Groot Placaet-boeck IV, p. 477, art. 2. Vgl. Nortier, Burgerlijk proces, 88,89; Schmidt, Overleven na de dood, 55,59,64. 162 Van Aert concludeert hetzelfde voor Antwerpen (Van Aert, ‘Tussen norm en praktijk’, 31-34). Ook in Londen en Parijs waren vrouwen zelfstandiger dan hen volgens de normen was toegestaan (Gowing, ‘Language, power and the law’, 26; Shoemaker, Prosecution and punishment, 207; Garrioch, Neighbourhood and community, 84). Vgl. De Groot, Inleidinghe I.4,7; Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands Regt, I,6. 163 Zie Schmidt, ‘Zelfstandig en bevoogd’, 31-33 en Idem, Overleven na de dood, 62. 164 289 procureurs onder de klagers vertegenwoordigden schuldeisers, waarvan de identiteit niet bekend is. Ditzelfde gold voor de dertig advocaten en eenentwintig notarissen.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 260

260

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

de omvangrijke Leidse textielsector. Zo staan in 1664 maar dertien lakendrapiers, tien kleermakers, zes ververs, vijf wolkopers, vier lakenwinkeliers, drie lakenbereiders en vier overige textielproducenten als klagers in de vredemakersboeken vermeld. Onder de beklaagden zijn nog geen veertig vertegenwoordigers van de textielnijverheid te vinden. Natuurlijk is het goed mogelijk dat onder de debiteuren en crediteuren, waarvan het beroep niet in de boeken is vermeld, nog textielproducenten te vinden zijn, maar veel zullen het er niet zijn, er vanuit gaande dat de vermelding van beroepen min of meer willekeurig gebeurde.165 Het lijkt er eerder op dat de meeste textielondernemers achterstallige betalingen via de gouverneurs van de verschillende hallen probeerden te innen. De meeste van hun schuldenaren waren immers, gezien de vergaande arbeidsdeling in die branche, ook werkzaam in de textielindustrie.166 Het grootste deel van de eisers bestond uit neringdoenden, over het algemeen afkomstig uit de lagere en hogere middenklassen, die vaak voor kleine bedragen goederen op rekening verkochten en die na een opeenstapeling van het verstrekte krediet zelf in financiële problemen dreigden te komen. Onder hen waren zesenveertig bakkers, de meeste van hen hadden hun debiteuren inmiddels voor tientallen guldens aan brood geleverd zonder ooit een cent te zien. Zij werden op hun beurt weer belaagd door onder meer korenkopers die geld wilden zien voor geleverd graan. Verder valt het relatief grote aantal kroegbazen onder de klagers op: veertien herbergiers, dertien wijnkopers en vier brandewijnverkopers. Zij stonden vaak zelf weer als debiteur tegenover brouwers omdat zij het afgenomen bier nog niet hadden betaald. Dit illustreert de onderlinge verwevenheid van schulden. Debiteuren en crediteuren waren, zoals eerder is gesteld, tot elkaar veroordeeld en waren beiden, mits de schuld buiten kijf stond, gebaat bij een snelle afhandeling en een goede betalingsregeling. Huurkwesties Naast het afhandelen van ‘gewone’ schulden, hielden de vredemakers zich vooral bezig met huurschulden en andere problemen tussen huurders en verhuurders. Twintig procent van alle processen in 1664 waarvan de toedracht te achterhalen viel, bestond uit huurgeschillen. Hierbij ging het vaak om huurachterstanden of zogeheten bevoorrechte schuldvorderingen. Dit is gezien de bevolkingsdichtheid en de bijbehorende hoge huurprijzen in de stad natuurlijk nauwelijks verbazingwekkend, hoewel de ergste woningnood anno 1664 alweer achter de rug leek.167 De huur drukte zwaar op het levensonderhoud van de meeste Leidenaren en bij de minste of geringste tegenspoed ontstonden betalingsproblemen.168 Verhuurders konden dan de vredemakers inschakelen om huurders tot betaling te dwingen. Alle problemen met betrekking tot de huur en verhuur van huizen, kamers, kelders en zolders, waarvan de huurprijs onder de tweehonderd gulden per jaar lag, dienden uitsluitend aan de vredemakers te wor165 De vredemakers verwezen in 1664 1 keer een schuldenkwestie terug naar de gouverneurs van de lakenhal. In dit geval stond het beroep van de klager niet in de vredemakersboeken vermeld. 166 Zie hoofdstuk 3, par. 3.6.2. 167 In de loop van de jaren zestig zou de woningnood opnieuw toenemen (Van Maanen, ‘Stadsbeeld en ruimtelijke ordening’, 27; Van Oerle, Leiden binnen en buiten de stadsvesten, 431,432). 168 Zie Pot, Arm Leiden, 222; Posthumus , Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 979vv.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 261

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

261

den voorgelegd. Een juridisch vervolg was niet mogelijk. Bij bedragen die de genoemde bevoegdheid ontstegen, mochten partijen binnen acht dagen hun zaak voorleggen aan de civiele vierschaar. De eiser moest dan wel twee gulden inleggen die hij kwijt was als hij zijn zaak verloor.169 Vaak kwam dit vermoedelijk niet voor. De competentiegrens van het college lag ruim boven de gemiddelde huurprijs in Leiden.170 Tenminste tachtig procent van de huurgeschillen in de vredemakersboeken had betrekking op wanbetalende huurders. Het ging daarbij niet om het overslaan van één week of maand huur. Gemiddeld kwamen de verhuurders pas na zeven maanden in actie. En dat terwijl de meeste huurders, zo volgt uit de vredemakersboeken, hun huur per week moesten betalen.171 De meeste verhuurders stelden zich dus betrekkelijk coulant op bij huurachterstanden. Ze begonnen pas een rechtszaak wanneer hun eigen financiële verplichtingen in gevaar dreigden te komen. De gemiddelde huishuur per jaar die in de vredemakersboeken geëist werd, bedroeg honderdtwaalf gulden. Dit bedrag heeft echter alleen betrekking op de huishuren waarvan duidelijk is over welke periode ze betaald moesten worden. In 1664 zijn dat er slechts zesendertig. Gezien dit lage aantal kunnen nauwelijks conclusies worden getrokken over de gemiddelde huurprijs, de woningen en de huurders. Er werden waarschijnlijk veel kleine huren gerekend, vaak voor kamers of zolders. Bij grote bedragen hoorden daarom mogelijk verhoudingsgewijs langere huurtermijnen. Maar dit valt, nogmaals, op grond van de vredemakersboeken niet uit te maken.
Tabel 7.11 Beslissing Onmiddellijke betaling van de huur Instellen van betalingstermijnen Onbekend Uitstel van betaling Vordering naar beneden bijstellen Verstekvonnis Inschakelen arbiters Tot nader order uitgesteld Doorverwijzen naar hogere rechtbank Eis ontzeggen Overig Totaal Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.
169 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 255vv, art. 15. 170 Zie noot 60. 171 Woningen werden doorgaans tot 1 mei of 1 november verhuurd om te voorkomen dat huurders of verhuurders eenzijdig de huur opzegden. Alleen in een schriftelijke contract kon van die regel worden afgeweken en een kortere of langere huurperiode worden aangegaan (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 210). Vgl. De Smidt, Rechtsgewoonten, 118, 192.

Frequentie van de verschillende beslissingen van vredemakers inzake huurgeschillen (1664). Frequentie N 114 103 75 31 15 9 7 7 3 2 87 453 % 25 23 17 7 3 2 2 2 <1 <1 19 100

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 262

262

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

De vredemakers beslisten meestal dat de in gebreke gebleven huurder het geëiste bedrag moest voldoen. Van uitzetting was in 1664 geen sprake.172 Was de gedaagde niet onmiddellijk tot betaling in staat, dan kreeg deze dikwijls toestemming om de huurschuld in termijnen af te lossen. Een en ander wijst erop dat de claim van de verhuurders in de meeste gevallen gerechtvaardigd lijkt te zijn geweest. Zoals bekend stonden de vredemakers pas verspreide betaling toe na een schuldbekentenis van de gedaagde. En die kon waarschijnlijk weinig anders dan de claim van de verhuurder bevestigen, gezien het feit dat de vredemakers huurbazen nauwelijks om bewijs hoefden te vragen. Ook het geringe aantal bijstellingen van het geëiste bedrag of zelfs het ontzeggen van de eis lijkt op weinig problemen met de vorderingen te duiden. Uitstel van betaling kwam opvallend weinig voor. Mogelijk hielden de vredemakers op deze manier rekening met de belangen van de verhuurders die niet gediend waren met opgeschoven betaaldata. De debiteur bleef immers in de meeste gevallen huurder. Bij uitstel van betaling zou de schuld alleen maar verder oplopen en de kans dat de verhuurder ooit nog geld in handen in zou krijgen, evenredig afnemen. Net als bij de hiervoor besproken schuldenkwesties hoefden de vredemakers nauwelijks huurproblemen aan arbiters over te laten; opnieuw een teken dat de huurders weinig tegen de eisen van de verhuurders hadden in te brengen. Het handjevol scheidsmannen dat werd ingezet, was bovendien opnieuw divers. In twee gevallen stemden de geschilvoerende partijen in met arbitrage door de vredemakers zelf. Dit leverde in één zaak een reductie van de geëiste som op; de uitspraak in het andere geval is onbekend. In drie processen werden scheidslieden uit de juridische praktijk ingeschakeld, te weten advocaten, notarissen en procureurs. De overige twee keer ging het om de gouverneurs van de lakenhal en twee metselaars. Helaas ontbreken de achtergronden van deze zaken. Ook de uitkomst van de arbitrage is niet altijd bekend. In drie gevallen wel, waaronder de genoemde verlaging van de te betalen huur. Twee keer werd de eiser in het gelijk gesteld. Verhuurders konden, alvorens een rechtszaak te beginnen, ook eerst beslag laten leggen op spullen van huurders om betaling van de achterstallige huur veilig te stellen. Hoe vaak dit gebeurde, is niet duidelijk. Huurders vochten het ‘arrest’ op hun goederen zelden aan, waardoor een en ander nauwelijks in de vredemakersboeken is opgenomen. Bij de eerder besproken schuldenkwesties lag dit anders. In die rubriek klaagden debiteuren wel met enige regelmaat over beslagleggingen, vermoedelijk omdat die niet geheel volgens de regels waren verlopen. Waarom verhuurders minder vaak werden teruggefloten dan de andere schuldeisers, wordt duidelijk uit de keur op het ‘bezetten van poorters of inwoners’. Daarin droeg het stadsbestuur crediteuren op om het arrest te laten toetsen om willekeur te voorkomen. Maar verhuurders vielen buiten deze regeling. Zij mochten zonder meer beslag laten leggen op goederen van huurders, omdat deze zich op het eigen terrein van de verhuurder bevonden.173 Huurders hadden
172 Verviel de huur op 1 mei of 1 november dan moest de huurder vóór het middaguur het pand ontruimd hebben, zo niet dan deed de schout of substituutschout dat (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 211 en De Smidt, Rechtsgewoonten, 102). Uitzetting wegens huurachterstand bij een nog lopend contract mocht pas na twee jaar (De Groot, Inleidinge, III.19,11). 173 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 268. Vgl. Ibidem, p. 212. Voor getouwen van textielproducenten gold dat die alleen door schuldeisers die ook bij de nering waren aangesloten in beslag mochten worden genomen (Posthumus, Bronnen VI, 339 par 7).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 263

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

263

daar weinig tegen in te brengen. Over de arresten kan alleen iets worden teruggevonden wanneer de vredemakers bepaalden dat de in beslaggenomen goederen van de huurders eventueel verkocht mochten worden om de huurachterstand weg te werken. Dit gebeurde in zevenentwintig gevallen. Een dergelijke ‘executie’ van de gearresteerde goederen was overigens een laatste middel. Wanneer de huurder kans zag op een andere manier de schuld bijtijds te voldoen, kreeg hij of zij de spullen terug.174 De huurkwesties die als ‘overig’ zijn opgenomen in tabel 7.11, hebben doorgaans betrekking op andere zaken dan huurachterstanden, zoals bijvoorbeeld op huurders die via het college van vredemakers voor elkaar kregen dat ze in hun huis mochten blijven wonen. Vaak was dan sprake van een plotselinge beëindiging van een gedoogsituatie door de verhuurder, wat volgens de keuren verboden was. Huurders die na het aflopen van het huurcontract in hun huis bleven wonen, met medeweten van de verhuurder, mochten daar enige tijd later niet plotseling uit worden gezet. Hij of zij had het recht er nog minstens een half jaar in te wonen, mits de huur natuurlijk gewoon werd betaald.175 Overigens kwam zo’n situatie meestal pas aan het licht wanneer een verhuurder via de vredemakers de huurder uit het huis wilde zetten; het forum stak daar dan, na het horen van beide partijen, een stokje voor. Huurders zélf begonnen hier nauwelijks een proces over, wat mogelijk ook iets zegt over hun positie ten opzichte van de verhuurders.176 Een aantal huurders bleek voor het aflopen van het contract al weg te willen. Zij werden dan door de verhuurders voor de vredemakers gedaagd die hen sommeerden in hun huis te blijven wonen.177 Weer anderen moesten juist verplicht verhuizen zonder nog langer huur te hoeven betalen. Mogelijk speelden hierbij soms toch betalingsproblemen een rol, maar ook kan sprake zijn van faillissement van de verhuurder.178 Veruit de meeste huurders en verhuurders die voor de vredemakers verschenen, waren mannen. Daarmee wijken de huurgeschillen nauwelijks af van het algemene beeld in de vredemakersboeken. Hier moet opnieuw de opmerking bij worden gemaakt dat het aantal procureurs de verhoudingen licht verstoort. Het is niet bekend of zij een man of een vrouw vertegenwoordigden. Het valt op dat het aantal vrouwelijke eisers iets hoger ligt dan bij de schuldenkwesties, een kwart in plaats van vijftien procent. Dit komt waarschijnlijk voor een deel door het iets hogere aandeel weduwen onder de eisers, dertig procent in plaats van drieëntwintig. Zij vulden hun inkomen aan met het verhuren van kamers. Datzelfde kan worden gezegd van de ongehuwde vrouwen. Maar zeven vrouwelijke eisers worden opgevoerd onder vermelding van de naam van hun echtgenoot. Het aantal vrouwelijke gedaagden is verhoudingsgewijs nauwelijks hoger dan bij de eerder besproken debiteuren. Drieëntwintig procent van de beroepen van de verhuurders is bekend, de procureurs niet meegerekend. Onder de huurbazen bevinden zich een aantal mannen uit de
174 175 176 177 178 Vgl. De Damhouder, Practycke civile, LXXIII, 163. RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 210. Vgl. De Groot, Inleidinge, III.19,2 Vgl. RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (18-1-1664; 1-2-1664) Vgl. Idem (29-7-1664); Idem, inv.nr. 47 2I (10-10-1664). Zie ook RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 210; De Groot, Inleidinge, III.19,8. RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (1-8-1664); Idem, 2I (27-10-1664). Zie Idem, SAII, inv.nr. 12, p. 194

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 264

264

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

hogere middenklasse en de stedelijke elite: een schepen en drie leden van de vroedschap, twee advocaten en vier kooplieden. Zij waren in de positie een of meerdere huizen te bezitten en te verhuren. Maar ook worden tien timmerlieden, zeven bakkers, zes metselaars, drie winkeliers, twee doctores medicinae, twee lakenwerkers, twee lakenbereiders en een herbergier genoemd. Het hoge aantal zelfstandige timmerlieden en metselaars is niet toevallig. Deze bouwlieden sprongen in de loop van de zeventiende eeuw handig in op de woningnood door grote oude huizen te kopen en te verbouwen tot kleine kamers om die dan weer met winst te verhuren.179 In totaal zijn veertig verhuurders ook terug te vinden in de belastingkohieren van 1674. Hun gemiddelde aanslag bedroeg toen ruim achtenveertig gulden, waarmee hun vermogen neerkomt op ruim achtduizend gulden. Een aantal verhuurders had meerdere huurders tegen wie ze een procedure begonnen om hun geld te krijgen.180 Aankoop en levering De Leidse vredemakers kregen opvallend weinig problemen met leveringen en aankopen van roerende of onroerende goederen voorgelegd. En dat terwijl het forum op papier geknipt lijkt voor arbitrage bij onenigheden over transacties. De eiser zou alleen maar de gemaakte overeenkomst hoeven te laten zien, waarna de gedaagde alsnog de afspraken zou moeten nakomen, tenzij hij of zij een geldige reden had dit niet te doen. Maar de praktijk is anders. De vredemakers kregen maar veertig van dergelijke zaken op hun bordje. Waren veel kwesties toch ingewikkelder dan de hierboven uiteengezette redenatie suggereert? Hoe het ook zij, gedupeerden beschikten over veel mogelijkheden om bij een wanprestatie aan de bel te trekken. Ze konden bijvoorbeeld de tegenpartij onder druk zetten door een notariële attestatie laten opstellen. Dit leek gezien het geringe aantal rekwiranten dat vervolgens alsnog een proces voor de schepenen begon een succesvolle strategie.181 Maar de gang naar de notaris was niet voor iedereen weggelegd. Verder konden brancheorganisaties worden ingeschakeld, zoals gilden en neringen. Maar dat gebeurde lang niet altijd, mogelijk in verband met de proceskosten die de verliezer moest betalen. Ook konden klanten hebben getwijfeld aan de objectiviteit van de gildenbesturen, hoewel daar weinig aanleiding voor was.182 Daarnaast boden gilden en neringen geen soelaas wanneer producenten en afnemers niet in dezelfde stad woonachtig waren of de leverancier er niet bij was aangesloten. Tot slot konden gedupeerden weigeren te betalen, waardoor geschillen over aankopen of leveranties als schuldenkwesties in de vredemakersboeken terechtkwamen. Hoe vaak dit is gebeurd, is niet goed uit te maken. De problematische transacties waar de vredemakers mee te maken kregen, konden op allerlei aankopen betrekking hebben. Een van de eisers protesteerde omdat er iets niet klopte met de levering van ‘pasternakel’ of pastinaak, de eetbare witte wortels van
179 Vgl. V.d. Wiel, Leidse wevershuisjes, 48; Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie II, 165; Driessen, Het welvaren van Leiden, 140-143. 180 Het gaat om ruim 11 procent van de verhuurders, de procureurs niet meegerekend. 181 Zie hoofdstuk 6, par. 6.2.4. 182 Zie hoofdstuk 3, par. 3.7.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 265

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

265

een schermbloemige plant.183 Anderen klaagden over geleverd graan of zelfs over een aangekochte koe.184
Tabel 7.12 Verdeling van kwesties inzake aankoop of leveranties die aan het college van vredemakers werden voorgelegd, over verschillende economische sektoren (1664). N 21 5 4 3 7 40 % 53 13 10 8 18 100

Sektor Textiel Landbouw Overige nijverheid Bouwnijverheid Overig Totaal

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 47 2H, 2I.

De meeste kwesties hadden betrekking op de textielindustrie. De helft daarvan verwezen de vredemakers door naar de gouverneurs van de betrokken nering. Die namen ze, getuige het geringe aantal renvooien in het ‘kwestieboek’ van de lakennering, lang niet altijd formeel in behandeling. Mogelijk kwamen de betrokkenen er buiten de officiële zittingen van het neringbestuur om ook uit.185 De aanleiding van de problemen rond aankoop en levering is mede hierdoor vaak onduidelijk. Ging het inderdaad om een wanprestatie? Of probeerden de kopers uit geldgebrek onder de koop uit te komen door te wijzen op allerlei onvolkomenheden?186 De gegevens in de vredemakersboeken zijn zoals gezegd te summier om hier uitsluitsel over te geven. In ieder geval hadden de geschilvoerende partijen elkaar niet ook nog eens gedagvaard in verband met schuldenkwesties. Ook is geen van de bewuste zaken terug te vinden in het notarieel archief of in de dingboeken van grote zaken. Gezien het voorgaande ligt het voor de hand dat de meeste geschilvoerende partijen werkzaam waren in de textielindustrie. Maar welk beroep ze precies hadden, is in veel gevallen niet bekend. Slechts van twintig procent van de eisers is een beroep bekend. Twee daarvan waren bovendien procureur en vertegenwoordigden dus iemand anders. De overige aangetroffen beroepen waren blauwverver, koopman, metselaar, pijpmaker, timmerman, ventmeester en witmaker. Van de gedaagden zijn evenveel beroepen bekend: burgemeester, herbergier, koopman, makelaar, metselaar, notaris, pachter van de zeepaccijns, schipper en schoolmeester. Opnieuw dus veel vertegenwoordigers van het sociale midden, met burgemeester Pieter van der Maersche als uitschieter. De meeste eisers waren man. Toch was het aantal vrouwen dat wegens problemen met aankopen en leveranties naar het college van vredemakers stapte boven183 184 185 186 RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (7-3-1664). Idem, inv.nr. 2I (22-11-1664); inv.nr. 2H (28-4-1664). Zie hoofdstuk 3, par. 3.6.2. Vgl. Dinges, Maurermeister, 118vv.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 266

266

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

gemiddeld. Onder hen bevond zich één weduwe. De overige vrouwen staan zonder de naam van een man vermeld. Dit zou er op kunnen duiden dat het om ongetrouwde vrouwen gaat. Het aantal vrouwelijke gedaagden ligt opvallend laag. Mogelijk daagde men bij kwesties over aankopen en leveringen bij voorkeur het hoofd van het huishouden. Degene die op de werkvloer de scepter zwaaide, werd verantwoordelijk gehouden. Erfeniskwesties Problemen rond nalatenschappen waren vaak pijnlijk en konden een familie in tweeën scheuren.187 Er stond voor alle betrokkenen vaak veel op het spel en meer dan eens botsten hun belangen. Vooral de verdeling van een erfenis bracht moeilijkheden met zich. Zo was het mogelijk dat de partner van een overledene de verdeling van de onroerende goederen wilde uitstellen, terwijl meerderjarige overige erfgenamen hun portie onmiddellijk wilden hebben.188 Verder kon er onenigheid ontstaan over de interpretatie van een testament of de wijziging van een mutueel testament door de langstlevende.189 Voordat het tot een boedelscheiding kwam, werd vaak een schriftelijke opsomming van het vermogen van de overledene gemaakt, inclusief alle rechten en verplichtingen zoals schulden. Ook over zo’n ‘staat en inventaris’ ontstond nogal eens wrijving. Een boedelbeschrijving stelde erfgenamen in staat te beoordelen of de boedel na betaling van alle schulden nog iets voor hen zou opleveren. Ook was het mogelijk na de verdeling van de goederen te controleren of er geen spullen waren achtergehouden of tussentijds verkocht, wat vooral bij ondererfstelling van belang was. Schuldeisers konden op grond van een inventaris eventueel tegen een boedelscheiding procederen. Zij hadden namelijk een vordering op de hele boedel, waardoor aan hen eerst moesten worden voldaan, alvorens de erfgenamen tot verdeling mochten overgaan. Soms weigerde de uitvoerder van het testament een boedelbeschrijving op te tekenen. De overige rechthebbenden konden dan een rechtszaak om een ‘staat en inventaris’ beginnen. Tot slot bestond de mogelijkheid om met een proces de executeur-testamentair terzijde te schuiven.190 Tegen het licht van deze rijke conflictstof valt het aantal erfeniskwesties dat in de vredemakersboeken kan worden teruggevonden wat tegen. Maar zestien zaken zijn als erfeniskwesties herkenbaar. Dat is ongeveer een half procent van het aantal processen waarvan bekend is waar ze over gingen. Het lijkt niet waarschijnlijk dat kwesties met betrekking tot nalatenschappen meer dan andere zaken onherkenbaar zijn gemaakt door de summiere aantekeningen van de vredemakers. Eerder wordt het kleine aantal veroorzaakt doordat erfenissen en de verdeling ervan complexe aangelegenheden waren die zich doorgaans niet leenden voor het snelrecht van de vredemakers. Wanneer er minderjarige kinderen waren, was bovendien vaak de weeskamer de eerst aangewezen instelling bij problemen. Bemoeienis van deze stedelijke instelling, die verantwoorde187 188 189 190 Vgl. Kooijmans, Vriendschap, 197-202; Brand, Over macht en overwicht, 307. Schmidt, Overleven na de dood, 101. Vgl. Gehlen, Notariële akten, 44. Ibidem, 371,372,375.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 267

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

267

lijk was voor het toezicht op het bezit van weeskinderen, kon alleen met behulp van een testament worden omzeild. Tot slot moet worden benadrukt dat erfeniskwesties familieaangelegenheden waren. Die bracht men nu eenmaal niet snel naar buiten en liet men zeker niet zomaar door een rechtbank oplossen.191 Hieruit volgt dat betrokkenen vooral kwesties die niet meer onderling, eventueel met hulp van ‘goede vrienden’ of zelfgekozen bemiddelaars, tot een goed einde konden worden gebracht, bij de rechter aanhangig maakten. De zaken die de vredemakers op hun bordje kregen, bestonden waarschijnlijk uit onderdelen van het probleem, die relatief eenvoudig te beoordelen waren. Het forum kwam in ieder geval vrijwel steeds tot een oordeel.192 De helft van de geschillen over nalatenschappen had betrekking op de scheiding van de boedel. Het ging hierbij niet zozeer om onenigheid over de verdeling van concrete spullen of om de uitkoop van mensen die bepaalde goederen niet kregen. Meestal draaide het geschil om de scheiding zelf.193 Veel gedaagden leken zo’n verdeling te willen tegenhouden, terwijl de eisers juist belang hadden bij een boedelscheiding. Helaas staan de details van de zaken niet in de vredemakersboeken. Het is daarom niet goed uit te maken of de eisers overige erfgenamen waren of schuldeisers. Wel is duidelijk dat de vredemakers de eis vrijwel altijd toewezen. Slechts een handjevol keren kwamen de partijen er voor het forum niet uit. Twee keer werd een niet nader omschreven zaak naar de civiele vierschaar doorverwezen. In de derde zaak verwezen de vredemakers de eiser en de gedaagde naar arbiters.194 Alle bij erfeniskwesties betrokken eisers waren man, hoewel moet worden toegevoegd dat vier van hen als procureur optraden. Het is daarom niet duidelijk wie zij vertegenwoordigden. Bij de gedaagden domineerden de mannen minder. Zeven van de twintig gedagvaarde personen waren vrouw, waarvan zes zonder vermelding van een man en één met zekerheid gehuwd. Eén van hen stond omschreven als weduwe. Onder de mannen bevonden zich twee weduwnaars. Over de beroepen van de mannen kan nauwelijks iets worden gezegd. Eén eiser was brouwer; één gedaagde vermoedelijk chirurgijn. Burenkwesties Het college van vredemakers sprak zich naar verhouding zelden uit over erfscheidingen, erfdienstbaarheden, uitzicht over het erf van de buren, beplanting bij de grensscheiding en de afloop van water. Dat wekt nauwelijks verbazing, omdat deze lage rechtbank, in tegenstelling tot die in sommige andere plaatsen, geen bevoegdheid had
191 Vgl. Kooijmans, Vriendschap, 202. 192 In maar één zaak vroegen de vredemakers om nader bewijs. Ook verwees het college partijen slechts eenmaal naar arbiters. Een blik in de dingboeken van grote zaken leert dat de meeste betrokkenen het daarna weer voor gezien hielden; drie van de kwesties uit de vredemakersboeken zijn daarin terug te vinden. 193 Twee processen draaiden om inzage in een testament. (RAL, ORA, inv.nr. 47 2I (5-9-1664); idem, 2H (28-1-1664)). Kwesties over bijvoorbeeld wijzigingen van mutuele testamenten, de uiterste wil van man en vrouw waarin zij elkaar begunstigden, ontbreken. Mogelijk komt dit door het geringe aantal processen over nalatenschappen dat in 1664 in de vredemakersboeken werd aangetroffen. Vgl. De Blécourt, Kort begrip, 371. 194 De scheidsmannen waren Pieter Geeraersz. van Tielt en Jan Blondeel, ouderling van de Nederduitse gereformeerde kerk. De uitkomst van de arbitrage is onbekend. De arbitrage door de ouderling is niet opgenomen in de notulen van de Nederduitse gereformeerde kerkenraad. Ook de notariële akten van Van Tielt vermelden niets over de arbitrage (RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (18-7-1664)).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 268

268

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

om zich over burenkwesties te buigen. In de keur op het vredemaken werden deze kwesties inzake het burenrecht nadrukkelijk afgezonderd van overige civiele zaken.195 Er bestond immers al een speciale commissie van schepenmeesters waaraan buren onenigheden over hun erven ter arbitrage moesten voorleggen, alvorens ze een proces voor de civiele vierschaar mochten aanspannen. Bovendien was het gebruikelijk om bij burenkwesties de situatie ter plaatse in ogenschouw te nemen.196 Dergelijke tijdrovende bezoeken pasten niet in het profiel van het college van vredemakers, dat gericht was op het zo snel mogelijk afhandelen van civiele processen. Het is daarom opmerkelijk dat de vredemakers toch nog vijftien burenkwesties op hun bordje kregen, slechts eentje minder dan de schepenmeesters voor burenkwesties in 1664. De meeste processen gingen over zogeheten rooilijnen. Dit waren markeringen tot waar een schutting mocht komen of de buitenkant van de voor- en achtergevel kon worden gebouwd. Geschillen hierover verwezen de vredemakers vrijwel steeds ter arbitrage door naar de rooimeesters. Het is niet helemaal duidelijk waarom de strijdende partijen hun kwesties inzake rooilijnen eerst bij de vredemakers aanhangig maakten en niet, volgens de regels, bij de schepenmeesters voor burenkwesties. Die konden hen immers ook doorverwijzen naar rooimeesters? De vredemakersboeken bevatten te weinig informatie om te kunnen onderzoeken of er verschillen waren tussen de zaken die voor het vredemakerscollege dienden en die door de commissie voor burenkwesties werden afgehandeld. Slechts één eiser uit de vredemakersboeken kon in de burenkwestieboeken worden teruggevonden. Het zou kunnen dat de betrokkenen geen trek hadden in het tijdrovende onderzoek ter plaatse van de schepenmeesters voor burenkwesties en hun zaak liever aan de veel sneller werkende vredemakers voorlegden. Een andere mogelijkheid is dat mensen zich de kosten van het inschakelen van de schepenmeesters voor burenkwesties wilden besparen. Een beroep op hen kostte beide partijen namelijk samen dertig stuivers en dat kwam in de buurt van een gemiddeld dagloon. Omgekeerd kan worden gevraagd waarom de vredemakers überhaupt burenkwesties in behandeling namen, wanneer ze daar eigenlijk niet toe bevoegd waren. Ze hadden de geschilvoerende partijen toch ook eenvoudig kunnen doorverwijzen naar hun collega-stadsbestuurders? Een van de redenen is mogelijk gelegen in het feit dat de schepenen die aan de beurt waren om het college van vredemakers te vormen in het kwartaal ervoor schepenmeesters voor burenkwesties waren.197 Het fenomeen ‘burenkwestie’ kwam hen zodoende niet onbekend voor. Wellicht dat ze daarom ook liever de ruziënde buren direct voor zich lieten verschijnen, in plaats van hen door te verwijzen naar een volgende instantie. Blijft staan dat vredemakers geen tijd hadden om de kwesties uitgebreid te onderzoeken en zich ter plaatse te laten informeren. Dat hoefde ook
195 Groot Placaet-boeck IV p. 477, art. 1 (keur van 1660). In onder meer Gouda behoorden burenkwesties wel tot de bevoegdheden van de vredemakers. 196 Zie par. 7.2.1. 197 Dit blijkt uit een vergelijking van de namen van de burenkwestiemeesters en vredemakers. Deze specifieke opeenvolging van functies is overigens niet vermeld in Blok (Blok, Geschiedenis eener Hollandsche stad III, 170,171) Vgl. Van Maanen, Stadsarchief van Leiden, xiv.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 269

7.4 onderverdeling van de geschillen in de vredemakersboeken

269

niet bij kwesties die te maken hadden met rooilijnen. De vredemakers stuurden bijna de helft van alle zaken door naar rooimeesters. In drie gevallen deden ze zelf een uitspraak. Daarin ging het over de verdeling van de onderhoudskosten van gezamenlijke goten en riolen, wat in de stedelijke keuren geregeld was. De overige burenkwesties bleven zonder oordeel van de vredemakers. De schepenmeesters voor burenkwesties schakelden in 1664 maar één keer de rooimeesters in als arbiters.198 Vrijwel alle betrokkenen die vanwege burenkwesties voor de vredemakers verschenen, waren man. Onder de eisers kon maar één vrouw worden gevonden, onder de gedaagden twee. Het ging respectievelijk om een weduwe en twee ongehuwde vrouwen. Dat komt overeen met wat uit de burenkwestieboeken naar voren kwam. Wel valt op dat het aantal weduwen en ongehuwde vrouwen in deze subcategorie lager is dan gemiddeld in de vredemakersboeken. Het is niet duidelijk of dit komt door de geringe omvang van de rubriek of door andere oorzaken. Van dertig procent van de eisers is het beroep bekend. Het gaat om twee metselaars, een brouwer en een notaris. De metselaars zijn hoogstwaarschijnlijk huisjesmelkers die bestaande panden hadden opgedeeld in meerdere kamers of die open ruimten in de stad hadden bebouwd. Hetzelfde geldt voor de twee timmerlieden die in verband met een burenkwestie voor de vredemakers werden gedaagd. Contractbreuk Zeven keer kreeg het college van vredemakers een arbeidsconflict voorgelegd. Het ging dan om onenigheid over de geleverde prestatie en vooral contractbreuk. Deze zaken konden op allerlei soorten werk betrekking hebben. In de meeste gevallen was sprake van een geschil tussen meester en knecht. Zo klaagden meesters bijvoorbeeld knechten aan die hun contract niet uitdienden.199 Gekwalificeerd personeel was niet altijd voorhanden in het expanderende Leiden van midden zeventiende eeuw. Het was werkgevers er dus over het algemeen veel aan gelegen een goed opgeleide en ingewerkte knecht te houden. Dit blijkt ook uit bepalingen in gildenreglementen die het voortijdige vertrek van knechten moesten tegengaan. Maar zo ging het niet altijd. Soms stapten knechten juist naar de vredemakers om hun ontslag aan te vechten.200 In een enkel geval lijkt het conflict in een eerder stadium door het betreffende gildenbestuur besproken te zijn. In zo’n geval verwezen de vredemakers de zaak terug – of door – naar de deken en hoofdlieden van het gilde in kwestie.201 Helaas kunnen dergelijke zaken niet goed worden gevolgd, omdat van veel gilden geen archieven van rechtspraak bewaard zijn gebleven. Bij de aangetroffen arbeidsconflicten was de eiser even vaak knecht als meester. In één geval is niet duidelijk welke status de geschilvoerende partijen hadden. Van drie van de zeven betrokken ambachtslieden kon het beroep worden achterhaald. Het gaat om een warmoesvrouw, metselaar en een boekverkoper. Veruit de meeste eisers waren man. Onder de gedaagden waren twee vrouwen.
198 199 200 201 RAL, ORA, inv. 48 G (21-8-1664). Bijv. RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (11-7-1664; 29-7-1664). RAL, ORA, inv.nr. 47 2I (27-10-1664). Idem, inv.nr. 47 2H (29-2-1664).

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 270

270

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

Overig De kleine categorie ‘overig’ bevat enkele bijzonder uiteenlopende administratieve kwesties die niet in de andere rubrieken zijn onder te brengen. Het is ondoenlijk om op al deze geïsoleerde geschillen in te gaan. Opnieuw is de informatie uit de vredemakersboeken schaars. Bovendien werd geen van de zaken, bij wijze van hoger beroep, aanhangig gemaakt voor de civiele vierschaar. De processen kunnen dus niet van een individuele context worden voorzien. Mogelijk zouden de kwesties, wanneer de vredemakers ze van iets meer gegevens hadden voorzien, in één van de andere subcategorieën kunnen worden ondergebracht.

7.5 Conclusie De oprichting van de commissie voor burenkwesties en het college van vredemakers bleek een gouden greep van het Leidse stadsbestuur. Mede door het stijgend aantal inwoners en de economische bloei van de stad, was behoefte ontstaan aan rechtsinstellingen die de vierschaar zouden ontlasten. De commissie voor burenkwesties kreeg aan het eind van de zestiende eeuw gemiddeld zevenendertig geschillen over erfscheidingen en –dienstbaarheden per jaar voorgelegd. In de onderzochte periode was dat, deels parallel aan de afgenomen instroom van migranten, gedaald tot zo’n tien per jaar. De commissie wist daarvan tweederde zélf of met hulp van arbiters tot een oplossing te brengen. De ‘oculaire inspectie’, het in ogenschouw nemen van de situatie ter plekke, droeg daaraan bij. De kwesties die niet konden worden verzoend lijken de civiele vierschaar bovendien nauwelijks te hebben bereikt. Dat onderstreept hoezeer de buren die de commissie mobiliseerden gesteld waren op het bereiken van een compromis. De meeste partijen die toestemming hadden om een rechtszaak voor de vierschaar te beginnen zaten over het algemeen goed in de slappe was. Veel eisers en gedaagden, vrijwel steevast mannen, behoorden tot de hogere middenklasse. Toch zagen ze van een proces af. Het college van vredemakers was in het leven geroepen om civiele kwesties snel en doeltreffend te verzoenen zonder veel tijd te vergen van rechters en de strijdende partijen. Alle civiele rechtsvorderingen moesten voortaan eerst aan de vredemakers worden voorgelegd. Dit zorgde voor een grote toeloop op het forum die in de loop van de zeventiende eeuw alleen maar toenam. De formule werd daarom in de loop van de zeventiende eeuw enkele keren bijgesteld. Zo mochten de vredemakers vanaf 1651 ook in relatief eenvoudige kwesties een oordeel uitspreken. Ook kreeg het college de mogelijkheid zaken naar externe scheidsmannen door te verwijzen. Op die manier moest de snelle afhandeling van processen gewaarborgd blijven. Gemeten aan het hoge aantal rechtszaken beantwoordden de vredemakers zeker aan de verwachtingen. Telde het vredemakersboek van 1599 nog bijna twaalfhonderd processen, in 1664 behandelden de vredemakers maar liefst drieënvijftighonderdvierentachtig zaken. Daaronder bevonden zich vermoedelijk ook kleine zaken, civiele geschillen met een eis tot maximaal tweehonderd gulden. Formeel moesten deze in een apart register worden bijgehouden, maar dat lijkt niet te zijn gebeurd.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 271

7.5 conclusie

271

Van de preliminaire verzoeningstaak van het vredemakerscollege kwam niet veel terecht in 1664. Zo’n negentienhonderd kwesties werden niet van een uitspraak voorzien. De meeste van deze zaken betroffen processen waarbij de gedaagde nooit voor de vredemakers verscheen. Het forum ging dan niet inhoudelijk op het geschil in. In ruim honderd gevallen waren beide geschilvoerende partijen wél op de zitting aanwezig en gingen de vredemakers bovendien inhoudelijk op de zaak in, maar bleef een oordeel om onbekende reden uit. Nog eens tweehonderdtachtig processen werden tot nader order uitgesteld. In de praktijk kwam dit vrijwel altijd neer op afstel. Hieruit volgt dat de vredemakers zo’n veertig procent van het aantal zaken sowieso niet oplosten. Aangezien er daarvan maar enkele tientallen zijn terug te vinden in de dingboeken van de civiele vierschaar, bestudeerd voor de periode 1664-1668, zochten de meeste betrokken geschilvoerende partijen blijkbaar een overeenstemming buiten de rechtbank. De eisers in deze zaken lijken het college vooral te hebben gebruikt als drukmiddel om een buitengerechtelijke oplossing te forceren. Van de rechtszaken waarin de vredemakers wél tot een uitspraak kwamen, eindigde zestig procent met een scheidsrechterlijk oordeel. Dat betekent dat in nog geen kwart van alle zaken een verzoening of een betalingsovereenkomst werd bereikt. Toch lijkt het college wel als een filter te hebben gewerkt. In 1664 vervolgde maar een handvol eisers hun zaak bij de civiele vierschaar na een oordeel van de vredemakers. Ook na formele toestemming of ‘admissie’ van de vredemakers was de animo voor het aanspannen van een zaak voor de schepenbank gering.202 De ruim drieduizend zaken waarvan het onderwerp bekend is, waren voor een belangrijk deel administratief van aard. Zo bestond drieëntachtig procent uit schuldenkwesties en huurachterstanden. Deze geschillen lieten zich vrij eenvoudig beoordelen na overhandiging van kasboeken of andere bewijzen en waren dus uitstekend geschikt voor de snelle procedures van het college van vredemakers. Bovendien ging het dikwijls om prangende problemen voor zowel de eiser als de gedaagde. Vaak was sprake van oplopende betalingsachterstanden waardoor de schuldeisers zelf hun financiële verplichtingen niet meer konden nakomen. De vredemakers waren bevoegd de debiteur, mits deze zijn schuld erkende, uitstel van betaling te verlenen of toe te staan de achterstand in termijnen weg te werken. Het feit dat veel debiteuren de gewenste atterminatie of aflossing in termijnen verkregen, duidt er opnieuw op dat de betreffende kwesties weinig complex waren en dat de gedaagden er geen been in zagen om hun schuld te erkennen. Het hebben van openstaande rekeningen was dan ook een alledaags verschijnsel. Het was alleen zaak om niet als notoire wanbetaler te boek te staan. Wie niet betrouwbaar bleek, liep het risico zijn of haar goede naam te verliezen en economisch geïsoleerd te raken. Meewerking bij schuldenkwesties was daarom geboden. Ingewikkeldere zaken als huwelijkstwisten, waren zeldzaam in de vredemakersboeken. Betrokkenen vonden het college van vredemakers in die gevallen duidelijk minder geschikt. Sowieso stapten zij met echtelijke problemen niet zo snel naar de rechter. Er waren bovendien, zoals in de andere hoofdstukken al is besproken, genoeg andere
202 Het gaat om 22 van de 273 eisers die toestemming hadden om hun zaak bij de civiele vierschaar aanhangig te maken.

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 272

272

7 de schepencommissie voor burenkwesties en het college van vredemakers

fora om dergelijke twisten op te lossen. Zo kon de buurtheer bemiddelen of een officieuze scheiding van tafel en bed uitspreken. Verder was het voor kerkleden mogelijk de kerkenraad in te schakelen voor een bemiddelingspoging. Maar ook kon een oplossing worden geforceerd met behulp van een notariële attestatie. Dit document kon eventueel bij een rechtszaak voor de civiele vierschaar als bewijsmiddel worden gebruikt. De betrokkenen sloegen dan meestal behandeling van het geschil door het college van vredemakers over. Het wekt dan ook weinig verbazing dat de huwelijkstwisten waar de vredemakers mee te maken kregen vooral administratief van aard waren en betrekking hadden op de erkenning van schuld, de toezegging om kraamkosten te vergoeden en problemen rond de huwelijkse geboden. Het hoge aantal beledigingszaken waar de vredemakers mee te maken kregen, is opmerkelijk. Ook voor de afhandeling van deze kwesties was immers een keur aan alternatieven beschikbaar. Wie zich publiekelijk in zijn eer aangetast voelde door een beschimping, een onterechte beschuldiging of een schadelijke suggestie kon allereerst zelf, zonder tussenkomst van derden, proberen de schade te beperken door verbaal of fysiek in de tegenaanval te gaan. Ook was het mogelijk om omstanders te mobiliseren. Wanneer dat in de ogen van de gedupeerde onvoldoende resultaten opleverde, waren er nog de eerder genoemde instanties. Toch kwam het inschakelen van de vredemakers veel voor. Vooral voor ongehuwde vrouwen was het een uitgelezen mogelijkheid om zich teweer te stellen tegen aanvallen op hun eer. Waarschijnlijk speelde daarbij de snelheid waarmee het college van vredemakers een zaak besprak een doorslaggevende rol. Het was voor hen, die dicht bij de daders woonden en hen in het dagelijks leven voortdurend tegenkwamen, immers zaak om de verhoudingen zo snel en zo effectief mogelijk weer te normaliseren. Een proces voor de vredemakers maakte voldoende indruk op de gedaagden om in te binden en de gewraakte woorden met een amende honorable terug te nemen. Bij weigering liepen ze bovendien risico op een geldboete of amende profitable. Procederen voor het college van vredemakers was hoofdzakelijk een mannenklus. Ruim tachtig procent van alle eisers en gedaagden in de vredemakersboeken van 1664 was man. Hierbij moet worden aangetekend dat zich onder de eisers achthonderdtwintig procureurs bevonden. Een aantal van hen heeft ongetwijfeld vrouwen vertegenwoordigd, maar hoeveel is niet duidelijk. Vrouwen waren formeel verplicht om zich voor de vredemakers door hun echtgenoot te laten representeren of, wanneer ze die niet hadden, door een zelfgekozen voogd. Maar de meeste vrouwen werden handelingsbekwaam geacht en stapten zonder hulp naar het college. Het lage aantal vrouwen kan daarom beter worden verklaard door de oververtegenwoordiging van financiële geschillen, zoals schulden en huurachterstanden. Deze problemen troffen het hele huishouden, man en vrouw gezamenlijk, waardoor het gezien de normen logisch was dat de man zijn gezin voor de rechtbank vertegenwoordigde. In andere rubrieken, waarbij de problemen de betrokkenen eerder individueel raakten, lag de verhouding tussen mannelijke en vrouwelijke eisers en gedaagden heel anders. Bij beledigingszaken bestond de helft van de geschilvoerende partijen uit vrouwen. In het geval van kwesties op het gebied van huwelijk en zedelijkheid stelden vrouwen zich teweer te-

06008_hoop_H07

22-05-2006

11:15

Pagina 273

7.5 conclusie

273

gen mannen, onder meer om hen tot betaling van kraamkosten en alimentatie bij een voorechtelijke zwangerschap te dwingen.203 Het lijken vooral neringdoenden uit de middengroepen van de stad te zijn geweest die elkaar voor het college van vredemakers troffen. Zij hadden door hun bijzondere positie in het systeem van kredietgeven en –nemen direct te maken met betalingsachterstanden. De lagere klassen lijken zelden met de vredemakers in aanraking te zijn gekomen. In de vredemakersboeken zijn in ieder geval nauwelijks spinners, wevers of schoenmakers te vinden, om enkele van de meest voorkomende laagbetaalde beroepen in Leiden te noemen. Het is mogelijk dat deze schuilgaan achter al die namen waarvan geen beroep is weergegeven. Erg waarschijnlijk is dit niet, omdat er geen aanwijzingen zijn voor enige systematiek in het opschrijven van beroepsaanduidingen. Bovendien hadden mensen uit lage sociale groepen minder toegang tot juridische systemen.204 De rafelrand van de Leidse samenleving kon sowieso geen beroep doen op het college van vredemakers; het forum was uitsluitend bedoeld voor poorters en inwoners van Leiden. Vermogende Leidenaren lijken voor de vredemakers over het algemeen door een procureur te zijn vertegenwoordigd. Onder hun eigen naam komen ze nauwelijks voor in de archieven van de lage rechtbank. Alleen in de rubrieken ‘schulden’ en ‘huurgeschillen’ konden onder de eisers enkele representanten uit de hogere middenklasse en stedelijke elite worden aangetroffen. Ook zullen hun financiële eisen de bevoegdheden van de vredemakers vaker overschreden hebben, waardoor de elite eerder in de dingboeken van grote zaken terug te vinden zal zijn.

203 De juridische zelfstandigheid vormt een aanvulling op de bevinding van Frijhoff en Spies, dat vrouwen alleen in economisch opzicht aan het publieke domein mee mochten doen (Frijhoff & Spies, Bevochten eendracht, 191-192). Zie ook Van Aert, ‘Tussen norm en praktijk’, 31-37. 204 Vgl. Dinges, Maurermeister, 189-193; Sharpe, ‘Enforcing the law’, 112.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 274

Hoofdstuk 8

De civiele vierschaar

8.1 Inleiding Het was Adriaentje van Diemen ernst. Ze wilde onder geen beding nog langer onder één dak leven met haar echtgenoot, timmerman Jan Swart. Al vanaf het begin had haar tweede huwelijk haar weinig goeds gebracht. Jan bleek regelmatig dronken waarbij hij flink tekeer kon gaan. In maart 1664 liet Adriaentje buren bij de notaris getuigen dat Jan haar bij tijd en wijle uitschold, vervloekte en bedreigde. Adriaentje was dan genoodzaakt het huis te ontvluchten en bij haar buren te schuilen, die Jan dan bij Adriaentje weghielden. De buren grepen soms al eerder in om Jan te kalmeren, zo vertelden ze de notaris. Wanneer dat niet lukte, namen ze Adriaentje met zich mee.1 Met deze getuigenissen op zak, legde Adriaentje haar zaak diezelfde maand nog voor aan het college van vredemakers. Wat ze daarmee precies voor ogen had, wordt niet duidelijk uit de registers. Haar aanklacht is niet inhoudelijk geregistreerd omdat Jan ondanks de dagvaarding niet kwam opdagen.2 In ieder geval waren de vredemakers niet het juiste adres voor een scheiding van tafel en bed. Vermoedelijk hoopte ze tot op het laatst op een verzoening. Uiteindelijk spande Adriaentje een procedure aan voor de civiele vierschaar om de wettige samenwoning met haar man te beëindigen. De schepenbank ging daar echter niet mee akkoord, zonder haar vonnis te motiveren. De rechtbank besloot slechts tot een scheiding van goederen om te voorkomen dat Jan haar bezittingen aan de drank zou uitgeven.3 De civiele vierschaar was bedoeld voor burgerrechtelijke zaken met hoge financiële vorderingen – vanaf 1660 lag de drempel bij eisen van tweehonderd gulden – en de kwesties die door de vredemakers niet tot een oplossing konden worden gebracht. Ook was de schepenbank het aangewezen adres voor voluntaire rechtspraak, d.w.z. de juridische bekrachtiging van overeenkomsten die partijen zelf waren overeengekomen. De procedures voor de rechtbank waren voor een deel schriftelijk. Partijen die een zaak aanhangig wilden maken, werden mede daarom geacht een procureur in de arm te nemen.4 Een en ander maakte de civiele vierschaar minder laagdrempelig dan het college
1 RAL, ONA, inv.nr. 774, nr. 126 (19-3-1664). 2 RAL, ORA, inv.nr. 47 2H (24-3-1664). 3 De twee waren onder huwelijkse voorwaarden getrouwd (RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 93 (29-3-1664)). 4 Het gebruik van een procureur is in de keuren nergens met zoveel woorden verplicht gesteld. Maar in de praktijk bedienden alle geschilvoerende partijen zich van procesvertegenwoordigers.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 275

8.1 inleiding

275

van vredemakers. Dit is ook te zien aan het aantal processen voor deze rechtbank. Tussen 1664 en 1668 bogen de schout en schepenen zich over zestienhonderd civiele geschillen, nog geen zeven procent van de zaken die het college van vredemakers in dezelfde periode te verwerken kreeg. Maar het is nog altijd flink meer dan de hoeveelheid strafzaken die door de vierschaar werden afgehandeld. Zo tellen de correctieboeken tussen 1664 en 1668 vierenzestig processen, hoofdzakelijk bestaande uit overtredingen van de stedelijke keuren, terwijl de vonnisboeken, met daarin de zware misdrijven, niet meer dan vijfenvijftig rechtszaken bevatten.5 Zo gezien is het wat merkwaardig dat de historische belangstelling voor lokale rechtbanken tot op heden hoofdzakelijk is uitgegaan naar de criminele rechtspraak in de Republiek. Onderzoekers meenden vooral in strafregisters informatie te vinden over de toenmalige openbare orde.6 Nu heeft het bestuderen van de strafrechtpleging ontegenzeggelijk iets aantrekkelijks. Naast inzichten in de criminele rechtspraak levert het ook gegevens op over spectaculaire misdaden en dito straffen. Verder kunnen er allerlei hypothesen over thema’s als macht en disciplinering aan worden getoetst. Daartegen afgezet lijken de archieven van civiele schepenbanken misschien wat minder tot de verbeelding te spreken. Maar dat mag historici er niet van weerhouden zich ook met de burgerlijke rechtspraak bezig te houden. Die was voor de meeste mensen bij meer alledaagse problemen met afwijkend of ongewenst gedrag van veel directer belang dan de vonnissen van de criminele vierschaar. Het veel grotere aantal civiele zaken duidt daarop. De civielrechtelijke archieven zijn daarom inhoudelijk een stuk representatiever met betrekking tot de kwesties waar burgers en inwoners ten tijde van de Republiek mee te maken kregen.7 Dit hoofdstuk gaat over de hoogste civiele rechtbank van Leiden.8 Op welke wijze ging dit forum te werk? Welke geschillen werden er aanhangig gemaakt? Wie waren de geschilvoerende partijen die de civiele vierschaar mobiliseerden? Hoe gebruikten zij de rechtbank om hun geschillen op te lossen? In hoeveel zaken spraken de rechters zich uit? In welke kwesties bleef een uitspraak achterwege? Welke relaties kunnen worden gelegd tussen de civiele vierschaar en alternatieve fora? De antwoorden worden gezocht in de dingboeken van de Leidse civiele vierschaar. Deze zijn bestudeerd voor de periode 1664-1668. De in secundaire literatuur gevonden schaarse gegevens over de civiele rechtspraak in andere steden in de Republiek en omliggende landen zullen dit hoofdstuk zoveel mogelijk completeren. De belangrijkste werken over stedelijke civiele rechtspraak zullen eerst kort worden besproken.
5 Meer over deze strafrechtelijke bronnen in o.a.: Kloek, ‘Criminaliteit en sekse’; Diederiks, ‘Politieke misdaden’; Noordam, ‘Sterven op het Leidse schavot’; Van den Heuvel, De criminele vonnisboeken. 6 Het aantal publicaties is veel te groot om in één noot af te doen. Zie voor Leiden noot 5. Voor een meer algemeen overzicht verwijs ik naar Egmond, ‘Recht en krom’, 1-4; Voor een ouder, iets uitgebreider overzicht: Diederiks (ea), Strafrecht en criminaliteit, 7-12. 7 Vgl. Helmers, Gescheurde bedden, 57; Faber, ‘Bagatellen’, 209. 8 De archieven van de academische vierschaar zijn buiten beschouwing gelaten. Hierin staan uitsluitend kwesties die betrekking hebben op de universitaire gemeenschap. De bestudering hiervan zou te zeer een onderzoek op zich vormen. Verder zijn ook de processen betreffende de gemenelandsmiddelen niet in dit hoofdstuk opgenomen. Deze gingen vaak over achterstallige accijnsbetalingen, onterechte fiscale vorderingen, omstreden inbeslagnames en andere zakelijke kwesties in verband met belastinginning. Ook deze specifieke processen, die vaak in omliggende plaatsen spelen, zouden een aparte studie vergen.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 276

276

8 de civiele vierschaar

8.1.1 Historiografie De weinige historische publicaties die over civiele rechtbanken zijn geschreven, hebben vaak betrekking op hoge gerechtshoven.9 Nu behandelden de hoven voornamelijk civiele appèlzaken en die vormden slechts het topje van de ijsberg. De meeste processen tussen gelijkgerechtigden werden door lokale rechtbanken afgedaan. Dit maakt nieuwsgierig naar de burgerlijke rechtspraak op plaatselijk niveau. Tot nu toe zijn de civiele rechtbanken in steden nog nauwelijks voorwerp van historische studie geweest. Wel bestaan enkele onderzoeken naar plaatselijke ordonnanties voor civiele vierscharen.10 Het meest uitgebreid is het werk van M.J.H.A. Lijten over burgerlijke rechtszaken in de stad en meierij van Den Bosch. Lijten geeft een zeer gedegen juridische beschrijving van de rechterlijke organisatie, het procesrecht en het jargon dat werd gebruikt. Zo passeren vrijwel alle mogelijke procedures bij bijvoorbeeld dagvaardingen en arresten de revue. De zaken zelf bleven, afgezien van een overzicht van ongedifferentieerde aantallen processen en zittingsdagen, buiten beschouwing.11 Daardoor wordt niet duidelijk of en wanneer de Bossche schepenen of de geschilvoerende partijen van de procedures afweken, met andere woorden in hoeverre de theorie de normale gang van zaken beschreef. Ook blijft onbelicht met welke kwesties de rechters zich op plaatselijk niveau bezighielden en wie de eisers en gedaagden waren. D. Haks was een van de eersten die uitgebreid putte uit civielrechtelijke bronnen voor zijn onderzoek naar huwelijken en gezinsleven in de late zeventiende en achttiende eeuw.12 Haks concentreerde zich op Leiden en omgeving. J. Joor volgde kort daarop met een artikel over scheidingszaken in Alkmaar.13 Recentelijk verscheen het proefschrift van D. Helmers naar gestrande huwelijken in Amsterdam in de tweede helft van de achttiende eeuw. Helmers onderzocht de keuzes die mensen maakten bij echtscheidingen en separaties van tafel en bed. De echtelieden konden onderhands uit elkaar gaan, een overeenkomst over een scheiding van tafel en bed juridisch laten bekrachtigen of naar de civiele rechter stappen. Helmers ging vervolgens in op de achtergronden van de verschillende huwelijkskwesties en de betrokken echtelieden. Dergelijk onderzoek naar andere soorten geschillen in stedelijke civiele registers wordt nog node gemist.14

9 Broers, Beledigingszaken; Wedekind, De procesgang in civiele zaken. Zie verder de ‘procesgidsen’ van de verschillende gewestelijke gerechtshoven van de Stichting tot Uitgaaf der Bronnen van het Oud-Vaderlandse Recht (uitgeverij Verloren). Over de civiele rechtspraak in de Nederlanden ten tijde van de Middeleeuwen: Le Bailly, Recht voor de raad, en de aldaar op pag. 18-30 genoemde literatuur. 10 Een greep: Van Boven, ‘Bestuur’, 93-117; Hoppenbrouwers, Het land van Heusden I, 516-524; Van de Wiel & Leclerq, ‘De civiele rechtspraak in Tilburg’, 300-310. Lokale studies, bijvoorbeeld stads- of dorpsgeschiedenissen, besteden soms ook aandacht aan de rechtspraak in een bepaalde plaats. Maar zelden is daarbij sprake van een systematische studie van de inhoud van de gerechtelijke registers. 11 Van Lijten, Burgerlijk proces, 54-56. 12 Haks, Huwelijk en gezin in Holland. 13 Joor, ‘Echtscheiding in Alkmaar’. 14 Helmers, Gescheurde bedden.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 277

8.2 historisch overzicht van de civiele vierschaar in leiden 1600-1700

277

Ook voor veel buurlanden zijn uitgebreide studies naar de plaatselijke civiele rechtspraktijk nauwelijks voorhanden.15 C. Wollschläger bekeek het aantal kwesties dat de rechtbank in Bremen te verwerken kreeg tussen 1549-1983. Hij ontdekte dat met name de vroegmoderne periode grote fluctuaties liet zien omdat het merendeel van de rechtszaken te maken had met betalingsproblemen. Wollschläger differentieerde de kwesties niet, waardoor het relatieve aandeel van de schuldenkwesties niet duidelijk wordt. Ook bleven door de gekozen aanpak de overige geschillen die de inwoners van Bremen aanhangig maakten, buiten bereik van het onderzoek.16 Interessant voor dit hoofdstuk is nog de studie naar de Franse civiele rechtspraak van H. Piant. Piant onderzocht beledigingszaken in de regio Vaucouleurs en ontdekte dat deze delicten voornamelijk civiel werden vervolgd. De klagers en gedaagden waren afkomstig uit de middenklasse. Blijkbaar zag alleen deze groep in de rechtbank een middel om de door belediging aangetaste eer te herstellen. Opvallend genoeg bleven veel zaken zonder eindoordeel. Piant concludeert dat het de betrokken partijen niet om een rechterlijk vonnis ging, maar om een oplossing van het geschil die voor beíde kampen aanvaardbaar was. Vaak werd deze buiten de rechtbank bereikt zodat de gedaagden niet veroordeeld hoefden te worden. Piant vond tussen 1680 en 1789 maar zevenentwintig beledigingszaken in de door hem bestudeerde archieven die civiel of crimineel werden vervolgd, op een bevolking van vijfenzestighonderd zielen. Het is daarom de vraag in hoeverre zijn conclusies van toepassing zijn op Leiden in de jaren zestig van de zeventiende eeuw, een stad met tien keer zoveel inwoners als Vaucouleurs.17

8.2 Historisch overzicht van de civiele vierschaar in Leiden 1600-1700 Halverwege de zestiende eeuw werd in Leiden de zogeheten rolprocedure ingevoerd in civiele rechtszaken.18 Daarin werden de strijdende partijen als gelijken behandeld. Procureurs of procesvertegenwoordigers maakten een zaak aanhangig, wisselden volgens vast protocol conclusies uit en hielden pleidooien ter verdediging van hun cliënt. Pro15 Niet alle onderzoeksresultaten kunnen zonder meer met de Nederlandse situatie worden vergeleken, omdat het recht en de rechtspraak in die landen hiervan afweken (zie o.m. Van Caenegem, Inleiding tot het recht I, 39-41, 74-77, 108-110; De Blécourt, Kort begrip, 6). Het Engelse recht bijvoorbeeld stond ver van dat van de Republiek af. Niet alleen hanteerde men er de zogeheten common law die voortkwam uit het feodale recht en nauwelijks beïnvloed was door het Romeinse recht. Ook de rechtspraak was anders georganiseerd. Het meest opvallende verschil met de Republiek is natuurlijk het gebruik van jury’s (Van Caenegem, Inleiding tot het recht I, 76-77,87). Dit alles maakt vergelijkingen met de resultaten van Engelse studies lastig. Het werk van R.B. Shoemaker over de zogeheten justices of the peace kan ter illustratie dienen. De Engelse vrederechters leken in maar weinig opzichten op de vredemakers in de Republiek. Zo waren justices of the peace geen onderdeel van het overheidsapparaat. Ze werkten bovendien niet kosteloos; ze vroegen zelfs meer dan een gemiddeld dagloon voor hun diensten. Verder behandelden ze in tegenstelling tot de Nederlandse vredemakers vooral kleine vergrijpen (misdemeanors) in plaats van civiele geschillen. In de meeste gevallen legden de Engelse vrederechters boetes op, soms stuurden ze mensen naar tuchthuizen. Ze konden echter ook bemiddelen, voornamelijk bij de kleinste vergrijpen. Maar niet iedere justice of the peace maakte van deze mogelijkheid tot geschilbeslechting gebruik, zo ontdekte Shoemaker (Shoemaker, Prosecution and punishment, 22-40). 16 Wollschläger, ‘Civil litigation and modernization’, 271-273. 17 Piant, ‘La petite délinquance’, 441-453. 18 Zie Blok, Leidsche rechtsbronnen, ix,x. Vgl. Verburgt, Levering van onroerende zaken, 4,5; Nortier, Burgerlijk proces, 48-52.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 278

278

8 de civiele vierschaar

cessen werden op volgorde van aanmelding in een register genoteerd, de zogeheten rol. Daarop werd alles bijgehouden wat in een geding voorviel. In 1646 bepaalde het stadsbestuur dat, om de afhandeling van het groeiend aantal civiele kwesties te versoepelen, er voortaan twee rollen moesten komen: één voor ‘kleine zaken’, met vorderingen tot vijftig gulden, en één voor ‘grote zaken’ met eisen die daarboven lagen.19 Later verschoof de grens tussen beide rollen in stappen naar tweehonderd gulden in 1660.20 Zoals in het vorige hoofdstuk reeds is vastgesteld zijn de dingboeken van ‘kleine zaken’ niet overgeleverd. Het vermoeden bestaat dat het onderscheid in de praktijk nauwelijks is gemaakt. De ‘kleine zaken’ zijn zowel te vinden in de vredemakersboeken als in de dingboeken voor ‘grote zaken’. In beide registers vormen ze bovendien geen aparte categorie, maar staan ze bijna onopvallend tussen de andere zaken. De zogeheten ‘grote zaken’ namen doorgaans veel tijd in beslag. De kwesties dienden formeel op maandag en vrijdag voor de schout en drie schepenen.21 Eerst deed de procureur van de eiser de vordering uit de doeken. Deze bestond formeel uit de uiteenzetting van de zaak, de gronden waarop de eis was gebaseerd en een conclusie.22 Vervolgens moest de gedaagde binnen acht dagen via een procureur reageren met een inhoudelijk verweer of met het aanvechten van de eis op formele gronden.23 Nadat de schepenen over eventuele ingebrachte bezwaren hadden beslist en de gedaagde de eis inhoudelijk had beantwoord, konden twee dingen gebeuren. Meestal volgde op het antwoord van de gedaagde een reactie van de eiser, de repliek, waarna de verweerder weer kon dupliceren.24 Aansluitend legden beide partijen bewijzen over, eventueel gevolgd door geschriften waarin de argumenten van de tegenpartij werden bestreden, de reproches en salvatiën, waarna men de processtukken uitwisselde. Maar het was ook mogelijk dat de gedaagde een vordering tegen de aanlegger instelde, de zogeheten reconventie. De eiser moest daar dan eerst op antwoorden voordat de zaak kon worden voldongen. Uiteindelijk verzochten de partijen de vierschaar om een vonnis.25
19 Voor beide categorieën geschillen gold dat ze eerst aan het college van vredemakers moesten zijn voorgelegd. Zie hoofdstuk 7, par. 7.3.1. 20 RAL, SAII, inv.nr. 12, ampliatie tussen p. 268 en 269. De drempel in Leiden lag aanmerkelijk lager dan in Amsterdam, waar de vierschaar vanaf 1650 officieel alleen eisen vanaf 600 gulden vonniste (vgl. Ten Raa, De oorsprong van de kantonrechter, 165). 21 Een aantekening in het keurboek van 1658 suggereert dat de vierschaar vanaf september 1664 alleen nog maar op maandag bijeenkwam om kwesties af te handelen (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 269vv). Of dit ook daadwerkelijk is gebeurd, is niet meer na te gaan. De gerechtelijke klerk heeft in de dingboeken van grote zaken niet stipt de aanvangsdatum genoteerd. De data die in de rol wél genoemd zijn bij de eerste proceshandelingen zijn in ieder geval niet geconcentreerd op de maandagen, eerder op de zaterdagen. Vgl. maandag (107 keer genoemd), dinsdag (62·), woensdag (37·), donderdag (31·), vrijdag (53·), zaterdag (436·) en zondag (104·). 22 Niet duidelijk is of de eis in Leiden schriftelijk moest worden ingediend of dat door de griffier een akte werd gemaakt van een mondelinge eis. In het dingboek van grote zaken ontbraken doorgaans de gronden waarop men eiste. Dit suggereert dat in Leiden mondeling werd geëist (De Damhouder, Practycke civile, 224-228). Maar het is ook mogelijk dat de eis mondeling werd voorgedragen en al dan niet op verzoek later schriftelijk aan de verdediging ter beschikking gesteld (vgl. Wedekind, De procesgang in civiele zaken, 72-75). 23 Het gaat om de declinatoire, dilatoire en peremptoire excepties. Deze hadden respectievelijk betrekking op de redenen waarom het proces niet voor de rechtbank in kwestie gehouden mocht worden, waarom het tijdstip van het geding niet in orde zou zijn en waarom het proces anderszins geen doorgang mocht vinden. 24 Zowel bij repliek als dupliek konden prolongaties voorkomen: op de dupliek van de gedaagde volgde dan de tripliek van de eiser en de quadrupliek van de gedaagde. Ook een quitupliek en sextupliek waren mogelijk (De Damhouder, Practijcke civile, 361). 25 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 269vv, art. 14 (vgl. De Damhouder, Practijcke civile, 359).

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 279

8.2 historisch overzicht van de civiele vierschaar in leiden 1600-1700

279

De drie schepenen die de eis, het antwoord, de repliek en dupliek hadden aangehoord, lieten de zaak voor de voltallige vierschaar voorkomen. Dat diende op woensdag te gebeuren. De procureurs hielden een pleidooi en vervolgens kon de rechtbank in een tussenvonnis om nadere bewijzen van schuld of onschuld vragen, zoals een getuigenverhoor door enkele schepenen of een notariële attestatie. Ook was het mogelijk dat schepenen de zaak naar scheidsmannen verwezen. In andere gevallen velden ze in het openbaar een eindoordeel.26 Hieruit volgt dat op de middelste dag van de week naar verhouding de meeste zaken werden afgehandeld. Inderdaad konden op andere dagen lang niet zoveel (tussen)vonnissen worden geteld, hoewel de vierschaar volgens de data uit het dingboek van grote zaken op elke dag van de week uitspraak kon doen.27 Overigens was de donderdag door het stadsbestuur formeel gereserveerd voor processen die de vierschaar ‘in advies’ had gehouden om bijvoorbeeld een deskundige te raadplegen. Ook kwesties die schriftelijk ‘in staat van wijzen’ waren gebracht en zogeheten zaken van preferentie werden op donderdag besproken. Daarna konden ze op iedere willekeurige dag van de week worden gevonnist.28
Tabel 8.1 Duur van de grote zaken voor de civiele vierschaar uitgedrukt in maanden, berekend over de processen waarvan een begin- en een einddatum bekend is (1664-1668). Frequentie N 552 85 19 19 16 6 3 3 703 % 79 12 3 3 2 1 <1 <1 100

Lengte van het proces in maanden 0-3 4-6 7-9 10-12 13-24 25-36 37-48 >48 Totaal Bron: RAL, ORA, inv.nr. 44 F, G.

26 Ibidem, art. 15,16. 27 De meeste vonnissen werden op woensdag geveld (769), deze varieerden van het toekennen van de eis tot provisionele vonnissen en het inschakelen van scheidsmannen. Vgl. maandag (121), dinsdag (56), donderdag (30), vrijdag (140), zaterdag (33) en zondag (15); van 275 vonnissen is niet bekend op welke datum ze zijn uitgesproken. 140 zaken bleven zonder vonnis. Overigens was het niet ongebruikelijk dat schepenen de zondag gebruikten voor de behandeling van zaken. De dag gold als een reservedag, als uitloop van de vrijdag of de zaterdag. 28 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 269vv, art. 17. Tegen een vonnis dat ‘in kracht van gewijsde’ was, kon niet meer in beroep gegaan worden. Een dergelijk onaantastbaar vonnis was vereist bij bijvoorbeeld gedwongen tenuitvoerleggingen, zoals openbare verkopingen van (on)roerende goederen van wanbetalende debiteuren. In zaken van preferentie vroegen crediteuren voorrang bij boedelscheidingen en faillissementen.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 280

280

8 de civiele vierschaar

Door alle opeenvolgende proceshandelingen kon een civiele rechtszaak vele maanden in beslag nemen, tot ruim vier jaar toe; zeker wanneer getuigen, scheidsmannen of externe deskundigen moesten worden ingeschakeld. Toch waren de meeste processen binnen drie maanden afgerond of beëindigd. Geschilvoerende partijen leken civiele processen die volgens de rolprocedure werden gevoerd niet onnodig te willen rekken. Dat kostte hen veel tijd en vooral handenvol geld. Procureurs werden namelijk per rechtshandeling betaald. Een voldongen proces kwam daarmee al gauw boven een gemiddeld weekloon uit.29 Overigens konden ‘arme personen’ zich kosteloos laten bijstaan, maar van deze mogelijkheid maakten maar weinig mensen gebruik.30 Het voeren van een civiel proces was voor hen te onoverzichtelijk. Vooraf was niet te voorzien hoe lang een proces zou gaan duren. Het verliezen van een zaak betekende bovendien een onaanvaardbaar financieel risico.31 Voor de middenklassen lag dat wat anders, zoals gebleken is in hoofdstuk 7, hoewel lange procedures voor hen eveneens te kostbaar konden worden. Tot slot had ook de vierschaar voordeel bij een snelle rechtsgang. Processen die bovengemiddeld lang voortsleepten, leverden vaak alleen maar onnodige bewijslast op en slokten teveel van de kostbare tijd van de schepenen op.32 De competentiegrens voor de commissarissen van ‘kleine zaken’ werd niet voor niets een aantal keren opgeschoven, zodat zoveel mogelijk kwesties zonder rolprocedure konden worden afgehandeld. Overigens speelde daarbij mogelijk ook de inflatie een rol.33 Nu werden processen door de geschilvoerende partijen lang niet altijd tot het einde toe gevoerd. Sowieso bleef ruim twintig procent van de ‘grote zaken’ tussen 1664 en 1668 zonder vonnis. Dit kan erop duiden dat de betrokkenen uiteindelijk de voorkeur gaven aan een buitengerechtelijke overeenstemming. Zij schakelden dan bijvoorbeeld zelf scheidsmannen in, al dan niet onder druk van familie en vrienden. Maar het is ook mogelijk dat het geld van de eiser op was of dat één van de partijen overleden was zonder aanwijsbare erfgenamen.34 Slechts drieënzestig keer verwees de civiele vierschaar de betrokkenen in een tussenvonnis naar arbiters, doorgaans juristen of branchegenoten.
29 Volgens de stedelijk ordonnanties mochten procureurs bij eisen boven de honderdvijftig gulden acht stuivers in rekening brengen voor hun inzet in het algemeen en hetzelfde bedrag voor het opstellen van de vordering. Voor elke termijn van eis, antwoord, repliek en dupliek rekenden procureurs opnieuw acht stuivers, evenals voor het afsluiten van de zaak en het wisselen van de stukken. De pleidooien voor de volledige vierschaar kostten de eiser of gedaagde nog eens vierentwintig stuivers (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 298). Helmers becijferde dat Amsterdammers voor scheidingszaken alles bij elkaar ruim dertig gulden kwijt waren (Helmers, Gescheurde bedden, 156). 30 In de periode 1664-1668 werden 32 pro-deozaken gevoerd, dat is 2 procent van het totaal aantal geschillen. Meer dan de helft (19) van de eisers die gratis rechtshulp kregen, bestond uit mannen. Van de vrouwen was de meerderheid ongetrouwd (8). Vijf van hen waren gehuwd. Zij waren verwikkeld in een echtscheidingsprocedure en klaagden hun mannen aan voor kwaadwillige verlating of overspel. Slechts één van de vrouwen die gratis rechtshulp hadden aangevraagd, was weduwe. Op basis van de status aparte als ‘miserabele personen’ die weduwen hadden, was een groter aantal te verwachten (vgl. Schmidt, Overleven na de dood, 177-180, m.n. noot 46). 31 Vgl. Piant, ‘La petite délinquance’, 444; Dinges, Maurermeister, 189-193. 32 RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 298. Vgl. Lijten, Het burgerlijk proces, 96. 33 Tussen 1450 en 1650 steeg het prijspeil in Europa flink. Piekjaren in de zeventiende eeuw waren 1652, 1662 en 1675. Merk op dat de verschuivingen van de competentiegrens zich tussen 1652 en 1662 voordeden (De Vries & Van der Woude, Nederland 1500-1815, 42). 34 Helmers, Gescheurde bedden, 197; Piant, ‘La petite délinquence’, 447,451; Broers, Beledigingszaken, 213-214. Ook kon een zaak zich vanzelf hebben opgelost (vgl. Van Velthoven & Ter Voert, Geschilbeslechtingsdelta, 97).

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 281

8.3 onderverdeling van geschillen in de dingboeken van grote zaken

281

Een enkele keer traden schepenen zelf als scheidsmannen op. Ten tijde van de zogeheten kenningprocedure, de voorloper van de rolprocedure, bestond daar een apart ritueel voor, waarbij de schepenen de behandeling van de zaak verplaatsten van de vierschaar naar de schepenkamer bovenin het stadhuis. Daar schaarden partijen zich rond de groene tafel, waar ze hun zaak, zonder een blad voor de mond te nemen, konden verdedigen. In de onderzochte periode 1664-1668 blijkt het ritueel verdwenen.35 Bijna zevenenveertig procent van de verweerders liet na de eerste dagvaarding verstek gaan. Maar daarvan kwam ruim zestig procent later alsnog opdagen. Een défaut was namelijk niet vrijblijvend. Gedaagden die zich niet op de schepenkamer lieten zien, moesten om te beginnen een boete van drie stuivers betalen. Tegelijk verleenden de rechters de eiser toestemming de wederpartij opnieuw te dagvaarden, eventueel zelfs tot drie keer toe.36 Gedaagden verloren daarmee de mogelijkheid om de eis op formele gronden aan te vechten. Verder spraken schepenen in geldkwesties al direct na het eerste verstek een voorlopig oordeel uit, waarin ze de eis alvast toewezen.37 Op deze manier verhoogden ze de druk op de gedaagde om de volgende keer wél te verschijnen en het provisionele vonnis aan te vechten. Bleef een gedaagde ook na de vierde dagvaarding weg, dan was ieder verweer uitgesloten, terwijl de eiser zijn vorderingen en bewijzen kon overleggen op basis waarvan de rechtbank een verstekvonnis wees.38

8.3 Onderverdeling van geschillen in de dingboeken van grote zaken In het nu volgende worden de dingboeken van grote zaken voor de periode 1664-1668 aan een nader onderzoek onderworpen. Zoals al is aangegeven staan daar ook ‘kleine zaken’ in. Onder ‘grote zaken’ verstond het Leidse stadsbestuur vanaf 1660 processen waarin het draaide om eisen hoger dan tweehonderd gulden. De vorderingen in ‘kleine zaken’ lagen daaronder. Idealiter moesten zowel kleine als grote zaken eerst aan het college van vredemakers zijn voorgelegd, alvorens ze door de civiele vierschaar in behandeling konden worden genomen. Maar dat blijkt in 1664 bij nader onderzoek maar in ruim een kwart van de gevallen te zijn gebeurd. Blijkbaar stond de vierschaar toe dat partijen de vredemakers regelmatig passeerden. Dit komt voor een deel omdat beide rechtbanken uit dezelfde schepenen bestonden, waardoor de bevoegdheden mogelijk wat door elkaar liepen. Daarnaast bestonden ‘grote zaken’ ook uit willige decreten, willige condemnaties en aanvragen van arrest, cessie, inductie, relief en brieven van in-

35 Zie Nortier, Burgerlijk proces, 49,107 (vgl. hoofdstuk 7, noot 57). In de dingboeken ontbreken verwijzingen naar ‘de gewoente van der schijf’. Toch zullen de schepenen nog het onderscheid tussen formele en informele pleidooien erkend moeten hebben om hun werk als bemiddelaars te kunnen doen. 36 Het college van vredemakers kende maar twee mogelijkheden tot défaut. 37 Groot Placaet-boeck II, p. 695vv, art. 6-8. De vredemakers gingen pas na het tweede défaut over tot het uitspreken van een provisioneel vonnis. 38 Idem, art. 3; Lijten, Het burgerlijk proces, 38.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 282

282

8 de civiele vierschaar

ventaris.39 Dergelijke procedures, die niet voor behandeling door de vredemakers in aanmerking kwamen, betroffen veelal juridische regelingen op verzoek van de belanghebbenden, ook wel voluntaire of oneigenlijke rechtspraak genoemd. Van een geschil was in deze gevallen niet direct sprake; willige regelingen kenden geen winnaars of verliezers. Hooguit speelde op de achtergrond een in de eis niet nader aangeduid conflict.40 Wanneer de willige rechtspraak buiten beschouwing blijft, blijkt in 1664 vierendertig procent van de kwesties in het dingboek van grote zaken eerst voor het college van vredemakers te hebben gediend. Dat houdt in dat tweederde van de eisers direct een proces voor de civiele vierschaar aanspande. Hoeveel er daarvan al in 1663 door de vredemakers waren behandeld, is niet onderzocht. Maar veel zullen dat er niet geweest zijn.41
Tabel 8.2 Verdeling van de onderzochte processen in de dingboek van grote zaken (1664-1668), in vergelijking met de vredemakersboeken (1664). Tussen haakjes staat het aantal vervolgzaken in de rubriek. Dingboek N 31 (0) 62 (2) 1461 (26) 1554 (28) % 2 4 94 100 Vredemakersboek N 270 (51) 7 (4) 1939 (688) 2216 (743) % 13 <1 87 100

Categorie Persoonlijke levenswandel Huwelijk en zedelijkheid Contracten en afspraken Totaal

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 44 F,G; 47 2H,2I.

De zestienhonderd processen in de dingboeken van grote zaken van 1664-1668 kunnen worden opgedeeld in de al eerder toegepaste categorieën ‘persoonlijke levenswandel’, ‘huwelijk en zedelijkheid’ en ‘afspraken en contracten’. In de registers staat, in tegen39 Een ‘willig decreet’ gaf de koper van onroerende goederen, waarvan de verkoper zijn eigendom niet voldoende kon bewijzen, de zekerheid dat derden geen aanspraak meer op het goed konden maken (RAL, SAII, inv.nr. 12, p. 186vv; Van Iterson, Willig decreet, 16-19; Verburgt, Levering van onroerende zaken, 78-94). ‘Willige condemnaties’ volgden op minnelijke schikkingen die de betrokken partijen al buiten de rechtbank hadden bereikt. De gerechtelijke bevestiging verschafte de schikking dezelfde rechtskracht als een gewoon vonnis (vgl. Van Leeuwen, Nederlandse practyk ende oeffening der notarissen, 258-261). Met een ‘arrest’ kon een crediteur de betaling van zijn uitstaande schulden veiligstellen door een debiteur, wanneer hij dreigde te vluchten, tot aflossing te dwingen. Hiervoor was instemming van de eigenaar van de gearresteerde goederen niet nodig. Van voluntaire rechtspraak is in dit geval geen sprake (Van der Linden, Verhandeling over de judicieele practijcq I, 268-269). Met een ‘cessie’ kon een debiteur afstand doen van zijn bezit ten behoeve van zijn crediteuren, wanneer hij of zij niet meer bij machte was alle schulden af te lossen (De Damhouder, Practycke civile, 154-157). Wanneer een schuldenaar in de toekomst nog wel mogelijkheden zag om zijn of haar leningen terug te betalen, bestond de mogelijkheid om door een ‘inductie’ extra tijd te krijgen om de schuldeisers te voldoen (Van der Linden, Verhandeling over de judicieele practijcq I, 408). Middels een ‘relief’ kon een partij zich uit een ongeldige zakelijke verbintenis terugtrekken, bijvoorbeeld omdat hij tot de transactie was gedwongen of ten tijde van de overeenkomst minderjarig was etc. (De Blécourt, Kort begrip, 275; Van der Linden, Verhandeling over de judicieele practijcq II, 174-177). Een ‘beneficie van inventaris’ gaf erfgenamen de mogelijkheid om een boedel eerst te inventariseren alvorens deze te aanvaarden (De Blécourt, Kort begrip, 369-370). 40 Voluntaire rechtspraak stond tegenover contentieuze rechtspraak, waaraan een contentie of twist ten grondslag lag. In het hierna volgende zullen deze vrijwillige regelingen alleen in tabellen worden opgenomen om het relatieve belang ervan uit te drukken. 41 Slechts 2 zaken die in 1665 voor de civiele vierschaar dienden, konden in de vredemakersboeken van 1664 worden teruggevonden. Voor latere jaren ontbreekt een relatie met de vredemakersboeken van 1664.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 283

8.3 onderverdeling van geschillen in de dingboeken van grote zaken

283

stelling tot de vredemakersboeken, bij vrijwel iedere zaak een korte omschrijving, wat de rubricering vrij eenvoudig maakt. Slechts achtentwintig processen bevatten onvoldoende informatie om ze in een categorie onder te brengen, terwijl van achttien processen helemaal geen gegevens bekend zijn. Deze laatste zaken blijven verder buiten beschouwing. Een ander onderscheid is dat de griffier van de civiele vierschaar na een défaut een kwestie niet opnieuw op de rol plaatste, maar alle proceshandelingen in één zaak onder elkaar zette. Dit betekent dat in de dingboeken geen dubbeltellingen voorkomen en ontwikkelingen in een proces vrij nauwkeurig kunnen worden gevolgd. Net als het college van vredemakers kreeg de civiele vierschaar het meest te maken met zaken op het gebied van de ‘contracten en afspraken’, zij het dat het overwicht van deze categorie dit keer nog groter is. Dit komt maar voor een klein deel door een vertekening in de rubriek ‘afspraken en contracten’, waarin ook de vrijwillige rechtspraak is opgenomen. Wanneer die zou worden weggelaten, worden de verschillen tussen beide civiele rechtbanken nauwelijks kleiner.42 De rubriek ‘huwelijk en zedelijkheid’ is bijna negen keer zo groot als in de vredemakersboeken. Omgekeerd is de categorie ‘persoonlijke levenswandel’ met eenzelfde factor verkleind. In het nu volgende zullen de diverse geschillen per categorie nader worden toegelicht. 8.3.1 Persoonlijke levenswandel Belediging Net als bij de vredemakers maakten beledigingszaken het grootste deel van de rubriek ‘persoonlijke levenswandel’ uit. Maar het aantal ligt in de dingboeken van grote zaken wel beduidend lager. Dit komt omdat beledigingen, bijvoorbeeld als gevolg van een scheldpartij, idealiter om een snelle en openbare reparatie van de eer vroegen.43 Het was van belang om direct op de juiste manier in de tegenaanval te gaan en ten overstaan van iedereen die de belediging had gehoord of gezien, de eigen reputatie te verdedigen en de dader te dwingen de gewraakte woorden terug te nemen. Een proces voor de civiele vierschaar duurde voor velen te lang om de schade van een belediging effectief te kunnen repareren. Bovendien was zo’n rechtszaak kostbaar en de uitkomst ervan onvoldoende zeker. Beide partijen konden bijvoorbeeld getuigenverklaringen overleggen en dan was het maar de vraag aan welke de rechters het meeste geloof zouden hechten.44 Vandaar dat bij beledigingskwesties een kwart van de eisers in 1664 voorafgaand aan het geding voor de vierschaar een zaak bij de vredemakers had aangespannen. Maar daar konden zij niet tot overeenstemming komen. Vermoedelijk waren zij op meer uit dan alleen een opgelegde herroeping of amende honorable.45 Ze waren zo diep gekwetst dat daar ook een financiële compensatie tegenover moest worden gesteld, te weten de
42 De categorie ‘afspraken en contracten’ bevat 365 gevallen van vrijwillige rechtspraak (23% van het totaal, 25% van de bewuste rubriek). Worden die weggelaten, dan wordt het plaatje voor de dingboeken van grote zaken (N=1189): persoonlijke levenswandel (31 of 3%), huwelijk en zedelijkheid (62 of 5%) en afspraken en contracten (1096 of 92%). 43 Vgl. Grootes, ‘Bredero’s Spaanschen Brabander’, 63; Dinges, Der Maurermeister, 290-298; Leuker, ‘Schelmen’, 319; Roodenburg, ‘Notaris en de erehandel’, 378-380; Garrioch, ‘Verbal insults’, 116; Idem, Neighbourhood and community, 41. 44 Garnot, ‘Deux approches’, 431-439. Vgl. De Waardt, ‘Ehrenhändel, Gewalt und Liminalität’, 317-318. 45 Zie hoofdstuk 7, par. 7.4.1.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 284

284

8 de civiele vierschaar

amende profitable. De geëiste vergoeding in de dingboeken lag meestal ver boven de tweehonderd gulden, de competentiegrens van de civiele vierschaar bij grote zaken. Gemiddeld bedroeg de vordering vierhonderdvijfenzeventig gulden, wat feitelijk neerkwam op een modaal jaarsalaris. Dat is dus beduidend meer dan de twaalf gulden die het college van vredemakers in een handjevol gevallen bij beledigingen oplegde.46 Hierbij moet worden opgemerkt dat uitgerekend van de beledigingskwesties die eerder aan de vredemakers zijn voorgelegd geen eis bekend is. Ook kwam de vierschaar in die zaken niet tot een vonnis. Doorgaans hing de hoogte van de eis af van de ernst van de belediging zoals de eiser die zelf inschatte.47 Het geld kwam doorgaans ten goede aan de armen in de stad. Daarmee wekt de compensatie meer de indruk van een boete dan van een schadeloosstelling.48
Tabel 8.3 Verdeling van de onderzochte processen voor de civiele vierschaar (1664-1668) waarin moeilijkheden op het gebied van de persoonlijke levenswandel naar voren komen, in personen (T), mannen (M) en vrouwen (V) en aantal zaken (N). Tussen haakjes staat het aantal vervolgzaken in deze rubriek. Personen 1664 Eiser M V 17 1 6 0 2 1 3 0 28 2 Zaken T 1849 6 350 3 30 Gedaagde M V 16 5 7 0 3 0 3 0 29 5 T 21 7 351 3 34 N 18 6 4 3 31 % 58 19 13 10 100

Categorie

Belediging Fraude Geweld Twist Totaal

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 44 F en G.

In vergelijking met de vredemakersboeken zijn de beledigingszaken uit het grote dingboek aanzienlijk gedetailleerder. Zo bevatten ze doorgaans de gewraakte scheldwoorden en vermelden ze de betekenis daarvan voor de eiser, zowel in zorgvuldig gekozen omschrijvingen als in de hoogte van de amende profitable. De gebruikte bewoordingen in de vordering waren van de hand van procureurs, die ook vaak notaris waren. Zij kenden de rechtspraktijk en wisten welke argumenten het in de rechtszaal goed deden. Daarbij waren ze ook bedreven in de kunst van het weglaten. Procesvertegen46 Bij vredemakerszaken werd de eis niet weergegeven en moet voor een vergelijking dus op de vonnissen worden afgegaan. Overigens eiste één keer een benadeelde voor de civiele vierschaar een amende profitable van slechts vijfentwintig gulden. Wellicht speelde hierbij mee dat hij tegelijk om strafrechtelijke vervolging van de gedaagde vroeg (RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 210 (4-21666)). De zaak is niet van een vonnis voorzien. Tot een strafrechtelijke vervolging kwam het evenmin. 47 Zie onder meer: RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 283 (18-4-1666). Vgl. De Groot, Inleidinge, III.35,2. 48 Zie bv. RAL, ORA, inv.nr. 44 G, p. 8 (2-9-1666); Broers, Beledigingszaken, 169. Vgl. Van Leeuwen, Het Rooms-Hollands-Regt, IV, 37.1. Soms werd het aan de schepenen overgelaten om een doel voor het geëiste geld te bepalen (RAL, ORA, inv.nr. 47 F, p. 283 (18-4-1666)). 49 In één zaak was de eiser een echtpaar; in een andere kwestie was de eiser een ongespecificeerde groep erfgenamen. Deze laatste is niet meegerekend. 50 Eén van de eisers waren de voogden van een weeskind. Deze zijn niet nader aangeduid en niet meegeteld. 51 Eén keer waren de gedaagden niet nader aangeduide voogden van een weeskind. Zij zijn niet meegeteld.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 285

8.3 onderverdeling van geschillen in de dingboeken van grote zaken

285

woordigers gaven in hun teksten bijvoorbeeld alleen de scheldwoorden van de tegenpartij weer – de meest bezwaarlijke zoveel mogelijk woordelijk – en voorzagen deze van een moreel oordeel, zoals ‘een zeer kwade, enorme ende onverdragelijke injurie, strekkende om de eiser van zijn goede naam en faam te beroven’.52 Eventueel aanstootgevend gedrag van de eiser lieten ze weg, net als bij notariële attestaties het geval bleek. Alles werd in het werk gesteld om de gedaagde zwart te maken en de eiser zo onschuldig mogelijk te laten lijken. Mannen werden vaak beschuldigd van professioneel wangedrag. Gangbare scheldwoorden als ‘dief’ en ‘schelm’ trokken iemands betrouwbaarheid en daarmee de kredietwaardigheid in twijfel. Hetzelfde gold voor de meeste andere scheldwoorden. Had de man in kwestie zich niet verrijkt ten koste van zijn geldschieters? Een dergelijke verdenking was gezien het economische belang van het kredietsysteem, voldoende om iemands reputatie grote schade toe te brengen.
Tabel 8.4 Scheldwoord Dief Schelm Duivel Guit Fielt Vagebond Scheldwoorden tegen mannen in de dingboeken van grote zaken (1664-1668). N 7 4 2 2 1 1 Scheldwoord Landverrader Uitzuiper Hoerendop Schaggelaar Rossiaan N 1 1 1 1 1

Bron: RAL, ORA, inv.nr. 44 F,G .

Het overzicht van tabel 8.4 geeft een enigszins vertekend beeld. Variaties als ‘dubbele dief’ of ‘oude duivel’ zijn er niet apart in opgenomen. Bovendien is een aantal scheldwoorden afkomstig uit één zaak. Zo werd Dirck Smith op drie maart 1666 door Claes Gerritsz. Peltenburch publiekelijk uitgescholden voor een ‘landverrader’, een ‘deugniet’ en een ‘uitzuiper’. Dirck zou dus volgens Claes een uiterst onbetrouwbaar persoon zijn [deugniet] en iemand die anderen van hun geld en goed beroofde [uitzoop] door woeker. Zelfs de Republiek zou bij hem niet veilig zijn. Mogelijk kwam Dirck Smiths familie uit Engeland; niet toevallig, want in 1666 was de Tweede Engelse Oorlog nog in volle gang.53 Ook Neeltje Damin de Vet, de vrouw van Claes, mengde zich in de strijd. Zij beet Dirck onder meer toe: ‘Jou landverrader, jou uitzuiper, hoerendop, schaggelaar’. In haar ogen was Dirck niet alleen in zijn beroepsuitoefening onbetrouwbaar [schaggelaar], ook op seksueel gebied deugde hij niet. Hoerendop kan zowel worden vertaald met hoerenwaard als met hoerenloper. In het eerste geval trok Neeltje de kuisheid van Dircks vrouw in twijfel, in het tweede geval zou hijzelf over52 RAL, ORA, inv.nr. 44 F (31-5-1665). 53 Helaas is dit niet goed meer na te gaan, gezien de vele Dirck Smiths die in Leiden woonden. Het NH-ondertrouwboek bevat alleen al acht verschillende Dirck Smiths. Eén van hen was soldaat uit Engeland.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 286

286

8 de civiele vierschaar

spelig zijn. Hoe het ook zij, Dirck voelde zich buitengewoon beledigd en eiste van Claes en zijn vrouw een amende honorable én een financiële compensatie van maar liefst duizend gulden.54 De zaak eindigde zonder veroordeling.55 Onder de eisers bevonden zich in de onderzochte periode nauwelijks vrouwen. Het is daarom niet goed mogelijk om op deze plaats dieper in te gaan op de scheldwoorden die voor vrouwen bestemd waren. Slechts één keer komt in de dingboeken van grote zaken het begrip ‘dikke duivel’ voor, waarbij ‘duivel’ in dit geval staat voor een gewetenloze vrouw.56 De woorden waren gericht aan Elsje Hendricx de Brinck, de vrouw van een spekkoper. Overbuurvrouw Marijtje Gerritsd. had haar in het vroege voorjaar van 1666 zo genoemd omdat Elsje geld uit haar toonbank zou hebben gestolen. Dit ‘bewees’ Marijtje met de suggestie dat haar overburen zo naar binnen konden kijken en dus moesten weten waar haar geld lag. Verder zette ze de aantijging kracht bij door zich omstandig op de borst te kloppen.57 Maar het meest probeerde de vrouw haar omgeving te overtuigen door de beschuldiging voortdurend te herhalen. Blijkbaar slaagde ze daar goed in. In juli zag Elsje zich genoodzaakt een attestatie te laten optekenen bij een notaris.58 Maar dat lijkt weinig te hebben geholpen. Twee maanden later kwam het uiteindelijk tot een proces voor de civiele vierschaar. De eis bestond uit een amende honorable en profitable ter grootte van tweehonderd gulden. De verdediging reageerde pas na drie dagvaardingen en pleitte voor het niet ontvankelijk verklaren van de eis. De zaak verdween zonder vonnis uit de dingboeken.59 Het destijds meeste gebruikte scheldwoord voor vrouwen, ‘hoer’, waarmee hun kuisheid of seksuele betrouwbaarheid in twijfel werd getrokken, ontbreekt in de dingboeken tussen 1664 en 1668.60 Wel is van een uiterst summier beschreven zaak uit 1664 een notariële attestatie terug te vinden. Daarin valt het woord ‘hoer’ wel. De getuigenverklaring is echter opgesteld in opdracht van de gedaagde partij, Marija Ariensd. Zij liet daarin een buurvrouw verklaren dat haar tegenstanders, Johan del Homel en zijn vrouw, bij wie ze als dienstmeisje werkte, de kwestie waren begonnen door haar valselijk van diefstal te beschuldigen. Toen Marija namelijk om uitbetaling van haar loon vroeg, hadden Johan en zijn vrouw dat geweigerd omdat ze een zilveren lepel van hen zou hebben ontvreemd. Daarop schold Marija Johan uit voor ‘guit’ en ‘schelm’.61 Dit kwam haar op een oorvijg van diens vrouw te staan.62 Marija bond in en vertrok, terwijl
54 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 283 (18-4-1666); vgl. Gowing, ‘Language, power and the law’, 37. 55 De partijen kunnen buiten de rechtbank om een oplossing hebben bereikt (Piant, ‘La petite délinquence’, 447,451). Maar ook kan het geld om verder te procederen op zijn geweest (Broers, Beledigingszaken, 213-214). 56 Zie ‘duivelin’ in het WNT. Vgl. Dinges, Der Maurermeister, 224. 57 Op de borst kloppen gaf uiting aan verontwaardiging of een nadrukkelijke bevestiging. 58 RAL, ONA, inv.nr. 1099, nr. 90 (12 juli 1666). 59 RAL, ORA, inv.nr. 44 G, p. 8 (2-9-1666). De procureur stelde in zijn eis dat ‘IJder een is verplicht te leven sonder ijemant in de wereld en bijsonderlijck mede sijn gebuijren te injurieren en sulcx denselven in desselffs eer, goede naem ende faem te laederen en quetsen’. 60 Hoererij omvatte zowel bandeloos gedrag, overspel en ontuchtig gedrag als betaling voor seksuele handelingen. Vgl. Van der Heijden, Huwelijk in Holland, 94,95; Dinges, ‘Geschlecht und Ehre’, 181; Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 73,74; Garrioch, ‘Verbal insults’, 112. 61 Een ‘guit’ is een leegloper of schooier en met ‘schelm’ wordt een schurk of boosdoener aangeduid. 62 Over het algemeen sloegen mannen niet zomaar vrouwen. Dat was weinig eervol. Vandaar dat de vrouw van Johan del Homel de oorvijg uitdeelt, nadat haar man door Marija was uitgescholden (vgl. Dinges, Maurermeister, 372,373).

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 287

8.3 onderverdeling van geschillen in de dingboeken van grote zaken

287

Johans vrouw haar nariep: ‘hoer, hoer’. Daarbij zou ze Marija ook tegen haar achterste hebben geschopt. Een andere getuige, opnieuw een buurvrouw, suggereerde dat er wellicht meer aan de hand was dan alleen het weigeren van dienstloon wegens een vermeende diefstal. Johan zou Marija ook een gouden ring hebben aangeboden.63 Wilde Marija doen geloven dat haar meester haar wilde verleiden? In dat geval lijken ook het scheldwoord ‘hoer’ en de trap onder het achterwerk, als zetel van de oneer, meer op hun plaats.64 Hoe dan ook, het waren uiteindelijk Johan en zijn vrouw die Marija wegens belediging voor de civiele vierschaar daagden. Marija’s insinuaties vormden een gevaar voor Johans reputatie als eerzame echtgenoot.65 De zaak bleef zonder vonnis. Ook de eis is niet weergegeven.66 Slechts twee keer in de onderzochte periode deden de schepenen uitspraak in een beledigingszaak. Eenmaal bleef deze beperkt tot de vaststelling dat de rechtbank de betrokken partijen had weten te verzoenen.67 Waarschijnlijk had het forum in een arbitragepoging een schikking voorgesteld die door beide kemphanen was aanvaard. De gedaagde moest in dat geval zeggen dat de eiser een man of vrouw van eer en deugd was, terwijl de eiser op zijn beurt geacht werd het proces te staken. Van een rechterlijk vonnis was zodoende geen sprake.68 De tweede uitspraak veroordeelde de gedaagde tot het vragen van vergiffenis.69 In zekere zin, hoewel het niet zo genoemd werd, kwam dit neer op een amende honorable. Onbekend is of de eiser ook om een amende profitable had gevraagd, aangezien de eis in de zaak niet is weergegeven. Maar dat lijkt wel waarschijnlijk. In de vorderingen die wél vermeld zijn, gingen ‘eerlijke’ en ‘profijtelijke’ betering hand in hand. Daarmee lijkt het erop dat rechters, wanneer in het zeldzame geval dat geschilvoerende partijen hun zaak tot het eind toe volhielden, vooral belang hechtten aan de amende honorable. Daar waren de schikkingen ook op gericht geweest.70 Het grootste deel van de kwesties is vermoedelijk buiten de rechtbank tot overeenstemming gebracht, bijvoorbeeld met hulp van zelfgekozen scheidsmannen. Verschillende notariële verzoeningsovereenkomsten wijzen daar ook op. Deze werden nadrukkelijk opgesteld om een einde te maken aan lopende processen.71 In principe konden schepenen zelf een schikking voorstellen door als goede mannen op te treden, maar dat is in de onderzochte periode met betrekking tot beledigingskwesties zoals gezegd maar één keer gebeurd. Verwijzingen naar externe arbiters ontbreken in de dingboeken. De meeste buitengerechtelijke overeenstemmingen lijken dus geheel op eigen initiatief van de direct betrokkenen tot stand te zijn gekomen.
63 RAL, ONA, inv.nr. 775, nr. 700 (22-4-1664). 64 Vgl. Van de Pol, Amsterdams hoerdom, 71. Maar het zitvlak kan volgens Dinges, met een verwijzing naar Freud, ook met fecaliën worden geassocieerd, waardoor het naar diefstal zou verwijzen. Het snel vergaren van geld lijkt dan op het vermogen om ‘immer wieder mühelos Ausscheidungen zu produzieren’ (Dinges, Maurermeister, 220). 65 De geruchten waren kennelijk hardnekkig. Immers, wie werd beledigd door zijn mindere (in sociaal opzicht), hóefde niet te reageren (vgl. Leuker, ‘Schelmen’, 319). 66 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 95 (25-6-1664). 67 Idem, p. 51 (z.d.). 68 Vgl. Broers, Beledingszaken, 186. 69 RAL, ORA, inv.nr. 44 F, p. 87 (19-2-1664) 70 Vgl. Broers, Beledigingszaken, 193, 213 71 Zie hoofdstuk 6, par. 6.4.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 288

288

8 de civiele vierschaar

Daarmee past het mobiliseren van de civiele vierschaar en het eisen van hoge bedragen ter compensatie van de geleden reputatieschade in het al eerder beschreven ritueel van Ehrenhandel. Het ging erom de dader tot herroeping van de belediging te dwingen, in ernstige gevallen met hulp van de schepenbank, zonder de bedoeling dat het geschil met een vonnis beëindigd zou worden. Instrumenteel forumgebruik diende daarbij als pressiemiddel. Door een proces aan te spannen deden geschilvoerende partijen een ultieme poging om een slepende zaak uit een impasse te halen. Dit blijkt ook uit de gemiddelde tijdsduur tussen de gewraakte belediging en het begin van het proces voor de vierschaar. Deze beliep zo’n zestig dagen, met uitschieters naar beneden van drie dagen en naar boven van ruim tweehonderd dagen. Eisers maakten dus over het algemeen een weloverwogen keus voor het aanspannen van een rechtszaak. Het oogmerk was steeds het herstel van de situatie van vóór de belediging, niet het verkrijgen van een vonnis. Dader en slachtoffer woonden dikwijls dicht bij elkaar. Zij moesten ook na de gepleegde feiten verder met elkaar en de buurtgenoten. Gerechtelijke uitspraken brachten zelden een echte oplossing van het conflict. Ze maakten veeleer een definitief einde aan relaties tussen buren dan dat ze deze herstelden.72 Zoals al is opgemerkt waren zo goed als alle eisers in de subcategorie ‘belediging’ mannen. In twee gevallen was sprake van een echtpaar als eiser. Ook onder de gedaagden bevonden zich veel mannen. Van de vijf vrouwen werden er twee samen met hun man gedagvaard en één met haar vader als voogd; de andere twee verschenen alleen, maar waren wel getrouwd. Dit beeld wijkt sterk af van de beledigingskwesties uit de vredemakersboeken. Daar bestonden de eisers en gedaagden voor een belangrijk deel uit ongehuwde vrouwen die zich te weer moesten stellen tegen verdenkingen van onkuisheden. Voor de civiele vierschaar werden vooral zakelijke belangen verdedigd. Eenderde van de eisers was koopman. De overigen waren werkzaam als bakker, brandewijnverkoper, pachter van de brandewijnaccijns, brouwer, chirurgijn, loodgieter en zilversmid.73 Ook de meeste gedaagden hadden zelfstandige beroepen, met een dienstmaagd als uitzondering.74 Voor hen was het voeren van een civiel geding een bereikbare mogelijkheid als dat voor eerherstel nodig was. Ongehuwde vrouwen waren duidelijk niet in de positie om hun eer voor de civiele vierschaar te verdedigen. Ze beschikten niet over het geld en overzagen de complexiteit van de procesvoering onvoldoende om een pro-deoprocedure aan te vragen. Andere manieren om op beledigingen te reageren, waren voor hen aantrekkelijker. De stedelijke elite stapte evenmin naar de stedelijke rechtbank bij een belediging. Beschimpingen van mensen met een beduidend lagere status kon zij doorgaans eenvoudig negeren. Wie overheidsdienaren in functie beledigde, liep veeleer kans op een proces aan het Hof van Holland. En wanneer repre-

72 Egmond, ‘Recht en krom’, 3; Garrioch, Neighbourhood and community, 38, 227; Sharpe, ‘Such disagreement’, 175. Vgl. Lis en Soly, ‘Goede buur’, 106,107. 73 Van 4 van de 17 eisers is geen beroep weergegeven. 74 Slechts 9 gedaagden zijn van een beroepsaanduiding voorzien: brouwer (2x), dienstmaagd, hoedenmaker, loodgieter, predikant Lutherse kerk (2x), timmerman en viskoper.

06008_hoop_H08

22-05-2006

11:16

Pagina 289

8.3 onderverdeling van geschillen in de dingboeken van grote zaken

289

sentanten van de elite elkaar beledigden, losten die dat vaak op een andere, meer informele wijze op, bijvoorbeeld door ingrijpen van de eigen familie.75 Fraude Het aantal fraudekwesties in het dingboek van grote zaken is beperkt. Het register bevat er tussen 1664 en 1668 maar zes. Steeds ging het om gesjoemel met de stedelijke belastingen. Dit waren criminele vergrijpen, die door de schout op ordinaire wijze, dus volgens de rolprocedure werden vervolgd, al dan niet samen met de benadeelde belastingpachter.76 Drie keer was sprake van fraude met zogeheten biercedulen, schriftelijke bewijsjes dat de eigenaar ervan de bieraccijns betaald had. Het was brouwers en bierdragers ten strengste verboden om de betalingsbewijzen onderling te verhandelen. Ook mochten bierdragers volgens hun eed geen biervaten verkopen of exporteren waarvan het bonnetje ontbrak. Verder was het schenken van drank, waarover geen accijns was betaald, strafbaar. Wie de regels overtrad, riskeerde een flinke boete, een werkverbod en zelfs een gevangenisstraf.77 De sancties waren mede zo zwaar omdat de bieraccijns een van de voornaamste stedelijke inkomstenbronnen was. Bovendien maakte de hoogte van de impost fraude lonend, zo wist ook het stadsbestuur.78 Pachters van de bieraccijns en hun klerken hadden de taak om goed op eventuele fraude te letten. Wie bedrog op het spoor kwam, moest dat aan de schout melden. Die diende er vervolgens werk van te maken.79 Het is opmerkelijk dat tussen 1664 en 1668 het aantal gevallen van fraude met de bieraccijns zo klein is, gezien de vele brouwers, bierdragers en bierverkopers in de stad. Daar komt nog bij dat twee van de drie betreffende kwesties eigenlijk één zaa